summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/23812-h
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:10:18 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:10:18 -0700
commit727bcb9515b85bc7eb7f3955b75eaf4923534f2f (patch)
tree9ad1649367d1142d64a34e7df3abe1e484495ad7 /23812-h
initial commit of ebook 23812HEADmain
Diffstat (limited to '23812-h')
-rw-r--r--23812-h/23812-h.htm21585
1 files changed, 21585 insertions, 0 deletions
diff --git a/23812-h/23812-h.htm b/23812-h/23812-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..575f0a9
--- /dev/null
+++ b/23812-h/23812-h.htm
@@ -0,0 +1,21585 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/strict.dtd">
+<html>
+<head>
+<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=windows-1252">
+<title>Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde (Deel 1)</title>
+<style type="text/css">
+<!--
+ body {
+ margin: 5em;
+ padding: 0;
+ }
+
+ p {
+ text-indent: 2em;
+ }
+
+ p.quote {
+ text-indent: 0em; margin-left: 4em; margin-right: 4em;
+ white-space: pre;
+ }
+
+ p.footnote {
+ font-size: smaller;
+ }
+
+ p.footnotequote {
+ font-size: smaller;
+ text-indent: 0em; margin-left: 4em; margin-right: 4em;
+ white-space: pre;
+ }
+
+ p.intro {
+ font-size: smaller;
+ }
+
+ td {
+ text-indent: 0em; margin-left: 4em; margin-right: 4em;
+ white-space: pre;
+ }
+
+ h3, h2, h1 {
+ padding-top: 50px;
+ text-indent: 75px;
+ }
+
+ .centered {
+ padding-top: 50px;
+ text-indent: 0px;
+ text-align: center;
+ }
+
+ a:hover {
+ color: #3366cc;
+ text-decoration: none;
+ }
+
+ a {
+ color: #3366cc;
+ text-decoration: none;
+ }
+
+ hr {
+ width: 20%;
+ }
+-->
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde,
+Deel I, by Gerrit Kalff
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
+
+Author: Gerrit Kalff
+
+Release Date: December 10, 2007 [EBook #23812]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding:
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<p><a name="i"></a>
+
+<h1 class="centered">GESCHIEDENIS DER
+NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE</h1>
+
+<p class="centered">DOOR
+
+<h3 class="centered">G. KALFF,</h3>
+
+<p class="centered">HOOGLEERAAR AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN.
+
+<h3 class="centered">EERSTE DEEL.</h3>
+
+<p class="centered">TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1906.<a name="ii"></a>
+
+<p class="centered">STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.<a name="iii"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>VOORREDE.</h2>
+
+<p>
+<i>Van 1868&ndash;1872 ontving ons volk van </i>JONCKBLOET'S<i> hand
+de eerste volledige wetenschappelijke geschiedenis onzer letterkunde.</i></p>
+
+<p><i>Tot op den huidigen dag is die eerste de eenige gebleven.
+Met die twee feiten voor oogen zal menigeen erkennen, dat de
+rustelooze voortgang der wetenschap en de ontwikkeling onzer
+denkbeelden over literatuur en geschiedschrijving der literatuur
+een nieuwe geschiedenis onzer letterkunde wenschelijk, ja noodig,
+maken.</i>
+
+<p><i>Het is waar</i>, JONCKBLOET <i>heeft zijn, in vele opzichten voortreffelijk,
+werk in latere uitgaven aangevuld en gewijzigd; doch
+het wezen van zijn boek is daardoor niet veranderd.</i>
+
+<p><i>Ongeveer twintig jaar na</i> JONCKBLOET <i>ondernam</i> Dr. J. TE
+WINKEL <i>een nieuwe geschiedenis onzer letterkunde, eveneens
+op eigen wetenschappelijk onderzoek berustend. Een dergelijk
+boek mocht toen reeds om meer dan een reden noodig genoemd
+worden, zooals door den schrijver in zijne Voorrede is uiteengezet.
+Doch</i> Dr. TE WINKEL <i>liet zijn verdienstelijk werk na het
+eerste deel steken. Zoo bleef een nieuwe volledige geschiedenis
+onzer letterkunde een desideratum</i>[1].
+
+<p class="footnote">[Voetnoot 1: De geïllustreerde <i>Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde</i>
+van Prof. J. TEN BRINK, bestemd in de eerste plaats voor het groote
+publiek en dus van anderen aard dan de beide bovengenoemde
+werken, kan hier buiten beschouwing blijven.]
+
+<p><i>De firma</i> J.B. WOLTERS <i>te Groningen, die indertijd</i> JONCKBLOET'S
+&#8222;Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" <i>had
+uitgegeven, verzocht mij een nieuw dergelijk werk samen te stellen
+en ik heb die taak op mij genomen, in de overtuiging dat hier
+werk viel te doen nuttig voor anderen en voor mijzelf.</i>
+
+<p><i>Voor anderen&mdash;want ook in de 18 jaren, verloopen sedert<a name="iv"></a>
+de verschijning van</i> Dr. TE WINKEL'S <i>boek, zijn weer tal van
+nieuwe werken en teksten gevonden; is onze feitenkennis door
+voortgezet onderzoek gewijzigd en vermeerderd; hebben buitenlandsche
+geleerden werken geschreven die ons in staat stellen,
+dieper door te dringen in het wezen en de ontwikkeling onzer
+literatuur. Dat alleen reeds maakt een nieuwe poging tot verwerking
+en samenvatting der bestaande stof wenschelijk. Doch
+er is meer. Een der redenen waarom</i> Dr. TE WINKEL <i>het
+wenschelijk achtte, naast</i> JONCKBLOET'S <i>werk het zijne te plaatsen,
+was gelegen in een &#8222;afwijkende aesthetische beschouwing der
+letterkundige voortbrengselen." Ook die reden bewoog mij tot
+het samenstellen van mijn werk. De opvatting en beschouwing
+mijner voorgangers eerbiedigend, acht ik het wenschelijk eene
+geschiedenis onzer letterkunde samen te stellen, uitgaand van
+een andere opvatting van leven en literatuur, van den samenhang
+tusschen die beide, en van de taak der literatuur-geschiedschrijving.</i>
+
+<p><i>Voor mijzelven acht ik de samenstelling van dit werk een
+goede aanleiding tot verwerking en samenvatting van hetgeen
+een bijna 25-jarige studie onzer letterkunde mij te gevoelen en
+te denken heeft gegeven.</i>
+
+<p><i>Mijne opvatting van literatuur en literatuur-geschiedschrijving
+hier uiteen te zetten, schijnt mij overbodig; men zal die uit
+mijn werk voldoende kunnen opmaken.</i>
+
+<p><i>Hier zou ik dus kunnen eindigen, ware het niet dat ik eerst
+een droevigen plicht had te vervullen.</i>
+
+<p><i>De man die den stoot gaf tot het ontstaan van dit boek, de
+uitgever</i> E.B. TER HORST, <i>is eenige dagen geleden ontvallen
+aan de zijnen, aan den boekhandel, aan de wetenschap waarvoor
+hij als uitgever in zijn kort leven zooveel heeft gedaan. Het doet
+mij hartelijk leed, dat deze rusteloos, te rusteloos, voortvarende
+man in de volle kracht zijner werkzaamheid van ons moest
+scheiden; dat ik zijne belangstelling en zijn raad bij de voortzetting
+van dit werk zal missen. Mij blijft slechts de herinnering
+aan zijn onbekrompen trant van zaken doen en onze korte doch
+aangename samenwerking</i>.
+
+<p>LEIDEN, 20 October 1905.
+G.K.<a name="v"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>INHOUD.</h2>
+
+<p class="quote">
+VOORSPEL I
+VOORSPEL II
+
+BOEK I.
+STANDENPOËZIE
+
+Inleiding
+1. Ridderpoëzie
+2. Geestelijke Poëzie (Hadewych)
+3. Poëzie der Gemeenten (Reinaert)
+Vroegste Lyriek
+Jacob van Maerlant
+Dichters, Voordragers, Publiek
+Tusschenspel. Ontkieming van het Nationaliteitsgevoel
+
+BOEK II.
+STANDENPOËZIE. DE STEM DER GEMEENTEN
+
+Inleiding
+Ridderpoëzie in verval
+Geestelijke epische poëzie en proza (Ruusbroec)
+Poëzie der Gemeenten (Vervolg)
+ Het Leerdicht&mdash;Reinaert II
+ Verhalende en lyrische poëzie
+Ontwikkeling van het Literair Leven
+Willem van Hildegaersberch
+Dirc Potter
+
+Alphabetisch Register
+</p>
+
+<hr>
+
+<p><a name="vi"></a>
+<a name="1"></a>
+
+<h1>VOORSPEL.</h1>
+
+<p><a name="2"></a>
+<a name="3"></a>
+
+<h2>VOORSPEL.</h2>
+
+<h2>I.</h2>
+
+<p class="intro">Land en Volk. Romeinen. Franken. Bernlef. Heidendom en Christendom.
+Oudnederlandsche Letterkunde. De akker der volkspoëzie ligt
+braak. Latijnsche poëzie en prozawerken.
+
+<p>Het onderzoekend oog dat zich richt op het verst verleden
+van ons volk, stuit allerwegen op een ring van duisternis.
+Slechts langzaam en tragelijk wijken voor het wassend licht
+der wetenschap, de dikke nevelen die verbreid liggen over het
+ontkiemen van ons volksbestaan.
+
+<p>Wat zien wij in die schemering?
+
+<p>Lage landen aan zee, oostwaarts zachtkens opglooiend, overal
+afgebroken door plassen en meren en breede rivieren; eenzame
+heiden en uitgestrekte bosschen, afgewisseld door poelen en
+moerassen. Over die woeste gronden zwerven Kelten en Germanen,
+jagers en visschers, levend van de hand in den tand,
+een ruw en zorgvol bestaan rekkend in den strijd met wilde
+dieren. Onzekere geruchten omtrent een schrikwekkenden grooten
+vloed zijn blijven hangen in het geheugen ook van ons volk.
+Nog staan, indrukwekkend en geheimzinnig, op de Drentsche
+heidevelden de hunnebedden, heugenissen dier vroegste schemertijden.
+
+<p>Maar niet onduidelijk noch onzeker van klank zijn de
+schetterende trompetten die de nadering verkonden van Romeinsche
+soldaten en als sterren door de nevelen schitterend<a name="4"></a>
+zien wij de zilveren adelaren zich wiegen boven de helmen
+dier legioenen die de wereld hadden veroverd.
+
+<p>In het gevolg der Romeinen kwam de beschaving. Van hen
+leerden onze voorouders het aanleggen van wegen en dijken,
+het bouwen van bruggen en huizen; in landontginning, landbouw,
+handel en nijverheid waren de Romeinen onze voorgangers
+en leermeesters. Met de zee, &#8222;de wilde zee" zooals
+men haar te onzent nog lang placht te noemen, wordt een
+strijd aangebonden ter verdediging van het land; weldra gaan
+de Friezen haar bevaren om handel te drijven.
+
+<p>Langzaam neigt der Romeinen heerschappij ten val. Hun
+wereldrijk verzwakt; als het bloed naar het hart trekken de
+legioenen zich uit de verre streken terug, de greep van Rome's
+ijzeren vuist verslapt. Wanneer eindelijk het Romeinsche rijk
+bezweken is onder de slagen der Germanen, komen de Franken
+hier als heerschend volk de plaats der Romeinen innemen.
+Zelf een Germaansch volk, maar dat langzamerhand samensmolt
+met de Gallo-Romeinsche bevolking van het door hen veroverd
+land en meer en meer onder den invloed geraakte van de
+beschaving en het Christendom der overwonnelingen, dringen
+zij aldoor noordwaarts op. Een botsing met de, benoorden den
+Rijn wonende, Friezen en Saksen kon niet uitblijven; eene
+botsing van stammen tegen stammen, botsing ook van ruwheid
+en beschaving, van Heidendom en Christendom. Lang blijven
+de Friezen onder hunne koningen RADBOUD en POPPO zich
+verdedigen tegen de Franken onder hunne PEPIJNS en KAREL
+MARTEL, maar ten slotte moeten zij den strijd opgeven; het
+Friesche rijk dat zich langs de zeekust eens tot het Zwin had
+uitgestrekt, wordt in de 8<sup>ste</sup> eeuw bij het Frankisch rijk ingelijfd.
+KAREL DE GROOTE bevestigt dien stand van zaken; onder zijne
+roemvolle regeering beginnen de bewoners dezer landen de zegeningen
+van orde en vrede eenigermate te leeren kennen en genieten.<a name="5"></a>
+
+<p>Niet verwonderlijk dus, dat wij ook nu eerst onder deze
+volken eenig spoor vinden van letterkundig leven. Aan het
+Friesche volk komt de eer toe, het eerst zijne stem te hebben
+opgeheven in het veelstemmig koor van Nederlands poëzie;
+aan de poort onzer literatuur staat&mdash;Frysk bloed, tsjoch op!&mdash;een
+vrije Fries, de blinde zanger BERNLEF.
+
+<p>Het weinige dat wij van BERNLEF weten, is ons verhaald
+door ALTFRIDUS, bisschop van Munster, in zijne levensbeschrijving
+van den apostel LIUDGER, een edelen Fries die in
+Friesland het werk van BONIFACIUS heeft voortgezet<a href="#1.1">[1]</a>.
+
+<p>In dat levensverhaal vinden wij gewag gemaakt van &#8222;den
+blinden zanger BERNLEF, dien zijne buren liefhadden om zijne
+minzaamheid en omdat hij de daden van het voorgeslacht en
+de oorlogen der koningen wel in zijne harpzangen wist te verhalen."
+Voorts wordt ons nog medegedeeld, dat BERNLEF met
+zijne vrouw te Holwerd bij Dokkum woonde en dat hij drie
+jaar lang met volslagen blindheid bezocht was.
+
+<p>Misschien hebben wij hier een dier zangers van beroep voor
+ons, gelijk zij bij de Gernamen voorkwamen, een der dragers
+van de oude inheemsche volkspoëzie<a href="#1.2">[2]</a>. Al kennen wij BERNLEF'S
+liederen helaas! niet, wij wagen niet veel met de onderstelling
+dat zij hetzelfde karakter zullen hebben gedragen als die
+&#8222;alleroudste liederen over de daden en oorlogen der vroegere
+koningen" welke KAREL DE GROOTE deed verzamelen en opteekenen<a href="#1.3">[3]</a>.
+Was BERNLEF de dichter der liederen die hij placht
+te zingen? Daarnaar kunnen wij zelfs niet gissen. Liever dan
+eene poging daartoe aan te wenden, wijzen wij op een andere
+mededeeling aangaande dezen Frieschen zanger in hetzelfde
+<i>Leven van Liudger</i>: &#8222;Overal waar deze BERNLEF den man Gods
+(LIUDGER) vond, leerde hij psalmen van hem en hij bleef in
+de &#8222;verlichting" die hij door dezen deelachtig was geworden
+totdat hij, oud en der dagen zat, in vrede stierf."<a name="6"></a>
+
+<p>De literatuur is ook hier spiegel, van het leven. In die
+Oudgermaansche volkszangen, wijkend voor de Christelijke
+kerkliederen, zien wij de worsteling van Heidendom en Christendom
+die nu onze aandacht vraagt.
+
+<p>Die worsteling was niet meer zoo zwaar als zij voorheen was
+geweest, maar zij was toch nog verre van geëindigd. De oudste
+verkondigers van het Christendom hier te lande: SINT SERVAES,
+SINT AMAND, SINT ELOY, en hunne meerendeels Angelsaksische
+opvolgers WILLEBRORD, LEBUÏNUS, BONIFACIUS en zoovele
+anderen hadden de bewoners dezer landen gevonden als belijders
+van een geloof dat men een natuurdienst mag noemen.
+Wodan was vooral een windgod, Wodan's heir de wilde jacht
+der stormende wolken; Donar was een onweersgod, Moeder
+Aarde werd vereerd als eene godheid, sporen van boomvereering
+zijn ook hier aan te wijzen evenals van het geloof aan
+elven en nikkers, geesten die verblijf hielden in lucht en aarde,
+bosch en water. Tegen dat geloof komt het Christendom zich
+kanten: tegen den ontzagwekkenden Wodan op zijn achtvoetig
+ros de luchten doorzwevend&mdash;God de Vader; tegen den
+wilden Donar met zijn pletterenden hamer&mdash;de bleeke man
+der smarte met de doornenkroon; tegen de bloedwraak&mdash;het
+&#8222;hebt uwe vijanden lief"; tegen de heerschappij van zinnelijkheid
+en hartstocht&mdash;de eisch van zelfbeheersching, zelfverloochening,
+kastijding van het booze vleesch. Overal, in
+Vlaanderen en Brabant als in Holland en Friesland, doet zich
+de stem van het nieuwe geloof hooren. De vrome mannen,
+die hier het Evangelie brengen, worden vaak grimmig ontvangen,
+hun leven in gevaar gebracht, BONIFACIUS door de Friezen
+vermoord&mdash;zij versagen niet. Gestadig gaan zij voort met
+prediken, bekeeren, doopen, met het bouwen van kerkjes, het
+stichten van kloosters. RADBOUD, &#8222;de vijand Gods", zooals<a name="7"></a>
+MELIS STOKE hem noemt, moge komen met zijne heidensche
+Friezen en het pas gestichte vernielen en verbranden&mdash;geen
+nood! een nieuwe kerk, een nieuw klooster verrijst.
+
+<p>Het Christendom wint gaandeweg veld; het heidendom trekt
+zich terug, overwonnen niet gedood. Lang blijft het voortbestaan
+als ondergrond van het nieuwe geloof, lang nog blijft het leven
+en zich openbaren in tal van gewoonten en gebruiken, hoezeer
+ook bedreigd door den banvloek des priesters. Lustig bleven
+op Sint-Jan de vuren branden aan welker vlammen de heidenen
+van ouds eene reinigende kracht toeschreven; bezwerings- en
+tooverformulieren werden nog steeds toegepast, de wichelarij
+met paarden en vogels hield stand; de hazelaarstak deed nog
+lang zijne diensten bij het zoeken naar verborgen schatten. De
+lijkmaaltijden bleven in zwang; men hechtte er gewicht aan,
+welk dier men des morgens het eerst tegenkwam, aan welken
+kant eene kraai u voorbijvloog. Menige heidensche godheid,
+menig voorvaderlijk heiligdom werd gekerstend, maar lang niet
+overal bleek het doopsel krachtig genoeg om het oude geloof
+te verjagen. Zoo was het klooster Blandinium te Gent blijkbaar
+gesticht op de plaats waar vroeger een Oudgermaansch heiligdom
+had gestaan. Immers, wij lezen in het <i>Leven van Sint Amand</i>:
+
+<p class="quote">Het was omme den torre Blandijn,
+Daer die afgod der Sarrasijn
+In stont, die Marcurius hiet.
+</p>
+
+<p>al worden de heidensche bewoners dezer landen hier, gelijk
+zoo menigmaal elders, Sarracenen genoemd, al schuilt onder
+den naam Mercurius Donar of een andere Germaansche god.
+Nog in het midden der 14<sup>de</sup> eeuw toonde men den geloovigen
+de zeven boomen &#8222;waar SINT AMAND eerst zijn ruste nam" <a href="#1.4">[4]</a>.
+Doch er bestaat wel reden om te vermoeden, dat dit zevental
+Sint Amands-boomen oorspronkelijk een zevental Wodans-eiken<a name="8"></a>
+zal geweest zijn, zooals de overlevering er ook te Wolfhezen
+toont. En menig halfbekeerde Vlaming, wiens weg hem in het
+schemeruur langs die boomen voerde, zal er een eerbiedig
+schuwen blik op hebben geworpen, denkend aan de oude goden.
+
+<p>Ondertusschen vermenigvuldigden de kloosters zich snel;
+reeds vóór de kruistochten is Zuid-Nederland er mede bezaaid<a href="#1.5">[5]</a>
+en in het Noorden moeten zij ook al spoedig talrijk zijn
+geweest. Gewoonlijk werd zulk een klooster gesticht ergens in de
+&#8222;solitudines", de woeste gronden die een groot deel dezer landen
+besloegen. Bosschen moesten dan gerooid, moerassen gedempt,
+heiden ontgonnen; het werk der beschaving nam een aanvang.
+Naast vele wereldlijke heeren maakten vooral de Cisterciënsers
+zich verdienstelijk ten opzichte dezer kolonisatie binnenslands.
+
+<p>Zeker, niet al deze geestelijken waren heiligen; de meesten
+waren maar menschen, zwakke menschen. Over de ruwheid,
+vechtlust en zedeloosheid der geestelijken van de 8<sup>ste</sup> eeuw
+wordt luide geklaagd.<a href="#1.6">[6]</a> De kerkelijke tucht verslapte zóózeer,
+dat in de 10<sup>de</sup> eeuw de regel van SINT BENEDICTUS bijna
+geheel vergeten was, dat menig abt zich van de wereldlijke
+machthebbers slechts door de tonsuur onderscheidde.<a href="#1.7">[7]</a>
+
+<p>Doch het zou onbillijk zijn, wegens zulke feiten den goeden
+invloed, door het Christendom en een deel der geestelijkheid
+geoefend, voorbij te zien. En zeker zou menig literair werk
+van dezen tijd niet geschreven zijn, indien zijn maker niet in
+een klooster die veiligheid, rust en kalmte van geest had
+gevonden, zonder welke de meeste letterkundige werken niet
+kunnen ontstaan. Dat geldt in hooge mate van de eeuwen
+waarop wij hier inzonderheid het oog hebben, de 9<sup>de</sup>-12<sup>de</sup> eeuw,
+die ons deze landen toonen in een toestand van verwarring en
+verwildering. Telkens zeilen de Noorsche zeeroovers onze
+rivieren op, allerwege schrik verbreidend; zij moorden, plunderen,
+sleepen den buit naar een versterkt kamp, worden soms<a name="9"></a>
+verjaagd, doch slechts om een volgenden keer met fellen wrok
+terug te komen. Doch ook in streken waar zij niet kwamen,
+vernemen wij weinig anders dan veeten, oorlog, roof,
+moord, verwoesting. Tal van kleine graven, behalve den graaf
+van Friesland (die zich later graaf van Holland zal noemen),
+trachtten zich onafhankelijk te maken. Het groote rijk van
+Neder-Lotharingen, dat een korten tijd al deze landen behalve
+Vlaanderen omvatte, kon geen afzonderlijke staat blijven maar
+loste zich op in een aantal kleine feodale staatjes<a href="#1.8">[8]</a>.
+
+<p>Te midden van al die verwoesting en verdeeldheid bleef de
+Christelijke Kerk overeind, niet ongedeerd, maar ongeschokt
+in hare eenheid. Ook op de literatuur dezer eeuwen heeft zij
+haar stempel gedrukt. Want terwijl er nauwlijks sprake kan
+zijn van de vorming eener literatuur in de volkstaal, kiezen de
+letterkundigen dier eeuwen bijna zonder uitzondering de klassieke
+kerktaal, waar zij uiting willen geven aan hetgeen hun
+geest en gemoed vervult. Voordat wij die in het Latijn geschreven
+werken in oogenschouw nemen, moeten wij kennis maken met
+hetgeen door sommige geleerden als <i>Oudnederlandsche Letterkunde</i>
+is aangeduid<a href="#1.9">[9]</a>.
+
+<p>Evenals de Engelschen vóór hunne middeleeuwsche letterkunde
+eene Oudengelsche of Angelsaksische literatuur kunnen
+aanwijzen en de Duitschers vóór de Middelhoogduitsche eene
+Oudhoogduitsche, zoo moesten ook de Nederlanders, meende
+men, eene Oudnederlandsche letterkunde hebben gehad. Vaderlandsliefde
+die in het teeken der Romantiek stond, strekte verlangend
+de armen uit; de Wetenschap werd omhelsd, zóó
+vurig zelfs dat zij in de knel raakte&mdash;uit die vereeniging
+werd een &#8222;twijfelkind" geboren, zelfs critische geesten zoo
+bekorend, dat een hunner profeteerde als ziener met den blik
+achterwaarts gericht, &#8222;dat er eene Oudnederlandsche letterkunde
+<i>moet</i> bestaan hebben"<a href="#1.10">[10]</a>.<a name="10"></a>
+
+<p>Er was hier een bezwaar: Oudnederlandsche dichtwerken
+waren en zijn afwezig. Doch voorloopig behielp men zich met
+gewag te maken van het Hildebrandslied, het Lodewijkslied,
+van den Oudsaksischen Hêliand, van OTFRID'S Evangeliën-harmonie
+en dergelijke werken. En zeker, wanneer men zegt:
+wij Nederlanders zijn een Germaansch volk, <i>dus</i> hebben ook
+wij deel aan de Oudgermaansche letterkunde; of: ook hier te
+lande hebben Saksen gewoond, <i>dus</i> kunnen wij den Hêliand
+tot onze literatuur rekenen, dan kan men van die werken
+gewag maken in een geschiedenis onzer nationale literatuur.
+Doch dan moet men nog heel wat meer tot de Oudnederlandsche
+letterkunde rekenen dan thans geschiedt. Wie bij zijn
+verhaal van de ontwikkeling der Nederlandsche literatuur zooveel
+mogelijk de grenzen wenscht te eerbiedigen, waarbinnen
+deze volken van ouds geleefd of hunne taal gesproken hebben,
+die zal dit deel der Oudnederlandsche literatuur afwijzen als
+onrechtmatig verkregen goed. Sterker meenen de scheppers dier
+literatuur te staan in hunne aanspraken op een aandeel in de
+vorming van heldendichten als BEOVULF en GUDRUN. Dat die
+dichterlijke werken of deelen daarvan hier te lande bekend zijn
+geweest, daarvan hebben wij ook zelfs niet de geringste historische
+aanwijzing. Ook later wordt ten minste van BEOVULF en
+GUDRUN nooit gerept. &#8222;Het mag daarom met recht bevreemding
+wekken", lezen wij bij een der bovenbedoelde geleerden, &#8222;dat
+zij hier volkomen in vergetelheid zijn geraakt"<a href="#1.11">[11]</a>.
+
+<p>Uitgaande van die vooropgezette meening, heeft men met
+vlijt en scherpzinnigheid alles samengebracht, wat maar eenigszins
+dienen kon om te betoogen b.v. dat de Gudrun-sage hier gelocaliseerd
+is geweest, of ten minste dat het tooneel der gebeurtenissen
+die in de Gudrun-sage verhaald worden, voor een deel in ons
+land te zoeken is. De Franken en Friezen worden genoemd
+in den BEOVULF; in de GUDRUN is sprake van Friesland, en<a name="11"></a>
+allerlei andere plaatsnamen die <i>kunnen</i> doen denken aan deze
+landen bij de zee.
+
+<p>Met den jongsten uitgever van GUDRUN geloof ik, dat de
+aardrijkskundige en staatkundige namen en aanwijzingen in dat
+gedicht zulk een verward mengelmoes te zien geven, dat wij
+ons daarvan kwalijk als wetenschappelijk materiaal kunnen bedienen<a href="#1.12">[12]</a>.
+Doch laat het waar zijn, dat de gebeurtenissen, in
+die heldendichten bezongen, ten deele op onze kusten hebben
+plaats gehad, krijgen wij dan daardoor eenig aandeel aan dat
+Angelsaksische, aan dat Middelhoogduitsche dichtwerk? &#8222;Ja", zal
+men zeggen, &#8222;want dan hebben wij tot het ontstaan van die
+gedichten bijgedragen". Mij schijnt die gevolgtrekking uitermate
+gewaagd.
+
+<p>Behoort dan een dichterlijk werk, welks tooneel ons verplaatst
+naar een of ander land, daardoor reeds tot de literatuur van
+dat land? Dan zal men de literatuurgeschiedenis van menig
+volk moeten gaan herzien.
+
+<p>Zoolang er geen deugdelijker gronden worden aangevoerd
+voor de stelling, dat ook ons volk deel heeft gehad aan de
+vorming dier Oudgermaansche heldendichten, acht ik het beter
+geene poging te doen ons te tooien met veeren uit de pluimage
+van Duitschers en Engelschen.
+
+<p>Een eenigszins verschillend geval hebben wij in de sage van
+den Zwaanridder. Dat die sage hier te lande, vooral in Brabant
+maar ook elders, overal bekend is geweest, daarvan zijn onderscheidene
+bewijzen<a href="#1.13">[13]</a>. Een deel dezer sage, ook dat staat vast,
+ten minste voor sommige redactie's, heeft zich gelocaliseerd te
+Nijmegen. Wat meer zegt, hier <i>weten</i> wij, dat de sage te onzent
+in de middeleeuwen bekend is geweest: MAERLANT immers acht
+het de moeite waard, de sage te bestrijden die verhaalde dat
+de hertogen van Brabant afstammen van den Zwaanridder.
+&#8222;Misdadige leugenaars tijgen GODFRIED VAN BOUILLON aan<a name="12"></a>
+dat HELIAS, de Zwaanridder, zijn grootvader van moederszijde
+was" zegt hij in zijn <i>Spieghel Historiael</i> en elders in datzelfde
+werk over GODFRIED sprekend:
+
+<p class="quote">Noch wijf, no man, als ict vernam,
+Ne was noit zwane, daer hi af quam,
+Al eist dattem Brabanters beroemen,
+Dat si vanden zwane sijn coemen<a href="#1.14">[14]</a>.
+</p>
+
+<p>Voorts bestaat er een fragment van een Dietsch gedicht over
+den Zwaanridder. Doch geeft het bestaan van dat fragment ons
+nu &#8222;alle reden om te doen vermoeden dat er evengoed een
+Nederlandsche roman van den Zwaanridder zal bestaan hebben,
+als er een Fransche <i>Roman du Chevalier au Cygne</i> in verschillende
+redacties, en meer dan ééne bewerking in de Middel-hoogduitsche
+letterkunde van bestaat"?<a href="#1.15">[15]</a>
+
+<p>Dat wij eertijds eene volledige bewerking der sage in het
+Nederlandsch bezeten hebben, geloof ook ik. Echter&mdash;en
+daarop komt het aan, indien men spreekt over sagen als materiaal
+voor de poëzie&mdash;voorzoover wij nu zien kunnen, is dit
+Nederlandsch gedicht geen zelfstandige bewerking der inheemsche
+sage, maar eene navolging van een of ander Fransch
+origineel<a href="#1.15">[15]</a>. Ook de sage der Heemskinderen was hier te lande
+populair; doch het Middelnederlandsch gedicht, dat hunne
+geschiedenis behandelt, is bewerkt naar het Fransch.
+
+<p>Wij zien dus, dat ook hier poëtische stof voor het grijpen
+lag; maar geen dichter die er de hand op legde om er een
+poëtisch werk in de volkstaal uit te scheppen.
+
+<p>De bovengenoemde voorbeelden zijn niet de eenige van dien
+aard. Wat kan sterker indruk hebben gemaakt op het gemoed
+en de verbeelding onzer voorouders, dan die telkens herhaalde
+rooftochten der Noormannen? Wanneer de gevreesde viking
+zich vertoonde aan boord van zijn hooge kromsteven, dan<a name="13"></a>
+sidderde ook den stouten Fries het hart in de borst, want hij
+wist dat er geen genade was; dat plundering, mishandeling,
+moord hem en zijn volk bedreigden, dat ballingschap en
+slavernij veelal het lot was van wie gespaard bleven. De gansche
+negende eeuw door bestoken de Noormannen de kusten van
+Holland en Vlaanderen. Zij zeilen de rivieren op, diep landwaarts
+in; zij bouwen versterkte legerplaatsen bij Maastricht en
+Leuven, die uitgangspunten worden voor rooftochten in het
+omliggend land.<a href="#1.16">[16]</a>.
+
+<p>Welnu, geen enkel gedicht, geen lied, geen rijmpje zelfs in
+de volkstaal dier eeuwen is tot ons gekomen. Eerst in een
+gedicht van veel lateren tijd, de <i>Legende van het heilige Kruis</i>
+(naar het schijnt uit de 14<sup>de</sup> eeuw), vinden wij verwarde herinneringen
+aan het verblijf der Denen (Noormannen) in Brabant.
+
+<p>Zweeg men, omdat de smart te groot was? Dikwijls immers
+is het waar, wat in later tijden Vader CATS een Latijnsch
+dichter nazeide:
+
+<p class="quote">Gewone droefheid klaagt, maar al te diepe zeer
+En heeft geen open wond, geen zucht, geen tranen meer.
+</p>
+
+<p>Doch de akker der volkspoëzie is braak blijven liggen ook op
+plaatsen, waar eene verklaring als de bovenstaande niet van
+pas zou zijn.
+
+<p>Wat al gerucht is, in den aanvang der 12<sup>de</sup> eeuw, in den
+lande gemaakt, in Zeeland, Utrecht, Keulen, door den dweper
+TANCHELM! Een voorlooper van JAN VAN LEIDEN, een volksredenaar
+zóó welsprekend, dat hij de geleerde klerken ijverzuchtig
+maakte; die door zijn grooten invloed op de vrouwen
+ook de mannen voor zich wist te winnen; die in 't openbaar
+optrad in kleederen met goud doorweven, omstuwd door lijfwachten
+die een banier en een zwaard voor hem uitdroegen;
+die de geestelijkheid en de kerkleer durfde aantasten in zijne<a name="14"></a>
+prediking en door de Utrechtsche Kanunniken aan den aartsbisschop
+van Keulen werd afgeschilderd als de voorlooper van
+den Antichrist! Te Keulen gevangen gezet met zijne gezellen:
+een priester EVERWACHER en een smid MANASSE die naar het
+voorbeeld van zijn meester een broederschap van twaalf mannen
+en ééne vrouw had opgericht (de apostelen en de maagd Maria),
+weet hij zich door de waterproef te zuiveren van de beschuldigingen
+tegen hem ingebracht. Later treedt hij weer in het
+openbaar op; in een vorstelijk kleed en met schitterend hoofdtooisel
+trekt hij, omgeven door drieduizend mannen, door stad
+en land. Hertogen noch graven durven hem weerstand bieden.
+In 1115 wordt hij, in een vaartuig gezeten, door een priester
+verslagen.<a href="#1.17">[17]</a>
+
+<p>Een poëtische stof, zou men zeggen, aantrekkelijk ook voor
+onze middeleeuwsche dichters, wien het&mdash;indien men mag
+afgaan op zoo menig dichterlijk werk van later tijd&mdash;waarlijk
+niet haperde aan gevoel voor het indrukwekkende of aangrijpende.
+Maar de nationale poëzie zwijgt over TANCHELM en
+de Tanchelmisten, over den priester EVERWACHER, over den
+smid MANASSE en zijn ontuchtig apostelengilde. Waarom? De
+verklaring schijnt mij voor de hand te liggen.
+
+<p>Behalve de bovengenoemde zijn er in deze eeuwen nog
+zooveel andere dingen gebeurd, die indruk gemaakt hebben
+op de gemoederen der menschen van toen. Verscheidene daarvan
+nu zijn wel herschapen tot literaire werken van grooter of
+kleiner waarde. Echter niet in de volkstaal, maar in de taal der
+Kerk, het Latijn.
+
+<p>Verwonderlijk is dat niet. In de schatting der middeleeuwsche
+menschen van dien tijd, stond het Latijn hoog boven de volkstaal.
+Het Dietsch was de taal van het "diet", van JAN ALLEMAN,
+en werd nog niet als schrijftaal gebezigd; het Latijn, met zijn
+eerbiedwaardig verleden, den roem en het gezag der klassieke<a name="15"></a>
+schrijvers, was de taal der Kerk in gansch West-Europa,
+de taal ook waarvan geestelijken en geleerden zich schriftelijk
+bedienden, de taal die vorsten en machtigen kozen voor het
+opstellen van officieele stukken. Rome's taal en letterkunde
+werden ook hier te lande vlijtig beoefend. In de bibliotheek
+der beroemde abdij van Egmond vond men in de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup>
+eeuw tal van klassieke dichtwerken: VIRGILIUS' <i>Bucolica</i> en
+<i>Georgica</i>; OVIDIUS' <i>Tristia</i>; CICERO's <i>De Senectute, De Amicitia</i>,
+de <i>Orationes</i>; SALLUSTIUS' werken. Van de lateren vond men
+er: PERSIUS' <i>Satiren</i>, STATIUS' <i>Thebaïs</i>; SENECA'S <i>De Clementia</i>;
+AULUS GELLIUS' <i>Noctes Atticae</i>. Voorts talrijke glosen op de
+klassieke schrijvers waaruit men mag opmaken dat de werken
+dier auteurs wel bestudeerd werden. Van middeleeuwsch-Latijnsche
+werken trof men er aan o.a.: eene <i>Vita Brendani</i>,
+de <i>Gesta Francorum id est Cronica cum Vita Karoli</i>, DARES
+FRIGIUS' <i>De Excidio Trojae, Gesta Alexandri Magni</i><a href="#1.18">[18]</a>. Onder
+de boeken welke de abdij Bloemhof te Wittewierum in een
+latere eeuw (de 13<sup>de</sup>) bezat, vinden wij OVIDIUS, VIRGILIUS,
+eenige auctores ethici et satyrici; verder tal van werken over
+grammatica en dialectiek, geschriften van de Kerkvaders
+AUGUSTINUS en GREGORIUS<a href="#1.19">[19]</a>. In diezelfde eeuw vinden wij
+aan de abdij van Mariëngaarde te Hallum eene &#8222;scola publica"
+verbonden; aan haar hoofd stond zekere magister FREDERIK,
+die met zijne leerlingen 's morgens de heidensche poëten en
+geschiedschrijvers en na het middagmaal de Kerkvaders las<a href="#1.20">[20]</a>.
+
+<p>Die eerbied en liefde voor het Latijn zal de ontwikkeling
+der volkstaal waarschijnlijk belemmerd hebben; de veldbloem
+heeft &#8222;tier noch zwier" in de schaduw van den grooten boom
+die haar het vrije genot van zon en wind en regen beneemt
+en beslag legt op de groeikracht van Moeder Aarde.
+
+<p>Abt EMO van Wittewierum bezat, volgens zijn biograaf, den
+lateren abt MENKO, vele gaven en talenten&mdash;doch niet de gaaf<a name="16"></a>
+der wereldlijke welsprekendheid &#8222;in lingua teutonica"; daarvan
+was hij geen beminnaar en hij oefende er zich ook niet in
+&#8222;propter studium et amorem vitae spiritualis et lectionis". Nog
+op zijn sterfbed sprak hij keurig Latijn.
+
+<p>Begrijpelijk is het, dat wij in de Latijnsche geschriften van
+zulke mannen niet zelden aanhalingen vinden uit klassieke
+schrijvers: in EMO'S Kroniek b.v. verzen of sententie's van
+CICERO, HORATIUS, SENECA, LUCANUS; in een reisbeschrijving
+van een Friesch of Groningsch pelgrim uit den aanvang der
+13<sup>de</sup> eeuw herinneringen aan VIRGILIUS' <i>Eclogae</i> en aan zijne
+<i>Aeneis</i><a href="#1.21">[21]</a>. Begrijpelijk evenzeer, dat bewondering ook hier tot
+navolging bracht. Het lag voor de hand, dat allen die in aanraking
+waren gekomen met de Latijnsche literatuur en behoefte
+gevoelden zich te uiten, voor die uiting de taal zouden kiezen
+waarmede zij vertrouwd waren, die reeds op zich zelve zekere
+waardigheid aan een literair werk bijzette, het verhief boven het
+alledaagsche, en waarin zij allerlei wendingen, uitdrukkingen,
+vergelijkingen vonden waarmede zij hun voordeel konden doen.
+
+<p>In die dagen, met voorbijgang van het Latijn, zich van de
+volkstaal bedienen voor de samenstelling van eenig letterkundig
+werk, zou alleen dan verwacht kunnen worden, indien er
+toen onder ons volk een krachtig gevoel van zelfbewustheid,
+een krachtig nationaliteitsgevoel, aanwezig ware geweest. Daarvan
+was nog geene sprake. Indien men zich herinnert, dat de
+grootste dichter der middeleeuwen, DANTE ALIGHIERI, vóór het
+schrijven der <i>Commedia</i> geweifeld moet hebben tusschen de
+volkstaal en het Latijn, dat hij zelfs den aanvang van den
+<i>Inferno</i> in Latijnsche hexameters gedicht heeft, dan zal men
+zich over de toestanden te onzent in vroeger eeuwen niet verwonderen.
+
+<p>Het is natuurlijk denkbaar dat in die eeuwen een dichter,
+die geen Latijn kende, zich gedrongen zal hebben gevoeld tot<a name="17"></a>
+eene poëtische uiting in de volkstaal. Maar in allen gevalle is
+geen enkel voorbeeld van zoodanige uiting tot ons gekomen.
+
+<p>Wanneer wij nu het oog slaan op de Latijnsche werken, toen
+te onzent gedicht, dan treft ons aanstonds, dat wij hier een
+zwak voorspel vernemen van de latere literatuur der middeleeuwen.
+MAERLANT sprak in zijn <i>Wapene Martijn</i> dit kloeke
+woord over den adel:
+
+<p class="quote">Mine roec, wiene droech of wan<a title="[margin: Ik geef er niet om wie zijn moeder of zijn vader was.]"><sup>#</sup></a>,
+Daer trouwe ende doghet es an
+ Ende rene es van seden;
+ Uut wat lande dat hi ran,
+ Dats, dien ic der namen an<a title="[margin: toeken (gun).]"><sup>#</sup></a>
+ Van der edelheden.
+</p>
+
+<p>Maar lang vóór hem had de adellijke Fries LUDGER, in den
+proloog van zijn verhaal over de heiligen BONIFACIUS en
+GREGORIUS, verklaard &#8222;dat er een adel des geestes bestaat,
+welks leden boven alle aanzienlijken van geboorte, de hoogste
+liefde en vereering waardig zijn"<a href="#1.22">[22]</a>.
+
+<p>Wij vinden de stof voor meer dan een ridder-epos in een
+paar Latijnsche kronieken dier eeuwen; eene bewerking der
+Reinaert-sage, eenige heiligenlevens, een leerdicht en ten slotte
+een paar staaltjes van lyrische poëzie. Het schijnt mij de moeite
+waard, de meeste dezer werken, het een iets korter, het ander
+iets uitvoeriger, te behandelen<a href="#1.23">[23]</a>.
+
+<p>MILO, monnik uit het klooster Elnon bij Doornik, die
+omstreeks 872 stierf, behoort zeker wel tot de oudste Latijnsche
+dichters te onzent. Hij vervaardigde een leven van SINT AMAND
+in 1800 hexameters, op aansporing zijner kloosterbroeders, en
+als een hulde door hem op den dag van Sint Amand aan dien
+heilige gebracht.<a name="18"></a>
+
+<p>Behalve eenige kleinere gedichten schreef hij ook nog een
+omvangrijk leerdicht in twee boeken <i>De Sobrietate</i>, waarin
+door tal van voorbeelden uit O. en N. Testament wordt aangetoond,
+hoe nadeelig de gevolgen der gulzigheid en hoe goed
+die der matigheid zijn. Tusschen die voorbeelden vindt men
+hier en daar, evenals in de leerdichten van lateren tijd, uitweidingen
+over de priesters, over de onkuischheid van velen in
+dien tijd, ook wel eens over den dichter zelven. Geleerdheid
+is hier genoeg, ook navolging van VIRGILIUS; poëzie zoo min
+als in verreweg de meeste onzer middeleeuwsche leerdichten.
+
+<p>Over de levens van BONIFACIUS en GREGORIUS door LUDGER,
+beide in proza, spraken wij reeds. Voorts vinden wij nog melding
+gemaakt van een ander leven van BONIFACIUS, geschreven
+door een tijdgenoot van LUDGER, een man van merkwaardige
+belezenheid en eenigermate bekend met Latijnsche klassieken
+en mythologie. In de eerste helft der 9<sup>de</sup> eeuw schreef een
+Friesch monnik in de abdij van Werden eene levensbeschrijving
+van LUDGER, waarin soms stof voorkomt, bruikbaar voor
+een dichter. In de laatste helft der 10<sup>de</sup> eeuw gaf een ander
+Friesch monnik ter abdij van Werden een verhaal van de
+romantische lotgevallen en vele mirakelen der Heilige Ida<a href="#1.24">[24]</a>.
+
+<p>Bisschop RADBOUD van Utrecht (± 917) toonde vooral eene
+voor dien tijd zeldzame kennis van grammatica en metriek in
+zijne <i>Versus de hirundine</i>, zijn <i>Carmen Allegoricum</i> op Sint
+Suitbert en zijne <i>Ecloga</i> op Sint Lebuïnus; in deze en andere
+stukken van zijne hand vinden wij wel loofwerk van antieke
+mythologie en navolging van VIRGILIUS, maar nergens eene
+wending of uitdrukking, karakteristiek voor den volksgeest of
+het volksgemoed dier dagen<a href="#1.25">[25]</a>.
+
+<p>Door de heerschappij van het Latijn werd de natuurlijke
+uiting van het gemoedsleven als gestremd en verstijfd. Rechtstreeksche
+gemeenschap tusschen het innerlijk leven en de taal<a name="19"></a>
+die dat innerlijk leven moet verklanken, kon onder die heerschappij
+niet bestaan. Om uit te drukken wat men gevoelde,
+moest men in eene vreemde taal zoeken naar woorden, wendingen,
+vergelijkingen die zoo ongeveer overeenkwamen met
+hetgeen men wenschte uit te drukken. Zoo kwam men tot
+poëzie, die op echte poëzie gelijkt als een kunstbloem op een
+levende bloem.
+
+<p>Een goed voorbeeld van zulk dichtwerk vinden wij in de
+verzen die gewijd zijn aan het leven en den lof van ANSFRIED,
+bisschop van Utrecht, die in 1010 stierf.
+
+<p>Hoe rijk aan afwisseling is het leven van dezen bisschop,
+hoe rijk ook aan treffende of ontroerende feiten, aan zedelijke
+schoonheid, aan verhevenheid.
+
+<p>Hij is van aanzienlijke afkomst, zijn vader schijnt graaf van
+Leuven te zijn geweest; een neef en naamgenoot van den knaap
+bezit vijftien graafschappen. Aartsbisschoppen, die van Trier,
+die van Keulen, leiden zijne opvoeding. De latere keizer OTTO I
+kiest hem op een tocht naar Italië tot zijn zwaarddrager; onder
+diens roemrijke leiding wordt hij een bekwaam veldheer. Spoedig
+is hij een der machtigste edelen van zijn tijd. Van de vroomheid
+en trouw zijner gemalin HILSWINDE bleven tot in onzen
+tijd romantische verhalen bewaard. Krachtig treedt hij op tegen
+de roovers (Noormannen?) in Brabant. Daarna wordt hij&mdash;zijns
+ondanks&mdash;door den keizer tot bisschop van Utrecht
+verheven; hij legt in de kapel te Aken zijn zwaard op het
+altaar der H. Maagd en wijdt zich aan haar dienst. Alle omstanders
+barsten in tranen uit. Voortaan wordt zijn leven meer en
+meer dat van een heilige; blind geworden, vertoeft hij liefst
+in het door hem gestichte klooster, de Hohorst bij Amersfoort.
+Zijn leven daar doet denken aan dat van SINT FRANCISCUS:
+hij put water om melaatschen te wasschen; zijne liefde ontwikkelt
+zich tot eene onbegrensde teederheid voor alle schepselen van<a name="20"></a>
+den Heer. Zelfs den vogelkens was hij weldadig. Des winters
+liet hij uit medelijden met hunne armoede volle korenschooven
+in de boomen van zijn heuvel plaatsen.
+
+<p>Geen wonder waarlijk dat na zijn dood de Utrechtenaren
+niet rustten, vóórdat zij zijn lijk van den Hohorst naar hunne
+stad hadden gevoerd, waar het onder psalmen en lofzangen
+en den toeloop eener ontelbare menigte in de Sint-Maartenskerk
+begraven werd<a href="#1.26">[26]</a>. Geen wonder ook dat een Utrechtsch priester
+zich niet lang daarna opgewekt, misschien gedrongen, gevoelde
+om den lof van zulk een man en zulk een leven te zingen.
+Hij heeft getuigd van zijn eerbiedige liefde voor zijn bisschop
+in een 26-tal Latijnsche hexameters.
+
+<p>Dat deze hexameters niets eigens, niets persoonlijks hebben,
+bevreemdt ons niet; de kunst der middeleeuwen immers is
+juist algemeen en onpersoonlijk van aard. Maar wij verwachten
+toch voor het minst in deze uiting van droefheid en bewondering
+eenige warmte van gevoel te zullen opmerken en dat
+des dichters hart bewogen was, toen hij zijne verzen schreef.
+Inderdaad is er wel eenige golving van gevoel te bespeuren,
+maar het zijn golvingen zooals men ze ziet in een ijskorst die
+over het bewegelijk element ligt uitgebreid. Onder den verstijvenden
+invloed der rhetoriek, bij het verkillend zoeken naar
+juiste uitdrukkingen en tegenstellingen in een vreemde taal, is,
+wat er aan gevoelswarmte moge geweest zijn, vervlogen en wij
+vinden meerendeels slechts verzen als de volgende:
+
+<p class="quote">Quondam bellator, nunc autem pacis amator.
+...
+Deposuit parmam, cepitque levare patenam.
+</p>
+
+<p>Wat de nagedachtenis van een als heilige vereerd en bemind
+prelaat in het Nederland dier dagen niet vermocht: een gedicht
+in de volkstaal te voorschijn roepen, dat is een halve eeuw<a name="21"></a>
+later in Duitschland geschied. Toen een jongere tijdgenoot van
+ANSFRIED, de beroemde aartsbisschop ANNO van Keulen in
+1075 gestorven was, heeft een Frankisch geestelijke niet lang
+daarna in een dichtwerk getuigd van zijne liefde en eerbied
+voor den overledene. Maar in Duitschland was de ontwikkeling
+van het nationaliteitsgevoel blijkbaar verder gevorderd dan te
+onzent: het bekende Anno-lied is in de volkstaal gedicht. Dit
+900-tal verzen geeft ons iets anders te zien dan de 26 Latijnsche
+hexameters van den Utrechtschen klerk.
+
+<p>Welk een rijke ader van echte poëzie zien wij telkens glinsteren
+in het ruwe, ongevormde en onbewerkte, ijzerharde taal-erts
+van dat Anno-lied! Ja, wij vinden hier veel onbeholpens, ook
+hier die zonderlinge overzichten van bijbelsche en wereldgeschiedenis,
+dat gemis aan samenhang en overgang; herinneringen
+aan VIRGILIUS en LUCANUS, te midden dezer speelmans-poëzie....
+Maar hoe leven hier de middeleeuwen in visioenen
+van hemelsche heerlijkheid, in wonderen en allegorieën, in
+verhalen van veldslagen, roof, moord, brand en verwoesting.
+Hoe gloeit de wilde strijdlust der ijzeren eeuw van tijd tot tijd
+op in stalen helmen en vaste halsbergen en scherpe Beiersche
+zwaarden, die door helmen bijten; hoe vlamt die strijdlust op
+uit verzen als:
+
+<p class="quote">Ha! hoe kletterden de wapenen
+Toen de rossen op elkander in vlogen,
+Legerhoornen loeiden,
+Beken bloeds vloten.
+</p>
+
+<p>Maar hoezeer ook overweldigd door de volheid zijner kwalijk
+beheerschte stof, toch vergeet de dichter zijn held niet, den
+&#8222;dierbaren" man, den &#8222;heiligen bisschop" in Keulen, de
+schoonste burg in het Duitsche land. Telkens waar SINT ANNO
+in dit dichtstuk optreedt, schieten, als zedige bloemen onder<a name="22"></a>
+zijne voeten, beelden en vergelijkingen uit de verzen op: te
+midden der zeven heilige bisschoppen van Keulen schittert ANNO
+als de turkois in een gouden vingerling; God heeft hem door
+lijden gelouterd zooals de goudsmid goud in het vuur smelt,
+wanneer hij een kostbare spang wil maken; als een leeuw zat
+hij voor de vorsten, als een lam ging hij tusschen de behoeftigen;
+hij is ten hemel opgestegen om ons den weg derwaarts
+te wijzen, zooals een arend die zijne jongen wil leeren vliegen,
+in kringen opwaarts stijgt en op zijne wieken statig zweeft<a href="#1.27">[27]</a>.
+
+<p>Zulke tonen wist die vroege zanger voort te brengen, omdat
+hij durfde zingen in zijne moedertaal. Zulke of dergelijke
+muziek had ook hier kunnen weerklinken, indien het nationaliteitsgevoel
+krachtig genoeg ware geweest; indien een Dietsch
+dichter de hand had durven slaan aan de poëtische stof die
+ook te onzent lag opgehoopt.
+
+<p>Welk een voorraad van zulke stof geven ons de beide
+Latijnsche kronieken van den Utrechtschen geestelijke ALPERTUS
+en zijn Vlaamschen genoot GALBERTUS te aanschouwen<a href="#1.28">[28]</a>.
+Ik heb hier het oog vooral op de geschiedenis van den
+edelman BALDERIK die met ADELA, eene dochter van den
+machtigen graaf WICHMAN van Hamaland, gehuwd was. De
+levensgeschiedenis van dit verdorven echtpaar verhaalt ons van
+langdurige belegeringen, onneembare kasteelen en verraders die
+den vijand ter sluik binnenlaten; van gevechten in het open
+veld; dienstmannen wien neus en ooren worden afgesneden;
+van vrouwen in eene belegerde vesting die helmen op het
+hoofd zetten om de belegeraars te misleiden; de vernietiging
+der sterke vesting Uplade (bij Elten aan den Rijn); den sluipmoord
+op den jongen Saksischen graaf WICHMAN gepleegd en
+de vernietiging der sterke vesting Uplade waar die daad geschied
+was. Wegens dien moord moet BALDERIK zich te Nijmegen
+voor Keizer HENDRIK komen verantwoorden. Als hij vóór den<a name="23"></a>
+Keizer staat, verbieden de hertogen GODFRIED en BERNHARD
+hem te spreken. Wanneer hij desniettegenstaande zich gaat verdedigen,
+knarstanden zij van woede en het scheelt weinig of
+hij wordt door hunne krijgers afgemaakt.
+
+<p>ADELA doet ons in hare verhouding tot BALDERIK soms aan
+Lady MACBETH denken: op de tijding van des Keizers komst,
+wordt BALDERIK moedeloos; ADELA verliest den moed niet,
+doch wekt haren man op tot dappere tegenweer. Van haar gaat
+het plan uit tot moord op graaf WICHMAN, hun tegenstander,
+die als gast op het kasteel Uplade vertoeft. Eerst wil zij hem
+vergiftigen; als dat niet gelukt, draagt zij hare taak over aan
+een paar knechten die WICHMAN van achteren aanvallen en
+neerstooten. Voortdurend zet zij BALDERIK aan tot nieuwe
+misdaden. &#8222;Et sicut Hiezabel Achab, ita et ista hunc ad flagitia
+semper concitavit, dans ei consilia, quibus ad perniciem suam
+uteretur, donec abominabilis et odiosus omnibus fieret"<a href="#1.29">[29]</a>.
+
+<p>Een onvoldragen gedicht zien wij ook in het geschiedverhaal
+van den moord, die in 1126 in een kerk te Brugge gepleegd
+werd op KAREL DEN GOEDE, graaf van Vlaanderen. Na het
+volbrengen van den moord verschansen de moordenaars onder
+hunne aanvoerders, BOUTSAERT (BORSIARDUS) en ROBBRECHT,
+in eene kerk en worden daar door de aanhangers van den
+graaf belegerd. De strijd die dan aanvangt, heeft in de beschrijving
+van GALBERTUS inderdaad hier en daar een grootsch
+karakter. Begrijpelijk is het, dat men een oogenblik denkt aan
+het indrukwekkend slottafreel der <i>Nibelungen</i>, in BOUTSAERT
+den grimmigen HAGEN meent te herkennen, in ROBBRECHT
+&#8222;Giselher daz Kint". Terwijl de strijd in de Kerk woedt, springt
+WALTER, een dienstman van den graaf die zich op het orgel
+verscholen hield, naar beneden midden tusschen de vijanden&mdash;een
+sprong die doet denken aan den vervolgden HERNANT in
+de <i>Chanson des Lorrains</i><a href="#1.30">[30]</a>. Maar er is in de middeleeuwen<a name="24"></a>
+meer gelijk dan eigen, en dergelijke overeenkomsten bewijzen
+alleen, hoe zeer het middeleeuwsch epos <i>in hoofdzaak</i> juiste
+afspiegeling der werkelijkheid bevat; niet dat een episch dichter
+het oog hield gericht op een of ander historisch feit.
+
+<p>Met een weinig scherpzinnigheid eenerzijds en een weinig
+goeden wil anderzijds, zou men op die wijze ook kunnen aantoonen,
+dat SHAKESPEARE in zijn <i>Macbeth</i> het oog moet hebben
+gehad op de geschiedenis van ADELA en BALDERIK.
+
+<p>In beide deze kronieken, vooral in die van GALBERTUS,
+blijkt op meer dan eene plaats vrij sterke aandoening; er was
+ook wel voldoende zelfbeheersching en neiging om het waargenomene
+en gevoelde te verwerken tot een met kunst geschreven
+verhaal. Maar dan toch een verhaal naar het voorbeeld der
+Romeinsche geschiedschrijvers. Vandaar de rhetorische toon, de
+redevoeringen en gesprekken in den trant van die voorgangers,
+doch met minder talent. GALBERTUS laat zich wel eens verleiden
+zijner verbeelding te zeer den teugel te vieren: hij weet
+ons o.a. gezegden mede te deelen, die midden in een vreeselijk
+bloedbad geuit zullen zijn en wat een eenzaam opgesloten man
+denkt, vóórdat hij sterft. Maar toch, had deze monnik eens
+den moed gehad zich van zijne moedertaal te bedienen&mdash;misschien
+waren wij een belangwekkend kunstwerk rijker.
+Diezelfde gedachte komt bij ons op, indien wij kennis maken
+met de Latijnsche bewerking der Reinaert-sage die op deze
+kronieken volgt, zooals in de nationale literaturen van Franschen,
+Duitschers en Nederlanders de bewerkingen der dier-sage op
+het ridder-epos.
+
+<p>Dit Latijnsche gedicht, dat naar den wolf: <i>Ysengrimus</i> heet,
+is vermoedelijk omstreeks 1150 vervaardigd door zekeren Magister
+NIVARDUS, eerst monnik in het klooster Blandinium, later
+scholaster der Kerk van S. Pharahilde te Gent<a href="#1.31">[31]</a>.
+
+<p>Wij vinden hier een aantal, ook van elders bekende, dier<a name="25"></a>fabels
+in distichen vervat en op kunstelooze wijze tot een geheel
+verbonden. Het verhalend element is in dit werk gering, de
+dialoog overheerscht; het zijn al te vaak eindelooze gesprekken
+waarin de middeleeuwsche dialectiek triomfen viert, maar die
+den lezer na eenigen tijd vermoeien en ten slotte vervelen. De
+dichter was een zeer belezen man, die de klassieke Latijnsche
+schrijvers goed en OVIDIUS op zijn duimpje kende; onder het
+schrijven zijner verzen stonden hem telkens plaatsen uit zijne
+lievelingsauteurs voor den geest, maar nergens maakt hij zich
+aan slaafsche navolging schuldig.
+
+<p>Opmerkelijk nu is vooral, hoe onder en in dit overgenomen
+klassicisme telkens het Vlaamsch-menschelijke zich vertoont. Wij
+speuren en zien den volksgeest in die ietwat ruwe rondheid
+die alles bij zijn naam noemt, in de ironie, de komische of
+groteske overdrijving, de grappen, de vergelijkingen en spreekwoorden
+aan het dagelijksch leven ontleend<a href="#1.32">[32]</a>. In zijne uitdrukkingen
+en aardigheden, in woorden als <i>mantica, bulga, follis</i>
+te vergelijken bij het latere middelnederlandsche <i>male</i> (maag),
+als <i>taberna (taverne), carmina completoria (&#8222;van uwen complete
+dat ghetide")</i> doet hij ons telkens aan den, een eeuw jongeren,
+<i>Reinaert</i> denken. Het is dezelfde nationale dichtader, maar
+die hier niet kan uitschieten in de laag van klassicisme waarmede
+de Vlaamsche geestesakker overdekt was.
+
+<p>Indien deze dichter eens gedurfd had, zooals DANTE gedurfd
+heeft! Wat zou hij, met zijn ongetwijfeld voortreffelijken aanleg
+niet hebben kunnen volbrengen. Maar de tijd, dat een dichter
+zulk eene stof in de volkstaal zou durven behandelen, was nog
+verre. Er moest nog veel veranderen in het uiterlijk en innerlijk
+leven van de bewoners dezer landen, eer het zoover kon komen.<a name="26"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.1">1</a>: Deze <i>Vita Liudgeri</i> is uitgegeven in PERTZ <i>Monumenta G.</i>, II,
+404 seqq.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.2">2</a>: Vgl. P. PIPER, <i>Die Spielmannsdichtung</i>, I, 29.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.3">3</a>: In EGINHARD'S <i>Vita Caroli Magni</i> 29 (PERTZ, <i>Monum.</i>, II,
+458). &#8222;Item barbara et antiquissima carmina, quibus veterum regum
+actus et bella canebantur, scripsit memoriaeque mandavit."
+
+<p class="footnote">En in <i>Annales Caroli Magni</i>, V, 545 (PERTZ, <i>Monum.</i>, I, 276)
+leest men:
+
+<p class="footnotequote">Quae veterum depromunt praelia regum
+Barbara mandavit carmina litterulis.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.4">4</a>: <i>Leven van Sint Amand</i> (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.5">5</a>: PIRENNE, <i>Geschichte Belgiens</i>, I, 91.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.6">6</a>: <i>Bonifacins</i> door Dr. J.P. MÜLLER, I, 86.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.7">7</a>: PIRENNE, t.a.p. I, 86&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.8">8</a>: Vgl. hier als elders BLOK'S <i>Geschied. v.h. Nederl. Volk</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.9">9</a>: Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is
+uiteengezet en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S
+rectorale rede &#8222;<i>over Angelsaksische Poëzie</i>" (1899).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.10">10</a>: COSIJN, t.a.p. bl. 21.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.11">11</a>: Dr. TE WINKEL, <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.12">12</a>: <i>Hilde&mdash;Gudrun....</i> von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof.
+SYMONS, die de <i>Gudrun</i> uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.13">13</a>: Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET
+(I, 33 volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene
+studiën van Dr. BLÖTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in
+<i>Romania</i>, 1901, en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in <i>Versl. en
+Meded. d. Kon. Akad.</i>, XII, 253 volgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.14">14</a>: <i>Sp. Hist.</i>, IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts
+mijne <i>Middelned. Epische Fragmenten</i>, bl. 250 volgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.15">15</a>: Vgl. <i>Middelned. Epische Fragmenten</i>, bl. 255.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.16">16</a>: PIRENNE, t.a.p. bl. 41&ndash;43.]<a name="27"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.17">17</a>: Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S <i>Kerkgeschiedenis</i>,
+II, 3, bl. 45&ndash;55.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.18">18</a>: Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in
+VAN WIJN'S <i>Huiszittend Leeven</i> en, in veel beter uitgaaf, in <i>Archief
+voor Ned. Kerkgesch.</i>, II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.19">19</a>: A.W. WYBRANDS, <i>De Abdij Bloemhof</i>, bl. 78&ndash;79.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.20">20</a>: MOLL, t.a.p. II, 2, 239.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.21">21</a>: In het <i>Itinerarium</i> van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit
+MATTHAEI <i>Veteris Aevi Analecta</i>, II, 26&ndash;33 b.v.: &#8222;Natales fines et arva
+dulcia linquentes" (<i>Ecl.</i>, I, 3); aan het slot: &#8222;et tunc demum quae passi
+fuimus periculorum meminisse juvabit" (<i>Aen.</i>, I, 203). Vgl. ook de
+naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p. 31.
+
+<p class="footnote">In de Kroniek van ALPERTUS, <i>De Diversitate Temporum</i> (ed.
+DEDERICH) o.a.: uit Juvenalis: &#8222;Intolerabilius nihil est quam
+foemina dives."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.22">22</a>: MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS.
+Zie FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S <i>Stroph.
+Gedichten</i>, bl. LXXVIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.23">23</a>: Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S <i>Allgem.
+Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande</i>, van MOLL's
+<i>Kerkgeschiedenis</i> en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S
+<i>Liber de vita</i> etc.
+
+<p class="footnote">MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in
+<i>Poetae Latini Aevi Carolini</i>, III, 557 seqq.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.24">24</a>: Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.25">25</a>: Vgl. over de poëzie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184.
+H. PEERLKAMP, p. 11. De <i>Versus de hirundine</i> medegedeeld in
+<i>Zeitsch. f.d. Alt.</i> N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten
+in <i>Kerkhistor. Archief</i>, III, 213 volgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.26">26</a>: Zie voor het medegedeelde MOLL'S <i>Kerkgesch.</i>, I, 275 volgg.
+en ALPERTUS' Kroniek <i>De Div. Temporum</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.27">27</a>: <i>Der Lobgesang auf den heiligen Anno</i> (ed. GOLDMANN),
+Leipzig und Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men
+<i>Grundriss der Germ. Phil.</i>, II, 1, 251; en PIPER'S <i>Spielmannsdichtung</i>,
+II, 1. Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105&ndash;1110.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.28">28</a>: De Kroniek van ALPERTUS: <i>De diversitate temporum libri</i> II,
+is van ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Münster, 1859). Vgl. MOLL,
+<i>Kerkgesch.</i>, II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS
+vgl. RUDOLF HENNING, <i>Nibelungen&mdash;Studiën.</i> Strassburg. 1883.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.29">29</a>: <i>De Div. Temp.</i>, II, 5.]<a name="28"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.30">30</a>: R. HENNING in het aangehaald werk.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.31">31</a>: Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave
+van den <i>Ysengrimus</i>, (Halle a.S., 1884). In zijne <i>Etude sur l'Ysengrinus</i>,
+(Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen
+dan VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151&ndash;1152; V.c. 1148.
+W. gelooft dat een &#8222;flamand gallicant" uit de buurt van Lille de
+dichter is geweest en dat deze niet uit de mondelinge overlevering
+maar uit de verhalen der trouvères heeft geput. Het eerste is door
+W. m.i. niet aangetoond; het tweede is niet te bewijzen. Zie over
+WILLEMS' boek ook het oordeel van Dr. J.W. MULLER in <i>Museum</i>
+(1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan vereenigen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.32">32</a>: VOIGT, <i>Einl.</i> LXIII.]<a name="29"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>II.</h2>
+
+<p class="intro">De Kruistochten. De &#8222;lage landen bij de zee" als grensland tusschen
+Frankrijk en Duitschland. Fransche en Duitsche literatuur. Heinric
+van Veldeke (<i>Leven van Sint Servaes</i>, <i>Eneïde</i>, liederen). Vertaling
+van het Nibelungen-lied. Speelmanspoëzie (<i>Van den bere Wisselau</i>;
+<i>Van Sente Brandane</i>). Losmaking van Duitschland.
+
+<p>Toen het gevreesde jaar 1000 voorbij en de wereld niet
+vergaan was, ademden ook de bewoners dezer landen op.
+
+<p>Niet alsof met die 11<sup>de</sup> eeuw een tijd van ongestoorden vrede
+en rust aanbrak! Integendeel, ook in deze en de volgende
+eeuw, wij hebben er reeds staaltjes van gezien, was er nog
+allerwege verdeeldheid; soms schijnt het alsof ieders hand tegen
+allen is opgeheven. Zeker, tegenover de verdeelende stonden
+verbindende krachten: de kerk, het leenwezen, eene zelfde of
+ten minste gelijke taal, dezelfde zeden en gewoonten. Maar
+voorshands is de eenheid van elk dier onderscheidene kleinere
+volksgeheelen hier te lande (Friesland, Holland, Vlaanderen,
+Brabant en andere) weinig hecht; er is te nauwernood sprake
+van één band die ze onderling vereenigt.
+
+<p>Geen verschijnsel heeft in deze eeuwen zoo krachtigen invloed
+geoefend op onze volkswording als de kruistochten!
+
+<p>Onder de eerste deelnemers aan die grootsche tochten, toen
+&#8222;het Westen zich op het Oosten wierp, onder den kreet: God
+wil het!" vinden wij ook onze voorouders. Reeds omstreeks
+1030 zien wij een graaf van Holland ter kruisvaart trekken en
+aan zijne zijde een lid dier stoute ARKELS, welke de latere<a name="30"></a>
+graven van Holland zoo dikwijls tegenover zich zouden zien<a href="#2.1">[1]</a>.
+Na hen treffen wij onder de kruisvaarders in deze en de volgende
+eeuwen graven van Holland, Gelder, Vlaanderen aan; zonen
+van oud-adellijke geslachten als de BREDERODE'S, BORSELEN'S,
+VAN LYNDEN'S; Friesche edelen uit den stam van GALAMA en
+BOTNIA. Nog lang na den tweeden kruistocht, die in 1147
+voorviel, wezen latere kruisvaarders elkander den palmboom
+op het graf van den dapperen Frieschen aanvoerder HENDRIK
+ULVINGA in de nabijheid van Lissabon. Niet alleen ridders,
+ook aanzienlijke burgers, gewone poorters, lijfeigenen trokken
+naar het Heilige Land. Waarschijnlijk waren er maar weinig
+ridders onder die Antwerpenaars, Hollanders en Friezen, die
+volgens hun eigen getuigenis acht jaren in de Middellandsche
+zee van roof op de heidenen hadden geleefd en in 1097 op
+hunne schepen, welker masten met goud waren beslagen, het
+leger der kruisvaarders in Cilicië te hulp kwamen<a href="#2.2">[2]</a>.
+
+<p>Zeker, behalve zuivere godsdienstige geestdrift zullen er voor
+deze tochten beweegredenen zijn geweest van minder gehalte;
+de naam &#8222;groote aflaat" dien men in de 13<sup>de</sup> eeuw aan een
+kruistocht gaf, wijst reeds op iets anders dan op liefde tot God
+om Gods wil. En dat vooral bij degenen die slechts geld, niet
+zich zelven, gaven ten behoeve dezer tochten. Ook bezwaardheid
+van geweten zal wel tot de beweegredenen hebben behoord;
+ook drijfveeren van minder allooi zal men niet mogen voorbijzien:
+lust naar avonturen, strijdlust, zucht om buit of roof
+te behalen.
+
+<p>Dat alles moge waar zijn, maar desniettemin zien wij hier
+in de ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk dit belangrijk
+verschijnsel, dat voor het eerst zij die zóó lang verdeeld waren
+gebleven: Vlamingen, Friezen, Hollanders, Gelderschen en
+zoovele anderen, in het besef hunner éénheid als Christenen,
+gezamenlijk optrekken tegen één vijand in verre gewesten.<a name="31"></a>
+
+<p>De groote invloed dier tochten op de ontwikkeling ook van
+ons volk is bekend. Nu eerst deden de Nederlanders hun
+&#8222;intocht in de Kerk waardoor zij inderdaad vereenigd werden
+met het groote lichaam, waarvan zij vroeger leden heetten,
+maar niet waren"<a href="#2.3">[3]</a>. Handel en nijverheid, ook de kunsten
+ontwikkelden zich. De trage verbeelding der bewoners van deze
+lage landen kreeg een schok, werd opgewekt, geprikkeld. Welk
+een indruk moet het Zuiden, moeten die landen der zon met
+hun geheimzinnig achterland, hebben gemaakt op de ruwe
+maar ontvankelijke gemoederen dezer zonen van het Noorden,
+die zich voor het eerst verplaatst zagen buiten de enge grenzen
+van hun gouw of graafschap!
+
+<p>Maar niet minder gewichtig dan dat alles is de invloed
+geweest, dien de aanraking met andere volken moet hebben
+geoefend op het onze. Door dat herhaald en langdurig samenzijn
+en samenwerken met andere volken of volksdeelen, moeten
+onze voorouders voor het eerst ten deele bewust zijn geworden
+van zich zelf. Nu eerst wordt hun de gelegenheid gegeven om
+door vergelijking met anderen zich zelven te leeren kennen;
+nu eerst begint door den morgennevel der naïeveteit heen het
+beeld der eigen persoonlijkheid flauw voor hen op te schemeren.
+Ook van het volk, waarvan zij nog een deel uitmaakten en
+waaraan zij zich het nauwst verwant gevoelden: de Duitschers,
+moeten zij zich reeds onderscheiden hebben gevoeld in taal en
+karakter. Welk een aanzienlijk verschil bestond er reeds omstreeks
+1171, toen HEINRIC VAN VELDEKE zijn <i>Sint Servaes</i> dichtte,
+tusschen Middelnederlandsch en Middelhoogduitsch! Dat verschil
+kan natuurlijk eerst langzamerhand zoo gewichtig zijn geworden.
+
+<p>Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de
+meeste dezer lage landen tot Duitschland; hunne ligging in
+Europa maakte ze tot een schakel tusschen Germaansche en
+Romaansche landen. Langzamerhand zullen wij den band met<a name="32"></a>
+het overig Duitschland losser zien worden en ten slotte feitelijk
+wegglijden, al blijft hij in schijn nog lang zichtbaar, al wordt
+hij later wel eens opnieuw aangeknoopt.
+
+<p>Dat de bewoners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen
+in woonden; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het
+Dietsch onmiddellijk paalde aan het Fransch, was oorzaak dat
+Fransche taal en letterkunde te onzent gemakkelijk ingang
+konden vinden.
+
+<p>Dien aanwas van zelfstandigheid tegenover Duitschland,
+waarbij de invloed van Frankrijk zich doet gevoelen, zullen
+wij nu in de geschiedenis, onzer letterkunde gaan beschouwen.
+
+<p>De eenheid dezer landen met het overig Nederduitschland
+vertoont zich ook in die scharen van Vlaamsche en Hollandsche
+kolonisten, welke in de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw een deel van Nederduitschland
+bevolkt en er zeker toe bijgedragen hebben daar
+het gevoel van eenheid met de bewoners der lage landen
+levendig te houden. Echter moet dat gevoel van eenheid te
+onzent sterker geweest zijn in het zuiver Germaansche Noorden
+dan in het Zuiden, dat een tweetalig land was. Dit verschil
+tusschen Noord- en Zuid-Nederland moeten wij hier al aanstonds
+op den voorgrond brengen.
+
+<p>Zuid-Nederland was verdeeld in Dietsche en Waalsche gewesten
+of zulke die Dietsche en Waalsche elementen in zich
+vereenigden. Vlaanderen, Brabant, Limburg waren in hoofdzaak
+Dietsche gewesten; Artois, Kamerijk, Henegouwen, Namen en
+het land van Luik bijna uitsluitend Waalsche. Echter deed zich
+in Vlaanderen de politieke invloed van Frankrijk sterk gelden;
+Brabant hing nauwer met Duitschland samen; Limburg had
+wel het meest recht op den naam van: grensland.
+
+<p>Tegenover de Fransch (Walsch) sprekenden voelden de Dietsch-sprekenden
+zich één. Reeds in VELDEKE'S <i>Leven van Sint Servaes</i><a name="33"></a>
+worden &#8222;Dutschen ende Walen" tegenover elkander gesteld<a href="#2.4">[4]</a>,
+Maar niet zóó scherp stonden zij tegenover elkander, of de
+meerdere geestesbeschaving en kunstzin van het Fransche volk
+oefenden hare bekoring en haren invloed op de minder ontwikkelde
+bewoners dezer grenslanden, voorzoover zij Fransch
+verstonden. Ook in de literatuur zal dat blijken. Terwijl te onzent,
+zooals wij gezien hebben, nog geene nationale letterkunde
+bestond, had de kunst van het woord in Frankrijk reeds tal
+van voortreffelijke of belangwekkende werken voortgebracht.
+Kort vóór of na den eersten Kruistocht waren de oudste <i>Chansons
+de geste</i> reeds gedicht: de grootsche <i>Chanson de Roland</i>, de
+indrukwekkende <i>Lorreinen</i>, barbaarsch als de Roodhuiden, de
+bloedige <i>Raoul de Cambrai</i>, <i>Girart de Roussillon</i>, een deel
+van den <i>Guillaume d'Orange</i>, de <i>Aiol</i>. De aanvang der 12<sup>de</sup>
+eeuw bracht het ontstaan van het hoofsche ridderdicht (&#8222;épopée
+courtoise") en dat der lyriek. Vóór het midden dier eeuw waren
+de meeste verhalen, die de onderscheidene &#8222;branches" van den
+<i>Roman du Renart</i> vormen, reeds voor de eerste maal opgesteld<a href="#2.5">[5]</a>.
+
+<p>Ook de Duitschers konden, lang vóór het ontwaken der
+literatuur te onzent, op menig werk van beteekenis wijzen;
+behalve de vroeger genoemde dichtwerken hadden zij reeds:
+het Walthari-lied, EZZO'S lied over de Wonderen van Christus,
+een gedicht over Koning ROTHER. Die nationale literatuur, in
+hoe menig opzicht ook zelfstandig en oorspronkelijk, kon zich
+echter niet onttrekken aan den invloed der Fransche literatuur,
+die toen reeds den toon aangaf. De <i>Alexander</i> van PFAFFE
+LAMBRECHT en het <i>Rolands-lied</i> van PFAFFE KONRAD waren
+reeds in de eerste helft der 12<sup>de</sup> eeuw uit het Fransch vertaald;
+in de tweede helft dier eeuw zou de vertaling eener branche
+van den <i>Roman du Renart</i> volgen en de Fransche lyriek de
+ontwikkeling der Duitsche bevorderen.
+
+<p>Het is waarlijk niet vreemd dat wij dezen invloed van<a name="34"></a>
+Frankrijk op Duitschland kunnen waarnemen ook in het land,
+dat meer dan eenig ander een schakel tusschen hen vormde:
+Limburg. Omstreeks 1170 werd binnen of bij de grenzen van
+dat land de bekende geschiedenis van FLORIS en BLANCEFLOER
+bewerkt in een dialect, dat misschien oorspronkelijk zuiver Limburgsch
+geweest is of althans met evenveel recht tot het
+Nederlandsch als tot het overige Nederduitsch kan gerekend
+worden<a href="#2.6">[6]</a>. Het is den schrijver dezer bewerking, die een Fransch
+voorbeeld volgde, blijkbaar slechts om het verhaal te doen
+geweest; reflexie is, naar het schijnt, afwezig. Zijn verhaaltrant
+is uiterst beknopt en zaakrijk, sober maar droog; van de
+aandoening die dit liefelijk verhaal in latere dichters zou wekken,
+is hier weinig te bespeuren. Taal en stijl van dit gedicht
+zijn nog onbeholpen; de korte zinnen, en de hortende verzen
+waarin dalingen niet zelden ontbreken, met hunne onzuivere
+rijmen, wijzen op geringe technische vaardigheid.
+
+<p>Veel duidelijker dan in dit gedicht vertoont zich de invloed
+der literaturen van Frankrijk en Duitschland op de ontwikkeling
+der onze in het werk van HEINRIC VAN VELDEKE.
+
+<p>In de poëzie van dezen Limburgschen edelman uit de buurt
+van Maastricht vinden wij de onderscheiden elementen vereenigd,
+welke wij hier achtereenvolgens hebben leeren kennen:
+hij legt den band tusschen de Latijnsche literatuur en de nationale
+door zijne omwerking van een Latijnsch heiligenleven tot het
+Limburgsch <i>Leven van Sint Servaes</i>; uit het Fransch vertaalt
+hij een riddergedicht over ENEAS in zijne moedertaal, waaruit
+het weer in het Middelhoogduitsch wordt overgebracht (<i>Eneît</i>);
+in het Limburgsch dicht hij, onder den invloed der Fransche
+(Provençaalsche) lyriek een dertigtal minneliederen die eveneens
+in het Middelhoogduitsch worden vertaald. Zoowel zijne <i>Eneïde</i>
+als zijne minneliederen hebben groote beteekenis gehad voor de
+ontwikkeling der Middelhoogduitsche epische en lyrische poëzie.<a name="35"></a>
+
+<p>Van zijn leven is ons weinig bekend. Hij schijnt op een of
+andere wijze in betrekking te hebben gestaan tot den geestelijken
+stand en het klooster van SINT SERVAES; blijkbaar kende
+hij behalve de Fransche ook de Latijnsche literatuur, o.a. de
+<i>Aeneïs</i>, de <i>Metamorphosen</i> en het epos van STATIUS<a href="#2.7">[7]</a>. Hij
+ondernam c. 1171 de bewerking der <i>Vita</i> van den H. Servatius
+op verzoek van gravin AGNES VAN LOON en van zekeren
+kanunnik HESSEL, &#8222;die doen der costeryen plach." Hij heeft
+in Duitschland gereisd, was omstreeks 1175 aan het hof van
+Kleef en gaf zijn onvoltooide <i>Eneïde</i> daar te lezen aan gravin
+MARGARETA, de bruid van LODEWIJK III, landgraaf van Thüringen.
+Zijn handschrift werd hem ontstolen en eerst veel later
+terug bezorgd, zoodat de voltooiing der <i>Eneïde</i> waarschijnlijk
+kort vóór 1190 heeft plaats gehad. In Duitschland zal hij kennis
+gemaakt hebben met de daar bestaande nationale literatuur,
+o.a.: het <i>Anno-lied</i>, LAMPRECHT'S <i>Alexander</i>, KONRAD'S
+<i>Rollands-lied</i>; ook de Duitsche sagen van dien tijd kunnen
+hem niet vreemd zijn gebleven. Zijne minneliederen dagteekenen
+misschien uit denzelfden tijd als zijne <i>Eneïde</i>. Ook heeft hij nog
+een gedicht van &#8222;Salomon en de Minne" geschreven, dat ons
+slechts uit eene aanwijzing van een Duitsch dichter bekend is<a href="#2.8">[8]</a>.
+
+<p>Indien &#8222;meyster HEINRIC" begonnen ware met minneliederen
+te dichten, vervolgens de hand geslagen had aan een ridderroman
+waarvan de minne schering en inslag is, en daarna,
+ouder en ernstiger geworden, getracht had door middel van
+een heiligenleven goed te maken wat hij misdreven had met
+het dichten dier wereldsche poëzie&mdash;dan zou hij gedaan
+hebben, wat na hem door tal van andere Nederlandsche dichters
+gedaan is. Die gang van zaken zou bovendien in overeenstemming
+zijn geweest met wat de gewone levenservaring ons leert.
+Naar het schijnt, heeft het tegenovergestelde plaats gehad: is
+hij begonnen met de bewerking van een heiligenleven, om zich<a name="36"></a>
+daarna tot minnepoëzie en ridderverhaal te wenden. Zoolang
+deze voorstelling niet door nieuwe feiten aangetast is, zullen
+wij ons er aan moeten houden.
+
+<p>Daar zoowel <i>Sinte Servatius Legende</i> als de <i>Eneïde</i> bewerkt
+zijn, de eene naar een Latijnsch, de andere naar een Fransch
+voorbeeld, komt het er bovenal op aan, het karakter dezer
+bewerkingen te leeren kennen. Over het algemeen volgt VELDEKE
+zijne Servatius-legende, die hij telkens aanduidt als &#8222;die vite",
+op den voet<a href="#2.9">[9]</a>. De letterkundige waarde dezer bewerking is
+gering en herinnert ons dat wij bij den aanvang van de ontwikkeling
+onzer literaire kunst staan. De gebrekkige uitdrukking,
+de afgebroken zinbouw, de stootende verzen met hun
+drietal heffingen doen ons denken aan de oude volkspoëzie.
+In eene periode als:
+
+<p class="quote">Alle die vergaderinghen
+Al weynende dat sij songhen
+Met luder stemmen: Osanna!
+Doen was vroude ende yamer da,
+</p>
+
+<p>meent men een nagalm te hooren van deze verzen uit het
+Lodewijkslied:
+
+<p class="quote">Joh alle saman sungun
+&#8222;Kyrieleison".
+Sang was gisungan
+Wig was bigunnan.
+ Enz.
+</p>
+
+<p>Beelden en vergelijkingen zijn schaarsch en over het algemeen
+onbeduidend. In een paar dier vergelijkingen bespeuren wij
+eenige aandoening. Zoo b.v. in deze uit het eerste boek:
+
+<p class="quote">Daer nae sprack der heilighe man,
+&mdash;Die salighe diet ghemercken can&mdash;<a name="37"></a>
+&#8222;Men mach in menghen synnen
+&#8222;Gods heerscapie bekennen,
+&#8222;Sijne ghenade ende sijne ghewalt.
+&#8222;Ghij siet wale wie der wynter kalt
+&#8222;Die eerde bevroret
+&#8222;Ende haer vrocht testoret
+&#8222;Ende tewrijvet ende verkeert;
+&#8222;Ende als hij dan henne veert,
+&#8222;Ende der somer aen gheyt,
+&#8222;Dien alle die werelt gherne ontfeyt,
+&#8222;Ende daer toe alle creatueren,
+&#8222;Eyn yeghelijck nae sijnre natueren,
+&#8222;Verhoghen sich ende vervrouwen.
+&#8222;Allen die Gode ghetrouwen
+&#8222;Ende doer hem lijden arbeit,
+&#8222;Dien gheeft hij grote rijcheit,
+&#8222;Woninghe in hiemelrijck
+&#8222;Ende vroude ewelijck."
+</p>
+
+<p>Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en
+daar op de overeenkomstige plaats lezen: &#8222;en", ait &#8222;quomodo
+verna temperies redit post hiemem, sic post mortem orietur
+beatis requies", dan zien wij dat VELDEKE'S verdienste hierin
+bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel van zijn voorbeeld op
+zelfstandige wijze heeft uitgebreid<a href="#2.10">[10]</a>.
+
+<p>Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van
+aandoening zich in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals
+b.v. in de visioenen, wordt die verwachting niet vervuld<a href="#2.11">[11]</a>.
+
+<p>Toen VELDEKE zijn <i>Leven van Sint Servaes</i> bewerkte, gevoelde
+hij zich een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak
+van den heiligen man bij God; die hoopte dat zijn
+werk ter eere Gods zou strekken<a href="#2.12">[12]</a>. Maar de levensgeschiedenis<a name="38"></a>
+van den heilige moge hem hebben gesticht, zij heeft noch zijn
+gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was dat met
+de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch
+dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman<a href="#2.13">[13]</a>.
+
+<p>Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze
+waarop hier de liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk
+motief is gebruikt en de groote plaats die de ontleding van
+het gansche gemoedsleven, van de hartstochten en vooral van
+de liefde hier inneemt. Deze opvatting der liefde was iets
+nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken viel die
+niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der
+vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch
+anders was dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen
+die TACITUS in de Germanen sterker troffen dan juist hun achting
+voor de vrouwen, hun eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid
+bij hen in eere was en dat de vrouw in het huwelijk stond als
+eene gelijke tegenover den man. Door de opkomst van het ridderwezen,
+eene Germaansche instelling, was dit gevoel van eerbied
+jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich, vooral
+in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd.
+
+<p>In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht
+bij uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd,
+fijn. Het is een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld
+en in eigen trant het eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch
+al heeft hij een voorbeeld gevolgd, hij was geenszins louter
+vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd of veranderd, weggelaten
+of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de juistheid der
+uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te verduidelijken;
+ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid
+of eigen smaak te bevredigen<a href="#2.14">[14]</a>. Verscheidene didactische uitweidingen,
+overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft
+hij laten vervallen. Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000<a name="39"></a>
+verzen meer dan het oorspronkelijke. Die grooter omvang is
+toe te schrijven vooral aan de wijdloopigheid van den bewerker,
+die zich openbaart o.a. in het uitspinnen van monologen en
+van gevechten, ook in de beschrijving van zielstoestanden.
+Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont VELDEKE
+menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl
+zijn smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo
+b.v. waar hij ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS &#8222;toe Icônjen
+in her hûs" bezocht. Een viertal verzen van het oorspronkelijk
+gedicht zijn in de bewerking uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men
+hier met recht van VELDEKE'S werk mag spreken:
+
+<p class="quote">grôt ende grâ was her dat hâr
+end harde verworren&mdash;
+dat wir wale spreken dorren&mdash;
+alse eines perdes mane.
+die frouwe hadde ane
+vele onfrouwelîch gewant.
+ein boech hade sî an der hant.
+dar ane sach sî ende las.
+doe schoude sî Enêas.
+He marcde sî rechte.
+dat mies<a title="[margin: mos.]"><sup>#</sup></a> lockechte
+hiene her ût den ôren.
+sî enmochte niet gehôren,
+et enwâre, dat man riepe.
+her ougen stonden er diepe
+onder den ouchbrâwen,
+langen ende grâwen,
+die dâ vore hiengen&mdash;
+end her ter nase giengen,
+grouwelîch was her lîf:<a name="40"></a>
+hem enwart nie wîf
+alsô wonderlich kont.
+swart ende kalt was her der mont.
+sî sat in den gebâre,
+alse er leven wâre
+ân alre slachte wonne.
+die tande stonden er donne<a title="[margin: dun (geplant).]"><sup>#</sup></a>
+end wârn her lanc ende gele.
+her was der hals end die kele
+swart end gerompen<a title="[margin: gerimpeld.]"><sup>#</sup></a>.
+sî selve was geskrompen
+in bôsen gewande.
+her arme end here hande
+waren âdern ende vel<a href="#2.15">[15]</a>.
+</p>
+
+<p>Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naïef
+kunstenaar met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder
+den indruk en tracht dien zoo goed mogelijk weer te geven;
+er is wel goede grondstof, er zijn wel goede deelen van een
+beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen. Telkens springt
+hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of wordt
+zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht
+moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde
+paardemanen&mdash;de vergelijking raakt volgens VELDEKE
+blijkbaar de grens der kieschheid&mdash;een blik op het onvrouwelijk
+gewaad; zij had een boek in de hand; nu weer de détails:
+vlokken mos (haar) hingen haar uit de ooren, diepliggende
+oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan plotseling
+een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna
+terugkeer tot de détails: de mond was zwart en koud; weêr
+een algemeene indruk: hare houding gaf te kennen dat zij
+geenerlei vreugde kende; zoo gaat het voort.<a name="41"></a>
+
+<p>Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat
+VELDEKE'S invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden
+naar het schijnt zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker.
+
+<p>Duidelijker nog dan in zijne <i>Eneide</i> blijkt die aanleg in het
+dertigtal minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche
+hoofsche lyriek gedicht.
+
+<p>In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en
+uitdrukkingen blijven deze liederen binnen den kring van den
+conventioneelen vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld
+en zich daar en elders deed gelden, zoowel in eene
+min of meer kunstmatige werkelijkheid als in de poëzie.
+
+<p>De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw
+die hij wenscht, wordt voorgesteld als een <i>dienst</i>: zij is de
+meesteres, hij de dienaar. Telkens is ook in deze liederen sprake
+van <i>dienen</i> en <i>dienst</i>. De minne wordt verheerlijkt:
+
+<p class="quote">Von minne kumet uns allez guot:
+diu minne machet reinen muot.
+Waz solte ich sunder minne dan?<a href="#2.16">[16]</a>
+</p>
+
+<p>De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar
+toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide
+seksen (het &#8222;umbevân") wordt dorperlijk genoemd:
+
+<p class="quote">Wie mohte ich dat für guot entstân,
+dat hê mî dorpelîche bâte
+dat hê mî muoste al umbevân?<a href="#2.17">[17]</a>
+</p>
+
+<p>vraagt eene vrouw, die&mdash;naar de gewoonte in deze minnepoëzie&mdash;sprekend
+wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam
+moet de minnaar zorg dragen; daarom mag hij zijne liefste niet
+in het openbaar noemen; daarom ook moet hij haar en zich
+hoeden tegen de booze tongen de (&#8222;rueger" en &#8222;nider") <a href="#2.18">[18]</a>. Niet
+zelden begint een lied&mdash;ook dat was conventioneel geworden,<a name="42"></a>
+maar conventie waarin waarheid schuilt&mdash;met een klein natuurschetsje
+of een trek uit het natuurleven; hetzij om overeenstemming,
+hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en
+gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al
+dadelijk in het eerste lied:
+
+<p class="quote">Ez sint guotiu niuwe mâre,
+daz die vogel offenbâre
+singent dâ man bluomen siet.
+Zuo den zîten in dem jâre
+stuende wol daz man frô wâre:
+leider des enbin ich niet<a href="#2.19">[19]</a>.
+</p>
+
+<p>Overeenstemming treft men aan in verzen als deze:
+
+<p class="quote">Ez tuont die vogele schîn<a title="[margin: toonen.]"><sup>#</sup></a>
+daz si die boume sehent gebluot<a title="[margin: bloeiend.]"><sup>#</sup></a>.
+ir sanc machet mir den muot
+sô guot daz ich vrô bin
+noch trûric niht kan sîn<a href="#2.20">[20]</a>.
+</p>
+
+<p>Maar niet zóó vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst
+of de natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge
+dorperlijk zijn naar het &#8222;umbevân" te verlangen, deze minnaar
+doet wat hij niet laten kan:
+
+<p class="quote">ich bat sie in der kartâten
+daz si mich müese al umbevân<a href="#2.21">[21]</a>.
+</p>
+
+<p>en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind,
+hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet:
+
+<p class="quote">Swer den vrouwen setzet huote<a title="[margin: bewaking.]"><sup>#</sup></a>,
+der tuot daz übele dicke stêt.
+vil manic man der treit die ruote<a title="[margin: draagt de roede.]"><sup>#</sup></a>
+da er sich selben mite slêt<a href="#2.22">[22]</a>.<a name="43"></a>
+</p>
+
+<p>Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen:
+
+<p class="quote">geschihet mir als deme swan,
+der singet als er sterben sal,
+sô vliuse<a title="[margin: verlies]"><sup>#</sup></a> ich ze vil dar an<a href="#2.23">[23]</a>.
+</p>
+
+<p>Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting
+kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in
+Limburg bekend zijn geworden, noch of zij ook in andere
+deelen dezer landen verbreid zijn en invloed hebben geoefend
+op de zich daar ontwikkelende literatuur. Wij komen op die
+vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds zeggen, dat wij
+voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend bewijs
+hebben. Ten opzichte der <i>Eneide</i> verkeeren wij in iets gunstiger
+omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijne <i>Historie
+van Troyen</i>, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO,
+zegt: &#8222;Oec ist gedicht in Duytsche woert"<a href="#2.24">[24]</a>. Het is mogelijk,
+dat hij hier het oog heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder
+nader bewijs mogen wij dezen regel natuurlijk niet als beslissend
+beschouwen.
+
+<p>Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op
+de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde gering geweest;
+in allen gevalle op verre na niet zoo belangrijk als op die der
+Hoogduitsche literatuur. Voor tal van Middelhoogduitsche
+dichters is VELDEKE'S werk, met name zijne <i>Eneide</i>, een voorbeeld
+geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn dichterlijk
+verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der
+epische minnepoëzie en minstens eene eeuw lang wordt hij
+door Duitsche dichters gelezen en geprezen, ook door de
+grootsten onder hen als WOLFRAM VON ESCHENBACH, den
+duister-verhevene en den beminnelijken GOTTFRIED VON
+STRASSBURG<a href="#2.25">[25]</a>.
+
+<p>VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, die<a name="44"></a>
+reeds zekere mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de
+kunstpoëzie dier dagen. In die poëzie is een Nederlander de
+Duitschers vóórgegaan. Naast die kunstpoëzie echter bestond
+in Duitschland eene nationale verhalende volkspoëzie. Gedeeltelijk
+was deze, in den tijd waarvan wij spreken, reeds onder den
+invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende heldendichten
+<i>Nibelungen</i> en <i>Gudrun</i> leveren daarvan het bewijs en
+toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander
+deel dezer volkspoëzie was vrij gebleven van dien invloed van
+het hoofsche epos. Die soort van poëzie vinden wij vertegenwoordigd
+in een aantal verhalende gedichten, meerendeels
+In het laatst der 12<sup>de</sup> eeuw gemaakt en voor een deel afkomstig
+uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten onder
+den naam: <i>speelmanspoëzie</i>, omdat zij zwervende dichters en
+voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten
+een speelman op den voorgrond. De meest bekende
+zijn: <i>Orendel, Salman und Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald</i>.
+Alle herinneren door hun inhoud en hun trant min of meer
+aan een vroeger gedicht van dezen aard: de geschiedenis van
+<i>Koning Rother</i>, al beweegt dat verhaal zich in hooger sfeer
+dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den
+historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij
+hier dan ook telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen.
+Het verhaal dier tochten naar verre landen geeft den dichters
+natuurlijk ruimschoots gelegenheid hunnen hoorders allerlei
+vreemds en wonderbaarlijks voor oogen te brengen; vooral
+het verhaal van Hertog ERNST is met dat wonderbare vervuld.
+Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen, gewoonlijk
+in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten kon<a href="#2.26">[26]</a>.
+
+<p>Hier staat de Nederlandsche poëzie tegenover de Hoog- en
+Nederduitsche in eene andere verhouding dan bij VELDEKE:
+dáár was het onzerzijds <i>geven</i>, hier <i>nemen</i>. Beide boven<a name="45"></a>
+aangewezen soorten van volkspoëzie vinden wij te onzent vertegenwoordigd:
+het volksepos onder den invloed der hoofsche
+ridderpoëzie in eene vertaling der <i>Nibelungen</i>; de speelmanspoëzie
+in het gedicht <i>van den Bere Wisselau</i> en misschien ook
+in dat <i>van Sinte Brandaen</i>.
+
+<p>In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het
+eerst kennis gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag
+moeten wij het antwoord schuldig blijven. Dat er geen grond
+bestaat om den bewoners dezer landen een aandeel toe te
+kennen in de <i>vorming</i> van het Oudgermaansch heldendicht,
+hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk niet
+opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van die <i>elders
+ontstane</i> heldenpoëzie of heldensage kan hebben gedragen.
+
+<p>Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10<sup>de</sup>
+eeuw en in den <i>Reinaert</i> vermelde, koning HERMENRYC de bekende
+Gotenkoning der heldensage is<a href="#2.27">[27]</a>. Ook weten wij dat de
+abdij van Egmond reeds in de 11<sup>de</sup> of in het begin der 12<sup>de</sup> eeuw
+een exemplaar van het <i>Walthari-lied</i> heeft bezeten<a href="#2.28">[28]</a>. Weliswaar
+was het slechts een Latijnsche vertaling waarin dat heldendicht tot
+ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het aantrekkelijk hebben
+gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen gevalle mag
+men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een
+bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage.
+
+<p>Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het
+Zuidoosten, Nibelungen-liederen gekend, vóórdat het, later uit
+die liederen ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald?
+Die vraag hangt samen met het vraagstuk van den ouderdom
+dier vertaling. Volgens de meeste Duitsche geleerden is het
+epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en dat het voorbeeld
+is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan 1205<a href="#2.29">[29]</a>.
+Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijn <i>Leven van Sint
+Servaes</i> spreekt van ATTILA als &#8222;Bodelinghes son" <a href="#2.30">[30]</a>; deze vaders<a name="46"></a>naam
+komt ook in de <i>Nibelungen</i> meer dan eens voor. Was
+VELDEKE nu met dezen naam bekend geworden door de
+<i>Nibelungen</i> of kende hij dien van elders? Dat hij dien naam
+in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen der
+heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij
+in de <i>Eneïde</i> spreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft,
+naar het schijnt, eerst na het dichten van den <i>Servaes</i> in
+Duitschland gereisd.
+
+<p>Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien
+Nibelungen-liederen in omloop zijn geweest, is dit: nog in de
+15<sup>de</sup> eeuw vinden wij den melkweg in een Geldersch-Kleefsch
+woordenboek genoemd: <i>Ver Broenelden strait</i><a href="#2.31">[31]</a>.
+
+<p>Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken
+naam niet op langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage?
+Is het wel aannemelijk dat een dergelijke naam in zwang zou
+kunnen komen door den invloed eener schriftelijke vertaling
+en moet hier niet veel eer gedacht worden aan den gestadigen
+invloed eener mondelinge overlevering?
+
+<p>Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied
+in het Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling
+der Duitsche geleerden juist is, dat deze vertaling nà 1205 is
+vervaardigd<a href="#2.32">[32]</a>. Hoe lang na 1205? Dat is niet met een jaartal
+aan te geven. Doch er bestaat reden om te gelooven, dat onze
+vertaling in de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw is gemaakt. De
+populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over de grenzen
+dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de fragmenten
+der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13<sup>de</sup> eeuw
+te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werk
+<i>Alexander</i> den vernederlandschten naam van ATTILA: <i>Ettel</i>
+gebruikt en in zijn <i>Spiegel Historiael</i> dien van <i>Diederic van
+Berne</i>, mag doen vermoeden dat hij deze namen misschien
+uit de vertaling der <i>Nibelungen</i> heeft leeren kennen.<a name="47"></a>
+
+<p>Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten
+over, elk van 72 verzen, die een gedeelte der 16<sup>de</sup> en een
+gedeelte der 17<sup>de</sup> Aventiure van het oorspronkelijk epos behelzen.
+Of men het gansche gedicht vertaald heeft, moet dus
+onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het genoemd hebben.
+Dat men van het <i>Nevelingen-lied</i> of van de <i>Nevelingen</i> zal
+hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds
+in de 13<sup>de</sup> eeuw eene gansch andere beteekenis had (<i>neef</i> of
+<i>verwant</i>).
+
+<p>Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te
+vragen naar het karakter der vertaling en de wijze waarop de
+vertaler zich van zijne taak heeft gekweten<a href="#2.33">[33]</a>.
+
+<p>Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne
+verzen zijn vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme
+van het origineel weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis
+van het Duitsch belemmerde hem in zijn werk als een blok
+aan het been. Waar hij een woord of een vers niet begreep,
+liet hij het weg, of&mdash;erger&mdash;verving het door een stoplap
+als: &#8222;dat doe ic u verstaen" en &#8222;dies was hi wel blide". Aan
+zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven,
+dat, vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal
+hier en daar onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid
+van het jachttooneel heeft bij de overbrenging geleden; voor
+het krabben en bijten van den beer dien SIEGFRIED vangt,
+heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog ook voor SIEGFRIEDS
+rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het goede zwaard
+BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht
+over KRIEMHILDE'S droefheid:
+
+<p class="quote">ir hetet mîn vergezzen, des mag ich wol jehen,
+dâ ich dâ wart gescheiden von mîme lieben man.
+&#8222;daz wolde got" sprach Kriemhilt, &#8222;waer iz mir selber getân".<a name="48"></a>
+</p>
+
+<p>zijn weergegeven door het onbeteekenende:
+
+<p class="quote">Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen.
+</p>
+
+<p>Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden
+man te laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking.
+
+<p>Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin
+als van de auteurs van <i>Wisselau</i> en <i>Brandaen</i>. Dat is geen
+toeval, maar in overeenstemming met het onpersoonlijk karakter
+der volkspoëzie, in tegenstelling met de bekendheid van de
+auteurs der meer individueele kunstpoëzie. Indien wij echter
+in aanmerking nemen dat in het laatste couplet van het tweede
+fragment de geestelijke tint bij de overzetting vrij wat sterker
+is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een
+geestelijke voor den bewerker te houden.
+
+<p>Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaal
+<i>van den Bere Wisselau</i> heeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot
+speelman verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of
+goliarden, gelijk er in de 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> eeuw zoovele rondzwierven:
+arme schooiers, tuk op een goeden maaltijd, en als
+GARGANTUA in extaze gerakend &#8222;au seul son des pintes et
+flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was
+
+<p class="quote">in taberna mori,
+ubi vina proxima
+morientis ori
+</p>
+
+<p>wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk:
+
+<p class="quote">&#8222;Deus sit propitius
+isti potatori".
+</p>
+
+<p>Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de
+rechte speelmanspoëzie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud
+van het gedicht kan dat blijken<a href="#2.34">[34]</a>.<a name="49"></a>
+
+<p>Het begin van het fragment brengt ons naar het land van
+den reuzenkoning ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning
+KAREL is juist met zijne &#8222;genooten" op een schip aangekomen.
+Onder zijn gevolg is een reusachtige beer, Wisselau genaamd,
+die zekeren GEERNOUT als zijn meester gehoorzaamt. Een reus
+die de wacht aan het strand houdt, wordt door Wisselau
+gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne
+vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke
+beren in het schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN
+koning KAREL en de zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt
+Wisselau een rok van vier kwartieren aan, dien hij voor hem
+had laten snijden ter gelegenheid van een hoffeest te Aken en
+volgt met den beer de overigen. Als zij aan ESPRIAANS burcht
+komen, loopt de portier op het zien van Wisselau jammerend
+van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de &#8222;gargoensche
+tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de
+keuken moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in
+den soepketel werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen,
+om de reuzen nog meer schrik aan te jagen. Dat
+geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal binnenvliegen
+om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL
+gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken
+last. ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer
+op zijn zetel. Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt
+hij rond, zoodat de reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken
+klimmen. De reuzenkoning smeekt GEERNOUT om hulp en
+deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn gargoensch
+zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden;
+Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling
+geëindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den
+kleinen man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er
+niets meer te eten is; ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordt<a name="50"></a>
+boos en schudt zich, zoodat de kostbare knoopen van zijn
+rok springen. Daarna werpt hij den rok op het vuur en gaat
+er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een jonker!
+Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op
+te staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den
+beer. Een maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men
+beraadslaagt over het nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den
+beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT denkt er over hoe hij koning
+KAREL en zijne gezellen behouden weer uit het reuzenland zal
+brengen.&mdash;Daar eindigt het fragment.
+
+<p>De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders<a href="#2.35">[35]</a>,
+ESPRIAAN of ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt
+genoemd, is een ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het
+gedicht van koning ROTHER voorkomt als koning van het
+verre reuzenland. In eene Noorsche sage bevindt hij zich onder
+het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand eener
+Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie
+broeders: WIDOLF &#8222;mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD.
+WIDOLF (elders WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens
+zijne wildheid aan een keten meegevoerd; want, laat men hem
+los, dan slaat hij met zijne ijzeren stang woedend om zich heen.
+
+<p>Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch
+fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot
+in een gevecht van den held van BERN en ATTILA tegen koning
+OSANTRIX, is door WIDOLFS stang neergeslagen, door den
+vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop doen
+WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens
+voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den
+gevangene door list te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene
+berenhuid naaien en wordt zoo door zijn gezel bij den halsband
+geleid. In 's konings hof aangekomen, slaat ISUNG meesterlijk
+de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn beer, dien hij<a name="51"></a>
+<i>Vizleo</i> (Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen. OSANTRIX
+wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op
+eene schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote
+menigte, zestig groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De
+koning is ook aanwezig, vergezeld door zijne dienstmannen,
+onder welke zich de geboeide WIDOLF bevindt, geleid door
+zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt den
+grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood.
+Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los
+en brengt hem een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft
+de berenhuid maar stuit af op de &#8222;bronie" (maliënkolder)
+daaronder. Als OSANTRIX dan naar de zijnen wil terugkeeren,
+rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den speelman,
+loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen
+de reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat
+hen. WIDGA wordt bevrijd en keert terug tot THIDRIK.
+
+<p>In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante
+van den beer, Thor schuilt en het berengevecht eigenlijk een
+strijd van zomer en winter moet voorstellen, is voor ons van
+minder gewicht. Duidelijk blijkt echter uit het voorgaande de
+samenhang van het Nederlandsch gedicht met andere, ook tot
+poëzie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke verhalen
+moet de dichter van den <i>Wisselau</i> gekend hebben; daar
+heeft hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in
+eigen trant zijn bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning
+ROTHER was in de Rijnlanden ontstaan en de herinnering aan
+den geketenden beer leefde daar ook in liederen als dat &#8222;von
+dem übelen wîbe" voort. Naar de oostelijke grenzen wijst ons
+dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de
+vorm van den naam <i>Wisselau</i>, die in het Nederlandsch
+<i>Wittelau</i>. zou moeten luiden<a href="#2.36">[36]</a>. In het oosten of zuidoosten
+des lands zal dit speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijk<a name="52"></a>
+kort na den tijd, waaruit ook de Duitsche speelmansgedichten
+dagteekenen&mdash;, nl. het laatst der 12<sup>de</sup> of den aanvang der
+13<sup>de</sup> eeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds, want in zijn
+<i>Spieghel Historiael</i> laat hij er zich afkeurend over uit. Tot
+tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in
+hunne poëzie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere
+gedichten van dien aard vermeldt hij ook &#8222;van bere Wisslau
+die saghe" en
+
+<p class="quote">Van bere Wisslau die snodelhede<a title="[margin: onwaardige, armzalige dingen.]"><sup>#</sup></a>
+ende meneghe favele groet ende cleine<a href="#2.37">[37]</a>.
+</p>
+
+<p>MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden,
+dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap
+bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet
+behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een
+dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest
+en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant,
+dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden
+met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe
+ook de &#8222;Sarrasijn" behoorde, &#8222;die voor mijn here speelde met
+eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14<sup>de</sup> eeuw
+gewag maakt<a href="#2.38">[38]</a>.
+
+<p>Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger
+als MAERLANT zich ver verheven.
+
+<p>De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen
+lachen; gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook van <i>lachen</i>
+en <i>scop</i> (scherts) spreken. Die grappen waren niet van het
+fijnste soort; dat kan men verwachten: een beer, potsierlijk
+uitgedost in zijn rok met kwartieren als in een ridders wapenrok;
+een kok, gekookt in zijn eigen soepketel; een angstige
+portier, roepend, schreeuwend: &#8222;o wi, o wach!"; schenkers<a name="53"></a>
+en drossaten die, hals over kop, een zaal komen binnenvluchten,
+zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te verantwoorden
+hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik
+gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als
+hij zich schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht
+zoekend; een reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken
+gast loerend&mdash;alles gruwzaam of grof, doch niet zonder
+zekere ruw-komische kracht en wel geschikt om de ruige lippen
+van ruwe poorters en boeren te plooien tot een breeden lach.
+
+<p>Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als
+de meeste zijner gildebroeders; hij bekommert zich weinig om
+de overgangen in zijn verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken
+volzinnen als met vlugge schokjes voortspoedt met veronachtzaming
+zoowel van de maat der verzen als van de
+zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend hebben,
+zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er
+onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden,
+geboeid worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter;
+op dit publiek, tot hetwelk de dichter zich meer dan eens richt,
+was alles berekend. Geen wonder voor wie in het oog houdt,
+dat deze dichters van hunne kunst leven moesten.
+
+<p>Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook
+het gedicht <i>van Sente Brandane</i> zich gericht hebben. Deze
+BRANDAEN was abt van een Iersch klooster. Eens zat hij te
+lezen in een boek dat allerlei verhalen van wonderen bevatte.
+Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en wierp het
+boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot
+straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet
+scheep gaan en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne
+tochten zien zij zooveel wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht
+vergaat. Nu mag hij naar zijn klooster terugkeeren en
+sterft kort daarna.<a name="54"></a>
+
+<p>De kern van dit verhaal is reeds in de 10<sup>de</sup> eeuw te vinden
+in een Latijnsche legende: <i>Peregrinatio Sancti Brandani Abbatis</i>
+en werd later in verscheidene Europeesche talen, zoowel in
+proza als in poëzie, bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen
+1173&ndash;1180 aan den Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en
+misschien niet lang daarna in het Nederlandsch vertaald<a href="#2.39">[39]</a>.
+
+<p>Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben,
+kan niet betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins
+op de hoogte is van deze soort poëzie. Evenals in den <i>Oswald</i>
+en den <i>Orendel</i> hebben wij hier eene half-ascetischen half
+ridderlijken zeetocht (de <i>Brandaen</i> spreekt van &#8222;recken");
+vooral in het gedicht van <i>Hertog Ernst</i> vinden wij tal van
+wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen:
+zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels;
+het prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde
+dieren; de menschen, met zwijnskoppen en kranenhalzen, in
+zijden gewaden, gewapend met bogen; de vermelding der
+Pygmeeën. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont,
+vindt men weer in het verhaal van <i>Sint Oswald</i>.
+
+<p>Dat ook in den <i>Brandaen</i> drossaten en schenkers voorkomen,
+die veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat
+ze in honderd jaren geen droppel water binnen krijgen, is
+een der vaste trekken van de speelmanspoëzie<a href="#2.40">[40]</a>. Het was
+een onschuldige wraakneming der speellieden op degenen die
+hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en droog
+hadden voorzien.
+
+<p>Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen,
+welke men niet vindt in een der drie Duitsche bewerkingen
+die voortgekomen zijn uit het oorspronkelijk Nederrijnsch
+gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de merkwaardige ontmoeting
+van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat door
+den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaal<a name="55"></a>
+vindt men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS.
+In de eerste legende is sprake niet van het hoofd doch van
+het gansche lichaam van een gestorven heidenschen reus; in
+de tweede van een reuzenhoofd. Beide reuzen laten zich doopen.
+In dat laatste opzicht nu geeft de Nederlandsche bewerking ons
+iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het reuzenhoofd voor,
+zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij vreest
+zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en zondigde
+hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger
+gestraft worden. En dus, zoo besluit hij:
+
+<p class="quote"> willic weder varen
+Te mijnre aermer scaren
+In die deemsternesse<a title="[margin: duisternis.]"><sup>#</sup></a><a href="#2.41">[41]</a>.
+</p>
+
+<p>Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker,
+bij deze vermoedelijk van hem afkomstige passage,
+aan den Frieschen koning RADBOUD gedacht heeft, die door
+den apostel WULFRAN gedoopt zou worden. Immers, als deze
+heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de plaats der
+helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de doopvont
+terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan
+met de Christenen in den hemel verblijven<a href="#2.42">[42]</a>. Opmerkelijk
+mag ten slotte heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking
+op een paar plaatsen een komisch element aantreffen, waar dat
+in de drie ons overgebleven Duitsche bewerkingen ontbreekt.
+Ook dat getuigt dat wij hier het werk van een speelman voor
+ons hebben<a href="#2.43">[43]</a>.
+
+<p>Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht
+is ons duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en
+zouden er nieuwe kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende
+grond aanwezig om aan te nemen, dat het uit het
+Duitsch vertaald is en met de vertaling der <i>Nibelungen</i> en het<a name="56"></a>
+gedicht <i>Van den Bere Wisselau</i> dagteekent uit het laatst der
+12<sup>de</sup> of den aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw. Ook de twee laatstgenoemde
+werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de
+literatuur van dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking
+van het overig Duitschland te toonen.
+
+<p>Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond.
+Wel dient de aandacht te worden gevestigd op het gewicht
+van feiten als de vertaling van <i>Nibelungen</i> en <i>Brandaen</i>, als
+de bewerking van <i>den Bere Wisselau</i>. Want uit dat overbrengen
+van de eene taal in de andere blijkt, dat de bewoners dezer
+landen zich een ander volk voelden dan de overige Duitschers;
+het gedicht <i>van den Bere Wisselau</i>, zelfstandige bewerking van
+Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger mate.
+
+<p>Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk
+van Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst,
+zouden zij steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden
+dat vooral doen, nadat Brabant en Vlaanderen op den voorgrond
+waren getreden en Limburg op den achtergrond was
+geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral Vlaanderen
+de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij daarmede
+begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling der <i>Nibelungen</i>
+misschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties
+van den <i>Brandaen</i> in het oosten des lands of elders gemaakt?
+Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke
+MAERLANT in één adem noemt met de &#8222;sage van den bere
+Wisslau", uit denzelfden tijd als de <i>Wisselau</i>?
+
+<p>Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn
+wij vooralsnog niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag
+men misschien: &#8222;ja" antwoorden of: &#8222;het is waarschijnlijk."
+
+<p>Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige
+Duitschers moesten losmaken, vóórdat er sprake kon zijn van
+hunne ontwikkeling tot een zelfstandig volk en ook: dat de<a name="57"></a>
+hier aanwezige kiemen van nationaliteit beter bodem vonden
+in het verder van Duitschland af, en aan zee gelegen, Vlaanderen,
+dan in het grensland Limburg.
+
+<p>In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de
+13<sup>de</sup> eeuw, op welker drempel wij nu staan, eene half-internationale,
+half-nationale kunst groeien en bloeien.
+
+<p>Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden
+zij zich ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen.<a name="58"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.1">1</a>: Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S <i>Kerkgesch.</i>,
+II, 1, bl. 7 volgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.2">2</a>: Vgl. MAERLANT'S <i>Spiegh. Historiael</i> (edd. DE VRIES en VERWIJS),
+III, bl. 366.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.3">3</a>: MOLL, t.a.p.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.4">4</a>: Zie I, 1116. Zie ook I, 682&ndash;3: &#8222;In ebreuschen, in dietschen || In
+walschen ende in vriesschen". Vgl. ook <i>Roman van Torec</i>, vs. 2556:
+&#8222;Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den <i>Rinclus</i>, vs. 602 <i>walsch</i>
+en <i>vriesch</i> tegenover elkander gesteld.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.5">5</a>: Vgl. <i>Hist. de la langue et de la Littérature française....</i> sous
+la direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100&ndash;101),
+171 en L. SUDRE, <i>Les sources du Roman de Renart</i>, p. 341.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.6">6</a>: Vgl. SCHERER, <i>Gesch. der D. Lit.</i>, S. 143&ndash;4; PIPER, <i>Spielmannsdichtung</i>,
+II, 299; <i>Grundriss der German. Phil.</i>, II, 1, 258.
+Uitgegeven door STEINMEYER in <i>Z.f.d.A.</i>, 21, Bd. S. 307 flgg.
+STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche
+tint gegeven heeft.
+
+<p class="footnote">De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd,
+waaruit n<sup>o</sup>. 1 en n<sup>o</sup>. 2 der door ED. DU MÉRIL uitgegevene redactie's
+zijn voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking,
+vs. 2315&ndash;3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen
+zijn echter op vele plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S
+raming van het geheel (c. 3700 verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S
+bewerking die veel uitvoeriger is, telt er slechts 3980.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.7">7</a>: Dat hij zich &#8222;ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal
+wel eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor
+stelt hij zich zelven tegenover de &#8222;ongheleerde luden". Vgl. bovendien
+het Latijn in den proloog en eene plaats als II, 944&ndash;946.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.8">8</a>: Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de
+Inleiding tot BEHAGHEL'S <i>Eneide</i>. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken
+wat Prof J.H. KERN mededeelt in <i>Museum</i> 1900, bl. 213&ndash;218.
+Overigens nog BORMANS' Inleiding op <i>Sint Servatius Legende</i>.]<a name="59"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.9">9</a>: VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven
+van S. SERVAES, dat men vindt in de <i>Gesta pontificum Tungrensium
+Trajectensium et Leodiensium</i> in de 10e eeuw samengesteld door den
+abt HARIGER. Vgl. over een fragment van een hs. van het eind der
+12e eeuw: <i>Z.f.d.A.</i>, Bd. 27, 146&ndash;157. Over een Duitsch leven
+van S. SERVAES uit ongeveer denzelfden tijd als VELDEKE'S werk:
+<i>Z.f.d.A.</i>, 1845, V, 75 flgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.10">10</a>: Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S <i>Gesta</i>,
+wel in de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een
+Cistercienser monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis.
+Daar AEGIDIUS echter omstreeks het midden der 13e eeuw schreef,
+moet de door VELDEKE gebruikte <i>Vite</i> ook door HARIGER en
+AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER
+en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de vergelijking uit I, 271 terug
+in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe multas tunc temporis provisio
+divina pro necessitate accenderat faces etc.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.11">11</a>: Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.12">12</a>: Vgl. den proloog van Boek I.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.13">13</a>: Vroeger hield men BENOÎT DE STE. MORE voor den maker.
+Zie PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, <i>Introduction
+à une édition critique du Roman d'Eneas</i> ('s-Gravenhage, 1888).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.14">14</a>: Vgl. BEHAGHEL'S <i>Einleitung</i>, CL-CLVI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.15">15</a>: Vs. 2708&ndash;2741; in het Fransche gedicht vs. 3456&ndash;3460.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.16">16</a>: <i>Minnesangs Frühling</i>, p. 62.
+
+<p class="footnote">Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal
+gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze&mdash;in tegenstelling met
+de werken der overige Minnesinger&mdash;gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch
+(daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.:
+
+<p class="footnotequote">van minne comet ons alle goet:
+die minne maket reinen moet.
+Wat soude ic ane minne dan?]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.17">17</a>: Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk Middelhoogduitsch
+is. Misschien heeft eene verwarring met <i>entfaen</i> (ontvangen)
+plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen
+weergeven:
+
+<p class="footnotequote">hoe mochte ic dat voor goet ontfaen,
+dat hi mi dorperlike bade
+dat hi mi moeste ombevaen?]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.18">18</a>: Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30&ndash;32; 60, 32; 61, 10;
+58, 17&ndash;19.]<a name="60"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.19">19</a>: M.F. 56, 1&ndash;6.
+
+<p class="footnotequote">Het sijn goede nieuwe maren
+dat die vogel openbare
+singen daer men bloemen siet.
+tot dien tiden in den jare
+stonde wel dat men vro ware:
+lacen, des en ben ic niet.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.20">20</a>: M.F. 64, 17&ndash;21.
+
+<p class="footnotequote">Die vogelen doen ane schijn
+dat si die bome sien gebloet.
+haer sanc maket mi den moet
+so goet dat ic vro bin
+ende trurich niet can sijn.
+</p>
+
+<p class="footnote">Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10&ndash;18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.21">21</a>: M.F. 57, 5&ndash;6.
+
+<p class="footnotequote">ic bat hare in der caritaten
+dat si mi moeste al ombevaen.
+</p>
+
+<p class="footnote">Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.22">22</a>: M.F. 65, 21&ndash;24.
+
+<p class="footnotequote">So wie den vrouwen settet hoede,
+die doet dat dicke evel staet.
+wel menich man draget die roede
+daer hi sich selven mede slaet.
+</p>
+
+<p class="footnote">Vgl. voorts: 65, 11&ndash;12; 67, 1&ndash;2; 62, 11&ndash;22.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.23">23</a>: M.F. 66, 13&ndash;15.
+
+<p class="footnotequote">geschiedet<a title="[margin: Misschien in het oorspronkelijk Limburgsch: gescege?]"><sup>#</sup></a> mi alse den swane
+die singet alse hi sterven sal,
+so verliese ic te vele daer ane.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.24">24</a>: Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S <i>Historie van Troyen</i> door
+Dr. J. VERDAM, p. 27&ndash;28.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.25">25</a>: Vgl. BEHAGHEL'S <i>Einleitung</i>, S. CLXXXVI flgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.26">26</a>: Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in
+PIPER'S <i>Spielmannspoesie</i>. Vgl. voorts: <i>Grundriss</i>, II, 1, 305 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.27">27</a>: Vgl. <i>Reinaert</i> (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. <i>Ermenrijc</i> en
+W. MÜLLER, <i>Mythologie der deutschen Heldensage</i>, S. 178.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.28">28</a>: Vgl. KLEYN'S Catalogus in <i>Archief voor Ned. Kerkgesch.</i>, II, 147.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.29">29</a>: Over die tijdsbepaling <i>Grundriss</i>, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE<a name="61"></a>
+houdt het er voor dat B. &#8222;um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan.
+(<i>Das Nibelungen-Lied, Einl.</i>, S. XIV).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.30">30</a>: Boek II, 115.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.31">31</a>: <i>Teuthonista</i> (ed. VERDAM), p. 486: &#8222;die witte wech des nachtes
+an der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden
+strait, <i>galaxia</i>."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.32">32</a>: Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt
+aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne <i>Middelned. Epische Fragmenten</i>,
+p. 1&ndash;3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in <i>De Gids</i>, 1889,
+I, 29&ndash;79.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.33">33</a>: In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een
+en ander medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe
+in zijn voortreffelijk <i>Gids</i>-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog
+eens met het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: <i>Der
+Nibelunge Nôt.</i> (Leipzig. BROCKHAUS, 1870&ndash;1880) waarin men ook
+de varianten der hss. vindt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.34">34</a>: Vgl. <i>Middelned. Ep. Fragmenten</i>, bl. 9&ndash;32; het genoemde
+stuk van Dr. FRANTZEN in <i>De Gids</i> en de uitgave van E. MARTIN
+in <i>Quellen und Forschungen</i>, 65. Heft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.35">35</a>: Vgl. <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>, bl. 10.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.36">36</a>: Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.37">37</a>: <i>Sp. Hist.</i>, IIIe Deel, bl. 170, 204.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.38">38</a>: Vgl. <i>Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het
+Henegouwsche huis</i>, III, p. 96.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.39">39</a>: Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd
+worden: 1<sup>o</sup>. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER.
+(Amsterdam. Gebroeders BINGER. 1894); 2<sup>o</sup>. Dr. J. BERGSMA, <i>Bijdrage
+tot de Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten</i>;
+3<sup>o</sup>. <i>Van Sente Brandane</i> in <i>Tijdschr. v. Ned. T. en L.</i>, VII, 85 vlgg.;
+4<sup>o</sup>. <i>Romanische Studiën....</i> von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over
+de tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER,
+I, 116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in
+twee redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche
+hs. Ook ik houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal
+assoneerende rijmen en het aantal der verzen met slechts drie of twee
+heffingen er grooter is dan in het Comburgsche hs.
+
+<p class="footnote">De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar
+hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.40">40</a>: Vgl. <i>Van Sente Brandane</i> (ed. BONEBAKKER), p. 10.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.41">41</a>: Vs. 249&ndash;251.]<a name="62"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.42">42</a>: Het hier en elders in den <i>Brandaen</i> voorkomende <i>aerme scaren</i>
+(zie BONEBAKKER'S <i>Aant.</i>, p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM
+e.a. te veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord
+<i>harmschare</i> (straf, kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties
+voorkomt, schijnt mij niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het
+Comb. Hs. dat spreekt van &#8222;keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen
+waarschuwen. De uitdrukking is op de bewuste plaatsen volkomen
+goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van &#8222;blide scare" voor hemelbewoners;
+zie <i>Stroph. Ged.</i> edd. FRANCK en VERDAM, p. 135). Doch
+wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen waarin de oudere
+philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping van het voor
+de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de spelingen
+van haar critisch vernuft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.43">43</a>: Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075&ndash;1081, H.
+1022&ndash;1028.]<a name="63"></a>
+
+<hr>
+
+<h1>BOEK I.</h1>
+
+<h2>STANDENPOËZIE.</h2>
+
+<p><a name="64"></a>
+<a name="65"></a>
+
+<h2>INLEIDING.</h2>
+
+<p>Gedurende de gansche 13<sup>de</sup> eeuw is er in deze landen en
+volken nog weinig eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien
+eene veelheid van onderscheidene eenheden: kleine staten en
+staatjes die voortdurend naar volkomener onafhankelijkheid
+streven. Holland was reeds vroeg zelfstandig geworden, had
+zich nagenoeg van het Duitsche rijk afgescheiden, was er steeds
+op uit alle bemoeiingen van Keizers of andere rijksvorsten met
+zijne binnenlandsche aangelegenheden af te weren. De overige
+landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden weg.
+Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om
+onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven.
+
+<p>Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen
+tegen het water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen
+in bouwland en weiland. Het water geeft geen kamp: de
+Marcellus-vloed van 1218 wordt meer dan eens door hevige overstroomingen
+gevolgd; doch de waterschappen ontstaan, polderland
+komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens te draaien.
+
+<p>Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze
+landen bewoont. Tegenover het geestelijk element stond het
+wereldlijke. God&mdash;zegt DIRC POTTER in zijn <i>Minnen Loop</i>&mdash;heeft
+der wereld rijk in tweeën gedeeld: de eene helft moet
+zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet opwaarts
+schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft,
+moeten leeren<a href="#3.1">[1]</a>. Het wereldlijk element werd weer gescheiden
+in heeren en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de ge<a name="66"></a>meenten
+waartoe men ook de landbouwers kan rekenen, vormden
+de drie groote bestanddeelen der bevolking van al deze gewesten.
+Een dichter der 14<sup>de</sup> eeuw, WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH,
+spreekt dan ook &#8222;van der drierehande staet der werelt" en
+bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden<a href="#3.2">[2]</a>.
+
+<p>Niet meer, als in de 11<sup>de</sup> eeuw, waren de Zuidnederlandsche
+ridders op het land wonende grondbezitters, die in vredestijd
+hunne goederen bestuurden en zelf wel eens de hand aan den
+ploeg sloegen; die, eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn
+best een wachttoren op een heuvel bewoonden, omgeven door
+een muur van ruwe steenen.
+
+<p>In het laatst der 12<sup>de</sup> eeuw reeds prijst de Duitsche dichter
+HARTMANN VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant
+en de Haspengouw, als hij voortreffelijke ridders wil noemen.
+De graven van Henegouwen en van Leuven komen soms met
+honderden prachtig uitgedoste ridders ten tournooi. In Holland
+zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS, EGMONDEN,
+ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN
+VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op
+een tournooi of aan de gevolgen van daar ontvangen wonden.
+Terwijl een aantal Vlaamsche ridders zich bij Hesdin met het
+ridderlijk spel der &#8222;tafelronde" vermaken, hechten zij zich het
+kruis op borst of schouder.
+
+<p>Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken.
+Naast hen, want ook in deze landen vond men prelaten als
+die bisschop van Beauvais die in den slag bij Bouvines de
+vijanden met een ijzeren knots neersloeg&mdash;omdat de Kerk
+geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover hen, in de
+werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor
+monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers,
+Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het
+monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral<a name="67"></a>
+de orde der Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De
+bagijnen beginnen hare hoven te stichten. Voorname abdijen
+als die van Egmond, Rijnsburg, Leeuwenhorst verrijzen. In
+Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in Limburg en
+Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd
+een eenzaam leven leiden.
+
+<p>Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde
+als visschers langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort
+reeds)<a href="#3.3">[3]</a>, als landbouwers en veeboeren ten platten lande,
+alleen of in dorpen en gehuchten, of eindelijk als kooplieden,
+neringdoenden, ambachtslieden in de steden die in aantal en
+omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den
+tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten
+van marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om
+een kasteel of klooster of waren ontstaan uit de vereeniging
+van eenige landgemeenten. Allengs verkrijgen zij het recht zich
+te beschermen met &#8222;eiken tune (planken muren) ende diepe
+grachte", een stedelijke hal, een steenen gevangenis (<i>steen</i>) te
+bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen volgen. In
+groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding
+gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de
+meeste waren van hout en met riet gedekt).
+
+<p>De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de
+middeleeuwen minder droevig dan men langen tijd heeft
+gemeend. Ook was de verhouding tusschen heer en lijfeigenen
+niet louter die van een meester tegenover zijne dienstknechten
+en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het gansche leven
+in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden iets
+patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13<sup>de</sup>
+eeuw eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand;
+aan het eind dier eeuw is de groote meerderheid der bevolking
+vrij geworden.<a name="68"></a>
+
+<p>Er wordt&mdash;het spreekt vanzelf in dien tijd&mdash;ter dege
+onderscheid gemaakt tusschen ridders en dorpers; zoo wordt
+bijvoorbeeld een dorper die een ridder slaat of scheldt, zwaarder
+gestraft dan wanneer hij een anderen dorper te na gekomen is,
+en het schaken van een meisje uit den aanzienlijken stand
+zwaarder dan van een arm meisje<a href="#3.4">[4]</a>. Toch was de adel niet
+een <i>heerschende</i> stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook
+waren ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er
+hadden wel huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En
+eindelijk: de vroeger zoo talrijke klasse van ridders nam
+gedurende deze eeuw af in aantal als in aanzien. Verarmd
+door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van het
+ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der
+vorsten treden, den vorst hunne allodiën opdragen en voortaan
+leven als zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters
+daalden in maatschappelijke en economische beteekenis. De
+geestelijkheid moest, tenminste in Gelderland, een deel harer
+bezittingen aan den graaf overdragen.
+
+<p>Maar stadig rees de ster der gemeenten<a href="#3.5">[5]</a>.
+
+<p>In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en
+gemeenten, kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde
+eenheden opmerken: de onderscheidene &#8222;sibben",
+maagschappen of geslachten. De band tusschen bloedverwanten
+was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch alleen
+zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde.
+Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid
+zijner &#8222;sibbe"<a href="#3.6">[6]</a>. De maagschap staat op den voorgrond, niet
+de enkeling.
+
+<p>Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door
+vergelijking met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens
+den Saksenspiegel de ouders voorgesteld door het hoofd; de
+kinderen door de geleding tusschen hoofd en hals en zoo<a name="69"></a>
+voort, totdat eindelijk de zevende &#8222;sibbe" in de nagels der
+handen geplaatst, en vandaar &#8222;nagelmagen" genoemd werd.
+De maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met
+zich. Zoo b.v. het recht en den plicht tot het opnemen der veete
+van een verslagen bloedverwant. Nog in het midden der
+13<sup>de</sup> eeuw heerschte in Friesland de barbaarsche gewoonte om
+een verslagene niet te begraven, vóórdat zijne naastbestaanden
+op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak hadden
+genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te
+eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was
+het nog in de 14<sup>de</sup> eeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige
+en zes zijner naaste magen (in Drenthe &#8222;keurmagen" genoemd)
+ieder een zevende van het weergeld (man-geld) of zoengeld
+betaalden. De magen staan elkander bij voor het gerecht als in
+het gevecht. Zij deelen in de schande die over een hunner komt.
+
+<p>Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt
+AERNT VAN BENSCOP hem zijn jachtvogel en zegt:
+
+<p class="quote">Ic moet nu op desen tijt
+Uwen sconen sperwaer draghen,
+<i>U te lachtre<a title="[margin: schande.]"><sup>#</sup></a> ende uwen maghen</i>.
+</p>
+
+<p>Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil
+opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij:
+
+<p class="quote"><i>Eest dat ghi sijt van haren maghen</i>,
+So moetti nuwe wapene draghen,
+Keren ende wreken dese overdaet.
+</p>
+
+<p>En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch
+ridder koning ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag,
+dan door als gevolg van dien slag te noemen: &#8222;ic vergat al
+mire mage"<a href="#3.7">[7]</a>.<a name="70"></a>
+
+<p>Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den
+enkeling, het samengestelde boven het enkele, het vormen van
+complexe eenheden, zien wij in deze eeuwen ook elders.
+
+<p>Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin,
+vischwater, met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine
+wereld op zich zelve. Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren
+en grachten tal van afzonderlijke gebouwen. In menig gezin,
+vooral ten platten lande, at men eigengebakken brood (<i>huisbakken</i>
+kreeg eerst later zijne ongunstige beteekenis); droeg
+men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in Reuzelmaand
+een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en
+der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden
+als ROGER BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS,
+JACOB VAN MAERLANT weten alles wat er in dien tijd te
+weten valt.
+
+<p>Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in
+die meest geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook
+daar de synthese het wint van de analyse, zooals blijkt uit de
+neiging tot het vormen van groote zin-complexen bij menigen
+middeleeuwschen schrijver? Zulk een zin-complex is b.v. dit
+volgende uit den proloog van den <i>Brandaen</i>:
+
+<p class="quote">Die Heleghe Gheest moet mi leeren,
+&mdash;Die welke der ezelinnen
+Wijlen dede sprekens beghinnen,
+Daer up dat reet Balaam,
+Dat was een heydin man,
+Dat so<a title="[margin: zij.]"><sup>#</sup></a> meinschelike sprac,
+Daer sij den inghel Gods sach
+Commen in haer ghemoet:
+Den wech hi haer wederstoet<a title="[margin: versperde.]"><sup>#</sup></a>
+Met eenen zwerde vierijn<a title="[margin: van vuur.]"><sup>#</sup></a>;<a name="71"></a>
+Si vloo van den inghel fijn
+Ende dede haeren heere cont&mdash;
+Dese moete ontsluten minen mont:
+Die ghene die haer gaf de macht,
+Dat si wert redene acht<a title="[margin: met spraak begaafd.]"><sup>#</sup></a><a href="#3.8">[8]</a>.
+</p>
+
+<p>Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid
+het gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een
+zwak schemerlicht op de onnaspeurbare gangen der menschelijke
+gedachte&mdash;ook andere deelen van dat innerlijk leven zijn ons
+in het afdruksel der taal bewaard gebleven: de sterk ontwikkelde
+zinnelijkheid van het middeleeuwsch geslacht en zijn
+gebrek aan zelfbeheersching.
+
+<p>Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient
+men zich niet van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men
+verzinnelijkt die begrippen door te spreken van: een boogschot
+hoog, een steenworp ver; zekere eilanden liggen volgens
+MAERLANT &#8222;twee dachseilinghe verre" van Afrika; zeker arts
+is beroemd: &#8222;alse<a title="[margin: even.]"><sup>#</sup></a> verre als God de sonne seinen doet". Iets
+zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar ridders
+vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen.
+De tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee
+sonnescinen"; van den eenen winter op den anderen door:
+&#8222;tusschen twee sneeuwe". De lente door: &#8222;alst ten nieuwen
+gerse<a title="[margin: gras.]"><sup>#</sup></a> kwam", najaar en voorjaar door &#8222;te hooi en te
+gras". Men ziet de dingen nog vóór zich: een bosch <i>staat</i>;
+een brug <i>loopt</i> over een rivier; men hangt iemand niet op&mdash;men
+hangt hem &#8222;<i>bi der kelen</i>"; men kust een meisje &#8222;<i>ane haren
+mont</i>", zit met haar in het &#8222;<i>groene gras</i>", begraaft haar onder
+&#8222;<i>de rooskens root</i>".
+
+<p>Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers
+van toen tot het uitdrukken van deelen eener handeling, die<a name="72"></a>
+wij&mdash;als onnoodig, immers: vanzelf sprekend&mdash;weglaten.
+Het zijn gewoonlijk verbindingen van twee werkwoorden, waarvan
+het eene een lichamelijken toestand, het andere eene werking
+uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals: &#8222;daer hi
+lach, sat, stont" achten wij nu overbodig&mdash;voor de middeleeuwsche
+menschen waren zij dat niet.
+
+<p>Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als: <i>antwoordde
+ende seide, bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat
+vaste, Gods ghebot ende sine woorde</i> tautologieën te noemen:
+toen had elk der deelen van zulke uitdrukkingen zijne eigen
+beteekenis en kracht; het verschil tusschen onze voorouders en
+ons is slechts, dat zij er behoefte aan hadden een grooter deel
+der voorstelling in taal te verzinnelijken dan wij. Om dezelfde
+reden zijn in: <i>God, die coninc van den trone</i><a title="[margin: hemel.]"><sup>#</sup></a>, de op
+<i>God</i> volgende woorden volstrekt geen stoplap, evenmin als in
+zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond behoefte
+om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven<a href="#3.9">[9]</a>.
+
+<p>Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een
+middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen
+trant van voorstelling zien verlaten, met dien verstande
+dat hij het indirecte vervangt door het directe. Zij beginnen
+b.v. met een bode te doen spreken in afhankelijke zinnen:
+
+<p class="quote">Dat sijn vader doot ware
+Ende sijn moeder ooc mede.
+</p>
+
+<p>Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen:
+
+<p class="quote">&#8222;Ende in u lant is groot onvrede,
+&#8222;Want vremt volc, sonder waen,
+&#8222;Hebben u lant ondergedaen<a title="[margin: onderworpen.]"><sup>#</sup></a>."
+</p>
+
+<p>Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik
+van afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig
+en de rechtstreeksche uiting, als natuurlijker, hun aangenamer.<a name="73"></a>
+
+<p>Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen
+die perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal
+of beschrijving laat varen voor het sprekend invoeren van een
+zijner personages, zonder dezen overgang aan te kondigen: een
+schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in hooge mate tot de verlevendiging
+van het verhaal bijdraagt<a href="#3.10">[10]</a>.
+
+<p>De taal&mdash;wij zeiden het reeds&mdash;was hier spiegel van het
+leven. Welk een brand van hartstocht slaat ons tegen uit de
+middeleeuwsche kronieken! Hoe onbeteugeld stormen de driften
+in al die gevoelsmenschen, die nog zoo weinig gewend zijn
+hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de rede stem
+in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde
+men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden
+werd. Ook het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste
+menigte, in strijd met den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde,
+stormt de kloosterkapel binnen, rooft het corpus domini met
+het ciborium en steekt de kloostergebouwen in brand. Van hertog
+JAN I van Brabant, een toonbeeld van echte ridderschap, wordt
+ons verhaald dat hij in gramschap een stok doormidden beet.
+
+<p>MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen
+bedriegen en als hunne prooi beschouwen. De abdis van het
+hoog-adellijk Rijnsburg klaagde aan den paus, dat hare nonnen
+in vele opzichten den regel overtraden, dat zij twistgierig waren
+en zelfs de handen aan elkander sloegen.
+
+<p>De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn&mdash;zij konden
+den hartstocht niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster
+zal voor menigeen een veilige wijkplaats zijn geweest, maar
+hoevelen namen hun strijd met zich nadat de poort zich achter
+hen gesloten had! Als een rijk man gereed staat der wereld
+vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het
+klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er
+dan tusschen de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap<a href="#3.11">[11]</a>. Wat<a name="74"></a>
+is er ook binnen de kloostermuren geleden in den strijd met de
+zonde en den wellust. Hoe heerschten ook daar trots, ijverzucht,
+toorn, gulzigheid en die zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken
+van Heisterbach <i>acedia</i> noemden en die een middeleeuwsch
+prototype van <i>spleen</i> en <i>weltschmerz</i> schijnt te zijn geweest<a href="#3.11">[11]</a>.
+
+<p>Gansche geslachten komen door de verplichting van veete
+tegenover elkander te staan: in Leuven de patricische families
+van BLANCKAERT en DE COLVERE; in den slag bij Woeringen
+vinden wij de SCAVEDRIESCHEN tegenover de geslachten van
+WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de Haspengouw
+een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux,
+die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde
+richten en vele dorpen worden verbrand.
+
+<p>De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van
+Rijnsburg is meer dan eens in twist met de grafelijkheid van
+Holland of met Hollandsche edelen, met TEYLINGHENS,
+WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan over
+den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht,
+OTTO VAN DER LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in
+de buurt van Vollenhove en slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT
+VAN AEMSTEL leidt in Holland en het Sticht een boerenopstand
+waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de burgerij zien wij
+op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de patricische
+geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog
+beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de
+regeering gunden<a href="#3.12">[12]</a>.
+
+<p>Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht,
+stand tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest.
+Het is de strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en
+REINOUT van Gelre; tusschen de hartstochtelijke gravin van
+Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en WILLEM II van Holland; denzelfden
+graaf van Holland die bij Hoogwoude tegen de Friezen sneuvelt.<a name="75"></a>
+
+<p>Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te
+nauwernood in bedwang gehouden door Germaansch recht en
+Christelijk geloof.
+
+<p>&#8222;Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord
+en waarin onze voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet
+daarin dat zij te zachte heelmeesters waren. Zij die een meisje
+aanspoorden om zich te laten schaken (het schaken was in
+zwang) werden gestraft met het verlies van den neus. &#8222;Wie
+vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals
+afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte &#8222;alle
+duytsche lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar
+of moordbrander het rad, dat manslag en roof met het zwaard
+werden gestraft, een valsche munter in een ketel levend gezoden
+werd, een spion boeten moest met verlies van een oog, een
+&#8222;pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim moest missen.
+
+<p>Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan
+hand. Ook de kerk had tal van straffen te harer beschikking
+en maakte daarvan een ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten
+behoorden tot de gewone straffen. Had iemand zich
+zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven jaren lang in
+ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door de
+excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als
+vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds,
+dan wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch
+monnik samengevat in een vers dat reeds aan de
+tong een voorsmaak van dat lijden geeft:
+
+<p class="quote">Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror.
+</p>
+
+<p>Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en
+straffen. Met krachtige hand bestuurde zij de gemeente der
+geloovigen; liet zij de teugels vaak losjes hangen, zij hield ze
+stevig vast. Van de wieg tot het graf begeleidde zij den mensch,<a name="76"></a>
+ja, haar invloed eindigde ook met den dood niet. Was de
+middeleeuwsche christen door den doop in de gemeenschap
+der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling
+die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd
+worden. Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem,
+uit geheimzinnig schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht
+tegenglansde, waar bij het mysterie der mis de opzwevende
+wierookgeuren hem stemden tot aandacht en vereering. Lag hij op
+zijn sterfbed, dan naderde, aangekondigd door de klinkende
+altaarschel, de priester met de heilige hostie en de stervende
+blies den laatsten adem uit met de gewijde waskaars tusschen
+de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig leven
+in eeuwigheid.
+
+<p>In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door
+de heiligen die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem
+waren voorgegaan naar den hemel, doch nog steeds over de
+menschen bleven waken. Wie op reis ging, beval zich in de
+hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT CHRISTOFFEL
+was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL
+beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze
+en zijne trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden
+verslinden. Maar wat nood voor den vromen Christen? Konden
+God, Jezus en Maria, konden de heiligen en zelfs de overblijfselen
+dier heiligen, niet elk oogenblik een wonder verrichten?
+Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat
+er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het
+jaar 1214 kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker
+OLIVIER van Keulen sprak. In het klooster Aduard
+waren monniken, zóó eenvoudig van hart, dat zij beproefden
+hunne kappen op te hangen aan de zonnestralen<a href="#3.13">[13]</a>. Was er
+nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid voor wie deze en
+dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het niet be<a name="77"></a>grijpelijk,
+dat de dichter van den <i>Karel ende Elegast</i> in den aanvang
+van zijn verhaal &#8222;wonder en waarheid" in één adem noemt?
+
+<p>Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling
+te geven van het leven der toenmalige maatschappij.
+Het was noodig eene poging daartoe aan te wenden, omdat
+alleen langs dien weg eenigermate zal kunnen blijken, op welke
+wijze zich hier het leven in de poëzie heeft geuit. Zóóveel kan
+althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat gedurende de
+13<sup>de</sup> eeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere,
+het samengestelde op het enkele, de stand op het individu.
+Het leven heeft zich toen vooral <i>standsgewijze</i> geuit. En zoo
+bevat de poëzie, die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak
+uitingen, niet van individuen, maar van standen. Daarom
+mag zij <i>standenpoëzie</i> heeten.
+
+<p>In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde
+persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen.
+Zóó is het ook in de poëzie. HADEWIJCH, WILLEM VAN
+AFFLIGHEM en vooral MAERLANT vertoonen iets van een
+dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig van omtrek.
+Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons
+gekomen, doch het zijn <i>slechts</i> namen. Wat baat het ons of wij
+weten dat &#8222;CLAES VER BRECHTEN ZONE" den <i>Willem van Oranje</i>
+vertaald heeft? Dat WILLEM VAN UTENHOVE &#8222;een priester van
+goeden love" was en dat de dichter van den <i>Reinaert</i> eveneens
+WILLEM heette? Kennen wij die mannen nu? Van vele andere dichterlijke
+werken zijn zelfs de namen der bewerkers ons onbekend.
+
+<p>Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer poëzie
+als volkspoëzie, maar volkspoëzie, welke, naar de verschillende
+stroomingen die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt
+in: ridderpoëzie, geestelijke poëzie en poëzie der gemeenten.<a name="78"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.1">1</a>: <i>Der Minnen Loop</i>, IV, vs. 4 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.2">2</a>: <i>Gedichten</i> (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den Henegouwschen
+dichter JEAN DE CONDÉ vindt men een <i>dis des trois estas
+dou Monde</i> (<i>Dits et Contes de Baudouin de Condé</i>, II, 49 suivv.).
+Beide stukken hebben overigens niets gemeen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.3">3</a>: Vgl. Boek VIII, vs. 1070.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.4">4</a>: VANDERKINDERE, <i>Siècle des Artevelde</i>, p. 141.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.5">5</a>: Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van
+PIRENNE, MOLL en BLOK; A. SCHULTZ, <i>Höfisches Leben zur zeit
+der Minnesinger</i>; SCHOTEL, <i>De Abdij van Rijnsburg</i>; MOLL en
+DE HOOP SCHEFFER, <i>Studiën en Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad.
+Royale de Belgique</i>, n<sup>o</sup>. 32; <i>Kronijk v.h. Histor. Genootschap</i>, XII,
+(164&ndash;165); twee artikelen van POLS in <i>Bijdr. voor Vad. Gesch. en
+Oudh.</i> (stuk over Graaf JAN I van Holland) en redevoering ter algem.
+vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879. <i>De Slag van Woeringen</i>
+(ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de Aant. p. 542.
+
+<p class="footnote">Wat den <i>Grêgorjus</i> van HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog
+op, dat de tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.6">6</a>: Vgl. <i>Reinaert</i>, vs. 2006-'98:
+
+<p class="footnotequote">Hi rekende dat hi ware mijn oom
+ende began ene sibbe tellen;
+aldaer worden wi gesellen.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.7">7</a>: Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S <i>Deutsche Rechtsalterthümer</i>,
+(4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDREÆ in: <i>Geschiedkundige
+Opstellen aangeboden aan Robert Fruin</i>, p. 259 vlgg.;
+<i>Nederd. Regtsoudheden</i>, p. 298; <i>Versl. en Meded. der Kon. Akad.
+afd. Lett.</i>, 4e Reeks, Deel I; MOLL, <i>Kerkgesch.</i>, II, 4, 225; <i>Kroniek
+van Melis Stoke</i> (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; <i>Kerken
+Claghe,</i> vs. 212; <i>Moriaen</i>, vs. 174&ndash;177; voorts <i>Grimb. Oorlog</i>, II,
+vs. 291, 413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; <i>Parthonopeus</i>, vs. 1227;<a name="79"></a>
+<i>Limborch</i>, II, 1862. In het <i>Mnl. Wdb.</i> zullen i.v. nog wel andere
+voorbeelden genoemd worden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.8">8</a>: Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De
+oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van
+wat zij: <i>inlapsels</i> noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn.
+Wie een citaat uit den <i>Brandaen</i> niet afdoend acht uit hoofde van
+mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van
+den Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden
+in MAERLANT'S <i>Alexander</i>, I, 953&ndash;960; VII, 61&ndash;84; 93&ndash;105;
+<i>Leven van S. Lutgarde</i>, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39;
+6694&ndash;6716; 9542-'48; 9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37;
+11504-'512; 13844-'66; III, 548&ndash;557; 850&ndash;864. <i>Der Leken Spieghel</i>,
+II, c. 48, vs. 668&ndash;685 (men lette vooral op het slotvers in verband
+met den aanvang). <i>Der Minnen Loep</i>, I, 2047&ndash;2060. STOETT,
+<i>Syntaxis</i>, p. 146; <i>Hildegaersberch's Gedichten</i>, 155, 203 vlgg.; 157,
+129&ndash;138; 157, 1&ndash;15. FRANCK onderstelt in den dichter van het
+<i>Leven der H. Lutgarde</i> opzet bij het maken zijner lange en ingewikkelde
+zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig. Doch indien er al
+opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te hulp zijn
+gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in <i>Neue Jahrbücher für das Klass.
