summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:10:18 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:10:18 -0700
commit727bcb9515b85bc7eb7f3955b75eaf4923534f2f (patch)
tree9ad1649367d1142d64a34e7df3abe1e484495ad7
initial commit of ebook 23812HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--23812-0.txt19519
-rw-r--r--23812-0.zipbin0 -> 416649 bytes
-rw-r--r--23812-8.txt19519
-rw-r--r--23812-8.zipbin0 -> 416177 bytes
-rw-r--r--23812-h.zipbin0 -> 437541 bytes
-rw-r--r--23812-h/23812-h.htm21585
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
9 files changed, 60639 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/23812-0.txt b/23812-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..3c85c72
--- /dev/null
+++ b/23812-0.txt
@@ -0,0 +1,19519 @@
+The Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde,
+Deel I, by Gerrit Kalff
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
+
+Author: Gerrit Kalff
+
+Release Date: December 10, 2007 [EBook #23812]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+ GESCHIEDENIS DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE
+
+ DOOR
+
+ G. KALFF,
+
+ HOOGLEERAAR AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN.
+
+ EERSTE DEEL.
+
+ TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1906.
+
+ STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+_Van 1868-1872 ontving ons volk van _JONCKBLOET'S_ hand de eerste
+volledige wetenschappelijke geschiedenis onzer letterkunde._
+
+_Tot op den huidigen dag is die eerste de eenige gebleven. Met die twee
+feiten voor oogen zal menigeen erkennen, dat de rustelooze voortgang der
+wetenschap en de ontwikkeling onzer denkbeelden over literatuur en
+geschiedschrijving der literatuur een nieuwe geschiedenis onzer
+letterkunde wenschelijk, ja noodig, maken._
+
+_Het is waar_, JONCKBLOET _heeft zijn, in vele opzichten voortreffelijk,
+werk in latere uitgaven aangevuld en gewijzigd; doch het wezen van zijn
+boek is daardoor niet veranderd._
+
+_Ongeveer twintig jaar na_ JONCKBLOET _ondernam_ Dr. J. TE WINKEL _een
+nieuwe geschiedenis onzer letterkunde, eveneens op eigen
+wetenschappelijk onderzoek berustend. Een dergelijk boek mocht toen
+reeds om meer dan een reden noodig genoemd worden, zooals door den
+schrijver in zijne Voorrede is uiteengezet. Doch_ Dr. TE WINKEL _liet
+zijn verdienstelijk werk na het eerste deel steken. Zoo bleef een nieuwe
+volledige geschiedenis onzer letterkunde een desideratum_[1].
+
+[1] De geïllustreerde _Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde_ van
+Prof. J. TEN BRINK, bestemd in de eerste plaats voor het groote publiek
+en dus van anderen aard dan de beide bovengenoemde werken, kan hier
+buiten beschouwing blijven.
+
+_De firma_ J.B. WOLTERS _te Groningen, die indertijd_ JONCKBLOET'S
+"Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" _had uitgegeven, verzocht
+mij een nieuw dergelijk werk samen te stellen en ik heb die taak op mij
+genomen, in de overtuiging dat hier werk viel te doen nuttig voor
+anderen en voor mijzelf._
+
+_Voor anderen--want ook in de 18 jaren, verloopen sedert de verschijning
+van_ Dr. TE WINKEL'S _boek, zijn weer tal van nieuwe werken en teksten
+gevonden; is onze feitenkennis door voortgezet onderzoek gewijzigd en
+vermeerderd; hebben buitenlandsche geleerden werken geschreven die ons
+in staat stellen, dieper door te dringen in het wezen en de ontwikkeling
+onzer literatuur. Dat alleen reeds maakt een nieuwe poging tot
+verwerking en samenvatting der bestaande stof wenschelijk. Doch er is
+meer. Een der redenen waarom_ Dr. TE WINKEL _het wenschelijk achtte,
+naast_ JONCKBLOET'S _werk het zijne te plaatsen, was gelegen in een
+"afwijkende aesthetische beschouwing der letterkundige voortbrengselen."
+Ook die reden bewoog mij tot het samenstellen van mijn werk. De
+opvatting en beschouwing mijner voorgangers eerbiedigend, acht ik het
+wenschelijk eene geschiedenis onzer letterkunde samen te stellen,
+uitgaand van een andere opvatting van leven en literatuur, van den
+samenhang tusschen die beide, en van de taak der
+literatuur-geschiedschrijving._
+
+_Voor mijzelven acht ik de samenstelling van dit werk een goede
+aanleiding tot verwerking en samenvatting van hetgeen een bijna
+25-jarige studie onzer letterkunde mij te gevoelen en te denken heeft
+gegeven._
+
+_Mijne opvatting van literatuur en literatuur-geschiedschrijving hier
+uiteen te zetten, schijnt mij overbodig; men zal die uit mijn werk
+voldoende kunnen opmaken._
+
+_Hier zou ik dus kunnen eindigen, ware het niet dat ik eerst een
+droevigen plicht had te vervullen._
+
+_De man die den stoot gaf tot het ontstaan van dit boek, de uitgever_
+E.B. TER HORST, _is eenige dagen geleden ontvallen aan de zijnen, aan
+den boekhandel, aan de wetenschap waarvoor hij als uitgever in zijn kort
+leven zooveel heeft gedaan. Het doet mij hartelijk leed, dat deze
+rusteloos, te rusteloos, voortvarende man in de volle kracht zijner
+werkzaamheid van ons moest scheiden; dat ik zijne belangstelling en zijn
+raad bij de voortzetting van dit werk zal missen. Mij blijft slechts de
+herinnering aan zijn onbekrompen trant van zaken doen en onze korte doch
+aangename samenwerking_.
+
+LEIDEN, 20 October 1905. G.K.
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+VOORSPEL I
+VOORSPEL II
+
+BOEK I.
+STANDENPOËZIE
+
+Inleiding
+1. Ridderpoëzie
+2. Geestelijke Poëzie (Hadewych)
+3. Poëzie der Gemeenten (Reinaert)
+Vroegste Lyriek
+Jacob van Maerlant
+Dichters, Voordragers, Publiek
+Tusschenspel. Ontkieming van het Nationaliteitsgevoel
+
+BOEK II.
+STANDENPOËZIE. DE STEM DER GEMEENTEN
+
+Inleiding
+Ridderpoëzie in verval
+Geestelijke epische poëzie en proza (Ruusbroec)
+Poëzie der Gemeenten (Vervolg)
+ Het Leerdicht--Reinaert II
+ Verhalende en lyrische poëzie
+Ontwikkeling van het Literair Leven
+Willem van Hildegaersberch
+Dirc Potter
+
+Alphabetisch Register
+
+
+
+
+VOORSPEL.
+
+
+
+
+VOORSPEL.
+
+I.
+
+ Land en Volk. Romeinen. Franken. Bernlef. Heidendom en Christendom.
+ Oudnederlandsche Letterkunde. De akker der volkspoëzie ligt
+ braak. Latijnsche poëzie en prozawerken.
+
+Het onderzoekend oog dat zich richt op het verst verleden van ons volk,
+stuit allerwegen op een ring van duisternis. Slechts langzaam en
+tragelijk wijken voor het wassend licht der wetenschap, de dikke nevelen
+die verbreid liggen over het ontkiemen van ons volksbestaan.
+
+Wat zien wij in die schemering?
+
+Lage landen aan zee, oostwaarts zachtkens opglooiend, overal afgebroken
+door plassen en meren en breede rivieren; eenzame heiden en uitgestrekte
+bosschen, afgewisseld door poelen en moerassen. Over die woeste gronden
+zwerven Kelten en Germanen, jagers en visschers, levend van de hand in
+den tand, een ruw en zorgvol bestaan rekkend in den strijd met wilde
+dieren. Onzekere geruchten omtrent een schrikwekkenden grooten vloed
+zijn blijven hangen in het geheugen ook van ons volk. Nog staan,
+indrukwekkend en geheimzinnig, op de Drentsche heidevelden de
+hunnebedden, heugenissen dier vroegste schemertijden.
+
+Maar niet onduidelijk noch onzeker van klank zijn de schetterende
+trompetten die de nadering verkonden van Romeinsche soldaten en als
+sterren door de nevelen schitterend zien wij de zilveren adelaren zich
+wiegen boven de helmen dier legioenen die de wereld hadden veroverd.
+
+In het gevolg der Romeinen kwam de beschaving. Van hen leerden onze
+voorouders het aanleggen van wegen en dijken, het bouwen van bruggen en
+huizen; in landontginning, landbouw, handel en nijverheid waren de
+Romeinen onze voorgangers en leermeesters. Met de zee, "de wilde zee"
+zooals men haar te onzent nog lang placht te noemen, wordt een strijd
+aangebonden ter verdediging van het land; weldra gaan de Friezen haar
+bevaren om handel te drijven.
+
+Langzaam neigt der Romeinen heerschappij ten val. Hun wereldrijk
+verzwakt; als het bloed naar het hart trekken de legioenen zich uit de
+verre streken terug, de greep van Rome's ijzeren vuist verslapt. Wanneer
+eindelijk het Romeinsche rijk bezweken is onder de slagen der Germanen,
+komen de Franken hier als heerschend volk de plaats der Romeinen
+innemen. Zelf een Germaansch volk, maar dat langzamerhand samensmolt met
+de Gallo-Romeinsche bevolking van het door hen veroverd land en meer en
+meer onder den invloed geraakte van de beschaving en het Christendom der
+overwonnelingen, dringen zij aldoor noordwaarts op. Een botsing met de,
+benoorden den Rijn wonende, Friezen en Saksen kon niet uitblijven; eene
+botsing van stammen tegen stammen, botsing ook van ruwheid en
+beschaving, van Heidendom en Christendom. Lang blijven de Friezen onder
+hunne koningen RADBOUD en POPPO zich verdedigen tegen de Franken onder
+hunne PEPIJNS en KAREL MARTEL, maar ten slotte moeten zij den strijd
+opgeven; het Friesche rijk dat zich langs de zeekust eens tot het Zwin
+had uitgestrekt, wordt in de 8ste eeuw bij het Frankisch rijk ingelijfd.
+KAREL DE GROOTE bevestigt dien stand van zaken; onder zijne roemvolle
+regeering beginnen de bewoners dezer landen de zegeningen van orde en
+vrede eenigermate te leeren kennen en genieten.
+
+Niet verwonderlijk dus, dat wij ook nu eerst onder deze volken eenig
+spoor vinden van letterkundig leven. Aan het Friesche volk komt de eer
+toe, het eerst zijne stem te hebben opgeheven in het veelstemmig koor
+van Nederlands poëzie; aan de poort onzer literatuur staat--Frysk bloed,
+tsjoch op!--een vrije Fries, de blinde zanger BERNLEF.
+
+Het weinige dat wij van BERNLEF weten, is ons verhaald door ALTFRIDUS,
+bisschop van Munster, in zijne levensbeschrijving van den apostel
+LIUDGER, een edelen Fries die in Friesland het werk van BONIFACIUS heeft
+voortgezet[1].
+
+In dat levensverhaal vinden wij gewag gemaakt van "den blinden zanger
+BERNLEF, dien zijne buren liefhadden om zijne minzaamheid en omdat hij
+de daden van het voorgeslacht en de oorlogen der koningen wel in zijne
+harpzangen wist te verhalen." Voorts wordt ons nog medegedeeld, dat
+BERNLEF met zijne vrouw te Holwerd bij Dokkum woonde en dat hij drie
+jaar lang met volslagen blindheid bezocht was.
+
+Misschien hebben wij hier een dier zangers van beroep voor ons, gelijk
+zij bij de Gernamen voorkwamen, een der dragers van de oude inheemsche
+volkspoëzie[2]. Al kennen wij BERNLEF'S liederen helaas! niet, wij wagen
+niet veel met de onderstelling dat zij hetzelfde karakter zullen hebben
+gedragen als die "alleroudste liederen over de daden en oorlogen der
+vroegere koningen" welke KAREL DE GROOTE deed verzamelen en
+opteekenen[3]. Was BERNLEF de dichter der liederen die hij placht te
+zingen? Daarnaar kunnen wij zelfs niet gissen. Liever dan eene poging
+daartoe aan te wenden, wijzen wij op een andere mededeeling aangaande
+dezen Frieschen zanger in hetzelfde _Leven van Liudger_: "Overal waar
+deze BERNLEF den man Gods (LIUDGER) vond, leerde hij psalmen van hem en
+hij bleef in de "verlichting" die hij door dezen deelachtig was geworden
+totdat hij, oud en der dagen zat, in vrede stierf."
+
+De literatuur is ook hier spiegel, van het leven. In die Oudgermaansche
+volkszangen, wijkend voor de Christelijke kerkliederen, zien wij de
+worsteling van Heidendom en Christendom die nu onze aandacht vraagt.
+
+Die worsteling was niet meer zoo zwaar als zij voorheen was geweest,
+maar zij was toch nog verre van geëindigd. De oudste verkondigers van
+het Christendom hier te lande: SINT SERVAES, SINT AMAND, SINT ELOY, en
+hunne meerendeels Angelsaksische opvolgers WILLEBRORD, LEBUÏNUS,
+BONIFACIUS en zoovele anderen hadden de bewoners dezer landen gevonden
+als belijders van een geloof dat men een natuurdienst mag noemen. Wodan
+was vooral een windgod, Wodan's heir de wilde jacht der stormende
+wolken; Donar was een onweersgod, Moeder Aarde werd vereerd als eene
+godheid, sporen van boomvereering zijn ook hier aan te wijzen evenals
+van het geloof aan elven en nikkers, geesten die verblijf hielden in
+lucht en aarde, bosch en water. Tegen dat geloof komt het Christendom
+zich kanten: tegen den ontzagwekkenden Wodan op zijn achtvoetig ros de
+luchten doorzwevend--God de Vader; tegen den wilden Donar met zijn
+pletterenden hamer--de bleeke man der smarte met de doornenkroon; tegen
+de bloedwraak--het "hebt uwe vijanden lief"; tegen de heerschappij van
+zinnelijkheid en hartstocht--de eisch van zelfbeheersching,
+zelfverloochening, kastijding van het booze vleesch. Overal, in
+Vlaanderen en Brabant als in Holland en Friesland, doet zich de stem van
+het nieuwe geloof hooren. De vrome mannen, die hier het Evangelie
+brengen, worden vaak grimmig ontvangen, hun leven in gevaar gebracht,
+BONIFACIUS door de Friezen vermoord--zij versagen niet. Gestadig gaan
+zij voort met prediken, bekeeren, doopen, met het bouwen van kerkjes,
+het stichten van kloosters. RADBOUD, "de vijand Gods", zooals MELIS
+STOKE hem noemt, moge komen met zijne heidensche Friezen en het pas
+gestichte vernielen en verbranden--geen nood! een nieuwe kerk, een nieuw
+klooster verrijst.
+
+Het Christendom wint gaandeweg veld; het heidendom trekt zich terug,
+overwonnen niet gedood. Lang blijft het voortbestaan als ondergrond van
+het nieuwe geloof, lang nog blijft het leven en zich openbaren in tal
+van gewoonten en gebruiken, hoezeer ook bedreigd door den banvloek des
+priesters. Lustig bleven op Sint-Jan de vuren branden aan welker vlammen
+de heidenen van ouds eene reinigende kracht toeschreven; bezwerings- en
+tooverformulieren werden nog steeds toegepast, de wichelarij met paarden
+en vogels hield stand; de hazelaarstak deed nog lang zijne diensten bij
+het zoeken naar verborgen schatten. De lijkmaaltijden bleven in zwang;
+men hechtte er gewicht aan, welk dier men des morgens het eerst
+tegenkwam, aan welken kant eene kraai u voorbijvloog. Menige heidensche
+godheid, menig voorvaderlijk heiligdom werd gekerstend, maar lang niet
+overal bleek het doopsel krachtig genoeg om het oude geloof te verjagen.
+Zoo was het klooster Blandinium te Gent blijkbaar gesticht op de plaats
+waar vroeger een Oudgermaansch heiligdom had gestaan. Immers, wij lezen
+in het _Leven van Sint Amand_:
+
+ Het was omme den torre Blandijn,
+ Daer die afgod der Sarrasijn
+ In stont, die Marcurius hiet.
+
+al worden de heidensche bewoners dezer landen hier, gelijk zoo menigmaal
+elders, Sarracenen genoemd, al schuilt onder den naam Mercurius Donar of
+een andere Germaansche god. Nog in het midden der 14de eeuw toonde men
+den geloovigen de zeven boomen "waar SINT AMAND eerst zijn ruste nam"
+[4]. Doch er bestaat wel reden om te vermoeden, dat dit zevental Sint
+Amands-boomen oorspronkelijk een zevental Wodans-eiken zal geweest zijn,
+zooals de overlevering er ook te Wolfhezen toont. En menig halfbekeerde
+Vlaming, wiens weg hem in het schemeruur langs die boomen voerde, zal er
+een eerbiedig schuwen blik op hebben geworpen, denkend aan de oude
+goden.
+
+Ondertusschen vermenigvuldigden de kloosters zich snel; reeds vóór de
+kruistochten is Zuid-Nederland er mede bezaaid[5] en in het Noorden
+moeten zij ook al spoedig talrijk zijn geweest. Gewoonlijk werd zulk een
+klooster gesticht ergens in de "solitudines", de woeste gronden die een
+groot deel dezer landen besloegen. Bosschen moesten dan gerooid,
+moerassen gedempt, heiden ontgonnen; het werk der beschaving nam een
+aanvang. Naast vele wereldlijke heeren maakten vooral de Cisterciënsers
+zich verdienstelijk ten opzichte dezer kolonisatie binnenslands.
+
+Zeker, niet al deze geestelijken waren heiligen; de meesten waren maar
+menschen, zwakke menschen. Over de ruwheid, vechtlust en zedeloosheid
+der geestelijken van de 8ste eeuw wordt luide geklaagd.[6] De kerkelijke
+tucht verslapte zóózeer, dat in de 10de eeuw de regel van SINT
+BENEDICTUS bijna geheel vergeten was, dat menig abt zich van de
+wereldlijke machthebbers slechts door de tonsuur onderscheidde.[7]
+
+Doch het zou onbillijk zijn, wegens zulke feiten den goeden invloed,
+door het Christendom en een deel der geestelijkheid geoefend, voorbij te
+zien. En zeker zou menig literair werk van dezen tijd niet geschreven
+zijn, indien zijn maker niet in een klooster die veiligheid, rust en
+kalmte van geest had gevonden, zonder welke de meeste letterkundige
+werken niet kunnen ontstaan. Dat geldt in hooge mate van de eeuwen
+waarop wij hier inzonderheid het oog hebben, de 9de-12de eeuw, die ons
+deze landen toonen in een toestand van verwarring en verwildering.
+Telkens zeilen de Noorsche zeeroovers onze rivieren op, allerwege schrik
+verbreidend; zij moorden, plunderen, sleepen den buit naar een versterkt
+kamp, worden soms verjaagd, doch slechts om een volgenden keer met
+fellen wrok terug te komen. Doch ook in streken waar zij niet kwamen,
+vernemen wij weinig anders dan veeten, oorlog, roof, moord, verwoesting.
+Tal van kleine graven, behalve den graaf van Friesland (die zich later
+graaf van Holland zal noemen), trachtten zich onafhankelijk te maken.
+Het groote rijk van Neder-Lotharingen, dat een korten tijd al deze
+landen behalve Vlaanderen omvatte, kon geen afzonderlijke staat blijven
+maar loste zich op in een aantal kleine feodale staatjes[8].
+
+Te midden van al die verwoesting en verdeeldheid bleef de Christelijke
+Kerk overeind, niet ongedeerd, maar ongeschokt in hare eenheid. Ook op
+de literatuur dezer eeuwen heeft zij haar stempel gedrukt. Want terwijl
+er nauwlijks sprake kan zijn van de vorming eener literatuur in de
+volkstaal, kiezen de letterkundigen dier eeuwen bijna zonder
+uitzondering de klassieke kerktaal, waar zij uiting willen geven aan
+hetgeen hun geest en gemoed vervult. Voordat wij die in het Latijn
+geschreven werken in oogenschouw nemen, moeten wij kennis maken met
+hetgeen door sommige geleerden als _Oudnederlandsche Letterkunde_ is
+aangeduid[9].
+
+Evenals de Engelschen vóór hunne middeleeuwsche letterkunde eene
+Oudengelsche of Angelsaksische literatuur kunnen aanwijzen en de
+Duitschers vóór de Middelhoogduitsche eene Oudhoogduitsche, zoo moesten
+ook de Nederlanders, meende men, eene Oudnederlandsche letterkunde
+hebben gehad. Vaderlandsliefde die in het teeken der Romantiek stond,
+strekte verlangend de armen uit; de Wetenschap werd omhelsd, zóó vurig
+zelfs dat zij in de knel raakte--uit die vereeniging werd een
+"twijfelkind" geboren, zelfs critische geesten zoo bekorend, dat een
+hunner profeteerde als ziener met den blik achterwaarts gericht, "dat er
+eene Oudnederlandsche letterkunde _moet_ bestaan hebben"[10].
+
+Er was hier een bezwaar: Oudnederlandsche dichtwerken waren en zijn
+afwezig. Doch voorloopig behielp men zich met gewag te maken van het
+Hildebrandslied, het Lodewijkslied, van den Oudsaksischen Hêliand, van
+OTFRID'S Evangeliën-harmonie en dergelijke werken. En zeker, wanneer men
+zegt: wij Nederlanders zijn een Germaansch volk, _dus_ hebben ook wij
+deel aan de Oudgermaansche letterkunde; of: ook hier te lande hebben
+Saksen gewoond, _dus_ kunnen wij den Hêliand tot onze literatuur
+rekenen, dan kan men van die werken gewag maken in een geschiedenis
+onzer nationale literatuur. Doch dan moet men nog heel wat meer tot de
+Oudnederlandsche letterkunde rekenen dan thans geschiedt. Wie bij zijn
+verhaal van de ontwikkeling der Nederlandsche literatuur zooveel
+mogelijk de grenzen wenscht te eerbiedigen, waarbinnen deze volken van
+ouds geleefd of hunne taal gesproken hebben, die zal dit deel der
+Oudnederlandsche literatuur afwijzen als onrechtmatig verkregen goed.
+Sterker meenen de scheppers dier literatuur te staan in hunne aanspraken
+op een aandeel in de vorming van heldendichten als BEOVULF en GUDRUN.
+Dat die dichterlijke werken of deelen daarvan hier te lande bekend zijn
+geweest, daarvan hebben wij ook zelfs niet de geringste historische
+aanwijzing. Ook later wordt ten minste van BEOVULF en GUDRUN nooit
+gerept. "Het mag daarom met recht bevreemding wekken", lezen wij bij een
+der bovenbedoelde geleerden, "dat zij hier volkomen in vergetelheid zijn
+geraakt"[11].
+
+Uitgaande van die vooropgezette meening, heeft men met vlijt en
+scherpzinnigheid alles samengebracht, wat maar eenigszins dienen kon om
+te betoogen b.v. dat de Gudrun-sage hier gelocaliseerd is geweest, of
+ten minste dat het tooneel der gebeurtenissen die in de Gudrun-sage
+verhaald worden, voor een deel in ons land te zoeken is. De Franken en
+Friezen worden genoemd in den BEOVULF; in de GUDRUN is sprake van
+Friesland, en allerlei andere plaatsnamen die _kunnen_ doen denken aan
+deze landen bij de zee.
+
+Met den jongsten uitgever van GUDRUN geloof ik, dat de aardrijkskundige
+en staatkundige namen en aanwijzingen in dat gedicht zulk een verward
+mengelmoes te zien geven, dat wij ons daarvan kwalijk als
+wetenschappelijk materiaal kunnen bedienen[12]. Doch laat het waar zijn,
+dat de gebeurtenissen, in die heldendichten bezongen, ten deele op onze
+kusten hebben plaats gehad, krijgen wij dan daardoor eenig aandeel aan
+dat Angelsaksische, aan dat Middelhoogduitsche dichtwerk? "Ja", zal men
+zeggen, "want dan hebben wij tot het ontstaan van die gedichten
+bijgedragen". Mij schijnt die gevolgtrekking uitermate gewaagd.
+
+Behoort dan een dichterlijk werk, welks tooneel ons verplaatst naar een
+of ander land, daardoor reeds tot de literatuur van dat land? Dan zal
+men de literatuurgeschiedenis van menig volk moeten gaan herzien.
+
+Zoolang er geen deugdelijker gronden worden aangevoerd voor de stelling,
+dat ook ons volk deel heeft gehad aan de vorming dier Oudgermaansche
+heldendichten, acht ik het beter geene poging te doen ons te tooien met
+veeren uit de pluimage van Duitschers en Engelschen.
+
+Een eenigszins verschillend geval hebben wij in de sage van den
+Zwaanridder. Dat die sage hier te lande, vooral in Brabant maar ook
+elders, overal bekend is geweest, daarvan zijn onderscheidene
+bewijzen[13]. Een deel dezer sage, ook dat staat vast, ten minste voor
+sommige redactie's, heeft zich gelocaliseerd te Nijmegen. Wat meer zegt,
+hier _weten_ wij, dat de sage te onzent in de middeleeuwen bekend is
+geweest: MAERLANT immers acht het de moeite waard, de sage te bestrijden
+die verhaalde dat de hertogen van Brabant afstammen van den Zwaanridder.
+"Misdadige leugenaars tijgen GODFRIED VAN BOUILLON aan dat HELIAS, de
+Zwaanridder, zijn grootvader van moederszijde was" zegt hij in zijn
+_Spieghel Historiael_ en elders in datzelfde werk over GODFRIED
+sprekend:
+
+ Noch wijf, no man, als ict vernam,
+ Ne was noit zwane, daer hi af quam,
+ Al eist dattem Brabanters beroemen,
+ Dat si vanden zwane sijn coemen[14].
+
+Voorts bestaat er een fragment van een Dietsch gedicht over den
+Zwaanridder. Doch geeft het bestaan van dat fragment ons nu "alle reden
+om te doen vermoeden dat er evengoed een Nederlandsche roman van den
+Zwaanridder zal bestaan hebben, als er een Fransche _Roman du Chevalier
+au Cygne_ in verschillende redacties, en meer dan ééne bewerking in de
+Middel-hoogduitsche letterkunde van bestaat"?[15]
+
+Dat wij eertijds eene volledige bewerking der sage in het Nederlandsch
+bezeten hebben, geloof ook ik. Echter--en daarop komt het aan, indien
+men spreekt over sagen als materiaal voor de poëzie--voorzoover wij nu
+zien kunnen, is dit Nederlandsch gedicht geen zelfstandige bewerking der
+inheemsche sage, maar eene navolging van een of ander Fransch
+origineel[15]. Ook de sage der Heemskinderen was hier te lande populair;
+doch het Middelnederlandsch gedicht, dat hunne geschiedenis behandelt,
+is bewerkt naar het Fransch.
+
+Wij zien dus, dat ook hier poëtische stof voor het grijpen lag; maar
+geen dichter die er de hand op legde om er een poëtisch werk in de
+volkstaal uit te scheppen.
+
+De bovengenoemde voorbeelden zijn niet de eenige van dien aard. Wat kan
+sterker indruk hebben gemaakt op het gemoed en de verbeelding onzer
+voorouders, dan die telkens herhaalde rooftochten der Noormannen?
+Wanneer de gevreesde viking zich vertoonde aan boord van zijn hooge
+kromsteven, dan sidderde ook den stouten Fries het hart in de borst,
+want hij wist dat er geen genade was; dat plundering, mishandeling,
+moord hem en zijn volk bedreigden, dat ballingschap en slavernij veelal
+het lot was van wie gespaard bleven. De gansche negende eeuw door
+bestoken de Noormannen de kusten van Holland en Vlaanderen. Zij zeilen
+de rivieren op, diep landwaarts in; zij bouwen versterkte legerplaatsen
+bij Maastricht en Leuven, die uitgangspunten worden voor rooftochten in
+het omliggend land.[16].
+
+Welnu, geen enkel gedicht, geen lied, geen rijmpje zelfs in de volkstaal
+dier eeuwen is tot ons gekomen. Eerst in een gedicht van veel lateren
+tijd, de _Legende van het heilige Kruis_ (naar het schijnt uit de 14de
+eeuw), vinden wij verwarde herinneringen aan het verblijf der Denen
+(Noormannen) in Brabant.
+
+Zweeg men, omdat de smart te groot was? Dikwijls immers is het waar, wat
+in later tijden Vader CATS een Latijnsch dichter nazeide:
+
+ Gewone droefheid klaagt, maar al te diepe zeer
+ En heeft geen open wond, geen zucht, geen tranen meer.
+
+Doch de akker der volkspoëzie is braak blijven liggen ook op plaatsen,
+waar eene verklaring als de bovenstaande niet van pas zou zijn.
+
+Wat al gerucht is, in den aanvang der 12de eeuw, in den lande gemaakt,
+in Zeeland, Utrecht, Keulen, door den dweper TANCHELM! Een voorlooper
+van JAN VAN LEIDEN, een volksredenaar zóó welsprekend, dat hij de
+geleerde klerken ijverzuchtig maakte; die door zijn grooten invloed op
+de vrouwen ook de mannen voor zich wist te winnen; die in 't openbaar
+optrad in kleederen met goud doorweven, omstuwd door lijfwachten die een
+banier en een zwaard voor hem uitdroegen; die de geestelijkheid en de
+kerkleer durfde aantasten in zijne prediking en door de Utrechtsche
+Kanunniken aan den aartsbisschop van Keulen werd afgeschilderd als de
+voorlooper van den Antichrist! Te Keulen gevangen gezet met zijne
+gezellen: een priester EVERWACHER en een smid MANASSE die naar het
+voorbeeld van zijn meester een broederschap van twaalf mannen en ééne
+vrouw had opgericht (de apostelen en de maagd Maria), weet hij zich door
+de waterproef te zuiveren van de beschuldigingen tegen hem ingebracht.
+Later treedt hij weer in het openbaar op; in een vorstelijk kleed en met
+schitterend hoofdtooisel trekt hij, omgeven door drieduizend mannen,
+door stad en land. Hertogen noch graven durven hem weerstand bieden. In
+1115 wordt hij, in een vaartuig gezeten, door een priester
+verslagen.[17]
+
+Een poëtische stof, zou men zeggen, aantrekkelijk ook voor onze
+middeleeuwsche dichters, wien het--indien men mag afgaan op zoo menig
+dichterlijk werk van later tijd--waarlijk niet haperde aan gevoel voor
+het indrukwekkende of aangrijpende. Maar de nationale poëzie zwijgt over
+TANCHELM en de Tanchelmisten, over den priester EVERWACHER, over den
+smid MANASSE en zijn ontuchtig apostelengilde. Waarom? De verklaring
+schijnt mij voor de hand te liggen.
+
+Behalve de bovengenoemde zijn er in deze eeuwen nog zooveel andere
+dingen gebeurd, die indruk gemaakt hebben op de gemoederen der menschen
+van toen. Verscheidene daarvan nu zijn wel herschapen tot literaire
+werken van grooter of kleiner waarde. Echter niet in de volkstaal, maar
+in de taal der Kerk, het Latijn.
+
+Verwonderlijk is dat niet. In de schatting der middeleeuwsche menschen
+van dien tijd, stond het Latijn hoog boven de volkstaal. Het Dietsch was
+de taal van het "diet", van JAN ALLEMAN, en werd nog niet als
+schrijftaal gebezigd; het Latijn, met zijn eerbiedwaardig verleden, den
+roem en het gezag der klassieke schrijvers, was de taal der Kerk in
+gansch West-Europa, de taal ook waarvan geestelijken en geleerden zich
+schriftelijk bedienden, de taal die vorsten en machtigen kozen voor het
+opstellen van officieele stukken. Rome's taal en letterkunde werden ook
+hier te lande vlijtig beoefend. In de bibliotheek der beroemde abdij van
+Egmond vond men in de 11de en 12de eeuw tal van klassieke dichtwerken:
+VIRGILIUS' _Bucolica_ en _Georgica_; OVIDIUS' _Tristia_; CICERO's _De
+Senectute, De Amicitia_, de _Orationes_; SALLUSTIUS' werken. Van de
+lateren vond men er: PERSIUS' _Satiren_, STATIUS' _Thebaïs_; SENECA'S
+_De Clementia_; AULUS GELLIUS' _Noctes Atticae_. Voorts talrijke glosen
+op de klassieke schrijvers waaruit men mag opmaken dat de werken dier
+auteurs wel bestudeerd werden. Van middeleeuwsch-Latijnsche werken trof
+men er aan o.a.: eene _Vita Brendani_, de _Gesta Francorum id est
+Cronica cum Vita Karoli_, DARES FRIGIUS' _De Excidio Trojae, Gesta
+Alexandri Magni_[18]. Onder de boeken welke de abdij Bloemhof te
+Wittewierum in een latere eeuw (de 13de) bezat, vinden wij OVIDIUS,
+VIRGILIUS, eenige auctores ethici et satyrici; verder tal van werken
+over grammatica en dialectiek, geschriften van de Kerkvaders AUGUSTINUS
+en GREGORIUS[19]. In diezelfde eeuw vinden wij aan de abdij van
+Mariëngaarde te Hallum eene "scola publica" verbonden; aan haar hoofd
+stond zekere magister FREDERIK, die met zijne leerlingen 's morgens de
+heidensche poëten en geschiedschrijvers en na het middagmaal de
+Kerkvaders las[20].
+
+Die eerbied en liefde voor het Latijn zal de ontwikkeling der volkstaal
+waarschijnlijk belemmerd hebben; de veldbloem heeft "tier noch zwier" in
+de schaduw van den grooten boom die haar het vrije genot van zon en wind
+en regen beneemt en beslag legt op de groeikracht van Moeder Aarde.
+
+Abt EMO van Wittewierum bezat, volgens zijn biograaf, den lateren abt
+MENKO, vele gaven en talenten--doch niet de gaaf der wereldlijke
+welsprekendheid "in lingua teutonica"; daarvan was hij geen beminnaar en
+hij oefende er zich ook niet in "propter studium et amorem vitae
+spiritualis et lectionis". Nog op zijn sterfbed sprak hij keurig Latijn.
+
+Begrijpelijk is het, dat wij in de Latijnsche geschriften van zulke
+mannen niet zelden aanhalingen vinden uit klassieke schrijvers: in EMO'S
+Kroniek b.v. verzen of sententie's van CICERO, HORATIUS, SENECA,
+LUCANUS; in een reisbeschrijving van een Friesch of Groningsch pelgrim
+uit den aanvang der 13de eeuw herinneringen aan VIRGILIUS' _Eclogae_ en
+aan zijne _Aeneis_[21]. Begrijpelijk evenzeer, dat bewondering ook hier
+tot navolging bracht. Het lag voor de hand, dat allen die in aanraking
+waren gekomen met de Latijnsche literatuur en behoefte gevoelden zich te
+uiten, voor die uiting de taal zouden kiezen waarmede zij vertrouwd
+waren, die reeds op zich zelve zekere waardigheid aan een literair werk
+bijzette, het verhief boven het alledaagsche, en waarin zij allerlei
+wendingen, uitdrukkingen, vergelijkingen vonden waarmede zij hun
+voordeel konden doen.
+
+In die dagen, met voorbijgang van het Latijn, zich van de volkstaal
+bedienen voor de samenstelling van eenig letterkundig werk, zou alleen
+dan verwacht kunnen worden, indien er toen onder ons volk een krachtig
+gevoel van zelfbewustheid, een krachtig nationaliteitsgevoel, aanwezig
+ware geweest. Daarvan was nog geene sprake. Indien men zich herinnert,
+dat de grootste dichter der middeleeuwen, DANTE ALIGHIERI, vóór het
+schrijven der _Commedia_ geweifeld moet hebben tusschen de volkstaal en
+het Latijn, dat hij zelfs den aanvang van den _Inferno_ in Latijnsche
+hexameters gedicht heeft, dan zal men zich over de toestanden te onzent
+in vroeger eeuwen niet verwonderen.
+
+Het is natuurlijk denkbaar dat in die eeuwen een dichter, die geen
+Latijn kende, zich gedrongen zal hebben gevoeld tot eene poëtische
+uiting in de volkstaal. Maar in allen gevalle is geen enkel voorbeeld
+van zoodanige uiting tot ons gekomen.
+
+Wanneer wij nu het oog slaan op de Latijnsche werken, toen te onzent
+gedicht, dan treft ons aanstonds, dat wij hier een zwak voorspel
+vernemen van de latere literatuur der middeleeuwen. MAERLANT sprak in
+zijn _Wapene Martijn_ dit kloeke woord over den adel:
+
+ Mine roec, wiene droech of wan [Zijnoot: Ik geef er niet om wie zijn
+moeder of zijn vader was.],
+ Daer trouwe ende doghet es an
+ Ende rene es van seden;
+ Uut wat lande dat hi ran,
+ Dats, dien ic der namen an [Zijnoot: toeken (gun)]
+ Van der edelheden.
+
+Maar lang vóór hem had de adellijke Fries LUDGER, in den proloog van
+zijn verhaal over de heiligen BONIFACIUS en GREGORIUS, verklaard "dat er
+een adel des geestes bestaat, welks leden boven alle aanzienlijken van
+geboorte, de hoogste liefde en vereering waardig zijn"[22].
+
+Wij vinden de stof voor meer dan een ridder-epos in een paar Latijnsche
+kronieken dier eeuwen; eene bewerking der Reinaert-sage, eenige
+heiligenlevens, een leerdicht en ten slotte een paar staaltjes van
+lyrische poëzie. Het schijnt mij de moeite waard, de meeste dezer
+werken, het een iets korter, het ander iets uitvoeriger, te
+behandelen[23].
+
+MILO, monnik uit het klooster Elnon bij Doornik, die omstreeks 872
+stierf, behoort zeker wel tot de oudste Latijnsche dichters te onzent.
+Hij vervaardigde een leven van SINT AMAND in 1800 hexameters, op
+aansporing zijner kloosterbroeders, en als een hulde door hem op den dag
+van Sint Amand aan dien heilige gebracht.
+
+Behalve eenige kleinere gedichten schreef hij ook nog een omvangrijk
+leerdicht in twee boeken _De Sobrietate_, waarin door tal van
+voorbeelden uit O. en N. Testament wordt aangetoond, hoe nadeelig de
+gevolgen der gulzigheid en hoe goed die der matigheid zijn. Tusschen die
+voorbeelden vindt men hier en daar, evenals in de leerdichten van
+lateren tijd, uitweidingen over de priesters, over de onkuischheid van
+velen in dien tijd, ook wel eens over den dichter zelven. Geleerdheid is
+hier genoeg, ook navolging van VIRGILIUS; poëzie zoo min als in verreweg
+de meeste onzer middeleeuwsche leerdichten.
+
+Over de levens van BONIFACIUS en GREGORIUS door LUDGER, beide in proza,
+spraken wij reeds. Voorts vinden wij nog melding gemaakt van een ander
+leven van BONIFACIUS, geschreven door een tijdgenoot van LUDGER, een man
+van merkwaardige belezenheid en eenigermate bekend met Latijnsche
+klassieken en mythologie. In de eerste helft der 9de eeuw schreef een
+Friesch monnik in de abdij van Werden eene levensbeschrijving van
+LUDGER, waarin soms stof voorkomt, bruikbaar voor een dichter. In de
+laatste helft der 10de eeuw gaf een ander Friesch monnik ter abdij van
+Werden een verhaal van de romantische lotgevallen en vele mirakelen der
+Heilige Ida[24].
+
+Bisschop RADBOUD van Utrecht (± 917) toonde vooral eene voor dien tijd
+zeldzame kennis van grammatica en metriek in zijne _Versus de
+hirundine_, zijn _Carmen Allegoricum_ op Sint Suitbert en zijne _Ecloga_
+op Sint Lebuïnus; in deze en andere stukken van zijne hand vinden wij
+wel loofwerk van antieke mythologie en navolging van VIRGILIUS, maar
+nergens eene wending of uitdrukking, karakteristiek voor den volksgeest
+of het volksgemoed dier dagen[25].
+
+Door de heerschappij van het Latijn werd de natuurlijke uiting van het
+gemoedsleven als gestremd en verstijfd. Rechtstreeksche gemeenschap
+tusschen het innerlijk leven en de taal die dat innerlijk leven moet
+verklanken, kon onder die heerschappij niet bestaan. Om uit te drukken
+wat men gevoelde, moest men in eene vreemde taal zoeken naar woorden,
+wendingen, vergelijkingen die zoo ongeveer overeenkwamen met hetgeen men
+wenschte uit te drukken. Zoo kwam men tot poëzie, die op echte poëzie
+gelijkt als een kunstbloem op een levende bloem.
+
+Een goed voorbeeld van zulk dichtwerk vinden wij in de verzen die gewijd
+zijn aan het leven en den lof van ANSFRIED, bisschop van Utrecht, die in
+1010 stierf.
+
+Hoe rijk aan afwisseling is het leven van dezen bisschop, hoe rijk ook
+aan treffende of ontroerende feiten, aan zedelijke schoonheid, aan
+verhevenheid.
+
+Hij is van aanzienlijke afkomst, zijn vader schijnt graaf van Leuven te
+zijn geweest; een neef en naamgenoot van den knaap bezit vijftien
+graafschappen. Aartsbisschoppen, die van Trier, die van Keulen, leiden
+zijne opvoeding. De latere keizer OTTO I kiest hem op een tocht naar
+Italië tot zijn zwaarddrager; onder diens roemrijke leiding wordt hij
+een bekwaam veldheer. Spoedig is hij een der machtigste edelen van zijn
+tijd. Van de vroomheid en trouw zijner gemalin HILSWINDE bleven tot in
+onzen tijd romantische verhalen bewaard. Krachtig treedt hij op tegen de
+roovers (Noormannen?) in Brabant. Daarna wordt hij--zijns ondanks--door
+den keizer tot bisschop van Utrecht verheven; hij legt in de kapel te
+Aken zijn zwaard op het altaar der H. Maagd en wijdt zich aan haar
+dienst. Alle omstanders barsten in tranen uit. Voortaan wordt zijn leven
+meer en meer dat van een heilige; blind geworden, vertoeft hij liefst in
+het door hem gestichte klooster, de Hohorst bij Amersfoort. Zijn leven
+daar doet denken aan dat van SINT FRANCISCUS: hij put water om
+melaatschen te wasschen; zijne liefde ontwikkelt zich tot eene
+onbegrensde teederheid voor alle schepselen van den Heer. Zelfs den
+vogelkens was hij weldadig. Des winters liet hij uit medelijden met
+hunne armoede volle korenschooven in de boomen van zijn heuvel plaatsen.
+
+Geen wonder waarlijk dat na zijn dood de Utrechtenaren niet rustten,
+vóórdat zij zijn lijk van den Hohorst naar hunne stad hadden gevoerd,
+waar het onder psalmen en lofzangen en den toeloop eener ontelbare
+menigte in de Sint-Maartenskerk begraven werd[26]. Geen wonder ook dat
+een Utrechtsch priester zich niet lang daarna opgewekt, misschien
+gedrongen, gevoelde om den lof van zulk een man en zulk een leven te
+zingen. Hij heeft getuigd van zijn eerbiedige liefde voor zijn bisschop
+in een 26-tal Latijnsche hexameters.
+
+Dat deze hexameters niets eigens, niets persoonlijks hebben, bevreemdt
+ons niet; de kunst der middeleeuwen immers is juist algemeen en
+onpersoonlijk van aard. Maar wij verwachten toch voor het minst in deze
+uiting van droefheid en bewondering eenige warmte van gevoel te zullen
+opmerken en dat des dichters hart bewogen was, toen hij zijne verzen
+schreef. Inderdaad is er wel eenige golving van gevoel te bespeuren,
+maar het zijn golvingen zooals men ze ziet in een ijskorst die over het
+bewegelijk element ligt uitgebreid. Onder den verstijvenden invloed der
+rhetoriek, bij het verkillend zoeken naar juiste uitdrukkingen en
+tegenstellingen in een vreemde taal, is, wat er aan gevoelswarmte moge
+geweest zijn, vervlogen en wij vinden meerendeels slechts verzen als de
+volgende:
+
+ Quondam bellator, nunc autem pacis amator.
+ ...
+ Deposuit parmam, cepitque levare patenam.
+
+Wat de nagedachtenis van een als heilige vereerd en bemind prelaat in
+het Nederland dier dagen niet vermocht: een gedicht in de volkstaal te
+voorschijn roepen, dat is een halve eeuw later in Duitschland geschied.
+Toen een jongere tijdgenoot van ANSFRIED, de beroemde aartsbisschop ANNO
+van Keulen in 1075 gestorven was, heeft een Frankisch geestelijke niet
+lang daarna in een dichtwerk getuigd van zijne liefde en eerbied voor
+den overledene. Maar in Duitschland was de ontwikkeling van het
+nationaliteitsgevoel blijkbaar verder gevorderd dan te onzent: het
+bekende Anno-lied is in de volkstaal gedicht. Dit 900-tal verzen geeft
+ons iets anders te zien dan de 26 Latijnsche hexameters van den
+Utrechtschen klerk.
+
+Welk een rijke ader van echte poëzie zien wij telkens glinsteren in het
+ruwe, ongevormde en onbewerkte, ijzerharde taal-erts van dat Anno-lied!
+Ja, wij vinden hier veel onbeholpens, ook hier die zonderlinge
+overzichten van bijbelsche en wereldgeschiedenis, dat gemis aan
+samenhang en overgang; herinneringen aan VIRGILIUS en LUCANUS, te midden
+dezer speelmans-poëzie.... Maar hoe leven hier de middeleeuwen in
+visioenen van hemelsche heerlijkheid, in wonderen en allegorieën, in
+verhalen van veldslagen, roof, moord, brand en verwoesting. Hoe gloeit
+de wilde strijdlust der ijzeren eeuw van tijd tot tijd op in stalen
+helmen en vaste halsbergen en scherpe Beiersche zwaarden, die door
+helmen bijten; hoe vlamt die strijdlust op uit verzen als:
+
+ Ha! hoe kletterden de wapenen
+ Toen de rossen op elkander in vlogen,
+ Legerhoornen loeiden,
+ Beken bloeds vloten.
+
+Maar hoezeer ook overweldigd door de volheid zijner kwalijk beheerschte
+stof, toch vergeet de dichter zijn held niet, den "dierbaren" man, den
+"heiligen bisschop" in Keulen, de schoonste burg in het Duitsche land.
+Telkens waar SINT ANNO in dit dichtstuk optreedt, schieten, als zedige
+bloemen onder zijne voeten, beelden en vergelijkingen uit de verzen op:
+te midden der zeven heilige bisschoppen van Keulen schittert ANNO als de
+turkois in een gouden vingerling; God heeft hem door lijden gelouterd
+zooals de goudsmid goud in het vuur smelt, wanneer hij een kostbare
+spang wil maken; als een leeuw zat hij voor de vorsten, als een lam ging
+hij tusschen de behoeftigen; hij is ten hemel opgestegen om ons den weg
+derwaarts te wijzen, zooals een arend die zijne jongen wil leeren
+vliegen, in kringen opwaarts stijgt en op zijne wieken statig
+zweeft[27].
+
+Zulke tonen wist die vroege zanger voort te brengen, omdat hij durfde
+zingen in zijne moedertaal. Zulke of dergelijke muziek had ook hier
+kunnen weerklinken, indien het nationaliteitsgevoel krachtig genoeg ware
+geweest; indien een Dietsch dichter de hand had durven slaan aan de
+poëtische stof die ook te onzent lag opgehoopt.
+
+Welk een voorraad van zulke stof geven ons de beide Latijnsche kronieken
+van den Utrechtschen geestelijke ALPERTUS en zijn Vlaamschen genoot
+GALBERTUS te aanschouwen[28]. Ik heb hier het oog vooral op de
+geschiedenis van den edelman BALDERIK die met ADELA, eene dochter van
+den machtigen graaf WICHMAN van Hamaland, gehuwd was. De
+levensgeschiedenis van dit verdorven echtpaar verhaalt ons van
+langdurige belegeringen, onneembare kasteelen en verraders die den
+vijand ter sluik binnenlaten; van gevechten in het open veld;
+dienstmannen wien neus en ooren worden afgesneden; van vrouwen in eene
+belegerde vesting die helmen op het hoofd zetten om de belegeraars te
+misleiden; de vernietiging der sterke vesting Uplade (bij Elten aan den
+Rijn); den sluipmoord op den jongen Saksischen graaf WICHMAN gepleegd en
+de vernietiging der sterke vesting Uplade waar die daad geschied was.
+Wegens dien moord moet BALDERIK zich te Nijmegen voor Keizer HENDRIK
+komen verantwoorden. Als hij vóór den Keizer staat, verbieden de
+hertogen GODFRIED en BERNHARD hem te spreken. Wanneer hij
+desniettegenstaande zich gaat verdedigen, knarstanden zij van woede en
+het scheelt weinig of hij wordt door hunne krijgers afgemaakt.
+
+ADELA doet ons in hare verhouding tot BALDERIK soms aan Lady MACBETH
+denken: op de tijding van des Keizers komst, wordt BALDERIK moedeloos;
+ADELA verliest den moed niet, doch wekt haren man op tot dappere
+tegenweer. Van haar gaat het plan uit tot moord op graaf WICHMAN, hun
+tegenstander, die als gast op het kasteel Uplade vertoeft. Eerst wil zij
+hem vergiftigen; als dat niet gelukt, draagt zij hare taak over aan een
+paar knechten die WICHMAN van achteren aanvallen en neerstooten.
+Voortdurend zet zij BALDERIK aan tot nieuwe misdaden. "Et sicut Hiezabel
+Achab, ita et ista hunc ad flagitia semper concitavit, dans ei consilia,
+quibus ad perniciem suam uteretur, donec abominabilis et odiosus omnibus
+fieret"[29].
+
+Een onvoldragen gedicht zien wij ook in het geschiedverhaal van den
+moord, die in 1126 in een kerk te Brugge gepleegd werd op KAREL DEN
+GOEDE, graaf van Vlaanderen. Na het volbrengen van den moord verschansen
+de moordenaars onder hunne aanvoerders, BOUTSAERT (BORSIARDUS) en
+ROBBRECHT, in eene kerk en worden daar door de aanhangers van den graaf
+belegerd. De strijd die dan aanvangt, heeft in de beschrijving van
+GALBERTUS inderdaad hier en daar een grootsch karakter. Begrijpelijk is
+het, dat men een oogenblik denkt aan het indrukwekkend slottafreel der
+_Nibelungen_, in BOUTSAERT den grimmigen HAGEN meent te herkennen, in
+ROBBRECHT "Giselher daz Kint". Terwijl de strijd in de Kerk woedt,
+springt WALTER, een dienstman van den graaf die zich op het orgel
+verscholen hield, naar beneden midden tusschen de vijanden--een sprong
+die doet denken aan den vervolgden HERNANT in de _Chanson des
+Lorrains_[30]. Maar er is in de middeleeuwen meer gelijk dan eigen, en
+dergelijke overeenkomsten bewijzen alleen, hoe zeer het middeleeuwsch
+epos _in hoofdzaak_ juiste afspiegeling der werkelijkheid bevat; niet
+dat een episch dichter het oog hield gericht op een of ander historisch
+feit.
+
+Met een weinig scherpzinnigheid eenerzijds en een weinig goeden wil
+anderzijds, zou men op die wijze ook kunnen aantoonen, dat SHAKESPEARE
+in zijn _Macbeth_ het oog moet hebben gehad op de geschiedenis van ADELA
+en BALDERIK.
+
+In beide deze kronieken, vooral in die van GALBERTUS, blijkt op meer dan
+eene plaats vrij sterke aandoening; er was ook wel voldoende
+zelfbeheersching en neiging om het waargenomene en gevoelde te verwerken
+tot een met kunst geschreven verhaal. Maar dan toch een verhaal naar het
+voorbeeld der Romeinsche geschiedschrijvers. Vandaar de rhetorische
+toon, de redevoeringen en gesprekken in den trant van die voorgangers,
+doch met minder talent. GALBERTUS laat zich wel eens verleiden zijner
+verbeelding te zeer den teugel te vieren: hij weet ons o.a. gezegden
+mede te deelen, die midden in een vreeselijk bloedbad geuit zullen zijn
+en wat een eenzaam opgesloten man denkt, vóórdat hij sterft. Maar toch,
+had deze monnik eens den moed gehad zich van zijne moedertaal te
+bedienen--misschien waren wij een belangwekkend kunstwerk rijker.
+Diezelfde gedachte komt bij ons op, indien wij kennis maken met de
+Latijnsche bewerking der Reinaert-sage die op deze kronieken volgt,
+zooals in de nationale literaturen van Franschen, Duitschers en
+Nederlanders de bewerkingen der dier-sage op het ridder-epos.
+
+Dit Latijnsche gedicht, dat naar den wolf: _Ysengrimus_ heet, is
+vermoedelijk omstreeks 1150 vervaardigd door zekeren Magister NIVARDUS,
+eerst monnik in het klooster Blandinium, later scholaster der Kerk van
+S. Pharahilde te Gent[31].
+
+Wij vinden hier een aantal, ook van elders bekende, dierfabels in
+distichen vervat en op kunstelooze wijze tot een geheel verbonden. Het
+verhalend element is in dit werk gering, de dialoog overheerscht; het
+zijn al te vaak eindelooze gesprekken waarin de middeleeuwsche
+dialectiek triomfen viert, maar die den lezer na eenigen tijd vermoeien
+en ten slotte vervelen. De dichter was een zeer belezen man, die de
+klassieke Latijnsche schrijvers goed en OVIDIUS op zijn duimpje kende;
+onder het schrijven zijner verzen stonden hem telkens plaatsen uit zijne
+lievelingsauteurs voor den geest, maar nergens maakt hij zich aan
+slaafsche navolging schuldig.
+
+Opmerkelijk nu is vooral, hoe onder en in dit overgenomen klassicisme
+telkens het Vlaamsch-menschelijke zich vertoont. Wij speuren en zien den
+volksgeest in die ietwat ruwe rondheid die alles bij zijn naam noemt, in
+de ironie, de komische of groteske overdrijving, de grappen, de
+vergelijkingen en spreekwoorden aan het dagelijksch leven ontleend[32].
+In zijne uitdrukkingen en aardigheden, in woorden als _mantica, bulga,
+follis_ te vergelijken bij het latere middelnederlandsche _male_ (maag),
+als _taberna (taverne), carmina completoria ("van uwen complete dat
+ghetide")_ doet hij ons telkens aan den, een eeuw jongeren, _Reinaert_
+denken. Het is dezelfde nationale dichtader, maar die hier niet kan
+uitschieten in de laag van klassicisme waarmede de Vlaamsche
+geestesakker overdekt was.
+
+Indien deze dichter eens gedurfd had, zooals DANTE gedurfd heeft! Wat
+zou hij, met zijn ongetwijfeld voortreffelijken aanleg niet hebben
+kunnen volbrengen. Maar de tijd, dat een dichter zulk eene stof in de
+volkstaal zou durven behandelen, was nog verre. Er moest nog veel
+veranderen in het uiterlijk en innerlijk leven van de bewoners dezer
+landen, eer het zoover kon komen.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] Deze _Vita Liudgeri_ is uitgegeven in PERTZ _Monumenta G._, II, 404
+seqq.
+
+[2] Vgl. P. PIPER, _Die Spielmannsdichtung_, I, 29.
+
+[3] In EGINHARD'S _Vita Caroli Magni_ 29 (PERTZ, _Monum._, II, 458).
+"Item barbara et antiquissima carmina, quibus veterum regum actus et
+bella canebantur, scripsit memoriaeque mandavit."
+
+En in _Annales Caroli Magni_, V, 545 (PERTZ, _Monum._, I, 276) leest
+men:
+
+Quae veterum depromunt praelia regum Barbara mandavit carmina
+litterulis.
+
+[4] _Leven van Sint Amand_ (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303.
+
+[5] PIRENNE, _Geschichte Belgiens_, I, 91.
+
+[6] _Bonifacins_ door Dr. J.P. MÜLLER, I, 86.
+
+[7] PIRENNE, t.a.p. I, 86-7.
+
+[8] Vgl. hier als elders BLOK'S _Geschied. v.h. Nederl. Volk_.
+
+[9] Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is uiteengezet
+en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S rectorale rede
+"_over Angelsaksische Poëzie_" (1899).
+
+[10] COSIJN, t.a.p. bl. 21.
+
+[11] Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._
+
+[12] _Hilde--Gudrun...._ von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof.
+SYMONS, die de _Gudrun_ uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel.
+
+[13] Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET (I, 33
+volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene studiën van
+Dr. BLÖTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in _Romania_, 1901,
+en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in _Versl. en Meded. d. Kon. Akad._,
+XII, 253 volgg.
+
+[14] _Sp. Hist._, IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts mijne
+_Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 250 volgg.
+
+[15] Vgl. _Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 255.
+
+[16] PIRENNE, t.a.p. bl. 41-43.
+
+[17] Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S _Kerkgeschiedenis_,
+II, 3, bl. 45-55.
+
+[18] Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in VAN WIJN'S
+_Huiszittend Leeven_ en, in veel beter uitgaaf, in _Archief voor Ned.
+Kerkgesch._, II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN.
+
+[19] A.W. WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 78-79.
+
+[20] MOLL, t.a.p. II, 2, 239.
+
+[21] In het _Itinerarium_ van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit
+MATTHAEI _Veteris Aevi Analecta_, II, 26-33 b.v.: "Natales fines et arva
+dulcia linquentes" (_Ecl._, I, 3); aan het slot: "et tunc demum quae
+passi fuimus periculorum meminisse juvabit" (_Aen._, I, 203). Vgl. ook
+de naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p.
+31.
+
+In de Kroniek van ALPERTUS, _De Diversitate Temporum_ (ed. DEDERICH)
+o.a.: uit Juvenalis: "Intolerabilius nihil est quam foemina dives."
+
+[22] MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS. Zie
+FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Gedichten_,
+bl. LXXVIII.
+
+[23] Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S _Allgem.
+Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande_, van MOLL's
+_Kerkgeschiedenis_ en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S _Liber de
+vita_ etc.
+
+MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in _Poetae
+Latini Aevi Carolini_, III, 557 seqq.
+
+[24] Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg.
+
+[25] Vgl. over de poëzie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184. H.
+PEERLKAMP, p. 11. De _Versus de hirundine_ medegedeeld in _Zeitsch. f.d.
+Alt._ N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten in _Kerkhistor.
+Archief_, III, 213 volgg.
+
+[26] Zie voor het medegedeelde MOLL'S _Kerkgesch._, I, 275 volgg. en
+ALPERTUS' Kroniek _De Div. Temporum_.
+
+[27] _Der Lobgesang auf den heiligen Anno_ (ed. GOLDMANN), Leipzig und
+Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men _Grundriss der
+Germ. Phil._, II, 1, 251; en PIPER'S _Spielmannsdichtung_, II, 1.
+Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105-1110.
+
+[28] De Kroniek van ALPERTUS: _De diversitate temporum libri_ II, is van
+ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Münster, 1859). Vgl. MOLL, _Kerkgesch._,
+II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS vgl. RUDOLF
+HENNING, _Nibelungen--Studiën._ Strassburg. 1883.
+
+[29] _De Div. Temp._, II, 5.
+
+[30] R. HENNING in het aangehaald werk.
+
+[31] Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave van
+den _Ysengrimus_, (Halle a.S., 1884). In zijne _Etude sur l'Ysengrinus_,
+(Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen dan
+VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151-1152; V.c. 1148. W. gelooft
+dat een "flamand gallicant" uit de buurt van Lille de dichter is geweest
+en dat deze niet uit de mondelinge overlevering maar uit de verhalen der
+trouvères heeft geput. Het eerste is door W. m.i. niet aangetoond; het
+tweede is niet te bewijzen. Zie over WILLEMS' boek ook het oordeel van
+Dr. J.W. MULLER in _Museum_ (1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan
+vereenigen.
+
+[32] VOIGT, _Einl._ LXIII.
+
+
+
+II.
+
+ De Kruistochten. De "lage landen bij de zee" als grensland tusschen
+ Frankrijk en Duitschland. Fransche en Duitsche literatuur. Heinric
+ van Veldeke (_Leven van Sint Servaes_, _Eneïde_, liederen). Vertaling
+ van het Nibelungen-lied. Speelmanspoëzie (_Van den bere Wisselau_;
+ _Van Sente Brandane_). Losmaking van Duitschland.
+
+Toen het gevreesde jaar 1000 voorbij en de wereld niet vergaan was,
+ademden ook de bewoners dezer landen op.
+
+Niet alsof met die 11de eeuw een tijd van ongestoorden vrede en rust
+aanbrak! Integendeel, ook in deze en de volgende eeuw, wij hebben er
+reeds staaltjes van gezien, was er nog allerwege verdeeldheid; soms
+schijnt het alsof ieders hand tegen allen is opgeheven. Zeker, tegenover
+de verdeelende stonden verbindende krachten: de kerk, het leenwezen,
+eene zelfde of ten minste gelijke taal, dezelfde zeden en gewoonten.
+Maar voorshands is de eenheid van elk dier onderscheidene kleinere
+volksgeheelen hier te lande (Friesland, Holland, Vlaanderen, Brabant en
+andere) weinig hecht; er is te nauwernood sprake van één band die ze
+onderling vereenigt.
+
+Geen verschijnsel heeft in deze eeuwen zoo krachtigen invloed geoefend
+op onze volkswording als de kruistochten!
+
+Onder de eerste deelnemers aan die grootsche tochten, toen "het Westen
+zich op het Oosten wierp, onder den kreet: God wil het!" vinden wij ook
+onze voorouders. Reeds omstreeks 1030 zien wij een graaf van Holland ter
+kruisvaart trekken en aan zijne zijde een lid dier stoute ARKELS, welke
+de latere graven van Holland zoo dikwijls tegenover zich zouden zien[1].
+Na hen treffen wij onder de kruisvaarders in deze en de volgende eeuwen
+graven van Holland, Gelder, Vlaanderen aan; zonen van oud-adellijke
+geslachten als de BREDERODE'S, BORSELEN'S, VAN LYNDEN'S; Friesche edelen
+uit den stam van GALAMA en BOTNIA. Nog lang na den tweeden kruistocht,
+die in 1147 voorviel, wezen latere kruisvaarders elkander den palmboom
+op het graf van den dapperen Frieschen aanvoerder HENDRIK ULVINGA in de
+nabijheid van Lissabon. Niet alleen ridders, ook aanzienlijke burgers,
+gewone poorters, lijfeigenen trokken naar het Heilige Land.
+Waarschijnlijk waren er maar weinig ridders onder die Antwerpenaars,
+Hollanders en Friezen, die volgens hun eigen getuigenis acht jaren in de
+Middellandsche zee van roof op de heidenen hadden geleefd en in 1097 op
+hunne schepen, welker masten met goud waren beslagen, het leger der
+kruisvaarders in Cilicië te hulp kwamen[2].
+
+Zeker, behalve zuivere godsdienstige geestdrift zullen er voor deze
+tochten beweegredenen zijn geweest van minder gehalte; de naam "groote
+aflaat" dien men in de 13de eeuw aan een kruistocht gaf, wijst reeds op
+iets anders dan op liefde tot God om Gods wil. En dat vooral bij degenen
+die slechts geld, niet zich zelven, gaven ten behoeve dezer tochten. Ook
+bezwaardheid van geweten zal wel tot de beweegredenen hebben behoord;
+ook drijfveeren van minder allooi zal men niet mogen voorbijzien: lust
+naar avonturen, strijdlust, zucht om buit of roof te behalen.
+
+Dat alles moge waar zijn, maar desniettemin zien wij hier in de
+ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk dit belangrijk verschijnsel, dat
+voor het eerst zij die zóó lang verdeeld waren gebleven: Vlamingen,
+Friezen, Hollanders, Gelderschen en zoovele anderen, in het besef hunner
+éénheid als Christenen, gezamenlijk optrekken tegen één vijand in verre
+gewesten.
+
+De groote invloed dier tochten op de ontwikkeling ook van ons volk is
+bekend. Nu eerst deden de Nederlanders hun "intocht in de Kerk waardoor
+zij inderdaad vereenigd werden met het groote lichaam, waarvan zij
+vroeger leden heetten, maar niet waren"[3]. Handel en nijverheid, ook de
+kunsten ontwikkelden zich. De trage verbeelding der bewoners van deze
+lage landen kreeg een schok, werd opgewekt, geprikkeld. Welk een indruk
+moet het Zuiden, moeten die landen der zon met hun geheimzinnig
+achterland, hebben gemaakt op de ruwe maar ontvankelijke gemoederen
+dezer zonen van het Noorden, die zich voor het eerst verplaatst zagen
+buiten de enge grenzen van hun gouw of graafschap!
+
+Maar niet minder gewichtig dan dat alles is de invloed geweest, dien de
+aanraking met andere volken moet hebben geoefend op het onze. Door dat
+herhaald en langdurig samenzijn en samenwerken met andere volken of
+volksdeelen, moeten onze voorouders voor het eerst ten deele bewust zijn
+geworden van zich zelf. Nu eerst wordt hun de gelegenheid gegeven om
+door vergelijking met anderen zich zelven te leeren kennen; nu eerst
+begint door den morgennevel der naïeveteit heen het beeld der eigen
+persoonlijkheid flauw voor hen op te schemeren. Ook van het volk,
+waarvan zij nog een deel uitmaakten en waaraan zij zich het nauwst
+verwant gevoelden: de Duitschers, moeten zij zich reeds onderscheiden
+hebben gevoeld in taal en karakter. Welk een aanzienlijk verschil
+bestond er reeds omstreeks 1171, toen HEINRIC VAN VELDEKE zijn _Sint
+Servaes_ dichtte, tusschen Middelnederlandsch en Middelhoogduitsch! Dat
+verschil kan natuurlijk eerst langzamerhand zoo gewichtig zijn geworden.
+
+Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de meeste dezer lage
+landen tot Duitschland; hunne ligging in Europa maakte ze tot een
+schakel tusschen Germaansche en Romaansche landen. Langzamerhand zullen
+wij den band met het overig Duitschland losser zien worden en ten slotte
+feitelijk wegglijden, al blijft hij in schijn nog lang zichtbaar, al
+wordt hij later wel eens opnieuw aangeknoopt.
+
+Dat de bewoners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen in
+woonden; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het Dietsch onmiddellijk
+paalde aan het Fransch, was oorzaak dat Fransche taal en letterkunde te
+onzent gemakkelijk ingang konden vinden.
+
+Dien aanwas van zelfstandigheid tegenover Duitschland, waarbij de
+invloed van Frankrijk zich doet gevoelen, zullen wij nu in de
+geschiedenis, onzer letterkunde gaan beschouwen.
+
+De eenheid dezer landen met het overig Nederduitschland vertoont zich
+ook in die scharen van Vlaamsche en Hollandsche kolonisten, welke in de
+11de en 12de eeuw een deel van Nederduitschland bevolkt en er zeker toe
+bijgedragen hebben daar het gevoel van eenheid met de bewoners der lage
+landen levendig te houden. Echter moet dat gevoel van eenheid te onzent
+sterker geweest zijn in het zuiver Germaansche Noorden dan in het
+Zuiden, dat een tweetalig land was. Dit verschil tusschen Noord- en
+Zuid-Nederland moeten wij hier al aanstonds op den voorgrond brengen.
+
+Zuid-Nederland was verdeeld in Dietsche en Waalsche gewesten of zulke
+die Dietsche en Waalsche elementen in zich vereenigden. Vlaanderen,
+Brabant, Limburg waren in hoofdzaak Dietsche gewesten; Artois, Kamerijk,
+Henegouwen, Namen en het land van Luik bijna uitsluitend Waalsche.
+Echter deed zich in Vlaanderen de politieke invloed van Frankrijk sterk
+gelden; Brabant hing nauwer met Duitschland samen; Limburg had wel het
+meest recht op den naam van: grensland.
+
+Tegenover de Fransch (Walsch) sprekenden voelden de Dietsch-sprekenden
+zich één. Reeds in VELDEKE'S _Leven van Sint Servaes_ worden "Dutschen
+ende Walen" tegenover elkander gesteld[4], Maar niet zóó scherp stonden
+zij tegenover elkander, of de meerdere geestesbeschaving en kunstzin van
+het Fransche volk oefenden hare bekoring en haren invloed op de minder
+ontwikkelde bewoners dezer grenslanden, voorzoover zij Fransch
+verstonden. Ook in de literatuur zal dat blijken. Terwijl te onzent,
+zooals wij gezien hebben, nog geene nationale letterkunde bestond, had
+de kunst van het woord in Frankrijk reeds tal van voortreffelijke of
+belangwekkende werken voortgebracht. Kort vóór of na den eersten
+Kruistocht waren de oudste _Chansons de geste_ reeds gedicht: de
+grootsche _Chanson de Roland_, de indrukwekkende _Lorreinen_, barbaarsch
+als de Roodhuiden, de bloedige _Raoul de Cambrai_, _Girart de
+Roussillon_, een deel van den _Guillaume d'Orange_, de _Aiol_. De
+aanvang der 12de eeuw bracht het ontstaan van het hoofsche ridderdicht
+("épopée courtoise") en dat der lyriek. Vóór het midden dier eeuw waren
+de meeste verhalen, die de onderscheidene "branches" van den _Roman du
+Renart_ vormen, reeds voor de eerste maal opgesteld[5].
+
+Ook de Duitschers konden, lang vóór het ontwaken der literatuur te
+onzent, op menig werk van beteekenis wijzen; behalve de vroeger genoemde
+dichtwerken hadden zij reeds: het Walthari-lied, EZZO'S lied over de
+Wonderen van Christus, een gedicht over Koning ROTHER. Die nationale
+literatuur, in hoe menig opzicht ook zelfstandig en oorspronkelijk, kon
+zich echter niet onttrekken aan den invloed der Fransche literatuur, die
+toen reeds den toon aangaf. De _Alexander_ van PFAFFE LAMBRECHT en het
+_Rolands-lied_ van PFAFFE KONRAD waren reeds in de eerste helft der 12de
+eeuw uit het Fransch vertaald; in de tweede helft dier eeuw zou de
+vertaling eener branche van den _Roman du Renart_ volgen en de Fransche
+lyriek de ontwikkeling der Duitsche bevorderen.
+
+Het is waarlijk niet vreemd dat wij dezen invloed van Frankrijk op
+Duitschland kunnen waarnemen ook in het land, dat meer dan eenig ander
+een schakel tusschen hen vormde: Limburg. Omstreeks 1170 werd binnen of
+bij de grenzen van dat land de bekende geschiedenis van FLORIS en
+BLANCEFLOER bewerkt in een dialect, dat misschien oorspronkelijk zuiver
+Limburgsch geweest is of althans met evenveel recht tot het Nederlandsch
+als tot het overige Nederduitsch kan gerekend worden[6]. Het is den
+schrijver dezer bewerking, die een Fransch voorbeeld volgde, blijkbaar
+slechts om het verhaal te doen geweest; reflexie is, naar het schijnt,
+afwezig. Zijn verhaaltrant is uiterst beknopt en zaakrijk, sober maar
+droog; van de aandoening die dit liefelijk verhaal in latere dichters
+zou wekken, is hier weinig te bespeuren. Taal en stijl van dit gedicht
+zijn nog onbeholpen; de korte zinnen, en de hortende verzen waarin
+dalingen niet zelden ontbreken, met hunne onzuivere rijmen, wijzen op
+geringe technische vaardigheid.
+
+Veel duidelijker dan in dit gedicht vertoont zich de invloed der
+literaturen van Frankrijk en Duitschland op de ontwikkeling der onze in
+het werk van HEINRIC VAN VELDEKE.
+
+In de poëzie van dezen Limburgschen edelman uit de buurt van Maastricht
+vinden wij de onderscheiden elementen vereenigd, welke wij hier
+achtereenvolgens hebben leeren kennen: hij legt den band tusschen de
+Latijnsche literatuur en de nationale door zijne omwerking van een
+Latijnsch heiligenleven tot het Limburgsch _Leven van Sint Servaes_; uit
+het Fransch vertaalt hij een riddergedicht over ENEAS in zijne
+moedertaal, waaruit het weer in het Middelhoogduitsch wordt overgebracht
+(_Eneît_); in het Limburgsch dicht hij, onder den invloed der Fransche
+(Provençaalsche) lyriek een dertigtal minneliederen die eveneens in het
+Middelhoogduitsch worden vertaald. Zoowel zijne _Eneïde_ als zijne
+minneliederen hebben groote beteekenis gehad voor de ontwikkeling der
+Middelhoogduitsche epische en lyrische poëzie.
+
+Van zijn leven is ons weinig bekend. Hij schijnt op een of andere wijze
+in betrekking te hebben gestaan tot den geestelijken stand en het
+klooster van SINT SERVAES; blijkbaar kende hij behalve de Fransche ook
+de Latijnsche literatuur, o.a. de _Aeneïs_, de _Metamorphosen_ en het
+epos van STATIUS[7]. Hij ondernam c. 1171 de bewerking der _Vita_ van
+den H. Servatius op verzoek van gravin AGNES VAN LOON en van zekeren
+kanunnik HESSEL, "die doen der costeryen plach." Hij heeft in
+Duitschland gereisd, was omstreeks 1175 aan het hof van Kleef en gaf
+zijn onvoltooide _Eneïde_ daar te lezen aan gravin MARGARETA, de bruid
+van LODEWIJK III, landgraaf van Thüringen. Zijn handschrift werd hem
+ontstolen en eerst veel later terug bezorgd, zoodat de voltooiing der
+_Eneïde_ waarschijnlijk kort vóór 1190 heeft plaats gehad. In
+Duitschland zal hij kennis gemaakt hebben met de daar bestaande
+nationale literatuur, o.a.: het _Anno-lied_, LAMPRECHT'S _Alexander_,
+KONRAD'S _Rollands-lied_; ook de Duitsche sagen van dien tijd kunnen hem
+niet vreemd zijn gebleven. Zijne minneliederen dagteekenen misschien uit
+denzelfden tijd als zijne _Eneïde_. Ook heeft hij nog een gedicht van
+"Salomon en de Minne" geschreven, dat ons slechts uit eene aanwijzing
+van een Duitsch dichter bekend is[8].
+
+Indien "meyster HEINRIC" begonnen ware met minneliederen te dichten,
+vervolgens de hand geslagen had aan een ridderroman waarvan de minne
+schering en inslag is, en daarna, ouder en ernstiger geworden, getracht
+had door middel van een heiligenleven goed te maken wat hij misdreven
+had met het dichten dier wereldsche poëzie--dan zou hij gedaan hebben,
+wat na hem door tal van andere Nederlandsche dichters gedaan is. Die
+gang van zaken zou bovendien in overeenstemming zijn geweest met wat de
+gewone levenservaring ons leert. Naar het schijnt, heeft het
+tegenovergestelde plaats gehad: is hij begonnen met de bewerking van een
+heiligenleven, om zich daarna tot minnepoëzie en ridderverhaal te
+wenden. Zoolang deze voorstelling niet door nieuwe feiten aangetast is,
+zullen wij ons er aan moeten houden.
+
+Daar zoowel _Sinte Servatius Legende_ als de _Eneïde_ bewerkt zijn, de
+eene naar een Latijnsch, de andere naar een Fransch voorbeeld, komt het
+er bovenal op aan, het karakter dezer bewerkingen te leeren kennen. Over
+het algemeen volgt VELDEKE zijne Servatius-legende, die hij telkens
+aanduidt als "die vite", op den voet[9]. De letterkundige waarde dezer
+bewerking is gering en herinnert ons dat wij bij den aanvang van de
+ontwikkeling onzer literaire kunst staan. De gebrekkige uitdrukking, de
+afgebroken zinbouw, de stootende verzen met hun drietal heffingen doen
+ons denken aan de oude volkspoëzie. In eene periode als:
+
+ Alle die vergaderinghen
+ Al weynende dat sij songhen
+ Met luder stemmen: Osanna!
+ Doen was vroude ende yamer da,
+
+meent men een nagalm te hooren van deze verzen uit het
+Lodewijkslied:
+
+ Joh alle saman sungun
+ "Kyrieleison".
+ Sang was gisungan
+ Wig was bigunnan.
+ Enz.
+
+Beelden en vergelijkingen zijn schaarsch en over het algemeen
+onbeduidend. In een paar dier vergelijkingen bespeuren wij eenige
+aandoening. Zoo b.v. in deze uit het eerste boek:
+
+ Daer nae sprack der heilighe man,
+ --Die salighe diet ghemercken can--
+ "Men mach in menghen synnen
+ "Gods heerscapie bekennen,
+ "Sijne ghenade ende sijne ghewalt.
+ "Ghij siet wale wie der wynter kalt
+ "Die eerde bevroret
+ "Ende haer vrocht testoret
+ "Ende tewrijvet ende verkeert;
+ "Ende als hij dan henne veert,
+ "Ende der somer aen gheyt,
+ "Dien alle die werelt gherne ontfeyt,
+ "Ende daer toe alle creatueren,
+ "Eyn yeghelijck nae sijnre natueren,
+ "Verhoghen sich ende vervrouwen.
+ "Allen die Gode ghetrouwen
+ "Ende doer hem lijden arbeit,
+ "Dien gheeft hij grote rijcheit,
+ "Woninghe in hiemelrijck
+ "Ende vroude ewelijck."
+
+Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en daar op de
+overeenkomstige plaats lezen: "en", ait "quomodo verna temperies redit
+post hiemem, sic post mortem orietur beatis requies", dan zien wij dat
+VELDEKE'S verdienste hierin bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel
+van zijn voorbeeld op zelfstandige wijze heeft uitgebreid[10].
+
+Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van aandoening zich
+in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals b.v. in de visioenen,
+wordt die verwachting niet vervuld[11].
+
+Toen VELDEKE zijn _Leven van Sint Servaes_ bewerkte, gevoelde hij zich
+een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak van den heiligen
+man bij God; die hoopte dat zijn werk ter eere Gods zou strekken[12].
+Maar de levensgeschiedenis van den heilige moge hem hebben gesticht, zij
+heeft noch zijn gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was
+dat met de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch
+dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman[13].
+
+Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze waarop hier de
+liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk motief is gebruikt en de
+groote plaats die de ontleding van het gansche gemoedsleven, van de
+hartstochten en vooral van de liefde hier inneemt. Deze opvatting der
+liefde was iets nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken
+viel die niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der
+vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch anders was
+dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen die TACITUS in de
+Germanen sterker troffen dan juist hun achting voor de vrouwen, hun
+eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid bij hen in eere was en dat de
+vrouw in het huwelijk stond als eene gelijke tegenover den man. Door de
+opkomst van het ridderwezen, eene Germaansche instelling, was dit gevoel
+van eerbied jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich,
+vooral in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd.
+
+In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht bij
+uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd, fijn. Het is
+een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld en in eigen trant het
+eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch al heeft hij een voorbeeld
+gevolgd, hij was geenszins louter vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd
+of veranderd, weggelaten of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de
+juistheid der uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te
+verduidelijken; ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid of eigen
+smaak te bevredigen[14]. Verscheidene didactische uitweidingen,
+overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft hij laten vervallen.
+Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000 verzen meer dan het
+oorspronkelijke. Die grooter omvang is toe te schrijven vooral aan de
+wijdloopigheid van den bewerker, die zich openbaart o.a. in het
+uitspinnen van monologen en van gevechten, ook in de beschrijving van
+zielstoestanden. Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont
+VELDEKE menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl zijn
+smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo b.v. waar hij
+ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS "toe Icônjen in her hûs" bezocht.
+Een viertal verzen van het oorspronkelijk gedicht zijn in de bewerking
+uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men hier met recht van VELDEKE'S werk
+mag spreken:
+
+ grôt ende grâ was her dat hâr
+ end harde verworren--
+ dat wir wale spreken dorren--
+ alse eines perdes mane.
+ die frouwe hadde ane
+ vele onfrouwelîch gewant.
+ ein boech hade sî an der hant.
+ dar ane sach sî ende las.
+ doe schoude sî Enêas.
+ He marcde sî rechte.
+ dat mies [Zijnoot: mos.] lockechte
+ hiene her ût den ôren.
+ sî enmochte niet gehôren,
+ et enwâre, dat man riepe.
+ her ougen stonden er diepe
+ onder den ouchbrâwen,
+ langen ende grâwen,
+ die dâ vore hiengen--
+ end her ter nase giengen,
+ grouwelîch was her lîf:
+ hem enwart nie wîf
+ alsô wonderlich kont.
+ swart ende kalt was her der mont.
+ sî sat in den gebâre,
+ alse er leven wâre
+ ân alre slachte wonne.
+ die tande stonden er donne [Zijnoot: dun (geplant).]
+ end wârn her lanc ende gele.
+ her was der hals end die kele
+ swart end gerompen [Zijnoot: gerimpeld.].
+ sî selve was geskrompen
+ in bôsen gewande.
+ her arme end here hande
+ waren âdern ende vel[15].
+
+
+Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naïef kunstenaar
+met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder den indruk en tracht
+dien zoo goed mogelijk weer te geven; er is wel goede grondstof, er zijn
+wel goede deelen van een beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen.
+Telkens springt hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of
+wordt zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht
+moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde
+paardemanen--de vergelijking raakt volgens VELDEKE blijkbaar de grens
+der kieschheid--een blik op het onvrouwelijk gewaad; zij had een boek in
+de hand; nu weer de détails: vlokken mos (haar) hingen haar uit de
+ooren, diepliggende oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan
+plotseling een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna
+terugkeer tot de détails: de mond was zwart en koud; weêr een algemeene
+indruk: hare houding gaf te kennen dat zij geenerlei vreugde kende; zoo
+gaat het voort.
+
+Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat VELDEKE'S
+invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden naar het schijnt
+zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker.
+
+Duidelijker nog dan in zijne _Eneide_ blijkt die aanleg in het dertigtal
+minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche hoofsche lyriek
+gedicht.
+
+In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en uitdrukkingen
+blijven deze liederen binnen den kring van den conventioneelen
+vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld en zich daar en
+elders deed gelden, zoowel in eene min of meer kunstmatige werkelijkheid
+als in de poëzie.
+
+De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw die hij wenscht,
+wordt voorgesteld als een _dienst_: zij is de meesteres, hij de dienaar.
+Telkens is ook in deze liederen sprake van _dienen_ en _dienst_. De
+minne wordt verheerlijkt:
+
+ Von minne kumet uns allez guot:
+ diu minne machet reinen muot.
+ Waz solte ich sunder minne dan?[16]
+
+
+De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar
+toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide
+seksen (het "umbevân") wordt dorperlijk genoemd:
+
+ Wie mohte ich dat für guot entstân,
+ dat hê mî dorpelîche bâte
+ dat hê mî muoste al umbevân?[17]
+
+vraagt eene vrouw, die--naar de gewoonte in deze minnepoëzie--sprekend
+wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam moet de minnaar zorg dragen;
+daarom mag hij zijne liefste niet in het openbaar noemen; daarom ook
+moet hij haar en zich hoeden tegen de booze tongen de ("rueger" en
+"nider") [18]. Niet zelden begint een lied--ook dat was conventioneel
+geworden, maar conventie waarin waarheid schuilt--met een klein
+natuurschetsje of een trek uit het natuurleven; hetzij om
+overeenstemming, hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en
+gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al dadelijk in
+het eerste lied:
+
+ Ez sint guotiu niuwe mâre,
+ daz die vogel offenbâre
+ singent dâ man bluomen siet.
+ Zuo den zîten in dem jâre
+ stuende wol daz man frô wâre:
+ leider des enbin ich niet[19].
+
+
+Overeenstemming treft men aan in verzen als deze:
+
+ Ez tuont die vogele schîn [Zijnoot: toonen.]
+ daz si die boume sehent gebluot [Zijnoot: bloeiend.].
+ ir sanc machet mir den muot
+ sô guot daz ich vrô bin
+ noch trûric niht kan sîn[20].
+
+Maar niet zóó vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst of de
+natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge dorperlijk zijn naar het
+"umbevân" te verlangen, deze minnaar doet wat hij niet laten kan:
+
+ ich bat sie in der kartâten
+ daz si mich müese al umbevân[21].
+
+en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind,
+hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet:
+
+ Swer den vrouwen setzet huote [Zijnoot: bewaking.],
+ der tuot daz übele dicke stêt.
+ vil manic man der treit die ruote [Zijnoot: draagt de roede.]
+ da er sich selben mite slêt[22].
+
+Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen:
+
+ geschihet mir als deme swan,
+ der singet als er sterben sal,
+ sô vliuse [Zijnoot: verlies.] ich ze vil dar an[23].
+
+Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting
+kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in Limburg bekend
+zijn geworden, noch of zij ook in andere deelen dezer landen verbreid
+zijn en invloed hebben geoefend op de zich daar ontwikkelende
+literatuur. Wij komen op die vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds
+zeggen, dat wij voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend
+bewijs hebben. Ten opzichte der _Eneide_ verkeeren wij in iets gunstiger
+omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijne _Historie van
+Troyen_, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO, zegt: "Oec ist
+gedicht in Duytsche woert"[24]. Het is mogelijk, dat hij hier het oog
+heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder nader bewijs mogen wij dezen
+regel natuurlijk niet als beslissend beschouwen.
+
+Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op de ontwikkeling
+der Nederlandsche letterkunde gering geweest; in allen gevalle op verre
+na niet zoo belangrijk als op die der Hoogduitsche literatuur. Voor tal
+van Middelhoogduitsche dichters is VELDEKE'S werk, met name zijne
+_Eneide_, een voorbeeld geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn
+dichterlijk verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der
+epische minnepoëzie en minstens eene eeuw lang wordt hij door Duitsche
+dichters gelezen en geprezen, ook door de grootsten onder hen als
+WOLFRAM VON ESCHENBACH, den duister-verhevene en den beminnelijken
+GOTTFRIED VON STRASSBURG[25].
+
+VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, die reeds zekere
+mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de kunstpoëzie dier
+dagen. In die poëzie is een Nederlander de Duitschers vóórgegaan. Naast
+die kunstpoëzie echter bestond in Duitschland eene nationale verhalende
+volkspoëzie. Gedeeltelijk was deze, in den tijd waarvan wij spreken,
+reeds onder den invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende
+heldendichten _Nibelungen_ en _Gudrun_ leveren daarvan het bewijs en
+toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander deel dezer
+volkspoëzie was vrij gebleven van dien invloed van het hoofsche epos.
+Die soort van poëzie vinden wij vertegenwoordigd in een aantal
+verhalende gedichten, meerendeels In het laatst der 12de eeuw gemaakt en
+voor een deel afkomstig uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten
+onder den naam: _speelmanspoëzie_, omdat zij zwervende dichters en
+voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten een
+speelman op den voorgrond. De meest bekende zijn: _Orendel, Salman und
+Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald_. Alle herinneren door hun inhoud en
+hun trant min of meer aan een vroeger gedicht van dezen aard: de
+geschiedenis van _Koning Rother_, al beweegt dat verhaal zich in hooger
+sfeer dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den
+historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij hier dan ook
+telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen. Het verhaal dier
+tochten naar verre landen geeft den dichters natuurlijk ruimschoots
+gelegenheid hunnen hoorders allerlei vreemds en wonderbaarlijks voor
+oogen te brengen; vooral het verhaal van Hertog ERNST is met dat
+wonderbare vervuld. Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen,
+gewoonlijk in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten
+kon[26].
+
+Hier staat de Nederlandsche poëzie tegenover de Hoog- en Nederduitsche
+in eene andere verhouding dan bij VELDEKE: dáár was het onzerzijds
+_geven_, hier _nemen_. Beide boven aangewezen soorten van volkspoëzie
+vinden wij te onzent vertegenwoordigd: het volksepos onder den invloed
+der hoofsche ridderpoëzie in eene vertaling der _Nibelungen_; de
+speelmanspoëzie in het gedicht _van den Bere Wisselau_ en misschien ook
+in dat _van Sinte Brandaen_.
+
+In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het eerst kennis
+gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag moeten wij het antwoord
+schuldig blijven. Dat er geen grond bestaat om den bewoners dezer landen
+een aandeel toe te kennen in de _vorming_ van het Oudgermaansch
+heldendicht, hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk
+niet opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van die _elders
+ontstane_ heldenpoëzie of heldensage kan hebben gedragen.
+
+Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10de eeuw en in
+den _Reinaert_ vermelde, koning HERMENRYC de bekende Gotenkoning der
+heldensage is[27]. Ook weten wij dat de abdij van Egmond reeds in de
+11de of in het begin der 12de eeuw een exemplaar van het _Walthari-lied_
+heeft bezeten[28]. Weliswaar was het slechts een Latijnsche vertaling
+waarin dat heldendicht tot ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het
+aantrekkelijk hebben gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen
+gevalle mag men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een
+bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage.
+
+Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het Zuidoosten,
+Nibelungen-liederen gekend, vóórdat het, later uit die liederen
+ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald? Die vraag hangt samen
+met het vraagstuk van den ouderdom dier vertaling. Volgens de meeste
+Duitsche geleerden is het epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en
+dat het voorbeeld is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan
+1205[29]. Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijn _Leven van Sint
+Servaes_ spreekt van ATTILA als "Bodelinghes son" [30]; deze vadersnaam
+komt ook in de _Nibelungen_ meer dan eens voor. Was VELDEKE nu met dezen
+naam bekend geworden door de _Nibelungen_ of kende hij dien van elders?
+Dat hij dien naam in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen
+der heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij in de
+_Eneïde_ spreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft, naar het
+schijnt, eerst na het dichten van den _Servaes_ in Duitschland gereisd.
+
+Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien Nibelungen-liederen
+in omloop zijn geweest, is dit: nog in de 15de eeuw vinden wij den
+melkweg in een Geldersch-Kleefsch woordenboek genoemd: _Ver Broenelden
+strait_[31].
+
+Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken naam niet op
+langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage? Is het wel aannemelijk dat
+een dergelijke naam in zwang zou kunnen komen door den invloed eener
+schriftelijke vertaling en moet hier niet veel eer gedacht worden aan
+den gestadigen invloed eener mondelinge overlevering?
+
+Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied in het
+Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling der Duitsche
+geleerden juist is, dat deze vertaling nà 1205 is vervaardigd[32]. Hoe
+lang na 1205? Dat is niet met een jaartal aan te geven. Doch er bestaat
+reden om te gelooven, dat onze vertaling in de eerste helft der 13de
+eeuw is gemaakt. De populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over
+de grenzen dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de
+fragmenten der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13de
+eeuw te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werk
+_Alexander_ den vernederlandschten naam van ATTILA: _Ettel_ gebruikt en
+in zijn _Spiegel Historiael_ dien van _Diederic van Berne_, mag doen
+vermoeden dat hij deze namen misschien uit de vertaling der _Nibelungen_
+heeft leeren kennen.
+
+Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten over, elk van
+72 verzen, die een gedeelte der 16de en een gedeelte der 17de Aventiure
+van het oorspronkelijk epos behelzen. Of men het gansche gedicht
+vertaald heeft, moet dus onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het
+genoemd hebben. Dat men van het _Nevelingen-lied_ of van de _Nevelingen_
+zal hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds in de
+13de eeuw eene gansch andere beteekenis had (_neef_ of _verwant_).
+
+Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te vragen naar het
+karakter der vertaling en de wijze waarop de vertaler zich van zijne
+taak heeft gekweten[33].
+
+Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne verzen zijn
+vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme van het origineel
+weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis van het Duitsch belemmerde
+hem in zijn werk als een blok aan het been. Waar hij een woord of een
+vers niet begreep, liet hij het weg, of--erger--verving het door een
+stoplap als: "dat doe ic u verstaen" en "dies was hi wel blide". Aan
+zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven, dat,
+vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal hier en daar
+onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid van het jachttooneel
+heeft bij de overbrenging geleden; voor het krabben en bijten van den
+beer dien SIEGFRIED vangt, heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog
+ook voor SIEGFRIEDS rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het
+goede zwaard BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht
+over KRIEMHILDE'S droefheid:
+
+ ir hetet mîn vergezzen, des mag ich wol jehen,
+ dâ ich dâ wart gescheiden von mîme lieben man.
+ "daz wolde got" sprach Kriemhilt, "waer iz mir selber getân".
+
+zijn weergegeven door het onbeteekenende:
+
+ Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen.
+
+Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden man te
+laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking.
+
+Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin als van de
+auteurs van _Wisselau_ en _Brandaen_. Dat is geen toeval, maar in
+overeenstemming met het onpersoonlijk karakter der volkspoëzie, in
+tegenstelling met de bekendheid van de auteurs der meer individueele
+kunstpoëzie. Indien wij echter in aanmerking nemen dat in het laatste
+couplet van het tweede fragment de geestelijke tint bij de overzetting
+vrij wat sterker is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een
+geestelijke voor den bewerker te houden.
+
+Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaal _van den
+Bere Wisselau_ heeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot speelman
+verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of goliarden, gelijk
+er in de 12de en 13de eeuw zoovele rondzwierven: arme schooiers, tuk op
+een goeden maaltijd, en als GARGANTUA in extaze gerakend "au seul son
+des pintes et flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was
+
+ in taberna mori,
+ ubi vina proxima
+ morientis ori
+
+wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk:
+
+ "Deus sit propitius
+ isti potatori".
+
+Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de rechte
+speelmanspoëzie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud van het gedicht
+kan dat blijken[34].
+
+Het begin van het fragment brengt ons naar het land van den reuzenkoning
+ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning KAREL is juist met zijne
+"genooten" op een schip aangekomen. Onder zijn gevolg is een reusachtige
+beer, Wisselau genaamd, die zekeren GEERNOUT als zijn meester
+gehoorzaamt. Een reus die de wacht aan het strand houdt, wordt door
+Wisselau gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne
+vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke beren in het
+schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN koning KAREL en de
+zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt Wisselau een rok van vier
+kwartieren aan, dien hij voor hem had laten snijden ter gelegenheid van
+een hoffeest te Aken en volgt met den beer de overigen. Als zij aan
+ESPRIAANS burcht komen, loopt de portier op het zien van Wisselau
+jammerend van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de "gargoensche
+tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de keuken
+moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in den soepketel
+werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen, om de reuzen nog meer
+schrik aan te jagen. Dat geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal
+binnenvliegen om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL
+gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken last.
+ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer op zijn zetel.
+Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt hij rond, zoodat de
+reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken klimmen. De reuzenkoning smeekt
+GEERNOUT om hulp en deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn
+gargoensch zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden;
+Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling
+geëindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den kleinen
+man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er niets meer te eten is;
+ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordt boos en schudt zich, zoodat de
+kostbare knoopen van zijn rok springen. Daarna werpt hij den rok op het
+vuur en gaat er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een
+jonker! Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op te
+staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den beer. Een
+maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men beraadslaagt over het
+nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT
+denkt er over hoe hij koning KAREL en zijne gezellen behouden weer uit
+het reuzenland zal brengen.--Daar eindigt het fragment.
+
+De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders[35], ESPRIAAN of
+ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt genoemd, is een
+ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het gedicht van koning ROTHER
+voorkomt als koning van het verre reuzenland. In eene Noorsche sage
+bevindt hij zich onder het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand
+eener Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie
+broeders: WIDOLF "mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD. WIDOLF (elders
+WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens zijne wildheid aan een keten
+meegevoerd; want, laat men hem los, dan slaat hij met zijne ijzeren
+stang woedend om zich heen.
+
+Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch
+fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot in een gevecht van den
+held van BERN en ATTILA tegen koning OSANTRIX, is door WIDOLFS stang
+neergeslagen, door den vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop
+doen WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens
+voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den gevangene door list
+te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene berenhuid naaien en wordt zoo
+door zijn gezel bij den halsband geleid. In 's konings hof aangekomen,
+slaat ISUNG meesterlijk de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn
+beer, dien hij _Vizleo_ (Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen.
+OSANTRIX wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op eene
+schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote menigte, zestig
+groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De koning is ook aanwezig,
+vergezeld door zijne dienstmannen, onder welke zich de geboeide WIDOLF
+bevindt, geleid door zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt
+den grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood.
+Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los en brengt hem
+een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft de berenhuid maar stuit
+af op de "bronie" (maliënkolder) daaronder. Als OSANTRIX dan naar de
+zijnen wil terugkeeren, rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den
+speelman, loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen de
+reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat hen. WIDGA wordt
+bevrijd en keert terug tot THIDRIK.
+
+In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante van den beer, Thor
+schuilt en het berengevecht eigenlijk een strijd van zomer en winter
+moet voorstellen, is voor ons van minder gewicht. Duidelijk blijkt
+echter uit het voorgaande de samenhang van het Nederlandsch gedicht met
+andere, ook tot poëzie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke
+verhalen moet de dichter van den _Wisselau_ gekend hebben; daar heeft
+hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in eigen trant zijn
+bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning ROTHER was in de Rijnlanden
+ontstaan en de herinnering aan den geketenden beer leefde daar ook in
+liederen als dat "von dem übelen wîbe" voort. Naar de oostelijke grenzen
+wijst ons dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de
+vorm van den naam _Wisselau_, die in het Nederlandsch _Wittelau_. zou
+moeten luiden[36]. In het oosten of zuidoosten des lands zal dit
+speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijk kort na den tijd, waaruit
+ook de Duitsche speelmansgedichten dagteekenen--, nl. het laatst der
+12de of den aanvang der 13de eeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds,
+want in zijn _Spieghel Historiael_ laat hij er zich afkeurend over uit.
+Tot tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in hunne
+poëzie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere gedichten van dien aard
+vermeldt hij ook "van bere Wisslau die saghe" en
+
+ Van bere Wisslau die snodelhede [Zijnoot: onwaardige, armzalige dingen.]
+ ende meneghe favele groet ende cleine[37].
+
+MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden,
+dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap
+bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet
+behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een
+dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest
+en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant,
+dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden
+met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe
+ook de "Sarrasijn" behoorde, "die voor mijn here speelde met
+eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14de eeuw
+gewag maakt[38].
+
+Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger als
+MAERLANT zich ver verheven.
+
+De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen lachen;
+gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook van _lachen_ en _scop_
+(scherts) spreken. Die grappen waren niet van het fijnste soort; dat kan
+men verwachten: een beer, potsierlijk uitgedost in zijn rok met
+kwartieren als in een ridders wapenrok; een kok, gekookt in zijn eigen
+soepketel; een angstige portier, roepend, schreeuwend: "o wi, o wach!";
+schenkers en drossaten die, hals over kop, een zaal komen
+binnenvluchten, zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te
+verantwoorden hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik
+gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als hij zich
+schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht zoekend; een
+reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken gast
+loerend--alles gruwzaam of grof, doch niet zonder zekere ruw-komische
+kracht en wel geschikt om de ruige lippen van ruwe poorters en boeren te
+plooien tot een breeden lach.
+
+Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als de meeste zijner
+gildebroeders; hij bekommert zich weinig om de overgangen in zijn
+verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken volzinnen als met vlugge
+schokjes voortspoedt met veronachtzaming zoowel van de maat der verzen
+als van de zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend
+hebben, zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er
+onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden, geboeid
+worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter; op dit publiek, tot
+hetwelk de dichter zich meer dan eens richt, was alles berekend. Geen
+wonder voor wie in het oog houdt, dat deze dichters van hunne kunst
+leven moesten.
+
+Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook het gedicht
+_van Sente Brandane_ zich gericht hebben. Deze BRANDAEN was abt van een
+Iersch klooster. Eens zat hij te lezen in een boek dat allerlei verhalen
+van wonderen bevatte. Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en
+wierp het boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot
+straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet scheep gaan
+en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne tochten zien zij zooveel
+wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht vergaat. Nu mag hij naar
+zijn klooster terugkeeren en sterft kort daarna.
+
+De kern van dit verhaal is reeds in de 10de eeuw te vinden in een
+Latijnsche legende: _Peregrinatio Sancti Brandani Abbatis_ en werd later
+in verscheidene Europeesche talen, zoowel in proza als in poëzie,
+bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen 1173-1180 aan den
+Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en misschien niet lang daarna in
+het Nederlandsch vertaald[39].
+
+Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben, kan niet
+betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins op de hoogte is
+van deze soort poëzie. Evenals in den _Oswald_ en den _Orendel_ hebben
+wij hier eene half-ascetischen half ridderlijken zeetocht (de _Brandaen_
+spreekt van "recken"); vooral in het gedicht van _Hertog Ernst_ vinden
+wij tal van wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen:
+zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels; het
+prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde dieren; de menschen, met
+zwijnskoppen en kranenhalzen, in zijden gewaden, gewapend met bogen; de
+vermelding der Pygmeeën. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont,
+vindt men weer in het verhaal van _Sint Oswald_.
+
+Dat ook in den _Brandaen_ drossaten en schenkers voorkomen, die
+veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat ze in honderd
+jaren geen droppel water binnen krijgen, is een der vaste trekken van de
+speelmanspoëzie[40]. Het was een onschuldige wraakneming der speellieden
+op degenen die hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en
+droog hadden voorzien.
+
+Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen, welke men niet
+vindt in een der drie Duitsche bewerkingen die voortgekomen zijn uit het
+oorspronkelijk Nederrijnsch gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de
+merkwaardige ontmoeting van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat
+door den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaal vindt
+men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS. In de eerste legende
+is sprake niet van het hoofd doch van het gansche lichaam van een
+gestorven heidenschen reus; in de tweede van een reuzenhoofd. Beide
+reuzen laten zich doopen. In dat laatste opzicht nu geeft de
+Nederlandsche bewerking ons iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het
+reuzenhoofd voor, zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij
+vreest zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en
+zondigde hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger
+gestraft worden. En dus, zoo besluit hij:
+
+ willic weder varen
+ Te mijnre aermer scaren
+ In die deemsternesse [Zijnoot: duisternis.] [41].
+
+Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker, bij deze
+vermoedelijk van hem afkomstige passage, aan den Frieschen koning
+RADBOUD gedacht heeft, die door den apostel WULFRAN gedoopt zou worden.
+Immers, als deze heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de
+plaats der helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de
+doopvont terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan met de
+Christenen in den hemel verblijven[42]. Opmerkelijk mag ten slotte
+heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking op een paar plaatsen een
+komisch element aantreffen, waar dat in de drie ons overgebleven
+Duitsche bewerkingen ontbreekt. Ook dat getuigt dat wij hier het werk
+van een speelman voor ons hebben[43].
+
+Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht is ons
+duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en zouden er nieuwe
+kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende grond aanwezig om aan te
+nemen, dat het uit het Duitsch vertaald is en met de vertaling der
+_Nibelungen_ en het gedicht _Van den Bere Wisselau_ dagteekent uit het
+laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw. Ook de twee laatstgenoemde
+werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de literatuur van
+dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking van het overig
+Duitschland te toonen.
+
+Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond. Wel dient de
+aandacht te worden gevestigd op het gewicht van feiten als de vertaling
+van _Nibelungen_ en _Brandaen_, als de bewerking van _den Bere
+Wisselau_. Want uit dat overbrengen van de eene taal in de andere
+blijkt, dat de bewoners dezer landen zich een ander volk voelden dan de
+overige Duitschers; het gedicht _van den Bere Wisselau_, zelfstandige
+bewerking van Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger
+mate.
+
+Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk van
+Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst, zouden zij
+steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden dat vooral doen, nadat
+Brabant en Vlaanderen op den voorgrond waren getreden en Limburg op den
+achtergrond was geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral
+Vlaanderen de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij
+daarmede begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling der
+_Nibelungen_ misschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties
+van den _Brandaen_ in het oosten des lands of elders gemaakt?
+Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke MAERLANT in
+één adem noemt met de "sage van den bere Wisslau", uit denzelfden tijd
+als de _Wisselau_?
+
+Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn wij vooralsnog
+niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag men misschien: "ja"
+antwoorden of: "het is waarschijnlijk."
+
+Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige Duitschers
+moesten losmaken, vóórdat er sprake kon zijn van hunne ontwikkeling tot
+een zelfstandig volk en ook: dat de hier aanwezige kiemen van
+nationaliteit beter bodem vonden in het verder van Duitschland af, en
+aan zee gelegen, Vlaanderen, dan in het grensland Limburg.
+
+In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de 13de eeuw, op
+welker drempel wij nu staan, eene half-internationale, half-nationale
+kunst groeien en bloeien.
+
+Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden zij zich
+ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S _Kerkgesch._,
+II, 1, bl. 7 volgg.
+
+[2] Vgl. MAERLANT'S _Spiegh. Historiael_ (edd. DE VRIES en VERWIJS),
+III, bl. 366.
+
+[3] MOLL, t.a.p.
+
+[4] Zie I, 1116. Zie ook I, 682-3: "In ebreuschen, in dietschen || In
+walschen ende in vriesschen". Vgl. ook _Roman van Torec_, vs. 2556:
+"Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den _Rinclus_, vs. 602
+_walsch_ en _vriesch_ tegenover elkander gesteld.
+
+[5] Vgl. _Hist. de la langue et de la Littérature française...._ sous la
+direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100-101), 171
+en L. SUDRE, _Les sources du Roman de Renart_, p. 341.
+
+[6] Vgl. SCHERER, _Gesch. der D. Lit._, S. 143-4; PIPER,
+_Spielmannsdichtung_, II, 299; _Grundriss der German. Phil._, II, 1,
+258. Uitgegeven door STEINMEYER in _Z.f.d.A._, 21, Bd. S. 307 flgg.
+STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche tint
+gegeven heeft.
+
+De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd, waaruit
+no. 1 en no. 2 der door ED. DU MÉRIL uitgegevene redactie's zijn
+voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking, vs.
+2315-3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen zijn echter op vele
+plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S raming van het geheel (c. 3700
+verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S bewerking die veel uitvoeriger
+is, telt er slechts 3980.
+
+[7] Dat hij zich "ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal wel
+eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor stelt hij
+zich zelven tegenover de "ongheleerde luden". Vgl. bovendien het Latijn
+in den proloog en eene plaats als II, 944-946.
+
+[8] Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de Inleiding
+tot BEHAGHEL'S _Eneide_. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken wat Prof
+J.H. KERN mededeelt in _Museum_ 1900, bl. 213-218. Overigens nog
+BORMANS' Inleiding op _Sint Servatius Legende_.
+
+[9] VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven van S.
+SERVAES, dat men vindt in de _Gesta pontificum Tungrensium Trajectensium
+et Leodiensium_ in de 10e eeuw samengesteld door den abt HARIGER. Vgl.
+over een fragment van een hs. van het eind der 12e eeuw: _Z.f.d.A._, Bd.
+27, 146-157. Over een Duitsch leven van S. SERVAES uit ongeveer
+denzelfden tijd als VELDEKE'S werk: _Z.f.d.A._, 1845, V, 75 flgg.
+
+[10] Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S _Gesta_, wel in
+de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een Cistercienser
+monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis. Daar AEGIDIUS echter
+omstreeks het midden der 13e eeuw schreef, moet de door VELDEKE
+gebruikte _Vite_ ook door HARIGER en AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie
+CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de
+vergelijking uit I, 271 terug in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe
+multas tunc temporis provisio divina pro necessitate accenderat faces
+etc.
+
+[11] Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931.
+
+[12] Vgl. den proloog van Boek I.
+
+[13] Vroeger hield men BENOÎT DE STE. MORE voor den maker. Zie PETIT DE
+JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, _Introduction à une édition
+critique du Roman d'Eneas_ ('s-Gravenhage, 1888).
+
+[14] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, CL-CLVI.
+
+[15] Vs. 2708-2741; in het Fransche gedicht vs. 3456-3460.
+
+[16] _Minnesangs Frühling_, p. 62.
+
+Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal
+gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze--in tegenstelling met de
+werken der overige Minnesinger--gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch
+(daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.:
+
+van minne comet ons alle goet: die minne maket reinen moet. Wat soude ic
+ane minne dan?
+
+[17] Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk
+Middelhoogduitsch is. Misschien heeft eene verwarring met _entfaen_
+(ontvangen) plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen
+weergeven:
+
+hoe mochte ic dat voor goet ontfaen, dat hi mi dorperlike bade dat hi mi
+moeste ombevaen?
+
+
+[18] Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30-32; 60, 32; 61, 10; 58, 17-19.
+
+[19] M.F. 56, 1-6.
+
+Het sijn goede nieuwe maren dat die vogel openbare singen daer men
+bloemen siet. tot dien tiden in den jare stonde wel dat men vro ware:
+lacen, des en ben ic niet.
+
+
+[20] M.F. 64, 17-21.
+
+Die vogelen doen ane schijn dat si die bome sien gebloet. haer sanc
+maket mi den moet so goet dat ic vro bin ende trurich niet can sijn.
+
+
+Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10-18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1.
+
+[21] M.F. 57, 5-6.
+
+ic bat hare in der caritaten dat si mi moeste al ombevaen.
+
+
+Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1.
+
+[22] M.F. 65, 21-24.
+
+So wie den vrouwen settet hoede, die doet dat dicke evel staet. wel
+menich man draget die roede daer hi sich selven mede slaet.
+
+
+Vgl. voorts: 65, 11-12; 67, 1-2; 62, 11-22.
+
+[23] M.F. 66, 13-15.
+
+geschiedet [Zijnoot: Misschien in het oorspronkelijk Limburgsch:
+_gescege_?]" mi alse den swane die singet alse hi sterven sal, so
+verliese ic te vele daer ane.
+
+
+[24] Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S _Historie van Troyen_ door Dr. J.
+VERDAM, p. 27-28.
+
+[25] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, S. CLXXXVI flgg.
+
+[26] Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in
+PIPER'S _Spielmannspoesie_. Vgl. voorts: _Grundriss_, II, 1, 305 vlgg.
+
+[27] Vgl. _Reinaert_ (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. _Ermenrijc_ en W.
+MÜLLER, _Mythologie der deutschen Heldensage_, S. 178.
+
+[28] Vgl. KLEYN'S Catalogus in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, II, 147.
+
+[29] Over die tijdsbepaling _Grundriss_, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE
+houdt het er voor dat B. "um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan.
+(_Das Nibelungen-Lied, Einl._, S. XIV).
+
+[30] Boek II, 115.
+
+[31] _Teuthonista_ (ed. VERDAM), p. 486: "die witte wech des nachtes an
+der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden strait,
+_galaxia_."
+
+[32] Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt
+aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne _Middelned. Epische
+Fragmenten_, p. 1-3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in _De Gids_, 1889,
+I, 29-79.
+
+[33] In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een en ander
+medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe in zijn
+voortreffelijk _Gids_-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog eens met
+het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: _Der Nibelunge Nôt._
+(Leipzig. BROCKHAUS, 1870-1880) waarin men ook de varianten der hss.
+vindt.
+
+[34] Vgl. _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 9-32; het genoemde stuk van
+Dr. FRANTZEN in _De Gids_ en de uitgave van E. MARTIN in _Quellen und
+Forschungen_, 65. Heft.
+
+[35] Vgl. _Mnl. Ep. Fragmenten_, bl. 10.
+
+[36] Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.
+
+[37] _Sp. Hist._, IIIe Deel, bl. 170, 204.
+
+[38] Vgl. _Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het
+Henegouwsche huis_, III, p. 96.
+
+[39] Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd worden:
+1o. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. (Amsterdam.
+Gebroeders BINGER. 1894); 2o. Dr. J. BERGSMA, _Bijdrage tot de
+Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten_; 3o. _Van
+Sente Brandane_ in _Tijdschr. v. Ned. T. en L._, VII, 85 vlgg.; 4o.
+_Romanische Studiën...._ von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over de
+tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, I,
+116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in twee
+redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche hs. Ook ik
+houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal assoneerende rijmen
+en het aantal der verzen met slechts drie of twee heffingen er grooter
+is dan in het Comburgsche hs.
+
+De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar
+hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.
+
+[40] Vgl. _Van Sente Brandane_ (ed. BONEBAKKER), p. 10.
+
+[41] Vs. 249-251.
+
+[42] Het hier en elders in den _Brandaen_ voorkomende _aerme scaren_
+(zie BONEBAKKER'S _Aant._, p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM e.a. te
+veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord _harmschare_ (straf,
+kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties voorkomt, schijnt mij
+niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het Comb. Hs. dat spreekt van
+"keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen waarschuwen. De uitdrukking is
+op de bewuste plaatsen volkomen goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van
+"blide scare" voor hemelbewoners; (zie _Stroph. Ged._ edd. FRANCK en
+VERDAM, p. 135). Doch wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen
+waarin de oudere philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping
+van het voor de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de
+spelingen van haar critisch vernuft.
+
+[43] Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075-1081, H. 1022-1028.
+
+
+
+BOEK I.
+
+STANDENPOËZIE.
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+Gedurende de gansche 13de eeuw is er in deze landen en volken nog weinig
+eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien eene veelheid van
+onderscheidene eenheden: kleine staten en staatjes die voortdurend naar
+volkomener onafhankelijkheid streven. Holland was reeds vroeg
+zelfstandig geworden, had zich nagenoeg van het Duitsche rijk
+afgescheiden, was er steeds op uit alle bemoeiingen van Keizers of
+andere rijksvorsten met zijne binnenlandsche aangelegenheden af te
+weren. De overige landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden
+weg. Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om
+onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven.
+
+Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen tegen het
+water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen in bouwland en
+weiland. Het water geeft geen kamp: de Marcellus-vloed van 1218 wordt
+meer dan eens door hevige overstroomingen gevolgd; doch de waterschappen
+ontstaan, polderland komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens
+te draaien.
+
+Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze landen bewoont.
+Tegenover het geestelijk element stond het wereldlijke. God--zegt DIRC
+POTTER in zijn _Minnen Loop_--heeft der wereld rijk in tweeën gedeeld:
+de eene helft moet zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet
+opwaarts schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft,
+moeten leeren[1]. Het wereldlijk element werd weer gescheiden in heeren
+en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de gemeenten waartoe men ook
+de landbouwers kan rekenen, vormden de drie groote bestanddeelen der
+bevolking van al deze gewesten. Een dichter der 14de eeuw, WILLEM VAN
+HILLEGAERTSBERCH, spreekt dan ook "van der drierehande staet der werelt"
+en bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden[2].
+
+Niet meer, als in de 11de eeuw, waren de Zuidnederlandsche ridders op
+het land wonende grondbezitters, die in vredestijd hunne goederen
+bestuurden en zelf wel eens de hand aan den ploeg sloegen; die,
+eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn best een wachttoren op een heuvel
+bewoonden, omgeven door een muur van ruwe steenen.
+
+In het laatst der 12de eeuw reeds prijst de Duitsche dichter HARTMANN
+VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant en de Haspengouw, als hij
+voortreffelijke ridders wil noemen. De graven van Henegouwen en van
+Leuven komen soms met honderden prachtig uitgedoste ridders ten
+tournooi. In Holland zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS,
+EGMONDEN, ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN
+VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op een tournooi of aan
+de gevolgen van daar ontvangen wonden. Terwijl een aantal Vlaamsche
+ridders zich bij Hesdin met het ridderlijk spel der "tafelronde"
+vermaken, hechten zij zich het kruis op borst of schouder.
+
+Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken. Naast hen,
+want ook in deze landen vond men prelaten als die bisschop van Beauvais
+die in den slag bij Bouvines de vijanden met een ijzeren knots
+neersloeg--omdat de Kerk geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover
+hen, in de werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor
+monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers,
+Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het
+monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral de orde der
+Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De bagijnen beginnen hare
+hoven te stichten. Voorname abdijen als die van Egmond, Rijnsburg,
+Leeuwenhorst verrijzen. In Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in
+Limburg en Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd
+een eenzaam leven leiden.
+
+Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde als visschers
+langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort reeds)[3], als landbouwers
+en veeboeren ten platten lande, alleen of in dorpen en gehuchten, of
+eindelijk als kooplieden, neringdoenden, ambachtslieden in de steden die
+in aantal en omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den
+tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten van
+marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om een kasteel of
+klooster of waren ontstaan uit de vereeniging van eenige landgemeenten.
+Allengs verkrijgen zij het recht zich te beschermen met "eiken tune
+(planken muren) ende diepe grachte", een stedelijke hal, een steenen
+gevangenis (_steen_) te bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen
+volgen. In groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding
+gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de meeste waren
+van hout en met riet gedekt).
+
+De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de middeleeuwen
+minder droevig dan men langen tijd heeft gemeend. Ook was de verhouding
+tusschen heer en lijfeigenen niet louter die van een meester tegenover
+zijne dienstknechten en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het
+gansche leven in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden
+iets patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13de eeuw
+eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand; aan het eind dier
+eeuw is de groote meerderheid der bevolking vrij geworden.
