summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:17:36 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:17:36 -0700
commit4dfb4f1b873a60378b1e4b32c60d7e180988032d (patch)
tree890e85d4b5d5f895c46464bebcaedb8d54970925
initial commit of ebook 25515HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--25515-8.txt5639
-rw-r--r--25515-8.zipbin0 -> 115417 bytes
-rw-r--r--25515-h.zipbin0 -> 124403 bytes
-rw-r--r--25515-h/25515-h.htm5345
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
7 files changed, 11000 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/25515-8.txt b/25515-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..bd144d1
--- /dev/null
+++ b/25515-8.txt
@@ -0,0 +1,5639 @@
+Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De roman van den schaatsenrijder
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: May 18, 2008 [EBook #25515]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER ***
+
+
+
+
+Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman
+and the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Nieuwe Romans
+
+ Cyriel Buysse
+
+
+ De Roman van den Schaatsenrijder
+
+ Maatschappij voor Goede en Goedkoope
+ Lectuur te Amsterdam--1918
+
+
+
+
+
+
+
+DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER
+
+EERSTE DEEL
+
+
+
+I
+
+Het kleine plekje bij den Lusthof
+
+
+Ik wil u een en ander vertellen uit het leven van een schaatsenrijder.
+
+Die schaatsenrijder ben ik.
+
+Ik heb zóóveel, in verschillende landen, op schaatsen gereden, dat het
+schaatsenrijden in mijn leven een stuk leven op zichzelf geworden is.
+
+Ik herinner mij nog die jonge, sterke jaren mijner jeugd, met die
+lange, saaie winters buiten, waar het ijs dan eensklaps, als onder
+de macht eener tooverroede, kleur en fleur en beweging in bracht.
+
+Het was er ineens, na eindelooze dagen van grijze eentonigheid; ineens,
+op een frisschen, prikkelenden morgen: velden en boomen wit-berijpt,
+de harde grond klinkend onder de voetstappen, de neusgaten der paarden
+dampend en de zon die nevelig-oranje aan den blauw-wazigen einder
+oprees met korte, gouden stralen, die alom miljoenen en miljoenen
+diamanten deden fonkelen.
+
+Even buiten 't dorp, op korten afstand van ons huis, lag de
+Lusthof. Die Lusthof heette te zijn het zomerverblijf van den
+dorpsnotaris. 'n Zonderlinge fantaisie! Een villa-achtig gebouwtje
+in roode steen met châlet-dak, zoo iets als men ziet afgebeeld op
+goedkoope chromos en prent-briefkaarten. Het lag aan den voorkant
+langs den trekweg van 't kanaal en aan de achterzijde grensde het aan
+een stuk weiland, dat gedeeltelijk tot lusttuintje was ingericht. Er
+stonden banken, er waren priëeltjes, er lag een vijvertje met roode
+vischjes en een fonteintje, dat tusschen rotsblokken van sintels
+opspoot; en op een grasveldje prijkte een groote, glazen bol, waarin
+de gansche omgeving zich wanstaltig en gedrochtelijk weerkaatste.
+
+De dorpsnotaris, die in het dorp zelf, op nog geen tien minuten
+afstands, een prachtig oud huis, met een heerlijken, uitgestrekten
+tuin bewoonde, kwam 's zomers, op den Lusthof, af en toe enkele uren
+doorbrengen. Een onzinnig idee, een dorpsprotserige aberratie, om te
+kunnen zeggen, dat hij een "binnen" en een "buiten" had. Hij deed er
+niets; er was ook niets te doen; hij liep een paar keer rondom zijn
+onnoozel tuintje, keek naar de schaarsche bloemen en deed even het
+fonteintje spuiten; en ten slotte ging hij zitten op een bank tegen
+den achtergevel van het huis, waar hij dan nurksch bleef vóór zich
+uit staren, tot hij er eindelijk genoeg van had en met trage, stramme
+schreden door de velden naar het dorp terugkeerde. De villa zelve,
+voor zoover ik weet, is nooit ook maar één enkelen dag bewoond geweest.
+
+Wat voor mij en een paar andere jongens van mijn leeftijd de
+aantrekkelijkheid van den Lusthof uitmaakte, was het kleine stukje
+weiland dat achter het tuintje lag en geregeld 's winters onder
+water liep. Dat kwam zoo omdat de gekke notaris de eene helft van
+het stuk weiland, dat hij in lusttuin had herschapen, eenigszins
+had laten ophoogen en daardoor al het water naar het laag-liggend
+gedeelte had gedreven. Het vormde daar een soort plasje van niet
+meer dan een paar honderd vierkante meters oppervlakte en zóó ondiep,
+dat het dadelijk bevroor en zonder eenig gevaar kon bereden worden,
+terwijl er op de grootere wateren nog in de verste verte maar geen
+sprake was van schaatsenrijden.
+
+Daar, op dat plekje, heb ik als jonge jongen mijn eerste
+schaatsenschreden gewaagd. O, dat _eerste_ komen op het maagdelijk
+ijs, het donker ijs, donker als water, met het gras dat er nog groen
+doorheen schijnt, als door een schoonen, breeden spiegel! Zal het
+reeds dragen, na die slechts een of twee nachten vorst, of zal het
+kraken en breken, met modderig-opspattend water, over den mooien,
+gladden spiegel? Een voet gewaagd en eens gedrukt. Het kraakt, er
+komen sterren in, maar het schijnt toch te kunnen dragen. Jawel, het
+draagt, het draagt; het kraakt al minder een eind verder; ik schuif
+er glijdend overheen; ik voel mijn hart popelen en mijn oogen stralen;
+ik keer terug naar den kant en bind met hijgende haast mijn schaatsen
+aan. Ik ben alweer de eerste, de éérste; ik geef het mooie voorbeeld,
+dat straks met uitgelaten vreugde door de verraste schooljongens
+nagevolgd zal worden. Ik sta op mijn schaatsen op het maagdelijk
+donker ijs, ik rijd er overheen, ik voel mij zweven als een vogel,
+een dolle blijheid zweept mij op, er bestaat niets meer voor mij op
+de wereld behalve het verrukkelijk genot van 't schaatsenrijden!
+
+De zachte zon rijst hooger aan den einder en glinstert over
+de wonderschoone tooverwereld van zilveren rijp en fonkelende
+diamanten. Daar ligt het dorpje stil te baden in die heerlijkheid,
+met de cijfers en de wijzers van de uurplaat op den kerktoren die
+tintelen als goud; daar staat de oude, houten molen droomerig op zijn
+berm, als een sterke, kalme reus, die met gekruiste armen in starende
+bespiegeling van al zijn vroegere vermoeienis schijnt uit te rusten;
+daar komen in de verte reeds de schooljongens, die nog niets vermoeden,
+die mij nog niet zien en als een troepje uitgelaten vogels klepperen en
+snateren, de kragen opgetrokken, de schouders huiverend, de verkleumde
+handjes in hun dikke, wollen wanten. Maar eensklaps hebben zij mij
+ontdekt en zij komen gevlogen; en in een oogwenk is het ijsveldje vol
+van hun drukte; en zij rennen, glijden, struikelen, buitelen en vallen,
+terwijl het alom luid opdreunt van hun dolle, wilde, uitbundige pret.
+
+Maar.... daar komt meteen over het veld een strenge, stramme, donkere
+gestalte aan: meneer de dorpsnotaris, bezitter van den Lusthof en van
+'t verdronken stukje weiland, dat er bij behoort!
+
+De pret verstomt, de jongens dringen stil en schuchter op een
+hoekje bij elkaar. Ik voel een groote, gróóte droefheid als 't ware
+verstijvend over mij neerkomen en rijd nog slechts met lustelooze
+slagen door. Wat zal hij zeggen! Zal hij onze vreugd verstoren, ons
+met ruw gebaar, tyranisch van het heerlijk ijsveldje wegjagen! Daar
+is hij. Met stramme beenen komt hij uit den hollen landweg, schrijdt
+dwars over het weiland, langs den rand van het ijs heen, blijft daar
+even onbewegelijk staan kijken.
+
+Hij zegt niets, maakt geen gebaar, schreeuwt geen bedreiging
+uit. Ik rijd maar door, en doe mijn uiterste best om kalm en mooi
+te rijden. Wie weet: misschien interesseert het hem, misschien kan
+dàt hem nog vermurwen! Dat duurt zoo enkele minuten, in knellende
+onzekerheid. Steeds roerloos staan de jongens op een hoopje, als
+versteend door mijn durf, zonder zelven nog iets te durven. Dan gaat
+hij eindelijk langzaam heen. Wij verademen, verádemen! Maar nog even
+staat hij en dadelijk weer prangt de griezeling. Zal hij nu toch.... op
+'t laatste oogenblik.... toen alles reeds gered scheen....? Neen; wat
+hem daar nog even geboeid houdt is een molshoopje, niets anders dan een
+versch molshoopje in 't korte gras. Hij trapt het open met den voet,
+en goddank is hij eindelijk weg, weg op zijn schrale, stijve beenen,
+door zijn hekje, in zijn onnoozel tuintje, waar het spuitfonteintje
+nu gestold is, maar waar de gedrochtelijke glazen bal potsierlijk
+glinstert in de heerlijk-stralende winterochtendzon.
+
+Als een troep jubelende musschen vliegt de knapenbende dadelijk weer
+joelend over 't ijs. Zij rennen en glijden en zwieren daar nog een
+poosje rond en dan spoeden zij zich huiswaarts, om algauw wat te
+gaan eten en daarna terug te komen, met ijssleedjes en schaatsen,
+voor den ganschen, langen namiddag, want zij hebben vrij dien middag,
+niet omdat er ijs ligt, maar omdat het een donderdag is.
+
+
+
+
+II
+
+DE "WAL" VAN 'T ARMENHUIS
+
+
+Het kleine ijsveldje achter den Lusthof voldeed ons echter slechts
+zoolang en in zooverre er geen betere gelegenheid te vinden was. Het
+was al spoedig "doodgereden" en als het door bleef vriezen wendden
+onze gretige jongensoogen zich gauw genoeg naar een andere richting.
+
+Op korten afstand van het dorp lag het Armenhuis, omgeven door een
+prachtigen "wal." Daar was het heerlijk te rijden, maar het ijs moest
+eerst goed sterk zijn, want de wal was diep en had menige gevaarlijke
+plaats. Elken dag, vóór of na ons sjouwen bij den Lusthof, gingen
+wij er eens naar kijken en het ijs probeeren, tot het eindelijk als
+een jubel- en triomfkreet weerklonk:
+
+--De wal van 't Oarmhuis ligt stirk!
+
+Van dat oogenblik af, was het peuterveldje achter den Lusthof
+definitief verlaten.
+
+Wij kwamen met onze schaatsen bij den vijver van het Armenhuis en 't
+was een heele durf om er den eersten voet op te zetten. Ik herinner
+mij meer dan eens daarheen gegaan te zijn en ook teruggekomen, zonder
+mijn schaatsen te durven aantrekken. En ik herinner mij ook hoe Guus
+Boevers, de waaghalzige zoon der groote boerderij, welke daar aan
+den oever lag, ons eens minachtend om onzen angst bespotte en zelf,
+in dolle vermetelheid, de eerste schreden op den dichtgevroren vijver
+deed. Hij was groot, zwaar, lomp en dik en ik zie hem nog met geweld
+op zijn breede klompen over 't ijs loopen, dat zienderoogen onder
+zijn gewicht inzakte en akelig kraakte, alsof het ieder oogenblik zou
+barsten. Maar het barstte niet en de waaghals kwam behouden terug aan
+den oever en lachte ons uit en vroeg ons of we soms een varkensblaas
+om onzen hals wilden binden, zoodat we niet zouden verdrinken als we
+doorzakten. Toen schaamden wij ons diep en bonden onze schaatsen aan.
+
+Dat rijden op den vijver van het Armenhuis was een emotievol en
+rijk-afwisselend genot. Het had iets griezeligs en tevens iets
+gezelligs, dat andere ijsbanen niet hadden. 't Was eerst een
+lange, rechte, tamelijk breede sloot, dan een bruuske, korte,
+smalle bocht tusschen rechts en links overhangende struiken, dan de
+eigenlijke vijverkom, breed en mooi, met een begroeid eilandje en een
+eendenhuisje in het midden, dan weer een bocht, en een vernauwing en
+eindelijk een tweede rechte lijn met een gewelfde steenen brug er
+over, die zich, na een laatste, breede bocht, bij de eerste rechte
+lijn aansloot. Zoo vormde het gansche erf van 't Armenhuis een
+tamelijk groot eiland, waarop allerlei gebouwen stonden: de lange,
+geelgekalkte, twee-verdiepingen-hooge vertrekken der oude-mannetjes en
+oude-vrouwtjes, het hospitaal, de keukens, de kerk, de boerderij. Er
+was daar altijd leven en beweging. Hier zag men de oudjes met moeite
+kuieren, gebogen steunend op hun stokjes, of roerloos zittende in een
+lange rij op een bank in de zon langs een muur, de stokjes, waarop
+hunne handen leunden, dan gekneld tusschen hun knieën; daar waren 't de
+weeskinderen, die kakelend onder elkander op een pleintje speelden of
+hun les op zegden; nog verder was het de bedrijvigheid der boerderij,
+het op-en-afrijden van karren en wagens, 't gekadanseerd geluid van
+dorschvlegels in de schuur, 't eentonig zoemen van een wannemolen. De
+nonnetjes die het gesticht beheerden liepen geruischloos heen en
+weer: stille, zwarte verschijningen met witte borstdoeken en witte
+kapjes, frissche gezichten en zacht-glimlachende oogen, op eens gansch
+onverwacht ergens opduikend om een hoekje, opeens gansch onverwacht
+ergens verdwijnend in een deurtje, als vlijtige, nijvere bijtjes,
+die wel overal tegelijk zouden moeten zijn en zich maar nooit een
+oogenblikje ontspanning of rust mogen gunnen.
+
+Dat alles reden wij voortdurend langs en wij zagen dat alles. En de
+gansche vijver had voor ons een soort van eigen en van eigenaardig
+leven, dat medeleefde in afwisseling en stemming, met wat langs zijn
+oevers al gebeurde of met wat er was te zien. Het eerste rechte eind,
+waar dikwijls langs den muur de oudjes zaten, was als iets strams en
+stijfs en wel vervelend in zijn onbewogen eentonigheid. 't Had iets
+inspannends om daar langs te rijden, alsof de gang verloomde en geremd
+werd over het weerbarstig-schrapend ijs. Maar bij het witte kerkje met
+zijn puntig klokketorentje werd het dadelijk veel lichter. Het was of
+daar iets zachts stond te glimlachen en te troosten; en haast altijd
+was daar ergens om en bij de silhouet van 't een of 't ander nonnetje,
+komend uit het kerkje, gaande naar het kerkje, even naar ons opkijkend
+met ingetogen blik en dadelijk weer de oogen van ons afwendend, zonder
+dat men eigenlijk beseffen kon of het raadselachtig, stille wezen
+ons vermaak wel goed dan afkeurde. Even voorbij het kerkje waren de
+keukengebouwen en daarnaast het hospitaal. En wat wij ook al deden,
+een onoverwinnelijk gevoel van displezier maakte zich daar van ons
+meester. Het ijs lag er steeds onbetrouwbaar en had er een vuilgele
+kleur; en juist in de bocht, de benauwde, smalle bocht waar takken
+van heesters overheen hingen en waar het hospitaal stond, loosde een
+vieze goot haast aanhoudend een grijs straaltje lauwachtig water,
+dat daar het ijs totaal bedierf en ons noodzaakte langs den smallen
+overkant bijna tot in het oevergras te rijden. Wij griezelden van dat
+plekje. Het vergalde ons telkens, bij elken omrit, voor een poosje
+'t genot van den tocht; en wij waren er allen vast van overtuigd,
+dat dat akelig, grijs-lauw water zooiets was als het weeë aftreksel
+van al de ziekten en de kwalen, waaraan die afgeleefde oude mannetjes
+en vrouwtjes al sinds jaren laboreerden. Gek idee en dat zich toch
+zoo onuitroeibaar-sterk in ons frisch en gezond kwajongens-gemoed
+vastankerde! Nu nog, na al die jaren, zie ik duidelijk dat akelig-vies
+waterstraaltje loopen en word ik er nog wee van als ik er aan denk.
+
+Doch wij kwamen spoedig op den grooten, ronden vijver met het
+kleine eilandje en daar was alles wel loutere vreugd en genot. Men
+kon er ruim in lange, breede slagen zwieren, het ijs was er gezond
+en sterk en zuiver en de omgeving liefelijk en riant. Daar lag,
+aan den rechteroever, midden in haar schoonen, naar den vijver
+afglooienden boomgaard, de groote boerderij van Boevers, met roze
+gebouwen en groen-en-witte geverfde deuren en luikjes; daar liep
+een kronkelende landweg, beplant met hooge, forsche eiken en alom
+den vijver groeiden heesters, waarin haast altijd fladderende benden
+sijsjes hingen, lieve geel-en-bruine vogeltjes die zich te goed deden
+aan de verdorde katjes van de elzestruiken en af en toe met fijne
+piepstemmetjes jubel-kwetterden, heel fijn, heel zacht en ingetogen,
+maar met verrukkelijke zilverklankjes, die schenen te getuigen van al
+'t mooie dat ze zingen konden, als ze dat maar wilden.
+
+Daar hielden wij ons altijd gaarne heel lang op. Het kostte moeite
+om er weg te komen. Er was voortdurende afwisseling en men ademde
+er ruim en vrij. Een van de groote attracties was er het leven op
+de boerderij van Boevers. Er was daar altijd iets te doen, iets te
+zien of te hooren en niet zelden kwam de dikke Guus Boevers aan den
+rand van 't ijs staan en bemoeide zich met onze bedrijvigheid. Ik
+kan niet zeggen, dat wij zeer veel van hem hielden. Hij was ons wel
+wat te spotzuchtig aangelegd en wij voelden steeds een beetje angst
+voor hem. Maar het was een levendig-opgewekte kerel, een durver vol
+verrassingen en dat boezemde ons wel belangstelling en ontzag voor hem
+in. Hij kon daar zoo meedoogenloos met ons staan spotten, bewerend
+dat wij knoeiers waren, dat wij niets van 't schaatsenrijden kenden
+en hij ging weddenschappen met ons aan, dat hij, zonder schaatsen,
+op zijn klompen, vlugger den vijver om zou toeren dan wij op onze
+ijzers. En waarachtig, hij deed het; hij kwam met zijn vuile klompen
+op het ijs, tot onze groote ontstemming en ergernis het ijs bemorsend;
+en daar begon de wedren; hij met dreunende reuzenschreden loopend,
+wij naast hem aanrijdend, met zwoegende armen en beenen; en zóó
+reuzesterk en taai was hij, dat hij ons niet zelden overwon. Toen
+juichte hij minachtend en schold ons uit voor luiaards en dreigde
+ons zijn grooten waakhond achterna te zenden, om ons op te porren.
+
+Aan dat beest hadden wij allen een geweldigen hekel en Boevers wist
+dat wel. Het was een groot, sterk dier met gele huid en donkere
+snoet, die meestal, half in half uit zijn hok gelegen, ons roerloos,
+met bloeddoorloopen oogen lag te beloeren, maar die als razend op
+ons afgestoven kwam zoodra Guus Boevers hem maar even losliet. Zijn
+bovenlip stond opgekruld, zijn wreede, witte tanden snauwden, zijn
+grof geblaf klonk hol als uit een ton en hij raasde springend langs den
+oever met ons mede, getergd en verwoed door 't gekras onzer schaatsen,
+alsof hij ons elk oogenblik zou gaan verscheuren. Hij durfde zich
+echter op den vijver niet wagen; telkens probeerde hij met één poot,
+dien hij dadelijk, bij de eerste kille aanvoeling, weer introk, of hij
+lepperde even met zijn zenuwachtige, roze tong over 't ijs, alsof hij
+die geheele breede vlakte hoopte in te slikken om bij ons te komen;
+doch daar bleef het bij, hij durfde niet en wij hadden innerlijke
+pret in onzen haat en afkeer voor het beest, omdat hij machteloos
+was. Maar eens op een ochtend tilde Guus Boevers, die graag zijn hond
+tegen ons ophitste, het monster in zijn beide sterke armen op en kwam
+er zoo mee op den vijver.
+
+Gillend vluchtten wij langs alle kanten weg, als een bende verschrikte
+musschen. Boevers, proestlachend, zette zijn hond midden op de
+ijsvlakte neer en schreeuwde:
+
+--Ala, Baron, pak ze!
+
+Het was een doodsbenauwend oogenblik. Wij zaten allen op het kleine
+eenden-eilandje gevlucht en van daaruit keken wij met kloppend
+hart. Maar onze angst veranderde al spoedig in wild-uitbundig hoon-
+en spotgelach. Nooit heb ik koddiger en belachelijker tafereel
+aanschouwd. De groote hond, doorgaans een en al bloeddorstige
+verscheuringswoede, stond daar als een stramme, gedrochtelijke pop op
+'t gladde ijs en wat hij ook al deed en hoe of hij zich ook inspande,
+geen stap kwam hij verder. Hij gleed voortdurend uit en struikelde,
+zijn dikke, grove pooten schoten van onder hem weg, hij viel op
+zijn achterste, krabbelde met moeite weer overeind, gleed nogmaals
+en viel opnieuw, als een onnoozel sukkelkind, dat zijn allereerste
+schreden waagt. Hij jankte en piepte van ellende, hij hijgde amechtig
+en lepperde weer af en toe met zijn lange, roze tong over het ijs,
+alsof hij het wou opslikken, en zijn wreede oogen loerden gretig
+naar den veiligen oever, het eenige doel waar al zijn krachten naar
+streefden en dat hij machteloos poogde te bereiken.
+
+Wij gilden en sjouwden als wilden op ons eilandje. Wij kwamen er al
+spoedig vandaan en omringden zwermend onzen stumperigen vijand en
+zijn meester. Guus Boevers glimlachte zuur. "Ala, loeder!" schold
+hij op zijn hond en trapte hem vrij onzacht met zijn klompen vooruit,
+waarbij de hond telkens weer jankte en struikelde. Eindelijk was hij
+aan den kant en liep zich druipstaartend in zijn hok verschuilen.
+
+Een luid hoezeegejouw steeg uit de jongensbende op.
+
+--Wacht 'n beetsen; 'k zal ulder goan hên! dreigde Guus, weer op
+ons afkomend.
+
+Wij waren banger voor Guus dan voor zijn hond op het ijs en haastig
+zwierden wij maar eens in volle vaart den vijver rond.
+
+
+
+Wat lijkt dat alles nu lang en ver verleden en toch staat het zoo
+levendig nog in het geheugen! Ik herinner mij nog enkele van die
+jongens en heb ook hun namen onthouden. Er was een Peetse Kins,
+een Bruuntje Geelewie, en er waren drie broeders: Dolfken, Mielken
+en Fontje Vervaet. En een drietal jaren geleden, juist één jaar vóór
+den oorlog, die zoo schandelijk ons mooie land verwoest heeft, was
+ik toevallig 's winters weer op 't dorp en uit oude herinnering ging
+ik eens wandelen tot aan den "wal van 't Oarmhuis" waarop, naar men
+mij vertelde, schaats gereden werd.
+
+'t Was er nog net precies zooals meer dan dertig jaar geleden, in mijn
+jongen tijd. Nog steeds kuierden er de oude mannetjes en vrouwtjes
+op stokjes en krukjes of zaten er peinzend uit te rusten in de zon;
+nog steeds joelden er spelende kinderen op het pleintje vóór de kerk;
+en ook de nonnetjes liepen er nog stil en ingetogen heen en weer;
+en ook het vieze, grijslauw waterstraaltje stroelde nog, het ijs
+bedervend, in de smalle bocht; en over den vijver reden jolig op en af
+de jongens, zooals wij zooveel jaren vroeger zelf hadden gedaan. De
+groote boerderij van Boevers stond daar nog altijd met dezelfde roze
+muren en dezelfde wit-en-groen geverfde deuren en luikjes; en in
+het hondenhok lag er een waakhond; en in de heesters om den vijver
+hingen fladderende benden sijsjes, die van de droge katjes uit het
+elzenhout genoten en af en toe heel zacht en liefelijk kweelden,
+met zilverstemmetjes in ondertoon gehouden.
+
+Ik keek en hoorde dat alles aan met stillen weemoed en emotie. Het
+was iets van mijn eigen, lang vervlogen, jonge jeugd, dat zich daar
+afspeelde. Hoevelen zouden er nog wel in leven zijn van dezen die daar
+met mij rondzwierden, en waar zouden zij wel zijn, en hoe zou het hun
+verder in het leven zijn gegaan? Maar eensklaps bleef ik roerloos
+staan en sperden zich mijn oogen open van verbazing. Wat?.... Wat
+zag ik daar? Was dat niet precies een van mijn vroegere kameraadjes;
+leek dat niet precies op Peetse Kins,.... wàs dat niet Peetse Kins
+in eigen persoon, die slungelachtige, zestienjarige knaap, die daar
+met de anderen ronddraaide! Het was immers niet mogelijk; het was
+gezichts- en zinsbedrog; en toch: hij leek zóó sprekend, dat ik naar
+hem toe ging en op den man af vroeg:
+
+--Hoe hiet-e gij, manneken?
+
+Vreemd keek hij mij aan en een lichte kleur kwam over zijn geelachtige
+wangen. Zijn blauwe oogen schuchterden even en keken naar den grond,
+net Peetse Kins wanneer hij gegeneerd was. Hij glimlachte bedeesd en
+aarzelde met zijn antwoord.
+
+--Hoe hiet-e gij? drong ik nog eens, vriendelijk-bemoedigend aan.
+
+--Beziel Kins!
+
+--Zij-je gij misschien de zeune van Peetse Kins?
+
+--Joaj ik, meniere.
+
+Een stilte. Star keek ik hem aan. Een wereld van herinneringen golfde
+door mijn gemoed.
+
+--En ou voader? Leeft hij nog? vroeg ik eindelijk.
+
+Een weeke glimlach zweefde over 's jongetjes gelaat.
+
+--O, nien hij, meniere, hij es al zeu laaë deud!
+
+Ach! wat trof mij dat pijnlijk! En wat was het vreemd, dat het mij zoo
+pijnlijk trof! In al die lange jaren had ik zelfs niet eens meer aan
+Peetse gedacht. Ik was hem totaal vergeten, ik had hem trouwens nooit
+anders dan even op het ijs gekend en nu boezemde mij zijn levenslot
+eensklaps een zoo diepe belangstelling in.
+
+--Wa was ou voader? vroeg ik zacht.
+
+--Wa blieft er ou, meniere? zei het knaapje, die mijn vraag niet
+scheen te vatten.
+
+--Wa dat hij was? Wa dat hij dee veur zijn bestoan? lichtte ik toe.
+
+--Boereknecht, meniere. Hij es gestorven te gevolge van 'n verhitheid,
+in den oesttijd.
+
+Om ons heen hadden zich van lieverlede de andere bengels in een
+troepje geschaard, benieuwd om te weten wat die vreemde meneer aan hun
+makkertje wel te vertellen had. En over het ijs kwam ook met trage,
+stramme schreden een der oud-mannetjes uit het Armenhuis naar ons toe:
+een klein, bleek ventje met grijze oogen, die mij oolijk aankeken,
+terwijl hij stil glimlachte in zijn vollen, grijzen baard. Hij
+spuwde van zich af een straaltje bruin tabakssap, veegde zijn mond,
+glimlachte inniger en zei:
+
+--Da es toch precies zijn voader, e-woar, meniere?
+
+--Precies, antwoordde ik met overtuiging, zonder verder veel aandacht
+aan het oudje te wijden. Maar hij zelf kwam zich opdringen, duwde
+zijn verschrompeld gezicht onder mijn neus, keek mij strak aan,
+met zijn lachende grijze oogen en ging voort:
+
+--Weet ge 't nog, meniere, den tijd da w'hier al te goar op de wal
+reejen en da Guus Boevers mee zijne greuten hond achter ons kwam?
+
+Verbaasd keek ik het oudje aan. Hoe wist die? Hoe kon hij weten wat
+er destijds.... Ik keek hem aan met scherper aandacht en eensklaps
+kwam het mij voor alsof ik ook dàt gezicht reeds vroeger ergens had
+gezien. Doch waar, in welke verre oorden, in welke lang vervlogen
+tijden? Hij glimlachte, hij bleef maar aldoor glimlachen, zijn oolijke
+grijze oogen strak op mij gevestigd; en eindelijk zei hij:
+
+--Meniere, 'k geleuve da ge mij nie'n herkent.
+
+--Nien ik, 'k 'n herken ou niet, antwoordde ik met volle oprechtheid.
+
+--Bruuntje Geelewie, herinnert-e gij ou Bruuntje Geelewie nie
+meer? glimlachte hij.
+
+Bruuntje Geelewie! Ineens ging mij een helder licht op! En meteen
+herleefde ik vol innige emotie, weer in het ver verleden. Bruuntje
+Geelewie! Mijn tijdgenoot, mijn ijsmakker van vroeger, evenals
+Peetse Kins, evenals Dolfken, Mielken en Fontje Vervaet, en
+zooveel anderen! Was dàt Bruuntje Geelewie, dat sukkelventje uit
+'t oud-mannenhuis, dat stakkerdje, dat menschenwrak! Een grenzelooze
+weemoed greep mij aan en 't was alsof ik mijzelf daar zag staan, oud,
+versleten, gebroken, een ruïne.
+
+--O, Bruuntje, zij-de gij Bruuntje! riep ik, haast niet kunnende
+gelooven.
+
+--Zeker, meniere, zeker, herhaalde het ventje, nog meer verbaasd over
+mijn ontdaanheid dan ik over zijn bedroevende aftakeling. En in korte,
+stil-geresigneerde woorden, vertelde hij mij iets van zijn leven.
+
+Hij had zooveel en hard gewerkt. Tè veel, tè hard, om maar een hoop
+geld te verdienen, zei hij. Hij ging ieder jaar naar Frankrijk, om
+er den oogst te helpen doen. Hij en de andere Vlamingen, die met hem
+medegingen, werkten daar om zoo te zeggen dag en nacht; en daar was
+hij niet sterk genoeg voor, dat had hem geknakt. Hij was er doodziek
+geworden, men had hem naar zijn land teruggebracht en zoo zat hij nu in
+'t Armenhuis, om er zijn leven te eindigen.
+
+Zijn leven te eindigen! Nu reeds! Hoe oud was hij dan wel?
+
+--Twie en vijftig, zei hij glimlachend.
+
+Twee en vijftig! Hij zag er wel zeventig uit! En hij was jonger dan ik!
+
+Ik had daar wel willen weg zijn; en het speet mij, dat ik er gekomen
+was. Ik voelde ineens den afstand, het verleden, al die lange, lange
+jaren loodzwaar op mijn eigen leven drukken. Het kwam mij voor alsof
+ik nog de eenig overgeblevene, de eenig levende was in een oord van
+afgebeulden en van dooden. Maar ik dacht ook weer aan de anderen uit
+dien tijd en wilde weten wat er ook van hen geworden was.
+
+--Guus Boevers? vroeg ik.
+
+--Deud, meniere; verongelukt mee zijn peirden.
+
+--Dolfke Vervoat?
+
+--Euk deud: deudgedronken!
+
+--Mielke Vervoat?
+
+--Noar Amerika.
+
+--Fontje Vervoat?
+
+--Euk noar Amerika.
+
+Ik zweeg. Een pijnlijk heimwee, een stille droefheid sloop in mij
+neer, zoo iets gelijk de stille, grijze, kille mist, die alom over het
+land ging hangen. 't Begon te avonden en te nevelen, een bleeke, roze
+schemering tintte nog vagelijk het westen en in het grijs kerktorentje
+van 't Armenhuis tampte in kadans een klokje. Enkele knapen bonden
+reeds hun schaatsen af en de sijsjes in de elzestruiken waren druk
+onder elkander aan het tjilpen en aan 't piepen, vóór ze zich ergens
+tot de nachtrust gingen wegschuilen.
+
+Ik haalde iets uit mijn zak en gaf het aan Bruuntje. Zijn oogen
+glommen en hij dankte mij vurig. Ik drukte hem de hand tot afscheid.
+
+--Zilt-e nog ne kier weere komen, meniere? vroeg hij, gretig mij
+nastarend.
+
+--Zeker, Bruuntje, zeker.
+
+Maar ik voelde wel, dat ik er niet meer komen zou.
+
+
+
+Wat ben ik in mijn verhaal ver afgedwaald, of, beter gezegd, wat ben
+ik hard den tijd vooruitgeloopen! Want er ligt nog zooveel in mijn
+schaatsenrijdersleven tusschen dat ver verleden en de gebeurtenissen
+van den tegenwoordigen tijd. Ik heb nog niet eens definitief van den
+"wal van 't Oarmhuis" afscheid genomen en dat behoor ik toch te doen
+alvorens verder te vertellen.
+
+
+
+Welnu, onze pret op den "wal van 't Oarmhuis" duurde tot de dooi
+inviel, of.... totdat Stien Smijters "de boantjes kwam vermeurden."
+
+Stien Smijters!.... Ik wed dat nu nog, na zooveel lange jaren, onder de
+hedendaagsche dorpsjeugd aldaar, een traditie van angst, haat en gruwel
+tegen den naam en de herinnering van dien afschuwelijken man bestaat.
+
+Stien Smijters, een voorbestemde naam! Het was, toen ik hem als knaap
+van vijftien leerde kennen, een oude, stoere, grijze, forsche kerel,
+met een kreefte-rood, als 't ware roodgekookt gezicht, waarin twee
+kleine, hard-blauwe varkensoogjes je valsch aanloerden. Nooit heb ik
+dien vent zien glimlachen of lachen. Dat kon hij niet. Altijd stond
+zijn tronie stug en norsch, alsof hij iedereen verdacht van kwaad en
+overal vijanden zag. Het was een slecht gezicht.
+
+Hij was zoowat van alles in het Armenhuis. Toeziener, boer,
+werkersbaas, ik weet niet wat al. Hij had geen vaste taak, doch men
+zag hem overal. Soms reed hij met de paarden, soms stapte hij achter
+den ploeg, soms stond hij als een sjouwer hout te klooven. Iedereen,
+oud of jong, man of vrouw, van klein tot groot, was bang voor hem. Het
+heette, dat hij de menschen soms ranselde met zijn zweep en dat zelfs
+de nonnetjes hem vreesden. Maar zij hadden hem noodig: hij werkte als
+een lastdier en waakte als een hond; hij dronk niet, ging nooit uit,
+eischte niets voor zichzelf en dat alles verwekte een soort eerbied
+en een grenzeloos ontzag.
+
+Ondanks zijn gevorderden leeftijd was hij sterk, ellendig sterk. Ik
+geloof niet dat er een pootiger, sterker kerel in den omtrek was te
+vinden. Wie onder zijn klauwen geraakte mocht beven en sidderen!
+
+Hij zag wel ons spel op het ijs, hoewel hij zich hield alsof hij
+het niet zag. En ook wij hielden hem scherp-nauwkeurig in de gaten,
+omdat wij precies wisten wat wij van hem te verwachten en te vreezen
+hadden. Dat hing heelemaal af van den toestand van het ijs. Stien
+Smijters, die nergens bang voor was, had een doodsangst om te
+verdrinken. Er was geen sprake van dat hij zich op den vijver wagen
+zou zoolang het ijs er niet muurdik en sterk lag, maar eenmaal als
+'t zóóverre kwam, dan waren wij geen oogenblik meer veilig.
+
+Hij joeg ons niet weg, schold ons niet uit, sprak geen woord, maar
+op een of anderen ochtend liep de afgrijselijke treurmare van mond
+tot mond onder de schooljongens:
+
+--Stien Smijters hêt de boantjes op de wal van 't Oarmhuis vermeurd!
+
+Ik herinner mij nog die droefheid, die wanhoop telkens als dat ellendig
+nieuws ons bereikte. 't Was om er bij te schreien en de moedeloosheid
+zonk ons als een onmacht door de knieën. Wij wilden 't nog maar
+niet zoo dadelijk gelooven, er bleef nog een kleine mogelijkheid,
+een zwak straaltje hoop; maar jawel.... zoodra wij bij den vijver
+kwamen zagen wij reeds van op een afstand de ellendige verwoesting:
+overal vierkante bijten met de bijl gekapt, de uitgebroken stukken alom
+over het ijs verspreid en meestal er reeds aan vastgevroren; en, tot
+toppunt van ellende, hier en daar asch en sintels rondgestrooid, zoodat
+alle mogelijkheid van ook nog maar eventjes te rijden onherroepelijk
+verkeken was.
+
+Het is mij slechts één keer gelukt den lammeling zijn vernielingswerk
+te zien verrichten, want hij deed dat meestal 's avonds, gemeen en
+verraderlijk, nadat wij vertrokken waren. Maar dien keer, dien éénen
+keer woonden we 't bij en wij hebben ons gewroken, of liever: hij zelf
+heeft ons gewroken op een wijze waarin ik mij nu nog kan verkneuteren.
+
+Dat was op een zaterdagmiddag, na schooltijd. Wij hadden extra-les
+gehad (extra-les wanneer er ijs is!) en kwamen haastig en hijgend
+met onze schaatsen onder den arm op den vijver aan, toen het reeds
+begon te schemeren.
+
+Hij was bezig!.... Reeds op een afstand hadden wij slagen gehoord,
+als, van een houthakker die boomen velt. En wij dachten werkelijk dat
+men ergens aan 't boomen omhakken was, toen wij hem eensklaps zagen,
+den zwaren rug naar ons gekeerd, groote gaten slaande met zijn bijl in
+'t schoone, sterke ijs!
+
+Onze woede en emotie waren onbeschrijfelijk. Eén wensch steeg als
+een kreet uit aller hart: "Kon hij nu toch zelf maar door het ijs
+zakken en verzuipen!" Doch die wensch hielp niets en een van ons,
+Mielken Vervaet, die meestal niet malsch uitgevallen was, schreeuwde
+hem razend een scheldwoord toe:
+
+--Smeirlap!
+
+Tot onze diepe verbazing ging hij kalm door met ijs hakken, zonder
+in 't minst eenige notitie van de beleediging te nemen. Eerst later
+vernamen wij, dat hij vrij doof was en den uitroep niet gehoord
+had. Maar Mielken, en wij allen, nog heviger geprikkeld door zijn
+ongestoordheid, holden om den vijver heen, kwamen vlak vóór hem
+staan en herhaalden daar een tiental keeren, met gebalde vuisten,
+het beleedigende scheldwoord:
+
+--Smeirlap! Smeirlap! Smeirlap!
+
+Toen keek hij op en verstond. Een soort van schok voer door zijn
+lichaam, hij sprong naar den oever, met zijn bijl in de hand, klom
+op den rand, zich aan de takken optillend, holde ons achterna.
+
+Wij, natuurlijk, hadden reeds het hazenpad gekozen. Wij renden uit
+al onze kracht, heelemaal niet zoo zeker dat wij zouden ontsnappen,
+want hij zat ons nauw op de hielen, toen wij eensklaps achter ons een
+doffen smak en een gil hoorden en, schichtig omkijkend, hem tegen den
+grond zagen liggen. Hij krabbelde weer op, maar, in plaats van ons
+verder na te zitten, zagen wij hem stuiptrekkend tegen een boom gaan
+staan en daar op zijn hoofd een vuilen zakdoek drukken, die dadelijk
+breed-rood gekleurd was. Wij hoorden hem een paar keer kreunend zuchten
+en dan keerde hij zich om, zonder een blik, zonder een woord, zijn bijl
+onder den arm, als een dolle stier, die den genadeslag gekregen heeft.
+
+Ik herinner mij niet meer of wij hem dan ook nog triomfantelijk
+nagejouwd en uitgefloten hebben. Het zal wel zoo iets van dien aard
+geweest zijn. Maar wèl herinner ik mij dat wij ons nooit meer, zoolang
+hij leefde,--en dat heeft nog wel enkele jaren geduurd--op den "wal
+van het Oarmhuis" gewaagd hebben.
+
+Wij hadden ondertusschen andere oefeningsvelden ontdekt.
+
+
+
+
+III
+
+DE MEYLEGEMSCHE MEERSCHEN
+
+
+Even voorbij den Lusthof, achter een soort van dam waarover, dwars
+door het weiland, een steenweg liep, strekten zich ver en wijd de
+Meylegemsche Meerschen uit.
+
+Ik heb steeds een groote liefde gevoeld voor de Meylegemsche
+Meerschen. Iets,--ik weet niet wat--, heeft mij daar altijd, van
+kindsbeen af, aangetrokken en trekt er mij nu nog aan.
+
+Het waren breed-uitgestrekte weilanden, met verre boomen aan den
+einder; gelegen tusschen den begroeiden berm van het kanaal links en
+de opgolvende landouwen rechts, als een wijd en stil-glanzend groen
+meer onder den schoonen, hoogen hemel. De strakke lijn langs het
+kanaal met de evenwijdig van elkaar gespatiëerde boomen, had geen
+bijzondere bekoring, maar de andere zijde, naar de velden toe, was
+een en al liefelijke poëzie. Daar golfden korenakkers, daar somberden
+bosschen, daar strekten zich dreven uit tot ver in 't land; daar
+waren intieme hoekjes, die steeds zonnelachten, daar stonden huisjes
+en boerderijtjes als geschilderd: roze, gele, groene, met pittoreske
+stroodaken en blinkende ruitjes; en er lagen twee kleine dorpen aan
+den rand: Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, elk met een ouderwetsch
+kerktorentje, het eene grijs, het ander wit, die wijd over de boomen,
+de landouwen en de weiden heen, als 't ware reikhalzend en een beetje
+naijverig, van verre naar elkaar stonden te kijken.
+
+Meylegem-Zuid was mij 't liefst. Misschien wel omdat het
+verst-verwijderd en daardoor voor mij zeldzamer te bereiken
+was. Misschien ook wel eenvoudig omdat het Meylegem-Zuid heette en dat
+zuid ons meer aantrekt dan noord. Misschien ook nog, omdat het een wit
+kerkje had terwijl het ander grijs was en dat het witte vriendelijker
+schitterde tusschen het groen dan 't grijze. En misschien eindelijk
+ook wel om iets dat ik mij zelf toen nog niet kon bewust zijn en dat
+zich eerst later openbaren zou. Hoe dan ook, Meylegem-Zuid was mij
+het dierbaarst en een tocht in de richting van Meylegem-Noord was voor
+mij meestal een aanloop om verder tot aan Meylegem-Zuid te geraken.
+
+'s Zomers waren die groote weilanden vol grazende koeien, bewaakt
+door jonge koe-wachtertjes, die er een uitbundig vrij leven van
+kleine wildemannen genoten. Er was daar altijd levenspret en luide
+vroolijkheid; er klonk daar onophoudend juichgezang en zweepgeklap:
+er brandden steeds houtvuurtjes waarin geslachte kikkers en gestolen
+aardappelen gebraden werden en dikwijls zag men gansche benden
+van die bengels, in de verte klein als kabouters, met schepnetten
+de diepe, stille slooten en de snel-vliedende beekjes afvisschen
+en zegevierend naar het dorp terugkomen met glinsterende vangsten
+snoeken en baarzen, die nog amechtig-gapend tusschen de slijmerige
+mazen lagen te spartelen.
+
+Maar in het najaar werd het er stil en verlaten en met November werden
+een paar sluizen in 't kanaal geopend en in enkele dagen stroomde die
+gansche, wijde vlakte vol blond en drassig water. Toen werd het als
+een echte zee, zoo ver het oog kon reiken. Een wondere zee, levend
+het eigen, geheimzinnig leven van een zee, nu eens doodstil zonder
+een rimpeltje, dan weer klotsend, schuimend, bruisend, met echte,
+woeste golven, maar aldoor eenzaam en verlaten, alsof het was een
+oord van ramp en van verdelging.
+
+Behalve voor mij! Ik was intusschen een paar jaren ouder geworden
+en ik bezat een licht en elegant roeibootje, waarmee ik 's zomers op
+'t kanaal ging varen. En zoodra de groote Meylegemsche Meerschen goed
+overstroomd waren, roeide ik in mijn schuitje een eind het kanaal op,
+nam het er uit, droeg het op mijn sterke schouders over den berm heen
+en lei het daar op 't blonde water der verdronken weilanden.
+
+O, ik herinner mij nog zoo goed die heerlijke, opwekkende tochten, die
+overigens niet zonder eenig gevaar waren. Ik had mijn schuitje sierlijk
+opgetooid, er woei een vlaggetje aan de punt,--een wit-en-rood,
+ik zie het nog,--en zoo roeide ik in witte trui met forsche slagen
+naar de dorpjes toe, die daar aan den overkant lagen te schitteren
+of te droomen. Het water kabbelde en spatte, de kleine boot ging
+met de korte golfjes op en neer gelijk een zeeschuitje en af en toe
+raasde het mooie vlaggetje hartstochtelijk in den wind, alsof het
+zich verzetten wilde tegen mijn onzinnig-roekelooze onderneming. Soms
+bleef ik even midden in het breede water steken. Dan zat ik ergens
+op een "bank" en ik moest ploeteren om er af te komen. Soms "voelde"
+ik als 't ware onder mij den diepen afgrond van een sloot of beek,
+en 't had iets griezeligs terwijl ik mij afvroeg hoe ik mij daar
+wel redden zou indien mijn bootje juist op die plaats omsloeg. Maar
+'t bootje sloeg nooit om en ik kwam eindelijk in kalmer water, langs
+den verrukkelijken oeverrand, waar al de pittoreske boerderijtjes en
+de stille dorpjes lagen.
+
+Wat was het daar aardig en hoe leek het alles anders dan het toch
+in werkelijkheid was! Zoo'n dorpje, zoo'n boerderijtje, waar men
+gewend is als voetwandelaar aan te komen en waar men ineens met zijn
+schuitje komt aanleggen, 't heeft iets onwezenlijks, iets geks,
+dat onweerstaanbaar doet glimlachen. En dat deden ook de menschen
+van die dorpjes en die boerderijtjes, wanneer zij mij zoo van verre
+over 't water zagen aankomen. Zij stonden vóór hun huisjes of in
+hun boomgaarden op mij te wachten en 'k viel daar binnen als een
+vreemde, rare vogel, die een wondertocht heeft ondernomen. Het was zoo
+eigenaardig. De laatste bladeren hingen nog goud-en-bruin-glanzend
+aan de heesters en de boomen, en die boomen en heesters stonden tot
+dichtbij het water, soms tot in het water, en dat leek op mijn zoo
+welbekende streek niet meer; het was iets anders, iets feeërisch,
+iets uit de fantaisie van een droom. En het deed mij telkens zoo
+vreemd aan, dat de boeren en boerinnen die daar heen en weer liepen
+toch dezelfde menschen waren, die ik al zoo vele jaren kende; en dat
+zij hun gewone taal spraken en hun gewone bezigheden verrichtten;
+en dat daar koeien en varkens en kippen over het gras liepen; en dat
+daar stoeiende en spelende kinderen waren; en dat daar een waakhond
+vóór zijn hok lag, die hol en schor naar mij blafte, zooals alle
+waakhonden op alle boerderijen doen.
+
+Eerst nadat ik zelf voet aan wal gezet had en den vasten bodem onder
+mijn voeten voelde, kreeg ik het duidelijk besef der welbekende
+werkelijkheid en meteen verzwond mijn illuzie en onderging ik iets
+als een indruk van teleurstelling. Het leek alles zoo gewoon en zoo
+nuchter; de droom daar, op het breede water, was veel schooner;
+en ik spoedde mij terug naar mijn aardig rood-en-wit vlaggend,
+licht schuitje; en als een vrije, wilde vogel zweefde ik er verder
+mee weg over de breede oppervlakte, nu eens naar den eenen oever
+en dan weer naar den anderen, telkens weer door nieuwe illuziën
+verrast en aangetrokken; en zoo kwam ik tot aan 't verste uiteinde
+der overstrooming, tot aan Meylegem-Zuid, dat reeds van verre zijn
+ouderwetsch, zoo liefelijk wit kerkje in den kalmen waterspiegel
+weerkaatste.
+
+De golfjes kwamen er tot aan den voet van 't kerkhof uitkabbelen
+en heel het dorpje van slechts ettelijke huisjes lag daar aan den
+rand: witte huisjes, roze huisjes, blauwe huisjes, groengeluikt
+en kleingeruit, met één enkel, ietwat ruimer gebouw in het midden:
+een tamelijk groote, lage, geelgeverfde herberg, waarop in groote,
+zwarte letters stond geschilderd: _In het Gemeentehuis._
+
+Daar lei ik vast en zeker altijd aan. Want daar was behalve 't
+pittoreske der omgeving, iets dat mijn achttienjarig, frisch-en-vurig
+jongenshart vol romantische illuziën onweerstaanbaar boeide; en dat
+was Tieldeken, de dochter uit 't Gemeentehuis!
+
+Tieldeken was wel enkele jaren ouder dan ik, doch wat deed het er
+toe en hoeveel heele jonge mannen hebben niet hun eerste liefde op
+oudere meisjes of vrouwen gevestigd! Tieldeken kon zoowat vier of
+vijf en twintig jaar zijn en 't komt mij voor alsof ik haar daar
+nu nog levendig en frisch vóór mij zie staan: de wangen blozend,
+de oogen stralend, den mond met witte tanden naar mij toe lachend
+en 't bruine haar rechtop gekamd en ietwat kroezend om de slapen,
+het mooiste haar, dat ik mij herinner ooit gezien te hebben. Voor
+mij was Tieldeken niet alleen de bloem van Meylegem-Zuid, maar ook
+het schoonste meisje dat ik kende in heel Vlaanderen. Zij was het
+levende beeld-zelf der schoonheid van de gansche schoone streek;
+haar onverwacht verschijnen, de eerste maal toen ik daar aanlandde,
+was voor mij geweest gelijk een openbaring; haar wezen glansde als
+'t ware over 't dorpje en de gansche streek en toen ik haar gezien
+had begreep ik diep en duidelijk waarom Meylegem-Zuid mij zooveel
+liever was dan Meylegem-Noord en hoe ook het heele landschap met al
+zijn mooie, intieme, pittoreske poëzie alleen maar scheen te bestaan
+omdat Meylegem-Zuid bestond en omdat op Meylegem-Zuid Tieldeken woonde.
+
+Ik landde aan en meestal ging de glazen portaaldeur van het
+Gemeentehuis als van zelf dadelijk open en daar verscheen Tieldeken
+op den drempel, stralend, blozend, lachend, met den geijkten groet:
+
+--Dag, meniere. Ge zij nog ne keer gekomen?
+
+--Joaj ik, Tieldeken. Hoe goat 't mee ou?
+
+--Ha goed, meniere.... En blozend kwam ze naar mij toe, keek met
+verrukte oogen naar mijn schuitje, sloeg haar handen in elkaar
+en zeide:
+
+--Ho! 'K'n weet toch niet hoe da ge dat durft, in azeu 'n klein
+beutsen over die greute plas!
+
+Dan kreeg ik een kleur; dan vóélde ik mij een kleur krijgen. Want
+wanneer ik zelf zoo van uit Meylegem-Zuid dien grooten plas overkeek
+leek ook mij mijn onderneming een ontzettend waagstuk en kreeg ik den
+indruk dat Tieldeken wel vermoeden kon, dat mij iets zeer-bizonder
+boeiends op Meylegem-Zuid moest aantrekken. Wat dat zeer-bizondere was
+wist ik maar al te duidelijk; en, omdat ik het zoo duidelijk wist,
+kwam het mij voor alsof 't op mijn gezicht te lezen stond en dat
+maakte mij ontzettend schuchter en bedeesd, terwijl ik mijn bootje
+aan den oever vastmeerde en haar in de ouderwetsche herberg volgde.
+
+Soms was het er leeg als ik daar binnen kwam en soms waren er
+klanten. En eigenlijk wist ik nooit precies wat mij wel 't aangenaamst
+was: alleen met Tieldeken of in gezelschap van anderen. Met Tieldeken
+alleen kwam er over mij een gevoel van knellende benauwdheid; en
+als er daar bezoekers waren, dikwijls ruwe, lawaaierige kerels,
+voelde ik mij ook allesbehalve op mijn gemak. Met Tieldeken alleen
+wist ik soms minuten lang geen enkel woord te zeggen, en als daar
+grove boerenkinkels zaten werd ik voortdurend gehinderd en geërgerd
+door hun onbeschaamd optreden, door hun smakelooze grappen, door
+hun ganschen toon en gansch hun houding, die kwetsend en als 't ware
+ontheiligend was, tegenover zulk een mooi, en zacht, en bekoorlijk
+wezen als Tieldeken. Eigenlijk voelde ik mij daar nooit zooals ik
+was, of wezen wou. Iets lag altijd tusschen mij en haar: de sociale
+afstand, de valsche positie waarin ik mij tegenover haar bevond; het
+besef dat zij daar in haar kring was en ik niet en dat maakte haar
+sterk en mij zwak en verlamde in mij elke mooie gelegenheid die ik
+had om van het toevallig alleen-zijn met haar te genieten. Ik kón er
+eenvoudig niet van profiteeren en 't minst voelde ik mij nog bekneld
+wanneer geen vreemde bezoekers, maar wel haar vader of haar moeder
+in de gelagkamer aanwezig waren.
+
+Tieldeken's vader was een reeds bejaarde, dikke man met goed gezicht
+en langzame bewegingen. Men hoorde hem van 'k weet niet hoeverre
+op zijn klompen aankomen en telkens als ik hem zoo hoorde drong
+'t besef in mij door hoe gemakkelijk dat zou gaan om Tieldeken even
+in de zij te knijpen en te zoenen, zonder dat de oude er iets van
+merkte.... als ik het maar had durven wagen om eventjes Tieldeken te
+knijpen en te zoenen. Het was zoo gek: als ik met Tieldeken alleen
+was, durfde ik zelfs aan geen knijpen en geen zoenen denken; maar
+zoodra de vader ergens buiten de gelagkamer langzaam op zijn klompen
+rondliep, kittelden mijn vingers en jeukten mijn lippen om het wèl te
+doen. Maar ik durfde niet, ik durfde niet! En ik leed verschrikkelijk
+onder dat niet-durven en 't was mij als een pak van 't hart wanneer
+de dikke man eindelijk traag binnenklompte en daarmee de bevlieging
+tot zoenen en knijpen onmogelijk maakte.
+
+Tieldeken's moeder was ook al een vrij bejaarde vrouw, met rood
+gezicht en afhangende wangen. Men kon merken dat zij vroeger mooi
+moest zijn geweest, maar een tandelooze mond ontsierde haar heel
+erg en daardoor had haar uitspraak iets lispeligs en brabbeligs,
+dat haar wel eens onverstaanbaar maakte. Zij was ook wat doof en
+dat deed vergissingen ontstaan. Het gebeurde herhaaldelijk, dat
+zij b.v. borrels bracht wanneer glazen bier werden besteld en dan
+ontsponnen zich soms gekke tooneelen. Met haar lispelenden mond kon
+zij niet goed de s uitspreken en als zij "dreupels" wilde zeggen,
+klonk het in haar brabbeltaal alsof zij "dreupelfs" zei.
+
+De boeren spotlachten, bootsten haar verdraaide uitspraak na.
+
+--Dreupelfs! We 'n hên gien dreupelfs besteld. W'hên pinten bier
+gevroagd.
+
+De vrouw werd nijdig:
+
+--G'hêt wèl dreupelfs gevroagd!
+
+--We'n hen gien dreupelfs gevroagd!
+
+--'t Efs zeker, g'hêt wèl dreupelfs gevroagd!
+
+'t Werd een ellendig en bespottelijk gebrabbel en gekibbel en ik
+leed er onder, ter wille van Tieldeken, die dat vernederend gedoe
+moest bijwonen. Ik had die kinkels wel een oorveeg willen geven en
+'t was mij telkens als een gevoel van verlossing wanneer de vader
+traag aangeklompt kwam en door zijn verzoenende bemiddeling aan het
+geschil een einde stelde.
+
+O, die boerenkinkels, wat deden ze soms gemeen en familiair met en
+ten opzichte van 't mooie Tieldeken! Wat ik nooit zou gedurfd hebben:
+eventjes in het voorbijgaan 't mooie meisje in den arm of de lenden
+te knijpen, dat deden ze maar gewoon alsof het niets was en wanneer
+Tieldeken zich ietwat boos maakte en met klappen dreigde, lachten
+zij lomp en grof en maakten soms gewaagde toespelingen, die mij
+'t rood van schaamte en van toorn naar de wangen joegen.
+
+Zoo was er eens een die mij zei, terwijl Tieldeken hem in den kelder
+een glas bier ging halen:
+
+--'t Es 'n malsch poezeken, e-woar, meniere; moar 't es spijtig da
+ze kromme bienen hêt.
+
+Een golf van bloed steeg naar mijn hoofd. Kromme beenen! Daar had ik
+nooit iets van gemerkt. Hoe wist die kinkel....!
+
+--Hè-je da nog nie gezien, meniere! lachte hij om mijn
+verbouwereerdheid. Let-e kier op als ze weere boven komt.
+
+Ik lette op en ja, waarachtig, er was wel iets van aan. Je kon het
+eigenlijk meer raden dan zien; maar toch, er ontbrak iets aan de
+mooie, rechte lijn, die bij zulk een mooi, flink meisje paste. Hoe
+gek, dat ik het nooit had opgemerkt! Nu zag ik het wel degelijk,
+ook aan haar gang, die een ietsje waggelachtigs had, als van een
+lief, jong eendje. Maar tot dusver had ik nooit zoo bizonder naar
+Tieldeken's beenen gekeken. Wat mij in haar boeide was haar frisch
+gezicht, haar stralende oogen, haar mooie glimlachende tanden en ook
+haar poezelige buste en haar malsche heupen, waarin ik zoo graag eens
+had geknepen. Dat vond ik hèt mooie in haar, het ideaal en meteen
+werkelijk--mooie; en de beenen, ach, dat was dan nog voor mij meer
+'t alledaagsche, het gewone, het laag-bij-den-gronde.
+
+Die ruwe pummel, helaas, had met zijn lompe opmerking, iets aan de
+volmaaktheid mijner illuzie verstoord. Wat ik nu ook deed, voortaan
+zag ik altijd, naast Tieldeken's frissche schoonheid, het minder
+sierlijke harer ietwat kromachtige beenen. En dat bedroefde mij,
+terwijl het mij tevens toch ook een soort van troost bracht. Want
+daardoor werd ik soms iets minder smoor-verliefd op Tieldeken en
+voelde niet zoo sterk meer de schrijning bij het afscheidnemen van
+mijn tot dus verre absoluut volkomen en volmaakte ideaal. Er bleef
+mij trouwens nog ruim voldoende liefde en illuzie over.
+
+O, dat afscheid van Tieldeken, ik in mijn licht schuitje en zij aan den
+oever van het breede water! Ik was slechts achttien jaar oud, doch ik
+kende reeds de legende van Lohengrin en romantisch zong de zwanezang
+in mijn verliefde ooren, terwijl ik statig wegroeide en haar gestalte
+zag verminderen, verminderen, tot het zich in 't grijze van de vroege
+avondnevelen versmolt. En dan liet ik verder mijn gedachten met het
+bootje op het water gaan, en alles scheen mij zoo frisch en zoo schoon
+en zoo zalig; er was in mij zulk een rijkheid van kracht en van leven,
+dat het mij scheen alsof de gansche wereld mij daar toebehoorde. De
+laatste teerroze gloed van den zonsondergang doezelde zacht-glanzend
+over het ouderwetsche blank kerktorentje van Meylegem-Zuid in de verte;
+de kleine ruitjes in de pittoreske boerderijen tintelden nog even langs
+den wegdeinenden oever, een klokje tampte en een wilde-vogelenvlucht
+streepte hoog met fijn geschreeuw naar 't westen; en over het somberend
+water, dat met vale glanzingen tegen den zijkant van mijn schuitje
+aanklotste, dreef ik midden in een grootsche eenzaamheid naar huis
+terug, mijn gele spanen lichtend-glijdend, mijn rood-en-witte vaantje
+flikkerend en wapperend en mijn gemoed vol van heldhaftige gevoelens,
+waarin het beeld van 't schoone Tieldeken oprees gelijk een vizioen
+van heerlijkheid, dat met mij meedreef en mij tot in de nuchtere
+realiteit van het weer vasten voet aan vasten wal zetten boeiend
+bleef begeleiden.
+
+
+
+En 's winters, als het lang en sterk genoeg bleef vriezen, vroren
+ook de Meylegemsche Meerschen dicht!
+
+Dat was een der grootste en gewichtigste gebeurtenissen in ons
+jonge-schaatsenrijdersleven.
+
+Dat was dan iets waar je van trilde als van een wonder, dat bijna
+niet kón gebeuren. Wij gingen kijken, drie en vier maal daags, wij
+waagden ons een eindje, maar griezelden van al de verraderlijke,
+diepe slooten en putten die vol zwakke plaatsen en bedriegelijke
+wakken onder de spiegelgladde oppervlakte verborgen lagen, tot het
+eindelijk als een heldenmare alom verkondigd werd: "Die of die boer
+van Meylegem-Zuid is op schaatsen over 't ijs tot aan ons dorp gekomen!
+
+Wat 'n emotie! Wij kwamen aan de groote vlakte, wij reden op, zoover
+als we gewend waren te durven rijden; en daar waar onze krassen
+en kringen eindigden, zagen wij, over het donkere, maagdelijk ijs,
+recht vóór ons uit, in de richting van Meylegem, voor het eerst andere
+krassen, die niet van _onze_ schaatsen waren!
+
+Het leken als 't ware kabalistische teekens, forsch-gedurfde
+schreven van een kerel die zijn moed daar in het ijs gebeiteld had;
+en wij volgden die nauwkeurig met ontzag en eerbied, zooals men
+volgt de schreden van den eersten onverschrokken pionier door de
+gevaarlijke woestijn. De breede vlakte strekte zich vóór ons uit, als
+'t ware eindeloos. Wij waren daarin als kleine, donkere, verloren
+stippen. Soms kraakte 't ijs, dat op zijn water viel, alsof er een
+kanonschot was gelost en dan stonden wij allen even roerloos, bang
+en aarzelend. Maar de harde, witte krassen van den koenen kerel,
+die ons daar was voorgegaan, liepen ondanks alles steeds verder en
+verder door en de gedachte dat hij daar in zijn eenzaamheid en vóór
+alle anderen dezelfde gevaren had getrotseerd, staalde onzen moed
+en dreef ons met hardnekkigheid naar het verwijderd doel. Wij kwamen
+aan lage plaatsen, waar het ijs om zoo te zeggen op den grond lag en
+waar de grassprietjes van 't weiland soms doorheen schoten. Dat gaf
+ons het gevoel van veiligheid dat wij op vasten bodem reden. Maar
+'t oogenblik daarna stonden wij pal vóór een ijs zoo zwart alsof het
+open water was en niemand durfde er over heen. Daar lag een diepe put
+of sloot en wij zagen tot op den helderen bodem, waar bronskleurige
+waterplanten hun gestolde vormen afteekenden als grijpende handen
+die ons in de griezelige diepte wilden trekken om ons daar vast te
+houden. Wij draaiden er omheen en reden op en neer in de hoop van
+ergens een minder akelige plek te vinden; doch overal, dwars door
+het weiland, was het daar dezelfde breede, zwart-heldere diepte,
+waarin wij soms, onder het ijs, groote, donkere waterkevers zagen
+zwemmen, met een zilverig luchtblaasje onderaan hun staart. Zij
+zwommen dwars, met pootenkrabbeling, naar den bodem waar de sinistere,
+bronskleurige grijpplanten stonden en dat maakte onzen afkeer nog veel
+heviger en de wanhoop greep ons aan, omdat wij verder wilden en niet
+durfden. Maar ook over die plaats van angst en van gevaar, rechtuit,
+zonder de minste afwijking, streepten de koene, forsche krassen van
+den onbekenden held die daar voor 't eerst den weg gebaand had en
+ten slotte volgden wij ook een vóór een zijn voorbeeld, met kloppend
+hart, met flauwe beenen, elk oogenblik verwachtend door het barstend
+ijs in 't diepe water neer te plonsen. Eerst toen 't gevaar voorbij
+was lachten wij om onzen flauwen angst en van lieverlede schrikte
+'t onbekende ons niet meer af en steeds verder en verder volgden wij
+de sporen van den vermetelen voorganger, tot het zoo vurig-verlangde
+doel, het schoone, blanke, ouderwetsch kerktorentje van Meylegem-Zuid
+eindelijk, als een zalige veiligheidsbaken, in 't zicht kwam.
+
+
+
+O liefelijk Meylegem-Zuid, nog steeds en meer zou ik hymnen ter uwer
+verheerlijking willen zingen! Al de poëzie van mijn gezonde, frissche
+jeugd schijnt zich daar in mijn herinneringen te kristallizeeren. Ik
+ken er elk huisje, elk boompje en de harmonieuze golvingen van 't
+landschap er omheen deinen nog als 't ware wiegend en zoet-streelend
+na in mijn geheugen. Want ik heb er mijn eerste liefde gekend en er
+ook mijn eerste liefdesmart geleden!
+
+O, die dagen, die dagen, die schoone, rijke dagen! Heel het land
+lag wit-besneeuwd, maar de Meylegemsche Meerschen waren eerst na
+den sneeuwval dichtgevroren en dat was een feerie midden in een
+feerie, want van op het heerlijk ijsveld zag ik, onder blauwen
+hemel en stralende zon, een Vlaanderen dat ik nog niet kende, een
+droom-Vlaanderen, een Vlaanderen uit een sprookje.
+
+De kleurige huisjes langs den oever stonden op een zacht-glooiend,
+glinsterend-blank tapijt, midden in boomgaarden van tintelend-berijpte
+boomen, die overweelderige bloeisels van ongekende lentepracht
+schenen te dragen. Dat leefde, dat fonkelde en tintelde van miljoenen
+en miljoenen kristalheldere lichtfacetten en men snoof met ruime
+longen de scherp-prikkelende lucht op, alsof men bedwelmend heerlijke
+geuren inademde. 't Was leven, léven en genieten; de wangen bloosden,
+de oogen straalden en door het gansche lichaam stroomde een jonge,
+forsche kracht, die onuitputtelijk en onvermoeibaar scheen.
+
+Ik reed en reed en 't woelde en 't duizelde in mij van overweldigende
+heerlijkheid. Soms reed ik einden lang in vollen gang recht vóór mij
+uit, zwierend en deinend, licht als een vliegende vogel; soms hield ik
+mij een heele poos op een mooi, klein plekje op, en trok daar, omringd
+door een troepje bewonderaars, sierlijke krullen en kringen, als een
+artiest, die een kunstwerk ciseleert. En zoo kwam ik, als altijd, aan
+'t heerlijke Meylegem-Zuid; en daar, vlak vóór Tieldeken's herberg,
+was een verrukkelijke plek, uit den wind en glad als een spiegel,
+waar ik aan mijn wild talent den vollen teugel vieren kon.
+
+Ik was zeer zeker, in al die jaren, de knapste rijder van de streek
+geworden. En voor de kinkels, die daar pijprookend, met de handen in
+hun broekzakken langs den oever stonden, maar bovenal voor Tieldeken,
+die ook kwam kijken als 't daarbinnen in de herberg niet te druk was,
+vertoonde ik mijn stoutste kunsten en genoot van een triomf welke de
+eerste in mijn leven was.
+
+--Ha, meniere, gij keun rijjen, zille! klonk het om mij heen. En soms
+sloeg Tieldeken haar handen van bewonderende verbazing in elkaar en
+riep geestdriftig uit:
+
+--Ha moar meniere toch, woar hè-je gij da geleerd!
+
+--Hij rijdt zeu goed as boerke van Meylegem! beweerden enkelen.
+
+--Hij 'n doet: boerke van Meylegem ree nóg stirker! hielden anderen
+vol.
+
+Boerke van Meylegem! Die naam klonk herhaaldelijk en hardnekkig
+in mijn ooren en ik kon maar niet te weten komen, wie boerke van
+Meylegem eigenlijk was. Wanneer ik er naar vroeg werd mij steeds
+vaag en ontwijkend geantwoord. Boerke van Meylegem was de beste
+schaatsenrijder uit de streek, dat wisten zij allen; maar als ik
+informeerde waar hij woonde, en hoe oud hij was, en of hij nog wel
+reed, en of hij reeds dat jaar op 't ijs geweest was, klonken de
+antwoorden verward en tegenstrijdig. Jonge knapen beweerden van ja,
+en dat zij hem gezien hadden, de week te voren, bij Meylegem-Noord
+en dat hij wonderbaarlijk reed, zoo, met zijn eene been in de lucht
+en zijn eene hand tegen het ijs. Hij sprong over drie mannen en vier
+stoelen; hij reed zóó snel, dat geen renpaard hem zou kunnen inhalen;
+hij vloog als 't ware over 't ijs. Maar oudere mannen zeiden dat het
+allemaal onzin was, dat boerke van Meylegem inderdaad wel bestaan
+had, maar reeds lang gestorven was. Het prikkelde mij, dat ik niet
+achter de preciese waarheid kon komen; ik had dat vermaarde boerke
+willen zien; ik had vooral willen weten of hij werkelijk sterker was
+dan ik, en in die onzekerheid spande ik mij overweldigend in, haalde
+kunsten uit waarbij ik hals en been dreigde te breken, om toch niet,
+in Tieldeken's oogen, voor dat mysterieus en onuitstaanbaar boerke
+van Meylegem te moeten onderdoen.
+
+Eens zag ik hem, bijna! 't Was op een zondagochtend, na de hoogmis. Ik
+was daar, evenals tal van andere lui, op schaatsen tot aan het
+oude kerkje gekomen, en had er de mis gehoord. O, 't was toch zoo
+eigenaardig en poëtisch! Van op het ijs, waar de jeugd dolle pret
+vierde, zag je, over het glooiend kerkhofje met half-ingesneeuwde
+zerken, door het openstaand portaal, in de schemering der kerk,
+de waskaarsen op het hoogaltaar branden. Je hoorde 't orgel en de
+plechtige gezangen, het was alsof het kerkje zelf zijn vrome ziel naar
+buiten uitzong, je zag de wemeling der sombere menschenmassa en de
+opstijgende wierookwalmen verspreidden hun aroma's tot in de frissche,
+prikkelende zonnelucht over het ijsveld. En terwijl je daarbinnen
+was, zelfs nadat de deuren dicht gesloten waren, hoorde je nog het
+pretgejoel der jeugd door alles heen en voelde je je beenen jeuken
+om er weer aan mee te gaan doen. En nauwelijks had de pastoor het
+"Ite missa est" gezongen of drommen menschen stroomden in de laatste
+galmen van het orgel buiten en met hijgende haast werden opnieuw de
+schaatsen aangebonden.
+
+Ik had de mijne juist aan en zwierde als een losgelaten vogel door
+de drukte heen, toen plotseling de kreet klonk in mijn ooren:
+
+--Boerke van Meylegem! 't Es boerke van Meylegem!
+
+Mijn hart stond van emotie even stil. Ik zag een zwarte
+menschenmassa, vlak vóór Tieldeken's herberg en vloog er naartoe. Een
+schaatsenrijder,--een gewone boerenpummel--was daar met groote
+arm-en-been-bewegingen aan 't zwieren, maar van het eerste oogenblik
+bemerkte ik dat het niets te beteekenen had, dat het in de verste
+verte geen kunst was, dat het niets was dan overdreven en onsierlijk
+slingeren en zwaaien, zooals de eerste de beste rijder kon die maar
+ietwat stevig op zijn beenen stond en niet bang voor vallen was.
+
+Boerke van Meylegem! Was dàt nu het beroemde boerke van Meylegem,
+de dooddoener waarmee men zoo vaak mijn eigen, schoone kunst wilde
+verkleinen! Mijn teleurstelling was zóó diep, dat ik eerst geen
+woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken; en wat mij griefde,
+wat mij ergerde, wat mij deed kroppen van minachtende verbittering,
+was dat Tieldeken daar op den oever midden in de foule ook te kijken
+stond; te kijken en te bewonderen, met haar mooie donkere oogen en
+haar frisch-blozende wangen, te kijken, te bewonderen en te genieten,
+alsof ze nu voor 't eerst zag schaatsenrijden, en heelemaal vergeten
+was, dat ik het toch oneindig veel beter kon.
+
+--Es dà nou boerke van Meylegem? vroeg ik eindelijk, met van emotie
+hikkende stem, aan een oud ventje, dat naast mij stond.
+
+--Moar nie nien 't meniere; 't'n es moar nen beslagmoaker; ge keun gij
+veel scheunder rijjen, meniere, antwoordde 't mannetje met overtuiging.
+
+Dat deed mij goed. 't Was als een balsem op mijn wonde, als een
+zacht-lavende weelde van troost, die verkwikkend door mijn gansche
+lichaam stroomde. Ik zei niets, maar glimlachte en stil schoof ik mij
+door 't gedrang in 't open plekje en begon daar ook te werken. Nog
+nooit had ik mij sterker, lichter, veerkrachtiger gevoeld. Ik vloog
+en zweefde letterlijk over het ijs en 'k zag de menigte, eerst wat
+verbouwereerd, van lieverlede haar aandacht van den pummel afwenden en
+op mij zich vestigen. De pummel zelf, in zijn triomfgenot verstoord,
+keek mij dadelijk met valsche, vijandige oogen aan. Hij poogde mij te
+overtroeven; hij overdreef nog zijn onsierlijke, niets-beteekenende
+bewegingen; hij raasde langs mij heen alsof hij mij omver zou rijden
+en in 't niet doen verzwinden; maar ik voelde mij licht, licht, en
+vlug en handig, en zoo vast en zeker in mijn kunnen: ik was als van de
+aarde opgetild en op wieken gedragen; ik zwierde en dreef en zwaaide
+en zwenkte; ik zag daar Tieldeken op den oever staan en voelde als 't
+ware heel mijn leven en mijn toekomst in haar handen; 't was overwinnen
+of niet meer bestaan en ik wilde bestaan en ik wilde overwinnen.
+
+Eensklaps een kreet, met wild-opstijgend proestgelach. Ik hoorde
+den kreet en zag meteen wat er gebeurde: de pummel, de lompe pummel,
+midden in een van zijn dolste, gekste prul-bewegingen als een massa op
+'t ijs neergesmakt en daar over zichzelf heenbuitelend en spartelend,
+met slingerende armen en beenen, alsof hij letterlijk ontwricht
+werd. Zijn dikke pet vloog af en verre van hem weg en toen hij
+pijnlijk weer opkrabbelde bleek zijn broek gescheurd, maar zóó,
+dat het hem niet mogelijk was zich nog verder te vertoonen.
+
+De menigte stoof lachend uit elkaar en even kraakte 't ijs onder het
+woest gedrang. Ik hield mij goed; ik hield mij kalm, deftig. Nooit
+heb ik scherper het heerlijk gevoel van victorie gesmaakt; nooit
+heb ik er uiterlijk minder van laten blijken. Ik wisselde een blik
+met Tieldeken, één enkele, en in haar mooie, geestdriftige oogen las
+ik volop den glans mijner algeheele, onbetwistbare overwinning. Dat
+was mijn heerlijke belooning. De pummel was verdwenen en ik bleef
+zegevierend op het veld van eer mijn schoonste kunsten maken; ik,
+en ik alleen nu, was omringd door honderden bewonderaars, en thans
+galmde weer alom de kreet, die me bij mijn komst op 't ijs zoo diep
+ontroerd had:
+
+--Boerke van Meylegem! 't Es boerke van Meylegem!
+
+Verbaasd keek ik op. Was hij daar nu toch werkelijk, de ijsheld,
+de geduchte dooddoener, de sterkste onder de sterken, die alom
+tegenwoordig scheen te zijn en nergens kon benaderd worden! Ik keek,
+en zocht, en merkte niets; ik speurde vorschend ver over de hoofden
+heen, maar vruchteloos. En toen begreep ik eindelijk dat ik, ikzelf
+nu, boerke van Meylegem was; en dat boerke van Meylegem een mythe,
+een symbool, een legendarische verschijning was: een personage die
+niet bestond en wellicht nooit bestaan had, maar in wiens abstracte
+wezen zich, volgens het landelijk bijgeloof, al de kunde, al de
+opgewekte joligheid en al de roekelooze waaghalzerij van het heerlijke
+schaatsenrijden vereenzelvigde.
+
+
+
+Nu moet ik eventjes mijn oogen sluiten en denken. Als mijn oogen open
+zijn staat tusschen mijn blik en het heerlijk verleden te veel gewone,
+nuchtere, alledaagsche realiteit. Maar als mijn oogen dicht zijn, zie
+en voel ik weer alles zooals 't was, zonder dat iets mijn verbeelding
+komt storen of hinderen. Dan ligt er als een doffe, doodsche vlakte
+tusschen nu en toen en aan den schoonen einder, terwijl niets mijn
+aandacht afleidt, rijst het beeld dat mij geboeid houdt in al zijn
+zuivere, heldere, levende en trillende duidelijkheid op.
+
+'t Was op een vroegen avond, een maandagavond, ik herinner mij nog
+heel goed den dag.
+
+De volle maan rees blozend als een groote sinaasappel in het lage
+oosten op en de lucht was sonoor in de stilte en al de sterren bloeiden
+in het eindeloos donkerblauw uitspansel.
+
+Ik had den ganschen dag gereden en was moede. Maar 't was zóó
+schoon geweest den ganschen dag, zoo rijk van kleur en zon en
+reine winterweelde, dat ik, hoewel moe, niet rusten kon en na
+mijn avondmaal weer buiten ging, om ook nog van de nachtelijke
+schoonheid te genieten. En plotseling ontstond een plan in mij, een
+wel zeer overdreven en zelfs gek verlangen om nu nog eens, ondanks
+al mijn moeheid, in de maan en in de nachtelijke eenzaamheid tot aan
+Meylegem-Zuid te rijden.
+
+Ik aarzelde geen oogenblik. Zoo kwam het plan op; zoo moest het
+worden uitgevoerd! Ik rende terug naar huis, nam mijn schaatsen,
+vertelde 'k weet niet wat aan mijn verbaasde en vrij ontevreden
+ouders en enkele minuten later stond ik alweer kant en klaar, vóór
+de wijd-uitgestrekte ijsvlakte.