+Alt. Gesch. u. Deutsche Lit.</i>, Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432&ndash;434.
+F. denkt aan invloed van het Latijn).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.9">9</a>: Deze en andere voorbeelden vindt men: <i>Karel en Elegast</i> (ed.
+KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; <i>Sp. Hist.</i>, I, p. 34, vs. 21;
+<i>Alexander</i>, I, 1121; <i>Moriaen</i>, vs. 86, 3795; <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>,
+XVII, 297 vlgg.; <i>Kar. e. Eleg.</i>, 100, 198; <i>Merlijn</i>, p. 72, vs. 6696;
+<i>Lied in de Middeleeuwen</i>, bl. 572; STOETT, <i>Syntaxis</i>, p. 121;
+BOTERMANS, <i>Die hystorie van die seven wijse mannen van romen</i>.
+Proefschrift, p. 50; <i>Leven van Sinte Lutgart</i> (ed. VAN VEERDEGHEM).
+Inl. XXXVI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.10">10</a>: <i>Torec</i>, 3800&ndash;3804; 3738-'41; <i>Moriaen</i>, 355, 573, 972; <i>Karel
+en El.</i>, 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S <i>Syntaxis</i>, p. 144.
+
+<p class="footnote">Het verwante verschijnsel in mijne <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>, p. 187;
+behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: <i>Flovent</i>, 395; <i>Madelghijs
+Kintsheit</i>, p. 69, vs. 40; <i>Aiol</i> (Vlaamsche redactie), vs. 663; <i>Karel
+de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen)</i>, p. 12, vs. 287; p. 31,
+vs. 872 (weer het eerste verschijnsel. LONGINUS of althans de schrijver
+van het boek &Pi;&epsilon;&rho;&iota; &Upsilon;&phi;&omicron;&nu;&sigmaf; [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij
+HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI <i>de Sublimitate</i> (ed.
+B. WEISKE. Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII.]<a name="80"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.11">11</a>: Vgl. TE WINKEL'S <i>Maerlant</i>, p. 257, noot 2; WYBRANDS,
+<i>De Abdij Bloemhof</i>, p. 72; <i>Naturen Bloeme</i>, II, 690&ndash;2; MOLL,
+<i>Kerkgesch.</i>, II, 2, 78; <i>Brab. Yeesten</i>, V, 144&ndash;146; MOLL, t.a.p.
+II, 2, 45; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, <i>Stud. en Bijdr.</i>, II.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.12">12</a>: DEWEZ, <i>Histoire générale de la Belgique</i>, III, 43; HEELU'S
+<i>Slag bij Woeringen</i>, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174;
+SCHOTEL, <i>A.v.R.</i>, o.a. p. 100&ndash;101; PIRENNE I, 416, 422.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.13">13</a>: BLOK a.w. I, 175.
+
+<p class="footnote"><i>Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap</i>, XXIII, 43.]<a name="81"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>1. RIDDERPOËZIE.</h2>
+
+<p class="intro">Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpoëzie. Ouderdom
+der Nederlandsche ridderpoëzie. In hoeverre indeeling naar de &#8222;matières"
+te onzent geoorloofd?
+
+<p class="intro">I. Frankische romans: <i>Flovent</i>, <i>Roelants-lied</i>, <i>Willem van Oringen</i>,
+<i>Renout van Montalbaen</i>, <i>Geraert van Viane</i>, <i>Lorreinen</i>, <i>Aiol</i>, <i>Aubri
+de Borgengoen</i>, <i>Doon de Mayence</i>, <i>Gwidekijn van Sassen</i>. Overige
+romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. <i>Karel en Elegast</i>.
+
+<p class="intro">II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans: <i>Lancelot</i>, <i>Percevael</i>,
+<i>Ferguut</i>, <i>Floris en Blancefloer</i>, <i>Partonopeus en Melior</i>. Overige
+romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. <i>Moriaen</i>, <i>Walewein</i>.
+
+<p class="intro">Eindbeschouwing.
+
+<p>Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten,
+frisch uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend
+in pracht, verstorven door overmaat van weelderigheid&mdash;zoo
+ging op, zoo blonk, zoo verzonk het ridderwezen.
+
+<p>Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een
+plechtige bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de
+kern, door de Franken gebracht in het naar hen genoemd
+land; onder den invloed der kruistochten ontwikkelde die kern
+zich daar tot een zedelijke instelling met een hoog-ideaal karakter.
+Een ridder moest zijn &#8222;grootmoedig in tegenspoed, edel van
+bloede, overvloeiend van eerlijkheid, voortreffelijk door hoffelijke
+zeden, standvastig in mannelijke braafheid. Dagelijks moest
+hij met devote gedachtenis aan 's Heeren lijden de mis hooren,
+voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil hebben, de heilige
+Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars bevrijden,<a name="82"></a>
+weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen,
+onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon
+weigeren, tot bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter
+optreden, geene steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke
+bedoelingen, den roomschen Keizer of zijn stadhouder
+in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat ongeschonden in
+zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks vervreemden
+en onberispelijk voor God en menschen leven."
+
+<p>Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van
+vroeger, in veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling
+en beschaving der maatschappij. Maar de aanraking met
+het weelderig Oosten, de toenemende rijkdom en weelde, menschelijke
+zwakheid en zinnelijkheid begonnen na eenigen tijd
+de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden haar
+langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied
+voor de vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd
+tot een vrouwendienst waarin het zinnelijk element zich krachtig
+deed gelden; de hoofschheid, die gaandeweg de vroegere ruwheid
+had vervangen, werd galanterie; de losheid, loszinnigheid
+en die: losbandigheid. Toewijding die goed en bloed op het
+spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht,
+roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was
+de adel een stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom
+en uiterlijke beschaving onderscheidde van de overige
+bevolking, die hem veelal overtrof in innerlijke kracht, in
+zedelijke en geestelijke ontwikkeling<a href="#4.1">[1]</a>.
+
+<p>De poëzie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn
+ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking.
+Wie kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat
+roerend-droeve verhaal van FRANCESCA DA RIMINI en die verzen:
+
+<p class="quote">Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse:
+Quel giorno più non vi leggemmo avante.<a name="83"></a>
+</p>
+
+<p>Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar
+levend, hebben uit verhalende liederen grootere verhalende
+gedichten geschapen. In den aanvang behandelden die gedichten
+uitsluitend het nationaal verleden, uit den tijd der Merovingen,
+zooals de <i>Floovant</i>; uit dien der Karolingen verhalen waarin
+KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote vazallen des rijks
+optreden: de <i>Chanson de Roland</i>, de <i>Chanson des Saisnes</i>
+(Saksen), den <i>Ogier</i>, den cyclus van <i>Guillaume d'Orange</i>, de
+<i>Lorrains</i> (hertogen van Lotharingen), <i>Renaus de Montauban</i>, <i>Aiol</i>,
+<i>Auberi le Bourgoing</i>. Kort voor of in den aanvang der 12<sup>de</sup>
+eeuw begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit
+den Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid
+te verwerken: den <i>Roman de Troie</i>, den <i>Roman d'Enéas</i>, <i>Roman
+de Thèbes</i>, de <i>Geste d'Alexandre</i>, den <i>Roman de Jules César</i>.
+
+<p>Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met
+het Keltisch element in Engeland ontstond omstreeks het midden
+der 12<sup>de</sup> eeuw een nieuw soort van verhalen: de Keltische
+romans. Keltische zangers die rondzwierven door Engeland en
+Frankrijk, zongen ook in het laatste land hunne lais, liederen van
+fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al spoedig werden
+vertaald en nagevolgd door Fransche dichters. Langzamerhand
+werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden ook
+nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld.
+Wij vinden hier in hoofdzaak òf verhalen, waarin Koning
+ARTUR en zijne gemalin op den voorgrond komen en het
+Christelijk element zich krachtig doet gelden òf zulke, waarin
+de dolende ridders van ARTURS hof eene hoofdrol spelen als:
+de <i>Tristran</i>, <i>Ivein</i>, <i>Lancelot</i>, <i>Erec</i>, <i>Gauvain</i>, <i>Cligès</i>.
+
+<p>Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans
+als <i>Le Grand Saint Graal</i>, die bestaat uit deze drie
+deelen: <i>Jozef van Arimathea</i>, <i>Merlijn</i>, <i>Perceval</i>; voorts <i>la queste</i>
+(het zoeken) <i>du Saint Graal</i> en een gedicht <i>Le Petit Saint Graal</i>.<a name="84"></a>
+
+<p>Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer
+romans, waarvan ik slechts eenige voorname heb genoemd,
+gemakkelijk gemaakt door de drie voorname stoffen, welke zij
+behandelen, aan te wijzen. In de <i>Chanson des Saisnes</i> heet het:
+
+<p class="quote">Ne sont que trois matières a nul home entendant:
+De France et de Bretaigne et de Rome la grant.
+</p>
+
+<p>Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen,
+zijn, bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ééns
+geestes kinderen; de romans waarin nationale stoffen verwerkt
+zijn, danken hun ontstaan aan een anderen geest.
+
+<p>Zoo mag men deze epische poëzie dan ten slotte scheiden
+in twee groote afdeelingen, die zich tot elkander verhouden
+als het nationale tot het uitheemsche.
+
+<p>Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke
+der oude nationale <i>Chansons-de-Geste</i> met hunne ruwheid en
+grootschheid, ziet men de Keltische en klassieke romans met
+hunne hoofschheid, hunnen vrouwendienst, het sterk ontwikkeld
+lyrisch-erotische, gemengd met mystiek, hunne neiging
+tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in de nationale
+gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in
+zóóverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden
+weergeven: de nationale groep weerspiegelt een
+beschaving minder ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche
+geboren is. De nationale groep staat dichter bij het volks-epos,
+de uitheemsche dichter bij het kunst-epos. Voor een deel geldt
+dit onderscheid van volks-epos en kunst-epos ook met betrekking
+tot de dichters dezer romans; want de makers der oudste
+<i>Chansons-de-Geste</i>: <i>Roland</i>, <i>Girard de Roussillon</i>, <i>Jourdain
+de Blaives</i>, <i>Floovant</i>, zijn ons onbekend; van de dichters der
+latere <i>Chansons</i> kennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI,
+BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DE<a name="85"></a>
+TROYES, BÉROL, BENOIST DE SAINTE MORE, ALBÉRIC DE
+BRIANÇON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE DE BERNAY...
+doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters
+hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt,
+andere hebben uitheemsche gedicht.
+
+<p>Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den
+uiterlijken vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven
+in korte verzen van acht lettergrepen, in tegenstelling
+met de overige die in het oudere decasyllabische vers of in
+alexandrijnen zijn gedicht<a href="#4.2">[2]</a>.
+
+<p>Langs zulke wegen was de Oudfransche epische poëzie bezig
+zich te ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend
+werd. Dat zij daar bekend werd, is licht te verklaren uit het
+internationaal karakter der ridderschap en de nabuurschap van
+Frankrijk. Maar bovendien waren Fransche taal en literatuur
+reeds in de laatste helft der 12<sup>de</sup> eeuw in een deel van Zuid-Nederland
+bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch werd
+als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd;
+in Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de
+hooge geestelijkheid als een tweede volkstaal<a href="#4.3">[3]</a>. Aan het hof van
+den Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168&ndash;1191)
+leefde en werkte de beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter
+van vele Keltisch-Fransche romans; BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen
+dichtte Provencaalsche liedjes; een paar bekende Fransche
+dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te
+Atrecht<a href="#4.4">[4]</a>. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking
+met de Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging;
+dat wij eene Nederlandsche ridderpoëzie zien ontstaan onder
+den invloed der Fransche.
+
+<p>Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog
+niet mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aan<a name="86"></a>nemen,
+dat wij het laatst der 12<sup>de</sup> of althans de eerste helft
+der 13<sup>de</sup> eeuw als zoodanig moeten beschouwen. MAERLANT
+immers heeft meer dan eens in zijne werken (<i>Alexander, Sint
+Franciscus, Spieghel Historiael</i>) gewaarschuwd tegen den, zijns
+inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende ridderromans.
+Onder die romans vindt men een paar die tot de
+bovengenoemde &#8222;nationale" groep behooren, zooals <i>Willem
+van Oranje</i> en de <i>Heemskinderen (Renaus de Montauban)</i>;
+enkele zoogenaamde klassieke romans, zooals die over <i>Alexander</i>;
+een paar die in het Oosten spelen: de <i>Floris en Blancefloer</i>
+en den <i>Partonopeus</i>; eindelijk een groot aantal die tot de
+Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die van <i>Lancelot</i>
+en <i>Tristan</i><a href="#4.5">[5]</a>. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende,
+bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit het <i>Leven van Sinte
+Lutgart</i> gevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt,
+dat de menschen niet willen luisteren naar &#8222;goede exempelkine",
+maar gaarne komen:
+
+<p class="quote">Daer men van ouden ijeesten<a title="[margin: geschiedenissen.]"><sup>#</sup></a> singet,
+Oec daer men voert die sagen bringet
+Van wigen<a title="[margin: strijden.]"><sup>#</sup></a> och van tavelronden,
+Daer wilen eer hen onderwonden
+Te dichtene af die menestrele.
+...
+Mar wonder hevet mi van desen
+Warumme si so gerne lesen
+Van ouden sagen dat gedichte
+Ende oc geloeven also lichte
+Din logeneren die se tellen.
+...
+Mar die die oude bourden scriven,
+Si swegen bat, dat seggic hen<a href="#4.6">[6]</a>.<a name="87"></a>
+</p>
+
+<p>Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het
+oog hebben op Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich
+vooral tot de gemeentenaren en lagere geestelijken die over het
+algemeen weinig of geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder
+den lageren adel de kennis van die taal zoo verbreid zijn geweest,
+dat men er de voordracht van Fransche gedichten met eenig
+gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS, wier moeder van
+adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in het
+klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks
+zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon
+vragen wanneer zij honger had<a href="#4.7">[7]</a>. Zouden ook lieden uit dien
+kring der maatschappij geen deel hebben uitgemaakt van het
+publiek dat Fransche romans liefst vertaald hoorde voordragen?
+
+<p>Indien men nu in aanmerking neemt, dat de <i>Alexander</i>, het
+oudste der genoemde werken van MAERLANT, omstreeks
+1257&ndash;1260 zal zijn vervaardigd en het <i>Leven van Sinte
+Lutgart</i> tusschen 1263&ndash;1274; dat de romans, waartegen met
+zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben
+behoefd om zóó bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke
+Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in
+de tweede helft der 12<sup>de</sup> eeuw reeds bestonden, deels van nog
+vroeger tijd dagteekenen&mdash;dan zal men wel mogen aannemen,
+dat men te onzent in het laatst der 12<sup>de</sup> of den aanvang der
+13<sup>de</sup> eeuw het grootste deel der bewuste ridderromans heeft
+verdietscht.
+
+<p>Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpoëzie
+zich bedienen van het onderscheid in: nationale (Frankische) en
+uitheemsche (Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche)
+ridderdichten? In allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht
+dat de Fransche literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens
+blijkt dat men te onzent zich bewust is geweest van een onderscheid
+in drie &#8222;matières". Niet, als in Frankrijk, beantwoorden<a name="88"></a>
+hier de beide groepen aan verschillende cultuurtoestanden,
+waarvan de een op den ander volgde. Integendeel, voorzoover
+wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te
+onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep
+te vertalen. VELDEKE'S <i>Eneïde</i> is het vroegste episch vertaalwerk
+dat wij met zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel
+van den <i>Roman de Troie</i>, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF.
+Zou de vertaling van de <i>Chanson de Roland</i> niet ouder zijn
+dan beide? Onmogelijk is dat niet, zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk,
+aangezien het oorspronkelijk gedicht reeds vóór den eersten
+Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang gemaakt en
+zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene
+Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet
+verkrijgen. Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men
+hier te lande in het laatst der 12<sup>de</sup> of den aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw,
+zonder oordeel des onderscheids, Fransche ridderromans heeft
+vertaald en nagevolgd. Indien wij nu toch onderscheid blijven
+maken tusschen een paar groepen van riddergedichten, dan
+geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een verschillende
+geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen
+wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen.
+
+<h3>FRANKISCHE ROMANS.</h3>
+
+<p>De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek
+dier dagen wel krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats
+de indrukwekkende gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers
+ook hier te lande bemind en geëerd; groot in de oogen van
+het nageslacht niet het minst om zijne oorlogen tegen de
+heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en burgers
+dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden
+strijd tegen het &#8222;Saracynsche diet" dien ook de groote Koning<a name="89"></a>
+met zijne dapperen had gestreden? En onder die dapperen
+verschenen in deze romans voor het geestesoog de dappersten
+en wijsten, die beroemde &#8222;genooten", lijfwacht en raad des
+Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en zijn
+boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den
+strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD
+van Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren
+en anderen<a href="#4.8">[8]</a>. Het geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke
+werken moest wel indruk maken op een publiek, eenvoudig
+van gemoed, beheerscht door dezelfde hartstochten als
+de personages in die verhalen.
+
+<p>Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd
+tegen duizenden bij duizenden Sarracenen, die weigert op
+zijn wonderhoorn Olifante te blazen om zijn Koning te hulp
+te roepen; die eindelijk afgestreden, ten doode gewond, zich
+uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar Spanje
+gekeerd, maar het hart vol van &#8222;het zoete Frankrijk" en
+zijne maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog
+houdt tot God zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn
+hoofd op zijn arm, met saamgelegde handen ontslaapt hij;
+cherubijnen komen en voeren graaf ROLAND'S ziel naar het
+paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige hertog van Lotharingen,
+door een overmacht na heldhaftige tegenweer neergeveld,
+die daar ligt tusschen de overige dooden, &#8222;als de eik
+tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier
+Heemskinderen, die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal
+gezeten is, wanneer de gezanten van koning KAREL, ROLAND
+en WILLEM VAN ORANJE onder hen, binnentreden. Overmoedig
+zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn scherp zwaard over
+zijne knieën gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden bliaut,
+het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op
+zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woord<a name="90"></a>
+spreken. De afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor
+hem. Hij wil hen niet aanzien. Zij richten het woord tot hem.
+Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij, nu hij zijne vijanden daar voor
+zich ziet, maar hij kan geen woord uitbrengen: te vol is zijn
+gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft zwijgen. Dan komt
+zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden schaal
+vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren
+man dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft
+zij dat woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft
+haar zoo in het aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort.
+
+<p>Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of
+ruw; ook voor het zachte, het teedere is er eenige plaats.
+
+<p>In de grootsche <i>Chanson de Roland</i> komt de teederheid
+soms te voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende
+onweerswolken. ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER
+is doodelijk gewond; met moeite houdt hij zich nog in den
+zadel, de nevel des doods houdt zijn blik reeds omtogen; zoo
+voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND die komt
+aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner
+laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den
+helm toe. ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij:
+gezel, doet gij dat met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief
+heeft.&mdash;Ik hoor u, zegt OLIVIER; ik hoor u spreken, maar
+ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u getroffen,
+vergeef mij.&mdash;Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND
+ik vergeef het u.
+
+<p>Hoe treffend is het tooneel in den <i>Willen van Oranje</i>, waar
+de roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor
+zijn klooster uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te
+hebben gedood of verjaagd, ontdekt hij in een kar die de
+roovers medevoerden, zijne eigen jonge kinderen.
+
+<p>Aandoenlijk is in den roman der <i>Heemskinderen</i> de trouw van<a name="91"></a>
+het reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het
+eindelijk op den eisch des Konings in de Oise verdronken zal
+worden, slaat het telkens de steenen stuk welke de dienaars aan
+zijne pooten hebben gebonden; zoolang het ros zijn meester ziet,
+heeft het kracht om dat vol te houden. Nu dwingt de Koning
+REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar Beyaert. Op
+nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt
+het boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester,
+&#8222;alsof 't een mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient
+bitterlijk geschreit hadde"<a href="#4.9">[9]</a>. Wanneer REINOUT dan niet naar
+den trouwen vriend omziet, zinkt het ros en verdrinkt.
+
+<p>De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans
+niet op den voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch
+tooneeltje of een komische trek den ernst vervangen; de grappen
+waarmede de personages zich vermaken, zijn ruw of grimmig.
+
+<p>Behalve de kleine roman van <i>Karel en Elegast</i>, die een
+afzonderlijke plaats verdient, is geen enkele dezer romans in
+zijn geheel tot ons gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts
+grooter of kleiner fragmenten<a href="#4.9">[9]</a>. Wij noemen den roman van
+<i>Flovent</i> in de eerste plaats, omdat de <i>kern</i> van dit gedicht
+herinneringen bevat aan de eerste Frankische dynastie: de
+Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als oudste zoon
+van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS.
+Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen
+schildknaap RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en
+vrienden, in oorlog met de Sarracenen (onder wie hier, gelijk
+zoo dikwijls, de heidensche Saksen schuilen). Een christelijke
+en een heidensche prinses betwisten elkander FLOVENT'S bezit.
+Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door zijn
+vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De
+heidenen worden verslagen en FLOVENT later koning van<a name="92"></a>
+Frankrijk. Ons fragment van ruim 600 verzen wijkt sterk af
+van de eenige ons bewaarde Fransche redactie, die echter zelve
+weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere.
+
+<p>Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats
+het <i>Roelants-lied</i> te worden genoemd. Algemeen bekend is,
+dat wij hier het verhaal hebben van den slag bij Roncevaux,
+waarin de achterhoede van KAREL DE GROOTE'S leger, onder
+bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaeën door de vijandige
+Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde van een
+tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand,
+de Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche
+gedicht is waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke
+vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel
+een vijftal fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche
+bewerking berusten. Tracht men daaruit die verloren bewerking
+weer samen te stellen, dan komt men tot een fragment van
+ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen van het Fransch
+ten deele teruggevonden worden.
+
+<p>Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus
+van gedichten welke zich groepeeren om den persoon van
+WILLEM VAN ORANJE, een der voorname edelen uit Zuid-Frankrijk,
+die de Mooren telkens terugsloegen wanneer zij
+pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaeën
+te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts één dezer
+werken, het zoogenaamde <i>Moniage Guillaume</i> (WILLEM'S
+monniksschap) hier vertaald; van dat laatste deel van WILLEM'S
+geschiedenis is ons een klein fragment van ruim 400 verzen
+bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de wetenschap,
+dat zekere CLAES VAN HAERLEM, &#8222;VER BRECHTEN SONE", deze
+vertaling vervaardigde<a href="#4.10">[10]</a>. De ons bewaard gebleven fragmenten
+behelzen de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan
+boven sprake was en eenige van zijne latere lotgevallen.<a name="93"></a>
+
+<p>Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote
+vazallen geeft de roman van <i>Renaus de Montauban</i> ons een
+voorbeeld<a href="#4.11">[11]</a>. Een der machtige vazallen des Konings, HAYMIJN
+van Dordogne, is met dezen in strijd. Zijne zonen REINOUT,
+ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten dezen strijd tegen
+den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien strijd moeten
+zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde koningen.
+Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan
+den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de
+toovenaar MALEGIJS spelen een gewichtige rol in dit gedicht.
+De roman draagt terecht den naam van den oudste der vier
+Heemskinderen&mdash;zooals zij later te onzent genoemd werden&mdash;daar
+REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans telkens
+weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht
+eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft
+het mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige
+wijze eenige der bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd.
+Welk Fransch origineel door hem is gevolgd, weten
+wij niet; wel dat het geen der ons overgebleven redactiën is
+geweest. Misschien ook is de Nederlandsche bewerking eene
+samensmelting van een paar oudere redactiën en heeft de bewerker,
+evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke
+Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste<a href="#4.12">[12]</a>.
+
+<p>De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen;
+misschien slechts een zevende der gansche bewerking<a href="#4.13">[13]</a>.
+
+<p>Naast den <i>Reinout van Montalbaen</i> moet de <i>Geraert van Viane</i>
+genoemd worden; ook deze roman immers bevat herinneringen
+aan den strijd van CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen,
+al zijn die herinneringen hier verbonden met heugenissen aan
+den strijd tegen de Sarracenen in Zuid-Frankrijk. Slechts
+een klein fragment van nog geen 200 verzen van dezen
+roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Fransche<a name="94"></a>
+roman van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld
+van den Nederlandschen bewerker geweest, maar eene veel
+oudere bewerking.
+
+<p>Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten
+vinden wij in de <i>Chanson des Lorrains</i>. Door die geheele
+grootsche epopee immers loopt als een roode draad: de bloedwraak;
+alles draait om de &#8222;veede" tusschen het geslacht der
+hertogen van Lotharingen en dat van FROMONT van Bordeaux.
+Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens wordt de
+vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit
+weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed
+tegen sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen
+op de jacht overvallen en vermoord is en daarna ook GARIJN
+zelf, het hoofd van het geslacht der Lorreinen, zetten hunne
+zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT doodt FROMOND
+van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de &#8222;veede"
+over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling
+bleven ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen
+meer dan 10.000 verzen, misschien slechts een tiende deel van
+het oorspronkelijk gedicht bevattend<a href="#4.14">[14]</a>.
+
+<p>Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten
+de <i>Aiol</i> in. Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur
+van den jongen ridder, die alleen naar des Konings hof trekt
+om de zaak van zijn verongelijkten en verarmden vader te verdedigen.
+In de verroeste wapenrusting van zijn vader, op een
+armzalig paard, rijdt hij heen en wekt den spotlust van wie
+hem op zijn weg ontmoeten&mdash;maar hij wint zijne zaak. Deze
+roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide
+bewerkingen zijn onderling onafhankelijk<a href="#4.15">[15]</a>. De eene, in Limburg
+vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het
+ons bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten,
+ongeveer 600 verzen bedragend, omvatten vs. 2538&ndash;10092<a name="95"></a>
+van het origineel. Eenige verzen der Middelnederlandsche bewerking
+(vs. 58&ndash;73) vindt men in het Fransen niet terug. De
+andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn overgebleven,
+wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde. Of
+wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene,
+ons onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter
+betwijfeld worden. De samensteller dezer bewerking volgt het
+Fransche verhaal wel in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken
+op eigen wijs. Hij heeft veel weggelaten (vs. 518&ndash;601
+komen overeen met vs. 8354&ndash;9061: 83 verzen in het Nederlandsch
+voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801&ndash;1200
+dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat
+deze bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook
+met het oog op het feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk
+Nederlandschen naam vinden voor AIOL'S zwaard, nl.: <i>Scaerdeline</i>,
+terwijl in het Fransche gedicht geen zwaard van AIOL
+een naam draagt<a href="#4.16">[16]</a>. Dat namen uit het origineel als <i>Elie,
+Avisse</i> zijn weergegeven door <i>Helline</i> en <i>Anflisse</i>, doet denken
+dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts kende van
+&#8222;hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het
+tweede fragment dezer bewerking (<i>Baselie, Mersaelien ende
+Eggermort, Florette</i>, het wout van <i>Bonival, Godevert van
+Brusewijc</i>) in het Fransch in het geheel niet voor.
+
+<p>Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman
+van <i>Auberi le Bourgoing</i>. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten
+en daden van een jong Bourgondisch ridder, die met zijn
+neef en wapenbroeder GASCELIN, in Beieren de Russen en in
+Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door een huwelijk
+met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van
+dat land wordt.
+
+<p>Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten,
+die tot dusverre geacht worden ontleend te zijn aan<a name="96"></a>
+den roman van <i>Doon de Mayence</i> en aan de <i>Chanson des
+Saisnes</i> (Saxons). Het eerstgenoemd fragment verhaalt ons van
+drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO (ROELANTS vader)
+die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere, welke door
+de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten
+drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal
+plaats hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar
+Vauclere doen de ridders een inval in het kamp der heidenen
+en een hevig gevecht vangt aan. In den Franschen roman van
+dezen naam, waarin de stad Vauclere en de Sarraceensche
+aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote rol
+spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer
+men in aanmerking neemt dat de roman van <i>Fierabras</i> hier
+volgens MAERLANT'S mededeeling reeds vóór het eind der
+13<sup>de</sup> eeuw vertaald was; dat in den <i>Geraert van Viane</i> de strijd
+tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats heeft op een eiland
+in een rivier<a href="#4.17">[17]</a>; dat ELEGAST hier, evenals in den roman van
+<i>Karel en Elegast</i>, optreedt als toovenaar; dat de naam van
+ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair
+van CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden
+zijn, dan moet men waarschijnlijk achten, dat wij hier eene
+vrije bewerking van Fransche epische stoffen vóór ons hebben.
+
+<p>Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naam
+<i>Gwidekijn van Sassen</i>, ook daarin blijft nog veel over dat
+opheldering behoeft<a href="#4.18">[18]</a>. Met JEAN BODEL'S <i>Chanson des Saxons</i>
+heeft ons fragment niets gemeen; dat het vertaald zou zijn naar
+eene vroegere bewerking dezer stof die bewaard is gebleven in
+de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik onwaarschijnlijk wegens
+de gewichtige afwijkingen. Ons fragment verplaatst ons in de
+volgende omstandigheden: Het Fransche leger, waarbij ROLAND
+en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend), OLIVIER,
+ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich be<a name="97"></a>vinden,
+heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar
+de reus FLEDRIC, GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een
+nachtelijk gevecht heeft plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De
+dichter der Nederlandsche bewerking kende het <i>Roelants-lied</i>
+blijkbaar; met den ridder in de zwarte wapenrusting die tooveren
+kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn<a href="#4.19">[19]</a>. Ook hier moeten
+wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van epische
+stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts
+door mondelinge overlevering bekend waren geworden.
+
+<p>Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen
+tijd vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien
+door eene Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij,
+spreekt van <i>Fierabras</i>. Waarschijnlijk heeft hij den naam van
+dezen heidenschen reus, die in Spanje, na een gevecht met
+OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt, leeren kennen
+uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook Nederlandsche
+bewerkingen der romans van <i>Foulque de Candie</i> en
+van <i>Karel en Galie</i>, welke laatste ons in eene Nederduitsche
+omwerking in den <i>Karlmeinet</i> is bekend gebleven.
+
+<p>Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans
+en van de reeds behandelde: <i>Roelants-lied</i>, <i>Willem van Oringen</i>,
+<i>Reinout van Montalbaen</i>, zal men wel mogen aannemen, dat
+zij uit de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw, ten deele misschien (het
+<i>Roelants-lied</i> b.v.) nog uit het laatst der 12<sup>de</sup> eeuw dagteekenen.
+Ook van den <i>Flovent</i>, <i>Geraert van Viane</i>, de <i>Lorreinen</i>, den
+<i>Aiol</i> (ten minste de Limburgsche redactie) en den <i>Aubri de
+Borgengoen</i>, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de eerste
+helft der 13<sup>de</sup> eeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking
+van den <i>Aiol</i>, de <i>Doon de Mayence</i>, de <i>Gwidekijn van Sassen</i>
+tot dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der
+13<sup>de</sup> eeuw moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meer<a name="98"></a>
+en beter gegevens hebben, zal dat bezwaarlijk zijn uit te
+maken<a href="#4.20">[20]</a>.
+
+<p>Dat in vele dezer romans echte poëzie of tenminste poëtische
+stof wordt gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die
+poëzie echter was voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke
+werken; er is hier gewag gemaakt van die poëzie alleen
+om den smaak onzer voorouders in dezen te kenschetsen. De
+Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben slechts eenig
+aandeel in deze poëzie, voorzoover zij die hebben nagevoeld.
+De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche
+werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als
+bewerking of navolging?<a href="#4.21">[21]</a>
+
+<p>Over het algemeen kan men zeggen, dat&mdash;met uitzondering
+van het <i>Roelants-lied</i>&mdash;bij de bewerkers wel gevoel voor het
+ridderwezen bestond. In de <i>Lorreinen</i> die vrij letterlijk vertaald
+schijnen, worden de lange gevechten niet weggelaten of bekort,
+ook in de <i>Geraert van Viane</i> zijn verzen als:
+
+<p class="quote">Wi sullen hem marghiin laten weten,
+Of onse swerde connen sniden,
+</p>
+
+<p>tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke
+voorkomen. In den <i>Aubri</i> is sympathie voor het ridderwezen;
+de bewerker heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros
+Blanchaert dat zijn meester terugvindt.
+
+<p class="quote">Ende het begonde neyen<a title="[margin: hinneken.]"><sup>#</sup></a> zeere
+Ende scrabbelde metten voete.
+</p>
+
+<p>Ook in den <i>Renout</i> kan men nog vrij wat van de ruwe
+grootschheid van het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking
+beneden haar origineel.
+
+<p>Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt
+die van het <i>Roelants-lied</i>. Niet zoozeer, doordat de bewerker<a name="99"></a>
+slechts gebrekkig Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel
+lager gestaan hebben dan de meeste overigen. Maar doordat
+hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt ridderlijk epos, zoo
+sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in zijn grootschen
+eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel,
+hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is
+soldaat in zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht;
+hij kent de wapenrustingen door en door: de blinkende,
+met goud doorwerkte halsbergen, de met goud en gesteenten
+versierde puntige helmen, de lansen met hunne kleine vaantjes,
+de zwaarden van gebruineerd staal, de gouden sporen. Hij
+volgt elken slag met het oog van een kenner en weet op een
+prik of de den neus beschermende strook metaal (<i>le nasel</i>) al
+dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan
+wel het lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het
+zadel wordt tegengehouden, of nog verder dringt en ook het
+paard een diepe wonde toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne
+ruwe eenvoudige wijze, maar hij weet dapperheid toch ook in
+een Sarraceen te waardeeren; hij is een getrouw vazal: voor
+zijnen Koning en voor &#8222;douce France" heeft hij alles over. De
+woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens
+worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend:
+&#8222;halt sunt li pui e tenebrus li val"<a title="[margin: Hoog zijn de bergen en duister de dalen.]"><sup>#</sup></a>, verhoogt nog den indruk
+van het geheel.
+
+<p>Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of
+niets gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het
+ridderwezen of die uitingen zijn van den feodalen geest, laat
+hij weg. Voor ridderlijke mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid.
+Waar hij een epitheton toevoegt, geschiedt het om
+de Christenen dapperder en vromer, de heidenen lafhartiger
+en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer OLIVIER zijn
+aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk tus<a name="100"></a>schen
+dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in
+het Fransch:
+
+<p class="quote">Vus ne gerrez<a title="[margin: zult liggen.]"><sup>#</sup></a> jamais entre sa brace
+</p>
+
+<p>in het Nederlandsch:
+
+<p class="quote">Nemmermeer en wert si u wijf.
+</p>
+
+<p>Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke
+in dit fatsoen ondergegaan.
+
+<p>Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg
+ging, daar krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje
+op den geest van zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de
+Vlaamsche bewerking van den <i>Aiol</i>, waar de beschrijvingen
+vooral van gevechten aanzienlijk bekort of geheel weggelaten
+zijn, de episode van den visscher TIERIJN daarentegen met
+blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met dat
+krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze:
+
+<p class="quote">Ware Macharijs mijn oem hier,
+Hi soud u, Ayoel, <i>selc een bier
+Met vullen nappe scinken</i>,
+Ghi souds langhe mogen dinken<a href="#4.22">[22]</a>.
+</p>
+
+<p>Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654&ndash;700)
+vinden wij in het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel
+des bewerkers een vers als het derde van dit drietal:
+
+<p class="quote">De hermite starf cortelike,
+Want hi voer te Gods rike:
+<i>Daer moeten wi alle comen</i>!
+</p>
+
+<p>De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de &#8222;maechscap" die
+haar verhindert AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig
+teeken des tijds<a href="#4.23">[23]</a>.
+
+<p>De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over
+het algemeen gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd;
+telkens komen verzen met drie heffingen al te lange verzen<a name="101"></a>
+afwisselen. De rijmen zijn achteloos behandeld; het aantal
+assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen is vrij
+groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene eigenaardigheid
+des bewerkers van <i>Reinout van Montalbaen</i> is, dat
+hij in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woord <i>man</i>
+moet <i>sente Jan</i> te hulp komen; bij <i>trouwe</i>: <i>onse Vrouwe</i>; bij
+<i>huus</i>: <i>Jesus</i> enz.<a href="#4.24">[24]</a>. Niet alleen het <i>Roelants-lied</i>, maar ook
+de <i>Lorreinen</i>, de <i>Reinout van Montalbaen</i> wemelen van stoplappen;
+met <i>Flovent</i>, <i>Aubri den Borgengoen</i>, <i>Willen van Oringen</i>
+schijnt het in dezen beter gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort
+afgebroken perioden, wijst er ons op dat wij hier waarschijnlijk met
+volksdichters, niet met geleerde dichters (<i>clercken</i>) te doen hebben.
+
+<p>Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij
+in <i>Doon de Mayence</i>, <i>Gwidekijn van Sassen</i> en de Vlaamsche
+redactie van <i>Aiol</i> eer vrije bewerkingen van, uit Frankrijk
+afkomstige, epische stoffen te zien hebben dan vertalingen. Met
+meer recht mag men dit aannemen van <i>Karel ende Elegast</i>.
+Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden, dat
+wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof
+hebben<a href="#4.25">[25]</a>. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene
+samenzwering, tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen
+een door God gezonden engel hem waarschuwde. Die engel
+gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen. Op zijn nachtelijken
+tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden, die
+hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden
+ontmaskerd en gestraft. In de Latijnsche kroniek van
+ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt de kern van dit verhaal
+vermeld en ook gewag gemaakt van eene <i>cantilena</i> (lied)
+waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige Oudfransche
+gedichten, vooral den <i>Renaus de Montauban</i> en een werk
+van lateren tijd, <i>le Restor du Paon</i>, wordt over dit verhaal<a name="102"></a>
+gesproken. Dat er behalve het lied over deze stof nog een
+episch gedicht van eenigen omvang zou hebben bestaan, is
+niet bewezen. In allen gevalle is zulk een episch gedicht
+niet bekend en kan men dus geen origineel van het Nederlandsch
+gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat
+zulk een Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog?
+Moet dat dan noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons
+verhaal? Kan de Nederlandsche dichter niet evengoed kennis
+hebben gekregen van zijne stof langs den weg der mondelinge
+overlevering? In tegenstelling met de meeste Middelnederlandsche
+gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn naar een
+uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt
+van een bron, nergens eene uitdrukking als &#8222;die boec seit" of
+iets dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons
+gedicht vindt, deze verzen uit den aanhef:
+
+<p class="quote">Wat den coninc daer ghevel,
+<i>Dat weten noch die menighe wel</i>
+</p>
+
+<p>wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de
+richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende
+reden om reeds op grond van de bovenvermelde feiten de
+oorspronkelijkheid van ons gedicht onwaarschijnlijk te achten
+of te ontkennen<a href="#4.26">[26]</a>. Doch er is meer: de namen ELEGAST,
+EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen, waarvan
+de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel
+van ons verhaal&mdash;anders dan in de Fransche vermeldingen&mdash;de
+landstreek rondom KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats
+Ingelheim. Bovendien schuilt in ELEGAST een wezen uit de Germaansche
+mythologie en is hij blijkbaar verwant met ALVEGAST
+(heer der elven), denzelfde die in Frankrijk AUBERON genoemd
+werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken, het
+vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en honden<a name="103"></a>
+bassen; de kennis van een tooverspreuk (hier <i>bede</i> genoemd)
+waardoor hij de bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn
+dan ook trekken die men in Germaansche sprookjes terugvindt<a href="#4.27">[27]</a>.
+
+<p>Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel
+en taal, een geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog
+op bovenstaande uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te
+denken; moet men al denken aan navolging, dan zeker aan
+eene die van oorspronkelijkheid niet ver afstaat.
+
+<p>Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof
+in God en vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in
+uitdrukkingen als &#8222;een heilich enghel", &#8222;d'enghel die van Gode
+quam", &#8222;d'enghel van den paradise"; in Gods vaderlijke zorg
+voor den koning die het gezinde van Ingelheim in vasten
+slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den nachtelijken
+tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen riddereer
+en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: &#8222;varen
+stelen of God verwerken<a title="[margin: van zich afkeerig maken.]"><sup>#</sup></a>!" Hoe goed kent de dichter het
+ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide gevechten
+mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de &#8222;witte"
+halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en
+den wachter die &#8222;den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd.
+Opmerkelijk is hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE,
+&#8222;d'edel man" zooals hij telkens wordt genoemd; treffend de
+onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST, door hem op
+valsche aantijgingen verjaagd.
+
+<p>Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter
+voor hem de sympathie die de &#8222;vogelvrije" te allen tijde
+gevonden heeft; ook beantwoordt hij aan het ideale type
+van den vogelvrijen roover: alleen den rijken ontneemt hij
+het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken vooral zijn
+hem een welkome prooi. Hij leeft van <i>roof</i>, maar dat verlaagde
+hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek<a href="#4.28">[28]</a>. Dat<a name="104"></a>
+publiek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid,
+kracht en edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen
+spot met KARELS talenten als dief en inbreker.
+
+<p>En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen,
+met slechts een enkele reflexie over &#8222;vrouwenlist", zelden ontsierd
+door stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang
+op eenvoudige maar doeltreffende wijze voorbereid door des
+konings overpeinzing over &#8222;ridders die op aventure" leven<a href="#4.29">[29]</a>;
+dan zien wij den nachtelijken rit bij maanlicht door het bosch,
+de ontmoeting met den dreigenden zwarten ridder, het tweegevecht,
+de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in EGGHERIC'S
+kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons
+te boeien en met zich te voeren&mdash;zooals hij het ook ongetwijfeld
+meer dan zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan.
+
+<h3>KELTISCHE, KLASSIEKE EN OOSTERSCHE ROMANS.</h3>
+
+<p>Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen
+aard dan wat hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht
+der Frankische romans. Met de personages uit die romans
+voelden zij zich verwant; het leven daar afgebeeld was min of
+meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar op grooter
+schaal en in het licht der poëzie. De Keltische en daarop
+gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels
+vreemd was, maar die hen bekoorde, deels door al dat
+vreemde en wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed
+vonden wat zij begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde,
+hoofsche beschaving, fijnheid van vormen en omgangstaal.
+
+<p>Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van
+het hoofsche ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de
+volmaakte ridder; koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en
+edele schoonheid. Rondom hen eene glanzende schaar van ridders,<a name="105"></a>
+getrouwe vazallen, bereid hun leven voor hun koning te wagen,
+dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en jonkvrouwen, bekoorlijk,
+dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en op
+de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde
+men dan een levendig spel van woord en weerwoord; van
+dartele behaagzucht en schalke veinzerij tegen vurige liefde en
+ootmoedige toewijding.
+
+<p>Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die
+bleek worden van aandoening, die om genade smeeken, en
+jonkvrouwen die zich houden alsof zij niets gehoord hebben,
+die haar minnaar wijs maken, dat hij geslapen heeft. Welk
+Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken gehoord
+als dit van POLLIDAMAS en HELENE in den <i>Roman van Troye</i>:
+HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.&mdash;Word
+toch wakker, POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van
+nacht kunt gij slapen zooveel gij wilt.&mdash;Vrouwe, zegt hij, wie
+zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te zitten slapen?&mdash;Zoo
+onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers in uw slaap
+tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou
+het u slecht bekomen.&mdash;Sliep ik dan?&mdash;Ja zeker.&mdash;Als
+gij het zegt, moet het waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap
+iets miszegd?&mdash;Ja gij, maar onwetend; daarom zal ik het
+niet in ernst opnemen.&mdash;Mag ik zoo vrij zijn u te vragen,
+wat ik miszegd heb?&mdash;Ja gij: eerst zegt gij tot mij: &#8222;genade!";
+toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u,
+wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief!
+Toen ik die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij
+droomde en maakte u wakker.&mdash;Ach, vrouwe, men heeft
+wel eens meer gezegd: waar het hart vol van is, daar loopt
+de mond van over.&mdash;
+
+<p>Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij
+niet, want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtende<a name="106"></a>
+jonkers gold: &#8222;vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur
+van den hartstocht blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo
+menige geschaakte jonkvrouw die hij op zijn weg ontmoet, die
+hij verlost uit de macht van een of anderen rooden ridder of
+afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne eenzaamheid
+wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi te
+zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van
+FLORIS voor BLANCEFLOER, van PARTONOPEÜS voor MELIOR;
+de liefde voor GALIENE doet wonderen aan den boerenzoon
+FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt ridder.
+
+<p>Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden,
+is reeds uit het voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt
+het, indien men er op let, hoe de aandacht die vroeger alleen
+of voornamelijk den man geschonken werd, nu in beslag wordt
+genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS denkt, kan
+BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPEÜS herinnert ons
+MELIOR, TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt
+door de verleidelijke VIVIANE in het bosch van Broceliande
+verstrikt. En wie kan LANCELOT de bloem der ridderschap
+noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne misdadige
+liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE?
+
+<p>Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans
+der poëzie; nergens misschien liefelijker dan in den roman van
+<i>Lancelot</i>, waar ons verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen
+lag in de woning der fee MORGUEYNE.&mdash;Uit zijne gevangenis,
+door de ijzeren staven voor het venster, ziet hij in den bloeienden
+tuin. Twee winters en een zomer zit hij nu reeds daar. Om
+de verveling te verdrijven, heeft hij zijne wapenfeiten op de
+muren geteekend. In die wemeling van figuren verschijnt
+meermalen ééne vrouw&mdash;de koningin. Dikwijls gaat hij op
+haar beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan
+weent en klaagt hij. De Mei is gekomen; April heeft oorlof<a name="107"></a>
+genomen. Weer ziet hij de boomen bloeien, de frissche rozen
+opluiken, de roode rozen ... hij ziet haar rooden mond.
+Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg
+opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen;
+ééne is er, pas ontloken&mdash;zóó was zij, toen hij haar zag ten
+tournooi te Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt
+hij zijn hand uit het venster, maar de ijzeren traliën houden
+hem tegen. &#8222;Zouden traliën mij tegenhouden?&mdash;Neen!"&mdash;met
+beide handen grijpt hij de twee staven aan; één ruk ...
+zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht. Nu
+verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar
+en legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent
+zich, kiest een goed ros, zit op en rijdt heen.
+
+<p>Waarheen? Op een der vele tochten (&#8222;questen") die deze
+dolende ridders ondernemen om iemand of iets te zoeken:
+een gevangen wapenbroeder, een wonderbaarlijk zwaard of
+schaakbord, een sluier of ander ridderteeken. Waar komen zij,
+wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar kluizenaars
+wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar
+tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op
+rust; zij geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen
+naar ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen
+en toovenaars.
+
+<p>Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier
+fijner vormen aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst
+van vroeger, maar eer een tournooi met scherpe wapenen.
+Grootsche afmetingen neemt de strijd aan in het laatste deel
+van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den strijd der
+Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon
+MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van
+Salesbiere komt het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger
+reeds gesneuveld; LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN,<a name="108"></a>
+de ridder met den leeuw, ligt met gekloofden schedel neer;
+van die gansche roemruchte Tafelronde staan nog slechts een
+paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De Koning doodt
+MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde.
+Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders,
+GRIFLET, zet hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt
+zijne krachten bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S
+goed zwaard Excalibur in een poel; een gewapende hand en
+arm komt te voorschijn en vangt het zwaard op. GRIFLET verwijdert
+zich op 's Konings bevel. Van een heuveltop ziet hij
+uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn gezeten;
+ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard
+en wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe
+dienaar verliest hem weldra uit het oog.
+
+<p>Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch
+omstraald met hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo
+menig dapper ridder der Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht;
+niet weggelegd voor LANCELOT noch WALEWEIN, die besmet
+zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de reine
+GALAÄD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den
+Graal zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche
+godsdiensten geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen
+heeft. Een tooverketel die drommen van ridders
+kon spijzigen, kwam reeds in de Keltische mythologie voor;
+het Christendom verving dien ketel door een schotel, later
+een beker (<i>gradale, graäl</i> is een Romaansch woord voor <i>schotel</i>),
+waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal.
+De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de
+Keltische mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van
+LONGINUS. Ook de Graalburcht met den koninklijken visscher
+(le Roi Peschéor) wordt in Keltische verhalen teruggevonden.
+Geheimzinnig en wonderbaar is de graal reeds in CRESTIEN<a name="109"></a>
+DE TROYE'S <i>Conte del Graal</i> (omstreeks 1175). PERCEVAL, in
+den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page binnentreden
+die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot de
+hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters;
+dan een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare
+steenen sieren hem. Zóó verblindend een glans straalt van dien
+schotel af, dat het licht aller kaarsen in de zaal verdoofd wordt.
+Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk door MAERLANT vertaald
+werd, is de Graal de Avondmaalsbeker<a href="#4.30">[30]</a>. En zoo blijft hij
+het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met
+het brood des levens.
+
+<p>Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk
+tot ons gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen van
+<i>Lancelot,</i>, <i>Percevael</i>, <i>Walewein</i>; de romans <i>van Ferguut</i>, <i>van
+Torec</i>, <i>van den Graal</i> en <i>van Merlijn</i>; de roman <i>van Alexander</i>
+en die <i>van Troje</i>; eindelijk de verhalen <i>van Floris en Blancefloer</i>
+en <i>van Partonopeus en Melior</i>.
+
+<p>Over de romans <i>van Merlijn</i>, <i>van den Graal</i> en <i>van Torec</i>,
+evenals de roman <i>van Alexander</i>, bewerkt door MAERLANT,
+spreken wij later.
+
+<p>Onder den naam: <i>roman van Lancelot</i>, is tot ons gekomen
+een groot werk dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene
+zelfstandige werken door LODEWIJK VAN VELTHEM
+was erkend, en welks deelen men langzamerhand beter leert kennen<a href="#4.31">[31]</a>.
+Wij vinden hier 1<sup>o</sup> een groot werk waarvan LANCELOT
+de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen,
+2<sup>o</sup> de <i>Graalqueste</i> en 3<sup>o</sup> <i>Artur's dood</i>. Voorts hebben wij, blijkens
+deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN
+DE TROIE'S <i>Percevael</i>, van de <i>Wrake van Ragisel</i>, een <i>Walewein-boek</i>,
+een roman <i>van den Ridder metter mouwen</i> en de vertaling
+van een paar Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen<a href="#4.32">[32]</a>.<a name="110"></a>
+
+<p>De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door
+dit viertal verzen uit den proloog van den <i>Lancelot</i> (II, 11&ndash;14):
+
+<p class="quote">Ghi sult hier horen scone die jeesten<a title="[margin: verhalen.]"><sup>#</sup></a>
+Bede van rouwen ende van feesten,
+Van ridderscape groote daet,
+Van selsieneheden<a title="[margin: vreemde dingen.]"><sup>#</sup></a> menich baraet<a title="[margin: bedrieglijk spel.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>In den <i>Lancelot</i> vinden wij vele &#8222;wandele" of &#8222;dolende"
+ridders. Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier
+inneemt. Wij treffen hier o.a. reeds &#8222;'t wiel van avonturen"
+aan. Ook vrouw VENUS, die &#8222;den boom der minnen" in het
+harte der menschen plant; deze boom heeft twintig telgen:
+de eerste telg draagt &#8222;melthede", de tweede &#8222;oetmoedechede",
+de derde &#8222;sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde deel,
+dat de vertaling bevat van de <i>Queste van den Grale</i>, vinden
+wij veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de &#8222;hertheid van
+ertrike" voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren;
+zeven ridders zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de
+wereld; de oude en de nieuwe wet worden voorgesteld door
+eene vrouw op een serpent en eene op een leeuw gezeten<a href="#4.33">[33]</a>.
+
+<p>De roman <i>van Ferguut</i> heeft naar den inhoud iets eigens.
+FERGUUT immers is de zoon van een rijken dorper, wiens
+vrouw echter met den adel is vermaagschapt. Terwijl hij achter
+den ploeg loopt, komen eenige gezellen der Ronde Tafel, die
+op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te worden als
+zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting
+trekt hij naar ARTUR'S hof&mdash;evenals AIOL naar het hof te
+Parijs. ARTUR geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op
+avontuur, ziet de schoone GALIENE en wordt onder den invloed
+van de liefde tot haar langzamerhand een volmaakt ridder.
+Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door den
+invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieu<a name="111"></a>wen
+adel uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van
+de gemoedsontwikkeling der moderne volken onder den invloed
+der liefde.
+
+<p>Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige:
+ridder KEYE, ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk
+personage, bespot den boerenzoon; FERGUUT overwint
+ridders, bevecht eene reuzin, neemt deel aan het beleg
+van eene stad enz.
+
+<p>Iets eigens hebben ook de romans van <i>Floris en Blancefloer</i>
+en van <i>Partonopeüs en Melior</i>. In beide staat de liefde op den
+voorgrond, de avonturen&mdash;hoe talrijk en wonderbaarlijk ook&mdash;op
+den achtergrond. Maar in den eersten roman zien wij die
+liefde in een paar kinderen die samen opgroeien: een heidensch
+prinsje en een christelijke gravendochter. Door de ouders van
+FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde, met
+naïeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS
+wordt Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de
+grootouders van KAREL DEN GROOTE.
+
+<p>In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene
+dergelijke stof als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren
+jong edelman, PARTONOPEÜS VAN BLOIS, op jacht verdwaald,
+wordt door een tooverschip naar een geheimzinnig prachtig
+kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend, gaat hij na
+den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich
+naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar
+gelaat te zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt
+zijne gelofte en daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding
+van een paar jaren, waarin PARTONOPEÜS half waanzinnig
+rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De geheimzinnige
+minnares blijkt de dochter van den Keizer van Constantinopel
+te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPEÜS Keizer van
+Constantinopel wordt, spreekt vanzelf.<a name="112"></a>
+
+<p>Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide
+romans een historischen achtergrond: de nauwe aanraking
+tusschen Europa en het Oosten in den tijd der Kruistochten,
+aanraking ook tusschen Christendom en Heidendom; zegepraal
+van het eerste over het laatste, blijkbaar zoowel in de kerstening
+van FLORIS als in de kroning van PARTONOPEÜS. Elkanders tegenbeeld
+zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze waarop
+de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld zijn.
+
+<p>Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere
+werken van deze soort te onzent bekend geweest. MAERLANT
+maakt nog melding van: <i>Tristan en Isoude, Octaviaan, Madocs
+droom, Amadas en Ydoine</i><a href="#4.34">[34]</a>. Al zijn ons geene Nederlandsche
+bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er bestaat toch
+voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke
+werken, hierbij te voegen. Want&mdash;wij stipten het reeds
+aan&mdash;men mag ter wille van een beter overzicht wel spreken
+van Keltische of Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche
+romans; doch in waarheid zijn al deze werken voortbrengsels
+van denzelfden geest. Ten deele zal dat reeds uit het
+voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw, indien
+men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen.
+Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans?
+Niets dan de namen van plaatsen en personen; voor het overige
+gelijken zij volkomen op de andere romans. Grieken en Trojanen,
+mannen zoowel als vrouwen, gevoelen, denken en spreken als
+middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed en gewapend als zij.
+Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans ligt
+voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen
+verschil tusschen PARTONOPEÜS en PARIS, tusschen BLANCEFLOER
+en een of andere Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze
+en GALIENE of dergelijke heldinnen uit een Keltischen roman.<a name="113"></a>
+
+<p>De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet
+lang na het midden der 13<sup>de</sup> eeuw gedicht (tusschen 1257 en
+1264), de overige worden door hem in onderscheidene zijner
+werken genoemd en zullen dus wel tenminste zoo oud zijn als
+die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten deele, nog wel tot
+de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw behooren.
+
+<p>Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig
+houden, deze: welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen
+dezer oorspronkelijk Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers
+dier bewerkingen hunne taak opgevat en uitgevoerd?
+
+<p>De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat
+na te gaan; zoolang wij de onderscheiden werken, welke door
+VELTHEM zijn vereenigd, niet in hun oorspronkelijken vorm
+bezitten, kunnen wij bezwaarlijk uitmaken, wat van den oorspronkelijken
+Nederlandschen bewerker, wat van den compilator
+is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den eigenlijken
+Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd<a href="#4.35">[35]</a>. Dat het
+godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan
+in den Franschen roman, moet misschien op rekening van
+VELTHEM worden gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking
+moet toeschrijven van een bloedenden ridder bij een
+rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te maken<a href="#4.36">[36]</a>. Ook het
+duizendtal verzen dat wij van den roman <i>van Percevael</i> in zijn
+oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van nauwe
+aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts
+hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd
+te hebben<a href="#4.37">[37]</a>.
+
+<p>Op vaster grond staan wij bij de bewerking van den <i>Ferguut</i>.
+Het is mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking
+te danken hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn
+werk bij vs. 2593 zou hebben begonnen. Doch in allen gevalle<a name="114"></a>
+bestaat er geen reden, om het eerste deel der bewerking tegenover
+het tweede te stellen als het werk van een &#8222;hoofsch"
+tegenover dat van een &#8222;dorper" dichter; beide deelen der
+Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest
+die zeker eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden<a href="#4.38">[38]</a>.
+De dichter van den Franschen roman <i>Fergus</i> was blijkbaar een
+bewonderaar van CRESTIENS DE TROIES. De Nederlandsche
+bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het Fransche
+oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier
+niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE,
+een naam dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen
+uit CRESTIENS' <i>Ivain</i>, waar de kamenier van IVAIN'S minnares
+denzelfden naam draagt<a href="#4.39">[39]</a>.
+
+<p>De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige
+poëzie en de Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat
+weten te behouden. Zoo zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van
+GALIENE goed door hem weergegeven. Op een enkele plaats
+heeft hij de levendigheid van het oorspronkelijke verhoogd
+door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede is dan ook
+gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden.
+Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten
+of ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling
+van <i>vilain</i> door <i>vrient</i>; de zedigheid van den bewerker toont
+zich, waar uit de opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden
+de &#8222;mamelettes comme pumetes<a title="[margin: appeltjes.]"><sup>#</sup></a>" zijn verdwenen<a href="#4.40">[40]</a>. Had hij
+maar niets gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de
+beschrijving der jacht in het oorspronkelijke bij die in het
+Nederlandsche verhaal. Duidelijk blijkt dan dat de bewerker,
+anders dan de dichter, die hertenjacht in het bosch niet heeft
+<i>gezien</i>; niet gezien &#8222;hoe de Koning gaat staan in de stijgbeugels
+om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe &#8222;de
+bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt<a name="115"></a>
+&#8222;het hijgen en woelen" van het uitgeput hert en hoe het,
+verdronken in de rivier, komt bovendrijven met &#8222;den gezwollen
+buik, stijfstaand van het ingezwolgen water"<a href="#4.41">[41]</a>. Tal
+van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker ingevoegd;
+zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor
+Koning ARTUR en zijne ridders: &#8222;Hi stont ende sweette als
+een das"; iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand
+iets &#8222;aen sijn cleet wriven" of iemand &#8222;sijn vel verwarmen".
+FERGUUT blijft te lang weg van zijne minnares; &#8222;een vrouwenhart
+is niet van staal", waarschuwt de Nederlandsche dichter,
+en: &#8222;zijne rapen zouden wel eens kunnen aanbranden"<a href="#4.42">[42]</a>.
+
+<p>In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker
+de grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het
+doet voorkomen dat GENOVERE niets was in vergelijking van
+GALIENE en waar hij Koning ARTUR tot GALIENE doet zeggen:
+&#8222;ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw".
+
+<p>Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker
+afkomstig is: eene uitweiding over het karakter der liefde en
+een licht komisch glimpje hier en daar o.a. in een spottend
+verkleinwoord<a href="#4.43">[43]</a>. Doch noodig is dat niet om op grond dezer
+bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze bewerker een
+zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat, doch
+wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en
+aan de gewenschte fijnheid van gevoel.
+
+<p>Meer talent dan uit de bewerking van den <i>Ferguut</i> blijkt ons
+uit die van den <i>Partonopeüs</i>, waarvan groote fragmenten (meer
+dan 8000 verzen) tot ons zijn gekomen<a href="#4.44">[44]</a>. Dat deze bewerker
+onvoldoende kennis toont van ridderlijke kleeding en riddergebruik,
+raakt de aesthetische waarde zijner bewerking niet van
+nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch element heeft verzwakt,
+daar het parallellisme van eenige mooie verzen heeft voorbijgezien
+of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijken<a name="116"></a>
+hartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming
+daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt
+en o.a. de vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft
+weggelaten. Doch van meer gewicht dan dat alles is, dat hij
+op verscheidene plaatsen zijner bewerking toont dichter te zijn.
+Hij moge onbekend zijn met de namen van sommige kleedingstukken,
+met sommige gebruiken bij het geven van den ridderslag
+en het houden van een tournooi&mdash;aan <i>gevoel</i> voor deze
+dingen ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van
+den <i>Ferguut</i> heeft hij de jacht van PARTONOPEÜS op een wild
+zwijn blijkbaar wel voor oogen; hij voegt er zelfs een paar
+aardige trekjes aan toe: hij ziet den jachthond aan de &#8222;leise"
+(zeel), ziet hoe de honden met de oogen den ever volgen. In een
+troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij blijkbaar behagen:
+
+<p class="quote">scone gewapent quamen si echt<a title="[margin: achteraan.]"><sup>#</sup></a>,
+scilt ane hals ende spere gerecht,
+helm op 't hovet, baniere gebonden,
+ende neder totter hant ontwonden.
+</p>
+
+<p>Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat
+menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij:
+
+<p class="quote">Dus souden wi die roede houwen
+daer men ons soude mede blouwen<a title="[margin: slaan.]"><sup>#</sup></a>,
+</p>
+
+<p>Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn
+niet zelden door even fraaie Nederlandsche weergegeven<a href="#4.45">[45]</a>.
+
+<p>Hooger dan de <i>Partonopeüs</i>, het hoogst misschien van al
+deze bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'S <i>Floris ende
+Blancefloer</i>. Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en
+schoon Fransch gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk
+en mooi Nederlandsch berijmd verhaal, moet toegeschreven
+worden vooral aan zijne idealistische opvatting der liefde. Het<a name="117"></a>
+zaad der edele minne, afkomstig uit verhalen als <i>Tristram en
+Isoude</i>, <i>Paris en Helena</i> en andere werken der hoofsche minne-epiek,
+was bij hem in goede aarde gevallen: geen dorperlijk
+gemoed&mdash;hij besefte het&mdash;kon de edele minne op den
+rechten prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor
+clercken, leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring
+hebben leeren kennen<a href="#4.46">[46]</a>. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet;
+zij viel hem zuur, zooals hij ons zelf zegt; met passen en
+meten verdietschte hij het &#8222;walsch":
+
+<p class="quote">men moet corten ende lingen
+die tale, salmen se te rime bringen.
+</p>
+
+<p>en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne
+worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan<a href="#4.47">[47]</a>.
+Doch daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de
+vergelijking met zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die
+deelen van het werk welke door hem zijn uitgebreid of waarin
+hij meer zelfstandig te werk gaat, beter zijn dan de overige;
+dat over het algemeen de naïeve bevalligheid van het oorspronkelijk
+gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke wijze
+in zijn dietsch weergegeven.
+
+<p>Vermoedelijk eenigen tijd vóór DIEDERIC VAN ASSENEDE
+(c. 1220) heeft een Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK),
+hetzelfde Fransche gedicht in zijne moedertaal bewerkt. In
+sommige opzichten, vooral in gemoedsontwikkeling, staat FLEKE
+boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze de oorspronkelijke
+stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000 Fransche
+verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne wijdloopige
+reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd<a href="#4.48">[48]</a>.
+
+<p>Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen
+van de kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich
+openbaart in het bouwen van verzen en het vinden van rijmen,<a name="118"></a>
+dan wordt ons dat moeilijk gemaakt door den toestand waarin
+o.a. de romans der Lancelot-compilatie tot ons zijn gekomen.
+Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn wij geneigd
+aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen
+ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de
+stoplappen minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men
+o.a. in de romans <i>van Ferguut</i> en <i>van Partonopeüs</i>. Daar,
+evenals in den <i>Walewein</i> en den <i>Moriaen</i>, treft men vrij wat
+voorbeelden aan van het zoogenaamd <i>rime riche</i> (gelijke klank
+bij verschil van beteekenis of van functie), zoowel waar het
+geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het eigenaardig
+soort van rijm, dat wij in den <i>Renout van Montalbaen</i> aantroffen,
+waar steeds een of andere heilige in den rijmnood
+moet voorzien, vinden wij in den <i>Ferguut</i> terug<a href="#4.49">[49]</a>.
+
+<p>Zooals onder de Frankische romans o.a. de <i>Aiol</i> den overgang
+vormt van de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig
+werk als <i>Karel en Elegast</i>, zoo staat hier de bewerking van <i>Floris
+en Blancefloer</i> tusschen de vertaalde romans en een paar werken
+die mij voorkomen zelfstandig te zijn: <i>Moriaen</i> en <i>Walewein</i>.
+
+<p>Ook de roman <i>van Moriaen</i> is ons bewaard gebleven in de
+Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S
+handen te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken
+vorm tot ons te zijn gekomen<a href="#4.50">[50]</a>. Zelfstandig en eenigermate
+oorspronkelijk mag deze roman heeten, aangezien er geen
+origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon, een Moor, die voorgesteld
+wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt oorspronkelijk<a href="#4.51">[51]</a>.
+Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De
+zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige,
+uit andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft
+vereenigd tot een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is
+ten opzichte van taal en versbouw, doch overigens niets eigens<a name="119"></a>
+noch veel kunstvaardigheid toont. Een overwonnen ridder die
+door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt gezonden,
+tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de
+handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen
+tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg
+van een sterk kasteel&mdash;dat alles behoort tot het vaste materiaal
+waaruit deze romans werden samengesteld.
+
+<p>Bovendien heeft de dichter gedurig den roman <i>van Karel en
+Elegast</i> voor oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men
+zelfs woordelijke navolging opmerken<a href="#4.52">[52]</a>.
+
+<p>Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere
+romans had leeren kennen, schijnt ook de roman <i>van Walewein</i>,
+waarvan door den dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen
+werden gedicht en die met 3300 verzen door PIETER VOSTAERT
+werd voltooid<a href="#4.53">[53]</a>. Hier wordt ons verteld van onderscheidene
+&#8222;questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig schaakbord,
+in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet
+WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt
+te behooren aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het
+kleinood afstaan, indien hij daarvoor het wonderzwaard met de
+twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN bezit. Een nieuwe
+zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard slechts
+geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S
+dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot
+van JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een
+vos herschapen, wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht.
+WALEWEIN wint IJSABELE, ook haar hart, en trekt terug naar
+koning AMORAEN. Deze redt hem uit de moeilijkheid eener
+keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te overlijden.
+Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het
+schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar
+koning ARTUR die zijn schaakbord ontvangt.<a name="120"></a>
+
+<p>Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van
+andere minder belangrijke, zooals ze in deze romans plegen
+voor te komen.
+
+<p>Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste
+wonden geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in
+den lusthof van YSABELE en een gloeiende rivier rondom den
+burcht van koning ASSENTYN, om van den betooverden prins
+te zwijgen<a href="#4.54">[54]</a>. Zulke zaken vindt men eveneens in andere romans
+van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien aard.
+Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenis
+<i>van Peredur (Perceval)</i>; daar ook de vermelding van het &#8222;Castle
+of Wonders" of &#8222;van den wondere dat casteel" zooals het in
+den roman <i>van Lancelot</i> genoemd wordt. Ook de bron der
+jeugd, waarvan hier verhaald wordt; de smalle brug, scherp
+als een scheermes; de onderscheidene tafels, waaraan verschillende
+leden eener hofhouding middagmalen, zijn ons van
+elders bekend<a href="#4.55">[55]</a>.
+
+<p>Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters
+vereenigd tot een geheel; want eenheid is er, al is zij niet
+van hooger orde dan die in het bekende sprookje:
+
+<p class="quote">Toen ging hij naar de Galg:
+&#8222;Galg, wil jij Man hangen?
+&#8222;Man wil niet Os dollen,
+&#8222;Os wil niet water slobberen
+...
+...
+Ja, zei Galg.
+En Galg hing Man,
+En Man dolde Os
+En Os slobberde water
+ enz.<a name="121"></a>
+</p>
+
+<p>Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van
+deze soort, valt moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN
+HEELU kennen blijkbaar wel verhalen over <i>Walewein</i>; of zij
+echter het oog hebben juist op dezen roman<a href="#4.56">[56]</a>? Met het oog
+op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij sterk is, op
+het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die
+over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt,
+zou ik geneigd zijn dezen roman in allen gevalle tot de
+13<sup>de</sup> eeuw, en eer tot de eerste helft daarvan dan tot de tweede
+te brengen. Ook de taal en het vrij groot aantal assoneerende
+rijmen schijnen ons daartoe recht te geven<a href="#4.57">[57]</a>.
+
+<p>De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar
+macht en haar praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de
+gemoederen van velen hier te lande aangetrokken, beheerscht
+of bekoord. De poëzie, uit dat ridderwezen en ridderleven
+geboren, heeft vooral den adel, maar waarschijnlijk ook de
+aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan de indruk,
+door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk
+gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest.
+
+<p>Het feit alleen dat de ridderpoëzie zich te onzent ontwikkelde
+onder den invloed der Fransche ridderpoëzie, kan niet volstaan
+om die bewering te staven. Immers, ook in de overige landen
+van West-Europa was dat het geval. Doch&mdash;en dat feit weegt
+zwaarder&mdash;de volksziel nam hier te lande het ridderwezen
+niet zóó gretig in zich op, werd daardoor niet zoo krachtig
+bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale
+ridderpoëzie werd geboren; eene <i>eigen</i> ridderpoëzie, gelijk de
+Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON
+STRASSBURG, HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH
+en het nationaal-ridderlijk epos van <i>Nibelungen</i> en <i>Gudrun</i>.
+
+<p>Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de door<a name="122"></a>
+hen vertaalde of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar
+zien wij naast gevoel voor het ridderwezen in zijne onderscheidene
+uitingen, ook vroomheid en zedigheid die slechts
+matige sympathie koesteren voor de ridderidealen: die den
+hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende
+opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis
+aan verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische
+roman, dien wij voor een oorspronkelijk werk mogen houden,
+hooger staat dan de twee zelfstandig bewerkte Keltische romans.
+<i>Karel en Elegast</i> staat niet veel lager dan de beste "Chansons-de-geste"
+uit den nationalen cyclus; <i>Moriaen</i> en <i>Walewein</i> veel
+lager dan de beste Fransche romans van den uitheemschen
+cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich afspiegelt
+in de Frankische romans, heeft&mdash;zou men zeggen&mdash;sterker
+indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer
+sympathie gevonden, kon dus ook beter door hen vertolkt
+worden, dan dat der volgende periode, toen liefde, maar
+vooral zinnelijke liefde, hoofsche bevalligheid en fijne vormen
+overheerschend waren.
+
+<p>Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling
+van ons volk ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen
+geboren poëzie heeft de ridderlijke idealen onder deze
+volken helpen verbreiden. Die idealen en die poëzie hebben
+er deels ingang gevonden, deels hebben zij afkeer gewekt en
+verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder geestelijkheid en
+gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al niet tegen
+den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene andere
+richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting
+vragen nu onze aandacht.<a name="123"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.1">1</a>: De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE
+DE SAINTE PALAYE, <i>Mémoire sur l'ancienne Chevalerie</i>; L. GAUTIER,
+<i>La Chevalerie</i>; A. SCHULZ, <i>Das höfische Leben zur Zeit der Minnesinger</i>;
+MOLL, a.w. II, 4, 235.
+
+<p class="footnote">De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland&mdash;aanlokkelijke
+maar zware taak&mdash;moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL
+gaf een vlijtig bewerkte studie: <i>Het kasteel in de XIIIe eeuw</i>, later
+omgewerkt tot: <i>Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans</i>.
+Maar het blijft de vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde,
+ridderromans hier als bronnen mogen dienen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.2">2</a>: De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek
+zijn hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om
+de Nederlandsche ridder-poëzie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt,
+zal verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van
+dit overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON
+PARIS (<i>Histoire poétique de Charlemagne</i>); L. GAUTIER, <i>Le Epopées
+Françaises</i> (2e éd.); PIO RAJNA, <i>Le origini dell'epopea francese</i>;
+K. NYROP, <i>Den oldfranske heltedigtning</i>. Ik volgde vooral NYROP
+en de auteurs in PETIT DE JULEVILLE'S <i>Histoire</i>, I, 49&ndash;344.
+
+<p class="footnote">Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met
+belangrijke aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De
+oudere literatuur (tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL.
+Daarbij moet gevoegd o.a.: <i>Studies on the Legend of the Holy
+Grail</i> by ALFRED NUTT (1888) en de scherpe doch billijke en
+opbouwende critiek op NUTT'S werk door Prof. H. ZIMMER in
+<i>Gött. gel. Anzeigen</i> (1890); <i>Studies in the Arthurian Legend</i> by
+JOHN. RH&#374;S. (1891). Zie voorts de literatuur bij PETIT DE JULEVILLE
+a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W. FOERSTER'S <i>Der
+Karrenritter</i> (LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.3">3</a>: Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368&ndash;9; JONCKBLOET, I, 113 (noot).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.4">4</a>: Vgl. TE WINKEL, p. 79&ndash;83 en J. STECHER, <i>Hist. de la Litt.
+Néerl.</i>, p. 21 suivv.]<a name="124"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.5">5</a>: JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen
+gevestigd. Vgl. o.a. zijne <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, I, 140 vlgg.; 289 vlgg.
+
+<p class="footnote">TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijn
+<i>Maerlant's Werken</i>, (2e druk), bl. 402&ndash;408.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.6">6</a>: <i>Leven van Sinte Lutgart</i> (ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39&ndash;57. Vgl.
+ook de plaats uit <i>Van den Levene ons Heren</i> die later vermeld zal worden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.7">7</a>: <i>Acta Sanctorum Junii</i>, III, p. 242&ndash;3: &#8222;in quadraginta annis,
+quibus postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici
+addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit."
+<i>Leven van Sinte Lutgart</i>, II, 461 vlgg.
+
+<p class="footnote">S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwières) in 1246.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.8">8</a>: De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER
+in zijne voortreffelijke uitgave der <i>Chanson de Roland</i>, p. 30&ndash;31
+(in de aanteekeningen).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.9">9</a>: Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier
+behandelde fragmenten naar mijne <i>Mnl. Epische Fragmenten</i>. Daar ook
+vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.10">10</a>: <i>Spiegh. Hist.</i>, IV, 1, c. 29, vs. 73&ndash;76.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.11">11</a>: Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.12">12</a>: Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek,
+p. XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.13">13</a>: Vergelijkt men de Mnl. bewerking met het <i>Volksboek</i> (ed.
+MATTHES), dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van het <i>Volksboek</i>
+overeenkomen met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening
+zou het gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben
+geteld, daar het <i>V.</i> 184 bladzijden telt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.14">14</a>: Uitgegeven door Prof. J. VERDAM in <i>Tijdschrift voor Ned. T.
+en Lett.</i>, II, 209 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.15">15</a>: Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen,
+bemerkte ik, dat SUCHIER dat deel der <i>Lorreinen</i> hetwelk niet te
+vinden is in het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt,
+terwijl G. HUET het aan een verloren Fransch werk ontleend acht.
+
+<p class="footnote">De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten
+geleerde over dit onderwerp zijn gepubliceerd: <i>Romania</i>, XXI, 361
+suivv. en XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijne
+<i>Gesch. der Franz. Lit.</i> (1900), p. 45.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.16">16</a>: <i>Scaerdelijn</i> ziet er uit als eene afleiding van <i>scaert</i> (<i>scaerde</i>). Zie
+o.a. <i>Karel ende Elegast</i>, vs. 413 de &#8222;scaerde ende vlegghen" in de helmen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.17">17</a>: Zulke duels komen in de Oudfransche epische poëzie meermalen
+voor. Zie o.a. Pio RAJNA, <i>Le Origini</i>, p. 402.]<a name="125"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.18">18</a>: Eene collatie van het hs. gaf ik later in <i>Tijdschr. v. Ned. T.
+en Lett.</i>, IXe jaarg., p. 166, 189.
+
+<p class="footnote">Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: &#8222;Winechkijn, der Sassen
+here"; zie: <i>Spieghel Historiael</i>, III, 8, c. 86, vs. 3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.19">19</a>: Met terugneming van hetgeen ik vroeger (<i>Tijdschr. v. N.T. en
+L.</i>, IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat met <i>El'e</i> of <i>Es'e</i> in het hs.
+Elegast bedoeld is.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.20">20</a>: Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen
+als die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van
+het oorspronkelijk gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking,
+ook den geest van het gedicht en dien der bewerking. Overigens
+verwijs ik voor dit deel van mijn verhaal naar mijne <i>Middelnederlandsche
+Epische Fragmenten</i> en de vroeger aangehaalde werken over
+de Fransche epische poëzie. Doch er valt ook in onze ridderpoëzie
+nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de verhouding van den
+<i>Karlmeinet</i> tot de Mnl. ridderpoëzie.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.21">21</a>: In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den
+tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eene <i>vertaling</i> in onzen
+zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer
+een <i>bewerking</i> dan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat
+BORMANS (<i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, p. 51) zegt: &#8222;traduire c'était imiter;
+on retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes
+manières." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking
+in te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene
+redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet
+vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben
+gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft
+in zijn onderzoek van den <i>Partonopeus</i>, Dr. BOTERMANS in dat
+van <i>die hystorie van die seven wyse mannen van romen</i>; ik meen
+ook te mogen wijzen op mijne Inleiding tot de fragmenten van het
+<i>Roelantslied</i>.
+
+<p class="footnote">Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor
+eene vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men
+den geest der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of
+wijzigingen vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den
+bewerker moeten zetten.
+
+<p class="footnote">Bij de vergelijking der bewerkingen van <i>Nibelungen</i>, <i>Roelantslied</i>,
+<i>Reinaert</i>, <i>Rinclus</i> e.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen
+van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende
+afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker.]<a name="126"></a>
+[Voetnoot <a name="4.22">22</a>: <i>Aiol</i> (ed. VERDAM), vs. 14&ndash;17.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.23">23</a>: T.a.p., vs. 390&ndash;405:
+
+<p class="footnotequote">&#8222;Verdoemt moete de maechscap sijn"
+&#8222;Ay, maechscap, wat heb di mi gedaen!"
+ enz.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.24">24</a>: Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095,
+1103 (pass.), 1147, 1248, 1515, 1774.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.25">25</a>: Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN
+EN ZOON. 1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook:
+BERGSMA'S <i>Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast</i>.
+(Groningen. 1890).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.26">26</a>: Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan.
+Maar JONCKBLOET was zóó bevangen door zijne studiën der Oudfransche
+Chanson-de-geste&mdash;hoe uitnemende vruchten die studiën
+ook hebben gedragen&mdash;en had daarbij zóó weinig geloof in het
+dichterlijk vermogen van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde
+hem reeds dadelijk afdoende voorkwamen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.27">27</a>: <i>Karel ende Elegast</i> (ed. KUIPER), vs. 768&ndash;9, 837&ndash;839, 923.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.28">28</a>: <i>Roof</i> was niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte
+onderscheid tusschen &#8222;diefte ende roof" (<i>Limborch</i>, X, 505). MAERLANT
+zegt in zijn <i>Rijmbijbel</i>, (I, p. 206): &#8222;Ne roof niet, hen si dijn"; in
+den <i>Spiegh. Historiael</i>, III, p. 374: &#8222;onse aerme worden rike
+met rove". Zie verder <i>Nederd. Regtsoudheden</i>, p. 282. De dichter
+van <i>Van den Levene ons Heren</i> legt het zelfs Jezus in den mond,
+(vs. 943).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.29">29</a>: Vs. 105 vlgg; 203 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.30">30</a>: Een overzicht van den <i>Oorsprong van den Graal</i> gaf TEN BRINK
+in eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie.
+Afzonderlijk uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.31">31</a>: Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van
+deelen der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door
+TE WINKEL, MOLTZER en FRANCK in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, X,
+XIII, XIV, XIX, en door VAN VEERDEGHEM in de <i>Bulletins de
+l'Acad. Royale de Belgique</i>, 3me série, tome XX, n<sup>o</sup>. 12.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.32">32</a>: TE WINKEL, <i>Geschiedenis,</i> p. 190.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.33">33</a>: Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.34">34</a>: Vgl. <i>Maerlant's Werken</i> door Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg.
+
+<p class="footnote">Ook in <i>Floris en Blancefloer</i>, (vs. 58&ndash;59) wordt melding gemaakt
+van de geschiedenis <i>van Tristram en Ysoude</i>.]<a name="127"></a>
+
+<p class="footnote">In het gedicht <i>Van den Levene ons Heren</i>, vs. 15, wordt onder de
+romans waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die
+
+<p class="footnotequote"><i>Van Pyramuse</i>, hoe hi sijn leven
+Verloos....
+</p>
+
+<p class="footnote">In de Oudfransche literatuur bestond een roman van dien naam.
+(Vgl. P. DE JULEVILLE'S, <i>Histoire</i> etc., I, 244).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.35">35</a>: Zie JONCKBLOET'S <i>Inleiding</i> op Deel II, p. CCVI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.36">36</a>: Vgl. o.a. III, 22557 vlgg.; IV, 2149-'50.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.37">37</a>: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIII, 38.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.38">38</a>: VERWIJS geloofde aan twee dichters. Zie zijne Inleiding, p. XXIX.
+Bij zijne argumenten moet nog gevoegd worden dat in het eerste
+deel niet 19 assoneerende rijmen voorkomen, maar 28 (vgl. vs.
+59&ndash;60, 121&ndash;122, 563&ndash;4, 605&ndash;6, 669-'70, 711-'12, 1029-'30,
+1331&ndash;2, 1673&ndash;4).
+
+<p class="footnote">Deze voorstelling werd door JONCKBLOET bestreden. (Vgl. zijne
+<i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, I, 310). Ik zou mij eer aan de zijde van J.
+scharen; doch acht den strijd niet zoo heel gewichtig, omdat in allen
+gevalle de geest der bewerking doorgaans dezelfde blijft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.39">39</a>: Zie o.a. RH&#374;S, <i>Studies</i>, 93, 105 en PETIT DE JULEVILLE
+a.w. I, 310.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.40">40</a>: Vgl. vs. 1360 vlgg. (liefdesoverpeinzingen); 1671-'6 (dialoog);
+1658 en 1666; vs. 1182 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.41">41</a>: Vs. 75 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.42">42</a>: Vs. 319, 2057, 5328, 4984; andere dergelijke uitdrukkingen:
+399&ndash;400, 402&ndash;4, 1170, 2099.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.43">43</a>: Vs. 5035, 5056; 2768-'84; 3500 vlgg. (waar de afschuwelijke
+reuzin PANTASALE &#8222;scone wijf" wordt genoemd); 3365, 3524, 3533.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.44">44</a>: Vgl. het in menig opzicht uitnemend proefschrift van Dr. A.
+VAN BERKUM: <i>De Middelnederlandsche bewerking van den Partonopeusroman</i>.
+(Groningen, WOLTERS. 1897.)]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.45">45</a>: Zie VAN BERKUM a.w. LXIII, LXVII, LXXI; CXV; CIV;
+CIII, CXXXIII; XLIV; CV, CVI, CVIII; XCVII, CXII-CXIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.46">46</a>: Die opvatting in vs. 3&ndash;13, 53&ndash;75, 1012 (door MOLTZER
+blijkens zijne aanteekening niet begrepen); vs. 1365 (waar met het
+hs. <i>sot</i> moet worden gelezen).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.47">47</a>: Vgl. vs. 22, 86; vs. 19&ndash;20; al te lange verzen of zulke waarin
+men geen rhythme hoort zijn b.v. vs. 1900, 1918, 2005, 2058, 2339,
+2647, 2859, 3567, 3853.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.48">48</a>: Uit vs. 282&ndash;4 zou men opmaken, dat D.v.A. meer dan een<a name="128"></a>
+redactie van het verhaal heeft gekend. Van de twee door ED. DU MÉRIL
+uitgegeven redactie's van het Fransch gedicht, staat A dichter bij
+DIEDERIC'S werk dan B; echter heeft DIEDERIC waarschijnlijk eene
+ons onbekende redactie gevolgd. Die redactie zal wel dezelfde zijn
+geweest als of dicht gestaan hebben bij de door FLEKE gebruikte: in
+vs. 272-'82, 474-'95, 1562-'81, staat D.'s bewerking dichter bij die
+van FLEKE dan bij version A.
+
+<p class="footnote">Vgl. over de verhouding der onderscheiden redacties: MOLTZER'S
+Inleiding voor zijne uitgave; H. SUNDMACHER, <i>Die altfranzösische
+und mhd. Bearbeitung der Sage von Flore und Blanscheflur</i>. (Göttingen.
+1872) en H. HERZOG in <i>Germania</i>, 1884, 149. SUNDMACHER
+overschat FLEKE'S bewerking, die hij bespreekt alsof ze een oorspronkelijk
+werk ware; onderschat de Middelnederlandsche. HERZOG'S stuk is vol
+geleerdheid, gewaagde onderstellingen en slotsommen.
+
+<p class="footnote">Op vele plaatsen is DIEDERIC'S bewerking veel uitvoeriger dan het
+Fransch. B.v. in vs. 213-'30, 322-'48, 474-'95, 519-'34, 1562-'81,
+1922-'31, 2148-'54, 2219-'22, 2224-'48, 2735-'50, 2750&ndash;2820,
+2827-'31, 3173-'95, 3376-'81.
+
+<p class="footnote">Niet in het ons bekende Fransch komen voor: 272-'82, 378-'9,
+410-'20, 570-'85, 714&ndash;831 (iets daarvan in version B), 2197&ndash;2204,
+2841-'9, 2887-'9, 3139-'49, 3396&ndash;3415, 3482-'97.
+
+<p class="footnote">Van deze plaatsen vindt men voor een klein deel iets bij FLEKE;
+maar DIEDERIC gaat ook daar doorgaans zijn eigen weg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.49">49</a>: Vgl. vs. 657&ndash;8, 2138, 2830, 2908, 3201, 3762, 3832, 4534, 4749,
+4783, 4839, 5275, 5392.
+
+<p class="footnote">Ook in de Fransche epische poëzie was dit heiligen-rijm bekend.
+Vgl. NYROP in de vertaling van <i>Gorra</i>, p. 383.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.50">50</a>: Vgl. FRANCK'S uiteenzetting in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIX,
+45&ndash;46.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.51">51</a>: In den <i>Merlijn</i> wordt vs. 31706 zekere ridder <i>Morian</i> genoemd
+(&#8222;Dander was Morian, als ic versta"). Waarschijnlijk hebben wij hier
+echter te doen met een bedorven tekst; immers diezelfde ridder wordt,
+verderop in dat hoofdstuk, tweemaal <i>Moriaval</i> genoemd (vs. 31942,
+31989). Misschien had het hs. <i>Moriau'</i>; het is bekend hoe licht <i>u</i> en
+<i>n</i> verwisseld werden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.52">52</a>: Vgl. Dr. BERGSMA'S uitgave van <i>K.e.E.</i>, bl. 47&ndash;48. Bij de
+daar opgegeven plaatsen moet nog gevoegd worden: vs. 112 (het
+tooverkruid uit den <i>K.e.E.</i>) en <i>M.</i> 607&ndash;8 = <i>K.e.E.</i>, vs. 1205&ndash;6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.53">53</a>: JONCKBLOET hield ook dezen roman voor vertaald; doch de
+bewijsgronden, door hem aangevoerd, zijn zwak. Van een Fransch<a name="129"></a>
+origineel is niets bekend; J. zelf houdt de aanwijzing bij ROQUEFORT
+(II, 33) voor eene vergissing; de door R. aangehaalde plaatsen (II, 129),
+meerendeels gemeenplaatsen, hebben weinig bewijskracht. Ook kan
+men den proloog maar niet wraken of uitleggen, zooals J. doet. Er
+zijn inderdaad vele verwijzingen naar een bron of bronnen (bij
+VOSTAERT meer dan bij PENNINC); doch die geven nog geen recht
+om aan te nemen, dat hier een voorbeeld werd nagevolgd.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.54">54</a>: Deze elementen aangewezen door JONCKBLOET in zijne uitgave
+van den roman (II, 152&ndash;153).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.55">55</a>: Vgl. RH&#374;S, <i>Studies</i>, 105 en 55; <i>Lancelot</i>, II, 40393; <i>Walewein</i>,
+vs. 1010 vlgg.; 3550 vlgg. en II, p. 153.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.56">56</a>: Vgl. JONCKBLOET'S uitgaaf II, 135.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.57">57</a>: Gevoel voor het ridderwezen in vs. 1846 vlgg.; 4333 vlgg.; de
+beschrijving van het gevecht, vs. 10598&ndash;10635. VOSTAERT heeft eens
+de platte vergelijking van een bloedenden ridder bij eene geslachte
+koe. (8830&ndash;1).
+
+<p class="footnote">De godsdienstige tint in vs. 147&ndash;9, 236&ndash;8, 292&ndash;4, 378&ndash;9, 384,
+460, 478-'81, 495 vlgg., 574&ndash;6, 666, 1154&ndash;6, 1326-'30, 2684,
+2695, 2980&ndash;4, 3010, 3049-'51, 3360-'66, 3626-'33, 3649-'50, 3714,
+3875-'7, 3946-'54, 4020-'1, 4064-'5, 4097 vlgg., 4268-'9,
+4348-'52, 4436-'7, 4758 vlgg., 6138, 6142, 6683 vlgg., 7049-'55,
+7198&ndash;7200, 7687-'8.
+
+<p class="footnote">Bij VOSTAERT: 8118-'9, 8133-'5, 8380-'5, 8478, 9272-'7, 9376-'7,
+9531, 9866, 11088.
+
+<p class="footnote">De moralizeerende toespraak van den dichter tot zijn publiek
+(4838&ndash;4845) zou ik dan ook niet met JONCKBLOET willen schrappen,
+als van een afschrijver afkomstig.
+
+<p class="footnote">Over de taal vgl. JONCKBLOET II, 135. Verscheidene daar genoemde
+woorden komen echter ook in later tijd voor.]<a name="130"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>2. GEESTELIJKE POËZIE.</h2>
+
+<p class="intro">Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke poëzie. <i>Van den
+Levene ons Heren</i>. Heiligenlevens. <i>Rinclus</i>. Ontstaan der mystiek.
+Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schönau. Mechthild van Maagdeburg.
+Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies,
+Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van
+Tongeren. <i>Leven van Sinte Lutgart</i>. De Minne. Hadewych.
+
+<p>Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken,
+daar ging haar streven in dezelfde richting als dat
+der geestelijkheid die de Christelijke idealen, voor een deel
+althans, tot werkelijkheid trachtte te maken. En dat was niet
+het eenige punt, waar deze beide standen elkander raakten.
+Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel behoorden,
+lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een Westvlaamsch
+auteur der 14<sup>de</sup> eeuw gaat zelfs zóóver dat hij zegt:
+
+<p class="quote">Van vier moneken sijn die drie
+Gheboren van groten maghen.<a href="#5.1">[1]</a>
+</p>
+
+<p>In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige
+maatschappij vereenigd.
+
+<p>Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een
+scherp verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens.
+Waar de adel, alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen
+ontzag om zijn doel te bereiken, daar kwam hij in botsing met
+die geestelijken welke, hunne roeping getrouw, den blik op
+het eeuwige gevestigd hielden.<a name="131"></a>
+
+<p>De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde
+zonder wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en
+te lezen gaven, moest kwaad zijn in de oogen van vrome
+geestelijken. Daartegen waarschuwen moesten zij plicht achten.
+Doch dan mochten zij het niet laten bij waarschuwen; dan
+moesten zij trachten den verkeerden invloed dier ridderromans
+te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen
+op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg
+ontstond geestelijke poëzie als eene terugwerking der ridderpoëzie.
+Wij hebben reeds vroeger eene plaats uit het <i>Leven van
+Sinte Lutgart</i> leeren kennen, die ons dien gang van zaken
+toont<a href="#5.2">[2]</a>.
+
+<p>Tegenover al die &#8222;sagen van wigen och van tavelronden",<a title="[margin: Verhalen van oorlogen en tournooien.]"><sup>#</sup></a>
+van &#8222;minne" die niet tot de &#8222;gerechte minne", nl. de liefde
+tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN AFFLIGHEM zijn leven
+van de maagd LUTGARDE &#8222;dat vromelic es ende goet". Eene
+tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedicht <i>Van
+den levene ons Heren</i>. In den proloog van dat werk waarschuwt
+de dichter zijn publiek tegen zoo menige &#8222;rime die ter zielen
+luttel smaect"; hij heeft daarbij het oog op verhalen
+
+<p class="quote">Van battalien ende van minnen
+Van meneghen die wi niet kinnen:
+Van Roelande ende van Oliviere,
+Van Alexandre ende van Ogiere,
+Van Walewaine ende van siere macht,
+Hoe hi jeghen sine viande vacht;
+Van Digenen, hoe hi sijn lijf
+Tormente omme een scone wijf;
+Van Pyramuse hoe hi sijn leven
+Omme minne verloos....<a href="#5.3">[3]</a>
+</p>
+
+<p>Doch dat zijn alles &#8222;boerden", al zijn zij op schrift gebracht.<a name="132"></a>
+Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarin <i>waarheid</i>
+verkondigd wordt: van &#8222;waarheid" spreekt zijn werk, immers
+van den heiligen Christus.
+
+<p>Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd
+om de kern van het werk: de verlossing van het menschdom,
+zijn hier door een echt dichter vereenigd tot een geheel dat
+hooge waarde heeft<a href="#5.4">[4]</a>.
+
+<p>De ons onbekende maker, misschien een &#8222;clerc", heeft zijne
+stof tusschen 1260&ndash;1270 bewerkt, zooals hij die had leeren
+kennen uit den bijbel en uit andere bronnen<a href="#5.5">[5]</a>. Onder die
+andere bronnen moeten de zoogenaamde apocriefe evangeliën
+in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel kreeg de
+christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei
+uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch
+behalve die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken,
+vond men andere evangeliën over JEZUS, MARIA, JOZEF,
+PILATUS, JOZEF van Arimathea en andere heilige personen, die
+als een sterke onderstroom het godsdienstig gemoedsleven
+onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke bijbelboeken
+waren voor het grootste deel des volks te sober, te verheven;
+de apocriefe evangeliën wisten hun allerlei te vertellen waarover
+de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht
+naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES
+afliep; van JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar
+aanwezige heilige mannen uit het Oude Testament, ondanks
+het verzet der duivelen, verloste. Aan het gewoon-menschelijke,
+het dagelijksche is in deze verhalen meer plaats vergund; maar
+ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte. Dat alles
+trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken
+die één was met het volk waaronder hij stond, al stak hij
+boven hen uit door zijne dichterlijke gaven.
+
+<p>Dat dit gedicht volkspoëzie bevat, zou men reeds vermoeden,<a name="133"></a>
+wanneer men ziet welk een warme liefde tot de misdeelden
+den dichter bezielde:
+
+<p class="quote">Selen wy dragen bont ende grau,
+Ende ons sieren als enen pau,
+Ende die arme sal sijn in selc bedwanc,
+Dat hi ne sal hebben spel no sanc?
+</p>
+
+<p>Maar niet alle vóór het volk geschreven poëzie is volkspoëzie.
+Deze is het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de
+wendingen der volkspoëzie, zooals wij die van elders kennen.
+Zoo b.v. de rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIËL
+Gods wil aan MARIA komt boodschappen:
+
+<p class="quote">Vant hi Marien ter venstren staen?
+Vant hise achter<a title="[margin: langs.]"><sup>#</sup></a> straten gaen ?
+Vant hise in plaetsen<a title="[margin: pleinen.]"><sup>#</sup></a>, vant hise int spel?
+Neen hi, niet; die maecht pensde al el<a title="[margin: andere dingen.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Zoo ook wendingen der verhalende volkspoëzie als: &#8222;Doe
+sprac een jode: Heren, hort na my"; het afgebrokene in den
+zinbouw, den korten vleugelslag van des dichters gedachten<a href="#5.6">[6]</a>.
+
+<p>De naïeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige,
+die wij later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken,
+openbaren zich hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid
+van toon, een doorvoelen van JEZUS' lijden, zooals
+later MEMLINC het ons te zien zal geven. Telkens hooren wij
+van &#8222;dat zoete kint", zijne heilige, zijne gebenedijde hand, zijn
+zoete hart; God &#8222;van hemele", &#8222;d'alweldeghe God", de heilige
+engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in verzen als:
+&#8222;Kinder, seit hi, hoert na mi" of &#8222;Kinder, seit hi, lieve vrient"<a href="#5.7">[7]</a>.
+De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat tegen
+HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel
+als een hond; hij is een &#8222;dief" (in de taal onzer voorouders:<a name="134"></a>
+het inbegrip van alle kwaad), een &#8222;onreyne drake"; ten laatste
+wordt hij krankzinnig, het helsche vuur gloeit uit zijne oogen<a href="#5.8">[8]</a>.
+Geen woorden genoeg heeft de dichter om de Joden uit te
+beelden in hunne felheid, die hen doet schuimbekken; in het
+welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en martelen;
+in hun schamperen spot<a href="#5.9">[9]</a>. Die haat en die liefde zijn beide
+in hooge mate naïef. &#8222;God is een goed wreker", zegt de dichter,
+&#8222;al spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: &#8222;Hart, kondt
+gij spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden
+klagen". Van GABRIËL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer
+bracht en ter verklaring daarvan: &#8222;Hine dorst laten, want hi
+was God". De duivel spreekt van &#8222;mijn hel"<a href="#5.10">[10]</a>.
+
+<p>Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden
+verminderde den afstand tusschen God en de geloovigen, die
+niet zich verhieven tot Hem maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen,
+door latere geslachten in acht genomen, bestaan voor
+dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt niet, de schamele
+hut, het &#8222;huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt, met
+zachte ironie &#8222;dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS
+te zeggen, dat hij &#8222;zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende,
+of ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij
+onder stoelen en banken door kruipt om bij JEZUS te komen<a href="#5.11">[11]</a>.
+
+<p>Zooals de dichters der ridderpoëzie zich eene klassieke oudheid
+schiepen naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde
+deze volksdichter met de bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling
+van het maatschappelijk en huiselijk leven in Palaestina,
+geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving, zooals lang vóór
+hem de dichter van den Oudsaksischen <i>Hêljand</i> had gedaan.
+JEZUS deelt aan zijne twaalf &#8222;gezellen" mede, dat de smartelijke
+kruisdood hem wacht; de &#8222;gezellen" zwijgen op dat bericht,
+maar PETER &#8222;zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord
+en wenscht dat JEZUS nog berouw moge krijgen over hetgeen<a name="135"></a>
+hij gezegd heeft: &#8222;Ghi sijt een so scone man", zegt hij, &#8222;hoe
+komt zoo iets dan in uwe gedachten?"
+
+<p>Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld
+staand of zittend &#8222;in een rinc", zooals dat van ouds ook hier
+te lande gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die
+aan MAHOMED gelooven; zij komen &#8222;met manne ende maghe"
+te samen; hun hoogepriester wordt &#8222;bisschop" genoemd, PILATUS
+noemt zich zelven &#8222;meier". Hier en daar klinken tonen uit de
+ridderpoëzie door deze geestelijke poëzie heen: wij treffen woorden
+aan als stegereep<a title="[margin: stijgbeugel.]"><sup>#</sup></a>, ghereide en vorboech"<a title="[margin: borstriem.]"><sup>#</sup></a>, als &#8222;glaviën"
+voor lansen; geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij
+JEZUS' graf; van een slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande
+uitdrukking gebezigd: &#8222;dat hi en horde no en sach"<a href="#5.12">[12]</a>. Het
+wonder van het droogvoets trekken der Israëlieten door de
+Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de Roode Zee
+maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der elementen
+herinnerend aan den baaierd vóór de schepping, ergens ver weg
+in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op
+zijne zwerftochten bezocht<a href="#5.13">[13]</a>.
+
+<p>Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen
+dichter die het leven van JEZUS zóó medeleeft, welt poëzie op
+telkens wanneer een deel van dat leven hem sterk ontroert.
+Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S moederweelde schetst:
+
+<p class="quote">Sat Maria, ghinc se ochte stoet<a title="[margin: of stond zij.]"><sup>#</sup></a>,
+Sie custe dicke<a title="[margin: dikwijls.]"><sup>#</sup></a> haers kindes voet,
+Daer sijt in die wieghe leide ofte nam;
+Soe lanc soe meer tkint haer bequam<a title="[margin: behaagde.]"><sup>#</sup></a>.
+Als tkint weende, haer was onsachte,
+Sie sweghet<a title="[margin: suste.]"><sup>#</sup></a> minlike, soete ende sachte;
+Als tkint hadde honger ofte dorst,
+Sie gaf hem haer ghebenedide borst;<a name="136"></a>
+Sine cleder waren altoos wit,
+Nieuwe gedweghen<a title="[margin: pas gewasschen.]"><sup>#</sup></a>, groot recht was dit;
+Sijn bat ne was no heet no cout,
+Met rechte was tkint sire moeder hout<a title="[margin: genegen.]"><sup>#</sup></a>.
+Maria herde wel dies wachte,
+Dat sine wieghe was scone ende sachte;
+At sie, dranc sie, al dat sie dede,
+Haer oghen volgden den kinde mede.
+</p>
+
+<p>Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen,
+lachend tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend
+oogenblik zullen treffen:
+
+<p class="quote">Daer tkint sach blicken<a title="[margin: schitteren]"><sup>#</sup></a> tscarpe swert,
+Tkint loech ten mordenare wert.
+</p>
+
+<p>Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van
+het rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat
+zijn verhaal telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud
+Driekoningen-lied te hooren in:
+
+<p class="quote">Drie coninge woenden in Oriënt,
+D'een den anderen wel ghehent<a title="[margin: naburig.]"><sup>#</sup></a>.
+. . . . . . . . . . . . . . .
+Een werf<a title="[margin: eens]"><sup>#</sup></a> in ere avontstont
+Een clare sterre an den hemel stont.
+. . . . . . . . . . . . . . . . . .
+Sie lasen op, (sie lasen) nedere,
+Ter sterren si keerden wedere.
+. . . . . . . . . . . . . . .
+Een coninc vant ende las,
+Wat dat scone boekijn<a title="[margin: voorteeken.]"><sup>#</sup></a> was.
+ Enz.<a name="137"></a>
+</p>
+
+<p>Zóó dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen
+gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan
+van het epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier
+bestaande liederen door den dichter tot een geheel zijn verenigd<a href="#5.14">[14]</a>.
+Doch al acht ik dit niet waarschijnlijk, voor zeker
+houd ik, dat het gedicht, ware het in beter toestand tot ons
+gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het nu reeds doet.
+
+<p>Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere
+van zijnen Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den
+ombouw en het bijwerk waarmede een latere tijd haar heeft
+ontsierd, dan zou eerst duidelijk blijken, hoe oorspronkelijk
+van opvatting dit voortbrengsel van naïve kunst is en welk
+een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert.
+
+<p>Niet van alle geestelijke poëzie, welke wij meenen te mogen
+brengen tot de 13<sup>de</sup> eew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan
+is uit eene terugwerking der ridderpoëzie. Trouwens, ook
+werken als het <i>Leven van Sinte Lutgarde</i> en <i>Van den Levene
+ons Heren</i> zijn natuurlijk niet voortgebracht louter uit begeerte
+om tegenover de ridderromans geestelijke poëzie te plaatsen.
+Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te verdiepen in het
+eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te verdiepen
+in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn
+der christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere
+werken ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen,
+tegenovergesteld aan den geest en het karakter der
+ridderpoëzie.
+
+<p>Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13<sup>de</sup> eeuw, dat ons
+een fragment van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft,
+bevat een aantal berijmde levensverhalen van heiligen: <i>van sente
+Marie Egyptiake, van sente Eustaesse, van sente Aechte, van
+sente Caterine, van sente Waerneer</i><a href="#5.15">[15]</a>.<a name="138"></a>
+
+<p>Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen.
+De meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben
+geteld en geven een eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen
+der bovengenoemde heilige vrouwen en mannen.
+Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit het Latijn; ook het
+beroep op eene &#8222;scrifture" dat men in het leven <i>van sente
+Eustaesse</i> vindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De
+legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen
+algemeen verbreid geloof aan een, jaarlijks door de Joden
+gebracht, offer van een Christenkind &#8222;wit<a title="[margin: blank.]"><sup>#</sup></a>, blosende ende root."
+
+<p>Dat deze heiligenlevens van ééne hand zijn, is natuurlijk
+mogelijk; doch het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij
+van de meeste slechts betrekkelijk kleine fragmenten hebben.
+Misschien moet men het onwaarschijnlijk achten, omdat b.v.
+het leven <i>van sente Aechte</i> zooveel assoneerende rijmen vertoont,
+terwijl die in de overige fragmenten schaarscher zijn of,
+zooals in het leven <i>van sente Marie Egyptiake</i>, schijnen te
+ontbreken<a href="#5.16">[16]</a>. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen
+hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht:
+dat het aanhooren van zulk een levensverhaal onder
+hunne goede werken moge medegerekend worden<a href="#5.17">[17]</a>.
+
+<p>Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst
+worden gerekend een klein fragment van <i>de boec der biechten</i>,
+dat eveneens in het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT
+gevonden wordt. Vermoedelijk is dit werk uit denzelfden tijd
+als de bovengenoemde heiligenlevens. In allen gevalle is het
+aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk vervaardigd zal
+zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar reeds in
+de 9<sup>de</sup> eeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die
+aan de Denen het evangelie zouden verkondigen<a href="#5.18">[18]</a>.
+
+<p>Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het
+middeleeuwsch Christendom de voorstelling van God als &#8222;een<a name="139"></a>
+goed wreker", volgens de uitdrukking in <i>Van den Levene ons
+Heren</i>. Het is niet geheel zeker maar toch m.i. waarschijnlijk,
+dat er reeds vóór het midden der 13<sup>de</sup> eeuw te onzent een
+gedicht <i>van onses Heren wrake</i> bekend was, vertaald of vervaardigd
+door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht
+zal waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting
+van Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld
+te worden als Gods wraak over het ter dood brengen
+van JEZUS. In den proloog van zijn boek over den Graal
+en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht &#8222;wyde becant";
+was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding
+van het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd
+vereischt, en moet het dus ten minste in de eerste helft der
+13<sup>de</sup> eeuw ontstaan zijn<a href="#5.19">[19]</a>.
+
+<p>Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking
+van een Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12<sup>de</sup> of den
+aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoord
+<i>Miserere</i> genoemd wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar)
+van Moiliens werd gedicht<a href="#5.20">[20]</a>. In de geschiedverhalen onzer
+letterkunde wordt het kortweg <i>Rinclus</i> genoemd<a href="#5.20">[20]</a>. Het Fransche
+werk is in 12-regelige coupletten gedicht, een vorm die in de
+Nederlandsche overzetting behouden bleef. De 97 eerste coupletten
+werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp
+van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren
+HEINREC. Het gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de
+vragen: wat de mensch geweest is, wat hij is en wat hij zijn
+zal; het wekt op tot navolging der martelaren, tot het doen
+van de rechte keuze tusschen God en de wereld, het betoonen
+van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de dichter
+zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft
+zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van
+weelde, ijdel zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch leven<a name="140"></a>
+ontleend zijn. Ook de priesterschap en de kloosterlingen worden
+niet gespaard.
+
+<p>De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts
+de hoofdzaken van het origineel terug, of slechts het een en
+ander daarvan<a href="#5.21">[21]</a>. Soms heeft de Nederlander zijn voorbeeld
+niet begrepen en maakt hij er maar iets van; elders heeft hij
+een beeld weggelaten dat hij misschien geen kans zag weer te
+geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten, waaraan
+die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid ontleent.
+Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk
+die op het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel;
+in het Fransche verhaal <i>van Sint Maarten</i> die zijn
+mantel doorsnijdt, krijgt men &#8222;het stalen zwaard" te zien&mdash;de
+Nederlandsche bewerking spreekt slechts van de &#8222;snede die
+den mantel deelde in tween". Elders is eene tegenstelling
+grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene
+realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het
+Dietsch ingetogener dan het Fransch<a href="#5.22">[22]</a>.
+
+<p>Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun
+voorbeeld schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar
+voegen zij&mdash;GIELIJS meer dan HEINREC&mdash;iets van het
+hunne in; onder die invoegsels of wijzigingen zijn er die
+verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten. In n<sup>o</sup>. 33 is
+sprake van priesters die&mdash;zooals HEINE zegt&mdash;&#8222;water preeken,
+maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM
+niet als kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke
+&#8222;verlucht" met dit beeld: &#8222;eerst moet hij zelf
+de donkere diepte bevaren; dan zal hij wind in zijn zeil
+krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak &#8222;on veut bien
+étain pour argent" door: &#8222;want hi neemt rogge daer hi leent
+evene" (haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort
+van den rijke, heet het bij GIELIJS: &#8222;men sant hem niet dan<a name="141"></a>
+hontgebas". Van een begeerig man die verlangend voor een
+gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch: &#8222;tant huka<a title="[margin: schreeuwde.]"><sup>#</sup></a> et
+tant apela"; GIELIJS vertaalt: &#8222;Hi claterde der doren rinc".
+Elders vinden wij in het origineele gedicht een hoovaardige
+in dit vers: &#8222;orguieus va dou col coloiant"<a title="[margin: rek (reik)-halzend.]"><sup>#</sup></a>! Aardig geschetst;
+maar GIELIJS overtreft zijn voorbeeld met: "'t Hoot op hals als
+een hane die crait". Op een andere plaats weer heeft hij de
+voorstelling verlevendigd door het invoegen van een dialoog<a href="#5.23">[23]</a>.
+
+<p>Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten
+zoowel aan GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest;
+hier en daar vindt men zelfs plaatsen die woordelijk overeenkomen<a href="#5.24">[24]</a>.
+Maar alleen op grond van die bekendheid aan te
+nemen, dat de bewerkers van den <i>Rinclus</i> en MAERLANT tijdgenooten
+zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog
+op den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is
+om de Nederlandsche bewerking nog in de 13<sup>de</sup> eeuw te plaatsen.
+
+<h3>DE MYSTIEK.</h3>
+
+<p>De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde,
+breidde hare macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich
+zelve voor als de eenige bron van waarheid en recht. Doch
+al te velen onder hare machthebbers logenstraften door hunne
+daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid en kracht, wat zij
+met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag eener kerk,
+door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide
+in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling.
+
+<p>Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten
+voelden ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige
+geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten
+grond te herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden?
+
+<p>Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijn<a name="142"></a>
+tusschen God en den mensch&mdash;dan afgedaald in de eigen
+ziel, daar zelf den weg tot God gezocht.
+
+<p>Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig
+gemoedsleven der middeleeuwen langzamerhand die strooming,
+welke bekend staat onder den naam van: mystiek. Onder haar invloed
+ontwikkelde zich het gemoedsleven met eene vroeger niet
+gekende kracht; geen hoogte was meer te hoog, geen diepte te diep.
+
+<p>Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen,
+geestelijken en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen
+toestand der kerk. In de abdij van Molesme werd de geest van
+SINT BENEDICTUS vaardig over Vader ROBERTUS en zijne
+boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux het eerste
+Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde zonen
+van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren.
+Eene eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de
+grootsche en teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den &#8222;bruidegom
+der armoede", die zijn kort maar rijk leven besteedde aan eene
+poging om de kerk tot nieuw leven te wekken.
+
+<p>Omstreeks het midden der 12<sup>de</sup> eeuw zien wij een paar
+abdissen van Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD
+VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU zich met hare profetische
+beden wenden tot keizer, paus, bisschoppen en abten.
+Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese van Lyon tot paus
+ALEXANDER III met het verzoek om de armen het evangelie
+te mogen verkondigen.
+
+<p>Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen.
+In de voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen
+gesneuveld; hunne vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven,
+zwierven bedelend rond, werden de prooi van ruw geweld of
+leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier, gelijk zoo
+menigmaal in de middeleeuwen, de individuën, machteloos op
+zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingen<a name="143"></a>
+der Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren,
+in Leuven vindt men begijnhoven reeds in den aanvang
+der 13<sup>de</sup> eeuw; Luik zag omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen
+als in eene afzonderlijke kleine stad vereenigd; Keulen
+telde er omstreeks het midden der 13<sup>de</sup> eeuw duizend; nog
+vóór het einde dier eeuw waren er ten minste zestien plaatsen
+in België die een begijnhof bezaten.
+
+<p>Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12<sup>de</sup> en
+13<sup>de</sup> eeuw zijn eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij
+hier in het bijzonder het oog moeten richten, omdat het ons
+vergund is een blik te slaan in haar godsdienstig gemoedsleven.
+
+<p>Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD
+VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU, beide draagsters
+van beroemde namen in de geschiedenis der mystiek.
+
+<p>HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104&ndash;1178
+en stierf als abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook
+hier te lande bekend. De bisschoppen: RUDOLF van Luik,
+GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den Elzas, een
+Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden
+haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar
+in het Roermondsche, een krans hebben gezonden.
+
+<p>Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften
+door haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels
+in het Latijn opgesteld; de Duitsche werken zullen later door
+haar biechtvader GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht.
+Haar voornaamste geschrift heet: <i>Scivias sive Visionum ac
+Revelationum libri tres</i><a href="#5.25">[25]</a>. Zij zegt ons daarin o.a. dat zij alle
+dingen ziet in een buitengewoon licht, dat als een vlam hare
+ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt zij <i>visioen</i>.
+In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg, ijzerkleurig;
+daarop gezeten iemand van wien zulk een luister uitstraalt, dat
+<a name="144"></a>
+zij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem. Deze
+berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van
+Gods heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden
+koningstroon en daarop gezeten een jongeling van zooveel
+glans dat zij hem niet kan aanzien. Telkens ziet zij schitterend
+licht, schitterende torens en kolommen. Ook wel een menschenhoofd
+met zes vleugels.
+
+<p>Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van
+ELISABETH, &#8222;magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S
+antwoord.
+
+<p>Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders
+geboren (1129). Van der jeugd af leidde zij een ascetisch leven,
+droeg het haren kleed op het lichaam, was omgord met een
+ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig voedsel; alles onder
+veel weenens en biddens. In het klooster Schönau bij Bingen,
+waar zij van 1141&ndash;1165 leefde, ontvangt zij, evenals HILDEGARDE,
+last van God om de menschen op te wekken tot berouw
+en bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last
+te onttrekken door aan te voeren dat zij niet &#8222;wel ter tale" is
+(&#8222;nescio loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften
+berispt zij vooral de geestelijken om hunne hebzucht
+en heerschzucht, hun hoogmoed, weelde en wellust. Ook den
+paus spaart zij niet.
+
+<p>Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke
+spanning. Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot
+wiel van vuur; een kruis, oogverblindend in gouden glans;
+een hoogen berg en op den top schitterend het Lam Gods;
+op een wiel eene ladder welker top de hemelen schijnt te doorboren;
+naast het wiel een man met goudglanzend hoofd, haar
+als witte wol, schitterende oogen; vóór Gods troon vier dieren,
+die vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn
+vol oogen; een hoogen berg, welks top schittert van licht;
+<a name="145"></a>
+van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische
+beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt
+dikwijls mede op welken tijd, onder welke omstandigheden zij
+in dien toestand van extaze geraakt en hoe lang die toestand
+aanhoudt<a href="#5.26">[26]</a>.
+
+<p>Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls&mdash;geen wonder
+bij zulk een lichaams- en gemoedstoestand&mdash;wordt zij overvallen
+door droefheid en somberheid. Zelfs het gebed, anders
+haar hoogste genot, staat haar dan tegen. Zij werpt haar psalmboek
+van zich. Wel schrikt zij van die daad en grijpt het terstond
+weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare somberheid.
+De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den
+Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven
+is? Ook aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent
+zij over zekere droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het
+leven gaat haar walgen. &#8222;Maak er een eind aan" blaast de Booze
+haar in. Doch God waakt over haar, ook in hare ellende.
+
+<p>Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw
+in niet geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen
+vooral vond men in de 13<sup>de</sup> eeuw een aantal vrouwen, daaronder
+vele adellijke, die haar leven verdeelden tusschen mystieke
+overpeinzing en het verplegen van zieken en melaatschen<a href="#5.27">[27]</a>.
+Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG
+(c. 1212&ndash;1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een aantal
+liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar
+innerlijk leven ten deele blootlegt.
+
+<p>Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen
+over de zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging
+berokkend te hebben. Doch gewichtiger dan zulke
+uitingen zijn voor ons die over de gewijde liefde, de <i>minne</i>
+als middelares tusschen God en de ziel. Evenzeer die over de
+zondige begeerten, welke des menschen lichaam en zijne ziel<a name="146"></a>
+in vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De geweldige
+Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij aanschouwd
+heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne
+en de Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het
+zijn telkens weer uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne.
+Vrouw Minne heeft haar beroofd van vrienden en magen, van
+wereldsche eer en rijkdom; heeft haar ziekte berokkend, heeft
+haar vleesch en bloed verteerd&mdash;maar ook, welk een rijken
+schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen.
+
+<p>Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen,
+uit streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en
+een ketterjager zou deze zorgeloos rondzwevende vogels licht
+onder schot kunnen krijgen. MECHTHILD laat zich gaan, zooals
+een dichteres dat doet. Want poëzie is hier in zoo menige
+uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart met &#8222;een
+kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij Suso
+vindt". Poëzie is ook in beelden en vergelijkingen als deze:
+wie van minne sterft, dien moet men in God begraven; van
+het leven in God sprekend: zegt zij: de visch kan in het water
+niet verdrinken; de genade komt van boven: dat de arend zoo
+hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil te danken; de ziel moet
+zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die in de val zit
+en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige Drievuldigheid,
+zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner
+moeder en zich vlijt aan haar borst.
+
+<p>De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland
+hebben waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen.
+De eerste helft der 12<sup>de</sup> eeuw was nog maar even voorbij,
+toen de abdij Klaarkamp in Friesland als het eerste Cisterciënser-klooster
+verrees. Tal van andere kloosters kwamen uit dit
+moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters: Syon en Nazareth<a name="147"></a>
+in Friesland, Jesse bij Groningen, Mariënkamp bij Assen,
+Mariënhorst bij Deventer, Mariëndaal bij Utrecht. In de meeste
+dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende,
+als de abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond
+men addellijke jonkvrouwen en daaronder ettelijke die de namen
+droegen van RENESSE, ALKEMADE, TEILINGEN, DUVENVOORDE.
+
+<p>Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen
+van een hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het
+Praemonstreiter klooster Mariëngaarde gold het als een bewijs
+van innige vroomheid en tevens als eene groote genade-gave:
+&#8222;totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het dankgebed
+na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een toestand
+verkeerde, werd &#8222;intus debriatus" genoemd. Ook van het
+zoogenaamde &#8222;tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen
+GERBRAND, tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar
+Citeaux huiswaarts keerde, werd hij ziek en stierf te Vervins;
+lang vóórdat de tijding van zijn dood in Friesland was ontvangen,
+had eene non van het klooster Syon in een visioen
+den abt zien sterven.
+
+<p>Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische
+strooming in het Zuiden dezer landen.
+
+<p>Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam,
+werd hij getroffen door de menigte extatische vrouwen in die
+stad. Sommige konden in de zielen van anderen lezen; andere
+waren zoo krachteloos door verlangen naar den hemelschen
+bruidegom, dat zij in vele jaren slechts enkele malen van haar
+bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de tong zoo
+vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in
+zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor
+een steek met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos.
+
+<p>Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland
+is ons nader bekend geworden, uit de verhalen daarvan<a name="148"></a>
+in het Latijn opgesteld door THOMAS VAN CANTIMPRÉ en
+JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN OIGNIES, in 1177 te
+Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als bagijn
+gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150&ndash;1224;
+MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21<sup>ste</sup> jaar overleed
+en LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige
+CHRISTINA in het klooster te Sint Truyen leefde en van daar
+naar het klooster Aquiria bij Kamerijk ging, waar zij in 1246
+stierf.
+
+<p>De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer
+zusteren, een streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor
+koude, al bevriest de wijn in de miskelk; voor pijn, voor
+honger. MARIA en MARGARETHA waren begaafd met het &#8222;tweede
+gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in Christus' lijden,
+vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij in extaze
+of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen
+lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van
+hare lippen dan: &#8222;ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer
+al het zinnelijke als een wolk uit hare ziel was verdwenen door
+de stralen van het goddelijk licht, dan ontving zij de vormen
+der godheid in hare ziel als in een spiegel. CHRISTINA onderscheidt
+zich van de overige door den sterken invloed dien het
+natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht welke
+hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke
+van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige
+begeerte naar mannen, die haar uit angst voor dien
+hartstocht tot Christus doet vluchten; die er haar toe brengt
+zich met doornen te geeselen, totdat zij de booze zinnen heeft
+getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid is, gaat haar
+dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van
+mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet
+meer kan verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden ver<a name="149"></a>zonken
+blijft en dat haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt,
+dat zij soms in diepen slaap viel wanneer zij zedelijk gekwetst
+werd door iets dat zij hoorde of zag<a href="#5.28">[28]</a>.
+
+<h3>LEVEN VAN SINTE LUTGART.</h3>
+
+<p>Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN
+TONGEREN te worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze
+gelukt het ook haar, slechts door de liefde tot den hemelschen
+bruidegom de zinnelijke liefde te overwinnen. In hare extazes
+ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks de Moeder Gods, de
+engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene rust voordat
+zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met Hem
+heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des
+nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger
+hadden gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en
+anderen, wordt ons verhaald, dat zij door aanraking met hare
+hand of door het strijken van speeksel wonderen verrichtte.
+
+<p>Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig
+voor ons<a href="#5.29">[29]</a>. Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door
+den bekenden Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk
+geslacht van Bellenghem, die gewoonlijk genoemd wordt naar
+de abdij van Cantimpré bij Kamerijk, waar hij een deel zijner
+jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een vertrouwd
+vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de eveneens
+bij Kamerijk gelegen abdij van Aywières (Aquiria). Dankbaar
+herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin&mdash;zij
+was omstreeks 18 jaar ouder dan hij&mdash;hem had getroost
+en opgebeurd, wanneer hij de moeilijke taak der biecht-afneming
+had te vervullen. Voor hem was zij een heilige; de gedachte
+dat hem, na haar scheiden uit dit leven, niets van haar zou
+overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was hem blijk<a name="150"></a>baar
+ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen
+behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze
+dan haar lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt
+hare behoefte aan een tastbare heugenis van geliefde dooden
+met een vlok haar&mdash;dit kind eener eeuw van forscher en grover
+zinnelijkheid wenschte hoofd of hand zijner vriendin voor zich
+om die, in zilver of goud beslagen, te bewaren<a href="#5.30">[30]</a>. Slechts haar
+rechterpink, haar &#8222;minste vingerkijn", had LUTGART, wien het
+ter oore was gekomen, hem half in ernst half in scherts toegezegd.
+Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een
+paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd
+abdis van Aywières, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de
+begeerde reliquie slechts, nadat hij de abdis beloofd had het
+leven zijner gestorven vriendin te zullen beschrijven.
+
+<p>Ter vervulling van die belofte schreef hij zijne <i>Vita Lutgardis</i>;
+dat werk moet voltooid zijn geweest vóór 1248, het sterfjaar
+van HADEWYCH aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen.
+De schrijver had het verdeeld in drie deelen volgens de drie
+trappen van het ascetisch leven: het begin, den voortgang en
+de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons LUTGART'S leven
+in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het tweede omvat
+de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de Cisterciënser-nonnen
+van Aywières; het derde hare elf laatste levensjaren.
+
+<p>Deze <i>Vita Lutgardis</i> nu is als leiddraad gebruikt door een
+Nederlandsch dichter bij het schrijven van zijn merkwaardig
+<i>Leven van Sinte Lutgart</i>. De dichter van dat werk, WILLEM
+genaamd, werd omstreeks 1210 te Mechelen geboren als een
+onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk geslacht der Berthouts;
+hij studeerde te Parijs, trad in de orde van Sint Benedictus,
+werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van Sint Truyen
+en stierf in 1297. Zijn <i>Leven van Sinte Lutgart</i> is door hem
+waarschijnlijk tusschen 1262&ndash;1274 gedicht<a href="#5.31">[31]</a>.<a name="151"></a>
+
+<p>Inderdaad, meer dan een leiddraad is de Latijnsche <i>Vita</i>
+niet geweest voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere
+verhaal van THOMAS in de gemakkelijk vloeiende verzen zijner
+omstandige en genoegelijk breedvoerige bewerking liet uitdijen
+tot een omvangrijk geheel; het tweede en het derde boek, die
+alleen tot ons zijn gekomen, omvatten samen reeds meer dan
+20.000 verzen<a href="#5.32">[32]</a>. WILLEM heeft slechts weinig weggelaten; wat
+hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden naam
+der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen.
+
+<p>Zoo vertelt THOMAS ons in zijne <i>Vita</i> van eene non, door
+den duivel bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt,
+dat zij zich meer dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven,
+indien vurige gebeden haar niet weerhouden hadden<a href="#5.33">[33]</a>.
+WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de non door den
+Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er angstwekkend
+uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons
+daarop van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong,
+het lichaam der bezetene te verlaten; van het gansche levendig
+tooneel dier duivelbezwering vinden wij daarentegen in de <i>Vita</i>
+weinig of niets<a href="#5.33">[33]</a>.
+
+<p>Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een
+invoegsel. In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets
+weg te laten, zijn voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens
+en opmerkingen van zich zelven ingevoegd. Zoo b.v. waar een
+paar van LUTGART'S visioenen beschreven worden en waar hij
+zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen, de
+dichters dwaas te noemen, omdat zij al die &#8222;fantasijen" van
+oude vrouwen beschrijven<a href="#5.34">[34]</a>. Zoo is ook hoofdstuk XVI van
+het Tweede Boek bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons
+daar eene levendige schildering geeft van den strijd tusschen
+LUTGART en de duivelen die haar voortdurend belagen; die
+zij verjaagt, &#8222;zooals iemand zich de vliegen met een kwispel<a name="152"></a>
+of een tak van het lijf houdt" en die haar zóó vreezen dat zij
+zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te naderen.
+
+<p>Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat
+genomen, om vermaningen te richten tot de &#8222;heren en vrouwen"
+die zich onder zijn gehoor bevonden of die hij elders door de
+lezing van zijn werk hoopte te bereiken. Hij waarschuwt de
+prelaten die hun plicht verzaken en wien het slechts om
+wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog,
+hoe LUTGART slechts door de &#8222;sterke minne" tot God den
+duivel en zijne trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen
+de oude hebzuchtige huichelaars, de &#8222;papelarde metten grisen
+langen barde", die den armen onder allerlei drogredenen het
+hun toekomende willen onthouden; hij betreurt de verslapping
+der kloostertucht en stelt de abdij van Afflighem aan andere
+ten voorbeeld.
+
+<p>Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal
+van bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen,
+anderzijds dient erkend, dat hij even vaak onderhoudend en
+levendig vertelt. Levendig en onderhoudend is b.v. de proloog
+van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger eenige verzen aanhaalden.
+En hoe aardig teekent hij in den proloog van het
+Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft
+bevangen onder de voordracht:
+
+<p class="quote">Dat heldekoppen<a title="[margin: knikkebollen.]"><sup>#</sup></a> ende nigen,
+Dat metten hoofden neder sigen
+Gaf mi litteeken<a title="[margin: blijk.]"><sup>#</sup></a> dat hem somen
+Die vaec in d'ogen ware comen.
+</p>
+
+<p>Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk;
+daar wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den
+beganen grond, maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk
+dichter; heeft ten minste eenige der wezenlijke eigenschappen<a name="153"></a>
+van een dichter. Men zou dat reeds vermoeden waar men hem
+de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na een gebed
+tot God, aldus vertelt WILLEM ons, zóó verheugd,
+
+<p class="quote">Meer dan u iemen soude mogen
+Geseggen wel met didscher spraken<a title="[margin: in het dietsch (de volkstaal).]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons
+beschrijft hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat
+gelaat van uitgelezen schoonheid, anders stralend van glans,
+nu zoo bleek en verslagen ziet van hartzeer; hoe donker haar
+gewaad, dat anders schittert heller dan het licht van een zomerschen
+dag. Fraai is het 4<sup>de</sup> hoofdstuk van het Tweede Boek,
+waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden
+den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde
+tot eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd
+dien eene mystieke vrouw te strijden had, vóórdat zij rust in
+God vond, is ons in het zesde hoofdstuk van dat boek
+geschetst met de zachte gevoeligheid van omtrek die wij ook
+in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier vooral de verhouding
+eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er
+is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVIË
+
+<p class="quote"> die har herte voeget
+So simpellic an onsen Here,
+Dat men ne can no min no mere
+Vergronden noch genemen ware
+Hoe 't tusschen hem stoet ende hare.
+Si es so schamel<a title="[margin: bedeesd.]"><sup>#</sup></a> ende so blode,
+Dat si mi soude ontdekken node
+Des iwent<a title="[margin: iets.]"><sup>#</sup></a> ochte condech maken<a href="#5.35">[35]</a>.
+</p>
+
+<p>Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook
+in de zorgzaamheid voor den vorm van zijn werk: zijne verzen<a name="154"></a>
+zijn gebouwd met eene regelmaat van stijging en daling, die
+eenig is in onze middeleeuwsche literatuur en zijne rijmen zijn
+zoo zuiver, dat men er te nauwernood eene enkele assonance
+onder aantreft<a href="#5.36">[36]</a>.
+
+<p>Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van
+WILLEM'S werk buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige
+voorstelling van het streven der ziel naar vereeniging met God,
+dat hij <i>minne</i> noemt. Als een stroom van wit licht doorgloeit
+die &#8222;minne" het <i>Leven van Sinte Lutgart</i>; in de <i>Vita</i> van
+THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een glimpje
+te zien.
+
+<p>Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware &#8222;minne" is,
+namelijk niet de wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de
+liefde der ziel tot God, dan moet men al zijne krachten inspannen
+om deze liefde deelachtig te worden. Maar lang is de weg
+en moeilijk de strijd. Menigeen die zich gewennen wil de minne
+te dienen en in haar school te gaan, streeft in den aanvang
+al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten. In
+den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar;
+doch indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich
+te nemen dan hij kan volbrengen, dan wachten hem schaamte
+en vernedering. Daarom moet hij die &#8222;der minnen rade volger"
+gestadig volharden in den goeden strijd. Want een strijd, eene
+worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART dwong
+met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer,
+haar al hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het
+haar niet weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij
+haar geene &#8222;zeghe vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen,
+krachtiglijk met gebeden worstelend tegen den hoogste des
+hemels. Maar wie eenmaal de minne als middelares tot vereeniging
+met God heeft leeren kennen, die blijft strijden. En<a name="155"></a>
+dan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne geschonken,
+zoodat hij in &#8222;orewoet"<a title="[margin: geestverrukking.]"><sup>#</sup></a> geraakt en verzwolgen wordt in der
+minne grondelooze diepte. LUTGART was in de school der
+minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar
+zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat
+geen geleerde met behulp van boeken en schrifturen verklaren
+kan<a href="#5.37">[37]</a>.
+
+<p>Ook andere nonnen van Aywières waren de genade der
+minne in meerdere of mindere mate deelachtig geworden; het
+spreekt van zelf, dat verwante zielen, die eenigen tijd de minne
+hadden gediend, behoefte hebben gevoeld, hare innerlijke
+ervaringen ten minste ten deele te bespreken, of te luisteren
+naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne het
+zóó ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen
+in de ziekenzaal van Aywières zitten, daarheen gekomen om
+LUTGART te hooren &#8222;disputeren van der minnen".
+
+<p>Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de
+eenige keer zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante
+zusters in het klooster zich hebben onderhouden over
+de hooge dingen die hare gansche ziel vervulden.
+
+<p>Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen
+aan die gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar zóó na aan
+'t hart lag, dat zij &#8222;het minste vingerkijn" der overledene niet
+missen en slechts voor eene levensbeschrijving der betreurde
+zuster wilde afstaan?
+
+<p>Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ
+zijne <i>Vita Lutgardis</i> opdroeg, eene andere zijn geweest dan de
+mystieke, en tot nog toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare
+visioenen heeft geopenbaard en de minne verheerlijkt in zoo
+menig fraai en innig gevoeld lied?
+
+<p>Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op
+die vraag het antwoord geven.<a name="156"></a>
+
+<h3>HADEWYCH.</h3>
+
+<p>Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche
+werken in proza en poëzie uit dezen tijd voor ons bewaard,
+die in een paar handschriften van de 13<sup>de</sup> en den aanvang der
+14<sup>de</sup> eeuw <i>visiones haywigis, epistole haywigis</i> en <i>ritmata
+haywigis</i> genoemd worden<a href="#5.38">[38]</a>.
+
+<p>De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen
+eene in extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen
+veelal over de minne; ook de epistolae behandelen vooral dat
+onderwerp, zooals reeds blijkt uit den aanvang: &#8222;God die de
+clare Minne die onbekint was, verclaerde bi siere doghet"; van
+de gedichten (<i>ritmata</i>) is de minne schering en inslag. Blijkbaar
+hebben wij hier het werk vóór ons van ééne dichteres die den
+naam HADEWYCH draagt; ook <i>in</i> haar werk wordt die naam
+een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan
+al deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde
+sfeer, waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen
+in ons land en in den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer
+wij in een van HADEWYCH'S visioenen melding gemaakt vinden
+van &#8222;Heldegaert die al de visione sach", dan zal het wel niet
+gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis HILDEGARDE
+VAN BINGEN bedoeld is<a href="#5.39">[39]</a>.
+
+<p>Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen
+en Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder
+krachtig ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele
+bagijnen noemt, zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze
+voorstelling nog aannemelijker. Op eene andere plaats in haar
+werk maakt HADEWYCH gewag van de &#8222;vrouwe van Nazaret".
+Waarschijnlijk hebben wij hier te denken aan BEATRIX VAN
+THIENEN, abdisse van het Cisterciënser-klooster Nazareth (bij
+Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had<a href="#5.40">[40]</a>.<a name="157"></a>
+
+<p>Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken
+in een Cisterciënser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat
+er in de abdij van Aywiéres of elders eene Cisterciënser-non
+heeft geleefd, eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest
+verwant met al de hierboven genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk
+zal HADEWYCH, de dichteres, één zijn geweest met
+de abdis van Aywières aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijne
+<i>Vita Lutgardis</i> heeft opgedragen.
+
+<p>Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter
+de zuiver lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene
+jongere geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken
+met &#8222;lieve kint". Deze &#8222;joncfrouwe" is nog &#8222;ongheproeft
+van allen dinghen". HADEWYCH wekt haar op om zich in te
+spannen als iemand die den weg der Minne nog van meet af
+heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten ootmoed
+betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken<a href="#5.41">[41]</a>. Door middel
+van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen
+uit ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere
+SARA en EMME, wie zij verwijt dat zij zich te weinig bekommeren
+om de minne, die haar zelve &#8222;zoo vreseleke omvaen
+hevet in beroeringhen van onghecuster<a title="[margin: onbevredigd.]"><sup>#</sup></a> minnen".
+
+<p>Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw
+tot wie HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen
+over allen nood, goede daden verrichten, zieken verplegen. Zij
+zelve heeft dat ook gedaan totdat het haar verboden werd<a href="#5.42">[42]</a>.
+
+<p>Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S
+werken niet veel te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen,
+is gedeeltelijk nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar
+tiende jaar had de minne haar hart bedwongen; had God haar
+niet gesterkt, zij ware onder dien dwang bezweken. De meeste
+visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al kwamen
+zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd af<a name="158"></a>
+had zij haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden
+van al wat niet betaamt; zóó was zij geworden tot eene reine
+kolom in de kerk der heiligen<a href="#5.43">[43]</a>. Wel had zij reeds in hare jeugd
+een sterk zielsverlangen naar het genot van één te zijn met
+Gode; doch daartoe was zij toen nog te weinig volgroeid naar
+den geest; zij had er zich nog te weinig voor ingespannen. Leed
+en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot heiliging.
+
+<p>Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In
+een visioen was haar door God dit gebod gegeven: zij moest
+begeeren arm, ellendig en versmaad te zijn onder alle menschen;
+alle verdriet moest haar behagelijk zijn boven alle aardsche
+geneugten, ook al zou dat verdriet ondragelijk zijn voor een
+mensch. Zij moest der wereld vreemd worden, klein geacht bij
+de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten waar zij
+des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden
+haar begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren
+nood en hare ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare
+jeugdige vrienden: zij heeft niet onder de menschen gewandeld,
+hunne gewoonten niet gevolgd, noch in hun eten noch in hun
+drinken noch in hun slapen; niet zich gesierd met kleurige
+kleederen, nooit genoten van blijdschap die een menschenhart
+verblijden kan. Bedroef u&mdash;zegt zij tot het jonge meisje&mdash;zoo
+weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga,
+hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want
+het is al der minnen werk, dat de &#8222;vreemden" niet kennen<a href="#5.44">[44]</a>.
+
+<p>Op die gevangenschap die haar bedreigde en die &#8222;vreemden"
+komen wij terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling
+te vormen van haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is
+met behulp van het tot hiertoe medegedeelde.
+
+<p>Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne.
+&#8222;Mint de minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken.<a name="159"></a>
+Wie naar minne streeft, doch naar die stem niet luistert,
+dien klinkt zij vreeselijker dan de donder. Dat woord is de
+band daar de minne hare gevangenen mede bindt, het zwaard
+waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede zij hare
+kinderen kastijdt.
+
+<p>Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken
+in het bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en &#8222;het
+swaerste inder scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes:
+&#8222;Du salt minnen dinen Here, dinen God, van al dijnre herten,
+van al dijnre sielen, van al dijnren crachten"<a href="#5.45">[45]</a>. Die woorden
+mag de minnende ziel nimmer vergeten, slapend noch wakend.
+Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij, dan moet
+zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet
+dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid
+te verwerven, noch om der wille van eenig genot in
+den hemel of op aarde&mdash;maar alleen omdat het welbehagelijk
+is aan den hoogwaardigen God, die de menschelijke natuur
+daartoe geschapen heeft.
+
+<p>Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich
+neemt. Met de minne komt ook de vreeze het hart des minnaars
+binnen. Hij vreest, dat hij de minne niet zal kunnen voldoen;
+dat al wat hij over minne zegt, te gering zal zijn voor haar.
+En wel bestaat er reden tot zulke vreeze. Want wij willen allen
+wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen mensch
+zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan
+het kruis hangen om de schuld van het menschdom te voldoen.
+Elk klein verdriet trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid,
+beliegt men ons, worden wij in onze eer getast of
+in ons gemak of in ons genoegen&mdash;dan gaat het ons zoo
+ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen
+ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo
+dolen wij arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijke<a name="160"></a>
+wegen in een vreemd land. Want alleen de minne kan ons
+voldoen; niets anders. Der minne loon blijft nimmer uit, al
+komt het dikwijls spade. Wie haar zich zelven geeft geheel,
+die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed. Dan hebben
+zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne
+brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen
+in de diepte der minne.
+
+<p>Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de
+dingen der menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo
+wonderliefelijk gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich
+goedertierenlijk tot de menschen kan richten in al wat zij wil<a href="#5.46">[46]</a>.
+
+<p>Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm
+gelukkig.
+
+<p>Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in
+het hart zijner vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid
+in eene geestelijke dronkenschap &#8222;daer si in moet spelende sijn".
+Telkens valt HADEWYCH zoo &#8222;buten den geest" en blijft zij
+zóó verzwolgen in de minne, dat zij geene voorstelling of
+begrip meer heeft van iets anders dan één te zijn met Hem
+en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip
+en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven.
+Zij geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op
+Pinksteren, op Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L.
+Vrouwe Hemelvaart; de eene extaze duurt een half uur, eene
+andere een halven dag, vaak blijft zij drie dagen en drie nachten
+&#8222;in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een hoogen berg
+met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende schijf
+die de eeuwigheid verbeeldt, de drie &#8222;overste" hemelen met
+de tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem
+met al de zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus:
+&#8222;Ende ic keerde mi van heme ende ic sach een cruce vore mi
+staen ghelijc cristalle, claerre<a title="[margin: helderder.]"><sup>#</sup></a> ende witter dan cristal; daer<a name="161"></a>
+mocht men dore sien een groote wijtheit. Ende vore dat cruce
+sach ic staen enen setel ghelijc eener sciven ende<a title="[margin: die.]"><sup>#</sup></a> was claerre
+ane te siene dan die sonne in haerre claerster macht ende onder
+die scive stonden drie colommen.... Ende midden onder die
+scive draeyde een wiel soo vreseleke omme ende die soo eyselike
+was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike daer of verwonderen
+mochte ende vervaren<a title="[margin: vreezen.]"><sup>#</sup></a>. De zetel beteekent de eeuwigheid;
+de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H.
+Geest.
+
+<p>Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug.
+Doch terwijl zij bezig is met eene poging om mede te deelen
+wat zij gezien heeft, op eene wijze die levendig herinnert aan
+het beeld van &#8222;eenen den Zoon des menschen gelijk zijnde"
+uit de Openbaring, wordt zij zóó overweldigd door Gods grootheid
+en schoonheid, dat zij erkennen moet: &#8222;Daer ne magh
+ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke<a title="[margin: onzegbaar.]"><sup>#</sup></a> grote
+scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken wonderleken
+aenscine, dat benam mi alle redene van hem in
+ghelikenessen."
+
+<p>Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische
+ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen
+neemt en aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne
+gevoelden naar haars harten begeeren; eene korte wijle heeft
+zij kracht dat genot te verdragen, maar spoedig daarop verliest
+zij den schoonen man in zijn zichtbaren vorm; zij ziet hem als
+wegsmelten, totdat zij niets meer van hem gewaar wordt. Doch
+op die ure was het haar alsof zij één waren &#8222;zonder differentie".
+Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de zuivere vlam,
+waarmede de minne doorgaans in haar brandt.
+
+<p>Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam
+moesten aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet
+haar te hooren vertellen, dat soms al hare leden schudden en<a name="162"></a>
+beven van begeerte; dat zij, uit eene extaze tot zich zelve
+komend, zich niet zelden neerslachtig of ellendig voelt<a href="#5.47">[47]</a>.
+
+<p>Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S
+visioenen, de aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES;
+de invloed van dat werk toch openbaart zich telkens in de
+beschrijving van hare droomen en gezichten. Ook de schrijver
+der Openbaring deelt ons een paar maal mede dat hij &#8222;in den
+geest was", eens &#8222;op den dag des Heeren"; ook hij heeft
+velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier
+dieren, den arend, de sterke stem als die van den donder, de
+zes vleugels met oogen bezet; het zevenvoudig bazuingeschal
+vinden wij terug in de zeven vleugelslagen waarmede, bij
+HADEWYCH, de engel &#8222;een ghestille" maakt. In de woorden
+der Openbaring: &#8222;gij moet wederom profeteren voor vele volken
+en natiën en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod
+hebben gezien&mdash;zooals vóór haar HILDEGARDE VAN BINGEN
+en ELISABETH VAN SCHÖNAU&mdash;haar dwingend hare visioenen
+te openbaren<a href="#5.48">[48]</a>.
+
+<p>Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden
+onder de bronnen waaraan deze volgster der minne haren
+dorst naar het eeuwige stilde. Onder de boeken, toebehoorend
+aan het Roode-Klooster in het Soniën-bosch waar HADEWYCH'S
+poëzie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van &#8222;der
+minnen boec dat men noempt cantica canticorum"<a href="#5.49">[49]</a>. Op meer
+dan eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar
+bekend was, dat de voorlezing van dat bijbelboek haar hart
+ontroerde<a href="#5.50">[50]</a>.
+
+<p>Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S
+gevoel en verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat
+behalve haar gevoel ook haar verstand bevredigde. PAULUS
+was haar niet onbekend, noch ORIGENES, noch AUGUSTINUS.<a name="163"></a>
+De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX moesten
+deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door
+haar zoo geliefden tekst uit het Hooglied: &#8222;dilectus meus mihi
+et ego illi" tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen;
+weinigen hadden zich zoo als hij verdiept in de beschouwing
+van de geestelijke liefde, van dien &#8222;amor sanctus et castus"
+waardoor de ziel van den Christen moet worden gezuiverd;
+ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een ijzer,
+gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt;
+zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd
+wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in
+het Hooglied en de Psalmen melding gemaakt vond, moet hij,
+evenals HADEWYCH, hebben gevoeld vóórdat hij haar in een
+zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer HADEWYCH in een
+harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God dienen
+uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide
+soorten tegenover elkander stelt als &#8222;knechten" en &#8222;zonen",
+dan schijnt haar daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S
+brieven voor den geest te staan<a href="#5.51">[51]</a>.
+
+<p>Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt
+zij, wie het Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben
+gemaakt. Wanneer wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt
+in <i>redene</i>, <i>wille</i> en <i>memorie</i>, dan worden wij herinnerd
+aan ALBERTUS' indeeling: <i>ratio, voluntas, memoria</i><a href="#5.52">[52]</a>.
+
+<p>Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend
+in hare visioenen, nooit de grenzen overschreden welke door de
+R.K. Kerk aan het voelen en denken waren gesteld? Er bestaat
+reden die vraag te doen, waar het mystieken geldt. Hoe licht
+konden zij er toe komen zich te vergelijken met andere Christenen
+en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in haar
+proza en hare poëzie spreekt HADEWYCH van hen die zij<a name="164"></a>
+&#8222;<i>vreemde</i>" noemt<a href="#5.53">[53]</a>. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde
+personen die zij elders noemt: &#8222;valsche broederen die seinen
+huusgenoote des geloofs". Tegenover deze plaatst zij de ware
+broeders en zusters die zij met den naam van de &#8222;<i>nuwe</i>"
+(nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet waarschijnlijk
+voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche secte als
+die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest,
+doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om
+licht moeten wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt
+van het woord <i>nieuw</i> in geestelijken zin, in uitdrukkingen als:
+En ik zag eenen <i>nieuwen</i> hemel en eene <i>nieuwe</i> aarde; het
+<i>nieuwe</i> Jezuzalem; ziet ik maak alle dingen <i>nieuw</i><a href="#5.54">[54]</a>.
+
+<p>Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een
+klein aantal geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men
+tot haar opzag, dat zij daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing,
+dat zij kwam tot uitspraken als deze: &#8222;ic en gheloefs
+ooc niet, dat enich mensche levet daer God also sere af ghemint
+es". Doch er is een groote afstand tusschen al of niet rechtmatige
+zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar
+proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v.
+in een zin als deze: "Mer in ghebrukene<a title="[margin: genot]"><sup>#</sup></a> van minnen es men
+God worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men
+het anathema uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een
+eigen weg naar God zoekt, eene kiem van ketterij in zich
+omdraagt, en dat er naast eene kettersche ook eene kerkelijke
+mystiek leefde: men heeft toch BERNARD VAN CLAIRVAUX niet
+van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat &#8222;de diligendo
+Deo" geschreven heeft: &#8222;sic affici deificari est"?<a href="#5.55">[55]</a>
+
+<p>In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare poëzie meer dan
+eens getuigd van haren eerbied voor de &#8222;heilige kerk", en
+tegen haar eigen getuigenis in mag men haar niet van ketterij
+beschuldigen.<a name="165"></a>
+
+<p>Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande
+HADEWYCH'S persoon zijn beantwoord.
+
+<p>Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert,
+dat de menschen haar &#8222;soo langhe laten leven ende
+datse enegen raet ochte enecb sparen ochte genade te mi hebben,
+sine tormenten mi altoes met nuwen tormente", dan moet men
+wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging om den geloove.
+Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere over
+ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan
+komt men tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn
+reizend en trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven
+vereenigd). Onder hare geestverwanten noemt zij immers ook
+&#8222;eene beghine die meester ROBBEERT doedde <i>om hare gherechte
+Minne</i>"<a href="#5.56">[56]</a>. Eerst in lateren tijd zou zij dan eene toevlucht hebben
+gezocht bij de Cisterciënser-nonnen van Aywières en abdis
+zijn geworden.
+
+<p>Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben,
+het vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster,
+begijn, non of abdis, dankbaar moeten zijn.
+
+<p>Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch
+naar het oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene
+periode, aanvangend: &#8222;Nu verstaet die innecheit van uwer
+zielen, wat dat es: ziele". Men zou het gevoelsleven dier
+mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die periode
+geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan
+men toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in
+het eerst van zijne vlucht:
+
+<p>&#8222;Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem
+weder sienlec.... Siele es een wech van den dorevaerne Gods
+in zine vriheit van sinen diepsten ende God es een wech van
+den dorevaerne der zielen in hare vriheit.... Dat sien dat<a name="166"></a>
+naturelec in de ziele ghescapen es, dat es caritate. Dat sien
+hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene en
+can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en
+rust niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit
+dan minne, mer minne hevet meer suetecheiden van
+zalecheden dan redene. Doch hulpen hem dese twee herde zeer
+onderlinghe, want redene leert minne ende minne verlicht
+redene"<a href="#5.57">[57]</a>.
+
+<p>HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne
+verhevenheid. Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij
+den arend: zooals hij de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt
+de ziel God; dan denkt zij niet meer aan heiligen of
+menschen, zij vliegt alleen &#8222;in die hoechede Gods". Op andere
+plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en zuiverheid
+uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich
+verlaten en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt
+om Gods wil Hem behagelijk is.
+
+<p>&#8222;Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse
+ochte ghi van hem begheven waert, daer omme en mestroest
+u selven niet. Want ic segghe u waerleke, dat al de ellende
+die men doeghet met goeden wille te Gode, die es bequame<a title="[margin: passend.]"><sup>#</sup></a>
+in die ghehele nature Gods".