+
+Er wordt--het spreekt vanzelf in dien tijd--ter dege onderscheid gemaakt
+tusschen ridders en dorpers; zoo wordt bijvoorbeeld een dorper die een
+ridder slaat of scheldt, zwaarder gestraft dan wanneer hij een anderen
+dorper te na gekomen is, en het schaken van een meisje uit den
+aanzienlijken stand zwaarder dan van een arm meisje[4]. Toch was de adel
+niet een _heerschende_ stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook waren
+ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er hadden wel
+huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En eindelijk: de vroeger
+zoo talrijke klasse van ridders nam gedurende deze eeuw af in aantal als
+in aanzien. Verarmd door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van
+het ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der
+vorsten treden, den vorst hunne allodiën opdragen en voortaan leven als
+zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters daalden in
+maatschappelijke en economische beteekenis. De geestelijkheid moest,
+tenminste in Gelderland, een deel harer bezittingen aan den graaf
+overdragen.
+
+Maar stadig rees de ster der gemeenten[5].
+
+In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en gemeenten,
+kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde eenheden opmerken: de
+onderscheidene "sibben", maagschappen of geslachten. De band tusschen
+bloedverwanten was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch
+alleen zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde.
+Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid zijner
+"sibbe"[6]. De maagschap staat op den voorgrond, niet de enkeling.
+
+Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door vergelijking
+met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens den Saksenspiegel de
+ouders voorgesteld door het hoofd; de kinderen door de geleding tusschen
+hoofd en hals en zoo voort, totdat eindelijk de zevende "sibbe" in de
+nagels der handen geplaatst, en vandaar "nagelmagen" genoemd werd. De
+maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met zich. Zoo b.v. het
+recht en den plicht tot het opnemen der veete van een verslagen
+bloedverwant. Nog in het midden der 13de eeuw heerschte in Friesland de
+barbaarsche gewoonte om een verslagene niet te begraven, vóórdat zijne
+naastbestaanden op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak
+hadden genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te
+eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was het nog in
+de 14de eeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige en zes zijner
+naaste magen (in Drenthe "keurmagen" genoemd) ieder een zevende van het
+weergeld (man-geld) of zoengeld betaalden. De magen staan elkander bij
+voor het gerecht als in het gevecht. Zij deelen in de schande die over
+een hunner komt.
+
+Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt AERNT VAN BENSCOP
+hem zijn jachtvogel en zegt:
+
+ Ic moet nu op desen tijt
+ Uwen sconen sperwaer draghen,
+ _U te lachtre [Zijnoot: schande.] ende uwen maghen_.
+
+Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil
+opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij:
+
+ _Eest dat ghi sijt van haren maghen_,
+ So moetti nuwe wapene draghen,
+ Keren ende wreken dese overdaet.
+
+En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch ridder koning
+ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag, dan door als gevolg van dien
+slag te noemen: "ic vergat al mire mage"[7].
+
+Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den enkeling, het
+samengestelde boven het enkele, het vormen van complexe eenheden, zien
+wij in deze eeuwen ook elders.
+
+Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin, vischwater,
+met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine wereld op zich zelve.
+Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren en grachten tal van
+afzonderlijke gebouwen. In menig gezin, vooral ten platten lande, at men
+eigengebakken brood (_huisbakken_ kreeg eerst later zijne ongunstige
+beteekenis); droeg men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in
+Reuzelmaand een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en
+der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden als ROGER
+BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS, JACOB VAN MAERLANT weten
+alles wat er in dien tijd te weten valt.
+
+Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in die meest
+geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook daar de synthese het
+wint van de analyse, zooals blijkt uit de neiging tot het vormen van
+groote zin-complexen bij menigen middeleeuwschen schrijver? Zulk een
+zin-complex is b.v. dit volgende uit den proloog van den _Brandaen_:
+
+ Die Heleghe Gheest moet mi leeren,
+ --Die welke der ezelinnen
+ Wijlen dede sprekens beghinnen,
+ Daer up dat reet Balaam,
+ Dat was een heydin man,
+ Dat so [Zijnoot: zij.] meinschelike sprac,
+ Daer sij den inghel Gods sach
+ Commen in haer ghemoet:
+ Den wech hi haer wederstoet [Zijnoot: versperde.]
+ Met eenen zwerde vierijn [Zijnoot: van vuur.];
+ Si vloo van den inghel fijn
+ Ende dede haeren heere cont--
+ Dese moete ontsluten minen mont:
+ Die ghene die haer gaf de macht,
+ Dat si wert redene acht [Zijnoot: met spraak begaafd.] [8].
+
+Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid het
+gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een zwak schemerlicht
+op de onnaspeurbare gangen der menschelijke gedachte--ook andere deelen
+van dat innerlijk leven zijn ons in het afdruksel der taal bewaard
+gebleven: de sterk ontwikkelde zinnelijkheid van het middeleeuwsch
+geslacht en zijn gebrek aan zelfbeheersching.
+
+Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient men zich niet
+van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men verzinnelijkt die begrippen
+door te spreken van: een boogschot hoog, een steenworp ver; zekere
+eilanden liggen volgens MAERLANT "twee dachseilinghe verre" van Afrika;
+zeker arts is beroemd: "alse [Zijnoot: even.] verre als God de sonne
+seinen doet". Iets zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar
+ridders vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen. De
+tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee sonnescinen"; van
+den eenen winter op den anderen door: "tusschen twee sneeuwe". De lente
+door: "alst ten nieuwen gerse [Zijnoot: gras.] kwam", najaar en voorjaar
+door "te hooi en te gras". Men ziet de dingen nog vóór zich: een bosch
+_staat_; een brug _loopt_ over een rivier; men hangt iemand niet op--men
+hangt hem "_bi der kelen_"; men kust een meisje "_ane haren mont_", zit
+met haar in het "_groene gras_", begraaft haar onder "_de rooskens
+root_".
+
+Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers van toen
+tot het uitdrukken van deelen eener handeling, die wij--als onnoodig,
+immers: vanzelf sprekend--weglaten. Het zijn gewoonlijk verbindingen van
+twee werkwoorden, waarvan het eene een lichamelijken toestand, het
+andere eene werking uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals:
+"daer hi lach, sat, stont" achten wij nu overbodig--voor de
+middeleeuwsche menschen waren zij dat niet.
+
+Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als: _antwoordde ende seide,
+bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat vaste, Gods ghebot
+ende sine woorde_ tautologieën te noemen: toen had elk der deelen van
+zulke uitdrukkingen zijne eigen beteekenis en kracht; het verschil
+tusschen onze voorouders en ons is slechts, dat zij er behoefte aan
+hadden een grooter deel der voorstelling in taal te verzinnelijken dan
+wij. Om dezelfde reden zijn in: _God, die coninc van den trone_
+[Zijnoot: hemel.], de op _God_ volgende woorden volstrekt geen stoplap,
+evenmin als in zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond
+behoefte om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven[9].
+
+Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een
+middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen trant
+van voorstelling zien verlaten, met dien verstande dat hij het indirecte
+vervangt door het directe. Zij beginnen b.v. met een bode te doen
+spreken in afhankelijke zinnen:
+
+ Dat sijn vader doot ware
+ Ende sijn moeder ooc mede.
+
+Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen:
+
+ "Ende in u lant is groot onvrede,
+ "Want vremt volc, sonder waen,
+ "Hebben u lant ondergedaen [Zijnoot: onderworpen.]."
+
+Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik van
+afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig en de rechtstreeksche
+uiting, als natuurlijker, hun aangenamer.
+
+Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen die
+perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal of beschrijving laat
+varen voor het sprekend invoeren van een zijner personages, zonder dezen
+overgang aan te kondigen: een schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in
+hooge mate tot de verlevendiging van het verhaal bijdraagt[10].
+
+De taal--wij zeiden het reeds--was hier spiegel van het leven. Welk een
+brand van hartstocht slaat ons tegen uit de middeleeuwsche kronieken!
+Hoe onbeteugeld stormen de driften in al die gevoelsmenschen, die nog
+zoo weinig gewend zijn hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de
+rede stem in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde
+men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden werd. Ook
+het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste menigte, in strijd met
+den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde, stormt de kloosterkapel
+binnen, rooft het corpus domini met het ciborium en steekt de
+kloostergebouwen in brand. Van hertog JAN I van Brabant, een toonbeeld
+van echte ridderschap, wordt ons verhaald dat hij in gramschap een stok
+doormidden beet.
+
+MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen bedriegen en
+als hunne prooi beschouwen. De abdis van het hoog-adellijk Rijnsburg
+klaagde aan den paus, dat hare nonnen in vele opzichten den regel
+overtraden, dat zij twistgierig waren en zelfs de handen aan elkander
+sloegen.
+
+De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn--zij konden den hartstocht
+niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster zal voor menigeen een
+veilige wijkplaats zijn geweest, maar hoevelen namen hun strijd met zich
+nadat de poort zich achter hen gesloten had! Als een rijk man gereed
+staat der wereld vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het
+klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er dan tusschen
+de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap[11]. Wat is er ook binnen
+de kloostermuren geleden in den strijd met de zonde en den wellust. Hoe
+heerschten ook daar trots, ijverzucht, toorn, gulzigheid en die
+zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken van Heisterbach _acedia_
+noemden en die een middeleeuwsch prototype van _spleen_ en _weltschmerz_
+schijnt te zijn geweest[11].
+
+Gansche geslachten komen door de verplichting van veete tegenover
+elkander te staan: in Leuven de patricische families van BLANCKAERT en
+DE COLVERE; in den slag bij Woeringen vinden wij de SCAVEDRIESCHEN
+tegenover de geslachten van WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de
+Haspengouw een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux,
+die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde richten en
+vele dorpen worden verbrand.
+
+De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van Rijnsburg is meer
+dan eens in twist met de grafelijkheid van Holland of met Hollandsche
+edelen, met TEYLINGHENS, WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan
+over den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht, OTTO VAN DER
+LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in de buurt van Vollenhove en
+slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT VAN AEMSTEL leidt in Holland en het
+Sticht een boerenopstand waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de
+burgerij zien wij op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de
+patricische geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog
+beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de regeering
+gunden[12].
+
+Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht, stand
+tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest. Het is de
+strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en REINOUT van Gelre;
+tusschen de hartstochtelijke gravin van Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en
+WILLEM II van Holland; denzelfden graaf van Holland die bij Hoogwoude
+tegen de Friezen sneuvelt.
+
+Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te nauwernood
+in bedwang gehouden door Germaansch recht en Christelijk geloof.
+
+"Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord en waarin onze
+voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet daarin dat zij te zachte
+heelmeesters waren. Zij die een meisje aanspoorden om zich te laten
+schaken (het schaken was in zwang) werden gestraft met het verlies van
+den neus. "Wie vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals
+afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte "alle duytsche
+lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar of moordbrander
+het rad, dat manslag en roof met het zwaard werden gestraft, een valsche
+munter in een ketel levend gezoden werd, een spion boeten moest met
+verlies van een oog, een "pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim
+moest missen.
+
+Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan hand. Ook de
+kerk had tal van straffen te harer beschikking en maakte daarvan een
+ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten behoorden tot de gewone
+straffen. Had iemand zich zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven
+jaren lang in ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door
+de excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als
+vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds, dan
+wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch monnik
+samengevat in een vers dat reeds aan de tong een voorsmaak van dat
+lijden geeft:
+
+ Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror.
+
+Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en straffen. Met
+krachtige hand bestuurde zij de gemeente der geloovigen; liet zij de
+teugels vaak losjes hangen, zij hield ze stevig vast. Van de wieg tot
+het graf begeleidde zij den mensch, ja, haar invloed eindigde ook met
+den dood niet. Was de middeleeuwsche christen door den doop in de
+gemeenschap der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling
+die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd worden.
+Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem, uit geheimzinnig
+schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht tegenglansde, waar bij
+het mysterie der mis de opzwevende wierookgeuren hem stemden tot
+aandacht en vereering. Lag hij op zijn sterfbed, dan naderde,
+aangekondigd door de klinkende altaarschel, de priester met de heilige
+hostie en de stervende blies den laatsten adem uit met de gewijde
+waskaars tusschen de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig
+leven in eeuwigheid.
+
+In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door de heiligen
+die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem waren voorgegaan naar
+den hemel, doch nog steeds over de menschen bleven waken. Wie op reis
+ging, beval zich in de hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT
+CHRISTOFFEL was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL
+beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze en zijne
+trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden verslinden. Maar wat
+nood voor den vromen Christen? Konden God, Jezus en Maria, konden de
+heiligen en zelfs de overblijfselen dier heiligen, niet elk oogenblik
+een wonder verrichten? Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat
+er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het jaar 1214
+kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker OLIVIER van
+Keulen sprak. In het klooster Aduard waren monniken, zóó eenvoudig van
+hart, dat zij beproefden hunne kappen op te hangen aan de
+zonnestralen[13]. Was er nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid
+voor wie deze en dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het
+niet begrijpelijk, dat de dichter van den _Karel ende Elegast_ in den
+aanvang van zijn verhaal "wonder en waarheid" in één adem noemt?
+
+Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling te geven
+van het leven der toenmalige maatschappij. Het was noodig eene poging
+daartoe aan te wenden, omdat alleen langs dien weg eenigermate zal
+kunnen blijken, op welke wijze zich hier het leven in de poëzie heeft
+geuit. Zóóveel kan althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat
+gedurende de 13de eeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere,
+het samengestelde op het enkele, de stand op het individu. Het leven
+heeft zich toen vooral _standsgewijze_ geuit. En zoo bevat de poëzie,
+die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak uitingen, niet van
+individuen, maar van standen. Daarom mag zij _standenpoëzie_ heeten.
+
+In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde
+persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen. Zóó is
+het ook in de poëzie. HADEWIJCH, WILLEM VAN AFFLIGHEM en vooral MAERLANT
+vertoonen iets van een dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig
+van omtrek. Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons
+gekomen, doch het zijn _slechts_ namen. Wat baat het ons of wij weten
+dat "CLAES VER BRECHTEN ZONE" den _Willem van Oranje_ vertaald heeft?
+Dat WILLEM VAN UTENHOVE "een priester van goeden love" was en dat de
+dichter van den _Reinaert_ eveneens WILLEM heette? Kennen wij die mannen
+nu? Van vele andere dichterlijke werken zijn zelfs de namen der
+bewerkers ons onbekend.
+
+Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer poëzie als
+volkspoëzie, maar volkspoëzie, welke, naar de verschillende stroomingen
+die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt in: ridderpoëzie,
+geestelijke poëzie en poëzie der gemeenten.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] _Der Minnen Loop_, IV, vs. 4 vlgg.
+
+[2] _Gedichten_ (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den
+Henegouwschen dichter JEAN DE CONDÉ vindt men een _dis des trois estas
+dou Monde_ (_Dits et Contes de Baudouin de Condé_, II, 49 suivv.). Beide
+stukken hebben overigens niets gemeen.
+
+[3] Vgl. Boek VIII, vs. 1070.
+
+[4] VANDERKINDERE, _Siècle des Artevelde_, p. 141.
+
+[5] Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van PIRENNE,
+MOLL en BLOK; A. SCHULTZ, _Höfisches Leben zur zeit der Minnesinger_;
+SCHOTEL, _De Abdij van Rijnsburg_; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, _Studiën en
+Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad. Royale de Belgique_, no. 32; _Kronijk
+v.h. Histor. Genootschap_, XII, (164-165); twee artikelen van POLS in
+_Bijdr. voor Vad. Gesch. en Oudh._ (stuk over Graaf JAN I van Holland)
+en redevoering ter algem. vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879.
+_De Slag van Woeringen_ (ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de
+Aant. p. 542.
+
+Wat den _Grêgorjus_ van HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog op, dat de
+tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan.
+
+[6] Vgl. _Reinaert_, vs. 2006-'98:
+
+Hi rekende dat hi ware mijn oom ende began ene sibbe tellen; aldaer
+worden wi gesellen.
+
+[7] Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S _Deutsche
+Rechtsalterthümer_, (4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDREÆ in:
+_Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin_, p. 259 vlgg.;
+_Nederd. Regtsoudheden_, p. 298; _Versl. en Meded. der Kon. Akad. afd.
+Lett._, 4e Reeks, Deel I; MOLL, _Kerkgesch._, II, 4, 225; _Kroniek van
+Melis Stoke_ (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; _Kerken Claghe,_
+vs. 212; _Moriaen_, vs. 174-177; voorts _Grimb. Oorlog_, II, vs. 291,
+413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; _Parthonopeus_, vs. 1227;
+_Limborch_, II, 1862. In het _Mnl. Wdb._ zullen i.v. nog wel andere
+voorbeelden genoemd worden.
+
+[8] Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De
+oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van
+wat zij: _inlapsels_ noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn.
+Wie een citaat uit den _Brandaen_ niet afdoend acht uit hoofde van
+mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van den
+Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden in
+MAERLANT'S _Alexander_, I, 953-960; VII, 61-84; 93-105; _Leven van S.
+Lutgarde_, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39; 6694-6716; 9542-'48;
+9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37; 11504-'512; 13844-'66; III,
+548-557; 850-864. _Der Leken Spieghel_, II, c. 48, vs. 668-685 (men
+lette vooral op het slotvers in verband met den aanvang). _Der Minnen
+Loep_, I, 2047-2060. STOETT, _Syntaxis_, p. 146; _Hildegaersberch's
+Gedichten_, 155, 203 vlgg.; 157, 129-138; 157, 1-15. FRANCK onderstelt
+in den dichter van het _Leven der H. Lutgarde_ opzet bij het maken
+zijner lange en ingewikkelde zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig.
+Doch indien er al opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te
+hulp zijn gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in _Neue Jahrbücher für das
+Klass. Alt. Gesch. u. Deutsche Lit._, Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432-434.
+F. denkt aan invloed van het Latijn).
+
+[9] Deze en andere voorbeelden vindt men: _Karel en Elegast_ (ed.
+KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; _Sp. Hist._, I, p. 34, vs.
+21; _Alexander_, I, 1121; _Moriaen_, vs. 86, 3795; _Tijdschr. v. N.T. en
+L._, XVII, 297 vlgg.; _Kar. e. Eleg._, 100, 198; _Merlijn_, p. 72, vs.
+6696; _Lied in de Middeleeuwen_, bl. 572; STOETT, _Syntaxis_, p. 121;
+BOTERMANS, _Die hystorie van die seven wijse mannen van romen_.
+Proefschrift, p. 50; _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM).
+Inl. XXXVI.
+
+[10] _Torec_, 3800-3804; 3738-'41; _Moriaen_, 355, 573, 972; _Karel en
+El._, 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S _Syntaxis_, p. 144.
+
+Het verwante verschijnsel in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 187;
+behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: _Flovent_, 395; _Madelghijs
+Kintsheit_, p. 69, vs. 40; _Aiol_ (Vlaamsche redactie), vs. 663; _Karel
+de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen)_, p. 12, vs. 287; p. 31, vs.
+872 (weer het eerste verschijnsel). LONGINUS of althans de schrijver van
+het boek [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij
+HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI _de Sublimitate_ (ed. B. WEISKE.
+Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII.
+
+[11] Vgl. TE WINKEL'S _Maerlant_, p. 257, noot 2; WYBRANDS, _De Abdij
+Bloemhof_, p. 72; _Naturen Bloeme_, II, 690-2; MOLL, _Kerkgesch._, II,
+2, 78; _Brab. Yeesten_, V, 144-146; MOLL, t.a.p. II, 2, 45; MOLL en DE
+HOOP SCHEFFER, _Stud. en Bijdr._, II.
+
+[12] DEWEZ, _Histoire générale de la Belgique_, III, 43; HEELU'S _Slag
+bij Woeringen_, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174; SCHOTEL,
+_A.v.R._, o.a. p. 100-101; PIRENNE I, 416, 422.
+
+[13] BLOK a.w. I, 175.
+
+_Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap_, XXIII, 43.
+
+
+
+1. RIDDERPOËZIE.
+
+ Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpoëzie. Ouderdom
+ der Nederlandsche ridderpoëzie. In hoeverre indeeling naar de "matières"
+ te onzent geoorloofd?
+
+ Romans: _Flovent_, _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_,
+ _Renout van Montalbaen_, _Geraert van Viane_, _Lorreinen_, _Aiol_, _Aubri
+ de Borgengoen_, _Doon de Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_. Overige
+ romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Karel en Elegast_.
+
+ II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans: _Lancelot_, _Percevael_,
+ _Ferguut_, _Floris en Blancefloer_, _Partonopeus en Melior_. Overige
+ romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Moriaen_, _Walewein_.
+
+ Eindbeschouwing.
+
+Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten, frisch
+uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend in pracht, verstorven door
+overmaat van weelderigheid--zoo ging op, zoo blonk, zoo verzonk het
+ridderwezen.
+
+Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een plechtige
+bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de kern, door de
+Franken gebracht in het naar hen genoemd land; onder den invloed der
+kruistochten ontwikkelde die kern zich daar tot een zedelijke instelling
+met een hoog-ideaal karakter. Een ridder moest zijn "grootmoedig in
+tegenspoed, edel van bloede, overvloeiend van eerlijkheid,
+voortreffelijk door hoffelijke zeden, standvastig in mannelijke
+braafheid. Dagelijks moest hij met devote gedachtenis aan 's Heeren
+lijden de mis hooren, voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil
+hebben, de heilige Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars
+bevrijden, weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen,
+onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon weigeren, tot
+bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter optreden, geene
+steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke bedoelingen, den roomschen
+Keizer of zijn stadhouder in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat
+ongeschonden in zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks
+vervreemden en onberispelijk voor God en menschen leven."
+
+Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van vroeger, in
+veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling en beschaving der
+maatschappij. Maar de aanraking met het weelderig Oosten, de toenemende
+rijkdom en weelde, menschelijke zwakheid en zinnelijkheid begonnen na
+eenigen tijd de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden
+haar langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied voor de
+vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd tot een vrouwendienst
+waarin het zinnelijk element zich krachtig deed gelden; de hoofschheid,
+die gaandeweg de vroegere ruwheid had vervangen, werd galanterie; de
+losheid, loszinnigheid en die: losbandigheid. Toewijding die goed en
+bloed op het spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht,
+roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was de adel een
+stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom en uiterlijke
+beschaving onderscheidde van de overige bevolking, die hem veelal
+overtrof in innerlijke kracht, in zedelijke en geestelijke
+ontwikkeling[1].
+
+De poëzie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn
+ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking. Wie
+kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat roerend-droeve verhaal van
+FRANCESCA DA RIMINI en die verzen:
+
+ Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse:
+ Quel giorno più non vi leggemmo avante.
+
+Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar levend, hebben
+uit verhalende liederen grootere verhalende gedichten geschapen. In den
+aanvang behandelden die gedichten uitsluitend het nationaal verleden,
+uit den tijd der Merovingen, zooals de _Floovant_; uit dien der
+Karolingen verhalen waarin KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote
+vazallen des rijks optreden: de _Chanson de Roland_, de _Chanson des
+Saisnes_ (Saksen), den _Ogier_, den cyclus van _Guillaume d'Orange_, de
+_Lorrains_ (hertogen van Lotharingen), _Renaus de Montauban_, _Aiol_,
+_Auberi le Bourgoing_. Kort voor of in den aanvang der 12de eeuw
+begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit den
+Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid te verwerken:
+den _Roman de Troie_, den _Roman d'Enéas_, _Roman de Thèbes_, de _Geste
+d'Alexandre_, den _Roman de Jules César_.
+
+Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met het Keltisch
+element in Engeland ontstond omstreeks het midden der 12de eeuw een
+nieuw soort van verhalen: de Keltische romans. Keltische zangers die
+rondzwierven door Engeland en Frankrijk, zongen ook in het laatste land
+hunne lais, liederen van fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al
+spoedig werden vertaald en nagevolgd door Fransche dichters.
+Langzamerhand werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden
+ook nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld. Wij
+vinden hier in hoofdzaak òf verhalen, waarin Koning ARTUR en zijne
+gemalin op den voorgrond komen en het Christelijk element zich krachtig
+doet gelden òf zulke, waarin de dolende ridders van ARTURS hof eene
+hoofdrol spelen als: de _Tristran_, _Ivein_, _Lancelot_, _Erec_,
+_Gauvain_, _Cligès_.
+
+Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans als _Le
+Grand Saint Graal_, die bestaat uit deze drie deelen: _Jozef van
+Arimathea_, _Merlijn_, _Perceval_; voorts _la queste_ (het zoeken) _du
+Saint Graal_ en een gedicht _Le Petit Saint Graal_.
+
+Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer romans, waarvan
+ik slechts eenige voorname heb genoemd, gemakkelijk gemaakt door de drie
+voorname stoffen, welke zij behandelen, aan te wijzen. In de _Chanson
+des Saisnes_ heet het:
+
+ Ne sont que trois matières a nul home entendant:
+ De France et de Bretaigne et de Rome la grant.
+
+Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen, zijn,
+bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ééns geestes kinderen; de
+romans waarin nationale stoffen verwerkt zijn, danken hun ontstaan aan
+een anderen geest.
+
+Zoo mag men deze epische poëzie dan ten slotte scheiden in twee groote
+afdeelingen, die zich tot elkander verhouden als het nationale tot het
+uitheemsche.
+
+Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke der oude
+nationale _Chansons-de-Geste_ met hunne ruwheid en grootschheid, ziet
+men de Keltische en klassieke romans met hunne hoofschheid, hunnen
+vrouwendienst, het sterk ontwikkeld lyrisch-erotische, gemengd met
+mystiek, hunne neiging tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in
+de nationale gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in
+zóóverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden
+weergeven: de nationale groep weerspiegelt een beschaving minder
+ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche geboren is. De nationale groep
+staat dichter bij het volks-epos, de uitheemsche dichter bij het
+kunst-epos. Voor een deel geldt dit onderscheid van volks-epos en
+kunst-epos ook met betrekking tot de dichters dezer romans; want de
+makers der oudste _Chansons-de-Geste_: _Roland_, _Girard de Roussillon_,
+_Jourdain de Blaives_, _Floovant_, zijn ons onbekend; van de dichters
+der latere _Chansons_ kennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI,
+BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DE TROYES, BÉROL,
+BENOIST DE SAINTE MORE, ALBÉRIC DE BRIANÇON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE
+DE BERNAY... doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters
+hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt, andere
+hebben uitheemsche gedicht.
+
+Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den uiterlijken
+vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven in korte verzen
+van acht lettergrepen, in tegenstelling met de overige die in het oudere
+decasyllabische vers of in alexandrijnen zijn gedicht[2].
+
+Langs zulke wegen was de Oudfransche epische poëzie bezig zich te
+ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend werd. Dat zij daar
+bekend werd, is licht te verklaren uit het internationaal karakter der
+ridderschap en de nabuurschap van Frankrijk. Maar bovendien waren
+Fransche taal en literatuur reeds in de laatste helft der 12de eeuw in
+een deel van Zuid-Nederland bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch
+werd als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd; in
+Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de hooge
+geestelijkheid als een tweede volkstaal[3]. Aan het hof van den
+Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168-1191) leefde en werkte de
+beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter van vele Keltisch-Fransche romans;
+BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen dichtte Provencaalsche liedjes; een paar
+bekende Fransche dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te
+Atrecht[4]. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking met de
+Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging; dat wij eene
+Nederlandsche ridderpoëzie zien ontstaan onder den invloed der Fransche.
+
+Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog niet
+mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aannemen, dat wij het
+laatst der 12de of althans de eerste helft der 13de eeuw als zoodanig
+moeten beschouwen. MAERLANT immers heeft meer dan eens in zijne werken
+(_Alexander, Sint Franciscus, Spieghel Historiael_) gewaarschuwd tegen
+den, zijns inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende
+ridderromans. Onder die romans vindt men een paar die tot de
+bovengenoemde "nationale" groep behooren, zooals _Willem van Oranje_ en
+de _Heemskinderen (Renaus de Montauban)_; enkele zoogenaamde klassieke
+romans, zooals die over _Alexander_; een paar die in het Oosten spelen:
+de _Floris en Blancefloer_ en den _Partonopeus_; eindelijk een groot
+aantal die tot de Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die van
+_Lancelot_ en _Tristan_[5]. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende,
+bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit het _Leven van Sinte Lutgart_
+gevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt, dat de menschen niet
+willen luisteren naar "goede exempelkine", maar gaarne komen:
+
+ Daer men van ouden ijeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] singet,
+ Oec daer men voert die sagen bringet
+ Van wigen [Zijnoot: strijden.] och van tavelronden,
+ Daer wilen eer hen onderwonden
+ Te dichtene af die menestrele.
+ ...
+ Mar wonder hevet mi van desen
+ Warumme si so gerne lesen
+ Van ouden sagen dat gedichte
+ Ende oc geloeven also lichte
+ Din logeneren die se tellen.
+ ...
+ Mar die die oude bourden scriven,
+ Si swegen bat, dat seggic hen[6].
+
+Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het oog hebben op
+Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich vooral tot de
+gemeentenaren en lagere geestelijken die over het algemeen weinig of
+geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder den lageren adel de kennis
+van die taal zoo verbreid zijn geweest, dat men er de voordracht van
+Fransche gedichten met eenig gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS,
+wier moeder van adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in
+het klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks
+zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon vragen wanneer
+zij honger had[7]. Zouden ook lieden uit dien kring der maatschappij
+geen deel hebben uitgemaakt van het publiek dat Fransche romans liefst
+vertaald hoorde voordragen?
+
+Indien men nu in aanmerking neemt, dat de _Alexander_, het oudste der
+genoemde werken van MAERLANT, omstreeks 1257-1260 zal zijn vervaardigd
+en het _Leven van Sinte Lutgart_ tusschen 1263-1274; dat de romans,
+waartegen met zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben
+behoefd om zóó bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke
+Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in de tweede helft der
+12de eeuw reeds bestonden, deels van nog vroeger tijd dagteekenen--dan
+zal men wel mogen aannemen, dat men te onzent in het laatst der 12de of
+den aanvang der 13de eeuw het grootste deel der bewuste ridderromans
+heeft verdietscht.
+
+Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpoëzie zich bedienen
+van het onderscheid in: nationale (Frankische) en uitheemsche
+(Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche) ridderdichten? In
+allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht dat de Fransche
+literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens blijkt dat men te onzent zich
+bewust is geweest van een onderscheid in drie "matières". Niet, als in
+Frankrijk, beantwoorden hier de beide groepen aan verschillende
+cultuurtoestanden, waarvan de een op den ander volgde. Integendeel,
+voorzoover wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te
+onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep te vertalen.
+VELDEKE'S _Eneïde_ is het vroegste episch vertaalwerk dat wij met
+zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel van den _Roman de
+Troie_, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF. Zou de vertaling van de
+_Chanson de Roland_ niet ouder zijn dan beide? Onmogelijk is dat niet,
+zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk, aangezien het oorspronkelijk gedicht
+reeds vóór den eersten Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang
+gemaakt en zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene
+Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet verkrijgen.
+Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men hier te lande in het
+laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw, zonder oordeel des
+onderscheids, Fransche ridderromans heeft vertaald en nagevolgd. Indien
+wij nu toch onderscheid blijven maken tusschen een paar groepen van
+riddergedichten, dan geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een
+verschillende geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen
+wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen.
+
+
+FRANKISCHE ROMANS.
+
+De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek dier dagen wel
+krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats de indrukwekkende
+gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers ook hier te lande bemind en
+geëerd; groot in de oogen van het nageslacht niet het minst om zijne
+oorlogen tegen de heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en
+burgers dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden
+strijd tegen het "Saracynsche diet" dien ook de groote Koning met zijne
+dapperen had gestreden? En onder die dapperen verschenen in deze romans
+voor het geestesoog de dappersten en wijsten, die beroemde "genooten",
+lijfwacht en raad des Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en
+zijn boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den
+strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD van
+Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren en anderen[8]. Het
+geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke werken moest wel
+indruk maken op een publiek, eenvoudig van gemoed, beheerscht door
+dezelfde hartstochten als de personages in die verhalen.
+
+Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd tegen duizenden
+bij duizenden Sarracenen, die weigert op zijn wonderhoorn Olifante te
+blazen om zijn Koning te hulp te roepen; die eindelijk afgestreden, ten
+doode gewond, zich uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar
+Spanje gekeerd, maar het hart vol van "het zoete Frankrijk" en zijne
+maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog houdt tot God
+zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn hoofd op zijn arm, met
+saamgelegde handen ontslaapt hij; cherubijnen komen en voeren graaf
+ROLAND'S ziel naar het paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige
+hertog van Lotharingen, door een overmacht na heldhaftige tegenweer
+neergeveld, die daar ligt tusschen de overige dooden, "als de eik
+tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier Heemskinderen,
+die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal gezeten is, wanneer de
+gezanten van koning KAREL, ROLAND en WILLEM VAN ORANJE onder hen,
+binnentreden. Overmoedig zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn
+scherp zwaard over zijne knieën gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden
+bliaut, het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op
+zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woord spreken. De
+afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor hem. Hij wil hen niet
+aanzien. Zij richten het woord tot hem. Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij,
+nu hij zijne vijanden daar voor zich ziet, maar hij kan geen woord
+uitbrengen: te vol is zijn gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft
+zwijgen. Dan komt zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden
+schaal vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren man
+dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft zij dat
+woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft haar zoo in het
+aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort.
+
+Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of ruw; ook
+voor het zachte, het teedere is er eenige plaats.
+
+In de grootsche _Chanson de Roland_ komt de teederheid soms te
+voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende onweerswolken.
+ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER is doodelijk gewond; met
+moeite houdt hij zich nog in den zadel, de nevel des doods houdt zijn
+blik reeds omtogen; zoo voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND
+die komt aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner
+laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den helm toe.
+ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij: gezel, doet gij dat
+met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief heeft.--Ik hoor u, zegt OLIVIER;
+ik hoor u spreken, maar ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u
+getroffen, vergeef mij.--Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND ik
+vergeef het u.
+
+Hoe treffend is het tooneel in den _Willen van Oranje_, waar de
+roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor zijn klooster
+uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te hebben gedood of verjaagd,
+ontdekt hij in een kar die de roovers medevoerden, zijne eigen jonge
+kinderen.
+
+Aandoenlijk is in den roman der _Heemskinderen_ de trouw van het
+reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het eindelijk op den
+eisch des Konings in de Oise verdronken zal worden, slaat het telkens de
+steenen stuk welke de dienaars aan zijne pooten hebben gebonden; zoolang
+het ros zijn meester ziet, heeft het kracht om dat vol te houden. Nu
+dwingt de Koning REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar
+Beyaert. Op nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt het
+boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester, "alsof 't een
+mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient bitterlijk geschreit
+hadde"[9]. Wanneer REINOUT dan niet naar den trouwen vriend omziet,
+zinkt het ros en verdrinkt.
+
+De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans niet op den
+voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch tooneeltje of een
+komische trek den ernst vervangen; de grappen waarmede de personages
+zich vermaken, zijn ruw of grimmig.
+
+Behalve de kleine roman van _Karel en Elegast_, die een afzonderlijke
+plaats verdient, is geen enkele dezer romans in zijn geheel tot ons
+gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts grooter of kleiner
+fragmenten[9]. Wij noemen den roman van _Flovent_ in de eerste plaats,
+omdat de _kern_ van dit gedicht herinneringen bevat aan de eerste
+Frankische dynastie: de Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als
+oudste zoon van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS.
+Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen schildknaap
+RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en vrienden, in oorlog met de
+Sarracenen (onder wie hier, gelijk zoo dikwijls, de heidensche Saksen
+schuilen). Een christelijke en een heidensche prinses betwisten elkander
+FLOVENT'S bezit. Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door
+zijn vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De heidenen
+worden verslagen en FLOVENT later koning van Frankrijk. Ons fragment van
+ruim 600 verzen wijkt sterk af van de eenige ons bewaarde Fransche
+redactie, die echter zelve weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere.
+
+Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats het
+_Roelants-lied_ te worden genoemd. Algemeen bekend is, dat wij hier het
+verhaal hebben van den slag bij Roncevaux, waarin de achterhoede van
+KAREL DE GROOTE'S leger, onder bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaeën
+door de vijandige Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde
+van een tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand, de
+Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche gedicht is
+waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke
+vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel een vijftal
+fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche bewerking berusten.
+Tracht men daaruit die verloren bewerking weer samen te stellen, dan
+komt men tot een fragment van ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen
+van het Fransch ten deele teruggevonden worden.
+
+Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus van gedichten
+welke zich groepeeren om den persoon van WILLEM VAN ORANJE, een der
+voorname edelen uit Zuid-Frankrijk, die de Mooren telkens terugsloegen
+wanneer zij pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaeën
+te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts één dezer werken, het
+zoogenaamde _Moniage Guillaume_ (WILLEM'S monniksschap) hier vertaald;
+van dat laatste deel van WILLEM'S geschiedenis is ons een klein fragment
+van ruim 400 verzen bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de
+wetenschap, dat zekere CLAES VAN HAERLEM, "VER BRECHTEN SONE", deze
+vertaling vervaardigde[10]. De ons bewaard gebleven fragmenten behelzen
+de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan boven sprake was en
+eenige van zijne latere lotgevallen.
+
+Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote vazallen
+geeft de roman van _Renaus de Montauban_ ons een voorbeeld[11]. Een der
+machtige vazallen des Konings, HAYMIJN van Dordogne, is met dezen in
+strijd. Zijne zonen REINOUT, ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten
+dezen strijd tegen den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien
+strijd moeten zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde
+koningen. Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan
+den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de toovenaar MALEGIJS
+spelen een gewichtige rol in dit gedicht. De roman draagt terecht den
+naam van den oudste der vier Heemskinderen--zooals zij later te onzent
+genoemd werden--daar REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans
+telkens weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht
+eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft het
+mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige wijze eenige der
+bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd. Welk Fransch
+origineel door hem is gevolgd, weten wij niet; wel dat het geen der ons
+overgebleven redactiën is geweest. Misschien ook is de Nederlandsche
+bewerking eene samensmelting van een paar oudere redactiën en heeft de
+bewerker, evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke
+Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste[12].
+
+De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen; misschien
+slechts een zevende der gansche bewerking[13].
+
+Naast den _Reinout van Montalbaen_ moet de _Geraert van Viane_ genoemd
+worden; ook deze roman immers bevat herinneringen aan den strijd van
+CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen, al zijn die herinneringen hier
+verbonden met heugenissen aan den strijd tegen de Sarracenen in
+Zuid-Frankrijk. Slechts een klein fragment van nog geen 200 verzen van
+dezen roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Fransche roman
+van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld van den Nederlandschen
+bewerker geweest, maar eene veel oudere bewerking.
+
+Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten vinden
+wij in de _Chanson des Lorrains_. Door die geheele grootsche epopee
+immers loopt als een roode draad: de bloedwraak; alles draait om de
+"veede" tusschen het geslacht der hertogen van Lotharingen en dat van
+FROMONT van Bordeaux. Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens
+wordt de vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit
+weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed tegen
+sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen op de jacht overvallen
+en vermoord is en daarna ook GARIJN zelf, het hoofd van het geslacht der
+Lorreinen, zetten hunne zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT
+doodt FROMOND van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de "veede"
+over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling bleven
+ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen meer dan 10.000 verzen,
+misschien slechts een tiende deel van het oorspronkelijk gedicht
+bevattend[14].
+
+Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten de _Aiol_ in.
+Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur van den jongen
+ridder, die alleen naar des Konings hof trekt om de zaak van zijn
+verongelijkten en verarmden vader te verdedigen. In de verroeste
+wapenrusting van zijn vader, op een armzalig paard, rijdt hij heen en
+wekt den spotlust van wie hem op zijn weg ontmoeten--maar hij wint zijne
+zaak. Deze roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide
+bewerkingen zijn onderling onafhankelijk[15]. De eene, in Limburg
+vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het ons
+bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten, ongeveer 600
+verzen bedragend, omvatten vs. 2538-10092 van het origineel. Eenige
+verzen der Middelnederlandsche bewerking (vs. 58-73) vindt men in het
+Fransen niet terug. De andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn
+overgebleven, wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde.
+Of wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene, ons
+onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter betwijfeld
+worden. De samensteller dezer bewerking volgt het Fransche verhaal wel
+in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken op eigen wijs. Hij heeft
+veel weggelaten (vs. 518-601 komen overeen met vs. 8354-9061: 83 verzen
+in het Nederlandsch voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801-1200
+dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat deze
+bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook met het oog op het
+feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk Nederlandschen naam
+vinden voor AIOL'S zwaard, nl.: _Scaerdeline_, terwijl in het Fransche
+gedicht geen zwaard van AIOL een naam draagt[16]. Dat namen uit het
+origineel als _Elie, Avisse_ zijn weergegeven door _Helline_ en
+_Anflisse_, doet denken dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts
+kende van "hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het tweede
+fragment dezer bewerking (_Baselie, Mersaelien ende Eggermort,
+Florette_, het wout van _Bonival, Godevert van Brusewijc_) in het
+Fransch in het geheel niet voor.
+
+Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman van _Auberi le
+Bourgoing_. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten en daden van een
+jong Bourgondisch ridder, die met zijn neef en wapenbroeder GASCELIN, in
+Beieren de Russen en in Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door
+een huwelijk met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van dat
+land wordt.
+
+Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten, die tot
+dusverre geacht worden ontleend te zijn aan den roman van _Doon de
+Mayence_ en aan de _Chanson des Saisnes_ (Saxons). Het eerstgenoemd
+fragment verhaalt ons van drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO
+(ROELANTS vader) die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere,
+welke door de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten
+drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal plaats
+hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar Vauclere doen de
+ridders een inval in het kamp der heidenen en een hevig gevecht vangt
+aan. In den Franschen roman van dezen naam, waarin de stad Vauclere en
+de Sarraceensche aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote
+rol spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer men in
+aanmerking neemt dat de roman van _Fierabras_ hier volgens MAERLANT'S
+mededeeling reeds vóór het eind der 13de eeuw vertaald was; dat in den
+_Geraert van Viane_ de strijd tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats
+heeft op een eiland in een rivier[17]; dat ELEGAST hier, evenals in den
+roman van _Karel en Elegast_, optreedt als toovenaar; dat de naam van
+ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair van
+CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden zijn, dan moet men
+waarschijnlijk achten, dat wij hier eene vrije bewerking van Fransche
+epische stoffen vóór ons hebben.
+
+Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naam _Gwidekijn van
+Sassen_, ook daarin blijft nog veel over dat opheldering behoeft[18].
+Met JEAN BODEL'S _Chanson des Saxons_ heeft ons fragment niets gemeen;
+dat het vertaald zou zijn naar eene vroegere bewerking dezer stof die
+bewaard is gebleven in de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik
+onwaarschijnlijk wegens de gewichtige afwijkingen. Ons fragment
+verplaatst ons in de volgende omstandigheden: Het Fransche leger,
+waarbij ROLAND en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend),
+OLIVIER, ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich bevinden,
+heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar de reus FLEDRIC,
+GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een nachtelijk gevecht heeft
+plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De dichter der Nederlandsche bewerking
+kende het _Roelants-lied_ blijkbaar; met den ridder in de zwarte
+wapenrusting die tooveren kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn[19]. Ook
+hier moeten wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van
+epische stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts door
+mondelinge overlevering bekend waren geworden.
+
+Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen tijd
+vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien door eene
+Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij, spreekt van _Fierabras_.
+Waarschijnlijk heeft hij den naam van dezen heidenschen reus, die in
+Spanje, na een gevecht met OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt,
+leeren kennen uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook
+Nederlandsche bewerkingen der romans van _Foulque de Candie_ en van
+_Karel en Galie_, welke laatste ons in eene Nederduitsche omwerking in
+den _Karlmeinet_ is bekend gebleven.
+
+Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans en van de reeds
+behandelde: _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_, _Reinout van
+Montalbaen_, zal men wel mogen aannemen, dat zij uit de eerste helft der
+13de eeuw, ten deele misschien (het _Roelants-lied_ b.v.) nog uit het
+laatst der 12de eeuw dagteekenen. Ook van den _Flovent_, _Geraert van
+Viane_, de _Lorreinen_, den _Aiol_ (ten minste de Limburgsche redactie)
+en den _Aubri de Borgengoen_, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de
+eerste helft der 13de eeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking van
+den _Aiol_, de _Doon de Mayence_, de _Gwidekijn van Sassen_ tot
+dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der 13de eeuw
+moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meer en beter gegevens hebben,
+zal dat bezwaarlijk zijn uit te maken[20].
+
+Dat in vele dezer romans echte poëzie of tenminste poëtische stof wordt
+gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die poëzie echter was
+voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke werken; er is hier
+gewag gemaakt van die poëzie alleen om den smaak onzer voorouders in
+dezen te kenschetsen. De Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben
+slechts eenig aandeel in deze poëzie, voorzoover zij die hebben
+nagevoeld. De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche
+werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als bewerking of
+navolging?[21]
+
+Over het algemeen kan men zeggen, dat--met uitzondering van het
+_Roelants-lied_--bij de bewerkers wel gevoel voor het ridderwezen
+bestond. In de _Lorreinen_ die vrij letterlijk vertaald schijnen, worden
+de lange gevechten niet weggelaten of bekort, ook in de _Geraert van
+Viane_ zijn verzen als:
+
+ Wi sullen hem marghiin laten weten,
+ Of onse swerde connen sniden,
+
+tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke
+voorkomen. In den _Aubri_ is sympathie voor het ridderwezen; de bewerker
+heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros Blanchaert dat zijn
+meester terugvindt.
+
+ Ende het begonde neyen [Zijnoot: hinneken.] zeere
+ Ende scrabbelde metten voete.
+
+Ook in den _Renout_ kan men nog vrij wat van de ruwe grootschheid van
+het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking beneden haar origineel.
+
+Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt die van het
+_Roelants-lied_. Niet zoozeer, doordat de bewerker slechts gebrekkig
+Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel lager gestaan hebben dan de
+meeste overigen. Maar doordat hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt
+ridderlijk epos, zoo sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in
+zijn grootschen eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel,
+hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is soldaat in
+zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht; hij kent de
+wapenrustingen door en door: de blinkende, met goud doorwerkte
+halsbergen, de met goud en gesteenten versierde puntige helmen, de
+lansen met hunne kleine vaantjes, de zwaarden van gebruineerd staal, de
+gouden sporen. Hij volgt elken slag met het oog van een kenner en weet
+op een prik of de den neus beschermende strook metaal (_le nasel_) al
+dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan wel het
+lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het zadel wordt
+tegengehouden, of nog verder dringt en ook het paard een diepe wonde
+toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne ruwe eenvoudige wijze, maar hij
+weet dapperheid toch ook in een Sarraceen te waardeeren; hij is een
+getrouw vazal: voor zijnen Koning en voor "douce France" heeft hij alles
+over. De woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens
+worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend: "halt sunt
+li pui e tenebrus li val" [Zijnoot: Hoog zijn de bergen en duister de
+dalen.], verhoogt nog den indruk van het geheel.
+
+Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of niets
+gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het ridderwezen of die
+uitingen zijn van den feodalen geest, laat hij weg. Voor ridderlijke
+mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid. Waar hij een epitheton
+toevoegt, geschiedt het om de Christenen dapperder en vromer, de
+heidenen lafhartiger en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer
+OLIVIER zijn aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk
+tusschen dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in het
+Fransch:
+
+ Vus ne gerrez [Zijnoot: zult liggen.] jamais entre sa brace
+
+in het Nederlandsch:
+
+ Nemmermeer en wert si u wijf.
+
+Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke in dit fatsoen
+ondergegaan.
+
+Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg ging, daar
+krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje op den geest van
+zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de Vlaamsche bewerking van den
+_Aiol_, waar de beschrijvingen vooral van gevechten aanzienlijk bekort
+of geheel weggelaten zijn, de episode van den visscher TIERIJN
+daarentegen met blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met
+dat krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze:
+
+ Ware Macharijs mijn oem hier,
+ Hi soud u, Ayoel, _selc een bier
+ Met vullen nappe scinken_,
+ Ghi souds langhe mogen dinken[22].
+
+Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654-700) vinden wij in
+het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel des bewerkers een vers
+als het derde van dit drietal:
+
+ De hermite starf cortelike,
+ Want hi voer te Gods rike:
+ _Daer moeten wi alle comen_!
+
+De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de "maechscap" die haar verhindert
+AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig teeken des tijds[23].
+
+De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over het algemeen
+gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd; telkens komen verzen met drie
+heffingen al te lange verzen afwisselen. De rijmen zijn achteloos
+behandeld; het aantal assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen
+is vrij groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene
+eigenaardigheid des bewerkers van _Reinout van Montalbaen_ is, dat hij
+in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woord _man_ moet _sente
+Jan_ te hulp komen; bij _trouwe_: _onse Vrouwe_; bij _huus_: _Jesus_
+enz.[24]. Niet alleen het _Roelants-lied_, maar ook de _Lorreinen_, de
+_Reinout van Montalbaen_ wemelen van stoplappen; met _Flovent_, _Aubri
+den Borgengoen_, _Willen van Oringen_ schijnt het in dezen beter
+gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort afgebroken perioden, wijst er
+ons op dat wij hier waarschijnlijk met volksdichters, niet met geleerde
+dichters (_clercken_) te doen hebben.
+
+Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij in _Doon de
+Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_ en de Vlaamsche redactie van _Aiol_ eer
+vrije bewerkingen van, uit Frankrijk afkomstige, epische stoffen te zien
+hebben dan vertalingen. Met meer recht mag men dit aannemen van _Karel
+ende Elegast_. Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden,
+dat wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof
+hebben[25]. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene samenzwering,
+tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen een door God gezonden engel
+hem waarschuwde. Die engel gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen.
+Op zijn nachtelijken tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden,
+die hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden ontmaskerd
+en gestraft. In de Latijnsche kroniek van ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt
+de kern van dit verhaal vermeld en ook gewag gemaakt van eene
+_cantilena_ (lied) waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige
+Oudfransche gedichten, vooral den _Renaus de Montauban_ en een werk van
+lateren tijd, _le Restor du Paon_, wordt over dit verhaal gesproken. Dat
+er behalve het lied over deze stof nog een episch gedicht van eenigen
+omvang zou hebben bestaan, is niet bewezen. In allen gevalle is zulk een
+episch gedicht niet bekend en kan men dus geen origineel van het
+Nederlandsch gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat zulk een
+Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog? Moet dat dan
+noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons verhaal? Kan de
+Nederlandsche dichter niet evengoed kennis hebben gekregen van zijne
+stof langs den weg der mondelinge overlevering? In tegenstelling met de
+meeste Middelnederlandsche gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn
+naar een uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt van
+een bron, nergens eene uitdrukking als "die boec seit" of iets
+dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons gedicht vindt, deze
+verzen uit den aanhef:
+
+ Wat den coninc daer ghevel,
+ _Dat weten noch die menighe wel_
+
+wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de
+richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende reden om
+reeds op grond van de bovenvermelde feiten de oorspronkelijkheid van ons
+gedicht onwaarschijnlijk te achten of te ontkennen[26]. Doch er is meer:
+de namen ELEGAST, EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen,
+waarvan de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel van ons
+verhaal--anders dan in de Fransche vermeldingen--de landstreek rondom
+KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats Ingelheim. Bovendien schuilt
+in ELEGAST een wezen uit de Germaansche mythologie en is hij blijkbaar
+verwant met ALVEGAST (heer der elven), denzelfde die in Frankrijk
+AUBERON genoemd werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken,
+het vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en honden bassen; de
+kennis van een tooverspreuk (hier _bede_ genoemd) waardoor hij de
+bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn dan ook trekken die men
+in Germaansche sprookjes terugvindt[27].
+
+Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel en taal, een
+geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog op bovenstaande
+uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te denken; moet men al denken
+aan navolging, dan zeker aan eene die van oorspronkelijkheid niet ver
+afstaat.
+
+Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof in God en
+vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in uitdrukkingen als "een
+heilich enghel", "d'enghel die van Gode quam", "d'enghel van den
+paradise"; in Gods vaderlijke zorg voor den koning die het gezinde van
+Ingelheim in vasten slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den
+nachtelijken tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen
+riddereer en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: "varen
+stelen of God verwerken [Zijnoot: van zich afkeerig maken.]!" Hoe goed
+kent de dichter het ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide
+gevechten mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de "witte"
+halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en den
+wachter die "den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd. Opmerkelijk is
+hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE, "d'edel man" zooals hij telkens
+wordt genoemd; treffend de onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST,
+door hem op valsche aantijgingen verjaagd.
+
+Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter voor hem de
+sympathie die de "vogelvrije" te allen tijde gevonden heeft; ook
+beantwoordt hij aan het ideale type van den vogelvrijen roover: alleen
+den rijken ontneemt hij het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken
+vooral zijn hem een welkome prooi. Hij leeft van _roof_, maar dat
+verlaagde hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek[28]. Dat
+publiek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid, kracht en
+edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen spot met KARELS
+talenten als dief en inbreker.
+
+En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen, met
+slechts een enkele reflexie over "vrouwenlist", zelden ontsierd door
+stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang op eenvoudige maar
+doeltreffende wijze voorbereid door des konings overpeinzing over
+"ridders die op aventure" leven[29]; dan zien wij den nachtelijken rit
+bij maanlicht door het bosch, de ontmoeting met den dreigenden zwarten
+ridder, het tweegevecht, de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in
+EGGHERIC'S kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons te
+boeien en met zich te voeren--zooals hij het ook ongetwijfeld meer dan
+zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan.
+
+
+KELTISCHE, KLASSIEKE EN OOSTERSCHE ROMANS.
+
+Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen aard dan wat
+hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht der Frankische romans.
+Met de personages uit die romans voelden zij zich verwant; het leven
+daar afgebeeld was min of meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar
+op grooter schaal en in het licht der poëzie. De Keltische en daarop
+gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels vreemd
+was, maar die hen bekoorde, deels door al dat vreemde en
+wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed vonden wat zij
+begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde, hoofsche beschaving,
+fijnheid van vormen en omgangstaal.
+
+Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van het hoofsche
+ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de volmaakte ridder;
+koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en edele schoonheid. Rondom hen
+eene glanzende schaar van ridders, getrouwe vazallen, bereid hun leven
+voor hun koning te wagen, dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en
+jonkvrouwen, bekoorlijk, dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en
+op de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde men dan een
+levendig spel van woord en weerwoord; van dartele behaagzucht en schalke
+veinzerij tegen vurige liefde en ootmoedige toewijding.
+
+Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die bleek worden
+van aandoening, die om genade smeeken, en jonkvrouwen die zich houden
+alsof zij niets gehoord hebben, die haar minnaar wijs maken, dat hij
+geslapen heeft. Welk Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken
+gehoord als dit van POLLIDAMAS en HELENE in den _Roman van Troye_:
+HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.--Word toch wakker,
+POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van nacht kunt gij slapen zooveel
+gij wilt.--Vrouwe, zegt hij, wie zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te
+zitten slapen?--Zoo onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers
+in uw slaap tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou het
+u slecht bekomen.--Sliep ik dan?--Ja zeker.--Als gij het zegt, moet het
+waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap iets miszegd?--Ja gij, maar
+onwetend; daarom zal ik het niet in ernst opnemen.--Mag ik zoo vrij zijn
+u te vragen, wat ik miszegd heb?--Ja gij: eerst zegt gij tot mij:
+"genade!"; toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u,
+wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief! Toen ik
+die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij droomde en maakte u
+wakker.--Ach, vrouwe, men heeft wel eens meer gezegd: waar het hart vol
+van is, daar loopt de mond van over.--
+
+Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij niet,
+want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtende jonkers gold:
+"vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur van den hartstocht
+blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo menige geschaakte jonkvrouw die
+hij op zijn weg ontmoet, die hij verlost uit de macht van een of anderen
+rooden ridder of afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne
+eenzaamheid wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi
+te zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van FLORIS
+voor BLANCEFLOER, van PARTONOPEÜS voor MELIOR; de liefde voor GALIENE
+doet wonderen aan den boerenzoon FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt
+ridder.
+
+Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden, is reeds uit het
+voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt het, indien men er op let,
+hoe de aandacht die vroeger alleen of voornamelijk den man geschonken
+werd, nu in beslag wordt genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS
+denkt, kan BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPEÜS herinnert ons MELIOR,
+TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt door de verleidelijke
+VIVIANE in het bosch van Broceliande verstrikt. En wie kan LANCELOT de
+bloem der ridderschap noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne
+misdadige liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE?
+
+Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans der poëzie;
+nergens misschien liefelijker dan in den roman van _Lancelot_, waar ons
+verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen lag in de woning der fee
+MORGUEYNE.--Uit zijne gevangenis, door de ijzeren staven voor het
+venster, ziet hij in den bloeienden tuin. Twee winters en een zomer zit
+hij nu reeds daar. Om de verveling te verdrijven, heeft hij zijne
+wapenfeiten op de muren geteekend. In die wemeling van figuren
+verschijnt meermalen ééne vrouw--de koningin. Dikwijls gaat hij op haar
+beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan weent en klaagt hij.
+De Mei is gekomen; April heeft oorlof genomen. Weer ziet hij de boomen
+bloeien, de frissche rozen opluiken, de roode rozen... hij ziet haar
+rooden mond. Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg
+opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen; ééne is
+er, pas ontloken--zóó was zij, toen hij haar zag ten tournooi te
+Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt hij zijn hand uit het
+venster, maar de ijzeren traliën houden hem tegen. "Zouden traliën mij
+tegenhouden?--Neen!"--met beide handen grijpt hij de twee staven aan;
+één ruk... zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht.
+Nu verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar en
+legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent zich, kiest een
+goed ros, zit op en rijdt heen.
+
+Waarheen? Op een der vele tochten ("questen") die deze dolende ridders
+ondernemen om iemand of iets te zoeken: een gevangen wapenbroeder, een
+wonderbaarlijk zwaard of schaakbord, een sluier of ander ridderteeken.
+Waar komen zij, wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar
+kluizenaars wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar
+tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op rust; zij
+geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen naar
+ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen en toovenaars.
+
+Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier fijner vormen
+aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst van vroeger, maar eer een
+tournooi met scherpe wapenen. Grootsche afmetingen neemt de strijd aan
+in het laatste deel van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den
+strijd der Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon
+MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van Salesbiere komt
+het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger reeds gesneuveld;
+LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN, de ridder met den leeuw,
+ligt met gekloofden schedel neer; van die gansche roemruchte Tafelronde
+staan nog slechts een paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De
+Koning doodt MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde.
+Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders, GRIFLET, zet
+hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt zijne krachten
+bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S goed zwaard Excalibur in
+een poel; een gewapende hand en arm komt te voorschijn en vangt het
+zwaard op. GRIFLET verwijdert zich op 's Konings bevel. Van een
+heuveltop ziet hij uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn
+gezeten; ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard en
+wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe dienaar verliest
+hem weldra uit het oog.
+
+Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch omstraald met
+hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo menig dapper ridder der
+Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht; niet weggelegd voor LANCELOT noch
+WALEWEIN, die besmet zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de
+reine GALAÄD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den Graal
+zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche godsdiensten
+geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen heeft. Een
+tooverketel die drommen van ridders kon spijzigen, kwam reeds in de
+Keltische mythologie voor; het Christendom verving dien ketel door een
+schotel, later een beker (_gradale, graäl_ is een Romaansch woord voor
+_schotel_), waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal.
+De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de Keltische
+mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van LONGINUS. Ook de
+Graalburcht met den koninklijken visscher (le Roi Peschéor) wordt in
+Keltische verhalen teruggevonden. Geheimzinnig en wonderbaar is de graal
+reeds in CRESTIEN DE TROYE'S _Conte del Graal_ (omstreeks 1175).
+PERCEVAL, in den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page
+binnentreden die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot
+de hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters; dan
+een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare steenen sieren hem. Zóó
+verblindend een glans straalt van dien schotel af, dat het licht aller
+kaarsen in de zaal verdoofd wordt. Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk
+door MAERLANT vertaald werd, is de Graal de Avondmaalsbeker[30]. En zoo
+blijft hij het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met
+het brood des levens.
+
+Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk tot ons
+gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen van _Lancelot,_,
+_Percevael_, _Walewein_; de romans _van Ferguut_, _van Torec_, _van den
+Graal_ en _van Merlijn_; de roman _van Alexander_ en die _van Troje_;
+eindelijk de verhalen _van Floris en Blancefloer_ en _van Partonopeus en
+Melior_.
+
+Over de romans _van Merlijn_, _van den Graal_ en _van Torec_, evenals de
+roman _van Alexander_, bewerkt door MAERLANT, spreken wij later.
+
+Onder den naam: _roman van Lancelot_, is tot ons gekomen een groot werk
+dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene zelfstandige
+werken door LODEWIJK VAN VELTHEM was erkend, en welks deelen men
+langzamerhand beter leert kennen[31]. Wij vinden hier 1o een groot werk
+waarvan LANCELOT de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is
+gekomen, 2o de _Graalqueste_ en 3o _Artur's dood_. Voorts hebben wij,
+blijkens deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN DE
+TROIE'S _Percevael_, van de _Wrake van Ragisel_, een _Walewein-boek_,
+een roman _van den Ridder metter mouwen_ en de vertaling van een paar
+Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen[32].
+
+De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door dit viertal
+verzen uit den proloog van den _Lancelot_ (II, 11-14):
+
+ Ghi sult hier horen scone die jeesten [Zijnoot: verhalen.]
+ Bede van rouwen ende van feesten,
+ Van ridderscape groote daet,
+ Van selsieneheden [Zijnoot: vreemde dingen.] menich baraet [Zijnoot:
+ bedrieglijk spel.].
+
+In den _Lancelot_ vinden wij vele "wandele" of "dolende" ridders.
+Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier inneemt. Wij treffen
+hier o.a. reeds "'t wiel van avonturen" aan. Ook vrouw VENUS, die "den
+boom der minnen" in het harte der menschen plant; deze boom heeft
+twintig telgen: de eerste telg draagt "melthede", de tweede
+"oetmoedechede", de derde "sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde
+deel, dat de vertaling bevat van de _Queste van den Grale_, vinden wij
+veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de "hertheid van ertrike"
+voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren; zeven ridders
+zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de wereld; de oude en de
+nieuwe wet worden voorgesteld door eene vrouw op een serpent en eene op
+een leeuw gezeten[33].
+
+De roman _van Ferguut_ heeft naar den inhoud iets eigens. FERGUUT immers
+is de zoon van een rijken dorper, wiens vrouw echter met den adel is
+vermaagschapt. Terwijl hij achter den ploeg loopt, komen eenige gezellen
+der Ronde Tafel, die op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te
+worden als zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting
+trekt hij naar ARTUR'S hof--evenals AIOL naar het hof te Parijs. ARTUR
+geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op avontuur, ziet de schoone
+GALIENE en wordt onder den invloed van de liefde tot haar langzamerhand
+een volmaakt ridder. Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door
+den invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieuwen adel
+uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van de gemoedsontwikkeling
+der moderne volken onder den invloed der liefde.
+
+Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige: ridder KEYE,
+ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk personage, bespot
+den boerenzoon; FERGUUT overwint ridders, bevecht eene reuzin, neemt
+deel aan het beleg van eene stad enz.
+
+Iets eigens hebben ook de romans van _Floris en Blancefloer_ en van
+_Partonopeüs en Melior_. In beide staat de liefde op den voorgrond, de
+avonturen--hoe talrijk en wonderbaarlijk ook--op den achtergrond. Maar
+in den eersten roman zien wij die liefde in een paar kinderen die samen
+opgroeien: een heidensch prinsje en een christelijke gravendochter. Door
+de ouders van FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde,
+met naïeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS wordt
+Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de grootouders van
+KAREL DEN GROOTE.
+
+In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene dergelijke stof
+als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren jong edelman, PARTONOPEÜS
+VAN BLOIS, op jacht verdwaald, wordt door een tooverschip naar een
+geheimzinnig prachtig kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend,
+gaat hij na den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich
+naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar gelaat te
+zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt zijne gelofte en
+daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding van een paar jaren, waarin
+PARTONOPEÜS half waanzinnig rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De
+geheimzinnige minnares blijkt de dochter van den Keizer van
+Constantinopel te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPEÜS Keizer
+van Constantinopel wordt, spreekt vanzelf.
+
+Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide romans een
+historischen achtergrond: de nauwe aanraking tusschen Europa en het
+Oosten in den tijd der Kruistochten, aanraking ook tusschen Christendom
+en Heidendom; zegepraal van het eerste over het laatste, blijkbaar
+zoowel in de kerstening van FLORIS als in de kroning van PARTONOPEÜS.
+Elkanders tegenbeeld zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze
+waarop de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld
+zijn.
+
+Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere werken van deze
+soort te onzent bekend geweest. MAERLANT maakt nog melding van: _Tristan
+en Isoude, Octaviaan, Madocs droom, Amadas en Ydoine_[34]. Al zijn ons
+geene Nederlandsche bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er
+bestaat toch voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke
+werken, hierbij te voegen. Want--wij stipten het reeds aan--men mag ter
+wille van een beter overzicht wel spreken van Keltische of
+Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche romans; doch in waarheid zijn
+al deze werken voortbrengsels van denzelfden geest. Ten deele zal dat
+reeds uit het voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw,
+indien men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen.
+Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans? Niets dan de
+namen van plaatsen en personen; voor het overige gelijken zij volkomen
+op de andere romans. Grieken en Trojanen, mannen zoowel als vrouwen,
+gevoelen, denken en spreken als middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed
+en gewapend als zij. Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans
+ligt voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen verschil
+tusschen PARTONOPEÜS en PARIS, tusschen BLANCEFLOER en een of andere
+Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze en GALIENE of dergelijke
+heldinnen uit een Keltischen roman.
+
+De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet lang na het
+midden der 13de eeuw gedicht (tusschen 1257 en 1264), de overige worden
+door hem in onderscheidene zijner werken genoemd en zullen dus wel
+tenminste zoo oud zijn als die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten
+deele, nog wel tot de eerste helft der 13de eeuw behooren.
+
+Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig houden, deze:
+welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen dezer oorspronkelijk
+Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers dier bewerkingen hunne taak
+opgevat en uitgevoerd?
+
+De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat na te gaan;
+zoolang wij de onderscheiden werken, welke door VELTHEM zijn vereenigd,
+niet in hun oorspronkelijken vorm bezitten, kunnen wij bezwaarlijk
+uitmaken, wat van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker, wat van
+den compilator is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den
+eigenlijken Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd[35].
+Dat het godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan in
+den Franschen roman, moet misschien op rekening van VELTHEM worden
+gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking moet toeschrijven van een
+bloedenden ridder bij een rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te
+maken[36]. Ook het duizendtal verzen dat wij van den roman _van
+Percevael_ in zijn oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van
+nauwe aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts
+hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd te
+hebben[37].
+
+Op vaster grond staan wij bij de bewerking van den _Ferguut_. Het is
+mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking te danken
+hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn werk bij vs. 2593 zou
+hebben begonnen. Doch in allen gevalle bestaat er geen reden, om het
+eerste deel der bewerking tegenover het tweede te stellen als het werk
+van een "hoofsch" tegenover dat van een "dorper" dichter; beide deelen
+der Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest die zeker
+eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden[38]. De dichter van den
+Franschen roman _Fergus_ was blijkbaar een bewonderaar van CRESTIENS DE
+TROIES. De Nederlandsche bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het
+Fransche oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier
+niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE, een naam
+dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen uit CRESTIENS'
+_Ivain_, waar de kamenier van IVAIN'S minnares denzelfden naam
+draagt[39].
+
+De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige poëzie en de
+Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat weten te behouden. Zoo
+zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van GALIENE goed door hem
+weergegeven. Op een enkele plaats heeft hij de levendigheid van het
+oorspronkelijke verhoogd door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede
+is dan ook gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden.
+Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten of
+ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling van _vilain_
+door _vrient_; de zedigheid van den bewerker toont zich, waar uit de
+opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden de "mamelettes comme pumetes
+[Zijnoot: appeltjes.]" zijn verdwenen[40]. Had hij maar niets
+gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de beschrijving der jacht
+in het oorspronkelijke bij die in het Nederlandsche verhaal. Duidelijk
+blijkt dan dat de bewerker, anders dan de dichter, die hertenjacht in
+het bosch niet heeft _gezien_; niet gezien "hoe de Koning gaat staan in
+de stijgbeugels om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe "de
+bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt "het hijgen en
+woelen" van het uitgeput hert en hoe het, verdronken in de rivier, komt
+bovendrijven met "den gezwollen buik, stijfstaand van het ingezwolgen
+water"[41]. Tal van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker
+ingevoegd; zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor
+Koning ARTUR en zijne ridders: "Hi stont ende sweette als een das";
+iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand iets "aen sijn
+cleet wriven" of iemand "sijn vel verwarmen". FERGUUT blijft te lang weg
+van zijne minnares; "een vrouwenhart is niet van staal", waarschuwt de
+Nederlandsche dichter, en: "zijne rapen zouden wel eens kunnen
+aanbranden"[42].
+
+In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker de
+grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het doet voorkomen dat
+GENOVERE niets was in vergelijking van GALIENE en waar hij Koning ARTUR
+tot GALIENE doet zeggen: "ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw".
+
+Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker afkomstig is: eene
+uitweiding over het karakter der liefde en een licht komisch glimpje
+hier en daar o.a. in een spottend verkleinwoord[43]. Doch noodig is dat
+niet om op grond dezer bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze
+bewerker een zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat,
+doch wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en aan
+de gewenschte fijnheid van gevoel.
+
+Meer talent dan uit de bewerking van den _Ferguut_ blijkt ons uit die
+van den _Partonopeüs_, waarvan groote fragmenten (meer dan 8000 verzen)
+tot ons zijn gekomen[44]. Dat deze bewerker onvoldoende kennis toont van
+ridderlijke kleeding en riddergebruik, raakt de aesthetische waarde
+zijner bewerking niet van nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch
+element heeft verzwakt, daar het parallellisme van eenige mooie verzen
+heeft voorbijgezien of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijken
+hartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming
+daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt en o.a. de
+vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft weggelaten. Doch van
+meer gewicht dan dat alles is, dat hij op verscheidene plaatsen zijner
+bewerking toont dichter te zijn. Hij moge onbekend zijn met de namen van
+sommige kleedingstukken, met sommige gebruiken bij het geven van den
+ridderslag en het houden van een tournooi--aan _gevoel_ voor deze dingen
+ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van den _Ferguut_ heeft
+hij de jacht van PARTONOPEÜS op een wild zwijn blijkbaar wel voor oogen;
+hij voegt er zelfs een paar aardige trekjes aan toe: hij ziet den
+jachthond aan de "leise" (zeel), ziet hoe de honden met de oogen den
+ever volgen. In een troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij
+blijkbaar behagen:
+
+ scone gewapent quamen si echt [Zijnoot: achteraan.],
+ scilt ane hals ende spere gerecht,
+ helm op 't hovet, baniere gebonden,
+ ende neder totter hant ontwonden.
+
+Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat
+menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij:
+
+ Dus souden wi die roede houwen
+ daer men ons soude mede blouwen [Zijnoot: slaan.],
+
+Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn niet zelden
+door even fraaie Nederlandsche weergegeven[45].
+
+Hooger dan de _Partonopeüs_, het hoogst misschien van al deze
+bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'S _Floris ende Blancefloer_.
+Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en schoon Fransch
+gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk en mooi Nederlandsch berijmd
+verhaal, moet toegeschreven worden vooral aan zijne idealistische
+opvatting der liefde. Het zaad der edele minne, afkomstig uit verhalen
+als _Tristram en Isoude_, _Paris en Helena_ en andere werken der
+hoofsche minne-epiek, was bij hem in goede aarde gevallen: geen
+dorperlijk gemoed--hij besefte het--kon de edele minne op den rechten
+prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor clercken,
+leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring hebben leeren
+kennen[46]. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet; zij viel hem zuur,
+zooals hij ons zelf zegt; met passen en meten verdietschte hij het
+"walsch":
+
+ men moet corten ende lingen
+ die tale, salmen se te rime bringen.
+
+en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne
+worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan[47]. Doch
+daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de vergelijking met
+zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die deelen van het werk welke
+door hem zijn uitgebreid of waarin hij meer zelfstandig te werk gaat,
+beter zijn dan de overige; dat over het algemeen de naïeve bevalligheid
+van het oorspronkelijk gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke
+wijze in zijn dietsch weergegeven.
+
+Vermoedelijk eenigen tijd vóór DIEDERIC VAN ASSENEDE (c. 1220) heeft een
+Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK), hetzelfde Fransche gedicht in
+zijne moedertaal bewerkt. In sommige opzichten, vooral in
+gemoedsontwikkeling, staat FLEKE boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze
+de oorspronkelijke stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000
+Fransche verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne
+wijdloopige reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd[48].
+
+Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen van de
+kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich openbaart in het
+bouwen van verzen en het vinden van rijmen, dan wordt ons dat moeilijk
+gemaakt door den toestand waarin o.a. de romans der Lancelot-compilatie
+tot ons zijn gekomen. Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn
+wij geneigd aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen
+ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de stoplappen
+minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men o.a. in de romans
+_van Ferguut_ en _van Partonopeüs_. Daar, evenals in den _Walewein_ en
+den _Moriaen_, treft men vrij wat voorbeelden aan van het zoogenaamd
+_rime riche_ (gelijke klank bij verschil van beteekenis of van functie),
+zoowel waar het geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het
+eigenaardig soort van rijm, dat wij in den _Renout van Montalbaen_
+aantroffen, waar steeds een of andere heilige in den rijmnood moet
+voorzien, vinden wij in den _Ferguut_ terug[49].
+
+Zooals onder de Frankische romans o.a. de _Aiol_ den overgang vormt van
+de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig werk als _Karel en
+Elegast_, zoo staat hier de bewerking van _Floris en Blancefloer_
+tusschen de vertaalde romans en een paar werken die mij voorkomen
+zelfstandig te zijn: _Moriaen_ en _Walewein_.
+
+Ook de roman _van Moriaen_ is ons bewaard gebleven in de
+Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S handen
+te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken vorm tot ons te
+zijn gekomen[50]. Zelfstandig en eenigermate oorspronkelijk mag deze
+roman heeten, aangezien er geen origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon,
+een Moor, die voorgesteld wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt
+oorspronkelijk[51]. Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De
+zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige, uit
+andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft vereenigd tot
+een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is ten opzichte van taal en
+versbouw, doch overigens niets eigens noch veel kunstvaardigheid toont.
+Een overwonnen ridder die door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt
+gezonden, tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de
+handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen
+tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg van een
+sterk kasteel--dat alles behoort tot het vaste materiaal waaruit deze
+romans werden samengesteld.
+
+Bovendien heeft de dichter gedurig den roman _van Karel en Elegast_ voor
+oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men zelfs woordelijke
+navolging opmerken[52].
+
+Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere romans had
+leeren kennen, schijnt ook de roman _van Walewein_, waarvan door den
+dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen werden gedicht en die met 3300
+verzen door PIETER VOSTAERT werd voltooid[53]. Hier wordt ons verteld
+van onderscheidene "questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig
+schaakbord, in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet
+WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt te behooren
+aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het kleinood afstaan, indien hij
+daarvoor het wonderzwaard met de twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN
+bezit. Een nieuwe zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard
+slechts geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S
+dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot van
+JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een vos herschapen,
+wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht. WALEWEIN wint IJSABELE, ook
+haar hart, en trekt terug naar koning AMORAEN. Deze redt hem uit de
+moeilijkheid eener keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te
+overlijden. Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het
+schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar koning
+ARTUR die zijn schaakbord ontvangt.
+
+Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van andere minder
+belangrijke, zooals ze in deze romans plegen voor te komen.
+
+Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste wonden
+geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in den lusthof van YSABELE
+en een gloeiende rivier rondom den burcht van koning ASSENTYN, om van
+den betooverden prins te zwijgen[54]. Zulke zaken vindt men eveneens in
+andere romans van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien
+aard. Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenis
+_van Peredur (Perceval)_; daar ook de vermelding van het "Castle of
+Wonders" of "van den wondere dat casteel" zooals het in den roman _van
+Lancelot_ genoemd wordt. Ook de bron der jeugd, waarvan hier verhaald
+wordt; de smalle brug, scherp als een scheermes; de onderscheidene
+tafels, waaraan verschillende leden eener hofhouding middagmalen, zijn
+ons van elders bekend[55].
+
+Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters vereenigd tot een
+geheel; want eenheid is er, al is zij niet van hooger orde dan die in
+het bekende sprookje:
+
+ Toen ging hij naar de Galg:
+ "Galg, wil jij Man hangen?
+ "Man wil niet Os dollen,
+ "Os wil niet water slobberen
+ ...
+ ...
+ Ja, zei Galg.
+ En Galg hing Man,
+ En Man dolde Os
+ En Os slobberde water
+ enz.
+
+Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van deze soort, valt
+moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN HEELU kennen blijkbaar wel
+verhalen over _Walewein_; of zij echter het oog hebben juist op dezen
+roman[56]? Met het oog op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij
+sterk is, op het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die
+over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt, zou ik geneigd
+zijn dezen roman in allen gevalle tot de 13de eeuw, en eer tot de eerste
+helft daarvan dan tot de tweede te brengen. Ook de taal en het vrij
+groot aantal assoneerende rijmen schijnen ons daartoe recht te
+geven[57].
+
+De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar macht en haar
+praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de gemoederen van velen
+hier te lande aangetrokken, beheerscht of bekoord. De poëzie, uit dat
+ridderwezen en ridderleven geboren, heeft vooral den adel, maar
+waarschijnlijk ook de aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan
+de indruk, door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk
+gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest.
+
+Het feit alleen dat de ridderpoëzie zich te onzent ontwikkelde onder den
+invloed der Fransche ridderpoëzie, kan niet volstaan om die bewering te
+staven. Immers, ook in de overige landen van West-Europa was dat het
+geval. Doch--en dat feit weegt zwaarder--de volksziel nam hier te lande
+het ridderwezen niet zóó gretig in zich op, werd daardoor niet zoo
+krachtig bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale
+ridderpoëzie werd geboren; eene _eigen_ ridderpoëzie, gelijk de
+Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON STRASSBURG,
+HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH en het nationaal-ridderlijk
+epos van _Nibelungen_ en _Gudrun_.
+
+Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de door hen vertaalde
+of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar zien wij naast gevoel voor
+het ridderwezen in zijne onderscheidene uitingen, ook vroomheid en
+zedigheid die slechts matige sympathie koesteren voor de ridderidealen:
+die den hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende
+opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis aan
+verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische roman, dien wij
+voor een oorspronkelijk werk mogen houden, hooger staat dan de twee
+zelfstandig bewerkte Keltische romans. _Karel en Elegast_ staat niet
+veel lager dan de beste "Chansons-de-geste" uit den nationalen cyclus;
+_Moriaen_ en _Walewein_ veel lager dan de beste Fransche romans van den
+uitheemschen cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich
+afspiegelt in de Frankische romans, heeft--zou men zeggen--sterker
+indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer sympathie gevonden,
+kon dus ook beter door hen vertolkt worden, dan dat der volgende
+periode, toen liefde, maar vooral zinnelijke liefde, hoofsche
+bevalligheid en fijne vormen overheerschend waren.
+
+Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling van ons volk
+ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen geboren poëzie
+heeft de ridderlijke idealen onder deze volken helpen verbreiden. Die
+idealen en die poëzie hebben er deels ingang gevonden, deels hebben zij
+afkeer gewekt en verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder
+geestelijkheid en gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al
+niet tegen den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene
+andere richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting
+vragen nu onze aandacht.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE DE
+SAINTE PALAYE, _Mémoire sur l'ancienne Chevalerie_; L. GAUTIER, _La
+Chevalerie_; A. SCHULZ, _Das höfische Leben zur Zeit der Minnesinger_;
+MOLL, a.w. II, 4, 235.
+
+De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland--aanlokkelijke maar
+zware taak--moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL gaf een vlijtig
+bewerkte studie: _Het kasteel in de XIIIe eeuw_, later omgewerkt tot:
+_Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans_. Maar het blijft de
+vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde, ridderromans hier als
+bronnen mogen dienen.
+
+[2] De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek zijn
+hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om de
+Nederlandsche ridder-poëzie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt, zal
+verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van dit
+overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON PARIS
+(_Histoire poétique de Charlemagne_); L. GAUTIER, _Le Epopées
+Françaises_ (2e éd.); PIO RAJNA, _Le origini dell'epopea francese_; K.
+NYROP, _Den oldfranske heltedigtning_. Ik volgde vooral NYROP en de
+auteurs in PETIT DE JULEVILLE'S _Histoire_, I, 49-344.
+
+Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met belangrijke
+aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De oudere literatuur
+(tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL. Daarbij moet
+gevoegd o.a.: _Studies on the Legend of the Holy Grail_ by ALFRED NUTT
+(1888) en de scherpe doch billijke en opbouwende critiek op NUTT'S werk
+door Prof. H. ZIMMER in _Gött. gel. Anzeigen_ (1890); _Studies in the
+Arthurian Legend_ by JOHN. RHŶS. (1891). Zie voorts de literatuur bij
+PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W.
+FOERSTER'S _Der Karrenritter_ (LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899.
+
+[3] Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368-9; JONCKBLOET, I, 113 (noot).
+
+[4] Vgl. TE WINKEL, p. 79-83 en J. STECHER, _Hist. de la Litt. Néerl._,
+p. 21 suivv.
+
+[5] JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen
+gevestigd. Vgl. o.a. zijne _Gesch. der Ned. Lett._, I, 140 vlgg.; 289
+vlgg.
+
+TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijn _Maerlant's
+Werken_, (2e druk), bl. 402-408.
+
+[6] _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39-57. Vgl. ook
+de plaats uit _Van den Levene ons Heren_ die later vermeld zal worden.
+
+[7] _Acta Sanctorum Junii_, III, p. 242-3: "in quadraginta annis, quibus
+postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici
+addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit."
+_Leven van Sinte Lutgart_, II, 461 vlgg.
+
+S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwières) in 1246.
+
+[8] De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER in
+zijne voortreffelijke uitgave der _Chanson de Roland_, p. 30-31 (in de
+aanteekeningen).
+
+[9] Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier
+behandelde fragmenten naar mijne _Mnl. Epische Fragmenten_. Daar ook
+vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz.
+
+[10] _Spiegh. Hist._, IV, 1, c. 29, vs. 73-76.
+
+[11] Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875).
+
+[12] Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek, p.
+XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers.
+
+[13] Vergelijkt men de Mnl. bewerking met het _Volksboek_ (ed. MATTHES),
+dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van het _Volksboek_ overeenkomen
+met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening zou het
+gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben geteld, daar het _V._
+184 bladzijden telt.
+
+[14] Uitgegeven door Prof. J. VERDAM in _Tijdschrift voor Ned. T. en
+Lett._, II, 209 vlgg.
+
+[15] Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen, bemerkte
+ik, dat SUCHIER dat deel der _Lorreinen_ hetwelk niet te vinden is in
+het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt, terwijl G. HUET het
+aan een verloren Fransch werk ontleend acht.
+
+De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten geleerde
+over dit onderwerp zijn gepubliceerd: _Romania_, XXI, 361 suivv. en
+XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijne _Gesch. der Franz.
+Lit._ (1900), p. 45.
+
+[16] _Scaerdelijn_ ziet er uit als eene afleiding van _scaert_
+(_scaerde_). Zie o.a. _Karel ende Elegast_, vs. 413 de "scaerde ende
+vlegghen" in de helmen.
+
+[17] Zulke duels komen in de Oudfransche epische poëzie meermalen voor.
+Zie o.a. Pio RAJNA, _Le Origini_, p. 402.
+
+[18] Eene collatie van het hs. gaf ik later in _Tijdschr. v. Ned. T. en
+Lett._, IXe jaarg., p. 166, 189.
+
+Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: "Winechkijn, der Sassen here";
+zie: _Spieghel Historiael_, III, 8, c. 86, vs. 3.
+
+[19] Met terugneming van hetgeen ik vroeger (_Tijdschr. v. N.T. en L._,
+IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat met _El'e_ of _Es'e_ in het hs.
+Elegast bedoeld is.
+
+[20] Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen als
+die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van het oorspronkelijk
+gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking, ook den geest van het
+gedicht en dien der bewerking. Overigens verwijs ik voor dit deel van
+mijn verhaal naar mijne _Middelnederlandsche Epische Fragmenten_ en de
+vroeger aangehaalde werken over de Fransche epische poëzie. Doch er valt
+ook in onze ridderpoëzie nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de
+verhouding van den _Karlmeinet_ tot de Mnl. ridderpoëzie.
+
+[21] In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den
+tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eene _vertaling_ in onzen
+zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer een
+_bewerking_ dan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat BORMANS
+(_Mnl. Ep. Fragm._, p. 51) zegt: "traduire c'était imiter; on
+retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes
+manières." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking in
+te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene
+redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet
+vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben
+gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft in zijn
+onderzoek van den _Partonopeus_, Dr. BOTERMANS in dat van _die hystorie
+van die seven wyse mannen van romen_; ik meen ook te mogen wijzen op
+mijne Inleiding tot de fragmenten van het _Roelantslied_.
+
+Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor eene
+vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men den geest
+der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of wijzigingen
+vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den bewerker moeten
+zetten.
+
+Bij de vergelijking der bewerkingen van _Nibelungen_, _Roelantslied_,
+_Reinaert_, _Rinclus_ e.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen
+van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende
+afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker. [
+F2] _Aiol_ (ed. VERDAM), vs. 14-17.
+
+[23] T.a.p., vs. 390-405:
+
+"Verdoemt moete de maechscap sijn" "Ay, maechscap, wat heb di mi
+gedaen!" enz.
+
+
+[24] Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095, 1103
+(pass.), 1147, 1248, 1515, 1774.
+
+[25] Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN EN ZOON.
+1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook: BERGSMA'S
+_Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast_. (Groningen.
+1890).
+
+[26] Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan. Maar
+JONCKBLOET was zóó bevangen door zijne studiën der Oudfransche
+Chanson-de-geste--hoe uitnemende vruchten die studiën ook hebben
+gedragen--en had daarbij zóó weinig geloof in het dichterlijk vermogen
+van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde hem reeds dadelijk
+afdoende voorkwamen.
+
+[27] _Karel ende Elegast_ (ed. KUIPER), vs. 768-9, 837-839, 923.
+
+[28] _Roof_ was niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte
+onderscheid tusschen "diefte ende roof" (_Limborch_, X, 505). MAERLANT
+zegt in zijn _Rijmbijbel_, (I, p. 206): "Ne roof niet, hen si dijn"; in
+den _Spiegh. Historiael_, III, p. 374: "onse aerme worden rike met
+rove". Zie verder _Nederd. Regtsoudheden_, p. 282. De dichter van _Van
+den Levene ons Heren_ legt het zelfs Jezus in den mond, (vs. 943).
+
+[29] Vs. 105 vlgg; 203 vlgg.
+
+[30] Een overzicht van den _Oorsprong van den Graal_ gaf TEN BRINK in
+eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie. Afzonderlijk
+uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897).
+
+[31] Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van deelen
+der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door TE WINKEL,
+MOLTZER en FRANCK in _Tijdschr. v. N.T. en L._, X, XIII, XIV, XIX, en
+door VAN VEERDEGHEM in de _Bulletins de l'Acad. Royale de Belgique_, 3me
+série, tome XX, no. 12.
+
+[32] TE WINKEL, _Geschiedenis,_ p. 190.
+
+[33] Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg.
+
+[34] Vgl. _Maerlant's Werken_ door Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg.
+
+Ook in _Floris en Blancefloer_, (vs. 58-59) wordt melding gemaakt van de
+geschiedenis _van Tristram en Ysoude_.
+
+In het gedicht _Van den Levene ons Heren_, vs. 15, wordt onder de romans
+waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die
+
+_Van Pyramuse_, hoe hi sijn leven Verloos....
+
+
+In de Oudfransche literatuur bestond een roman van dien naam. (Vgl. P.
+DE JULEVILLE'S, _Histoire_ etc., I, 244).
+
+[35] Zie JONCKBLOET'S _Inleiding_ op Deel II, p. CCVI.
+
+[36] Vgl. o.a. III, 22557 vlgg.; IV, 2149-'50.
+
+[37] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIII, 38.
+
+[38] VERWIJS geloofde aan twee dichters. Zie zijne Inleiding, p. XXIX.
+Bij zijne argumenten moet nog gevoegd worden dat in het eerste deel niet
+19 assoneerende rijmen voorkomen, maar 28 (vgl. vs. 59-60, 121-122,
+563-4, 605-6, 669-'70, 711-'12, 1029-'30, 1331-2, 1673-4).
+
+Deze voorstelling werd door JONCKBLOET bestreden. (Vgl. zijne _Gesch.
+der Ned. Lett._, I, 310). Ik zou mij eer aan de zijde van J. scharen;
+doch acht den strijd niet zoo heel gewichtig, omdat in allen gevalle de
+geest der bewerking doorgaans dezelfde blijft.
+
+[39] Zie o.a. RHŶS, _Studies_, 93, 105 en PETIT DE JULEVILLE a.w. I,
+310.
+
+[40] Vgl. vs. 1360 vlgg. (liefdesoverpeinzingen); 1671-'6 (dialoog);
+1658 en 1666; vs. 1182 vlgg.
+
+[41] Vs. 75 vlgg.
+
+[42] Vs. 319, 2057, 5328, 4984; andere dergelijke uitdrukkingen:
+399-400, 402-4, 1170, 2099.
+
+[43] Vs. 5035, 5056; 2768-'84; 3500 vlgg. (waar de afschuwelijke reuzin
+PANTASALE "scone wijf" wordt genoemd); 3365, 3524, 3533.
+
+[44] Vgl. het in menig opzicht uitnemend proefschrift van Dr. A. VAN
+BERKUM: _De Middelnederlandsche bewerking van den Partonopeusroman_.
+(Groningen, WOLTERS. 1897.)
+
+[45] Zie VAN BERKUM a.w. LXIII, LXVII, LXXI; CXV; CIV; CIII, CXXXIII;
+XLIV; CV, CVI, CVIII; XCVII, CXII-CXIII.
+
+[46] Die opvatting in vs. 3-13, 53-75, 1012 (door MOLTZER blijkens zijne
+aanteekening niet begrepen); vs. 1365 (waar met het hs. _sot_ moet
+worden gelezen).
+
+[47] Vgl. vs. 22, 86; vs. 19-20; al te lange verzen of zulke waarin men
+geen rhythme hoort zijn b.v. vs. 1900, 1918, 2005, 2058, 2339, 2647,
+2859, 3567, 3853.
+
+[48] Uit vs. 282-4 zou men opmaken, dat D.v.A. meer dan een redactie van
+het verhaal heeft gekend. Van de twee door ED. DU MÉRIL uitgegeven
+redactie's van het Fransch gedicht, staat A dichter bij DIEDERIC'S werk
+dan B; echter heeft DIEDERIC waarschijnlijk eene ons onbekende redactie
+gevolgd. Die redactie zal wel dezelfde zijn geweest als of dicht gestaan
+hebben bij de door FLEKE gebruikte: in vs. 272-'82, 474-'95, 1562-'81,
+staat D.'s bewerking dichter bij die van FLEKE dan bij version A.
+
+Vgl. over de verhouding der onderscheiden redacties: MOLTZER'S Inleiding
+voor zijne uitgave; H. SUNDMACHER, _Die altfranzösische und mhd.
+Bearbeitung der Sage von Flore und Blanscheflur_. (Göttingen. 1872) en
+H. HERZOG in _Germania_, 1884, 149. SUNDMACHER overschat FLEKE'S
+bewerking, die hij bespreekt alsof ze een oorspronkelijk werk ware;
+onderschat de Middelnederlandsche. HERZOG'S stuk is vol geleerdheid,
+gewaagde onderstellingen en slotsommen.
+
+Op vele plaatsen is DIEDERIC'S bewerking veel uitvoeriger dan het
+Fransch. B.v. in vs. 213-'30, 322-'48, 474-'95, 519-'34, 1562-'81,
+1922-'31, 2148-'54, 2219-'22, 2224-'48, 2735-'50, 2750-2820, 2827-'31,
+3173-'95, 3376-'81.
+
+Niet in het ons bekende Fransch komen voor: 272-'82, 378-'9, 410-'20,
+570-'85, 714-831 (iets daarvan in version B), 2197-2204, 2841-'9,
+2887-'9, 3139-'49, 3396-3415, 3482-'97.
+
+Van deze plaatsen vindt men voor een klein deel iets bij FLEKE; maar
+DIEDERIC gaat ook daar doorgaans zijn eigen weg.
+
+[49] Vgl. vs. 657-8, 2138, 2830, 2908, 3201, 3762, 3832, 4534, 4749,
+4783, 4839, 5275, 5392.
+
+Ook in de Fransche epische poëzie was dit heiligen-rijm bekend. Vgl.
+NYROP in de vertaling van _Gorra_, p. 383.
+
+[50] Vgl. FRANCK'S uiteenzetting in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX,
+45-46.
+
+[51] In den _Merlijn_ wordt vs. 31706 zekere ridder _Morian_ genoemd
+("Dander was Morian, als ic versta"). Waarschijnlijk hebben wij hier
+echter te doen met een bedorven tekst; immers diezelfde ridder wordt,
+verderop in dat hoofdstuk, tweemaal _Moriaval_ genoemd (vs. 31942,
+31989). Misschien had het hs. _Moriau'_; het is bekend hoe licht _u_ en
+_n_ verwisseld werden.
+
+[52] Vgl. Dr. BERGSMA'S uitgave van _K.e.E._, bl. 47-48. Bij de daar
+opgegeven plaatsen moet nog gevoegd worden: vs. 112 (het tooverkruid uit
+den _K.e.E._) en _M._ 607-8 = _K.e.E._, vs. 1205-6.
+
+[53] JONCKBLOET hield ook dezen roman voor vertaald; doch de
+bewijsgronden, door hem aangevoerd, zijn zwak. Van een Fransch origineel
+is niets bekend; J. zelf houdt de aanwijzing bij ROQUEFORT (II, 33) voor
+eene vergissing; de door R. aangehaalde plaatsen (II, 129), meerendeels
+gemeenplaatsen, hebben weinig bewijskracht. Ook kan men den proloog maar
+niet wraken of uitleggen, zooals J. doet. Er zijn inderdaad vele
+verwijzingen naar een bron of bronnen (bij VOSTAERT meer dan bij
+PENNINC); doch die geven nog geen recht om aan te nemen, dat hier een
+voorbeeld werd nagevolgd.
+
+[54] Deze elementen aangewezen door JONCKBLOET in zijne uitgave van den
+roman (II, 152-153).
+
+[55] Vgl. RHŶS, _Studies_, 105 en 55; _Lancelot_, II, 40393; _Walewein_,
+vs. 1010 vlgg.; 3550 vlgg. en II, p. 153.
+
+[56] Vgl. JONCKBLOET'S uitgaaf II, 135.
+
+[57] Gevoel voor het ridderwezen in vs. 1846 vlgg.; 4333 vlgg.; de
+beschrijving van het gevecht, vs. 10598-10635. VOSTAERT heeft eens de
+platte vergelijking van een bloedenden ridder bij eene geslachte koe.
+(8830-1).
+
+De godsdienstige tint in vs. 147-9, 236-8, 292-4, 378-9, 384, 460,
+478-'81, 495 vlgg., 574-6, 666, 1154-6, 1326-'30, 2684, 2695, 2980-4,
+3010, 3049-'51, 3360-'66, 3626-'33, 3649-'50, 3714, 3875-'7, 3946-'54,
+4020-'1, 4064-'5, 4097 vlgg., 4268-'9, 4348-'52, 4436-'7, 4758 vlgg.,
+6138, 6142, 6683 vlgg., 7049-'55, 7198-7200, 7687-'8.
+
+Bij VOSTAERT: 8118-'9, 8133-'5, 8380-'5, 8478, 9272-'7, 9376-'7, 9531,
+9866, 11088.
+
+De moralizeerende toespraak van den dichter tot zijn publiek (4838-4845)
+zou ik dan ook niet met JONCKBLOET willen schrappen, als van een
+afschrijver afkomstig.
+
+Over de taal vgl. JONCKBLOET II, 135. Verscheidene daar genoemde woorden
+komen echter ook in later tijd voor.
+
+
+
+2. GEESTELIJKE POËZIE.
+
+ Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke poëzie. _Van den
+ Levene ons Heren_. Heiligenlevens. _Rinclus_. Ontstaan der mystiek.
+ Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schönau. Mechthild van
+ Maagdeburg. Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies,
+ Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van
+ Tongeren. _Leven van Sinte Lutgart_. De Minne. Hadewych.
+
+Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken,
+daar ging haar streven in dezelfde richting als dat der geestelijkheid
+die de Christelijke idealen, voor een deel althans, tot werkelijkheid
+trachtte te maken. En dat was niet het eenige punt, waar deze beide
+standen elkander raakten. Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel
+behoorden, lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een
+Westvlaamsch auteur der 14de eeuw gaat zelfs zóóver dat hij zegt:
+
+ Van vier moneken sijn die drie
+ Gheboren van groten maghen.[1]
+
+In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige
+maatschappij vereenigd.
+
+Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een scherp
+verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens. Waar de adel,
+alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen ontzag om zijn doel
+te bereiken, daar kwam hij in botsing met die geestelijken welke, hunne
+roeping getrouw, den blik op het eeuwige gevestigd hielden.
+
+De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde zonder
+wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en te lezen gaven, moest
+kwaad zijn in de oogen van vrome geestelijken. Daartegen waarschuwen
+moesten zij plicht achten. Doch dan mochten zij het niet laten bij
+waarschuwen; dan moesten zij trachten den verkeerden invloed dier
+ridderromans te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen
+op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg ontstond
+geestelijke poëzie als eene terugwerking der ridderpoëzie. Wij hebben
+reeds vroeger eene plaats uit het _Leven van Sinte Lutgart_ leeren
+kennen, die ons dien gang van zaken toont[2].
+
+Tegenover al die "sagen van wigen och van tavelronden", [Zijnoot:
+Verhalen van oorlogen en tournooien.] van "minne" die niet tot de
+"gerechte minne", nl. de liefde tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN
+AFFLIGHEM zijn leven van de maagd LUTGARDE "dat vromelic es ende goet".
+Eene tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedicht _Van den
+levene ons Heren_. In den proloog van dat werk waarschuwt de dichter
+zijn publiek tegen zoo menige "rime die ter zielen luttel smaect"; hij
+heeft daarbij het oog op verhalen
+
+ Van battalien ende van minnen
+ Van meneghen die wi niet kinnen:
+ Van Roelande ende van Oliviere,
+ Van Alexandre ende van Ogiere,
+ Van Walewaine ende van siere macht,
+ Hoe hi jeghen sine viande vacht;
+ Van Digenen, hoe hi sijn lijf
+ Tormente omme een scone wijf;
+ Van Pyramuse hoe hi sijn leven
+ Omme minne verloos....[3]
+
+
+Doch dat zijn alles "boerden", al zijn zij op schrift gebracht.
+Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarin _waarheid_
+verkondigd wordt: van "waarheid" spreekt zijn werk, immers van den
+heiligen Christus.
+
+Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd om de kern
+van het werk: de verlossing van het menschdom, zijn hier door een echt
+dichter vereenigd tot een geheel dat hooge waarde heeft[4].
+
+De ons onbekende maker, misschien een "clerc", heeft zijne stof tusschen
+1260-1270 bewerkt, zooals hij die had leeren kennen uit den bijbel en
+uit andere bronnen[5]. Onder die andere bronnen moeten de zoogenaamde
+apocriefe evangeliën in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel
+kreeg de christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei
+uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch behalve
+die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken, vond men
+andere evangeliën over JEZUS, MARIA, JOZEF, PILATUS, JOZEF van Arimathea
+en andere heilige personen, die als een sterke onderstroom het
+godsdienstig gemoedsleven onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke
+bijbelboeken waren voor het grootste deel des volks te sober, te
+verheven; de apocriefe evangeliën wisten hun allerlei te vertellen
+waarover de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht
+naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES afliep; van
+JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar aanwezige heilige mannen
+uit het Oude Testament, ondanks het verzet der duivelen, verloste. Aan
+het gewoon-menschelijke, het dagelijksche is in deze verhalen meer
+plaats vergund; maar ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte.
+Dat alles trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken
+die één was met het volk waaronder hij stond, al stak hij boven hen uit
+door zijne dichterlijke gaven.
+
+Dat dit gedicht volkspoëzie bevat, zou men reeds vermoeden, wanneer men
+ziet welk een warme liefde tot de misdeelden den dichter bezielde:
+
+ Selen wy dragen bont ende grau,
+ Ende ons sieren als enen pau,
+ Ende die arme sal sijn in selc bedwanc,
+ Dat hi ne sal hebben spel no sanc?
+
+
+Maar niet alle vóór het volk geschreven poëzie is volkspoëzie. Deze is
+het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de wendingen der
+volkspoëzie, zooals wij die van elders kennen. Zoo b.v. de
+rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIËL Gods wil aan MARIA
+komt boodschappen:
+
+ Vant hi Marien ter venstren staen?
+ Vant hise achter [Zijnoot: langs.] straten gaen?
+ Vant hise in plaetsen [Zijnoot: pleinen.], vant hise int spel?
+ Neen hi, niet; die maecht pensde al el [Zijnoot: andere dingen.].
+
+
+Zoo ook wendingen der verhalende volkspoëzie als: "Doe sprac een jode:
+Heren, hort na my"; het afgebrokene in den zinbouw, den korten
+vleugelslag van des dichters gedachten[6].
+
+De naïeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige, die wij
+later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken, openbaren zich
+hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid van toon, een doorvoelen
+van JEZUS' lijden, zooals later MEMLINC het ons te zien zal geven.
+Telkens hooren wij van "dat zoete kint", zijne heilige, zijne
+gebenedijde hand, zijn zoete hart; God "van hemele", "d'alweldeghe God",
+de heilige engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in
+verzen als: "Kinder, seit hi, hoert na mi" of "Kinder, seit hi, lieve
+vrient"[7]. De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat
+tegen HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel als een
+hond; hij is een "dief" (in de taal onzer voorouders: het inbegrip van
+alle kwaad), een "onreyne drake"; ten laatste wordt hij krankzinnig, het
+helsche vuur gloeit uit zijne oogen[8]. Geen woorden genoeg heeft de
+dichter om de Joden uit te beelden in hunne felheid, die hen doet
+schuimbekken; in het welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en
+martelen; in hun schamperen spot[9]. Die haat en die liefde zijn beide
+in hooge mate naïef. "God is een goed wreker", zegt de dichter, "al
+spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: "Hart, kondt gij
+spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden klagen". Van
+GABRIËL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer bracht en ter
+verklaring daarvan: "Hine dorst laten, want hi was God". De duivel
+spreekt van "mijn hel"[10].
+
+Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden verminderde den
+afstand tusschen God en de geloovigen, die niet zich verhieven tot Hem
+maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen, door latere geslachten in
+acht genomen, bestaan voor dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt
+niet, de schamele hut, het "huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt,
+met zachte ironie "dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS te
+zeggen, dat hij "zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende, of
+ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij onder stoelen en banken door
+kruipt om bij JEZUS te komen[11].
+
+Zooals de dichters der ridderpoëzie zich eene klassieke oudheid schiepen
+naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde deze volksdichter met de
+bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling van het maatschappelijk en
+huiselijk leven in Palaestina, geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving,
+zooals lang vóór hem de dichter van den Oudsaksischen _Hêljand_ had
+gedaan. JEZUS deelt aan zijne twaalf "gezellen" mede, dat de smartelijke
+kruisdood hem wacht; de "gezellen" zwijgen op dat bericht, maar PETER
+"zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord en wenscht dat JEZUS
+nog berouw moge krijgen over hetgeen hij gezegd heeft: "Ghi sijt een so
+scone man", zegt hij, "hoe komt zoo iets dan in uwe gedachten?"
+
+Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld staand of
+zittend "in een rinc", zooals dat van ouds ook hier te lande
+gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die aan MAHOMED
+gelooven; zij komen "met manne ende maghe" te samen; hun hoogepriester
+wordt "bisschop" genoemd, PILATUS noemt zich zelven "meier". Hier en
+daar klinken tonen uit de ridderpoëzie door deze geestelijke poëzie
+heen: wij treffen woorden aan als stegereep [Zijnoot: stijgbeugel.],
+ghereide en vorboech" [Zijnoot: borstriem.], als "glaviën" voor lansen;
+geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij JEZUS' graf; van een
+slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande uitdrukking gebezigd: "dat hi
+en horde no en sach"[12]. Het wonder van het droogvoets trekken der
+Israëlieten door de Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de
+Roode Zee maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der
+elementen herinnerend aan den baaierd vóór de schepping, ergens ver weg
+in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op zijne
+zwerftochten bezocht[13].
+
+Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen dichter die het
+leven van JEZUS zóó medeleeft, welt poëzie op telkens wanneer een deel
+van dat leven hem sterk ontroert. Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S
+moederweelde schetst:
+
+ Sat Maria, ghinc se ochte stoet [Zijnoot: of stond zij.],
+ Sie custe dicke [Zijnoot: dikwijls.] haers kindes voet,
+ Daer sijt in die wieghe leide ofte nam;
+ Soe lanc soe meer tkint haer bequam [Zijnoot: behaagde.].
+ Als tkint weende, haer was onsachte,
+ Sie sweghet [Zijnoot: suste.] minlike, soete ende sachte;
+ Als tkint hadde honger ofte dorst,
+ Sie gaf hem haer ghebenedide borst;
+ Sine cleder waren altoos wit,
+ Nieuwe gedweghen [Zijnoot: pas gewasschen.], groot recht was dit;
+ Sijn bat ne was no heet no cout,
+ Met rechte was tkint sire moeder hout [Zijnoot: genegen.].
+ Maria herde wel dies wachte,
+ Dat sine wieghe was scone ende sachte;
+ At sie, dranc sie, al dat sie dede,
+ Haer oghen volgden den kinde mede.
+
+Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen, lachend
+tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend oogenblik zullen
+treffen:
+
+ Daer tkint sach blicken [Zijnoot: schitteren] tscarpe swert,
+ Tkint loech ten mordenare wert.
+
+Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van het
+rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat zijn verhaal
+telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud Driekoningen-lied te
+hooren in:
+
+ Drie coninge woenden in Oriënt,
+ D'een den anderen wel ghehent [Zijnoot: naburig.].
+ ...............
+ Een werf [Zijnoot: eens]" in ere avontstont
+ Een clare sterre an den hemel stont.
+ ..................
+ Sie lasen op, (sie lasen) nedere,
+ Ter sterren si keerden wedere.
+ ...............
+ Een coninc vant ende las,
+ Wat dat scone boekijn [Zijnoot: voorteeken.] was.
+ Enz.
+
+Zóó dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen
+gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan van het
+epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier bestaande liederen
+door den dichter tot een geheel zijn verenigd[14]. Doch al acht ik dit
+niet waarschijnlijk, voor zeker houd ik, dat het gedicht, ware het in
+beter toestand tot ons gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het
+nu reeds doet.
+
+Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere van zijnen
+Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den ombouw en het bijwerk
+waarmede een latere tijd haar heeft ontsierd, dan zou eerst duidelijk
+blijken, hoe oorspronkelijk van opvatting dit voortbrengsel van naïve
+kunst is en welk een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert.
+
+Niet van alle geestelijke poëzie, welke wij meenen te mogen brengen tot
+de 13de eew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan is uit eene
+terugwerking der ridderpoëzie. Trouwens, ook werken als het _Leven van
+Sinte Lutgarde_ en _Van den Levene ons Heren_ zijn natuurlijk niet
+voortgebracht louter uit begeerte om tegenover de ridderromans
+geestelijke poëzie te plaatsen. Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te
+verdiepen in het eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te
+verdiepen in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn der
+christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere werken
+ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen,
+tegenovergesteld aan den geest en het karakter der ridderpoëzie.
+
+Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13de eeuw, dat ons een fragment
+van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft, bevat een aantal
+berijmde levensverhalen van heiligen: _van sente Marie Egyptiake, van
+sente Eustaesse, van sente Aechte, van sente Caterine, van sente
+Waerneer_[15].
+
+Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen. De
+meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben geteld en geven een
+eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen der bovengenoemde
+heilige vrouwen en mannen. Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit
+het Latijn; ook het beroep op eene "scrifture" dat men in het leven _van
+sente Eustaesse_ vindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De
+legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen algemeen verbreid
+geloof aan een, jaarlijks door de Joden gebracht, offer van een
+Christenkind "wit [Zijnoot: blank.], blosende ende root."
+
+Dat deze heiligenlevens van ééne hand zijn, is natuurlijk mogelijk; doch
+het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij van de meeste slechts
+betrekkelijk kleine fragmenten hebben. Misschien moet men het
+onwaarschijnlijk achten, omdat b.v. het leven _van sente Aechte_ zooveel
+assoneerende rijmen vertoont, terwijl die in de overige fragmenten
+schaarscher zijn of, zooals in het leven _van sente Marie Egyptiake_,
+schijnen te ontbreken[16]. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen
+hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht: dat
+het aanhooren van zulk een levensverhaal onder hunne goede werken moge
+medegerekend worden[17].
+
+Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst worden
+gerekend een klein fragment van _de boec der biechten_, dat eveneens in
+het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT gevonden wordt. Vermoedelijk is
+dit werk uit denzelfden tijd als de bovengenoemde heiligenlevens. In
+allen gevalle is het aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk
+vervaardigd zal zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar
+reeds in de 9de eeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die aan
+de Denen het evangelie zouden verkondigen[18].
+
+Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het middeleeuwsch
+Christendom de voorstelling van God als "een goed wreker", volgens de
+uitdrukking in _Van den Levene ons Heren_. Het is niet geheel zeker maar
+toch m.i. waarschijnlijk, dat er reeds vóór het midden der 13de eeuw te
+onzent een gedicht _van onses Heren wrake_ bekend was, vertaald of
+vervaardigd door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht zal
+waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting van
+Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld te worden als
+Gods wraak over het ter dood brengen van JEZUS. In den proloog van zijn
+boek over den Graal en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht "wyde becant";
+was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding van
+het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd vereischt, en moet het
+dus ten minste in de eerste helft der 13de eeuw ontstaan zijn[19].
+
+Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking van een
+Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12de of den aanvang
+der 13de eeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoord _Miserere_ genoemd
+wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar) van Moiliens werd
+gedicht[20]. In de geschiedverhalen onzer letterkunde wordt het kortweg
+_Rinclus_ genoemd[20]. Het Fransche werk is in 12-regelige coupletten
+gedicht, een vorm die in de Nederlandsche overzetting behouden bleef. De
+97 eerste coupletten werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp
+van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren HEINREC. Het
+gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de vragen: wat de mensch
+geweest is, wat hij is en wat hij zijn zal; het wekt op tot navolging
+der martelaren, tot het doen van de rechte keuze tusschen God en de
+wereld, het betoonen van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de
+dichter zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft
+zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van weelde, ijdel
+zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch leven ontleend zijn. Ook de
+priesterschap en de kloosterlingen worden niet gespaard.
+
+De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts de hoofdzaken
+van het origineel terug, of slechts het een en ander daarvan[21]. Soms
+heeft de Nederlander zijn voorbeeld niet begrepen en maakt hij er maar
+iets van; elders heeft hij een beeld weggelaten dat hij misschien geen
+kans zag weer te geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten,
+waaraan die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid
+ontleent. Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk die op
+het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel; in het
+Fransche verhaal _van Sint Maarten_ die zijn mantel doorsnijdt, krijgt
+men "het stalen zwaard" te zien--de Nederlandsche bewerking spreekt
+slechts van de "snede die den mantel deelde in tween". Elders is eene
+tegenstelling grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene
+realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het Dietsch
+ingetogener dan het Fransch[22].
+
+Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun voorbeeld
+schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar voegen zij--GIELIJS
+meer dan HEINREC--iets van het hunne in; onder die invoegsels of
+wijzigingen zijn er die verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten.
+In no. 33 is sprake van priesters die--zooals HEINE zegt--"water
+preeken, maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM niet als
+kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke "verlucht"
+met dit beeld: "eerst moet hij zelf de donkere diepte bevaren; dan zal
+hij wind in zijn zeil krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak "on veut
+bien étain pour argent" door: "want hi neemt rogge daer hi leent evene"
+(haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort van den rijke, heet
+het bij GIELIJS: "men sant hem niet dan hontgebas". Van een begeerig man
+die verlangend voor een gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch:
+"tant huka [Zijnoot: schreeuwde.] et tant apela"; GIELIJS vertaalt: "Hi
+claterde der doren rinc". Elders vinden wij in het origineele gedicht
+een hoovaardige in dit vers: "orguieus va dou col coloiant" [Zijnoot:
+rek (reik)-halzend.]! Aardig geschetst; maar GIELIJS overtreft zijn
+voorbeeld met: "'t Hoot op hals als een hane die crait". Op een andere
+plaats weer heeft hij de voorstelling verlevendigd door het invoegen van
+een dialoog[23].
+
+Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten zoowel aan
+GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest; hier en daar vindt men zelfs
+plaatsen die woordelijk overeenkomen[24]. Maar alleen op grond van die
+bekendheid aan te nemen, dat de bewerkers van den _Rinclus_ en MAERLANT
+tijdgenooten zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog op
+den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is om de
+Nederlandsche bewerking nog in de 13de eeuw te plaatsen.
+
+
+DE MYSTIEK.
+
+De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde, breidde hare
+macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich zelve voor als de eenige
+bron van waarheid en recht. Doch al te velen onder hare machthebbers
+logenstraften door hunne daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid
+en kracht, wat zij met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag
+eener kerk, door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide
+in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling.
+
+Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten voelden
+ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige
+geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten grond te
+herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden?
+
+Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijn tusschen God en
+den mensch--dan afgedaald in de eigen ziel, daar zelf den weg tot God
+gezocht.
+
+Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig gemoedsleven
+der middeleeuwen langzamerhand die strooming, welke bekend staat onder
+den naam van: mystiek. Onder haar invloed ontwikkelde zich het
+gemoedsleven met eene vroeger niet gekende kracht; geen hoogte was meer
+te hoog, geen diepte te diep.
+
+Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen, geestelijken
+en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen toestand der kerk.
+In de abdij van Molesme werd de geest van SINT BENEDICTUS vaardig over
+Vader ROBERTUS en zijne boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux
+het eerste Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde
+zonen van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren. Eene
+eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de grootsche en
+teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den "bruidegom der armoede", die zijn
+kort maar rijk leven besteedde aan eene poging om de kerk tot nieuw
+leven te wekken.
+
+Omstreeks het midden der 12de eeuw zien wij een paar abdissen van
+Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD VAN BINGEN en
+ELISABETH VAN SCHÖNAU zich met hare profetische beden wenden tot keizer,
+paus, bisschoppen en abten. Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese
+van Lyon tot paus ALEXANDER III met het verzoek om de armen het
+evangelie te mogen verkondigen.
+
+Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen. In de
+voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen gesneuveld; hunne
+vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven, zwierven bedelend rond, werden de
+prooi van ruw geweld of leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier,
+gelijk zoo menigmaal in de middeleeuwen, de individuën, machteloos op
+zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingen der
+Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren, in Leuven
+vindt men begijnhoven reeds in den aanvang der 13de eeuw; Luik zag
+omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen als in eene afzonderlijke kleine
+stad vereenigd; Keulen telde er omstreeks het midden der 13de eeuw
+duizend; nog vóór het einde dier eeuw waren er ten minste zestien
+plaatsen in België die een begijnhof bezaten.
+
+Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12de en 13de eeuw zijn
+eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij hier in het bijzonder het
+oog moeten richten, omdat het ons vergund is een blik te slaan in haar
+godsdienstig gemoedsleven.
+
+Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD VAN BINGEN en
+ELISABETH VAN SCHÖNAU, beide draagsters van beroemde namen in de
+geschiedenis der mystiek.
+
+HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104-1178 en stierf als
+abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook hier te lande bekend. De
+bisschoppen: RUDOLF van Luik, GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den
+Elzas, een Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden
+haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar in het
+Roermondsche, een krans hebben gezonden.
+
+Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften door
+haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels in het Latijn
+opgesteld; de Duitsche werken zullen later door haar biechtvader
+GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht. Haar voornaamste geschrift
+heet: _Scivias sive Visionum ac Revelationum libri tres_[25]. Zij zegt
+ons daarin o.a. dat zij alle dingen ziet in een buitengewoon licht, dat
+als een vlam hare ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt
+zij _visioen_. In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg,
+ijzerkleurig; daarop gezeten iemand van wien zulk een luister
+uitstraalt, dat zij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem.
+Deze berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van Gods
+heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden koningstroon en
+daarop gezeten een jongeling van zooveel glans dat zij hem niet kan
+aanzien. Telkens ziet zij schitterend licht, schitterende torens en
+kolommen. Ook wel een menschenhoofd met zes vleugels.
+
+Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van ELISABETH,
+"magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S antwoord.