+
+Hooger was de volle maan in den helderen hemel gerezen en zij werd
+kleiner en lichter van glans en vertoonde haar oud en welbekend
+gezicht, dat steeds met stillen, meelijdenden spot op de wereld daar
+beneden en het menschelijk gedoe schijnt neer te zien. Het eenzaam ijs
+glinsterde vaag, met diaphane, lichtblauwe en violette glanzingen. Bij
+plaatsen hing een fijne, bleeke nevel die alle contouren verwazigde en
+dan weer verder waren 't groote, koele, klare lichtvlakten, als van
+een uitgestorven wereld, zonder atmosfeer. De oevers droomden in een
+grijsachtig, als het ware rook-omneveld onbestemde weg. Een bosch stond
+zwart gelijk een hoogen muur van bazalt en de glooiende sneeuwvelden
+tintelden soms, alsof zij met zilveren stuifmeel werden overpoeierd.
+
+Ondanks het reeds gevorderd uur, waren hier en daar nog menschen op
+het ijs. Knapen stoeiden en ravotten nog, in de buurt van huisjes
+waar weemoedig gele lichtjes pinkten en een enkele schaatser kwam
+over de wijde vlakte in de sonore stilte aangereden, reeds in de
+verte hoorbaar lang vóór men hem zag en dan van lieverlede uit de
+feerische atmosfeer opdoemend, eerst klein als een kabouter, met gekke
+arm-en-been-bewegingen, maar langzamerhand groeiend tot een flinke
+en krachtige verschijning, tot een soort van reus-in-eenzaamheid,
+die als het ware zwom en roeide over een fantastisch meer van dood
+en stilte, waar hij het eenig overblijvend levend wezen was.
+
+Ik vond het tochtje heerlijk. Het was nog veel aangrijpender en
+schooner dan ik mij had voorgesteld. Alle gevoel van moeheid was uit
+mij verdwenen en ik had wel zoo den ganschen nacht willen doorzweven!
+
+Reeds vertoonde zich het torentje van Meylegem-Zuid in de verte. Wat
+leek het lieflijk-intiem en poëtisch: de eene kant in 't duister,
+de andere kant gansch tintelend-zilverwit, met den pikzwarten
+rechthoek, van 't klokgat, dat staarde als een oog in den glanzenden
+nacht. Daaronder een paar zwakke, gele pitjes en even verder, aan
+den rand van het ijs, dat vagelijk glinsterde, de drie verlichte
+ramen der gelagkamer van het Gemeentehuis. Tieldeken was dus nog op;
+ik zou haar zien en ook nog eens van hààr schoonheid met mijn oogen
+genieten. Wat zou ze verbaasd en verrast zijn, mij daar nog zoo laat
+te zien aankomen!
+
+Als een geboeide vlinder vloog ik over 't ijs, recht naar die lichten
+toe. Zóó sterk was ik er door geboeid en als 't ware verblind, dat ik
+een oogenblik niets anders om mij heen meer zag en niet eens merkte
+twee personen, een man en een vrouw die, innig omarmd, recht vóór
+mij uit over het ijs wandelden. Ik zag het pas toen ik heel dicht
+bij hen was en meteen hield ik stil, terwijl een geweldige emotie
+mijn knieën deed knikken en den adem in mijn keel verkropte.
+
+Droomde ik? Was ik de speelbal eener nachtmerrie, of zag ik een
+abominabele werkelijkheid gebeuren?.... Was dat Tieldeken, omarmd door
+een man, door.... plotseling herkende ik hem.... door den pummel,--het
+kwasi boerke-van-Meylegem--dien ik nog pas geleden op het ijs zoo
+smadelijk overwonnen had!.... Het schemerde vóór mijn oogen en ik
+weifelde en twijfelde. Ik wilde twijfelen, ik wilde niet gelooven,
+ik kón den dood van al mijne illuziën, in die romantische omgeving,
+in dien ongeëvenaard-heerlijken winternacht niet als een werkelijkheid
+aannemen.
+
+Ik sloop hen na, als een dief op de loer. Zij hadden mij niet
+gezien, niet gehoord; zij schoven verder over 't ijs, teeder omarmd,
+amoureus-fluisterend; zij kwamen bij den oever aan een boschje,
+dat zwart en hoekig op het ijsveld uitsprong.
+
+Nog steeds bleef ik twijfelen, wìlde ik twijfelen. Het kon niet, het
+mocht niet, het zou niet. Ik schudde woest het vreeselijk denkbeeld
+van mij af; ik had kunnen huilen en ik had kunnen razen en vloeken
+van akeligheid en ellende. Mijn oogen stonden van afschuw wijd
+opengespalkt, mijn mond gaapte wijd open om te brullen.
+
+Zij waren in den neveligen maneschijn om den hoek van 't donker
+boschje blijven staan. Door het gewirwar der naakte twijgen heen
+zag ik, tegen 't lichte sneeuwveld achter hen, duidelijk hun sombere
+gestalten afgeteekend. Ik voelde mij als 't ware niet meer leven. Het
+scheen mij toe alsof mijn gansche wezen aan een draadje hing.
+
+Ik zag, dat hij haar eensklaps met zijn beide armen omstrengelde en
+wild tegen zich aandrukte. En meteen zag ik, dat hij haar een langen
+plakzoen drukte op den mond! Ik zag dat, en ik wilde schreeuwen,
+maar geen klank steeg uit mijn keel. Het bloed suisde in mijn ooren
+en een seconde sloten zich mijn oogen. Ik voelde mij alsof ik flauw
+ging vallen. Maar 't duurde slechts een oogenblik. Ik kwam weer bij
+en toen zag en hoorde ik een soort van worsteling, en ik vernam heel
+duidelijk haar stem, hààr welbekende stem:
+
+--Nie nie g'n meug nie, Frans; hier niet, wa peist ge dan!
+
+Ik wist dat zij het was, ik hoorde 't aan haar stem, dat zij het
+was, en nog kón ik, nog wilde ik het niet gelooven. Maar hij werd
+hartstochtelijker opgewonden, hij greep haar beet en haar rokken,
+die opwoeien, ontblootten even haar ietwat scheeve enkels. Ik zag dat,
+en toen eerst wist ik, toen eerst begreep ik; en ik slaakte een kreet,
+een rauw gegil dat brulde door 't sonore van den helderen vriesnacht,
+alsof een beest vermoord werd!
+
+Ik weet niet meer precies wat er daarna gebeurd is.... Ik herinner
+mij slechts vagelijk haar snerpenden angstgil en zijn razend gevloek
+en beider struikelende vlucht over het ijs, naar den nabijen oever
+toe. Ik meen dat hij nog even, toen hij mij ontdekt had, met woeste
+verwenschingen op mij afkwam, maar spoedig weer terugkeerde, toen
+hij zag dat ik op schaatsen stond en hem in elk geval de baas zou
+zijn. En haar,--dat althans herinner ik mij duidelijk,--haar zag
+ik verder vluchten, vluchten, tot zij de herberg van haar ouders
+had bereikt, en de deur openrukte en met een rinkelenden smak weer
+dichtgooide. Het oogenblik daarna was alle licht daar uit en op het
+spookachtig wit-en-zwarte torentje van Meylegem sloeg het langzaam
+in de nachtelijke stilte tien uur: dat herinner ik mij nog heel goed,
+heel duidelijk.
+
+Toen reed ik langzaam heen, gedrukt, en droef, en zwak, en ongelukkig
+zooals ik nog nooit in mijn jong leven was geweest. De koude, strakke
+ijsvlakte lag daar vóór mij als een vergane en uitgedoofde wereld,
+waarop geen mensch meer leven kon. 't Was de totale eenzaamheid,
+de absolute doodschheid en verlatenheid, de wanhoop en vernietiging
+van alles; en ik snikte, ik snikte hardop in die groote desolatie;
+ik snikte om ook maar voor altijd dood en voor eeuwig vergeten te zijn.
+
+
+
+O Meylegem-Zuid en o Tieldeken-schoon, wat is dat alles lang en lang
+verleden! Wat heb ik later dikwijls met mijn wanhoopsmart van toen
+gespot en wat heb ik het meer dan eens betreurd, dat ik toen nog zoo
+jong en dom was en in mijn nuchtere, sentimenteele onervarenheid
+niet guller heb genoten van wat gij toch wel geven kondet en ook
+geven wildet.
+
+Want ik ben toch tot u teruggekomen, weet ge 't nog wel, o Tieldeken;
+en gij zijt goed en lief geweest voor mij, zooals gij goed en lief
+waart voor den pummel en voor nog veel anderen (dat heb ik eerst
+later geweten, o Tieldeken) maar ik was toen veel te jong om wat
+ge mij wel wildet geven naar waarde te schatten, en daardoor heb ik
+meer bij u geleden dan genoten, Tieldeken; doch nu, na al die jaren,
+blijft alleen het goede en lieve in mijn geheugen over en ik denk
+weer aan u met teederheid en weemoed; en ik zie weer uw mooie oogen
+die ik dicht zoende, en ik voel nog uw zacht en lenig lichaam dat
+ik zoo hartstochtelijk omhelsde; en zelfs uw beenen zie ik nog, o,
+Tieldeken: uw beenen die van boven welgevormd maar langs onder ietwat
+krom waren, het eenigste wat u een beetje ontsierde en mij uw verlies
+(ik zal het u thans maar bekennen) toen ik u toch eenmaal verliezen
+moest, niet troosteloos-ondragelijk maakte.
+
+
+
+Waar zijt ge nu, o Tieldeken? Leeft ge nog en àls ge nog leeft,
+wat is er van u geworden in de afgrijselijke ramp die 't schoone
+vaderland geteisterd heeft? Zijt gij gevlucht, als zooveel duizenden en
+duizenden, in nood en armoede, ergens in 't verre onbekende; of zijt ge
+gebleven waar gij waart, op het mooie, poëtische Meylegem-Zuid, waar
+nu de vreemde overweldiger, de vijand, heerscht? Zijt gij geworden
+als uw moeder, een oude, vervallen vrouw, met nog overblijfselen
+van vroeger schoonheid, maar met ingevallen, tandeloozen mond, die
+"dreupelfs" bestelt en nijdig met de klanten kibbelt; of ligt gij reeds
+lang in uw graf, ge weet wel, Tieldeken, daar op 't lieve kerkhofje
+onder het oud en blank kerktorentje, dicht bij het ouderwetsche huis
+waar gij altijd gewoond hebt en waar mijn eerste jongelingsliefde
+zoo vurig voor u heeft gegloeid! O, Tieldeken, ziet gij nog wel ooit
+de weidsche, overstroomde Meylegemsche Meerschen? Komt daar nog wel
+ooit van verre een schuitje aangevaren, licht als een vogel, met
+een wapperend en klapperend wit-en-rood vaantje op de scherpe punt;
+en verschijnt daar 's winters, als alles glinsterend bevroren ligt,
+nog wel eens een kunstrijder, die er voor 't oud gemeentehuis komt
+ronddraaien, omringd door een opgetogen schaar bewonderaars, welke
+nog het legendarisch en fabelachtig boerke-van-Meylegem meenen te zien?
+
+Wie zal het mij nu zeggen!....
+
+
+
+
+IV
+
+HET LAND IN
+
+
+Die teedere herinnering aan 't mooie Tieldeken en aan het poëtische
+Meylegem-Zuid heeft alweer mijne verbeelding en mijn pen op
+hol gebracht. Ik ben weer veel te verre in mijn verhaal den tijd
+voorbijgeloopen en ik moet terug, lange jaren terug, naar alles wat
+nog tusschen toen en nu ligt.
+
+"Les fleuves," zei Pascal, "sont des chemins qui marchent." De
+ijsvelden, zou ik er durven aan toevoegen, zijn wegen die trekken. Hoe
+is het mogelijk thuis te blijven zitten, of zich op een en zelfde
+plekje op te houden, terwijl men weet dat zich alom de vreugdewegen
+uitstrekken, dat kanalen en rivieren dichtgevroren zijn en dat men zich
+maar heeft te laten gaan, om spoedig en gemakkelijk te komen, waar
+men anders niet komt, om tafereelen te aanschouwen en gebeurtenissen
+bij te wonen, die men anders niet zal zien en niet zal bijwonen!
+
+Zoo ging het ons, in strenge winters, zoodra de groote waters sterk
+lagen. Ik herinner mij dat dagelijks gaan kijken naar 't kanaal, dat
+hopen en vreezen, dat rusteloos speuren naar den stroom, die overdag
+weer afvrat wat de vorst des nachts aanbakte, tot weldra de open
+geul versmalde en versmalde en eindelijk op een ochtend dicht lag,
+hard-dicht, als één lange donker-glinsterende spiegel, zoover het oog
+kon reiken, tusschen de kaarsrechte, met boomen beplante oevers van
+'t kanaal.
+
+Dan kwam in ons een soort van koorts en hoop en vrees stegen ten
+top. Zou het blijven vriezen; zou het ijs goed sterk worden; en
+bovenal zou er niet vóór het goed sterk was, een sleeper doorheen
+varen, die alles weer openbrak en al onze hoog-gespannen hoop als
+ijle rook vervliegen deed?
+
+Somtijds, helaas! helaas! kwam er op 't allerlaatste oogenblik
+werkelijk nog een sleeper door. Ik herinner mij een ochtend, een
+schitterenden vries-ochtend, zoo een van die bladstille, grijs-lila
+winter-ochtenden, waarin de zon aan neveligen einder opkomt, gansch
+rood, gansch rond, als een bol zonder stralen, als een wonder uit
+een nieuwe, pasgeboren, onbekende wereld. De handen waren verkleumd,
+de ooren tintelden, de adem doomde alsof men rookte, maar de oogen
+straalden en met mijn schaatsen onder den arm liep ik naar 't kanaal
+toe, zoo goed als zeker dat er reeds op gereden werd.
+
+Toen, plotseling, hoorde ik iets dat mijn beenen verlamde en den
+adem in mijn keel deed stokken: Een geloei, een gebrul, schor en
+akelig-langgerekt, als een noodkreet van verwoesting: de stoomfluit
+van een sleeper!
+
+Hoe was het mogelijk! 't Kanaal lag reeds enkele dagen dicht en dien
+nacht had het gevroren, gevroren! Ik kon noch wilde het gelooven en
+holde naar de vaart toe, om mij te overtuigen dat het slechts een
+akelige zinsverbijstering van mij was.
+
+Helaas! helaas! drie maal, tien maal, honderd maal helaas! Zoodra
+ik op den berm kwam zag ik een dikke, zwarte rookpluim en onder die
+rookpluim de sombere sleeper, die als een vraatzuchtig beest door 't
+mooie ijs geploegd kwam. Ik vloekte en meteen had ik kunnen snikken
+van ellende. Ik zag die scherpe, zwarte punt door de spiegelgladde
+oppervlakte boren; ik zag het ijs barsten als glas en ik hoorde het als
+'t ware schreien onder 't kraken; ik zag de van elkaar gerukte schotsen
+naar de oevers opkruien en zich daar in de wanhopigste verwarring
+boven op elkander stapelen, ik zag het reddeloos vernietigen van al
+die schoone hoop-in-belofte, die bijna reeds werkelijkheid was; en
+zulk een woede greep mij aan, dat ik mijn beide vuisten balde naar
+het werk van de vernielers en aan de zwarte, vuile mannen daar op
+'t dek toeschreeuwde, dat ik hen allen met hun rotte schuit naar
+den kelder wenschte. Zij lachten mij uit met hun gemeene, koolzwarte
+tronies en uittartend lieten zij weer hun heesche stoomfluit brullen,
+oorverdoovend lang en akelig, om te eischen dat men ginds even verder
+in het dorp, de brug voor hen ophaalde.
+
+
+
+Dat waren dan de doodende gebeurtenissen, doch niet elk jaar trof
+ons zulk een gruwelijke ramp. Er kwamen ook winters waarop het ijs
+aan de vernielingszucht der menschen ontsnapte en dan werden wij de
+triomfeerende helden van die heerlijkheid en ons genot kende geen
+grenzen meer.
+
+O, die tochten, die tochten, die uren-en-die-dagenlange tochten over
+de kanalen en rivieren van het schoone Vlaanderenland!
+
+Het kanaal op zichzelf was slechts een rechte, vrij eentonige
+verbindingsweg en daar het vrij diep lag tusschen zijn oevers was er
+omheen al niet veel te zien; maar aan het uiteinde van het kanaal was
+er een sluis; en dan had men de Leie, de mooie, kronkelende, poëtische
+Leie, de rivier der dichters en der schilders, die als het ware plat
+over het land heen lag uitgeslingerd met langs haar grillige boorden de
+schoonste ouderwetsche dorpjes, de kleurenrijkste boerderijtjes en de
+verrukkelijkste vergezichten welke een artiesten-ziel zich droomen kan.
+
+O, witte kleine kerktorentjes, mooier en intiemer nog dan het liefelijk
+Meylegem-Zuid; oude, oude torentjes van nietige dorpjes, zooals gij
+u daar stond te spiegelen onder boomen, op een heuveltje, bij een
+lus der rivier, gansch wit en grijs, met zwarte klokgaten-oogen;
+lieve torentjes van Vlaanderen, bestaat gij nog? Ik durf aan u haast
+niet meer denken, zóó zwaar drukken mij heimwee en vrees. Maar zooals
+ik u tóén zag, in die heerlijke dagen, in die zacht-wazige atmosfeer
+van wit, en roze, en mauve, teer doorzeefd van tintelend zonnegoud,
+zoo zie ik u nog steeds in mijn geheugen en vergeet ik u nooit!
+
+Het was een wonder en ontroerend leven. Evenals de natuur zelve,
+schenen de menschen van aard en karakter veranderd. Dat doet het
+ijs. Het ijs maakt andere, nieuwe wezens van de menschen. Er ontstaat
+ineens een ongekende broederlijkheid en vrijheid van omgang. De mensch
+vertoont zich, schijnt zich althans te willen vertoonen, zooals hij
+werkelijk is. En onder den invloed van het ijs, het schoone ijs der
+schoone winterdagen, ontluikt de liefde, de lichte, vroolijke liefde
+van een dag of van een uur, gelijk een mooie bloem die even geurt
+en kleurt en fleurt en even gauw verwelken mag als zij ontstond,
+zonder wrange spijt noch wroeging na te laten.
+
+O, wat al vluchtige, korte liefdes in dat frisch en licht, charmant
+verleden! Wat al mooie boerinnetjes, wel zoo mooi en zelfs nog
+mooier dan het aardige Tieldeken van Meylegem-Zuid, eventjes in
+'t voorbijrijden gezien met blozende wangen en stralende oogen;
+eventjes aangesproken, en de hand gedrukt en ook wel eens gezoend
+en in de lenden geknepen, maar dan ook zonder spijt weer verder,
+naar andere bekoringen, naar andere oogen en andere lippen, als een
+vrije vogel van tak op tak, als een lichte en lichtzinnige kapel van
+bloem tot bloem! Het had niets ernstigs te beteekenen, het vulde een
+uur of een half uurtje van den vroolijken dag; het was een glimlach
+en een streeling, een opwekkende prikkeling der zenuwen, iets als
+de prikkeling der scherp-gezonde lucht, die alles zoo goed en zoo
+licht en verrukkelijk maakte. Want de grond en de basis van al dat
+heerlijke genot was en bleef toch steeds het element-zelf waardoor
+en waarop het gebeurde: het ijs en het schaatsenrijden! En terwijl al
+die lichte minnarijtjes als het ware om ons heen in de ijle atmosfeer
+wegwoeien, zweefden wij zelven steeds verder en verder, verslonden
+wij afstanden en dorpen en kwamen telkens weer in streken waar weer
+alles nieuw was. Waar wij ook verschenen was het een verrassing, een
+openbaring, en als 't ware een verovering. Bij ieder dorp, in elke
+kleine stad vertoonden wij onze kunsten en genoten wij triomfen;
+en telkens hoorden wij, evenals vroeger te Meylegem-Zuid, uit de
+bewonderende scharen den kreet opgaan: "'t Es boerke van daar of
+van daar!" want ieder dorp, elk gehucht, hoe klein en onbeduidend
+ook, had zoo zijn legendarisch boerke, zijn ijsheld, dien niemand
+ooit gezien had, maar dien allen kennen wilden en in elken knappen,
+vreemden schaatsenrijder meenden te ontdekken.
+
+Toen dacht ik weer aan Tieldeken van Meylegem en voelde een soort
+wroeging en heimwee. Wat had ik haar verwaarloosd, bijna vergeten! En
+ik reed er weer eens heen en bleef er enkele uren; maar 't was reeds
+dàt niet meer, de vrijheid trok, de onrust kwelde, de groote ijswegen
+van 't schoone land lokten almachtig en de Meylegemsche Meerschen,
+hoe ruim en heerlijk ook, waren reeds te klein geworden.
+
+Ik moest weer weg en verder, de wijde wereld in.
+
+
+
+
+V
+
+DE GROOTE, DEFTIGE IJSLIEFDE
+
+
+Dat rusteloos rijden en trekken, dat steeds verder en verder willen
+komen en steeds meer willen zien en genieten, bracht mij ten slotte van
+uit de schoone eenzaamheid der dorpen en der velden tot in de groote,
+drukke stad, waar veel en veel duizenden menschen leefden. Ik maakte
+er kennissen, die van lieverlede vrienden werden. Weldra verkeerde ik
+er op intiemen voet met den Grooten Dichter, den Grooten Schilder,
+den Grooten Musicus en nog veel anderen, allen hartstochtelijke
+schaatsenrijders. Wij reden er samen gecompliceerde en mooie figuren
+midden in een elegante drukte van dames en heeren, die ook reden
+en ons zeer bewonderden. En zoo langzaam aan breidde de kring van
+kennissen zich uit en wij werden allen mondaine rijders en weldra zag
+men ons zwieren met mooie, geparfumeerde wezentjes, in rijke, bonten
+mantels en 't werd een soort gedistingeerde hofmaking van elken dag,
+waaruit,--zoo werd gefluisterd,--wel een paar chic-que huwelijken
+zouden kunnen voortspruiten.
+
+Huwelijken!.... Ik geloof niet, dat een van ons allen daar een
+oogenblik ernstig aan dacht. Misschien dachten de mama's er aan,
+terwijl ze, vaag haar dochters chaperoneerend, met welwillenden
+glimlach zich in sleedjes lieten voortduwen, en misschien wel
+dachten de meisjes zelven aan iets dergelijks, want haar oogen
+straalden zoo en zij schenen zoo intens van alles te genieten; doch
+wij.... neen.... wij dachten alleen aan prettig schaatsenrijden en
+een beetje los en aardig flirten.
+
+Maar hoe dan ook, de Groote Dichter reed stellig bij voorkeur met een
+aardig snoetje, die een mooie, bruine pels en een toque met paarse
+viooltjes droeg; de Groote Schilder, die lang en mager was, scheen
+zijn keuze te hebben gevestigd op een mollig, frisch wezentje met
+appelronde en roze wangen, en de Groote Musicus, vrij kort en dik van
+figuur met fladderende krullokken, zooals een musicus betaamt, kleefde
+vast aan een lang-opgeschoten, mager meisje, zeer elegant, maar ietwat
+stijf en stroef in haar bewegingen. Ik alleen had nog niets vasts!
+
+Nog niets bepaalds, maar wel iets in 't zicht!....
+
+Langs de lange banen die ik volgde om ter groote stad te komen,
+langs de vele en sierlijke lussen en bochten der poëtische rivier,
+rezen menige villa's, buitens en kasteelen op, die 's zomers allen
+vroolijk bewoond, maar bijna zonder uitzondering 's winters stug en
+dicht gesloten waren.
+
+Bijna allen, maar toch niet àllen! Een was er, ongeveer halverwege
+tusschen mijn dorp en de groote stad, dat het gansche jaar door
+werd bewoond. 't Was een baron, die daar vertoefde, burgemeester
+der gemeente. Ik had wel eens zijn naam hooren noemen, maar hem zelf
+nooit gezien. Ik wist ook niet dat hij gehuwd was en kinderen had en
+'t kon mij trouwens ook niets schelen.
+
+Het was een mooi kasteel, lichtroze en grijs in harmonieuze
+schakeeringen en het verhief zich tegen een achtergrond van statige
+boomen, op een zacht-glooiend grasveld, bij een bocht van de rivier,
+die daar een breeden inham maakte. 's Zomers moest men er voorzeker van
+een heerlijk vergezicht genieten over de stille kronkelingen van het
+water en de alomliggende weiden, bosschen en landouwen. Maar zelfs in
+'t barre van den winter was het er liefelijk en mooi en het verwonderde
+mij niet, dat de familie er 't gansche jaar door bleef wonen. Ik
+keek er telkenmale naar met welgevallen wanneer ik daar voorbij reed
+en alleen verbaasde 't mij dat de menschen die daar leefden niet
+de heerlijke gelegenheid te baat namen om er volop van 't ijs te
+profiteeren. Hoe is 't mogelijk! dacht ik telkens in mijzelf. En ik
+had daar wel willen aan wal stappen en binnen gaan om hen te zeggen:
+"Maar, menschen, komt nu toch op 't ijs, niemand in den ganschen
+omtrek heeft zulk een prachtige gelegenheid, vlak vóór zijn deur!"
+
+'t Was of mijn stillen aanroep werkelijk geuit werd en of zij er
+gehoor aan gaven. Eens, op een morgen, toen ik daar langs kwam,
+waren zij werkelijk aan 't schaatsenrijden! Ik kende hen wel niet,
+maar ik begreep dadelijk en instinctief, dat "zij" het waren. Dat
+voelt men zoo, dat ziet men, dat hoeft niet gezegd. Met hun vijven
+waren ze: een jongeling van zeventien of achttien, twee meisjes van
+dertien of veertien, een juffer zonder leeftijd, die er uitzag als
+een gouvernante en ten slotte een jonge dame van misschien acht en
+twintig of dertig, een beeldschoone vrouw.
+
+'k Ben meer dan eens, met alles-verzengenden, plotselingen gloed,
+verliefd geworden op het ijs, maar zóó totaal en overweldigend-verliefd
+als ik dáár werd op 't eerste zicht, neen, dàt was mij nog niet
+overkomen. Ik had maar één plotse afschuwelijke, alles-vernietigende
+vrees: dat zij wellicht de moeder was der andere kinderen en dat mijn
+vlam dus in den dop versmacht zou worden; doch op hetzelfde oogenblik
+dat die gruwelangst door mijn ziel heen ijsde, hoorde ik de jongere
+meisjes familiair haar naam "Olga! Olga!" uitroepen en het streek
+als een zalvende balsem over mijn gefolterd hart.
+
+Zij was lang en slank van gestalte, maar met toch mooi-gevulde vormen,
+en zij had schoone regelmatige trekken, en prachtig, donker haar,
+en een gezond, frisch teint, en oogen.... oogen, zooals ik er nog
+nooit zulke sprekende, bezielde, overweldigend-prachtige gezien
+had. Haar gansche beeld boeide mij zoo totaal en absoluut, dat ik
+staan bleef, als plotseling geremd, als vastgevroren, om haar te
+bewonderen. Zij droeg een donkerblauwe japon en daarboven een witte
+jersey en wit-wollen mutsje, en dat stond haar, dat mouleerde haar
+mooi lichaam en sierde haar mooi hoofd, om er ziek van te worden!
+
+Zij reed niet goed. Men kon duidelijk merken, dat ze zich nog maar
+weinig had geoefend. Haar bewegingen waren stroef en aarzelend,
+maar hoe gracieus niettemin, hoe heerlijk en ontroerend gracieus,
+wellicht juist omdat ze ietwat hulpbehoevend waren! Zij reed heen
+en weer met de jongere meisjes, die ook al vrij gebrekkig reden,
+evenals de gouvernante trouwens, die met moeite kraste en krabbelde,
+en heelemaal geen elegance had. De jonge jongen, op een apart plekje,
+poogde zich te oefenen in 't kunstrijden, maar 't was armzalig, hij
+kende er nog niets van, hij struikelde en gleed uit en dreigde elk
+oogenblik te zullen vallen.
+
+Ik stak een sigaretje op, schijnbaar achteloos, als om even uit
+te blazen, zwierde een paar keer gewoon heen en weer en trok dan
+plotseling, op het geschikte oogenblik, waar ze 't goed konden
+zien, met zegevierend brio, een van mijn allerprachtigste,
+allergecompliceerde kunstfiguren.
+
+Zij zagen het en stonden eensklaps stil, als 't ware pal van verbazing
+en bewondering.
+
+--Olga! Olga! tu as vu, ça! riep een van de meisjes, in 't Fransch,
+tot de ontroerende schoone.
+
+Ik, natuurlijk, deed, alsof ik niets gemerkt had. Maar mijn hart
+klopte, klopte....! Ik schudde de asch van mijn sigaret, reed een
+eind weg, keerde terug, nam mijn elan en waagde een figuur dat,
+als het lukte, een van mijn gróót-triomfen was.
+
+Het lukte! Als een vogel zweefde en fladderde ik over het ijs en
+achter mij ging weer een kreet op van bewondering, terwijl ze zich
+nu allen in een groepje schaarden en kijkend stonden te wachten wat
+er nog meer zou gebeuren.
+
+Iets in het diepste van mijn wezen zei mij, dat er nu niets meer
+mocht gebeuren. De triomf was totaal, compleet, en kon slechts meer
+bedorven worden. Ik had ineens, door mijn smorende liefde overweldigd,
+tè veel gegeven; ik had meer gegeven dan ik werkelijk kon en ik hijgde
+en duizelde van de inspanning. Mijn opgewekte zintuigen waren tot het
+uiterste geprikkeld en gescherpt en 't zou mij welkom zijn geweest als
+er nu plotseling met mij iets was gebeurd; een flauwte, een inzinking,
+een klein accident, iets dat mij alle verder kunstenvertoon onmogelijk
+maakte. En plotseling kreeg ik een geniale ingeving: ik begon een
+kunsttoer, iets geweldigs van aanvang, alsof ik nu eens alle bekende
+en onbekende wereldrecords ging slaan; maar meteen zorgde ik er voor
+dat een van mijn schaatsen even over het ijs schraapte, en haperde,
+en hobbelde, alsof er iets aan mankeerde of gebroken was. Ik remde
+midden in mijn wildste zwieren, tilde den voet op, keek naar mijn
+schaats, schudde bedenkelijk het hoofd en hinkte op één been naar den
+oever toe. Ik hield het voorname groepje wel in 't oog, ik merkte
+duidelijk een spijtige, teleurgestelde uitdrukking op de gezichten
+en hoorde deze mij zoo zoet in 't oor klinkende woorden:
+
+--Quel dommage! Il a cassé un de ses patins!
+
+Ik was gaan zitten op den grasrand bij den kant en had mijn
+rechterschaats losgemaakt. Ik keek ter sluiks en dacht: "Zouden ze
+zich niet interesseeren? Zouden ze niet komen vragen wat scheelt
+er?".... Helaas! zij kwamen niet. Ze bleven nog een poosje staan
+kijken, wellicht wachtend of ik het gebrek kon repareeren en weer
+met mijn kunsten zou beginnen; maar toen ze merkten dat er niets
+van kwam, keerden ze zich weldra om en gingen kalm weer aan 't
+knoei-rijden. Diep voelde ik mij ontnuchterd en teleurgesteld. Het
+was zoo mooi begonnen, 't liep alles zoo prachtig van stapel en nu,
+juist nu als het tot een triomf moest opbloeien, ging het als een
+nachtkaars uit! Wat nu! Zou ik weer mijn schaats aantrekken en mij
+in vertooning geven? Neen: ik voelde, dat ik dàt niet doen moest. Nu
+was er nog als een aureool van slachtoffer om mij heen. Ik moest dien
+dag slachtoffer blijven. Dat stond beter, grooter, verhevener. Nu
+konden ze nog in hun herinnering bewonderen wat ze gezien hadden en
+treuren om wat hun onthouden werd. Zij zouden er nog met elkander
+over spreken, mij beklagen, hopen mij terug te zien. Ik stond op,
+met mijn rechterschaats onder den arm en op mijn linkerbeen alleen,
+dat 't sterkste van de twee was, zwierde ik over het ijs weg, licht en
+krachtig nog ondanks mijn ongeval, waardig en zelfs groot,--ik voelde
+het,--in den onverdienden tegenspoed die mij getroffen had. Even
+voorbij de bocht keek ik eens om en zag, dat ze mij naoogden. Mijn
+gemoed zwol van trots en ik ademde diep. Ik voelde dat ik indruk
+had gemaakt, ja, dat ik overwonnen had. Er was daar een gehucht van
+kleine huisjes aan den rand van 't water, waaronder een herbergje. Ik
+wipte aan wal en stapte er binnen. Een dikke vrouw kwam naar mij toe,
+groette mij vriendelijk, praatte dadelijk over 't mooie weer en vroeg
+mij wat ik wenschte. Ik begreep terstond dat ik met een babbelkous te
+doen had,--juist wat ik op dit oogenblik verlangde,--bestelde iets
+en bracht al spoedig het gesprek op de baronsfamilie, die daar bij
+'t kasteel ook zoo lustig aan het schaatsenrijden was.
+
+--Ha da ès toch wat, e-woar, meniere; en mejonkvreiw Quiline, die
+doar euk nog aan mee doet! riep de dikke vrouw, de beide handen op
+haar heupen zettend.
+
+Mejonkvrouw Quiline! Die mooie naam trof mij geweldig. Ik voelde dat
+"zij" het was, dat "zij" het wezen moest. Het kon niet anders.
+
+--Is dat de oudste van die jonge dames! vroeg ik, mij met inspanning
+zoo schijnbaar kalm en onbewogen mogelijk houdend.
+
+--Joa 't meniere; joa 't meniere, bevestigde de struische waardin. En
+zij begon mij een gecompliceerd verhaal over mejonkvrouw Quiline,
+een wees van adel, maar zonder fortuin, die bij haar oom, den baron,
+inwoonde en zoo lief en zoo aardig was, zoo vriendelijk met alle
+menschen, heelemaal niet trotsch of verwaand, "en zuk 'n scheun
+vreiwe-meinsch, meniere, as 't 'n boeremeiske woare dat den helft van
+'t dorp d'r zot van zoe leupen!"
+
+Een wees, dacht ik, en geen fortuin, hoewel van adel, en zoo lief
+en zoo aardig, en misschien wel tegen haar zin gedwongen daar,
+als behoeftige bloedverwante, bij haar oom in te wonen! Horizonnen
+gingen heerlijk zacht-verleidend vóór mij open; horizonnen van geluk
+en liefde, van levensblijde zaligheid in ideale toekomst!
+
+Zoodra ik met het babbelwijf had afgerekend trok ik weer mijn
+schaatsen aan en weg was ik, in één adem door, naar de stad toe. Op
+het ijs vond ik er dadelijk mijn vrienden: den Grooten Dichter,
+den Grooten Schilder, den Grooten Musicus, als naar gewoonte druk
+aan 't zwieren met de vriendinnetjes die ze zich uitgekozen hadden;
+maar zij waren eenigszins ontstemd omdat het ijs zoo slecht werd in
+de buurt der stad, zoo doodgereden; en zij vroegen mij of er op mijn
+lange baan niet een of ander mooi en rustig plekje was, waar ze zich
+beter zouden kunnen oefenen.
+
+Een licht ging vóór mij op. Ineens, met pijlsnelle gevolgtrekking, zag
+ik de mogelijkheid in van heel dichtbij mijn ideaal te benaderen. In
+mijn eentje,--dat voelde ik wel,--zou het mij lastig, zooal niet
+onmogelijk zijn, met haar in aanraking te komen. Maar in gezelschap van
+anderen, vooral als er dames bij waren, was er een zeer besliste kans
+op. Mijn oogen straalden en ik voelde mijn wangen een kleur krijgen.
+
+--Ik weet een heerlijk plekje, prachtijs, zoowat drie kwartier rijdens
+hier vandaan, vlak vóór 't kasteel van X. zei ik.
+
+Strak en ietwat aarzelend, keken zij mij even aan. Drie kwartier
+rijdens, 't was wel een heel eind. Zou het werkelijk de moeite
+loonen? Was het inderdaad zulk mooi ijs als ik zei en werd er daar
+nog meer gereden?
+
+--De familie van den baron rijdt er dagelijks: een jonge man en
+verschillende dames! antwoordde ik met geestdriftige overtuiging, alsof
+dit op zichzelf wel een voldoende en afdoende argument moest wezen.
+
+Ik vrees wel en ik geloof ook, dat de vurigheid van mijn betoog op dat
+oogenblik de warmte van mijn diepen hartstocht heeft verraden. Zij
+keken mij allen een beetje verwonderd aan en de Groote Dichter zei
+spottend:
+
+--Hohóó! En zijn er knappe meisjes onder?
+
+Ik kreeg een kleur als vuur. Ik voelde 't bloed onder mijn wangen
+gloeien en stond daar even radeloos, zonder te kunnen antwoorden. Doch
+wat ik ook al zeggen wou, 't bleek overbodig, zij hadden mijn geheim
+op mijn benauwd gezicht gelezen en vierden er de dolste pret om. Zij
+vroegen mij schertsend haar naam, haar leeftijd, en hoe zij er
+uitzag en honderd dingen meer. Ik had wel 'k weet niet wat gegeven
+als ik daar nooit over begonnen was; maar 't was te laat, zij raakten
+opgewonden over het geval en ondanks mijn halsstarrige ontkenningen
+en mijn verwoede tegenkanting wilden zij nu absoluut daarheen; en
+er werd afgesproken, dat zij mij den volgenden ochtend, om elf uur,
+op de aangewezen plek, vóór het kasteel, zouden verwachten.
+
+--Ik zal er niet zijn! riep ik razend, van spijt op mijn onderlip
+bijtend. En 'k was ook vast besloten niet te komen. Ik was zóó
+ontstemd, dat ik moeite had om niet te huilen en te schelden en ik
+verliet hen dien avond als vijanden, die ik nooit terug zou zien.
+
+Ik sliep niet, dien nacht. Zelden heb ik mij zóó diep ongelukkig
+gevoeld. 't Verdriet om Tieldeken van Meylegem, was niets daarbij
+vergeleken. Hoe was het toch mogelijk dat ik zelf, met slechts een
+paar onbezonnen woorden, in een oogwenk, mijn teedere illuzie, mijn
+schoon ideaal, mijn frisch en jong geluk ontfleurd, geschonden en
+vernietigd had!
+
+Half ziek van ellende stond ik op. Gedurende mijn woeligen, slapeloozen
+nacht had ik gewenscht en gehoopt dat het weer zou veranderen, dat
+het waaien, regenen, dooien zou; maar nog nooit had de winterzon zoo
+heerlijk in rein-stillen hemel gestraald en gebloeid als dien ochtend
+en dat verergerde mijn radelooze ontreddering, want nu zouden zij
+zeker komen, evenals het vast en zeker was, dat ook de bewoners van
+'t kasteel niet zouden nalaten van dit prachtig weer te profiteeren.
+
+Toch was ik vast besloten niet te gaan. Zoo zou ik mij wreken. Mij
+wreken.... maar zelf meteen folterend lijden. 't Werd negen uur,
+kwart over negen, half tien. Een rustelooze gejaagdheid zweepte mij
+op, dreef mij voortdurend heen en weer, deed mij elk oogenblik mijn
+horloge uithalen. Nog een half uur, nog een kwartier, en 't zou te
+laat worden, ik zou er niet meer kùnnen komen! Of zou ik wellicht
+toch.... al was 't maar op een afstand.... van verre.... ergens mij
+verschuilen.... kijken, al was 't maar om te weten of ze werkelijk
+gekomen waren, en hoe ze zich daar hielden....? Ik voelde mij
+krankzinnig worden van onrust en ellende; en plotseling was mijn
+besluit genomen: ik greep naar mijn schaatsen, vloog naar de deur,
+holde buiten, kwam aan 't kanaal, bond aan en reed weg, alsof mijn
+leven op het spel stond.
+
+Nog nooit had ik zóó gereden! Nu nog, als ik er aan terug denk, voel
+ik als 't ware die wilde opzweeping, dat rijden op leven en dood,
+dat hijgen en dat bonzen van mijn hart en de zweetstralen die in de
+straffe winterzon langs mijn gloeiende wangen stroomden. "Die moet er
+zijn!" riepen de schaatsenrijders, die mij als een bezetene langs hen
+heen zagen razen. Eerst toen ik in de buurt van het kasteel gekomen
+was, bedaarde ik een weinig. Ik kòn ook niet meer. Ik was letterlijk
+op. Maar ik verademde in al mijn zwoegen, toen ik merkte dat mijn
+inspanning niet tevergeefsch was geweest en de adellijke familie daar
+rustig op 't gewone plekje aan 't rondrijden was, zonder een van mijn
+gevaarlijke vrienden in hun nabijheid. Die waren er dus nog niet;
+ik kon ze tegemoet rijden en eventueel tegenhouden; ik kon althans
+een soort contrôle uitoefenen op hun optreden en zorgen, dat ze geen
+gekheden uithaalden. Ik ging een oogenblik op den oever zitten om wat
+te bekomen en toen reed ik kalm en langzaam verder, in de richting van
+'t kasteel toe.
+
+Wat lag het daar mooi en deftig en sierlijk, gansch badend in
+stralende winterzon en blauwen hemel en wat scheen het mij heerlijk
+daar te mogen leven! Ik zag er mij reeds, in mijn rijke en vlugge
+verbeelding, zittend aan een feestdisch naast haar en ik gloeide
+van liefde en tranen van geluk en zelfverteedering kwamen in mijn
+oogen. Daar reed ze weer, met haar nichtjes en de juffer en haar neef
+op het verrukkelijk plekje heen en weer, en zij scheen mij nog veel
+mooier en bekoorlijker dan al de vorige dagen; en ik fluisterde in
+mij zelf haar naam, haar zachten, lieflijken naam: Quiline, en in mijn
+sidderende verbeelding omarmde ik haar en zoende haar hartstochtelijk,
+op de wangen, op de oogen, op de lippen....
+
+In zulke ontbrandende stemming reed ik langzaam en schijnbaar kalm,
+met sierlijke zwaaien voorbij. O, zoo dacht ik, ze moest eens weten,
+ze moest eens voelen wat ik op dit oogenblik weet en voel! Zij zagen
+mij en staakten even hun nog steeds vrij sukkelige oefening om mij
+na te staren. Ik zwaaide en zwierde als een verliefde jonge God over
+het ijs. Ik hoorde hun opmerking: "C'est lui, c'est le même!" en
+'t zwol in mij van trots en van ontroering. Wat was ik blij dat
+ik toch maar gekomen was! En wat een geluk dat ik er toch nog de
+eerste was en de anderen een eind tegemoet kon rijden! Als die nu ook
+maar kwamen! Zoozeer als ik hun komst eerst gevreesd had, zoo sterk
+verlangde ik er nu naar. Ik voelde als het ware een triomfstemming
+in en alom mij heen: een triomf, die eerst volmaakt zou worden,
+als de anderen er nu getuigen van werden en er in medewerkten.
+
+Daar waren ze! Ik zag ze komen van verre, even voorbij het herbergje
+der babbelkous, waar ik den vorigen dag gepleisterd had. Zij zwaaiden
+naar mij met hun armen en op hun verhitte gezichten en in hun stralende
+oogen glom reeds bij voorbaat ondeugende pret.
+
+--Is ze daar! riep de Groote Dichter mij toe. En de Groote Schilder
+zond kushanden door de lucht, terwijl de Groote Musicus pathetisch
+galmde: "Oh bel ange, ma Lucie!" De jonge dames giegelden en lachten.
+
+--Houen jullie toch wat stil! zei ik bezorgd en onrustig mijn
+wenkbrauwen fronsend.
+
+Maar zij waren nu eenmaal dol opgewonden, zooals meer gebeurt met
+stadsmenschen, wanneer ze buiten komen; en die opgewondenheid uitte
+zich in vrij smakelooze uitbundigheden. Omdat een haan luid kraaide
+op een boerderijtje langs den oever, begonnen zij ook allen schril te
+kraaien. Omdat een waakhond blafte gingen zij ook aan 't blaffen en
+omdat de babbelkous van 't herbergje met onbehouden nieuwsgierigheid
+naar hun rumoerigen optocht kwam kijken, zetten zij ook allen groote
+oogen van overdreven verbaasdheid op en riepen 't wijf in het Fransch
+gekke dingen toe waarvan ze geen woord kon verstaan.
+
+--Asjeblief doe dat niet! smeekte ik diep ongelukkig, met het ellendig
+gevoel dat mijn gansche triomf als sneeuw vóór de zon ging versmelten.
+
+Zij bedaarden een weinig. Zij reden kalmer naast mij door en toen
+zij weldra in 't zicht van het mooie kasteel kwamen dat daar gansch
+glinsterend roze in zonneglans te baden stond en de deftige familie
+zagen, die zich bij den inham in het schaatsenrijden verlustigde,
+scheen het wel eenigen indruk op hen te maken. De Groote Dichter had
+woorden van waardeering en vooral de Groote Schilder jubelde, terwijl
+de Groote Musicus even zijn pet afnam en zijn manen van voor het
+voorhoofd wegschudde om beter te zien. De vrouwen waren typisch. Zij
+keken al niet veel naar het kasteel en zijn mooie omgeving, maar zagen
+dadelijk de schaatsenrijdende meisjes; en een gepinceerde uitdrukking
+kwam om haar lippen, terwijl ze scherp-critisch het viertal opnamen.
+
+--Dewelke is het nu? vroeg spotachtig de Groote Dichter.
+
+--Zal ik het je zeggen! riep levendig het aardig snoetje, dat altijd
+met hem reed: de grootste is het: die met haar blauwen rok en witte
+trui!
+
+--Maar 't is al een oude! giegelden de twee anderen.
+
+Ik voelde 't bloed naar mijn wangen stijgen. Ik had wel onder het
+ijs willen wegzinken!
+
+--Praat toch zoo hard niet! zuchtte ik wanhopig.
+
+De deftige familie had ons opgemerkt. Verwonderd door onze onverwachte
+verschijning, stonden zij daar even op een rijtje, roerloos, met
+belangstelling ons opnemend. Zij wisselden enkele woorden, glimlachten,
+en gingen dan weer kalm doorrijden. Er was ik weet niet welke vage
+stemming van stille, onverklaarbare hostiliteit.
+
+--Hoe oud is ze? kwam de Groote Dichter met schijnbaar-ernstige
+belangstelling naar mij toe.
+
+--Weet ik het! klonk mijn ongeduldig, gesarde antwoord.
+
+--Het ijs is hier mooi, laten we maar wat figuren rijden, zei het
+meisje van den Grooten Dichter, die dadelijk gemerkt had, dat de
+deftige familie slechts een troepje knoeirijders was.
+
+En zij begon sierlijk te zweven.
+
+De anderen volgden haar voorbeeld. En dadelijk werden op het mooie
+plekje eenige kunstfiguren getrokken, zooals het ijs er daar wellicht
+nog nooit ontvangen had.
+
+Het scheen diepen indruk te maken. Weer stond de deftige familie
+roerloos op een hoekje te kijken en van lieverlede, zonder het haast
+te merken, namen wij meer en meer de plaats in, waar zij zich tot
+dusver geoefend hadden. Ik zag het eensklaps met schrik en zei:
+
+--Laten we liever een eindje meer naar 't midden der rivier gaan,
+ik vrees dat we hier hinderen.
+
+Maar de meisjes protesteerden luide:
+
+--Waarom? Het ijs is hier uitstekend en de rivier is toch geen privé
+eigendom?
+
+Ik zweeg, geconsterneerd. Hoe durfden ze zoo onbescheiden op te
+treden! Die stadslui, eenmaal buiten, hadden toch geen greintje
+beschaving of tact meer! En weer speet het mij geweldig, en had
+ik kunnen schreien van spijt en ellende, dat ik hen daar gebracht
+had. Het verlamde mij totaal, al mijn pleizier was ineens weer weg,
+ik reed geen steek meer, ik stond daar roerloos en benauwd te kijken,
+in voortdurenden angst dat er iets vreeselijks gebeuren zou.
+
+De deftige familie, een enkel oogenblik geboeid, nam reeds geen
+notitie meer van ons. Zij bleven in hun hoekje, dat steeds kleiner
+werd en sukkelden daar knoeierig heen en weer en de stemming van
+stille hostiliteit, die ik al van 't begin gevoeld had, scheen zich te
+accentueeren, uit te breiden! 't Was ook te gek, zooals die steedsche
+meisjes zich daar aanstelden. Omdat ze iet of wat konden kunstrijden,
+deden zij alsof ze heldinnen waren in de sport en keken met onverholen
+minachting en spot naar 't gewurm der anderen. "Niet fameus, het
+rijden van je belle," riep een van haar mij in 't voorbijzwieren toe,
+luid genoeg dat de freule het wellicht hooren kon. Ik had haar wel
+kunnen omvergooien van woede en 't schaamterood steeg als een golf
+naar mijn wangen.
+
+--Ik blijf hier niet; ik ga weg! riep ik eensklaps met luider stem,
+in opstand komend.
+
+Met verbazing keken zij mij aan; en ook de deftige familie, die
+blijkbaar mijn uitroep gehoord had, bleef even staan en drong op een
+kluitje samen.
+
+--Wat heb je toch! Word je gek! vroeg spottend de Groote Dichter.
+
+Eensklaps verliet de jongeling, die met de deftige familie reed,
+het ijs en op zijn schaatsen, met breede, onbehendige schreden,
+als een die iets heel dringends mee te deelen heeft, liep hij dwars
+over het glooiend grasveld naar 't kasteel toe. Ik zag hem door de
+glazen vestibule-deur verdwijnen en voelde instinktmatig dat er iets
+heel gewichtigs, wellicht iets vreeselijks gebeuren ging. De Groote
+Schilder en de Groote Musicus merkten het ook en schertsten:
+
+--Hij gaat ons een glas port halen!
+
+Mijn hart klopte en mijn knieën knikten. Nog nooit had ik mij zoo
+grenzeloos-ongelukkig gevoeld. "Asjeblief, schei toch uit," smeekte ik,
+terwijl er tranen in mijn oogen kwamen. Maar zij lachten en spotten
+nog veel harder toen ze dat zagen en vooral die ellendige stadsjuffers
+hadden gemeene, onmeedoogende pret.
+
+In 't kasteel was de vestibule-deur weer opengegaan en langzaam,
+met een soort aarzeling, kwam een huisknecht buiten en stapte dwars
+over het gras naar de rivier toe. Hij was blootshoofds, droeg een
+zwarte pantalon en een roze-en-wit-gestreept buisje en had een groote
+witte schort aan, als een vrouw. Naast hem kwam ook de jongeling
+weer buiten, die met groote, wijde waggelschreden, als een eend op
+'t droge, naar de anderen terugliep.
+
+De knecht was bij den rand van 't ijs gekomen. Hij scheen een oogenblik
+te weifelen, maar waagde zich toch eindelijk en kwam, voorzichtig en
+stram schuivend, naar den Grooten Dichter toe.
+
+--Pardon, mossieu, begon hij in gebrekkig Fransch, mossieu le baron
+demande si voulez patiner un peu plus loin; ça est ici pour la famille.
+
+--Qu'est-ce que vous me chantez là! riep brutaal de Groote Dichter,
+spottend wenkbrauw-fronsend.
+
+--Vous dites, mossieu? vroeg de knecht bedeesd en niet begrijpend.
+
+Er was een oogenblik verbaasde, wederzijdsche stilte. Als een bende
+ijsvogels kwamen de Groote Schilder, de Groote Musicus en de drie
+dames om den huisknecht heen gezwermd. Ik, roerloos op een afstand,
+wist niet waar te kruipen van ellende en schaamte. Dicht bij den oever,
+op een kluitje, stond, insgelijks roerloos en in stomme afwachting,
+de deftige familie.
+
+--Ça n'est pas ma faute, est-ce pas, mossieu! Moi faire ce qu'on me
+commande, est-ce pas? zei de man schuchter-glimlachend, op een toon
+van spijt en verontschuldiging. En hij wenkte met het hoofd achter zich
+om naar het kasteel, om te beduiden dat het bevel daar vandaan kwam.
+
+Machinaal volgde mijn blik de richting, die hij aanwees en daar zag ik,
+achter een der ramen, een streng gezicht met witte bakkebaarden. Onder
+mijn star-geboeiden blik week het gezicht van voor het raam en
+versmolt zich vagelijk in den schemerigen achtergrond der kamer,
+als van een stillen, bleeken visch, die zich in de diepte van een
+sloot laat zinken.
+
+Alle drie de Groote Artiesten en de meisjes waren hevig opgewonden. Zij
+protesteerden luide en met heftige gebaren dat de rivier aan niemand
+toebehoorde en dat zij ook voor niemand zouden wijken.
+
+--Verstoa-je gij Vloamsch, mijne vriend! riep eensklaps de Groote
+Musicus heftig zijn manen schuddend, en zijn bol gezicht onder den
+neus des huisknechts wringend.
+
+--Joa joajik, meniere, antwoordde deze argeloos en opgelucht dat hij
+zijn natuurlijk dialect mocht spreken.
+
+--Hawèl, mijne vriend, zeg gij aan ouen baron dat hij.... en in zijn
+verontwaardigde opgewondenheid liet de Groote Musicus iets los dat
+de meisjes deed gillen en mijzelf als een oorveeg in 't gezicht trof.
+
+--Ploert! schreeuwde ik hem woedend toe.
+
+De huisknecht zei geen woord meer. Hij keerde zich om en verliet
+het ijs en aan het andere eind van den inham wipte ook de deftige
+familie op den oever en liep ijlings op haar schaatsen naar 't
+kasteel terug. Achter het raam verschenen even geagiteerd de grijze
+bakkebaarden, en drongen dadelijk weer in de schemerdiepte terug en
+op het ijs stonden wij daar met ons zessen alleen, zegevierend maar
+toch vernederd, in een pijnlijk bewustzijn, dat wij ons als schoeljes
+gedragen hadden. Het kookte zóó hevig in mij van ergernis en woede,
+dat ik recht op den Grooten Musicus afreed, hem met vlammende oogen
+uitschold voor ik weet niet meer wat en hem op staanden voet in duel
+provoceerde. Ik had mij wel nooit in de wapens geoefend, doch dat deed
+er niet toe, ik provoceerde maar raak en stelde zelfs voor onverwijld
+het geschil op het ijs uit te vechten.
+
+De pret van den dag was absoluut bedorven. De Groote Musicus haalde
+zijn schouders op, schudde zijn manen en staarde mij sprakeloos met
+de diepste minachting aan, de Groote Schilder en de Groote Dichter
+werden ineens ernstig en de jonge dames waren bang en hadden tranen
+in haar oogen.
+
+--Nou, ik geloof dat we maar beter terug zullen gaan, zei stil de
+Groote Dichter.
+
+--Dat geloof ik ook! antwoordde ik luid, op uitdagenden toon. En in
+een instinctief gebaar nam ik mijn pet af, groette kort en stijf,
+met belachelijk en overdreven formalisme, en recht als een pijl reed
+ik weg, in stugge, woeste vijandschap.
+
+
+
+Toen zakte 't eensklaps neer in mij, en 'k voelde mij ellendig slap
+en mat en droevig. Het kostte mij groote moeite om niet als een klein
+kind te schreien.
+
+Op zwakke beenen reed ik verder, tot in de eerste bocht waar men mij
+niet meer zien kon en daar ging ik uitgeput en troosteloos op den
+oever zitten, in de zachtstralende winterzon.
+
+Ik voelde mijn jongelingsleed als een grievend onrecht, als
+een onverdienden smaad, welken het onmeedoogend noodlot op mij
+neerwierp. Ik dacht aan de schoone jonkvrouw, aan de goddelijke
+Quiline, die nu onherroepelijk voor mij verloren was en in de
+liefdestobberijen van mijn jeugdig, ruim-beminnend hart, dacht ik
+meteen aan het bekoorlijk Tieldeken van Meylegem, die ik de laatste
+tijden zoo verwaarloosd had en die ik daarom ook totaal voor mij
+verloren voelde. Mijn trouwe ijsvrienden, Quiline, Tieldeken, nu had ik
+eensklaps niemand meer en nu eerst voelde ik recht wrang en hard hoe
+koud en hoe verlaten het ijs is zonder liefde. De schoone, tintelende
+vlakte strekte zich voor mij uit als een dorre, troostelooze, doodsche
+woestijn. Ik was daar gansch alleen nu op die wijde uitgestrektheid
+en 't werd mij in wanhoop te moede alsof ik ook alleen en van allen
+verlaten op een uitgestorven wereld achterbleef.
+
+Ik nam mijn hoofd tusschen mijn handen en snikte....
+
+
+
+Nu nog herinner ik mij hoe dat snikken en schreien mij goed deed. Het
+suste stil en lenigde en laafde mijn diepe smart. Ik schreide goed en
+diep uit, daar in de stilte en de eenzaamheid; en toen het eindelijk
+luwde was ik zachtjes opgelucht en voelde ik een soort weldadige
+matheid door mijn gansche lichaam soezen, terwijl mijn hongerige maag
+naar sterkend voedsel vroeg. Ach ja, ik was jong en vermoeid en ik
+had honger. 't Verlies van Tieldeken knaagde wel bitter, 't verlies
+van Quiline knaagde nog bitterder; maar het bitterst van al knaagde en
+klaagde mijn holle maag en toen ik aan het naastgelegen dorpje kwam,
+waar een ouderwetsche herberg bij de brug stond, stapte ik zonder
+aarzelen aan wal en ging er binnen.
+
+
+
+Drie gebakken eieren met ham, heerlijk bruin brood en echte boter
+zonder margarine (die was Goddank toen nog niet uitgevonden) een goed
+glas bier, een kopje koffie, een glaasje likeur en een sigaar,.... 't
+begon me reeds beter te gaan en de zware droefheid versmolt al ietwat
+in het vage. De zon streelde weldadig mijn wangen en mijn handen;
+en door het raam genoot ik van een prachtig vergezicht: de bevroren
+rivier kronkelend en slingerend door tintelende weiden, een houten
+molentje op een aardig begroeiden heuvel, het dorp met glinsterend-wit
+kerkje in de diepte, bosschen, landouwen en boerderijen rechts en
+links in het besneeuwd verschiet en over dat alles heen de eindelooze
+koepel van den blauwen hemel, waarin de groote zon langzaam naar 't
+Westen neeg, oranje-rood, omsluierd met grijze en purperen nevelen,
+als in een atmosfeer van heilig-stille en grootsche feerie.
+
+Slechts hier en daar een eenzaam schaatsenrijder meer over de verre
+uitgestrektheid. Het leken op donkere vogels die huiverend voor
+den komenden nacht naar hun mysterieuze nest terugvlogen: en alles
+was zoo ruim, zoo plechtig en zoo grootsch, dat voor afzonderlijk
+klein-menschelijk leed geen plaats meer scheen in zooveel weidsche
+rust en heerlijkheid.
+
+Toen ik eindelijk opstond en vertrok was mijn droefheid gansch
+geweken. Wat had ik mij belachelijk aangesteld! Wat een malle
+droom, mijn dolle liefde voor die freule van 't kasteel, tienmaal
+gekker nog dan mijn sentimenteele opwinding voor Tieldeken van
+Meylegem! Bespottelijk: de eene was wel vijf of zes, de andere
+misschien wel tien jaar ouder dan ik! Als een kleine jongen, als een
+kwâjongen beschouwden ze mij, allebei! Ik mocht me schamen.
+
+Ik reed terug, in rustig tempo, en voelde mij als 't ware een nieuw en
+ander mensch worden. Ik had tweemaal wanhopig-zwaar geleden, zooals
+alleen de eerste jeugd door liefde lijden kan, maar de smart had
+mij gesterkt en 'k was een man geworden. Ik reed terug naar huis en
+'t was of ik een gansche nieuwe toekomst tegemoet ging. Het nog maar
+pas gebeurde en geledene doezelde reeds in wazige verschieten weg
+en nieuwe horizonnen gingen in de verte voor mij open, vol onbekende
+levenslust, vol lokkende hartstochten en avonturen.
+
+'t Begon stilaan te duisteren. De scherpe vrieslucht prikte in de ooren
+en deed de vingertoppen tintelen. De meer en meer verlaten ijsvlakte
+glom hier en daar met harde, als het ware stalen glanzingen en het
+stille sneeuwveld langs de oevers kleurde zich met doffe, violette
+tinten, terwijl de gansche westenhemel roze werd, van een egaal en
+zachtkens tanend roze, dat langzaam aan, tegen den lagen einder,
+in lei-kleurige schemeringen uitstierf. Soms kraakte het ijs zonder
+merkbare oorzaak en lange echo's dreunden na tot in de verte, als doffe
+kanonsschoten; en een vlucht van wilde ganzen teekende haar scherpen
+driehoek in de ijle lucht, heel hoog, héél hoog, zoodat men nauwelijks
+het fijn gekrijsch kon hooren, als van klagende kinderstemmetjes. De
+eerste sterren twinkelden mirakuleus....
+
+
+
+Dien nacht werd ik midden in mijn slaap door vage onrust wakker. De
+maan scheen in mijn kamer door de ijsbloemen der ramen tusschen de
+gordijnen en 't kwam mij voor of er geluiden gonsden door de stilte,
+zooals ik er in weken niet meer had gehoord. Huiverend stond ik op,
+schoof de gordijnen weg, wreef over 't ijs der ruiten en staarde even
+in den lichten hemel.
+
+Met verbazing zag ik de kale boomkruinen in den tuin heen en weer
+schommelen en uit het westen kwamen donkere wolken aangedreven,
+die even het gelaat der maan omsluierden en dan weer openrafelden.
+
+--De dooi! zei ik halfluid, met een soort schrik. En het was mij te
+moede alsof luchtkasteelen in elkander stortten.
+
+--De dooi! herhaalde ik; en peinzend, en mijmerend en huiverend kroop
+ik weer in mijn bed; en over de onberekenbare gevolgen van den dooi
+lag ik onder het toenemend loeien van den wind te tobben en te zeuren,
+en te twijfelen tot de slaap en de vermoeiheid weer mijn oogen sloten.
+
+Toen ik 's ochtends wakker werd en mijn gordijn optrok zag ik een
+vuilen motregen uit donkergrijzen hemel sijpelen. Moest dàt nu 't
+droevig einde zijn van zooveel opwindende, hartstochtelijk-genoten
+dagen en de vernietiging van nog zooveel rijke illuzies in 't
+verschiet?.... Weldra viel de regen met stroomen. Het regende en
+regende, en het woei en het loeide, en de dagen volgden de dagen in
+troostelooze, grijze en grauwe matheid op; en van al het schoone en
+rijke en sterke en frissche bleef niets dan akelige slijk en vuile
+weekheid over.
+
+En 't was of in den dooi van 't schoone, sterke ijs ook al de frissche
+liefde, die in mij op 't ijs en door het ijs geboren was, in de
+débâcle werd meegesleept. Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, de breede
+overstroomde weiden, de poëtische witte kerktorentjes, de pittorekse
+boerderijtjes, het lijnrecht kanaal, de lieve, kronkelende Leie, en
+'t mooie Tieldeken, en de schoone freule, en de vrienden uit de stad,
+alles wazigde en smolt weg, alles verdween alsof 't niet meer bestond
+en wellicht nooit bestaan had. En wat nog wel het wonderbaarste was:
+ik voelde geen weemoed, geen spijt, ik lei mij dadelijk getroost bij
+'t onvermijdelijke neer en 't gaf mij een gevoel van groote rust,
+wellicht omdat ik wist dat het zoo wezen moest en dat het ijs, ondanks
+zijn schijnbare sterkte, iets was van brozen en vergankelijken aard,
+zoo broos en zoo vergankelijk als de vele liefdes, die er in een
+oogwenk op ontvlamden en even gauw als zij ontvlamd waren, onder de
+eerste regenbui weer uitdoofden.
+
+En ook en bovenal, omdat ik jong was en dat er voor mij nog zooveel
+mooie ijsvelden in het verschiet der toekomst lagen.
+
+De echte "happy hunting grounds," zooals de Indiaan zijn Paradijzen
+noemt, waren nog niet door mij betreden.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE DEEL
+
+MAUD
+
+
+
+I
+
+
+Ik herinner mij nog goed die eerste reis naar Amerika.
+
+Ik herinner mij die aankomst in New York op een stralenden
+Septemberdag, onder een heilig-blauwen, sereen-stillen hemel,
+zóó schoon, zóó rijk, dat ik nooit had kunnen denken, dat zoo iets
+prachtigs op de wereld kon bestaan.
+
+Dat was het begin van wat de Amerikanen "Fall" of "Indian Summer"
+noemen.
+
+Ik bleef slechts enkele dagen in New York, dat mij overdonderde
+en benauwde. Ik nam de eerste de beste gelegenheid waar om die
+overweldigende stad te verlaten en langs de bekoorlijke Hudson-River,
+met een der pleizierbooten, naar Albany op te stoomen.
+
+Nooit heb ik dit eenig schouwspel van natuurpracht kunnen vergeten. Het
+is nu jaren en jaren geleden, maar het beeld staat als 't ware nog
+te leven, te trillen en te glanzen vóór mijn geest.
+
+Ik zie nog in mijn verbeelding enkele boompjes langs de rotsachtige
+hellingen der oevers, gansch rood als vuur tegen de grijze rots, of
+fonkelend-oranje tegen 't harde hemelsblauw; of wel teergroen, bijna
+geelgroen als van een allereerste, weeke lente; of donkerpaars en
+bijna zwart als blad van artificieele rouwkransen. Ik zie hardroode
+slingerplanten, als strepen en beken van vloeiend bloed langs de
+grijze rots tot in de diepte kronkelen; en op de boot zie ik dames,
+in witte zomerkleeren, die tuilen van bladeren geplukt hebben, zooals
+men bij ons tuilen van bloemen plukt; en op een van die tuilen komt
+even een prachtige, groote, bruinroode vlinder zitten, met langzaam
+op en neer knippende vleugels, als in zwaar-hijgend ademhalen.
+
+Ik ken niets rijkers en niets schooners op de wereld dan die gansche
+Ooststreek van Amerika onder stralende zon en diep-helderblauwen hemel,
+in haar Indian-Summer-najaarspracht.
+
+
+
+Zóó heb ik ook voor het eerst Niagara-Falls gezien. Wellicht
+was mijn verbeeldingskracht, door romantische verhalen gevoed,
+tot een te hooge verwachting opgevoerd. Ik herinner mij, dat het
+eerste zicht een teleurstelling was. Vlak over de bruisende en
+schuimende en stuivende watervallen stond een ellendige fabriek
+met een rood-steenen schoorsteenpijp en dat bedierf den indruk
+zoo totaal, dat men instinctmatig de handen vóór de oogen hield
+om die monsterachtigheid niet meer te zien. Maar als men zijn rug
+naar het gedrocht toekeerde en stroomopwaarts liep, met inspanning
+ploeterend langs den oever en van rotsblok op rotsblok tusschen 't
+ziedend water springend, dan was het tafereel van een overweldigende
+grootschheid. Het gansche meer, tusschen de steile oevers gekneld,
+kwam, als van een berg, met alles-vernielende kracht op je aanstormen
+en je voelde de rots onder je voeten dreunen, terwijl het om je heen
+schuimde, en bruisde, en suisde, en kolkte, om er duizelig van te
+worden. Losgerukte takken en soms gansche ontwortelde boomen kwamen in
+dien wilden chaos neergesleept, en dat brak dan op de rotsen dat men
+'t hoorde kraken en dat men de witte splinters uit elkaar zag barsten
+als van geradbraakte armen en beenen, terwijl de roode en oranje
+bladerkruinen zich wrongen en kantelden en wentelden en tegen den
+stroom schenen te vechten, als vlammende en glinsterende haardossen
+parelnat van telkens overzwalpende en geeselende golfslagen.
+
+Van de groote watervallen zelven, daar waar de gansche rivier met
+één plons van vijftig meter in de diepte stort, hield ik minder. Dat
+heeft nooit op mij den overweldigenden indruk kunnen maken, dien
+men, volgens de beschrijvingen der reisgidsen, op die plek dient te
+ondergaan. Het is mij daar te watermolenachtig, te veel in 't groot
+wat wij gewend zijn in het klein te zien. Dat komt ook al weer door
+die afschuwelijke fabrieken daar in de buurt: door die brouwerij, of
+die houtzagerij, of die electrische centrale, of wat het ook al wezen
+mag. Maar even verder stroomafwaarts uit het zicht der vallen, in de
+"Whirlpool Rapids" krijgt het schouwspel weer zijn gansche oerwilde
+woestheid en daar heb ik meer dan eens uren aan den rand gezeten,
+in strak-geboeide contemplatie.
+
+O, die vuurroode oevers van glanzende en stralende najaarspracht, met
+den woedenden stroom in het midden en den diep-azuren hemel breed er
+overheen gewelfd! 't Was of het schuimend water uit de diepte van de
+aarde zelf opstormde en kolkte. 't Was iets als uit een andere, nog
+ongevormde wereld en in verbeelding liet ik mij gaan en zag mij in
+mijn schuitje op den wilden chaos dansen, zooals ik eertijds roeide
+op de overstroomde vlakte van de Meylegemsche Meerschen, naar het
+schoone Tieldeken toe.
+
+Tieldeken! Ja, ik dacht aan Tieldeken van Meylegem, daar bij
+de wilde draaikolken van den Niagara, op zooveel duizend mijlen
+afstands! Ik liet mij gaan op mijn gedachten, en een eindeloos
+gevoel van eenzaamheid en heimwee kwam mij kwellen en ik cijferde
+de onoverkomelijke ruimte weg en ik zag mij weer bij Tieldeken, in
+de ouderwetsche herberg, bij het ouderwetsch, poëtisch kerkje. Ik
+zag haar blozend-frisch gezicht, haar stralende oogen, haar mooi,
+bruin, krullend haar, haar vriendelijken glimlach. Ik hoorde haar
+beminnelijke stem, en ik hoorde ook den loggen klompstap van haar
+vader en de brabbelstem harer moeder, die achter de schenktafel
+"dreupelfs" ging halen. Ik zag en hoorde alles; al het aardige en
+lieflijke en ook het tergende en kwellende: haar ontrouw, haar akelig
+gescharrel met den boerenpummel en nog anderen; en ik zat daar stil
+over te mijmeren en te peinzen, dààr, in die Amerikaansche wildernis,
+zoo verre van haar weg, en uit dat alles groeide in mij een gevoel
+van onuitsprekelijke teederheid, voor haar, voor het verleden, en
+voor het gansche lieve, schoone Vlaanderen. Want in Amerika waren
+geen Tieldekens van Meylegem. Het was daar alles hard, en stug,
+en positief, en droog, zonder gevoeligheid noch poëzie. De dollar
+was er heerscher van het leven en dat herinnerde mij nuchter-weg,
+dat ik er eigenlijk ook niet voor mijn genoegen, maar wel voor de
+verovering van den dollar heengekomen was.
+
+
+
+
+II
+
+
+Ik wrocht er dus voor den dollar en ik wrocht er lange en vele
+dagen. Het was een harde, dorre, onbehagelijke strijd. Want de
+Amerikaan is hard en dor en stug op stuk van zaken. Hij kent
+geen tegemoetkoming noch medelijden voor een zwak en onervaren
+mededinger. Zaken zijn zaken in den droogsten zin van 't woord voor hem
+en niets is hem aangenamer dan een concurrent, vooral een buitenlander,
+te kunnen fnuiken. Ik had er den indruk alsof het heele land van meer
+dan tachtig miljoen inwoners tegen mij samenspande en of de gansche
+samenleving er op was ingericht alleen om mij ten onder te brengen.
+
+'s Zondags, en in mijn vrije uren, ging ik er veel naar buiten wandelen
+en in mijn heimweeïge verlatenheid en eenzaamheid, filosofeerde ik
+zonder eind over den materialistischen struggle for life en over de
+gansche, volgens mijn meening ongerijmde levensopvatting van al die
+rijke Amerikanen.
+
+Wat hadden ze wel aan hun rijkdommen en aan hun leven? Meer dan eens,
+in een bar of restauratie, had men mij zoo, met een soort eerbied,
+een of ander man gewezen en gezegd: "Kijk eens, zie je daar dien
+man. Hij is zonder een duit in 't land gekomen en nu is hij vijftig
+miljoen dollar waard."
+
+Vijftig miljoen dollar waard! herhaalde ik in mezelf, en keek, en
+mijmerde. Zoo'n man van vijftig miljoen dollar waard zat meestal op
+een hooge kruk bij een schenktafel en slikte schrokkig een bord eten
+in. 't Was of hij achterna gezeten werd door onzichtbare vijanden,
+die hem zijn voedsel zouden rooven als hij zich niet haastte; hij had
+geen tijd, geen tijd; hij moest in allerijl weer naar zijn "office" om
+nog maar steeds meer geld te verdienen en met dat geld dan eindelijk
+van het leven te genieten....? Wel neen: hij had immers geen tijd
+daarvoor, en dat was ook zijn doel niet. Zijn doel was alleen maar
+om boven zijn concurrenten te komen, om de eerste en de grootste te
+zijn,--de eerste en de grootste van wat?--en om de kleinere, zooals
+ik was, te fnuiken en van de markt te verdrijven. Zoo'n man werd niet
+oud. Zoo'n man werd zenuwlijder, door zijn onverpoosd en overspannen
+werken, of kreeg een maagkwaal, door zijn haastig, schrokkig eten;
+en dan lagen daar de vijftig miljoen dollarswaarde, heusch te veel
+om de slooten melk en mineraalwater,--de eenige weelde die hij zich
+voortaan mocht veroorloven,--mede te betalen.
+
+Veel en veel heb ik in Amerika gefilosofeerd. En dat heeft mij altijd
+in mijn tallooze beproevingen gesterkt en nooit heb ik gewenscht
+een Yankee van vijftig miljoen dollar waard te zijn. Integendeel:
+in Amerika, het land van 't geld, heb ik het geld leeren minachten
+en mij rijk gevoeld in betrekkelijke armoede.
+
+Want ik droeg de levensrijkheid in mijzelf! "Le trésor de l'humble!"
+
+
+
+Zoo ging ik vele dagen wandelen en bewonderde de wilde schoonheid
+der ietwat verwaarloosde, Amerikaansche natuur. De natuur op
+zichzelve verwaarloost niets, is harmonieus en volmaakt in haar eigen
+essentie. Alleen de wijze waarop de mensch van de natuur gebruik maakt,
+de manier waarop hij er zich neerzet en vestigt, kan die harmonieuze
+schoonheid diep verstoren.
+
+Een oerwoud, met alles wat er in leeft en ook met alles wat er in is
+doodgegaan, blijft een prachtig harmonisch geheel op zichzelf. Een
+akker met gouden, golvend koren, daar waar eens het oerwoud heeft
+bestaan, kan ook zijn eigen, rijk-harmonieuze schoonheid hebben. Maar
+onharmonisch leelijk is een stuk grond, waarop de een meter boven
+den grond afgezaagde boomstammen zijn blijven staan en tusschen wier
+zwarte, verdorde en verminkte stronken, koren is gezaaid. Zoo zijn
+er vele landerijen, gansche gewesten in Amerika. De eerste pioniers,
+welke daar aankwamen hadden geen tijd, geen tijd, evenals nu de beurs-
+en handelslui, en zij zaagden maar de bosschen af, en ruimden slordig
+op, en ploegden en zaaiden tusschen de geraamten van de stronken door,
+zoo goed en zoo kwaad als het ging, om toch maar zoo gauw mogelijk
+den oogst van dollars in te halen.
+
+Dat geeft aan 't land dikwijls een uitzicht van verwoesting. Het
+lijkt wel of er een invasie van.... Barbaren is doorheen getrokken;
+'t is of er oorlog heeft gewoed.
+
+Maar ach! er is nog zoo oneindig veel natuurschoon in Amerika
+bewaard gebleven. En hier denk ik niet alleen aan de alom bekende
+wereldwonderen, maar aan veel intieme plekjes, die in geen
+toeristengids vermeld staan en toch een onuitwischbaren indruk in
+mijn geheugen hebben nagelaten.
+
+Zoo zie ik nog in mijn verbeelding de met fruitboomen beplante wegen
+van den staat Indiana. Blonde, rechte, meestal verwaarloosde wegen,
+met breeden rand van dicht, kort gras; en daarop de fruitboomen: de
+appelboomen en de pereboomen, tot in 't oneindige. De verschijning van
+een menschelijk wezen was toen een zeldzaamheid in die streken. Je
+ging, je wandelde, uren en uren en je zag mensch noch huis, je zag
+alleen de fruitboomen, eindeloos, eindeloos, in de laat-stralende
+najaarszon, onder den stillen, magnifieken, vlekkeloos-azuren
+hemel. Wie had die boomen daar geplant en wie kwam er de weelde van
+hun vruchten plukken? De appels bloosden rood als vuur tusschen het
+bruin en geel der bladeren; de mooie peren schitterden als goud;
+en onder elken stam lag het kortgroen gras er mee bezaaid, alsof
+bij ieder boompje speelsche kinderen daar hun volle mandjes hadden
+omgekeerd. Maar er waren ook geen kinderen; er was alleen de grootsche
+eenzaamheid onder den diepen blauwen hemel; en je ging neerliggen op
+'t gras, en je at van de heerlijke vruchten, en je vulde je zakken er
+mee. Het was er plechtig van verlatenheid en stilte. Je hoorde niets
+dan 't houterig gesjirp der krekels en je zag niets bewegen dan af
+en toe een klein kapelletje, sterk-oranje met zwartbruine randen,
+dat schitterde als een zonnespatje waar het fladderde, of wel op
+een verdord bruin blaadje leek, als het met dichtgeknepen vleugels
+op een halmpje of een sprietje zat. Er was daar ook een meertje,
+stil en omringd door bosschen, dat lag te slapen in de zon. Riet
+en biezen schoten er bij plaatsen woekerend uit op. En af en toe,
+wanneer een visch even naar boven wipte, hoorde men een plons die
+weerklonk als een snik in de stilte, terwijl het water ervan borrelde
+en rimpelde en leefde, en dan weer in vlakke doodschheid tegen zijn
+verlaten oevers ging uitdeinen.
+
+
+
+
+III
+
+
+Wat ben ik alweer verre afgedwaald! Ik ben immers de Schaatsenrijder
+en zou van schaatsenrijden, ook in Amerika, vertellen.
+
+Laat ik het dus probeeren.
+
+Na de onvergelijkelijke en onvergetelijke pracht van 't najaar viel
+de winter plotseling in met scherpe kou en sneeuw.
+
+Dat was geen sneeuw zooals wij die gewend waren te zien. Er dwarrelden
+geen zachte, witte vlokken als donzige watjes door de lucht: wat
+er viel was een soort grijsachtig stuifmeel, ijs-en-ijs-koud, en
+voortgezwiept door een wind, die je den adem afsneed. Dat was de
+welbekende, Amerikaansche "blizzard."