+
+<p>Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere
+niet, want zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit
+waar zij ons mededeelt, hoe God haar eerst het genot had
+gegeven van Hem lief te hebben, doch haar dat ontnomen
+had, toen zij zich zelve in hare onwaardigheid had leeren
+kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens Hem te grijpen,
+later ontweek Hij hare grijpende hand: &#8222;Nu gaat het mij", zegt
+zij, &#8222;als iemand wien men iets aanbiedt &#8222;te spele" (uit de grap)
+en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt:
+vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eene<a name="167"></a>
+uiteenzetting van haar &#8222;ongheval ter minne" uit vrees voor
+verkeerde uitleggingen der &#8222;vreemden": &#8222;de vreemde souden
+netelen planten daer de rosen staen zouden"<a href="#5.58">[58]</a>.
+
+<p>Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote
+schoonheid is, heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S
+proza. Men ziet het b.v. waar zij de kleinmoedigheid
+van sommige minnende zielen schelst: &#8222;Inden daghe der gratien
+sijn si coene ende inden nacht der tribulatien soe keren si den
+rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte verheven
+int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine gratie
+doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy<a title="[margin: verdriet.]"><sup>#</sup></a> sere
+verdroeven."
+
+<p>Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de
+kerkvaders zoo veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij
+HADEWYCH voor.
+
+<p>Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken
+in het proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen
+vaak gezien wordt<a href="#5.59">[59]</a>. Blijkbaar geschiedde dit met de
+bedoeling aan de taal eenige verheffing en uiterlijk schoon bij
+te zetten; doch het bloed kroop hier waar het niet gaan kon.
+
+<p>Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal
+den harteklop der echte poëzie kunnen hooren.
+
+<p>HADEWYCH mocht al zeggen:
+
+<p class="quote">Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe
+Ende mi selven mine quale linghe<a title="[margin: verleng.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Zij liet het daarom niet; zij wist te goed:
+
+<p class="quote">Maer dien ouden ende dien jonghen
+Coelt sanc van minnen haren moet.
+</p>
+
+<p>Wel ons, dat zij &#8222;van minne" gezongen heeft, want wij
+hebben daaraan het bezit van geestelijke poëzie te danken, niet<a name="168"></a>
+zelden duister, ook wel eens eentonig en onbeteekenend, maar
+vaker in haar onbestuurde gangen voortzwevend met onbewuste
+gratie en bijwijlen treffend door eene diepte en innigheid van
+gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur niet
+dikwijls zullen aantreffen.
+
+<p>Ook tot hare &#8222;vri edele sinne ende wel gheboren" was het
+verholen woord gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan.
+In hare jonge jaren had zij zich geheel aan de minne overgegeven;
+zij beloofde zich niets dan zaligheid van de minne,
+van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid, macht&mdash;lacy!
+het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper:
+
+<p class="quote"> jeghen avont
+Sal men loven den sconen dach.
+</p>
+
+<p>Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie
+wachtten haar, onnoozele; want:
+
+<p class="quote">Suer ende donker ende overwreet
+Sijn der minnen weghe in haer beghin.
+</p>
+
+<p>Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en
+dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet:
+
+<p class="quote">Want ic sach eene lichte wolke opgaen
+Over alle swerke, soo scone gedaen<a title="[margin: van gedaante.]"><sup>#</sup></a>,
+Ic waende met volre weelden saen<a title="[margin: spoedig.]"><sup>#</sup></a>
+Vri spelen in de zonne....
+Doe wert mijn hoge<a title="[margin: blijdschap.]"><sup>#</sup></a> maer een waen;
+Al storve ic, wie es dies mi wanconne<a title="[margin: misgunnen zou.]"><sup>#</sup></a>?
+</p>
+
+<p>Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te
+komen leeren kennen: vreemden en vrienden had zij laten
+varen, eer en rust opgegeven; hare ziel zooveel mogelijk ont<a name="169"></a>ledigd
+van indrukken, door al het geschapene op haar gemaakt;
+die ziel gemaakt tot een klaren spiegel, waarin het beeld der
+Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de minnende
+ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de
+minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op
+allerlei geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt
+eerst dat redene den grond der minne moet doorglanzen.
+
+<p>Nu kan de ziel de onderscheidene trappen (&#8222;graden" en
+&#8222;staghen") der minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan
+dat geschieden; men moet geduld oefenen. Menigeen wil wel
+op gemakkelijke wijze de minne deelachtig worden en stelt
+zich, dorper die hij is, tevreden met een klein genot dat voor
+de hand ligt; doch minne kent dezulken niet:
+
+<p class="quote">Die gherne woude doghen tsuete ellende:<a title="[margin: ballingschap.]"><sup>#</sup></a>
+Die weghe ter hogher mînnen lant,
+Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende,
+Des ghevet de trouwe seghel ende pant.
+Nu es menech dorper soo truwant<a title="[margin: (schooierig) verachtelijk.]"><sup>#</sup></a>,
+Hi nemt dat hem es naest ghehende<a title="[margin: nabij.]"><sup>#</sup></a>
+Ende blivet vore minne die onbekende;
+Metter truanciën cleet,
+Soo en hevet hi vorme noch ere,
+Daer minne dat haer bi versteet.
+</p>
+
+<p>In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene
+kracht, geen merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig
+aan deze uitspraak der minne: hoe dieper gewond, hoe zachter
+genezen!
+
+<p>Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als
+een band, een licht, een kole vuurs, een dauw, een levende
+bron; eene helle, die alles verslindt. Alleen hij zal haar geheel
+bezitten, die zich geheel aan haar overgeeft. &#8222;Den middenweg<a name="170"></a>
+houden, dat is zalig leven", zeggen de vroeden, die naar deze
+wereld wijs geacht worden&mdash;maar HADEWYCH zegt:
+
+<p class="quote">Middelheit moet af,
+Eer men in mach
+Ten edelen goede.
+</p>
+
+<p>Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en
+klagen, maar daarin is toch zaligheid:
+
+<p class="quote">Bi wilen lief, bi wilen leet,
+Bi wilen verre, bi wilen ghereet<a title="[margin: dicht bij.]"><sup>#</sup></a>,
+Die dit met trouwe van minnen versteet,
+Dat es jubileren:
+Hoe minne versleet<a title="[margin: verslaat.]"><sup>#</sup></a>
+Ende ommeveet<a title="[margin: omvangt.]"><sup>#</sup></a>
+In één hanteren.
+
+Bi wilen licht, bi wilen swaer,
+Bi wilen doncker, bi wilen claer,
+In vriën troost, in bedwongen vaer<a title="[margin: vrees.]"><sup>#</sup></a>,
+In nemen ende in gheven,
+Moeten die sinne
+Die dolen in minne
+Altoos hier leven<a href="#5.60">[60]</a>.
+</p>
+
+<p>Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot
+den dood voor ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen
+begrijpen, vóórdat MARIA door haren ootmoed de minne zelve
+had gevangen:
+
+<p class="quote">Wat soo ons god ye onste<a title="[margin: ooit gunde.]"><sup>#</sup></a>,
+Hen wert nie man <a title="[margin: er kwam nooit iemand.]"><sup>#</sup></a>, die conste
+Gherechte minne verstaen,
+Eer dat maria de goede<a name="171"></a>
+Met diepen ootmoede
+Die minne hadde gevaen<a title="[margin: gevangen.]"><sup>#</sup></a>.
+T'ierst was si wilt, doe wert si tam,
+Si gaf ons vore den leeuwe een lam:
+Si maecte de demsterheit<a title="[margin: duisternis.]"><sup>#</sup></a> claer,
+Die hadde geweest donker wel menech jaer<a href="#5.61">[61]</a>.
+</p>
+
+<p>Is men onder strijd en storm van minne door het land van
+ballingschap tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al
+dat hooge gerucht (der wereld) de stilte der nederigheid over
+de ziel; dan omvat de ziel wijde ruimten, dan doorwandelt zij
+de diepten der minne (&#8222;der minnen gewat"); zij geniet de
+minne en geniet totdat zij in &#8222;orewoet" en geestelijke dronkenschap
+zich zelve verliest.
+
+<p>Poëzie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als
+deze, kan kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij
+weten te weinig van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek
+om met zekerheid te kunnen spreken over den samenhang van
+HADEWYCH'S poëzie met de poëzie vóór haar. Dat er te onzent,
+vóór of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen, eene lyrische
+poëzie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen; doch
+iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van
+de poëzie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben
+leeren kennen.
+
+<p>HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene
+onmiskenbare verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals
+die zich vóór haar in de aangrenzende landen en ook te
+onzent had ontwikkeld. Onder al dit &#8222;zingen van minne"
+verneemt men telkens klanken en motieven die ook in de
+wereldsche minnepoëzie voorkomen. Dat om genade bidden,
+die klachten over den band en den brand der minne, de<a name="172"></a>
+ellende die de minnaar moet doorstaan, die betuigingen dat de
+minne met haar aanlokkelijk gelaat hem van zinnen berooft&mdash;dat
+alles hooren wij ook in de gewone minnepoëzie. Woorden
+als <i>zeelde</i> (minneweelde), <i>merkaren</i> (kwaadwillige spionnen en
+verklikkers), eene uitdrukking als: &#8222;de minne heeft de dagen
+en ik de nachten", wijzen in diezelfde richting<a href="#5.62">[62]</a>. De aanvang
+van een der grootere lyrische gedichten:
+
+<p class="quote">Viere meisteren seiden een coninc:
+Welc ware de starcste dinc
+</p>
+
+<p>is de gewone van zoovele <i>tenzonen</i> (strijdgedichten) welke,
+in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken
+gemaakt werden<a href="#5.63">[63]</a>.
+
+<p>Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van
+HADEWYCH'S liederen aan met een schetsje of een greep uit
+het natuurleven. Dat natuurleven moet dienen ter inleiding van
+het gemoedsleven, hetzij door overeenkomst hetzij door tegenstelling.
+Zoo b.v. in dit fraaie aanvangscouplet:
+
+<p class="quote">Tsaermeer<a title="[margin: thans.]"><sup>#</sup></a> sal in corten tide
+Tsap van den wortelen opwaert slaen!
+Daerbi sal, verre ende wide,
+Beemt ende cruut sijn loof ontfaen;
+Dies so hebben wi sekeren waen<a title="[margin: vast geloof.]"><sup>#</sup></a>,
+Die voghele werden blide;
+Die gheet in minnen te stride,
+Hi sal verwinnen saen<a title="[margin: spoedig.]"><sup>#</sup></a>,
+Opdat hi niet en mide<a title="[margin: zich niet spare.]"><sup>#</sup></a><a href="#5.64">[64]</a>.
+</p>
+
+<p>Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan
+het natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne
+en alle verdriet te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd door<a name="173"></a>
+den dauw, op den dorenstruik ontluikt; ook in de minne is
+het: &#8222;na groten storme werdet dat weder scone"; waar 't gemoed
+met den rijp van den waan is bedekt, daar kan geen loover
+van minne groeien<a href="#5.65">[65]</a>. Andere vergelijkingen verplaatsen ons in
+het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil bouwen, hoe
+dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich zelve
+bij een kind &#8222;dat na sprect dat het spreken hoort"; op de vervulling
+van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals
+een gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij
+vergelijkingen of beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel;
+op de grens van het platte staat zij met haar beeldspraak van
+de taverne waarin Minne hare gasten bedient. Aan de volkspoëzie
+en wel aan de oudste leugenliederen herinneren ons
+deze verzen:
+
+<p class="quote">Want niet bat en can 't getoonen mijn sin,
+Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin<a href="#5.66">[66]</a>.
+</p>
+
+<p>Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden
+wij door hare beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan
+aan het ridderwezen. In het proza komt er een enkele maal
+een voor, zoo b.v. waar zij spreekt van de &#8222;wijsheit" die &#8222;alle
+die edele ridderen achemeert"<a title="[margin: uitrust.]"><sup>#</sup></a> in den strijd der minne; doch
+in de poëzie wemelt het ridderleven ons telkens voor de oogen.
+De gansche voorstelling van het zoeken der minne als een
+strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft overigens waarschijnlijk
+ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij hooren
+van &#8222;doorhouwen schilden" en &#8222;schermen onder den scilt", van
+&#8222;joesten", eenen &#8222;keer doen" (zich door den vijand heen
+houwen en langs denzelfden weg terugkeeren), van &#8222;sinen
+hoghen telt (draf) riden", van &#8222;heervaert", &#8222;kimpen" (kampvechters),
+&#8222;vesten", muren en grachten; van koene ridders die
+een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van &#8222;schachten<a name="174"></a>
+die diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het ridderleven
+kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en
+het is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres
+van het vers:
+
+<p class="quote">Fiere herte en was nie<a title="[margin: nooit.]"><sup>#</sup></a> bloode
+</p>
+
+<p>gelijk zoovele Cisterciënser-nonnen van adellijke afkomst is
+geweest<a href="#5.67">[67]</a>.
+
+<p>Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel
+van haar geest en haar gemoed.
+
+<p>Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele
+weet te vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen
+die haar eenigszins kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt.
+Haar gevoel is dikwijls onbestuurd en doet hare poëzie dan
+vervloeien tot muzikale woord-arabesken, die uiting geven aan
+hare gemoedsstemming, al kunnen wij daar het verband tusschen
+gevoel en klank niet waarnemen. Op menige plaats geven hare
+verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener ziel met
+het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat
+brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben
+beseft. Voor het eerst&mdash;immers nog vóór WILLEM VAN
+AFFLIGHEM&mdash;vinden wij in de geschiedenis onzer woordkunst
+het besef uitgesproken van het onvermogen der taal om de
+diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over de
+Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: &#8222;van al dien dat in ertike es,
+mach men redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe
+en wetic gheen dietsch noch gheen redene". En elders lezen
+wij over het zich oplossen van den mensch in God: &#8222;ay, ic
+en dar<a title="[margin: durf.]"><sup>#</sup></a> hier af nemmeer scriven, ic moet emmer van den
+besten meest swighen ... ende hier omme quetse ic mi, dat
+ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, dat
+<a name="175"></a>
+der pinen<a title="[margin: moeite.]"><sup>#</sup></a> wert es, ochte woorde na<a title="[margin: volgens.]"><sup>#</sup></a> miere zielen gront."
+Ook in hare poëzie vinden wij uitingen als:
+
+<p class="quote">Het mochte dat inneghe gedinken
+De tonge verminken,
+Sprake siere af meer<a href="#5.68">[68]</a>.
+</p>
+
+<p>Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden
+en smarten der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige
+taal, telkens nieuwe rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend
+met het lichte spel van rijmklanken, van staand
+en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein.
+
+<p>Eentonig&mdash;heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig?
+Ook de heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich
+gelukkig voelen, omdat de blik er niet op grenzen stuit, noch
+in het wijde rondom noch in het diepe omhoog; wier oog met
+welbehagen rust op frissche wel en volle beek, op den dorren
+grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn stemmig bruin,
+en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der erica.<a name="176"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.1">1</a>: <i>Spiegel der Zonden</i> (ed. VERDAM), vs. 4852&ndash;3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.2">2</a>: Zie bl. 124, 6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.3">3</a>: Vs. 5&ndash;15. Den naam <i>Digenen</i> kan ik niet thuisbrengen. De
+eenige mij bekende naam die op dezen gelijkt, is die van den ridder
+<i>Degener</i> die door zijne minnares LUSSEWINE verraden wordt. Vgl. de
+romance in H. v. FALLERSLEBEN'S <i>Horae Belgicae</i>, II, 29.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.4">4</a>: Uitgaven van het volledig gedicht en van eenige fragmenten
+vermeld door TE WINKEL, <i>Gesch.</i>, bl. 266 en in PETIT'S <i>Bibliographie</i>,
+n<sup>o</sup>. 478 en 1143. Zie verder het belangrijk artikel van VERDAM in:
+<i>Versl. en Meded. der Kon. Akad. v. Wet.</i>, 4e Reeks, Deel IV.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.5">5</a>: In vs. 4055 wordt &#8222;die ewangeliste" genoemd; in vs. 4059
+&#8222;sinte Gregorijs"; in vs. 4067 &#8222;sinte Augustijn". Doch is dit deel van
+het gedicht van den oorspronkelijken dichter, die de Roode Zee: de
+<i>leverzee</i> noemt, (vs. 1130)?]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.6">6</a>: Vgl. vs. 165 vlgg.; 1100, 1292, 1310, 1342, 1584, 1752, 1760,
+2076; vs. 217 vlgg.; 478, 930, 1352 en de telkens volgende verzen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.7">7</a>: Vgl. o.a.: 376, 660, 1837, 1843, 2857, 3678; vs. 345 vlgg.;
+860 vlgg.; 644, 650, 1277, 666; 1775&ndash;8, 1802, 1910.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.8">8</a>: Vs. 517, 757 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.9">9</a>: Vs. 2154-'67, 2353-'62, 2788 vlgg.; 2860, 2885 vlgg.; 2923,
+2950 vlgg.; 3039 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.10">10</a>: Vs. 754&ndash;5, 1634, 271&ndash;2, 4277.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.11">11</a>: Vs. 354&ndash;5 (het Ovidiaansch: &#8222;eodem argento" maar minder
+fijn); 2251, 1402.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.12">12</a>: Vgl. vs. 1050 vlgg., 1382 vlgg.; 1685, 1864; 1179, 2394, 2396;
+2376, 2720, 1539 vlgg.; 2054, 3903 vlgg.; 2340&ndash;1.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.13">13</a>: Vs. 1130.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.14">14</a>: Zulke plaatsen zijn vs. 478 vlgg.; 1417 vlgg.; 1626 vlgg.;
+1986 vlgg.; 2088 vlgg.; 2440-'64; 2983 vlgg.; 3195 vlgg.; 3277 vlgg.;
+3395 vlgg.; 3445 vlgg.; 3483 vlgg.
+
+<p class="footnote">Op menige plaats kan men zonder moeite een lied in vier- of
+meerregelige coupletten, welker aanvang of slot door gelijke verzen
+wordt aangegeven, herkennen. Door te letten op den bouw dier<a name="177"></a>
+liederen kan men dan den blijkbaar sterk geïnterpoleerden tekst
+zuiveren. In het door WILLEMS uitgegeven fragment naar een hs. der
+14e eeuw vinden wij de coupletten, MARIA MAGDALENA in den mond
+gelegd (vs. 1417 vlgg.) doch door den afschrijver verknoeid; het
+volledige hs. (der 15e eeuw) geeft hier een zuiverder tekst. Echter
+heeft ook deze eene critische zuivering hoognoodig. Opmerkelijk is
+(VERDAM merkte het reeds op) hoe dikwijls van vier verzen met
+gelijk rijm twee bij eenig nadenken al spoedig interpolaties blijken.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.15">15</a>: Het hs. is waarschijnlijk geschreven door zekeren MARTIJN
+van Thorout in de abdij van EENAME bij Oudenaarde. Zie over
+dat hs. <i>Belg. Museum</i>, III, 197 vlgg.; NAP. DE PAUW, <i>Mnl. Gedichten</i>,
+II, Inleid.; PRIEBSCH, <i>Deutsche Handschriften</i> enz., n<sup>o</sup>. 177.
+
+<p class="footnote">In vs. 752 van het leven <i>van S. Aechte</i> wordt als jaar der vervaardiging
+1286 genoemd; S. WERNER is volgens de A.S. gestorven
+in 1287 en in vs. 13&ndash;15 van zijn leven lezen wij: &#8222;dat doet es
+bleven <i>nu nichtinghe</i>"; in het leven <i>van S. Marie Egyptiake</i>, vs.
+687&ndash;9: &#8222;dit was ghemaect.... MCC ende neghentech jaer."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.16">16</a>: Een tijdgenoot dezer dichters, de Fransche poëet RUTEBEUF
+schreef eveneens eene <i>Vie sainte Marie l'Egyptianne</i>. De Mnl. bewerking,
+die uitvoeriger is, heeft, voorzoover ik kan zien, niets met
+deze bewerking gemeen dan natuurlijk de hoofdzaken, die men o.a.
+vindt in de <i>Legenda Aurea</i> (ed. GRÄSSE), p. 247, c. LVI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.17">17</a>: <i>Van sente Aechte</i>, vs. 668 vlgg. en vs. 762 vlgg.; <i>van sente
+Waerneer</i>, vs. 5 vlgg.; ook het slot van <i>van sente Marie Egyptiake</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.18">18</a>: Vgl. PIRENNE'S <i>Gesch. Belgiëns</i>, I, 36. Het klooster Thorout
+(Thor-hout ?) lag niet ver van Sluis.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.19">19</a>: Vgl. over de vraag of MAERLANT een Dietsch dan wel een
+Fransch werk zal hebben bedoeld JONCKBLOET'S <i>Gesch. der Ned.
+Lett.</i>, II, 88&ndash;90.
+
+<p class="footnote">FRANCK is van oordeel, dat M. ook wel een Fransch gedicht kan
+hebben bedoeld; JONCKBLOET'S betoog komt mij echter overtuigend
+voor. Zou MAERLANT trouwens wel van een <i>Fransch</i> werk hebben
+kunnen zeggen, dat het &#8222;wyde becant" was? Kennis van het Fransch
+was in de 13e eeuw geenszins algemeen in Vlaanderen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.20">20</a>: Zie de literatuur-opgaven bij TE WINKEL, (p. 408); daar ook
+den titel van VAN HAMEL'S uitgave van het oorspronkelijk Fransch
+werk. Ik verwijs hier steeds naar de nieuwste uitgaaf van Dr. P.
+LEENDERTZ. (Amsterdam. 1893).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.21">21</a>: Vgl. b.v. n<sup>o</sup>. 15, 39, 44, 48, 51, 86, 114, 117 van den <i>Rinclus</i>
+met de overeenkomstige coupletten van het oorspronkelijke.]<a name="178"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.22">22</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. 38 (v.d. <i>Rinclus</i>) met het origineel; vs. 936 (<i>Rinclus</i>)
+met str. n<sup>o</sup>. 81, 11; voorts n<sup>o</sup>. 5, 12 v. <i>Mis.</i> met de bewerking;
+n<sup>o</sup>. 104 (met 103 v.d. <i>Rinclus</i>) n<sup>o</sup>. 109 (met 108); in n<sup>o</sup>. 112 de
+uitdrukking: <i>n'en leva pas le ventre vuit</i>, die niet in n<sup>o</sup>. 111 (<i>R.</i>) te
+vinden is; n<sup>o</sup>. 120 (<i>Mis.</i>). De varianten van 29 door VAN HAMEL
+medegedeelde hss. zijn hier zonder beteekenis.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.23">23</a>: Vgl. <i>Rinclus</i>, n<sup>o</sup>. 117; vs. 526 (<i>Mis.</i>, n<sup>o</sup>. 43, 5&ndash;8); vs. 691
+(<i>Mis.</i>, n<sup>o</sup>. LVII); vs. 1114 (<i>Mis.</i>, n<sup>o</sup>. 96, vs. 8); vs. 595 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.24">24</a>: Reeds JONCKBLOET had deze overeenkomst opgemerkt. Vgl.
+zijne <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, I, 434. Meer punten van overeenkomst
+zijn aangewezen in FRANCK en VERDAM'S uitgave van MAERLANT'S
+<i>Stroph. Ged.</i>, Inl. LXXXVIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.25">25</a>: <i>Scivias</i> i.e. <i>nosce vias Domini</i> (onderzoek (leer kennen) de
+wegen des Heeren).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.26">26</a>: Vgl. <i>Acta Sanct.</i> (ord. S. BENED). Junii III, p. 612 (&#8222;Deinde
+cum inchoaretur Missa de beatissima Virgine Domina Nostra (sabbatum
+enim erat), veni in extasim." &#8222;Et his dictis, ab extasi reversa sum",
+p. 617: &#8222;In Exaltatione Sanctae Crucis saepe in extasi facta"; p. 619:
+&#8222;Accidit in prima Dominica solennis Jejunii in primis Vesperis, ut
+venirem in mentis excessum"; p. 620: &#8222;In die ad Missam, cum
+inchoaretur Passio Domini, iterum in extasim veni."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.27">27</a>: In een brief der abdis van ANDERNACH aan HILDEGARDE
+<i>Epistola</i> CXVI) vraagt eerstgenoemde of het waar is, dat H. alleen
+adellijke jonkvrouwen in haar klooster opneemt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.28">28</a>: Het hier beknopt samengevatte werd door mij ontleend vooral
+aan: MOLL'S <i>Kerkgesch.</i>, (zie: <i>Alg. Reg.</i>, p. 181&ndash;2. Zonden heerschende
+bij geestelijken en kloosterlingen), voorts pass. en o.a.:
+II, 2, 1 vlgg. en 148 vlgg.; PREGER, <i>Gesch. der deutschen Mystik</i>, I;
+SABATIER, <i>Vita di S. Francesco d'Assisi</i>; MIGNE, <i>Patrolog.</i>, T. 197;
+<i>Acta Sanct.</i> (ord. S. BENED). Junii III, 604&ndash;643. <i>Offenbarungen
+der Schwester Mechthild von Magdeburg....</i> herausgeg. von
+P. GALL MOREL; WYBRANDS, <i>De Abdij Bloemhof</i>, p. 136&ndash;7.
+AUGER'S <i>Etude sur les Mystiques des Pays-Bas</i> geeft weinig nieuws
+van beteekenis.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.29">29</a>: Vgl. <i>Leven van Sinte Lutgart....</i> door F. VAN VEERDEGHEM.
+Leiden, voorheen E.J. BRILL. 1899.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.30">30</a>: Vgl. ald. III, 4580-'84. De <i>Vita</i> schijnt slechts van <i>de hand</i>
+te spreken. Zie <i>Inl.</i> XI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.31">31</a>: Vgl. over dat alles VAN VEERDEGHEM'S <i>Inleiding</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.32">32</a>: Zie staaltjes dier breedvoerigheid t.a.p. XXXV-XXXVI.]<a name="179"></a>
+[Voetnoot <a name="5.33">33</a>: <i>Vita</i> (in de <i>Acta Sanct.</i>, Junii, T. III), p. 246, c. 11; <i>Leven
+van S. Lutgart</i>, IIe Boek, c. XII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.34">34</a>: II, vs. 1684 vlgg.; 2576 vlgg.; III, 956&ndash;979.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.35">35</a>: De bedoelde plaatsen, voorzoover niet reeds aangewezen, vindt
+men II, 1297; 516&ndash;562; vgl. ook vs. 7479-'83 met het origineel,
+waar men slechts deze woorden vindt: &#8222;cum Moniales alta voce cantarent."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.36">36</a>: De uitgever zegt: &#8222;assonances hebben wij er niet opgemerkt"
+(<i>Inl.</i> LXIII). Ik vond er slechts één (II, 241&ndash;2: <i>talen</i> || <i>maken</i>).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.37">37</a>: De voornaamste plaatsen waar over de <i>minne</i> gesproken wordt,
+zijn II, 81&ndash;88; 1220 vlgg.; 1339; 4625-'7; 5262-'7; 6283 vlgg.;
+6388-'98; 6969-'88; 7787&ndash;7806; 7848-'52; 7906-'13; III, 1789-'91;
+2008-'32; 3070-'84; 4564-'7.
+
+<p class="footnote"><i>Orewoet</i> genoemd: II, 6409, 7066, 7544, 7893, 13927.
+
+<p class="footnote">Al deze plaatsen worden in het Latijn niet aangetroffen. Slechts
+van III, 3070-'84 vindt men iets in het Latijn terug (&#8222;pia Lutgardis
+in oratione cum Domino mira spiritus instantia luctabatur. Tandem
+vero, ubi in ira Dominum misericordias continentem evincere non
+valebat" etc.).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.38">38</a>: Uitgaven van haar werk: <i>Gedichten</i> in Maetschappij der
+Vlaemsche Bibliophilen, 4e Reeks, n<sup>o</sup>. 2; <i>Proza</i>, id. n<sup>o</sup>. 11. De hss.
+ter Bibl. Royale te Brussel Cat. Ned. hss., n<sup>o</sup>. 2877-'80 en ter
+Univ.-Bibl. te Gent. Vgl. voorts over die hss. <i>Vaderl. Museum</i>, II,
+136 vlgg. Een artikel van PAUL FRÉDÉRICQ over: <i>De geheimzinnige
+ketterin Bloemaerdinne</i>. (Zuster HADEWYCH) in: <i>Versl. en Meded. der
+Kon. Akad. v. Wet.</i>, 3e Reeks, Deel XII en het stuk daartegen van
+E. VAN EVEN in <i>Dietsche War.</i> van 1896. Voorts: <i>Untersuchungen
+über die Werken van Zuster Hadewych....</i> von M. JÖRIS. Strassburg. 1894.
+
+<p class="footnote">De voorstelling van RUELENS&mdash;FRÉDÉRICQ: Hadewych = Bloemaerdinne
+is m.i. onaannemelijk. VAN EVEN heeft dat reeds ten deele
+aangetoond.
+
+<p class="footnote">Tegen die voorstelling pleit vooral:
+
+<p class="footnote">1<sup>o</sup>. dat de namen der beide vrouwen verschillen; <i>Hadewijch</i> en
+<i>Heilwijch</i> zijn namen van verschillende afkomst (zie o.a. POTT, <i>Die
+Personennamen</i>, 110, 212, 641) en nergens blijkt, dat zij in dien
+tijd ook wel verwisseld worden
+
+<p class="footnote">2<sup>o</sup>. de voorbeelden van kettersche leerstellingen, door F. uit
+HADEWYCH'S werken aangehaald, bewijzen niet dat hier inderdaad
+van ketterij sprake mag zijn; ook van die &#8222;allerschandelijkste seraphische
+liefde" zijn in HADEWYCH'S werken geene sporen aan te wijzen.
+
+<p class="footnote">3<sup>o</sup>. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en<a name="180"></a>
+haar invloed bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok
+JAN VAN LEEUWEN, spreekt van &#8222;een overheylich wijf die hiet
+hadewijch" en van hare &#8222;edel goddelike leringhe"; die &#8222;leringhe"
+is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S geschrift: <i>die rolie der woedegher
+minnen</i>. Zie daarover het artikel van Dr. C.G.N. DE VOOYS in:
+<i>De XXe eeuw</i>, IX, 181.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.39">39</a>: <i>Proza</i>, bl. 187.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.40">40</a>: Vgl. <i>Quinque prudentes Virgines....</i> auctore P.F. CHRYSOSTOMO
+HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de <i>Vita B. Beatricis</i>. Was
+zij de Cisterciënser-non, &#8222;quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat
+de se ipsa"? (<i>Vad. Museum</i>, II, 142), en wier werk door WILLEM
+VAN AFFLIGHEM in het Latijn &#8222;satis eleganter" vertaald is? Of
+moeten wij aan HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden
+wij ook hier weer verplaatst onder de Cisterciënser-nonnen en zien
+wij WILLEM VAN AFFLIGHEM in betrekking tot deze.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.41">41</a>: Vgl. o.a. <i>Proza</i>, blz. 5&ndash;6, 15, 20&ndash;21, den aanvang der
+<i>Epistolae; Gedichten</i>, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5&ndash;10;
+210, 25&ndash;28.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.42">42</a>: <i>Proza</i>, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij
+sommige Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese?]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.43">43</a>: <i>Proza</i>, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van
+PAUL FRÉDÉRICQ.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.44">44</a>: <i>Proza</i>, bl. 106&ndash;7, 128.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.45">45</a>: <i>Deuteronomium</i> VI, 5. (De tekst van het proza heeft &#8222;<i>diere</i>
+herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik <i>dijnre</i>).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.46">46</a>: Vgl. <i>Proza</i>, bl. 72&ndash;3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.47">47</a>: <i>Proza</i>, bl. 104, 143, 179, 119, 126&ndash;7. (<i>Openb.</i> I, 13 vlgg.),
+146, 144, 151. Vgl. ook FRÉDÉRICQ'S artikel, bl. 83.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.48">48</a>: Vgl. <i>Openb.</i> VIII, 6 en <i>Proza</i>, 135; VI, 1 en 135&ndash;6; VIII,
+13 en 153&ndash;4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met
+<i>Proza</i>, 135, 139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: &#8222;gij moet
+wederom" enz.
+
+<p class="footnote">In <i>Openb.</i> II, 4 lezen wij: &#8222;Maar ik heb tegen u dat gij uwe
+eerste liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: &#8222;maar ik heb eenige weinige
+dingen tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: &#8222;Mer ic hebbe een
+dinc te di, daer ic mi omme belghe" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.49">49</a>: Vgl. <i>De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken....</i>
+door W. DE VREESE, I, 427.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.50">50</a>: <i>Proza</i>, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: &#8222;ic di, wes mi" in hare
+<i>Poëzie</i>, bl. 94, 131, 244.]<a name="181"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.51">51</a>: S. BERNARDI <i>Opera omnia....</i> D. JOANNIS MABILLON.
+Mediolani. JAC. GNOCCHI, 1850, I, <i>Ep.</i>, XI te vergelijken met:
+<i>Gedichten</i>, XI, 19&ndash;20:
+
+<p class="footnotequote">Want der knechten wet es vaer<a title="[margin: vrees.]"><sup>#</sup></a>
+Maer minne es wet der sonen.
+</p>
+
+<p class="footnote">&#8222;Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit
+sibi: tertius filius et defert patri."
+
+<p class="footnote">Voorts: <i>Tract. de Conversione</i>; <i>de diligendo Deo</i>; <i>In cantica sermo 67</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.52">52</a>: Vgl. <i>Proza</i>, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK
+GOETHALS van Gent, spreekt van: <i>nosse</i>, <i>velle</i> et <i>posse</i>. Vgl. <i>Heinrich
+von Gent</i> von Dr. K. WERNER, S. 37.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.53">53</a>: B.v. <i>Proza</i>, p. 43, 93, 107. <i>Gedichten</i> o.a.: p. 5, 41; 26; 86,
+41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2;
+86, 27 en pass.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.54">54</a>: <i>Proza</i>, 14, 24; voorbeelden van <i>nuw</i>, <i>Mnl. Wdb.</i>, IV, 2422
+en pass. in HADEWYCH'S <i>Gedichten</i>. Tegenover de <i>nieuwe</i> plaatst H.
+ook wel eens de <i>oude</i> en tegenover de <i>vreemde</i> de <i>bekende</i>. Zie b.v.
+<i>Ged.</i>, bl. 224 (b.).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.55">55</a>: <i>Proza</i>, 35, 58.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.56">56</a>: <i>Gedichten</i>, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk
+is 190, 1 vlgg. <i>Proza</i>, bl. 176.
+
+<p class="footnote">Met &#8222;broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der
+13e eeuw bedoeld. Vgl. FRÉDÉRICQ t.a.p., bl. 90.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.57">57</a>: <i>Proza</i>, bl. 61&ndash;2. <i>Minne</i> en <i>Redene</i> als de twee voornaamste
+zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S <i>voluntas</i> en <i>ratio</i>.
+
+<p class="footnote">Inderdaad vinden wij in de <i>Gedichten</i>, bl. 196, vs. 15 vlgg. <i>redene</i>
+en <i>wille</i> in verband met <i>memorie</i> behandeld.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.58">58</a>: <i>Proza</i>, bl. 87, 5, 3, 68.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.59">59</a>: <i>Proza</i>, bl. 32; voorts 17, 96, 104. <i>Rijmklanken</i> o.a. op bl. 23,
+42, 57, 89.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.60">60</a>: Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de <i>Gedichten</i>, p. 84,
+69, 18, 56, 61, 66&ndash;7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne),
+92, 93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der
+minne), 242, 264, 21&ndash;22, 32; (de geestelijke &#8222;dorper"), 39, 42, 43,
+46, 49, 105, 123, 235.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.61">61</a>: Vgl. <i>Ged.</i>, 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17&ndash;18; (&#8222;hoech
+gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; (&#8222;gewat"), 9;
+(&#8222;ghebruken"), <i>orewoet</i>, (28, 51, 69, 107, 30&ndash;31), 43.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.62">62</a>: <i>Ged.</i>, p. 69, 134, 142, 146, 156&ndash;7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93.]<a name="182"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.63">63</a>: Vgl. bl. 186.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.64">64</a>: Bl. 8. En voorts pass. b.v. n<sup>o</sup>. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23,
+35, 41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.65">65</a>: <i>Ged.</i>, bl. 11, 15, 24.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.66">66</a>: <i>Ged.</i>, bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich
+het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met
+den aanvang:
+
+<p class="footnotequote">Een blinde zag een molensteen
+Ronddrijven in den stroom.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.67">67</a>: Vgl. <i>Proza</i>, bl. 60&ndash;61; <i>Ged.</i> 14, 32, 36, 53, 55, 78, 79, 83,
+124, 145, 151, 152, 154, 158, 165, 169, 178, 179, 269. Of het vers:
+&#8222;Haddic mijn hoege geslachte bedacht" (XXIII, 50) eene zinspeling
+is op haar adeldom (zooals JONCKBLOET meent), schijnt mij twijfelachtig.
+In den mond van mystieken beteekent zulk eene uitdrukking
+m.i. eer: dat men zich een schepsel Gods dan dat men zich van
+adellijk geslacht voelt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.68">68</a>: <i>Proza</i>, bl. 59, 77; <i>Ged.</i>, bl. 252, 254, 257.]<a name="183"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>3. POËZIE DER GEMEENTEN.</h2>
+
+<p class="intro">De gemeenten tegenover adel en geestelijkheid. <i>Disticha Catonis</i>.
+Dietsche <i>Ars Amandi</i>. <i>Bestiaris</i>. <i>Esopet</i>. De eerste boerde. Roman
+<i>van den VII. Vroeden van Rome</i>. <i>Van den Vos Reinaerde</i>.
+
+<p>De ridderschap droeg een half nationaal half internationaal
+karakter. De adel van eenig land mocht zich aan dat land verbonden
+gevoelen door afkomst, taal, grondbezit en van tijd tot
+tijd met zijne landgenooten tegenover andere volken staan&mdash;toch
+had hij met den adel van andere West-europeesche volken
+veel gemeen: dezelfde ridderplichten golden voor allen, hun
+begeeren en streven, hunne leefwijze, zeden en gewoonten,
+waren grootendeels van denzelfden aard.
+
+<p>Ook de geestelijkheid, dienaren eener zelfde kerk die het
+Westen van Europa in haar greep omvatte, had vrij wat internationaals;
+dezelfde klooster-orden vond men in onderscheiden
+landen; overal droegen &#8222;gelijke monniken gelijke kappen" en
+konden van gedachten wisselen in de gemeenschappelijke kerktaal.
+
+<p>Tegenover deze beide standen vertegenwoordigen de gemeenten
+het zuiver-nationale element. Poorters en boeren, doorgaans
+aan stad of dorp gebonden, kwamen zelden buiten hunne
+streek of hunne gouw, veel minder in vreemde landen, tenzij
+een bedevaart of een krijgstocht er hen toe dwong. In die talrijke
+kleine kringen welker samenhang door onderling gesloten
+huwelijken nog versterkt werd, bewaarde men het zuiverst het
+oorspronkelijk volkskarakter in zijne voorname uitingen: taal,
+recht, maatschappelijk en huiselijk leven. Daar sprak men slechts
+Dietsch, gaf en ontving recht volgens voorvaderlijke instellingen,<a name="184"></a>
+en bewaarde de eeuwen door een schat van instellingen, gebruiken,
+zeden en gewoonten.
+
+<p>Het ideale streven van den adel en de geestelijke &#8222;minne"
+waren voor hunne nuchterheid te hoog. Oorlog en hoofsche
+minne, in de ridderromans verheerlijkt, konden nog niet veel
+aantrekkelijks hebben voor harde werkers, tuk op winst die
+slechts de vrede hun brengen kon; voor eenvoudige boeren
+en poorters, die nog niet veel gaven om oorlogsroem, uiterlijke
+beschaving en verfijning. Zeker, ook zij hadden behoefte aan
+iets hoogers dan het dagelijksch werken om den broode. In
+die behoefte voorzagen de kerk en het geloof voor een groot
+deel; doch naarmate het geestelijk leven onder de gemeenten
+zich ontwikkelde, begonnen ook zij smaak te krijgen in eenig
+letterkundig werk dat hen kon vermaken, onderrichten of stichten.
+Wat aan een of meer dezer drie voorwaarden voldeed, had
+kans de gemeente te behagen&mdash;indien het niet te omvangrijk
+was; want onder burgers en boeren had men niet zooveel vrijen
+tijd als in kasteel of klooster.
+
+<p>Van dien aard was de Latijnsche verzameling van eenvoudige
+zedelessen onder den naam <i>Disticha Catonis</i> uit de eerste
+eeuwen onzer jaartelling, die in bijna ontelbare bewerkingen
+of vertalingen onder de volken van West-Europa was verbreid<a href="#6.1">[1]</a>.
+
+<p>Dat &#8222;bouc van zeden" zooals MAERLANT het noemt, werd
+reeds in 1253 zóó hoog geschat, dat men het op de scholen
+van Yperen als leerboek gebruikte; toen DIEDERIC VAN ASSENEDE
+zijn <i>Floris en Blancefloer</i> bewerkte, nam hij in zijn gedicht een
+drietal verzen uit den &#8222;bouc van zeden" op, die hem blijkbaar
+nog van de schoolbanken heugden. De korte, grootendeels
+vierregelige stukjes, in eenvoudige taal en doorgaans paarsgewijze
+rijmend, waren daartoe dan ook wel geschikt. Met hun
+inhoud kon het middeleeuwsch geslacht zeker zijn voordeel
+doen. Zij vonden hier enkele voorschriften in den geest van<a name="185"></a>
+het Christendom, zooals: den dood niet vreezen, zich niet
+schuldig maken aan overspel of vrekheid. Veel meer echter
+zulke die gericht waren op algemeene zedelijke vorming, op de
+praktijk des levens, het aankweeken van zachtheid en heuschheid,
+het aanleeren van goede manieren: vroeg opstaan, niet
+te veel eten en drinken, niet veel praten onder het eten, zijn
+kinderen een ambacht laten leeren, spaarzaam zijn, weer goed
+maken wat gij in dronkenschap misdreven hebt; ais gij ziek
+zijt, kies dan iemand die verstand heeft van de geneeskunst;
+let niet op droomen, beproef niet te doen wat uwe kracht te
+boven gaat; maak u niet boos op uwe dienstbaren, geloof
+uwe vrouw niet als zij te onrechte over hen klaagt, bedenk
+dat zij menschen zijn als gij; aanvaard minzaam ook een kleine
+gift, scheld niet die u liefhebben; bespot oude menschen niet;
+tracht wijs te worden: onderricht in den landbouw kunt gij
+vinden bij VIRGILIUS, in den oorlog bij LUCANUS, in de minne
+bij OVIDIUS. Wacht u voor menschen die weinig spreken:
+
+<p class="quote">Men seit: die vloet die stille staet,
+Soe<a title="[margin: zij.]"><sup>#</sup></a> es dieper dan die harde gaet.
+</p>
+
+<p>Bemin het geld om zijn gebruik; bezit gij have en goed,
+geniet er dan van. Gij moogt wel een spiering uitgooien om
+een kabeljauw te vangen.
+
+<p>OVIDIUS' onderricht in de minne, waarvan de <i>Dietsche Catoen</i>
+spreekt, was te vinden o.a. in een uit het Fransch vertaald
+gedicht, dat waarschijnlijk tot dezen tijd behoort en de <i>Ars
+Amandi</i> behandelde. Ook in een <i>bestiaire</i>&mdash;wij zouden
+zeggen: een <i>beestenboek</i>&mdash;zooals een Fransch geestelijke van
+hoogen rang, RICHARD DE FOURNIVALL, er in den aanvang
+der 13<sup>de</sup> eeuw een schreef, dat toepasselijk was gemaakt op
+de liefde. Zulk een &#8222;bestiaris van minnen", waarschijnlijk uit
+dezen tijd, kwam gedeeltelijk tot ons.<a name="186"></a>
+
+<p>Veel meer in trek echter waren de echte &#8222;bestiaires" die een
+overzicht van gesymboliseerde zoölogie behelsden. MAERLANT
+verhaalt ons dat Heer WILLEM UTENHOVE, &#8222;priester van goeden
+hove" te Aardenburch, zulk een <i>Bestiaris</i> had gemaakt. Doch
+hij was van den rechten weg afgedwaald, doordat hij een
+Fransch gedicht tot voorbeeld had gekozen. Misschien was dit
+voorbeeld PHILIPPE DE THAON'S <i>Bestiaire</i> uit den aanvang der
+12<sup>de</sup> eeuw, waarin o.a. de leeuw Jezus-Christus voorstelt; de
+eenhoorn die zich laat vangen door eene maagd: God die afgedaald
+is tot Maria; de krokodil den duivel; de sirenen die in
+zee de schippers verlokken: de rijkdommen in de wereld de
+menschen verleidend enz.<a href="#6.2">[2]</a>.
+
+<p>Doch hoe nuttig zulke zedelessen ook waren, zij zetten de
+verbeelding niet aan het werk en vermochten dus niet, wat
+men van een literair werk vooral verlangt: de toehoorders
+(lezers) aan zich zelven te ontrukken.
+
+<p>Daartoe was het verhaal beter geschikt, het korte verhaal
+dat tevens een nuttige les bevatte. Zulke verhalen zijn van de
+oudste tijden af bij alle volken, beschaafd of onbeschaafd, in
+zwang geweest en hebben zich langs de wegen van mondelinge
+en schriftelijke overlevering, de eeuwen door, van het eene volk
+tot het andere verbreid. In tijden toen de mensch zijne meerderheid
+boven het dier nog niet zoo sterk gevoelde als later, verplaatste
+de verteller zijne hoorders gaarne te midden der dierwereld.
+Liet hij dieren handelen en spreken als menschen, dan
+kon niemand zich ergeren als ware het op hem gemunt, en
+het verhaal won aan zinrijkheid doordat het den geest der
+hoorders aan het werk zette, en hen zelven de toepassing deed
+maken. Niet zelden ook voerde de verteller de dieren in gezelschap
+van een of meer menschen ten tooneele of vertelde hij
+een verhaal waarin louter menschen voorkwamen onder verdichte
+namen of aangeduid in algemeene bewoordingen.<a name="187"></a>
+
+<p>Die honderden verhalen in hunne verbreiding over de wereld
+door den loop der eeuwen volgen, daartoe is de wetenschap
+op verre na niet in staat. Slechts hier en daar kan zij ons een
+kijkje geven op de veelheid hunner elkander kruisende kronkelwegen.
+In het Oosten met name in Voor-Indië, zijn vele dezer
+verhalen al vroeg opgeteekend en tot grootere werken vereenigd;
+van het Oosten zijn er ettelijke, ten deele langs
+schriftelijken ten deele langs mondelingen weg, naar het Westen
+gekomen; vele andere moeten echter vanouds gemeen goed der
+menschheid geweest en mondeling van het eene geslacht op het
+andere zijn overgegaan, ook al kreeg men door vertalingen
+eene schriftelijke overlevering naast die mondelinge<a href="#6.3">[3]</a>.
+
+<p>Waarschijnlijk waren er in de 13<sup>de</sup> eeuw ook hier te lande
+verscheidene dierenfabels in omloop<a href="#6.4">[4]</a>. Echter berust de eenige
+Nederlandsche fabelbundel van dezen tijd die tot ons is gekomen
+niet op mondelinge overlevering, maar bevat zij eene vertaling
+van een Latijnsch origineel dat bekend staat onder den
+naam <i>Romulus</i>. Misschien had MAERLANT het oog op dezen bundel,
+toen hij in zijn <i>Spieghel Historiael</i> verhaalde dat de &#8222;favele"
+van ESOPUS door een paar dichters, CALFSTAF en NOYDEKIIN,
+waren verdietscht &#8222;in rime scone ende fijn" en ze aanprees
+om de &#8222;spellecheit<a title="[margin: vermakelijkheid.]"><sup>#</sup></a> ende wijsheit van zinne" die men er
+in vond<a href="#6.5">[5]</a>.
+
+<p>De bedoeling ook van dezen fabelbundel, gewoonlijk <i>Esopet</i>
+genoemd, was natuurlijk lessen van menschenkennis en levenswijsheid
+mede te deelen. De schrijver van den proloog bereidde
+zijne hoorders (lezers) daarop voor, toen hij aldus aanving:
+
+<p class="quote">Ic wille u, in die ere ons Heren,
+Bi beesten ende bi vogelen leren,
+Wisen ende wel bedieden
+Die nature van den lieden.<a name="188"></a>
+</p>
+
+<p>Aan het slot der fabels zijn die lessen dan ook doorgaans in
+een paar regels of een spreekwoord samengevat. In die goede
+lessen achtte de proloogschrijver de verdienste van het boek
+gelegen. &#8222;Let op den inhoud, niet op den vorm", zegt hij;
+in elk woord vindt gij &#8222;redene ende goeden sin"<a href="#6.6">[6]</a>. Toch mag
+de bewerking over het algemeen verdienstelijk heeten, al is zij
+onder de handen van een afschrijver er waarschijnlijk niet beter
+op geworden. De 67 fabelen die hier uit den <i>Romulus</i> ter
+bewerking zijn gekozen, behelzen de algemeen bekende verhalen
+van vos en kraai, kikvorsch en os, wolf en kraanvogel
+enz.; zij zijn meerendeels levendig verteld; hier en daar heeft
+de bewerker de levendigheid verhoogd door zijne personages
+sprekend op te voeren, zooals dat ook in de epische ridderpoëzie
+gebruikelijk was<a href="#6.7">[7]</a>. Hier en daar heeft de volksaard aan
+de vertaling een eigen kleur gegeven. Zoo b.v. waar de vertaler
+de fabel van de muis en de kikvorsch besluit met:
+
+<p class="quote">Hets recht, dat valsche taverniere
+Drinken van hars selfs biere<a href="#6.8">[8]</a>.
+</p>
+
+<p>Elders komt de maagschap ons herinneren dat wij in middeleeuwsch
+Nederland zijn. Op een andere plaats geeft de bewerker
+ons een kijkje in de middeleeuwsche hel waar de rampzaligen in de
+(met kokend sulfer en pik gevulde) ketels moeten ronddrijven<a href="#6.9">[9]</a>.
+
+<p>In een vijftiental dezer fabelen komen naast dieren ook
+menschen ten tooneele, in een vijftal slechts menschen of goden;
+zij handelen over de bruiloft van een dief, over Juno en Venus,
+een jonkman en eene jonkvrouw, een vader met zijn onhandelbaren
+zoon, een man die uit twee monden spreekt. Daar had
+de dichter een greep gedaan in het algemeen menschelijke,
+daar verplaatste hij zijne hoorders in wat ook nog voor hen
+werkelijkheid was<a href="#6.10">[10]</a>.<a name="189"></a>
+
+<p>In hooger mate geldt dat van een der verhalen uit dezen
+bundel dat ik tot nog toe ter zijde heb gelaten, omdat het
+een karakter draagt, verschillend van dat der overige. Het is
+het bekende verhaal van de ontroostbare weduwe die niet wil
+scheiden van haar mans lijk. Niet ver van haar zit een soldaat
+op wacht bij de galg, waaraan het lijk van een misdadiger
+hangt. De wachter krijgt dorst, klopt aan bij de schoone weduwe,
+stilt zijn dorst en troost haar. Terugkomend, ziet hij dat verwanten
+van den gehangene het lijk gestolen hebben. Bevreesd
+voor straf, roept hij de hulp der weduwe in; deze redt hem
+uit den brand door het lijk van den betreurden echtgenoot in
+de plaats van het misdadigerslijk te hangen.
+
+<p>Het middeleeuwsch woord <i>fabel</i> was, evenals het Oudfransche
+<i>fabliau</i>, ruim genoeg om verhalen van dezen aard en verhalen
+uit het dierenleven te omvatten; doch wanneer wij de Nederlandsche
+bewerking vergelijken met het Latijnsche origineel,
+dan zien wij duidelijk dat wij hier een voorlooper onzer latere
+<i>boerden</i> voor ons hebben. Van het sober, bijna droog, vertelde
+Latijnsche verhaal heeft de Nederlandsche dichter een klein
+tafereel vol leven gemaakt, waarin de naïeve volkshumor van tijd
+tot tijd op voortreffelijke wijze tot uiting komt. Men hoore b.v.
+het eerste onderhoud tusschen de schijndroeve en den wachter:
+
+<p class="quote">&#8222;Vrouwe," seegt hi, &#8222;God houde u!"
+&#8222;Ay mi!" seegt si, &#8222;wie es daer nu?"
+&#8222;Vrouwe," seegt hi, &#8222;hier es een man."
+&#8222;Ay mi!" seegt si, &#8222;nu vlie dan!
+&#8222;Nemmermeer so ne wil ic comen,
+&#8222;Of God wilt daer men <i>man</i> hort noemen.
+&#8222;Ay mi!" seegt si, &#8222;hier leget doet
+&#8222;Mijn soete vrient, mijn beddeghenoet
+...<a name="190"></a>
+</p>
+
+<p>Dan de leukheid waarmede de wachter haar troost:
+
+<p class="quote">&#8222;Bi Gode!" seegt hi, &#8222;lieve vrouwe,
+&#8222;Mi es herde leet uw rouwe;
+&#8222;Maer die levende ende die dode
+&#8222;Moeten sceden, al doen sij 't node."
+...
+</p>
+
+<p>Verdraag wat gij niet verhelpen kunt; denk aan uw jonge
+jeugd. Zoo'n mooie vrouw past vroolijkheid beter; en dan, uw
+man mag flink zijn geweest ... daar zijn nog betere dan hij:
+
+<p class="quote">&#8222;Beter?" seegt si, &#8222;ay mi! ay mi!
+&#8222;Wie soude dat sijn, segt mi, wie?"&mdash;
+&#8222;Vrouwe," seegt hi, &#8222;dat ben ic,
+&#8222;Die u ghemint hebbe een stic"<a title="[margin: eenigen tijd.]"><sup>#</sup></a>.&mdash;
+&#8222;Ghi hout u scaren<a title="[margin: gij spot.]"><sup>#</sup></a>, ic wane," seegt soe.
+&#8222;God weet, vrouwe," seegt hi, &#8222;in doe."
+</p>
+
+<p>Met dezelfde losheid en levendigheid gaat het verhaal voort
+tot het eind, al heeft de afschrijver op al te plompe wijze
+getracht het slot te verknoeien<a href="#6.11">[11]</a>.
+
+<p>Een dergelijk verhaal van de ontroostbare weduwe vindt men
+met verscheidene andere vereenigd in een der beroemdste verhalenbundels,
+welke de wereldliteratuur kent, nl.: <i>van den VII.
+vroeden binnen Rome</i>.
+
+<p>Van de vroegste tijden af vindt men bij tal van volken in
+Azië en Europa deze en soortgelijke verhalen vereenigd tot
+bundels, die onderling verschillen doordat, als in een kaleidoscoop,
+telkens weer andere verhalen zich samenvoegen tot
+een nieuw geheel. De lijst om die verhalen blijft dezelfde;
+overal is het een stiefmoeder die haren schoonen voorzoon,
+een JOZEF-HIPPOLYTUS, belastert bij zijn vader. Telkens wil de
+vader den zoon ter dood laten brengen, doch wordt ook telkens<a name="191"></a>
+daarvan afgebracht door een waarschuwend verhaal van een
+der zeven vroede mannen die den jongeling hebben opgevoed.
+Tegenover elk dier verhalen plaatst de stiefmoeder een verhaal met
+tegenovergestelde strekking, totdat de vader de waarheid ervaart
+en de booze stiefmoeder doet verbranden. In die lijst vindt men
+telkens weer een verschillend samenstel van verhalen, al komen
+ettelijke van dezelfde verhalen in vele bewerkingen voor<a href="#6.12">[12]</a>.
+
+<p>In den bovengenoemden Nederlandschen bundel hebben wij
+waarschijnlijk de bewerking eener Fransche proza-redactie<a href="#6.13">[13]</a>.
+MAERLANT zal wel het oog op dit gedicht hebben gehad, toen
+hij in zijn <i>Spiegel Historiael</i> schreef:
+
+<p class="quote">Maer noit en vand ic, als ic ghome<a title="[margin: naar ik meen.]"><sup>#</sup></a>,
+Ghene VII. vroede te Rome,
+<i>Els dan die valsche faloerde<a title="[margin: Behalve dan dat logenverhaal.]"><sup>#</sup></a>
+Veinset daer af eene boerde</i><a href="#6.14">[14]</a>.
+</p>
+
+<p>Ook is het zeer wel mogelijk dat een paar regels uit één der
+verhalen zijn overgenomen uit het verhaal van de weduwe in
+<i>Esopet</i> of omgekeerd, zoodat beide werken niet zoo heel lang
+na elkander zullen vervaardigd zijn<a href="#6.15">[15]</a>.
+
+<p>Deze Nederlandsche bewerking geeft ons een aantal der
+meest bekende verhalen, waarvan ik slechts een paar noem om
+eenig denkbeeld van het geheel te geven. Wij vinden hier o.a.
+het verhaal van den trouwen hond die een kind in de wieg
+verdedigt tegen een slang, de slang doodt en, met bloed bevlekt,
+zich neervlijt bij de wieg die in het gevecht ondersteboven
+is komen liggen. Als dan de vader van het kind thuiskomt, de
+wieg ondersteboven doch niet zijn kind ziet, waant hij dat de
+hond het kind heeft gedood en slaat den trouwen wachter den
+kop af. Voorts het verhaal, reeds bij HERODOTUS voorkomend,
+van de dieven die in des Konings schatkamer binnendringen,
+waarin één hunner gevangen blijft; dat van de vrouw die het<a name="192"></a>
+geduld van haar man op zware proeven stelt, door SHAKESPEARE
+in zijn <i>Taming of the Shrew</i> gedramatizeerd; van de overspelige
+vrouw die door een slimmen streek haar man 's nachts buiten
+de deur weet te sluiten en de verdenking van ontrouw op hem
+te laden.
+
+<p>Vergelijkt men de Nederlandsche bewerking met haar voorbeeld
+dat zij over het algemeen vrij getrouw volgt, dan blijkt dat de
+vertaler in menig opzicht te kort schiet: zelden treffen wij een
+stuk aan dat mooi verteld is, al te vaak vinden wij noodelooze
+herhalingen en stoplappen; de bouw zijner zinnen laat nogal
+eens te wenschen over. Anderzijds is er in zijn werk zekere
+frischheid en iets eigens dat aangenaam aandoet en de vele
+teekenachtige woorden die hij gebruikt, versterken dien indruk
+nog. Zelden of nooit laat hij in eene opmerking of overweging
+iets van zijne persoonlijkheid zien, doch het karakter van
+zijn volk en zijn tijd openbaart zich hier en daar duidelijk.
+Op meer dan een plaats vinden wij een godsdienstig tintje,
+waar dat in het Fransen ontbreekt; elders integendeel een
+realistisch-erotisch element, dat in het Fransch niet gevonden
+wordt. Soms geeft hij ons een kijkje in de rechtspraak dier
+dagen, in het huiselijk leven en de gewoonte om met Kerstdag
+zijne magen ten eten te noodigen, toont ons dat het verbod
+om 's avonds na klokslag zonder lantaarn uit te gaan toen reeds
+bestond of, verlevendigt zijn verhaal door het aardig weergeven
+eener tevreden stemming in een regel als deze:
+
+<p class="quote">Dat halp den keyser in sijn merch<a href="#6.16">[16]</a>.
+</p>
+
+<p>Zulke teekenachtige uitdrukkingen, in verband met den
+ganschen geest der bewerking en de blijkbare onbedrevenheid
+van den bewerker in het hanteeren der taal, doen mij eer aan
+een volksdichter dan aan een ontwikkeld dichter denken, al
+blijkt ons niet tot welk publiek hij zich bij voorkeur richt.<a name="193"></a>
+
+<p>Opmerkelijk blijft in allen gevalle dat de smaak in korte verhalen
+van dezen aard&mdash;zij konden immers alle afzonderlijk
+worden voorgedragen&mdash;zich in dezen tijd onder ons volk
+openbaart. En begrijpelijk is het dat men hier nog meer moet
+hebben genoten van een dichtwerk waarin een aantal dierfabels
+waren verbonden tot een veel hechter en schooner geheel dan
+dat der <i>VII. vroeden van Rome</i>.
+
+<p>Men zal beseffen dat ik het oog heb op het voortreffelijk
+middeleeuwsch kunstwerk
+
+<h3>VAN DEN VOS REINAERDE<a href="#6.17">[17]</a>.</h3>
+
+<p>In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt
+de fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit
+volgt natuurlijk nog niet, dat de fabelbundel <i>Esopet</i> ouder
+moet zijn dan het episch gedicht <i>Van den Vos Reinaerde</i>; doch
+welke ook de ontstaans-orde dezer twee werken moge zijn,
+veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet ontloopen. En, wat
+gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier waarschijnlijk eene
+mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of onder
+de schriftelijke.
+
+<p>De bewerker der Latijnsche fabels uit den <i>Romulus</i> moet
+ook andere fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de
+hand, dan dat die hem uit den volksmond bekend, dat zij hem
+door anderen verteld zijn geworden? Anders dan in den <i>Romulus</i>
+draagt de vos bij hem reeds zijn naam <i>Reinaert</i>, kent hij den
+ezel onder den naam <i>Boudewijn</i>, den aap onder dien van
+<i>Martijn</i>; de vos spreekt den wolf aan met &#8222;soete here oom",
+de ezel het everzwijn met &#8222;lieve broeder", de kleinere dieren
+(muis, lam) spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met &#8222;here"
+of &#8222;edel here"; wij vinden in den <i>Esopet</i> reeds de uitdrukking:
+&#8222;van reinaerts spele spelen".<a name="194"></a>
+
+<p>Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels
+kenden, zal de verdietsching van den <i>Romulus</i> bij hen
+in goede aarde zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept
+hebben in die korte verhalen, waarin allerlei menschelijk gebeuren,
+denken en gevoelen was voorgesteld; te meer, omdat
+de acteurs op dit klein tooneel te voorschijn kwamen in de
+gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende dieren. Maar
+in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve waren,
+zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen:
+den hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare,
+den hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand;
+hier konden zij &#8222;vroescap leren" in nuttige lessen als:
+tevreden zijn met weinig, zich hoeden voor slechte raadgevers,
+mooipraters wantrouwen, zich aan een ander spiegelen, om het
+rad van avontuur denken, dat het met groote heeren kwaad
+kersen eten is, &#8222;dat behendichede beter es dan sterchede".
+
+<p>En die &#8222;vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat
+zij werd voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met
+rustige vroolijkheid en zachte luim en leuke scherts die hier
+en daar, als in de fabel over de vrouwen, tot goelijken
+spot werd.
+
+<p>Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing
+van het zooveel grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk
+dierenleven, dat hun in het verhaal <i>Van den Vos Reinaerde</i>
+geboden werd. Alles wat er in <i>Esopet</i> te genieten viel, was
+ook hier aanwezig, maar in hoogere macht, en vereenigd
+tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren
+een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf<a href="#6.18">[18]</a>, vos,
+das, ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met
+uitheemsche als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij
+gelijk aan de feodale, bestuurd door Koning Leeuw
+die met zijne groote vazallen te rade gaat. In die maatschappij<a name="195"></a>
+is er een die zich om recht noch wet bekommert, leeft naar
+eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei misdaden zich
+tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos
+Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel,
+onbarmhartig, telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna
+ongenaakbaar Maupertuis verlatend.
+
+<p>Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van
+klachten zijn tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings
+rechterstoel vangt aan. Reinaerts grootste vijand, Isegrim de
+wolf, opent de reeks der aanklagers. De Koning besluit dat
+Reinaert driemaal zal worden ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens
+naar Maupertuis gezonden, komen met schade en
+schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het aan neef
+Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld
+tot de galg, weet de schelm zich te redden door den
+Koning het uitzicht te openen op een ver weg begraven schat;
+dit leugenverhaal heeft hij verbonden met zware beschuldigingen
+tegen beer en wolf. Hij komt er af met eene bedevaart; beer
+en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram Belijn vergezellen
+hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met Cuwaerts kop
+tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert
+met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis.
+
+<p>In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een
+paar lijnen aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen
+indruk moesten wij hebben, voordat wij ons nu kunnen
+wenden tot het beantwoorden van de vragen: van waar had de
+dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar opgevat en uitgewerkt?
+welke indrukken laat de beschouwing van zijn kunstwerk
+bij ons achter?
+
+<p>Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een
+of meer der Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft<a name="196"></a>
+gekend, noch dat hij een zoogenaamde &#8222;branche" dier sage,
+<i>Le Plaid</i>, eenigermate als voorbeeld heeft gevolgd.
+
+<p>Van de 12<sup>de</sup> tot de 14<sup>de</sup> eeuw hadden tal van Fransche
+trouvères, meerendeels klerken, uit Normandië en Champagne,
+maar vooral uit Picardië en Fransch-Vlaanderen, met liefde
+deze verhalen behandeld, zooals zij zich die herinnerden uit
+de klassieke fabelbundels, uit de in kloosters gedichte Latijnsche
+verhalen als <i>Ecbasis Captivi</i>, <i>Sacerdos et Lupus</i>, <i>Gallus et
+Vulpes</i>, of uit de mondelinge overlevering. Langzamerhand
+ziet men in het werk der trouvères satire van kerk en kerkgebruiken
+en parodie van ridderwezen en ridderroman op
+den voorgrond komen. Bij de voortgaande ontwikkeling
+van het literair kunstgevoel gingen sommige dichters er naar
+streven eenheid te brengen in de veelheid dezer verhalen. In
+den aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw (omstreeks 1204) zien wij dat
+streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht
+<i>Le Plaid</i>.
+
+<p>Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen
+dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een
+nieuw werk; tal van bekende verhalen en dichterlijke motieven,
+met kunst verwerkt en met tact samengevoegd, zijn daarin door
+hem met nieuw leven bezield. In het eerste deel van zijn werk
+(ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele het Fransche
+gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het verhaal
+wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook
+andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche
+&#8222;branches" of uit de mondelinge overlevering bekend waren.
+In het tweede deel ging hij nog meer zijn eigen weg, daar hij,
+naar dichters welbehagen puttend uit de bronnen der schriftelijke
+en waarschijnlijk ook der mondelinge overlevering, uit de
+door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is er dus
+wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar<a name="197"></a>
+hun gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen,
+scherp kan die tegenstelling niet genoemd worden.
+
+<p>Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch
+gedicht en de Fransche &#8222;branches" zijn ons reeds
+vroeger aangewezen; die overeenkomst heeft soms betrekking
+op den toestand, soms ook, maar minder dikwijls, op de wijze
+van voorstelling; woordelijke overeenkomst kan vooral in het
+eerste deel hier en daar worden opgemerkt<a href="#6.19">[19]</a>. De tot dusver
+gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd.
+
+<p>Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen,
+terwijl hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat
+te praten. Een tweede aanwijzing vinden wij in het volgende.
+In het Nederlandsch gedicht moet Bruin de beer, op zijne
+zending naar Maupertuis door Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld,
+een zwaren tocht volbrengen om koning Nobel
+alles te berichten; niet in <i>Le Plaid</i>, maar in een der andere
+Fransche &#8222;branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde
+omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen,
+valt door Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren
+mishandeld en sleept zich met moeite naar 's konings hof. De
+weeklachten van vrouwe JULOCKE, de pastoorsche, vindt men
+op de overeenkomstige plaats in <i>Le Plaid</i> slechts aangeduid; vrij
+wat uitvoeriger zijn de klachten der &#8222;prestresse" uit eene andere
+branche en het meest gelijken zij op het gejammer van Dame
+Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar gemaal
+Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als
+de pastoor. Botsaert, de &#8222;clerc" des konings, schijnt van
+WILLEM'S vinding; wij mogen echter niet vergeten, dat ook
+koning Noble een &#8222;clerc" heeft in Baucent &#8222;le sanglier", al
+komt deze niet op dezelfde plaats voor als in het Nederlandsch.
+Het gat dat &#8222;onder dien spiker verholenlike gemaect" was, uit<a name="198"></a>
+den <i>Reinaert</i>, vinden wij niet op de overeenkomstige plaats in
+<i>Le Plaid</i>, wel in eene andere &#8222;branche" terug<a href="#6.20">[20]</a>.
+
+<p>In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden
+gelegen; behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke
+overeenkomst sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat
+wij hier aan de schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering
+moeten toeschrijven. Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM
+onderscheidene, door trouvère's gedichte, verhalen van Renart
+heeft gekend, maar toch waarschijnlijk niet met eene volledigheid
+die slechts door hedendaagsche critische uitgaven bereikt wordt.
+Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge overlevering
+ook hier niet uit het oog te verliezen.
+
+<p>Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den <i>Reinaert</i>
+als parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in
+meer dan een der Fransche &#8222;branches", ook in <i>Le Plaid</i>, aanwezig.
+Hier is het een verdienste van WILLEM, dat hij den
+geest dier parodie zoo uitnemend heeft gevat en weergegeven
+en dat hij getoond heeft dit wapen van den spot voortreffelijk
+te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers vond. Hoe
+duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het
+gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door
+parodiëering der genealogische herauten-wijsheid zulk een
+komisch-grotesk aanzien weet te geven.
+
+<p>Doch ook op eigen hand parodiëert hij het ridderwezen,
+zooals het hem uit Nederlandsche romans bekend was geworden.
+Dat hij den <i>Karel en Elegast</i> voor dat doel gebruikt heeft,
+wisten wij; op verscheidene plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming
+aan te wijzen. Doch er is meer van dien aard
+te noemen.
+
+<p>In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd
+wordt: met snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten<a name="199"></a>
+eik op LAMFROIT'S erf en bedreigd door een aansnellenden
+troep dorpers, heeft WILLEM naar alle waarschijnlijkheid het
+Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch niet alleen.
+Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman
+<i>van Lancelot</i> een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer
+met vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men
+oordeele:
+
+<table>
+<tr><td><p class="quote"><i>Reinaert</i>, vs. 718 vlgg.<br>
+<br>
+Doe volchde hem een mekel here.<br>
+Int dorp ne bleef man no wijf:<br>
+Den bere te nemene sijn lijf<br>
+Liep 't al dat lopen mochte.<br>
+Sulc was die enen bessem brochte,<br>
+Sulc enen vleghel, sulc een rake:<br>
+Sulc quam ghelopen met enen stake,<br>
+<i>So si quamen van haren werke</i></p></td>
+<td><p><i>Lancelot</i>, II, 38377 vlgg.<br>
+<br>
+(Die meyer liep sere verbolgen:<br>
+Die scepenen gingen hem volgen.<br>
+Men geboet al ute daer,<br>
+Wat elc conste vinden vorwaer,<br>
+Waes 't riec, pike, vleghel, stocken,<br>
+Hake, sceppen, swingen, rocken,<br>
+Wat dat si gegripen conden,<br>
+<i>Also alsi in haer ambacht stonden</i>,<br>
+Nam elc dat ende volgede naer.<br>
+Sulc nam enen timberbiel daer<br>
+Ofte ene reke oft een gysarme;<br>
+En si dattene God bescerme<br>
+Soe es min here Walewein verloren.</p></td></tr></table>
+
+<p>De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in
+<i>Le Plaid</i> eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit
+den Franschen <i>Lancelot</i>; doch met het oog op de boven
+gecursiveerde verzen, komt mij dat niet zoo waarschijnlijk voor.
+
+<p>Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der
+<i>Lorreinen</i>. In het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert
+lezen wij o.a. dit vers (1075):
+
+<p class="quote">wat cost Reinaerde scone tale?<a name="200"></a>
+</p>
+
+<p>Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch
+(vs. 782) lezen:
+
+<p class="quote">Mes sa parole que li coste?
+</p>
+
+<p>dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder
+de oogen heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman
+der <i>Lorreinen</i> den verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode
+(dus onder dezelfde omstandigheden) hooren zeggen:
+
+<p class="quote">Want mi cost niet hoefsce tale
+</p>
+
+<p>dan gaan wij toch vermoeden, dat WILLEM ook dit vers moet
+gekend hebben. En dat met meer reden, omdat er ook andere
+plaatsen in de <i>Lorreinen</i> zijn, die ons aan het gedicht <i>van den
+vos Reinaerde</i> doen denken.
+
+<p>In het Tweede Boek van dien roman vinden wij keizer
+KAREL te Aken; hij zal uitspraak doen in &#8222;'t gedinge"
+tusschen een paar zijner groote vazallen: koning OTTE en
+koning YOEN; de laatste wordt namelijk beschuldigd van overspel
+met OTTE'S gemalin (de verhouding tusschen Isegrim,
+Reinaert en Hersent).
+
+<p>Ook elders in dezen roman vinden wij een paar voorname
+vazallen met hunne magen voor 's Konings rechterstoel hunne
+zaak bepleitend. GELLOEN, de verrader, die in dezen roman
+eene gewichtige rol speelt, boos, sluw, dapper, doet ons meer
+dan eens aan Reinaert denken: indertijd heeft hij in een strijd
+tusschen zijn heer, koning KAREL, en koning ASPRIAEN, de
+zijde van den laatste gekozen om der wille van ASPRIAEN'S
+dochter; toen hij zag, dat de zaak verkeerd liep voor ASPRIAEN,
+kwam hij koning KAREL &#8222;smeken ende lecken || Als die sine
+quaetheit woude decken." Tot straf voor zijne misdaden wordt
+hem eene &#8222;heilege bedevaert" opgelegd<a href="#6.21">[21]</a>. Het eerste geval
+herinnert aan de houding van Reinaerts vader in den strijd<a name="201"></a>
+tusschen leeuw en beer; de bedevaart wordt, zooals men weet,
+ook Reinaert tot straf opgelegd.
+
+<p>Ook hier zou men van oordeel kunnen zijn, dat de overeenkomst
+reeds kan bestaan hebben tusschen de <i>Chanson des
+Lorrains</i> en den <i>Renart</i> en dus het Nederlandsch gedicht niet
+of niet in de eerste plaats raakt. Doch zoo oordeelend zou men
+geene rekening houden met een gewichtigen, tot dusver onopgemerkten
+karaktertrek van het Nederlandsch gedicht: de groote
+rol die <i>de maagschap</i> daarin speelt.
+
+<p>In WILLEM'S gedicht zien wij de dieren telkens met hunne
+maagschap opkomen en vinden wij over het algemeen een
+levendig besef van de beteekenis der maagschap; in de Fransche
+gedichten over Renart vindt men op de overeenkomstige plaatsen
+niets daarvan. Neemt men nu in aanmerking dat die maagschap
+vooral in de tweede helft van WILLEM'S gedicht op den
+voorgrond treedt en dat er zeker weinig Fransche riddergedichten
+zijn, waarin de maagschap vaker genoemd wordt
+dan juist in de <i>Lorreinen</i>, het verhaal der veete tusschen twee
+voorname geslachten&mdash;dan geloof ik wel te mogen aannemen
+dat WILLEM ook de Nederlandsche <i>Lorreinen</i> zelfstandig heeft
+geparodieerd<a href="#6.22">[22]</a>.
+
+<p>Zelfstandige parodie van den ridderroman vinden wij ten
+slotte niet het minst in den proloog, die juist om die reden
+zoo uitnemend strookt met het gansche gedicht. Wie den proloog
+van den <i>Reinaert</i> leest na die van <i>Walewein</i> en van <i>Floris
+en Blancefloer</i>, zal in gelijke woorden, wendingen en rijmklanken
+meer dan eens de parodie opmerken<a href="#6.23">[23]</a>.
+
+<p>WILLEM beweert zijn gedicht te hebben geschreven op verzoek
+eener dame. Het is natuurlijk mogelijk, dat hij hier de
+waarheid zegt; doch waarschijnlijk acht ik, dat de proloog ook
+hier de ridderromans parodieert, waarin wel eens meer gewag
+wordt gemaakt van zulk een verzoek.<a name="202"></a>
+
+<p>Zoo deelt MAERLANT ons mede dat hij zijn roman <i>van
+Alexander</i> heeft ondernomen ter eere van haar die hem
+&#8222;gevangen" houdt. En nu is het opmerkelijk dat wij juist in
+den <i>Alexander</i> tal van plaatsen vinden die ons aan den <i>Reinaert</i>
+herinneren en hoogstwaarschijnlijk maken, dat WILLEM ook
+dezen roman heeft gekend<a href="#6.24">[24]</a>.
+
+<p>Elk dichter die menschen voorstelt in de gedaante van dieren,
+loopt gevaar dat hij het gevoel voor harmonie van zijn publiek
+te weinig zal ontzien; dierfabel en dierepos immers brengen in
+hun wezen zekere tweeslachtigheid mede. Ongetwijfeld is elk
+publiek gaarne bereid den dichter ook in zulke verbeeldingen
+te volgen, en naarmate een publiek eenvoudiger is, zal het te
+minder gestoord worden in zijn genot door het overschrijden
+der grenzen in dezen. Van den bewusten of onbewusten tact
+des dichters zal het afhangen, of en in hoever hij hier de juiste
+maat weet in acht te nemen en, der menschen leven uitbeeldend,
+ons toch binnen den kring van het dierenleven te houden.
+
+<p>De dichter WILLEM heeft, zoo min als eenig ander, dit
+anthropomorphisme geheel kunnen vermijden. Wij vinden hier
+immers eene voorstelling der feodale maatschappij: de koning
+bestuurt den staat, zijne groote heeren zijn zijne raadslieden,
+hij houdt een hofdag en behandelt gedingen, hij zendt gezanten
+die brieven meekrijgen, wij hooren van een mis, een kapelaan,
+van het zweren op heilige reliquieën; de dieren doen afstand
+van iets met den symbolischen stroohalm, worden begraven
+met eene lijkmis, hebben een graf met grafschrift, een kasteel,
+schatten, gaan op een bedevaart met &#8222;palster ende scerpe",
+worden terechtgesteld; de galg staat voor hen klaar, er wordt
+bij de terechtstelling op een hoorn geblazen. De leden dezer
+feodale maatschappij vertoonen onderscheidene menschelijke
+aandoeningen: de beer lacht dat hij niet meer kan, Reinaert<a name="203"></a>
+bespot den beer met allerlei aardigheden die op den priesterstand
+betrekking hebben, Reinaert's vrouw Ermeline valt in
+onmacht, Reinaert zelf loopen bij zekere gelegenheid de tranen
+langs de knevels<a href="#6.25">[25]</a>.
+
+<p>Al dit menschelijk-dierlijke, of ten minste verreweg het meeste
+daarvan, had de dichter reeds in zijn voorbeeld gevonden.
+Nergens echter gaat hij de grenzen van den tact zoozeer te
+buiten als de dichters van <i>Le Plaid</i> en der overige &#8222;branches".
+Deze laten de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte,
+de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger
+steken, baden en aderlaten; hier werpt men eene in zwijm
+gevallen kip water over den kop, om haar weer bij te brengen.
+In den <i>Reinaert</i> vinden wij een enkelen keer eene uitdrukking,
+aan het paardrijden ontleend, gebezigd van dieren: Reinaert en
+Tibeert de kater loopen
+
+<p class="quote"> daer si lopen wilden,
+dat si nie toghel uphilden<a href="#6.26">[26]</a>.
+</p>
+
+<p>Daar echter nergens in dit of eenig ander deel van het verhaal
+sprake is van rijpaarden, kan deze uitdrukking niet meer
+beteekenen dan: <i>stilstaan</i>.
+
+<p>In de Fransche gedichten echter vinden wij, behalve deze
+uitdrukking (&#8222;onques n'i ot resne tenue") nog vrij wat andere
+die ons de dieren werkelijk te paard zittend voorstellen, hoe
+zij hun rijdier de sporen geven en door de vlakte draven.
+
+<p>WILLEM spreekt van Reinaert's kasteel en zelfs van een der
+buitenwerken daarvan, de &#8222;barbecane". Doch daarbij blijft het.
+In de Fransche gedichten krijgen wij het gansche kasteel voor
+ons met zijne hooge muren, ophaalbruggen, het wiket in de
+poort; in een der &#8222;branches" wordt zelfs een formeel beleg
+beschreven; elders gewag gemaakt van het Grieksch vuur<a href="#6.27">[27]</a>.
+Heeft WILLEM dus in de onvermijdelijke vermenschelijking der<a name="204"></a>
+dieren de maat geëerbiedigd, anderzijds weet hij de dieren in
+hun handel en wandel zoo telkens weer voor onze oogen te
+brengen en te houden, dat wij het menschenleven maar
+flauwtjes door dat dierenleven heen zien schemeren.
+
+<p>Nu eens zien wij Reinaert een haas bij de keel grijpen, dan
+eens aan de kleine wolfjes zeker oogwater toedienen waardoor
+zij stekeblind worden. Wij zien hem om een hoenderpark
+sluipen; de honden gaan hem te lijf, dat de vlokken hem van
+den pels stuiven. In zijn schuilplaats ligt hij zich te koesteren
+op een zonnig plekje. Hij speelt met de jonge lammetjes, totdat
+hij er een dood bijt en het opgelikte bloed den sluimerenden
+moordlust voorgoed wekt. Onder varens verscholen, ligt hij
+zijn vader te bespieden, den ouden vos die met den staart
+zijn spoor uitwischt; hij zelf krabt met zijn pooten het
+zand weg van den toegang tot een hol, pas door zijn vader
+gestopt en kruipt naar binnen; bij het afscheid van den
+koning en het hof gaat hij op zijne achterpooten staan. Hij
+bijt Cuwaert de keel af en het vossengezin smult van den
+&#8222;goeden vetten hase."
+
+<p>Daar is Isegrim de wolf die zich zoo dik gegeten heeft, dat
+hij niet meer kan ontsnappen door het gat, waardoor hij eerst
+is binnengekomen; die, als hij een kalf of ram heeft buitgemaakt,
+onder het vreten tegen Reinaert gromt en hem de tanden laat
+zien; Isegrim met zijne magen die ons zoo goed geschetst
+worden in dat ééne vers: &#8222;met scerpen claeuwen, met diepen
+monden." Bruin de beer, op zijn staart voor de &#8222;barbecane"
+van Malpertuis gezeten, den honing verheerlijkend, met kop
+en voorpooten gevangen in een halfgespleten eik; later zien
+wij hem afgemat en bloedend op den oever liggen, &#8222;ende
+sloech met beiden sinen lanken"<a title="[margin: zijden.]"><sup>#</sup></a>; daarna op weg naar des
+konings hof, beurtelings voortschuivend op zijne achterdeelen
+of zich over den grond wentelend. Tibert de kater, op de
+<a name="205"></a>
+muizenjacht in een strik gevangen, die in zijn doodsangst den
+bijna naakten pastoor met klauwen en tanden te lijf gaat; die
+zich uit den strik redt door het touw stuk te bijten. Daar is
+voorts de haan Cantecleer met zijn kippenharem, die zoo lustig
+en rustig leeft in dat mooie park, totdat de roode vijand hen
+komt belagen; Cantecleer, klapwiekend gaande voor de lijkbaar,
+waarop de door Reinaert vermoorde kip Coppe ligt; Coppe
+&#8222;die so wale conste scraven<a title="[margin: (met de pooten) schrabbelen.]"><sup>#</sup></a>." Elders zien wij haan en kippen
+op de hanebalken of losloopend bij een schuur, hond en kat
+kijvend om een worst, de ooievaar die de kikkers opslokt en
+tal van andere beesten die ons slechts terloops genoemd worden.
+
+<p>Dat rumoerig dierenleven in zijne bonte afwisseling wordt
+grootendeels afgespeeld onder den blooten hemel in Gods
+vrije natuur.
+
+<p>Het is Pinksteren in een heuvelachtig land, bosch en hagen
+staan in het groene blad. Op een grasveld houdt Nobel hof;
+een hooge steen is 's konings troon. Onbezorgd wandelt
+Cantecleer met zijne kippen rond waar de groene velden vol
+bloemen staan. Coppe wordt begraven onder de linde (rustplaats
+van zoo menig minnend hart!) Bruin trekt naar Malpertuis
+door een donker woud, door een wildernis, over een hoogen
+breeden heuvelrug. Langs een krom pad bereiken Reinaert en
+hij het erf van LAMFROIT, waar een eik ligt dien de boer uit
+het bosch heeft gehaald om hem te splijten; een rivier stroomt
+in de nabijheid. In die rivier ontkomt de mishandelde beer aan
+zijne vervolgers. Op den oever van die rivier ligt hij uitgeput,
+als Reinaert die op een heideheuvel een vet hoen heeft verorberd,
+daarheen komt om zich wat op te frisschen.
+
+<p>Tibert ontmoet op zijn weg de kraai. &#8222;Al heil, edel voghel!"
+roept hij, &#8222;vlieg aan mijne rechterhand voorbij!" Maar de vogel
+vliegt in het kreupelhout, links van hem: een kwaad voorteeken!
+'s Avonds laat bereikt hij Maupertuis; helder als de dag schijnt<a name="206"></a>
+de maan over de heide; bij dat licht loopen hij en Reinaert
+naar pastoors schuur.
+
+<p>Ver weg van deze streken, in de wildernis, bij een bosch ligt
+de bron Kriekeput; alleen uilen nestelen in die eenzaamheid;
+jonge berken staan in den bemosten grond om de put. Een
+dergelijke wildernis moet het zijn, waarheen Reinaert ten slotte
+met zijn gezin de wijk neemt, waar het op de heide en in het
+kreupelhout krioelt van patrijzen en ander gevogelte.
+
+<p>Welk een meester toont deze middeleeuwsche dichter zich
+reeds in de karakteristiek zijner personages?
+
+<p>Welk een brutale zinnelijkheid is er in dien Reinaert, den
+echtbreker; die niet tevreden met de wolvin, ook de gemalin
+van den koning, naar het schijnt, te na is gekomen; die voor
+zich zelf weet te zorgen en tijdens het gevecht der dorpelingen
+met Bruin een vet hoen wegkaapt; hoe grof uiten zich zijne
+teleurstelling en zijne minachting voor LAMFROIT, als deze den
+beer heeft laten ontsnappen; hij lacht dat hij kraakt bij de
+weeklachten der pastoorsche. Hoe gruwzaam is zijn wraak op
+Isegrim en Bruin en hoe bitter zijn spot over hun ongeluk.
+Bij zijn afscheid weet hij den haas Cuwaert en den ram Belijn
+met zich te lokken; den eerste vermoordt hij en zendt den
+ander met den kop des vermoorden in een zak naar den Koning
+terug; &#8222;er zitten brieven in", zegt hij, &#8222;waarvoor de Koning u
+dankbaar zal zijn". Dat is zijn afscheidsgroet. Al zit hij in de
+klem, hij verliest den moed niet. Aan 's Konings hof gekomen
+na al zijne misdaden, krijgt hij het benauwd; toch houdt hij
+het hoofd op, hij loopt als een prins bij den weg. Met de
+galg voor oogen spot hij nog met Isegrim. Zijn zelfvertrouwen
+begeeft hem ook nu niet, want reeds heeft zijn vindingrijke
+geest een uitweg ontdekt: als terloops laat hij iets van een
+schat verluiden; wanneer dan de hebzucht van Koning en<a name="207"></a>
+Koningin gewekt is, doet hij een kunstig verzonnen verhaal
+over eene samenzwering der dieren om Bruin op Nobels troon
+te zetten. Dat verhaal besluit hij op voortreffelijke wijze met
+de klacht: &#8222;ende arm man Reinaert es de blare<a title="[margin: zondebok.]"><sup>#</sup></a>"; langs dien
+weg weet hij het verhaal weer op zich te wenden. Niets is
+hem heilig: hij maakt grappen bij de biecht en begint Latijn
+te koeteren; als Grimbaert hem berispt dat hij na de biecht
+onmiddellijk een aanval doet op eenige kippen, zegt hij: stoor
+mij niet in mijne vrome overpeinzingen! Onder het voorwendsel
+van Cuwaert een gebed te leeren, grijpt hij hem bij de keel.
+Hoe ootmoedig houdt hij zich tegenover den Koning; hoe
+nederig tegenover den beer: ik moet wel honing eten uit nood,
+een arm man is geen graaf! Maar des te bitterder en onbarmhartiger
+is zijn spot later, als hij het spel gewonnen ziet. Want
+hij kent geen genade; boven alles is hij <i>fel</i>: &#8222;de felle metten
+roden baerde", het &#8222;felle dier", &#8222;die felle creature"&mdash;zoo
+noemt de dichter hem bij voorkeur. Zijn eenige zwakke punt
+is de liefde voor zijne zoons: Reinaerdijn, wien de knevels al
+zoo aardig aan zijn muiltje staan en die een aardje naar zijn
+vaârtje zal hebben; Rosseel, &#8222;den schonen dief", die hij zoo
+lief heeft als eenig vader zijne kinderen.
+
+<p>Het meest op den voorgrond staan tegenover Reinaert Isegrim
+en Bruin, naast Reinaert zijn neef Grimbaert de das, terwijl
+Tibert de kater zich later ook tegenover Reinaert plaatst.
+
+<p>Van Isegrim wordt ons meer verhaald dan dat wij hem
+zien handelen of hooren spreken. In den aanvang van het verhaal
+staat hij met zijne vrouw Hersinde en zijne magen vóór
+den Koning; hij is degeen die de reeks der klagers opent. Uit
+onderscheiden verhalen blijkt ons, hoe vaak Reinaert en hij
+als &#8222;gezellen" er op uit zijn geweest en hoe slecht Isegrim er
+gewoonlijk is afgekomen. Bij de voorgenomen terechtstelling
+van Reinaert is hij op dreef: hij vermaant zijne magen den<a name="208"></a>
+schuldige stevig vast te houden, Hersinde moet den schelm bij
+zijn baard grijpen, onderwijl zal hij met Bruin en Tibert de
+galg in gereedheid brengen. In zijn triomf over den gehaten
+vijand maakt hij bittere grappen in vossetrant. Als hij hoort
+dat Reinaert zich heeft weten vrij te pleiten, snelt hij terug
+naar 's konings hof en vaart zoo uit, dat de koning boos wordt
+en hem met Bruin doet gevangen nemen. Terwijl zijne voorpooten
+gevild worden, ligt hij stil; bij Reinaerts spotternijen
+verkropt hij zwijgend zijne woede.
+
+<p>Met blijkbaar welbehagen heeft de dichter den beer geteekend
+in zijn domme zelfgenoegzaamheid. &#8222;Maak u niet bezorgd
+over mij" zegt hij tot den Koning, die hem waarschuwt tegen
+Reinaerts bedriegelijken aard. Komisch is hij in zijn naieven
+lofzang op den honing, niet minder in de deftigheid waarmede
+hij een wijs spreekwoord te pas brengt; hij, de gulzigaard,
+over het &#8222;maathouden"! Dan zien wij &#8222;arm man Brune" in
+de knijp: met een bebloeden kop, zonder wangen, met slechts
+één oor, drijft hij vloekend de rivier af; hijgend van inspanning,
+steunend van pijn, ligt hij op den oever; liever dan Reinaerts
+bittere grappen te verdragen, springt hij opnieuw in het water.
+Welk een krachtig komische werking doet zijn droefheid over
+de vermindering van zijn uiterlijk, het verlies van zijne &#8222;mooie
+wangen". Wanneer de vos eindelijk als gedaagde aan het hof
+verschijnt, springt hij met zijne verwanten op; gretig neemt hij
+deel aan de toebereidselen tot de terechtstelling.
+
+<p>Grimbaert de das is de eenige trouwe vriend dien Reinaert
+heeft, die hem van den aanvang af verdedigt, die hem trouw
+blijft, ook nadat zijn oom hem droevig heeft gelogenstraft. Wanneer
+hij ziet, dat Reinaert gevaar loopt door niet aan de indaging
+gehoor te geven, brengt hij zelf hem aan 's Konings hof. Is
+Reinaert veroordeeld, dan gaat hij met zijne magen heen, om
+zijn ooms dood niet te moeten zien. Slecht wordt hij voor zijne<a name="209"></a>
+trouw beloond; om zich van de galg te redden, beticht Reinaert
+ook hem van deelname aan de samenzwering tegen den koning.
+
+<p>Voor Reinaert pleit, althans in den aanvang, ook kater Tibert.
+Maar hij, &#8222;een arm wicht, een clene dier" heeft toch na Bruin's
+mislukten tocht weinig trek zijn vriend Reinaert te gaan halen.
+Onderweg is hij angstig, al tracht hij zich goed te houden.
+Voorzichtig zal hij zijn, maar zijn snoepzucht is hem de baas;
+voor de opening in pastoors schuurdeur aarzelt hij, maar
+Reinaert weet op zijn eergevoel te werken, zooals ook koning
+Nobel dat vroeger gedaan had. In beide gevallen geeft hij aan
+dat beroep op zijn eergevoel gehoor; katten zijn immers ook
+nu nog dieren &#8222;qui se respectent." Met welbehagen neemt hij
+later de beulsrol op zich: &#8222;ic ne dede nie so lieve pine." Het
+loopen met het zware stroptouw valt hem wat moeilijk, maar
+hij doet het met goeden wille. In groote zorg zien wij hem
+ten laatste op de galg blijven zitten, wanneer de raaf het
+bericht brengt van Reinaerts vrijspraak.
+
+<p>Daar zijn verder de lichtgeloovige Cuwaert; de waardige
+Cantecleer, zoo fier op zijn groot geslacht en zijn wijze echtgenoot;
+de angstige en domme ram Belijn en andere dieren
+die geheel op den achtergrond blijven. Boven deze staat
+koning Leeuw, lichtgeloovig, lichtgeraakt, lichtgesust, een spotbeeld
+van een koning, zooals CHARLEMAGNE in zoo menigen
+ridderroman.
+
+<p class="quote">Dus siet men dat behendichede
+Beter es dan sterchede.
+</p>
+
+<p>Die slotverzen van een der fabels uit <i>Esopet</i> moeten wel den
+voornamen indruk hebben weergegeven, op de Nederlandsche
+gemeenten gemaakt door dit werk, het rechte epos der gemeentenaren.
+Voor hen geen ridderidealen noch hooge minne.
+Reinaert was een held naar hun hart: een sluwe vermetele boef,<a name="210"></a>
+koel van hoofd, scherp van zinnen, tuk op zijn voordeel, die
+spot met het gezag en zich weet te handhaven tegen zijne
+meerderen; grappenmaker met een scherpe tong, die ook het
+heilige niet spaart, die pleizier heeft in eigen schelmstukken;
+wien gewetenloosheid en wreedheid werden vergeven, omdat
+hij ten slotte zijne zaak wint, en omdat hij bovendien immers
+maar een dier was.
+
+<p>Zulk een karakter moet aantrekkelijk zijn geweest voor poorters
+en boeren, wier grove zinnelijkheid met moeite in band gehouden
+werd door het geloof en de wet, wier nuchter verstand
+gescherpt werd vooral door den lust naar voordeel en gewin;
+wien hartige scherts en losse grappen zoo smaakten al liep er
+wat van SINT ANNA onder; die zelf zoo onbarmhartig en
+genadeloos wreed konden te werk gaan tegen hunne vijanden;
+die hunne wassende zelfstandigheid hadden te verdedigen tegen
+de hoogere standen.
+
+<p>Dat zij van dit dierenverhaal zulk een sterken indruk kregen,
+hadden zij te danken aan den voortreffelijken dichter, van wien
+wij slechts weten dat hij WILLEM heette, een roman van Madoc
+(uit den Britschen sagenkring) had gedicht, en van wien wij
+mogen vermoeden dat hij in Oost-Vlaanderen woonachtig was.
+
+<p>Die dichter toonde zijn meesterschap niet alleen in de karakteristiek,
+maar ook in den bouw van zijn werk. Welk een
+eenheid heerscht daar! Reinaert's figuur beheerscht het gansche
+gedicht; hij vervult voortdurend onze gedachten; is hij niet ten
+tooneele, dan spreekt men van hem. Doch niet minder voortreffelijk
+is de wijze waarop WILLEM al deze, deels overgenomen
+deels zelfgekozen, stoffen heeft verwerkt en vereenigd. Hoe is
+hij <i>in</i> zijn verhaal, dat slechts hier en daar door eene reflexie
+wordt afgebroken. Welk een pleizier heeft hij zelf in zijne stof;
+zoo b.v. wanneer hij Reinaert in schoenen van Isegrim's huid
+en met een reiszak van Bruin's vel op reis ziet gaan. Trouwens<a name="211"></a>
+het gansche gedicht is geboren uit liefde, liefde tot het uitbeelden
+van menschen, dieren, de natuur.
+
+<p>Wie zoo geestig kon vertellen, schertsen, parodiëeren, moet
+een fijn man zijn geweest.
+
+<p>Van hoeveel takt getuigt het, dat hij Reinaert's overspel met
+de wolvin, in het Fransch de spil waarom alles draait, naar
+den achtergrond heeft geschoven. Hoe geestig weet hij den
+hoofschen spreektrant na te volgen in dat half omsluieren van
+het onkiesche, waar Reinaert zijn overspel aan Grimbaert biecht;
+want Grimbaert, nog heden een nurksche potentaat maar een
+rustig en, voor zijn doen, fatsoenlijk man, moet vooral op dat
+oogenblik door Reinaert worden ontzien.
+
+<p>Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen
+roman heeft bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in
+den aanvang van zijn verhaal mede te deelen.
+
+<p>Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich één hebben gevoeld
+met zijn volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den
+dag, waar hij het juffershondje Cortois Fransch doet spreken;
+en Grimbaert bij de biecht tot den Latijn brabbelenden Reinaert
+zeggen: &#8222;oom, praat je Fransch? spreek asjeblieft Dietsch, dan
+kan ik je verstaan".
+
+<p>Den hoofschen dichter van <i>Sinte Lutgarts Leven</i>, WILLEM
+VAN AFFLIGHEM, smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die
+opgesmukte leugenverhalen van ezels die dansen en springen,
+van rammen die de mis bedienen<a href="#6.28">[28]</a>.
+
+<p>Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is
+zijn Reinaert blijven genieten en het Nederlandsche volk is
+gevolgd waar de Vlaming voorging. Eeuw in eeuw uit, in
+omwerkingen van velen aard, in volksboek, volkslied, volkssprookje
+kwam &#8222;'t looze Reintje" de geesten bekoren met zijne
+vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of
+scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot de<a name="212"></a>
+kinderkamer. Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan
+deze stof opnieuw de hand geslagen, om haar te verwerken
+in den geest van het oude gedicht of om er zijn eigen
+omgeving parodieerend in af te beelden.
+
+<p>Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft
+het gedicht <i>van den vos Reinaerde</i> een kleinood der Dietsche
+letterkunde, en de nagenoeg onbekende WILLEM een dichter
+die onder de middeleeuwsche kunstenaars van het woord te
+onzent geen meerdere en te nauwernood zijns gelijke heeft
+gevonden.<a name="213"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.1">1</a>: Uitgave van Dr. A. BEETS. (Groningen. WOLTERS. 1885).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.2">2</a>: Fragmenten van een bestiaris van minnen (oorspronkelijk of
+vertaald?) en van een gedicht getiteld &#8222;<i>Hier beghint Ovidius</i>", dat
+uit het Fransch is vertaald, uitgeg. door BORMANS in: <i>Bulletins de
+l'Acad. Roy. de Belgique</i>, T. XXVII, 488.
+
+<p class="footnote">MAERLANT'S mededeeling in <i>Der Naturen Bloeme</i>, (ed. VERWIJS),
+bl. 5. Zie voorts over de <i>bestiaires</i>: PETIT DE JULEVILLE, a.w. II,
+164 suivv. en: <i>Geschichte des Physiologus</i> von Dr. F. LAUCHERT.
+Strassburg. 1889.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.3">3</a>: Ik volgde hier hoofdzakelijk de voorstelling van BÉDIER in zijn
+bekend werk <i>Les Fabliaux</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.4">4</a>: Vgl. het artikel van Dr. J.W. MULLER in <i>Taal en Letteren</i>,
+XIV, 490.
+
+<p class="footnote">De verzen uit <i>Sinte Lutgart's Leven</i> (II, 95&ndash;6):
+
+<p class="footnotequote">Daer doen si stomme beesten spreken
+<i>Daer doen si simmen speren breken</i>
+</p>
+
+<p class="footnote">wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men
+opmaken, dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een
+tournooi van apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns
+wetens, niet tot ons gekomen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.5">5</a>: T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.6">6</a>: Aldus versta ik de verzen (vs. 19&ndash;20):
+
+<p class="footnotequote">Maer merket ende hoert
+Meer die redene dan die woert.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.7">7</a>: Vgl. b.v. n<sup>o</sup>. 11, 1&ndash;2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.8">8</a>: De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.9">9</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. 3; n<sup>o</sup>. 50; n<sup>o</sup>. 30; n<sup>o</sup>. 66. Het Latijn heeft op deze
+plaatsen niets van dien aard.]<a name="214"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.10">10</a>: n<sup>o</sup>. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd
+tusschen den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de
+dierenwereld (LXV).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.11">11</a>: De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte,
+onmogelijk van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn.
+
+<p class="footnote">Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts
+het volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille
+videret feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et
+tertio." Vgl. <i>Romulus</i> (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung),
+p. 69, III, 9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.12">12</a>: Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur
+daarover gaf Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: <i>Die hystorie
+van die seven wijse mannen, van romen.</i> 1898. De Erven F. BOHN.
+Haarlem. Hoofdstuk I.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.13">13</a>: Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, <i>De Middelnederlandsche
+bewerking van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome.</i>
+(Utrecht. 1899).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.14">14</a>: I, p. 92.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.15">15</a>: Vgl. <i>Esopet</i>, vs. 51&ndash;2:
+
+<p class="footnotequote">Mi es te nacht een dief verstolen,
+Die mi op thoeft was bevolen
+</p>
+
+<p class="footnote">met <i>VII. Vroeden,</i> 3248&ndash;9:
+
+<p class="footnotequote">Ende hem van der galgen verstolen,
+Die hem te wachten was bevolen.
+</p>
+
+<p class="footnote">Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier
+uitgave van Dr. STOETT in <i>Noord en Zuid</i>, X, 6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.16">16</a>: Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg.
+
+<p class="footnote">Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "<i>Maer so
+een meer maelt, so hi moeder es.</i>" (Vgl. mijn <i>Lied in de Midd.</i> over
+de molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het
+verbod van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur
+van Antwerpen van 1438-'9: &#8222;dat nyement by nachte en ga achter
+de straten na de diefclocke sonder lanteern ofte licht." (<i>Antw. Bibliophilen</i>,
+n<sup>o</sup>. 3, bl. 134).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.17">17</a>: Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij
+moet gevoegd worden vooral: <i>Les Sources du Roman de Renart</i> par
+L. SUDRE, (Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof.
+J.W. MULLER in <i>Taal en Letteren</i> van 1895; de nieuwe uitgave
+<a name="215"></a>
+&#8222;<i>van den Vos Reinaerde</i>" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER;
+de artikelen dezer geleerden in <i>Taal en Letteren</i>, 14e jaargang.
+
+<p class="footnote">Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN;
+voor de Fransche branches naar MARTIN'S <i>Roman de Renart</i>, ook
+naar een uitnemend artikel van VORETZSCH in <i>Zeitschr. für roman.
+Philol.</i>, XV en XVI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.18">18</a>: Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en
+trouwens in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl. <i>Siècle
+des Artevelde</i>, p. 251 en <i>Mém. Cour. de l'Acad. Royale de Belg.</i>,
+XXXII, 221.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.19">19</a>: Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN;
+Prof. J.W. MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in
+het genoemde artikel in <i>Taal en Letteren</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.20">20</a>: Vgl. <i>Reinaert</i>, vs. 623&ndash;6 met <i>Br.</i>, XIV, 302&ndash;6 (al is daar
+geen &#8222;gepeins" maar &#8222;dire soef"); dit &#8222;binnensmonds spreken" ook
+I, 2785, 2841. <i>Rein.</i>, 960-'81 met <i>Br.</i>, X, 687&ndash;716; <i>Rein.</i>, 1258 vlgg.
+met <i>Br.</i>, I, 879&ndash;882; VI, 207&ndash;224; <i>Br.</i>, I b. 2702&ndash;2722; <i>Rein.</i>,
+3368 vlgg. met <i>Br.</i>, I, 942&ndash;3; <i>Rein.</i>, 1510 vlgg. met <i>Br.</i>, I, 1050-'54
+en XIV, 258&ndash;9, 665 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.21">21</a>: Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (<i>Karel de
+Groote en zijne XII. Pairs</i>), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.22">22</a>: De bedoelde plaatsen in den <i>Reinaert</i> zijn: vs. 62: &#8222;Isingrijn
+ende sine maghe"; 1024: &#8222;te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084&ndash;5;
+voorts: vs. 1666: &#8222;ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic
+eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: &#8222;so arem no van so cranken
+maghen"; vs. 1850: &#8222;Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884&ndash;5:
+&#8222;Orlof nam Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen";
+1899&ndash;1900: &#8222;al es Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden
+maech"; 2191: &#8222;som van minen liefsten maghen || die ic node soude
+bedraghen" (ook vs. 2228, 2913); vs. 2463: &#8222;ser Isingrijns maghe";
+2720: &#8222;doe haddics rauwe als een sijn maech"; 3398&ndash;9: &#8222;hi was
+een deel des coninx maech || hi mocht wel doen"; vs. 3449: &#8222;alle
+sheren Belijns maghe"; 3456&ndash;7: &#8222;Reinaerde ... ende allen sinen
+maghen".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.23">23</a>: Vgl. <i>Rein.</i>, 11&ndash;17, 32&ndash;7 met <i>Flor. en Blanc.</i>, 1&ndash;13, 65&ndash;75;
+<i>Rein.</i>, 1&ndash;9 met <i>Wal.</i>, 1&ndash;6; <i>Rein.</i>, 1&ndash;2 met <i>Wal.</i>, 23&ndash;24.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.24">24</a>: Vgl. FRANK'S uitgave van den <i>Alexander</i>, Inl. XVII-XVIII.
+F. gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft.
+Mij komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien:
+bij de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensie<a name="216"></a>
+van F.'s werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.: <i>Alex.</i>, VIII, 315
+te verg. met <i>Rein.</i>, 1589.
+
+<p class="footnote">VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard
+geacht, dat de rijmen dier verzen: <i>oghen</i> || <i>ghedoghen</i> in datzelfde
+boek nog tweemaal voorkomen: VIII, 251&ndash;2, 751&ndash;2.
+
+<p class="footnote">Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit den <i>Alexander</i>,
+welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor
+zijn blijven hangen, dan dat MAERLANT het ééne verspaar uit den
+<i>Reinaert</i> zou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt
+hebben.
+
+<p class="footnote">Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van
+WILLEM'S proloog en dat der <i>Enfances Ogier</i> van ADENEZ LE ROI:
+Li roi ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal
+ber, soit corrompue, pour ce i veut penser etc.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.25">25</a>: Vgl. o.a. <i>Rein.</i> 83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713,
+1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980,
+2993, 3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.26">26</a>: 1159&ndash;1160.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.27">27</a>: Vgl. <i>Br.</i>, I, 271, 342; 134: &#8222;Hersent rogist, si ot vergoine";
+967: &#8222;au col li met andous les braz"; 1447-'59: &#8222;Renart mist l'anel
+en son doi"; 1617: &#8222;baignier ... ventuser ... sener"; 344; 577
+(&#8222;onques n'i ot resne tenue"); 580: &#8222;Iloc s'arestent li destrer"; 705:
+&#8222;tant a alé esporonant"; 744: &#8222;tant a sa mule esporonee" en voorts
+1146, 1190, 1461&ndash;2. Het kasteel: vs. 953, 961, 1120; <i>Br.</i>, I a.; het
+Grieksch vuur I, 282.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.28">28</a>: T.a.p. II, 89 vlgg.]<a name="217"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>VROEGSTE LYRIEK.</h2>
+
+<p class="intro">Hoofsche lyriek. Geestelijke lyriek. Het volkslied.
+
+<p>VELDEKE'S minneliederen&mdash;wij zagen het in een vroeger
+hoofdstuk&mdash;vertoonen den invloed der Oudfransche lyriek;
+in hun Middelhoogduitsch gewaad staan zij volkomen op hunne
+plaats tusschen de werken der Minnesinger, omdat immers ook
+de Duitsche lyriek van minne zich had ontwikkeld onder den
+invloed der Fransche. Of HADEWYCH Fransch en de Fransche
+lyriek heeft gekend, weten wij niet; woorden als <i>zeelde</i> en
+<i>merkaren</i> in hare poëzie wijzen eer naar de lyriek der Minnesinger;
+doch dat zij de wereldlijke minnepoëzie moet gekend
+hebben, kan nauwlijks betwijfeld worden<a href="#7.1">[1]</a>.
+
+<p>Het is geen toeval dat VELDEKE en waarschijnlijk ook HADEWYCH
+tot den adel behoorden; de erotische lyriek immers,
+waarop wij het oog hebben, was <i>hoofsche</i> lyriek, werd vooral
+door den adel voor den adel gemaakt; tot den adel behoorden
+zoowel de Zuidfransche troubadours als de Hoogduitsche Minnesinger.
+Een aantal Zuidnederlandsche edelen uit Brabant, Vlaanderen,
+het Doorniksche, Artois volgden hun voorbeeld; onder
+hen HENDRIK III, hertog van Brabant (± 1260). De Fransche
+minnepoëzie dezer Zuidnederlandsche dichters draagt in hoofdzaak
+hetzelfde karakter als de overige &#8222;lyrique courtoise", die
+wij reeds in VELDEKE'S werk leerden kennen; wij vinden hier
+dezelfde opvatting en voorstelling der liefde, de geveinsde
+wanhoop, dezelfde klachten, hetzelfde smachten, talrijke jeux-parti's<a name="218"></a>
+(tenzonen) waarin twee tegenovergestelde meeningen door
+een paar vrienden verdedigd worden, vele pastourellen; niet
+zelden vangt een lied aan met een klein natuurschetsje, vele
+dezer stukjes vertoonen een refrein. Zoo klaagt QUENES DE
+BETHUNE die blijkbaar ter kruisvaart gereed staat:
+
+<p class="quote">Aï, amors, com dure departie,
+Me covient faire à perdre la millor
+Ki onkes fust amée ne servie;
+Deus me ramainst à li, par sa douçor,
+Si voirement com j'en part à dolor!
+Deus, c'ai je dit! Jà ne m'en part je mie:
+Se li cors vait servir Nostre Signor,
+Tous li miens cuers remaint en sa baillie.
+</p>
+
+<p>GUILLAUME DE BETHUNE begint een lied aldus:
+
+<p class="quote">Kant li boscage retentist
+Dou chant des oisillons en mai
+Et la rose el vergier florist,
+En icel tens joious et gai,
+Lors chanterai de cuer verai,
+Car quant li maus d'amer me prist,
+El plus haut lieu del mont me mist.
+</p>
+
+<p>Verderop in dat lied lezen wij:
+
+<p class="quote">Douce Dame, quant je vos vi
+A celle fois premièrement,
+Ne cuidai pas il fust issi
+De tout en tout à vo talent;
+Por vos languis à esciant,
+Et quant n'i puis merci trover,
+Bien veul morir por bien amer<a href="#7.2">[2]</a>.<a name="219"></a>
+</p>
+
+<p>Heeft er geen Dietsche minnepoëzie van dezen aard bestaan?
+Men moet het wel gaan vermoeden, indien men ziet, dat er
+meermalen gewag van wordt gemaakt. In den proloog der
+<i>Disticha Catonis</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Dieghene die in haren sinne
+Draghen waerlike<a title="[margin: wereldsche.]"><sup>#</sup></a> minne,
+Si maker of riim ende liet.
+</p>
+
+<p>Dat deze dichter het oog heeft op wereldsche, zinnelijke
+liefde, blijkt wel uit hetgeen hij laat volgen:
+
+<p class="quote">Der minne so ne draghic niet<a href="#7.3">[3]</a>
+</p>
+
+<p>ook uit zijne uitdrukking &#8222;ter minnen dienste staen" die immers
+ontleend is aan de hoofsche lyriek.
+
+<p>Ook WILLEM VAN AFFLIGHEM klaagt over hen
+
+<p class="quote">Die loes baraet<a title="[margin: sluw bedrog.]"><sup>#</sup></a> ende arge treken
+Bedekken metter minnen name
+</p>
+
+<p>over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige
+rijmen<a href="#7.4">[4]</a>.
+
+<p>Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld
+die waar MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepoëzie
+waarschuwt en haar tevens kenschetst. In zijn <i>Wapene Martijn</i>
+zegt hij tot zijn vriend:
+
+<p class="quote">Martijn, ic ben wel berecht:
+Het seghet al, heren ende knecht<a title="[margin: schildknaap.]"><sup>#</sup></a>,
+Vrouwen ende joncfrouwen,
+In sanghe ende in rime slecht,
+Dat si met minnen sijn verplecht<a title="[margin: verstrikt.]"><sup>#</sup></a>,
+Ende men cans niet bescouwen.
+Mi dinke dat al die werelt vecht<a name="220"></a>
+Jeghen der reenre minnen lecht
+Ende volghen ontrouwen.
+Menich seghet nu ende echt<a title="[margin: daarna.]"><sup>#</sup></a>:
+&#8222;Mijn sin is ane u ghehecht
+So sere, ic wane bedouwen"<a title="[margin: wegkwijnen.]"><sup>#</sup></a>;
+Achtre maken si de mouwen<a title="[margin: steken zij er den draak mede.]"><sup>#</sup></a><a href="#7.5">[5]</a>.
+</p>
+
+<p>MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters
+en lezers van minnepoëzie. Dat echter ook geestelijken zulke
+minnepoëzie maakten, blijkt ons uit den <i>Spieghel Historiael</i>.
+In zijn voorbeeld, VINCENTIUS' <i>Speculum</i>, worden de wereldsche
+geestelijken dier dagen berispt, wier gefriseerde lokken en geparfumeerde
+kleederen eene andere dan &#8222;heilige minne" verraden
+en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden: &#8222;dulces
+literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT:
+
+<p class="quote"> noch laten gaen
+Salute, subtijleke ghedicht
+Ende met sconen rimen verlicht<a href="#7.6">[6]</a>.
+</p>
+
+<p>Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde
+plaatsen gedoeld wordt op Fransche minnepoëzie, doch het
+kan niet waarschijnlijk worden geacht. Zoowel de dichter der
+<i>Disticha Catonis</i> als MAERLANT richtten zich immers niet in
+de eerste plaats tot edelen; onder de gemeenten was kennis
+van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid, en het is de
+vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het Fransch
+zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden
+maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden,
+dat er omstreeks het midden der 13<sup>de</sup> eeuw vrij wat
+Dietsche minnelyriek moet zijn geweest. Doch in ieder geval is
+er maar zeer weinig van overgebleven.
+
+<p>Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde<a name="221"></a>
+&#8222;clerken" zijner dagen die minnepoëzie dichtten,
+herinnerde hij zich misschien niet dan met berouw, dat hij,
+ook een &#8222;clerc", indertijd den roman <i>van Troje</i> had vertaald
+waarin de minne zooveel plaats beslaat. Zou hij zelf nooit een
+minneliedje hebben gedicht ter eere van de onbekende jonkvrouw
+voor wie hij zijn <i>Alexander</i> heeft bewerkt? Het is licht
+mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de
+vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht
+voor een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet:
+
+<p class="quote">Nye en droech vrouwe
+Ghestadighen rouwe,
+Noch nummer en doet;
+Haer ketsen<a title="[margin: zich inspannen.]"><sup>#</sup></a>, haer jaghen,
+Haer mynne draghen
+Is saen te voet<a href="#7.7">[7]</a>.
+</p>
+
+<p>Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN
+BRABANT worden toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche
+lyriek dier tijden is overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle,
+aan Hertog JAN toegeschrevene, minneliederen die ons slechts
+in Hoogduitsche overzetting bewaard bleven, inderdaad door
+hem gedicht. Een vijftal dat zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch
+laat terugbrengen, zullen wij aan hem mogen
+toekennen; de overige zijn misschien door hem in het Middelhoogduitsch
+gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld<a href="#7.8">[8]</a>.
+
+<p>In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar
+zij zijn bevallig en welluidend. Zoo b.v.:
+
+<p class="quote">Eens meienmorgens vroe
+Was ic opgestaen;
+In een scoen boemgaerdekijn
+Soudic spelen gaen.<a name="222"></a>
+Daer vant ic drie joncfrouwen staen;
+D'ene sanc voren, d'ander sanc na:
+Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.
+
+Doe ic versach dat scone cruut
+In den boemgaerdekijn,
+Ende ic verhoerde dat soete geluut
+Van den mageden fijn,
+Doe verblide dat herte mijn,
+Dat ic moeste singen na:
+Harba lori fa, enz.
+
+Doe groette ic die allerscoenste,
+Die daer onder stont;
+Ic liet mine arme al omme gaen;
+Doe ter selver stont
+Ic woude se cussen an haren mont;
+Si sprac: &#8222;laet staen, laet staen, laet staen!"
+Harba lori fa, enz.
+</p>
+
+<p>Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men
+ook in de overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men,
+gelijk elders zoo vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur.
+Overigens vinden wij hier de gewone klachten, verzuchtingen
+en betuigingen.
+
+<p>Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan,
+is ons overvloedig gebleken uit de poëzie van HADEWYCH.
+
+<p>Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest
+die van &#8222;minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens
+en behoeften des harten geuit in liederen of andere lyrische
+vormen. Dat men in dezen tijd geestelijke liederen heeft gekend,
+weten wij uit het <i>Leven van Sinte Lutgart</i>. In een visioen<a name="223"></a>
+ziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA en CATHERINA naderen,
+achter haar eene schare groote schoone maagden, in witte stolen
+gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen
+zingen zij &#8222;enen leec van minnen"<a href="#7.9">[9]</a>. Uit dit zeldzaam, slechts
+hier voorkomend, woord <i>leec</i> blijkt in allen gevalle dat ook
+WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe
+bepaalt zich onze wetenschap in dezen.
+
+<p>Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons
+slechts in latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen.
+Zoo b.v. het lied:
+
+<p class="quote">Nu zijt wellecome, Heere Christ,
+Want ghy onser alder Heere bist
+ enz.
+</p>
+
+<p>dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds
+vóór het jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid
+is hier niets te zeggen<a href="#7.10">[10]</a>.
+
+<p>Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere
+korte lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het
+gansche volk of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds
+op zich zelf moet dat in dezen tijd waarschijnlijk worden geacht;
+doch ook hier zijn ons meer aanwijzingen dan teksten van
+liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen kunnen de bewoners
+dezer landen sterker hebben ontroerd dan de kruistochten?
+Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat eene
+herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet
+geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken<a href="#7.11">[11]</a>.
+
+<p>Liederen, vóór of in den strijd aangeheven&mdash;men zou ze
+in navolging van onze oostelijke buren: <i>wijchliederen</i> kunnen
+noemen&mdash;waren bij de Germanen vanouds bekend<a href="#7.12">[12]</a>. Een
+dezer liederen is, hoe zeer dan ook verminkt, door een Engelsch
+<a name="224"></a>
+kroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS PARISIENSIS
+vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst van
+ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173,
+vóór den strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij
+zongen:
+
+<p class="quote">Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin,
+Engelond is min ant tin <a href="#7.13">[13]</a>.
+</p>
+
+<p>Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen
+zijn, het feit: dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk
+heeten en niet minder: dat wij hier het van ouds bestaand
+verband tusschen zang en dans nog vermeld vinden; dat verband
+is misschien nog zichtbaar in het herhaalde <i>hoppe</i><a href="#7.13">[13]</a>.
+
+<p>Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel
+vroeger eeuw de Friesche zanger BERNLEF er zong, werden
+ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar nog altijd tot liederen verwerkt.
+
+<p>In zijn roman <i>van Alexander</i> zegt hij:
+<p class="quote">Alse die liede seghe ghewinnen,
+Spreectmen verre van haren daden
+Ende singht er af in meneghen staden.
+</p>
+
+<p>Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de
+Latijnsche woorden: &#8222;toto radiaret in orbe" door:
+<p class="quote">Men soude van siere doghet singhen
+Al van daer die sonne up staet,
+Tote daer soe weder neder gaet.
+</p>
+
+<p>Ook de typische uitdrukking <i>een nieuw lied</i> waarmede de
+liedjesdichters en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid
+van het publiek hebben geprikkeld, is aan MAERLANT reeds
+bekend, zooals blijkt uit het vers waarin hij van ALEXANDER zegt:
+<p class="quote">Van joien sanc hi nuwen sanc<a href="#7.14">[14]</a>.<a name="225"></a>
+</p>
+
+<p>Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen
+de Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne
+bondgenooten anderzijds, waren er blijkbaar spotdichten gemaakt,
+waarin JAN VAN BRABANT en de zijnen vergeleken
+werden bij een haan met zijne hennen, hunne tegenstanders
+bij valken en blauwvoeten<a href="#7.15">[15]</a>.
+
+<p>Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien
+reeds in de 12<sup>de</sup> eeuw in een lied werden bezongen, blijkt
+ons uit eene mededeeling van den kroniekschrijver LAMBERT
+VAN WATERLOOS. Niet lang vóór 1108 werd in de buurt van
+Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders sneuvelden;
+een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden door
+liedjeszangers gezongen<a href="#7.16">[16]</a>. Deze liedjeszangers waren met de
+pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders
+en verbreiders, misschien ten deele ook de dichters
+van zoovele liederen die toentertijd bestaan moeten hebben,
+doch, naar het schijnt, voorgoed verdwenen zijn.
+
+<p>Omstreeks het midden der 13<sup>de</sup> eeuw moet er een aantal
+vroolijke, dartele of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met
+het oog op den volksaard zouden wij dat wel reeds mogen
+vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt ons verschaft door
+den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPRÉ in zijn
+<i>Liber Apum</i> (&#8222;der Biën Boeck") dat tusschen 1258&ndash;1261 geschreven
+is. In menig verhaal, door den schrijver tot stichting
+of waarschuwing verteld, vinden wij eene kostbare bijdrage tot
+onze betere kennis van het leven onzer voorouders.
+
+<p>Zoo lezen wij b.v.: &#8222;Inder sceydinghe des landes van Vlanderen
+ende Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes
+ende inden dorpe was karcwijdinghe, ende daer waren vele
+menschen verghadert te spelen, onder wien dat was een piper
+als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS, die een
+gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande.<a name="226"></a>
+De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen
+ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen.
+Daer nae doe die hemel des avondes verdonckert was ende
+alleman te huys ghinck, was alleen de piper noch niet ghesadet
+van den spele ende ghinc over den weghe singhende mitten
+pipen". Een onweer komt op en twee herdersjongens, die den
+pijper vergezellen, zien dat hij, door den bliksem getroffen,
+ineenzinkt. &#8222;Mercke hier", besluit de schrijver, &#8222;dat alle die
+gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit
+schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher
+wraeken"<a href="#7.17">[17]</a>.
+
+<p>Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig
+man, Heer GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: &#8222;hy hadde
+eenen knechte, ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet,
+die geset was des nachtes te waken. Dese selve voerghenoemde
+knecht was seer ydel in allen doechden ende was oeck mede
+des selve ghelijkes seer oncuus ende hi plach te pipen ende te
+singhen ende vergaderde vele maechden ende jonghelinghen.
+Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende
+dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke
+dat die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden
+oghen voer den piper huppelde ende spranc, ende tot menigherhande
+maniren zijnre beweghinghe hem menichsins verblidede.
+Doe dat die here den knecht gheseyt hadde ende hi niet aflaten
+en wolde vanden verdoemelijcken spele ende alremeest van den
+oncuuschen lieden daer hi die magheden mede verweckede,
+gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig
+tijds later wordt ook deze knecht &#8222;van gode gheslaghen"<a href="#7.18">[18]</a>.
+
+<p>&#8222;Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPRÉ op
+eene andere plaats van zijn boek, &#8222;dat door ontuchtige minneliederen
+de harten ook van kloosterlingen en oprechte geloovigen
+dikwijls verontrust worden?"<a href="#7.19">[19]</a>.<a name="227"></a>
+
+<p>Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke
+Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den
+jare 1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde,
+zou ten aanhoore van het volk gezegd hebben: &#8222;dat vermaarde
+lied van <i>Martijn</i> heb ik met een mijner gezellen vervaardigd
+en in verscheidene deelen van Frankrijk en Duitschland verbreid."
+De schrijver voegt er aan toe: &#8222;dit nu was een zeer
+schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"<a href="#7.20">[20]</a>.
+
+<p>Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser
+met zijne brandende oogen, die voor den pijper uit danste,
+men zal kwalijk geloof kunnen weigeren aan het getuigenis van
+CANTIMPRÉ dat er toentertijd vrij wat dartele of ontuchtige
+minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die liederen meest
+'s avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen;
+opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid
+door muziek en dans, waarmede het vanouds verbonden is
+geweest.
+
+<p>Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven.
+Zij zijn verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen
+heeft op zomeravonden bij den reidans onder het spel van
+den pijper. De zangers konden ze niet opschrijven al wilden
+zij; wie schrijven konden, zullen het niet der moeite waard
+hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der
+burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken
+die nuttige kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en
+gemoed bevorderden. Die kennis en ontwikkeling werd hun
+rijkelijk verschaft door den man die meer dan eenig ander zijner
+tijdgenooten in zijne werken eene samenvatting en een beeld
+geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT.<a name="228"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.1">1</a>: Over den vermoedelijken invloed van VELDEKE'S poëzie op de
+hare vgl. MARTIN JÖRIS, <i>Untersuchungen</i> enz., bl. 81 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.2">2</a>: Vgl. hetgeen ik hierover vroeger heb geschreven in mijn <i>Lied
+in de Middeleeuwen</i>, bl. 252 vlgg.
+
+<p class="footnote">De aangehaalde verzen zijn te vinden in: <i>Trouvères Belges du
+XIIe au XIVe siècle....</i> par A. SCHELER, p. 2, 35, 36.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.3">3</a>: <i>Der</i> moet hier opgevat worden, gelijk niet zelden op andere
+plaatsen, als aanwijzend voornaamwoord; vgl. ook den variant: <i>Diere
+minne ne garic niet</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.4">4</a>: T.a.p. II, 63 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.5">5</a>: <i>Strophische Gedichten</i> (edd. FRANK en VERDAM), I, str. 35.
+
+<p class="footnote">Ik vestigde indertijd de aandacht op deze plaats in <i>Het Lied in de
+Middeleeuwen</i>; vgl. ald. bl. 253.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.6">6</a>: A.w. II, bl. 82, vs. 40&ndash;42.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.7">7</a>: Vgl. <i>Historie van Troyen</i> (ed. DE PAUW en GAILLIARD) vs. 16055.
+Het Fransche vers (13421) luidt: &#8222;One nule ne pot doel aveir."
+
+<p class="footnote">Eene lyrische ontboezeming ook in vs. 6666&ndash;6677 over den dood
+van HECTOR, waar men in het origineel (vs. 16179-'81) slechts een
+drietal verzen vindt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.8">8</a>: Het vraagstuk van Hertog JAN'S liederen is grondig behandeld
+door H. BOERMA in: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XV, 220 vlgg. Onder
+de daar genoemde literatuur is vergeten hetgeen door VERDAM was
+opgemerkt in hetzelfde Tijdschrift IX, 274.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.9">9</a>: A.w. II, 2673-'4. In het Latijn is hiervan niets te vinden;
+vgl. <i>A. Sanct.</i> Junii III, p. 245, 9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.10">10</a>: Vgl. <i>Kerstliederen en Leisen</i> door J.G.R. ACQUOY, Amsterdam,
+JOH. MÜLLER, 1887, bl. 20; BÄUMKER, <i>Niederl. geistl. lieder</i> in:
+<i>Vierteljahrsschrift für Musikw.</i>, 1888, bl. 157.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.11">11</a>: In R. HENNING'S <i>Nibelungen-Studiën</i> (<i>Quell. u. Forsch.</i>, 31,
+p. 21) lees ik: ALBERT VON AACHEN schöpfte im Anfang des zwölften
+Jahrhunderts seine Erzählung über den ersten Kreuzzug aus flandrischen<a name="229"></a>
+und nordfranzösischen Liedern." Het is mij niet mogen gelukken in
+het <i>Chronicon Hierosolymitanum</i> de plaatsen te vinden, welke die
+bewering zouden kunnen staven.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.12">12</a>: Vgl. HOFFM. VON FALLERSLEBEN'S <i>Gesch. des deutschen Kirchenliedes</i>,
+p. 44&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.13">13</a>: Vgl. <i>Onze historische Volksliederen</i> door PAUL FRÉDÉRICQ,
+bl. 8 en <i>Middelnederlandsche Historieliederen</i> door Dr. C.C. v.d. GRAFT,
+bl. 43.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.14">14</a>: Vgl. <i>Alexander</i> (ed. FRANCK), IV, 1450; V, 1226; III, 1338 en
+de aanteekening op p. 435. Eene vergelijking met het Latijn toont
+dat deze verzen van MAERLANT zijn. (Het &#8222;singhen ende lesen" in
+X, 1254 b.v. is van GAUTIER DE CHATILLON).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.15">15</a>: Vgl. <i>Rymkronyk van Jan van Heeln</i> (ed. WILLEMS), p. 343,
+DXX vlgg. JAN VAN HEELU zelf zinspeelt op die gedichten in
+vs. 5184 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.16">16</a>: PAUL FRÉDÉRICQ in a.w. bl. 8.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.17">17</a>: Ik geef hier de Dietsche vertaling uit den druk van PETER
+VAN OS, Swolle 1488 weer. Dit verhaal vindt men f<sup>o</sup> 169 v<sup>o</sup>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.18">18</a>: T.a.p. f<sup>o</sup> 140.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.19">19</a>: <i>Liber Apum</i> c. XLVIII: &#8222;obscenis et venereis cantibus corda
+etiam religiosorum ac bonorum fidelium multotiens permoveri".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.20">20</a>: A.w.c. XLVIII: &#8222;Cantum hunc celebrem de Martino ego
+cum collega meo composui et per diversas partes gallie, theutonie
+promulgavi. Erat autem turpissimus et plenus luxuriosis plausibus
+cantus ille."
+
+<p class="footnote">Ik vond deze plaats niet in den door mij gebruikten druk der
+Dietsche vertaling.
+
+<p class="footnote">Het, mij en anderen onduidelijk, &#8222;plenus luxuriosis plausibus"
+heb ik gemeend op bovenstaande wijze te mogen vertalen.]<a name="230"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>JACOB VAN MAERLANT.</h2>
+
+<p class="intro">Inleiding. Ridderpoëzie. Omkeer. Geestelijke poëzie. Poëzie der
+Gemeenten. Der Kerken Claghe. Van den Lande van Overzee.
+Besluit.
+
+<p>In MAERLANT'S persoon en werk vinden wij de drie standen
+en hunne poëzie vereenigd.
+
+<p>Hij staat in betrekking tot den adel en dicht ridderromans;
+hij behoort tot de lagere geestelijkheid en schrijft geestelijke
+poëzie; hij zegt den adel en vooral den geestelijken de waarheid
+en tracht door zijne latere werken aan de gemeentenaren die
+kennis en ontwikkeling te verschaffen die zij begeerden en
+noodig hadden.
+
+<p>Van zijn uiterlijk leven, vooral van zijn leven in verband
+met zijne werken, is ons weinig bekend. Hij was een Vlaming,
+in de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw, vermoedelijk in de buurt van
+Brugge, geboren; misschien woonachtig te Damme. Later in
+zijn leven vinden wij hem als koster te Oost-Voorne en in
+betrekking tot de machtige edelen: Heer NICOLAAS VAN CATS,
+wien hij zijn <i>Naturen Bloeme</i> ten geschenke gaf, en ALBRECHT,
+Heer van Voorne, burggraaf van Zeeland en vertrouwd raadsman
+van FLORIS V; aan dezen ALBRECHT van Voorne droeg
+hij zijn roman <i>van Merlijn</i> op.
+
+<p>Ten deele misschien nog in Vlaanderen, ten deele op Voorne,
+schreef hij zijne eerste werken: den roman <i>van Alexander</i>
+(1257&ndash;1260), <i>van Merlijn</i> (c. 1261), <i>van Torec</i> (c. 1262) en
+<i>van Troyen</i> (c. 1264)<a href="#8.1">[1]</a>; waarschijnlijk nog op Voorne de tweespraak<a name="231"></a>
+die naar de aanvangswoorden <i>Wapene Martijn</i> (c. 1266)
+genoemd wordt. Van Voorne verhuisde hij naar Damme, waar
+hij, volgens de overlevering, &#8222;scepenclerc" (gemeentesecretaris)
+zou zijn geweest. Die verhuizing heeft misschien omstreeks
+1266 plaats gehad.
+
+<p>Na dien tijd schreef hij, behalve een aantal strophische gedichten,
+nog eenige groote werken: <i>der Naturen Bloeme</i>
+(1266&ndash;1269); <i>Rijmbijbel</i> (vóór 1271); <i>Sinte Franciscus Leven</i>
+(c. 1271&ndash;1272?) en daarvóór het <i>Leven van Sinte Clara
+Spieghel Historiael</i> (1282 of 1283 tot 1289 of 1290<a href="#8.2">[2]</a>).
+
+<p>In dat laatste werk is hij blijven steken; de dood heeft hem
+belet het te voltooien. Aan het slot van het 3<sup>de</sup> boek der 4<sup>de</sup>
+Partie van dat groote werk gekomen, schreef hij:
+
+<p class="quote">Ende verstaet dat Jacob moet
+Van Maerlant rusten terre stede
+Van der vierder paertyen mede,
+Ende beiden tote dats hem God jan<a title="[margin: vergunt.]"><sup>#</sup></a>,
+Dat hire weder coemet an,
+Omme te dichtene in redene claer
+Die dinghe diere volghen naer.
+</p>
+
+<p>In die verzen meenen wij het doodsklokje te hooren luiden.
+
+<h3>RIDDERPOEZIE.</h3>
+
+<p>Wie MAERLANT door latere dichters &#8222;vader der Dietsche
+dichteren algader" hoort noemen, zou kunnen vergeten dat
+ook deze vader eens jong geweest is en de minne heeft gekend,
+al was hij nog zoo degelijk. De zoete heugenis dier minne
+overvalt hem later midden in de geleerdheid van <i>der Naturen
+Bloeme</i>. Wanneer broeder THOMAS VAN CANTIMPRÉ aan eene
+beschrijving van den kalander-leeuwerik eene uitweiding over<a name="232"></a>
+de vreugde der contemplatie vastknoopt, gaat MAERLANT in
+zijn vertaling een anderen weg. Dezen leeuwerik, die heerlijker
+zingt dan eenige andere, wien in eene kooi de gevangenschap
+weelde schijnt, vergelijkt hij bij
+
+<p class="quote">Hem die met minnen es bevaen,
+<i>Dat een zwaer karker es ende soete</i>.
+Cume<a title="[margin: nauwlijks.]"><sup>#</sup></a> hevet hi enighe moete<a title="[margin: tijd.]"><sup>#</sup></a>
+Om yet te pensen dan omme sanc,
+Ende om feeste ende om spel ghemanc<a title="[margin: samen.]"><sup>#</sup></a>,
+<i>Der minnen karker geeft hi prijs<a title="[margin: lof.]"><sup>#</sup></a>,
+Want et dinct hem een paradijs</i><a href="#8.3">[3]</a>.
+</p>
+
+<p>In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen
+hij de hand sloeg aan eene bewerking van den roman van
+ALEXANDER, ter wille van eene schoone die hem gevangen
+hield en peinzen deed<a href="#8.4">[4]</a>. Behalve den <i>Alexander</i> bewerkte hij
+in deze eerste jaren nog drie andere romans. Het is begrijpelijk
+dat twee daarvan: <i>Merlijn</i> en <i>Torec</i> behooren tot die Keltische
+romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een
+lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman
+in MAERLANT'S omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk
+ook, dat de twee overige: <i>Alexander</i> en <i>Troyen</i> behooren tot
+die klassieke romans die naar den geest zoo verwant waren
+met de Keltische.
+
+<p>De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere
+beschouwing, voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT
+niet. Hij noemt in zijn proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig
+met en overtreffende die van zoovele andere helden:
+de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen niet halen,
+de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de
+oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne
+Hunnen kunnen hiermede niet vergeleken worden. Voor<a name="233"></a>
+MAERLANT zijn blijkbaar alle gedichten die deze en dergelijke
+stoffen behandelen, gelijksoortig als schilderingen van het
+verleden.
+
+<p>Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen
+over ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring
+in het zoo even gezegde. Maar ook de groote roem van het
+door hem verdietschte werk moet daartoe hebben bijgedragen.
+De <i>Alexandreïs</i> waarmede de scholaster GAUTIER DE CHATILLON
+andere onhistorische gedichten over ALEXANDER hoopte te verdringen,
+maakte grooten opgang; zóó zelfs dat de Universiteit
+van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke boeken
+opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een
+van deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen.
+MENKO, abt van Wittewierum in den aanvang der
+13<sup>de</sup> eeuw, noemt in de kroniek van zijn klooster de <i>Alexandreïs</i>
+in één adem met de <i>Aeneïs</i>; een zijner tijdgenooten, de Christelijke
+Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit werk zoozeer
+in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat liggen<a href="#8.5">[5]</a>.
+Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen
+was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken.
+Geest en gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden
+wijd open als de bloemkelk gereed om zonnestralen en dauw
+en regen op te vangen. Deze menschen luisterden naar verhalen
+uit den voortijd als kinderen naar een sprookje; hun frissche
+belangstelling, nog niet neergebogen onder den last eener
+eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt,
+zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden.
+
+<p>Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig
+Oosten introk en den machtigen Perzischen heerscher
+durfde aantasten, moest wel indruk maken op de verbeelding
+van middeleeuwsche menschen. Wanneer MAERLANT de toebereidselen
+tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij zich
+<a name="234"></a>
+dan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven<a href="#8.6">[6]</a>.
+En wat al wonderen verhaalden de auteurs van de <i>Alexandreïs</i>
+en dergelijke werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden
+en zilveren bergen zijn; gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij
+het Paradijs dat er uitziet als een schitterende burg; hij ziet
+menschen zonder hoofd, arenden die van achteren leeuwen
+zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de verbeelding in
+werking te brengen behaagde de <i>Alexandreïs</i>; in de schets
+eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping
+en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en
+klerken gericht wegens hunne simonie, tot de groote heeren
+wegens hunne hebzucht, was veel wat den jongen MAERLANT
+belangwekkend en aantrekkelijk moest voorkomen. Het verwondert
+ons dan ook niet van hemzelven te vernemen, dat hij
+dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet
+zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een
+half jaar heeft verdietscht<a href="#8.7">[7]</a>.
+
+<p>Gelijk zoo menig dichter vóór hem, geeft ook MAERLANT in
+dit gedicht eer eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft
+korte samenvattingen, ten einde grooter duidelijkheid of beter
+samenhang te verkrijgen; lascht gepaste vergelijkingen of spreekwoorden
+in of voegt scherper trekken toe aan de teekening van
+zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van alle aardsche
+grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den bombastischen,
+bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk niet willen
+noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde
+Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een
+enkelen keer door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op
+sommige plaatsen bekort hij zijn voorbeeld en breidt dan niet
+zelden uit hetgeen onmiddellijk volgt, als om eene vergoeding
+te geven<a href="#8.8">[8]</a>.
+
+<p>Een der meest karakteristieke uitbreidingen is zeker die
+<a name="235"></a>
+waarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft;
+in de teekening van &#8222;meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt
+hij zooveel Vlaamsche werkelijkheid, dat men hier en daar
+wanen zou verplaatst te zijn naar een Vlaamsche stad die feest
+viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig jonkman zijn
+geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid even
+vroolijk te maken over de dwaze &#8222;warmoesdeernen" die zich
+hoofsche namen hebben aangeschaft en beweren &#8222;vrouwe YMME"
+en &#8222;vrouwe MARGRIETE" te heeten<a href="#8.9">[9]</a>.
+
+<p>Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de
+hoofsche vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans
+der minne blonk. Wanneer &#8222;meester WOUTER VAN CASTELLIOEN"
+de schoonheid eener Scythische koningin heeft geprezen, neemt
+MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde schoonheden uit
+vroeger tijden op te sommen<a href="#8.10">[10]</a>. Hij heeft ze voor het kiezen:
+behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee
+van hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die
+andere YSOUDE &#8222;met de blanke handen" en MELIOR VAN
+CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en eene van WALEWEIN'S
+vele minnaressen en LANCELOT'S &#8222;amie" en DEJANIRA, DIDO,
+BRISEÏS en ABSALON'S zuster THAMAR ... waarlijk, men
+behoeft niet te vragen met welke lectuur deze in der minnen
+kerker gevangene zich tot nog toe bij voorkeur den tijd had
+verdreven.
+
+<p>Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook de <i>Historie
+van Troyen</i>.
+
+<p>Een geruimen tijd vóór MAERLANT, waarschijnlijk in den
+aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam:
+DIEREGOTGAF, een paar gedeelten van den Franschen <i>Roman
+de Troie</i> vertaald of bewerkt<a href="#8.11">[11]</a>. In het eene stuk, <i>tprieel van
+Troyen</i> genaamd, is de liefde hoofdzaak; wij zijn daar in het
+gezelschap van een aantal jongere ridders, met de koninginnen<a name="236"></a>
+van hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend
+in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons
+in den oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot
+tournooi met scherpe wapenen; de dames zitten er dan ook
+naar te kijken.
+
+<p>MAERLANT heeft den ganschen <i>roman de Troie</i> van BENOÎT
+DE ST. MORE vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen,
+waarschijnlijk echter na het zóó te hebben gewijzigd dat het
+met zijn eigen werk strookte<a href="#8.12">[12]</a>.
+
+<p>De <i>Roman van Troyen</i> is vol liefdelyriek. Het is dan ook
+begrijpelijk, dat op ééne plaats dat lyrisch element ook den
+uiterlijken vorm der lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt
+met een minneliedje. Ook elders vinden wij dat lyrisch karakter:
+een drietal verzen van BENOÎT over den dood van HECTOR
+wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene elegische ontboezeming,
+wel niet in coupletten, maar toch in eenige op gelijke wijze
+aanvangende perioden afgedeeld<a href="#8.13">[13]</a>.
+
+<p>Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk
+heeten; op menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de
+bewerker vervuld was van zijn onderwerp, van die ridderwereld
+en die liefdesgevallen. Waar hij b.v. MEDEA'S hartstocht
+in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene fraaie navolging
+van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking heeft
+hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog
+in het verhaal te brengen<a href="#8.14">[14]</a>.
+
+<p>Tusschen den roman <i>van Alexander</i> en dien <i>van Troye</i>
+bewerkte hij een paar romans uit den Britschen sagenkring.
+De <i>Historie van den Grale</i> en <i>Merlijns Boeck</i> vormen de
+beide deelen van het eene werk, dat eene vertaling bevat van
+een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON.
+
+<p>In de <i>Historie van den Grale</i> worden ons in hoofdzaak de
+lotgevallen van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij van<a name="237"></a>
+PILATUS een &#8222;nap" of &#8222;scotele" had ontvangen, &#8222;daer Jezus
+die eerste misse in sanc"; hoe hij na de inneming van Jeruzalem
+door de Romeinen met een groote schare naar verre landen
+trok en hoe &#8222;die scotele die men heet den Grael" het vermogen
+bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de
+goeden de &#8222;gracie" te doen gewinnen. Later wordt de &#8222;heilige
+Grael", &#8222;dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede
+van JOZEF'S zwager BROEN, die &#8222;de rike visscher" geheeten
+wordt omdat hij een visch moet vangen die naast den Graal
+op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet worden gelegd.
+BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier afdeelingen
+van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten
+verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen
+wij verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling
+een eind en wendt zich tot de geschiedenis van MERLIJN.
+
+<p>Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over
+het recht op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN,
+advocaat der duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen<a href="#8.15">[15]</a>.
+Natuurlijk verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken,
+doen zij door een hunner bij eene onschuldige maagd een
+kind verwekken dat tot Antichrist bestemd is. Hun opzet mislukt,
+doordat dit kind, MERLIJN, zijne bovennatuurlijke wijsheid
+slechts tot heil der menschheid wil aanwenden. MERLIJN komt
+later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens
+broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische
+indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking
+tot YGERNE, &#8222;des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van
+die overspelige liefde is ARTUR, die koning van Logres wordt
+maar jaren lang strijd moet voeren tegen de weerbarstige
+baronnen in zijn land.
+
+<p>Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door
+LODEWIJK VAN VELTHEM zal worden voortgezet<a href="#8.16">[16]</a>.<a name="238"></a>
+
+<p>Noch in de <i>Historie van den Grale</i>, noch in <i>Merlijns boeck</i>
+vind ik plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler
+doen kennen. Wel mag men vermoeden, dat de beschrijving
+der hoofsch-hartstochtelijke liefde van koning UTER voor de
+schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal zijn gevallen<a href="#8.17">[17]</a>.
+Had hij geen behagen geschept in zulke liefdesgeschiedenissen,
+dan zou hij zeker den roman <i>van Torec</i> niet hebben bewerkt.
+Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in de <i>Lancelot-compilatie</i>
+is opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene verwerking
+derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans, met
+name in den <i>Lancelot</i>, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een
+schoone maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan
+verlaten; een dozijn ridders, achtereenvolgens uit een kasteel
+komend, die door den held van het verhaal overwonnen moeten
+worden; het &#8222;josteeren" tegen de gezellen van de Tafelronde;
+bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen.
+
+<p>Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik
+heeft gemaakt van Fransche romans, mag men reeds opmaken
+uit een vrouwenaam als &#8222;TRISTOUSE" dien hij vertaalt door:
+&#8222;met rouwe gedragen" (er is daar sprake van een kind); uit
+riddernamen als &#8222;VAN DER BASSE RIVIERE" en &#8222;DE ORGELIOUS";
+de hier voorkomende &#8222;camere van wijsheden" herinnert ons
+aan &#8222;la Chambre de Beauté" in den <i>Roman de Troie</i><a href="#8.18">[18]</a>. De
+eenmaal voorkomende uitdrukking &#8222;also als ic 't int romans
+hore" kan wel grond geven tot de onderstelling dat MAERLANT
+zich bij die plaats van zijn werk een Fransch voorbeeld herinnerde;
+doch op grond van dat vers alleen aan te nemen dat
+de <i>Torec</i> vertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog op het
+feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd
+wordt. Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt,
+de roman van MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan
+men er toch niet in aanwijzen.<a name="239"></a>
+
+<p>Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook
+in dezen roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als:
+
+<p class="quote">Dat hare doe een splinter stac
+Van reinre minnen in haer herte
+</p>
+
+<p>in eene lyrische ontboezeming over de minne, &#8222;die alle hovescheit
+wiset"; in het &#8222;saluut van minnen" dat TOREC aan de
+blanke MIRAUDE zendt<a href="#8.19">[19]</a>.
+
+<h3>OMKEER.</h3>
+
+<p>In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens
+behalve liefde voor vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt
+doch behoeft nadere verklaring.
+
+<p>Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag
+men betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap
+tot de zijne had gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken
+koning PORUS hebben gezegd, dat hij &#8222;bloedde als een
+rund" of uit den roman <i>van Troyen</i> juist beschrijvingen
+van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag hebben
+weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANT
+<i>historie</i>. In zijn <i>Alexander</i> verklaart hij met nadruk dat hij
+&#8222;die waerheit, meer no min" in het Dietsch wil uiteenzetten;
+èn in dien roman èn in de overige vergenoegt hij zich niet
+met zijn voorbeeld te volgen; doch hij vult het aan, wijzigt
+of bestrijdt het, zooals hij meende dat de historische waarheid
+het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige kennis, blijkt
+duidelijk waar wij in den <i>Alexander</i> allerlei wetenschappelijke
+invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de Babylonisch-Perzische
+geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS,
+XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering.
+Naar het schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechts<a name="240"></a>
+zijn geheugen geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken
+gelezen moet hebben dan &#8222;der minnen boek". Zoo hoog stelt
+MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES tot zijne geliefde
+BRISEÏS laat zeggen: &#8222;wy lesen in ouden vyten", waar het Fransch
+slechts van &#8222;hooren zeggen" spreekt<a href="#8.20">[20]</a>.
+
+<p>Niet zóó ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER
+of hij blijft zich helder bewust dat deze toch een <i>heiden</i> was
+en hij verzuimt niet DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel
+zal komen<a href="#8.21">[21]</a>. Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone
+en bewondering voor uitheemsche romanheldinnen, maar in
+schoonheid konden die toch niet halen bij
+
+<p class="quote">... de vrouwe die noit en dede
+Sonde no ooc dorperhede
+</p>
+
+<p>met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit.
+Dezelfde eerbiedige liefde voor &#8222;de moeder ons heren" vinden
+wij aan het slot van den <i>Alexander</i> en in den roman <i>van Troyen</i>,
+waar hij eene onbekende, door BENOÎT aangeduid als &#8222;riche dame
+de riche roi", vervangt door haar die &#8222;moeder es ende maghet".
+
+<p>Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT
+den indruk van dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben
+meent hij, in den oorlog hunne eer verloren. En waarom&mdash;gaat
+hij voort&mdash;laat men zich onder Christenmenschen nog
+altijd voorlezen van die &#8222;overdaet"&mdash;Want aan weerszijden
+waren het louter heidenen&mdash;? Het antwoord luidt: opdat
+
+<p class="quote">... elc man mercken sal,
+Hoe onreene dat averal
+Hoerdom es ende hoe groot quaet
+Datter af te comene staet<a href="#8.22">[22]</a>.
+</p>
+
+<p>Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst
+doen als afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zal<a name="241"></a>
+MAERLANT zijn geweten hebben gerust gesteld, indien dat ten
+minste nu reeds in hem sprak, zooals het later zou spreken over
+den verkeerden weg door hem als dichter gevolgd.
+
+<p>Gaf de <i>Alexander</i> ons den MAERLANT van later reeds te zien
+in zijne neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet
+hij dat, waar wij in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige
+bewerking vinden van de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten
+jegens papen en klerken over hunne symonie, jegens
+groote heeren over hunne hebzucht.
+
+<p>Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT
+zóó duidelijk wat hij later worden zal als in den <i>Torec</i>. In het
+hoofdstuk, getiteld &#8222;hoe Torec in 't scep van aventuren was",
+zien wij allerlei kiemen die later zich zullen ontwikkelen. In
+een rijkversierd vertrek hooren wij daar vroede oude mannen
+spreken over het nut der wijsheid, over dwazen die dat nut
+niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de
+minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen
+rijk en arm, de onverdiende geringschatting van den arme.
+Hier vinden wij ook reeds de drie soorten van liefde genoemd,
+die wij later in den <i>Wapene Martijn</i> zullen terugvinden<a href="#8.23">[23]</a>.