+
+Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders geboren (1129). Van
+der jeugd af leidde zij een ascetisch leven, droeg het haren kleed op
+het lichaam, was omgord met een ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig
+voedsel; alles onder veel weenens en biddens. In het klooster Schönau
+bij Bingen, waar zij van 1141-1165 leefde, ontvangt zij, evenals
+HILDEGARDE, last van God om de menschen op te wekken tot berouw en
+bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last te
+onttrekken door aan te voeren dat zij niet "wel ter tale" is ("nescio
+loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften berispt zij
+vooral de geestelijken om hunne hebzucht en heerschzucht, hun hoogmoed,
+weelde en wellust. Ook den paus spaart zij niet.
+
+Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke spanning.
+Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot wiel van vuur;
+een kruis, oogverblindend in gouden glans; een hoogen berg en op den top
+schitterend het Lam Gods; op een wiel eene ladder welker top de hemelen
+schijnt te doorboren; naast het wiel een man met goudglanzend hoofd,
+haar als witte wol, schitterende oogen; vóór Gods troon vier dieren, die
+vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn vol oogen;
+een hoogen berg, welks top schittert van licht;
+
+van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische
+beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt dikwijls mede op
+welken tijd, onder welke omstandigheden zij in dien toestand van extaze
+geraakt en hoe lang die toestand aanhoudt[26].
+
+Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls--geen wonder bij zulk een
+lichaams- en gemoedstoestand--wordt zij overvallen door droefheid en
+somberheid. Zelfs het gebed, anders haar hoogste genot, staat haar dan
+tegen. Zij werpt haar psalmboek van zich. Wel schrikt zij van die daad
+en grijpt het terstond weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare
+somberheid. De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den
+Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven is? Ook
+aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent zij over zekere
+droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het leven gaat haar walgen. "Maak
+er een eind aan" blaast de Booze haar in. Doch God waakt over haar, ook
+in hare ellende.
+
+Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw in niet
+geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen vooral vond men in
+de 13de eeuw een aantal vrouwen, daaronder vele adellijke, die haar
+leven verdeelden tusschen mystieke overpeinzing en het verplegen van
+zieken en melaatschen[27]. Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN
+MAAGDEBURG (c. 1212-1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een
+aantal liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar
+innerlijk leven ten deele blootlegt.
+
+Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen over de
+zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging berokkend
+te hebben. Doch gewichtiger dan zulke uitingen zijn voor ons die over de
+gewijde liefde, de _minne_ als middelares tusschen God en de ziel.
+Evenzeer die over de zondige begeerten, welke des menschen lichaam en
+zijne ziel in vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De
+geweldige Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij
+aanschouwd heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne en de
+Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het zijn telkens weer
+uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne. Vrouw Minne heeft haar
+beroofd van vrienden en magen, van wereldsche eer en rijkdom; heeft haar
+ziekte berokkend, heeft haar vleesch en bloed verteerd--maar ook, welk
+een rijken schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen.
+
+Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen, uit
+streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en een ketterjager zou deze
+zorgeloos rondzwevende vogels licht onder schot kunnen krijgen.
+MECHTHILD laat zich gaan, zooals een dichteres dat doet. Want poëzie is
+hier in zoo menige uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart
+met "een kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij
+Suso vindt". Poëzie is ook in beelden en vergelijkingen als deze: wie
+van minne sterft, dien moet men in God begraven; van het leven in God
+sprekend: zegt zij: de visch kan in het water niet verdrinken; de genade
+komt van boven: dat de arend zoo hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil
+te danken; de ziel moet zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die
+in de val zit en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige
+Drievuldigheid, zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner moeder
+en zich vlijt aan haar borst.
+
+De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland hebben
+waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen. De eerste helft der
+12de eeuw was nog maar even voorbij, toen de abdij Klaarkamp in
+Friesland als het eerste Cisterciënser-klooster verrees. Tal van andere
+kloosters kwamen uit dit moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters:
+Syon en Nazareth in Friesland, Jesse bij Groningen, Mariënkamp bij
+Assen, Mariënhorst bij Deventer, Mariëndaal bij Utrecht. In de meeste
+dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende, als de
+abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond men addellijke jonkvrouwen
+en daaronder ettelijke die de namen droegen van RENESSE, ALKEMADE,
+TEILINGEN, DUVENVOORDE.
+
+Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen van een
+hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het Praemonstreiter klooster
+Mariëngaarde gold het als een bewijs van innige vroomheid en tevens als
+eene groote genade-gave: "totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het
+dankgebed na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een
+toestand verkeerde, werd "intus debriatus" genoemd. Ook van het
+zoogenaamde "tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen GERBRAND,
+tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar Citeaux huiswaarts keerde,
+werd hij ziek en stierf te Vervins; lang vóórdat de tijding van zijn
+dood in Friesland was ontvangen, had eene non van het klooster Syon in
+een visioen den abt zien sterven.
+
+Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische strooming in
+het Zuiden dezer landen.
+
+Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam, werd hij
+getroffen door de menigte extatische vrouwen in die stad. Sommige konden
+in de zielen van anderen lezen; andere waren zoo krachteloos door
+verlangen naar den hemelschen bruidegom, dat zij in vele jaren slechts
+enkele malen van haar bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de
+tong zoo vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in
+zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor een steek
+met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos.
+
+Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland is ons
+nader bekend geworden, uit de verhalen daarvan in het Latijn opgesteld
+door THOMAS VAN CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN
+OIGNIES, in 1177 te Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als
+bagijn gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150-1224;
+MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21ste jaar overleed en
+LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige CHRISTINA in het klooster
+te Sint Truyen leefde en van daar naar het klooster Aquiria bij Kamerijk
+ging, waar zij in 1246 stierf.
+
+De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer zusteren, een
+streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor koude, al bevriest de
+wijn in de miskelk; voor pijn, voor honger. MARIA en MARGARETHA waren
+begaafd met het "tweede gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in
+Christus' lijden, vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij
+in extaze of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen
+lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van hare lippen
+dan: "ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer al het zinnelijke als een
+wolk uit hare ziel was verdwenen door de stralen van het goddelijk
+licht, dan ontving zij de vormen der godheid in hare ziel als in een
+spiegel. CHRISTINA onderscheidt zich van de overige door den sterken
+invloed dien het natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht
+welke hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke
+van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige begeerte
+naar mannen, die haar uit angst voor dien hartstocht tot Christus doet
+vluchten; die er haar toe brengt zich met doornen te geeselen, totdat
+zij de booze zinnen heeft getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid
+is, gaat haar dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van
+mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet meer kan
+verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden verzonken blijft en dat
+haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt, dat zij soms in diepen slaap
+viel wanneer zij zedelijk gekwetst werd door iets dat zij hoorde of
+zag[28].
+
+
+LEVEN VAN SINTE LUTGART.
+
+Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN TONGEREN te
+worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze gelukt het ook haar,
+slechts door de liefde tot den hemelschen bruidegom de zinnelijke liefde
+te overwinnen. In hare extazes ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks
+de Moeder Gods, de engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene
+rust voordat zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met
+Hem heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des
+nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger hadden
+gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en anderen, wordt ons
+verhaald, dat zij door aanraking met hare hand of door het strijken van
+speeksel wonderen verrichtte.
+
+Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig voor ons[29].
+Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door den bekenden
+Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk geslacht van Bellenghem, die
+gewoonlijk genoemd wordt naar de abdij van Cantimpré bij Kamerijk, waar
+hij een deel zijner jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een
+vertrouwd vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de
+eveneens bij Kamerijk gelegen abdij van Aywières (Aquiria). Dankbaar
+herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin--zij was
+omstreeks 18 jaar ouder dan hij--hem had getroost en opgebeurd, wanneer
+hij de moeilijke taak der biecht-afneming had te vervullen. Voor hem was
+zij een heilige; de gedachte dat hem, na haar scheiden uit dit leven,
+niets van haar zou overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was
+hem blijkbaar ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen
+behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze dan haar
+lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt hare behoefte
+aan een tastbare heugenis van geliefde dooden met een vlok haar--dit
+kind eener eeuw van forscher en grover zinnelijkheid wenschte hoofd of
+hand zijner vriendin voor zich om die, in zilver of goud beslagen, te
+bewaren[30]. Slechts haar rechterpink, haar "minste vingerkijn", had
+LUTGART, wien het ter oore was gekomen, hem half in ernst half in
+scherts toegezegd. Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een
+paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd abdis van
+Aywières, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de begeerde reliquie slechts,
+nadat hij de abdis beloofd had het leven zijner gestorven vriendin te
+zullen beschrijven.
+
+Ter vervulling van die belofte schreef hij zijne _Vita Lutgardis_; dat
+werk moet voltooid zijn geweest vóór 1248, het sterfjaar van HADEWYCH
+aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen. De schrijver had het verdeeld
+in drie deelen volgens de drie trappen van het ascetisch leven: het
+begin, den voortgang en de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons
+LUTGART'S leven in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het
+tweede omvat de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de
+Cisterciënser-nonnen van Aywières; het derde hare elf laatste
+levensjaren.
+
+Deze _Vita Lutgardis_ nu is als leiddraad gebruikt door een Nederlandsch
+dichter bij het schrijven van zijn merkwaardig _Leven van Sinte
+Lutgart_. De dichter van dat werk, WILLEM genaamd, werd omstreeks 1210
+te Mechelen geboren als een onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk
+geslacht der Berthouts; hij studeerde te Parijs, trad in de orde van
+Sint Benedictus, werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van
+Sint Truyen en stierf in 1297. Zijn _Leven van Sinte Lutgart_ is door
+hem waarschijnlijk tusschen 1262-1274 gedicht[31].
+
+Inderdaad, meer dan een leiddraad is de Latijnsche _Vita_ niet geweest
+voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere verhaal van THOMAS in de
+gemakkelijk vloeiende verzen zijner omstandige en genoegelijk
+breedvoerige bewerking liet uitdijen tot een omvangrijk geheel; het
+tweede en het derde boek, die alleen tot ons zijn gekomen, omvatten
+samen reeds meer dan 20.000 verzen[32]. WILLEM heeft slechts weinig
+weggelaten; wat hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden
+naam der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen.
+
+Zoo vertelt THOMAS ons in zijne _Vita_ van eene non, door den duivel
+bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt, dat zij zich meer
+dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven, indien vurige gebeden haar
+niet weerhouden hadden[33]. WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de
+non door den Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er
+angstwekkend uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons daarop
+van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong, het lichaam der
+bezetene te verlaten; van het gansche levendig tooneel dier
+duivelbezwering vinden wij daarentegen in de _Vita_ weinig of niets[33].
+
+Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een invoegsel.
+In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets weg te laten, zijn
+voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens en opmerkingen van zich zelven
+ingevoegd. Zoo b.v. waar een paar van LUTGART'S visioenen beschreven
+worden en waar hij zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen,
+de dichters dwaas te noemen, omdat zij al die "fantasijen" van oude
+vrouwen beschrijven[34]. Zoo is ook hoofdstuk XVI van het Tweede Boek
+bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons daar eene levendige
+schildering geeft van den strijd tusschen LUTGART en de duivelen die
+haar voortdurend belagen; die zij verjaagt, "zooals iemand zich de
+vliegen met een kwispel of een tak van het lijf houdt" en die haar zóó
+vreezen dat zij zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te
+naderen.
+
+Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat genomen, om
+vermaningen te richten tot de "heren en vrouwen" die zich onder zijn
+gehoor bevonden of die hij elders door de lezing van zijn werk hoopte te
+bereiken. Hij waarschuwt de prelaten die hun plicht verzaken en wien het
+slechts om wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog,
+hoe LUTGART slechts door de "sterke minne" tot God den duivel en zijne
+trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen de oude hebzuchtige
+huichelaars, de "papelarde metten grisen langen barde", die den armen
+onder allerlei drogredenen het hun toekomende willen onthouden; hij
+betreurt de verslapping der kloostertucht en stelt de abdij van
+Afflighem aan andere ten voorbeeld.
+
+Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal van
+bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen, anderzijds dient
+erkend, dat hij even vaak onderhoudend en levendig vertelt. Levendig en
+onderhoudend is b.v. de proloog van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger
+eenige verzen aanhaalden. En hoe aardig teekent hij in den proloog van
+het Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft
+bevangen onder de voordracht:
+
+ Dat heldekoppen [Zijnoot: knikkebollen.] ende nigen,
+ Dat metten hoofden neder sigen
+ Gaf mi litteeken [Zijnoot: blijk.] dat hem somen
+ Die vaec in d'ogen ware comen.
+
+Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk; daar
+wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den beganen grond,
+maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk dichter; heeft ten minste
+eenige der wezenlijke eigenschappen van een dichter. Men zou dat reeds
+vermoeden waar men hem de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na
+een gebed tot God, aldus vertelt WILLEM ons, zóó verheugd,
+
+ Meer dan u iemen soude mogen
+ Geseggen wel met didscher spraken
+ [Zijnoot: in het dietsch (de volkstaal).].
+
+Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons beschrijft
+hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat gelaat van uitgelezen
+schoonheid, anders stralend van glans, nu zoo bleek en verslagen ziet
+van hartzeer; hoe donker haar gewaad, dat anders schittert heller dan
+het licht van een zomerschen dag. Fraai is het 4de hoofdstuk van het
+Tweede Boek, waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden
+den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde tot
+eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd dien eene
+mystieke vrouw te strijden had, vóórdat zij rust in God vond, is ons in
+het zesde hoofdstuk van dat boek geschetst met de zachte gevoeligheid
+van omtrek die wij ook in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier
+vooral de verhouding eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er
+is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVIË
+
+ die har herte voeget
+ So simpellic an onsen Here,
+ Dat men ne can no min no mere
+ Vergronden noch genemen ware
+ Hoe 't tusschen hem stoet ende hare.
+ Si es so schamel [Zijnoot: bedeesd.] ende so blode,
+ Dat si mi soude ontdekken node
+ Des iwent [Zijnoot: iets.] ochte condech maken[35].
+
+Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook in de zorgzaamheid
+voor den vorm van zijn werk: zijne verzen zijn gebouwd met eene
+regelmaat van stijging en daling, die eenig is in onze middeleeuwsche
+literatuur en zijne rijmen zijn zoo zuiver, dat men er te nauwernood
+eene enkele assonance onder aantreft[36].
+
+Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van WILLEM'S werk
+buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige voorstelling van het
+streven der ziel naar vereeniging met God, dat hij _minne_ noemt. Als
+een stroom van wit licht doorgloeit die "minne" het _Leven van Sinte
+Lutgart_; in de _Vita_ van THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een
+glimpje te zien.
+
+Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware "minne" is, namelijk niet de
+wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de liefde der ziel tot God, dan
+moet men al zijne krachten inspannen om deze liefde deelachtig te
+worden. Maar lang is de weg en moeilijk de strijd. Menigeen die zich
+gewennen wil de minne te dienen en in haar school te gaan, streeft in
+den aanvang al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten.
+In den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar; doch
+indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich te nemen dan hij
+kan volbrengen, dan wachten hem schaamte en vernedering. Daarom moet hij
+die "der minnen rade volger" gestadig volharden in den goeden strijd.
+Want een strijd, eene worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART
+dwong met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer, haar al
+hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het haar niet
+weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij haar geene "zeghe
+vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen, krachtiglijk met
+gebeden worstelend tegen den hoogste des hemels. Maar wie eenmaal de
+minne als middelares tot vereeniging met God heeft leeren kennen, die
+blijft strijden. En dan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne
+geschonken, zoodat hij in "orewoet" [Zijnoot: geestverrukking.] geraakt
+en verzwolgen wordt in der minne grondelooze diepte. LUTGART was in de
+school der minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar
+zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat geen geleerde
+met behulp van boeken en schrifturen verklaren kan[37].
+
+Ook andere nonnen van Aywières waren de genade der minne in meerdere of
+mindere mate deelachtig geworden; het spreekt van zelf, dat verwante
+zielen, die eenigen tijd de minne hadden gediend, behoefte hebben
+gevoeld, hare innerlijke ervaringen ten minste ten deele te bespreken,
+of te luisteren naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne
+het zóó ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen in de
+ziekenzaal van Aywières zitten, daarheen gekomen om LUTGART te hooren
+"disputeren van der minnen".
+
+Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de eenige keer
+zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante zusters in het
+klooster zich hebben onderhouden over de hooge dingen die hare gansche
+ziel vervulden.
+
+Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen aan die
+gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar zóó na aan 't hart lag, dat zij
+"het minste vingerkijn" der overledene niet missen en slechts voor eene
+levensbeschrijving der betreurde zuster wilde afstaan?
+
+Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijne _Vita
+Lutgardis_ opdroeg, eene andere zijn geweest dan de mystieke, en tot nog
+toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare visioenen heeft geopenbaard
+en de minne verheerlijkt in zoo menig fraai en innig gevoeld lied?
+
+Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op die vraag het
+antwoord geven.
+
+
+HADEWYCH.
+
+Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche werken in
+proza en poëzie uit dezen tijd voor ons bewaard, die in een paar
+handschriften van de 13de en den aanvang der 14de eeuw _visiones
+haywigis, epistole haywigis_ en _ritmata haywigis_ genoemd worden[38].
+
+De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen eene in
+extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen veelal over de
+minne; ook de epistolae behandelen vooral dat onderwerp, zooals reeds
+blijkt uit den aanvang: "God die de clare Minne die onbekint was,
+verclaerde bi siere doghet"; van de gedichten (_ritmata_) is de minne
+schering en inslag. Blijkbaar hebben wij hier het werk vóór ons van ééne
+dichteres die den naam HADEWYCH draagt; ook _in_ haar werk wordt die
+naam een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan al
+deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde sfeer,
+waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen in ons land en in
+den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer wij in een van HADEWYCH'S
+visioenen melding gemaakt vinden van "Heldegaert die al de visione
+sach", dan zal het wel niet gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis
+HILDEGARDE VAN BINGEN bedoeld is[39].
+
+Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen en
+Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder krachtig
+ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele bagijnen noemt,
+zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze voorstelling nog
+aannemelijker. Op eene andere plaats in haar werk maakt HADEWYCH gewag
+van de "vrouwe van Nazaret". Waarschijnlijk hebben wij hier te denken
+aan BEATRIX VAN THIENEN, abdisse van het Cisterciënser-klooster Nazareth
+(bij Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had[40].
+
+Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken in een
+Cisterciënser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat er in de
+abdij van Aywiéres of elders eene Cisterciënser-non heeft geleefd,
+eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest verwant met al de hierboven
+genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk zal HADEWYCH, de dichteres, één
+zijn geweest met de abdis van Aywières aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ
+zijne _Vita Lutgardis_ heeft opgedragen.
+
+Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter de zuiver
+lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene jongere
+geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken met "lieve
+kint". Deze "joncfrouwe" is nog "ongheproeft van allen dinghen".
+HADEWYCH wekt haar op om zich in te spannen als iemand die den weg der
+Minne nog van meet af heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten
+ootmoed betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken[41]. Door middel
+van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen uit
+ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere SARA en EMME, wie zij
+verwijt dat zij zich te weinig bekommeren om de minne, die haar zelve
+"zoo vreseleke omvaen hevet in beroeringhen van onghecuster [Zijnoot:
+onbevredigd.] minnen".
+
+Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw tot wie
+HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen over allen nood, goede
+daden verrichten, zieken verplegen. Zij zelve heeft dat ook gedaan
+totdat het haar verboden werd[42].
+
+Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S werken niet veel
+te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen, is gedeeltelijk
+nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar tiende jaar had de minne haar hart
+bedwongen; had God haar niet gesterkt, zij ware onder dien dwang
+bezweken. De meeste visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al
+kwamen zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd af had zij
+haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden van al wat niet
+betaamt; zóó was zij geworden tot eene reine kolom in de kerk der
+heiligen[43]. Wel had zij reeds in hare jeugd een sterk zielsverlangen
+naar het genot van één te zijn met Gode; doch daartoe was zij toen nog
+te weinig volgroeid naar den geest; zij had er zich nog te weinig voor
+ingespannen. Leed en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot
+heiliging.
+
+Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In een visioen was
+haar door God dit gebod gegeven: zij moest begeeren arm, ellendig en
+versmaad te zijn onder alle menschen; alle verdriet moest haar
+behagelijk zijn boven alle aardsche geneugten, ook al zou dat verdriet
+ondragelijk zijn voor een mensch. Zij moest der wereld vreemd worden,
+klein geacht bij de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten
+waar zij des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden haar
+begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren nood en hare
+ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare jeugdige vrienden:
+zij heeft niet onder de menschen gewandeld, hunne gewoonten niet
+gevolgd, noch in hun eten noch in hun drinken noch in hun slapen; niet
+zich gesierd met kleurige kleederen, nooit genoten van blijdschap die
+een menschenhart verblijden kan. Bedroef u--zegt zij tot het jonge
+meisje--zoo weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga,
+hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want het is
+al der minnen werk, dat de "vreemden" niet kennen[44].
+
+Op die gevangenschap die haar bedreigde en die "vreemden" komen wij
+terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling te vormen van
+haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is met behulp van het tot
+hiertoe medegedeelde.
+
+Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne. "Mint de
+minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken. Wie naar minne
+streeft, doch naar die stem niet luistert, dien klinkt zij vreeselijker
+dan de donder. Dat woord is de band daar de minne hare gevangenen mede
+bindt, het zwaard waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede
+zij hare kinderen kastijdt.
+
+Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken in het
+bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en "het swaerste inder
+scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes: "Du salt minnen dinen
+Here, dinen God, van al dijnre herten, van al dijnre sielen, van al
+dijnren crachten"[45]. Die woorden mag de minnende ziel nimmer vergeten,
+slapend noch wakend. Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij,
+dan moet zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet
+dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid te
+verwerven, noch om der wille van eenig genot in den hemel of op
+aarde--maar alleen omdat het welbehagelijk is aan den hoogwaardigen God,
+die de menschelijke natuur daartoe geschapen heeft.
+
+Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich neemt. Met de
+minne komt ook de vreeze het hart des minnaars binnen. Hij vreest, dat
+hij de minne niet zal kunnen voldoen; dat al wat hij over minne zegt, te
+gering zal zijn voor haar. En wel bestaat er reden tot zulke vreeze.
+Want wij willen allen wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen
+mensch zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan het kruis
+hangen om de schuld van het menschdom te voldoen. Elk klein verdriet
+trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid, beliegt men ons, worden wij
+in onze eer getast of in ons gemak of in ons genoegen--dan gaat het ons
+zoo ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen
+ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo dolen wij
+arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijke wegen in een
+vreemd land. Want alleen de minne kan ons voldoen; niets anders. Der
+minne loon blijft nimmer uit, al komt het dikwijls spade. Wie haar zich
+zelven geeft geheel, die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed.
+Dan hebben zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne
+brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen in de
+diepte der minne.
+
+Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de dingen der
+menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo wonderliefelijk
+gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich goedertierenlijk tot de
+menschen kan richten in al wat zij wil[46].
+
+Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm gelukkig.
+
+Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in het hart zijner
+vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid in eene geestelijke
+dronkenschap "daer si in moet spelende sijn". Telkens valt HADEWYCH zoo
+"buten den geest" en blijft zij zóó verzwolgen in de minne, dat zij
+geene voorstelling of begrip meer heeft van iets anders dan één te zijn
+met Hem en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip
+en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven. Zij
+geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op Pinksteren, op
+Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L. Vrouwe Hemelvaart; de eene
+extaze duurt een half uur, eene andere een halven dag, vaak blijft zij
+drie dagen en drie nachten "in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een
+hoogen berg met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende
+schijf die de eeuwigheid verbeeldt, de drie "overste" hemelen met de
+tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem met al de
+zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus: "Ende ic keerde mi
+van heme ende ic sach een cruce vore mi staen ghelijc cristalle, claerre
+[Zijnoot: helderder.] ende witter dan cristal; daer mocht men dore sien
+een groote wijtheit. Ende vore dat cruce sach ic staen enen setel
+ghelijc eener sciven ende [Zijnoot: die.] was claerre ane te siene dan
+die sonne in haerre claerster macht ende onder die scive stonden drie
+colommen.... Ende midden onder die scive draeyde een wiel soo vreseleke
+omme ende die soo eyselike was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike
+daer of verwonderen mochte ende vervaren [Zijnoot: vreezen.]. De zetel
+beteekent de eeuwigheid; de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H.
+Geest.
+
+Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug. Doch terwijl
+zij bezig is met eene poging om mede te deelen wat zij gezien heeft, op
+eene wijze die levendig herinnert aan het beeld van "eenen den Zoon des
+menschen gelijk zijnde" uit de Openbaring, wordt zij zóó overweldigd
+door Gods grootheid en schoonheid, dat zij erkennen moet: "Daer ne magh
+ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke [Zijnoot: onzegbaar.]
+grote scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken
+wonderleken aenscine, dat benam mi alle redene van hem in
+ghelikenessen."
+
+Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische
+ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen neemt en
+aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne gevoelden naar haars
+harten begeeren; eene korte wijle heeft zij kracht dat genot te
+verdragen, maar spoedig daarop verliest zij den schoonen man in zijn
+zichtbaren vorm; zij ziet hem als wegsmelten, totdat zij niets meer van
+hem gewaar wordt. Doch op die ure was het haar alsof zij één waren
+"zonder differentie". Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de
+zuivere vlam, waarmede de minne doorgaans in haar brandt.
+
+Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam moesten
+aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet haar te hooren
+vertellen, dat soms al hare leden schudden en beven van begeerte; dat
+zij, uit eene extaze tot zich zelve komend, zich niet zelden
+neerslachtig of ellendig voelt[47].
+
+Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S visioenen, de
+aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES; de invloed van dat werk
+toch openbaart zich telkens in de beschrijving van hare droomen en
+gezichten. Ook de schrijver der Openbaring deelt ons een paar maal mede
+dat hij "in den geest was", eens "op den dag des Heeren"; ook hij heeft
+velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier dieren, den
+arend, de sterke stem als die van den donder, de zes vleugels met oogen
+bezet; het zevenvoudig bazuingeschal vinden wij terug in de zeven
+vleugelslagen waarmede, bij HADEWYCH, de engel "een ghestille" maakt. In
+de woorden der Openbaring: "gij moet wederom profeteren voor vele volken
+en natiën en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod hebben
+gezien--zooals vóór haar HILDEGARDE VAN BINGEN en ELISABETH VAN
+SCHÖNAU--haar dwingend hare visioenen te openbaren[48].
+
+Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden onder de bronnen
+waaraan deze volgster der minne haren dorst naar het eeuwige stilde.
+Onder de boeken, toebehoorend aan het Roode-Klooster in het Soniën-bosch
+waar HADEWYCH'S poëzie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van
+"der minnen boec dat men noempt cantica canticorum"[49]. Op meer dan
+eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar bekend was, dat
+de voorlezing van dat bijbelboek haar hart ontroerde[50].
+
+Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S gevoel en
+verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat behalve haar gevoel ook
+haar verstand bevredigde. PAULUS was haar niet onbekend, noch ORIGENES,
+noch AUGUSTINUS. De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX
+moesten deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door haar
+zoo geliefden tekst uit het Hooglied: "dilectus meus mihi et ego illi"
+tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen; weinigen hadden zich
+zoo als hij verdiept in de beschouwing van de geestelijke liefde, van
+dien "amor sanctus et castus" waardoor de ziel van den Christen moet
+worden gezuiverd; ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een
+ijzer, gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt;
+zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd
+wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in het Hooglied en de
+Psalmen melding gemaakt vond, moet hij, evenals HADEWYCH, hebben gevoeld
+vóórdat hij haar in een zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer
+HADEWYCH in een harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God
+dienen uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide soorten
+tegenover elkander stelt als "knechten" en "zonen", dan schijnt haar
+daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S brieven voor den geest te
+staan[51].
+
+Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt zij, wie het
+Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben gemaakt. Wanneer
+wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt in _redene_, _wille_
+en _memorie_, dan worden wij herinnerd aan ALBERTUS' indeeling: _ratio,
+voluntas, memoria_[52].
+
+Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend in hare visioenen,
+nooit de grenzen overschreden welke door de R.K. Kerk aan het voelen en
+denken waren gesteld? Er bestaat reden die vraag te doen, waar het
+mystieken geldt. Hoe licht konden zij er toe komen zich te vergelijken
+met andere Christenen en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in
+haar proza en hare poëzie spreekt HADEWYCH van hen die zij "_vreemde_"
+noemt[53]. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde personen die zij
+elders noemt: "valsche broederen die seinen huusgenoote des geloofs".
+Tegenover deze plaatst zij de ware broeders en zusters die zij met den
+naam van de "_nuwe_" (nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet
+waarschijnlijk voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche
+secte als die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest,
+doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om licht moeten
+wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt van het woord _nieuw_ in
+geestelijken zin, in uitdrukkingen als: En ik zag eenen _nieuwen_ hemel
+en eene _nieuwe_ aarde; het _nieuwe_ Jezuzalem; ziet ik maak alle dingen
+_nieuw_[54].
+
+Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een klein aantal
+geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men tot haar opzag, dat zij
+daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing, dat zij kwam tot uitspraken
+als deze: "ic en gheloefs ooc niet, dat enich mensche levet daer God
+also sere af ghemint es". Doch er is een groote afstand tusschen al of
+niet rechtmatige zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar
+proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v. in een zin
+als deze: "Mer in ghebrukene [Zijnoot: genot]" van minnen es men God
+worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men het anathema
+uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een eigen weg naar God
+zoekt, eene kiem van ketterij in zich omdraagt, en dat er naast eene
+kettersche ook eene kerkelijke mystiek leefde: men heeft toch BERNARD
+VAN CLAIRVAUX niet van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat
+"de diligendo Deo" geschreven heeft: "sic affici deificari est"?[55]
+
+In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare poëzie meer dan eens getuigd van
+haren eerbied voor de "heilige kerk", en tegen haar eigen getuigenis in
+mag men haar niet van ketterij beschuldigen.
+
+Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande HADEWYCH'S
+persoon zijn beantwoord.
+
+Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert, dat de
+menschen haar "soo langhe laten leven ende datse enegen raet ochte enecb
+sparen ochte genade te mi hebben, sine tormenten mi altoes met nuwen
+tormente", dan moet men wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging
+om den geloove. Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere
+over ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan komt men
+tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn reizend en
+trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven vereenigd). Onder
+hare geestverwanten noemt zij immers ook "eene beghine die meester
+ROBBEERT doedde _om hare gherechte Minne_"[56]. Eerst in lateren tijd
+zou zij dan eene toevlucht hebben gezocht bij de Cisterciënser-nonnen
+van Aywières en abdis zijn geworden.
+
+Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben, het
+vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster, begijn, non of
+abdis, dankbaar moeten zijn.
+
+Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch naar het
+oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene periode, aanvangend:
+"Nu verstaet die innecheit van uwer zielen, wat dat es: ziele". Men zou
+het gevoelsleven dier mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die
+periode geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan men
+toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in het eerst van
+zijne vlucht:
+
+"Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem weder sienlec....
+Siele es een wech van den dorevaerne Gods in zine vriheit van sinen
+diepsten ende God es een wech van den dorevaerne der zielen in hare
+vriheit.... Dat sien dat naturelec in de ziele ghescapen es, dat es
+caritate. Dat sien hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene
+en can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en rust
+niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit dan minne,
+mer minne hevet meer suetecheiden van zalecheden dan redene. Doch hulpen
+hem dese twee herde zeer onderlinghe, want redene leert minne ende minne
+verlicht redene"[57].
+
+HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne verhevenheid.
+Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij den arend: zooals hij
+de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt de ziel God; dan denkt zij
+niet meer aan heiligen of menschen, zij vliegt alleen "in die hoechede
+Gods". Op andere plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en
+zuiverheid uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich verlaten
+en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt om Gods wil Hem
+behagelijk is.
+
+"Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse ochte ghi van
+hem begheven waert, daer omme en mestroest u selven niet. Want ic segghe
+u waerleke, dat al de ellende die men doeghet met goeden wille te Gode,
+die es bequame [Zijnoot: passend.] in die ghehele nature Gods".
+
+Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere niet, want
+zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit waar zij ons
+mededeelt, hoe God haar eerst het genot had gegeven van Hem lief te
+hebben, doch haar dat ontnomen had, toen zij zich zelve in hare
+onwaardigheid had leeren kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens
+Hem te grijpen, later ontweek Hij hare grijpende hand: "Nu gaat het
+mij", zegt zij, "als iemand wien men iets aanbiedt "te spele" (uit de
+grap) en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt:
+vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eene
+uiteenzetting van haar "ongheval ter minne" uit vrees voor verkeerde
+uitleggingen der "vreemden": "de vreemde souden netelen planten daer de
+rosen staen zouden"[58].
+
+Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote schoonheid is,
+heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S proza. Men ziet het
+b.v. waar zij de kleinmoedigheid van sommige minnende zielen schelst:
+"Inden daghe der gratien sijn si coene ende inden nacht der tribulatien
+soe keren si den rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte
+verheven int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine
+gratie doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy [Zijnoot:
+verdriet.] sere verdroeven."
+
+Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de kerkvaders zoo
+veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij HADEWYCH voor.
+
+Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken in het
+proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen vaak gezien
+wordt[59]. Blijkbaar geschiedde dit met de bedoeling aan de taal eenige
+verheffing en uiterlijk schoon bij te zetten; doch het bloed kroop hier
+waar het niet gaan kon.
+
+Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal den harteklop
+der echte poëzie kunnen hooren.
+
+HADEWYCH mocht al zeggen:
+
+ Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe
+ Ende mi selven mine quale linghe [Zijnoot: verleng.].
+
+Zij liet het daarom niet; zij wist te goed:
+
+ Maer dien ouden ende dien jonghen
+ Coelt sanc van minnen haren moet.
+
+Wel ons, dat zij "van minne" gezongen heeft, want wij hebben daaraan het
+bezit van geestelijke poëzie te danken, niet zelden duister, ook wel
+eens eentonig en onbeteekenend, maar vaker in haar onbestuurde gangen
+voortzwevend met onbewuste gratie en bijwijlen treffend door eene diepte
+en innigheid van gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur
+niet dikwijls zullen aantreffen.
+
+Ook tot hare "vri edele sinne ende wel gheboren" was het verholen woord
+gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan. In hare jonge jaren had zij
+zich geheel aan de minne overgegeven; zij beloofde zich niets dan
+zaligheid van de minne, van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid,
+macht--lacy! het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper:
+
+ jeghen avont
+ Sal men loven den sconen dach.
+
+Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie
+wachtten haar, onnoozele; want:
+
+ Suer ende donker ende overwreet
+ Sijn der minnen weghe in haer beghin.
+
+
+Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en
+dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet:
+
+ Want ic sach eene lichte wolke opgaen
+ Over alle swerke, soo scone gedaen [Zijnoot: van gedaante.],
+ Ic waende met volre weelden saen [Zijnoot: spoedig.]
+ Vri spelen in de zonne....
+ Doe wert mijn hoge [Zijnoot: blijdschap.] maer een waen;
+ Al storve ic, wie es dies mi wanconne [Zijnoot: misgunnen zou.]?
+
+Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te komen leeren
+kennen: vreemden en vrienden had zij laten varen, eer en rust opgegeven;
+hare ziel zooveel mogelijk ontledigd van indrukken, door al het
+geschapene op haar gemaakt; die ziel gemaakt tot een klaren spiegel,
+waarin het beeld der Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de
+minnende ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de
+minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op allerlei
+geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt eerst dat redene
+den grond der minne moet doorglanzen.
+
+Nu kan de ziel de onderscheidene trappen ("graden" en "staghen") der
+minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan dat geschieden; men moet
+geduld oefenen. Menigeen wil wel op gemakkelijke wijze de minne
+deelachtig worden en stelt zich, dorper die hij is, tevreden met een
+klein genot dat voor de hand ligt; doch minne kent dezulken niet:
+
+ Die gherne woude doghen tsuete ellende: [Zijnoot: ballingschap.]
+ Die weghe ter hogher mînnen lant,
+ Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende,
+ Des ghevet de trouwe seghel ende pant.
+ Nu es menech dorper soo truwant [Zijnoot: (schooierig) verachtelijk.],
+ Hi nemt dat hem es naest ghehende [Zijnoot: nabij.]
+ Ende blivet vore minne die onbekende;
+ Metter truanciën cleet,
+ Soo en hevet hi vorme noch ere,
+ Daer minne dat haer bi versteet.
+
+In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene kracht, geen
+merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig aan deze uitspraak der
+minne: hoe dieper gewond, hoe zachter genezen!
+
+Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als een band, een
+licht, een kole vuurs, een dauw, een levende bron; eene helle, die alles
+verslindt. Alleen hij zal haar geheel bezitten, die zich geheel aan haar
+overgeeft. "Den middenweg houden, dat is zalig leven", zeggen de
+vroeden, die naar deze wereld wijs geacht worden--maar HADEWYCH zegt:
+
+ Middelheit moet af,
+ Eer men in mach
+ Ten edelen goede.
+
+Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en
+klagen, maar daarin is toch zaligheid:
+
+ Bi wilen lief, bi wilen leet,
+ Bi wilen verre, bi wilen ghereet [Zijnoot: dicht bij.],
+ Die dit met trouwe van minnen versteet,
+ Dat es jubileren:
+ Hoe minne versleet [Zijnoot: verslaat.]
+ Ende ommeveet [Zijnoot: omvangt.]
+ In één hanteren.
+
+ Bi wilen licht, bi wilen swaer,
+ Bi wilen doncker, bi wilen claer,
+ In vriën troost, in bedwongen vaer [Zijnoot: vrees.],
+ In nemen ende in gheven,
+ Moeten die sinne
+ Die dolen in minne
+ Altoos hier leven[60].
+
+Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot den dood voor
+ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen begrijpen, vóórdat MARIA
+door haren ootmoed de minne zelve had gevangen:
+
+ Wat soo ons god ye onste [Zijnoot: ooit gunde.],
+ Hen wert nie man [Zijnoot: er kwam nooit iemand.], die conste
+ Gherechte minne verstaen,
+ Eer dat maria de goede
+ Met diepen ootmoede
+ Die minne hadde gevaen [Zijnoot: gevangen.].
+ T'ierst was si wilt, doe wert si tam,
+ Si gaf ons vore den leeuwe een lam:
+ Si maecte de demsterheit [Zijnoot: duisternis.] claer,
+ Die hadde geweest donker wel menech jaer[61].
+
+Is men onder strijd en storm van minne door het land van ballingschap
+tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al dat hooge gerucht (der
+wereld) de stilte der nederigheid over de ziel; dan omvat de ziel wijde
+ruimten, dan doorwandelt zij de diepten der minne ("der minnen gewat");
+zij geniet de minne en geniet totdat zij in "orewoet" en geestelijke
+dronkenschap zich zelve verliest.
+
+Poëzie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als deze, kan
+kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij weten te weinig van
+de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek om met zekerheid te kunnen
+spreken over den samenhang van HADEWYCH'S poëzie met de poëzie vóór
+haar. Dat er te onzent, vóór of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen,
+eene lyrische poëzie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen;
+doch iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van de
+poëzie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben leeren kennen.
+
+HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene onmiskenbare
+verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals die zich vóór haar in de
+aangrenzende landen en ook te onzent had ontwikkeld. Onder al dit
+"zingen van minne" verneemt men telkens klanken en motieven die ook in
+de wereldsche minnepoëzie voorkomen. Dat om genade bidden, die klachten
+over den band en den brand der minne, de ellende die de minnaar moet
+doorstaan, die betuigingen dat de minne met haar aanlokkelijk gelaat hem
+van zinnen berooft--dat alles hooren wij ook in de gewone minnepoëzie.
+Woorden als _zeelde_ (minneweelde), _merkaren_ (kwaadwillige spionnen en
+verklikkers), eene uitdrukking als: "de minne heeft de dagen en ik de
+nachten", wijzen in diezelfde richting[62]. De aanvang van een der
+grootere lyrische gedichten:
+
+ Viere meisteren seiden een coninc:
+ Welc ware de starcste dinc
+
+is de gewone van zoovele _tenzonen_ (strijdgedichten) welke,
+in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken
+gemaakt werden[63].
+
+Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van HADEWYCH'S
+liederen aan met een schetsje of een greep uit het natuurleven. Dat
+natuurleven moet dienen ter inleiding van het gemoedsleven, hetzij door
+overeenkomst hetzij door tegenstelling. Zoo b.v. in dit fraaie
+aanvangscouplet:
+
+ Tsaermeer [Zijnoot: thans.] sal in corten tide
+ Tsap van den wortelen opwaert slaen!
+ Daerbi sal, verre ende wide,
+ Beemt ende cruut sijn loof ontfaen;
+ Dies so hebben wi sekeren waen [Zijnoot: vast geloof.],
+ Die voghele werden blide;
+ Die gheet in minnen te stride,
+ Hi sal verwinnen saen [Zijnoot: spoedig.],
+ Opdat hi niet en mide [Zijnoot: zich niet spare.] [64].
+
+Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan het
+natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne en alle verdriet
+te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd door den dauw, op den
+dorenstruik ontluikt; ook in de minne is het: "na groten storme werdet
+dat weder scone"; waar 't gemoed met den rijp van den waan is bedekt,
+daar kan geen loover van minne groeien[65]. Andere vergelijkingen
+verplaatsen ons in het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil
+bouwen, hoe dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich
+zelve bij een kind "dat na sprect dat het spreken hoort"; op de
+vervulling van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals een
+gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij vergelijkingen of
+beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel; op de grens van het platte
+staat zij met haar beeldspraak van de taverne waarin Minne hare gasten
+bedient. Aan de volkspoëzie en wel aan de oudste leugenliederen
+herinneren ons deze verzen:
+
+ Want niet bat en can 't getoonen mijn sin,
+ Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin[66].
+
+Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden wij door hare
+beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan aan het ridderwezen. In
+het proza komt er een enkele maal een voor, zoo b.v. waar zij spreekt
+van de "wijsheit" die "alle die edele ridderen achemeert" [Zijnoot:
+uitrust.] in den strijd der minne; doch in de poëzie wemelt het
+ridderleven ons telkens voor de oogen. De gansche voorstelling van het
+zoeken der minne als een strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft
+overigens waarschijnlijk ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij
+hooren van "doorhouwen schilden" en "schermen onder den scilt", van
+"joesten", eenen "keer doen" (zich door den vijand heen houwen en langs
+denzelfden weg terugkeeren), van "sinen hoghen telt (draf) riden", van
+"heervaert", "kimpen" (kampvechters), "vesten", muren en grachten; van
+koene ridders die een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van
+"schachten die diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het
+ridderleven kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en het
+is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres van het vers:
+
+ Fiere herte en was nie [Zijnoot: nooit.] bloode
+
+gelijk zoovele Cisterciënser-nonnen van adellijke afkomst is
+geweest[67].
+
+Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel van haar geest
+en haar gemoed.
+
+Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele weet te
+vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen die haar eenigszins
+kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt. Haar gevoel is dikwijls
+onbestuurd en doet hare poëzie dan vervloeien tot muzikale
+woord-arabesken, die uiting geven aan hare gemoedsstemming, al kunnen
+wij daar het verband tusschen gevoel en klank niet waarnemen. Op menige
+plaats geven hare verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener
+ziel met het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat
+brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben beseft. Voor
+het eerst--immers nog vóór WILLEM VAN AFFLIGHEM--vinden wij in de
+geschiedenis onzer woordkunst het besef uitgesproken van het onvermogen
+der taal om de diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over
+de Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: "van al dien dat in ertike es, mach men
+redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe en wetic gheen dietsch
+noch gheen redene". En elders lezen wij over het zich oplossen van den
+mensch in God: "ay, ic en dar [Zijnoot: durf.] hier af nemmeer scriven,
+ic moet emmer van den besten meest swighen... ende hier omme quetse ic
+mi, dat ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, dat
+der pinen [Zijnoot: moeite.] wert es, ochte woorde na [Zijnoot:
+volgens.] miere zielen gront." Ook in hare poëzie vinden wij uitingen
+als:
+
+ Het mochte dat inneghe gedinken
+ De tonge verminken,
+ Sprake siere af meer[68].
+
+Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden en smarten
+der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige taal, telkens nieuwe
+rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend met het lichte spel van
+rijmklanken, van staand en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein.
+
+Eentonig--heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig? Ook de
+heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich gelukkig voelen, omdat de
+blik er niet op grenzen stuit, noch in het wijde rondom noch in het
+diepe omhoog; wier oog met welbehagen rust op frissche wel en volle
+beek, op den dorren grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn
+stemmig bruin, en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der
+erica.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] _Spiegel der Zonden_ (ed. VERDAM), vs. 4852-3.
+
+[2] Zie bl. 124, 6.
+
+[3] Vs. 5-15. Den naam _Digenen_ kan ik niet thuisbrengen. De eenige mij
+bekende naam die op dezen gelijkt, is die van den ridder _Degener_ die
+door zijne minnares LUSSEWINE verraden wordt. Vgl. de romance in H. v.
+FALLERSLEBEN'S _Horae Belgicae_, II, 29.
+
+[4] Uitgaven van het volledig gedicht en van eenige fragmenten vermeld
+door TE WINKEL, _Gesch._, bl. 266 en in PETIT'S _Bibliographie_, no. 478
+en 1143. Zie verder het belangrijk artikel van VERDAM in: _Versl. en
+Meded. der Kon. Akad. v. Wet._, 4e Reeks, Deel IV.
+
+[5] In vs. 4055 wordt "die ewangeliste" genoemd; in vs. 4059 "sinte
+Gregorijs"; in vs. 4067 "sinte Augustijn". Doch is dit deel van het
+gedicht van den oorspronkelijken dichter, die de Roode Zee: de
+_leverzee_ noemt, (vs. 1130)?
+
+[6] Vgl. vs. 165 vlgg.; 1100, 1292, 1310, 1342, 1584, 1752, 1760, 2076;
+vs. 217 vlgg.; 478, 930, 1352 en de telkens volgende verzen.
+
+[7] Vgl. o.a.: 376, 660, 1837, 1843, 2857, 3678; vs. 345 vlgg.; 860
+vlgg.; 644, 650, 1277, 666; 1775-8, 1802, 1910.
+
+[8] Vs. 517, 757 vlgg.
+
+[9] Vs. 2154-'67, 2353-'62, 2788 vlgg.; 2860, 2885 vlgg.; 2923, 2950
+vlgg.; 3039 vlgg.
+
+[10] Vs. 754-5, 1634, 271-2, 4277.
+
+[11] Vs. 354-5 (het Ovidiaansch: "eodem argento" maar minder fijn);
+2251, 1402.
+
+[12] Vgl. vs. 1050 vlgg., 1382 vlgg.; 1685, 1864; 1179, 2394, 2396;
+2376, 2720, 1539 vlgg.; 2054, 3903 vlgg.; 2340-1.
+
+[13] Vs. 1130.
+
+[14] Zulke plaatsen zijn vs. 478 vlgg.; 1417 vlgg.; 1626 vlgg.; 1986
+vlgg.; 2088 vlgg.; 2440-'64; 2983 vlgg.; 3195 vlgg.; 3277 vlgg.; 3395
+vlgg.; 3445 vlgg.; 3483 vlgg.
+
+Op menige plaats kan men zonder moeite een lied in vier- of meerregelige
+coupletten, welker aanvang of slot door gelijke verzen wordt aangegeven,
+herkennen. Door te letten op den bouw dier liederen kan men dan den
+blijkbaar sterk geïnterpoleerden tekst zuiveren. In het door WILLEMS
+uitgegeven fragment naar een hs. der 14e eeuw vinden wij de coupletten,
+MARIA MAGDALENA in den mond gelegd (vs. 1417 vlgg.) doch door den
+afschrijver verknoeid; het volledige hs. (der 15e eeuw) geeft hier een
+zuiverder tekst. Echter heeft ook deze eene critische zuivering
+hoognoodig. Opmerkelijk is (VERDAM merkte het reeds op) hoe dikwijls van
+vier verzen met gelijk rijm twee bij eenig nadenken al spoedig
+interpolaties blijken.
+
+[15] Het hs. is waarschijnlijk geschreven door zekeren MARTIJN van
+Thorout in de abdij van EENAME bij Oudenaarde. Zie over dat hs. _Belg.
+Museum_, III, 197 vlgg.; NAP. DE PAUW, _Mnl. Gedichten_, II, Inleid.;
+PRIEBSCH, _Deutsche Handschriften_ enz., no. 177.
+
+In vs. 752 van het leven _van S. Aechte_ wordt als jaar der
+vervaardiging 1286 genoemd; S. WERNER is volgens de A.S. gestorven in
+1287 en in vs. 13-15 van zijn leven lezen wij: "dat doet es bleven _nu
+nichtinghe_"; in het leven _van S. Marie Egyptiake_, vs. 687-9: "dit was
+ghemaect.... MCC ende neghentech jaer."
+
+[16] Een tijdgenoot dezer dichters, de Fransche poëet RUTEBEUF schreef
+eveneens eene _Vie sainte Marie l'Egyptianne_. De Mnl. bewerking, die
+uitvoeriger is, heeft, voorzoover ik kan zien, niets met deze bewerking
+gemeen dan natuurlijk de hoofdzaken, die men o.a. vindt in de _Legenda
+Aurea_ (ed. GRÄSSE), p. 247, c. LVI.
+
+[17] _Van sente Aechte_, vs. 668 vlgg. en vs. 762 vlgg.; _van sente
+Waerneer_, vs. 5 vlgg.; ook het slot van _van sente Marie Egyptiake_.
+
+[18] Vgl. PIRENNE'S _Gesch. Belgiëns_, I, 36. Het klooster Thorout
+(Thor-hout?) lag niet ver van Sluis.
+
+[19] Vgl. over de vraag of MAERLANT een Dietsch dan wel een Fransch werk
+zal hebben bedoeld JONCKBLOET'S _Gesch. der Ned. Lett._, II, 88-90.
+
+FRANCK is van oordeel, dat M. ook wel een Fransch gedicht kan hebben
+bedoeld; JONCKBLOET'S betoog komt mij echter overtuigend voor. Zou
+MAERLANT trouwens wel van een _Fransch_ werk hebben kunnen zeggen, dat
+het "wyde becant" was? Kennis van het Fransch was in de 13e eeuw
+geenszins algemeen in Vlaanderen.
+
+[20] Zie de literatuur-opgaven bij TE WINKEL, (p. 408); daar ook den
+titel van VAN HAMEL'S uitgave van het oorspronkelijk Fransch werk. Ik
+verwijs hier steeds naar de nieuwste uitgaaf van Dr. P. LEENDERTZ.
+(Amsterdam. 1893).
+
+[21] Vgl. b.v. no. 15, 39, 44, 48, 51, 86, 114, 117 van den _Rinclus_
+met de overeenkomstige coupletten van het oorspronkelijke.
+
+[22] Vgl. no. 38 (v.d. _Rinclus_) met het origineel; vs. 936 (_Rinclus_)
+met str. no. 81, 11; voorts no. 5, 12 v. _Mis._ met de bewerking; no.
+104 (met 103 v.d. _Rinclus_) no. 109 (met 108); in no. 112 de
+uitdrukking: _n'en leva pas le ventre vuit_, die niet in no. 111 (_R._)
+te vinden is; no. 120 (_Mis._). De varianten van 29 door VAN HAMEL
+medegedeelde hss. zijn hier zonder beteekenis.
+
+[23] Vgl. _Rinclus_, no. 117; vs. 526 (_Mis._, no. 43, 5-8); vs. 691
+(_Mis._, no. LVII); vs. 1114 (_Mis._, no. 96, vs. 8); vs. 595 vlgg.
+
+[24] Reeds JONCKBLOET had deze overeenkomst opgemerkt. Vgl. zijne
+_Gesch. der Ned. Lett._, I, 434. Meer punten van overeenkomst zijn
+aangewezen in FRANCK en VERDAM'S uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Ged._,
+Inl. LXXXVIII.
+
+[25] _Scivias_ i.e. _nosce vias Domini_ (onderzoek (leer kennen) de
+wegen des Heeren).
+
+[26] Vgl. _Acta Sanct._ (ord. S. BENED). Junii III, p. 612 ("Deinde cum
+inchoaretur Missa de beatissima Virgine Domina Nostra (sabbatum enim
+erat), veni in extasim." "Et his dictis, ab extasi reversa sum", p. 617:
+"In Exaltatione Sanctae Crucis saepe in extasi facta"; p. 619: "Accidit
+in prima Dominica solennis Jejunii in primis Vesperis, ut venirem in
+mentis excessum"; p. 620: "In die ad Missam, cum inchoaretur Passio
+Domini, iterum in extasim veni."
+
+[27] In een brief der abdis van ANDERNACH aan HILDEGARDE (_Epistola_
+CXVI) vraagt eerstgenoemde of het waar is, dat H. alleen adellijke
+jonkvrouwen in haar klooster opneemt.
+
+[28] Het hier beknopt samengevatte werd door mij ontleend vooral aan:
+MOLL'S _Kerkgesch._, (zie: _Alg. Reg._, p. 181-2. Zonden heerschende bij
+geestelijken en kloosterlingen), voorts pass. en o.a.: II, 2, 1 vlgg. en
+148 vlgg.; PREGER, _Gesch. der deutschen Mystik_, I; SABATIER, _Vita di
+S. Francesco d'Assisi_; MIGNE, _Patrolog._, T. 197; _Acta Sanct._ (ord.
+S. BENED). Junii III, 604-643. _Offenbarungen der Schwester Mechthild
+von Magdeburg...._ herausgeg. von P. GALL MOREL; WYBRANDS, _De Abdij
+Bloemhof_, p. 136-7. AUGER'S _Etude sur les Mystiques des Pays-Bas_
+geeft weinig nieuws van beteekenis.
+
+[29] Vgl. _Leven van Sinte Lutgart...._ door F. VAN VEERDEGHEM. Leiden,
+voorheen E.J. BRILL. 1899.
+
+[30] Vgl. ald. III, 4580-'84. De _Vita_ schijnt slechts van _de hand_ te
+spreken. Zie _Inl._ XI.
+
+[31] Vgl. over dat alles VAN VEERDEGHEM'S _Inleiding_.
+
+[32] Zie staaltjes dier breedvoerigheid t.a.p. XXXV-XXXVI.
+[33] _Vita_ (in de _Acta Sanct._, Junii, T. III), p. 246, c. 11; _Leven
+van S. Lutgart_, IIe Boek, c. XII.
+
+[34] II, vs. 1684 vlgg.; 2576 vlgg.; III, 956-979.
+
+[35] De bedoelde plaatsen, voorzoover niet reeds aangewezen, vindt men
+II, 1297; 516-562; vgl. ook vs. 7479-'83 met het origineel, waar men
+slechts deze woorden vindt: "cum Moniales alta voce cantarent."
+
+[36] De uitgever zegt: "assonances hebben wij er niet opgemerkt" (_Inl._
+LXIII). Ik vond er slechts één (II, 241-2: _talen_ || _maken_).
+
+[37] De voornaamste plaatsen waar over de _minne_ gesproken wordt, zijn
+II, 81-88; 1220 vlgg.; 1339; 4625-'7; 5262-'7; 6283 vlgg.; 6388-'98;
+6969-'88; 7787-7806; 7848-'52; 7906-'13; III, 1789-'91; 2008-'32;
+3070-'84; 4564-'7.
+
+_Orewoet_ genoemd: II, 6409, 7066, 7544, 7893, 13927.
+
+Al deze plaatsen worden in het Latijn niet aangetroffen. Slechts van
+III, 3070-'84 vindt men iets in het Latijn terug ("pia Lutgardis in
+oratione cum Domino mira spiritus instantia luctabatur. Tandem vero, ubi
+in ira Dominum misericordias continentem evincere non valebat" etc.).
+
+[38] Uitgaven van haar werk: _Gedichten_ in Maetschappij der Vlaemsche
+Bibliophilen, 4e Reeks, no. 2; _Proza_, id. no. 11. De hss. ter Bibl.
+Royale te Brussel Cat. Ned. hss., no. 2877-'80 en ter Univ.-Bibl. te
+Gent. Vgl. voorts over die hss. _Vaderl. Museum_, II, 136 vlgg. Een
+artikel van PAUL FRÉDÉRICQ over: _De geheimzinnige ketterin
+Bloemaerdinne_. (Zuster HADEWYCH) in: _Versl. en Meded. der Kon. Akad.
+v. Wet._, 3e Reeks, Deel XII en het stuk daartegen van E. VAN EVEN in
+_Dietsche War._ van 1896. Voorts: _Untersuchungen über die Werken van
+Zuster Hadewych...._ von M. JÖRIS. Strassburg. 1894.
+
+De voorstelling van RUELENS--FRÉDÉRICQ: Hadewych = Bloemaerdinne is m.i.
+onaannemelijk. VAN EVEN heeft dat reeds ten deele aangetoond.
+
+Tegen die voorstelling pleit vooral:
+
+1o. dat de namen der beide vrouwen verschillen; _Hadewijch_ en
+_Heilwijch_ zijn namen van verschillende afkomst (zie o.a. POTT, _Die
+Personennamen_, 110, 212, 641) en nergens blijkt, dat zij in dien tijd
+ook wel verwisseld worden
+
+2o. de voorbeelden van kettersche leerstellingen, door F. uit HADEWYCH'S
+werken aangehaald, bewijzen niet dat hier inderdaad van ketterij sprake
+mag zijn; ook van die "allerschandelijkste seraphische liefde" zijn in
+HADEWYCH'S werken geene sporen aan te wijzen.
+
+3o. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en haar invloed
+bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok JAN VAN LEEUWEN,
+spreekt van "een overheylich wijf die hiet hadewijch" en van hare "edel
+goddelike leringhe"; die "leringhe" is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S
+geschrift: _die rolie der woedegher minnen_. Zie daarover het artikel
+van Dr. C.G.N. DE VOOYS in: _De XXe eeuw_, IX, 181.
+
+[39] _Proza_, bl. 187.
+
+[40] Vgl. _Quinque prudentes Virgines...._ auctore P.F. CHRYSOSTOMO
+HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de _Vita B. Beatricis_. Was zij
+de Cisterciënser-non, "quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat
+de se ipsa"? (_Vad. Museum_, II, 142), en wier werk door WILLEM VAN
+AFFLIGHEM in het Latijn "satis eleganter" vertaald is? Of moeten wij aan
+HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden wij ook hier weer
+verplaatst onder de Cisterciënser-nonnen en zien wij WILLEM VAN
+AFFLIGHEM in betrekking tot deze.
+
+[41] Vgl. o.a. _Proza_, blz. 5-6, 15, 20-21, den aanvang der _Epistolae;
+Gedichten_, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5-10; 210, 25-28.
+
+[42] _Proza_, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij sommige
+Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese?
+
+[43] _Proza_, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van PAUL
+FRÉDÉRICQ.
+
+[44] _Proza_, bl. 106-7, 128.
+
+[45] _Deuteronomium_ VI, 5. (De tekst van het proza heeft "_diere_
+herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik _dijnre_).
+
+[46] Vgl. _Proza_, bl. 72-3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63.
+
+[47] _Proza_, bl. 104, 143, 179, 119, 126-7. (_Openb._ I, 13 vlgg.),
+146, 144, 151. Vgl. ook FRÉDÉRICQ'S artikel, bl. 83.
+
+[48] Vgl. _Openb._ VIII, 6 en _Proza_, 135; VI, 1 en 135-6; VIII, 13 en
+153-4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met _Proza_, 135,
+139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: "gij moet wederom" enz.
+
+In _Openb._ II, 4 lezen wij: "Maar ik heb tegen u dat gij uwe eerste
+liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: "maar ik heb eenige weinige dingen
+tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: "Mer ic hebbe een dinc te di, daer
+ic mi omme belghe" enz.
+
+[49] Vgl. _De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken...._ door W.
+DE VREESE, I, 427.
+
+[50] _Proza_, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: "ic di, wes mi" in hare
+_Poëzie_, bl. 94, 131, 244.
+
+[51] S. BERNARDI _Opera omnia...._ D. JOANNIS MABILLON. Mediolani. JAC.
+GNOCCHI, 1850, I, _Ep._, XI te vergelijken met: _Gedichten_, XI, 19-20:
+
+Want der knechten wet es vaer [Zijnoot: vrees.] Maer minne es wet der
+sonen.
+
+"Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit sibi:
+tertius filius et defert patri."
+
+Voorts: _Tract. de Conversione_; _de diligendo Deo_; _In cantica sermo
+67_.
+
+[52] Vgl. _Proza_, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK GOETHALS
+van Gent, spreekt van: _nosse_, _velle_ et _posse_. Vgl. _Heinrich von
+Gent_ von Dr. K. WERNER, S. 37.
+
+[53] B.v. _Proza_, p. 43, 93, 107. _Gedichten_ o.a.: p. 5, 41; 26; 86,
+41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2;
+86, 27 en pass.
+
+[54] _Proza_, 14, 24; voorbeelden van _nuw_, _Mnl. Wdb._, IV, 2422 en
+pass. in HADEWYCH'S _Gedichten_. Tegenover de _nieuwe_ plaatst H. ook
+wel eens de _oude_ en tegenover de _vreemde_ de _bekende_. Zie b.v.
+_Ged._, bl. 224 (b.).
+
+[55] _Proza_, 35, 58.
+
+[56] _Gedichten_, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk is
+190, 1 vlgg. _Proza_, bl. 176.
+
+Met "broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der 13e
+eeuw bedoeld. Vgl. FRÉDÉRICQ t.a.p., bl. 90.
+
+[57] _Proza_, bl. 61-2. _Minne_ en _Redene_ als de twee voornaamste
+zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S _voluntas_ en _ratio_.
+
+Inderdaad vinden wij in de _Gedichten_, bl. 196, vs. 15 vlgg. _redene_
+en _wille_ in verband met _memorie_ behandeld.
+
+[58] _Proza_, bl. 87, 5, 3, 68.
+
+[59] _Proza_, bl. 32; voorts 17, 96, 104. _Rijmklanken_ o.a. op bl. 23,
+42, 57, 89.
+
+[60] Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de _Gedichten_, p. 84, 69,
+18, 56, 61, 66-7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne), 92,
+93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der minne),
+242, 264, 21-22, 32; (de geestelijke "dorper"), 39, 42, 43, 46, 49, 105,
+123, 235.
+
+[61] Vgl. _Ged._, 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17-18; ("hoech
+gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; ("gewat"), 9;
+("ghebruken"), _orewoet_, (28, 51, 69, 107, 30-31), 43.
+
+[62] _Ged._, p. 69, 134, 142, 146, 156-7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93.
+
+[63] Vgl. bl. 186.
+
+[64] Bl. 8. En voorts pass. b.v. no. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23, 35,
+41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143.
+
+[65] _Ged._, bl. 11, 15, 24.
+
+[66] _Ged._, bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich
+het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met den
+aanvang:
+
+Een blinde zag een molensteen Ronddrijven in den stroom.
+
+[67] Vgl. _Proza_, bl. 60-61; _Ged._ 14, 32, 36, 53, 55, 78, 79, 83,
+124, 145, 151, 152, 154, 158, 165, 169, 178, 179, 269. Of het vers:
+"Haddic mijn hoege geslachte bedacht" (XXIII, 50) eene zinspeling is op
+haar adeldom (zooals JONCKBLOET meent), schijnt mij twijfelachtig. In
+den mond van mystieken beteekent zulk eene uitdrukking m.i. eer: dat men
+zich een schepsel Gods dan dat men zich van adellijk geslacht voelt.
+
+[68] _Proza_, bl. 59, 77; _Ged._, bl. 252, 254, 257.
+
+
+
+3. POËZIE DER GEMEENTEN.
+
+ De gemeenten tegenover adel en geestelijkheid. _Disticha Catonis_.
+ Dietsche _Ars Amandi_. _Bestiaris_. _Esopet_. De eerste boerde. Roman
+ _van den VII. Vroeden van Rome_. _Van den Vos Reinaerde_.
+
+De ridderschap droeg een half nationaal half internationaal karakter. De
+adel van eenig land mocht zich aan dat land verbonden gevoelen door
+afkomst, taal, grondbezit en van tijd tot tijd met zijne landgenooten
+tegenover andere volken staan--toch had hij met den adel van andere
+West-europeesche volken veel gemeen: dezelfde ridderplichten golden voor
+allen, hun begeeren en streven, hunne leefwijze, zeden en gewoonten,
+waren grootendeels van denzelfden aard.
+
+Ook de geestelijkheid, dienaren eener zelfde kerk die het Westen van
+Europa in haar greep omvatte, had vrij wat internationaals; dezelfde
+klooster-orden vond men in onderscheiden landen; overal droegen "gelijke
+monniken gelijke kappen" en konden van gedachten wisselen in de
+gemeenschappelijke kerktaal.
+
+Tegenover deze beide standen vertegenwoordigen de gemeenten het
+zuiver-nationale element. Poorters en boeren, doorgaans aan stad of dorp
+gebonden, kwamen zelden buiten hunne streek of hunne gouw, veel minder
+in vreemde landen, tenzij een bedevaart of een krijgstocht er hen toe
+dwong. In die talrijke kleine kringen welker samenhang door onderling
+gesloten huwelijken nog versterkt werd, bewaarde men het zuiverst het
+oorspronkelijk volkskarakter in zijne voorname uitingen: taal, recht,
+maatschappelijk en huiselijk leven. Daar sprak men slechts Dietsch, gaf
+en ontving recht volgens voorvaderlijke instellingen, en bewaarde de
+eeuwen door een schat van instellingen, gebruiken, zeden en gewoonten.
+
+Het ideale streven van den adel en de geestelijke "minne" waren voor
+hunne nuchterheid te hoog. Oorlog en hoofsche minne, in de ridderromans
+verheerlijkt, konden nog niet veel aantrekkelijks hebben voor harde
+werkers, tuk op winst die slechts de vrede hun brengen kon; voor
+eenvoudige boeren en poorters, die nog niet veel gaven om oorlogsroem,
+uiterlijke beschaving en verfijning. Zeker, ook zij hadden behoefte aan
+iets hoogers dan het dagelijksch werken om den broode. In die behoefte
+voorzagen de kerk en het geloof voor een groot deel; doch naarmate het
+geestelijk leven onder de gemeenten zich ontwikkelde, begonnen ook zij
+smaak te krijgen in eenig letterkundig werk dat hen kon vermaken,
+onderrichten of stichten. Wat aan een of meer dezer drie voorwaarden
+voldeed, had kans de gemeente te behagen--indien het niet te omvangrijk
+was; want onder burgers en boeren had men niet zooveel vrijen tijd als
+in kasteel of klooster.
+
+Van dien aard was de Latijnsche verzameling van eenvoudige zedelessen
+onder den naam _Disticha Catonis_ uit de eerste eeuwen onzer
+jaartelling, die in bijna ontelbare bewerkingen of vertalingen onder de
+volken van West-Europa was verbreid[1].
+
+Dat "bouc van zeden" zooals MAERLANT het noemt, werd reeds in 1253 zóó
+hoog geschat, dat men het op de scholen van Yperen als leerboek
+gebruikte; toen DIEDERIC VAN ASSENEDE zijn _Floris en Blancefloer_
+bewerkte, nam hij in zijn gedicht een drietal verzen uit den "bouc van
+zeden" op, die hem blijkbaar nog van de schoolbanken heugden. De korte,
+grootendeels vierregelige stukjes, in eenvoudige taal en doorgaans
+paarsgewijze rijmend, waren daartoe dan ook wel geschikt. Met hun inhoud
+kon het middeleeuwsch geslacht zeker zijn voordeel doen. Zij vonden hier
+enkele voorschriften in den geest van het Christendom, zooals: den dood
+niet vreezen, zich niet schuldig maken aan overspel of vrekheid. Veel
+meer echter zulke die gericht waren op algemeene zedelijke vorming, op
+de praktijk des levens, het aankweeken van zachtheid en heuschheid, het
+aanleeren van goede manieren: vroeg opstaan, niet te veel eten en
+drinken, niet veel praten onder het eten, zijn kinderen een ambacht
+laten leeren, spaarzaam zijn, weer goed maken wat gij in dronkenschap
+misdreven hebt; ais gij ziek zijt, kies dan iemand die verstand heeft
+van de geneeskunst; let niet op droomen, beproef niet te doen wat uwe
+kracht te boven gaat; maak u niet boos op uwe dienstbaren, geloof uwe
+vrouw niet als zij te onrechte over hen klaagt, bedenk dat zij menschen
+zijn als gij; aanvaard minzaam ook een kleine gift, scheld niet die u
+liefhebben; bespot oude menschen niet; tracht wijs te worden: onderricht
+in den landbouw kunt gij vinden bij VIRGILIUS, in den oorlog bij
+LUCANUS, in de minne bij OVIDIUS. Wacht u voor menschen die weinig
+spreken:
+
+ Men seit: die vloet die stille staet,
+ Soe [Zijnoot: zij.] es dieper dan die harde gaet.
+
+Bemin het geld om zijn gebruik; bezit gij have en goed, geniet er dan
+van. Gij moogt wel een spiering uitgooien om een kabeljauw te vangen.
+
+OVIDIUS' onderricht in de minne, waarvan de _Dietsche Catoen_ spreekt,
+was te vinden o.a. in een uit het Fransch vertaald gedicht, dat
+waarschijnlijk tot dezen tijd behoort en de _Ars Amandi_ behandelde. Ook
+in een _bestiaire_--wij zouden zeggen: een _beestenboek_--zooals een
+Fransch geestelijke van hoogen rang, RICHARD DE FOURNIVALL, er in den
+aanvang der 13de eeuw een schreef, dat toepasselijk was gemaakt op de
+liefde. Zulk een "bestiaris van minnen", waarschijnlijk uit dezen tijd,
+kwam gedeeltelijk tot ons.
+
+Veel meer in trek echter waren de echte "bestiaires" die een overzicht
+van gesymboliseerde zoölogie behelsden. MAERLANT verhaalt ons dat Heer
+WILLEM UTENHOVE, "priester van goeden hove" te Aardenburch, zulk een
+_Bestiaris_ had gemaakt. Doch hij was van den rechten weg afgedwaald,
+doordat hij een Fransch gedicht tot voorbeeld had gekozen. Misschien was
+dit voorbeeld PHILIPPE DE THAON'S _Bestiaire_ uit den aanvang der 12de
+eeuw, waarin o.a. de leeuw Jezus-Christus voorstelt; de eenhoorn die
+zich laat vangen door eene maagd: God die afgedaald is tot Maria; de
+krokodil den duivel; de sirenen die in zee de schippers verlokken: de
+rijkdommen in de wereld de menschen verleidend enz.[2].
+
+Doch hoe nuttig zulke zedelessen ook waren, zij zetten de verbeelding
+niet aan het werk en vermochten dus niet, wat men van een literair werk
+vooral verlangt: de toehoorders (lezers) aan zich zelven te ontrukken.
+
+Daartoe was het verhaal beter geschikt, het korte verhaal dat tevens een
+nuttige les bevatte. Zulke verhalen zijn van de oudste tijden af bij
+alle volken, beschaafd of onbeschaafd, in zwang geweest en hebben zich
+langs de wegen van mondelinge en schriftelijke overlevering, de eeuwen
+door, van het eene volk tot het andere verbreid. In tijden toen de
+mensch zijne meerderheid boven het dier nog niet zoo sterk gevoelde als
+later, verplaatste de verteller zijne hoorders gaarne te midden der
+dierwereld. Liet hij dieren handelen en spreken als menschen, dan kon
+niemand zich ergeren als ware het op hem gemunt, en het verhaal won aan
+zinrijkheid doordat het den geest der hoorders aan het werk zette, en
+hen zelven de toepassing deed maken. Niet zelden ook voerde de verteller
+de dieren in gezelschap van een of meer menschen ten tooneele of
+vertelde hij een verhaal waarin louter menschen voorkwamen onder
+verdichte namen of aangeduid in algemeene bewoordingen.
+
+Die honderden verhalen in hunne verbreiding over de wereld door den loop
+der eeuwen volgen, daartoe is de wetenschap op verre na niet in staat.
+Slechts hier en daar kan zij ons een kijkje geven op de veelheid hunner
+elkander kruisende kronkelwegen. In het Oosten met name in Voor-Indië,
+zijn vele dezer verhalen al vroeg opgeteekend en tot grootere werken
+vereenigd; van het Oosten zijn er ettelijke, ten deele langs
+schriftelijken ten deele langs mondelingen weg, naar het Westen gekomen;
+vele andere moeten echter vanouds gemeen goed der menschheid geweest en
+mondeling van het eene geslacht op het andere zijn overgegaan, ook al
+kreeg men door vertalingen eene schriftelijke overlevering naast die
+mondelinge[3].
+
+Waarschijnlijk waren er in de 13de eeuw ook hier te lande verscheidene
+dierenfabels in omloop[4]. Echter berust de eenige Nederlandsche
+fabelbundel van dezen tijd die tot ons is gekomen niet op mondelinge
+overlevering, maar bevat zij eene vertaling van een Latijnsch origineel
+dat bekend staat onder den naam _Romulus_. Misschien had MAERLANT het
+oog op dezen bundel, toen hij in zijn _Spieghel Historiael_ verhaalde
+dat de "favele" van ESOPUS door een paar dichters, CALFSTAF en
+NOYDEKIIN, waren verdietscht "in rime scone ende fijn" en ze aanprees om
+de "spellecheit [Zijnoot: vermakelijkheid.] ende wijsheit van zinne" die
+men er in vond[5].
+
+De bedoeling ook van dezen fabelbundel, gewoonlijk _Esopet_ genoemd, was
+natuurlijk lessen van menschenkennis en levenswijsheid mede te deelen.
+De schrijver van den proloog bereidde zijne hoorders (lezers) daarop
+voor, toen hij aldus aanving:
+
+ Ic wille u, in die ere ons Heren,
+ Bi beesten ende bi vogelen leren,
+ Wisen ende wel bedieden
+ Die nature van den lieden.
+
+Aan het slot der fabels zijn die lessen dan ook doorgaans in een paar
+regels of een spreekwoord samengevat. In die goede lessen achtte de
+proloogschrijver de verdienste van het boek gelegen. "Let op den inhoud,
+niet op den vorm", zegt hij; in elk woord vindt gij "redene ende goeden
+sin"[6]. Toch mag de bewerking over het algemeen verdienstelijk heeten,
+al is zij onder de handen van een afschrijver er waarschijnlijk niet
+beter op geworden. De 67 fabelen die hier uit den _Romulus_ ter
+bewerking zijn gekozen, behelzen de algemeen bekende verhalen van vos en
+kraai, kikvorsch en os, wolf en kraanvogel enz.; zij zijn meerendeels
+levendig verteld; hier en daar heeft de bewerker de levendigheid
+verhoogd door zijne personages sprekend op te voeren, zooals dat ook in
+de epische ridderpoëzie gebruikelijk was[7]. Hier en daar heeft de
+volksaard aan de vertaling een eigen kleur gegeven. Zoo b.v. waar de
+vertaler de fabel van de muis en de kikvorsch besluit met:
+
+ Hets recht, dat valsche taverniere
+ Drinken van hars selfs biere[8].
+
+Elders komt de maagschap ons herinneren dat wij in middeleeuwsch
+Nederland zijn. Op een andere plaats geeft de bewerker ons een kijkje in
+de middeleeuwsche hel waar de rampzaligen in de (met kokend sulfer en
+pik gevulde) ketels moeten ronddrijven[9].
+
+In een vijftiental dezer fabelen komen naast dieren ook menschen ten
+tooneele, in een vijftal slechts menschen of goden; zij handelen over de
+bruiloft van een dief, over Juno en Venus, een jonkman en eene
+jonkvrouw, een vader met zijn onhandelbaren zoon, een man die uit twee
+monden spreekt. Daar had de dichter een greep gedaan in het algemeen
+menschelijke, daar verplaatste hij zijne hoorders in wat ook nog voor
+hen werkelijkheid was[10].
+
+In hooger mate geldt dat van een der verhalen uit dezen bundel dat ik
+tot nog toe ter zijde heb gelaten, omdat het een karakter draagt,
+verschillend van dat der overige. Het is het bekende verhaal van de
+ontroostbare weduwe die niet wil scheiden van haar mans lijk. Niet ver
+van haar zit een soldaat op wacht bij de galg, waaraan het lijk van een
+misdadiger hangt. De wachter krijgt dorst, klopt aan bij de schoone
+weduwe, stilt zijn dorst en troost haar. Terugkomend, ziet hij dat
+verwanten van den gehangene het lijk gestolen hebben. Bevreesd voor
+straf, roept hij de hulp der weduwe in; deze redt hem uit den brand door
+het lijk van den betreurden echtgenoot in de plaats van het
+misdadigerslijk te hangen.
+
+Het middeleeuwsch woord _fabel_ was, evenals het Oudfransche _fabliau_,
+ruim genoeg om verhalen van dezen aard en verhalen uit het dierenleven
+te omvatten; doch wanneer wij de Nederlandsche bewerking vergelijken met
+het Latijnsche origineel, dan zien wij duidelijk dat wij hier een
+voorlooper onzer latere _boerden_ voor ons hebben. Van het sober, bijna
+droog, vertelde Latijnsche verhaal heeft de Nederlandsche dichter een
+klein tafereel vol leven gemaakt, waarin de naïeve volkshumor van tijd
+tot tijd op voortreffelijke wijze tot uiting komt. Men hoore b.v. het
+eerste onderhoud tusschen de schijndroeve en den wachter:
+
+ "Vrouwe," seegt hi, "God houde u!"
+ "Ay mi!" seegt si, "wie es daer nu?"
+ "Vrouwe," seegt hi, "hier es een man."
+ "Ay mi!" seegt si, "nu vlie dan!
+ "Nemmermeer so ne wil ic comen,
+ "Of God wilt daer men _man_ hort noemen.
+ "Ay mi!" seegt si, "hier leget doet
+ "Mijn soete vrient, mijn beddeghenoet
+ ...
+
+
+Dan de leukheid waarmede de wachter haar troost:
+
+ "Bi Gode!" seegt hi, "lieve vrouwe,
+ "Mi es herde leet uw rouwe;
+ "Maer die levende ende die dode
+ "Moeten sceden, al doen sij 't node."
+ ...
+
+
+Verdraag wat gij niet verhelpen kunt; denk aan uw jonge jeugd. Zoo'n
+mooie vrouw past vroolijkheid beter; en dan, uw man mag flink zijn
+geweest... daar zijn nog betere dan hij:
+
+ "Beter?" seegt si, "ay mi! ay mi!
+ "Wie soude dat sijn, segt mi, wie?"--
+ "Vrouwe," seegt hi, "dat ben ic,
+ "Die u ghemint hebbe een stic" [Zijnoot: eenigen tijd.].--
+ "Ghi hout u scaren [Zijnoot: gij spot.], ic wane," seegt soe.
+ "God weet, vrouwe," seegt hi, "in doe."
+
+Met dezelfde losheid en levendigheid gaat het verhaal voort tot het
+eind, al heeft de afschrijver op al te plompe wijze getracht het slot te
+verknoeien[11].
+
+Een dergelijk verhaal van de ontroostbare weduwe vindt men met
+verscheidene andere vereenigd in een der beroemdste verhalenbundels,
+welke de wereldliteratuur kent, nl.: _van den VII. vroeden binnen Rome_.
+
+Van de vroegste tijden af vindt men bij tal van volken in Azië en Europa
+deze en soortgelijke verhalen vereenigd tot bundels, die onderling
+verschillen doordat, als in een kaleidoscoop, telkens weer andere
+verhalen zich samenvoegen tot een nieuw geheel. De lijst om die verhalen
+blijft dezelfde; overal is het een stiefmoeder die haren schoonen
+voorzoon, een JOZEF-HIPPOLYTUS, belastert bij zijn vader. Telkens wil de
+vader den zoon ter dood laten brengen, doch wordt ook telkens daarvan
+afgebracht door een waarschuwend verhaal van een der zeven vroede mannen
+die den jongeling hebben opgevoed. Tegenover elk dier verhalen plaatst
+de stiefmoeder een verhaal met tegenovergestelde strekking, totdat de
+vader de waarheid ervaart en de booze stiefmoeder doet verbranden. In
+die lijst vindt men telkens weer een verschillend samenstel van
+verhalen, al komen ettelijke van dezelfde verhalen in vele bewerkingen
+voor[12].
+
+In den bovengenoemden Nederlandschen bundel hebben wij waarschijnlijk de
+bewerking eener Fransche proza-redactie[13]. MAERLANT zal wel het oog op
+dit gedicht hebben gehad, toen hij in zijn _Spiegel Historiael_ schreef:
+
+ Maer noit en vand ic, als ic ghome [Zijnoot: naar ik meen.],
+ Ghene VII. vroede te Rome,
+ _Els dan die valsche faloerde [Zijnoot: Behalve dan dat logenverhaal.]
+ Veinset daer af eene boerde_[14].
+
+Ook is het zeer wel mogelijk dat een paar regels uit één der verhalen
+zijn overgenomen uit het verhaal van de weduwe in _Esopet_ of omgekeerd,
+zoodat beide werken niet zoo heel lang na elkander zullen vervaardigd
+zijn[15].
+
+Deze Nederlandsche bewerking geeft ons een aantal der meest bekende
+verhalen, waarvan ik slechts een paar noem om eenig denkbeeld van het
+geheel te geven. Wij vinden hier o.a. het verhaal van den trouwen hond
+die een kind in de wieg verdedigt tegen een slang, de slang doodt en,
+met bloed bevlekt, zich neervlijt bij de wieg die in het gevecht
+ondersteboven is komen liggen. Als dan de vader van het kind thuiskomt,
+de wieg ondersteboven doch niet zijn kind ziet, waant hij dat de hond
+het kind heeft gedood en slaat den trouwen wachter den kop af. Voorts
+het verhaal, reeds bij HERODOTUS voorkomend, van de dieven die in des
+Konings schatkamer binnendringen, waarin één hunner gevangen blijft; dat
+van de vrouw die het geduld van haar man op zware proeven stelt, door
+SHAKESPEARE in zijn _Taming of the Shrew_ gedramatizeerd; van de
+overspelige vrouw die door een slimmen streek haar man 's nachts buiten
+de deur weet te sluiten en de verdenking van ontrouw op hem te laden.
+
+Vergelijkt men de Nederlandsche bewerking met haar voorbeeld dat zij
+over het algemeen vrij getrouw volgt, dan blijkt dat de vertaler in
+menig opzicht te kort schiet: zelden treffen wij een stuk aan dat mooi
+verteld is, al te vaak vinden wij noodelooze herhalingen en stoplappen;
+de bouw zijner zinnen laat nogal eens te wenschen over. Anderzijds is er
+in zijn werk zekere frischheid en iets eigens dat aangenaam aandoet en
+de vele teekenachtige woorden die hij gebruikt, versterken dien indruk
+nog. Zelden of nooit laat hij in eene opmerking of overweging iets van
+zijne persoonlijkheid zien, doch het karakter van zijn volk en zijn tijd
+openbaart zich hier en daar duidelijk. Op meer dan een plaats vinden wij
+een godsdienstig tintje, waar dat in het Fransen ontbreekt; elders
+integendeel een realistisch-erotisch element, dat in het Fransch niet
+gevonden wordt. Soms geeft hij ons een kijkje in de rechtspraak dier
+dagen, in het huiselijk leven en de gewoonte om met Kerstdag zijne magen
+ten eten te noodigen, toont ons dat het verbod om 's avonds na klokslag
+zonder lantaarn uit te gaan toen reeds bestond of, verlevendigt zijn
+verhaal door het aardig weergeven eener tevreden stemming in een regel
+als deze:
+
+ Dat halp den keyser in sijn merch[16].
+
+Zulke teekenachtige uitdrukkingen, in verband met den ganschen geest der
+bewerking en de blijkbare onbedrevenheid van den bewerker in het
+hanteeren der taal, doen mij eer aan een volksdichter dan aan een
+ontwikkeld dichter denken, al blijkt ons niet tot welk publiek hij zich
+bij voorkeur richt.
+
+Opmerkelijk blijft in allen gevalle dat de smaak in korte verhalen van
+dezen aard--zij konden immers alle afzonderlijk worden
+voorgedragen--zich in dezen tijd onder ons volk openbaart. En
+begrijpelijk is het dat men hier nog meer moet hebben genoten van een
+dichtwerk waarin een aantal dierfabels waren verbonden tot een veel
+hechter en schooner geheel dan dat der _VII. vroeden van Rome_.
+
+Men zal beseffen dat ik het oog heb op het voortreffelijk middeleeuwsch
+kunstwerk
+
+VAN DEN VOS REINAERDE[17].
+
+In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt de
+fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit volgt natuurlijk nog
+niet, dat de fabelbundel _Esopet_ ouder moet zijn dan het episch gedicht
+_Van den Vos Reinaerde_; doch welke ook de ontstaans-orde dezer twee
+werken moge zijn, veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet
+ontloopen. En, wat gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier
+waarschijnlijk eene mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of
+onder de schriftelijke.
+
+De bewerker der Latijnsche fabels uit den _Romulus_ moet ook andere
+fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de hand, dan dat die hem uit
+den volksmond bekend, dat zij hem door anderen verteld zijn geworden?
+Anders dan in den _Romulus_ draagt de vos bij hem reeds zijn naam
+_Reinaert_, kent hij den ezel onder den naam _Boudewijn_, den aap onder
+dien van _Martijn_; de vos spreekt den wolf aan met "soete here oom", de
+ezel het everzwijn met "lieve broeder", de kleinere dieren (muis, lam)
+spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met "here" of "edel here"; wij
+vinden in den _Esopet_ reeds de uitdrukking: "van reinaerts spele
+spelen".
+
+Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels
+kenden, zal de verdietsching van den _Romulus_ bij hen in goede aarde
+zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept hebben in die korte verhalen,
+waarin allerlei menschelijk gebeuren, denken en gevoelen was
+voorgesteld; te meer, omdat de acteurs op dit klein tooneel te
+voorschijn kwamen in de gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende
+dieren. Maar in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve
+waren, zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen: den
+hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare, den
+hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand; hier konden zij
+"vroescap leren" in nuttige lessen als: tevreden zijn met weinig, zich
+hoeden voor slechte raadgevers, mooipraters wantrouwen, zich aan een
+ander spiegelen, om het rad van avontuur denken, dat het met groote
+heeren kwaad kersen eten is, "dat behendichede beter es dan sterchede".
+
+En die "vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat zij werd
+voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met rustige vroolijkheid en
+zachte luim en leuke scherts die hier en daar, als in de fabel over de
+vrouwen, tot goelijken spot werd.
+
+Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing van het zooveel
+grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk dierenleven, dat hun in
+het verhaal _Van den Vos Reinaerde_ geboden werd. Alles wat er in
+_Esopet_ te genieten viel, was ook hier aanwezig, maar in hoogere macht,
+en vereenigd tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren
+een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf[18], vos, das,
+ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met uitheemsche
+als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij gelijk aan de
+feodale, bestuurd door Koning Leeuw die met zijne groote vazallen te
+rade gaat. In die maatschappij is er een die zich om recht noch wet
+bekommert, leeft naar eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei
+misdaden zich tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos
+Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel, onbarmhartig,
+telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna ongenaakbaar Maupertuis
+verlatend.
+
+Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van klachten zijn
+tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings rechterstoel vangt aan.
+Reinaerts grootste vijand, Isegrim de wolf, opent de reeks der
+aanklagers. De Koning besluit dat Reinaert driemaal zal worden
+ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens naar Maupertuis gezonden,
+komen met schade en schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het
+aan neef Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld
+tot de galg, weet de schelm zich te redden door den Koning het uitzicht
+te openen op een ver weg begraven schat; dit leugenverhaal heeft hij
+verbonden met zware beschuldigingen tegen beer en wolf. Hij komt er af
+met eene bedevaart; beer en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram
+Belijn vergezellen hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met
+Cuwaerts kop tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert
+met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis.
+
+In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een paar lijnen
+aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen indruk moesten
+wij hebben, voordat wij ons nu kunnen wenden tot het beantwoorden van de
+vragen: van waar had de dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar
+opgevat en uitgewerkt? welke indrukken laat de beschouwing van zijn
+kunstwerk bij ons achter?
+
+Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een of meer der
+Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft gekend, noch dat hij een
+zoogenaamde "branche" dier sage, _Le Plaid_, eenigermate als voorbeeld
+heeft gevolgd.
+
+Van de 12de tot de 14de eeuw hadden tal van Fransche trouvères,
+meerendeels klerken, uit Normandië en Champagne, maar vooral uit
+Picardië en Fransch-Vlaanderen, met liefde deze verhalen behandeld,
+zooals zij zich die herinnerden uit de klassieke fabelbundels, uit de in
+kloosters gedichte Latijnsche verhalen als _Ecbasis Captivi_, _Sacerdos
+et Lupus_, _Gallus et Vulpes_, of uit de mondelinge overlevering.
+Langzamerhand ziet men in het werk der trouvères satire van kerk en
+kerkgebruiken en parodie van ridderwezen en ridderroman op den voorgrond
+komen. Bij de voortgaande ontwikkeling van het literair kunstgevoel
+gingen sommige dichters er naar streven eenheid te brengen in de
+veelheid dezer verhalen. In den aanvang der 13de eeuw (omstreeks 1204)
+zien wij dat streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht
+_Le Plaid_.
+
+Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen
+dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een nieuw werk; tal van
+bekende verhalen en dichterlijke motieven, met kunst verwerkt en met
+tact samengevoegd, zijn daarin door hem met nieuw leven bezield. In het
+eerste deel van zijn werk (ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele
+het Fransche gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het
+verhaal wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook
+andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche "branches" of
+uit de mondelinge overlevering bekend waren. In het tweede deel ging hij
+nog meer zijn eigen weg, daar hij, naar dichters welbehagen puttend uit
+de bronnen der schriftelijke en waarschijnlijk ook der mondelinge
+overlevering, uit de door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is
+er dus wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar hun
+gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen, scherp kan
+die tegenstelling niet genoemd worden.
+
+Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch gedicht
+en de Fransche "branches" zijn ons reeds vroeger aangewezen; die
+overeenkomst heeft soms betrekking op den toestand, soms ook, maar
+minder dikwijls, op de wijze van voorstelling; woordelijke overeenkomst
+kan vooral in het eerste deel hier en daar worden opgemerkt[19]. De tot
+dusver gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd.
+
+Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen, terwijl
+hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat te praten. Een
+tweede aanwijzing vinden wij in het volgende. In het Nederlandsch
+gedicht moet Bruin de beer, op zijne zending naar Maupertuis door
+Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld, een zwaren tocht volbrengen om
+koning Nobel alles te berichten; niet in _Le Plaid_, maar in een der
+andere Fransche "branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde
+omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen, valt door
+Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren mishandeld en sleept
+zich met moeite naar 's konings hof. De weeklachten van vrouwe JULOCKE,
+de pastoorsche, vindt men op de overeenkomstige plaats in _Le Plaid_
+slechts aangeduid; vrij wat uitvoeriger zijn de klachten der
+"prestresse" uit eene andere branche en het meest gelijken zij op het
+gejammer van Dame Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar
+gemaal Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als de
+pastoor. Botsaert, de "clerc" des konings, schijnt van WILLEM'S vinding;
+wij mogen echter niet vergeten, dat ook koning Noble een "clerc" heeft
+in Baucent "le sanglier", al komt deze niet op dezelfde plaats voor als
+in het Nederlandsch. Het gat dat "onder dien spiker verholenlike
+gemaect" was, uit den _Reinaert_, vinden wij niet op de overeenkomstige
+plaats in _Le Plaid_, wel in eene andere "branche" terug[20].
+
+In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden gelegen;
+behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke overeenkomst
+sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat wij hier aan de
+schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering moeten toeschrijven.
+Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM onderscheidene, door trouvère's
+gedichte, verhalen van Renart heeft gekend, maar toch waarschijnlijk
+niet met eene volledigheid die slechts door hedendaagsche critische
+uitgaven bereikt wordt. Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge
+overlevering ook hier niet uit het oog te verliezen.
+
+Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den _Reinaert_ als
+parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in meer dan een der
+Fransche "branches", ook in _Le Plaid_, aanwezig. Hier is het een
+verdienste van WILLEM, dat hij den geest dier parodie zoo uitnemend
+heeft gevat en weergegeven en dat hij getoond heeft dit wapen van den
+spot voortreffelijk te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers
+vond. Hoe duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het
+gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door parodiëering
+der genealogische herauten-wijsheid zulk een komisch-grotesk aanzien
+weet te geven.
+
+Doch ook op eigen hand parodiëert hij het ridderwezen, zooals het hem
+uit Nederlandsche romans bekend was geworden. Dat hij den _Karel en
+Elegast_ voor dat doel gebruikt heeft, wisten wij; op verscheidene
+plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming aan te wijzen. Doch er is
+meer van dien aard te noemen.
+
+In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd wordt: met
+snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten eik op LAMFROIT'S erf
+en bedreigd door een aansnellenden troep dorpers, heeft WILLEM naar alle
+waarschijnlijkheid het Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch
+niet alleen. Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman
+_van Lancelot_ een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer met
+vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men oordeele:
+
+
+ _Reinaert_, vs. 718 vlgg.
+
+ Doe volchde hem een mekel here.
+ Int dorp ne bleef man no wijf:
+ Den bere te nemene sijn lijf
+ Liep 't al dat lopen mochte.
+ Sulc was die enen bessem brochte,
+ Sulc enen vleghel, sulc een rake:
+ Sulc quam ghelopen met enen stake,
+ _So si quamen van haren werke_
+ _Lancelot_, II, 38377 vlgg.
+
+ (Die meyer liep sere verbolgen:
+ Die scepenen gingen hem volgen.
+ Men geboet al ute daer,
+ Wat elc conste vinden vorwaer,
+ Waes 't riec, pike, vleghel, stocken,
+ Hake, sceppen, swingen, rocken,
+ Wat dat si gegripen conden,
+ _Also alsi in haer ambacht stonden_,
+ Nam elc dat ende volgede naer.
+ Sulc nam enen timberbiel daer
+ Ofte ene reke oft een gysarme;
+ En si dattene God bescerme
+ Soe es min here Walewein verloren.
+
+De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in _Le Plaid_
+eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit den Franschen
+_Lancelot_; doch met het oog op de boven gecursiveerde verzen, komt mij
+dat niet zoo waarschijnlijk voor.
+
+Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der _Lorreinen_. In
+het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert lezen wij o.a. dit vers
+(1075):
+
+ wat cost Reinaerde scone tale?
+
+Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch
+(vs. 782) lezen:
+
+ Mes sa parole que li coste?
+
+dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder de oogen
+heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman der _Lorreinen_ den
+verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode (dus onder dezelfde
+omstandigheden) hooren zeggen:
+
+ Want mi cost niet hoefsce tale
+
+dan gaan wij toch vermoeden, dat WILLEM ook dit vers moet gekend hebben.
+En dat met meer reden, omdat er ook andere plaatsen in de _Lorreinen_
+zijn, die ons aan het gedicht _van den vos Reinaerde_ doen denken.
+
+In het Tweede Boek van dien roman vinden wij keizer KAREL te Aken; hij
+zal uitspraak doen in "'t gedinge" tusschen een paar zijner groote
+vazallen: koning OTTE en koning YOEN; de laatste wordt namelijk
+beschuldigd van overspel met OTTE'S gemalin (de verhouding tusschen
+Isegrim, Reinaert en Hersent).
+
+Ook elders in dezen roman vinden wij een paar voorname vazallen met
+hunne magen voor 's Konings rechterstoel hunne zaak bepleitend. GELLOEN,
+de verrader, die in dezen roman eene gewichtige rol speelt, boos, sluw,
+dapper, doet ons meer dan eens aan Reinaert denken: indertijd heeft hij
+in een strijd tusschen zijn heer, koning KAREL, en koning ASPRIAEN, de
+zijde van den laatste gekozen om der wille van ASPRIAEN'S dochter; toen
+hij zag, dat de zaak verkeerd liep voor ASPRIAEN, kwam hij koning KAREL
+"smeken ende lecken || Als die sine quaetheit woude decken." Tot straf
+voor zijne misdaden wordt hem eene "heilege bedevaert" opgelegd[21]. Het
+eerste geval herinnert aan de houding van Reinaerts vader in den strijd
+tusschen leeuw en beer; de bedevaart wordt, zooals men weet, ook
+Reinaert tot straf opgelegd.
+
+Ook hier zou men van oordeel kunnen zijn, dat de overeenkomst reeds kan
+bestaan hebben tusschen de _Chanson des Lorrains_ en den _Renart_ en dus
+het Nederlandsch gedicht niet of niet in de eerste plaats raakt. Doch
+zoo oordeelend zou men geene rekening houden met een gewichtigen, tot
+dusver onopgemerkten karaktertrek van het Nederlandsch gedicht: de
+groote rol die _de maagschap_ daarin speelt.
+
+In WILLEM'S gedicht zien wij de dieren telkens met hunne maagschap
+opkomen en vinden wij over het algemeen een levendig besef van de
+beteekenis der maagschap; in de Fransche gedichten over Renart vindt men
+op de overeenkomstige plaatsen niets daarvan. Neemt men nu in aanmerking
+dat die maagschap vooral in de tweede helft van WILLEM'S gedicht op den
+voorgrond treedt en dat er zeker weinig Fransche riddergedichten zijn,
+waarin de maagschap vaker genoemd wordt dan juist in de _Lorreinen_, het
+verhaal der veete tusschen twee voorname geslachten--dan geloof ik wel
+te mogen aannemen dat WILLEM ook de Nederlandsche _Lorreinen_
+zelfstandig heeft geparodieerd[22].
+
+Zelfstandige parodie van den ridderroman vinden wij ten slotte niet het
+minst in den proloog, die juist om die reden zoo uitnemend strookt met
+het gansche gedicht. Wie den proloog van den _Reinaert_ leest na die van
+_Walewein_ en van _Floris en Blancefloer_, zal in gelijke woorden,
+wendingen en rijmklanken meer dan eens de parodie opmerken[23].
+
+WILLEM beweert zijn gedicht te hebben geschreven op verzoek eener dame.
+Het is natuurlijk mogelijk, dat hij hier de waarheid zegt; doch
+waarschijnlijk acht ik, dat de proloog ook hier de ridderromans
+parodieert, waarin wel eens meer gewag wordt gemaakt van zulk een
+verzoek.
+
+Zoo deelt MAERLANT ons mede dat hij zijn roman _van Alexander_ heeft
+ondernomen ter eere van haar die hem "gevangen" houdt. En nu is het
+opmerkelijk dat wij juist in den _Alexander_ tal van plaatsen vinden die
+ons aan den _Reinaert_ herinneren en hoogstwaarschijnlijk maken, dat
+WILLEM ook dezen roman heeft gekend[24].
+
+Elk dichter die menschen voorstelt in de gedaante van dieren, loopt
+gevaar dat hij het gevoel voor harmonie van zijn publiek te weinig zal
+ontzien; dierfabel en dierepos immers brengen in hun wezen zekere
+tweeslachtigheid mede. Ongetwijfeld is elk publiek gaarne bereid den
+dichter ook in zulke verbeeldingen te volgen, en naarmate een publiek
+eenvoudiger is, zal het te minder gestoord worden in zijn genot door het
+overschrijden der grenzen in dezen. Van den bewusten of onbewusten tact
+des dichters zal het afhangen, of en in hoever hij hier de juiste maat
+weet in acht te nemen en, der menschen leven uitbeeldend, ons toch
+binnen den kring van het dierenleven te houden.
+
+De dichter WILLEM heeft, zoo min als eenig ander, dit anthropomorphisme
+geheel kunnen vermijden. Wij vinden hier immers eene voorstelling der
+feodale maatschappij: de koning bestuurt den staat, zijne groote heeren
+zijn zijne raadslieden, hij houdt een hofdag en behandelt gedingen, hij
+zendt gezanten die brieven meekrijgen, wij hooren van een mis, een
+kapelaan, van het zweren op heilige reliquieën; de dieren doen afstand
+van iets met den symbolischen stroohalm, worden begraven met eene
+lijkmis, hebben een graf met grafschrift, een kasteel, schatten, gaan op
+een bedevaart met "palster ende scerpe", worden terechtgesteld; de galg
+staat voor hen klaar, er wordt bij de terechtstelling op een hoorn
+geblazen. De leden dezer feodale maatschappij vertoonen onderscheidene
+menschelijke aandoeningen: de beer lacht dat hij niet meer kan, Reinaert
+bespot den beer met allerlei aardigheden die op den priesterstand
+betrekking hebben, Reinaert's vrouw Ermeline valt in onmacht, Reinaert
+zelf loopen bij zekere gelegenheid de tranen langs de knevels[25].
+
+Al dit menschelijk-dierlijke, of ten minste verreweg het meeste daarvan,
+had de dichter reeds in zijn voorbeeld gevonden. Nergens echter gaat hij
+de grenzen van den tact zoozeer te buiten als de dichters van _Le Plaid_
+en der overige "branches". Deze laten de dieren op bankjes zitten,
+blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den
+vinger steken, baden en aderlaten; hier werpt men eene in zwijm gevallen
+kip water over den kop, om haar weer bij te brengen. In den _Reinaert_
+vinden wij een enkelen keer eene uitdrukking, aan het paardrijden
+ontleend, gebezigd van dieren: Reinaert en Tibeert de kater loopen
+
+ daer si lopen wilden,
+ dat si nie toghel uphilden[26].
+
+Daar echter nergens in dit of eenig ander deel van het verhaal sprake is
+van rijpaarden, kan deze uitdrukking niet meer beteekenen dan:
+_stilstaan_.
+
+In de Fransche gedichten echter vinden wij, behalve deze uitdrukking
+("onques n'i ot resne tenue") nog vrij wat andere die ons de dieren
+werkelijk te paard zittend voorstellen, hoe zij hun rijdier de sporen
+geven en door de vlakte draven.
+
+WILLEM spreekt van Reinaert's kasteel en zelfs van een der buitenwerken
+daarvan, de "barbecane". Doch daarbij blijft het. In de Fransche
+gedichten krijgen wij het gansche kasteel voor ons met zijne hooge
+muren, ophaalbruggen, het wiket in de poort; in een der "branches" wordt
+zelfs een formeel beleg beschreven; elders gewag gemaakt van het
+Grieksch vuur[27]. Heeft WILLEM dus in de onvermijdelijke
+vermenschelijking der dieren de maat geëerbiedigd, anderzijds weet hij
+de dieren in hun handel en wandel zoo telkens weer voor onze oogen te
+brengen en te houden, dat wij het menschenleven maar flauwtjes door dat
+dierenleven heen zien schemeren.
+
+Nu eens zien wij Reinaert een haas bij de keel grijpen, dan eens aan de
+kleine wolfjes zeker oogwater toedienen waardoor zij stekeblind worden.
+Wij zien hem om een hoenderpark sluipen; de honden gaan hem te lijf, dat
+de vlokken hem van den pels stuiven. In zijn schuilplaats ligt hij zich
+te koesteren op een zonnig plekje. Hij speelt met de jonge lammetjes,
+totdat hij er een dood bijt en het opgelikte bloed den sluimerenden
+moordlust voorgoed wekt. Onder varens verscholen, ligt hij zijn vader te
+bespieden, den ouden vos die met den staart zijn spoor uitwischt; hij
+zelf krabt met zijn pooten het zand weg van den toegang tot een hol, pas
+door zijn vader gestopt en kruipt naar binnen; bij het afscheid van den
+koning en het hof gaat hij op zijne achterpooten staan. Hij bijt Cuwaert
+de keel af en het vossengezin smult van den "goeden vetten hase."
+
+Daar is Isegrim de wolf die zich zoo dik gegeten heeft, dat hij niet
+meer kan ontsnappen door het gat, waardoor hij eerst is binnengekomen;
+die, als hij een kalf of ram heeft buitgemaakt, onder het vreten tegen
+Reinaert gromt en hem de tanden laat zien; Isegrim met zijne magen die
+ons zoo goed geschetst worden in dat ééne vers: "met scerpen claeuwen,
+met diepen monden." Bruin de beer, op zijn staart voor de "barbecane"
+van Malpertuis gezeten, den honing verheerlijkend, met kop en voorpooten
+gevangen in een halfgespleten eik; later zien wij hem afgemat en
+bloedend op den oever liggen, "ende sloech met beiden sinen lanken"
+[Zijnoot: zijden.]; daarna op weg naar des konings hof, beurtelings
+voortschuivend op zijne achterdeelen of zich over den grond wentelend.
+Tibert de kater, op de
+
+muizenjacht in een strik gevangen, die in zijn doodsangst den bijna
+naakten pastoor met klauwen en tanden te lijf gaat; die zich uit den
+strik redt door het touw stuk te bijten. Daar is voorts de haan
+Cantecleer met zijn kippenharem, die zoo lustig en rustig leeft in dat
+mooie park, totdat de roode vijand hen komt belagen; Cantecleer,
+klapwiekend gaande voor de lijkbaar, waarop de door Reinaert vermoorde
+kip Coppe ligt; Coppe "die so wale conste scraven [Zijnoot: (met de
+pooten) schrabbelen.]." Elders zien wij haan en kippen op de hanebalken
+of losloopend bij een schuur, hond en kat kijvend om een worst, de
+ooievaar die de kikkers opslokt en tal van andere beesten die ons
+slechts terloops genoemd worden.
+
+Dat rumoerig dierenleven in zijne bonte afwisseling wordt grootendeels
+afgespeeld onder den blooten hemel in Gods vrije natuur.
+
+Het is Pinksteren in een heuvelachtig land, bosch en hagen staan in het
+groene blad. Op een grasveld houdt Nobel hof; een hooge steen is 's
+konings troon. Onbezorgd wandelt Cantecleer met zijne kippen rond waar
+de groene velden vol bloemen staan. Coppe wordt begraven onder de linde
+(rustplaats van zoo menig minnend hart!) Bruin trekt naar Malpertuis
+door een donker woud, door een wildernis, over een hoogen breeden
+heuvelrug. Langs een krom pad bereiken Reinaert en hij het erf van
+LAMFROIT, waar een eik ligt dien de boer uit het bosch heeft gehaald om
+hem te splijten; een rivier stroomt in de nabijheid. In die rivier
+ontkomt de mishandelde beer aan zijne vervolgers. Op den oever van die
+rivier ligt hij uitgeput, als Reinaert die op een heideheuvel een vet
+hoen heeft verorberd, daarheen komt om zich wat op te frisschen.
+
+Tibert ontmoet op zijn weg de kraai. "Al heil, edel voghel!" roept hij,
+"vlieg aan mijne rechterhand voorbij!" Maar de vogel vliegt in het
+kreupelhout, links van hem: een kwaad voorteeken! 's Avonds laat bereikt
+hij Maupertuis; helder als de dag schijnt de maan over de heide; bij dat
+licht loopen hij en Reinaert naar pastoors schuur.
+
+Ver weg van deze streken, in de wildernis, bij een bosch ligt de bron
+Kriekeput; alleen uilen nestelen in die eenzaamheid; jonge berken staan
+in den bemosten grond om de put. Een dergelijke wildernis moet het zijn,
+waarheen Reinaert ten slotte met zijn gezin de wijk neemt, waar het op
+de heide en in het kreupelhout krioelt van patrijzen en ander gevogelte.
+
+Welk een meester toont deze middeleeuwsche dichter zich reeds in de
+karakteristiek zijner personages?
+
+Welk een brutale zinnelijkheid is er in dien Reinaert, den echtbreker;
+die niet tevreden met de wolvin, ook de gemalin van den koning, naar het
+schijnt, te na is gekomen; die voor zich zelf weet te zorgen en tijdens
+het gevecht der dorpelingen met Bruin een vet hoen wegkaapt; hoe grof
+uiten zich zijne teleurstelling en zijne minachting voor LAMFROIT, als
+deze den beer heeft laten ontsnappen; hij lacht dat hij kraakt bij de
+weeklachten der pastoorsche. Hoe gruwzaam is zijn wraak op Isegrim en
+Bruin en hoe bitter zijn spot over hun ongeluk. Bij zijn afscheid weet
+hij den haas Cuwaert en den ram Belijn met zich te lokken; den eerste
+vermoordt hij en zendt den ander met den kop des vermoorden in een zak
+naar den Koning terug; "er zitten brieven in", zegt hij, "waarvoor de
+Koning u dankbaar zal zijn". Dat is zijn afscheidsgroet. Al zit hij in
+de klem, hij verliest den moed niet. Aan 's Konings hof gekomen na al
+zijne misdaden, krijgt hij het benauwd; toch houdt hij het hoofd op, hij
+loopt als een prins bij den weg. Met de galg voor oogen spot hij nog met
+Isegrim. Zijn zelfvertrouwen begeeft hem ook nu niet, want reeds heeft
+zijn vindingrijke geest een uitweg ontdekt: als terloops laat hij iets
+van een schat verluiden; wanneer dan de hebzucht van Koning en Koningin
+gewekt is, doet hij een kunstig verzonnen verhaal over eene samenzwering
+der dieren om Bruin op Nobels troon te zetten. Dat verhaal besluit hij
+op voortreffelijke wijze met de klacht: "ende arm man Reinaert es de
+blare [Zijnoot: zondebok.] "; langs dien weg weet hij het verhaal weer
+op zich te wenden. Niets is hem heilig: hij maakt grappen bij de biecht
+en begint Latijn te koeteren; als Grimbaert hem berispt dat hij na de
+biecht onmiddellijk een aanval doet op eenige kippen, zegt hij: stoor
+mij niet in mijne vrome overpeinzingen! Onder het voorwendsel van
+Cuwaert een gebed te leeren, grijpt hij hem bij de keel. Hoe ootmoedig
+houdt hij zich tegenover den Koning; hoe nederig tegenover den beer: ik
+moet wel honing eten uit nood, een arm man is geen graaf! Maar des te
+bitterder en onbarmhartiger is zijn spot later, als hij het spel
+gewonnen ziet. Want hij kent geen genade; boven alles is hij _fel_: "de
+felle metten roden baerde", het "felle dier", "die felle creature"--zoo
+noemt de dichter hem bij voorkeur. Zijn eenige zwakke punt is de liefde
+voor zijne zoons: Reinaerdijn, wien de knevels al zoo aardig aan zijn
+muiltje staan en die een aardje naar zijn vaârtje zal hebben; Rosseel,
+"den schonen dief", die hij zoo lief heeft als eenig vader zijne
+kinderen.
+
+Het meest op den voorgrond staan tegenover Reinaert Isegrim en Bruin,
+naast Reinaert zijn neef Grimbaert de das, terwijl Tibert de kater zich
+later ook tegenover Reinaert plaatst.
+
+Van Isegrim wordt ons meer verhaald dan dat wij hem zien handelen of
+hooren spreken. In den aanvang van het verhaal staat hij met zijne vrouw
+Hersinde en zijne magen vóór den Koning; hij is degeen die de reeks der
+klagers opent. Uit onderscheiden verhalen blijkt ons, hoe vaak Reinaert
+en hij als "gezellen" er op uit zijn geweest en hoe slecht Isegrim er
+gewoonlijk is afgekomen. Bij de voorgenomen terechtstelling van Reinaert
+is hij op dreef: hij vermaant zijne magen den schuldige stevig vast te
+houden, Hersinde moet den schelm bij zijn baard grijpen, onderwijl zal
+hij met Bruin en Tibert de galg in gereedheid brengen. In zijn triomf
+over den gehaten vijand maakt hij bittere grappen in vossetrant. Als hij
+hoort dat Reinaert zich heeft weten vrij te pleiten, snelt hij terug
+naar 's konings hof en vaart zoo uit, dat de koning boos wordt en hem
+met Bruin doet gevangen nemen. Terwijl zijne voorpooten gevild worden,
+ligt hij stil; bij Reinaerts spotternijen verkropt hij zwijgend zijne
+woede.
+
+Met blijkbaar welbehagen heeft de dichter den beer geteekend in zijn
+domme zelfgenoegzaamheid. "Maak u niet bezorgd over mij" zegt hij tot
+den Koning, die hem waarschuwt tegen Reinaerts bedriegelijken aard.
+Komisch is hij in zijn naieven lofzang op den honing, niet minder in de
+deftigheid waarmede hij een wijs spreekwoord te pas brengt; hij, de
+gulzigaard, over het "maathouden"! Dan zien wij "arm man Brune" in de
+knijp: met een bebloeden kop, zonder wangen, met slechts één oor, drijft
+hij vloekend de rivier af; hijgend van inspanning, steunend van pijn,
+ligt hij op den oever; liever dan Reinaerts bittere grappen te
+verdragen, springt hij opnieuw in het water. Welk een krachtig komische
+werking doet zijn droefheid over de vermindering van zijn uiterlijk, het
+verlies van zijne "mooie wangen". Wanneer de vos eindelijk als gedaagde
+aan het hof verschijnt, springt hij met zijne verwanten op; gretig neemt
+hij deel aan de toebereidselen tot de terechtstelling.
+
+Grimbaert de das is de eenige trouwe vriend dien Reinaert heeft, die hem
+van den aanvang af verdedigt, die hem trouw blijft, ook nadat zijn oom
+hem droevig heeft gelogenstraft. Wanneer hij ziet, dat Reinaert gevaar
+loopt door niet aan de indaging gehoor te geven, brengt hij zelf hem aan
+'s Konings hof. Is Reinaert veroordeeld, dan gaat hij met zijne magen
+heen, om zijn ooms dood niet te moeten zien. Slecht wordt hij voor zijne
+trouw beloond; om zich van de galg te redden, beticht Reinaert ook hem
+van deelname aan de samenzwering tegen den koning.
+
+Voor Reinaert pleit, althans in den aanvang, ook kater Tibert. Maar hij,
+"een arm wicht, een clene dier" heeft toch na Bruin's mislukten tocht
+weinig trek zijn vriend Reinaert te gaan halen. Onderweg is hij angstig,
+al tracht hij zich goed te houden. Voorzichtig zal hij zijn, maar zijn
+snoepzucht is hem de baas; voor de opening in pastoors schuurdeur
+aarzelt hij, maar Reinaert weet op zijn eergevoel te werken, zooals ook
+koning Nobel dat vroeger gedaan had. In beide gevallen geeft hij aan dat
+beroep op zijn eergevoel gehoor; katten zijn immers ook nu nog dieren
+"qui se respectent." Met welbehagen neemt hij later de beulsrol op zich:
+"ic ne dede nie so lieve pine." Het loopen met het zware stroptouw valt
+hem wat moeilijk, maar hij doet het met goeden wille. In groote zorg
+zien wij hem ten laatste op de galg blijven zitten, wanneer de raaf het
+bericht brengt van Reinaerts vrijspraak.
+
+Daar zijn verder de lichtgeloovige Cuwaert; de waardige Cantecleer, zoo
+fier op zijn groot geslacht en zijn wijze echtgenoot; de angstige en
+domme ram Belijn en andere dieren die geheel op den achtergrond blijven.
+Boven deze staat koning Leeuw, lichtgeloovig, lichtgeraakt, lichtgesust,
+een spotbeeld van een koning, zooals CHARLEMAGNE in zoo menigen
+ridderroman.
+
+ Dus siet men dat behendichede
+ Beter es dan sterchede.
+
+Die slotverzen van een der fabels uit _Esopet_ moeten wel den voornamen
+indruk hebben weergegeven, op de Nederlandsche gemeenten gemaakt door
+dit werk, het rechte epos der gemeentenaren. Voor hen geen ridderidealen
+noch hooge minne. Reinaert was een held naar hun hart: een sluwe
+vermetele boef, koel van hoofd, scherp van zinnen, tuk op zijn voordeel,
+die spot met het gezag en zich weet te handhaven tegen zijne meerderen;
+grappenmaker met een scherpe tong, die ook het heilige niet spaart, die
+pleizier heeft in eigen schelmstukken; wien gewetenloosheid en wreedheid
+werden vergeven, omdat hij ten slotte zijne zaak wint, en omdat hij
+bovendien immers maar een dier was.
+
+Zulk een karakter moet aantrekkelijk zijn geweest voor poorters en
+boeren, wier grove zinnelijkheid met moeite in band gehouden werd door
+het geloof en de wet, wier nuchter verstand gescherpt werd vooral door
+den lust naar voordeel en gewin; wien hartige scherts en losse grappen
+zoo smaakten al liep er wat van SINT ANNA onder; die zelf zoo
+onbarmhartig en genadeloos wreed konden te werk gaan tegen hunne
+vijanden; die hunne wassende zelfstandigheid hadden te verdedigen tegen
+de hoogere standen.
+
+Dat zij van dit dierenverhaal zulk een sterken indruk kregen, hadden zij
+te danken aan den voortreffelijken dichter, van wien wij slechts weten
+dat hij WILLEM heette, een roman van Madoc (uit den Britschen
+sagenkring) had gedicht, en van wien wij mogen vermoeden dat hij in
+Oost-Vlaanderen woonachtig was.
+
+Die dichter toonde zijn meesterschap niet alleen in de karakteristiek,
+maar ook in den bouw van zijn werk. Welk een eenheid heerscht daar!