+
+Ik geloofde niet, dat zulke fijne sneeuw ook maar een enkelen dag
+zou blijven liggen en nog minder verwachtte ik, dat ze zich tot
+eenige hoogte kon ophoopen. Dat sneeuwen, echter, hield tweemaal
+vier en twintig uren ononderbroken aan, waarna het ging vriezen
+onder indigo-blauwen hemel en stralende zon; en toen ik op mijn
+eerstvolgende wandeling zoo verre mogelijk het land in liep, woonde
+ik daar wonderen bij.
+
+De "blizzard" had als 't ware met de sneeuw gespeeld. Op sommige
+plaatsen hadden zich echte heuvels opgehoopt. Huisjes en villa's,
+waar ik dikwijls omheen wandelde, lagen half onder de sneeuw bedolven,
+niet meer te bereiken. In de tuinen schenen de boomen klein geworden,
+als 't ware in den grond gedrukt; en op de rails van een spoorweg,
+die tusschen twee steile bermen in een diepte lag, stond een lange
+reizigerstrein ingesneeuwd en verlaten, de vuren uitgedoofd, de
+portieren open, de locomotief, met onzichtbare wielen, tot halverhoogte
+bedolven en begraven in de sneeuw. 't Was of ik in een nieuwe wereld
+wandelde. Ik herkende de dingen en de landschappen niet meer.
+
+Maar de hemel was blauw als safier en de zon straalde zoo heerlijk
+en warm en in die ongerepte heerlijkheid liep ik steeds verder en
+verder, wadend tot over de enkels door al die glinsterende witheid,
+als in de openbaringsweelde van steeds nieuw geschapen tooveroorden. Ik
+kwam weldra aan een plek, waar ik reeds meerdere malen, gedurende de
+glanzend-schoone najaarsdagen was geweest, een landelijk hotelletje
+op een kleinen heuvel, omgeven door een mooi, groot bosch, waarin
+een vijver lag.
+
+Wat was het daar nu prachtig in die ongerepte blankheid! Het
+hotelletje, dat anders toch wit was, zag er nu bijna goor en grijs uit
+in al die omgevende glinstering en 't uitgestrekte eikenbosch droeg
+nog de rijke schoonheid van zijn laten herfsttooi: gansch rood alsof
+het vonkte en brandde, rood als geronnen en gestold donker bloed op
+'t blanke kleed der wereld, onder de eindelooze azuren hemeltent.
+
+De breede weg welke er dwars doorheen liep golfde flink op en neer
+en toen ik op het hoogste punt gekomen was vond ik daar eensklaps en
+gansch onverwacht een heel troepje kinderen en jonge menschen, die zich
+vermaakten met sleedjes den weg af te glijden. In razende vaart gingen
+zij, de eene helling af en een heel eind de andere op, en ook van af
+het hotelletje werd er in tegenovergestelde richting gegleden, zoodat
+de twee partijen ieder een kant van den weg hielden en elkaar zoo vlug
+als sneltreinen passeerden, wel niet zonder eenig gevaar voor botsing,
+maar in dolle, uitgelaten pret. Rechts en links van den weg stonden
+oudere en bedaarder personen, glimlachend en belangstellend te kijken.
+
+Er zaten niet alleen kinderen en jonge mannen, er zaten ook jonge
+meisjes op sommige van die sleedjes. En ik had er dadelijk een
+opgemerkt, een die ik bewonderde en die mij boeide, en voor wie alleen
+ik daar met koude voeten in de sneeuw bleef staan.
+
+Wat is dan ook wel natuurlijker, dan dat het schoone aantrekt en
+boeit! En mooi was ze, om er van te duizelen, vooral wanneer je
+zoowat vijf en twintig jaren oud bent en sinds langen tijd met geen
+mooi meisje bent in aanraking geweest.
+
+Eerst dacht ik, dat ik mij wellicht door een illuzie, door een soort
+"mirage" liet ontroeren. Zij zag er wel buitengewoon frisch en knap
+uit, met blozende wangen en stralende oogen in de opwinding van het
+pleizier, maar wie weet hoe of ze zijn zou in 't gewone doen: wellicht
+te klein, geen mooi figuur, geen elegance, wie kon het zeggen, wie
+kon daarover oordeelen in de dolle vaart van 't sleedje? Zoo dacht ik,
+om mijn eigen gevoel en meteen de spijt over het waarschijnlijk voor
+mij onbereikbare te onderdrukken, toen ze plotseling, vlak vóór mijn
+voeten, met haar sleedje omkantelde en hals over kop in de dikke,
+fijne, als een lichte wolk opstuivende sneeuw neerplofte.
+
+Alsof het van gisteren was herinner ik mij nog helder-duidelijk
+wat ik op dat oogenblik als in een weerlicht zag en wat ik daarbij
+instinctmatig deed en zei.
+
+Ik zag een donkerblauwe opwuivende rok en daaronder iets van 't fijnste
+witte linnengoed en kantwerk; ik zag fijn-elegante, zwart-glimmende
+laarzen en dof-zwarte kousen; ik zag heel even, als een lichtroze
+bloem, iets van een knie....
+
+Ik sprong toe, tilde haar op, vroeg haar, met bevende stem, of ze
+zich niet bezeerd had.
+
+Zij lachte.... Zij lachte met de mooiste witte tanden die ik ooit
+gezien heb en streek de losgeraakte haartjes weg van over hare
+roze wangen. Zij dankte mij met schoone, lichtstralende oogen, zei
+dat ze niet de minste pijn had, klopte de sneeuw van haar donkeren
+pelsmantel, haalde, met het touw, het sleedje weer bij. Om haar heen,
+in de prikkelende atmosfeer en de zon, zweefde een subtiele, heerlijke
+lucht van viooltjes.
+
+Daar stond ik. Had ik nu niets meer te doen? Niets meer te
+zeggen? Dommerik! Daar stond ik! Zij keek mij aan met een lieven
+glimlach, alsof zij nog wel iets van mij verwachtte; maar daar stond
+ik, daar stond ik, stom en dom als een paal en ik vond niets anders
+in mijn nuchtere domheid dan een diepe buiging, ridicuul, met mijn
+hoed in de hand en plechtig als een lijkbidder. Een paar menschen
+kwamen naar haar toe, waaronder een ouder dametje met verlept gezicht
+en felle oogen, die zij "Auntie" noemde; en meteen was ik vergeten,
+o stommerik die ik was! en met de anderen ging zij langzaam mede,
+haar sleedje na zich slepend, in de met haar wegzwevende, heerlijke
+lucht van viooltjes....
+
+Ik liep achter haar aan. Instinctmatig, als meegetrokken, als
+meegezogen, volgde ik haar en de groep die haar vergezelde, met de
+laffe, onderdanige gedweeheid van een hond. Ik was alweer verliefd,
+ineens en smoorlijk; ik liep bedwelmd, als dronken, haar sierlijke
+gestalte en den ontroerenden geur van de viooltjes na.
+
+Zij gingen naar 't hotelletje en als een automaat ging ik, op
+eerbiedigen afstand, mede. Zij namen er plaats aan een tafeltje bij
+een breed raam, met prachtig uitzicht op het wit-besneeuwde veld en
+op het roode bosch; en in mijn eentje nam ik plaats bij een ander
+tafeltje, vanwaar ik haar heel goed kon zien. Zij bestelden thee met
+cake; en ook ik bestelde thee met cake.
+
+Er was met haar, behalve 't kleine, verlepte dametje met radde tong
+en felle oogen welke zij "Auntie" noemde, nog een dame met voornaam
+uiterlijk en grijs haar en een oudere heer met rood gezicht en grijzen
+baard; en zonder er iets van te weten, maakte ik voor mijzelf uit,
+dat dit haar ouders waren.
+
+Ik vond haar, nu ik haar zoo goed kon zien, van een volmaakte en
+absolute schoonheid. Haar teint was van een frischheid, haar oogen
+hadden een glans, en al haar bewegingen waren van een lenigheid
+en gratie, zooals ik er nog nooit gezien had. Ik zag haar aan
+alsof zij een goddelijk kind was op aarde en het verbaasde mij,
+dat zij daar zoo alleen zat met die oudere menschen en er niet een
+schaar aanbidders om haar heen zweefde en zwermde. Ik dacht even aan
+Tieldeken van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van 't kasteel en
+voelde als 't ware 't rood der schaamte naar mijn wangen stijgen. Wat
+waren die met deze schoonheid vergeleken! Hoe kon ik ooit op haar
+verliefd geworden zijn, terwijl dit volmaakt-schoone wezen op aarde
+bestond! Wat leek dat alles verre, en doodsch, en kleurloos, naast
+deze alles-overweldigende pracht! Ik schaamde mij, ja, ik schaamde
+mij voor mijn vroegere liefden.
+
+De zon ging langzaam onder en zond haar stillen luister over
+'t indrukwekkend tafereel. De golvende sneeuwvelden werden
+wazig-lichtmauve en het roode bosch bruinde en somberde, alsof het van
+graniet werd. De bevroren vijver vóór het hotelletje versmolt zich met
+de sneeuwvlakte; er was alleen nog maar een open plekje bij den kant,
+dat zwart en rood zag in den avondgloed en waarin eendjes duikelden
+en fladderden, zoodat je rilde van kou als je er alleen maar naar
+keek. Heel in de verte gonsde enorm en dof het machtig geluid van New
+York met af en toe de zware stemmen van de stoombootfluiten, die naar
+elkaar schenen te roepen, als monsters en reuzen in nood. In de dalende
+schemering der restauratiezaal begon de vulkachel rood te gloeien.
+
+Waar zou ze wonen? dacht ik bij mezelf: hier, op een der villa's in
+de buurt, of in den maalstroom van het groote New York? De thee was
+reeds geruimen tijd genut, de oude heer had een sigaar opgestoken,
+"Auntie" met haar verlept gezicht en felle oogen babbelde en ratelde,
+de voorname dame met de grijze haren luisterde en glimlachte en
+'t jonge meisje zat in haar ravissante schoonheid tegen 't raam,
+zonder dat een van allen toebereidselen tot opstaan scheen te
+maken. Andere bezoekers kwamen opgewonden en met gloeiende wangen
+binnen, de kellners hadden 't druk met bedienen en het werd langzaam
+aan mijn tijd om heen te gaan, zonder dat ik er toe besluiten kon,
+toen de familie eindelijk opstond en vertrok.
+
+Zij schreed rakelings langs mij heen en onze oogen wisselden een
+snellen, vluchtigen blik. Ik rees half op van mijn stoel en groette
+buigend. Zij groette licht terug met nauwelijks merkbaren glimlach. Het
+geurde heerlijk naar viooltjes. Auntie keek mij in 't voorbijgaan aan
+met scherpen blik en terwijl ze de deur uitging hoorde ik haar tegen
+'t nichtje iets zeggen dat ik niet verstond, doch daarbij noemde ze
+den naam van 't meisje en zoo wist ik, dat ze Maud heette.
+
+Maud! Ik vond dien naam zóó prachtig, zóó volmaakt bij haar
+passend, dat het mij voorkwam alsof ze onmogelijk anders had kunnen
+heeten. Maud! het was haar gansche type, haar uiterlijk en haar
+innerlijk wezen, haar schoonheid en haar ziel! Maud! het was haar
+gestalte, het waren haar oogen; het was haar glimlach en haar gratie;
+het was haar kleur en haar parfum, die heerlijke viooltjes-geur die met
+haar meeging! Heel even dacht ik weer aan het verleden: aan Tieldeken
+van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van het kasteel, welke ook
+namen droegen die ik eertijds zoo bizonder mooi en passend vond. Maar
+ach! het leek me nu of ik lompe boerinnen zag naast een prinses! Ik
+volgde haar met geboeide oogen door het raam; en toen ik oordeelde dat
+ze verre genoeg waren om geen schijn te geven van hinderlijk volgen,
+stond ik sidderend op en verliet op mijn beurt het hotelletje.
+
+Daar zag ik haar gaan, donkere, elegante silhouet op lichte sneeuw,
+als een jonge godin naast die drie andere, gewone menschen. Het
+sleedje, dat ze nog steeds aan een touwtje achter zich aan sleepte,
+was als een hondje, dat trouw met haar meehuppelde. Waar zou ze nu
+toch wonen: hier, in die rustige buurt, in een van die mooie villa's,
+of in het roezemoezige, geweldige New York? Ik zou het wel te weten
+komen. Woonde ze hier in de buurt, dan kon ik haar ten allen tijde
+gemakkelijk terugvinden. Woonde ze in New York, dan zou ik haar volgen,
+haar blijven volgen, tot ik wist waar het was.
+
+Er waren drie gelegenheden om naar New York terug te keeren: de West
+Shore Railroad, de Electrische, de Ferry. De aanlegplaats der booten
+waren ze reeds voorbij. Dus niet over het water. Zij naderden het
+station van de West Shore en ik dacht al dat ze links zouden inslaan,
+toen ik ze eensklaps naar rechts zag wenden en een stijgenden zijweg
+inslaan. Ik verademde! Ik verademde alsof ik van een zware dreiging
+werd bevrijd. Het gaf mij plotseling een gevoel van diepe rust te
+weten dat zij daar ergens woonde, in de vreedzame natuur, en niet in de
+drukke, gevaarvolle stad. O! dat ik nu niet met haar mee mocht gaan,
+dat ik haar nu alleen moest zien vertrekken met die oudere menschen,
+die haar toch niet konden boeien, zoo dacht ik, die veel te oud en veel
+te saai waren, voor haar frissche, mooie, levenslustige jeugd! Het
+liefdes-ongeduld van mijn vijf en twintigjarigen leeftijd bruisde
+in mij als een oproer. Was het niet onuitstaanbaar dat de domme,
+maatschappelijke conventie mij belette te doen wat de gevoelens van
+het hart mij ingaven? Was het niet gek en verdraaid zooals de wereld
+in elkaar zat? Wat was er wel natuurlijker dan dat ik zoo maar ineens,
+zonder de minste notitie van die belemmerende oude lui te nemen, naar
+haar toe zou gaan, en mijn verliefde armen om haar middel slaan, en
+haar zoenen op den mond,.... en een klap van haar hand in 't gezicht
+te krijgen, dacht ik er dadelijk bij en moest in mezelf lachen omdat
+ik mij zoo wild op mijn oer-instinkt had laten doordraven.... Maar
+het verlangen en de liefde bleven in mij woelen, en half achter
+een boom verscholen stond ik haar halsstarrig na te kijken, tot zij
+boven op den heuvel was, daar even als een uitgeknipte schim zich
+scherp tegen het avondrood afteekende, en dan, langzaam wegzinkend,
+aan mijn blik verdween.
+
+Maud.... Maud.... murmelde ik in mezelf. En mijn wenkbrauwen fronsten
+zich, en mijn tanden klemden op elkaar, in den hardnekkigen strijd,
+die nu zou komen. Maar ik was er niet bang voor, ik voelde in mij de
+kracht der overwinning en 't zong in mij, van hoop en schoonheid.
+
+Het lag op mijn weg om per electrischen trein naar New York terug
+te keeren; maar dat leek mij nu zoo alledaagsch, zoo triviaal na al
+het ideëel genotene; ik had behoefte aan poëzie, aan eenzaamheid,
+aan bespiegeling en ik keerde een heel eind op mijn weg terug, om
+liefst de boot te nemen.
+
+'k Was in een heerlijk-opgewonden stemming: opgewonden en toch
+zacht. Het jubelde in mij, hartstochtelijk, en 'k glimlachte, heel
+teer, heel zacht.
+
+Ik stond van voren op de boot en voelde de koude niet, die
+anders scherp genoeg prikte. Het schouwspel was indrukwekkend,
+grootsch. Achter de steile West-Shore, die reeds bijna zwart was en
+doorprikt van vele lichtjes, ontvouwde zich, immens, de heerlijke
+oranje-gele hemel, met een dun en bleek sikkeltje maan, dat daar
+eenzaam en verloren scheen te zwemmen, als een zilvervischje in een
+zee van goud. De breede rivier glom dof en vaal, alsof zij was van
+log-vloeibare zeep; en aan de oosterzijde vingen de villa's en de
+huizen, in de witte sneeuw die van lieverlede grijs en mauve werd, den
+laatsten glans van het uitstervend daglicht op, met roode bibberingen
+in hun ruiten, als van brand en bloed.
+
+De raderen van de stoomboot deden het water opbruisen en schuimen
+en maakten een machtig en plechtig geluid. Men voelde er iets in
+van de grootschheid der menschelijke krachten, die de elementen
+overwinnen. Andere booten kwamen de onze tegemoet, groot en imposant
+als drijvende kasteelen en zij hadden vele kleine lichtjes en twee
+groote: een rood en een groen, die leken als de twee symbolen van
+het leven zelf; hartstocht en smart!
+
+Hartstocht!.... Mijn enthousiaste, jeugdige oogen zagen alleen
+het roode licht. Dat was de liefde, het vuur, de strijd, de
+overwinning. Dat was Maud, de beeldschoone Maud, die daar nu ergens, op
+dien donkeren oever bij de gezelligheid van 't haardvuur, in een mooie
+villa zat, en die ik moest trachten te benaderen, te veroveren, zooals
+de Graalridder, door den vuurkring heen, de Walküre veroverde. Het
+groene licht, dat was de weemoed, het verleden. Dat was Tieldeken
+van Meylegem, dat was jonkvrouw Quiline, dat was het mooie, groene
+Vlaanderen, wel zacht, wel lief, wel boeiend en wel diep-ontroerend,
+maar verre, o zoo verre, en zoo verbleekt en verwazigd, vergeten
+bijna naast het rood en den gloed van den nieuwen hartstocht.
+
+De wereld stond voor mij open. Het was alsof de machtige boot, die
+met zijn scherpen punt door de klotsende, vale golven van den Hudson
+ploegde, voor mij alleen de groote, wijde wereld ter verovering
+opende. Daar zag ik reeds, heel in de verte, de twinkelende lichten
+van de reusachtige wereldstad. Een grootsche, somberblauwe smook hing
+er als een titanensluier overheen en daarin blonken de lichten met
+duizenden en duizenden, als voor een eindeloos triomffeest, als voor
+een bovenaardsche feerie. Er waren er groote en kleine; er waren er
+die op hun vaste plaats stonden te twinkelen en andere die heen en
+weer zweefden; er waren er van alle kleuren: roode, gele, groene,
+oranje, blauwe en violette; en hoog in den hemel schitterden er ook
+heele risten, in vierkante of langwerpig-vierkante vakken, regelmatige
+gloeipunten in den donkeren nachthemel, als vuurdobbelsteenen van
+een reusachtig dominospel. Dat waren dan de verlichte hooge ramen
+der geweldige "skyscrapers."
+
+De boot naderde zijn aanlegplaats. Hij scheen er recht op aan te varen,
+alsof hij zoo meteen tot in de drukte en 't gewoel der straten door
+zou dringen. Maar er dreven reeds geweldige ijsschotsen langs den oever
+en de boot had te ploegen en te zwoegen en het ijs kraakte en barstte
+en kruide, als in een machtig geluid van woesten strijd. En nogmaals
+overwon het menschelijk genie de woede der vijandige elementen en
+nogmaals ook was 't mij te moede alsof die strijd mijn eigen strijd
+was tot verovering der schoone Maud.
+
+In de woeling der groote stad nam mijn opgewonden stemming geenszins
+in heftigheid af. Na al mijn geweldige emoties van den afgeloopen
+dag voelde ik een soort behoefte om mij in den diepen maalstroom des
+levens te werpen. Ik had behoefte aan brillante en drukke omgeving,
+aan een lekkeren maaltijd, aan het zien van mooie en elegante vrouwen,
+aan het hooren van melodieuze, meeslepende muziek. En, ofschoon ik
+daar niet precies op gekleed was, en het ook al niet zoo buitengewoon
+convenieerde met den financieelen toestand van mijn beurs, toog ik
+maar onversaagd, in mijn eentje, maar vol genoeg van gedachten en
+gewaarwordingen voor tien, naar Martin's en liet mij daar royaal
+bedienen.
+
+Ik was alleen en niet alleen: ik was met haar in mijn gedachten! Ik
+was met haar, zij zat rechtover mij aan 't tafeltje; en samen
+genoten wij van de fijne gerechten, van de mooie toiletten, van
+de licht-bedwelmende, geen-inspanning-vergende restaurant-muziek,
+gespeeld op een podium, door zwartharige, olijfkleurige kerels met
+roode buisjes. Ik rookte sigaret op sigaret, mijn blikken droomden
+verreweg, namen mijn gedachten mede naar 't verleden, naar 't
+vaderland, naar het geliefde Vlaanderen.
+
+Hoe zou het daar nu zijn? Vroor het daar nu ook en werd er
+schaatsgereden? Was Boerke van Meylegem op 't ijs en voerde hij
+zijn minderwaardige kunsten uit, vlak vóór de herberg van het mooie
+Tieldeken, ten aanschouwe van een bende gapende pummels en van
+Tieldeken zelve? Waren mijn vroegere vrienden: de Groote Dichter, de
+Groote Schilder, de Groote Musicus ook weer aan 't schaatsenrijden
+en hadden zij nieuwe ijsvriendinnetjes opgescharreld? En jonkvrouw
+Quiline, was die nog steeds aan 't knoeien zonder vooruitgang te maken,
+met de andere knoei-rijders van 't Kasteel? Ik zag dat alles weer,
+zoo duidelijk, zoo helder, en een groot en innig heimwee kroop in
+mij. Ach, wat was ik ontrouw aan al dat frisch en schoon verleden! Hoe
+voelde ik Tieldeken verwijtend treuren en hoe zag ik de freule met
+minachting, als naar een renegaat, op mij neerkijken! Het golfde in
+mij op en tranen kwamen in mijn oogen. Die muziek speelde ook zoo
+bedwelmend, zoo verlammend. Ik bestelde een tweede pousje en stak
+een groote sigaar op. Zoo kon ik nog wat blijven zitten, en peinzen,
+en droomen. Zou ik het nu heusch doen? Zou ik haar ten huwelijk vragen
+en mij hier voor goed in het vreemde land vestigen? Hoe zou dat alles
+moeten gaan? Nadere kennis zien te maken met haar familie, vertellen
+wie ik was, wat ik deed, hoe onze toekomst wezen zou. Dat alles kon
+wel, behoorde tot de mogelijkheden, ja, tot de waarschijnlijkheden,
+als ik inderdaad genoeg volharding had en een onverwoestbare, alle
+bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar voelde. Voelde
+ik nu werkelijk een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen
+trotseerende liefde voor haar? Mijn opwinding was eenigszins geluwd,
+de digestie werkte vernuchterend, de restauratie liep langzaam aan
+leeg, de muziek verslapte, de koele werkelijkheid kwam sluiperig
+aangrijnzen. Ik wist niet zoo precies meer wàt ik voelde en verlangde;
+er bekroop mij een pijnlijke twijfel. De garçon bracht mij de rekening,
+dubbel toegevouwen, als een vertrouwelijk document, op een bord. Ik
+houd niet veel van dubbel-toegevouwen restauratie-nota's op een bord,
+vooral niet in een luxe-restauratie. En hier bleek nogmaals, dat
+mijn instinctieve weerzin niet ongegrond was. Ik schrikte letterlijk
+van het bedrag en een waas weifelde vóór mijn oogen. O, die dollars,
+die dollars! En dat men die toch hebben moest, en veel, om daar te
+kunnen leven! Droomde ik? Had ik in mijn eentje voor zulk een bedrag
+gebruikt, of had Maud toch werkelijk mede met mij aangezeten? Ik
+staalde mijn gezicht en opende mijn beurs en in mij drong weer de
+hardnekkig-stugge wil, niet alleen meer om Maud, maar om ook den
+onontbeerlijken dollar te veroveren. Ja, ik wilde, ik zou! Weg, alle
+verslappende, verlammende schimbeelden uit 't verleden! Maud en de
+dollar,.... ik zag ze beiden voor mij, in voelbare bekoorlijkheid; en
+ik rees op en vertrok in den nacht, alleen, maar sterk als duizend, met
+het hypnotiseerend, te bereiken doel vóór mijn jonge, geestdriftige,
+halsstarrig-stralende oogen.
+
+
+
+
+IV
+
+
+--Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op
+mijn vraag, of er daar ook 's winters op den vijver schaatsgereden
+werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd
+en is het hier een lustig leventje, meneer, van den ochtend tot den
+avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we
+krijgen des te meer dames en kinderen; en die houden er ook wel de
+vroolijkheid in, wees dat maar zeker.
+
+De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud
+en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter; het
+was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en
+'k durfde niet.
+
+Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden
+iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een stralende,
+oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in
+kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en afschuwelijk op zulke
+dagen, ter verovering van den ellendigen dollar op de kantoorkruk
+te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te
+zweven en van de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij
+half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag,
+stralender en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit;
+ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein,
+om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te
+X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het hotelletje toe.
+
+Ik merkte, of, beter gezegd, ik "voelde," zoodra ik buiten het
+stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden
+zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen
+wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen:
+
+--The ball is up!
+
+The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon
+gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot gelijk een
+winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom
+wat dat beduiden wilde.
+
+The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de
+glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als 't maar geen valsch
+bericht is! Mijn oogen priemden in 't verschiet tusschen de villa's
+en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem glanzend
+hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast
+het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden vijver en op
+den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer
+en door elkander zwierden!
+
+Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn
+en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het is alsof er geen
+ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op 't ijs gaat komen. Het
+kittelt in je beenen; het maakt je dol en bijna kribbig. Het nevelde
+vóór mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje
+was, ik maakte mijn schaatsen vast, met bevende vingers. Ik stond op,
+ademde diep, gleed over 't ijs en zwierde....
+
+Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. 't Genot was
+exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets anders,
+dacht aan niets anders. 't Was als een soort van dronkenheid. Ik trok
+een paar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink
+en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders gedaan
+had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden.
+
+Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik
+merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders
+oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou
+zijn. Enkelen waren aan 't probeeren met figuren, doch 't ging maar
+heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet
+veel bizonders: het was probeeren, sukkelen, en nog al knoeien. Toch
+was 't gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig
+gezichtje en er was veel uitgelaten vroolijkheid en vrijheid, zooals
+dat altijd is op 't ijs.
+
+Toen zag ik haar, háár, eensklaps!
+
+Ik zag haar heel op 't uiterst eindje van den vijver, in al haar
+schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend met een jong
+meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij,
+eenigszins beschermend, begeleidend bij de hand hield.
+
+Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag
+kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken, naar
+haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd
+het heel zwak in mijn beenen en het duizelde vóór mijn oogen, alsof
+ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen
+begon ik stilaan te bekomen en reed langzaam in haar richting toe.
+
+Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met
+het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde. Dat
+lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar
+komen, maar zonder haar in het gezicht te durven aankijken. Ik zag
+alleen tot even boven haar knieën, waar de donkerblauwe rok gracieus
+iets van de vormen harer beenen liet raden; en ik zag natuurlijk ook
+haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels,
+die zoo volmaakt waren als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak
+bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik
+aarzelde, herkende haar, glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar
+insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine
+meisje doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als
+een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor dat ik
+heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel,
+dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit mij wegtrok, om zich 'k
+weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even 't wanhopig gevoel of
+nu plotseling alle kracht uit mij was weggevloden en ik niet meer in
+staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje,
+struikelde ellendig, viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik
+had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering.
+
+Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik kòn niet
+meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in mezelf,
+verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats
+van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn vrome bede
+aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op 't ijs. Ik trok enkele
+krullen. Het ging wel, maar onbewust als 't ware, machinaal, buiten
+mij om. Het was alsof een ander werkte, met _mijn_ beenen. Ik voelde
+mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de
+mijne waren, die niet bij 't overige van mijn physiek wezen pasten.
+
+Daar kwam ze weer terug, met 't kleine meisje. Ze reed wel elegant,
+maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders kon, maar
+omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij
+werkten gingen daarop ook weer vanzelven aan den gang en zij trokken
+waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste
+verbaasden. Enkele schaatsenrijders bleven staan en keken goedkeurend,
+ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten
+nòg mooier en gecompliceerder figuren en eensklaps zag ik ook háár
+in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde
+haren. Als verlamd staakten de beenen plotseling elke beweging.
+
+--Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op.
+
+Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij
+gevestigd. En ik herkende 't bij-de-hand gezicht van "Auntie," die
+mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast
+haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de oude meneer,
+die ik als de ouders van Maud beschouwde.
+
+Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de
+beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar den
+rand van het ijs toe, vlak vóór de bank, waar "Auntie" zich met haar
+familieleden in 't heerlijk zonnetje zat te koesteren.
+
+"Auntie" stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie
+dingen wel geleerd had.
+
+Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de "old country," in België,
+waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden.
+
+--België.... is dat in "Germany?" vroeg "Auntie" met haar intelligente,
+levendig-schitterende oogen.
+
+--Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. België is een
+apart koninkrijk, dat niets met "Germany" te maken heeft.
+
+Ik glimlachte en knikte, bevestigde dat inderdaad België niets met
+"Germany" te maken had. "Auntie" vond dat wel eenigszins vreemd,
+maar de oude heer herhaalde het nog eens met nadruk en ook de oude,
+deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te
+bevestigen dat haar man gelijk had.
+
+Maud en 't kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag
+haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst toen ze heel
+dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep.
+
+Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets
+tot 't kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich om haar
+heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar
+prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd, terwijl zij
+naar het kleintje wees:
+
+--Zij bewondert zóó uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens
+iets deed.
+
+--Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen
+toon, mij tot het kleintje wendend.
+
+Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd.
+
+--Nou dan, zei ik.
+
+Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze
+niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering geven,
+dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt
+niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en waarover ik niet de
+minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden
+of prikken, zonder dat ik het voelde. Ik was ook zeer kortademig
+en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn
+voorhoofd parelen. Ik voerde 'k weet niet welke kunsten en figuren uit.
+
+--How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom.
+
+Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn
+voorhoofd droog.
+
+Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering
+aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur maakte; en ik
+gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens
+voor. Zij probeerde 't, struikelde, strekte een hand uit, die in _mijn_
+bevende hand terecht kwam.
+
+Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen
+lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul, riep juichend
+naar de bank toe:
+
+--Oom, Tante, ik kàn het! ik kàn het!
+
+Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te
+rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind was om dol
+te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over;
+zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer loslaten.
+
+--Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei "Auntie."
+
+Ik gaf "Auntie" en de verdere familie de stellige verzekering, dat
+Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde ik met
+'t opgetogen kleintje rond.
+
+Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de
+bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe die krul
+gemaakt moest worden.
+
+Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen
+aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende.
+
+--Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik.
+
+Zij herbegon, maar het ging nog niet. "Auntie" mengde zich in de
+les, riep, van op de bank: "naar achter, naar achter, het linkerbeen
+naar achter."
+
+--Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig.
+
+--Mag ik u soms even vasthouden? vroeg ik.
+
+--Graag, antwoordde zij.
+
+Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig
+vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps weer de
+mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als
+pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde beschermend
+stutten en droegen.
+
+--Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar
+rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En
+het ging.... wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke
+viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen
+bloosden, haar mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot,
+zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij!
+
+
+
+Ik weet niet meer hoe lang we zoo gereden hebben. De tijd hield geen
+rekening meer. Ik herinner mij slechts, dat de sneeuw rondom den
+vijver van lieverlede mauve tinten kreeg, dat de droge bladerkruinen
+van het roode eikenbosch gansch purper werden en dat de ramen van het
+hotelletje tintelend vuur weerkaatsten. Het aantal schaatsenrijders op
+den vijver nam zienderoogen af; op de bank waar zij nog steeds zaten,
+schenen Maud's familieleden sinds een poos een stil conciliabuul te
+houden; en eensklaps stond de oude heer stram overeind, wenkte mij
+tot zich en vroeg of ik soms zin had, met hem en zijn familie thee
+te gaan gebruiken.
+
+Ik kreeg den indruk alsof de goede man mij zijn mooie dochter ten
+huwelijk aanbood. Ik had een spontane beweging, alsof ik zou gaan
+zeggen: "O, 't is te veel, meneer; 't is heusch te schitterend wat
+u mij daar voorstelt!" Ik zei evenwel iets anders, wàt weet ik niet
+meer; doch het resultaat was hetzelfde: ik bond mijn schaatsen af,
+hielp Maud en Violet de hare afbinden en enkele minuten later zaten
+wij allen gezellig om een tafeltje in 't lekkerwarm restaurant,
+bij een der groote, heldere ramen, waarachter wij de schoone, roode
+winterzon glanzend in het westen zagen ondergaan.
+
+Ik had een gevoel alsof mijn lot en mijn toekomst nu reeds
+onherroepelijk beslist waren. Ik zat daar zoo goed, zoo vast, zoo
+rustig, zoo veilig, dat het mij haast onmogelijk leek, dat daar nog
+eenige verandering in zoude kunnen komen. Dat was nu eenmaal zoo,
+en dat bleef zoo, ik had mij verder maar vanzelf te laten leven. De
+Amerikaan is gastvrij van aard, maar ook nieuwsgierig. Hij wil heel
+graag, en liefst zonder veel uitstel, zooveel mogelijk van de menschen
+weten waarmee hij omgaat; en op de weinig bewimpelde vragen van mijn
+gasten vertelde ik wie ik was, en wat mij naar Amerika had gebracht,
+en wat mijn naaste toekomstplannen waren. De oude heer keurde dat goed,
+knikte welwillend met het hoofd, deelde mij mede dat hij, hoewel niet
+direkt meer in zaken betrokken, toch nog geregeld, uit oude gewoonte
+en uit onverwoestbare belangstelling, drie en vier maal in de week
+op zijn vroeger kantoor in New York kwam, dat thans in andere handen
+was overgegaan. Zijn "line" was de houthandel geweest, zei hij; hij
+was heel klein begonnen, had prachtige zaken gemaakt en zou er zeker
+ook nog in gebleven zijn als zijn vrouw er maar niet herhaaldelijk
+op had aangedrongen, "that he should sell out his business" om rustig
+buiten te gaan leven.
+
+Mevrouw, die anders weinig sprak, mengde zich in 't gesprek.
+
+--Ik had niets meer aan mijn man; hij zat van 's ochtends tot 's
+avonds op kantoor, beweerde zij. We gingen nooit eens naar theater,
+nooit op reis. En de kinderen werden groot; we moesten hen toch in
+"society" brengen.
+
+Tegenstrijdige gevoelens bestormden mijn ontvankelijk gemoed. De oude
+heer was een "self-made man," dat zei hij zelf, en misschien wel een
+tikje van een parvenu, dat liet hij doorschemeren. Dit schrikte mij
+niet af, boezemde mij geen weerzin in; integendeel: het bracht mij
+nader en gemakkelijker tot het voorwerp mijner vurige liefde. Maar
+wel schrikten mij af de woorden van de moeder: "dat zij de kinderen
+in "society" moest brengen. Society!.... dat waren diners, soupers,
+bals, visites, concerten, theater! Society, dat was.... ja, hoe moet
+ik het anders noemen, dat was de liefdesmarkt, de huwelijksbeurs; en
+hoe zou ik, arme, eenzame, onbekende vreemdeling op die geduchte markt
+tegen de met het terrein bekende en flink tot den strijd toegeruste
+Amerikanen kunnen concurreeren? Ging Maud nu reeds in "society"
+uit; en sinds wanneer? Het brandde op mijn lippen om het te vragen,
+maar ik durfde niet. Ik voelde mij opeens zoo vreeselijk bedeesd,
+zoo droef, zoo machteloos!
+
+Maar de oude heer sprong mij hulpvaardig bij. Society, zei hij,
+niet zonder eenige minachting, lijkt me, voor een flinken, jongen
+Amerikaan een vrij overbodige luxe. Dat moest eigenlijk onder vrouwen
+blijven. Het houdt den jongen man van zijn ernstige bezigheden af;
+het compromitteert meer dan eens zijn toekomst. Een man moet een
+gentleman zijn, dat geef ik toe. Maar als hij netjes gekleed gaat en
+net-gepoetste laarzen draagt, dan _is_ hij ook een gentleman. Meer
+hoeft hij aan "society-life" niet te besteden.
+
+--O, vader! vader! riepen de dames verbolgen. Het kwam mij voor dat
+Maud een lichte kleur kreeg en 't kleintje kronkelde zich lachend
+op den schoot van "Auntie," gansch opgewonden door de prikkelende
+discussie.
+
+Ik hield mij stil en zat benauwd te glimlachen. Ik had reeds meenen
+op te merken dat Papa niet bijzonder geraffineerd was in zijn
+manieren. Hij slurpte aan zijn kop en dronk terwijl hij at. 't Is 'n
+proleet, dacht ik in mezelf en nogmaals was mij die gedachte troostend
+en welkom, omdat ik voelde dat 't mij nader en gemakkelijker bracht
+tot het prachtig voorwerp mijner dolle liefde. Ik voelde mijzelf,
+in de oogen der dames, in waarde stijgen, naarmate Papa, door zijn
+uitvallen, blijkbaar in maatschappelijke waarde daalde. Mama vroeg
+mij, hoe de society-toestanden in de "old country" waren. "Pas nu
+op! dacht ik in mezelf; pas nu in Godsnaam toch goed op! Spaar de
+Papa, maar denk ook aan de Mama." Ik keek, als geïnspireerd, door
+'t breede raam, waarachter de roode winterzon zoo schitterend onder
+ging, nam even een moede, bijna geblaseerde houding aan en zei:
+
+--Ach, wij, in Europa, zijn zoo oud, vergeleken met u. Er heerschen
+daar zooveel tradities, welke hier, in dit krachtige, frissche,
+nieuwe land niet meer gangbaar zouden zijn. Wij zijn dikwijls
+verfijnd, maar wel moe. Wij hebben schoone monumenten en prachtige
+artisten, maar in het praktische leven staan wij zeker wel ten
+achter. Misschien zou het goed zijn voor Amerika als het iets van
+Europa's artistiek-verfijnde beschaving kon overnemen; en zeker
+zou het heilzaam zijn voor ons als wij wat meer van Amerika's fut,
+en durf, en voortgang, en ondernemingsgeest bezaten.
+
+Ziedaar! Het was gezegd! Voor wie nu de innige beteekenis der woorden
+begreep, moest het duidelijk zijn dat het toekomst-geluk der wereld
+verborgen lag in nauwere aaneensluiting der beide rassen. Meer
+aaneensluiting tusschen de staten; en meer aaneensluiting tusschen
+de individuen! Om kort te gaan en duidelijk te zijn, en met
+een afzonderlijk voorbeeld de waarde van een gansche stelling
+te bekrachtigen, een huwelijk b.v. tusschen een Europeaan en een
+Amerikaansche zou het ideaal benaderen. Dit zeide ik natuurlijk niet
+in zulke klare woorden, maar zoo was wel de zin en de beteekenis van
+mijn betoog.
+
+Papa strekte zijn beide dikke handen uit, alsof hij volkomen mijn
+woorden beaamde en Mama en "Auntie" jubelden, terwijl een zachte
+gloed van geestdrift even in Maud's prachtige oogen schitterde. Het
+gesprek werd intiemer, "Auntie" had het nog eens over België en
+stelde voor de tweede maal de vraag of dat land dan toch werkelijk
+niet in "Germany" lag. Papa werd bijna giftig en zei dat zulke
+halsstarrige hardnekkigheid in de dwaling inderdaad aan krankzinnigheid
+grensde. Maar "Auntie" liet zich dat maar zoo niet zeggen. Zij keek
+mij strak met haar levendige, intelligente oogen aan en vroeg mij
+met nadruk of ik er wel heel, héél zeker van was, dat België niet
+in "Germany" lag. Het werd een lastig dilemma voor mij. Durfde ik
+beweren dat België wèl in "Germany" lag, dan was ik voorgoed verloren
+in de oogen van Papa en met Papa verloor ik waarschijnlijk ook Maud;
+durfde ik beweren dat België niet in "Germany" lag, dan verbeurde ik de
+sympathie van "Auntie," en, dit voelde ik héél sterk en instinctmatig,
+"Auntie" met haar bij-de-handheid, kon mij, òf veel goed, òf veel kwaad
+doen bij Maud. De liefde maakt laf, en slap, en zwak; en, in plaats
+van rond voor de waarheid uit te komen, draaide ik schipperend om de
+pot, zei dat ik mij best kon voorstellen, dat Amerikanen, gewend aan
+zulke groote landen als het hunne was, een nietig strookje als België
+op de wereldkaart niet zoo gemakkelijk ontdekten, en dat het niet de
+eerste maal was dat België's bestaan als eigen koninkrijk in twijfel
+werd getrokken, en dat zulks nog wel meer gebeuren zou,.... enfin,
+de lafheid zelve, zoodat ik mij schaamde om mijn woorden en het als
+een goddelijke zegening aanvaardde toen de kleine Violet, door een
+wispelturig gebaar, haar kopje omgooide en mij van de heup tot de
+knie met warme thee besproeide.
+
+Dat gaf een afleiding en Violet kreeg een standje; en, ik zou mij
+niet meer kunnen herinneren naar aanleiding van wat, maar toen werd
+er, zonder overgang, over kunst gesproken. Ik vertelde met vuur van
+onze schrijvers en beeldhouwers en schilders. Papa viel mij dadelijk
+in de rede en zei, genoegelijk en voldaan glimlachend, dat hij zich
+ook zeer voor schilderkunst interesseerde en mij, met gelegenheid,
+eenige mooie doeken in zijn huis zou laten zien. Mijn hart stond
+even van emotie stil. Hoezoo! Waren we reeds zooverre gevorderd dat
+ik bij hem aan huis zou mogen komen! Ik betuigde met geestdrift mijn
+bereidheid om die wonderen te aanschouwen.
+
+--U zal dan meteen ook het werk van mijn dochter kunnen zien,
+glimlachte Papa met vaderlijken trots.
+
+Als door een veer bewogen keerde ik mij tot de mooie Maud om.
+
+--O, werkelijk! Schildert u! jubelde ik.
+
+--Ach! het heeft niets te beteekenen, antwoordde zij blozend; en
+richtte gegeneerd haar prachtige oogen ten gronde.
+
+Er werd een afspraak gemaakt. Den volgenden dag was de familie
+verhinderd (society, dacht ik bij mezelf met diepe bitterheid) maar
+den dag daarop, als ik tijd had, zouden ze mij op het ijs ontmoeten
+en mij dan na het rijden naar hun villa meenemen.
+
+Of ik ook tijd had! In werkelijkheid had ik geen tijd, moest er mijn
+ernstige zaken voor verwaarloozen, maar of ik ook tijd maken zou! Papa
+bromde wel, dat men mij niet van mijn "business" mocht afhouden, daar
+ik een flink "American" moest zien te worden; maar ik stelde Papa
+gerust, gaf hem de stellige verzekering, dat ik juist heel toevallig
+dien dag absoluut niets uit te voeren had.
+
+De zon was onder, haar roode na-gloed kleurde nog het gansche westen,
+als voor een schimmenspel van reuzen, en de verlaten vijver kreeg
+vale metaalglanzen, terwijl het eikenbosch langzamerhand tot zwarten
+nacht versomberde tegen het strakke wit der sneeuw.
+
+Papa stond op en gaf het sein tot den aftocht.
+
+--Gaat u soms een eind met ons mee? vroeg hij.
+
+Wat hij mij vroeg was net wat ik verlangde en met mijn schaatsen in
+de hand stapte ik naast de familie heen.
+
+De scherpe avondkoude prikte. Het zou nog eens flink vriezen, dien
+nacht. Wat zal er van mij worden, dacht ik meteen, als het eens niet
+meer vriest? Ik moest maar hopen, dat de dooi niet al te gauw zou
+invallen; dat hij niet komen zou alvorens mijn liefde, alvorens _onze_
+liefde vast aan elkaar geklonken was.
+
+Ik liep een pas of tien vooruit, met Maud en "Auntie." De boomen
+van den weg welfden hun naakte kruinen als een hoogen tunnel over
+ons heen. Links in den donkerblauwen hemel blonk reeds een ster,
+heel zuiver, heel helder, als een eenzaam, fijn juweel; rechts, in
+'t rood der ondergegane zon, hing een fijn schilfertje maan, als
+een antiek sieraad. Een bende wintervogels wiekte hoog, met fijne,
+schrille kreten het glanzend westen in.
+
+Wij keuvelden over diverse dingen. "Auntie," die nog steeds
+veel belang in de "old country" stelde, wilde o. a. weten hoe de
+welgestelde menschen aldaar 's zomers leefden. Ik vertelde haar van
+de buitenverblijven, van de bergen, van de luxe-badplaatsen.
+
+--Vrijwel hetzelfde als bij ons, meende "Auntie." En zij deelde mij
+mede dat zij 's zomers meestal voor een poosje naar Newport gingen,
+en dan naar Saratoga in de bergen en in den herfst naar Lennox,
+allemaal plaatsen waar het heel aardig en "smart" was.
+
+"Society" sidderde ik in mijzelf. En weer dacht ik: "Als we nu maar
+stevig genoeg aan elkaar geankerd zijn alvorens de dooi invalt!"
+
+Bij een kruispunt van den weg bleven zij staan. Daar moesten zij
+de laan op naar hun villa en wachtten even op Papa en Mama, die met
+Violet aangekuierd kwamen.
+
+Ik nam mijn hoed af en begon handdrukken te wisselen. Al de handdrukken
+die ik wisselde waren, zooals van zelf spreekt, slechts aanleidingen
+tot den afscheidshanddruk, dien ik met Maud zou wisselen.
+
+Ik voelde al mijn zintuigen tot het uiterste gespannen en gescherpt. Ik
+keek haar aan met mijn enthousiaste oogen en 't kwam mij voor of
+in haar afscheidsblik een ongewone teederheid van streeling en van
+zachtheid lag. Ik drukte haar de hand en hield die eventjes, héél
+eventjes langer dan strikt-noodig was in de mijne en 't kwam mij voor
+alsof zij deze drukking ook heel eventjes met een extra-drukkingje
+beantwoordde, alvorens mijn vingers los te laten. Het stroomde door
+mijn heele lichaam heen als een electrische trilling; zoo iets dat
+langs mijn armen naar mijn schouders opklom, daar even mij doorrilde
+en dan langs mijn rug en langs mijn beenen in den grond verdween.
+
+Het stoomde als 't ware in mijn hoofd van woelende en gloeiende
+gewaarwordingen en gedachten. Het was alsof ik grooter was geworden
+en of mijn lichaam, evenals mijn geest, tot aan de ideale sterren
+reikte. Ik liep met veerkrachtigen tred recht vóór mij uit, heuvel
+op, heuvel af en toen ik ietwat tot bezinning kwam merkte ik,
+dat ik èn de aanlegplaats der "ferry's" èn het station van de West
+Shore Railroad reeds lang voorbij was. Never mind! Ik was niet in
+een stemming om ergens te gaan zitten of te wachten; ik had behoefte
+aan beweging; ik moest loopen, lóópen, en denken, en plannen maken,
+en hardop praten in de nachtelijke eenzaamheid: en ik liep maar steeds
+verder, gesticuleerend onder de sombere boomen; ik liep te voet naar
+New York terug, niet meetellend mijn moeheid en den afstand, ik liep
+als een gek, al het andere vergetend in de wilde opbruising van mijn
+hartstochtelijke liefde.
+
+Af en toe bleef ik plotseling staan. Dan rees opeens, als een spook,
+het beeld van het verleden vóór mij op. Wat! Zou ik werkelijk den
+moed hebben mij voor altijd in het vreemde land te vestigen? Zou ik
+nooit meer in 't lieve Vlaanderen gaan leven? Zou ik nooit meer de
+bekoorlijke dorpjes Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, en de mooie,
+kronkelende Leie en Tieldeken, en de freule van 't kasteel, en mijn
+oude vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder en zelfs de
+eenmaal diep-gehate Groote Musicus terugzien! Het suisde en woelde
+pijnlijk in mijn overspannen hoofd; ik voelde mijn ziedende hersenpan
+als een soort gistkuip waarin, onder mysterieuze en folterende werking,
+mijn toekomst werd gebrouwen. Maar wie weet? Misschien zou zij zelve
+wel in Vlaanderen willen komen leven? Als ik dàt kon bereiken, dan
+was mijn overwinning totaal! Hoe trotsch zou ik zijn, met haar, in
+al haar bloeiende, overweldigende schoonheid, ginds, in mijn land,
+bij al wie mij kende! Wat een triomf om met haar over de Leie te
+gaan schaatsenrijden en daar even op te houden in de bocht vóór het
+kasteel, het trotsch kasteel, en haar schoonheid en de kunsten die
+ik haar geleerd zou hebben te vertoonen voor de hoogmoedige freule,
+en voor den verwaanden baron met zijn grijze bakkebaarden, en voor
+al de lui die ons daar destijds zoo smadelijk genegeerd of bejegend
+hadden! Dàt moest ik zien te bewerken en te bereiken; dàt was mijn
+taak, mijn levenstaak, ik voelde het ineens met alles-overweldigenden
+aandrang, en ik liep maar steeds verder en verder; luid-pratend
+en gesticuleerend langs den wit-besneeuwden, eenzamen weg onder de
+stralende tinteling van den sterrennacht heen, tot ik eindelijk in
+'t verschiet de eerste lichtjes der geweldige wereldstad zag flikkeren.
+
+Daar begon, of, beter gezegd, daar eindigde de electrische tramlijn;
+en niets is meer ontnuchterend en werkelijker dan het begin of het eind
+van een electrische tramlijn. Daar gaat een matter-of-fact-stemming
+van uit, die alle romantisme en ideaal terstond op 't tweede
+plan verschuift. Ik zuchtte zwaar en mijn schoone illuzies zakten
+op den geheimsten bodem mijns harten neer. De buurt was vuil en
+banaal-leelijk, zooals elke buurt waar een electrische tramlijn
+begint of eindigt; maar op den hoek was er toch nog een "bar" van
+niet gansch onoogelijk uiterlijk en als vanzelf trad ik er binnen
+en bestelde er een cocktail. Ik vroeg den "barkeeper" of hij mij wel
+een Manhattan-cocktail zou kunnen toebereiden.
+
+--Cèrtainly, sir, antwoordde de man, met nadruk op de eerste
+lettergreep, alsof het immers vanzelf sprak, dat in zulk een
+merkwaardige gelegenheid als de zijne, de fijnste "drinks" werden
+klaargemaakt. En inderdaad, het ding smaakte heerlijk, misschien ook
+wel omdat ik zulken dorst had en zoo flink geloopen had.
+
+Ik stak een sigaret op en in den blauwen rook liet ik mijn droomen
+gaan. Wat was het leven toch heerlijk en wat stond de schoone wereld
+glanzend-wijd vóór mij open! Ik bestelde een tweeden cocktail. Een
+zalige moeheid zonk loom in mijn beenen. Had ik nu maar een mooi
+rijtuig met een vlug span paarden om mij thuis te brengen, dacht
+ik. Thuis! Ik had daar immers geen thuis! Mijn huis was verre, verre,
+in het mooie Vlaanderen. Even schroefde een heimweeïge emotie mij de
+keel toe en ik kreeg tranen in mijn starre oogen. Neen, ik bezat hier
+geen thuis; ik was hier de vreemdeling, bijna de banneling; maar zij
+had wèl een thuis, een heerlijk home dat ik weldra zou mogen zien;
+en ik droomde dat dat heerlijk home nu ook _mijn_ home was en dat
+haar rijtuig met de mooie schimmels vóór de deur van 't kroegje stond,
+om mij bij haar, in haar schoone armen, naar huis te voeren. Voor de
+deur van 't kroegje stond inderdaad een rijtuig; maar 't was de zeer
+prozaïsche electrische tram, waarvan de wattman en de conducteur den
+beugel omsloegen.
+
+Ik betaalde, stond op, en vertrok met de electrische tram.
+
+
+
+
+V
+
+
+De dag, de groote dag, de dag van mijn bezoek bij Maud's familie,
+was aangebroken.
+
+'t Was stralend mooi weer, nog mooier dan al de vorige dagen. De
+winterzon glansde heerlijk en de stille, in het verschiet lichtgrijs-
+en blauwwazige lucht was prikkelend zuiver en sonoor van geluiden
+op den hard-bevroren grond. 't Was als een winterfeestdag in de
+reine lucht.
+
+Al van in den vroegen ochtend had ik mij aandachtig in den spiegel
+bekeken en bestudeerd welk pak en welke das mij het best zouden
+staan. Dit is volstrekt geen geringe of onbeduidende zaak. Wij, mannen,
+hebben ook zoo bitter weinig wat ons eenigszins kan opsieren. Mijn
+teint was door de zon reeds flink gebruind; ik moest dus iets vinden
+dat daarbij paste. Ik probeerde 't eerst met een donkergrijs pak en een
+steenroode das. Het stond mij niet kwaad, maar 't maakte mij wat dik;
+'t voldeed mij niet.
+
+Ik trok een zwart pak aan, met blauwe
+das. Afschuwelijk! Afschuwelijk! 'k Zag er net uit als een burgerman
+op zijn zondagsch. Ik wist niet hoe gauw ik dat uittrok. Toen paste ik
+gewoon een donkerblauw pak aan met zwarte das en hield mij daarmee
+tevreden. Het stond wat streng, wat dor, maar 't miste niet een
+zekere, sobere distinctie. Een paarlen speld fleurde het trouwens
+nog al op. Ik voelde mij daarin wel niets als een veroveraar, maar
+ik viel me toch nog al mee wanneer ik mij in den spiegel bekeek.
+
+Om twaalf uur was het een heele kwestie wat ik wel eten zou. Er stond
+Irish Stew op 't menu en daar hield ik heel veel van, maar ik dacht
+er niet aan, vanwege de uien. Misschien zou het zelfs beter zijn
+als ik maar heelemaal niets gebruikte. Dat maakt lichter, ideëeler,
+spiritueeler. Een mensch die stevig gegeten heeft is dikwijls log en
+loom en zwaar; een mensch, die een enkelen maaltijd laat voorbijgaan,
+krijgt iets voornamers, iets superieurs. Maar.... de maag bestond ook
+nog, en die is zeer materialistisch aangelegd, zoodat ik eindelijk
+besloot te transigeeren: mijn inferieur wezen zou "iets" krijgen en
+mijn superieur wezen ook iets; en dat loste zich op voor 't eerste
+in een zeer fijne, maar heelemaal niet overvloedige "lobster-salad"
+en voor het tweede in een glas spuitwater in plaats van bier. Daarmee
+trok ik op.
+
+De familie was reeds druk aan 't schaatsenrijden, toen ik op het
+ijs aankwam. Maud was met inspanning de krul aan 't instudeeren,
+die ik haar twee dagen te voren geleerd had, en 't kleintje, Violet,
+kwam naar mij toegevlogen van zooverre zij mij zag en riep jubelend
+dat zij het kunstje kende, terwijl haar tante Maud nog steeds aan
+'t knoeien en aan 't zwoegen was. Zij deed het mij voor, werkelijk
+heel aardig; en toen beleefde ik een van mijn grootste triomfen:
+ik merkte met den eersten oogopslag wat er nog aan 't werk van Maud
+ontbrak: een kleinigheid, een niets, maar dat gedaan moest worden om
+'t figuur te kunnen maken. Ik wees het haar, vroeg of ik haar even
+bij de hand mocht nemen; en daar ging het ineens: zij snapte 't,
+zij wàs er, zij maakte zonder moeite het figuur drie en vier maal
+na elkaar; en zij keek mij met zulk een stralende dankbaarheid, met
+zulk een glans, ja, met zulk een hartstocht en met zulk een liefde
+in haar mooie oogen aan, dat ik er als bedwelmd onder werd en even
+van emotie naast Papa en Mama en "Auntie" op de bank moest gaan zitten.
+
+Het was een gelukkige, een diep-gelukkige middag! Er komen zoo
+van die dagen, waar alles meewerkt, evenals er andere dagen zijn,
+waarop alles tegenvalt. Er hing als 't ware geluk en voorspoed in de
+atmosfeer; alles was licht, alles was vroolijk, alles ging gemakkelijk
+en als van zelf. Maud genoot; zij genoot als een frisch, jong kind in
+juveniel geluk van 't kunstje dat ik haar geleerd had; zij was blij
+en dankbaar en beschouwde mij als een soort redder en een held, als
+een die voor haar ongekende hemelen van genot en van geluk geopend had.
+
+Wij reden en kringelden tot wij moe, doodmoe waren; wij reden ieder
+op zichzelf en wij reden samen; en als wij samen reden was het, voor
+mij althans, een zaligheid waarvoor geen woorden zijn te vinden;
+wij reden en wij bleven rijden; en ik weet niet wanneer wij er wel
+mee zouden uitgescheiden zijn, als niet de zon achter den heuvel
+was verdwenen, wat voor onmiddellijk gevolg had, dat Papa en Mama en
+"Auntie" eensklaps een ijzige koude voelden in hun rug, en meteen van
+de bank opstonden, en verklaarden dat het tijd, hoog tijd was om nu
+naar huis thee te gaan drinken, zooals afgesproken was.
+
+Wij bonden af en waren klaar. Dezelfde schoone avondzon die al die
+laatste dagen mijn geluk beschenen had, ging met ons mee langs den
+besneeuwden weg, verlichtte met haar laatste, oranje-gouden stralen
+het weeldepad van al mijn zaligheid. Maud was zóó verrukkelijk schoon
+in dien langzaam aan tanenden glans, dat zij mij weer voorkwam als
+een soort godin, bij vergissing op de aarde neergedaald. Ik had haar,
+als krankzinnig van hartstocht willen omhelzen; en ik had ook voor
+haar in de sneeuw willen neerknielen, en haar aanbidden, en tranen
+van geluk schreien aan haar voeten.
+
+Bij het kruispunt van den weg sloegen wij rechtsaf en stapten den
+heuvel op. Waar zou het zijn? Waar zou het zijn? dacht ik bij elke
+villa, die wij langs kwamen. Maar 't liep een heel eind verre: het
+liep tot boven op den heuvel, tot op een punt waar heel alleen een
+laatste, groote villa stond die, ik voelde 't instinctmatig, hààr
+"home" wezen moest.
+
+Zoo was het ook. Papa keerde zich om, keek mij, met ietwat ijdelen
+glimlach aan en zei:
+
+--We zijn er.
+
+Hij duwde een hekje open en wij betraden het erf, dat dik onder de
+sneeuw lag. De boomen en de heesters droegen witte watten; een pad was
+tot de stoep gebaand, die toegang gaf tot een veranda, welke rondom
+'t huis liep.
+
+Het zicht van daar uit, was onvergelijkelijk grootsch en schoon. Ik
+juichte, ik jubelde, ik vroeg of ik eens rond mocht loopen, om dat
+te bewonderen. Zij vergezelden mij, om van mijn verrukking mede
+te genieten.
+
+In 't Westen brandde de zon haar laatste, roode stralen weg over
+een wijde uitgestrektheid van stilte en verlatenheid. De sneeuw
+was roze en violet, een enkel huisje hier en daar stond als vergeten
+kinderspeelgoed in de wijde ruimte; een bosch donkerde, dicht en zwart,
+als een rouwkleed op 't glinsterend wit van een verderen heuvel. Een
+paar fabrieksschoorsteenen staken hun rechte pijpen in de hoogte,
+zonder de schoone rustige harmonie van het landschap te storen.
+
+Naar de oosterkim was 't schouwspel gansch verschillend. Daar lag in
+de diepte de prachtige Hudson met zijn vaalgroen water tusschen 't
+wit van de besneeuwde oevers. Kleine dingetjes dreven er in schuinsche
+vaart dwars overheen, wijd-uitloopende, witte strepen achter zich naar
+de kanten stuwend; en die kleine dingetjes waren de groote, machtige
+"ferries" die heen en weer van en naar New York voeren. De huizen
+tintelden van lichtjes aan de overzijde; en gansch aan 't einde van
+den horizont, naar 't Zuiden toe, was 't of daar ergens een vulkaan
+in werking was: lichtschichten flikkerden, rookkolken somberden
+en een machtig-zware stem kwam in doffen ondertoon tot hier verre
+aangewaaid: de grootsche stem van New York met al zijn duizenden,
+en duizenden door elkander warrelende geluiden, waar af en toe, als
+een noodkreet, de snerpende gil van een locomotief, of het langgerekt,
+klagend geloei van een stoomboot-sirene, aangrijpend uit opklonk.
+
+Ik stond daar, en 'k had er uren kunnen blijven om te zien en te
+genieten. Ik had er willen staan alleen met hààr en ons beiden van die
+geweldige poëzie laten doordringen: een poëzie, grootsch en machtig
+als de overweldigende, bijna vernietigende liefde, die in mijn boezem
+voor haar bruisde. Maar "Auntie" kreeg het koud, "Auntie" was bang
+voor "chills" en huiverde; en Papa opende met een fijn sleuteltje de
+zwaar-bewerkte, eikenhouten voordeur en wij traden binnen.
+
+Hij draaide aan een knopje en in de "hall" ging electrisch licht
+op. Het licht glom kleurrijk en gedempt in een hanglamp van groen,
+rood en oranje glas en ik kreeg dadelijk een plechtigen en weelderigen
+indruk, als in een oostersch paleis of in een kerk. Zware kasten
+stonden tegen de wanden, rijke tapijten hingen aan de muren; een
+donkerroode looper liep langs een monumentale trap naar boven. Links
+hing een groot schilderij, zwaar, somber, onduidelijk. Ik ging er
+recht op af, om alvast te bewonderen; maar Papa hield mij tegen,
+zei dat ik daar maar niet moest naar kijken, wijl het niet veel te
+beteekenen had. Hij hielp mij mijn jas uittrekken en haakte die aan
+een gewei dat tot kapstok diende; en nog eens aan een knopje draaiend
+duwde hij een zijdeur open en verzocht mij binnen te gaan.
+
+Ik liet de dames voor en trad in een salon, door Papa gevolgd.
+
+Door breede, heldere ramen zag ik den laatsten, rooden zonnegloed
+in 't Westen, over het wijd-ingesneeuwde, eenzaam veld. 't
+Was heerlijk-schoon, gelijk een vizie van apotheose. 't Was om
+er naar te blijven staren en te droomen. De zachte warmte van
+een gedempt-gloeiende vulkachel vulde 't vertrek met een egale,
+koesterende luwheid en men had den indruk van veilig in een serre,
+of in een lente-atmosfeer te staan, gezellig genietend met de oogen
+van al 't schoone dat daarbuiten lag, zonder de onaangename scherpheid
+van de koude te voelen.
+
+--O! hoe prachtig! Hoe prachtig! jubelde ik.
+
+Maar Papa deed zenuwachtig en als 't ware eenigszins gehinderd. Laat
+ons de gordijnen dichthalen en licht aansteken zei hij; anders kunnen
+wij de schilderijen niet goed zien.
+
+De schilderijen! 't Was waar ook! Ik was daar immers gekomen om zijn
+schilderijen te bewonderen! Ik had het reeds vergeten, zoo diep had
+mij het mooie vergezicht door de ramen geboeid.
+
+Mama drukte op een schelknop en Papa stak alvast een lamp met roze kap
+op, die zacht op een onyxen tafeltje gloeide. Een hupsch dienstmeisje
+kwam binnen en haar werd bevolen de gordijnen dicht te trekken en
+theewater te brengen.
+
+Een voor een werden de schoone, weidsche tafereelen als 't ware
+uitgewischt. 't Was of een groote, ruwe, schennende hand ze met
+doodkleur oververfde. Het was alsof licht en ruimte uit de wereld
+verdwenen. Toen dat gedaan was stak Papa nóg een paar lichten op;
+en, zich met iets kinderlijk-triomfants tot mij omkeerend:
+
+--Look now! zei hij.
+
+Ik keek....
+
+Wat er ook gebeuren kon en wat ik ook te zien mocht krijgen, vast
+had ik mij voorgenomen in ieder geval te bewonderen. Ik was op alles
+voorbereid, ook op het ergste; maar wat ik zag leek mij op 't eerste
+gezicht nòg erger, dan het ergste dat ik mij had voorgesteld.
+
+Het waren in de eerste plaats portretten; en ik herkende Papa en Mama
+en "Auntie" en ook, o gruwel, Maud! Zij waren geschilderd als door
+een dolle neger, iets zóó geweldig onartistieks en leelijks, dat ik
+de woorden op mijn tong voelde verstijven. Het waren als gekleurde
+poppen uit een panopticum of kermis-kraam, van die dingen welke de
+handen doen kittelen om er met ballen naar te gooien en waar men
+'s nachts van droomt, in nachtmerrie-benauwing. Zij waren gefigeerd,
+dood, gedrochtelijk. 't Was iets zóó overweldigend-affreus, dat ik
+terstond besefte zelfs geen middenweg in mijn appreciatie te kunnen
+gebruiken: ik moest ofwel mijn afkeer uitgillen, ofwel blindelings en
+onvoorwaardelijk goedkeuren en bewonderen; en ik deed het laatste, met
+een ignobele valschheid en lafheid, met de kruiperige lafheid van den
+smoorverliefde: een daad, een wandaad, waar ik mij nu nog over schaam.
+
+Papa zette 'n hooge borst op, kuchte, kreunde als 't ware van
+trotsch genoegen, terwijl Auntie's felle oogen flikkerden en Mama
+met eenigszins bescheidener genoegen hoofdknikte en beaamde:
+
+--Oh yes, they are very lovely, indeed.
+
+Maud, met een zachte kleur over haar wangen, stond in stilte te
+genieten.
+
+Opgetogen leidde Papa mij verder rond. Ik zag een knoeierig "sous-bois"
+konterfeitsel uit een niet-bestaande streek, vuil plagiaat van
+Courbet; een marine als van gegolfd karton waarop papieren schuitjes
+dobberden, een berglandschap met sneeuwtoppen, als geklopte room op
+chocolade. Maar glunderend bracht Papa mij bij 'n kleiner schilderijtje
+in een hoek en zei, terwijl zijn stem even van emotie hikte:
+
+--En dit is 't fijnste wat ik heb.
+
+Het was een ijsgezicht uit Volendam, met de kleine poppenhuisjes
+langs den dijk, met de witte kapjes en de witte klompjes, met de
+visschers en de visschersvrouwen, die in hun nationale kleederdracht
+op schaatsen reden. Het ding was akelig netjes en banaal geschilderd
+als een chromo; 't was eigenlijk om bij te huilen en te snikken; maar
+ik jubelde alweer met laffe uitbundigheid; ik zei dat het precies zoo
+was in werkelijkheid en daarop omringden zij mij allen en deden mij
+vertellen, en vroegen naar allerlei bijzonderheden uit die streek
+en zeiden dat zij 't vaste voornemen hadden een of anderen dag dat
+verrukkelijke land te gaan bezoeken.
+
+Horizonnen van zaligheid gingen in mijn verbeelding voor mij open. O,
+zou ze toch werkelijk.... in de "old country", zoo heel dichtbij mijn
+eigen land eens komen! En, als ze daar eenmaal was, wie weet of zij
+er niet zou willen blijven, met mij.... met mij.... als mijn beminde,
+als mijn vrouw! Het duizelde in mijn geest; het was tè schoon, tè
+heerlijk, ik mocht mij niet zoo in vervoering laten meeslepen. Verder
+liep ik rond, zag nog meer monsterdingen, bleef eindelijk voor den
+vleugel staan, waarop een heele rij fotografieën prijkten. En daar
+zag ik weer Papa, en Mama, en "Auntie" en ook Maud, doch nu in al
+hare verrukkelijke schoonheid, in baljapon en laag gedecolleteerd,
+als de prinses uit een sprookje. Ik werd er plotseling jaloersch van,
+wild-jaloersch omdat anderen vóór mij haar zoo hadden mogen zien en ik
+voelde 't heete bloed naar mijn wangen opgolven, terwijl een zwoele
+hartstochtsnevel vóór mijn oogen schemerde. Meer andere, meestal
+knappe portretten stonden naast het hare en Papa vertelde mij van
+wie die waren: Isabel, zijn oudste dochter en Violet's moeder, die in
+California woonde; Basil, zijn zoon, die in Philadelphia getrouwd was
+en verder nog enkele familieleden en goede vrienden. Achter Maud's
+portret stond dat van een jongmensch met banaal-knap gezicht en
+donkere snor, die mij voorkwam eenigszins op haar te lijken. "Is dat
+ook een zoon van u?" vroeg ik aan Papa. "No, a friend," antwoordde
+hij, een vriend, die in New York woonde, maar voor 't oogenblik een
+lange reis maakte voor handelszaken in Australia.
+
+Op een schrijftafeltje bij 't raam stond een kleine aquarel en ik
+voelde (je kunt zoo van die voorgevoelens hebben) dat dit iets was,
+dat Maud geschilderd had. Ik ging er naar toe, boog er mij over heen,
+bekeek het met aandacht; en, mij weer oprichtende, kalm, met ernstige,
+als 't ware beheerschte bewondering:
+
+--Dit is 'n aardig dingetje, zei ik.
+
+Ik zag het vuur over Maud's wangen komen en 'k dacht dat Papa van
+overmoed ging omvallen.
+
+--Weet u van wie dat is! riep hij,.... En hij verklapte 't, zwellend
+van vaderlijken trots.
+
+Ik hield mij heel, héél kalm en ernstig, alsof mij een gebeurtenis
+werd meegedeeld van zulk een overweldigend gewicht, dat het besef
+ervan eerst in mij moest bezinken. Ik ging weer naar het tafeltje toe,
+bekeek de aquarel met uiterst ingespannen aandacht, richtte mij op,
+staarde, alsof ik geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken,
+het jong meisje aan.
+
+--'t Is buitengewoon knap! kon ik eindelijk uitspreken.
+
+Papa jubelde:
+
+--En zeggen dat ze er zoo met dozijnen heeft, boven, op haar
+boudoir! Laat ze meneer toch eens zien, Maud.
+
+--Zou het u heusch interesseeren? vroeg zij blozend.
+
+Ik zou mij niet meer kunnen herinneren wat ik op die ontroerende
+woorden antwoordde. Ik herinner mij enkel dat ik de felle, op mij
+gerichte oogen van "Auntie" even met een eigenaardige uitdrukking
+zag flikkeren en dat Mama mij vroeg of ik niet eerst even een kop
+thee wilde drinken.
+
+Ik weet ook niet, of ik voor dan na 't bezoek op het boudoir die kop
+gedronken heb. Dikwijls heb ik daar met spanning over nagedacht en
+ben het nooit met mijzelf eens kunnen worden. Ik weet alleen dat ik
+een kop gedronken heb, vóór of na 't bezoek op het boudoir.
+
+Maar wel weet ik nog dat de salondeur openging, dat ik met haar in de
+"hall" kwam, in het mysterieuze gedempte licht der Moorsche hanglamp
+van groen, rood en oranje glas, en dat ik over den donkerrooden looper
+met haar de trap op ging.
+
+'t Was als een bruidsmarsch naar boven, als een nuptiale gang. Ik
+had geen de minste moeite om mij in te denken in 't geval dat ik
+met haar getrouwd was en dat wij samen, als man en vrouw, naar onze
+slaapkamer gingen. Op 't eerste trapportaal duwde zij een witte deur
+open, draaide licht aan, verzocht mij binnen te treden.
+
+Alles was er van een lichte kleur, amandelbloesemachtig-teer en 't
+geurde er bedwelmend naar fijne viooltjes. Er waren gemakkelijke,
+lichtkleurige fauteuils; er was een groote, lichte divan, breed als
+een bed.
+
+Hier nu te blijven, dacht ik, en nooit meer weg te gaan! En even
+sloot ik mijn bedwelmende oogen. Hier te blijven, haar in mijn armen
+te nemen, haar te omhelzen en te zoenen, als in een hemel op aarde. En
+'k wachtte, roerloos, strak, alsof het nu komen zou, alsof het vanzelf
+zou gebeuren, omdat het werkelijk, zooals in mijn verbeelding, niet
+anders kon.
+
+Zij ging naar den divan toe en haalde van achter de rugleuning een
+lijvig album te voorschijn. Zij lei die op den divan open, schoof
+twee stoelen bij en verzocht mij te gaan zitten.
+
+Ik nam plaats, machinaal, als in een droom.
+
+Ik hoorde haar lieve, zachte stem en begreep niet wat zij zei. Ik zag
+haar langzaam, een voor een, de bladen van het album omkeeren en had
+niet het minste benul van wàt ik zag. Ik uitte klanken, die van mijn
+bewondering moesten getuigen, maar kende geen verschil tusschen een
+landschap en een zeegezicht. Ik ging op kleuren af, op felle vlakken,
+die nog eenigszins mijn elementair-geworden waarnemings-vermogen
+troffen. En aldoor waande ik mij in een wonderoord, in een hemelschen
+tuin, in een Paradijs, waar het heerlijk naar viooltjes geurde.
+
+Ik weet niet door welke kracht of welke vrees ik aan de verleiding heb
+weerstaan mijn arm om haar middel te slaan en in wilden hartstocht
+haar blanken hals te zoenen. Het had best kunnen gebeuren en nu
+nog begrijp ik niet, dat het niet gebeurd is. Maar het is niet
+gebeurd. Toen ik alles goed gezien had en bewonderd, deed zij het
+album dicht, stond op en ging het weer op zijn plaats, achter de
+rugleuning van den divan, schuiven. Daarmee was mijn bezoek op haar
+kamer afgeloopen. Daarmee mocht ik heengaan, bevredigd of onbevredigd,
+ik weet het zelf niet meer. Ik weet alleen dat plotseling een groote
+kilheid in mij doordrong en dat ik huiverde, als van scherpe kou. Het
+was alsof ik van een reuzen-inspanning verlost werd. Ik had het gevoel
+dat ik tusschen twee uitersten had gestaan: een formidabele ramp en
+een onuitsprekelijk geluk; en dat ik veilig aan de vreeselijke ramp
+ontkomen was, zonder echter het hemelsche geluk te proeven. Ik werd
+ineens heel kalm. De wilde crisis was over; ik kon gewoon weer als
+een gewoon mensch voelen en denken. Ik beefde nog een weinig toen ik
+met haar naar beneden kwam en ontweek machinaal den fel-vorschenden
+blik van "Auntie;" maar ik kon althans spreken; ik kon in woorden mijn
+waardeering en bewondering uiten en die zelfs met eenige consequentie
+en welsprekendheid motiveeren. Zij luisterde met ernst naar mij;
+zij keek mij aan, met dankbaarheid en sympathie.
+
+Toen dronk ik thee. Het zal me steeds een kwelling blijven mij niet
+meer te kunnen herinneren, of ik, al dan niet, ook thee dronk vóór
+ik met haar naar boven ging, maar dat ik thee dronk toen ik weer
+beneden was, ja, dat herinner ik mij nog heel duidelijk. Ik dronk
+thee en nam met bevende vingers een paar koekjes. En ik bleef niet te
+lang voor dat eerste bezoek; ik wist heel goed mijn tijd te kiezen;
+ik vertrok in het bewustzijn dat ik een gunstige impressie achterliet.
+
+Bij 't afscheidnemen drukten wij elkaar de hand. Onze oogen
+keken elkander sprekend aan en ik hield haar vingers in de mijne,
+misschien een halve seconde langer, dan volstrekt noodig was. Trok
+zij instinctmatig hare hand terug, of liet ik die instinctmatig
+los? Ik weet het niet meer. Maar die halve seconde voelde ik in mij,
+als een duizelingwekkende overwinning. Ik liep bedwelmd naar de deur,
+door Papa begeleid; en 't oogenblik daarna stond ik, in den scherpen
+vriesavond, op de schemerwitte sneeuw van den eenzamen weg.
+
+Ik liep in snellen pas een honderd meters en bleef dan even staan. Al
+de miljoenen sterren van den schoonen donkerblauwen hemel schenen
+voor mij alleen te tintelen en te bloeien. Wat was de wereld groot
+en mooi! Wat was het leven zalig! Ik stak een sigaret op en voelde
+mijn oogen glinsteren in den nacht. En eensklaps had ik het besef
+dat mijn bestaan heel waardevol en dierbaar was geworden en dat ik
+heel goed er voor zorgen moest. Ik voelde mij ineens moe, doodmoe
+en uitgeput, maar toch zalig-moe en uitgeput. Ik had genoeg gedaan,
+dien dag; ik had het maximum bereikt van wat ik kon verwerken; en in
+plaats van nu nog verre te gaan loopen, zooals ik eerst van plan was,
+trok ik huiverig den kraag van mijn jas op en ging doodstil en kalm
+in de wachtkamer van de West Shore op mijn trein zitten wachten.
+
+De gansche wereld woelde als 't ware in mij om en de menschen liepen
+langs mij heen als in een droom. Ik was het centrum van 't bestaan
+geworden. Even sprak ik hardop in 't stille van de wachtkamer en
+merkte niet eens dat de overige reizigers mij vreemd aankeken. Toen
+de trein voorkwam stapte ik er machinaal in en toen hij een half uur
+later in het Pennsylvania Depot stilhield, stapte ik er machinaal uit,
+zonder beseft te hebben dat ik er mee gereisd had.
+
+'t Was etenstijd en ik had honger, en toch zou ik niet eten. Mijn
+maag pijnigde en mijn slokdarm was als dichtgeschroefd. Ik kocht
+een krant, keek er in, gooide hem dadelijk weg. Ik nam hem weer op
+en keek met inspanning naar de huwelijks-aankondigingen. Was ik nu
+heelemaal overstuur en gek?
+
+Ik trad een "bar" binnen. Ik was er nauwelijks of reeds speet het
+mij dàt ik er was. Ik liep er weer uit zonder iets te gebruiken. Ik
+hoorde een kort hoongelach van den barkeeper.
+
+Toen begreep ik dat alles ontheiliging was, wat mij ook maar eventjes
+aan de gedachte van háár kon onttrekken en zonder nog naar iets te
+kijken of te zoeken liep ik recht naar mijn ongezellige pension-kamer
+toe en sloot er mij met mijn ziedende gevoelens en gewaarwordingen op.
+
+Ik dronk veel water en rookte sigaretten, mijn strak-starende oogen
+in het onbestemde vóór mij heen gevestigd.
+
+Ik had vizioenen waarin mijn gansche leven en verleden vóór mij
+heen zweefde. Ik dacht aan mijn tehuis, aan 't schoone Vlaanderen,
+aan mijn vrienden, aan Tieldeken van Meylegem, en aan de freule van
+'t Kasteel. Er kwamen tranen in mijn oogen, die langzaam over mijn
+wangen vloeiden....
+
+Zoo overviel mij eindelijk de slaap. Rillend van de koude werd ik
+wakker, gooide mijn kleeren uit, kroop in mijn bed.