+
+<p>Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt
+boven alle vrouwen, die partij kiest voor den arme tegen de
+grooten der aarde, die adel en geestelijkheid hunne hebzucht
+verwijt, die wijsheid en nuttige kennis verheft en aanprijst&mdash;zal
+het winnen van den verliefden bewerker van ridderromans.
+Zal het winnen&mdash;langzamerhand. Want van eene bekeering
+in den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken.
+Immers onder zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch
+geschrift over de gesteenten (<i>Lapidarijs</i>) en een werkje
+over droomen (<i>Somniarijs</i>) dat een dergelijk karakter zal hebben
+gedragen. Ook verloochent hij in latere jaren dat eerste werk
+niet. Naar zijn <i>Troyen</i> en zijn <i>Alexander</i> verwijst hij de lezers<a name="242"></a>
+ook nog in zijn <i>Rijmbijbel</i> en zijn <i>Spieghel Historiael</i> zonder
+ze af te keuren; van den <i>Alexander</i> zegt hij alleen, dat er
+fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil herhalen. Anders
+is het met den <i>Merlijn</i> en de Britsche romans in het algemeen.
+Zoowel in <i>Rijmbijbel</i> als in <i>Spieghel Historiael</i> laat hij zich
+geringschattend uit over &#8222;die boerde van den Grale", over
+&#8222;MADOCS droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"<a href="#8.24">[24]</a>.
+
+<p>Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en
+meer komt hij tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken
+van den rechten weg was afgedwaald. In den <i>Rijmbijbel</i> zien
+wij die overtuiging zoo sterk geworden, dat zij zich moet uitspreken.
+Hij bidt God: vergeef mij om der wille van dit werk
+
+<p class="quote"> dat ic mi besmet
+Ebbe in logenliken saken,
+Die mi de lichtheit dede maken
+Van der herten ende van den zinne
+Ende van der wereliker minne<a href="#8.25">[25]</a>.
+</p>
+
+<p>Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT
+toont besef te hebben van dien omkeer en van nu af zien wij
+hem in de nieuwe richting voortgaan. Meer dan eens stelt hij
+&#8222;der poëten fabelen", de &#8222;boerden ende favele" tegenover de
+waarheid, tegenover het evangelie. Het duidelijkst in den aanvang
+van <i>Sinte Franciscus Leven</i>:
+
+<p class="quote">Cume<a title="[margin: nauwlijks.]"><sup>#</sup></a> es hi van mi bekint,
+Die nu leeft ende waerheit mint;
+Maer Tristram ende Lanceloot,
+Perchevael ende Galehoot,
+Ghevensde<a title="[margin: verzonnen.]"><sup>#</sup></a> namen ende ongheboren,
+Hier of willen de lieden horen;
+Truffe van minnen ende van stride<a name="243"></a>
+Leestmen dor de werelt wide.
+Die ewangelie es ons te zwaer,
+Omdat soe recht seit ende waer.
+</p>
+
+<p>Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn
+verhaal van dien &#8222;coninc van versen"
+
+<p class="quote">Die vinden conste ende maken
+Veerse die ter werelt smaken
+</p>
+
+<p>maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan
+&#8222;pensde te betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk
+uit te maken; doch zeker is, dat de stem der waarheid zich in
+MAERLANT'S werk luider doet hooren, naarmate hij ouder wordt<a href="#8.26">[26]</a>.
+
+<p>Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche
+romanliteratuur den rug toegekeerd; naïef doch begrijpelijk is
+het, dat nu in het vervolg alle &#8222;Walsch" voor hem &#8222;valsch"
+is, terwijl het Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig
+heet. Dat onder de waarheid, die hij voortaan wil
+verkondigen, tal van wonderen begrepen zijn, behoeft in
+een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; &#8222;waerheit
+ende menech wonder", &#8222;wonder ende waer" worden door hem,
+evenals door andere middeleeuwsche auteurs, telkens in één
+adem genoemd<a href="#8.27">[27]</a>.
+
+<p>
+GEESTELIJKE POËZIE.
+
+<p>Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen
+vinden dan in den bijbel? In die overtuiging heeft hij de
+<i>Historia Scolastica</i> van PETRUS COMESTOR verdietscht, die
+bekend staat onder den naam van <i>Rijmbijbel</i>.
+
+<p>In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven
+der geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met dien
+<a name="244"></a>
+der Apocriefe Boeken en der Evangeliën. MAERLANT heeft weggelaten
+wat hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en
+daar stukken van den bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd;
+menige mystieke uitlegging van het bijbelverhaal is door hem
+uitgebreid, ook neemt hij niet zelden de gelegenheid waar om
+MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te gispen<a href="#8.28">[28]</a>.
+
+<p>Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis
+onder het bereik der leeken brengen. Van poëzie is
+in dit werk geen sprake; van aandoening zelfs tenauwernood.
+Slechts op een paar plaatsen, namelijk waar hij den dood van
+JUDAS MACCABEÜS verhaalt, en eens waar van JEZUS sprake
+is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen<a href="#8.29">[29]</a>. Blijkbaar was
+de bewerking der <i>Scolastica</i> voor den auteur louter plicht. Hij
+moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben, wij
+kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de
+voltooiing der bewerking van den <i>Pentateuch</i> slaakt hij dan
+ook de verzuchting:
+<p class="quote">God danc, ic heb se overleden<a title="[margin: achter den rug.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Minder zwaar zal hem de bewerking van <i>Sint Franciscus'
+Leven</i> zijn gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging,
+maar op verzoek van eenige belangstellenden te Utrecht,
+inzonderheid van zekeren broeder ALAERD, waarschijnlijk,
+evenals de overige vragers, lid der orde van SINT FRANCISCUS.
+Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in de
+persoonlijkheid van den &#8222;edelen vaendragher ons Heren" veel
+moet zijn geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de
+armen tegen de aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den
+proloog immers herhaalt hij nog eens eene waarschuwing van
+vroeger:
+
+<p class="quote">Dat minnen gaet vor alle ere;
+<i>Want arem man heet emmer sot</i>.<a name="245"></a>
+</p>
+
+<p>En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend,
+wie haar op kostelijker altaar geheven, dan juist &#8222;il Poverello"?
+
+<p>Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven
+weinig eigens, weinig ook dat ons spreekt van aandoening in
+hem gewekt door de levensopvatting en den levenswandel van
+&#8222;SINTE FRANSOYS". Waar wij hier en daar sporen van aandoening
+meenen te zien, blijkt bij vergelijking met het origineel dat
+MAERLANT niet veel meer geeft dan eene vertaling<a href="#8.30">[30]</a>.
+
+<p>Met <i>Rijmbijbel</i> en <i>Sinte Franciscus Leven</i> had MAERLANT
+werken gegeven die zijns inziens beter lectuur waren dan de
+door hem verworpen dwaasheden &#8222;van minnen ende van
+stride". De kennismaking met Latijnsche kerkliederen en eigen
+godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook nog andere
+geestelijke poëzie uit hem voort, waarop wij nu het oog
+moeten richten.
+
+<p>Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde
+lyrische gedichten, waarvan een drietal: <i>Van den vijf Vrouden</i><a title="[margin: vreugden.]"><sup>#</sup></a>,
+<i>Van ons Heren Wonden</i> en <i>Clausule van der Bible</i> misschien
+nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is waarschijnlijk,
+het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het
+vierde gedicht <i>Van der Drievoudichede</i> bevat een zeer vrije
+bewerking van een Latijnsch gedicht als dat <i>De Sancta Trinitate</i>;
+<i>Clausule van der Bible</i> en <i>Disputatie van den Cruce</i> schijnen
+zelfstandige bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten
+en voorstellingen, die men ook elders in de middeleeuwsche
+literatuur aantreft<a href="#8.31">[31]</a>. In het eerste stuk wordt telkens in een nieuw
+couplet eene nieuwe vreugde van MARIA, in het tweede achtereenvolgens
+de vijf wonden van JEZUS bezongen. <i>Clausule van der
+Bible</i> bevat eene verheerlijking van MARIA in een toen veelvuldig
+gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude
+Testament, vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT
+wordt niet moede, door een veertigtal strofen heen, de Moedermaagd<a name="246"></a>
+telkens weer onder een andere gedaante te verheerlijken:
+MARIA is de duive met den olijftak terugkeerend naar de ark;
+de ladder waarlangs de engelen af- en opklommen; RACHEL,
+des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind MOZES
+schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels
+dauw neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna,
+de steen waaruit op MOZES' gebed een klare fontein ontsprong
+... zoo volgt het eene beeld op het andere, totdat
+de dichter het moet opgeven, want &#8222;volprisen" kan hij haar
+niet, &#8222;de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht
+scheen gelijk de zonneschijn.
+
+<p>In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan;
+behoefte om JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden,
+uit zich hier ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende
+verzen.
+
+<p>Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten:
+<i>Van der Drievoudichede</i> en <i>Disputatie van den Cruce</i>. Hier
+kon hij niet volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele
+vraagstukken als dat der Drieëenheid, een geschil als dat
+tusschen MARIA en het Kruis, eischten inspanning van denkkracht
+en voorstellingsvermogen om zelf te begrijpen en anderen
+te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat wij MAERLANT
+hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het lyrisch-dramatische
+van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang gekomen
+op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche
+geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend
+bij de samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de
+rollen zoo verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt.
+Die verdeeling gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van
+moeilijke vraagstukken; de afwisseling van vraag en antwoord
+of ook het verschil van opvatting tusschen twee sprekers
+bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT, man van<a name="247"></a>
+veelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de Latijnsche
+literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch
+zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven
+van de &#8222;débats", &#8222;jeux-partis" en &#8222;tençons" die in de toenmalige
+nationale Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden
+en die ook door de Belgische trouvères gedicht werden<a href="#8.32">[32]</a>.
+
+<p>Zoo zien wij in de tweespraak <i>Van der Drievoudichede</i> JACOB
+in gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe
+kan ik God leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim
+en Seraphim, antwoordt JACOB, nog zou ik u op die hooge
+vraag niet kunnen antwoorden. Luister naar hetgeen mij de
+bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil doorgronden
+is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd
+zullen worden als zij den Horeb beklimmen.&mdash;Ook ik ben
+overtuigd, herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid
+niet zouden kunnen omvatten; doch leer mij zooveel mijn
+door de zonde verzwakt verstand kan bevatten. JACOB geeft
+dien wensch gehoor: God is boven alles, onder alles, buiten
+alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest. Den
+Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vóór alle begin;
+daarna den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider
+vereeniging ontsproten Heiligen Geest; samen vormen zij eene
+drie-eenheid van <i>macht</i>, <i>const</i> en <i>wille</i>, die aanwezig moet zijn
+in elken mensch die iets wil voortbrengen. God rust zelf
+en brengt alles in beweging; geene plaats omvangt Hem, Hij
+omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde, Hij is
+eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het
+geloof draagt hier de kroon.
+
+<p>Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon
+geeft MAERLANT eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer,
+van den zondeval, van de verhouding tusschen het menschelijke
+en het goddelijke in JEZUS, van het Laatste Oordeel. Hij is van<a name="248"></a>
+ons heengegaan, doch Hij heeft zijn vleesch en bloed hier
+gelaten om het te &#8222;sacreeren" in der priesters handen. Met
+eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing
+tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig
+te mogen worden wordt het gedicht besloten<a href="#8.33">[33]</a>.
+
+<p>In <i>Disputatie van den Cruce</i> zien wij MARIA handenwringend
+staan onder het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis:
+moordenaars en dieven moet gij straffen, niet Hem die rein
+van zonden is.&mdash;Niet alleen uwe zaak geldt het hier, antwoordt
+het kruis, maar die &#8222;der wereld gemene"; toen ik uw zoon
+ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch onsterfelijk zal Hij
+terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op Hem en willen
+van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet
+met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis
+waarheid heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren:
+mensch, wat heb ik voor u gedaan en wat doet gij voor mij?
+Gij moet de wereld verzaken of gij zult niet met mij leven.
+Al uw pogen strekt om schatten te vergaderen. Doch het is
+niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders voorgaan: al het
+kwaad komt uit de &#8222;sacristie"<a title="[margin: de kerk.]"><sup>#</sup></a>; vleeschelijk leven, wellust, zich
+trotsch gedragen&mdash;het vindt zijn oorsprong bij de geestelijkheid.
+Om de armen bekommeren zij zich niet. Beginnen zij soms de
+wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de vleeschpotten
+van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en
+vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der
+kudde, maar wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en
+ontrukt het heilige land aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en
+het kruis zegt tot MARIA, dat het niets baat of men haar al
+bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden heeft. Ten slotte
+gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat door
+Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van
+Kruis noch Maagd kan ontberen.<a name="249"></a>
+
+<h3>POËZIE DER GEMEENTEN.</h3>
+
+<p>In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over
+de hoogten der bespiegeling; in <i>Disputatie van den Cruce</i> zien
+wij hem afdalen tot de vlakte beneden waar het werkelijk leven
+wordt afgespeeld. Er was echter in dat werkelijk leven, behalve
+het wangedrag der geestelijken, nog zooveel dat hem vervulde:
+maatschappelijke misstanden die hem in twijfel en onrust hielden,
+onrecht dat hem ergerde, gewichtige vraagstukken die hem niet
+los lieten. In een paar tweespraken, <i>de eerste</i> en <i>d'ander
+Martijn</i>, heeft hij getracht samen te vatten wat in hem omging.
+Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen, gedachten
+over maatschappij en kerk, over handel en wandel
+der menschen, over de verhouding der standen, over de
+liefde, de zonde, over God, ten deele reeds door anderen
+uitgesproken, ten deele dus herinneringen den dichter bijgebleven
+uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn eigendom&mdash;zijn
+hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken
+bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook
+de meeste andere vervat zijn; in <i>de Eerste Martijn</i>, de omvangrijkste
+tweespraak van alle die bijna 1000 verzen telt, is
+op menige plaats een dichterlijke gloed waaruit ware poëzie
+is voortgekomen; <i>d'ander Martijn</i>, van veel minder omvang,
+geeft meer spel van vernuft dan poëzie al is deze niet geheel
+afwezig.
+
+<p>De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de
+hoofsche minnelyriek en de minachting van &#8222;truffen ende
+poëtriën", het meesterschap over den vorm verbieden ons aan
+te nemen dat zij uit des dichters jeugd zouden dagteekenen.
+Maar anderzijds getuigt <i>de Eerste Martijn</i> van zooveel eerbiedige
+liefde voor de vrouwen, zij het ook dat die evenals in den
+<i>Roman van Troyen</i> bekroond wordt door een AVE MARIA, en<a name="250"></a>
+toont <i>d'ander Martijn</i> zulk een welbehagen in het behandelen
+van eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons
+den dichter kwalijk als een bedaagd man kunnen denken.
+Mag men eene gissing wagen, dan zal men geneigd zijn
+aan te nemen, dat hier een man van tusschen de dertig en
+veertig tot ons spreekt.
+
+<p>Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien
+wij in <i>de Eerste Martijn</i> in de weemoedige stemming die op
+eene ontgoocheling pleegt te volgen. Hij heeft de werkelijkheid
+aan zijne idealen getoetst, de schellen zijn hem van de
+oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet: &#8222;Wapene<a title="[margin: wee!]"><sup>#</sup></a>,
+Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden bespot, verdrukt&mdash;de
+slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere. Hoe anders
+dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw
+en deugd was, tot heer boven den &#8222;dorper"&mdash;nu spannen de
+heeren samen, vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de
+slechten de macht in handen. Dat komt van de kwade raadgevers.
+Is er nog een God die regeert? Blijkbaar laat Hij alles
+over aan het blinde toeval.
+
+<p>MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt
+hij. Terug! God hoort en ziet alles. De priesters zullen het
+gewaar worden; de brandstapel wacht u! Vertrouw op God:
+
+<p class="quote">God en was noit moede no mat;
+In 't wout en es loof no blat
+Buten siere hoede.
+Al dat es in elke stat
+Dat behoet hi ende besat
+Met godliken goede<a title="[margin: voorziet Hij van goddelijken zegen.]"><sup>#</sup></a>.
+Al ghehinghet hi dan dat,
+Dat die quade ghewinnet scat
+Ende menne heet den vroede:<a name="251"></a>
+So hi hoghere sit up 't rat<a title="[margin: van Avontuur.]"><sup>#</sup></a>,
+So hogher val, so meere plat<a title="[margin: zwaarder smak.]"><sup>#</sup></a>
+In der helscher gloede
+Onder der duvele roede.
+</p>
+
+<p>JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de
+slechten eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen
+aan den harden MARTIJN.&mdash;Omdat de zondaar eeuwig zou
+willen leven, klinkt het antwoord, moet hij ook eeuwige straf
+ondergaan.
+
+<p>Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou
+ik dan, indien ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig
+verdoemd zijn, ook al ware ik milddadig en al had ik penitentie
+gedaan? MARTIJN spreekt den vrager moed in: laat u niet van
+allerlei door de priesters opdringen, er is &#8222;menich onbescheden<a title="[margin: onverstandig.]"><sup>#</sup></a>
+swijn" onder; God is ook een God van genade, van liefde.
+Maar de liefde is blind, naar men zegt&mdash;herneemt JACOB.
+Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er zijn drie
+soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de &#8222;caritate" die
+God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar
+van aard, strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de
+&#8222;cracht die twee herten tsamen bint". Met een uitval tegen de
+hoofsche minnepoëzie geeft JACOB zijne instemming te kennen.
+
+<p>Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn
+pad gekomen, keert de dichter de rollen om.
+
+<p>MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer
+op: van waar komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen,
+edel en onedel? Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van
+CAÏN; anderen: van CHAM; doch het is onwaar, de &#8222;Duutsche
+loy"<a title="[margin: Het Duitsche wetboek: de Saksenspiegel.]"><sup>#</sup></a> weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van krijgsgevangenen.
+En wat den adel betreft&mdash;wat gaat het mij aan,
+wie iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugd<a name="252"></a>zaam
+is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman<a href="#8.34">[34]</a>!
+MARTIJN stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van
+ADAM afstammen en dus bloedverwanten zijn, hoe is dan de
+&#8222;maechscap" zoo verdwenen? Van waar dan al die afgunst en
+strijd?&mdash;LUCIFER is daarmede in den hemel begonnen, antwoordt
+JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn en Dijn
+hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot
+een ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar
+neemt de liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het
+hart of uit de oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB;
+als een onbeschaafde Fries die niet weet wat liefde is. Luister!
+Nu vangt een redetwist aan tusschen het hart en het oog,
+tweespraak in de tweespraak, die door vrouwe Redene beslecht
+wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met de liefde
+tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De
+priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf
+volgen zij een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel
+van uw goed aan de armen, neig uw hart tot hen; dan moge
+God u in Zijne hoede nemen, u aan de macht der duivelen
+onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op den oorsprong
+van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de
+vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor
+de vrouwen die hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN
+verklaart zich overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om
+der wille van de &#8222;hooge vrouwe", aan wie ons behoud gelegen
+is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de tweespraak een einde.
+
+<p><i>D'ander Martijn</i> is in zoover eene voortzetting van <i>den
+Eersten Martijn</i>, dat wij hier in den aanvang een dergelijke
+vraag gesteld zien als die over den strijd tusschen het hart en
+het oog. Hier geldt het de vraag: twee vrouwen beminnen mij;
+de eene heb ik lief, maar zij mij niet; de andere heeft mij lief,
+maar ik haar niet&mdash;tot welke der twee moet ik mij wenden?<a name="253"></a>
+
+<p>Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der
+&#8222;Cours d'amour" bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze
+in &#8222;<i>het schip van aventuren</i>" had hooren behandelen.
+
+<p>In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander
+nu met allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan
+de Oudheid en den Bijbel. Redene moet zich in de liefde
+doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan de voorbeelden van noodlottige
+liefde uit den Bijbel moeten wij ons spiegelen. God zelf
+wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft, wie Hem
+wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken
+aan haar die mij lief heeft.
+
+<p>In den <i>Verkeerden Martijn</i> hebben wij een aardig voortbrengsel
+van middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S
+redeneeringen uit den <i>Eersten Martijn</i> omgekeerd en tegen de
+zijne overgesteld. Hier en daar, vooral in de drie eerste strofen,
+meent men toch de bitterheid van den dichter in zijn scherts
+te hooren doorklinken. In het laatste couplet is iets van voorname
+levenswijsheid, die met een lichten glimlach spreekt over
+de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel jammer, dat
+slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In
+zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten
+vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid
+krijgen aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene
+vraag blijft: of MAERLANT inderdaad de maker is van dit
+gedicht. Er bestaat misschien meer reden hier aan het werk
+van een ander te denken dan aan een zelf-parodieerend sarcasme,
+waarvan in de middeleeuwsche literatuur, naar ik meen, tenauwernood
+een ander voorbeeld te vinden is<a href="#8.35">[35]</a>.
+
+<p>De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling
+in het maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk
+hart over de misstanden in dat leven en uit begeerte om in die<a name="254"></a>
+misstanden verbetering te brengen. Verbetering door afbreken
+en opbouwen. De <i>Martijn's</i>, vooral <i>de Eerste Martijn</i>, werkten vooral afbrekend; in een drietal andere gedichten trachtte de
+dichter op te bouwen.
+
+<p>Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan
+eens een vroeger motief hervatten, om het op nieuw te bewerken,
+zoo keert ook MAERLANT terug tot vroeger bewerkte stoffen.
+De schets eener middeleeuwsche vorstenschool uit den <i>Alexander</i>
+wordt overtroffen door de handleiding voor vorsten in <i>Heimelijkheid
+der Heimelijkheden; Lapidarijs</i> is uitgebreid tot het groote
+werk <i>der Naturen Bloeme</i>; de historische overzichten uit
+<i>Alexander</i> en <i>Merlijn</i> tot den <i>Spieghel Historiael</i>.
+
+<p>Het oorspronkelijke <i>Liber de Secretis Secretorum</i>, in dezen
+vorm zeker niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag
+van zijn naam wijd en zijd verbreid, bevatte eene soort van
+overzicht der regeerkunst en, daar een vorst ook zich zelven
+moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet onwaarschijnlijk
+is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den
+twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht
+gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER
+toch in menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent
+kon heeten. <i>Heimelijkheid der Heimelijkheden</i> zou dan min of
+meer als een correctief van den <i>Alexander</i> moeten worden
+beschouwd, dat des te beter zou werken, omdat het ook hier
+juist ALEXANDER is, wien door den zoo hoog vereerden
+ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo was
+b.v. de aansporing tot het bedwingen van den &#8222;grammen moet"
+voor den <i>Alexander</i> van GAUTIER de CHÂTILLON zeker niet
+overbodig<a href="#8.36">[36]</a>.
+
+<p><i>Der Naturen Bloeme</i> en <i>Spieghel Historiael</i> moesten, evenals
+vroeger <i>Rijmbijbel</i> en <i>Sinte Franciscus Leven</i>, voorzien in de
+behoefte aan degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching<a name="255"></a>
+van THOMAS VAN CANTIMPRÉ'S groot werk <i>De Naturis Rerum</i>
+kon elk die zijne bekomst had van fabelen en leugens, &#8222;nutscap
+ende waer" vinden. Alles wat men toentertijd van de natuur,
+van menschen en dieren wist, vond men hier bijeen. MAERLANT
+heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten, in het overige
+de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn
+voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd
+of er iets aan toegevoegd<a href="#8.37">[37]</a>.
+
+<p>In zijn <i>Spieghel Historiael</i> leverde hij populair-wetenschappelijk
+werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden
+was voor de leeken tot dusver één nevelachtig verschiet
+van eentonig grijs geweest; deze <i>Spiegel</i> wierp er voor het
+eerst krachtige lichtstralen in en doorheen. Nu eerst namen
+enkele bekende figuren in dat verschiet vaste omtrekken aan,
+nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver af,
+nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin
+men leefde.
+
+<p>Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT
+VAN BEAUVAIS, bewerkte MAERLANT slechts een deel, het
+<i>Speculum Historiale</i>; de twee voorgaande deelen: <i>Speculum
+Naturale</i> dat over God, het heelal en den mensch handelde
+en het <i>Speculum Doctrinale</i> dat een overzicht der menschelijke
+wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van
+het <i>Speculum Historiale</i> eer eene bewerking dan eene vertaling;
+hij raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a.
+den Hollandschen kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de
+geschiedenis van Nederland en de levensbeschrijvingen van
+Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk met een schat van
+spreuken en lessen van levenswijsheid<a href="#8.38">[38]</a>. Hier ook had MAERLANT
+gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns inziens,
+de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of
+vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over<a name="256"></a>
+KAREL DEN GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende
+KARELS hadden samengesmolten tot éénen; hij houdt
+zich aan de <i>Historia Caroli Magni et Rolandi</i>; immers, dat
+was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich tegen de vermenging
+van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de
+verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het
+huis Bouillon<a href="#8.39">[39]</a>.
+
+<p>Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de
+vermenging van verschillende historische KARELS eerst door
+de hedendaagsche wetenschap opnieuw is gemaakt en met
+evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid gestaafd, dan moet
+men dezen middeleeuwschen &#8222;clerc" bewonderen om zijn helder
+verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde
+van zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan
+eigenlijk geen sprake zijn, want de poëzie is in de drie laatstgenoemde
+werken zoo goed als afwezig. Zelfs vertoonen zij in
+de bewerking tenauwernood eenige aandoening, tenauwernood
+iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk grapje maken
+over de vlooien, de &#8222;clene wichten" die ons in dit aardsche
+tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid
+toonen waar hij het dier Furions ter sprake brengt&mdash;doorgaans
+blijft hij in <i>der Naturen Bloeme</i> de ernstige leermeester<a href="#8.40">[40]</a>.
+
+<p>In den ganschen <i>Spieghel Historiael</i> vond ik slechts een paar
+plaatsen waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op
+MAERLANT zooveel indruk maakte, dat zijne bewerking er de
+sporen van draagt. CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van
+ROELAND heeft hem blijkbaar getroffen; in het Dietsch lezen
+wij dat de groote keizer
+
+<p class="quote">... grongierde<a title="[margin: brulde.]"><sup>#</sup></a> in der gebare
+Alse oft een leuwe ware
+Die sine jonge vonde vermort.<a name="257"></a>
+</p>
+
+<p>Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden
+welp zal wel niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in
+zijn voorbeeld niet te vinden<a href="#8.41">[41]</a>.
+
+<p>Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar
+hij in bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid
+zegt, een geestverwant herkent. Daar komt hem zijn <i>Eerste
+Martijn</i> weer voor den geest, zoo levendig zelfs dat een paar
+rijmen uit de eerste strophe hier weer opklinken<a href="#8.42">[42]</a>.
+
+<h3>DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE
+VAN OVERSEE; BESLUIT.</h3>
+
+<p>Het tekort aan poëzie in de pas behandelde werken heeft
+MAERLANT ons vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten.
+Beide dagteekenen uit zijn ouderdom. <i>Van den Lande van
+Oversee</i> moet gedicht zijn na den val van ST. JEAN D'ACRE
+(1291) en in <i>der Kerken Claghe</i> hooren wij den dichter
+zeggen:
+
+<p class="quote">Wat sagh ic in den spieghel claer?
+Mijn oude leven, mijn graeuwe haer,
+Hoe sterven es met mi gheboren!
+</p>
+
+<p>Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap.
+De klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud
+uitmaakt van het eene, ruischt als ondertoon door de verzen
+van het andere<a href="#8.43">[43]</a>. De dichter beeldt hier de kerk uit als eene
+moeder, eene bedroefde vrouw van haar erf ontzet, wier verdediging
+Christenridders plicht moet zijn. Het komt mij waarschijnlijk
+voor, dat deze voorstelling eene herinnering is uit de
+dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne verdiepte
+in ridderromans. In den roman van <i>Lancelot</i> toch legt<a name="258"></a>
+een abt aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die
+ridder heeft gezien. Wij lezen daar:
+
+<p class="quote">Tot u quam op dien nacht besien
+Die heilege kerke ende al om dien
+In eens droefs wijfs gelike,
+Die u clagede droeffelike,
+Datmen hare onrecht dede
+Ende nam hare ervechtechede.
+Sine quam niet gecleet met siden,
+None togede met den bliden;
+Maer si quam in groter droefheden
+Ende gecleet met swerten cleden
+Om den toren die hare kinder
+Daden mere ende minder;
+Dat sijn besondechde kerstine
+Dat haer kinder (sculdech) te sine,
+Ende gelijc hare moder hare
+Altoes sculdech te houdene waren<a href="#8.44">[44]</a>.
+</p>
+
+<p>Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk
+gewaarschuwd had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd
+tegen de geestelijkheid. In zijn <i>Naturen Bloeme</i>, zijn <i>Rijmbijbel</i>,
+zijn <i>Spieghel Historiael</i> had hij zich meer dan eens scherp
+uitgelaten over hunne hebzucht, weelde, wellust; hun verweten,
+dat zij waren
+
+<p class="quote">... vor mine ogen smeker<a title="[margin: vleiend.]"><sup>#</sup></a>
+Ende achter valsch als de verrader.
+</p>
+
+<p>De critiek, welke zijn bewerking van den <i>Rijmbijbel</i> hem
+van de zijde der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn
+<i>Spieghel Historiael</i> nog niet vergeten<a href="#8.45">[45]</a>. Doch, had hij daar
+met de belgzucht van het &#8222;paepscap" rekening gehouden, in<a name="259"></a>
+<i>der Kerken Claghe</i> spaart hij hen niet. Onversaagd springt
+deze strijdbare &#8222;clerc", ridder naar geest en gemoed, zijne
+moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken, dat
+haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en
+leiden. De wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken
+de volle waarheid zou durven zeggen, hen met name
+noemen&mdash;hoe zou hij bejegend worden! Met enkele trekken
+schetst hij hen: korte rokken, breede zwaarden, lange baarden,
+kostbare kleederen, hooge paarden; wat al fierheid&mdash;ten koste
+der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de waarheid
+zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig,
+naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is
+eene vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op
+de loer. Hij behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen
+onder zijn bereik. Wie de kwaden vleien, hebben de beste
+plaatsen en eene vette keuken; zij drinken dat zij zweeten en
+slapen er te beter op. Al maken de heeren zich aan roof
+schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze geestelijken,
+die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven.
+En krachtig klinkt de oproep ten slotte: Zóó klaagt de
+heilige Kerk! Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij
+nieuwe wapenen dragen en deze wandaden te keer gaan en wreken.
+
+<p>Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard,
+met zijne pen, tastte MAERLANT ook in het gedicht <i>Van den
+Lande van Oversee</i> de Kerk van Rome aan, die hij scherp
+onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier durft hij zeggen:
+
+<p class="quote">Die Kerke van Romen is dusdaen vraet,
+Si is dronken ende al sonder raet,
+Die hovet is van Kerstijnhede.
+</p>
+
+<p>Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een
+noodkreet, door den vromen Christen geslaakt, toen hem<a name="260"></a>
+meer en meer zekerheid gewerd, dat het Heilige Land aan de
+macht der Christenen ging ontglippen. In <i>Disputatie van den
+Cruce</i> had hij reeds eenmaal een klacht daarover doen hooren,
+maar nu Acre, het laatste bolwerk der Christenen, gevallen is,
+slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de ontzetting, de
+verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef:
+
+<p class="quote">Kersten man, wats di gheschiet?
+Slaepstu? hoe ne dienstu niet
+Jhesum Christum dinen here?
+Peins, doghedi dor di enich verdriet,
+Doe hi hem vanghen ende crucen liet,
+Int herte steken metten spere?
+Tlant, daer hi sijn bloet in sciet<a title="[margin: stortte.]"><sup>#</sup></a>,
+Gaet al te quiste, als men siet:
+Lacy, daer en is ghene were!
+Daer houdt dat Sarracijnsche diet<a title="[margin: volk.]"><sup>#</sup></a>
+Die Kerke onder sinen spiet
+Daerneder, ende doet haer groot onnere
+Ende di en dunkets min no mere<a title="[margin: gij geeft er niet om.]"><sup>#</sup></a>!
+</p>
+
+<p>In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe
+moeder, de Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt&mdash;gij
+leeft in weelde; Gods vijanden hebben te Acre kloosters
+en huizen vernield, het volk gedood. Christen! trek op, den
+hemel kunt gij winnen, indien gij die schande wreekt. Dan
+eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat er gebeurd
+is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van
+zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het
+vlamt weer op in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen
+... Kerk van Rome, trek het zwaard! Maar de voorname
+geestelijken hebben wel wat anders te doen! Wat doet gij ter
+wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette<a name="261"></a>
+prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. &#8222;Reinaerdie"
+speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee
+uitrichten! En waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden
+niet te na gesproken&mdash;de duivel hale hen met hunne trotsche
+bijzitten! Maar het Heilig Graf vertoont zich weer aan zijn
+geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de koningen, graven
+en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd het schild
+&#8222;van sabel en van goude", het &#8222;lazuren" schild met de leliën
+op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat
+en zijne moeder wreekt&mdash;hij zal er voor boeten! Overredend
+klinkt het daarop: Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten
+immers toch eens sterven? Denkt wat JEZUS heeft willen lijden!
+Hoe anders was het ten tijde van CHARLEMAGNE en GODFRIED
+VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter valkenjacht, gij
+landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij u
+van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een
+bede tot God besluit de dichter zijn bezielden oproep.
+
+<p>Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val
+van Acre is het Heilige Land geheel aan den greep van het
+Westen ontglipt. Sedert de kruistochten een aanvang hadden
+genomen, was de Europeesche Christenheid twee eeuwen ouder
+geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift en
+avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken;
+andere idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne
+toewijding, hunne kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan
+gevoelde, zijne devotie verrichten bij het Heilig Graf dat in
+zoo menige kerk ook te onzent was nagebootst.
+
+<p>MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht
+opwekte, schijnt den veranderden koers der geesten niet
+te hebben opgemerkt. En indien al, dan heeft hij dien zeker
+betreurd. Want hij was een &#8222;prijzer van 't verleên" en zag in<a name="262"></a>
+zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij dien bij vroeger
+vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden en op
+het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en
+opbouwend heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor
+te leiden, dat gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche
+dichter die, sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging
+en het plichtsverzuim van adel en geestelijkheid is
+opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij heeft voor Vlamingen
+en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na
+hem een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk
+leeren lezen.
+
+<p>Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op
+eene plaats onder de groote mannen van ons volk; doch als
+kunstenaar rijst hij daardoor niet in onze schatting. Zeker, hij
+was dichter. Hij heeft dat getoond in den <i>Eersten Martijn</i>,
+vooral in de eerste helft waar de aandoening door de strofen
+golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt
+afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat
+getoond in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig
+brok van zijn overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch
+bevallig of aardig mag heeten. Den kunstenaar zien wij in den
+dichter, waar hij, in navolging der Latijnsche en Romaansche
+lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de afschrijvers bezweert
+zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde hecht aan
+de zuiverheid zijner rijmen.
+
+<p>Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden;
+er is in zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel
+dat berijmd proza moet heeten. De drang naar schoonheid in
+zijn gemoed werd onderdrukt door het verlangen om de maatschappij
+te verbeteren en zijn volk te onderwijzen. En nu kan
+de invloed van een dichter op de zedelijke, geestelijke en
+maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk wel strekken om<a name="263"></a>
+de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen, niet
+om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien
+heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt
+om op zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan.
+
+<p>Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk
+zulk eene ruime plaats hebben gegeven in dit verhaal van de
+geschiedenis onzer letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij,
+beter dan eenig ander auteur zijner dagen, de eeuw en de
+maatschappij waarin hij leefde in hunne onderscheiden stroomingen
+vertegenwoordigt; omdat de geslachten die na hem
+kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter
+wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in
+enkele zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat
+onbeschrijfelijke dat wij poëzie noemen.<a name="264"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.1">1</a>: De romans <i>van Alexander, Merlijn</i> en <i>Troyen</i> zijn tot ons gekomen in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken,
+in een dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig
+Nederland gesproken werd <i>(Tijdschr. v. Ned. T. en L.</i>, XXIII, 156). De <i>Torec</i> schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den <i>Lancelot</i> (a.w. X, 173; XIX, 36).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.2">2</a>: Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk
+boek van Prof. J. TE WINKEL: <i>Maerlant's Werken</i>, (2e druk, 1892), vgl.: Tweede Hoofdstuk.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.3">3</a>: Vgl. <i>Nat. Bloeme</i> (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en <i>Inleid</i>. XXIV. Over den kalander-leeuwrik: BREHM, <i>Het Leven der Dieren</i> (bewerking van HUIZINGA), II, 100.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.4">4</a>: De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen
+heeft in zijn gedicht, heette waarschijnlijk <i>Gheile</i> en zal wel eene Vlaamsche geweest zijn. Vgl. FRANCK'S <i>Inl</i>. op den <i>Alexander</i>, XI-XII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.5">5</a>: WYBRANDS, <i>De Abdij Bloemhof</i>, bl. 134.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.6">6</a>: Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.7">7</a>: Vgl. X, 1530&ndash;1.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.8">8</a>: Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke <i>Inleiding</i>, inzonderheid naar het hoofdstuk: <i>Maerlants verhouding tot zijne bronnen.</i>]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.9">9</a>: Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.10">10</a>: T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.11">11</a>: Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een
+<i>Simon die Godgaf</i> (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der
+Vlaemsche Bibliophilen I, 6).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.12">12</a>: Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S <i>Inleiding</i> op zijne
+<i>Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen</i>, met name p. 17,
+154&ndash;5, 181.
+
+<p class="footnote">MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van
+NAPOLEON DE PAUW.]<a name="265"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.13">13</a>: Vgl. VERDAM'S <i>Episodes</i>, vs. 6666&ndash;6711 met <i>Roman de Troie</i>,
+vs. 16179&ndash;16181.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.14">14</a>: Vgl. <i>Episoden</i>, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOÎT vertelt,
+op bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305,
+9345; 327, 10166; 341, 10694.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.15">15</a>: FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk.
+TE WINKEL beweert het tegendeel. Vgl. <i>Anzeiger f.d.A.</i>, IX, 367&ndash;8
+en TE WINKEL'S <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl. 168 noot.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.16">16</a>: Vgl. <i>Merlijn</i> (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S
+uitgave kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen
+van FRANCK'S vernietigende maar rechtvaardige critiek.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.17">17</a>: <i>Merlijn</i>, vs. 7639 vlgg. (7770&ndash;8, 8164, 8175-'80).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.18">18</a>: Vgl. <i>Torec</i> (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene
+&#8222;Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S <i>Conte du Graal</i>;
+zie de Aant. op FRANCK'S <i>Alexander</i>, bl. 481). Afbeelding der <i>Chambre
+de Beauté</i> bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.19">19</a>: <i>Torec</i>, vs. 869&ndash;870; 1228-'49; 3231-'51.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.20">20</a>: Vgl. <i>Alex.</i>, IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd;
+vgl. GAUTIER, <i>Alex.</i>, IX, 258&ndash;260. Of M. deze vergelijking
+misschien uit den <i>Lancelot</i> heeft overgenomen, doet weinig ter zake.
+<i>Episoden</i> enz. vs. 767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het
+origineel; <i>Alex.</i>, I, 68; VERDAM'S <i>Inl.</i> op <i>Episoden</i> enz. bl. 21 vlgg.;
+TE WINKEL in <i>Tijdschr. v. N.T. e. L.</i>, I, 332 vlgg.; <i>Merlijn</i>, vs. 33,
+589, 621. FRANCK'S <i>Inl.</i> op den <i>Alex.</i>, L-LI; <i>Episoden</i>, bl. 163&ndash;4,
+vs. 4159 en vs. 4219 in verg. met het oorspronkelijke.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.21">21</a>: <i>Alex.</i>, III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook <i>Troyen</i>, vs. 10736.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.22">22</a>: <i>Alex.</i>, VIII, 126&ndash;9; X, 1535 vlgg.; <i>Episoden</i> etc. bl. 159&ndash;160.
+Over die <i>riche dame</i> te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197&ndash;8;
+<i>Episod.</i>, bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht,
+door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne
+uitgaaf v.d. <i>Roman de Troie</i>: &#8222;Sur les manuscrits" in Deel I.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.23">23</a>: Vgl. <i>Alex.</i>, VIII, 637 vlgg.; <i>Torec, Inl.</i>, bl. XXII vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.24">24</a>: Vgl. o.a.: <i>Rijmb.</i>, I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; <i>Sp.
+Hist.</i>, I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.25">25</a>: A.w. I, 64 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.26">26</a>: Vgl. o.a.: <i>Rijmb.</i>, I, 2755; <i>Sinte Franc.</i>, 9&ndash;10; 51&ndash;40. Het verhaal
+van den &#8222;coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het ook
+in het Latijn.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.27">27</a>: Vgl. o.a. den Proloog van <i>der Nat. Bloeme</i>, vs. 108&ndash;116;
+TE WINKEL, <i>Maerlant's Werken</i>, p. 368; waai heidsliefde o.a.:<a name="266"></a>
+<i>Rijmb.</i>, I, 25, 4885, 34830; waarheid en wonder: <i>Nat. Bl.</i>, I, 486-'93;
+IV, 5 vlgg.; V, 413 vlgg.; <i>Sp. Hist.</i>, I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.28">28</a>: Vgl. TE WINKEL'S <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl. 337&ndash;9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.29">29</a>: Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen:
+
+<p class="footnotequote">Want haer lyoen, hare lupaerd,
+Haer troest, haer muur, haer casteel,
+Ende hare hulpe algeheel
+Starf met eren, die goede Judas.
+</p>
+
+<p class="footnote">In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: &#8222;firmavit faciem suam
+ut iret in Hierusalem" aldus weergegeven:
+
+<p class="footnotequote">Doe de tijd naken began
+Vander Passiën, maecte vast
+Sijn anscijn, <i>die lieve gast</i><a title="[margin: vreemdeling.]"><sup>#</sup></a>,
+Te Jherusalem te gane.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.30">30</a>: Zoo b.v. vs. 7811-'14:
+
+<p class="footnotequote">Aldus in dien dorwitten vleesche
+Die nagle zwart als iet vereesche
+Entie wonde van der zide
+Bloeide als ene rose blide.
+</p>
+
+<p class="footnote">Het Latijn heeft hier (in de bewerking van <i>Bonaventura Vulcanius</i>):
+&#8222;Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem
+lateris rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione
+reductum rosa quaedam pulcherrima videbatur."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.31">31</a>: Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen
+op de uitgave der <i>Strophische Gedichten</i> door FRANCK en VERDAM.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.32">32</a>: Vgl. over den dialoog: Inleid. der <i>Stroph. Ged.</i>, LXXX;
+EBERT, <i>Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt.</i>, II, 16; JEANROY, <i>Les
+Origines de la poésie lyrique</i>, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk
+van SCHELER, <i>Trouvères Belges</i> o.a. I, 6&ndash;7, 137, 139, 141.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.33">33</a>: In sommige handschriften heet dit gedicht <i>De derde Martijn</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.34">34</a>: Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij
+den kerkvader HIERONYMUS. Zie <i>Inleiding</i>, p. LXXVIII. Naar het
+schijnt, ook reeds in ARISTOTELES' <i>Ethica</i>. Vgl. BURCKHARDT, <i>Die
+Cultur der Renaissance</i>, II, 90. Vgl. ook <i>Heim. der Heim</i> (ed. CLARISSE),
+vs. 1831&ndash;2; in het Latijn: &#8222;quia Deus creavit aequales."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.35">35</a>: FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie<a name="267"></a>
+<i>Inleiding</i>, p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik
+twijfelen.
+
+<p class="footnote">Nagevolgd werd de <i>Eerste Martijn</i> door een dichter die in 1299
+den <i>Vierden Martijn</i> dichtte (uitgeg. door SERRURE in <i>Vad. Mus.</i>,
+IV, 55 vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging
+niet. HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE
+is geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het
+dichten &#8222;op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN
+AKEN beter verzen dan deze dichter.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.36">36</a>: <i>Heim. der Heim.</i> (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft
+vrij wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw
+gevolgd. Zie de vergelijking in KAUSLER'S <i>Denkmäler</i>, III, 289 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.37">37</a>: Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg.
+
+<p class="footnote">Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts
+een klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in
+Boek IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens
+de Inleiding in VERWIJS' uitgave.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.38">38</a>: Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis
+van de ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke
+inleiding van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den
+<i>Sp. Hist.</i> en TE WINKEL t.a.p. het <i>Achtste Hoofdstuk</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.39">39</a>: Vgl. <i>Sp. Hist.</i>, III, p. 170, 204; TE WINKEL, <i>Maerlant's
+Werken</i>, p. 422&ndash;5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II,
+p. 383; II, p. 79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV<sup>3</sup>, c. 22,
+vs. 83 vlgg.; c. 6, vs. 5&ndash;11.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.40">40</a>: Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.41">41</a>: Vgl. IV<sup>1</sup>, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624,
+<i>Lib.</i> 24, c. 20): &#8222;Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem
+eversum brachiis super pectus in modum crucis positis et super eum
+ruens irrugit clamore magno."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.42">42</a>: Zie: <i>Inleiding</i>, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn:
+<i>hove || verscrove</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.43">43</a>: Vgl. <i>v.d. L. v. O.</i>, vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.44">44</a>: Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige
+verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de
+laatste verzen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.45">45</a>: Vgl. <i>Nat. Bl.</i>, II, 469-'76; 680 vlgg.; <i>Rijmb.</i>, I, 78 vlgg.;
+5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485&ndash;7;
+<i>Sp. Hist.</i>, I, bl. 16, vs. 80 vlgg.]<a name="268"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK.</h2>
+
+<p>Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de
+dichtwerken die gedurende de 12<sup>de</sup> en de 13<sup>de</sup> eeuw door deze
+volken zijn voortgebracht; de personen der makers bleven op
+den achtergrond. Op dien achtergrond moeten zij blijven, omdat,
+ten minste in het verhaal van de ontwikkeling eener middeleeuwsche
+literatuur, de persoon des dichters minder gewichtig
+is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien
+achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat
+ons van die dichters met of zonder naam bekend is. Tevens
+geeft ons dat gelegenheid mede te deelen, wat wij weten van
+het publiek waartoe zij zich richtten, van de wijze waarop en
+de omstandigheden waaronder literaire werken toen ter kennisse
+van het publiek kwamen.
+
+<p>Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat
+hij er roeping toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht.
+Het spreekt vanzelf, dat beroep en roeping niet steeds
+samengingen; doch ook dat door het beroep de roeping niet
+noodwendig werd uitgesloten.
+
+<p>Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden
+of omdat zij er behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken
+of &#8222;clercken" mogen rekenen zooals WILLEM VAN
+AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH, MAERLANT,
+de dichters van <i>Rinclus</i>, <i>Van den Levene ons Heren</i>,
+van den <i>Dietschen Catoen</i>, <i>Esopet</i> en dergelijke werken; ook<a name="269"></a>
+JAN VAN BRABANT, de edelen en hoofsche &#8222;clercken" die
+minneliedjes dichtten en de dichters van volksliederen. Het is
+wel mogelijk dat sommige dezer dichters zich, evenals MAERLANT,
+van het wereldsche tot het ernstige of stichtelijke hebben
+gewend; wij kunnen het echter slechts van één hunner bewijzen.
+De bewerker der <i>Disticha Catonis</i> namelijk verhaalt ons in
+zijn proloog:
+
+<p class="quote">Als ic die minne sach, ic louch;
+Nu haticse al in minen sinne
+Die minne draghen entie minne
+Ende hebbe ghekeert minen moet
+An die ghenen die siin vroet.
+</p>
+
+<p>Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en
+WILLEM VAN AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over
+andere dichters die zij <i>menestrelen</i> noemen. MAERLANT heeft
+een afzonderlijk hoofdstuk van zijn <i>Spieghel Historiael</i> gewijd
+aan &#8222;'t scelden jegen die borderers", d.i. romanschrijvers; aan
+het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog heeft op
+de &#8222;menestrele", die dus ook door hem als de dichters der
+ridderromans werden beschouwd<a href="#9.1">[1]</a>. En WILLEM VAN AFFLIGHEM
+spreekt van de menestrelen als van &#8222;logeneren". Blijkbaar gevoelen
+zij zich door hunne geleerdheid en ontwikkeling, ook
+door hun streven naar waarheid en vroomheid verheven boven
+die verdichters van fabelen en luchtige verhalen van oorlog en
+minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al te wereldschgezinde
+&#8222;clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene
+schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden:
+
+<p class="quote">Dit en sijn niet clerke, maar menestrele<a href="#9.2">[2]</a>.
+</p>
+
+<p>Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales)
+aanduidt, tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral,<a name="270"></a>
+den heer en zijn &#8222;gezinde" met muziek en zang of voordracht
+van poëzie te vermaken. Een dienaar van die soort hebben wij
+reeds ontmoet in dien knecht van den Brabantschen ridder,
+Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was &#8222;te pipen ende
+te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der
+maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en poëzie
+vinden wij ook bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt
+in <i>der Naturen Bloeme</i> naar aanleiding van den vogel <i>Garrulus</i><a href="#9.3">[3]</a>.
+Het &#8222;pipen en mauwen" van den menestreel kan kwalijk iets
+anders beteekenen dan het spelen op de pijpen ter begeleiding
+van zang of voordracht.
+
+<p>Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem
+de menestrelen; zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door
+hun loftuitingen te prikkelen, in de hoop op geschenken
+zijnerzijds. Lof en roem verwerven&mdash;MAERLANT zegt het
+ons&mdash;daarnaar streefden de meeste ridders:
+
+<p class="quote">Want die ridder niet gheroet<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a>,
+Hine verslijt vleesch ende bloet,
+Updat sijn prijs mere.
+</p>
+
+<p>En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen,
+vernemen wij eveneens uit zijne woorden:
+
+<p class="quote">... der idelre gloriën cleet,
+Daer menestraudië met omme gheet<a href="#9.4">[4]</a>.
+</p>
+
+<p>In zijn <i>Spieghel Historiael</i> laat hij nog eens een waarschuwing
+hooren tegen de &#8222;smekende" (vleiende) menestrele<a href="#9.5">[5]</a>.
+Een klein staaltje van hunne praktijken zien wij in de bewerking
+van den <i>Aiol</i>. In eene opsomming van edelen die AIOL
+verwelkomen, worden in de Dietsche bewerking o.a. de graaf
+van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de graaf van Artois
+genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de overeenkomstige<a name="271"></a>
+plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld. Waarschijnlijk
+hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des
+menestreels jegens zijn publiek te zien<a href="#9.6">[6]</a>.
+
+<p>Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld,
+kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers
+in de met hen eenigszins verwante &#8222;yrauden" (herauten).
+Meer dan eens worden &#8222;menestrele ende yraude" of&mdash;wat
+hetzelfde is&mdash;&#8222;yraude ende spelmanne" in één adem genoemd<a href="#9.7">[7]</a>.
+
+<p>In den roman <i>van Torec</i> zien wij den held in de wapenrusting
+van een anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders
+uit den zadel steken. De paarden der overwonnenen
+geeft hij aan de aanwezige speellieden en yrauden, en deze
+zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk:
+
+<p class="quote">Doe riepsi ende dyraude mede:
+&#8222;Ha ha! Myduel, Myduel!
+&#8222;Hi heeft den prijs ende niemen el;
+&#8222;Hi es die beste van den velde:
+&#8222;Hi es genindech<a title="[margin: dapper.]"><sup>#</sup></a>, coene ende melde"<a title="[margin: mild.]"><sup>#</sup></a><a href="#9.8">[8]</a>.
+</p>
+
+<p>Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren,
+maar ook bij die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig
+van die der ridders verschilde, zouden wij wel reeds mogen
+vermoeden. MAERLANT verzekert het ons ten overvloede in
+zijn <i>Rijmbijbel</i><a href="#9.9">[9]</a>. Omgekeerd werd de plaats van den menestreel,
+naar het schijnt, wel eens ingenomen door een &#8222;scriver", die
+doorgaans wel een &#8222;clerc" zal zijn geweest. In de <i>Heimelycheit
+der Heimelychede</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Nu betaemt wel elken heere
+Die bewaren wille sine eere,
+Dat hi scrivers met hem houde,
+Vroede liede, jonghe ende oude,<a name="272"></a>
+Die scone ende wel connen dichten,
+Ende met sconen worden verlichten
+Connen dat sijn heere wille.
+...
+Want ghelijc dat smenscen lede
+Scoonre sijn ghecleedt dan naect,
+Also eist dat men een dicht maect,
+Daer men der wareit niet ut en gheet
+Ende ment met scone worden cleet.
+</p>
+
+<p>MAERLANT spreekt hier over poëzie, terwijl in zijn voorbeeld,
+naar het schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op
+te stellen gesproken wordt<a href="#9.10">[10]</a>. Doch wat hiervan zij, zeker is
+meer dan een dichtwerk door een &#8222;clerc" op verzoek van een
+edelvrouw of edelman vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den
+proloog van zijn Graal-roman mede:
+
+<p class="quote">Dese historie van den Grale
+Dichte ick ter eren Heren Alabrechte,
+Den Heer van Vorne, wael met rechte;
+Want hoge liede met hoger historie
+Menechfouden zoecken hoer glorie
+Ende korten daer mede hoer tijt.
+</p>
+
+<p>En in de opdracht van zijn <i>Spieghel Historiael</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Grave Florens, coninc Willems sone,
+Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone
+Die mi dit dede anevaen.
+</p>
+
+<p>Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige
+ridderromans, bij den voortgang onzer wetenschap, bleken
+bewerkt te zijn door &#8222;clercken". De godsdienstige, hier en<a name="273"></a>
+daar zelfs kerkelijke, tint, die over de bewerking van het
+<i>Roelandslied</i> en over den roman <i>van Walewein</i> ligt, die misschien
+ook in de <i>Lorreinen</i> te zien valt, geeft tot dit vermoeden
+wel eenigen grond<a href="#9.11">[11]</a>.
+
+<p>In ontwikkeling zullen de &#8222;clercken" over het algemeen wel
+boven de menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men
+daarom aan deze laatsten niet alle ontwikkeling te ontzeggen.
+De bewerker van den <i>Partonopeüs</i> b.v. was blijkbaar een man
+van zekere ontwikkeling en beschaving; hij zal wel niet de
+eenige zijn geweest<a href="#9.12">[12]</a>. Dat mogen wij vermoeden ook met het
+oog op eene reeds vermelde plaats uit den <i>Spieghel Historiael</i>.
+MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing
+over tegen de wereldsche &#8222;clercken" die een wit voetje bij
+vrouwen en jonkvrouwen trachten te verkrijgen. VINCENTIUS'
+schets van het uiterlijk dezer &#8222;petits abbés" geeft hij in zijn
+Dietsch aldus terug:
+
+<p class="quote">Dese setten al haer doen
+(Om) haer surcoet<a title="[margin: tabbaard.]"><sup>#</sup></a> ende haer caproen,
+Hoe hare gescoyte<a title="[margin: schoeisel.]"><sup>#</sup></a> ten besten staet;
+Om specie ende mossceliaet<a title="[margin: parfums.]"><sup>#</sup></a>,
+Dat si wel rieken van den crude;
+Nuwe scoen met behagelen hude,
+T'haer gelu enten crooc<a title="[margin: krullende lokken.]"><sup>#</sup></a>,
+Met vingerlinen verciert ooc:
+Si gaen rechts of si pleyen<a title="[margin: dansen.]"><sup>#</sup></a> souden.
+</p>
+
+<p>Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld,
+over wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze
+beschrijving met het vers:
+
+<p class="quote">Dit en sijn niet clerke, maer menestrele.
+</p>
+
+<p>Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van
+sommige menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven.<a name="274"></a>
+Blijkbaar trachtten dezulken hunne adellijke meesters te evenaren
+in voornaamheid van kleeding, voorkomen en gang. Zijn er
+te onzent, behalve HEINRIC VAN VELDEKE, adellijke menestrelen
+geweest? Dat de bewerker van den <i>Willem van Oringen</i> door
+MAERLANT: &#8222;Claes <i>ver</i> Brechten zone" wordt genoemd, geeft
+ons daarvan geen voorbeeld, want <i>ver</i> wordt in de 13<sup>de</sup> eeuw
+reeds van burgervrouwen gebezigd<a href="#9.13">[13]</a>.
+
+<p>Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en
+onedel&mdash;zeker is er wel onderscheid geweest tusschen de
+menestrelen onderling: in maatschappelijke positie, in uiterlijke
+en innerlijke beschaving; onderscheid ook tusschen hen die,
+verbonden aan den dienst van één heer, als gezeten menestrelen
+gesteld mogen worden tegenover hunne rondzwervende kunst-broeders.
+Ook die &#8222;gezeten" menestrelen zullen wel eens van
+heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand
+in den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor;
+onze bronnen vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te
+kunnen spreken. Op die rondzwervende menestrelen moet
+VELDEKE het oog hebben, waar hij, afwijkend van zijn voorbeeld,
+ter bruiloft van ENEAS en LAVINE &#8222;die speleman end
+die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk beloonen<a href="#9.14">[14]</a>. Op
+hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: &#8222;menestrele || Die
+altoes zijn onghestade"<a href="#9.15">[15]</a>.
+
+<p>Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de &#8222;speelman"
+en het &#8222;speelwijf", waarvan de bewerker van den <i>Partonopeus</i>
+(niet zijn voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook
+&#8222;alle die singen broet om Gode", die door HEYN VAN AKEN
+in zijne vertaling der <i>Rose</i> genoemd worden, waar het Fransch
+ze niet noemt<a href="#9.16">[16]</a>.
+
+<p>Dat onze voorouders bij het woord <i>menestreel</i> in de eerste
+plaats dachten aan een <i>muzikant</i>, een &#8222;<i>speelman</i>" zooals zij
+zeiden, blijkt ook uit eene plaats in MAERLANT'S <i>Alexander</i>.<a name="275"></a>
+Een paar verzen der <i>Alexandreïs</i> waarin over <i>mimi</i> gesproken
+wordt, geeft hij aldus weer:
+
+<p class="quote">Die menestrele quamer mede
+Vor dien coninc in die stede
+Ende loofdene met haren sanghe.
+Daer was menich trompe langhe,
+Vedelen, haerpen ende sijmphonien,
+Cystolen die wel leren vrien,
+Salterien, orghelen ende sciven<a href="#9.17">[17]</a>.
+</p>
+
+<p>Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen:
+
+<p class="quote">Men speelder met sweerden ende met kniven
+</p>
+
+<p>dan zien wij hoe rekbaar het begrip <i>speelman</i> was en dat het
+in de middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens
+zien wij dat zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche
+compilatie <i>Karlmeinet</i> die omstreeks 1300 uit Nederlandsche
+romans is samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven
+van de kunst en de kunsten van
+
+<p class="quote">Hundert mynistrere
+De wir nennen speleman.
+</p>
+
+<p>Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den
+hoorn, de harp, het salterie; genen kunnen spreken van
+wapenen, van avonturen en van minne; anderen goochelen
+onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar draaiende) met
+stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten
+vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw<a href="#9.18">[18]</a>.
+
+<p>Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk,
+die paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving.
+Trouwens hunne middeleeuwsche voorgangers stamden weer<a name="276"></a>
+rechtstreeks af van de Romeinsche &#8222;mimi." In deze kringen,
+waarin ook niet zelden zwervende klerken (goliarden, vaganten)
+werden opgenomen, zullen wij waarschijnlijk de dichters hebben
+te zoeken die onzen <i>Bere Wisselau</i>, misschien ook de reize
+<i>van Sente Brandaen</i> hebben vervaardigd.
+
+<p>Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk
+aan het publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle poëzie,
+en zeker het grootste deel van het proza der middeleeuwen,
+was in de eerste plaats bestemd, te worden voorgedragen en
+aangehoord. Tallooze plaatsen ook in onze middeleeuwsche
+literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog op uitdrukkingen
+als: &#8222;Nu hoort....", &#8222;dat u te hoorne dunket
+zoete", &#8222;hoort er naer", &#8222;nu hoort vort van deser dinge" enz.<a href="#9.19">[19]</a>.
+Bij de voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste
+aanvankelijk, wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken
+hebben bestaan. Het publiek wordt daar gewoonlijk
+aangesproken met: &#8222;gi heren ende gi vrouwen"; de hoofsche
+WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: &#8222;gi vrouwen ende
+heren"<a href="#9.20">[20]</a>. Soms wordt deze benaming afgewisseld met: &#8222;gi
+goede liede"; doch men moet hierbij in aanmerking nemen dat
+deze uitdrukking eene beleefdheidsformule was: &#8222;een goet man"
+is wat wij noemen: een fatsoenlijk man, een man van eer. De
+dichter van <i>Floris ende Blancefloer</i> spreekt bepaaldelijk niet
+tot dorpers, maar tot lieden van stand en ontwikkeling<a href="#9.21">[21]</a>. Het
+<i>Leven van Sinte Lutgart</i> richt zich nu eens tot &#8222;heren ende
+vrouwen", dan weer tot &#8222;closterliede", &#8222;grote ende clene", &#8222;man
+noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: &#8222;die hier te ringe
+sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring
+om den voordrager heen zat.
+
+<p>Iets gemoedelijks ligt er in het &#8222;kinder" of &#8222;lieve kinder",
+waarmede MAERLANT in zijn <i>Merlijn</i> en de bewerkers van het<a name="277"></a>
+<i>Roelands-lied</i> en van het gedicht <i>Van den Levene ons Heren</i>
+soms hun publiek aanspreken<a href="#9.22">[22]</a>.
+
+<p>Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden
+mag, tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT,
+dan paste die wijze van aanspraak in hun mond wel; minder
+in dien van niet-geestelijken die later hun werk voordroegen.
+
+<p>Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding
+van dichter tot voordrager. In menig geval zal de dichter tevens
+de eerste voordrager van zijn werk zijn geweest; immers de
+meeste dichters zullen hunne kans hebben waargenomen om
+met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch zoodra het
+oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd was,
+konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de
+prologen van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt,
+dunkt mij, dat de dichters op latere voordragers gerekend
+hebben<a href="#9.23">[23]</a>. Het vermelden van des dichters naam in den proloog
+moest waarschijnlijk denzelfden dienst doen als in onzen tijd
+de naam van den schrijver op het titelblad. In sommige gedichten
+(<i>Moriaen</i>, <i>Carel en Elegast</i>, <i>Levene ons Heren</i>, <i>Seven
+Vroeden</i>) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde
+persoon te zijn geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot
+zijne hoorders in den eersten persoon; die prologen zijn zoodanig,
+dat ook een later voordrager dat <i>ic</i> kon behouden. In
+andere werken (<i>Floris en Blancefloer</i>, <i>S. Frandscus</i>, <i>Walewein</i>,
+<i>Troyen</i>, <i>Merlijn</i>) begint de dichter wel met <i>ic</i>, doch gaat later
+over tot het noemen van zijn naam en spreekt van zich zelven
+in den 3<sup>en</sup> persoon. Op die wijze bleek bij eene voordracht
+door een ander toch, wie de dichter was. Ook het omgekeerde
+komt voor: de dichter van den <i>Reinaert</i> begint met: &#8222;WILLEM,
+die ... hem ... hi" en spreekt later van zich zelven met
+<i>ic</i>; hetzelfde geval treffen wij aan in <i>der Naturen Bloeme</i> en
+den <i>Rinclus</i>. Hier zullen wij moeten denken aan den overgang<a name="278"></a>
+van <i>oratio indirecta</i> tot <i>directa</i>, dien wij vroeger in een ander
+verband hebben besproken.
+
+<p>Werden voordrachten van poëzie vooral des zomers gehouden?
+Indien men MAERLANT'S uiting dienaangaande in <i>Heimelijcheid
+der Heimelijcheden</i> gewicht mag toekennen, dan: ja. In den
+zomer, zegt hij, pleegt men zich op allerlei wijze te vermaken:
+
+<p class="quote">Ende men brinct soeten sanc te voren,
+Ende men moet dan geesten<a title="[margin: geschiedenissen.]"><sup>#</sup></a> horen
+Die ghenouchlijc sijn int vertellen
+Ende lachen dan met goeden ghesellen<a href="#9.24">[24]</a>.
+</p>
+
+<p>Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den
+adel, juist des winters en in den herfst meer behoefte hebben
+gehad aan zulke voordrachten dan in de andere seizoenen.
+
+<p>Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager
+geschaard, dan verzocht hij een &#8222;ghestille" en de voordracht
+ving aan. Begon hij dadelijk met spreken? Indien wij ons
+herinneren, dat de menestrelen tevens muzikanten waren, dan
+is het niet onwaarschijnlijk dat zij begonnen zijn met een klein
+voorspel. Zoo lezen wij in den roman <i>van Lancelot</i>:
+
+<p class="quote">Hi tymperde die harpe eer iet lanc,
+Ende begonste harpen enen sanc<a href="#9.25">[25]</a>.
+</p>
+
+<p>Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht
+begeleid heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten
+zelfs niet, of de verzen in den toon van het recitatief of slechts
+rhythmeerend voorgedragen werden.
+
+<p>Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig
+zeggen der verzen, of streefden zij er ook naar, de personen
+in hun verhaal ten minste met de stem, misschien ook in
+houding en gebaar, te verbeelden? Verwonderlijk zou dat niet
+zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners van Provence<a name="279"></a>
+een speelman: <i>contrafazedor</i>, d.i.: conterfeiter, nabootser. Het
+voordragen van een stuk door één persoon met verschillende
+stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en
+waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste,
+ook niet een menschenstem nabootsen?<a href="#9.26">[26]</a>
+
+<p>Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke
+speellieden pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren
+nafluiten en nabootsen (wie hoorde zulke kunstenaars nooit
+ten platten lande of in kleine steden?) dacht aan den vogel
+Garrulus, de gaai, die ook bij de hedendaagsche vogelkenners
+geroemd wordt om zijn nabootsingstalent. Vooral de
+Vlaamsche gaai moet &#8222;een der meest begaafde en onderhoudende
+inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen
+hinneken als een veulen, anderen hebben zich geoefend in het
+kraaien als een haan en het kakelen als een hen. Een hedendaagsch
+natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij eens in het
+bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster
+hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van
+de ekster, de stem van den spreeuw ... en eindelijk, opkijkend,
+een Vlaamsche gaai boven zich zag<a href="#9.27">[27]</a>.
+
+<p>Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van <i>der Naturen
+Bloeme</i> nu lezen wij van de gaai:
+
+<p class="quote">Wat so bi hem lijt<a title="[margin: hem voorbijgaat.]"><sup>#</sup></a> ooc mede,
+Ist man, ist voghel, ist enich dier,
+Bespot dit voghelkijn al hier,
+Ende conterfaet alrehande luut
+...
+...
+Gheplumt ist van menigher ghedane
+...
+...<a name="280"></a>
+Garrulus dit dinct mi vele
+Bedieden some menestrele,
+Die altoes sijn onghestade,
+Ende callende vroe ende spade
+Vele boerden, vele lueghen,
+Ende conterfeiten dien si moeghen,
+Bede riddere ende papen,
+Porters, vrouwen ende knapen,
+Daer si scone sijn omme gheplumet.
+</p>
+
+<p>Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande
+mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen,
+dat de bedoelde menestrelen inderdaad door stem,
+houding en gebaar de personen in hun verhaal trachtten uit
+te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog op het laatste vers,
+waarschijnlijk, dat de menestrelen soms gekostumeerd zijn
+opgetreden.
+
+<p>Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een
+handschrift. Op zulk eene voordracht immers doelen de talrijke
+plaatsen waar van <i>lesen</i> sprake is in den zin van <i>voorlezen</i><a href="#9.28">[28]</a>.
+In verband daarmede wordt, ten minste in <i>Sinte Lutgarts Leven</i>,
+de voordracht zelve <i>lesse</i> genoemd<a href="#9.29">[29]</a>. Opmerkelijk is ook de
+niet zeldzame uitdrukking &#8222;singen no lesen" of &#8222;lesen ende
+singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend is, maar
+ons toch ook aan het Oudgermaansche <i>singen und sagen</i>
+herinnert<a href="#9.30">[30]</a>.
+
+<p>Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten
+uit het hoofd opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk
+kunnen maken, zijn er ook nu nog. Zij zullen in die vroegere
+tijden, toen het geheugen zooveel minder beladen en overladen
+werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men zal dit te eer
+aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen zich<a name="281"></a>
+gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht
+oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken
+zullen doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn.
+
+<p>Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben
+gegolden, indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te
+hebben. Wij lezen op eene vroeger vermelde plaats van den
+<i>Karlmeinet</i>, dat er menestrelen waren
+
+<p class="quote">De van mynnen ind leve<a title="[margin: liefde.]"><sup>#</sup></a>
+Sprachen <i>sunder breve</i><a href="#9.31">[31]</a>.
+</p>
+
+<p>Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij
+las, hij kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner
+hoorders had grenzen. Zeker, het publiek dier dagen, niet
+verwend en luistergraag, zal niet spoedig te veel hebben
+gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op bedacht, aan
+het dreigend &#8222;te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij hier
+en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen
+als: &#8222;Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze
+uit <i>Floris en Blancefloer</i>:
+
+<p class="quote">Het soude u allen dinken te lanc,
+Noemdic u die gherechten alle<a href="#9.32">[32]</a>.
+</p>
+
+<p>Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen
+op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen,
+maar ook door bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor
+hetgeen onmiddellijk zal volgen. Het zijn wendingen als: &#8222;Hoort
+hier wonder groot!", &#8222;Hoort hier ontfermelike dinc!" of:
+
+<p class="quote">Nu alre irst so mogedi horen
+Utenemende aventuren.
+</p>
+
+<p>Ook klinkt het wel overredend:
+
+<p class="quote">Maer wildi vort met lesen duren,
+Ghi sult hier horen scone die jeeste<a href="#9.33">[33]</a>.<a name="282"></a>
+</p>
+
+<p>Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders
+wel eens verveeld hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen
+over zijn publiek verdienen stellig niet alle letterlijk
+te worden geloofd; doch de aardige verzen waarin hij de verveling
+zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor een
+deel werkelijkheid bevatten<a href="#9.34">[34]</a>. Een zoo omvangrijk gedicht als
+het <i>Leven van Sinte Lutgart</i> zal wel in verscheidene &#8222;lessen"
+en op achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het
+spreekt vanzelf dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd
+moesten pauzeeren. Met de groote ridderromans zal het wel
+niet anders zijn gegaan. Doch men behoefde natuurlijk niet
+steeds een werk in zijn geheel voor te dragen; het karakter
+van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed
+juist tot gedeeltelijke voordracht.
+
+<p>De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men
+gewoonlijk in ééne &#8222;lesse" voor? Zou men ook te onzent,
+evenals misschien in Frankrijk, niet meer dan twee of drie
+duizend verzen tegelijk hebben gelezen of gezegd<a href="#9.35">[35]</a>?
+
+<p>Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is
+in dezen nog niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk.
+Wij kunnen slechts door een paar voorbeelden de richting
+aangeven, waarin met eenige kans op vinden kan worden gezocht.
+
+<p>In den grooten roman der <i>Lorreinen</i> die waarschijnlijk uit
+een honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk
+in zijn geheel kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan
+een plaats verzen die het begin, andere die het eind eener &#8222;lesse"
+schijnen aan te wijzen; niet zelden geeft de voordrager daar eene
+korte samenvatting van hetgeen te voren verhaald was, om
+daarna den draad van zijn verhaal weer op te vatten. Zulke literaire
+pleisterplaatsen vindt men ook in den <i>Walewein</i> en den <i>Reinaert</i>.
+In de <i>Lorreinen</i> leest men b.v. (na de gewone opwekking tot
+aandacht: &#8222;Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze samenvatting:<a name="283"></a>
+
+<p class="quote">Gi hebt hier voren wel gehort,
+Hoe van Bordeas der port
+Was gereden her Garijn
+ enz.
+</p>
+
+<p>Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van
+den inhoud der drie groote deelen van het gedicht, en iets
+later deze samenvatting van het voorafgaande:
+
+<p class="quote">Gi hebt hier voren verstaen wel,
+Hoe Gelloen die ridder fel
+ enz.
+</p>
+
+<p>Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke
+recapitulatie vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven
+door een groote geschilderde hoofdletter<a href="#9.36">[36]</a>.
+
+<p>Zoo ook in den <i>Walewein</i>:
+
+<p class="quote">Nu latic hier of die tale,
+Ic salre weder toe keren wale.
+Ghi hebt wel ghehort hier voren
+Hoe Walewein die ridder uutvercoren
+Jeghen den roden ridder vacht
+Die....
+</p>
+
+<p>Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: &#8222;Ic
+wille corten mine tale" misschien het eind eener voordracht<a href="#9.37">[37]</a>.
+Dat men het gedicht <i>Van den Vos Reinaerde</i>, bijna 3500 verzen,
+in ééne &#8222;zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk;
+doch waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt
+gekozen zal hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8:
+
+<p class="quote">nu moet hi pleghen siere sele
+Reinaert bi Grimbeerts rade,
+ende ghinc te hove up ghenade.<a name="284"></a>
+</p>
+
+<p>om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende
+vs. 1689:
+
+<p class="quote">Nu es die biechte ghedaen.
+</p>
+
+<p>Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder
+na vs. 1962. Wij lezen daar:
+
+<p class="quote">Nu waren die drie heren gereet,
+die Reinaerde waren te wreet.
+dat was de wulf ende Tibeert
+ende her Bruun die hadde gheleert
+honich stelen te sinen scaden.
+</p>
+
+<p>Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan
+zijne &#8222;lesse" midden in het verhaal der voltrekking van het
+vonnis aan Reinaert die tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord:
+waarom zou hij de aandacht zijner hoorders niet gespannen
+hebben met dezelfde kinderlijke kunstgreep, waarvan zich in
+onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs bedienen, wanneer zij
+een hoofdstuk besluiten met: &#8222;Eensklaps weergalmde een schot!"
+of: &#8222;De doodstraf nam een aanvang"?
+
+<p>Behalve de mogelijkheid dat men den <i>Reinaert</i> in zijn geheel
+of in twee deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze
+andere: dat men telkens slechts één of meer der afzonderlijke
+verhalen hebbe gekozen waaruit het gedicht bestaat. Men zal
+b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als deze: Inleiding
+(vs. 1&ndash;464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs. 465(518)-1014);
+zending van Tibert (vs. 1043&ndash;1356); zending van Grimbaert
+(vs. 1357&ndash;1750); Reinaert ten hove (1751&ndash;3018; misschien
+met een rust vóór vs. 2551: &#8222;Doe Reinaert quite was ghelaten");
+Reinaert's wraak (3019&ndash;3476). In allen gevalle is het wel
+opmerkelijk, dat de Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld
+is in een aantal hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen
+met de bovenvermelde, door mij afgedeelde, &#8222;lessen".<a name="285"></a>
+
+<p>Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch
+gedicht geeft ons o.a. de roman <i>van Limborch</i>. Dit verhaal
+is verdeeld in een aantal boeken, welke&mdash;evenals in de
+<i>Lorreinen</i>&mdash;door eene groote gebloemde letter zijn onderscheiden<a href="#9.38">[38]</a>.
+Sommige dezer boeken die van 1000&ndash;1400 verzen
+tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In de
+overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot
+van eenig onderdeel een &#8222;amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt<a href="#9.39">[39]</a>.
+
+<p>Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden
+pad moeten wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op
+de in den aanvang gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal
+voortgezet onderzoek ons dat brengen? Voorloopig meen ik
+het te moeten betwijfelen. Voor den omvang dier middeleeuwsche
+voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij uiterst
+moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk
+zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene
+regelmaat van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en
+op een anderen keer 1000 en bij weer een andere gelegenheid
+2000 verzen hebben voorgedragen? Of welk ander aantal ook,
+afhankelijk slechts van de omstandigheden, den aard der stof
+in verband met de aandacht van het publiek en de persoonlijkheid
+van den voordrager?
+
+<p>Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel
+van ons verhaal kunnen besluiten.
+
+<p>Alle poëzie&mdash;zeiden wij vroeger&mdash;en het grootste deel
+van het proza der middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd
+te worden voorgedragen en aangehoord. In die uitspraak ligt
+opgesloten, dat verzen en proza ook langs een anderen weg
+ter kennisse van het publiek konden komen; men begrijpt, dat
+ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen.
+
+<p>Er zijn in de tweede helft der 13<sup>de</sup> eeuw wel reeds lezers,<a name="286"></a>
+in onzen zin des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat
+wij die in de eerste plaats onder de geestelijkheid en daarna
+onder den adel zullen vinden. Zoo zegt MAERLANT'S vriend
+MARTIJN aan het slot van het strophisch gedicht <i>Van der
+Drievoudecheide</i>:
+
+<p class="quote">Als ic dit lese ende spelle
+Maghic leren, als ic vertelle,
+Mijn ghelove al bloot.
+</p>
+
+<p>In den proloog van <i>Sinte Lutgarts Leven</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Mar wonder hevet mi van desen
+Warumme si so gerne lesen
+Van ouden sagen dat gedichte,
+Ende oc geloeven also lichte
+Din logeneren die se tellen<a href="#9.40">[40]</a>.
+</p>
+
+<p>En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die
+hem niet gelooft aan:
+
+<p class="quote">Dat hi die vite van der maget
+...
+Of selve lese, ochte imene el
+Hem lesen doe<a href="#9.41">[41]</a>.
+</p>
+
+<p>In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking
+der <i>Historie van Troyen</i> voorspelt de dichter, sprekend van
+HECTOR'S dood:
+
+<p class="quote">Oec alle heren ende vrouwen
+Diet lesen, sullen maken rouwe<a href="#9.42">[42]</a>.
+</p>
+
+<p>En in <i>der Naturen Bloeme</i> zegt hij tot Heer NICLAES VAN CATS:
+
+<p class="quote">Ghebiedijt, here, dit suldi lesen,
+Die wile dat ghi ledich sout wesen<a href="#9.43">[43]</a>.<a name="287"></a>
+</p>
+
+<p>Misschien heeft MAERLANT in zijn <i>Rijmbijbel</i>, die toch
+tenminste evenzeer voor de gemeenten als voor den adel bestemd
+was, het oog op zelf lezen, als hij schrijft:
+
+<p class="quote">Nu merct ghi die hier in zult lesen,
+Wat nutscap hier an zal wesen.
+</p>
+
+<p>Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal
+niet geweest zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen?
+Het mag betwijfeld worden. Ook had de adel tal van vermaken
+en ontspanningen die hij hooger stelde dan deze vermoeienis
+des geestes. De geestelijken konden wel lezen, doch Latijnsche
+geschriften genoten bij hen de voorkeur. In de kloosters werd
+bovendien onder de maaltijden veel voorgelezen. Voorzoover
+de monniken zelven lazen, beperkte zich hunne lectuur waarschijnlijk
+tot liturgische of stichtelijke geschriften. Onder de
+gemeentenaren werd de leeskunst zeker weinig beoefend. Het
+lager onderwijs was uiterst gebrekkig. Indien een poorter al
+kon lezen, dan eischte het koopen van een handschrift toch
+eene vrij hooge mate van stoffelijke welvaart, want een handschrift
+bleef vooreerst nog een voorwerp van weelde; het lezen
+eischte smaak in geestelijke ontspanning, vrijen tijd en niet
+minder zekere zelfstandigheid van gevoelen en denken, zich
+openbarend in het kiezen van eigen lectuur, die verre van
+algemeen verbreid was.
+
+<p>Eer de Dietsche laaglanders tot die zelfstandigheid van
+gevoelen en denken konden komen, hadden zij nog menig
+stadium van ontwikkeling te doorloopen. In het eerstvolgende
+dier stadiën zullen wij hen nu gadeslaan.<a name="288"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.1">1</a>: <i>Sp. Hist.</i>, IV, 1, cap. XXIX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.2">2</a>: A.w. Deel II, p. 85, vs. 20. In het Latijn leest men daarvoor:
+&#8222;<i>sponsos</i> magis estimatos quam clericos."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.3">3</a>: T.a.p. III, 2146:
+
+<p class="footnotequote">&#8222;Als hi dus pipet ende mauwet."
+</p>
+
+<p class="footnote">Vgl. ook XI, 149: &#8222;blasen ende pipen" in verband met het woord
+&#8222;noten" in vs. 151.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.4">4</a>: <i>Eerste Martijn</i>, vs. 371&ndash;388.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.5">5</a>: A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.6">6</a>: <i>Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk</i>., II, 230, vs. 493&ndash;4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.7">7</a>: Vgl. b.v. <i>Moriaen</i> 4641&ndash;2: &#8222;Menestrele ende yraude mede || Ward
+daer gegeven grote rijchede"; <i>Lorr.</i> (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs. 1342. <i>Torec</i>, vs. 2714-'5: &#8222;Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi
+alle gichte danne". Dat <i>menestreel</i> verdietscht werd met <i>speelman</i>,
+zien wij in <i>Karlmeinet</i>, A. 287, vs. 12&ndash;13:
+
+<p class="footnotequote">Hundert mynistrere,
+De wir nennen speleman.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.8">8</a>: A.w. vs. 2753-'7. Eene eeuw later vermeldt WILLEM VAN
+HILDEGAERTSBERCH nog hetzelfde gebruik. In het stuk getiteld <i>Van
+Feeste van Heren</i> lezen wij (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 195:
+<p class="footnotequote">Dan roepen die eerauden voort
+Den danc als die vrouwen ramen,
+Ende noemen overluut bi namen
+Wyet verdient nae wapen recht.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.9">9</a>: Vs. 15259 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.10">10</a>: A.w. vs. 2087 vlgg. en KAUSLER'S mededeeling over den inhoud
+van het capittel: <i>De Electione notarii</i>.]<a name="289"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.11">11</a>: Vgl. mijne aanwijzingen daaromtrent in mijne <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>,
+bl. 52, 55. Over den roman <i>van Walewein</i> vgl. het vroeger
+medegedeelde en vs. 19&ndash;21 van den proloog. Wat de <i>Lorreinen</i>
+betreft, verwijs ik naar de door MATTHES uitgegeven fragmenten,
+p. 17, vs. 371&ndash;2; 28, 637&ndash;9; 30, 661; 32, 730-'4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.12">12</a>: Vgl. Dr. VAN BERKUM'S opmerkingen dienaangaande t.a.p.
+bl. LI vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.13">13</a>: In de <i>Oudste Stadsrekeningen van Dordrecht</i> (ed. Mr. CH.
+M. DOZY), p. 7 vindt men op het jaar 1284-'85: &#8222;Symoen vern
+Anesoeten sone van wine" etc. Ik dank deze mededeeling aan mijn
+vriend VERDAM. Bij nader onderzoek bleek mij dat er in de voorafgaande
+posten nog tal van dergelijke benamingen voorkomen, die
+duidelijk maken dat <i>ver</i> in het laatst der 13e eeuw geene adellijke
+dame aanduidde. Zoo b.v.: &#8222;Thout Jan ver Haedwien sone"; &#8222;Van
+den mele Jan ver Diewien sone"; &#8222;Ysere Heyne ver Lisbetten
+sone" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.14">14</a>: <i>Eneide</i>, vs. 13107, 13159, 13196. VELDEKE gaat hier zijn eigen
+weg, zooals uit eene vergelijking met het Fransch (ed. SALVERDA DE
+GRAVE) blijkt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.15">15</a>: <i>Nat. Bloeme</i>, III, 2135. In afwijking van het <i>Mnl. Wdb.</i> vat
+ik hier <i>onghestade</i> op als <i>ongedurig, zwervend</i>. Immers dan alleen
+gaat de vergelijking op met den gaai &#8222;die van bome te bome vliecht
+ende sprinct.... Noch gheduert in ghere stede."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.16">16</a>: A.w. vs. 10514&ndash;6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.17">17</a>: <i>Alex.</i>, V, 1041&ndash;7. In de <i>Alexandreïs</i> op de overeenkomstige
+plaats, (V, 483):
+
+<p class="footnotequote">Occurrunt lyricis modulantes cantibus odas
+Cum cytharis mimi:]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.18">18</a>: <i>Karlmeinet</i> (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog
+296<i>b</i>, vs. 48 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.19">19</a>: Vgl. o.a. <i>Mnl. Wdb.</i> i.v. III, kol. 592.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.20">20</a>: A.w. II, vs. 5089, 6271.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.21">21</a>: Proloog, vs. 3 vlgg.; 72&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.22">22</a>: Eenige bewijsplaatsen uit vele: <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, bl. 124;
+<i>Flor. en Blanc.</i>, 16; <i>S. Lutgart</i>, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047,
+11393, 13817; III; 68, 2737; <i>Roel.</i>, 210; <i>Merlijn</i>, vs. 545; <i>L.o.H.</i>,
+vs. 17.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.23">23</a>: Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag
+of de proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier<a name="290"></a>
+niet dieper treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk
+onderzoek verdienen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.24">24</a>: A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.25">25</a>: II, 29408.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.26">26</a>: Vgl. CREIZENACH, <i>Gesch. des neueren Dramas</i>, I, 380. Over
+het voordragen met &#8222;Stimmenwechsel" ald. 34, 160.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.27">27</a>: Vgl. BREHM'S <i>Leven der Dieren</i> (bewerking van HUIZINGA),
+II, 227&ndash;8.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.28">28</a>: <i>Sp. Hist.</i>, I, 280 (2e kol.):&#8222;,Maer die scone bispele || Diemen
+gerne lesen hort"; <i>Bere Wiss.</i>, 391: &#8222;daer ic vormaels ave las";
+<i>Ferg.</i>, 4509: &#8222;dus gedaen dinc hordic noit lesen"; <i>Rijmb.</i>, 27099:
+&#8222;Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment
+leest bi sullen wesen" (de toehoorders).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.29">29</a>: II, 168. Vgl. voorts <i>Mnl. Wdb.</i>, IV, kol. 403&ndash;4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.30">30</a>: <i>Moriaen</i>, 2506&ndash;7: &#8222;Van soo vreseliken dinghen || En horde
+noit man lesen no singhen"; <i>Walewein</i>, 4994; <i>Troyen</i> (Epis. ed.
+VERDAM), 4687, waar in het origineel staat: &#8222;Jamès hom <i>n'orra</i> tel
+esforz"; <i>Leven v. S. Lutgart</i>, II, 3157, 5580, 7631.
+
+<p class="footnote">Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den <i>Reinaert</i>,
+I, 2981 en <i>Mnl. Wdb.</i>, IV, p. 392, 394, 395, 396.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.31">31</a>: D.i.: zonder beschreven papier vóór zich, uit het hoofd.
+
+<p class="footnote">Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in <i>Mnl. Wdb.</i>, I,
+kol. 1337.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.32">32</a>: Vs. 2197&ndash;8.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.33">33</a>: Vgl. o.a.: <i>Reinaert</i>, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425,
+2848 en pass.; <i>Aiol</i>, 25, 602, 615, 983; <i>Van Sente Brandane</i>,
+C. vs. 1, 5, 30, 1702; H. vs. 2014, 2026; <i>Moriaen</i>, 1688&ndash;90;
+<i>Lancelot</i>, II, 10&ndash;11.
+
+<p class="footnote">Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd,
+die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn
+<i>Leven van S. Lutgart</i> ten onrechte stoplappen noemt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.34">34</a>: Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over
+WILLEM VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: <i>Neue Jahrbücher für das
+klassische Altertum</i> etc., XIII Bd., 6. Heft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.35">35</a>: Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de
+Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.36">36</a>: Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (<i>Kar. de Groote en
+zijne XII. Pairs</i>), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs.
+1354 vlgg.; bl. 74&ndash;75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in
+<i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog<a name="291"></a>
+Fragm. JONCKBLOET, bl. 131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES,
+bl. 31, vs. 95 vlgg.
+
+<p class="footnote">Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere <i>rubricae</i> is het
+misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.37">37</a>: Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener &#8222;lesse" in vs. 1867
+en vs. 2842?]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.38">38</a>: Inleiding, p. XXXV.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.39">39</a>: I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal
+&#8222;amen's"; in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden;
+V, 1738; ook aan het slot; VI, 2234.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.40">40</a>: II, 47&ndash;51.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.41">41</a>: A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.42">42</a>: <i>Epis.</i>, vs. 6676&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.43">43</a>: <i>Nat. Bl.</i>, bl. 169, vs. 4029&ndash;4030.]<a name="292"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>TUSSCHENSPEL.</h2>
+
+<h3>ONTKIEMING VAN HET NATIONALITEITSGEVOEL.</h3>
+
+<p class="intro">Maerlant. Ridderpoëzie. Heyn van Aken. <i>Hughe van Tabarien</i>;
+<i>Roman van de Roos</i>; <i>Roman van Limborch</i>. Jan van Heelu. <i>Slag
+bij Woeronc</i>. Lodewijk van Velthem. <i>Flandrijs</i>. <i>Vlaamsche Rijmkroniek</i>.
+<i>Brabantsche Yeesten</i>. Melis Stoke.
+
+<p>Op onzen weg door het verleden hebben wij tot dusver
+meermalen iets aangetroffen, dat, uit deze volken oorspronkelijk
+voortgekomen of onder hen opnieuw geboren, als het
+inheemsche tegenover het uitheemsche mocht worden gesteld.
+
+<p>In de bewerkingen der ridderromans zagen wij hier en daar
+wel gevoel voor het ridderwezen in zijn heroïek idealisme,
+zijn hoofschheid en fijnheid, doch vaker het burgerlijke tegenover
+het ridderlijke, het dorperlijke tegenover het hoofsche;
+uit gemis aan aesthetischen zin het aanschouwelijke en beeldende
+opgeofferd aan de eischen van fatsoen en zedigheid.
+
+<p>In den <i>Karel en Elegast</i> bewonderden wij eenvoudig en zuiver
+gevoel, sober en met naïeve kunst verwerkt. Het gedicht <i>Van
+den Levene ons Heren</i>, de poëzie van WILLEM VAN AFFLIGHEM,
+vooral die van HADEWIJCH, toonden ons innigheid van godsdienstig
+gevoel in bevallige vormen en de hooge vlucht der
+ziel op sterke wieken des geloofs. Uit het verhaal <i>van den vos
+Reinaerde</i> sprak brutale zinnelijkheid naast scherpe waarneming
+der werkelijkheid; daar vonden wij schalksche scherts en bitteren
+spot in dienst der hekeling van maatschappelijke toestanden.<a name="293"></a>
+
+<p>Bij MAERLANT zagen wij onverschrokken waarheidszin en sterk
+rechtsgevoel; schoonheidszin onderdrukt door het verlangen
+om te onderwijzen en te stichten, doch bijwijlen zich uitend
+krachtig en bezield.
+
+<p>Men zou zulke eigenaardigheden en eigenschappen als het
+nationale tegenover het uitheemsche of het internationale kunnen
+stellen. Doch men zou zoo doende uit het oog verliezen,
+dat er in dezen tijd van het nationale in den vollen zin des
+woords eigenlijk niet gesproken kan worden, omdat uit de bewoners
+dezer landen nog niet eene natie, ééne natie, was ontstaan.
+
+<p>De eigenaardigheden en eigenschappen waarop wij het oog
+hebben, behoorden echter tot de elementen waaruit zich het
+Nederlandsch volkskarakter mettertijd zou vormen. Eer het
+zoover kon komen, moesten de onderscheiden volksgroepen
+hier te lande zich nauwer aaneensluiten. Dat kon weer niet
+geschieden, voordat in elk dier groepen een inniger samenhang
+ontstaan en het besef ontwaakt was van dien samenhang. Elke
+groep moest zich bewust worden, dat zij, tegenover de andere,
+eene eenheid vormde, eenheid van tongval, recht, zeden en
+gewoonten, kleeding; eenheid ook ten opzichte van den grond,
+waaraan zij allen eenig deel hadden, dien zij wilden verdedigen
+tegen indringers, waaraan zij gehecht waren door de kracht
+der gewoonte en doordat zij er zich thuis gevoelden.
+
+<p>MAERLANT is ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn
+volk, dat hij onder de eersten zich bewust wordt van die
+gehechtheid aan den geboortegrond, die zulk een voornaam
+bestanddeel vormt van het nationaliteitsgevoel. Tot die bewustheid
+is hij niet uit zich zelven gekomen. GAUTIER DE CHATILLON
+heeft hem door zijne <i>Alexandreïs</i> op die gehechtheid aan den
+geboortegrond opmerkzaam gemaakt; doch GAUTIER'S warme
+ontboezeming is door MAERLANT nagevoeld en op zelfstandige
+wijze weergegeven in deze verzen:<a name="294"></a>
+
+<p class="quote">Owi, here God, hoe macht sijn
+Dat elken minsce int herte sijn
+So soete dunct sijns selves lant?
+Die Brabantsoen prijst Brabant
+Ende die Fransois Vrankerike,
+Die Duutsce dat Keyserrike,
+Die Baertoene<a title="[margin: Bretagners.]"><sup>#</sup></a> prisen Baertaniën,
+Die Tsampanoise Tsampaniën,
+Also mint die vogel dwout,
+Daer hi in hevet grote ghewout<a title="[margin: vrijheid.]"><sup>#</sup></a>.
+Al dademene in een waerme mute<a title="[margin: kooi.]"><sup>#</sup></a>,
+Mach hi, hi vlieghet ute.
+Dus priset elckerlijc sijn lant.
+Maerlant seide dat hi noit en vant
+Also goet lant alse Bruxambocht<a title="[margin: het Vrije van Brugge.]"><sup>#</sup></a>.
+Ic waens hem daerbi heeft ghedocht,
+Omdat hiere in was gheboren<a href="#10.1">[1]</a>.
+</p>
+
+<p>Zooals men hier ziet, toont MAERLANT eene ruime opvatting
+van het begrip <i>geboortegrond</i>, waar hij over Frankrijk en
+Duitschland als het land van <i>de</i> Franschen, <i>de</i> Duitschers
+spreekt. Doch daarnaast zien wij eene beperkter opvatting,
+waar hij Champagne en Bretagne in één adem met zulke landen
+noemt. Met die beperkter opvatting strookt, dat hij Brabant
+als een land op zich zelf en het Vrije van Brugge als zijn
+geboortegrond voorstelt.
+
+<p>MAERLANT zal hier wel de opvatting van de meeste zijner
+tijdgenooten hebben weergegeven.
+
+<p>De dichter van den <i>Reinaert</i> moge een enkele maal den
+blik laten weiden over het groote laagland &#8222;tusschen de Elbe
+en de Somme", HADEWYCH hare geestverwanten hebben gehad
+in Thuringen en Saksen, geestelijken en clercken als MAERLANT<a name="295"></a>
+een deel van Europa hebben omvat met hun blik&mdash;de groote
+meerderheid des volks bleef naar lichaam en geest gevangen
+binnen den kring van de eigen stad of de streek, waar zij
+geboren waren. De blik der meesten werd beperkt door de
+grenzen van het graafschap of hertogdom, waartoe zij behoorden,
+en richtte zich betrekkelijk zelden op naburige landen
+en volken.
+
+<p>Het gevoel van gehechtheid aan den geboortegrond, zoo
+licht zich uitzettend tot trots op dien grond, dat wij omstreeks
+het midden der 13<sup>de</sup> eeuw in MAERLANT aantreffen, kunnen
+wij in het laatst dier eeuw en in den aanvang der volgende
+ook elders in deze landen waarnemen. In Limburg, Brabant,
+Vlaanderen, die landschappen dus, waar het letterkundig leven tot
+nog toe hoofdzakelijk zich had ontwikkeld, zien wij het volksgevoel
+ontwaken en zich uiten in den roman <i>van Limborch</i> en den
+<i>Flandrijs</i>, in JAN VAN HEELU'S verhaal van den <i>slag bij Woeringen</i>,
+in het werk van VELTHEM en de Kroniek van MELIS STOKE.
+
+<p>Opmerkelijk, doch niet onverklaarbaar, is, dat wij in de
+meeste dezer werken het volksgevoel&mdash;of beter: het stamgevoel&mdash;verbonden
+zien met de verheerlijking van den adel,
+dat de vorm dier werken ons herinnert aan dien der ridderromans,
+dat de dichters dezer werken grootendeels in vrij
+nauwe betrekking staan tot den adel. Het zelfbesef der edelen,
+de ingenomenheid met eigen geslacht en de zucht om den
+roem van dat geslacht te verhoogen, vinden wij op groote
+schaal terug bij een ganschen stam. Zoo kwam een dichter er
+toe, de verheerlijking van een geslacht uit te breiden tot den
+stam, waarover dat geslacht regeerde.
+
+<p>Een staaltje van dergelijke uitbreiding vinden wij in een
+14<sup>de</sup>-eeuwsch dichtwerk over den Grimbergschen oorlog, een
+strijd tusschen de machtige heeren van Grimbergen en de
+hertogen van Brabant. De bedoeling van den dichter was<a name="296"></a>
+natuurlijk: eene verheerlijking van het geslacht van Grimbergen.
+Doch in die verheerlijking krijgt ook de gansche adel en het
+gansche Brabantsche volk deel, zoodat wij reeds in den aanvang
+vernemen, dat &#8222;die van Brabant" gekomen zijn &#8222;uut
+dien van Troyen<a href="#10.2">[2]</a>." Langs dien, ook later niet zelden gevolgden,
+weg verhief men een gansch volk tot den adelstand.
+
+<p>Wij worden in onze overtuiging van de juistheid dezer
+voorstelling versterkt, wanneer wij er op letten, hoe in de
+oorspronkelijke ridderpoëzie de liefde tot het eigen land zich
+reeds openbaart. Toont de onbekende dichter der <i>Chanson de
+Roland</i> niet eene sterke liefde voor &#8222;dulce France"? Het zou
+geen wonder zijn, dat menig hoorder der Nederlandsche
+bewerking zich bewust is geworden van de liefde tot zijn
+geboorteland, waar hij ROELANT hoorde zeggen:
+
+<p class="quote">Dan wille God niet, dat ghesciet,
+Dat soete Vrankrike bi mi
+Sijn eere verliese, hets soe vri!
+</p>
+
+<p>of waar hij dergelijke uitingen elders hoorde terugkeeren<a href="#10.3">[3]</a>.
+
+<p>In geen, te onzent vertaalden of bewerkten, ridderroman
+echter vond ik de liefde tot een bepaald land en zijne inwoners
+zoo diep gevoeld, zoo uitvoerig in wezen en werking beschreven,
+als in den roman <i>van Lancelot</i>, in deze verzen:
+
+<p class="quote">Alsi ter zee quamen mettien,
+Begonste Lancelot dat lant besien,
+Daer hem in was menege ere
+Gedaen ende oec vele mere
+Dan oit daer vore was, sonder waen,
+Enegen riddere allene gedaen.
+Hem begonste lopen sere
+Die trane op sirie lire<a title="[margin: wangen.]"><sup>#</sup></a>,
+Ende hi versuchte doe sware<a name="297"></a>
+Ende weende sere daernare.
+Alsi aldus hadde gewesen
+Ene wile, hi sprac na desen
+Stillekine, so dat dese word
+Nieman en verstont dan Bohort:
+&#8222;Ay soete lant ende godertire
+&#8222;Ende mergelijc<a title="[margin: vreugdevol.]"><sup>#</sup></a> in alre manire,
+&#8222;Wel sittende ende blide mede,
+&#8222;Vol van alre geluckechede,
+&#8222;Daer min geest in blivet geellike<a title="[margin: geheel en al.]"><sup>#</sup></a>
+&#8222;Ende mine ziele dier gelike,
+&#8222;Gebenedijt moetstu talle stonde
+&#8222;Wesen van Jhesus Kerst monde,
+&#8222;Ende gebenediet soe sijn si
+&#8222;Dire in bliven selen na mi
+&#8222;Ende wonen selen in desen lande!
+&#8222;Sijn si mi vriende oft viande,
+&#8222;God mote hen pays geven
+&#8222;Ende met rasten<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a> doen leven!"
+...
+...
+Dit waren sine worde die hi sprac,
+Alsi uten lande van Logres trac.
+Hi sach ten landewaerd nadien,
+Alse lange als hijt conde gesien<a href="#10.4">[4]</a>.
+</p>
+
+<p>Hoe modern reeds schijnt ons dit afscheid van een land dat
+ons lief geworden is: die tranen langs de wangen, die zuchten,
+die gefluisterde zegenwensch, dat staren naar de wijkende kust!
+Hoe modern reeds, al hooren wij hier slechts een flauw voorspel
+van dergelijke poëzie in lateren tijd, wanneer CHILDE
+HAROLD zijn &#8222;native shore" vaarwel zal zeggen.<a name="298"></a>
+
+<p>Den samenhang nu tusschen ridderlijke romantiek en een
+kiem van nationaliteitsgevoel, dien wij in het <i>Roelants-lied</i> en
+den roman <i>van Lancelot</i> kunnen opmerken, vinden wij ook in
+de meeste bovengenoemde Dietsche dichtwerken en dichters.
+De <i>Limborch</i> en de <i>Flandrijs</i> zijn ridderromans; HEYN VAN
+AKEN, dichter van den <i>Limborch</i>, toont ook elders sympathie
+voor het ridderwezen; de <i>Slag van Woeringen</i> is half ridderroman
+half kroniek, de dichter van dat werk, JAN VAN HEELU,
+zal wel tot het gevolg van JAN I, hertog van Brabant, behoord
+hebben; de edelman LODEWIJK VAN VELTHEM zet wel MAERLANT'S
+<i>Spieghel Historiael</i> voort, doch is tevens de samensteller
+van de Lancelot-compilatie. De <i>Vlaamsche Rijm-Kroniek</i>,
+de <i>Brabantsche Yeesten</i> en MELIS STOKE'S <i>Rijmkroniek van
+Holland</i> zijn zuiver-historische werken; doch men vergete niet,
+dat deze werken ten deele strekken moesten om de aanzienlijke
+afkomst der over die landen regeerende vorstenhuizen te betoogen,
+en dat de adel zelf grootendeels aan de historie zijn
+recht van bestaan ontleende.
+
+<p>De dichter van den <i>roman van Limborch</i>, HEYN VAN AKEN,
+was vermoedelijk in Brussel geboren en tijdens zijn leven
+pastoor van Corbeke bij Leuven. Wij kennen drie werken van
+hem; twee vertaalde: <i>Hughe van Tabarien</i> en den roman <i>van
+de Roos</i>; een oorspronkelijk: den <i>roman van Limborch</i>. Het
+laatste is door hem waarschijnlijk geschreven tusschen 1291&ndash;1318;
+het middelste misschien omstreeks 1300 terwijl hij de bewerking
+van den <i>Limborch</i> eenigen tijd liet rusten; de dagteekening van
+het eerste is onzeker. De dichter moet vóór 1330 gestorven
+zijn; zeker niet zoo heel lang na de voleindiging van den
+<i>Limborch</i><a href="#10.5">[5]</a>. In den aanvang van het Tiende Boek immers stelt
+hij zich aan zijn publiek voor als een oud man: hij is versleten,
+het vesperklokje gaat voor hem luiden, zijn eenig<a name="299"></a>
+genoegen &#8222;leit in de scotele ende in den nap"; voor de minne
+deugt hij niet langer, erover praten is al wat hij kan. Hij
+moge dan pastoor geweest zijn, aan het slot van zijn <i>Hughe
+van Tabaryen</i> schreef hij:
+
+<p class="quote">Dit hevet ghedicht, te love ende theeren<a title="[margin: ter eer.]"><sup>#</sup></a>
+Allen rudderen, Heyne van Haken<a href="#10.6">[6]</a>.
+</p>
+
+<p>Daaruit blijkt wel, dat hij met den adel op goeden voet stond
+of wenschte te staan. Het oorspronkelijk gedicht <i>De l'Ordene
+de Chevalerie</i> in 36 achtregelige strofen, bevat eene uiteenzetting
+van het ridderwezen en van de symbolische beteekenis der
+plechtigheden bij de ridderwijding. Evenzoo behelst de roman
+<i>van de Roos</i>, vooral in zijn eerste deel, eene uiteenzetting van
+het wezen der hoofsche liefde. Daarom is de tweede titel van
+dezen roman, dien wij in het werk zelf vinden: nl. <i>Spieghel
+der minne</i>, zooveel juister, omdat hij het wezen van het boek
+beter aanwijst. Naspeuren en uiteenzetten van het wezen der
+dingen&mdash;dat was de geest der burgerij, die misschien ook
+over een deel der edelen vaardig werd. Het kenschetst echter
+dit tijdvak van overgang, dat die geest zich hier richtte op de
+instelling van het ridderwezen en op den hartstocht die vooral
+door den ridderstand tot eene soort van eeredienst was verheven.
+Trouwens den ganschen opzet van den <i>Roman de la Rose</i>:
+een minnaar die eene roos (symbool der geliefde) wil machtig
+worden, maar daarin door zijne gevangenschap verhinderd
+wordt, vindt men reeds in den roman <i>van Lancelot</i><a href="#10.7">[7]</a>.
+
+<p>Doch er is in dit werk behalve den opzet nog meer gewichtigs,
+waarvan wij hier het een en ander moeten mededeelen.
+
+<p>Het oorspronkelijk gedicht dankt zijn ontstaan aan twee
+dichters: GUILLAUME DE LORRIS en JEAN DE MEUNG; het werk
+van den eerste dagteekent van omstreeks 1225&ndash;1230, en is
+omstreeks 1270 door den tweede voortgezet. Tusschen die beide<a name="300"></a>
+dichters bestaat een groot verschil. GUILLAUME DE LORRIS, uit
+de school van CRESTIENS DE TROIES, is een elegant prediker
+der hoofsche liefde, een vereerder der vrouwen, een bevallig
+kiesch dichter, die voor edele heeren en hoofsche vrouwen
+schrijft&mdash;JEAN DE MEUNG is een geleerde met een scherp
+verstand, een open oog voor de werkelijkheid in al hare naaktheid,
+onbevangen, sceptisch, niet zelden cynisch, die de vrouwen
+minacht. GUILLAUME leert hoe men de vrouwen moet winnen,
+JEAN hoe men ze moet bedriegen. Ook JEAN is een begaafd
+dichter, maar zonder zelfbedwang of kieschheid. Geeft het eerste
+deel van den roman ons vooral eene &#8222;minnekonst"; in het
+tweede vinden wij de minne verbonden met allerlei anderslachtigs:
+wijsbegeerte, godgeleerdheid, natuurwetenschap, satire tegen
+de vrouwen, de geestelijke orden, de grooten, de koningen
+zoodat wij aan onzen MAERLANT gaan denken<a href="#10.8">[8]</a>.
+
+<p>Van dien aard is het werk dat door HEYN VAN AKEN half
+bewerkt half vertaald is. Hij heeft vrij wat bekort, vrij wat weggelaten;
+bekort zijn de wijdloopige redeneeringen hier en daar,
+zoo ook eene beschrijving der kunstmiddelen van het vrouwelijk
+toilet, eene opsomming van voorschriften aangaande de wellevendheid.
+Weggelaten is de uitweiding waarin JEAN DE MEUNG
+zich verontschuldigt dat hij de vrouwen harde waarheden heeft
+moeten zeggen, de uitweiding over den strijd tusschen de
+Natuur en den Dood, vooral de 4000 verzen lange biecht der
+Natuur &#8222;de omni scibili", de mededeelingen over de kracht
+van het Medusa-hoofd, de uitval tegen de Dominicaner-orde<a href="#10.9">[9]</a>.
+Hier en daar vinden wij een eenigszins karakteristieke afwijking;
+zoo b.v. waar de bewerker spreekt van &#8222;al 't goet van Sassen",
+waar hij den Rijn in de plaats stelt van de Seine, of Poitou en
+Engeland in zijn gedicht brengt<a href="#10.10">[10]</a>. Doch overigens vertoonen
+zijne vrij goede en vloeiende verzen weinig dat het karakter
+van den bewerker of dat van zijn volk kenschetst.<a name="301"></a>
+
+<p>Meer van hem zelven vinden wij in den <i>Limborch</i>, al kan
+dat werk slechts met aanzienlijke beperkingen oorspronkelijk
+worden genoemd. Dat tekort aan oorspronkelijkheid blijkt niet
+uit het telkens herhaald beroep op het Walsch. &#8222;Als ict in den
+Walsche las" en dergelijke uitdrukkingen dienden slechts om
+achtbaarheid aan zijn werk te geven of om hem aan een slot
+te helpen: &#8222;want dWalsch en seges mi nemmeer".
+
+<p>Er was hier een historische kern in de persoon van Hertog
+HENDRIK IV van Limburg die in 1227 keizer FREDERIK vergezelde
+op een tocht naar het Heilige Land. De dichter heeft dezen
+hertog echter verward met HENDRIK I die in 1206 te Constantinopel
+tot keizer werd gekroond en bovendien de geschiedenis
+zoodanig met sagen of eigen verdichtselen omhuld dat het geheel
+niet meer dan eene fabel kan geacht worden<a href="#10.11">[11]</a>. Hoofdzaak
+was voor den dichter de verheerlijking van het huis van Limburg
+door middel van een rijmwerk. Om dat rijmwerk te kunnen
+samenstellen, had hij stof noodig; die stof heeft hij uit zijne
+herinneringen aan vroegere werken samengebracht en op de
+gebruikelijke wijze verwerkt.
+
+<p>Zoo ontstond, niet uit het leven, maar uit boeken, dit
+doodgeboren kind van belezenheid en gunstbejag.
+
+<p>Menig dichter vóór hem had zijn werk vervaardigd ter eere
+eener jonkvrouw die hij liefhad, HEYN VAN AKEN blijft in
+dezen niet in gebreke. Doch hij weet zich niet te hoeden voor
+het gevaar, dat navolgers dreigt: hij tracht zijne voorgangers
+te evenaren, doch overschreeuwt hen. Hadden zij een enkelen
+keer gewag gemaakt van de schoone, ter wille van wie zij
+hun werk ondernamen, hij herhaalt zulke betuigingen door
+acht boeken heen<a href="#10.12">[12]</a>. Kwam zijne &#8222;joncfrouwe ongheveinst"
+misschien uit hetzelfde Walsch, waaruit hij zijn roman vertaalde?
+DIEDERIC VAN ASSENEDE had gezegd, dat de liefde slechts
+voor hoofsche lieden is weggelegd&mdash;HEYN VAN AKEN praat<a name="302"></a>
+het hem na. Waar hij elders eene omschrijving der minne wil
+geven, bedient hij zich van een paar verzen uit MAERLANT'S
+<i>Eerste Martijn</i> <a href="#10.13">[13]</a>.
+
+<p>Allerlei motieven, toestanden, namen in zijn werk zijn aan
+vroegere werken ontleend; namen als SIBILLE, MORANT, JONET,
+EVAX, FROMOND vinden wij terug in het verhaal <i>van koningin
+Sibille</i>, in den <i>Lancelot</i> en den <i>Merlijn</i>, in de <i>Lorreinen</i>, den
+<i>Lapidarius</i> van bisschop MARBODEUS van Rennes. De verhouding
+tusschen den gravenzoon ECHITES en de gewaande dienstmaagd
+MARGRIETE VAN LIMBORCH is geheel dezelfde als die
+tusschen den koningszoon FLORIS en BLANCEFLOER, de dochter
+der Spaansche edelvrouw, die kameniersdienst moet doen; ook
+de toorn der moeder over die verhouding, de list, aangewend
+om een eind te maken aan die liefde, de redding van
+het meisje door haren minnaar op het hachelijkst oogenblik,
+zijn in beide werken gelijk. Trouwens ook in den <i>Lancelot</i>
+vinden wij eene jonkvrouw &#8222;al naect in haer hemde gedaen"
+te midden eener menigte, die de &#8222;justitie" wil zien, totdat
+LANCELOT het meisje bevrijdt<a href="#10.14">[14]</a>. ECHITES werpt zijn vaders
+kok op het vuur, omdat deze niet doet wat hij gelast&mdash;iets
+dergelijks doet REINOUT in den roman der <i>Vier Heemskinderen</i> <a href="#10.15">[15]</a>.
+Het gevecht met den draak herinnert aan dat met den vogel
+grijp in de <i>Lorreinen</i><a href="#10.16">[16]</a>. Het koningspel hier doet denken aan
+iets dergelijks in SEGHER'S <i>Prieel van Troyen</i><a href="#10.17">[17]</a>. Van dien
+aard zou meer te noemen zijn, doch het is onnoodig.
+
+<p>Dat in een gedicht, bestemd voor een Limburgsch publiek,
+niet alleen Fransche, maar ook Duitsche dichtwerken op cijns
+gesteld werden, is licht verklaarbaar. Zoo vinden wij hier dan
+ook de namen van het zwaard Mimminc, van den smid WILANT,
+van den koenen held WEDEGE (WITTICH); eene herinnering
+aan de Nibelungen (de &#8222;drie meerwiven"), misschien ook aan
+TANNHÄUSER en zijn verblijf in den Venusberg<a href="#10.18">[18]</a>.<a name="303"></a>
+
+<p>HEYN VAN AKEN mocht al beweren, dat zijn held ECHITES
+ROELANT en OLIVIER overtrof en aan zijne reuzen ongeloofelijke
+afmetingen geven&mdash;zijn werk kreeg daardoor niets van
+het heroïeke of ideale, dat echte ridderpoëzie toch altijd eenigermate
+bezit. Een ridder, die uitgedaagd wordt tot een tweegevecht,
+vraagt uitstel, om in dien tijd schermen te leeren! Is
+dit bedoeld als een grap? Dan nog blijft die grap kenschetsend.
+MARGRIETE VAN LIMBORCH vergelijkt den jongen graaf ECHITES
+bij een ouden hond, en dat nog wel terwijl zij van minne
+spreken. Wanneer ECHITES in een tournooi de overige ridders
+voor zich uitdrijft, wordt HEYN VAN AKEN warm; een beeld
+ontstaat uit dien gloed: ECHITES is gelijk den stroom, die turven
+stroomafwaarts voert<a href="#10.19">[19]</a>.
+
+<p>In de lange gebeden zijner ridders kon de samensteller van
+den <i>Limborch</i> andere romandichters wel navolgen, doch hij
+vermocht niet die te bezielen met de naïeve vroomheid die
+den <i>Karel en Elegast</i> zoo aantrekkelijk maakt. Maar in geleerdheid
+overtrof hij de meeste zijner voorgangers; de lauweren van
+JEAN DE MEUNG lieten hem blijkbaar geen rust. Hij kent VENUS,
+JUNO, PALLAS, de drie Parcen, CUPIDO met fakkel en speer;
+hij is ver in aardrijkskunde, hij weet van Narcissus, van Ulysses
+en Penelope, hij onthaalt ons op een staaltje van de allegorie
+waarmede de <i>Roman van de Roos</i> zoo vervuld is<a href="#10.20">[20]</a>.
+
+<p>Ja, indien geleerdheid de waarde van poëzie verhoogde en
+andermans veeren zoo goed waren als eigene, dan zou HEYN
+VAN AKEN met zijn <i>Limborg</i> eer hebben ingelegd. Echter, niet
+zoozeer dat hij zijne stof van anderen ontleende, komt in zijn
+nadeel; doch dat hij die ontleende stof niet tot zijne eigene heeft
+weten te maken, dat zijn rijmwerk weinig of niets eigens vertoont.
+
+<p>Dat geldt ook van den <i>Slag bij Woeringen</i>.
+
+<p>De strijd tusschen JAN I VAN BRABANT en REINOUT VAN
+GELRE om het bezit van Limburg, in 1288 beslist door eene<a name="304"></a>
+overwinning der Brabanders, werd omstreeks 1291 verheerlijkt
+door een rijmer die misschien JAN VAN HEELU heette en wel
+een van hertog JAN'S menestreelen kan zijn geweest<a href="#10.21">[21]</a>.
+
+<p>Meer nog dan de <i>Limborch</i> was dit gedicht er op berekend,
+de roemzucht van den adel te streelen en te prikkelen. Voortdurend
+deelt de schrijver ons mede, dat hij gewag maakt van
+deze of gene ridders, opdat men &#8222;hare daden ewelike gedincken
+sal." Elders heet het: &#8222;zoo groote condicheit" (stoutheid) werd
+nooit gezien als voor Woeronc; meer dan eens verontschuldigt
+hij zich dat hij niet alle ridders bij name kan noemen; ook
+van dappere vijanden verzwijgt hij de namen niet. Geen wonder
+dat het aantal namen hier legio is en nog&mdash;zegt de auteur&mdash;verzwijg
+ik de namen van velen die even dapper in den strijd
+waren of nog dapperder dan de genoemden<a href="#10.22">[22]</a>.
+
+<p>Wat HOMERUS niet kon: poëzie maken van een catalogus,
+kon ook deze schrijver niet. Wat HEYN VAN AKEN kon: slaafs
+overnemen van anderen, dat kon ook hij. Dat hij bij de samenstelling
+van zijn werk onder den invloed was zijner lectuur,
+blijkt o.a. in den aanvang van het Tweede Boek, waar hij
+zegt dat de daden der Maccabeën, van &#8222;Roelant ende sine
+gesellen", van WALEWEIN, PERCHEVAEL en ALEXANDER niet
+zoo grootsch en indrukwekkend zijn geweest als de daden in
+den slag bij Woeronc bedreven. De wijze waarop de schrijver
+van dit rijmwerk den aartsbisschop van Keulen doet optreden,
+herinnert hier en daar levendig aan het gedrag van bisschop
+TULPIJN in het <i>Roelands-lied</i>; op een andere plaats blijkt dat
+bisschop TULPIJN hem onder het schrijven inderdaad voor den
+geest stond<a href="#10.23">[23]</a>. Poëzie is in dit verhaal nergens te vinden, wel
+herhaalde uitingen waaruit blijkt dat de stof den rijmer overweldigde.
+Tevergeefs heeft hij getracht aan zijne verzen hier en
+daar door een vergelijking meer verheffing te geven<a href="#10.24">[24]</a>.
+
+<p>Het verhaal van den <i>Slag bij Woeringen</i>, schreven wij<a name="305"></a>
+hierboven, is half ridderroman half rijmkroniek. Die beide
+dichtsoorten vinden wij eveneens, doch onvermengd, in
+LODEWIJK VAN VELTHEM'S werk. VELTHEM zette MAERLANT'S
+<i>Spiegel Historiael</i> voort op verzoek eener aanzienlijke Antwerpsche
+edelvrouw, MARIA VAN BERLAER, en voor loon. Wij
+vinden in zijne kroniek de geschiedenis van Holland, Brabant,
+Vlaanderen, ook die van zijn eigen tijd, ten deele volgens
+hetgeen hij zelf gezien of van ooggetuigen vernomen had. Voor
+de kennis van de ontwikkeling onzer literatuur is dit geschiedwerk
+van geringe beteekenis. Slechts een paar maal, zooals
+b.v. in het verhaal van den Leuvenschen kampvechter en in
+dat van een mirakel dat te Velthem gebeurd zou zijn, vinden
+wij in de levendigheid en natuurlijken eenvoud van stijl
+iets dat naar literaire kunst zweemt. Een paar andere groene
+plekjes zijn die waar hij, den lof der Heilige Maagd zingend,
+verzen schrijft die voortvloeien met zekere natuurlijke
+bevalligheid<a href="#10.25">[25]</a>.
+
+<p>Tien jaar later, in 1326 namelijk, voltooide VELTHEM, in
+MAERLANT'S voetspoor tredend, een ander werk: het <i>boek van
+koning Artur</i>, dat zich bij den <i>Merlijn</i> aansluit. Vertaling
+van een Fransch <i>Livre du roi Artus</i>, bevat het de verdere
+geschiedenis van ARTUR en MERLIJN en hoe de machtige
+toovenaar ten slotte, verstrikt in zijne liefde tot de fee VIVIANE,
+door haar met zijn eigen tooverkunsten gebannen wordt binnen
+een toovercirkel in het woud van Broceliande<a href="#10.26">[26]</a>.
+
+<p>Het eenige dat opmerking verdient in deze vertaling, is de
+indruk dien MERLIJN'S geschiedenis op VELTHEM ten slotte
+heeft gemaakt; indruk dien hij weergeeft in deze regels:
+
+<p class="quote">Wat mach men daer meer af seegen dan?
+Negeen dinc, so help mi God,
+Dan dat hi was een fijn sot;<a name="306"></a>
+Al heet hi vroet ende conde vele,
+Nochtan heeften een wijf bij horen spele
+Datsi hem toende menechfoude,
+Bracht in 't nette daer si woude.
+</p>
+
+<p>Wat zou DIEDERIK VAN ASSENEDE wel gezegd hebben van
+zulk eene opvatting der liefde?
+
+<p>Over VELTHEM als compilator van de in den <i>Lancelot</i> vereenigde
+ridderromans spraken wij vroeger reeds. Zoolang wij
+de samengevoegde werken niet in hunnen oorspronkelijken
+vorm kunnen vergelijken met dien waarin zij hier voorkomen,
+kan over VELTHEM'S werk in dezen geen afdoend oordeel
+worden geveld. Doch zóóveel kunnen wij ook nu reeds zien:
+dat de onderscheidene verhalen zijn aaneengeschakeld zonder
+eenige kunst met een: &#8222;nu doet d' aventure verstaen," d' avonture
+seget hier ter steden" of dergelijk tusschenvoegsel. Ook
+dat de compilator weinig op den samenhang van zijn werk
+gelet schijnt te hebben, daar hij in het Derde Boek PERCHEVAL
+doet optreden, nadat deze in het Tweede Boek overleden was.
+Op een paar plaatsen blijkt, dat de &#8222;clerc" VELTHEM zich
+bezwaard gevoelde over het berijmen van &#8222;alle dese wereltlike
+daden", waarvoor hij God en MARIA om vergeving bidt<a href="#10.27">[27]</a>.
+Geen werk eindelijk is er in dezen tijd aan te wijzen, dat zoo
+krioelt van stoplappen als deze compilatie; in dat opzicht wordt
+VELTHEM misschien door niemand onder de Dietsche rijmers
+der middeleeuwen overtroffen.
+
+<p>Wat HEYN VAN AKEN voor de Limburgers had gedaan,
+werd in het eerste kwart der 14<sup>de</sup> eeuw door een onbekend
+auteur voor de Vlamingen verricht met de bewerking van den
+ridderroman <i>Flandrijs</i>. Indien men ten minste, wat mij hoogst
+waarschijnlijk voorkomt, dezen naam moet vertalen met <i>Vlaming</i>
+en dat werk als eene, zij het ook zwakke, uiting beschouwen<a name="307"></a>
+van het Vlaamsch nationaliteitsgevoel<a href="#10.28">[28]</a>. Evenals de <i>Limborch</i>
+is ook de <i>Flandrijs</i> een gebrekkig samenstel van allerlei bestanddeelen,
+grootendeels ontleend aan vroegere ridderromans:
+<i>Ferguut</i>, <i>Walewein</i>, <i>Moriaen</i>, <i>Torec</i>, <i>Historie van Troyen</i>.
+Ook hier vinden wij bedreigde en verloste jonkvrouwen, den
+zoon van een gastheer gedood, gevechten met roofridders en
+reuzen enz. Het godsdienstig gevoel in den <i>Flandrijs</i> schijnt
+sterker dan het gevoel voor het ridderwezen. Een ridder,
+doormidden gehouwen &#8222;zooals men het een varken doet,"
+brengt ons naar den slagerswinkel; de aanprijzing van het
+Christendom hier en daar en een lang gebed geven het werk
+iets stichtelijks, wat men niet kan zeggen van FLANDRIJS, die
+door het teeken des kruises een gebraden kapoen van de tafel
+doet opvliegen.
+
+<p>Van Vlaanderen is sprake in een rijmkroniek, die ongeveer
+ter zelfder tijd als de <i>Flandrijs</i> werd vervaardigd en hier slechts
+om dat nationale element even vermeld kan worden<a href="#10.29">[29]</a>.
+
+<p>Gewichtiger is MELIS STOKE'S <i>Rijmkroniek van Holland</i>,
+aangevangen waarschijnlijk in het laatste twintigtal jaren der
+13<sup>de</sup> eeuw, voortgezet en voltooid in het jaar 1305.
+
+<p>STOKE'S werk ontstond uit dezelfde beweegredenen als de
+andere in dit hoofdstuk behandelde werken, doch die beweegredenen
+zijn hier samengesteld op eigenaardige wijze.
+Verheerlijking van het regeerend gravenhuis was een dier
+beweegredenen. Vandaar dat het eerste deel zijner kroniek is
+opgedragen aan Floris V, het voltooide werk aan graaf
+Willem III, wiens &#8222;armen clerc" (secretaris) hij zich noemt.
+Vandaar dat hij aantoont en met nadruk verzekert, dat het
+Hollandsche gravenhuis &#8222;van edelen tronke begonde". Maar,
+in tegenstelling met JAN VAN HEELU, onthoudt hij er zich
+van, de roemzucht des adels te prikkelen, door hen bij name
+te noemen. Daar zien wij misschien weer het verschil tusschen<a name="308"></a>
+&#8222;menestreelen" en &#8222;clercken". Hij verklaart openlijk, dat hij
+niet bij name wil noemen:
+
+<p class="quote">Die van den stride was de bloeme
+Of de quaetste of de beste
+</p>
+
+<p>uit vrees dat men hem mocht beschuldigen van afgunst, van
+winzucht; uit vrees ook&mdash;het kenschetst den tijd&mdash;dat hij
+vervolgd en doodgeslagen zou worden<a href="#10.30">[30]</a>. Liefde voor zijn
+land dat hij verdedigt tegen de aanmatiging der Henegouwers,
+belangstelling in de geschiedenis van dat land en zijne bewoners
+behooren evenzeer tot zijne beweegredenen<a href="#10.31">[31]</a>.
+
+<p>De beide eerste boeken en misschien een deel van het derde
+bevatten weinig meer dan eene vertaling van het <i>Chronicum
+Egmundanum</i>; het overige deel van het werk berust, naar
+het schijnt, hoofdzakelijk op mondelinge overlevering en op
+hetgeen hij zelf had bijgewoond. Van poëzie is ook bij STOKE
+weinig sprake, maar toch meer dan bij HEYN VAN AKEN of
+HEELU. Waar STOKE warm wordt, vergelijkt hij ten minste
+geene ridders bij turven. Eerbiedige bewondering voor SOPHIA,
+gravin van Holland, en voor JAN VAN BRABANT ontlokt hem
+verdienstelijke verzen als deze:
+
+<p class="quote">Haer herte was een grondeloos wael<a title="[margin: bron.]"><sup>#</sup></a>
+Van miltheit ende van ontfarme,
+Van soeticheit op de Gods arme,
+Van wakene, van pinen in ghebede
+</p>
+
+<p>en:
+
+<p class="quote">Ja! hoech man was hi, weet men wale,
+Beide in der daet ende in de tale<a href="#10.32">[32]</a>.
+</p>
+
+<p>Maar het beste brok van zijn werk is zeker het verhaal van
+FLORIS DE VIJFDE'S gevangenneming en dood. Daar hooren<a name="309"></a>
+wij oprecht gevoel zich met naïeve warmte uiten in eenvoudig-zuivere
+taal. Treffend is b.v. de ontzetting van des graven
+&#8222;arme clerc" over het feit, dat men de hand heeft durven
+slaan aan een zoo hoog heer:
+
+<p class="quote">Deus, here God, wat hi dochte,
+De des eerst ghewaghen durste,
+Dat men also groot een vurste
+Soude vanghen of verslaen!
+</p>
+
+<p>Ook zijne klachten en verwijten tot de samengezworenen:
+
+<p class="quote">Ay Herman! bi wat zaken
+Wilstu der quader name ontfaen?
+Was di niet ghenoech ghedaen?
+...
+Ende du Gheraert, felle man,
+Droeghes oec sine cleder an,
+Du hads van kinde met hem ghewesen.
+</p>
+
+<p>Zijn medelijden met den graaf die al te goed van vertrouwen,
+was:
+
+<p class="quote">Hi waende, hem sijn volc ghemene
+Ghetrouwe waren, groot ende clene.
+Ay lasi! hi ne mocht niet weten,
+Dat hi van binnen was beseten.
+...
+</p>
+
+<p>Zijne naïeve bewondering van de trouw, door FLORIS' jachthonden
+betoond aan het lijk van hunnen meester<a href="#10.33">[33]</a>.
+
+<p>Deze en dergelijke verzen maken AMELIS STOKE niet tot een
+dichter van beteekenis, neen zeker! Maar zij vermogen toch in
+den nacht der vergetelheid een flauw lichtglansje te verbreiden<a name="310"></a>
+om den naam van den eersten Hollander die zich met bewustheid
+Hollander heeft gevoeld, den eersten ook die in de
+geschiedenis onzer letterkunde den naam van Holland heeft
+doen opklinken.
+
+<p>Hollander gevoelde STOKE zich, doch vooral Hollander die
+min of meer vijandig gezind was jegens de bewoners van andere
+graafschappen of hertogdommen in het Dietsche land. Hoe stelt
+hij zijn volk reeds tegenover het Vlaamsche volk, waar hij
+beweert dat de Vlamingen, anders dan de Hollanders, nooit
+hun verlies willen erkennen:
+
+<p class="quote">Verliesen wi, wi gheliën<a title="[margin: ten volle erkennen.]"><sup>#</sup></a> wale;
+Die Vlaminc hevet ander tale:
+Verliest hi, hi ne liëts<a title="[margin: erkent.]"><sup>#</sup></a> niet
+...
+...
+Het is der Hollanders maniere:
+Verliesen si drie manne ofte viere,
+Si seggen liever meer dan min&mdash;
+Die Vlaminc messaect<a title="[margin: loochent.]"><sup>#</sup></a> int beghin<a href="#10.34">[34]</a>.
+</p>
+
+<p>Zijn afkeer van de Vlamingen is zeker niet verminderd door
+hun inval in Holland die eerst bij het Manpad gestuit werd.
+
+<p>Niet veel vriendelijker is STOKE gezind jegens de Friezen
+en Saksen, voor hem één volk (immers &#8222;die Nederzassen heten
+nu Vriesen"). In den aanvang zijner Kroniek spreekt hij minachtend
+over het &#8222;onbeschaamde Friesche volk dat niets van
+historie weet"<a href="#10.35">[35]</a>. STOKE'S tijdgenoot, MAERLANT, denkt evenzoo
+over de &#8222;wilde Saksen" en &#8222;ruwe Friezen"<a href="#10.36">[36]</a>. Een eeuw later
+zal de Hollander WILLEM VAN HILLEGAERSBERCH nog in denzelfden
+geest spreken<a href="#10.37">[37]</a>. En hoeveel wrok en minachting open<a name="311"></a>baren
+zich in deze woorden van den &#8222;clerc uten lagen landen"
+waar hij in zijne Kroniek gewaagt van de Friezen bij het lijk
+van den gesneuvelden Roomsch-Koning WILLEM II van Holland:
+&#8222;dese Vriesche honden en wisten niet dathet coninc WILLEM
+die edel man was ... ende liepen over hoop daeromme
+staen als beesten."
+
+<p>Maar hoe geminacht ook door de Hollanders, de Friezen
+verdedigden hun vrij land daarom niet minder krachtig tegen
+elken indringer. Telkens doen de Hollandsche graven pogingen
+zich van Friesland meester te maken, doch gewoonlijk trekken
+zij aan het kortste eind. WILLEM IV sneuvelt met de bloem
+van zijn edelen bij Stavoren. Een halve eeuw later komt Graaf
+ALBRECHT die nederlaag wreken: bij Schoterzijl worden de
+Friezen overwonnen. Zonder genade woedt het gevecht, geen
+losprijs wordt geboden, geen lijfsbehoud gegeven: alles wat
+den Hollanders in handen valt, wordt meedoogenloos over
+de kling gejaagd; in het heetst van den strijd valt ook de
+dappere Friesche aanvoerder, de vermaarde edelman JUWINGA,
+die, als koning SAUL weleer, een hoofd boven de anderen
+uitstak<a href="#10.38">[38]</a>.
+
+<p>Toch was de uitslag van dien tocht gering; de Friezen
+werden niet tot gehoorzaamheid gebracht. Zij bleven naijverig op
+hunne zelfstandigheid en ongezind vreemde machthebbers van
+welken aard ook te erkennen. Getuigenis daarvan gaven reeds
+vroeger (1327) die parochianen van Bolsward, die weigerden
+een hun uit Utrecht gezonden rector der Kerk te ontvangen
+en te erkennen, omdat hij geen Fries was<a href="#10.39">[39]</a>.
+
+<p>Eene verdeeldheid als die tusschen Brabanders en Gelderschen,
+Vlamingen en Hollanders, Hollanders en Friezen zag men ook
+elders in deze &#8222;lage landen". Het meervoud in dezen bekenden
+naam verdient aandacht, want inderdaad bestond er nog niet
+één land dat <i>Nederland</i> heette. In naam bestond het wel. In<a name="312"></a>
+een allegorisch gedicht uit de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw wordt
+gezegd, dat de knapen van zekeren HER ERENTRIJC waren
+
+<p class="quote">... al van eenen gheslachte
+Gheboren al ut Nederlant.
+</p>
+
+<p>Ook als strijdleus vinden wij dien naam daar gebezigd:
+
+<p class="quote">Daer mochtmen die tyene horen
+Lude roepen: &#8222;Nederlant!"<a href="#10.40">[40]</a>
+</p>
+
+<p>Doch het was slechts een naam. Landseenheid berustend op
+volkseenheid, lag nog ver af, als een kust die men over de
+wateren ziet blauwen. Maar toch niet zóó ver, of men kon er
+een paar vooruitstekende punten van onderscheiden: wordende
+eenheid van taal en wordende betrekking tusschen volk en
+landsheer.
+
+<p>De verdeeldheid tusschen de onderscheidene volksdeelen hier
+te lande spiegelde zich af in het verschil van tongvallen of
+&#8222;tongen", zooals men toen zeide. Men voelde zich Vlaming,
+Brabander, Hollander, Zeeuw; een enkele besefte ook dat er
+verschil was tusschen de talen in die onderscheidene deelen
+des lands gesproken. In zijn <i>Leven van Sint Franciscus</i> zegt
+MAERLANT:
+
+<p class="quote">Men moet om de rime souken
+Misselike<a title="[margin: onderscheidene.]"><sup>#</sup></a> tonghe in bouken:
+Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus<a href="#10.41">[41]</a>.
+</p>
+
+<p>Met <i>Duuts</i> zal hier wel <i>Hollandsch</i> bedoeld zijn in den
+eigenlijken zin des woords.
+
+<p>In den <i>Spieghel Historiael</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Int ander jaer dat Karel de jonge,
+Die grouf<a title="[margin: (grof) dik.]"><sup>#</sup></a> hiet in somege tonge.
+...<a name="313"></a>
+</p>
+
+<p>Echter, indien MAERLANT het verschil van tongvallen besefte,
+hij was er zich tevens van bewust, dat er tegenover of boven
+die tongvallen een algemeen Dietsch bestond. In zijn <i>Naturen
+Bloeme</i> stelt hij op meer dan een plaats het Vlaamsch of &#8222;<i>ons</i>
+Dietsch" tegenover <i>het</i> Dietsch<a href="#10.42">[42]</a>. Een tijdgenoot van RUUSBROEC,
+Heer GERAERT, prior van een Karthuizer-klooster spreekt van
+&#8222;brabantsch dietsch" en zelfs van &#8222;brusselsch dietsch" in deze
+opmerkelijke woorden: &#8222;Oec is te merken dat dese boeken
+(van RUUSBROEC) ghemaect sijn in onvermingheden bruesselschen
+dietsche, soe datter luttel latijnscher ofte walscer woerden ofte
+van enighen anderen tale in sijn ghesaeit. Ende oec is dat selve
+brueselsche dietsche volcomenre hier in gheset dant daer die
+lieden ghemeinlic spreken, in dien dat si dicwile in hare tale
+vernieuten ofte minderen haer pronominael artikelen bi desen
+exempelen: Als si souden seggen <i>dat ierste, dat anderde, dat
+derde, dat vierde</i>, soe laten si ghemeinlic after die twie letteren
+van dien artikele <i>dat</i>, ende segghen: <i>dierste, dandere, derde,
+tfierde</i>, ende des ghelijcs in noch anderen silleben ende
+woerden"<a href="#10.43">[43]</a>. Opmerkelijk noemde ik deze woorden, omdat
+men er tevens uit ziet, dat men eenig verschil ging waarnemen
+tusschen de gesproken en de geschreven taal.
+
+<p>MAERLANT en de prior GHERAERT waren niet de eenigen
+die de eenheid van het Dietsch beseften, al of niet in tegenstelling
+met het Walsch. JAN VAN HEELU spreekt van:
+
+<p class="quote">Alle die yeesten<a title="[margin: geschiedenissen.]"><sup>#</sup></a> die nu sijn
+In dietsche, in walsche, in latijn<a href="#10.44">[44]</a>.
+</p>
+
+<p>In BOENDALE'S rijmwerk <i>Van den derden Edewaert</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Want tkerstenheit es gedeelt in tween:
+Die Walsche tongen die es een,
+Dandre die Dietsche al geheel<a href="#10.45">[45]</a>.<a name="314"></a>
+</p>
+
+<p>En er zweeft reeds een adem van volksgevoel en volkseenheid
+door deze regels van BOENDALE over den zeeslag bij Sluis (1340):
+
+<p class="quote">Van deser hoger victoriën
+Die eeuwig blijft in memoriën,
+Werden blide ten selven male
+Alle die spreken Dietsche tale<a href="#10.46">[46]</a>.
+</p>
+
+<p>Naarmate er meer letterkundige werken van beteekenis in
+het Dietsch geschreven werden, rees die taal in de achting
+dergenen die haar spraken. Een blijk van die achting voor de
+taal zien wij in het feit dat JAN VAN HEELU zijne rijmkroniek
+zond aan MARGRIETE VAN ENGELAND, verloofd met den zoon
+van Hertog JAN VAN BRABANT, opdat zij er &#8222;dietsch in leeren"
+mocht. Langzamerhand ontwikkelde zich dit gevoel van zelfstandigheid,
+zich openbarend in eerbied voor de moedertaal.
+Eerst nadat het, vooral langs den weg der literaire kunst, bij
+de individuën zich had ontwikkeld, kon het zóó krachtig
+worden, dat Overheid en Regeering volgden waar de onderdanen
+waren voorgegaan. Het oudste ons bekende charter in
+de landstaal dagteekent van 1249 en is opgesteld door de
+schepenen van Bochoute (tusschen Gent en Oudenaarde).
+Daarna komen er tal van charters en keuren in de landstaal in
+Vlaanderen, Brabant, Holland.
+
+<p>De Hollandsche graven zijn de eersten die in hunne staatsstukken
+het Latijn door het Dietsch vervangen. Hun voorbeeld
+wordt langzamerhand door de andere landsheeren gevolgd, al
+kunnen de graven van Vlaanderen in de 14<sup>de</sup> eeuw en later
+hunne voorliefde voor het Fransch niet geheel opgeven. Gelderland
+komt achteraan; het Latijn handhaaft zich daar nog in de
+staatsstukken der 14<sup>de</sup> eeuw, maar wordt toch ook reeds in die
+eeuw door het Dietsch overvleugeld<a href="#10.47">[47]</a>. Ook in de rechtsbediening
+zien wij dat streven naar eerbiediging der moedertaal.<a name="315"></a>
+
+<p>Paus ALEXANDER IV stond den burgers van Gent hun verzoek
+toe, dat zij niet gedwongen zouden worden recht te gaan
+zoeken bij de geestelijke rechtbanken van Doornik of, in tweede
+instantie, te Reims, omdat dan tot hen gesproken zou worden
+in een taal die zij niet verstonden<a href="#10.48">[48]</a>. In 1290 werd bepaald,
+dat in Vlaanderen alle burgerlijke rechtsgedingen in het Vlaamsch
+zouden behandeld worden<a href="#10.49">[49]</a>. Die maatregel was zeker niet
+naar den zin van den Franschen koning FILIPS DE SCHOONE,
+die omstreeks dienzelfden tijd het gerechtshof te Gent had
+gedwongen, een door hem gezonden prevôt toe te laten. Telkens,
+wanneer die koninklijke prevôt aanwezig was, moest er
+Fransch gesproken worden<a href="#10.50">[50]</a>.
+
+<p>Op heel wat lager toon zong zijn opvolger KAREL VI, die
+in 1385 in eene vredes-onderhandeling voor 150 Gentenaren
+een geleide-brief in het Vlaamsch deed opstellen<a href="#10.51">[51]</a>.
+
+<p>Maar tusschen 1290 en 1385 liggen dan ook de Sporenslag
+en de leus: &#8222;Schild ende Vriend."
+
+<p>Daar klonk voor het eerst de stem van den Vlaamschen Leeuw!
+
+<p>Toen de Franschen in 1301 Vlaanderen binnenrukten, scheen
+de nationale zaak geene verdedigers meer te hebben; de adel
+en de rijke burgers verwelkomden de indringers, maar de
+gemeenten waakten. In Kortrijks velden werd het Vlaamsche
+volk zich voor het eerst van zijne kracht bewust; daar werden
+hun zelfgevoel en hun volksgevoel verhoogd, toen zij in den
+strijd voor vrijheid en voor recht, onder eigen leiders, eene
+roemrijke overwinning behaalden op een buitenlandschen vijand,
+die hun volksbestaan bedreigde.
+
+<p>Doch al was die vijand overwonnen, hij was niet machteloos
+gemaakt. De gansche 14<sup>de</sup> eeuw door moet Vlaanderen zijne
+onafhankelijkheid tegenover Frankrijk blijven handhaven; het is
+daarin geslaagd, maar ten koste van de Waalsche deelen des
+lands. Voortaan is Vlaanderen, dat vroeger tweetalig was, een<a name="316"></a>
+zuiver Dietsch land. Voortaan zijn de Nederlanden onafhankelijk
+van Frankrijk, zooals zij het inderdaad reeds van Duitschland
+waren. Toen de graven van Henegouwen ook het graafschap
+Holland verwierven, werd het Dietsche element in de Zuidelijke
+Nederlanden versterkt en een eerste, nog zwakke, band
+geknoopt tusschen Noord en Zuid.
+
+<p>De graven van Vlaanderen hadden niet zelden gemeene zaak
+gemaakt met de gemeenten. Deze begrepen niet, dat het den
+graaf slechts te doen was om de patriciërs te kortwieken; doch
+toen de patriciërs steun zochten bij Frankrijk, ontwaakte onder
+de gemeentenaren het nationaliteitsgevoel en verdedigden zij
+hun eigen onafhankelijkheid en die van hun graaf tevens.
+Die gelijkheid van belangen versterkte den band tusschen volk
+en landsheer<a href="#10.52">[52]</a>. Iets dergelijks was vroeger gezien in Holland.
+Graaf FLORIS V, &#8222;der keerlen god", lag overhoop met den
+adel. Toen eenige samengezworen edelen den graaf hadden
+opgelicht en gevangen gezet, ontstond er eene algemeene verbijstering
+in het land. Geen der edelen snelde toe om den
+graaf te bevrijden. Maar in dreigende drommen komt het volk
+opzetten: Kennemers, Friezen, Waterlanders, &#8222;tghemene diet"
+van Noord-Holland, de poorters uit Zuid-Holland&mdash;alles trekt
+naar het kasteel aan de Vecht
+
+<p class="quote">Ende segghen, dat si verliesen
+Willen beide lijf ende have,
+Of si wreken haren grave<a href="#10.53">[53]</a>.
+</p>
+
+<p>Den moord op den graaf hebben zij niet kunnen verhinderen,
+maar met des te meer liefde hebben zij zijne nagedachtenis
+in eere gehouden. Dat bleek, toen acht jaar later de
+Vlamingen Holland binnendrongen, overstroomden, aan zich
+onderwierpen. Slechts achter de muren van een drietal steden:
+Zierikzee, Dordrecht, Haarlem, werd nog tegenweer geboden;<a name="317"></a>
+het scheen gedaan met Hollands onafhankelijkheid. Maar hoe
+herleefde de moed des volks, toen WITTE VAN HAEMSTEDE,
+onechte zoon van FLORIS V, te Zandvoort geland, op den
+Blinkert de banier van Holland liet wapperen en de poorters
+uit Haarlem en van elders toestroomden om hem te verwelkomen.
+In hem immers zagen zij den zoon van FLORIS en hij
+verzuimde dan ook niet partij te trekken van zijne afkomst.
+MELIS STOKE heeft ons de heugenis bewaard van dat tooneeltje
+op den Blinkert, van die ontmoeting, ook van dat woord en
+weerwoord:
+
+<p class="quote">Wie sidi dan? Ic hete Witte
+Ende was 's graven Florens kint,
+Ende her Willem heeft mi ghesint
+Alhier van Zirixe
+U te troostene.
+</p>
+
+<p>Op dien Zondag in de Zandvoortsche duinen, in de schaduw
+der banier met den rooden leeuw, heeft een der kiemen van
+nationaliteitsgevoel zich in Holland ontsloten, heeft de betrekking
+tusschen volk en landsheer iets in hechtheid gewonnen. Zoolang
+vreemde landsheeren hier regeerden, kon die gehechtheid bezwaarlijk
+sterk worden. Voor een vorst, hier te lande geboren,
+zooals KAREL V, kon men reeds iets meer gevoelen, ook al
+was hij uit het Oostenrijksch stamhuis.
+
+<p>Maar zoover zijn wij nog lang niet. Wij moeten vooreerst
+trachten, ons ten minste eenigermate eene voorstelling te vormen
+van sommige toestanden hier te lande, zooals zij zich aan ons
+oog vertoonen in het nieuwe tijdvak dat ingeluid is door de
+geboorteklok van het nationaliteitsgevoel.<a name="318"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.1">1</a>: A.w. I, 1081-'97. De overeenkomstige plaats in de <i>Alexandreïs</i>,
+I, 365 seqq. luidt:
+
+<p class="footnotequote">O patriae natalis amor, sic allicis omnes
+O quantum dulcoris habes! fugitiva per altum
+Classis dum patriae raptim furatur alumnos,
+Sponte licet properent Persarum invadere fines,
+Nec trahit invitos ad praedae praemia ductor,
+Sola tamen revocat patriae dulcedo volentes,
+Nec sinit a patria divelli mentis acumen,
+Sed dulces oculos animumque retorquet ad Argos,
+Donec ab intuitu longe decrescere visus
+Europae defecit apex portusque recessit.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.2">2</a>: I, vs. 59&ndash;62.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.3">3</a>: Vgl. de uitgaaf in mijne <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>, p. 57 vlgg.,
+vs. 103&ndash;4, 110&ndash;112, 267&ndash;9, 316&ndash;7, 340, 547&ndash;550; bovendien
+hebben wij slechts een deel der vertaling over.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.4">4</a>: A.w. IV, 7325 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.5">5</a>: Over dat alles is uitvoerig gehandeld door JONCKBLOET in zijne
+<i>Geschiedenis</i>, II, 218 vgg.; TE WINKEL in zijne <i>Geschiedenis</i>,
+bl. 218&ndash;229; voorts door VAN DEN BERGH en VERWIJS in hunne
+inleidingen. Ten opzichte der dateering van den roman <i>van de Roos</i> deel
+ik TE WINKEL'S zienswijze. Was de roman <i>van Olivier van Spaengen</i>
+(<i>Limb.</i>, III, 800&ndash;807) misschien ook door HEYN VAN AKEN gedicht?]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.6">6</a>: KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 93.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.7">7</a>: A.w. vs. 23394&ndash;23553.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.8">8</a>: Vgl. over den <i>Roman de la Rose</i>, PETIT DE JULEVILLE a.w.
+II, 105&ndash;161.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.9">9</a>: Vgl. de Inleiding van VERWIJS, XVI vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.10">10</a>: Vgl. vs. 2992 (voor: &#8222;por nule riens vivant"); 4916; 7044
+(&#8222;mainte terre sauvage"). Paep Jans lant in vs. 1013&ndash;4, waar in het
+Fransch: &#8222;trestous li ors de Romme".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.11">11</a>: Vgl. VAN DEN BERGH'S <i>Inleiding</i>, IV.]<a name="319"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.12">12</a>: Vgl. den aanvang van boek II-IX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.13">13</a>: Vgl. <i>Limb.</i>, VII, 1683&ndash;5 met <i>Flor. en Blanc.</i>, Proloog, vs. 1&ndash;12,
+65&ndash;75; <i>Limb.</i>, XI, 642&ndash;5 met <i>Eerste Martijn</i>, vs. 430&ndash;1.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.14">14</a>: <i>Limb.</i>, I, 1316 vlgg.; het tooneel der &#8222;justicie" alleen in de
+2e bewerking van <i>Flor. en Blanc.</i> (het Fransche gedicht nl.), vs. 359&ndash;902.
+<i>Lanc.</i>, I, vs. 19208 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.15">15</a>: <i>Limb.</i>, IV, 248&ndash;250 te verg. met <i>De Vier Heemsk.</i> (ed.
+MATTHES), p. 26.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.16">16</a>: <i>Limb.</i>, X, 1013 vlgg. te verg. met <i>Lorr.</i> in <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>,
+bl. 132&ndash;3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.17">17</a>: <i>Limb.</i>, XI, 67 vlgg. te verg. met BLOMMAERT, <i>Oudvl. Ged.</i>,
+I, 6 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.18">18</a>: <i>Limb.</i>, IV, 1057-'69; 1298 vlgg.; III, 1159 vlgg. (1374&ndash;6).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.19">19</a>: <i>Limb.</i>, V, 374; VIII, 149 (een reus van 30 voet lang en 10
+voet breed); III, 1009; IV, 328; IV, 546&ndash;7; zie ook nog VIII, 574&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.20">20</a>: <i>Limb.</i>, III, 1248 vlgg.; V, 2105 vlgg.; VI, 59; VIII, 822 vlgg.;
+X, 279 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.21">21</a>: Vgl. de uitgave van WILLEMS, <i>Introd.</i>, VIII. Misschien was de
+berijmer ooggetuige. (<i>Introd.</i>, VII; vgl. echter vs. 8221).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.22">22</a>: Vgl. vs. 3372&ndash;3; 4084&ndash;5; 4178 vlgg.; 4640 vlgg., 4746, 5627,
+7808 vlgg., 8184, 8346 vlgg., 8410&ndash;12, 8537 vlgg. en tal van andere
+plaatsen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.23">23</a>: Vgl. Tweede Boek vs. 1 vlgg.; 5786 vlgg., 5851 (een paard
+dat &#8222;Baiaert ghenoot" was), 8559 vlgg.; 4271 vlgg., 6025&ndash;8.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.24">24</a>: Ik heb het oog op de dozijnen van uitingen gelijk die welke
+men vindt o.a. in vs. 2679, 2954, 3102, 3155, 3418, 7652 vlgg.,
+8073 vlgg. Vergelijkingen in vs. 1037, 1044, 3253, 3944, 5185, 5651.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.25">25</a>: Uitvoerig en nauwkeurig is over VELTHEM'S kroniek gehandeld
+door Dr. TE WINKEL in zijne <i>Geschiedenis der Ned. Lett.</i>, bl. 355&ndash;367.