+Reinaert's figuur beheerscht het gansche gedicht; hij vervult
+voortdurend onze gedachten; is hij niet ten tooneele, dan spreekt men
+van hem. Doch niet minder voortreffelijk is de wijze waarop WILLEM al
+deze, deels overgenomen deels zelfgekozen, stoffen heeft verwerkt en
+vereenigd. Hoe is hij _in_ zijn verhaal, dat slechts hier en daar door
+eene reflexie wordt afgebroken. Welk een pleizier heeft hij zelf in
+zijne stof; zoo b.v. wanneer hij Reinaert in schoenen van Isegrim's huid
+en met een reiszak van Bruin's vel op reis ziet gaan. Trouwens het
+gansche gedicht is geboren uit liefde, liefde tot het uitbeelden van
+menschen, dieren, de natuur.
+
+Wie zoo geestig kon vertellen, schertsen, parodiëeren, moet een fijn man
+zijn geweest.
+
+Van hoeveel takt getuigt het, dat hij Reinaert's overspel met de wolvin,
+in het Fransch de spil waarom alles draait, naar den achtergrond heeft
+geschoven. Hoe geestig weet hij den hoofschen spreektrant na te volgen
+in dat half omsluieren van het onkiesche, waar Reinaert zijn overspel
+aan Grimbaert biecht; want Grimbaert, nog heden een nurksche potentaat
+maar een rustig en, voor zijn doen, fatsoenlijk man, moet vooral op dat
+oogenblik door Reinaert worden ontzien.
+
+Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen roman heeft
+bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in den aanvang van zijn
+verhaal mede te deelen.
+
+Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich één hebben gevoeld met zijn
+volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den dag, waar hij het
+juffershondje Cortois Fransch doet spreken; en Grimbaert bij de biecht
+tot den Latijn brabbelenden Reinaert zeggen: "oom, praat je Fransch?
+spreek asjeblieft Dietsch, dan kan ik je verstaan".
+
+Den hoofschen dichter van _Sinte Lutgarts Leven_, WILLEM VAN AFFLIGHEM,
+smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die opgesmukte leugenverhalen
+van ezels die dansen en springen, van rammen die de mis bedienen[28].
+
+Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is zijn Reinaert
+blijven genieten en het Nederlandsche volk is gevolgd waar de Vlaming
+voorging. Eeuw in eeuw uit, in omwerkingen van velen aard, in volksboek,
+volkslied, volkssprookje kwam "'t looze Reintje" de geesten bekoren met
+zijne vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of
+scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot de kinderkamer.
+Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan deze stof opnieuw de
+hand geslagen, om haar te verwerken in den geest van het oude gedicht of
+om er zijn eigen omgeving parodieerend in af te beelden.
+
+Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft het gedicht
+_van den vos Reinaerde_ een kleinood der Dietsche letterkunde, en de
+nagenoeg onbekende WILLEM een dichter die onder de middeleeuwsche
+kunstenaars van het woord te onzent geen meerdere en te nauwernood zijns
+gelijke heeft gevonden.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] Uitgave van Dr. A. BEETS. (Groningen. WOLTERS. 1885).
+
+[2] Fragmenten van een bestiaris van minnen (oorspronkelijk of
+vertaald?) en van een gedicht getiteld "_Hier beghint Ovidius_", dat uit
+het Fransch is vertaald, uitgeg. door BORMANS in: _Bulletins de l'Acad.
+Roy. de Belgique_, T. XXVII, 488.
+
+MAERLANT'S mededeeling in _Der Naturen Bloeme_, (ed. VERWIJS), bl. 5.
+Zie voorts over de _bestiaires_: PETIT DE JULEVILLE, a.w. II, 164 suivv.
+en: _Geschichte des Physiologus_ von Dr. F. LAUCHERT. Strassburg. 1889.
+
+[3] Ik volgde hier hoofdzakelijk de voorstelling van BÉDIER in zijn
+bekend werk _Les Fabliaux_.
+
+[4] Vgl. het artikel van Dr. J.W. MULLER in _Taal en Letteren_, XIV,
+490.
+
+De verzen uit _Sinte Lutgart's Leven_ (II, 95-6):
+
+Daer doen si stomme beesten spreken _Daer doen si simmen speren breken_
+
+wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men opmaken,
+dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een tournooi van
+apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns wetens, niet tot ons
+gekomen.
+
+[5] T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL.
+
+[6] Aldus versta ik de verzen (vs. 19-20):
+
+Maer merket ende hoert Meer die redene dan die woert.
+
+[7] Vgl. b.v. no. 11, 1-2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg.
+
+[8] De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe.
+
+[9] Vgl. no. 3; no. 50; no. 30; no. 66. Het Latijn heeft op deze
+plaatsen niets van dien aard.
+
+[10] no. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd tusschen
+den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de dierenwereld
+(LXV).
+
+[11] De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte, onmogelijk
+van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn.
+
+Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts het
+volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille videret
+feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et tertio."
+Vgl. _Romulus_ (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung), p.
+69, III, 9.
+
+[12] Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur daarover gaf
+Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: _Die hystorie van die seven
+wijse mannen, van romen._ 1898. De Erven F. BOHN. Haarlem. Hoofdstuk I.
+
+[13] Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, _De Middelnederlandsche bewerking
+van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome._ (Utrecht. 1899).
+
+[14] I, p. 92.
+
+[15] Vgl. _Esopet_, vs. 51-2:
+
+Mi es te nacht een dief verstolen, Die mi op thoeft was bevolen
+
+met _VII. Vroeden,_ 3248-9:
+
+Ende hem van der galgen verstolen, Die hem te wachten was bevolen.
+
+Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier uitgave
+van Dr. STOETT in _Noord en Zuid_, X, 6.
+
+[16] Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg.
+
+Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "_Maer so
+een meer maelt, so hi moeder es._" (Vgl. mijn _Lied in de Midd._ over de
+molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het verbod
+van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur van Antwerpen
+van 1438-'9: "dat nyement by nachte en ga achter de straten na de
+diefclocke sonder lanteern ofte licht." (_Antw. Bibliophilen_, no. 3,
+bl. 134).
+
+[17] Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij moet
+gevoegd worden vooral: _Les Sources du Roman de Renart_ par L. SUDRE,
+(Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof. J.W. MULLER in
+_Taal en Letteren_ van 1895; de nieuwe uitgave
+
+"_van den Vos Reinaerde_" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER; de
+artikelen dezer geleerden in _Taal en Letteren_, 14e jaargang.
+
+Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN; voor
+de Fransche branches naar MARTIN'S _Roman de Renart_, ook naar een
+uitnemend artikel van VORETZSCH in _Zeitschr. für roman. Philol._, XV en
+XVI.
+
+[18] Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en trouwens
+in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl. _Siècle des Artevelde_,
+p. 251 en _Mém. Cour. de l'Acad. Royale de Belg._, XXXII, 221.
+
+[19] Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN; Prof. J.W.
+MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in het genoemde artikel
+in _Taal en Letteren_.
+
+[20] Vgl. _Reinaert_, vs. 623-6 met _Br._, XIV, 302-6 (al is daar geen
+"gepeins" maar "dire soef"); dit "binnensmonds spreken" ook I, 2785,
+2841. _Rein._, 960-'81 met _Br._, X, 687-716; _Rein._, 1258 vlgg. met
+_Br._, I, 879-882; VI, 207-224; _Br._, I b. 2702-2722; _Rein._, 3368
+vlgg. met _Br._, I, 942-3; _Rein._, 1510 vlgg. met _Br._, I, 1050-'54 en
+XIV, 258-9, 665 vlgg.
+
+[21] Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (_Karel de Groote en
+zijne XII. Pairs_), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244.
+
+[22] De bedoelde plaatsen in den _Reinaert_ zijn: vs. 62: "Isingrijn
+ende sine maghe"; 1024: "te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084-5;
+voorts: vs. 1666: "ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic
+eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: "so arem no van so cranken maghen";
+vs. 1850: "Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884-5: "Orlof nam
+Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen"; 1899-1900: "al es
+Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden maech"; 2191: "som van
+minen liefsten maghen || die ic node soude bedraghen" (ook vs. 2228,
+2913); vs. 2463: "ser Isingrijns maghe"; 2720: "doe haddics rauwe als
+een sijn maech"; 3398-9: "hi was een deel des coninx maech || hi mocht
+wel doen"; vs. 3449: "alle sheren Belijns maghe"; 3456-7: "Reinaerde...
+ende allen sinen maghen".
+
+[23] Vgl. _Rein._, 11-17, 32-7 met _Flor. en Blanc._, 1-13, 65-75;
+_Rein._, 1-9 met _Wal._, 1-6; _Rein._, 1-2 met _Wal._, 23-24.
+
+[24] Vgl. FRANK'S uitgave van den _Alexander_, Inl. XVII-XVIII. F.
+gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft. Mij
+komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien: bij
+de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensie van F.'s
+werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.: _Alex._, VIII, 315 te verg.
+met _Rein._, 1589.
+
+VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard geacht,
+dat de rijmen dier verzen: _oghen_ || _ghedoghen_ in datzelfde boek nog
+tweemaal voorkomen: VIII, 251-2, 751-2.
+
+Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit den _Alexander_,
+welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor zijn
+blijven hangen, dan dat MAERLANT het ééne verspaar uit den _Reinaert_
+zou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt hebben.
+
+Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van
+WILLEM'S proloog en dat der _Enfances Ogier_ van ADENEZ LE ROI: Li roi
+ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal ber, soit
+corrompue, pour ce i veut penser etc.
+
+[25] Vgl. o.a. _Rein._ 83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713,
+1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980, 2993,
+3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen.
+
+[26] 1159-1160.
+
+[27] Vgl. _Br._, I, 271, 342; 134: "Hersent rogist, si ot vergoine";
+967: "au col li met andous les braz"; 1447-'59: "Renart mist l'anel en
+son doi"; 1617: "baignier... ventuser... sener"; 344; 577 ("onques n'i
+ot resne tenue"); 580: "Iloc s'arestent li destrer"; 705: "tant a alé
+esporonant"; 744: "tant a sa mule esporonee" en voorts 1146, 1190,
+1461-2. Het kasteel: vs. 953, 961, 1120; _Br._, I a.; het Grieksch vuur
+I, 282.
+
+[28] T.a.p. II, 89 vlgg.
+
+
+
+VROEGSTE LYRIEK.
+
+ Hoofsche lyriek. Geestelijke lyriek. Het volkslied.
+
+VELDEKE'S minneliederen--wij zagen het in een vroeger
+hoofdstuk--vertoonen den invloed der Oudfransche lyriek; in hun
+Middelhoogduitsch gewaad staan zij volkomen op hunne plaats tusschen de
+werken der Minnesinger, omdat immers ook de Duitsche lyriek van minne
+zich had ontwikkeld onder den invloed der Fransche. Of HADEWYCH Fransch
+en de Fransche lyriek heeft gekend, weten wij niet; woorden als _zeelde_
+en _merkaren_ in hare poëzie wijzen eer naar de lyriek der Minnesinger;
+doch dat zij de wereldlijke minnepoëzie moet gekend hebben, kan
+nauwlijks betwijfeld worden[1].
+
+Het is geen toeval dat VELDEKE en waarschijnlijk ook HADEWYCH tot den
+adel behoorden; de erotische lyriek immers, waarop wij het oog hebben,
+was _hoofsche_ lyriek, werd vooral door den adel voor den adel gemaakt;
+tot den adel behoorden zoowel de Zuidfransche troubadours als de
+Hoogduitsche Minnesinger. Een aantal Zuidnederlandsche edelen uit
+Brabant, Vlaanderen, het Doorniksche, Artois volgden hun voorbeeld;
+onder hen HENDRIK III, hertog van Brabant (± 1260). De Fransche
+minnepoëzie dezer Zuidnederlandsche dichters draagt in hoofdzaak
+hetzelfde karakter als de overige "lyrique courtoise", die wij reeds in
+VELDEKE'S werk leerden kennen; wij vinden hier dezelfde opvatting en
+voorstelling der liefde, de geveinsde wanhoop, dezelfde klachten,
+hetzelfde smachten, talrijke jeux-parti's (tenzonen) waarin twee
+tegenovergestelde meeningen door een paar vrienden verdedigd worden,
+vele pastourellen; niet zelden vangt een lied aan met een klein
+natuurschetsje, vele dezer stukjes vertoonen een refrein. Zoo klaagt
+QUENES DE BETHUNE die blijkbaar ter kruisvaart gereed staat:
+
+ Aï, amors, com dure departie,
+ Me covient faire à perdre la millor
+ Ki onkes fust amée ne servie;
+ Deus me ramainst à li, par sa douçor,
+ Si voirement com j'en part à dolor!
+ Deus, c'ai je dit! Jà ne m'en part je mie:
+ Se li cors vait servir Nostre Signor,
+ Tous li miens cuers remaint en sa baillie.
+
+
+GUILLAUME DE BETHUNE begint een lied aldus:
+
+ Kant li boscage retentist
+ Dou chant des oisillons en mai
+ Et la rose el vergier florist,
+ En icel tens joious et gai,
+ Lors chanterai de cuer verai,
+ Car quant li maus d'amer me prist,
+ El plus haut lieu del mont me mist.
+
+Verderop in dat lied lezen wij:
+
+
+ Douce Dame, quant je vos vi
+ A celle fois premièrement,
+ Ne cuidai pas il fust issi
+ De tout en tout à vo talent;
+ Por vos languis à esciant,
+ Et quant n'i puis merci trover,
+ Bien veul morir por bien amer[2].
+
+
+Heeft er geen Dietsche minnepoëzie van dezen aard bestaan? Men moet het
+wel gaan vermoeden, indien men ziet, dat er meermalen gewag van wordt
+gemaakt. In den proloog der _Disticha Catonis_ lezen wij:
+
+ Dieghene die in haren sinne
+ Draghen waerlike [Zijnoot: wereldsche.] minne,
+ Si maker of riim ende liet.
+
+Dat deze dichter het oog heeft op wereldsche, zinnelijke liefde, blijkt
+wel uit hetgeen hij laat volgen:
+
+ Der minne so ne draghic niet[3]
+
+ook uit zijne uitdrukking "ter minnen dienste staen" die immers ontleend
+is aan de hoofsche lyriek.
+
+Ook WILLEM VAN AFFLIGHEM klaagt over hen
+
+ Die loes baraet [Zijnoot: sluw bedrog.] ende arge treken
+ Bedekken metter minnen name
+
+over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige rijmen[4].
+
+Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld die waar
+MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepoëzie waarschuwt en haar tevens
+kenschetst. In zijn _Wapene Martijn_ zegt hij tot zijn vriend:
+
+ Martijn, ic ben wel berecht:
+ Het seghet al, heren ende knecht [Zijnoot: schildknaap.],
+ Vrouwen ende joncfrouwen,
+ In sanghe ende in rime slecht,
+ Dat si met minnen sijn verplecht [Zijnoot: verstrikt.],
+ Ende men cans niet bescouwen.
+ Mi dinke dat al die werelt vecht
+ Jeghen der reenre minnen lecht
+ Ende volghen ontrouwen.
+ Menich seghet nu ende echt [Zijnoot: daarna.]:
+ "Mijn sin is ane u ghehecht
+ So sere, ic wane bedouwen" [Zijnoot: wegkwijnen.];
+ Achtre maken si de mouwen [Zijnoot: steken zij er den draak mede.] [5].
+
+MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters en lezers
+van minnepoëzie. Dat echter ook geestelijken zulke minnepoëzie maakten,
+blijkt ons uit den _Spieghel Historiael_. In zijn voorbeeld, VINCENTIUS'
+_Speculum_, worden de wereldsche geestelijken dier dagen berispt, wier
+gefriseerde lokken en geparfumeerde kleederen eene andere dan "heilige
+minne" verraden en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden:
+"dulces literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT:
+
+ noch laten gaen
+ Salute, subtijleke ghedicht
+ Ende met sconen rimen verlicht[6].
+
+Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde plaatsen
+gedoeld wordt op Fransche minnepoëzie, doch het kan niet waarschijnlijk
+worden geacht. Zoowel de dichter der _Disticha Catonis_ als MAERLANT
+richtten zich immers niet in de eerste plaats tot edelen; onder de
+gemeenten was kennis van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid,
+en het is de vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het
+Fransch zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden
+maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden, dat er
+omstreeks het midden der 13de eeuw vrij wat Dietsche minnelyriek moet
+zijn geweest. Doch in ieder geval is er maar zeer weinig van
+overgebleven.
+
+Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde
+"clerken" zijner dagen die minnepoëzie dichtten, herinnerde hij zich
+misschien niet dan met berouw, dat hij, ook een "clerc", indertijd den
+roman _van Troje_ had vertaald waarin de minne zooveel plaats beslaat.
+Zou hij zelf nooit een minneliedje hebben gedicht ter eere van de
+onbekende jonkvrouw voor wie hij zijn _Alexander_ heeft bewerkt? Het is
+licht mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de
+vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht voor
+een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet:
+
+ Nye en droech vrouwe
+ Ghestadighen rouwe,
+ Noch nummer en doet;
+ Haer ketsen [Zijnoot: zich inspannen.], haer jaghen,
+ Haer mynne draghen
+ Is saen te voet[7].
+
+Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN BRABANT worden
+toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche lyriek dier tijden is
+overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle, aan Hertog JAN
+toegeschrevene, minneliederen die ons slechts in Hoogduitsche
+overzetting bewaard bleven, inderdaad door hem gedicht. Een vijftal dat
+zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch laat terugbrengen, zullen
+wij aan hem mogen toekennen; de overige zijn misschien door hem in het
+Middelhoogduitsch gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld[8].
+
+In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar zij zijn
+bevallig en welluidend. Zoo b.v.:
+
+ Eens meienmorgens vroe
+ Was ic opgestaen;
+ In een scoen boemgaerdekijn
+ Soudic spelen gaen.
+ Daer vant ic drie joncfrouwen staen;
+ D'ene sanc voren, d'ander sanc na:
+ Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.
+
+ Doe ic versach dat scone cruut
+ In den boemgaerdekijn,
+ Ende ic verhoerde dat soete geluut
+ Van den mageden fijn,
+ Doe verblide dat herte mijn,
+ Dat ic moeste singen na:
+ Harba lori fa, enz.
+
+ Doe groette ic die allerscoenste,
+ Die daer onder stont;
+ Ic liet mine arme al omme gaen;
+ Doe ter selver stont
+ Ic woude se cussen an haren mont;
+ Si sprac: "laet staen, laet staen, laet staen!"
+ Harba lori fa, enz.
+
+Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men ook in de
+overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men, gelijk elders zoo
+vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur. Overigens vinden wij hier
+de gewone klachten, verzuchtingen en betuigingen.
+
+Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan, is ons
+overvloedig gebleken uit de poëzie van HADEWYCH.
+
+Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest die van
+"minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens en behoeften des
+harten geuit in liederen of andere lyrische vormen. Dat men in dezen
+tijd geestelijke liederen heeft gekend, weten wij uit het _Leven van
+Sinte Lutgart_. In een visioen ziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA
+en CATHERINA naderen, achter haar eene schare groote schoone maagden, in
+witte stolen gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen
+zingen zij "enen leec van minnen"[9]. Uit dit zeldzaam,
+slechts hier voorkomend, woord _leec_ blijkt in allen gevalle dat ook
+WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe bepaalt
+zich onze wetenschap in dezen.
+
+Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons slechts in
+latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen. Zoo b.v.
+het lied:
+
+ Nu zijt wellecome, Heere Christ,
+ Want ghy onser alder Heere bist
+ enz.
+
+dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds vóór het
+jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid is hier niets te
+zeggen[10].
+
+Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere korte
+lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het gansche volk
+of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds op zich zelf moet dat in
+dezen tijd waarschijnlijk worden geacht; doch ook hier zijn ons meer
+aanwijzingen dan teksten van liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen
+kunnen de bewoners dezer landen sterker hebben ontroerd dan de
+kruistochten? Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat
+eene herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet
+geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken[11].
+
+Liederen, vóór of in den strijd aangeheven--men zou ze in navolging van
+onze oostelijke buren: _wijchliederen_ kunnen noemen--waren bij de
+Germanen vanouds bekend[12]. Een dezer liederen is, hoe zeer dan ook
+verminkt, door een Engelsch kroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS
+PARISIENSIS vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst
+van ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173, vóór den
+strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij zongen:
+
+ Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin,
+ Engelond is min ant tin [13].
+
+Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen zijn, het feit:
+dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk heeten en niet minder:
+dat wij hier het van ouds bestaand verband tusschen zang en dans nog
+vermeld vinden; dat verband is misschien nog zichtbaar in het herhaalde
+_hoppe_[13].
+
+Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel vroeger eeuw de
+Friesche zanger BERNLEF er zong, werden ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar
+nog altijd tot liederen verwerkt.
+
+In zijn roman _van Alexander_ zegt hij:
+
+ Alse die liede seghe
+ ghewinnen, Spreectmen verre van haren daden Ende singht er af in
+ meneghen staden.
+
+Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de Latijnsche
+woorden: "toto radiaret in orbe" door:
+
+ Men soude van siere doghet
+ singhen Al van daer die sonne up staet,
+ Tote daer soe weder neder gaet.
+
+Ook de typische uitdrukking _een nieuw lied_ waarmede de liedjesdichters
+en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid van het publiek hebben
+geprikkeld, is aan MAERLANT reeds bekend, zooals blijkt uit het vers
+waarin hij van ALEXANDER zegt:
+
+ Van joien sanc hi nuwen sanc[14].
+
+Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen de
+Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne bondgenooten anderzijds,
+waren er blijkbaar spotdichten gemaakt, waarin JAN VAN BRABANT en de
+zijnen vergeleken werden bij een haan met zijne hennen, hunne
+tegenstanders bij valken en blauwvoeten[15].
+
+Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien reeds in de
+12de eeuw in een lied werden bezongen, blijkt ons uit eene mededeeling
+van den kroniekschrijver LAMBERT VAN WATERLOOS. Niet lang vóór 1108 werd
+in de buurt van Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders
+sneuvelden; een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden
+door liedjeszangers gezongen[16]. Deze liedjeszangers waren met de
+pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders en
+verbreiders, misschien ten deele ook de dichters van zoovele liederen
+die toentertijd bestaan moeten hebben, doch, naar het schijnt, voorgoed
+verdwenen zijn.
+
+Omstreeks het midden der 13de eeuw moet er een aantal vroolijke, dartele
+of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met het oog op den volksaard
+zouden wij dat wel reeds mogen vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt
+ons verschaft door den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPRÉ in zijn
+_Liber Apum_ ("der Biën Boeck") dat tusschen 1258-1261 geschreven is. In
+menig verhaal, door den schrijver tot stichting of waarschuwing verteld,
+vinden wij eene kostbare bijdrage tot onze betere kennis van het leven
+onzer voorouders.
+
+Zoo lezen wij b.v.: "Inder sceydinghe des landes van Vlanderen ende
+Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes ende inden dorpe was
+karcwijdinghe, ende daer waren vele menschen verghadert te spelen, onder
+wien dat was een piper als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS,
+die een gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande.
+De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen
+ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen. Daer nae doe
+die hemel des avondes verdonckert was ende alleman te huys ghinck, was
+alleen de piper noch niet ghesadet van den spele ende ghinc over den
+weghe singhende mitten pipen". Een onweer komt op en twee
+herdersjongens, die den pijper vergezellen, zien dat hij, door den
+bliksem getroffen, ineenzinkt. "Mercke hier", besluit de schrijver, "dat
+alle die gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit
+schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher
+wraeken"[17].
+
+Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig man, Heer
+GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: "hy hadde eenen knechte,
+ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet, die geset was des nachtes
+te waken. Dese selve voerghenoemde knecht was seer ydel in allen
+doechden ende was oeck mede des selve ghelijkes seer oncuus ende hi
+plach te pipen ende te singhen ende vergaderde vele maechden ende
+jonghelinghen. Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende
+dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke dat
+die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden oghen voer den piper
+huppelde ende spranc, ende tot menigherhande maniren zijnre beweghinghe
+hem menichsins verblidede. Doe dat die here den knecht gheseyt hadde
+ende hi niet aflaten en wolde vanden verdoemelijcken spele ende
+alremeest van den oncuuschen lieden daer hi die magheden mede
+verweckede, gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig
+tijds later wordt ook deze knecht "van gode gheslaghen"[18].
+
+"Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPRÉ op eene andere plaats
+van zijn boek, "dat door ontuchtige minneliederen de harten ook van
+kloosterlingen en oprechte geloovigen dikwijls verontrust worden?"[19].
+
+Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke
+Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den jare
+1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde, zou ten
+aanhoore van het volk gezegd hebben: "dat vermaarde lied van _Martijn_
+heb ik met een mijner gezellen vervaardigd en in verscheidene deelen van
+Frankrijk en Duitschland verbreid." De schrijver voegt er aan toe: "dit
+nu was een zeer schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"[20].
+
+Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser met zijne brandende
+oogen, die voor den pijper uit danste, men zal kwalijk geloof kunnen
+weigeren aan het getuigenis van CANTIMPRÉ dat er toentertijd vrij wat
+dartele of ontuchtige minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die
+liederen meest 's avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen;
+opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid door muziek
+en dans, waarmede het vanouds verbonden is geweest.
+
+Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven. Zij zijn
+verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen heeft op zomeravonden
+bij den reidans onder het spel van den pijper. De zangers konden ze niet
+opschrijven al wilden zij; wie schrijven konden, zullen het niet der
+moeite waard hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der
+burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken die nuttige
+kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en gemoed bevorderden.
+Die kennis en ontwikkeling werd hun rijkelijk verschaft door den man die
+meer dan eenig ander zijner tijdgenooten in zijne werken eene
+samenvatting en een beeld geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] Over den vermoedelijken invloed van VELDEKE'S poëzie op de hare vgl.
+MARTIN JÖRIS, _Untersuchungen_ enz., bl. 81 vlgg.
+
+[2] Vgl. hetgeen ik hierover vroeger heb geschreven in mijn _Lied in de
+Middeleeuwen_, bl. 252 vlgg.
+
+De aangehaalde verzen zijn te vinden in: _Trouvères Belges du XIIe au
+XIVe siècle...._ par A. SCHELER, p. 2, 35, 36.
+
+[3] _Der_ moet hier opgevat worden, gelijk niet zelden op andere
+plaatsen, als aanwijzend voornaamwoord; vgl. ook den variant: _Diere
+minne ne garic niet_.
+
+[4] T.a.p. II, 63 vlgg.
+
+[5] _Strophische Gedichten_ (edd. FRANK en VERDAM), I, str. 35.
+
+Ik vestigde indertijd de aandacht op deze plaats in _Het Lied in de
+Middeleeuwen_; vgl. ald. bl. 253.
+
+[6] A.w. II, bl. 82, vs. 40-42.
+
+[7] Vgl. _Historie van Troyen_ (ed. DE PAUW en GAILLIARD) vs. 16055. Het
+Fransche vers (13421) luidt: "One nule ne pot doel aveir."
+
+Eene lyrische ontboezeming ook in vs. 6666-6677 over den dood van
+HECTOR, waar men in het origineel (vs. 16179-'81) slechts een drietal
+verzen vindt.
+
+[8] Het vraagstuk van Hertog JAN'S liederen is grondig behandeld door H.
+BOERMA in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV, 220 vlgg. Onder de daar
+genoemde literatuur is vergeten hetgeen door VERDAM was opgemerkt in
+hetzelfde Tijdschrift IX, 274.
+
+[9] A.w. II, 2673-'4. In het Latijn is hiervan niets te vinden; vgl. _A.
+Sanct._ Junii III, p. 245, 9.
+
+[10] Vgl. _Kerstliederen en Leisen_ door J.G.R. ACQUOY, Amsterdam, JOH.
+MÜLLER, 1887, bl. 20; BÄUMKER, _Niederl. geistl. lieder_ in:
+_Vierteljahrsschrift für Musikw._, 1888, bl. 157.
+
+[11] In R. HENNING'S _Nibelungen-Studiën_ (_Quell. u. Forsch._, 31, p.
+21) lees ik: ALBERT VON AACHEN schöpfte im Anfang des zwölften
+Jahrhunderts seine Erzählung über den ersten Kreuzzug aus flandrischen
+und nordfranzösischen Liedern." Het is mij niet mogen gelukken in het
+_Chronicon Hierosolymitanum_ de plaatsen te vinden, welke die bewering
+zouden kunnen staven.
+
+[12] Vgl. HOFFM. VON FALLERSLEBEN'S _Gesch. des deutschen
+Kirchenliedes_, p. 44-5.
+
+[13] Vgl. _Onze historische Volksliederen_ door PAUL FRÉDÉRICQ, bl. 8 en
+_Middelnederlandsche Historieliederen_ door Dr. C.C. v.d. GRAFT, bl. 43.
+
+[14] Vgl. _Alexander_ (ed. FRANCK), IV, 1450; V, 1226; III, 1338 en de
+aanteekening op p. 435. Eene vergelijking met het Latijn toont dat deze
+verzen van MAERLANT zijn. (Het "singhen ende lesen" in X, 1254 b.v. is
+van GAUTIER DE CHATILLON).
+
+[15] Vgl. _Rymkronyk van Jan van Heeln_ (ed. WILLEMS), p. 343, DXX vlgg.
+JAN VAN HEELU zelf zinspeelt op die gedichten in vs. 5184 vlgg.
+
+[16] PAUL FRÉDÉRICQ in a.w. bl. 8.
+
+[17] Ik geef hier de Dietsche vertaling uit den druk van PETER VAN OS,
+Swolle 1488 weer. Dit verhaal vindt men fo 169 vo.
+
+[18] T.a.p. fo 140.
+
+[19] _Liber Apum_ c. XLVIII: "obscenis et venereis cantibus corda etiam
+religiosorum ac bonorum fidelium multotiens permoveri".
+
+[20] A.w.c. XLVIII: "Cantum hunc celebrem de Martino ego cum collega meo
+composui et per diversas partes gallie, theutonie promulgavi. Erat autem
+turpissimus et plenus luxuriosis plausibus cantus ille."
+
+Ik vond deze plaats niet in den door mij gebruikten druk der Dietsche
+vertaling.
+
+Het, mij en anderen onduidelijk, "plenus luxuriosis plausibus" heb ik
+gemeend op bovenstaande wijze te mogen vertalen.
+
+
+
+JACOB VAN MAERLANT.
+
+ Inleiding. Ridderpoëzie. Omkeer. Geestelijke poëzie. Poëzie der
+ Gemeenten. Der Kerken Claghe. Van den Lande van Overzee. Besluit.
+
+In MAERLANT'S persoon en werk vinden wij de drie standen en hunne poëzie
+vereenigd.
+
+Hij staat in betrekking tot den adel en dicht ridderromans; hij behoort
+tot de lagere geestelijkheid en schrijft geestelijke poëzie; hij zegt
+den adel en vooral den geestelijken de waarheid en tracht door zijne
+latere werken aan de gemeentenaren die kennis en ontwikkeling te
+verschaffen die zij begeerden en noodig hadden.
+
+Van zijn uiterlijk leven, vooral van zijn leven in verband met zijne
+werken, is ons weinig bekend. Hij was een Vlaming, in de eerste helft
+der 13de eeuw, vermoedelijk in de buurt van Brugge, geboren; misschien
+woonachtig te Damme. Later in zijn leven vinden wij hem als koster te
+Oost-Voorne en in betrekking tot de machtige edelen: Heer NICOLAAS VAN
+CATS, wien hij zijn _Naturen Bloeme_ ten geschenke gaf, en ALBRECHT,
+Heer van Voorne, burggraaf van Zeeland en vertrouwd raadsman van FLORIS
+V; aan dezen ALBRECHT van Voorne droeg hij zijn roman _van Merlijn_ op.
+
+Ten deele misschien nog in Vlaanderen, ten deele op Voorne, schreef hij
+zijne eerste werken: den roman _van Alexander_ (1257-1260), _van
+Merlijn_ (c. 1261), _van Torec_ (c. 1262) en _van Troyen_ (c. 1264)[1];
+waarschijnlijk nog op Voorne de tweespraak die naar de aanvangswoorden
+_Wapene Martijn_ (c. 1266) genoemd wordt. Van Voorne verhuisde hij naar
+Damme, waar hij, volgens de overlevering, "scepenclerc"
+(gemeentesecretaris) zou zijn geweest. Die verhuizing heeft misschien
+omstreeks 1266 plaats gehad.
+
+Na dien tijd schreef hij, behalve een aantal strophische gedichten, nog
+eenige groote werken: _der Naturen Bloeme_ (1266-1269); _Rijmbijbel_
+(vóór 1271); _Sinte Franciscus Leven_ (c. 1271-1272?) en daarvóór het
+_Leven van Sinte Clara Spieghel Historiael_ (1282 of 1283 tot 1289 of
+1290[2]).
+
+In dat laatste werk is hij blijven steken; de dood heeft hem belet het
+te voltooien. Aan het slot van het 3de boek der 4de Partie van dat
+groote werk gekomen, schreef hij:
+
+ Ende verstaet dat Jacob moet
+ Van Maerlant rusten terre stede
+ Van der vierder paertyen mede,
+ Ende beiden tote dats hem God jan [Zijnoot: vergunt.],
+ Dat hire weder coemet an,
+ Omme te dichtene in redene claer
+ Die dinghe diere volghen naer.
+
+In die verzen meenen wij het doodsklokje te hooren luiden.
+
+
+RIDDERPOEZIE.
+
+Wie MAERLANT door latere dichters "vader der Dietsche dichteren algader"
+hoort noemen, zou kunnen vergeten dat ook deze vader eens jong geweest
+is en de minne heeft gekend, al was hij nog zoo degelijk. De zoete
+heugenis dier minne overvalt hem later midden in de geleerdheid van _der
+Naturen Bloeme_. Wanneer broeder THOMAS VAN CANTIMPRÉ aan eene
+beschrijving van den kalander-leeuwerik eene uitweiding over de vreugde
+der contemplatie vastknoopt, gaat MAERLANT in zijn vertaling een anderen
+weg. Dezen leeuwerik, die heerlijker zingt dan eenige andere, wien in
+eene kooi de gevangenschap weelde schijnt, vergelijkt hij bij
+
+ Hem die met minnen es bevaen,
+ _Dat een zwaer karker es ende soete_.
+ Cume [Zijnoot: nauwlijks.] hevet hi enighe moete [Zijnoot: tijd.]
+ Om yet te pensen dan omme sanc,
+ Ende om feeste ende om spel ghemanc [Zijnoot: samen.],
+ _Der minnen karker geeft hi prijs [Zijnoot: lof.],
+ Want et dinct hem een paradijs_[3].
+
+In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen hij de hand
+sloeg aan eene bewerking van den roman van ALEXANDER, ter wille van eene
+schoone die hem gevangen hield en peinzen deed[4]. Behalve den
+_Alexander_ bewerkte hij in deze eerste jaren nog drie andere romans.
+Het is begrijpelijk dat twee daarvan: _Merlijn_ en _Torec_ behooren tot
+die Keltische romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een
+lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman in MAERLANT'S
+omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk ook, dat de twee
+overige: _Alexander_ en _Troyen_ behooren tot die klassieke romans die
+naar den geest zoo verwant waren met de Keltische.
+
+De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere beschouwing,
+voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT niet. Hij noemt in zijn
+proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig met en overtreffende die van
+zoovele andere helden: de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen
+niet halen, de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de
+oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne Hunnen kunnen
+hiermede niet vergeleken worden. Voor MAERLANT zijn blijkbaar alle
+gedichten die deze en dergelijke stoffen behandelen, gelijksoortig als
+schilderingen van het verleden.
+
+Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen over
+ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring in het zoo even
+gezegde. Maar ook de groote roem van het door hem verdietschte werk moet
+daartoe hebben bijgedragen. De _Alexandreïs_ waarmede de scholaster
+GAUTIER DE CHATILLON andere onhistorische gedichten over ALEXANDER
+hoopte te verdringen, maakte grooten opgang; zóó zelfs dat de
+Universiteit van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke
+boeken opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een van
+deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen. MENKO, abt
+van Wittewierum in den aanvang der 13de eeuw, noemt in de kroniek van
+zijn klooster de _Alexandreïs_ in één adem met de _Aeneïs_; een zijner
+tijdgenooten, de Christelijke Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit
+werk zoozeer in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat
+liggen[5]. Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen
+was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken. Geest en
+gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden wijd open als de bloemkelk
+gereed om zonnestralen en dauw en regen op te vangen. Deze menschen
+luisterden naar verhalen uit den voortijd als kinderen naar een
+sprookje; hun frissche belangstelling, nog niet neergebogen onder den
+last eener eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt,
+zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden.
+
+Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig Oosten
+introk en den machtigen Perzischen heerscher durfde aantasten, moest wel
+indruk maken op de verbeelding van middeleeuwsche menschen. Wanneer
+MAERLANT de toebereidselen tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij
+zich dan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven[6]. En wat
+al wonderen verhaalden de auteurs van de _Alexandreïs_ en dergelijke
+werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden en zilveren bergen zijn;
+gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij het Paradijs dat er uitziet als een
+schitterende burg; hij ziet menschen zonder hoofd, arenden die van
+achteren leeuwen zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de
+verbeelding in werking te brengen behaagde de _Alexandreïs_; in de
+schets eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping
+en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en klerken gericht
+wegens hunne simonie, tot de groote heeren wegens hunne hebzucht, was
+veel wat den jongen MAERLANT belangwekkend en aantrekkelijk moest
+voorkomen. Het verwondert ons dan ook niet van hemzelven te vernemen,
+dat hij dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet
+zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een half jaar
+heeft verdietscht[7].
+
+Gelijk zoo menig dichter vóór hem, geeft ook MAERLANT in dit gedicht eer
+eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft korte samenvattingen, ten
+einde grooter duidelijkheid of beter samenhang te verkrijgen; lascht
+gepaste vergelijkingen of spreekwoorden in of voegt scherper trekken toe
+aan de teekening van zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van
+alle aardsche grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den
+bombastischen, bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk
+niet willen noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde
+Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een enkelen keer
+door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op sommige plaatsen bekort
+hij zijn voorbeeld en breidt dan niet zelden uit hetgeen onmiddellijk
+volgt, als om eene vergoeding te geven[8].
+
+Een der meest karakteristieke uitbreidingen is zeker die
+
+waarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft; in de
+teekening van "meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt hij zooveel Vlaamsche
+werkelijkheid, dat men hier en daar wanen zou verplaatst te zijn naar
+een Vlaamsche stad die feest viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig
+jonkman zijn geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid
+even vroolijk te maken over de dwaze "warmoesdeernen" die zich hoofsche
+namen hebben aangeschaft en beweren "vrouwe YMME" en "vrouwe MARGRIETE"
+te heeten[9].
+
+Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de hoofsche
+vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans der minne blonk. Wanneer
+"meester WOUTER VAN CASTELLIOEN" de schoonheid eener Scythische koningin
+heeft geprezen, neemt MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde
+schoonheden uit vroeger tijden op te sommen[10]. Hij heeft ze voor het
+kiezen: behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee van
+hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die andere YSOUDE "met
+de blanke handen" en MELIOR VAN CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en
+eene van WALEWEIN'S vele minnaressen en LANCELOT'S "amie" en DEJANIRA,
+DIDO, BRISEÏS en ABSALON'S zuster THAMAR... waarlijk, men behoeft niet
+te vragen met welke lectuur deze in der minnen kerker gevangene zich tot
+nog toe bij voorkeur den tijd had verdreven.
+
+Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook de _Historie van Troyen_.
+
+Een geruimen tijd vóór MAERLANT, waarschijnlijk in den aanvang der 13de
+eeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam: DIEREGOTGAF, een paar
+gedeelten van den Franschen _Roman de Troie_ vertaald of bewerkt[11]. In
+het eene stuk, _tprieel van Troyen_ genaamd, is de liefde hoofdzaak; wij
+zijn daar in het gezelschap van een aantal jongere ridders, met de
+koninginnen van hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend
+in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons in den
+oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot tournooi met scherpe
+wapenen; de dames zitten er dan ook naar te kijken.
+
+MAERLANT heeft den ganschen _roman de Troie_ van BENOÎT DE ST. MORE
+vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen, waarschijnlijk echter
+na het zóó te hebben gewijzigd dat het met zijn eigen werk strookte[12].
+
+De _Roman van Troyen_ is vol liefdelyriek. Het is dan ook begrijpelijk,
+dat op ééne plaats dat lyrisch element ook den uiterlijken vorm der
+lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt met een minneliedje. Ook
+elders vinden wij dat lyrisch karakter: een drietal verzen van BENOÎT
+over den dood van HECTOR wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene
+elegische ontboezeming, wel niet in coupletten, maar toch in eenige op
+gelijke wijze aanvangende perioden afgedeeld[13].
+
+Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk heeten; op
+menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de bewerker vervuld was van
+zijn onderwerp, van die ridderwereld en die liefdesgevallen. Waar hij
+b.v. MEDEA'S hartstocht in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene
+fraaie navolging van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking
+heeft hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog in
+het verhaal te brengen[14].
+
+Tusschen den roman _van Alexander_ en dien _van Troye_ bewerkte hij een
+paar romans uit den Britschen sagenkring. De _Historie van den Grale_ en
+_Merlijns Boeck_ vormen de beide deelen van het eene werk, dat eene
+vertaling bevat van een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON.
+
+In de _Historie van den Grale_ worden ons in hoofdzaak de lotgevallen
+van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij van PILATUS een "nap" of
+"scotele" had ontvangen, "daer Jezus die eerste misse in sanc"; hoe hij
+na de inneming van Jeruzalem door de Romeinen met een groote schare naar
+verre landen trok en hoe "die scotele die men heet den Grael" het
+vermogen bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de
+goeden de "gracie" te doen gewinnen. Later wordt de "heilige Grael",
+"dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede van JOZEF'S zwager
+BROEN, die "de rike visscher" geheeten wordt omdat hij een visch moet
+vangen die naast den Graal op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet
+worden gelegd. BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier
+afdeelingen van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten
+verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen wij
+verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling een eind en wendt
+zich tot de geschiedenis van MERLIJN.
+
+Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over het recht
+op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN, advocaat der
+duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen[15]. Natuurlijk
+verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken, doen zij door een
+hunner bij eene onschuldige maagd een kind verwekken dat tot Antichrist
+bestemd is. Hun opzet mislukt, doordat dit kind, MERLIJN, zijne
+bovennatuurlijke wijsheid slechts tot heil der menschheid wil aanwenden.
+MERLIJN komt later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens
+broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische
+indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking tot YGERNE,
+"des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van die overspelige liefde
+is ARTUR, die koning van Logres wordt maar jaren lang strijd moet voeren
+tegen de weerbarstige baronnen in zijn land.
+
+Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door LODEWIJK VAN
+VELTHEM zal worden voortgezet[16].
+
+Noch in de _Historie van den Grale_, noch in _Merlijns boeck_ vind ik
+plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler doen kennen. Wel
+mag men vermoeden, dat de beschrijving der hoofsch-hartstochtelijke
+liefde van koning UTER voor de schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal
+zijn gevallen[17]. Had hij geen behagen geschept in zulke
+liefdesgeschiedenissen, dan zou hij zeker den roman _van Torec_ niet
+hebben bewerkt. Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in de
+_Lancelot-compilatie_ is opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene
+verwerking derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans,
+met name in den _Lancelot_, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een schoone
+maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan verlaten; een dozijn
+ridders, achtereenvolgens uit een kasteel komend, die door den held van
+het verhaal overwonnen moeten worden; het "josteeren" tegen de gezellen
+van de Tafelronde; bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen.
+
+Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik heeft gemaakt
+van Fransche romans, mag men reeds opmaken uit een vrouwenaam als
+"TRISTOUSE" dien hij vertaalt door: "met rouwe gedragen" (er is daar
+sprake van een kind); uit riddernamen als "VAN DER BASSE RIVIERE" en "DE
+ORGELIOUS"; de hier voorkomende "camere van wijsheden" herinnert ons aan
+"la Chambre de Beauté" in den _Roman de Troie_[18]. De eenmaal
+voorkomende uitdrukking "also als ic 't int romans hore" kan wel grond
+geven tot de onderstelling dat MAERLANT zich bij die plaats van zijn
+werk een Fransch voorbeeld herinnerde; doch op grond van dat vers alleen
+aan te nemen dat de _Torec_ vertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog
+op het feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd wordt.
+Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt, de roman van
+MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan men er toch niet in
+aanwijzen.
+
+Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook in dezen
+roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als:
+
+ Dat hare doe een splinter stac
+ Van reinre minnen in haer herte
+
+in eene lyrische ontboezeming over de minne, "die alle hovescheit
+wiset"; in het "saluut van minnen" dat TOREC aan de blanke MIRAUDE
+zendt[19].
+
+
+OMKEER.
+
+In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens behalve liefde voor
+vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt doch behoeft nadere
+verklaring.
+
+Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag men
+betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap tot de zijne had
+gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken koning PORUS hebben gezegd,
+dat hij "bloedde als een rund" of uit den roman _van Troyen_ juist
+beschrijvingen van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag
+hebben weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANT _historie_.
+In zijn _Alexander_ verklaart hij met nadruk dat hij "die waerheit, meer
+no min" in het Dietsch wil uiteenzetten; èn in dien roman èn in de
+overige vergenoegt hij zich niet met zijn voorbeeld te volgen; doch hij
+vult het aan, wijzigt of bestrijdt het, zooals hij meende dat de
+historische waarheid het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige
+kennis, blijkt duidelijk waar wij in den _Alexander_ allerlei
+wetenschappelijke invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de
+Babylonisch-Perzische geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS,
+XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering. Naar het
+schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechts zijn geheugen
+geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken gelezen moet hebben dan
+"der minnen boek". Zoo hoog stelt MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES
+tot zijne geliefde BRISEÏS laat zeggen: "wy lesen in ouden vyten", waar
+het Fransch slechts van "hooren zeggen" spreekt[20].
+
+Niet zóó ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER of hij blijft
+zich helder bewust dat deze toch een _heiden_ was en hij verzuimt niet
+DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel zal komen[21].
+Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone en bewondering voor
+uitheemsche romanheldinnen, maar in schoonheid konden die toch niet
+halen bij
+
+ ... de vrouwe die noit en dede
+ Sonde no ooc dorperhede
+
+met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit. Dezelfde
+eerbiedige liefde voor "de moeder ons heren" vinden wij aan het slot van
+den _Alexander_ en in den roman _van Troyen_, waar hij eene onbekende,
+door BENOÎT aangeduid als "riche dame de riche roi", vervangt door haar
+die "moeder es ende maghet".
+
+Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT den indruk van
+dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben meent hij, in den oorlog
+hunne eer verloren. En waarom--gaat hij voort--laat men zich onder
+Christenmenschen nog altijd voorlezen van die "overdaet"--Want aan
+weerszijden waren het louter heidenen--? Het antwoord luidt: opdat
+
+ ... elc man mercken sal,
+ Hoe onreene dat averal
+ Hoerdom es ende hoe groot quaet
+ Datter af te comene staet[22].
+
+Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst doen als
+afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zal MAERLANT zijn geweten
+hebben gerust gesteld, indien dat ten minste nu reeds in hem sprak,
+zooals het later zou spreken over den verkeerden weg door hem als
+dichter gevolgd.
+
+Gaf de _Alexander_ ons den MAERLANT van later reeds te zien in zijne
+neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet hij dat, waar wij
+in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige bewerking vinden van
+de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten jegens papen en klerken over
+hunne symonie, jegens groote heeren over hunne hebzucht.
+
+Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT zóó duidelijk
+wat hij later worden zal als in den _Torec_. In het hoofdstuk, getiteld
+"hoe Torec in 't scep van aventuren was", zien wij allerlei kiemen die
+later zich zullen ontwikkelen. In een rijkversierd vertrek hooren wij
+daar vroede oude mannen spreken over het nut der wijsheid, over dwazen
+die dat nut niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de
+minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen rijk en
+arm, de onverdiende geringschatting van den arme. Hier vinden wij ook
+reeds de drie soorten van liefde genoemd, die wij later in den _Wapene
+Martijn_ zullen terugvinden[23].
+
+Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt boven alle vrouwen,
+die partij kiest voor den arme tegen de grooten der aarde, die adel en
+geestelijkheid hunne hebzucht verwijt, die wijsheid en nuttige kennis
+verheft en aanprijst--zal het winnen van den verliefden bewerker van
+ridderromans. Zal het winnen--langzamerhand. Want van eene bekeering in
+den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken. Immers onder
+zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch geschrift over de
+gesteenten (_Lapidarijs_) en een werkje over droomen (_Somniarijs_) dat
+een dergelijk karakter zal hebben gedragen. Ook verloochent hij in
+latere jaren dat eerste werk niet. Naar zijn _Troyen_ en zijn
+_Alexander_ verwijst hij de lezers ook nog in zijn _Rijmbijbel_ en zijn
+_Spieghel Historiael_ zonder ze af te keuren; van den _Alexander_ zegt
+hij alleen, dat er fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil
+herhalen. Anders is het met den _Merlijn_ en de Britsche romans in het
+algemeen. Zoowel in _Rijmbijbel_ als in _Spieghel Historiael_ laat hij
+zich geringschattend uit over "die boerde van den Grale", over "MADOCS
+droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"[24].
+
+Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en meer komt hij
+tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken van den rechten weg
+was afgedwaald. In den _Rijmbijbel_ zien wij die overtuiging zoo sterk
+geworden, dat zij zich moet uitspreken. Hij bidt God: vergeef mij om der
+wille van dit werk
+
+ dat ic mi besmet
+ Ebbe in logenliken saken,
+ Die mi de lichtheit dede maken
+ Van der herten ende van den zinne
+ Ende van der wereliker minne[25].
+
+Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT toont besef te
+hebben van dien omkeer en van nu af zien wij hem in de nieuwe richting
+voortgaan. Meer dan eens stelt hij "der poëten fabelen", de "boerden
+ende favele" tegenover de waarheid, tegenover het evangelie. Het
+duidelijkst in den aanvang van _Sinte Franciscus Leven_:
+
+ Cume [Zijnoot: nauwlijks.] es hi van mi bekint,
+ Die nu leeft ende waerheit mint;
+ Maer Tristram ende Lanceloot,
+ Perchevael ende Galehoot,
+ Ghevensde [Zijnoot: verzonnen.] namen ende ongheboren,
+ Hier of willen de lieden horen;
+ Truffe van minnen ende van stride
+ Leestmen dor de werelt wide.
+ Die ewangelie es ons te zwaer,
+ Omdat soe recht seit ende waer.
+
+Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn verhaal van dien
+"coninc van versen"
+
+ Die vinden conste ende maken
+ Veerse die ter werelt smaken
+
+maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan "pensde te
+betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk uit te maken; doch
+zeker is, dat de stem der waarheid zich in MAERLANT'S werk luider doet
+hooren, naarmate hij ouder wordt[26].
+
+Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche
+romanliteratuur den rug toegekeerd; naïef doch begrijpelijk is het, dat
+nu in het vervolg alle "Walsch" voor hem "valsch" is, terwijl het
+Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig heet. Dat onder de
+waarheid, die hij voortaan wil verkondigen, tal van wonderen begrepen
+zijn, behoeft in een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; "waerheit
+ende menech wonder", "wonder ende waer" worden door hem, evenals door
+andere middeleeuwsche auteurs, telkens in één adem genoemd[27].
+
+GEESTELIJKE POËZIE.
+
+Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen vinden dan in
+den bijbel? In die overtuiging heeft hij de _Historia Scolastica_ van
+PETRUS COMESTOR verdietscht, die bekend staat onder den naam van
+_Rijmbijbel_.
+
+In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven der
+geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met dien
+der Apocriefe Boeken en der Evangeliën. MAERLANT heeft weggelaten wat
+hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en daar stukken van den
+bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd; menige mystieke uitlegging
+van het bijbelverhaal is door hem uitgebreid, ook neemt hij niet zelden
+de gelegenheid waar om MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te
+gispen[28].
+
+Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis onder
+het bereik der leeken brengen. Van poëzie is in dit werk geen sprake;
+van aandoening zelfs tenauwernood. Slechts op een paar plaatsen,
+namelijk waar hij den dood van JUDAS MACCABEÜS verhaalt, en eens waar
+van JEZUS sprake is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen[29].
+Blijkbaar was de bewerking der _Scolastica_ voor den auteur louter
+plicht. Hij moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben,
+wij kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de
+voltooiing der bewerking van den _Pentateuch_ slaakt hij dan ook de
+verzuchting:
+
+ God danc, ic heb se overleden [Zijnoot: achter den rug.].
+
+Minder zwaar zal hem de bewerking van _Sint Franciscus' Leven_ zijn
+gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging, maar op verzoek
+van eenige belangstellenden te Utrecht, inzonderheid van zekeren broeder
+ALAERD, waarschijnlijk, evenals de overige vragers, lid der orde van
+SINT FRANCISCUS. Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in
+de persoonlijkheid van den "edelen vaendragher ons Heren" veel moet zijn
+geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de armen tegen de
+aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den proloog immers herhaalt
+hij nog eens eene waarschuwing van vroeger:
+
+ Dat minnen gaet vor alle ere;
+ _Want arem man heet emmer sot_.
+
+En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend, wie haar op
+kostelijker altaar geheven, dan juist "il Poverello"?
+
+Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven weinig eigens,
+weinig ook dat ons spreekt van aandoening in hem gewekt door de
+levensopvatting en den levenswandel van "SINTE FRANSOYS". Waar wij hier
+en daar sporen van aandoening meenen te zien, blijkt bij vergelijking
+met het origineel dat MAERLANT niet veel meer geeft dan eene
+vertaling[30].
+
+Met _Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_ had MAERLANT werken gegeven
+die zijns inziens beter lectuur waren dan de door hem verworpen
+dwaasheden "van minnen ende van stride". De kennismaking met Latijnsche
+kerkliederen en eigen godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook
+nog andere geestelijke poëzie uit hem voort, waarop wij nu het oog
+moeten richten.
+
+Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde lyrische
+gedichten, waarvan een drietal: _Van den vijf Vrouden_ [Zijnoot:
+vreugden.], _Van ons Heren Wonden_ en _Clausule van der Bible_
+misschien nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is
+waarschijnlijk, het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het
+vierde gedicht _Van der Drievoudichede_ bevat een zeer vrije bewerking
+van een Latijnsch gedicht als dat _De Sancta Trinitate_; _Clausule van
+der Bible_ en _Disputatie van den Cruce_ schijnen zelfstandige
+bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten en voorstellingen, die
+men ook elders in de middeleeuwsche literatuur aantreft[31]. In het
+eerste stuk wordt telkens in een nieuw couplet eene nieuwe vreugde van
+MARIA, in het tweede achtereenvolgens de vijf wonden van JEZUS bezongen.
+_Clausule van der Bible_ bevat eene verheerlijking van MARIA in een toen
+veelvuldig gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude Testament,
+vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT wordt niet moede, door een
+veertigtal strofen heen, de Moedermaagd telkens weer onder een andere
+gedaante te verheerlijken: MARIA is de duive met den olijftak
+terugkeerend naar de ark; de ladder waarlangs de engelen af- en
+opklommen; RACHEL, des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind
+MOZES schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels dauw
+neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna, de steen waaruit op
+MOZES' gebed een klare fontein ontsprong... zoo volgt het eene beeld op
+het andere, totdat de dichter het moet opgeven, want "volprisen" kan hij
+haar niet, "de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht scheen
+gelijk de zonneschijn.
+
+In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan; behoefte om
+JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden, uit zich hier
+ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende verzen.
+
+Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten: _Van der
+Drievoudichede_ en _Disputatie van den Cruce_. Hier kon hij niet
+volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele vraagstukken als
+dat der Drieëenheid, een geschil als dat tusschen MARIA en het Kruis,
+eischten inspanning van denkkracht en voorstellingsvermogen om zelf te
+begrijpen en anderen te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat
+wij MAERLANT hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het
+lyrisch-dramatische van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang
+gekomen op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche
+geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend bij de
+samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de rollen zoo
+verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt. Die verdeeling
+gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van moeilijke vraagstukken;
+de afwisseling van vraag en antwoord of ook het verschil van opvatting
+tusschen twee sprekers bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT,
+man van veelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de
+Latijnsche literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch
+zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven van de
+"débats", "jeux-partis" en "tençons" die in de toenmalige nationale
+Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden en die ook door de
+Belgische trouvères gedicht werden[32].
+
+Zoo zien wij in de tweespraak _Van der Drievoudichede_ JACOB in
+gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe kan ik God
+leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim en Seraphim, antwoordt
+JACOB, nog zou ik u op die hooge vraag niet kunnen antwoorden. Luister
+naar hetgeen mij de bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil
+doorgronden is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd
+zullen worden als zij den Horeb beklimmen.--Ook ik ben overtuigd,
+herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid niet zouden kunnen
+omvatten; doch leer mij zooveel mijn door de zonde verzwakt verstand kan
+bevatten. JACOB geeft dien wensch gehoor: God is boven alles, onder
+alles, buiten alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest.
+Den Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vóór alle begin; daarna
+den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider vereeniging ontsproten
+Heiligen Geest; samen vormen zij eene drie-eenheid van _macht_, _const_
+en _wille_, die aanwezig moet zijn in elken mensch die iets wil
+voortbrengen. God rust zelf en brengt alles in beweging; geene plaats
+omvangt Hem, Hij omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde,
+Hij is eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het geloof
+draagt hier de kroon.
+
+Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon geeft MAERLANT
+eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer, van den zondeval, van
+de verhouding tusschen het menschelijke en het goddelijke in JEZUS, van
+het Laatste Oordeel. Hij is van ons heengegaan, doch Hij heeft zijn
+vleesch en bloed hier gelaten om het te "sacreeren" in der priesters
+handen. Met eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing
+tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig te mogen
+worden wordt het gedicht besloten[33].
+
+In _Disputatie van den Cruce_ zien wij MARIA handenwringend staan onder
+het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis: moordenaars en
+dieven moet gij straffen, niet Hem die rein van zonden is.--Niet alleen
+uwe zaak geldt het hier, antwoordt het kruis, maar die "der wereld
+gemene"; toen ik uw zoon ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch
+onsterfelijk zal Hij terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op
+Hem en willen van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet
+met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis waarheid
+heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren: mensch, wat heb ik
+voor u gedaan en wat doet gij voor mij? Gij moet de wereld verzaken of
+gij zult niet met mij leven. Al uw pogen strekt om schatten te
+vergaderen. Doch het is niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders
+voorgaan: al het kwaad komt uit de "sacristie" [Zijnoot: de kerk.];
+vleeschelijk leven, wellust, zich trotsch gedragen--het vindt zijn
+oorsprong bij de geestelijkheid. Om de armen bekommeren zij zich niet.
+Beginnen zij soms de wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de
+vleeschpotten van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en
+vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der kudde, maar
+wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en ontrukt het heilige land
+aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en het kruis zegt tot MARIA, dat het
+niets baat of men haar al bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden
+heeft. Ten slotte gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat
+door Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van Kruis
+noch Maagd kan ontberen.
+
+
+POËZIE DER GEMEENTEN.
+
+In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over de hoogten
+der bespiegeling; in _Disputatie van den Cruce_ zien wij hem afdalen tot
+de vlakte beneden waar het werkelijk leven wordt afgespeeld. Er was
+echter in dat werkelijk leven, behalve het wangedrag der geestelijken,
+nog zooveel dat hem vervulde: maatschappelijke misstanden die hem in
+twijfel en onrust hielden, onrecht dat hem ergerde, gewichtige
+vraagstukken die hem niet los lieten. In een paar tweespraken, _de
+eerste_ en _d'ander Martijn_, heeft hij getracht samen te vatten wat in
+hem omging. Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen,
+gedachten over maatschappij en kerk, over handel en wandel der menschen,
+over de verhouding der standen, over de liefde, de zonde, over God, ten
+deele reeds door anderen uitgesproken, ten deele dus herinneringen den
+dichter bijgebleven uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn
+eigendom--zijn hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken
+bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook de meeste
+andere vervat zijn; in _de Eerste Martijn_, de omvangrijkste tweespraak
+van alle die bijna 1000 verzen telt, is op menige plaats een
+dichterlijke gloed waaruit ware poëzie is voortgekomen; _d'ander
+Martijn_, van veel minder omvang, geeft meer spel van vernuft dan poëzie
+al is deze niet geheel afwezig.
+
+De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de hoofsche
+minnelyriek en de minachting van "truffen ende poëtriën", het
+meesterschap over den vorm verbieden ons aan te nemen dat zij uit des
+dichters jeugd zouden dagteekenen. Maar anderzijds getuigt _de Eerste
+Martijn_ van zooveel eerbiedige liefde voor de vrouwen, zij het ook dat
+die evenals in den _Roman van Troyen_ bekroond wordt door een AVE MARIA,
+en toont _d'ander Martijn_ zulk een welbehagen in het behandelen van
+eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons den dichter
+kwalijk als een bedaagd man kunnen denken. Mag men eene gissing wagen,
+dan zal men geneigd zijn aan te nemen, dat hier een man van tusschen de
+dertig en veertig tot ons spreekt.
+
+Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien wij in _de Eerste
+Martijn_ in de weemoedige stemming die op eene ontgoocheling pleegt te
+volgen. Hij heeft de werkelijkheid aan zijne idealen getoetst, de
+schellen zijn hem van de oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet:
+"Wapene [Zijnoot: wee!]", Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden
+bespot, verdrukt--de slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere.
+Hoe anders dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw en
+deugd was, tot heer boven den "dorper"--nu spannen de heeren samen,
+vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de slechten de macht in handen.
+Dat komt van de kwade raadgevers. Is er nog een God die regeert?
+Blijkbaar laat Hij alles over aan het blinde toeval.
+
+MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt hij. Terug!
+God hoort en ziet alles. De priesters zullen het gewaar worden; de
+brandstapel wacht u! Vertrouw op God:
+
+ God en was noit moede no mat;
+ In 't wout en es loof no blat
+ Buten siere hoede.
+ Al dat es in elke stat
+ Dat behoet hi ende besat
+ Met godliken goede [Zijnoot: voorziet Hij van goddelijken zegen.].
+ Al ghehinghet hi dan dat,
+ Dat die quade ghewinnet scat
+ Ende menne heet den vroede:
+ So hi hoghere sit up 't rat [Zijnoot: van Avontuur.],
+ So hogher val, so meere plat [Zijnoot: zwaarder smak.]
+ In der helscher gloede
+ Onder der duvele roede.
+
+JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de slechten
+eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen aan den harden
+MARTIJN.--Omdat de zondaar eeuwig zou willen leven, klinkt het antwoord,
+moet hij ook eeuwige straf ondergaan.
+
+Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou ik dan, indien
+ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig verdoemd zijn, ook al ware
+ik milddadig en al had ik penitentie gedaan? MARTIJN spreekt den vrager
+moed in: laat u niet van allerlei door de priesters opdringen, er is
+"menich onbescheden [Zijnoot: onverstandig.] swijn" onder; God is ook
+een God van genade, van liefde. Maar de liefde is blind, naar men
+zegt--herneemt JACOB. Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er
+zijn drie soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de "caritate" die
+God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar van aard,
+strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de "cracht die twee
+herten tsamen bint". Met een uitval tegen de hoofsche minnepoëzie geeft
+JACOB zijne instemming te kennen.
+
+Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn pad gekomen,
+keert de dichter de rollen om.
+
+MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer op: van waar
+komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen, edel en onedel?
+Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van CAÏN; anderen: van CHAM; doch het
+is onwaar, de "Duutsche loy" [Zijnoot: Het Duitsche wetboek: de
+_Saksenspiegel_.] weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van
+krijgsgevangenen. En wat den adel betreft--wat gaat het mij aan, wie
+iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugdzaam
+is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman[34]! MARTIJN
+stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van ADAM afstammen en dus
+bloedverwanten zijn, hoe is dan de "maechscap" zoo verdwenen? Van waar
+dan al die afgunst en strijd?--LUCIFER is daarmede in den hemel
+begonnen, antwoordt JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn
+en Dijn hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot een
+ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar neemt de
+liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het hart of uit de
+oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB; als een onbeschaafde
+Fries die niet weet wat liefde is. Luister! Nu vangt een redetwist aan
+tusschen het hart en het oog, tweespraak in de tweespraak, die door
+vrouwe Redene beslecht wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met
+de liefde tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De
+priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf volgen zij
+een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel van uw goed aan de
+armen, neig uw hart tot hen; dan moge God u in Zijne hoede nemen, u aan
+de macht der duivelen onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op
+den oorsprong van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de
+vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor de vrouwen die
+hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN verklaart zich
+overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om der wille van de "hooge
+vrouwe", aan wie ons behoud gelegen is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de
+tweespraak een einde.
+
+_D'ander Martijn_ is in zoover eene voortzetting van _den Eersten
+Martijn_, dat wij hier in den aanvang een dergelijke vraag gesteld zien
+als die over den strijd tusschen het hart en het oog. Hier geldt het de
+vraag: twee vrouwen beminnen mij; de eene heb ik lief, maar zij mij
+niet; de andere heeft mij lief, maar ik haar niet--tot welke der twee
+moet ik mij wenden?
+
+Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der "Cours d'amour"
+bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze in "_het schip van
+aventuren_" had hooren behandelen.
+
+In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander nu met
+allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan de Oudheid en den
+Bijbel. Redene moet zich in de liefde doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan
+de voorbeelden van noodlottige liefde uit den Bijbel moeten wij ons
+spiegelen. God zelf wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft,
+wie Hem wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken aan
+haar die mij lief heeft.
+
+In den _Verkeerden Martijn_ hebben wij een aardig voortbrengsel van
+middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S redeneeringen uit
+den _Eersten Martijn_ omgekeerd en tegen de zijne overgesteld. Hier en
+daar, vooral in de drie eerste strofen, meent men toch de bitterheid van
+den dichter in zijn scherts te hooren doorklinken. In het laatste
+couplet is iets van voorname levenswijsheid, die met een lichten
+glimlach spreekt over de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel
+jammer, dat slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In
+zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten
+vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid krijgen
+aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene vraag blijft: of
+MAERLANT inderdaad de maker is van dit gedicht. Er bestaat misschien
+meer reden hier aan het werk van een ander te denken dan aan een
+zelf-parodieerend sarcasme, waarvan in de middeleeuwsche literatuur,
+naar ik meen, tenauwernood een ander voorbeeld te vinden is[35].
+
+De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling in het
+maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk hart over de
+misstanden in dat leven en uit begeerte om in die misstanden verbetering
+te brengen. Verbetering door afbreken en opbouwen. De _Martijn's_,
+vooral _de Eerste Martijn_, werkten vooral afbrekend; in een drietal
+andere gedichten trachtte de dichter op te bouwen.
+
+Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan eens een vroeger
+motief hervatten, om het op nieuw te bewerken, zoo keert ook MAERLANT
+terug tot vroeger bewerkte stoffen. De schets eener middeleeuwsche
+vorstenschool uit den _Alexander_ wordt overtroffen door de handleiding
+voor vorsten in _Heimelijkheid der Heimelijkheden; Lapidarijs_ is
+uitgebreid tot het groote werk _der Naturen Bloeme_; de historische
+overzichten uit _Alexander_ en _Merlijn_ tot den _Spieghel Historiael_.
+
+Het oorspronkelijke _Liber de Secretis Secretorum_, in dezen vorm zeker
+niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag van zijn naam wijd en
+zijd verbreid, bevatte eene soort van overzicht der regeerkunst en, daar
+een vorst ook zich zelven moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet
+onwaarschijnlijk is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den
+twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht
+gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER toch in
+menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent kon heeten.
+_Heimelijkheid der Heimelijkheden_ zou dan min of meer als een
+correctief van den _Alexander_ moeten worden beschouwd, dat des te beter
+zou werken, omdat het ook hier juist ALEXANDER is, wien door den zoo
+hoog vereerden ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo
+was b.v. de aansporing tot het bedwingen van den "grammen moet" voor den
+_Alexander_ van GAUTIER de CHÂTILLON zeker niet overbodig[36].
+
+_Der Naturen Bloeme_ en _Spieghel Historiael_ moesten, evenals vroeger
+_Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_, voorzien in de behoefte aan
+degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching van
+THOMAS VAN CANTIMPRÉ'S groot werk _De Naturis Rerum_ kon elk die zijne
+bekomst had van fabelen en leugens, "nutscap ende waer" vinden. Alles
+wat men toentertijd van de natuur, van menschen en dieren wist, vond men
+hier bijeen. MAERLANT heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten,
+in het overige de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn
+voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd of er
+iets aan toegevoegd[37].
+
+In zijn _Spieghel Historiael_ leverde hij populair-wetenschappelijk
+werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden was voor de
+leeken tot dusver één nevelachtig verschiet van eentonig grijs geweest;
+deze _Spiegel_ wierp er voor het eerst krachtige lichtstralen in en
+doorheen. Nu eerst namen enkele bekende figuren in dat verschiet vaste
+omtrekken aan, nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver
+af, nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin men
+leefde.
+
+Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT VAN BEAUVAIS,
+bewerkte MAERLANT slechts een deel, het _Speculum Historiale_; de twee
+voorgaande deelen: _Speculum Naturale_ dat over God, het heelal en den
+mensch handelde en het _Speculum Doctrinale_ dat een overzicht der
+menschelijke wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van
+het _Speculum Historiale_ eer eene bewerking dan eene vertaling; hij
+raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a. den Hollandschen
+kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de geschiedenis van Nederland en
+de levensbeschrijvingen van Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk
+met een schat van spreuken en lessen van levenswijsheid[38]. Hier ook
+had MAERLANT gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns
+inziens, de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of
+vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over KAREL DEN
+GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende KARELS hadden
+samengesmolten tot éénen; hij houdt zich aan de _Historia Caroli Magni
+et Rolandi_; immers, dat was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich
+tegen de vermenging van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de
+verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het huis
+Bouillon[39].
+
+Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de vermenging van
+verschillende historische KARELS eerst door de hedendaagsche wetenschap
+opnieuw is gemaakt en met evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid
+gestaafd, dan moet men dezen middeleeuwschen "clerc" bewonderen om zijn
+helder verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde van
+zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan eigenlijk geen
+sprake zijn, want de poëzie is in de drie laatstgenoemde werken zoo goed
+als afwezig. Zelfs vertoonen zij in de bewerking tenauwernood eenige
+aandoening, tenauwernood iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk
+grapje maken over de vlooien, de "clene wichten" die ons in dit aardsche
+tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid toonen
+waar hij het dier Furions ter sprake brengt--doorgaans blijft hij in
+_der Naturen Bloeme_ de ernstige leermeester[40].
+
+In den ganschen _Spieghel Historiael_ vond ik slechts een paar plaatsen
+waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op MAERLANT zooveel
+indruk maakte, dat zijne bewerking er de sporen van draagt.
+CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van ROELAND heeft hem blijkbaar
+getroffen; in het Dietsch lezen wij dat de groote keizer
+
+ ... grongierde [Zijnoot: brulde.] in der gebare
+ Alse oft een leuwe ware
+ Die sine jonge vonde vermort.
+
+Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden welp zal wel
+niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in zijn voorbeeld niet te
+vinden[41].
+
+Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar hij in
+bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid zegt, een
+geestverwant herkent. Daar komt hem zijn _Eerste Martijn_ weer voor den
+geest, zoo levendig zelfs dat een paar rijmen uit de eerste strophe hier
+weer opklinken[42].
+
+
+DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE VAN OVERSEE; BESLUIT.
+
+Het tekort aan poëzie in de pas behandelde werken heeft MAERLANT ons
+vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten. Beide dagteekenen uit
+zijn ouderdom. _Van den Lande van Oversee_ moet gedicht zijn na den val
+van ST. JEAN D'ACRE (1291) en in _der Kerken Claghe_ hooren wij den
+dichter zeggen:
+
+ Wat sagh ic in den spieghel claer?
+ Mijn oude leven, mijn graeuwe haer,
+ Hoe sterven es met mi gheboren!
+
+Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap. De
+klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud uitmaakt van het eene,
+ruischt als ondertoon door de verzen van het andere[43].
+De dichter beeldt hier de kerk uit als eene moeder, eene bedroefde vrouw
+van haar erf ontzet, wier verdediging Christenridders plicht moet zijn.
+Het komt mij waarschijnlijk voor, dat deze voorstelling eene herinnering
+is uit de dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne
+verdiepte in ridderromans. In den roman van _Lancelot_ toch legt een abt
+aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die ridder heeft
+gezien. Wij lezen daar:
+
+ Tot u quam op dien nacht besien
+ Die heilege kerke ende al om dien
+ In eens droefs wijfs gelike,
+ Die u clagede droeffelike,
+ Datmen hare onrecht dede
+ Ende nam hare ervechtechede.
+ Sine quam niet gecleet met siden,
+ None togede met den bliden;
+ Maer si quam in groter droefheden
+ Ende gecleet met swerten cleden
+ Om den toren die hare kinder
+ Daden mere ende minder;
+ Dat sijn besondechde kerstine
+ Dat haer kinder (sculdech) te sine,
+ Ende gelijc hare moder hare
+ Altoes sculdech te houdene waren[44].
+
+Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk gewaarschuwd
+had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd tegen de geestelijkheid.
+In zijn _Naturen Bloeme_, zijn _Rijmbijbel_, zijn _Spieghel Historiael_
+had hij zich meer dan eens scherp uitgelaten over hunne hebzucht,
+weelde, wellust; hun verweten, dat zij waren
+
+ ... vor mine ogen smeker [Zijnoot: vleiend.]
+ Ende achter valsch als de verrader.
+
+De critiek, welke zijn bewerking van den _Rijmbijbel_ hem van de zijde
+der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn _Spieghel Historiael_
+nog niet vergeten[45]. Doch, had hij daar met de belgzucht van het
+"paepscap" rekening gehouden, in _der Kerken Claghe_ spaart hij hen
+niet. Onversaagd springt deze strijdbare "clerc", ridder naar geest en
+gemoed, zijne moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken,
+dat haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en leiden. De
+wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken de volle
+waarheid zou durven zeggen, hen met name noemen--hoe zou hij bejegend
+worden! Met enkele trekken schetst hij hen: korte rokken, breede
+zwaarden, lange baarden, kostbare kleederen, hooge paarden; wat al
+fierheid--ten koste der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de
+waarheid zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig,
+naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is eene
+vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op de loer. Hij
+behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen onder zijn bereik.
+Wie de kwaden vleien, hebben de beste plaatsen en eene vette keuken; zij
+drinken dat zij zweeten en slapen er te beter op. Al maken de heeren
+zich aan roof schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze
+geestelijken, die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven. En
+krachtig klinkt de oproep ten slotte: Zóó klaagt de heilige Kerk!
+Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij nieuwe wapenen dragen en
+deze wandaden te keer gaan en wreken.
+
+Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard, met zijne pen,
+tastte MAERLANT ook in het gedicht _Van den Lande van Oversee_ de Kerk
+van Rome aan, die hij scherp onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier
+durft hij zeggen:
+
+ Die Kerke van Romen is dusdaen vraet,
+ Si is dronken ende al sonder raet,
+ Die hovet is van Kerstijnhede.
+
+Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een noodkreet,
+door den vromen Christen geslaakt, toen hem meer en meer zekerheid
+gewerd, dat het Heilige Land aan de macht der Christenen ging
+ontglippen. In _Disputatie van den Cruce_ had hij reeds eenmaal een
+klacht daarover doen hooren, maar nu Acre, het laatste bolwerk der
+Christenen, gevallen is, slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de
+ontzetting, de verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef:
+
+ Kersten man, wats di gheschiet?
+ Slaepstu? hoe ne dienstu niet
+ Jhesum Christum dinen here?
+ Peins, doghedi dor di enich verdriet,
+ Doe hi hem vanghen ende crucen liet,
+ Int herte steken metten spere?
+ Tlant, daer hi sijn bloet in sciet [Zijnoot: stortte.],
+ Gaet al te quiste, als men siet:
+ Lacy, daer en is ghene were!
+ Daer houdt dat Sarracijnsche diet [Zijnoot: volk.]
+ Die Kerke onder sinen spiet
+ Daerneder, ende doet haer groot onnere
+ Ende di en dunkets min no mere [Zijnoot: gij geeft er niet om.]!
+
+In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe moeder, de
+Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt--gij leeft in weelde;
+Gods vijanden hebben te Acre kloosters en huizen vernield, het volk
+gedood. Christen! trek op, den hemel kunt gij winnen, indien gij die
+schande wreekt. Dan eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat
+er gebeurd is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van
+zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het vlamt weer op
+in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen... Kerk van Rome, trek
+het zwaard! Maar de voorname geestelijken hebben wel wat anders te doen!
+Wat doet gij ter wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette
+prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. "Reinaerdie"
+speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee uitrichten! En
+waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden niet te na gesproken--de
+duivel hale hen met hunne trotsche bijzitten! Maar het Heilig Graf
+vertoont zich weer aan zijn geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de
+koningen, graven en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd
+het schild "van sabel en van goude", het "lazuren" schild met de leliën
+op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat en zijne
+moeder wreekt--hij zal er voor boeten! Overredend klinkt het daarop:
+Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten immers toch eens sterven?
+Denkt wat JEZUS heeft willen lijden! Hoe anders was het ten tijde van
+CHARLEMAGNE en GODFRIED VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter
+valkenjacht, gij landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij
+u van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een bede tot
+God besluit de dichter zijn bezielden oproep.
+
+Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val van Acre is
+het Heilige Land geheel aan den greep van het Westen ontglipt. Sedert de
+kruistochten een aanvang hadden genomen, was de Europeesche Christenheid
+twee eeuwen ouder geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift
+en avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken; andere
+idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne toewijding, hunne
+kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan gevoelde, zijne devotie
+verrichten bij het Heilig Graf dat in zoo menige kerk ook te onzent was
+nagebootst.
+
+MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht opwekte,
+schijnt den veranderden koers der geesten niet te hebben opgemerkt. En
+indien al, dan heeft hij dien zeker betreurd. Want hij was een "prijzer
+van 't verleên" en zag in zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij
+dien bij vroeger vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden
+en op het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en opbouwend
+heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor te leiden, dat
+gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche dichter die,
+sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging en het plichtsverzuim van
+adel en geestelijkheid is opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij
+heeft voor Vlamingen en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na hem
+een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk leeren lezen.
+
+Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op eene plaats onder
+de groote mannen van ons volk; doch als kunstenaar rijst hij daardoor
+niet in onze schatting. Zeker, hij was dichter. Hij heeft dat getoond in
+den _Eersten Martijn_, vooral in de eerste helft waar de aandoening door
+de strofen golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt
+afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat getoond
+in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig brok van zijn
+overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch bevallig of aardig mag
+heeten. Den kunstenaar zien wij in den dichter, waar hij, in navolging
+der Latijnsche en Romaansche lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de
+afschrijvers bezweert zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde
+hecht aan de zuiverheid zijner rijmen.
+
+Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden; er is in
+zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel dat berijmd
+proza moet heeten. De drang naar schoonheid in zijn gemoed werd
+onderdrukt door het verlangen om de maatschappij te verbeteren en zijn
+volk te onderwijzen. En nu kan de invloed van een dichter op de
+zedelijke, geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk
+wel strekken om de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen,
+niet om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien
+heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt om op
+zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan.
+
+Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk zulk eene ruime
+plaats hebben gegeven in dit verhaal van de geschiedenis onzer
+letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij, beter dan eenig ander
+auteur zijner dagen, de eeuw en de maatschappij waarin hij leefde in
+hunne onderscheiden stroomingen vertegenwoordigt; omdat de geslachten
+die na hem kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter
+wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in enkele
+zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat onbeschrijfelijke
+dat wij poëzie noemen.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] De romans _van Alexander, Merlijn_ en _Troyen_ zijn tot ons gekomen
+in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken, in een
+dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig Nederland
+gesproken werd _(Tijdschr. v. Ned. T. en L._, XXIII, 156). De _Torec_
+schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den
+_Lancelot_ (a.w. X, 173; XIX, 36).
+
+[2] Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk
+boek van Prof. J. TE WINKEL: _Maerlant's Werken_, (2e druk, 1892), vgl.:
+Tweede Hoofdstuk.
+
+[3] Vgl. _Nat. Bloeme_ (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en _Inleid_. XXIV.
+Over den kalander-leeuwrik: BREHM, _Het Leven der Dieren_ (bewerking van
+HUIZINGA), II, 100.
+
+[4] De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen heeft in zijn
+gedicht, heette waarschijnlijk _Gheile_ en zal wel eene Vlaamsche
+geweest zijn. Vgl. FRANCK'S _Inl_. op den _Alexander_, XI-XII.
+
+[5] WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 134.
+
+[6] Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig.
+
+[7] Vgl. X, 1530-1.
+
+[8] Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke _Inleiding_,
+inzonderheid naar het hoofdstuk: _Maerlants verhouding tot zijne
+bronnen._
+
+[9] Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454.
+
+[10] T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481.
+
+[11] Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een _Simon die
+Godgaf_ (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der Vlaemsche Bibliophilen
+I, 6).
+
+[12] Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S _Inleiding_ op zijne
+_Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen_, met name p. 17, 154-5,
+181.
+
+MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van NAPOLEON
+DE PAUW.
+
+[13] Vgl. VERDAM'S _Episodes_, vs. 6666-6711 met _Roman de Troie_, vs.
+16179-16181.
+
+[14] Vgl. _Episoden_, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOÎT vertelt, op
+bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305, 9345; 327,
+10166; 341, 10694.
+
+[15] FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk. TE WINKEL
+beweert het tegendeel. Vgl. _Anzeiger f.d.A._, IX, 367-8 en TE WINKEL'S
+_Gesch. der Ned. Lett._, bl. 168 noot.
+
+[16] Vgl. _Merlijn_ (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S uitgave
+kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen van FRANCK'S
+vernietigende maar rechtvaardige critiek.
+
+[17] _Merlijn_, vs. 7639 vlgg. (7770-8, 8164, 8175-'80).
+
+[18] Vgl. _Torec_ (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene
+"Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S _Conte du Graal_; zie
+de Aant. op FRANCK'S _Alexander_, bl. 481). Afbeelding der _Chambre de
+Beauté_ bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192.
+
+[19] _Torec_, vs. 869-870; 1228-'49; 3231-'51.
+
+[20] Vgl. _Alex._, IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd; vgl.
+GAUTIER, _Alex._, IX, 258-260. Of M. deze vergelijking misschien uit den
+_Lancelot_ heeft overgenomen, doet weinig ter zake. _Episoden_ enz. vs.
+767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het origineel; _Alex._, I, 68;
+VERDAM'S _Inl._ op _Episoden_ enz. bl. 21 vlgg.; TE WINKEL in _Tijdschr.
+v. N.T. e. L._, I, 332 vlgg.; _Merlijn_, vs. 33, 589, 621. FRANCK'S
+_Inl._ op den _Alex._, L-LI; _Episoden_, bl. 163-4, vs. 4159 en vs. 4219
+in verg. met het oorspronkelijke.
+
+[21] _Alex._, III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook _Troyen_, vs.
+10736.
+
+[22] _Alex._, VIII, 126-9; X, 1535 vlgg.; _Episoden_ etc. bl. 159-160.
+Over die _riche dame_ te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197-8;
+_Episod._, bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht,
+door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne
+uitgaaf v.d. _Roman de Troie_: "Sur les manuscrits" in Deel I.
+
+[23] Vgl. _Alex._, VIII, 637 vlgg.; _Torec, Inl._, bl. XXII vlgg.
+
+[24] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; _Sp.
+Hist._, I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg.
+
+[25] A.w. I, 64 vlgg.
+
+[26] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 2755; _Sinte Franc._, 9-10; 51-40. Het
+verhaal van den "coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het
+ook in het Latijn.
+
+[27] Vgl. o.a. den Proloog van _der Nat. Bloeme_, vs. 108-116; TE
+WINKEL, _Maerlant's Werken_, p. 368; waai heidsliefde o.a.: _Rijmb._, I,
+25, 4885, 34830; waarheid en wonder: _Nat. Bl._, I, 486-'93; IV, 5
+vlgg.; V, 413 vlgg.; _Sp. Hist._, I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7.
+
+[28] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 337-9.
+
+[29] Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen:
+
+Want haer lyoen, hare lupaerd, Haer troest, haer muur, haer casteel,
+Ende hare hulpe algeheel Starf met eren, die goede Judas.
+
+
+In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: "firmavit faciem suam ut iret
+in Hierusalem" aldus weergegeven:
+
+Doe de tijd naken began Vander Passiën, maecte vast Sijn anscijn, _die
+lieve gast_ [Zijnoot: vreemdeling.], Te Jherusalem te gane.
+
+[30] Zoo b.v. vs. 7811-'14:
+
+Aldus in dien dorwitten vleesche Die nagle zwart als iet vereesche Entie
+wonde van der zide Bloeide als ene rose blide.
+
+Het Latijn heeft hier (in de bewerking van _Bonaventura Vulcanius_):
+"Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem lateris
+rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione reductum rosa
+quaedam pulcherrima videbatur."
+
+[31] Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen
+op de uitgave der _Strophische Gedichten_ door FRANCK en VERDAM.
+
+[32] Vgl. over den dialoog: Inleid. der _Stroph. Ged._, LXXX; EBERT,
+_Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt._, II, 16; JEANROY, _Les Origines de
+la poésie lyrique_, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk van SCHELER,
+_Trouvères Belges_ o.a. I, 6-7, 137, 139, 141.
+
+[33] In sommige handschriften heet dit gedicht _De derde Martijn_.
+
+[34] Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij den
+kerkvader HIERONYMUS. Zie _Inleiding_, p. LXXVIII. Naar het schijnt, ook
+reeds in ARISTOTELES' _Ethica_. Vgl. BURCKHARDT, _Die Cultur der
+Renaissance_, II, 90. Vgl. ook _Heim. der Heim_ (ed. CLARISSE), vs.
+1831-2; in het Latijn: "quia Deus creavit aequales."
+
+[35] FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie _Inleiding_,
+p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik twijfelen.
+
+Nagevolgd werd de _Eerste Martijn_ door een dichter die in 1299 den
+_Vierden Martijn_ dichtte (uitgeg. door SERRURE in _Vad. Mus._, IV, 55
+vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging niet.
+HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE is
+geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het
+dichten "op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN AKEN beter
+verzen dan deze dichter.
+
+[36] _Heim. der Heim._ (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft vrij
+wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw gevolgd. Zie
+de vergelijking in KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 289 vlgg.
+
+[37] Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg.
+
+Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts een
+klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in Boek
+IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens de
+Inleiding in VERWIJS' uitgave.
+
+[38] Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis van de
+ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke inleiding
+van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den _Sp. Hist._ en TE
+WINKEL t.a.p. het _Achtste Hoofdstuk_.
+
+[39] Vgl. _Sp. Hist._, III, p. 170, 204; TE WINKEL, _Maerlant's Werken_,
+p. 422-5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II, p. 383; II, p.
+79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV3, c. 22, vs. 83 vlgg.; c.
+6, vs. 5-11.
+
+[40] Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg.
+
+[41] Vgl. IV1, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624, _Lib._ 24,
+c. 20): "Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem eversum brachiis
+super pectus in modum crucis positis et super eum ruens irrugit clamore
+magno."
+
+[42] Zie: _Inleiding_, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn: _hove
+|| verscrove_.
+
+[43] Vgl. _v.d. L. v. O._, vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200.
+
+[44] Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige
+verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de laatste verzen.
+
+[45] Vgl. _Nat. Bl._, II, 469-'76; 680 vlgg.; _Rijmb._, I, 78 vlgg.;
+5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485-7; _Sp. Hist._,
+I, bl. 16, vs. 80 vlgg.
+
+
+
+DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK.
+
+Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de dichtwerken die
+gedurende de 12de en de 13de eeuw door deze volken zijn voortgebracht;
+de personen der makers bleven op den achtergrond. Op dien achtergrond
+moeten zij blijven, omdat, ten minste in het verhaal van de ontwikkeling
+eener middeleeuwsche literatuur, de persoon des dichters minder
+gewichtig is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien
+achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat ons van die
+dichters met of zonder naam bekend is. Tevens geeft ons dat gelegenheid
+mede te deelen, wat wij weten van het publiek waartoe zij zich richtten,
+van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder literaire werken toen
+ter kennisse van het publiek kwamen.
+
+Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat hij er roeping
+toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht. Het spreekt vanzelf,
+dat beroep en roeping niet steeds samengingen; doch ook dat door het
+beroep de roeping niet noodwendig werd uitgesloten.
+
+Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden of omdat zij er
+behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken of "clercken" mogen
+rekenen zooals WILLEM VAN AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH,
+MAERLANT, de dichters van _Rinclus_, _Van den Levene ons Heren_, van den
+_Dietschen Catoen_, _Esopet_ en dergelijke werken; ook JAN VAN BRABANT,
+de edelen en hoofsche "clercken" die minneliedjes dichtten en de
+dichters van volksliederen. Het is wel mogelijk dat sommige dezer
+dichters zich, evenals MAERLANT, van het wereldsche tot het ernstige of
+stichtelijke hebben gewend; wij kunnen het echter slechts van één hunner
+bewijzen. De bewerker der _Disticha Catonis_ namelijk verhaalt ons in
+zijn proloog:
+
+ Als ic die minne sach, ic louch;
+ Nu haticse al in minen sinne
+ Die minne draghen entie minne
+ Ende hebbe ghekeert minen moet
+ An die ghenen die siin vroet.
+
+Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en WILLEM VAN
+AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over andere dichters die zij
+_menestrelen_ noemen. MAERLANT heeft een afzonderlijk hoofdstuk van zijn
+_Spieghel Historiael_ gewijd aan "'t scelden jegen die borderers", d.i.
+romanschrijvers; aan het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog
+heeft op de "menestrele", die dus ook door hem als de dichters der
+ridderromans werden beschouwd[1]. En WILLEM VAN AFFLIGHEM spreekt van de
+menestrelen als van "logeneren". Blijkbaar gevoelen zij zich door hunne
+geleerdheid en ontwikkeling, ook door hun streven naar waarheid en
+vroomheid verheven boven die verdichters van fabelen en luchtige
+verhalen van oorlog en minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al
+te wereldschgezinde "clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene
+schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden:
+
+ Dit en sijn niet clerke, maar menestrele[2].
+
+Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales) aanduidt,
+tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral, den heer en zijn
+"gezinde" met muziek en zang of voordracht van poëzie te vermaken. Een
+dienaar van die soort hebben wij reeds ontmoet in dien knecht van den
+Brabantschen ridder, Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was "te pipen
+ende te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der
+maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en poëzie vinden wij ook
+bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt in _der Naturen Bloeme_ naar
+aanleiding van den vogel _Garrulus_[3]. Het "pipen en mauwen" van den
+menestreel kan kwalijk iets anders beteekenen dan het spelen op de
+pijpen ter begeleiding van zang of voordracht.
+
+Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem de menestrelen;
+zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door hun loftuitingen te
+prikkelen, in de hoop op geschenken zijnerzijds. Lof en roem
+verwerven--MAERLANT zegt het ons--daarnaar streefden de meeste ridders:
+
+ Want die ridder niet gheroet [Zijnoot: rust.],
+ Hine verslijt vleesch ende bloet,
+ Updat sijn prijs mere.
+
+En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen, vernemen
+wij eveneens uit zijne woorden:
+
+ ... der idelre gloriën cleet,
+ Daer menestraudië met omme gheet[4].
+
+In zijn _Spieghel Historiael_ laat hij nog eens een waarschuwing hooren
+tegen de "smekende" (vleiende) menestrele[5]. Een klein staaltje van
+hunne praktijken zien wij in de bewerking van den _Aiol_. In eene
+opsomming van edelen die AIOL verwelkomen, worden in de Dietsche
+bewerking o.a. de graaf van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de
+graaf van Artois genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de
+overeenkomstige plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld.
+Waarschijnlijk hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des
+menestreels jegens zijn publiek te zien[6].
+
+Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld,
+kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers in de
+met hen eenigszins verwante "yrauden" (herauten). Meer dan eens worden
+"menestrele ende yraude" of--wat hetzelfde is--"yraude ende spelmanne"
+in één adem genoemd[7].
+
+In den roman _van Torec_ zien wij den held in de wapenrusting van een
+anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders uit den zadel steken.
+De paarden der overwonnenen geeft hij aan de aanwezige speellieden en
+yrauden, en deze zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk:
+
+ Doe riepsi ende dyraude mede:
+ "Ha ha! Myduel, Myduel!
+ "Hi heeft den prijs ende niemen el;
+ "Hi es die beste van den velde:
+ "Hi es genindech [Zijnoot: dapper.], coene ende melde"
+ [Zijnoot: mild.] [8].
+
+Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren, maar ook bij
+die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig van die der ridders
+verschilde, zouden wij wel reeds mogen vermoeden. MAERLANT verzekert het
+ons ten overvloede in zijn _Rijmbijbel_[9]. Omgekeerd werd de plaats van
+den menestreel, naar het schijnt, wel eens ingenomen door een "scriver",
+die doorgaans wel een "clerc" zal zijn geweest. In de _Heimelycheit der
+Heimelychede_ lezen wij:
+
+ Nu betaemt wel elken heere
+ Die bewaren wille sine eere,
+ Dat hi scrivers met hem houde,
+ Vroede liede, jonghe ende oude,
+ Die scone ende wel connen dichten,
+ Ende met sconen worden verlichten
+ Connen dat sijn heere wille.
+ ...
+ Want ghelijc dat smenscen lede
+ Scoonre sijn ghecleedt dan naect,
+ Also eist dat men een dicht maect,
+ Daer men der wareit niet ut en gheet
+ Ende ment met scone worden cleet.
+
+MAERLANT spreekt hier over poëzie, terwijl in zijn voorbeeld, naar het
+schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op te stellen
+gesproken wordt[10]. Doch wat hiervan zij, zeker is meer dan een
+dichtwerk door een "clerc" op verzoek van een edelvrouw of edelman
+vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den proloog van zijn Graal-roman
+mede:
+
+ Dese historie van den Grale
+ Dichte ick ter eren Heren Alabrechte,
+ Den Heer van Vorne, wael met rechte;
+ Want hoge liede met hoger historie
+ Menechfouden zoecken hoer glorie
+ Ende korten daer mede hoer tijt.
+
+En in de opdracht van zijn _Spieghel Historiael_ lezen wij:
+
+ Grave Florens, coninc Willems sone,
+ Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone
+ Die mi dit dede anevaen.
+
+Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige ridderromans, bij
+den voortgang onzer wetenschap, bleken bewerkt te zijn door "clercken".
+De godsdienstige, hier en daar zelfs kerkelijke, tint, die over de
+bewerking van het _Roelandslied_ en over den roman _van Walewein_ ligt,
+die misschien ook in de _Lorreinen_ te zien valt, geeft tot dit
+vermoeden wel eenigen grond[11].
+
+In ontwikkeling zullen de "clercken" over het algemeen wel boven de
+menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men daarom aan deze laatsten
+niet alle ontwikkeling te ontzeggen. De bewerker van den _Partonopeüs_
+b.v. was blijkbaar een man van zekere ontwikkeling en beschaving; hij
+zal wel niet de eenige zijn geweest[12]. Dat mogen wij vermoeden ook met
+het oog op eene reeds vermelde plaats uit den _Spieghel Historiael_.
+MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing over tegen de
+wereldsche "clercken" die een wit voetje bij vrouwen en jonkvrouwen
+trachten te verkrijgen. VINCENTIUS' schets van het uiterlijk dezer
+"petits abbés" geeft hij in zijn Dietsch aldus terug:
+
+ Dese setten al haer doen
+ (Om) haer surcoet [Zijnoot: tabbaard.] ende haer caproen,
+ Hoe hare gescoyte [Zijnoot: schoeisel.] ten besten staet;
+ Om specie ende mossceliaet [Zijnoot: parfums.],
+ Dat si wel rieken van den crude;
+ Nuwe scoen met behagelen hude,
+ T'haer gelu enten crooc [Zijnoot: krullende lokken.],
+ Met vingerlinen verciert ooc:
+ Si gaen rechts of si pleyen [Zijnoot: dansen.] souden.
+
+Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld, over
+wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze beschrijving met
+het vers:
+
+ Dit en sijn niet clerke, maer menestrele.
+
+Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van sommige
+menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven. Blijkbaar trachtten
+dezulken hunne adellijke meesters te evenaren in voornaamheid van
+kleeding, voorkomen en gang. Zijn er te onzent, behalve HEINRIC VAN
+VELDEKE, adellijke menestrelen geweest? Dat de bewerker van den _Willem
+van Oringen_ door MAERLANT: "Claes _ver_ Brechten zone" wordt genoemd,
+geeft ons daarvan geen voorbeeld, want _ver_ wordt in de 13de eeuw reeds
+van burgervrouwen gebezigd[13].
+
+Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en onedel--zeker
+is er wel onderscheid geweest tusschen de menestrelen onderling: in
+maatschappelijke positie, in uiterlijke en innerlijke beschaving;
+onderscheid ook tusschen hen die, verbonden aan den dienst van één heer,
+als gezeten menestrelen gesteld mogen worden tegenover hunne
+rondzwervende kunst-broeders. Ook die "gezeten" menestrelen zullen wel
+eens van heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand in
+den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor; onze bronnen
+vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te kunnen spreken. Op die
+rondzwervende menestrelen moet VELDEKE het oog hebben, waar hij,
+afwijkend van zijn voorbeeld, ter bruiloft van ENEAS en LAVINE "die
+speleman end die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk
+beloonen[14]. Op hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: "menestrele
+|| Die altoes zijn onghestade"[15].
+
+Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de "speelman" en het
+"speelwijf", waarvan de bewerker van den _Partonopeus_ (niet zijn
+voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook "alle die singen broet
+om Gode", die door HEYN VAN AKEN in zijne vertaling der _Rose_ genoemd
+worden, waar het Fransch ze niet noemt[16].
+
+Dat onze voorouders bij het woord _menestreel_ in de eerste plaats
+dachten aan een _muzikant_, een "_speelman_" zooals zij zeiden, blijkt
+ook uit eene plaats in MAERLANT'S _Alexander_. Een paar verzen der
+_Alexandreïs_ waarin over _mimi_ gesproken wordt, geeft hij aldus weer:
+
+ Die menestrele quamer mede
+ Vor dien coninc in die stede
+ Ende loofdene met haren sanghe.
+ Daer was menich trompe langhe,
+ Vedelen, haerpen ende sijmphonien,
+ Cystolen die wel leren vrien,
+ Salterien, orghelen ende sciven[17].
+
+Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen:
+
+ Men speelder met sweerden ende met kniven
+
+dan zien wij hoe rekbaar het begrip _speelman_ was en dat het in de
+middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens zien wij dat
+zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche compilatie
+_Karlmeinet_ die omstreeks 1300 uit Nederlandsche romans is
+samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven van de kunst en de
+kunsten van
+
+ Hundert mynistrere
+ De wir nennen speleman.
+
+Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den hoorn, de
+harp, het salterie; genen kunnen spreken van wapenen, van avonturen en
+van minne; anderen goochelen onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar
+draaiende) met stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten
+vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw[18].
+
+Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk, die
+paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving. Trouwens hunne
+middeleeuwsche voorgangers stamden weer rechtstreeks af van de
+Romeinsche "mimi." In deze kringen, waarin ook niet zelden zwervende
+klerken (goliarden, vaganten) werden opgenomen, zullen wij
+waarschijnlijk de dichters hebben te zoeken die onzen _Bere Wisselau_,
+misschien ook de reize _van Sente Brandaen_ hebben vervaardigd.
+
+Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk aan het
+publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle poëzie, en zeker het
+grootste deel van het proza der middeleeuwen, was in de eerste plaats
+bestemd, te worden voorgedragen en aangehoord. Tallooze plaatsen ook in
+onze middeleeuwsche literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog
+op uitdrukkingen als: "Nu hoort....", "dat u te hoorne dunket zoete",
+"hoort er naer", "nu hoort vort van deser dinge" enz.[19]. Bij de
+voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste aanvankelijk,
+wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken hebben bestaan.
+Het publiek wordt daar gewoonlijk aangesproken met: "gi heren ende gi
+vrouwen"; de hoofsche WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: "gi vrouwen
+ende heren"[20].
+
+Soms wordt deze benaming afgewisseld met: "gi goede liede"; doch men
+moet hierbij in aanmerking nemen dat deze uitdrukking eene
+beleefdheidsformule was: "een goet man" is wat wij noemen: een
+fatsoenlijk man, een man van eer. De dichter van _Floris ende
+Blancefloer_ spreekt bepaaldelijk niet tot dorpers, maar tot lieden van
+stand en ontwikkeling[21]. Het _Leven van Sinte Lutgart_ richt zich nu
+eens tot "heren ende vrouwen", dan weer tot "closterliede", "grote ende
+clene", "man noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: "die hier te
+ringe sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring om
+den voordrager heen zat.
+
+Iets gemoedelijks ligt er in het "kinder" of "lieve kinder", waarmede
+MAERLANT in zijn _Merlijn_ en de bewerkers van het _Roelands-lied_ en
+van het gedicht _Van den Levene ons Heren_ soms hun publiek
+aanspreken[22].
+
+Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden mag,
+tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT, dan paste die
+wijze van aanspraak in hun mond wel; minder in dien van
+niet-geestelijken die later hun werk voordroegen.
+
+Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding van dichter tot
+voordrager. In menig geval zal de dichter tevens de eerste voordrager
+van zijn werk zijn geweest; immers de meeste dichters zullen hunne kans
+hebben waargenomen om met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch
+zoodra het oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd
+was, konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de prologen
+van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt, dunkt mij, dat de
+dichters op latere voordragers gerekend hebben[23]. Het vermelden van
+des dichters naam in den proloog moest waarschijnlijk denzelfden dienst
+doen als in onzen tijd de naam van den schrijver op het titelblad. In
+sommige gedichten (_Moriaen_, _Carel en Elegast_, _Levene ons Heren_,
+_Seven Vroeden_) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde
+persoon te zijn
+
+geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot zijne hoorders in den
+eersten persoon; die prologen zijn zoodanig, dat ook een later
+voordrager dat _ic_ kon behouden. In andere werken (_Floris en
+Blancefloer_, _S. Frandscus_, _Walewein_, _Troyen_, _Merlijn_) begint de
+dichter wel met _ic_, doch gaat later over tot het noemen van zijn naam
+en spreekt van zich zelven in den 3en persoon. Op die wijze bleek bij
+eene voordracht door een ander toch, wie de dichter was. Ook het
+omgekeerde komt voor: de dichter van den _Reinaert_ begint met: "WILLEM,
+die... hem... hi" en spreekt later van zich zelven met _ic_; hetzelfde
+geval treffen wij aan in _der Naturen Bloeme_ en den _Rinclus_. Hier
+zullen wij moeten denken aan den overgang van _oratio indirecta_ tot
+_directa_, dien wij vroeger in een ander verband hebben besproken.
+
+Werden voordrachten van poëzie vooral des zomers gehouden? Indien men
+MAERLANT'S uiting dienaangaande in _Heimelijcheid der Heimelijcheden_
+gewicht mag toekennen, dan: ja. In den zomer, zegt hij, pleegt men zich
+op allerlei wijze te vermaken:
+
+ Ende men brinct soeten sanc te voren,
+ Ende men moet dan geesten [Zijnoot: geschiedenissen.] horen
+ Die ghenouchlijc sijn int vertellen
+ Ende lachen dan met goeden ghesellen[24].
+
+Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den adel, juist
+des winters en in den herfst meer behoefte hebben gehad aan zulke
+voordrachten dan in de andere seizoenen.
+
+Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager geschaard,
+dan verzocht hij een "ghestille" en de voordracht ving aan. Begon hij
+dadelijk met spreken? Indien wij ons herinneren, dat de menestrelen
+tevens muzikanten waren, dan is het niet onwaarschijnlijk dat zij
+begonnen zijn met een klein voorspel. Zoo lezen wij in den roman _van
+Lancelot_:
+
+ Hi tymperde die harpe eer iet lanc,
+ Ende begonste harpen enen sanc[25].
+
+Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht begeleid
+heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten zelfs niet, of de
+verzen in den toon van het recitatief of slechts rhythmeerend
+voorgedragen werden.
+
+Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig zeggen der
+verzen, of streefden zij er ook naar, de personen in hun verhaal ten
+minste met de stem, misschien ook in houding en gebaar, te verbeelden?
+Verwonderlijk zou dat niet zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners
+van Provence een speelman: _contrafazedor_, d.i.: conterfeiter,
+nabootser. Het voordragen van een stuk door één persoon met
+verschillende stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en
+waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste, ook niet een
+menschenstem nabootsen?[26]
+
+Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke speellieden
+pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren nafluiten en nabootsen
+(wie hoorde zulke kunstenaars nooit ten platten lande of in kleine
+steden?) dacht aan den vogel Garrulus, de gaai, die ook bij de
+hedendaagsche vogelkenners geroemd wordt om zijn nabootsingstalent.
+Vooral de Vlaamsche gaai moet "een der meest begaafde en onderhoudende
+inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen hinneken als een veulen,
+anderen hebben zich geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen
+als een hen. Een hedendaagsch natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij
+eens in het bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster
+hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van de ekster,
+de stem van den spreeuw... en eindelijk, opkijkend, een Vlaamsche gaai
+boven zich zag[27].
+
+Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van _der Naturen Bloeme_ nu
+lezen wij van de gaai:
+
+ Wat so bi hem lijt [Zijnoot: hem voorbijgaat.] ooc mede,
+ Ist man, ist voghel, ist enich dier,
+ Bespot dit voghelkijn al hier,
+ Ende conterfaet alrehande luut
+ ...
+ ...
+ Gheplumt ist van menigher ghedane
+ ...
+ ...
+ Garrulus dit dinct mi vele
+ Bedieden some menestrele,
+ Die altoes sijn onghestade,
+ Ende callende vroe ende spade
+ Vele boerden, vele lueghen,
+ Ende conterfeiten dien si moeghen,
+ Bede riddere ende papen,
+ Porters, vrouwen ende knapen,
+ Daer si scone sijn omme gheplumet.
+
+Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande
+mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen, dat de
+bedoelde menestrelen inderdaad door stem, houding en gebaar de personen
+in hun verhaal trachtten uit te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog
+op het laatste vers, waarschijnlijk, dat de menestrelen soms
+gekostumeerd zijn opgetreden.
+
+Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een handschrift. Op
+zulk eene voordracht immers doelen de talrijke plaatsen waar van _lesen_
+sprake is in den zin van _voorlezen_[28]. In verband daarmede wordt, ten
+minste in _Sinte Lutgarts Leven_, de voordracht zelve _lesse_
+genoemd[29]. Opmerkelijk is ook de niet zeldzame uitdrukking "singen no
+lesen" of "lesen ende singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend
+is, maar ons toch ook aan het Oudgermaansche _singen und sagen_
+herinnert[30].
+
+Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten uit het hoofd
+opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk kunnen maken, zijn er ook nu
+nog. Zij zullen in die vroegere tijden, toen het geheugen zooveel minder
+beladen en overladen werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men
+zal dit te eer aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen
+zich gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht
+oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken zullen
+doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn.
+
+Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben gegolden,
+indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te hebben. Wij lezen op
+eene vroeger vermelde plaats van den _Karlmeinet_, dat er menestrelen
+waren
+
+ De van mynnen ind leve [Zijnoot: liefde.]
+ Sprachen _sunder breve_[31].
+
+Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij las, hij
+kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner hoorders had grenzen.
+Zeker, het publiek dier dagen, niet verwend en luistergraag, zal niet
+spoedig te veel hebben gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op
+bedacht, aan het dreigend "te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij
+hier en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen als:
+"Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze uit _Floris en
+Blancefloer_:
+
+ Het soude u allen dinken te lanc,
+ Noemdic u die gherechten alle[32].
+
+Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen
+op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen, maar ook door
+bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor hetgeen onmiddellijk zal
+volgen. Het zijn wendingen als: "Hoort hier wonder groot!", "Hoort hier
+ontfermelike dinc!" of:
+
+ Nu alre irst so mogedi horen
+ Utenemende aventuren.
+
+Ook klinkt het wel overredend:
+
+ Maer wildi vort met lesen duren,
+ Ghi sult hier horen scone die jeeste[33].
+
+Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders wel eens verveeld
+hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen over zijn publiek verdienen
+stellig niet alle letterlijk te worden geloofd; doch de aardige verzen
+waarin hij de verveling zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor
+een deel werkelijkheid bevatten[34]. Een zoo omvangrijk gedicht als het
+_Leven van Sinte Lutgart_ zal wel in verscheidene "lessen" en op
+achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het spreekt vanzelf
+dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd moesten pauzeeren. Met
+de groote ridderromans zal het wel niet anders zijn gegaan. Doch men
+behoefde natuurlijk niet steeds een werk in zijn geheel voor te dragen;
+het karakter van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed
+juist tot gedeeltelijke voordracht.
+
+De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men gewoonlijk in ééne
+"lesse" voor? Zou men ook te onzent, evenals misschien in Frankrijk,
+niet meer dan twee of drie duizend verzen tegelijk hebben gelezen of
+gezegd[35]?
+
+Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is in dezen nog
+niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk. Wij kunnen slechts door
+een paar voorbeelden de richting aangeven, waarin met eenige kans op
+vinden kan worden gezocht.
+
+In den grooten roman der _Lorreinen_ die waarschijnlijk uit een
+honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk in zijn geheel
+kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan een plaats verzen die het
+begin, andere die het eind eener "lesse" schijnen aan te wijzen; niet
+zelden geeft de voordrager daar eene korte samenvatting van hetgeen te
+voren verhaald was, om daarna den draad van zijn verhaal weer op te
+vatten. Zulke literaire pleisterplaatsen vindt men ook in den _Walewein_
+en den _Reinaert_. In de _Lorreinen_ leest men b.v. (na de gewone
+opwekking tot aandacht: "Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze
+samenvatting:
+
+ Gi hebt hier voren wel gehort,
+ Hoe van Bordeas der port
+ Was gereden her Garijn
+ enz.
+
+Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van den inhoud der
+drie groote deelen van het gedicht, en iets later deze samenvatting van
+het voorafgaande:
+
+ Gi hebt hier voren verstaen wel,
+ Hoe Gelloen die ridder fel
+ enz.
+
+Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke recapitulatie
+vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven door een groote
+geschilderde hoofdletter[36].
+
+Zoo ook in den _Walewein_:
+
+ Nu latic hier of die tale,
+ Ic salre weder toe keren wale.
+ Ghi hebt wel ghehort hier voren
+ Hoe Walewein die ridder uutvercoren
+ Jeghen den roden ridder vacht
+ Die....
+
+Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: "Ic wille corten
+mine tale" misschien het eind eener voordracht[37]. Dat
+men het gedicht _Van den Vos Reinaerde_, bijna 3500 verzen, in ééne
+"zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk; doch
+waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt gekozen zal
+hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8:
+
+ nu moet hi pleghen siere sele
+ Reinaert bi Grimbeerts rade,
+ ende ghinc te hove up ghenade.
+
+om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende vs. 1689:
+
+ Nu es die biechte ghedaen.
+
+Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder na vs.
+1962. Wij lezen daar:
+
+ Nu waren die drie heren gereet,
+ die Reinaerde waren te wreet.
+ dat was de wulf ende Tibeert
+ ende her Bruun die hadde gheleert
+ honich stelen te sinen scaden.
+
+Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan zijne "lesse"
+midden in het verhaal der voltrekking van het vonnis aan Reinaert die
+tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord: waarom zou hij de aandacht
+zijner hoorders niet gespannen hebben met dezelfde kinderlijke
+kunstgreep, waarvan zich in onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs
+bedienen, wanneer zij een hoofdstuk besluiten met: "Eensklaps weergalmde
+een schot!" of: "De doodstraf nam een aanvang"?
+
+Behalve de mogelijkheid dat men den _Reinaert_ in zijn geheel of in twee
+deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze andere: dat men telkens
+slechts één of meer der afzonderlijke verhalen hebbe gekozen waaruit het
+gedicht bestaat. Men zal b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als
+deze: Inleiding (vs. 1-464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs.
+465(518)-1014); zending van Tibert (vs. 1043-1356); zending van
+Grimbaert (vs. 1357-1750); Reinaert ten hove (1751-3018; misschien met
+een rust vóór vs. 2551: "Doe Reinaert quite was ghelaten"); Reinaert's
+wraak (3019-3476). In allen gevalle is het wel opmerkelijk, dat de
+Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld is in een aantal
+hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen met de bovenvermelde, door mij
+afgedeelde, "lessen".
+
+Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch gedicht
+geeft ons o.a. de roman _van Limborch_. Dit verhaal is verdeeld in een
+aantal boeken, welke--evenals in de _Lorreinen_--door eene groote
+gebloemde letter zijn onderscheiden[38]. Sommige dezer boeken die van
+1000-1400 verzen tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In
+de overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot van eenig
+onderdeel een "amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt[39].
+
+Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden pad moeten
+wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op de in den aanvang
+gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal voortgezet onderzoek ons dat
+brengen? Voorloopig meen ik het te moeten betwijfelen. Voor den omvang
+dier middeleeuwsche voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij
+uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk
+zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene regelmaat
+van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en op een anderen keer 1000
+en bij weer een andere gelegenheid 2000 verzen hebben voorgedragen? Of
+welk ander aantal ook, afhankelijk slechts van de omstandigheden, den
+aard der stof in verband met de aandacht van het publiek en de
+persoonlijkheid van den voordrager?
+
+Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel van ons
+verhaal kunnen besluiten.
+
+Alle poëzie--zeiden wij vroeger--en het grootste deel van het proza der
+middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd te worden voorgedragen en
+aangehoord. In die uitspraak ligt opgesloten, dat verzen en proza ook
+langs een anderen weg ter kennisse van het publiek konden komen; men
+begrijpt, dat ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen.
+
+Er zijn in de tweede helft der 13de eeuw wel reeds lezers, in onzen zin
+des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat wij die in de eerste
+plaats onder de geestelijkheid en daarna onder den adel zullen vinden.
+Zoo zegt MAERLANT'S vriend MARTIJN aan het slot van het strophisch
+gedicht _Van der Drievoudecheide_:
+
+ Als ic dit lese ende spelle
+ Maghic leren, als ic vertelle,
+ Mijn ghelove al bloot.
+
+In den proloog van _Sinte Lutgarts Leven_ lezen wij:
+
+ Mar wonder hevet mi van desen
+ Warumme si so gerne lesen
+ Van ouden sagen dat gedichte,
+ Ende oc geloeven also lichte
+ Din logeneren die se tellen[40].
+
+En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die hem niet
+gelooft aan:
+
+ Dat hi die vite van der maget
+ ...
+ Of selve lese, ochte imene el
+ Hem lesen doe[41].
+
+In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking der _Historie van
+Troyen_ voorspelt de dichter, sprekend van HECTOR'S dood:
+
+ Oec alle heren ende vrouwen
+ Diet lesen, sullen maken rouwe[42].
+
+En in _der Naturen Bloeme_ zegt hij tot Heer NICLAES VAN CATS:
+
+ Ghebiedijt, here, dit suldi lesen,
+ Die wile dat ghi ledich sout wesen[43].
+
+Misschien heeft MAERLANT in zijn _Rijmbijbel_, die toch tenminste
+evenzeer voor de gemeenten als voor den adel bestemd was, het oog op
+zelf lezen, als hij schrijft:
+
+ Nu merct ghi die hier in zult lesen,
+ Wat nutscap hier an zal wesen.
+
+Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal niet geweest
+zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen? Het mag betwijfeld
+worden. Ook had de adel tal van vermaken en ontspanningen die hij hooger
+stelde dan deze vermoeienis des geestes. De geestelijken konden wel
+lezen, doch Latijnsche geschriften genoten bij hen de voorkeur. In de
+kloosters werd bovendien onder de maaltijden veel voorgelezen.
+Voorzoover de monniken zelven lazen, beperkte zich hunne lectuur
+waarschijnlijk tot liturgische of stichtelijke geschriften. Onder de
+gemeentenaren werd de leeskunst zeker weinig beoefend. Het lager
+onderwijs was uiterst gebrekkig. Indien een poorter al kon lezen, dan
+eischte het koopen van een handschrift toch eene vrij hooge mate van
+stoffelijke welvaart, want een handschrift bleef vooreerst nog een
+voorwerp van weelde; het lezen eischte smaak in geestelijke ontspanning,
+vrijen tijd en niet minder zekere zelfstandigheid van gevoelen en
+denken, zich openbarend in het kiezen van eigen lectuur, die verre van
+algemeen verbreid was.