+
+De torenklok van de Pennsylvania sloeg twaalf uur.
+
+Ik kroop tot mijn hoofd onder de dekens en droomde van Paradijzen.
+
+
+
+
+VI
+
+
+Kunst is een heerlijk iets. Kunst loutert de ziel van den mensch
+en verheft hem hoog en nobel boven de kleinzielige sleur van 't
+alledaagsche leven. Kunst is de bloem des levens. En kunst is liefde,
+liefde in den schoonsten en den ruimsten zin van 't woord.
+
+Dit mocht ik met volzaligheid ervaren gedurende de vele dagen en de
+lange weken, die op mijn eerste bezoek aan Maud's ouders volgden.
+
+Het ijs is niet eeuwig, tenzij aan de Noordpool en omgeving, en ook
+wel,--'t spreekt van zelf,--aan de Zuidpool en omgeving; en met angst
+zag ik de dagen langer worden en voelde ik de zon luwer en warmer
+schijnen, terwijl het ijs op den vijver steeds zachter werd en de
+sneeuw die er omheen lag zienderoogen wegsmolt.
+
+De lastige en gecompliceerde kringen welke onze schaatsen trokken
+over de gladde oppervlakte lieten er,--schrijnende emblemen van alle
+vergankelijkheid,--nog nauwelijks zichtbaar hun sporen na; en 't
+werd mij meer en meer en o zoo droevig duidelijk hoe al die schoone
+kunst voor goed verloren ging. Maar het lot waakte als een trouwe
+beschermengel over mij en naarmate de ijskunst in het niet verzwond,
+ontwaakte en leefde steeds intenser in mij,--en in ons beiden: in Maud
+en mij,--de koesterende heerlijkheid van den breederen, blijvenden,
+algemeenen kunstzin op.
+
+Dat was aldus gekomen door 't bezichtigen van die monster-schilderijen
+in Papa's huis en vooral door 't bezoek op Maud's boudoirtje en het
+bewonderen van haar aquarellen-album.
+
+Vast en zeker geloof ik, dat het ontstaan en 't zich ontwikkelen
+van het kunstgevoel in 't algemeen, van dien ontroerenden tijd
+in mijn leven dagteekent. Ik moet haar in die dagen dingen hebben
+gezegd,--wàt al weet ik niet meer,--dingen, die het geloof in haar
+levendig maakten, dat zij een groot talent als schilderes bezat,
+terwijl ze van mij den indruk moest krijgen, dat ik, ondanks al mijn
+verregaande bescheidenheid, over een buitengewoon ontwikkelden en
+scherpen critischen kunstzin beschikte.
+
+Hoe dan ook: toen het ijsvermaak dien winter onherroepelijk onder den
+alles nivelleerenden en verwaterenden dooi verloren en verdronken
+was geraakt, hielden onze gezellige relaties daarmee niet op. Wel
+integendeel. Ik vertelde haar van mijn voorname artistieke vrienden uit
+de "old country;" van den Grooten Schilder, van den Grooten Dichter en
+zelfs van den Grooten Musicus; en die verhalen boeiden haar bovenmatig;
+haar wangen kleurden en haar oogen tintelden; zij had ze willen
+kennen; zij snakte naar een meer artistiek en intellectueel milieu;
+en zij bekende mij met treurnis dat haar gewone leven en omgeving in
+Amerika haar dikwijls zoo banaal en zoo prozaïsch scheen. Zij had
+de wereld willen zien, de artistieke wereld: Parijs, Londen, Rome;
+zij stelde zich wonderen voor van 't heerlijk leven der artisten in
+die groote steden en zij vroeg mij of ik daar niet dikwijls heentoog,
+en er weken en maanden verbleef, om mij op te frisschen, om mij als
+het ware aan die bron van louter heerlijkheid te laven en te herdoopen.
+
+Ik loog er maar wat raak op los. Ik vertelde van mijn bezoeken
+in Parijs, welke zich in dien tijd feitelijk tot één enkel bezoek
+bepaalden en van mijn herhaalde verblijven in schilders-milieux,
+welke zich ook al beperkten tot één enkel milieu: dat van een
+Belgisch schilder, die toentertijd in Frankrijk's hoofdstad woonde
+en mij eens op zijn atelier ontvangen had. Inderdaad had ik haar meer
+pikants kunnen vertellen over mijn vroegere verhouding tot het mooie
+Tieldeken van Meylegem en tot de mooie freule van 't Kasteel; maar,
+vreemd genoeg, daar dacht ik op dat oogenblik niet aan.
+
+Met dat al werd onze kennismaking gaandeweg intiemer en het duurde
+niet lang of zij inviteerde mij om af en toe eens, als ik tijd had,
+een uurtje bij haar te komen doorbrengen.
+
+Tijd of geen tijd, ik maakte tijd, natuurlijk; en zoo kwam het als
+van zelf, dat ik daar ook wel eens bleef lunchen en dineeren, tot
+het ten slotte een vaste regel werd, dat ik er elken Zondag kwam en
+er geregeld het middagmaal gebruikte.
+
+Ik verscheen zoowat tegen vier uur en gebruikte thee met de gansche
+familie. Dat was als de inleiding, als de inwijding tot het groot
+geluk dat volgen zou. Zij zat daar, mijn aangebeden schoone, in den
+banalen huiskring en zij deed mee als ik in het banaal gesprek over
+banale dingen; maar onze oogen spraken tot elkaar een intiemere taal,
+waarin heerlijke werelden van geluk zich soms in één enkelen zwijgenden
+blik openbaarden. Ons lichamelijk wezen was daar, maar onze geest,
+onze ziel, ons ideaal leefden, en trilden, en jubelden hoog en verre
+daarboven en daarbuiten; en zoodra het behoorlijk kon stond zij op
+en noodde zij mij om verder met haar alleen te gaan keuvelen.
+
+Met haar alleen! Telkens weer bracht het mijn gansche wezen als in
+duizeling. Het was steeds weer voor mij van zulk een overweldigend
+geluk, alsof een schoone hemel genadig voor mij openging. Ik volgde
+haar, bij slecht weer op haar kamertje, bij mooi weer naar buiten,
+in het lenteveld, waar nu de eerste bloemen fleurden; en het waren
+ofwel bespiegelingen zonder eind in de geparfumeerde gezelligheid van
+'t lichte boudoirtje, ofwel lange wandelingen door de velden en de
+bosschen, in die mooie maar verwaarloosde Amerikaansche natuur, die,
+zelfs tot in de onmiddellijke nabijheid der groote steden iets oerruws
+en wilds behouden heeft.
+
+Ik kon het voor mijzelf nooit precies uitmaken wat ik wel prefereerde:
+thuis bij haar te zijn of met haar te gaan wandelen. En eigenlijk was
+het net eender, want waar ik ook met haar was, slechts één gedachte
+bezielde en vervulde mij geheel en al: mijn vurige liefde en hoe ik
+haar die eindelijk verklaren zou.
+
+Want dat dit moest en zou gebeuren zat zoo vast als een spijker in mijn
+brein. Het zou en moest gebeuren, het kon niet anders; maar wanneer,
+maar hoe: dat was de groote vraag!
+
+Booze plannen spookten in mijn geest, die mij tot een spoedige,
+ja, tot een gebruskeerde beslissing stuwden. Een stem riep in mij,
+geweldig-dringend: sla nu toch eenvoudig je arm om haar middel en
+geef haar een zoen! En ik voelde werkelijk mijn arm, die naar haar
+toe wilde en pijn deed, omdat ik hem tegenhield. Doe dat niet, hou
+je stil, waarschuwde een andere stem in mij; en die nuchtere, koele
+stem des verstands verstijfde mij, deed mij ijzen. En dan was er ook
+nog een derde stem, een raadselachtige, die nooit iets duidelijks
+zei, maar aldoor glimlachte en spotte. Die heimelijke stem deed mij
+telkens denken aan 't gezicht van "Auntie" met haar felle spot-oogen;
+en 'k was er banger voor dan voor de ernstig-waarschuwende stem, want
+ofschoon ze niets duidelijks zei, dacht ik toch altijd weer te hooren:
+"En vooral, maak je niet belachelijk!"
+
+Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het
+boudoir-uurtje of de wandeling in 't veld was afgeloopen. Dan was de
+twijfelstrijd althans geëindigd en in 't gezelschap der gansche familie
+voelde ik weer de geheime verstandhouding tusschen haar en mij, die
+ons daar beiden op een apart en als 't ware superieur plan stelde. Dan
+zeiden weer de oogen wat de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan
+voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we
+werkelijk alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel,
+als het mogelijk was geweest, mijn arm om haar middel durven slaan
+en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en
+onbevangen; en alleen de oogen van "Auntie," die ik altijd, altijd
+raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij
+levendig, dat ik eigenlijk in het geheel niet vrij noch onbevangen was.
+
+Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche
+smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche
+toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die
+verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd was en
+die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden
+steigeren. Zoo werd ik eens vergast op "oystersoup." Dat waren uit
+hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde
+stukjes caoutchouc of als doode slakken lagen zij daarin te zwemmen;
+en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid
+was, lag vol met groote, dikke, witte vellen.
+
+Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog vóór ik één lepel
+proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetseld en dat
+het alles langs mijn neus zou uitkomen.
+
+--Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing.
+
+--Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan
+gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen.
+
+--Laat u 't maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik
+niet kòn.
+
+--Neemt u 't mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer.
+
+De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden 't allen even
+heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie's oogen flikkerden bijna
+uitdagend, zóó fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden
+met mij en zeiden, met een soort van spijt, dat ik toch heusch nog
+geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op
+en kreeg een lach-crisis. Zij vond het zoo "funny" die groote meneer,
+die nog geen "oystersoup" kon eten!
+
+Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een
+likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook dàt was wel een
+zware dobber. Papa strekte zich met de sigaar tusschen de lippen
+in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over
+"business" te praten. Aldoor, en nog, en uitsluitend, praatte
+hij over "business." Het woord "dollar" klonk aanhoudend als een
+hardnekkig leitmotiv in zijn gesprek door en de reusachtige fortuinen
+schenen zich als 't ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen,
+terwijl zijn koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich
+heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen
+was, hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen
+was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het hoogste
+heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken,
+en die nu mag genieten, die nu móét genieten, vetgemest in een geluk,
+dat slechts door ziekte of door 't einde van het leven meer verstoord
+kon worden. Hij kreunde in zichzelf van wellustig genieten, hij
+aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en
+sloot even zijn oogen, om nog inniger en warmer te genieten. En hij
+gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met
+welwillende genadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er
+wellicht ook zou komen.
+
+--In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder;
+maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende
+geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets
+meer te beginnen. Er bestaat slechts één land op de wereld: Amerika.
+
+Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd
+en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames vonden. Zij
+ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer
+van gedempt licht en 't was voor mij als 't komen in een mooien tuin
+met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa's gebusiness en
+gedollar. Maud's oogen hadden dan meestal een lieflijken, vredigen
+glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama's grijze
+haren golfden sierlijk en deftig om haar frisch gebleven gezicht,
+terwijl Auntie's wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur
+zitten ging, zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met
+minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij het einde van den
+dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte
+oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker, door 't kontrast, al de
+frissche jeugd en schoonheid van 't jong meisje; en 't zong in mij, o,
+'t zong zoo heerlijk van intiem geluk en opwellende groote illuzies;
+en ik voelde mijn jeugd en háár jeugd daar regeeren en alle mogelijke
+rampen trotseeren en alle mogelijke hinderpalen overwinnen.
+
+Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich
+alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar oogjes
+te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te
+vleien. 't Werd tijd voor mij om heen te gaan en langzaam stond ik
+op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en
+angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van de wijze waarop ze mij aankeek
+en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop
+volgende week af. "Auntie" herleefde even uit de schemering weer op
+en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen.
+
+Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen "gewoon" aan en gaf
+ze mij "gewoon" de hand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van
+binnen verkilde en 't was alsof er diepe snikken naar mijn keel
+opbonsden. Maar soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand
+iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw
+genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken;
+dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd stoomend van
+liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde
+zat ik glimlachend als een kind naar mijn geluk te staren.
+
+
+
+
+VII
+
+
+Maar dat moest eindigen en op een of andere wijze tot een beslissing
+komen. De lente bloeide nu volop over het land en er hing alom als een
+blijde, lichte feeststemming in de atmosfeer. De wereld herleefde na
+den langen, guren winter, er heerschte drukte overal, men voelde als
+'t ware toekomstplannen in ieder mensch dien men ontmoette.
+
+Ook Maud en haar ouders spraken reeds over wat ze dien zomer zouden
+doen. Behalve 't gewone verblijf aan zee en te Saratoga gedurende de
+heete maanden en de najaarsvacantie in het mooie Lennox, stond ook
+nog een reisje in de Adirondacks voor Mei of Juni op 't programma. En
+'t was reeds half April.
+
+Even was er sprake van geweest, of ik soms met hen mee zou gaan. Maar
+Papa was dadelijk verontwaardigd opgevlogen, niet dat hij mijn
+gezelschap ongewenscht achtte, maar wijl het immers vanzelf sprak,
+dat een jonge man die zijn positie maken moest, niet zijn zaken in
+den steek kon laten. Als Papa slechts had kunnen vermoeden hoe graag
+ik wèl mijn zaken op dat oogenblik had in den steek gelaten, wat zou
+hij met verbazing opgekeken hebben! Maar met dat alles was de kans
+voor mij verbeurd en ik putte mij vruchteloos uit in gedachten hoe
+ik haar vóór dat vertrek naar 't geduchte "society-leven" vast aan
+mij verbinden zou.
+
+Het toeval kwam mij te hulp. Eens, terwijl ik op een glanzend-mooien
+namiddag, na kantoortijd door Fifth Avenue slenterde zag ik, langs
+het trottoir, twee gestalten vóór mij uit loopen, die ik in 't gewemel
+van de elegante wandelaars terstond herkende: Maud en "Auntie!"
+
+Mijn hart stond even stil, en ook mijn beenen stonden stil. Ik had op
+mijn verhaal te komen, om te beramen wat ik doen zou: haar ongemerkt
+blijven volgen; of naar haar toe gaan en haar aanspreken!
+
+Terwijl ik, jagend van ontroering, twijfelde, bleven zij op haar
+beurt stilstaan, geboeid door de uitstalling aan het raam van een
+luxe-winkel. Zij keken met de grootste aandacht, heelemaal in beslag
+genomen door iets wat ik niet zien kon; en, na een korte aarzeling,
+trokken zij den winkel binnen.
+
+Ik had 't gevoel van iemand, die een prooi beloert, welke niet mag
+ontsnappen. Ik moest en wilde en zou haar zien, wat er nu ook gebeurde;
+en schijnbaar kalm ging ik naar den winkel toe, kalm en slenterend,
+als een wandelaar die nu eenmaal goed den tijd heeft om alles op
+te nemen wat hem ook maar eenigszins interesseeren kan. Ik zag een
+roomkleurige rez-de-chaussée omlijst met goud en aan beide kanten
+van de deur twee groote spiegelramen. Op een van die ramen stond in
+sierlijke gouden letters slechts de voornaam "Véronique" geschilderd
+en op het andere raam het woord "Modes."
+
+Met een bonzend hart en quasi-geboeide belangstelling keek ik naar de
+uitstalling. Die was gauw genoeg gezien. Op een gedistingeerd fond
+van lichtmauve fluweel verrees, tusschen crême kantgordijnen, een
+ebbenhouten pin, en boven op die pin, een dameshoed: één enkele. Dat
+was alles; verder niets! Achter het tweede raam precies hetzelfde
+schouwspel: één enkele hoed op één enkele ebbenhouten pin, met
+daaronder, tusschen de crême kantgordijnen, de gedistingeerde kale
+vlakte van het lichtmauve fluweelen fond. Ik besefte dat ik daar
+onmogelijk lang kon blijven staan en reeds bewoog ik mij, met een
+zucht van teleurstelling, verder op, toen plotseling de deur geopend
+werd en een schelle stem, Auntie's opgewekte stem, mijn naam uitriep,
+terwijl "Auntie"-zelf, met een levendig gebaar der rechterhand,
+mij tot zich wenkte.
+
+Ik veinsde de grootste en aangenaamste verrassing. Wel, wel, wat 'n
+chance "Auntie" daar zoo gansch onverwacht te ontmoeten! Maar Auntie
+liet mij den tijd niet aan mijn gevoelens van verbazing lucht te geven;
+zij vertelde mij op gejaagden toon, dat Maud daarbinnen was om zich een
+zomerhoed te koopen; maar dat het gesprek met die Fransche modiste, die
+slechts gebroken Engelsch kon, niet vlotte; en dat ze mij juist voorbij
+het raam zag passeeren en mij verzocht als tolk te willen dienen.
+
+Dat is de eerste maal van mijn leven geweest, dat ik als tolk heb
+gefungeerd en nog voel ik er, na zooveel lange jaren, de emotie en
+den trots van na.
+
+Maud stond daar, met de modiste, in den luxe-winkel en met een kleur
+van dankbaarheid kwam ze naar mij toe en drukte mij, in een soort van
+hartstochtelijke blijdschap, de hand. Dat staalde mij, dat ridderde
+mij als 't ware in 't harnas en met hoog voorhoofd en vastberaden
+blik stapte ik op de toonbank toe, waarachter madame Véronique in al
+haar glorie troonde.
+
+Madame Véronique scheen daar te regeeren, als een hoogepriesteres
+in haar tempel van de godheid Mode. Zij stond, groot en zwaar,
+in glimmend-zwarte zijde, als gepantserd in haar ongenaakbaarheid
+en zij zag mij tot haar naderen met een koelen, kouden blik van
+geheime, stille hostiliteit. Blijkbaar verkocht zij haar hoeden als
+gunsten; en zij verwaardigde zich eenige meesterstukken van haar
+kunst, die achter haar in glazen kasten prijkten, te vertoonen,
+en vermelde telkens daarbij, met nauwelijks bewegende lippen, de
+duizelingwekkende hoedanigheden van het wonder en noemde even prijzen,
+die mij, in figuurlijken zin, gewoon in zwijm deden vallen. Ik herinner
+mij o. a. een zoogezegd "matelotje" met een of andere pompon of prul
+er op, waarvoor ze "tirty dollàr" zooals ze 't in haar eigenaardig
+taaltje uitdrukte, rekende.
+
+Maud glimlachte, genietend; Maud was gelukkig. Welke jonge mooie vrouw
+is niet gelukkig in een mode-winkel? Zelfs de verschrompelde "Auntie"
+was gelukkig en haar felle oogen flikkerden van genot. De mooie
+Maud paste een voor een de dure hoeden op haar hoofd en bekeek zich
+daarbij welgevallig in de spiegels. Al haar bewegingen waren van een
+uitnemende gratie en wanneer ze zoo een kunststuk met beide opgeheven
+armen boven op haar kapsel zette kreeg ik telkens den bedwelmenden
+indruk, alsof die mooie armen streelend om mijn hoofd heen gingen,
+om mij te omhelzen.
+
+Het was als een voortdurende gedaantewisseling, die telkens weer andere
+gevoelens in mijn zwaar-verliefde ziel omwoelde. Soms zag zij er uit
+als een aanbiddelijke jonge bruid en het was mij te moede of ik in de
+kerk het orgel hoorde spelen, terwijl wij samen statig tot het altaar
+naderden. Een ander tooisel stond haar veel te wuft en deed mij pijn;
+een derde, dat te rijk was en te deftig, verwijderde haar van mij.
+
+De keuze was lastig. Voor de ramen stonden slechts de twee hoeden op
+hun ebbenhouten pinnen,--dat was gewilde eenvoud, ter wille van de
+deftige distinctie,--maar daarbinnen waren er genoeg; en er waren er
+nog meer, want toen Maud bijna alles had gepast wat achter de glazen
+kasten schitterde, drukte madame Véronique op een schelknop en een
+binnendeur schoof plechtig open, en boven op een trapje van drie treden
+verscheen een mooi jong meisje met blond haar en sierlijk-volle buste,
+aan wie de hoogepriesteres een kort bevel gaf.
+
+Ik keek in een zaal, een soort van troonzaal met hooge, lichte ramen,
+waar nog meer knappe, jonge meisjes over fijn werk gebogen zaten. Men
+hadde gezegd, de ingetogen suivantes eener onzichtbare feeën-prinses in
+gewijde aandacht bezig aan de schoonste wondermaaksels. En 't mooie,
+blonde meisje bracht nog meer hoeden te voorschijn: hoeden die op haar
+blank vuistje door de lucht schenen te zweven met sierlijk-wegdrijvende
+kantensluiers; met bloemen die men meende te ruiken en met glinsterende
+vogels die men dacht te zien vliegen; zij bracht er nog en nog, van
+alle vormen en van alle kleuren, tot het oog er duizelig van werd en
+de knieën van vermoeidheid knikten.
+
+Toen maakte Maud ten slotte een keuze: iets dat Papa wel met een
+chèque zou betalen; en als toetje nam zij er ook nog 't matelotje bij:
+dat van "Tirty dollàr."
+
+Madame Véronique neeg, genadig. Met mindere minachting en hostiliteit
+keek zij mij aan en eventjes schemerde zelfs in haar oog iets
+leuk-ondeugends als van heimelijke verstandhouding. Plechtig werden
+de deuren van de troonzaal weer dichtgeschoven; en 't blonde meisje
+begeleidde ons tot aan de deur, terwijl madame Véronique weer
+hiëratisch-strak achter haar toonbank stond, als de onverstoorbare
+godin, die het hoogheilige van haar altaar nooit verlaten mag.
+
+Ik ademde luid toen we weer buiten in de vroolijke drukte van Fifth
+Avenue waren en de beide dames moesten hartelijk lachen en vonden,
+dat ik een buitengewoon-geschikte tolk was geweest. Zij verkeerden
+in een opgewekte stemming; er was ook iets aanstekelijks-opwindends
+in de zachte lente-atmosfeer, die als een rooskleurig waas over de
+deftige hooge huizen en het jeugdig groen der boomen tooverde; en,
+daar wij in de buurt van "Sherry's" kwamen, stelden zij mij voor
+in die chicque gelegenheid met haar thee te gaan drinken, wat ik
+natuurlijk zonder aarzelen aannam.
+
+Het was er "chic," het was er "smart," nog meer dan ik wel dacht. Het
+zat er vooral vol met elegante en overvloedig bejuweelde dames die
+gewinkeld hadden en een symphonie van parfums steeg je van op den
+drempel, niet zonder eenige benauwing, naar het hoofd.
+
+Hier heb je nu een stuk "society," zoo dacht ik, met een vagen weemoed
+in mezelf; een proef, als 't ware, van wat deze, die ik zoo vurig
+bemin, weldra, verre van mij weg, gaat opzoeken en genieten. Zij was
+daar reeds in haar milieu, zij werd gegroet, van rechts en links en
+groette terug, met den lieven glimlach van haar mooie oogen; en het was
+mij te moede alsof ze reeds mijlen en mijlen van mij was verwijderd,
+alsof ze langzaam aan werd opgenomen en verloren raakte in een kring,
+waar ik haar nooit meer zou kunnen bereiken.
+
+--U kent hier zeker weinig menschen? vroeg "Auntie" die blijkbaar
+met haar scherpen zin mijn bevreemding opmerkte.
+
+--Niemand, bekende ik, ietwat gegeneerd en vaag verdrietig.
+
+--Er komen hier veel lui, die wij ook 's zomers in Newport, Saratoga
+en Lennox ontmoeten, deelde "Auntie" mij mee. 't Is nogal aardig,
+begrijpt u; het wordt zoo'n beetje als één groote familie.
+
+Een dikke, hoewel nog betrekkelijk jonge meneer kwam voorbij, bizonder
+elegant gekleed, met lakschoenen en witte slobkousen, die buigend
+groette en even stilhield, alsof hij naar ons toe zou komen, om de
+dames aan te spreken, maar die toch verder doorging, nadat hij een
+vluchtigen en, naar het mij voorkwam, ietwat verwonderden en bijna
+geringschattenden blik op mij had neergeworpen.
+
+--Mister Bunk, fluisterden gelijktijdig Maud en "Auntie," alsof 't
+een heel bizondere personage gold. En met geboeide oogen zagen zij hem
+verder gaan en nog aan vele tafeltjes groeten en handdrukken wisselen.
+
+--Dat is de beroemde mister Bunk, de groote valseur, die al de elegante
+cotillons in Saratoga leidt, vertelde mij "Auntie," op een toon van
+bewonderingsvolle vertrouwelijkheid.
+
+Ik voelde mij als door een wesp gestoken. Zonder eenige reden kreeg
+ik plotseling een hekel aan dien poen; en het ontsnapte mij:
+
+--'n Valseur! Maar die man is veel te dik om te dansen!
+
+--Dat zou u niet zeggen als u hem walsen zag! antwoordde "Auntie"
+snibbig. En Maud beaamde, door een zwijgend hoofdgeknik, haar tante's
+woorden.
+
+Ik werd zenuwachtig. Ik voelde instinktmatig iets van gevaar, iets als
+een te duchten vijand in dien man. Hij was daar in zijn atmosfeer,
+in zijn milieu; en ik stond er buiten. Het prikkelde en ergerde
+mij, dat ik er buiten stond. Dat was nu eenmaal de "society," hààr
+"society," waar ik niet thuis bij hoorde; en ik wilde er bij behooren,
+om harentwille!
+
+Er steeg een plotselinge vlam van waan en hoogmoed naar mijn
+hoofd. Waarom zou ik ook niet eens groot en chic doen, zooals al die
+lui welke daar zaten of rondliepen en die met het geld, dat trouwens
+hun eenige beteekenis uitmaakte, konden gooien alsof het heelemaal
+geen waarde had? Ik keek Maud en "Auntie" met strak-geïnspireerde
+oogen aan en vroeg:
+
+--Zou u mij niet het genoegen willen doen, en zouden ook uw ouders
+mij niet het genoegen willen doen, eens met mij te komen dineeren,
+vóór het vertrek naar uw zomervacantie-oord?
+
+Verrast en eenigszins verwonderd keken Maud en "Auntie" mij, en daarna
+ook elkander aan.
+
+--Gaarne.... ik toch wel.... en ook mijn ouders, denk ik, antwoordde
+langzaam Maud, een lichte kleur krijgend.
+
+--Ik vind het dol, dól! jubelde "Auntie" met stralende oogen. Niets wat
+ik liever doe dan eens in een fijn restaurant te gaan dineeren. Waar
+zou het zijn? vroeg ze mij op den man af, mij met haar felle oogen
+aankijkend.
+
+--Delmonico? stelde ik voor. Delmonico, of Martin's, als u 't verkiest,
+of Waldorf Astoria, 't is mij eender.
+
+--Delmonico! Delmonico! Ik ben verzot op Delmonico! juichte "Auntie."
+
+Ook Maud vond dat een heel geschikte, aardige gelegenheid. Het werd
+ineens bepaald en de datum voorloopig vastgesteld. Wij lachten en
+jubelden alle drie en ik voelde mij trotsch als een prins. Mijn
+vluchtige gedruktheid was heelemaal overwonnen; ik stond ineens als
+'t ware midden in háár kring, in de "society" en de verwaande poen
+van daar straks kon mij geen zier meer schelen. Ik zag hem nog een
+oogenblik, terwijl wij opstonden om Sherry's te verlaten; ik zag hem,
+gebogen steunend met zijn beide, zwaarberingde handen op een tafeltje,
+waaraan elegante dames zaten, die met schitterenden tanden-glimlach
+en levendige oogen tot hem neigden; en 't deed mij goed dat ik hem
+eventjes moest storen om voorbij te kunnen: hij zette met zijn te dikke
+lijf de smalle ruimte af waar wij doorheen moesten; en onder het wijken
+gooide hij een halfvol kopje om, wat hem even met verbolgen blik naar
+mij deed omzien, iets dat ik mij alweer in het geheel niet diende
+aan te trekken, want het gebeurde was zijn schuld en niet de mijne.
+
+In de zachtroze lenteschemering, die 't drukke New York als met
+een uitstraling van apotheose-licht overgoot, begeleidde ik Maud
+en "Auntie" tot aan de West Shore ferry-boat; en, na nog eens de
+afspraak herhaald te hebben, zag ik de zware boot met haar naar den
+anderen oever wegvaren, terwijl de frischheid van den avond neerzeeg,
+en aan den westerhemel, die groenachtige tinten van limpiditeit had,
+een groote mooie zilveren ster reeds hing te schitteren.
+
+
+
+
+VIII
+
+
+Papa en Mama hadden, evenals Maud en "Auntie," mijn invitatie
+aangenomen; en daags vóór den gestelden datum toog ik even naar den
+restaurant Delmonico, om er met den baas, of een der chefs, het menu
+op te maken.
+
+Ik werd er ongeveer ontvangen, zooals Maud bij madame Véronique
+onthaald was geweest. 't Was in de stille uren; de garçons waren
+langzaam en zorgvuldig bezig in de ruime zaal met rood tapijt de
+tafeltjes te dekken; en een dikke meneer in rok, met glimmend-wit
+plastronhemd en zwarte das kwam statig naar mij toe, nam mij even
+vlug op met één blik, die gansch zijn oordeel over mij vast scheen
+te vestigen, en vroeg mij, met een vette stem, in 't Fransch, wat
+ik verlangde.
+
+Ik zei hem wat ik voor den volgenden dag zoo al wenschte.
+
+Zakelijk ging hij in zijn binnenzak, haalde een gedrukte spijskaart
+te voorschijn, nam een potlood en begon voor te dragen.
+
+--Cinq potages bisque? vroeg hij.
+
+Ik knikte.
+
+--Du saumon à la Chambord?
+
+Ik knikte.
+
+--Une entrée: longe de veau; entrecôte Béarnaise; selle d'agneau!
+
+Ik aarzelde, er kwam in mij een spanning.
+
+--Longe de veau? herhaalde hij, mij met een greintje van meelijdende
+geringschatting aankijkend.
+
+--Plutôt entrecôte Béarnaise, zei ik eindelijk.
+
+--Comme légume? ging hij voort, opteekenend. En, daar ik weer aarzelde,
+mij helpend:
+
+--Tomates farcies, artichauts, céleri à la moëlle.
+
+--Céleri à la moëlle, echode ik machinaal.
+
+--Comme rôti? ging het verder.
+
+Gaat hij er niet haast mee uitscheiden! dacht ik bij mezelf. 't Was
+warm daarbinnen en ik voelde mijn wangen gloeien.
+
+--Sarcelle; canard sauvage; dinde Maison? ging hij onverdroten voort.
+
+--Dinde Maison, echode ik nog eens, heelemaal onder zijn invloed en
+machinaal reageerend op zijn laatste klanken.
+
+--Et comme dessert une omelette Sibérienne et une macédoine de
+fruits? besloot hij, mij te nauwernood nog raadplegend.
+
+Ik knikte.
+
+Hij teekende op en er was een stilte. De garçons dekten rustig verder
+hun tafeltjes en daarbuiten, achter de hooge, breede ramen, stroomde
+het druk-mondaine leven van New York voorbij.
+
+--Hoeveel wordt dat dan samen? vroeg ik eindelijk, met inspanning en
+matte stem.
+
+--Eh bien, comme nous avons dit, n'est-ce pas? En hij begon nog eens op
+te sommen: Potage Bisque, Saumon à la Chambord, entrecôte Béarnaise....
+
+--Ja maar.... de prijs.... te zamen.... stamelde ik met het rood der
+schaamte op mijn wangen.
+
+--Oo.... zei hij, alsof ik iets heel bizonder geks gevraagd had;
+en een bijna onnaspeurlijke glimlach kwam even op zijn lippen.
+
+Hij zette vlug wat cijfers onder elkaar, telde samen, zette er nog
+iets bij, telde weer samen en noemde mij eindelijk een getal, waar ik,
+evenals enkele dagen te voren bij madame Véronique, in figuurlijken
+zin van omviel. Ik meende verkeerd begrepen te hebben, vroeg hem om
+nog eens 't cijfer te herhalen, viel er nog eens, in figuurlijken zin,
+van om.
+
+--'t Is goed, zei ik klankloos, terwijl de gansche ruime zaal, met
+al haar tafeltjes en stoelen, vóór mijn bedwelmde oogen scheen te
+dansen en te schemeren.
+
+Ik koos het tafeltje, of, beter gezegd, nam het tafeltje dat hij
+mij aanwees; sprak af voor den volgenden dag om acht uur; en 't
+oogenblik daarna stond ik buiten op 't trottoir, met het gevoel alsof
+een schurksche goochelaar de laatste centen uit mijn portemonnaie
+had weggemold.
+
+Ik nam een heldhaftig besluit. Ik zou dien dag alvast niets meer eten,
+mitsgaders de drie eerste weken die op het diner zouden volgen, één
+dagelijksche maaltijd derven. Zoo zou de wreede bres toch eenigszins
+gestopt worden.
+
+
+
+
+IX
+
+
+Even vóór acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico's
+ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmeren gang
+passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde
+dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden van sieraden
+en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens
+golfde van daaruit een bouffee van muziek: voluptueus-kweelende violen
+bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren,
+exotisch-opvallend in hun roode buisjes met gouden borduursels.
+
+Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht
+ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn agitatie
+had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos
+op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend en de valsche
+tanden schitterend; "Auntie" een en al pittige levens-uitstraling en
+voorwaar buitengewoon knap dien avond in haar bescheiden décolleté;
+en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in 't wit, met iets
+van groen en roze roosjes, om van te duizelen. Papa volgde, proletig
+in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen.
+
+Onze intrede verwekte eenige sensatie. Sommige gasten aan de tafeltjes
+keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken
+onder het violeren, met langoureuze oogen. Twee bedienden stonden
+eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en
+een derde bracht een tuil met rozen aan. Een maître d'hôtel kwam naar
+mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon
+Vert en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De
+"bisque" werd opgediend.
+
+De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en
+vroolijke geluiden. Er waren "beauty's" en schitterende toiletten,
+die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en
+zwollen hun tonen tot een soort wellust aan. Men voelde lust om zich
+gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee
+te neuriën of zacht-heupwiegend te dansen.
+
+Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht
+veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint, dat toch
+al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaar
+bekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een
+roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende buste
+verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer,
+als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid.
+
+Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face
+à main dan vork en mes; en "Auntie" zat van genoegen op haar stoel
+te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af
+en toe keek zij mij aan, fiks en strak, met haar felle oogen, en
+'t kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets
+dat mij opzweepte en tevens verontrustte. Zij sloeg mij blijkbaar
+gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in
+onweerstaanbare aantrekkingskracht op de ontroerend-schoone Maud
+gingen vestigen, voelde ik Auntie's oogen op mij gepriemd en zag ik
+haar glimlach, die iets raadselachtigs en bijna spottends had. Wat
+was er toch? Wat wilde ze van mij!
+
+Na de entrecôte Béarnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te
+voelen; hij strekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon
+nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen
+kende. De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach
+naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk
+een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan 't groeten, met korte,
+harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen, waarbij de
+dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als 't ware
+een soort van verbroedering waar ik, als vreemdeling, buiten gesloten
+bleef en 't maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre
+van af te gaan denken, dat het eenigszins ontactvol van hen was,
+terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de
+dames, maar Papa, die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was,
+scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei:
+
+--U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de
+hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze snor, naast die
+jonge dame in 't mauve met haar prachtige parels en briljanten! Dat
+is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is
+op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met een heel jong meisje
+zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt
+voor meer dan honderd duizend dollars waarde aan parels en juweelen.
+
+De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de
+animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet mij nog
+meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze
+"waard waren;" en Mama en "Auntie" en ook Maud waren ten diepste mee
+geïnteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen
+echte Amerikanen dat kunnen. Toen slaakte "Auntie" plotseling een
+soort verrassingskreet en zei:
+
+--O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens;
+kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren, net als
+in Saratoga!
+
+Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren
+eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende hen, groette,
+ernstig, plechtig bijna, met een volmaakt-correcte buiging. De dames
+kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding
+aan. Mij had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen.
+
+--Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is 'n aardig aantal
+miljoen dollars "waard" en gaat door als de "arbitre des élégances" in
+New York en eigenlijk ook wel in de "society" van heel Amerika. Sinds
+jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij voor zijn diner nooit iets
+anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als
+hij is op de kwaliteit van die eieren, daar hebt u gewoon geen idee
+van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een
+speciale "farm" daar ergens in de Catskill's Mountains, van boeren die
+hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij
+verblijft, steeds komen zijn eieren uit diezelfde "farm." En ook hier,
+in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op
+zijn clubs of bij families dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze
+daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo'n diner
+van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?....
+
+Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij
+voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En toen liet hij
+'t cijfer los:
+
+--Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en 'n dollar fooi aan den garçon:
+samen zes dollar voor 'n maaltijd die zoowat een zestig cent waard is!
+
+De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen
+dat Papa de zuivere waarheid sprak.
+
+Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren
+bezig was. Wat 'n sinistere vlegel! Wat 'n sombere bruut! Wat 'n
+boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde,
+vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig wanschepsel kon
+bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep
+ze toch niet wat voor een abominabele poen die kerel wezen moest! Het
+vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid
+een akelige schaduw over al mijn vreugde.
+
+Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend
+en stond op; en ik zag, ik vóélde, dat hij naar ons tafeltje toe
+kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij!
+
+Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn
+toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met een akeligen
+glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand.
+
+In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij
+groette "Auntie," hij groette Maud, hij groette Papa, en dan weer
+tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen:
+
+--Goed nieuws van Reggy?
+
+--Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden.
+
+--Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel.
+
+--Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud,
+een lichte kleur krijgend.
+
+Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met
+een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen.
+
+Even keek ik naar "Auntie" op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd
+en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot in 't diepste van
+mijn ziel drong.
+
+Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over
+haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs. Wat was er
+toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd
+had? Was dat Maud's gehuwde broer, die in Philadelphia woonde? Of....
+
+Opnieuw keek ik naar "Auntie" en 't werd kil in mij. Er was ineens
+'n soort van gêne over ons gekomen; en even heerschte er een stilte,
+die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins
+aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen, alsof het barsten ging.
+
+'t Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde
+dat het tijd werd om de boot te halen.
+
+Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den maître d'hôtel om af
+te rekenen. Hij knikte; en 't oogenblik daarna bracht hij mij, met
+innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau,
+als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis.
+
+Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde
+maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel. Maar ik
+hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den
+vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit, schoof het onder de
+rekening, op de schaal.
+
+Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar
+valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer, zéér
+hartelijk. "Auntie" deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en
+ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk, met een
+langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar
+sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde mij krachtig beide handen
+en voorspelde mij dat ik een prachtige carrière zou maken in Amerika,
+ja, dat ik er millionnair zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat
+idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was
+mij niet duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch.
+
+Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten
+tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet en de
+bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en
+keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst, en ik kreeg den
+gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit
+mijn beurs wegspeelden.
+
+Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den
+ingang. Een lange file rijtuigen stond langs 't trottoir. Papa wenkte
+er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie
+stapte in.
+
+Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de
+electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een laatste maal zag
+ik haar, háár alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont
+om den goddelijken hals en met gansch haar ziel in den glinsterenden
+afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen....
+
+
+
+
+X
+
+
+Dien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap
+te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige crisis
+in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart
+klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen.
+
+Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een
+"failure?" Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart
+van Maud, of bleef dat nog steeds 't zelfde: onzeker, raadselachtig,
+twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist het niet! Ik
+voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling
+harer prachtige oogen, welke mij van liefde deden sidderen; maar ik
+herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort gêne
+dat over haar kwam, toen die kerel, die vent, die abominabele fat,
+die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij
+goed nieuws van Reggy had.
+
+Reggy!.... Reggy!.... Wie was die Reggy?.... Was dat de oudste zoon,
+die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet
+een paar keer anders hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de
+piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in 't hart, terwijl
+ik mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag
+Papa nog naar de foto wijzen en hoorde 't hem nog zeggen! Reggy was
+dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende,
+aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie was het dan wel en hoe kwam
+het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden?
+
+Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit
+mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon het niet langer
+meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van
+ellende en ik trok een van mijn vensters wijd open, haalde diep adem en
+staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York.
+
+De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke
+lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met vele stille lichten. De
+stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend
+leven. Men voelde als 't ware de levende rust der geweldige stad. Er
+droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende
+reus even ontwaakte: de fluit van een locomotief gilde, als een
+schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt
+en schor geloei; en de roode en groene lichten aan den oever gulpten
+in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed.
+
+Wat deed ze nu, op 't zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open
+venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk, in zalige,
+onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde
+van een ander, van dien mij onbekende, van dien Reggy, waarnaar
+de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die
+vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem graag tegen het te dikke lijf
+willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen:
+Ploert! Bruut! Vraag excuus, smeek om genade, of 'k sla je den dikken
+kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had
+hem levend kunnen villen, hem verscheuren!
+
+Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken
+meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid van New
+York en ik reikhalsde naar 't donkergrijze westen, in de richting
+waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik haar zien kon. Haar
+zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen
+van mijn overspannen lichaam waren tot dat doel gericht. Om haar nu
+nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van
+mijn leven willen afstaan. Het scheen mij toe of alles weer terecht
+zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook
+maar even zag en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien
+toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos en
+slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met
+den electrischen tram die, ik wist het, ook 's nachts nog om het half
+uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of
+ik aan haar raam geen licht zou zien, of ze niet zou vóélen dat ik
+komen moest, of ze mij niet wachtte....?
+
+Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte
+ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over twee. Als ik
+mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte
+de veters in mijn laarzen zonder die aan te rijgen, nam hoed, stok
+en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna
+liep ik door de stille straten in den lenteluwen nacht.
+
+Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er
+naartoe in stormpas om toch op 't uiterst oogenblik nog niet te laat
+te komen.
+
+--Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende,
+toen hij mij buiten adem aan zag rukken.
+
+--Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig.
+
+In 't schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit.
+
+--Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte
+hij.
+
+Ik ging in een hoek de veters van mijn laarzen aanrijgen en keek naar
+de van binnen verlichte, wachtende tram.
+
+Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met
+hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten en wat
+dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en
+peinzende oogen.
+
+De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn
+scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen op; de gedachte
+drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven
+leefden en dat zij, na 't volbrengen van hun dagtaak, moesten rusten
+en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal
+te zijn en dat het abnormaal was als een tram zoo laat nog reed en
+abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun
+natuurlijk leven, uit hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook,
+ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het
+onbekende en het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na
+te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van 't gekke mijner daad,
+maar deed die toch.
+
+De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de
+donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische
+draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een
+bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den heuvel klimmen
+en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd
+en flikkerend naderde.
+
+--Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een
+donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon. Zacht
+en snel reed de electrische weg.
+
+Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte
+tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde de kalmte
+van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de
+zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui, de starende rust
+van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen.
+
+De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam
+en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit. Even verder
+stopte hij weer; en op hun beurt verlieten de slaperige arbeiders
+den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed
+de tram weer een heel eind, met alleen den donkeren man en mij op de
+banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de
+langs den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep,
+als 't ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad,
+met een geluid van zink.
+
+De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere
+die gereed stond, reed weer af.
+
+Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik
+zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij, als door de
+duisternis opgezogen.
+
+Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar
+stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter
+scheen te worden. De villa's schemerden achter de boomen en veel
+schoone sterren blonken in den stillen hemel.
+
+Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg,
+grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daar geen
+boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er
+ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht was heerlijk frisch
+en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter
+klopte en hamerde het hart.
+
+Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen
+redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk stilaan
+in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. 't Was
+mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had en nu terug mocht
+keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van
+mijn daad, midden in die grootsche stilte, midden in die heilige rust
+der gansche streek. Ik schaamde mij als 't ware; voelde den diepen
+wanklank met de rustige omgeving.
+
+Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand,
+eenzaam op den heuvel, háár villa onder de sterren. En dat leek
+alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest
+moest inspannen om te begrijpen hoe óngewoon en ónnatuurlijk ik daar
+liep. Al mijn gekke illuzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou,
+dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht
+beslist zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der
+werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk vóór
+haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een
+soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal elders, alles stil
+en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en
+dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige reden dat zij sliep, zooals
+alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen.
+
+Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik
+daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld
+is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden,
+tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie,
+in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven
+als een landlooper in 't holle van den nacht, opgezweept door de
+onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien.
+
+Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk
+en zeeg alles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide
+loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde en
+zóu weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar
+schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,.... ik zou uit al
+die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven
+voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk, of onafzienbare smart.
+
+Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en
+eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen. Wat zongen
+zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou
+ik wéten....
+
+Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige
+reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken snaren en ik
+stapte in.
+
+Aan 't oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel
+piepte en ergens in de buurt kraaide een haan.
+
+De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan.
+
+De dag,--de groote dag--was aangebroken.
+
+
+
+
+XI
+
+
+Ik schreef mijn brief in zachte spanning. Ik schreef hem, schreef
+hem over, schreef hem nog eens.
+
+Mijn ziel zong erin en klaagde; en háár verrukkelijk-schoon beeld
+stond aanhoudend vóór mijn geest en in verbeelding vóór mijn oogen. Ik
+schreide en ik glimlachte. Ik jubelde en twijfelde; ik was vol hoop,
+vol angst en vol van sterken hartstocht. Ik voelde in mij de kracht
+om werelden te veroveren.
+
+Toen de brief geschreven was en in zijn omslag dicht gezegeld, liet
+ik hem liggen en ging wandelen. Ik had te werken, maar ik werkte
+niet. Ik ging wandelen. Nooit heb ik duidelijker gevoeld, dat er
+plichten zijn welke nog sterker dringen dan het drukste werk.
+
+Ik wandelde den ganschen middag; ik luierde en slenterde door parken
+en door straten; en er was in mij een soort van weerzin en van angst
+om op mijn kamer, waar de brief te wachten lag, terug te keeren. Ik
+dacht den ganschen dag door aan dien brief, en of het zoo wel goed was,
+en of ik niets essentieels vergeten had, en of het nog niet beter,
+mooier, aangrijpender en ontroerender kon. Zou het niet goed zijn
+als ik hem nog eens openmaakte en hem overlas? Zou ik in elk geval
+niet wachten tot den volgenden ochtend, er nog eens een nacht laten
+overheen gaan, alvorens hem te verzenden?
+
+Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe
+van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen zou ik weer
+frisch zijn.
+
+Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het
+licht aan.
+
+Het eerste wat mij trof was 'n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief,
+zooals er meer kwamen; een "mondaine" brief, als ik het zoo mag
+uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw.
+
+Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las.
+
+Het schemerde even vóór mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet
+goed.
+
+Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem
+weer op, en las, en spelde, woord voor woord.
+
+Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige
+gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn wezen.
+
+Het was een brief van "Auntie."
+
+"Auntie" vroeg mij of ik haar den volgenden dag, om vier uur, in New
+York, bij Sherry's, wilde komen spreken! "Auntie" schreef mij, dat
+ze zeer verlangend was mij daar te zien, om mij iets mee te deelen,
+dat zij als een plicht beschouwde en hoopte wel, dat niets mij zou
+verhinderen om er te komen.
+
+Kort was het briefje, maar heel vriendelijk van toon; en in zijn
+kort bestek omvatte het voor mij als 't ware de beschikking over mijn
+gansche verder leven.
+
+Voor de tweede maal lei ik het briefje neer en keek mij in den spiegel
+aan. Ik zag zoo wit als 't velletje papier waarop de ontzettende
+woorden neergeschreven stonden en mijn voorhoofd was klam van
+transpiratie. Mijn beenen voelden eensklaps zóó zwak, dat ik even
+moest gaan zitten.
+
+Ik dronk een glas water en stak een sigaret op.
+
+Toen las ik nog eens, voor de derde maal..
+
+Het leed geen twijfel: "Auntie" wou mij over Maud spreken! Dat
+voelde ik zoo vast en zeker als de vier strakke muren, die mijn kamer
+omsloten; maar wàt ze mij over Maud mee te deelen had, dat was het
+raadsel, het onbekende, op welks openbaring ik bijna nog vier en
+twintig uren had te wachten.
+
+Iets onvriendelijks kon het niet zijn. Daar was geen reden voor, daar
+had ik geen aanleiding toe gegeven. De laatste blik dien Maud met mij
+gewisseld had, toen ze reeds, vóór Delmonico's, met haar ouders in
+het rijtuig zat, was er een geweest van sympathie, van uitstralende
+sympathie, ja, bijna van liefde.
+
+Van liefde....! Dat woord hield mij vast, prangde mij, als een
+klauw, om het hart. Van liefde....! Zou ze werkelijk liefde voor mij
+voelen, en zou ze "Auntie" bezigen als afgezant, om.... ja, waarom
+dan eigenlijk.... om mij te doen zeggen dat ze mij liefhad en haar
+leven aan het mijne wenschte te verbinden....?
+
+Het leek mij vreemd; het leek mij gek; en toch.... wat anders? Ik had
+haar immers nog niets gevraagd, nog niets gezegd dat haar kon doen
+vermoeden, dat ik van plan was haar ten huwelijk te vragen. Mijn brief
+was niet weg, gelukkig! gelukkig! Ik zag hem daar nog op mijn tafel
+vóór mij liggen en ik strekte er de hand naar uit met zwak-bevende
+vingers en stopte hem behoedzaam in mijn binnenzak, als vreesde ik,
+dat hij vanzelf zou kunnen wegvliegen.
+
+'t Was vreemd, 't was gek; en toch: het kón bijna niet anders:
+"Auntie" zou mij over liefde spreken, over de liefde van Maud en mij!
+
+Mijn rijke verbeelding maakte een sprong en ik zag mij vóór het feit
+gesteld, dat mij levenslang aan haar verbond. Was ik nu niet gelukkig,
+over-en-overgelukkig! Had ik nu niet bereikt waar ik al maanden lang
+naar snakte? 't Was vreemd, o, 't was zoo vreemd, maar een soort
+twijfel, een soort heimwee drong stilaan in mij. Ik dacht alweer
+aan het verleden, aan mijn familie en mijn vrienden, aan 't zachte,
+blonde, lieve Vlaanderen! Ik dacht aan de witte kerktorentjes der
+vriendelijke dorpjes, aan Meylegem-Noord en aan Meylegem-Zuid, aan de
+kalme lussen van de kronkelende Leie, waarin zich, op het groen der
+weilanden de pittoreske roze en witte hoevetjes weerspiegelden. Ik
+dacht aan Tieldeken en aan de jonkvrouw van 't kasteel; ik dacht aan
+alles wat ik daar gelaten had en hoopte weer te zien en voelde de
+diepste wortels en de geheimste vezels van mijn wezen mij nu pijnlijk
+weer daarheen trekken, zooals de wortels en de vezels trekken van een
+boom, dien men uit zijn oergrond los wil rukken. Zou ik het waarlijk
+doen en voor altijd de banden van het zoet verleden afsnijden? Hield ik
+werkelijk genoeg van haar? Was mijn leven zóó in 't hare opgegaan, dat
+ik zonder haar niet meer bestond? Was zij de zusterziel, de eenige die
+voor mij op aarde bestond en die ik wellicht vroeger in een ander leven
+had ontmoet? Ik weifelde; ik twijfelde. Ik verlangde naar haar met den
+vurigsten hartstocht, en ik aarzelde tezelfdertijd; ik vreesde haast
+om dat zoo zeer begeerde voor altijd in mijn bezit te krijgen. Ik had
+hààr gewild; en ook het andere. En ik wist wel dat zulks niet mogelijk
+was, dat er een keuze móést geschieden; en dat die keuze, hoe ze ook
+uitviel, mij of het een, of het andere zou doen betreuren. Ik leed,
+zooals men lijdt wanneer men nog geen vijf en twintig is en in zich
+de kracht gevoelt om gansch de wereld te bezitten. Ik leed zooals
+men lijdt wanneer men nog niet werkelijk geleden heeft.
+
+Het hart klopte alweer en hamerde onstuimig. En voor de tweede maal
+ging ik den nacht in vol kwellende onzekerheid en vol gejaagde woeling.
+
+
+
+
+XII
+
+
+Even vóór vier uur stond ik bij Sherry's ingang. Ik zou daar "Auntie"
+opwachten. De zenuwachtige overspanning was in mij ten top gestegen en
+ik voelde, dat ik geen seconde rustig zitten zou daarbinnen. IJsbeerend
+liep ik langs het breede trottoir heen en weer tusschen de elegante
+menigte, met scherpe aandacht de gezichten opnemend. Mijn keel hikte
+droog en spasmodisch; elk oogenblik keek ik op mijn horloge.
+
+Toen ik zoowat voor de tiende maal weer bij den ingang even stilhield
+ging achter mij de glazen draaideur rond en een bediende in wit
+buisje met vergulde knoopen kwam naar mij toe en deelde mij mede dat
+daarbinnen een dame op mij zat te wachten.
+
+Ik schrikte hevig, keerde mij om, bonsde tegen de draaideur,
+strompelde binnen. Was "Auntie" dan tóch binnen gekomen zonder dat
+ik het bemerkt had?
+
+Er waren nog maar weinig menschen en ik zag haar dadelijk,.... ik
+zag haar felle oogen, in een hoekje, heelemaal achter in de ruime,
+ietwat somberige zaal. Zij wenkte mij en ik spoedde mij naar haar
+toe. Zij zat alvast met thee en gebakjes. Ik maakte mijn diepste
+excuses, dat ik haar onwillekeurig laten wachten had.
+
+--Ik had u reeds gezien, vóór 't raam en dacht dat u zoudt binnenkomen,
+glimlachte zij. Toen ik merkte dat u heen en weer bleef loopen,
+heb ik u maar laten roepen.
+
+Zij wees mij een rieten leunstoel en verzocht mij te gaan
+zitten. Thee? vroeg ze nog; en schonk mij alvast in.
+
+Ik nam plaats, lei mijn hoed naast mij, en keek haar even aan. Er
+was iets ongewoons in het gezicht van "Auntie": iets straks, bijna
+getrokkens. Het was alsof ook zij dien nacht niet had geslapen. Alleen
+de oogen blonken, met hun gewone, onverwoestbare felheid.
+
+--Ik heb hier dit eenzaam plaatsje uitgekozen, om rustig te kunnen
+praten, begon ze. Ik heb u iets te zeggen. Ik beschouw het als mijn
+plicht u een gewichtige mededeeling te doen.... voor het misschien
+te laat zou zijn, voegde zij er na eenige aarzeling aan toe.
+
+--Ik luister, zei ik, zenuwachtig hikkend.
+
+--Wellicht moet ik u pijn doen, sprak ze met gedempte stem, en
+eensklaps heel diep-ernstige en werkelijk bedroefde oogen.
+
+--Wat is er? Wat is er toch? schrikte ik. En 't was alsof eensklaps
+al mijn schoone luchtkasteelen vóór mijn voeten in gruzelementen
+neerstortten.
+
+--O, schrik niet, voer ze voort; 't is beter nu dan later. Ik moet
+u over Maud spreken.
+
+Ik knikte, zwijgend, onbekwaam een enkel woord te uiten.
+
+--Ik vrees, zei ze.... ik vrees.... dat heb ik althans meenen op te
+merken--dat Maud u niet gansch onverschillig laat en dat u wellicht
+ernstig aan haar zoudt kunnen denken.
+
+--Kàn dat niet? Màg dat niet? ontsnapte 't mij in plotse, ontembare
+wanhoop.
+
+--Het màg wel, maar het kàn niet, antwoordde "Auntie" droevig.
+
+--Waarom? kreet ik dof.
+
+"Auntie" zuchtte, aarzelde.
+
+--Waarom! herhaalde ik dringender.
+
+--Omdat ze reeds verloofd is!!
+
+Het werd eensklaps heel stil in mij. Het werd doodstil, alsof mijn
+leven meteen ophield te bestaan. Ik staarde "Auntie" roerloos aan,
+met strakke oogen en mijn lippen gingen van elkaar, zonder een klank
+te uiten. Ik zat als dood op mijn stoel.
+
+--Drink even van uw thee, zei "Auntie" bezorgd.
+
+Ik dronk, machinaal, zonder te proeven.
+
+--Herinnert u zich, dat mister Bunk eergisteren aan ons tafeltje kwam
+vragen of wij goede berichten hadden van....
+
+--Van die Reggy? kreet ik.
+
+--Juist, van Reggy.--Reggy Clarke, die op reis is in Australië voor
+handelszaken en de volgende maand naar New York terug zal keeren, is
+de intieme vriend van mister Bunk en sinds twee jaar met Maud verloofd.
+
+"Auntie" zweeg. Zij zag een weinig bleek en haar sterke oogen hadden
+een ernstige uitdrukking. In mij gonsde en bruisde het als een
+orkaan die niet tot uitbarsting kan komen. Met een pijnlijk-scherpe
+perceptie zag en hoorde ik alles wat om mij heen gebeurde: "Auntie,"
+die zenuwachtig met haar lepel in het kopje roerde; de draaideur
+bij den ingang, die voortdurend rondtolde en aldoor menschen in en
+uitliet; de bedienden in witte buisjes met vergulde knoopen, die
+bedrijvig heen en weer liepen. En dezelfde folterende helderheid,
+die mij al die onbeduidende details zoo nauwkeurig deed opmerken,
+leefde en trilde ook, niettegenstaande alle stormen en emoties, in
+mijn diepste binnenste. Ik kon mijzelf als 't ware objectief ontleden,
+mij exterioriseeren in de gedaante van een ander, die zou voelen en
+zou lijden wat ik op dat oogenblik voelde en leed. Ik wist en hoorde
+wat die ander in mijn plaats zou moeten antwoorden om zijn figuur te
+redden: antwoorden, met zelfbeheersching, dat hij "Auntie" dankte voor
+haar vertrouwelijke mededeeling, maar dat hij nooit ernstig aan zulke
+dingen had gedacht, dat hij er nooit aan zoude hebben dùrven denken,
+dat hij alleen de warmste sympathie en de grootste bewondering voor
+Maud gevoeld had; en dat hij wel begreep, ofschoon met diepe spijt en
+droefheid, dat 't nu uit moest wezen tusschen hen.... Zoo voelde ik te
+moeten antwoorden, met waardigheid en ernst; maar ik kon niet, ik kòn
+niet!.... de smart en de teleurstelling waren te overweldigend-groot,
+mijn verwrongen gezicht verried mijn gevoelens en ik vond slechts
+een kreet, een droeven noodkreet:
+
+--Waarom heeft nooit iemand daar over gesproken? Waarom heeft, zij
+vooral, dat zoolang voor mij geheim gehouden!
+
+--Dat heb ik haar ook verweten; en zij zelve, trouwens, verwijt het
+zich ook! viel "Auntie" levendig in. O, zij lijdt er onder, weet u,
+want zij houdt van u. Den halven nacht heeft ze gehuild, na het diner
+bij Delmonico. Tot twee uur ben ik bij haar op haar kamer gebleven!
+
+--Wat zegt u daar! kreet ik.
+
+--Jawel, antwoordde "Auntie" eenigszins verwonderd. Verbaast u dat
+zoo zeer?
+
+Tranen kwamen in mijn oogen. De emotie overweldigde mij, plotseling. En
+ik bekende haar, week en zwak, hoe ik daar ook dienzelfden nacht,
+bijna op 't zelfde uur, rond hun villa gedoold had.
+
+"Auntie" was diep aangedaan. Zij drukte even mijn hand en haar harde
+oogen kwamen eensklaps vol zachtheid.
+
+--Hoe jammer, hoe vreeselijk jammer dat het niet kan, maar het kàn
+niet, zuchtte zij.
+
+Wij waren uitgesproken en een droeve stilte kwam in ons. Wat wij nu
+nog verder zouden zeggen kon niets meer wezen dan een matte naklank
+van hetgeen reeds was gezegd. Misschien, wie weet, zou er nog later
+iets te zeggen zijn. Nu was er niets meer te zeggen.
+
+Langzaam rees "Auntie" op.
+
+--Is het nu uit? Zal ik nu niemand van u allen ooit meer zien, of
+nog iets van u hooren? vroeg ik diep-neerslachtig.
+
+--Ik zal u schrijven, u op de hoogte houden als u 't wenscht, beloofde
+"Auntie" plechtig.
+
+Ik wou haar nog eenige laatste woorden toevertrouwen voor Maud;
+ik zocht naar die woorden in mijn overvol gemoed, en vond ze niet.
+
+--Adieu,.... adieu.... kon ik enkel snikken; en drukte een kus op
+haar hand.
+
+Ik zag haar door de draaideur tollen en vlug voorbij het raam
+passeeren. En gansch alleen, met al mijn zware droefheid, stond ik in
+'t groote New York.
+
+
+
+Nooit meer heb ik iets van hen gehoord. Is Maud getrouwd? Heeft
+"Auntie" ooit geschreven en raakte soms haar brief verloren? Ik weet
+het niet. Nog lang heb ik wachtend gehoopt, maar stilaan is dat alles
+weggetaand, zooals alles eens wegtaant: vreugde, droefheid, smart....
+
+'t Was als een droom geweest; en droomen zijn slechts droomen....
+
+Nu denk ik er somtijds nog aan, maar zonder bitterheid en zonder leed.
+
+Het is toch mooi geweest; het waren schoone dagen.... En het was
+jong en frisch, naïef en onbezonnen! 't Was een illuzie, een roman:
+de roman van een Schaatsenrijder!
+
+Nu is er slechts tragedie op de wereld....
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER ***
+
+***** This file should be named 25515-8.txt or 25515-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/5/5/1/25515/
+
+Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman
+and the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/25515-8.zip b/25515-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..5f9219e
--- /dev/null
+++ b/25515-8.zip
Binary files differ
diff --git a/25515-h.zip b/25515-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..36e0832
--- /dev/null
+++ b/25515-h.zip
Binary files differ
diff --git a/25515-h/25515-h.htm b/25515-h/25515-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..6d1915c
--- /dev/null
+++ b/25515-h/25515-h.htm
@@ -0,0 +1,5345 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>De Roman van den Schaatsenrijder</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Cyriel Buysse">
+<meta name="DC.Creator" content="Cyriel Buysse">
+<meta name="DC.Title" content="De Roman van den Schaatsenrijder">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+/* Standard CSS stylesheet */
+
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+
+h1.docTitle
+{
+font-size:1.6em;
+line-height:2em;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size:1.1em;
+font-weight:normal;
+line-height:1.44em;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:normal;
+}
+
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+
+h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left:10%;
+margin-right:10%;
+
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin:0 10% 1.58em;
+}
+
+p.line
+{
+margin:0 10%;
+}
+
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+
+
+div.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+
+.epigraph .bibl
+{
+text-align: right;
+}
+
+.epigraph .poem
+{
+margin-left: 0;
+}
+
+.epigraph .line
+{
+margin-left: 0;
+text-indent: 0;
+}
+
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+
+.leftnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+
+
+.red
+{
+color: red;
+}
+
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+
+div.footnotes
+{
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align:left;
+width:2em;
+}
+
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+
+.poem
+{
+margin-left:5%;
+position:relative;
+text-align:left;
+width:90%;
+}
+
+.poem h4
+{
+font-weight:normal;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left:-2.5em;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+
+.footnotes .line
+{
+font-size:80%;
+margin:0 5%;
+}
+
+.poem .i0
+{
+display:block;
+margin-left:2em;
+}
+
+.poem .i1
+{
+display:block;
+margin-left:3em;
+}
+
+.poem .i2
+{
+display:block;
+margin-left:4em;
+}
+
+.poem .i3
+{
+display:block;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .i4
+{
+display:block;
+margin-left:6em;
+}
+
+.poem .i5
+{
+display:block;
+margin-left:7em;
+}
+
+.poem .i6
+{
+display:block;
+margin-left:8em;
+}
+
+.poem .i7
+{
+display:block;
+margin-left:9em;
+}
+
+.poem .i8
+{
+display:block;
+margin-left:10em;
+}
+
+.poem .i9
+{
+display:block;
+margin-left:11em;
+}
+
+span.corr
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing:0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant:small-caps;
+}
+
+
+.caps
+{
+text-transform:uppercase;
+}
+
+.fraktur
+{
+font-family: 'Walbaum-Fraktur';
+}
+
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+
+h1,h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+
+h1.label,h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h5,h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+
+p,p.initial
+{
+text-indent:0;
+}
+
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+
+p.dropcap:first-letter
+{
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0em 0.05em 0 0;
+padding: 0px;
+line-height: 0.8em;
+font-size: 420%;
+vertical-align:super;
+}
+
+.poem
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+
+
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+
+
+
+
+
+/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+" */
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+p.byline
+{
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+p.dropcap:first-letter
+{
+color: #001FA4;
+font-weight: bold;
+}
+
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De roman van den schaatsenrijder
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: May 18, 2008 [EBook #25515]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER ***
+
+
+
+
+Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman
+and the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="front"><div class="div1">
+<p class="aligncenter">De Roman van den Schaatsenrijder
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<h2 class="byline">Nieuwe Romans
+<br>
+<span class="docAuthor">Cyriel Buysse</span></h2>
+<h1 class="docTitle">De Roman van den Schaatsenrijder</h1>
+<h2 class="docImprint">Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur te Amsterdam&#8212;1918</h2>
+</div><span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span></div>
+<div class="body">
+<div class="div0">
+<h2 class="normal">De Roman van den Schaatsenrijder</h2>
+<h2 class="label">Eerste Deel</h2>
+<div class="div1">
+<h2 class="label">I</h2>
+<h2 class="normal">Het kleine plekje bij den Lusthof</h2>
+<p>Ik wil u een en ander vertellen uit het leven van een schaatsenrijder.
+
+</p>
+<p>Die schaatsenrijder ben ik.
+
+</p>
+<p>Ik heb z&oacute;&oacute;veel, in verschillende landen, op schaatsen gereden, dat het schaatsenrijden in mijn leven een stuk leven op zichzelf
+geworden is.
+
+</p>
+<p>Ik herinner mij nog die jonge, sterke jaren mijner jeugd, met die lange, saaie winters buiten, waar het ijs dan eensklaps,
+als onder de macht eener tooverroede, kleur en fleur en beweging in bracht.
+
+</p>
+<p>Het was er ineens, na eindelooze dagen van grijze eentonigheid; ineens, op een frisschen, <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span>prikkelenden morgen: velden en boomen wit-berijpt, de harde grond klinkend onder de voetstappen, de neusgaten der paarden
+dampend en de zon die nevelig-oranje aan den blauw-wazigen einder oprees met korte, gouden stralen, die alom miljoenen en
+miljoenen diamanten deden fonkelen.
+
+</p>
+<p>Even buiten &#8217;t dorp, op korten afstand van ons huis, lag de Lusthof. Die Lusthof heette te zijn het zomerverblijf van den
+dorpsnotaris. &#8217;n Zonderlinge fantaisie! Een villa-achtig gebouwtje in roode steen met ch&acirc;let-dak, zoo iets als men ziet afgebeeld
+op goedkoope chromos en prent-briefkaarten. Het lag aan den voorkant langs den trekweg van &#8217;t kanaal en aan de achterzijde
+grensde het aan een stuk weiland, dat gedeeltelijk tot lusttuintje was ingericht. Er stonden banken, er waren pri&euml;eltjes,
+er lag een vijvertje met roode vischjes en een fonteintje, dat tusschen rotsblokken van sintels opspoot; en op een grasveldje
+prijkte een groote, glazen bol, waarin de gansche omgeving zich wanstaltig en gedrochtelijk weerkaatste.
+
+</p>
+<p>De dorpsnotaris, die in het dorp zelf, op <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7">7</a>]</span>nog geen tien minuten afstands, een prachtig oud huis, met een heerlijken, uitgestrekten tuin bewoonde, kwam &#8217;s zomers, op
+den Lusthof, af en toe enkele uren doorbrengen. Een onzinnig idee, een dorpsprotserige aberratie, om te kunnen zeggen, dat
+hij een &#8220;binnen&#8221; en een &#8220;buiten&#8221; had. Hij deed er niets; er was ook niets te doen; hij liep een paar keer rondom zijn onnoozel
+tuintje, keek naar de schaarsche bloemen en deed even het fonteintje spuiten; en ten slotte ging hij zitten op een bank tegen
+den achtergevel van het huis, waar hij dan nurksch bleef v&oacute;&oacute;r zich uit staren, tot hij er eindelijk genoeg van had en met
+trage, stramme schreden door de velden naar het dorp terugkeerde. De villa zelve, voor zoover ik weet, is nooit ook maar &eacute;&eacute;n
+enkelen dag bewoond geweest.
+
+</p>
+<p>Wat voor mij en een paar andere jongens van mijn leeftijd de aantrekkelijkheid van den Lusthof uitmaakte, was het kleine stukje
+weiland dat achter het tuintje lag en geregeld &#8217;s winters onder water liep. Dat kwam zoo omdat de gekke notaris de eene helft
+van het stuk weiland, dat hij in lusttuin had herschapen, <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span>eenigszins had laten ophoogen en daardoor al het water naar het laag-liggend gedeelte had gedreven. Het vormde daar een soort
+plasje van niet meer dan een paar honderd vierkante meters oppervlakte en z&oacute;&oacute; ondiep, dat het dadelijk bevroor en zonder eenig
+gevaar kon bereden worden, terwijl er op de grootere wateren nog in de verste verte maar geen sprake was van schaatsenrijden.
+
+
+</p>
+<p>Daar, op dat plekje, heb ik als jonge jongen mijn eerste schaatsenschreden gewaagd. O, dat <i>eerste</i> komen op het maagdelijk ijs, het donker ijs, donker als water, met het gras dat er nog groen doorheen schijnt, als door een
+schoonen, breeden spiegel! Zal het reeds dragen, na die slechts een of twee nachten vorst, of zal het kraken en breken, met
+modderig-opspattend water, over den mooien, gladden spiegel? Een voet gewaagd en eens gedrukt. Het kraakt, er komen sterren
+in, maar het schijnt toch te kunnen dragen. Jawel, het draagt, het draagt; het kraakt al minder een eind verder; ik schuif
+er glijdend overheen; ik voel mijn hart popelen en mijn oogen stralen; ik keer terug <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9">9</a>]</span>naar den kant en bind met hijgende haast mijn schaatsen aan. Ik ben alweer de eerste, de &eacute;&eacute;rste; ik geef het mooie voorbeeld,
+dat straks met uitgelaten vreugde door de verraste schooljongens nagevolgd zal worden. Ik sta op mijn schaatsen op het maagdelijk
+donker ijs, ik rijd er overheen, ik voel mij zweven als een vogel, een dolle blijheid zweept mij op, er bestaat niets meer
+voor mij op de wereld behalve het verrukkelijk genot van &#8217;t schaatsenrijden!
+
+</p>
+<p>De zachte zon rijst hooger aan den einder en glinstert over de wonderschoone tooverwereld van zilveren rijp en fonkelende
+diamanten. Daar ligt het dorpje stil te baden in die heerlijkheid, met de cijfers en de wijzers van de uurplaat op den kerktoren
+die tintelen als goud; daar staat de oude, houten molen droomerig op zijn berm, als een sterke, kalme reus, die met gekruiste
+armen in starende bespiegeling van al zijn vroegere vermoeienis schijnt uit te rusten; daar komen in de verte reeds de schooljongens,
+die nog niets vermoeden, die mij nog niet zien en als een troepje uitgelaten vogels klepperen en snateren, de kragen opgetrokken,
+de schouders <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span>huiverend, de verkleumde handjes in hun dikke, wollen wanten. Maar eensklaps hebben zij mij ontdekt en zij komen gevlogen;
+en in een oogwenk is het ijsveldje vol van hun drukte; en zij rennen, glijden, struikelen, buitelen en vallen, terwijl het
+alom luid opdreunt van hun dolle, wilde, uitbundige pret.
+
+</p>
+<p>Maar.... daar komt meteen over het veld een strenge, stramme, donkere gestalte aan: meneer de dorpsnotaris, bezitter van den
+Lusthof en van &#8217;t verdronken stukje weiland, dat er bij behoort!
+
+</p>
+<p>De pret verstomt, de jongens dringen stil en schuchter op een hoekje bij elkaar. Ik voel een groote, gr&oacute;&oacute;te droefheid als
+&#8217;t ware verstijvend over mij neerkomen en rijd nog slechts met lustelooze slagen door. Wat zal hij zeggen! Zal hij onze vreugd
+verstoren, ons met ruw gebaar, tyranisch van het heerlijk ijsveldje wegjagen! Daar is hij. Met stramme beenen komt hij uit
+den hollen landweg, schrijdt dwars over het weiland, langs den rand van het ijs heen, blijft daar even onbewegelijk staan
+kijken.
+
+</p>
+<p>Hij zegt niets, maakt geen gebaar, schreeuwt <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span>geen bedreiging uit. Ik rijd maar door, en doe mijn uiterste best om kalm en mooi te rijden. Wie weet: misschien interesseert
+het hem, misschien kan d&agrave;t hem nog vermurwen! Dat duurt zoo enkele minuten, in knellende onzekerheid. Steeds roerloos staan
+de jongens op een hoopje, als versteend door mijn durf, zonder zelven nog iets te durven. Dan gaat hij eindelijk langzaam
+heen. Wij verademen, ver&aacute;demen! Maar nog even staat hij en dadelijk weer prangt de griezeling. Zal hij nu toch.... op &#8217;t laatste
+oogenblik.... toen alles reeds gered scheen....? Neen; wat hem daar nog even geboeid houdt is een molshoopje, niets anders
+dan een versch molshoopje in &#8217;t korte gras. Hij trapt het open met den voet, en goddank is hij eindelijk weg, weg op zijn
+schrale, stijve beenen, door zijn hekje, in zijn onnoozel tuintje, waar het spuitfonteintje nu gestold is, maar waar de gedrochtelijke
+glazen bal potsierlijk glinstert in de heerlijk-stralende winterochtendzon.
+
+</p>
+<p>Als een troep jubelende musschen vliegt de knapenbende dadelijk weer joelend over &#8217;t ijs. Zij rennen en glijden en zwieren
+daar <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span>nog een poosje rond en dan spoeden zij zich huiswaarts, om algauw wat te gaan eten en daarna terug te komen, met ijssleedjes
+en schaatsen, voor den ganschen, langen namiddag, want zij hebben vrij dien middag, niet omdat er ijs ligt, maar omdat het
+een donderdag is.
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label">II</h2>
+<h2 class="normal">De &#8220;wal&#8221; van &#8217;t Armenhuis</h2>
+<p>Het kleine ijsveldje achter den Lusthof voldeed ons echter slechts zoolang en in zooverre er geen betere gelegenheid te vinden
+was. Het was al spoedig &#8220;doodgereden&#8221; en als het door bleef vriezen wendden onze gretige jongensoogen zich gauw genoeg naar
+een andere richting.
+
+</p>
+<p>Op korten afstand van het dorp lag het Armenhuis, omgeven door een prachtigen &#8220;wal.&#8221; Daar was het heerlijk te rijden, maar
+het ijs moest eerst goed sterk zijn, want de wal was diep en had menige gevaarlijke plaats. Elken dag, v&oacute;&oacute;r of na ons sjouwen
+bij den Lusthof, gingen wij er eens naar kijken en het ijs probeeren, tot het eindelijk <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13">13</a>]</span>als een jubel- en triomfkreet weerklonk:
+
+</p>
+<p>&#8212;De wal van &#8217;t Oarmhuis ligt stirk!
+
+</p>
+<p>Van dat oogenblik af, was het peuterveldje achter den Lusthof definitief verlaten.
+
+</p>
+<p>Wij kwamen met onze schaatsen bij den vijver van het Armenhuis en &#8217;t was een heele durf om er den eersten voet op te zetten.
+Ik herinner mij meer dan eens daarheen gegaan te zijn en ook teruggekomen, zonder mijn schaatsen te durven aantrekken. En
+ik herinner mij ook hoe Guus Boevers, de waaghalzige zoon der groote boerderij, welke daar aan den oever lag, ons eens minachtend
+om onzen angst bespotte en zelf, in dolle vermetelheid, de eerste schreden op den dichtgevroren vijver deed. Hij was groot,
+zwaar, lomp en dik en ik zie hem nog met geweld op zijn breede klompen over &#8217;t ijs loopen, dat zienderoogen onder zijn gewicht
+inzakte en akelig kraakte, alsof het ieder oogenblik zou barsten. Maar het barstte niet en de waaghals kwam behouden terug
+aan den oever en lachte ons uit en vroeg ons of we soms een varkensblaas om onzen hals wilden binden, zoodat we niet zouden
+verdrinken als we doorzakten. Toen schaamden <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14">14</a>]</span>wij ons diep en bonden onze schaatsen aan.
+
+</p>
+<p>Dat rijden op den vijver van het Armenhuis was een emotievol en rijk-afwisselend genot. Het had iets griezeligs en tevens
+iets gezelligs, dat andere ijsbanen niet hadden. &#8217;t Was eerst een lange, rechte, tamelijk breede sloot, dan een bruuske, korte,
+smalle bocht tusschen rechts en links overhangende struiken, dan de eigenlijke vijverkom, breed en mooi, met een begroeid
+eilandje en een eendenhuisje in het midden, dan weer een bocht, en een vernauwing en eindelijk een tweede rechte lijn met
+een gewelfde steenen brug er over, die zich, na een laatste, breede bocht, bij de eerste rechte lijn aansloot. Zoo vormde
+het gansche erf van &#8217;t Armenhuis een tamelijk groot eiland, waarop allerlei gebouwen stonden: de lange, geelgekalkte, twee-verdiepingen-hooge
+vertrekken der oude-mannetjes en oude-vrouwtjes, het hospitaal, de keukens, de kerk, de boerderij. Er was daar altijd leven
+en beweging. Hier zag men de oudjes met moeite kuieren, gebogen steunend op hun stokjes, of roerloos zittende in een lange
+rij op een bank in de zon langs een muur, de stokjes, waarop hunne handen <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span>leunden, dan gekneld tusschen hun knie&euml;n; daar waren &#8217;t de weeskinderen, die kakelend onder elkander op een pleintje speelden
+of hun les op zegden; nog verder was het de bedrijvigheid der boerderij, het op-en-afrijden van karren en wagens, &#8217;t gekadanseerd
+geluid van dorschvlegels in de schuur, &#8217;t eentonig zoemen van een wannemolen. De nonnetjes die het gesticht beheerden liepen
+geruischloos heen en weer: stille, zwarte verschijningen met witte borstdoeken en witte kapjes, frissche gezichten en zacht-glimlachende
+oogen, op eens gansch onverwacht ergens opduikend om een hoekje, opeens gansch onverwacht ergens verdwijnend in een deurtje,
+als vlijtige, nijvere bijtjes, die wel overal tegelijk zouden moeten zijn en zich maar nooit een oogenblikje ontspanning of
+rust mogen gunnen.