+De bovengenoemde verhalen vindt men: <i>Sp. Hist.</i>, V, 1, 28&ndash;30, en
+VI, 4. Over de H. Maagd VI, 32 en VIII, 34.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.26">26</a>: Vgl. TE WINKEL a.w. bl. 170&ndash;171.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.27">27</a>: Vgl. het slot van den proloog van Boek IV en het slot van dat Boek.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.28">28</a>: Ik volg hier de uitgave en de inleiding van FRANCK.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.29">29</a>: Vgl. TE WINKEL'S <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl. 381&ndash;3. Het eerste
+deel schijnt in het laatst der 13e of den aanvang der 14e eeuw opgesteld.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.30">30</a>: Vgl. Ed. BRILL, Boek X, 40&ndash;151 in verband met eene plaats
+uit Boek IV. (I, p. 224): &#8222;God moet mi sijnre hulpen jonnen" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.31">31</a>: III, 1473-'78; Opdracht van Boek I.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.32">32</a>: II, 644-'7; IV, 263 enz.]<a name="320"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.33">33</a>: Boek IV, vs. 1086 vlgg. en V, 96 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.34">34</a>: In twee der drie hss. van STOKE'S Kroniek lezen wij deze
+verzen in plaats van VIII, 791&ndash;2.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.35">35</a>: I, 76, 531.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.36">36</a>: <i>Eerste Martijn,</i> vs. 109&ndash;110, 665; <i>Sp. Hist.</i>, III, 8, c. 93, 185.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.37">37</a>: <i>Gedichten</i>, bl. 3, 180; 125, 174.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.38">38</a>: <i>Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen</i>
+door E. VERWIJS. (Utrecht. 1869). CXLVIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.39">39</a>: <i>Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht</i> door Mr.
+S. MULLER FZ., I, 165.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.40">40</a>: <i>Dietsche Warande</i>, IX, 147, 150. De naam <i>Nederland</i> in de
+vertaling van het <i>Nibelungenlied</i> (II, vs. 11) heeft hier geen bewijskracht,
+daar hij ook reeds in het origineel voorkomt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.41">41</a>: Vs. 131-'3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.42">42</a>: <i>Inl.</i> XXXVI-XXXVII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.43">43</a>: W.L. DE VREESE, <i>Bijdragen tot de kennis van het leven en
+de werken van Jan van Ruusbroec</i>, bl. 10, 19.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.44">44</a>: Vs. 3175&ndash;6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.45">45</a>: Vs. 1585&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.46">46</a>: Ik dank de aanwijzing van deze plaats aan mijn vriend, Prof.
+PAUL FRÉDÉRICQ te Gent.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.47">47</a>: Ik deed hier mijn voordeel met de opsomming, door Dr.
+TE WINKEL gegeven in zijne <i>Geschiedenis der Ned. Lett.</i>, bl. 541&ndash;544.
+
+<p class="footnote">Vergeten is daar het, voor de geschiedenis onzer taal zoo merkwaardig,
+reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op
+het Zwin, afgedrukt in <i>Bijdragen tot de Oudheidkunde en geschiedenis
+inzonderheid van Zeeuwsch Vlaanderen</i>, V, 1 vlgg.
+
+<p class="footnote">Opmerkelijk is ook, dat de oudste Cameraars-rekening in het
+Dietsch eerst van 1361 dagteekent, terwijl er reeds eene Dordrechtsche
+stadsrekening in de moedertaal is van 1284-'85. Ook hier zien wij
+het Oosten des lands achteraankomen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.48">48</a>: WARNKÖNIG, <i>Hist. de la Flandre</i>, III, 171.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.49">49</a>: <i>Belg. Museum</i>, II, 387.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.50">50</a>: WARNKÖNIG a.w.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.51">51</a>: <i>Belg. Mus.</i>, II, 388&ndash;9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.52">52</a>: Vgl. VANDERKINDERE, <i>Siècle des Artevelde</i>, p. 31; PIRENNE
+a.w. I, 104; II, 7; I, 408 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.53">53</a>: Vgl. het artikel van POLS over Graaf JAN I in: <i>Bijdr. voor
+Vad. Gesch. en Oudh.</i> en STOKE V, 222-'30.]<a name="321"></a>
+
+<hr>
+
+<h1>BOEK II.</h1>
+
+<h1>STANDENPOËZIE. DE STEM DER
+GEMEENTEN.</h1><p><a name="322"></a><a name="323"></a>
+
+<h2>STANDENPOËZIE. DE STEM DER
+GEMEENTEN.</h2>
+
+<h3>INLEIDING.</h3>
+
+<p>De drie stemmen die wij in het Eerste Boek hoorden: eerst
+achtereenvolgend, toen in de lyriek vereenigd en daarna in
+MAERLANT'S werk versmolten, vallen ook in het Tweede Boek
+te onderscheiden; doch in andere orde en verhouding.
+
+<p>De Stem der Gemeenten krijgt den boventoon en behoudt
+dien. Handel, nijverheid, landbouw, de maatschappelijke toestanden
+hebben zich ontwikkeld en die ontwikkeling is vooral
+ten goede gekomen aan de gemeenten, is zichtbaar vooral in
+de door hen gestichte steden.
+
+<p>De adel is er nog en zet het oude leven gedeeltelijk voort,
+den oorlog afwisselend met feesten, tournooien, jacht en galanten
+omgang. Vooral de Geldersche adel onderscheidt zich in dit
+opzicht. WILLEM VAN GULIK, hertog van Gelderland, wordt
+door FROISSARD telkens met lof vermeld. Hij doet, evenals
+vóór hem graaf WILLEM IV van Holland, een krijgstocht tegen
+de ongeloovigen in het Oosten van Duitschland, wordt gevangen
+gehouden op een slot in Pommeren, doet een inval in Brabant,
+voert een bloedigen strijd om Grave en wordt eerst door een
+Fransch leger tot staan gebracht. Maar de uitvinding der vuurwapenen
+en de instelling van huurtroepen bedreigen den adel
+in zijn bestaan<a href="#11.1">[1]</a>. Feestvieren kunnen zij nog wel; de hoogsten
+gaan hun daarin voor. De graven van Holland komen niet<a name="324"></a>
+zelden in de hoog-adellijke en rijke abdij van Rijnsburg, hetzij
+met een sleep van baronnen, hetzij met klein &#8222;gezinde" om er
+te ontbijten of het noenmaal te houden. Aan spijs en drank
+behoefde het niet te ontbreken: soms werden 18 kapoenen en
+een aam rijnwijn vooruitgezonden. Daarna ging men &#8222;haar
+met haar en veer met veer" jagen in den Haarlemmerhout en
+'s avonds dansen met de edele jonkvrouwen<a href="#11.2">[2]</a>. In den Haarlemmerhout
+kon men ook wel eens een ander machtig edelman
+vinden, graaf JAN VAN BLOIS, ter jacht met de gravinne van
+Holland. Ook in Brabant kon men hem vinden aan het &#8222;jagen
+en vliegen" met een groot aantal edelen en edelvrouwen of
+aan een grooten avondmaaltijd in het Katrijnen-klooster te
+Utrecht, waar meer dan honderd edele gasten aanzaten<a href="#11.3">[3]</a>.
+
+<p>Een edelman die in botsing kwam met de steden kreeg soms
+een gevoelige les: ZWEDER VAN VOORST ondervond het in zijn
+strijd tegen de steden van het Oversticht en hun heer den
+Bisschop, al zat hij ook achter muren die tachtig voet hoog
+en twaalf voet dik waren. Het sterke kasteel Gaesbeek in
+Brabant, toebehoorend aan Heer ZWEDER VAN ABCOUDE,
+werd door de Brabantsche en Luiksche burgerijen ingenomen
+en geslecht<a href="#11.4">[4]</a>.
+
+<p>Zijne verwoeste kasteelen kon de adel wel opbouwen, niet
+zijne verloren idealen herwinnen. En vooral daardoor, meer
+dan door vuurwapenen en huurtroepen, is de adel gedaald
+van het vroegere standpunt. JAN BOENDALE, de schrandere
+schepenklerk van Antwerpen, zag het wel, toen hij in zijn
+<i>Lekenspieghel</i> zeide: &#8222;vroeger, toen de edelen ouder gewoonte
+nog buiten woonden en onderling huwelijken sloten, hielden
+zij den adel hoog en waren edelen met eere; doch sedert zij
+om der wille van het geld naar de steden zijn getrokken,
+heeft hebzucht de schuldelooze edelheid onder de voet geworpen.
+Zal zij ooit weer opstaan? Vroeger was het edele wapen<a name="325"></a>spel
+in zwang en gang, hetzij in het Heilige Land, hetzij in de
+grenslanden&mdash;nu heeft het afgedaan: schatten, weelde, gemak,
+dat is wat de adel begeert. Het edele, ingetogen leven wordt
+in den lande niet meer gezien<a href="#11.5">[5]</a>."
+
+<p>Anders dan met den adel stond het met de geestelijkheid.
+Ja, ook daar zag men ten deele de toestanden van vroeger.
+Te Rijnsburg kwamen niet alleen de Hollandsche graven, maar
+ook de abten van Egmond, die er met hun gevolg eenige
+dagen &#8222;joleuslyck" werden onthaald. Strijdbare geestelijken vinden
+wij ook nu: in dien bisschop van Luik, ADOLF VAN DER
+MARCK, die, omzwermd van pijlen en steenen, zijne troepen
+leidt tot een stormaanval op sterke burchten; in dien geestelijke
+uit het Groningsche klooster Aduard, die, gereed de mis op
+te dragen, bij een aanval op het klooster zijn priesterkleed
+afwerpt, naar buiten stormt en in den strijd sneuvelt<a href="#11.6">[6]</a>.
+
+<p>Doch naast of liever tegenover zulke geestelijken stonden
+andere, die, zonder zich met de wereld in te laten meer dan
+noodig was, eenvoudig hun plicht deden, of, de wegen der
+mystiek volgend, ingekeerd tot zich zelven, de diepten der
+eigen ziel trachtten te peilen en te verkennen.
+
+<p>Het zelfgevoel der burgerijen, dat zich zoo krachtig deed
+gelden tegenover den adel, verloochent zich ook niet tegenover
+de geestelijken. Niemand heeft dat deel van het aangroeiend
+zelfgevoel beter vertolkt dan diezelfde BOENDALE, dien wij
+zoo even over den adel hoorden spreken. In zijne <i>Teestye</i><a title="[margin: Overtuiging.]"><sup>#</sup></a>
+durft hij zeggen:
+
+<p class="quote">Du leec man en ontsie di niet,
+Dat paepscap en es sekerre<a title="[margin: zekerder.]"><sup>#</sup></a> niet
+Hemelrijx dan du bes:
+Die best leeft, best es.
+Al predect tpaepscap Gods woert,<a name="326"></a>
+Ende haer theologie bringt voert,
+Ende du sits daer voer hare voete,
+Du best lichte also soete
+Ende also weert voer d' anscijn Ons Heren
+Als si sijn die di leren;
+Want clergye sonder goet leven
+En can ghene salecheyt gheven.
+Hets beter een doghet allene
+Dan alle phylosophye ghemene<a title="[margin: samen.]"><sup>#</sup></a>.
+Al eest oec dat si di biechten
+Ende dine ziele verlichten
+Ende van dinen sonden ontladen daer,
+Du best lichte also claer
+Oft claerre<a title="[margin: zuiverder.]"><sup>#</sup></a> voer Gode dan hi,
+Die daer absolveert di<a href="#11.7">[7]</a>.
+</p>
+
+<p>En hierbij laat deze wakkere &#8222;scepenclerc" het niet. Een volgend
+hoofdstuk brengt: &#8222;van den papen noch meer". Kwam
+Gods Zoon nu op aarde en dorst hij den priesters de waarheid
+zeggen, hunne gebreken onder het oog brengen, het
+volk tot zich en van hen af trekken&mdash;zij zouden &#8222;te zamen
+raad tegen hem houden, hoe zij hem dooden mochten", gelijk
+de Farizeën weleer. Zij verkoopen het volk aflaat van zonden;
+zelf koopen zij dien niet, al hebben zij hem evenzeer noodig.
+In het sermoen zoekt men hen te vergeefs, al zou het voor
+hen evenveel vrucht dragen als voor de leeken. BOENDALE
+zegt later, dat hij der papen vriend is
+
+<p class="quote">Maer dat si mesdoen, dats mi leet;
+</p>
+
+<p>hij zal in die uitspraak zeker oprecht zijn geweest, doch van
+zulke vrienden was de meerderheid der priesters niet gediend.
+Al te welig schoot hier het zaad op, met volle hand gestrooid<a name="327"></a>
+door &#8222;JACOB, die dichter hoghe", wiens beeld zijn navolger
+hier blijkbaar voor den geest stond. En het zou nog erger
+worden voor de priesters, geloofde BOENDALE. Uit oude profetieën
+had hij vernomen:
+
+<p class="quote">Dat men noch zal die papen jaghen
+Ende die Kerke doghen<a title="[margin: lijden.]"><sup>#</sup></a> sal,
+Ende bider papen ghebreke al,
+...
+...
+Maer en sal niet dueren langhe
+Si en selen te payse comen weder
+Ende haer ghierecheit<a title="[margin: hebzucht.]"><sup>#</sup></a> legghen neder
+Ende andre onnutte seden
+Ende hem bat hoeden dan si deden
+Ende men sal hem meer eeren doen
+Dan noyt te voren was gheploen<a title="[margin: gepleegd.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Hoe zullen in latere dagen Hervorming en Tegenhervorming,
+en ook de geschiedenis van onzen tijd, deze profetieën op
+ongedachte wijze vervullen! Dat heeft BOENDALE niet kunnen
+voorzien, doch de fakkel der waarheid, hem door MAERLANT'S
+hand toegereikt, heeft hij op zijne beurt overgegeven aan wie
+na hem kwamen.
+
+<p>Oefende de geestelijkheid aldus door doen en laten invloed
+op de ontwikkeling der geestelijke zelfstandigheid van deze
+volken, ook de adel, al geraakte hij in de minderheid, deed
+zijn invloed op de gemeenten gelden. Doch deze invloed was
+van anderen aard. Het beginsel der navolging dat zich ook in
+het maatschappelijk leven zoo krachtig openbaart, had langzamerhand
+uit de bovenste lagen der gemeentenaren een patriciaat
+gevormd, verwant met den adel, naar den bloede door
+huwelijken, naar den geest, door leefwijze en levensopvatting.<a name="328"></a>
+Dat waren de oude geslachten der vermogende kooplieden en
+grondbezitters, de stedelijke aristocratieën, die nog in het laatst
+der 13<sup>de</sup> eeuw de leiders of meesters der gemeenten waren.
+Zij zochten den adel te evenaren in uiterlijken glans, in vertoon
+van pracht en praal, in beschaving en fijnheid van vormen.
+Zij streefden naar hetgeen de adel nooit had kunnen bereiken:
+heerschende stand te zijn. Een tijd lang gelukte hun dat, doch
+reeds de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw bracht een omkeer in hun
+toestand. De handwerkslieden, in Noord en Zuid vereenigd
+tot gilden die al machtiger werden, stelden zich onder hunne
+Dekens tegenover de &#8222;geslachten" en eischten deel aan de
+regeering van stad en land. Overal zien wij deze democratische
+woeling en strijd der partijen. Doch de zege blijft aan de gilden.
+JACOB VAN ARTEVELDE bezorgt hun in Gent de overwinning;
+ook elders in Zuid-Nederland en in het Noorden, in steden
+als Dordt, Leiden, Utrecht, Zwolle zien wij deze verplaatsing
+van het overwicht<a href="#11.8">[8]</a>. Eene nieuwe laag der bevolking komt op
+ruimer schaal dan vroeger deelnemen aan en invloed oefenen
+op het volksleven in al zijne uitingen.
+
+<p>Ook onder de lagere standen ontwaken het zelfgevoel en de
+begeerte om hoogerop te komen:
+
+<p class="quote">Die huusman<a title="[margin: boer.]"><sup>#</sup></a> volcht den heren naer,
+Om schout te wesen ofte baeliu,
+</p>
+
+<p>zegt WlLLEM VAN HlLLEGAERTSBERCH<a href="#11.9">[9]</a>.
+
+<p>In een stuk van een onbekend dichter uit dezen tijd zien
+wij, hoe de titelzucht ook toen reeds de burgerij had bevangen.
+
+<p>De neiging tot een titel, door MAERLANT in zijn <i>Alexander</i>
+terloops gehekeld bij de meisjes uit het volk, is blijkbaar zoo
+sterk geworden dat een ander dichter er een gansch gedicht
+aan wijdt, getiteld <i>Van dat die liede sijn gherne geheten joncfrou</i>.
+Wij lezen daar o.a.:<a name="329"></a>
+
+<p class="quote">Heile, Griete, Lise oft Calle,
+heten nu joncfrou alle!
+Al hadde haer moeder warmoes vercocht,
+oft liede gebeden ter bruloft,
+oft te like gebeden<a title="[margin: ter begrafenis genoodigd.]"><sup>#</sup></a> vrouwen,
+oft ael<a title="[margin: bier (met minder hop).]"><sup>#</sup></a> oft bier gebrouwen,
+natten geknocht<a title="[margin: biezen gevlochten.]"><sup>#</sup></a> oft huven,
+hoenre vercocht ende duven&mdash;,
+Si souden joncfrou willen sijn.
+</p>
+
+<p>Een van deze dames, die door den dichter wordt begroet
+met <i>vrouwe</i>, kijkt op hem neer zoo trotsch
+
+<p class="quote">Als ene hinne op enen pier!<a href="#11.10">[10]</a>
+</p>
+
+<p>BOENDALE keurde deze gansche volksbeweging af; dat de
+&#8222;heeren" moesten wijken voor schoenmakers, volders, wevers,
+slagers en dergelijken&mdash;het was voor hem &#8222;de verkeerde
+wereld"<a href="#11.11">[11]</a>. Doch vruchteloos heeft hij zich met deze nabetrachting
+tegen den stroom gekant; hij heeft dien niet kunnen
+keeren.
+
+<p>Al gelooft men niet dat het toentertijd in de Nederlanden
+de verkeerde wereld was, men kan daarom toch wel erkennen
+dat er in die wereld veel verkeerds was. De vroegere onkunde
+begon weliswaar te wijken voor den invloed, die uitging van
+kapittel- en kloosterscholen, van parochie- en bijzondere scholen;
+de kunsten van lezen, schrijven en rekenen begonnen zich
+langzamerhand te verbreiden; de volslagen onwetendheid van
+vroeger ziet men nog vooral onder de boeren, die zelfs niet
+weten hoe oud zij en hunne kinderen zijn. Maar de wilde
+zinnelijkheid van deze krachtige jonge volken laat zich even
+bezwaarlijk teugelen als in een vroeger tijdvak. Dat zij behagen
+schepten in lichaamsoefeningen: naar den papegaai schieten,<a name="330"></a>
+kaatsen en andere spelen, dat kon men slechts loven; minder
+prijselijk was hun lust tot dobbelen met teerlingen, hun dansen,
+reien en springen in de kroegen op heilige dagen.
+
+<p>Welk een ruwheid overal! Lieden, die in de kerken nog
+wel een vrijplaats gevonden hadden, ontzien zich niet de banken
+af te breken om er vuren van te stoken, er te dobbelen,
+te twisten en ontucht te plegen. Het schenden van heiligenbeelden
+en van het plaveisel in de Lievevrouwen-kerk te Dordrecht
+was niet zeldzaam. In de kerken wordt ook onder den
+dienst getwist en gekeven; ook soms tusschen priesters en
+leeken, zoodat de vuist en de wijkwast te werk gesteld worden.
+De leden van den Raad te Kampen gaan elkander in het
+Rechthuis te lijf.
+
+<p>De strafregisters van dezen tijd zijn rijk voorzien, ook rijk
+aan afwisseling. CLAES MEYNSEN ZOON wordt gestraft, omdat
+hij de sluis van NANNE MODDE heeft opengezet, zoodat NANNE'S
+land is ondergeloopen. LAMMEKIJN DE WEVER, omdat hij een
+stomme heeft mishandeld en willen dwingen tot spreken. NANNE
+LUTART, omdat hij een brouwsel bier van JACOB, ALIDE'S ZOON,
+heeft bedorven, door er een dood varken in te gooien. GERRIT
+DE DUIVEL en tal van anderen, omdat zij een mes hebben
+getrokken. Zekere CAMERMAN wegens het toebrengen van een
+vuistslag bij nacht (die waren tweemaal duurder dan de overdagsche)<a href="#11.12">[12]</a>.
+Talrijk zijn de boeten, opgelegd aan gehuwde
+mannen en vrouwen, die leven met andere vrouwen en mannen.
+Vrouwenschennis en schaking waren niet zeldzaam. De
+rekeningen van het bisdom Utrecht bevatten talrijke posten &#8222;de
+fornicacione", &#8222;de adulterio" en &#8222;de duplici adulterio"<a href="#11.13">[13]</a>.
+
+<p>Al deze ruwheid van zeden en grofheid van uitspattingen
+mogen niet vooral op rekening der opkomende democratie
+worden geschoven. De hoogere standen bezaten meer uiterlijke
+verfijning, dan de lagere; doch vaak was die slechts een ver<a name="331"></a>nisje,
+waar de oorspronkelijke ruwheid op menige plek doorheen
+schemerde. Wanneer eene aanzienlijke edelvrouw als
+YOLENTE COURTROISIN, uit het geslacht der kasteleinen van
+Kortrijk, zich zóó ver vergeten kon, dat zij een baljuw in de
+uitoefening zijner bediening grovelijk beleedigde en met een
+stok mishandelde; wanneer de kanonniken der hofkapel te
+'s-Gravenhage elkaar niet zelden in het koor bespotten, scholden,
+stootten en sloegen&mdash;dan kan de beschaving onder den
+adel over het algemeen geen hoogen trap hebben bereikt<a href="#11.14">[14]</a>.
+
+<p>De Overheid trachtte de brooddronkenheid, bandeloosheid
+en ontucht met wetten te keeren en te betoomen. In Vlaanderen
+en Brabant werden wetten uitgevaardigd tegen de weelde. Brussel
+bezat reeds in de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw tuchthuizen,
+&#8222;goede vaste ghyoelen", &#8222;omme de wilde joncheit te bat in
+bedwange te houden". De straffen blijven nog altijd zwaar en
+ten deele barbaarsch. In Deventer worden in 1344 vrouwen
+levend begraven. Een valsche wijbisschop wordt in 1392 te
+Utrecht veroordeeld om levend gekookt te worden in een onder
+het schavot geplaatsten ketel. Bij wijze van gratie wordt hij uit
+den ketel getild en onthoofd<a href="#11.15">[15]</a>. Naar het schijnt, werd deze
+laatste straf slechts zelden toegepast; doch er waren zoovele
+andere gruwzame straffen, dat onze algemeene indruk daardoor
+weinig gewijzigd wordt.
+
+<p>Die straffen strookten met die tijden: tijden van groote
+ruwheid ja, maar ook van groote, van ontzagwekkende kracht.
+Welk een taaie kracht was er in die Friezen, die telkens de
+aanvallen der machtige Hollandsche graven afslaan en onder wier
+slagen de bloem van den Hollandschen en Henegouwschen
+adel bezwijkt; in die Vlamingen ook die den slag bij Kortrijk
+wonnen; in al die weerbare burgerijen, verplicht en gereed
+hunne stad te bewaken en te verdedigen.
+
+<p>Welk eene volksweerbaarheid, welk eene volkskracht!<a name="332"></a>
+
+<p>Die volkskracht gaat zich openbaren in eene aanwassende
+verscheidenheid van vormen en gestalten. Er komt werking in
+de massa's; hier en daar gaat zich het bijzondere losmaken
+van het algemeene, de enkeling zich onderscheiden van den
+stand waartoe hij behoort. Bij adel en geestelijkheid was dat
+reeds vroeger eenigermate het geval geweest; nu ziet men dat
+verschijnsel ook onder de gemeentenaren. Het is geen toeval
+dat wij juist uit dezen tijd verscheidene hunner leiders of aanvoerders
+bij name kennen: NICOLAAS ZANNEKIJN, JAN BREYDEL
+en PIETER DE CONINC; JACOB VAN ARTEVELDE met zijne beide
+medestanders: PIETER VAN DEN BOSSCHE en FRANS ACKERMAN;
+JOHAN YOENS; PETER COUTEREEL, &#8222;de Brabantsche
+ARTEVELDE"<a href="#11.16">[16]</a>. In de Noordelijke landen, die in algemeene
+ontwikkeling bij de Zuidelijke achterstonden, kunnen wij niet
+zulk een aantal namen van beteekenis aanwijzen.
+
+<p>Het bijzondere zich losmakend van het algemeene, dat verschijnsel
+meenen wij te kunnen opmerken ook op kleiner schaal:
+de verhouding van den eenling tot de maagschap. Niet alsof
+de maagschap hare beteekenis geheel zou hebben verloren! In
+eene oude vertaling van FROISSART'S kroniek lezen wij van eene
+bloedveete tusschen een paar geslachten van rijke &#8222;schippers"
+(reeders) te Damme uit het laatst der 14<sup>de</sup> eeuw in deze
+woorden: &#8222;Wair was dat, voir dien tijt van oudts, binnen der
+stede van den Damme, een dootlijc oirloge gestaen hadde
+twischen twee rijke mannen, scipperen aldair, met horen magen
+an beyden sijden, dairaf die een geheten was JAN PIER ende
+die ander JAN BAIRDE, bij welken oirloge onderlinge van horen
+magen doit gebleven wairen wail tot CXVIII pereonen toe, van
+welker eenre pertije GIJSBERT MAHIEU ende sine bruederen
+mage waren, ende JAN LIJON was maech van der ander zijde.
+Welken hate ende nijde aldus bedect gedragen wert ende van
+langen tijt opgevoet twischen desen JAN ende GIJSBERT, hoewail<a name="333"></a>
+sij te samen spraken, aten ende dronken, alst so diende te
+samen of te punte quam, mer altijt lach desen hate den
+Mahijewelingeren veel felre ende duenre<a title="[margin: vaster]"><sup>#</sup></a> int herte dan dat JAN
+LIJON dede"<a href="#11.17">[17]</a>.
+
+<p>In een gedicht uit dezen tijd wordt gesproken van &#8222;buten
+maghen in ellenden" te wonen<a href="#11.18">[18]</a>; daar loopt een der wegen,
+waarlangs het woord <i>ellende</i> dat oorspronkelijk: <i>ander land</i>
+beteekende, aan zijne overdrachtelijke beteekenis gekomen is.
+
+<p>Maar er zijn toch teekenen die op eene aanstaande kentering
+in dezen schijnen te wijzen. Sprekend over de moordenaars van
+Graaf FLORIS, zegt MELIS STOKE:
+
+<p class="quote">Dat dese verraders hebben ghelaten
+Den maghen verwijt: si moghense haten.
+</p>
+
+<p>Hier wordt de verantwoordelijkheid der magen voor de daden
+van één hunner erkend. Doch onmiddellijk daarop lezen wij:
+
+<p class="quote">Nochtan so nes niement vroeder<a title="[margin: geen verstandig man.]"><sup>#</sup></a>,
+De dat verwijt iement goeder,
+Dat sijn maech hevet misdaen<a href="#11.19">[19]</a>.
+</p>
+
+<p>De Antwerpsche stadssecretaris JAN BOENDALE stelt in zijn
+<i>Lekenspieghel</i> de vraag: of men magen en vrienden moet
+helpen en ondersteunen. Een wijs meester antwoordt daarop:
+ja, indien uwe magen arm zijn, in het ongeluk geraakt en
+brave menschen. Doch zijn zij dwaas en slecht, doorbrengers
+of deugnieten, laat ze dan links liggen; 't is toch boter aan
+de galg gesmeerd<a href="#11.20">[20]</a>.
+
+<p>Deze Zuidnederlander durft al heel wat verder gaan dan de
+Hollander STOKE; maar ook hier zal het Noorden het Zuiden
+volgen.
+
+<p>In een merkwaardig stuk <i>Van drierehande lyden</i> heeft de
+Noordnederlandsche dichter WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH<a name="334"></a>
+ons een man geschetst, wien het slecht vergaat, omdat hij zich
+van zijne magen afzondert. Hij is trotsch als een baron, hoewel
+hij slechts &#8222;maet van goede" is. Zijne magen ergeren zich
+daaraan, maar hij geeft niet om hun raad. Nu moet hij alleen
+zijn weg gaan en dat bekomt hem slecht:
+
+<p class="quote">Misdede ic yet, ic wort ghesleghen,
+Ic most den menighen verdreghen
+Entaer toe lyden mit hem allen.
+Soe wye sijn maghen worden tieghen,
+Die moet van des ghelijcke pleghen,
+Hem sel veel te lyden vallen<a href="#11.21">[21]</a>.
+</p>
+
+<p>Het is waar dat HILLEGAERTSBERCH hier waarschuwt tegen
+het losmaken van den band der maagschap, doch uit die waarschuwing
+zelve blijkt, dat de dichter dezen nieuwen trek in
+het volksleven had opgemerkt en gewichtig genoeg achtte om
+er de aandacht van zijn publiek op te vestigen.
+
+<p>Verwant met dezen trek is het individualisme, dat zich, zij
+het slechts op een paar plaatsen, in de keuze der kleeding
+openbaart. De hekeldichter JAN DE WEERT deelt ons in zijn
+<i>Nieuwe Doctrinael</i> mede:
+
+<p class="quote">Elc wil draghen of hebben dat niemen
+En heeft of draghet, can hijt gheraken<a href="#11.22">[22]</a>.
+</p>
+
+<p>en de auteur van een ander 14<sup>de</sup>-eeuwsch leerdicht <i>Spiegel der
+Zonden</i> zegt evenzoo:
+
+<p class="quote">Elk zoect om vremde ghedane
+In zinen clederen....<a href="#11.23">[23]</a>.
+</p>
+
+<p>Dit individualisme, zich nu nog maar openbarend in iets
+uiterlijks, zullen wij gaandeweg, doch uiterst langzaam, zich
+zien ontwikkelen in een later tijdvak.<a name="335"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.1">1</a>: Vgl. BLOK, <i>Gesch. v.h. Ned. Volk</i>, II, 24 vlgg., 222.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.2">2</a>: SCHOTEL, <i>Abdij van Rijnsburg</i>, bl. 90&ndash;92.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.3">3</a>: DE LANGE VAN WIJNGAARDEN, <i>Gesch. van Gouda</i>, I, 137,
+141, 154. BUSKEN HUET geeft een aardig beeld van Graaf JAN in
+zijn handel en wandel in Deel I van <i>Het Land van Rembrand</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.4">4</a>: BLOK a.w. II, 42&ndash;3, 165&ndash;6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.5">5</a>: A.w.B. III, c. 26.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.6">6</a>: SCHOTEL, <i>Abdij van Rijnsburg</i>, bl. 76; PIRENNE a.w. II, 20;
+<i>Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Gen.</i>, XXIII, 60.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.7">7</a>: A.w. (ed. SNELLAERT in <i>Nederl. Gedichten uit de veertiende
+eeuw</i>), bl. 252.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.8">8</a>: Vgl. hierover VANDERKINDERE'S <i>Siècle des Artevelde</i> o.a. p. 185,
+112, 126&ndash;130; BLOK a.w. II, 8 vlgg.; PlRENNE a.w. II, 407;
+S. MULLER FZ. in <i>De Gids</i> van 1897 (Juni).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.9">9</a>: <i>Ged.</i>, bl. 211, vs. 344&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.10">10</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 76.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.11">11</a>: In zijne <i>Brabantsche Yeesten</i>, V, 415 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.12">12</a>: Vgl. <i>Siècle des Artevelde</i>; het &#8222;papegoy schieten" a<sup>o</sup> 1361 in
+de <i>Cameraars-Rek.</i>, III<sup>1</sup>, p. 15; <i>Nieuwe Doctrinael</i>, 793&ndash;5, 1720&ndash;4;
+EBBINGE WUBBEN, <i>Over Mnl. Vertalingen van het O.T.</i>, p. 105
+(a<sup>o</sup> 1360). Mr. S. MULLER FZ., <i>Registers en Rekeningen van het
+Bisdom Utrecht</i>, I, 481, 488, 467 vlgg., 474&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.13">13</a>: <i>Siècle des Art.</i> p. 404; ROBERT FRUIN'S <i>Verspr. Geschr.</i>, I,
+155; MULLER, <i>Reg. en Rek.</i>, I, 480; 527 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.14">14</a>: Vgl. <i>Siècle des Art.</i>, p. 260; CANNAERT, <i>Bijdragen tot
+de kennis van het oude strafrecht</i>, bl. 69; MOLL a.w. II, 4,
+bl. 146&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.15">15</a>: <i>Belg. Mus.</i>, X, 104 vlgg.; <i>Cam.-Rek.</i>, I, 134, 199; <i>Oud-Utrechtsche
+Vertellingen</i> door Mr. S. MULLER FZ., bl. 43.]<a name="336"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.16">16</a>: PlRENNE a.w. II, 33.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.17">17</a>: <i>Jehan Froissarts Cronycke van Vlaenderen</i> in de vertaling van
+GERRIT POTTER VAN DER LOO (ed. N. DE PAUW), p. 5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.18">18</a>: <i>Cyromanchie van den pape van den Hamme</i> in N. DE PAUW'S
+<i>Mnl. Ged.</i>, I, 270.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.19">19</a>: IV, 1305-'9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.20">20</a>: A.w.B. III, c. 22.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.21">21</a>: <i>Gedichten</i>, bl. 127, n<sup>o</sup>. 66.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.22">22</a>: Vs. 859&ndash;860.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.23">23</a>: Vs. 11605 vlgg.]<a name="337"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>RIDDERPOËZIE IN VERVAL[*]</h2>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot *: Voor de tijdsbepaling vgl. de Aanteekeningen achter dit hoofdstuk.]
+
+<p class="intro">1. Baerte metten breden voeten, Ridder metten Zwane, Cassamus,
+Loyhier ende Malaert, Borchgravinne van Vergy.
+
+<p class="intro">2. Ogier, Malegijs, Huge van Bordeeus, Valentijn en Nameloos.
+
+<p class="intro">3. Borchgrave van Couchi. Seghelijn van Jerusalem.
+
+<p>De ontwikkeling van het ridderwezen spiegelt zich af in die
+der ridderpoëzie. Voor een deel wordt het oude leven ook
+hier voortgezet: er wordt, als vroeger, vertaald uit het Fransch;
+als vroeger zelfstandige bewerkingen van in het Fransch bewerkte
+stoffen gegeven; als vroeger oorspronkelijke romans&mdash;voorzoover
+daarvan hier sprake kan zijn&mdash;samengesteld. Er is
+echter verschil op te merken in dit opzicht: de aanwas van
+zelfstandigheid onder deze volken openbaart zich hierin, dat
+het aantal vertaalde werken geringer is dan dat der zelfstandig
+bewerkte.
+
+<p>Vertaald werden de romans: <i>van Baerte metten breden voeten</i>,
+<i>de Ridder metten Zwane</i>, <i>Cassamus</i>, <i>Loyhier ende Malaert</i> en
+<i>de Borchgravinne van Vergy</i>; de laatste zelfs in twee bewerkingen.
+Van den <i>Loyhier ende Malaert</i>, die waarschijnlijk uit
+het Fransch vertaald is, kan kan men echter geen Fransch
+origineel aanwijzen. Van de twee eerstgenoemde werken hebben
+wij slechts onbeteekenende, van de twee volgende grootere
+fragmenten over; het laatstgenoemde werk is tot ons gekomen
+in eene volledige en eene onvolledige bewerking<a href="#12.1">[1]</a>.<a name="338"></a>
+
+<p>Zelfstandige bewerkingen van poëtische stoffen, ook door
+Fransche dichters behandeld, doch kwalijk als vertalingen te
+beschouwen, brengen ons de romans <i>van Ogier</i>, <i>van Malegijs</i>,
+<i>van Huge van Bordeeus</i> en <i>van Valentijn en Nameloos</i>, alle
+in fragmentarischen toestand tot ons gekomen. In hoever ook
+de <i>Loyhier en Malaert</i> tot deze groep kan worden gebracht, is
+moeilijk uit te maken, zoolang wij het Fransch origineel niet
+bezitten<a href="#12.2">[2]</a>.
+
+<p>De romans <i>Van den borchgrave van Couchi</i> en <i>van Seghelijn
+van Jerusalem</i> eindelijk mag men onder voorbehoud oorspronkelijke
+werken noemen<a href="#12.3">[3]</a>.
+
+<p>Het eerste der hier genoemde werken geeft reeds dadelijk
+een denkbeeld van hetgeen ons in de overige wacht.
+
+<p>BERTE &#8222;metten breden voeten" is de dochter van FLORIS en
+BLANCEFLEUR en huwt koning PEPIJN van Frankrijk. Eene
+dienstmaagd MARGISTE doet hare dochter ALISTE BERTE'S plaats
+in het bruiloftsbed innemen. BERTE wordt na eene valsche
+beschuldiging ter dood veroordeeld. Zij brengt er het leven af,
+zwerft rond in de bosschen, komt bij den &#8222;foreestier" SYMON
+en blijft daar, totdat zij door den koning wordt teruggevonden
+en in eere hersteld. Later wordt zij moeder van KAREL DEN
+GROOTE. Door dit werk toont ADENET LE ROI zich in zijn
+karakter van &#8222;remanieur"; aanknoopend bij een vroeger literair
+werk eenerzijds, bij de persoonlijkheid van CHARLEMAGNE
+anderzijds, tracht hij door eene verwarrende veelheid van
+avonturen de aandacht te prikkelen.
+
+<p>LOYHIER, in den roman van dien naam, wordt ons voorgesteld
+als een zoon van CHARLEMAGNE. Hij is een middeleeuwsche
+Don Juan. Op aandringen der hooge edelen van het hof verbannen,
+trekt hij met zijn trouwen vriend MALAERT naar het
+Oosten, wordt keizer van Constantinopel en beleeft nog tal van
+avonturen. De roman van <i>den Ridder met den Zwaan</i> is eene<a name="339"></a>
+poging om de eigenlijke geschiedenis van den Zwaanridder HELIAS
+te verbinden met die van GODFRIED VAN BOUILLON. De onbeduidende
+fragmenten, die wij van de Dietsche bewerking over
+hebben, verplaatsen ons naar een schitterende wapenschouwing
+over GODFRIED'S vazallen, die indruk moest maken op de
+toehoorders als op den Sarraceenschen koning CORNUBRANT,
+die haar vermomd bijwoont. De <i>Cassamus</i> behelst eene der
+bewerkingen van de <i>Alexander-sage</i> en spreekt vooral van
+hoofschheid en van minne. De <i>Borchgravinne van Vergy</i> is
+een bevallig maar droef verhaal van de liefdesbetrekking tusschen
+deze edelvrouw en een Bourgondisch ridder, op wien
+ook de hertogin van Bourgondië verliefd is. De ijverzuchtige
+hertogin brengt eerst de burggravin, daarna den ridder tot
+zelfmoord en wordt zelve met den dood gestraft door haren
+gemaal, die dan als Tempelridder naar Palestina trekt. Deze
+berijmde novelle vormt den overgang tusschen den ridderroman
+en de riddersproke.
+
+<p>De sage van OGIER, een der dappere &#8222;genooten" van KAREL
+DEN GROOTE, was hier te lande waarschijnlijk reeds vroeg
+behandeld. Men mag dat vermoeden op grond eener vermelding
+in <i>Van den Levene ons Heren</i> (vs. 10). Doch het is
+weinig waarschijnlijk dat daar gedoeld wordt op deze Dietsche
+bewerking, die niet terug te brengen is tot een der bekende
+Fransche bewerkingen. Zoo hebben ook de <i>Malegijs</i>, de <i>Huge
+van Bordeeus</i> en de <i>Valentyn en Nameloos</i> met de Fransche
+bewerkingen dier stoffen weinig meer gemeen dan eenige namen
+en voorname feiten. MALEGIJS is de uit den roman van <i>de
+Heemskinderen</i> bekende toovenaar; HUGE VAN BORDEEUS: een
+leenman van CHARLEMAGNE, die onwetend des keizers zoon
+doodt, daarvoor gestraft wordt met de opdracht om den baard
+en vier tanden van den soudaan van Babyion te gaan halen
+en allerlei avonturen gelukkig te boven komt door hulp van<a name="340"></a>
+den tooverkoning OBERON. <i>Valentyn en Nameloos</i> behelst eene
+bewerking der zelfde sage, die in het latere Fransche volksboek
+van VALENTIJN en OURSON wordt gevonden: de talrijke bonte
+avonturen van een broederpaar, jong gescheiden, waarvan de
+een door eene berin (wolvin) gezoogd is en door den ander,
+een volmaakt ridder, overwonnen wordt, waarna zij als wapenbroeders
+de wereld rondtrekken. VALENTIJN wordt ten slotte
+koning van Frankrijk, NAMELOOS koning van Hongarije.
+
+<p>Het verhaal <i>van den Borchgrave van Couchi</i> behandelt voornamelijk
+COUCHI'S liefde tot BEATRIJS, echtgenoote van den
+Heer van Famweel en zijn strijd met den bastaard MASEBROUC
+om het land van Ardennen. Meer dan eens ook worden wij
+verplaatst aan het hof van koning KAREL DEN KALE, tot wiens
+vazallen COUCHI behoort.
+
+<p>SEGHELIJN van Jeruzalem eindelijk is de zoon van een heidensch
+vorst; zijne moeder heet BLANSEFLEUR. Hij wordt opgevoed
+door een visscher, helpt CONSTANTIJN DEN GROOTE
+de overwinning behalen, huwt diens dochter FLORETTE, wordt
+keizer van Rome en later paus. Vóór dien tijd heeft hij de
+gelegenheid waargenomen bij zeven koninginnen de latere zeven
+vroeden van Rome te verwekken; op deze wijze&mdash;natuurlijker
+en eenvoudiger kon het niet!&mdash;heeft de dichter, zekere LOY
+LATEWAERT, zijn werk verbonden met den naar de Zeven
+Vroeden genoemden roman.
+
+<p>Vergelijken wij deze ridderpoëzie met die uit ons Eerste Boek,
+dan blijkt wel dat wij van verval mogen spreken.
+
+<p>Daar was nog gevoel voor het ridderwezen in zijn idealisme,
+zijn heroïsme, zijne fijnheid van omgangsvormen; hier is daarvan
+weinig of niets over. Zeker, ook het dorperlijke en onaesthetische
+vertoont zich daar, doch tegenover die schaduw is er
+vrij wat licht. Maar hier? Wat is er geworden van het gevoel<a name="341"></a>
+voor het ridderwezen, van de ridderlijke idealen? Ja, er wordt
+nog gestreden ook tegen de heidenen, maar de bezieling is
+verdwenen. Avonturen en nog eens avonturen, wonderen het
+een nog wonderbaarlijker dan het andere, moeten dat gemis
+vergoeden. De <i>Limborch</i> en de <i>Flandrijs</i>, die wij in het Tusschenspel
+leerden kennen, mogen in dit opzicht beschouwd worden
+als schakels tusschen de oudere en de jongere ridderpoëzie.
+
+<p>Staaltjes van gemis aan ridderlijk gevoel, dorperlijke opvatting,
+die wij vroeger slechts hier en daar vonden, zijn hier maar al
+te rijkelijk aanwezig. In geen der vroegere werken wordt het
+ridderwezen door lage boert en platte grappen zoo naar beneden
+gehaald en onteerd als hier niet zelden geschiedt. In het gedicht
+<i>van den Grimbergschen Oorlog</i> dat wij in het <i>Tusschenspel</i>
+even vermeldden, moedigt Heer ARNOUT VAN OYENBRUGGE
+de zijnen aan door hen indachtig te maken dat zij in hun eigen
+land zijn, de vijand daarentegen op vreemd gebied moet strijden.
+Hij bedient zich daarbij van deze vergelijking: een hond durft
+op zijn eigen mesthoop veel beter dan een vreemde. Elders in
+dat gedicht lezen wij, dat een schild wordt gekloofd als een
+raap<a href="#12.4">[4]</a>. Den dapperen OGIER laat men struikelen over erwten,
+om hem zoo ten val te brengen<a href="#12.5">[5]</a>. In de <i>Couchi</i> wordt eene
+veete bij een zwerende puist vergeleken. Ridder SEGHELIJN zegt
+van zich zelven:
+
+<p class="quote">Ende so ic ben een quade sprute,
+So moet die pust breken ute.
+</p>
+
+<p>Zijn ros Glorifier eet gebraden kapoenen. Als het dan staat
+te likkebaarden, zegt zijn meester lachend tot het ros: dat is
+uwe ouders nooit gebeurd, maar gij verdient het wel!" Nadat
+SEGHELIJN vijftien jaar lang gevangen heeft gezeten op water
+en brood in een donker hol, doet God een wonder aan hem:<a name="342"></a>
+nu ziet hij er weer zoo goed uit, &#8222;alsof hij zich had liggen
+mesten"<a href="#12.6">[6]</a>.
+
+<p>Maar de <i>Malegijs</i> spant hier de kroon.
+
+<p>MALEGIJS doet door zijne tooverkunsten een aantal ridders
+naakt een rondedans uitvoeren en later onder groot gelach der
+omstanders op den grond tuimelen; de dwerg SPYËT vermaakt
+zich daar kostelijk mede en geeft den raad om ze als vogelverschrikkers
+in het koren te zetten. MALEGIJS' oom, meester
+YVERT, lacht als REINAERT: &#8222;mi dochte dat ic spleet". Beyaert,
+het edele ros der Heemskinderen, wordt door MALEGIJS voor
+een kar met wijn gespannen. Dat was erger dan, met molensteenen
+aan de pooten, in de Oise verdronken te worden!
+ROELANT spreekt smalend tot CHARLEMAGNE over diens &#8222;grote
+coenheide"; gaat gij ons voor in het gevecht, zegt ROELANT,
+dan vechten wij mee; maar vlucht gij, dan vluchten wij ook<a href="#12.7">[7]</a>.
+
+<p>Evenals de <i>Limborch</i> en de <i>Flandrijs</i> zijn ook deze werken
+slechts voor een gering deel uit het leven ontstaan, doch
+grootendeels uit herinneringen aan wat de vervaardigers elders
+gehoord of gelezen hadden.
+
+<p>De <i>Seghelijn</i> is op-en-top een compilatie; vele bewijzen
+daarvan zijn reeds vroeger bekend gemaakt en zij kunnen nog
+vermeerderd worden; ook met den <i>Huge van Bordeeus</i> en den
+<i>Valentijn en Nameloos</i> is dat het geval. In de overige werken
+kunnen wij eveneens telkens namen of toestanden aantreffen
+die reeds in vroegere werken worden gevonden en het beroep op
+&#8222;ouden jeesten" in den roman van <i>Couchi</i> begrijpelijk maken<a href="#12.8">[8]</a>.
+
+<p>Doch waarin ook de ridderpoëzie van dezen tijd moge
+achterstaan bij die van een vroeger tijdperk, niet in stichtelijkheid.
+In de onderscheidene fragmenten van <i>Valentijn en Nameloos</i>
+en in den <i>Malegijs</i> vertoonen zich telkens godsdienstige
+of op godsdienstigheid gelijkende invoegsels. De voltooier van
+het gedicht op den Grimbergschen Oorlog betreurt het zelfs,<a name="343"></a>
+dat deze strijd gevoerd is tusschen Christenridders: hadden zij
+gezamenlijk de Sarracenen bestreden, zegt hij, dan zouden wij
+hen mogen prijzen. Aan het slot van zijn werk richt hij tot
+den edelman, voor wien het werk bestemd was, een bespiegeling
+over de broosheid des levens en een waarschuwing,
+dat hij rekenschap zal moeten afleggen van zijn doen en laten<a href="#12.9">[9]</a>.
+Maar eerst in den <i>Seghelijn</i> viert de stichtelijkheid hoogtij!
+Allerlei wonderen worden verricht door onderscheidene reliquieën
+van CHRISTUS: den geesel, het &#8222;vergulde vat", waar
+JEZUS azijn met gal gemengd uit dronk, de doornenkroon en
+de spijkers van het kruis. De gebeden zijn hier uitermate lang;
+andere stichtelijke passages niet zeldzaam. Als SEGHELIJN honger
+heeft, daalt een soort manna voor hem uit den hemel. Op
+zijn wensch krijgt dat brood daarna den smaak van een kapoen
+en later zelfs van wijn. De stichtelijkheid komt hier gevaarlijk
+dicht bij het sprookje van &#8222;tafeltje dek je"! SEGHELIJN zelf
+wordt als een soort van Graalridder voorgesteld: als hij nadert
+laat een geesel met vijf knoopen, waarmede JEZUS gegeeseld is,
+droppels bloed vallen; zelfs de speer uit de Graal-sage wordt
+hij waardig gekeurd<a href="#12.10">[10]</a>.
+
+<p>Wel strooken met deze begeerte tot stichten de vermaningen
+en moralisaties, die in den <i>Ogier</i> zijn gevlochten, en het didactisch
+element in dat werk en den <i>Seghelijn</i>. In den laatsten
+roman vinden wij een tooneel, waar de held door zijne
+moeder BLENSEFLUER gekust wordt. Verraders, die de verhouding
+der koningin tot den jongeling niet kennen, beschuldigen
+SEGHELIJN in des konings tegenwoordigheid van ongeoorloofde
+verstandhouding met de koningin. &#8222;Schurk," zegt
+SEGHELIJN, &#8222;men omhelst en kust elkander dikwijls in eer
+en deugd. Wat overigens de kussen betreft, er zijn vier soorten:
+&#8222;van moeder, van lieve, van peise en van grieve." Deze
+scholastieke indeeling en de elders voorkomende &#8222;questiën"<a name="344"></a>
+met de daarbij behoorende antwoorden verplaatsen ons naar
+het trivium en het onderwijs in de dialectiek.
+
+<p>Het geringe gevoel voor de ridderlijke idealen, de neiging
+tot stichtelijkheid en didactiek hebben reeds het vermoeden
+kunnen wekken, dat de literaire waarde dezer werken niet
+groot zal zijn. Het compilatorisch karakter alleen zou voor dat
+vermoeden te weinig grond geven; want ook al heeft men dat
+vastgesteld, dan blijft altijd nog ter beantwoording deze vraag:
+Wat hebben de dichters van de door hen ontleende stoffen
+gemaakt?
+
+<p>Maar ook op die vraag kan men bezwaarlijk anders antwoorden
+dan: weinig moois of verdienstelijks. De <i>Cassamus</i>
+en vooral de <i>Borchgravinne van Vergy</i> zijn vloeiend, hier en
+daar bevallig, vertaald; doch naar het schijnt hebben deze
+vertalingen overigens weinig eigens. De meer zelfstandige werken
+verheffen zich soms tenauwernood boven het middelmatige en
+blijven niet zelden daarbeneden. In den <i>Couchi</i> vindt men wel
+eens aardige verzen; zoo b.v. deze:
+
+<p class="quote">Daer so hadde een worm ghebeten
+Diepe in ziere rosen blat,
+So dat nemmermeer dat gat
+Conde heelen noch genezen.
+</p>
+
+<p>In den <i>Malegijs</i>, die overigens vooral in den versbouw een
+ongeoefende hand verraadt, vindt men hier en daar niet onverdienstelijke
+minne-lyriek<a href="#12.11">[11]</a>. Doch over het algemeen is de oogst
+van het goede of verdienstelijke uiterst schraal. Hoe zou dat
+ook anders kunnen zijn, waar de dichters van de beide minst
+afhankelijke werken telkens toonen hoe weinig zij <i>in</i> hun verhaal
+zijn. Den vervaardiger van den <i>Seghelijn</i> zien wij telkens
+het oog afwenden van zijn verhaal en zijne personages, om het
+op zijn eigen tijd te richten; gewoonlijk wordt hij daartoe<a name="345"></a>
+gedreven door het verlangen om te waarschuwen, te vermanen
+of te berispen. Hij handelt dan over de trouweloosheid en de
+kijfzucht der vrouwen, de wellustigheid der mannen; ontraadt
+zijn publiek, een dief van de galg te bevrijden; hij wekt den
+dommen mensch op, God te erkennen in Zijne kracht en
+Hem steeds te dienen<a href="#12.12">[12]</a>. In den roman <i>van Couchi</i> vinden
+wij evenzoo b.v. een uitval tegen het ridder worden zonder
+den ridderslag; over den ootmoed, die de vrouwen past; eene
+bespiegeling over &#8222;een crudekijn, heet nijt", in den geest, waarin
+later WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH zal spreken &#8222;van enen
+cruut ende hiet selve".
+
+<p>Niet bij toeval komt, aan het eind van dit overzicht der
+ridderpoëzie in verval, de naam van een Hollandschen spreker,
+die de gemeenten vertegenwoordigt. Die naam is een vingerwijzing
+naar de dingen die komen. De ridderschap als instelling
+had uitgeleefd, maar niet vergeefs geleefd. Trouw aan
+den heer; eergevoel, dat geen smet op het blazoen duldde;
+vereering der vrouw; toewijding, die met mannenmoed desnoods
+het leven op het spel zette, waar een der ridderlijke
+idealen te verdedigen viel; begeerte om het leven ook door
+de kunst schooner en aangenamer te maken&mdash;naar zulke
+dingen had de ridderschap gestreefd. En al heeft zij die slechts
+gedeeltelijk bereikt, al waren hare handelingen dikwijls in
+openbaren strijd met hare beginselen, desniettemin hebben die
+idealen, door haar voor het eerst verkondigd en voorgestaan,
+als een zuurdeesem ook in het leven dezer volken gewerkt en
+zijn zij dat blijven doen.<a name="346"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<h4>TIJDSBEPALING.</h4>
+
+<p class="footnote">De Fransche roman van <i>Berte aus grans piés</i> is door ADENET LE
+ROI omstreeks 1275 gedicht, de Mnl. bewerking kan dus hoogstens
+uit het laatst der 13de eeuw dagteekenen. (Vgl. <i>Les Epopées françaises</i>
+III, 7). De Fransche roman van <i>Le Chevalier au Cygne</i>, waarop wij
+hier het oog hebben, dagteekent uit de 14de eeuw. Zie <i>Mnl. Ep.
+Fragm.</i>, bl. 253. Onze vertaling dus ten minste evenzeer. Over den
+tijd der vervaardiging van <i>Cassamus</i> vgl. ed. VERWIJS, Inl. XXVIII;
+het Fransche gedicht dagteekent van omstreeks 1312; zie: HOOGSTRA,
+<i>Proza-bewerking van het Leven van Alexander den Groote</i>, Inl. p. XX;
+de volledige bewerking der <i>Borchgravinne van Vergy</i> is van 1315;
+zie vs. 1119 vlgg; de Fransche <i>Lohier et Mallart</i> moet uit de 14de
+eeuw zijn: zie <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, bl. 266; de overige werken: <i>Ogier</i>,
+<i>Malegijs (Maugis d'Aigremont)</i>, <i>Huon de Bordeaux</i> behooren in de
+Fransche literatuur tot het tijdvak der décadence van de ridderpoëzie
+(laatst der 13de en aanvang der 14de eeuw) en moeten dus in hun
+Dietschen vorm ook tot de 14de eeuw gebracht worden; trouwens de
+geest der bewerkingen zelve wijst ons ook naar dien tijd. Het is ook
+opmerkelijk, dat b.v. in den <i>Malegijs</i> verscheidene vreemde woorden
+voorkomen, die men uitsluitend of vooral in werken der 14e eeuw
+aantreft, zooals: athoer, bolle, calant, tfaliant, fardeel, rabat, respons,
+mastijn en andere op p. 193, 201, 203, 205, 207. De <i>Seghelijn van
+Jeruzalem</i> dagteekent van omstreeks 1333&ndash;1350 (zie: Inleiding ed.
+VERDAM, IV). <i>Van den Borchgrave van Couchi</i> wordt door DE VRIES
+m.i. terecht in het tweede vierdedeel der 14de eeuw geplaatst; zie
+<i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, VII, 129&ndash;131). De roman <i>van Valentijn
+en Nameloos</i> vertoont in opzet, samenstelling en bewerking zooveel
+overeenkomst met de hierboven genoemde, dat ik meen hem tegelijk
+met de overige hier te moeten behandelen.
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.1">1</a>: n<sup>o</sup>. 1 afgedrukt achter MOLTZER'S <i>Floris ende Blancefloer</i>,
+bl. 131 vlgg., n<sup>o</sup>. 2 in <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, XIII; n<sup>o</sup>. 3 uitg. VERWIJS<a name="347"></a>
+in: <i>Bibl. van Mnl. Lett.</i>, 2e afl.; n<sup>o</sup>. 4 <i>Mnl. Ep. Fragm.</i> en <i>Tijdschr.
+v. N.T. en L.</i>, XII, 241 vlgg.; n<sup>o</sup>. 5 uitg. STOETT in: <i>Klassiek
+Lett. Pantheon</i>. (Zutphen. W.J. THIEME EN Co).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.2">2</a>: Ik bediende mij voor n<sup>o</sup>. 1 van de uitgave door MATTHES in
+<i>Taal- en Letterbode</i>, VI, 241 vlgg.; n<sup>o</sup>. 2: <i>Madelghijs' Kintsheit</i>
+ed. N. DE PAUW; nieuwe fragmenten in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>,
+XV en XX en <i>Romania</i>, 1897; n<sup>o</sup>. 3&ndash;4 in <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>,
+XI-XII; nieuwe fragmenten in <i>Tijdschr.</i>, XVII en XI (daarbij te
+verg. XI, 229 vlgg.).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.3">3</a>: De <i>Couchi</i> is uitgeg. door DE VRIES in: <i>Tijdschr. v. N.T.
+en L.</i>, VII, 97&ndash;250. DE VRIES hield dit werk voor eene vertaling
+uit het Fransch en meende zelfs dat dit &#8222;nauwelijks aanwijzing behoefde."
+Wat hij aanvoert als grond voor zijne meening, is echter
+zwak (<i>Tijdschr.</i>, VII, 124). Alleen de vele hier voorkomende Fransche
+woorden schijnen grond te geven; inderdaad kunnen zij dat niet
+doen; in den <i>Limborch</i>, <i>Flandrijs</i>, <i>Seghelijn</i>, <i>Leven van Sint Amand</i>
+en menig ander, <i>niet</i> uit het Fransch vertaald werk van dezen tijd,
+komen eveneens vele Fransche woorden voor. Daarentegen wijzen de
+naam <i>Masebrouc</i> en de verklaring van dien naam door den dichter
+(II, 371&ndash;374) er op, dat wij hier een oorspronkelijk Dietsch werk
+hebben. Ons verhaal behelst eene gansch andere geschiedenis dan die
+van den <i>Châtelain de Coucy</i> en nergens blijkt dat er nog eene andere
+Fransche bewerking is geweest. Indien men let op de meerdere zelfstandigheid
+bij de bewerkers van ridderromans uit dezen tijd, die
+blijkt o.a. uit <i>Limborch</i>, <i>Flandrijs</i> en <i>Seghelijn</i>, ook uit de andere
+in den tekst genoemde romans; op de vermenging van verdichting
+en quasi-historische werkelijkheid, die ook in den <i>Limborch</i> wordt
+aangetroffen, en op het didactisch karakter van het bewuste werk&mdash;dan
+zal men het met voldoenden grond voor een Nederlandsch werk
+mogen houden.
+
+<p class="footnote">Bovendien schijnen nog tot de 14e eeuw te moeten worden gebracht:
+1<sup>o</sup>. een roman <i>van Cesar</i>, uitgeg. door N. DE PAUW in <i>Mnl. Ged.</i>,
+III, 530 vlgg., naar het schijnt uit het Fransch vertaald; 2<sup>o</sup>. een
+roman <i>van Octaviane</i>, door BOENDALE vermeld in <i>Der Leken Spieghel</i>,
+III, c. 15, vs. 125.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.4">4</a>: II, 1681&ndash;5; 3017-'9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.5">5</a>: <i>Taal- en Letterbode</i>, VI, 261.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.6">6</a>: <i>Couchi</i>, II, 248&ndash;250; <i>Seghelijn</i>, vs. 640&ndash;2; 3134 vlgg.; 5934.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.7">7</a>: <i>Fragmenten</i> (ed. DE PAUW), bl. 69, 71, 75, 81, 85, 129, 133.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.8">8</a>: In den <i>Seghelijn</i> personages uit de Karel-sage (GAURES en<a name="348"></a>
+ROHAERT); vooral de <i>Flandrijs</i> is nagevolgd, zie <i>Inl.</i>, VI. Den reus
+GRAPAERT vinden wij terug in AGRAPART uit den <i>Huge van Bordeeus</i>;
+een visscher die een hooggeboren kind bij zich neemt, komt voor
+ook in <i>Aiol</i>; SEGHELIJN leeft in het bosch van vruchten en kruiden
+(2885-'9) gelijk PARTONOPEUS; zijn paard wordt hem, terwijl hij
+ligt te slapen, ontstolen, zooals Beiaert aan REINOUT. De naam
+FLORETTE ook in <i>Karlmeinet</i>. De paardenaam Blankaert uit <i>Loyhier
+en Malaert</i> ook reeds in <i>Aubri de Borgengoen</i>; de naam van het
+zwaard Scaerdelijn in <i>Val. en Nam.</i> ook reeds in <i>Aiol</i>; de dans van
+betooverde ridders in den <i>Malegijs</i> ook reeds in den <i>Lancelot</i>, I,
+bl. 109, vs. 122&ndash;3; NAMELOOS heeft een onzichtbaar makenden ring
+en knots evenals de dwerg SPYËT; de auteur v.d. <i>Malegijs</i> heeft
+geput uit <i>Patricius' Vagevuur</i> en den <i>Brandaen</i> (<i>Romania</i>, p. 504).
+Vgl. voorts <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, bl. 206, 210, 228. En nog noem ik
+niet alles.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.9">9</a>: II, 5203 vlgg. en 6167-'73.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.10">10</a>: Vgl. vs. 1311 vlgg.; 2100 vlgg.; 2124-'47, 2742&ndash;2882;
+5837&ndash;5903; 3318 vlgg.; 6200 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.11">11</a>: <i>Couchi</i>, II, 195&ndash;198; <i>Mal.</i> (fragm. DE PAUW), bl. 77, vs. 130
+vlgg.; 79, vs. 141 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.12">12</a>: Vgl. vs. 182-'5, 202-'5, 4641-'3, 5472-'8, 9792-'4, 10476-'81.]<a name="349"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>GEESTELIJKE EPISCHE POËZIE
+EN PROZA.</h2>
+
+<h3>1. POËZIE.</h3>
+
+<p class="intro">1. Der Ystoriën Bloeme. Leven van S. Lutgart. Leven van S. Kerstine.
+Leven van S. Amand. Leven van S. Kunera van Rhenen.
+
+<p class="intro">2. Vaghevier van S. Patricius. Boec van den Houte. Legende van
+het H. Kruis. Theophilus. Beatrijs. Jonitas en Rosafiere.
+
+<p>Evenals de ridderpoëzie is de geestelijke poëzie van dezen
+tijd ten deele eene voortzetting der vroegere. Dat geldt
+in de eerste plaats van een aantal heiligenlevens, waarvan
+enkele misschien uit het laatst der 13<sup>de</sup> eeuw zijn, andere waarschijnlijk
+tot de 14<sup>de</sup> eeuw behooren; een er van, <i>het Leven
+van Sint Amand</i> is van 1366.
+
+<p>In <i>Der Ystoriën Bloeme</i> hebben wij aanzienlijke fragmenten
+over van een groot werk, dat volgens den proloog de levens
+der apostelen, der martelaren en confessoren en die van heilige
+vrouwen en maagden zou bevatten. Slechts de levens der
+apostelen zijn tot ons gekomen. Om den afgebroken zinbouw,
+de vrij talrijke assoneerende rijmen en een zeker waas van
+oudheid dat over dit werk ligt, zou het mij niet verwonderen,
+indien latere vondsten ons toonden dat het nog in de 13<sup>de</sup> eeuw
+is ontstaan; doeh zekerheid daaromtrent is voorloopig niet te
+verkrijgen. Ook niet omtrent de vraag of een kleine 500 verzen
+van een dergelijk werk over apostelen en martelaren, als &#8222;Sinte
+Pouwels jonghers", &#8222;Sinte Tecla", &#8222;Sinte Nasarius en Celsus"<a name="350"></a>
+deel van <i>Der Ystoriën Bloeme</i> heeft uitgemaakt. Men zou
+geneigd zijn, de vraag ontkennend te beantwoorden, omdat de
+assoneerende rijmen, daar vrij talrijk, hier ontbreken. Het eerste
+werk is zeker uit het Latijn vertaald, het tweede waarschijnlijk
+ook, daar het verwijst naar een martyrologium<a href="#13.1">[1]</a>. Uit het Latijn
+vertaald zijn ook het <i>Leven van Sinte Lutgart</i> door zekeren
+&#8222;broeder GERAERT" en dat <i>van Sinte Kerstine</i>. Voorts het
+<i>Leven van Sinte Amand</i> dat vervaardigd is door zekeren GILLIS
+DE WEVEL, vertaald uit het Latijn, onder gebruikmaking van
+geschriften als UTENBROEKE'S <i>Spieghel Historiael</i>; en ten slotte
+mag misschien een gedicht <i>van Sinte Kunera van Rhenen</i>,
+&#8222;hare gheboerte, hare passie en die verheffinge", ook nog tot
+de 14<sup>de</sup> eeuw gebracht worden<a href="#13.2">[2]</a>. De vijf eerstgenoemde werken
+zullen wel alle uit Zuidnederland afkomstig zijn; het laatste
+schijnt, naar het dialect te oordeelen, in Gelderland te zijn
+ontstaan; is dat zoo, dan ligt het vermoeden voor de hand,
+dat het in Rhenen zelf of de omstreken van dat stadje zal zijn
+vervaardigd.
+
+<p>Voor de geschiedenis der Roomsche kerk mogen deze heiligenlevens
+van niet geringe beteekenis zijn&mdash;in die der Nederlandsche
+literatuur kunnen zij slechts een bescheiden plaatsje
+innemen. In geen dezer werken vindt men iets dat op poëzie
+ook maar gelijkt en weinig of niets karakteristieks. <i>Der Ystoriën
+Bloeme</i> bevat slechts gebrekkig berijmd proza, de levens <i>van
+S. Christina</i> en <i>S. Lutgart</i> zijn beide letterlijk vertaald uit het
+Latijn van THOMAS VAN CANTIMPRÉ en toonen weinig of niets
+eigens; de verzen in deze beide werken, ten minste in
+<i>S. Lutgart's Leven</i> zijn beter dan die in de twee eerstgenoemde<a href="#13.3">[3]</a>.
+Ook de beide andere heiligenlevens, vooral dat <i>van Sinte
+Kunera</i> hebben voor de geschiedenis der literaire kunst weinig
+te beteekenen. Van eene reactie tegen de ridderpoëzie, zooals
+in de geestelijke poëzie van een vroeger tijdvak, is hier weinig<a name="351"></a>
+te bespeuren. Het eenige van dien aard waarop men zou
+kunnen wijzen is deze in het <i>Leven van Sinte Christina</i> gevoegde
+opwekking:
+
+<p class="quote">En neemt meer bispel aen de papen
+Dan aen riddre ocht aen knapen<a href="#13.4">[4]</a>.
+</p>
+
+<p>Ook zou men hiertoe kunnen rekenen eene vergeestelijking
+van het koningspel die men vindt in het <i>Leven van Sint Amand</i>.
+De samensteller van dat laatste rijmwerk richt zich niet zelden
+tot zijne hoorders om hen te vermanen, te waarschuwen of
+te berispen<a href="#13.5">[5]</a>. In die, trouwens weinig beteekenende, deelen
+van zijn werk vinden wij dus iets eigens. Zoo geeft ook de
+vertaler der <i>Vita</i> van de H. CHRISTINA op een enkele plaats
+een bewijs zijner kieschheid<a href="#13.6">[6]</a>. Daarmede hebben wij alles
+genoemd, wat hier vermelding verdient; eene schrale oogst,
+zooals men ziet.
+
+<p>Naast deze vertaalde heiligenlevens staan, evenals in de
+ridderpoëzie van dezen tijd, eenige andere werken, die van
+meer zelfstandigheid getuigen of inderdaad oorspronkelijk mogen
+heeten. Een overgang tusschen beide soorten vormt het, waarschijnlijk
+uit het Latijn vertaalde, gedicht <i>Van den Vaghevier
+dat sente Patricius vertoghet was</i><a href="#13.7">[7]</a>. Wij vinden hier eene
+beschrijving van een tocht naar het Vagevier, die volbracht
+werd door zekeren ridder, en van al de geheimenissen, door
+hem in de grot van den H. PATRICIUS op het eiland Ulton
+gezien. Het verhaal had diepen indruk gemaakt op den bewerker,
+die ons mededeelt:
+
+<p class="quote">... noit en quam mi dicht soe na
+</p>
+
+<p>doch hij is er niet in geslaagd zijne indrukken te verwerken
+tot een letterkundig voortbrengsel van eenige beteekenis. Wij<a name="352"></a>
+mogen de oorzaak der zwakheid van het werk niet zoeken in
+de opvatting van den dichter, voor wien het Vagevier iets
+stoffelijks was (&#8222;materelic"), evenals de pijnen, die de zielen
+er te doorstaan hadden. Dat was immers de algemeene opvatting
+dier dagen, die men terugvindt o.a. in een 13<sup>de</sup>-eeuwsch
+gedicht <i>Le Purgatoire Seint Patriz</i> van MARIE DE FRANCE,
+en zelfs bij DANTE. Maar de bewerker of vertaler was blijkbaar
+iemand van geringe poëtische vermogens. Niet veel hooger
+stond de bewerker van <i>dboec vanden houte</i>, een der talrijke
+middeleeuwsche verhalen over de voorgeschiedenis van JEZUS'
+kruis. Volgens dit verhaal ontving ADAM'S zoon SETH van den
+hemelschen wachter bij het Paradijs drie pitten van de vrucht,
+aan den boom der kennis gegroeid. SETH legde deze pitten in
+den mond van zijn stervenden vader en begroef ze met het lijk.
+Uit de drie pitten schoten drie loten op: ceder, cypres en
+pijnboom, zinnebeelden van Vader, Zoon en H. Geest. DAVID
+plantte ze over naar Jeruzalem, waar zij opwiessen en samengroeiden
+tot één boom. SALOMO liet den boom ombouwen
+om hem bij zijn tempelbouw te gebruiken. Na allerlei lotgevallen
+wordt deze stam later gebezigd om er een kruis voor
+CHRISTUS uit te maken.
+
+<p>Naar het schijnt, heeft de bewerker der Nederlandsche legende
+zijne stof aan het Latijn ontleend en haar vrij zelfstandig
+bewerkt<a href="#13.8">[8]</a>.
+
+<p>Een zwak dichter was ook de man, die eene legende <i>van
+het Heilige Kruis</i>, verbonden met een verhaal van Denen in
+Brabant, heeft berijmd<a href="#13.9">[9]</a>. Blijkbaar kende de auteur dezer
+legende de vroegere speelmanspoëzie: een koning (hier DAVID
+BRUCE, koning van Schotland) die wenscht te huwen, die
+boden zendt tot een anderen koning (MAGNUS van Denemarken)
+&#8222;over mere" om de hand zijner dochter, het uitrusten
+van een schip&mdash;dat zijn, gelijk wij vroeger hebben gezien<a name="353"></a>
+gewone motieven uit de speelmanspoëzie<a href="#13.10">[10]</a>. De prinses, die
+met dat schip overgevoerd zal worden, sterft onderweg; de
+Denen durven zonder haar niet in Schotland komen, maar
+besluiten te landen aan de Brabantsche (Zeeuwsche?) kust en
+zich daar te vestigen. Op een verkenningstocht komen zij in
+de buurt van Breda, waar zij eene burcht bouwen, die den
+naam van Brunensteen krijgt en weldra een roofnest wordt.
+De roovers maken het ten laatste zoo bont, dat zij op bevel
+van den hertog van Brabant door den Heer VAN WESEMAELE
+worden verslagen; hun burcht wordt geslecht.
+
+<p>Deze Denen zijn door den bewerker voorgesteld als Christenen,
+wat kwalijk past bij hun gansche bedrijf, maar noodig
+was om verband te kunnen brengen tusschen hunne geschiedenis
+en die van het Heilig Kruis. In hunne kapel hadden de
+Denen namelijk een kruis gemaakt, dat na de slechting van
+den burcht in de kerk van Breda geplaatst werd en daar menig
+wonder deed.
+
+<p>Misschien is in dit verhaal een nagalm van de rooftochten
+der Noormannen blijven hangen; zeker is, dat noch in
+de wijze waarop de beide deelen zijn verbonden, noch in de
+bewerking van het geheel eenige kunstvaardigheid of iets literair
+karakteristieks valt op te merken.
+
+<p>Meer van dien aard is er in twee van de drie Maria-legenden,
+welke uit deze eeuw dagteekenen: de geschiedenis <i>van Theophilus</i>,
+<i>van Beatrijs</i> en <i>van Jonitas en Rosafiere</i><a href="#13.11">[11]</a>. Dit vers
+uit <i>Beatrijs</i>:
+
+<p class="quote">Goet berou mach als ghewouden<a title="[margin: alles goedmaken.]"><sup>#</sup></a>
+</p>
+
+<p>en deze andere waar sprake is van MARIA:
+
+<p class="quote">Wie aen u soect ghenade,
+Hi vint se, al comt hi spade.<a name="354"></a>
+</p>
+
+<p>behelzen de kern der beide eerstgenoemde werken. THEOPHILUS
+komt ten val door eerzucht, BEATRIJS door onkuischheid; beiden
+krijgen om hun oprecht berouw genade door tusschenkomst
+van de Heilige Maagd.
+
+<p>THEOPHILUS, een weldadig en aanzienlijk man, om zijne
+vroomheid geliefd door den bisschop zijner woonplaats, wordt
+door dezen tot zijn opvolger gekozen. Uit bescheidenheid
+weigert hij; een ander krijgt de hem toegedachte plaats. Kwaadstokers
+zetten den nieuwen bisschop tegen THEOPHILUS op;
+hij wordt van het bisschoppelijk hof verbannen; niemand
+ziet meer naar hem om. Nu begint zijn strijd; hij vergelijkt
+zijn vroeger aanzien bij zijne tegenwoordige versmaadheid.
+Een driftig verlangen naar herstel in zijn vroegeren staat
+maakt zich van hem meester; elk middel daartoe is hem
+goed genoeg. De Booze sluipt zijn ziel binnen. Heimelijk
+onderzoekt THEOPHILUS of er ook iemand in de stad is, die
+zich bezig houdt met tooverij of gemeenschap houdt met den
+duivel. Ten laatste verneemt hij, dat er een Jood is die zijne
+ziel heeft overgegeven aan den Booze en die menig ander
+daartoe heeft gebracht op hoop van gewin. Te middernacht
+staat hij stilletjes op en spoedt zich naar het huis van den Jood.
+Op zijn herhaald aandringen opent deze de deur en verneemt
+de reden van zijn komst. Indien gij uwen God en uw geloof
+wilt afzweren, zegt de Jood, dan zal ik u helpen. Den volgenden
+nacht neemt hij THEOPHILUS met zich naar een &#8222;dwerse
+strate"; daar zien zij zwarte gedaanten die, kandelaars dragend,
+loopen te zingen. Een hunner aanbidden zij: dat is hun heer
+LUCIFER. Vóór hem gebracht, kust THEOPHILUS Satans voeten
+en verloochent God. De Booze belooft hem zijn vroeger aanzien
+te zullen wedergeven. Dat geschiedt. Maar na eenigen tijd
+ontwaakt het berouw. Hij zoekt troost en vergeving bij MARIA.
+
+<p>In de tweede helft van het verhaal vinden wij zijne wee<a name="355"></a>klachten
+tot de Heilige Maagd, eene verheerlijking van hare
+goedheid, hare samenkomsten met den berouwvollen zondaar
+en de vergiffenis, die zij voor hem weet te verwerven. Ten
+slotte biecht THEOPHILUS wat er met hem gebeurd is aan den
+bisschop en sterft kort daarna.
+
+<p>Deze geschiedenis bemoedigde BEATRIJS, toen zij, op hare
+beurt in zonde gevallen, berouwvol haar hart voor de Heilige
+Maagd uitstortte. Zij was eene hoofsche schoone non, die in
+een klooster den dienst van kosteres getrouwelijk waarnam.
+Maar de duivel, die ons dag en nacht belaagt, doet het vuur
+van den wellust in haar hart ontgloeien, zóó dat zij meent te
+zullen bezwijken. Met vasten en bidden gaat zij den Booze te
+keer; vergeefsch is haar strijd. Zij weet, dat zij moet vallen.
+Een brief van hare hand aan een minnaar, een vriend harer
+jeugd, brengt dezen in het klooster. Nog acht dagen, dan zal
+hij wederkomen met mooie kleeren voor haar en geld voor
+hen beiden. 's Nachts vindt zij haar vriend in den kloostertuin.
+Zij verkleedt zich onder eene wilde roos, hij tilt haar vóór
+zich in den zadel; nu begint het te dagen in den oosten; onder
+het zingen der vogels rijden zij het bosch in.
+
+<p>Zeven jaren lang leven zij in een vreemd land en krijgen twee
+kinderen. Dan blijkt het geld verteerd, zij vervallen tot armoede,
+de armoede verjaagt de liefde&mdash;bij den man. Heimelijk verlaat
+hij haar en hunne kinderen. BEATRIJS kent geen ambacht; hoe
+zal zij voor hare kinderen zorgen? Zich zelve geeft zij prijs.
+Zeven andere jaren worstelt zij zóó door, in schande en kommer.
+Dan doet het berouw zijne stem luider en luider hooren. Zij
+walgt van hare kostwinning. Bedelend trekt zij met hare kinderen
+terug naar haar land en haar klooster en wordt uit
+barmhartigheid opgenomen door eene weduwe, die bij het
+klooster woont. Op hare vraag naar de kosteres BEATRIJS verneemt
+zij, dat deze nog altijd in het klooster haren dienst<a name="356"></a>
+getrouwelijk verricht. Een wonder is geschied: MARIA zelve
+heeft den dienst waargenomen voor de zondige non, die altoos,
+ook in de dagen van zonde en schande, haar <i>Ave Maria</i> is
+blijven bidden. Diep ontroert dat bericht de zondares. In tranen
+en gebeden brengt zij nu hare nachten door. Is er vergeving
+voor haar? &#8222;Maria, vrouwe, in een vurigen oven zou ik
+kruipen, mocht ik daardoor vergiffenis verwerven." Eene stem
+in den nacht verkondigt haar, dat MARIA zich haars ontfermt;
+zij moet zich heimelijk naar het klooster begeven; de deur,
+waardoor zij eens is ontvlucht, zal open staan. Zij treedt de
+kerk binnen; daar ligt haar kloostergewaad op het altaar en
+hangen de sleutels der sacristie waar zij die had opgehangen
+dien laatsten keer vóór hare vlucht. Het uurwerk slaat middernacht;
+als vanzelf grijpt zij het klokketouw en begint te luiden
+voor de metten; daar komen de nonnen afgedaald van den
+dormter en alles gaat als vroeger. De abdis heeft zich, op
+verzoek der weduwe, die waant dat de moeder heimelijk gevlucht
+is, met het onderhoud der kinderen belast. Maar altijd
+blijft BEATRIJS bezwaard met het geheim van haar zondig leven.
+Een visioen in den slaap brengt haar eindelijk tot volledige biecht
+aan een abt bij zijn jaarlijksch bezoek aan het klooster. Evenals
+de bisschop in het verhaal van THEOPHILUS, maakt ook de
+abt de geschiedenis openbaar; doch anders dan de bisschop,
+verzwijgt hij den naam van haar, wie deze dingen gebeurd zijn.
+
+<p>Zooals reeds uit het overzicht dezer twee verhalen kan zijn
+gebleken, wint de <i>Beatrijs</i> het van den <i>Theophilus</i> in belangwekkendheid
+en volheid van leven. THEOPHILUS is een der
+velen van wie in de middeleeuwen het verhaal ging, dat zij
+zich aan den duivel verkocht hadden; in de middeleeuwsche
+literatuur is dat niets bijzonders; met het oog op dat punt
+van overeenkomst de figuur van THEOPHILUS naast die van
+FAUST te plaatsen, heeft weinig zin. Alles hangt ook hier af<a name="357"></a>
+van de wijze, waarop een dichter eene dergelijke stof behandelt.
+Wat heeft deze, ons onbekende, dichter van zijne stof gemaakt?
+Naar het schijnt heeft hij andere bewerkingen der Theophilus-sage,
+die in de <i>Acta Sanctorum</i>, de Latijnsche metrische bewerking
+van MARBODUS, bisschop van Rennes, en eene Fransche
+van GAUTHIER DE COINSY, gekend en gebruikt. Daardoor
+wordt de oorspronkelijkheid van zijn werk binnen vrij enge
+grenzen beperkt. Echter heeft hij binnen die grenzen toch
+werk geleverd, dat, hoe ongelijk ook, hier en daar verdienstelijk
+mag heeten. Niet zelden schrijft hij passages waar gang
+en warmte in zijn, zoo b.v. THEOPHILUS' bede om verschoond
+te mogen blijven van het bisschopsambt en zijne berouwvolle
+weeklachten; levendig is het eerste onderhoud met den Jood
+en belangwekkend naar den inhoud dat nachtelijk &#8222;manscap
+doen" aan den Booze. Maar daartegenover staan te veel
+andere deelen van het verhaal, waar onze belangstelling niet
+gaande wordt gehouden, de wijdloopigheid ons verveelt, de
+dichter beneden zijn onderwerp blijft.
+
+<p>Voor een deel moet de zwakheid van zulke deelen natuurlijk
+worden toegeschreven aan het middelmatig talent van den dichter;
+voor een ander deel waarschijnlijk ook hieraan, dat hij niet
+zóózeer in zijne stof verdiept was als een kunstenaar zijn moet
+om iets goeds voort te brengen. Meer dan eens laat hij zijn
+verhaal in den steek om zich te richten tot zijne tijdgenooten,
+om hen te berispen of te vermanen; zoo o.a. waar hij klaagt over
+het gebrek aan nederigheid, waar hij zich keert tegen de
+huichelaars, waar hij uitweidt over het onheil, door booze
+tongen aangericht<a href="#13.12">[12]</a>.
+
+<p>Anders dan de auteur van <i>Theophilus</i>, was de, eveneens
+onbekende, dichter van <i>Beatrijs</i> geheel <i>in</i> zijn verhaal. Hij
+moge in den aanvang terloops een blik slaan op de hedendaagsche
+nonnen, en elders&mdash;begrijpelijk in eene Maria-legende&mdash;<a name="358"></a>
+met een paar woorden opwekken tot het bidden van een &#8222;Ave"
+wanneer men MARIA'S beeld voorbijgaat&mdash;doorgaans toont hij
+zich geheel vervuld van zijn verhaal en weet ons daarvan vervuld
+te houden.
+
+<p>Blijkbaar was de stof den dichter bekend geworden door mondelinge
+overlevering, geen voorbeeld bond of belemmerde hem en
+die vrijheid van beweging is aan zijn werk ten goede gekomen.
+
+<p>Welk een gevoelige ingetogen kunst valt hier te bewonderen
+in de wijze waarop de schoone non is uitgebeeld in haar strijd
+met den vleeschelijken hartstocht, met &#8222;Venus die duivelinne"
+zooals het lied <i>van Heer Daniëlken</i> het uitdrukt. Zij heeft
+gevast en gebeden, zich gekastijd&mdash;alles tevergeefs; zij meent
+te zullen sterven in dien strijd. Voor MARIA'S beeld stort zij
+nacht en dag hare klachten uit; wat baat het? Zij vreest krankzinnig
+te zullen worden.
+
+<p>Echter hield des dichters vroomheid zijne verbeelding hier
+gestadig in toom. De schoonheid der non beschrijven, acht hij
+niet oorbaar; haar leven als &#8222;ghemene wijf" gaat hij voorbij.
+Op één plaats vlamt de hartstocht op: wanneer de gelieven
+onder vogelgezang in het heldere licht door de groene velden
+en de bosschen rijden en de jonkman BEATRIJS verlokken wil
+om af te stijgen en zich minnelijk naast hem neer te vlijen in
+het gras, vaart zij, beleedigd in hare kieschheid, tegen hem
+uit: een dorper alleen zou zoo iets voorstellen! Maar, toorn
+van gelieven is hernieuwing van liefde; bedwongen hartstocht
+doet haar zeggen:
+
+<p class="quote">Waric in hemelrike gheseten,
+Ende ghi hier in ertrike,
+Ic quame tot u sekerlike.
+</p>
+
+<p>Zelf schrikt zij van die opvlamming en bidt God om vergiffenis;
+zij haast zich erbij te voegen dat de minste vreugde<a name="359"></a>
+van den hemel verre staat boven alle aardsche genot. Wijs zijn
+zij, die daarnaar streven; &#8222;maar desniettemin moet ik in zonde
+vervallen om der wille van u, schoone lieve vriend." Duidelijker
+nog zal deze strijd tusschen vroomheid en hartstocht worden
+voor wie in de allerbevalligste Fransche novelle <i>Aucassin
+et Nicolette</i> eene dergelijke uiting, hier van een minnaar, vergelijkt
+met die van BEATRIJS en ziet hoe teugelloos de hartstocht
+daar voortschiet<a href="#13.13">[13]</a>. Met naïef-teedere intuïtie heeft de
+dichter ons het gevoel van beklemdheid getoond, dat BEATRIJS
+bevangt onder het rijden, als de dag gaat doorbreken en hare
+gedachten terugvliegen naar het klooster, waar zij anders
+&#8222;priemtijt" zou hebben geluid. Welke bevallige miniaturen zien
+wij in dat tooneeltje der beide gelieven aan weerszijden van
+het getraliede venster en later in den boomgaard! Hoe goed
+zijn ook de bouw en de evenredigheden dezer novelle, die
+door hare zachte bevalligheid de forscher schoonheid van den
+<i>Karel en Elegast</i> naar de kroon steekt.
+
+<p>Geen wonder dat zulk een verhaal indruk maakte, dat men
+den invloed er van gewaar wordt in het derde bovengenoemde
+Maria-verhaal: van <i>Jonitas en Rosafiere</i>. JONITAS, een jong en
+vroom ridder, tevens vurig vereerder van MARIA, is verloofd
+met de schoone ROSAFIERE. Op last van MARIA zegt hij haar
+echter vaarwel; ROSAFIERE, onder een ongunstig gesternte geboren,
+moet haren vader een kind baren en zeven jaren lang
+een zondig leven leiden. JONITAS trouwt nu &#8222;t'Oriënten" ROSAFIERE'S
+zuster EGLENTINE. In den bruidsnacht neemt ROSAFIERE,
+met toestemming harer zuster, EGLENTINE'S plaats in. Zij weet
+hare kuischheid te bewaren en JONITAS het geheim van hare
+toekomst te ontlokken. Op haar verzoek brengt hij haar in
+een klooster van Grauwe Nonnen, waar zij portierster wordt.
+Haar vader keert terug uit den oorlog tegen de Sarracenen,
+verneemt waar zij is, verkoopt zijne ziel aan den duivel, dringt<a name="360"></a>
+met Satan's hulp het klooster binnen en maakt de voorspelling
+tot waarheid. JONITAS brengt ROSAFIERE naar een ander land,
+waar zij zeven jaren lang een zondig leven leidt. Nadat die
+zeven jaren verloopen zijn, brengt hij haar terug in haar
+klooster en verneemt, dat MARIA al dien tijd ROSAFIERE'S
+dienst heeft waargenomen. ROSAFIERE zal abdis worden,
+JONITAS met zijne echtgenoote spoedig in het hemelrijk worden
+opgenomen.
+
+<p>Reeds uit dit overzicht zal gebleken zijn, dat dit verhaal op
+een paar punten overeenkomst vertoont met dat van <i>Beatrijs</i><a href="#13.14">[14]</a>.
+Andere deelen er van vindt men in andere middeleeuwsche
+dichtwerken terug. Zoo is het b.v. opmerkelijk, dat wij het
+motief der dochter, die haren vader ontvlucht om bloedschande
+te ontgaan, aantreffen juist in een paar Fransche Maria-mirakelen
+van dezen tijd<a href="#13.15">[15]</a>. Een ander motief: het verwisselen eener
+bruid in den bruidsnacht, treffen wij aan o.a. in de geschiedenis
+<i>van Tristan</i>, in die <i>van Baerte metten breden voeten</i> en
+een Fransch &#8222;conte dévot"<a href="#13.16">[16]</a>. Ook de roman <i>van Limborch</i>
+schijnt den vervaardiger van dit Nederlandsch werk niet onbekend
+te zijn geweest<a href="#13.17">[17]</a>.
+
+<p>De wijze, waarop deze en andere bestanddeelen van dit
+verhaal zijn verbonden, getuigt evenmin van eenig letterkundig
+talent als de bewerking van het geheel.
+
+<p>Zoolang wij omtrent dit rijmwerk niet meer gegevens hebben
+dan nu, is niet met voldoende zekerheid te zeggen of het
+inderdaad nog tot de 14<sup>de</sup> eeuw behoort, evenals de twee
+overige Maria-verhalen; inhoud, taal en dichttrant maken het
+m.i. wel waarschijnlijk, doch het zou ook wel uit den aanvang
+der 15<sup>de</sup> eeuw kunnen dagteekenen. Al ware dit bewezen,
+dan nog zoude het hier niet misplaatst zijn als een
+half-geestelijke, half-ridderlijke, onaanzienlijke nabloeier der
+vroegere poëzie.<a name="361"></a>
+
+<h3>2. PROZA.</h3>
+
+<p class="intro">Heiligenlevens en Wonderverhalen. Leven van Alexander den Groote.
+Reisverhaal van Joannes Witte de Hese.
+
+<p class="intro">Stemmen uit den Voortijd. Kerkvaders. Betrekkingen tusschen Nederlandsche
+en Duitsche mystiek: Eckhart en Suso. Limburgsche Sermoenen.
+Geschriften van den onbekenden leek en Jan van Leeuwen.
+
+<p class="intro">Ruusbroeck.
+
+<p class="intro">Eerste bijbelvertaling.
+
+<p>In de dertiende eeuw kon men zich de kunst van het woord
+tenauwernood denken zonder maat en rijm; begrippen als
+<i>poëzie</i> en <i>literatuur</i> omvatten bijna uitsluitend verzen of wat
+daarop geleek. HADEWYCH'S proza alleen kwam dat wanbegrip
+bestrijden; doch het mag betwijfeld worden of het door
+velen is opgemerkt en in allen gevalle staat dat proza in dien
+tijd alleen.
+
+<p>De veertiende eeuw geeft ons eene andere verhouding tusschen
+epische geestelijke poëzie en geestelijk proza te zien. In omvang
+reeds overtreft nu het proza de poëzie. Doch ook in beteekenis;
+want hoog moge de poëzie stijgen in het liefelijk verhaal <i>van
+Beatrijs</i>&mdash;die bevallige kleine kapel kan toch niet worden gelijk
+gesteld met de statige kathedraal van RUUSBROECK'S mystiek.
+
+<p>Van menig hierboven behandeld geestelijk gedicht vinden
+wij hier de weergade in proza. Zoo hebben wij een prozaverhaal
+<i>van Sinte Kunera</i>, van <i>dBoec vanden Houte</i> en <i>van
+Theophilus</i>, alle drie zonder literaire beteekenis<a href="#13.18">[18]</a>. Van het
+verhaal <i>van Sinte Patricius' Vagevier</i> bezitten wij een tegenbeeld
+in proza: het <i>Visioen van Tondalus</i>.
+
+<p>Opmerkelijk is hier, dat de vertaler zelf ons verzekert dat
+het oorspronkelijk Latijn door hem &#8222;van woorde te woorde"
+verdietscht is. Opmerkelijk is ook wat hij er bijvoegt om zijn
+standpunt in dezen aan te geven: &#8222;Maer men sal weten dat ic
+desen bouc niet en begheere te rimene, omdat icker no af no<a name="362"></a>
+toedoen ne wille van den ghenen dat ic vand in lattine; ende
+ooc so en es men gheen helighe scriftuere sculdich te rimene,
+want in den rijm en es gheen ander voordeel dan dat den
+hooren gheeft soeten luut, ende metten rimene so wert alle
+helighe scriftuere gheconfondeert"<a href="#13.19">[19]</a>.
+
+<p>Misschien hebben wij hier de verklaring van het feit, dat
+wij, naast sommige rijmwerken over geestelijke stoffen, prozabewerkingen
+dierzelfde stoffen aantreffen. Waarschijnlijk echter
+zal men hier rekening moeten houden ook met den aanwassenden
+lust tot literaire werkzaamheid onder menschen die toch niet
+allen de kunst van verzenmaken meester zullen zijn geweest.
+Tot de wonderverhalen van dezen tijd behooren waarschijnlijk
+ook een paar geschiedenissen van mirakelen, door SINT JAN
+BAPTIST verricht<a href="#13.20">[20]</a>. Van den bekenden bundel <i>Vitae patrum</i>
+waren de beide eerste boeken waarschijnlijk reeds in de 14<sup>de</sup>
+eeuw in het Nederlandsch vertaald<a href="#13.21">[21]</a>.
+
+<p>Van heiligenlevens en wonderverhalen op het <i>Leven van
+Alexander den Groote</i> schijnt naar de hedendaagsche opvatting
+een groote sprong. Voor de middeleeuwsche denkwijze bestond
+die sprong niet. Immers men vindt de historie van ALEXANDER
+gewoonlijk ingevoegd tusschen de boeken van het Oude Testament,
+geheel in overeenstemming met de toenmalige opvatting,
+volgens welke de geschiedenis van het Joodsche volk de kern der
+wereldgeschiedenis vormde. Wij kennen twee proza-bewerkingen
+der Alexander-sage, die beide waarschijnlijk omstreeks het midden
+of in de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw zijn ontstaan. De eerste,
+die eenigszins vrij en grillig maar beknopt is, berust vooral
+op Latijnsche bewerkingen: het zoogenaamd <i>Epitome</i> uit den
+tijd van KAREL DEN GROOTE en de <i>Historia de praeliis</i> uit
+de 10<sup>de</sup> eeuw. De tweede, die ordelijker en geregelder is, bevat
+eene verdienstelijke paraphrase van Boek IV van MAERLANT'S
+<i>Spieghel Historiael</i>, aangevuld met eenige hoofdstukken uit de<a name="363"></a>
+<i>Historia Scholastica</i> en MAERLANT'S <i>Alexander</i>. De literaire
+waarde van beide bewerkingen is gering<a href="#13.22">[22]</a>.
+
+<p>Verwantschap met legenden en mirakelverhalen heeft de
+Alexander-sage bovendien door de wonderen waarvan wij reeds
+bij eene vroegere gelegenheid melding maakten. Men verbaasde
+zich over die wonderen van het verleden trouwens weinig in
+een tijd, toen geloofwaardige priesters thuis kwamen met verhalen
+van de wonderen die zij in het Oosten hadden gezien
+of voor zeker hooren vertellen. De paleizen en kasteelen der
+Keltische romans waren niet zooveel wonderbaarlijker dan &#8222;paep
+JOHANS woninghe ende palaes" in Edessa, waarvan de Utrechtsche
+priester JOANNES WITTE DE HESE ons vertelt in een Latijnsch
+reisverhaal dat misschien in 1398 in het Nederlandsch is
+vertaald<a href="#13.23">[23]</a>.
+
+<p>Bijzondere literaire verdiensten heeft het verhaal noch de
+vertaling, maar beide zijn van belang voor wie den geest des
+tijds er uit wil leeren kennen. Hoe is Palestina voor de
+menschen van toen met recht &#8222;het <i>heilige</i> land"; hoe leeft het
+bijbelsch verleden daar voor hen op! In Hermopolis ziet DE HESE
+&#8222;een hof daer hadde onse lieve vrouwe in ghewoent" en eene
+fontein waar zij &#8222;haer dinghen in plach te wasschen"; den
+steen waaruit MOZES water deed springen, den bitteren stroom
+dien MOZES door een roedeslag zoet maakte, eene fontein
+waaraan S. PAULUS en S. ANTONIUS gezeten hadden. DE HESE
+moge vrij wat ontleend hebben aan andere reisverhalen, zijne
+mededeelingen vonden daarom niet minder gretig geloof. Vooral
+het paleis van &#8222;PAEP JAN" (naar het schijnt, een tot het
+Nestorianisme bekeerde Mongoolsche Khan) zal toentertijd indruk
+gemaakt hebben. Dat paleis rust op negenhonderd pilaren; alle
+nachten wordt het door duizend gewapende mannen bewaakt;
+men gaat vijfhonderd treden eener trap op, voordat men aan
+de eerste verdieping komt; op elke trede staan levende leeuwen<a name="364"></a>
+die elken ongeloovige of heiden die er op komt verscheuren;
+op de eerste verdieping wonen de profeten, op de tweede
+de patriarchen, op de derde de heilige jonkvrouwen enz. In de
+eetzaal van &#8222;paep JOHAN" is eene tafel van zoodanigen aard,
+dat indien er vergiftige spijs op wordt gezet, die spijs niemand
+zou hinderen. Er is een klok die, wanneer zij geluid wordt,
+alle booze geesten doet vluchten, zoodat bezetenen indien zij
+haar hooren, hun verstand herkrijgen; er zijn vaten waarin de
+spijs altijd zuiver blijft en haren smaak behoudt. Het gansche
+paleis kan omgedraaid worden als een rad en het is rond
+gewelfd gelijk de hemel. In de zoldering van het gewelf staan
+kostbare steenen die het paleis des nachts verlichten &#8222;recht of
+die sonne daer in scheen des middaghes". In paep JOHANS
+slaapkamer eindelijk is o.a. een reus die zwaargewapend is
+&#8222;ende men seghet, ginghe enich quaet mensche of viant daer
+in na der sonnen onderghanc, soe soude hem die roese ter
+stont doet sclaen". Die reus is gegoten van metaal en versierd
+met edel gesteente.
+
+<p>Daar kon zelfs het paleis van koning WONDER niet tegen op!
+
+<p>De tot dusver behandelde proza-werken worden in belangrijkheid
+en schoonheid overtroffen door het proza, dat, meer
+dan het overige, diende tot uitstorting van eigen en opbouw
+van anderer gemoedsleven. Evenals in de overige landen der
+Westersche Christenheid, ontwikkelde het godsdienstig gemoedsleven
+zich te onzent onder den invloed van de geschriften der
+kerkvaders. Hoe zou het ook anders? In de werken van
+AUGUSTINUS, zijne tijdgenooten en hunne opvolgers was zooveel
+diepe gedachte en fijn gevoel, zooveel vernuftige allegorie
+en verheven symboliek, zooveel schoonheid ook van vorm,
+dat de Nederlandsche geestelijken dier dagen wel kortzichtig
+zouden zijn geweest, indien zij met dat alles niet hun voordeel<a name="365"></a>
+hadden gedaan. Bewondering leidde ook hier tot overneming
+en navolging. Vele preeken en andere stichtelijke geschriften
+der 14<sup>de</sup> eeuw bestaan, naar het schijnt, hoofdzakelijk uit
+aaneengeregen gezegden der kerkvaders, oudere en jongere,
+onder wie vooral S. BERNARDUS op den voorgrond komt<a href="#13.24">[24]</a>.
+
+<p>Maar naast den invloed der kerkvaders moet die der Duitsche
+mystiek worden genoemd, waar sprake is van de ontwikkeling
+van het Dietsche proza als uiting van het godsdienstig
+gemoedsleven. Echter is hier niet alleen sprake van geven,
+doch ook van nemen. Het is vooral Meester ECKHART op
+wien wij hier het oog moeten richten, want de twee andere
+groote mystieken der 14<sup>de</sup> eeuw, SUSO en TAULER, waren
+beiden zijne leerlingen, al gingen zij ook eigen wegen.
+
+<p>Meester ECKHART, &#8222;wien God niets verborg," zooals een
+schrijver van lateren tijd het uitdrukt, was in menig opzicht
+de grootste en zeker de diepzinnigste der Duitsche mystieken.
+Zijne opvatting, beschouwing en uiteenzetting van het wezen
+Gods en het wezen der ziel, die twee assen, waarom zijn
+stelsel draait, zijn even stout als verheven en goeddeels
+oorspronkelijk, al dankt ook hij veel aan de geschriften der
+kerkvaders. Waar ECKHART spreekt van het <i>wezen</i> bedoelt hij
+datgene, dat alle dingen nog ongedeeld in zich omsloten houdt,
+waarin alle dingen nog eene stille kracht zijn; de duisternis,
+waaruit het licht nog niet geboren is; den baaierd, rijke bron
+van alle kracht en macht, onbewegelijk, niets voortbrengend.
+God heeft zich geopenbaard in den Zoon, als uitstraling van
+Zijn Wezen, die voortdurend zich hernieuwt en eeuwig zal
+blijven bestaan. Het eerst, wat de engelen zagen, nadat zij
+geschapen waren, was het Wezen des Vaders en hoe de Zoon
+uit het hart des Vaders te voorschijn brak als een groene loot
+uit een boom. In den Heiligen Geest erkennen beiden hun
+wezen; &#8222;Vader en Zoon hebben éénen wil, dat is de Heilige<a name="366"></a>
+Geest". De mensch, door God geschapen, is bestemd ééns
+boven de engelen te stijgen, daar de menschelijke ziel met
+God één zal worden. Daarom moet de ziel streven naar eene
+volslagen ledigheid en lijdelijkheid; immers eerst wanneer zij
+die bereikt heeft kan zij van God vervuld worden. Om dat
+hooge doel te treffen moet de mensch alle vleeschelijke lusten
+en begeerten in zich dooden; dan eerst wordt de mensch
+waarlijk mensch. In overeenstemming met die beschouwing is,
+dat wij in ECKHART'S werk overal het innerlijke tegenover en
+boven het uiterlijke geplaatst zien, dat hij met instemming het
+woord van DIONYSIUS AREOPAGITA aanhaalt &#8222;de hel dat is:
+gescheiden zijn van God, en het hemelrijk: Gods aangezicht";
+voor ECKHART is er eene opstanding slechts der ziel en het
+Laatste Oordeel zal slechts hierin bestaan, dat het eigenlijk
+wezen van ieder mensch wordt onthuld.
+
+<p>Maar hoe ook geneigd tot afdalen in de diepten zijner rijke
+ziel om van daar het edel erts zijner mystiek opwaarts te
+brengen, toch stelt hij het werkende leven boven het schouwende
+leven. &#8222;Want al ware de mensch ook in eene geestesverrukking
+als die van PAULUS en wist hij ergens een zieke
+wien hij met een soepje kon helpen, dan zou hij veel beter
+doen door uit liefde te scheiden uit zijne verrukking en den
+behoeftige te dienen uit meerder liefde"<a href="#13.25">[25]</a>.
+
+<p>Toen ECKHART deze en dergelijke dingen begon te schrijven,
+was RUUSBROEC nog maar een knaap; met zijne geschriften
+konden onze voorouders hun godsdienstig gemoedsleven nog
+niet opbouwen. HADEWYCH'S werk was blijkbaar niet geheel
+onbekend en werd ook in de 14<sup>de</sup> eeuw nog wel gelezen, maar
+was toch niet toereikend om de behoefte aan mystieke lectuur
+te bevredigen<a href="#13.26">[26]</a>. Het is dus begrijpelijk, dat ECKHART'S werken
+hier opgang maakten. In handschriften, deels uit de eerste deels
+uit de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw, vinden wij verscheidene<a name="367"></a>
+zijner tractaten, sermoenen en exempelen vertaald; zijne eigenaardige
+terminologie treffen wij voor een deel ook in Middelnederlandsche
+werken van dien tijd aan. Al ontbreekt het in
+die vertaalde werken niet aan bespiegelingen zooals b.v. in het
+tractaat <i>Diu zeichen eines warhaften grundes</i>, zoo schijnen toch
+vooral de exempelen en verhalen met practische strekking hier
+in den smaak te zijn gevallen. Ik heb het oog op verhalen als
+dat van S. BERNARD en &#8222;een bruer in sinte bernardus clooster
+die altoos gheerne in syn celle alleen was" en die op S. BERNARD'S
+vraag naar zijne bezigheden antwoordt: &#8222;In den eersten heb ic
+een wilde beeste te temmen ... die wilde beeste zijn myn
+vyf wilde sinnen, die costen my groote arbeydt te temmen."
+Op het stichtelijk exempel &#8222;van eenen devooten vraukin" dat
+vertelt van haar werk op Dinsdag: &#8222;als ic mijne voghelen
+antiere"<a title="[margin: zich bezig houden met.]"><sup>#</sup></a>. Die vogels zijn namelijk hare vijf zinnen en zij
+bepeinst dan: &#8222;dat ic se meer ter werelt ghekeert hebbe dan
+tot Gode ende dat ic myne ooghen so qualic bewaert<a title="[margin: gepast heb op.]"><sup>#</sup></a> hebbe."
+
+<p>Ook bespiegelingen over de &#8222;godlike mynne" zullen wel in
+den smaak zijn gevallen der geestverwanten van WILLEM VAN
+AFFLIGHEM en HADEWYCH.
+
+<p>Het is er echter verre van, dat ECKHART'S geschriften hier
+te lande louter instemming zouden hebben gevonden. Immers
+ook in Duitschland waren vooral onder de geestelijkheid velen,
+wien zijne leer aanstoot gaf omdat zij haar in strijd achtten met
+de leer der Kerk. Meer dan eens heeft hij dan ook terecht
+moeten staan voor de Inquisiteurs en al heeft hij zich kunnen
+vrijpleiten, zoo blijkt toch wel dat zijne leer naar den mutsaard
+rook. Het karakter der mystiek in het algemeen en dat van
+ECKHART'S mystiek in het bijzonder die den mensch ten slotte
+tot God liet worden, maakt die beschuldiging van ketterij licht
+verklaarbaar. Doch bovendien werd ook door deze mystiek
+het middelaarschap der priesters tusschen God en den mensch<a name="368"></a>
+in den wortel aangetast en heeft menig geschrift, van hem of
+aan hem toegeschreven, de strekking om te doen zien, hoeveel
+hooger geestelijke volkomenheid kon bereikt worden door leeken
+dan door geestelijken. Van dien aard is b.v. een verhaal van
+eene ontmoeting tusschen een doctor in de godgeleerdheid en
+een arm man, die, gekwetst, &#8222;sonder cousen ende baervoets"
+vóór de kerk zit. De doctor staat verbaasd over de diepe
+gedachten, godsvrucht en vroomheid van den armen man en
+vraagt hem ten slotte: Wat creature sijdij ende van wat gheslachte?
+De man seyde: Ic ben een conync.&mdash;Conync, seyde
+die meester, hoe muecht ghij een conync ghesijn, anghesien
+u aermoede ende waer es u conyncrijcke? De man seide: Mijn
+siele, dats mijn rijcke, als ic die dueren sluute van mijnen vyf
+sinnen ende soucke mijnen alder liefsten Jhesum Christum duer
+'t ghelove, alle eertsche saken achter latende. Oec vyndic Gode
+int diepe van mijnre sielen duer sijn gracie, ende also, mijn
+vrient, ic segghe hu inder waerheit, dit conincrycke passeert
+ende gaet te boven alle de rijcken die up eerderijc sijn; want
+tes een conyncrijcke dat nemmermeer hende nemen en sal.
+
+<p>Zoo is het dan niet vreemd dat in zeker tractaat de leeken
+gewaarschuwd worden tegen &#8222;eggardus sermone"; noch dat
+ECKHART bij sommigen doorging voor den vader van de kettersche
+secte der Vrije Geesten; noch dat JAN VAN LEEUWEN,
+de kok van RUUSBROEC'S klooster Groenendaal, vóór 1355
+&#8222;een boecxken van meester ECKAERT'S leere" schreef om den
+meester van dwaling te overtuigen. Indien men weet dat dit
+&#8222;boecxken" aanvangt met: &#8222;Het was een duvelijc mensche, hiet
+meester ECKAERT", dan verwondert men zich niet over uitdrukkingen
+als: &#8222;meester ECKAERT hadde alsoe vele ghewaregher
+oeffeninghen alse die padde steert heeft ende ooc
+alsoo vele als die duvel in caritaten ende in minnen leeft."
+Wel heeft de kok zijne beschuldigingen in een later geschrift<a name="369"></a>
+herroepen, doch zijne eerste indrukken blijven er even merkwaardig
+om<a href="#13.27">[27]</a>.
+
+<p>Leerling van ECKHART, toonde HEINRICH SUSO, een tijdgenoot
+van RUYSBROECK, zich vooral in zijn eene hoofdwerk:
+<i>het Boek der Waarheid</i>, waarin de speculatieve mystiek tot de
+erkentenis van Gods wezen tracht door te dringen. Het is
+opmerkelijk, dat, naar het schijnt, niet dit werk van SUSO,
+maar slechts zijn andere voorname geschrift: <i>Horologium aeternae
+sapientiae</i> (c. 1337), op het eind der 14<sup>de</sup> eeuw in het
+Nederlandsch is overgebracht. Dit werk namelijk is een voortbrengsel
+der practische mystiek. Geboren uit een oneindig
+verlangen naar een hoogste goed, dat de ledigheid der ziel
+zal vervullen met duurzamen vrede, behandelt het vooral het
+lijden van CHRISTUS. De idealen der eeuwige waarheid, goedheid
+en schoonheid zijn door SUSO samengevat in het begrip
+der eeuwige wijsheid. In den vorm van een gesprek tusschen
+CHRISTUS, die de eeuwige wijsheid is, en een dienaar, ontvangen
+wij hier schilderingen van de heerlijkheid dier wijsheid,
+van de goddelijke minne, de hemelweelden, het lijden van
+CHRISTUS en MARIA. De weg tot een leven met en in CHRISTUS
+wordt dan aangewezen en het geschrift besloten met eene verheerlijking
+van God.
+
+<p>Vooral in dit werk toont deze &#8222;Minnesinger in Prosa" eene
+innigheid en diepte van gevoel en eene hooge opvatting der
+geestelijke minne, die wel indruk moesten maken op een
+Nederlandsch publiek, dat de lyriek van HADEWYCH en MAERLANT
+en een werk als dat van WILLEM VAN AFFLIGHEM
+geheel of ten deele kende. Het kan kwalijk anders of ook
+onze landgenooten moeten onder den indruk zijn gekomen
+van het verhaal van SUSO'S bekeering, van eene wonderfraaie
+passage daaruit als deze: &#8222;Doen gheviel op enen dach
+dat ic ongheduerich was van moede, ende sach al omme ende<a name="370"></a>
+sochte een stat om mi te rustene in die scaduwe, want ic
+scuwen woude die middach hitte; daer sach ic op enen hogen
+berch alse ene scone edele veltbloeme, die lusteleken was aen
+te siene ende scoen sceen sonder ghelike allen den bloemen
+die ic ghesien hadde. Doen ic mi haeste dese bloeme te siene,
+doen wert si verwandelt<a title="[margin: veranderd.]"><sup>#</sup></a> ende en sceen niet meer bloeme,
+maer si scheen ene godinne alre scoenheit voir mi staende.
+Si roedde<a title="[margin: bloosde.]"><sup>#</sup></a> alse ene roede rose; si blicte<a title="[margin: schitterde.]"><sup>#</sup></a> alse snee ende si
+scheen claerre dan die sonne ende hair sprake was vol scoenheden.
+Dese godinne hadde in hare alle dat men begheren
+mochte, ende van hair soe ghinc zoeten roke verre ende wide,
+daer si mede toech<a title="[margin: trok.]"><sup>#</sup></a> tot hare minnen alle die ghene die den
+roke ghevoelden."
+
+<p>Deze godin blijkt de &#8222;moeder der scoenre minnen" te zijn;
+zij bemoedigt hem en hij spreekt haar toe.
+
+<p>Anderzijds verwondert het ons niet, bij een kenner der mystiek
+de onderstelling te vinden, dat SUSO de geschriften van
+THOMAS VAN CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY heeft gekend.
+De levensgeschiedenissen der ecstatische vrouwen, ons door
+JACOB VAN VITRY verhaald, komen ons weer in de gedachte,
+als wij hooren van SUSO'S bijna bovenmenschelijke zelfpijnigingen
+tusschen zijn 18<sup>de</sup> en 40<sup>ste</sup> jaar: het haren onderkleed
+met ijzeren nagels, die in zijn vleesch drongen; zijne handen
+geboeid, opdat het ongedierte vrij spel zou hebben op zijn
+lichaam; het kruis met spijkers, waar hij op lag; de deur,
+waarop hij sliep; honger, koude, dorst, geeselingen ten bloede&mdash;totdat
+zijn lichaam gezwollen, vol zweren en litteekens, en zijne
+sidderende handen hem waarschuwen, dat zijn leven gevaar loopt.
+
+<p>Misschien ook heeft SUSO persoonlijke betrekkingen aangeknoopt
+met Nederlandsche geestverwanten, toen hij, evenals
+ECKHART, van ketterij beschuldigd, in 1335 voor het Provinciaal
+Kapittel van 's-Hertogenbosch moest terechtstaan<a href="#13.28">[28]</a>.<a name="371"></a>
+
+<p>Meer zekerheid dan omtrent SUSO'S betrekking tot de Nederlandsche
+mystiek geeft ons een bericht aangaande den derden
+der groote Duitsche mystieken: JOHANNES TAULER, evenals
+SUSO een tijdgenoot van RUYSBROEC, doch met dezen bekend
+en zelfs een zijner bewonderaars. In een geschrift van dezen
+tijd lezen wij: &#8222;Dese Tauweler hadde den prior Jan van Ruysbroeck
+in groter ende sonderlingher reverenciën. Daer om dat
+hi en oec dick te visiteren plach ... navolghende, als een
+oetmoedich discipel des prioers, syns meesters voetstappen,
+welcke leere hi oec te menighen steden heeft doen vloyen als
+een rivier, comende ut Ruysbroecs boecken<a href="#13.29">[29]</a>."
+
+<p>Het mag alweer eene bijdrage heeten tot kenschetsing der
+Nederlandsche mystiek, dat wij haar in nauwe betrekking zien
+juist tot dien Duitschen mysticus, bij wien het zedelijk godsdienstige
+en de praktijk van het zedelijk leven op den voorgrond
+stonden. RUYSBROECK'S invloed bepaalt zich niet tot TAULER.
+Wij weten, dat zijn werk hooggeschat werd ook onder de
+zoogenaamde &#8222;Gottesfreunde" van Straatsburg en dat hun hoofd,
+RULMAN MERSWIN, nog in zijne laatste levensdagen RUYSBROECK'S
+<i>Chierheit der geestelijker Brulocht</i> voor de broeders vertaalde.
+
+<p>In RUYSBROECK'S verhouding tot de Duitsche mystiek kunnen
+wij hier niet dieper treden; wij moeten dat uitstellen, totdat
+wij hem zelven en zijn werk gaan beschouwen. Eerst hebben
+wij nog te spreken over andere mystieke geschriften. Ik heb
+hier het oog vooral op de zoogenaamde <i>Limburgsche Sermoenen</i>
+waarin zich de invloed der Duitsche mystiek op de Nederlandsche
+vertoont. Deze bundel bevat 48 preeken, waarvan
+twee derde stellig en de overige vermoedelijk vertaald zijn uit
+het Hoogduitsch. De vertaler was waarschijnlijk afkomstig uit
+de buurt van Maastricht of Tongeren; zijn werk schijnt te dagteekenen
+uit de jaren tusschen 1320 en 1350. Verscheidene dezer
+preeken zouden, ook al waren zij oorspronkelijk, van geringe<a name="372"></a>
+beteekenis voor de literatuurgeschiedenis zijn, omdat zij, evenals
+andere vroeger aangeduide, bestaan hoofdzakelijk uit aaneengeregen
+citaten. Doch andere zijn van meer beteekenis<a href="#13.30">[30]</a>.
+Dat deze preeken uit de kringen der mystiek afkomstig zijn,
+mag men aannemen op grond van den inhoud, die in menig
+opzicht verwant is met dien van andere mystieke preeken der
+14<sup>de</sup> eeuw<a href="#13.31">[31]</a>. Zoo b.v. de opvatting der &#8222;minne" in de preek
+van &#8222;negenrehande minne", die zich onder den invloed van
+SINT BERNARD schijnt te hebben gevormd<a href="#13.32">[32]</a>. In &#8222;dboec vanden
+boegarde" vinden wij de allegorie en het niet zelden spitsvondig
+vernuft waarvan de mystieke predikers van dezen tijd zich
+gaarne bedienen<a href="#13.33">[33]</a>. Op menige plaats in dezen bundel worden
+wij getroffen door eene innigheid van gevoel en eene hoogte
+van vlucht, zooals wij ze slechts bij de mystieken vinden.
+
+<p>Ik wijs op de plaats waar van een God minnende ziele gezegd
+wordt: &#8222;Susdans<a title="[margin: zoodanig.]"><sup>#</sup></a> menschen wort ende werc ende al sin leven
+es onder anderen liden<a title="[margin: lieden.]"><sup>#</sup></a> een bloyende paradis van dogeden
+ende van lichten levene"<a href="#13.33">[33]</a>. In de preek &#8222;van seven maniren van
+minnen" lezen wij: &#8222;Sulke stont<a title="[margin: soms.]"><sup>#</sup></a> geschiet dat die minne sutliken
+in der sielen verweckert<a title="[margin: aangewakkerd.]"><sup>#</sup></a> wert ende blidelike op versteet ende
+har selver berurt int herte sonder enech tuduen<a title="[margin: toedoen.]"><sup>#</sup></a> van menscheliken
+werken. Ende wert dan therte so morweliken gerenen<a title="[margin: inniglijk beroerd.]"><sup>#</sup></a> in minnen
+ende so begerliken getrect, so hertelic bevaen in minnen, so
+liflic behelst in minnen, dasse altemalen verwonnen wert metter
+minnen. Hirin gevulse eenre groter naheit te Gode ende ene
+gestelike clarheit ende wonderlike verwentheit<a title="[margin: weelde.]"><sup>#</sup></a> ende ene edele
+vriheit ende een groet bedwanc van starker minnen ende ene
+overvludege volheit van groter genugden; ende dan gevultse
+dat al har sinne sin<a title="[margin: zijn.]"><sup>#</sup></a> in der minnen ende al har wille es
+worden minne, ende dasse so dipe es versonken ende verswolgen
+in minnen ende selver al es worden minne. Die schonheit
+des minnen hefse geschoent, die cragt der minnen hefse<a name="373"></a>
+vertert, die sutheid der minnen hefse versonken, die geregtheid
+der minnen hefse verswolgen, die edelheit der minnen hefse
+behelst, die purheit der minnen hefse geschirt<a title="[margin: gezuiverd.]"><sup>#</sup></a>, die hogheit der
+minnen hefse boven getrect, ende in hare geënget<a title="[margin: vereenigd.]"><sup>#</sup></a>, soe dasse
+altemale mut sin der minnen ende anders nit en mach plegen."
+
+<p>Een eind verder in diezelfde preek is sprake van de ziel
+voor wie het leven op aarde &#8222;groote ellende en zware gevangenis
+en hevige kwelling" is, die verlangt naar het &#8222;zoete
+gezelschap van de geesten daarboven, die overvloeien van
+minne"; de prediker vervolgt dan aldus: &#8222;Har wille es dar
+boven onder die geste<a title="[margin: geesten.]"><sup>#</sup></a> ende har begerlike wandelinge, ende
+meest onder die bernende seraphine; ende in die grote Gotheit
+ende in die hoge Drivuldecheit es har liflicste rastinge<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a> ende
+har genuglicste woninge. Si suctene in sinre majesteit, si volgt
+hem dar ende siten ane<a title="[margin: ziet hem aan.]"><sup>#</sup></a> met herten ende met geste. Si kenten,
+si minten, si begerten, soe dasse en can gagten<a title="[margin: achten.]"><sup>#</sup></a> heilgen noch
+engle, menschen noch creaturen dan met gemeinre<a title="[margin: gemeenschappelijk.]"><sup>#</sup></a> minnen
+in heme, darse al mede mint; ende heme allene hefse verkoren
+in minnen boven al ende onder al ende binnen al."
+
+<p>Hier en daar toont dit proza in het werken met tegenstelling
+en parallellisme, ook in het bouwen van lange zinnen, eene
+kunstvaardigheid zooals die tot dusver in ons proza niet gezien
+was. Door de samenspraak weten de schrijvers dezer preeken
+soms eene hooge mate van levendigheid te bereiken. Zoo b.v.
+in <i>Dbuec van Heren Selfarts<a title="[margin: egöist.]"><sup>#</sup></a> regelen</i> in passages als deze:
+&#8222;Wie<a title="[margin: hoe.]"><sup>#</sup></a> sal ic mi selver bekennen?&mdash;Ic segt di. Met vif dengen.
+Dirste es daste arm best; dander daste cranc best; terde daste
+quaet best; tfirde daste vel sculdech best; tfifde daste onscoen
+best.&mdash;Du hefs mi seer gescouden<a title="[margin: berispt.]"><sup>#</sup></a>; es dit waer, so bennic
+sere bedrogen an mi selver. Want ic waende ric ende scoen
+wesen, starc ende dogentlic. Nu berigt mi: war ombe ben ic
+arm?&mdash;Die nit guts en heft, es di arm?&mdash;Ja er<a title="[margin: hij.]"><sup>#</sup></a>.&mdash;So<a name="374"></a>
+beste arm. Dun hefs<a title="[margin: gij hebt niet.]"><sup>#</sup></a> cleder noch spise, penninch noch penwert<a title="[margin: ter waarde van een penning.]"><sup>#</sup></a>
+van di selver. Pruve<a title="[margin: overweeg.]"><sup>#</sup></a>: wat brechste here<a title="[margin: bracht gij hier.]"><sup>#</sup></a>, ende wat sauste
+hen vuren? Alt gut daste hefs, dat hefste van Gode: sin est<a title="[margin: het is van Hem.]"><sup>#</sup></a>,
+hi gevet, hi nemet. Nu seg ochte<a title="[margin: of gij.]"><sup>#</sup></a> arm sis.&mdash;Dat weet God,
+ja ic! ic ben arm. Nu sege mi: war ombe ben ic cranc?" enz.
+
+<p>Wij weten niet of dit proza in ruimen kring verbreid is
+geweest; maar ook binnen een beperkten kring van hoorders
+en lezers kan het allicht eenigen invloed ten goede hebben
+geoefend op de ontwikkeling van het Dietsche proza.
+
+<p>De betrekking tusschen de Duitsche en de Nederlandsche
+mystiek wordt gekenschetst niet alleen door wederzijdsch
+geven en nemen maar ook door het voorkomen van gelijke
+of gelijksoortige uitingen en vormen. In de Opperduitsche
+Dominicaner-nonnenkloosters van de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw
+wordt het mystieke leven, zooals wij dat vroeger onder de
+Cisterciënser-nonnen leerden kennen, voortgezet. Tal van adellijke
+vrouwen en meisjes laten zich in die kloosters opnemen
+om daar de wereld en zich zelve te leeren verloochenen. Al
+deze nonnen, onder wie ELISABETH STAGEL, SUSO'S vriendin,
+en CHRISTINA EBNER tot de meest bekende behooren, streven
+onder ontbering en zelfkastijding naar éénheid met JEZUS.
+Extatische toestanden en visioenen zijn dagelijksch brood voor
+haar; de meesten zijn ontwikkeld, eenige hebben mededeelingen
+uit haar eigen en anderer leven te boek gesteld.
+
+<p>Naar het schijnt, hebben wij een, met die geschriften verwant,
+Nederlandsch werk in het boek <i>van machteldis visioenen</i>.
+Voorzoover ik heb kunnen nagaan, bevat dit geschrift geene
+vertaling der werken van de begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG,
+die wij vroeger leerden kennen<a href="#13.34">[34]</a>.
+
+<p>Zeker hebben wij met zelfstandige Nederlandsche uitingen te
+doen in het merkwaardig geschrift van een onbekenden leek<a name="375"></a>
+dat omstreeks 1333 schijnt te zijn ontstaan en in de werken
+van &#8222;den goeden coc van Groenendaal" JAN VAN LEEUWEN,
+over wien wij reeds spraken<a href="#13.35">[35]</a>.
+
+<p>Het geschrift van den onbekenden leek, die misschien in
+Noord-Nederland leefde, heeft den gewonen vorm van een
+samenspraak tusschen den auteur (die ook wel een vrouw kan
+zijn geweest) en Meester EGGAERT, die in den aanvang &#8222;een
+uutgenomen licht van hemelscher wijsheit" wordt genoemd.
+
+<p>Wat ons in deze samenspraak al dadelijk treft, is het gevoel
+van zelfstandigheid tegenover de priesters. Niet tegenover de
+priesterschap op zich zelve; hij zou wel eerbied voor hen
+hebben, indien zij waren wat zij moesten zijn: &#8222;lichtdraghers
+der heiligher kerken." Maar dezulken schijnt hij niet te kennen.
+Over het algemeen heeft hij van priesters en kloosterlingen
+geen hoogen dunk. Hun geestelijk &#8222;habijt" boezemt hem weinig
+eerbied in, omdat hij er door heen zooveel wereldschgezindheid
+ziet, zooveel hoogmoed, eerzucht, zinnelijkheid en laagheid.
+Een goed mensch is meer monnik voor de oogen Gods
+dan die het &#8222;habijt" draagt en ongeestelijk leeft. Wee allen,
+die zijn &#8222;apostelen in die tonge ende rabaude in die oefeninghe<a title="[margin: schurken in de practijk.]"><sup>#</sup></a>"
+roept hij uit. Hij oefent critiek op beweringen van
+priesters, &#8222;meesters in de vrië consten," die hij gehoord heeft;
+hij stelt hunne laatdunkendheid tegenover de leeken aan de kaak.
+
+<p>Zijn gevoel van zelfstandigheid openbaart zich niet minder
+in zijne opvatting van geloof en kerkleer. Welk eene stoutheid
+van denken vinden wij in dezen middeleeuwer, die durft
+schrijven: &#8222;Die salighe minnende siele is godliker op haer
+bedde dan in die kerc!" Soms vervoert die stoutheid van
+denken hem tot vragen, waarvoor hij zelf terugschrikt. Een
+oogenblik twijfelt hij aan de Drie-eenheid. Hij schroomt niet,
+Meester EGGAERT de vraag voor te leggen: &#8222;Plach God te
+lieghen, dat Hij Moyses niet en liet dat lant, dat Hij hem<a name="376"></a>
+belooft hadde?" Doch als hij vraagt: &#8222;Meester Eggaert, hemel
+en aarde hadden een begin, en God is eeuwig. Waar was
+God dan vóór de schepping?" dan is het antwoord: &#8222;Al daer
+en betaemt geen leec na te vraghen, noch om te peysen."
+
+<p>Ook tegenover ECKHART weet hij zijne zelfstandigheid te
+bewaren, want visioenen stelt hij lager dan deze; hij gelooft,
+dat ze meerendeels het werk zijn van booze geesten. Met de
+overdreven MARIA-vereering kan hij zich niet vereenigen,
+evenmin met die van apostelen en heiligen; allen zijn zij
+Gods schepselen, &#8222;God es die fonteyne van alre doecht."
+Dat sterke besef van God als de bron van alle goed brengt
+hem tot de schijnbaar ongerijmde, maar juist daardoor zoo
+sterk sprekende uiting: &#8222;Ik zou liever met God in den afgrond
+van de hel zijn, dan met Maria en alle heiligen en alle engelen
+in den hemel zonder God." Ook voor mirakelen en het aanbidden
+van beelden gevoelt hij weinig. De goede &#8222;verlichte"
+menschen zoeken geen mirakelen. Slechts onverlichte menschen,
+zwak van geloof, aanbidden heiligenbeelden. Hij gaat zelfs
+zoover van te zeggen: &#8222;Eer ik één goed mensch van honger
+liet sterven, zou ik een vuur maken van alle beelden te Aken,
+te Aardenberg en te Katwijk en er voor hem eten op koken."
+
+<p>Hier hoort men ander vuur knappen dan dat van den
+mutsaard, waarop de ketters verbrand werden! Hier gloeit
+reeds een sprank van het vuur dat later zal uitslaan in de
+Hervorming. Een anderen sprank van dat vuur zien wij in
+zijne ergernis over de vervolging, waaraan beggaarden en begijnen
+toentertijd blootstonden vanwege de geestelijke inquisiteurs.
+Levendig is reeds in hem het besef: God moet men
+gehoorzamen boven alle menschen en boven alle prelaten.
+Ook de paus, al is hij een aardsch god, heeft geen recht iets
+te bevelen, dat in botsing komt met wat God geboden en
+verboden heeft.<a name="377"></a>
+
+<p>Hier is reeds de godsvrucht die geen menschenvrees kent
+en zich afhankelijk gevoelt van God alleen; nu nog maar
+aanwezig in een enkele, doch die gaandeweg zal aanwassen
+en zich uitbreiden over duizenden bij duizenden.
+
+<p>Het verrast ons niet, bij een man, zoo onafhankelijk van
+geest als deze leek, de opvatting van <i>adel</i> en <i>dorper</i> terug te
+vinden, die wij vroeger door MAERLANT hoorden verkondigen.
+Zijn oog blijft dan ook niet gesloten voor zoovele maatschappelijke
+misstanden, voor het onrecht in de verhouding tusschen
+rijken en armen; en zoo hij aan boeren en ambachtslieden
+onderwerping predikt, het is in bitterheid des harten.
+
+<p>Toch is het niet vooral op deze wereld, dat hij den blik gericht
+houdt; als elk waarachtig christen, heeft hij een heimwee
+naar hooger, reiner leven: &#8222;Siet, wij sijn al pelgrims ... ende wij
+gherne waren tot ons vaders lande, daer wij toe ghemaect sijn."
+
+<p>Datzelfde heimwee vinden wij in de geschriften van den
+goeden kok van Groenendaal, waar hij verzucht: &#8222;Rechts<a title="[margin: volkomenlijk.]"><sup>#</sup></a> es
+hier mijn leven ende mijn daghelijcsche ghevoelen, als een
+armen ghevanghenen te moede es, die droeve ende serich
+leghet, ya al vol rouwes in eenen aleyndeghen<a title="[margin: ellendig.]"><sup>#</sup></a> kerkere des
+lichamen bevaen<a title="[margin: omvangen.]"><sup>#</sup></a> ende besloten."
+
+<p>En dit is&mdash;begrijpelijkerwijze&mdash;niet het eenig punt van
+overeenkomst tusschen deze twee tijdgenooten. Ook JAN VAN
+LEEUWEN ergerde zich aan het schreeuwend verschil tusschen
+leer en leven van zoovele geestelijken, aan de hebzucht, gulzigheid
+en wellust van vele prelaten; &#8222;die duvel regneert nu onder
+dat gheestelijke volc"&mdash;aldus vat hij ergens zijne indrukken
+van hun handel en wandel samen. Ook bij hem vinden wij
+die neiging tot terugkeer naar den apostolischen eenvoud en
+het christelijk communisme. Ook bij hem een ruimer en hooger
+opvatting van vroomheid dan in die dagen het deel der meesten
+was. Hier en daar weet hij die opvatting weer te geven met<a name="378"></a>
+treffende levendigheid en gezonde luim. Zoo b.v. waar hij
+spreekt over de trouwe kerkgangers die telkens weer in zonden
+vallen, maar genoeg wanen te doen door eens in het jaar ter
+biecht te gaan. &#8222;Soe seggen si: &#8222;Here, ic hebbe gheloghen
+ende ghesworen. Ic en weet niemeer. Vraecht mij voert.... Ende
+dan seit die pape<a title="[margin: priester.]"><sup>#</sup></a> ter selver stont&mdash;ende es also droncken
+als een hont&mdash;&#8222;Absolvo te!" dats in dietsche: &#8222;Ic ontbinde
+oft ic absolvere di." Ende dan seit die pape: &#8222;Joffrouwe, gaet
+thuuswert; sijt onverveert. Vallen ende opstaen es menschelijc."
+JAN VAN LEEUWEN heeft ook dien waarheidszin die hem
+doet schrijven: &#8222;Want ic bin der waerheyt meer sculdech dan
+alre menschen of oec enechs menschen hulde<a title="[margin: genegenheid.]"><sup>#</sup></a> te houdene,
+daer ic de waerheyt yet verswighen soude. Omme sterven of
+oec omme leven en sal men der waerheyt niet afgaen, maer
+wy selen rechte doerliden<a title="[margin: doorgaan.]"><sup>#</sup></a> voor de oghen Gods, sonder
+yemene<a title="[margin: iemand.]"><sup>#</sup></a> te spaerne om gheniets<a title="[margin: voordeel.]"><sup>#</sup></a> wille, noch arme noch
+rike, noch vriende noch maghe."
+
+<p>Echter blijft hij zich wel bewust van de grenzen die hij hier
+moet in acht nemen: &#8222;van den alder quaetsten willic swighen".
+Hij heeft niet de onafhankelijkheid van geest, waarmede de
+onbekende leek zich tegenover kerk en priesters durft plaatsen;
+hij wil of durft zich niet zoo uitlaten als deze over Mariadienst,
+mirakelen, heiligenbeelden, vervolging om den geloove. Visioenen
+zullen wel in eere zijn geweest bij hem, die zich bevoorrecht
+gevoelde door de &#8222;gracie Gods" die hem het &#8222;scouwende leven"
+deelachtig had gemaakt.
+
+<p>In dat alles was &#8222;de goede kok" een man van zijn tijd, een
+middeleeuwsch Katholiek; den onbekenden leek mag men &#8222;een
+middeleeuwsch Protestant" noemen.
+
+<p>Dat JAN VAN LEEUWEN was zooals hij was, moet zeker
+goeddeels worden toegeschreven aan den invloed van zijn
+prior, van den man dien hij vereerde meer dan een heilige,<a name="379"></a>
+die voor hem was &#8222;een seraphin in hemelrike, den hoechsten
+enghelen ghelike", die zijne &#8222;edele gloriose leringhe al eertrike
+dore ghesaeit ende ghespraeit" had&mdash;van JOHANNES RUYSBROECK,
+wiens werk hier reeds meer dan eens even zichtbaar
+is geworden, zooals een kerktoren bij eene nieuwe kromming
+van den weg.
+
+<p>Zijn leven maar vooral zijn werk gaan wij nu beschouwen.
+
+<h3>RUYSBROECK<a href="#13.36">[36]</a>.</h3>
+
+<p>Het verhaal van zijn uiterlijk leven is ras gedaan. Hij werd
+in 1294 geboren in het dorp Ruysbroeck, dat ten zuiden van
+Brussel aan de Senne ligt. Zijn vrome moeder wilde hem
+gaarne bij zich houden, maar zucht naar kennis en ontwikkeling
+dreef den knaap op zijn elfde jaar uit haar huis.
+Heimelijk gaat hij naar Brussel en wordt opgenomen bij een
+bloedverwant die kanunnik was aan de kerk van Sinte Goedele.
+Hij wijdt zich nu met grooten ijver aan de studie, vooral aan
+de theologie; de begeerte om tot een schouwend leven te komen
+wast steeds in hem. Zelfs het genot van zijne moeder te zien
+en te spreken ontzegt hij zich. Op zijn 24<sup>ste</sup> jaar wordt hij
+priester, daarna kapelaan aan de kerk van St. Goedele. Meer
+en meer trekt hij zich terug in eigen zieleleven.
+
+<p>Met het klimmen zijner jaren moet het verlangen naar
+bevrijding van ambtsbezigheden en stadsleven sterker in hem
+zijn geworden. Op zijn 60<sup>ste</sup> jaar legt hij zijn ambt neer en
+gaat met Heer FRANK VAN COUDENBERGHE, kapelaan van
+St. Goedele als hij, in het Soniën-bosch wonen. Daar stichten
+zij in een dal dat Groenendaal genoemd werd, voor hen beiden
+&#8222;eene matelycke habitacie", op de plek waar vroeger de kluis
+van een kluizenaar gestaan had.
+
+<p>RUYSBROECK ware wel gaarne met Heer FRANK alleen gebleven;
+maar deze &#8222;begheerde die minne Gods te vermeeren<a name="380"></a>
+in vele personen." Zoo voegden zich dan eenige leeken en
+religieusen bij hen. Allen namen daarna den regel en het
+&#8222;habijt" der regulieren van SINT AUGUSTINUS aan. Onder
+Heer FRANK als proost werd RUYSBROECK prior. In dit klooster
+heeft hij, zijn ambt waarnemend en overigens ook het geringste
+werk niet versmadend, zich eerst recht aan de oefening in het
+werkend en schouwend leven kunnen wijden. De roep van
+heiligheid, uitgaand van zijn leven en zijne werken, bracht
+talrijke bezoekers uit Dietsche en Duitsche landen, ook wel
+eens uit Parijs, naar Groenendaal. TAULER en GEERT DE
+GROOTE behooren tot de beroemdsten onder hen. Zijnerzijds
+gaat RUYSBROECK soms te voet, al viel het hem moeilijk, naar
+bevriende kloosters, waar men aanstoot had genomen aan eenig
+geschrift van zijne hand en voorlichting van hem begeerde. De
+Karthuizer-broeder GERAERT, die hem bij zulk eene gelegenheid
+heeft gezien en gesproken, weet ons te vertellen &#8222;van sinen
+ripen ende bliden aensiene, van sinen goedertieren ende oetmoedighen
+spreken." Zoo vloeit zijn leven rustig voort. Dan gaan
+zijne gezellen hem begeven o.a.: zijn leerling, de kanunnik
+WILLEM JORDAENS, en de goede kok JAN VAN LEEUWEN.
+
+<p>RUYSBROECK'S oogen beginnen te verduisteren; als hij de
+mis opdraagt, kan hij de hostie niet goed meer onderscheiden.
+Steeds heeft hij den psalm op de lippen: &#8222;mijn ziele dorst naar
+God, de levende bron; wanneer zal ik komen en verschijnen
+voor het aangezicht van mijn God." Heugenissen der kindsheid
+komen op in zijn geest; het beeld zijner moeder verschijnt
+hem, zij onderricht hem van zijn sterfdag. Die dag kwam in
+December 1381. Met den blos des levens op het gelaat, scheidt
+hij uit dit leven<a href="#13.37">[37]</a>.
+
+<p>Op een miniatuur, kort na RUYSBROECK'S overlijden vervaardigd,
+zien wij hem in het Soniën-bosch bezig met het<a name="381"></a>
+opstellen van een geschrift. De grijze prior zit onder een
+boom op den grond; op zijn knie rust een met groen was
+bestreken schrijftafeltje, zijne rechterhand grift letters in het
+was; boven zijn hoofd zweeft een duif, symbool van den
+Heiligen Geest, onder wiens inspiratie hij werkt. Tegenover
+hem zit een jonge kloosterbroeder, met bruin haar en blozende
+wangen, aan een schrijflessenaartje; links van hem ligt een
+beschreven was-tafeltje, vóór hem een vel perkament; den
+wijsvinger der linkerhand houdt hij bij het in was gegrifte
+woord, dat hij juist bezig is op perkament over te brengen.
+Dat is de jonge priester, die Heer JAN als &#8222;notarius" diende,
+gelijk Broeder GHERAERT ons heeft verhaald<a href="#13.38">[38]</a>.
+
+<p>Naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier eene betrouwbare
+voorstelling van de wijze, waarop menig werk van
+RUYSBROECK is ontstaan. De mystieken hadden behoefte aan
+afzondering, om zich ongestoord in eigen zieleleven te kunnen
+verdiepen. Waar konden zij die behoefte beter bevredigen dan
+op een eenzame plaats buiten? Gedurig buiten vertoevend in
+bosschen en velden of aan het werk in den kloostertuin, leerden
+zij de natuur kennen en liefhebben als openbaring Gods.
+Welk een innige verhouding tot de natuur zien wij in Sint
+FRANCISCUS, die alle schepselen Gods als zijne broeders en
+zusters beschouwt en in zijn <i>Cantico del Sole</i> blijk geeft van
+een innig samenleven met de gansche natuur, zooals wij dat
+eeuwen daarna bij dichters als GOETHE en SHELLEY, maar
+ontkerstend, zullen terugvinden. Ook in HADEWYCH'S poëzie
+merkten wij een levendig natuurgevoel op. Zoo is dus de
+voorstelling van RUYSBROECK, zijne werken dichtend in het
+Soniën-bosch, geheel overeenkomstig de algemeene verhouding
+tusschen mystiek en natuurleven.
+
+<p>Waarschijnlijk is een groot deel zijner werken ontstaan in
+en bij het klooster Groenendael. Maar niet alle werken. Immers<a name="382"></a>
+broeder GHERAERT vertelt ons, dat RUYSBROECK te Brussel
+begon eenige zijner boeken te maken, en zijn voornaamste
+werk, de <i>Chierheit der geesteleker Brulocht</i>, was reeds in
+1350 voltooid, vier jaar voordat hij de &#8222;habitacie" ten
+Groenendale betrok. Van de chronologie zijner werken is
+ons overigens tot dusver weinig bekend; slechts weten wij,
+dat zijn <i>Spieghel der ewigher Salicheit</i> in 1359 geschreven is
+en dat het tractaat <i>vanden Rike der Ghelieven</i> zijn eerste
+werk was<a href="#13.39">[39]</a>.
+
+<p>De oude &#8222;verluchter", die op zoo naïeve wijze RUYSBROECK'S
+werk voorstelde als ontstaan door &#8222;ingheestinghe", toonde
+daardoor wel de juistheid van zijn inzicht. Toch mag men
+niet voorbijzien, dat de in den vromen prior schuilende
+scheppingskracht meer dan eens te werk is gesteld door een
+oorzaak buiten hem. Zoo werd de <i>Spieghel der ewigher Salicheit</i>
+geschreven op verzoek eener non van St. Clara, &#8222;die hem
+langhe daerom ghebeden hadde". <i>Dat Boec vander hoechster
+Waerheit</i> werd geschreven ter verklaring van zijn eerste werk
+en op verzoek van broeder GHERAERT en de zijnen. Een derde
+geschrift: <i>Vingherlinc<a title="[margin: vingerring.]"><sup>#</sup></a> of het blickende steentje</i>, vloeide voort
+uit een gesprek met een kluizenaar &#8222;van gheesteliker materien"
+en werd op verzoek van dezen te boek gesteld. Ook het
+<i>Tractaet van Seven sloten</i> is waarschijnlijk geschreven op verzoek
+eener Clarisse<a href="#13.40">[40]</a>.
+
+<p>Behalve de reeds genoemde werken schreef RUYSBROECK nog:
+<i>Van den gheestelijken Tabernacule</i>, het omvangrijkste van alle;
+<i>Van den Twaelf Dogheden<a title="[margin: deugden.]"><sup>#</sup></a></i>, dat, zoo al niet door hem, dan
+toch zeker geheel in zijn geest is geschreven; <i>Van seven Trappen</i>;
+<i>Van den Kerstenen Ghelove</i>; <i>Van den vier Becoringhen</i>; <i>Van
+den twaelf beghinen</i>.
+
+<p>Zijn deze titels alle van RUYSBROECK zelf afkomstig? Van
+een viertal, reeds door broeder GHERAERT genoemde, (<i>Rike</i><a name="383"></a>
+<i>der Ghelieven, Van der hoechster Waerheit, Brulocht</i> en <i>Tabernakel</i>)
+acht ik dat wel waarschijnlijk; de overige zouden ook
+van afschrijvers kunnen zijn. Al deze titels houden natuurlijk
+in meerdere of mindere mate verband met den inhoud der
+werken, doch in bijna al deze werken vinden wij, behalve
+hetgeen door den titel wordt aangewezen, ook deelen van
+RUYSBROECK'S mystieke levensbeschouwing, telkens in ander
+verband en met meerdere of mindere volledigheid, terug. Daarom
+moet men bij eene beschouwing van RUYSBROECK'S werk niet
+zoozeer letten op de, door verschillende titels onderscheiden,
+deelen ervan, als wel op het geheel dat zij samen vormen.
+
+<p>Een kort overzicht van de <i>Chierheit der gheesteleker Brulocht</i>
+kan ons eenigermate een denkbeeld geven van den bouwtrant
+van RUYSBROECK'S werk. De <i>Brulocht</i> bestaat uit drie
+deelen, overeenkomend met de drie trappen, welke de mysticus
+in zijn streven naar volmaaktheid heeft te bestijgen:
+het werkende, het innige en het schouwende leven. Aan het
+geheel is ten grondslag gelegd deze tekst: &#8222;Ziet, de bruidegom
+komt, gaat uit, hem te gemoet." De vier deelen van dezen
+tekst worden nu achtereenvolgens op elk der trappen toepepast,
+telkens in dieper zin. <i>Ziet</i>, d.i.: de mensch moet zich telkens
+weer richten op God; <i>de bruidegom komt</i>: God komt den op
+Hem ziende tegemoet; <i>gaat uit</i>: de mensch handelend in zijne
+betrekking tot God; <i>Hem tegemoet</i>: de ontmoeting van God
+en mensch<a href="#13.41">[41]</a>.
+
+<p>Weinig werken van RUYSBROECK vertoonen in hun bouw
+eene zoo strenge symmetrie als dit; toch kunnen wij in de
+meeste wel iets daarvan terugvinden. Het <i>Boek van den Tabernakel</i>
+geeft eene voorstelling van het mystieke leven of van
+&#8222;den loop der minnen", gesymbolizeerd in den Tabernakel
+en zijne talrijke onderdeelen. <i>Van den twaelf Dogheden</i>,
+eer eene zedekundig dan een mystiek geschrift, geeft eene<a name="384"></a>
+beschouwing der Christelijke deugd, welker grondslag de
+ootmoed wordt genoemd. In <i>Spieghel der ewigher Salicheit</i> ontvangen
+wij beschouwingen over het kloosterleven, het Avondmaal
+en de soorten van avondmaalgangers. In het <i>Tractaet van
+seven Sloten</i> worden de kloosterplichten uiteengezet; doch,
+evenals in de bovengenoemde en nog te noemen geschriften,
+telkens weer in verband met het gansche mystieke leven en
+hier inzonderheid met het schouwende leven. De <i>Vier Becoringhen</i><a title="[margin: verzoekingen.]"><sup>#</sup></a>,
+bedoeld in het geschrift van dien naam, zijn:
+onbedwongen natuur waaruit zinnelijkheid en wellust voortkomen;
+schijnheiligheid; begeerte om met het natuurlijk verstand
+alle dingen te willen verstaan, hetwelk tot geestelijken hoogmoed
+leidt; bij de vierde &#8222;becoringhe" had RUYSBROECK het oog op
+de kettersche secte der Broeders en Zusters van den vrijen
+geest, die, innerlijke en uiterlijke goede werken versmadend,
+hunne ziel ontledigd van alle andere dingen en slechts met
+God vervuld achtend, waanden geene zonde te kunnen doen,
+omdat God immers alles in hen werkte. Het <i>boek van den
+twaelf beghinen</i> is gewijd vooral aan de Beschouwing. Aanvangend
+met eene samenspraak tusschen twaalf begijnen over
+de liefde tot JEZUS, handelt het voorts over het Avondmaal,
+de vereischten voor de beschouwing, de dwalingen der ketters,
+de schepping der wereld, de bedorven natuur van den mensch
+enz. De stof moge hier rijk zijn, de samenhang der deelen
+laat veel te wenschen over. In <i>Vingherlinc</i> wordt, aanknoopend
+bij een bijbeltekst uit <i>de Openbaring</i> waar gesproken wordt
+van een &#8222;blickend<a title="[margin: schitterend.]"><sup>#</sup></a> steenken", met kunstige symboliek aangetoond
+dat met dit in een ring gevat steentje CHRISTUS
+bedoeld is.
+
+<p>Bestaat er dus wel verband tusschen de titels en den inhoud
+van RUYSBROECK'S werken, anderzijds zal gebleken zijn hoe
+telkens naast en boven dit bijzondere het algemeene zich ver<a name="385"></a>toont.
+Dat algemeene zullen wij trachten beknopt samen te
+vatten.
+
+<p>Uitgaande van het Wezen Gods, daalt ook RUYSBROECK'S
+mystiek af tot den mensch en klimt weer op tot God.
+
+<p>God is het absolute praedicaatlooze Zijn, het &#8222;overwesen",
+de &#8222;onghebeelde blootheit"<a title="[margin: ledigheid zonder beelden (vormen).]"><sup>#</sup></a>. <i>Wat</i> God is, gaat boven het
+begrip aller schepselen; doch <i>dat</i> Hij is, getuigt Natuur en
+Schriftuur en alle Creatuur. Uit Gods eenheid vloeit Zijne
+drieheid voort; de geboorte van den Zoon heeft voortdurend
+plaats, Gods wijsheid weerspiegelt zich in den <i>Zoon</i>; uit beider
+ontmoeting ontspringt hunne minne: de Heilige Geest. Ook
+deze wordt voortdurend herboren: steeds is er een nieuw
+&#8222;uutgheesten", een nieuwe vloed van eeuwige minne. Al kunnen
+wij God niet volnoemen noch volspreken, toch kunnen wij als
+zijne voorname eigenschappen onderscheiden: almacht, wijsheid
+en liefde, overeenkomend met Vader, Zoon en H. Geest.
+Tegenover de eeuwige schepping: het ideëel vóórbestaan der
+dingen in God, staat de schepping in den tijd, die eene vrijwillige
+daad van Gods liefde is. In zijne voorstelling dier
+tijdelijke schepping neemt RUYSBROECK PTOLEMAEUS' wereldstelsel
+over, volgens hetwelk de aarde middelpunt des heelals is.
+Tegenover de stoffelijke schepping staat de geestelijke: engelen
+en menschen. De mensch, kroon der schepping, geschapen
+niet uit Gods wezen doch uit niets, is bestemd de plaats in te
+nemen die de engelen verloren hebben, terug te vloeien tot
+zijn oorsprong: God. Doch eerst langzamerhand zal het hoogere
+in hem het lagere kunnen overwinnen, onderwerpen, beheerschen.