+
+Eer de Dietsche laaglanders tot die zelfstandigheid van gevoelen en
+denken konden komen, hadden zij nog menig stadium van ontwikkeling te
+doorloopen. In het eerstvolgende dier stadiën zullen wij hen nu
+gadeslaan.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] _Sp. Hist._, IV, 1, cap. XXIX.
+
+[2] A.w. Deel II, p. 85, vs. 20. In het Latijn leest men daarvoor:
+"_sponsos_ magis estimatos quam clericos."
+
+[3] T.a.p. III, 2146:
+
+"Als hi dus pipet ende mauwet."
+
+
+Vgl. ook XI, 149: "blasen ende pipen" in verband met het woord "noten"
+in vs. 151.
+
+[4] _Eerste Martijn_, vs. 371-388.
+
+[5] A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22.
+
+[6] _Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk_., II, 230, vs. 493-4.
+
+[7] Vgl. b.v. _Moriaen_ 4641-2: "Menestrele ende yraude mede || Ward
+daer gegeven grote rijchede"; _Lorr._ (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs.
+1342. _Torec_, vs. 2714-'5: "Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi
+alle gichte danne". Dat _menestreel_ verdietscht werd met _speelman_,
+zien wij in _Karlmeinet_, A. 287, vs. 12-13:
+
+Hundert mynistrere, De wir nennen speleman.
+
+
+[8] A.w. vs. 2753-'7. Eene eeuw later vermeldt WILLEM VAN
+HILDEGAERTSBERCH nog hetzelfde gebruik. In het stuk getiteld _Van Feeste
+van Heren_ lezen wij (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 195: Dan roepen die
+eerauden voort Den danc als die vrouwen ramen, Ende noemen overluut bi
+namen Wyet verdient nae wapen recht.
+
+
+[9] Vs. 15259 vlgg.
+
+[10] A.w. vs. 2087 vlgg. en KAUSLER'S mededeeling over den inhoud van
+het capittel: _De Electione notarii_.
+
+[11] Vgl. mijne aanwijzingen daaromtrent in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_,
+bl. 52, 55. Over den roman _van Walewein_ vgl. het vroeger medegedeelde
+en vs. 19-21 van den proloog. Wat de _Lorreinen_ betreft, verwijs ik
+naar de door MATTHES uitgegeven fragmenten, p. 17, vs. 371-2; 28, 637-9;
+30, 661; 32, 730-'4.
+
+[12] Vgl. Dr. VAN BERKUM'S opmerkingen dienaangaande t.a.p. bl. LI vlgg.
+
+[13] In de _Oudste Stadsrekeningen van Dordrecht_ (ed. Mr. CH. M. DOZY),
+p. 7 vindt men op het jaar 1284-'85: "Symoen vern Anesoeten sone van
+wine" etc. Ik dank deze mededeeling aan mijn vriend VERDAM. Bij nader
+onderzoek bleek mij dat er in de voorafgaande posten nog tal van
+dergelijke benamingen voorkomen, die duidelijk maken dat _ver_ in het
+laatst der 13e eeuw geene adellijke dame aanduidde. Zoo b.v.: "Thout Jan
+ver Haedwien sone"; "Van den mele Jan ver Diewien sone"; "Ysere Heyne
+ver Lisbetten sone" enz.
+
+[14] _Eneide_, vs. 13107, 13159, 13196. VELDEKE gaat hier zijn eigen
+weg, zooals uit eene vergelijking met het Fransch (ed. SALVERDA DE
+GRAVE) blijkt.
+
+[15] _Nat. Bloeme_, III, 2135. In afwijking van het _Mnl. Wdb._ vat ik
+hier _onghestade_ op als _ongedurig, zwervend_. Immers dan alleen gaat
+de vergelijking op met den gaai "die van bome te bome vliecht ende
+sprinct.... Noch gheduert in ghere stede."
+
+[16] A.w. vs. 10514-6.
+
+[17] _Alex._, V, 1041-7. In de _Alexandreïs_ op de overeenkomstige
+plaats, (V, 483):
+
+Occurrunt lyricis modulantes cantibus odas Cum cytharis mimi:
+
+
+[18] _Karlmeinet_ (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog 296_b_,
+vs. 48 vlgg.
+
+[19] Vgl. o.a. _Mnl. Wdb._ i.v. III, kol. 592.
+
+[20] A.w. II, vs. 5089, 6271.
+
+[21] Proloog, vs. 3 vlgg.; 72-5.
+
+[22] Eenige bewijsplaatsen uit vele: _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 124; _Flor.
+en Blanc._, 16; _S. Lutgart_, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047, 11393,
+13817; III; 68, 2737; _Roel._, 210; _Merlijn_, vs. 545; _L.o.H._, vs.
+17.
+
+[23] Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag of de
+proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier niet dieper
+treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk onderzoek
+verdienen.
+
+[24] A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig.
+
+[25] II, 29408.
+
+[26] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neueren Dramas_, I, 380. Over het
+voordragen met "Stimmenwechsel" ald. 34, 160.
+
+[27] Vgl. BREHM'S _Leven der Dieren_ (bewerking van HUIZINGA), II,
+227-8.
+
+[28] _Sp. Hist._, I, 280 (2e kol.): "Maer die scone bispele || Diemen
+gerne lesen hort"; _Bere Wiss._, 391: "daer ic vormaels ave las";
+_Ferg._, 4509: "dus gedaen dinc hordic noit lesen"; _Rijmb._, 27099:
+"Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment
+leest bi sullen wesen" (de toehoorders).
+
+[29] II, 168. Vgl. voorts _Mnl. Wdb._, IV, kol. 403-4.
+
+[30] _Moriaen_, 2506-7: "Van soo vreseliken dinghen || En horde noit man
+lesen no singhen"; _Walewein_, 4994; _Troyen_ (Epis. ed. VERDAM), 4687,
+waar in het origineel staat: "Jamès hom _n'orra_ tel esforz"; _Leven v.
+S. Lutgart_, II, 3157, 5580, 7631.
+
+Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den _Reinaert_, I,
+2981 en _Mnl. Wdb._, IV, p. 392, 394, 395, 396.
+
+[31] D.i.: zonder beschreven papier vóór zich, uit het hoofd.
+
+Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in _Mnl. Wdb._, I, kol.
+1337.
+
+[32] Vs. 2197-8.
+
+[33] Vgl. o.a.: _Reinaert_, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425, 2848 en
+pass.; _Aiol_, 25, 602, 615, 983; _Van Sente Brandane_, C. vs. 1, 5, 30,
+1702; H. vs. 2014, 2026; _Moriaen_, 1688-90; _Lancelot_, II, 10-11.
+
+Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd,
+die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn _Leven van S.
+Lutgart_ ten onrechte stoplappen noemt.
+
+[34] Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over WILLEM
+VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: _Neue Jahrbücher für das klassische
+Altertum_ etc., XIII Bd., 6. Heft.
+
+[35] Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de
+Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288.
+
+[36] Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (_Kar. de Groote en zijne XII.
+Pairs_), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs. 1354 vlgg.; bl.
+74-75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in _Tijdschr. v. N.T. en
+L._, III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog Fragm. JONCKBLOET, bl.
+131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES, bl. 31, vs. 95 vlgg.
+
+Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere _rubricae_ is het
+misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen.
+
+[37] Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener "lesse" in vs. 1867 en
+vs. 2842?
+
+[38] Inleiding, p. XXXV.
+
+[39] I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal "amen's";
+in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden; V, 1738; ook aan
+het slot; VI, 2234.
+
+[40] II, 47-51.
+
+[41] A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165-7.
+
+[42] _Epis._, vs. 6676-7.
+
+[43] _Nat. Bl._, bl. 169, vs. 4029-4030.
+
+
+
+TUSSCHENSPEL.
+
+
+ONTKIEMING VAN HET NATIONALITEITSGEVOEL.
+
+ Maerlant. Ridderpoëzie. Heyn van Aken. _Hughe van Tabarien_; _Roman van
+ de Roos_; _Roman van Limborch_. Jan van Heelu. _Slag bij Woeronc_.
+ Lodewijk van Velthem. _Flandrijs_. _Vlaamsche Rijmkroniek_.
+ _Brabantsche Yeesten_. Melis Stoke.
+
+Op onzen weg door het verleden hebben wij tot dusver meermalen iets
+aangetroffen, dat, uit deze volken oorspronkelijk voortgekomen of onder
+hen opnieuw geboren, als het inheemsche tegenover het uitheemsche mocht
+worden gesteld.
+
+In de bewerkingen der ridderromans zagen wij hier en daar wel gevoel
+voor het ridderwezen in zijn heroïek idealisme, zijn hoofschheid en
+fijnheid, doch vaker het burgerlijke tegenover het ridderlijke, het
+dorperlijke tegenover het hoofsche; uit gemis aan aesthetischen zin het
+aanschouwelijke en beeldende opgeofferd aan de eischen van fatsoen en
+zedigheid.
+
+In den _Karel en Elegast_ bewonderden wij eenvoudig en zuiver gevoel,
+sober en met naïeve kunst verwerkt. Het gedicht _Van den Levene ons
+Heren_, de poëzie van WILLEM VAN AFFLIGHEM, vooral die van HADEWIJCH,
+toonden ons innigheid van godsdienstig gevoel in bevallige vormen en de
+hooge vlucht der ziel op sterke wieken des geloofs. Uit het verhaal _van
+den vos Reinaerde_ sprak brutale zinnelijkheid naast scherpe waarneming
+der werkelijkheid; daar vonden wij schalksche scherts en bitteren spot
+in dienst der hekeling van maatschappelijke toestanden.
+
+Bij MAERLANT zagen wij onverschrokken waarheidszin en sterk
+rechtsgevoel; schoonheidszin onderdrukt door het verlangen om te
+onderwijzen en te stichten, doch bijwijlen zich uitend krachtig en
+bezield.
+
+Men zou zulke eigenaardigheden en eigenschappen als het nationale
+tegenover het uitheemsche of het internationale kunnen stellen. Doch men
+zou zoo doende uit het oog verliezen, dat er in dezen tijd van het
+nationale in den vollen zin des woords eigenlijk niet gesproken kan
+worden, omdat uit de bewoners dezer landen nog niet eene natie, ééne
+natie, was ontstaan.
+
+De eigenaardigheden en eigenschappen waarop wij het oog hebben,
+behoorden echter tot de elementen waaruit zich het Nederlandsch
+volkskarakter mettertijd zou vormen. Eer het zoover kon komen, moesten
+de onderscheiden volksgroepen hier te lande zich nauwer aaneensluiten.
+Dat kon weer niet geschieden, voordat in elk dier groepen een inniger
+samenhang ontstaan en het besef ontwaakt was van dien samenhang. Elke
+groep moest zich bewust worden, dat zij, tegenover de andere, eene
+eenheid vormde, eenheid van tongval, recht, zeden en gewoonten,
+kleeding; eenheid ook ten opzichte van den grond, waaraan zij allen
+eenig deel hadden, dien zij wilden verdedigen tegen indringers, waaraan
+zij gehecht waren door de kracht der gewoonte en doordat zij er zich
+thuis gevoelden.
+
+MAERLANT is ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn volk, dat hij
+onder de eersten zich bewust wordt van die gehechtheid aan den
+geboortegrond, die zulk een voornaam bestanddeel vormt van het
+nationaliteitsgevoel. Tot die bewustheid is hij niet uit zich zelven
+gekomen. GAUTIER DE CHATILLON heeft hem door zijne _Alexandreïs_ op die
+gehechtheid aan den geboortegrond opmerkzaam gemaakt; doch GAUTIER'S
+warme ontboezeming is door MAERLANT nagevoeld en op zelfstandige wijze
+weergegeven in deze verzen:
+
+ Owi, here God, hoe macht sijn
+ Dat elken minsce int herte sijn
+ So soete dunct sijns selves lant?
+ Die Brabantsoen prijst Brabant
+ Ende die Fransois Vrankerike,
+ Die Duutsce dat Keyserrike,
+ Die Baertoene [Zijnoot: Bretagners.] prisen Baertaniën,
+ Die Tsampanoise Tsampaniën,
+ Also mint die vogel dwout,
+ Daer hi in hevet grote ghewout [Zijnoot: vrijheid.].
+ Al dademene in een waerme mute [Zijnoot: kooi.],
+ Mach hi, hi vlieghet ute.
+ Dus priset elckerlijc sijn lant.
+ Maerlant seide dat hi noit en vant
+ Also goet lant alse Bruxambocht [Zijnoot: het Vrije van Brugge.].
+ Ic waens hem daerbi heeft ghedocht,
+ Omdat hiere in was gheboren[1].
+
+Zooals men hier ziet, toont MAERLANT eene ruime opvatting van het begrip
+_geboortegrond_, waar hij over Frankrijk en Duitschland als het land van
+_de_ Franschen, _de_ Duitschers spreekt. Doch daarnaast zien wij eene
+beperkter opvatting, waar hij Champagne en Bretagne in één adem met
+zulke landen noemt. Met die beperkter opvatting strookt, dat hij Brabant
+als een land op zich zelf en het Vrije van Brugge als zijn geboortegrond
+voorstelt.
+
+MAERLANT zal hier wel de opvatting van de meeste zijner tijdgenooten
+hebben weergegeven.
+
+De dichter van den _Reinaert_ moge een enkele maal den blik laten weiden
+over het groote laagland "tusschen de Elbe en de Somme", HADEWYCH hare
+geestverwanten hebben gehad in Thuringen en Saksen, geestelijken en
+clercken als MAERLANT een deel van Europa hebben omvat met hun blik--de
+groote meerderheid des volks bleef naar lichaam en geest gevangen binnen
+den kring van de eigen stad of de streek, waar zij geboren waren. De
+blik der meesten werd beperkt door de grenzen van het graafschap of
+hertogdom, waartoe zij behoorden, en richtte zich betrekkelijk zelden op
+naburige landen en volken.
+
+Het gevoel van gehechtheid aan den geboortegrond, zoo licht zich
+uitzettend tot trots op dien grond, dat wij omstreeks het midden der
+13de eeuw in MAERLANT aantreffen, kunnen wij in het laatst dier eeuw en
+in den aanvang der volgende ook elders in deze landen waarnemen. In
+Limburg, Brabant, Vlaanderen, die landschappen dus, waar het
+letterkundig leven tot nog toe hoofdzakelijk zich had ontwikkeld, zien
+wij het volksgevoel ontwaken en zich uiten in den roman _van Limborch_
+en den _Flandrijs_, in JAN VAN HEELU'S verhaal van den _slag bij
+Woeringen_, in het werk van VELTHEM en de Kroniek van MELIS STOKE.
+
+Opmerkelijk, doch niet onverklaarbaar, is, dat wij in de meeste dezer
+werken het volksgevoel--of beter: het stamgevoel--verbonden zien met de
+verheerlijking van den adel, dat de vorm dier werken ons herinnert aan
+dien der ridderromans, dat de dichters dezer werken grootendeels in vrij
+nauwe betrekking staan tot den adel. Het zelfbesef der edelen, de
+ingenomenheid met eigen geslacht en de zucht om den roem van dat
+geslacht te verhoogen, vinden wij op groote schaal terug bij een
+ganschen stam. Zoo kwam een dichter er toe, de verheerlijking van een
+geslacht uit te breiden tot den stam, waarover dat geslacht regeerde.
+
+Een staaltje van dergelijke uitbreiding vinden wij in een 14de-eeuwsch
+dichtwerk over den Grimbergschen oorlog, een strijd tusschen de machtige
+heeren van Grimbergen en de hertogen van Brabant. De bedoeling van den
+dichter was natuurlijk: eene verheerlijking van het geslacht van
+Grimbergen. Doch in die verheerlijking krijgt ook de gansche adel en het
+gansche Brabantsche volk deel, zoodat wij reeds in den aanvang vernemen,
+dat "die van Brabant" gekomen zijn "uut dien van Troyen[2]." Langs dien,
+ook later niet zelden gevolgden, weg verhief men een gansch volk tot den
+adelstand.
+
+Wij worden in onze overtuiging van de juistheid dezer voorstelling
+versterkt, wanneer wij er op letten, hoe in de oorspronkelijke
+ridderpoëzie de liefde tot het eigen land zich reeds openbaart. Toont de
+onbekende dichter der _Chanson de Roland_ niet eene sterke liefde voor
+"dulce France"? Het zou geen wonder zijn, dat menig hoorder der
+Nederlandsche bewerking zich bewust is geworden van de liefde tot zijn
+geboorteland, waar hij ROELANT hoorde zeggen:
+
+ Dan wille God niet, dat ghesciet,
+ Dat soete Vrankrike bi mi
+ Sijn eere verliese, hets soe vri!
+
+of waar hij dergelijke uitingen elders hoorde terugkeeren[3].
+
+In geen, te onzent vertaalden of bewerkten, ridderroman echter vond ik
+de liefde tot een bepaald land en zijne inwoners zoo diep gevoeld, zoo
+uitvoerig in wezen en werking beschreven, als in den roman _van
+Lancelot_, in deze verzen:
+
+ Alsi ter zee quamen mettien,
+ Begonste Lancelot dat lant besien,
+ Daer hem in was menege ere
+ Gedaen ende oec vele mere
+ Dan oit daer vore was, sonder waen,
+ Enegen riddere allene gedaen.
+ Hem begonste lopen sere
+ Die trane op sirie lire [Zijnoot: wangen.],
+ Ende hi versuchte doe sware
+ Ende weende sere daernare.
+ Alsi aldus hadde gewesen
+ Ene wile, hi sprac na desen
+ Stillekine, so dat dese word
+ Nieman en verstont dan Bohort:
+ "Ay soete lant ende godertire
+ "Ende mergelijc [Zijnoot: vreugdevol.] in alre manire,
+ "Wel sittende ende blide mede,
+ "Vol van alre geluckechede,
+ "Daer min geest in blivet geellike [Zijnoot: geheel en al.]
+ "Ende mine ziele dier gelike,
+ "Gebenedijt moetstu talle stonde
+ "Wesen van Jhesus Kerst monde,
+ "Ende gebenediet soe sijn si
+ "Dire in bliven selen na mi
+ "Ende wonen selen in desen lande!
+ "Sijn si mi vriende oft viande,
+ "God mote hen pays geven
+ "Ende met rasten [Zijnoot: rust.] doen leven!"
+ ...
+ ...
+ Dit waren sine worde die hi sprac,
+ Alsi uten lande van Logres trac.
+ Hi sach ten landewaerd nadien,
+ Alse lange als hijt conde gesien[4].
+
+Hoe modern reeds schijnt ons dit afscheid van een land dat ons lief
+geworden is: die tranen langs de wangen, die zuchten, die gefluisterde
+zegenwensch, dat staren naar de wijkende kust! Hoe modern reeds, al
+hooren wij hier slechts een flauw voorspel van dergelijke poëzie in
+lateren tijd, wanneer CHILDE HAROLD zijn "native shore" vaarwel zal
+zeggen.
+
+Den samenhang nu tusschen ridderlijke romantiek en een kiem van
+nationaliteitsgevoel, dien wij in het _Roelants-lied_ en den roman _van
+Lancelot_ kunnen opmerken, vinden wij ook in de meeste bovengenoemde
+Dietsche dichtwerken en dichters. De _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn
+ridderromans; HEYN VAN AKEN, dichter van den _Limborch_, toont ook
+elders sympathie voor het ridderwezen; de _Slag van Woeringen_ is half
+ridderroman half kroniek, de dichter van dat werk, JAN VAN HEELU, zal
+wel tot het gevolg van JAN I, hertog van Brabant, behoord hebben; de
+edelman LODEWIJK VAN VELTHEM zet wel MAERLANT'S _Spieghel Historiael_
+voort, doch is tevens de samensteller van de Lancelot-compilatie. De
+_Vlaamsche Rijm-Kroniek_, de _Brabantsche Yeesten_ en MELIS STOKE'S
+_Rijmkroniek van Holland_ zijn zuiver-historische werken; doch men
+vergete niet, dat deze werken ten deele strekken moesten om de
+aanzienlijke afkomst der over die landen regeerende vorstenhuizen te
+betoogen, en dat de adel zelf grootendeels aan de historie zijn recht
+van bestaan ontleende.
+
+De dichter van den _roman van Limborch_, HEYN VAN AKEN, was vermoedelijk
+in Brussel geboren en tijdens zijn leven pastoor van Corbeke bij Leuven.
+Wij kennen drie werken van hem; twee vertaalde: _Hughe van Tabarien_ en
+den roman _van de Roos_; een oorspronkelijk: den _roman van Limborch_.
+Het laatste is door hem waarschijnlijk geschreven tusschen 1291-1318;
+het middelste misschien omstreeks 1300 terwijl hij de bewerking van den
+_Limborch_ eenigen tijd liet rusten; de dagteekening van het eerste is
+onzeker. De dichter moet vóór 1330 gestorven zijn; zeker niet zoo heel
+lang na de voleindiging van den _Limborch_[5]. In den aanvang van het
+Tiende Boek immers stelt hij zich aan zijn publiek voor als een oud man:
+hij is versleten, het vesperklokje gaat voor hem luiden, zijn eenig
+genoegen "leit in de scotele ende in den nap"; voor de minne deugt hij
+niet langer, erover praten is al wat hij kan. Hij moge dan pastoor
+geweest zijn, aan het slot van zijn _Hughe van Tabaryen_ schreef hij:
+
+ Dit hevet ghedicht, te love ende theeren [Zijnoot: ter eer.]
+ Allen rudderen, Heyne van Haken[6].
+
+Daaruit blijkt wel, dat hij met den adel op goeden voet stond of
+wenschte te staan. Het oorspronkelijk gedicht _De l'Ordene de
+Chevalerie_ in 36 achtregelige strofen, bevat eene uiteenzetting van het
+ridderwezen en van de symbolische beteekenis der plechtigheden bij de
+ridderwijding. Evenzoo behelst de roman _van de Roos_, vooral in zijn
+eerste deel, eene uiteenzetting van het wezen der hoofsche liefde.
+Daarom is de tweede titel van dezen roman, dien wij in het werk zelf
+vinden: nl. _Spieghel der minne_, zooveel juister, omdat hij het wezen
+van het boek beter aanwijst. Naspeuren en uiteenzetten van het wezen der
+dingen--dat was de geest der burgerij, die misschien ook over een deel
+der edelen vaardig werd. Het kenschetst echter dit tijdvak van overgang,
+dat die geest zich hier richtte op de instelling van het ridderwezen en
+op den hartstocht die vooral door den ridderstand tot eene soort van
+eeredienst was verheven. Trouwens den ganschen opzet van den _Roman de
+la Rose_: een minnaar die eene roos (symbool der geliefde) wil machtig
+worden, maar daarin door zijne gevangenschap verhinderd wordt, vindt men
+reeds in den roman _van Lancelot_[7].
+
+Doch er is in dit werk behalve den opzet nog meer gewichtigs, waarvan
+wij hier het een en ander moeten mededeelen.
+
+Het oorspronkelijk gedicht dankt zijn ontstaan aan twee dichters:
+GUILLAUME DE LORRIS en JEAN DE MEUNG; het werk van den eerste dagteekent
+van omstreeks 1225-1230, en is omstreeks 1270 door den tweede
+voortgezet. Tusschen die beide dichters bestaat een groot verschil.
+GUILLAUME DE LORRIS, uit de school van CRESTIENS DE TROIES, is een
+elegant prediker der hoofsche liefde, een vereerder der vrouwen, een
+bevallig kiesch dichter, die voor edele heeren en hoofsche vrouwen
+schrijft--JEAN DE MEUNG is een geleerde met een scherp verstand, een
+open oog voor de werkelijkheid in al hare naaktheid, onbevangen,
+sceptisch, niet zelden cynisch, die de vrouwen minacht. GUILLAUME leert
+hoe men de vrouwen moet winnen, JEAN hoe men ze moet bedriegen. Ook JEAN
+is een begaafd dichter, maar zonder zelfbedwang of kieschheid. Geeft het
+eerste deel van den roman ons vooral eene "minnekonst"; in het tweede
+vinden wij de minne verbonden met allerlei anderslachtigs: wijsbegeerte,
+godgeleerdheid, natuurwetenschap, satire tegen de vrouwen, de
+geestelijke orden, de grooten, de koningen zoodat wij aan onzen MAERLANT
+gaan denken[8].
+
+Van dien aard is het werk dat door HEYN VAN AKEN half bewerkt half
+vertaald is. Hij heeft vrij wat bekort, vrij wat weggelaten; bekort zijn
+de wijdloopige redeneeringen hier en daar, zoo ook eene beschrijving der
+kunstmiddelen van het vrouwelijk toilet, eene opsomming van
+voorschriften aangaande de wellevendheid. Weggelaten is de uitweiding
+waarin JEAN DE MEUNG zich verontschuldigt dat hij de vrouwen harde
+waarheden heeft moeten zeggen, de uitweiding over den strijd tusschen de
+Natuur en den Dood, vooral de 4000 verzen lange biecht der Natuur "de
+omni scibili", de mededeelingen over de kracht van het Medusa-hoofd, de
+uitval tegen de Dominicaner-orde[9]. Hier en daar vinden wij een
+eenigszins karakteristieke afwijking; zoo b.v. waar de bewerker spreekt
+van "al 't goet van Sassen", waar hij den Rijn in de plaats stelt van de
+Seine, of Poitou en Engeland in zijn gedicht brengt[10]. Doch overigens
+vertoonen zijne vrij goede en vloeiende verzen weinig dat het karakter
+van den bewerker of dat van zijn volk kenschetst.
+
+Meer van hem zelven vinden wij in den _Limborch_, al kan dat werk
+slechts met aanzienlijke beperkingen oorspronkelijk worden genoemd. Dat
+tekort aan oorspronkelijkheid blijkt niet uit het telkens herhaald
+beroep op het Walsch. "Als ict in den Walsche las" en dergelijke
+uitdrukkingen dienden slechts om achtbaarheid aan zijn werk te geven of
+om hem aan een slot te helpen: "want dWalsch en seges mi nemmeer".
+
+Er was hier een historische kern in de persoon van Hertog HENDRIK IV van
+Limburg die in 1227 keizer FREDERIK vergezelde op een tocht naar het
+Heilige Land. De dichter heeft dezen hertog echter verward met HENDRIK I
+die in 1206 te Constantinopel tot keizer werd gekroond en bovendien de
+geschiedenis zoodanig met sagen of eigen verdichtselen omhuld dat het
+geheel niet meer dan eene fabel kan geacht worden[11]. Hoofdzaak was
+voor den dichter de verheerlijking van het huis van Limburg door middel
+van een rijmwerk. Om dat rijmwerk te kunnen samenstellen, had hij stof
+noodig; die stof heeft hij uit zijne herinneringen aan vroegere werken
+samengebracht en op de gebruikelijke wijze verwerkt.
+
+Zoo ontstond, niet uit het leven, maar uit boeken, dit doodgeboren kind
+van belezenheid en gunstbejag.
+
+Menig dichter vóór hem had zijn werk vervaardigd ter eere eener
+jonkvrouw die hij liefhad, HEYN VAN AKEN blijft in dezen niet in
+gebreke. Doch hij weet zich niet te hoeden voor het gevaar, dat
+navolgers dreigt: hij tracht zijne voorgangers te evenaren, doch
+overschreeuwt hen. Hadden zij een enkelen keer gewag gemaakt van de
+schoone, ter wille van wie zij hun werk ondernamen, hij herhaalt zulke
+betuigingen door acht boeken heen[12]. Kwam zijne "joncfrouwe
+ongheveinst" misschien uit hetzelfde Walsch, waaruit hij zijn roman
+vertaalde? DIEDERIC VAN ASSENEDE had gezegd, dat de liefde slechts voor
+hoofsche lieden is weggelegd--HEYN VAN AKEN praat het hem
+na. Waar hij elders eene omschrijving der minne wil geven, bedient hij
+zich van een paar verzen uit MAERLANT'S _Eerste Martijn_ [13].
+
+Allerlei motieven, toestanden, namen in zijn werk zijn aan vroegere
+werken ontleend; namen als SIBILLE, MORANT, JONET, EVAX, FROMOND vinden
+wij terug in het verhaal _van koningin Sibille_, in den _Lancelot_ en
+den _Merlijn_, in de _Lorreinen_, den _Lapidarius_ van bisschop
+MARBODEUS van Rennes. De verhouding tusschen den gravenzoon ECHITES en
+de gewaande dienstmaagd MARGRIETE VAN LIMBORCH is geheel dezelfde als
+die tusschen den koningszoon FLORIS en BLANCEFLOER, de dochter der
+Spaansche edelvrouw, die kameniersdienst moet doen; ook de toorn der
+moeder over die verhouding, de list, aangewend om een eind te maken aan
+die liefde, de redding van het meisje door haren minnaar op het
+hachelijkst oogenblik, zijn in beide werken gelijk. Trouwens ook in den
+_Lancelot_ vinden wij eene jonkvrouw "al naect in haer hemde gedaen" te
+midden eener menigte, die de "justitie" wil zien, totdat LANCELOT het
+meisje bevrijdt[14]. ECHITES werpt zijn vaders kok op het vuur, omdat
+deze niet doet wat hij gelast--iets dergelijks doet REINOUT in den roman
+der _Vier Heemskinderen_ [15]. Het gevecht met den draak herinnert aan
+dat met den vogel grijp in de _Lorreinen_[16]. Het koningspel hier doet
+denken aan iets dergelijks in SEGHER'S _Prieel van Troyen_[17]. Van dien
+aard zou meer te noemen zijn, doch het is onnoodig.
+
+Dat in een gedicht, bestemd voor een Limburgsch publiek, niet alleen
+Fransche, maar ook Duitsche dichtwerken op cijns gesteld werden, is
+licht verklaarbaar. Zoo vinden wij hier dan ook de namen van het zwaard
+Mimminc, van den smid WILANT, van den koenen held WEDEGE (WITTICH); eene
+herinnering aan de Nibelungen (de "drie meerwiven"), misschien ook aan
+TANNHÄUSER en zijn verblijf in den Venusberg[18].
+
+HEYN VAN AKEN mocht al beweren, dat zijn held ECHITES ROELANT en OLIVIER
+overtrof en aan zijne reuzen ongeloofelijke afmetingen geven--zijn werk
+kreeg daardoor niets van het heroïeke of ideale, dat echte ridderpoëzie
+toch altijd eenigermate bezit. Een ridder, die uitgedaagd wordt tot een
+tweegevecht, vraagt uitstel, om in dien tijd schermen te leeren! Is dit
+bedoeld als een grap? Dan nog blijft die grap kenschetsend. MARGRIETE
+VAN LIMBORCH vergelijkt den jongen graaf ECHITES bij een ouden hond, en
+dat nog wel terwijl zij van minne spreken. Wanneer ECHITES in een
+tournooi de overige ridders voor zich uitdrijft, wordt HEYN VAN AKEN
+warm; een beeld ontstaat uit dien gloed: ECHITES is gelijk den stroom,
+die turven stroomafwaarts voert[19].
+
+In de lange gebeden zijner ridders kon de samensteller van den
+_Limborch_ andere romandichters wel navolgen, doch hij vermocht niet die
+te bezielen met de naïeve vroomheid die den _Karel en Elegast_ zoo
+aantrekkelijk maakt. Maar in geleerdheid overtrof hij de meeste zijner
+voorgangers; de lauweren van JEAN DE MEUNG lieten hem blijkbaar geen
+rust. Hij kent VENUS, JUNO, PALLAS, de drie Parcen, CUPIDO met fakkel en
+speer; hij is ver in aardrijkskunde, hij weet van Narcissus, van Ulysses
+en Penelope, hij onthaalt ons op een staaltje van de allegorie waarmede
+de _Roman van de Roos_ zoo vervuld is[20].
+
+Ja, indien geleerdheid de waarde van poëzie verhoogde en andermans
+veeren zoo goed waren als eigene, dan zou HEYN VAN AKEN met zijn
+_Limborg_ eer hebben ingelegd. Echter, niet zoozeer dat hij zijne stof
+van anderen ontleende, komt in zijn nadeel; doch dat hij die ontleende
+stof niet tot zijne eigene heeft weten te maken, dat zijn rijmwerk
+weinig of niets eigens vertoont.
+
+Dat geldt ook van den _Slag bij Woeringen_.
+
+De strijd tusschen JAN I VAN BRABANT en REINOUT VAN GELRE om het bezit
+van Limburg, in 1288 beslist door eene overwinning der Brabanders, werd
+omstreeks 1291 verheerlijkt door een rijmer die misschien JAN VAN HEELU
+heette en wel een van hertog JAN'S menestreelen kan zijn geweest[21].
+
+Meer nog dan de _Limborch_ was dit gedicht er op berekend, de roemzucht
+van den adel te streelen en te prikkelen. Voortdurend deelt de schrijver
+ons mede, dat hij gewag maakt van deze of gene ridders, opdat men "hare
+daden ewelike gedincken sal." Elders heet het: "zoo groote condicheit"
+(stoutheid) werd nooit gezien als voor Woeronc; meer dan eens
+verontschuldigt hij zich dat hij niet alle ridders bij name kan noemen;
+ook van dappere vijanden verzwijgt hij de namen niet. Geen wonder dat
+het aantal namen hier legio is en nog--zegt de auteur--verzwijg ik de
+namen van velen die even dapper in den strijd waren of nog dapperder dan
+de genoemden[22].
+
+Wat HOMERUS niet kon: poëzie maken van een catalogus, kon ook deze
+schrijver niet. Wat HEYN VAN AKEN kon: slaafs overnemen van anderen, dat
+kon ook hij. Dat hij bij de samenstelling van zijn werk onder den
+invloed was zijner lectuur, blijkt o.a. in den aanvang van het Tweede
+Boek, waar hij zegt dat de daden der Maccabeën, van "Roelant ende sine
+gesellen", van WALEWEIN, PERCHEVAEL en ALEXANDER niet zoo grootsch en
+indrukwekkend zijn geweest als de daden in den slag bij Woeronc
+bedreven. De wijze waarop de schrijver van dit rijmwerk den
+aartsbisschop van Keulen doet optreden, herinnert hier en daar levendig
+aan het gedrag van bisschop TULPIJN in het _Roelands-lied_; op een
+andere plaats blijkt dat bisschop TULPIJN hem onder het schrijven
+inderdaad voor den geest stond[23]. Poëzie is in dit verhaal nergens te
+vinden, wel herhaalde uitingen waaruit blijkt dat de stof den rijmer
+overweldigde. Tevergeefs heeft hij getracht aan zijne verzen hier en
+daar door een vergelijking meer verheffing te geven[24].
+
+Het verhaal van den _Slag bij Woeringen_, schreven wij
+hierboven, is half ridderroman half rijmkroniek. Die beide dichtsoorten
+vinden wij eveneens, doch onvermengd, in LODEWIJK VAN VELTHEM'S werk.
+VELTHEM zette MAERLANT'S _Spiegel Historiael_ voort op verzoek eener
+aanzienlijke Antwerpsche edelvrouw, MARIA VAN BERLAER, en voor loon. Wij
+vinden in zijne kroniek de geschiedenis van Holland, Brabant,
+Vlaanderen, ook die van zijn eigen tijd, ten deele volgens hetgeen hij
+zelf gezien of van ooggetuigen vernomen had. Voor de kennis van de
+ontwikkeling onzer literatuur is dit geschiedwerk van geringe
+beteekenis. Slechts een paar maal, zooals b.v. in het verhaal van den
+Leuvenschen kampvechter en in dat van een mirakel dat te Velthem gebeurd
+zou zijn, vinden wij in de levendigheid en natuurlijken eenvoud van
+stijl iets dat naar literaire kunst zweemt. Een paar andere groene
+plekjes zijn die waar hij, den lof der Heilige Maagd zingend, verzen
+schrijft die voortvloeien met zekere natuurlijke bevalligheid[25].
+
+Tien jaar later, in 1326 namelijk, voltooide VELTHEM, in MAERLANT'S
+voetspoor tredend, een ander werk: het _boek van koning Artur_, dat zich
+bij den _Merlijn_ aansluit. Vertaling van een Fransch _Livre du roi
+Artus_, bevat het de verdere geschiedenis van ARTUR en MERLIJN en hoe de
+machtige toovenaar ten slotte, verstrikt in zijne liefde tot de fee
+VIVIANE, door haar met zijn eigen tooverkunsten gebannen wordt binnen
+een toovercirkel in het woud van Broceliande[26].
+
+Het eenige dat opmerking verdient in deze vertaling, is de indruk dien
+MERLIJN'S geschiedenis op VELTHEM ten slotte heeft gemaakt; indruk dien
+hij weergeeft in deze regels:
+
+ Wat mach men daer meer af seegen dan?
+ Negeen dinc, so help mi God,
+ Dan dat hi was een fijn sot;
+ Al heet hi vroet ende conde vele,
+ Nochtan heeften een wijf bij horen spele
+ Datsi hem toende menechfoude,
+ Bracht in 't nette daer si woude.
+
+Wat zou DIEDERIK VAN ASSENEDE wel gezegd hebben van zulk eene opvatting
+der liefde?
+
+Over VELTHEM als compilator van de in den _Lancelot_ vereenigde
+ridderromans spraken wij vroeger reeds. Zoolang wij de samengevoegde
+werken niet in hunnen oorspronkelijken vorm kunnen vergelijken met dien
+waarin zij hier voorkomen, kan over VELTHEM'S werk in dezen geen afdoend
+oordeel worden geveld. Doch zóóveel kunnen wij ook nu reeds zien: dat de
+onderscheidene verhalen zijn aaneengeschakeld zonder eenige kunst met
+een: "nu doet d' aventure verstaen," d' avonture seget hier ter steden"
+of dergelijk tusschenvoegsel. Ook dat de compilator weinig op den
+samenhang van zijn werk gelet schijnt te hebben, daar hij in het Derde
+Boek PERCHEVAL doet optreden, nadat deze in het Tweede Boek overleden
+was. Op een paar plaatsen blijkt, dat de "clerc" VELTHEM zich bezwaard
+gevoelde over het berijmen van "alle dese wereltlike daden", waarvoor
+hij God en MARIA om vergeving bidt[27]. Geen werk eindelijk is er in
+dezen tijd aan te wijzen, dat zoo krioelt van stoplappen als deze
+compilatie; in dat opzicht wordt VELTHEM misschien door niemand onder de
+Dietsche rijmers der middeleeuwen overtroffen.
+
+Wat HEYN VAN AKEN voor de Limburgers had gedaan, werd in het eerste
+kwart der 14de eeuw door een onbekend auteur voor de Vlamingen verricht
+met de bewerking van den ridderroman _Flandrijs_. Indien men ten minste,
+wat mij hoogst waarschijnlijk voorkomt, dezen naam moet vertalen met
+_Vlaming_ en dat werk als eene, zij het ook zwakke, uiting beschouwen
+van het Vlaamsch nationaliteitsgevoel[28]. Evenals de _Limborch_ is ook
+de _Flandrijs_ een gebrekkig samenstel van allerlei bestanddeelen,
+grootendeels ontleend aan vroegere ridderromans: _Ferguut_, _Walewein_,
+_Moriaen_, _Torec_, _Historie van Troyen_. Ook hier vinden wij bedreigde
+en verloste jonkvrouwen, den zoon van een gastheer gedood, gevechten met
+roofridders en reuzen enz. Het godsdienstig gevoel in den _Flandrijs_
+schijnt sterker dan het gevoel voor het ridderwezen. Een ridder,
+doormidden gehouwen "zooals men het een varken doet," brengt ons naar
+den slagerswinkel; de aanprijzing van het Christendom hier en daar en
+een lang gebed geven het werk iets stichtelijks, wat men niet kan zeggen
+van FLANDRIJS, die door het teeken des kruises een gebraden kapoen van
+de tafel doet opvliegen.
+
+Van Vlaanderen is sprake in een rijmkroniek, die ongeveer ter zelfder
+tijd als de _Flandrijs_ werd vervaardigd en hier slechts om dat
+nationale element even vermeld kan worden[29].
+
+Gewichtiger is MELIS STOKE'S _Rijmkroniek van Holland_, aangevangen
+waarschijnlijk in het laatste twintigtal jaren der 13de eeuw, voortgezet
+en voltooid in het jaar 1305.
+
+STOKE'S werk ontstond uit dezelfde beweegredenen als de andere in dit
+hoofdstuk behandelde werken, doch die beweegredenen zijn hier
+samengesteld op eigenaardige wijze. Verheerlijking van het regeerend
+gravenhuis was een dier beweegredenen. Vandaar dat het eerste deel
+zijner kroniek is opgedragen aan Floris V, het voltooide werk aan graaf
+Willem III, wiens "armen clerc" (secretaris) hij zich noemt. Vandaar dat
+hij aantoont en met nadruk verzekert, dat het Hollandsche gravenhuis
+"van edelen tronke begonde". Maar, in tegenstelling met JAN VAN HEELU,
+onthoudt hij er zich van, de roemzucht des adels te prikkelen, door hen
+bij name te noemen. Daar zien wij misschien weer het verschil tusschen
+"menestreelen" en "clercken". Hij verklaart openlijk, dat hij niet bij
+name wil noemen:
+
+ Die van den stride was de bloeme
+ Of de quaetste of de beste
+
+uit vrees dat men hem mocht beschuldigen van afgunst, van winzucht; uit
+vrees ook--het kenschetst den tijd--dat hij vervolgd en doodgeslagen zou
+worden[30]. Liefde voor zijn land dat hij verdedigt tegen de aanmatiging
+der Henegouwers, belangstelling in de geschiedenis van dat land en zijne
+bewoners behooren evenzeer tot zijne beweegredenen[31].
+
+De beide eerste boeken en misschien een deel van het derde bevatten
+weinig meer dan eene vertaling van het _Chronicum Egmundanum_; het
+overige deel van het werk berust, naar het schijnt, hoofdzakelijk op
+mondelinge overlevering en op hetgeen hij zelf had bijgewoond. Van
+poëzie is ook bij STOKE weinig sprake, maar toch meer dan bij HEYN VAN
+AKEN of HEELU. Waar STOKE warm wordt, vergelijkt hij ten minste geene
+ridders bij turven. Eerbiedige bewondering voor SOPHIA, gravin van
+Holland, en voor JAN VAN BRABANT ontlokt hem verdienstelijke verzen als
+deze:
+
+ Haer herte was een grondeloos wael [Zijnoot: bron.]
+ Van miltheit ende van ontfarme,
+ Van soeticheit op de Gods arme,
+ Van wakene, van pinen in ghebede
+
+en:
+
+ Ja! hoech man was hi, weet men wale,
+ Beide in der daet ende in de tale[32].
+
+Maar het beste brok van zijn werk is zeker het verhaal van FLORIS DE
+VIJFDE'S gevangenneming en dood. Daar hooren wij oprecht gevoel zich met
+naïeve warmte uiten in eenvoudig-zuivere taal. Treffend is b.v. de
+ontzetting van des graven "arme clerc" over het feit, dat men de hand
+heeft durven slaan aan een zoo hoog heer:
+
+ Deus, here God, wat hi dochte,
+ De des eerst ghewaghen durste,
+ Dat men also groot een vurste
+ Soude vanghen of verslaen!
+
+Ook zijne klachten en verwijten tot de samengezworenen:
+
+ Ay Herman! bi wat zaken
+ Wilstu der quader name ontfaen?
+ Was di niet ghenoech ghedaen?
+ ...
+ Ende du Gheraert, felle man,
+ Droeghes oec sine cleder an,
+ Du hads van kinde met hem ghewesen.
+
+Zijn medelijden met den graaf die al te goed van vertrouwen, was:
+
+ Hi waende, hem sijn volc ghemene
+ Ghetrouwe waren, groot ende clene.
+ Ay lasi! hi ne mocht niet weten,
+ Dat hi van binnen was beseten.
+ ...
+
+Zijne naïeve bewondering van de trouw, door FLORIS' jachthonden
+betoond aan het lijk van hunnen meester[33].
+
+Deze en dergelijke verzen maken AMELIS STOKE niet tot een dichter van
+beteekenis, neen zeker! Maar zij vermogen toch in den nacht der
+vergetelheid een flauw lichtglansje te verbreiden om den naam van den
+eersten Hollander die zich met bewustheid Hollander heeft gevoeld, den
+eersten ook die in de geschiedenis onzer letterkunde den naam van
+Holland heeft doen opklinken.
+
+Hollander gevoelde STOKE zich, doch vooral Hollander die min of meer
+vijandig gezind was jegens de bewoners van andere graafschappen of
+hertogdommen in het Dietsche land. Hoe stelt hij zijn volk reeds
+tegenover het Vlaamsche volk, waar hij beweert dat de Vlamingen, anders
+dan de Hollanders, nooit hun verlies willen erkennen:
+
+ Verliesen wi, wi gheliën [Zijnoot: ten volle erkennen.] wale;
+ Die Vlaminc hevet ander tale:
+ Verliest hi, hi ne liëts [Zijnoot: erkent.] niet
+ ...
+ ...
+ Het is der Hollanders maniere:
+ Verliesen si drie manne ofte viere,
+ Si seggen liever meer dan min--
+ Die Vlaminc messaect [Zijnoot: loochent.] int beghin[34].
+
+Zijn afkeer van de Vlamingen is zeker niet verminderd door hun inval
+in Holland die eerst bij het Manpad gestuit werd.
+
+Niet veel vriendelijker is STOKE gezind jegens de Friezen en Saksen,
+voor hem één volk (immers "die Nederzassen heten nu Vriesen"). In den
+aanvang zijner Kroniek spreekt hij minachtend over het "onbeschaamde
+Friesche volk dat niets van historie weet"[35]. STOKE'S tijdgenoot,
+MAERLANT, denkt evenzoo over de "wilde Saksen" en "ruwe Friezen"[36].
+Een eeuw later zal de Hollander WILLEM VAN HILLEGAERSBERCH nog in
+denzelfden geest spreken[37]. En hoeveel wrok en minachting open baren
+zich in deze woorden van den "clerc uten lagen landen" waar hij in zijne
+Kroniek gewaagt van de Friezen bij het lijk van den gesneuvelden
+Roomsch-Koning WILLEM II van Holland: "dese Vriesche honden en wisten
+niet dathet coninc WILLEM die edel man was... ende liepen over hoop
+daeromme staen als beesten."
+
+Maar hoe geminacht ook door de Hollanders, de Friezen verdedigden hun
+vrij land daarom niet minder krachtig tegen elken indringer. Telkens
+doen de Hollandsche graven pogingen zich van Friesland meester te maken,
+doch gewoonlijk trekken zij aan het kortste eind. WILLEM IV sneuvelt met
+de bloem van zijn edelen bij Stavoren. Een halve eeuw later komt Graaf
+ALBRECHT die nederlaag wreken: bij Schoterzijl worden de Friezen
+overwonnen. Zonder genade woedt het gevecht, geen losprijs wordt
+geboden, geen lijfsbehoud gegeven: alles wat den Hollanders in handen
+valt, wordt meedoogenloos over de kling gejaagd; in het heetst van den
+strijd valt ook de dappere Friesche aanvoerder, de vermaarde edelman
+JUWINGA, die, als koning SAUL weleer, een hoofd boven de anderen
+uitstak[38].
+
+Toch was de uitslag van dien tocht gering; de Friezen werden niet tot
+gehoorzaamheid gebracht. Zij bleven naijverig op hunne zelfstandigheid
+en ongezind vreemde machthebbers van welken aard ook te erkennen.
+Getuigenis daarvan gaven reeds vroeger (1327) die parochianen van
+Bolsward, die weigerden een hun uit Utrecht gezonden rector der Kerk te
+ontvangen en te erkennen, omdat hij geen Fries was[39].
+
+Eene verdeeldheid als die tusschen Brabanders en Gelderschen, Vlamingen
+en Hollanders, Hollanders en Friezen zag men ook elders in deze "lage
+landen". Het meervoud in dezen bekenden naam verdient aandacht, want
+inderdaad bestond er nog niet één land dat _Nederland_ heette. In naam
+bestond het wel. In een allegorisch gedicht uit de tweede helft der 14de
+eeuw wordt gezegd, dat de knapen van zekeren HER ERENTRIJC waren
+
+ ... al van eenen gheslachte
+ Gheboren al ut Nederlant.
+
+Ook als strijdleus vinden wij dien naam daar gebezigd:
+
+ Daer mochtmen die tyene horen
+ Lude roepen: "Nederlant!"[40]
+
+Doch het was slechts een naam. Landseenheid berustend op volkseenheid,
+lag nog ver af, als een kust die men over de wateren ziet blauwen. Maar
+toch niet zóó ver, of men kon er een paar vooruitstekende punten van
+onderscheiden: wordende eenheid van taal en wordende betrekking tusschen
+volk en landsheer.
+
+De verdeeldheid tusschen de onderscheidene volksdeelen hier te lande
+spiegelde zich af in het verschil van tongvallen of "tongen", zooals men
+toen zeide. Men voelde zich Vlaming, Brabander, Hollander, Zeeuw; een
+enkele besefte ook dat er verschil was tusschen de talen in die
+onderscheidene deelen des lands gesproken. In zijn _Leven van Sint
+Franciscus_ zegt MAERLANT:
+
+ Men moet om de rime souken
+ Misselike [Zijnoot: onderscheidene.] tonghe in bouken:
+ Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus[41].
+
+Met _Duuts_ zal hier wel _Hollandsch_ bedoeld zijn in den eigenlijken
+zin des woords.
+
+In den _Spieghel Historiael_ lezen wij:
+
+ Int ander jaer dat Karel de jonge,
+ Die grouf [Zijnoot: (grof) dik.] hiet in somege tonge.
+ ...
+
+Echter, indien MAERLANT het verschil van tongvallen besefte, hij was er
+zich tevens van bewust, dat er tegenover of boven die tongvallen een
+algemeen Dietsch bestond. In zijn _Naturen Bloeme_ stelt hij op meer dan
+een plaats het Vlaamsch of "_ons_ Dietsch" tegenover _het_ Dietsch[42].
+Een tijdgenoot van RUUSBROEC, Heer GERAERT, prior van een
+Karthuizer-klooster spreekt van "brabantsch dietsch" en zelfs van
+"brusselsch dietsch" in deze opmerkelijke woorden: "Oec is te merken dat
+dese boeken (van RUUSBROEC) ghemaect sijn in onvermingheden
+bruesselschen dietsche, soe datter luttel latijnscher ofte walscer
+woerden ofte van enighen anderen tale in sijn ghesaeit. Ende oec is dat
+selve brueselsche dietsche volcomenre hier in gheset dant daer die
+lieden ghemeinlic spreken, in dien dat si dicwile in hare tale
+vernieuten ofte minderen haer pronominael artikelen bi desen exempelen:
+Als si souden seggen _dat ierste, dat anderde, dat derde, dat vierde_,
+soe laten si ghemeinlic after die twie letteren van dien artikele _dat_,
+ende segghen: _dierste, dandere, derde, tfierde_, ende des ghelijcs in
+noch anderen silleben ende woerden"[43]. Opmerkelijk noemde ik deze
+woorden, omdat men er tevens uit ziet, dat men eenig verschil ging
+waarnemen tusschen de gesproken en de geschreven taal.
+
+MAERLANT en de prior GHERAERT waren niet de eenigen die de eenheid
+van het Dietsch beseften, al of niet in tegenstelling met het Walsch.
+JAN VAN HEELU spreekt van:
+
+ Alle die yeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] die nu sijn
+ In dietsche, in walsche, in latijn[44].
+
+In BOENDALE'S rijmwerk _Van den derden Edewaert_ lezen wij:
+
+ Want tkerstenheit es gedeelt in tween:
+ Die Walsche tongen die es een,
+ Dandre die Dietsche al geheel[45].
+
+En er zweeft reeds een adem van volksgevoel en volkseenheid door deze
+regels van BOENDALE over den zeeslag bij Sluis (1340):
+
+ Van deser hoger victoriën
+ Die eeuwig blijft in memoriën,
+ Werden blide ten selven male
+ Alle die spreken Dietsche tale[46].
+
+Naarmate er meer letterkundige werken van beteekenis in het Dietsch
+geschreven werden, rees die taal in de achting dergenen die haar
+spraken. Een blijk van die achting voor de taal zien wij in het feit dat
+JAN VAN HEELU zijne rijmkroniek zond aan MARGRIETE VAN ENGELAND,
+verloofd met den zoon van Hertog JAN VAN BRABANT, opdat zij er "dietsch
+in leeren" mocht. Langzamerhand ontwikkelde zich dit gevoel van
+zelfstandigheid, zich openbarend in eerbied voor de moedertaal. Eerst
+nadat het, vooral langs den weg der literaire kunst, bij de individuën
+zich had ontwikkeld, kon het zóó krachtig worden, dat Overheid en
+Regeering volgden waar de onderdanen waren voorgegaan. Het oudste ons
+bekende charter in de landstaal dagteekent van 1249 en is opgesteld door
+de schepenen van Bochoute (tusschen Gent en Oudenaarde). Daarna komen er
+tal van charters en keuren in de landstaal in Vlaanderen, Brabant,
+Holland.
+
+De Hollandsche graven zijn de eersten die in hunne staatsstukken het
+Latijn door het Dietsch vervangen. Hun voorbeeld wordt langzamerhand
+door de andere landsheeren gevolgd, al kunnen de graven van Vlaanderen
+in de 14de eeuw en later hunne voorliefde voor het Fransch niet geheel
+opgeven. Gelderland komt achteraan; het Latijn handhaaft zich daar nog
+in de staatsstukken der 14de eeuw, maar wordt toch ook reeds in die eeuw
+door het Dietsch overvleugeld[47]. Ook in de rechtsbediening zien wij
+dat streven naar eerbiediging der moedertaal.
+
+Paus ALEXANDER IV stond den burgers van Gent hun verzoek toe, dat zij
+niet gedwongen zouden worden recht te gaan zoeken bij de geestelijke
+rechtbanken van Doornik of, in tweede instantie, te Reims, omdat dan tot
+hen gesproken zou worden in een taal die zij niet verstonden[48]. In
+1290 werd bepaald, dat in Vlaanderen alle burgerlijke rechtsgedingen in
+het Vlaamsch zouden behandeld worden[49]. Die maatregel was zeker niet
+naar den zin van den Franschen koning FILIPS DE SCHOONE, die omstreeks
+dienzelfden tijd het gerechtshof te Gent had gedwongen, een door hem
+gezonden prevôt toe te laten. Telkens, wanneer die koninklijke prevôt
+aanwezig was, moest er Fransch gesproken worden[50].
+
+Op heel wat lager toon zong zijn opvolger KAREL VI, die in 1385 in
+eene vredes-onderhandeling voor 150 Gentenaren een geleide-brief in het
+Vlaamsch deed opstellen[51].
+
+Maar tusschen 1290 en 1385 liggen dan ook de Sporenslag en de leus:
+"Schild ende Vriend."
+
+Daar klonk voor het eerst de stem van den Vlaamschen Leeuw!
+
+Toen de Franschen in 1301 Vlaanderen binnenrukten, scheen de
+nationale zaak geene verdedigers meer te hebben; de adel en de rijke
+burgers verwelkomden de indringers, maar de gemeenten waakten. In
+Kortrijks velden werd het Vlaamsche volk zich voor het eerst van zijne
+kracht bewust; daar werden hun zelfgevoel en hun volksgevoel verhoogd,
+toen zij in den strijd voor vrijheid en voor recht, onder eigen leiders,
+eene roemrijke overwinning behaalden op een buitenlandschen vijand, die
+hun volksbestaan bedreigde.
+
+Doch al was die vijand overwonnen, hij was niet machteloos gemaakt. De
+gansche 14de eeuw door moet Vlaanderen zijne onafhankelijkheid tegenover
+Frankrijk blijven handhaven; het is daarin geslaagd, maar ten koste van
+de Waalsche deelen des lands. Voortaan is Vlaanderen, dat vroeger
+tweetalig was, een zuiver Dietsch land. Voortaan zijn de Nederlanden
+onafhankelijk van Frankrijk, zooals zij het inderdaad reeds van
+Duitschland waren. Toen de graven van Henegouwen ook het graafschap
+Holland verwierven, werd het Dietsche element in de Zuidelijke
+Nederlanden versterkt en een eerste, nog zwakke, band geknoopt tusschen
+Noord en Zuid.
+
+De graven van Vlaanderen hadden niet zelden gemeene zaak gemaakt met de
+gemeenten. Deze begrepen niet, dat het den graaf slechts te doen was om
+de patriciërs te kortwieken; doch toen de patriciërs steun zochten bij
+Frankrijk, ontwaakte onder de gemeentenaren het nationaliteitsgevoel en
+verdedigden zij hun eigen onafhankelijkheid en die van hun graaf tevens.
+Die gelijkheid van belangen versterkte den band tusschen volk en
+landsheer[52]. Iets dergelijks was vroeger gezien in Holland. Graaf
+FLORIS V, "der keerlen god", lag overhoop met den adel. Toen eenige
+samengezworen edelen den graaf hadden opgelicht en gevangen gezet,
+ontstond er eene algemeene verbijstering in het land. Geen der edelen
+snelde toe om den graaf te bevrijden. Maar in dreigende drommen komt het
+volk opzetten: Kennemers, Friezen, Waterlanders, "tghemene diet" van
+Noord-Holland, de poorters uit Zuid-Holland--alles trekt naar het
+kasteel aan de Vecht
+
+ Ende segghen, dat si verliesen
+ Willen beide lijf ende have,
+ Of si wreken haren grave[53].
+
+Den moord op den graaf hebben zij niet kunnen verhinderen, maar met des
+te meer liefde hebben zij zijne nagedachtenis in eere gehouden. Dat
+bleek, toen acht jaar later de Vlamingen Holland binnendrongen,
+overstroomden, aan zich onderwierpen. Slechts achter de muren van een
+drietal steden: Zierikzee, Dordrecht, Haarlem, werd nog tegenweer
+geboden; het scheen gedaan met Hollands onafhankelijkheid. Maar hoe
+herleefde de moed des volks, toen WITTE VAN HAEMSTEDE, onechte zoon van
+FLORIS V, te Zandvoort geland, op den Blinkert de banier van Holland
+liet wapperen en de poorters uit Haarlem en van elders toestroomden om
+hem te verwelkomen. In hem immers zagen zij den zoon van FLORIS en hij
+verzuimde dan ook niet partij te trekken van zijne afkomst. MELIS STOKE
+heeft ons de heugenis bewaard van dat tooneeltje op den Blinkert, van
+die ontmoeting, ook van dat woord en weerwoord:
+
+ Wie sidi dan? Ic hete Witte
+ Ende was 's graven Florens kint,
+ Ende her Willem heeft mi ghesint
+ Alhier van Zirixe
+ U te troostene.
+
+Op dien Zondag in de Zandvoortsche duinen, in de schaduw der banier
+met den rooden leeuw, heeft een der kiemen van nationaliteitsgevoel zich
+in Holland ontsloten, heeft de betrekking tusschen volk en landsheer
+iets in hechtheid gewonnen. Zoolang vreemde landsheeren hier regeerden,
+kon die gehechtheid bezwaarlijk sterk worden. Voor een vorst, hier te
+lande geboren, zooals KAREL V, kon men reeds iets meer gevoelen, ook al
+was hij uit het Oostenrijksch stamhuis.
+
+Maar zoover zijn wij nog lang niet. Wij moeten vooreerst trachten,
+ons ten minste eenigermate eene voorstelling te vormen van sommige
+toestanden hier te lande, zooals zij zich aan ons oog vertoonen in het
+nieuwe tijdvak dat ingeluid is door de geboorteklok van het
+nationaliteitsgevoel.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] A.w. I, 1081-'97. De overeenkomstige plaats in de _Alexandreïs_, I,
+365 seqq. luidt:
+
+O patriae natalis amor, sic allicis omnes O quantum dulcoris habes!
+fugitiva per altum Classis dum patriae raptim furatur alumnos, Sponte
+licet properent Persarum invadere fines, Nec trahit invitos ad praedae
+praemia ductor, Sola tamen revocat patriae dulcedo volentes, Nec sinit a
+patria divelli mentis acumen, Sed dulces oculos animumque retorquet ad
+Argos, Donec ab intuitu longe decrescere visus Europae defecit apex
+portusque recessit.
+
+[2] I, vs. 59-62.
+
+[3] Vgl. de uitgaaf in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 57 vlgg., vs.
+103-4, 110-112, 267-9, 316-7, 340, 547-550; bovendien hebben wij slechts
+een deel der vertaling over.
+
+[4] A.w. IV, 7325 vlgg.
+
+[5] Over dat alles is uitvoerig gehandeld door JONCKBLOET in zijne
+_Geschiedenis_, II, 218 vgg.; TE WINKEL in zijne _Geschiedenis_, bl.
+218-229; voorts door VAN DEN BERGH en VERWIJS in hunne inleidingen. Ten
+opzichte der dateering van den roman _van de Roos_ deel ik TE WINKEL'S
+zienswijze. Was de roman _van Olivier van Spaengen_ (_Limb._, III,
+800-807) misschien ook door HEYN VAN AKEN gedicht?
+
+[6] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 93.
+
+[7] A.w. vs. 23394-23553.
+
+[8] Vgl. over den _Roman de la Rose_, PETIT DE JULEVILLE a.w. II,
+105-161.
+
+[9] Vgl. de Inleiding van VERWIJS, XVI vlgg.
+
+[10] Vgl. vs. 2992 (voor: "por nule riens vivant"); 4916; 7044 ("mainte
+terre sauvage"). Paep Jans lant in vs. 1013-4, waar in het Fransch:
+"trestous li ors de Romme".
+
+[11] Vgl. VAN DEN BERGH'S _Inleiding_, IV.
+
+[12] Vgl. den aanvang van boek II-IX.
+
+[13] Vgl. _Limb._, VII, 1683-5 met _Flor. en Blanc._, Proloog, vs. 1-12,
+65-75; _Limb._, XI, 642-5 met _Eerste Martijn_, vs. 430-1.
+
+[14] _Limb._, I, 1316 vlgg.; het tooneel der "justicie" alleen in de 2e
+bewerking van _Flor. en Blanc._ (het Fransche gedicht nl.), vs. 359-902.
+_Lanc._, I, vs. 19208 vlgg.
+
+[15] _Limb._, IV, 248-250 te verg. met _De Vier Heemsk._ (ed. MATTHES),
+p. 26.
+
+[16] _Limb._, X, 1013 vlgg. te verg. met _Lorr._ in _Mnl. Ep. Fragm._,
+bl. 132-3.
+
+[17] _Limb._, XI, 67 vlgg. te verg. met BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, I, 6
+vlgg.
+
+[18] _Limb._, IV, 1057-'69; 1298 vlgg.; III, 1159 vlgg. (1374-6).
+
+[19] _Limb._, V, 374; VIII, 149 (een reus van 30 voet lang en 10 voet
+breed); III, 1009; IV, 328; IV, 546-7; zie ook nog VIII, 574-5.
+
+[20] _Limb._, III, 1248 vlgg.; V, 2105 vlgg.; VI, 59; VIII, 822 vlgg.;
+X, 279 vlgg.
+
+[21] Vgl. de uitgave van WILLEMS, _Introd._, VIII. Misschien was de
+berijmer ooggetuige. (_Introd._, VII; vgl. echter vs. 8221).
+
+[22] Vgl. vs. 3372-3; 4084-5; 4178 vlgg.; 4640 vlgg., 4746, 5627, 7808
+vlgg., 8184, 8346 vlgg., 8410-12, 8537 vlgg. en tal van andere plaatsen.
+
+[23] Vgl. Tweede Boek vs. 1 vlgg.; 5786 vlgg., 5851 (een paard dat
+"Baiaert ghenoot" was), 8559 vlgg.; 4271 vlgg., 6025-8.
+
+[24] Ik heb het oog op de dozijnen van uitingen gelijk die welke men
+vindt o.a. in vs. 2679, 2954, 3102, 3155, 3418, 7652 vlgg., 8073 vlgg.
+Vergelijkingen in vs. 1037, 1044, 3253, 3944, 5185, 5651.
+
+[25] Uitvoerig en nauwkeurig is over VELTHEM'S kroniek gehandeld door
+Dr. TE WINKEL in zijne _Geschiedenis der Ned. Lett._, bl. 355-367. De
+bovengenoemde verhalen vindt men: _Sp. Hist._, V, 1, 28-30, en VI, 4.
+Over de H. Maagd VI, 32 en VIII, 34.
+
+[26] Vgl. TE WINKEL a.w. bl. 170-171.
+
+[27] Vgl. het slot van den proloog van Boek IV en het slot van dat Boek.
+
+[28] Ik volg hier de uitgave en de inleiding van FRANCK.
+
+[29] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 381-3. Het eerste
+deel schijnt in het laatst der 13e of den aanvang der 14e eeuw
+opgesteld.
+
+[30] Vgl. Ed. BRILL, Boek X, 40-151 in verband met eene plaats uit Boek
+IV. (I, p. 224): "God moet mi sijnre hulpen jonnen" enz.
+
+[31] III, 1473-'78; Opdracht van Boek I.
+
+[32] II, 644-'7; IV, 263 enz.
+
+[33] Boek IV, vs. 1086 vlgg. en V, 96 vlgg.
+
+[34] In twee der drie hss. van STOKE'S Kroniek lezen wij deze verzen in
+plaats van VIII, 791-2.
+
+[35] I, 76, 531.
+
+[36] _Eerste Martijn,_ vs. 109-110, 665; _Sp. Hist._, III, 8, c. 93,
+185.
+
+[37] _Gedichten_, bl. 3, 180; 125, 174.
+
+[38] _Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen_ door E.
+VERWIJS. (Utrecht. 1869). CXLVIII.
+
+[39] _Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht_ door Mr. S. MULLER
+FZ., I, 165.
+
+[40] _Dietsche Warande_, IX, 147, 150. De naam _Nederland_ in de
+vertaling van het _Nibelungenlied_ (II, vs. 11) heeft hier geen
+bewijskracht, daar hij ook reeds in het origineel voorkomt.
+
+[41] Vs. 131-'3.
+
+[42] _Inl._ XXXVI-XXXVII.
+
+[43] W.L. DE VREESE, _Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken
+van Jan van Ruusbroec_, bl. 10, 19.
+
+[44] Vs. 3175-6.
+
+[45] Vs. 1585-7.
+
+[46] Ik dank de aanwijzing van deze plaats aan mijn vriend, Prof. PAUL
+FRÉDÉRICQ te Gent.
+
+[47] Ik deed hier mijn voordeel met de opsomming, door Dr. TE WINKEL
+gegeven in zijne _Geschiedenis der Ned. Lett._, bl. 541-544.
+
+Vergeten is daar het, voor de geschiedenis onzer taal zoo merkwaardig,
+reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op het Zwin,
+afgedrukt in _Bijdragen tot de Oudheidkunde en geschiedenis inzonderheid
+van Zeeuwsch Vlaanderen_, V, 1 vlgg.
+
+Opmerkelijk is ook, dat de oudste Cameraars-rekening in het Dietsch
+eerst van 1361 dagteekent, terwijl er reeds eene Dordrechtsche
+stadsrekening in de moedertaal is van 1284-'85. Ook hier zien wij het
+Oosten des lands achteraankomen.
+
+[48] WARNKÖNIG, _Hist. de la Flandre_, III, 171.
+
+[49] _Belg. Museum_, II, 387.
+
+[50] WARNKÖNIG a.w.
+
+[51] _Belg. Mus._, II, 388-9.
+
+[52] Vgl. VANDERKINDERE, _Siècle des Artevelde_, p. 31; PIRENNE a.w. I,
+104; II, 7; I, 408 vlgg.
+
+[53] Vgl. het artikel van POLS over Graaf JAN I in: _Bijdr. voor Vad.
+Gesch. en Oudh._ en STOKE V, 222-'30.
+
+
+
+
+BOEK II.
+
+
+
+
+STANDENPOËZIE. DE STEM DER
+GEMEENTEN.
+
+
+INLEIDING.
+
+De drie stemmen die wij in het Eerste Boek hoorden: eerst
+achtereenvolgend, toen in de lyriek vereenigd en daarna in MAERLANT'S
+werk versmolten, vallen ook in het Tweede Boek te onderscheiden; doch in
+andere orde en verhouding.
+
+De Stem der Gemeenten krijgt den boventoon en behoudt dien. Handel,
+nijverheid, landbouw, de maatschappelijke toestanden hebben zich
+ontwikkeld en die ontwikkeling is vooral ten goede gekomen aan de
+gemeenten, is zichtbaar vooral in de door hen gestichte steden.
+
+De adel is er nog en zet het oude leven gedeeltelijk voort, den oorlog
+afwisselend met feesten, tournooien, jacht en galanten omgang. Vooral de
+Geldersche adel onderscheidt zich in dit opzicht. WILLEM VAN GULIK,
+hertog van Gelderland, wordt door FROISSARD telkens met lof vermeld. Hij
+doet, evenals vóór hem graaf WILLEM IV van Holland, een krijgstocht
+tegen de ongeloovigen in het Oosten van Duitschland, wordt gevangen
+gehouden op een slot in Pommeren, doet een inval in Brabant, voert een
+bloedigen strijd om Grave en wordt eerst door een Fransch leger tot
+staan gebracht. Maar de uitvinding der vuurwapenen en de instelling van
+huurtroepen bedreigen den adel in zijn bestaan[1]. Feestvieren kunnen
+zij nog wel; de hoogsten gaan hun daarin voor. De graven van Holland
+komen niet zelden in de hoog-adellijke en rijke abdij van Rijnsburg,
+hetzij met een sleep van baronnen, hetzij met klein "gezinde" om er te
+ontbijten of het noenmaal te houden. Aan spijs en drank behoefde het
+niet te ontbreken: soms werden 18 kapoenen en een aam rijnwijn
+vooruitgezonden. Daarna ging men "haar met haar en veer met veer" jagen
+in den Haarlemmerhout en 's avonds dansen met de edele jonkvrouwen[2].
+In den Haarlemmerhout kon men ook wel eens een ander machtig edelman
+vinden, graaf JAN VAN BLOIS, ter jacht met de gravinne van Holland. Ook
+in Brabant kon men hem vinden aan het "jagen en vliegen" met een groot
+aantal edelen en edelvrouwen of aan een grooten avondmaaltijd in het
+Katrijnen-klooster te Utrecht, waar meer dan honderd edele gasten
+aanzaten[3].
+
+Een edelman die in botsing kwam met de steden kreeg soms een gevoelige
+les: ZWEDER VAN VOORST ondervond het in zijn strijd tegen de steden van
+het Oversticht en hun heer den Bisschop, al zat hij ook achter muren die
+tachtig voet hoog en twaalf voet dik waren. Het sterke kasteel Gaesbeek
+in Brabant, toebehoorend aan Heer ZWEDER VAN ABCOUDE, werd door de
+Brabantsche en Luiksche burgerijen ingenomen en geslecht[4].
+
+Zijne verwoeste kasteelen kon de adel wel opbouwen, niet zijne verloren
+idealen herwinnen. En vooral daardoor, meer dan door vuurwapenen en
+huurtroepen, is de adel gedaald van het vroegere standpunt. JAN
+BOENDALE, de schrandere schepenklerk van Antwerpen, zag het wel, toen
+hij in zijn _Lekenspieghel_ zeide: "vroeger, toen de edelen ouder
+gewoonte nog buiten woonden en onderling huwelijken sloten, hielden zij
+den adel hoog en waren edelen met eere; doch sedert zij om der wille van
+het geld naar de steden zijn getrokken, heeft hebzucht de schuldelooze
+edelheid onder de voet geworpen. Zal zij ooit weer opstaan? Vroeger was
+het edele wapenspel in zwang en gang, hetzij in het Heilige Land, hetzij
+in de grenslanden--nu heeft het afgedaan: schatten, weelde, gemak, dat
+is wat de adel begeert. Het edele, ingetogen leven wordt in den lande
+niet meer gezien[5]."
+
+Anders dan met den adel stond het met de geestelijkheid. Ja, ook daar
+zag men ten deele de toestanden van vroeger. Te Rijnsburg kwamen niet
+alleen de Hollandsche graven, maar ook de abten van Egmond, die er met
+hun gevolg eenige dagen "joleuslyck" werden onthaald. Strijdbare
+geestelijken vinden wij ook nu: in dien bisschop van Luik, ADOLF VAN DER
+MARCK, die, omzwermd van pijlen en steenen, zijne troepen leidt tot een
+stormaanval op sterke burchten; in dien geestelijke uit het Groningsche
+klooster Aduard, die, gereed de mis op te dragen, bij een aanval op het
+klooster zijn priesterkleed afwerpt, naar buiten stormt en in den strijd
+sneuvelt[6].
+
+Doch naast of liever tegenover zulke geestelijken stonden andere, die,
+zonder zich met de wereld in te laten meer dan noodig was, eenvoudig hun
+plicht deden, of, de wegen der mystiek volgend, ingekeerd tot zich
+zelven, de diepten der eigen ziel trachtten te peilen en te verkennen.
+
+Het zelfgevoel der burgerijen, dat zich zoo krachtig deed gelden
+tegenover den adel, verloochent zich ook niet tegenover de geestelijken.
+Niemand heeft dat deel van het aangroeiend zelfgevoel beter vertolkt dan
+diezelfde BOENDALE, dien wij zoo even over den adel hoorden spreken. In
+zijne _Teestye_ [Zijnoot: Overtuiging.] durft hij zeggen:
+
+ Du leec man en ontsie di niet,
+ Dat paepscap en es sekerre [Zijnoot: zekerder.] niet
+ Hemelrijx dan du bes:
+ Die best leeft, best es.
+ Al predect tpaepscap Gods woert,
+ Ende haer theologie bringt voert,
+ Ende du sits daer voer hare voete,
+ Du best lichte also soete
+ Ende also weert voer d' anscijn Ons Heren
+ Als si sijn die di leren;
+ Want clergye sonder goet leven
+ En can ghene salecheyt gheven.
+ Hets beter een doghet allene
+ Dan alle phylosophye ghemene [Zijnoot: samen.].
+ Al eest oec dat si di biechten
+ Ende dine ziele verlichten
+ Ende van dinen sonden ontladen daer,
+ Du best lichte also claer
+ Oft claerre [Zijnoot: zuiverder.] voer Gode dan hi,
+ Die daer absolveert di[7].
+
+En hierbij laat deze wakkere "scepenclerc" het niet. Een volgend
+hoofdstuk brengt: "van den papen noch meer". Kwam Gods Zoon nu op aarde
+en dorst hij den priesters de waarheid zeggen, hunne gebreken onder het
+oog brengen, het volk tot zich en van hen af trekken--zij zouden "te
+zamen raad tegen hem houden, hoe zij hem dooden mochten", gelijk de
+Farizeën weleer. Zij verkoopen het volk aflaat van zonden; zelf koopen
+zij dien niet, al hebben zij hem evenzeer noodig. In het sermoen zoekt
+men hen te vergeefs, al zou het voor hen evenveel vrucht dragen als voor
+de leeken. BOENDALE zegt later, dat hij der papen vriend is
+
+ Maer dat si mesdoen, dats mi leet;
+
+hij zal in die uitspraak zeker oprecht zijn geweest, doch van zulke
+vrienden was de meerderheid der priesters niet gediend. Al te welig
+schoot hier het zaad op, met volle hand gestrooid door "JACOB, die
+dichter hoghe", wiens beeld zijn navolger hier blijkbaar voor den geest
+stond. En het zou nog erger worden voor de priesters, geloofde BOENDALE.
+Uit oude profetieën had hij vernomen:
+
+ Dat men noch zal die papen jaghen
+ Ende die Kerke doghen [Zijnoot: lijden.] sal,
+ Ende bider papen ghebreke al,
+ ...
+ ...
+ Maer en sal niet dueren langhe
+ Si en selen te payse comen weder
+ Ende haer ghierecheit [Zijnoot: hebzucht.] legghen neder
+ Ende andre onnutte seden
+ Ende hem bat hoeden dan si deden
+ Ende men sal hem meer eeren doen
+ Dan noyt te voren was gheploen [Zijnoot: gepleegd.].
+
+Hoe zullen in latere dagen Hervorming en Tegenhervorming, en ook de
+geschiedenis van onzen tijd, deze profetieën op ongedachte wijze
+vervullen! Dat heeft BOENDALE niet kunnen voorzien, doch de fakkel der
+waarheid, hem door MAERLANT'S hand toegereikt, heeft hij op zijne beurt
+overgegeven aan wie na hem kwamen.
+
+Oefende de geestelijkheid aldus door doen en laten invloed op de
+ontwikkeling der geestelijke zelfstandigheid van deze volken, ook de
+adel, al geraakte hij in de minderheid, deed zijn invloed op de
+gemeenten gelden. Doch deze invloed was van anderen aard. Het beginsel
+der navolging dat zich ook in het maatschappelijk leven zoo krachtig
+openbaart, had langzamerhand uit de bovenste lagen der gemeentenaren een
+patriciaat gevormd, verwant met den adel, naar den bloede door
+huwelijken, naar den geest, door leefwijze en levensopvatting. Dat waren
+de oude geslachten der vermogende kooplieden en grondbezitters, de
+stedelijke aristocratieën, die nog in het laatst der 13de eeuw de
+leiders of meesters der gemeenten waren. Zij zochten den adel te
+evenaren in uiterlijken glans, in vertoon van pracht en praal, in
+beschaving en fijnheid van vormen. Zij streefden naar hetgeen de adel
+nooit had kunnen bereiken: heerschende stand te zijn. Een tijd lang
+gelukte hun dat, doch reeds de eerste helft der 14de eeuw bracht een
+omkeer in hun toestand. De handwerkslieden, in Noord en Zuid vereenigd
+tot gilden die al machtiger werden, stelden zich onder hunne Dekens
+tegenover de "geslachten" en eischten deel aan de regeering van stad en
+land. Overal zien wij deze democratische woeling en strijd der partijen.
+Doch de zege blijft aan de gilden. JACOB VAN ARTEVELDE bezorgt hun in
+Gent de overwinning; ook elders in Zuid-Nederland en in het Noorden, in
+steden als Dordt, Leiden, Utrecht, Zwolle zien wij deze verplaatsing van
+het overwicht[8]. Eene nieuwe laag der bevolking komt op ruimer schaal
+dan vroeger deelnemen aan en invloed oefenen op het volksleven in al
+zijne uitingen.
+
+Ook onder de lagere standen ontwaken het zelfgevoel en de begeerte om
+hoogerop te komen:
+
+ Die huusman [Zijnoot: boer.] volcht den heren naer,
+ Om schout te wesen ofte baeliu,
+
+zegt WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH[9].
+
+In een stuk van een onbekend dichter uit dezen tijd zien wij, hoe de
+titelzucht ook toen reeds de burgerij had bevangen.
+
+De neiging tot een titel, door MAERLANT in zijn _Alexander_ terloops
+gehekeld bij de meisjes uit het volk, is blijkbaar zoo sterk geworden
+dat een ander dichter er een gansch gedicht aan wijdt, getiteld _Van dat
+die liede sijn gherne geheten joncfrou_. Wij lezen daar o.a.:
+
+ Heile, Griete, Lise oft Calle,
+ heten nu joncfrou alle!
+ Al hadde haer moeder warmoes vercocht,
+ oft liede gebeden ter bruloft,
+ oft te like gebeden [Zijnoot: ter begrafenis genoodigd.] vrouwen,
+ oft ael [Zijnoot: bier (met minder hop).] oft bier gebrouwen,
+ natten geknocht [Zijnoot: biezen gevlochten.] oft huven,
+ hoenre vercocht ende duven--,
+ Si souden joncfrou willen sijn.
+
+Een van deze dames, die door den dichter wordt begroet met _vrouwe_,
+kijkt op hem neer zoo trotsch
+
+ Als ene hinne op enen pier![10]
+
+BOENDALE keurde deze gansche volksbeweging af; dat de "heeren" moesten
+wijken voor schoenmakers, volders, wevers, slagers en dergelijken--het
+was voor hem "de verkeerde wereld"[11]. Doch vruchteloos heeft hij zich
+met deze nabetrachting tegen den stroom gekant; hij heeft dien niet
+kunnen keeren.
+
+Al gelooft men niet dat het toentertijd in de Nederlanden de verkeerde
+wereld was, men kan daarom toch wel erkennen dat er in die wereld veel
+verkeerds was. De vroegere onkunde begon weliswaar te wijken voor den
+invloed, die uitging van kapittel- en kloosterscholen, van parochie- en
+bijzondere scholen; de kunsten van lezen, schrijven en rekenen begonnen
+zich langzamerhand te verbreiden; de volslagen onwetendheid van vroeger
+ziet men nog vooral onder de boeren, die zelfs niet weten hoe oud zij en
+hunne kinderen zijn. Maar de wilde zinnelijkheid van deze krachtige
+jonge volken laat zich even bezwaarlijk teugelen als in een vroeger
+tijdvak. Dat zij behagen schepten in lichaamsoefeningen: naar den
+papegaai schieten, kaatsen en andere spelen, dat kon men slechts loven;
+minder prijselijk was hun lust tot dobbelen met teerlingen, hun dansen,
+reien en springen in de kroegen op heilige dagen.
+
+Welk een ruwheid overal! Lieden, die in de kerken nog wel een vrijplaats
+gevonden hadden, ontzien zich niet de banken af te breken om er vuren
+van te stoken, er te dobbelen, te twisten en ontucht te plegen. Het
+schenden van heiligenbeelden en van het plaveisel in de
+Lievevrouwen-kerk te Dordrecht was niet zeldzaam. In de kerken wordt ook
+onder den dienst getwist en gekeven; ook soms tusschen priesters en
+leeken, zoodat de vuist en de wijkwast te werk gesteld worden. De leden
+van den Raad te Kampen gaan elkander in het Rechthuis te lijf.
+
+De strafregisters van dezen tijd zijn rijk voorzien, ook rijk aan
+afwisseling. CLAES MEYNSEN ZOON wordt gestraft, omdat hij de sluis van
+NANNE MODDE heeft opengezet, zoodat NANNE'S land is ondergeloopen.
+LAMMEKIJN DE WEVER, omdat hij een stomme heeft mishandeld en willen
+dwingen tot spreken. NANNE LUTART, omdat hij een brouwsel bier van
+JACOB, ALIDE'S ZOON, heeft bedorven, door er een dood varken in te
+gooien. GERRIT DE DUIVEL en tal van anderen, omdat zij een mes hebben
+getrokken. Zekere CAMERMAN wegens het toebrengen van een vuistslag bij
+nacht (die waren tweemaal duurder dan de overdagsche)[12]. Talrijk zijn
+de boeten, opgelegd aan gehuwde mannen en vrouwen, die leven met andere
+vrouwen en mannen. Vrouwenschennis en schaking waren niet zeldzaam. De
+rekeningen van het bisdom Utrecht bevatten talrijke posten "de
+fornicacione", "de adulterio" en "de duplici adulterio"[13].
+
+Al deze ruwheid van zeden en grofheid van uitspattingen mogen niet
+vooral op rekening der opkomende democratie worden geschoven. De hoogere
+standen bezaten meer uiterlijke verfijning, dan de lagere; doch vaak was
+die slechts een vernisje, waar de oorspronkelijke ruwheid op menige plek
+doorheen schemerde. Wanneer eene aanzienlijke edelvrouw als YOLENTE
+COURTROISIN, uit het geslacht der kasteleinen van Kortrijk, zich zóó ver
+vergeten kon, dat zij een baljuw in de uitoefening zijner bediening
+grovelijk beleedigde en met een stok mishandelde; wanneer de kanonniken
+der hofkapel te 's-Gravenhage elkaar niet zelden in het koor bespotten,
+scholden, stootten en sloegen--dan kan de beschaving onder den adel over
+het algemeen geen hoogen trap hebben bereikt[14].
+
+De Overheid trachtte de brooddronkenheid, bandeloosheid en ontucht met
+wetten te keeren en te betoomen. In Vlaanderen en Brabant werden wetten
+uitgevaardigd tegen de weelde. Brussel bezat reeds in de tweede helft
+der 14de eeuw tuchthuizen, "goede vaste ghyoelen", "omme de wilde
+joncheit te bat in bedwange te houden". De straffen blijven nog altijd
+zwaar en ten deele barbaarsch. In Deventer worden in 1344 vrouwen levend
+begraven. Een valsche wijbisschop wordt in 1392 te Utrecht veroordeeld
+om levend gekookt te worden in een onder het schavot geplaatsten ketel.
+Bij wijze van gratie wordt hij uit den ketel getild en onthoofd[15].
+Naar het schijnt, werd deze laatste straf slechts zelden toegepast; doch
+er waren zoovele andere gruwzame straffen, dat onze algemeene indruk
+daardoor weinig gewijzigd wordt.
+
+Die straffen strookten met die tijden: tijden van groote ruwheid ja,
+maar ook van groote, van ontzagwekkende kracht. Welk een taaie kracht
+was er in die Friezen, die telkens de aanvallen der machtige Hollandsche
+graven afslaan en onder wier slagen de bloem van den Hollandschen en
+Henegouwschen adel bezwijkt; in die Vlamingen ook die den slag bij
+Kortrijk wonnen; in al die weerbare burgerijen, verplicht en gereed
+hunne stad te bewaken en te verdedigen.
+
+Welk eene volksweerbaarheid, welk eene volkskracht!
+
+Die volkskracht gaat zich openbaren in eene aanwassende verscheidenheid
+van vormen en gestalten. Er komt werking in de massa's; hier en daar
+gaat zich het bijzondere losmaken van het algemeene, de enkeling zich
+onderscheiden van den stand waartoe hij behoort. Bij adel en
+geestelijkheid was dat reeds vroeger eenigermate het geval geweest; nu
+ziet men dat verschijnsel ook onder de gemeentenaren. Het is geen toeval
+dat wij juist uit dezen tijd verscheidene hunner leiders of aanvoerders
+bij name kennen: NICOLAAS ZANNEKIJN, JAN BREYDEL en PIETER DE CONINC;
+JACOB VAN ARTEVELDE met zijne beide medestanders: PIETER VAN DEN BOSSCHE
+en FRANS ACKERMAN; JOHAN YOENS; PETER COUTEREEL, "de Brabantsche
+ARTEVELDE"[16]. In de Noordelijke landen, die in algemeene ontwikkeling
+bij de Zuidelijke achterstonden, kunnen wij niet zulk een aantal namen
+van beteekenis aanwijzen.
+
+Het bijzondere zich losmakend van het algemeene, dat verschijnsel meenen
+wij te kunnen opmerken ook op kleiner schaal: de verhouding van den
+eenling tot de maagschap. Niet alsof de maagschap hare beteekenis geheel
+zou hebben verloren! In eene oude vertaling van FROISSART'S kroniek
+lezen wij van eene bloedveete tusschen een paar geslachten van rijke
+"schippers" (reeders) te Damme uit het laatst der 14de eeuw in deze
+woorden: "Wair was dat, voir dien tijt van oudts, binnen der stede van
+den Damme, een dootlijc oirloge gestaen hadde twischen twee rijke
+mannen, scipperen aldair, met horen magen an beyden sijden, dairaf die
+een geheten was JAN PIER ende die ander JAN BAIRDE, bij welken oirloge
+onderlinge van horen magen doit gebleven wairen wail tot CXVIII pereonen
+toe, van welker eenre pertije GIJSBERT MAHIEU ende sine bruederen mage
+waren, ende JAN LIJON was maech van der ander zijde. Welken hate ende
+nijde aldus bedect gedragen wert ende van langen tijt opgevoet twischen
+desen JAN ende GIJSBERT, hoewail sij te samen spraken, aten ende
+dronken, alst so diende te samen of te punte quam, mer altijt lach desen
+hate den Mahijewelingeren veel felre ende duenre [Zijnoot: vaster]"
+int herte dan dat JAN LIJON dede"[17].
+
+In een gedicht uit dezen tijd wordt gesproken van "buten maghen in
+ellenden" te wonen[18]; daar loopt een der wegen, waarlangs het woord
+_ellende_ dat oorspronkelijk: _ander land_ beteekende, aan zijne
+overdrachtelijke beteekenis gekomen is.
+
+Maar er zijn toch teekenen die op eene aanstaande kentering in dezen
+schijnen te wijzen. Sprekend over de moordenaars van Graaf FLORIS, zegt
+MELIS STOKE:
+
+ Dat dese verraders hebben ghelaten
+ Den maghen verwijt: si moghense haten.
+
+Hier wordt de verantwoordelijkheid der magen voor de daden van één
+hunner erkend. Doch onmiddellijk daarop lezen wij:
+
+ Nochtan so nes niement vroeder [Zijnoot: geen verstandig man.],
+ De dat verwijt iement goeder,
+ Dat sijn maech hevet misdaen[19].
+
+De Antwerpsche stadssecretaris JAN BOENDALE stelt in zijn
+_Lekenspieghel_ de vraag: of men magen en vrienden moet helpen en
+ondersteunen. Een wijs meester antwoordt daarop: ja, indien uwe magen
+arm zijn, in het ongeluk geraakt en brave menschen. Doch zijn zij dwaas
+en slecht, doorbrengers of deugnieten, laat ze dan links liggen; 't is
+toch boter aan de galg gesmeerd[20].
+
+Deze Zuidnederlander durft al heel wat verder gaan dan de Hollander
+STOKE; maar ook hier zal het Noorden het Zuiden volgen.
+
+In een merkwaardig stuk _Van drierehande lyden_ heeft de
+Noordnederlandsche dichter WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH ons een man
+geschetst, wien het slecht vergaat, omdat hij zich van zijne magen
+afzondert. Hij is trotsch als een baron, hoewel hij slechts "maet van
+goede" is. Zijne magen ergeren zich daaraan, maar hij geeft niet om hun
+raad. Nu moet hij alleen zijn weg gaan en dat bekomt hem slecht:
+
+ Misdede ic yet, ic wort ghesleghen,
+ Ic most den menighen verdreghen
+ Entaer toe lyden mit hem allen.
+ Soe wye sijn maghen worden tieghen,
+ Die moet van des ghelijcke pleghen,
+ Hem sel veel te lyden vallen[21].
+
+Het is waar dat HILLEGAERTSBERCH hier waarschuwt tegen het losmaken
+van den band der maagschap, doch uit die waarschuwing zelve blijkt, dat
+de dichter dezen nieuwen trek in het volksleven had opgemerkt en
+gewichtig genoeg achtte om er de aandacht van zijn publiek op te
+vestigen.
+
+Verwant met dezen trek is het individualisme, dat zich, zij het
+slechts op een paar plaatsen, in de keuze der kleeding openbaart. De
+hekeldichter JAN DE WEERT deelt ons in zijn _Nieuwe Doctrinael_ mede:
+
+ Elc wil draghen of hebben dat niemen
+ En heeft of draghet, can hijt gheraken[22].
+
+en de auteur van een ander 14de-eeuwsch leerdicht _Spiegel
+der Zonden_ zegt evenzoo:
+
+ Elk zoect om vremde ghedane
+ In zinen clederen....[23].
+
+Dit individualisme, zich nu nog maar openbarend in iets uiterlijks,
+zullen wij gaandeweg, doch uiterst langzaam, zich zien ontwikkelen in
+een later tijdvak.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] Vgl. BLOK, _Gesch. v.h. Ned. Volk_, II, 24 vlgg., 222.
+
+[2] SCHOTEL, _Abdij van Rijnsburg_, bl. 90-92.
+
+[3] DE LANGE VAN WIJNGAARDEN, _Gesch. van Gouda_, I, 137, 141, 154.
+BUSKEN HUET geeft een aardig beeld van Graaf JAN in zijn handel en
+wandel in Deel I van _Het Land van Rembrand_.
+
+[4] BLOK a.w. II, 42-3, 165-6.
+
+[5] A.w.B. III, c. 26.
+
+[6] SCHOTEL, _Abdij van Rijnsburg_, bl. 76; PIRENNE a.w. II, 20; _Bijdr.
+en Meded. v.h. Histor. Gen._, XXIII, 60.
+
+[7] A.w. (ed. SNELLAERT in _Nederl. Gedichten uit de veertiende eeuw_),
+bl. 252.
+
+[8] Vgl. hierover VANDERKINDERE'S _Siècle des Artevelde_ o.a. p. 185,
+112, 126-130; BLOK a.w. II, 8 vlgg.; PlRENNE a.w. II, 407; S. MULLER FZ.
+in _De Gids_ van 1897 (Juni).
+
+[9] _Ged._, bl. 211, vs. 344-5.
+
+[10] _Vad. Mus._, I, 76.
+
+[11] In zijne _Brabantsche Yeesten_, V, 415 vlgg.
+
+[12] Vgl. _Siècle des Artevelde_; het "papegoy schieten" ao 1361 in de
+_Cameraars-Rek._, III, p. 15; _Nieuwe Doctrinael_, 793-5, 1720-4;
+EBBINGE WUBBEN, _Over Mnl. Vertalingen van het O.T._, p. 105 (ao 1360).
+Mr. S. MULLER FZ., _Registers en Rekeningen van het Bisdom Utrecht_, I,
+481, 488, 467 vlgg., 474-5.
+
+[13] _Siècle des Art._ p. 404; ROBERT FRUIN'S _Verspr. Geschr._, I, 155;
+MULLER, _Reg. en Rek._, I, 480; 527 vlgg.
+
+[14] Vgl. _Siècle des Art._, p. 260; CANNAERT, _Bijdragen tot de kennis
+van het oude strafrecht_, bl. 69; MOLL a.w. II, 4, bl. 146-7.
+
+[15] _Belg. Mus._, X, 104 vlgg.; _Cam.-Rek._, I, 134, 199;
+_Oud-Utrechtsche Vertellingen_ door Mr. S. MULLER FZ., bl. 43.
+
+[16] PlRENNE a.w. II, 33.
+
+[17] _Jehan Froissarts Cronycke van Vlaenderen_ in de vertaling van
+GERRIT POTTER VAN DER LOO (ed. N. DE PAUW), p. 5.
+
+[18] _Cyromanchie van den pape van den Hamme_ in N. DE PAUW'S _Mnl.
+Ged._, I, 270.
+
+[19] IV, 1305-'9.
+
+[20] A.w.B. III, c. 22.
+
+[21] _Gedichten_, bl. 127, no. 66.
+
+[22] Vs. 859-860.
+
+[23] Vs. 11605 vlgg.
+
+
+
+RIDDERPOËZIE IN VERVAL[*]
+
+[*] Voor de tijdsbepaling vgl. de Aanteekeningen achter dit hoofdstuk.
+
+1. Baerte metten breden voeten, Ridder metten Zwane, Cassamus, Loyhier
+ende Malaert, Borchgravinne van Vergy.
+
+2. Ogier, Malegijs, Huge van Bordeeus, Valentijn en Nameloos.
+
+3. Borchgrave van Couchi. Seghelijn van Jerusalem.
+
+De ontwikkeling van het ridderwezen spiegelt zich af in die der
+ridderpoëzie. Voor een deel wordt het oude leven ook hier voortgezet: er
+wordt, als vroeger, vertaald uit het Fransch; als vroeger zelfstandige
+bewerkingen van in het Fransch bewerkte stoffen gegeven; als vroeger
+oorspronkelijke romans--voorzoover daarvan hier sprake kan
+zijn--samengesteld. Er is echter verschil op te merken in dit opzicht:
+de aanwas van zelfstandigheid onder deze volken openbaart zich hierin,
+dat het aantal vertaalde werken geringer is dan dat der zelfstandig
+bewerkte.
+
+Vertaald werden de romans: _van Baerte metten breden voeten_, _de Ridder
+metten Zwane_, _Cassamus_, _Loyhier ende Malaert_ en _de Borchgravinne
+van Vergy_; de laatste zelfs in twee bewerkingen. Van den _Loyhier ende
+Malaert_, die waarschijnlijk uit het Fransch vertaald is, kan kan men
+echter geen Fransch origineel aanwijzen. Van de twee eerstgenoemde
+werken hebben wij slechts onbeteekenende, van de twee volgende grootere
+fragmenten over; het laatstgenoemde werk is tot ons gekomen in eene
+volledige en eene onvolledige bewerking[1].
+
+Zelfstandige bewerkingen van poëtische stoffen, ook door Fransche
+dichters behandeld, doch kwalijk als vertalingen te beschouwen, brengen
+ons de romans _van Ogier_, _van Malegijs_, _van Huge van Bordeeus_ en
+_van Valentijn en Nameloos_, alle in fragmentarischen toestand tot ons
+gekomen. In hoever ook de _Loyhier en Malaert_ tot deze groep kan worden
+gebracht, is moeilijk uit te maken, zoolang wij het Fransch origineel
+niet bezitten[2].
+
+De romans _Van den borchgrave van Couchi_ en _van Seghelijn van
+Jerusalem_ eindelijk mag men onder voorbehoud oorspronkelijke werken
+noemen[3].
+
+Het eerste der hier genoemde werken geeft reeds dadelijk een denkbeeld
+van hetgeen ons in de overige wacht.
+
+BERTE "metten breden voeten" is de dochter van FLORIS en BLANCEFLEUR en
+huwt koning PEPIJN van Frankrijk. Eene dienstmaagd MARGISTE doet hare
+dochter ALISTE BERTE'S plaats in het bruiloftsbed innemen. BERTE wordt
+na eene valsche beschuldiging ter dood veroordeeld. Zij brengt er het
+leven af, zwerft rond in de bosschen, komt bij den "foreestier" SYMON en
+blijft daar, totdat zij door den koning wordt teruggevonden en in eere
+hersteld. Later wordt zij moeder van KAREL DEN GROOTE. Door dit werk
+toont ADENET LE ROI zich in zijn karakter van "remanieur"; aanknoopend
+bij een vroeger literair werk eenerzijds, bij de persoonlijkheid van
+CHARLEMAGNE anderzijds, tracht hij door eene verwarrende veelheid van
+avonturen de aandacht te prikkelen.
+
+LOYHIER, in den roman van dien naam, wordt ons voorgesteld als een zoon
+van CHARLEMAGNE. Hij is een middeleeuwsche Don Juan. Op aandringen der
+hooge edelen van het hof verbannen, trekt hij met zijn trouwen vriend
+MALAERT naar het Oosten, wordt keizer van Constantinopel en beleeft nog
+tal van avonturen. De roman van _den Ridder met den Zwaan_ is eene
+poging om de eigenlijke geschiedenis van den Zwaanridder HELIAS te
+verbinden met die van GODFRIED VAN BOUILLON. De onbeduidende fragmenten,
+die wij van de Dietsche bewerking over hebben, verplaatsen ons naar een
+schitterende wapenschouwing over GODFRIED'S vazallen, die indruk moest
+maken op de toehoorders als op den Sarraceenschen koning CORNUBRANT, die
+haar vermomd bijwoont. De _Cassamus_ behelst eene der bewerkingen van de
+_Alexander-sage_ en spreekt vooral van hoofschheid en van minne. De
+_Borchgravinne van Vergy_ is een bevallig maar droef verhaal van de
+liefdesbetrekking tusschen deze edelvrouw en een Bourgondisch ridder, op
+wien ook de hertogin van Bourgondië verliefd is. De ijverzuchtige
+hertogin brengt eerst de burggravin, daarna den ridder tot zelfmoord en
+wordt zelve met den dood gestraft door haren gemaal, die dan als
+Tempelridder naar Palestina trekt. Deze berijmde novelle vormt den
+overgang tusschen den ridderroman en de riddersproke.
+
+De sage van OGIER, een der dappere "genooten" van KAREL DEN GROOTE, was
+hier te lande waarschijnlijk reeds vroeg behandeld. Men mag dat
+vermoeden op grond eener vermelding in _Van den Levene ons Heren_ (vs.
+10). Doch het is weinig waarschijnlijk dat daar gedoeld wordt op deze
+Dietsche bewerking, die niet terug te brengen is tot een der bekende
+Fransche bewerkingen. Zoo hebben ook de _Malegijs_, de _Huge van
+Bordeeus_ en de _Valentyn en Nameloos_ met de Fransche bewerkingen dier
+stoffen weinig meer gemeen dan eenige namen en voorname feiten. MALEGIJS
+is de uit den roman van _de Heemskinderen_ bekende toovenaar; HUGE VAN
+BORDEEUS: een leenman van CHARLEMAGNE, die onwetend des keizers zoon
+doodt, daarvoor gestraft wordt met de opdracht om den baard en vier
+tanden van den soudaan van Babyion te gaan halen en allerlei avonturen
+gelukkig te boven komt door hulp van den tooverkoning OBERON. _Valentyn
+en Nameloos_ behelst eene bewerking der zelfde sage, die in het latere
+Fransche volksboek van VALENTIJN en OURSON wordt gevonden: de talrijke
+bonte avonturen van een broederpaar, jong gescheiden, waarvan de een
+door eene berin (wolvin) gezoogd is en door den ander, een volmaakt
+ridder, overwonnen wordt, waarna zij als wapenbroeders de wereld
+rondtrekken. VALENTIJN wordt ten slotte koning van Frankrijk, NAMELOOS
+koning van Hongarije.
+
+Het verhaal _van den Borchgrave van Couchi_ behandelt voornamelijk
+COUCHI'S liefde tot BEATRIJS, echtgenoote van den Heer van Famweel en
+zijn strijd met den bastaard MASEBROUC om het land van Ardennen. Meer
+dan eens ook worden wij verplaatst aan het hof van koning KAREL DEN
+KALE, tot wiens vazallen COUCHI behoort.
+
+SEGHELIJN van Jeruzalem eindelijk is de zoon van een heidensch vorst;
+zijne moeder heet BLANSEFLEUR. Hij wordt opgevoed door een visscher,
+helpt CONSTANTIJN DEN GROOTE de overwinning behalen, huwt diens dochter
+FLORETTE, wordt keizer van Rome en later paus. Vóór dien tijd heeft hij
+de gelegenheid waargenomen bij zeven koninginnen de latere zeven vroeden
+van Rome te verwekken; op deze wijze--natuurlijker en eenvoudiger kon
+het niet!--heeft de dichter, zekere LOY LATEWAERT, zijn werk verbonden
+met den naar de Zeven Vroeden genoemden roman.
+
+Vergelijken wij deze ridderpoëzie met die uit ons Eerste Boek, dan
+blijkt wel dat wij van verval mogen spreken.
+
+Daar was nog gevoel voor het ridderwezen in zijn idealisme, zijn
+heroïsme, zijne fijnheid van omgangsvormen; hier is daarvan weinig of
+niets over. Zeker, ook het dorperlijke en onaesthetische vertoont zich
+daar, doch tegenover die schaduw is er vrij wat licht. Maar hier? Wat is
+er geworden van het gevoel voor het ridderwezen, van de ridderlijke
+idealen? Ja, er wordt nog gestreden ook tegen de heidenen, maar de
+bezieling is verdwenen. Avonturen en nog eens avonturen, wonderen het
+een nog wonderbaarlijker dan het andere, moeten dat gemis vergoeden. De
+_Limborch_ en de _Flandrijs_, die wij in het Tusschenspel leerden
+kennen, mogen in dit opzicht beschouwd worden als schakels tusschen de
+oudere en de jongere ridderpoëzie.
+
+Staaltjes van gemis aan ridderlijk gevoel, dorperlijke opvatting, die
+wij vroeger slechts hier en daar vonden, zijn hier maar al te rijkelijk
+aanwezig. In geen der vroegere werken wordt het ridderwezen door lage
+boert en platte grappen zoo naar beneden gehaald en onteerd als hier
+niet zelden geschiedt. In het gedicht _van den Grimbergschen Oorlog_ dat
+wij in het _Tusschenspel_ even vermeldden, moedigt Heer ARNOUT VAN
+OYENBRUGGE de zijnen aan door hen indachtig te maken dat zij in hun
+eigen land zijn, de vijand daarentegen op vreemd gebied moet strijden.
+Hij bedient zich daarbij van deze vergelijking: een hond durft op zijn
+eigen mesthoop veel beter dan een vreemde. Elders in dat gedicht lezen
+wij, dat een schild wordt gekloofd als een raap[4]. Den dapperen OGIER
+laat men struikelen over erwten, om hem zoo ten val te brengen[5]. In de
+_Couchi_ wordt eene veete bij een zwerende puist vergeleken. Ridder
+SEGHELIJN zegt van zich zelven:
+
+ Ende so ic ben een quade sprute,
+ So moet die pust breken ute.
+
+Zijn ros Glorifier eet gebraden kapoenen. Als het dan staat te
+likkebaarden, zegt zijn meester lachend tot het ros: dat is uwe ouders
+nooit gebeurd, maar gij verdient het wel!" Nadat SEGHELIJN vijftien jaar
+lang gevangen heeft gezeten op water en brood in een donker hol, doet
+God een wonder aan hem: nu ziet hij er weer zoo goed uit, "alsof hij
+zich had liggen mesten"[6].
+
+Maar de _Malegijs_ spant hier de kroon.
+
+MALEGIJS doet door zijne tooverkunsten een aantal ridders naakt een
+rondedans uitvoeren en later onder groot gelach der omstanders op den
+grond tuimelen; de dwerg SPYËT vermaakt zich daar kostelijk mede en
+geeft den raad om ze als vogelverschrikkers in het koren te zetten.
+MALEGIJS' oom, meester YVERT, lacht als REINAERT: "mi dochte dat ic
+spleet". Beyaert, het edele ros der Heemskinderen, wordt door MALEGIJS
+voor een kar met wijn gespannen. Dat was erger dan, met molensteenen aan
+de pooten, in de Oise verdronken te worden! ROELANT spreekt smalend tot
+CHARLEMAGNE over diens "grote coenheide"; gaat gij ons voor in het
+gevecht, zegt ROELANT, dan vechten wij mee; maar vlucht gij, dan
+vluchten wij ook[7].
+
+Evenals de _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn ook deze werken slechts
+voor een gering deel uit het leven ontstaan, doch grootendeels uit
+herinneringen aan wat de vervaardigers elders gehoord of gelezen hadden.
+
+De _Seghelijn_ is op-en-top een compilatie; vele bewijzen daarvan zijn
+reeds vroeger bekend gemaakt en zij kunnen nog vermeerderd worden; ook
+met den _Huge van Bordeeus_ en den _Valentijn en Nameloos_ is dat het
+geval. In de overige werken kunnen wij eveneens telkens namen of
+toestanden aantreffen die reeds in vroegere werken worden gevonden en
+het beroep op "ouden jeesten" in den roman van _Couchi_ begrijpelijk
+maken[8].
+
+Doch waarin ook de ridderpoëzie van dezen tijd moge achterstaan bij die
+van een vroeger tijdperk, niet in stichtelijkheid. In de onderscheidene
+fragmenten van _Valentijn en Nameloos_ en in den _Malegijs_ vertoonen
+zich telkens godsdienstige of op godsdienstigheid gelijkende invoegsels.
+De voltooier van het gedicht op den Grimbergschen Oorlog betreurt het
+zelfs, dat deze strijd gevoerd is tusschen Christenridders: hadden zij
+gezamenlijk de Sarracenen bestreden, zegt hij, dan zouden wij hen mogen
+prijzen. Aan het slot van zijn werk richt hij tot den edelman, voor wien
+het werk bestemd was, een bespiegeling over de broosheid des levens en
+een waarschuwing, dat hij rekenschap zal moeten afleggen van zijn doen
+en laten[9]. Maar eerst in den _Seghelijn_ viert de stichtelijkheid
+hoogtij! Allerlei wonderen worden verricht door onderscheidene
+reliquieën van CHRISTUS: den geesel, het "vergulde vat", waar JEZUS
+azijn met gal gemengd uit dronk, de doornenkroon en de spijkers van het
+kruis. De gebeden zijn hier uitermate lang; andere stichtelijke passages
+niet zeldzaam. Als SEGHELIJN honger heeft, daalt een soort manna voor
+hem uit den hemel. Op zijn wensch krijgt dat brood daarna den smaak van
+een kapoen en later zelfs van wijn. De stichtelijkheid komt hier
+gevaarlijk dicht bij het sprookje van "tafeltje dek je"! SEGHELIJN zelf
+wordt als een soort van Graalridder voorgesteld: als hij nadert laat een
+geesel met vijf knoopen, waarmede JEZUS gegeeseld is, droppels bloed
+vallen; zelfs de speer uit de Graal-sage wordt hij waardig gekeurd[10].
+
+Wel strooken met deze begeerte tot stichten de vermaningen en
+moralisaties, die in den _Ogier_ zijn gevlochten, en het didactisch
+element in dat werk en den _Seghelijn_. In den laatsten roman vinden wij
+een tooneel, waar de held door zijne moeder BLENSEFLUER gekust wordt.
+Verraders, die de verhouding der koningin tot den jongeling niet kennen,
+beschuldigen SEGHELIJN in des konings tegenwoordigheid van ongeoorloofde
+verstandhouding met de koningin. "Schurk," zegt SEGHELIJN, "men omhelst
+en kust elkander dikwijls in eer en deugd. Wat overigens de kussen
+betreft, er zijn vier soorten: "van moeder, van lieve, van peise en van
+grieve." Deze scholastieke indeeling en de elders voorkomende "questiën"
+met de daarbij behoorende antwoorden verplaatsen ons naar het trivium en
+het onderwijs in de dialectiek.
+
+Het geringe gevoel voor de ridderlijke idealen, de neiging tot
+stichtelijkheid en didactiek hebben reeds het vermoeden kunnen wekken,
+dat de literaire waarde dezer werken niet groot zal zijn. Het
+compilatorisch karakter alleen zou voor dat vermoeden te weinig grond
+geven; want ook al heeft men dat vastgesteld, dan blijft altijd nog ter
+beantwoording deze vraag: Wat hebben de dichters van de door hen
+ontleende stoffen gemaakt?
+
+Maar ook op die vraag kan men bezwaarlijk anders antwoorden dan: weinig
+moois of verdienstelijks. De _Cassamus_ en vooral de _Borchgravinne van
+Vergy_ zijn vloeiend, hier en daar bevallig, vertaald; doch naar het
+schijnt hebben deze vertalingen overigens weinig eigens. De meer
+zelfstandige werken verheffen zich soms tenauwernood boven het
+middelmatige en blijven niet zelden daarbeneden. In den _Couchi_ vindt
+men wel eens aardige verzen; zoo b.v. deze:
+
+ Daer so hadde een worm ghebeten
+ Diepe in ziere rosen blat,
+ So dat nemmermeer dat gat
+ Conde heelen noch genezen.
+
+In den _Malegijs_, die overigens vooral in den versbouw een ongeoefende
+hand verraadt, vindt men hier en daar niet onverdienstelijke
+minne-lyriek[11]. Doch over het algemeen is de oogst van het goede of
+verdienstelijke uiterst schraal. Hoe zou dat ook anders kunnen zijn,
+waar de dichters van de beide minst afhankelijke werken telkens toonen
+hoe weinig zij _in_ hun verhaal zijn. Den vervaardiger van den
+_Seghelijn_ zien wij telkens het oog afwenden van zijn verhaal en zijne
+personages, om het op zijn eigen tijd te richten; gewoonlijk wordt hij
+daartoe gedreven door het verlangen om te waarschuwen, te vermanen of te
+berispen. Hij handelt dan over de trouweloosheid en de kijfzucht der
+vrouwen, de wellustigheid der mannen; ontraadt zijn publiek, een dief
+van de galg te bevrijden; hij wekt den dommen mensch op, God te erkennen
+in Zijne kracht en Hem steeds te dienen[12]. In den roman _van Couchi_
+vinden wij evenzoo b.v. een uitval tegen het ridder worden zonder den
+ridderslag; over den ootmoed, die de vrouwen past; eene bespiegeling
+over "een crudekijn, heet nijt", in den geest, waarin later WILLEM VAN
+HILLEGAERTSBERCH zal spreken "van enen cruut ende hiet selve".
+
+Niet bij toeval komt, aan het eind van dit overzicht der ridderpoëzie in
+verval, de naam van een Hollandschen spreker, die de gemeenten
+vertegenwoordigt. Die naam is een vingerwijzing naar de dingen die
+komen. De ridderschap als instelling had uitgeleefd, maar niet vergeefs
+geleefd. Trouw aan den heer; eergevoel, dat geen smet op het blazoen
+duldde; vereering der vrouw; toewijding, die met mannenmoed desnoods het
+leven op het spel zette, waar een der ridderlijke idealen te verdedigen
+viel; begeerte om het leven ook door de kunst schooner en aangenamer te
+maken--naar zulke dingen had de ridderschap gestreefd. En al heeft zij
+die slechts gedeeltelijk bereikt, al waren hare handelingen dikwijls in
+openbaren strijd met hare beginselen, desniettemin hebben die idealen,
+door haar voor het eerst verkondigd en voorgestaan, als een zuurdeesem
+ook in het leven dezer volken gewerkt en zijn zij dat blijven doen.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+TIJDSBEPALING.
+
+De Fransche roman van _Berte aus grans piés_ is door ADENET LE ROI
+omstreeks 1275 gedicht, de Mnl. bewerking kan dus hoogstens uit het
+laatst der 13de eeuw dagteekenen. (Vgl. _Les Epopées françaises_ III,
+7). De Fransche roman van _Le Chevalier au Cygne_, waarop wij hier het
+oog hebben, dagteekent uit de 14de eeuw. Zie _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 253.
+Onze vertaling dus ten minste evenzeer. Over den tijd der vervaardiging
+van _Cassamus_ vgl. ed. VERWIJS, Inl. XXVIII; het Fransche gedicht
+dagteekent van omstreeks 1312; zie: HOOGSTRA, _Proza-bewerking van het
+Leven van Alexander den Groote_, Inl. p. XX; de volledige bewerking der
+_Borchgravinne van Vergy_ is van 1315; zie vs. 1119 vlgg; de Fransche
+_Lohier et Mallart_ moet uit de 14de eeuw zijn: zie _Mnl. Ep. Fragm._,
+bl. 266; de overige werken: _Ogier_, _Malegijs (Maugis d'Aigremont)_,
+_Huon de Bordeaux_ behooren in de Fransche literatuur tot het tijdvak
+der décadence van de ridderpoëzie (laatst der 13de en aanvang der 14de
+eeuw) en moeten dus in hun Dietschen vorm ook tot de 14de eeuw gebracht
+worden; trouwens de geest der bewerkingen zelve wijst ons ook naar dien
+tijd. Het is ook opmerkelijk, dat b.v. in den _Malegijs_ verscheidene
+vreemde woorden voorkomen, die men uitsluitend of vooral in werken der
+14e eeuw aantreft, zooals: athoer, bolle, calant, tfaliant, fardeel,
+rabat, respons, mastijn en andere op p. 193, 201, 203, 205, 207. De
+_Seghelijn van Jeruzalem_ dagteekent van omstreeks 1333-1350 (zie:
+Inleiding ed. VERDAM, IV). _Van den Borchgrave van Couchi_ wordt door DE
+VRIES m.i. terecht in het tweede vierdedeel der 14de eeuw geplaatst; (zie
+_Tijdschr. v. N.T. en L._, VII, 129-131). De roman _van Valentijn en
+Nameloos_ vertoont in opzet, samenstelling en bewerking zooveel
+overeenkomst met de hierboven genoemde, dat ik meen hem tegelijk met de
+overige hier te moeten behandelen.
+
+[1] no. 1 afgedrukt achter MOLTZER'S _Floris ende Blancefloer_, bl. 131
+vlgg., no. 2 in _Mnl. Ep. Fragm._, XIII; no. 3 uitg. VERWIJS in: _Bibl.
+van Mnl. Lett._, 2e afl.; no. 4 _Mnl. Ep. Fragm._ en _Tijdschr. v. N.T.
+en L._, XII, 241 vlgg.; no. 5 uitg. STOETT in: _Klassiek Lett.
+Pantheon_. (Zutphen. W.J. THIEME EN Co).
+
+[2] Ik bediende mij voor no. 1 van de uitgave door MATTHES in _Taal- en
+Letterbode_, VI, 241 vlgg.; no. 2: _Madelghijs' Kintsheit_ ed. N. DE
+PAUW; nieuwe fragmenten in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV en XX en
+_Romania_, 1897; no. 3-4 in _Mnl. Ep. Fragm._, XI-XII; nieuwe fragmenten
+in _Tijdschr._, XVII en XI (daarbij te verg. XI, 229 vlgg.).
+
+[3] De _Couchi_ is uitgeg. door DE VRIES in: _Tijdschr. v. N.T. en L._,
+VII, 97-250. DE VRIES hield dit werk voor eene vertaling uit het Fransch
+en meende zelfs dat dit "nauwelijks aanwijzing behoefde." Wat hij
+aanvoert als grond voor zijne meening, is echter zwak (_Tijdschr._, VII,
+124). Alleen de vele hier voorkomende Fransche woorden schijnen grond te
+geven; inderdaad kunnen zij dat niet doen; in den _Limborch_,
+_Flandrijs_, _Seghelijn_, _Leven van Sint Amand_ en menig ander, _niet_
+uit het Fransch vertaald werk van dezen tijd, komen eveneens vele
+Fransche woorden voor. Daarentegen wijzen de naam _Masebrouc_ en de
+verklaring van dien naam door den dichter (II, 371-374) er op, dat wij
+hier een oorspronkelijk Dietsch werk hebben. Ons verhaal behelst eene
+gansch andere geschiedenis dan die van den _Châtelain de Coucy_ en
+nergens blijkt dat er nog eene andere Fransche bewerking is geweest.