+
+</p>
+<p>Dat alles reden wij voortdurend langs en wij zagen dat alles. En de gansche vijver had voor ons een soort van eigen en van
+eigenaardig leven, dat medeleefde in afwisseling en stemming, met wat langs zijn oevers al gebeurde of met wat er was te zien.
+Het eerste rechte eind, waar dikwijls langs den muur de oudjes zaten, was als iets strams en <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>stijfs en wel vervelend in zijn onbewogen eentonigheid. &#8217;t Had iets inspannends om daar langs te rijden, alsof de gang verloomde
+en geremd werd over het weerbarstig-schrapend ijs. Maar bij het witte kerkje met zijn puntig klokketorentje werd het dadelijk
+veel lichter. Het was of daar iets zachts stond te glimlachen en te troosten; en haast altijd was daar ergens om en bij de
+silhouet van &#8217;t een of &#8217;t ander nonnetje, komend uit het kerkje, gaande naar het kerkje, even naar ons opkijkend met ingetogen
+blik en dadelijk weer de oogen van ons afwendend, zonder dat men eigenlijk beseffen kon of het raadselachtig, stille wezen
+ons vermaak wel goed dan afkeurde. Even voorbij het kerkje waren de keukengebouwen en daarnaast het hospitaal. En wat wij
+ook al deden, een onoverwinnelijk gevoel van displezier maakte zich daar van ons meester. Het ijs lag er steeds onbetrouwbaar
+en had er een vuilgele kleur; en juist in de bocht, de benauwde, smalle bocht waar takken van heesters overheen hingen en
+waar het hospitaal stond, loosde een vieze goot haast aanhoudend een grijs straaltje lauwachtig water, <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>dat daar het ijs totaal bedierf en ons noodzaakte langs den smallen overkant bijna tot in het oevergras te rijden. Wij griezelden
+van dat plekje. Het vergalde ons telkens, bij elken omrit, voor een poosje &#8217;t genot van den tocht; en wij waren er allen vast
+van overtuigd, dat dat akelig, grijs-lauw water zooiets was als het wee&euml; aftreksel van al de ziekten en de kwalen, waaraan
+die afgeleefde oude mannetjes en vrouwtjes al sinds jaren laboreerden. Gek idee en dat zich toch zoo onuitroeibaar-sterk in
+ons frisch en gezond kwajongens-gemoed vastankerde! Nu nog, na al die jaren, zie ik duidelijk dat akelig-vies waterstraaltje
+loopen en word ik er nog wee van als ik er aan denk.
+
+</p>
+<p>Doch wij kwamen spoedig op den grooten, ronden vijver met het kleine eilandje en daar was alles wel loutere vreugd en genot.
+Men kon er ruim in lange, breede slagen zwieren, het ijs was er gezond en sterk en zuiver en de omgeving liefelijk en riant.
+Daar lag, aan den rechteroever, midden in haar schoonen, naar den vijver afglooienden boomgaard, de groote boerderij van Boevers,
+met roze gebouwen en groen-en-witte geverfde <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18">18</a>]</span>deuren en luikjes; daar liep een kronkelende landweg, beplant met hooge, forsche eiken en alom den vijver groeiden heesters,
+waarin haast altijd fladderende benden sijsjes hingen, lieve geel-en-bruine vogeltjes die zich te goed deden aan de verdorde
+katjes van de elzestruiken en af en toe met fijne piepstemmetjes jubel-kwetterden, heel fijn, heel zacht en ingetogen, maar
+met verrukkelijke zilverklankjes, die schenen te getuigen van al &#8217;t mooie dat ze zingen konden, als ze dat maar wilden.
+
+</p>
+<p>Daar hielden wij ons altijd gaarne heel lang op. Het kostte moeite om er weg te komen. Er was voortdurende afwisseling en
+men ademde er ruim en vrij. Een van de groote attracties was er het leven op de boerderij van Boevers. Er was daar altijd
+iets te doen, iets te zien of te hooren en niet zelden kwam de dikke Guus Boevers aan den rand van &#8217;t ijs staan en bemoeide
+zich met onze bedrijvigheid. Ik kan niet zeggen, dat wij zeer veel van hem hielden. Hij was ons wel wat te spotzuchtig aangelegd
+en wij voelden steeds een beetje angst voor hem. Maar het was een levendig-opgewekte <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span>kerel, een durver vol verrassingen en dat boezemde ons wel belangstelling en ontzag voor hem in. Hij kon daar zoo meedoogenloos
+met ons staan spotten, bewerend dat wij knoeiers waren, dat wij niets van &#8217;t schaatsenrijden kenden en hij ging weddenschappen
+met ons aan, dat hij, zonder schaatsen, op zijn klompen, vlugger den vijver om zou toeren dan wij op onze ijzers. En waarachtig,
+hij deed het; hij kwam met zijn vuile klompen op het ijs, tot onze groote ontstemming en ergernis het ijs bemorsend; en daar
+begon de wedren; hij met dreunende reuzenschreden loopend, wij naast hem aanrijdend, met zwoegende armen en beenen; en z&oacute;&oacute;
+reuzesterk en taai was hij, dat hij ons niet zelden overwon. Toen juichte hij minachtend en schold ons uit voor luiaards en
+dreigde ons zijn grooten waakhond achterna te zenden, om ons op te porren.
+
+</p>
+<p>Aan dat beest hadden wij allen een geweldigen hekel en Boevers wist dat wel. Het was een groot, sterk dier met gele huid en
+donkere snoet, die meestal, half in half uit zijn hok gelegen, ons roerloos, met bloeddoorloopen oogen lag te beloeren, maar
+die <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span>als razend op ons afgestoven kwam zoodra Guus Boevers hem maar even losliet. Zijn bovenlip stond opgekruld, zijn wreede, witte
+tanden snauwden, zijn grof geblaf klonk hol als uit een ton en hij raasde springend langs den oever met ons mede, getergd
+en verwoed door &#8217;t gekras onzer schaatsen, alsof hij ons elk oogenblik zou gaan verscheuren. Hij durfde zich echter op den
+vijver niet wagen; telkens probeerde hij met &eacute;&eacute;n poot, dien hij dadelijk, bij de eerste kille aanvoeling, weer introk, of
+hij lepperde even met zijn zenuwachtige, roze tong over &#8217;t ijs, alsof hij die geheele breede vlakte hoopte in te slikken om
+bij ons te komen; doch daar bleef het bij, hij durfde niet en wij hadden innerlijke pret in onzen haat en afkeer voor het
+beest, omdat hij machteloos was. Maar eens op een ochtend tilde Guus Boevers, die graag zijn hond tegen ons ophitste, het
+monster in zijn beide sterke armen op en kwam er zoo mee op den vijver.
+
+</p>
+<p>Gillend vluchtten wij langs alle kanten weg, als een bende verschrikte musschen. Boevers, proestlachend, zette zijn hond midden
+op de ijsvlakte neer en schreeuwde:
+<span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span></p>
+<p>&#8212;Ala, Baron, pak ze!
+
+</p>
+<p>Het was een doodsbenauwend oogenblik. Wij zaten allen op het kleine eenden-eilandje gevlucht en van daaruit keken wij met
+kloppend hart. Maar onze angst veranderde al spoedig in wild-uitbundig hoon- en spotgelach. Nooit heb ik koddiger en belachelijker
+tafereel aanschouwd. De groote hond, doorgaans een en al bloeddorstige verscheuringswoede, stond daar als een stramme, gedrochtelijke
+pop op &#8217;t gladde ijs en wat hij ook al deed en hoe of hij zich ook inspande, geen stap kwam hij verder. Hij gleed voortdurend
+uit en struikelde, zijn dikke, grove pooten schoten van onder hem weg, hij viel op zijn achterste, krabbelde met moeite weer
+overeind, gleed nogmaals en viel opnieuw, als een onnoozel sukkelkind, dat zijn allereerste schreden waagt. Hij jankte en
+piepte van ellende, hij hijgde amechtig en lepperde weer af en toe met zijn lange, roze tong over het ijs, alsof hij het wou
+opslikken, en zijn wreede oogen loerden gretig naar den veiligen oever, het eenige doel waar al zijn krachten naar streefden
+en dat hij machteloos poogde te bereiken.
+<span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22">22</a>]</span></p>
+<p>Wij gilden en sjouwden als wilden op ons eilandje. Wij kwamen er al spoedig vandaan en omringden zwermend onzen stumperigen
+vijand en zijn meester. Guus Boevers glimlachte zuur. &#8220;Ala, loeder!&#8221; schold hij op zijn hond en trapte hem vrij onzacht met
+zijn klompen vooruit, waarbij de hond telkens weer jankte en struikelde. Eindelijk was hij aan den kant en liep zich druipstaartend
+in zijn hok verschuilen.
+
+</p>
+<p>Een luid hoezeegejouw steeg uit de jongensbende op.
+
+</p>
+<p>&#8212;Wacht &#8217;n beetsen; &#8217;k zal ulder goan h&ecirc;n! dreigde Guus, weer op ons afkomend.
+
+</p>
+<p>Wij waren banger voor Guus dan voor zijn hond op het ijs en haastig zwierden wij maar eens in volle vaart den vijver rond.
+
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Wat lijkt dat alles nu lang en ver verleden en toch staat het zoo levendig nog in het geheugen! Ik herinner mij nog enkele
+van die jongens en heb ook hun namen onthouden. Er was een Peetse Kins, een Bruuntje Geelewie, en er waren drie broeders:
+Dolfken, Mielken en Fontje Vervaet. En een drietal jaren geleden, <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span>juist &eacute;&eacute;n jaar v&oacute;&oacute;r den oorlog, die zoo schandelijk ons mooie land verwoest heeft, was ik toevallig &#8217;s winters weer op &#8217;t
+dorp en uit oude herinnering ging ik eens wandelen tot aan den &#8220;wal van &#8217;t Oarmhuis&#8221; waarop, naar men mij vertelde, schaats
+gereden werd.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was er nog net precies zooals meer dan dertig jaar geleden, in mijn jongen tijd. Nog steeds kuierden er de oude mannetjes
+en vrouwtjes op stokjes en krukjes of zaten er peinzend uit te rusten in de zon; nog steeds joelden er spelende kinderen op
+het pleintje v&oacute;&oacute;r de kerk; en ook de nonnetjes liepen er nog stil en ingetogen heen en weer; en ook het vieze, grijslauw waterstraaltje
+stroelde nog, het ijs bedervend, in de smalle bocht; en over den vijver reden jolig op en af de jongens, zooals wij zooveel
+jaren vroeger zelf hadden gedaan. De groote boerderij van Boevers stond daar nog altijd met dezelfde roze muren en dezelfde
+wit-en-groen geverfde deuren en luikjes; en in het hondenhok lag er een waakhond; en in de heesters om den vijver hingen fladderende
+benden sijsjes, die van de droge katjes uit het elzenhout genoten en af en toe heel zacht en liefelijk <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span>kweelden, met zilverstemmetjes in ondertoon gehouden.
+
+</p>
+<p>Ik keek en hoorde dat alles aan met stillen weemoed en emotie. Het was iets van mijn eigen, lang vervlogen, jonge jeugd, dat
+zich daar afspeelde. Hoevelen zouden er nog wel in leven zijn van dezen die daar met mij rondzwierden, en waar zouden zij
+wel zijn, en hoe zou het hun verder in het leven zijn gegaan? Maar eensklaps bleef ik roerloos staan en sperden zich mijn
+oogen open van verbazing. Wat?.... Wat zag ik daar? Was dat niet precies een van mijn vroegere kameraadjes; leek dat niet
+precies op Peetse Kins,.... w&agrave;s dat niet Peetse Kins in eigen persoon, die slungelachtige, zestienjarige knaap, die daar met
+de anderen ronddraaide! Het was immers niet mogelijk; het was gezichts- en zinsbedrog; en toch: hij leek z&oacute;&oacute; sprekend, dat
+ik naar hem toe ging en op den man af vroeg:
+
+</p>
+<p>&#8212;Hoe hiet-e gij, manneken?
+
+</p>
+<p>Vreemd keek hij mij aan en een lichte kleur kwam over zijn geelachtige wangen. Zijn blauwe oogen schuchterden even en keken
+naar den grond, net Peetse Kins <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span>wanneer hij <span class="corr" id="xd0e233" title="Bron: geneneerd">gegeneerd</span> was. Hij glimlachte bedeesd en aarzelde met zijn antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8212;Hoe hiet-e gij? drong ik nog eens, vriendelijk-bemoedigend aan.
+
+</p>
+<p>&#8212;Beziel Kins!
+
+</p>
+<p>&#8212;Zij-je gij misschien de zeune van Peetse Kins?
+
+</p>
+<p>&#8212;Joaj ik, meniere.
+
+</p>
+<p>Een stilte. Star keek ik hem aan. Een wereld van herinneringen golfde door mijn gemoed.
+
+</p>
+<p>&#8212;En ou voader? Leeft hij nog? vroeg ik eindelijk.
+
+</p>
+<p>Een weeke glimlach zweefde over &#8217;s jongetjes gelaat.
+
+</p>
+<p>&#8212;O, nien hij, meniere, hij es al zeu laa&euml; deud!
+
+</p>
+<p>Ach! wat trof mij dat pijnlijk! En wat was het vreemd, dat het mij zoo pijnlijk trof! In al die lange jaren had ik zelfs niet
+eens meer aan Peetse gedacht. Ik was hem totaal vergeten, ik had hem trouwens nooit anders dan even op het ijs gekend en nu
+boezemde mij zijn levenslot eensklaps een zoo diepe belangstelling in.
+
+</p>
+<p>&#8212;Wa was ou voader? vroeg ik zacht.
+<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span></p>
+<p>&#8212;Wa blieft er ou, meniere? zei het knaapje, die mijn vraag niet scheen te vatten.
+
+</p>
+<p>&#8212;Wa dat hij was? Wa dat hij dee veur zijn bestoan? lichtte ik toe.
+
+</p>
+<p>&#8212;Boereknecht, meniere. Hij es gestorven te gevolge van &#8217;n verhitheid, in den oesttijd.
+
+</p>
+<p>Om ons heen hadden zich van lieverlede de andere bengels in een troepje geschaard, benieuwd om te weten wat die vreemde meneer
+aan hun makkertje wel te vertellen had. En over het ijs kwam ook met trage, stramme schreden een der oud-mannetjes uit het
+Armenhuis naar ons toe: een klein, bleek ventje met grijze oogen, die mij oolijk aankeken, terwijl hij stil glimlachte in
+zijn vollen, grijzen baard. Hij spuwde van zich af een straaltje bruin tabakssap, veegde zijn mond, glimlachte inniger en
+zei:
+
+</p>
+<p>&#8212;Da es toch precies zijn voader, e-woar, meniere?
+
+</p>
+<p>&#8212;Precies, antwoordde ik met overtuiging, zonder verder veel aandacht aan het oudje te wijden. Maar hij zelf kwam zich opdringen,
+duwde zijn verschrompeld gezicht onder mijn neus, keek mij strak aan, met zijn lachende grijze oogen en ging voort:
+<span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span></p>
+<p>&#8212;Weet ge &#8217;t nog, meniere, den tijd da w&#8217;hier al te goar op de wal reejen en da Guus Boevers mee zijne greuten hond achter
+ons kwam?
+
+</p>
+<p>Verbaasd keek ik het oudje aan. Hoe wist die? Hoe kon hij weten wat er destijds.... Ik keek hem aan met scherper aandacht
+en eensklaps kwam het mij voor alsof ik ook d&agrave;t gezicht reeds vroeger ergens had gezien. Doch waar, in welke verre oorden,
+in welke lang vervlogen tijden? Hij glimlachte, hij bleef maar aldoor glimlachen, zijn oolijke grijze oogen strak op mij gevestigd;
+en eindelijk zei hij:
+
+</p>
+<p>&#8212;Meniere, &#8217;k geleuve da ge mij nie&#8217;n herkent.
+
+</p>
+<p>&#8212;Nien ik, &#8217;k &#8217;n herken ou niet, antwoordde ik met volle oprechtheid.
+
+</p>
+<p>&#8212;Bruuntje Geelewie, herinnert-e gij ou Bruuntje Geelewie nie meer? glimlachte hij.
+
+</p>
+<p>Bruuntje Geelewie! Ineens ging mij een helder licht op! En meteen herleefde ik vol innige emotie, weer in het ver verleden.
+Bruuntje Geelewie! Mijn tijdgenoot, mijn ijsmakker van vroeger, evenals Peetse Kins, evenals Dolfken, Mielken en Fontje Vervaet,
+<span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span>en zooveel anderen! Was d&agrave;t Bruuntje Geelewie, dat sukkelventje uit &#8217;t oud-mannenhuis, dat stakkerdje, dat menschenwrak! Een
+grenzelooze weemoed greep mij aan en &#8217;t was alsof ik mijzelf daar zag staan, oud, versleten, gebroken, een ru&iuml;ne.
+
+</p>
+<p>&#8212;O, Bruuntje, zij-de gij Bruuntje! riep ik, haast niet kunnende gelooven.
+
+</p>
+<p>&#8212;Zeker, meniere, zeker, herhaalde het ventje, nog meer verbaasd over mijn ontdaanheid dan ik over zijn bedroevende aftakeling.
+En in korte, stil-geresigneerde woorden, vertelde hij mij iets van zijn leven.
+
+</p>
+<p>Hij had zooveel en hard gewerkt. T&egrave; veel, t&egrave; hard, om maar een hoop geld te verdienen, zei hij. Hij ging ieder jaar naar Frankrijk,
+om er den oogst te helpen doen. Hij en de andere Vlamingen, die met hem medegingen, werkten daar om zoo te zeggen dag en nacht;
+en daar was hij niet sterk genoeg voor, dat had hem geknakt. Hij was er doodziek geworden, men had hem naar zijn land teruggebracht
+en zoo zat hij nu in &#8217;t Armenhuis, om er zijn leven te eindigen.
+
+</p>
+<p>Zijn leven te eindigen! Nu reeds! Hoe oud was hij dan wel?
+<span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span></p>
+<p>&#8212;Twie en vijftig, zei hij glimlachend.
+
+</p>
+<p>Twee en vijftig! Hij zag er wel zeventig uit! En hij was jonger dan ik!
+
+</p>
+<p>Ik had daar wel willen weg zijn; en het speet mij, dat ik er gekomen was. Ik voelde ineens den afstand, het verleden, al die
+lange, lange jaren loodzwaar op mijn eigen leven drukken. Het kwam mij voor alsof ik nog de eenig overgeblevene, de eenig
+levende was in een oord van afgebeulden en van dooden. Maar ik dacht ook weer aan de anderen uit dien tijd en wilde weten
+wat er ook van hen geworden was.
+
+</p>
+<p>&#8212;Guus Boevers? vroeg ik.
+
+</p>
+<p>&#8212;Deud, meniere; verongelukt mee zijn peirden.
+
+</p>
+<p>&#8212;Dolfke Vervoat?
+
+</p>
+<p>&#8212;Euk deud: deudgedronken!
+
+</p>
+<p>&#8212;Mielke Vervoat?
+
+</p>
+<p>&#8212;Noar Amerika.
+
+</p>
+<p>&#8212;Fontje Vervoat?
+
+</p>
+<p>&#8212;Euk noar Amerika.
+
+</p>
+<p>Ik zweeg. Een pijnlijk heimwee, een stille droefheid sloop in mij neer, zoo iets gelijk de stille, grijze, kille mist, die
+alom over het land ging hangen. &#8217;t Begon te avonden en <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30">30</a>]</span>te nevelen, een bleeke, roze schemering tintte nog vagelijk het westen en in het grijs kerktorentje van &#8217;t Armenhuis tampte
+in kadans een klokje. Enkele knapen bonden reeds hun schaatsen af en de sijsjes in de elzestruiken waren druk onder elkander
+aan het tjilpen en aan &#8217;t piepen, v&oacute;&oacute;r ze zich ergens tot de nachtrust gingen wegschuilen.
+
+</p>
+<p>Ik haalde iets uit mijn zak en gaf het aan Bruuntje. Zijn oogen glommen en hij dankte mij vurig. Ik drukte hem de hand tot
+afscheid.
+
+</p>
+<p>&#8212;Zilt-e nog ne kier weere komen, meniere? vroeg hij, gretig mij nastarend.
+
+</p>
+<p>&#8212;Zeker, Bruuntje, zeker.
+
+</p>
+<p>Maar ik voelde wel, dat ik er niet meer komen zou.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Wat ben ik in mijn verhaal ver afgedwaald, of, beter gezegd, wat ben ik hard den tijd vooruitgeloopen! Want er ligt nog zooveel
+in mijn schaatsenrijdersleven tusschen dat ver verleden en de gebeurtenissen van den tegenwoordigen tijd. Ik heb nog niet
+eens definitief van den &#8220;wal van &#8217;t Oarmhuis&#8221; afscheid <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31">31</a>]</span>genomen en dat behoor ik toch te doen alvorens verder te vertellen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Welnu, onze pret op den &#8220;wal van &#8217;t Oarmhuis&#8221; duurde tot de dooi inviel, of.... totdat Stien Smijters &#8220;de boantjes kwam vermeurden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Stien Smijters!.... Ik wed dat nu nog, na zooveel lange jaren, onder de hedendaagsche dorpsjeugd aldaar, een traditie van
+angst, haat en gruwel tegen den naam en de herinnering van dien afschuwelijken man bestaat.
+
+</p>
+<p>Stien Smijters, een voorbestemde naam! Het was, toen ik hem als knaap van vijftien leerde kennen, een oude, stoere, grijze,
+forsche kerel, met een kreefte-rood, als &#8217;t ware roodgekookt gezicht, waarin twee kleine, hard-blauwe varkensoogjes je valsch
+aanloerden. Nooit heb ik dien vent zien glimlachen of lachen. Dat kon hij niet. Altijd stond zijn tronie stug en norsch, alsof
+hij iedereen verdacht van kwaad en overal vijanden zag. Het was een slecht gezicht.
+
+</p>
+<p>Hij was zoowat van alles in het Armenhuis. <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>Toeziener, boer, werkersbaas, ik weet niet wat al. Hij had geen vaste taak, doch men zag hem overal. Soms reed hij met de
+paarden, soms stapte hij achter den ploeg, soms stond hij als een sjouwer hout te klooven. Iedereen, oud of jong, man of vrouw,
+van klein tot groot, was bang voor hem. Het heette, dat hij de menschen soms ranselde met zijn zweep en dat zelfs de nonnetjes
+hem vreesden. Maar zij hadden hem noodig: hij werkte als een lastdier en waakte als een hond; hij dronk niet, ging nooit uit,
+eischte niets voor zichzelf en dat alles verwekte een soort eerbied en een grenzeloos ontzag.
+
+</p>
+<p>Ondanks zijn gevorderden leeftijd was hij sterk, ellendig sterk. Ik geloof niet dat er een pootiger, sterker kerel in den
+omtrek was te vinden. Wie onder zijn klauwen geraakte mocht beven en sidderen!
+
+</p>
+<p>Hij zag wel ons spel op het ijs, hoewel hij zich hield alsof hij het niet zag. En ook wij hielden hem scherp-nauwkeurig in
+de gaten, omdat wij precies wisten wat wij van hem te verwachten en te vreezen hadden. Dat hing heelemaal af van den toestand
+van het ijs. Stien Smijters, die <span class="corr" id="xd0e349" title="Bron: nergers">nergens</span> bang voor <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span>was, had een doodsangst om te verdrinken. Er was geen sprake van dat hij zich op den vijver wagen zou zoolang het ijs er niet
+muurdik en sterk lag, maar eenmaal als &#8217;t z&oacute;&oacute;verre kwam, dan waren wij geen oogenblik meer veilig.
+
+</p>
+<p>Hij joeg ons niet weg, schold ons niet uit, sprak geen woord, maar op een of anderen ochtend liep de afgrijselijke treurmare
+van mond tot mond onder de schooljongens:
+
+</p>
+<p>&#8212;Stien Smijters h&ecirc;t de boantjes op de wal van &#8217;t Oarmhuis vermeurd!
+
+</p>
+<p>Ik herinner mij nog die droefheid, die wanhoop telkens als dat ellendig nieuws ons bereikte<span class="corr" id="xd0e360" title="Bron: ,">.</span> &#8217;t Was om er bij te schreien en de moedeloosheid zonk ons als een onmacht door de knie&euml;n. Wij wilden &#8217;t nog maar niet zoo
+dadelijk gelooven, er bleef nog een kleine mogelijkheid, een zwak straaltje hoop; maar jawel.... zoodra wij bij den vijver
+kwamen zagen wij reeds van op een afstand de ellendige verwoesting: overal vierkante bijten met de bijl gekapt, de uitgebroken
+stukken alom over het ijs verspreid en meestal er reeds aan vastgevroren; en, tot toppunt van ellende, hier en daar asch en
+sintels <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span>rondgestrooid, zoodat alle mogelijkheid van ook nog maar eventjes te rijden onherroepelijk verkeken was.
+
+</p>
+<p>Het is mij slechts &eacute;&eacute;n keer gelukt den lammeling zijn vernielingswerk te zien verrichten, want hij deed dat meestal &#8217;s avonds,
+gemeen en verraderlijk, nadat wij vertrokken waren. Maar dien keer, dien &eacute;&eacute;nen keer woonden we &#8217;t bij en wij hebben ons gewroken,
+of liever: hij zelf heeft ons gewroken op een wijze waarin ik mij nu nog kan verkneuteren.
+
+</p>
+<p>Dat was op een zaterdagmiddag, na schooltijd. Wij hadden extra-les gehad (extra-les wanneer er ijs is!) en kwamen haastig
+en hijgend met onze schaatsen onder den arm op den vijver aan, toen het reeds begon te schemeren.
+
+</p>
+<p>Hij was bezig!.... Reeds op een afstand hadden wij slagen gehoord, als, van een houthakker die boomen velt. En wij dachten
+werkelijk dat men ergens aan &#8217;t boomen omhakken was, toen wij hem eensklaps zagen, den zwaren rug naar ons gekeerd, groote
+gaten slaande met zijn bijl in &#8217;t schoone, sterke ijs!
+<span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span></p>
+<p>Onze woede en emotie waren onbeschrijfelijk. E&eacute;n wensch steeg als een kreet uit aller hart: &#8220;Kon hij nu toch zelf maar door
+het ijs zakken en verzuipen!&#8221; Doch die wensch hielp niets en een van ons, Mielken Vervaet, die meestal niet malsch uitgevallen
+was, schreeuwde hem razend een scheldwoord toe:
+
+</p>
+<p>&#8212;Smeirlap!
+
+</p>
+<p>Tot onze diepe verbazing ging hij kalm door met ijs hakken, zonder in &#8217;t minst eenige notitie van de beleediging te nemen.
+Eerst later vernamen wij, dat hij vrij doof was en den uitroep niet gehoord had. Maar Mielken, en wij allen, nog heviger geprikkeld
+door zijn ongestoordheid, holden om den vijver heen, kwamen vlak v&oacute;&oacute;r hem staan en herhaalden daar een tiental keeren, met
+gebalde vuisten, het beleedigende scheldwoord:
+
+</p>
+<p>&#8212;Smeirlap! Smeirlap! Smeirlap!
+
+</p>
+<p>Toen keek hij op en verstond. Een soort van schok voer door zijn lichaam, hij sprong naar den oever, met zijn bijl in de hand,
+klom op den rand, zich aan de takken optillend, holde ons achterna.
+
+</p>
+<p>Wij, natuurlijk, hadden reeds het hazenpad <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36">36</a>]</span>gekozen. Wij renden uit al onze kracht, heelemaal niet zoo zeker dat wij zouden ontsnappen, want hij zat ons nauw op de hielen,
+toen wij eensklaps achter ons een doffen smak en een gil hoorden en, schichtig omkijkend, hem tegen den grond zagen liggen.
+Hij krabbelde weer op, maar, in plaats van ons verder na te zitten, zagen wij hem stuiptrekkend tegen een boom gaan staan
+en daar op zijn hoofd een vuilen zakdoek drukken, die dadelijk breed-rood gekleurd was. Wij hoorden hem een paar keer kreunend
+zuchten en dan keerde hij zich om, zonder een blik, zonder een woord, zijn bijl onder den arm, als een dolle stier, die den
+genadeslag gekregen heeft.
+
+</p>
+<p>Ik herinner mij niet meer of wij hem dan ook nog triomfantelijk nagejouwd en uitgefloten hebben. Het zal wel zoo iets van
+dien aard geweest zijn. Maar w&egrave;l herinner ik mij dat wij ons nooit meer, zoolang hij leefde,&#8212;en dat heeft nog wel enkele jaren
+geduurd&#8212;op den &#8220;wal van het Oarmhuis&#8221; gewaagd hebben.
+
+</p>
+<p>Wij hadden ondertusschen andere oefeningsvelden ontdekt.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label">III</h2>
+<h2 class="normal">De Meylegemsche Meerschen</h2>
+<p>Even voorbij den Lusthof, achter een soort van dam waarover, dwars door het weiland, een steenweg liep, strekten zich ver
+en wijd de Meylegemsche Meerschen uit.
+
+</p>
+<p>Ik heb steeds een groote liefde gevoeld voor de Meylegemsche Meerschen. Iets,&#8212;ik weet niet wat&#8212;, heeft mij daar altijd, van
+<span class="corr" id="xd0e400" title="Bron: kinsdbeen">kindsbeen</span> af, aangetrokken en trekt er mij nu nog aan.
+
+</p>
+<p>Het waren breed-uitgestrekte weilanden, met verre boomen aan den einder; gelegen tusschen den begroeiden berm van het kanaal
+links en de opgolvende landouwen rechts, als een wijd en stil-glanzend groen meer onder den schoonen, hoogen hemel. De strakke
+lijn langs het kanaal met de evenwijdig van elkaar gespati&euml;erde boomen, had geen bijzondere bekoring, maar de andere zijde,
+naar de velden toe, was een en al liefelijke po&euml;zie. Daar golfden korenakkers, daar somberden bosschen, daar strekten zich
+dreven uit tot ver in &#8217;t land; daar waren intieme hoekjes, die steeds zonnelachten, <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>daar stonden huisjes en boerderijtjes als geschilderd: roze, gele, groene, met pittoreske stroodaken en blinkende ruitjes;
+en er lagen twee kleine dorpen aan den rand: Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, elk met een ouderwetsch kerktorentje, het eene
+grijs, het ander wit, die wijd over de boomen, de landouwen en de weiden heen, als &#8217;t ware reikhalzend en een beetje naijverig,
+van verre naar elkaar stonden te kijken.
+
+</p>
+<p>Meylegem-Zuid was mij &#8217;t liefst. Misschien wel omdat het verst-verwijderd en daardoor voor mij zeldzamer te bereiken was.
+Misschien ook wel eenvoudig omdat het Meylegem-Zuid heette en dat zuid ons meer aantrekt dan noord. Misschien ook nog, omdat
+het een wit kerkje had terwijl het ander grijs was en dat het witte vriendelijker schitterde tusschen het groen dan &#8217;t grijze.
+En misschien eindelijk ook wel om iets dat ik mij zelf toen nog niet kon bewust zijn en dat zich eerst later openbaren zou.
+Hoe dan ook, Meylegem-Zuid was mij het dierbaarst en een tocht in de richting van Meylegem-Noord was voor mij meestal een
+aanloop om verder tot aan Meylegem-Zuid te geraken.
+<span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span></p>
+<p>&#8217;s Zomers waren die groote weilanden vol grazende koeien, bewaakt door jonge koe-wachtertjes, die er een uitbundig vrij leven
+van kleine wildemannen genoten. Er was daar altijd levenspret en luide vroolijkheid; er klonk daar <span class="corr" id="xd0e412" title="Bron: oponhoudend">onophoudend</span> juichgezang en zweepgeklap: er brandden steeds houtvuurtjes waarin geslachte kikkers en gestolen aardappelen gebraden werden
+en dikwijls zag men gansche benden van die bengels, in de verte klein als kabouters, met schepnetten de diepe, stille slooten
+en de snel-vliedende beekjes afvisschen en zegevierend naar het dorp terugkomen met glinsterende vangsten snoeken en baarzen,
+die nog amechtig-gapend tusschen de slijmerige mazen lagen te spartelen.
+
+</p>
+<p>Maar in het najaar werd het er stil en verlaten en met November werden een paar sluizen in &#8217;t kanaal geopend en in enkele
+dagen stroomde die gansche, wijde vlakte vol blond en drassig water. Toen werd het als een echte zee, zoo ver het oog kon
+reiken. Een wondere zee, levend het eigen, geheimzinnig leven van een zee, nu eens doodstil <span class="corr" id="xd0e417" title="Bron: zondereen">zonder een</span> rimpeltje, dan weer klotsend, <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>schuimend, bruisend, met echte, woeste golven, maar aldoor eenzaam en verlaten, alsof het was een oord van ramp en van verdelging.
+
+
+</p>
+<p>Behalve voor mij! Ik was intusschen een paar jaren ouder geworden en ik bezat een licht en elegant roeibootje, waarmee ik
+&#8217;s zomers op &#8217;t kanaal ging varen. En zoodra de groote Meylegemsche Meerschen goed overstroomd waren, roeide ik in mijn schuitje
+een eind het kanaal op, nam het er uit, droeg het op mijn sterke schouders over den berm heen en lei het daar op &#8217;t blonde
+water der verdronken weilanden.
+
+</p>
+<p>O, ik herinner mij nog zoo goed die heerlijke, opwekkende tochten, die overigens niet zonder eenig gevaar waren. Ik had mijn
+schuitje sierlijk opgetooid, er woei een vlaggetje aan de punt,&#8212;een wit-en-rood, ik zie het nog,&#8212;en zoo roeide ik in witte
+trui met forsche slagen naar de dorpjes toe, die daar aan den overkant lagen te schitteren of te droomen. Het water kabbelde
+en spatte, de kleine boot ging met de korte golfjes op en neer gelijk een zeeschuitje en af en toe raasde het mooie vlaggetje
+hartstochtelijk in den wind, alsof het zich verzetten wilde <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span>tegen mijn onzinnig-roekelooze onderneming. Soms bleef ik even midden in het breede water steken. Dan zat ik ergens op een
+&#8220;bank&#8221; en ik moest ploeteren om er af te komen. Soms &#8220;voelde&#8221; ik als &#8217;t ware onder mij den diepen afgrond van een sloot of
+beek, en &#8217;t had iets griezeligs terwijl ik mij afvroeg hoe ik mij daar wel redden zou indien mijn bootje juist op die plaats
+omsloeg. Maar &#8217;t bootje sloeg nooit om en ik kwam eindelijk in kalmer water, langs den verrukkelijken oeverrand, waar al de
+pittoreske boerderijtjes en de stille dorpjes lagen.
+
+</p>
+<p>Wat was het daar aardig en hoe leek het alles anders dan het toch in werkelijkheid was! Zoo&#8217;n dorpje, zoo&#8217;n boerderijtje,
+waar men gewend is als voetwandelaar aan te komen en waar men ineens met zijn schuitje komt aanleggen, &#8217;t heeft iets onwezenlijks,
+iets geks, dat onweerstaanbaar doet glimlachen. En dat deden ook de menschen van die dorpjes en die boerderijtjes, wanneer
+zij mij zoo van verre over &#8217;t water zagen aankomen. Zij stonden v&oacute;&oacute;r hun huisjes of in hun boomgaarden op mij te wachten en
+&#8217;k viel daar binnen als een vreemde, <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span>rare vogel, die een wondertocht heeft ondernomen. Het was zoo eigenaardig. De laatste bladeren hingen nog goud-en-bruin-glanzend
+aan de heesters en de boomen, en die boomen en heesters stonden tot dichtbij het water, soms tot in het water, en dat leek
+op mijn zoo welbekende streek niet meer; het was iets anders, iets fee&euml;risch, iets uit de fantaisie van een droom. En het
+deed mij telkens zoo vreemd aan, dat de boeren en boerinnen die daar heen en weer liepen toch dezelfde menschen waren, die
+ik al zoo vele jaren kende; en dat zij hun gewone taal spraken en hun gewone bezigheden verrichtten; en dat daar koeien en
+varkens en kippen over het gras liepen; en dat daar stoeiende en spelende kinderen waren; en dat daar een waakhond v&oacute;&oacute;r zijn
+hok lag, die hol en schor naar mij blafte, zooals alle waakhonden op alle boerderijen doen.
+
+</p>
+<p>Eerst nadat ik zelf voet aan wal gezet had en den vasten bodem onder mijn voeten voelde, kreeg ik het duidelijk besef der
+welbekende werkelijkheid en meteen verzwond mijn illuzie en onderging ik iets als een <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span>indruk van teleurstelling. Het leek alles zoo gewoon en zoo nuchter; de droom daar, op het breede water, was veel schooner;
+en ik spoedde mij terug naar mijn aardig rood-en-wit vlaggend, licht schuitje; en als een vrije, wilde vogel zweefde ik er
+verder mee weg over de breede oppervlakte, nu eens naar den eenen oever en dan weer naar den anderen, telkens weer door nieuwe
+illuzi&euml;n verrast en aangetrokken; en zoo kwam ik tot aan &#8217;t verste uiteinde der overstrooming, tot aan Meylegem-Zuid, dat
+reeds van verre zijn ouderwetsch, zoo liefelijk wit kerkje in den kalmen waterspiegel weerkaatste.
+
+</p>
+<p>De golfjes kwamen er tot aan den voet van &#8217;t kerkhof uitkabbelen en heel het dorpje van slechts ettelijke huisjes lag daar
+aan den rand: witte huisjes, roze huisjes, blauwe huisjes, groengeluikt en kleingeruit, met &eacute;&eacute;n enkel, ietwat ruimer gebouw
+in het midden: een tamelijk groote, lage, geelgeverfde herberg, waarop in groote, zwarte letters stond geschilderd: <i>In het Gemeentehuis.</i>
+
+</p>
+<p>Daar lei ik vast en zeker altijd aan. Want daar was behalve &#8217;t pittoreske der <span class="corr" id="xd0e443" title="Bron: ongeving">omgeving</span>, <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>iets dat mijn achttienjarig, frisch-en-vurig jongenshart vol romantische illuzi&euml;n onweerstaanbaar boeide; en dat was Tieldeken,
+de dochter uit &#8217;t Gemeentehuis!
+
+</p>
+<p>Tieldeken was wel enkele jaren ouder dan ik, doch wat deed het er toe en hoeveel heele jonge mannen hebben niet hun eerste
+liefde op oudere meisjes of vrouwen gevestigd! Tieldeken kon zoowat vier of vijf en twintig jaar zijn en &#8217;t komt mij voor
+alsof ik haar daar nu nog levendig en frisch v&oacute;&oacute;r mij zie staan: de wangen blozend, de oogen stralend, den mond met witte
+tanden naar mij toe lachend en &#8217;t bruine haar rechtop gekamd en ietwat kroezend om de slapen, het mooiste haar, dat ik mij
+herinner ooit gezien te hebben. Voor mij was Tieldeken niet alleen de bloem van Meylegem-Zuid, maar ook het schoonste meisje
+dat ik kende in heel Vlaanderen. Zij was het levende beeld-zelf der schoonheid van de gansche schoone streek; haar onverwacht
+verschijnen, de eerste maal toen ik daar aanlandde, was voor mij geweest gelijk een openbaring; haar wezen glansde als &#8217;t
+ware over &#8217;t dorpje en de gansche streek en toen ik haar gezien had begreep <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span>ik diep en duidelijk waarom Meylegem-Zuid mij zooveel liever was dan Meylegem-Noord en hoe ook het heele landschap met al
+zijn mooie, intieme, pittoreske po&euml;zie alleen maar scheen te bestaan omdat Meylegem-Zuid bestond en omdat op Meylegem-Zuid
+Tieldeken woonde.
+
+</p>
+<p>Ik landde aan en meestal ging de glazen portaaldeur van het Gemeentehuis als van zelf dadelijk open en daar verscheen Tieldeken
+op den drempel, stralend, blozend, lachend, met den geijkten groet:
+
+</p>
+<p>&#8212;Dag, meniere. Ge zij nog ne keer gekomen?
+
+</p>
+<p>&#8212;Joaj ik, Tieldeken. Hoe goat &#8217;t mee ou?
+
+</p>
+<p>&#8212;Ha goed, meniere.... En blozend kwam ze naar mij toe, keek met verrukte oogen naar mijn schuitje, sloeg haar handen in elkaar
+en zeide:
+
+</p>
+<p>&#8212;Ho! &#8217;K&#8217;n weet toch niet hoe da ge dat durft, in azeu &#8217;n klein beutsen over die greute plas!
+
+</p>
+<p>Dan kreeg ik een kleur; dan v&oacute;&eacute;lde ik mij een kleur krijgen. Want wanneer ik zelf zoo van uit Meylegem-Zuid dien grooten plas
+overkeek leek ook mij mijn onderneming een <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span>ontzettend waagstuk en kreeg ik den indruk dat Tieldeken wel vermoeden kon, dat mij iets zeer-bizonder boeiends op Meylegem-Zuid
+moest aantrekken. Wat dat zeer-bizondere was wist ik maar al te duidelijk; en, omdat ik het zoo duidelijk wist, kwam het mij
+voor alsof &#8217;t op mijn gezicht te lezen stond en dat maakte mij ontzettend schuchter en bedeesd, terwijl ik mijn bootje aan
+den oever vastmeerde en haar in de ouderwetsche herberg volgde.
+
+</p>
+<p>Soms was het er leeg als ik daar binnen kwam en soms waren er klanten. En eigenlijk wist ik nooit precies wat mij wel &#8217;t aangenaamst
+was: alleen met Tieldeken of in gezelschap van anderen. Met Tieldeken alleen kwam er over mij een gevoel van knellende benauwdheid;
+en als er daar bezoekers waren, dikwijls ruwe, lawaaierige kerels, voelde ik mij ook allesbehalve op mijn gemak. Met Tieldeken
+alleen wist ik soms minuten lang geen enkel woord te zeggen, en als daar grove boerenkinkels zaten werd ik voortdurend gehinderd
+en ge&euml;rgerd door hun onbeschaamd optreden, door hun smakelooze grappen, door hun ganschen toon en <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span>gansch hun houding, die kwetsend en als &#8217;t ware ontheiligend was, tegenover zulk een mooi, en zacht, en bekoorlijk wezen als
+Tieldeken. Eigenlijk voelde ik mij daar nooit zooals ik was, of wezen wou. Iets lag altijd tusschen mij en haar: de sociale
+afstand, de valsche positie waarin ik mij tegenover haar bevond; het besef dat zij daar in haar kring was en ik niet en dat
+maakte haar sterk en mij zwak en verlamde in mij elke mooie gelegenheid die ik had om van het toevallig alleen-zijn met haar
+te genieten. Ik k&oacute;n er eenvoudig niet van profiteeren en &#8217;t minst voelde ik mij nog bekneld wanneer geen vreemde bezoekers,
+maar wel haar vader of haar moeder in de gelagkamer aanwezig waren.
+
+</p>
+<p>Tieldeken&#8217;s vader was een reeds bejaarde, dikke man met goed gezicht en langzame bewegingen. Men hoorde hem van &#8217;k weet niet
+hoeverre op zijn klompen aankomen en telkens als ik hem zoo hoorde drong &#8217;t besef in mij door hoe gemakkelijk dat zou gaan
+om Tieldeken even in de zij te knijpen en te zoenen, zonder dat de oude er iets van merkte.... als ik het maar had durven
+<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48">48</a>]</span>wagen om eventjes Tieldeken te knijpen en te zoenen. Het was zoo gek: als ik met Tieldeken alleen was, durfde ik zelfs aan
+geen knijpen en geen zoenen denken; maar zoodra de vader ergens buiten de gelagkamer langzaam op zijn klompen rondliep, kittelden
+mijn vingers en jeukten mijn lippen om het w&egrave;l te doen. Maar ik durfde niet, ik durfde niet! En ik leed verschrikkelijk onder
+dat niet-durven en &#8217;t was mij als een pak van &#8217;t hart wanneer de dikke man eindelijk traag binnenklompte en daarmee de bevlieging
+tot zoenen en knijpen onmogelijk maakte.
+
+</p>
+<p>Tieldeken&#8217;s moeder was ook al een vrij bejaarde vrouw, met rood gezicht en afhangende wangen. Men kon merken dat zij vroeger
+mooi moest zijn geweest, maar een tandelooze mond ontsierde haar heel erg en daardoor had haar uitspraak iets lispeligs en
+brabbeligs, dat haar wel eens onverstaanbaar maakte. Zij was ook wat doof en dat deed vergissingen ontstaan. Het gebeurde
+herhaaldelijk, dat zij b.v. borrels bracht wanneer glazen bier werden besteld en dan ontsponnen zich soms gekke tooneelen.
+Met haar lispelenden mond kon zij niet goed <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>de s uitspreken en als zij &#8220;dreupels&#8221; wilde zeggen, klonk het in haar brabbeltaal alsof zij &#8220;dreupelfs&#8221; zei.
+
+</p>
+<p>De boeren spotlachten, bootsten haar verdraaide uitspraak na.
+
+</p>
+<p>&#8212;Dreupelfs! We &#8217;n h&ecirc;n gien dreupelfs besteld. W&#8217;h&ecirc;n pinten bier gevroagd.
+
+</p>
+<p>De vrouw werd nijdig:
+
+</p>
+<p>&#8212;G&#8217;h&ecirc;t w&egrave;l dreupelfs gevroagd!
+
+</p>
+<p>&#8212;We&#8217;n hen gien dreupelfs gevroagd!
+
+</p>
+<p>&#8212;&#8217;t Efs zeker, g&#8217;h&ecirc;t w&egrave;l dreupelfs gevroagd!
+
+</p>
+<p>&#8217;t Werd een ellendig en bespottelijk gebrabbel en gekibbel en ik leed er onder, ter wille van Tieldeken, die dat vernederend
+gedoe moest bijwonen. Ik had die kinkels wel een oorveeg willen geven en &#8217;t was mij telkens als een gevoel van verlossing
+wanneer de vader traag aangeklompt kwam en door zijn verzoenende bemiddeling aan het geschil een einde stelde.
+
+</p>
+<p>O, die boerenkinkels, wat deden ze soms gemeen en familiair met en ten opzichte van &#8217;t mooie Tieldeken! Wat ik nooit zou gedurfd
+hebben: eventjes in het voorbijgaan &#8217;t mooie meisje in den arm of de lenden te knijpen, <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50">50</a>]</span>dat deden ze maar gewoon alsof het niets was en wanneer Tieldeken zich ietwat boos maakte en met klappen dreigde, lachten
+zij lomp en grof en maakten soms gewaagde toespelingen, die mij &#8217;t rood van schaamte en van toorn naar de wangen joegen.
+
+</p>
+<p>Zoo was er eens een die mij zei, terwijl Tieldeken hem in den kelder een glas bier ging halen:
+
+</p>
+<p>&#8212;&#8217;t Es &#8217;n malsch poezeken, e-woar, meniere; moar &#8217;t es spijtig da ze kromme bienen h&ecirc;t.
+
+</p>
+<p>Een golf van bloed steeg naar mijn hoofd. Kromme beenen! Daar had ik nooit iets van gemerkt. Hoe wist die kinkel....!
+
+</p>
+<p>&#8212;H&egrave;-je da nog nie gezien, meniere! lachte hij om mijn verbouwereerdheid. Let-e kier op als ze weere boven komt.
+
+</p>
+<p>Ik lette op en ja, waarachtig, er was wel iets van aan. Je kon het eigenlijk meer raden dan zien; maar toch, er ontbrak iets
+aan de mooie, rechte lijn, die bij zulk een mooi, flink meisje paste. Hoe gek, dat ik het nooit had opgemerkt! Nu zag ik het
+wel degelijk, ook aan haar gang, die een ietsje waggelachtigs had, als van een lief, jong <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span>eendje. Maar tot dusver had ik nooit zoo bizonder naar Tieldeken&#8217;s beenen gekeken. Wat mij in haar boeide was haar frisch
+gezicht, haar stralende oogen, haar mooie glimlachende tanden en ook haar poezelige buste en haar malsche heupen, waarin ik
+zoo graag eens had geknepen. Dat vond ik h&egrave;t mooie in haar, het ideaal en meteen werkelijk&#8212;mooie; en de beenen, ach, dat was
+dan nog voor mij meer &#8217;t alledaagsche, het gewone, het laag-bij-den-gronde.
+
+</p>
+<p>Die ruwe pummel, helaas, had met zijn lompe opmerking, iets aan de volmaaktheid mijner illuzie verstoord. Wat ik nu ook deed,
+voortaan zag ik altijd, naast Tieldeken&#8217;s frissche schoonheid, het minder sierlijke harer ietwat kromachtige beenen. En dat
+bedroefde mij, terwijl het mij tevens toch ook een soort van troost bracht. Want daardoor werd ik soms iets minder smoor-verliefd
+op Tieldeken en voelde niet zoo sterk meer de schrijning bij het afscheidnemen van mijn tot dus verre absoluut volkomen en
+volmaakte ideaal. Er bleef mij trouwens nog ruim voldoende liefde en illuzie over.
+
+</p>
+<p>O, dat afscheid van Tieldeken, ik in mijn <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span>licht schuitje en zij aan den oever van het breede water! Ik was slechts achttien jaar oud, doch ik kende reeds de legende
+van Lohengrin en romantisch zong de zwanezang in mijn verliefde ooren, terwijl ik statig wegroeide en haar gestalte zag verminderen,
+verminderen, tot het zich in &#8217;t grijze van de vroege avondnevelen versmolt. En dan liet ik verder mijn gedachten met het bootje
+op het water gaan, en alles scheen mij zoo frisch en zoo schoon en zoo zalig; er was in mij zulk een rijkheid van kracht en
+van leven, dat het mij scheen alsof de gansche wereld mij daar toebehoorde. De laatste teerroze gloed van den zonsondergang
+doezelde zacht-glanzend over het ouderwetsche blank kerktorentje van Meylegem-Zuid in de verte; de kleine ruitjes in de pittoreske
+boerderijen tintelden nog even langs den wegdeinenden oever, een klokje tampte en een wilde-vogelenvlucht streepte hoog met
+fijn geschreeuw naar &#8217;t westen; en over het somberend water, dat met vale glanzingen tegen den zijkant van mijn schuitje aanklotste,
+dreef ik midden in een grootsche eenzaamheid naar huis terug, mijn gele spanen <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span>lichtend-glijdend, mijn rood-en-witte vaantje flikkerend en wapperend en mijn gemoed vol van heldhaftige gevoelens, waarin
+het beeld van &#8217;t schoone Tieldeken oprees gelijk een vizioen van heerlijkheid, dat met mij meedreef en mij tot in de nuchtere
+realiteit van het weer vasten voet aan vasten wal zetten boeiend bleef begeleiden.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>En &#8217;s winters, als het lang en sterk genoeg bleef vriezen, vroren ook de Meylegemsche Meerschen dicht!
+
+</p>
+<p>Dat was een der grootste en gewichtigste gebeurtenissen in ons jonge-schaatsenrijdersleven.
+
+</p>
+<p>Dat was dan iets waar je van trilde als van een wonder, dat bijna niet k&oacute;n gebeuren. Wij gingen kijken, drie en vier maal
+daags, wij waagden ons een eindje, maar griezelden van al de verraderlijke, diepe slooten en putten die vol zwakke plaatsen
+en bedriegelijke wakken onder de spiegelgladde oppervlakte verborgen lagen, tot het eindelijk als een heldenmare alom verkondigd
+werd: &#8220;Die of die boer van Meylegem-Zuid is op <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>schaatsen over &#8217;t ijs tot aan ons dorp gekomen!
+
+</p>
+<p>Wat &#8217;n emotie! Wij kwamen aan de groote vlakte, wij reden op, zoover als we gewend waren te durven rijden; en daar waar onze
+krassen en kringen eindigden, zagen wij, over het donkere, maagdelijk ijs, recht v&oacute;&oacute;r ons uit, in de richting van Meylegem,
+voor het eerst andere krassen, die niet van <i>onze</i> schaatsen waren!
+
+</p>
+<p>Het leken als &#8217;t ware kabalistische teekens, forsch-gedurfde schreven van een kerel die zijn moed daar in het ijs gebeiteld
+had; en wij volgden die nauwkeurig met ontzag en eerbied, zooals men volgt de schreden van den eersten onverschrokken pionier
+door de gevaarlijke woestijn. De breede vlakte strekte zich v&oacute;&oacute;r ons uit, als &#8217;t ware eindeloos. Wij waren daarin als kleine,
+donkere, verloren stippen. Soms kraakte &#8217;t ijs, dat op zijn water viel, alsof er een kanonschot was gelost en dan stonden
+wij allen even roerloos, bang en aarzelend. Maar de harde, witte krassen van den koenen kerel, die ons daar was voorgegaan,
+liepen ondanks alles steeds verder en verder door en de gedachte dat <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55">55</a>]</span>hij daar in zijn eenzaamheid en v&oacute;&oacute;r alle anderen dezelfde gevaren had getrotseerd, staalde onzen moed en dreef ons met hardnekkigheid
+naar het verwijderd doel. Wij kwamen aan lage plaatsen, waar het ijs om zoo te zeggen op den grond lag en waar de grassprietjes
+van &#8217;t weiland soms doorheen schoten. Dat gaf ons het gevoel van veiligheid dat wij op vasten bodem reden. Maar &#8217;t oogenblik
+daarna stonden wij pal v&oacute;&oacute;r een ijs zoo zwart alsof het open water was en niemand durfde er over heen. Daar lag een diepe
+put of sloot en wij zagen tot op den helderen bodem, waar bronskleurige waterplanten hun gestolde vormen afteekenden als grijpende
+handen die ons in de griezelige diepte wilden trekken om ons daar vast te houden. Wij draaiden er omheen en reden op en neer
+in de hoop van ergens een minder akelige plek te vinden; doch overal, dwars door het weiland, was het daar dezelfde breede,
+zwart-heldere diepte, waarin wij soms, onder het ijs, groote, donkere waterkevers zagen zwemmen, met een zilverig luchtblaasje
+onderaan hun staart. Zij zwommen dwars, met pootenkrabbeling, naar den <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56">56</a>]</span>bodem waar de sinistere, bronskleurige grijpplanten stonden en dat maakte onzen afkeer nog veel heviger en de wanhoop greep
+ons aan, omdat wij verder wilden en niet durfden. Maar ook over die plaats van angst en van gevaar, rechtuit, zonder de minste
+afwijking, streepten de koene, forsche krassen van den onbekenden held die daar voor &#8217;t eerst den weg gebaand had en ten slotte
+volgden wij ook een v&oacute;&oacute;r een zijn voorbeeld, met kloppend hart, met flauwe beenen, elk oogenblik verwachtend door het barstend
+ijs in &#8217;t diepe water neer te plonsen. Eerst toen &#8217;t gevaar voorbij was lachten wij om onzen flauwen angst en van lieverlede
+schrikte &#8217;t onbekende ons niet meer af en steeds verder en verder volgden wij de sporen van den vermetelen voorganger, tot
+het zoo vurig-verlangde doel, het schoone, blanke, ouderwetsch kerktorentje van Meylegem-Zuid eindelijk, als een zalige veiligheidsbaken,
+in &#8217;t zicht kwam.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>O liefelijk Meylegem-Zuid, nog steeds en meer zou ik hymnen ter uwer verheerlijking willen zingen! Al de po&euml;zie van mijn gezonde,
+<span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span>frissche jeugd schijnt zich daar in mijn herinneringen te kristallizeeren. Ik ken er elk huisje, elk boompje en de harmonieuze
+golvingen van &#8217;t landschap er omheen deinen nog als &#8217;t ware wiegend en zoet-streelend na in mijn geheugen. Want ik heb er
+mijn eerste liefde gekend en er ook mijn eerste liefdesmart geleden!
+
+</p>
+<p>O, die dagen, die dagen, die schoone, rijke dagen! Heel het land lag wit-besneeuwd, maar de Meylegemsche Meerschen waren eerst
+na den sneeuwval dichtgevroren en dat was een feerie midden in een feerie, want van op het heerlijk ijsveld zag ik, onder
+blauwen hemel en stralende zon, een Vlaanderen dat ik nog niet kende, een droom-Vlaanderen, een Vlaanderen uit een sprookje.
+
+
+</p>
+<p>De kleurige huisjes langs den oever stonden op een zacht-glooiend, glinsterend-blank tapijt, midden in boomgaarden van tintelend-berijpte
+boomen, die overweelderige bloeisels van ongekende lentepracht schenen te dragen. Dat leefde, dat fonkelde en tintelde van
+miljoenen en miljoenen kristalheldere lichtfacetten en men snoof met ruime longen <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58">58</a>]</span>de scherp-prikkelende lucht op, alsof men bedwelmend heerlijke geuren inademde. &#8217;t Was leven, l&eacute;ven en genieten; de wangen
+bloosden, de oogen straalden en door het gansche lichaam stroomde een jonge, forsche kracht, die onuitputtelijk en onvermoeibaar
+scheen.
+
+</p>
+<p>Ik reed en reed en &#8217;t woelde en &#8217;t duizelde in mij van overweldigende heerlijkheid. Soms reed ik einden lang in vollen gang
+recht v&oacute;&oacute;r mij uit, zwierend en deinend, licht als een vliegende vogel; soms hield ik mij een heele poos op een mooi, klein
+plekje op, en trok daar, omringd door een troepje bewonderaars, sierlijke krullen en kringen, als een artiest, die een kunstwerk
+ciseleert. En zoo kwam ik, als altijd, aan &#8217;t heerlijke Meylegem-Zuid; en daar, vlak v&oacute;&oacute;r Tieldeken&#8217;s herberg, was een verrukkelijke
+plek, uit den wind en glad als een spiegel, waar ik aan mijn wild talent den vollen teugel vieren kon.
+
+</p>
+<p>Ik was zeer zeker, in al die jaren, de knapste rijder van de streek geworden. En voor de kinkels, die daar pijprookend, met
+de handen in hun broekzakken langs den <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59">59</a>]</span>oever stonden, maar bovenal voor Tieldeken, die ook kwam kijken als &#8217;t daarbinnen in de herberg niet te druk was, vertoonde
+ik mijn stoutste kunsten en genoot van een triomf welke de eerste in mijn leven was.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ha, meniere, gij keun rijjen, zille! klonk het om mij heen. En soms sloeg Tieldeken haar handen van bewonderende verbazing
+in elkaar en riep geestdriftig uit:
+
+</p>
+<p>&#8212;Ha moar meniere toch, woar h&egrave;-je gij da geleerd!
+
+</p>
+<p>&#8212;Hij rijdt zeu goed as boerke van Meylegem! beweerden enkelen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Hij &#8217;n doet: boerke van Meylegem ree n&oacute;g stirker! hielden anderen vol.
+
+</p>
+<p>Boerke van Meylegem! Die naam klonk herhaaldelijk en hardnekkig in mijn ooren en ik kon maar niet te weten komen, wie boerke
+van Meylegem eigenlijk was. Wanneer ik er naar vroeg werd mij steeds vaag en ontwijkend geantwoord. Boerke van Meylegem was
+de beste schaatsenrijder uit de streek, dat wisten zij allen; maar als ik informeerde waar hij woonde, en hoe oud hij was,
+en of hij nog wel reed, en of hij reeds dat jaar op &#8217;t ijs geweest was, klonken de antwoorden <span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60">60</a>]</span>verward en tegenstrijdig. Jonge knapen beweerden van ja, en dat zij hem gezien hadden, de week te voren, bij Meylegem-Noord
+en dat hij wonderbaarlijk reed, zoo, met zijn eene been in de lucht en zijn eene hand tegen het ijs. Hij sprong over drie
+mannen en vier stoelen; hij reed z&oacute;&oacute; snel, dat geen renpaard hem zou kunnen inhalen; hij vloog als &#8217;t ware over &#8217;t ijs. Maar
+oudere mannen zeiden dat het allemaal onzin was, dat boerke van Meylegem inderdaad wel bestaan had, maar reeds lang gestorven
+was. Het prikkelde mij, dat ik niet achter de preciese waarheid kon komen; ik had dat vermaarde boerke willen zien; ik had
+vooral willen weten of hij werkelijk sterker was dan ik, en in die onzekerheid spande ik mij overweldigend in, haalde kunsten
+uit waarbij ik hals en been dreigde te breken, om toch niet, in Tieldeken&#8217;s oogen, voor dat mysterieus en onuitstaanbaar boerke
+van Meylegem te moeten onderdoen.
+
+</p>
+<p>Eens zag ik hem, bijna! &#8217;t Was op een zondagochtend, na de hoogmis. Ik was daar, evenals tal van andere lui, op schaatsen
+tot aan het oude kerkje gekomen, en had er de mis gehoord. O, &#8217;t was toch zoo eigenaardig <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span>en po&euml;tisch! Van op het ijs, waar de jeugd dolle pret vierde, zag je, over het glooiend kerkhofje met half-ingesneeuwde zerken,
+door het openstaand portaal, in de schemering der kerk, de waskaarsen op het hoogaltaar branden. Je hoorde &#8217;t orgel en de
+plechtige gezangen, het was alsof het kerkje zelf zijn vrome ziel naar buiten uitzong, je zag de wemeling der sombere menschenmassa
+en de opstijgende wierookwalmen verspreidden hun aroma&#8217;s tot in de frissche, prikkelende zonnelucht over het ijsveld. En terwijl
+je daarbinnen was, zelfs nadat de deuren dicht gesloten waren, hoorde je nog het pretgejoel der jeugd door alles heen en voelde
+je je beenen jeuken om er weer aan mee te gaan doen. En nauwelijks had de pastoor het &#8220;Ite missa est&#8221; gezongen of drommen
+menschen stroomden in de laatste galmen van het orgel buiten en met hijgende haast werden opnieuw de schaatsen aangebonden.
+
+
+</p>
+<p>Ik had de mijne juist aan en zwierde als een losgelaten vogel door de drukte heen, toen plotseling de kreet klonk in mijn
+ooren:
+<span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span></p>
+<p>&#8212;Boerke van Meylegem! &#8217;t Es boerke van Meylegem!
+
+</p>
+<p>Mijn hart stond van emotie even stil. Ik zag een zwarte menschenmassa, vlak v&oacute;&oacute;r Tieldeken&#8217;s herberg en vloog er naartoe.
+Een schaatsenrijder,&#8212;een gewone boerenpummel&#8212;was daar met groote arm-en-been-bewegingen aan &#8217;t zwieren, maar van het eerste
+oogenblik bemerkte ik dat het niets te beteekenen had, dat het in de verste verte geen kunst was, dat het niets was dan overdreven
+en onsierlijk slingeren en zwaaien, zooals de eerste de beste rijder kon die maar ietwat stevig op zijn beenen stond en niet
+bang voor vallen was.
+
+</p>
+<p>Boerke van Meylegem! Was d&agrave;t nu het beroemde boerke van Meylegem, de dooddoener waarmee men zoo vaak mijn eigen, schoone kunst
+wilde verkleinen! Mijn teleurstelling was z&oacute;&oacute; diep, dat ik eerst geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken; en wat
+mij griefde, wat mij ergerde, wat mij deed kroppen van minachtende verbittering, was dat Tieldeken daar op den oever midden
+in de foule ook te kijken stond; te kijken en te bewonderen, met haar <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63">63</a>]</span>mooie donkere oogen en haar frisch-blozende wangen, te kijken, te bewonderen en te genieten, alsof ze nu voor &#8217;t eerst zag
+schaatsenrijden, en heelemaal vergeten was, dat ik het toch oneindig veel beter kon.
+
+</p>
+<p>&#8212;Es d&agrave; nou boerke van Meylegem? vroeg ik eindelijk, met van emotie hikkende stem, aan een oud ventje, dat naast mij stond.
+
+
+</p>
+<p>&#8212;Moar nie nien &#8217;t meniere; &#8217;t&#8217;n es moar nen beslagmoaker; ge keun gij veel scheunder rijjen, meniere, antwoordde &#8217;t mannetje
+met overtuiging.
+
+</p>
+<p>Dat deed mij goed. &#8217;t Was als een balsem op mijn wonde, als een zacht-lavende weelde van troost, die verkwikkend door mijn
+gansche lichaam stroomde. Ik zei niets, maar glimlachte en stil schoof ik mij door &#8217;t gedrang in &#8217;t open plekje en begon daar
+ook te werken. Nog nooit had ik mij sterker, lichter, veerkrachtiger gevoeld. Ik vloog en zweefde letterlijk over het ijs
+en &#8217;k zag de menigte, eerst wat verbouwereerd, van lieverlede haar aandacht van den pummel afwenden en op mij zich vestigen.
+De pummel zelf, in zijn triomfgenot verstoord, keek mij dadelijk met valsche, vijandige oogen <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span>aan. Hij poogde mij te overtroeven; hij overdreef nog zijn onsierlijke, niets-beteekenende bewegingen; hij raasde langs mij
+heen alsof hij mij omver zou rijden en in &#8217;t niet doen verzwinden; maar ik voelde mij licht, licht, en vlug en handig, en
+zoo vast en zeker in mijn kunnen: ik was als van de aarde opgetild en op wieken gedragen; ik zwierde en dreef en zwaaide en
+zwenkte; ik zag daar Tieldeken op den oever staan en voelde als &#8217;t ware heel mijn leven en mijn toekomst in haar handen; &#8217;t
+was overwinnen of niet meer bestaan en ik wilde bestaan en ik wilde overwinnen.
+
+</p>
+<p>Eensklaps een kreet, met wild-opstijgend proestgelach. Ik hoorde den kreet en zag meteen wat er gebeurde: de pummel, de lompe
+pummel, midden in een van zijn dolste, gekste prul-bewegingen als een massa op &#8217;t ijs neergesmakt en daar over zichzelf heenbuitelend
+en spartelend, met slingerende armen en beenen, alsof hij letterlijk ontwricht werd. Zijn dikke pet vloog af en verre van
+hem weg en toen hij pijnlijk weer opkrabbelde bleek zijn broek gescheurd, maar z&oacute;&oacute;, dat het hem niet mogelijk was zich nog
+verder te vertoonen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span></p>
+<p>De menigte stoof lachend uit elkaar en even kraakte &#8217;t ijs onder het woest gedrang. Ik hield mij goed; ik hield mij kalm,
+deftig. Nooit heb ik scherper het heerlijk gevoel van victorie gesmaakt; nooit heb ik er uiterlijk minder van laten blijken.
+Ik wisselde een blik met Tieldeken, &eacute;&eacute;n enkele, en in haar mooie, geestdriftige oogen las ik volop den glans mijner algeheele,
+onbetwistbare overwinning. Dat was mijn heerlijke belooning. De pummel was verdwenen en ik bleef zegevierend op het veld van
+eer mijn schoonste kunsten maken; ik, en ik alleen nu, was omringd door honderden bewonderaars, en thans galmde weer alom
+de kreet, die me bij mijn komst op &#8217;t ijs zoo diep ontroerd had:
+
+</p>
+<p>&#8212;Boerke van Meylegem! &#8217;t Es boerke van Meylegem!
+
+</p>
+<p>Verbaasd keek ik op. Was hij daar nu toch werkelijk, de ijsheld, de geduchte dooddoener, de sterkste onder de sterken, die
+alom tegenwoordig scheen te zijn en nergens kon benaderd worden! Ik keek, en zocht, en merkte niets; ik speurde vorschend
+ver over de hoofden heen, maar vruchteloos. En toen begreep ik eindelijk dat ik, ikzelf nu, <span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span>boerke van Meylegem was; en dat boerke van Meylegem een mythe, een symbool, een legendarische verschijning was: een personage
+die niet bestond en wellicht nooit bestaan had, maar in wiens abstracte wezen zich, volgens het landelijk bijgeloof, al de
+kunde, al de opgewekte joligheid en al de roekelooze waaghalzerij van het heerlijke schaatsenrijden vereenzelvigde.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Nu moet ik eventjes mijn oogen sluiten en denken. Als mijn oogen open zijn staat tusschen mijn blik en het heerlijk verleden
+te veel gewone, nuchtere, alledaagsche realiteit. Maar als mijn oogen dicht zijn, zie en voel ik weer alles zooals &#8217;t was,
+zonder dat iets mijn verbeelding komt storen of hinderen. Dan ligt er als een doffe, doodsche vlakte tusschen nu en toen en
+aan den schoonen einder, terwijl niets mijn aandacht afleidt, rijst het beeld dat mij geboeid houdt in al zijn zuivere, heldere,
+levende en trillende duidelijkheid op.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was op een vroegen avond, een maandagavond, ik herinner mij nog heel goed den dag.
+<span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span></p>
+<p>De volle maan rees blozend als een groote sinaasappel in het lage oosten op en de lucht was sonoor in de stilte en al de sterren
+bloeiden in het eindeloos donkerblauw uitspansel.
+
+</p>
+<p>Ik had den ganschen dag gereden en was moede. Maar &#8217;t was z&oacute;&oacute; schoon geweest den ganschen dag, zoo rijk van kleur en zon en
+reine winterweelde, dat ik, hoewel moe, niet rusten kon en na mijn avondmaal weer buiten ging, om ook nog van de nachtelijke
+schoonheid te genieten. En plotseling ontstond een plan in mij, een wel zeer overdreven en zelfs gek verlangen om nu nog eens,
+ondanks al mijn moeheid, in de maan en in de nachtelijke eenzaamheid tot aan Meylegem-Zuid te rijden.
+
+</p>
+<p>Ik aarzelde geen oogenblik. Zoo kwam het plan op; zoo moest het worden uitgevoerd! Ik rende terug naar huis, nam mijn schaatsen,
+vertelde &#8217;k weet niet wat aan mijn verbaasde en vrij ontevreden ouders en enkele minuten later stond ik alweer kant en klaar,
+v&oacute;&oacute;r de wijd-uitgestrekte ijsvlakte.
+
+</p>
+<p>Hooger was de volle maan in den helderen hemel gerezen en zij werd kleiner en lichter <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span>van glans en vertoonde haar oud en welbekend gezicht, dat steeds met stillen, meelijdenden spot op de wereld daar beneden
+en het menschelijk gedoe schijnt neer te zien. Het eenzaam ijs glinsterde vaag, met diaphane, lichtblauwe en violette glanzingen.
+Bij plaatsen hing een fijne, bleeke nevel die alle contouren verwazigde en dan weer verder waren &#8217;t groote, koele, klare lichtvlakten,
+als van een uitgestorven wereld, zonder atmosfeer. De oevers droomden in een grijsachtig, als het ware rook-omneveld onbestemde
+weg. Een bosch stond zwart gelijk een hoogen muur van bazalt en de glooiende sneeuwvelden tintelden soms, alsof zij met zilveren
+stuifmeel werden overpoeierd.
+
+</p>
+<p>Ondanks het reeds gevorderd uur, waren hier en daar nog menschen op het ijs. Knapen stoeiden en ravotten nog, in de buurt
+van huisjes waar weemoedig gele lichtjes pinkten en een enkele schaatser kwam over de wijde vlakte in de sonore stilte aangereden,
+reeds in de verte hoorbaar lang v&oacute;&oacute;r men hem zag en dan van lieverlede uit de feerische atmosfeer opdoemend, eerst klein als
+een <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69">69</a>]</span>kabouter, met gekke arm-en-been-bewegingen, maar langzamerhand groeiend tot een flinke en krachtige verschijning, tot een
+soort van reus-in-eenzaamheid, die als het ware zwom en roeide over een fantastisch meer van dood en stilte, waar hij het
+eenig overblijvend levend wezen was.
+
+</p>
+<p>Ik vond het tochtje heerlijk. Het was nog veel aangrijpender en schooner dan ik mij had voorgesteld. Alle gevoel van moeheid
+was uit mij verdwenen en ik had wel zoo den ganschen nacht willen doorzweven!
+
+</p>
+<p>Reeds vertoonde zich het torentje van Meylegem-Zuid in de verte. Wat leek het lieflijk-intiem en po&euml;tisch: de eene kant in
+&#8217;t duister, de andere kant gansch tintelend-zilverwit, met den pikzwarten rechthoek, van &#8217;t klokgat, dat staarde als een oog
+in den glanzenden nacht. Daaronder een paar zwakke, gele pitjes en even verder, aan den rand van het ijs, dat vagelijk glinsterde,
+de drie verlichte ramen der gelagkamer van het Gemeentehuis. Tieldeken was dus nog op; ik zou haar zien en ook nog eens van
+h&agrave;&agrave;r schoonheid met mijn oogen genieten. Wat <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>zou ze verbaasd en verrast zijn, mij daar nog zoo laat te zien aankomen!
+
+</p>
+<p>Als een geboeide vlinder vloog ik over &#8217;t ijs, recht naar die lichten toe. Z&oacute;&oacute; sterk was ik er door geboeid en als &#8217;t ware
+verblind, dat ik een oogenblik niets anders om mij heen meer zag en niet eens merkte twee personen, een man en een vrouw die,
+innig omarmd, recht v&oacute;&oacute;r mij uit over het ijs wandelden. Ik zag het pas toen ik heel dicht bij hen was en meteen hield ik
+stil, terwijl een geweldige emotie mijn knie&euml;n deed knikken en den adem in mijn keel verkropte.
+
+</p>
+<p>Droomde ik? Was ik de speelbal eener nachtmerrie, of zag ik een abominabele werkelijkheid gebeuren?.... Was dat Tieldeken,
+omarmd door een man, door.... plotseling herkende ik hem.... door den pummel,&#8212;het kwasi boerke-van-Meylegem&#8212;dien ik nog pas
+geleden op het ijs zoo smadelijk overwonnen had!.... Het schemerde v&oacute;&oacute;r mijn oogen en ik weifelde en twijfelde. Ik wilde twijfelen,
+ik wilde niet gelooven, ik k&oacute;n den dood van al mijne illuzi&euml;n, in die romantische omgeving, in dien onge&euml;venaard-heerlijken
+<span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71">71</a>]</span>winternacht niet als een werkelijkheid aannemen.
+
+</p>
+<p>Ik sloop hen na, als een dief op de loer. Zij hadden mij niet gezien, niet gehoord; zij schoven verder over &#8217;t ijs, teeder
+omarmd, amoureus-fluisterend; zij kwamen bij den oever aan een boschje, dat zwart en hoekig op het ijsveld uitsprong.
+
+</p>
+<p>Nog steeds bleef ik twijfelen, w&igrave;lde ik twijfelen. Het kon niet, het mocht niet, het zou niet. Ik schudde woest het vreeselijk
+denkbeeld van mij af; ik had kunnen huilen en ik had kunnen razen en vloeken van akeligheid en ellende. Mijn oogen stonden
+van afschuw wijd opengespalkt, mijn mond gaapte wijd open om te brullen.
+
+</p>
+<p>Zij waren in den neveligen maneschijn om den hoek van &#8217;t donker boschje blijven staan. Door het gewirwar der naakte twijgen
+heen zag ik, tegen &#8217;t lichte sneeuwveld achter hen, duidelijk hun sombere gestalten afgeteekend. Ik voelde mij als &#8217;t ware
+niet meer leven. Het scheen mij toe alsof mijn gansche wezen aan een draadje hing.
+
+</p>
+<p>Ik zag, dat hij haar eensklaps met zijn beide armen omstrengelde en wild tegen zich <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72">72</a>]</span>aandrukte. En meteen zag ik, dat hij haar een langen plakzoen drukte op den mond! Ik zag dat, en ik wilde schreeuwen, maar
+geen klank steeg uit mijn keel. Het bloed suisde in mijn ooren en een seconde sloten zich mijn oogen. Ik voelde mij alsof
+ik flauw ging vallen. Maar &#8217;t duurde slechts een oogenblik. Ik kwam weer bij en toen zag en hoorde ik een soort van worsteling,
+en ik vernam heel duidelijk haar stem, h&agrave;&agrave;r welbekende stem:
+
+</p>
+<p>&#8212;Nie nie g&#8217;n meug nie, Frans; hier niet, wa peist ge dan!
+
+</p>
+<p>Ik wist dat zij het was, ik hoorde &#8217;t aan haar stem, dat zij het was, en nog k&oacute;n ik, nog wilde ik het niet gelooven. Maar
+hij werd hartstochtelijker opgewonden, hij greep haar beet en haar rokken, die opwoeien, ontblootten even haar ietwat scheeve
+enkels. Ik zag dat, en toen eerst wist ik, toen eerst begreep ik; en ik slaakte een kreet, een rauw gegil dat brulde door
+&#8217;t sonore van den helderen vriesnacht, alsof een beest vermoord werd!
+
+</p>
+<p>Ik weet niet meer precies wat er daarna gebeurd is.... Ik herinner mij slechts vagelijk <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73">73</a>]</span>haar snerpenden angstgil en zijn razend gevloek en beider struikelende vlucht over het ijs, naar den nabijen oever toe. Ik
+meen dat hij nog even, toen hij mij ontdekt had, met woeste verwenschingen op mij afkwam, maar spoedig weer terugkeerde, toen
+hij zag dat ik op schaatsen stond en hem in elk geval de baas zou zijn. En haar,&#8212;dat althans herinner ik mij duidelijk,&#8212;haar
+zag ik verder vluchten, vluchten, tot zij de herberg van haar ouders had bereikt, en de deur openrukte en met een rinkelenden
+smak weer dichtgooide. Het oogenblik daarna was alle licht daar uit en op het spookachtig wit-en-zwarte torentje van Meylegem
+sloeg het langzaam in de nachtelijke stilte tien uur: dat herinner ik mij nog heel goed, heel duidelijk.
+
+</p>
+<p>Toen reed ik langzaam heen, gedrukt, en droef, en zwak, en ongelukkig zooals ik nog nooit in mijn jong leven was geweest.
+De koude, strakke ijsvlakte lag daar v&oacute;&oacute;r mij als een vergane en uitgedoofde wereld, waarop geen mensch meer leven kon. &#8217;t
+Was de totale eenzaamheid, de absolute doodschheid en verlatenheid, de wanhoop en vernietiging <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span>van alles; en ik snikte, ik snikte hardop in die groote desolatie; ik snikte om ook maar voor altijd dood en voor eeuwig vergeten
+te zijn.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>O Meylegem-Zuid en o Tieldeken-schoon, wat is dat alles lang en lang verleden! Wat heb ik later dikwijls met mijn wanhoopsmart
+van toen gespot en wat heb ik het meer dan eens betreurd, dat ik toen nog zoo jong en dom was en in mijn nuchtere, sentimenteele
+onervarenheid niet guller heb genoten van wat gij toch wel geven kondet en ook geven wildet.