+De krachten der menschelijke ziel zijn te verdeelen in vier
+lagere &#8222;vee-gelijke", en drie hoogere; de lagere zijn: toorn,
+begeerte (&#8222;beestelicke" krachten), redelijkheid die mensch van
+dier scheidt, en vrijheid van wil. De drie hoogere: memorie,<a name="386"></a>
+verstand en wil; met deze drie krachten komen overeen deze
+eigenschappen: &#8222;onghebeelde blootheit", &#8222;overste redene" en
+&#8222;vonke der ziele", d.i. de aangeboren neiging der ziel tot
+haren oorsprong. Door deze eigenschappen staat de ziel in
+betrekking tot God en kan zij tot Hem opklimmen. De mogelijkheid
+tot vereeniging met God is van eeuwigheid af in onze
+ziel gelegd, doch de werkelijke vereeniging met God komt tot
+stand eerst in het mystieke leven. In zijn streven naar die verwerkelijking
+wordt de mensch belemmerd door de zonde. Zonde
+is niet: geneigdheid tot het kwade, doch afwezigheid van strijd
+tegen het kwade. In zijne leer aangaande den zondeval, de
+zegepraal over dood en duivel en onze loskooping staat
+RUYSBROECK op het standpunt der Roomsch-Katholieke kerk.
+Echter beslaat CHRISTUS' verlossende werkzaamheid weinig
+plaats in zijn stelsel. CHRISTUS, de mensch, is hem vooral,
+toonbeeld van het mystieke leven.
+
+<p>Zoo wordt uit het Goddelijk Wezen alles afgeleid, met dien
+verstande dat het Goddelijk beeld overal bewaard blijft. Tegenover
+en naast het, uit opeenvolgende momenten bestaande, menschenleven
+wordt het transcendente begrip van tijdeloosheid, het
+&#8222;ewigh nu" in God en Gods werken gehandhaafd. Worden en
+bestaan, komen en vergaan zijn slechts vluchtige vormen van
+het eenige, eeuwige Zijn; de altijd wisselende eb en vloed van
+de diepe en eeuwig ruischende zee der Godheid. De eeuwige
+bestaansvorm der Godheid vertoont zich overal in dit grootsche
+stelsel als de spitsboog in een kathedraal.
+
+<p>Op dezen grondslag van speculatieve mystiek heeft RUYSBROECK
+het gebouw zijner practische mystiek opgetrokken. In die vereeniging
+van theorie en practijk ligt voor een deel het eigenaardige
+en de verdienste zijner mystiek.
+
+<p>RUYSBROECK neemt drie trappen (&#8222;staten" of &#8222;ordenen") aan
+als evenzooveel stadiën op den heilsweg. Wie tot een hoogeren<a name="387"></a>
+trap opklimt, moet toch altijd de plichten van den vorigen trap
+blijven beoefenen. In het <i>Boec van seven Trappen</i> noemt hij
+b.v. als de zeven treden waarlangs de vrome opklimt tot de
+zaligheid der beschouwing: 1<sup>o</sup>. eendrachtich ende eenwillich
+sijn met den wil ons Heren; 2<sup>o</sup>. willich armoede; 3<sup>o</sup>. reynicheit
+der sielen ende suverheit van lichame; 4<sup>o</sup>. ghewarighe<a title="[margin: waarachtige.]"><sup>#</sup></a> oetmoedicheit;
+5<sup>o</sup>. edelheit alre doechde ende alre goeder werke d.i.:
+begeeren de eere Gods bovenal; 6<sup>o</sup>. een claer insien puer van
+gheeste ende van ghedachten; 7<sup>o</sup>. een grondeloos niet weten
+van God, &#8222;een versterven ende overliden<a title="[margin: overgaan.]"><sup>#</sup></a> in ene ewighe
+onghenoemtheid daer wi ons verliesen". De verdeeling in drieën,
+die in het middeleeuwsch leven zoo veelvuldig voorkomt,
+schemert ook hier weer door. Want de drie eerste graden
+behooren tot het <i>Werkende</i>, de twee volgende tot het <i>Innige</i>,
+de beide laatste tot het <i>Schouwende</i> leven.
+
+<p>Tot het Werkend Leven moet de mensch voorbereid worden
+door tweeërlei gratie: 1<sup>o</sup>. de &#8222;voirlopende" die den mensch
+beweegt, van buiten: door ziekte, leed, goede voorbeelden;
+van binnen: door overdenking van Gods lijden, de vergankelijkheid
+van het aardsche; 2<sup>o</sup>. de gratie die is &#8222;een heymelic
+inwerken Gods" in de ziel. Door Gods inwerking ontstaat dan
+de &#8222;caritate", d.i. een minneband tusschen God en de minnende
+ziele. Wie deze &#8222;caritate" bezit, heeft volkomen rouw
+van zonden, en wie deze heeft, zal trachten zich van zonde
+te reinigen om te komen tot een onbesmette conscientie.
+
+<p>Nog is de mensch niet waardig een <i>zoon</i> Gods te heeten;
+in afwachting daarvan moet hij trachten zooveel mogelijk een
+getrouwe <i>knecht</i> te zijn. Abstinentie, penitentie, eerzame zeden
+en heilige werken van buiten&mdash;dat is ongeveer wat door het
+werkende leven wordt omvat. Op &#8222;caritate", rechtvaardigheid
+en ootmoed, berust het &#8222;gestichte alre doghede ende alre
+edelheit". In al die onderscheiden deugden: ootmoed, gehoor<a name="388"></a>zaamheid,
+zelfverloochening, lijdzaamheid, zachtmoedigheid,
+medelijden, zachtheid, reinheid van ziel en lichaam, moet de
+mensch zich aldoor oefenen. Drie machtige vijanden heeft hij
+daarbij te weerstaan: de Booze, de wereld, zijn eigen vleesch.
+Bijgestaan door de genade Gods moet de mensch in dien strijd
+zich staande houden en zijne ziel ordenen als een koninkrijk,
+waarin de vrije wil koning is. Deze geheele deugdsbetrachting
+wordt aangewezen als navolging van CHRISTUS.
+
+<p>Het Innige Leven staat hoog boven het Werkende, als
+&#8222;overlant"<a title="[margin: Hoogland.]"><sup>#</sup></a> boven &#8222;nederlant"<a title="[margin: Laagland.]"><sup>#</sup></a>. Wie in het Innige Leven
+wil komen, moet op de bergen wonen waar de Zonne der
+Gerechtigheid schijnt. In tegenstelling met het Werkende Leven,
+waar voornamelijk de mensch werkt, werken hier God en
+mensch gelijkelijk en komen elkander tegemoet.
+
+<p>In het Innige Leven vallen drie stadia te onderscheiden: 1<sup>o</sup> het
+kenvermogen des menschen wordt doorschenen met bovennatuurlijke
+klaarheid; 2<sup>o</sup> daardoor voorgelicht, moet de mensch uitgaan
+in inwendige oefeningen naar gerechtigheid; 3<sup>o</sup> hij moet opklimmen
+tot het genieten van de eenheid met God. In het eerste
+stadium, waarin RUYSBROECK den invloed der bovennatuurlijke
+klaarheid vergelijkt bij den loop der zon, worden weer tal van
+deugden beschouwd in de wijze, waarop telkens eene nieuwe
+zich uit eene voorgaande ontwikkelt. Het hart wordt door het
+inwendig vuur van den H. Geest steeds op en neer gedreven,
+opbruisend en neervallend als water waaronder vuur wordt
+gestookt. Het hart, gewond door minne, wil telkens zich sluiten,
+doch telkens schijnt de zon, CHRISTUS, er in en wordt de
+wonde vernieuwd. Vandaar dat een hevige ijver des menschen
+hart verteert. Uit dezen ijver wordt hij van tijd tot tijd opwaarts
+getrokken in den geest. Dan ontstaan visioenen en revelatiën,
+die hij soms wel, soms niet onder woorden kan brengen.
+Evenals de hitte afneemt, wanneer de zon het eind van haar<a name="389"></a>
+loop nadert, zoo gaat nu ook CHRISTUS zich voor den mensch
+verbergen. Droefheid, gevoel van verlatenheid, van twijfel aan
+zich zelven maken zich nu van den mensch meester; doch uit
+zijn lijden moet hij vreugde scheppen. Vooral moet hij waken
+tegen al te groote vreugde over hetgeen hij tot dusver bereikt
+heeft; daardoor toch zou hij minder toegankelijk worden voor
+het invloeien der genade Gods.
+
+<p>De genade-instorting van het tweede stadium wordt vergeleken
+bij eene levende fontein, die uitvloeit in drie rivieren:
+1<sup>o</sup> enkelvoudigheid, die alle zielekrachten doordringt; hierdoor
+richt de mensch zich op <i>blootheit</i>, d.i. de waarheid, ontdaan
+van alle beeld en kleed, vorm en gelijkenis; 2<sup>o</sup> geestelijke
+klaarheid, die geene visioenen en revelatiën noodig heeft. Nu
+moet de mensch den blik richten op de Godheid; die aanblik
+wekt in hem inwendige vreugd, waaruit de derde rivier ontspringt,
+nl. &#8222;inghegeeste hitte", die in den wil vloeit, dezen
+doet gloeien en branden en hem vervult met minne. Nu moet
+de mensch uitgaan met overvloedige liefde tot God en alle
+heiligen, tot de zondaren en verkeerde menschen, tot hen
+die in het Vagevuur zijn, tot zich zelven en alle goede
+menschen.
+
+<p>In het derde stadium is de genade-instorting gelijk aan de
+levende ader in de fontein. De mensch ondervindt het &#8222;gherinen"
+d.i. het beroeren Gods. De door de genade verlichte rede
+tracht nu dat beroeren Gods in het innigste zijns geestes te
+beschouwen, doch bespeurt alras dat zij te kort schiet; zij
+&#8222;faelgiert in 't voirtgaen". Echter wil de minnende kracht niet
+rusten. Van nu af begint een eeuwig verlangen: de ziel ontbrandt
+in steeds gloeiender begeerte, maar is nog niet rijp voor
+de zaligheid; &#8222;het geschapen vat en can geen onghescapen
+goet ghevaten"<a title="[margin: bevatten.]"><sup>#</sup></a><a href="#13.42">[42]</a>.
+
+<p>In het Innige Leven zijn de <i>knechten</i> van het Werkende<a name="390"></a>
+Leven tot <i>zonen</i> Gods geworden, doch den eindpaal hebben
+ook zij niet bereikt.
+
+<p>In den staat van &#8222;blootheit" kan Gods geest onmiddellijk op
+hen werken. Nu eerst kan de mensch geheel opgaan in God,
+zooals de rivier die zonder ophouden en wederkeeren altijd
+uitstroomt in de zee. In het Schouwende Leven wordt de
+mensch geheel lijdelijk; hij rust en gevoelt slechts wat hem
+door God wordt aangedaan. Het leven wordt een leven Gods
+in den mensch. Op den duur gevoelt de mensch echter dat
+hij niet louter lijdelijk kan blijven. Hij wil werken; &#8222;minne en
+mach niet ledich sijn". Ook het leven der Godheid is tweeledig:
+naar binnen eeuwig rustend, naar buiten eeuwig werkend.
+Zoo keert dan de mensch weer terug tot de practijk des levens.
+Vol van de zaligheid der Beschouwing, moet hij tevens de
+deugden van het Innige en het Werkende Leven betrachten.
+Door aldus, in God rustend, onder de menschen te werken,
+wordt het leven van den vrome een goddelijk leven dat toch
+menschelijk blijft. Zoolang de mensch op deze aarde vertoeft,
+zal zijn leven steeds een &#8222;crighen in ontbliven" (streven zonder
+volledig verkrijgen) zijn. Zal de schouwer door zijn terugkeer
+in de wereld niet veel van zijne innigheid moeten verliezen?
+Daarvoor behoeft geen vrees te bestaan. De ziel kan wel alleen
+zijn, ook al vertoeft zij in de buitenwereld. Het komt er slechts
+op aan, God steeds voor oogen te houden. Door voortdurende
+oefening moet de inkeer van den schouwenden mensch een
+onbewuste daad worden, evenals b.v. het vormen van letters
+voor iemand die schrijft.
+
+<p>RUYSBROECK zelf had het in die kunst ver gebracht. Zijn levensbeschrijver
+deelt ons mede, dat het hem, volgens zijn eigen getuigenis,
+minder moeite kostte, door contemplatie zijn ziel tot God
+omhoog te heffen, dan zijn hand aan zijn hoofd te brengen<a href="#13.43">[43]</a>.
+
+<p>De schouwer moet dus blijven werken; ja, zelfs de zaligheid<a name="391"></a>
+der extaze moet hij opgeven, indien hij een medemensen kan
+helpen: &#8222;want ware die mensche in also groter jubilaciën of
+contemplaciën als Sinte Peter of Sinte Pauwels ye ghewaren,
+ende wiste hi enen sieken mensche die noetorftich<a title="[margin: behoeftig.]"><sup>#</sup></a> ware eens
+supens<a title="[margin: soep.]"><sup>#</sup></a> oft anders yet, het waer veel beter dat hi liete sine
+oefeninghe van jubilaciën ende van contemplaciën, ende diende
+dien noetorftighen mensche in meerre<a title="[margin: vermeerdering.]"><sup>#</sup></a> van minnen."
+
+<p>Wij konden hier slechts beproeven een beeld van RUYSBROECK'S
+mystiek te geven in eenige groote lijnen en binnen
+die omtrekken eenige voorname punten aanwijzen. Veel van het
+minder gewichtige moesten wij achterwege laten. Zoo b.v. de
+vraag naar de consequentie van RUYSBROECK'S stelsel. Naar het
+schijnt, is het niet moeilijk den auteur van zoovele en omvangrijke
+geschriften op meer dan eene plaats in tegenspraak te brengen
+met zich zelf. Wij willen het wel gelooven, doch achten het bij
+de beschouwing van een mystiek auteur van gering belang.
+
+<p>Van meer gewicht is de vraag, in hoever RUYSBROECK'S
+werk oorspronkelijk mag heeten. Het slot onzer uiteenzetting
+van zijn stelsel zal sommige lezers reeds getroffen hebben
+als volkomen overeenstemmend met eene vroeger medegedeelde
+uiting van ECKHART. En dat is niet het eenige punt van
+overeenkomst tusschen deze twee meesters. In de grondbeginselen
+zijner speculatieve mystiek toont RUYSBROECK nauwe
+verwantschap met ECKHART, met name in de onderlinge verhouding
+van God, den Zoon en den H. Geest. Beiden stellen
+visioenen niet hoog. De terminologie van ECKHART vindt men
+voor een deel bij RUYSBROECK terug<a href="#13.44">[44]</a>.
+
+<p>Het is zeer wel mogelijk dat de jonge kanunnik van Sinte
+Goedele de lessen van den Duitschen meester te Keulen heeft
+gevolgd; en in allen gevalle wel waarschijnlijk, dat diens geschriften
+invloed hebben gehad op zijne theologische vorming.<a name="392"></a>
+
+<p>Anderzijds heeft, gelijk wij reeds zagen, RUYSBROECK'S persoonlijkheid
+invloed geoefend op die van TAULER.
+
+<p>In een zijner oudere preeken zegt TAULER van de broeders
+en zusters van den vrijen geest, die volslagen werkeloos willen
+blijven om God ongestoord te laten inwerken op hunne zielen,
+dat zij niets doen &#8222;recht wie ein Werkzeug ledig ist und auf
+seinen Meister wartet wenn er arbeiten will." In een van RUYSBROECK'S
+werken wordt van zulke menschen gezegd: &#8222;rechte
+alse dat ghetouwe, dat selve ledich es ende sijns meesters beidet,
+wanneer hi werken wilt"<a href="#13.45">[45]</a>. De overeenkomst is te treffend om
+aan toeval te mogen worden toegeschreven; met het oog op
+eene vroeger medegedeelde uiting van een tijdgenoot, zou men
+geneigd zijn aan te nemen dat TAULER hier RUYSBROECK heeft
+nagevolgd; doch ook het omgekeerde is mogelijk.
+
+<p>Men moet bij dergelijke vraagstukken bovendien steeds rekening
+houden met de mogelijkheid eener gemeenschappelijke
+bron. Ook hier blijkt de noodzakelijkheid daarvan. Het beeld
+van Gods natuur dat der menschelijke ziel ingedrukt is, noemt
+ECKHART den <i>Funken der Seele</i> en RUYSBROECK gebruikt, zij
+het ook in eenigszins andere beteekenis, de uitdrukking <i>vonke
+der siele</i>. Doch ook BONAVENTURA bedient zich in dien zin
+gaarne van het woord <i>scintilla</i>. De indeeling der zielekrachten
+bij RUYSBROECK gelijkt op die bij ECKHART; doch beiden
+kunnen die hebben ontleend aan AUGUSTINUS. De indeeling
+der zielekrachten in hoogere en lagere komt bij TAULER zoowel
+als bij RUYSBROECK voor; TAULER legt den nadruk vooral op
+de <i>begeerte</i> en den <i>toorn</i>, die eveneens bij RUYSBROECK genoemd
+worden. Maar ook THOMAS AQUINAS geeft deze indeeling.
+
+<p>Zeker heeft RUYSBROECK de geschriften der kerkvaders wel
+gekend en er zijn voordeel mede gedaan. De werken van
+S. BERNARD worden meer dan eens door hem aangehaald en
+hun invloed vertoont zich o.a. waar RUYSBROECK het Werkende<a name="393"></a>
+Leven uiteenzet. Naar de verschillende trappen van godsdienstige
+ontwikkeling had S. BERNARD de menschen verdeeld in <i>mercenarii</i>,
+<i>servi</i> en <i>filii Dei</i>; RUYSBROECK spreekt evenzoo van
+<i>huurlingen</i>, <i>getrouwe knechten</i> en <i>zonen Gods</i>; echter heeft hij
+tusschen de tweede en de derde soort die der <i>vrienden Gods</i>
+gevoegd.
+
+<p>Voor zijn geschrift <i>Van den Tabernacule</i> heeft RUYSBROECK
+gebruik gemaakt van de werken der Fransche mystieken HUGO
+en RICHARD van St. Victor<a href="#13.46">[46]</a>.
+
+<p>Heeft RUYSBROECK, onder den invloed van andere mystieken
+doch vooral van ECKHART, nooit de geloofsgrenzen overschreden,
+welke de Roomsche Kerk geëerbiedigd wilde zien? De beteekenis
+van dien mogelijken invloed is moeilijk te bepalen; doch
+het schijnt wel dat de vrome prior, in oogenblikken van contemplatie,
+soms meer heeft gezegd dan hij voor de Inquisitie
+zou kunnen verantwoorden. De vurige drang van zijn gemoed
+doet hem meer dan eens den afstand tusschen God en den
+mensch vergeten; maar telkens doet de rede hem dan later die
+kloof duidelijk zien en brengt zij hem tot de besliste verklaring,
+dat de creatuur niet God kan worden en dat men de eenheid
+tusschen God en den mensch, waarvan hij spreekt, verstaan
+moet slechts &#8222;in minnen", niet &#8222;in naturen".
+
+<p>Na al hetgeen wij vroeger hebben opgemerkt over de kiem van
+ketterij welke alle mystiek in zich omdraagt, is er overigens niets
+verwonderlijks in, dat wij die kiem ook in RUYSBROECK'S werk
+aantreffen. Reeds na zijn eerste werk immers, hadden broeder
+GHERAERT en zijne mede-kloosterlingen aanstoot genomen aan
+sommige uitingen daarin; om dien aanstoot verder te voorkomen,
+schreef RUYSBROECK toen <i>dat Boec der hoechster Waerheit</i>. Misschien
+is dat niet overbodig geweest, want in menig later werk
+heeft hij de slechte priesters en monniken, en zelfs de &#8222;princen
+der heilegher Kerken" niet gespaard<a href="#13.47">[47]</a>. Persoonlijke wrok had zich<a name="394"></a>
+licht kunnen verbinden met geloofsijver om den geestverwant
+van ECKHART voor de rechtbank der Inquisiteurs te brengen.
+Zeker zal het ook in zijn voordeel zijn geweest, dat hij in
+zijne werken de Broeders van den vrijen geest zoo fel bestrijdt
+en &#8222;hare quade secte ende beestelike costume"<a href="#13.48">[48]</a>. Tot die secte
+behoorde waarschijnlijk HEYLWIG, de dochter van den Brusselschen
+patriciër BLOEMAERTS, wier verdorven geloof door
+RUYSBROECK openlijk bestreden is.
+
+<p>De vraag naar RUYSBROECK'S orthodoxie moge belangrijk
+zijn geweest voor zijne tijdgenooten, voor de meesten onzer
+is zij van ondergeschikt belang. Gewichtiger is voor ons de
+vraag: hoe heeft hij zijn stelsel van mystiek uitgewerkt? Het
+is vooral in de uiteenzetting zijner practische mystiek, dat
+hij zich vertoont als den grootsten prozaschrijver dien wij in
+de middeleeuwen bezeten hebben. Zijne eigen indeeling van
+Werkend, Innig en Schouwend Leven zooveel mogelijk in het
+oog houdend, zullen wij trachten eenig denkbeeld te geven
+van de wijze waarop hij zijne taak heeft volbracht.
+
+<p>In zijne beschouwing van het Werkend Leven treft ons de
+hoogheid van gevoel waarmede hij spreekt over de &#8222;veelike"
+krachten en lusten in den mensch; de geringschatting van zulke
+dingen als spijs en drank, welke de mensch wel moet nuttigen&mdash;maar
+zooals de zieke een geneesmiddel. De onafhankelijkheid
+van geest waarmede hij spreekt over de waarde van de wetenschap
+in vergelijking met het leven; het moet ons, zegt
+RUYSBROECK, meer te doen zijn &#8222;om leven dan om weten,
+want die vele weet ende niet en leeft, hi verliest den tijt." Zijne
+menschenkennis, zijn talent van karakterizeeren en uitbeelding
+van het gemoedsleven. Hoe scherp is de blik van dezen man,
+die zich toch zoo gaarne aan de wereld en het gewone
+menschenleven onttrok, voor de geveinsdheid dergenen die<a name="395"></a>
+afkeerig zijn van onthouding en nu zeggen, dat zij &#8222;cranc
+ende teder ende edel van complexiën sijn, ende daerom
+behoeven si vele gheriefs ende vele ghemacs." Hoe goed heeft
+hij de menschen geschetst die lijden aan zelfverheffing, eigenzinnigheid,
+die dadelijk kregel worden indien men hun iets in
+den weg legt: &#8222;Si en sijn niemene ghevolchsam van gronde,
+maer si begheren dat alle menschen haren goetdunkene ghevolchsam
+sijn; want si sijn krighelijc ende eenwillich; altoes
+dunct hem dat si recht hebben jeghen yeghewelken die hem
+contrarie es. Si werden lichte gherenen<a title="[margin: lichtgeraakt.]"><sup>#</sup></a>, ghestoert, toernich,
+haestich, scalc, slaghelijc ende onweerdich in woerden, in
+werken, in ghelate"<a title="[margin: gedrag, houding.]"><sup>#</sup></a>.
+
+<p>Gevoelig en fraai is dit schetsje der gemengde aandoeningen
+die PETRUS vervulden, nadat hij zijn Meester had verloochend:
+&#8222;In sinen elendighen doghene keerde hi hem omme ende sach
+Petren ane met groter ghenadicheit ende Peter hem weder met
+groter bitterheit van herten. Ende inden onderlinghen siene
+vernuwede die liefde tusschen hem beiden mere dan si te voren
+was, want gracie ende liefde, inwendich rouwe, groet betruwen<a title="[margin: vertrouwen.]"><sup>#</sup></a>,
+scande ende sceemte<a title="[margin: schaamte.]"><sup>#</sup></a> dese dingen vervulden sine herte ende
+alle sine binnenste; ende sine siele smalt als die snee voir die
+sonne ende als was voir een berrende vier. Ende met sijnre
+sielen vloyden tranen bitter ende suete, bitter omme sine
+sonden, soete ende vol bliscapen omme die trouwe die hi in
+Christo ghevoelde: ende aldus was hi vol droefheden ende vol
+bliscapen. Hoe dat sijn mach, dat en weet niemen dan dies
+ghevoelt heeft."<a href="#13.49">[49]</a>.
+
+<p>Het uitgaan met overvloedige liefde ook tot de zondaren en
+verkeerde menschen, waarvan in het Innig Leven sprake is
+geweest, zien wij in RUYSBROECK'S hartelijk medelijden met de
+menschen die hun eigen geluk niet zien: &#8222;Daer af comt in
+den mensche een geestelike compassie, dat hi proeft ende merct<a name="396"></a>
+die scade der menschen dat si soe elendich sijn ende soe grote
+rijcheit ende ere ende weldicheit besitten mochten ofte si wouden
+ende sire hem toe voechden ende Gode soe eerlic ende soe
+minlic dienen mochten ende dit al gader verloren blijft. Dit
+maect alsoe groten wee, dat nieman vremders<a title="[margin: geen vreemde.]"><sup>#</sup></a> bekennen
+en mach."
+
+<p>Maar zelf genoot hij volop van de weelde God te mogen
+dienen. Wel is hij zich bewust zijn Schepper nimmer genoeg
+te kunnen eeren, doch dat onvermogen, een bewijs van Gods
+grootheid, is hem eene reden tot nieuw genot: &#8222;dat is herde
+lustelic, dat onse Here ende onse God soe groot is, dat wi
+hem nemmermeer ghenoech reverenciën ende waerdicheden en
+sellen moghen doen." Hooger rijst zijn vlucht, waar hij den
+geestelijken liefdebrand, den hartstocht der minnende ziel onder
+woorden tracht te brengen; zoo b.v. in eene passage als deze:
+&#8222;dit verberren es ene volmaectheit in alre dogede, want et es een
+gebreken<a title="[margin: te kort schieten.]"><sup>#</sup></a> des geestes in minnen, daer hi hem lidende houdet,
+ende wert verberret ende verteert in den onbegripeleken ommevange
+der eenheit Gods, die met ewegen hongere ende met
+ghelosteger niedecheit<a title="[margin: gretigheid.]"><sup>#</sup></a> al dat mint begaept ende verslint ende
+verteert in haers selves eenheit." Welk een kracht van gevoel
+en wat een durf in dat &#8222;begapen en verslinden", terwijl van
+God sprake is.
+
+<p>RUYSBROECK zal, wanneer &#8222;al der sielen crachte in storme
+ende in woede" verkeerden, wel zelden of nooit zijn vervallen
+tot het loopen, springen en handgeklap, waarin andere mystieken
+hunne verrukking lucht gaven; eer zal hij hebben behoord tot
+hen die &#8222;zwighen ende smelten van weelden in allen sinnen."
+Maar ook voor hem zal op zulke verrukkingen dikwijls de
+neerslachtigheid en het gevoel van geestelijke ellende zijn gevolgd,
+dat hij zoo goed moet hebben gekend om er anderen
+op zoo teedere wijze in te kunnen troosten: &#8222;Voirtmeere, eest<a name="397"></a>
+dat gi traecheit, zwaerheit ende droefheit ghevoelt inder naturen,
+ende dat ghi sijt sonder smake ende lost, ende sonder drift
+te gheesteliken dinghen, arm, ellendich, begheven<a title="[margin: eenzaam.]"><sup>#</sup></a> ende ghelaten
+in allen troeste van Gode, in verdriete, sonder smake
+ende lust tot enigher oefeninghen van buten ofte van binnen,
+ende alsoe zwaer ofte ghi doer die erde sinken sout: en ontsiet
+u niet, maer gheeft u over in die handen Gods ende begheert
+dat sijn wille ende sijn eere ghescie. Die donkere bedroefde
+wolkene die sal sciere overliden, ende dat licht der claer sonnen
+ons Heren Jhesu Christi sal u bescinen in meere troest ende
+gracien dan ghi noyt te voren ghevoelet<a title="[margin: ghevoeldet.]"><sup>#</sup></a>."
+
+<p>Hij heeft wel geweten hoe zulk een van God verlaten mensch
+verlangt, ontbonden te worden van den kerker zijns lichaams,
+hoe de balling het &#8222;vaderland daarboven zoekt" (VONDEL): Soe
+slaet hi sijn inwendighe oghen op ende scouwet die hemelsche
+sale vol glorien ende vrouden ende sijn lief ghecroent daer
+binnen, uytvloyende in sine heilighen in riker weelden ende<a title="[margin: en dat.]"><sup>#</sup></a>
+hi des derven moet. Hier comen bi wilen in selke menscen
+uutwendighe tranen ende groet verlanghen. Soe siet hi neder
+ende merket dit ellende daer hi in ghekerkert es ende dies hi
+niet ontgaen en mach: soe vloyen tranen van droefheden ende
+van jammere"<a href="#13.50">[50]</a>.
+
+<p>Toen RUYSBROECK zelf door kracht van geestelijke oefening
+en bespiegeling erin geslaagd was, zijne ziel te ontledigen van
+het lagere, haar te maken tot &#8222;een levende spieghel" waar het
+goddelijk licht in scheen, toen kon hij, van het Schouwende
+Leven getuigend, schrijven: &#8222;Ende hier omme heeft ons God
+ghegheven een leven boven ons ende dat is een godlic leven.
+Dat en is anders niet dan scouwen ende staren ende in bloter
+minnen cleven ane Gode, smaken ende ghebruken<a title="[margin: genieten.]"><sup>#</sup></a> ende versmelten
+in minnen ende altoes vernuwen in dat selve. Want
+daer wi verhaven sijn boven redene ende boven al onse werke,<a name="398"></a>
+in bloet ghesichte, daer werden wi ghewracht vanden gheeste
+ons Heren; ende daer ghedoghen wi dat inwerken Gods ende
+werden verclaert in godliker claerheit, ghelikerwijs dat die locht
+verclaert wert met den lichte der sonnen ende alse dat yser
+doergaen wert met crachte ende met hitten des viers, alsoe
+werden wi ghetransformeert ende doerdraghen<a title="[margin: doortrokken.]"><sup>#</sup></a> van clairheiden
+in claerheiden, in dat selve beelde der heyligher Drivoldicheit."
+
+<p>Maar altijd bleef het een &#8222;crighen in ontbliven"; want de
+hoogste klaarheid die de mensch hier op aarde bereiken kon,
+hoe ver bleef zij toch steeds van de klaarheid der heiligen!
+&#8222;Want die scaduwe Gods verlicht onse inwendighe woestine;
+mer op die hoghe berghe inden lande der gheloeften daer en
+is gheen scaduwe: nochtan eest al één sonne ende éne clairheit
+die onse woestine verlicht ende oec die hoghe berghe; mer die
+staet der heilighen is doerschinich ende glorioes ende hierom
+ontfaen si die claerheit onghemiddelt; mer onse staet is noch
+sterfelic ende grof ende dit is dat middel daer die scaduwe ave
+comt die onse verstandicheit alsoe bescaduwet, dat wi Gode
+noch hemelsche dinghen niet bekennen en moghen also clairlic
+als die heylighen doen"<a href="#13.51">[51]</a>.
+
+<p>In meer dan een der hier aangehaalde stukken zal de lezer
+reeds zelf de zachte welluidendheid of de kracht, de hooge
+vlucht en den breeden zwaai van RUYSBROECK'S proza bewonderend
+hebben opgemerkt. Toch schijnt het mij wenschelijk
+een blik te slaan ook op eenige deelen en op het samenstel
+van zijn werk om daardoor den kunstenaar in zijne wijze van
+werken iets beter te leeren kennen.
+
+<p>Een gewone karaktertrek van het middeleeuwsch proza, het
+veelvuldig zinsverband met &#8222;ende", zooals men het nog kan
+opmerken bij elk kind dat iets vertelt, vertoont zich ook in
+dit proza. Niet zelden ook bedient RUYSBROECK zich van de,
+hiermede verwante, eenvoudige opsomming; zoo b.v. in:<a name="399"></a>
+&#8222;Want willen wi verduldich sijn ghewaerlic, soe en sal ons
+gheen dinc moghen ontsaten<a title="[margin: onrustig maken.]"><sup>#</sup></a>, noch verlies van den ertschen
+goede, noch van vrienden, noch van maghen, noch van siecte,
+noch scande, noch doot, noch leven, noch vaghevier, noch
+duvel, noch helle<a href="#13.52">[52]</a>." Soms geeft hij regelmaat aan zijn proza
+door een deductieven schrijftrant, als in: &#8222;aldaer verliesen wi
+ons selven in die woeste idelheit<a title="[margin: leegte.]"><sup>#</sup></a>, ende al verliesende ons
+selven vinden wi die salecheit, ende al vindende verkiesen wi,
+ende al verkiesende werden wi vercoren" enz.<a href="#13.53">[53]</a>. Elders zien
+wij hem parallellisme en tegenstelling aanwenden om meer
+kracht en scherpte te bereiken: &#8222;Hi arbeit sere in minnen,
+want hi siet sine raste. Hi is pelgrim ende hi siet sijn lanscap.
+Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine crone."
+Sprekend van het afkoopen der zonden voor geld zegt RUYSBROECK:
+&#8222;Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel
+de siele, de bisscop dat ghelt, de dore<a title="[margin: dwaze]"><sup>#</sup></a> mensche sine corte
+ghenoechte." Tegenstelling vinden wij b.v. in: &#8222;Hi heeft hem
+ghenedert ende ons ghehoecht, hem ghearmt ende ons gherijct,
+hi heeft hem versmaet ende ons gheëert. Maer al heeft hi hem
+ghenedert, hi en heeft hem niet ontedelt<a href="#13.54">[54]</a>."
+
+<p>Zoo leerde RUYSBROECK, waar sterke aandoening hem dreef
+tot schrijven, die aandoening beheerschen en haar verklanken
+tot breedgolvende zinnen als deze over JEZUS' dood: &#8222;doen
+verdonkerde die locht, want die roedekene worden te broken<a title="[margin: verbroken.]"><sup>#</sup></a>,
+die edele speciboem wart ontwe<a title="[margin: doormidden.]"><sup>#</sup></a> ghescoert, die overste crachten
+sijnre zielen worden ghesceden van den nedersten, sine sinne
+verghinghen, sine ziele sciet van den live, die doet bevinc dat
+leven, dat leven verwan die doet, die Apostelen hadden hare
+licht verloren, die oude wet<a title="[margin: geloof (der Joden).]"><sup>#</sup></a> verloes oec hare licht, die sonne
+liet hare scinen ende die locht was vol nevels der onbekinnessen<a title="[margin: onverstand.]"><sup>#</sup></a>&mdash;maer
+onse dach ginc op daer wi eweleke inne
+ghesien<a href="#13.55">[55]</a>."<a name="400"></a>
+
+<p>Welk een indruk maakt hier, na die opsomming der verschijnselen
+van duisternis en vernietiging, dat juichende slot.
+
+<p>Onder de eigenaardigheden van RUYSBROECK'S stijl moet ook
+het rijmend proza genoemd worden.
+
+<p>Het beginrijm of de alliteratie schijnt in zijn werk niet vaker
+voor te komen dan de aard onzer taal met zich brengt; doch het
+eindrijm is zoo veelvuldig, dat wij hier wel aan opzet moeten
+denken. Het eindrijm vertoont zich zoowel aan het slot van
+opeenvolgende zinnen als van opeenvolgende woorden, zoowel
+in: &#8222;ende soe hi hem selven naerre <i>bekint</i>, so hi hem in der
+waerheit meer te versmadene <i>vint</i>," als in: &#8222;kinneloos ende
+minneloos," &#8222;verstout ende verout". Op menige plaats (vooral
+in <i>Spieghel der Salicheit</i> en <i>Rike der Ghelieven</i>) vinden wij
+rijmende verzen tusschen het proza in, doch hunne aanwezigheid
+kan bezwaarlijk verklaard worden uit eene verheffing van
+stemming, uit meer innigheid of gloed. Soms zelfs wordt de
+neiging tot rijmen RUYSBROECK tot last; aan het slot van een
+berijmd gedeelte van zijn werk immers zegt hij:
+
+<p class="quote">Nu moet ic rimen laten bliven
+Sal ic scouwen clare bescriven<a href="#13.56">[56]</a>.
+</p>
+
+<p>In dit aanwenden van parallellisme, tegenstelling en rijmklanken
+zal RUYSBROECK waarschijnlijk ten deele het voorbeeld
+hebben gevolgd, hem gegeven door de kerkvaders, wier werken
+hij kende. Immers in het proza b.v. van S. BERNARD,
+van BONAVENTURA, van de beide VICTORS vinden wij die
+eigenaardigheden evenzeer; waarschijnlijk ook wel in dat der
+oudere kerkvaders, die hun stijl hadden gevormd onder den
+invloed der klassieke schrijvers<a href="#13.57">[57]</a>.
+
+<p>Zijn RUYSBROECK'S verzen ook meerendeels zwak, in zijn
+proza toont hij zich een waarachtig dichter. Zijn levendig en<a name="401"></a>
+fijn gevoel, zijn vlugge en sterke verbeelding, zijn gave
+van waarneming en voorstelling, de schoonheid zijner
+taal geven hem alleszins recht op dien eerenaam. Het is
+niet vreemd, dat hij, die in het lagere slechts een verschijningsvorm
+van het hoogere ziet, gedurig van het lagere
+tot het hoogere opklimt, of dat lagere verheft door eene
+gelijkenis.
+
+<p>Een enkele maal doet hij daartoe een greep in den R.-K.
+eeredienst, liefst ontleent hij zijne voorbeelden aan de natuur
+of aan het dagelijksch leven. De tabernakel, die in middeleeuwsche
+kerken op het altaar placht te staan en diende
+ter bewaring van de hostie, gaf RUYSBROECK aanleiding tot
+eene breed uitgewerkte symbolische voorstelling. Met een onuitputtelijk
+geduld en een liefdevolle uitvoerigheid, die aan
+de miniatuurschilders herinneren, met eene hooge mate ook
+van subtiel vernuft, heeft hij alle deelen en onderdeelen, alle
+onderdeeltjes en deelen van onderdeeltjes van het sacramentshuis
+geestelijk verklaard: de tabernakel moet staan &#8222;in een
+kerckhof", &#8222;dat es een sedelec leven van buten met al dien
+dat daer toe behoort"; om dat kerkhof moeten staan zestig
+kolommen: &#8222;bi den colummen verstaet men starke begerte tot
+allen den gheboden Gods ende tot allen den seden ende der
+oefeninghen diere<a title="[margin: welke.]"><sup>#</sup></a> men pleghet in der heileger kercken".
+Deze kolommen moeten bedekt worden met zilveren platen,
+&#8222;dat es met goeden levene ende met eersamer wandelingen"
+enz. enz. Het behoeft geen betoog, dat deze voortgezette symboliek
+op den duur voor een hedendaagsch lezer vermoeiend
+eentonig en daardoor vervelend wordt; doch voor RUYSBROECK'S
+tijdgenooten zal de beschrijving en verklaring van een zoo
+kostelijk sacramentshuis zeker onderhoudend en aantrekkelijk
+zijn geweest.
+
+<p>Kostelijke tabernakels zooals de hier beschrevene gaf de<a name="402"></a>
+werkelijkheid tenauwernood, gaf het eenvoudig klooster te Groenendale
+zeker niet te zien; doch een stap buiten de muren
+bracht den prior in den kloosterhof, waar hij zoo menigmaal aan
+het wieden was, al trok hij in verstrooidheid de heilzame kruiden
+wel eens mede uit, en rondom het klooster lag Gods vrije
+natuur in rijke verscheidenheid en stille pracht. In den boogaard
+en op de mossige glooiingen, onder de wuivende kruinen van
+het Soniën-bosch, zal wel menigmaal een bloem, een plant of
+een dier RUYSBROECK'S verbeelding gaande hebben gemaakt.
+Zoo heeft hem de zonnebloem getroffen in haar volgen van
+de zon: &#8222;Alse die sonne opgeet in oriënten, soe ontpluct hare<a title="[margin: ontsluit zich.]"><sup>#</sup></a>
+de goutbloeme jegen die raeien<a title="[margin: stralen.]"><sup>#</sup></a> der sonnen, ende keret hare
+altoes omme al neighende jegen de hitte der sonnen, tote in
+occidenten. Ende in der nacht luuct si hare toe, ende verberget
+hare varuwe ende ontbeidet weder der sonnen opganc. Alsoe
+gelikerwijs sele wi, overmids ghehoersamheit, onse herte ontpluken
+jegen dat inscinen der gracien Goeds, ende oetmoedichlike
+al nigende sele wi der gracien Goeds volgen, alsoe
+lange als wi die hitte der minnen ghevoelen. Ende alse dat
+inscinen der gracien sijn nuwe beroeren ophoudet ende wi
+hitte van minnen lettel ochte niet gevoelen: dat es die nacht,
+dat wi onse herte selen toe luken jegen al dat ons becoeren<a title="[margin: in verzoeking leiden.]"><sup>#</sup></a>
+mach; ende alsoe sele wi die goutvarwe der minnen in ons
+beluken ende ontbeiden enen nuwen opganc der sonnen, met
+nuwen lichte in nuwen beroerne<a href="#13.58">[58]</a>."
+
+<p>Elders vergelijkt hij CHRISTUS' deugden bij de leliën van
+dale; de natuur die den geest volgt, is vrij, gelijk de vogel in
+het woud en dartelt in de minne als de visch in het water.
+God is &#8222;uutstortende ende vloeyende ghelijc der wilder see,
+met onbegripeliker weelden in alle die ghene die sijns ontfanclijc
+sijn ende weder ebbende is ende intreckende in die wilde see
+sijner enicheit." Als een heete bron &#8222;alsoe ghelikerwijs werct<a name="403"></a>
+dat inwendighe vier des heylichs Gheests. Het drivet, ende
+stoket ende jaghet dat herte ende alle die crachte der sielen
+tot den walle<a title="[margin: koken.]"><sup>#</sup></a> dat is Gode te dankene ende te lovene." Een
+mensch die zich &#8222;wel regeeren" wil, moet doen als de wijze
+bij: &#8222;si woent in der enicheit, met vergaderinghen haerre
+gheselscap, en vaert ute, niet in storme, mer in stillen ghesaten
+wedere, in schinen der sonnen, op alle die bloemen daer men
+soeticheit in vinden mach. Si en rust niet op ghene blome
+noch op ghene scoenheit ofte soeticheit; mer si trect daer ute
+honich en was, dat is soeticheit en materie der claerheit, en
+voeret in die vergaderde enicheit, op dat sy vruchtbaer werde
+tot groter nutticheit." Zoo moet ook de wijze mensch doen en
+&#8222;niet rusten op ghene bloemen der gaven, maer al gheladen
+met danke en met love weder vlieghen in die enicheit, daer si
+met Gode rusten en wonen wilt"<a href="#13.59">[59]</a>.
+
+<p>Menigmaal ook vindt RUYSBROECK stof voor zijne gelijkenissen
+in eigen omgeving en het dagelijksch leven.
+
+<p>De oefening in deugd vergelijkt hij bij een penning van fijn
+goud; doch ieder moge onderzoeken of zijn goud van goed
+allooi is en het volle gewicht heeft en aan weerszijden wel
+gemunt. In ons deugdzaam leven moeten wij allerhande sier
+van deugden weven, zooals vogelen en bloemen en gulden
+sterren geweven staan in de gordijnen van den tabernakel. De
+reinheid des harten &#8222;ghelijct men der lampten bernender oliën,
+die hare vlamme gheeft opwert te hemele: alsoe doet die suvere
+herte die beneden besloten is yeghen die werelt ende boven
+open die gracie Gods t'ontfane."
+
+<p>CHRISTUS' beeld moeten wij drukken in ons hart en onze
+zinnen, in ons lichaam en onze ziel, zooals men een zegel
+drukt en vormt in het was. De gratie Gods in de ziele is gelijk
+eene kaars in een lantaarn of glazen vat, want zij verlicht en
+verklaart en doorschijnt het vat, nl. den goeden mensch. Als<a name="404"></a>
+God zich van ons afwendt, dan doet hij met ons: &#8222;recht alsof
+een mure stonde ghemaect tusschen hem ende ons."
+
+<p>Welk eene kracht ontwikkelt RUYSBROECK'S beeldende zinnelijkheid,
+waar hij zijn hoorders voor oogen wil brengen,
+hoe groot Gods genadevolle vergevensgezindheid is: &#8222;al waer
+alle die werelt een gloet van viere ende dat midden in dat
+vier een vese<a title="[margin: vezel.]"><sup>#</sup></a> van een linen cleet laghe, soe en ware die
+vese niet alsoe bereet te aensteken, als God bereet is den
+sondaer sijn sonden te vergheven, als hem sijn sonden ghewaerachtich
+leet sijn<a href="#13.60">[60]</a>."
+
+<p>Het valt bezwaarlijk te ontkennen, dat deze prozadichter, waar
+hij zijne gelijkenissen aan het dagelijksch leven ontleent, voor ons
+gevoel soms de grenzen der kieschheid te buiten gaat, doch
+men moet daarbij in het oog houden dat tusschen het hoogere
+en het lagere, vooral tusschen het hemelsche en het aardsche,
+in de middeleeuwen niet zulk een afstand lag als thans. RUYSBROECK
+vergelijkt iemand die waant één te zijn met CHRISTUS
+bij een slapenden hond &#8222;dien droomt dat hi heeft een stucke
+vleeschs in sinen mont" en &#8222;alse hy ontwaket, soe en heeft hi
+niet." Die vergelijking zou men desnoods ook met ons gevoel
+van kieschheid in overeenstemming kunnen brengen door te
+wijzen op het minderwaardige van hem die slechts <i>waant</i> met
+CHRISTUS één te zijn. Doch tenauwernood zal nog één hedendaagsch
+lezer behagen scheppen in die talrijke andere beelden
+en gelijkenissen die ons naar de keuken en den refter (eetzaal)
+verplaatsen. De tekst: &#8222;dit is mijn vleesch en mijn bloed" en
+de hostie als symbool van CHRISTUS gaven, trouwens niet aan
+RUYSBROECK alleen, gereede aanleiding tot het vormen van
+beelden en gelijkenissen. Zoo zegt JEZUS tot den mensen:
+
+<p class="quote">Myn vleysch is wel gebraden
+Aent cruce om uwe ghenaden.<a name="405"></a>
+</p>
+
+<p>&#8222;De edele tarwebloem, d.i. JEZUS, is ons gegeven door
+MARIA; God heeft de olie zijner barmhartigheid in MARIA
+uitgestort; de Heilige Geest heeft dat tarwemeel en die olie
+samengekneed en voor ons gemaakt en gebakken het zoetste
+brood dat ooit bestond, spijze der engelen en der menschen.
+Dit brood is gebakken in den oven, dat is in het lichaam
+der zuivere maagd MARIA, die wel doorheet was met het vuur
+der caritate." De zachtmoedige lijdzaamheid van CHRISTUS vergelijkt
+RUYSBROECK bij &#8222;den cleinen oesteren die in sculpen
+ligghen also cleine als eens menschen naghel". CHRISTUS wil ons
+geheel in zich opnemen, zijn honger is onmatig groot, &#8222;want
+hi is een ghierich slockaert<a title="[margin: begeerige schrokker.]"><sup>#</sup></a> ende heeft den mengherael"<a title="[margin: geeuwhonger.]"><sup>#</sup></a>
+
+<p>Konden wij slechts zien, welk een gretige begeerte CHRISTUS
+heeft naar onze zaligheid, &#8222;wi en mochten ons niet onthouden<a title="[margin: weerhouden.]"><sup>#</sup></a>,
+wi en souden hem in die kele vlieghen." Hier schijnt de auteur
+zelf beseft te hebben dat hij de grens der kieschheid ook voor
+dien tijd had overschreden, want hij verontschuldigt zich
+eenigszins door te zeggen: &#8222;al luden mine worde wonderlike,
+die mynnende die verstaen my wel"<a href="#13.61">[61]</a>.
+
+<p>Gelijkenissen als deze zijn in verhouding tot alle overige
+niet talrijk; zoo is ook de toon van RUYSBROECK over het
+algemeen zacht en waardig, doch een enkele maal klinken er
+forscher klanken: &#8222;arme rasende mensche", &#8222;verscoven<a title="[margin: verstooten.]"><sup>#</sup></a> ende
+verblinde mensce", &#8222;onwaerdich boeve", &#8222;onverstandich esel"<a href="#13.62">[62]</a>.
+
+<p>Wij zouden noch het een noch het ander willen missen,
+want wij krijgen daardoor RUYSBROECK'S beeld vollediger te
+zien. En ook, doordat hij zich van tijd tot tijd laat gaan, toont
+deze Nederlander die zich zoo gaarne uit de wereld in het
+innerlijk zieleleven terugtrok, toch niet misdeeld te zijn van
+dien volkshumor dien wij in den <i>Reinaert</i> en andere Dietsche
+werken genieten.
+
+<p>Hoe aardig drijft hij den spot met de hoovaardij der rijke<a name="406"></a>
+vrouwen: &#8222;si maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn
+des duvels neste daer si in sculen. Maer dunct hen dat si edel
+sijn van gheboerte, so moeten se hebben ane hare anschine
+cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel mede gheliken.
+Ende dan gaense hen spieghelen ochte si scoen ghenoech sijn
+den duvel ende der werelt te behaghene"<a href="#13.63">[63]</a>. De geveinsden
+en hoovaardigen vergelijkt hij bij de blaas &#8222;die vol is van losen
+winde; als men se duwet ende perst, so gheeft si enen luud
+die ongracelic is te hoirne"<a href="#13.64">[64]</a>. Nonnen die zich opsieren met
+zilveren gordels en allerlei rinkeltuig doen hem denken aan
+&#8222;ene hinne<a title="[margin: hen.]"><sup>#</sup></a> met bellen"<a href="#13.65">[65]</a>.
+
+<p>Uit denzelfden volksgeest die dezen lichten spot voortbracht,
+werd echter ook eene vergelijking geboren als deze: &#8222;wanneer
+een groot coninc oft een wijs lantshere varen wilt in pelgrimagien,
+in verren lande, soe roept hi sine ghenoten<a title="[margin: pairs.]"><sup>#</sup></a> te gader, ende
+beveelt hem sine lant, sijn volc, sijn kynder ende sine familie,
+dat si al dat regeren ende bewaren in payse ende in vreden
+tote dier tijt dat hi weder comt in sijn lant. Alsoe ghelikerwijs
+Christus, die ewighe wysheit Gods, coninc der coninghen ende
+heer alre heren, doen hi sine pelgrimagie gedaen hadde in
+dese ellendighe werelt, doen woude hi varen in sijns Vaders
+lant ende ten lesten daghe weder comen ten ordele. Ende hier
+omme, voir dien dach dat hi sterven woude, doe stichte hi
+ene grote feeste dat was een avonteten. Ende daer toe node hi
+die meeste princen der werelt, dat waren sine Apostelen...."<a href="#13.66">[66]</a>.
+
+<p>Dat is dezelfde geest waaruit vijf eeuwen vroeger het Oud-saksisch
+heldendicht <i>Hêliand</i> was voortgekomen.
+
+<p>Wat ons dan ten slotte in RUYSBROECK het sterkst treft, dat
+is het ruime van zijne persoonlijkheid en zijn werk. In beide
+is &#8222;nederlant" en &#8222;overlant", al woont hij liefst op de tergen,
+waar de zonne der gerechtigheid schijnt. Hij ziet de huurlingen<a name="407"></a>
+en knechten, maar ook de vrienden en zonen Gods. Zijn blik
+omvat de zonnebloem, den slapenden hond die van vleesch
+droomt, de bij die beladen van bloem tot bloem vliegt,
+maar ook een groot koning en de wilde zee en de zon in
+haar loop door de ongemeten ruimten. Hij schuwt de menschen,
+doch blijft ze liefhebben; zijne menschenkennis heeft zijne
+menschenliefde niet uitgedoofd, al openbaart die liefde zich
+op eigenaardig-middeleeuwsche wijze. Hij kent het gevoel van
+geestelijke ellende, maar ook het zwijgend wegsmelten van
+innerlijke weelde.
+
+<p>RUYSBROECK is de eerste Nederlander, die in de volkstaal
+een ideaal levensgeheel heeft ontworpen, dat slechts paste voor
+kloosterlingen, doch dat ook voor hen, die in de wereld bleven,
+veel goeds, edels en schoons bevatte. Tegenover den toenemenden
+drang naar verlichting des verstands heeft hij de ontwikkeling
+van het zedelijk en godsdienstig gemoedsleven gesteld;
+tegenover het &#8222;kennen" het &#8222;minnen", zooals reeds kort na
+zijn dood door een zijner vereerders werd getuigd; tegenover
+het &#8222;mate is goet t' allen spele"&mdash;het &#8222;wiselose", het bovenmatige,
+den hartstocht, zij het ook slechts in het streven der
+ziel naar éénheid met God. Hij heeft zijn levens-ideaal niet
+opgetrokken tot één grootsch gebouw, doch het verwerkt tot
+een aantal grootere en kleinere taalmonumenten, die ons niet
+zelden treffen door schoonheid van lijn en fijnheid van uitvoering.
+Ook in dat taalwerk is &#8222;nederlant" en &#8222;overlant":
+het vlakke, dat wel eens plat wordt; de liefelijk opwaarts
+glooiende landen; de hooge toppen, waar de auteur zich in
+de nevelen verliest: de &#8222;hoge materiën", waarvan hij beseft
+dat een schrijver ze slechts kan &#8222;voirt bringhen met woorden
+also verre als ment woorden mach"<a href="#13.67">[67]</a>.
+
+<p>Dozijnen bij dozijnen handschriften zijner werken bewijzen
+welk een invloed zijne mystiek moet hebben geoefend. Die<a name="408"></a>
+invloed beperkte zich niet tot de grenzen van het Dietsche
+taalgebied, noch tot des schrijvers taalgenooten, maar strekte
+zich uit tot Neder- en Opper-Duitschland en was krachtig nog
+in de 16<sup>de</sup> eeuw, toen zijne werken veelvuldig in de kloosters
+werden gelezen en in eene Latijnsche vertaling toegankelijk
+gemaakt ook voor hen, die geen Dietsch verstonden.
+
+<p>In RUYSBROECK heeft de Dietsche mystiek haar voornaamsten
+vertegenwoordiger gevonden. Ja, HADEWYCH is hem vóór
+geweest. Maar, is HADEWYCH de leeuwrik, de &#8222;hemellawerke"
+opwaarts wiekend op de vleugelen van haar lied en vaak zich
+verliezend in het blauwe&mdash;RUYSBROECK is de nachtegaal, immers
+ook een zanger van &#8222;minne", zijn smeltend lied, zijn storm
+van geluid orgelend in de stilte van het Soniën-bosch.
+
+<p>Het werk van RUYSBROECK is een der hooge toppen in het
+land onzer literatuur en dus zou het begrijpelijk zijn, indien
+wij daarmede dit deel van ons werk besloten. Wij hebben echter
+goede reden het niet te doen, want: meer dan RUYSBROECK is hier.
+
+<p>Omstreeks 1360 werd een groot deel van het Oude Testament
+in de volkstaal te boek gesteld<a href="#13.68">[68]</a>.
+
+<p>De vertaler was blijkbaar een niet-geordend geestelijke,
+misschien een Vlaming, zeker een vroom man; ook een ontwikkeld
+man, wien de brieven van PAULUS, eenige kerkvaders,
+MAERLANT'S <i>Spieghel</i> en <i>Rijmbijbel</i> bekend waren, en die zijne
+vertaling kon toelichten met behulp der <i>Scolastica</i> en van andere
+werken. Vroeger had hij reeds eene Dietsche overzetting geleverd
+van het <i>Passionael</i> (de &#8222;Legenda aurea").
+
+<p>Van het karakter zijner vertaling valt weinig te zeggen,
+zoolang wij niet weten, welke redactie der <i>Biblia Vulgata</i> door
+hem gebruikt werd. Echter deelt de vertaler zelf in den
+proloog ons mede dat hij voornemens is, het Latijn &#8222;ghetrouwelic
+te dietschen ... die lettere houdende van woorde te<a name="409"></a>
+woorde ofte van zinne te zinne of van beyden onderminghet,
+so dattet die liede verstaen moghen na den sede van onsen
+lande"<a href="#13.69">[69]</a>. Bovendien vallen er in of naar aanleiding van zijn
+werk andere dingen op te merken die vermeldenswaard schijnen.
+
+<p>De vertaler was een man van orthodoxe vroomheid die meer
+dan eens verklaart, dat hij niet van zins is iets te doen &#8222;dat
+jeghen Gode ofte jeghen die heilighe kerke zi." Maar juist
+daarom vervulde hem het onbetamelijk en onzedelijk gedrag
+van vele priesters en leeken met des te meer droefheid. Hij
+ergert zich aan de leeken die, op feestdagen nog wel, in de
+taveernen spelen, dansen en reien; aan de priesters die in plaats
+van het volk te leeren, ook door hun voorbeeld, het volk
+door hun kwaad voorbeeld verderven, die &#8222;amiën" houden en
+argelooze vrouwen ten val brengen. Daarom was het hem
+&#8222;langhe in 't herte geweest", het &#8222;fundament van der scrifture"
+te verdietschen, in de hoop dat menig ongeleerde er zijn
+voordeel mede zou doen. En ook, hij acht zich niet gerechtigd
+het talent dat God hem geschonken heeft ongebruikt te laten.
+Zoo heeft hij dan het werk ondernomen met vreezen en beven,
+in het diepe besef van de zwaarheid der taak; en hij zou haar
+misschien niet voleindigd hebben, indien zijn vriend JAN TAY
+er niet op had aangedrongen<a href="#13.70">[70]</a>.
+
+<p>Onder de mystieken van dien tijd zal men dezen vertaler
+wel niet moeten zoeken. Ware het zoo, dan zou dat toch uit
+zijn spraakgebruik moeten blijken, en dat is niet het geval.
+Toch moet er wel eenige geestverwantschap tusschen hen en
+hem hebben bestaan. Het Hooglied en de Openbaring, twee
+Bijbelboeken, bij de mystieken in eere, worden ook door hem
+hoog gesteld<a href="#13.71">[71]</a>. Tegenover de priesters toont hij dezelfde
+onbeschroomde vrijmoedigheid als JAN VAN LEEUWEN en
+RUYSBROECK. Zijn wantrouwen in de geestelijke leiding der
+priesters brengt hem tot het verdietschen van het Oude Testa<a name="410"></a>ment,
+dat hij den leeken in handen wil geven, opdat zij daar
+mogen vinden wat de priesters hun onthouden<a href="#13.72">[72]</a>. Een streven
+naar ontwikkeling van een zelfstandig godsdienstig gemoedsleven
+ziet men immers ook bij de mystieken, al mag het de
+vraag heeten of RUYSBROECK den Bijbel in de handen der
+leeken zou hebben gewenscht.
+
+<p>Wat ons in dezen vertaler ten slotte treft, is het rustig zelfvertrouwen,
+waarmede hij spreekt over de ontvangst, die hem
+en zijn werk wacht van de zijde der geestelijkheid. Hij beseft
+zeer wel, dat het sommige &#8222;clercken" zal ergeren &#8222;dat men
+die heymelicheit der scrifturen den ghemenen volc ontbynden
+soude"; dat zijn werk zal worden &#8222;benijd en beknaagd door
+dolle honden"&mdash;maar God kent de bedoelingen, waarmede
+dit werk ondernomen is, en daarom zal hij met DAVID hopen
+op God en niet ontzien wat de menschen hem aandoen<a href="#13.73">[73]</a>.
+Hier spreekt een dergelijk vertrouwen op God en het eigen
+geweten, als wij vroeger opmerkten bij den onbekenden leek
+en als later in de dagen der Kerkhervorming zoo menigmaal
+zal gehoord worden.
+
+<p>Het is wel opmerkelijk, dat van deze Bijbelvertaling, naar
+het schijnt, geen enkel afschrift der 14<sup>de</sup> eeuw is overgebleven,
+terwijl er dozijnen afschriften der 15<sup>de</sup> eeuw bestaan. Mag men
+aannemen, dat de geestelijkheid het werk onderdrukt heeft?
+Zoolang daarvoor geen enkel bewijs bestaat, natuurlijk niet.
+Doch in allen gevalle blijkt uit de afschriften, dat deze Bijbelvertaling
+ter kennisse van anderen is gekomen, zij het waarschijnlijk
+van slechts weinigen. Daarmede was een edele kiem
+in de ziel van ons volk gelegd, die er zich zou ontwikkelen
+met de langzaamheid die groote zaken past.<a name="411"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.1">1</a>: <i>Der Ystoriën Bloeme</i> in de uitgave van A.C. OUDEMANS SR.
+Het tweede werk is als <i>Fragment van een oud berymd passionael</i>
+uitgegeven door WILLEMS in <i>Belg. Museum</i>, IX, 418 vlgg.
+
+<p class="footnote">Vgl. <i>Der Ystoriën Bloeme</i>, vs. 2229-'30, 3554; <i>Belg. Mus.</i>, IX,
+424, vs. 184.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.2">2</a>: <i>Van Sinte Lutgart</i> uitgeg. door BORMANS in <i>Dietsche Warande</i>,
+III&mdash;IV. <i>Van Sinte Christina</i> eveneens door BORMANS. Vgl. over de
+hss. ook: <i>Tijdschr. v. N. T. en L.</i>, IX, 161 vlgg. <i>Leven van Sint
+Amand</i> uitgeg. door BLOMMAERT. Over de bronnen van dat werk
+TE WINKEL a. w. bl. 279. Over het hs. nog <i>Tijdschr. v. N. T. en L.</i>,
+X, 158. Het <i>Leven van S. Kunera</i> in <i>Middeln. Ged.</i> (ed. DE PAUW),
+I, 247 vlgg.; het hs. schijnt uit de 15e eeuw, de taal en de rijmen
+wijzen naar de 14e eeuw.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.3">3</a>: Over broeder GERAERT'S werk vgl. <i>Willem van Afflighem's
+Leven van Sinte Lutgart</i> (ed. VAN VEERDEGHEM), Inl., XVII,
+XXXVIII-XXXIX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.4">4</a>: Vs. 1341 2.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.5">5</a>: I, 5135 vlgg. Wereldlijke koningspelen (waarin vooral &#8222;questiën
+van minne" behandeld werden) vindt men o.a. in den <i>Limborch</i>,
+XI, 67 vlgg. en <i>Cassamus</i>, vs. 1368 vlgg. (Aant., bl. 80). Vgl. voorts
+II, 1331 vlgg.; 1709; 1903 vlgg.; 4809.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.6">6</a>: In vs. 630 wordt gesproken van S. KERSTINE'S &#8222;lenden ende
+ander haer lede", waar het Latijn <i>nates</i> heeft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.7">7</a>: Vgl. over de vermoedelijke bron van dit werk TE WINKEL a. w.
+bl. 283.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.8">8</a>: <i>Dboec van den Houte</i> is uitgeg. door J. TIDEMAN. (Leiden. 1844).
+Hs. H. door TIDEMAN tot grondslag gelegd voor zijne uitgave, staat
+volgens een later onderzoeker W. MEIJER niet zoo dicht bij het vermoedelijk
+origineel als Hs. S. (Vgl. Inl., XX&mdash;XXI; en: <i>Abh. der Kön.
+Bayer. Akad. der Wiss.</i>, I, Cl. XVI B. II Abth. (1881). Een uitvoerig
+stuk over de Kruis-sage van J. KOOPMANS in <i>Taal en Letteren</i>, VII,<a name="412"></a>
+321 vlgg. Een fragment uit de 14e eeuw met eenigszins afwijkende
+lezingen uitgegeven in <i>Germania</i>, XV, 360 flgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.9">9</a>: Uitgeg. door Dr. L. WIRTH in: <i>Bibl. van Mnl. Lett.</i> (Groningen.
+WOLTERS). Afl. 49. Vgl. de critiek dezer uitgave door Dr. STOETT in
+<i>Museum</i>, 1893, 104.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.10">10</a>: Vgl. daarover Inl., bl. 14 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.11">11</a>: <i>Theophilus</i> uitgeg. door BLOMMAERT, (Gent, 1858) en later
+door VERDAM; <i>Beatrijs</i> door JONCKBLOET (met <i>Carel en Elegast</i>);
+Over het, eerst eenige jaren geleden ontdekte, verhaal <i>van Jonitas en
+Rosafiere</i> zie: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, IX, 170 vlgg.; het geheele
+werk later uitgeg. door N. DE PAUW in zijne <i>Mnl. Ged.</i>, afl. 3,
+bl. 487 vlgg.
+
+<p class="footnote">VERDAM heeft in zijne Theophilus-uitgave ongeveer 260 verzen van
+den door BLOMMAERT gepubliceerden tekst geschrapt als geïnterpoleerd.
+Ik kan mij met deze handelwijze niet vereenigen.
+
+<p class="footnote">1<sup>o</sup>. Omdat het onbeholpene of gebrekkige van vele verzen voor
+mij niet bewijst dat zij geïnterpoleerd moeten zijn.
+
+<p class="footnote">2<sup>o</sup>. Allerlei uitweidingen, die door V. beschouwd worden als
+interpolaties, vindt men ook in de door hem als echt erkende deelen.
+
+<p class="footnote">3<sup>o</sup>. Eigenaardigheden van den bewerker, als het herhalen der slotwoorden
+van een vers in den aanvang van een volgend vers, vindt
+men zoowel in de verworpene als in de voor echt erkende deelen.
+
+<p class="footnote">4<sup>o</sup>. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen
+van het gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog
+veel meer geschrapt worden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.12">12</a>: Ed. VERDAM, vs. 74&ndash;6, 95&ndash;116, 319&ndash;340.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.13">13</a>: Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.14">14</a>: Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA
+bidden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.15">15</a>: Vgl. CREIZENACH, <i>Gesch. des neuern Dramas</i>, I, 147. Ook
+in de geschiedenis der &#8222;verduldige Helena van Constantinopel".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.16">16</a>: Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY,
+IV, 121.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.17">17</a>: In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar
+SINT JACOB wordt gebracht en vlucht naar Venetië.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.18">18</a>: De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige
+dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van
+S. KUNERA in KIST'S <i>Kerkhist. Archief</i>, II, 1&ndash;48; door STALLAERT
+vergeleken met het rijmwerk in <i>D. Warande</i>, 1891, 28&ndash;36.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.19">19</a>: Uitgeg. in BLOMMAERT'S <i>Oudvlaemsche Ged.</i>, II, 31 vlgg.<a name="413"></a>
+Zie ook: <i>de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken</i> door
+W. DE VREESE, I, 145. Voorts: <i>Visio Tnugdali....</i> A. WAGNER,
+Erlangen, 1882. MUSSAFIA zegt van de Nederl. bewerking o.a.: &#8222;con
+una certa inclinazione a dilavare alquanto il dettato" (<i>Sitzungsber.
+der Wiener Akad. phil.-hist.</i>, Cl. Bd. 67, 157&ndash;206). Met het oog op
+de verklaring van den Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk
+voor.
+
+<p class="footnote">Eene uitvoerige en goede karakteristiek van <i>Tondalus Visioen</i>, uit
+een algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in het <i>Tweem.
+Tijdschrift</i> van 1901.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.20">20</a>: <i>Rumbeeksche Avondstonden</i>, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is
+gedagteekend: 28 Sept. 1399.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.21">21</a>: DE VOOYS, <i>Mnl. Legenden</i>, p. 15.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.22">22</a>: Vgl. <i>Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den
+Groote....</i> door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een
+enkel aardig trekje in de eene bewerking vermeld op p. LVII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.23">23</a>: Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES in <i>Versl. en Meded. der Vereen.
+voor oude Ned. Lett.</i>, II, 5&ndash;32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w.,
+bl. 569&ndash;572.
+
+<p class="footnote">Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing in <i>Feestbundel
+aan M. de Vries opgedragen</i>, p. 103. Over &#8222;PAEP JAN" vgl. <i>Zeitschr.
+f.d. Alt.</i>, N.F. XXI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.24">24</a>: Vgl. <i>Stemmen uit den Voortijd....</i> door F.H.G. VAN ITERSON,
+p. 140 vlgg., 162, 164&ndash;5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss.
+door VAN ITERSON als 14e eeuwsche genoemd).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.25">25</a>: Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'S <i>Gesch. der deutschen
+Mystik</i>, I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier
+geboden beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel
+te geven; daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan
+aangeduid.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.26">26</a>: ECKHART leefde van 1260&ndash;1327; zijn eerste werk volgens
+PFEIFFER van c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen.
+
+<p class="footnote">Een paar uittreksels uit de <i>Epistolae Haywigis</i> in een hs. van
+1360-'70; vgl. <i>Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken</i>, I, 425.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.27">27</a>: Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche
+mystiek berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS in <i>Ned.
+Archief voor Kerkgesch.</i>, N.S., 3e deel en in <i>De XXe Eeuw</i>,
+IX Jaarg. Vgl. voorts: <i>De Handschr. v. J. v. Ruusbroec</i>, II, 642.
+
+<p class="footnote">Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor
+theologen dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijn<a name="414"></a>
+met de teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld.
+Vgl. daarover de Inleiding op: <i>Meister Eckhart und seine jünger....</i>
+herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.28">28</a>: Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w.
+<i>Einl.</i>, XIV. DE VOOYS, <i>Mnl. Leg.</i> p. 325.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.29">29</a>: <i>Ned. Archief voor Kerkgesch.</i>, N. Serie, III, 54. Over TAULER
+vgl. PREGER a.w. III, 90 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.30">30</a>: <i>De Limburgsche Sermoenen</i> (uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig
+of geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII,
+XXIX, XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over
+het verschil tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK in <i>Taal en
+Letteren</i>, Jaargang VIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.31">31</a>: Vgl. PREGER a.w. II, 3&ndash;246. Het in de <i>Limb. Sermoenen</i>
+voorkomend <i>buec vanden Palmboeme</i> is blijkbaar hetzelfde als het
+door PREGER, p. 52&ndash;53 vermelde <i>der Palmbaum; Dboec vanden
+boegarde</i> doet denken aan <i>den Baumgarten</i> waarover vgl. PREGER,
+p. 48 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.32">32</a>: Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.33">33</a>: Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.34">34</a>: Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt,
+der 14e eeuw, dat aanvangt: &#8222;Hier beghint die prologus van desen
+boke als der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste
+boec van haren visioenen."
+
+<p class="footnote">In den aanvang der 15e eeuw waren &#8222;Machteldis revelacien" te
+onzent nog in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze
+in een dubbel exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw
+bevattend een groot aantal &#8222;stichtige woorde genomen uut den boeck
+der revelacien der heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan
+&#8222;die susteren van der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in
+N.-Brabant. MOLL, <i>Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster</i>, p. 32&ndash;33.
+
+<p class="footnote">In diezelfde boekerij vond men een boek <i>van Maria van Ogines</i>
+(t.a.p. bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar
+levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijn
+geweest.
+
+<p class="footnote">Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek
+bleef. Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk
+onderzoek.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.35">35</a>: Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van
+Dr. DE VOOYS (in: <i>De XXe Eeuw</i>, 9e Jaargang) die o.a. over den
+&#8222;goeden kok van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan.]<a name="415"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.36">36</a>: Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche
+Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A.
+V. OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave
+daarvan is bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding
+verdienen voorts: de <i>Bijdragen tot de kennis van het leven en de
+werken van Jan van Ruusbroec....</i> door Dr. W.L. DE VREESE,
+(Gent, A. SIFFER, 1896); <i>Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl</i> door
+Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER, 1894); wat over R. gezegd
+wordt in BÖHRINGER'S <i>Deutsche Mystiker</i>, II, 3; over RUYSBROEK'S
+verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.: PRIEBSCH, <i>Deutsche
+Hands.</i>, I, 66; <i>Jahrbuch des Vereins f. niederd. Spr.</i> 1884.
+
+<p class="footnote">Eene vertaling van <i>De Chierheit der geesteleker Brulocht</i> gaf MAURICE
+MAETERLINCK (<i>L'Ornement des noces spirituelles</i>); eene bloemlezing
+van in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO: <i>Rusbrock
+l'Admirable</i>, (Paris, 1902).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.37">37</a>: Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen
+van &#8222;broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.38">38</a>: Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur in <i>Oud-Holland</i>,
+XIIe Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.39">39</a>: VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168&ndash;9; DE VREESE'S
+<i>Bijdragen</i>, bl. 8, 13.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.40">40</a>: Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te
+maken; evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname
+vrouw was, &#8222;die RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten
+kwam bezoeken" en te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN
+OTTERLOO, bl. 136). Vgl. overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16;
+VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en Editie DAVID, III, 235.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.41">41</a>: Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd,
+over. Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S
+stelsel is hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.42">42</a>: Eene andere voorstelling van het <i>Innige Leven</i> bij RUYSBROECK
+wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265&ndash;269.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.43">43</a>: VAN OTTERLOO, bl. 128.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.44">44</a>: ECKHART spreekt van <i>istigkeit, entgeisten, weiselos</i>; RUYSBROECK
+van: <i>istegheit, ontgeesten, wiseloos</i>. Beiden gebruiken de uitdrukking
+<i>Funken der Seele, vonke der sielen</i>, zij het misschien niet in geheel
+dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God
+sprake is) ais: <i>die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze
+zee</i> doen aan dergelijke van ECKHART denken.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.45">45</a>: Uitgave DAVID, VI, 173.]<a name="416"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.46">46</a>: Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2.
+VAN OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat
+RUYSBROECK'S werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1<sup>o</sup>. heeft
+RUYSBROECK voor de beschrijving des tabernakels het een en ander
+ontleend aan RICHARD'S <i>Expositio tabernaculi foederis</i> (MIGNE, <i>Patrol.</i>,
+T. 196, p. 211 seqq.); 2<sup>o</sup>. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'S
+<i>de Archa Morali</i> (MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de
+hoofdstukken: de ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de
+charadrio (p. 77); de upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek
+zou hier noodig zijn.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.47">47</a>: Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121&ndash;2, 178&ndash;9; IV,
+83&ndash;4, 108 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.48">48</a>: A.w. I, 2, p. 146; III, 198.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.49">49</a>: Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167&ndash;8.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.50">50</a>: A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256&ndash;7
+(geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.51">51</a>: A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208&ndash;9; IV, 104); VI, 230.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.52">52</a>: Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met &#8222;ende" verbonden);
+IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57&ndash;8; 250.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.53">53</a>: Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.54">54</a>: VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48, 116.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.55">55</a>: I, 248&ndash;9. Vgl. ook III, 59&ndash;60: &#8222;En daer an en leghet niet
+allene" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.56">56</a>: Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie
+III, 121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246;
+I, 49, 50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240&ndash;1. Vgl. andere
+voorbeelden in <i>Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl</i> door Dr. H. CLAEYS, pr.
+(Gent, A. SIFFER, 1894) en in <i>Ned. Museum</i>, 1891, (H. MEERT).
+Rijmende verzen o.a.: III, 201; IV, 4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.57">57</a>: Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk:
+<i>Die antike Kunstprosa</i> (van de 6e eeuw vóór Chr.&mdash;Renaissance),
+vgl. <i>Museum</i>, 1899, n<sup>o</sup>. 9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.58">58</a>: I, 67.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.59">59</a>: Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38&ndash;9; <i>Werken</i>, I, 136; IV, 190; VI,
+71; vgl. ook nog V, 71 (fontein).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.60">60</a>: <i>Werken</i>, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14;
+<i>Werken</i>, VI, 61; III, 61; 104.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.61">61</a>: Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.62">62</a>: V, 57&ndash;9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.63">63</a>: CLAEYS a.w. bl. 33.]<a name="417"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.64">64</a>: Vgl. IV, 15.
+
+<p>Het is opmerkelijk dat VOLTAIRE, die wel niet veel in RUYSBROECK
+zal hebben gelezen, zegt: &#8222;L'amour-propre est un ballon gonflé de
+vent, dont il sort des tempêtes quand on lui a fait une piqûre".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.65">65</a>: IV, 111.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.66">66</a>: III, 151.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.67">67</a>: VI, 82.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.68">68</a>: Vgl. over deze vertaling het degelijk bewerkt proefschrift van
+Dr. C.H. EBBINGE WUBBEN: <i>Over Middelnederlandsche Vertalingen
+van het Oude Testament</i>. ('s-Grav. NIJHOFF. 1903).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.69">69</a>: A.w. bl. 73.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.70">70</a>: Vgl. over dat alles de prologen en de hoofdstukken in de
+Eerste Afdeeling II, 1 en 3, bl. 127.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.71">71</a>: Zie bl. 87&ndash;88.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.72">72</a>: Bl. 70; ook bl. 75: &#8222;Nu bidde ic elken die hierin lezen sel
+ende tijtcortinghe doen"; bl. 85: &#8222;meniger zaliger zielen, diere in
+lesen moeten".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.73">73</a>: Bl. 127.]<a name="418"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>POËZIE DER GEMEENTEN.</h2>
+
+<h3>(VERVOLG).</h3>
+
+<p class="intro">1. Het Leerdicht.&mdash;Reinaert II.
+
+<p class="intro">2. Verhalende en lyrische poëzie.
+
+<p>Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het
+lied&mdash;dat waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop
+wij de gemeentenaren in de 13<sup>de</sup> eeuw hebben aangetroffen.
+Op die wegen vinden wij hen ook in deze volgende eeuw,
+doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd.
+
+<p>De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen
+van dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan
+den omgang met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid.
+Den invloed dier beide standen zullen wij dan ook op meer
+dan één plaats in de poëzie der gemeenten aantreffen. Doch
+tevens zal blijken, dat de burgerij, in den omgang met de
+beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend, ontwikkelend
+en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker
+tegenover die beide standen kwam te staan.
+
+<p>Dien gang van zaken zullen wij al dadelijk waarnemen in
+
+<h3>1. HET LEERDICHT.</h3>
+
+<p>In hun streven om de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling
+des volks te bevorderen, trekken de leerdichters ééne lijn met
+de geestelijkheid. Onder de makers van leerdichten zien wij
+burgers, ons bij name bekend: den chirurgijn JAN DE WEERT,<a name="419"></a>
+den schepenklerk JAN BOENDALE, naast ongenoemden uit den
+geestelijken stand: den &#8222;simpelen clerc", die den <i>Spiegel der
+Zonden</i> samenstelde; den &#8222;armen pape", die de <i>Bediedenis der
+Misse</i> berijmde.
+
+<p>Evenals vroeger geestelijke dichters met bewustheid hunne
+poëzie stelden tegenover de door hen gelaakte ridderpoëzie,
+zoo zien wij nu den samensteller van het didactisch werk <i>Sidrac</i>,
+dat in 1329 werd voltooid, in zijn proloog te velde trekken
+tegen de verhalen daar weinig nut in steekt en die slechts van
+&#8222;vechten en vrouwen minnen, van het veroveren van landen
+en steden" weten te spreken<a href="#14.1">[1]</a>.
+
+<p>Men mag wel aannemen dat de leerdichters bij de samenstelling
+van hun werk het oog hadden vooral op de niet-geleerden,
+wier grootste deel uit gemeentenaren bestond.
+Echter vindt men slechts bij een enkele hunner het bewijs,
+dat hij zich daarvan bewust was. In den proloog van zijn
+<i>Lekenspiegel</i> zegt BOENDALE:
+
+<p class="quote">... want dat leke is die sake<a title="[margin: oorzaak.]"><sup>#</sup></a>
+Daer omme ic dit boecskijn make.
+</p>
+
+<p>In overeenstemming met het onderwijzend karakter dier
+werken is de vorm van een gesprek tusschen &#8222;Meester" en
+&#8222;Clerc", zooals wij dat in den <i>Lucidarius</i>, tusschen vader en
+zoon, zooals wij het in <i>Seneka leren</i> aantreffen; ook het dialogisch
+karakter van werken als de <i>disputacie van Rogier ende
+Janne</i> en de <i>Melibeüs</i>. Dat deze dichters hunne lezers of
+hoorders van tijd tot tijd aanspreken met &#8222;lieve kindre" of
+&#8222;lieve liede" was dan ook in hun mond alleszins gepast<a href="#14.2">[2]</a>.
+
+<p>Op vrijwillige medewerkers aan de volksontwikkeling als deze
+leerdichters schijnen de priesters weinig gesteld te zijn geweest,
+even weinig als op den Bijbelvertaler van 1360. Blijkbaar beschouwden
+zij zulke geschriften als pijlen, waarmede onder<a name="420"></a>
+hunne duiven geschoten werd, en de schrijvers als stroopers
+in een veld, waar de Kerk &#8222;eigen jacht" had. Een dezer leerdichters
+eerbiedigt de grenzen, waarbuiten men voor leeken
+niet gaan mag: omtrent God zal de meester zijn leerling
+onderrichten
+
+<p class="quote">Also verre voirt als den leeken lieden
+Gheoorloft is te bedieden<a href="#14.3">[3]</a>.
+</p>
+
+<p>Een ander is dat met hem eens, doch voegt er bij:
+
+<p class="quote">Ende oec ontsie ic der papen treken
+Dat sijs mi mochten spreken lachter<a title="[margin: schande.]"><sup>#</sup></a><a href="#14.4">[4]</a>.
+</p>
+
+<p>Een derde zegt: Zou ik de gansche waarheid bekennen, de
+priesterschap zou mij vervloeken<a href="#14.5">[5]</a>. Dat BOENDALE het met
+zulke uitingen eens was, spreekt vanzelf voor wie zich zijne
+beschouwing van leeken en geestelijken uit een vroeger hoofdstuk
+herinnert<a href="#14.6">[6]</a>. In zijn <i>Lekenspiegel</i> stelt hij zich nog eens
+tegenover de priesters, waar hij den ongehuwden staat en het
+huwelijk vergelijkt. Ongehuwden staat en maagdelijkheid acht
+hij hoog&mdash;wanneer zij gepaard gaan met een rein hart &#8222;van
+ghepeinse ongeknaecht"; doch dat komt maar al te zelden voor.
+Als hij daarna den lof van een goed huwelijk heeft verkondigd,
+voegt hij er aan toe: Ik weet wel, dat &#8222;liede van gheesteliken
+abite" zich aan dezen lof zullen ergeren en mijne woorden
+berispen ... maar hoe zouden zij aan kost en kleeren komen,
+indien de gehuwde lieden niet voor hen zorgden<a href="#14.7">[7]</a>?
+
+<p>Tegenover dit drietal kiest slechts een dezer leerdichters de
+partij der geestelijken. Het is begrijpelijk dat hij zelf tot hen
+behoorde. De &#8222;simpele clerc", die den <i>Spieghel der Zonden</i>
+samenstelde, tracht de schuld van de simonie van de geestelijken
+op de leeken te schuiven: &#8222;Si sijn soekers eerst daervan."<a name="421"></a>
+Dat er priesters zijn die een slecht leven leiden, geeft hij toe;
+maar nochtans moeten wij ze eeren, omdat God Almachtig
+hen gezonden heeft<a href="#14.8">[8]</a>.
+
+<p>Vergelijken wij het leerdicht van dit tijdvak bij dat van het
+voorafgaande, dan treft ons dat het godsdienstig en vooral
+het zedelijk element veld hebben gewonnen op het zuiver
+wetenschappelijke. Met groote werken als die van MAERLANT
+en VELTHEM kon men vooreerst zijn begeerte naar kennis der
+geschiedenis bevredigen; BOENDALE moge in zijne <i>Brabantsche
+Yeesten</i> deels MAERLANT'S werk overnemen, deels de geschiedenis
+van zijn eigen tijd verhalen&mdash;meer en meer kiest de
+historiographie den vorm der proza-kroniek. Algemeene natuurkennis
+vond men voldoende in <i>der Naturen Bloeme</i>; doch
+voor sommige onderdeelen viel wel iets te doen, vooral voor
+een betere kennis van den mensch.
+
+<p>Dat verklaart het ontstaan van rijmwerkjes als: <i>Die Cracht der
+Mane</i> van zekeren HEINREC VAN HOLLANT, <i>Der Vrouwen Heimelicheit</i>,
+<i>Der Mannen ende der Vrouwen Heimelicheit</i> en eenige
+fragmenten van een leerdicht dat, voorzoover men kan zien,
+over de physiologie en de psychologie van den mensch handelt.
+Van literaire kunst is in deze populair-wetenschappelijke werkjes
+nog minder sprake dan in de meeste overige leerdichten. Opmerkelijk
+is slechts, hoe zich in het tweede en het vierde werk op
+zonderlinge wijze de invloed der hoofsche poëzie vertoont. Zoo
+goed als de menestrelen van vroeger, heeft ook de bewerker
+van het laatste physio-psychologische werkje eene &#8222;jonkvrouw,
+die (z)ijn herte heeft ghewont." Het tweede werk, eene handleiding
+voor vroedvrouwen, was door den bewerker vertaald uit het
+Latijn van ALBERTUS MAGNUS ter wille zijner &#8222;lieve joncfrouwe",
+waarschijnlijk eene vroedvrouw wier hart hij door deze obstetrische
+hulde hoopte te winnen. Doch zijne hoofsche verzuch<a name="422"></a>tingen
+passen bij zijne practische wetenschap als riddersporen
+aan de hielen van een dorpsbarbier<a href="#14.9">[9]</a>.
+
+<p>Voor het godsdienst-onderwijs werd op de in aantal toenemende
+scholen langzamerhand beter gezorgd. Toch voelden eenige
+leerdichters zich geroepen om dat onderwijs aan te vullen en
+uit te breiden. Zoo ontstonden werken als <i>die Bediedenisse der
+Missen</i> en de berijmde zoowel als de proza-bewerking van den
+<i>Dietschen Lucidarius</i>. De inhoud van het eerste werk wordt
+voldoende door den titel aangewezen. De berijmde <i>Lucidarius</i>
+was een vrije bewerking, hier bekort daar uitgebreid, van het
+<i>Elucidarium</i>, door HONORIUS AUGUSTODUNENSIS in het begin
+der 12<sup>de</sup> eeuw samengesteld als een dogmatisch handboek ten
+dienste van theologen. De <i>Lucidarius</i> in proza, voorzien van een
+berijmde voorrede, was een getrouwe vertaling van een Duitschen
+catechismus van het geloof en de wetenschap dier dagen, bestemd
+tot onderricht der leeken. Het Duitsche origineel dagteekent uit
+het eind der 12<sup>de</sup> eeuw; de Dietsche bewerking, naar het
+schijnt, uit den aanvang der 14<sup>de</sup>. Het Nederlandsch rijmwerk
+schijnt vóór 1353 reeds verbreid te zijn geweest<a href="#14.10">[10]</a>.
+
+<p>Dicht bij deze catechetische werkjes staat het <i>Boec van der
+Wraken</i>, omstreeks het midden der 14<sup>de</sup> eeuw gedicht; dit geschrift
+bevat een aantal voorbeelden van Gods wrekende gerechtigheid,
+zichtbaar in allerlei gebeurtenissen uit vroeger en later tijd.
+Opmerkelijk is hier vooral de voorstelling dat Gods hardheid
+en haastigheid zijn afgenomen, sinds Hij mensch geworden was:
+
+<p class="quote">Aldus haestich ende dus hart
+Was God eer hi mensche wart;
+Maer sint dat hi die menscheyt kinde,
+Ende God die menscheyt minde,
+En heeft hi so haestelike
+Niet ghewroken op aertrike<a href="#14.11">[11]</a>.<a name="423"></a>
+</p>
+
+<p>Ook het sterk Duitsch getinte rijmwerk van <i>Die X Plaghen
+ende die X. Ghebode</i>, dat een allegorischen uitleg der Tien
+Plagen van Egypte geeft. Egypte is b.v. de duisternis der zonde,
+die der ziel schade doet en de zinnen des menschen verblindt.
+Overigens vindt men hier een groot aantal aaneengeregen uitspraken,
+aan den Bijbel, de apocriefe boeken en de kerkvaders
+ontleend<a href="#14.12">[12]</a>.
+
+<p>Tegenover dit achttal geschriften van wetenschappelijken of
+van theologischen aard plaatsen wij een dozijn andere, die een
+opvoedkundig-zedelijk karakter dragen. In aantal, maar meer
+nog in omvang en beteekenis, overtreffen de laatstgenoemde
+die der eerste soort.
+
+<p>Het algemeen karakter van deze werken der tweede soort leeren
+wij al dadelijk kennen uit dit drietal: <i>Dietsche Doctrinael</i>, in
+1345 door een onbekend dichter te Antwerpen voltooid; <i>Nieuwe
+Doctrinael</i>, samengesteld, misschien in 1351, door JAN DE WEERT,
+chirurgijn te Yperen; <i>Spiegel der Zonden</i>, het werk van een
+Westvlaamsch dichter der 14<sup>de</sup> eeuw<a href="#14.13">[13]</a>. Alle drie zijn leerboeken
+van practische zedekunde; zij geven eene uiteenzetting
+der onderscheidene deugden en ondeugden, van de middelen
+waardoor men de deugden kan aankweeken en de ondeugden
+tegengaan; de twee laatste lichten dat alles gaarne toe met
+voorbeelden, zij wijden zich zoowel aan den opbouw van het
+persoonlijk zedelijk leven als aan dien van het huiselijk en
+burgerlijk leven. Dit karakter spreekt zich uit ook in de titels
+dezer werken: een <i>doctrinael</i> is een leerboek, inzonderheid
+van practische moraal; <i>Spiegel der Zonden</i> spreekt voor zich
+zelf. JAN DE WEERT noemde zijn werk in den tekst: &#8222;<i>Spieghel
+der Zonden of Doctrinael</i>", en de middeleeuwsche titel vóór
+den aanvang luidt: &#8222;Hier beghint een goet boec van den VII.
+doetsonden ende van den X gheboden."<a name="424"></a>
+
+<p>Van denzelfden aard als dit drietal moet het verloren werk
+zijn geweest van den dichter der <i>Dietsche Doctrinale</i>, dat
+getiteld was <i>Exemplaer</i> en handelde over de &#8222;IIII. doeghden
+cardinale."
+
+<p>Wat deze werken gemeen hebben is, dat zij, evenals verreweg
+de meeste dezer leerdichten, uit het Latijn vertaald of
+althans naar het Latijn bewerkt zijn; voor een deel bestaan zij
+&#8222;uit los aaneengeregen aanhalingen uit gewijde schrijvers,
+apocriefe zoowel als canonieke, uit kerkvaders en voor een
+klein deel ongewijde schrijvers" <a href="#14.14">[14]</a>. Echter moet men hier eene
+uitzondering maken voor al die plaatsen, waar de auteurs over
+hun eigen tijd spreken en waar zij, zooals vooral JAN DE WEERT
+doet, hunne uiteenzetting of hun betoog toelichten met voorbeelden,
+door hen aan de werkelijkheid ontleend.
+
+<p>De <i>Dietsche Doctrinale</i> beperkt zich in hoofdzaak tot eene
+uiteenzetting van deugden en ondeugden; de <i>Nieuwe Doctrinael</i>
+verbindt met zijne beschouwing van doodzonden en
+geboden eene scherpe zedenhekeling van alle standen; de
+<i>Spiegel der Zonden</i> staat dichter bij den <i>Nieuwen</i> dan bij
+den <i>Dietschen Doctrinael</i>, doordat hij waarschijnlijk berust op
+eene Latijnsche verhandeling over de zeven doodzonden en
+met die stof zedenhekeling verbindt; anders echter dan JAN
+DE WEERT heeft de &#8222;simpele clerc" zijne waarschuwingen en
+raadgevingen toegelicht door tal van &#8222;exempelen", &#8222;ware of
+verdichte verhalen, waaruit iets te leeren viel," die in de
+geschiedenis der wereldliteratuur zulk eene belangrijke rol
+hebben gespeeld <a href="#14.15">[15]</a>. Echter richt ook de bewerker van den
+<i>Spiegel der Sonden</i> zijn blik niet zelden op zijne omgeving
+en op misbruiken, die hij zelf moet hebben waargenomen.
+Zoo b.v. waar hij te velde trekt tegen de weelde, tegen den
+adel die de boeren verdrukt, tegen de drankzucht en de
+kwartjesvinders dier dagen:<a name="425"></a>
+
+<p class="quote"> die schanienisse
+Vanden speelre<a title="[margin: spelers.]"><sup>#</sup></a> ende die verradenisse,
+Als si noden om drinken of eten
+Den ghenen dien si bi ghelde weten,
+Ende vake maken si onder hem drien
+Of vieren verbond te rovene dien<a href="#14.16">[16]</a>.
+</p>
+
+<p>Voor een betere kennis van het maatschappelijk leven dier
+dagen zijn deze leerdichten van veel belang. Echter zal men
+bij een werk als <i>de Spiegel der Zonden</i> nimmer uit het oog
+mogen verliezen dat het de bedoeling van den samensteller was:
+<i>slechts</i> de zonden te doen zien en dat JAN DE WEERT vooral
+een hekeldichter is. Wij mogen hem geen geloof weigeren,
+waar hij ons vertelt van den vraat die zijn vinger in de keel
+placht te steken om daardoor zijn volle maag te ontledigen en
+opnieuw aan het schrokken te kunnen slaan. Belangrijk voor
+de kennis van het bijgeloof zijn ook zijne mededeelingen over
+het &#8222;werken met toverringhen" om daarmede vrouwen of iets
+anders machtig te worden, over het betooveren van koeien en
+andere beesten. Doch men moet zich wachten voor het vormen
+van een algemeen oordeel, louter op grond van zulke plaatsen.
+
+<p>Zoo zal ook JAN DE WEERT'S oordeel over de dartelheid der
+toenmalige meisjes: &#8222;waren zij niet bang voor de gevolgen,
+men zou er tenauwernood ééne maagd onder vinden", zeker
+wel waarheid maar niet de waarheid bevatten.
+
+<p>Niet alleen het zedelijk en maatschappelijk leven, ook het
+godsdienstig gemoedsleven van de Nederlanders der 14<sup>de</sup> eeuw,
+kan men door deze leerdichten beter leeren kennen. Zoo vindt
+men in den <i>Nieuwen Doctrinael</i> dezelfde verlichte opvatting
+omtrent de beteekenis van beelden die wij reeds vroeger hebben
+aangewezen en eene uitvoerige beschouwing van de verhouding
+tusschen den berouwvollen, boetaardigen zondaar en God<a href="#14.17">[17]</a>.<a name="426"></a>
+
+<p>In den <i>Dietschen Doctrinael</i> en den <i>Spiegel der Zonden</i>
+wordt gehandeld over de &#8222;caritate" en de verdere verhouding
+tusschen God en den mensch. Toch houden deze leerdichters
+den blik niet bij voorkeur op het godsdienstig gemoedsleven
+gericht. Hoofdzaak is voor hen, wat RUYSBROECK samenvatte
+onder den naam van het <i>Werkende Leven</i>. Waar een hunner
+een enkele maal over het <i>Schouwende Leven</i> spreekt, daar is
+hij er blijkbaar mee verlegen, hoe hij het zal plaatsen tegenover
+het Werkende Leven. Er is veel over getwist, schrijft de
+samensteller van den <i>Dietschen Doctrinael</i>, welk dier twee het
+best zou zijn. Zelf is hij blijkbaar geneigd het Werkend Leven
+hooger te stellen; immers dat is &#8222;vele meerre arbeit"; de schouwer
+doet niets anders dan dat hij &#8222;zijnen Schepper liefheeft".
+Wat hem echter weerhoudt aan het Werkend Leven den voorrang
+te geven is, dat degelijke geleerden het Schouwende Leven
+hooger gesteld hebben; bovendien, CHRISTUS zeide immers van
+MARIA, dat zij het beste deel gekozen had; zoo komt de auteur
+van den <i>Doctrinael</i> niet tot eene slotsom. In overeenstemming met
+de geringe plaats, door het Schouwende Leven ingenomen, is
+ook, dat deze leerdichters slechts zelden over Gods wezen en
+het wezen der ziel spreken. In den <i>Dietschen Doctrinael</i> vinden
+wij een hoofdstuk &#8222;Van der Godheit" en &#8222;noch subtijlre van
+Gode", in <i>der Leken Spieghel</i> een paar hoofdstukken &#8222;van
+Gods wesene" en &#8222;van den wesene der zielen", doch wat beteekent
+dat viertal tegenover de honderde hoofdstukken van
+anderen aard?
+
+<p>De rijkdom aan gegevens, dien deze leerdichten bieden aan
+den onderzoeker van de zedelijke ontwikkeling onzer voorouders,
+mag ons oog niet verblinden voor hunne doorgaans geringe
+waarde als literaire kunstwerken. JAN DE WEERT moge wel
+eens zekere levendigheid en gloed vertoonen, de samensteller
+van den <i>Spiegel der Zonden</i> aardige woorden maken of althans<a name="427"></a>
+gebruiken als &#8222;slaeplief" (concubine), &#8222;die beeste-mensche" of
+&#8222;die mensche-beeste" (la bête humaine), over het algemeen
+kan hier van schoonheid zelden sprake zijn. Noch in den
+bouw der werken, noch in het verband der deelen, noch in
+de uitwerking der onderdeelen valt doorgaans&mdash;want er zijn
+uitzonderingen&mdash;eenige kunst te bespeuren. Het mag de
+vraag heeten of deze dichters in staat waren tot het voortbrengen
+van belangrijke literaire kunst, maar zeker hebben zij er
+niet naar gestreefd.
+
+<p>Het leerdicht der 14<sup>de</sup> eeuw vindt zijn meest typischen vertegenwoordiger
+in den Antwerpschen &#8222;scepenclerc" JAN BOENDALE,
+die waarschijnlijk in het laatste kwart der 13<sup>de</sup> eeuw
+geboren is. Onder den invloed van MAERLANT begint hij met
+een paar geschiedkundige werken: de <i>Brabantsche Yeesten</i> en
+<i>Van den derden Edewaert</i>, dat den krijgstocht van den Engelschen
+koning EDUARD III tegen Frankrijk behandelt is<a href="#14.18">[18]</a>. Maar
+verreweg zijn gewichtigste werk levert hij daarna in <i>der Leken
+Spieghel</i>, een leerdicht dat tusschen 1325 en 1330 is samengesteld<a href="#14.19">[19]</a>.
+In dit volksboek vond de leek ongeveer alles bijeen
+wat hij noodig had om zich als christen, mensch en burger te
+ontwikkelen. Het werk sprak eerst over God, den hemel, de
+goede en kwade engelen, het heelal, de planeten, de aarde, de
+hel. Daarna kwam het op den mensch, op zijne geschiedenis en
+op die van het Joodsche volk, Gods uitverkorenen; als aanhangsel
+der Joodsche geschiedenis werd ook iets van de geschiedenis
+der Romeinen medegedeeld. Na zoo, evenals de mystiek, van
+God tot den mensch te zijn afgedaald, maakt de dichter zich
+gereed weer tot God op te klimmen; maar lang is de weg.
+De mensch kan slechts tot hooger ontwikkeling komen doordat
+God op aarde is afgedaald. Gods menschwording wordt dus
+medegedeeld, het leven van JOZEF en MARIA, JEZUS' kindsheid<a name="428"></a>
+en geschiedenis; een overzicht van de geschiedenis der door
+Hem gestichte kerk sluit zich daarbij aan. Nu plaatst de schrijver
+den mensch in zijne verhouding tegenover God, leert hem
+hoe hij zijn persoonlijk zedelijk leven kan ontwikkelen, hoe hij
+zich te gedragen heeft in het huwelijk en bij de opvoeding
+zijner kinderen; wat de plichten zijn van een goed landsheer,
+van een rechter; wat men te denken hebbe over de waarde en
+het wezen van kunst en wetenschap, over minne, vriendschap,
+mildheid, maagschap, voeding en dergelijke belangen. Hij besluit
+zijn werk met een groot toekomstbeeld: de Antikrist zal
+op aarde komen en het volk verleiden; de Heer zal zijne twee
+getrouwe knechten HENOCH en ELIA tegen hem uitzenden, de
+Antikrist zal hen dooden, doch de &#8222;gadoot"<a title="[margin: plotselinge dood.]"><sup>#</sup></a> zal hem zelven
+van Gods hand treffen. Dan zullen er teekenen geschieden:
+de zee zal zich verheffen, zeegedrochten zich vertoonen en
+angstwekkend huilen, dan aardbeving, opstanding der dooden;
+hemel en aarde zullen in brand staan&mdash;zóó zal de Dag des
+Oordeels worden aangekondigd. Op de wolken zal dan de
+rechter komen, die in het dal van Josaphat de menschen zal
+oordeelen, de goeden met zich voeren, doch de boozen ter
+helle verwijzen.
+
+<p>Dat is de kern der omvangrijke stof die in bijna 22000
+verzen, nochtans beknopt en zaakrijk, behandeld is. Zeker was
+daarin veel waarmede de leeken hun voordeel konden doen.
+Zij vonden er nuttige kennis en dingen die hunne algemeene
+ontwikkeling konden bevorderen naast lessen voor de practijk
+des levens; zoo wekt BOENDALE de landsheeren op tot zorg
+voor het algemeen welzijn; de poorters tot onderlinge eendracht,
+te waken tegen zelfverheffing, hunne kinderen op hun zevende
+jaar naar school te zenden om lezen en schrijven te leeren<a href="#14.20">[20]</a>.
+Doch sterker invloed nog zal hij geoefend hebben door zijne
+verheffing van het geestelijke boven het stoffelijke. Hoe forsch<a name="429"></a>
+pakt hij de overmoedige zinnelijkheid dier opkomende burgerij
+aan, waar hij haar voor oogen houdt dat de &#8222;arme menschelichede"
+het zwakste en onreinste zou zijn dat bestaat&mdash;ten
+ware dat de ziel haar door hare gratie bestierde en sierde.
+Onder een geslacht dat afzonderlijke woorden bezigde voor te
+veel eten en drinken (&#8222;overate" en &#8222;overdranc") is BOENDALE
+een matigheids-apostel geweest die hun voorhield, dat éénmaal
+eten: geestelijk is, twéémaal: menschelijk, driemaal: beestelijk.
+Hij komt op tegen de voorstelling van God als een mensch:
+&#8222;God is altemale gheest; tegen afbeeldingen van engelen met
+menschenlichaam en vleugels; tegen de voorstelling van de
+kerk als een huis, zooals RUYSBROECK dat evenzeer had gedaan<a href="#14.21">[21]</a>.
+
+<p>De vraagstukken van maatschappelijken aard die hier behandeld
+zijn, vindt men, met eenige andere vermeerderd, terug in een
+tweede, veel kleiner, leerdicht van BOENDALE, dat getiteld is
+<i>Jan's Teesteye</i><a title="[margin: overtuiging.]"><sup>#</sup></a><a href="#14.22">[22]</a>. Nieuw is hier o.a. BOENDALE'S overtuiging:
+dat de menschen, vergeleken bij de vroegere, eer vooruit dan
+achteruit zijn gegaan, al heeft de adel onder den invloed der
+boozen geleden; dat de boeren en kooplieden zulke nuttige
+leden der maatschappij zijn; dat de vrouwen zoo vele en zoo
+groote gebreken hebben. Ook over dichters vinden wij hier
+eenige uitlatingen die niet zonder belang zijn, doch die wij
+liever elders zullen behandelen.
+
+<p>Vooral in de <i>Teesteye</i> zien wij, welk een sterken invloed
+MAERLANT op BOENDALE heeft geoefend. Zijne beschouwing
+van de &#8222;edelhede" is geheel die van MAERLANT, soms vinden
+wij zelfs woordelijke overeenkomst. MAERLANT'S <i>Martijn's</i>, zijn
+<i>Spieghel</i>, zijn <i>Rijmbijbel</i>, zijn roman <i>van Troyen</i> zijn door
+BOENDALE blijkbaar gelezen; gelezen en bewonderd, want meer
+dan eens verkondigt hij den lof van &#8222;JACOB, die dichter hoghe";
+in zijn <i>Lekenspiegel</i> noemt hij hem zelfs &#8222;'t hooft van alle
+Dietsche poëten"<a href="#14.23">[23]</a>. MAERLANT heeft in BOENDALE die liefde<a name="430"></a>
+tot de waarheid gewekt of versterkt, die hem den moed gaf
+zich zoo onbeschroomd tegenover de priesters te uiten, die
+hem ook aan een dichter den eisch deed stellen, &#8222;dat hi uter
+waerheit niet en kere"; doet hij dat, dan is hij den naam van
+dichter onwaardig<a href="#14.24">[24]</a>.
+
+<p>Toch is er tusschen den meester en zijn bewonderenden
+leerling een aanmerkelijk verschil.
+
+<p>MAERLANT was een idealist. In zijn jonge jaren hadden de
+idealen van het ridderwezen zijn hart wel niet onverdeeld bezeten,
+maar er toch weerklank gevonden; de vereering der
+vrouwen had het in gloed gezet, die gloed was langzamerhand
+gezuiverd van rook en walm, de moedermaagd had al die
+romanheldinnen verdreven, den stralenden afglans van het
+vuur zijner jeugd zien wij in zijn <i>Land van Overzee</i> en zijn
+<i>Kerken Claghe</i>; daar heeft de lezer en vertaler van ridderromans
+zich ontwikkeld tot een &#8222;miles Christianus".
+
+<p>BOENDALE heeft ook wel eens van dien eerbied voor de
+vrouwen gehoord. De &#8222;edelhede", zegt hij in zijn <i>Teesteye</i>, gebiedt
+dat men over vrouwen en jonkvrouwen slechts hoofsche
+dingen spreke. Maar zich zelven acht hij blijkbaar aan dat
+gebod niet gebonden. Een paar hoofdstukken verder in datzelfde
+gedicht geeft hij eene karakteristiek van de vrouwen die aan
+duidelijkheid niets, aan hoofschheid alles te wenschen overlaat;
+hij zal er maar &#8222;een luttel" van zeggen: vrouwen zijn van
+nature loos, vrekkig, begeerig, twistziek, ongestadig, wraakzuchtig,
+zonder genade voor wien zij haten, hoovaardig, kinderachtig,
+onwetend, lichtgeloovig ... men zou zeggen dat
+het zóó wel kon, doch het hoofdstuk geeft nog meer van dezen
+aard, er volgt een ander dergelijk dat getiteld is &#8222;noch van
+den wiven" en daarop nog een &#8222;exempel". Een geluk is er
+echter: &#8222;dat de vrouwe des mans dienstwijf is", wat men hieruit
+kan zien dat de vrouw het kind, door den man gewonnen,<a name="431"></a>
+moet dragen en groot brengen; een taak waarvan de man
+terecht is vrijgesteld, omdat hij &#8222;heer en voogd van het aardrijk" is.
+
+<p>Men zou BOENDALE onrecht doen, indien men verzweeg
+dat hij zelf zijn best heeft gedaan om niet misverstaan te worden;
+op deze hoofdstukken heeft hij een ander laten volgen dat
+handelt &#8222;van den goeden wiven"; daarin maakt hij onderscheid
+tusschen &#8222;vrouwen" en &#8222;wiven": al het kwade geldt slechts
+van de &#8222;wiven", zegt hij; van de &#8222;vrouwen" weet hij allerlei
+liefelijke en goede dingen te vertellen: een goede vrouw is
+haar mans schat, zij draagt zorg voor haar mans eer, voor
+zijn leven, zijn goed; zij is hem trouw tot in den dood; zij
+is dikwijls wijs, geeft goeden raad, houdt vrede met haar man,
+zij troost hem als hij verdriet heeft; een goede vrouw gaat
+zilver en goud te boven en purperen staatsiekleederen en saffieren
+ ... aldus stelt BOENDALE het goede tegenover het kwade.
+
+<p>Het feit dat drie hoofdstukken aan de &#8222;wiven" gewijd zijn
+en slechts één aan de &#8222;vrouwen" behoeft hier niet zwaar te
+wegen. Doch ook al ware hij even uitvoerig geweest over
+de goede als over de kwade vrouwen, dan nog zou men terecht
+mogen beweren, dat een dichter die de fouten en zonden der
+vrouwen zóó breed kon uitmeten, weinig sympathie kan hebben
+gevoeld voor het hoog en zuiver idealisme, dat, vermengd met
+elementen van minder waarde, in den middeleeuwschen vrouwendienst
+gevonden werd. Ja, ook MAERLANT heeft in zijn roman
+<i>van Troyen</i> wel eenige verzen vertaald waarin gebreken der
+vrouwen worden opgesomd, doch wie het <i>vóór</i> en het <i>tegen</i>
+de vrouwen in MAERLANT'S werken onderling vergelijkt, zal
+toch moeten instemmen met de slotsom van MAERLANT'S
+vriend MARTIJN:
+
+<p class="quote">Jakob, du best den vrouwen hout <a title="[margin: genegen.]"><sup>#</sup></a>,
+Du gheves den mannen al de scout <a title="[margin: schuld.]"><sup>#</sup></a>.<a name="432"></a>
+</p>
+
+<p>Ook elders toont BOENDALE zekere nuchterheid en bezadigdheid,
+die hem afkeerig maakt van wat buiten de middelmaat
+valt; &#8222;middelheit houden over al", dat moet iemand doen die
+zich zelven mint. Een ander minnen is goed, maar ieder minne
+een ander zóó, &#8222;dat hi sijns selfs scade niet en doe", want doet
+hij dat niet, dan heeft hij een ander liever dan zich zelven&mdash;
+en, wie zóó liefheeft, leeft &#8222;onwijslijc". Zoo moet men arme
+brave bloedverwanten wel helpen, doch zóó dat men er zelf
+de minste schade bij lijdt <a href="#14.25">[25]</a>.
+
+<p>MAERLANT'S idealisme maakte hem pessimist, gelijk zoovele
+idealisten vóór en nà hem. De werkelijkheid ontstemt, bedroeft,
+ergert hem; om zijn geloof aan de menschheid te kunnen
+behouden, vlucht hij ermee naar een droomland in een ver
+verleden waar alles rein en goed was; bij de toestanden uit die
+gouden eeuw vergeleken, is al wat hem op deze aarde omringt,
+gebrekkig, leelijk, zondig.
+
+<p>BOENDALE is het hier geenszins met zijn voorganger eens.
+In zijn <i>Lekenspiegel</i> sprak hij de overtuiging uit, dat de menschen
+tegenwoordig even goed zijn als vroeger. In zijn <i>Teesteye</i> neemt
+hij die stelling in het eerste hoofdstuk reeds weer op, gaat na
+hoe het komt dat wij het voorgeslacht zoo prijzen, betoogt de
+waarheid zijner stelling met voorbeelden uit het Oude en het
+Nieuwe Testament, en hangt daarna een zóó verlokkend tafereel
+op van de braafheid en vroomheid zijner tijdgenooten dat men
+een oogenblik aan ironie denkt; doch uit het gansche werk
+blijkt dat men den dichter ook hier moet houden aan zijn
+woord. Deze verheerlijking van zijn tijd komt in een eigenaardig
+licht te staan, indien men haar naast den proloog van
+het werk plaatst. BOENDALE heeft zijn <i>Teesteye</i> opgedragen aan
+een machtig en invloedrijk edelman, ROGIER VAN LEEFDALE,
+kanselier van Brabant en burggraaf van Brussel. Heer ROGIER
+was blijkbaar een MAECENAS voor BOENDALE. De dichter<a name="433"></a>
+verzekert dat hij zijne dichtkunst wil stellen ten dienste en ter
+eere van zijn hoogen beschermer en diens gemalin AGNES VAN
+CLEVE. Hoog verheft hij beider lof, zelfs hunne namen deelen
+daarin: wie kan mooier namen bedenken dan: ROGIER EN
+ANGENEESE? Één ding hoopt hij nu slechts: dat Heer ROGIER
+in dit werk niets vinden moge dat hem mishaagt. Vroeger is
+hij vaak in vreeze geweest, wanneer hij zijn beschermer eenig
+dichtwerk zond, of het hem wel bevallen zou; daarom is hij
+nu voortaan op zijn hoede, want Heer ROGIER ziet scherp en
+heeft hem wel eens berispt over zijne poëzie.
+
+<p>Blijkbaar had BOENDALE in een vorig gedicht (welk?) te
+stout en te scherp gesproken, waarschijnlijk over maatschappelijke
+misstanden en moest de aanvang der <i>Teesteye</i> Heer ROGIER
+weer in een goed humeur brengen. Maar een idealist, een
+echte, doet zulke dingen toch niet.
+
+<p>MAERLANT sprak een stout woord voor dien tijd, toen hij,
+het eerst in de volkstaal, neerschreef dat de ware adel in de
+deugd gelegen is. BOENDALE volgt hem daarin slechts na.
+MAERLANT zwijgt over de democratische beweging zijner dagen,
+die opkwam toen hij reeds bejaard was; doch hij heeft er zich
+toch niet vierkant tegenover geplaatst zooals BOENDALE.
+
+<p>MAERLANT bewerkte den <i>Rijmbijbel</i>; BOENDALE voegde bij
+het werk van zijn voorganger slechts het een en ander uit de
+apocriefe evangeliën<a href="#14.26">[26]</a>.
+
+<p>MAERLANT was geen hervormer maar toch een vernieuwer
+en een voorganger; BOENDALE een verdienstelijk volger en
+behouder.
+
+<p>MAERLANT eindelijk was een dichter die, ja, ter wille van
+zijn volk veel berijmd proza heeft geschreven, maar in wiens
+werk toch op menige plaats echte poëzie te zien valt als groene
+loten tusschen het dorre hout. BOENDALE'S poëtisch vermogen
+was blijkbaar gering. In zijne voorstelling van den naderenden
+<a name="434"></a>
+Oordeelsdag zijn hier en daar elementen van grootsche verhevenheid
+die doen denken aan het Oudhoogduitsche <i>Muspilli</i>;
+doch waarschijnlijk heeft hij ook deze aan een of andere
+Latijnsche bron ontleend; indien hij al iets van deze verhevenheid
+hebbe beseft, dan is hij er toch niet in geslaagd het ons te
+doen zien.
+
+<p>In zijn beste werk, <i>der Leken Spieghel</i>, kan men slechts op
+een paar plaatsen wijzen die zich boven het gelijkvloersche
+verheffen. De eene is die waar hij spreekt over de roeping
+van den dichter; de andere, eene uiting van verlangen naar
+de paradijsweelde van JEZUS' liefde, bevat misschien de beste
+verzen die hij geschreven heeft:
+
+<p class="quote">O edele minne, wanneer seldi
+Volkomenlike comen in mi?
+Of dat ic uwes ghesmake iet!
+Had ic u, mine ghebrake niet<a title="[margin: mij zou niets ontbreken]"><sup>#</sup></a>,
+Al mijn vernoy<a title="[margin: verdriet]"><sup>#</sup></a> ware verdreven.
+Ay heere! wilt mi gheven
+U vaderlike minne daer toe:
+So blivic eeuwelike vroe<a title="[margin: blijde]"><sup>#</sup></a> <a href="#14.27">[27]</a>.
+</p>
+
+<p><i>Jans Teesteye</i>, het werk van BOENDALE, waarin MAERLANT'S
+invloed zich het duidelijkst vertoont, is geschreven in den vorm
+eener samenspraak tusschen een paar vrienden, WOUTER en
+JAN; echter niet in regelmatige afwisseling van vraag en antwoord
+verdeeld over afzonderlijke coupletten, maar zóó dat verreweg
+de meeste hoofdstukken aanvangen met een vraag van WOUTER
+die door JAN wordt beantwoord. Misschien moeten wij dit
+dialogisch karakter toeschrijven aan den invloed van MAERLANT'S
+<i>Martijns</i>, doch, zooals wij reeds in den aanvang van dit
+hoofdstuk zagen, het leerdicht koos gaarne dezen vorm.<a name="435"></a>
+
+<p>Wij vinden den dialoogvorm nog in een drietal leerdichten
+die wij nu zullen behandelen.
+
+<p><i>Meliboeus</i> een &#8222;boec van troeste ende van rade" is eene vertaling
+uit het Latijn van ALBERTANUS VAN BRESCIA en werd
+in 1342 door een te Antwerpen wonend dichter voltooid. Het
+zou worden opgedragen aan den hertog van Brabant en de
+hier aangeboden troost en raad waren dan ook voornamelijk
+gericht tot landsheeren, zooals ons in den proloog wordt medegedeeld.
+In een onregelmatig dialogischen vorm geeft het gedicht
+allerlei opmerkingen ten beste over de wijze waarop een man
+zich heeft te gedragen in den strijd o.a. met het vleesch, de
+wereld en den duivel; verreweg de meeste plaats wordt echter
+ingenomen door een breedvoerige behandeling van vragen als:
+of en wanneer een man rekening moet houden met den raad
+zijner vrouw, wat men schuwen moet in het raadplegen, hoe
+men zal onderzoeken of een raad nuttig is, dat men aan jongere
+menschen geen raad moet vragen enz.
+
+<p>Mogelijk is ook dit werk van BOENDALE'S hand, al zal eerst
+voortgezet onderzoek deze mogelijkheid tot zekerheid of hooge
+waarschijnlijkheid kunnen brengen<a href="#14.28">[28]</a>.
+
+<p>Den invloed van MAERLANT'S <i>Martijns</i> dien wij in BOENDALE'S
+<i>Teesteye</i> opmerkten, zien wij eveneens in <i>Eene disputacie van
+Rogiere ende van Janne</i>, door den Yperschen chirurgijn JAN
+DE WEERT gedicht, nadat hij den <i>Spiegel van Zonden</i> had
+voltooid. Evenals in den <i>Meliboeus</i> wordt ook hier de strijd
+van den mensch met zijne drie vijanden: het vleesch, de wereld
+en den Booze behandeld. Wij hebben deze voorstelling reeds
+leeren kennen uit RUYSBROECK'S <i>Werkende Leven</i>; ook andere
+deelen daarvan vinden wij in deze <i>Disputacie</i> terug, zoo b.v.
+de rol die Gods gratie vervult in dezen strijd van den mensch
+met zijne vijanden; de vergelijking van den mensch bij eene
+stad waarin de vrije wil koning is<a href="#14.29">[29]</a>.<a name="436"></a>
+
+<p>Toen JAN DE WEERT dit werk schreef, stond MAERLANT'S
+beeld hem voor oogen; MAERLANT'S naam wordt door hem
+dan ook meer dan eens genoemd, de <i>Martijns</i> vermeld en de
+trant dier werken nagevolgd. Maar het talent van den navolger
+schoot te kort; de dwang van MAERLANT'S kunstig gebouwde
+strophe belemmert hem voortdurend in het voorwaartsgaan en
+hij was zich daarvan wel bewust, toen hij schreef:
+
+<p class="quote">Mijn conste en es niet also groot
+Als Jacops hier te voren.
+</p>
+
+<p>Toch is hier nog in het kiezen van dien vorm een streven
+naar kunst.
+
+<p>Dat streven valt tenauwernood te ontdekken en is bijna
+schuil gegaan achter het nuttigheidsbeginsel in de samenspraak
+tusschen vader en zoon, die onder den titel <i>Seneka leren</i> eene
+vertaling bevat van een aan SENECA terecht of te onrechte
+toegeschreven werkje <i>De Remediis Fortuitorum</i><a href="#14.30">[30]</a>. De Dietsche
+vertaling bevatte een menigte welgemeende terechtwijzigingen,
+verstandige voorschriften en lessen van levenswijsheid, in zuivere
+taal uitgedrukt. Door dat karakter sluit dit werkje zich aan
+eenerzijds bij den <i>Dietschen Catoen</i> uit vroegeren tijd en bij
+eenige andere gelijktijdige: het <i>Doctrinael savage</i>, <i>die Bouc
+van Zeden</i> en <i>Van Zeden</i><a href="#14.31">[31]</a>.
+
+<p>Evenals de meeste overige leerdichten, zijn ook deze werkjes
+wel niet zonder belang voor de geschiedenis der literatuur&mdash;immers,
+zooals men de literatuur toen beschouwde&mdash;maar
+toch belangrijker voor de zedengeschiedenis. De twee laatste
+werkjes vooral zijn gewijd aan de verfijning van manieren en
+gedrag in het dagelijksch leven. Men ziet eruit dat ook de burgerij
+prijs gaat stellen op uiterlijke beschaving en tevens dat die
+beschaving nog geen hoogen trap had bereikt. Dat laatste blijkt
+wel, wanneer men in het oog houdt wat de Dietsche vertaler<a name="437"></a>
+van het laatstgenoemde geschrift zijnen lezers en hoorders al
+zoo voorhoudt: eet en drink niet tegelijk; soppen in een nap
+gaat aan, in den mond niet; bijt niet in een stuk dat gij (daarna)
+in den schotel wilt leggen; gebruik het tafellaken niet om er
+uwe tanden, tranende oogen of uw neus mede te vegen; vat
+den beker niet bij den rand aan; wijs niet met den vinger naar
+iemand over wien gij spreekt; komt gij voor iemands deur,
+val dan niet met de deur in huis, maar geef een of ander
+teeken door kloppen, hoesten of spreken. Andere voorschriften
+echter waren berekend niet zoozeer op het te keer gaan der
+oorspronkelijke ruwheid als wel op het verhoogen der reeds
+aanwezige beschaving. Zoo b.v.: lach niet te veel; lach ook niet
+in u zelven, want dat is een teeken van boosheid en geveinsdheid;
+spreek niet minachtend over vrouwen; zit gij in gezelschap
+van uwen meerdere, sla dan het eene been niet over het ander;
+moet gij slapen in één bed met uw gelijke of uw meerdere,
+vraag hem dan aan welken kant hij wil liggen.
+
+<p>Door raadgevingen als die over de drie vijanden van den
+mensch houdt het bundeltje <i>Van Zeden</i> verband met <i>Meliboeus</i>
+en JAN DE WEERT'S <i>Disputacie</i>, anderzijds beseft de bewerker
+wel dat hij iets geeft dat in den <i>Dietschen Catoen</i> niet gevonden
+werd<a href="#14.32">[32]</a>.
+
+<p>
+De hier behandelde tweespraken en dialogische gedichten,
+de korte coupletten, waaruit het bundeltje <i>Van Zeden</i> bestaat,
+kunnen dienen als voorbereiding op de didactische lyriek, die
+wij in een volgend hoofdstuk zullen leeren kennen. Zij zijn
+als schakels, die de leerdichten in epischen vorm verbinden
+met de didactische lyriek. Geen der in deze laatste bladzijden
+behandelde werken is daartoe zóó geschikt als het tot nu niet
+genoemde werk van zekeren JAN PRAET, dat men op grond
+van eene aanwijzing in den tekst <i>Leeringhe der Zalichede</i> heeft<a name="438"></a>
+genoemd<a href="#14.33">[33]</a>. Gedicht nu eens in verzen met overslaand rijm,
+dan weer in paarsgewijze rijmende verzen, die onderbroken
+worden door vier- en zesregelige coupletten, afgewisseld op
+hunne beurt door twaalfregelige &#8222;motetten", geeft dit rijmwerk
+ons een vermoeiend bonte afwisseling van dichtvormen te zien.
+Harmonie heerscht hier in zóóver, dat ook de inhoud een
+bonte verscheidenheid toont; doch die harmonie beperkt zich
+tot de oppervlakte, want de wisselingen van vorm beantwoorden
+niet aan wisselingen van inhoud of stemming, maar schijnen
+slechts voort te komen uit zekere onrust, misschien ook
+uit de zucht van den auteur om met zijne kunstvaardigheid te
+pronken.
+
+<p>Daar de aanvang en het slot van het werk ontbreken, kunnen
+wij ons uit de ongeveer 5000 overgebleven verzen geene
+volkomen voorstelling vormen van het plan des dichters. De
+aanvang van het fragment verplaatst ons in een lofzang op de
+H. Maagd. Hare deugden worden opgenoemd in verband met
+de letters van haar naam. Telkens begeeft de auteur zich in
+eene uitweiding, zoo b.v. over de wanhoop en de geschiedenis
+van THEOPHILUS. De voorstelling van het leven als een gevaarlijke
+zeereis wordt breed uitgewerkt: het lichaam is het
+schip, het hart de schipper, het gepeins het anker; het kompas,
+bestaande uit naald, zeilsteen en water, geeft een voorstelling
+van Verstand, Zin en Geheugen. Hoogmoed wordt gelaakt;
+zelfkennis aangeprezen; de verachtelijkheid van het lichaam met
+nadruk betoogd. Daarna wordt het beeld van het schip weer
+op den voorgrond gebracht. De auteur, die zich hier wel in
+de plaats zal stellen van den gewonen mensch, belijdt dat hij
+schuldig staat aan de zeven hoofdzonden; deze worden dan
+op de bekende middeleeuwsche wijze voorgesteld als een boom
+(hoovaardij) met zes takken (<i>arbor vitiorum</i>). Staaltjes van de
+wijze, waarop de hoofdzonden zich in het leven openbaren,<a name="439"></a>
+worden medegedeeld; vooral de priesters moeten het hier
+ontgelden in hun wellust, luiheid en hebzucht. Een lang
+dispuut tusschen Hoovaardij en Ootmoed volgt; daarna een
+beschrijving van een strijd tusschen de deugden en de ondeugden
+(bekend uit PRUDENTIUS' <i>Psychomachia</i>); ten slotte wordt
+Hoovaardij berispt door Vrouwe Sapientia en JEZUS' leven uitvoerig
+verhaald.
+
+<p>Hoewel nergens blijkt dat een bepaald werk of een auteur
+door JAN PRAET gevolgd is, knoopt hij toch telkens nieuwe
+beschouwingen vast aan Latijnsche teksten of korte Latijnsche
+verzen, die niet zelden door hem worden uitgebreid. In die
+uitbreidingen, vooral in de lyrische gedeelten daarvan, toont
+deze auteur zich op zijn best. Zijn smaak was niet fijn&mdash;getuige
+zijne vergelijking van God, die zich van sommige
+priesters afkeert, bij een haas die de honden ontvlucht<a href="#14.34">[34]</a>&mdash;hij
+weet zich niet te beheerschen noch te beperken, toont zich niet
+zelden een gelijkvloerschen rijmelaar; doch, waar hij op zijn
+best is, weet hij ook aardige, gemakkelijk voortloopende coupletten
+te dichten, die zekere natuurlijke bevalligheid vertoonen.
+Zoo b.v. het &#8222;motet" dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Bi rimes zucht<a title="[margin: nadeelige invloed van de rijp.]"><sup>#</sup></a>
+Verlieset vrucht
+Saen hare baten
+</p>
+
+<p>of:
+
+<p class="quote">Hooren, peinsen,
+Zwighen, veinsen
+Ende wel voorsien,
+Dat zijn seden
+Van wijsheden
+Dies willen plien<a title="[margin: plegen.]"><sup>#</sup></a>.<a name="440"></a>
+</p>
+
+<p>Ook de aanvang der lange passage, waar Vrouwe Hoovaardij
+aan het woord is, mag hier genoemd worden:
+
+<p class="quote">Ic doe tornieren,
+Ridders verfieren<a title="[margin: stouter worden.]"><sup>#</sup></a>
+Van haren zinne,
+Vrouwen pareren,
+Zinghen, baleren<a title="[margin: dansen.]"><sup>#</sup></a>
+Om ridders minne;
+Knapen<a title="[margin: schildknapen.]"><sup>#</sup></a> josteren<a title="[margin: strijden te paard in tweegevecht.]"><sup>#</sup></a>
+Ende breken speren
+Om roeme saken;
+Joncfrouwen vermoyen,
+Wempelen ployen
+Ende horne<a title="[margin: de horens van het middeleeuwsch kapsel.]"><sup>#</sup></a> maken.
+</p>
+
+<p>Zulke stukken herinneren ons, dat er in de 14<sup>de</sup> eeuw eene
+bloeiende lyriek wordt aangetroffen. Met die lyriek zullen wij
+ons spoedig hebben bezig te houden. Eerst echter wacht ons
+een andere taak: na te gaan, wat er van den <i>Reinaert</i> geworden
+is onder den invloed van de sterke didactische neigingen
+der burgerijen.
+
+<p>
+REINAERT II.
+
+<p>Een eeuw en het vierde eener volgende eeuw waren voorbijgegaan,
+sinds een Vlaamsch dichter de geschiedenis <i>van den
+vos Reinaerde</i> aan zijn volk had verhaald.
+
+<p>Welken indruk dit dichtwerk op het publiek heeft gemaakt,
+kunnen wij wel vermoeden doch niet in bijzonderheden aantoonen.
+Moesten wij afgaan alleen op het ontbreken van
+handschriften uit de 13<sup>de</sup> en 14<sup>de</sup> eeuw, waarin het gedicht is
+bewaard, dan zou men moeten aannemen dat het weinig of
+niet bekend is geworden. Maar de afkeurende critiek van ernstige<a name="441"></a>
+mannen als WILLEM VAN AFFLIGHEM en MAERLANT bewijst
+wel, dat de roodbaard in ruimer kring sympathie vond dan
+hun lief was. Duidelijk openbaarde zich die sympathie bij zekeren
+BALDWINUS, die omstreeks of eenigen tijd vóór 1280 aan ons
+gedicht de zeldzame eer eener vertaling in het Latijn bewees.
+Maar indien de <i>Reinaert</i> daardoor al in de schatting ook der
+ernstige mannen gerezen is, dan toch waarschijnlijk alleen
+omdat hij ook nuttige lessen bevatte. Dat standpunt zien wij
+ten minste JAN BOENDALE innemen ongeveer een halve eeuw
+nadat de Latijnsche vertaling vervaardigd is. In zijn <i>Lekenspiegel</i>
+zegt hij, sprekend &#8222;van Reynaerde ende Ysegrime, Brunen den
+bere ende den das":
+
+<p class="quote">Dat dese dinc vonden was,
+Was al om lere ende wijsheit<a href="#14.35">[35]</a>.
+</p>
+
+<p>Die opvatting bleef gelden ook bij anderen die na hem
+kwamen. Indien BOENDALE&mdash;wat niet waarschijnlijk is&mdash;nog
+heeft geleefd omstreeks 1375, dan heeft hij zijn hart kunnen
+ophalen aan een verhaal <i>van den vos Reinaerde</i>, dat waarschijnlijk
+wel genade zal hebben gevonden in de oogen der ernstige
+mannen van dien tijd. In dat jaar toch heeft een onbekend,
+geletterd dichter het oude verhaal opnieuw bewerkt in den geest
+der didactische dichters. WILLEM'S gedicht is door hem tot
+grondslag genomen eener nieuwe bewerking, bestaande uit:
+1<sup>o</sup> het oude gedicht, doch met allerlei wijzigingen, invoegsels,
+toevoegsels en weglatingen; 2<sup>o</sup> eene voortzetting van het oude
+gedicht in den geest zijner bewerking van WILLEM'S gedicht.
+In zijn werk heeft hij tal van nieuwe dierfabels gelascht: wolf
+en merrie, man en slang, paard en hert, ezel en hond, wolf
+en kraanvogel, zieke leeuw en Reinaert als arts; deze zijn
+ontleend deels aan den <i>Esopet</i> deels waarschijnlijk aan de
+Latijnsche fabelverzameling <i>Romulus</i>. Aan de voortzetting van<a name="442"></a>
+het oude gedicht ligt waarschijnlijk eene Fransche bewerking
+van een deel der Reinaert-sage ten grondslag, doch de Nederlandsche
+bewerker heeft op dien grondslag zelf voortgebouwd.
+
+<p>De dichter van 1375 heeft uit den ouden <i>Reinaert</i> vrij wat
+weggelaten doch er ook vrij wat aan toegevoegd; zijne bewerking
+van WILLEM'S gedicht heeft denzelfden omvang als dat
+gedicht zelf. Door de voortzetting die meer dan 4000 verzen
+bedraagt, verkreeg <i>Reinaert II</i>, zooals men het 14<sup>de</sup>-eeuwsch
+gedicht gewoonlijk noemt, echter meer dan den dubbelen
+omvang van <i>Reinaert I</i>.
+
+<p>Willen wij trachten <i>Reinaert II</i> te leeren kennen en te
+kenschetsen, dan zullen wij dat werk voortdurend naast <i>Reinaert I</i>
+moeten houden om de overeenkomst en het verschil tusschen
+beide te beter te zien<a href="#14.36">[36]</a>.
+
+<p>
+
+<p>Evenals in de 13<sup>de</sup> eeuw zien wij ook nu na de ridderpoëzie
+eene bewerking der Reinaert-sage verschijnen, doch verschillend
+in wezen van die der 13<sup>de</sup> eeuw en onder andere omstandigheden.
+
+<p>Het oude gedicht <i>Van den vos Reinaerde</i> was, evenals het
+Fransche gedicht <i>Le Plaid</i>, ontstaan ten deele uit lust tot
+parodieering van ridderwezen en ridderpoëzie; de Vlaamsche
+dichter heeft die parodie op zelfstandige wijze met onmiskenbaar
+talent uitgewerkt en voortgezet. De parodie die in <i>Reinaert I</i>
+reeds aanwezig was, is door den lateren dichter grootendeels
+behouden, doch, behalve de beschrijving van een tweekamp
+tusschen vos en wolf, heeft hij daaraan niets toegevoegd waaruit
+lust tot zulke parodie ook in hem blijkt. Wel zien wij op een
+enkele plaats dat hij het ridderwezen niet hoog stelt; hij zegt
+immers dat hij den strijd tusschen Reinaert en Isegrim liever
+zou zien dan dien &#8222;van twee riddren in een perc"<a href="#14.37">[37]</a>. Overigens
+moeten wij niet vergeten dat er voor zulk eene parodie omstreeks
+1375 weinig reden meer bestond; het ridderwezen was niet<a name="443"></a>
+meer wat het nog in de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw was en de
+ridderpoëzie van de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw was grootendeels
+namaak van de vroegere.
+
+<p>Voor een ander gedeelte was het oude gedicht geboren uit
+natuurliefde, welbehagen, in het wezen en leven der dieren,
+lust om het leven der dieren in de natuur met het menschenleven
+in- en buitenshuis te vereenigen en te verwerken tot een
+groot tafereel. Wat is daarvan in de bewerking der 14<sup>de</sup> eeuw
+overgebleven? Het natuurleven en dierenleven is er natuurlijk
+nog; doch als een tafereel, hier verbleekt daar overschilderd,
+dat menigen fijnen trek heeft verloren en nieuwe trekken vertoont
+die kwalijk passen bij den geest van het geheel. Wij zien
+in de latere bewerking niet de menigvuldige kromme paden in
+Reinaert's jachtveld; wij hooren den beer niet meer luid steunen
+en zuchten, wanneer hij, van zijn rampspoedigen tocht naar
+Malpertuis teruggekomen, vóór koning Nobel staat. Verdwenen
+zijn uit <i>Reinaert II</i> de kinderen die den wolf een blinddoek
+voorbinden, verdwenen ook het aardige tooneel van Reinaert's
+vijanden bij de galg waaraan zij hem aanstonds hopen te
+hangen<a href="#14.38">[38]</a>.
+
+<p>Het onvermijdelijk anthropomorphisme, door den ouden
+dichter, met natuurlijken takt binnen de grenzen gehouden,
+vertoont zich hier op hinderlijke wijze: koning Leeuw zegt:
+nimmer zal ik meer een zwaard aangorden of een kroon
+dragen; Reinaert vertelt den koning, dat vrouwe Hermeline
+heeft moeten zweren in den naam der drie koningen; de dieren
+dansen hofdansen op trompen en schalmeien, zelfs dragen zij
+&#8222;sproken ende stampiën"<a title="[margin: danslied.]"><sup>#</sup></a> voor; bij het beleg van Malpertuis
+bedienen zij zich van &#8222;donrebussen en bombaerden"<a title="[margin: kanonnen.]"><sup>#</sup></a><a href="#14.39">[39]</a>.
+
+<p>Zoo weinig schijnt de omwerker de dieren in hun wezen en
+gedrag te kennen, misschien ook geeft hij zoo weinig acht op
+zijne eigen voorstelling van het dierenleven, dat hij den leeuw
+<a name="444"></a>
+laat &#8222;brieschen als een stier" en den vos zijne voetstappen
+dekken(?) met den mond <a href="#14.40">[40]</a>.
+
+<p>Dat de omwerker op deze wijze door schrappen en toevoegen
+het oorspronkelijk werk in waarde deed dalen, behoeft ons
+niet te bevreemden. Zijn voorganger stond <i>in</i>, hij <i>buiten</i> de
+dierenwereld. Duidelijk zien wij dat, waar hij, sprekend van
+eene woordenwisseling tusschen Reinaert en zijne vijanden,
+zegt: &#8222;nooit hoorde men feller aanklacht en beter verdediging
+dan daar, <i>ten minste van zulke wilde dieren</i>"<a href="#14.41">[41]</a>. Een dergelijke
+uitdrukking zou WILLEM nooit gebruikt hebben; die voelde
+zich daarvoor te zeer één met de dieren die hij voor ons doet
+optreden. De veertiend'eeuwer kent niet meer of gunt zich niet
+meer dat genot van zorgeloos gaan door een droomwereld,
+met de dieren te zwerven door bosschen en over heiden, ze
+na te gaan in hunne gangen, te beluisteren en te bespieden in
+hun omgang. Hij is een ontwikkeld man, een &#8222;clerc" die zijne
+geleerdheid gaarne lucht, die de wereld slecht vindt, haar wil
+waarschuwen, verbeteren, stichten. Het verhaal van Reinaert
+moet hem dienen als middel om dat doel te treffen. Reeds in
+den aanvang van zijn werk vestigt hij de aandacht op de
+&#8222;wijsheit" die hier besloten ligt; en als hij aan het eind gekomen
+is, klinkt het op nieuw:
+
+<p class="quote">so wie dit wel verstaet in 't lesen,
+al ist som boert, hi vinter in
+vroede leer ende goeden sin <a href="#14.42">[42]</a>.
+</p>
+
+<p>Om die &#8222;vroede leer" en &#8222;goeden zin" was het den auteur te
+doen; dat was de pit, de boert slechts de bolster. Telkens blijkt
+het dan ook, hoe weinig de auteur leeft in die fantastische dierenwereld;
+hoe zeer hij vervuld is van het heden. Over dat heden is
+hij slecht te spreken. Er loopen maar al te veel Reinaerts rond, al
+<a name="445"></a>
+dragen zij geen rooden baard; trouw en waarheid zijn verdreven;
+hebzucht, loosheid en afgunst met koningin Hoovaardij
+zitten nu op het kussen. De geestelijkheid moet menige veer
+laten: Losevont de prior, bisschop Prendeloor, Rapiamus de
+deken, de kardinaal Valoot met zijne concubine.
+
+<p>Op die wijs had vroeger ook JAN DE WEERT het mes gezet
+in de booze zweren van zijn tijd. Verwantschap met de leerdichters
+toont de omwerker van den <i>Reinaert</i> ook, waar hij
+veel gewicht hecht aan &#8222;raet", &#8222;subtilen raet" en den invloed
+daarvan aan een hof; waar hij nu eens de vrouwen in een
+ongunstig licht stelt dan weer een zweempje van vrouwendienst
+laat blijken. Doch ook maar een zweempje; de lof der vrouwen
+wordt verkondigd door vrouw Venus &#8222;die duvelinne". Voor
+den rechten vrouwendienst zal deze auteur te kalm en nuchter-verstandelijk
+zijn geweest. Juist door die eigenschappen kon
+het hem gelukken, den mysticus te parodiëeren waar hij uit
+Reinaert's mond sprak van &#8222;een bloot niet", van &#8222;bescouwender
+contemplaciën" en &#8222;sonderlinghe graciën."<a href="#14.43">[43]</a>.
+
+<p>Geen bedwelmenden nectar van mystiek maar het voedzame
+brood van practische levenswijsheid&mdash;dat was wat volgens
+hem de burgerij noodig had! Wijze lessen, kernspreuken deelt
+onze omwerker dan ook gaarne uit: zonder dwang gaat het
+niet goed met eene gemeente; de geleerdsten zijn dikwijls niet de
+wijsten; een trouw vriend is een sterke hulp; misdoen en zich
+beteren is menschelijk, zonder dat is het duivelswerk; soms
+komen de spreuken in een vlaag achtereen: het zwaarste moet het
+zwaarst wegen; in voor- en tegenspoed moet men maat houden;
+karaktervastheid voegt den heer, het lot is wisselvallig; prijs den
+dag niet eer het avond is; goede raad kan dikwijls baten<a href="#14.44">[44]</a>.
+
+<p>Onze voorstelling zou eenzijdig, onze beschouwing onbillijk
+worden, indien wij slechts op deze karaktertrekken van Reinaert<a name="446"></a>
+den Tweeden de aandacht vestigden; indien wij het deden
+voorkomen alsof het dezen auteur geheel ontbrak aan medegevoel
+voor het dierenleven. Dat gevoel was er wel, doch hij onderdrukte
+het ter wille van andere gevoelens; het bloed kroop,
+waar het niet gaan kon.
+
+<p>Op verscheidene plaatsen vinden wij toevoegsels van zijne
+hand, die wel in den geest van <i>Reinaert I</i> zijn; zoo b.v. waar
+hij van de vermoorde kip Coppe zegt: &#8222;de beste, die ie<a title="[margin: ooit.]"><sup>#</sup></a> eier
+leide op neste."&mdash;&#8222;Kon de koning geen minderen bode vinden
+dan u?" laat hij Reinaert tot den dom-trotschen afgezant
+Bruin zeggen; en later, als deze, bebloed en bek-af na de
+mishandeling op LAMFROIT'S erf, op den oever eener rivier
+ligt te hijgen: &#8222;hebt gij iets vergeten daarginds? ik zal gaarne
+een boodschap voor u meenemen; smaakte de honing? ik weet
+er nog meer voor u tegen denzelfden prijs." Hoe goed ook
+zijn de kapriolen beschreven van de kleine vossen, die zoo'n
+pleizier hebben in de weerkaatsing van hun beeld in een spiegel,
+waar zij:
+
+<p class="quote">in plaghen te spieghelen ende voor te springhen,
+ende saghen hoe haer steertjens hinghen,
+ende hoe hem haer muulken stont<a href="#14.45">[45]</a>.
+</p>
+
+<p>Op meer dan eene plaats blijkt, dat de omwerker, waar hij
+voortzetter is van het oude gedicht, een levendigen stijl heeft,
+dat hij wel kan vertellen en beschrijven<a href="#14.46">[46]</a>. Vooral blijkt dat in
+het verhaal van Reinaert's bezoek bij de meerkat. &#8222;Tante,"
+zegt Reinaert, &#8222;wat heb je mooie jongen! deus, hoe wel behaghen
+si mi!" En zij: &#8222;Reinaert, lieve neve, weest wellecome!"
+Zoo'n vriendelijke ontvangst, vertelt de vos later, verdiende ik
+al dadelijk door dat &#8222;tante". Toch verlaat hij het hol der apin
+zoo snel mogelijk, &#8222;omdattet na die wieghe daer rooc".
+
+<p>Zoo is er dus wel geestverwantschap tusschen den ouden<a name="447"></a>
+dichter en den lateren; doch anderzijds dit groote verschil
+dat voor den oudere de schepping van zijn werk haar doel
+vond in zich zelve, terwijl voor den jongere het dichtwerk
+vooral een middel was tot verbetering zijner tijdgenooten.
+Was WILLEM een beeldend kunstenaar, die schiep uit scheppingslust
+en drang, zijn opvolger was een verstandelijk dichter,
+die de behandeling der behagelijke stof gewettigd achtte slechts
+door de nuttige leering die zij bevatte.
+
+<p>Dat verstandelijk element heeft er hem toe gebracht, het oude
+gedicht op menige plaats te wijzigen, met de bedoeling natuurlijk
+het te verbeteren en voor het logisch denkend verstand juister of
+aannemelijker te maken. <i>Reinaert I</i> vertelt ons, dat Bruin, bij
+Reinaert's kasteel Malpertuis gekomen, de poort waarneemt waar
+Reinaert gewoonlijk uitgaat en dan vóór de &#8222;barbecane"<a title="[margin: ronden verdedigingstoren bij een kasteel.]"><sup>#</sup></a> op
+zijn staart gaat zitten. Let wel, zegt de omwerker, de poort was
+gesloten.&mdash;Alsof dat bij een middeleeuwsch kasteel niet vanzelf
+sprak!&mdash;Bruin, mishandeld door de dorpelingen, is in de rivier
+gesprongen, laat zich met den stroom afdrijven en kruipt eindelijk
+vermoeid op den oever.&mdash;Op den <i>anderen</i> oever, zegt de
+omwerker. Hij heeft misschien gelijk, misschien niet; maar wat
+kan het ons schelen? &#8222;Ik liep uit een schuur," vertelt Reinaert
+ergens. &#8222;Door het gat waar ik wilde zijn"&mdash;wordt ons verduidelijkt.
+Koning Nobel en zijne gemalin gaan de terechtstelling
+van Reinaert bijwonen, vertelt WILLEM ons.&mdash;Het hof
+ging ook meê, haast zijn opvolger zich er bij te voegen.
+
+<p>Op die wijze voortgaand, heeft hij de bekoorlijk-vrije poëzie van
+het oude gedicht onder de plak van den schoolmeester gebracht<a href="#14.47">[47]</a>.
+Ordelijker heeft hij haar gemaakt, hier en daar ook ordentelijker.
+Van &#8222;verhoerd" maakt hij &#8222;verdoord"<a title="[margin: het hoofd op hol gebracht.]"><sup>#</sup></a>, al past dat niet in
+het verband; &#8222;achterste" wordt &#8222;lijf", al gaat daardoor eene
+aardige tegenstelling verloren<a href="#14.48">[48]</a>. Op sommige plaatsen heeft
+de omwerker door zijne zucht om duidelijk, vooral duidelijk<a name="448"></a>
+te zijn, het oude gedicht ernstiger beschadigd dan door bovengenoemde
+toevoegsels of wijzigingen.
+
+<p>De vos is ingebroken bij den pastoor en heeft een haan
+meegepakt; Martinet, pastoors zoon, heeft een strik voor het
+gat gespannen in de hoop den kippendief bij een volgend bezoek
+te vangen. De rampzalige Tibeert, gekomen om Reinaert
+met zich ten hove te voeren, wordt door Reinaert in den strik
+gelokt en staat droefelijk te miauwen. Martinet wordt wakker,
+vliegt op, steekt een stroowisch aan en schreeuwt tot de huisgenooten:
+&#8222;Er op af, hij is gevangen!" Dat &#8222;<i>hij</i>" zonder meer
+zal door zijn waarheid ieder treffen die weet wat men onder
+zulke omstandigheden pleegt te roepen. Den omwerker heeft
+het ook getroffen, echter niet door zijne waarheid; blijkbaar
+acht hij zijn voorganger ook ditmaal niet duidelijk genoeg en
+dus laat hij Martinet roepen: &#8222;Staat op, de dief is gevangen!"
+Doch welk een aardig trekje ging hier verloren<a href="#14.49">[49]</a>.
+
+<p>Elders hooren wij den braven haan Cantecleer roemen op zijne
+vijftien kinderen die zijne echtgenoot, de wijze Rode, hem had geschonken
+&#8222;in één broedsel"; de omwerker maakt daarvan: die mijne
+echtgenoot, de wijze Rode, &#8222;zeer verstandig opvoedde". Ook al
+neemt men aan dat dit ironisch bedoeld is, wat is dan toch het
+warme leven van het oude gedicht door deze wijziging verkild<a href="#14.50">[50]</a>.
+
+<p>Zit de omwerker eens op zijn praatstoel dan raakt hij er niet
+gemakkelijk af; zijne personages redeneeren en redeneeren ...
+dat men soms niet meer weet wie aan het woord is. Vrouw
+Rukenau, de apin, houdt een pleidooi door 400 regels heen;
+een ingevoegd verhaal over eenige kostbaarheden heeft een
+omvang van niet minder dan 900 verzen.
+
+<p>Dat zulke uitweidingen de belangstelling verdeelen en verzwakken,
+behoeft evenmin betoog, als dat de eenheid van het
+geheel er door wordt verbroken<a href="#14.51">[51]</a>.
+
+<p>Reinaert de Eerste heeft bij al zijne brutaliteit iets onbe<a name="449"></a>vangens;
+boef die hij is, heeft hij toch iets naïefs. Reinaert de
+Tweede toont zekere zelfverheffing in uitingen als: &#8222;ic weet
+so menighen loosen vont"<a href="#14.52">[52]</a>.
+
+<p>Kortom, het is WILLEM'S dichtwerk onder de handen van
+den omwerker gegaan, zooals Reinaert onder die van tante
+Rukenau, de apin.
+
+<p>Reinaert moet in het krijt komen tegen zijn ouden vijand,
+den sterken Isegrim. Zonder list zal hij dezen niet kunnen
+overwinnen. Moei Rukenau weet raad. Zij scheert neef Reinaert
+glad tusschen hoofd en staart en smeert daarna zijn romp met
+olie in. Zóó zal de vijand geen vat op hem kunnen krijgen,
+want &#8222;hij was vet en wel gevoed." Bovendien moet hij dien
+avond veel drinken, doch den natuurlijken aandrang die daarvan
+het gevolg zal zijn, bedwingen. Komt hij onder het gevecht in
+nood, dan zich niet langer bedwongen; met zijn ruigen druipenden
+staart kan hij dan zijn vijands oogen verblinden. Met
+behulp van deze en andere listen gelukt het hem inderdaad de
+zege te behalen.
+
+<p>Maar hoe ziet hij er dan ook uit!
+
+<p>Ja, het is de vos nog; nog fonkelen de wilde oogen in den
+fijnen kop, nog heeft hij klauwen en tanden. Maar zijn sieraad,
+de ruige dichte pels, waarvan de vlokken zoo afstoven toen de
+honden hem te lijf gingen, is verdwenen. Ja, hij is welgevoed;
+zijn lijf staat bol van nuttige leering en zedelijke verbetering&mdash;maar
+hoe is de natuurlijke schoonheid van den prachtigen
+struikroover verdwenen. Nog bezit hij den zwaren fraai gevormden
+staart, doch die hangt neer, druipend ... er is een luchtje aan.
+
+<p>Zoo uitgerust, was hij ongetwijfeld sterker in den strijd met
+den wolf der menschelijke ondeugd, doch wie ziet niet hoe hier
+de moraal de kunst heeft geschaad. Uit liefde, ongetwijfeld;
+maar, apenliefde.<a name="450"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.1">1</a>: Vgl. <i>Sp. der. Z.</i>, vs. 16958 en <i>Bed. der M.</i> aan het slot; en
+VERWIJS, <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, XIV.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.2">2</a>: <i>Lekensp.</i>, I, c. 24, 57; c. 37, 127; II, c. 7, 102. <i>Dietsche
+Doctrinael</i>, III, 831; 1763; II, 2278. <i>Boec van der Wraken</i>, I, 262,
+294, 1142 enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.3">3</a>: <i>Dietsche Lucidarius</i>, vs. 38&ndash;40; ook vs. 335&ndash;6: &#8222;Van hem
+(God) en dorren wi niet bedieden || Te verre voor die leke lieden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.4">4</a>: <i>Der Mannen ende der Vrouwen Heimelijcheit</i> (in: <i>Mnl. Ged.</i>
+ed. DE PAUW), I, 121.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.5">5</a>: <i>Boec van der Wraken</i> (ed. SNELLAERT), I, 1102&ndash;3; zijn betuiging
+van eerbied voor de priesters in het algemeen (II, 1222 vlgg.)