+Indien men let op de meerdere zelfstandigheid bij de bewerkers van
+ridderromans uit dezen tijd, die blijkt o.a. uit _Limborch_, _Flandrijs_
+en _Seghelijn_, ook uit de andere in den tekst genoemde romans; op de
+vermenging van verdichting en quasi-historische werkelijkheid, die ook
+in den _Limborch_ wordt aangetroffen, en op het didactisch karakter van
+het bewuste werk--dan zal men het met voldoenden grond voor een
+Nederlandsch werk mogen houden.
+
+Bovendien schijnen nog tot de 14e eeuw te moeten worden gebracht: 1o.
+een roman _van Cesar_, uitgeg. door N. DE PAUW in _Mnl. Ged._, III, 530
+vlgg., naar het schijnt uit het Fransch vertaald; 2o. een roman _van
+Octaviane_, door BOENDALE vermeld in _Der Leken Spieghel_, III, c. 15,
+vs. 125.
+
+[4] II, 1681-5; 3017-'9.
+
+[5] _Taal- en Letterbode_, VI, 261.
+
+[6] _Couchi_, II, 248-250; _Seghelijn_, vs. 640-2; 3134 vlgg.; 5934.
+
+[7] _Fragmenten_ (ed. DE PAUW), bl. 69, 71, 75, 81, 85, 129, 133.
+
+[8] In den _Seghelijn_ personages uit de Karel-sage (GAURES en ROHAERT);
+vooral de _Flandrijs_ is nagevolgd, zie _Inl._, VI. Den reus GRAPAERT
+vinden wij terug in AGRAPART uit den _Huge van Bordeeus_; een visscher
+die een hooggeboren kind bij zich neemt, komt voor ook in _Aiol_;
+SEGHELIJN leeft in het bosch van vruchten en kruiden (2885-'9) gelijk
+PARTONOPEUS; zijn paard wordt hem, terwijl hij ligt te slapen,
+ontstolen, zooals Beiaert aan REINOUT. De naam FLORETTE ook in
+_Karlmeinet_. De paardenaam Blankaert uit _Loyhier en Malaert_ ook reeds
+in _Aubri de Borgengoen_; de naam van het zwaard Scaerdelijn in _Val. en
+Nam._ ook reeds in _Aiol_; de dans van betooverde ridders in den
+_Malegijs_ ook reeds in den _Lancelot_, I, bl. 109, vs. 122-3; NAMELOOS
+heeft een onzichtbaar makenden ring en knots evenals de dwerg SPYËT; de
+auteur v.d. _Malegijs_ heeft geput uit _Patricius' Vagevuur_ en den
+_Brandaen_ (_Romania_, p. 504). Vgl. voorts _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 206,
+210, 228. En nog noem ik niet alles.
+
+[9] II, 5203 vlgg. en 6167-'73.
+
+[10] Vgl. vs. 1311 vlgg.; 2100 vlgg.; 2124-'47, 2742-2882; 5837-5903;
+3318 vlgg.; 6200 vlgg.
+
+[11] _Couchi_, II, 195-198; _Mal._ (fragm. DE PAUW), bl. 77, vs. 130
+vlgg.; 79, vs. 141 vlgg.
+
+[12] Vgl. vs. 182-'5, 202-'5, 4641-'3, 5472-'8, 9792-'4, 10476-'81.
+
+
+
+GEESTELIJKE EPISCHE POËZIE EN PROZA.
+
+
+1. POËZIE.
+
+ 1. Der Ystoriën Bloeme. Leven van S. Lutgart. Leven van S. Kerstine.
+ Leven van S. Amand. Leven van S. Kunera van Rhenen.
+
+ 2. Vaghevier van S. Patricius. Boec van den Houte. Legende van het H.
+ Kruis. Theophilus. Beatrijs. Jonitas en Rosafiere.
+
+Evenals de ridderpoëzie is de geestelijke poëzie van dezen tijd ten
+deele eene voortzetting der vroegere. Dat geldt in de eerste plaats van
+een aantal heiligenlevens, waarvan enkele misschien uit het laatst der
+13de eeuw zijn, andere waarschijnlijk tot de 14de eeuw behooren; een er
+van, _het Leven van Sint Amand_ is van 1366.
+
+In _Der Ystoriën Bloeme_ hebben wij aanzienlijke fragmenten over van een
+groot werk, dat volgens den proloog de levens der apostelen, der
+martelaren en confessoren en die van heilige vrouwen en maagden zou
+bevatten. Slechts de levens der apostelen zijn tot ons gekomen. Om den
+afgebroken zinbouw, de vrij talrijke assoneerende rijmen en een zeker
+waas van oudheid dat over dit werk ligt, zou het mij niet verwonderen,
+indien latere vondsten ons toonden dat het nog in de 13de eeuw is
+ontstaan; doeh zekerheid daaromtrent is voorloopig niet te verkrijgen.
+Ook niet omtrent de vraag of een kleine 500 verzen van een dergelijk
+werk over apostelen en martelaren, als "Sinte Pouwels jonghers", "Sinte
+Tecla", "Sinte Nasarius en Celsus" deel van _Der Ystoriën Bloeme_ heeft
+uitgemaakt. Men zou geneigd zijn, de vraag ontkennend te beantwoorden,
+omdat de assoneerende rijmen, daar vrij talrijk, hier ontbreken. Het
+eerste werk is zeker uit het Latijn vertaald, het tweede waarschijnlijk
+ook, daar het verwijst naar een martyrologium[1]. Uit het Latijn
+vertaald zijn ook het _Leven van Sinte Lutgart_ door zekeren "broeder
+GERAERT" en dat _van Sinte Kerstine_. Voorts het _Leven van Sinte Amand_
+dat vervaardigd is door zekeren GILLIS DE WEVEL, vertaald uit het
+Latijn, onder gebruikmaking van geschriften als UTENBROEKE'S _Spieghel
+Historiael_; en ten slotte mag misschien een gedicht _van Sinte Kunera
+van Rhenen_, "hare gheboerte, hare passie en die verheffinge", ook nog
+tot de 14de eeuw gebracht worden[2]. De vijf eerstgenoemde werken zullen
+wel alle uit Zuidnederland afkomstig zijn; het laatste schijnt, naar het
+dialect te oordeelen, in Gelderland te zijn ontstaan; is dat zoo, dan
+ligt het vermoeden voor de hand, dat het in Rhenen zelf of de omstreken
+van dat stadje zal zijn vervaardigd.
+
+Voor de geschiedenis der Roomsche kerk mogen deze heiligenlevens van
+niet geringe beteekenis zijn--in die der Nederlandsche literatuur kunnen
+zij slechts een bescheiden plaatsje innemen. In geen dezer werken vindt
+men iets dat op poëzie ook maar gelijkt en weinig of niets
+karakteristieks. _Der Ystoriën Bloeme_ bevat slechts gebrekkig berijmd
+proza, de levens _van S. Christina_ en _S. Lutgart_ zijn beide
+letterlijk vertaald uit het Latijn van THOMAS VAN CANTIMPRÉ en toonen
+weinig of niets eigens; de verzen in deze beide werken, ten minste in
+_S. Lutgart's Leven_ zijn beter dan die in de twee eerstgenoemde[3]. Ook
+de beide andere heiligenlevens, vooral dat _van Sinte Kunera_ hebben
+voor de geschiedenis der literaire kunst weinig te beteekenen. Van eene
+reactie tegen de ridderpoëzie, zooals in de geestelijke poëzie van een
+vroeger tijdvak, is hier weinig te bespeuren. Het eenige van dien aard
+waarop men zou kunnen wijzen is deze in het _Leven van Sinte Christina_
+gevoegde opwekking:
+
+ En neemt meer bispel aen de papen
+ Dan aen riddre ocht aen knapen[4].
+
+Ook zou men hiertoe kunnen rekenen eene vergeestelijking van het
+koningspel die men vindt in het _Leven van Sint Amand_. De samensteller
+van dat laatste rijmwerk richt zich niet zelden tot zijne hoorders om
+hen te vermanen, te waarschuwen of te berispen[5]. In die, trouwens
+weinig beteekenende, deelen van zijn werk vinden wij dus iets eigens.
+Zoo geeft ook de vertaler der _Vita_ van de H. CHRISTINA op een enkele
+plaats een bewijs zijner kieschheid[6]. Daarmede hebben wij alles
+genoemd, wat hier vermelding verdient; eene schrale oogst, zooals men
+ziet.
+
+Naast deze vertaalde heiligenlevens staan, evenals in de ridderpoëzie
+van dezen tijd, eenige andere werken, die van meer zelfstandigheid
+getuigen of inderdaad oorspronkelijk mogen heeten. Een overgang tusschen
+beide soorten vormt het, waarschijnlijk uit het Latijn vertaalde,
+gedicht _Van den Vaghevier dat sente Patricius vertoghet was_[7]. Wij
+vinden hier eene beschrijving van een tocht naar het Vagevier, die
+volbracht werd door zekeren ridder, en van al de geheimenissen, door hem
+in de grot van den H. PATRICIUS op het eiland Ulton gezien. Het verhaal
+had diepen indruk gemaakt op den bewerker, die ons mededeelt:
+
+ ... noit en quam mi dicht soe na
+
+doch hij is er niet in geslaagd zijne indrukken te verwerken tot een
+letterkundig voortbrengsel van eenige beteekenis. Wij mogen de oorzaak
+der zwakheid van het werk niet zoeken in de opvatting van den dichter,
+voor wien het Vagevier iets stoffelijks was ("materelic"), evenals de
+pijnen, die de zielen er te doorstaan hadden. Dat was immers de
+algemeene opvatting dier dagen, die men terugvindt o.a. in een
+13de-eeuwsch gedicht _Le Purgatoire Seint Patriz_ van MARIE DE FRANCE,
+en zelfs bij DANTE. Maar de bewerker of vertaler was blijkbaar iemand
+van geringe poëtische vermogens. Niet veel hooger stond de bewerker van
+_dboec vanden houte_, een der talrijke middeleeuwsche verhalen over de
+voorgeschiedenis van JEZUS' kruis. Volgens dit verhaal ontving ADAM'S
+zoon SETH van den hemelschen wachter bij het Paradijs drie pitten van de
+vrucht, aan den boom der kennis gegroeid. SETH legde deze pitten in den
+mond van zijn stervenden vader en begroef ze met het lijk. Uit de drie
+pitten schoten drie loten op: ceder, cypres en pijnboom, zinnebeelden
+van Vader, Zoon en H. Geest. DAVID plantte ze over naar Jeruzalem, waar
+zij opwiessen en samengroeiden tot één boom. SALOMO liet den boom
+ombouwen om hem bij zijn tempelbouw te gebruiken. Na allerlei
+lotgevallen wordt deze stam later gebezigd om er een kruis voor CHRISTUS
+uit te maken.
+
+Naar het schijnt, heeft de bewerker der Nederlandsche legende zijne stof
+aan het Latijn ontleend en haar vrij zelfstandig bewerkt[8].
+
+Een zwak dichter was ook de man, die eene legende _van het Heilige
+Kruis_, verbonden met een verhaal van Denen in Brabant, heeft
+berijmd[9]. Blijkbaar kende de auteur dezer legende de vroegere
+speelmanspoëzie: een koning (hier DAVID BRUCE, koning van Schotland) die
+wenscht te huwen, die boden zendt tot een anderen koning (MAGNUS van
+Denemarken) "over mere" om de hand zijner dochter, het uitrusten van een
+schip--dat zijn, gelijk wij vroeger hebben gezien gewone motieven uit de
+speelmanspoëzie[10]. De prinses, die met dat schip overgevoerd zal
+worden, sterft onderweg; de Denen durven zonder haar niet in Schotland
+komen, maar besluiten te landen aan de Brabantsche (Zeeuwsche?) kust en
+zich daar te vestigen. Op een verkenningstocht komen zij in de buurt van
+Breda, waar zij eene burcht bouwen, die den naam van Brunensteen krijgt
+en weldra een roofnest wordt. De roovers maken het ten laatste zoo bont,
+dat zij op bevel van den hertog van Brabant door den Heer VAN WESEMAELE
+worden verslagen; hun burcht wordt geslecht.
+
+Deze Denen zijn door den bewerker voorgesteld als Christenen, wat
+kwalijk past bij hun gansche bedrijf, maar noodig was om verband te
+kunnen brengen tusschen hunne geschiedenis en die van het Heilig Kruis.
+In hunne kapel hadden de Denen namelijk een kruis gemaakt, dat na de
+slechting van den burcht in de kerk van Breda geplaatst werd en daar
+menig wonder deed.
+
+Misschien is in dit verhaal een nagalm van de rooftochten der Noormannen
+blijven hangen; zeker is, dat noch in de wijze waarop de beide deelen
+zijn verbonden, noch in de bewerking van het geheel eenige
+kunstvaardigheid of iets literair karakteristieks valt op te merken.
+
+Meer van dien aard is er in twee van de drie Maria-legenden, welke uit
+deze eeuw dagteekenen: de geschiedenis _van Theophilus_, _van Beatrijs_
+en _van Jonitas en Rosafiere_[11]. Dit vers uit _Beatrijs_:
+
+ Goet berou mach als ghewouden [Zijnoot: alles goedmaken.]
+
+en deze andere waar sprake is van MARIA:
+
+ Wie aen u soect ghenade,
+ Hi vint se, al comt hi spade.
+
+behelzen de kern der beide eerstgenoemde werken. THEOPHILUS komt ten val
+door eerzucht, BEATRIJS door onkuischheid; beiden krijgen om hun oprecht
+berouw genade door tusschenkomst van de Heilige Maagd.
+
+THEOPHILUS, een weldadig en aanzienlijk man, om zijne vroomheid geliefd
+door den bisschop zijner woonplaats, wordt door dezen tot zijn opvolger
+gekozen. Uit bescheidenheid weigert hij; een ander krijgt de hem
+toegedachte plaats. Kwaadstokers zetten den nieuwen bisschop tegen
+THEOPHILUS op; hij wordt van het bisschoppelijk hof verbannen; niemand
+ziet meer naar hem om. Nu begint zijn strijd; hij vergelijkt zijn
+vroeger aanzien bij zijne tegenwoordige versmaadheid. Een driftig
+verlangen naar herstel in zijn vroegeren staat maakt zich van hem
+meester; elk middel daartoe is hem goed genoeg. De Booze sluipt zijn
+ziel binnen. Heimelijk onderzoekt THEOPHILUS of er ook iemand in de stad
+is, die zich bezig houdt met tooverij of gemeenschap houdt met den
+duivel. Ten laatste verneemt hij, dat er een Jood is die zijne ziel
+heeft overgegeven aan den Booze en die menig ander daartoe heeft
+gebracht op hoop van gewin. Te middernacht staat hij stilletjes op en
+spoedt zich naar het huis van den Jood. Op zijn herhaald aandringen
+opent deze de deur en verneemt de reden van zijn komst. Indien gij uwen
+God en uw geloof wilt afzweren, zegt de Jood, dan zal ik u helpen. Den
+volgenden nacht neemt hij THEOPHILUS met zich naar een "dwerse strate";
+daar zien zij zwarte gedaanten die, kandelaars dragend, loopen te
+zingen. Een hunner aanbidden zij: dat is hun heer LUCIFER. Vóór hem
+gebracht, kust THEOPHILUS Satans voeten en verloochent God. De Booze
+belooft hem zijn vroeger aanzien te zullen wedergeven. Dat geschiedt.
+Maar na eenigen tijd ontwaakt het berouw. Hij zoekt troost en vergeving
+bij MARIA.
+
+In de tweede helft van het verhaal vinden wij zijne weeklachten tot de
+Heilige Maagd, eene verheerlijking van hare goedheid, hare samenkomsten
+met den berouwvollen zondaar en de vergiffenis, die zij voor hem weet te
+verwerven. Ten slotte biecht THEOPHILUS wat er met hem gebeurd is aan
+den bisschop en sterft kort daarna.
+
+Deze geschiedenis bemoedigde BEATRIJS, toen zij, op hare beurt in zonde
+gevallen, berouwvol haar hart voor de Heilige Maagd uitstortte. Zij was
+eene hoofsche schoone non, die in een klooster den dienst van kosteres
+getrouwelijk waarnam. Maar de duivel, die ons dag en nacht belaagt, doet
+het vuur van den wellust in haar hart ontgloeien, zóó dat zij meent te
+zullen bezwijken. Met vasten en bidden gaat zij den Booze te keer;
+vergeefsch is haar strijd. Zij weet, dat zij moet vallen. Een brief van
+hare hand aan een minnaar, een vriend harer jeugd, brengt dezen in het
+klooster. Nog acht dagen, dan zal hij wederkomen met mooie kleeren voor
+haar en geld voor hen beiden. 's Nachts vindt zij haar vriend in den
+kloostertuin. Zij verkleedt zich onder eene wilde roos, hij tilt haar
+vóór zich in den zadel; nu begint het te dagen in den oosten; onder het
+zingen der vogels rijden zij het bosch in.
+
+Zeven jaren lang leven zij in een vreemd land en krijgen twee kinderen.
+Dan blijkt het geld verteerd, zij vervallen tot armoede, de armoede
+verjaagt de liefde--bij den man. Heimelijk verlaat hij haar en hunne
+kinderen. BEATRIJS kent geen ambacht; hoe zal zij voor hare kinderen
+zorgen? Zich zelve geeft zij prijs. Zeven andere jaren worstelt zij zóó
+door, in schande en kommer. Dan doet het berouw zijne stem luider en
+luider hooren. Zij walgt van hare kostwinning. Bedelend trekt zij met
+hare kinderen terug naar haar land en haar klooster en wordt uit
+barmhartigheid opgenomen door eene weduwe, die bij het klooster woont.
+Op hare vraag naar de kosteres BEATRIJS verneemt zij, dat deze nog
+altijd in het klooster haren dienst getrouwelijk verricht. Een wonder is
+geschied: MARIA zelve heeft den dienst waargenomen voor de zondige non,
+die altoos, ook in de dagen van zonde en schande, haar _Ave Maria_ is
+blijven bidden. Diep ontroert dat bericht de zondares. In tranen en
+gebeden brengt zij nu hare nachten door. Is er vergeving voor haar?
+"Maria, vrouwe, in een vurigen oven zou ik kruipen, mocht ik daardoor
+vergiffenis verwerven." Eene stem in den nacht verkondigt haar, dat
+MARIA zich haars ontfermt; zij moet zich heimelijk naar het klooster
+begeven; de deur, waardoor zij eens is ontvlucht, zal open staan. Zij
+treedt de kerk binnen; daar ligt haar kloostergewaad op het altaar en
+hangen de sleutels der sacristie waar zij die had opgehangen dien
+laatsten keer vóór hare vlucht. Het uurwerk slaat middernacht; als
+vanzelf grijpt zij het klokketouw en begint te luiden voor de metten;
+daar komen de nonnen afgedaald van den dormter en alles gaat als
+vroeger. De abdis heeft zich, op verzoek der weduwe, die waant dat de
+moeder heimelijk gevlucht is, met het onderhoud der kinderen belast.
+Maar altijd blijft BEATRIJS bezwaard met het geheim van haar zondig
+leven. Een visioen in den slaap brengt haar eindelijk tot volledige
+biecht aan een abt bij zijn jaarlijksch bezoek aan het klooster. Evenals
+de bisschop in het verhaal van THEOPHILUS, maakt ook de abt de
+geschiedenis openbaar; doch anders dan de bisschop, verzwijgt hij den
+naam van haar, wie deze dingen gebeurd zijn.
+
+Zooals reeds uit het overzicht dezer twee verhalen kan zijn gebleken,
+wint de _Beatrijs_ het van den _Theophilus_ in belangwekkendheid en
+volheid van leven. THEOPHILUS is een der velen van wie in de
+middeleeuwen het verhaal ging, dat zij zich aan den duivel verkocht
+hadden; in de middeleeuwsche literatuur is dat niets bijzonders; met het
+oog op dat punt van overeenkomst de figuur van THEOPHILUS naast die van
+FAUST te plaatsen, heeft weinig zin. Alles hangt ook hier af van de
+wijze, waarop een dichter eene dergelijke stof behandelt. Wat heeft
+deze, ons onbekende, dichter van zijne stof gemaakt? Naar het schijnt
+heeft hij andere bewerkingen der Theophilus-sage, die in de _Acta
+Sanctorum_, de Latijnsche metrische bewerking van MARBODUS, bisschop van
+Rennes, en eene Fransche van GAUTHIER DE COINSY, gekend en gebruikt.
+Daardoor wordt de oorspronkelijkheid van zijn werk binnen vrij enge
+grenzen beperkt. Echter heeft hij binnen die grenzen toch werk geleverd,
+dat, hoe ongelijk ook, hier en daar verdienstelijk mag heeten. Niet
+zelden schrijft hij passages waar gang en warmte in zijn, zoo b.v.
+THEOPHILUS' bede om verschoond te mogen blijven van het bisschopsambt en
+zijne berouwvolle weeklachten; levendig is het eerste onderhoud met den
+Jood en belangwekkend naar den inhoud dat nachtelijk "manscap doen" aan
+den Booze. Maar daartegenover staan te veel andere deelen van het
+verhaal, waar onze belangstelling niet gaande wordt gehouden, de
+wijdloopigheid ons verveelt, de dichter beneden zijn onderwerp blijft.
+
+Voor een deel moet de zwakheid van zulke deelen natuurlijk worden
+toegeschreven aan het middelmatig talent van den dichter; voor een ander
+deel waarschijnlijk ook hieraan, dat hij niet zóózeer in zijne stof
+verdiept was als een kunstenaar zijn moet om iets goeds voort te
+brengen. Meer dan eens laat hij zijn verhaal in den steek om zich te
+richten tot zijne tijdgenooten, om hen te berispen of te vermanen; zoo
+o.a. waar hij klaagt over het gebrek aan nederigheid, waar hij zich
+keert tegen de huichelaars, waar hij uitweidt over het onheil, door
+booze tongen aangericht[12].
+
+Anders dan de auteur van _Theophilus_, was de, eveneens onbekende,
+dichter van _Beatrijs_ geheel _in_ zijn verhaal. Hij moge in den aanvang
+terloops een blik slaan op de hedendaagsche nonnen, en
+elders--begrijpelijk in eene Maria-legende--met een paar woorden
+opwekken tot het bidden van een "Ave" wanneer men MARIA'S beeld
+voorbijgaat--doorgaans toont hij zich geheel vervuld van zijn verhaal en
+weet ons daarvan vervuld te houden.
+
+Blijkbaar was de stof den dichter bekend geworden door mondelinge
+overlevering, geen voorbeeld bond of belemmerde hem en die vrijheid van
+beweging is aan zijn werk ten goede gekomen.
+
+Welk een gevoelige ingetogen kunst valt hier te bewonderen in de wijze
+waarop de schoone non is uitgebeeld in haar strijd met den
+vleeschelijken hartstocht, met "Venus die duivelinne" zooals het lied
+_van Heer Daniëlken_ het uitdrukt. Zij heeft gevast en gebeden, zich
+gekastijd--alles tevergeefs; zij meent te zullen sterven in dien strijd.
+Voor MARIA'S beeld stort zij nacht en dag hare klachten uit; wat baat
+het? Zij vreest krankzinnig te zullen worden.
+
+Echter hield des dichters vroomheid zijne verbeelding hier gestadig in
+toom. De schoonheid der non beschrijven, acht hij niet oorbaar; haar
+leven als "ghemene wijf" gaat hij voorbij. Op één plaats vlamt de
+hartstocht op: wanneer de gelieven onder vogelgezang in het heldere
+licht door de groene velden en de bosschen rijden en de jonkman BEATRIJS
+verlokken wil om af te stijgen en zich minnelijk naast hem neer te
+vlijen in het gras, vaart zij, beleedigd in hare kieschheid, tegen hem
+uit: een dorper alleen zou zoo iets voorstellen! Maar, toorn van
+gelieven is hernieuwing van liefde; bedwongen hartstocht doet haar
+zeggen:
+
+ Waric in hemelrike gheseten,
+ Ende ghi hier in ertrike,
+ Ic quame tot u sekerlike.
+
+Zelf schrikt zij van die opvlamming en bidt God om vergiffenis; zij
+haast zich erbij te voegen dat de minste vreugde van den hemel verre
+staat boven alle aardsche genot. Wijs zijn zij, die daarnaar streven;
+"maar desniettemin moet ik in zonde vervallen om der wille van u,
+schoone lieve vriend." Duidelijker nog zal deze strijd tusschen
+vroomheid en hartstocht worden voor wie in de allerbevalligste Fransche
+novelle _Aucassin et Nicolette_ eene dergelijke uiting, hier van een
+minnaar, vergelijkt met die van BEATRIJS en ziet hoe teugelloos de
+hartstocht daar voortschiet[13]. Met naïef-teedere intuïtie heeft de
+dichter ons het gevoel van beklemdheid getoond, dat BEATRIJS bevangt
+onder het rijden, als de dag gaat doorbreken en hare gedachten
+terugvliegen naar het klooster, waar zij anders "priemtijt" zou hebben
+geluid. Welke bevallige miniaturen zien wij in dat tooneeltje der beide
+gelieven aan weerszijden van het getraliede venster en later in den
+boomgaard! Hoe goed zijn ook de bouw en de evenredigheden dezer novelle,
+die door hare zachte bevalligheid de forscher schoonheid van den _Karel
+en Elegast_ naar de kroon steekt.
+
+Geen wonder dat zulk een verhaal indruk maakte, dat men den invloed er
+van gewaar wordt in het derde bovengenoemde Maria-verhaal: van _Jonitas
+en Rosafiere_. JONITAS, een jong en vroom ridder, tevens vurig vereerder
+van MARIA, is verloofd met de schoone ROSAFIERE. Op last van MARIA zegt
+hij haar echter vaarwel; ROSAFIERE, onder een ongunstig gesternte
+geboren, moet haren vader een kind baren en zeven jaren lang een zondig
+leven leiden. JONITAS trouwt nu "t'Oriënten" ROSAFIERE'S zuster
+EGLENTINE. In den bruidsnacht neemt ROSAFIERE, met toestemming harer
+zuster, EGLENTINE'S plaats in. Zij weet hare kuischheid te bewaren en
+JONITAS het geheim van hare toekomst te ontlokken. Op haar verzoek
+brengt hij haar in een klooster van Grauwe Nonnen, waar zij portierster
+wordt. Haar vader keert terug uit den oorlog tegen de Sarracenen,
+verneemt waar zij is, verkoopt zijne ziel aan den duivel, dringt met
+Satan's hulp het klooster binnen en maakt de voorspelling tot waarheid.
+JONITAS brengt ROSAFIERE naar een ander land, waar zij zeven jaren lang
+een zondig leven leidt. Nadat die zeven jaren verloopen zijn, brengt hij
+haar terug in haar klooster en verneemt, dat MARIA al dien tijd
+ROSAFIERE'S dienst heeft waargenomen. ROSAFIERE zal abdis worden,
+JONITAS met zijne echtgenoote spoedig in het hemelrijk worden opgenomen.
+
+Reeds uit dit overzicht zal gebleken zijn, dat dit verhaal op een paar
+punten overeenkomst vertoont met dat van _Beatrijs_[14]. Andere deelen
+er van vindt men in andere middeleeuwsche dichtwerken terug. Zoo is het
+b.v. opmerkelijk, dat wij het motief der dochter, die haren vader
+ontvlucht om bloedschande te ontgaan, aantreffen juist in een paar
+Fransche Maria-mirakelen van dezen tijd[15]. Een ander motief: het
+verwisselen eener bruid in den bruidsnacht, treffen wij aan o.a. in de
+geschiedenis _van Tristan_, in die _van Baerte metten breden voeten_ en
+een Fransch "conte dévot"[16]. Ook de roman _van Limborch_ schijnt den
+vervaardiger van dit Nederlandsch werk niet onbekend te zijn
+geweest[17].
+
+De wijze, waarop deze en andere bestanddeelen van dit verhaal zijn
+verbonden, getuigt evenmin van eenig letterkundig talent als de
+bewerking van het geheel.
+
+Zoolang wij omtrent dit rijmwerk niet meer gegevens hebben dan nu, is
+niet met voldoende zekerheid te zeggen of het inderdaad nog tot de 14de
+eeuw behoort, evenals de twee overige Maria-verhalen; inhoud, taal en
+dichttrant maken het m.i. wel waarschijnlijk, doch het zou ook wel uit
+den aanvang der 15de eeuw kunnen dagteekenen. Al ware dit bewezen, dan
+nog zoude het hier niet misplaatst zijn als een half-geestelijke,
+half-ridderlijke, onaanzienlijke nabloeier der vroegere poëzie.
+
+
+2. PROZA.
+
+ Heiligenlevens en Wonderverhalen. Leven van Alexander den Groote.
+ Reisverhaal van Joannes Witte de Hese.
+
+ Stemmen uit den Voortijd. Kerkvaders. Betrekkingen tusschen
+ Nederlandsche en Duitsche mystiek: Eckhart en Suso. Limburgsche
+ Sermoenen. Geschriften van den onbekenden leek en Jan van Leeuwen.
+
+ Ruusbroeck.
+
+ Eerste bijbelvertaling.
+
+In de dertiende eeuw kon men zich de kunst van het woord tenauwernood
+denken zonder maat en rijm; begrippen als _poëzie_ en _literatuur_
+omvatten bijna uitsluitend verzen of wat daarop geleek. HADEWYCH'S proza
+alleen kwam dat wanbegrip bestrijden; doch het mag betwijfeld worden of
+het door velen is opgemerkt en in allen gevalle staat dat proza in dien
+tijd alleen.
+
+De veertiende eeuw geeft ons eene andere verhouding tusschen epische
+geestelijke poëzie en geestelijk proza te zien. In omvang reeds
+overtreft nu het proza de poëzie. Doch ook in beteekenis; want hoog moge
+de poëzie stijgen in het liefelijk verhaal _van Beatrijs_--die bevallige
+kleine kapel kan toch niet worden gelijk gesteld met de statige
+kathedraal van RUUSBROECK'S mystiek.
+
+Van menig hierboven behandeld geestelijk gedicht vinden wij hier de
+weergade in proza. Zoo hebben wij een prozaverhaal _van Sinte Kunera_,
+van _dBoec vanden Houte_ en _van Theophilus_, alle drie zonder literaire
+beteekenis[18]. Van het verhaal _van Sinte Patricius' Vagevier_ bezitten
+wij een tegenbeeld in proza: het _Visioen van Tondalus_.
+
+Opmerkelijk is hier, dat de vertaler zelf ons verzekert dat het
+oorspronkelijk Latijn door hem "van woorde te woorde" verdietscht is.
+Opmerkelijk is ook wat hij er bijvoegt om zijn standpunt in dezen aan te
+geven: "Maer men sal weten dat ic desen bouc niet en begheere te rimene,
+omdat icker no af no toedoen ne wille van den ghenen dat ic vand in
+lattine; ende ooc so en es men gheen helighe scriftuere sculdich te
+rimene, want in den rijm en es gheen ander voordeel dan dat den hooren
+gheeft soeten luut, ende metten rimene so wert alle helighe scriftuere
+gheconfondeert"[19].
+
+Misschien hebben wij hier de verklaring van het feit, dat wij, naast
+sommige rijmwerken over geestelijke stoffen, prozabewerkingen dierzelfde
+stoffen aantreffen. Waarschijnlijk echter zal men hier rekening moeten
+houden ook met den aanwassenden lust tot literaire werkzaamheid onder
+menschen die toch niet allen de kunst van verzenmaken meester zullen
+zijn geweest. Tot de wonderverhalen van dezen tijd behooren
+waarschijnlijk ook een paar geschiedenissen van mirakelen, door SINT JAN
+BAPTIST verricht[20]. Van den bekenden bundel _Vitae patrum_ waren de
+beide eerste boeken waarschijnlijk reeds in de 14de eeuw in het
+Nederlandsch vertaald[21].
+
+Van heiligenlevens en wonderverhalen op het _Leven van Alexander den
+Groote_ schijnt naar de hedendaagsche opvatting een groote sprong. Voor
+de middeleeuwsche denkwijze bestond die sprong niet. Immers men vindt de
+historie van ALEXANDER gewoonlijk ingevoegd tusschen de boeken van het
+Oude Testament, geheel in overeenstemming met de toenmalige opvatting,
+volgens welke de geschiedenis van het Joodsche volk de kern der
+wereldgeschiedenis vormde. Wij kennen twee proza-bewerkingen der
+Alexander-sage, die beide waarschijnlijk omstreeks het midden of in de
+eerste helft der 14de eeuw zijn ontstaan. De eerste, die eenigszins vrij
+en grillig maar beknopt is, berust vooral op Latijnsche bewerkingen: het
+zoogenaamd _Epitome_ uit den tijd van KAREL DEN GROOTE en de _Historia
+de praeliis_ uit de 10de eeuw. De tweede, die ordelijker en geregelder
+is, bevat eene verdienstelijke paraphrase van Boek IV van MAERLANT'S
+_Spieghel Historiael_, aangevuld met eenige hoofdstukken uit de
+_Historia Scholastica_ en MAERLANT'S _Alexander_. De literaire waarde
+van beide bewerkingen is gering[22].
+
+Verwantschap met legenden en mirakelverhalen heeft de Alexander-sage
+bovendien door de wonderen waarvan wij reeds bij eene vroegere
+gelegenheid melding maakten. Men verbaasde zich over die wonderen van
+het verleden trouwens weinig in een tijd, toen geloofwaardige priesters
+thuis kwamen met verhalen van de wonderen die zij in het Oosten hadden
+gezien of voor zeker hooren vertellen. De paleizen en kasteelen der
+Keltische romans waren niet zooveel wonderbaarlijker dan "paep JOHANS
+woninghe ende palaes" in Edessa, waarvan de Utrechtsche priester JOANNES
+WITTE DE HESE ons vertelt in een Latijnsch reisverhaal dat misschien in
+1398 in het Nederlandsch is vertaald[23].
+
+Bijzondere literaire verdiensten heeft het verhaal noch de vertaling,
+maar beide zijn van belang voor wie den geest des tijds er uit wil
+leeren kennen. Hoe is Palestina voor de menschen van toen met recht "het
+_heilige_ land"; hoe leeft het bijbelsch verleden daar voor hen op! In
+Hermopolis ziet DE HESE "een hof daer hadde onse lieve vrouwe in
+ghewoent" en eene fontein waar zij "haer dinghen in plach te wasschen";
+den steen waaruit MOZES water deed springen, den bitteren stroom dien
+MOZES door een roedeslag zoet maakte, eene fontein waaraan S. PAULUS en
+S. ANTONIUS gezeten hadden. DE HESE moge vrij wat ontleend hebben aan
+andere reisverhalen, zijne mededeelingen vonden daarom niet minder
+gretig geloof. Vooral het paleis van "PAEP JAN" (naar het schijnt, een
+tot het Nestorianisme bekeerde Mongoolsche Khan) zal toentertijd indruk
+gemaakt hebben. Dat paleis rust op negenhonderd pilaren; alle nachten
+wordt het door duizend gewapende mannen bewaakt; men gaat vijfhonderd
+treden eener trap op, voordat men aan de eerste verdieping komt; op elke
+trede staan levende leeuwen die elken ongeloovige of heiden die er op
+komt verscheuren; op de eerste verdieping wonen de profeten, op de
+tweede de patriarchen, op de derde de heilige jonkvrouwen enz. In de
+eetzaal van "paep JOHAN" is eene tafel van zoodanigen aard, dat indien
+er vergiftige spijs op wordt gezet, die spijs niemand zou hinderen. Er
+is een klok die, wanneer zij geluid wordt, alle booze geesten doet
+vluchten, zoodat bezetenen indien zij haar hooren, hun verstand
+herkrijgen; er zijn vaten waarin de spijs altijd zuiver blijft en haren
+smaak behoudt. Het gansche paleis kan omgedraaid worden als een rad en
+het is rond gewelfd gelijk de hemel. In de zoldering van het gewelf
+staan kostbare steenen die het paleis des nachts verlichten "recht of
+die sonne daer in scheen des middaghes". In paep JOHANS slaapkamer
+eindelijk is o.a. een reus die zwaargewapend is "ende men seghet, ginghe
+enich quaet mensche of viant daer in na der sonnen onderghanc, soe soude
+hem die roese ter stont doet sclaen". Die reus is gegoten van metaal en
+versierd met edel gesteente.
+
+Daar kon zelfs het paleis van koning WONDER niet tegen op!
+
+De tot dusver behandelde proza-werken worden in belangrijkheid en
+schoonheid overtroffen door het proza, dat, meer dan het overige, diende
+tot uitstorting van eigen en opbouw van anderer gemoedsleven. Evenals in
+de overige landen der Westersche Christenheid, ontwikkelde het
+godsdienstig gemoedsleven zich te onzent onder den invloed van de
+geschriften der kerkvaders. Hoe zou het ook anders? In de werken van
+AUGUSTINUS, zijne tijdgenooten en hunne opvolgers was zooveel diepe
+gedachte en fijn gevoel, zooveel vernuftige allegorie en verheven
+symboliek, zooveel schoonheid ook van vorm, dat de Nederlandsche
+geestelijken dier dagen wel kortzichtig zouden zijn geweest, indien zij
+met dat alles niet hun voordeel hadden gedaan. Bewondering leidde ook
+hier tot overneming en navolging. Vele preeken en andere stichtelijke
+geschriften der 14de eeuw bestaan, naar het schijnt, hoofdzakelijk uit
+aaneengeregen gezegden der kerkvaders, oudere en jongere, onder wie
+vooral S. BERNARDUS op den voorgrond komt[24].
+
+Maar naast den invloed der kerkvaders moet die der Duitsche mystiek
+worden genoemd, waar sprake is van de ontwikkeling van het Dietsche
+proza als uiting van het godsdienstig gemoedsleven. Echter is hier niet
+alleen sprake van geven, doch ook van nemen. Het is vooral Meester
+ECKHART op wien wij hier het oog moeten richten, want de twee andere
+groote mystieken der 14de eeuw, SUSO en TAULER, waren beiden zijne
+leerlingen, al gingen zij ook eigen wegen.
+
+Meester ECKHART, "wien God niets verborg," zooals een schrijver van
+lateren tijd het uitdrukt, was in menig opzicht de grootste en zeker de
+diepzinnigste der Duitsche mystieken. Zijne opvatting, beschouwing en
+uiteenzetting van het wezen Gods en het wezen der ziel, die twee assen,
+waarom zijn stelsel draait, zijn even stout als verheven en goeddeels
+oorspronkelijk, al dankt ook hij veel aan de geschriften der kerkvaders.
+Waar ECKHART spreekt van het _wezen_ bedoelt hij datgene, dat alle
+dingen nog ongedeeld in zich omsloten houdt, waarin alle dingen nog eene
+stille kracht zijn; de duisternis, waaruit het licht nog niet geboren
+is; den baaierd, rijke bron van alle kracht en macht, onbewegelijk,
+niets voortbrengend. God heeft zich geopenbaard in den Zoon, als
+uitstraling van Zijn Wezen, die voortdurend zich hernieuwt en eeuwig zal
+blijven bestaan. Het eerst, wat de engelen zagen, nadat zij geschapen
+waren, was het Wezen des Vaders en hoe de Zoon uit het hart des Vaders
+te voorschijn brak als een groene loot uit een boom. In den Heiligen
+Geest erkennen beiden hun wezen; "Vader en Zoon hebben éénen wil, dat is
+de Heilige Geest". De mensch, door God geschapen, is bestemd ééns boven
+de engelen te stijgen, daar de menschelijke ziel met God één zal worden.
+Daarom moet de ziel streven naar eene volslagen ledigheid en
+lijdelijkheid; immers eerst wanneer zij die bereikt heeft kan zij van
+God vervuld worden. Om dat hooge doel te treffen moet de mensch alle
+vleeschelijke lusten en begeerten in zich dooden; dan eerst wordt de
+mensch waarlijk mensch. In overeenstemming met die beschouwing is, dat
+wij in ECKHART'S werk overal het innerlijke tegenover en boven het
+uiterlijke geplaatst zien, dat hij met instemming het woord van
+DIONYSIUS AREOPAGITA aanhaalt "de hel dat is: gescheiden zijn van God,
+en het hemelrijk: Gods aangezicht"; voor ECKHART is er eene opstanding
+slechts der ziel en het Laatste Oordeel zal slechts hierin bestaan, dat
+het eigenlijk wezen van ieder mensch wordt onthuld.
+
+Maar hoe ook geneigd tot afdalen in de diepten zijner rijke ziel om van
+daar het edel erts zijner mystiek opwaarts te brengen, toch stelt hij
+het werkende leven boven het schouwende leven. "Want al ware de mensch
+ook in eene geestesverrukking als die van PAULUS en wist hij ergens een
+zieke wien hij met een soepje kon helpen, dan zou hij veel beter doen
+door uit liefde te scheiden uit zijne verrukking en den behoeftige te
+dienen uit meerder liefde"[25].
+
+Toen ECKHART deze en dergelijke dingen begon te schrijven, was RUUSBROEC
+nog maar een knaap; met zijne geschriften konden onze voorouders hun
+godsdienstig gemoedsleven nog niet opbouwen. HADEWYCH'S werk was
+blijkbaar niet geheel onbekend en werd ook in de 14de eeuw nog wel
+gelezen, maar was toch niet toereikend om de behoefte aan mystieke
+lectuur te bevredigen[26]. Het is dus begrijpelijk, dat ECKHART'S werken
+hier opgang maakten. In handschriften, deels uit de eerste deels uit de
+tweede helft der 14de eeuw, vinden wij verscheidene zijner tractaten,
+sermoenen en exempelen vertaald; zijne eigenaardige terminologie treffen
+wij voor een deel ook in Middelnederlandsche werken van dien tijd aan.
+Al ontbreekt het in die vertaalde werken niet aan bespiegelingen zooals
+b.v. in het tractaat _Diu zeichen eines warhaften grundes_, zoo schijnen
+toch vooral de exempelen en verhalen met practische strekking hier in
+den smaak te zijn gevallen. Ik heb het oog op verhalen als dat van S.
+BERNARD en "een bruer in sinte bernardus clooster die altoos gheerne in
+syn celle alleen was" en die op S. BERNARD'S vraag naar zijne bezigheden
+antwoordt: "In den eersten heb ic een wilde beeste te temmen... die
+wilde beeste zijn myn vyf wilde sinnen, die costen my groote arbeydt te
+temmen." Op het stichtelijk exempel "van eenen devooten vraukin" dat
+vertelt van haar werk op Dinsdag: "als ic mijne voghelen antiere"
+[Zijnoot: zich bezig houden met.]. Die vogels zijn namelijk hare vijf
+zinnen en zij bepeinst dan: "dat ic se meer ter werelt ghekeert hebbe
+dan tot Gode ende dat ic myne ooghen so qualic bewaert [Zijnoot: gepast
+heb op.] hebbe."
+
+Ook bespiegelingen over de "godlike mynne" zullen wel in den smaak zijn
+gevallen der geestverwanten van WILLEM VAN AFFLIGHEM en HADEWYCH.
+
+Het is er echter verre van, dat ECKHART'S geschriften hier te lande
+louter instemming zouden hebben gevonden. Immers ook in Duitschland
+waren vooral onder de geestelijkheid velen, wien zijne leer aanstoot gaf
+omdat zij haar in strijd achtten met de leer der Kerk. Meer dan eens
+heeft hij dan ook terecht moeten staan voor de Inquisiteurs en al heeft
+hij zich kunnen vrijpleiten, zoo blijkt toch wel dat zijne leer naar den
+mutsaard rook. Het karakter der mystiek in het algemeen en dat van
+ECKHART'S mystiek in het bijzonder die den mensch ten slotte tot God
+liet worden, maakt die beschuldiging van ketterij licht verklaarbaar.
+Doch bovendien werd ook door deze mystiek het middelaarschap der
+priesters tusschen God en den mensch in den wortel aangetast en heeft
+menig geschrift, van hem of aan hem toegeschreven, de strekking om te
+doen zien, hoeveel hooger geestelijke volkomenheid kon bereikt worden
+door leeken dan door geestelijken. Van dien aard is b.v. een verhaal van
+eene ontmoeting tusschen een doctor in de godgeleerdheid en een arm man,
+die, gekwetst, "sonder cousen ende baervoets" vóór de kerk zit. De
+doctor staat verbaasd over de diepe gedachten, godsvrucht en vroomheid
+van den armen man en vraagt hem ten slotte: Wat creature sijdij ende van
+wat gheslachte? De man seyde: Ic ben een conync.--Conync, seyde die
+meester, hoe muecht ghij een conync ghesijn, anghesien u aermoede ende
+waer es u conyncrijcke? De man seide: Mijn siele, dats mijn rijcke, als
+ic die dueren sluute van mijnen vyf sinnen ende soucke mijnen alder
+liefsten Jhesum Christum duer 't ghelove, alle eertsche saken achter
+latende. Oec vyndic Gode int diepe van mijnre sielen duer sijn gracie,
+ende also, mijn vrient, ic segghe hu inder waerheit, dit conincrycke
+passeert ende gaet te boven alle de rijcken die up eerderijc sijn; want
+tes een conyncrijcke dat nemmermeer hende nemen en sal.
+
+Zoo is het dan niet vreemd dat in zeker tractaat de leeken gewaarschuwd
+worden tegen "eggardus sermone"; noch dat ECKHART bij sommigen doorging
+voor den vader van de kettersche secte der Vrije Geesten; noch dat JAN
+VAN LEEUWEN, de kok van RUUSBROEC'S klooster Groenendaal, vóór 1355 "een
+boecxken van meester ECKAERT'S leere" schreef om den meester van dwaling
+te overtuigen. Indien men weet dat dit "boecxken" aanvangt met: "Het was
+een duvelijc mensche, hiet meester ECKAERT", dan verwondert men zich
+niet over uitdrukkingen als: "meester ECKAERT hadde alsoe vele
+ghewaregher oeffeninghen alse die padde steert heeft ende ooc alsoo vele
+als die duvel in caritaten ende in minnen leeft." Wel heeft de kok zijne
+beschuldigingen in een later geschrift herroepen, doch zijne eerste
+indrukken blijven er even merkwaardig om[27].
+
+Leerling van ECKHART, toonde HEINRICH SUSO, een tijdgenoot van
+RUYSBROECK, zich vooral in zijn eene hoofdwerk: _het Boek der Waarheid_,
+waarin de speculatieve mystiek tot de erkentenis van Gods wezen tracht
+door te dringen. Het is opmerkelijk, dat, naar het schijnt, niet dit
+werk van SUSO, maar slechts zijn andere voorname geschrift: _Horologium
+aeternae sapientiae_ (c. 1337), op het eind der 14de eeuw in het
+Nederlandsch is overgebracht. Dit werk namelijk is een voortbrengsel der
+practische mystiek. Geboren uit een oneindig verlangen naar een hoogste
+goed, dat de ledigheid der ziel zal vervullen met duurzamen vrede,
+behandelt het vooral het lijden van CHRISTUS. De idealen der eeuwige
+waarheid, goedheid en schoonheid zijn door SUSO samengevat in het begrip
+der eeuwige wijsheid. In den vorm van een gesprek tusschen CHRISTUS, die
+de eeuwige wijsheid is, en een dienaar, ontvangen wij hier schilderingen
+van de heerlijkheid dier wijsheid, van de goddelijke minne, de
+hemelweelden, het lijden van CHRISTUS en MARIA. De weg tot een leven met
+en in CHRISTUS wordt dan aangewezen en het geschrift besloten met eene
+verheerlijking van God.
+
+Vooral in dit werk toont deze "Minnesinger in Prosa" eene innigheid en
+diepte van gevoel en eene hooge opvatting der geestelijke minne, die wel
+indruk moesten maken op een Nederlandsch publiek, dat de lyriek van
+HADEWYCH en MAERLANT en een werk als dat van WILLEM VAN AFFLIGHEM geheel
+of ten deele kende. Het kan kwalijk anders of ook onze landgenooten
+moeten onder den indruk zijn gekomen van het verhaal van SUSO'S
+bekeering, van eene wonderfraaie passage daaruit als deze: "Doen gheviel
+op enen dach dat ic ongheduerich was van moede, ende sach al omme ende
+sochte een stat om mi te rustene in die scaduwe, want ic scuwen woude
+die middach hitte; daer sach ic op enen hogen berch alse ene scone edele
+veltbloeme, die lusteleken was aen te siene ende scoen sceen sonder
+ghelike allen den bloemen die ic ghesien hadde. Doen ic mi haeste dese
+bloeme te siene, doen wert si verwandelt [Zijnoot: veranderd.] ende en
+sceen niet meer bloeme, maer si scheen ene godinne alre scoenheit voir
+mi staende. Si roedde [Zijnoot: bloosde.] alse ene roede rose; si blicte
+[Zijnoot: schitterde.] alse snee ende si scheen claerre dan die sonne
+ende hair sprake was vol scoenheden. Dese godinne hadde in hare alle dat
+men begheren mochte, ende van hair soe ghinc zoeten roke verre ende
+wide, daer si mede toech [Zijnoot: trok.] tot hare minnen alle die ghene
+die den roke ghevoelden."
+
+Deze godin blijkt de "moeder der scoenre minnen" te zijn; zij bemoedigt
+hem en hij spreekt haar toe.
+
+Anderzijds verwondert het ons niet, bij een kenner der mystiek de
+onderstelling te vinden, dat SUSO de geschriften van THOMAS VAN
+CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY heeft gekend. De levensgeschiedenissen der
+ecstatische vrouwen, ons door JACOB VAN VITRY verhaald, komen ons weer
+in de gedachte, als wij hooren van SUSO'S bijna bovenmenschelijke
+zelfpijnigingen tusschen zijn 18de en 40ste jaar: het haren onderkleed
+met ijzeren nagels, die in zijn vleesch drongen; zijne handen geboeid,
+opdat het ongedierte vrij spel zou hebben op zijn lichaam; het kruis met
+spijkers, waar hij op lag; de deur, waarop hij sliep; honger, koude,
+dorst, geeselingen ten bloede--totdat zijn lichaam gezwollen, vol zweren
+en litteekens, en zijne sidderende handen hem waarschuwen, dat zijn
+leven gevaar loopt.
+
+Misschien ook heeft SUSO persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met
+Nederlandsche geestverwanten, toen hij, evenals ECKHART, van ketterij
+beschuldigd, in 1335 voor het Provinciaal Kapittel van 's-Hertogenbosch
+moest terechtstaan[28].
+
+Meer zekerheid dan omtrent SUSO'S betrekking tot de Nederlandsche
+mystiek geeft ons een bericht aangaande den derden der groote Duitsche
+mystieken: JOHANNES TAULER, evenals SUSO een tijdgenoot van RUYSBROEC,
+doch met dezen bekend en zelfs een zijner bewonderaars. In een geschrift
+van dezen tijd lezen wij: "Dese Tauweler hadde den prior Jan van
+Ruysbroeck in groter ende sonderlingher reverenciën. Daer om dat hi en
+oec dick te visiteren plach... navolghende, als een oetmoedich discipel
+des prioers, syns meesters voetstappen, welcke leere hi oec te menighen
+steden heeft doen vloyen als een rivier, comende ut Ruysbroecs
+boecken[29]."
+
+Het mag alweer eene bijdrage heeten tot kenschetsing der Nederlandsche
+mystiek, dat wij haar in nauwe betrekking zien juist tot dien Duitschen
+mysticus, bij wien het zedelijk godsdienstige en de praktijk van het
+zedelijk leven op den voorgrond stonden. RUYSBROECK'S invloed bepaalt
+zich niet tot TAULER. Wij weten, dat zijn werk hooggeschat werd ook
+onder de zoogenaamde "Gottesfreunde" van Straatsburg en dat hun hoofd,
+RULMAN MERSWIN, nog in zijne laatste levensdagen RUYSBROECK'S _Chierheit
+der geestelijker Brulocht_ voor de broeders vertaalde.
+
+In RUYSBROECK'S verhouding tot de Duitsche mystiek kunnen wij hier niet
+dieper treden; wij moeten dat uitstellen, totdat wij hem zelven en zijn
+werk gaan beschouwen. Eerst hebben wij nog te spreken over andere
+mystieke geschriften. Ik heb hier het oog vooral op de zoogenaamde
+_Limburgsche Sermoenen_ waarin zich de invloed der Duitsche mystiek op
+de Nederlandsche vertoont. Deze bundel bevat 48 preeken, waarvan twee
+derde stellig en de overige vermoedelijk vertaald zijn uit het
+Hoogduitsch. De vertaler was waarschijnlijk afkomstig uit de buurt van
+Maastricht of Tongeren; zijn werk schijnt te dagteekenen uit de jaren
+tusschen 1320 en 1350. Verscheidene dezer preeken zouden, ook al waren
+zij oorspronkelijk, van geringe beteekenis voor de
+literatuurgeschiedenis zijn, omdat zij, evenals andere vroeger
+aangeduide, bestaan hoofdzakelijk uit aaneengeregen citaten. Doch andere
+zijn van meer beteekenis[30]. Dat deze preeken uit de kringen der
+mystiek afkomstig zijn, mag men aannemen op grond van den inhoud, die in
+menig opzicht verwant is met dien van andere mystieke preeken der 14de
+eeuw[31]. Zoo b.v. de opvatting der "minne" in de preek van
+"negenrehande minne", die zich onder den invloed van SINT BERNARD
+schijnt te hebben gevormd[32]. In "dboec vanden boegarde" vinden wij de
+allegorie en het niet zelden spitsvondig vernuft waarvan de mystieke
+predikers van dezen tijd zich gaarne bedienen[33]. Op menige plaats in
+dezen bundel worden wij getroffen door eene innigheid van gevoel en eene
+hoogte van vlucht, zooals wij ze slechts bij de mystieken vinden.
+
+Ik wijs op de plaats waar van een God minnende ziele gezegd wordt:
+"Susdans [Zijnoot: zoodanig.] menschen wort ende werc ende al sin leven
+es onder anderen liden [Zijnoot: lieden.] een bloyende paradis van
+dogeden ende van lichten levene"[33]. In de preek "van seven maniren van
+minnen" lezen wij: "Sulke stont [Zijnoot: soms.] geschiet dat die minne
+sutliken in der sielen verweckert [Zijnoot: aangewakkerd.] wert ende
+blidelike op versteet ende har selver berurt int herte sonder enech
+tuduen [Zijnoot: toedoen.] van menscheliken werken. Ende wert dan therte
+so morweliken gerenen [Zijnoot: inniglijk beroerd.] in minnen ende so
+begerliken getrect, so hertelic bevaen in minnen, so liflic behelst in
+minnen, dasse altemalen verwonnen wert metter minnen. Hirin gevulse
+eenre groter naheit te Gode ende ene gestelike clarheit ende wonderlike
+verwentheit [Zijnoot: weelde.] ende ene edele vriheit ende een groet
+bedwanc van starker minnen ende ene overvludege volheit van groter
+genugden; ende dan gevultse dat al har sinne sin [Zijnoot: zijn.] in der
+minnen ende al har wille es worden minne, ende dasse so dipe es
+versonken ende verswolgen in minnen ende selver al es worden minne. Die
+schonheit des minnen hefse geschoent, die cragt der minnen hefse
+vertert, die sutheid der minnen hefse versonken, die geregtheid der
+minnen hefse verswolgen, die edelheit der minnen hefse behelst, die
+purheit der minnen hefse geschirt [Zijnoot: gezuiverd.], die hogheit
+der minnen hefse boven getrect, ende in hare geënget [Zijnoot:
+vereenigd.], soe dasse altemale mut sin der minnen ende anders nit en
+mach plegen."
+
+Een eind verder in diezelfde preek is sprake van de ziel voor wie het
+leven op aarde "groote ellende en zware gevangenis en hevige kwelling"
+is, die verlangt naar het "zoete gezelschap van de geesten daarboven,
+die overvloeien van minne"; de prediker vervolgt dan aldus: "Har wille
+es dar boven onder die geste [Zijnoot: geesten.] ende har begerlike
+wandelinge, ende meest onder die bernende seraphine; ende in die grote
+Gotheit ende in die hoge Drivuldecheit es har liflicste rastinge
+[Zijnoot: rust.] ende har genuglicste woninge. Si suctene in sinre
+majesteit, si volgt hem dar ende siten ane [Zijnoot: ziet hem aan.] met
+herten ende met geste. Si kenten, si minten, si begerten, soe dasse en
+can gagten [Zijnoot: achten.] heilgen noch engle, menschen noch
+creaturen dan met gemeinre [Zijnoot: gemeenschappelijk.] minnen in heme,
+darse al mede mint; ende heme allene hefse verkoren in minnen boven al
+ende onder al ende binnen al."
+
+Hier en daar toont dit proza in het werken met tegenstelling en
+parallellisme, ook in het bouwen van lange zinnen, eene kunstvaardigheid
+zooals die tot dusver in ons proza niet gezien was. Door de samenspraak
+weten de schrijvers dezer preeken soms eene hooge mate van levendigheid
+te bereiken. Zoo b.v. in _Dbuec van Heren Selfarts [Zijnoot: egöist.]
+regelen_ in passages als deze: "Wie [Zijnoot: hoe.] sal ic mi selver
+bekennen?--Ic segt di. Met vif dengen. Dirste es daste arm best; dander
+daste cranc best; terde daste quaet best; tfirde daste vel sculdech
+best; tfifde daste onscoen best.--Du hefs mi seer gescouden [Zijnoot:
+berispt.]; es dit waer, so bennic sere bedrogen an mi selver. Want ic
+waende ric ende scoen wesen, starc ende dogentlic. Nu berigt mi: war
+ombe ben ic arm?--Die nit guts en heft, es di arm?--Ja er [Zijnoot:
+hij.].--So beste arm. Dun hefs [Zijnoot: gij hebt niet.] cleder noch
+spise, penninch noch penwert [Zijnoot: ter waarde van een penning.] van
+di selver. Pruve [Zijnoot: overweeg.]: wat brechste here [Zijnoot:
+bracht gij hier.], ende wat sauste hen vuren? Alt gut daste hefs, dat
+hefste van Gode: sin est [Zijnoot: het is van Hem.], hi gevet, hi
+nemet. Nu seg ochte [Zijnoot: of gij.] arm sis.--Dat weet God, ja ic! ic
+ben arm. Nu sege mi: war ombe ben ic cranc?" enz.
+
+Wij weten niet of dit proza in ruimen kring verbreid is geweest; maar
+ook binnen een beperkten kring van hoorders en lezers kan het allicht
+eenigen invloed ten goede hebben geoefend op de ontwikkeling van het
+Dietsche proza.
+
+De betrekking tusschen de Duitsche en de Nederlandsche mystiek wordt
+gekenschetst niet alleen door wederzijdsch geven en nemen maar ook door
+het voorkomen van gelijke of gelijksoortige uitingen en vormen. In de
+Opperduitsche Dominicaner-nonnenkloosters van de eerste helft der 14de
+eeuw wordt het mystieke leven, zooals wij dat vroeger onder de
+Cisterciënser-nonnen leerden kennen, voortgezet. Tal van adellijke
+vrouwen en meisjes laten zich in die kloosters opnemen om daar de wereld
+en zich zelve te leeren verloochenen. Al deze nonnen, onder wie
+ELISABETH STAGEL, SUSO'S vriendin, en CHRISTINA EBNER tot de meest
+bekende behooren, streven onder ontbering en zelfkastijding naar éénheid
+met JEZUS. Extatische toestanden en visioenen zijn dagelijksch brood
+voor haar; de meesten zijn ontwikkeld, eenige hebben mededeelingen uit
+haar eigen en anderer leven te boek gesteld.
+
+Naar het schijnt, hebben wij een, met die geschriften verwant,
+Nederlandsch werk in het boek _van machteldis visioenen_. Voorzoover ik
+heb kunnen nagaan, bevat dit geschrift geene vertaling der werken van de
+begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG, die wij vroeger leerden kennen[34].
+
+Zeker hebben wij met zelfstandige Nederlandsche uitingen te doen in het
+merkwaardig geschrift van een onbekenden leek dat omstreeks 1333 schijnt
+te zijn ontstaan en in de werken van "den goeden coc van Groenendaal"
+JAN VAN LEEUWEN, over wien wij reeds spraken[35].
+
+Het geschrift van den onbekenden leek, die misschien in Noord-Nederland
+leefde, heeft den gewonen vorm van een samenspraak tusschen den auteur
+(die ook wel een vrouw kan zijn geweest) en Meester EGGAERT, die in den
+aanvang "een uutgenomen licht van hemelscher wijsheit" wordt genoemd.
+
+Wat ons in deze samenspraak al dadelijk treft, is het gevoel van
+zelfstandigheid tegenover de priesters. Niet tegenover de priesterschap
+op zich zelve; hij zou wel eerbied voor hen hebben, indien zij waren wat
+zij moesten zijn: "lichtdraghers der heiligher kerken." Maar dezulken
+schijnt hij niet te kennen. Over het algemeen heeft hij van priesters en
+kloosterlingen geen hoogen dunk. Hun geestelijk "habijt" boezemt hem
+weinig eerbied in, omdat hij er door heen zooveel wereldschgezindheid
+ziet, zooveel hoogmoed, eerzucht, zinnelijkheid en laagheid. Een goed
+mensch is meer monnik voor de oogen Gods dan die het "habijt" draagt en
+ongeestelijk leeft. Wee allen, die zijn "apostelen in die tonge ende
+rabaude in die oefeninghe [Zijnoot: schurken in de practijk.]" roept
+hij uit. Hij oefent critiek op beweringen van priesters, "meesters in de
+vrië consten," die hij gehoord heeft; hij stelt hunne laatdunkendheid
+tegenover de leeken aan de kaak.
+
+Zijn gevoel van zelfstandigheid openbaart zich niet minder in zijne
+opvatting van geloof en kerkleer. Welk eene stoutheid van denken vinden
+wij in dezen middeleeuwer, die durft schrijven: "Die salighe minnende
+siele is godliker op haer bedde dan in die kerc!" Soms vervoert die
+stoutheid van denken hem tot vragen, waarvoor hij zelf terugschrikt. Een
+oogenblik twijfelt hij aan de Drie-eenheid. Hij schroomt niet, Meester
+EGGAERT de vraag voor te leggen: "Plach God te lieghen, dat Hij Moyses
+niet en liet dat lant, dat Hij hem belooft hadde?" Doch als hij vraagt:
+"Meester Eggaert, hemel en aarde hadden een begin, en God is eeuwig.
+Waar was God dan vóór de schepping?" dan is het antwoord: "Al daer en
+betaemt geen leec na te vraghen, noch om te peysen."
+
+Ook tegenover ECKHART weet hij zijne zelfstandigheid te bewaren, want
+visioenen stelt hij lager dan deze; hij gelooft, dat ze meerendeels het
+werk zijn van booze geesten. Met de overdreven MARIA-vereering kan hij
+zich niet vereenigen, evenmin met die van apostelen en heiligen; allen
+zijn zij Gods schepselen, "God es die fonteyne van alre doecht." Dat
+sterke besef van God als de bron van alle goed brengt hem tot de
+schijnbaar ongerijmde, maar juist daardoor zoo sterk sprekende uiting:
+"Ik zou liever met God in den afgrond van de hel zijn, dan met Maria en
+alle heiligen en alle engelen in den hemel zonder God." Ook voor
+mirakelen en het aanbidden van beelden gevoelt hij weinig. De goede
+"verlichte" menschen zoeken geen mirakelen. Slechts onverlichte
+menschen, zwak van geloof, aanbidden heiligenbeelden. Hij gaat zelfs
+zoover van te zeggen: "Eer ik één goed mensch van honger liet sterven,
+zou ik een vuur maken van alle beelden te Aken, te Aardenberg en te
+Katwijk en er voor hem eten op koken."
+
+Hier hoort men ander vuur knappen dan dat van den mutsaard, waarop de
+ketters verbrand werden! Hier gloeit reeds een sprank van het vuur dat
+later zal uitslaan in de Hervorming. Een anderen sprank van dat vuur
+zien wij in zijne ergernis over de vervolging, waaraan beggaarden en
+begijnen toentertijd blootstonden vanwege de geestelijke inquisiteurs.
+Levendig is reeds in hem het besef: God moet men gehoorzamen boven alle
+menschen en boven alle prelaten. Ook de paus, al is hij een aardsch god,
+heeft geen recht iets te bevelen, dat in botsing komt met wat God
+geboden en verboden heeft.
+
+Hier is reeds de godsvrucht die geen menschenvrees kent en zich
+afhankelijk gevoelt van God alleen; nu nog maar aanwezig in een enkele,
+doch die gaandeweg zal aanwassen en zich uitbreiden over duizenden bij
+duizenden.
+
+Het verrast ons niet, bij een man, zoo onafhankelijk van geest als deze
+leek, de opvatting van _adel_ en _dorper_ terug te vinden, die wij
+vroeger door MAERLANT hoorden verkondigen. Zijn oog blijft dan ook niet
+gesloten voor zoovele maatschappelijke misstanden, voor het onrecht in
+de verhouding tusschen rijken en armen; en zoo hij aan boeren en
+ambachtslieden onderwerping predikt, het is in bitterheid des harten.
+
+Toch is het niet vooral op deze wereld, dat hij den blik gericht houdt;
+als elk waarachtig christen, heeft hij een heimwee naar hooger, reiner
+leven: "Siet, wij sijn al pelgrims... ende wij gherne waren tot ons
+vaders lande, daer wij toe ghemaect sijn."
+
+Datzelfde heimwee vinden wij in de geschriften van den goeden kok van
+Groenendaal, waar hij verzucht: "Rechts [Zijnoot: volkomenlijk.] es hier
+mijn leven ende mijn daghelijcsche ghevoelen, als een armen ghevanghenen
+te moede es, die droeve ende serich leghet, ya al vol rouwes in eenen
+aleyndeghen [Zijnoot: ellendig.] kerkere des lichamen bevaen [Zijnoot:
+omvangen.] ende besloten."
+
+En dit is--begrijpelijkerwijze--niet het eenig punt van overeenkomst
+tusschen deze twee tijdgenooten. Ook JAN VAN LEEUWEN ergerde zich aan
+het schreeuwend verschil tusschen leer en leven van zoovele
+geestelijken, aan de hebzucht, gulzigheid en wellust van vele prelaten;
+"die duvel regneert nu onder dat gheestelijke volc"--aldus vat hij
+ergens zijne indrukken van hun handel en wandel samen. Ook bij hem
+vinden wij die neiging tot terugkeer naar den apostolischen eenvoud en
+het christelijk communisme. Ook bij hem een ruimer en hooger opvatting
+van vroomheid dan in die dagen het deel der meesten was. Hier en daar
+weet hij die opvatting weer te geven met treffende levendigheid en
+gezonde luim. Zoo b.v. waar hij spreekt over de trouwe kerkgangers die
+telkens weer in zonden vallen, maar genoeg wanen te doen door eens in
+het jaar ter biecht te gaan. "Soe seggen si: "Here, ic hebbe gheloghen
+ende ghesworen. Ic en weet niemeer. Vraecht mij voert.... Ende dan seit
+die pape [Zijnoot: priester.] ter selver stont--ende es also droncken
+als een hont--"Absolvo te!" dats in dietsche: "Ic ontbinde oft ic
+absolvere di." Ende dan seit die pape: "Joffrouwe, gaet thuuswert; sijt
+onverveert. Vallen ende opstaen es menschelijc." JAN VAN LEEUWEN heeft
+ook dien waarheidszin die hem doet schrijven: "Want ic bin der waerheyt
+meer sculdech dan alre menschen of oec enechs menschen hulde [Zijnoot:
+genegenheid.] te houdene, daer ic de waerheyt yet verswighen soude. Omme
+sterven of oec omme leven en sal men der waerheyt niet afgaen, maer wy
+selen rechte doerliden [Zijnoot: doorgaan.] voor de oghen Gods, sonder
+yemene [Zijnoot: iemand.] te spaerne om gheniets [Zijnoot: voordeel.]
+wille, noch arme noch rike, noch vriende noch maghe."
+
+Echter blijft hij zich wel bewust van de grenzen die hij hier moet in
+acht nemen: "van den alder quaetsten willic swighen". Hij heeft niet de
+onafhankelijkheid van geest, waarmede de onbekende leek zich tegenover
+kerk en priesters durft plaatsen; hij wil of durft zich niet zoo
+uitlaten als deze over Mariadienst, mirakelen, heiligenbeelden,
+vervolging om den geloove. Visioenen zullen wel in eere zijn geweest bij
+hem, die zich bevoorrecht gevoelde door de "gracie Gods" die hem het
+"scouwende leven" deelachtig had gemaakt.
+
+In dat alles was "de goede kok" een man van zijn tijd, een middeleeuwsch
+Katholiek; den onbekenden leek mag men "een middeleeuwsch Protestant"
+noemen.
+
+Dat JAN VAN LEEUWEN was zooals hij was, moet zeker goeddeels worden
+toegeschreven aan den invloed van zijn prior, van den man dien hij
+vereerde meer dan een heilige, die voor hem was "een seraphin in
+hemelrike, den hoechsten enghelen ghelike", die zijne "edele gloriose
+leringhe al eertrike dore ghesaeit ende ghespraeit" had--van JOHANNES
+RUYSBROECK, wiens werk hier reeds meer dan eens even zichtbaar is
+geworden, zooals een kerktoren bij eene nieuwe kromming van den weg.
+
+Zijn leven maar vooral zijn werk gaan wij nu beschouwen.
+
+
+RUYSBROECK[36].
+
+Het verhaal van zijn uiterlijk leven is ras gedaan. Hij werd in 1294
+geboren in het dorp Ruysbroeck, dat ten zuiden van Brussel aan de Senne
+ligt. Zijn vrome moeder wilde hem gaarne bij zich houden, maar zucht
+naar kennis en ontwikkeling dreef den knaap op zijn elfde jaar uit haar
+huis. Heimelijk gaat hij naar Brussel en wordt opgenomen bij een
+bloedverwant die kanunnik was aan de kerk van Sinte Goedele. Hij wijdt
+zich nu met grooten ijver aan de studie, vooral aan de theologie; de
+begeerte om tot een schouwend leven te komen wast steeds in hem. Zelfs
+het genot van zijne moeder te zien en te spreken ontzegt hij zich. Op
+zijn 24ste jaar wordt hij priester, daarna kapelaan aan de kerk van St.
+Goedele. Meer en meer trekt hij zich terug in eigen zieleleven.
+
+Met het klimmen zijner jaren moet het verlangen naar bevrijding van
+ambtsbezigheden en stadsleven sterker in hem zijn geworden. Op zijn
+60ste jaar legt hij zijn ambt neer en gaat met Heer FRANK VAN
+COUDENBERGHE, kapelaan van St. Goedele als hij, in het Soniën-bosch
+wonen. Daar stichten zij in een dal dat Groenendaal genoemd werd, voor
+hen beiden "eene matelycke habitacie", op de plek waar vroeger de kluis
+van een kluizenaar gestaan had.
+
+RUYSBROECK ware wel gaarne met Heer FRANK alleen gebleven; maar deze
+"begheerde die minne Gods te vermeeren in vele personen." Zoo voegden
+zich dan eenige leeken en religieusen bij hen. Allen namen daarna den
+regel en het "habijt" der regulieren van SINT AUGUSTINUS aan. Onder Heer
+FRANK als proost werd RUYSBROECK prior. In dit klooster heeft hij, zijn
+ambt waarnemend en overigens ook het geringste werk niet versmadend,
+zich eerst recht aan de oefening in het werkend en schouwend leven
+kunnen wijden. De roep van heiligheid, uitgaand van zijn leven en zijne
+werken, bracht talrijke bezoekers uit Dietsche en Duitsche landen, ook
+wel eens uit Parijs, naar Groenendaal. TAULER en GEERT DE GROOTE
+behooren tot de beroemdsten onder hen. Zijnerzijds gaat RUYSBROECK soms
+te voet, al viel het hem moeilijk, naar bevriende kloosters, waar men
+aanstoot had genomen aan eenig geschrift van zijne hand en voorlichting
+van hem begeerde. De Karthuizer-broeder GERAERT, die hem bij zulk eene
+gelegenheid heeft gezien en gesproken, weet ons te vertellen "van sinen
+ripen ende bliden aensiene, van sinen goedertieren ende oetmoedighen
+spreken." Zoo vloeit zijn leven rustig voort. Dan gaan zijne gezellen
+hem begeven o.a.: zijn leerling, de kanunnik WILLEM JORDAENS, en de
+goede kok JAN VAN LEEUWEN.
+
+RUYSBROECK'S oogen beginnen te verduisteren; als hij de mis opdraagt,
+kan hij de hostie niet goed meer onderscheiden. Steeds heeft hij den
+psalm op de lippen: "mijn ziele dorst naar God, de levende bron; wanneer
+zal ik komen en verschijnen voor het aangezicht van mijn God."
+Heugenissen der kindsheid komen op in zijn geest; het beeld zijner
+moeder verschijnt hem, zij onderricht hem van zijn sterfdag. Die dag
+kwam in December 1381. Met den blos des levens op het gelaat, scheidt
+hij uit dit leven[37].
+
+Op een miniatuur, kort na RUYSBROECK'S overlijden vervaardigd, zien wij
+hem in het Soniën-bosch bezig met het opstellen van een geschrift. De
+grijze prior zit onder een boom op den grond; op zijn knie rust een met
+groen was bestreken schrijftafeltje, zijne rechterhand grift letters in
+het was; boven zijn hoofd zweeft een duif, symbool van den Heiligen
+Geest, onder wiens inspiratie hij werkt. Tegenover hem zit een jonge
+kloosterbroeder, met bruin haar en blozende wangen, aan een
+schrijflessenaartje; links van hem ligt een beschreven was-tafeltje,
+vóór hem een vel perkament; den wijsvinger der linkerhand houdt hij bij
+het in was gegrifte woord, dat hij juist bezig is op perkament over te
+brengen. Dat is de jonge priester, die Heer JAN als "notarius" diende,
+gelijk Broeder GHERAERT ons heeft verhaald[38].
+
+Naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier eene betrouwbare
+voorstelling van de wijze, waarop menig werk van RUYSBROECK is ontstaan.
+De mystieken hadden behoefte aan afzondering, om zich ongestoord in
+eigen zieleleven te kunnen verdiepen. Waar konden zij die behoefte beter
+bevredigen dan op een eenzame plaats buiten? Gedurig buiten vertoevend
+in bosschen en velden of aan het werk in den kloostertuin, leerden zij
+de natuur kennen en liefhebben als openbaring Gods. Welk een innige
+verhouding tot de natuur zien wij in Sint FRANCISCUS, die alle
+schepselen Gods als zijne broeders en zusters beschouwt en in zijn
+_Cantico del Sole_ blijk geeft van een innig samenleven met de gansche
+natuur, zooals wij dat eeuwen daarna bij dichters als GOETHE en SHELLEY,
+maar ontkerstend, zullen terugvinden. Ook in HADEWYCH'S poëzie merkten
+wij een levendig natuurgevoel op. Zoo is dus de voorstelling van
+RUYSBROECK, zijne werken dichtend in het Soniën-bosch, geheel
+overeenkomstig de algemeene verhouding tusschen mystiek en natuurleven.
+
+Waarschijnlijk is een groot deel zijner werken ontstaan in en bij het
+klooster Groenendael. Maar niet alle werken. Immers broeder GHERAERT
+vertelt ons, dat RUYSBROECK te Brussel begon eenige zijner boeken te
+maken, en zijn voornaamste werk, de _Chierheit der geesteleker
+Brulocht_, was reeds in 1350 voltooid, vier jaar voordat hij de
+"habitacie" ten Groenendale betrok. Van de chronologie zijner werken is
+ons overigens tot dusver weinig bekend; slechts weten wij, dat zijn
+_Spieghel der ewigher Salicheit_ in 1359 geschreven is en dat het
+tractaat _vanden Rike der Ghelieven_ zijn eerste werk was[39].
+
+De oude "verluchter", die op zoo naïeve wijze RUYSBROECK'S werk
+voorstelde als ontstaan door "ingheestinghe", toonde daardoor wel de
+juistheid van zijn inzicht. Toch mag men niet voorbijzien, dat de in den
+vromen prior schuilende scheppingskracht meer dan eens te werk is
+gesteld door een oorzaak buiten hem. Zoo werd de _Spieghel der ewigher
+Salicheit_ geschreven op verzoek eener non van St. Clara, "die hem
+langhe daerom ghebeden hadde". _Dat Boec vander hoechster Waerheit_ werd
+geschreven ter verklaring van zijn eerste werk en op verzoek van broeder
+GHERAERT en de zijnen. Een derde geschrift: _Vingherlinc [Zijnoot:
+vingerring.] of het blickende steentje_, vloeide voort uit een gesprek
+met een kluizenaar "van gheesteliker materien" en werd op verzoek van
+dezen te boek gesteld. Ook het _Tractaet van Seven sloten_ is
+waarschijnlijk geschreven op verzoek eener Clarisse[40].
+
+Behalve de reeds genoemde werken schreef RUYSBROECK nog: _Van den
+gheestelijken Tabernacule_, het omvangrijkste van alle; _Van den Twaelf
+Dogheden [Zijnoot: deugden.] _, dat, zoo al niet door hem, dan toch
+zeker geheel in zijn geest is geschreven; _Van seven Trappen_; _Van den
+Kerstenen Ghelove_; _Van den vier Becoringhen_; _Van den twaelf
+beghinen_.
+
+Zijn deze titels alle van RUYSBROECK zelf afkomstig? Van een viertal,
+reeds door broeder GHERAERT genoemde, (_Rike_ _der Ghelieven, Van der
+hoechster Waerheit, Brulocht_ en _Tabernakel_) acht ik dat wel
+waarschijnlijk; de overige zouden ook van afschrijvers kunnen zijn. Al
+deze titels houden natuurlijk in meerdere of mindere mate verband met
+den inhoud der werken, doch in bijna al deze werken vinden wij, behalve
+hetgeen door den titel wordt aangewezen, ook deelen van RUYSBROECK'S
+mystieke levensbeschouwing, telkens in ander verband en met meerdere of
+mindere volledigheid, terug. Daarom moet men bij eene beschouwing van
+RUYSBROECK'S werk niet zoozeer letten op de, door verschillende titels
+onderscheiden, deelen ervan, als wel op het geheel dat zij samen vormen.
+
+Een kort overzicht van de _Chierheit der gheesteleker Brulocht_ kan ons
+eenigermate een denkbeeld geven van den bouwtrant van RUYSBROECK'S werk.
+De _Brulocht_ bestaat uit drie deelen, overeenkomend met de drie
+trappen, welke de mysticus in zijn streven naar volmaaktheid heeft te
+bestijgen: het werkende, het innige en het schouwende leven. Aan het
+geheel is ten grondslag gelegd deze tekst: "Ziet, de bruidegom komt,
+gaat uit, hem te gemoet." De vier deelen van dezen tekst worden nu
+achtereenvolgens op elk der trappen toepepast, telkens in dieper zin.
+_Ziet_, d.i.: de mensch moet zich telkens weer richten op God; _de
+bruidegom komt_: God komt den op Hem ziende tegemoet; _gaat uit_: de
+mensch handelend in zijne betrekking tot God; _Hem tegemoet_: de
+ontmoeting van God en mensch[41].
+
+Weinig werken van RUYSBROECK vertoonen in hun bouw eene zoo strenge
+symmetrie als dit; toch kunnen wij in de meeste wel iets daarvan
+terugvinden. Het _Boek van den Tabernakel_ geeft eene voorstelling van
+het mystieke leven of van "den loop der minnen", gesymbolizeerd in den
+Tabernakel en zijne talrijke onderdeelen. _Van den twaelf Dogheden_, eer
+eene zedekundig dan een mystiek geschrift, geeft eene beschouwing der
+Christelijke deugd, welker grondslag de ootmoed wordt genoemd. In
+_Spieghel der ewigher Salicheit_ ontvangen wij beschouwingen over het
+kloosterleven, het Avondmaal en de soorten van avondmaalgangers. In het
+_Tractaet van seven Sloten_ worden de kloosterplichten uiteengezet;
+doch, evenals in de bovengenoemde en nog te noemen geschriften, telkens
+weer in verband met het gansche mystieke leven en hier inzonderheid met
+het schouwende leven. De _Vier Becoringhen_ [Zijnoot: verzoekingen.],
+bedoeld in het geschrift van dien naam, zijn: onbedwongen natuur waaruit
+zinnelijkheid en wellust voortkomen; schijnheiligheid; begeerte om met
+het natuurlijk verstand alle dingen te willen verstaan, hetwelk tot
+geestelijken hoogmoed leidt; bij de vierde "becoringhe" had RUYSBROECK
+het oog op de kettersche secte der Broeders en Zusters van den vrijen
+geest, die, innerlijke en uiterlijke goede werken versmadend, hunne ziel
+ontledigd van alle andere dingen en slechts met God vervuld achtend,
+waanden geene zonde te kunnen doen, omdat God immers alles in hen
+werkte. Het _boek van den twaelf beghinen_ is gewijd vooral aan de
+Beschouwing. Aanvangend met eene samenspraak tusschen twaalf begijnen
+over de liefde tot JEZUS, handelt het voorts over het Avondmaal, de
+vereischten voor de beschouwing, de dwalingen der ketters, de schepping
+der wereld, de bedorven natuur van den mensch enz. De stof moge hier
+rijk zijn, de samenhang der deelen laat veel te wenschen over. In
+_Vingherlinc_ wordt, aanknoopend bij een bijbeltekst uit _de Openbaring_
+waar gesproken wordt van een "blickend [Zijnoot: schitterend.]
+steenken", met kunstige symboliek aangetoond dat met dit in een ring
+gevat steentje CHRISTUS bedoeld is.
+
+Bestaat er dus wel verband tusschen de titels en den inhoud van
+RUYSBROECK'S werken, anderzijds zal gebleken zijn hoe telkens naast en
+boven dit bijzondere het algemeene zich vertoont. Dat algemeene zullen
+wij trachten beknopt samen te vatten.
+
+Uitgaande van het Wezen Gods, daalt ook RUYSBROECK'S mystiek af tot den
+mensch en klimt weer op tot God.
+
+God is het absolute praedicaatlooze Zijn, het "overwesen", de
+"onghebeelde blootheit" [Zijnoot: ledigheid zonder beelden (vormen).].
+_Wat_ God is, gaat boven het begrip aller schepselen; doch _dat_ Hij is,
+getuigt Natuur en Schriftuur en alle Creatuur. Uit Gods eenheid vloeit
+Zijne drieheid voort; de geboorte van den Zoon heeft voortdurend plaats,
+Gods wijsheid weerspiegelt zich in den _Zoon_; uit beider ontmoeting
+ontspringt hunne minne: de Heilige Geest. Ook deze wordt voortdurend
+herboren: steeds is er een nieuw "uutgheesten", een nieuwe vloed van
+eeuwige minne. Al kunnen wij God niet volnoemen noch volspreken, toch
+kunnen wij als zijne voorname eigenschappen onderscheiden: almacht,
+wijsheid en liefde, overeenkomend met Vader, Zoon en H. Geest. Tegenover
+de eeuwige schepping: het ideëel vóórbestaan der dingen in God, staat de
+schepping in den tijd, die eene vrijwillige daad van Gods liefde is. In
+zijne voorstelling dier tijdelijke schepping neemt RUYSBROECK
+PTOLEMAEUS' wereldstelsel over, volgens hetwelk de aarde middelpunt des
+heelals is. Tegenover de stoffelijke schepping staat de geestelijke:
+engelen en menschen. De mensch, kroon der schepping, geschapen niet uit
+Gods wezen doch uit niets, is bestemd de plaats in te nemen die de
+engelen verloren hebben, terug te vloeien tot zijn oorsprong: God. Doch
+eerst langzamerhand zal het hoogere in hem het lagere kunnen overwinnen,
+onderwerpen, beheerschen. De krachten der menschelijke ziel zijn te
+verdeelen in vier lagere "vee-gelijke", en drie hoogere; de lagere zijn:
+toorn, begeerte ("beestelicke" krachten), redelijkheid die mensch van
+dier scheidt, en vrijheid van wil. De drie hoogere: memorie, verstand en
+wil; met deze drie krachten komen overeen deze eigenschappen:
+"onghebeelde blootheit", "overste redene" en "vonke der ziele", d.i. de
+aangeboren neiging der ziel tot haren oorsprong. Door deze eigenschappen
+staat de ziel in betrekking tot God en kan zij tot Hem opklimmen. De
+mogelijkheid tot vereeniging met God is van eeuwigheid af in onze ziel
+gelegd, doch de werkelijke vereeniging met God komt tot stand eerst in
+het mystieke leven. In zijn streven naar die verwerkelijking wordt de
+mensch belemmerd door de zonde. Zonde is niet: geneigdheid tot het
+kwade, doch afwezigheid van strijd tegen het kwade. In zijne leer
+aangaande den zondeval, de zegepraal over dood en duivel en onze
+loskooping staat RUYSBROECK op het standpunt der Roomsch-Katholieke
+kerk. Echter beslaat CHRISTUS' verlossende werkzaamheid weinig plaats in
+zijn stelsel. CHRISTUS, de mensch, is hem vooral, toonbeeld van het
+mystieke leven.
+
+Zoo wordt uit het Goddelijk Wezen alles afgeleid, met dien verstande dat
+het Goddelijk beeld overal bewaard blijft. Tegenover en naast het, uit
+opeenvolgende momenten bestaande, menschenleven wordt het transcendente
+begrip van tijdeloosheid, het "ewigh nu" in God en Gods werken
+gehandhaafd. Worden en bestaan, komen en vergaan zijn slechts vluchtige
+vormen van het eenige, eeuwige Zijn; de altijd wisselende eb en vloed
+van de diepe en eeuwig ruischende zee der Godheid. De eeuwige
+bestaansvorm der Godheid vertoont zich overal in dit grootsche stelsel
+als de spitsboog in een kathedraal.
+
+Op dezen grondslag van speculatieve mystiek heeft RUYSBROECK het gebouw
+zijner practische mystiek opgetrokken. In die vereeniging van theorie en
+practijk ligt voor een deel het eigenaardige en de verdienste zijner
+mystiek.
+
+RUYSBROECK neemt drie trappen ("staten" of "ordenen") aan als
+evenzooveel stadiën op den heilsweg. Wie tot een hoogeren trap opklimt,
+moet toch altijd de plichten van den vorigen trap blijven beoefenen. In
+het _Boec van seven Trappen_ noemt hij b.v. als de zeven treden
+waarlangs de vrome opklimt tot de zaligheid der beschouwing: 1o.
+eendrachtich ende eenwillich sijn met den wil ons Heren; 2o. willich
+armoede; 3o. reynicheit der sielen ende suverheit van lichame; 4o.
+ghewarighe [Zijnoot: waarachtige.] oetmoedicheit; 5o. edelheit alre
+doechde ende alre goeder werke d.i.: begeeren de eere Gods bovenal; 6o.
+een claer insien puer van gheeste ende van ghedachten; 7o. een
+grondeloos niet weten van God, "een versterven ende overliden [Zijnoot:
+overgaan.] in ene ewighe onghenoemtheid daer wi ons verliesen". De
+verdeeling in drieën, die in het middeleeuwsch leven zoo veelvuldig
+voorkomt, schemert ook hier weer door. Want de drie eerste graden
+behooren tot het _Werkende_, de twee volgende tot het _Innige_, de beide
+laatste tot het _Schouwende_ leven.
+
+Tot het Werkend Leven moet de mensch voorbereid worden door tweeërlei
+gratie: 1o. de "voirlopende" die den mensch beweegt, van buiten: door
+ziekte, leed, goede voorbeelden; van binnen: door overdenking van Gods
+lijden, de vergankelijkheid van het aardsche; 2o. de gratie die is "een
+heymelic inwerken Gods" in de ziel. Door Gods inwerking ontstaat dan de
+"caritate", d.i. een minneband tusschen God en de minnende ziele. Wie
+deze "caritate" bezit, heeft volkomen rouw van zonden, en wie deze
+heeft, zal trachten zich van zonde te reinigen om te komen tot een
+onbesmette conscientie.
+
+Nog is de mensch niet waardig een _zoon_ Gods te heeten; in afwachting
+daarvan moet hij trachten zooveel mogelijk een getrouwe _knecht_ te
+zijn. Abstinentie, penitentie, eerzame zeden en heilige werken van
+buiten--dat is ongeveer wat door het werkende leven wordt omvat. Op
+"caritate", rechtvaardigheid en ootmoed, berust het "gestichte alre
+doghede ende alre edelheit". In al die onderscheiden deugden: ootmoed,
+gehoorzaamheid, zelfverloochening, lijdzaamheid, zachtmoedigheid,
+medelijden, zachtheid, reinheid van ziel en lichaam, moet de mensch zich
+aldoor oefenen. Drie machtige vijanden heeft hij daarbij te weerstaan:
+de Booze, de wereld, zijn eigen vleesch. Bijgestaan door de genade Gods
+moet de mensch in dien strijd zich staande houden en zijne ziel ordenen
+als een koninkrijk, waarin de vrije wil koning is. Deze geheele
+deugdsbetrachting wordt aangewezen als navolging van CHRISTUS.
+
+Het Innige Leven staat hoog boven het Werkende, als "overlant" [Zijnoot:
+Hoogland.] boven "nederlant" [Zijnoot: Laagland.]. Wie in het Innige
+Leven wil komen, moet op de bergen wonen waar de Zonne der Gerechtigheid
+schijnt. In tegenstelling met het Werkende Leven, waar voornamelijk de
+mensch werkt, werken hier God en mensch gelijkelijk en komen elkander
+tegemoet.
+
+In het Innige Leven vallen drie stadia te onderscheiden: 1o het
+kenvermogen des menschen wordt doorschenen met bovennatuurlijke
+klaarheid; 2o daardoor voorgelicht, moet de mensch uitgaan in inwendige
+oefeningen naar gerechtigheid; 3o hij moet opklimmen tot het genieten
+van de eenheid met God. In het eerste stadium, waarin RUYSBROECK den
+invloed der bovennatuurlijke klaarheid vergelijkt bij den loop der zon,
+worden weer tal van deugden beschouwd in de wijze, waarop telkens eene
+nieuwe zich uit eene voorgaande ontwikkelt. Het hart wordt door het
+inwendig vuur van den H. Geest steeds op en neer gedreven, opbruisend en
+neervallend als water waaronder vuur wordt gestookt. Het hart, gewond
+door minne, wil telkens zich sluiten, doch telkens schijnt de zon,
+CHRISTUS, er in en wordt de wonde vernieuwd. Vandaar dat een hevige
+ijver des menschen hart verteert. Uit dezen ijver wordt hij van tijd tot
+tijd opwaarts getrokken in den geest. Dan ontstaan visioenen en
+revelatiën, die hij soms wel, soms niet onder woorden kan brengen.
+Evenals de hitte afneemt, wanneer de zon het eind van haar loop nadert,
+zoo gaat nu ook CHRISTUS zich voor den mensch verbergen. Droefheid,
+gevoel van verlatenheid, van twijfel aan zich zelven maken zich nu van
+den mensch meester; doch uit zijn lijden moet hij vreugde scheppen.
+Vooral moet hij waken tegen al te groote vreugde over hetgeen hij tot
+dusver bereikt heeft; daardoor toch zou hij minder toegankelijk worden
+voor het invloeien der genade Gods.
+
+De genade-instorting van het tweede stadium wordt vergeleken bij eene
+levende fontein, die uitvloeit in drie rivieren: 1o enkelvoudigheid, die
+alle zielekrachten doordringt; hierdoor richt de mensch zich op
+_blootheit_, d.i. de waarheid, ontdaan van alle beeld en kleed, vorm en
+gelijkenis; 2o geestelijke klaarheid, die geene visioenen en revelatiën
+noodig heeft. Nu moet de mensch den blik richten op de Godheid; die
+aanblik wekt in hem inwendige vreugd, waaruit de derde rivier
+ontspringt, nl. "inghegeeste hitte", die in den wil vloeit, dezen doet
+gloeien en branden en hem vervult met minne. Nu moet de mensch uitgaan
+met overvloedige liefde tot God en alle heiligen, tot de zondaren en
+verkeerde menschen, tot hen die in het Vagevuur zijn, tot zich zelven en
+alle goede menschen.
+
+In het derde stadium is de genade-instorting gelijk aan de levende ader
+in de fontein. De mensch ondervindt het "gherinen" d.i. het beroeren
+Gods. De door de genade verlichte rede tracht nu dat beroeren Gods in
+het innigste zijns geestes te beschouwen, doch bespeurt alras dat zij te
+kort schiet; zij "faelgiert in 't voirtgaen". Echter wil de minnende
+kracht niet rusten. Van nu af begint een eeuwig verlangen: de ziel
+ontbrandt in steeds gloeiender begeerte, maar is nog niet rijp voor de
+zaligheid; "het geschapen vat en can geen onghescapen goet ghevaten"
+[Zijnoot: bevatten.] [42].
+
+In het Innige Leven zijn de _knechten_ van het Werkende Leven tot
+_zonen_ Gods geworden, doch den eindpaal hebben ook zij niet bereikt.
+
+In den staat van "blootheit" kan Gods geest onmiddellijk op hen werken.
+Nu eerst kan de mensch geheel opgaan in God, zooals de rivier die zonder
+ophouden en wederkeeren altijd uitstroomt in de zee. In het Schouwende
+Leven wordt de mensch geheel lijdelijk; hij rust en gevoelt slechts wat
+hem door God wordt aangedaan. Het leven wordt een leven Gods in den
+mensch. Op den duur gevoelt de mensch echter dat hij niet louter
+lijdelijk kan blijven. Hij wil werken; "minne en mach niet ledich sijn".
+Ook het leven der Godheid is tweeledig: naar binnen eeuwig rustend, naar
+buiten eeuwig werkend. Zoo keert dan de mensch weer terug tot de
+practijk des levens. Vol van de zaligheid der Beschouwing, moet hij
+tevens de deugden van het Innige en het Werkende Leven betrachten. Door
+aldus, in God rustend, onder de menschen te werken, wordt het leven van
+den vrome een goddelijk leven dat toch menschelijk blijft. Zoolang de
+mensch op deze aarde vertoeft, zal zijn leven steeds een "crighen in
+ontbliven" (streven zonder volledig verkrijgen) zijn. Zal de schouwer
+door zijn terugkeer in de wereld niet veel van zijne innigheid moeten
+verliezen? Daarvoor behoeft geen vrees te bestaan. De ziel kan wel
+alleen zijn, ook al vertoeft zij in de buitenwereld. Het komt er slechts
+op aan, God steeds voor oogen te houden. Door voortdurende oefening moet
+de inkeer van den schouwenden mensch een onbewuste daad worden, evenals
+b.v. het vormen van letters voor iemand die schrijft.
+
+RUYSBROECK zelf had het in die kunst ver gebracht. Zijn
+levensbeschrijver deelt ons mede, dat het hem, volgens zijn eigen
+getuigenis, minder moeite kostte, door contemplatie zijn ziel tot God
+omhoog te heffen, dan zijn hand aan zijn hoofd te brengen[43].
+
+De schouwer moet dus blijven werken; ja, zelfs de zaligheid der extaze
+moet hij opgeven, indien hij een medemensen kan helpen: "want ware die
+mensche in also groter jubilaciën of contemplaciën als Sinte Peter of
+Sinte Pauwels ye ghewaren, ende wiste hi enen sieken mensche die
+noetorftich [Zijnoot: behoeftig.] ware eens supens [Zijnoot: soep.] oft
+anders yet, het waer veel beter dat hi liete sine oefeninghe van
+jubilaciën ende van contemplaciën, ende diende dien noetorftighen
+mensche in meerre [Zijnoot: vermeerdering.] van minnen."
+
+Wij konden hier slechts beproeven een beeld van RUYSBROECK'S mystiek te
+geven in eenige groote lijnen en binnen die omtrekken eenige voorname
+punten aanwijzen. Veel van het minder gewichtige moesten wij achterwege
+laten. Zoo b.v. de vraag naar de consequentie van RUYSBROECK'S stelsel.
+Naar het schijnt, is het niet moeilijk den auteur van zoovele en
+omvangrijke geschriften op meer dan eene plaats in tegenspraak te
+brengen met zich zelf. Wij willen het wel gelooven, doch achten het bij
+de beschouwing van een mystiek auteur van gering belang.
+
+Van meer gewicht is de vraag, in hoever RUYSBROECK'S werk oorspronkelijk
+mag heeten. Het slot onzer uiteenzetting van zijn stelsel zal sommige
+lezers reeds getroffen hebben als volkomen overeenstemmend met eene
+vroeger medegedeelde uiting van ECKHART. En dat is niet het eenige punt
+van overeenkomst tusschen deze twee meesters. In de grondbeginselen
+zijner speculatieve mystiek toont RUYSBROECK nauwe verwantschap met
+ECKHART, met name in de onderlinge verhouding van God, den Zoon en den
+H. Geest. Beiden stellen visioenen niet hoog. De terminologie van
+ECKHART vindt men voor een deel bij RUYSBROECK terug[44].
+
+Het is zeer wel mogelijk dat de jonge kanunnik van Sinte Goedele de
+lessen van den Duitschen meester te Keulen heeft gevolgd; en in allen
+gevalle wel waarschijnlijk, dat diens geschriften invloed hebben gehad
+op zijne theologische vorming.
+
+Anderzijds heeft, gelijk wij reeds zagen, RUYSBROECK'S persoonlijkheid
+invloed geoefend op die van TAULER.
+
+In een zijner oudere preeken zegt TAULER van de broeders en zusters van
+den vrijen geest, die volslagen werkeloos willen blijven om God
+ongestoord te laten inwerken op hunne zielen, dat zij niets doen "recht
+wie ein Werkzeug ledig ist und auf seinen Meister wartet wenn er
+arbeiten will." In een van RUYSBROECK'S werken wordt van zulke menschen
+gezegd: "rechte alse dat ghetouwe, dat selve ledich es ende sijns
+meesters beidet, wanneer hi werken wilt"[45]. De overeenkomst is te
+treffend om aan toeval te mogen worden toegeschreven; met het oog op
+eene vroeger medegedeelde uiting van een tijdgenoot, zou men geneigd
+zijn aan te nemen dat TAULER hier RUYSBROECK heeft nagevolgd; doch ook
+het omgekeerde is mogelijk.
+
+Men moet bij dergelijke vraagstukken bovendien steeds rekening houden
+met de mogelijkheid eener gemeenschappelijke bron. Ook hier blijkt de
+noodzakelijkheid daarvan. Het beeld van Gods natuur dat der menschelijke
+ziel ingedrukt is, noemt ECKHART den _Funken der Seele_ en RUYSBROECK
+gebruikt, zij het ook in eenigszins andere beteekenis, de uitdrukking
+_vonke der siele_. Doch ook BONAVENTURA bedient zich in dien zin gaarne
+van het woord _scintilla_. De indeeling der zielekrachten bij RUYSBROECK
+gelijkt op die bij ECKHART; doch beiden kunnen die hebben ontleend aan
+AUGUSTINUS. De indeeling der zielekrachten in hoogere en lagere komt bij
+TAULER zoowel als bij RUYSBROECK voor; TAULER legt den nadruk vooral op
+de _begeerte_ en den _toorn_, die eveneens bij RUYSBROECK genoemd
+worden. Maar ook THOMAS AQUINAS geeft deze indeeling.
+
+Zeker heeft RUYSBROECK de geschriften der kerkvaders wel gekend en er
+zijn voordeel mede gedaan. De werken van S. BERNARD worden meer dan eens
+door hem aangehaald en hun invloed vertoont zich o.a. waar RUYSBROECK
+het Werkende Leven uiteenzet. Naar de verschillende trappen van
+godsdienstige ontwikkeling had S. BERNARD de menschen verdeeld in
+_mercenarii_, _servi_ en _filii Dei_; RUYSBROECK spreekt evenzoo van
+_huurlingen_, _getrouwe knechten_ en _zonen Gods_; echter heeft hij
+tusschen de tweede en de derde soort die der _vrienden Gods_ gevoegd.
+
+Voor zijn geschrift _Van den Tabernacule_ heeft RUYSBROECK gebruik
+gemaakt van de werken der Fransche mystieken HUGO en RICHARD van St.
+Victor[46].
+
+Heeft RUYSBROECK, onder den invloed van andere mystieken doch vooral van
+ECKHART, nooit de geloofsgrenzen overschreden, welke de Roomsche Kerk
+geëerbiedigd wilde zien? De beteekenis van dien mogelijken invloed is
+moeilijk te bepalen; doch het schijnt wel dat de vrome prior, in
+oogenblikken van contemplatie, soms meer heeft gezegd dan hij voor de
+Inquisitie zou kunnen verantwoorden. De vurige drang van zijn gemoed
+doet hem meer dan eens den afstand tusschen God en den mensch vergeten;
+maar telkens doet de rede hem dan later die kloof duidelijk zien en
+brengt zij hem tot de besliste verklaring, dat de creatuur niet God kan
+worden en dat men de eenheid tusschen God en den mensch, waarvan hij
+spreekt, verstaan moet slechts "in minnen", niet "in naturen".
+
+Na al hetgeen wij vroeger hebben opgemerkt over de kiem van ketterij
+welke alle mystiek in zich omdraagt, is er overigens niets
+verwonderlijks in, dat wij die kiem ook in RUYSBROECK'S werk aantreffen.
+Reeds na zijn eerste werk immers, hadden broeder GHERAERT en zijne
+mede-kloosterlingen aanstoot genomen aan sommige uitingen daarin; om
+dien aanstoot verder te voorkomen, schreef RUYSBROECK toen _dat Boec der
+hoechster Waerheit_. Misschien is dat niet overbodig geweest, want in
+menig later werk heeft hij de slechte priesters en monniken, en zelfs de
+"princen der heilegher Kerken" niet gespaard[47]. Persoonlijke wrok had
+zich licht kunnen verbinden met geloofsijver om den geestverwant van
+ECKHART voor de rechtbank der Inquisiteurs te brengen. Zeker zal het ook
+in zijn voordeel zijn geweest, dat hij in zijne werken de Broeders van
+den vrijen geest zoo fel bestrijdt en "hare quade secte ende beestelike
+costume"[48]. Tot die secte behoorde waarschijnlijk HEYLWIG, de dochter
+van den Brusselschen patriciër BLOEMAERTS, wier verdorven geloof door
+RUYSBROECK openlijk bestreden is.
+
+De vraag naar RUYSBROECK'S orthodoxie moge belangrijk zijn geweest voor
+zijne tijdgenooten, voor de meesten onzer is zij van ondergeschikt
+belang. Gewichtiger is voor ons de vraag: hoe heeft hij zijn stelsel van
+mystiek uitgewerkt? Het is vooral in de uiteenzetting zijner practische
+mystiek, dat hij zich vertoont als den grootsten prozaschrijver dien wij
+in de middeleeuwen bezeten hebben. Zijne eigen indeeling van Werkend,
+Innig en Schouwend Leven zooveel mogelijk in het oog houdend, zullen wij
+trachten eenig denkbeeld te geven van de wijze waarop hij zijne taak
+heeft volbracht.
+
+In zijne beschouwing van het Werkend Leven treft ons de hoogheid van
+gevoel waarmede hij spreekt over de "veelike" krachten en lusten in den
+mensch; de geringschatting van zulke dingen als spijs en drank, welke de
+mensch wel moet nuttigen--maar zooals de zieke een geneesmiddel. De
+onafhankelijkheid van geest waarmede hij spreekt over de waarde van de
+wetenschap in vergelijking met het leven; het moet ons, zegt RUYSBROECK,
+meer te doen zijn "om leven dan om weten, want die vele weet ende niet
+en leeft, hi verliest den tijt." Zijne menschenkennis, zijn talent van
+karakterizeeren en uitbeelding van het gemoedsleven. Hoe scherp is de
+blik van dezen man, die zich toch zoo gaarne aan de wereld en het gewone
+menschenleven onttrok, voor de geveinsdheid dergenen die afkeerig zijn
+van onthouding en nu zeggen, dat zij "cranc ende teder ende edel van
+complexiën sijn, ende daerom behoeven si vele gheriefs ende vele
+ghemacs." Hoe goed heeft hij de menschen geschetst die lijden aan
+zelfverheffing, eigenzinnigheid, die dadelijk kregel worden indien men
+hun iets in den weg legt: "Si en sijn niemene ghevolchsam van gronde,
+maer si begheren dat alle menschen haren goetdunkene ghevolchsam sijn;
+want si sijn krighelijc ende eenwillich; altoes dunct hem dat si recht
+hebben jeghen yeghewelken die hem contrarie es. Si werden lichte
+gherenen [Zijnoot: lichtgeraakt.], ghestoert, toernich, haestich,
+scalc, slaghelijc ende onweerdich in woerden, in werken, in ghelate"
+[Zijnoot: gedrag, houding.].
+
+Gevoelig en fraai is dit schetsje der gemengde aandoeningen die PETRUS
+vervulden, nadat hij zijn Meester had verloochend: "In sinen elendighen
+doghene keerde hi hem omme ende sach Petren ane met groter ghenadicheit
+ende Peter hem weder met groter bitterheit van herten. Ende inden
+onderlinghen siene vernuwede die liefde tusschen hem beiden mere dan si
+te voren was, want gracie ende liefde, inwendich rouwe, groet betruwen
+[Zijnoot: vertrouwen.], scande ende sceemte [Zijnoot: schaamte.] dese
+dingen vervulden sine herte ende alle sine binnenste; ende sine siele
+smalt als die snee voir die sonne ende als was voir een berrende vier.
+Ende met sijnre sielen vloyden tranen bitter ende suete, bitter omme
+sine sonden, soete ende vol bliscapen omme die trouwe die hi in Christo
+ghevoelde: ende aldus was hi vol droefheden ende vol bliscapen. Hoe dat
+sijn mach, dat en weet niemen dan dies ghevoelt heeft."[49].
+
+Het uitgaan met overvloedige liefde ook tot de zondaren en verkeerde
+menschen, waarvan in het Innig Leven sprake is geweest, zien wij in
+RUYSBROECK'S hartelijk medelijden met de menschen die hun eigen geluk
+niet zien: "Daer af comt in den mensche een geestelike compassie, dat hi
+proeft ende merct die scade der menschen dat si soe elendich sijn ende
+soe grote rijcheit ende ere ende weldicheit besitten mochten ofte si
+wouden ende sire hem toe voechden ende Gode soe eerlic ende soe minlic
+dienen mochten ende dit al gader verloren blijft. Dit maect alsoe groten
+wee, dat nieman vremders [Zijnoot: geen vreemde.] bekennen en mach."
+
+Maar zelf genoot hij volop van de weelde God te mogen dienen. Wel is hij
+zich bewust zijn Schepper nimmer genoeg te kunnen eeren, doch dat
+onvermogen, een bewijs van Gods grootheid, is hem eene reden tot nieuw
+genot: "dat is herde lustelic, dat onse Here ende onse God soe groot is,
+dat wi hem nemmermeer ghenoech reverenciën ende waerdicheden en sellen
+moghen doen." Hooger rijst zijn vlucht, waar hij den geestelijken
+liefdebrand, den hartstocht der minnende ziel onder woorden tracht te
+brengen; zoo b.v. in eene passage als deze: "dit verberren es ene
+volmaectheit in alre dogede, want et es een gebreken [Zijnoot: te kort
+schieten.] des geestes in minnen, daer hi hem lidende houdet, ende wert
+verberret ende verteert in den onbegripeleken ommevange der eenheit
+Gods, die met ewegen hongere ende met ghelosteger niedecheit [Zijnoot:
+gretigheid.] al dat mint begaept ende verslint ende verteert in haers
+selves eenheit." Welk een kracht van gevoel en wat een durf in dat
+"begapen en verslinden", terwijl van God sprake is.
+
+RUYSBROECK zal, wanneer "al der sielen crachte in storme ende in woede"
+verkeerden, wel zelden of nooit zijn vervallen tot het loopen, springen
+en handgeklap, waarin andere mystieken hunne verrukking lucht gaven; eer
+zal hij hebben behoord tot hen die "zwighen ende smelten van weelden in
+allen sinnen." Maar ook voor hem zal op zulke verrukkingen dikwijls de
+neerslachtigheid en het gevoel van geestelijke ellende zijn gevolgd, dat
+hij zoo goed moet hebben gekend om er anderen op zoo teedere wijze in te
+kunnen troosten: "Voirtmeere, eest dat gi traecheit, zwaerheit ende
+droefheit ghevoelt inder naturen, ende dat ghi sijt sonder smake ende
+lost, ende sonder drift te gheesteliken dinghen, arm, ellendich,
+begheven [Zijnoot: eenzaam.] ende ghelaten in allen troeste van Gode, in
+verdriete, sonder smake ende lust tot enigher oefeninghen van buten ofte
+van binnen, ende alsoe zwaer ofte ghi doer die erde sinken sout: en
+ontsiet u niet, maer gheeft u over in die handen Gods ende begheert dat
+sijn wille ende sijn eere ghescie. Die donkere bedroefde wolkene die sal
+sciere overliden, ende dat licht der claer sonnen ons Heren Jhesu
+Christi sal u bescinen in meere troest ende gracien dan ghi noyt te
+voren ghevoelet [Zijnoot: ghevoeldet.]."
+
+Hij heeft wel geweten hoe zulk een van God verlaten mensch verlangt,
+ontbonden te worden van den kerker zijns lichaams, hoe de balling het
+"vaderland daarboven zoekt" (VONDEL): Soe slaet hi sijn inwendighe oghen
+op ende scouwet die hemelsche sale vol glorien ende vrouden ende sijn
+lief ghecroent daer binnen, uytvloyende in sine heilighen in riker
+weelden ende [Zijnoot: en dat.] hi des derven moet. Hier comen bi wilen
+in selke menscen uutwendighe tranen ende groet verlanghen. Soe siet hi
+neder ende merket dit ellende daer hi in ghekerkert es ende dies hi niet
+ontgaen en mach: soe vloyen tranen van droefheden ende van jammere"[50].
+
+Toen RUYSBROECK zelf door kracht van geestelijke oefening en
+bespiegeling erin geslaagd was, zijne ziel te ontledigen van het lagere,
+haar te maken tot "een levende spieghel" waar het goddelijk licht in
+scheen, toen kon hij, van het Schouwende Leven getuigend, schrijven:
+"Ende hier omme heeft ons God ghegheven een leven boven ons ende dat is
+een godlic leven. Dat en is anders niet dan scouwen ende staren ende in
+bloter minnen cleven ane Gode, smaken ende ghebruken [Zijnoot:
+genieten.] ende versmelten in minnen ende altoes vernuwen in dat selve.
+Want daer wi verhaven sijn boven redene ende boven al onse werke, in
+bloet ghesichte, daer werden wi ghewracht vanden gheeste ons Heren; ende
+daer ghedoghen wi dat inwerken Gods ende werden verclaert in godliker
+claerheit, ghelikerwijs dat die locht verclaert wert met den lichte der
+sonnen ende alse dat yser doergaen wert met crachte ende met hitten des
+viers, alsoe werden wi ghetransformeert ende doerdraghen [Zijnoot:
+doortrokken.] van clairheiden in claerheiden, in dat selve beelde der
+heyligher Drivoldicheit."
+
+Maar altijd bleef het een "crighen in ontbliven"; want de hoogste
+klaarheid die de mensch hier op aarde bereiken kon, hoe ver bleef zij
+toch steeds van de klaarheid der heiligen! "Want die scaduwe Gods
+verlicht onse inwendighe woestine; mer op die hoghe berghe inden lande
+der gheloeften daer en is gheen scaduwe: nochtan eest al één sonne ende
+éne clairheit die onse woestine verlicht ende oec die hoghe berghe; mer
+die staet der heilighen is doerschinich ende glorioes ende hierom
+ontfaen si die claerheit onghemiddelt; mer onse staet is noch sterfelic
+ende grof ende dit is dat middel daer die scaduwe ave comt die onse
+verstandicheit alsoe bescaduwet, dat wi Gode noch hemelsche dinghen niet
+bekennen en moghen also clairlic als die heylighen doen"[51].
+
+In meer dan een der hier aangehaalde stukken zal de lezer reeds zelf de
+zachte welluidendheid of de kracht, de hooge vlucht en den breeden zwaai
+van RUYSBROECK'S proza bewonderend hebben opgemerkt. Toch schijnt het
+mij wenschelijk een blik te slaan ook op eenige deelen en op het
+samenstel van zijn werk om daardoor den kunstenaar in zijne wijze van
+werken iets beter te leeren kennen.
+
+Een gewone karaktertrek van het middeleeuwsch proza, het veelvuldig
+zinsverband met "ende", zooals men het nog kan opmerken bij elk kind dat
+iets vertelt, vertoont zich ook in dit proza. Niet zelden ook bedient
+RUYSBROECK zich van de, hiermede verwante, eenvoudige opsomming; zoo
+b.v. in: "Want willen wi verduldich sijn ghewaerlic, soe en sal ons
+gheen dinc moghen ontsaten [Zijnoot: onrustig maken.], noch verlies van
+den ertschen goede, noch van vrienden, noch van maghen, noch van siecte,
+noch scande, noch doot, noch leven, noch vaghevier, noch duvel, noch
+helle[52]." Soms geeft hij regelmaat aan zijn proza door een deductieven
+schrijftrant, als in: "aldaer verliesen wi ons selven in die woeste
+idelheit [Zijnoot: leegte.], ende al verliesende ons selven vinden wi
+die salecheit, ende al vindende verkiesen wi, ende al verkiesende werden
+wi vercoren" enz.[53]. Elders zien wij hem parallellisme en
+tegenstelling aanwenden om meer kracht en scherpte te bereiken: "Hi
+arbeit sere in minnen, want hi siet sine raste. Hi is pelgrim ende hi
+siet sijn lanscap. Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine
+crone." Sprekend van het afkoopen der zonden voor geld zegt RUYSBROECK:
+"Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel de siele, de
+bisscop dat ghelt, de dore [Zijnoot: dwaze]" mensche sine corte
+ghenoechte." Tegenstelling vinden wij b.v. in: "Hi heeft hem ghenedert
+ende ons ghehoecht, hem ghearmt ende ons gherijct, hi heeft hem versmaet
+ende ons gheëert. Maer al heeft hi hem ghenedert, hi en heeft hem niet
+ontedelt[54]."
+
+Zoo leerde RUYSBROECK, waar sterke aandoening hem dreef tot schrijven,
+die aandoening beheerschen en haar verklanken tot breedgolvende zinnen
+als deze over JEZUS' dood: "doen verdonkerde die locht, want die
+roedekene worden te broken [Zijnoot: verbroken.], die edele speciboem
+wart ontwe [Zijnoot: doormidden.] ghescoert, die overste crachten sijnre
+zielen worden ghesceden van den nedersten, sine sinne verghinghen, sine
+ziele sciet van den live, die doet bevinc dat leven, dat leven verwan
+die doet, die Apostelen hadden hare licht verloren, die oude wet
+[Zijnoot: geloof (der Joden).] verloes oec hare licht, die sonne liet
+hare scinen ende die locht was vol nevels der onbekinnessen [Zijnoot:
+onverstand.]--maer onse dach ginc op daer wi eweleke inne ghesien[55]."
+
+Welk een indruk maakt hier, na die opsomming der verschijnselen van
+duisternis en vernietiging, dat juichende slot.
+
+Onder de eigenaardigheden van RUYSBROECK'S stijl moet ook het rijmend
+proza genoemd worden.
+
+Het beginrijm of de alliteratie schijnt in zijn werk niet vaker voor te
+komen dan de aard onzer taal met zich brengt; doch het eindrijm is zoo
+veelvuldig, dat wij hier wel aan opzet moeten denken. Het eindrijm
+vertoont zich zoowel aan het slot van opeenvolgende zinnen als van
+opeenvolgende woorden, zoowel in: "ende soe hi hem selven naerre
+_bekint_, so hi hem in der waerheit meer te versmadene _vint_," als in:
+"kinneloos ende minneloos," "verstout ende verout". Op menige plaats
+(vooral in _Spieghel der Salicheit_ en _Rike der Ghelieven_) vinden wij
+rijmende verzen tusschen het proza in, doch hunne aanwezigheid kan
+bezwaarlijk verklaard worden uit eene verheffing van stemming, uit meer
+innigheid of gloed. Soms zelfs wordt de neiging tot rijmen RUYSBROECK
+tot last; aan het slot van een berijmd gedeelte van zijn werk immers
+zegt hij:
+
+ Nu moet ic rimen laten bliven
+ Sal ic scouwen clare bescriven[56].
+
+In dit aanwenden van parallellisme, tegenstelling en rijmklanken zal
+RUYSBROECK waarschijnlijk ten deele het voorbeeld hebben gevolgd, hem
+gegeven door de kerkvaders, wier werken hij kende. Immers in het proza
+b.v. van S. BERNARD, van BONAVENTURA, van de beide VICTORS vinden wij
+die eigenaardigheden evenzeer; waarschijnlijk ook wel in dat der oudere
+kerkvaders, die hun stijl hadden gevormd onder den invloed der klassieke
+schrijvers[57].