+
+</p>
+<p>Want ik ben toch tot u teruggekomen, weet ge &#8217;t nog wel, o Tieldeken; en gij zijt goed en lief geweest voor mij, zooals gij
+goed en lief waart voor den pummel en voor nog veel anderen (dat heb ik eerst later geweten, o Tieldeken) maar ik was toen
+veel te jong om wat ge mij wel wildet geven naar waarde te schatten, en daardoor heb ik meer bij u geleden dan genoten, Tieldeken;
+doch nu, na al die jaren, blijft alleen het goede en lieve in mijn geheugen over en ik denk <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span>weer aan u met teederheid en weemoed; en ik zie weer uw mooie oogen die ik dicht zoende, en ik voel nog uw zacht en lenig
+lichaam dat ik zoo hartstochtelijk omhelsde; en zelfs uw beenen zie ik nog, o, Tieldeken: uw beenen die van boven welgevormd
+maar langs onder ietwat krom waren, het eenigste wat u een beetje ontsierde en mij uw verlies (ik zal het u thans maar bekennen)
+toen ik u toch eenmaal verliezen moest, niet troosteloos-ondragelijk maakte.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Waar zijt ge nu, o Tieldeken? Leeft ge nog en &agrave;ls ge nog leeft, wat is er van u geworden in de afgrijselijke ramp die &#8217;t schoone
+vaderland geteisterd heeft? Zijt gij gevlucht, als zooveel duizenden en duizenden, in nood en armoede, ergens in &#8217;t verre
+onbekende; of zijt ge gebleven waar gij waart, op het mooie, po&euml;tische Meylegem-Zuid, waar nu de vreemde overweldiger, de
+vijand, heerscht? Zijt gij geworden als uw moeder, een oude, vervallen vrouw, met nog overblijfselen van vroeger schoonheid,
+maar met ingevallen, tandeloozen mond, die &#8220;dreupelfs&#8221; bestelt <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span>en nijdig met de klanten kibbelt; of ligt gij reeds lang in uw graf, ge weet wel, Tieldeken, daar op &#8217;t lieve kerkhofje onder
+het oud en blank kerktorentje, dicht bij het ouderwetsche huis waar gij altijd gewoond hebt en waar mijn eerste jongelingsliefde
+zoo vurig voor u heeft gegloeid! O, Tieldeken, ziet gij nog wel ooit de weidsche, overstroomde Meylegemsche Meerschen? Komt
+daar nog wel ooit van verre een schuitje aangevaren, licht als een vogel, met een wapperend en klapperend wit-en-rood vaantje
+op de scherpe punt; en verschijnt daar &#8217;s winters, als alles glinsterend bevroren ligt, nog wel eens een kunstrijder, die
+er voor &#8217;t oud gemeentehuis komt ronddraaien, omringd door een opgetogen schaar bewonderaars, welke nog het legendarisch en
+fabelachtig boerke-van-Meylegem meenen te zien?
+
+</p>
+<p>Wie zal het mij nu zeggen!....
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label">IV</h2>
+<h2 class="normal">Het Land in</h2>
+<p>Die teedere herinnering aan &#8217;t mooie Tieldeken en aan het po&euml;tische Meylegem-Zuid <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span>heeft alweer mijne verbeelding en mijn pen op hol gebracht. Ik ben weer veel te verre in mijn verhaal den tijd voorbijgeloopen
+en ik moet terug, lange jaren terug, naar alles wat nog tusschen toen en nu ligt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Les fleuves,&#8221; zei Pascal, &#8220;sont des chemins qui marchent.&#8221; De ijsvelden, zou ik er durven aan toevoegen, zijn wegen die trekken.
+Hoe is het mogelijk thuis te blijven zitten, of zich op een en zelfde plekje op te houden, terwijl men weet dat zich alom
+de vreugdewegen uitstrekken, dat kanalen en rivieren dichtgevroren zijn en dat men zich maar heeft te laten gaan, om spoedig
+en gemakkelijk te komen, waar men anders niet komt, om tafereelen te aanschouwen en gebeurtenissen bij te wonen, die men anders
+niet zal zien en niet zal bijwonen!
+
+</p>
+<p>Zoo ging het ons, in strenge winters, zoodra de groote waters sterk lagen. Ik herinner mij dat dagelijks gaan kijken naar
+&#8217;t kanaal, dat hopen en vreezen, dat rusteloos speuren naar den stroom, die overdag weer afvrat wat de vorst des nachts aanbakte,
+tot weldra de open geul versmalde en versmalde en eindelijk op een ochtend <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span>dicht lag, hard-dicht, als &eacute;&eacute;n lange donker-glinsterende spiegel, zoover het oog kon reiken, tusschen de kaarsrechte, met
+boomen beplante oevers van &#8217;t kanaal.
+
+</p>
+<p>Dan kwam in ons een soort van koorts en hoop en vrees stegen ten top. Zou het blijven vriezen; zou het ijs goed sterk worden;
+en bovenal zou er niet v&oacute;&oacute;r het goed sterk was, een sleeper doorheen varen, die alles weer openbrak en al onze hoog-gespannen
+hoop als ijle rook vervliegen deed?
+
+</p>
+<p>Somtijds, helaas! helaas! kwam er op &#8217;t allerlaatste oogenblik werkelijk nog een sleeper door. Ik herinner mij een ochtend,
+een schitterenden vries-ochtend, zoo een van die bladstille, grijs-lila winter-ochtenden, waarin de zon aan neveligen einder
+opkomt, gansch rood, gansch rond, als een bol zonder stralen, als een wonder uit een nieuwe, pasgeboren, onbekende wereld.
+De handen waren verkleumd, de ooren tintelden, de adem doomde alsof men rookte, maar de oogen straalden en met mijn schaatsen
+onder den arm liep ik naar &#8217;t kanaal toe, zoo goed als zeker dat er reeds op gereden werd.
+
+</p>
+<p>Toen, plotseling, hoorde ik iets dat mijn <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span>beenen verlamde en den adem in mijn keel deed stokken: Een geloei, een gebrul, schor en akelig-langgerekt, als een noodkreet
+van verwoesting: de stoomfluit van een sleeper!
+
+</p>
+<p>Hoe was het mogelijk! &#8217;t Kanaal lag reeds enkele dagen dicht en dien nacht had het gevroren, gevroren! Ik kon noch wilde het
+gelooven en holde naar de vaart toe, om mij te overtuigen dat het slechts een akelige zinsverbijstering van mij was.
+
+</p>
+<p>Helaas! helaas! drie maal, tien maal, honderd maal helaas! Zoodra ik op den berm kwam zag ik een dikke, zwarte rookpluim en
+onder die rookpluim de sombere sleeper, die als een vraatzuchtig beest door &#8217;t mooie ijs geploegd kwam. Ik vloekte en meteen
+had ik kunnen snikken van ellende. Ik zag die scherpe, zwarte punt door de spiegelgladde <span class="corr" id="xd0e702" title="Bron: oppelvlakte">oppervlakte</span> boren; ik zag het ijs barsten als glas en ik hoorde het als &#8217;t ware schreien onder &#8217;t kraken; ik zag de van elkaar gerukte
+schotsen naar de oevers opkruien en zich daar in de wanhopigste verwarring boven op elkander stapelen, ik zag het reddeloos
+vernietigen van al die schoone hoop-in-belofte, die bijna reeds <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>werkelijkheid was; en zulk een woede greep mij aan, dat ik mijn beide vuisten balde naar het werk van de vernielers en aan
+de zwarte, vuile mannen daar op &#8217;t dek toeschreeuwde, dat ik hen allen met hun rotte schuit naar den kelder wenschte. Zij
+lachten mij uit met hun gemeene, koolzwarte tronies en uittartend lieten zij weer hun heesche stoomfluit brullen, oorverdoovend
+lang en akelig, om te eischen dat men ginds even verder in het dorp, de brug voor hen ophaalde.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Dat waren dan de doodende gebeurtenissen, doch niet elk jaar trof ons zulk een gruwelijke ramp. Er kwamen ook winters waarop
+het ijs aan de vernielingszucht der menschen ontsnapte en dan werden wij de triomfeerende helden van die heerlijkheid en ons
+genot kende geen grenzen meer.
+
+</p>
+<p>O, die tochten, die tochten, die uren-en-die-dagenlange tochten over de kanalen en rivieren van het schoone Vlaanderenland!
+
+
+</p>
+<p>Het kanaal op zichzelf was slechts een rechte, vrij eentonige verbindingsweg en daar het vrij diep lag tusschen zijn oevers
+was er <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81">81</a>]</span>omheen al niet veel te zien; maar aan het uiteinde van het kanaal was er een sluis; en dan had men de Leie, de mooie, kronkelende,
+po&euml;tische Leie, de rivier der dichters en der schilders, die als het ware plat over het land heen lag uitgeslingerd met langs
+haar grillige boorden de schoonste ouderwetsche dorpjes, de kleurenrijkste boerderijtjes en de verrukkelijkste vergezichten
+welke een artiesten-ziel zich droomen kan.
+
+</p>
+<p>O, witte kleine kerktorentjes, mooier en intiemer nog dan het liefelijk Meylegem-Zuid; oude, oude torentjes van nietige dorpjes,
+zooals gij u daar stond te spiegelen onder boomen, op een heuveltje, bij een lus der rivier, gansch wit en grijs, met zwarte
+klokgaten-oogen; lieve torentjes van Vlaanderen, bestaat gij nog? Ik durf aan u haast niet meer denken, z&oacute;&oacute; zwaar drukken
+mij heimwee en vrees. Maar zooals ik u t&oacute;&eacute;n zag, in die heerlijke dagen, in die zacht-wazige atmosfeer van wit, en roze, en
+mauve, teer doorzeefd van tintelend zonnegoud, zoo zie ik u nog steeds in mijn geheugen en vergeet ik u nooit!
+
+</p>
+<p>Het was een wonder en ontroerend leven. <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span>Evenals de natuur zelve, schenen de menschen van aard en karakter veranderd. Dat doet het ijs. Het ijs maakt andere, nieuwe
+wezens van de menschen. Er ontstaat ineens een ongekende broederlijkheid en vrijheid van omgang. De mensch vertoont zich,
+schijnt zich althans te willen vertoonen, zooals hij werkelijk is. En onder den invloed van het ijs, het schoone ijs der schoone
+winterdagen, ontluikt de liefde, de lichte, vroolijke liefde van een dag of van een uur, gelijk een mooie bloem die even geurt
+en kleurt en fleurt en even gauw verwelken mag als zij ontstond, zonder wrange spijt noch wroeging na te laten.
+
+</p>
+<p>O, wat al vluchtige, korte liefdes in dat frisch en licht, charmant verleden! Wat al mooie boerinnetjes, wel zoo mooi en zelfs
+nog mooier dan het aardige Tieldeken van Meylegem-Zuid, eventjes in &#8217;t voorbijrijden gezien met blozende wangen en stralende
+oogen; eventjes aangesproken, en de hand gedrukt en ook wel eens gezoend en in de lenden geknepen, maar dan ook zonder spijt
+weer verder, naar andere bekoringen, naar andere oogen en andere lippen, als een vrije <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span>vogel van tak op tak, als een lichte en lichtzinnige kapel van bloem tot bloem! Het had niets ernstigs te beteekenen, het
+vulde een uur of een half uurtje van den vroolijken dag; het was een glimlach en een streeling, een opwekkende prikkeling
+der zenuwen, iets als de prikkeling der scherp-gezonde lucht, die alles zoo goed en zoo licht en verrukkelijk maakte. Want
+de grond en de basis van al dat heerlijke genot was en bleef toch steeds het element-zelf waardoor en waarop het gebeurde:
+het ijs en het schaatsenrijden! En terwijl al die lichte minnarijtjes als het ware om ons heen in de ijle atmosfeer wegwoeien,
+zweefden wij zelven steeds verder en verder, verslonden wij afstanden en dorpen en kwamen telkens weer in streken waar weer
+alles nieuw was. Waar wij ook verschenen was het een verrassing, een openbaring, en als &#8217;t ware een verovering. Bij ieder
+dorp, in elke kleine stad vertoonden wij onze kunsten en genoten wij triomfen; en telkens hoorden wij, evenals vroeger te
+Meylegem-Zuid, uit de bewonderende scharen den kreet opgaan: &#8221;&#8217;t Es boerke van daar of van daar!&#8221; want ieder dorp, elk gehucht,
+<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84">84</a>]</span>hoe klein en onbeduidend ook, had zoo zijn legendarisch boerke, zijn ijsheld, dien niemand ooit gezien had, maar dien allen
+kennen wilden en in elken knappen, vreemden schaatsenrijder meenden te ontdekken.
+
+</p>
+<p>Toen dacht ik weer aan Tieldeken van Meylegem en voelde een soort wroeging en heimwee. Wat had ik haar verwaarloosd, bijna
+vergeten! En ik reed er weer eens heen en bleef er enkele uren; maar &#8217;t was reeds d&agrave;t niet meer, de vrijheid trok, de onrust
+kwelde, de groote ijswegen van &#8217;t schoone land lokten almachtig en de Meylegemsche Meerschen, hoe ruim en heerlijk ook, waren
+reeds te klein geworden.
+
+</p>
+<p>Ik moest weer weg en verder, de wijde wereld in.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label">V</h2>
+<h2 class="normal">De groote, deftige ijsliefde</h2>
+<p>Dat rusteloos rijden en trekken, dat steeds verder en verder willen komen en steeds meer willen zien en genieten, bracht mij
+ten slotte van uit de schoone eenzaamheid der dorpen en der velden tot in de groote, <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span>drukke stad, waar veel en veel duizenden menschen leefden. Ik maakte er kennissen, die van lieverlede vrienden werden. Weldra
+verkeerde ik er op intiemen voet met den Grooten Dichter, den Grooten Schilder, den Grooten Musicus en nog veel anderen, allen
+hartstochtelijke schaatsenrijders. Wij reden er samen gecompliceerde en mooie figuren midden in een elegante drukte van dames
+en heeren, die ook reden en ons zeer bewonderden. En zoo langzaam aan breidde de kring van kennissen zich uit en wij werden
+allen mondaine rijders en weldra zag men ons zwieren met mooie, geparfumeerde wezentjes, in rijke, bonten mantels en &#8217;t werd
+een soort gedistingeerde hofmaking van elken dag, waaruit,&#8212;zoo werd gefluisterd,&#8212;wel een paar chic-que huwelijken zouden kunnen
+voortspruiten.
+
+</p>
+<p>Huwelijken!.... Ik geloof niet, dat een van ons allen daar een oogenblik ernstig aan dacht. Misschien dachten de mama&#8217;s er
+aan, terwijl ze, vaag haar dochters chaperoneerend, met welwillenden glimlach zich in sleedjes lieten voortduwen, en misschien
+wel dachten de meisjes zelven aan <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86">86</a>]</span>iets dergelijks, want haar oogen straalden zoo en zij schenen zoo intens van alles te genieten; doch wij.... neen.... wij
+dachten alleen aan prettig schaatsenrijden en een beetje los en aardig flirten.
+
+</p>
+<p>Maar hoe dan ook, de Groote Dichter reed stellig bij voorkeur met een aardig snoetje, die een mooie, bruine pels en een toque
+met paarse viooltjes droeg; de Groote Schilder, die lang en mager was, scheen zijn keuze te hebben gevestigd op een mollig,
+frisch wezentje met appelronde en roze wangen, en de Groote Musicus, vrij kort en dik van figuur met fladderende krullokken,
+zooals een musicus betaamt, kleefde vast aan een lang-opgeschoten, mager meisje, zeer elegant, maar ietwat stijf en stroef
+in haar bewegingen. Ik alleen had nog niets vasts!
+
+</p>
+<p>Nog niets bepaalds, maar wel iets in &#8217;t zicht!....
+
+</p>
+<p>Langs de lange banen die ik volgde om ter groote stad te komen, langs de vele en sierlijke lussen en bochten der po&euml;tische
+rivier, rezen menige villa&#8217;s, buitens en kasteelen op, die &#8217;s zomers allen vroolijk bewoond, <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span>maar bijna zonder uitzondering &#8217;s winters stug en dicht gesloten waren.
+
+</p>
+<p>Bijna allen, maar toch niet &agrave;llen! Een was er, ongeveer halverwege tusschen mijn dorp en de groote stad, dat het gansche jaar
+door werd bewoond. &#8217;t Was een baron, die daar vertoefde, burgemeester der gemeente. Ik had wel eens zijn naam hooren noemen,
+maar hem zelf nooit gezien. Ik wist ook niet dat hij gehuwd was en kinderen had en &#8217;t kon mij trouwens ook niets schelen.
+
+
+</p>
+<p>Het was een mooi kasteel, lichtroze en grijs in harmonieuze schakeeringen en het verhief zich tegen een achtergrond van statige
+boomen, op een zacht-glooiend grasveld, bij een bocht van de rivier, die daar een breeden inham maakte. &#8217;s Zomers moest men
+er voorzeker van een heerlijk vergezicht genieten over de stille kronkelingen van het water en de alomliggende weiden, bosschen
+en landouwen. Maar zelfs in &#8217;t barre van den winter was het er liefelijk en mooi en het verwonderde mij niet, dat de familie
+er &#8217;t gansche jaar door bleef wonen. Ik keek er telkenmale naar met welgevallen wanneer ik daar voorbij reed en alleen verbaasde
+<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>&#8217;t mij dat de menschen die daar leefden niet de heerlijke gelegenheid te baat namen om er volop van &#8217;t ijs te profiteeren.
+Hoe is &#8217;t mogelijk! dacht ik telkens in mijzelf. En ik had daar wel willen aan wal stappen en binnen gaan om hen te zeggen:
+&#8220;Maar, menschen, komt nu toch op &#8217;t ijs, niemand in den ganschen omtrek heeft zulk een prachtige gelegenheid, vlak v&oacute;&oacute;r zijn
+deur!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was of mijn stillen aanroep werkelijk geuit werd en of zij er gehoor aan gaven. Eens, op een morgen, toen ik daar langs
+kwam, waren zij werkelijk aan &#8217;t schaatsenrijden! Ik kende hen wel niet, maar ik begreep dadelijk en instinctief, dat &#8220;zij&#8221;
+het waren. Dat voelt men zoo, dat ziet men, dat hoeft niet gezegd. Met hun vijven waren ze: een jongeling van zeventien of
+achttien, twee meisjes van dertien of veertien, een juffer zonder leeftijd, die er uitzag als een gouvernante en ten slotte
+een jonge dame van misschien acht en twintig of dertig, een beeldschoone vrouw.
+
+</p>
+<p>&#8217;k Ben meer dan eens, met alles-verzengenden, plotselingen gloed, verliefd geworden op het ijs, maar z&oacute;&oacute; totaal en overweldigend-verliefd
+<span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89">89</a>]</span>als ik d&aacute;&aacute;r werd op &#8217;t eerste zicht, neen, d&agrave;t was mij nog niet overkomen. Ik had maar &eacute;&eacute;n plotse afschuwelijke, alles-vernietigende
+vrees: dat zij wellicht de moeder was der andere kinderen en dat mijn vlam dus in den dop versmacht zou worden; doch op hetzelfde
+oogenblik dat die gruwelangst door mijn ziel heen ijsde, hoorde ik de jongere meisjes familiair haar naam &#8220;Olga! Olga!&#8221; uitroepen
+en het streek als een zalvende balsem over mijn gefolterd hart.
+
+</p>
+<p>Zij was lang en slank van gestalte, maar met toch mooi-gevulde vormen, en zij had schoone regelmatige trekken, en prachtig,
+donker haar, en een gezond, frisch teint, en oogen.... oogen, zooals ik er nog nooit zulke sprekende, bezielde, overweldigend-prachtige
+gezien had. Haar gansche beeld boeide mij zoo totaal en absoluut, dat ik staan bleef, als plotseling geremd, als vastgevroren,
+om haar te bewonderen. Zij droeg een donkerblauwe japon en daarboven een witte jersey en wit-wollen mutsje, en dat stond haar,
+dat mouleerde haar mooi lichaam en sierde haar mooi hoofd, om er ziek van te worden!
+<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span></p>
+<p>Zij reed niet goed. Men kon duidelijk merken, dat ze zich nog maar weinig had geoefend. Haar bewegingen waren stroef en aarzelend,
+maar hoe gracieus niettemin, hoe heerlijk en ontroerend gracieus, wellicht juist omdat ze ietwat hulpbehoevend waren! Zij
+reed heen en weer met de jongere meisjes, die ook al vrij gebrekkig reden, evenals de gouvernante trouwens, die met moeite
+kraste en krabbelde, en heelemaal geen elegance had. De jonge jongen, op een apart plekje, poogde zich te oefenen in &#8217;t kunstrijden,
+maar &#8217;t was armzalig, hij kende er nog niets van, hij struikelde en gleed uit en dreigde elk oogenblik te zullen vallen.
+
+</p>
+<p>Ik stak een sigaretje op, schijnbaar achteloos, als om even uit te blazen, zwierde een paar keer gewoon heen en weer en trok
+dan plotseling, op het geschikte oogenblik, waar ze &#8217;t goed konden zien, met zegevierend brio, een van mijn allerprachtigste,
+allergecompliceerde kunstfiguren.
+
+</p>
+<p>Zij zagen het en stonden eensklaps stil, als &#8217;t ware pal van verbazing en bewondering.
+
+</p>
+<p>&#8212;Olga! Olga! <span lang="fr">tu as vu, <span class="corr" id="xd0e779" title="Bron: ca">&ccedil;a</span></span>! riep een van <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91">91</a>]</span>de meisjes, in &#8217;t Fransch, tot de ontroerende schoone.
+
+</p>
+<p>Ik, natuurlijk, deed, alsof ik niets gemerkt had. Maar mijn hart klopte, klopte....! Ik schudde de asch van mijn sigaret,
+reed een eind weg, keerde terug, nam mijn elan en waagde een figuur dat, als het lukte, een van mijn gr&oacute;&oacute;t-triomfen was.
+
+</p>
+<p>Het lukte! Als een vogel zweefde en fladderde ik over het ijs en achter mij ging weer een kreet op van bewondering, terwijl
+ze zich nu allen in een groepje schaarden en kijkend stonden te wachten wat er nog meer zou gebeuren.
+
+</p>
+<p>Iets in het diepste van mijn wezen zei mij, dat er nu niets meer mocht gebeuren. De triomf was totaal, compleet, en kon slechts
+meer bedorven worden. Ik had ineens, door mijn smorende liefde overweldigd, t&egrave; veel gegeven; ik had meer gegeven dan ik werkelijk
+kon en ik hijgde en duizelde van de inspanning. Mijn opgewekte zintuigen waren tot het uiterste geprikkeld en gescherpt en
+&#8217;t zou mij welkom zijn geweest als er nu plotseling met mij iets was gebeurd; een flauwte, een inzinking, een klein accident,
+iets <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span>dat mij alle verder kunstenvertoon onmogelijk maakte. En plotseling kreeg ik een geniale ingeving: ik begon een kunsttoer,
+iets geweldigs van aanvang, alsof ik nu eens alle bekende en onbekende wereldrecords ging slaan; maar meteen zorgde ik er
+voor dat een van mijn schaatsen even over het ijs schraapte, en haperde, en hobbelde, alsof er iets aan mankeerde of gebroken
+was. Ik remde midden in mijn wildste zwieren, tilde den voet op, keek naar mijn schaats, schudde bedenkelijk het hoofd en
+hinkte op &eacute;&eacute;n been naar den oever toe. Ik hield het voorname groepje wel in &#8217;t oog, ik merkte duidelijk een spijtige, teleurgestelde
+uitdrukking op de gezichten en hoorde deze mij zoo zoet in &#8217;t oor klinkende woorden:
+
+</p>
+<p>&#8212;Quel dommage! Il a cass&eacute; un de ses patins!
+
+</p>
+<p>Ik was gaan zitten op den grasrand bij den kant en had mijn rechterschaats losgemaakt. Ik keek ter sluiks en dacht: &#8220;Zouden
+ze zich niet interesseeren? Zouden ze niet komen vragen wat scheelt er?&#8221;.... Helaas! zij kwamen niet. Ze bleven nog een poosje
+staan kijken, wellicht wachtend of ik het <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>gebrek kon repareeren en weer met mijn kunsten zou beginnen; maar toen ze merkten dat er niets van kwam, keerden ze zich weldra
+om en gingen kalm weer aan &#8217;t knoei-rijden. Diep voelde ik mij ontnuchterd en teleurgesteld. Het was zoo mooi begonnen, &#8217;t
+liep alles zoo prachtig van stapel en nu, juist nu als het tot een triomf moest opbloeien, ging het als een nachtkaars uit!
+Wat nu! Zou ik weer mijn schaats aantrekken en mij in vertooning geven? Neen: ik voelde, dat ik d&agrave;t niet doen moest. Nu was
+er nog als een aureool van slachtoffer om mij heen. Ik moest dien dag slachtoffer blijven. Dat stond beter, grooter, verhevener.
+Nu konden ze nog in hun herinnering bewonderen wat ze gezien hadden en treuren om wat hun onthouden werd. Zij zouden er nog
+met elkander over spreken, mij beklagen, hopen mij terug te zien. Ik stond op, met mijn rechterschaats onder den arm en op
+mijn linkerbeen alleen, dat &#8217;t sterkste van de twee was, zwierde ik over het ijs weg, licht en krachtig nog ondanks mijn ongeval,
+waardig en zelfs groot,&#8212;ik voelde het,&#8212;in den onverdienden tegenspoed die mij <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94">94</a>]</span>getroffen had. Even voorbij de bocht keek ik eens om en zag, dat ze mij naoogden. Mijn gemoed zwol van trots en ik ademde
+diep. Ik voelde dat ik indruk had gemaakt, ja, dat ik overwonnen had. Er was daar een gehucht van kleine huisjes aan den rand
+van &#8217;t water, waaronder een herbergje. Ik wipte aan wal en stapte er binnen. Een dikke vrouw kwam naar mij toe, groette mij
+<span class="corr" id="xd0e800" title="Bron: vriiendelijk">vriendelijk</span>, praatte dadelijk over &#8217;t mooie weer en vroeg mij wat ik wenschte. Ik begreep terstond dat ik met een babbelkous te doen
+had,&#8212;juist wat ik op dit oogenblik verlangde,&#8212;bestelde iets en bracht al spoedig het gesprek op de baronsfamilie, die daar
+bij &#8217;t kasteel ook zoo lustig aan het schaatsenrijden was.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ha da &egrave;s toch wat, e-woar, meniere; en mejonkvreiw Quiline, die doar euk nog aan mee doet! riep de dikke vrouw, de beide
+handen op haar heupen zettend.
+
+</p>
+<p>Mejonkvrouw Quiline! Die mooie naam trof mij geweldig. Ik voelde dat &#8220;zij&#8221; het was, dat &#8220;zij&#8221; het wezen moest. Het kon niet
+anders.
+
+</p>
+<p>&#8212;Is dat de oudste van die jonge dames! <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95">95</a>]</span>vroeg ik, mij met inspanning zoo schijnbaar kalm en onbewogen mogelijk houdend.
+
+</p>
+<p>&#8212;Joa &#8217;t meniere; joa &#8217;t meniere, bevestigde de struische waardin. En zij begon mij een gecompliceerd verhaal over mejonkvrouw
+Quiline, een wees van adel, maar zonder fortuin, die bij haar oom, den baron, inwoonde en zoo lief en zoo aardig was, zoo
+vriendelijk met alle menschen, heelemaal niet trotsch of verwaand, &#8220;en zuk &#8217;n scheun vreiwe-meinsch, meniere, as &#8217;t &#8217;n boeremeiske
+woare dat den helft van &#8217;t dorp d&#8217;r zot van zoe leupen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Een wees, dacht ik, en geen fortuin, hoewel van adel, en zoo lief en zoo aardig, en misschien wel tegen haar zin gedwongen
+daar, als behoeftige bloedverwante, bij haar oom in te wonen! Horizonnen gingen heerlijk zacht-verleidend v&oacute;&oacute;r mij open; horizonnen
+van geluk en liefde, van levensblijde zaligheid in ideale toekomst!
+
+</p>
+<p>Zoodra ik met het babbelwijf had afgerekend trok ik weer mijn schaatsen aan en weg was ik, in &eacute;&eacute;n adem door, naar de stad
+toe. Op het ijs vond ik er dadelijk mijn vrienden: den Grooten Dichter, den Grooten <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span>Schilder, den Grooten Musicus, als naar gewoonte druk aan &#8217;t zwieren met de vriendinnetjes die ze zich uitgekozen hadden;
+maar zij waren eenigszins ontstemd omdat het ijs zoo slecht werd in de buurt der stad, zoo doodgereden; en zij vroegen mij
+of er op mijn lange baan niet een of ander mooi en rustig plekje was, waar ze zich beter zouden kunnen oefenen.
+
+</p>
+<p>Een licht ging v&oacute;&oacute;r mij op. Ineens, met pijlsnelle gevolgtrekking, zag ik de mogelijkheid in van heel dichtbij mijn ideaal
+te benaderen. In mijn eentje,&#8212;dat voelde ik wel,&#8212;zou het mij lastig, zooal niet onmogelijk zijn, met haar in aanraking te
+komen. Maar in gezelschap van anderen, vooral als er dames bij waren, was er een zeer besliste kans op. Mijn oogen straalden
+en ik voelde mijn wangen een kleur krijgen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ik weet een heerlijk plekje, prachtijs, zoowat drie kwartier rijdens hier vandaan, vlak v&oacute;&oacute;r &#8217;t kasteel van X. zei ik.
+
+</p>
+<p>Strak en ietwat aarzelend, keken zij mij even aan. Drie kwartier rijdens, &#8217;t was wel een heel eind. Zou het werkelijk de moeite
+loonen? Was het inderdaad zulk mooi ijs <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span>als ik zei en werd er daar nog meer gereden?
+
+</p>
+<p>&#8212;De familie van den baron rijdt er dagelijks: een jonge man en verschillende dames! antwoordde ik met geestdriftige overtuiging,
+alsof dit op zichzelf wel een voldoende en afdoende argument moest wezen.
+
+</p>
+<p>Ik vrees wel en ik geloof ook, dat de vurigheid van mijn betoog op dat oogenblik de warmte van mijn diepen hartstocht heeft
+verraden. Zij keken mij allen een beetje verwonderd aan en de Groote Dichter zei spottend:
+
+</p>
+<p>&#8212;Hoh&oacute;&oacute;! En zijn er knappe meisjes onder?
+
+</p>
+<p>Ik kreeg een kleur als vuur. Ik voelde &#8217;t bloed onder mijn wangen gloeien en stond daar even radeloos, zonder te kunnen antwoorden.
+Doch wat ik ook al zeggen wou, &#8217;t bleek overbodig, zij hadden mijn geheim op mijn benauwd gezicht gelezen en vierden er de
+dolste pret om. Zij vroegen mij schertsend haar naam, haar leeftijd, en hoe zij er uitzag en honderd dingen meer. Ik had wel
+&#8217;k weet niet wat gegeven als ik daar nooit over begonnen was; maar &#8217;t was te laat, zij raakten opgewonden over het geval en
+ondanks mijn halsstarrige ontkenningen en mijn verwoede <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98">98</a>]</span>tegenkanting wilden zij nu absoluut daarheen; en er werd afgesproken, dat zij mij den volgenden ochtend, om elf uur, op de
+aangewezen plek, v&oacute;&oacute;r het kasteel, zouden verwachten.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ik zal er niet zijn! riep ik razend, van spijt op mijn onderlip bijtend. En &#8217;k was ook vast besloten niet te komen. Ik was
+z&oacute;&oacute; ontstemd, dat ik moeite had om niet te huilen en te schelden en ik verliet hen dien avond als vijanden, die ik nooit terug
+zou zien.
+
+</p>
+<p>Ik sliep niet, dien nacht. Zelden heb ik mij z&oacute;&oacute; diep ongelukkig gevoeld. &#8217;t Verdriet om Tieldeken van Meylegem, was niets
+daarbij vergeleken. Hoe was het toch mogelijk dat ik zelf, met slechts een paar onbezonnen woorden, in een oogwenk, mijn teedere
+illuzie, mijn schoon ideaal, mijn frisch en jong geluk ontfleurd, geschonden en vernietigd had!
+
+</p>
+<p>Half ziek van ellende stond ik op. Gedurende mijn woeligen, slapeloozen nacht had ik gewenscht en gehoopt dat het weer zou
+veranderen, dat het waaien, regenen, dooien zou; maar nog nooit had de winterzon zoo heerlijk in rein-stillen hemel gestraald
+en <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span>gebloeid als dien ochtend en dat verergerde mijn radelooze ontreddering, want nu zouden zij zeker komen, evenals het vast
+en zeker was, dat ook de bewoners van &#8217;t kasteel niet zouden nalaten van dit prachtig weer te profiteeren.
+
+</p>
+<p>Toch was ik vast besloten niet te gaan. Zoo zou ik mij wreken. Mij wreken.... maar zelf meteen folterend lijden. &#8217;t Werd negen
+uur, kwart over negen, half tien. Een rustelooze gejaagdheid zweepte mij op, dreef mij voortdurend heen en weer, deed mij
+elk oogenblik mijn horloge uithalen. Nog een half uur, nog een kwartier, en &#8217;t zou te laat worden, ik zou er niet meer k&ugrave;nnen
+komen! Of zou ik wellicht toch.... al was &#8217;t maar op een afstand.... van verre.... ergens mij verschuilen.... kijken, al was
+&#8217;t maar om te weten of ze werkelijk gekomen waren, en hoe ze zich daar hielden....? Ik voelde mij krankzinnig worden van onrust
+en ellende; en plotseling was mijn besluit genomen: ik greep naar mijn schaatsen, vloog naar de deur, holde buiten, kwam aan
+&#8217;t kanaal, bond aan en reed weg, alsof mijn leven op het spel stond.
+<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span></p>
+<p>Nog nooit had ik z&oacute;&oacute; gereden! Nu nog, als ik er aan terug denk, voel ik als &#8217;t ware die wilde opzweeping, dat rijden op leven
+en dood, dat hijgen en dat bonzen van mijn hart en de zweetstralen die in de straffe winterzon langs mijn gloeiende wangen
+stroomden. &#8220;Die moet er zijn!&#8221; riepen de schaatsenrijders, die mij als een bezetene langs hen heen zagen razen. Eerst toen
+ik in de buurt van het kasteel gekomen was, bedaarde ik een weinig. Ik k&ograve;n ook niet meer. Ik was letterlijk op. Maar ik verademde
+in al mijn zwoegen, toen ik merkte dat mijn inspanning niet tevergeefsch was geweest en de adellijke familie daar rustig op
+&#8217;t gewone plekje aan &#8217;t rondrijden was, zonder een van mijn gevaarlijke vrienden in hun nabijheid. Die waren er dus nog niet;
+ik kon ze tegemoet rijden en eventueel tegenhouden; ik kon althans een soort contr&ocirc;le uitoefenen op hun optreden en zorgen,
+dat ze geen gekheden uithaalden. Ik ging een oogenblik op den oever zitten om wat te bekomen en toen reed ik kalm en langzaam
+verder, in de richting van &#8217;t kasteel toe.
+
+</p>
+<p>Wat lag het daar mooi en deftig en sierlijk, <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101">101</a>]</span>gansch badend in stralende winterzon en blauwen hemel en wat scheen het mij heerlijk daar te mogen leven! Ik zag er mij reeds,
+in mijn rijke en vlugge verbeelding, zittend aan een feestdisch naast haar en ik gloeide van liefde en tranen van geluk en
+zelfverteedering kwamen in mijn oogen. Daar reed ze weer, met haar nichtjes en de juffer en haar neef op het verrukkelijk
+plekje heen en weer, en zij scheen mij nog veel mooier en bekoorlijker dan al de vorige dagen; en ik fluisterde in mij zelf
+haar naam, haar zachten, lieflijken naam: Quiline, en in mijn sidderende verbeelding omarmde ik haar en zoende haar hartstochtelijk,
+op de wangen, op de oogen, op de lippen....
+
+</p>
+<p>In zulke ontbrandende stemming reed ik langzaam en schijnbaar kalm, met sierlijke zwaaien voorbij. O, zoo dacht ik, ze moest
+eens weten, ze moest eens voelen wat ik op dit oogenblik weet en voel! Zij zagen mij en staakten even hun nog steeds vrij
+sukkelige oefening om mij na te staren. Ik zwaaide en zwierde als een verliefde jonge God over het ijs. Ik hoorde hun opmerking:
+&#8220;C&#8217;est lui, c&#8217;est le m&ecirc;me!&#8221; en &#8217;t zwol in mij <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span>van trots en van ontroering. Wat was ik blij dat ik toch maar gekomen was! En wat een geluk dat ik er toch nog de eerste was
+en de anderen een eind tegemoet kon rijden! Als die nu ook maar kwamen! Zoozeer als ik hun komst eerst gevreesd had, zoo sterk
+verlangde ik er nu naar. Ik voelde als het ware een triomfstemming in en alom mij heen: een triomf, die eerst volmaakt zou
+worden, als de anderen er nu getuigen van werden en er in medewerkten.
+
+</p>
+<p>Daar waren ze! Ik zag ze komen van verre, even voorbij het herbergje der babbelkous, waar ik den vorigen dag gepleisterd had.
+Zij zwaaiden naar mij met hun armen en op hun verhitte gezichten en in hun stralende oogen glom reeds bij voorbaat ondeugende
+pret.
+
+</p>
+<p>&#8212;Is ze daar! riep de Groote Dichter mij toe. En de Groote Schilder zond kushanden door de lucht, terwijl de Groote Musicus
+pathetisch galmde: &#8220;Oh bel ange, ma Lucie!&#8221; De jonge dames giegelden en lachten.
+
+</p>
+<p>&#8212;Houen jullie toch wat stil! zei ik bezorgd en onrustig mijn wenkbrauwen fronsend.
+
+</p>
+<p>Maar zij waren nu eenmaal dol opgewonden, <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span>zooals meer gebeurt met stadsmenschen, wanneer ze buiten komen; en die opgewondenheid uitte zich in vrij smakelooze uitbundigheden.
+Omdat een haan luid kraaide op een boerderijtje langs den oever, begonnen zij ook allen schril te kraaien. Omdat een waakhond
+blafte gingen zij ook aan &#8217;t blaffen en omdat de babbelkous van &#8217;t herbergje met onbehouden nieuwsgierigheid naar hun rumoerigen
+optocht kwam kijken, zetten zij ook allen groote oogen van overdreven verbaasdheid op en riepen &#8217;t wijf in het Fransch gekke
+dingen toe waarvan ze geen woord kon verstaan.
+
+</p>
+<p>&#8212;Asjeblief doe dat niet! smeekte ik diep ongelukkig, met het ellendig gevoel dat mijn gansche triomf als sneeuw v&oacute;&oacute;r de zon
+ging versmelten.
+
+</p>
+<p>Zij bedaarden een weinig. Zij reden kalmer naast mij door en toen zij weldra in &#8217;t zicht van het mooie kasteel kwamen dat
+daar gansch glinsterend roze in zonneglans te baden stond en de deftige familie zagen, die zich bij den inham in het schaatsenrijden
+verlustigde, scheen het wel eenigen indruk op hen te maken. De Groote Dichter had <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104">104</a>]</span>woorden van waardeering en vooral de Groote Schilder jubelde, terwijl de Groote Musicus even zijn pet afnam en zijn manen
+van voor het voorhoofd wegschudde om beter te zien. De vrouwen waren typisch. Zij keken al niet veel naar het kasteel en zijn
+mooie omgeving, maar zagen dadelijk de schaatsenrijdende meisjes; en een gepinceerde uitdrukking kwam om haar lippen, terwijl
+ze scherp-critisch het viertal opnamen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Dewelke is het nu? vroeg spotachtig de Groote Dichter.
+
+</p>
+<p>&#8212;Zal ik het je zeggen! riep levendig het aardig snoetje, dat altijd met hem reed: de grootste is het: die met haar blauwen
+rok en witte trui!
+
+</p>
+<p>&#8212;Maar &#8217;t is al een oude! giegelden de twee anderen.
+
+</p>
+<p>Ik voelde &#8217;t bloed naar mijn wangen stijgen. Ik had wel onder het ijs willen wegzinken!
+
+</p>
+<p>&#8212;Praat toch zoo hard niet! zuchtte ik wanhopig.
+
+</p>
+<p>De deftige familie had ons opgemerkt. Verwonderd door onze onverwachte verschijning, stonden zij daar even op een rijtje,
+roerloos, met belangstelling ons opnemend. <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105">105</a>]</span>Zij wisselden enkele woorden, glimlachten, en gingen dan weer kalm doorrijden. Er was ik weet niet welke vage stemming van
+stille, onverklaarbare hostiliteit.
+
+</p>
+<p>&#8212;Hoe oud is ze? kwam de Groote Dichter met schijnbaar-ernstige belangstelling naar mij toe.
+
+</p>
+<p>&#8212;Weet ik het! klonk mijn ongeduldig, gesarde antwoord.
+
+</p>
+<p>&#8212;Het ijs is hier mooi, laten we maar wat figuren rijden, zei het meisje van den Grooten Dichter, die dadelijk gemerkt had,
+dat de deftige familie slechts een troepje knoeirijders was.
+
+</p>
+<p>En zij begon sierlijk te zweven.
+
+</p>
+<p>De anderen volgden haar voorbeeld. En dadelijk werden op het mooie plekje eenige kunstfiguren getrokken, zooals het ijs er
+daar wellicht nog nooit ontvangen had.
+
+</p>
+<p>Het scheen diepen indruk te maken. Weer stond de deftige familie roerloos op een hoekje te kijken en van lieverlede, zonder
+het haast te merken, namen wij meer en meer de plaats in, waar zij zich tot dusver geoefend hadden. Ik zag het eensklaps met
+schrik en zei:
+
+</p>
+<p>&#8212;Laten we liever een eindje meer naar <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106">106</a>]</span>&#8217;t midden der rivier gaan, ik vrees dat we hier hinderen.
+
+</p>
+<p>Maar de meisjes protesteerden luide:
+
+</p>
+<p>&#8212;Waarom? Het ijs is hier uitstekend en de rivier is toch geen priv&eacute; eigendom?
+
+</p>
+<p>Ik zweeg, geconsterneerd. Hoe durfden ze zoo onbescheiden op te treden! Die stadslui, eenmaal buiten, hadden toch geen greintje
+beschaving of tact meer! En weer speet het mij geweldig, en had ik kunnen schreien van spijt en ellende, dat ik hen daar gebracht
+had. Het verlamde mij totaal, al mijn pleizier was ineens weer weg, ik reed geen steek meer, ik stond daar roerloos en benauwd
+te kijken, in voortdurenden angst dat er iets vreeselijks gebeuren zou.
+
+</p>
+<p>De deftige familie, een enkel oogenblik geboeid, nam reeds geen notitie meer van ons. Zij bleven in hun hoekje, dat steeds
+kleiner werd en sukkelden daar knoeierig heen en weer en de stemming van stille hostiliteit, die ik al van &#8217;t begin gevoeld
+had, scheen zich te accentueeren, uit te breiden! &#8217;t Was ook te gek, zooals die steedsche meisjes zich daar aanstelden. Omdat
+ze iet of wat konden kunstrijden, deden zij alsof <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107">107</a>]</span>ze heldinnen waren in de sport en keken met onverholen minachting en spot naar &#8217;t gewurm der anderen. &#8220;Niet fameus, het rijden
+van je belle,&#8221; riep een van haar mij in &#8217;t voorbijzwieren toe, luid genoeg dat de freule het wellicht hooren kon. Ik had haar
+wel kunnen omvergooien van woede en &#8217;t schaamterood steeg als een golf naar mijn wangen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ik blijf hier niet; ik ga weg! riep ik eensklaps met luider stem, in opstand komend.
+
+</p>
+<p>Met verbazing keken zij mij aan; en ook de deftige familie, die blijkbaar mijn uitroep gehoord had, bleef even staan en drong
+op een kluitje samen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Wat heb je toch! Word je gek! vroeg spottend de Groote Dichter.
+
+</p>
+<p>Eensklaps verliet de jongeling, die met de deftige familie reed, het ijs en op zijn schaatsen, met breede, onbehendige schreden,
+als een die iets heel dringends mee te deelen heeft, liep hij dwars over het glooiend grasveld naar &#8217;t kasteel toe. Ik zag
+hem door de glazen vestibule-deur verdwijnen en voelde instinktmatig dat er iets heel gewichtigs, <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108">108</a>]</span>wellicht iets vreeselijks gebeuren ging. De Groote Schilder en de Groote Musicus merkten het ook en schertsten:
+
+</p>
+<p>&#8212;Hij gaat ons een glas port halen!
+
+</p>
+<p>Mijn hart klopte en mijn knie&euml;n knikten. Nog nooit had ik mij zoo grenzeloos-ongelukkig gevoeld. &#8220;Asjeblief, schei toch uit,&#8221;
+smeekte ik, terwijl er tranen in mijn oogen kwamen. Maar zij lachten en spotten nog veel harder toen ze dat zagen en vooral
+die ellendige stadsjuffers hadden gemeene, onmeedoogende pret.
+
+</p>
+<p>In &#8217;t kasteel was de vestibule-deur weer opengegaan en langzaam, met een soort aarzeling, kwam een huisknecht buiten en stapte
+dwars over het gras naar de rivier toe. Hij was blootshoofds, droeg een zwarte pantalon en een roze-en-wit-gestreept buisje
+en had een groote witte schort aan, als een vrouw. Naast hem kwam ook de jongeling weer buiten, die met groote, wijde waggelschreden,
+als een eend op &#8217;t droge, naar de anderen terugliep.
+
+</p>
+<p>De knecht was bij den rand van &#8217;t ijs gekomen. Hij scheen een oogenblik te weifelen, maar waagde zich toch eindelijk en kwam,
+<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span>voorzichtig en stram schuivend, naar den Grooten Dichter toe.
+
+</p>
+<p>&#8212;Pardon, mossieu, begon hij in gebrekkig Fransch, mossieu le baron demande si voulez patiner un peu plus loin; &ccedil;a est ici
+pour la famille.
+
+</p>
+<p>&#8212;Qu&#8217;est-ce que vous me chantez l&agrave;! riep brutaal de Groote Dichter, spottend wenkbrauw-fronsend.
+
+</p>
+<p>&#8212;Vous dites, mossieu? vroeg de knecht bedeesd en niet begrijpend.
+
+</p>
+<p>Er was een oogenblik verbaasde, wederzijdsche stilte. Als een bende ijsvogels kwamen de Groote Schilder, de Groote Musicus
+en de drie dames om den huisknecht heen gezwermd. Ik, roerloos op een afstand, wist niet waar te kruipen van ellende en schaamte.
+Dicht bij den oever, op een kluitje, stond, insgelijks roerloos en in stomme afwachting, de deftige familie.
+
+</p>
+<p>&#8212;&Ccedil;a n&#8217;est pas ma faute, est-ce pas, mossieu! Moi faire ce qu&#8217;on me commande, est-ce pas? zei de man schuchter-glimlachend,
+op een toon van spijt en verontschuldiging. En hij wenkte met het hoofd achter zich <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110">110</a>]</span>om naar het kasteel, om te beduiden dat het bevel daar vandaan kwam.
+
+</p>
+<p>Machinaal volgde mijn blik de richting, die hij aanwees en daar zag ik, achter een der ramen, een streng gezicht met witte
+bakkebaarden. Onder mijn star-geboeiden blik week het gezicht van voor het raam en versmolt zich vagelijk in den schemerigen
+achtergrond der kamer, als van een stillen, bleeken visch, die zich in de diepte van een sloot laat zinken.
+
+</p>
+<p>Alle drie de Groote Artiesten en de meisjes waren hevig opgewonden. Zij protesteerden luide en met heftige gebaren dat de
+rivier aan niemand toebehoorde en dat zij ook voor niemand zouden wijken.
+
+</p>
+<p>&#8212;Verstoa-je gij Vloamsch, mijne vriend! riep eensklaps de Groote Musicus heftig zijn manen schuddend, en zijn bol gezicht
+onder den neus des huisknechts wringend.
+
+</p>
+<p>&#8212;Joa joajik, meniere, antwoordde deze argeloos en opgelucht dat hij zijn natuurlijk dialect mocht spreken.
+
+</p>
+<p>&#8212;Haw&egrave;l, mijne vriend, zeg gij aan ouen baron dat hij.... en in zijn verontwaardigde opgewondenheid liet de Groote Musicus
+iets <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111">111</a>]</span>los dat de meisjes deed gillen en mijzelf als een oorveeg in &#8217;t gezicht <span class="corr" id="xd0e958" title="Bron: trog">trof</span>.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ploert! schreeuwde ik hem woedend toe<span class="corr" id="xd0e963" title="Niet in bron">.</span>
+
+</p>
+<p>De huisknecht zei geen woord meer. Hij keerde zich om en verliet het ijs en aan het andere eind van den inham wipte ook de
+deftige familie op den oever en liep ijlings op haar schaatsen naar &#8217;t kasteel terug. Achter het raam verschenen even geagiteerd
+de grijze bakkebaarden, en drongen dadelijk weer in de schemerdiepte terug en op het ijs stonden wij daar met ons zessen alleen,
+zegevierend maar toch vernederd, in een pijnlijk bewustzijn, dat wij ons als schoeljes gedragen hadden. Het kookte z&oacute;&oacute; hevig
+in mij van ergernis en woede, dat ik recht op den Grooten Musicus afreed, hem met vlammende oogen uitschold voor ik weet niet
+meer wat en hem op staanden voet in duel provoceerde. Ik had mij wel nooit in de wapens geoefend, doch dat deed er niet toe,
+ik provoceerde maar raak en stelde zelfs voor onverwijld het geschil op het ijs uit te vechten.
+
+</p>
+<p>De pret van den dag was absoluut bedorven. De Groote Musicus haalde zijn schouders op, schudde zijn manen en staarde <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112">112</a>]</span>mij sprakeloos met de diepste minachting aan, de Groote Schilder en de Groote Dichter werden ineens ernstig en de jonge dames
+waren bang en hadden tranen in haar oogen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Nou, ik geloof dat we maar beter terug zullen gaan, zei stil de Groote Dichter.
+
+</p>
+<p>&#8212;Dat geloof ik ook! antwoordde ik luid, op uitdagenden toon. En in een instinctief gebaar nam ik mijn pet af, groette kort
+en stijf, met belachelijk en overdreven formalisme, en recht als een pijl reed ik weg, in stugge, woeste vijandschap.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Toen zakte &#8217;t eensklaps neer in mij, en &#8217;k voelde mij ellendig slap en mat en droevig. Het kostte mij groote moeite om niet
+als een klein kind te schreien.
+
+</p>
+<p>Op zwakke beenen reed ik verder, tot in de eerste bocht waar men mij niet meer zien kon en daar ging ik uitgeput en troosteloos
+op den oever zitten, in de zachtstralende winterzon.
+
+</p>
+<p>Ik voelde mijn jongelingsleed als een grievend onrecht, als een onverdienden smaad, welken het onmeedoogend noodlot <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span>op mij neerwierp. Ik dacht aan de schoone jonkvrouw, aan de goddelijke Quiline, die nu onherroepelijk voor mij verloren was
+en in de liefdestobberijen van mijn jeugdig, ruim-beminnend hart, dacht ik meteen aan het bekoorlijk Tieldeken van Meylegem,
+die ik de laatste tijden zoo verwaarloosd had en die ik daarom ook totaal voor mij verloren voelde. Mijn trouwe ijsvrienden,
+Quiline, Tieldeken, nu had ik eensklaps niemand meer en nu eerst voelde ik recht wrang en hard hoe koud en hoe verlaten het
+ijs is zonder liefde. De schoone, tintelende vlakte strekte zich voor mij uit als een dorre, troostelooze, doodsche woestijn.
+Ik was daar gansch alleen nu op die wijde uitgestrektheid en &#8217;t werd mij in wanhoop te moede alsof ik ook alleen en van allen
+verlaten op een uitgestorven wereld achterbleef.
+
+</p>
+<p>Ik nam mijn hoofd tusschen mijn handen en snikte....
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Nu nog herinner ik mij hoe dat snikken en schreien mij goed deed. Het suste stil en lenigde en laafde mijn diepe smart. Ik
+<span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span>schreide goed en diep uit, daar in de stilte en de eenzaamheid; en toen het eindelijk luwde was ik zachtjes opgelucht en voelde
+ik een soort weldadige matheid door mijn gansche lichaam soezen, terwijl mijn hongerige maag naar sterkend voedsel vroeg.
+Ach ja, ik was jong en vermoeid en ik had honger. &#8217;t Verlies van Tieldeken knaagde wel bitter, &#8217;t verlies van Quiline knaagde
+nog bitterder; maar het bitterst van al knaagde en klaagde mijn holle maag en toen ik aan het naastgelegen dorpje kwam, waar
+een ouderwetsche herberg bij de brug stond, stapte ik zonder aarzelen aan wal en ging er binnen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Drie gebakken eieren met ham, heerlijk bruin brood en echte boter zonder margarine (die was Goddank toen nog niet uitgevonden)
+een goed glas bier, een kopje koffie, een glaasje likeur en een sigaar,.... &#8217;t begon me reeds beter te gaan en de zware droefheid
+versmolt al ietwat in het vage. De zon streelde weldadig mijn wangen en mijn handen; en door het raam genoot ik van een prachtig
+<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span>vergezicht: de bevroren rivier kronkelend en slingerend door tintelende weiden, een houten molentje op een aardig begroeiden
+heuvel, het dorp met glinsterend-wit kerkje in de diepte, bosschen, landouwen en boerderijen rechts en links in het besneeuwd
+verschiet en over dat alles heen de eindelooze koepel van den blauwen hemel, waarin de groote zon langzaam naar &#8217;t Westen
+neeg, oranje-rood, omsluierd met grijze en purperen nevelen, als in een atmosfeer van heilig-stille en grootsche feerie.
+
+</p>
+<p>Slechts hier en daar een eenzaam schaatsenrijder meer over de verre uitgestrektheid. Het leken op donkere vogels die huiverend
+voor den komenden nacht naar hun mysterieuze nest terugvlogen: en alles was zoo ruim, zoo plechtig en zoo grootsch, dat voor
+afzonderlijk klein-menschelijk leed geen plaats meer scheen in zooveel weidsche rust en heerlijkheid.
+
+</p>
+<p>Toen ik eindelijk opstond en vertrok was mijn droefheid gansch geweken. Wat had ik mij belachelijk aangesteld! Wat een malle
+droom, mijn dolle liefde voor die freule van &#8217;t kasteel, tienmaal gekker nog dan mijn <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span>sentimenteele opwinding voor Tieldeken van Meylegem! Bespottelijk: de eene was wel vijf of zes, de andere misschien wel tien
+jaar ouder dan ik! Als een kleine jongen, als een kw&acirc;jongen beschouwden ze mij, allebei! Ik mocht me schamen.
+
+</p>
+<p>Ik reed terug, in rustig tempo, en voelde mij als &#8217;t ware een nieuw en ander mensch worden. Ik had tweemaal wanhopig-zwaar
+geleden, zooals alleen de eerste jeugd door liefde lijden kan, maar de smart had mij gesterkt en &#8217;k was een man geworden.
+Ik reed terug naar huis en &#8217;t was of ik een gansche nieuwe toekomst tegemoet ging. Het nog maar pas gebeurde en geledene doezelde
+reeds in wazige verschieten weg en nieuwe horizonnen gingen in de verte voor mij open, vol onbekende levenslust, vol lokkende
+hartstochten en avonturen.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Begon stilaan te duisteren. De scherpe vrieslucht prikte in de ooren en deed de vingertoppen tintelen. De meer en meer
+verlaten ijsvlakte glom hier en daar met harde, als het ware stalen glanzingen en het stille sneeuwveld langs de oevers kleurde
+zich met doffe, violette tinten, terwijl de <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117">117</a>]</span>gansche westenhemel roze werd, van een egaal en zachtkens tanend roze, dat langzaam aan, tegen den lagen einder, in lei-kleurige
+schemeringen uitstierf. Soms kraakte het ijs zonder merkbare oorzaak en lange echo&#8217;s dreunden na tot in de verte, als doffe
+kanonsschoten; en een vlucht van wilde ganzen teekende haar scherpen driehoek in de ijle lucht, heel hoog, h&eacute;&eacute;l hoog, zoodat
+men nauwelijks het fijn gekrijsch kon hooren, als van klagende kinderstemmetjes. De eerste sterren twinkelden mirakuleus....
+
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Dien nacht werd ik midden in mijn slaap door vage onrust wakker. De maan scheen in mijn kamer door de ijsbloemen der ramen
+tusschen de gordijnen en &#8217;t kwam mij voor of er geluiden gonsden door de stilte, zooals ik er in weken niet meer had gehoord.
+Huiverend stond ik op, schoof de gordijnen weg, wreef over &#8217;t ijs der ruiten en staarde even in den lichten hemel.
+
+</p>
+<p>Met verbazing zag ik de kale boomkruinen in den tuin heen en weer schommelen en <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span>uit het westen kwamen donkere wolken aangedreven, die even het gelaat der maan omsluierden en dan weer openrafelden.
+
+</p>
+<p>&#8212;De dooi! zei ik halfluid, met een soort schrik. En het was mij te moede alsof luchtkasteelen in elkander stortten.
+
+</p>
+<p>&#8212;De dooi! herhaalde ik; en peinzend, en mijmerend en huiverend kroop ik weer in mijn bed; en over de onberekenbare gevolgen
+van den dooi lag ik onder het toenemend loeien van den wind te tobben en te zeuren, en te twijfelen tot de slaap en de vermoeiheid
+weer mijn oogen sloten.
+
+</p>
+<p>Toen ik &#8217;s ochtends wakker werd en mijn gordijn optrok zag ik een vuilen motregen uit donkergrijzen hemel sijpelen. Moest
+d&agrave;t nu &#8217;t droevig einde zijn van zooveel opwindende, hartstochtelijk-genoten dagen en de vernietiging van nog zooveel rijke
+illuzies in &#8217;t verschiet?.... Weldra viel de regen met stroomen. Het regende en regende, en het woei en het loeide, en de
+dagen volgden de dagen in troostelooze, grijze en grauwe matheid op; en van al het schoone en rijke en sterke en frissche
+bleef <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span>niets dan akelige slijk en vuile weekheid over.
+
+</p>
+<p>En &#8217;t was of in den dooi van &#8217;t schoone, sterke ijs ook al de frissche liefde, die in mij op &#8217;t ijs en door het ijs geboren
+was, in de d&eacute;b&acirc;cle werd meegesleept. Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, de breede overstroomde weiden, de po&euml;tische witte kerktorentjes,
+de pittorekse boerderijtjes, het lijnrecht kanaal, de lieve, kronkelende Leie, en &#8217;t mooie Tieldeken, en de schoone freule,
+en de vrienden uit de stad, alles wazigde en smolt weg, alles verdween alsof &#8217;t niet meer bestond en wellicht nooit bestaan
+had. En wat nog wel het wonderbaarste was: ik voelde geen weemoed, geen spijt, ik lei mij dadelijk getroost bij &#8217;t onvermijdelijke
+neer en &#8217;t gaf mij een gevoel van groote rust, wellicht omdat ik wist dat het zoo wezen moest en dat het ijs, ondanks zijn
+schijnbare sterkte, iets was van brozen en vergankelijken aard, zoo broos en zoo vergankelijk als de vele liefdes, die er
+in een oogwenk op ontvlamden en even gauw als zij ontvlamd waren, onder de eerste regenbui weer uitdoofden.
+<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span></p>
+<p>En ook en bovenal, omdat ik jong was en dat er voor mij nog zooveel mooie ijsvelden in het verschiet der toekomst lagen.
+
+</p>
+<p>De echte &#8220;happy hunting grounds,&#8221; zooals de Indiaan zijn Paradijzen noemt, waren nog niet door mij betreden.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="label">Tweede Deel</h2>
+<h2 class="normal">Maud</h2>
+<div class="div1">
+<h2 class="label">I</h2>
+<p>Ik herinner mij nog goed die eerste reis naar Amerika.
+
+</p>
+<p>Ik herinner mij die aankomst in New York op een stralenden Septemberdag, onder een heilig-blauwen, sereen-stillen hemel, z&oacute;&oacute;
+schoon, z&oacute;&oacute; rijk, dat ik nooit had kunnen denken, dat zoo iets prachtigs op de wereld kon bestaan.
+
+</p>
+<p>Dat was het begin van wat de Amerikanen &#8220;Fall&#8221; of &#8220;Indian Summer&#8221; noemen.
+
+</p>
+<p>Ik bleef slechts enkele dagen in New York, dat mij overdonderde en benauwde. Ik nam de eerste de beste gelegenheid waar om
+die overweldigende stad te verlaten en langs de bekoorlijke Hudson-River, met een der pleizierbooten, naar Albany op te stoomen.
+
+
+</p>
+<p>Nooit heb ik dit eenig schouwspel van natuurpracht kunnen vergeten. Het is nu jaren en jaren geleden, maar het beeld staat
+<span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span>als &#8217;t ware nog te leven, te trillen en te glanzen v&oacute;&oacute;r mijn geest.
+
+</p>
+<p>Ik zie nog in mijn verbeelding enkele boompjes langs de rotsachtige hellingen der oevers, gansch rood als vuur tegen de grijze
+rots, of fonkelend-oranje tegen &#8217;t harde hemelsblauw; of wel teergroen, bijna geelgroen als van een allereerste, weeke lente;
+of donkerpaars en bijna zwart als blad van artificieele rouwkransen. Ik zie hardroode slingerplanten, als strepen en beken
+van vloeiend bloed langs de grijze rots tot in de diepte kronkelen; en op de boot zie ik dames, in witte zomerkleeren, die
+tuilen van bladeren geplukt hebben, zooals men bij ons tuilen van bloemen plukt; en op een van die tuilen komt even een prachtige,
+groote, bruinroode vlinder zitten, met langzaam op en neer knippende vleugels, als in zwaar-hijgend ademhalen.
+
+</p>
+<p>Ik ken niets rijkers en niets schooners op de wereld dan die gansche Ooststreek van Amerika onder stralende zon en diep-helderblauwen
+hemel, in haar Indian-Summer-najaarspracht.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span></p>
+<p>Z&oacute;&oacute; heb ik ook voor het eerst Niagara-Falls gezien. Wellicht was mijn verbeeldingskracht, door romantische verhalen gevoed,
+tot een te hooge verwachting opgevoerd. Ik herinner mij, dat het eerste zicht een teleurstelling was. Vlak over de bruisende
+en schuimende en stuivende watervallen stond een ellendige fabriek met een rood-steenen schoorsteenpijp en dat bedierf den
+indruk zoo totaal, dat men instinctmatig de handen v&oacute;&oacute;r de oogen hield om die monsterachtigheid niet meer te zien. Maar als
+men zijn rug naar het gedrocht toekeerde en <span class="corr" id="xd0e1065" title="Bron: stoomopwaarts">stroomopwaarts</span> liep, met inspanning ploeterend langs den oever en van rotsblok op rotsblok tusschen &#8217;t ziedend water springend, dan was
+het tafereel van een overweldigende grootschheid. Het gansche meer, tusschen de steile oevers gekneld, kwam, als van een berg,
+met alles-vernielende kracht op je aanstormen en je voelde de rots onder je voeten dreunen, terwijl het om je heen schuimde,
+en bruisde, en suisde, en kolkte, om er duizelig van te worden. Losgerukte takken en soms gansche ontwortelde boomen kwamen
+in dien wilden chaos neergesleept, <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span>en dat brak dan op de rotsen dat men &#8217;t hoorde kraken en dat men de witte splinters uit elkaar zag barsten als van geradbraakte
+armen en beenen, terwijl de roode en oranje bladerkruinen zich wrongen en kantelden en wentelden en tegen den stroom schenen
+te vechten, als vlammende en glinsterende haardossen parelnat van telkens overzwalpende en geeselende golfslagen.
+
+</p>
+<p>Van de groote watervallen zelven, daar waar de gansche rivier met &eacute;&eacute;n plons van vijftig meter in de diepte stort, hield ik
+minder. Dat heeft nooit op mij den overweldigenden indruk kunnen maken, dien men, volgens de beschrijvingen der reisgidsen,
+op die plek dient te ondergaan. Het is mij daar te watermolenachtig, te veel in &#8217;t groot wat wij gewend zijn in het klein
+te zien. Dat komt ook al weer door die afschuwelijke fabrieken daar in de buurt: door die brouwerij, of die houtzagerij, of
+die electrische centrale, of wat het ook al wezen mag. Maar even verder stroomafwaarts uit het zicht der vallen, in de &#8220;Whirlpool
+Rapids&#8221; krijgt het schouwspel weer zijn gansche oerwilde woestheid en daar heb ik <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>meer dan eens uren aan den rand gezeten, in strak-geboeide contemplatie.
+
+</p>
+<p>O, die vuurroode oevers van glanzende en stralende najaarspracht, met den woedenden stroom in het midden en den diep-azuren
+hemel breed er overheen gewelfd! &#8217;t Was of het schuimend water uit de diepte van de aarde zelf opstormde en kolkte. &#8217;t Was
+iets als uit een andere, nog ongevormde wereld en in verbeelding liet ik mij gaan en zag mij in mijn schuitje op den wilden
+chaos dansen, zooals ik eertijds roeide op de overstroomde vlakte van de Meylegemsche Meerschen, naar het schoone Tieldeken
+toe.
+
+</p>
+<p>Tieldeken! Ja, ik dacht aan Tieldeken van Meylegem, daar bij de wilde draaikolken van den Niagara, op zooveel duizend mijlen
+afstands! Ik liet mij gaan op mijn gedachten, en een eindeloos gevoel van eenzaamheid en heimwee kwam mij kwellen en ik cijferde
+de onoverkomelijke ruimte weg en ik zag mij weer bij Tieldeken, in de ouderwetsche herberg, bij het ouderwetsch, po&euml;tisch
+kerkje. Ik zag haar blozend-frisch gezicht, haar stralende oogen, haar mooi, bruin, krullend haar, haar vriendelijken glimlach.
+Ik hoorde <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span>haar beminnelijke stem, en ik hoorde ook den loggen klompstap van haar vader en de brabbelstem harer moeder, die achter de
+schenktafel &#8220;dreupelfs&#8221; ging halen. Ik zag en hoorde alles; al het aardige en lieflijke en ook het tergende en kwellende:
+haar ontrouw, haar akelig gescharrel met den boerenpummel en nog anderen; en ik zat daar stil over te mijmeren en te peinzen,
+d&agrave;&agrave;r, in die Amerikaansche wildernis, zoo verre van haar weg, en uit dat alles groeide in mij een gevoel van onuitsprekelijke
+teederheid, voor haar, voor het verleden, en voor het gansche lieve, schoone Vlaanderen. Want in Amerika waren geen Tieldekens
+van Meylegem. Het was daar alles hard, en stug, en positief, en droog, zonder gevoeligheid noch po&euml;zie. De dollar was er heerscher
+van het leven en dat herinnerde mij nuchter-weg, dat ik er eigenlijk ook niet voor mijn genoegen, maar wel voor de verovering
+van den dollar heengekomen was.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label">II</h2>
+<p>Ik wrocht er dus voor den dollar en ik wrocht er lange en vele dagen. Het was <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127">127</a>]</span>een harde, dorre, onbehagelijke strijd. Want de Amerikaan is hard en dor en stug op stuk van zaken. Hij kent geen tegemoetkoming
+noch medelijden voor een zwak en onervaren mededinger. Zaken zijn zaken in den droogsten zin van &#8217;t woord voor hem en niets
+is hem aangenamer dan een concurrent, vooral een buitenlander, te kunnen fnuiken. Ik had er den indruk alsof het heele land
+van meer dan tachtig miljoen inwoners tegen mij samenspande en of de gansche samenleving er op was ingericht alleen om mij
+ten onder te brengen.
+
+</p>
+<p>&#8217;s Zondags, en in mijn vrije uren, ging ik er veel naar buiten wandelen en in mijn heimwee&iuml;ge verlatenheid en eenzaamheid,
+filosofeerde ik zonder eind over den materialistischen struggle for life en over de gansche, volgens mijn meening ongerijmde
+levensopvatting van al die rijke Amerikanen.
+
+</p>
+<p>Wat hadden ze wel aan hun rijkdommen en aan hun leven? Meer dan eens, in een bar of restauratie, had men mij zoo, met een
+soort eerbied, een of ander man gewezen en gezegd: &#8220;Kijk eens, zie je daar dien man. Hij is zonder een duit in &#8217;t land gekomen
+<span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128">128</a>]</span>en nu is hij vijftig miljoen dollar waard.&#8221;
+
+</p>
+<p>Vijftig miljoen dollar waard! herhaalde ik in mezelf, en keek, en mijmerde. Zoo&#8217;n man van vijftig miljoen dollar waard zat
+meestal op een hooge kruk bij een schenktafel en slikte schrokkig een bord eten in. &#8217;t Was of hij achterna gezeten werd door
+onzichtbare vijanden, die hem zijn voedsel zouden rooven als hij zich niet haastte; hij had geen tijd, geen tijd; hij moest
+in allerijl weer naar zijn &#8220;office&#8221; om nog maar steeds meer geld te verdienen en met dat geld dan eindelijk van het leven
+te genieten....? Wel neen: hij had immers geen tijd daarvoor, en dat was ook zijn doel niet. Zijn doel was alleen maar om
+boven zijn concurrenten te komen, om de eerste en de grootste te zijn,&#8212;de eerste en de grootste van wat?&#8212;en om de kleinere,
+zooals ik was, te fnuiken en van de markt te verdrijven. Zoo&#8217;n man werd niet oud. Zoo&#8217;n man werd zenuwlijder, door zijn onverpoosd
+en overspannen werken, of kreeg een maagkwaal, door zijn haastig, schrokkig eten; en dan lagen daar de vijftig miljoen dollarswaarde,
+heusch te veel om de slooten melk en mineraalwater,&#8212;de eenige weelde <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129">129</a>]</span>die hij zich voortaan mocht veroorloven,&#8212;mede te betalen.
+
+</p>
+<p>Veel en veel heb ik in Amerika gefilosofeerd. En dat heeft mij altijd in mijn tallooze beproevingen gesterkt en nooit heb
+ik gewenscht een Yankee van vijftig miljoen dollar waard te zijn. Integendeel: in Amerika, het land van &#8217;t geld, heb ik het
+geld leeren minachten en mij rijk gevoeld in betrekkelijke armoede.
+
+</p>
+<p>Want ik droeg de levensrijkheid in mijzelf! &#8220;Le tr&eacute;sor de l&#8217;humble!&#8221;
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Zoo ging ik vele dagen wandelen en bewonderde de wilde schoonheid der ietwat verwaarloosde, Amerikaansche natuur. De natuur
+op zichzelve verwaarloost niets, is harmonieus en volmaakt in haar eigen essentie. Alleen de wijze waarop de mensch van de
+natuur gebruik maakt, de manier waarop hij er zich neerzet en vestigt, kan die harmonieuze schoonheid diep verstoren.
+
+</p>
+<p>Een oerwoud, met alles wat er in leeft en ook met alles wat er in is doodgegaan, blijft een prachtig harmonisch geheel op
+<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130">130</a>]</span>zichzelf. Een akker met gouden, golvend koren, daar waar eens het oerwoud heeft bestaan, kan ook zijn eigen, rijk-harmonieuze
+schoonheid hebben. Maar onharmonisch leelijk is een stuk grond, waarop de een meter boven den grond afgezaagde boomstammen
+zijn blijven staan en tusschen wier zwarte, verdorde en verminkte stronken, koren is gezaaid. Zoo zijn er vele landerijen,
+gansche gewesten in Amerika. De eerste pioniers, welke daar aankwamen hadden geen tijd, geen tijd, evenals nu de beurs- en
+handelslui, en zij zaagden maar de bosschen af, en ruimden slordig op, en ploegden en zaaiden tusschen de geraamten van de
+stronken door, zoo goed en zoo kwaad als het ging, om toch maar zoo gauw mogelijk den oogst van dollars in te halen.
+
+</p>
+<p>Dat geeft aan &#8217;t land dikwijls een uitzicht van verwoesting. Het lijkt wel of er een invasie van.... Barbaren is doorheen
+getrokken; &#8217;t is of er oorlog heeft gewoed.
+
+</p>
+<p>Maar ach! er is nog zoo oneindig veel natuurschoon in Amerika bewaard gebleven. En hier denk ik niet alleen aan de alom bekende
+wereldwonderen, maar aan veel <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span>intieme plekjes, die in geen toeristengids vermeld staan en toch een onuitwischbaren indruk in mijn geheugen hebben nagelaten.
+
+
+</p>
+<p>Zoo zie ik nog in mijn verbeelding de met fruitboomen beplante wegen van den staat Indiana. Blonde, rechte, meestal verwaarloosde
+wegen, met breeden rand van dicht, kort gras; en daarop de fruitboomen: de appelboomen en de pereboomen, tot in &#8217;t oneindige.
+De verschijning van een menschelijk wezen was toen een zeldzaamheid in die streken. Je ging, je wandelde, uren en uren en
+je zag mensch noch huis, je zag alleen de fruitboomen, eindeloos, eindeloos, in de laat-stralende najaarszon, onder den stillen,
+magnifieken, vlekkeloos-azuren hemel. Wie had die boomen daar geplant en wie kwam er de weelde van hun vruchten plukken? De
+appels bloosden rood als vuur tusschen het bruin en geel der bladeren; de mooie peren schitterden als goud; en onder elken
+stam lag het kortgroen gras er mee bezaaid, alsof bij ieder boompje speelsche kinderen daar hun volle mandjes hadden omgekeerd.
+Maar er waren ook geen kinderen; er was alleen de grootsche eenzaamheid <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132">132</a>]</span>onder den diepen blauwen hemel; en je ging neerliggen op &#8217;t gras, en je at van de heerlijke vruchten, en je vulde je zakken
+er mee. Het was er plechtig van verlatenheid en stilte. Je hoorde niets dan &#8217;t houterig gesjirp der krekels en je zag niets
+bewegen dan af en toe een klein kapelletje, sterk-oranje met zwartbruine randen, dat schitterde als een zonnespatje waar het
+fladderde, of wel op een verdord bruin blaadje leek, als het met dichtgeknepen vleugels op een halmpje of een sprietje zat.
+Er was daar ook een meertje, stil en omringd door bosschen, dat lag te slapen in de zon. Riet en biezen schoten er bij plaatsen
+woekerend uit op. En af en toe, wanneer een visch even naar boven wipte, hoorde men een plons die weerklonk als een snik in
+de stilte, terwijl het water ervan borrelde en rimpelde en leefde, en dan weer in vlakke doodschheid tegen zijn verlaten oevers
+ging uitdeinen.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label">III</h2>
+<p>Wat ben ik alweer verre afgedwaald! Ik ben immers de Schaatsenrijder en zou van <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133">133</a>]</span>schaatsenrijden, ook in Amerika, vertellen.
+
+</p>
+<p>Laat ik het dus probeeren.
+
+</p>
+<p>Na de onvergelijkelijke en onvergetelijke pracht van &#8217;t najaar viel de winter plotseling in met scherpe kou en sneeuw.
+
+</p>
+<p>Dat was geen sneeuw zooals wij die gewend waren te zien. Er dwarrelden geen zachte, witte vlokken als donzige watjes door
+de lucht: wat er viel was een soort grijsachtig stuifmeel, ijs-en-ijs-koud, en voortgezwiept door een wind, die je den adem
+afsneed. Dat was de welbekende, Amerikaansche &#8220;blizzard.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ik geloofde niet, dat zulke fijne sneeuw ook maar een enkelen dag zou blijven liggen en nog minder verwachtte ik, dat ze zich
+tot eenige hoogte kon ophoopen. Dat sneeuwen, echter, hield tweemaal vier en twintig uren ononderbroken aan, waarna het ging
+vriezen onder indigo-blauwen hemel en stralende zon; en toen ik op mijn eerstvolgende wandeling zoo verre mogelijk het land
+in liep, woonde ik daar wonderen bij.
+
+</p>
+<p>De &#8220;blizzard&#8221; had als &#8217;t ware met de sneeuw gespeeld. Op sommige plaatsen hadden zich echte heuvels opgehoopt. Huisjes en
+villa&#8217;s, waar ik dikwijls omheen wandelde, <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span>lagen half onder de sneeuw bedolven, niet meer te bereiken. In de tuinen schenen de boomen klein geworden, als &#8217;t ware in
+den grond gedrukt; en op de rails van een spoorweg, die tusschen twee steile bermen in een diepte lag, stond een lange reizigerstrein
+ingesneeuwd en verlaten, de vuren uitgedoofd, de portieren open, de locomotief, met onzichtbare wielen, tot halverhoogte bedolven
+en begraven in de sneeuw. &#8217;t Was of ik in een nieuwe wereld wandelde. Ik herkende de dingen en de landschappen niet meer.
+
+
+</p>
+<p>Maar de hemel was blauw als safier en de zon straalde zoo heerlijk en warm en in die ongerepte heerlijkheid liep ik steeds
+verder en verder, wadend tot over de enkels door al die glinsterende witheid, als in de openbaringsweelde van steeds nieuw
+geschapen tooveroorden. Ik kwam weldra aan een plek, waar ik reeds meerdere malen, gedurende de glanzend-schoone najaarsdagen
+was geweest, een landelijk hotelletje op een kleinen heuvel, omgeven door een mooi, groot bosch, waarin een vijver lag.
+
+</p>
+<p>Wat was het daar nu prachtig in die ongerepte <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span>blankheid! Het hotelletje, dat anders toch wit was, zag er nu bijna goor en grijs uit in al die omgevende glinstering en &#8217;t
+uitgestrekte eikenbosch droeg nog de rijke schoonheid van zijn laten herfsttooi: gansch rood alsof het vonkte en brandde,
+rood als geronnen en gestold donker bloed op &#8217;t blanke kleed der wereld, onder de eindelooze azuren hemeltent.
+
+</p>
+<p>De breede weg welke er dwars doorheen liep golfde flink op en neer en toen ik op het hoogste punt gekomen was vond ik daar
+eensklaps en gansch onverwacht een heel troepje kinderen en jonge menschen, die zich vermaakten met sleedjes den weg af te
+glijden. In razende vaart gingen zij, de eene helling af en een heel eind de andere op, en ook van af het hotelletje werd
+er in tegenovergestelde richting gegleden, zoodat de twee partijen ieder een kant van den weg hielden en elkaar zoo vlug als
+sneltreinen passeerden, wel niet zonder eenig gevaar voor botsing, maar in dolle, uitgelaten pret. Rechts en links van den
+weg stonden oudere en bedaarder personen, glimlachend en belangstellend te kijken.