+is daarmede niet in strijd.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.6">6</a>: Bl. 288.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.7">7</a>: I, c. 25, vs. 79 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.8">8</a>: Vgl. de inleiding van VERDAM, XLIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.9">9</a>: Over de uitgaaf van <i>Die cracht der Mane</i> zie TE WINKEL en
+PETIT. Daarbij komen nu een paar andere uitgaven in DE PAUW'S
+<i>Mnl. Ged.</i>, I, 203 vlgg. en 219 vlgg. naar hss. der 14e eeuw. De
+uitgaven van n<sup>o</sup>. 2 en n<sup>o</sup>. 3 bij TE WINKEL en PETIT; de klacht
+over &#8222;die onghetrouwe merkaren" in n<sup>o</sup>. 2 (vs. 360) wijst ook op de
+14e eeuw. n<sup>o</sup>. 4 is uitgegeven door W. DE VREESE in <i>Tijdschr. v.
+N.T. en L.</i>, XI, 63 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.10">10</a>: Over de uitgaven van beide werken vgl. TE WINKEL i.v. Voorts
+en vooral: <i>Studiën über das deutsche Volksbuch Lucidarius....</i> van
+KARL SCHORBACH. Strassburg. TRÜBNER. 1894. Aankondiging van
+dat werk door TE WINKEL in <i>Museum</i>, 1895, bl. 17.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.11">11</a>: Uitgeg. door SNELLAERT in: <i>Nederlandsche Gedichten uit de
+veertiende eeuw</i>. De hier aangehaalde verzen I, 648 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.12">12</a>: Over de uitgave vgl. TE WINKEL i.v.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.13">13</a>: Over de twee eerste vgl. TE WINKEL i.v. Van den <i>Nieuwen</i><a name="451"></a>
+<i>Doctrinael</i> gaf J. KOOPMANS een boeiend overzicht en goede karakteristiek
+in <i>Tweem. Tijdschr.</i> van Jan. 1901.]
+
+<p class="footnote">Voor den <i>Spiegel der Zonden</i> verwijs ik naar de uitgave van VERDAM,
+(BRILL, Leiden, 1900) die voorzien is van eene voortreffelijke Inleiding.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.14">14</a>: VERDAM a.w. II, XLV.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.15">15</a>: Een degelijk overzicht daarvan danken wij aan VERDAM; vgl.
+a.w. II, LI vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.16">16</a>: Vgl. vs. 5645 vlgg.; 11563 vlgg., 11683, 11964; 12159 en voorts
+de plaatsen door VERDAM aangewezen in zijne Inleiding, bl. XLIX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.17">17</a>: Vs. 1614 vlgg. en 1996 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.18">18</a>: Vgl. de uitvoerige mededeelingen daaromtrent bij TE WINKEL,
+bl. 387 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.19">19</a>: Ed. DE VRIES. Bij de opgave der hss. van TE WINKEL, bl. 392
+moeten gevoegd de <i>Baseler Fragmente</i> waarover zie: <i>Germania</i>,
+XXXVII, 410. Karakteristiek van den inhoud door J. KOOPMANS in:
+<i>Tweem. Tijdschr.</i>, 1899.
+
+<p class="footnote">Over den, in den <i>Lekenspiegel</i> opgenomen, <i>Sidrac</i> vgl. TE WINKEL
+a.w. bl. 396. Bij de daar vermelde literatuur-opgave is te voegen
+eene mededeeling van W. DE VREESE in <i>Tijdschr. voor N.T. en L.</i>,
+X, 33 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.20">20</a>: Vgl. I, c. 40, vs. 50 vlgg.; I, c. 44; I, c. 16; III, c. 10.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.21">21</a>: Vgl. I, c. 16, c. 15, c. 2, c. 5; II, c. 39, 251 vlgg. te verg.
+met RUYSBROECK I, 41: &#8222;Dese heilege Kerke, dat sijn alle goede
+minschen met Gode verenecht, ende te gadere geroepen iegewelc met
+al den anderen."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.22">22</a>: Met DE VRIES en TE WINKEL geloof ik, dat de <i>Teesteye</i> nà
+den <i>Lekenspiegel</i> is bewerkt. Zie de plaatsen pro en contra vermeld
+bij TE WINKEL, bl. 397. De <i>Teesteye</i> werd uitgegeven door SNELLAERT
+in zijne: <i>Ned. Ged. uit de 14e eeuw</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.23">23</a>: Vgl. <i>Teesteye</i>, 393, 812; <i>Lekensp.</i> B. II, c. 35, 17&ndash;18; vooral
+ook de Inleiding op MAERLANT'S <i>Strophische Gedichten</i> (edd. FRANCK
+en VERDAM), bl. LXXXVII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.24">24</a>: <i>Lekensp.</i>, II, c. 38, vs. 103 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.25">25</a>: <i>Lekensp.</i>, B. III, c. 20&ndash;22.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.26">26</a>: <i>Lekensp.</i>, B. II, c. 35, vs. 109 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.27">27</a>: B. I, c. 21, vs. 93&ndash;100.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.28">28</a>: Wat SNELLAERT in de Inleiding zijner <i>Ned. Ged. uit de 14de eeuw</i>,
+bl. XXV heeft medegedeeld over de gelijkenis tusschen <i>Teesteye</i>,
+<i>Boec van der Wraken</i> en <i>Melibeus</i>, is zeker niet voldoende om ons
+te overtuigen dat deze drie werken van één maker moeten zijn; doch<a name="452"></a>
+geeft voldoende reden om een afzonderlijk onderzoek in te stellen.
+Daarbij zou ook het overige werk van BOENDALE moeten geraadpleegd
+worden. Immers bij de door S. medegedeelde plaatsen kan men alvast
+een paar verzen uit den <i>Lekenspiegel</i> voegen (III, c. 3, vs. 237&ndash;8)
+die teruggevonden worden in <i>Meliboeus</i>, vs. 2266&ndash;7.
+
+<p class="footnote">Een nauwkeurig onderzoek van de taal zou de vraag heel wat verder
+kunnen brengen.
+
+<p class="footnote">Opmerkelijk is voorts, dat ook CHAUCER eene proza-bewerking gaf
+van <i>The tale of Melibeus</i>. Staat deze bewerking in verband tot het
+Mnl. gedicht?]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.29">29</a>: Uitgeg. in KAUSLER'S <i>Altniederl. Gedichte</i>, II, 14 vlgg. Vgl.
+o.a. vs. 210 vlgg.; 482 vlgg.; 522 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.30">30</a>: Nieuwe uitgaaf van Dr. W.H.D. SURINGAR. Leiden. Gebr.
+V.D. HOEK. 1895.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.31">31</a>: Uitgeg. in KAUSLER'S <i>Altn. Ged.</i>, III, 177&ndash;181. Het is vertaald
+uit het Fransche &#8222;<i>Doctrinal d'un rimeur nommé Sauvage</i>"; vgl. PETIT
+DE JULEVILLE'S <i>Hist. de la Litt. Franç.</i>, II, 185, waar het &#8222;banal
+et confus" wordt genoemd. n<sup>o</sup>. 2 en n<sup>o</sup>. 3 eveneens uitgeg. door
+Dr. SURINGAR (Leiden, V.D. HOEK, 1891 en 1892); n<sup>o</sup>. 2 ontleend
+aan drie Latijnsche werkjes waarvan één door den bewerker op den
+voet is gevolgd (vgl. bl. XXII vlgg.). n<sup>o</sup>. 3 eene vertaling van den
+Latijnschen <i>Facetus</i>, echter geen woordelijke vertaling. Vgl. ook <i>Ned.
+Spect.</i>, 1891, n<sup>o</sup>. 41; 1893, n<sup>o</sup>. 1. Over andere derg. geschriften vgl.
+TE WINKEL, bl. 405.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.32">32</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. 28, n<sup>o</sup>. 2. <i>Die Bouc van Zeden</i> behelst dergelijke
+gegevens als <i>Van Zeden</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.33">33</a>: Uitgave van J.H. BORMANS (<i>Speghel der Wijsheit of Leeringhe
+der Zalichede</i>). Brussel. 1872.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.34">34</a>: Vs. 2065&ndash;6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.35">35</a>: B. III, c. 15, vs. 190&ndash;3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.36">36</a>: Ook <i>Reinaert II</i> is voortreffelijk uitgegeven door MARTIN. In
+M's <i>Einleitung</i>, XLIX-LI vinden wij eene parallel als boven bedoeld
+wordt, in hoofdzaken aangegeven. Eene uitvoerige vergelijking van
+beide bewerkingen gaf Dr. J.W. MULLER in <i>De oude en de jongere
+bewerking van den Reinaert</i>. (Amsterdam. 1884).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.37">37</a>: Vs. 7068-'71. Vindt men in vs. 3181: &#8222;Ic heb minen dume
+uut sinen monde" misschien eene herinnering aan een tooneel uit
+den roman der Heemskinderen? (Vgl. <i>Volksboek</i> ed. MATTHES, bl. 141).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.38">38</a>: Vgl. I, 505 en II, 530&ndash;1; I, 990 en II, 1013; I, 1582-'98
+met II, 1611; I, 1947-'60 en II, 1977 vlgg.]<a name="453"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.39">39</a>: Vgl. II, 1022-'3; 2314-'5; 3486-'7 (ook in het Fransch;
+vgl. MARTIN, <i>Einl.</i>, XLI); 3499; 3745 vlgg.; 4827-'9. Van dat alles
+is in <i>Reinaert I</i> niets te vinden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.40">40</a>: II, 3622 en II, 2417 verg. met I, 2393-'5. (Het mogelijk verkeerd
+lezen van <i>moude</i> (stof) voor <i>monde</i> doet hier niets af).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.41">41</a>: <i>Reinaert II</i>, vs. 1899.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.42">42</a>: Vgl. vs. 40&ndash;44, 7769 vlgg. Over het vertoon van geleerdheid
+vgl. MARTIN, <i>Einl.</i>, XLIX-L.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.43">43</a>: Vgl. <i>Reinaert II</i>, vs. 7654 vlgg.; 2959 vlgg.; 4534 vlgg.;
+4595; 1413-'29; 3821 vlgg.; over de vrouwen vgl. MULLER'S
+dissertatie, bl. 122, 187, doch ook hier vs. 5541-'5; de mystiek
+vs. 4130 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.44">44</a>: II, 2335, 3613, 4098, 4422, 4770, 4848, 7393, 7408 en de op
+deze volgende verzen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.45">45</a>: Zie deze en andere plaatsen in <i>Reinaert II</i>, vs. 488, 604-'8.
+961 vlgg., 2228-'9, 2916, 3030, 3210, 3842-'3, 4450-'9, 5896&ndash;5901,
+6581 (in vergelijking met de overeenkomstige plaatsen van <i>Reinaert I</i>).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.46">46</a>: Vgl. MULLER a.w. bl. 191&ndash;2.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.47">47</a>: Vgl. deze en andere plaatsen I, 520 vlgg. met II, 544 vlgg.;
+I, 842 en II, 881; I, 960 en II, 985; II, 1047; I, 1550 en II,
+1587-'8; II, 1595 (ingevoegd); II, 2027-'30; I, 2064 en II, 2076;
+II, 2307-'13; I, 2829 en II, 2820.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.48">48</a>: I, 73 en II, 83 (in verband met vs. 105); I, 1929 en II, 1961.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.49">49</a>: Vgl. I, 1235 met II, 1259.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.50">50</a>: Vgl. I, 331&ndash;2 met II, 359&ndash;360. Vgl. voorts het echt epische
+in I, 643 vervangen door het didactische in II, 692&ndash;3; het ironische
+in I, 1663 door het rechtstreeksche in II, 1677; de mindere levendigheid
+in II, 616 vlgg. vergeleken bij I, 562 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.51">51</a>: MULLER a.w. bl. 161&ndash;163, 166.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.52">52</a>: Vgl. vs. 2053, 3182 en 2053.]<a name="454"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>2. VERHALENDE EN LYRISCHE POËZIE.</h2>
+
+<p class="intro"><i>a</i>. Boerden en sproken, <i>b</i>. Liederen. Muziek en zang. Geestelijke
+liederen. Minneliederen en drinkliederen. Historische Liederen, <i>c</i>. Geestelijke,
+stichtelijke en didactische lyriek, <i>d</i>. Minnepoëzie.
+
+<p>Vonden wij in de 13<sup>de</sup> eeuw nog maar weinige berijmde
+novellen, hoorden wij het lied slechts hier en daar als schuchter
+kweelen der vogels bij den komenden morgen&mdash;nu zien wij
+ons geplaatst voor eene menigte van verhalende en lyrische
+gedichten, zoo rijk in verscheidenheid, dat het moeilijk valt in
+die warreling het gelijke of verwante te onderkennen en te
+groepeeren. Die moeilijkheid ontslaat ons echter niet van de
+taak om te pogen, ook deze stof te beheerschen door haar te
+verdeelen.
+
+<p>Wij zijn gewoon verhalende gedichten van komischen aard
+<i>boerden</i> en van ernstigen aard <i>sproken</i> te noemen; doch wij
+mogen niet voorbijzien, dat het hedendaagsch en het vroeger
+spraakgebruik elkander hier niet volkomen dekken. Een komisch
+gedicht wordt ook wel &#8222;ene boerde" genoemd, al bevat het niet
+juist wat wij een verhaal noemen en een verdicht verhaal wordt
+wel met &#8222;boerde" betiteld, al heeft het niets komisch<a href="#15.1">[1]</a>.
+
+<p>Het woord <i>sproke</i> heeft een zeer ruime beteekenis; zoo wordt
+een &#8222;bedinghe" <i>van onser Vrouwen</i> aan het slot genoemd:
+&#8222;desen <i>sproke</i>", en dat is niet het eenige voorbeeld van dien
+aard; elders treffen wij eene &#8222;sproke up den wijn" aan<a href="#15.2">[2]</a>.
+Daarentegen heet menig verhalend gedicht, met min of meer<a name="455"></a>
+stichtelijke of didactische strekking, niet <i>sproke</i>, maar <i>exempel</i>
+of <i>bispel</i><a href="#15.2">[2]</a>.
+
+<p>Doch anderzijds blijft het waar, dat de meeste korte verhalende
+gedichten <i>boerde</i> worden genoemd, indien zij van komischen,
+<i>sproke</i> indien zij van ernstigen inhoud zijn. Wij mogen
+ons dus gerechtigd achten deze gedichten tot eene afzonderlijke
+groep te vereenigen. Een tweede groep valt te onderscheiden
+in de muzikale lyriek: de liederen, in tegenstelling met de
+boerden en sproken, bestemd te worden gezongen niet gezegd;
+doch evenals deze ontstaan uit zuiverder lust tot dichterlijke
+uiting des harten en beelding der stof, dan wij over het algemeen
+in een derde groep waarnemen. Die derde groep omvat
+uitingen van het godsdienstig gemoedsleven, zoowel als stichtelijke
+en didactische stukken, bestemd tot vermaning, waarschuwing,
+opwekking en leering; het karakter van vele dezer
+stukken blijkt reeds ten deele uit vooral hier voorkomende
+benamingen als <i>bedinghe</i>, <i>disputacie</i>, <i>questie</i>, <i>notabel</i>. Het
+spreekt vanzelf, dat ook tegen deze groepeering bezwaren bestaan;
+ook hier ontsnapt het leven op meer dan een plaats
+aan de banden eener altijd min of meer schoolsche indeeling.
+Doch mogen de groepen hier en daar ineenvloeien, wat nood,
+indien daardoor het besef harer onderlinge eenheid wordt
+versterkt?
+
+<h3><i>a</i>. BOERDEN EN SPROKEN.</h3>
+
+<p>De honderden korte verhalen, welke wij vroeger leerden
+kennen, waren nog springlevend. Zij zwierven nog van mond
+tot mond en van het eene handschrift in het ander. Hen volgen
+op al hunne gangen is ons onmogelijk; wel kunnen wij
+zien: dat verscheidene hunner op hunne omzwervingen trekken
+van elkander overnemen, dat zij zich wijzigen naar het volk<a name="456"></a>
+waaronder zij vertoeven, en dat de verhalen uit het menschenleven
+den voorrang krijgen op de dierfabels.
+
+<p>Ook bij de Nederlanders der 14<sup>de</sup> eeuw vonden zij een
+gunstig onthaal. Tal van stoffen, die ook in andere middeleeuwsche
+literaturen verwerkt zijn, werden hier geboetseerd
+tot berijmde verhalen van komischen of ernstigen aard, die
+gewoonlijk van twee- tot driehonderd verzen tellen, doch ook
+wel eens grooter of kleiner omvang hebben. De komische
+stoffen, hier tot <i>boerden</i> verwerkt, vindt men bijna alle terug
+in de Fransche literatuur; doch, hoewel de wijze van bewerking
+niet zelden gelijk is, zijn er weinig of geen sporen van
+navolging aan te wijzen. Onze boerden maken in hoofdzaak
+den indruk, dat zij oorspronkelijke bewerkingen zijn van
+mondeling overgeleverde stoffen. Sommige zullen uit Frankrijk
+hierheen, andere uit Brabant of Vlaanderen naar Frankrijk
+gekomen zijn. Om te zwijgen van onze literaire betrekkingen
+in dit opzicht tot Duitschland, Engeland en andere landen.
+
+<p>De sproken zijn zeker voor een deel, voor het grootste deel
+misschien, afkomstig uit middeleeuwsche bronnen als <i>Vitae
+Patrum</i>, <i>Gesta Romanorum</i>, <i>Dialogus Miraculorum</i>, <i>Liber
+Apum</i>, <i>Legenda aurea</i>; voor een ander deel zeker ook door
+mondelinge overlevering verbreid. Met den invloed der Fransche
+literatuur zal men ook hier rekening moeten houden<a href="#15.3">[3]</a>.
+
+<p>Hier en daar vinden wij in deze boerden en sproken aanwijzingen
+omtrent den weg, waarlangs het verhaal den verteller
+had bereikt; uitdrukkingen als b.v.: &#8222;Ic quam eens daer men
+mi sede" of: &#8222;Ic vant ghescreven ende las"; doch zulke aanwijzingen
+zijn schaarsch en niet alle duidelijk<a href="#15.4">[4]</a>. Duidelijk is
+daarentegen het streven van sommige dichters de verhalen te
+localiseeren; de stukken heeten te spelen, zijn misschien soms
+ook werkelijk zóó of ten naastebij zóó gebeurd, &#8222;in 't lant van
+Loon," &#8222;te Hasselt in die goede stede," &#8222;te Dordrecht in de<a name="457"></a>
+poort," &#8222;Tantwerpen in die coperstrate"<a href="#15.5">[5]</a>. Zooals men kon
+verwachten, worden wij hier vaker naar het Zuiden dan naar
+het Noorden dezer landen verplaatst.
+
+<p>Waarvan vertellen ons de boerden? In welke wereld verplaatsen
+zij ons? Op een paar uitzonderingen na behandelen
+zij gevallen van minne, van zinnelijken lust, van overspel; zij
+vertellen ons van overspelige mannen of vrouwen, die gefopt
+of gestraft worden, van minzieke vrouwen of meisjes, clerken
+of nonnen, een enkelen keer ook van mannen die in de kroeg
+zitten of boeven die een vroegeren kameraad bestelen. Maar
+de lusten des vleesches vormen toch het hoofdmotief, dat voor
+de middeleeuwsche dichters en niet voor de Dietsche alleen,
+blijkbaar een komisch karakter had<a href="#15.6">[6]</a>.
+
+<p>Wij worden verplaatst naar de kroeg, onder de &#8222;goede gezellen
+die lange in 't drinchuus duren" en vrouwen die hare mans
+uit de kroeg halen; wij komen in gezelschap van een waard,
+die bedrogen wordt door de waardin en haar minnaar; van
+reizende &#8222;clercken", die het hun verleend nachtlogies aan de
+vrouw en de dochter des huizes vergoeden in liefde, aan den
+huisheer in kostelooze vuistslagen bij nacht; van een kostelijk
+gekleeden, langharigen Don Juan te Dordrecht; van een koopman,
+die zijne al te dartele vrouw voor den gek houdt.
+
+<p>Slechts een paar malen verkeeren wij, zooals in de laatstgenoemde
+gevallen, in de huizen van rijke burgers. Gewoonlijk
+zijn wij onder de kleine burgerij, waar men slaapt in één vertrek,
+meelpap eet en &#8222;stoppelen sonder hout" brandt of groen elzen
+hout; waar het 's nachts donker is of een vetpotje (&#8222;lichtvat met
+smoute") een flauw schijnsel geeft. De koe staat dicht achter de
+woonkamer, ook in een burgerhuis; in de boerde &#8222;van de gestolen
+zijde spek" zijn wij op het land ten huize van een voormaligen
+boef, die zich bekeerd heeft en eene boerendochter getrouwd.<a name="458"></a>
+Elders komen wij op het erf van een visscher, aan de oevers der
+Seine. Ook de koopman, die ons wordt voorgesteld als een rijk
+man&mdash;hij heeft mooie kleeren en juweelen en speelt schaak
+met zijne vrouw&mdash;, toont in zijne manieren een buitengewone
+grofheid; zijne vrouw, die een handelsman uit de Oostzee-provinciën
+te gast heeft en waant door dezen bedrogen te zijn,
+wreekt zich op dien gast door hem spijs op zijne kleeren te
+storten, tegen hem te vloeken en hem heimelijk tegen de
+schenen te schoppen.
+
+<p>Dat zijn de maatschappelijke kringen, dat de levensomstandigheden,
+welke de stoffen leverden tot de dichterlijke verhalen
+die onder en naast het verhalend ridderdicht opgekomen en
+bestemd waren die ridderpoëzie te verdringen. De rijke koopman
+uit een dezer boerden, die &#8222;gheleerst, ghespoort, ghegort
+wel vaste" zijn huis binnenkomt, toont ons dat het zwaartepunt
+in de maatschappij dier dagen zich had verplaatst.
+
+<p>In de boerde, getiteld <i>Wisen raet van vrouwen</i>, worden wij
+in een &#8222;huys met hoghe mure" gebracht; blijkbaar een dier
+huizingen zooals de rijke burgers ze in navolging van den adel
+bouwden. De eigenaar van het huis houdt daar achter slot en
+grendel zijne dochter die hij hoopt uit te huwelijken aan een
+ridder of jonkheer, maar wat kan hij tegen de Min?
+
+<p class="quote">Al sluiten
+Hem buiten
+Met grendel en boom
+Benagelde poorten
+...
+</p>
+
+<p>hij raakt er binnen in de gedaante van een jonkman, blijkbaar
+een burger, tot wien zij haar goedgeloovigen biechtvader
+als liefdebode weet te zenden.
+
+<p>Komt deze burger die blijkbaar hoogerop wil, er bekaaid<a name="459"></a>
+af, op meer dan een plaats wordt in deze boerden op spottenden
+toon gesproken over het ridderwezen. De vrouw van
+een drinkebroer die thuis grimmend en grommend haar man
+zit af te wachten, zegt:
+
+<p class="quote">Ic woude ic met hem op een pleyn
+Mijn leven mochte setten in waechscalen<a href="#15.7">[7]</a>.
+</p>
+
+<p>Zooals de brave ELEGAST vroeger tegen den schelmschen
+EGGHERIC VAN EGGHERMONDE!
+
+<p>Van heer GOBERT die 's nachts aan het vechten raakt met
+een der &#8222;clercken" wien hij nachtlogies heeft verstrekt, heet het:
+
+<p class="quote">Men sach noit so wel tornieren
+Sonder wapene ende sonder corieren<a title="[margin: maliënkolders.]"><sup>#</sup></a><a href="#15.8">[8]</a>.
+</p>
+
+<p>De dichter die ons met blijkbaar welgevallen de onbeschaamd-dartele
+boerde <i>Van den tanden</i> verhaalt, stelt ons zich zelven
+voor, op zijn paard Morele buiten Brussel rijdend. Dien naam
+<i>Morele</i> droeg eertijds het ros van ridder AMELANT in den
+roman <i>van Lancelot</i>; dien naam ook het ros van den dapperen
+TOREC, dat meer waard was dan eene stad<a href="#15.9">[9]</a>.
+
+<p>In gansch andere kringen der maatschappij leiden ons de
+sproken binnen.
+
+<p>Hier verkeeren wij onder &#8222;verweende"<a title="[margin: hoovaardig.]"><sup>#</sup></a> keizers en koningen,
+heeren &#8222;van groten bloede", prinsen, graven, ridders, edele
+vrouwen en jonkvrouwen. Het is waar, dat het ridderlijk tweegevecht
+ook hier wordt afgekeurd en zelfs min of meer belachelijk
+gemaakt. Zeker keizer die den vrede lief had en wijs
+en rechtvaardig zijn land regeerde, maakte korte metten met
+de veete tusschen een paar zijner voornaamste edelen. Hij
+ontbood de beide &#8222;helden" en trachtte ze te verzoenen.
+Te vergeefs! Toen deed hij ze beiden ontkleeden &#8222;totter brouc",<a name="460"></a>
+bracht ze in een vertrek, gaf elk een dolk en zeide: gaat nu
+maar dapper aan 't werk; gij krijgt geen eten of drinken,
+vóórdat een van beiden gedood is. Onmiddellijk waren zij het
+eens. Zóó moesten meer vorsten doen, zegt de dichter, dan zou
+er heel wat minder onschuldig bloed vergoten worden <a href="#15.10">[10]</a>. De
+ernstige toon en het beroep op den Almachtigen Rechter aan
+het slot toonen wel dat, indien sproke en boerde hier al één
+lijn trekken, hun punt van uitgang toch verschillend is. In een
+ander verhaal wordt een rijk en gierig ridder op onzachte wijs
+voor den gek gehouden door zijn medeminnaar, een dapper
+maar arm edelman. De wijze waarop de gierigaard 's nachts
+door zijn medeminnaar bewerkt wordt met een hazelaarstwijg,
+is weinig hoofsch, en ook de verdere inkleeding doet hier en
+daar denken aan de boerden; doch dit verhaal is dan ook het
+eenige waar men twijfelt of men het tot de sproken dan wel
+tot de boerden zal rekenen <a href="#15.11">[11]</a>.
+
+<p>Overigens echter wordt in de sproken het ridderwezen met
+eerbied bejegend en er is nog gevoel voor de ridderlijke
+idealen. Zoo zien wij in een sproke een hooggeboren rijke
+maagd aan een dapper arm oud ridder de voorkeur geven
+boven een jongen &#8222;mooyaert" <a title="[margin: fat.]"><sup>#</sup></a>, die den ouden krijger bespot
+wiens gelaat met zwaarden geteekend is <a href="#15.12">[12]</a>. Het fraaie verhaal:
+<i>de mantel van eren</i>, wil toonen, hoe verkeerd het is, goud
+hooger te stellen dan riddereer <a href="#15.13">[13]</a>.
+
+<p>Zijn wij niet aan hoven of in ridderlijke huizingen, dan
+brengen de sproken ons in klooster of kluis, in gezelschap
+van monniken en kluizenaars, nonnen en bagijnen. Van dien
+aard is o.a. het verhaal van het <i>Baghijnken van Parijs</i>, een
+aanzienlijk meisje dat in een bagijnhof wenscht te worden
+opgenomen; dat van de non die met haren meester haar
+klooster ontvlucht; van het jonge monnikje dat telkens een
+deel van zijn eten aan het beeld van MARIA brengt; van de<a name="461"></a>
+edelvrouw die terwijl zij haar minnaar afwacht, door de geesten
+der afgestorvenen voor wie zij placht te bidden, wordt bekeerd
+en in een klooster gaat.
+
+<p>Verwant met deze sproken van geestelijken inhoud zijn andere,
+die ons verhalen van eene jodin die bekeerd wordt tot het
+Christendom, een jodenmeisje dat Christin wil worden en door
+haar vader vermoord wordt; weer andere behelzen algemeen
+bekende korte verhalen die men overal terugvindt, zooals dat
+van Hansken met de ganzen; het ouderpaar, dat door hun
+kind teruggebracht wordt van de slechte behandeling van hun
+ouden vader; de rechtgeaarde zoon, die niet op het lijk van
+zijn vader wil schieten. In eene enkele sproke treedt de koopmansstand
+op: het verhaal van een paar trouwe vrienden, een
+koopman uit Brugge en een uit Baldac (Bagdad), die zich
+voor elkander willen opofferen. Het verhaal van Pyramus en
+Thisbe, &#8222;twee kinderen die droeghen eene sterke minne,"
+leende zich natuurlijk beter tot een sproke dan tot een boerde;
+de oudheid zette aan deze stof eene achtbaarheid bij, die het
+verhaal wel doet passen bij de ridderverhalen en die uit het
+leven der geestelijken, beide toch nog altijd op hooger plan
+gelegen dan het leven van burgers en plattelanders<a href="#15.14">[14]</a>.
+
+<p>Dat de sproken alle een zedelijk karakter vertoonen, kan
+ons niet verwonderen. Een dezer sprookdichters blijkt zelfs
+zoo nauw van geweten, dat hij het noodig acht zijne toehoorders
+gerust te stellen omtrent zeker gemis aan waarheid dezer
+verdichte verhalen. De sproke <i>van eenen verwaenden coninc</i>
+vangt aan met deze regels:
+
+<p class="quote">Exempel vertrect<a title="[margin: vertelt.]"><sup>#</sup></a> men hier ende daer,
+Niet om dat si alle zijn waer,
+Maer om dat mer bi verstaet
+Ondersceet tusschen goet ende quaet<a href="#15.15">[15]</a>.<a name="462"></a>
+</p>
+
+<p>
+In een enkel geval is de moralisatie bijna even groot als het
+verhaal zelf. Elders is in een sprookdichter de lust tot het
+mededeelen van zedekundige waarheden of bespiegelingen zóó
+sterk, dat hij ook de personages, die in zijn verhaal optreden,
+met dien lust bezielt. Een paar ridders &#8222;van quaden levene"
+komen tot hun meester om hem te zeggen, dat zij berouw
+gevoelen over hunne misdaden en hun leven willen veranderen.
+Op eene vraag van hun meester, op welke wijs zij dat denken
+te doen, antwoorden zij:
+
+<p class="quote">.... Wi merkent bi Alexanderen
+Die grote coninc, dat hem en mochte
+Die daet ghehulpen die hi wrochte,
+....
+Hine moeste der doot doen een ghemoet<a href="#15.16">[16]</a>.
+</p>
+
+<p>In overeenstemming met dezen lust tot moraliseeren is dan
+ook, dat wij zelden eene sproke aantreffen zonder een nuttige
+les of stichtelijke opwekking: trouw gaat boven al; hovaardij is
+zonde boven al; hooren, zwijgen en ziende blind // dat's dat
+nu de wereld mint, enz. Elders worden de hoorders opgewekt,
+onzer Vrouwe getijde en vigiliën voor de dooden te lezen;
+hoovaardij, hebzucht en afgunst te schuwen<a href="#15.17">[17]</a>.
+
+<p>Opmerkelijker dan dit stichtelijk karakter der sproken is, dat
+ook in de meeste boerden een zedelijke of didactische strekking
+niet te miskennen valt. De boerde van de dartele koopmansvrouw
+met den &#8222;Oosterlinc" vangt aan met een paar spreukmatige
+regels, die in het daaropvolgend verhaal worden toegelicht:
+
+<p class="quote">Tgoede wijf maect den goeden man
+Ende de goede man maect tgoede wijf.
+</p>
+
+<p>Aan het slot dezer boerde lezen wij dan ook: &#8222;Elc vrouwe
+neme hier exempel an." In den aanvang der boerde van de<a name="463"></a>
+twee &#8222;clercken" en heer GOBERT wordt ons gezegd, dat men
+uit sommige gedichten &#8222;vroedschap en dwaasheid" te weten
+komt<a href="#15.18">[18]</a>.
+
+<p>Ook in andere boerden vinden wij dergelijke uitdrukkingen.
+In eene boerde, zóó plat-realistisch als die <i>van den visscher
+van Parijs</i>, wordt, wat de middeleeuwsche dichters huichelarij
+achtten in minzieke vrouwen, op onbarmhartige wijze bespot
+en de moraal der boerde <i>van Heile van Berseele</i> is samengevat
+in eene waarschuwing tegen den omgang met lichte vrouwen.
+Waar geen eigenlijke zedeles of wat daarop gelijkt, in het
+verhaal voorkomt, voelen de boerdendichters zich toch verplicht
+iets in dien geest te geven door een zegenwensch als: &#8222;God
+gheve ons ter zielen bate" of: &#8222;God bringhe ons ten eweghen
+paradise"<a href="#15.19">[19]</a>.
+
+<p>Het is waar dat de vrouwen en meisjes, vooral de getrouwde
+vrouwen, in deze boerden voorgesteld worden als in hooge
+mate weelderig en onkuisch. Doch men moet niet vergeten dat
+deze voorstelling rust op theologischen grondslag en dat de
+middeleeuwsche dichters, voorzoover zij geen aanhangers van
+den vrouwendienst waren, er steeds op uit zijn de vrouwen
+als EVA'S dochters te doen zien. EVA'S val immers was de bron
+van zoo groote rampen voor het menschelijk geslacht geworden
+niet alleen hier op aarde maar ook nog in een later leven<a href="#15.20">[20]</a>.
+Ook dragen de boerdendichters er zorg voor dat men hen
+goed begrijpe: niet op &#8222;hoofsche vrouwen" hebben wij het
+gemunt, zeggen zij; en, bij een andere gelegenheid: geen goede
+vrouw behoeft dezen schoen aan te trekken<a href="#15.21">[21]</a>.
+
+<p>Die goede en hoofsche vrouwen vinden wij in de sproken: een
+jong rijk meisje dat bagijn wordt; eene edelvrouw die zich bekeert
+en in een klooster gaat; een jonge non die zich neus en
+lippen laat afsnijden om hare kuischheid te redden; eene adellijke
+dame die zich nieuwe kleeren en sieraden ontzegt om haar
+<a name="464"></a>
+man te kunnen bijstaan in zijn strijd tegen de ongeloovigen;
+THISBE die den dood van haren minnaar niet overleven wil.
+
+<p>Een dezer sprookdichters is zijn tijdgenooten zelfs zóóver
+vooruit, dat hij in de bres durft springen voor vrouwen die
+een misstap begaan hebben. Een adellijk meisje heeft eene
+liefdesbetrekking aangeknoopt met een jonkman van geringen
+stand. Hare magen zijn vergramd, want, al was de jonkman
+haar knecht niet, zulk een misstap was erger dan overspel.
+Haar broeder, een groot heer, heeft medelijden met haar en
+verdedigt haar in een gesprek met eene hooge bloedverwante
+die hem zijne zachtmoedigheid in dezen verwijt.&mdash;Ik zelf heb
+vijf onechte kinderen, antwoordt de edelman; zal ik een ander
+dan dingen verwijten die ik zelf heb begaan?&mdash;De hooge
+vrouwe herneemt: zoudt gij mannen en vrouwen in zoo iets
+willen gelijkstellen? Men zal u voor onwijs houden.&mdash;Hij
+weer: de schande der mannen zal in Gods oogen duizendmaal
+grooter zijn, want zij zijn de aanleggers, het is alles
+hun schuld.
+
+<p>Deze opvatting, zooveel rechtvaardiger en menschelijker dan
+de gewone middeleeuwsche, zullen wij eerst in veel later
+eeuwen en in onzen tijd opnieuw aantreffen<a href="#15.22">[22]</a>.
+
+<p>Tot dusver hebben wij, boerden en sproken karakterizeerend
+in hun onderling verschil, gelet vooral op inhoud en geest
+dezer beide genres. Wij kunnen er nu bijvoegen dat dit verschil
+zich slechts ten deele in den uiterlijken vorm openbaart.
+De sproken zijn, op <i>het Baghijnken van Parijs</i> na, gedicht in
+doorloopende verzen, paarsgewijze rijmend of met overslaande
+rijmen; de boerden, luchtiger van karakter en stemming,
+hebben in een paar gevallen den luchtiger gang van het verhalend
+in coupletten afgedeeld lied. Verscheidene dezer ernstige
+of komische verhalen zijn in allen eenvoud goed verteld,
+<a name="465"></a>
+onderscheiden zich door zuiver zacht gevoel en naïeve kunst,
+door vluggen lossen gang en eene soms onweerstaanbare
+komische kracht. Zoo hoog als sommige Oudfransche fabliaux
+staan onze boerden niet, maar op zich zelf beschouwd staan
+zij hoog. Een gevoelig en mooi stuk is de sproke <i>van het
+Baghijnken van Parijs</i> dat ons in zijn dialogisch karakter en
+zijne wendingen telkens aan de oudere epische volkspoëzie
+herinnert. Zoo b.v.:
+
+<p class="quote">Sy ghinck voor haer moeder staen
+Ende badt haer door (haer) houde<a title="[margin: om der wille harer genegenheid.]"><sup>#</sup></a>,
+Dat syse door haer edelheyt
+Baghyne maken woude.
+
+Sy seyde: lieve dochter mijn,
+Soo ghinck aen<a title="[margin: begon.]"><sup>#</sup></a> mijnen rouwe;
+Ghy zijt van haven<a title="[margin: bezittingen.]"><sup>#</sup></a> alsoo rijck,
+Ghy meucht wel sijn een vrouwe.
+</p>
+
+<p>De moeder tracht hare dochter te behouden voor de wereld,
+doch te vergeefs:
+
+<p class="quote">Die dochter keerde haer omme
+Ende ghinck al te hant
+Totten Baghijnkens hove,
+Daer sij de meestersse vant.
+
+Sy viel neder op haer kniën,
+Ootmoedelyck dat syse booch
+Ende werp den rooden mantel
+Ter aerden dat hy vlooch.
+</p>
+
+<p>Dat afvliegen van den rooden mantel is in zijn suggestieve
+kracht voortreffelijk.<a name="466"></a>
+
+<p>Naïeve volkskunst vinden wij ook in de sproke <i>van Pyramus
+en Thisbe</i>. Te vergeefs zou men hier zoeken naar de fijnheid
+en berekende juistheid van uitdrukking, den tact, de smaakvolle
+zelfbeperking, ook de beeldende kracht van het Ovidiaansch
+verhaal, welks omvang nog geen vierde der Dietsche
+bewerking bedraagt. Maar deze wint het in natuurlijkheid en
+eenvoud; hare waarheid van gevoel onderscheidt zich gunstig
+van het hier en daar opgeschroefde der Latijnsche bewerking.
+Zij weet hare gemoedelijke breedheid aardig af te wisselen
+door levendigheid van alleenspraak en tweespraak, te nationalizeeren
+o.a. door het beeld van den vermoeiden pelgrim
+
+<p class="quote">Die lange moede heeft ghesijn,
+Ende dan een luttel rasten<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a> heeft,
+Ende<a title="[margin: wanneer.]"><sup>#</sup></a> hi weder gaens dan pleecht,
+Es hi moeder dan hi was eer.
+</p>
+
+<p>door de vermelding dat THISBE sliep met andere jonkvrouwen
+
+<p class="quote">Die se van scake souden hoeden
+Also als noch doen die vroeden.
+</p>
+
+<p>Hoe aardig is b.v. ook dat trekje, waarin ons geteekend wordt
+hoe de aandoening PYRAMUS overmeestert:
+
+<p class="quote">Daer hi Tysbee roepen soude,
+Tusschen &#8222;Tys" ende tusschen &#8222;bee"
+Versuchti vijfwerf ofte mee<a title="[margin: meer.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Zoo zou er meer zijn te noemen, o.a. uit de sproke <i>van
+den ouden ridder ende den jonghen</i>, waar wij een staaltje vinden
+van de in onze middeleeuwsche literatuur schaarsche ironie,
+hier omschreven met de uitdrukking &#8222;ghevensde<a title="[margin: geveinsd.]"><sup>#</sup></a> tale". Doch<a name="467"></a>
+wij kunnen noch willen alles noemen, en ook in de boerden
+is zooveel dat verdient even naar voren gebracht te worden.
+
+<p>Hoe vlot en aardig wordt het verhaal van heer GOBERT en
+de beide &#8222;clercken" verteld en hoe herinnert GOBERT'S vrouw,
+in hare bezorgheid over haar naakt-vechtenden man, aan vrouw
+JULOCKE uit <i>Reinaert I</i>. Hier als elders openbaart eene krachtige
+zinnelijkheid zich gaarne in schertsende beeldspraak, in
+half-omsluierde uitdrukkingen, ontleend aan het dorschen, het
+bespelen van een snaren-instrument, het ambacht van den kuiper.
+De monnik en de non, die, midden in de vreugd, op één
+bed door den duivel in het koor worden gebracht, waar alle
+nonnen vergaderd zijn, herinneren ons HEPHAISTOS' wraak,
+zooals zij ons in de Odyssee door dien meester-verteller voor
+oogen is gebracht. In het verhaal van de gestolen zijde spek
+worden wij op meer dan een plaats herinnerd aan de grappen
+en dubbelzinnigheden uit <i>Uilenspiegel</i> en dergelijke volksboeken;
+ik heb het oog o.a. op den boef, die, opkijkend naar een bij
+de schouw hangende zijde spek, langs zijne wang wrijft en tot
+zijn gezel zegt: vóór morgen moet hij er af; ook de wijze,
+waarop zij elkander telkens het stuk spek ontstelen, doet hier
+en daar aan de kluchtboeken denken.
+
+<p>Voortreffelijk is het tooneeltje, waar de domme oude LACARIJS,
+wien zijne vrouw en een verliefde priester hebben wijsgemaakt
+dat hij dood is, onder een lijkkleed toegedekt, den
+amoureuzen paap in zijn bedrijf waarneemt. &#8222;Loop liever naar het
+bordeel!" roept hij toornig; &#8222;als ik maar leefde, zooals gisteren,
+dan zoudt gij het duur betalen."&mdash;&#8222;Lacarijs!" zegt de paap,
+&#8222;houd je oogen maar stijf dicht, lig stil als een molensteen; zóó
+doet men als men op de baar ligt; je zou ons nog bang maken."
+
+<p>En niet minder voortreffelijk is een tooneel uit de boerde
+<i>van Heile van Berseele</i>. HEILE, een lichte vrouw, heeft afspraak
+gemaakt met een drietal minnaars, die achtereenvolgens bij<a name="468"></a>
+haar zullen komen; maar de afspraak loopt in de war, en zoo
+is een hunner, WILLEM HOOFT, nog bij haar, als zijn medeminnaar,
+ook weer een priester, komt aankloppen. WILLEM
+wordt inderhaast in een ruimen bak gestopt, daarin opgeheschen
+tot aan de zoldering en het touw vastgemaakt. Uit zijn
+kraaiennest is hij nu getuige van het onderhoud tusschen HEILE
+en den pape. HEILE heeft den priester stilletjes beduid, wie
+daarboven te luisteren zit. Deze begint nu een verhaal van
+den Zondvloed; zóó plastisch weet hij het stijgen van het
+water voor te stellen, dat WILLEM het al benauwder krijgt;
+nog steeds hoort hij van het stijgende water ... de angst
+wordt hem te machtig, hij snijdt het touw door en roept:
+
+<p class="quote">Nu wouds God ende goed gheval<a title="[margin: Nu zij het aan God en het geluk bevolen.]"><sup>#</sup></a>
+Of Willem Hooft iet<a title="[margin: ook (soms).]"><sup>#</sup></a> zeilen zal.
+</p>
+
+<p>Zóó gaat deze Noach in zijn ark onder zeil.
+
+<h3><i>b</i>. LIEDEREN.</h3>
+
+<p>De kruistochten hadden ook het Dietsch sprekend volk in
+het Zuiden van Europa en in Oostersche landen gebracht.
+Een der gevolgen van die reizen was een krachtige ontwikkeling
+der muziek. De Grafelijkheids- en Cameraars-rekeningen
+der 14<sup>de</sup> eeuw weergalmen &#8222;van sanghe ende van vedelspele."
+Ook naar de lage landen bij de zee komt Orfeus om er de
+onbeteugelde krachten en lusten te bedwingen en te temmen.
+
+<p>Wij vinden hier allerlei zangers en zangeressen, die liederen zingen
+soms alleen, soms in koor, onder of zonder muzikale begeleiding.
+
+<p>Tot de reizende volksdichters en volkszangers, hetzelfde volkje
+dat ook met gedresseerde beren, geiten en apen rondtrok,
+behooren blijkbaar zangers en zangeressen, als de man die
+den teekenachtigen naam van &#8222;die wilde vos" droeg, &#8222;die sanc
+ende dichte voir minen here" (nl. den graaf van Holland);<a name="469"></a>
+&#8222;te Berghen in Henegouwen eenen man die vedelde, sinen wive
+diere op sanc ende eene gokelaer," &#8222;'t Scoenhoven eenen menestreel
+die op een harpe speelde, daer een wyf op sanc," &#8222;te
+Nyerborch enen wive, die op de liere speelde ende sanc,"
+&#8222;Heerkin die mitten cornemusekin speelde ende daerop sanc."
+
+<p>Andere zangers behooren blijkbaar tot de menestrelen die in
+vasten dienst waren bij een of ander edelman; tot deze zou ik
+rekenen: het &#8222;sangherkin dat bi hertoghe Aelbrecht was",
+&#8222;Hansel tshertogen sanger van Gelre", &#8222;Hannekin die zangher
+van Apcoude", &#8222;Herman den sangher die miins heren (van
+Blois) paedse plach te wesen", misschien ook &#8222;Jacop vander
+Lucht, den zangher" en &#8222;Willem den zanger" die van den
+Graaf van Blois &#8222;twee ellen groens en twee ellen roods" krijgt,
+blijkbaar ter voorziening in zijne kleedij.
+
+<p>Wij zagen uit de bovenstaande rekening-posten dat een
+menestreel soms alleen zingt, soms met een vrouw. Wij vinden
+ook wel zangers en zangeressen die met of zonder begeleiding,
+éénstemmig of met hooge en lage stem, zingen. Uit de schrale
+aanwijzingen is natuurlijk niet altijd met zekerheid op te maken
+of wij hier al dan niet reizende beroepszangers vóór ons hebben.
+Genoemd worden ons o.a.: &#8222;een wijf die op die ghisterne
+speelde ende twee ghesellen diere op songhen", &#8222;twee zanghers
+die een dicht zonghen van mevrouwen doot van Hollant";
+&#8222;vier wiven die voir minen here speelden op een psalterie
+ende op ene quinterne ende daerop songhen", &#8222;drie sanghers
+die voer minen here gesongen hadden alst kermiss in den
+Haghe was". Soms zou men meenen een hedendaagsch a-capella
+koor aan te treffen, als men gewag gemaakt vindt van zangers
+of zangers en zangeressen die onder een met name genoemden
+leider zich laten hooren: &#8222;Wigant ende sine ghesellen die (te
+Mechelen) songhen voor minen jonchere Jan", &#8222;Meeu sijn ghesellen
+ende haer ghesellinnen die mit hem pleghen te singhen".<a name="470"></a>
+In dit laatste geval hooren wij, evenals hiervoor een enkelen
+keer, <i>wat</i> er gezongen werd; want op dien post aangaande
+MEEU volgt deze andere: &#8222;Item den selven noch ghegheven
+opten Jaersdach, want si dat nuwe jaer songhen in der sale
+voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden."
+Tot de concurrenten van WIGANT en MEEU behoorde ook
+&#8222;HEYN VAN CALES de sangher mit sinen ghesellen."
+
+<p>Dit zingen in koor toont dat de wereldlijke muziek zich naast
+de kerkelijke moet hebben ontwikkeld. Voor een deel was die
+ontwikkeling zeker te danken aan de meistreel-scholen waarvan
+wij in het Noorden en het Zuiden dezer landen melding zien
+gemaakt. Zoo treffen wij in eene Cameraars-rekening van 1364
+de &#8222;meysteryels van der vedelen" aan, &#8222;die do haer schole to
+Deventer ghehoelden hadden". Dat zij er welkom waren blijkt
+wel uit het feit, dat Raad en Schepenen hen op een gastmaal
+onthaald en nog een geschenk in geld gegeven hadden. In een
+rekening van 1388 wordt een som gelds geboekt, die gegeven
+is aan den &#8222;coninc van de pipers van Oestervant, om mede te
+riden tot Berghen daer hi scoel soude houden van pipen."
+
+<p>Waarschijnlijk zullen ook in de 14<sup>de</sup> eeuw, zij het eerst in
+de tweede helft, de menestrelen van eene stad zich wel tot
+een gilde vereenigd hebben. Daar elk gilde een patroon of
+patrones had en gewoon was den dag van dien patroon
+feestelijk te vieren, zullen ook zulke muziekgilden wel tenminste
+eenmaal 's jaars een feestelijke samenkomst hebben gehouden.
+Op zulk eene samenkomst brengen ons, naar ik vermoed,
+een paar liederen van dezen tijd: eenige leden van een
+gezelschap, dat, naar 't schijnt, <i>het Maria-roosken</i> heet, zijn
+bijeen; een hunner zingt eene opwekking tot feestvreugd,
+den lof der muziek en dien van MARIA; de overigen &#8222;die
+van muziken geerne horen", zingen blijkbaar in koor een
+refrein<a href="#15.23">[23]</a>.<a name="471"></a>
+
+<p>Naast of tegenover zulke wereldlijke muziek-vereenigingen
+zou men de scholieren kunnen plaatsen, die op Allerkinderen-dag
+een bisschop uit hun midden plachten te kiezen en met
+dezen aan het hoofd naar het koor kwamen om daar te figureeren
+en mede te zingen<a href="#15.24">[24]</a>.
+
+<p>Een wijder strekkend en dieper doordringend onderzoek van
+muziek en zang te onzent in de middeleeuwen blijve de taak
+der beoefenaars onzer middeleeuwsche muziekgeschiedenis. Hier
+moge dit weinige volstaan als inleiding tot hetgeen onze taak
+is: een overzicht en eene voorstelling van de liederen, die in
+de 14<sup>de</sup> eeuw in deze landen werden gezongen.
+
+<h4>GEESTELIJKE LIEDEREN.</h4>
+
+<p>Niet talrijk zijn de liederen van dezen aard, welke met
+voldoende zekerheid tot de 14<sup>de</sup> eeuw gebracht kunnen worden.
+
+<p>Het half Latijnsche half Dietsche lied: &#8222;In dulci jubilo singhet
+ende weset vro" uit dezen tijd is vooral van belang, omdat wij
+er door herinnerd worden aan den samenhang der geestelijke
+Dietsche lyriek met de Latijnsche hymnen en kerkliederen<a href="#15.25">[25]</a>.
+Opmerkelijker om zijn inhoud is &#8222;eyn devoet lietgen van den
+heilighen kerste", een kerstliedje, kinderliedje, dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Sy namen dat kindekyn metten teenen<a title="[margin: bij de toonen.]"><sup>#</sup></a>
+Sussoe nynnoe
+Der heylighe kerst wil onser ghedencken
+Sussoe nynnoe
+Als wy suelen van ertrijc sceiden
+Sussoe nynnoe.
+</p>
+
+<p>Op dezelfde wijze worden dan de &#8222;verssen"<a title="[margin: hielen.]"><sup>#</sup></a> daarna de
+&#8222;enckelen" in het lied gebracht en zoo beurtelings alle ledematen
+van het Christus-kind als met vroom-eerbiedige hand aangeraakt.<a name="472"></a>
+
+<p>Het zou mij niet verwonderen indien wij hier een geestelijke
+omwerking van een wereldlijk lied vóór ons hadden; immers
+dergelijke kinderliedjes in den trant van ons &#8222;kinne-, kinnewipje",
+aanbrengers van vroegste zelfkennis voor het kind, zooals zij
+nog te onzent en in andere landen van West-Europa in den
+volksmond leven, zullen wel overoud zijn<a href="#15.26">[26]</a>.
+
+<p>Twee andere liederen hebben naar alle waarschijnlijkheid
+betrekking op een bedevaart. Het eene verplaatst ons bij zonsopgang
+naar bergen en bosschen, smeekt de bescherming van
+het heilig kruis af op dezen tocht, roept de hulp der heiligen
+in tot het vinden van een goede herberg en beveiliging tegen
+roovers en moordenaars te land en te water<a href="#15.27">[27]</a>.
+
+<p>Het andere is een geestelijke romance ter eere van SANTE
+GHEERTRUUT, de patronesse der reizigers. Een volksdichter
+heeft waarschijnlijk op dien tocht voor het overig &#8222;gezelschap"
+dat &#8222;tot onsen here god voer" het verhaal gezongen van den
+ridder die, ter wille van de schoone heilige al zijn goed had
+verteerd, die zijn ziel aan den duivel verkocht om weer rijk te
+worden en op het beslissend oogenblik door SANTE GHEERTRUUT
+wordt verlost uit de klauwen van den Booze. Er is poëzie in
+dit lied, hoe weinig geoefend ook de hand was die haar verwerkte:
+de eenvoudige droefheid bij het afscheid van den ridder
+en zijne geliefde; de naïeve verzuchting: had ik het maar geweten
+van te voren! het dwalen op een duisteren avond langs
+de wilde heide, de plotselinge verschijning van den Vijand,
+het &#8222;roode bloed" waarmee het contract wordt geschreven, de
+plastiek bij het drinken van den beker van SINT-GEERTEMINNE:
+
+<p class="quote">Hi nam den nap op sijnre hant,
+Hi sette hem voor sinen mont,
+Hi en hadde den wijn ooc niet gespaert,
+Hi dranc hem uut al tot den gront<a href="#15.28">[28]</a>.<a name="473"></a>
+</p>
+
+<p>Deze en dergelijke trekken maken het wel begrijpelijk, dat
+een sprookspreker als Meester WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG
+geen weerstand heeft geboden aan den lust om de stof dezer
+geestelijke romance op zijne wijze te bewerken.
+
+<h4>MINNELIEDEREN.</h4>
+
+<p>Zoo schaarsch als de geestelijke liederen zoo talrijk zijn de
+minneliederen van dezen tijd. In een handschrift van het laatst
+der 14<sup>de</sup> eeuw, dat misschien was aangelegd voor een edelman
+uit het Brugsch geslacht Van Gruythuyse, zijn ons bijna
+anderhalfhonderd liederen bewaard die ons een beeld geven
+van het minnelied dezer tijden. Voor een deel zijn die liederen
+misschien gedicht door zekeren jonker JAN VAN HULST, doch
+het komt mij voor dat ook andere handen in deze liederen
+vallen te onderscheiden<a href="#15.29">[29]</a>. Misschien hebben Duitsche dichters
+tot het ontstaan van dit handschrift medegewerkt; in allen
+gevalle worden wij al dadelijk getroffen door de Duitsch-getinte
+taal of het mengsel van Duitsch en Nederlandsch waarin
+ettelijke dezer liederen zijn geschreven. Het Beiersche gravenhuis
+had het Duitsch hier te lande in zwang gebracht, Duitsche
+dichters en zangers kwamen in het gevolg der graven en edelen
+in deze landen; het is begrijpelijk dat velen hunner getracht
+hebben aan hunne taal een Nederlandsche kleur te geven zooals
+de Fransche trouvères der 13<sup>de</sup> en 14<sup>de</sup> eeuw, in het Noorden
+van Italië rondtrekkend, de Fransche ridderpoëzie in veritaliaanscht
+Fransch voordroegen.
+
+<p>Misschien zijn er ook Nederlandsche dichters geweest, die
+getracht hebben aan hunne taal een Duitsche tint te geven;
+het is niet gemakkelijk uit te maken welke der beide mogelijkheden
+men in bepaalde gevallen vóór zich heeft<a href="#15.30">[30]</a>.
+
+<p>Herinneren vele dezer liederen ons door hun vorm aan<a name="474"></a>
+Duitschland, hun inhoud toont in menig opzicht verwantschap
+met de hoofsche Duitsche minnepoëzie dier dagen. De opvatting
+van de liefde als een dienst, die wij reeds vroeger in dit
+verhaal hebben leeren kennen, treffen wij ook hier aan; ook
+hier zijn de rollen omgekeerd: het sterke geslacht zucht, treurt,
+klaagt en weent of vleit&mdash;het zwakke is mannelijk en fier; zij
+is de &#8222;princesse", de &#8222;keyserinne"&mdash;hij de &#8222;dienaer" of de
+&#8222;lijfeigene". De liefde is hier eerbiedig, bescheiden, het zinnelijke
+wordt onderdrukt; heimelijk smachten naar haar bijzijn, dat
+staat hoog; wordt de &#8222;stedicheit" van den minnaar ook niet
+beantwoord, toch blijft hij trouw. Hoofsch is deze opvatting
+der liefde in hooge mate; een dorper kan zich dan ook niet
+daartoe verheffen: &#8222;een kerel ghert der vreughden gheyn." Het
+is niet vreemd dat wij in dezen zelfden bundel een fraai lied
+aantreffen, dat van diepe minachting voor de &#8222;kerels" vervuld is.
+
+<p>Een tegenstelling met deze liederen, gedicht onder den invloed
+eener internationale opvatting der liefde, vormt een veertigtal
+andere die in taal, gevoel en voorstelling zuiver nationaal
+mogen worden genoemd.
+
+<p>Hier geen hoofschheid, neen waarlijk niet! Hier krachtig
+realisme en onbedwongen zinnelijkheid; maar ook welk een
+dartele levenslust en onbezorgde vroolijkheid, welk een helder
+opklinkende lach!
+
+<p>Niet zóó scherp noch zóó volstrekt echter moet men zich
+deze tegenstelling denken, alsof alle Duitsch-getinte liederen
+tegenover de zuiver-Vlaamsche konden worden geplaatst als
+idealisme tegenover realisme. Want eenerzijds komen er onder
+die Duitsch-getinte liederen een paar voor die in dubbelzinnig
+schertsende beeldspraak over het minnespel denzelfden trant
+houden als sommige zuiver-Vlaamsche liederen<a href="#15.31">[31]</a>. Anderzijds
+zijn sommige zuiver-Vlaamsche stukken gedicht in den geest
+der hoofsche minnepoëzie; doch opmerkelijk is, hoe het<a name="475"></a>
+nationaal realisme dan op sommige plaatsen door het idealistisch
+vernis heen komt kijken<a href="#15.32">[32]</a>. Overigens vindt men hier verscheidene
+genre's vertegenwoordigd: liederen over de droefheid
+van het scheiden, waarvan er een doet denken aan de later
+uitvoeriger te behandelen &#8222;wachterliederen"; nieuwjaarsliederen
+die waarschijnlijk bestemd waren om aan de liefste gezonden
+te worden, evenals andere die ter begeleiding van een bloeienden
+meitak zullen hebben gediend; weer andere hebben een meer
+verstandelijk karakter en handelen over de &#8222;stede" (trouw), over
+vriendschap, afgunst en nijd. Een enkel behelst klachten over
+de &#8222;niders"<a href="#15.33">[33]</a>.
+
+<p>Aan de verscheidenheid van inhoud beantwoordt een rijke
+verscheidenheid van vorm; sommige liederen bestaan uit slechts
+een enkel couplet, de meeste uit meer coupletten; de gewone
+vierregelige strophe komt maar een enkelen keer voor en dan
+nog met een kunstiger rijmstelsel dan de gewone overslaande
+rijmen (n<sup>o</sup>. 136); de omvang der coupletten zwelt soms, misschien
+onder den invloed eener bestaande melodie, aan tot het
+buitensporige. Maar ook, hoe menig fraai lied is hier te vinden!
+Daar is dit lied op het scheiden:
+
+<p class="quote">Sceiden, onverwinlic leit,
+Onvreuchdelyc es dijn beghin,
+Dat nemic waerlic up myn heit<a title="[margin: eed.]"><sup>#</sup></a>:
+Ten brinct gheen dinc meer lidens in.
+Sceiden, du dwinx herte ende zin,
+So langher tyt, so meer verdriet,
+Sceiden, du ne ghenouchs<a title="[margin: behaagt.]"><sup>#</sup></a> mi niet.
+</p>
+
+<p>Het aardige lied op den leeuwrik, dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Aloëtte, voghel clein!
+Dyn nature es zoete ende rein,<a name="476"></a>
+So es dyn edel zanc;
+Daer dienstu met den here allein
+Te love om sinen danc.
+</p>
+
+<p>Het lied tegen de kwellende gepeinzen, die den minnaar rust
+noch duur laten, en het klaaglied over het lot van den ongelukkigen
+minnaar, met dit aardig couplet:
+
+<p class="quote">Trueren, waken,
+Magher caken,
+Selden sonder toren<a title="[margin: verdriet.]"><sup>#</sup></a>,
+Breken, maken,
+Niet gheraken,
+Achter meer dan voren&mdash;
+Dit moeter al toe horen
+Ende al den tijt verloren<a href="#15.34">[34]</a>.
+</p>
+
+<p>Wij vinden hier ook meer dan een mooien beurtzang, hetzij
+tusschen ridder en jonkvrouw, minnaar en meisje, hetzij tusschen
+twee gezellen of twee speelnootjes. Als proeve kunnen
+hier slechts een paar coupletten worden medegedeeld van den
+beurtzang tusschen een paar gezellinnen, waarvan de eene aan
+de andere een droeve bekentenis doet:
+
+<p class="quote">Ghespele, in caent gheswighen niet,
+Nu wilt mijn overzwaer verdriet
+In trauwen helpen helen.
+Doe ic lesten van u sciet<a title="[margin: laatst afscheid van u nam.]"><sup>#</sup></a>,
+Doe addi mi allein bespiet
+Ende ic ginc mettem spelen.
+Ghespele, wilt beraden mi,
+So dat mijn ere behouden zi
+Bi wizen rade;
+Ic wane in comme hem nemmer bi.<a name="477"></a>
+Wat sal ic doen! o wach, o wi!
+Het es te spade!
+
+Die ander sprac: op minen heit<a title="[margin: eed.]"><sup>#</sup></a>,
+Dat es mi waerlic alzo leit,
+Ghespele, ic wil u claghen.
+Waer es dijn zuver ommecleit<a title="[margin: de reinheid waarin gij gekleed waart.]"><sup>#</sup></a>?
+Nu moestu dinen aerbeit<a title="[margin: zwangerschap.]"><sup>#</sup></a>
+Lange alleine draghen.
+Waer es dijns hertzen toeverlaet?
+In can di, leider! genen raet
+Ghegheven&mdash;
+Wint up dijn haer<a title="[margin: maagden lieten het haar los hangen.]"><sup>#</sup></a>, dijn guldin draet,
+Waer es dijn vruechdenrijc ghelaet
+Ghebleven!
+</p>
+
+<p>De realistische minneliedjes en beeldjes uit het volksleven
+zijn niet minder fraai. Het manke liefje met één oor en zwarte
+handen, dat knort als een varken, bereidt ons reeds voor op
+de groteske figuren van Breughel, en hoe gaarne zou men
+weten hoe het afloopt met den kapelaan van Hoedelem, dien
+wij 's morgens met den koster achter hem ter mis zien gaan.
+Maar slechts de aanvang van dat lied is ons overgebleven.
+Dan is er TUTEBIER, de marskramer, met zijn vroolijken
+straatroep:
+
+<p class="quote">Naelden, spellen, trompen, bellen,
+Ic wil mijn merse hier nederstellen,
+Laet zien of ic vercopen can!
+</p>
+
+<p>die aangeroepen wordt door een lachend mooi meisje, dat
+zoo'n moeite heeft om een speld van het juiste formaat te
+vinden:<a name="478"></a>
+
+<p class="quote">&#8222;Merseman," seidesi, &#8222;lieve geselle,
+&#8222;Ic hebbe een cleine cokerkijn,
+&#8222;In vinde hier in no naelde no spelle<a title="[margin: speld.]"><sup>#</sup></a>,
+&#8222;Die wel voughen soude daer in.
+&#8222;Hier sijn grote ende daer so cleine,
+&#8222;Maer ic ne vinde niet dat ic meine."
+&mdash;&#8222;&#8222;Joncfrauwe, wat spellen wildi dan?
+&#8222;&#8222;Naelden, spellen, trompen, bellen,
+&#8222;&#8222;Ic wil mijn merse"" enz.
+
+&#8222;Joncfrauwe, ic hebbe een spellekijn,
+&#8222;Dan es niet aldus cleine."
+&mdash;&#8222;&#8222;Cnape, wel moeti comen sijn,
+&#8222;&#8222;Ghi weit wel wattic meine.
+&#8222;&#8222;Wildi de spelle vercopen niet,
+&#8222;&#8222;So leen se mi of ghijt ghebiet<a title="[margin: indien gij wilt.]"><sup>#</sup></a>,
+&#8222;&#8222;Ic salt u lonen, bi sinte Jan&mdash;
+&#8222;Naelden, spellen, trompen, bellen,
+&#8222;Ic wil mijn merse hier neder stellen,
+&#8222;Laet zien of ic vercopen can!"
+</p>
+
+<p>Daar is verder de &#8222;maecht in vrueghden rijck" die zoo gaarne
+op de &#8222;bonghe"<a title="[margin: trom?]"><sup>#</sup></a> wil leeren spelen; Heer WOUTER, oud en
+koud, die LYSKEN te na komt en op zijne kaken geslagen
+wordt; het avondfeestje in de schuur tusschen zuster LUTE en
+broeder LOLLAERT, waaraan zulk een onverwacht eind komt&mdash;altemaal
+uitingen eener krachtige zinnelijkheid die wel eens uit
+den band springt en grof wordt, doch die in zijn dartelen
+moedwil ook zulk een volheid van leven toont, zulk een
+natuurlijke bevalligheid en lossen zwier<a href="#15.35">[35]</a>.
+
+<p>De hierboven genoemde &#8222;bonghe" was een der vele muziekinstrumenten
+die na onze kennismaking met het Zuiden en het
+Oosten ook hier werden ingevoerd en gebruikt.<a name="479"></a>
+
+<p>Naar het schijnt, werd de &#8222;bonghe" ook wel &#8222;bom" genoemd
+en bediende men er zich van ter begeleiding van een zanger
+of zangeres<a href="#15.36">[36]</a>. Het <i>rondeel</i>, een der lyrische dichtvormen die
+in de 14<sup>de</sup> eeuw in zwang kwamen, werd toen ook wel gezongen
+met muzikale begeleiding. Een rondeel van amoureuzen
+inhoud vinden wij in een gedicht &#8222;<i>van den wilden man</i>" dat
+uit deze eeuw dagteekent; begrijpelijker wijze wordt het rondeel,
+als voor den zang bestemd, hier &#8222;liedekijn" genoemd:
+
+<p class="quote">Nu hoert hier dliedekijn, dat hi sanc
+met luder stemmen eer iet lanc:
+&#8222;Ic was wilt, ic ben ghevaen
+&#8222;ende bracht in mintliken bande;
+&#8222;dat heeft ene maghet ghedaen.
+&#8222;Ic was wilt, ic ben ghevaen;
+&#8222;Al mochtic, in woude haer niet ontgaen,
+&#8222;des settic mine trouwe te pande.
+&#8222;Ic was wilt, ic ben ghevaen
+&#8222;ende bracht in mintliken bande"<a href="#15.36">[36]</a>.
+</p>
+
+<p>Ook elders bleven ons nog minneliederen bewaard in eene
+Brabantsch-Limburgsch gekleurde taal, doch in zóó gebrekkigen
+toestand, dat men er zich geen juist oordeel over kan vormen.
+Zooveel is echter wel zeker, dat zij tot de hoofsche poëzie
+moeten worden gebracht. Op meer dan een plaats immers
+wordt gesproken over <i>dienst</i> en <i>vrouwe</i>, b.v. in eene uiting
+als deze:
+
+<p class="quote">Lijfs ende sins is hi versaeght,
+Die dlijf<a title="[margin: het lief(je).]"><sup>#</sup></a> mint die sijn dienst meshaeght.
+</p>
+
+<p>Elders herkennen wij in &#8222;dier verreder ghevensde tale" de
+klachten over de &#8222;niders" waarvan de hoofsche minnepoëzie<a name="480"></a>
+vol is. Hier en daar hooren wij een couplet of een paar verzen
+die ons een goeden dunk van het geheel geven. Zoo b.v.:
+
+<p class="quote">En mach verberghen in gheen hol
+Hem lief vor lief, die liefs es vol.
+</p>
+
+<p>of:
+
+<p class="quote">Liefs troest eest beter niet ghenieten,
+Dan na liefs troest liefs troest mesnieten<a title="[margin: ontgelden, boeten.]"><sup>#</sup></a>,
+</p>
+
+<p>of dit deel van een couplet:
+
+<p class="quote">dat hem verdrote
+'s Levens sere,
+Die uyt sire vrouwen
+Herte dor trouwen
+Ghesloten were<a href="#15.37">[37]</a>.
+</p>
+
+<p>Doch wij zouden er meer van over moeten hebben en vooral
+in een beter overgeleverden tekst, vóórdat wij ons een algemeen
+oordeel zouden kunnen vormen.
+
+<p>Onder de minneliederen uit het handschrift der Gruythuysens
+vindt men ook&mdash;de nabuurschap dagteekent reeds van
+Anakreon&mdash;een aardig drinklied dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Scinc her den wijn,
+Gheselle mijn,
+Wi willen vroilic leven;
+Het mach sulc<a title="[margin: deze of gene.]"><sup>#</sup></a> zijn
+Noch up den Rijn,
+Die ons gheluc mach geven,
+Al moeten wi nu sneven.
+</p>
+
+<p>Andere, met dit lied verwante, liederen brengen ons in
+gezelschap van berooide minnaars die hunne versmade liefde<a name="481"></a>
+zoeken te vergeten en als een voorspel vormen van de latere
+liederen der &#8222;gildekens"<a title="[margin: doorbrengers.]"><sup>#</sup></a><a href="#15.38">[38]</a>.
+
+<h4>HISTORISCHE LIEDEREN.</h4>
+
+<p>Gebeurtenissen of toestanden en verhoudingen die in ruimen
+kring indruk maakten, ontroering verwekten onder een aanzienlijk
+deel van het Dietsch-sprekende volk, waren, zooals wij
+zagen, ook in een vorige eeuw waarschijnlijk wel tot uiting
+gekomen in het lied. Voorbeelden van zulke uitingen zijn echter
+niet tot ons gekomen. Gelukkiger zijn wij wat de 14<sup>de</sup> eeuw
+betreft. De wassende beteekenis en invloed der burgerijen schijnt
+zich te openbaren ook in het feit, dat ten minste eenige historische
+liederen uit dezen tijd tot ons zijn gekomen.
+
+<p>Indien wij ons herinneren welk een diepen indruk de moord
+op graaf FLORIS DEN VIJFDE in Holland maakte, dan verwondert
+het ons niet dat deze gebeurtenis tot een lied is verwerkt, noch
+dat dit lied eeuwen lang in den volksmond is blijven leven.
+Hoogst opmerkelijk is de wijze waarop de uit de geschiedenis
+bekende feiten hier door een ons onbekenden volksdichter verwerkt
+zijn. Spreekt de historie van een strijd tusschen den op
+zijne voorrechten naijverigen adel en den graaf dien zij smadelijk
+&#8222;der keerlen god" noemden, het lied vindt den sleutel tot de
+verklaring der gebeurtenissen in persoonlijke motieven.
+
+<p>Graaf FLORIS, zóó wordt ons hier verteld, is zijne bijzit
+moede en wil haar als echtgenoote aan GERARD VAN VELZEN
+opdringen. Deze weigert; &#8222;uw versleten schoenen en wil ic niet",
+zegt hij in hoonende beeldspraak. FLORIS zint op wraak; het
+huwelijk van VELZEN met MACHTELD VAN WOERDEN biedt
+hem daartoe gelegenheid. Hij ontbiedt GERARD aan zijn hof;
+terwijl deze onderweg is, gaat FLORIS tot de jonge vrouwe van
+VELZEN en onteert haar. Die schennis wreekt GERARD op den<a name="482"></a>
+schender. Verhaalt de historie ons dat de moordenaars van den
+graaf ontsnappen&mdash;de volksdichter laat GERAERT VAN VELSEN
+gevangen nemen; drie dagen lang wordt hij om en om gerold
+in een vat waarin spijkers geslagen zijn. Die marteling vermag
+hem te breken noch te buigen. Op de vraag &#8222;hoe hem nu te
+moede is?" antwoordt hij:
+
+<p class="quote">Ic ben noch al de selve man,
+Die graef Floris sijn jonc leven nam.
+</p>
+
+<p>Wij mogen wel als zeker aannemen, dat deze voorstelling
+van zaken niet door den volksdichter is verzonnen, doch dat
+hij haar ontleend heeft aan een Nederduitsche sage.
+
+<p>Van den Gotenkoning ERMANARIK en een zijner voorname
+heeren wordt ons bijna volkomen dezelfde geschiedenis verhaald;
+ook in Deensche liederen treden koning ERIK GLIPPING en zijn
+maarschalk, ridder STIG, in dezelfde verhouding op.
+
+<p>Met dat al blijft het opmerkelijk, dat een volksdichter te onzent
+eene dergelijke voorstelling van den moord op graaf FLORIS
+heeft gegeven, waarin &#8222;der keerlen god" nu juist niet de mooiste
+rol heeft; zelfs kan men zeggen dat de sympathie des volksdichters
+eerder aan de zijde van den onbuigzamen edelman is,
+den wreker der bevlekte huwelijkseer en aan die der schoone
+jonge vrouw die den smaad zoo diep gevoelt. Heeft graaf
+FLORIS door een liefdesbetrekking tot eene jonkvrouw of edelvrouw
+inderdaad eenige aanleiding gegeven tot het in verbinding
+brengen zijner geschiedenis met de Nederduitsche sage?
+Immers, ook LODEWIJC VAN VELTHEM die zich overigens in
+dezen welingelicht toont, schrijft over de redenen tot den moord:
+
+<p class="quote">Ander secgen: dat om een Vrouwe quam,
+Dat men hem sijn leven nam,<a name="483"></a>
+Daer hi met soude hebben te doene,
+Die wyf was een van sinen baroene,
+Ende datten diegene daerom lagen
+Leiden vander stont alle dagen<a href="#15.39">[39]</a>.
+</p>
+
+<p>Vóór 1316 was derhalve dit gerucht aangaande de schennis
+eener adellijke dame, niet juist MACHTELD VAN VELZEN, als
+reden tot den moord reeds verbreid. Heeft VELTHEM dit gerucht
+leeren kennen uit het Dietsche lied of langs anderen weg?
+Tot het geven van een afdoend antwoord op die vragen zijn
+wij niet in staat. Doch hetzij den volksdichter de ware toedracht
+der zaak bekend is geweest of niet, in beide gevallen is het
+begrijpelijk dat gekrenkte huwelijkseer voor hem een aantrekkelijker
+motief was dan gekrenkte adeltrots; dat algemeen menschelijk
+gevoel hem sterker aandeed dan het belang van een
+bijzonderen stand, waartoe hij blijkbaar niet behoorde. Die
+aandoening zou zich ongetwijfeld duidelijker openbaren, indien
+wij het oude lied in zijn oorspronkelijken vorm bezaten; het
+moet heel wat geleden hebben in het drietal eeuwen, waarin
+het van mond tot mond ging, vóórdat wij het in 1591 achter
+de <i>Rijm-Kroniek van Melis Stoke</i> aantreffen. Doch ook in
+dezen verminkten vorm treffen ons nog de levendigheid van
+het verhaal in zijn vluggen gang, de teekenachtige beeldspraak
+van VELZEN tot zijn heer, de aanschouwelijkheid der voorstelling,
+de dramatische kracht; ook de vinding om den moordenaar,
+volgens een uit de sprookjes bekend motief, in een met
+spijkers doorboorde ton te rollen<a href="#15.40">[40]</a>.
+
+<p>Een landsheer in strijd met een zijner voorname edelen vinden
+wij ook in een ander lied van dezen tijd. Dat ook dit lied
+ons gebrekkig is overgeleverd, blijkt reeds uit den titel: <i>Van
+cort Rozijn</i>; immers de naam van den edelman die hier de
+hoofdrol speelt, ZEGER VAN KORTRIJK, &#8222;Segher de <i>Curtroysijn</i>"<a name="484"></a>
+(d.i. van Courtroy), is hier verbasterd door een Vlaming,
+die blijkbaar geen Fransch kende.
+
+<p>Wij zijn in Vlaanderen tijdens den oorlog tusschen Frankrijk
+en Engeland. De graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN
+NEVERS, heeft de partij van Frankrijk gekozen; een deel
+van zijn volk, en daaronder twee invloedrijke Gentenaars,
+houden de zijde van Engeland. Die twee zijn JACOB VAN
+ARTEVELDE en ZEGHER VAN KORTRIJK. Vertoornd over hunne
+tegenkanting laat de Graaf ZEGHER gevangen nemen en onthoofden
+(1337).
+
+<p>Opmerkelijk is ook hier de wijze, waarop deze historische
+kern door de volkspoëzie is verwerkt.
+
+<p>In het lied biedt de Graaf zijn &#8222;lieven neve" den Cortrosijn
+het ruwaardschap over Vlaanderen aan; doch deze, weinig
+minder hooghartig dan VELZEN tegenover den Graaf van Holland,
+weigert in smadelijke bewoordingen: &#8222;ick leve so noode
+bi quaden ase"<a title="[margin: voedsel.]"><sup>#</sup></a>. Die &#8222;spitighe woorden" zullen u berouwen,
+herneemt de ander; met uw hoofd zult gij ervoor boeten.
+Onvervaard door dat vooruitzicht beweert de Cortrosijn, dat
+hij nog een nacht bij des Graven dochter zal slapen. Toornig
+wendt Vlaanderens heer zich van hem af, en niet lang daarna
+wordt de weerspannige gevangen genomen. Genade bidt hij te
+vergeefs; voor het huis te Rupelmonde valt zijn hoofd onder
+de bijl. Maar op Sint-Laurensdag komt de koning van Engeland
+zijn aanhanger wreken; toen de dag ten avond kwam, lag
+Brugge in het roode bloed.
+
+<p>Evenals in het lied <i>van Gerard van Velzen</i> is ook hier het
+bijzondere: de strijd der partijen, tenauwernood zichtbaar; het
+algemeen menschelijke: gekrenkt eergevoel en liefde, staat op
+den voorgrond<a href="#15.41">[41]</a>.
+
+<p>Heeft de volksdichter zijne voorstelling geheel verzonnen?
+Wie zal dat uitmaken? Dat de historische stukken van dezen<a name="485"></a>
+tijd niets van zoodanige verhouding weten, is wel van gewicht,
+maar levert geen afdoend bewijs. Doch ook al hebben
+wij hier louter verdichting, dan blijkt daaruit nog eens te
+meer het eigenaardig wezen der volkspoëzie, die het algemeen
+menschelijke gaarne op den voorgrond brengt, ook
+daar, waar het niet door de gebeurtenissen ten tooneele wordt
+gebracht.
+
+<p>Het lied <i>van den Cortrosijn</i> herinnerde ons den grooten
+patriot JACOB VAN ARTEVELDE. Indien de historische overlevering
+te werk ging volgens onze verwachtingen, wat zouden wij
+dan eer verwacht hebben, dan dat niet één, maar verscheidene
+liederen de heugenis aan ARTEVELDE'S krachtige persoonlijkheid
+en zijn tragischen dood zouden hebben bewaard? Toch bezitten
+wij niets over hem, dan een onbeteekenend fragment
+van een naar allen schijn onbeteekenend lied, dat bovendien
+nog van twijfelachtige herkomst is. Maar zijne partij, de nationale
+partij der &#8222;Clauwaerts", die de klauwen van den Vlaamschen
+leeuw op hunne mouwen geborduurd droegen, bleef
+leven in een kort spotliedje, uitgegaan van de Franschgezinde
+&#8222;Leliaerts", op wier mouwen de &#8222;fleur de lis" prijkte:
+
+<p class="quote">Clauwaert, Clauwaert,
+Hoet u wel van den Lelyaert
+ enz.<a href="#15.42">[42]</a>.
+</p>
+
+<p>Dat liedje was niet de eenige uiting van de minachting en
+den haat der voorname &#8222;Leliaerts" jegens de nationale partij.
+In een vierregelig gedichtje wordt gewezen op den overmoed
+van de rijk wordende &#8222;kerels". Uitvoeriger worden de &#8222;kerels"
+ons geteekend in een veel grooter gedicht van dezen tijd, dat
+van niet geringe technische vaardigheid getuigt en waarschijnlijk
+is vervaardigd door een edelman of aanhanger van den adel<a name="486"></a>
+die door de &#8222;kerels" was gevangen genomen en in den &#8222;stoc"<a title="[margin: gevangenisblok.]"><sup>#</sup></a>
+gezet. Met onverholen minachting, met verdienstelijke plastiek
+en scherpen spot is de &#8222;kerel" hier afgebeeld in zijne ruwheid
+en grofheid: hij vreet look met koolstronken, met zijne handen
+klopt hij eieren door zijn heete melkpap en slaat ze naar binnen
+tot hij er scharlaken van ziet; achter het vleesch en spek zit hij
+heen, dat hem het vet langs de vingers druipt. Hoort hem
+kallen tegen zijn soort: mijn landheer vroeg mij onlangs ten
+eten, ik schrokte en vrat mij boordevol!&mdash;&#8222;Hei", roept een
+andere kornuit, &#8222;hoort nou ereis een vreemde klucht: ik heb
+mijn bles-merrie verruild, nu zal zij voor de schuit van Pieter
+Gerrits loopen! Heb ik hem zijn neus niet gesnoten?&mdash;Hadden
+de &#8222;kerels" de macht in handen, het zou spoedig klinken:
+slaat de heeren dood! De &#8222;kerels" van Gent kunnen het
+getuigen. Boven op een paard speelt hij ook wel voor ridder;
+de dorschvlegel is zijn speer, de wan zijn schild; &#8222;ja, zeker!"
+zeggen dan de overige rekels, &#8222;Roelof weet van steekspel
+houden!"
+
+<p>Denzelfden vijandigen geest, dezelfde minachting ademt een
+lied &#8222;van de kerels" waarvan wij, sprekend over de minneliederen,
+reeds gewag maakten. In kleiner bestek doch met
+niet minder talent en met vaster hand is hier een beeld van
+den &#8222;kerel" omgetrokken, dat bovendien niet zóó door den
+tijd geleden heeft als het voorgaande. Hier zien wij hem: &#8222;vijand
+van de ruiters, langgebaard, in gescheurde kleeren, met gelapte
+kousen en schoenen, de kaproen scheef op het hoofd, altijd
+vol wrongel en wei, brood en kaas. Met een homp roggebrood
+in de hand gaat hij naar de ploeg; dan komt zijn vuil wijf
+er bij, de flarden hangen haar bij de muilen neer. Gaat hij
+ter kermis, dan beeldt hij zich in dat hij een graaf is; alles
+wil hij neerslaan met zijn knuppel" ... in dien trant gaat
+het lied voort, om te eindigen met het grimmig dreigende:<a name="487"></a>
+
+<p class="quote">Wi willen de kerels doen greinsen,
+Al dravende over 't velt,
+Hets al quaet dat zi peinsen;
+Ic weet ze wel bestelt<a title="[margin: ik weet goed raad voor hen.]"><sup>#</sup></a>:
+Men sal ze slepen<a title="[margin: nl. op eene horde (naar de galg).]"><sup>#</sup></a> ende hanghen,
+Haer baert es al te lanc;
+Sine connens niet ontganghen,
+Sine dochten<a title="[margin: zouden niet deugen.]"><sup>#</sup></a> niet sonder bedwanc.
+Wrongle ende wey, broot ende caes,
+Dat heit<a title="[margin: eet.]"><sup>#</sup></a> hi al den dach;
+Daer omme es de kerel so daes<a title="[margin: dwaas.]"><sup>#</sup></a>,
+Hi etes meer dan hi mach.
+</p>
+
+<p>Ook al voegt men bij deze weinige historische liederen eenige
+politieke gedichten van dezen tijd, zooals de <i>Jammerliche Clage</i>
+over den dood van graaf WILLEM IV in Friesland, een onbeteekenend
+gedicht op JAN III, hertog van Brabant, een stuk
+van WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH over het ontstaan der
+Hoeksche en Kabeljauwsche twisten en een paar andere&mdash;welk
+een onvolledigen en zwakken indruk krijgen wij dan nog
+van die gewichtige 14<sup>de</sup> eeuw!
+
+<p>Doch men mag hier niet vergeten dat, vooral in de middeleeuwen,
+de poëzie zich slechts ten deele openbaart door de
+kunst van het woord; dat zij voor een aanzienlijk deel latent
+bleef in het leven. Hoeveel poëzie schuilt er in de werkelijkheid
+dier dagen, ook al richt men het oog in het bijzonder op de
+geschiedenis van land en volk. Een goed voorbeeld daarvan
+levert ons de Latijnsche kroniek, door WILLEM, kapelaan te
+Brederode, opgesteld in het eerste vierdedeel der 14<sup>de</sup> eeuw.
+De auteur verhaalt ons daar, hoe WILLEM I, graaf van Holland,
+op een reis naar Duitschland door Gelderland trekt. Uit
+vrees voor hinderlagen van zijn vijand OTTO, graaf van Gelre,<a name="488"></a>
+heeft hij zich in geringe kleeren gestoken; met slechts een
+enkelen dienaar wandelt hij blootsvoets door Gelderland. Zijn
+weg leidt hem langs het kasteel van zijn vijand. De gravin
+staat voor het raam en ziet hem; aan zijne beenen en overige
+ledematen herkent zij den man van edel bloed en begrijpt dat het
+graaf WILLEM moet zijn. Een bode noodt hem binnen te komen.
+WILLEM aarzelt maar geeft aan de noodiging gehoor. De gravin
+laat hem in een kamer brengen en betere kleeren uit haar mans
+garderobe geven; zij begroet hem als graaf van Holland en
+laat niet af, al loochent hij het; op slimme wijs weet zij hem
+tot erkenning der waarheid te brengen. Bij het vallen van den
+avond komt graaf OTTO thuis. Zijn gemalin gaat hem tegemoet;
+hand in hand komen zij de zaal binnen. De verstandige vrouw
+vraagt of hij haar een belofte wil doen; de graaf stemt toe en
+doet er een eed op dat hij zijne belofte zal houden. Daarop
+zegt zij: huw dan onze dochter ALEID uit aan WILLEM, graaf
+van Holland.&mdash;&#8222;Droomt gij?" zegt de graaf; &#8222;maar mijn eed
+zal ik houden." Nu gaat de gravin de kamer binnen waar
+WILLEM zich bevindt, begroet hem als schoonzoon en brengt
+hem voor haar gemaal. Allen zijn verwonderd; doch sommigen
+zeggen: geen wijsheid, geen raad kan bestaan tegenover God.
+Lag hier niet de stof voor eene romance te wachten op
+de beeldende hand van een dichter? Die barrevoeter-graaf
+in slechte kleeren vermomd door Gelderland trekkend, die
+gravin voor het venster&mdash;typische houding eener middeleeuwsche
+edelvrouw&mdash;die bode, dat verwisselen van kleeding,
+die belofte van den graaf en die ontknooping&mdash;het
+is alles ongeboren poëzie. Had deze kapelaan Dietsch durven
+schrijven, wie weet? Doch zijn eerbied voor HORATIUS,
+OVIDIUS en SENECA verbood hem dat en deed hem in zijn
+Latijn vertellen wat een mooi lied in de volkstaal had kunnen
+worden<a href="#15.43">[43]</a>.<a name="489"></a>
+
+<h3><i>c</i>. GEESTELIJKE, STICHTELIJKE EN DIDACTISCHE LYRIEK.</h3>
+
+<p class="quote">Al waren alle gherse<a title="[margin: grasjes.]"><sup>#</sup></a> tonghen,
+Die te meye oit ontspronghen,
+Ende si alle van u songhen,
+Si en gaven u niet te vollen prijs.
+</p>
+
+<p>Deze verzen uit een gedicht <i>van onser Vrouwen</i> wijzen aan,
+waar het zwaartepunt ligt in de geestelijke lyriek van dien tijd:
+MARIA neemt de voornaamste plaats in. Het is haar &#8222;opvaert",
+hare &#8222;vijf pinen", hare &#8222;claghe"; wij vinden &#8222;bedinghen" tot
+haar, een &#8222;lof van Maria", &#8222;Ave Maria," &#8222;Salve Regina" en hoe
+die stukken verder heeten mogen. Vele daarvan toonen meer
+vroomheid dan eigenaardig karakter of talent van den dichter.
+Sommige andere verdienen op den voorgrond gebracht te worden.
+
+<p>Zoo vinden wij drie meesters: ALBRECHT VAN KEULEN,
+HEYNRIC FROMATOR en JACOB VAN MERLANT, &#8222;een edel clerc
+ende wide becant" in een soort van wedstrijd bezig met den
+lof der Moedermaagd te zingen; MAERLANT'S lofspraak wordt
+de schoonste geoordeeld. Een enkelen keer treffen ons onder
+de gebeden tot MARIA fraaie stukken; zoo b.v. dit couplet:
+
+<p class="quote">O maghet, o moeder, o godlijc wijf,
+O zoete, o reyne, o leytsverdrijf,
+O lieve, o werde, o zalighe vrouwe,
+O advocate der zonden kijf<a title="[margin: op wie de zonden kwaadaardig zijn.]"><sup>#</sup></a>,
+O onser, ellendigher, biblijf<a title="[margin: toeverlaat.]"><sup>#</sup></a>;
+O roze, vul van 's hemels dauwe,
+O troost in node, o heils beclijf,
+O wech der dolender, even stijf<a title="[margin: zeer betrouwbaar.]"><sup>#</sup></a>,
+O bloeyende minne, o vloeyende trouwe,
+O moederlic herte, o maechdelic lijf,
+O licht voor thelsche ongherijf,
+Com, los mijn herte uut allen rauwe<a href="#15.44">[44]</a>.<a name="490"></a>
+</p>
+
+<p>Opmerkelijk is een stuk getiteld <i>Onser Vrouwen Claghe</i> om
+den geest der vroegere volkspoëzie, dien het ademt. Zoo vinden
+wij hier meer dan eens dat spreken der personen zonder
+aankondiging:
+
+<p class="quote">Tote Adame dat hi quam:
+&#8222;Adam, du ne wet min no mee
+...
+</p>
+
+<p>Ook de epische herhaling van vraag en antwoord en de
+deelneming van den dichter, die zich lucht moet geven midden
+in zijn verhaal met een: &#8222;Ay, hoe node dat hi (Adam)
+'t dede!"<a href="#15.45">[45]</a>.
+
+<p>Naast deze gedichten op MARIA vinden wij andere <i>Op het
+lyden Christi</i>, <i>ons liefs Heren passie</i>, <i>de seven ghetide van
+onsen here</i>. Hindert ons hier soms dezelfde platheid, die wij
+vroeger in de ridderpoëzie aantroffen, waar een dichter zich
+niet ontziet te schrijven
+
+<p class="quote">Dat Jhezus naect hinc als een rent<a title="[margin: rund.]"><sup>#</sup></a>
+An den cruce moedernaect<a href="#15.46">[46]</a>.
+</p>
+
+<p>Anderzijds treffen wij hier een fraai staaltje van geestelijke
+volkspoëzie aan in een stuk, dat den naam draagt <i>Van Jhesus
+Mynnen, een scoen ryme</i>. Men oordeele zelf:
+
+<p class="quote">O edele ziele mijn, en was die trouwe niet groot,
+Dat Jhesus Christus, Marien Sone, om u vercoes di doot?
+
+O edele ziele mijn, nu sijt hem onderdaen,
+Want hi wilt noch anders met u spelen gaen.
+
+O edele ziele mijn, staet op, maect u ghereet,
+Doet uwen mantel ane, der hogher minnen cleet.<a name="491"></a>
+O edele ziele mijn, doet ane u scone juweel,
+U brugom wilt gaen meyen met u in sijn prieel.
+
+O edele ziele mijn, hets daer zuete meyen gaen:
+Den wijn der melodiën wort u daer opgedaen<a href="#15.47">[47]</a>.
+ enz.
+</p>
+
+<p>Voorts vinden wij nog lofdichten op S. JAN BAPTIST, eene
+paraphrase van het <i>Miserere</i>, van het <i>Pater Noster</i>. Het oude
+geloof, dat voor het Christendom had moeten wijken, openbaart
+zich in een tooverformulier, dat wel gekerstend is, doch
+waar het oude geloof nog uit opduikt als een duiveltje uit een
+verlucht getijdenboek. Want dit is wel het oud-nationaal geloof:
+
+<p class="quote">...
+... dat my gheen dinghen en moghen vellen
+Noch gheen tonghe en moge quellen,
+Noch yser noch stael my sniden noch slaen.
+</p>
+
+<p>Maar onmiddellijk daaraan vooraf gaat een bede tot &#8222;den heyligen
+kerst" en op den laatsten hier medegedeelden regel volgt:
+
+<p class="quote">Dat seder ghesmeedt waert
+Dat Christus gheboren waert.
+</p>
+
+<p>Opmerkelijk is ook, hoe de onharmonische vermenging van
+oud-nationaal en Christelijk geloof zich hier openbaart in het
+gemis aan samenhang en harmonie van het gansche stuk<a href="#15.48">[48]</a>.
+
+<p>Vonden wij hier den mensch vooral tegenover MARIA en
+JEZUS, een enkelen keer tegenover God, in andere gedichten
+staat niet het godsdienstige, maar het zedelijke op den voorgrond.
+Die gedichten zijn veel en veel talrijker dan de weinige
+eigenlijk gezegde geestelijke gedichten. Meer en meer zien wij<a name="492"></a>
+ook in de poëzie, dat de burgerij zelf de ontwikkeling van
+haar zedelijk leven ter hand neemt, al blijft zij de priesters
+nog erkennen als middelaars tusschen haar en God.
+
+<p>De burgerlijke dichters, die zich hier als woordvoerders der
+gemeente tot de gemeente richten, kiezen daartoe gaarne den
+weg van het verstandelijk betoog, de redeneering, de uiteenzetting,
+de waarschuwing.
+
+<p>Het verwondert ons niet, bij deze neiging tot didactiek ook
+hier een paar maal het vaderlijk &#8222;lieve kindre" aan te treffen,
+dat wij vroeger in de leerdichten aanwezen, noch dat het <i>debat</i>
+en daarmede verwante vormen hier vaak voorkomen. Juist die
+dichtvorm immers gaf gelegenheid, eene zaak door onderscheidene
+sprekers van verschillenden kant te doen beschouwen,
+vragen te stellen tot de hoorders om hen langs dien weg te
+brengen tot het vinden van de waarheid of ten minste van
+eene overtuiging. Vandaar dat men aan het slot van sommige
+dezer stukken uitdrukkingen leest als: &#8222;Nu mach elc vroet
+man merken" of &#8222;Nu gheraet hier naer"<a href="#15.49">[49]</a>.
+
+<p>Met het verstandelijk karakter dezer poëzie strookt ook wel
+de lust tot allegorie, die hier zich zoo krachtig openbaart. De
+roman <i>van de Roos</i> moge invloed geoefend hebben op de
+ontwikkeling der allegorie ook te onzent, eene dergelijke neiging
+van den menschelijken geest kan toch niet alleen uit een boek worden
+afgeleid. Allerlei menschelijke eigenschappen en hoedanigheden,
+gevoelens, neigingen, toestanden, worden door de
+dichters belichaamd, treden voor ons op om, redeneerend en
+disputeerend, te leeren, te vermanen of te stichten. Het zijn
+Vrouw Ere, Vrouw Minne, Trouw, Milde; meester Baraet<a title="[margin: bedrog.]"><sup>#</sup></a>
+van Lozane en zijn vennoot Visevase; de edele vrouwe Gerechtigheid,
+op jacht met hare honden Hope en Troost, komt den
+jager Onrecht tegen met zijne honden Wankelmoed, Loosheid
+en Logenaar. In een gedicht van Heer ERENTRYCK treden o.a.<a name="493"></a>
+Heer Hoeffscaert en Heer Mildriaen op<a href="#15.50">[50]</a>. Ootmoedigheid
+disputeert tegen Wereldsche Eer, Rijkdom tegen Armoede,
+Solaes tegen Penitentie.
+
+<p>Een der oudste stukken van dezen aard, dat nog uit het
+laatst der 13<sup>de</sup> eeuw dagteekent, is &#8222;een abel dinc ende een
+edel leere: <i>van der Zielen ende van den Lichame</i>. Het is eene
+bewerking van den Bijbeltekst: <i>de geest strijdt tegen het vleesch
+en het vleesch strijdt tegen den geest</i>, die in zijne aangrijpende
+kernachtigheid het zedelijk leven der meeste menschen samenvat<a href="#15.51">[51]</a>.
+Verwant met dit stuk zijn andere als &#8222;een edel exempel",
+waarin een gestorven mensch, in zijn graf liggend, waarschuwend
+en vermanend, spreekt tot hen, die over zijn graf gaan:
+ik was jong, schoon, bloeiend&mdash;nu ben ik zwart, verrot, de
+wormen eten mij; wat ik ben, zult gij worden; let dan op het
+eeuwige, geef aalmoezen enz. Ook &#8222;een figure" van een zondaar,
+die in de hel zijne zonden beweent en zijne medemenschen
+waarschuwt, en een drietal tweespraken tusschen een
+levenden en een dooden koning<a href="#15.52">[52]</a>.
+
+<p>Verder vinden wij een A.B.C. gedicht ter gelegenheid van
+het nieuwe jaar, vol allerlei zedelijke opwekking; een uitleg
+van het woord <i>liden</i> volgens de onderscheidene letters, die
+elk weer een afzonderlijke beteekenis hebben; eenige droomen
+en visioenen. De allegorie ontbreekt ook hier niet; zoo wordt
+ons b.v. verhaald van het paard dat &#8222;de menschelijke nature"
+voorstelt; dat paard wordt geregeerd met den breidel van &#8222;redelic
+verstaen"; in dien trant is de allegorie verder uitgewerkt<a href="#15.53">[53]</a>.
+
+<p>Wat al deze stukken gemeen hebben, is eene stichtelijke of
+zedelijke strekking; doch de dichters bedienen zich tot den
+opbouw van het zedelijk gemoedsleven hunner tijdgenooten
+van allerlei materiaal. De tweespraak is geliefd; behalve de
+bovengenoemde, vinden wij er een tusschen den Zomer en
+den Winter over elks meerdere voortreffelijkheid; een andere<a name="494"></a>
+over de vraag, wat beter en machtiger is: geluk of geld?
+weer een ander maakt er eene &#8222;questie" van: of iemand zijn
+lam zal hoeden tegen een wolf dan wel zijne vrouw tegen een
+belager. Andere stukken geven rechtstreeksche opwekkingen tot
+zelfkennis, het bewaren zijner eer, bescheidenheid jegens zijne
+meerderen; zij waarschuwen tegen &#8222;baraet en reinaerdie",
+hoovaardij, afgunst, boosheid. Zij houden ons het beeld voor
+&#8222;van den IX besten", de beste vorsten die geleefd hebben:
+HECTOR, ALEXANDER, CESAR, ARTUR en anderen; zij vertellen
+ons van &#8222;een geestelijken boomgaard"; van den hemel,
+voorgesteld als een schoone zaal met vele woningen, waarin
+God de waard is; van een ridder die zijn zoon de eigenlijke
+beteekenis van het woord <i>wapen</i> leert; van de raadslieden
+die een vorst tot zich moet roepen; van twaalf soorten van
+dienaren.
+
+<p>Het is begrijpelijk dat dichters die er op uit waren hunnen
+hoorders of lezers praktische levenswijsheid mede te deelen,
+zich gaarne bedienden van spreuken of spreukachtige verzen.
+Hunne gedichten zijn dan ook vol spreukenwijsheid, die men
+vindt samengevat in een refrein, in een slotregel of aan het
+begin van een stuk als tekst; verzen als:
+
+<p class="quote">Gherne soud se visschen, die catte,
+Maer node steec se den poot in 't natte.
+
+Die wel doet, darf gheenen wisch ute steken<a title="[margin: goede wijn
+behoeft geen
+krans.]"><sup>#</sup></a>.
+
+Vele onderwinden en was noit goet.
+
+Swigen brinct vele rusten in.
+</p>
+
+<p>Doch daarmede niet tevreden, brengt men spreuken in bundels
+samen en alzoo onder de menigte. Sommige daarvan zijn
+in onbruik geraakt; ik heb het oog op een aardige spreuk als:<a name="495"></a>
+
+<p class="quote">Boven macht piint men dicke om haven<a title="[margin: geeft men zich moeite om rijkdom.]"><sup>#</sup></a>,
+Want noot doet oude quenen<a title="[margin: vrouwen.]"><sup>#</sup></a> draven.
+</p>
+
+<p>Andere herkennen wij ook in dezen vroegeren vorm:
+
+<p class="quote">Hi en dunct mi niet te sere riesen<a title="[margin: dwaas zijn.]"><sup>#</sup></a>,
+Die van tween quaden dminste can kiesen.
+</p>
+
+<p>Of:
+
+<p class="quote">Met dommen dom, met wisen wijs,
+Want het es nu der werelt prijs.
+</p>
+
+<p>Verscheidene dier spreuken worden ook in een Hoogduitschen
+vorm teruggevonden, o.a. in den bundel die bekend staat
+onder den naam <i>Fridankes Bescheidenheit</i>.
+
+<p>Gaarne ook liet men menschenwijsheid vertolken door vogels.
+Soms houden deze &#8222;voghel sproexkene" verband met het
+karakter dat men een of anderen vogel toekende. De raaf, een
+onheilsvogel, zegt b.v.:
+
+<p class="quote">Here, dune machs niet genesen<a title="[margin: behouden blijven.]"><sup>#</sup></a>
+Du en wilt<a title="[margin: tenzij gij wilt.]"><sup>#</sup></a> scalc und ontrou wesen.
+</p>
+
+<p>De koekoek, een &#8222;beroemech" vogel volgens onze voorouders,
+omdat hij altijd van zich zelven spreekt, zegt:
+
+<p class="quote">Oetmoedecheit salmen miden,
+Want hoverde geet voren tallen tiden.
+</p>
+
+<p>Doch vaker is dit verband tusschen vogelkarakter en spreukwijsheid
+niet aanwezig en kan men het ontstaan dezer vogelspreuken
+slechts verklaren uit hetzelfde samenleven met de
+natuur, dat ook vroeger het lied of den roep van zoo menigen
+vogel vertolkte met menschenwoorden die er eenigszins op
+leken<a href="#15.54">[54]</a>.
+
+<p>Al dat opvoeden door middel van de poëzie ging langzamerhand<a name="496"></a>
+vrucht dragen: het zedelijk onderscheidingsvermogen gaat zich
+ontwikkelen; men begint scherper oog te krijgen voor eigen
+feilen en gebreken, en vooral&mdash;het waren ook toen immers
+maar menschen?&mdash;voor die van anderen. De critiek begint
+zich te doen gelden en invloed te oefenen, voorshands vooral
+op het zedelijk leven. De mannen die zoo gereed waren bij
+elk geschil naar zwaard of mes te grijpen, beginnen in te zien
+dat geen zwaard zoo scherp is als de menschelijke tong:
+
+<p class="quote">Ten snijt gheen zwert so grievelijc zeere
+Als tonghe, die rovet des menschen eere.
+</p>
+
+<p>Menigeen moet zich onbehagelijk gevoeld hebben onder het
+besef dezer toenemende critiek. Als tolk van dezulken treedt
+zekere EGIDIUS op met een naïeve klacht over het eeuwige
+&#8222;begrijpen"<a title="[margin: aanmerkingen maken.]"><sup>#</sup></a> der menschen, waaraan men niet ontkomen kan:
+ga ik dikwijls naar de kerk&mdash;ik ben een schijnheilige; laat ik
+het&mdash;ik ben erger dan een hond; draag ik een wapen&mdash;ik
+ben een vechtersbaas; laat ik het thuis&mdash;ik heet een lafaard;
+praat ik veel&mdash;zijn mond gaat als een Lazarusklep; zeg ik
+weinig&mdash;hij speelt stommetje; loop ik veel in de taveerne&mdash;de
+hel is zijn voorland, hij zal er nog alles doorbrengen; kom
+ik er weinig&mdash;'t is een saaie Piet! &#8222;Jeghen quade tonghen
+helpt geen weeren"; EGIDIUS ziet er niets anders op dan de
+tien geboden houden en de heilige kerk volgen; zóó alleen kan
+men rust vinden in &#8222;dit ellendighe erdsche dal."
+
+<p>Anderen zijn niet zoo zachtmoedig tegenover de &#8222;begripers"
+gestemd. Dat voorbeeld willen zij niet volgen, zij willen liever
+op zich zelven letten:
+
+<p class="quote">Mijns selfs ghebrec cleeft an mi vast.
+Dat anderen weecht, es mi gheen last.
+Ic hebbe te draghene ghenouch an tmijn,
+Twi<a title="[margin: waartoe.]"><sup>#</sup></a> soudic yemens begripere zijn?<a name="497"></a>
+</p>
+
+<p>En tot den &#8222;begriper" zeggen zij:
+
+<p class="quote">So wie dat spreken wille up mi,
+Bezye hem selven, wie hi zi.
+Es hi goet ende al de zine,
+So eist mi te mindre pine<a href="#15.55">[55]</a>.
+</p>
+
+<p>Doch wie zich ook aan de critiek ergeren mocht, zij zweeg
+daarom niet. Het zaad, door MAERLANT uitgestrooid, dat wij
+reeds zagen opkomen in de leerdichten, droeg ook hier vrucht
+bij genoemden en ongenoemden. Ongenoemde dichters hekelden
+in hunne verzen het bandeloos leven in sommige kloosters en
+het kroegloopen; een ander geeft ons een aardig zedentafreeltje
+van vrouwen en meisjes die vóór het avondeten buitenshuis
+op de straat komen zitten en het zoo vermoeiend vinden op
+te staan en te nijgen wanneer een kennis voorbijkomt en den
+kaproen licht; weer een ander zingt ironisch den lof van de
+&#8222;plaesteraers"<a title="[margin: vleiers.]"><sup>#</sup></a> en besluit telkens een couplet met het refrein:
+&#8222;ic moet emmer<a title="[margin: volstrekt.]"><sup>#</sup></a> plaestren leeren"<a href="#15.56">[56]</a>.
+
+<p>Onder de ons bij name bekenden vinden wij een paar
+&#8222;sprekers", die wij spoedig als dichters van beroep nader zullen
+leeren kennen: BOUDEWIJN VAN DER LOREN, waarschijnlijk een
+Gentenaar en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT. Hunne niet talrijke
+werken geven ons eenigszins een beeld van de in dit hoofdstuk
+behandelde poëzie.
+
+<p>BOUDEWIJN'S <i>Maghet van Ghend</i> (omstreeks 1381) geeft een
+kijkje in de vijandige verhouding tusschen die stad en den
+graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS. AUGUSTIJNKEN'S
+gedicht &#8222;van (den) Sceepkene" is eene allegorische voorstelling
+van den droevigen toestand waarin de Hoeksche en Kabeljauwsche
+twisten deze landen gebracht hadden. Allegorie vindt
+men ook in zijn <i>Borch van Vroudenrijc</i>, eene voorstelling van
+het lichaam en de vijf zinnen Hekelt BOUDEWIJN personen en<a name="498"></a>
+toestanden zijner dagen op scherpe wijze in de &#8222;edele sproke":
+<i>Dits Tijt's verlies</i>, AUGUSTIJNKEN schroomt niet, zich zelfs tot
+de pausen te richten:
+
+<p>Petrus leyde oetmoedich leven,
+Daden die pausen diere gelike,
+Dat soude schinen in Kerstenrike.
+
+<p>Ook het stichtelijk element der hiervoor behandelde poëzie
+vinden wij terug in zijn gedichten over <i>de Schepping, Sinte
+Jans Ewangelium, van der Rycheit ende van der Doot</i><a href="#15.57">[57]</a>.
+
+<p>Beide &#8222;sprekers", doch vooral AUGUSTIJNKEN, bezaten wel
+eenig talent. In BOUDEWIJN'S <i>Tijt's verlies</i>, in het laatstgenoemde
+stukje van AUGUSTIJNKEN, tevens zijn laatste werk, zijn hier
+en daar wel aardige verzen. Ook is er iets aantrekkelijks in
+zijn &#8222;<i>Sceepken</i>": dat bootje, drijvend in de Merwede, waar de
+dichter &#8222;in 't risen van der sonnen" instapt, waarin hij zich
+laat drijven op goed geluk, totdat hij eindelijk de riemen ter
+hand neemt&mdash;geeft ons eene aardige verzinnelijking der verbeelding
+die &#8222;vaart spelen daar draaiboom sluit noch hek."
+
+<p>Beter dan hun werk echter is dat van hun kunstbroeder
+WILLEM VAN HILLEGAERSBERGH geschikt om ons de verhalende
+en lyrische poëzie, in een kort bestek samengevat, op
+nieuw te doen zien. Vóórdat wij daartoe overgaan hebben
+wij echter nog die minnepoëzie te beschouwen, die naar den
+geest wel verwant is met het minnelied, doch in vorm van
+deze verschilt en vooral eenige nieuwe trekken zal toevoegen
+aan de daar gegeven voorstelling.
+
+<h3><i>d</i>. MINNEPOËZIE.</h3>
+
+<p>Duidelijk is ook in de minnelyriek, die niet tot het lied
+behoort, de invloed der hoofsch-ridderlijke opvatting van de<a name="499"></a>
+liefde te zien. De vrouwendienst, zooals wij dien vroeger
+hebben leeren kennen, komt in al deze stukken op den voorgrond,
+gewoonlijk in verband met allerlei herinneringen aan
+het ridderwezen. Het bijna 900 verzen tellend gedicht <i>Van der
+feesten</i> bevat een uitvoerig overzicht van de leer der minne,
+op scholastieke wijze verdeeld in deelen en &#8222;poenten". Wij
+vinden hier antwoorden op de vragen: wat minne is? waardoor
+men minne kan verwerven en weer verliezen? wie gestadiger
+zijn in de liefde: vrouwen of mannen? eene uiteenzetting
+wordt gegeven van de wijze, waarop de vier onderscheidene
+temperamenten zich in de minne openbaren. Waarschuwingen
+tegen het roem dragen op vrouwengunst, aansporingen tot het
+&#8222;helen" van den naam zijner liefste of &#8222;vrouwe" zijn niet
+zeldzaam. Telkens en telkens wijzen de dichters op de voortreffelijkheid
+der vrouwen.
+
+<p>Duidelijk zien wij dat vooral in een stukje, dat getiteld is:
+<i>van XII cnechten<a title="[margin: schildknapen.]"><sup>#</sup></a> die ruddren worden van heeren</i><a title="[margin: eere.]"><sup>#</sup></a>. Twaalf
+dappere schildknapen hebben, zonder van elkander te weten,
+een edele vrouw om minne aangezocht. Aan elk hunner geeft
+zij ten antwoord: eerst moet gij met de wapenen eere verwerven;
+dan zult gij uw loon ontvangen. Allen trekken de
+wereld in en worden ridders met eere. Teruggekeerd vragen
+zij om hun loon. Gij hebt het reeds ontvangen, zegt zij, in
+uw met eere verworven ridderschap.
+
+<p>Deze voorstelling, volgens welke de vrouw de belichaming
+is van de ridderlijke idealen, vindt men ook in andere dezer
+gedichten, schoon nergens zoo duidelijk.
+
+<p>Het is wel mogelijk dat een deel dezer werken voor een
+ridderlijk publiek zijn bestemd geweest; doch andere waren
+zeker voor de burgerij bestemd, ook al bevatten zij ridderlijke
+voorstellingen. Zoo ziet men ook in deze poëzie den invloed
+door den eenen stand op den anderen geoefend.<a name="500"></a>
+
+<p>Midden in een verzameling spreuken van didactisch-burgerlijk
+karakter treft ons deze spreuk:
+
+<p class="quote">Spere, schilt, helm ende sweert
+<i>Hebben</i> gode ridders weert<a href="#15.58">[58]</a>.
+</p>
+
+<p>Het Recht wordt voorgesteld als eene edelvrouwe met hare
+honden op jacht; uitdrukkingen, ontleend aan het ridderwezen,
+worden ook in de burgerlijke poëzie al talrijker. Meer dan
+eens vinden wij herinneringen aan de ridderromans; in het
+gedicht <i>Van der Feesten</i> worden er ettelijke genoemd; het
+Koningspel uit den roman <i>van Limborch</i> is verwerkt tot een
+afzonderlijk stuk; de &#8222;vijf heren" en &#8222;vijf vrouwen", wier
+&#8222;wenschen" ons worden medegedeeld in een paar stukken,
+die waarschijnlijk afkomstig zijn van een of anderen spreker,
+behooren thuis in Troje; de &#8222;vier heeren", die wij voor het
+vuur zien zitten in een ruime zaal en die zich met &#8222;wenschen"
+den tijd korten, zijn helden uit het <i>Nibelungen-lied</i>. Opmerkelijk
+is, dat in BOUDEN VAN DER LORE'S <i>Achte Persone
+Wenschen</i> een ridder en een edele jonkvrouw met geestelijken
+en nonnen en eene getrouwde burgervrouw zitten te drinken
+om het gelag<a href="#15.59">[59]</a>.
+
+<p>De lust tot allegorie, dien wij in de stichtelijke en didactische
+poëzie opmerkten, vertoont zich ook hier. Hier openbaart zich
+de invloed van den roman <i>van de Roos</i> zelfs in eene rechtstreeksche
+navolging. Wij bezitten nl. een gedicht van dezen
+tijd van meer dan 2000 verzen, dat blijkbaar in navolging van
+dat beroemde werk is gedicht en dat bovendien ook verwantschap
+toont met een deel der hier behandelde stichtelijke,
+didactische en minnepoëzie. Wij vinden ook hier den droom
+als inkleeding, de wandeling buiten, het zien van een kasteel,
+de ontmoeting met allegorische personages als Vrouw Hope
+en Twifel; later komen de vijf zintuigen: Heer Nouwe-zien,<a name="501"></a>
+Heer Smakelijn, Rieke-lucht, Licht-gevoel en Hoor-na. Zij
+komen voor den zetel van Vrouwe Zuverheit, waar Jonkheer
+Lust en Jonkvrouwe Jeucht ook tegenwoordig zijn, met de
+heeren Melancholie, Collorijn en de overige temperamenten<a href="#15.60">[60]</a>.
+
+<p>Het verstandelijk element, zichtbaar in deze allegorische
+minnepoëzie, openbaart zich ook in de overige lyriek van
+minne, die van burgerlijke dichters afkomstig was. De liefde
+wordt in de poëzie aangewend als een verstandsspel tot scherping
+van het vernuft. Een reeks van raadsels en vragen aangaande
+de minne, onder den titel <i>Der Minnen Guet</i>, was
+blijkbaar bestemd om door een spreker te worden gebruikt bij
+zijne voordrachten. Ook de dialogen en &#8222;twistspraken" over
+de minne hadden de strekking om in gezelschappen de wellicht
+eenigszins trage geesten gaande en de tongen los te maken.
+De spreker vertelde b.v. van twee gezellen, die uitgenoodigd
+worden mede te trekken naar het land van Overzee en die
+hunne liefjes vragen wat zij moeten doen; het eene meisje
+stemt toe, het andere weigert. &#8222;Nu, welc harer hadde den
+besten wille?" luidt de vraag aan het slot van het gedicht.
+Elders zijn wij tegenwoordig bij een &#8222;strijd van minne" tusschen
+een ridder en eene jonkvrouw, tusschen &#8222;Vrouw Venus
+en een gheselle". Ook de bovenvermelde &#8222;wenschdichten", al
+handelen zij niet uitsluitend over de minne, zijn met deze
+gedichten verwant. Een volledig pleidooi vinden wij in het
+<i>Jugement van Vrouw Venus</i>, al is dat gewichtiger als voorstelling
+der middeleeuwsche procesvoering dan om zijne literaire
+waarde<a href="#15.61">[61]</a>.
+
+<p>Daalt het minnedicht hier af tot het gezelschapsspel, het
+moet ook dienst doen als huwelijksmakelaar. Het conventioneel
+genre van den berijmden minnebrief, dat men in de Oudfransche
+en Middelhoogduitsche literatuur aantreft, werd in de 14<sup>de</sup> eeuw
+ook in de Nederlanden beoefend. Een vijftal Dietsche stukken<a name="502"></a>
+van dezen aard zijn volgens het gewone model vervaardigd
+en hebben dus weinig eigens; titels als &#8222;ene vriendelike
+groete van enen lieve ten anderen" en &#8222;noch een vriendelike
+saluut van minnen" wijzen eer op invloed der Oudfransche
+&#8222;saluts d'amour" dan op dien van Middelhoogduitsche &#8222;liebesbriefe."
+In zulk een &#8222;saluut" zong een verliefd jonkman den
+lof eener schoone, verklaarde haar zijne liefde, verzocht om
+antwoord, hetzij een &#8222;brief" hetzij &#8222;eene tafele"<a title="[margin: gewast schrijftafeltje.]"><sup>#</sup></a>, sloot ook
+wel eens eene roos in die hij dan als antwoord terugverzocht<a href="#15.62">[62]</a>
+
+<p>Poëzie die zulke diensten moet doen, kan kwalijk hare eer
+ophouden. Dat blijkt uit deze stukken. Wat is er geworden van
+den trotschen GUNTHER, den edelen RÜDEGER, den grimmigen
+HAGEN, die in de 13<sup>de</sup> eeuw toch nog indruk maakten? Het
+is hun vooral te doen om te lachen, met mooie vrouwen uit
+visschen te gaan, te eten en drinken, reien en dansen. Bij
+BOUDEN VAN DER LORE zit een aanzienlijk ridder met eene
+maagd van hoogen geslachte met monniken en nonnen te
+drinken&mdash;om het gelag! Het kan ons niet verwonderen dat
+wij een kindergrap onzer dagen als die van GRIET die men
+door een komma ten hemel of ter helle doet varen, reeds
+onder deze minnepoëzie aantreffen:
+
+<p class="quote">Ic minne een wijf die scande geert
+Nemmermeer si pijnt na ere;
+Wijflijcheit hat hare onweert<a title="[margin: minacht haar.]"><sup>#</sup></a>
+Nicht<a title="[margin: niet.]"><sup>#</sup></a> haren prijs kan si meerren.
+ enz.<a href="#15.63">[63]</a>.
+</p>
+
+<p>Slechts bij uitzondering vinden wij onder de minnepoëzie
+van den hierboven behandelden aard iets goeds, zooals b.v.
+in deze verzen:
+
+<p class="quote">Ende of ic troest sochte an hare
+Ende sijt ontseide, wat lagher an?<a name="503"></a>
+Ic sal haer claghen mijn mesvaren;
+In sal<a title="[margin: ik zal het niet doen.]"><sup>#</sup></a>; ic sal; in sal nochtan!
+Ic ware een verloren man,
+Ghelijc den snee in sonnenschine,
+Hope ende troest dies ben ic van<a title="[margin: mis ik.]"><sup>#</sup></a>!
+Ay lacen, die scouden<a title="[margin: schul(en).]"><sup>#</sup></a> die sijn mine!<a href="#15.64">[64]</a>
+</p>
+
+<p>Waar wij verder iets aardigs aantreffen, daar is het spot met
+de hoofsche sentimentaliteit. Van dien aard is eene sterk Duitsch-getinte
+klacht van minnewee, die besloten wordt met deze regels:
+
+<p class="quote">Doe ich har clagede minen noot,
+Vragede zi mi: &#8222;is Brugge groot?"<a href="#15.65">[65]</a>
+</p>
+
+<p>Recht op hun dreef komen sommige minnedichters van dezen
+tijd eerst in dartel of grof-zinnelijke stukken als de monorimes,
+aanvangend:
+
+<p class="quote">Ic quam gegaen met liste,
+Daer ic mijn suete lief wiste,
+Ic sprac: &#8222;lief, waer biste,?"
+</p>
+
+<p>en wat daar meer volgt.
+
+<p>Zoo ook in de &#8222;goede boerde" van de bagijn en haar minnaar
+die op een laken door den zolder komen vallen te midden
+der andere bewoonsters van het bagijnhof; alle bagijnen slaan
+de handen voor de oogen, maar meer dan eene gluurt door
+de vingers. Zoo eindelijk ook in dat dartele stukje <i>Dmeisken
+metten sconen vlechtken</i> dat aan zijne naïeve zinnelijkheid zooveel
+verleidelijke bekoring paart dat de dichter of een later lezer er
+onder schreef: &#8222;Desen sproke doet mi al te sere verlanghen"<a href="#15.66">[66]</a>.<a name="504"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.1">1</a>: Vgl. <i>Vad. Mus</i>., I, 369 (ook <i>Mnl. Ged</i>., ed. DE PAUW, III,
+667). VERWIJS, <i>X Goede Boerden</i>, n<sup>o</sup>. VIII: &#8222;ene boerde" en <i>Mnl.
+Wdb.</i> i.v. b.v. &#8222;die boerde van den Grale".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.2">2</a>: Vgl. <i>Mnl. Ged</i>. (ed. DE PAUW), I, II, 37; <i>Rumbeeksche Avondstonden</i>,
+p. 23: &#8222;eene sproke van de drie koningen": 3 achtregelige
+coupletten, elk bestemd door een der drie koningen te worden uitgesproken;
+KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 204, 222, 131, 114, 109 (&#8222;dese
+miracle"). <i>Goede Boerden</i>, p. 11 (ook vs. 222: &#8222;dit exempel");
+<i>Belg. Mus</i>., I, 326.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.3">3</a>: In den tekst van ons verhaal dieper in dit vraagstuk treden,
+zou ons in de vergelijkende literatuurgeschiedenis brengen. De mogelijkheid
+bestaat echter, dat voortgezet onderzoek de kennis onzer
+boerden en sproken zou kunnen bevorderen. Daarom voeg ik bij de
+aanwijzingen, in dezen door Dr. TE WINKEL gegeven; 1<sup>o</sup> eene verwijzing
+naar de <i>Hist. Littéraire de la France</i>, T. XXIII, 143, 201.
+2<sup>o</sup>. De stof <i>van den cnape van Dordrecht</i> vindt men terug in het
+fabliau <i>du fotéor (Recueil général et complet des Fabliaux</i> van
+MONTAIGLON en RAYNAUD, I, 304). 3<sup>o</sup>. De stof der tot nog toe
+onuitgegeven boerde <i>van Heile van Berseele</i> vindt men, naar het
+schijnt, niet in de Fransche fabliaux, doch wel bij CHAUCER in <i>The
+Miller's Tale (Canterbury Tales)</i>. De vraag mag gesteld worden, of
+CHAUCER onze boerde heeft gekend? Vgl. met het oog daarop ook
+in <i>The Pardonere's Tale</i> de passage aanvangend: &#8222;In Flandres whilom
+was a compagnie." Vgl. overigens over deze stof: <i>Anglia</i>, I, 38, 186;
+II, 135. (R. KÖHLER). 4<sup>o</sup>. Aan het slot van het fabliau <i>De le vescle
+a prestre</i> (MONTAIGLON et RAYNAUD, III, 106) lezen wij:
+
+<p class="footnotequote">Jakes de Baisiu, sans dotance,
+L'a de Tieus (tyois = Dietsch) en Romanc rimée.
+</p>
+
+<p class="footnote">Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van
+een paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikking<a name="505"></a>
+zijne blaas te vermaken. 5<sup>o</sup>. Dezelfde stof die in de sproke &#8222;Van eenen
+verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 204&ndash;212)
+vinden wij in &#8222;<i>Li dis dou Magnificat</i>" van den Henegouwschen
+menestreel JEAN DE CONDÉ, die schreef in de eerste helft der XIVe
+eeuw. Vgl. <i>Dits et Contes de Baudouin de Condé</i> par A. SCHELER,
+II, 355 suivv.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.4">4</a>: Vgl. <i>Goede Boerden</i>, p. 11, vs. 4; KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III,
+101; voorts: ald. III, 111, vs. 4&ndash;5; III, 186; <i>Vad. Mus.</i>, I, 50,
+vs. 6&ndash;8; <i>Belg. Mus.</i>, I, 326, vs. 12&ndash;17; 328, vs. 64&ndash;5; 336,
+vs. 354&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.5">5</a>: <i>Goede Boerden</i>, bl. 1, 4, 19; <i>Belg. Mus.</i>, III, 108&ndash;114; KAUSLER,
+<i>Denkmäler</i>, III, 165. In de boerde <i>van Heile van Berseele</i> behalve
+Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.6">6</a>: In de <i>Chansons du XVe siècle</i> (ed. G. PARIS) leest men
+(n<sup>o</sup>. LXXIX) de uitdrukking: &#8222;faire la follie" of &#8222;faire la sottise" in
+dezen zin. Vgl. ook: <i>Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged.</i>, n<sup>o</sup>. LXXI: &#8222;dat
+sotte dinc doen". Ook de Oudfransche &#8222;gabs" in de <i>Pélérinage à
+Jérusalem</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.7">7</a>: <i>Belg. Mus.</i>, X, 52.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.8">8</a>: <i>Goede Boerden</i>, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is
+verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.9">9</a>: Vgl. <i>Lancelot</i>, III, 16040 en <i>Torec</i>, vs. 276.
+
+<p class="footnote">De hier bedoelde boerden zijn: <i>Van enen man die lach gheborghen
+in ene scrine</i>; <i>van den cnape van Dordrecht</i>; <i>een bispel van II. clerken;
+van Lacarise den katijf</i> (<i>Goede Boerden</i>, ed. VERWIJS, I-IV); <i>Belg.
+Mus.</i>, X, bl. 51 vlgg.: <i>van den man die gherne dranc</i>; <i>tghoede wijf
+maect den goeden man</i>; <i>van III. ghesellen die den bake stalen</i>;
+<i>Belg. Mus.</i>, III, 108: <i>Wisen raet van Vrouwen</i>, vollediger in VERWIJS'
+<i>Bloemlezing uit Mnl. Dichters</i>, III; <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>
+(ed. VERWIJS), n<sup>o</sup>. II; KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 111 <i>van der weldaet
+die de duvele dede</i>. Drie onuitgegeven boerden vindt men in het
+Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te Brussel, n<sup>o</sup>. 1171, 2e serie: <i>van den
+visscher van Parijs</i> (<i>Recueil Gén. des Fabl.</i>, III, 68: &#8222;Du péschéor
+de pont seur Saine"); <i>van Heile van Bersele</i> (zie boven) en <i>Van der
+vrouwen die boven haren man minde</i> (<i>Rec. Général</i>, V, 132&ndash;142: &#8222;De
+la dame qui fist entendant son mari qu'il sonjoit"). Ik heb de
+kennismaking met deze drie stukken te danken aan Dr. H.P.B.
+PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger vermeld
+Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt medegedeeld
+in de Inleiding tot zijn bundel <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, zal wel<a name="506"></a>
+eene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die ook behandeld
+wordt in het fabliau <i>de Trois aveugles de Compiègne</i> (<i>Rec.
+Général</i>, I, p. 70).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.10">10</a>: KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 118&ndash;120.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.11">11</a>: <i>Van Vrouw. e.v. M.</i>, n<sup>o</sup>. VIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.12">12</a>: <i>Belg. Mus.</i>, VIII, 96.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.13">13</a>: <i>Id.</i>, X, 64.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.14">14</a>: Het <i>Baghynken van Parijs</i> uitgeg. door de Maetschappij der
+Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, n<sup>o</sup>. VII, volgens eene Antwerpsche
+uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk in <i>Konst- en Letterbode</i>
+van 1853, II, 50&ndash;55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in
+zijne <i>Annales</i>, n<sup>o</sup>. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling
+(<i>Geistliche Gedichte des XIV. u. XV. Jahrh.</i>, O. SCHADE) dagteekent
+echter reeds uit de eerste helft der 15e eeuw. Vgl. ook: <i>Jahrb. des
+Ver. für niederd. Sprachforschung</i>, XXIII, 114. Taal en vorm van
+het gedicht leidden er mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen.
+
+<p class="footnote">De overige sproken vindt men: <i>Belg. Mus.</i>, I, 326: <i>Een scone
+exempel van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester</i>; <i>Belg.
+Mus.</i>, X, 57 vlgg.: <i>van den verwenden keyser</i>; <i>de mantel van eren</i>;
+<i>van enen here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen
+brueder</i>. (Ook in KAUSLER'S <i>Denkmäler</i>, III, 131: <i>een goet exemple</i>);
+<i>van tween kinderen die droeghen ene starcke minne</i>. (Ook in: <i>Taalk.
+Bijdr.</i>, I, 244, een andere bewerking); <i>Belg. Mus.</i>, X, 339: <i>van
+enre nonnen verduldechede</i>; <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, n<sup>o</sup>. VIII;
+KAUSLER, <i>Denkm.</i>, III, p. 101, 118, 165, 186; <i>Tijdschr. v. N.T.
+en L.</i>, XXIII, 46; <i>Belg. Mus.</i>, VIII, 96: <i>Van den ouden ridder ende
+den jonghen</i>; <i>Vad. Mus.</i>, I, 50: <i>Van enen ridder die God sine sonden
+vergaf</i>; 57: <i>vanden goeden Brueder</i>; de exempelen in den <i>Spieghel
+der Sonden</i> opgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding,
+bl. LI vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.15">15</a>: KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 204.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.16">16</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 51.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.17">17</a>: KAUSLER, <i>Denkm.</i>, III, 165, 109; <i>Belg. Mus.</i>, X, 76, vs. 1;
+58, vs. 11; <i>Vad. Mus.</i>, I, 57, 66; p. 49&ndash;50; p. 98, vs. 34&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.18">18</a>: <i>Goede Boerden</i>, bl. 11, vs. 3. (<i>Depllijcheit</i> zal wel eene verschrijving
+zijn voor <i>Spellycheit</i>.)]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.19">19</a>: Vgl. <i>Goede Boerden</i>, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166;
+22, 104; <i>Belg. Mus.</i>, X, 218 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.20">20</a>: PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.21">21</a>: <i>Goede Boerden</i>, 22, vs. 93 en 1, vs. 11.]<a name="507"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.22">22</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing
+eerst in <i>Manon Lescaut</i>; in HOOD'S <i>Bridge of Sighs</i>, b.v. in:
+
+<p class="footnotequote">Still, for all slips of hers,
+One of Eve's family.
+</p>
+
+<p class="footnote">De rechtvaardigheid op den voorgrond o.a. in BJÖRNSON'S <i>Handske</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.23">23</a>: <i>Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten</i>, n<sup>o</sup>. 99, 101.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.24">24</a>: De plaatsen waarop deze en de daarvoor gegeven mededeelingen
+berusten, vindt men in de uittreksels der Grafelijkheids-rekeningen
+achter JONCKBLOET'S <i>Gesch. der Middennederl. Dichtkunst</i>, III en
+verder in de <i>Cameraars-Rekeningen</i>, III, 349; DE LANGE VAN
+WIJNGAERDEN'S <i>Gesch. van Gouda</i>, I, 656; Oudste rekening der
+stad Antwerpen a<sup>o</sup> 1324 (in: <i>Codex Diplom. Neerland. Hist. Gen.</i>,
+IV, 114); <i>Het Lied in de Middeleeuwen</i>, hoofdstuk VII. Over muziekscholen
+der meistreels Deel XX der &#8222;<i>Annales de la Société d'Emul.
+pour l'Etude de l'histoire et des antiquités de la Flandre</i>", p. 53.
+<i>Préludes historiques sur la ghilde des Ménestrels de Bruges</i> door
+DÉS. VAN DE CASTEELE.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.25">25</a>: BÄUMKER'S <i>Niederl. geist. lieder</i> etc. in: <i>Vierteljahrschrift für
+Musikwissenschaft</i>, Leipzig, 1888, n<sup>o</sup>. 63.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.26">26</a>: Medegedeeld door ACQUOY in <i>Archief voor Ned. Kerkgesch.</i>,
+IV, 334&ndash;6. Vgl. overigens tal van Duitsche varianten van &#8222;Kinne
+Wippchen" in: <i>Das deutsche Kinderbuch</i> von KARL SIMROCK, S. 5.
+Een Engelsch voorbeeld: &#8222;Here sits the Lord Mayor" in HALLIWELL'S
+<i>Nursery Rhymes</i>, p. 205. Het Fransch heeft evenzoo zijn: &#8222;<i>Menton
+d'or, bouche d'argent</i>" etc.; vgl. SCHEFFLER'S <i>Französische Volksdichtung</i>,
+I, 239.
+
+<p class="footnote">De vroegste opteekening die ik te onzent van dergelijke liedjes
+vond is van 1680 in het liedboekje <i>Amsterdamse-Spinhuys</i>, bl. 76:
+&#8222;Een aerdig Lied van een Wagenaer en sijn lief Hille":
+
+<p class="footnotequote">De Wagenaer die vatte sijn Lief al bij haer hoofje.
+Hey, wat is dat, Hille?
+Dat is mijnen krullebol,
+Och vader enz.
+</p>
+
+<p class="footnote">Achtereenvolgens komen dan de <i>oogjes</i> (kijck-uyt), <i>neusje</i> (snuyt-uyt),
+<i>montje</i> (slock-op), <i>kinnetje</i> (kinne-klap) enz. Dat dit lied eene amoureuze
+omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak niet af.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.27">27</a>: Vgl. bl. 199 van: <i>Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten
+der XIVe en XVe eeuwen</i>. Volgens het Voorwoord is het hs. van het<a name="508"></a>
+laatst der 14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord
+nergens gewag gemaakt en de liederen geven daartoe m.i. ook geen
+aanleiding.
+
+<p class="footnote">De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen
+wier namen zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.28">28</a>: Vgl. <i>Horae Belgicae</i>, X, n<sup>o</sup>. 39 en <i>Het Lied in de Midd.</i>,
+bl. 605 vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie
+overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens &#8222;overslaghend"
+dan paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.29">29</a>: Uitgeg. in den bovengenoemden bundel <i>Oudvlaemsche Liederen</i>
+enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.30">30</a>: De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht
+worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage
+geleverd in: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, IX, 273 vlgg. Vgl. voorts:
+<i>Het Lied in de Midd.</i>, bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, <i>Les Epop. Franç.</i>
+(2e éd.), III, 555 en A. DARMESTETER, <i>De Floovante</i>, p. 78: &#8222;Hodie
+demonstratum est" etc. Dr. A. NIJLAND, <i>Gedichten uit het Haagsche
+Liederhandschrift</i> en de critiek van Dr. FRANTZEN in <i>Taal en
+Letteren</i>, 1896, afl. 3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.31">31</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. XXXVIII en CXXI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.32">32</a>: Vgl. b.v. n<sup>o</sup>. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: &#8222;Woude mi
+de vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard
+gezet: &#8222;In 't scade van tween witten dien" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.33">33</a>: Scheidliederen zijn n<sup>o</sup>. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen
+doet n<sup>o</sup>. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn n<sup>o</sup>. 59, 60, 75, 76: in
+n<sup>o</sup>. 45: &#8222;den Mey die ic u minlic gheve"; voorts n<sup>o</sup>. 2, 15, 33, 35,
+51; de &#8222;niders" in n<sup>o</sup>. 84.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.34">34</a>: n<sup>o</sup>. 96, 125, 140 (opgenomen in <i>Het Lied in de Midd.</i>,
+bl. 269&ndash;270), 58. Beurtzangen in n<sup>o</sup>. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.35">35</a>: n<sup>o</sup>. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.36">36</a>: <i>Vad. Mus.</i>, II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het
+bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men:
+&#8222;Dits een rondeel.... Vrou met eren ... nacht. Ene ander maniere
+den bom" geschreven boven muzieknoten (<i>Vad. Mus.</i>, III, 141).
+<i>Bonghe</i>, <i>bom</i> wordt in het <i>Mnl. Wdb.</i> verklaard met <i>trom</i>; maar in
+de <i>Oudvl. Lied.</i>, n<sup>o</sup>. 38 wordt van de <i>snaren</i> der <i>bonghe</i> gesproken.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.37">37</a>: Vgl. <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIV, 260 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.38">38</a>: Vgl. <i>Oudvl. Lied.</i>, n<sup>o</sup>. 56, 41, 45, 49.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.39">39</a>: Boek III, c. 43.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.40">40</a>: Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied<a name="509"></a>
+hebben wij te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C.
+BOER. (<i>De Gids</i> van Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: <i>Hor.
+Belg.</i>, II, n<sup>o</sup>. 3. Vgl. voorts <i>Het Lied in de Midd.</i>, bl. 117 vlgg.
+en <i>Middelned. Historieliederen</i> door Dr. C.C. VAN DE GRAFT,
+bl. 48 vlgg. Ook nog VAN LENNEP'S <i>Vondel</i>, III, 350 noot op
+vs. 113&ndash;114. Over de bekendheid van het lied in lateren tijd
+vgl. <i>Het Lied in de Midd.</i>, bl. 694, 708, 714, 715, 729, 734.
+
+<p class="footnote">Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk
+in de 16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene
+treffende overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl.
+HOOFT'S <i>Henrik de Groote</i> (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis
+van <i>Antonis Nantoillet du Prat</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.41">41</a>: De tekst o.a. <i>Hor. Belg.</i>, XI, n<sup>o</sup>. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL
+FRÉDÉRICQ, <i>Onze Historische Volksliederen</i>, bl. 16. (F. zag het eerst
+de beteekenis van den zonderlingen titel <i>van cort Rozijn</i>). Dr. V.D. GRAFT
+a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl 453. De
+beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van
+Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk
+voor; vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een &#8222;fier
+ghelaet" toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste
+reden was om de stad Gent te onteeren.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.42">42</a>: Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRÉDÉRICQ en Dr.
+V.D. GRAFT in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook
+in VAN VLOTEN'S <i>Ned. Geschiedzangen</i>, bl. 44 en 56.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.43">43</a>: <i>Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon</i> (ed. C. PYNACKER
+HORDIJK), p. 1&ndash;3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI).
+Dat dit eerste deel &#8222;krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS
+Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met
+ALEID VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze
+beschouwing van weinig gewicht. Van belang voor ons is, <i>dat</i> de
+kapelaan deze geschiedenis in 1322 zóó voorstelt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.44">44</a>: VERDAM in: <i>Versl. en Meded. Kon. Akad.</i>, 4e Reeks, Dl. II, 156.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.45">45</a>: <i>Mnl. Gedichten</i> (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar
+bestaat <i>Onser Vrouwen Claghe</i> uit twee afzonderlijke gedichten,
+duidelijk genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het
+tweede gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af
+paarsgewijze loopen, terwijl vs. 1&ndash;185 vier aan vier zijn gerijmd, al
+is de tekst slordig overgeleverd.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.46">46</a>: A.w. I, 56, 332-'4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.47">47</a>: A.w. I, 245.]<a name="510"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.48">48</a>: VERDAM t.a.p. bl. 170.
+
+<p class="footnote">Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar
+de genoemde werken en de <i>Oudvlaemsche Lied. en Ged.</i>, bl. 1 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.49">49</a>: Vgl. <i>Mnl. Ged.</i> (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243;
+BLOMMAERT, <i>Oudvl. Ged.</i>, II, 116, vs. 175&ndash;6; 119, vs. 179&ndash;182;
+120, vs. 137&ndash;140.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.50">50</a>: Ook in de Hoogduitsche poëzie dier dagen zulke personages;
+vgl. de bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.51">51</a>: Vgl. BLOMMAERT, <i>Theophilus</i>, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en
+PETIT'S <i>Bibliographie</i> i.v. In het Fransch bestaat eene &#8222;Desputaison
+du corps et de l'âme" die naar den inhoud overeenkomst toont met
+ons gedicht. Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209&ndash;210. Voorts
+<i>Romania</i>, IX, 311; XX, 1&ndash;55, 513&ndash;578 en <i>Zeitschr. f. rom. phil.</i>,
+IV, 74&ndash;80. Een afzonderlijk onderzoek zal misschien de verhouding
+der beide gedichten kunnen bepalen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.52">52</a>: Vgl. <i>D. War.</i>, II, 352; III, 242; <i>Belg. Mus.</i>, II, 237. Indien
+men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten
+van 8, 12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken,
+drie variatie's op één thema waaruit een sprookspreker kon kiezen,
+dan aan ééne).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.53">53</a>: De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: <i>D. War</i>,
+VII, 377; IX, 6, 142; <i>Vad. Mus.</i>, II, 151; <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>,
+bl. 380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; <i>Versl. en Meded. der Kon.
+Akad.</i>, 3e Reeks, Deel XII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.54">54</a>: De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt
+men in <i>Vad. Mus.</i>, I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van
+Dr. A. NIJLAND, p. 185; KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 94 vlgg.;
+<i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.;
+XII, 97 vlgg.; XVI, 306 vlgg.
+
+<p class="footnote">Vogel-spreuken vindt men behalve <i>Vad. Mus.</i>, I, 319&ndash;321, ook
+nog in het Haagsche hs. n<sup>o</sup>. 721, f<sup>o</sup> 3, v<sup>o</sup> en achter een ter Kon. Bibl.
+aanwezig bundeltje, getiteld: &#8222;Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc.
+
+<p class="footnote">Vgl. voorts nog: <i>Jahrbuch des Vereins für niederd. Sprachforschung</i>,
+n<sup>o</sup>. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn
+vriend VERDAM).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.55">55</a>: Zie deze stukken in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XI, 210, 289 en
+<i>D. War.</i>, I, 134.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.56">56</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 82, 86, 322, 324.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.57">57</a>: Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S <i>Oudvl. Ged.</i>, II en III.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.58">58</a>: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XII, 103.]<a name="511"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.59">59</a>: Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' <i>Van Vrouwen
+ende van Minne</i>, p. 1, 8, 40, 42; <i>Vad. Mus.</i>, I, bl. 80, 318; KAUSLER,
+<i>Denkm.</i>, III, 162; BLOMMAERT, <i>Oudvl. Ged.</i>, II, 111&ndash;120; <i>Tijdschr.
+v. N.T. en L.</i>, XI, 286, vs. 15; XII, 103.
+
+<p class="footnote">In <i>Achte Persone Wenschen</i>, vs. 20 te lezen <i>'t Gelach</i> in plaats
+van <i>'t Gelaet</i> dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is
+met vs. 179&ndash;180.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.60">60</a>: In de <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>, bl. 233 vlgg. De invloed van den
+roman <i>van de Roos</i> op onze letterkunde werd nog versterkt door
+Fransche navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET
+DE COUVIN er een, getiteld <i>Li Mireoirs as Dames</i> (eerste helft der
+14e eeuw). Vgl. <i>Dits de Watriquet de Couvin....</i> par A. SCHELER,
+p. 1 suivv.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.61">61</a>: Vgl. o.a.: <i>Van Vrouw. e.v. Minne</i>, bl. 37 vlgg.; <i>Belg.
+Mus.</i>, VII, 229; X, 84; <i>Vad. Mus.</i>, I, 373, 377; Dissertatie van
+Dr. A. NIJLAND, bl. 152 vlgg.; <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIX,
+269 vlgg. (misschien aanvang der 15e eeuw); <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>,
+bl. 314 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.62">62</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 366&ndash;369, 387&ndash;391. Voorts: <i>Die gereimten
+Liebesbriefe des deutschen Mittelalters....</i> von ERNST MEYER.
+(Marburg. 1899). Op bl. 88&ndash;92 behandelt de S. in &#8222;<i>Die niederländischen
+Liebesbriefe</i>", een paar voorbeelden van dit genre uit de
+15e eeuw; het is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden
+niet gekend heeft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.63">63</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 369.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.64">64</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 393.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.65">65</a>: Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.66">66</a>: <i>Goede Boerden</i>, n<sup>o</sup>. VIII en n<sup>o</sup>. VII.]<a name="512"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>ONTWIKKELING VAN HET LITERAIR
+LEVEN.</h2>
+
+<p class="intro"><i>a</i>. Meistreels. Sprekers en andere dichters.
+
+<p class="intro"><i>b</i>. Publiek. Voordragen en Lezen. Het Boek.
+
+<p class="intro"><i>c</i>. Critiek en Theorie. Invloed der Literatuur. Letterroem.
+
+<h3><i>a</i>. MEISTREELS. SPREKERS EN ANDERE DICHTERS.</h3>
+
+<p>Nog altijd trekken meistreels en herauten door deze landen
+met vedel, trompet en beltrom. Wij ontmoeten hen als boden
+b.v. der Heeren VAN ARNHEM, VAN ARKEL, BRONKHORST
+met eene kennisgeving aan de schepenen van Deventer van
+huns heeren huwelijk of met een andere opdracht. Van een
+enkele hunner kennen wij den welluidenden naam: in het jaar
+1365 vinden wij den heraut HOPEZOMER in de <i>Cameraars-rekeningen</i>
+vermeld<a href="#16.1">[1]</a>. Nog altijd beoefenen zij naast de muziek
+de kunst van het woord. Meester JAN VAN VLAERDINGHEN,
+die genoemd wordt onder de &#8222;menistreylen" die in 1364 te
+Middelburg &#8222;vor 't sacrament ghenghen", wiens vrouw en dochter
+ook tot de meistreelen behoorden, treedt elders op als dichter.
+In het toenmalig woord <i>vedelsage</i><a title="[margin: praatjes voor de vaak.]"><sup>#</sup></a> zien wij dat verband tusschen
+muziek en woordkunst uitgedrukt en in overeenstemming
+daarmede het woord <i>vedelaar</i> gebruikt om een <i>dichter</i> (misschien
+een liederdichter) aan te duiden<a href="#16.2">[2]</a>.
+
+<p>Naast de menestrelen vinden wij ook nu nog de herauten.
+Ook zij zijn werkzaam als dichters. Zoo wordt melding gemaakt
+van &#8222;des heren hyraut ende sengher van Gaesbeke";<a name="513"></a>
+een &#8222;mynstreel", maar ook van &#8222;Jan Dyllen den yraut,
+die voer mijns heren tafel sprac". Doch de meistreels hadden
+als dichters hunne beste dagen gehad en gaan het tooneel
+ruimen voor anderen. Hebben de herauten hen ook hier te
+lande op den achtergrond gedrongen? In Frankrijk was dat,
+naar het schijnt, het geval. Naarmate de heraldiek zich ontwikkelde
+en steeds meer aandacht vroeg en verkreeg, steeg het
+aanzien der herauten en nam dat der meistreels af. Misschien
+heeft de dichter eener merkwaardige samenspraak tusschen een
+paar menestreelen uit dezen tijd het oog op de herauten,
+wanneer hij een meistreel tot den ander doet zeggen:
+
+<p class="quote">En condi geen reinaerdie,
+Smeken<a title="[margin: vleien.]"><sup>#</sup></a>, no leckeberden<a title="[margin: flikflooien?]"><sup>#</sup></a>,
+Men sal segghen: &#8222;gaet uwer verden<a title="[margin: gaat heen.]"><sup>#</sup></a>,
+Hier en es u nu niet te doene<a title="[margin: heeft men u niet noodig.]"><sup>#</sup></a>."<a href="#16.3">[3]</a>
+</p>
+
+<p>Doch in allen gevalle is het wel opmerkelijk dat de dichters, die
+vanouds de banierdragers der ridderlijke idealen waren geweest,
+niet die idealen zelve op den achtergrond raken. Verreweg
+de meesten hunner gaan zich uitsluitend aan de muziek wijden.
+Sommigen hunner laten het beroep varen en vestigen zich
+onder de burgerij; anderen zetten het zwervende dichtersleven
+voort. Een paar vertegenwoordigers dier beide soorten zijn het
+die wij in de bovenvermelde samenspraak tegenover elkander
+vinden. De een, die zich &#8222;ter neringhe geset" heeft, ontraadt
+den ander het voortzetten van het zwervend leven: vroeger
+ging het goed, toen de heeren mild waren en goedgeefsch
+jegens de meistreels; toen kon men van zijne kunst leven&mdash;maar
+nu? menigeen sterft van gebrek en armoede. De ander
+erkent de waarheid dier woorden ten deele; maar&mdash;zegt hij&mdash;ik
+eet zoo menigen brok, ik drink zoo menigen beker in de
+taverne, waar ik met weinig moeite aan kom, dat ik de<a name="514"></a>
+&#8222;wandelinghe" niet kan laten.&mdash;Met hoevele zwervers is het
+slecht afgeloopen, herneemt de eerste; denk eens aan GIELIJS VAN
+TRECHT, aan JAN VAN LIER, aan meester JAN METTER HUVEN<a title="[Margin: muts, kapje.]"><sup>#</sup></a>,
+die allen op hunne tochten het leven hebben verloren. Welnu&mdash;is
+het antwoord&mdash;die kregen hun verdiende loon, en dan, ik
+kan eenmaal mijn vrijheid niet opgeven; word ik eens zóó oud
+dat ik op krukken moet gaan, kom mij dan nog eens vermanen<a href="#16.4">[4]</a>!
+
+<p>Zóó scheiden zij. Deze zwerver, die zijn zwerversleven lief
+heeft, is een type dier dagen. De gansche 14<sup>de</sup> eeuw door
+blijven wij hem aantreffen. Nog in 1396 worden &#8222;piperen,
+heralden, ministrelen" in één adem genoemd met de &#8222;varende
+lude"; onder deze "varende lude" vond men de reizende dichters
+in gezelschap van blinde guitaarspelers, meesters &#8222;van
+suptilen drachten"<a title="[Margin: behendige kunstgrepen.]"><sup>#</sup></a>, gasten die een levend &#8222;hoofd van Jut"
+op hunne schouders droegen, zooals zekere Brabander, &#8222;die
+hem up sijn hooft liet slaan hoe seere<a title="[Margin: hard.]"><sup>#</sup></a> men woude"; onder
+hen ook de mislukte studenten, zooals die, aan wien wij de
+gewilde dwaasheid van &#8222;de frenesie" te danken hebben<a href="#16.5">[5]</a>.
+
+<p>Niet alle meistreels geven hun beroep op of blijven zwerven.