+
+Zijn RUYSBROECK'S verzen ook meerendeels zwak, in zijn proza toont hij
+zich een waarachtig dichter. Zijn levendig en fijn gevoel, zijn vlugge
+en sterke verbeelding, zijn gave van waarneming en voorstelling, de
+schoonheid zijner taal geven hem alleszins recht op dien eerenaam. Het
+is niet vreemd, dat hij, die in het lagere slechts een verschijningsvorm
+van het hoogere ziet, gedurig van het lagere tot het hoogere opklimt, of
+dat lagere verheft door eene gelijkenis.
+
+Een enkele maal doet hij daartoe een greep in den R.-K. eeredienst,
+liefst ontleent hij zijne voorbeelden aan de natuur of aan het
+dagelijksch leven. De tabernakel, die in middeleeuwsche kerken op het
+altaar placht te staan en diende ter bewaring van de hostie, gaf
+RUYSBROECK aanleiding tot eene breed uitgewerkte symbolische
+voorstelling. Met een onuitputtelijk geduld en een liefdevolle
+uitvoerigheid, die aan de miniatuurschilders herinneren, met eene hooge
+mate ook van subtiel vernuft, heeft hij alle deelen en onderdeelen, alle
+onderdeeltjes en deelen van onderdeeltjes van het sacramentshuis
+geestelijk verklaard: de tabernakel moet staan "in een kerckhof", "dat
+es een sedelec leven van buten met al dien dat daer toe behoort"; om dat
+kerkhof moeten staan zestig kolommen: "bi den colummen verstaet men
+starke begerte tot allen den gheboden Gods ende tot allen den seden ende
+der oefeninghen diere [Zijnoot: welke.] men pleghet in der heileger
+kercken". Deze kolommen moeten bedekt worden met zilveren platen, "dat
+es met goeden levene ende met eersamer wandelingen" enz. enz. Het
+behoeft geen betoog, dat deze voortgezette symboliek op den duur voor
+een hedendaagsch lezer vermoeiend eentonig en daardoor vervelend wordt;
+doch voor RUYSBROECK'S tijdgenooten zal de beschrijving en verklaring
+van een zoo kostelijk sacramentshuis zeker onderhoudend en aantrekkelijk
+zijn geweest.
+
+Kostelijke tabernakels zooals de hier beschrevene gaf de werkelijkheid
+tenauwernood, gaf het eenvoudig klooster te Groenendale zeker niet te
+zien; doch een stap buiten de muren bracht den prior in den kloosterhof,
+waar hij zoo menigmaal aan het wieden was, al trok hij in verstrooidheid
+de heilzame kruiden wel eens mede uit, en rondom het klooster lag Gods
+vrije natuur in rijke verscheidenheid en stille pracht. In den boogaard
+en op de mossige glooiingen, onder de wuivende kruinen van het
+Soniën-bosch, zal wel menigmaal een bloem, een plant of een dier
+RUYSBROECK'S verbeelding gaande hebben gemaakt. Zoo heeft hem de
+zonnebloem getroffen in haar volgen van de zon: "Alse die sonne opgeet
+in oriënten, soe ontpluct hare [Zijnoot: ontsluit zich.] de goutbloeme
+jegen die raeien [Zijnoot: stralen.] der sonnen, ende keret hare altoes
+omme al neighende jegen de hitte der sonnen, tote in occidenten. Ende in
+der nacht luuct si hare toe, ende verberget hare varuwe ende ontbeidet
+weder der sonnen opganc. Alsoe gelikerwijs sele wi, overmids
+ghehoersamheit, onse herte ontpluken jegen dat inscinen der gracien
+Goeds, ende oetmoedichlike al nigende sele wi der gracien Goeds volgen,
+alsoe lange als wi die hitte der minnen ghevoelen. Ende alse dat
+inscinen der gracien sijn nuwe beroeren ophoudet ende wi hitte van
+minnen lettel ochte niet gevoelen: dat es die nacht, dat wi onse herte
+selen toe luken jegen al dat ons becoeren [Zijnoot: in verzoeking
+leiden.] mach; ende alsoe sele wi die goutvarwe der minnen in ons
+beluken ende ontbeiden enen nuwen opganc der sonnen, met nuwen lichte in
+nuwen beroerne[58]."
+
+Elders vergelijkt hij CHRISTUS' deugden bij de leliën van dale; de
+natuur die den geest volgt, is vrij, gelijk de vogel in het woud en
+dartelt in de minne als de visch in het water. God is "uutstortende ende
+vloeyende ghelijc der wilder see, met onbegripeliker weelden in alle die
+ghene die sijns ontfanclijc sijn ende weder ebbende is ende intreckende
+in die wilde see sijner enicheit." Als een heete bron "alsoe
+ghelikerwijs werct dat inwendighe vier des heylichs Gheests. Het drivet,
+ende stoket ende jaghet dat herte ende alle die crachte der sielen tot
+den walle [Zijnoot: koken.] dat is Gode te dankene ende te lovene." Een
+mensch die zich "wel regeeren" wil, moet doen als de wijze bij: "si
+woent in der enicheit, met vergaderinghen haerre gheselscap, en vaert
+ute, niet in storme, mer in stillen ghesaten wedere, in schinen der
+sonnen, op alle die bloemen daer men soeticheit in vinden mach. Si en
+rust niet op ghene blome noch op ghene scoenheit ofte soeticheit; mer si
+trect daer ute honich en was, dat is soeticheit en materie der
+claerheit, en voeret in die vergaderde enicheit, op dat sy vruchtbaer
+werde tot groter nutticheit." Zoo moet ook de wijze mensch doen en "niet
+rusten op ghene bloemen der gaven, maer al gheladen met danke en met
+love weder vlieghen in die enicheit, daer si met Gode rusten en wonen
+wilt"[59].
+
+Menigmaal ook vindt RUYSBROECK stof voor zijne gelijkenissen in eigen
+omgeving en het dagelijksch leven.
+
+De oefening in deugd vergelijkt hij bij een penning van fijn goud; doch
+ieder moge onderzoeken of zijn goud van goed allooi is en het volle
+gewicht heeft en aan weerszijden wel gemunt. In ons deugdzaam leven
+moeten wij allerhande sier van deugden weven, zooals vogelen en bloemen
+en gulden sterren geweven staan in de gordijnen van den tabernakel. De
+reinheid des harten "ghelijct men der lampten bernender oliën, die hare
+vlamme gheeft opwert te hemele: alsoe doet die suvere herte die beneden
+besloten is yeghen die werelt ende boven open die gracie Gods
+t'ontfane."
+
+CHRISTUS' beeld moeten wij drukken in ons hart en onze zinnen, in ons
+lichaam en onze ziel, zooals men een zegel drukt en vormt in het was. De
+gratie Gods in de ziele is gelijk eene kaars in een lantaarn of glazen
+vat, want zij verlicht en verklaart en doorschijnt het vat, nl. den
+goeden mensch. Als God zich van ons afwendt, dan doet hij met ons:
+"recht alsof een mure stonde ghemaect tusschen hem ende ons."
+
+Welk eene kracht ontwikkelt RUYSBROECK'S beeldende zinnelijkheid, waar
+hij zijn hoorders voor oogen wil brengen, hoe groot Gods genadevolle
+vergevensgezindheid is: "al waer alle die werelt een gloet van viere
+ende dat midden in dat vier een vese [Zijnoot: vezel.] van een linen
+cleet laghe, soe en ware die vese niet alsoe bereet te aensteken, als
+God bereet is den sondaer sijn sonden te vergheven, als hem sijn sonden
+ghewaerachtich leet sijn[60]."
+
+Het valt bezwaarlijk te ontkennen, dat deze prozadichter, waar hij zijne
+gelijkenissen aan het dagelijksch leven ontleent, voor ons gevoel soms
+de grenzen der kieschheid te buiten gaat, doch men moet daarbij in het
+oog houden dat tusschen het hoogere en het lagere, vooral tusschen het
+hemelsche en het aardsche, in de middeleeuwen niet zulk een afstand lag
+als thans. RUYSBROECK vergelijkt iemand die waant één te zijn met
+CHRISTUS bij een slapenden hond "dien droomt dat hi heeft een stucke
+vleeschs in sinen mont" en "alse hy ontwaket, soe en heeft hi niet." Die
+vergelijking zou men desnoods ook met ons gevoel van kieschheid in
+overeenstemming kunnen brengen door te wijzen op het minderwaardige van
+hem die slechts _waant_ met CHRISTUS één te zijn. Doch tenauwernood zal
+nog één hedendaagsch lezer behagen scheppen in die talrijke andere
+beelden en gelijkenissen die ons naar de keuken en den refter (eetzaal)
+verplaatsen. De tekst: "dit is mijn vleesch en mijn bloed" en de hostie
+als symbool van CHRISTUS gaven, trouwens niet aan RUYSBROECK alleen,
+gereede aanleiding tot het vormen van beelden en gelijkenissen. Zoo zegt
+JEZUS tot den mensen:
+
+ Myn vleysch is wel gebraden
+ Aent cruce om uwe ghenaden.
+
+"De edele tarwebloem, d.i. JEZUS, is ons gegeven door MARIA; God heeft
+de olie zijner barmhartigheid in MARIA uitgestort; de Heilige Geest
+heeft dat tarwemeel en die olie samengekneed en voor ons gemaakt en
+gebakken het zoetste brood dat ooit bestond, spijze der engelen en der
+menschen. Dit brood is gebakken in den oven, dat is in het lichaam der
+zuivere maagd MARIA, die wel doorheet was met het vuur der caritate." De
+zachtmoedige lijdzaamheid van CHRISTUS vergelijkt RUYSBROECK bij "den
+cleinen oesteren die in sculpen ligghen also cleine als eens menschen
+naghel". CHRISTUS wil ons geheel in zich opnemen, zijn honger is onmatig
+groot, "want hi is een ghierich slockaert [Zijnoot: begeerige
+schrokker.] ende heeft den mengherael" [Zijnoot: geeuwhonger.]
+
+Konden wij slechts zien, welk een gretige begeerte CHRISTUS heeft naar
+onze zaligheid, "wi en mochten ons niet onthouden [Zijnoot: weerhouden.],
+wi en souden hem in die kele vlieghen." Hier schijnt de auteur zelf
+beseft te hebben dat hij de grens der kieschheid ook voor dien tijd had
+overschreden, want hij verontschuldigt zich eenigszins door te zeggen:
+"al luden mine worde wonderlike, die mynnende die verstaen my wel"[61].
+
+Gelijkenissen als deze zijn in verhouding tot alle overige niet talrijk;
+zoo is ook de toon van RUYSBROECK over het algemeen zacht en waardig,
+doch een enkele maal klinken er forscher klanken: "arme rasende
+mensche", "verscoven [Zijnoot: verstooten.] ende verblinde mensce",
+"onwaerdich boeve", "onverstandich esel"[62].
+
+Wij zouden noch het een noch het ander willen missen, want wij krijgen
+daardoor RUYSBROECK'S beeld vollediger te zien. En ook, doordat hij zich
+van tijd tot tijd laat gaan, toont deze Nederlander die zich zoo gaarne
+uit de wereld in het innerlijk zieleleven terugtrok, toch niet misdeeld
+te zijn van dien volkshumor dien wij in den _Reinaert_ en andere
+Dietsche werken genieten.
+
+Hoe aardig drijft hij den spot met de hoovaardij der rijke vrouwen: "si
+maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn des duvels neste daer si
+in sculen. Maer dunct hen dat si edel sijn van gheboerte, so moeten se
+hebben ane hare anschine cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel
+mede gheliken. Ende dan gaense hen spieghelen ochte si scoen ghenoech
+sijn den duvel ende der werelt te behaghene"[63]. De geveinsden en
+hoovaardigen vergelijkt hij bij de blaas "die vol is van losen winde;
+als men se duwet ende perst, so gheeft si enen luud die ongracelic is te
+hoirne"[64]. Nonnen die zich opsieren met zilveren gordels en allerlei
+rinkeltuig doen hem denken aan "ene hinne [Zijnoot: hen.] met
+bellen"[65].
+
+Uit denzelfden volksgeest die dezen lichten spot voortbracht, werd
+echter ook eene vergelijking geboren als deze: "wanneer een groot coninc
+oft een wijs lantshere varen wilt in pelgrimagien, in verren lande, soe
+roept hi sine ghenoten [Zijnoot: pairs.] te gader, ende beveelt hem sine
+lant, sijn volc, sijn kynder ende sine familie, dat si al dat regeren
+ende bewaren in payse ende in vreden tote dier tijt dat hi weder comt in
+sijn lant. Alsoe ghelikerwijs Christus, die ewighe wysheit Gods, coninc
+der coninghen ende heer alre heren, doen hi sine pelgrimagie gedaen
+hadde in dese ellendighe werelt, doen woude hi varen in sijns Vaders
+lant ende ten lesten daghe weder comen ten ordele. Ende hier omme, voir
+dien dach dat hi sterven woude, doe stichte hi ene grote feeste dat was
+een avonteten. Ende daer toe node hi die meeste princen der werelt, dat
+waren sine Apostelen...."[66].
+
+Dat is dezelfde geest waaruit vijf eeuwen vroeger het Oud-saksisch
+heldendicht _Hêliand_ was voortgekomen.
+
+Wat ons dan ten slotte in RUYSBROECK het sterkst treft, dat is het ruime
+van zijne persoonlijkheid en zijn werk. In beide is "nederlant" en
+"overlant", al woont hij liefst op de tergen, waar de zonne der
+gerechtigheid schijnt. Hij ziet de huurlingen en knechten, maar ook de
+vrienden en zonen Gods. Zijn blik omvat de zonnebloem, den slapenden
+hond die van vleesch droomt, de bij die beladen van bloem tot bloem
+vliegt, maar ook een groot koning en de wilde zee en de zon in haar loop
+door de ongemeten ruimten. Hij schuwt de menschen, doch blijft ze
+liefhebben; zijne menschenkennis heeft zijne menschenliefde niet
+uitgedoofd, al openbaart die liefde zich op eigenaardig-middeleeuwsche
+wijze. Hij kent het gevoel van geestelijke ellende, maar ook het
+zwijgend wegsmelten van innerlijke weelde.
+
+RUYSBROECK is de eerste Nederlander, die in de volkstaal een ideaal
+levensgeheel heeft ontworpen, dat slechts paste voor kloosterlingen,
+doch dat ook voor hen, die in de wereld bleven, veel goeds, edels en
+schoons bevatte. Tegenover den toenemenden drang naar verlichting des
+verstands heeft hij de ontwikkeling van het zedelijk en godsdienstig
+gemoedsleven gesteld; tegenover het "kennen" het "minnen", zooals reeds
+kort na zijn dood door een zijner vereerders werd getuigd; tegenover het
+"mate is goet t' allen spele"--het "wiselose", het bovenmatige, den
+hartstocht, zij het ook slechts in het streven der ziel naar éénheid met
+God. Hij heeft zijn levens-ideaal niet opgetrokken tot één grootsch
+gebouw, doch het verwerkt tot een aantal grootere en kleinere
+taalmonumenten, die ons niet zelden treffen door schoonheid van lijn en
+fijnheid van uitvoering. Ook in dat taalwerk is "nederlant" en
+"overlant": het vlakke, dat wel eens plat wordt; de liefelijk opwaarts
+glooiende landen; de hooge toppen, waar de auteur zich in de nevelen
+verliest: de "hoge materiën", waarvan hij beseft dat een schrijver ze
+slechts kan "voirt bringhen met woorden also verre als ment woorden
+mach"[67].
+
+Dozijnen bij dozijnen handschriften zijner werken bewijzen welk een
+invloed zijne mystiek moet hebben geoefend. Die invloed beperkte zich
+niet tot de grenzen van het Dietsche taalgebied, noch tot des schrijvers
+taalgenooten, maar strekte zich uit tot Neder- en Opper-Duitschland en
+was krachtig nog in de 16de eeuw, toen zijne werken veelvuldig in de
+kloosters werden gelezen en in eene Latijnsche vertaling toegankelijk
+gemaakt ook voor hen, die geen Dietsch verstonden.
+
+In RUYSBROECK heeft de Dietsche mystiek haar voornaamsten
+vertegenwoordiger gevonden. Ja, HADEWYCH is hem vóór geweest. Maar, is
+HADEWYCH de leeuwrik, de "hemellawerke" opwaarts wiekend op de vleugelen
+van haar lied en vaak zich verliezend in het blauwe--RUYSBROECK is de
+nachtegaal, immers ook een zanger van "minne", zijn smeltend lied, zijn
+storm van geluid orgelend in de stilte van het Soniën-bosch.
+
+Het werk van RUYSBROECK is een der hooge toppen in het land onzer
+literatuur en dus zou het begrijpelijk zijn, indien wij daarmede dit
+deel van ons werk besloten. Wij hebben echter goede reden het niet te
+doen, want: meer dan RUYSBROECK is hier.
+
+Omstreeks 1360 werd een groot deel van het Oude Testament in de
+volkstaal te boek gesteld[68].
+
+De vertaler was blijkbaar een niet-geordend geestelijke, misschien een
+Vlaming, zeker een vroom man; ook een ontwikkeld man, wien de brieven
+van PAULUS, eenige kerkvaders, MAERLANT'S _Spieghel_ en _Rijmbijbel_
+bekend waren, en die zijne vertaling kon toelichten met behulp der
+_Scolastica_ en van andere werken. Vroeger had hij reeds eene Dietsche
+overzetting geleverd van het _Passionael_ (de "Legenda aurea").
+
+Van het karakter zijner vertaling valt weinig te zeggen, zoolang wij
+niet weten, welke redactie der _Biblia Vulgata_ door hem gebruikt werd.
+Echter deelt de vertaler zelf in den proloog ons mede dat hij voornemens
+is, het Latijn "ghetrouwelic te dietschen... die lettere houdende van
+woorde te woorde ofte van zinne te zinne of van beyden onderminghet, so
+dattet die liede verstaen moghen na den sede van onsen lande"[69].
+Bovendien vallen er in of naar aanleiding van zijn werk andere dingen op
+te merken die vermeldenswaard schijnen.
+
+De vertaler was een man van orthodoxe vroomheid die meer dan eens
+verklaart, dat hij niet van zins is iets te doen "dat jeghen Gode ofte
+jeghen die heilighe kerke zi." Maar juist daarom vervulde hem het
+onbetamelijk en onzedelijk gedrag van vele priesters en leeken met des
+te meer droefheid. Hij ergert zich aan de leeken die, op feestdagen nog
+wel, in de taveernen spelen, dansen en reien; aan de priesters die in
+plaats van het volk te leeren, ook door hun voorbeeld, het volk door hun
+kwaad voorbeeld verderven, die "amiën" houden en argelooze vrouwen ten
+val brengen. Daarom was het hem "langhe in 't herte geweest", het
+"fundament van der scrifture" te verdietschen, in de hoop dat menig
+ongeleerde er zijn voordeel mede zou doen. En ook, hij acht zich niet
+gerechtigd het talent dat God hem geschonken heeft ongebruikt te laten.
+Zoo heeft hij dan het werk ondernomen met vreezen en beven, in het diepe
+besef van de zwaarheid der taak; en hij zou haar misschien niet
+voleindigd hebben, indien zijn vriend JAN TAY er niet op had
+aangedrongen[70].
+
+Onder de mystieken van dien tijd zal men dezen vertaler wel niet moeten
+zoeken. Ware het zoo, dan zou dat toch uit zijn spraakgebruik moeten
+blijken, en dat is niet het geval. Toch moet er wel eenige
+geestverwantschap tusschen hen en hem hebben bestaan. Het Hooglied en de
+Openbaring, twee Bijbelboeken, bij de mystieken in eere, worden ook door
+hem hoog gesteld[71]. Tegenover de priesters toont hij dezelfde
+onbeschroomde vrijmoedigheid als JAN VAN LEEUWEN en RUYSBROECK. Zijn
+wantrouwen in de geestelijke leiding der priesters brengt hem tot het
+verdietschen van het Oude Testament, dat hij den leeken in handen wil
+geven, opdat zij daar mogen vinden wat de priesters hun onthouden[72].
+Een streven naar ontwikkeling van een zelfstandig godsdienstig
+gemoedsleven ziet men immers ook bij de mystieken, al mag het de vraag
+heeten of RUYSBROECK den Bijbel in de handen der leeken zou hebben
+gewenscht.
+
+Wat ons in dezen vertaler ten slotte treft, is het rustig
+zelfvertrouwen, waarmede hij spreekt over de ontvangst, die hem en zijn
+werk wacht van de zijde der geestelijkheid. Hij beseft zeer wel, dat het
+sommige "clercken" zal ergeren "dat men die heymelicheit der scrifturen
+den ghemenen volc ontbynden soude"; dat zijn werk zal worden "benijd en
+beknaagd door dolle honden"--maar God kent de bedoelingen, waarmede dit
+werk ondernomen is, en daarom zal hij met DAVID hopen op God en niet
+ontzien wat de menschen hem aandoen[73]. Hier spreekt een dergelijk
+vertrouwen op God en het eigen geweten, als wij vroeger opmerkten bij
+den onbekenden leek en als later in de dagen der Kerkhervorming zoo
+menigmaal zal gehoord worden.
+
+Het is wel opmerkelijk, dat van deze Bijbelvertaling, naar het schijnt,
+geen enkel afschrift der 14de eeuw is overgebleven, terwijl er dozijnen
+afschriften der 15de eeuw bestaan. Mag men aannemen, dat de
+geestelijkheid het werk onderdrukt heeft? Zoolang daarvoor geen enkel
+bewijs bestaat, natuurlijk niet. Doch in allen gevalle blijkt uit de
+afschriften, dat deze Bijbelvertaling ter kennisse van anderen is
+gekomen, zij het waarschijnlijk van slechts weinigen. Daarmede was een
+edele kiem in de ziel van ons volk gelegd, die er zich zou ontwikkelen
+met de langzaamheid die groote zaken past.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] _Der Ystoriën Bloeme_ in de uitgave van A.C. OUDEMANS SR. Het tweede
+werk is als _Fragment van een oud berymd passionael_ uitgegeven door
+WILLEMS in _Belg. Museum_, IX, 418 vlgg.
+
+Vgl. _Der Ystoriën Bloeme_, vs. 2229-'30, 3554; _Belg. Mus._, IX, 424,
+vs. 184.
+
+[2] _Van Sinte Lutgart_ uitgeg. door BORMANS in _Dietsche Warande_,
+III--IV. _Van Sinte Christina_ eveneens door BORMANS. Vgl. over de hss.
+ook: _Tijdschr. v. N. T. en L._, IX, 161 vlgg. _Leven van Sint Amand_
+uitgeg. door BLOMMAERT. Over de bronnen van dat werk TE WINKEL a. w. bl.
+279. Over het hs. nog _Tijdschr. v. N. T. en L._, X, 158. Het _Leven van
+S. Kunera_ in _Middeln. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 247 vlgg.; het hs.
+schijnt uit de 15e eeuw, de taal en de rijmen wijzen naar de 14e eeuw.
+
+[3] Over broeder GERAERT'S werk vgl. _Willem van Afflighem's Leven van
+Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), Inl., XVII, XXXVIII-XXXIX.
+
+[4] Vs. 1341 2.
+
+[5] I, 5135 vlgg. Wereldlijke koningspelen (waarin vooral "questiën van
+minne" behandeld werden) vindt men o.a. in den _Limborch_, XI, 67 vlgg.
+en _Cassamus_, vs. 1368 vlgg. (Aant., bl. 80). Vgl. voorts II, 1331
+vlgg.; 1709; 1903 vlgg.; 4809.
+
+[6] In vs. 630 wordt gesproken van S. KERSTINE'S "lenden ende ander haer
+lede", waar het Latijn _nates_ heeft.
+
+[7] Vgl. over de vermoedelijke bron van dit werk TE WINKEL a. w. bl.
+283.
+
+[8] _Dboec van den Houte_ is uitgeg. door J. TIDEMAN. (Leiden. 1844).
+Hs. H. door TIDEMAN tot grondslag gelegd voor zijne uitgave, staat
+volgens een later onderzoeker W. MEIJER niet zoo dicht bij het
+vermoedelijk origineel als Hs. S. (Vgl. Inl., XX--XXI; en: _Abh. der
+Kön. Bayer. Akad. der Wiss._, I, Cl. XVI B. II Abth. (1881). Een
+uitvoerig stuk over de Kruis-sage van J. KOOPMANS in _Taal en Letteren_,
+VII, 321 vlgg. Een fragment uit de 14e eeuw met eenigszins afwijkende
+lezingen uitgegeven in _Germania_, XV, 360 flgg.
+
+[9] Uitgeg. door Dr. L. WIRTH in: _Bibl. van Mnl. Lett._ (Groningen.
+WOLTERS). Afl. 49. Vgl. de critiek dezer uitgave door Dr. STOETT in
+_Museum_, 1893, 104.
+
+[10] Vgl. daarover Inl., bl. 14 vlgg.
+
+[11] _Theophilus_ uitgeg. door BLOMMAERT, (Gent, 1858) en later door
+VERDAM; _Beatrijs_ door JONCKBLOET (met _Carel en Elegast_); Over het,
+eerst eenige jaren geleden ontdekte, verhaal _van Jonitas en Rosafiere_
+zie: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 170 vlgg.; het geheele werk later
+uitgeg. door N. DE PAUW in zijne _Mnl. Ged._, afl. 3, bl. 487 vlgg.
+
+VERDAM heeft in zijne Theophilus-uitgave ongeveer 260 verzen van den
+door BLOMMAERT gepubliceerden tekst geschrapt als geïnterpoleerd. Ik kan
+mij met deze handelwijze niet vereenigen.
+
+1o. Omdat het onbeholpene of gebrekkige van vele verzen voor mij niet
+bewijst dat zij geïnterpoleerd moeten zijn.
+
+2o. Allerlei uitweidingen, die door V. beschouwd worden als
+interpolaties, vindt men ook in de door hem als echt erkende deelen.
+
+3o. Eigenaardigheden van den bewerker, als het herhalen der slotwoorden
+van een vers in den aanvang van een volgend vers, vindt men zoowel in de
+verworpene als in de voor echt erkende deelen.
+
+4o. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen van het
+gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog veel meer
+geschrapt worden.
+
+[12] Ed. VERDAM, vs. 74-6, 95-116, 319-340.
+
+[13] Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg.
+
+[14] Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA bidden.
+
+[15] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neuern Dramas_, I, 147. Ook in de
+geschiedenis der "verduldige Helena van Constantinopel".
+
+[16] Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY, IV, 121.
+
+[17] In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar SINT JACOB
+wordt gebracht en vlucht naar Venetië.
+
+[18] De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige
+dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van S. KUNERA in
+KIST'S _Kerkhist. Archief_, II, 1-48; door STALLAERT vergeleken met het
+rijmwerk in _D. Warande_, 1891, 28-36.
+
+[19] Uitgeg. in BLOMMAERT'S _Oudvlaemsche Ged._, II, 31 vlgg. Zie ook:
+_de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken_ door W. DE VREESE, I,
+145. Voorts: _Visio Tnugdali...._ A. WAGNER, Erlangen, 1882. MUSSAFIA
+zegt van de Nederl. bewerking o.a.: "con una certa inclinazione a
+dilavare alquanto il dettato" (_Sitzungsber. der Wiener Akad.
+phil.-hist._, Cl. Bd. 67, 157-206). Met het oog op de verklaring van den
+Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk voor.
+
+Eene uitvoerige en goede karakteristiek van _Tondalus Visioen_, uit een
+algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in het _Tweem. Tijdschrift_
+van 1901.
+
+[20] _Rumbeeksche Avondstonden_, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is
+gedagteekend: 28 Sept. 1399.
+
+[21] DE VOOYS, _Mnl. Legenden_, p. 15.
+
+[22] Vgl. _Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den Groote...._
+door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een enkel aardig trekje
+in de eene bewerking vermeld op p. LVII.
+
+[23] Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES in _Versl. en Meded. der Vereen. voor
+oude Ned. Lett._, II, 5-32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w., bl. 569-572.
+
+Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing in _Feestbundel aan M.
+de Vries opgedragen_, p. 103. Over "PAEP JAN" vgl. _Zeitschr. f.d.
+Alt._, N.F. XXI.
+
+[24] Vgl. _Stemmen uit den Voortijd...._ door F.H.G. VAN ITERSON, p. 140
+vlgg., 162, 164-5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss. door VAN
+ITERSON als 14e eeuwsche genoemd).
+
+[25] Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'S _Gesch. der deutschen Mystik_,
+I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier geboden
+beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel te geven;
+daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan aangeduid.
+
+[26] ECKHART leefde van 1260-1327; zijn eerste werk volgens PFEIFFER van
+c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen.
+
+Een paar uittreksels uit de _Epistolae Haywigis_ in een hs. van
+1360-'70; vgl. _Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken_, I, 425.
+
+[27] Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche mystiek
+berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS in _Ned. Archief voor
+Kerkgesch._, N.S., 3e deel en in _De XXe Eeuw_, IX Jaarg. Vgl. voorts:
+_De Handschr. v. J. v. Ruusbroec_, II, 642.
+
+Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor theologen
+dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijn met de
+teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld. Vgl.
+daarover de Inleiding op: _Meister Eckhart und seine jünger...._
+herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895.
+
+[28] Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w. _Einl._,
+XIV. DE VOOYS, _Mnl. Leg._ p. 325.
+
+[29] _Ned. Archief voor Kerkgesch._, N. Serie, III, 54. Over TAULER vgl.
+PREGER a.w. III, 90 vlgg.
+
+[30] _De Limburgsche Sermoenen_ (uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig of
+geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII, XXIX,
+XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over het verschil
+tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK in _Taal en Letteren_,
+Jaargang VIII.
+
+[31] Vgl. PREGER a.w. II, 3-246. Het in de _Limb. Sermoenen_ voorkomend
+_buec vanden Palmboeme_ is blijkbaar hetzelfde als het door PREGER, p.
+52-53 vermelde _der Palmbaum; Dboec vanden boegarde_ doet denken aan
+_den Baumgarten_ waarover vgl. PREGER, p. 48 vlgg.
+
+[32] Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg.
+
+[33] Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg.
+
+[34] Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt, der
+14e eeuw, dat aanvangt: "Hier beghint die prologus van desen boke als
+der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste boec van
+haren visioenen."
+
+In den aanvang der 15e eeuw waren "Machteldis revelacien" te onzent nog
+in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze in een dubbel
+exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw bevattend een groot
+aantal "stichtige woorde genomen uut den boeck der revelacien der
+heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan "die susteren van
+der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in N.-Brabant. MOLL,
+_Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster_, p. 32-33.
+
+In diezelfde boekerij vond men een boek _van Maria van Ogines_ (t.a.p.
+bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar
+levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijn geweest.
+
+Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek bleef.
+Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk
+onderzoek.
+
+[35] Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van Dr.
+DE VOOYS (in: _De XXe Eeuw_, 9e Jaargang) die o.a. over den "goeden kok
+van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan.
+
+[36] Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche
+Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A. V.
+OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave daarvan is
+bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding verdienen voorts: de
+_Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken van Jan van
+Ruusbroec...._ door Dr. W.L. DE VREESE, (Gent, A. SIFFER, 1896); _Jan
+van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER,
+1894); wat over R. gezegd wordt in BÖHRINGER'S _Deutsche Mystiker_, II,
+3; over RUYSBROEK'S verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.:
+PRIEBSCH, _Deutsche Hands._, I, 66; _Jahrbuch des Vereins f. niederd.
+Spr._ 1884.
+
+Eene vertaling van _De Chierheit der geesteleker Brulocht_ gaf MAURICE
+MAETERLINCK (_L'Ornement des noces spirituelles_); eene bloemlezing van
+in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO: _Rusbrock
+l'Admirable_, (Paris, 1902).
+
+[37] Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen van
+"broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg.
+
+[38] Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur in _Oud-Holland_, XIIe
+Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES.
+
+[39] VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168-9; DE VREESE'S _Bijdragen_, bl.
+8, 13.
+
+[40] Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te maken;
+evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname vrouw was, "die
+RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten kwam bezoeken" en
+te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN OTTERLOO, bl. 136). Vgl.
+overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16; VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en
+Editie DAVID, III, 235.
+
+[41] Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd, over.
+Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S stelsel is
+hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend.
+
+[42] Eene andere voorstelling van het _Innige Leven_ bij RUYSBROECK
+wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265-269.
+
+[43] VAN OTTERLOO, bl. 128.
+
+[44] ECKHART spreekt van _istigkeit, entgeisten, weiselos_; RUYSBROECK
+van: _istegheit, ontgeesten, wiseloos_. Beiden gebruiken de uitdrukking
+_Funken der Seele, vonke der sielen_, zij het misschien niet in geheel
+dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God sprake
+is) ais: _die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze zee_
+doen aan dergelijke van ECKHART denken.
+
+[45] Uitgave DAVID, VI, 173.
+
+[46] Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2. VAN
+OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat RUYSBROECK'S
+werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1o. heeft RUYSBROECK voor de
+beschrijving des tabernakels het een en ander ontleend aan RICHARD'S
+_Expositio tabernaculi foederis_ (MIGNE, _Patrol._, T. 196, p. 211
+seqq.); 2o. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'S _de Archa Morali_
+(MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de hoofdstukken: de
+ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de charadrio (p. 77); de
+upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek zou hier noodig zijn.
+
+[47] Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121-2, 178-9; IV, 83-4, 108
+vlgg.
+
+[48] A.w. I, 2, p. 146; III, 198.
+
+[49] Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167-8.
+
+[50] A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256-7
+(geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81.
+
+[51] A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208-9; IV, 104); VI, 230.
+
+[52] Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met "ende" verbonden);
+IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57-8; 250.
+
+[53] Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184.
+
+[54] VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48,
+116.
+
+[55] I, 248-9. Vgl. ook III, 59-60: "En daer an en leghet niet allene"
+enz.
+
+[56] Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie III,
+121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246; I, 49,
+50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240-1. Vgl. andere voorbeelden
+in _Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A.
+SIFFER, 1894) en in _Ned. Museum_, 1891, (H. MEERT). Rijmende verzen
+o.a.: III, 201; IV, 4.
+
+[57] Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk: _Die
+antike Kunstprosa_ (van de 6e eeuw vóór Chr.--Renaissance), vgl.
+_Museum_, 1899, no. 9.
+
+[58] I, 67.
+
+[59] Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38-9; _Werken_, I, 136; IV, 190; VI, 71; vgl.
+ook nog V, 71 (fontein).
+
+[60] _Werken_, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14; _Werken_, VI,
+61; III, 61; 104.
+
+[61] Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156-7.
+
+[62] V, 57-9.
+
+[63] CLAEYS a.w. bl. 33.
+
+[64] Vgl. IV, 15.
+
+Het is opmerkelijk dat VOLTAIRE, die wel niet veel in RUYSBROECK zal
+hebben gelezen, zegt: "L'amour-propre est un ballon gonflé de vent, dont
+il sort des tempêtes quand on lui a fait une piqûre".
+
+[65] IV, 111.
+
+[66] III, 151.
+
+[67] VI, 82.
+
+[68] Vgl. over deze vertaling het degelijk bewerkt proefschrift van Dr.
+C.H. EBBINGE WUBBEN: _Over Middelnederlandsche Vertalingen van het Oude
+Testament_. ('s-Grav. NIJHOFF. 1903).
+
+[69] A.w. bl. 73.
+
+[70] Vgl. over dat alles de prologen en de hoofdstukken in de Eerste
+Afdeeling II, 1 en 3, bl. 127.
+
+[71] Zie bl. 87-88.
+
+[72] Bl. 70; ook bl. 75: "Nu bidde ic elken die hierin lezen sel ende
+tijtcortinghe doen"; bl. 85: "meniger zaliger zielen, diere in lesen
+moeten".
+
+[73] Bl. 127.
+
+
+
+POËZIE DER GEMEENTEN.
+
+
+(VERVOLG).
+
+ 1. Het Leerdicht.--Reinaert II.
+
+ 2. Verhalende en lyrische poëzie.
+
+Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het lied--dat
+waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop wij de gemeentenaren
+in de 13de eeuw hebben aangetroffen. Op die wegen vinden wij hen ook in
+deze volgende eeuw, doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd.
+
+De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen van
+dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan den omgang
+met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid. Den invloed dier beide
+standen zullen wij dan ook op meer dan één plaats in de poëzie der
+gemeenten aantreffen. Doch tevens zal blijken, dat de burgerij, in den
+omgang met de beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend,
+ontwikkelend en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker
+tegenover die beide standen kwam te staan.
+
+Dien gang van zaken zullen wij al dadelijk waarnemen in
+
+
+1. HET LEERDICHT.
+
+In hun streven om de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling des volks
+te bevorderen, trekken de leerdichters ééne lijn met de geestelijkheid.
+Onder de makers van leerdichten zien wij burgers, ons bij name bekend:
+den chirurgijn JAN DE WEERT, den schepenklerk JAN BOENDALE, naast
+ongenoemden uit den geestelijken stand: den "simpelen clerc", die den
+_Spiegel der Zonden_ samenstelde; den "armen pape", die de _Bediedenis
+der Misse_ berijmde.
+
+Evenals vroeger geestelijke dichters met bewustheid hunne poëzie stelden
+tegenover de door hen gelaakte ridderpoëzie, zoo zien wij nu den
+samensteller van het didactisch werk _Sidrac_, dat in 1329 werd
+voltooid, in zijn proloog te velde trekken tegen de verhalen daar weinig
+nut in steekt en die slechts van "vechten en vrouwen minnen, van het
+veroveren van landen en steden" weten te spreken[1].
+
+Men mag wel aannemen dat de leerdichters bij de samenstelling van hun
+werk het oog hadden vooral op de niet-geleerden, wier grootste deel uit
+gemeentenaren bestond. Echter vindt men slechts bij een enkele hunner
+het bewijs, dat hij zich daarvan bewust was. In den proloog van zijn
+_Lekenspiegel_ zegt BOENDALE:
+
+ ... want dat leke is die sake [Zijnoot: oorzaak.]
+ Daer omme ic dit boecskijn make.
+
+In overeenstemming met het onderwijzend karakter dier werken is de vorm
+van een gesprek tusschen "Meester" en "Clerc", zooals wij dat in den
+_Lucidarius_, tusschen vader en zoon, zooals wij het in _Seneka leren_
+aantreffen; ook het dialogisch karakter van werken als de _disputacie
+van Rogier ende Janne_ en de _Melibeüs_. Dat deze dichters hunne lezers
+of hoorders van tijd tot tijd aanspreken met "lieve kindre" of "lieve
+liede" was dan ook in hun mond alleszins gepast[2].
+
+Op vrijwillige medewerkers aan de volksontwikkeling als deze
+leerdichters schijnen de priesters weinig gesteld te zijn geweest, even
+weinig als op den Bijbelvertaler van 1360. Blijkbaar beschouwden zij
+zulke geschriften als pijlen, waarmede onder hunne duiven geschoten
+werd, en de schrijvers als stroopers in een veld, waar de Kerk "eigen
+jacht" had. Een dezer leerdichters eerbiedigt de grenzen, waarbuiten men
+voor leeken niet gaan mag: omtrent God zal de meester zijn leerling
+onderrichten
+
+ Also verre voirt als den leeken lieden
+ Gheoorloft is te bedieden[3].
+
+Een ander is dat met hem eens, doch voegt er bij:
+
+ Ende oec ontsie ic der papen treken
+ Dat sijs mi mochten spreken lachter [Zijnoot: schande.] [4].
+
+Een derde zegt: Zou ik de gansche waarheid bekennen, de priesterschap
+zou mij vervloeken[5]. Dat BOENDALE het met zulke uitingen eens was,
+spreekt vanzelf voor wie zich zijne beschouwing van leeken en
+geestelijken uit een vroeger hoofdstuk herinnert[6]. In zijn
+_Lekenspiegel_ stelt hij zich nog eens tegenover de priesters, waar hij
+den ongehuwden staat en het huwelijk vergelijkt. Ongehuwden staat en
+maagdelijkheid acht hij hoog--wanneer zij gepaard gaan met een rein hart
+"van ghepeinse ongeknaecht"; doch dat komt maar al te zelden voor. Als
+hij daarna den lof van een goed huwelijk heeft verkondigd, voegt hij er
+aan toe: Ik weet wel, dat "liede van gheesteliken abite" zich aan dezen
+lof zullen ergeren en mijne woorden berispen... maar hoe zouden zij aan
+kost en kleeren komen, indien de gehuwde lieden niet voor hen
+zorgden[7]?
+
+Tegenover dit drietal kiest slechts een dezer leerdichters de partij der
+geestelijken. Het is begrijpelijk dat hij zelf tot hen behoorde. De
+"simpele clerc", die den _Spieghel der Zonden_ samenstelde, tracht de
+schuld van de simonie van de geestelijken op de leeken te schuiven: "Si
+sijn soekers eerst daervan." Dat er priesters zijn die een slecht leven
+leiden, geeft hij toe; maar nochtans moeten wij ze eeren, omdat God
+Almachtig hen gezonden heeft[8].
+
+Vergelijken wij het leerdicht van dit tijdvak bij dat van het
+voorafgaande, dan treft ons dat het godsdienstig en vooral het zedelijk
+element veld hebben gewonnen op het zuiver wetenschappelijke. Met groote
+werken als die van MAERLANT en VELTHEM kon men vooreerst zijn begeerte
+naar kennis der geschiedenis bevredigen; BOENDALE moge in zijne
+_Brabantsche Yeesten_ deels MAERLANT'S werk overnemen, deels de
+geschiedenis van zijn eigen tijd verhalen--meer en meer kiest de
+historiographie den vorm der proza-kroniek. Algemeene natuurkennis vond
+men voldoende in _der Naturen Bloeme_; doch voor sommige onderdeelen
+viel wel iets te doen, vooral voor een betere kennis van den mensch.
+
+Dat verklaart het ontstaan van rijmwerkjes als: _Die Cracht der Mane_
+van zekeren HEINREC VAN HOLLANT, _Der Vrouwen Heimelicheit_, _Der Mannen
+ende der Vrouwen Heimelicheit_ en eenige fragmenten van een leerdicht
+dat, voorzoover men kan zien, over de physiologie en de psychologie van
+den mensch handelt. Van literaire kunst is in deze
+populair-wetenschappelijke werkjes nog minder sprake dan in de meeste
+overige leerdichten. Opmerkelijk is slechts, hoe zich in het tweede en
+het vierde werk op zonderlinge wijze de invloed der hoofsche poëzie
+vertoont. Zoo goed als de menestrelen van vroeger, heeft ook de bewerker
+van het laatste physio-psychologische werkje eene "jonkvrouw, die (z)ijn
+herte heeft ghewont." Het tweede werk, eene handleiding voor
+vroedvrouwen, was door den bewerker vertaald uit het Latijn van ALBERTUS
+MAGNUS ter wille zijner "lieve joncfrouwe", waarschijnlijk eene
+vroedvrouw wier hart hij door deze obstetrische hulde hoopte te winnen.
+Doch zijne hoofsche verzuchtingen passen bij zijne practische wetenschap
+als riddersporen aan de hielen van een dorpsbarbier[9].
+
+Voor het godsdienst-onderwijs werd op de in aantal toenemende scholen
+langzamerhand beter gezorgd. Toch voelden eenige leerdichters zich
+geroepen om dat onderwijs aan te vullen en uit te breiden. Zoo
+ontstonden werken als _die Bediedenisse der Missen_ en de berijmde
+zoowel als de proza-bewerking van den _Dietschen Lucidarius_. De inhoud
+van het eerste werk wordt voldoende door den titel aangewezen. De
+berijmde _Lucidarius_ was een vrije bewerking, hier bekort daar
+uitgebreid, van het _Elucidarium_, door HONORIUS AUGUSTODUNENSIS in het
+begin der 12de eeuw samengesteld als een dogmatisch handboek ten dienste
+van theologen. De _Lucidarius_ in proza, voorzien van een berijmde
+voorrede, was een getrouwe vertaling van een Duitschen catechismus van
+het geloof en de wetenschap dier dagen, bestemd tot onderricht der
+leeken. Het Duitsche origineel dagteekent uit het eind der 12de eeuw; de
+Dietsche bewerking, naar het schijnt, uit den aanvang der 14de. Het
+Nederlandsch rijmwerk schijnt vóór 1353 reeds verbreid te zijn
+geweest[10].
+
+Dicht bij deze catechetische werkjes staat het _Boec van der Wraken_,
+omstreeks het midden der 14de eeuw gedicht; dit geschrift bevat een
+aantal voorbeelden van Gods wrekende gerechtigheid, zichtbaar in
+allerlei gebeurtenissen uit vroeger en later tijd. Opmerkelijk is hier
+vooral de voorstelling dat Gods hardheid en haastigheid zijn afgenomen,
+sinds Hij mensch geworden was:
+
+ Aldus haestich ende dus hart
+ Was God eer hi mensche wart;
+ Maer sint dat hi die menscheyt kinde,
+ Ende God die menscheyt minde,
+ En heeft hi so haestelike
+ Niet ghewroken op aertrike[11].
+
+Ook het sterk Duitsch getinte rijmwerk van _Die X Plaghen ende die X.
+Ghebode_, dat een allegorischen uitleg der Tien Plagen van Egypte geeft.
+Egypte is b.v. de duisternis der zonde, die der ziel schade doet en de
+zinnen des menschen verblindt. Overigens vindt men hier een groot aantal
+aaneengeregen uitspraken, aan den Bijbel, de apocriefe boeken en de
+kerkvaders ontleend[12].
+
+Tegenover dit achttal geschriften van wetenschappelijken of van
+theologischen aard plaatsen wij een dozijn andere, die een
+opvoedkundig-zedelijk karakter dragen. In aantal, maar meer nog in
+omvang en beteekenis, overtreffen de laatstgenoemde die der eerste
+soort.
+
+Het algemeen karakter van deze werken der tweede soort leeren wij al
+dadelijk kennen uit dit drietal: _Dietsche Doctrinael_, in 1345 door een
+onbekend dichter te Antwerpen voltooid; _Nieuwe Doctrinael_,
+samengesteld, misschien in 1351, door JAN DE WEERT, chirurgijn te
+Yperen; _Spiegel der Zonden_, het werk van een Westvlaamsch dichter der
+14de eeuw[13]. Alle drie zijn leerboeken van practische zedekunde; zij
+geven eene uiteenzetting der onderscheidene deugden en ondeugden, van de
+middelen waardoor men de deugden kan aankweeken en de ondeugden
+tegengaan; de twee laatste lichten dat alles gaarne toe met voorbeelden,
+zij wijden zich zoowel aan den opbouw van het persoonlijk zedelijk leven
+als aan dien van het huiselijk en burgerlijk leven. Dit karakter spreekt
+zich uit ook in de titels dezer werken: een _doctrinael_ is een
+leerboek, inzonderheid van practische moraal; _Spiegel der Zonden_
+spreekt voor zich zelf. JAN DE WEERT noemde zijn werk in den tekst:
+"_Spieghel der Zonden of Doctrinael_", en de middeleeuwsche titel vóór
+den aanvang luidt: "Hier beghint een goet boec van den VII. doetsonden
+ende van den X gheboden."
+
+Van denzelfden aard als dit drietal moet het verloren werk zijn geweest
+van den dichter der _Dietsche Doctrinale_, dat getiteld was _Exemplaer_
+en handelde over de "IIII. doeghden cardinale."
+
+Wat deze werken gemeen hebben is, dat zij, evenals verreweg de meeste
+dezer leerdichten, uit het Latijn vertaald of althans naar het Latijn
+bewerkt zijn; voor een deel bestaan zij "uit los aaneengeregen
+aanhalingen uit gewijde schrijvers, apocriefe zoowel als canonieke, uit
+kerkvaders en voor een klein deel ongewijde schrijvers" [14]. Echter
+moet men hier eene uitzondering maken voor al die plaatsen, waar de
+auteurs over hun eigen tijd spreken en waar zij, zooals vooral JAN DE
+WEERT doet, hunne uiteenzetting of hun betoog toelichten met
+voorbeelden, door hen aan de werkelijkheid ontleend.
+
+De _Dietsche Doctrinale_ beperkt zich in hoofdzaak tot eene
+uiteenzetting van deugden en ondeugden; de _Nieuwe Doctrinael_ verbindt
+met zijne beschouwing van doodzonden en geboden eene scherpe
+zedenhekeling van alle standen; de _Spiegel der Zonden_ staat dichter
+bij den _Nieuwen_ dan bij den _Dietschen Doctrinael_, doordat hij
+waarschijnlijk berust op eene Latijnsche verhandeling over de zeven
+doodzonden en met die stof zedenhekeling verbindt; anders echter dan JAN
+DE WEERT heeft de "simpele clerc" zijne waarschuwingen en raadgevingen
+toegelicht door tal van "exempelen", "ware of verdichte verhalen,
+waaruit iets te leeren viel," die in de geschiedenis der
+wereldliteratuur zulk eene belangrijke rol hebben gespeeld [15]. Echter
+richt ook de bewerker van den _Spiegel der Sonden_ zijn blik niet zelden
+op zijne omgeving en op misbruiken, die hij zelf moet hebben
+waargenomen. Zoo b.v. waar hij te velde trekt tegen de weelde, tegen den
+adel die de boeren verdrukt, tegen de drankzucht en de kwartjesvinders
+dier dagen:
+
+ die schanienisse
+ Vanden speelre [Zijnoot: spelers.] ende die verradenisse,
+ Als si noden om drinken of eten
+ Den ghenen dien si bi ghelde weten,
+ Ende vake maken si onder hem drien
+ Of vieren verbond te rovene dien[16].
+
+Voor een betere kennis van het maatschappelijk leven dier dagen zijn
+deze leerdichten van veel belang. Echter zal men bij een werk als _de
+Spiegel der Zonden_ nimmer uit het oog mogen verliezen dat het de
+bedoeling van den samensteller was: _slechts_ de zonden te doen zien en
+dat JAN DE WEERT vooral een hekeldichter is. Wij mogen hem geen geloof
+weigeren, waar hij ons vertelt van den vraat die zijn vinger in de keel
+placht te steken om daardoor zijn volle maag te ontledigen en opnieuw
+aan het schrokken te kunnen slaan. Belangrijk voor de kennis van het
+bijgeloof zijn ook zijne mededeelingen over het "werken met
+toverringhen" om daarmede vrouwen of iets anders machtig te worden, over
+het betooveren van koeien en andere beesten. Doch men moet zich wachten
+voor het vormen van een algemeen oordeel, louter op grond van zulke
+plaatsen.
+
+Zoo zal ook JAN DE WEERT'S oordeel over de dartelheid der toenmalige
+meisjes: "waren zij niet bang voor de gevolgen, men zou er tenauwernood
+ééne maagd onder vinden", zeker wel waarheid maar niet de waarheid
+bevatten.
+
+Niet alleen het zedelijk en maatschappelijk leven, ook het godsdienstig
+gemoedsleven van de Nederlanders der 14de eeuw, kan men door deze
+leerdichten beter leeren kennen. Zoo vindt men in den _Nieuwen
+Doctrinael_ dezelfde verlichte opvatting omtrent de beteekenis van
+beelden die wij reeds vroeger hebben aangewezen en eene uitvoerige
+beschouwing van de verhouding tusschen den berouwvollen, boetaardigen
+zondaar en God[17].
+
+In den _Dietschen Doctrinael_ en den _Spiegel der Zonden_ wordt
+gehandeld over de "caritate" en de verdere verhouding tusschen God en
+den mensch. Toch houden deze leerdichters den blik niet bij voorkeur op
+het godsdienstig gemoedsleven gericht. Hoofdzaak is voor hen, wat
+RUYSBROECK samenvatte onder den naam van het _Werkende Leven_. Waar een
+hunner een enkele maal over het _Schouwende Leven_ spreekt, daar is hij
+er blijkbaar mee verlegen, hoe hij het zal plaatsen tegenover het
+Werkende Leven. Er is veel over getwist, schrijft de samensteller van
+den _Dietschen Doctrinael_, welk dier twee het best zou zijn. Zelf is
+hij blijkbaar geneigd het Werkend Leven hooger te stellen; immers dat is
+"vele meerre arbeit"; de schouwer doet niets anders dan dat hij "zijnen
+Schepper liefheeft". Wat hem echter weerhoudt aan het Werkend Leven den
+voorrang te geven is, dat degelijke geleerden het Schouwende Leven
+hooger gesteld hebben; bovendien, CHRISTUS zeide immers van MARIA, dat
+zij het beste deel gekozen had; zoo komt de auteur van den _Doctrinael_
+niet tot eene slotsom. In overeenstemming met de geringe plaats, door
+het Schouwende Leven ingenomen, is ook, dat deze leerdichters slechts
+zelden over Gods wezen en het wezen der ziel spreken. In den _Dietschen
+Doctrinael_ vinden wij een hoofdstuk "Van der Godheit" en "noch
+subtijlre van Gode", in _der Leken Spieghel_ een paar hoofdstukken "van
+Gods wesene" en "van den wesene der zielen", doch wat beteekent dat
+viertal tegenover de honderde hoofdstukken van anderen aard?
+
+De rijkdom aan gegevens, dien deze leerdichten bieden aan den
+onderzoeker van de zedelijke ontwikkeling onzer voorouders, mag ons oog
+niet verblinden voor hunne doorgaans geringe waarde als literaire
+kunstwerken. JAN DE WEERT moge wel eens zekere levendigheid en gloed
+vertoonen, de samensteller van den _Spiegel der Zonden_ aardige woorden
+maken of althans gebruiken als "slaeplief" (concubine), "die
+beeste-mensche" of "die mensche-beeste" (la bête humaine), over het
+algemeen kan hier van schoonheid zelden sprake zijn. Noch in den bouw
+der werken, noch in het verband der deelen, noch in de uitwerking der
+onderdeelen valt doorgaans--want er zijn uitzonderingen--eenige kunst te
+bespeuren. Het mag de vraag heeten of deze dichters in staat waren tot
+het voortbrengen van belangrijke literaire kunst, maar zeker hebben zij
+er niet naar gestreefd.
+
+Het leerdicht der 14de eeuw vindt zijn meest typischen vertegenwoordiger
+in den Antwerpschen "scepenclerc" JAN BOENDALE, die waarschijnlijk in
+het laatste kwart der 13de eeuw geboren is. Onder den invloed van
+MAERLANT begint hij met een paar geschiedkundige werken: de _Brabantsche
+Yeesten_ en _Van den derden Edewaert_, dat den krijgstocht van den
+Engelschen koning EDUARD III tegen Frankrijk behandelt is[18]. Maar
+verreweg zijn gewichtigste werk levert hij daarna in _der Leken
+Spieghel_, een leerdicht dat tusschen 1325 en 1330 is samengesteld[19].
+In dit volksboek vond de leek ongeveer alles bijeen wat hij noodig had
+om zich als christen, mensch en burger te ontwikkelen. Het werk sprak
+eerst over God, den hemel, de goede en kwade engelen, het heelal, de
+planeten, de aarde, de hel. Daarna kwam het op den mensch, op zijne
+geschiedenis en op die van het Joodsche volk, Gods uitverkorenen; als
+aanhangsel der Joodsche geschiedenis werd ook iets van de geschiedenis
+der Romeinen medegedeeld. Na zoo, evenals de mystiek, van God tot den
+mensch te zijn afgedaald, maakt de dichter zich gereed weer tot God op
+te klimmen; maar lang is de weg. De mensch kan slechts tot hooger
+ontwikkeling komen doordat God op aarde is afgedaald. Gods menschwording
+wordt dus medegedeeld, het leven van JOZEF en MARIA, JEZUS' kindsheid en
+geschiedenis; een overzicht van de geschiedenis der door Hem gestichte
+kerk sluit zich daarbij aan. Nu plaatst de schrijver den mensch in zijne
+verhouding tegenover God, leert hem hoe hij zijn persoonlijk zedelijk
+leven kan ontwikkelen, hoe hij zich te gedragen heeft in het huwelijk en
+bij de opvoeding zijner kinderen; wat de plichten zijn van een goed
+landsheer, van een rechter; wat men te denken hebbe over de waarde en
+het wezen van kunst en wetenschap, over minne, vriendschap, mildheid,
+maagschap, voeding en dergelijke belangen. Hij besluit zijn werk met een
+groot toekomstbeeld: de Antikrist zal op aarde komen en het volk
+verleiden; de Heer zal zijne twee getrouwe knechten HENOCH en ELIA tegen
+hem uitzenden, de Antikrist zal hen dooden, doch de "gadoot" [Zijnoot:
+plotselinge dood.] zal hem zelven van Gods hand treffen. Dan zullen er
+teekenen geschieden: de zee zal zich verheffen, zeegedrochten zich
+vertoonen en angstwekkend huilen, dan aardbeving, opstanding der dooden;
+hemel en aarde zullen in brand staan--zóó zal de Dag des Oordeels worden
+aangekondigd. Op de wolken zal dan de rechter komen, die in het dal van
+Josaphat de menschen zal oordeelen, de goeden met zich voeren, doch de
+boozen ter helle verwijzen.
+
+Dat is de kern der omvangrijke stof die in bijna 22000 verzen, nochtans
+beknopt en zaakrijk, behandeld is. Zeker was daarin veel waarmede de
+leeken hun voordeel konden doen. Zij vonden er nuttige kennis en dingen
+die hunne algemeene ontwikkeling konden bevorderen naast lessen voor de
+practijk des levens; zoo wekt BOENDALE de landsheeren op tot zorg voor
+het algemeen welzijn; de poorters tot onderlinge eendracht, te waken
+tegen zelfverheffing, hunne kinderen op hun zevende jaar naar school te
+zenden om lezen en schrijven te leeren[20]. Doch sterker invloed nog zal
+hij geoefend hebben door zijne verheffing van het geestelijke boven het
+stoffelijke. Hoe forsch pakt hij de overmoedige zinnelijkheid dier
+opkomende burgerij aan, waar hij haar voor oogen houdt dat de "arme
+menschelichede" het zwakste en onreinste zou zijn dat bestaat--ten ware
+dat de ziel haar door hare gratie bestierde en sierde. Onder een
+geslacht dat afzonderlijke woorden bezigde voor te veel eten en drinken
+("overate" en "overdranc") is BOENDALE een matigheids-apostel geweest
+die hun voorhield, dat éénmaal eten: geestelijk is, twéémaal:
+menschelijk, driemaal: beestelijk. Hij komt op tegen de voorstelling van
+God als een mensch: "God is altemale gheest; tegen afbeeldingen van
+engelen met menschenlichaam en vleugels; tegen de voorstelling van de
+kerk als een huis, zooals RUYSBROECK dat evenzeer had gedaan[21].
+
+De vraagstukken van maatschappelijken aard die hier behandeld zijn,
+vindt men, met eenige andere vermeerderd, terug in een tweede, veel
+kleiner, leerdicht van BOENDALE, dat getiteld is _Jan's Teesteye_
+[Zijnoot: overtuiging.] [22]. Nieuw is hier o.a. BOENDALE'S overtuiging:
+dat de menschen, vergeleken bij de vroegere, eer vooruit dan achteruit
+zijn gegaan, al heeft de adel onder den invloed der boozen geleden; dat
+de boeren en kooplieden zulke nuttige leden der maatschappij zijn; dat
+de vrouwen zoo vele en zoo groote gebreken hebben. Ook over dichters
+vinden wij hier eenige uitlatingen die niet zonder belang zijn, doch die
+wij liever elders zullen behandelen.
+
+Vooral in de _Teesteye_ zien wij, welk een sterken invloed MAERLANT op
+BOENDALE heeft geoefend. Zijne beschouwing van de "edelhede" is geheel
+die van MAERLANT, soms vinden wij zelfs woordelijke overeenkomst.
+MAERLANT'S _Martijn's_, zijn _Spieghel_, zijn _Rijmbijbel_, zijn roman
+_van Troyen_ zijn door BOENDALE blijkbaar gelezen; gelezen en bewonderd,
+want meer dan eens verkondigt hij den lof van "JACOB, die dichter
+hoghe"; in zijn _Lekenspiegel_ noemt hij hem zelfs "'t hooft van alle
+Dietsche poëten"[23]. MAERLANT heeft in BOENDALE die liefde tot de
+waarheid gewekt of versterkt, die hem den moed gaf zich zoo onbeschroomd
+tegenover de priesters te uiten, die hem ook aan een dichter den eisch
+deed stellen, "dat hi uter waerheit niet en kere"; doet hij dat, dan is
+hij den naam van dichter onwaardig[24].
+
+Toch is er tusschen den meester en zijn bewonderenden leerling een
+aanmerkelijk verschil.
+
+MAERLANT was een idealist. In zijn jonge jaren hadden de idealen van het
+ridderwezen zijn hart wel niet onverdeeld bezeten, maar er toch
+weerklank gevonden; de vereering der vrouwen had het in gloed gezet, die
+gloed was langzamerhand gezuiverd van rook en walm, de moedermaagd had
+al die romanheldinnen verdreven, den stralenden afglans van het vuur
+zijner jeugd zien wij in zijn _Land van Overzee_ en zijn _Kerken
+Claghe_; daar heeft de lezer en vertaler van ridderromans zich
+ontwikkeld tot een "miles Christianus".
+
+BOENDALE heeft ook wel eens van dien eerbied voor de vrouwen gehoord. De
+"edelhede", zegt hij in zijn _Teesteye_, gebiedt dat men over vrouwen en
+jonkvrouwen slechts hoofsche dingen spreke. Maar zich zelven acht hij
+blijkbaar aan dat gebod niet gebonden. Een paar hoofdstukken verder in
+datzelfde gedicht geeft hij eene karakteristiek van de vrouwen die aan
+duidelijkheid niets, aan hoofschheid alles te wenschen overlaat; hij zal
+er maar "een luttel" van zeggen: vrouwen zijn van nature loos, vrekkig,
+begeerig, twistziek, ongestadig, wraakzuchtig, zonder genade voor wien
+zij haten, hoovaardig, kinderachtig, onwetend, lichtgeloovig... men zou
+zeggen dat het zóó wel kon, doch het hoofdstuk geeft nog meer van dezen
+aard, er volgt een ander dergelijk dat getiteld is "noch van den wiven"
+en daarop nog een "exempel". Een geluk is er echter: "dat de vrouwe des
+mans dienstwijf is", wat men hieruit kan zien dat de vrouw het kind,
+door den man gewonnen, moet dragen en groot brengen; een taak waarvan de
+man terecht is vrijgesteld, omdat hij "heer en voogd van het aardrijk"
+is.
+
+Men zou BOENDALE onrecht doen, indien men verzweeg dat hij zelf zijn
+best heeft gedaan om niet misverstaan te worden; op deze hoofdstukken
+heeft hij een ander laten volgen dat handelt "van den goeden wiven";
+daarin maakt hij onderscheid tusschen "vrouwen" en "wiven": al het kwade
+geldt slechts van de "wiven", zegt hij; van de "vrouwen" weet hij
+allerlei liefelijke en goede dingen te vertellen: een goede vrouw is
+haar mans schat, zij draagt zorg voor haar mans eer, voor zijn leven,
+zijn goed; zij is hem trouw tot in den dood; zij is dikwijls wijs, geeft
+goeden raad, houdt vrede met haar man, zij troost hem als hij verdriet
+heeft; een goede vrouw gaat zilver en goud te boven en purperen
+staatsiekleederen en saffieren... aldus stelt BOENDALE het goede
+tegenover het kwade.
+
+Het feit dat drie hoofdstukken aan de "wiven" gewijd zijn en slechts één
+aan de "vrouwen" behoeft hier niet zwaar te wegen. Doch ook al ware hij
+even uitvoerig geweest over de goede als over de kwade vrouwen, dan nog
+zou men terecht mogen beweren, dat een dichter die de fouten en zonden
+der vrouwen zóó breed kon uitmeten, weinig sympathie kan hebben gevoeld
+voor het hoog en zuiver idealisme, dat, vermengd met elementen van
+minder waarde, in den middeleeuwschen vrouwendienst gevonden werd. Ja,
+ook MAERLANT heeft in zijn roman _van Troyen_ wel eenige verzen vertaald
+waarin gebreken der vrouwen worden opgesomd, doch wie het _vóór_ en het
+_tegen_ de vrouwen in MAERLANT'S werken onderling vergelijkt, zal toch
+moeten instemmen met de slotsom van MAERLANT'S vriend MARTIJN:
+
+ Jakob, du best den vrouwen hout [Zijnoot: genegen.],
+ Du gheves den mannen al de scout [Zijnoot: schuld.].
+
+Ook elders toont BOENDALE zekere nuchterheid en bezadigdheid, die hem
+afkeerig maakt van wat buiten de middelmaat valt; "middelheit houden
+over al", dat moet iemand doen die zich zelven mint. Een ander minnen is
+goed, maar ieder minne een ander zóó, "dat hi sijns selfs scade niet en
+doe", want doet hij dat niet, dan heeft hij een ander liever dan zich
+zelven--en, wie zóó liefheeft, leeft "onwijslijc". Zoo moet men arme
+brave bloedverwanten wel helpen, doch zóó dat men er zelf de minste
+schade bij lijdt [25].
+
+MAERLANT'S idealisme maakte hem pessimist, gelijk zoovele idealisten
+vóór en nà hem. De werkelijkheid ontstemt, bedroeft, ergert hem; om zijn
+geloof aan de menschheid te kunnen behouden, vlucht hij ermee naar een
+droomland in een ver verleden waar alles rein en goed was; bij de
+toestanden uit die gouden eeuw vergeleken, is al wat hem op deze aarde
+omringt, gebrekkig, leelijk, zondig.
+
+BOENDALE is het hier geenszins met zijn voorganger eens. In zijn
+_Lekenspiegel_ sprak hij de overtuiging uit, dat de menschen
+tegenwoordig even goed zijn als vroeger. In zijn _Teesteye_ neemt hij
+die stelling in het eerste hoofdstuk reeds weer op, gaat na hoe het komt
+dat wij het voorgeslacht zoo prijzen, betoogt de waarheid zijner
+stelling met voorbeelden uit het Oude en het Nieuwe Testament, en hangt
+daarna een zóó verlokkend tafereel op van de braafheid en vroomheid
+zijner tijdgenooten dat men een oogenblik aan ironie denkt; doch uit het
+gansche werk blijkt dat men den dichter ook hier moet houden aan zijn
+woord. Deze verheerlijking van zijn tijd komt in een eigenaardig licht
+te staan, indien men haar naast den proloog van het werk plaatst.
+BOENDALE heeft zijn _Teesteye_ opgedragen aan een machtig en invloedrijk
+edelman, ROGIER VAN LEEFDALE, kanselier van Brabant en burggraaf van
+Brussel. Heer ROGIER was blijkbaar een MAECENAS voor BOENDALE. De
+dichter verzekert dat hij zijne dichtkunst wil stellen ten dienste en
+ter eere van zijn hoogen beschermer en diens gemalin AGNES VAN CLEVE.
+Hoog verheft hij beider lof, zelfs hunne namen deelen daarin: wie kan
+mooier namen bedenken dan: ROGIER EN ANGENEESE? Één ding hoopt hij nu
+slechts: dat Heer ROGIER in dit werk niets vinden moge dat hem mishaagt.
+Vroeger is hij vaak in vreeze geweest, wanneer hij zijn beschermer eenig
+dichtwerk zond, of het hem wel bevallen zou; daarom is hij nu voortaan
+op zijn hoede, want Heer ROGIER ziet scherp en heeft hem wel eens
+berispt over zijne poëzie.
+
+Blijkbaar had BOENDALE in een vorig gedicht (welk?) te stout en te
+scherp gesproken, waarschijnlijk over maatschappelijke misstanden en
+moest de aanvang der _Teesteye_ Heer ROGIER weer in een goed humeur
+brengen. Maar een idealist, een echte, doet zulke dingen toch niet.
+
+MAERLANT sprak een stout woord voor dien tijd, toen hij, het eerst in de
+volkstaal, neerschreef dat de ware adel in de deugd gelegen is. BOENDALE
+volgt hem daarin slechts na. MAERLANT zwijgt over de democratische
+beweging zijner dagen, die opkwam toen hij reeds bejaard was; doch hij
+heeft er zich toch niet vierkant tegenover geplaatst zooals BOENDALE.
+
+MAERLANT bewerkte den _Rijmbijbel_; BOENDALE voegde bij het werk van
+zijn voorganger slechts het een en ander uit de apocriefe
+evangeliën[26].
+
+MAERLANT was geen hervormer maar toch een vernieuwer en een voorganger;
+BOENDALE een verdienstelijk volger en behouder.
+
+MAERLANT eindelijk was een dichter die, ja, ter wille van zijn volk veel
+berijmd proza heeft geschreven, maar in wiens werk toch op menige plaats
+echte poëzie te zien valt als groene loten tusschen het dorre hout.
+BOENDALE'S poëtisch vermogen was blijkbaar gering. In zijne voorstelling
+van den naderenden
+
+Oordeelsdag zijn hier en daar elementen van grootsche verhevenheid die
+doen denken aan het Oudhoogduitsche _Muspilli_; doch waarschijnlijk
+heeft hij ook deze aan een of andere Latijnsche bron ontleend; indien
+hij al iets van deze verhevenheid hebbe beseft, dan is hij er toch niet
+in geslaagd het ons te doen zien.
+
+In zijn beste werk, _der Leken Spieghel_, kan men slechts op een paar
+plaatsen wijzen die zich boven het gelijkvloersche verheffen. De eene is
+die waar hij spreekt over de roeping van den dichter; de andere, eene
+uiting van verlangen naar de paradijsweelde van JEZUS' liefde, bevat
+misschien de beste verzen die hij geschreven heeft:
+
+ O edele minne, wanneer seldi
+ Volkomenlike comen in mi?
+ Of dat ic uwes ghesmake iet!
+ Had ic u, mine ghebrake niet [Zijnoot: mij zou niets ontbreken]",
+ Al mijn vernoy [Zijnoot: verdriet]" ware verdreven.
+ Ay heere! wilt mi gheven
+ U vaderlike minne daer toe:
+ So blivic eeuwelike vroe [Zijnoot: blijde]"[27].
+
+_Jans Teesteye_, het werk van BOENDALE, waarin MAERLANT'S invloed zich
+het duidelijkst vertoont, is geschreven in den vorm eener samenspraak
+tusschen een paar vrienden, WOUTER en JAN; echter niet in regelmatige
+afwisseling van vraag en antwoord verdeeld over afzonderlijke
+coupletten, maar zóó dat verreweg de meeste hoofdstukken aanvangen met
+een vraag van WOUTER die door JAN wordt beantwoord. Misschien moeten wij
+dit dialogisch karakter toeschrijven aan den invloed van MAERLANT'S
+_Martijns_, doch, zooals wij reeds in den aanvang van dit hoofdstuk
+zagen, het leerdicht koos gaarne dezen vorm.
+
+Wij vinden den dialoogvorm nog in een drietal leerdichten die wij nu
+zullen behandelen.
+
+_Meliboeus_ een "boec van troeste ende van rade" is eene vertaling uit
+het Latijn van ALBERTANUS VAN BRESCIA en werd in 1342 door een te
+Antwerpen wonend dichter voltooid. Het zou worden opgedragen aan den
+hertog van Brabant en de hier aangeboden troost en raad waren dan ook
+voornamelijk gericht tot landsheeren, zooals ons in den proloog wordt
+medegedeeld. In een onregelmatig dialogischen vorm geeft het gedicht
+allerlei opmerkingen ten beste over de wijze waarop een man zich heeft
+te gedragen in den strijd o.a. met het vleesch, de wereld en den duivel;
+verreweg de meeste plaats wordt echter ingenomen door een breedvoerige
+behandeling van vragen als: of en wanneer een man rekening moet houden
+met den raad zijner vrouw, wat men schuwen moet in het raadplegen, hoe
+men zal onderzoeken of een raad nuttig is, dat men aan jongere menschen
+geen raad moet vragen enz.
+
+Mogelijk is ook dit werk van BOENDALE'S hand, al zal eerst voortgezet
+onderzoek deze mogelijkheid tot zekerheid of hooge waarschijnlijkheid
+kunnen brengen[28].
+
+Den invloed van MAERLANT'S _Martijns_ dien wij in BOENDALE'S _Teesteye_
+opmerkten, zien wij eveneens in _Eene disputacie van Rogiere ende van
+Janne_, door den Yperschen chirurgijn JAN DE WEERT gedicht, nadat hij
+den _Spiegel van Zonden_ had voltooid. Evenals in den _Meliboeus_ wordt
+ook hier de strijd van den mensch met zijne drie vijanden: het vleesch,
+de wereld en den Booze behandeld. Wij hebben deze voorstelling reeds
+leeren kennen uit RUYSBROECK'S _Werkende Leven_; ook andere deelen
+daarvan vinden wij in deze _Disputacie_ terug, zoo b.v. de rol die Gods
+gratie vervult in dezen strijd van den mensch met zijne vijanden; de
+vergelijking van den mensch bij eene stad waarin de vrije wil koning
+is[29].
+
+Toen JAN DE WEERT dit werk schreef, stond MAERLANT'S beeld hem voor
+oogen; MAERLANT'S naam wordt door hem dan ook meer dan eens genoemd, de
+_Martijns_ vermeld en de trant dier werken nagevolgd. Maar het talent
+van den navolger schoot te kort; de dwang van MAERLANT'S kunstig
+gebouwde strophe belemmert hem voortdurend in het voorwaartsgaan en hij
+was zich daarvan wel bewust, toen hij schreef:
+
+ Mijn conste en es niet also groot
+ Als Jacops hier te voren.
+
+Toch is hier nog in het kiezen van dien vorm een streven naar kunst.
+
+Dat streven valt tenauwernood te ontdekken en is bijna schuil gegaan
+achter het nuttigheidsbeginsel in de samenspraak tusschen vader en zoon,
+die onder den titel _Seneka leren_ eene vertaling bevat van een aan
+SENECA terecht of te onrechte toegeschreven werkje _De Remediis
+Fortuitorum_[30]. De Dietsche vertaling bevatte een menigte welgemeende
+terechtwijzigingen, verstandige voorschriften en lessen van
+levenswijsheid, in zuivere taal uitgedrukt. Door dat karakter sluit dit
+werkje zich aan eenerzijds bij den _Dietschen Catoen_ uit vroegeren tijd
+en bij eenige andere gelijktijdige: het _Doctrinael savage_, _die Bouc
+van Zeden_ en _Van Zeden_[31].
+
+Evenals de meeste overige leerdichten, zijn ook deze werkjes wel niet
+zonder belang voor de geschiedenis der literatuur--immers, zooals men de
+literatuur toen beschouwde--maar toch belangrijker voor de
+zedengeschiedenis. De twee laatste werkjes vooral zijn gewijd aan de
+verfijning van manieren en gedrag in het dagelijksch leven. Men ziet
+eruit dat ook de burgerij prijs gaat stellen op uiterlijke beschaving en
+tevens dat die beschaving nog geen hoogen trap had bereikt. Dat laatste
+blijkt wel, wanneer men in het oog houdt wat de Dietsche vertaler van
+het laatstgenoemde geschrift zijnen lezers en hoorders al zoo voorhoudt:
+eet en drink niet tegelijk; soppen in een nap gaat aan, in den mond
+niet; bijt niet in een stuk dat gij (daarna) in den schotel wilt leggen;
+gebruik het tafellaken niet om er uwe tanden, tranende oogen of uw neus
+mede te vegen; vat den beker niet bij den rand aan; wijs niet met den
+vinger naar iemand over wien gij spreekt; komt gij voor iemands deur,
+val dan niet met de deur in huis, maar geef een of ander teeken door
+kloppen, hoesten of spreken. Andere voorschriften echter waren berekend
+niet zoozeer op het te keer gaan der oorspronkelijke ruwheid als wel op
+het verhoogen der reeds aanwezige beschaving. Zoo b.v.: lach niet te
+veel; lach ook niet in u zelven, want dat is een teeken van boosheid en
+geveinsdheid; spreek niet minachtend over vrouwen; zit gij in gezelschap
+van uwen meerdere, sla dan het eene been niet over het ander; moet gij
+slapen in één bed met uw gelijke of uw meerdere, vraag hem dan aan
+welken kant hij wil liggen.
+
+Door raadgevingen als die over de drie vijanden van den mensch houdt het
+bundeltje _Van Zeden_ verband met _Meliboeus_ en JAN DE WEERT'S
+_Disputacie_, anderzijds beseft de bewerker wel dat hij iets geeft dat
+in den _Dietschen Catoen_ niet gevonden werd[32].
+
+
+De hier behandelde tweespraken en dialogische gedichten, de korte
+coupletten, waaruit het bundeltje _Van Zeden_ bestaat, kunnen dienen als
+voorbereiding op de didactische lyriek, die wij in een volgend hoofdstuk
+zullen leeren kennen. Zij zijn als schakels, die de leerdichten in
+epischen vorm verbinden met de didactische lyriek. Geen der in deze
+laatste bladzijden behandelde werken is daartoe zóó geschikt als het tot
+nu niet genoemde werk van zekeren JAN PRAET, dat men op grond van eene
+aanwijzing in den tekst _Leeringhe der Zalichede_ heeft genoemd[33].
+Gedicht nu eens in verzen met overslaand rijm, dan weer in paarsgewijze
+rijmende verzen, die onderbroken worden door vier- en zesregelige
+coupletten, afgewisseld op hunne beurt door twaalfregelige "motetten",
+geeft dit rijmwerk ons een vermoeiend bonte afwisseling van dichtvormen
+te zien. Harmonie heerscht hier in zóóver, dat ook de inhoud een bonte
+verscheidenheid toont; doch die harmonie beperkt zich tot de
+oppervlakte, want de wisselingen van vorm beantwoorden niet aan
+wisselingen van inhoud of stemming, maar schijnen slechts voort te komen
+uit zekere onrust, misschien ook uit de zucht van den auteur om met
+zijne kunstvaardigheid te pronken.
+
+Daar de aanvang en het slot van het werk ontbreken, kunnen wij ons uit
+de ongeveer 5000 overgebleven verzen geene volkomen voorstelling vormen
+van het plan des dichters. De aanvang van het fragment verplaatst ons in
+een lofzang op de H. Maagd. Hare deugden worden opgenoemd in verband met
+de letters van haar naam. Telkens begeeft de auteur zich in eene
+uitweiding, zoo b.v. over de wanhoop en de geschiedenis van THEOPHILUS.
+De voorstelling van het leven als een gevaarlijke zeereis wordt breed
+uitgewerkt: het lichaam is het schip, het hart de schipper, het gepeins
+het anker; het kompas, bestaande uit naald, zeilsteen en water, geeft
+een voorstelling van Verstand, Zin en Geheugen. Hoogmoed wordt gelaakt;
+zelfkennis aangeprezen; de verachtelijkheid van het lichaam met nadruk
+betoogd. Daarna wordt het beeld van het schip weer op den voorgrond
+gebracht. De auteur, die zich hier wel in de plaats zal stellen van den
+gewonen mensch, belijdt dat hij schuldig staat aan de zeven hoofdzonden;
+deze worden dan op de bekende middeleeuwsche wijze voorgesteld als een
+boom (hoovaardij) met zes takken (_arbor vitiorum_). Staaltjes van de
+wijze, waarop de hoofdzonden zich in het leven openbaren, worden
+medegedeeld; vooral de priesters moeten het hier ontgelden in hun
+wellust, luiheid en hebzucht. Een lang dispuut tusschen Hoovaardij en
+Ootmoed volgt; daarna een beschrijving van een strijd tusschen de
+deugden en de ondeugden (bekend uit PRUDENTIUS' _Psychomachia_); ten
+slotte wordt Hoovaardij berispt door Vrouwe Sapientia en JEZUS' leven
+uitvoerig verhaald.
+
+Hoewel nergens blijkt dat een bepaald werk of een auteur door JAN PRAET
+gevolgd is, knoopt hij toch telkens nieuwe beschouwingen vast aan
+Latijnsche teksten of korte Latijnsche verzen, die niet zelden door hem
+worden uitgebreid. In die uitbreidingen, vooral in de lyrische gedeelten
+daarvan, toont deze auteur zich op zijn best. Zijn smaak was niet
+fijn--getuige zijne vergelijking van God, die zich van sommige priesters
+afkeert, bij een haas die de honden ontvlucht[34]--hij weet zich niet te
+beheerschen noch te beperken, toont zich niet zelden een
+gelijkvloerschen rijmelaar; doch, waar hij op zijn best is, weet hij ook
+aardige, gemakkelijk voortloopende coupletten te dichten, die zekere
+natuurlijke bevalligheid vertoonen. Zoo b.v. het "motet" dat aanvangt:
+
+ Bi rimes zucht [Zijnoot: nadeelige invloed van de rijp.]
+ Verlieset vrucht
+ Saen hare baten
+
+of:
+
+ Hooren, peinsen,
+ Zwighen, veinsen
+ Ende wel voorsien,
+ Dat zijn seden
+ Van wijsheden
+ Dies willen plien [Zijnoot: plegen.].
+
+Ook de aanvang der lange passage, waar Vrouwe Hoovaardij aan het woord
+is, mag hier genoemd worden:
+
+ Ic doe tornieren,
+ Ridders verfieren [Zijnoot: stouter worden.]
+ Van haren zinne,
+ Vrouwen pareren,
+ Zinghen, baleren [Zijnoot: dansen.]
+ Om ridders minne;
+ Knapen [Zijnoot: schildknapen.] josteren [Zijnoot: strijden te paard in
+tweegevecht.]
+ Ende breken speren
+ Om roeme saken;
+ Joncfrouwen vermoyen,
+ Wempelen ployen
+ Ende horne [Zijnoot: de horens van het middeleeuwsch kapsel.] maken.
+
+Zulke stukken herinneren ons, dat er in de 14de eeuw eene bloeiende
+lyriek wordt aangetroffen. Met die lyriek zullen wij ons spoedig hebben
+bezig te houden. Eerst echter wacht ons een andere taak: na te gaan, wat
+er van den _Reinaert_ geworden is onder den invloed van de sterke
+didactische neigingen der burgerijen.
+
+
+REINAERT II.
+
+Een eeuw en het vierde eener volgende eeuw waren voorbijgegaan, sinds
+een Vlaamsch dichter de geschiedenis _van den vos Reinaerde_ aan zijn
+volk had verhaald.
+
+Welken indruk dit dichtwerk op het publiek heeft gemaakt, kunnen wij wel
+vermoeden doch niet in bijzonderheden aantoonen. Moesten wij afgaan
+alleen op het ontbreken van handschriften uit de 13de en 14de eeuw,
+waarin het gedicht is bewaard, dan zou men moeten aannemen dat het
+weinig of niet bekend is geworden. Maar de afkeurende critiek van
+ernstige mannen als WILLEM VAN AFFLIGHEM en MAERLANT bewijst wel, dat de
+roodbaard in ruimer kring sympathie vond dan hun lief was. Duidelijk
+openbaarde zich die sympathie bij zekeren BALDWINUS, die omstreeks of
+eenigen tijd vóór 1280 aan ons gedicht de zeldzame eer eener vertaling
+in het Latijn bewees. Maar indien de _Reinaert_ daardoor al in de
+schatting ook der ernstige mannen gerezen is, dan toch waarschijnlijk
+alleen omdat hij ook nuttige lessen bevatte. Dat standpunt zien wij ten
+minste JAN BOENDALE innemen ongeveer een halve eeuw nadat de Latijnsche
+vertaling vervaardigd is. In zijn _Lekenspiegel_ zegt hij, sprekend "van
+Reynaerde ende Ysegrime, Brunen den bere ende den das":
+
+ Dat dese dinc vonden was,
+ Was al om lere ende wijsheit[35].
+
+Die opvatting bleef gelden ook bij anderen die na hem kwamen. Indien
+BOENDALE--wat niet waarschijnlijk is--nog heeft geleefd omstreeks 1375,
+dan heeft hij zijn hart kunnen ophalen aan een verhaal _van den vos
+Reinaerde_, dat waarschijnlijk wel genade zal hebben gevonden in de
+oogen der ernstige mannen van dien tijd. In dat jaar toch heeft een
+onbekend, geletterd dichter het oude verhaal opnieuw bewerkt in den
+geest der didactische dichters. WILLEM'S gedicht is door hem tot
+grondslag genomen eener nieuwe bewerking, bestaande uit: 1o het oude
+gedicht, doch met allerlei wijzigingen, invoegsels, toevoegsels en
+weglatingen; 2o eene voortzetting van het oude gedicht in den geest
+zijner bewerking van WILLEM'S gedicht. In zijn werk heeft hij tal van
+nieuwe dierfabels gelascht: wolf en merrie, man en slang, paard en hert,
+ezel en hond, wolf en kraanvogel, zieke leeuw en Reinaert als arts; deze
+zijn ontleend deels aan den _Esopet_ deels waarschijnlijk aan de
+Latijnsche fabelverzameling _Romulus_. Aan de voortzetting van het oude
+gedicht ligt waarschijnlijk eene Fransche bewerking van een deel der
+Reinaert-sage ten grondslag, doch de Nederlandsche bewerker heeft op
+dien grondslag zelf voortgebouwd.
+
+De dichter van 1375 heeft uit den ouden _Reinaert_ vrij wat weggelaten
+doch er ook vrij wat aan toegevoegd; zijne bewerking van WILLEM'S
+gedicht heeft denzelfden omvang als dat gedicht zelf. Door de
+voortzetting die meer dan 4000 verzen bedraagt, verkreeg _Reinaert II_,
+zooals men het 14de-eeuwsch gedicht gewoonlijk noemt, echter meer dan
+den dubbelen omvang van _Reinaert I_.
+
+Willen wij trachten _Reinaert II_ te leeren kennen en te kenschetsen,
+dan zullen wij dat werk voortdurend naast _Reinaert I_ moeten houden om
+de overeenkomst en het verschil tusschen beide te beter te zien[36].
+
+
+
+Evenals in de 13de eeuw zien wij ook nu na de ridderpoëzie eene
+bewerking der Reinaert-sage verschijnen, doch verschillend in wezen van
+die der 13de eeuw en onder andere omstandigheden.
+
+Het oude gedicht _Van den vos Reinaerde_ was, evenals het Fransche
+gedicht _Le Plaid_, ontstaan ten deele uit lust tot parodieering van
+ridderwezen en ridderpoëzie; de Vlaamsche dichter heeft die parodie op
+zelfstandige wijze met onmiskenbaar talent uitgewerkt en voortgezet. De
+parodie die in _Reinaert I_ reeds aanwezig was, is door den lateren
+dichter grootendeels behouden, doch, behalve de beschrijving van een
+tweekamp tusschen vos en wolf, heeft hij daaraan niets toegevoegd
+waaruit lust tot zulke parodie ook in hem blijkt. Wel zien wij op een
+enkele plaats dat hij het ridderwezen niet hoog stelt; hij zegt immers
+dat hij den strijd tusschen Reinaert en Isegrim liever zou zien dan dien
+"van twee riddren in een perc"[37]. Overigens moeten wij niet vergeten
+dat er voor zulk eene parodie omstreeks 1375 weinig reden meer bestond;
+het ridderwezen was niet meer wat het nog in de eerste helft der 13de
+eeuw was en de ridderpoëzie van de eerste helft der 14de eeuw was
+grootendeels namaak van de vroegere.
+
+Voor een ander gedeelte was het oude gedicht geboren uit natuurliefde,
+welbehagen, in het wezen en leven der dieren, lust om het leven der
+dieren in de natuur met het menschenleven in- en buitenshuis te
+vereenigen en te verwerken tot een groot tafereel. Wat is daarvan in de
+bewerking der 14de eeuw overgebleven? Het natuurleven en dierenleven is
+er natuurlijk nog; doch als een tafereel, hier verbleekt daar
+overschilderd, dat menigen fijnen trek heeft verloren en nieuwe trekken
+vertoont die kwalijk passen bij den geest van het geheel. Wij zien in de
+latere bewerking niet de menigvuldige kromme paden in Reinaert's
+jachtveld; wij hooren den beer niet meer luid steunen en zuchten,
+wanneer hij, van zijn rampspoedigen tocht naar Malpertuis teruggekomen,
+vóór koning Nobel staat. Verdwenen zijn uit _Reinaert II_ de kinderen
+die den wolf een blinddoek voorbinden, verdwenen ook het aardige tooneel
+van Reinaert's vijanden bij de galg waaraan zij hem aanstonds hopen te
+hangen[38].
+
+Het onvermijdelijk anthropomorphisme, door den ouden dichter, met
+natuurlijken takt binnen de grenzen gehouden, vertoont zich hier op
+hinderlijke wijze: koning Leeuw zegt: nimmer zal ik meer een zwaard
+aangorden of een kroon dragen; Reinaert vertelt den koning, dat vrouwe
+Hermeline heeft moeten zweren in den naam der drie koningen; de dieren
+dansen hofdansen op trompen en schalmeien, zelfs dragen zij "sproken
+ende stampiën" [Zijnoot: danslied.] voor; bij het beleg van Malpertuis
+bedienen zij zich van "donrebussen en bombaerden" [Zijnoot: kanonnen.]
+[39].
+
+Zoo weinig schijnt de omwerker de dieren in hun wezen en gedrag te
+kennen, misschien ook geeft hij zoo weinig acht op zijne eigen
+voorstelling van het dierenleven, dat hij den leeuw laat "brieschen als
+een stier" en den vos zijne voetstappen dekken(?) met den mond [40].
+
+Dat de omwerker op deze wijze door schrappen en toevoegen het
+oorspronkelijk werk in waarde deed dalen, behoeft ons niet te
+bevreemden. Zijn voorganger stond _in_, hij _buiten_ de dierenwereld.
+Duidelijk zien wij dat, waar hij, sprekend van eene woordenwisseling
+tusschen Reinaert en zijne vijanden, zegt: "nooit hoorde men feller
+aanklacht en beter verdediging dan daar, _ten minste van zulke wilde
+dieren_"[41]. Een dergelijke uitdrukking zou WILLEM nooit gebruikt
+hebben; die voelde zich daarvoor te zeer één met de dieren die hij voor
+ons doet optreden. De veertiend'eeuwer kent niet meer of gunt zich niet
+meer dat genot van zorgeloos gaan door een droomwereld, met de dieren te
+zwerven door bosschen en over heiden, ze na te gaan in hunne gangen, te
+beluisteren en te bespieden in hun omgang. Hij is een ontwikkeld man,
+een "clerc" die zijne geleerdheid gaarne lucht, die de wereld slecht
+vindt, haar wil waarschuwen, verbeteren, stichten. Het verhaal van
+Reinaert moet hem dienen als middel om dat doel te treffen. Reeds in den
+aanvang van zijn werk vestigt hij de aandacht op de "wijsheit" die hier
+besloten ligt; en als hij aan het eind gekomen is, klinkt het op nieuw:
+
+ so wie dit wel verstaet in 't lesen,
+ al ist som boert, hi vinter in
+ vroede leer ende goeden sin [42].
+
+Om die "vroede leer" en "goeden zin" was het den auteur te doen; dat was
+de pit, de boert slechts de bolster. Telkens blijkt het dan ook, hoe
+weinig de auteur leeft in die fantastische dierenwereld; hoe zeer hij
+vervuld is van het heden. Over dat heden is hij slecht te spreken. Er
+loopen maar al te veel Reinaerts rond, al
+
+dragen zij geen rooden baard; trouw en waarheid zijn verdreven;
+hebzucht, loosheid en afgunst met koningin Hoovaardij zitten nu op het
+kussen. De geestelijkheid moet menige veer laten: Losevont de prior,
+bisschop Prendeloor, Rapiamus de deken, de kardinaal Valoot met zijne
+concubine.
+
+Op die wijs had vroeger ook JAN DE WEERT het mes gezet in de booze
+zweren van zijn tijd. Verwantschap met de leerdichters toont de omwerker
+van den _Reinaert_ ook, waar hij veel gewicht hecht aan "raet",
+"subtilen raet" en den invloed daarvan aan een hof; waar hij nu eens de
+vrouwen in een ongunstig licht stelt dan weer een zweempje van
+vrouwendienst laat blijken. Doch ook maar een zweempje; de lof der
+vrouwen wordt verkondigd door vrouw Venus "die duvelinne". Voor den
+rechten vrouwendienst zal deze auteur te kalm en nuchter-verstandelijk
+zijn geweest. Juist door die eigenschappen kon het hem gelukken, den
+mysticus te parodiëeren waar hij uit Reinaert's mond sprak van "een
+bloot niet", van "bescouwender contemplaciën" en "sonderlinghe
+graciën."[43].
+
+Geen bedwelmenden nectar van mystiek maar het voedzame brood van
+practische levenswijsheid--dat was wat volgens hem de burgerij noodig
+had! Wijze lessen, kernspreuken deelt onze omwerker dan ook gaarne uit:
+zonder dwang gaat het niet goed met eene gemeente; de geleerdsten zijn
+dikwijls niet de wijsten; een trouw vriend is een sterke hulp; misdoen
+en zich beteren is menschelijk, zonder dat is het duivelswerk; soms
+komen de spreuken in een vlaag achtereen: het zwaarste moet het zwaarst
+wegen; in voor- en tegenspoed moet men maat houden; karaktervastheid
+voegt den heer, het lot is wisselvallig; prijs den dag niet eer het
+avond is; goede raad kan dikwijls baten[44].
+
+Onze voorstelling zou eenzijdig, onze beschouwing onbillijk worden,
+indien wij slechts op deze karaktertrekken van Reinaert den Tweeden de
+aandacht vestigden; indien wij het deden voorkomen alsof het dezen
+auteur geheel ontbrak aan medegevoel voor het dierenleven. Dat gevoel
+was er wel, doch hij onderdrukte het ter wille van andere gevoelens; het
+bloed kroop, waar het niet gaan kon.
+
+Op verscheidene plaatsen vinden wij toevoegsels van zijne hand, die wel
+in den geest van _Reinaert I_ zijn; zoo b.v. waar hij van de vermoorde
+kip Coppe zegt: "de beste, die ie [Zijnoot: ooit.] eier leide op
+neste."--"Kon de koning geen minderen bode vinden dan u?" laat hij
+Reinaert tot den dom-trotschen afgezant Bruin zeggen; en later, als
+deze, bebloed en bek-af na de mishandeling op LAMFROIT'S erf, op den
+oever eener rivier ligt te hijgen: "hebt gij iets vergeten daarginds? ik
+zal gaarne een boodschap voor u meenemen; smaakte de honing? ik weet er
+nog meer voor u tegen denzelfden prijs." Hoe goed ook zijn de kapriolen
+beschreven van de kleine vossen, die zoo'n pleizier hebben in de
+weerkaatsing van hun beeld in een spiegel, waar zij:
+
+ in plaghen te spieghelen ende voor te springhen,
+ ende saghen hoe haer steertjens hinghen,
+ ende hoe hem haer muulken stont[45].
+
+Op meer dan eene plaats blijkt, dat de omwerker, waar hij voortzetter is
+van het oude gedicht, een levendigen stijl heeft, dat hij wel kan
+vertellen en beschrijven[46]. Vooral blijkt dat in het verhaal van
+Reinaert's bezoek bij de meerkat. "Tante," zegt Reinaert, "wat heb je
+mooie jongen! deus, hoe wel behaghen si mi!" En zij: "Reinaert, lieve
+neve, weest wellecome!" Zoo'n vriendelijke ontvangst, vertelt de vos
+later, verdiende ik al dadelijk door dat "tante". Toch verlaat hij het
+hol der apin zoo snel mogelijk, "omdattet na die wieghe daer rooc".
+
+Zoo is er dus wel geestverwantschap tusschen den ouden dichter en den
+lateren; doch anderzijds dit groote verschil dat voor den oudere de
+schepping van zijn werk haar doel vond in zich zelve, terwijl voor den
+jongere het dichtwerk vooral een middel was tot verbetering zijner
+tijdgenooten. Was WILLEM een beeldend kunstenaar, die schiep uit
+scheppingslust en drang, zijn opvolger was een verstandelijk dichter,
+die de behandeling der behagelijke stof gewettigd achtte slechts door de
+nuttige leering die zij bevatte.
+
+Dat verstandelijk element heeft er hem toe gebracht, het oude gedicht op
+menige plaats te wijzigen, met de bedoeling natuurlijk het te verbeteren
+en voor het logisch denkend verstand juister of aannemelijker te maken.
+_Reinaert I_ vertelt ons, dat Bruin, bij Reinaert's kasteel Malpertuis
+gekomen, de poort waarneemt waar Reinaert gewoonlijk uitgaat en dan vóór
+de "barbecane" [Zijnoot: ronden verdedigingstoren bij een kasteel.] op
+zijn staart gaat zitten. Let wel, zegt de omwerker, de poort was
+gesloten.--Alsof dat bij een middeleeuwsch kasteel niet vanzelf
+sprak!--Bruin, mishandeld door de dorpelingen, is in de rivier
+gesprongen, laat zich met den stroom afdrijven en kruipt eindelijk
+vermoeid op den oever.--Op den _anderen_ oever, zegt de omwerker. Hij
+heeft misschien gelijk, misschien niet; maar wat kan het ons schelen?
+"Ik liep uit een schuur," vertelt Reinaert ergens. "Door het gat waar ik
+wilde zijn"--wordt ons verduidelijkt. Koning Nobel en zijne gemalin gaan
+de terechtstelling van Reinaert bijwonen, vertelt WILLEM ons.--Het hof
+ging ook meê, haast zijn opvolger zich er bij te voegen.
+
+Op die wijze voortgaand, heeft hij de bekoorlijk-vrije poëzie van het
+oude gedicht onder de plak van den schoolmeester gebracht[47].
+Ordelijker heeft hij haar gemaakt, hier en daar ook ordentelijker. Van
+"verhoerd" maakt hij "verdoord" [Zijnoot: het hoofd op hol gebracht.],
+al past dat niet in het verband; "achterste" wordt "lijf", al gaat
+daardoor eene aardige tegenstelling verloren[48]. Op sommige plaatsen
+heeft de omwerker door zijne zucht om duidelijk, vooral duidelijk te
+zijn, het oude gedicht ernstiger beschadigd dan door bovengenoemde
+toevoegsels of wijzigingen.
+
+De vos is ingebroken bij den pastoor en heeft een haan meegepakt;
+Martinet, pastoors zoon, heeft een strik voor het gat gespannen in de
+hoop den kippendief bij een volgend bezoek te vangen. De rampzalige
+Tibeert, gekomen om Reinaert met zich ten hove te voeren, wordt door
+Reinaert in den strik gelokt en staat droefelijk te miauwen. Martinet
+wordt wakker, vliegt op, steekt een stroowisch aan en schreeuwt tot de
+huisgenooten: "Er op af, hij is gevangen!" Dat "_hij_" zonder meer zal
+door zijn waarheid ieder treffen die weet wat men onder zulke
+omstandigheden pleegt te roepen. Den omwerker heeft het ook getroffen,
+echter niet door zijne waarheid; blijkbaar acht hij zijn voorganger ook
+ditmaal niet duidelijk genoeg en dus laat hij Martinet roepen: "Staat
+op, de dief is gevangen!" Doch welk een aardig trekje ging hier
+verloren[49].
+
+Elders hooren wij den braven haan Cantecleer roemen op zijne vijftien
+kinderen die zijne echtgenoot, de wijze Rode, hem had geschonken "in één
+broedsel"; de omwerker maakt daarvan: die mijne echtgenoot, de wijze
+Rode, "zeer verstandig opvoedde". Ook al neemt men aan dat dit ironisch
+bedoeld is, wat is dan toch het warme leven van het oude gedicht door
+deze wijziging verkild[50].
+
+Zit de omwerker eens op zijn praatstoel dan raakt hij er niet
+gemakkelijk af; zijne personages redeneeren en redeneeren... dat men
+soms niet meer weet wie aan het woord is. Vrouw Rukenau, de apin, houdt
+een pleidooi door 400 regels heen; een ingevoegd verhaal over eenige
+kostbaarheden heeft een omvang van niet minder dan 900 verzen.
+
+Dat zulke uitweidingen de belangstelling verdeelen en verzwakken,
+behoeft evenmin betoog, als dat de eenheid van het geheel er door wordt
+verbroken[51].
+
+Reinaert de Eerste heeft bij al zijne brutaliteit iets onbevangens; boef
+die hij is, heeft hij toch iets naïefs. Reinaert de Tweede toont zekere
+zelfverheffing in uitingen als: "ic weet so menighen loosen vont"[52].
+
+Kortom, het is WILLEM'S dichtwerk onder de handen van den omwerker
+gegaan, zooals Reinaert onder die van tante Rukenau, de apin.
+
+Reinaert moet in het krijt komen tegen zijn ouden vijand, den sterken
+Isegrim. Zonder list zal hij dezen niet kunnen overwinnen. Moei Rukenau
+weet raad. Zij scheert neef Reinaert glad tusschen hoofd en staart en
+smeert daarna zijn romp met olie in. Zóó zal de vijand geen vat op hem
+kunnen krijgen, want "hij was vet en wel gevoed." Bovendien moet hij
+dien avond veel drinken, doch den natuurlijken aandrang die daarvan het
+gevolg zal zijn, bedwingen. Komt hij onder het gevecht in nood, dan zich
+niet langer bedwongen; met zijn ruigen druipenden staart kan hij dan
+zijn vijands oogen verblinden. Met behulp van deze en andere listen
+gelukt het hem inderdaad de zege te behalen.
+
+Maar hoe ziet hij er dan ook uit!
+
+Ja, het is de vos nog; nog fonkelen de wilde oogen in den fijnen kop,
+nog heeft hij klauwen en tanden. Maar zijn sieraad, de ruige dichte
+pels, waarvan de vlokken zoo afstoven toen de honden hem te lijf gingen,
+is verdwenen. Ja, hij is welgevoed; zijn lijf staat bol van nuttige
+leering en zedelijke verbetering--maar hoe is de natuurlijke schoonheid
+van den prachtigen struikroover verdwenen. Nog bezit hij den zwaren
+fraai gevormden staart, doch die hangt neer, druipend... er is een
+luchtje aan.
+
+Zoo uitgerust, was hij ongetwijfeld sterker in den strijd met den wolf
+der menschelijke ondeugd, doch wie ziet niet hoe hier de moraal de kunst
+heeft geschaad. Uit liefde, ongetwijfeld; maar, apenliefde.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] Vgl. _Sp. der. Z._, vs. 16958 en _Bed. der M._ aan het slot; en
+VERWIJS, _Van Vrouwen ende van Minne_, XIV.
+
+[2] _Lekensp._, I, c. 24, 57; c. 37, 127; II, c. 7, 102. _Dietsche
+Doctrinael_, III, 831; 1763; II, 2278. _Boec van der Wraken_, I, 262,
+294, 1142 enz.
+
+[3] _Dietsche Lucidarius_, vs. 38-40; ook vs. 335-6: "Van hem (God) en
+dorren wi niet bedieden || Te verre voor die leke lieden.
+
+[4] _Der Mannen ende der Vrouwen Heimelijcheit_ (in: _Mnl. Ged._ ed. DE
+PAUW), I, 121.
+
+[5] _Boec van der Wraken_ (ed. SNELLAERT), I, 1102-3; zijn betuiging van
+eerbied voor de priesters in het algemeen (II, 1222 vlgg.) is daarmede
+niet in strijd.
+
+[6] Bl. 288.
+
+[7] I, c. 25, vs. 79 vlgg.
+
+[8] Vgl. de inleiding van VERDAM, XLIII.
+
+[9] Over de uitgaaf van _Die cracht der Mane_ zie TE WINKEL en PETIT.
+Daarbij komen nu een paar andere uitgaven in DE PAUW'S _Mnl. Ged._, I,
+203 vlgg. en 219 vlgg. naar hss. der 14e eeuw. De uitgaven van no. 2 en
+no. 3 bij TE WINKEL en PETIT; de klacht over "die onghetrouwe merkaren"
+in no. 2 (vs. 360) wijst ook op de 14e eeuw. no. 4 is uitgegeven door W.
+DE VREESE in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 63 vlgg.
+
+[10] Over de uitgaven van beide werken vgl. TE WINKEL i.v. Voorts en
+vooral: _Studiën über das deutsche Volksbuch Lucidarius...._ van KARL
+SCHORBACH. Strassburg. TRÜBNER. 1894. Aankondiging van dat werk door TE
+WINKEL in _Museum_, 1895, bl. 17.
+
+[11] Uitgeg. door SNELLAERT in: _Nederlandsche Gedichten uit de
+veertiende eeuw_. De hier aangehaalde verzen I, 648 vlgg.
+
+[12] Over de uitgave vgl. TE WINKEL i.v.
+
+[13] Over de twee eerste vgl. TE WINKEL i.v. Van den _Nieuwen_
+_Doctrinael_ gaf J. KOOPMANS een boeiend overzicht en goede
+karakteristiek in _Tweem. Tijdschr._ van Jan. 1901.
+
+Voor den _Spiegel der Zonden_ verwijs ik naar de uitgave van VERDAM,
+(BRILL, Leiden, 1900) die voorzien is van eene voortreffelijke
+Inleiding.
+
+[14] VERDAM a.w. II, XLV.
+
+[15] Een degelijk overzicht daarvan danken wij aan VERDAM; vgl. a.w. II,
+LI vlgg.
+
+[16] Vgl. vs. 5645 vlgg.; 11563 vlgg., 11683, 11964; 12159 en voorts de
+plaatsen door VERDAM aangewezen in zijne Inleiding, bl. XLIX.
+
+[17] Vs. 1614 vlgg. en 1996 vlgg.
+
+[18] Vgl. de uitvoerige mededeelingen daaromtrent bij TE WINKEL, bl. 387
+vlgg.
+
+[19] Ed. DE VRIES. Bij de opgave der hss. van TE WINKEL, bl. 392 moeten
+gevoegd de _Baseler Fragmente_ waarover zie: _Germania_, XXXVII, 410.
+Karakteristiek van den inhoud door J. KOOPMANS in: _Tweem. Tijdschr._,
+1899.
+
+Over den, in den _Lekenspiegel_ opgenomen, _Sidrac_ vgl. TE WINKEL a.w.
+bl. 396. Bij de daar vermelde literatuur-opgave is te voegen eene
+mededeeling van W. DE VREESE in _Tijdschr. voor N.T. en L._, X, 33 vlgg.
+
+[20] Vgl. I, c. 40, vs. 50 vlgg.; I, c. 44; I, c. 16; III, c. 10.
+
+[21] Vgl. I, c. 16, c. 15, c. 2, c. 5; II, c. 39, 251 vlgg. te verg. met
+RUYSBROECK I, 41: "Dese heilege Kerke, dat sijn alle goede minschen met
+Gode verenecht, ende te gadere geroepen iegewelc met al den anderen."
+
+[22] Met DE VRIES en TE WINKEL geloof ik, dat de _Teesteye_ nà den
+_Lekenspiegel_ is bewerkt. Zie de plaatsen pro en contra vermeld bij TE
+WINKEL, bl. 397. De _Teesteye_ werd uitgegeven door SNELLAERT in zijne:
+_Ned. Ged. uit de 14e eeuw_.
+
+[23] Vgl. _Teesteye_, 393, 812; _Lekensp._ B. II, c. 35, 17-18; vooral
+ook de Inleiding op MAERLANT'S _Strophische Gedichten_ (edd. FRANCK en
+VERDAM), bl. LXXXVII.
+
+[24] _Lekensp._, II, c. 38, vs. 103 vlgg.
+
+[25] _Lekensp._, B. III, c. 20-22.
+
+[26] _Lekensp._, B. II, c. 35, vs. 109 vlgg.
+
+[27] B. I, c. 21, vs. 93-100.
+
+[28] Wat SNELLAERT in de Inleiding zijner _Ned. Ged. uit de 14de eeuw_,
+bl. XXV heeft medegedeeld over de gelijkenis tusschen _Teesteye_, _Boec
+van der Wraken_ en _Melibeus_, is zeker niet voldoende om ons te
+overtuigen dat deze drie werken van één maker moeten zijn; doch geeft
+voldoende reden om een afzonderlijk onderzoek in te stellen. Daarbij zou
+ook het overige werk van BOENDALE moeten geraadpleegd worden. Immers bij
+de door S. medegedeelde plaatsen kan men alvast een paar verzen uit den
+_Lekenspiegel_ voegen (III, c. 3, vs. 237-8) die teruggevonden worden in
+_Meliboeus_, vs. 2266-7.
+
+Een nauwkeurig onderzoek van de taal zou de vraag heel wat verder kunnen
+brengen.
+
+Opmerkelijk is voorts, dat ook CHAUCER eene proza-bewerking gaf van _The
+tale of Melibeus_. Staat deze bewerking in verband tot het Mnl. gedicht?
+
+[29] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altniederl. Gedichte_, II, 14 vlgg. Vgl. o.a.
+vs. 210 vlgg.; 482 vlgg.; 522 vlgg.
+
+[30] Nieuwe uitgaaf van Dr. W.H.D. SURINGAR. Leiden. Gebr. V.D. HOEK.
+1895.
+
+[31] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altn. Ged._, III, 177-181. Het is vertaald
+uit het Fransche "_Doctrinal d'un rimeur nommé Sauvage_"; vgl. PETIT DE
+JULEVILLE'S _Hist. de la Litt. Franç._, II, 185, waar het "banal et
+confus" wordt genoemd. no. 2 en no. 3 eveneens uitgeg. door Dr. SURINGAR
+(Leiden, V.D. HOEK, 1891 en 1892); no. 2 ontleend aan drie Latijnsche
+werkjes waarvan één door den bewerker op den voet is gevolgd (vgl. bl.
+XXII vlgg.). no. 3 eene vertaling van den Latijnschen _Facetus_, echter
+geen woordelijke vertaling. Vgl. ook _Ned. Spect._, 1891, no. 41; 1893,
+no. 1. Over andere derg. geschriften vgl. TE WINKEL, bl. 405.
+
+[32] Vgl. no. 28, no. 2. _Die Bouc van Zeden_ behelst dergelijke
+gegevens als _Van Zeden_.
+
+[33] Uitgave van J.H. BORMANS (_Speghel der Wijsheit of Leeringhe der
+Zalichede_). Brussel. 1872.
+
+[34] Vs. 2065-6.
+
+[35] B. III, c. 15, vs. 190-3.
+
+[36] Ook _Reinaert II_ is voortreffelijk uitgegeven door MARTIN. In M's
+_Einleitung_, XLIX-LI vinden wij eene parallel als boven bedoeld wordt,
+in hoofdzaken aangegeven. Eene uitvoerige vergelijking van beide
+bewerkingen gaf Dr. J.W. MULLER in _De oude en de jongere bewerking van
+den Reinaert_. (Amsterdam. 1884).
+
+[37] Vs. 7068-'71. Vindt men in vs. 3181: "Ic heb minen dume uut sinen
+monde" misschien eene herinnering aan een tooneel uit den roman der
+Heemskinderen? (Vgl. _Volksboek_ ed. MATTHES, bl. 141).
+
+[38] Vgl. I, 505 en II, 530-1; I, 990 en II, 1013; I, 1582-'98 met II,
+1611; I, 1947-'60 en II, 1977 vlgg.
+
+[39] Vgl. II, 1022-'3; 2314-'5; 3486-'7 (ook in het Fransch; vgl.
+MARTIN, _Einl._, XLI); 3499; 3745 vlgg.; 4827-'9. Van dat alles is in
+_Reinaert I_ niets te vinden.
+
+[40] II, 3622 en II, 2417 verg. met I, 2393-'5. (Het mogelijk verkeerd
+lezen van _moude_ (stof) voor _monde_ doet hier niets af).
+
+[41] _Reinaert II_, vs. 1899.
+
+[42] Vgl. vs. 40-44, 7769 vlgg. Over het vertoon van geleerdheid vgl.
+MARTIN, _Einl._, XLIX-L.
+
+[43] Vgl. _Reinaert II_, vs. 7654 vlgg.; 2959 vlgg.; 4534 vlgg.; 4595;
+1413-'29; 3821 vlgg.; over de vrouwen vgl. MULLER'S dissertatie, bl.
+122, 187, doch ook hier vs. 5541-'5; de mystiek vs. 4130 vlgg.
+
+[44] II, 2335, 3613, 4098, 4422, 4770, 4848, 7393, 7408 en de op deze
+volgende verzen.
+
+[45] Zie deze en andere plaatsen in _Reinaert II_, vs. 488, 604-'8. 961
+vlgg., 2228-'9, 2916, 3030, 3210, 3842-'3, 4450-'9, 5896-5901, 6581 (in
+vergelijking met de overeenkomstige plaatsen van _Reinaert I_).
+
+[46] Vgl. MULLER a.w. bl. 191-2.
+
+[47] Vgl. deze en andere plaatsen I, 520 vlgg. met II, 544 vlgg.; I, 842
+en II, 881; I, 960 en II, 985; II, 1047; I, 1550 en II, 1587-'8; II,
+1595 (ingevoegd); II, 2027-'30; I, 2064 en II, 2076; II, 2307-'13; I,
+2829 en II, 2820.
+
+[48] I, 73 en II, 83 (in verband met vs. 105); I, 1929 en II, 1961.
+
+[49] Vgl. I, 1235 met II, 1259.
+
+[50] Vgl. I, 331-2 met II, 359-360. Vgl. voorts het echt epische in I,
+643 vervangen door het didactische in II, 692-3; het ironische in I,
+1663 door het rechtstreeksche in II, 1677; de mindere levendigheid in
+II, 616 vlgg. vergeleken bij I, 562 vlgg.
+
+[51] MULLER a.w. bl. 161-163, 166.
+
+[52] Vgl. vs. 2053, 3182 en 2053.
+
+
+
+2. VERHALENDE EN LYRISCHE POËZIE.
+
+ _a_. Boerden en sproken, _b_. Liederen. Muziek en zang. Geestelijke
+ liederen. Minneliederen en drinkliederen. Historische Liederen, _c_.
+ Geestelijke, stichtelijke en didactische lyriek, _d_. Minnepoëzie.
+
+Vonden wij in de 13de eeuw nog maar weinige berijmde novellen, hoorden
+wij het lied slechts hier en daar als schuchter kweelen der vogels bij
+den komenden morgen--nu zien wij ons geplaatst voor eene menigte van
+verhalende en lyrische gedichten, zoo rijk in verscheidenheid, dat het
+moeilijk valt in die warreling het gelijke of verwante te onderkennen en
+te groepeeren. Die moeilijkheid ontslaat ons echter niet van de taak om
+te pogen, ook deze stof te beheerschen door haar te verdeelen.
+
+Wij zijn gewoon verhalende gedichten van komischen aard _boerden_ en van
+ernstigen aard _sproken_ te noemen; doch wij mogen niet voorbijzien, dat
+het hedendaagsch en het vroeger spraakgebruik elkander hier niet
+volkomen dekken. Een komisch gedicht wordt ook wel "ene boerde" genoemd,
+al bevat het niet juist wat wij een verhaal noemen en een verdicht
+verhaal wordt wel met "boerde" betiteld, al heeft het niets komisch[1].
+
+Het woord _sproke_ heeft een zeer ruime beteekenis; zoo wordt een
+"bedinghe" _van onser Vrouwen_ aan het slot genoemd: "desen _sproke_",
+en dat is niet het eenige voorbeeld van dien aard; elders treffen wij
+eene "sproke up den wijn" aan[2]. Daarentegen heet menig verhalend
+gedicht, met min of meer stichtelijke of didactische strekking, niet
+_sproke_, maar _exempel_ of _bispel_[2].
+
+Doch anderzijds blijft het waar, dat de meeste korte verhalende
+gedichten _boerde_ worden genoemd, indien zij van komischen, _sproke_
+indien zij van ernstigen inhoud zijn. Wij mogen ons dus gerechtigd
+achten deze gedichten tot eene afzonderlijke groep te vereenigen. Een
+tweede groep valt te onderscheiden in de muzikale lyriek: de liederen,
+in tegenstelling met de boerden en sproken, bestemd te worden gezongen
+niet gezegd; doch evenals deze ontstaan uit zuiverder lust tot
+dichterlijke uiting des harten en beelding der stof, dan wij over het
+algemeen in een derde groep waarnemen. Die derde groep omvat uitingen
+van het godsdienstig gemoedsleven, zoowel als stichtelijke en
+didactische stukken, bestemd tot vermaning, waarschuwing, opwekking en
+leering; het karakter van vele dezer stukken blijkt reeds ten deele uit
+vooral hier voorkomende benamingen als _bedinghe_, _disputacie_,
+_questie_, _notabel_. Het spreekt vanzelf, dat ook tegen deze
+groepeering bezwaren bestaan; ook hier ontsnapt het leven op meer dan
+een plaats aan de banden eener altijd min of meer schoolsche indeeling.
+Doch mogen de groepen hier en daar ineenvloeien, wat nood, indien
+daardoor het besef harer onderlinge eenheid wordt versterkt?
+
+
+_a_. BOERDEN EN SPROKEN.
+
+De honderden korte verhalen, welke wij vroeger leerden kennen, waren nog
+springlevend. Zij zwierven nog van mond tot mond en van het eene
+handschrift in het ander. Hen volgen op al hunne gangen is ons
+onmogelijk; wel kunnen wij zien: dat verscheidene hunner op hunne
+omzwervingen trekken van elkander overnemen, dat zij zich wijzigen naar
+het volk waaronder zij vertoeven, en dat de verhalen uit het
+menschenleven den voorrang krijgen op de dierfabels.