+<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span></p>
+<p>Er zaten niet alleen kinderen en jonge mannen, er zaten ook jonge meisjes op sommige van die sleedjes. En ik had er dadelijk
+een opgemerkt, een die ik bewonderde en die mij boeide, en voor wie alleen ik daar met koude voeten in de sneeuw bleef staan.
+
+
+</p>
+<p>Wat is dan ook wel natuurlijker, dan dat het schoone aantrekt en boeit! En mooi was ze, om er van te duizelen, vooral wanneer
+je zoowat vijf en twintig jaren oud bent en sinds langen tijd met geen mooi meisje bent in aanraking geweest.
+
+</p>
+<p>Eerst dacht ik, dat ik mij wellicht door een illuzie, door een soort &#8220;mirage&#8221; liet ontroeren. Zij zag er wel buitengewoon
+frisch en knap uit, met blozende wangen en stralende oogen in de opwinding van het pleizier, maar wie weet hoe of ze zijn
+zou in &#8217;t gewone doen: wellicht te klein, geen mooi figuur, geen elegance, wie kon het zeggen, wie kon daarover oordeelen
+in de dolle vaart van &#8217;t sleedje? Zoo dacht ik, om mijn eigen gevoel en meteen de spijt over het waarschijnlijk voor mij onbereikbare
+te onderdrukken, toen ze plotseling, vlak v&oacute;&oacute;r mijn voeten, met haar sleedje omkantelde en <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137">137</a>]</span>hals over kop in de dikke, fijne, als een lichte wolk opstuivende sneeuw neerplofte.
+
+</p>
+<p>Alsof het van gisteren was herinner ik mij nog helder-duidelijk wat ik op dat oogenblik als in een weerlicht zag en wat ik
+daarbij instinctmatig deed en zei.
+
+</p>
+<p>Ik zag een donkerblauwe opwuivende rok en daaronder iets van &#8217;t fijnste witte linnengoed en kantwerk; ik zag fijn-elegante,
+zwart-glimmende laarzen en dof-zwarte kousen; ik zag heel even, als een lichtroze bloem, iets van een knie....
+
+</p>
+<p>Ik sprong toe, tilde haar op, vroeg haar, met bevende stem, of ze zich niet bezeerd had.
+
+</p>
+<p>Zij lachte.... Zij lachte met de mooiste witte tanden die ik ooit gezien heb en streek de losgeraakte haartjes weg van over
+hare roze wangen. Zij dankte mij met schoone, lichtstralende oogen, zei dat ze niet de minste pijn had, klopte de sneeuw van
+haar donkeren pelsmantel, haalde, met het touw, het sleedje weer bij. Om haar heen, in de prikkelende atmosfeer en de zon,
+zweefde een subtiele, heerlijke lucht van viooltjes.
+
+</p>
+<p>Daar stond ik. Had ik nu niets meer te <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span>doen? Niets meer te zeggen? Dommerik! Daar stond ik! Zij keek mij aan met een lieven glimlach, alsof zij nog wel iets van
+mij verwachtte; maar daar stond ik, daar stond ik, stom en dom als een paal en ik vond niets anders in mijn nuchtere domheid
+dan een diepe buiging, ridicuul, met mijn hoed in de hand en plechtig als een lijkbidder. Een paar menschen kwamen naar haar
+toe, waaronder een ouder dametje met verlept gezicht en felle oogen, die zij &#8220;Auntie&#8221; noemde; en meteen was ik vergeten, o
+stommerik die ik was! en met de anderen ging zij langzaam mede, haar sleedje na zich slepend, in de met haar wegzwevende,
+heerlijke lucht van viooltjes....
+
+</p>
+<p>Ik liep achter haar aan. Instinctmatig, als meegetrokken, als meegezogen, volgde ik haar en de groep die haar vergezelde,
+met de laffe, onderdanige gedweeheid van een hond. Ik was alweer verliefd, ineens en smoorlijk; ik liep bedwelmd, als dronken,
+haar sierlijke gestalte en den ontroerenden geur van de viooltjes na.
+
+</p>
+<p>Zij gingen naar &#8217;t hotelletje en als een automaat ging ik, op eerbiedigen afstand, <span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139">139</a>]</span>mede. Zij namen er plaats aan een tafeltje bij een breed raam, met prachtig uitzicht op het wit-besneeuwde veld en op het
+roode bosch; en in mijn eentje nam ik plaats bij een ander tafeltje, vanwaar ik haar heel goed kon zien. Zij bestelden thee
+met cake; en ook ik bestelde thee met cake.
+
+</p>
+<p>Er was met haar, behalve &#8217;t kleine, verlepte dametje met radde tong en felle oogen welke zij &#8220;Auntie&#8221; noemde, nog een dame
+met voornaam uiterlijk en grijs haar en een oudere heer met rood gezicht en grijzen baard; en zonder er iets van te weten,
+maakte ik voor mijzelf uit, dat dit haar ouders waren.
+
+</p>
+<p>Ik vond haar, nu ik haar zoo goed kon zien, van een volmaakte en absolute schoonheid. Haar teint was van een frischheid, haar
+oogen hadden een glans, en al haar bewegingen waren van een lenigheid en gratie, zooals ik er nog nooit gezien had. Ik zag
+haar aan alsof zij een goddelijk kind was op aarde en het verbaasde mij, dat zij daar zoo alleen zat met die oudere menschen
+en er niet een schaar aanbidders om haar heen zweefde en zwermde. Ik dacht even <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140">140</a>]</span>aan <span class="corr" id="xd0e1179" title="Bron: Tieldeke">Tieldeken</span> van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van &#8217;t kasteel en voelde als &#8217;t ware &#8217;t rood der schaamte naar mijn wangen stijgen.
+Wat waren die met deze schoonheid vergeleken! Hoe kon ik ooit op haar verliefd geworden zijn, terwijl dit volmaakt-schoone
+wezen op aarde bestond! Wat leek dat alles verre, en doodsch, en kleurloos, naast deze alles-overweldigende pracht! Ik schaamde
+mij, ja, ik schaamde mij voor mijn vroegere liefden.
+
+</p>
+<p>De zon ging langzaam onder en zond haar stillen luister over &#8217;t indrukwekkend tafereel. De golvende sneeuwvelden werden wazig-lichtmauve
+en het roode bosch bruinde en somberde, alsof het van graniet werd. De bevroren vijver v&oacute;&oacute;r het hotelletje versmolt zich met
+de sneeuwvlakte; er was alleen nog maar een open plekje bij den kant, dat zwart en rood zag in den avondgloed en waarin eendjes
+duikelden en fladderden, zoodat je rilde van kou als je er alleen maar naar keek. Heel in de verte gonsde enorm en dof het
+machtig geluid van New York met af en toe de zware stemmen van de stoombootfluiten, die naar elkaar schenen <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141">141</a>]</span>te roepen, als monsters en reuzen in nood. In de dalende schemering der restauratiezaal begon de vulkachel rood te gloeien.
+
+
+</p>
+<p>Waar zou ze wonen? dacht ik bij mezelf: hier, op een der villa&#8217;s in de buurt, of in den maalstroom van het groote New York?
+De thee was reeds geruimen tijd genut, de oude heer had een sigaar opgestoken, &#8220;Auntie&#8221; met haar verlept gezicht en felle
+oogen babbelde en ratelde, de voorname dame met de grijze haren luisterde en glimlachte en &#8217;t jonge meisje zat in haar ravissante
+schoonheid tegen &#8217;t raam, zonder dat een van allen toebereidselen tot opstaan scheen te maken. Andere bezoekers kwamen opgewonden
+en met gloeiende wangen binnen, de kellners hadden &#8217;t druk met bedienen en het werd langzaam aan mijn tijd om heen te gaan,
+zonder dat ik er toe besluiten kon, toen de familie eindelijk opstond en vertrok.
+
+</p>
+<p>Zij schreed rakelings langs mij heen en onze oogen wisselden een snellen, vluchtigen blik. Ik rees half op van mijn stoel
+en groette buigend. Zij groette licht terug met nauwelijks merkbaren glimlach. Het geurde heerlijk naar viooltjes. Auntie
+keek mij in &#8217;t voorbijgaan <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>aan met scherpen blik en terwijl ze de deur uitging hoorde ik haar tegen &#8217;t nichtje iets zeggen dat ik niet verstond, doch
+daarbij noemde ze den naam van &#8217;t meisje en zoo wist ik, dat ze Maud heette.
+
+</p>
+<p>Maud! Ik vond dien naam z&oacute;&oacute; prachtig, z&oacute;&oacute; volmaakt bij haar passend, dat het mij voorkwam alsof ze onmogelijk anders had kunnen
+heeten. Maud! het was haar gansche type, haar uiterlijk en haar innerlijk wezen, haar schoonheid en haar ziel! Maud! het was
+haar gestalte, het waren haar oogen; het was haar glimlach en haar gratie; het was haar kleur en haar parfum, die heerlijke
+viooltjes-geur die met haar meeging! Heel even dacht ik weer aan het verleden: aan <span class="corr" id="xd0e1194" title="Bron: Tieldeke">Tieldeken</span> van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van het kasteel, welke ook namen droegen die ik eertijds zoo bizonder mooi en passend
+vond. Maar ach! het leek me nu of ik lompe boerinnen zag naast een prinses! Ik volgde haar met geboeide oogen door het raam;
+en toen ik oordeelde dat ze verre genoeg waren om geen schijn te geven van hinderlijk volgen, stond ik sidderend op en verliet
+op mijn beurt het hotelletje.
+<span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143">143</a>]</span></p>
+<p>Daar zag ik haar gaan, donkere, elegante silhouet op lichte sneeuw, als een jonge godin naast die drie andere, gewone menschen.
+Het sleedje, dat ze nog steeds aan een touwtje achter zich aan sleepte, was als een hondje, dat trouw met haar meehuppelde.
+Waar zou ze nu toch wonen: hier, in die rustige buurt, in een van die mooie villa&#8217;s, of in het roezemoezige, geweldige New
+York? Ik zou het wel te weten komen. Woonde ze hier in de buurt, dan kon ik haar ten allen tijde gemakkelijk terugvinden.
+Woonde ze in New York, dan zou ik haar volgen, haar blijven volgen, tot ik wist waar het was.
+
+</p>
+<p>Er waren drie gelegenheden om naar New York terug te keeren: de West Shore Railroad, de Electrische, de Ferry. De aanlegplaats
+der booten waren ze reeds voorbij. Dus niet over het water. Zij naderden het station van de West Shore en ik dacht al dat
+ze links zouden inslaan, toen ik ze eensklaps naar rechts zag wenden en een stijgenden zijweg inslaan. Ik verademde! Ik verademde
+alsof ik van een zware dreiging werd bevrijd. Het gaf mij plotseling een gevoel van diepe rust te weten dat zij daar <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span>ergens woonde, in de vreedzame natuur, en niet in de drukke, gevaarvolle stad. O! dat ik nu niet met haar mee mocht gaan,
+dat ik haar nu alleen moest zien vertrekken met die oudere menschen, die haar toch niet konden boeien, zoo dacht ik, die veel
+te oud en veel te saai waren, voor haar frissche, mooie, levenslustige jeugd! Het liefdes-ongeduld van mijn vijf en twintigjarigen
+leeftijd bruisde in mij als een oproer. Was het niet onuitstaanbaar dat de domme, maatschappelijke conventie mij belette te
+doen wat de gevoelens van het hart mij ingaven? Was het niet gek en verdraaid zooals de wereld in elkaar zat? Wat was er wel
+natuurlijker dan dat ik zoo maar ineens, zonder de minste notitie van die belemmerende oude lui te nemen, naar haar toe zou
+gaan, en mijn verliefde armen om haar middel slaan, en haar zoenen op den mond,.... en een klap van haar hand in &#8217;t gezicht
+te krijgen, dacht ik er dadelijk bij en moest in mezelf lachen omdat ik mij zoo wild op mijn oer-instinkt had laten doordraven....
+Maar het verlangen en de liefde bleven in mij woelen, en half achter <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145">145</a>]</span>een boom verscholen stond ik haar halsstarrig na te kijken, tot zij boven op den heuvel was, daar even als een uitgeknipte
+schim zich scherp tegen het avondrood afteekende, en dan, langzaam wegzinkend, aan mijn blik verdween.
+
+</p>
+<p>Maud.... Maud.... murmelde ik in mezelf. En mijn wenkbrauwen fronsten zich, en mijn tanden klemden op elkaar, in den hardnekkigen
+strijd, die nu zou komen. Maar ik was er niet bang voor, ik voelde in mij de kracht der overwinning en &#8217;t zong in mij, van
+hoop en schoonheid.
+
+</p>
+<p>Het lag op mijn weg om per electrischen trein naar New York terug te keeren; maar dat leek mij nu zoo alledaagsch, zoo triviaal
+na al het ide&euml;el genotene; ik had behoefte aan po&euml;zie, aan eenzaamheid, aan bespiegeling en ik keerde een heel eind op mijn
+weg terug, om liefst de boot te nemen.
+
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd0e1211" title="Bron: &#8217;K was">&#8217;k Was</span> in een heerlijk-opgewonden stemming: opgewonden en toch zacht. Het jubelde in mij, hartstochtelijk, en &#8217;k glimlachte, heel
+teer, heel zacht.
+
+</p>
+<p>Ik stond van voren op de boot en voelde de koude niet, die anders scherp genoeg <span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146">146</a>]</span>prikte. Het schouwspel was indrukwekkend, grootsch. Achter de steile West-Shore, die reeds bijna zwart was en doorprikt van
+vele lichtjes, ontvouwde zich, immens, de heerlijke oranje-gele hemel, met een dun en bleek sikkeltje maan, dat daar eenzaam
+en verloren scheen te zwemmen, als een zilvervischje in een zee van goud. De breede rivier glom dof en vaal, alsof zij was
+van log-vloeibare zeep; en aan de oosterzijde vingen de villa&#8217;s en de huizen, in de witte sneeuw die van lieverlede grijs
+en mauve werd, den laatsten glans van het uitstervend daglicht op, met roode bibberingen in hun ruiten, als van brand en bloed.
+
+
+</p>
+<p>De raderen van de stoomboot deden het water opbruisen en schuimen en maakten een machtig en plechtig geluid. Men voelde er
+iets in van de grootschheid der menschelijke krachten, die de elementen overwinnen. Andere booten kwamen de onze tegemoet,
+groot en imposant als drijvende kasteelen en zij hadden vele kleine lichtjes en twee groote: een rood en een groen, die leken
+als de twee symbolen van het leven zelf; hartstocht en smart!
+<span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147">147</a>]</span></p>
+<p>Hartstocht!.... Mijn enthousiaste, jeugdige oogen zagen alleen het roode licht. Dat was de liefde, het vuur, de strijd, de
+overwinning. Dat was Maud, de beeldschoone Maud, die daar nu ergens, op dien donkeren oever bij de gezelligheid van &#8217;t haardvuur,
+in een mooie villa zat, en die ik moest trachten te benaderen, te veroveren, zooals de Graalridder, door den vuurkring heen,
+de Walk&uuml;re veroverde. Het groene licht, dat was de weemoed, het verleden. Dat was <span class="corr" id="xd0e1223" title="Bron: Tieldeke">Tieldeken</span> van Meylegem, dat was jonkvrouw Quiline, dat was het mooie, groene Vlaanderen, wel zacht, wel lief, wel boeiend en wel diep-ontroerend,
+maar verre, o zoo verre, en zoo verbleekt en verwazigd, vergeten bijna naast het rood en den gloed van den nieuwen hartstocht.
+
+
+</p>
+<p>De wereld stond voor mij open. Het was alsof de machtige boot, die met zijn scherpen punt door de klotsende, vale golven van
+den Hudson ploegde, voor mij alleen de groote, wijde wereld ter verovering opende. Daar zag ik reeds, heel in de verte, de
+twinkelende lichten van de reusachtige wereldstad. Een grootsche, somberblauwe smook hing <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span>er als een titanensluier overheen en daarin blonken de lichten met duizenden en duizenden, als voor een eindeloos triomffeest,
+als voor een bovenaardsche feerie. Er waren er groote en kleine; er waren er die op hun vaste plaats stonden te twinkelen
+en andere die heen en weer zweefden; er waren er van alle kleuren: roode, gele, groene, oranje, blauwe en violette; en hoog
+in den hemel schitterden er ook heele risten, in vierkante of langwerpig-vierkante vakken, regelmatige gloeipunten in den
+donkeren nachthemel, als vuurdobbelsteenen van een reusachtig dominospel. Dat waren dan de verlichte hooge ramen der geweldige
+&#8220;skyscrapers.&#8221;
+
+</p>
+<p>De boot naderde zijn aanlegplaats. Hij scheen er recht op aan te varen, alsof hij zoo meteen tot in de drukte en &#8217;t gewoel
+der straten door zou dringen. Maar er dreven reeds geweldige ijsschotsen langs den oever en de boot had te ploegen en te zwoegen
+en het ijs kraakte en barstte en kruide, als in een machtig geluid van woesten strijd. En nogmaals overwon het menschelijk
+genie de woede der vijandige elementen en nogmaals ook was &#8217;t mij te moede alsof die <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span>strijd mijn eigen strijd was tot verovering der schoone Maud.
+
+</p>
+<p>In de woeling der groote stad nam mijn opgewonden stemming geenszins in heftigheid af. Na al mijn geweldige emoties van den
+afgeloopen dag voelde ik een soort behoefte om mij in den diepen maalstroom des levens te werpen. Ik had behoefte aan brillante
+en drukke omgeving, aan een lekkeren maaltijd, aan het zien van mooie en elegante vrouwen, aan het hooren van melodieuze,
+meeslepende muziek. En, ofschoon ik daar niet precies op gekleed was, en het ook al niet zoo buitengewoon convenieerde met
+den financieelen toestand van mijn beurs, toog ik maar onversaagd, in mijn eentje, maar vol genoeg van gedachten en gewaarwordingen
+voor tien, naar Martin&#8217;s en liet mij daar royaal bedienen.
+
+</p>
+<p>Ik was alleen en niet alleen: ik was met haar in mijn gedachten! Ik was met haar, zij zat rechtover mij aan &#8217;t tafeltje; en
+samen genoten wij van de fijne gerechten, van de mooie toiletten, van de licht-bedwelmende, geen-inspanning-vergende restaurant-muziek,
+gespeeld op een podium, door zwartharige, <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span>olijfkleurige kerels met roode buisjes. Ik rookte sigaret op sigaret, mijn blikken droomden verreweg, namen mijn gedachten
+mede naar &#8217;t verleden, naar &#8217;t vaderland, naar het geliefde Vlaanderen.
+
+</p>
+<p>Hoe zou het daar nu zijn? Vroor het daar nu ook en werd er schaatsgereden? Was Boerke van Meylegem op &#8217;t ijs en voerde hij
+zijn minderwaardige kunsten uit, vlak v&oacute;&oacute;r de herberg van het mooie Tieldeken, ten aanschouwe van een bende gapende pummels
+en van Tieldeken zelve? Waren mijn vroegere vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder, de Groote Musicus ook weer aan
+&#8217;t schaatsenrijden en hadden zij nieuwe ijsvriendinnetjes opgescharreld? En jonkvrouw Quiline, was die nog steeds aan &#8217;t knoeien
+zonder vooruitgang te maken, met de andere knoei-rijders van &#8217;t Kasteel? Ik zag dat alles weer, zoo duidelijk, zoo helder,
+en een groot en innig heimwee kroop in mij. Ach, wat was ik ontrouw aan al dat frisch en schoon verleden! Hoe voelde ik Tieldeken
+verwijtend treuren en hoe zag ik de freule met minachting, als naar een renegaat, op mij neerkijken! Het golfde in <span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span>mij op en tranen kwamen in mijn oogen. Die muziek speelde ook zoo bedwelmend, zoo verlammend. Ik bestelde een tweede pousje
+en stak een groote sigaar op. Zoo kon ik nog wat blijven zitten, en peinzen, en droomen. Zou ik het nu heusch doen? Zou ik
+haar ten huwelijk vragen en mij hier voor goed in het vreemde land vestigen? Hoe zou dat alles moeten gaan? Nadere kennis
+zien te maken met haar familie, vertellen wie ik was, wat ik deed, hoe onze toekomst wezen zou. Dat alles kon wel, behoorde
+tot de mogelijkheden, ja, tot de waarschijnlijkheden, als ik inderdaad genoeg volharding had en een onverwoestbare, alle bezwaren
+en hinderpalen trotseerende liefde voor haar voelde. Voelde ik nu werkelijk een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen
+trotseerende liefde voor haar? Mijn opwinding was eenigszins geluwd, de digestie werkte vernuchterend, de restauratie liep
+langzaam aan leeg, de muziek verslapte, de koele werkelijkheid kwam sluiperig aangrijnzen. Ik wist niet zoo precies meer w&agrave;t
+ik voelde en verlangde; er bekroop mij een pijnlijke twijfel. De gar&ccedil;on bracht mij de <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152">152</a>]</span>rekening, dubbel toegevouwen, als een vertrouwelijk document, op een bord. Ik houd niet veel van dubbel-toegevouwen restauratie-nota&#8217;s
+op een bord, vooral niet in een luxe-restauratie. En hier bleek nogmaals, dat mijn instinctieve weerzin niet ongegrond was.
+Ik schrikte letterlijk van het bedrag en een waas weifelde v&oacute;&oacute;r mijn oogen. O, die dollars, die dollars! En dat men die toch
+hebben moest, en veel, om daar te kunnen leven! Droomde ik? Had ik in mijn eentje voor zulk een bedrag gebruikt, of had Maud
+toch werkelijk mede met mij aangezeten? Ik staalde mijn gezicht en opende mijn beurs en in mij drong weer de hardnekkig-stugge
+wil, niet alleen meer om Maud, maar om ook den onontbeerlijken dollar te veroveren. Ja, ik wilde, ik zou! Weg, alle verslappende,
+verlammende schimbeelden uit &#8217;t verleden! Maud en de dollar,.... ik zag ze beiden voor mij, in voelbare bekoorlijkheid; en
+ik rees op en vertrok in den nacht, alleen, maar sterk als duizend, met het hypnotiseerend, te bereiken doel v&oacute;&oacute;r mijn jonge,
+geestdriftige, halsstarrig-stralende oogen.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153">153</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1249" title="Bron: III">IV</span></h2>
+<p>&#8212;Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op mijn vraag, of er daar ook &#8217;s winters op den vijver schaatsgereden
+werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd en is het hier een lustig leventje, meneer, van den
+ochtend tot den avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we krijgen des te meer dames en kinderen;
+en die houden er ook wel de vroolijkheid in, wees dat maar zeker.
+
+</p>
+<p>De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter;
+het was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en &#8217;k durfde niet.
+
+</p>
+<p>Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een
+stralende, oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en
+afschuwelijk op zulke dagen, ter verovering <span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span>van den ellendigen dollar op de kantoorkruk te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te zweven en van
+de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag, stralender
+en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit; ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein,
+om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het
+hotelletje toe.
+
+</p>
+<p>Ik merkte, of, beter gezegd, ik &#8220;voelde,&#8221; zoodra ik buiten het stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden
+zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen:
+
+
+</p>
+<p>&#8212;The ball is up!
+
+</p>
+<p>The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot
+gelijk een winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom wat dat beduiden wilde.
+<span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155">155</a>]</span></p>
+<p>The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als &#8217;t maar geen valsch
+bericht is! Mijn oogen priemden in &#8217;t verschiet tusschen de villa&#8217;s en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem
+glanzend hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden
+vijver en op den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer en door elkander zwierden!
+
+</p>
+<p>Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het
+is alsof er geen ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op &#8217;t ijs gaat komen. Het kittelt in je beenen; het maakt je dol
+en bijna kribbig. Het nevelde v&oacute;&oacute;r mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje was, ik maakte mijn schaatsen
+vast, met bevende vingers. Ik stond op, ademde diep, gleed over &#8217;t ijs en zwierde....
+
+</p>
+<p>Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. &#8217;t Genot was exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets
+anders, <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span>dacht aan niets anders. &#8217;t Was als een soort van dronkenheid. Ik trok <span class="corr" id="xd0e1274" title="Bron: en">een</span> paar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders
+gedaan had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden.
+
+</p>
+<p>Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders
+oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou zijn. Enkelen waren aan &#8217;t probeeren met figuren, doch
+&#8217;t ging maar heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet veel bizonders: het was probeeren, sukkelen,
+en nog al knoeien. Toch was &#8217;t gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig gezichtje en er was veel uitgelaten
+vroolijkheid en vrijheid, zooals dat altijd is op &#8217;t ijs.
+
+</p>
+<p>Toen zag ik haar, h&aacute;&aacute;r, eensklaps!
+
+</p>
+<p>Ik zag haar heel op &#8217;t uiterst eindje van den vijver, in al haar schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend
+met een jong meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij, eenigszins <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157">157</a>]</span>beschermend, begeleidend bij de hand hield.
+
+</p>
+<p>Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken,
+naar haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd het heel zwak in mijn beenen en het duizelde v&oacute;&oacute;r
+mijn oogen, alsof ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen begon ik stilaan te bekomen en reed
+langzaam in haar richting toe.
+
+</p>
+<p>Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde.
+Dat lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar komen, maar zonder haar in het gezicht te durven
+aankijken. Ik zag alleen tot even boven haar knie&euml;n, waar de donkerblauwe rok gracieus iets van de vormen harer beenen liet
+raden; en ik zag natuurlijk ook haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels, die zoo volmaakt waren
+als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik aarzelde, herkende
+haar, <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158">158</a>]</span>glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine meisje
+doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor
+dat ik heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel, dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit
+mij wegtrok, om zich &#8217;k weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even &#8217;t wanhopig gevoel of nu plotseling alle kracht uit
+mij was weggevloden en ik niet meer in staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje, struikelde ellendig,
+viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering.
+
+</p>
+<p>Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik k&ograve;n niet meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in
+mezelf, verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn
+vrome bede aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op &#8217;t ijs. Ik trok enkele <span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159">159</a>]</span>krullen. Het ging wel, maar onbewust als &#8217;t ware, machinaal, buiten mij om. Het was alsof een ander werkte, met <i>mijn</i> beenen. Ik voelde mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de mijne waren, die niet bij &#8217;t overige
+van mijn physiek wezen pasten.
+
+</p>
+<p>Daar kwam ze weer terug, met &#8217;t kleine meisje. Ze reed wel elegant, maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders
+kon, maar omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij werkten gingen daarop ook weer vanzelven
+aan den gang en zij trokken waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste verbaasden. Enkele schaatsenrijders
+bleven staan en keken goedkeurend, ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten n&ograve;g mooier en gecompliceerder
+figuren en eensklaps zag ik ook h&aacute;&aacute;r in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde haren. Als verlamd
+staakten de beenen plotseling elke beweging.
+
+</p>
+<p>&#8212;Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op.
+<span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160">160</a>]</span></p>
+<p>Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij gevestigd. En ik herkende &#8217;t bij-de-hand gezicht van &#8220;Auntie,&#8221;
+die mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de
+oude meneer, die ik als de ouders van Maud beschouwde.
+
+</p>
+<p>Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar
+den rand van het ijs toe, vlak v&oacute;&oacute;r de bank, waar &#8220;Auntie&#8221; zich met haar familieleden in &#8217;t heerlijk zonnetje zat te koesteren.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;<span class="corr" id="xd0e1309" title="Bron: Autie">Auntie</span>&#8221; stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie dingen wel geleerd had.
+
+</p>
+<p>Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de &#8220;old country,&#8221; in Belgi&euml;, waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden.
+
+
+</p>
+<p>&#8212;Belgi&euml;.... is dat in &#8220;Germany?&#8221; vroeg &#8220;Auntie&#8221; met haar intelligente, levendig-schitterende oogen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. Belgi&euml; is een apart koninkrijk, dat niets met &#8220;Germany&#8221; te maken heeft.
+
+
+</p>
+<p>Ik glimlachte en knikte, bevestigde dat <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161">161</a>]</span>inderdaad Belgi&euml; niets met &#8220;Germany&#8221; te maken had. &#8220;Auntie&#8221; vond dat wel eenigszins vreemd, maar de oude heer herhaalde het
+nog eens met nadruk en ook de oude, deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te bevestigen dat haar
+man gelijk had.
+
+</p>
+<p>Maud en &#8217;t kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst
+toen ze heel dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep.
+
+</p>
+<p>Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets tot &#8217;t kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich
+om haar heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd,
+terwijl zij naar het kleintje wees:
+
+</p>
+<p>&#8212;Zij bewondert z&oacute;&oacute; uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens iets deed.
+
+</p>
+<p>&#8212;Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen toon, mij tot het kleintje wendend.
+
+</p>
+<p>Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd.
+<span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span></p>
+<p>&#8212;Nou dan, zei ik.
+
+</p>
+<p>Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering
+geven, dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en
+waarover ik niet de minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden of prikken, zonder dat ik het voelde.
+Ik was ook zeer kortademig en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn voorhoofd parelen. Ik voerde &#8217;k
+weet niet welke kunsten en figuren uit.
+
+</p>
+<p>&#8212;How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom.
+
+</p>
+<p>Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn voorhoofd droog.
+
+</p>
+<p>Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur
+maakte; en ik gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens voor. Zij probeerde &#8217;t, struikelde, strekte
+een hand uit, die in <i>mijn</i> bevende hand terecht kwam.
+<span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163">163</a>]</span></p>
+<p>Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul,
+riep juichend naar de bank toe:
+
+</p>
+<p>&#8212;Oom, Tante, ik k&agrave;n het! ik k&agrave;n het!
+
+</p>
+<p>Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind
+was om dol te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over; zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer
+loslaten.
+
+</p>
+<p>&#8212;Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei &#8220;Auntie.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ik gaf &#8220;Auntie&#8221; en de verdere familie de stellige verzekering, dat Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde
+ik met &#8217;t opgetogen kleintje rond.
+
+</p>
+<p>Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe
+die krul gemaakt moest worden.
+
+</p>
+<p>Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende.
+
+</p>
+<p>&#8212;Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik.
+<span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164">164</a>]</span></p>
+<p>Zij herbegon, maar het ging nog niet. &#8220;Auntie&#8221; mengde zich in de les, riep, van op de bank: &#8220;naar achter, naar achter, het
+linkerbeen naar achter.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8212;Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig.
+
+</p>
+<p>&#8212;Mag ik u soms even vasthouden?<span class="corr" id="xd0e1370" title="Bron: &#8217;"></span> vroeg ik.
+
+</p>
+<p>&#8212;Graag, antwoordde zij.
+
+</p>
+<p>Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps
+weer de mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde
+beschermend stutten en droegen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En het ging....
+wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen bloosden, haar
+mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot, zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij!
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+<span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165">165</a>]</span></p>
+<p>Ik weet niet meer hoe lang we zoo gereden hebben. De tijd hield geen rekening meer. Ik herinner mij slechts, dat de sneeuw
+rondom den vijver van lieverlede mauve tinten kreeg, dat de droge bladerkruinen van het roode eikenbosch gansch purper werden
+en dat de ramen van het hotelletje tintelend vuur weerkaatsten. Het aantal schaatsenrijders op den vijver nam zienderoogen
+af; op de bank waar zij nog steeds zaten, schenen Maud&#8217;s familieleden sinds een poos een stil conciliabuul te houden; en eensklaps
+stond de oude heer stram overeind, wenkte mij tot zich en vroeg of ik soms zin had, met hem en zijn familie thee te gaan gebruiken.
+
+
+</p>
+<p>Ik kreeg den indruk alsof de goede man mij zijn mooie dochter ten huwelijk aanbood. Ik had een spontane beweging, alsof ik
+zou gaan zeggen: &#8220;O, &#8217;t is te veel, meneer; &#8217;t is heusch te schitterend wat u mij daar voorstelt!&#8221; Ik zei evenwel iets anders,
+w&agrave;t weet ik niet meer; doch het resultaat was hetzelfde: ik bond mijn schaatsen af, hielp Maud en Violet de hare afbinden
+en enkele minuten later zaten wij allen gezellig om een tafeltje in &#8217;t lekkerwarm restaurant, bij een der <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166">166</a>]</span>groote, heldere ramen, waarachter wij de schoone, roode winterzon glanzend in het westen zagen ondergaan.
+
+</p>
+<p>Ik had een gevoel alsof mijn lot en mijn toekomst nu reeds onherroepelijk beslist waren. Ik zat daar zoo goed, zoo vast, zoo
+rustig, zoo veilig, dat het mij haast onmogelijk leek, dat daar nog eenige verandering in zoude kunnen komen. Dat was nu eenmaal
+zoo, en dat bleef zoo, ik had mij verder maar vanzelf te laten leven. De Amerikaan is gastvrij van aard, maar ook nieuwsgierig.
+Hij wil heel graag, en liefst zonder veel uitstel, zooveel mogelijk van de menschen weten waarmee hij omgaat; en op de weinig
+bewimpelde vragen van mijn gasten vertelde ik wie ik was, en wat mij naar Amerika had gebracht, en wat mijn naaste toekomstplannen
+waren. De oude heer keurde dat goed, knikte welwillend met het hoofd, deelde mij mede dat hij, hoewel niet direkt meer in
+zaken betrokken, toch nog geregeld, uit oude gewoonte en uit onverwoestbare belangstelling, drie en vier maal in de week op
+zijn vroeger kantoor in New York kwam, dat thans in andere handen was overgegaan. <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167">167</a>]</span>Zijn &#8220;line&#8221; was de houthandel geweest, zei hij; hij was heel klein begonnen, had prachtige zaken gemaakt en zou er zeker ook
+nog in gebleven zijn als zijn vrouw er maar niet herhaaldelijk op had aangedrongen, &#8220;that he should sell out his business&#8221;
+om rustig buiten te gaan leven.
+
+</p>
+<p>Mevrouw, die anders weinig sprak, mengde zich in &#8217;t gesprek.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ik had niets meer aan mijn man; hij zat van &#8217;s ochtends tot &#8217;s avonds op kantoor, beweerde zij. We gingen nooit eens naar
+theater, nooit op reis. En de kinderen werden groot; we moesten hen toch in &#8220;society&#8221; brengen.
+
+</p>
+<p>Tegenstrijdige gevoelens bestormden mijn ontvankelijk gemoed. De oude heer was een &#8220;self-made man,&#8221; dat zei hij zelf, en misschien
+wel een tikje van een parvenu, dat liet hij doorschemeren. Dit schrikte mij niet af, boezemde mij geen weerzin in; integendeel:
+het bracht mij nader en gemakkelijker tot het voorwerp mijner vurige liefde. Maar wel schrikten mij af de woorden van de moeder:
+&#8220;dat zij de kinderen in &#8220;society&#8221; moest brengen. Society!.... dat waren <span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168">168</a>]</span>diners, soupers, bals, visites, concerten, theater! Society, dat was.... ja, hoe moet ik het anders noemen, dat was de liefdesmarkt,
+de huwelijksbeurs; en hoe zou ik, arme, eenzame, onbekende vreemdeling op die geduchte markt tegen de met het terrein bekende
+en flink tot den strijd toegeruste Amerikanen kunnen concurreeren? Ging Maud nu reeds in &#8220;society&#8221; uit; en sinds wanneer?
+Het brandde op mijn lippen om het te vragen, maar ik durfde niet. Ik voelde mij opeens zoo vreeselijk bedeesd, zoo droef,
+zoo machteloos!
+
+</p>
+<p>Maar de oude heer sprong mij hulpvaardig bij. Society, zei hij, niet zonder eenige minachting, lijkt me, voor een flinken,
+jongen Amerikaan een vrij overbodige luxe. Dat moest eigenlijk onder vrouwen blijven. Het houdt den jongen man van zijn ernstige
+bezigheden af; het compromitteert meer dan eens zijn toekomst. Een man moet een gentleman zijn, dat geef ik toe. Maar als
+hij netjes gekleed gaat en net-gepoetste laarzen draagt, dan <i>is</i> hij ook een gentleman. Meer hoeft hij aan &#8220;society-life&#8221; niet te besteden.
+
+</p>
+<p>&#8212;O, vader! vader! riepen de dames verbolgen. <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169">169</a>]</span>Het kwam mij voor dat Maud een lichte kleur kreeg en &#8217;t kleintje kronkelde zich lachend op den schoot van &#8220;Auntie,&#8221; gansch
+opgewonden door de prikkelende discussie.
+
+</p>
+<p>Ik hield mij stil en zat benauwd te glimlachen. Ik had reeds meenen op te merken dat Papa niet bijzonder geraffineerd was
+in zijn manieren. Hij slurpte aan zijn kop en dronk terwijl hij at. &#8217;t Is &#8217;n proleet, dacht ik in mezelf en nogmaals was mij
+die gedachte troostend en welkom, omdat ik voelde dat &#8217;t mij nader en gemakkelijker bracht tot het prachtig voorwerp mijner
+dolle liefde. Ik voelde mijzelf, in de oogen der dames, in waarde stijgen, naarmate Papa, door zijn uitvallen, blijkbaar in
+maatschappelijke waarde daalde. Mama vroeg mij, hoe de society-toestanden in de &#8220;old country&#8221; waren. &#8220;Pas nu op! dacht ik
+in mezelf; pas nu in Godsnaam toch goed op! Spaar de Papa, maar denk ook aan de Mama.&#8221; Ik keek, als ge&iuml;nspireerd, door &#8217;t
+breede raam, waarachter de roode winterzon zoo schitterend onder ging, nam even een moede, bijna geblaseerde houding aan en
+zei:
+<span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170">170</a>]</span></p>
+<p>&#8212;Ach, wij, in Europa, zijn zoo oud, vergeleken met u. Er heerschen daar zooveel tradities, welke hier, in dit krachtige, frissche,
+nieuwe land niet meer gangbaar zouden zijn. Wij zijn dikwijls verfijnd, maar wel moe. Wij hebben schoone monumenten en prachtige
+artisten, maar in het praktische leven staan wij zeker wel ten achter. Misschien zou het goed zijn voor Amerika als het iets
+van Europa&#8217;s artistiek-verfijnde beschaving kon overnemen; en zeker zou het heilzaam zijn voor ons als wij wat meer van Amerika&#8217;s
+fut, en durf, en voortgang, en ondernemingsgeest bezaten.<span class="corr" id="xd0e1413" title="Bron: &#8221;"></span>
+
+</p>
+<p>Ziedaar! Het was gezegd! Voor wie nu de innige beteekenis der woorden begreep, moest het duidelijk zijn dat het toekomst-geluk
+der wereld verborgen lag in nauwere aaneensluiting der beide rassen. Meer aaneensluiting tusschen de staten; en meer aaneensluiting
+tusschen de individuen! Om kort te gaan en duidelijk te zijn, en met een afzonderlijk voorbeeld de waarde van een gansche
+stelling te bekrachtigen, een huwelijk b.v. tusschen een Europeaan en een Amerikaansche zou het ideaal benaderen. Dit <span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171">171</a>]</span>zeide ik natuurlijk niet in zulke klare woorden, maar zoo was wel de zin en de beteekenis van mijn betoog.
+
+</p>
+<p>Papa strekte zijn beide dikke handen uit, alsof hij volkomen mijn woorden beaamde en Mama en &#8220;Auntie&#8221; jubelden, terwijl een
+zachte gloed van geestdrift even in Maud&#8217;s prachtige oogen schitterde. Het gesprek werd intiemer, &#8220;Auntie&#8221; had het nog eens
+over Belgi&euml; en stelde voor de tweede maal de vraag of dat land dan toch werkelijk niet in &#8220;Germany&#8221; lag. Papa werd bijna giftig
+en zei dat zulke halsstarrige hardnekkigheid in de dwaling inderdaad aan krankzinnigheid grensde. Maar &#8220;Auntie&#8221; liet zich
+dat maar zoo niet zeggen. Zij keek mij strak met haar levendige, intelligente oogen aan en vroeg mij met nadruk of ik er wel
+heel, h&eacute;&eacute;l zeker van was, dat Belgi&euml; niet in &#8220;Germany&#8221; lag. Het werd een lastig dilemma voor mij. Durfde ik beweren dat Belgi&euml;
+w&egrave;l in &#8220;Germany&#8221; lag, dan was ik voorgoed verloren in de oogen van Papa en met Papa verloor ik waarschijnlijk ook Maud; durfde
+ik beweren dat Belgi&euml; niet in &#8220;Germany&#8221; lag, dan verbeurde ik de sympathie van &#8220;Auntie,&#8221; en, dit voelde <span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172">172</a>]</span>ik h&eacute;&eacute;l sterk en instinctmatig, &#8220;Auntie&#8221; met haar bij-de-handheid, kon mij, &ograve;f veel goed, &ograve;f veel kwaad doen bij Maud. De
+liefde maakt laf, en slap, en zwak; en, in plaats van rond voor de waarheid uit te komen, draaide ik schipperend om de pot,
+zei dat ik mij best kon voorstellen, dat Amerikanen, gewend aan zulke groote landen als het hunne was, een nietig strookje
+als Belgi&euml; op de wereldkaart niet zoo gemakkelijk ontdekten, en dat het niet de eerste maal was dat Belgi&euml;&#8217;s bestaan als eigen
+koninkrijk in twijfel werd getrokken, en dat zulks nog wel meer gebeuren zou,.... enfin, de lafheid zelve, zoodat ik mij schaamde
+om mijn woorden en het als een goddelijke zegening aanvaardde toen de kleine Violet, door een wispelturig gebaar, haar kopje
+omgooide en mij van de heup tot de knie met warme thee besproeide.
+
+</p>
+<p>Dat gaf een afleiding en Violet kreeg een standje; en, ik zou mij niet meer kunnen herinneren naar aanleiding van wat, maar
+toen werd er, zonder overgang, over kunst gesproken. Ik vertelde met vuur van onze schrijvers en beeldhouwers en schilders.
+Papa viel mij dadelijk in de rede en zei, <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173">173</a>]</span>genoegelijk en voldaan glimlachend, dat hij zich ook zeer voor schilderkunst interesseerde en mij, met gelegenheid, eenige
+mooie doeken in zijn huis zou laten zien. Mijn hart stond even van emotie stil. Hoezoo! Waren we reeds zooverre gevorderd
+dat ik bij hem aan huis zou mogen komen! Ik betuigde met geestdrift mijn bereidheid om die wonderen te aanschouwen.
+
+</p>
+<p>&#8212;U zal dan meteen ook het werk van mijn dochter kunnen zien, glimlachte Papa met vaderlijken trots.
+
+</p>
+<p>Als door een veer bewogen keerde ik mij tot de mooie Maud om.
+
+</p>
+<p>&#8212;O, werkelijk! Schildert u! jubelde ik.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ach! het heeft niets te beteekenen, antwoordde zij blozend; en richtte gegeneerd haar prachtige oogen ten gronde.
+
+</p>
+<p>Er werd een afspraak gemaakt. Den volgenden dag was de familie verhinderd (society, dacht ik bij mezelf met diepe bitterheid)
+maar den dag daarop, als ik tijd had, zouden ze mij op het ijs ontmoeten en mij dan na het rijden naar hun villa meenemen.
+
+
+</p>
+<p>Of ik ook tijd had! In werkelijkheid had <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174">174</a>]</span>ik geen tijd, moest er mijn ernstige zaken voor verwaarloozen, maar of ik ook tijd maken zou! Papa bromde wel, dat men mij
+niet van mijn &#8220;business&#8221; mocht afhouden, daar ik een flink &#8220;American&#8221; moest zien te worden; maar ik stelde Papa gerust, gaf
+hem de stellige verzekering, dat ik juist heel toevallig dien dag absoluut niets uit te voeren had.
+
+</p>
+<p>De zon was onder, haar roode na-gloed kleurde nog het gansche westen, als voor een schimmenspel van reuzen, en de verlaten
+vijver kreeg vale metaalglanzen, terwijl het eikenbosch langzamerhand tot zwarten nacht versomberde tegen het strakke wit
+der sneeuw.
+
+</p>
+<p>Papa stond op en gaf het sein tot den aftocht.
+
+</p>
+<p>&#8212;Gaat u soms een eind met ons mee? vroeg hij.
+
+</p>
+<p>Wat hij mij vroeg was net wat ik verlangde en met mijn schaatsen in de hand stapte ik naast de familie heen.
+
+</p>
+<p>De scherpe avondkoude prikte. Het zou nog eens flink vriezen, dien nacht. Wat zal er van mij worden, dacht ik meteen, als
+<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175">175</a>]</span>het eens niet meer vriest? Ik moest maar hopen, dat de dooi niet al te gauw zou invallen; dat hij niet komen zou alvorens
+mijn liefde, alvorens <i>onze</i> liefde vast aan elkaar geklonken was.
+
+</p>
+<p>Ik liep een pas of tien vooruit, met Maud en &#8220;Auntie.&#8221; De boomen van den weg welfden hun naakte kruinen als een hoogen tunnel
+over ons heen. Links in den donkerblauwen hemel blonk reeds een ster, heel zuiver, heel helder, als een eenzaam, fijn juweel;
+rechts, in &#8217;t rood der ondergegane zon, hing een fijn schilfertje maan, als een antiek sieraad. Een bende wintervogels wiekte
+hoog, met fijne, schrille kreten het glanzend westen in.
+
+</p>
+<p>Wij keuvelden over diverse dingen. &#8220;Auntie,&#8221; die nog steeds veel belang in de &#8220;old country&#8221; stelde, wilde o. a. weten hoe
+de welgestelde menschen aldaar &#8217;s zomers leefden. Ik vertelde haar van de buitenverblijven, van de bergen, van de luxe-badplaatsen.
+
+
+</p>
+<p>&#8212;Vrijwel hetzelfde als bij ons, meende &#8220;Auntie.&#8221; En zij deelde mij mede dat zij &#8217;s zomers meestal voor een poosje naar Newport
+gingen, en dan naar Saratoga <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176">176</a>]</span>in de bergen en in den herfst naar Lennox, allemaal plaatsen waar het heel aardig en &#8220;smart&#8221; was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Society&#8221; sidderde ik in mijzelf. En weer dacht ik: &#8220;Als we nu maar stevig genoeg aan elkaar geankerd zijn alvorens de dooi
+invalt!&#8221;
+
+</p>
+<p>Bij een kruispunt van den weg bleven zij staan. Daar moesten zij de laan op naar hun villa en wachtten even op Papa en Mama,
+die met Violet aangekuierd kwamen.
+
+</p>
+<p>Ik nam mijn hoed af en begon handdrukken te wisselen. Al de handdrukken die ik wisselde waren, zooals van zelf spreekt, slechts
+aanleidingen tot den afscheidshanddruk, dien ik met Maud zou wisselen.
+
+</p>
+<p>Ik voelde al mijn zintuigen tot het uiterste gespannen en gescherpt. Ik keek haar aan met mijn enthousiaste oogen en &#8217;t kwam
+mij voor of in haar afscheidsblik een ongewone teederheid van streeling en van zachtheid lag. Ik drukte haar de hand en hield
+die eventjes, h&eacute;&eacute;l eventjes langer dan strikt-noodig was in de mijne en &#8217;t kwam mij voor alsof zij deze drukking ook heel
+eventjes met een extra-drukkingje beantwoordde, <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177">177</a>]</span>alvorens mijn vingers los te laten. Het stroomde door mijn heele lichaam heen als een electrische trilling; zoo iets dat langs
+mijn armen naar mijn schouders opklom, daar even mij doorrilde en dan langs mijn rug en langs mijn beenen in den grond verdween.
+
+
+</p>
+<p>Het stoomde als &#8217;t ware in mijn hoofd van woelende en gloeiende gewaarwordingen en gedachten. Het was alsof ik grooter was
+geworden en of mijn lichaam, evenals mijn geest, tot aan de ideale sterren reikte. Ik liep met veerkrachtigen tred recht v&oacute;&oacute;r
+mij uit, heuvel op, heuvel af en toen ik ietwat tot bezinning kwam merkte ik, dat ik &egrave;n de aanlegplaats der &#8220;ferry&#8217;s&#8221; &egrave;n het
+station van de West Shore Railroad reeds lang voorbij was. Never mind! Ik was niet in een stemming om ergens te gaan zitten
+of te wachten; ik had behoefte aan beweging; ik moest loopen, l&oacute;&oacute;pen, en denken, en plannen maken, en hardop praten in de
+nachtelijke eenzaamheid: en ik liep maar steeds verder, gesticuleerend onder de sombere boomen; ik liep te voet naar New York
+terug, niet meetellend mijn moeheid en den <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178">178</a>]</span>afstand, ik liep als een gek, al het andere vergetend in de wilde opbruising van mijn hartstochtelijke liefde.
+
+</p>
+<p>Af en toe bleef ik plotseling staan. Dan rees opeens, als een spook, het beeld van het verleden v&oacute;&oacute;r mij op. Wat! Zou ik werkelijk
+den moed hebben mij voor altijd in het vreemde land te vestigen? Zou ik nooit meer in &#8217;t lieve Vlaanderen gaan leven? Zou
+ik nooit meer de bekoorlijke dorpjes Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, en de mooie, kronkelende Leie en Tieldeken, en de freule
+van &#8217;t kasteel, en mijn oude vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder en zelfs de eenmaal diep-gehate Groote Musicus
+terugzien! Het suisde en woelde pijnlijk in mijn overspannen hoofd; ik voelde mijn ziedende hersenpan als een soort gistkuip
+waarin, onder mysterieuze en folterende werking, mijn toekomst werd gebrouwen. Maar wie weet? Misschien zou zij zelve wel
+in Vlaanderen willen komen leven? Als ik d&agrave;t kon bereiken, dan was mijn overwinning totaal! Hoe trotsch zou ik zijn, met haar,
+in al haar bloeiende, overweldigende schoonheid, ginds, in mijn land, bij al wie mij <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179">179</a>]</span>kende! Wat een triomf om met haar over de Leie te gaan schaatsenrijden en daar even op te houden in de bocht v&oacute;&oacute;r het kasteel,
+het trotsch kasteel, en haar schoonheid en de kunsten die ik haar geleerd zou hebben te vertoonen voor de hoogmoedige freule,
+en voor den verwaanden baron met zijn grijze bakkebaarden, en voor al de lui die ons daar destijds zoo smadelijk genegeerd
+of bejegend hadden! D&agrave;t moest ik zien te bewerken en te bereiken; d&agrave;t was mijn taak, mijn levenstaak, ik voelde het ineens
+met alles-overweldigenden aandrang, en ik liep maar steeds verder en verder; luid-pratend en gesticuleerend langs den wit-besneeuwden,
+eenzamen weg onder de stralende tinteling van den sterrennacht heen, tot ik eindelijk in &#8217;t verschiet de eerste lichtjes der
+geweldige wereldstad zag flikkeren.
+
+</p>
+<p>Daar begon, of, beter gezegd, daar eindigde de electrische tramlijn; en niets is meer ontnuchterend en werkelijker dan het
+begin of het eind van een electrische tramlijn. Daar gaat een matter-of-fact-stemming van uit, die alle romantisme <span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180">180</a>]</span>en ideaal terstond op &#8217;t tweede plan verschuift. Ik zuchtte zwaar en mijn schoone illuzies zakten op den geheimsten bodem
+mijns harten neer. De buurt was vuil en banaal-leelijk, zooals elke buurt waar een electrische tramlijn begint of eindigt;
+maar op den hoek was er toch nog een &#8220;bar&#8221; van niet gansch onoogelijk uiterlijk en als vanzelf trad ik er binnen en bestelde
+er een cocktail. Ik vroeg den &#8220;barkeeper&#8221; of hij mij wel een Manhattan-cocktail zou kunnen toebereiden.
+
+</p>
+<p>&#8212;C&egrave;rtainly, sir, antwoordde de man, met nadruk op de eerste lettergreep, alsof het immers vanzelf sprak, dat in zulk een merkwaardige
+gelegenheid als de zijne, de fijnste &#8220;drinks&#8221; werden klaargemaakt. En inderdaad, het ding smaakte heerlijk, misschien ook
+wel omdat ik zulken dorst had en zoo flink geloopen had.
+
+</p>
+<p>Ik stak een sigaret op en in den blauwen rook liet ik mijn droomen gaan. Wat was het leven toch heerlijk en wat stond de schoone
+wereld glanzend-wijd v&oacute;&oacute;r mij open! Ik bestelde een tweeden cocktail. Een zalige moeheid zonk loom in mijn beenen. Had <span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181">181</a>]</span>ik nu maar een mooi rijtuig met een vlug span paarden om mij thuis te brengen, dacht ik. Thuis! Ik had daar immers geen thuis!
+Mijn huis was verre, verre, in het mooie Vlaanderen. Even schroefde een heimwee&iuml;ge emotie mij de keel toe en ik kreeg tranen
+in mijn starre oogen. Neen, ik bezat hier geen thuis; ik was hier de vreemdeling, bijna de banneling; maar zij had w&egrave;l een
+thuis, een heerlijk home dat ik weldra zou mogen zien; en ik droomde dat dat heerlijk home nu ook <i>mijn</i> home was en dat haar rijtuig met de mooie schimmels v&oacute;&oacute;r de deur van &#8217;t kroegje stond, om mij bij haar, in haar schoone armen,
+naar huis te voeren. Voor de deur van &#8217;t kroegje stond inderdaad een rijtuig; maar &#8217;t was de zeer proza&iuml;sche electrische tram,
+waarvan de wattman en de conducteur den beugel omsloegen.
+
+</p>
+<p>Ik betaalde, stond op, en vertrok met de electrische tram.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1499" title="Bron: IV">V</span></h2>
+<p>De dag, de groote dag, de dag van mijn bezoek bij Maud&#8217;s familie, was aangebroken.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was stralend mooi weer, nog mooier <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182">182</a>]</span>dan al de vorige dagen. De winterzon glansde heerlijk en de stille, in het verschiet lichtgrijs- en blauwwazige lucht was
+prikkelend zuiver en sonoor van geluiden op den hard-bevroren grond. &#8217;t Was als een winterfeestdag in de reine lucht.
+
+</p>
+<p>Al van in den vroegen ochtend had ik mij aandachtig in den spiegel bekeken en bestudeerd welk pak en welke das mij het best
+zouden staan. Dit is volstrekt geen geringe of onbeduidende zaak. Wij, mannen, hebben ook zoo bitter weinig wat ons eenigszins
+kan opsieren. Mijn teint was door de zon reeds flink gebruind; ik moest dus iets vinden dat daarbij paste. Ik probeerde &#8217;t
+eerst met een donkergrijs pak en een steenroode das. Het stond mij niet kwaad, maar &#8217;t maakte mij wat dik; &#8217;t voldeed mij
+niet.
+
+</p>
+<p>Ik trok een zwart pak aan, met blauwe das. Afschuwelijk! Afschuwelijk! &#8217;k Zag er net uit als een burgerman op zijn zondagsch.
+Ik wist niet hoe gauw ik dat uittrok. Toen paste ik gewoon een donkerblauw pak aan met zwarte das en hield mij daarmee tevreden.
+Het stond wat streng, wat dor, maar &#8217;t miste niet een zekere, sobere distinctie. <span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183">183</a>]</span>Een paarlen speld fleurde het trouwens nog al op. Ik voelde mij daarin wel niets als een veroveraar, maar ik viel me toch
+nog al mee wanneer ik mij in den spiegel bekeek.
+
+</p>
+<p>Om twaalf uur was het een heele kwestie wat ik wel eten zou. Er stond Irish Stew op &#8217;t menu en daar hield ik heel veel van,
+maar ik dacht er niet aan, vanwege de uien. Misschien zou het zelfs beter zijn als ik maar heelemaal niets gebruikte. Dat
+maakt lichter, ide&euml;eler, spiritueeler. Een mensch die stevig gegeten heeft is dikwijls log en loom en zwaar; een mensch, die
+een enkelen maaltijd laat voorbijgaan, krijgt iets voornamers, iets superieurs. Maar.... de maag bestond ook nog, en die is
+zeer materialistisch aangelegd, zoodat ik eindelijk besloot te transigeeren: mijn inferieur wezen zou &#8220;iets&#8221; krijgen en mijn
+superieur wezen ook iets; en dat loste zich op voor &#8217;t eerste in een zeer fijne, maar heelemaal niet overvloedige &#8220;lobster-salad&#8221;
+en voor het tweede in een glas spuitwater in plaats van bier. Daarmee trok ik op.
+
+</p>
+<p>De familie was reeds druk aan &#8217;t schaatsenrijden, toen ik op het ijs aankwam. Maud <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184">184</a>]</span>was met inspanning de krul aan &#8217;t instudeeren, die ik haar twee dagen te voren geleerd had, en &#8217;t kleintje, Violet, kwam naar
+mij toegevlogen van zooverre zij mij zag en riep jubelend dat zij het kunstje kende, terwijl haar tante Maud nog steeds aan
+&#8217;t knoeien en aan &#8217;t zwoegen was. Zij deed het mij voor, werkelijk heel aardig; en toen beleefde ik een van mijn grootste
+triomfen: ik merkte met den eersten oogopslag wat er nog aan &#8217;t werk van Maud ontbrak: een kleinigheid, een niets, maar dat
+gedaan moest worden om &#8217;t figuur te kunnen maken. Ik wees het haar, vroeg of ik haar even bij de hand mocht nemen; en daar
+ging het ineens: zij snapte &#8217;t, zij w&agrave;s er, zij maakte zonder moeite het figuur drie en vier maal na elkaar; en zij keek mij
+met zulk een stralende dankbaarheid, met zulk een glans, ja, met zulk een hartstocht en met zulk een liefde in haar mooie
+oogen aan, dat ik er als bedwelmd onder werd en even van emotie naast Papa en Mama en &#8220;Auntie&#8221; op de bank moest gaan zitten.
+
+
+</p>
+<p>Het was een gelukkige, een diep-gelukkige middag! Er komen zoo van die dagen, waar <span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185">185</a>]</span>alles meewerkt, evenals er andere dagen zijn, waarop alles tegenvalt. Er hing als &#8217;t ware geluk en voorspoed in de atmosfeer;
+alles was licht, alles was vroolijk, alles ging gemakkelijk en als van zelf. Maud genoot; zij genoot als een frisch, jong
+kind in juveniel geluk van &#8217;t kunstje dat ik haar geleerd had; zij was blij en dankbaar en beschouwde mij als een soort redder
+en een held, als een die voor haar ongekende hemelen van genot en van geluk geopend had.
+
+</p>
+<p>Wij reden en kringelden tot wij moe, doodmoe waren; wij reden ieder op zichzelf en wij reden samen; en als wij samen reden
+was het, voor mij althans, een zaligheid waarvoor geen woorden zijn te vinden; wij reden en wij bleven rijden; en ik weet
+niet wanneer wij er wel mee zouden uitgescheiden zijn, als niet de zon achter den heuvel was verdwenen, wat voor onmiddellijk
+gevolg had, dat Papa en Mama en &#8220;Auntie&#8221; eensklaps een ijzige koude voelden in hun rug, en meteen van de bank opstonden, en
+verklaarden dat het tijd, hoog tijd was om nu naar huis thee te gaan drinken, zooals afgesproken was.
+<span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186">186</a>]</span></p>
+<p>Wij bonden af en waren klaar. Dezelfde schoone avondzon die al die laatste dagen mijn geluk beschenen had, ging met ons mee
+langs den besneeuwden weg, verlichtte met haar laatste, oranje-gouden stralen het weeldepad van al mijn zaligheid. Maud was
+z&oacute;&oacute; verrukkelijk schoon in dien langzaam aan tanenden glans, dat zij mij weer voorkwam als een soort godin, bij vergissing
+op de aarde neergedaald. Ik had haar, als krankzinnig van hartstocht willen omhelzen; en ik had ook voor haar in de sneeuw
+willen neerknielen, en haar aanbidden, en tranen van geluk schreien aan haar voeten.
+
+</p>
+<p>Bij het kruispunt van den weg sloegen wij rechtsaf en stapten den heuvel op. Waar zou het zijn? Waar zou het zijn? dacht ik
+bij elke villa, die wij langs kwamen. Maar &#8217;t liep een heel eind verre: het liep tot boven op den heuvel, tot op een punt
+waar heel alleen een laatste, groote villa stond die, ik voelde &#8217;t instinctmatig, h&agrave;&agrave;r &#8220;home&#8221; wezen moest.
+
+</p>
+<p>Zoo was het ook. Papa keerde zich om, keek mij, met ietwat ijdelen glimlach aan en zei:
+<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187">187</a>]</span></p>
+<p>&#8212;We zijn er.
+
+</p>
+<p>Hij duwde een hekje open en wij betraden het erf, dat dik onder de sneeuw lag. De boomen en de heesters droegen witte watten;
+een pad was tot de stoep gebaand, die toegang gaf tot een veranda, welke rondom &#8217;t huis liep.
+
+</p>
+<p>Het zicht van daar uit, was onvergelijkelijk grootsch en schoon. Ik juichte, ik jubelde, ik vroeg of ik eens rond mocht loopen,
+om dat te bewonderen. Zij vergezelden mij, om van mijn verrukking mede te genieten.
+
+</p>
+<p>In &#8217;t Westen brandde de zon haar laatste, roode stralen weg over een wijde uitgestrektheid van stilte en verlatenheid. De
+sneeuw was roze en violet, een enkel huisje hier en daar stond als vergeten kinderspeelgoed in de wijde ruimte; een bosch
+donkerde, dicht en zwart, als een rouwkleed op &#8217;t glinsterend wit van een verderen heuvel. Een paar fabrieksschoorsteenen
+staken hun rechte pijpen in de hoogte, zonder de schoone rustige harmonie van het landschap te storen.
+
+</p>
+<p>Naar de oosterkim was &#8217;t schouwspel gansch verschillend. Daar lag in de diepte <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188">188</a>]</span>de prachtige Hudson met zijn vaalgroen water tusschen &#8217;t wit van de besneeuwde oevers. Kleine dingetjes dreven er in schuinsche
+vaart dwars overheen, wijd-uitloopende, witte strepen achter zich naar de kanten stuwend; en die kleine dingetjes waren de
+groote, machtige &#8220;ferries&#8221; die heen en weer van en naar New York voeren. De huizen tintelden van lichtjes aan de overzijde;
+en gansch aan &#8217;t einde van den horizont, naar &#8217;t Zuiden toe, was &#8217;t of daar ergens een vulkaan in werking was: lichtschichten
+flikkerden, rookkolken somberden en een machtig-zware stem kwam in doffen ondertoon tot hier verre aangewaaid: de grootsche
+stem van New York met al zijn duizenden, en duizenden door elkander warrelende geluiden, waar af en toe, als een noodkreet,
+de snerpende gil van een locomotief, of het langgerekt, klagend geloei van een stoomboot-sirene, aangrijpend uit opklonk.
+
+
+</p>
+<p>Ik stond daar, en &#8217;k had er uren kunnen blijven om te zien en te genieten. Ik had er willen staan alleen met h&agrave;&agrave;r en ons beiden
+van die geweldige po&euml;zie laten doordringen: een po&euml;zie, grootsch en machtig als de overweldigende, <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189">189</a>]</span>bijna vernietigende liefde, die in mijn boezem voor haar bruisde. Maar &#8220;Auntie&#8221; kreeg het koud, &#8220;Auntie&#8221; was bang voor &#8220;chills&#8221;
+en huiverde; en Papa opende met een fijn sleuteltje de zwaar-bewerkte, eikenhouten voordeur en wij traden binnen.
+
+</p>
+<p>Hij draaide aan een knopje en in de &#8220;hall&#8221; ging electrisch licht op. Het licht glom kleurrijk en gedempt in een hanglamp van
+groen, rood en oranje glas en ik kreeg dadelijk een plechtigen en weelderigen indruk, als in een oostersch paleis of in een
+kerk. Zware kasten stonden tegen de wanden, rijke tapijten hingen aan de muren; een donkerroode looper liep langs een monumentale
+trap naar boven. Links hing een groot schilderij, zwaar, somber, onduidelijk. Ik ging er recht op af, om alvast te bewonderen;
+maar Papa hield mij tegen, zei dat ik daar maar niet moest naar kijken, wijl het niet veel te beteekenen had. Hij hielp mij
+mijn jas uittrekken en haakte die aan een gewei dat tot kapstok diende; en nog eens aan een knopje draaiend duwde hij een
+zijdeur open en verzocht mij binnen te gaan.
+<span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190">190</a>]</span></p>
+<p>Ik liet de dames voor en trad in een salon, door Papa gevolgd.
+
+</p>
+<p>Door breede, heldere ramen zag ik den laatsten, rooden zonnegloed in &#8217;t Westen, over het wijd-ingesneeuwde, eenzaam veld.
+&#8217;t Was heerlijk-schoon, gelijk een vizie van apotheose. &#8217;t Was om er naar te blijven staren en te droomen. De zachte warmte
+van een gedempt-gloeiende vulkachel vulde &#8217;t vertrek met een egale, koesterende luwheid en men had den indruk van veilig in
+een serre, of in een lente-atmosfeer te staan, gezellig genietend met de oogen van al &#8217;t schoone dat daarbuiten lag, zonder
+de onaangename scherpheid van de koude te voelen.
+
+</p>
+<p>&#8212;O! hoe prachtig! Hoe prachtig! jubelde ik.
+
+</p>
+<p>Maar Papa deed zenuwachtig en als &#8217;t ware eenigszins gehinderd. Laat ons de gordijnen dichthalen en licht aansteken zei hij;
+anders kunnen wij de schilderijen niet goed zien.
+
+</p>
+<p>De schilderijen! &#8217;t Was waar ook! Ik was daar immers gekomen om zijn schilderijen te bewonderen! Ik had het reeds vergeten,
+<span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191">191</a>]</span>zoo diep had mij het mooie vergezicht door de ramen geboeid.
+
+</p>
+<p>Mama drukte op een schelknop en Papa stak alvast een lamp met roze kap op, die zacht op een onyxen tafeltje gloeide. Een hupsch
+dienstmeisje kwam binnen en haar werd bevolen de gordijnen dicht te trekken en theewater te brengen.
+
+</p>
+<p>Een voor een werden de schoone, weidsche tafereelen als &#8217;t ware uitgewischt. &#8217;t Was of een groote, ruwe, schennende hand ze
+met doodkleur oververfde. Het was alsof licht en ruimte uit de wereld verdwenen. Toen dat gedaan was stak Papa n&oacute;g een paar
+lichten op; en, zich met iets kinderlijk-triomfants tot mij omkeerend:
+
+</p>
+<p>&#8212;Look now! zei hij.
+
+</p>
+<p>Ik keek....
+
+</p>
+<p>Wat er ook gebeuren kon en wat ik ook te zien mocht krijgen, vast had ik mij voorgenomen in ieder geval te bewonderen. Ik
+was op alles voorbereid, ook op het ergste; maar wat ik zag leek mij op &#8217;t eerste gezicht n&ograve;g erger, dan het ergste dat ik
+mij had voorgesteld.
+
+</p>
+<p>Het waren in de eerste plaats portretten; <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192">192</a>]</span>en ik herkende Papa en Mama en &#8220;Auntie&#8221; en ook, o gruwel, Maud! Zij waren geschilderd als door een dolle neger, iets z&oacute;&oacute; geweldig
+onartistieks en leelijks, dat ik de woorden op mijn tong voelde verstijven. Het waren als gekleurde poppen uit een panopticum
+of kermis-kraam, van die dingen welke de handen doen kittelen om er met ballen naar te gooien en waar men &#8217;s nachts van droomt,
+in nachtmerrie-benauwing. Zij waren gefigeerd, dood, gedrochtelijk. &#8217;t Was iets z&oacute;&oacute; overweldigend-affreus, dat ik terstond
+besefte zelfs geen middenweg in mijn appreciatie te kunnen gebruiken: ik moest ofwel mijn afkeer uitgillen, ofwel blindelings
+en onvoorwaardelijk goedkeuren en bewonderen; en ik deed het laatste, met een ignobele valschheid en lafheid, met de kruiperige
+lafheid van den smoorverliefde: een daad, een wandaad, waar ik mij nu nog over schaam.
+
+</p>
+<p>Papa zette &#8217;n hooge borst op, kuchte, kreunde als &#8217;t ware van trotsch genoegen, terwijl Auntie&#8217;s felle oogen flikkerden en
+Mama met eenigszins bescheidener genoegen hoofdknikte en beaamde:
+<span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193">193</a>]</span></p>
+<p>&#8212;Oh yes, they are very lovely, indeed.
+
+</p>
+<p>Maud, met een zachte kleur over haar wangen, stond in stilte te genieten.
+
+</p>
+<p>Opgetogen leidde Papa mij verder rond. Ik zag een knoeierig &#8220;sous-bois&#8221; konterfeitsel uit een niet-bestaande streek, vuil
+plagiaat van Courbet; een marine als van gegolfd karton waarop papieren schuitjes dobberden, een berglandschap met sneeuwtoppen,
+als geklopte room op chocolade. Maar glunderend bracht Papa mij bij &#8217;n kleiner schilderijtje in een hoek en zei, terwijl zijn
+stem even van emotie hikte:
+
+</p>
+<p>&#8212;En dit is &#8217;t fijnste wat ik heb.
+
+</p>
+<p>Het was een ijsgezicht uit Volendam, met de kleine poppenhuisjes langs den dijk, met de witte kapjes en de witte klompjes,
+met de visschers en de visschersvrouwen, die in hun nationale kleederdracht op schaatsen reden. Het ding was akelig netjes
+en banaal geschilderd als een chromo; &#8217;t was eigenlijk om bij te huilen en te snikken; maar ik jubelde alweer met laffe uitbundigheid;
+ik zei dat het precies zoo was in werkelijkheid en daarop omringden zij mij allen en deden mij vertellen, en vroegen <span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194">194</a>]</span>naar allerlei bijzonderheden uit die streek en zeiden dat zij &#8217;t vaste voornemen hadden een of anderen dag dat verrukkelijke
+land te gaan bezoeken.
+
+</p>
+<p>Horizonnen van zaligheid gingen in mijn verbeelding voor mij open. O, zou ze toch werkelijk.... in de &#8220;old country&#8221;, zoo heel
+dichtbij mijn eigen land eens komen! En, als ze daar eenmaal was, wie weet of zij er niet zou willen blijven, met mij....
+met mij.... als mijn beminde, als mijn vrouw! Het duizelde in mijn geest; het was t&egrave; schoon, t&egrave; heerlijk, ik mocht mij niet
+zoo in vervoering laten meeslepen. Verder liep ik rond, zag nog meer monsterdingen, bleef eindelijk voor den vleugel staan,
+waarop een heele rij fotografie&euml;n prijkten. En daar zag ik weer Papa, en Mama, en &#8220;Auntie&#8221; en ook Maud, doch nu in al hare
+verrukkelijke schoonheid, in baljapon en laag gedecolleteerd, als de prinses uit een sprookje. Ik werd er plotseling jaloersch
+van, wild-jaloersch omdat anderen v&oacute;&oacute;r mij haar zoo hadden mogen zien en ik voelde &#8217;t heete bloed naar mijn wangen opgolven,
+terwijl een zwoele hartstochtsnevel v&oacute;&oacute;r mijn oogen <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195">195</a>]</span>schemerde. Meer andere, meestal knappe portretten stonden naast het hare en Papa vertelde mij van wie die waren: Isabel, zijn
+oudste dochter en Violet&#8217;s moeder, die in California woonde; Basil, zijn zoon, die in Philadelphia getrouwd was en verder
+nog enkele familieleden en goede vrienden. Achter Maud&#8217;s portret stond dat van een jongmensch met banaal-knap gezicht en donkere
+snor, die mij voorkwam eenigszins op haar te lijken. &#8220;Is dat ook een zoon van u?&#8221; vroeg ik aan Papa. &#8220;No, a friend,&#8221; antwoordde
+hij, een vriend, die in New York woonde, maar voor &#8217;t oogenblik een lange reis maakte voor handelszaken in Australia.
+
+</p>
+<p>Op een schrijftafeltje bij &#8217;t raam stond een kleine aquarel en ik voelde (je kunt zoo van die voorgevoelens hebben) dat dit
+iets was, dat Maud geschilderd had. Ik ging er naar toe, boog er mij over heen, bekeek het met aandacht; en, mij weer oprichtende,
+kalm, met ernstige, als &#8217;t ware beheerschte bewondering:
+
+</p>
+<p>&#8212;Dit is &#8217;n aardig dingetje, zei ik.
+
+</p>
+<p>Ik zag het vuur over Maud&#8217;s wangen <span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196">196</a>]</span>komen en &#8217;k dacht dat Papa van overmoed ging omvallen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Weet u van wie dat is! riep hij,.... En hij verklapte &#8217;t, zwellend van vaderlijken trots.
+
+</p>
+<p>Ik hield mij heel, h&eacute;&eacute;l kalm en ernstig, alsof mij een gebeurtenis werd meegedeeld van zulk een overweldigend gewicht, dat
+het besef ervan eerst in mij moest bezinken. Ik ging weer naar het tafeltje toe, bekeek de aquarel met uiterst ingespannen
+aandacht, richtte mij op, staarde, alsof ik geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken, het jong meisje aan.
+
+</p>
+<p>&#8212;&#8217;t Is buitengewoon knap! kon ik eindelijk uitspreken.
+
+</p>
+<p>Papa jubelde:
+
+</p>
+<p>&#8212;En zeggen dat ze er zoo met dozijnen heeft, boven, op haar boudoir! Laat ze meneer toch eens zien, Maud.
+
+</p>
+<p>&#8212;Zou het u heusch interesseeren? vroeg zij blozend.
+
+</p>
+<p>Ik zou mij niet meer kunnen herinneren wat ik op die ontroerende woorden antwoordde. Ik herinner mij enkel dat ik de felle,
+op mij gerichte oogen van &#8220;Auntie&#8221; even met een <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197">197</a>]</span>eigenaardige uitdrukking zag flikkeren en dat Mama mij vroeg of ik niet eerst even een kop thee wilde drinken.
+
+</p>
+<p>Ik weet ook niet, of ik voor dan na &#8217;t bezoek op het boudoir die kop gedronken heb. Dikwijls heb ik daar met spanning over
+nagedacht en ben het nooit met mijzelf eens kunnen worden. Ik weet alleen dat ik een kop gedronken heb, v&oacute;&oacute;r of na &#8217;t bezoek
+op het boudoir.
+
+</p>
+<p>Maar wel weet ik nog dat de salondeur openging, dat ik met haar in de &#8220;hall&#8221; kwam, in het mysterieuze gedempte licht der Moorsche
+hanglamp van groen, rood en oranje glas, en dat ik over den donkerrooden looper met haar de trap op ging.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was als een bruidsmarsch naar boven, als een nuptiale gang. Ik had geen de minste moeite om mij in te denken in &#8217;t geval
+dat ik met haar getrouwd was en dat wij samen, als man en vrouw, naar onze slaapkamer gingen. Op &#8217;t eerste trapportaal duwde
+zij een witte deur open, draaide licht aan, verzocht mij binnen te treden.
+
+</p>
+<p>Alles was er van een lichte kleur, amandelbloesemachtig-teer en &#8217;t geurde er bedwelmend <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198">198</a>]</span>naar fijne viooltjes. Er waren gemakkelijke, lichtkleurige fauteuils; er was een groote, lichte divan, breed als een bed.
+
+
+</p>
+<p>Hier nu te blijven, dacht ik, en nooit meer weg te gaan! En even sloot ik mijn bedwelmende oogen. Hier te blijven, haar in
+mijn armen te nemen, haar te omhelzen en te zoenen, als in een hemel op aarde. En &#8217;k wachtte, roerloos, strak, alsof het nu
+komen zou, alsof het vanzelf zou gebeuren, omdat het werkelijk, zooals in mijn verbeelding, niet anders kon.
+
+</p>
+<p>Zij ging naar den divan toe en haalde van achter de rugleuning een lijvig album te voorschijn. Zij lei die op den divan open,
+schoof twee stoelen bij en verzocht mij te gaan zitten.
+
+</p>
+<p>Ik nam plaats, machinaal, als in een droom.
+
+</p>
+<p>Ik hoorde haar lieve, zachte stem en begreep niet wat zij zei. Ik zag haar langzaam, een voor een, de bladen van het album
+omkeeren en had niet het minste benul van w&agrave;t ik zag. Ik uitte klanken, die van mijn bewondering moesten getuigen, maar kende
+geen verschil tusschen een landschap en een zeegezicht. Ik ging op kleuren af, op felle <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199">199</a>]</span>vlakken, die nog eenigszins mijn elementair-geworden waarnemings-vermogen troffen. En aldoor waande ik mij in een wonderoord,
+in een hemelschen tuin, in een Paradijs, waar het heerlijk naar viooltjes geurde.
+
+</p>
+<p>Ik weet niet door welke kracht of welke vrees ik aan de verleiding heb weerstaan mijn arm om haar middel te slaan en in wilden
+hartstocht haar blanken hals te zoenen. Het had best kunnen gebeuren en nu nog begrijp ik niet, dat het niet gebeurd is. Maar
+het is niet gebeurd. Toen ik alles goed gezien had en bewonderd, deed zij het album dicht, stond op en ging het weer op zijn
+plaats, achter de rugleuning van den divan, schuiven. Daarmee was mijn bezoek op haar kamer afgeloopen. Daarmee mocht ik heengaan,
+bevredigd of onbevredigd, ik weet het zelf niet meer. Ik weet alleen dat plotseling een groote kilheid in mij doordrong en
+dat ik huiverde, als van scherpe kou. Het was alsof ik van een reuzen-inspanning verlost werd. Ik had het gevoel dat ik tusschen
+twee uitersten had gestaan: een formidabele ramp en een onuitsprekelijk geluk; en dat ik veilig aan de vreeselijke <span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200">200</a>]</span>ramp ontkomen was, zonder echter het hemelsche geluk te proeven. Ik werd ineens heel kalm. De wilde crisis was over; ik kon
+gewoon weer als een gewoon mensch voelen en denken. Ik beefde nog een weinig toen ik met haar naar beneden kwam en ontweek
+machinaal den fel-vorschenden blik van &#8220;Auntie;&#8221; maar ik kon althans spreken; ik kon in woorden mijn waardeering en bewondering
+uiten en die zelfs met eenige consequentie en welsprekendheid motiveeren. Zij luisterde met ernst naar mij; zij keek mij aan,
+met dankbaarheid en sympathie.