+Sommigen hunner blijven de kunst getrouw, doch laten, naar
+het schijnt, de muziek varen om zich uitsluitend aan de
+woordkunst te wijden. Dezen zien wij gedurende de tweede
+helft der 14<sup>de</sup> eeuw in deze landen optreden onder den naam
+van <i>sprekers</i> of <i>zeggers</i>. Velen hunner zijn, evenals vroeger de
+menestreelen, verbonden aan den dienst van bijzondere heeren:
+zoo vinden wij gewag gemaakt van "des heren spreker van
+Zevenberghen", "des hertoghen spreker van Gulic", van "meester
+JAN, een spreker die bi den here van Abcoude is", "eenen
+seggher uut Zeelant, die seide dat hi heren Vranken knecht
+van Borssel was"; "enen spreker die bi den here van Wassenaer
+placht te wesen", "des heren spreker van Gaesbeke",<a name="515"></a>
+&#8222;enen spreker die den here van Lymburch toebehoorde", &#8222;enen
+spreker toebehorende den here van Gistel". Dat deze dienstmannen
+van adellijke heeren het wapen van hun heer droegen
+op hunne kleedij, mag men vermoeden uit een rekeningpost,
+die spreekt van &#8222;enen vreemden spreker sonder wapen".
+
+<p>De burgerij volgde ook hier den adel na en nam &#8222;stadssprekers"
+aan; zoo vinden wij BOUDEWIJN VAN DER LORE
+als stadsspreker van Gent; &#8222;Meyster PETER VREUGDEGAER,
+den seggher van Breda", &#8222;den spreker van Monickedam".
+Misschien waren ook meester JAN VAN VLAERDINGHE, AUGUSTIJNKEN
+en MEEUS VAN DORDT, &#8222;Meester JAN, de dichter van
+Sente Gheerdenberghe", &#8222;GODEKIJN, de spreker van Tricht",
+&#8222;meester JAN VAN MACHELEN", &#8222;DAEM, de seggher van IJsselsteyn"
+en BERTELMEEUS VAN DELF stadssprekers; zij kunnen echter ook,
+evenals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH genoemd zijn naar
+hunne woonplaats en als vrije sprekers hebben rondgereisd.
+
+<p>Onder de sprekers zal natuurlijk, evenals vroeger onder
+de menestrelen, verschil van ontwikkeling en aanzien hebben
+bestaan. Sommigen spraken &#8222;voor mijnen here den grave" en
+konden als AUGUSTIJNKEN VAN DORDT van zich zelven zeggen:
+
+<p class="quote">Want ghi bi heren, bi hoghen vrouwen
+Te sijn pleecht.
+</p>
+
+<p>Anderen die zonder naam worden vermeld als b.v. &#8222;twee
+segghers ut Brabant", &#8222;twee duytsche segghers" zullen van
+minder aanzien geweest zijn. Doch bij gemis aan gegevens is
+het moeilijk hier scheidingslijnen te trekken en eene plaats te
+wijzen b.v. aan: Meester HERMAN den spreker, SNELRYEM den
+spreker, &#8222;den Jonchere van der minnen", &#8222;JANNES DEN COSTER"
+en zoo menig ander.
+
+<p>Een paar sprekers, AUGUSTIJNKEN en zekere COLPAERT&mdash;indien
+deze tot de sprekers gerekend mag worden&mdash;kenden<a name="516"></a>
+Latijn; WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH daarentegen, toch een
+aanzienlijk spreker, kent het niet.
+
+<p>Dat wij naast deze Dietsche sprekers verscheidene Duitschers
+vinden, kan ons in het Beiersch tijdvak niet verwonderen; in
+het gevolg der Beiersche graven of Duitsche edelen of althans
+in hunne omgeving zullen wij een &#8222;blinden dichter van Mens"
+moeten zoeken, sprekers van &#8222;Beem" (Bohemen), Trier, Keulen,
+Westfalen; een spreker &#8222;die men hiet Ghetuose" en &#8222;enen
+jonghen spreker van Holsten, gheheten HOPEZOMER." Tegenover
+deze Duitschers vinden wij slechts een enkelen Franschman:
+&#8222;CUDELIER, des conincs spreker van Vrancrike"<a href="#16.6">[6]</a>.
+
+<p>Opmerkelijk echter mag heeten dat de Noordnederlanders zoo
+talrijk zijn, zoowel onder de ons bekende sprekers als onder
+de overige dichters van dezen tijd, die wij niet met zekerheid
+onder de sprekers kunnen rangschikken. Tegenover eenige weinige
+sprekers en dichters van Gent, Mechelen, Brussel staan vele
+uit Noord-Nederland. Misschien zijn vele sprekers uit het Zuiden
+ons in hunne werkzaamheid vooralsnog onbekend; doch in elk
+geval blijkt wel, dat de bewoners der Noordelijke gewesten in
+de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw meer dan vroeger gaan deelnemen
+aan de beoefening der literaire kunst. Evenals hunne
+voorgangers, de meistreels, doen ook deze beroepsdichters niets
+voor niets: geschenken in geld of kleeren zijn het loon waarvoor
+zij hunne kunst ten gehoore brengen. AUGUSTIJNKEN VAN
+DORDT, die een el wit laken krijgt voor een paar kousen, een
+paar laarzen met sporen om er &#8222;mijns heren zomer<a title="[margin: lastpaard.]"><sup>#</sup></a> mede te
+riden", mag ook hier als type zijner soort gelden.
+
+<p>Ook elders vertoonen zich in de literatuur van dezen tijd
+dichters, die voor geld verzen leveren, al weten wij niet of
+wij daar met eigenlijke <i>sprekers</i> te doen hebben. Zoo begint
+een stichtelijke opwekking tot menschen van allerlei nering of
+bedrijf met deze regels:<a name="517"></a>
+
+<p class="quote">Omme 't ghebrec van goeden lone
+Blijft menich rijm te makene scone
+Van den dichters openbaer
+Die lustelic te hoorne waer<a href="#16.7">[7]</a>.
+</p>
+
+<p>In een allegorisch gedicht over een burcht, die <i>Vaste Hoede</i>
+heet, deelt de auteur ons mede, dat hij aan de burchtvrouw
+verzocht had hem een onderwerp voor een gedicht te geven,
+&#8222;want ic met dichtene mi ghenerde". Met het voordragen van
+<i>boerden</i> vielen kostelijke kleeren te verdienen; &#8222;constenaers",
+die in een herberg een &#8222;nieuwen zanc" ten gehoore brachten,
+werden daarvoor beloond<a href="#16.8">[8]</a>. Dat de berijmde minnebrieven
+en minne-naamdichten van dezen tijd op verzoek en
+voor geld gemaakt zijn, valt niet te bewijzen; doch hunne
+volslagen kleurloosheid zou doen vermoeden, dat zij gemaakt
+zijn door anderen dan door de minnaars zelven en dan zeker
+niet voor niet<a href="#16.9">[9]</a>.
+
+<p>Verzen maken voor geld of ander loon, de dichtkunst opgevat
+als een beroep&mdash;dat scheidt deze dichters van andere,
+die andere beweegredenen hadden tot dichten.
+
+<p>Die anderen waren zich wel bewust dat zij tegenover de
+beroepsdichters stonden; immers niet zelden laken zij dezen in
+hunne geschriften. De auteur van <i>den Grimbergschen Oorlog</i>
+berispt de &#8222;consteneren die hem met dichten generen", omdat
+zij verzonnen en onware zaken vertellen; in den <i>Spieghel der
+Sonden</i> worden speellieden en goochelaars genoemd in één
+adem met degenen, die &#8222;valsche rime visieren"<a title="[margin: verzinnen.]"><sup>#</sup></a>; in een ander
+didactisch werk vinden wij een waarschuwing tegen de &#8222;smekende<a title="[margin: vleiende.]"><sup>#</sup></a>
+menestrelen". JAN BOENDALE volgt zijn meester ook in
+diens afkeer en afkeuring van de meistreelen; in zijne <i>Teestije</i>
+laat hij zich minachtend uit over hen:<a name="518"></a>
+
+<p class="quote">Die asaghen<a title="[margin: sprookjes.]"><sup>#</sup></a> ende tureluren<a title="[margin: beuzelpraatjes.]"><sup>#</sup></a>
+Dichten vander avonturen.
+</p>
+
+<p>Scherp laakt hij het in de edelen, dat zij hun goed geven aan
+rabouwen, meistreels en herauten, opdat deze hen zullen prijzen
+en hun lof overal verkondigen; een mooie lof, voegt hij
+er aan toe, die door &#8222;knechten en boeven" gegeven wordt!
+En in zijn <i>Lekenspieghel</i> klinkt het nog eens schamper: zoo
+zijn de &#8222;yrauden": noode komen zij thuis eten, als zij het
+elders gratis kunnen krijgen<a href="#16.10">[10]</a>.
+
+<p>Behalve JAN BOENDALE zijn ons slechts enkele dichters, die
+tot deze groep behooren, bij name bekend. Hunne beweegredenen
+tot dichten mogen onderling verschillen, alle wortelen
+zij toch in het godsdienstig of zedelijk gemoedsleven. De Ypersche
+chirurgijn JAN DE WEERT b.v. had vrij wat wereldsche
+poëzie gedicht vóórdat hij zijn <i>Nieuwen Doctrinael</i> schreef,
+om daarmede de dichterzonden zijner jeugd te boeten. Als
+dichter van <i>Sinte Amands Leven</i> kennen wij den jongen geestelijke
+GILLIS DE WEVELE van Brugge. Deze legt er den
+nadruk op, dat hij met zijn werk geen &#8222;winninghe van gelde"
+of ander loon beoogt; zijn loon wacht hij slechts van God.
+Een andere beweegreden, door hem genoemd, is angst voor
+de &#8222;ledicheit", immers ook heden nog des duivels oorkussen.
+Een lofdicht op MARIA werd geschreven uit &#8222;groote vreeze",
+blijkbaar voor de vergelding die den zondaar wacht. Het
+<i>Vagevier van Sinte Patricius</i> dankte zijn ontstaan aan het verlangen
+des dichters om den boozen afkeer van hunne boosheid
+in te boezemen. Andere geestelijke dichters vragen: bid voor mij
+die dit schreef, of beloven den lezers kwijtschelding van zonden<a href="#16.11">[11]</a>.
+
+<p>Is ook de liefelijke sproke <i>van Beatrijs</i> te beschouwen als
+een soort van boetedoening? Zekerheid hebben wij hier niet.
+De dichter (dichteres?) vangt zijn werk aan met:<a name="519"></a>
+
+<p class="quote">Van dichten comt mi cleine bate;
+Die liede raden mi dat ict late
+Ende minen sin niet en vertare
+</p>
+
+<p>Doch het is bezwaarlijk uit te maken of met deze &#8222;bate" al
+dan niet geldelijk voordeel bedoeld is; of wij hier een beroepsdichter
+vóór ons hebben die zijn beroep vaarwel zegt, of een
+leek, die vroeger wereldsche poëzie had gedicht en nu iets
+beters wil geven.
+
+<p>Dit is trouwens niet het eenige geval, waar wij in onzekerheid
+blijven omtrent de personen der dichters van de 14<sup>de</sup> eeuw.
+Van sommige kennen wij de namen, doch ook weinig meer;
+van andere weten wij zelfs den naam niet en naar hunne persoonlijkheid
+kunnen wij slechts gissen. Wij weten dat LODEWIJK
+VAN VAELBEKE een bekend menestreel is geweest, die in den
+aanvang der 14<sup>de</sup> eeuw stierf en zich naam had gemaakt o.a.
+door zijne &#8222;stampiën" (misschien eene soort van dansliederen).
+OTTO VAN ORLEIEN schreef eene &#8222;bedinghe van onsen Here",
+die niets karakteristieks heeft; de samensteller van <i>die Cracht
+der Mane</i> heette HEINRIC VAN HOLLANT. Als dichter van den
+<i>Seghelyn van Jeruzalem</i> noemt zich LOY LATEWAERT, dien wij
+om zijne literaire kennis en aanhalingen van door hem zelven
+vertaald Latijn voor een eenigermate ontwikkeld man moeten
+houden. Was hij misschien een &#8222;clerck", verbonden aan den
+dienst van een edelman? Diezelfde gissing zou men willen
+wagen ten opzichte van den man, die ons het verhaal <i>Van den
+borchgrave van Couchi</i> naliet; bij den <i>Malegijs</i> en de overige
+ridderromans van dezen tijd zal men over het algemeen misschien
+eer aan meistreelen dan aan &#8222;clercken" moeten denken.
+
+<p>In een aantal vierregelige wapendichten op de edelen, die
+met WILLEM IV in Friesland sneuvelden, meen ik de hand
+van een heraut te herkennen. Elders kunnen wij zelfs geen<a name="520"></a>
+gissing wagen. Wie schreef b.v. den geestelijken roman <i>Van
+Jonitas en Rosafiere</i>? BOUDEWIJN VAN DER LORE noemt zich
+als auteur van <i>Achte Persone Wenschen</i>; doch wie schreef de
+overige wenschliederen? Hier staan wij in een duisternis, die
+bij voortgezet onderzoek misschien zal verdunnen tot den nevel,
+waarin wij een dichter als JAN VAN HULST zien, een zanger
+als die EGIDIUS, wiens dood ons gemeld wordt in dat roerend
+klaaglied dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Egidius, waer bestu bleven?
+Mi lanct na di, gheselle mijn!
+Du coors<a title="[margin: verkoost.]"><sup>#</sup></a> die doot, du liets mi tleven.
+Dat was gheselscap goed ende fijn,
+Het sceen, 't een moeste ghestorven sijn<a href="#16.12">[12]</a>.
+</p>
+
+<h3><i>b</i>. PUBLIEK. VOORDRAGEN EN LEZEN. HET BOEK.</h3>
+
+<p>Het publiek waarvoor deze dichters optraden, wisselde af
+evenals vroeger naar gelang van de poëzie en van den voordrager.
+
+<p>Voorname sprekers, zooals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG
+en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, zullen zich vooral tot de aanzienlijken
+hebben begeven om hun werk voortedragen. Dat
+blijkt wel uit het &#8222;heren en cnapen", waarmede zij hunne
+hoorders niet zelden toespreken. Menige sproke zal ook wel
+in de eerste plaats voor den adel bestemd zijn geweest. Zoo
+wordt in <i>de Mantel van eren</i> het wapenschild beschreven
+van den edelen ridder, wiens lof hier was verkondigd: &#8222;van
+lazure // met twee ramshorne van goude"<a href="#16.13">[13]</a>. In een andere
+sproke echter, van het Jodenmeisje dat Christin wordt, spreekt
+de dichter zijn publiek aan met: &#8222;gi goede liede"; diezelfde
+uitdrukking vindt men in het heiligenleven <i>van Sint Amand</i>,
+doch afgewisseld door: &#8222;ghi lieden alle ghemeene ...<a name="521"></a>
+knapen, joncwive, vrouwen ende heeren." Dat de boerden
+vooral voor de burgerij bestemd waren zou men op zich zelf
+reeds vermoeden; dat vermoeden krijgt meer zekerheid door
+een aanvang als: &#8222;Alle swighet ende hoert," of:
+
+<p class="quote">Ghi goede liede, hoort na mi!
+Selke boerde en hoerdi nie
+Als ic u hier sal vertellen.
+</p>
+
+<p>Maar ook sproken en andere ernstige stukken zullen zeker
+wel eens voor de mindergegoede standen zijn voorgedragen.
+De sproke van de edelvrouw, die &#8222;vigilyen" voor de dooden
+placht te lezen, richt zich niet tot edele heeren of vrouwen,
+doch tot &#8222;alle ... eist wijf of man", en aan het slot van
+een notabel lezen wij: &#8222;Secht &#8222;amen" die hier zijn omtrent<a href="#16.14">[14]</a>."
+
+<p>Nog altijd was de literatuur bestemd in de eerste plaats om
+te worden voorgedragen en gehoord; ook zelfs een populair-wetenschappelijk
+werkje als <i>die Cracht der Mane</i>; ook een
+prozawerk als het <i>Leven van Jezus</i> richt zich tot degenen &#8222;die
+dit lesen (voorlezen) selen ende hoeren lesen". Het verzoek om
+stilte en aandacht blijkt ook in deze tijden nog niet overbodig.
+Evenals in de 13<sup>de</sup> eeuw werd de voordracht van poëzie
+nog wel door muziek begeleid. In den aanvang der boerde
+<i>van Heile van Berseele</i> ten minste wordt het vertellen van
+schoone avonturen genoemd in verband met &#8222;vedelen en
+singhen" en &#8222;somtijd spelen metter harpen". De taverne zal
+wel&mdash;wij hoorden het reeds van den zwervenden meistreel&mdash;de
+plaats zijn geweest waar men de meeste kans had een rondreizend
+dichter aan te treffen en zijne voordrachten bij te wonen.
+Een jonkman die gaarne met goede gezellen uitgaat, gaarne
+een rooden mond ziet en lachende vrouwenoogen, vertelt ons
+hoe hij &#8222;te wine" of &#8222;te biere" zit:
+
+<p class="quote">Ende hoor daer singen ende boerden spreken.<a name="522"></a>
+</p>
+
+<p>Voor een droge keel wist de voordrager zich te wachten;
+aan het slot der zedenschets <i>van den man die gherne dranc</i>&mdash;een
+dorstige stof&mdash;klinkt het:
+
+<p class="quote">Nu, gheeft mi drincken metter vaert
+Want drincken dat es al mijn aert<a href="#16.15">[15]</a>.
+</p>
+
+<p>Tusschen de overgroote meerderheid der hoorders van eenig
+literair werk zagen wij in een vroeger tijdperk hier en daar
+ook eenige lezers. Die lezers zullen langzamerhand talrijker
+worden, al blijven zij nog lang tevens hoorders.
+
+<p>Onder een zich ontwikkelend volk, onder eene zich ontwikkelende
+burgerij vooral, neemt de vraag naar literatuur in dezen
+tijd steeds toe. De literatuur van een vroeger tijdvak vindt nog
+altijd aftrek; de werken der 13<sup>de</sup> eeuw immers zijn ons bewaard
+gebleven vooral in afschriften der 14<sup>de</sup> eeuw. Doch ook de
+geschriften van tijdgenooten worden door afschrijvers vermenigvuldigd.
+De bescheiden RUUSBROECK was er niet op gesteld
+dat men zijne werken langs dezen weg onder de menschen
+bracht. Slechts heimelijk durfde een priester, die zijn &#8222;notarius"
+geweest was, Heer JAN'S werk aan eenige bewonderaars toevertrouwen
+tot het nemen van een afschrift<a href="#16.16">[16]</a>.
+
+<p>Adellijke heeren en vrouwen wekken schrijvers op tot het
+samenstellen van een of ander letterkundig werk. Zij wenschen
+een stuk dat men hun waarschijnlijk eerst voorgedragen heeft,
+in bezit te hebben. Zoo schenkt in 1360 de Graaf VAN BLOYS
+19 schellingen en 4 stuivers aan JAN BOT den &#8222;segger", &#8222;want
+hi ene sproke gemaect hadde, ende in gescrifte overgaf, van
+minen here van Byamont, des God ghedenke"; in 1398 krijgt
+de spreker van Monickedam &#8222;die mynen here een sproke van
+de Vriezen overgaf" twee &#8222;nye gulden"<a href="#16.17">[17]</a>. Men begint een
+boek als een geschenk te beschouwen: jonkvrouw JOHANNA VAN
+BLOIS krijgt voor haar Paschen &#8222;enen nuwen boexkine" ten<a name="523"></a>
+geschenke, &#8222;daer in stont onser Vrouwen legende"<a href="#16.18">[18]</a>. Ook
+uit andere feiten blijkt ons, dat de adel prijs stelt op boeken:
+de Vlaamsche graaf ROBRECHT VAN BETHUNE bezit een boek
+van <i>Godefroi de Bullion</i>, van <i>Merlin</i> en de <i>contes du Barisiel</i>;
+een Henegouwsch edelman, GODEVAERD VAN NAAST (± 1337),
+bezit reeds eene kleine boekenverzameling: <i>le message Carlemaigne</i>,
+de geschiedenissen <i>d'Aëlis et l'Empereur et du roy
+Ingres</i>, van <i>Atis et Prophelias</i>, van <i>Sidraach</i>, van <i>Mainnet</i>,
+de <i>Aventures d'Oultremer</i> en den <i>Veus dou Paon</i>.
+
+<p>Lezen de Leliaerts Fransch&mdash;de Clauwaerts houden zich
+aan hun Vlaamsch.
+
+<p>Welk een belangstelling in literatuur en wetenschap spreekt
+er uit de boeken, die wij in de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw in
+het bezit vinden van aanzienlijke en eenvoudige Gentsche
+burgers. De handschoenmaker JAN DE BEERE heeft een <i>Bestiaris</i>,
+een <i>Lucidarius</i>, een <i>(Wapene) Martin</i>, een boek <i>van den Landsheren</i>
+en <i>Evangeliën in vlaems</i>. WILLEM VAN DEN PITTE,
+lakensnijder en eerste schepen, is eigenaar van den &#8222;<i>Spieghel
+Ystoriaelle</i> in twee bouken ghescreven". Meester SYMOEN
+ELYAES, waarschijnlijk een chirurgijn, bezit een <i>Barlaäm</i>, een
+&#8222;cleennen" <i>Spieghel</i>" en &#8222;een deel van der Biblen". De Clauwaert
+JAN WASSELINS heeft een heele bibliotheek. Evenals de
+twee eerstgenoemde Gentenaars heeft ook hij een &#8222;Bibele in
+vlaemsche"; maar wat heeft hij al niet meer! Zijne boekerij is
+bijna een kort begrip onzer middeleeuwsche literatuur, voorzoover
+daarin de voorname genres behalve het lied en het
+drama vertegenwoordigd zijn. Wij vinden onder zijne boeken
+geestelijke werken over <i>de Passie</i>, over <i>Adam en Eva</i>, <i>van
+der Zielen</i> en <i>van der ghuldene baghe</i>; ridderromans <i>van
+Ogier, Seghelijn, Isenbaert</i><a href="#16.19">[19]</a>; zedekundige werken en leerdichten:
+van SENECA, &#8222;<i>Pietagoras bloume</i>", <i>Jans Testye</i>, een
+paar &#8222;doctrinaelen", een <i>Bestiaris</i>, <i>Melibeus</i>, een <i>Wapene</i>
+<a name="524"></a>
+<i>Martijn</i>; een historisch werk over de Pausen en een Kroniek
+van Vlaanderen, Brabant en Frankrijk; wetenschappelijke geschriften
+over astronomie en medicijnen. Ook "<i>een bouc van
+Reynaerde</i>" ontbreekt niet<a href="#16.20">[20]</a>.
+
+<p>Zouden deze Vlamingen de eenige bezitters van boeken
+geweest zijn? Met het oog op het groote aantal handschriften
+der 14<sup>de</sup> eeuw, zal men wel mogen aannemen
+dat er verscheidene andere boekenliefhebbers waren. De lust
+tot lezen bracht meer boeken te voorschijn; die boeken
+brachten op hunne beurt meer menschen aan het lezen.
+JAN BOENDALE waarschuwt wel tegen de lezing van ijdele
+boeken, maar toch:
+
+<p class="quote">Alse ghi den tijt corten wilt,
+In u camere ghi u sluten silt
+Ende roepen uwen sceppre an;
+Oft ghi selt boeke hebben dan
+Van Gode oft van goeden zeden
+Ende niet van idelheden
+Ende selse lesen oft doen lesen<a href="#16.21">[21]</a>.
+</p>
+
+<p>De <i>Melibeus</i> spreekt niet alleen van <i>lezen</i> maar ook van
+<i>overlezen</i> en broeder GHERAERT, de Karthuizer-prior, neemt
+in zijn afschrift van RUUSBROECK'S <i>Tabernakel</i> ook meeningen
+van anderen op, opdat "een subtijl ende verlicht lesere yet
+orberlics<a title="[margin: nuttigs.]"><sup>#</sup></a> daer uut moghe <i>mediteren</i>"<a href="#16.22">[22]</a>.
+
+<p>Naast de voordracht van proza of poëzie, die zoo gemakkelijk
+ten ooren invloeide en geen tijd liet tot overpeinzen van wat
+men niet onmiddellijk begreep, komt nu langzamerhand het
+nadenken over het gelezene, het worstelen met een stuk dat
+men niet dadelijk vat. In een vroeger door ons genoemd allegorisch
+gedicht zien wij vier personages, die elk een der
+<a name="525"></a>
+temperamenten voorstellen, bezig met een lied waarvan zij den
+zin niet kunnen vatten. Nu spreken zij af:
+
+<p class="quote">Dat si souden al ghemeen
+Studeren, peinsen, nacht ende dach,
+Bezien wiet eerst ghevinden mach<a href="#16.23">[23]</a>.
+</p>
+
+<p>Dit critisch lezen vindt een tegenhanger in het critisch vergelijken
+der onderscheiden handschriften van één werk om
+daaruit een goeden tekst samentestellen. Devote bewondering
+van RUUSBROECK'S geschriften bracht een lateren bewoner van
+Groenendaal tot het verzoek aan alle minnaars der waarheid,
+om onderscheiden exemplaren van een werk des meesters te
+vergaderen &#8222;op dat sy doch uut enighen, of nu uut den eenen,
+dan uut den anderen, den gherechten sinne vinden ende setten
+moghen."<a href="#16.24">[24]</a>.
+
+<h3><i>c</i>. CRITIEK EN THEORIE. INVLOED DER LITERATUUR.
+LETTERROEM.</h3>
+
+<p>Langs deze en dergelijke wegen ging zich de literaire critiek
+langzamerhand ontwikkelen.
+
+<p>De vorige eeuw had hare geboorte gezien uit het verschil
+in aard, temperament en smaak der menschen. MAERLANT had
+zich ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn tijd getoond,
+want in zijn werk vooral vinden wij die klachten over het
+&#8222;beniden", de &#8222;niders" en de &#8222;nidechede" onder degenen voor
+wie zijn werk bestemd was<a href="#16.25">[25]</a>. Doch in de 14<sup>de</sup> eeuw zien wij
+de critiek toenemen. BOENDALE en de auteur van <i>Der Mannen
+ende der Vrouwen Heimelycheit</i> klagen over de &#8222;beniders" evenals
+hunne voorgangers in dezen; doch in een didactisch stukje van
+een hunner tijdgenooten, zien wij de critiek zich uitbreiden ook
+tot hen die in wetenschap of muziek zich onderscheiden, en
+daardoor de ijverzucht van anderen opwekken. Want zóó laag<a name="526"></a>
+is de opvatting van critiek in 't algemeen nog, dat men haar
+toeschrijft in de eerste plaats aan ijverzucht of afgunst.
+
+<p>In het bovenbedoeld stukje lezen wij:
+
+<p class="quote">Predict een cleerc die waerheit
+Of toecht een zijn meesterie,
+Pijpt hi, zyncht hi, of dichte seit,
+Of spel toecht of melodye,
+Ezels ende rude saeftiere<a title="[margin: broddelaars, knoeiers.]"><sup>#</sup></a>
+Die der consten niet en weten een haer,
+Sullen bi ombekender maniere<a title="[margin: uit gemis aan ontwikkeling.]"><sup>#</sup></a>
+Haestelic vinden daer an een &#8222;maer"<a href="#16.26">[26]</a>.
+</p>
+
+<p>Doch niet alleen op andermans werk ook op eigen werk en
+talent gaat de literaire critiek zich richten.
+
+<p>De samenstellers van <i>Sinte Amands Leven</i> en van <i>de Tien
+Plaghen</i> beseffen wel dat zij geene &#8222;meesters" in de kunst
+zijn, dat &#8222;diepheit van dichtene" en &#8222;sproken van cunsten
+fijn" hunne zaak niet is. De bewerker van den <i>Spieghel der
+Sonden</i> is zich ook wel van iets dergelijks bewust; doch hij
+acht dat van geringe beteekenis: &#8222;de rime" moge van minder
+allooi zijn, wat schaadt dat, indien de <i>Spiegel</i> maar helder is<a href="#16.27">[27]</a>?
+
+<p>En dan, de critiek was niet louter afkeuring. MAERLANT
+brengt zijns ondanks hulde aan de bevalligheid der ridderpoëzie
+waartegen hij in later tijd te velde trok en BOENDALE volgt
+hem ook in die hulde. MAERLANT zelf werd bewonderd en
+geprezen door wie na hem kwamen en AUGUSTIJNKEN VAN
+DORDT na zijn dood geroemd als &#8222;een constenare fijn."
+
+<p>Zelfs zouden wij een oogenblik kunnen meenen, dat men
+toentertijd te onzent reeds beroeps-critici gekend heeft, wanneer
+wij gewag hooren maken van
+
+<p class="quote">Die meerkeren ende de wijsen
+Die de grote cunste prisen<a href="#16.28">[28]</a>.<a name="527"></a>
+</p>
+
+<p>Doch ook al laten wij deze plaats uit een sterk Duitsch-getint
+gedicht ter zijde, dan nog blijkt uit al het voorafgaande
+wel, dat men aan poëzie en alles wat haar raakt meer gewicht
+gaat hechten dan vroeger.
+
+<p>Reeds het veelvuldig gebruik van den droom als poëtischen
+vorm wijst op een hooger opvatting van poëzie. De dichters
+wilden hierdoor op naïeve wijze te kennen geven dat poëzie
+iets buitengewoons is, iets dat buiten of boven de gewone
+werkelijkheid staat. Het visioen der mystieken breidt zich
+in steeds breeder en flauwer wordende kringen over ons
+volk uit.
+
+<p>Dichtkunst en poëzie worden opgenomen onder de stoffen
+van het dagelijksch gesprek, zij het dat wij daarvan vooralsnog
+slechts één bewijs kunnen bijbrengen: HILLEGAERTSBERCH
+laat &#8222;een leeck dichter" en een &#8222;clerck" zich onderhouden
+over &#8222;dichten ende const". JAN VAN HULST (of welke andere
+Vlaamsche dichter ook) acht het der moeite waard, ons het
+dichten, componeeren en opschrijven van een lied tamelijk uitvoerig
+te beschrijven.
+
+<p>Geen auteur van dezen tijd leert ons de toenmalige opvatting
+en beschouwing van dichters en dichtkunst beter kennen dan
+JAN BOENDALE.
+
+<p>In den proloog van zijne <i>Teestye</i> doet hij ons reeds eenige
+bekentenissen over zijne neiging tot en zijne beschouwing van
+poëzie. Hoog is die beschouwing niet; de neiging tot poëzie
+komt bij hem voort uit afkeer van ledigheid, doch tevens uit
+zijne natuur; poëzie is vermoeienis des geestes, doch daarom
+verzaakt hij haar niet. Hij hoopt zich met deze &#8222;reyne onlede"<a title="[margin: bezigheid.]"><sup>#</sup></a>
+bezig te houden, zoolang God hem het leven gunt, en zijn
+talent aan te wenden ten dienste van zijn beschermer, Heer
+ROGIER VAN LEEFDALE<a href="#16.29">[29]</a>.<a name="528"></a>
+
+<p>Veel gewichtiger echter voor ons doel is het bekende hoofdstuk
+uit het derde Boek van <i>der Leken Spieghel</i>.
+
+<p>Het heeft BOENDALE getroffen, dat in zijn tijd zooveel leeken
+naast de &#8222;clercken" optreden als dichters; daarom acht hij
+wenschelijk uiteen te zetten, wat noodig is om een recht
+dichter te zijn. Wenschelijk, want: &#8222;dichten en is geen spel."
+Drie dingen zijn noodig: een dichter moet de taalkunde en
+de kunst van schrijven verstaan; waarheidlievend moet hij zijn
+en eerzaam van leven. Hij moet zich toeleggen op schoone
+taal en de woorden te voegen &#8222;elc na sinen scoonsten accoorde",
+hij moet juist schrijven en spellen, begrip hebben hoe men
+een stuk moet opzetten, voltooien, en stevigen door kracht
+van voorbeelden. Leeken, die van dit alles, de kunst der
+&#8222;gramarie", geen verstand hebben, deugen niet voor dichter;
+zij missen den onontbeerlijken grondslag.
+
+<p>Een poëet moet de waarheid liefhebben. Want hij wenscht
+toch, dat men zijne geschriften leze en blijve lezen. Wordt hij
+nu op onwaarheid betrapt, dan zal men hem niet meer gelooven
+en zijn dichternaam is verloren. Er zijn bovenal twee dingen,
+waarin hij niet mag liegen: historische feiten en de Bijbel.
+&#8222;Eere wien eere toekomt", dat zij de leus van den rechten
+geschiedschrijver; onwetendheid, gunst en afgunst doen de
+waarheid vaak verzwijgen&mdash;maar men bedenke, dat leugen
+de ziele doodt en dat wij rekenschap moeten geven van elk
+ijdel woord. Terecht is JACOB VAN MAERLANT, &#8222;die vader is
+der Dietsche dichtren algader", zoo uitgevaren tegen de leugendichters,
+die met vernuft en in mooie taal allerlei onwaarheid
+verteld hebben van historische personages als KAREL DE GROOTE
+en OCTAVIANUS. Zoo vertelt men van KAREL dat hij indertijd
+uit stelen gegaan is, dat hij door zijn vader op een kar bij
+een dienstmaagd verwekt is; van OCTAVIANUS dat hij bij Leuven
+geboren is &#8222;ten Zeven Tommen"<a title="[margin: bij de zeven graven.]"><sup>#</sup></a>. Alles leugens! Zulken<a name="529"></a>
+leugenaars moest men het dichten verbieden! 't Is waar, zij
+willen de menschen iets nieuws opdisschen om er geld of eer
+mede te winnen. Ja, men vertelt wel eens verzonnen dingen,
+zoo b.v. van Reynaert en Izegrim en Bruin den beer;
+maar daar is het te doen om leering en wijsheid. God zelf
+sprak immers ook in parabelen!
+
+<p>Het tweede, waarin men geen onwaarheid spreken mag, dat
+zijn heilige boeken, levens der heiligen en alles wat tot de
+heilige Kerk behoort; want die heeft haar grondslag in JEZUS
+CHRISTUS, die alleen de waarheid is.
+
+<p>Wil hij in zijn werk de menschen op het rechte pad brengen,
+priesters en ridders deugd en wijsheid leeren, vaak hen berispen,
+dan moet hij zelf een deugdzaam man zijn. Leeringen
+wekken, voorbeelden trekken. Let eens op de dichters die
+er vroeger waren: MOZES, (FLAVIUS) JOSEPHUS, ARISTOTELES,
+CATO, SENECA, PLATO, HORATIUS, OVIDIUS, HIERONYMUS
+die den Bijbel vertaald heeft&mdash;allen dichters in eere en
+deugd. Niemand heeft ooit JACOB VAN MAERLANT op een
+leugen betrapt, want zijn leven was eerzaam, zooals een
+dichter past.
+
+<p>Dichter moet men zijn van nature; zijt gij door de natuur
+niet tot dichter gemaakt, dan zal niemand u kunnen leeren
+hoe gij het worden zult. Rechte dichters moet men op hoogen
+prijs stellen. Zij zijn onmisbaar; want de Bijbel, alle recht en
+wet, ons geloof, onze handvesten en onze geschiedenis&mdash;alles
+zou verloren zijn gegaan, hadden de dichters het niet in
+hunne geschriften bewaard.
+
+<p>Ten slotte wil ik u zeggen, wie dichters geboren zijn.
+
+<p>De een dicht om een liefje, de ander om roem te winnen,
+weer een ander om geld&mdash;maar dat is de rechte poëzie niet;
+zulke menschen dichten uit winstbejag, zonder natuurlijke
+aandrift<a name="530"></a>
+
+<p class="quote">Een rechte dichtere, God weet,
+Al waer hi in enen woude,
+Dat hi nemmermeer en soude
+Van dichtene hebben danc,
+Nochtan soude hi herde onlanc<a title="[margin: zeer korten tijd.]"><sup>#</sup></a>
+Sonder dichten daer gheduren,
+Want het hoort te sire naturen:
+Hi en mochts niet laten, al woude hi.
+Dichten moet uut herten vri
+Comen ende uut claren zinne,
+Daer God behoude inne
+Elken dichter die waerheit mint.
+</p>
+
+<p>Aldus eindigt de eerste Nederlandsche poëtiek. Misschien
+mogen wij zeggen: de eerste Europeesche poëtiek die in eene
+moderne volkstaal geschreven is; mij althans is in geen der
+moderne literaturen een vroeger of gelijktijdig geschrift bekend
+dat met dit hoofdstuk van JAN BOENDALE vergeleken kan
+worden. Reeds om die reden acht ik deze verhandeling van
+groote beteekenis; doch ook om andere redenen.
+
+<p>Het had BOENDALE getroffen dat de poëzie langzamerhand
+uit de handen der meistreelen en &#8222;clercken" overging in die
+der burgerij; en daar de dichters voor hem blijkbaar de dragers
+van het ideaal zijn, tracht hij de komende dichters in het
+rechte spoor te brengen. Vandaar zijne omschrijving der eischen
+waaraan een dichter behoort te voldoen. Zij moeten ontwikkelde
+mannen zijn, wier leven in overeenstemming is met hunne
+poëzie. De waarheid moeten zij voorstaan, al wordt het begrip
+<i>waarheid</i> hier nog in zeer beperkten zin opgevat. Het gewicht
+van het nieuwe in de literatuur heeft BOENDALE reeds gevoeld;
+hij heeft ook beseft dat ware poëzie geboren kan worden slechts
+uit belangelooze aandoening en aandrift, en niets gemeen kan<a name="531"></a>
+hebben met eenige zelfzucht. Waar hij er op wijst, hoeveel de
+menschheid aan de poëten te danken heeft, herinnert hij even
+aan niemand minder dan SHELLEY die in zijne <i>Defence of
+Poetry</i> deze gedachte heeft uiteengezet met een rijkdom van
+gevoel en wetenschap en bekleed met een heerlijkheid van
+taal, waarvan de Antwerpsche schepenklerk zich geene voorstelling
+heeft kunnen vormen.
+
+<p>Doch hoe onvolkomen en gebrekkig in menig opzicht de
+berijmde verhandeling van dezen ook moge zijn, zij blijft een
+merkwaardig literair-historisch stuk. Al ware zij ook onvolkomener
+dan zij is, dan nog zouden wij BOENDALE dankbaar
+moeten blijven voor dezen eersten stap op een onbetreden weg;
+niet het minst voor die fraaie slotregels, waarin voor de eerste
+maal in deze lage landen bij de zee verkondigd is, dat men
+dichter geboren moet zijn en dat een recht dichter zingt, &#8222;al
+zong hij zichzelve' alleen"<a href="#16.30">[30]</a>.
+
+<p>BOENDALE'S uiteenzetting van den invloed der literatuur op
+de ontwikkeling der maatschappij kan worden aangevuld met
+een paar staaltjes van dien invloed, ontleend aan zijn eigen tijd.
+
+<p>MAERLANT, vervolgd door de geestelijkheid wegens zijn
+Rijmbijbel, heeft ons reeds vroeger getoond dat men de macht
+der literatuur in de volkstaal ging beseffen. MELIS STOKE maakt
+zich ongerust over de wraakzucht van het publiek; bij de
+beschrijving van een gevecht acht hij het veiliger dappere
+strijders en lafaards niet bij name te noemen; hij kent zijne
+tijdgenooten als hardhandig en geen vrienden van halve maatregelen<a href="#16.31">[31]</a>.
+In het verhaal <i>van den borchgrave van Couchi</i>
+wordt een page die een verboden lied zingt, opgehangen aan
+een boom<a href="#16.32">[32]</a>.
+
+<p>Begon de literatuur zoo eenerzijds invloed te oefenen, anderzijds
+bracht zij soms roem aan de schrijvers. De dichters van<a name="532"></a>
+<i>Sinte Amands Leven</i> en van <i>Theophilus</i> vreezen dat hun naam
+zal bekend worden en dat men dan hun werk zal toeschrijven
+aan roemzucht; Broeder GHERAERT, de Karthuizer, verbaast er
+zich over dat RUUSBROECK zoo volslagen vrij is van &#8222;ydelre
+gloriën"<a href="#16.33">[33]</a>.
+
+<p>Die afwezigheid van roemzucht in den prior van Groenendale
+verhoogde zijn roem, versterkte en verbreidde zijn invloed ook
+op de auteurs die na hem kwamen. Zoo werden ook MAERLANT'S
+aanzien en invloed op latere schrijvers verhoogd door
+de vervolging waaraan hij bloot stond.
+
+<p>In VELDEKE'S invloed op de Hoogduitsche literatuur, in den
+invloed door MAERLANT en RUUSBROECK geoefend op de
+schrijvers die na hen kwamen, hebben wij in onze literatuur
+de eerste voorbeelden van de literaire vorming welke een
+volgend geslacht van het voorgaande ontvangt.<a name="533"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.1">1</a>: Vgl. Mr. S. MULLER FZ., <i>De Registers en Rekeningen van het
+bisdom Utrecht</i> (a<sup>o</sup> 1325, 1329, 1332), I, 567, 383; <i>Rekeningen der
+Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis</i> (ed. HAMAKER),
+III, p. 49, 92 vlgg.; <i>Cameraars-rekeningen</i> (ed. VAN DOORNINCK),
+I, 47, 84; II, 20, 308, 783; III<sup>1</sup>, 498, 518 (a<sup>o</sup> 1339, 1340, 1360, 1365).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.2">2</a>: Vgl. <i>Oudste Burgemeesters rekening van Middelburg</i> (a<sup>o</sup> 1364),
+uitgeg. door het Historisch Genootschap in <i>Codex Diplom. Neerl.</i>,
+1853, II, p. 5, 6. <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>, p. 267 en <i>Versl. en Med.
+Kon. Akad.</i>, 3e Reeks, XII, 164, vs. 144.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.3">3</a>: Vgl. <i>Dits et Contes de Baudouin de Condé....</i> par AUG. SCHELER,
+I, 153: <i>Li Contes des Hiraus</i>; I, 448 een citaat uit de <i>Hist. Litt.
+de la France</i>, XXIII, 272; &#8222;A la fin du XIIIe siècle la profession
+des hérauts etc."
+
+<p class="footnote">In het tweede der vier boven aangehaalde verzen staat in den tekst
+<i>lecken berden</i>. VERDAM wil hiervoor lezen: <i>leckeberden</i> in den zin van
+<i>flikflooien</i>. Doch op andere plaatsen schijnt dat w.w. niet voor te
+komen (<i>Mnl. Wdb.</i> i.v.). De emendatie blijft dus twijfelachtig voor
+mij. Wat beteekent <i>bert</i> hier? In de beteekenis <i>schotel</i> schijnt het niet
+voor te komen. Kan het misschien <i>(wapen)bord</i> beteekenen? Zoo ja,
+dan zouden wij daarin een duidelijker toespeling op de herauten
+hebben.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.4">4</a>: <i>Belg. Mus.</i>, VII, 318.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.5">5</a>: <i>Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen</i>,
+bl. 63; <i>Cam. Reken.</i>, III, 1, p. 624 (a<sup>o</sup> 1366); III, 2, p. 239 (a<sup>o</sup> 1369);
+<i>Reken. der Graf. v. Holland onder het Heneg. huis</i>, III, 385; <i>Goede
+Boerden</i>, p. 37 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.6">6</a>: Al deze sprekers worden vermeld in de excerpten der <i>Grafelijkheids-rekeningen</i>
+achter JONCKBLOET'S <i>Mnl. Dichtk.</i>, Deel III.
+COLPAERT in <i>Vad. Mus.</i>, I, 50. De Holsteinsche <i>Hopezomer</i> wordt
+a<sup>o</sup> 1392-'3 <i>jong</i> genoemd en kan dus niet dezelfde zijn als zijn
+naamgenoot de heraut.]<a name="534"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.7">7</a>: KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 114.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.8">8</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 335, vs. 44 vlgg.; <i>Vierde Martijn</i>, vs. 789&ndash;791;
+<i>Van den Borchgrave van Couchi</i>, I, 94 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.9">9</a>: Die naamdichten (voor <i>Marie, Liegaert, Lauwerette, Violette
+Calle</i> e.a. volgens aanwijzing van ARNOLD in <i>D. War.</i>, I, 542) in
+<i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.10">10</a>: <i>Grimb. Oorlog</i>, I, 12&ndash;21; <i>Sp. der Zonden</i>, vs. 7739-'40;
+<i>Oudvl. Ged.</i> (ed. BLOMMAERT), III, 115; <i>Teestije</i>, vs. 1615 vlgg.;
+922 vlgg.; <i>Lekensp.</i>, III, c. 4, 190&ndash;2. Misschien zouden wij in dit
+verband ook de zonderlinge <i>Tweespraak van Scalc ende Clerc</i> moeten
+behandelen (vgl. TE WINKEL, bl. 310; ook m.i. is zij stellig niet
+van MAERLANT). Doch zoolang wij dit gedicht slechts in zoo gebrekkigen
+tekst kennen, is het beter zich van een oordeel te onthouden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.11">11</a>: Vgl. <i>N. Doct.</i>, vs. 19 vlgg.; <i>Leven Van S. Amand</i>, 1379 vlgg.;
+<i>Theoph.</i>, 28&ndash;29; <i>Mnl. Ged.</i> (ed. DE PAUW), I, 12; <i>Vaghevier van
+S. Patr.</i>, 24&ndash;26; <i>Bed. der Missen</i> aan het slot; <i>Mnl. Ged.</i> (ed.
+DE PAUW), I, 41 vlgg.; <i>S. Kerstine's Leven</i>, vs. 151&ndash;3; <i>Der Ystor.
+Bloeme</i>, 36&ndash;40, 725 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.12">12</a>: Over LOD. VAN VAELBEKE vgl. <i>Lied in de Midd.</i>, bl. 587; maar
+vooral: VANDER STRAETEN'S <i>Les Ménestrels aux Pays-Bas</i>, p. 88 suivv.
+OTTE VAN ORLEIEN, <i>Vad. Mus.</i>, II, 394; de hand van een geestelijke
+of clerck meen ik te zien in <i>Couchi</i>, II, 1628 vlgg., 1746-'7,
+2171 vlgg.; de bedoelde wapendichten in <i>Belg. Mus.</i>, V, 104 vlgg.;
+het groot aantal assoneerende rijmen in <i>Jonitas en Rosafiere</i> (zeker
+een 40-tal op 1200 verzen) zou aan een volksdichter doen denken;
+de rijmen van BOUDEN VAN DER LOREN zijn over het algemeen
+zuiver, terwijl men in de overige wenschliederen nog al wat assoneerende
+rijmen aantreft. Over JAN VAN HULST vgl. een artikel van
+ARNOLD in <i>D. Warande</i>, (N. Reeks), I, 542 en de Inleiding tot de
+<i>Oudvlaemsche Lied. en Ged.</i> Een nauwkeurig onderzoek der onderscheiden
+liederen en gedichten van dezen bundel zal misschien meer
+zekerheid brengen aangaande de makers of den maker; het komt mij
+voor dat althans de twee groote allegorische gedichten op bl. 233 vlgg.
+en 314 vlgg. van dezelfde hand zijn die vele der liederen schreef:
+op bl. 266 vindt men een viertal verzen die hier en daar letterlijk
+herinneren aan eenige uit het lied op de &#8222;kerels". Vgl. ook bl. 311&ndash;312
+met n<sup>o</sup>. 36, n<sup>o</sup>. 103, n<sup>o</sup>. 140 (de kleuren). De liederen op bl. 247, 261,
+276, 279, 280, 294, 303, 311 herinneren door vorm en inhoud aan
+vele der 145 die den bundel openen.
+
+<p class="footnote">Op bl. 459 wordt Brugge genoemd als woonplaats van den dichter;
+<a name="535"></a>
+juist dat gedicht vertoont in de aanvangsletters zijner laatste verzen
+den naam JAN MORITOEN; dezelfde als JAN VAN HULST? Over den
+zanger EGIDIUS te verg. n<sup>o</sup>. 98 en n<sup>o</sup>. 100 der <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>;
+op p. 470 van dien bundel eene klacht die aan hem doet denken;
+voorts <i>Tijdschr. v. Ned. T. en L.</i>, XI, bl. 286&ndash;7, 289&ndash;292.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.13">13</a>: <i>Belg. Mus.</i>, X, 69.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.14">14</a>: Vgl. <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XXIII, 46; <i>Leven van S. Amand</i>,
+I, 676, 2807, 3920; <i>Goede Boerden</i>, p. 4; <i>Belg. Mus.</i>, X, 69;
+KAUSLER, <i>Denkm.</i>, III, 109, 203.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.15">15</a>: De plaatsen over het <i>hooren</i> van poëzie zijn, na de vroeger
+vermelde, te talrijk om mede te deelen; ieder kan ze gemakkelijk
+vinden. Vgl. overigens: <i>Vad. Mus.</i>, I, 337; <i>Belg. Mus.</i>, X, 57.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.16">16</a>: Vgl. <i>Werken</i> (ed. DAVID), I, bl. IX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.17">17</a>: <i>Het Leven van S. Kerstine</i> ondernomen op verzoek der geestelijke
+jonkvrouw FEMINE VAN HOYE; VELTHEM berijmde voor loon
+zijne voortzetting van den <i>Sp. Hist.</i> op verzoek van de Vrouwe
+VAN BERLAER; de <i>Brabantsche Yeesten</i> werden gemaakt in opdracht
+van Heer WILLEM BORNECOLVE, een aanzienlijk Antwerpenaar; de
+<i>Grimb. Oorlog</i> werd &#8222;beschreven en gedicht" op verzoek waarschijnlijk
+van een edelman (zie vs. 6167 vlgg. en 6600-'2 van het tweede deel);
+<i>Tondalus Visioen</i> voor een &#8222;edele Jonfer".
+
+<p class="footnote">De beide rekeningposten in JONCKBLOET'S <i>Gesch. der Mnl. Dichtkunst</i>,
+III, 618, 611.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.18">18</a>: DE LANGE VAN WIJNGAERDEN, <i>Geschied. van Gouda</i>, I, 187
+(omstreeks 1387).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.19">19</a>: Vgl. over dien roman <i>Middelned. Ep. Fragmenten</i>, bl. 263&ndash;4;
+voorts <i>Das Epos von Isembard und Gormond....</i> von Dr. R. ZENKER,
+Halle a.S. 1896; THEODOR FLURI, <i>Isembart et Gormond</i> (Züricher
+Diss., 1895); <i>Romania</i>, Avril, 1897, Janv. 1898.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.20">20</a>: Vgl. het merkwaardig stuk van NAP. DE PAUW in <i>Ned.
+Museum</i>, 1879.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.21">21</a>: <i>Lekensp.</i>, B. III, c. 3, vs. 969 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.22">22</a>: <i>Melib.</i>, 55&ndash;58. (Ook al komt deze plaats reeds in het origineel
+voor, dan blijft zij nog van gewicht); DE VREESE'S <i>Bijdragen</i>, bl. 15.
+Andere plaatsen waar m.i. gewag wordt gemaakt van <i>lezen</i> in onze
+beteekenis, zijn: <i>Jans Teesteye</i>, vs. 812-'4; <i>Vlaamsche Rijmkroniek</i>
+(in KAUSLER'S <i>Denkmäler</i>), vs. 4124-'5; <i>Tondalus Visioen</i> in den
+aanvang (ed. BLOMMAERT, II, 31: &#8222;So wie datter neerenstelic in
+wille lesen ende de woorden merken, hi sal" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.23">23</a>: <i>Oudvl. Lied. en andere Ged.</i>, bl. 268.]<a name="536"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.24">24</a>: DE VREESE, a.w. bl. 24.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.25">25</a>: <i>Alex.</i>, vs. 6, 29; <i>Merlijn</i>, 6 vlgg.; <i>Troyen</i>, 24&ndash;26; <i>Rijmb.</i>,
+I, 73 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.26">26</a>: Proloog v.d. <i>Lekensp.</i>; <i>M.e.V. Heim.</i>, vs. 25 vlgg.; KAUSLER,
+<i>Denkm.</i>, III, bl. 215.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.27">27</a>: <i>S. Amand</i>, II, 5333 vlgg.; <i>Tien Plaghen</i>, 30&ndash;33; <i>Sp. der
+Zond.</i> I, p. 218.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.28">28</a>: <i>Oudvl. Ged.</i>, III, 105; <i>Tien Plaghen</i>, vs. 43&ndash;44.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.29">29</a>: A.w. vs. 64 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.30">30</a>: <i>Licht en Schaduw</i> door SOERA RANA (I. ESSER JR.), bl. 6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.31">31</a>: A.w. (ed. BRILL), I, bl. 224; Boek X, vs. 40&ndash;151.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.32">32</a>: A.w. I, 113 vlgg., 312 vlgg. Daarbij: <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>,
+bl. 270 en <i>Brab. Yeesten</i>, V, 3181 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.33">33</a>: DE VREESE, t.a.p. bl. 13.]<a name="537"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH.</h2>
+
+<p>Een goed voorbeeld van dien invloed vinden wij in de
+persoonlijkheid en het werk van den dichter wiens naam hierboven
+staat.
+
+<p>Die persoonlijkheid en dat werk vereenigen in zich zooveel
+trekken van veertiend'eeuwsche dichters en dichtkunst, zij toonen
+ons den invloed der vroegere literatuur zooveel beter dan die
+der meeste anderen uit dezen tijd, zij voegen bij dat gemeenschappelijke
+en ontleende zooveel eigens&mdash;dat WILLEM VAN
+HILDEGAERSBERCH wel aanspraak mag maken op een afzonderlijke
+plaats in dit verhaal<a href="#17.1">[1]</a>.
+
+<p>Hij was een spreker gelijk er zoovelen waren, doch die, naar
+het schijnt, de overigen in talent overtrof; in allen gevalle is
+hij de eenige van wiens werken ons zooveel is overgebleven
+en van wien wij ons daardoor eene betrekkelijk zoo volledige
+voorstelling kunnen vormen.
+
+<p>Misschien is hij omstreeks het midden der 14<sup>de</sup> eeuw geboren,
+en gestorven niet lang na 1408. Vóór 1375 moet hij reeds als
+spreker zijn opgetreden. Heeft broodsgebrek hem gedrongen tot
+het aanvaarden van dat beroep? Het is licht mogelijk. Mij ten
+minste komt het niet onwaarschijnlijk voor dat hij in één zijner
+gedichten over zich zelven spreekt waar hij een jonkman over
+zijne jeugd laat verhalen: hoewel van matigen rijkdom, leefde
+hij als een prins; zijne magen ergerden zich aan zijn gedrag
+en rieden hem aan dat leven te laten varen; maar hij stoorde<a name="538"></a>
+zich niet aan hen; toen trokken zij de handen van hem af
+en het liep mis met hem<a href="#17.2">[2]</a>.
+
+<p>Eerst in 1382 vinden wij in de rekeningen der Grafelijkheid
+van Holland gewag van hem gemaakt; uit de wijze waarop hij
+daar genoemd wordt: &#8222;WILLEM VAN HILGAERTSBERGHE, <i>enen</i>
+spreker" zou men opmaken, dat hij toen nog niet zeer bekend was
+aan des graven hof. In het volgend jaar echter schijnt &#8222;Meester
+WILLEM de spreker" reeds meer bekend te zijn geworden.
+Behalve voor mijn Heer den Grave spreekt hij niet zelden voor
+andere &#8222;hoghe heren", maar hij is, zoomin als zijne kunstbroeders,
+te grootsch om zes &#8222;nieuwe schilden" aan te nemen
+voor een rok en een paar &#8222;Henegouwsche kronen" als drinkgeld.
+Met spijs en drank als loon voor kunst is hij niet
+zooals zijne mindere gildebroeders tevreden en waar hij geen
+kans ziet een zwanepluim rijker te worden, zooals ten huize
+van Heer DIRC den Commandeur der Duitsche Orde te Leiden,
+daar licht hij zijne hielen.
+
+<p>Evenals andere sprekers en zeggers wacht hij niet altijd op
+eigen aandrift, maar vervaardigt ook wel een gedicht over een
+opgegeven onderwerp. Zoo schrijft hij op verzoek der abdisse
+van Rijnsburg iets over de Tien Geboden<a href="#17.3">[3]</a>.
+
+<p>HILDEGAERSBERCH'S werken geven een kort begrip van een
+groot deel der toenmalige literatuur: men vindt er tal van
+stichtelijke of zedekundige stukken, een paar dierfabels, een
+paar boerden, ook historische gedichten aan de tijdsomstandigheden
+ontleend. In zijn werk is de invloed van vroegere auteurs
+duidelijk zichtbaar en wij vinden er onderscheidene trekken der
+gelijktijdige literatuur in terug. Een geleerd dichter als MAERLANT
+of BOENDALE was hij allerminst; Latijn kende hij niet en
+zijne boekenkennis zal zich in hoofdzaak wel bepaald hebben
+tot den bijbel<a href="#17.4">[4]</a>. Destemeer zal hij zijn voordeel hebben gedaan
+met wat de geleerde &#8222;clercken" vóór hem hadden gedicht.<a name="539"></a>
+MAERLANT'S werken, o.a. zijne strophische gedichten, zijn
+hem niet onbekend gebleven; doch meer had hij te danken
+aan het werk van BOENDALE die een paar geslachten ouder
+moet zijn geweest dan de Hollandsche spreker. Stukken van
+<i>der Leken Spieghel</i> zijn door WILLEM in zijne werken opgenomen.
+Zijn verzet tegen de materiëele voorstelling dat &#8222;God
+is als een mensch gedaen", zijne eigene voorstelling dat God
+&#8222;altemale een gheest" is, herinneren ons ook aan den <i>Lekenspieghel</i>.
+BOENDALE'S beschouwing der literaire kunst is door
+HILDEGAERSBERCH overgenomen; de verzen:
+
+<p class="quote">Const is die alrehoochste schat
+Die men ter werelt ye besat.
+</p>
+
+<p>zijn een weerklank van BOENDALE'S hoofdstuk <i>Hoe dichters
+dichten sullen</i><a href="#17.5">[5]</a>.
+
+<p>Evenals voor BOENDALE heeft ook voor WILLEM de dierfabel
+slechts waarde als voertuig van nuttige leering: &#8222;Zoo
+sprac Reynaert, ende hi was vroet"&mdash;daarmede besluit hij
+een zijner dierfabels en in een andere waar hij een hond doet
+spreken, acht hij zich verplicht den lezer te waarschuwen:
+
+<p class="quote">Niet dat honden yet spreken moghen,
+Mar in 't ghelijcke wert vertoghen
+Menighe leer tot onser bate<a href="#17.6">[6]</a>.
+</p>
+
+<p>Den invloed van MAERLANT meer dan dien van BOENDALE
+zien wij in WILLEM'S beschouwing der vrouwen. Bij hem als
+bij MAERLANT vinden wij vooral den hoofschen vrouwendienst
+die zich vertoont o.a. in regels als deze uit een stuk <i>Vanden
+goeden vrouwen</i>:
+
+<p class="quote">Twaer een kaerl onwijs te weten
+Off by maten dat uut te meten,
+Wat loff den vrouwen toebehoort.<a name="540"></a>
+</p>
+
+<p>&#8222;Wat een reyn wijff waerdich is", heeft hij uiteengezet en
+ook in andere stukken zijn eerbied voor het vrouwelijk geslacht
+betuigd. Die eerbied is zóó groot dat hij eervergeten vrouwen
+die zich onder de eerzame mengen, bellen zou willen aanhangen
+&#8222;die lude cloncken waer si ghinghen"; op die wijze zou men
+zich voor haar kunnen wachten<a href="#17.7">[7]</a>.
+
+<p>Niet alleen door den inhoud, ook door den uiterlijken en
+innerlijken vorm zijner poëzie toont WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH
+zich een kind van zijn tijd. Allegorische personages
+als Trouw en Gerechtigheid, Rede als portier, Trouwe
+als kastelein, Eer als raadsman en dergelijke komen ook bij
+hem voor. Hij bedient zich van tweespraak en &#8222;disputacie",
+hij speelt met woorden als <i>beschermen</i> dat tot <i>bescheren</i> wordt,
+met <i>vaer</i><a title="[margin: vrees.]"><sup>#</sup></a> en <i>varen</i><a href="#17.8">[8]</a>. Zijne stukken zijn, gelijk zoovele
+andere didactisch-lyrische, niet zelden in coupletten verdeeld
+en vangen nog al eens aan met eene natuurschildering. De
+stof is er op de gewone schoolsche wijze verdeeld in punten,
+die achtereenvolgens nauwgezet en degelijk worden behandeld;
+reeksen los aaneengeregen sententie's zijn ook bij hem niet
+zeldzaam.
+
+<p>Bijna alle gedichten van HILDEGAERSBERCH hebben, de strekking:
+invloed ten goede te oefenen op de menschen en de
+maatschappij. Wij weten te weinig van de poëzie der overige
+sprekers om te kunnen beslissen of hij ook hier als type zijner
+soort mag gelden; doch indien de stichtelijke en didactische
+lyriek dier dagen grootendeels aan sprekers mag worden toegeschreven&mdash;en
+ik zie daartegen geen bezwaar&mdash;dan bevat
+WILLEM'S werk ook hier het meest wezenlijke van dat zijner
+tijdgenooten.
+
+<p>Overal vinden wij in zijne gedichten die opwekkingen en
+waarschuwingen om wel te leven, ten einde zalig te kunnen<a name="541"></a>
+sterven; te geven &#8222;metter wermer hant"<a title="[margin: nog bij iemands leven.]"><sup>#</sup></a>, niet gierig te zijn,
+de goede keuze te doen tusschen het tijdelijke en het eeuwige,
+indachtig te blijven dat wij &#8222;geen <i>morgen</i> hebben", dat wij
+allen &#8222;op de lange vaart" moeten. Hij wendt zich tot de hooge
+heeren met de bede om recht en billijkheid te betrachten,
+klaagt over het onrecht dat zij laten geschieden, waarschuwt
+anderen zich niet al te veel met de groote heeren in te laten.
+Den rechters houdt hij het ideaal voor oogen van den waarachtigen
+rechter: God &#8222;die elken man ghelike recht". Den steden
+wijst hij den weg om tot voorspoed te komen: onderling eendrachtig
+zijn, geld verdienen, vreemde kooplieden aanmoedigen<a href="#17.9">[9]</a>.
+
+<p>Evenals bij MAERLANT, anders dan bij BOENDALE, is bij
+WILLEM het verleden de lichte achtergrond waartegen de gebreken
+van het heden scherp uitkomen. Het heden ligt voor
+hem in het booze: Reinaert staat aan het roer en Simon<a title="[margin: verpersoonlijking der simonie.]"><sup>#</sup></a> op
+de voorplecht. Vroeger was alles zooveel beter; toen werden
+Trouw en Gerechtigheid geëerd; nu denkt ieder er slechts aan
+zijn eigen kist te vullen. Midden in een of ander verhaal uit
+het verre verleden zien wij hem soms plotseling terugkeeren
+tot zijn eigen tijd, om dien tegenover het betere verleden te
+plaatsen<a href="#17.10">[10]</a>.
+
+<p>Doch het sterke idealisme dat den onafhankelijken MAERLANT
+zóó forsch deed spreken, missen wij in HILDEGAERSBERCH
+die leven moest van het publiek. De zorg voor het
+dagelijksch brood hing den armen spreker als een kluister aan
+het been. Hij moet oppassen niet te veel te zeggen, of hij zal
+het voelen in zijne beurs, ja in zijn maag:
+
+<p class="quote">Want een dichter moet hem hoeden
+Voer den ghenen diet sullen horen,
+Dat sijs<a title="[margin: zij het.]"><sup>#</sup></a> in nide noch in toren
+Niet en nemen dat hi maect.<a name="542"></a>
+</p>
+
+<p>Hoe nederig vraagt hij de heeren om wat geduld; het moge
+hun toch niet te lang vallen als zij goede leering hooren!
+Zijnerzijds belooft hij maat te houden:
+
+<p class="quote">Een dichter die hem wel verstaet,
+Dien dicht niet al sijns selfs begheren.
+</p>
+
+<p>Niet te lang, &#8222;dat heeft men gaern ter heren hove," en daaraan
+zal hij zich ook maar houden<a href="#17.11">[11]</a>. Vandaar in zijne gansche
+houding tegenover zijn publiek iets slaps en zwaks. Het
+hoogste waartoe hij het in dezen brengt, is zachte ironie die
+in haar soort vooral voor dien tijd verdienstelijk is:
+
+<p class="quote">Waerom souden wy trueren yet?
+Sint God die werelt werden liet,
+So ne was sy nye so wel te vreden.
+Die paeus die leeft by goeden reden
+Om te dienen onsen Heer
+</p>
+
+<p>al het volk leeft deugdzaam, in de omgeving van den paus
+kent men geen afgunst en hebzucht, bisschoppen en prelaten
+zijn rechtschapen waar men komt&mdash;meer zal ik er niet van
+zeggen.
+
+<p>Doch ironie is bij WILLEM, en over het algemeen in de
+middeleeuwsche literatuur, betrekkelijk schaarsch. Gewoonlijk
+tracht ook deze leerdichter zijn publiek rechtstreeks te overtuigen;
+doch van hoe weinig idealisme getuigen doorgaans zijne gelijkvloersche
+argumenten. De tien geboden moet men houden.
+Waarom? Men leeft langer en heeft veel minder te doorstaan
+dan zij, die ze overtreden; die overtreders immers worden zelden
+oud, hunne zorgeloosheid kost hun het leven of maakt hen
+jichtig en lam. Met &#8222;wychelinge"<a title="[margin: de zwarte kunst.]"><sup>#</sup></a> moet men zich niet afgeven:
+zij brengt geen voordeel aan. Één God moet men aanbidden;
+men kan immers &#8222;met minre arbeide" één God aanbidden<a name="543"></a>
+dan vele? God moet men &#8222;te vriend houden" en eenvoudig
+weg gelooven dat Hij, onze Heer van den hemel, is één God
+en drie personen&mdash;&#8222;daer comt men by ten hoghen loon."
+Hebt gij verdriet, toon dat dan niet in uw uiterlijk: uwe vijanden
+zouden er in groeien. De heeren mogen hunne onderdanige
+schapen wel scheren, maar het vel moeten zij hun laten;
+dan kan er immers nieuwe wol op groeien! Wat overigens
+het onrecht betreft, dat moet men verdragen en zachtkens
+terecht trachten te brengen. Al deed de heer nog zooveel
+kwaad, zijne onderdanen moeten steeds
+
+<p class="quote"> smeken ende nygen<a title="[margin: vleien en buigen.]"><sup>#</sup></a>
+Om hoers heren hulde<a title="[margin: gunst, genegenheid.]"><sup>#</sup></a> te crigen.
+</p>
+
+<p>WILLEM ziet wel dat de Kerk in zijne dagen van den rechten
+weg is afgedwaald en dat vele priesters niet deugen; doch
+de leeken moeten er zich maar niet te zeer aan ergeren en
+slechts letten op wat de priesters hun <i>leeren</i>; er kan wel goed
+zaad gestrooid worden uit een slechten korf<a href="#17.12">[12]</a>.
+
+<p>Dat de roeping van den dichter is vóór alles: priester der
+waarheid te zijn, hadden MAERLANT en BOENDALE WILLEM
+VAN HILDEGAERSBERCH geleerd; hij heeft getracht die leer in
+praktijk te brengen, doch zijn beroep kwam telkens met zijne
+roeping in strijd. &#8222;De waarheid wil niet gehoord zijn" dat
+was meer dan eens zijn droeve ervaring, en de omstandigheden
+dwongen hem daarin te berusten. Echter bracht die
+berusting hem niet tot lijdelijk stroomaf drijven; hij bleef roeien
+met de riemen die hij had. Ik zal leeren dicht bij het wit te
+schieten, niet het wit zelf te treffen, zegt hij in het gedicht
+<i>van den coninc van Poertegael</i>. Maar zijn eerlijk eenvoudig
+hart, verdeeld tusschen ideaal en werkelijkheid, blijft droevig
+gestemd:<a name="544"></a>
+
+<p class="quote">Hoe sal ic dan, arme oude,
+Die gaerne die waerheit spreken soude,
+Der heren gunst of hulde verwerven?
+</p>
+
+<p>In die verdeeldheid, in die droevige stemming is hij waarschijnlijk
+blijven verkeeren tot zijn dood.
+
+<p>Hij had de Fortuin gezocht oost en west, maar nooit gevonden.
+Doch al was zijn voorspoed naar de wereld gering,
+hij wilde zijn loon verwachten van God, zijn lijden geduldig
+dragen. Had het sprekerswerk hem geen stoffelijke winst gebracht,
+ook den invloed, door hem als dichter geoefend,
+schatte hij gering. Wat werkt al ons dichten en verzinnen uit?
+vraagt hij ergens, en met lichten spot antwoordt hij zelf: de
+menschen worden tegenwoordig zóó deugdzaam, dat matiging
+en billijkheid in hen blijven als in bodemlooze vaten. Elders
+klinkt het zonder spot en mismoedig:
+
+<p class="quote">Oft al om niet is dat ic doe,
+Wat sel dan arbeit onderstaen?<a title="[margin: Waartoe mij dan moeite gegeven?]"><sup>#</sup></a>
+</p>
+
+<p>Hij gaat zijn leven als spreker nog eens na: hoeveel schoone
+&#8222;exempelen" heeft hij voor de heeren gesproken; al zijn verzen
+spraken van rechtvaardigheid en eer te betrachten; hoe liefelijk
+men treedt op het pad naar den hemel&mdash;hoe vuil het pad is
+dat ter helle voert. Maar weinig hebben de menschen er zich
+om bekommerd; zij hebben den achterkant naar voren gekeerd
+
+<p class="quote">Dus clop ic veel an doofmans deur;
+Al roep ic lude, en mach niet in.
+</p>
+
+<p>Zijne tijdgenooten zijn gestorven of verdwenen, hij zelf wordt
+vergeten, zijne ledematen gaan hem begeven, hij hoort het
+vesperklokje luiden. Zelf is hij moede en verlangt naar rust.
+Eindelijk komt de man "met het witte kleed",.die niemand
+spaart, ook hem halen. In April 1409 kocht graaf WILLEM VI<a name="545"></a>
+een boek &#8222;dairin stonden vele schoonre sproken, die Willem
+van Hillegairtsberge gemaeckt hadde"; dat zal wel de voornaamste
+nalatenschap van onzen spreker geweest zijn<a href="#17.13">[13]</a>.
+
+<p>Die nalatenschap zou er misschien anders hebben uitgezien,
+indien zijn talent zich onder gunstiger omstandigheden had
+kunnen ontwikkelen. Want eenig talent had WILLEM VAN
+HILDEGAERSBERCH wel. Zijne vergelijkingen zijn niet zelden
+aardig gevonden; zoo b.v. die van de stichtelijke woorden,
+die langs de meeste kerkgangers afglijden als hagelsteenen
+langs de kleeren. Hoe goed van waarneming is dat huiselijk
+tooneeltje, waar wij middeleeuwsche huisvrouwen aan het
+spinrokken zien, terwijl de jonge kuikens met de klokhen om
+haar heen in de zon loopen. De vergelijking van het leven bij
+een zeereis is ook verdienstelijk uitgewerkt<a href="#17.14">[14]</a>.
+
+<p>Vertellen kan WILLEM ook wel; dat blijkt ten deele uit zijne
+fabels en de sproke <i>van Sinte Gheertruden min</i>, maar vooral
+uit de twee boerden <i>van het gestolen varken</i> en <i>van den Monnik</i><a href="#17.15">[15]</a>.
+Welk een levendigheid en gang is in die verhalen, al worden
+zij hier en daar vertraagd door de zucht tot leering en vermaning;
+welk een talent van waarnemen en voorstellen; welk een
+blijkbaar welbehagen ook in de behandelde stof! De door den
+duivel bedrogen monnik vooral is kostelijk! Aan zin voor
+echten volkshumor paarde deze spreker een loffelijk vermogen
+van waarneming. Dat vermogen toonde hij in zijne verhalen;
+hij toont het ook waar hij anderer of eigen gemoedsleven afbeeldt.
+Hoe juist heeft hij die zwakke en zorgelooze menschen gezien,
+die zich geene behagelijke zonden willen ontzeggen en denken:
+als wij ouder worden zal onze zinnelijkheid vanzelf wel afnemen
+en onze &#8222;nature vercouden". HILDEGAERSBERCH heeft het eerst
+de verveling van den traag voortkruipenden tijd beseft en in
+woorden gebracht:<a name="546"></a>
+
+<p class="quote">Als my die tijt verlanghen dede,
+So had ic ziecte ende onghevoech,
+Ic hoorde wat die clocke sloech,
+Die tijt, die ghinc van ure tot uren<a href="#17.16">[16]</a>.
+</p>
+
+<p>Meer dan een zijner kleinere stukken mag bevallig worden
+genoemd. Zoo b.v. dat gedicht op het scheiden, dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Ic heb op<a title="[margin: tegen.]"><sup>#</sup></a> scheyden horen spreken,
+Dattet vroechde mochte breken
+Onder tfolc, verre off naer,
+Die uut dier nature beke
+Mit ghenoechten soude leken,
+En dede<a title="[margin: indien er niet was.]"><sup>#</sup></a> der argher nyders schaer,
+Die menichwerve binnen der weken
+Goet gheselscap doen versteken,
+Die liever bleven tsamen daer,
+Al moeten si scheiden ane vaer<a title="[margin: zonder vrees.]"><sup>#</sup></a><a href="#17.17">[17]</a>.
+</p>
+
+<p>Ook is er in zijne poëzie hier en daer iets persoonlijks, dat
+ons in een middeleeuwsch dichter door zijne zeldzaamheid treft
+en dat wij vóór dezen slechts een enkelen keer hebben aangetroffen
+bij MAERLANT, waar hij zijne grijze haren in den spiegel
+ziet. Ik heb het oog o.a. op een reeds vroeger vermeld stuk,
+dat wel een van des dichters laatste zal zijn:
+
+<p class="quote">Ic bin al moede, ic wil gaen rusten;
+Van des mi wilen<a title="[margin: vroeger.]"><sup>#</sup></a> plach te lusten
+Des wordic sat, en weet niet hoe.
+ enz.<a href="#17.18">[18]</a>
+</p>
+
+<p>Ook op de inleiding van het gedicht <i>Van Ghilden</i>, waar hij
+op zoo naïeve wijze getuigt hoe onzeker en schroomvallig hij
+zich gevoelt door zijn gemis aan kennis en ontwikkeling. Altijd<a name="547"></a>
+is hij bang in strijd te komen met &#8222;die scrifture", wanneer hij
+iets gemaakt heeft. Die &#8222;anxte zwaer" voor de wijsheid, die in
+geschriften ligt opgetast, benauwt hem, drukt op zijn denken
+en zijn verbeelding, als het net op een vogel. Denkt hij over
+iets na, dan schiet hem tevens te binnen dat dit alles misschien
+lang en breed in een of ander geschrift te vinden is:
+
+<p class="quote">Want die clergie<a title="[margin: de geleerden.]"><sup>#</sup></a> is so subtijl:
+Daer ic om peynse lange wijl,
+Dat vinden sy varinc<a title="[margin: schielijk.]"><sup>#</sup></a> inder scrift;
+Dit doet dat ic met anxten dicht.
+Anxte die heeft my veel becoort,
+Als ic dichte of brenghe voort
+Enigherhande hoghe sake<a href="#17.19">[19]</a>.
+</p>
+
+<p>In die stemming moet hij dikwijls verkeerd hebben en het
+behoeft geen betoog dat zijne poëzie daaronder geleden heeft.
+De boerde <i>van den Monnik</i> en, in mindere mate, die <i>van het
+gestolen varken</i> toonen ons wat hij kan, indien hij zich durft
+laten gaan; doch vermoedelijk zal hij zelf deze stukken niet
+hoog hebben gesteld. Opmerkelijk is het, wat er onder
+zijne handen wordt van de fraaie geestelijke romance <i>van
+Sinte Gheertruut</i><a href="#17.20">[20]</a>. WILLEM'S bewerking heeft meer dan
+driemaal den omvang van de romance; in dichterlijke waarde
+echter overtreft het lied van den volksdichter de sproke van
+den spreker: de eerste is een werk van verbeelding, de
+laatste hoofdzakelijk verstandswerk. Het is er HILDEGAERSBERCH
+van den aanvang af om te doen, zijnen hoorders de
+beteekenis van de Sint-Geerteminne uit te leggen; ook andere
+deelen der stof wenscht hij voor het verstand zijner hoorders
+aannemelijker te maken, zoo b.v. de reden waarom SINTE
+GHEERTRUUT juist tot SINT JAN zich zoozeer aangetrokken voelde.
+Het gansche verhaal trouwens geeft hij aan zijn publiek ter leering:<a name="548"></a>
+
+<p class="quote">By desen <i>exempel</i> moochdi leren,
+Dat hem nyemant en laet bedrieghen.
+</p>
+
+<p>en hij verzuimt niet zich meer dan eens tot zijne hoorders te
+richten met een stichtelijke waarschuwing of opwekking.
+
+<p>De ridder in de sproke is, evenals zijn maker, iemand in
+wien het verstand overheerscht, die redeneert, en, waar hij
+eens onverstandig handelt, daarover door den dichter berispt
+wordt: &#8222;Doe en dede hi niet als die vroede." Hij gevoelt wel
+liefde voor SINTE GHEERTRUUT, doch het is hoofsche liefde:
+
+<p class="quote">Ghestade te bliven in horen dienst
+Sonder enich dorperheit;
+</p>
+
+<p>De ridder in het volkslied is een type van gewone menschelijkheid;
+hij houdt van eten en drinken en tournooien en ledigt
+den beker tot den bodem; hij kan zijn hartstocht voor de schoone
+non tenauwernood bedwingen: als hij haar in het klooster eens
+niet mag zien of spreken, vreest hij dat zijn hart breken zal.
+
+<p>Uit verbeelding en hartstocht ontstond in het lied de poëzie
+die uit de sproke geweerd is door zucht tot leering en stichting.
+Nergens blijkt dat zoo duidelijk als bij het eerste afscheid van
+den ridder, wanneer hij al zijn goed in den dienst van SINTE
+GHEERTRUUT heeft verteerd. De overeenkomstige deelen van
+beide gedichten volgen hieronder:
+
+<table>
+<tr><td><p class="quote"> <i>Lied</i> (c. 10&ndash;14).
+
+Drie jaer lanc heeft die ridder dit
+ [ghepleghen,
+Des so en heeft hi niet behouden:
+Sijn schat ende sijn goet heeft hem
+ [altemael begheven,
+Des hadde die ridder also groten rouwe.
+&#8222;Adieu, goet lief ende blijft ghesont,
+&#8222;Adieu, ende ic moet immer van u
+ [scheiden!
+&#8222;Die wech en is mi niet becant,
+&#8222;Te dwalen aen gheenre wilder heiden.
+
+&#8222;Och, lacy, god, het is altemael verloren:
+&#8222;Wat coste dat ic daaraen hebbe geleit!
+&#8222;Hadde ic dat so wel gheweten te voren,
+&#8222;Ic woude van der joncfrouwen hebben
+ [ghescheiden."
+
+Dus is die ridder uutghestreken
+In eenre duustre avontstont,
+Hi is gaen dwalen aen gheenre wilder
+ [heiden,
+Die wech en was hem onbecant.
+
+Doe dat quam omtrent der middernacht,
+Druc ende liden so ghinc den ridder an,
+Die viant<a title="[margin: de duivel.]"><sup>#</sup></a> die hadde
+ [hem also schier verwracht,
+Hi stont gheschapen of dat waer een man.</p></td>
+<td><p class="quote"> <i>Sproke</i> (vs. 148&ndash;170).
+
+Daer nae wart hi des ghevens mat,
+Want sinen staet die quam ten
+ [ende.
+Doe was die ridder in ellende,
+Ende hi en wiste hem ghenen raet:
+Dat dede, hi most sijn hoghe staet<a name="549"></a>
+Dalen laten aen sinen danck.
+Doe wort sijn hope al te cranck,
+Ende hi dochte in sijn moet:
+&#8222;Al creghe ic dese joncfrou goet,
+&#8222;Ic en mochtse niet in eren
+ [houden,
+&#8222;Waer op so willic mi verhouden
+&#8222;Off verstroyen tenighen tijden?"
+Doe most die ridder sorghe lyden,
+Des hi onghewone was
+Daer te voren, als ic las.
+Ende als hi stont in dit ghepeyns
+Ende dochte harwaert ende
+ [gheyns,
+Doe quam die bose tot hem
+ [ghegaen
+Ende was recht als een man
+ [ghedaen.
+So wye dat in wanhope sy,
+Daer is die vyant gheerne by;
+Want hy en<a title="[margin: hem.]"><sup>#</sup></a> dan best
+ [becoren mach,
+So poecht hire om nacht ende dach.</p></td></tr></table>
+
+<p>Maar ook elders in de beide gedichten: het sluiten van het
+contract met den Booze, het drinken van den beker van Sint-Geerteminne,
+de tweede samenkomst van den ridder met den
+duivel zien wij dergelijke tegenstellingen als in de boven
+medegedeelde stukken. Opmerkelijk is ook, dat bij die tweede
+samenkomst in het volkslied SINTE GHEERTRUUT, blijkbaar
+onzichtbaar voor den ridder achter hem te paard gezeten,
+den Booze ontzag inboezemt. HILDEGAERSBERCH die dit voor<a name="550"></a>
+eene heilige minder passend zal hebben gevonden, maakt er
+geen gewag van.
+
+<p>De indruk, dien WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH'S persoon
+en werk ten slotte bij ons achterlaten, heeft iets droevigs: een
+dichter van eenig talent die gaarne zijne roeping als dichter
+zoo goed mogelijk zou vervullen, daarin belemmerd of verhinderd
+door den dwang van zijn beroep; dien de ontwakende
+wetenschap schroomvallig maakt, zoodat hij zich niet durft laten
+gaan; die zich verplicht acht, echte poëzie waar hij die bij een
+ander vindt, weg te werken voor leering en stichting; die
+scheidt uit dit leven in de neerdrukkende overtuiging dat hij
+tevergeefs heeft geleefd.
+
+<p>Echter, ook zóó is hij den geschiedschrijver lief als een
+merkwaardig type van de dichters der 14<sup>de</sup> eeuw; merkwaardig
+ook als vertegenwoordiger der kleine Hollandsche volkseenheid
+waartoe hij behoorde. Stond MELIS STOKE nog vijandig tegenover
+de Vlamingen&mdash;deze Hollander vond zijne voorname leermeesters
+in den Vlaming MAERLANT en den Brabander BOENDALE.
+In HILDEGAERSBERCH'S werk zien wij voor het eerst
+dien ontwikkelenden invloed, door het Zuiden op het Noorden
+geoefend, waarvan wij ook in het vervolg van dit werk meermalen
+zullen gewagen.<a name="551"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.1">1</a>: Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken
+door BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts
+naar hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk
+overzicht van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld
+in <i>jahrbuch d.V.f.N. Sprachf.</i>, XII, 106; XV, 39 flgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.2">2</a>: <i>Ged.</i>, bl. 127.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.3">3</a>: Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op de <i>Gedichten</i>,
+bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot
+de <i>heren</i> o.a. bl. 16, 23&ndash;24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127&ndash;8;
+109, 167; 111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14&ndash;18; 166, 224; 183, 115;
+216, 257. <i>Van den X Gheboeden</i> op bl. 12 der <i>Gedichten</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.4">4</a>: <i>Ged.</i>, bl. 45, 32&ndash;34; 71, vs. 14&ndash;17; 155, 153&ndash;4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.5">5</a>: <i>Ged.</i>, bl. 173, 131&ndash;2.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.6">6</a>: <i>Ged.</i>, bl. 21, 82; 90, 68 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.7">7</a>: <i>Ged.</i>, p. 73, n<sup>o</sup>. 34; 195, 38&ndash;42; p. 240 (n<sup>o</sup>. 114). Over den
+invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot de <i>Stroph. Ged.</i> (edd.
+FRANCK en VERDAM), p. LXXXIX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.8">8</a>: <i>Ged.</i>, bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65&ndash;7; 71, 25 vlgg.;
+149, vs. 46.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.9">9</a>: Vgl. o.a. <i>Ged.</i>, 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61,
+5&ndash;8; 107, 18; 156, 77&ndash;78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139,
+61; 96, 104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139&ndash;141.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.10">10</a>: <i>Ged.</i>, 25, 8; 36, 12&ndash;25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123;
+55, 190; 146, 290&ndash;2.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.11">11</a>: <i>Ged.</i>, 164, 26; 109, 149 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.12">12</a>: <i>Ged.</i>, bl. 40 (n<sup>o</sup>. XIX <i>Van Mer.</i>); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101,
+73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.13">13</a>: Opvatting zijner taak als dichter vgl. <i>Ged.</i>, 16, 1; 45, 18&ndash;20;
+53, 1; 66, 9&ndash;10; 169, 10&ndash;23; 247, 5&ndash;7. Over zijn zwerven en zijn
+tegenspoeden, bl. 183 (<i>Van der Avontuer</i>); invloed zijner poëzie:<a name="552"></a>
+<i>Ged.</i>, 226, 17&ndash;21; 236, n<sup>o</sup>. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66,
+vs. 9&ndash;10; 183, 1&ndash;8; 236, n<sup>o</sup>. 111; 239, n<sup>o</sup>. 113; 249, n<sup>o</sup>. 119.
+Voorstelling van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201,
+121-'2; 202, 213-'6. Nalatenschap <i>Inleid.</i> tot de <i>Ged.</i>, IX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.14">14</a>: <i>Ged.</i>, 2, 116&ndash;117; 31, 109&ndash;132; 245, 137&ndash;150.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.15">15</a>: De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche
+fabliau <i>du Boucher d'Abbeville</i> (Recueil de Fab. van Montaiglon et
+Raynaud, III, 227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.16">16</a>: <i>Ged.</i>, 242, 36.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.17">17</a>: <i>Ged.</i>, bl. 116.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.18">18</a>: <i>Ged.</i>, bl. 236.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.19">19</a>: <i>Ged.</i>, bl. 117; vgl. ook vs. 16 &#8222;mit anxten zeer bevaen" en
+vs. 20, 23.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.20">20</a>: In <i>Het Lied in de Middeleeuwen</i>, bl. 605 vlgg. is door mij
+aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide
+gedichten (vgl. bl. 616&ndash;617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat
+het volkslied het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH
+is omgewerkt. Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht
+van H. de vermelding van eene bron vinden in vs. 162: &#8222;als ic las."]<a name="553"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>DIRC POTTER.</h2>
+
+<p>Naast het werk van HILDEGAERSBERCH plaatsen wij dat van
+DIRC POTTER als een ander type van veertiend'eeuwsche
+dichtkunst.
+
+<p>POTTER, een Hollandsch edelman, diende eerst graaf ALBRECHT,
+later WILLEM VI, daarna Vrouwe JACOBA als secretaris.
+In die hoedanigheid vergezelt hij zijne meesters op reis en
+wordt ook wel met zendingen belast; een tijd lang vervult hij
+den post van baljuw van den Haag. Voor zijne getrouwe diensten
+wordt hij door Graaf WILLEM beloond met de hofstede ter Loo
+in het ambacht van Voorburg, waar een paar eeuwen later een
+andere secretaris van Hollandsche vorsten zich een buitenverblijf
+zou stichten.
+
+<p>Toen hij in 1428 gestorven was, bleef JACOBA zijne goede
+diensten in dankbare gedachtenis houden; de zoon van den
+trouwen dienaar, GERRIT POTTER VAN DER LOO, zag het erf,
+hem door zijn vader nagelaten, met nog vijftien morgen lands
+vergroot<a href="#18.1">[1]</a>.
+
+<p>In zijne jonge jaren, aldus vertelt POTTER zelf ons, werd
+hij met een geheime zending naar Rome belast. Hij bleef er
+langer dan een jaar. Overviel hem bij wijlen de melancolie&mdash;zou
+het geen heimwee zijn geweest?&mdash;dan ging hij wandelen
+langs een stroomend water. Daar verschijnt hem vrouw Venus
+die hem opwekt in een gedicht &#8222;den loop der minne" te beschrijven,
+opdat ridders, edele vrouwen en schildknapen daaruit
+mogen leeren wat liefde en minne is. Aan die opwekking gaf<a name="554"></a>
+hij gehoor en schreef het werk, dat door hem zelven <i>der
+Minnen Loop</i> is genoemd<a href="#18.2">[2]</a>. Mogen wij POTTER'S voorstelling
+van zaken naar de letter opvatten, dan had hij, toen hij zijn
+gedicht schreef, met de liefde afgerekend. Zelf had hij meer
+last dan lust van haar gehad: &#8222;wat hij jaagde, bleef ongevangen";
+den zoeten drank had hij nooit gedronken<a href="#18.3">[3]</a>. Nu wilde hij
+jongeren met zijne ervaring van dienst zijn, hun het rechte
+pad wijzen, hen waarschuwen voor het kwade.
+
+<p>Doch van welken aard zijne beweegredenen ook mogen geweest
+zijn, in allen gevalle moet zijn werk worden aangeduid
+als een <i>leerdicht</i>. De woorden <i>leer</i> en <i>leeren</i> vloeien hem telkens
+uit de pen: &#8222;had hij maar gedacht aan zijne leer!" zegt
+hij van een ongelukkigen minnaar, die niet op zijne hoede is
+geweest en ten gevolge daarvan met een hamer &#8222;opten cop"
+werd geslagen, zoodat hij nooit meer een minnebrief schreef.
+&#8222;Denkt maar aan deze leer!" zegt hij tot de minnenden, &#8222;dan
+dwaalt gij niet van het rechte pad af." Een minnaar moet <i>leeren</i>;
+vóór alles moet hij geduld leeren: vrouwen zijn veranderlijk,
+haastigheid is nooit goed, en dan: de boom valt immers niet
+met den eersten slag?
+
+<p>In overeenstemming met het karakter van het leerdicht heeft
+POTTER zijn werk verdeeld in vier boeken, die achtereenvolgens
+handelen over dwaze, goede, ongeoorloofde en geoorloofde
+liefde. In de goede reine liefde onderscheidt hij weer vier
+graden, zooals de mystieken die in de goddelijke liefde
+aannamen. De inhoud dier boeken bestaat in tal van meer of
+minder bekende liefdesgeschiedenissen, telkens besloten met een
+les of eene waarschuwing; niet zelden ook gaat een of andere
+algemeene zedekundige stelregel vooraf en dient het dan volgend
+verhaal als &#8222;exempel". Tusschen <i>der Minnen Loop</i> en
+een leerdicht als <i>De Spiegel der Zonden</i> is dus alleen dit verschil,
+dat de liefde hier de plaats der hoofdzonden inneemt en dat<a name="555"></a>
+de &#8222;exempelen" in het eerste werk meer plaats beslaan dan in
+het laatste. Ook de neiging tot spreuken en spreekwoorden en
+wendingen als: &#8222;kinder mijn", &#8222;salighe wiven", &#8222;lieve vrienden"
+ontbreken hier niet. Dat deze leerdichter slecht te spreken is
+over den &#8222;scalken vos Reynaert", kan ons niet verwonderen<a href="#18.4">[4]</a>.
+
+<p>Evenals de overige leerdichten is ook <i>der Minnen Loop</i> een
+vrucht vooral van lectuur. De secretaris der Beiersche graven
+van Holland was een groot lezer, zooals hij zelf ons meer dan
+eens vertelt. De Godheid contempleeren, dat liet hij den theologen,
+de medici mochten zich moeien met hetgeen den zieken
+te pas komt, de wetgeleerden met hunne codices en digesten&mdash;&#8222;poëten
+ende historiën zanck" dat was wat hem smaakte.
+Vrouw Venus zelve wekt hem dan ook op, allerlei liefdesgeschiedenissen
+in zijn geheugen terug te roepen om ze aan
+anderen opnieuw te vertellen.
+
+<p>Tal van verhalen, aan OVIDIUS' <i>Heroïdes</i> en <i>Metamorphosen</i>
+of aan den Bijbel ontleend, zijn door POTTER in zijn werk
+gevlochten: <i>Pyramus en Thisbe</i>, <i>Hero en Leander</i>, <i>Phoedra en
+Hippolytus</i>, <i>Ahasverus en Vasthi</i>, <i>David en Michol</i>, <i>Jacob's
+dochter Dina</i> zijn eenige der meest bekende. Ook van elders
+heeft hij zijne stoffen ontleend; hij kent blijkbaar het werk van
+den Duitschen &#8222;minnesinger" NEIDHART VON REUENTAL (&#8222;Heer
+Nytert van Ruwendael"), den roman <i>van Tristan en Isolde</i> en
+WOLFRAM VON ESCHENBACH'S <i>Titurel</i>; ook de romans <i>van
+Malegijs</i> en <i>van Parcival</i> en eene novelle als die <i>van Griseldis</i>,
+hier onder den naam <i>van Orphaen en Lympiose</i><a href="#18.5">[5]</a>). POTTER
+is zoozeer vervuld van zijne literaire herinneringen, dat hij
+soms een beroep doet op de lectuur van zijn publiek. In het
+verhaal <i>der Borchgravinne van Vergi</i> dat ook door hem in zijn
+werk is opgenomen, zegt hij tot zijn lezers of hoorders:
+
+<p class="quote">Dat hebdi lichte ghelesen mee.<a name="556"></a>
+</p>
+
+<p>De heldin van een zijner verhalen, PERNELLA, leest in een
+of ander geschrift dat men in een liefdesbetrekking goeden
+dienst kan hebben van een vertrouweling; eerst die mededeeling
+brengt haar op de gedachte zich te verzekeren van de hulp
+eener kamenier. Aan het slot van zijn werk verzuimt POTTER
+niet, de eerbare vrouwen eraan te herinneren dat de dichters,
+zooveel over haar geschreven hebben<a href="#18.6">[6]</a>.
+
+<p>Het is begrijpelijk, dat in het werk van een auteur die
+zooveel las, zich de invloed der vroegere literatuur vertoont;
+dat denkbeelden en opvattingen, langzamerhand door de
+literatuur tot gemeen goed geworden, in zijn werk worden
+aangetroffen.
+
+<p>De kleurensymboliek die wij hier en daar in <i>der Minnen
+Loop</i> vinden; het ontstaan van een dichtwerk uit eene &#8222;fantasie"
+waarin de dichter eene verschijning ziet; eene &#8222;vraghe" door
+den auteur aan zijn publiek gesteld, en die hij zelf niet kan
+&#8222;solveren"; het noemen van zijn naam in de aanvangsletters
+der slotregels van zijn gedicht&mdash;dat zijn altemaal trekken die
+wij ons uit de poëzie vóór POTTER herinneren<a href="#18.7">[7]</a>.
+
+<p>De gansche voorstelling der liefde als een &#8222;verband der
+herten" herinneren wij ons reeds uit den <i>Wapene Martijn</i>. En
+waar wij POTTER met nadruk hooren beweren dat alle verschil
+van stand voor de liefde moet wijken en met blijkbare instemming
+vermelden dat de gemaal van LYMPIOSE deugd boven
+afkomst stelde, zouden wij ook daar niet aan MAERLANT'S
+invloed moeten denken?
+
+<p>Eene herinnering aan HILDEGAERSBERCH vinden wij misschien
+in POTTER'S klacht over zijn vijand &#8222;die avontuyer", die hem
+in de minne altijd ongunstig was geweest. BOENDALE'S invloed
+zien wij in de gelijkstelling van leeken en geestelijken; die wij
+aantreffen in deze regels:<a name="557"></a>
+
+<p class="quote">Elck dient bijsonder sinen God:
+Soe wael dient Gode Hein ende Han<a title="[margin: Jan, Piet en Klaas.]"><sup>#</sup></a>,
+Ghelijck doet een begheven man<a title="[margin: kloosterling.]"><sup>#</sup></a>,
+Al staet die een in hogher scouwe.
+</p>
+
+<p>Ook in POTTER'S verheffing van het huwelijk boven den
+ongehuwden staat en in zijn onderscheiding van <i>vrouwen</i> en
+<i>wiven</i> mogen wij staaltjes van BOENDALE'S invloed vermoeden<a href="#18.8">[8]</a>.
+
+<p>Het spreekt vanzelf, dat in het laatste geval behalve met
+BOENDALE'S invloed rekening moet gehouden worden met den
+ganschen tijdgeest; immers ook in dit onderscheid openbaarde
+zich die vrouwendienst die zulk een gewichtig aandeel heeft
+gehad in de gemoedsontwikkeling der moderne volken.
+
+<p>Het loont de moeite na te gaan, hoe die vrouwendienst door
+dezen Hollandschen edelman is opgevat, wat hij daaruit heeft
+overgenomen en in hoever zijn oorspronkelijk wezen daardoor
+ongewijzigd is gebleven.
+
+<p>Met DIEDERIC VAN ASSENEDE en zoo menig ander hoofsch
+dichter van vroegeren tijd is POTTER het eens, dat geen recht
+begrip van liefde kan wonen in &#8222;rude menschen van grover
+aert": boeren, visschers, slagers, smeden, spitters en delvers,
+monniken, schippers en allerlei ambachtslui zijn nooit door de
+liefde ten verderve gevoerd. Toch maakt hij ééne uitzondering
+en wel voor hen &#8222;die van naturen edel sijn" en die hij plaatst
+nevens de lieden &#8222;van goeder gheboort". Hij kan zich wel
+voorstellen dat een minnend paar waant in het bezit te zijn
+van &#8222;een graal van zaligheid". Minachtend laat hij zich uit
+over huisbakken jongens die te dikhuidig zijn om de liefde te
+begrijpen. Overal houdt hij in zijn werk de eer hoog. Zijn
+kieschheidsgevoel is reeds vrij ontwikkeld: bij verhalen als dat
+van PASIPHAË en van VIRGILIUS' wraak op een meisje dat hem
+in een mand ten toon had gesteld, schaamt hij zich voor zijne<a name="558"></a>
+hoorderessen of lezeressen en verontschuldigt zich over zulke
+mededeelingen. Ook heeft hij een goeden dunk van de vrouwen
+zijner dagen; hij twijfelt er niet aan dat men er onder de
+eerbare goede vrouwen nog wel zou vinden die voor hare
+mans zouden willen sterven<a href="#18.9">[9]</a>. Maar niet zoozeer is hij in
+bewondering voor de vrouwen of hij blijft indachtig dat zij
+toch menschen zijn en veranderlijke menschen, die wel eens
+&#8222;neen" zeggen als zij &#8222;ja" meenen. De vrouw moet &#8222;heer" zijn
+en de man &#8222;knecht"&mdash;ja, zegt POTTER, dat geldt voor de
+rechtbank der liefde, maar in het huwelijk is het iets anders:
+&#8222;daer sal die man een voocht<a title="[margin: de baas.]"><sup>#</sup></a> wesen".
+
+<p>Al die liefde en vrouwendienst is heel mooi, maar ten slotte
+staat toch de huwelijksliefde het hoogst. In overeenstemming
+daarmede handelt het tweede boek dat verreweg het omvangrijkst
+is, over de &#8222;goede reine minne"; het derde, verreweg het
+kleinste, over de ongeoorloofde liefde<a href="#18.10">[10]</a>.
+
+<p>In zulk eene beschouwing van vrouwen en vrouwendienst
+kon bezwaarlijk plaats zijn voor eenig medegevoel met den
+hartstocht. Eene liefde als die van MEDEA, DIDO, HELENA,
+ARIADNE, rangschikt POTTER dan ook onder de &#8222;gecke minne".
+Hartstocht die aan een minnaar of eene minnares het leven
+kost, daar kan hij niet bij:
+
+<p class="quote">Om sulc wee te bliven doot,
+Dat en docht mi sijn gheen noot.
+</p>
+
+<p>HERO zou hem bijna verteederd hebben. Wanneer hij de
+droeve geschiedenis dezer twee koningskinderen die elkander
+zoo lief hadden, verteld heeft en hoe HERO met LEANDER'S
+lijk in zee springt, dan geraakt hij zelf onder den indruk en
+stemt een lofzang aan voor de trouwe liefde:
+
+<p class="quote">O edel vrouwe ende goede man,
+Hier sal men truwelic deyncken an.<a name="559"></a>
+Hier liet truwe<a title="[margin: trouwe.]"><sup>#</sup></a> truwe bliken.
+Der truwen en woude sy niet bezwiken.
+Die wile si leefden waren sy
+Onverscheiden ende wandels vry:
+Dus sijn sy in der lesten noot
+Onghescheiden ghebleven doot.
+Daer wrocht Venus den rechten aert.
+</p>
+
+<p>Maar te rechter tijd komt hij nog tot bezinning en besluit
+zijn lofzang met:
+
+<p class="quote">Nochtan waer beter tlijff[het leven.] ghespaert,
+Also als ic voer hebbe bescreven.
+</p>
+
+<p>Liefde is goed, maar&mdash;getemperd:
+
+<p class="quote">Minne sal sijn te maten heet,
+Te maten cout ende wail ghesmeet
+....
+Vrou mate is een edel vorstinne.
+</p>
+
+<p>Hollandsche bezadigdheid kwam hier in botsing met uitheemschen
+hartstocht, Hollandsche zedelijkheid met geïdealizeerde
+zinnelijkheid. Toch is POTTER'S gevoel van zedelijkheid niet
+bijzonder hoog ontwikkeld. Kan een minnend paar zich volstrekt
+niet bedwingen, dan moeten zij hun gang maar gaan&mdash;indien
+het dan slechts heimelijk gebeurt, zoodat de eer naar de wereld
+ongeschonden blijft. De wagenmenner MIRTHOÜS helpt door
+bedrog zijn meester PELOPS aan het bezit der schoone
+HIPPODAMIA; PELOPS heeft MIRTHOÜS zijn deel in dat bezit
+beloofd; als MIRTHOÜS zijn meester nu komt manen om de
+vervulling der belofte, werpt PELOPS hem in zee waar hij verdrinkt.
+POTTER vindt dit volmaakt billijk: aan een onredelijken
+eisch moet op onredelijke wijze voldaan worden; deze boef
+kreeg loon naar werken.<a name="560"></a>
+
+<p>Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk,
+dat gaat niet aan, zegt POTTER. De eer van den man
+lijdt er naar de wereld niet onder of hij al eenige bastaarden
+heeft; bij de vrouw is dat heel wat anders. Ook heeft men
+dikwijls gehoord dat heidensche vorsten en andere mannen
+twintig, veertig of honderd vrouwen hadden, doch ééne vrouw
+twee mannen&mdash;nooit! Kortom, het is een verschil als van
+dag en nacht<a href="#18.11">[11]</a>.
+
+<p>POTTER moge kennis gemaakt hebben met het werk van
+GODFRIED VON STRASSBURG en van WOLFRAM VON ESCHENBACH,
+hij moge OVIDIUS' <i>Heroïdes</i> en <i>Metamorphosen</i> hebben
+gelezen&mdash;een dichter als zij is hij niet geweest. Het licht en
+liefelijk spel van GODFRIED'S verbeelding, WOLFRAM'S diepte
+en innigheid, de fijnheid en bevalligheid van OVIDIUS, men
+zoekt ze in zijn werk tevergeefs.
+
+<p>Dat POTTER'S smaak nog niet zeer ontwikkeld was, gaat
+men reeds vermoeden wanneer men eene vermelding van
+PARCIVAL'S zoeken naar den Graal aantreft op bedenkelijk
+korten afstand van de jacht op een wilden witten haas, die
+door een vijftal gezellen drie jaar lang werd voortgezet. Dat
+vermoeden wordt versterkt, waar wij hier en daar slordige of
+lamme rijmen aantreffen en platte beeldspraak. In het eerste
+boek, van de &#8222;gecke" minne, zegt hij tot de vrouwen: hebt
+gij last van de liefde, weest dan voorzichtig in de keus van
+uw minnaar of zooals hij het uitdrukt: kookt uw spek in goed
+rivierwater! Van minnende paren heet het elders:
+
+<p class="quote">Sijn zij in kercken of in clusen,
+Die cat siet altoos na den musen.
+</p>
+
+<p>Een minnaar kan veel dienst hebben van een vertrouwden
+vriend, maar laat hij oppassen dat uit den vriend geen medeminnaar<a name="561"></a>
+worde, die de &#8222;potage met het spek" naar zich toe
+haalt<a href="#18.12">[12]</a>. Doch tegenover zulke plaatsen die bovendien niet
+talrijk zijn, staan vrij wat andere die getuigen dat POTTER,
+al was hij geen groot dichter, toch niet van talent ontbloot was.
+Verdienstelijk is b.v. zijn lofzang op de
+
+<p class="quote">Rechte mynnentlike minne,
+Die den menschen in den zinne
+Verwerret lecht ende ghestricket.
+</p>
+
+<p>Hoe aardig is in het eerste boek de schets van den jeugdigen
+zot, die door een meisje voor de grap als minnaar is
+aangenomen, slechts voor deze Meimaand en niet langer. Wat
+is dat zomergekje dan opgewonden! Hij brengt zijn liefste een
+meitak, hij vertelt aan een van zijne vrienden uit Zotteghem&mdash;soort
+zoekt immers soort?&mdash;dat hij een liefje heeft die doet
+wat hij wil; samen gaan zij er op uit om haar ergens te zien.
+Gebeurt hem dat, dan is het al te mooi, dan moet er een
+dronk op staan:
+
+<p class="quote">So sal hi dan sijn gheselle gaen slepen
+In den wijn; daer gaen si sitten.
+Die wile hi zweeft in deser hitten,
+So werpt hi sijn arm in die lucht
+Ende maect een heerlic gherucht<a title="[margin: geroep.]"><sup>#</sup></a>:
+&#8222;Wy hou! ic heb minen boel ghesien!
+&#8222;Huden<a title="[margin: heden.]"><sup>#</sup></a> en mach mi niet misschien<a title="[margin: niets kwaads overkomen.]"><sup>#</sup></a>!"
+Vrolic is hi mit ghesanghe.
+So vraghen die ander also langhe,
+Dattet die heelghesel al seit,
+Wair dat Hannen sin op steit.
+Des wondert den ghesellen dan
+Ende segghen: &#8222;Is Hannen alsulken man?"<a name="562"></a>
+Ende dat hoert Hannen al te gaern,
+Dat die ghesellen van der tavaern
+Weten van sire minnen staet<a href="#18.13">[13]</a>.
+</p>
+
+<p>Kon POTTER de kunst van OVIDIUS al niet navolgen, veel
+min evenaren, men kan toch zien dat het verhaal van HERO
+en LEANDER, zooals het in de <i>Heroïdes</i> voorkomt, indruk op
+hem heeft gemaakt; zijne bewerking treft ons hier en daar
+door een zachte bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt door
+den welluidenden klank onzer middeleeuwsche taal. Zoo in
+dat deel van het verhaal, waar HERO beschrijft hoe zij op
+LEANDER zit te wachten:
+
+<p class="quote">Als my die vake dan bestaet
+Ende twater an die mure slaet,
+Soe waen ic alle weghe<a title="[margin: telkens.]"><sup>#</sup></a> dan
+Dattu daer biste, mijn liefste man.
+Wat ic lope, en vinde niet.
+O wy! wat is my gheschiet!
+Ic wachte, ic wake, twort my zuyr;
+Ic sitte dromende by den vuyr;
+My donct dan dattu by mi bist,
+Dat alle gader niet en ist.
+Als ic dan weder wakende werde,
+So sitte ic noch bij den haerde
+Ende droghe die schone sachte doecken.
+O wy! ic mach dat water vloeken,
+Dat so onstuyr<a title="[margin: onstuimig.]"><sup>#</sup></a> heeft gheweest
+Van groten storme ende tempeest<a href="#18.14">[14]</a>.
+</p>
+
+<p>En waar POTTER zich eens durft overgeven aan zijn gevoel,
+omdat hij immers &#8222;van goede reine minne" spreekt, hoe verrast<a name="563"></a>
+hij ons daar met dit liefelijk miniatuurtje van een paar
+gelieven:
+
+<p class="quote">Daer legghen sy in groter lust:
+Menichwerff wart dair ghecust,
+Die lipkijns werden gheconreydet<a title="[margin: uitgestoken.]"><sup>#</sup></a>,
+Vroechde meret, trueren beydet,
+Menich guetlic, lieflic woert
+Wort van beyden daer ghehoert,
+Vriendelick drucken sy die armen,
+In gueder vroechden sy hem warmen,
+Lachende blencken dair die oghen,
+Elck anderen troest van allen doghen<a title="[margin: verdriet.]"><sup>#</sup></a>:
+Al waer hi sieck ende onghesont,
+Elck ghenase in sulker stont.
+Die witte kele ende wancskijn root
+Mach men handelen daer al bloot.
+Die borstkijns mach men wel anstoten,
+Sijn sy niet te vast besloten,
+Ende byeden hem gueden dach<a href="#18.15">[15]</a>.
+</p>
+
+<p>In de beschrijving is POTTER sterker dan in het verhaal;
+toch heeft hij ook als verteller zijne verdiensten. Een meester
+in die kunst, zooals zijne oudere tijdgenooten BOCCACCIO en
+CHAUCER, was hij niet, doch er is in zijn zestigtal sproken
+van minne menig goed of aardig brok aan te wijzen, dat eene
+plaats verdient nevens de beste der hiervoor behandelde sproken
+van onbekende dichters.
+
+<p>Houden wij <i>der Minnen Loop</i> ten slotte naast een vroeger
+leerdicht over dezelfde stof: <i>den Spiegel der Minnen</i> of den
+<i>roman van de Roos</i>, dan merken wij vrij wat verschil op.
+Het voornaamste punt van verschil is zeker, dat tegenover een
+vertaald werk nu een werk is gekomen dat oorspronkelijk mag<a name="564"></a>
+heeten, al heeft het&mdash;gelijk zoo menig ander oorspronkelijk
+werk&mdash;een deel zijner stof van elders ontleend. Dat feit toont
+reeds dat de Dietsche geest aan zelfstandigheid had gewonnen;
+doch er is meer. Van de elementen, waaruit de <i>roman van de
+Roos</i> bestaat, vinden wij er hier eenige terug, doch op andere
+wijze dan daar verbonden. In <i>der Minnen Loop</i> is geen plaats
+voor de minachting der vrouw, noch voor het scepticisme,
+noch voor het cynisme, dat JEAN DE MEUNG kenmerkt, wel
+voor een deel van den hoofschen eerbied, dien GUILLAUME
+DE LORRIS de vrouwen toedroeg. Het zinnelijk element dier
+hoofsche liefde is in het Hollandsch dichtwerk zwakker dan in
+het Fransche; bij de goede reine liefde staat de Hollander het
+langst stil; de huwelijksliefde staat voor hem het hoogst; jegens
+den hartstocht is hij op zijne hoede. Die liefde, zóó opgevat,
+is verwerkt door een didactischen geest die weer aan JEAN
+DE MEUNG doet denken, tot een eenigszins schoolsch geheel,
+waarin theorie en practijk des levens nog niet zijn versmolten,
+doch onderling verbonden naast elkander staan als leering en
+voorbeeld.
+
+<p>Menig lezer zal misschien van meening zijn, dat een Christelijk
+Hollandsch dichter als POTTER tevreden kon blijven over
+zijn werk. Hij had immers willen waarschuwen en leeren, en
+aan het nuttige gemakkelijker ingang verschaft door het aangename?
+Verhalen van minne, zelfs al waren zij verdicht, vonden
+immers genade ook bij kunstrechters, die van de kunst bevordering
+der zedelijkheid eischten? Zoo zou men meenen, doch
+te onrechte. POTTER is gebeurd, wat menig dichter of verzenmaker
+vóór hem was gebeurd: in zijn later leven kreeg hij
+berouw over de literaire zonden zijner jeugd en trachtte die
+met ander werk te boeten.
+
+<p>In zijn ouderdom schreef hij een werk, door hem zelven
+<a name="565"></a>
+<i>Blome der Doechden</i><a title="[margin: Bloem der Deugden.]"><sup>#</sup></a> genoemd, waarin hij <i>der Minnen Loop</i>
+wel niet verloochent, maar toch scherp laakt<a href="#18.16">[16]</a>.
+
+<p>Op een vóór zijn werk geplaatst miniatuur zien wij op zinrijke
+wijze den auteur van <i>der Minnen Loop</i> tegenover dien
+van de <i>Bloem der Deugden</i> gesteld; die tegenstelling is door
+POTTER zelf in den aanvang van zijn laatste werk bovendien
+toegelicht. Die miniatuur toont ons in een lusthof een
+&#8222;out simpel man" met een grauwen tabbaard, die met een
+mestvork veel mooie, welriekende bloemen uit den grond haalt
+en tevens vele leelijke bloemen en onreine, bitter smakende
+kruiden. Die had hij alle te zamen in zijne onwetendheid en
+onnoozelheid in één korf geworpen. Zóó, dat hij de goede niet
+van de kwade had gescheiden, wat hem ook niet mogelijk was.
+
+<p>Tegenover hem zien wij een schoon jonkman, prachtig
+gekleed, die een paar mooie bloemen uit den korf neemt.
+Deze stelt den ouderen POTTER voor, die tot beter inzicht
+gekomen is; want dat de auteur van <i>der Minnen Loop</i> voorgesteld
+wordt als &#8222;van grover erde ende onghemaect van lijflijker
+scoenheit" is slechts symboliek en daarom ook is de
+oudere POTTER bekleed met uitwendige schoonheid en pracht.
+Deze immers heeft de onwetendheid van dien groven mensen
+bemerkt en de heilige goddelijke Drievuldigheid aangeroepen,
+hem wijsheid te verleenen, opdat hij de goede, reine bloemen,
+waar deugd in bloeide, mocht onderkennen van de overige.
+Die bloemen der deugd heeft hij dus uitgelezen en bijeengebracht
+in een zuiver vat. De overige heeft hij onachtzaam ter
+zijde geworpen; laat niemand ze ter hand nemen, want steekt
+iemand zijn hand in het pik, zij zal er in blijven steken.
+
+<p>Deze <i>Bloeme der Deugden</i> zou misschien kunnen goedmaken,
+wat hij eertijds had misdreven met een ander boek &#8222;van
+wer(l)tlijker mijnnen ende van menschelijker ijdel liefde die ut
+vleyschelijker becoringhen hoeren oerspronck nemt" dat hij in<a name="566"></a>
+zijne jonge jaren te Rome had gemaakt; over die liefde had
+hij daarin veel geschreven en, naar hij vreesde, &#8222;meer dan
+gode behagelijk was". Hij hoopt dat God hem dat zal vergeven,
+omdat hij het had gedaan met een goede bedoeling.
+In zijn tweede boek zal hij van die ijdele minne geen gewag
+meer maken.
+
+<p>Wij vinden hier dan ook wel verhalen uit <i>Der Minnen Loop</i>
+terug, doch alleen zulke die de auteur bij zijn strenger opvatting
+van de zedelijke verplichtingen der kunst oorbaar achtte.
+De neiging tot kleurensymboliek komt ook hier nog wel eens
+voor den dag en de «bose Hecuba" die het in <i>Der Minnen
+Loop</i> zoo moest ontgelden, wordt ook hier nog eens onder
+handen genomen<a href="#18.17">[17]</a>.
+
+<p>Doch overigens heeft POTTER hier een werk geleverd zeer
+verschillend van het werk zijner jonge jaren. De verdichte
+verhalen zijn naar den achtergrond gedrongen of van het
+tooneel verdwenen. De schrijver laat zich afkeurend uit over
+&#8222;woerde in boerden voertgebracht om ghenoechte of corttinghe
+des tijts sonder ernste"; over leugens van poëten die schoone
+woorden schrijven, van &#8222;veel dichters ende sproeken sprekers
+ende sonderlinghen<a title="[margin: in 't bijzonder.]"><sup>#</sup></a> in valsschen hystoriën"<a href="#18.18">[18]</a>. Sprak hij vroeger
+luchtigjes over zijn onvoldoende kennis, liet hij de wetenschap
+aan wie er lust in had om zich alleen aan &#8222;poetryen ende
+oude gesten" te wijden&mdash;nu heeft hij zijne schade ingehaald.
+De <i>Bloem der Deugden</i> is samengesteld uit den bijbel en de
+werken van ARISTOTELES, SENECA, de Kerkvaders en menig
+ander geleerd auteur. Deze, zijns inziens deugdelijker, stof
+heeft hij scherp gescheiden in voorbeelden van deugd en van
+ondeugd; want ook de ondeugd heeft hij in zijn boek opgenomen:
+op elk hoofdstuk waarin een deugd behandeld en
+toegelicht is, volgt een ander over de ondeugd die ertegenover
+staat; immers: &#8222;witte verwe onderscheidt haer selven van der<a name="567"></a>
+swertter, soe doet die ondoecht als die doecht daer bij
+ghestelt wort"<a href="#18.19">[19]</a>.
+
+<p><i>Der Minnen Loop</i> is in verzen geschreven, de <i>Bloem der
+Deugden</i> in proza. Ook dat verschil is in overeenstemming
+met den aanwas van strakken ernst dien de ouder wordende
+POTTER te zien geeft. &#8222;Soeticheit van sanghe van melodiën
+ende die genoechten van instrumenten, van dansen ende
+desghelijcs", het was nu alles uit den Booze. Had PYTHAGORAS
+niet geleerd, dat de &#8222;luxurie" wast door instrumenten en melodieën
+zooals de kruiden bij de oevers der rivieren?<a href="#18.20">[20]</a>
+
+<p>Wie zóó over poëzie en melodie dacht, zal het zich waarschijnlijk
+tot plicht hebben gerekend, de schoonheidsontroering
+waar zij in hem mocht opkomen te onderdrukken. De aesthetische
+waarde van dit prozawerk in zijn geheel is dan ook niet
+groot. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: waar
+POTTER het fraaigebouwd gevoelig proza van SINTE BERNARDUS
+onder de oogen krijgt, kan hij toch niet anders dan er mooi
+Hollandsch proza van maken. Ook elders toont hij bij de
+omschrijving van een deugd of een ondeugd de taal wel
+meester te zijn, al moet ook hier natuurlijk de vraag naar de
+oorspronkelijkheid veel gewicht in de schaal leggen<a href="#18.21">[21]</a>.
+
+<p>DIRC POTTER behoorde evenals WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH
+tot de poëten van lager orde. Hij zelf is zich daarvan
+wel bewust geweest<a href="#18.22">[22]</a>. Doch schoonheid is niet het eenige
+wat een literair werk van vroegeren tijd belangrijk maakt voor
+den geschiedschrijver. Naast de schoonheid staat het karakter.
+Dat POTTER'S werk karakteristiek is als type van de poëzie
+zijner eeuw, zagen wij reeds vroeger. En er is meer te noemen.
+Een Hollandsch edelman die voor zijn pleizier, zij het ook met
+de bijbedoeling om nuttige leering te geven, verzen schrijft
+over wereldsche minne, is een type dat wij tot dusver niet<a name="568"></a>
+ontmoet hebben; als zoodanig staat hij tegenover den beroepsdichter
+HILDEGAERSBERCH en kondigt hij, ook als verteller, den
+Zeeuw CATS aan<a href="#18.23">[23]</a>.
+
+<p>Opmerkelijk is in dezen Hollandschen edelman die wel gevoel
+blijkt te hebben voor hoofschen vrouwendienst, de democratische
+gezindheid waarin hij kunsten en wetenschappen verheft als het
+middel waardoor de arme den rijke kan evenaren en overtreffen.
+Opmerkelijk ook het gevoel van onafhankelijkheid tegenover
+zijn publiek&mdash;zoo geheel anders dan bij HILDEGAERSBERCH
+en andere sprekers en dichters&mdash;dat hem in den aanvang
+van zijn Derde Boek doet zeggen: wie wil pogen in zijne
+geschriften allen te behagen, die moet vroeg opstaan! Hij is
+niet van plan zich daarover druk te maken, hij wil dichten
+naar zijn eigen zin, en, zoo vervolgt hij:
+
+<p class="quote">Ist dat ic yet scrive hier in,
+Dat den enen of oec den anderen
+Niet en ghenoecht, die mach gaen wanderen
+Ende latent anderen luden lezen<a href="#18.24">[24]</a>.
+</p>
+
+<p>Die zelfbewuste onafhankelijkheid van geest is in dezen
+vertegenwoordiger der veertiende eeuw eene flauwe voorafschaduwing
+van later tijden. Dienzelfden indruk geven ons een
+paar andere trekken van zijn werk en zijne persoonlijkheid.
+Flauwtjes klinkt ons uit de verte het bellengerinkel van STULTITIA'S
+narrenkap in het oor, waar wij in <i>De Bloem der Deugden</i>
+lezen: &#8222;Mer, god betert, ic duchte die ghecheit vele meer
+scolieren ende naevolgers heeft dan die wijsheit"<a href="#18.25">[25]</a>.
+
+<p>ERASMUS, de schrijver der <i>Laus Stultitiae</i>, doet ons denken aan
+Italië. POTTER is, voorzoover wij weten, de eerste Nederlandsche
+dichter die Italië heeft bezocht. Langer dan een jaar is hij er
+gebleven, doch dat verblijf schijnt weinig of geen invloed te
+hebben geoefend op zijne ontwikkeling. Of hij Italiaansch heeft<a name="569"></a>
+gekend, mag betwijfeld worden. In allen gevalle maakt hij met
+geen enkel woord gewag van de Italiaansche literatuur, en toch
+waren DANTE, PETRARCA en BOCCACCIO reeds eenigen tijd
+geleden gestorven en verbreidde hun roem zich al verder. Ook
+van den invloed der Renaissance, wier profeet PETRARCA was
+geweest, is in POTTER'S werk niets te bespeuren. Of wil men
+als zoodanig de vermelding van een paar groote oude steenen
+laten gelden<a href="#18.26">[26]</a>? Maar wat dan nog?
+
+<p>De ongunstige indruk dien POTTER van de Italianen kreeg,
+zal hem niet hebben opgewekt, nader kennis te maken met
+hun taal en hun kunst. &#8222;Ter wereld is geen vuiler volk",
+zegt hij in zijn <i>Minnen Loop</i>; die vuile honden leven in allerlei
+zonde; vrouwen slaan, daar stellen zij eene eer in; schelden
+kunnen zij, &#8222;maer sy en willen niet ten zwaerde"; hebzuchtig,
+onbetrouwbaar, verraderlijke gifmengers, leugenaars, roovers&mdash;dat
+zijn zij. Maar de vrouwen zijn de &#8222;schoonste creaturen die
+men kan vinden". Ook hun aangeboren spotlust heeft POTTER
+blijkbaar geërgerd. Het zou mij niet verwonderen, indien de
+Italianen met wie hij in kennis is gekomen, zich vroolijk hebben
+gemaakt over zijn Hollandsch. Immers nog in de <i>Bloem der
+Deugden</i> acht hij het noodig te verdedigen dat &#8222;een yeghelijc
+sprect nae sijns lants taele"; en &#8222;daerom so sijnt in den iersten
+dwase ende ongheleert die eenen anderen bespotten om sijnre
+talen die hem van sijns lants weghen aengheboeren is"<a href="#18.27">[27]</a>.
+
+<p>Trouwens, ook de Henegouwers, Franschen of Vlamingen
+onder wie zijne zendingen als grafelijk secretaris hem brachten,
+kunnen zich over zijn Hollandsch vroolijk hebben gemaakt.
+En ook dezen kan zijne ergernis gelden; want, overtuigd van
+de voortreffelijkheid van eigen volk, heeft hij het op andere
+volken niet begrepen. De goeden in het Duutsche land hebben
+volgens POTTER het monopolie van de goede reine minne;
+Lombarden, Engelschen en Walen hebben daar over het<a name="570"></a>
+algemeen geen begrip van; enkelen mogen er zijn, maar dan
+zeker niet over de bergen. Ook in zijn later leven was hij er
+nog steeds van overtuigd, dat men de meeste ijdelheid en
+&#8222;onnutte glorie" vindt in de Waalsche landen<a href="#18.28">[28]</a>.
+
+<p>POTTER'S gevoel en smaak waren nog niet zóó ontwikkeld,
+dat de kunst der Oudheid een indruk op hem kon maken,
+sterk genoeg om hem te dwingen tot eene uiting van eenige
+beteekenis. Zijne eenzijdige en benepen beschouwing van het
+Italiaansche volk zal hem hebben weerhouden van eene kennismaking
+met hun taal en hun literatuur. CHAUCER die, eveneens
+met eene zending naar Italië belast, een jaar te Genua
+en Florence vertoefde, deed anders: hij kocht handschriften
+der werken van DANTE, PETRARCA, BOCCACCIO, bestudeerde
+die en bracht langs die nieuwe baan zijn eigen kunst tot hooger
+ontwikkeling.
+
+<p>POTTER'S nationaliteitsgevoel was nog van dat enghartige
+soort, dat zich openbaart vooral in overmatige verheffing van
+het eigen volk en in vijandige gezindheid tegenover andere
+volken. In beide opzichten was hij een type van zijn volk<a href="#18.29">[29]</a>.
+Dat volk moest nog een aanzienlijk deel van de baan zijner
+ontwikkeling afleggen, eer de herboren Oudheid haar invloed
+ook in deze landen kon doen gevoelen, eer het nationaliteitsgevoel
+ruimer en sterker kon worden. Op dat deel harer baan
+zullen wij de ontwikkeling dezer volken nu gaan volgen.<a name="571"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.1">1</a>: Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel
+aan het onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken
+hebben, medegedeeld in LEENDERTZ' uitgave van <i>Der Minnen Loep</i>.
+Vgl. ook het degelijk overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg.
+BUSKEN HUET heeft in <i>Het Land van Rembrand</i> menige aardige of
+geestige opmerking over POTTER en <i>der Minnen Loop</i> ten beste
+gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel over HUET'S tekortkomingen
+in dezen te hard&mdash;wie het om historische waarheid,
+om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog verliezen,
+dat ook in <i>Het Land van Rembrand</i> de schrijver der <i>Literaire
+Fantasieën</i> aan het woord is.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.2">2</a>: Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is
+niet gemakkelijk. Uit <i>Der Minnen Loop</i> zou men opmaken, dat POTTER
+reeds een man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef.
+Vgl. plaatsen als I, 73: &#8222;vesper is over langhe gheluut"; I, 949;
+II, 2465; II, 4137. Maar in zijn tweede werk <i>Bloeme der Deugden</i>,
+spreekt P. van <i>Der Minnen Loop</i> als van &#8222;een boec dat ic in jongen
+tijden maecte te Rome."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.3">3</a>: I, 169; II, 2394.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.4">4</a>: Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246;
+I, 2091, 2372, 3025; III, 1104; I, 1841.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.5">5</a>: De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335.
+De opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij
+TE WINKEL, bl. 508 vlgg.
+
+<p class="footnote">De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men in <i>Der
+Minnen Loop</i>, II, 705&ndash;6. De stof van het verhaal van den Spaanschen
+schildknaap, die TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die
+der boerde opgenomen in <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, n<sup>o</sup>. II (Inl. XVI).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.6">6</a>: II, 560, 1430; IV, 2276.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.7">7</a>: II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.8">8</a>: I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18;
+IV, 38 vlgg.; 1839-'42.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.9">9</a>: II, 665&ndash;704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621&ndash;2; III, 191;
+IV, 1089 vlgg.]<a name="572"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.10">10</a>: I, 1225-'30; 2700 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.11">11</a>: I, 459&ndash;460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.;
+I, 3116-'7, 3129-'30; II, 1798&ndash;1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV,
+365&ndash;386, 612 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.12">12</a>: I, 1280 vlgg.; 585&ndash;6, 613&ndash;614, 1379-'80; IV, 1005-'6;
+I, 3207-'9; II, 815-'6; 3894-'6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.13">13</a>: I, 736 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.14">14</a>: II, 297 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.15">15</a>: II, 1299&ndash;1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9;
+ik geef slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.16">16</a>: Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige
+wijze, uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder,
+onder den titel <i>Dat Bouck der Bloemen</i> (Hoogstraten,
+L. VAN HOOF&mdash;ROELANS, 1904). Dat dit werk van POTTER is, kan
+niet betwijfeld worden door iemand die met een weinig kennis van
+zaken de eerste bladzijden (7&ndash;12) leest en dan let o.a. op de vermelding
+van het ambt door den auteur bekleed (de &#8222;yseren roede"
+vgl. <i>M. Loop</i>, I, 78&ndash;79), op het &#8222;boec van wer(l)tlijker minnen"
+dat hij &#8222;in jonghen tijden maecte te rome", op alle in <i>Der Minnen
+Loop</i> voorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek
+worden genoemd. De &#8222;lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt,
+zal misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien
+wij reeds spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der
+kroniek van Froissard.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.17">17</a>: Vgl. bl. 9, 54, 97.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.18">18</a>: Bl. 35&ndash;36.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.19">19</a>: Bl. 9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.20">20</a>: Bl. 79.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.21">21</a>: Vgl. b.v. bl. 10, 31 (<i>wreetheit</i>), bl. 85 (<i>gierigheid</i>) en passim.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.22">22</a>: Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.23">23</a>: I, 66; II, 636.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.24">24</a>: I, 1&ndash;25; III, 1&ndash;17.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.25">25</a>: Bl. 44.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.26">26</a>: I, 2613; II, 3207.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.27">27</a>: <i>Der Minnen Loop</i>, III, 98 vlgg.; <i>Bl. der Deugden</i>, bl. 43.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.28">28</a>: <i>M. Loop</i>, II, 721 vlgg.; <i>Bl. der Deugden</i>, bl. 101.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.29">29</a>: Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen
+tijd <i>Giotto</i> schijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet
+ontzenuwen.]<a name="573"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>ALPHABETISCH REGISTER[*].</h2>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot *: Alle namen van dicht- en prozawerken zijn cursief gedrukt.]
+
+<h3>A.</h3>
+
+<p><i>Aechte (Van Sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>&ndash;138.<br>
+<i>Aiol</i>, I, <a href="#94">94</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#100">100</a>.<br>
+<i>Alexander den Groote (Leven van)</i>, I, <a href="#362">362</a>.<br>
+<i>Alexander</i>, I, <a href="#230">230</a>&ndash;235, <a href="#239">239</a>.<br>
+Alpertus' <i>De diversitate temporum</i>, I, <a href="#22">22</a>.<br>
+<i>Amadas en IJdoine</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br>
+<i>Amand (Leven van Sint)</i>, I, <a href="#349">349</a>&ndash;351.<br>
+<i>Amand (Leven van S.)</i> Latijn, I, <a href="#17">17</a>.<br>
+<i>Anno-lied</i>, I, <a href="#21">21</a>.<br>
+<i>Ansfried (Loflied op bisschop)</i> Latijn, I, <a href="#20">20</a>.<br>
+<i>Artur's dood</i>, I, <a href="#109">109</a>.<br>
+<i>Aubri de Borgengoen</i>, I, <a href="#95">95</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br>
+Augustijnken van Dordt, I, <a href="#497">497</a>, <a href="#515">515</a>, <a href="#516">516</a>.
+
+<h3>B.</h3>
+
+<p><i>Baerte metten breden voeten</i>, I, <a href="#337">337</a>&ndash;8.<br>
+<i>Beatrijs (Van)</i>, I, <a href="#353">353 vlgg.</a> <a href="#518">518</a>.<br>
+<i>Becoringhen (Van den vier)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Beghinen (Van den twaelf)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Beovulf</i>, I, <a href="#10">10</a>.<br>
+Bernlef, I, <a href="#5">5</a>.<br>
+Bertelmeeus van Delf, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Bestiaris</i>, I, <a href="#186">186</a>.<br>
+<i>Bestiaris (van minnen)</i>, I, <a href="#185">185</a>.<br>
+<i>Biechten (Boec der)</i>, I, <a href="#138">138</a>.<br>
+<i>Biën Boeck (der)</i>, <a href="#225">225 vlgg.</a><br>
+<i>Bloeme der Doechden</i>, I, <a href="#565">565 vlgg.</a><br>
+Boendale (Jan), I, <a href="#427">427 vlgg.</a> <a href="#517">517</a>&ndash;518, <a href="#524">524</a>, <a href="#527">527</a>-'31.<br>
+<i>Boerde (de eerste)</i>, I, <a href="#189">189</a>.<br>
+<i>Boerden</i>, I, <a href="#455">455 vlgg.</a><br>
+<i>Boerden en Sproken</i>, I, <a href="#504">504 vlgg.</a><br>
+<i>Bonifacius (Leven van S.)</i> Latijn, I, <a href="#18">18</a>.<br>
+Boudewijn van der Loren, I, <a href="#497">497</a>, <a href="#515">515</a>, <a href="#520">520</a>.<br>
+<i>Brandaen (Van Sinte)</i>, I, <a href="#53">53</a>.
+
+<h3>C.</h3>
+
+<p>Chaucer, I, <a href="#504">504</a>, <a href="#570">570</a>.<br>
+<i>Chierheit der geesteleker Brulocht</i>, I, <a href="#382">382</a>&ndash;3.
+
+<h3>D.</h3>
+
+<p>Daem van IJsselsteyn, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Disputatie van den Cruce</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a><br>
+<i>Disticha Catonis</i>, I, <a href="#184">184</a>.<br>
+<i>Doctrinael (Dietsche)</i>, I, <a href="#423">423 vlgg.</a><br>
+<i>Doctrinael (Nieuwe)</i>, I, <a href="#334">334</a>; <a href="#423">423 vlgg.</a><br>
+<i>Doctrinael savage</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br>
+<i>Dogheden (Van den twaelf)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Doon de Mayence</i>, I, <a href="#96">96</a>, <a href="#97">97</a>.<br>
+<i>Drievoudichede (Van der)</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a>
+
+<h3>E.</h3>
+
+<p>Eckhart, I, <a href="#365">365 vlgg.</a><br>
+<i>Edewaert (Van den derden)</i>, I, <a href="#313">313</a>, <a href="#427">427</a>.<br>
+<a name="574"></a>
+Egidius, I <a href="#520">520</a>.<br>
+<i>Eneïde</i>, I <a href="#38">38</a>.<br>
+Erasmus, I, <a href="#568">568</a>.<br>
+<i>Esopet</i> (&#8222;favele" van Esopus), I, <a href="#187">187</a>, <a href="#193">193</a>.<br>
+<i>Eustaesse (van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>&ndash;138.
+
+<h3>F.</h3>
+
+<p><i>Fierabras</i>, I, <a href="#97">97</a>.<br>
+<i>Flandrijs</i>, I, <a href="#306">306</a>&ndash;7.<br>
+<i>Floris en Blancefloer</i> (Limburgsche bewerking), I, <a href="#34">34</a>.<br>
+<i>Floris en Blancefloer (van Diederic van Assenede)</i>, I, <a href="#111">111</a>&ndash;112, <a href="#116">116</a>, <a href="#117">117</a>.<br>
+<i>Flovent</i>, I, <a href="#91">91</a>, <a href="#97">97</a>.<br>
+<i>Foulque de Candie</i>, I, <a href="#97">97</a>.<br>
+<i>Franciscus Leven (Sinte)</i>, I, <a href="#231">231</a>, <a href="#244">244</a>.<br>
+Froissart (Vertaling van Kroniek), I, <a href="#332">332</a>.<br>
+<i>Ferguut</i>, I, <a href="#110">110</a>&ndash;111, <a href="#113">113</a>&ndash;115, <a href="#118">118</a>.
+
+<h3>G.</h3>
+
+<p><i>Galbertus (Kroniek van)</i>, I, <a href="#23">23</a>.<br>
+Geraert (Heer), I, <a href="#313">313</a>.<br>
+<i>Geraert van Viane</i>, I, <a href="#93">93</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br>
+<i>Ghelove (Van den Kerstenen)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+Gielys van Molhem, I, <a href="#139">139</a>.<br>
+Gielijs van Trecht, I, <a href="#514">514</a>.<br>
+Godekijn van Tricht, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+Gillis de Wevel, I, <a href="#305">305</a>, <a href="#518">518</a>.<br>
+Graal (de heilige), I, <a href="#108">108</a>&ndash;109.<br>
+<i>Graalqueste</i>, I, <a href="#109">109</a>, <a href="#110">110</a>.<br>
+<i>Grale (Historie van den)</i>, I, <a href="#236">236</a>.<br>
+<i>Grimbergsche Oorlog</i>, I, <a href="#295">295</a>, <a href="#341">341</a>&ndash;2.<br>
+<i>Gudrun</i>, I, <a href="#10">10</a>.<br>
+<i>Gwidekijn van Sassen</i>, I, <a href="#96">96</a>, <a href="#97">97</a>.
+
+<h3>H.</h3>
+
+<p>Hadewych, I, <a href="#150">150</a>, <a href="#155">155</a>, <a href="#156">156 vlgg.</a><br>
+Heelu (Jan van), I, <a href="#304">304</a>.<br>
+<i>Heemskinderen</i>, I, <a href="#89">89</a>, <a href="#91">91</a>, <a href="#93">93</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br>
+<i>Heimelijkheid der Heimelijkheden</i>, I, <a href="#254">254</a>.<br>
+<i>Heimelicheit (Der Vrouwen)</i>, I, <a href="#421">421</a>.<br>
+<i>Heimelicheit (Der Mannen ende der Vrouwen)</i>, I, <a href="#421">421</a>.<br>
+Heyn van Aken, I, <a href="#298">298</a>.<br>
+Heinrec, I, <a href="#139">139</a> (vgl. <i>Rinclus</i>).<br>
+Heinric van Hollant, I, <a href="#519">519</a>.<br>
+Herman de Spreker, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+Hese (Reisverhaal van Joannes Witte de), I, <a href="#363">363</a>.<br>
+Hillegaertsberch (Willem van), I, <a href="#328">328</a>, <a href="#333">333</a>, <a href="#345">345</a>.<br>
+Hopezomer, I, <a href="#512">512</a>, <a href="#516">516</a>, <a href="#533">533</a>.<br>
+<i>Horologium aeternae sapientiae</i>, I, <a href="#369">369</a>.<br>
+<i>Houte (Dboec van den)</i>, I, <a href="#352">352</a>, <a href="#361">361</a>.<br>
+<i>Huge van Bordeeus</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br>
+<i>Hughe van Tabaryen</i>, I, <a href="#299">299</a>.
+
+<h3>I. J.</h3>
+
+<p>Jan I van Brabant, I, <a href="#221">221</a>.<br>
+Jan Bot, I, <a href="#522">522</a>.<br>
+Jan Dyllen, I, <a href="#513">513</a>.<br>
+Jan van Sente Gheerdenberghe, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+Jan van Hulst, I, <a href="#520">520</a>.<br>
+Jan metter Huven, I, <a href="#514">514</a>.<br>
+Jan van Lier, I, <a href="#514">514</a>.<br>
+Jan van Machelen, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+Jan Praet, I, <a href="#437">437 vlgg.</a><br>
+Jan van Vlaerdinghen, I, <a href="#512">512</a>, <a href="#515">515</a>.<br>
+Jan de Weert, I, <a href="#334">334</a>, <a href="#423">423</a>, <a href="#435">435</a>, <a href="#518">518</a>.<br>
+Jannes den Coster, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Jonitas en Rosafiere (Van)</i>, I, <a href="#353">353 vlgg.</a><br>
+Jonchere van der Minnen, I, <a href="#515">515</a>.
+
+<h3>K.</h3>
+
+<p>Calfstaf, I, <a href="#187">187</a>.<br>
+<i>Karel en Elegast</i>, I, <a href="#101">101</a>.<br>
+<i>Karel en Galie</i>, I, <a href="#97">97</a>.<br>
+<i>Carmen allegoricum (S. Suitbert)</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br>
+<i>Cassamus</i>, I, <a href="#337">337</a>&ndash;9, <a href="#344">344</a>.<br>
+<a name="575"></a>
+<i>Caterine (Van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>&ndash;138.<br>
+<i>Kerstine (Leven van Sinte)</i>, I, <a href="#350">350</a>&ndash;1.<br>
+<i>Claghe (der Kerken)</i>, I, <a href="#257">257</a>.<br>
+<i>Clara (Leven van Sinte)</i>, I, <a href="#231">231</a>.<br>
+<i>Clausule van der Bible</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a><br>
+Colpaert, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Couchi (Van den borchgrave van)</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a> <a href="#347">347</a>.<br>
+<i>Cracht der Mane</i>, I, <a href="#421">421</a>.<br>
+<i>Kruis (Van het heilige)</i>, I, <a href="#13">13</a>, <a href="#352">352</a>&ndash;3.<br>
+<i>Kunera (Van Sinte)</i>, I, <a href="#350">350</a>, <a href="#361">361</a>.
+
+<h3>L.</h3>
+
+<p>Lambert van Waterloos, I, <a href="#225">225</a>.<br>
+<i>Lancelot</i>, I, <a href="#106">106</a>, <a href="#109">109</a>, <a href="#110">110</a>, <a href="#113">113</a>, <a href="#296">296</a>, <a href="#306">306</a>.<br>
+<i>Lande van Overzee (Van den)</i>, I, <a href="#259">259</a>.<br>
+<i>Lebuïnus (Ecloga op S.)</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br>
+<i>Leec</i> (geestelijk lied), I, <a href="#223">223</a>.<br>
+<i>Leek (Geschrift van den onbekenden)</i>, I, <a href="#375">375</a>.<br>
+<i>Levene ons Heren (Van den)</i>, I, <a href="#132">132</a>&ndash;137.<br>
+Leeuwen (Jan van), I, <a href="#368">368</a>, <a href="#377">377</a>.<br>
+<i>Limborch (Roman van)</i>, I, <a href="#301">301</a>.<br>
+<i>Lorreinen</i>, I, <a href="#89">89</a>, <a href="#94">94</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br>
+Lodewijk van Vaelbeke, I, <a href="#519">519</a>, <a href="#534">534</a>.<br>
+Loy Latewaert, I, <a href="#519">519</a>.<br>
+<i>Loyhier ende Malaert</i>, I, <a href="#337">337</a>&ndash;8.<br>
+<i>Lucidarius (Dietsche)</i>, I, <a href="#422">422</a>.<br>
+<i>Leven van Ludger</i> (Latijn), I, <a href="#18">18</a>.<br>
+<i>Lutgart (Leven van Sinte)</i> door broeder Gheraert, I, <a href="#350">350</a>.<br>
+<i>Lutgart (Leven van Sinte)</i> door Willem van Afflighem, I, <a href="#149">149</a>&ndash;155.
+
+<h3>M.</h3>
+
+<p><i>Machteldis visioenen (Van)</i> I, <a href="#374">374</a>, <a href="#441">441</a>.<br>
+<i>Madocs droom</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br>
+<i>Malegijs</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br>
+<i>Marie Egyptiake (Van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>&ndash;138.<br>
+<i>Maartensliedjes (Sint)</i>, I, <a href="#227">227</a>.<br>
+<i>Martijn (Vierde)</i>, I, <a href="#267">267</a>.<br>
+<i>Martijns-zangen</i>, I, <a href="#249">249 vlgg.</a>; <a href="#267">267</a>.<br>
+Meeus van Dordt, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Meliboeus</i>, I, <a href="#435">435</a>, <a href="#451">451</a>.<br>
+<i>Merlijn</i>, I, <a href="#230">230</a>, <a href="#236">236</a>&ndash;238.<br>
+<i>Minnen Loop (Der)</i>, I, <a href="#553">553 vlgg.</a><br>
+<i>Missen (Bediedenisse der)</i>, I, <a href="#422">422</a>.<br>
+<i>Moriaen</i>, I, <a href="#118">118</a>&ndash;119.
+
+<h3>N.</h3>
+
+<p><i>Naturen Bloeme (der)</i>, I, <a href="#231">231</a>, <a href="#254">254</a>&ndash;6.<br>
+Nederlant, I, <a href="#311">311</a>&ndash;2.<br>
+Neidhart von Reuental, I, <a href="#555">555</a>, <a href="#571">571</a>.<br>
+<i>Nibelungen-lied</i> (Dietsche vertaling), I, <a href="#45">45</a>.<br>
+Noydekijn, I, <a href="#187">187</a>.<br>
+&#8222;<i>Nu zijt wellecome</i>", I, <a href="#223">223</a>.
+
+<h3>O.</h3>
+
+<p><i>Octaviaan</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br>
+<i>Ogier</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br>
+<i>Oranje (Willem van)</i>, I, <a href="#90">90</a>, <a href="#92">92</a>, <a href="#97">97</a>.<br>
+Otto van Orleien, I, <a href="#519">519</a>.
+
+<h3>P.</h3>
+
+<p><i>Partonopeüs en Melior</i>, I, <a href="#111">111</a>&ndash;112, <a href="#115">115</a>&ndash;116, <a href="#118">118</a>.<br>
+<i>Passionael</i>, I, <a href="#408">408</a>.<br>
+Peter Vreugdegaer, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Plaghen (Die X)</i>, I, <a href="#423">423</a>.<br>
+<i>Percevael</i>, I, <a href="#109">109</a>, <a href="#113">113</a>.
+
+<h3>R.</h3>
+
+<p><i>Ragisel (Wrake van)</i>, I, <a href="#109">109</a>.<br>
+<i>Reinaerde (Van den Vos)</i>, I, <a href="#193">193</a>.<br>
+<i>Reinaert II</i>, I, <a href="#440">440</a>&ndash;449.<br>
+<i>Ridder metter mouwen</i>, I, <a href="#109">109</a>.<br>
+<i>Ridder metten Zwane</i>, I, <a href="#337">337</a>&ndash;9.<br>
+<i>Rike der Ghelieven</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Rinclus</i>, I, <a href="#139">139</a>&ndash;141.<br>
+<i>Roelants-lied</i>, I, <a href="#89">89</a>, <a href="#90">90</a>, <a href="#92">92</a>, <a href="#97">97</a>.<a name="576"></a><br>
+<i>Rogiere (Disputacie van&mdash;ende van Janne)</i>, I, <a href="#435">435</a>.<br>
+<i>Roos (Roman van de)</i>, I, <a href="#299">299</a>.<br>
+Ruusbroec, I, <a href="#371">371</a>, <a href="#379">379</a>.<br>
+<i>Rijmbijbel</i> (Maerlant's), I, <a href="#231">231</a>, <a href="#243">243</a>.
+
+<h3>S.</h3>
+
+<p><i>Scivias</i>, I, <a href="#143">143</a>.<br>
+<i>Seghelijn van Jerusalem</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br>
+<i>Seneka leren</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br>
+<i>Sermoenen (Limburgsche)</i>, I, <a href="#371">371</a>.<br>
+<i>Sinte Servatius' Legende</i>, I, <a href="#36">36</a>.<br>
+Snelryem de spreker, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Sobrietate (De)</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br>
+<i>Spaengen (Olivier van)</i>, I, <a href="#318">318</a>, noot 5.<br>
+<i>Spieghel Historiael</i>, I, <a href="#231">231</a>, <a href="#255">255</a>&ndash;6.<br>
+<i>Spiegel (der Leken)</i>, I, <a href="#427">427</a>.<br>
+<i>Spieghel der ewigher Salicheit</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Spiegel der Zonden</i>, I, <a href="#334">334</a>, <a href="#423">423 vlgg.</a><br>
+<i>Sproken</i>, I, <a href="#456">456 vlgg.</a><br>
+Stoke (Melis), I, <a href="#307">307</a>&ndash;310, <a href="#317">317</a>.<br>
+Suso, I, <a href="#369">369</a>.
+
+<h3>T.</h3>
+
+<p><i>Tabernacule (Van den gheestelijken)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+Tauler, I, <a href="#371">371</a>.<br>
+<i>Oude Testament (Eerste vertaling van het)</i>, I, <a href="#408">408</a>.<br>
+<i>Teestye</i> (Jans), I, <a href="#325">325</a>&ndash;327, <a href="#429">429</a>.<br>
+<i>Theophilus (Van)</i>, I, <a href="#353">353 vlgg.</a>; <a href="#361">361</a>.<br>
+Thomas van Cantimpré, I, <a href="#149">149</a>.<br>
+<i>Tondalus (Visioen van)</i>, I, <a href="#361">361</a>.<br>
+<i>Torec</i>, I, <a href="#230">230</a>, <a href="#238">238</a>&ndash;239.<br>
+<i>Tractaet van seven sloten</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Trappen (Van Seven)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Tristan en Isolde</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br>
+<i>Troyen</i>, I, <a href="#105">105</a>, <a href="#230">230</a>, <a href="#235">235</a>&ndash;236, <a href="#240">240</a>.
+
+<h3>U.</h3>
+
+<p>Willem Utenhove, I, <a href="#186">186</a>.
+
+<h3>V.</h3>
+
+<p><i>Vaghevier (Van S. Patricius')</i>, I, <a href="#351">351</a>&ndash;2.<br>
+<i>Valentijn en Nameloos</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br>
+Heinric van Veldeke, I, <a href="#34">34</a>.<br>
+Veldeke's <i>Minneliederen</i>, I, <a href="#41">41</a>.<br>
+Velthem (Lodewijk van), I, <a href="#305">305</a>&ndash;6.<br>
+<i>Vergy (Borchgravinne van)</i>, I, <a href="#337">337</a>&ndash;9, <a href="#344">344</a>.<br>
+<i>Versus de hirundine</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br>
+<i>Vingherlinc</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Vitae patrum</i>, I, <a href="#362">362</a>.<br>
+<i>Vroeden (Van den VII ... binnen Rome)</i> (gedicht), I, <a href="#190">190</a>.<br>
+<i>Vrouden (Van den vijf)</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a>
+
+<h3>W.</h3>
+
+<p><i>Walewein</i>, I, <a href="#119">119</a>&ndash;121.<br>
+<i>Walewein-boek,</i> I, <a href="#109">109</a>.<br>
+<i>Boek der Waarheid</i> (Suso), I, <a href="#369">369</a>.<br>
+<i>Waerheit (Boec vander hoechster)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Waerneer (Van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>&ndash;138.<br>
+Willem van Afflighem, I, <a href="#150">150</a>.<br>
+<i>Wraken (Boec van der)</i>, I, <a href="#422">422</a>, <a href="#451">451</a>.<br>
+<i>Wrake (Van onses Heren)</i>, I, <a href="#139">139</a>.<br>
+<i>Wisselau (Van den bere)</i>, I, <a href="#48">48</a>.<br>
+<i>Woeringen (Slag bij)</i>, I, <a href="#303">303</a>.<br>
+<i>Wonden (Van ons Heren)</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a><br>
+<i>Wychliederen</i>, I, <a href="#223">223</a>&ndash;224.
+
+<h3>Y.</h3>
+
+<p><i>Yeesten (Brabantsche)</i>, I, <a href="#427">427</a>.<br>
+<i>Ysengrimus</i>, I, <a href="#24">24</a>.<br>
+<i>Ystoriën (Der&mdash;Bloeme)</i>, I, <a href="#349">349</a>.
+
+<h3>Z.</h3>
+
+<p><i>Zalichede (Leeringhe der)</i>, I, <a href="#437">437 vlgg.</a><br>
+<i>Zeden (Bouc van)</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br>
+<i>Zeden (Van)</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br>
+<i>Zwaanridder-sage</i>, I, <a href="#11">11</a>.<a name="577"></a>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche
+letterkunde, Deel I, by Gerrit Kalff
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE ***
+
+***** This file should be named 23812-h.htm or 23812-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/3/8/1/23812/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>