+
+</p>
+<p>Toen dronk ik thee. Het zal me steeds een kwelling blijven mij niet meer te kunnen herinneren, of ik, al dan niet, ook thee
+dronk v&oacute;&oacute;r ik met haar naar boven ging, maar dat ik thee dronk toen ik weer beneden was, ja, dat herinner ik mij nog heel
+duidelijk. Ik dronk thee en nam met bevende vingers een paar koekjes. En ik bleef niet te lang voor dat eerste bezoek; ik
+wist heel goed mijn tijd te kiezen; ik vertrok in het bewustzijn dat ik een gunstige impressie achterliet.
+
+</p>
+<p>Bij &#8217;t afscheidnemen drukten wij elkaar <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201">201</a>]</span>de hand. Onze oogen keken elkander sprekend aan en ik hield haar vingers in de mijne, misschien een halve seconde langer,
+dan volstrekt noodig was. Trok zij instinctmatig hare hand terug, of liet ik die instinctmatig los? Ik weet het niet meer.
+Maar die halve seconde voelde ik in mij, als een duizelingwekkende overwinning. Ik liep bedwelmd naar de deur, door Papa begeleid;
+en &#8217;t oogenblik daarna stond ik, in den scherpen vriesavond, op de schemerwitte sneeuw van den eenzamen weg.
+
+</p>
+<p>Ik liep in snellen pas een honderd meters en bleef dan even staan. Al de miljoenen sterren van den schoonen donkerblauwen
+hemel schenen voor mij alleen te tintelen en te bloeien. Wat was de wereld groot en mooi! Wat was het leven zalig! Ik stak
+een sigaret op en voelde mijn oogen glinsteren in den nacht. En eensklaps had ik het besef dat mijn bestaan heel waardevol
+en dierbaar was geworden en dat ik heel goed er voor zorgen moest. Ik voelde mij ineens moe, doodmoe en uitgeput, maar toch
+zalig-moe en uitgeput. Ik had genoeg gedaan, dien dag; ik had het maximum bereikt van wat <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202">202</a>]</span>ik kon verwerken; en in plaats van nu nog verre te gaan loopen, zooals ik eerst van plan was, trok ik huiverig den kraag van
+mijn jas op en ging doodstil en kalm in de wachtkamer van de West Shore op mijn trein zitten wachten.
+
+</p>
+<p>De gansche wereld woelde als &#8217;t ware in mij om en de menschen liepen langs mij heen als in een droom. Ik was het centrum van
+&#8217;t bestaan geworden. Even sprak ik hardop in &#8217;t stille van de wachtkamer en merkte niet eens dat de overige reizigers mij
+vreemd aankeken. Toen de trein voorkwam stapte ik er machinaal in en toen hij een half uur later in het Pennsylvania Depot
+stilhield, stapte ik er machinaal uit, zonder beseft te hebben dat ik er mee gereisd had.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was etenstijd en ik had honger, en toch zou ik niet eten. Mijn maag pijnigde en mijn slokdarm was als dichtgeschroefd.
+Ik kocht een krant, keek er in, gooide hem dadelijk weg. Ik nam hem weer op en keek met inspanning naar de huwelijks-aankondigingen.
+Was ik nu heelemaal overstuur en gek?
+
+</p>
+<p>Ik trad een &#8220;bar&#8221; binnen. Ik was er <span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203">203</a>]</span>nauwelijks of reeds speet het mij d&agrave;t ik er was. Ik liep er weer uit zonder iets te gebruiken. Ik hoorde een kort hoongelach
+van den barkeeper.
+
+</p>
+<p>Toen begreep ik dat alles ontheiliging was, wat mij ook maar eventjes aan de gedachte van h&aacute;&aacute;r kon onttrekken en zonder nog
+naar iets te kijken of te zoeken liep ik recht naar mijn ongezellige pension-kamer toe en sloot er mij met mijn ziedende gevoelens
+en gewaarwordingen op.
+
+</p>
+<p>Ik dronk veel water en rookte sigaretten, mijn strak-starende oogen in het onbestemde v&oacute;&oacute;r mij heen gevestigd.
+
+</p>
+<p>Ik had vizioenen waarin mijn gansche leven en verleden v&oacute;&oacute;r mij heen zweefde. Ik dacht aan mijn tehuis, aan &#8217;t schoone Vlaanderen,
+aan mijn vrienden, aan Tieldeken van Meylegem, en aan de freule van &#8217;t Kasteel. Er kwamen tranen in mijn oogen, die langzaam
+over mijn wangen vloeiden....
+
+</p>
+<p>Zoo overviel mij eindelijk de slaap. Rillend van de koude werd ik wakker, gooide mijn kleeren uit, kroop in mijn bed.
+
+</p>
+<p>De torenklok van de Pennsylvania sloeg twaalf uur.
+<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204">204</a>]</span></p>
+<p>Ik kroop tot mijn hoofd onder de dekens en droomde van Paradijzen.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1678" title="Bron: V">VI</span></h2>
+<p>Kunst is een heerlijk iets. Kunst loutert de ziel van den mensch en verheft hem hoog en <span class="corr" id="xd0e1682" title="Bron: nohel">nobel</span> boven de kleinzielige sleur van &#8217;t alledaagsche leven. Kunst is de bloem des levens. En kunst is liefde, liefde in den schoonsten
+en den ruimsten zin van &#8217;t woord.
+
+</p>
+<p>Dit mocht ik met volzaligheid ervaren gedurende de vele dagen en de lange weken, die op mijn eerste bezoek aan Maud&#8217;s ouders
+volgden.
+
+</p>
+<p>Het ijs is niet eeuwig, tenzij aan de Noordpool en omgeving, en ook wel,&#8212;&#8217;t spreekt van zelf,&#8212;aan de Zuidpool en omgeving;
+en met angst zag ik de dagen langer worden en voelde ik de zon luwer en warmer schijnen, terwijl het ijs op den vijver steeds
+zachter werd en de sneeuw die er omheen lag zienderoogen wegsmolt.
+
+</p>
+<p>De lastige en gecompliceerde kringen welke onze schaatsen trokken over de gladde oppervlakte lieten er,&#8212;schrijnende emblemen
+<span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205">205</a>]</span>van alle vergankelijkheid,&#8212;nog nauwelijks zichtbaar hun sporen na; en &#8217;t werd mij meer en meer en o zoo droevig duidelijk
+hoe al die schoone kunst voor goed verloren ging. Maar het lot waakte als een trouwe beschermengel over mij en naarmate de
+ijskunst in het niet verzwond, ontwaakte en leefde steeds intenser in mij,&#8212;en in ons beiden: in Maud en mij,&#8212;de koesterende
+heerlijkheid van den breederen, blijvenden, algemeenen kunstzin op.
+
+</p>
+<p>Dat was aldus gekomen door &#8217;t bezichtigen van die monster-schilderijen in Papa&#8217;s huis en vooral door &#8217;t bezoek op Maud&#8217;s boudoirtje
+en het bewonderen van haar aquarellen-album.
+
+</p>
+<p>Vast en zeker geloof ik, dat het ontstaan en &#8217;t zich ontwikkelen van het kunstgevoel in &#8217;t algemeen, van dien ontroerenden
+tijd in mijn leven dagteekent. Ik moet haar in die dagen dingen hebben gezegd,&#8212;w&agrave;t al weet ik niet meer,&#8212;dingen, die het geloof
+in haar levendig maakten, dat zij een groot talent als schilderes bezat, terwijl ze van mij den indruk moest krijgen, dat
+ik, ondanks al mijn verregaande <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206">206</a>]</span>bescheidenheid, over een buitengewoon ontwikkelden en scherpen critischen kunstzin beschikte.
+
+</p>
+<p>Hoe dan ook: toen het ijsvermaak dien winter onherroepelijk onder den alles nivelleerenden en verwaterenden dooi verloren
+en verdronken was geraakt, hielden onze gezellige relaties daarmee niet op. Wel integendeel. Ik vertelde haar van mijn voorname
+artistieke vrienden uit de &#8220;old country;&#8221; van den Grooten Schilder, van den Grooten Dichter en zelfs van den Grooten Musicus;
+en die verhalen boeiden haar bovenmatig; haar wangen kleurden en haar oogen tintelden; zij had ze willen kennen; zij snakte
+naar een meer artistiek en intellectueel milieu; en zij bekende mij met treurnis dat haar gewone leven en omgeving in Amerika
+haar dikwijls zoo banaal en zoo proza&iuml;sch scheen. Zij had de wereld willen zien, de artistieke wereld: Parijs, Londen, Rome;
+zij stelde zich wonderen voor van &#8217;t heerlijk leven der artisten in die groote steden en zij vroeg mij of ik daar niet dikwijls
+heentoog, en er weken en maanden verbleef, om mij op te frisschen, om mij als het ware aan <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207">207</a>]</span>die bron van louter heerlijkheid te laven en te herdoopen.
+
+</p>
+<p>Ik loog er maar wat raak op los. Ik vertelde van mijn bezoeken in Parijs, welke zich in dien tijd feitelijk tot &eacute;&eacute;n enkel
+bezoek bepaalden en van mijn herhaalde verblijven in schilders-milieux, welke zich ook al beperkten tot &eacute;&eacute;n enkel milieu:
+dat van een Belgisch schilder, die toentertijd in Frankrijk&#8217;s hoofdstad woonde en mij eens op zijn atelier ontvangen had.
+Inderdaad had ik haar meer pikants kunnen vertellen over mijn vroegere verhouding tot het mooie Tieldeken van Meylegem en
+tot de mooie freule van &#8217;t Kasteel; maar, vreemd genoeg, daar dacht ik op dat oogenblik niet aan.
+
+</p>
+<p>Met dat al werd onze kennismaking gaandeweg intiemer en het duurde niet lang of zij inviteerde mij om af en toe eens, als
+ik tijd had, een uurtje bij haar te komen doorbrengen.
+
+</p>
+<p>Tijd of geen tijd, ik maakte tijd, natuurlijk; en zoo kwam het als van zelf, dat ik daar ook wel eens bleef lunchen en dineeren,
+tot het ten slotte een vaste regel werd, dat ik er elken Zondag kwam en er geregeld het middagmaal gebruikte.
+<span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208">208</a>]</span></p>
+<p>Ik verscheen zoowat tegen vier uur en gebruikte thee met de gansche familie. Dat was als de inleiding, als de inwijding tot
+het groot geluk dat volgen zou. Zij zat daar, mijn aangebeden schoone, in den banalen huiskring en zij deed mee als ik in
+het banaal gesprek over banale dingen; maar onze oogen spraken tot elkaar een intiemere taal, waarin heerlijke werelden van
+geluk zich soms in &eacute;&eacute;n enkelen zwijgenden blik openbaarden. Ons lichamelijk wezen was daar, maar onze geest, onze ziel, ons
+ideaal leefden, en trilden, en jubelden hoog en verre daarboven en daarbuiten; en zoodra het behoorlijk kon stond zij op en
+noodde zij mij om verder met haar alleen te gaan keuvelen.
+
+</p>
+<p>Met haar alleen! Telkens weer bracht het mijn gansche wezen als in duizeling. Het was steeds weer voor mij van zulk een overweldigend
+geluk, alsof een schoone hemel genadig voor mij openging. Ik volgde haar, bij slecht weer op haar kamertje, bij mooi weer
+naar buiten, in het lenteveld, waar nu de eerste bloemen fleurden; en het waren ofwel bespiegelingen zonder eind in de geparfumeerde
+gezelligheid van &#8217;t lichte boudoirtje, <span class="pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209">209</a>]</span>ofwel lange wandelingen door de velden en de bosschen, in die mooie maar verwaarloosde Amerikaansche natuur, die, zelfs tot
+in de onmiddellijke nabijheid der groote steden iets oerruws en wilds behouden heeft.
+
+</p>
+<p>Ik kon het voor mijzelf nooit precies uitmaken wat ik wel prefereerde: thuis bij haar te zijn of met haar te gaan wandelen.
+En eigenlijk was het net eender, want waar ik ook met haar was, slechts &eacute;&eacute;n gedachte bezielde en vervulde mij geheel en al:
+mijn vurige liefde en hoe ik haar die eindelijk verklaren zou.
+
+</p>
+<p>Want dat dit moest en zou gebeuren zat zoo vast als een spijker in mijn brein. Het zou en moest gebeuren, het kon niet anders;
+maar wanneer, maar hoe: dat was de groote vraag!
+
+</p>
+<p>Booze plannen spookten in mijn geest, die mij tot een spoedige, ja, tot een gebruskeerde beslissing stuwden. Een stem riep
+in mij, geweldig-dringend: sla nu toch eenvoudig je arm om haar middel en geef haar een zoen! En ik voelde werkelijk mijn
+arm, die naar haar toe wilde en pijn deed, omdat ik hem tegenhield. Doe dat niet, hou <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210">210</a>]</span>je stil, waarschuwde een andere stem in mij; en die nuchtere, koele stem des verstands verstijfde mij, deed mij ijzen. En
+dan was er ook nog een derde stem, een raadselachtige, die nooit iets duidelijks zei, maar aldoor glimlachte en spotte. Die
+heimelijke stem deed mij telkens denken aan &#8217;t gezicht van &#8220;Auntie&#8221; met haar felle spot-oogen; en &#8217;k was er banger voor dan
+voor de ernstig-waarschuwende stem, want ofschoon ze niets duidelijks zei, dacht ik toch altijd weer te hooren: &#8220;En vooral,
+maak je niet belachelijk!&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het boudoir-uurtje of de wandeling in &#8217;t veld was afgeloopen.
+Dan was de twijfelstrijd althans ge&euml;indigd en in &#8217;t gezelschap der gansche familie voelde ik weer de geheime verstandhouding
+tusschen haar en mij, die ons daar beiden op een apart en als &#8217;t ware superieur plan stelde. Dan zeiden weer de oogen wat
+de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we werkelijk
+alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel, als het mogelijk was geweest, mijn arm om haar <span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211">211</a>]</span>middel durven slaan en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en onbevangen; en alleen de oogen van
+&#8220;Auntie,&#8221; die ik altijd, altijd raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij levendig, dat ik eigenlijk
+in het geheel niet vrij noch onbevangen was.
+
+</p>
+<p>Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche
+toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd
+was en die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden steigeren. Zoo werd ik eens vergast op &#8220;oystersoup.&#8221;
+Dat waren uit hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde stukjes caoutchouc of als doode slakken
+lagen zij daarin te zwemmen; en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid was, lag vol met groote,
+dikke, witte vellen.
+
+</p>
+<p>Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog v&oacute;&oacute;r ik &eacute;&eacute;n lepel proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetseld
+<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212">212</a>]</span>en dat het alles langs mijn neus zou uitkomen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing.
+
+</p>
+<p>&#8212;Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Laat u &#8217;t maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik niet k&ograve;n.
+
+</p>
+<p>&#8212;Neemt u &#8217;t mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer.
+
+</p>
+<p>De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden &#8217;t allen even heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie&#8217;s oogen
+flikkerden bijna uitdagend, z&oacute;&oacute; fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden met mij en zeiden, met een soort van
+spijt, dat ik toch heusch nog geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op en kreeg een lach-crisis.
+Zij vond het zoo &#8220;funny&#8221; die groote meneer, die nog geen &#8220;oystersoup&#8221; kon eten!
+
+</p>
+<p>Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook d&agrave;t was wel
+een zware dobber. Papa strekte zich met de <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213">213</a>]</span>sigaar tusschen de lippen in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over &#8220;business&#8221; te praten. Aldoor,
+en nog, en uitsluitend, praatte hij over &#8220;business.&#8221; Het woord &#8220;dollar&#8221; klonk aanhoudend als een hardnekkig leitmotiv in zijn
+gesprek door en de reusachtige fortuinen schenen zich als &#8217;t ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen, terwijl zijn
+koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen was,
+hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het
+hoogste heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken, en die nu mag genieten, die nu m&oacute;&eacute;t genieten, vetgemest
+in een geluk, dat slechts door ziekte of door &#8217;t einde van het leven meer verstoord kon worden. Hij kreunde in zichzelf van
+wellustig genieten, hij aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en sloot even zijn oogen, om nog inniger
+en warmer te genieten. En hij gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met welwillende <span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214">214</a>]</span>genadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er wellicht ook zou komen.
+
+</p>
+<p>&#8212;In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder; maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende
+geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets meer te beginnen. Er bestaat slechts &eacute;&eacute;n land op de
+wereld: Amerika.
+
+</p>
+<p>Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames
+vonden. Zij ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer van gedempt licht en &#8217;t was voor mij als &#8217;t
+komen in een mooien tuin met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa&#8217;s gebusiness en gedollar. Maud&#8217;s oogen hadden
+dan meestal een lieflijken, vredigen glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama&#8217;s grijze haren golfden sierlijk
+en deftig om haar frisch gebleven gezicht, terwijl Auntie&#8217;s wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur zitten ging,
+zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij het <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215">215</a>]</span>einde van den dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker,
+door &#8217;t kontrast, al de frissche jeugd en schoonheid van &#8217;t jong meisje; en &#8217;t zong in mij, o, &#8217;t zong zoo heerlijk van intiem
+geluk en opwellende groote illuzies; en ik voelde mijn jeugd en h&aacute;&aacute;r jeugd daar regeeren en alle mogelijke rampen trotseeren
+en alle mogelijke hinderpalen overwinnen.
+
+</p>
+<p>Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar
+oogjes te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te vleien. &#8217;t Werd tijd voor mij om heen te gaan en
+langzaam stond ik op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van
+de wijze waarop ze mij aankeek en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop volgende week af. &#8220;Auntie&#8221;
+herleefde even uit de schemering weer op en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen.
+
+</p>
+<p>Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen &#8220;gewoon&#8221; aan en gaf ze mij &#8220;gewoon&#8221; de <span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216">216</a>]</span>hand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van binnen verkilde en &#8217;t was alsof er diepe snikken naar mijn keel opbonsden. Maar
+soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw
+genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken; dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd
+stoomend van liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde zat ik glimlachend als een kind naar mijn
+geluk te staren.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1764" title="Bron: VI">VII</span></h2>
+<p>Maar dat moest eindigen en op een of andere wijze tot een beslissing komen. De lente bloeide nu volop over het land en er
+hing alom als een blijde, lichte feeststemming in de atmosfeer. De wereld herleefde na den langen, guren winter, er heerschte
+drukte overal, men voelde als &#8217;t ware toekomstplannen in ieder mensch dien men ontmoette.
+
+</p>
+<p>Ook Maud en haar ouders spraken reeds over wat ze dien zomer zouden doen. Behalve &#8217;t gewone verblijf aan zee en te Saratoga
+<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217">217</a>]</span>gedurende de heete maanden en de najaarsvacantie in het mooie Lennox, stond ook nog een reisje in de Adirondacks voor Mei
+of Juni op &#8217;t programma. En &#8217;t was reeds half April.
+
+</p>
+<p>Even was er sprake van geweest, of ik soms met hen mee zou gaan. Maar Papa was dadelijk verontwaardigd opgevlogen, niet dat
+hij mijn gezelschap ongewenscht achtte, maar wijl het immers vanzelf sprak, dat een jonge man die zijn positie maken moest,
+niet zijn zaken in den steek kon laten. Als Papa slechts had kunnen vermoeden hoe graag ik w&egrave;l mijn zaken op dat oogenblik
+had in den steek gelaten, wat zou hij met verbazing opgekeken hebben! Maar met dat alles was de kans voor mij verbeurd en
+ik putte mij vruchteloos uit in gedachten hoe ik haar v&oacute;&oacute;r dat vertrek naar &#8217;t geduchte &#8220;society-leven&#8221; vast aan mij verbinden
+zou.
+
+</p>
+<p>Het toeval kwam mij te hulp. Eens, terwijl ik op een glanzend-mooien namiddag, na kantoortijd door Fifth Avenue slenterde
+zag ik, langs het trottoir, twee gestalten v&oacute;&oacute;r mij uit loopen, die ik in &#8217;t gewemel van de elegante wandelaars terstond herkende:
+Maud en &#8220;Auntie!&#8221;
+<span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218">218</a>]</span></p>
+<p>Mijn hart stond even stil, en ook mijn beenen stonden stil. Ik had op mijn verhaal te komen, om te beramen wat ik doen zou:
+haar ongemerkt blijven volgen; of naar haar toe gaan en haar aanspreken!
+
+</p>
+<p>Terwijl ik, jagend van ontroering, twijfelde, bleven zij op haar beurt stilstaan, geboeid door de uitstalling aan het raam
+van een luxe-winkel. Zij keken met de grootste aandacht, heelemaal in beslag genomen door iets wat ik niet zien kon; en, na
+een korte aarzeling, trokken zij den winkel binnen.
+
+</p>
+<p>Ik had &#8217;t gevoel van iemand, die een prooi beloert, welke niet mag ontsnappen. Ik moest en wilde en zou haar zien, wat er
+nu ook gebeurde; en schijnbaar kalm ging ik naar den winkel toe, kalm en slenterend, als een wandelaar die nu eenmaal goed
+den tijd heeft om alles op te nemen wat hem ook maar eenigszins interesseeren kan. Ik zag een roomkleurige rez-de-chauss&eacute;e
+omlijst met goud en aan beide kanten van de deur twee groote spiegelramen. Op een van die ramen stond in sierlijke gouden
+letters slechts de voornaam &#8220;V&eacute;ronique&#8221; <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219">219</a>]</span>geschilderd en op het andere raam het woord &#8220;Modes.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met een bonzend hart en quasi-geboeide belangstelling keek ik naar de uitstalling. Die was gauw genoeg gezien. Op een gedistingeerd
+fond van lichtmauve fluweel verrees, tusschen cr&ecirc;me kantgordijnen, een ebbenhouten pin, en boven op die pin, een dameshoed:
+&eacute;&eacute;n enkele. Dat was alles; verder niets! Achter het tweede raam precies hetzelfde schouwspel: &eacute;&eacute;n enkele hoed op &eacute;&eacute;n enkele
+ebbenhouten pin, met daaronder, tusschen de cr&ecirc;me kantgordijnen, de gedistingeerde kale vlakte van het lichtmauve fluweelen
+fond. Ik besefte dat ik daar onmogelijk lang kon blijven staan en reeds bewoog ik mij, met een zucht van teleurstelling, verder
+op, toen plotseling de deur geopend werd en een schelle stem, Auntie&#8217;s opgewekte stem, mijn naam uitriep, terwijl &#8220;Auntie&#8221;-zelf,
+met een levendig gebaar der rechterhand, mij tot zich wenkte.
+
+</p>
+<p>Ik veinsde de grootste en aangenaamste verrassing. Wel, wel, wat &#8217;n chance &#8220;Auntie&#8221; daar zoo gansch onverwacht te ontmoeten!
+Maar Auntie liet mij den tijd niet aan mijn <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220">220</a>]</span>gevoelens van verbazing lucht te geven; zij vertelde mij op gejaagden toon, dat Maud daarbinnen was om zich een zomerhoed
+te koopen; maar dat het gesprek met die Fransche modiste, die slechts gebroken Engelsch kon, niet vlotte; en dat ze mij juist
+voorbij het raam zag passeeren en mij verzocht als tolk te willen dienen.
+
+</p>
+<p>Dat is de eerste maal van mijn leven geweest, dat ik als tolk heb gefungeerd en nog voel ik er, na zooveel lange jaren, de
+emotie en den trots van na.
+
+</p>
+<p>Maud stond daar, met de modiste, in den luxe-winkel en met een kleur van dankbaarheid kwam ze naar mij toe en drukte mij,
+in een soort van hartstochtelijke blijdschap, de hand. Dat staalde mij, dat ridderde mij als &#8217;t ware in &#8217;t harnas en met hoog
+voorhoofd en vastberaden blik stapte ik op de toonbank toe, waarachter madame V&eacute;ronique in al haar glorie troonde.
+
+</p>
+<p>Madame V&eacute;ronique scheen daar te regeeren, als een hoogepriesteres in haar tempel van de godheid Mode. Zij stond, groot en
+zwaar, in glimmend-zwarte zijde, als gepantserd in haar ongenaakbaarheid <span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221">221</a>]</span>en zij zag mij tot haar naderen met een koelen, kouden blik van geheime, stille hostiliteit. Blijkbaar verkocht zij haar hoeden
+als gunsten; en zij verwaardigde zich eenige meesterstukken van haar kunst, die achter haar in glazen kasten prijkten, te
+vertoonen, en vermelde telkens daarbij, met nauwelijks bewegende lippen, de duizelingwekkende hoedanigheden van het wonder
+en noemde even prijzen, die mij, in figuurlijken zin, gewoon in zwijm deden vallen. Ik herinner mij o. a. een zoogezegd &#8220;matelotje&#8221;
+met een of andere pompon of prul er op, waarvoor ze &#8220;tirty doll&agrave;r&#8221; zooals ze &#8217;t in haar eigenaardig taaltje uitdrukte, rekende.
+
+
+</p>
+<p>Maud glimlachte, genietend; Maud was gelukkig. Welke jonge mooie vrouw is niet gelukkig in een mode-winkel? Zelfs de verschrompelde
+&#8220;Auntie&#8221; was gelukkig en haar felle oogen flikkerden van genot. De mooie Maud paste een voor een de dure hoeden op haar hoofd
+en bekeek zich daarbij welgevallig in de spiegels. Al haar bewegingen waren van een uitnemende gratie en wanneer ze zoo een
+kunststuk met beide opgeheven <span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222">222</a>]</span>armen boven op haar kapsel zette kreeg ik telkens den bedwelmenden indruk, alsof die mooie armen streelend om mijn hoofd heen
+gingen, om mij te omhelzen.
+
+</p>
+<p>Het was als een voortdurende gedaantewisseling, die telkens weer andere gevoelens in mijn zwaar-verliefde ziel omwoelde. Soms
+zag zij er uit als een aanbiddelijke jonge bruid en het was mij te moede of ik in de kerk het orgel hoorde spelen, terwijl
+wij samen statig tot het altaar naderden. Een ander tooisel stond haar veel te wuft en deed mij pijn; een derde, dat te rijk
+was en te deftig, verwijderde haar van mij.
+
+</p>
+<p>De keuze was lastig. Voor de ramen stonden slechts de twee hoeden op hun ebbenhouten pinnen,&#8212;dat was gewilde eenvoud, ter
+wille van de deftige distinctie,&#8212;maar daarbinnen waren er genoeg; en er waren er nog meer, want toen Maud bijna alles had
+gepast wat achter de glazen kasten schitterde, drukte madame V&eacute;ronique op een schelknop en een binnendeur schoof plechtig
+open, en boven op een trapje van drie treden verscheen een mooi jong meisje met blond haar en sierlijk-volle buste, aan <span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223">223</a>]</span>wie de hoogepriesteres een kort bevel gaf.
+
+</p>
+<p>Ik keek in een zaal, een soort van troonzaal met hooge, lichte ramen, waar nog meer knappe, jonge meisjes over fijn werk gebogen
+zaten. Men hadde gezegd, de ingetogen suivantes eener onzichtbare fee&euml;n-prinses in gewijde aandacht bezig aan de schoonste
+wondermaaksels. En &#8217;t mooie, blonde meisje bracht nog meer hoeden te voorschijn: hoeden die op haar blank vuistje door de
+lucht schenen te zweven met sierlijk-wegdrijvende kantensluiers; met bloemen die men meende te ruiken en met glinsterende
+vogels die men dacht te zien vliegen; zij bracht er nog en nog, van alle vormen en van alle kleuren, tot het oog er duizelig
+van werd en de knie&euml;n van vermoeidheid knikten.
+
+</p>
+<p>Toen maakte Maud ten slotte een keuze: iets dat Papa wel met een ch&egrave;que zou betalen; en als toetje nam zij er ook nog &#8217;t matelotje
+bij: dat van &#8220;Tirty doll&agrave;r.&#8221;
+
+</p>
+<p>Madame V&eacute;ronique neeg, genadig. Met mindere minachting en hostiliteit keek zij mij aan en eventjes schemerde zelfs in haar
+oog iets leuk-ondeugends als van heimelijke <span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224">224</a>]</span>verstandhouding. Plechtig werden de deuren van de troonzaal weer dichtgeschoven; en &#8217;t blonde meisje begeleidde ons tot aan
+de deur, terwijl madame V&eacute;ronique weer hi&euml;ratisch-strak achter haar toonbank stond, als de onverstoorbare godin, die het hoogheilige
+van haar altaar nooit verlaten mag.
+
+</p>
+<p>Ik ademde luid toen we weer buiten in de vroolijke drukte van Fifth Avenue waren en de beide dames moesten hartelijk lachen
+en vonden, dat ik een buitengewoon-geschikte tolk was geweest. Zij verkeerden in een opgewekte stemming; er was ook iets aanstekelijks-opwindends
+in de zachte lente-atmosfeer, die als een rooskleurig waas over de deftige hooge huizen en het jeugdig groen der boomen tooverde;
+en, daar wij in de buurt van &#8220;Sherry&#8217;s&#8221; kwamen, stelden zij mij voor in die chicque gelegenheid met haar thee te gaan drinken,
+wat ik natuurlijk zonder aarzelen aannam.
+
+</p>
+<p>Het was er &#8220;chic,&#8221; het was er &#8220;smart,&#8221; nog meer dan ik wel dacht. Het zat er vooral vol met elegante en overvloedig bejuweelde
+dames die gewinkeld hadden en een symphonie van parfums steeg je van op den <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225">225</a>]</span>drempel, niet zonder eenige benauwing, naar het hoofd.
+
+</p>
+<p>Hier heb je nu een stuk &#8220;society,&#8221; zoo dacht ik, met een vagen weemoed in mezelf; een proef, als &#8217;t ware, van wat deze, die
+ik zoo vurig bemin, weldra, verre van mij weg, gaat opzoeken en genieten. Zij was daar reeds in haar milieu, zij werd gegroet,
+van rechts en links en groette terug, met den lieven glimlach van haar mooie oogen; en het was mij te moede alsof ze reeds
+mijlen en mijlen van mij was verwijderd, alsof ze langzaam aan werd opgenomen en verloren raakte in een kring, waar ik haar
+nooit meer zou kunnen bereiken.
+
+</p>
+<p>&#8212;U kent hier zeker weinig menschen? vroeg &#8220;Auntie&#8221; die blijkbaar met haar scherpen zin mijn bevreemding opmerkte.
+
+</p>
+<p>&#8212;Niemand, bekende ik, ietwat gegeneerd en vaag verdrietig.
+
+</p>
+<p>&#8212;Er komen hier veel lui, die wij ook &#8217;s zomers in Newport, Saratoga en Lennox ontmoeten, deelde &#8220;Auntie&#8221; mij mee. &#8217;t Is nogal
+aardig, begrijpt u; het wordt zoo&#8217;n beetje als &eacute;&eacute;n groote familie.
+
+</p>
+<p>Een dikke, hoewel nog betrekkelijk jonge <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226">226</a>]</span>meneer kwam voorbij, bizonder elegant gekleed, met lakschoenen en witte slobkousen, die buigend groette en even stilhield,
+alsof hij naar ons toe zou komen, om de dames aan te spreken, maar die toch verder doorging, nadat hij een vluchtigen en,
+naar het mij voorkwam, ietwat verwonderden en bijna geringschattenden blik op mij had neergeworpen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Mister Bunk, fluisterden gelijktijdig Maud en &#8220;Auntie,&#8221; alsof &#8217;t een heel bizondere personage gold. En met geboeide oogen
+zagen zij hem verder gaan en nog aan vele tafeltjes groeten en handdrukken wisselen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Dat is de beroemde mister Bunk, de groote valseur, die al de elegante cotillons in Saratoga leidt, vertelde mij &#8220;Auntie,&#8221;
+op een toon van bewonderingsvolle vertrouwelijkheid.
+
+</p>
+<p>Ik voelde mij als door een wesp gestoken. Zonder eenige reden kreeg ik plotseling een hekel aan dien poen; en het ontsnapte
+mij:
+
+</p>
+<p>&#8212;&#8217;n Valseur! Maar die man is veel te dik om te dansen!
+
+</p>
+<p>&#8212;Dat zou u niet zeggen als u hem walsen <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227">227</a>]</span>zag! antwoordde &#8220;Auntie&#8221; snibbig. En Maud beaamde, door een zwijgend hoofdgeknik, haar tante&#8217;s woorden.
+
+</p>
+<p>Ik werd zenuwachtig. Ik voelde instinktmatig iets van gevaar, iets als een te duchten vijand in dien man. Hij was daar in
+zijn atmosfeer, in zijn milieu; en ik stond er buiten. Het prikkelde en ergerde mij, dat ik er buiten stond. Dat was nu eenmaal
+de &#8220;society,&#8221; h&agrave;&agrave;r &#8220;society,&#8221; waar ik niet thuis bij hoorde; en ik wilde er bij behooren, om harentwille!
+
+</p>
+<p>Er steeg een plotselinge vlam van waan en hoogmoed naar mijn hoofd. Waarom zou ik ook niet eens groot en chic doen, zooals
+al die lui welke daar zaten of rondliepen en die met het geld, dat trouwens hun eenige beteekenis uitmaakte, konden gooien
+alsof het heelemaal geen waarde had? Ik keek Maud en &#8220;Auntie&#8221; met strak-ge&iuml;nspireerde oogen aan en vroeg:
+
+</p>
+<p>&#8212;Zou u mij niet het genoegen willen doen, en zouden ook uw ouders mij niet het genoegen willen doen, eens met mij te komen
+dineeren, v&oacute;&oacute;r het vertrek naar uw zomervacantie-oord?
+<span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228">228</a>]</span></p>
+<p>Verrast en eenigszins verwonderd keken Maud en &#8220;Auntie&#8221; mij, en daarna ook elkander aan.
+
+</p>
+<p>&#8212;Gaarne.... ik toch wel.... en ook mijn ouders, denk ik, antwoordde langzaam Maud, een lichte kleur krijgend.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ik vind het dol, d&oacute;l! jubelde &#8220;Auntie&#8221; met stralende oogen. Niets wat ik liever doe dan eens in een fijn restaurant te gaan
+dineeren. Waar zou het zijn? vroeg ze mij op den man af, mij met haar felle oogen aankijkend.
+
+</p>
+<p>&#8212;Delmonico? stelde ik voor. Delmonico, of Martin&#8217;s, als u &#8217;t verkiest, of Waldorf Astoria, &#8217;t is mij eender.
+
+</p>
+<p>&#8212;Delmonico! Delmonico! Ik ben verzot op Delmonico! juichte &#8220;Auntie.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ook Maud vond dat een heel geschikte, aardige gelegenheid. Het werd ineens bepaald en de datum voorloopig vastgesteld. Wij
+lachten en jubelden alle drie en ik voelde mij trotsch als een prins. Mijn vluchtige gedruktheid was heelemaal overwonnen;
+ik stond ineens als &#8217;t ware midden in h&aacute;&aacute;r kring, in de &#8220;society&#8221; en de verwaande poen van daar straks kon mij geen zier meer
+schelen. Ik zag hem nog een oogenblik, <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229">229</a>]</span>terwijl wij opstonden om Sherry&#8217;s te verlaten; ik zag hem, gebogen steunend met zijn beide, zwaarberingde handen op een tafeltje,
+waaraan elegante dames zaten, die met schitterenden tanden-glimlach en levendige oogen tot hem neigden; en &#8217;t deed mij goed
+dat ik hem eventjes moest storen om voorbij te kunnen: hij zette met zijn te dikke lijf de smalle ruimte af waar wij doorheen
+moesten; en onder het wijken gooide hij een halfvol kopje om, wat hem even met verbolgen blik naar mij deed omzien, iets dat
+ik mij alweer in het geheel niet diende aan te trekken, want het gebeurde was zijn schuld en niet de mijne.
+
+</p>
+<p>In de zachtroze lenteschemering, die &#8217;t drukke New York als met een uitstraling van apotheose-licht overgoot, begeleidde ik
+Maud en &#8220;Auntie&#8221; tot aan de West Shore ferry-boat; en, na nog eens de afspraak herhaald te hebben, zag ik de zware boot met
+haar naar den anderen oever wegvaren, terwijl de frischheid van den avond neerzeeg, en aan den westerhemel, die groenachtige
+tinten van limpiditeit had, een groote mooie zilveren ster reeds hing te schitteren.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230">230</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1873" title="Bron: VII">VIII</span></h2>
+<p>Papa en Mama hadden, evenals Maud en &#8220;Auntie,&#8221; mijn invitatie aangenomen; en daags v&oacute;&oacute;r den gestelden datum toog ik even naar
+den restaurant Delmonico, om er met den baas, of een der chefs, het menu op te maken.
+
+</p>
+<p>Ik werd er ongeveer ontvangen, zooals Maud bij madame V&eacute;ronique onthaald was geweest. &#8217;t Was in de stille uren; de gar&ccedil;ons
+waren langzaam en zorgvuldig bezig in de ruime zaal met rood tapijt de tafeltjes te dekken; en een dikke meneer in rok, met
+glimmend-wit plastronhemd en zwarte das kwam statig naar mij toe, nam mij even vlug op met &eacute;&eacute;n blik, die gansch zijn oordeel
+over mij vast scheen te vestigen, en vroeg mij, met een vette stem, in &#8217;t Fransch, wat ik verlangde.
+
+</p>
+<p>Ik zei hem wat ik voor den volgenden dag zoo al wenschte.
+
+</p>
+<p>Zakelijk ging hij in zijn binnenzak, haalde een gedrukte spijskaart te voorschijn, nam een potlood en begon voor te dragen.
+
+
+</p>
+<p>&#8212;Cinq potages bisque? vroeg hij.
+<span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231">231</a>]</span></p>
+<p>Ik knikte.
+
+</p>
+<p>&#8212;Du saumon &agrave; la Chambord?
+
+</p>
+<p>Ik knikte.
+
+</p>
+<p>&#8212;Une entr&eacute;e: longe de veau; entrec&ocirc;te B&eacute;arnaise; selle d&#8217;agneau!
+
+</p>
+<p>Ik aarzelde, er kwam in mij een spanning.
+
+</p>
+<p>&#8212;Longe de veau? herhaalde hij, mij met een greintje van meelijdende geringschatting aankijkend.
+
+</p>
+<p>&#8212;Plut&ocirc;t entrec&ocirc;te B&eacute;arnaise, zei ik eindelijk.
+
+</p>
+<p>&#8212;Comme l&eacute;gume? ging hij voort, opteekenend. En, daar ik weer aarzelde, mij helpend:
+
+</p>
+<p>&#8212;Tomates farcies, artichauts, c&eacute;leri &agrave; la mo&euml;lle.
+
+</p>
+<p>&#8212;C&eacute;leri &agrave; la mo&euml;lle, echode ik machinaal<span class="corr" id="xd0e1906" title="Niet in bron">.</span>
+
+</p>
+<p>&#8212;Comme r&ocirc;ti? ging het verder.
+
+</p>
+<p>Gaat hij er niet haast mee uitscheiden! dacht ik bij mezelf. &#8217;t Was warm daarbinnen en ik voelde mijn wangen gloeien.
+
+</p>
+<p>&#8212;Sarcelle; canard sauvage; dinde Maison? ging hij onverdroten voort.
+
+</p>
+<p>&#8212;Dinde Maison, echode ik nog eens, heelemaal onder zijn invloed en machinaal reageerend op zijn laatste klanken.
+<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232">232</a>]</span></p>
+<p>&#8212;Et comme dessert une omelette Sib&eacute;rienne et une mac&eacute;doine de fruits? besloot hij, mij te nauwernood nog raadplegend.
+
+</p>
+<p>Ik knikte.
+
+</p>
+<p>Hij teekende op en er was een stilte. De gar&ccedil;ons dekten rustig verder hun tafeltjes en daarbuiten, achter de hooge, breede
+ramen, stroomde het druk-mondaine leven van New York voorbij.
+
+</p>
+<p>&#8212;Hoeveel wordt dat dan samen? vroeg ik eindelijk, met inspanning en matte stem.
+
+</p>
+<p>&#8212;Eh bien, comme nous avons dit, n&#8217;est-ce pas? En hij begon nog eens op te sommen: Potage Bisque, Saumon &agrave; la Chambord, entrec&ocirc;te
+B&eacute;arnaise....
+
+</p>
+<p>&#8212;Ja maar.... de prijs.... te zamen.... stamelde ik met het rood der schaamte op mijn wangen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Oo.... zei hij, alsof ik iets heel bizonder geks gevraagd had; en een bijna onnaspeurlijke glimlach kwam even op zijn lippen.
+
+
+</p>
+<p>Hij zette vlug wat cijfers onder elkaar, telde samen, zette er nog iets bij, telde weer samen en noemde mij eindelijk een
+getal, waar ik, evenals enkele dagen te voren bij madame V&eacute;ronique, in figuurlijken zin <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233">233</a>]</span>van omviel. Ik meende verkeerd begrepen te hebben, vroeg hem om nog eens &#8217;t cijfer te herhalen, viel er nog eens, in figuurlijken
+zin, van om.
+
+</p>
+<p>&#8212;&#8217;t Is goed, zei ik klankloos, terwijl de gansche ruime zaal, met al haar tafeltjes en stoelen, v&oacute;&oacute;r mijn bedwelmde oogen
+scheen te dansen en te schemeren.
+
+</p>
+<p>Ik koos het tafeltje, of, beter gezegd, nam het tafeltje dat hij mij aanwees; sprak af voor den volgenden dag om acht uur;
+en &#8217;t oogenblik daarna stond ik buiten op &#8217;t trottoir, met het gevoel alsof een schurksche goochelaar de laatste centen uit
+mijn portemonnaie had weggemold.
+
+</p>
+<p>Ik nam een heldhaftig besluit. Ik zou dien dag alvast niets meer eten, mitsgaders de drie eerste weken die op het diner zouden
+volgen, &eacute;&eacute;n dagelijksche maaltijd derven. Zoo zou de wreede bres toch eenigszins gestopt worden.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1944" title="Bron: VIII">IX</span></h2>
+<p>Even v&oacute;&oacute;r acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico&#8217;s ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmeren
+<span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234">234</a>]</span>gang passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden
+van sieraden en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens golfde van daaruit een bouffee van muziek:
+voluptueus-kweelende violen bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren, exotisch-opvallend in hun roode
+buisjes met gouden borduursels.
+
+</p>
+<p>Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn
+agitatie had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend
+en de valsche tanden schitterend; &#8220;Auntie&#8221; een en al pittige levens-uitstraling en voorwaar buitengewoon knap dien avond in
+haar bescheiden d&eacute;collet&eacute;; en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in &#8217;t wit, met iets van groen en roze roosjes,
+om van te duizelen. Papa volgde, proletig in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen.
+
+</p>
+<p>Onze intrede verwekte eenige sensatie. <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235">235</a>]</span>Sommige gasten aan de tafeltjes keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken onder het violeren, met
+langoureuze oogen. Twee bedienden stonden eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en een derde bracht
+een tuil met rozen aan. Een ma&icirc;tre d&#8217;h&ocirc;tel kwam naar mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon Vert
+en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De &#8220;bisque&#8221; werd opgediend.
+
+</p>
+<p>De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en vroolijke geluiden. Er waren &#8220;beauty&#8217;s&#8221; en schitterende
+toiletten, die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en zwollen hun tonen tot een soort wellust aan.
+Men voelde lust om zich gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee te neuri&euml;n of zacht-heupwiegend
+te dansen.
+
+</p>
+<p>Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint,
+dat toch al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaar <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236">236</a>]</span>bekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende
+buste verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer, als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid.
+
+
+</p>
+<p>Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face &agrave; main dan vork en mes; en &#8220;Auntie&#8221; zat van genoegen
+op haar stoel te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af en toe keek zij mij aan, fiks en strak,
+met haar felle oogen, en &#8217;t kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets dat mij opzweepte en tevens verontrustte.
+Zij sloeg mij blijkbaar gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in onweerstaanbare aantrekkingskracht
+op de ontroerend-schoone Maud gingen vestigen, voelde ik Auntie&#8217;s oogen op mij gepriemd en zag ik haar glimlach, die iets
+raadselachtigs en bijna spottends had. Wat was er toch? Wat wilde ze van mij!
+
+</p>
+<p>Na de entrec&ocirc;te B&eacute;arnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te voelen; hij <span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237">237</a>]</span>strekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen kende.
+De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk
+een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan &#8217;t groeten, met korte, harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen,
+waarbij de dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als &#8217;t ware een soort van verbroedering waar ik, als
+vreemdeling, buiten gesloten bleef en &#8217;t maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre van af te gaan denken,
+dat het eenigszins ontactvol van hen was, terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de dames, maar Papa,
+die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was, scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei:
+
+
+</p>
+<p>&#8212;U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze
+snor, naast die jonge dame in &#8217;t mauve met haar prachtige parels en briljanten! <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238">238</a>]</span>Dat is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met
+een heel jong meisje zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt voor meer dan honderd duizend dollars
+waarde aan parels en juweelen.
+
+</p>
+<p>De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet
+mij nog meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze &#8220;waard waren;&#8221; en Mama en &#8220;Auntie&#8221; en ook
+Maud waren ten diepste mee ge&iuml;nteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen echte Amerikanen dat kunnen.
+Toen slaakte &#8220;Auntie&#8221; plotseling een soort verrassingskreet en zei:
+
+</p>
+<p>&#8212;O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens; kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren,
+net als in Saratoga!
+
+</p>
+<p>Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende
+hen, groette, ernstig, plechtig bijna, <span class="pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239">239</a>]</span>met een volmaakt-correcte buiging. De dames kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding aan. Mij
+had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is &#8217;n aardig aantal miljoen dollars &#8220;waard&#8221; en gaat door als de &#8220;arbitre des
+&eacute;l&eacute;gances&#8221; in New York en eigenlijk ook wel in de &#8220;society&#8221; van heel Amerika. Sinds jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij
+voor zijn diner nooit iets anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als hij is op de kwaliteit van
+die eieren, daar hebt u gewoon geen idee van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een speciale &#8220;farm&#8221;
+daar ergens in de Catskill&#8217;s Mountains, van boeren die hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij
+verblijft, steeds komen zijn <span class="corr" id="xd0e1982" title="Bron: eiren">eieren</span> uit diezelfde &#8220;farm.&#8221; En ook hier, in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op zijn clubs of bij families
+dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo&#8217;n <span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240">240</a>]</span>diner van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?....
+
+</p>
+<p>Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En
+toen liet hij &#8217;t cijfer los:
+
+</p>
+<p>&#8212;Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en &#8217;n dollar fooi aan den gar&ccedil;on: samen zes dollar voor &#8217;n maaltijd die zoowat een zestig
+cent waard is!
+
+</p>
+<p>De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen dat Papa de zuivere waarheid sprak.
+
+</p>
+<p>Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren bezig was. Wat &#8217;n sinistere vlegel! Wat &#8217;n sombere bruut!
+Wat &#8217;n boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde, vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig
+wanschepsel kon bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep ze toch niet wat voor een abominabele
+poen die kerel wezen moest! Het vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid een akelige schaduw
+over al mijn vreugde.
+<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241">241</a>]</span></p>
+<p>Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend en stond op; en ik zag, ik v&oacute;&eacute;lde, dat hij naar ons tafeltje
+toe kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij!
+
+</p>
+<p>Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met
+een akeligen glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand.
+
+</p>
+<p>In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij groette &#8220;Auntie,&#8221; hij groette Maud, hij groette Papa, en
+dan weer tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen:
+
+</p>
+<p>&#8212;Goed nieuws van Reggy?
+
+</p>
+<p>&#8212;Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden.
+
+</p>
+<p>&#8212;Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel.
+
+</p>
+<p>&#8212;Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud, een lichte kleur krijgend.
+
+</p>
+<p>Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen.
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242">242</a>]</span></p>
+<p>Even keek ik naar &#8220;Auntie&#8221; op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot
+in &#8217;t diepste van mijn ziel drong.
+
+</p>
+<p>Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs.
+Wat was er toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd had? Was dat Maud&#8217;s gehuwde broer, die in Philadelphia
+woonde? Of....
+
+</p>
+<p>Opnieuw keek ik naar &#8220;Auntie&#8221; en &#8217;t werd kil in mij. Er was ineens &#8217;n soort van g&ecirc;ne over ons gekomen; en even heerschte er
+een stilte, die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen,
+alsof het barsten ging.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde dat het tijd werd om de boot te halen.
+
+</p>
+<p>Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den ma&icirc;tre d&#8217;h&ocirc;tel om af te rekenen. Hij knikte; en &#8217;t oogenblik daarna bracht hij
+mij, met innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau, <span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243">243</a>]</span>als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis.
+
+</p>
+<p>Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel.
+Maar ik hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit,
+schoof het onder de rekening, op de schaal.
+
+</p>
+<p>Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer,
+z&eacute;&eacute;r hartelijk. &#8220;Auntie&#8221; deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk,
+met een langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde
+mij krachtig beide handen en voorspelde mij dat ik een prachtige carri&egrave;re zou maken in Amerika, ja, dat ik er millionnair
+zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was mij niet
+duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch.
+<span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244">244</a>]</span></p>
+<p>Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet
+en de bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst,
+en ik kreeg den gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit mijn beurs wegspeelden.
+
+</p>
+<p>Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den ingang. Een lange file rijtuigen stond langs &#8217;t trottoir.
+Papa wenkte er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie stapte in.
+
+</p>
+<p>Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een
+laatste maal zag ik haar, h&aacute;&aacute;r alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont om den goddelijken hals en met gansch
+haar ziel in den glinsterenden afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen....
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245">245</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e2039" title="Bron: IX">X</span></h2>
+<p>Dien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige
+crisis in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen.
+
+
+</p>
+<p>Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een &#8220;failure?&#8221; Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart
+van Maud, of bleef dat nog steeds &#8217;t zelfde: onzeker, raadselachtig, twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist
+het niet! Ik voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling harer prachtige oogen, welke mij van liefde
+deden sidderen; maar ik herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort g&ecirc;ne dat over haar kwam, toen die kerel,
+die vent, die abominabele fat, die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij goed nieuws van Reggy
+had.
+
+</p>
+<p>Reggy!.... Reggy!.... Wie was die <span class="pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246">246</a>]</span>Reggy?.... Was dat de oudste zoon, die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet een paar keer anders
+hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in &#8217;t hart, terwijl ik
+mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag Papa nog naar de foto wijzen en hoorde &#8217;t hem nog zeggen!
+Reggy was dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende, aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie
+was het dan wel en hoe kwam het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden?
+
+</p>
+<p>Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon
+het niet langer meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van ellende en ik trok een van mijn vensters
+wijd open, haalde diep adem en staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York.
+
+</p>
+<p>De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met vele <span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247">247</a>]</span>stille lichten. De stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend leven. Men voelde als &#8217;t ware de levende
+rust der geweldige stad. Er droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende reus even ontwaakte: de fluit
+van een locomotief gilde, als een schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt en schor geloei;
+en de roode en groene lichten aan den oever gulpten in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed.
+
+
+</p>
+<p>Wat deed ze nu, op &#8217;t zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk,
+in zalige, onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde van een ander, van dien mij onbekende, van dien
+Reggy, waarnaar de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem
+graag tegen het te dikke lijf willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen: Ploert! Bruut! Vraag
+excuus, smeek om genade, of &#8217;k sla je den <span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248">248</a>]</span>dikken kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had hem levend kunnen villen, hem verscheuren!
+
+</p>
+<p>Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid
+van New York en ik reikhalsde naar &#8217;t donkergrijze westen, in de richting waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik
+haar zien kon. Haar zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen van mijn overspannen lichaam waren tot
+dat doel gericht. Om haar nu nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van mijn leven willen afstaan.
+Het scheen mij toe of alles weer terecht zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook maar even zag
+en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos
+en slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met den electrischen tram die, ik wist het, ook &#8217;s nachts
+nog om het half uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of ik aan <span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249">249</a>]</span>haar raam geen licht zou zien, of ze niet zou v&oacute;&eacute;len dat ik komen moest, of ze mij niet wachtte....?
+
+</p>
+<p>Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over
+twee. Als ik mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte de veters in mijn laarzen zonder die aan te
+rijgen, nam hoed, stok en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna liep ik door de stille straten
+in den lenteluwen nacht.
+
+</p>
+<p>Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er naartoe in stormpas om toch op &#8217;t uiterst oogenblik nog
+niet te laat te komen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende, toen hij mij buiten adem aan zag rukken.
+
+</p>
+<p>&#8212;Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig.
+
+</p>
+<p>In &#8217;t schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit.
+
+</p>
+<p>&#8212;Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte hij.
+
+</p>
+<p>Ik ging in een hoek de veters van mijn <span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250">250</a>]</span>laarzen aanrijgen en keek naar de van binnen verlichte, wachtende tram.
+
+</p>
+<p>Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten
+en wat dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en peinzende oogen.
+
+</p>
+<p>De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen
+op; de gedachte drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven leefden en dat zij, na &#8217;t volbrengen van
+hun dagtaak, moesten rusten en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal te zijn en dat het abnormaal
+was als een tram zoo laat nog reed en abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun natuurlijk leven, uit
+hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook, ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het onbekende en
+het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van &#8217;t gekke mijner daad,
+maar deed die toch.
+<span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251">251</a>]</span></p>
+<p>De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische
+draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den
+heuvel klimmen en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd en flikkerend naderde.
+
+</p>
+<p>&#8212;Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon.
+Zacht en snel reed de electrische weg.
+
+</p>
+<p>Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde
+de kalmte van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui,
+de starende rust van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen.
+
+</p>
+<p>De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit.
+Even verder stopte hij weer; en op hun beurt <span class="pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252">252</a>]</span>verlieten de slaperige arbeiders den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed de tram weer een heel
+eind, met alleen den donkeren man en mij op de banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de langs
+den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep, als &#8217;t ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad,
+met een geluid van zink.
+
+</p>
+<p>De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere die gereed stond, reed weer af.
+
+</p>
+<p>Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij,
+als door de duisternis opgezogen.
+
+</p>
+<p>Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter
+scheen te worden. De villa&#8217;s schemerden achter de boomen en veel schoone sterren blonken in den stillen hemel.
+
+</p>
+<p>Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg, grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daar
+<span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253">253</a>]</span>geen boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht
+was heerlijk frisch en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter klopte en hamerde het hart.
+
+</p>
+<p>Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk
+stilaan in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. &#8217;t Was mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had
+en nu terug mocht keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van mijn daad, midden in die grootsche
+stilte, midden in die heilige rust der gansche streek. Ik schaamde mij als &#8217;t ware; voelde den diepen wanklank met de rustige
+omgeving.
+
+</p>
+<p>Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand, eenzaam op den heuvel, h&aacute;&aacute;r villa onder de sterren.
+En dat leek alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest moest inspannen om te begrijpen hoe &oacute;ngewoon
+en &oacute;nnatuurlijk ik daar liep. Al mijn gekke <span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254">254</a>]</span>illuzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou, dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht beslist
+zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk
+v&oacute;&oacute;r haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal
+elders, alles stil en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige
+reden dat zij sliep, zooals alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen.
+
+</p>
+<p>Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld
+is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden, tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie,
+in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven als een landlooper in &#8217;t holle van den nacht, opgezweept
+door de onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien.
+
+</p>
+<p>Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk en zeeg <span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255">255</a>]</span>alles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde
+en z&oacute;u weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,....
+ik zou uit al die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk,
+of onafzienbare smart.
+
+</p>
+<p>Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen.
+Wat zongen zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou ik w&eacute;ten....
+
+</p>
+<p>Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken
+snaren en ik stapte in.
+
+</p>
+<p>Aan &#8217;t oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel piepte en ergens in de buurt kraaide een haan.
+
+</p>
+<p>De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan.
+
+</p>
+<p>De dag,&#8212;de groote dag&#8212;was aangebroken.
+
+
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256">256</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e2129" title="Bron: X">XI</span></h2>
+<p>Ik schreef mijn brief in zachte spanning. Ik schreef hem, schreef hem over, schreef hem nog eens.
+
+</p>
+<p>Mijn ziel zong erin en klaagde; en h&aacute;&aacute;r verrukkelijk-schoon beeld stond aanhoudend v&oacute;&oacute;r mijn geest en in verbeelding v&oacute;&oacute;r
+mijn oogen. Ik schreide en ik glimlachte. Ik jubelde en twijfelde; ik was vol hoop, vol angst en vol van sterken hartstocht.
+Ik voelde in mij de kracht om werelden te veroveren.
+
+</p>
+<p>Toen de brief geschreven was en in zijn omslag dicht gezegeld, liet ik hem liggen en ging wandelen. Ik had te werken, maar
+ik werkte niet. Ik ging wandelen. Nooit heb ik duidelijker gevoeld, dat er plichten zijn welke nog sterker dringen dan het
+drukste werk.
+
+</p>
+<p>Ik wandelde den ganschen middag; ik luierde en slenterde door parken en door straten; en er was in mij een soort van weerzin
+en van angst om op mijn kamer, waar de brief te wachten lag, terug te keeren. Ik dacht den ganschen dag door aan dien brief,
+en of het zoo wel goed was, en of ik <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257">257</a>]</span>niets essentieels vergeten had, en of het nog niet beter, mooier, aangrijpender en ontroerender kon. Zou het niet goed zijn
+als ik hem nog eens openmaakte en hem overlas? Zou ik in elk geval niet wachten tot den volgenden ochtend, er nog eens een
+nacht laten overheen gaan, alvorens hem te verzenden?
+
+</p>
+<p>Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen
+zou ik weer frisch zijn.
+
+</p>
+<p>Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het licht aan.
+
+</p>
+<p>Het eerste wat mij trof was &#8217;n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief, zooals er meer kwamen; een &#8220;mondaine&#8221; brief, als ik
+het zoo mag uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw.
+
+</p>
+<p>Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las.
+
+</p>
+<p>Het schemerde even v&oacute;&oacute;r mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet goed.
+
+</p>
+<p>Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem weer op, en las, en spelde, woord voor woord.
+<span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258">258</a>]</span></p>
+<p>Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn
+wezen.
+
+</p>
+<p>Het was een brief van &#8220;Auntie.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Auntie&#8221; vroeg mij of ik haar den volgenden dag, om vier uur, in New York, bij Sherry&#8217;s, wilde komen spreken! &#8220;Auntie&#8221; schreef
+mij, dat ze zeer verlangend was mij daar te zien, om mij iets mee te deelen, dat zij als een plicht beschouwde en hoopte wel,
+dat niets mij zou verhinderen om er te komen.
+
+</p>
+<p>Kort was het briefje, maar heel vriendelijk van toon; en in zijn kort bestek omvatte het voor mij als &#8217;t ware de beschikking
+over mijn gansche verder leven.
+
+</p>
+<p>Voor de tweede maal lei ik het briefje neer en keek mij in den spiegel aan. Ik zag zoo wit als &#8217;t velletje papier waarop de
+ontzettende woorden neergeschreven stonden en mijn voorhoofd was klam van transpiratie. Mijn beenen voelden eensklaps z&oacute;&oacute;
+zwak, dat ik even moest gaan zitten.
+
+</p>
+<p>Ik dronk een glas water en stak een sigaret op.
+
+</p>
+<p>Toen las ik nog eens, voor de derde maal..
+<span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259">259</a>]</span></p>
+<p>Het leed geen twijfel: &#8220;Auntie&#8221; wou mij over Maud spreken! Dat voelde ik zoo vast en zeker als de vier strakke muren, die
+mijn kamer omsloten; maar w&agrave;t ze mij over Maud mee te deelen had, dat was het raadsel, het onbekende, op welks openbaring
+ik bijna nog vier en twintig uren had te wachten.
+
+</p>
+<p>Iets onvriendelijks kon het niet zijn. Daar was geen reden voor, daar had ik geen aanleiding toe gegeven. De laatste blik
+dien Maud met mij gewisseld had, toen ze reeds, v&oacute;&oacute;r Delmonico&#8217;s, met haar ouders in het rijtuig zat, was er een geweest van
+sympathie, van uitstralende sympathie, ja, bijna van liefde.
+
+</p>
+<p>Van liefde....! Dat woord hield mij vast, prangde mij, als een klauw, om het hart. Van liefde....! Zou ze werkelijk liefde
+voor mij voelen, en zou ze &#8220;Auntie&#8221; bezigen als afgezant, om.... ja, waarom dan eigenlijk.... om mij te doen zeggen dat ze
+mij liefhad en haar leven aan het mijne wenschte te verbinden....?
+
+</p>
+<p>Het leek mij vreemd; het leek mij gek; en toch.... wat anders? Ik had haar immers <span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260">260</a>]</span>nog niets gevraagd, nog niets gezegd dat haar kon doen vermoeden, dat ik van plan was haar ten huwelijk te vragen. Mijn brief
+was niet weg, gelukkig! gelukkig! Ik zag hem daar nog op mijn tafel v&oacute;&oacute;r mij liggen en ik strekte er de hand naar uit met
+zwak-bevende vingers en stopte hem behoedzaam in mijn binnenzak, als vreesde ik, dat hij vanzelf zou kunnen wegvliegen.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was vreemd, &#8217;t was gek; en toch: het k&oacute;n bijna niet anders: &#8220;Auntie&#8221; zou mij over liefde spreken, over de liefde van Maud
+en mij!
+
+</p>
+<p>Mijn rijke verbeelding maakte een sprong en ik zag mij v&oacute;&oacute;r het feit gesteld, dat mij levenslang aan haar verbond. Was ik
+nu niet gelukkig, over-en-overgelukkig! Had ik nu niet bereikt waar ik al maanden lang naar snakte? &#8217;t Was vreemd, o, &#8217;t was
+zoo vreemd, maar een soort twijfel, een soort heimwee drong stilaan in mij. Ik dacht alweer aan het verleden, aan mijn familie
+en mijn vrienden, aan &#8217;t zachte, blonde, lieve Vlaanderen! Ik dacht aan de witte kerktorentjes der vriendelijke dorpjes, aan
+Meylegem-Noord en aan Meylegem-Zuid, <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261">261</a>]</span>aan de kalme lussen van de kronkelende Leie, waarin zich, op het groen der weilanden de pittoreske roze en witte hoevetjes
+weerspiegelden. Ik dacht aan Tieldeken en aan de jonkvrouw van &#8217;t kasteel; ik dacht aan alles wat ik daar gelaten had en hoopte
+weer te zien en voelde de diepste wortels en de geheimste vezels van mijn wezen mij nu pijnlijk weer daarheen trekken, zooals
+de wortels en de vezels trekken van een boom, dien men uit zijn oergrond los wil rukken. Zou ik het waarlijk doen en voor
+altijd de banden van het zoet verleden afsnijden? Hield ik werkelijk genoeg van haar? Was mijn leven z&oacute;&oacute; in &#8217;t hare opgegaan,
+dat ik zonder haar niet meer bestond? Was zij de zusterziel, de eenige die voor mij op aarde bestond en die ik wellicht vroeger
+in een ander leven had ontmoet? Ik weifelde; ik twijfelde. Ik verlangde naar haar met den vurigsten hartstocht, en ik aarzelde
+tezelfdertijd; ik vreesde haast om dat zoo zeer begeerde voor altijd in mijn bezit te krijgen. Ik had h&agrave;&agrave;r gewild; en ook
+het andere. En ik wist wel dat zulks niet mogelijk was, dat er een keuze m&oacute;&eacute;st geschieden; en dat <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262">262</a>]</span>die keuze, hoe ze ook uitviel, mij of het een, of het andere zou doen betreuren. Ik leed, zooals men lijdt wanneer men nog
+geen vijf en twintig is en in zich de kracht gevoelt om gansch de wereld te bezitten. Ik leed zooals men lijdt wanneer men
+nog niet werkelijk geleden heeft.
+
+</p>
+<p>Het hart klopte alweer en hamerde onstuimig. En voor de tweede maal ging ik den nacht in vol kwellende onzekerheid en vol
+gejaagde woeling.
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e2191" title="Bron: XI">XII</span></h2>
+<p>Even v&oacute;&oacute;r vier uur stond ik bij Sherry&#8217;s ingang. Ik zou daar &#8220;Auntie&#8221; opwachten. De zenuwachtige overspanning was in mij ten
+top gestegen en ik voelde, dat ik geen seconde rustig zitten zou daarbinnen. IJsbeerend liep ik langs het breede trottoir
+heen en weer tusschen de elegante menigte, met scherpe aandacht de gezichten opnemend. Mijn keel hikte droog en spasmodisch;
+elk oogenblik keek ik op mijn horloge.
+
+</p>
+<p>Toen ik zoowat voor de tiende maal weer bij den ingang even stilhield ging achter <span class="pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263">263</a>]</span>mij de glazen draaideur rond en een bediende in wit buisje met vergulde knoopen kwam naar mij toe en deelde mij mede dat daarbinnen
+een dame op mij zat te wachten.
+
+</p>
+<p>Ik schrikte hevig, keerde mij om, bonsde tegen de draaideur, strompelde binnen. Was &#8220;Auntie&#8221; dan t&oacute;ch binnen gekomen zonder
+dat ik het bemerkt had?
+
+</p>
+<p>Er waren nog maar weinig menschen en ik zag haar dadelijk,.... ik zag haar felle oogen, in een hoekje, heelemaal achter in
+de ruime, ietwat somberige zaal. Zij wenkte mij en ik spoedde mij naar haar toe. Zij zat alvast met thee en gebakjes. Ik maakte
+mijn diepste excuses, dat ik haar onwillekeurig laten wachten had.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ik had u reeds gezien, v&oacute;&oacute;r &#8217;t raam en dacht dat u zoudt binnenkomen, glimlachte zij. Toen ik merkte dat u heen en weer bleef
+loopen, heb ik u maar laten roepen.
+
+</p>
+<p>Zij wees mij een rieten leunstoel en verzocht mij te gaan zitten. Thee? vroeg ze nog; en schonk mij alvast in.
+
+</p>
+<p>Ik nam plaats, lei mijn hoed naast mij, en keek haar even aan. Er was iets ongewoons in het gezicht van &#8220;Auntie&#8221;: iets straks,
+<span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264">264</a>]</span>bijna getrokkens. Het was alsof ook zij dien nacht niet had geslapen. Alleen de oogen blonken, met hun gewone, onverwoestbare
+felheid.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ik heb hier dit eenzaam plaatsje uitgekozen, om rustig te kunnen praten, begon ze. Ik heb u iets te zeggen. Ik beschouw het
+als mijn plicht u een gewichtige mededeeling te doen.... voor het misschien te laat zou zijn, voegde zij er na eenige aarzeling
+aan toe.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ik luister, zei ik, zenuwachtig hikkend.
+
+</p>
+<p>&#8212;Wellicht moet ik u pijn doen, sprak ze met gedempte stem, en eensklaps heel diep-ernstige en werkelijk bedroefde oogen.
+
+</p>
+<p>&#8212;Wat is er? Wat is er toch? schrikte ik. En &#8217;t was alsof eensklaps al mijn schoone luchtkasteelen v&oacute;&oacute;r mijn voeten in gruzelementen
+neerstortten.
+
+</p>
+<p>&#8212;O, schrik niet, voer ze voort; &#8217;t is beter nu dan later. Ik moet u over Maud spreken.
+
+</p>
+<p>Ik knikte, zwijgend, onbekwaam een enkel woord te uiten.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ik vrees, zei ze.... ik vrees.... dat heb ik althans meenen op te merken&#8212;<span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265">265</a>]</span>dat Maud u niet gansch onverschillig laat en dat u wellicht ernstig aan haar zoudt kunnen denken.
+
+</p>
+<p>&#8212;K&agrave;n dat niet? M&agrave;g dat niet? ontsnapte &#8217;t mij in plotse, ontembare wanhoop.
+
+</p>
+<p>&#8212;Het m&agrave;g wel, maar het k&agrave;n niet, antwoordde &#8220;Auntie&#8221; droevig.
+
+</p>
+<p>&#8212;Waarom? kreet ik dof.
+
+</p>
+<p>&#8220;Auntie&#8221; zuchtte, aarzelde.
+
+</p>
+<p>&#8212;Waarom! herhaalde ik dringender.
+
+</p>
+<p>&#8212;Omdat ze reeds verloofd is!!
+
+</p>
+<p>Het werd eensklaps heel stil in mij. Het werd doodstil, alsof mijn leven meteen ophield te bestaan. Ik staarde &#8220;Auntie&#8221; roerloos
+aan, met strakke oogen en mijn lippen gingen van elkaar, zonder een klank te uiten. Ik zat als dood op mijn stoel.
+
+</p>
+<p>&#8212;Drink even van uw thee, zei &#8220;Auntie&#8221; bezorgd.
+
+</p>
+<p>Ik dronk, machinaal, zonder te proeven.
+
+</p>
+<p>&#8212;Herinnert u zich, dat mister Bunk eergisteren aan ons tafeltje kwam vragen of wij goede berichten hadden van....
+
+</p>
+<p>&#8212;Van die Reggy? kreet ik.
+
+</p>
+<p>&#8212;Juist, van Reggy.&#8212;Reggy Clarke, die op reis is in Australi&euml; voor handelszaken <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266">266</a>]</span>en de volgende maand naar New York terug zal keeren, is de intieme vriend van mister Bunk en sinds twee jaar met Maud verloofd.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Auntie&#8221; zweeg. Zij zag een weinig bleek en haar sterke oogen hadden een ernstige uitdrukking. In mij gonsde en bruisde het
+als een orkaan die niet tot uitbarsting kan komen. Met een pijnlijk-scherpe perceptie zag en hoorde ik alles wat om mij heen
+gebeurde: &#8220;Auntie,&#8221; die zenuwachtig met haar lepel in het kopje roerde; de draaideur bij den ingang, die voortdurend rondtolde
+en aldoor menschen in en uitliet; de bedienden in witte buisjes met vergulde knoopen, die bedrijvig heen en weer liepen. En
+dezelfde folterende helderheid, die mij al die onbeduidende details zoo nauwkeurig deed opmerken, leefde en trilde ook, niettegenstaande
+alle stormen en emoties, in mijn diepste binnenste. Ik kon mijzelf als &#8217;t ware objectief ontleden, mij exterioriseeren in
+de gedaante van een ander, die zou voelen en zou lijden wat ik op dat oogenblik voelde en leed. Ik wist en hoorde wat die
+ander in mijn plaats zou moeten antwoorden om zijn figuur te redden: antwoorden, met <span class="pagenum">[<a id="pb267" href="#pb267">267</a>]</span>zelfbeheersching, dat hij &#8220;Auntie&#8221; dankte voor haar vertrouwelijke mededeeling, maar dat hij nooit ernstig aan zulke dingen
+had gedacht, dat hij er nooit aan zoude hebben d&ugrave;rven denken, dat hij alleen de warmste sympathie en de grootste bewondering
+voor Maud gevoeld had; en dat hij wel begreep, ofschoon met diepe spijt en droefheid, dat &#8217;t nu uit moest wezen tusschen hen....
+Zoo voelde ik te moeten antwoorden, met waardigheid en ernst; maar ik kon niet, ik k&ograve;n niet!.... de smart en de teleurstelling
+waren te overweldigend-groot, mijn verwrongen gezicht verried mijn gevoelens en ik vond slechts een kreet, een droeven noodkreet:
+
+
+</p>
+<p>&#8212;Waarom heeft nooit iemand daar over gesproken? Waarom heeft, zij vooral, dat zoolang voor mij geheim gehouden!
+
+</p>
+<p>&#8212;Dat heb ik haar ook verweten; en zij zelve, trouwens, verwijt het zich ook! viel &#8220;Auntie&#8221; levendig in. O, zij lijdt er onder,
+weet u, want zij houdt van u. Den halven nacht heeft ze gehuild, na het diner bij Delmonico. Tot twee uur ben ik bij haar
+op haar kamer gebleven!
+<span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268">268</a>]</span></p>
+<p>&#8212;Wat zegt u daar! kreet ik.
+
+</p>
+<p>&#8212;Jawel, antwoordde &#8220;Auntie&#8221; eenigszins verwonderd. Verbaast u dat zoo zeer?
+
+</p>
+<p>Tranen kwamen in mijn oogen. De emotie overweldigde mij, plotseling. En ik bekende haar, week en zwak, hoe ik daar ook dienzelfden
+nacht, bijna op &#8217;t zelfde uur, rond hun villa gedoold had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Auntie&#8221; was diep aangedaan. Zij drukte even mijn hand en haar harde oogen kwamen eensklaps vol zachtheid.
+
+</p>
+<p>&#8212;Hoe jammer, hoe vreeselijk jammer dat het niet kan, maar het k&agrave;n niet, zuchtte zij.
+
+</p>
+<p>Wij waren uitgesproken en een droeve stilte kwam in ons. Wat wij nu nog verder zouden zeggen kon niets meer wezen dan een
+matte naklank van hetgeen reeds was gezegd. Misschien, wie weet, zou er nog later iets te zeggen zijn. Nu was er niets meer
+te zeggen.
+
+</p>
+<p>Langzaam rees &#8220;Auntie&#8221; op.
+
+</p>
+<p>&#8212;Is het nu uit? Zal ik nu niemand van u allen ooit meer zien, of nog iets van u hooren? vroeg ik diep-neerslachtig.
+
+</p>
+<p>&#8212;Ik zal u schrijven, u op de hoogte <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269">269</a>]</span>houden als u &#8217;t wenscht, beloofde &#8220;Auntie&#8221; plechtig.
+
+</p>
+<p>Ik wou haar nog eenige laatste woorden toevertrouwen voor Maud; ik zocht naar die woorden in mijn overvol gemoed, en vond
+ze niet.
+
+</p>
+<p>&#8212;Adieu,.... adieu.... kon ik enkel snikken; en drukte een kus op haar hand.
+
+</p>
+<p>Ik zag haar door de draaideur tollen en vlug voorbij het raam passeeren. En gansch alleen, met al mijn zware droefheid, stond
+ik in &#8217;t groote New York.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Nooit meer heb ik iets van hen gehoord. Is Maud getrouwd? Heeft &#8220;Auntie&#8221; ooit geschreven en raakte soms haar brief verloren?
+Ik weet het niet. Nog lang heb ik wachtend gehoopt, maar stilaan is dat alles weggetaand, zooals alles eens wegtaant: vreugde,
+droefheid, smart....
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was als een droom geweest; en droomen zijn slechts droomen....
+
+</p>
+<p>Nu denk ik er somtijds nog aan, maar zonder bitterheid en zonder leed.
+<span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270">270</a>]</span></p>
+<p>Het is toch mooi geweest; het waren schoone dagen.... En het was jong en frisch, na&iuml;ef en onbezonnen! &#8217;t Was een illuzie,
+een roman: de roman van een Schaatsenrijder!
+
+</p>
+<p>Nu is er slechts tragedie op de wereld....
+
+
+
+
+
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman en het on-line gedistribueerd correctie team
+op <a href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
+
+</p>
+<p lang="en">This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give
+it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p lang="en">This eBook is produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at <a href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
+
+</p>
+<h3>Codering</h3>
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde
+van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn
+gemarkeerd met het corr-element.
+
+</p>
+<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met &#8220;. Geneste
+dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.
+
+</p>
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+<ol class="lsoff">
+<li>2008-05-17 Begonnen.
+
+</li>
+</ol>
+<h3>Externe Referenties</h3>
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.</p>
+<h3>Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%">
+<tr>
+<th>Plaats</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e233">Bladzijde 25</a></td>
+<td width="40%">geneneerd</td>
+<td width="40%">gegeneerd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e349">Bladzijde 32</a></td>
+<td width="40%">nergers</td>
+<td width="40%">nergens</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e360">Bladzijde 33</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e400">Bladzijde 37</a></td>
+<td width="40%">kinsdbeen</td>
+<td width="40%">kindsbeen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e412">Bladzijde 39</a></td>
+<td width="40%">oponhoudend</td>
+<td width="40%">onophoudend</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e417">Bladzijde 39</a></td>
+<td width="40%">zondereen</td>
+<td width="40%">zonder een</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e443">Bladzijde 43</a></td>
+<td width="40%">ongeving</td>
+<td width="40%">omgeving</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e702">Bladzijde 79</a></td>
+<td width="40%">oppelvlakte</td>
+<td width="40%">oppervlakte</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e779">Bladzijde 90</a></td>
+<td width="40%">ca</td>
+<td width="40%">&ccedil;a</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e800">Bladzijde 94</a></td>
+<td width="40%">vriiendelijk</td>
+<td width="40%">vriendelijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e958">Bladzijde 111</a></td>
+<td width="40%">trog</td>
+<td width="40%">trof</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e963">Bladzijde 111</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1065">Bladzijde 123</a></td>
+<td width="40%">stoomopwaarts</td>
+<td width="40%">stroomopwaarts</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1179">Bladzijde 140</a></td>
+<td width="40%">Tieldeke</td>
+<td width="40%">Tieldeken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1194">Bladzijde 142</a></td>
+<td width="40%">Tieldeke</td>
+<td width="40%">Tieldeken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1211">Bladzijde 145</a></td>
+<td width="40%">&#8217;K was</td>
+<td width="40%">&#8217;k Was</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1223">Bladzijde 147</a></td>
+<td width="40%">Tieldeke</td>
+<td width="40%">Tieldeken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1249">Bladzijde 153</a></td>
+<td width="40%">III</td>
+<td width="40%">IV</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1274">Bladzijde 156</a></td>
+<td width="40%">en</td>
+<td width="40%">een</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1309">Bladzijde 160</a></td>
+<td width="40%">Autie</td>
+<td width="40%">Auntie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1370">Bladzijde 164</a></td>
+<td width="40%">&#8217;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1413">Bladzijde 170</a></td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1499">Bladzijde 181</a></td>
+<td width="40%">IV</td>
+<td width="40%">V</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1678">Bladzijde 204</a></td>
+<td width="40%">V</td>
+<td width="40%">VI</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1682">Bladzijde 204</a></td>
+<td width="40%">nohel</td>
+<td width="40%">nobel</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1764">Bladzijde 216</a></td>
+<td width="40%">VI</td>
+<td width="40%">VII</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1873">Bladzijde 230</a></td>
+<td width="40%">VII</td>
+<td width="40%">VIII</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1906">Bladzijde 231</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1944">Bladzijde 233</a></td>
+<td width="40%">VIII</td>
+<td width="40%">IX</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e1982">Bladzijde 239</a></td>
+<td width="40%">eiren</td>
+<td width="40%">eieren</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e2039">Bladzijde 245</a></td>
+<td width="40%">IX</td>
+<td width="40%">X</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e2129">Bladzijde 256</a></td>
+<td width="40%">X</td>
+<td width="40%">XI</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#xd0e2191">Bladzijde 262</a></td>
+<td width="40%">XI</td>
+<td width="40%">XII</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER ***
+
+***** This file should be named 25515-h.htm or 25515-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/5/5/1/25515/
+
+Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman
+and the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..5b33c9a
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #25515 (https://www.gutenberg.org/ebooks/25515)