+
+Ook bij de Nederlanders der 14de eeuw vonden zij een gunstig onthaal.
+Tal van stoffen, die ook in andere middeleeuwsche literaturen verwerkt
+zijn, werden hier geboetseerd tot berijmde verhalen van komischen of
+ernstigen aard, die gewoonlijk van twee- tot driehonderd verzen tellen,
+doch ook wel eens grooter of kleiner omvang hebben. De komische stoffen,
+hier tot _boerden_ verwerkt, vindt men bijna alle terug in de Fransche
+literatuur; doch, hoewel de wijze van bewerking niet zelden gelijk is,
+zijn er weinig of geen sporen van navolging aan te wijzen. Onze boerden
+maken in hoofdzaak den indruk, dat zij oorspronkelijke bewerkingen zijn
+van mondeling overgeleverde stoffen. Sommige zullen uit Frankrijk
+hierheen, andere uit Brabant of Vlaanderen naar Frankrijk gekomen zijn.
+Om te zwijgen van onze literaire betrekkingen in dit opzicht tot
+Duitschland, Engeland en andere landen.
+
+De sproken zijn zeker voor een deel, voor het grootste deel misschien,
+afkomstig uit middeleeuwsche bronnen als _Vitae Patrum_, _Gesta
+Romanorum_, _Dialogus Miraculorum_, _Liber Apum_, _Legenda aurea_; voor
+een ander deel zeker ook door mondelinge overlevering verbreid. Met den
+invloed der Fransche literatuur zal men ook hier rekening moeten
+houden[3].
+
+Hier en daar vinden wij in deze boerden en sproken aanwijzingen omtrent
+den weg, waarlangs het verhaal den verteller had bereikt; uitdrukkingen
+als b.v.: "Ic quam eens daer men mi sede" of: "Ic vant ghescreven ende
+las"; doch zulke aanwijzingen zijn schaarsch en niet alle duidelijk[4].
+Duidelijk is daarentegen het streven van sommige dichters de verhalen te
+localiseeren; de stukken heeten te spelen, zijn misschien soms ook
+werkelijk zóó of ten naastebij zóó gebeurd, "in 't lant van Loon," "te
+Hasselt in die goede stede," "te Dordrecht in de poort," "Tantwerpen in
+die coperstrate"[5]. Zooals men kon verwachten, worden wij hier vaker
+naar het Zuiden dan naar het Noorden dezer landen verplaatst.
+
+Waarvan vertellen ons de boerden? In welke wereld verplaatsen zij ons?
+Op een paar uitzonderingen na behandelen zij gevallen van minne, van
+zinnelijken lust, van overspel; zij vertellen ons van overspelige mannen
+of vrouwen, die gefopt of gestraft worden, van minzieke vrouwen of
+meisjes, clerken of nonnen, een enkelen keer ook van mannen die in de
+kroeg zitten of boeven die een vroegeren kameraad bestelen. Maar de
+lusten des vleesches vormen toch het hoofdmotief, dat voor de
+middeleeuwsche dichters en niet voor de Dietsche alleen, blijkbaar een
+komisch karakter had[6].
+
+Wij worden verplaatst naar de kroeg, onder de "goede gezellen die lange
+in 't drinchuus duren" en vrouwen die hare mans uit de kroeg halen; wij
+komen in gezelschap van een waard, die bedrogen wordt door de waardin en
+haar minnaar; van reizende "clercken", die het hun verleend nachtlogies
+aan de vrouw en de dochter des huizes vergoeden in liefde, aan den
+huisheer in kostelooze vuistslagen bij nacht; van een kostelijk
+gekleeden, langharigen Don Juan te Dordrecht; van een koopman, die zijne
+al te dartele vrouw voor den gek houdt.
+
+Slechts een paar malen verkeeren wij, zooals in de laatstgenoemde
+gevallen, in de huizen van rijke burgers. Gewoonlijk zijn wij onder de
+kleine burgerij, waar men slaapt in één vertrek, meelpap eet en
+"stoppelen sonder hout" brandt of groen elzen hout; waar het 's nachts
+donker is of een vetpotje ("lichtvat met smoute") een flauw schijnsel
+geeft. De koe staat dicht achter de woonkamer, ook in een burgerhuis; in
+de boerde "van de gestolen zijde spek" zijn wij op het land ten huize
+van een voormaligen boef, die zich bekeerd heeft en eene boerendochter
+getrouwd. Elders komen wij op het erf van een visscher, aan de oevers
+der Seine. Ook de koopman, die ons wordt voorgesteld als een rijk
+man--hij heeft mooie kleeren en juweelen en speelt schaak met zijne
+vrouw--, toont in zijne manieren een buitengewone grofheid; zijne vrouw,
+die een handelsman uit de Oostzee-provinciën te gast heeft en waant door
+dezen bedrogen te zijn, wreekt zich op dien gast door hem spijs op zijne
+kleeren te storten, tegen hem te vloeken en hem heimelijk tegen de
+schenen te schoppen.
+
+Dat zijn de maatschappelijke kringen, dat de levensomstandigheden, welke
+de stoffen leverden tot de dichterlijke verhalen die onder en naast het
+verhalend ridderdicht opgekomen en bestemd waren die ridderpoëzie te
+verdringen. De rijke koopman uit een dezer boerden, die "gheleerst,
+ghespoort, ghegort wel vaste" zijn huis binnenkomt, toont ons dat het
+zwaartepunt in de maatschappij dier dagen zich had verplaatst.
+
+In de boerde, getiteld _Wisen raet van vrouwen_, worden wij in een "huys
+met hoghe mure" gebracht; blijkbaar een dier huizingen zooals de rijke
+burgers ze in navolging van den adel bouwden. De eigenaar van het huis
+houdt daar achter slot en grendel zijne dochter die hij hoopt uit te
+huwelijken aan een ridder of jonkheer, maar wat kan hij tegen de Min?
+
+ Al sluiten
+ Hem buiten
+ Met grendel en boom
+ Benagelde poorten
+ ...
+
+hij raakt er binnen in de gedaante van een jonkman, blijkbaar een
+burger, tot wien zij haar goedgeloovigen biechtvader als liefdebode weet
+te zenden.
+
+Komt deze burger die blijkbaar hoogerop wil, er bekaaid af, op meer dan
+een plaats wordt in deze boerden op spottenden toon gesproken over het
+ridderwezen. De vrouw van een drinkebroer die thuis grimmend en grommend
+haar man zit af te wachten, zegt:
+
+ Ic woude ic met hem op een pleyn
+ Mijn leven mochte setten in waechscalen[7].
+
+Zooals de brave ELEGAST vroeger tegen den schelmschen EGGHERIC VAN
+EGGHERMONDE!
+
+Van heer GOBERT die 's nachts aan het vechten raakt met een der
+"clercken" wien hij nachtlogies heeft verstrekt, heet het:
+
+ Men sach noit so wel tornieren
+ Sonder wapene ende sonder corieren [Zijnoot: maliënkolders.] [8].
+
+De dichter die ons met blijkbaar welgevallen de onbeschaamd-dartele
+boerde _Van den tanden_ verhaalt, stelt ons zich zelven voor, op zijn
+paard Morele buiten Brussel rijdend. Dien naam _Morele_ droeg eertijds
+het ros van ridder AMELANT in den roman _van Lancelot_; dien naam ook
+het ros van den dapperen TOREC, dat meer waard was dan eene stad[9].
+
+In gansch andere kringen der maatschappij leiden ons de sproken binnen.
+
+Hier verkeeren wij onder "verweende" [Zijnoot: hoovaardig.] keizers en
+koningen, heeren "van groten bloede", prinsen, graven, ridders, edele
+vrouwen en jonkvrouwen. Het is waar, dat het ridderlijk tweegevecht ook
+hier wordt afgekeurd en zelfs min of meer belachelijk gemaakt. Zeker
+keizer die den vrede lief had en wijs en rechtvaardig zijn land
+regeerde, maakte korte metten met de veete tusschen een paar zijner
+voornaamste edelen. Hij ontbood de beide "helden" en trachtte ze te
+verzoenen. Te vergeefs! Toen deed hij ze beiden ontkleeden "totter
+brouc", bracht ze in een vertrek, gaf elk een dolk en zeide: gaat nu
+maar dapper aan 't werk; gij krijgt geen eten of drinken, vóórdat een
+van beiden gedood is. Onmiddellijk waren zij het eens. Zóó moesten meer
+vorsten doen, zegt de dichter, dan zou er heel wat minder onschuldig
+bloed vergoten worden [10]. De ernstige toon en het beroep op den
+Almachtigen Rechter aan het slot toonen wel dat, indien sproke en boerde
+hier al één lijn trekken, hun punt van uitgang toch verschillend is. In
+een ander verhaal wordt een rijk en gierig ridder op onzachte wijs voor
+den gek gehouden door zijn medeminnaar, een dapper maar arm edelman. De
+wijze waarop de gierigaard 's nachts door zijn medeminnaar bewerkt wordt
+met een hazelaarstwijg, is weinig hoofsch, en ook de verdere inkleeding
+doet hier en daar denken aan de boerden; doch dit verhaal is dan ook het
+eenige waar men twijfelt of men het tot de sproken dan wel tot de
+boerden zal rekenen [11].
+
+Overigens echter wordt in de sproken het ridderwezen met eerbied
+bejegend en er is nog gevoel voor de ridderlijke idealen. Zoo zien wij
+in een sproke een hooggeboren rijke maagd aan een dapper arm oud ridder
+de voorkeur geven boven een jongen "mooyaert" [Zijnoot: fat.], die den
+ouden krijger bespot wiens gelaat met zwaarden geteekend is [12]. Het
+fraaie verhaal: _de mantel van eren_, wil toonen, hoe verkeerd het is,
+goud hooger te stellen dan riddereer [13].
+
+Zijn wij niet aan hoven of in ridderlijke huizingen, dan brengen de
+sproken ons in klooster of kluis, in gezelschap van monniken en
+kluizenaars, nonnen en bagijnen. Van dien aard is o.a. het verhaal van
+het _Baghijnken van Parijs_, een aanzienlijk meisje dat in een bagijnhof
+wenscht te worden opgenomen; dat van de non die met haren meester haar
+klooster ontvlucht; van het jonge monnikje dat telkens een deel van zijn
+eten aan het beeld van MARIA brengt; van de edelvrouw die terwijl zij
+haar minnaar afwacht, door de geesten der afgestorvenen voor wie zij
+placht te bidden, wordt bekeerd en in een klooster gaat.
+
+Verwant met deze sproken van geestelijken inhoud zijn andere, die ons
+verhalen van eene jodin die bekeerd wordt tot het Christendom, een
+jodenmeisje dat Christin wil worden en door haar vader vermoord wordt;
+weer andere behelzen algemeen bekende korte verhalen die men overal
+terugvindt, zooals dat van Hansken met de ganzen; het ouderpaar, dat
+door hun kind teruggebracht wordt van de slechte behandeling van hun
+ouden vader; de rechtgeaarde zoon, die niet op het lijk van zijn vader
+wil schieten. In eene enkele sproke treedt de koopmansstand op: het
+verhaal van een paar trouwe vrienden, een koopman uit Brugge en een uit
+Baldac (Bagdad), die zich voor elkander willen opofferen. Het verhaal
+van Pyramus en Thisbe, "twee kinderen die droeghen eene sterke minne,"
+leende zich natuurlijk beter tot een sproke dan tot een boerde; de
+oudheid zette aan deze stof eene achtbaarheid bij, die het verhaal wel
+doet passen bij de ridderverhalen en die uit het leven der geestelijken,
+beide toch nog altijd op hooger plan gelegen dan het leven van burgers
+en plattelanders[14].
+
+Dat de sproken alle een zedelijk karakter vertoonen, kan ons niet
+verwonderen. Een dezer sprookdichters blijkt zelfs zoo nauw van geweten,
+dat hij het noodig acht zijne toehoorders gerust te stellen omtrent
+zeker gemis aan waarheid dezer verdichte verhalen. De sproke _van eenen
+verwaenden coninc_ vangt aan met deze regels:
+
+ Exempel vertrect [Zijnoot: vertelt.] men hier ende daer,
+ Niet om dat si alle zijn waer,
+ Maer om dat mer bi verstaet
+ Ondersceet tusschen goet ende quaet[15].
+
+
+In een enkel geval is de moralisatie bijna even groot als het verhaal
+zelf. Elders is in een sprookdichter de lust tot het mededeelen van
+zedekundige waarheden of bespiegelingen zóó sterk, dat hij ook de
+personages, die in zijn verhaal optreden, met dien lust bezielt. Een
+paar ridders "van quaden levene" komen tot hun meester om hem te zeggen,
+dat zij berouw gevoelen over hunne misdaden en hun leven willen
+veranderen. Op eene vraag van hun meester, op welke wijs zij dat denken
+te doen, antwoorden zij:
+
+ .... Wi merkent bi Alexanderen
+ Die grote coninc, dat hem en mochte
+ Die daet ghehulpen die hi wrochte,
+ ....
+ Hine moeste der doot doen een ghemoet[16].
+
+In overeenstemming met dezen lust tot moraliseeren is dan ook, dat wij
+zelden eene sproke aantreffen zonder een nuttige les of stichtelijke
+opwekking: trouw gaat boven al; hovaardij is zonde boven al; hooren,
+zwijgen en ziende blind // dat's dat nu de wereld mint, enz. Elders
+worden de hoorders opgewekt, onzer Vrouwe getijde en vigiliën voor de
+dooden te lezen; hoovaardij, hebzucht en afgunst te schuwen[17].
+
+Opmerkelijker dan dit stichtelijk karakter der sproken is, dat ook in de
+meeste boerden een zedelijke of didactische strekking niet te miskennen
+valt. De boerde van de dartele koopmansvrouw met den "Oosterlinc" vangt
+aan met een paar spreukmatige regels, die in het daaropvolgend verhaal
+worden toegelicht:
+
+ Tgoede wijf maect den goeden man
+ Ende de goede man maect tgoede wijf.
+
+Aan het slot dezer boerde lezen wij dan ook: "Elc vrouwe neme hier
+exempel an." In den aanvang der boerde van de twee "clercken" en heer
+GOBERT wordt ons gezegd, dat men uit sommige gedichten "vroedschap en
+dwaasheid" te weten komt[18].
+
+Ook in andere boerden vinden wij dergelijke uitdrukkingen. In eene
+boerde, zóó plat-realistisch als die _van den visscher van Parijs_,
+wordt, wat de middeleeuwsche dichters huichelarij achtten in minzieke
+vrouwen, op onbarmhartige wijze bespot en de moraal der boerde _van
+Heile van Berseele_ is samengevat in eene waarschuwing tegen den omgang
+met lichte vrouwen. Waar geen eigenlijke zedeles of wat daarop gelijkt,
+in het verhaal voorkomt, voelen de boerdendichters zich toch verplicht
+iets in dien geest te geven door een zegenwensch als: "God gheve ons ter
+zielen bate" of: "God bringhe ons ten eweghen paradise"[19].
+
+Het is waar dat de vrouwen en meisjes, vooral de getrouwde vrouwen, in
+deze boerden voorgesteld worden als in hooge mate weelderig en onkuisch.
+Doch men moet niet vergeten dat deze voorstelling rust op theologischen
+grondslag en dat de middeleeuwsche dichters, voorzoover zij geen
+aanhangers van den vrouwendienst waren, er steeds op uit zijn de vrouwen
+als EVA'S dochters te doen zien. EVA'S val immers was de bron van zoo
+groote rampen voor het menschelijk geslacht geworden niet alleen hier op
+aarde maar ook nog in een later leven[20]. Ook dragen de boerdendichters
+er zorg voor dat men hen goed begrijpe: niet op "hoofsche vrouwen"
+hebben wij het gemunt, zeggen zij; en, bij een andere gelegenheid: geen
+goede vrouw behoeft dezen schoen aan te trekken[21].
+
+Die goede en hoofsche vrouwen vinden wij in de sproken: een jong rijk
+meisje dat bagijn wordt; eene edelvrouw die zich bekeert en in een
+klooster gaat; een jonge non die zich neus en lippen laat afsnijden om
+hare kuischheid te redden; eene adellijke dame die zich nieuwe kleeren
+en sieraden ontzegt om haar man te kunnen bijstaan in zijn strijd tegen
+de ongeloovigen; THISBE die den dood van haren minnaar niet overleven
+wil.
+
+Een dezer sprookdichters is zijn tijdgenooten zelfs zóóver vooruit, dat
+hij in de bres durft springen voor vrouwen die een misstap begaan
+hebben. Een adellijk meisje heeft eene liefdesbetrekking aangeknoopt met
+een jonkman van geringen stand. Hare magen zijn vergramd, want, al was
+de jonkman haar knecht niet, zulk een misstap was erger dan overspel.
+Haar broeder, een groot heer, heeft medelijden met haar en verdedigt
+haar in een gesprek met eene hooge bloedverwante die hem zijne
+zachtmoedigheid in dezen verwijt.--Ik zelf heb vijf onechte kinderen,
+antwoordt de edelman; zal ik een ander dan dingen verwijten die ik zelf
+heb begaan?--De hooge vrouwe herneemt: zoudt gij mannen en vrouwen in
+zoo iets willen gelijkstellen? Men zal u voor onwijs houden.--Hij weer:
+de schande der mannen zal in Gods oogen duizendmaal grooter zijn, want
+zij zijn de aanleggers, het is alles hun schuld.
+
+Deze opvatting, zooveel rechtvaardiger en menschelijker dan de gewone
+middeleeuwsche, zullen wij eerst in veel later eeuwen en in onzen tijd
+opnieuw aantreffen[22].
+
+Tot dusver hebben wij, boerden en sproken karakterizeerend in hun
+onderling verschil, gelet vooral op inhoud en geest dezer beide genres.
+Wij kunnen er nu bijvoegen dat dit verschil zich slechts ten deele in
+den uiterlijken vorm openbaart. De sproken zijn, op _het Baghijnken van
+Parijs_ na, gedicht in doorloopende verzen, paarsgewijze rijmend of met
+overslaande rijmen; de boerden, luchtiger van karakter en stemming,
+hebben in een paar gevallen den luchtiger gang van het verhalend in
+coupletten afgedeeld lied. Verscheidene dezer ernstige of komische
+verhalen zijn in allen eenvoud goed verteld,
+
+onderscheiden zich door zuiver zacht gevoel en naïeve kunst, door
+vluggen lossen gang en eene soms onweerstaanbare komische kracht. Zoo
+hoog als sommige Oudfransche fabliaux staan onze boerden niet, maar op
+zich zelf beschouwd staan zij hoog. Een gevoelig en mooi stuk is de
+sproke _van het Baghijnken van Parijs_ dat ons in zijn dialogisch
+karakter en zijne wendingen telkens aan de oudere epische volkspoëzie
+herinnert. Zoo b.v.:
+
+ Sy ghinck voor haer moeder staen
+ Ende badt haer door (haer) houde
+ [Zijnoot: om der wille harer genegenheid.],
+ Dat syse door haer edelheyt
+ Baghyne maken woude.
+
+ Sy seyde: lieve dochter mijn,
+ Soo ghinck aen [Zijnoot: begon.] mijnen rouwe;
+ Ghy zijt van haven [Zijnoot: bezittingen.] alsoo rijck,
+ Ghy meucht wel sijn een vrouwe.
+
+De moeder tracht hare dochter te behouden voor de wereld, doch te
+vergeefs:
+
+ Die dochter keerde haer omme
+ Ende ghinck al te hant
+ Totten Baghijnkens hove,
+ Daer sij de meestersse vant.
+
+ Sy viel neder op haer kniën,
+ Ootmoedelyck dat syse booch
+ Ende werp den rooden mantel
+ Ter aerden dat hy vlooch.
+
+Dat afvliegen van den rooden mantel is in zijn suggestieve kracht
+voortreffelijk.
+
+Naïeve volkskunst vinden wij ook in de sproke _van Pyramus en Thisbe_.
+Te vergeefs zou men hier zoeken naar de fijnheid en berekende juistheid
+van uitdrukking, den tact, de smaakvolle zelfbeperking, ook de beeldende
+kracht van het Ovidiaansch verhaal, welks omvang nog geen vierde der
+Dietsche bewerking bedraagt. Maar deze wint het in natuurlijkheid en
+eenvoud; hare waarheid van gevoel onderscheidt zich gunstig van het hier
+en daar opgeschroefde der Latijnsche bewerking. Zij weet hare
+gemoedelijke breedheid aardig af te wisselen door levendigheid van
+alleenspraak en tweespraak, te nationalizeeren o.a. door het beeld van
+den vermoeiden pelgrim
+
+ Die lange moede heeft ghesijn,
+ Ende dan een luttel rasten [Zijnoot: rust.] heeft,
+ Ende [Zijnoot: wanneer.] hi weder gaens dan pleecht,
+ Es hi moeder dan hi was eer.
+
+door de vermelding dat THISBE sliep met andere jonkvrouwen
+
+ Die se van scake souden hoeden
+ Also als noch doen die vroeden.
+
+Hoe aardig is b.v. ook dat trekje, waarin ons geteekend wordt hoe de
+aandoening PYRAMUS overmeestert:
+
+ Daer hi Tysbee roepen soude,
+ Tusschen "Tys" ende tusschen "bee"
+ Versuchti vijfwerf ofte mee [Zijnoot: meer.].
+
+Zoo zou er meer zijn te noemen, o.a. uit de sproke _van den ouden ridder
+ende den jonghen_, waar wij een staaltje vinden van de in onze
+middeleeuwsche literatuur schaarsche ironie, hier omschreven met de
+uitdrukking "ghevensde [Zijnoot: geveinsd.] tale". Doch wij kunnen noch
+willen alles noemen, en ook in de boerden is zooveel dat verdient even
+naar voren gebracht te worden.
+
+Hoe vlot en aardig wordt het verhaal van heer GOBERT en de beide
+"clercken" verteld en hoe herinnert GOBERT'S vrouw, in hare bezorgheid
+over haar naakt-vechtenden man, aan vrouw JULOCKE uit _Reinaert I_. Hier
+als elders openbaart eene krachtige zinnelijkheid zich gaarne in
+schertsende beeldspraak, in half-omsluierde uitdrukkingen, ontleend aan
+het dorschen, het bespelen van een snaren-instrument, het ambacht van
+den kuiper. De monnik en de non, die, midden in de vreugd, op één bed
+door den duivel in het koor worden gebracht, waar alle nonnen vergaderd
+zijn, herinneren ons HEPHAISTOS' wraak, zooals zij ons in de Odyssee
+door dien meester-verteller voor oogen is gebracht. In het verhaal van
+de gestolen zijde spek worden wij op meer dan een plaats herinnerd aan
+de grappen en dubbelzinnigheden uit _Uilenspiegel_ en dergelijke
+volksboeken; ik heb het oog o.a. op den boef, die, opkijkend naar een
+bij de schouw hangende zijde spek, langs zijne wang wrijft en tot zijn
+gezel zegt: vóór morgen moet hij er af; ook de wijze, waarop zij
+elkander telkens het stuk spek ontstelen, doet hier en daar aan de
+kluchtboeken denken.
+
+Voortreffelijk is het tooneeltje, waar de domme oude LACARIJS, wien
+zijne vrouw en een verliefde priester hebben wijsgemaakt dat hij dood
+is, onder een lijkkleed toegedekt, den amoureuzen paap in zijn bedrijf
+waarneemt. "Loop liever naar het bordeel!" roept hij toornig; "als ik
+maar leefde, zooals gisteren, dan zoudt gij het duur
+betalen."--"Lacarijs!" zegt de paap, "houd je oogen maar stijf dicht,
+lig stil als een molensteen; zóó doet men als men op de baar ligt; je
+zou ons nog bang maken."
+
+En niet minder voortreffelijk is een tooneel uit de boerde _van Heile
+van Berseele_. HEILE, een lichte vrouw, heeft afspraak gemaakt met een
+drietal minnaars, die achtereenvolgens bij haar zullen komen; maar de
+afspraak loopt in de war, en zoo is een hunner, WILLEM HOOFT, nog bij
+haar, als zijn medeminnaar, ook weer een priester, komt aankloppen.
+WILLEM wordt inderhaast in een ruimen bak gestopt, daarin opgeheschen
+tot aan de zoldering en het touw vastgemaakt. Uit zijn kraaiennest is
+hij nu getuige van het onderhoud tusschen HEILE en den pape. HEILE heeft
+den priester stilletjes beduid, wie daarboven te luisteren zit. Deze
+begint nu een verhaal van den Zondvloed; zóó plastisch weet hij het
+stijgen van het water voor te stellen, dat WILLEM het al benauwder
+krijgt; nog steeds hoort hij van het stijgende water... de angst wordt
+hem te machtig, hij snijdt het touw door en roept:
+
+ Nu wouds God ende goed gheval [Zijnoot: Nu zij het aan God en het
+geluk bevolen.]
+ Of Willem Hooft iet [Zijnoot: ook (soms).] zeilen zal.
+
+Zóó gaat deze Noach in zijn ark onder zeil.
+
+
+_b_. LIEDEREN.
+
+De kruistochten hadden ook het Dietsch sprekend volk in het Zuiden van
+Europa en in Oostersche landen gebracht. Een der gevolgen van die reizen
+was een krachtige ontwikkeling der muziek. De Grafelijkheids- en
+Cameraars-rekeningen der 14de eeuw weergalmen "van sanghe ende van
+vedelspele." Ook naar de lage landen bij de zee komt Orfeus om er de
+onbeteugelde krachten en lusten te bedwingen en te temmen.
+
+Wij vinden hier allerlei zangers en zangeressen, die liederen zingen
+soms alleen, soms in koor, onder of zonder muzikale begeleiding.
+
+Tot de reizende volksdichters en volkszangers, hetzelfde volkje dat ook
+met gedresseerde beren, geiten en apen rondtrok, behooren blijkbaar
+zangers en zangeressen, als de man die den teekenachtigen naam van "die
+wilde vos" droeg, "die sanc ende dichte voir minen here" (nl. den graaf
+van Holland); "te Berghen in Henegouwen eenen man die vedelde, sinen
+wive diere op sanc ende eene gokelaer," "'t Scoenhoven eenen menestreel
+die op een harpe speelde, daer een wyf op sanc," "te Nyerborch enen
+wive, die op de liere speelde ende sanc," "Heerkin die mitten
+cornemusekin speelde ende daerop sanc."
+
+Andere zangers behooren blijkbaar tot de menestrelen die in vasten
+dienst waren bij een of ander edelman; tot deze zou ik rekenen: het
+"sangherkin dat bi hertoghe Aelbrecht was", "Hansel tshertogen sanger
+van Gelre", "Hannekin die zangher van Apcoude", "Herman den sangher die
+miins heren (van Blois) paedse plach te wesen", misschien ook "Jacop
+vander Lucht, den zangher" en "Willem den zanger" die van den Graaf van
+Blois "twee ellen groens en twee ellen roods" krijgt, blijkbaar ter
+voorziening in zijne kleedij.
+
+Wij zagen uit de bovenstaande rekening-posten dat een menestreel soms
+alleen zingt, soms met een vrouw. Wij vinden ook wel zangers en
+zangeressen die met of zonder begeleiding, éénstemmig of met hooge en
+lage stem, zingen. Uit de schrale aanwijzingen is natuurlijk niet altijd
+met zekerheid op te maken of wij hier al dan niet reizende
+beroepszangers vóór ons hebben. Genoemd worden ons o.a.: "een wijf die
+op die ghisterne speelde ende twee ghesellen diere op songhen", "twee
+zanghers die een dicht zonghen van mevrouwen doot van Hollant"; "vier
+wiven die voir minen here speelden op een psalterie ende op ene
+quinterne ende daerop songhen", "drie sanghers die voer minen here
+gesongen hadden alst kermiss in den Haghe was". Soms zou men meenen een
+hedendaagsch a-capella koor aan te treffen, als men gewag gemaakt vindt
+van zangers of zangers en zangeressen die onder een met name genoemden
+leider zich laten hooren: "Wigant ende sine ghesellen die (te Mechelen)
+songhen voor minen jonchere Jan", "Meeu sijn ghesellen ende haer
+ghesellinnen die mit hem pleghen te singhen". In dit laatste geval
+hooren wij, evenals hiervoor een enkelen keer, _wat_ er gezongen werd;
+want op dien post aangaande MEEU volgt deze andere: "Item den selven
+noch ghegheven opten Jaersdach, want si dat nuwe jaer songhen in der
+sale voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden." Tot
+de concurrenten van WIGANT en MEEU behoorde ook "HEYN VAN CALES de
+sangher mit sinen ghesellen."
+
+Dit zingen in koor toont dat de wereldlijke muziek zich naast de
+kerkelijke moet hebben ontwikkeld. Voor een deel was die ontwikkeling
+zeker te danken aan de meistreel-scholen waarvan wij in het Noorden en
+het Zuiden dezer landen melding zien gemaakt. Zoo treffen wij in eene
+Cameraars-rekening van 1364 de "meysteryels van der vedelen" aan, "die
+do haer schole to Deventer ghehoelden hadden". Dat zij er welkom waren
+blijkt wel uit het feit, dat Raad en Schepenen hen op een gastmaal
+onthaald en nog een geschenk in geld gegeven hadden. In een rekening van
+1388 wordt een som gelds geboekt, die gegeven is aan den "coninc van de
+pipers van Oestervant, om mede te riden tot Berghen daer hi scoel soude
+houden van pipen."
+
+Waarschijnlijk zullen ook in de 14de eeuw, zij het eerst in de tweede
+helft, de menestrelen van eene stad zich wel tot een gilde vereenigd
+hebben. Daar elk gilde een patroon of patrones had en gewoon was den dag
+van dien patroon feestelijk te vieren, zullen ook zulke muziekgilden wel
+tenminste eenmaal 's jaars een feestelijke samenkomst hebben gehouden.
+Op zulk eene samenkomst brengen ons, naar ik vermoed, een paar liederen
+van dezen tijd: eenige leden van een gezelschap, dat, naar 't schijnt,
+_het Maria-roosken_ heet, zijn bijeen; een hunner zingt eene opwekking
+tot feestvreugd, den lof der muziek en dien van MARIA; de overigen "die
+van muziken geerne horen", zingen blijkbaar in koor een refrein[23].
+
+Naast of tegenover zulke wereldlijke muziek-vereenigingen zou men de
+scholieren kunnen plaatsen, die op Allerkinderen-dag een bisschop uit
+hun midden plachten te kiezen en met dezen aan het hoofd naar het koor
+kwamen om daar te figureeren en mede te zingen[24].
+
+Een wijder strekkend en dieper doordringend onderzoek van muziek en zang
+te onzent in de middeleeuwen blijve de taak der beoefenaars onzer
+middeleeuwsche muziekgeschiedenis. Hier moge dit weinige volstaan als
+inleiding tot hetgeen onze taak is: een overzicht en eene voorstelling
+van de liederen, die in de 14de eeuw in deze landen werden gezongen.
+
+
+GEESTELIJKE LIEDEREN.
+
+Niet talrijk zijn de liederen van dezen aard, welke met voldoende
+zekerheid tot de 14de eeuw gebracht kunnen worden.
+
+Het half Latijnsche half Dietsche lied: "In dulci jubilo singhet ende
+weset vro" uit dezen tijd is vooral van belang, omdat wij er door
+herinnerd worden aan den samenhang der geestelijke Dietsche lyriek met
+de Latijnsche hymnen en kerkliederen[25]. Opmerkelijker om zijn inhoud
+is "eyn devoet lietgen van den heilighen kerste", een kerstliedje,
+kinderliedje, dat aanvangt:
+
+ Sy namen dat kindekyn metten teenen [Zijnoot: bij de toonen.]
+ Sussoe nynnoe
+ Der heylighe kerst wil onser ghedencken
+ Sussoe nynnoe
+ Als wy suelen van ertrijc sceiden
+ Sussoe nynnoe.
+
+Op dezelfde wijze worden dan de "verssen" [Zijnoot: hielen.] daarna de
+"enckelen" in het lied gebracht en zoo beurtelings alle ledematen van
+het Christus-kind als met vroom-eerbiedige hand aangeraakt.
+
+Het zou mij niet verwonderen indien wij hier een geestelijke omwerking
+van een wereldlijk lied vóór ons hadden; immers dergelijke kinderliedjes
+in den trant van ons "kinne-, kinnewipje", aanbrengers van vroegste
+zelfkennis voor het kind, zooals zij nog te onzent en in andere landen
+van West-Europa in den volksmond leven, zullen wel overoud zijn[26].
+
+Twee andere liederen hebben naar alle waarschijnlijkheid betrekking op
+een bedevaart. Het eene verplaatst ons bij zonsopgang naar bergen en
+bosschen, smeekt de bescherming van het heilig kruis af op dezen tocht,
+roept de hulp der heiligen in tot het vinden van een goede herberg en
+beveiliging tegen roovers en moordenaars te land en te water[27].
+
+Het andere is een geestelijke romance ter eere van SANTE GHEERTRUUT, de
+patronesse der reizigers. Een volksdichter heeft waarschijnlijk op dien
+tocht voor het overig "gezelschap" dat "tot onsen here god voer" het
+verhaal gezongen van den ridder die, ter wille van de schoone heilige al
+zijn goed had verteerd, die zijn ziel aan den duivel verkocht om weer
+rijk te worden en op het beslissend oogenblik door SANTE GHEERTRUUT
+wordt verlost uit de klauwen van den Booze. Er is poëzie in dit lied,
+hoe weinig geoefend ook de hand was die haar verwerkte: de eenvoudige
+droefheid bij het afscheid van den ridder en zijne geliefde; de naïeve
+verzuchting: had ik het maar geweten van te voren! het dwalen op een
+duisteren avond langs de wilde heide, de plotselinge verschijning van
+den Vijand, het "roode bloed" waarmee het contract wordt geschreven, de
+plastiek bij het drinken van den beker van SINT-GEERTEMINNE:
+
+ Hi nam den nap op sijnre hant,
+ Hi sette hem voor sinen mont,
+ Hi en hadde den wijn ooc niet gespaert,
+ Hi dranc hem uut al tot den gront[28].
+
+Deze en dergelijke trekken maken het wel begrijpelijk, dat een
+sprookspreker als Meester WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG geen weerstand
+heeft geboden aan den lust om de stof dezer geestelijke romance op zijne
+wijze te bewerken.
+
+
+MINNELIEDEREN.
+
+Zoo schaarsch als de geestelijke liederen zoo talrijk zijn de
+minneliederen van dezen tijd. In een handschrift van het laatst der 14de
+eeuw, dat misschien was aangelegd voor een edelman uit het Brugsch
+geslacht Van Gruythuyse, zijn ons bijna anderhalfhonderd liederen
+bewaard die ons een beeld geven van het minnelied dezer tijden. Voor een
+deel zijn die liederen misschien gedicht door zekeren jonker JAN VAN
+HULST, doch het komt mij voor dat ook andere handen in deze liederen
+vallen te onderscheiden[29]. Misschien hebben Duitsche dichters tot het
+ontstaan van dit handschrift medegewerkt; in allen gevalle worden wij al
+dadelijk getroffen door de Duitsch-getinte taal of het mengsel van
+Duitsch en Nederlandsch waarin ettelijke dezer liederen zijn geschreven.
+Het Beiersche gravenhuis had het Duitsch hier te lande in zwang
+gebracht, Duitsche dichters en zangers kwamen in het gevolg der graven
+en edelen in deze landen; het is begrijpelijk dat velen hunner getracht
+hebben aan hunne taal een Nederlandsche kleur te geven zooals de
+Fransche trouvères der 13de en 14de eeuw, in het Noorden van Italië
+rondtrekkend, de Fransche ridderpoëzie in veritaliaanscht Fransch
+voordroegen.
+
+Misschien zijn er ook Nederlandsche dichters geweest, die getracht
+hebben aan hunne taal een Duitsche tint te geven; het is niet
+gemakkelijk uit te maken welke der beide mogelijkheden men in bepaalde
+gevallen vóór zich heeft[30].
+
+Herinneren vele dezer liederen ons door hun vorm aan Duitschland, hun
+inhoud toont in menig opzicht verwantschap met de hoofsche Duitsche
+minnepoëzie dier dagen. De opvatting van de liefde als een dienst, die
+wij reeds vroeger in dit verhaal hebben leeren kennen, treffen wij ook
+hier aan; ook hier zijn de rollen omgekeerd: het sterke geslacht zucht,
+treurt, klaagt en weent of vleit--het zwakke is mannelijk en fier; zij
+is de "princesse", de "keyserinne"--hij de "dienaer" of de "lijfeigene".
+De liefde is hier eerbiedig, bescheiden, het zinnelijke wordt
+onderdrukt; heimelijk smachten naar haar bijzijn, dat staat hoog; wordt
+de "stedicheit" van den minnaar ook niet beantwoord, toch blijft hij
+trouw. Hoofsch is deze opvatting der liefde in hooge mate; een dorper
+kan zich dan ook niet daartoe verheffen: "een kerel ghert der vreughden
+gheyn." Het is niet vreemd dat wij in dezen zelfden bundel een fraai
+lied aantreffen, dat van diepe minachting voor de "kerels" vervuld is.
+
+Een tegenstelling met deze liederen, gedicht onder den invloed eener
+internationale opvatting der liefde, vormt een veertigtal andere die in
+taal, gevoel en voorstelling zuiver nationaal mogen worden genoemd.
+
+Hier geen hoofschheid, neen waarlijk niet! Hier krachtig realisme en
+onbedwongen zinnelijkheid; maar ook welk een dartele levenslust en
+onbezorgde vroolijkheid, welk een helder opklinkende lach!
+
+Niet zóó scherp noch zóó volstrekt echter moet men zich deze
+tegenstelling denken, alsof alle Duitsch-getinte liederen tegenover de
+zuiver-Vlaamsche konden worden geplaatst als idealisme tegenover
+realisme. Want eenerzijds komen er onder die Duitsch-getinte liederen
+een paar voor die in dubbelzinnig schertsende beeldspraak over het
+minnespel denzelfden trant houden als sommige zuiver-Vlaamsche
+liederen[31]. Anderzijds zijn sommige zuiver-Vlaamsche stukken gedicht
+in den geest der hoofsche minnepoëzie; doch opmerkelijk is, hoe het
+nationaal realisme dan op sommige plaatsen door het idealistisch vernis
+heen komt kijken[32]. Overigens vindt men hier verscheidene genre's
+vertegenwoordigd: liederen over de droefheid van het scheiden, waarvan
+er een doet denken aan de later uitvoeriger te behandelen
+"wachterliederen"; nieuwjaarsliederen die waarschijnlijk bestemd waren
+om aan de liefste gezonden te worden, evenals andere die ter begeleiding
+van een bloeienden meitak zullen hebben gediend; weer andere hebben een
+meer verstandelijk karakter en handelen over de "stede" (trouw), over
+vriendschap, afgunst en nijd. Een enkel behelst klachten over de
+"niders"[33].
+
+Aan de verscheidenheid van inhoud beantwoordt een rijke verscheidenheid
+van vorm; sommige liederen bestaan uit slechts een enkel couplet, de
+meeste uit meer coupletten; de gewone vierregelige strophe komt maar een
+enkelen keer voor en dan nog met een kunstiger rijmstelsel dan de gewone
+overslaande rijmen (no. 136); de omvang der coupletten zwelt soms,
+misschien onder den invloed eener bestaande melodie, aan tot het
+buitensporige. Maar ook, hoe menig fraai lied is hier te vinden! Daar is
+dit lied op het scheiden:
+
+ Sceiden, onverwinlic leit,
+ Onvreuchdelyc es dijn beghin,
+ Dat nemic waerlic up myn heit [Zijnoot: eed.]:
+ Ten brinct gheen dinc meer lidens in.
+ Sceiden, du dwinx herte ende zin,
+ So langher tyt, so meer verdriet,
+ Sceiden, du ne ghenouchs [Zijnoot: behaagt.] mi niet.
+
+Het aardige lied op den leeuwrik, dat aanvangt:
+
+ Aloëtte, voghel clein!
+ Dyn nature es zoete ende rein,
+ So es dyn edel zanc;
+ Daer dienstu met den here allein
+ Te love om sinen danc.
+
+Het lied tegen de kwellende gepeinzen, die den minnaar rust noch duur
+laten, en het klaaglied over het lot van den ongelukkigen minnaar, met
+dit aardig couplet:
+
+ Trueren, waken,
+ Magher caken,
+ Selden sonder toren [Zijnoot: verdriet.],
+ Breken, maken,
+ Niet gheraken,
+ Achter meer dan voren--
+ Dit moeter al toe horen
+ Ende al den tijt verloren[34].
+
+Wij vinden hier ook meer dan een mooien beurtzang, hetzij tusschen
+ridder en jonkvrouw, minnaar en meisje, hetzij tusschen twee gezellen of
+twee speelnootjes. Als proeve kunnen hier slechts een paar coupletten
+worden medegedeeld van den beurtzang tusschen een paar gezellinnen,
+waarvan de eene aan de andere een droeve bekentenis doet:
+
+ Ghespele, in caent gheswighen niet,
+ Nu wilt mijn overzwaer verdriet
+ In trauwen helpen helen.
+ Doe ic lesten van u sciet
+ [Zijnoot: laatst afscheid van u nam.],
+ Doe addi mi allein bespiet
+ Ende ic ginc mettem spelen.
+ Ghespele, wilt beraden mi,
+ So dat mijn ere behouden zi
+ Bi wizen rade;
+ Ic wane in comme hem nemmer bi.
+ Wat sal ic doen! o wach, o wi!
+ Het es te spade!
+
+ Die ander sprac: op minen heit [Zijnoot: eed.],
+ Dat es mi waerlic alzo leit,
+ Ghespele, ic wil u claghen.
+ Waer es dijn zuver ommecleit
+ [Zijnoot: de reinheid waarin gij gekleed waart.]?
+ Nu moestu dinen aerbeit [Zijnoot: zwangerschap.]
+ Lange alleine draghen.
+ Waer es dijns hertzen toeverlaet?
+ In can di, leider! genen raet
+ Ghegheven--
+ Wint up dijn haer [Zijnoot: maagden lieten het haar los hangen.], dijn
+ guldin draet,
+ Waer es dijn vruechdenrijc ghelaet
+ Ghebleven!
+
+De realistische minneliedjes en beeldjes uit het volksleven zijn niet
+minder fraai. Het manke liefje met één oor en zwarte handen, dat knort
+als een varken, bereidt ons reeds voor op de groteske figuren van
+Breughel, en hoe gaarne zou men weten hoe het afloopt met den kapelaan
+van Hoedelem, dien wij 's morgens met den koster achter hem ter mis zien
+gaan. Maar slechts de aanvang van dat lied is ons overgebleven. Dan is
+er TUTEBIER, de marskramer, met zijn vroolijken straatroep:
+
+ Naelden, spellen, trompen, bellen,
+ Ic wil mijn merse hier nederstellen,
+ Laet zien of ic vercopen can!
+
+die aangeroepen wordt door een lachend mooi meisje, dat zoo'n moeite
+heeft om een speld van het juiste formaat te vinden:
+
+ "Merseman," seidesi, "lieve geselle,
+ "Ic hebbe een cleine cokerkijn,
+ "In vinde hier in no naelde no spelle [Zijnoot: speld.],
+ "Die wel voughen soude daer in.
+ "Hier sijn grote ende daer so cleine,
+ "Maer ic ne vinde niet dat ic meine."
+ --"Joncfrauwe, wat spellen wildi dan?
+ "Naelden, spellen, trompen, bellen,
+ "Ic wil mijn merse" enz.
+
+ "Joncfrauwe, ic hebbe een spellekijn,
+ "Dan es niet aldus cleine."
+ --"Cnape, wel moeti comen sijn,
+ "Ghi weit wel wattic meine.
+ "Wildi de spelle vercopen niet,
+ "So leen se mi of ghijt ghebiet [Zijnoot: indien gij wilt.],
+ "Ic salt u lonen, bi sinte Jan--
+ "Naelden, spellen, trompen, bellen,
+ "Ic wil mijn merse hier neder stellen,
+ "Laet zien of ic vercopen can!"
+
+Daar is verder de "maecht in vrueghden rijck" die zoo gaarne op de
+"bonghe" [Zijnoot: trom?]" wil leeren spelen; Heer WOUTER, oud en
+koud, die LYSKEN te na komt en op zijne kaken geslagen wordt; het
+avondfeestje in de schuur tusschen zuster LUTE en broeder LOLLAERT,
+waaraan zulk een onverwacht eind komt--altemaal uitingen eener krachtige
+zinnelijkheid die wel eens uit den band springt en grof wordt, doch die
+in zijn dartelen moedwil ook zulk een volheid van leven toont, zulk een
+natuurlijke bevalligheid en lossen zwier[35].
+
+De hierboven genoemde "bonghe" was een der vele muziekinstrumenten die
+na onze kennismaking met het Zuiden en het Oosten ook hier werden
+ingevoerd en gebruikt.
+
+Naar het schijnt, werd de "bonghe" ook wel "bom" genoemd en bediende men
+er zich van ter begeleiding van een zanger of zangeres[36]. Het
+_rondeel_, een der lyrische dichtvormen die in de 14de eeuw in zwang
+kwamen, werd toen ook wel gezongen met muzikale begeleiding. Een rondeel
+van amoureuzen inhoud vinden wij in een gedicht "_van den wilden man_"
+dat uit deze eeuw dagteekent; begrijpelijker wijze wordt het rondeel,
+als voor den zang bestemd, hier "liedekijn" genoemd:
+
+ Nu hoert hier dliedekijn, dat hi sanc
+ met luder stemmen eer iet lanc:
+ "Ic was wilt, ic ben ghevaen
+ "ende bracht in mintliken bande;
+ "dat heeft ene maghet ghedaen.
+ "Ic was wilt, ic ben ghevaen;
+ "Al mochtic, in woude haer niet ontgaen,
+ "des settic mine trouwe te pande.
+ "Ic was wilt, ic ben ghevaen
+ "ende bracht in mintliken bande"[36].
+
+Ook elders bleven ons nog minneliederen bewaard in eene
+Brabantsch-Limburgsch gekleurde taal, doch in zóó gebrekkigen toestand,
+dat men er zich geen juist oordeel over kan vormen. Zooveel is echter
+wel zeker, dat zij tot de hoofsche poëzie moeten worden gebracht. Op
+meer dan een plaats immers wordt gesproken over _dienst_ en _vrouwe_,
+b.v. in eene uiting als deze:
+
+ Lijfs ende sins is hi versaeght,
+ Die dlijf [Zijnoot: het lief(je).] mint die sijn dienst meshaeght.
+
+Elders herkennen wij in "dier verreder ghevensde tale" de klachten over
+de "niders" waarvan de hoofsche minnepoëzie vol is. Hier en daar hooren
+wij een couplet of een paar verzen die ons een goeden dunk van het
+geheel geven. Zoo b.v.:
+
+ En mach verberghen in gheen hol
+ Hem lief vor lief, die liefs es vol.
+
+of:
+
+ Liefs troest eest beter niet ghenieten,
+ Dan na liefs troest liefs troest mesnieten [Zijnoot: ontgelden, boeten.],
+
+
+of dit deel van een couplet:
+
+ dat hem verdrote
+ 's Levens sere,
+ Die uyt sire vrouwen
+ Herte dor trouwen
+ Ghesloten were[37].
+
+Doch wij zouden er meer van over moeten hebben en vooral in een beter
+overgeleverden tekst, vóórdat wij ons een algemeen oordeel zouden kunnen
+vormen.
+
+Onder de minneliederen uit het handschrift der Gruythuysens vindt men
+ook--de nabuurschap dagteekent reeds van Anakreon--een aardig drinklied
+dat aanvangt:
+
+ Scinc her den wijn,
+ Gheselle mijn,
+ Wi willen vroilic leven;
+ Het mach sulc [Zijnoot: deze of gene.] zijn
+ Noch up den Rijn,
+ Die ons gheluc mach geven,
+ Al moeten wi nu sneven.
+
+Andere, met dit lied verwante, liederen brengen ons in gezelschap van
+berooide minnaars die hunne versmade liefde zoeken te vergeten en als
+een voorspel vormen van de latere liederen der "gildekens" [Zijnoot:
+doorbrengers.] [38].
+
+
+HISTORISCHE LIEDEREN.
+
+Gebeurtenissen of toestanden en verhoudingen die in ruimen kring indruk
+maakten, ontroering verwekten onder een aanzienlijk deel van het
+Dietsch-sprekende volk, waren, zooals wij zagen, ook in een vorige eeuw
+waarschijnlijk wel tot uiting gekomen in het lied. Voorbeelden van zulke
+uitingen zijn echter niet tot ons gekomen. Gelukkiger zijn wij wat de
+14de eeuw betreft. De wassende beteekenis en invloed der burgerijen
+schijnt zich te openbaren ook in het feit, dat ten minste eenige
+historische liederen uit dezen tijd tot ons zijn gekomen.
+
+Indien wij ons herinneren welk een diepen indruk de moord op graaf
+FLORIS DEN VIJFDE in Holland maakte, dan verwondert het ons niet dat
+deze gebeurtenis tot een lied is verwerkt, noch dat dit lied eeuwen lang
+in den volksmond is blijven leven. Hoogst opmerkelijk is de wijze waarop
+de uit de geschiedenis bekende feiten hier door een ons onbekenden
+volksdichter verwerkt zijn. Spreekt de historie van een strijd tusschen
+den op zijne voorrechten naijverigen adel en den graaf dien zij
+smadelijk "der keerlen god" noemden, het lied vindt den sleutel tot de
+verklaring der gebeurtenissen in persoonlijke motieven.
+
+Graaf FLORIS, zóó wordt ons hier verteld, is zijne bijzit moede en wil
+haar als echtgenoote aan GERARD VAN VELZEN opdringen. Deze weigert; "uw
+versleten schoenen en wil ic niet", zegt hij in hoonende beeldspraak.
+FLORIS zint op wraak; het huwelijk van VELZEN met MACHTELD VAN WOERDEN
+biedt hem daartoe gelegenheid. Hij ontbiedt GERARD aan zijn hof; terwijl
+deze onderweg is, gaat FLORIS tot de jonge vrouwe van VELZEN en onteert
+haar. Die schennis wreekt GERARD op den schender. Verhaalt de historie
+ons dat de moordenaars van den graaf ontsnappen--de volksdichter laat
+GERAERT VAN VELSEN gevangen nemen; drie dagen lang wordt hij om en om
+gerold in een vat waarin spijkers geslagen zijn. Die marteling vermag
+hem te breken noch te buigen. Op de vraag "hoe hem nu te moede is?"
+antwoordt hij:
+
+ Ic ben noch al de selve man,
+ Die graef Floris sijn jonc leven nam.
+
+Wij mogen wel als zeker aannemen, dat deze voorstelling van zaken niet
+door den volksdichter is verzonnen, doch dat hij haar ontleend heeft aan
+een Nederduitsche sage.
+
+Van den Gotenkoning ERMANARIK en een zijner voorname heeren wordt ons
+bijna volkomen dezelfde geschiedenis verhaald; ook in Deensche liederen
+treden koning ERIK GLIPPING en zijn maarschalk, ridder STIG, in dezelfde
+verhouding op.
+
+Met dat al blijft het opmerkelijk, dat een volksdichter te onzent eene
+dergelijke voorstelling van den moord op graaf FLORIS heeft gegeven,
+waarin "der keerlen god" nu juist niet de mooiste rol heeft; zelfs kan
+men zeggen dat de sympathie des volksdichters eerder aan de zijde van
+den onbuigzamen edelman is, den wreker der bevlekte huwelijkseer en aan
+die der schoone jonge vrouw die den smaad zoo diep gevoelt. Heeft graaf
+FLORIS door een liefdesbetrekking tot eene jonkvrouw of edelvrouw
+inderdaad eenige aanleiding gegeven tot het in verbinding brengen zijner
+geschiedenis met de Nederduitsche sage? Immers, ook LODEWIJC VAN VELTHEM
+die zich overigens in dezen welingelicht toont, schrijft over de redenen
+tot den moord:
+
+ Ander secgen: dat om een Vrouwe quam,
+ Dat men hem sijn leven nam,
+ Daer hi met soude hebben te doene,
+ Die wyf was een van sinen baroene,
+ Ende datten diegene daerom lagen
+ Leiden vander stont alle dagen[39].
+
+Vóór 1316 was derhalve dit gerucht aangaande de schennis eener adellijke
+dame, niet juist MACHTELD VAN VELZEN, als reden tot den moord reeds
+verbreid. Heeft VELTHEM dit gerucht leeren kennen uit het Dietsche lied
+of langs anderen weg? Tot het geven van een afdoend antwoord op die
+vragen zijn wij niet in staat. Doch hetzij den volksdichter de ware
+toedracht der zaak bekend is geweest of niet, in beide gevallen is het
+begrijpelijk dat gekrenkte huwelijkseer voor hem een aantrekkelijker
+motief was dan gekrenkte adeltrots; dat algemeen menschelijk gevoel hem
+sterker aandeed dan het belang van een bijzonderen stand, waartoe hij
+blijkbaar niet behoorde. Die aandoening zou zich ongetwijfeld
+duidelijker openbaren, indien wij het oude lied in zijn oorspronkelijken
+vorm bezaten; het moet heel wat geleden hebben in het drietal eeuwen,
+waarin het van mond tot mond ging, vóórdat wij het in 1591 achter de
+_Rijm-Kroniek van Melis Stoke_ aantreffen. Doch ook in dezen verminkten
+vorm treffen ons nog de levendigheid van het verhaal in zijn vluggen
+gang, de teekenachtige beeldspraak van VELZEN tot zijn heer, de
+aanschouwelijkheid der voorstelling, de dramatische kracht; ook de
+vinding om den moordenaar, volgens een uit de sprookjes bekend motief,
+in een met spijkers doorboorde ton te rollen[40].
+
+Een landsheer in strijd met een zijner voorname edelen vinden wij ook in
+een ander lied van dezen tijd. Dat ook dit lied ons gebrekkig is
+overgeleverd, blijkt reeds uit den titel: _Van cort Rozijn_; immers de
+naam van den edelman die hier de hoofdrol speelt, ZEGER VAN KORTRIJK,
+"Segher de _Curtroysijn_" (d.i. van Courtroy), is hier verbasterd door
+een Vlaming, die blijkbaar geen Fransch kende.
+
+Wij zijn in Vlaanderen tijdens den oorlog tusschen Frankrijk en
+Engeland. De graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS, heeft de partij
+van Frankrijk gekozen; een deel van zijn volk, en daaronder twee
+invloedrijke Gentenaars, houden de zijde van Engeland. Die twee zijn
+JACOB VAN ARTEVELDE en ZEGHER VAN KORTRIJK. Vertoornd over hunne
+tegenkanting laat de Graaf ZEGHER gevangen nemen en onthoofden (1337).
+
+Opmerkelijk is ook hier de wijze, waarop deze historische kern door de
+volkspoëzie is verwerkt.
+
+In het lied biedt de Graaf zijn "lieven neve" den Cortrosijn het
+ruwaardschap over Vlaanderen aan; doch deze, weinig minder hooghartig
+dan VELZEN tegenover den Graaf van Holland, weigert in smadelijke
+bewoordingen: "ick leve so noode bi quaden ase" [Zijnoot: voedsel.].
+Die "spitighe woorden" zullen u berouwen, herneemt de ander; met uw
+hoofd zult gij ervoor boeten. Onvervaard door dat vooruitzicht beweert
+de Cortrosijn, dat hij nog een nacht bij des Graven dochter zal slapen.
+Toornig wendt Vlaanderens heer zich van hem af, en niet lang daarna
+wordt de weerspannige gevangen genomen. Genade bidt hij te vergeefs;
+voor het huis te Rupelmonde valt zijn hoofd onder de bijl. Maar op
+Sint-Laurensdag komt de koning van Engeland zijn aanhanger wreken; toen
+de dag ten avond kwam, lag Brugge in het roode bloed.
+
+Evenals in het lied _van Gerard van Velzen_ is ook hier het bijzondere:
+de strijd der partijen, tenauwernood zichtbaar; het algemeen
+menschelijke: gekrenkt eergevoel en liefde, staat op den voorgrond[41].
+
+Heeft de volksdichter zijne voorstelling geheel verzonnen? Wie zal dat
+uitmaken? Dat de historische stukken van dezen tijd niets van zoodanige
+verhouding weten, is wel van gewicht, maar levert geen afdoend bewijs.
+Doch ook al hebben wij hier louter verdichting, dan blijkt daaruit nog
+eens te meer het eigenaardig wezen der volkspoëzie, die het algemeen
+menschelijke gaarne op den voorgrond brengt, ook daar, waar het niet
+door de gebeurtenissen ten tooneele wordt gebracht.
+
+Het lied _van den Cortrosijn_ herinnerde ons den grooten patriot JACOB
+VAN ARTEVELDE. Indien de historische overlevering te werk ging volgens
+onze verwachtingen, wat zouden wij dan eer verwacht hebben, dan dat niet
+één, maar verscheidene liederen de heugenis aan ARTEVELDE'S krachtige
+persoonlijkheid en zijn tragischen dood zouden hebben bewaard? Toch
+bezitten wij niets over hem, dan een onbeteekenend fragment van een naar
+allen schijn onbeteekenend lied, dat bovendien nog van twijfelachtige
+herkomst is. Maar zijne partij, de nationale partij der "Clauwaerts",
+die de klauwen van den Vlaamschen leeuw op hunne mouwen geborduurd
+droegen, bleef leven in een kort spotliedje, uitgegaan van de
+Franschgezinde "Leliaerts", op wier mouwen de "fleur de lis" prijkte:
+
+ Clauwaert, Clauwaert,
+ Hoet u wel van den Lelyaert
+ enz.[42].
+
+Dat liedje was niet de eenige uiting van de minachting en den haat der
+voorname "Leliaerts" jegens de nationale partij. In een vierregelig
+gedichtje wordt gewezen op den overmoed van de rijk wordende "kerels".
+Uitvoeriger worden de "kerels" ons geteekend in een veel grooter gedicht
+van dezen tijd, dat van niet geringe technische vaardigheid getuigt en
+waarschijnlijk is vervaardigd door een edelman of aanhanger van den adel
+die door de "kerels" was gevangen genomen en in den "stoc" [Zijnoot:
+gevangenisblok.] gezet. Met onverholen minachting, met verdienstelijke
+plastiek en scherpen spot is de "kerel" hier afgebeeld in zijne ruwheid
+en grofheid: hij vreet look met koolstronken, met zijne handen klopt hij
+eieren door zijn heete melkpap en slaat ze naar binnen tot hij er
+scharlaken van ziet; achter het vleesch en spek zit hij heen, dat hem
+het vet langs de vingers druipt. Hoort hem kallen tegen zijn soort: mijn
+landheer vroeg mij onlangs ten eten, ik schrokte en vrat mij
+boordevol!--"Hei", roept een andere kornuit, "hoort nou ereis een
+vreemde klucht: ik heb mijn bles-merrie verruild, nu zal zij voor de
+schuit van Pieter Gerrits loopen! Heb ik hem zijn neus niet
+gesnoten?--Hadden de "kerels" de macht in handen, het zou spoedig
+klinken: slaat de heeren dood! De "kerels" van Gent kunnen het getuigen.
+Boven op een paard speelt hij ook wel voor ridder; de dorschvlegel is
+zijn speer, de wan zijn schild; "ja, zeker!" zeggen dan de overige
+rekels, "Roelof weet van steekspel houden!"
+
+Denzelfden vijandigen geest, dezelfde minachting ademt een lied "van de
+kerels" waarvan wij, sprekend over de minneliederen, reeds gewag
+maakten. In kleiner bestek doch met niet minder talent en met vaster
+hand is hier een beeld van den "kerel" omgetrokken, dat bovendien niet
+zóó door den tijd geleden heeft als het voorgaande. Hier zien wij hem:
+"vijand van de ruiters, langgebaard, in gescheurde kleeren, met gelapte
+kousen en schoenen, de kaproen scheef op het hoofd, altijd vol wrongel
+en wei, brood en kaas. Met een homp roggebrood in de hand gaat hij naar
+de ploeg; dan komt zijn vuil wijf er bij, de flarden hangen haar bij de
+muilen neer. Gaat hij ter kermis, dan beeldt hij zich in dat hij een
+graaf is; alles wil hij neerslaan met zijn knuppel"... in dien trant
+gaat het lied voort, om te eindigen met het grimmig dreigende:
+
+ Wi willen de kerels doen greinsen,
+ Al dravende over 't velt,
+ Hets al quaet dat zi peinsen;
+ Ic weet ze wel bestelt [Zijnoot: ik weet goed raad voor hen.]:
+ Men sal ze slepen [Zijnoot: nl. op eene horde (naar de galg).]
+ende hanghen,
+ Haer baert es al te lanc;
+ Sine connens niet ontganghen,
+ Sine dochten [Zijnoot: zouden niet deugen.] niet sonder bedwanc.
+ Wrongle ende wey, broot ende caes,
+ Dat heit [Zijnoot: eet.] hi al den dach;
+ Daer omme es de kerel so daes [Zijnoot: dwaas.],
+ Hi etes meer dan hi mach.
+
+Ook al voegt men bij deze weinige historische liederen eenige politieke
+gedichten van dezen tijd, zooals de _Jammerliche Clage_ over den dood
+van graaf WILLEM IV in Friesland, een onbeteekenend gedicht op JAN III,
+hertog van Brabant, een stuk van WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH over het
+ontstaan der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten en een paar andere--welk
+een onvolledigen en zwakken indruk krijgen wij dan nog van die
+gewichtige 14de eeuw!
+
+Doch men mag hier niet vergeten dat, vooral in de middeleeuwen, de
+poëzie zich slechts ten deele openbaart door de kunst van het woord; dat
+zij voor een aanzienlijk deel latent bleef in het leven. Hoeveel poëzie
+schuilt er in de werkelijkheid dier dagen, ook al richt men het oog in
+het bijzonder op de geschiedenis van land en volk. Een goed voorbeeld
+daarvan levert ons de Latijnsche kroniek, door WILLEM, kapelaan te
+Brederode, opgesteld in het eerste vierdedeel der 14de eeuw. De auteur
+verhaalt ons daar, hoe WILLEM I, graaf van Holland, op een reis naar
+Duitschland door Gelderland trekt. Uit vrees voor hinderlagen van zijn
+vijand OTTO, graaf van Gelre, heeft hij zich in geringe kleeren
+gestoken; met slechts een enkelen dienaar wandelt hij blootsvoets door
+Gelderland. Zijn weg leidt hem langs het kasteel van zijn vijand. De
+gravin staat voor het raam en ziet hem; aan zijne beenen en overige
+ledematen herkent zij den man van edel bloed en begrijpt dat het graaf
+WILLEM moet zijn. Een bode noodt hem binnen te komen. WILLEM aarzelt
+maar geeft aan de noodiging gehoor. De gravin laat hem in een kamer
+brengen en betere kleeren uit haar mans garderobe geven; zij begroet hem
+als graaf van Holland en laat niet af, al loochent hij het; op slimme
+wijs weet zij hem tot erkenning der waarheid te brengen. Bij het vallen
+van den avond komt graaf OTTO thuis. Zijn gemalin gaat hem tegemoet;
+hand in hand komen zij de zaal binnen. De verstandige vrouw vraagt of
+hij haar een belofte wil doen; de graaf stemt toe en doet er een eed op
+dat hij zijne belofte zal houden. Daarop zegt zij: huw dan onze dochter
+ALEID uit aan WILLEM, graaf van Holland.--"Droomt gij?" zegt de graaf;
+"maar mijn eed zal ik houden." Nu gaat de gravin de kamer binnen waar
+WILLEM zich bevindt, begroet hem als schoonzoon en brengt hem voor haar
+gemaal. Allen zijn verwonderd; doch sommigen zeggen: geen wijsheid, geen
+raad kan bestaan tegenover God. Lag hier niet de stof voor eene romance
+te wachten op de beeldende hand van een dichter? Die barrevoeter-graaf
+in slechte kleeren vermomd door Gelderland trekkend, die gravin voor het
+venster--typische houding eener middeleeuwsche edelvrouw--die bode, dat
+verwisselen van kleeding, die belofte van den graaf en die
+ontknooping--het is alles ongeboren poëzie. Had deze kapelaan Dietsch
+durven schrijven, wie weet? Doch zijn eerbied voor HORATIUS, OVIDIUS en
+SENECA verbood hem dat en deed hem in zijn Latijn vertellen wat een mooi
+lied in de volkstaal had kunnen worden[43].
+
+
+_c_. GEESTELIJKE, STICHTELIJKE EN DIDACTISCHE LYRIEK.
+
+ Al waren alle gherse [Zijnoot: grasjes.] tonghen,
+ Die te meye oit ontspronghen,
+ Ende si alle van u songhen,
+ Si en gaven u niet te vollen prijs.
+
+Deze verzen uit een gedicht _van onser Vrouwen_ wijzen aan, waar het
+zwaartepunt ligt in de geestelijke lyriek van dien tijd: MARIA neemt de
+voornaamste plaats in. Het is haar "opvaert", hare "vijf pinen", hare
+"claghe"; wij vinden "bedinghen" tot haar, een "lof van Maria", "Ave
+Maria," "Salve Regina" en hoe die stukken verder heeten mogen. Vele
+daarvan toonen meer vroomheid dan eigenaardig karakter of talent van den
+dichter. Sommige andere verdienen op den voorgrond gebracht te worden.
+
+Zoo vinden wij drie meesters: ALBRECHT VAN KEULEN, HEYNRIC FROMATOR en
+JACOB VAN MERLANT, "een edel clerc ende wide becant" in een soort van
+wedstrijd bezig met den lof der Moedermaagd te zingen; MAERLANT'S
+lofspraak wordt de schoonste geoordeeld. Een enkelen keer treffen ons
+onder de gebeden tot MARIA fraaie stukken; zoo b.v. dit couplet:
+
+ O maghet, o moeder, o godlijc wijf,
+ O zoete, o reyne, o leytsverdrijf,
+ O lieve, o werde, o zalighe vrouwe,
+ O advocate der zonden kijf [Zijnoot: op wie de zonden kwaadaardig zijn.],
+ O onser, ellendigher, biblijf [Zijnoot: toeverlaat.];
+ O roze, vul van 's hemels dauwe,
+ O troost in node, o heils beclijf,
+ O wech der dolender, even stijf [Zijnoot: zeer betrouwbaar.],
+ O bloeyende minne, o vloeyende trouwe,
+ O moederlic herte, o maechdelic lijf,
+ O licht voor thelsche ongherijf,
+ Com, los mijn herte uut allen rauwe[44].
+
+Opmerkelijk is een stuk getiteld _Onser Vrouwen Claghe_ om den geest der
+vroegere volkspoëzie, dien het ademt. Zoo vinden wij hier meer dan eens
+dat spreken der personen zonder aankondiging:
+
+ Tote Adame dat hi quam:
+ "Adam, du ne wet min no mee
+ ...
+
+Ook de epische herhaling van vraag en antwoord en de deelneming van den
+dichter, die zich lucht moet geven midden in zijn verhaal met een: "Ay,
+hoe node dat hi (Adam) 't dede!"[45].
+
+Naast deze gedichten op MARIA vinden wij andere _Op het lyden Christi_,
+_ons liefs Heren passie_, _de seven ghetide van onsen here_. Hindert ons
+hier soms dezelfde platheid, die wij vroeger in de ridderpoëzie
+aantroffen, waar een dichter zich niet ontziet te schrijven
+
+ Dat Jhezus naect hinc als een rent [Zijnoot: rund.]
+ An den cruce moedernaect[46].
+
+Anderzijds treffen wij hier een fraai staaltje van geestelijke
+volkspoëzie aan in een stuk, dat den naam draagt _Van Jhesus Mynnen, een
+scoen ryme_. Men oordeele zelf:
+
+ O edele ziele mijn, en was die trouwe niet groot,
+ Dat Jhesus Christus, Marien Sone, om u vercoes di doot?
+
+ O edele ziele mijn, nu sijt hem onderdaen,
+ Want hi wilt noch anders met u spelen gaen.
+
+ O edele ziele mijn, staet op, maect u ghereet,
+ Doet uwen mantel ane, der hogher minnen cleet.
+ O edele ziele mijn, doet ane u scone juweel,
+ U brugom wilt gaen meyen met u in sijn prieel.
+
+ O edele ziele mijn, hets daer zuete meyen gaen:
+ Den wijn der melodiën wort u daer opgedaen[47].
+ enz.
+
+Voorts vinden wij nog lofdichten op S. JAN BAPTIST, eene paraphrase van
+het _Miserere_, van het _Pater Noster_. Het oude geloof, dat voor het
+Christendom had moeten wijken, openbaart zich in een tooverformulier,
+dat wel gekerstend is, doch waar het oude geloof nog uit opduikt als een
+duiveltje uit een verlucht getijdenboek. Want dit is wel het
+oud-nationaal geloof:
+
+ ...
+ ... dat my gheen dinghen en moghen vellen
+ Noch gheen tonghe en moge quellen,
+ Noch yser noch stael my sniden noch slaen.
+
+Maar onmiddellijk daaraan vooraf gaat een bede tot "den heyligen kerst"
+en op den laatsten hier medegedeelden regel volgt:
+
+ Dat seder ghesmeedt waert
+ Dat Christus gheboren waert.
+
+Opmerkelijk is ook, hoe de onharmonische vermenging van oud-nationaal en
+Christelijk geloof zich hier openbaart in het gemis aan samenhang en
+harmonie van het gansche stuk[48].
+
+Vonden wij hier den mensch vooral tegenover MARIA en JEZUS, een enkelen
+keer tegenover God, in andere gedichten staat niet het godsdienstige,
+maar het zedelijke op den voorgrond. Die gedichten zijn veel en veel
+talrijker dan de weinige eigenlijk gezegde geestelijke gedichten. Meer
+en meer zien wij ook in de poëzie, dat de burgerij zelf de ontwikkeling
+van haar zedelijk leven ter hand neemt, al blijft zij de priesters nog
+erkennen als middelaars tusschen haar en God.
+
+De burgerlijke dichters, die zich hier als woordvoerders der gemeente
+tot de gemeente richten, kiezen daartoe gaarne den weg van het
+verstandelijk betoog, de redeneering, de uiteenzetting, de waarschuwing.
+
+Het verwondert ons niet, bij deze neiging tot didactiek ook hier een
+paar maal het vaderlijk "lieve kindre" aan te treffen, dat wij vroeger
+in de leerdichten aanwezen, noch dat het _debat_ en daarmede verwante
+vormen hier vaak voorkomen. Juist die dichtvorm immers gaf gelegenheid,
+eene zaak door onderscheidene sprekers van verschillenden kant te doen
+beschouwen, vragen te stellen tot de hoorders om hen langs dien weg te
+brengen tot het vinden van de waarheid of ten minste van eene
+overtuiging. Vandaar dat men aan het slot van sommige dezer stukken
+uitdrukkingen leest als: "Nu mach elc vroet man merken" of "Nu gheraet
+hier naer"[49].
+
+Met het verstandelijk karakter dezer poëzie strookt ook wel de lust tot
+allegorie, die hier zich zoo krachtig openbaart. De roman _van de Roos_
+moge invloed geoefend hebben op de ontwikkeling der allegorie ook te
+onzent, eene dergelijke neiging van den menschelijken geest kan toch
+niet alleen uit een boek worden afgeleid. Allerlei menschelijke
+eigenschappen en hoedanigheden, gevoelens, neigingen, toestanden, worden
+door de dichters belichaamd, treden voor ons op om, redeneerend en
+disputeerend, te leeren, te vermanen of te stichten. Het zijn Vrouw Ere,
+Vrouw Minne, Trouw, Milde; meester Baraet [Zijnoot: bedrog.] van Lozane
+en zijn vennoot Visevase; de edele vrouwe Gerechtigheid, op jacht met
+hare honden Hope en Troost, komt den jager Onrecht tegen met zijne
+honden Wankelmoed, Loosheid en Logenaar. In een gedicht van Heer
+ERENTRYCK treden o.a. Heer Hoeffscaert en Heer Mildriaen op[50].
+Ootmoedigheid disputeert tegen Wereldsche Eer, Rijkdom tegen Armoede,
+Solaes tegen Penitentie.
+
+Een der oudste stukken van dezen aard, dat nog uit het laatst der 13de
+eeuw dagteekent, is "een abel dinc ende een edel leere: _van der Zielen
+ende van den Lichame_. Het is eene bewerking van den Bijbeltekst: _de
+geest strijdt tegen het vleesch en het vleesch strijdt tegen den geest_,
+die in zijne aangrijpende kernachtigheid het zedelijk leven der meeste
+menschen samenvat[51]. Verwant met dit stuk zijn andere als "een edel
+exempel", waarin een gestorven mensch, in zijn graf liggend,
+waarschuwend en vermanend, spreekt tot hen, die over zijn graf gaan: ik
+was jong, schoon, bloeiend--nu ben ik zwart, verrot, de wormen eten mij;
+wat ik ben, zult gij worden; let dan op het eeuwige, geef aalmoezen enz.
+Ook "een figure" van een zondaar, die in de hel zijne zonden beweent en
+zijne medemenschen waarschuwt, en een drietal tweespraken tusschen een
+levenden en een dooden koning[52].
+
+Verder vinden wij een A.B.C. gedicht ter gelegenheid van het nieuwe
+jaar, vol allerlei zedelijke opwekking; een uitleg van het woord _liden_
+volgens de onderscheidene letters, die elk weer een afzonderlijke
+beteekenis hebben; eenige droomen en visioenen. De allegorie ontbreekt
+ook hier niet; zoo wordt ons b.v. verhaald van het paard dat "de
+menschelijke nature" voorstelt; dat paard wordt geregeerd met den
+breidel van "redelic verstaen"; in dien trant is de allegorie verder
+uitgewerkt[53].
+
+Wat al deze stukken gemeen hebben, is eene stichtelijke of zedelijke
+strekking; doch de dichters bedienen zich tot den opbouw van het
+zedelijk gemoedsleven hunner tijdgenooten van allerlei materiaal. De
+tweespraak is geliefd; behalve de bovengenoemde, vinden wij er een
+tusschen den Zomer en den Winter over elks meerdere voortreffelijkheid;
+een andere over de vraag, wat beter en machtiger is: geluk of geld? weer
+een ander maakt er eene "questie" van: of iemand zijn lam zal hoeden
+tegen een wolf dan wel zijne vrouw tegen een belager. Andere stukken
+geven rechtstreeksche opwekkingen tot zelfkennis, het bewaren zijner
+eer, bescheidenheid jegens zijne meerderen; zij waarschuwen tegen
+"baraet en reinaerdie", hoovaardij, afgunst, boosheid. Zij houden ons
+het beeld voor "van den IX besten", de beste vorsten die geleefd hebben:
+HECTOR, ALEXANDER, CESAR, ARTUR en anderen; zij vertellen ons van "een
+geestelijken boomgaard"; van den hemel, voorgesteld als een schoone zaal
+met vele woningen, waarin God de waard is; van een ridder die zijn zoon
+de eigenlijke beteekenis van het woord _wapen_ leert; van de raadslieden
+die een vorst tot zich moet roepen; van twaalf soorten van dienaren.
+
+Het is begrijpelijk dat dichters die er op uit waren hunnen hoorders of
+lezers praktische levenswijsheid mede te deelen, zich gaarne bedienden
+van spreuken of spreukachtige verzen. Hunne gedichten zijn dan ook vol
+spreukenwijsheid, die men vindt samengevat in een refrein, in een
+slotregel of aan het begin van een stuk als tekst; verzen als:
+
+ Gherne soud se visschen, die catte,
+ Maer node steec se den poot in 't natte.
+
+ Die wel doet, darf gheenen wisch ute steken [Zijnoot: goede wijn
+ behoeft geen
+ krans.].
+
+ Vele onderwinden en was noit goet.
+
+ Swigen brinct vele rusten in.
+
+Doch daarmede niet tevreden, brengt men spreuken in bundels samen en
+alzoo onder de menigte. Sommige daarvan zijn in onbruik geraakt; ik heb
+het oog op een aardige spreuk als:
+
+ Boven macht piint men dicke om haven
+ [Zijnoot: geeft men zich moeite om rijkdom.],
+ Want noot doet oude quenen [Zijnoot: vrouwen.] draven.
+
+Andere herkennen wij ook in dezen vroegeren vorm:
+
+ Hi en dunct mi niet te sere riesen [Zijnoot: dwaas zijn.],
+ Die van tween quaden dminste can kiesen.
+
+Of:
+
+ Met dommen dom, met wisen wijs,
+ Want het es nu der werelt prijs.
+
+Verscheidene dier spreuken worden ook in een Hoogduitschen vorm
+teruggevonden, o.a. in den bundel die bekend staat onder den naam
+_Fridankes Bescheidenheit_.
+
+Gaarne ook liet men menschenwijsheid vertolken door vogels. Soms houden
+deze "voghel sproexkene" verband met het karakter dat men een of anderen
+vogel toekende. De raaf, een onheilsvogel, zegt b.v.:
+
+ Here, dune machs niet genesen [Zijnoot: behouden blijven.]
+ Du en wilt [Zijnoot: tenzij gij wilt.] scalc und ontrou wesen.
+
+De koekoek, een "beroemech" vogel volgens onze voorouders, omdat hij
+altijd van zich zelven spreekt, zegt:
+
+ Oetmoedecheit salmen miden,
+ Want hoverde geet voren tallen tiden.
+
+Doch vaker is dit verband tusschen vogelkarakter en spreukwijsheid niet
+aanwezig en kan men het ontstaan dezer vogelspreuken slechts verklaren
+uit hetzelfde samenleven met de natuur, dat ook vroeger het lied of den
+roep van zoo menigen vogel vertolkte met menschenwoorden die er
+eenigszins op leken[54].
+
+Al dat opvoeden door middel van de poëzie ging langzamerhand vrucht
+dragen: het zedelijk onderscheidingsvermogen gaat zich ontwikkelen; men
+begint scherper oog te krijgen voor eigen feilen en gebreken, en
+vooral--het waren ook toen immers maar menschen?--voor die van anderen.
+De critiek begint zich te doen gelden en invloed te oefenen, voorshands
+vooral op het zedelijk leven. De mannen die zoo gereed waren bij elk
+geschil naar zwaard of mes te grijpen, beginnen in te zien dat geen
+zwaard zoo scherp is als de menschelijke tong:
+
+ Ten snijt gheen zwert so grievelijc zeere
+ Als tonghe, die rovet des menschen eere.
+
+Menigeen moet zich onbehagelijk gevoeld hebben onder het besef dezer
+toenemende critiek. Als tolk van dezulken treedt zekere EGIDIUS op met
+een naïeve klacht over het eeuwige "begrijpen" [Zijnoot: aanmerkingen
+maken.] der menschen, waaraan men niet ontkomen kan: ga ik dikwijls naar
+de kerk--ik ben een schijnheilige; laat ik het--ik ben erger dan een
+hond; draag ik een wapen--ik ben een vechtersbaas; laat ik het thuis--ik
+heet een lafaard; praat ik veel--zijn mond gaat als een Lazarusklep; zeg
+ik weinig--hij speelt stommetje; loop ik veel in de taveerne--de hel is
+zijn voorland, hij zal er nog alles doorbrengen; kom ik er weinig--'t is
+een saaie Piet! "Jeghen quade tonghen helpt geen weeren"; EGIDIUS ziet
+er niets anders op dan de tien geboden houden en de heilige kerk volgen;
+zóó alleen kan men rust vinden in "dit ellendighe erdsche dal."
+
+Anderen zijn niet zoo zachtmoedig tegenover de "begripers" gestemd. Dat
+voorbeeld willen zij niet volgen, zij willen liever op zich zelven
+letten:
+
+ Mijns selfs ghebrec cleeft an mi vast.
+ Dat anderen weecht, es mi gheen last.
+ Ic hebbe te draghene ghenouch an tmijn,
+ Twi [Zijnoot: waartoe.] soudic yemens begripere zijn?
+
+En tot den "begriper" zeggen zij:
+
+ So wie dat spreken wille up mi,
+ Bezye hem selven, wie hi zi.
+ Es hi goet ende al de zine,
+ So eist mi te mindre pine[55].
+
+Doch wie zich ook aan de critiek ergeren mocht, zij zweeg daarom niet.
+Het zaad, door MAERLANT uitgestrooid, dat wij reeds zagen opkomen in de
+leerdichten, droeg ook hier vrucht bij genoemden en ongenoemden.
+Ongenoemde dichters hekelden in hunne verzen het bandeloos leven in
+sommige kloosters en het kroegloopen; een ander geeft ons een aardig
+zedentafreeltje van vrouwen en meisjes die vóór het avondeten
+buitenshuis op de straat komen zitten en het zoo vermoeiend vinden op te
+staan en te nijgen wanneer een kennis voorbijkomt en den kaproen licht;
+weer een ander zingt ironisch den lof van de "plaesteraers" [Zijnoot:
+vleiers.] en besluit telkens een couplet met het refrein: "ic moet emmer
+[Zijnoot: volstrekt.] plaestren leeren"[56].
+
+Onder de ons bij name bekenden vinden wij een paar "sprekers", die wij
+spoedig als dichters van beroep nader zullen leeren kennen: BOUDEWIJN
+VAN DER LOREN, waarschijnlijk een Gentenaar en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT.
+Hunne niet talrijke werken geven ons eenigszins een beeld van de in dit
+hoofdstuk behandelde poëzie.
+
+BOUDEWIJN'S _Maghet van Ghend_ (omstreeks 1381) geeft een kijkje in de
+vijandige verhouding tusschen die stad en den graaf van Vlaanderen,
+LODEWIJK VAN NEVERS. AUGUSTIJNKEN'S gedicht "van (den) Sceepkene" is
+eene allegorische voorstelling van den droevigen toestand waarin de
+Hoeksche en Kabeljauwsche twisten deze landen gebracht hadden. Allegorie
+vindt men ook in zijn _Borch van Vroudenrijc_, eene voorstelling van het
+lichaam en de vijf zinnen Hekelt BOUDEWIJN personen en toestanden zijner
+dagen op scherpe wijze in de "edele sproke": _Dits Tijt's verlies_,
+AUGUSTIJNKEN schroomt niet, zich zelfs tot de pausen te richten:
+
+Petrus leyde oetmoedich leven, Daden die pausen diere gelike, Dat soude
+schinen in Kerstenrike.
+
+Ook het stichtelijk element der hiervoor behandelde poëzie vinden wij
+terug in zijn gedichten over _de Schepping, Sinte Jans Ewangelium, van
+der Rycheit ende van der Doot_[57].
+
+Beide "sprekers", doch vooral AUGUSTIJNKEN, bezaten wel eenig talent. In
+BOUDEWIJN'S _Tijt's verlies_, in het laatstgenoemde stukje van
+AUGUSTIJNKEN, tevens zijn laatste werk, zijn hier en daar wel aardige
+verzen. Ook is er iets aantrekkelijks in zijn "_Sceepken_": dat bootje,
+drijvend in de Merwede, waar de dichter "in 't risen van der sonnen"
+instapt, waarin hij zich laat drijven op goed geluk, totdat hij
+eindelijk de riemen ter hand neemt--geeft ons eene aardige
+verzinnelijking der verbeelding die "vaart spelen daar draaiboom sluit
+noch hek."
+
+Beter dan hun werk echter is dat van hun kunstbroeder WILLEM VAN
+HILLEGAERSBERGH geschikt om ons de verhalende en lyrische poëzie, in een
+kort bestek samengevat, op nieuw te doen zien. Vóórdat wij daartoe
+overgaan hebben wij echter nog die minnepoëzie te beschouwen, die naar
+den geest wel verwant is met het minnelied, doch in vorm van deze
+verschilt en vooral eenige nieuwe trekken zal toevoegen aan de daar
+gegeven voorstelling.
+
+
+_d_. MINNEPOËZIE.
+
+Duidelijk is ook in de minnelyriek, die niet tot het lied behoort, de
+invloed der hoofsch-ridderlijke opvatting van de liefde te zien. De
+vrouwendienst, zooals wij dien vroeger hebben leeren kennen, komt in al
+deze stukken op den voorgrond, gewoonlijk in verband met allerlei
+herinneringen aan het ridderwezen. Het bijna 900 verzen tellend gedicht
+_Van der feesten_ bevat een uitvoerig overzicht van de leer der minne,
+op scholastieke wijze verdeeld in deelen en "poenten". Wij vinden hier
+antwoorden op de vragen: wat minne is? waardoor men minne kan verwerven
+en weer verliezen? wie gestadiger zijn in de liefde: vrouwen of mannen?
+eene uiteenzetting wordt gegeven van de wijze, waarop de vier
+onderscheidene temperamenten zich in de minne openbaren. Waarschuwingen
+tegen het roem dragen op vrouwengunst, aansporingen tot het "helen" van
+den naam zijner liefste of "vrouwe" zijn niet zeldzaam. Telkens en
+telkens wijzen de dichters op de voortreffelijkheid der vrouwen.
+
+Duidelijk zien wij dat vooral in een stukje, dat getiteld is: _van XII
+cnechten [Zijnoot: schildknapen.] die ruddren worden van heeren_
+[Zijnoot: eere.]. Twaalf dappere schildknapen hebben, zonder van
+elkander te weten, een edele vrouw om minne aangezocht. Aan elk hunner
+geeft zij ten antwoord: eerst moet gij met de wapenen eere verwerven;
+dan zult gij uw loon ontvangen. Allen trekken de wereld in en worden
+ridders met eere. Teruggekeerd vragen zij om hun loon. Gij hebt het
+reeds ontvangen, zegt zij, in uw met eere verworven ridderschap.
+
+Deze voorstelling, volgens welke de vrouw de belichaming is van de
+ridderlijke idealen, vindt men ook in andere dezer gedichten, schoon
+nergens zoo duidelijk.
+
+Het is wel mogelijk dat een deel dezer werken voor een ridderlijk
+publiek zijn bestemd geweest; doch andere waren zeker voor de burgerij
+bestemd, ook al bevatten zij ridderlijke voorstellingen. Zoo ziet men
+ook in deze poëzie den invloed door den eenen stand op den anderen
+geoefend.
+
+Midden in een verzameling spreuken van didactisch-burgerlijk karakter
+treft ons deze spreuk:
+
+ Spere, schilt, helm ende sweert
+ _Hebben_ gode ridders weert[58].
+
+Het Recht wordt voorgesteld als eene edelvrouwe met hare honden op
+jacht; uitdrukkingen, ontleend aan het ridderwezen, worden ook in de
+burgerlijke poëzie al talrijker. Meer dan eens vinden wij herinneringen
+aan de ridderromans; in het gedicht _Van der Feesten_ worden er
+ettelijke genoemd; het Koningspel uit den roman _van Limborch_ is
+verwerkt tot een afzonderlijk stuk; de "vijf heren" en "vijf vrouwen",
+wier "wenschen" ons worden medegedeeld in een paar stukken, die
+waarschijnlijk afkomstig zijn van een of anderen spreker, behooren thuis
+in Troje; de "vier heeren", die wij voor het vuur zien zitten in een
+ruime zaal en die zich met "wenschen" den tijd korten, zijn helden uit
+het _Nibelungen-lied_. Opmerkelijk is, dat in BOUDEN VAN DER LORE'S
+_Achte Persone Wenschen_ een ridder en een edele jonkvrouw met
+geestelijken en nonnen en eene getrouwde burgervrouw zitten te drinken
+om het gelag[59].
+
+De lust tot allegorie, dien wij in de stichtelijke en didactische poëzie
+opmerkten, vertoont zich ook hier. Hier openbaart zich de invloed van
+den roman _van de Roos_ zelfs in eene rechtstreeksche navolging. Wij
+bezitten nl. een gedicht van dezen tijd van meer dan 2000 verzen, dat
+blijkbaar in navolging van dat beroemde werk is gedicht en dat bovendien
+ook verwantschap toont met een deel der hier behandelde stichtelijke,
+didactische en minnepoëzie. Wij vinden ook hier den droom als
+inkleeding, de wandeling buiten, het zien van een kasteel, de ontmoeting
+met allegorische personages als Vrouw Hope en Twifel; later komen de
+vijf zintuigen: Heer Nouwe-zien, Heer Smakelijn, Rieke-lucht,
+Licht-gevoel en Hoor-na. Zij komen voor den zetel van Vrouwe Zuverheit,
+waar Jonkheer Lust en Jonkvrouwe Jeucht ook tegenwoordig zijn, met de
+heeren Melancholie, Collorijn en de overige temperamenten[60].
+
+Het verstandelijk element, zichtbaar in deze allegorische minnepoëzie,
+openbaart zich ook in de overige lyriek van minne, die van burgerlijke
+dichters afkomstig was. De liefde wordt in de poëzie aangewend als een
+verstandsspel tot scherping van het vernuft. Een reeks van raadsels en
+vragen aangaande de minne, onder den titel _Der Minnen Guet_, was
+blijkbaar bestemd om door een spreker te worden gebruikt bij zijne
+voordrachten. Ook de dialogen en "twistspraken" over de minne hadden de
+strekking om in gezelschappen de wellicht eenigszins trage geesten
+gaande en de tongen los te maken. De spreker vertelde b.v. van twee
+gezellen, die uitgenoodigd worden mede te trekken naar het land van
+Overzee en die hunne liefjes vragen wat zij moeten doen; het eene meisje
+stemt toe, het andere weigert. "Nu, welc harer hadde den besten wille?"
+luidt de vraag aan het slot van het gedicht. Elders zijn wij
+tegenwoordig bij een "strijd van minne" tusschen een ridder en eene
+jonkvrouw, tusschen "Vrouw Venus en een gheselle". Ook de bovenvermelde
+"wenschdichten", al handelen zij niet uitsluitend over de minne, zijn
+met deze gedichten verwant. Een volledig pleidooi vinden wij in het
+_Jugement van Vrouw Venus_, al is dat gewichtiger als voorstelling der
+middeleeuwsche procesvoering dan om zijne literaire waarde[61].
+
+Daalt het minnedicht hier af tot het gezelschapsspel, het moet ook
+dienst doen als huwelijksmakelaar. Het conventioneel genre van den
+berijmden minnebrief, dat men in de Oudfransche en Middelhoogduitsche
+literatuur aantreft, werd in de 14de eeuw ook in de Nederlanden
+beoefend. Een vijftal Dietsche stukken van dezen aard zijn volgens het
+gewone model vervaardigd en hebben dus weinig eigens; titels als "ene
+vriendelike groete van enen lieve ten anderen" en "noch een vriendelike
+saluut van minnen" wijzen eer op invloed der Oudfransche "saluts
+d'amour" dan op dien van Middelhoogduitsche "liebesbriefe." In zulk een
+"saluut" zong een verliefd jonkman den lof eener schoone, verklaarde
+haar zijne liefde, verzocht om antwoord, hetzij een "brief" hetzij "eene
+tafele" [Zijnoot: gewast schrijftafeltje.], sloot ook wel eens eene
+roos in die hij dan als antwoord terugverzocht[62]
+
+Poëzie die zulke diensten moet doen, kan kwalijk hare eer ophouden. Dat
+blijkt uit deze stukken. Wat is er geworden van den trotschen GUNTHER,
+den edelen RÜDEGER, den grimmigen HAGEN, die in de 13de eeuw toch nog
+indruk maakten? Het is hun vooral te doen om te lachen, met mooie
+vrouwen uit visschen te gaan, te eten en drinken, reien en dansen. Bij
+BOUDEN VAN DER LORE zit een aanzienlijk ridder met eene maagd van hoogen
+geslachte met monniken en nonnen te drinken--om het gelag! Het kan ons
+niet verwonderen dat wij een kindergrap onzer dagen als die van GRIET
+die men door een komma ten hemel of ter helle doet varen, reeds onder
+deze minnepoëzie aantreffen:
+
+ Ic minne een wijf die scande geert
+ Nemmermeer si pijnt na ere;
+ Wijflijcheit hat hare onweert [Zijnoot: minacht haar.]
+ Nicht [Zijnoot: niet.] haren prijs kan si meerren.
+ enz.[63].
+
+Slechts bij uitzondering vinden wij onder de minnepoëzie van den
+hierboven behandelden aard iets goeds, zooals b.v. in deze verzen:
+
+ Ende of ic troest sochte an hare
+ Ende sijt ontseide, wat lagher an?
+ Ic sal haer claghen mijn mesvaren;
+ In sal [Zijnoot: ik zal het niet doen.]; ic sal; in sal nochtan!
+ Ic ware een verloren man,
+ Ghelijc den snee in sonnenschine,
+ Hope ende troest dies ben ic van [Zijnoot: mis ik.]!
+ Ay lacen, die scouden [Zijnoot: schul(en).] die sijn mine![64]
+
+Waar wij verder iets aardigs aantreffen, daar is het spot met de
+hoofsche sentimentaliteit. Van dien aard is eene sterk Duitsch-getinte
+klacht van minnewee, die besloten wordt met deze regels:
+
+ Doe ich har clagede minen noot,
+ Vragede zi mi: "is Brugge groot?"[65]
+
+Recht op hun dreef komen sommige minnedichters van dezen tijd eerst in
+dartel of grof-zinnelijke stukken als de monorimes, aanvangend:
+
+ Ic quam gegaen met liste,
+ Daer ic mijn suete lief wiste,
+ Ic sprac: "lief, waer biste,?"
+
+en wat daar meer volgt.
+
+Zoo ook in de "goede boerde" van de bagijn en haar minnaar die op een
+laken door den zolder komen vallen te midden der andere bewoonsters van
+het bagijnhof; alle bagijnen slaan de handen voor de oogen, maar meer
+dan eene gluurt door de vingers. Zoo eindelijk ook in dat dartele stukje
+_Dmeisken metten sconen vlechtken_ dat aan zijne naïeve zinnelijkheid
+zooveel verleidelijke bekoring paart dat de dichter of een later lezer
+er onder schreef: "Desen sproke doet mi al te sere verlanghen"[66].
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] Vgl. _Vad. Mus_., I, 369 (ook _Mnl. Ged_., ed. DE PAUW, III, 667).
+VERWIJS, _X Goede Boerden_, no. VIII: "ene boerde" en _Mnl. Wdb._ i.v.
+b.v. "die boerde van den Grale".
+
+[2] Vgl. _Mnl. Ged_. (ed. DE PAUW), I, II, 37; _Rumbeeksche
+Avondstonden_, p. 23: "eene sproke van de drie koningen": 3 achtregelige
+coupletten, elk bestemd door een der drie koningen te worden
+uitgesproken; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204, 222, 131, 114, 109 ("dese
+miracle"). _Goede Boerden_, p. 11 (ook vs. 222: "dit exempel"); _Belg.
+Mus_., I, 326.
+
+[3] In den tekst van ons verhaal dieper in dit vraagstuk treden, zou ons
+in de vergelijkende literatuurgeschiedenis brengen. De mogelijkheid
+bestaat echter, dat voortgezet onderzoek de kennis onzer boerden en
+sproken zou kunnen bevorderen. Daarom voeg ik bij de aanwijzingen, in
+dezen door Dr. TE WINKEL gegeven; 1o eene verwijzing naar de _Hist.
+Littéraire de la France_, T. XXIII, 143, 201. 2o. De stof _van den cnape
+van Dordrecht_ vindt men terug in het fabliau _du fotéor (Recueil
+général et complet des Fabliaux_ van MONTAIGLON en RAYNAUD, I, 304). 3o.
+De stof der tot nog toe onuitgegeven boerde _van Heile van Berseele_
+vindt men, naar het schijnt, niet in de Fransche fabliaux, doch wel bij
+CHAUCER in _The Miller's Tale (Canterbury Tales)_. De vraag mag gesteld
+worden, of CHAUCER onze boerde heeft gekend? Vgl. met het oog daarop ook
+in _The Pardonere's Tale_ de passage aanvangend: "In Flandres whilom was
+a compagnie." Vgl. overigens over deze stof: _Anglia_, I, 38, 186; II,
+135. (R. KÖHLER). 4o. Aan het slot van het fabliau _De le vescle a
+prestre_ (MONTAIGLON et RAYNAUD, III, 106) lezen wij:
+
+Jakes de Baisiu, sans dotance, L'a de Tieus (tyois = Dietsch) en Romanc
+rimée.
+
+Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van een
+paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikking zijne
+blaas te vermaken. 5o. Dezelfde stof die in de sproke "Van eenen
+verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204-212)
+vinden wij in "_Li dis dou Magnificat_" van den Henegouwschen menestreel
+JEAN DE CONDÉ, die schreef in de eerste helft der XIVe eeuw. Vgl. _Dits
+et Contes de Baudouin de Condé_ par A. SCHELER, II, 355 suivv.
+
+[4] Vgl. _Goede Boerden_, p. 11, vs. 4; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 101;
+voorts: ald. III, 111, vs. 4-5; III, 186; _Vad. Mus._, I, 50, vs. 6-8;
+_Belg. Mus._, I, 326, vs. 12-17; 328, vs. 64-5; 336, vs. 354-5.
+
+[5] _Goede Boerden_, bl. 1, 4, 19; _Belg. Mus._, III, 108-114; KAUSLER,
+_Denkmäler_, III, 165. In de boerde _van Heile van Berseele_ behalve
+Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd.
+
+[6] In de _Chansons du XVe siècle_ (ed. G. PARIS) leest men (no. LXXIX)
+de uitdrukking: "faire la follie" of "faire la sottise" in dezen zin.
+Vgl. ook: _Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged._, no. LXXI: "dat sotte dinc
+doen". Ook de Oudfransche "gabs" in de _Pélérinage à Jérusalem_.
+
+[7] _Belg. Mus._, X, 52.
+
+[8] _Goede Boerden_, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is
+verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen.
+
+[9] Vgl. _Lancelot_, III, 16040 en _Torec_, vs. 276.
+
+De hier bedoelde boerden zijn: _Van enen man die lach gheborghen in ene
+scrine_; _van den cnape van Dordrecht_; _een bispel van II. clerken; van
+Lacarise den katijf_ (_Goede Boerden_, ed. VERWIJS, I-IV); _Belg. Mus._,
+X, bl. 51 vlgg.: _van den man die gherne dranc_; _tghoede wijf maect den
+goeden man_; _van III. ghesellen die den bake stalen_; _Belg. Mus._,
+III, 108: _Wisen raet van Vrouwen_, vollediger in VERWIJS' _Bloemlezing
+uit Mnl. Dichters_, III; _Van Vrouwen ende van Minne_ (ed. VERWIJS), no.
+II; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 111 _van der weldaet die de duvele dede_.
+Drie onuitgegeven boerden vindt men in het Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te
+Brussel, no. 1171, 2e serie: _van den visscher van Parijs_ (_Recueil
+Gén. des Fabl._, III, 68: "Du péschéor de pont seur Saine"); _van Heile
+van Bersele_ (zie boven) en _Van der vrouwen die boven haren man minde_
+(_Rec. Général_, V, 132-142: "De la dame qui fist entendant son mari
+qu'il sonjoit"). Ik heb de kennismaking met deze drie stukken te danken
+aan Dr. H.P.B. PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger
+vermeld Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt
+medegedeeld in de Inleiding tot zijn bundel _Van Vrouwen ende van
+Minne_, zal wel eene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die
+ook behandeld wordt in het fabliau _de Trois aveugles de Compiègne_
+(_Rec. Général_, I, p. 70).
+
+[10] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 118-120.
+
+[11] _Van Vrouw. e.v. M._, no. VIII.
+
+[12] _Belg. Mus._, VIII, 96.
+
+[13] _Id._, X, 64.
+
+[14] Het _Baghynken van Parijs_ uitgeg. door de Maetschappij der
+Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, no. VII, volgens eene Antwerpsche
+uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk in _Konst- en Letterbode_
+van 1853, II, 50-55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in zijne _Annales_,
+no. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling (_Geistliche Gedichte des
+XIV. u. XV. Jahrh._, O. SCHADE) dagteekent echter reeds uit de eerste
+helft der 15e eeuw. Vgl. ook: _Jahrb. des Ver. für niederd.
+Sprachforschung_, XXIII, 114. Taal en vorm van het gedicht leidden er
+mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen.
+
+De overige sproken vindt men: _Belg. Mus._, I, 326: _Een scone exempel
+van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester_; _Belg. Mus._, X,
+57 vlgg.: _van den verwenden keyser_; _de mantel van eren_; _van enen
+here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen brueder_. (Ook in
+KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 131: _een goet exemple_); _van tween
+kinderen die droeghen ene starcke minne_. (Ook in: _Taalk. Bijdr._, I,
+244, een andere bewerking); _Belg. Mus._, X, 339: _van enre nonnen
+verduldechede_; _Van Vrouwen ende van Minne_, no. VIII; KAUSLER,
+_Denkm._, III, p. 101, 118, 165, 186; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII,
+46; _Belg. Mus._, VIII, 96: _Van den ouden ridder ende den jonghen_;
+_Vad. Mus._, I, 50: _Van enen ridder die God sine sonden vergaf_; 57:
+_vanden goeden Brueder_; de exempelen in den _Spieghel der Sonden_
+opgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding, bl. LI vlgg.
+
+[15] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 204.
+
+[16] _Vad. Mus._, I, 51.
+
+[17] KAUSLER, _Denkm._, III, 165, 109; _Belg. Mus._, X, 76, vs. 1; 58,
+vs. 11; _Vad. Mus._, I, 57, 66; p. 49-50; p. 98, vs. 34-5.
+
+[18] _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3. (_Depllijcheit_ zal wel eene
+verschrijving zijn voor _Spellycheit_.)
+
+[19] Vgl. _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166; 22, 104;
+_Belg. Mus._, X, 218 vlgg.
+
+[20] PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205.
+
+[21] _Goede Boerden_, 22, vs. 93 en 1, vs. 11.
+
+[22] _Vad. Mus._, I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing
+eerst in _Manon Lescaut_; in HOOD'S _Bridge of Sighs_, b.v. in:
+
+Still, for all slips of hers, One of Eve's family.
+
+
+De rechtvaardigheid op den voorgrond o.a. in BJÖRNSON'S _Handske_.
+
+[23] _Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten_, no. 99, 101.
+
+[24] De plaatsen waarop deze en de daarvoor gegeven mededeelingen
+berusten, vindt men in de uittreksels der Grafelijkheids-rekeningen
+achter JONCKBLOET'S _Gesch. der Middennederl. Dichtkunst_, III en verder
+in de _Cameraars-Rekeningen_, III, 349; DE LANGE VAN WIJNGAERDEN'S
+_Gesch. van Gouda_, I, 656; Oudste rekening der stad Antwerpen ao 1324
+(in: _Codex Diplom. Neerland. Hist. Gen._, IV, 114); _Het Lied in de
+Middeleeuwen_, hoofdstuk VII. Over muziekscholen der meistreels Deel XX
+der "_Annales de la Société d'Emul. pour l'Etude de l'histoire et des
+antiquités de la Flandre_", p. 53. _Préludes historiques sur la ghilde
+des Ménestrels de Bruges_ door DÉS. VAN DE CASTEELE.
+
+[25] BÄUMKER'S _Niederl. geist. lieder_ etc. in: _Vierteljahrschrift für
+Musikwissenschaft_, Leipzig, 1888, no. 63.
+
+[26] Medegedeeld door ACQUOY in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, IV,
+334-6. Vgl. overigens tal van Duitsche varianten van "Kinne Wippchen"
+in: _Das deutsche Kinderbuch_ von KARL SIMROCK, S. 5. Een Engelsch
+voorbeeld: "Here sits the Lord Mayor" in HALLIWELL'S _Nursery Rhymes_,
+p. 205. Het Fransch heeft evenzoo zijn: "_Menton d'or, bouche d'argent_"
+etc.; vgl. SCHEFFLER'S _Französische Volksdichtung_, I, 239.
+
+De vroegste opteekening die ik te onzent van dergelijke liedjes vond is
+van 1680 in het liedboekje _Amsterdamse-Spinhuys_, bl. 76: "Een aerdig
+Lied van een Wagenaer en sijn lief Hille":
+
+De Wagenaer die vatte sijn Lief al bij haer hoofje. Hey, wat is dat,
+Hille? Dat is mijnen krullebol, Och vader enz.
+
+
+Achtereenvolgens komen dan de _oogjes_ (kijck-uyt), _neusje_
+(snuyt-uyt), _montje_ (slock-op), _kinnetje_ (kinne-klap) enz. Dat dit
+lied eene amoureuze omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak
+niet af.
+
+[27] Vgl. bl. 199 van: _Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten der
+XIVe en XVe eeuwen_. Volgens het Voorwoord is het hs. van het laatst der
+14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord nergens gewag gemaakt
+en de liederen geven daartoe m.i. ook geen aanleiding.
+
+De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen wier namen
+zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel.
+
+[28] Vgl. _Horae Belgicae_, X, no. 39 en _Het Lied in de Midd._, bl. 605
+vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie
+overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens "overslaghend" dan
+paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz.
+
+[29] Uitgeg. in den bovengenoemden bundel _Oudvlaemsche Liederen_ enz.
+
+[30] De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht
+worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage geleverd
+in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 273 vlgg. Vgl. voorts: _Het Lied in
+de Midd._, bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, _Les Epop. Franç._ (2e éd.), III,
+555 en A. DARMESTETER, _De Floovante_, p. 78: "Hodie demonstratum est"
+etc. Dr. A. NIJLAND, _Gedichten uit het Haagsche Liederhandschrift_ en
+de critiek van Dr. FRANTZEN in _Taal en Letteren_, 1896, afl. 3.
+
+[31] Vgl. no. XXXVIII en CXXI.
+
+[32] Vgl. b.v. no. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: "Woude mi de
+vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard gezet:
+"In 't scade van tween witten dien" enz.
+
+[33] Scheidliederen zijn no. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen
+doet no. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn no. 59, 60, 75, 76: in no.
+45: "den Mey die ic u minlic gheve"; voorts no. 2, 15, 33, 35, 51; de
+"niders" in no. 84.
+
+[34] no. 96, 125, 140 (opgenomen in _Het Lied in de Midd._, bl.
+269-270), 58. Beurtzangen in no. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91.
+
+[35] no. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121.
+
+[36] _Vad. Mus._, II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het
+bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men:
+"Dits een rondeel.... Vrou met eren... nacht. Ene ander maniere den bom"
+geschreven boven muzieknoten (_Vad. Mus._, III, 141). _Bonghe_, _bom_
+wordt in het _Mnl. Wdb._ verklaard met _trom_; maar in de _Oudvl.
+Lied._, no. 38 wordt van de _snaren_ der _bonghe_ gesproken.
+
+[37] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIV, 260 vlgg.
+
+[38] Vgl. _Oudvl. Lied._, no. 56, 41, 45, 49.
+
+[39] Boek III, c. 43.
+
+[40] Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied hebben wij
+te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C. BOER. (_De Gids_ van
+Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: _Hor. Belg._, II, no. 3. Vgl.
+voorts _Het Lied in de Midd._, bl. 117 vlgg. en _Middelned.
+Historieliederen_ door Dr. C.C. VAN DE GRAFT, bl. 48 vlgg. Ook nog VAN
+LENNEP'S _Vondel_, III, 350 noot op vs. 113-114. Over de bekendheid van
+het lied in lateren tijd vgl. _Het Lied in de Midd._, bl. 694, 708, 714,
+715, 729, 734.
+
+Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk in de
+16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene treffende
+overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl. HOOFT'S _Henrik
+de Groote_ (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis van _Antonis
+Nantoillet du Prat_.
+
+[41] De tekst o.a. _Hor. Belg._, XI, no. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL
+FRÉDÉRICQ, _Onze Historische Volksliederen_, bl. 16. (F. zag het eerst
+de beteekenis van den zonderlingen titel _van cort Rozijn_). Dr. V.D.
+GRAFT a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._, bl 453. De
+beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van
+Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk voor;
+vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een "fier ghelaet"
+toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste reden was om de
+stad Gent te onteeren.
+
+[42] Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRÉDÉRICQ en Dr. V.D. GRAFT
+in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook in VAN VLOTEN'S
+_Ned. Geschiedzangen_, bl. 44 en 56.
+
+[43] _Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon_ (ed. C. PYNACKER
+HORDIJK), p. 1-3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI).
+Dat dit eerste deel "krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS
+Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met ALEID
+VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze beschouwing van
+weinig gewicht. Van belang voor ons is, _dat_ de kapelaan deze
+geschiedenis in 1322 zóó voorstelt.
+
+[44] VERDAM in: _Versl. en Meded. Kon. Akad._, 4e Reeks, Dl. II, 156.
+
+[45] _Mnl. Gedichten_ (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar bestaat
+_Onser Vrouwen Claghe_ uit twee afzonderlijke gedichten, duidelijk
+genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het tweede
+gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af paarsgewijze
+loopen, terwijl vs. 1-185 vier aan vier zijn gerijmd, al is de tekst
+slordig overgeleverd.
+
+[46] A.w. I, 56, 332-'4.
+
+[47] A.w. I, 245.
+
+[48] VERDAM t.a.p. bl. 170.
+
+Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar de
+genoemde werken en de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._, bl. 1 vlgg.
+
+[49] Vgl. _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243; BLOMMAERT,
+_Oudvl. Ged._, II, 116, vs. 175-6; 119, vs. 179-182; 120, vs. 137-140.
+
+[50] Ook in de Hoogduitsche poëzie dier dagen zulke personages; vgl. de
+bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60.
+
+[51] Vgl. BLOMMAERT, _Theophilus_, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en PETIT'S
+_Bibliographie_ i.v. In het Fransch bestaat eene "Desputaison du corps
+et de l'âme" die naar den inhoud overeenkomst toont met ons gedicht.
+Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209-210. Voorts _Romania_, IX, 311; XX,
+1-55, 513-578 en _Zeitschr. f. rom. phil._, IV, 74-80. Een afzonderlijk
+onderzoek zal misschien de verhouding der beide gedichten kunnen
+bepalen.
+
+[52] Vgl. _D. War._, II, 352; III, 242; _Belg. Mus._, II, 237. Indien
+men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten van 8,
+12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken, drie
+variatie's op één thema waaruit een sprookspreker kon kiezen, dan aan
+ééne).
+
+[53] De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: _D. War_,
+VII, 377; IX, 6, 142; _Vad. Mus._, II, 151; _Oudvl. Lied. en Ged._, bl.
+380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; _Versl. en Meded. der Kon.
+Akad._, 3e Reeks, Deel XII.
+
+[54] De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt men in
+_Vad. Mus._, I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van Dr. A.
+NIJLAND, p. 185; KAUSLER, _Denkmäler_, III, 94 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T.
+en L._, III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.; XII, 97 vlgg.;
+XVI, 306 vlgg.
+
+Vogel-spreuken vindt men behalve _Vad. Mus._, I, 319-321, ook nog in het
+Haagsche hs. no. 721, fo 3, vo en achter een ter Kon. Bibl. aanwezig
+bundeltje, getiteld: "Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc.
+
+Vgl. voorts nog: _Jahrbuch des Vereins für niederd. Sprachforschung_,
+no. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn vriend
+VERDAM).
+
+[55] Zie deze stukken in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 210, 289 en _D.
+War._, I, 134.
+
+[56] _Vad. Mus._, I, 82, 86, 322, 324.
+
+[57] Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S _Oudvl. Ged._, II en III.
+
+[58] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XII, 103.
+
+[59] Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' _Van Vrouwen ende
+van Minne_, p. 1, 8, 40, 42; _Vad. Mus._, I, bl. 80, 318; KAUSLER,
+_Denkm._, III, 162; BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, II, 111-120; _Tijdschr. v.
+N.T. en L._, XI, 286, vs. 15; XII, 103.
+
+In _Achte Persone Wenschen_, vs. 20 te lezen _'t Gelach_ in plaats van
+_'t Gelaet_ dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is met vs.
+179-180.
+
+[60] In de _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 233 vlgg. De invloed van den
+roman _van de Roos_ op onze letterkunde werd nog versterkt door Fransche
+navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET DE COUVIN er
+een, getiteld _Li Mireoirs as Dames_ (eerste helft der 14e eeuw). Vgl.
+_Dits de Watriquet de Couvin...._ par A. SCHELER, p. 1 suivv.
+
+[61] Vgl. o.a.: _Van Vrouw. e.v. Minne_, bl. 37 vlgg.; _Belg. Mus._,
+VII, 229; X, 84; _Vad. Mus._, I, 373, 377; Dissertatie van Dr. A.
+NIJLAND, bl. 152 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX, 269 vlgg.
+(misschien aanvang der 15e eeuw); _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 314 vlgg.
+
+[62] _Vad. Mus._, I, 366-369, 387-391. Voorts: _Die gereimten
+Liebesbriefe des deutschen Mittelalters...._ von ERNST MEYER. (Marburg.
+1899). Op bl. 88-92 behandelt de S. in "_Die niederländischen
+Liebesbriefe_", een paar voorbeelden van dit genre uit de 15e eeuw; het
+is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden niet gekend
+heeft.
+
+[63] _Vad. Mus._, I, 369.
+
+[64] _Vad. Mus._, I, 393.
+
+[65] Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199.
+
+[66] _Goede Boerden_, no. VIII en no. VII.
+
+
+
+ONTWIKKELING VAN HET LITERAIR LEVEN.
+
+ _a_. Meistreels. Sprekers en andere dichters.
+
+ _b_. Publiek. Voordragen en Lezen. Het Boek.
+
+ _c_. Critiek en Theorie. Invloed der Literatuur. Letterroem.
+
+
+_a_. MEISTREELS. SPREKERS EN ANDERE DICHTERS.
+
+Nog altijd trekken meistreels en herauten door deze landen met vedel,
+trompet en beltrom. Wij ontmoeten hen als boden b.v. der Heeren VAN
+ARNHEM, VAN ARKEL, BRONKHORST met eene kennisgeving aan de schepenen van
+Deventer van huns heeren huwelijk of met een andere opdracht. Van een
+enkele hunner kennen wij den welluidenden naam: in het jaar 1365 vinden
+wij den heraut HOPEZOMER in de _Cameraars-rekeningen_ vermeld[1]. Nog
+altijd beoefenen zij naast de muziek de kunst van het woord. Meester JAN
+VAN VLAERDINGHEN, die genoemd wordt onder de "menistreylen" die in 1364
+te Middelburg "vor 't sacrament ghenghen", wiens vrouw en dochter ook
+tot de meistreelen behoorden, treedt elders op als dichter. In het
+toenmalig woord _vedelsage_ [Zijnoot: praatjes voor de vaak.] zien wij
+dat verband tusschen muziek en woordkunst uitgedrukt en in
+overeenstemming daarmede het woord _vedelaar_ gebruikt om een _dichter_
+(misschien een liederdichter) aan te duiden[2].
+
+Naast de menestrelen vinden wij ook nu nog de herauten. Ook zij zijn
+werkzaam als dichters. Zoo wordt melding gemaakt van "des heren hyraut
+ende sengher van Gaesbeke"; een "mynstreel", maar ook van "Jan Dyllen
+den yraut, die voer mijns heren tafel sprac". Doch de meistreels hadden
+als dichters hunne beste dagen gehad en gaan het tooneel ruimen voor
+anderen. Hebben de herauten hen ook hier te lande op den achtergrond
+gedrongen? In Frankrijk was dat, naar het schijnt, het geval. Naarmate
+de heraldiek zich ontwikkelde en steeds meer aandacht vroeg en verkreeg,
+steeg het aanzien der herauten en nam dat der meistreels af. Misschien
+heeft de dichter eener merkwaardige samenspraak tusschen een paar
+menestreelen uit dezen tijd het oog op de herauten, wanneer hij een
+meistreel tot den ander doet zeggen:
+
+ En condi geen reinaerdie,
+ Smeken [Zijnoot: vleien.], no leckeberden [Zijnoot: flikflooien?]",
+ Men sal segghen: "gaet uwer verden [Zijnoot: gaat heen.],
+ Hier en es u nu niet te doene [Zijnoot: heeft men u niet noodig.] ."[3]
+
+Doch in allen gevalle is het wel opmerkelijk dat de dichters, die
+vanouds de banierdragers der ridderlijke idealen waren geweest, niet die
+idealen zelve op den achtergrond raken. Verreweg de meesten hunner gaan
+zich uitsluitend aan de muziek wijden. Sommigen hunner laten het beroep
+varen en vestigen zich onder de burgerij; anderen zetten het zwervende
+dichtersleven voort. Een paar vertegenwoordigers dier beide soorten zijn
+het die wij in de bovenvermelde samenspraak tegenover elkander vinden.
+De een, die zich "ter neringhe geset" heeft, ontraadt den ander het
+voortzetten van het zwervend leven: vroeger ging het goed, toen de
+heeren mild waren en goedgeefsch jegens de meistreels; toen kon men van
+zijne kunst leven--maar nu? menigeen sterft van gebrek en armoede. De
+ander erkent de waarheid dier woorden ten deele; maar--zegt hij--ik eet
+zoo menigen brok, ik drink zoo menigen beker in de taverne, waar ik met
+weinig moeite aan kom, dat ik de "wandelinghe" niet kan laten.--Met
+hoevele zwervers is het slecht afgeloopen, herneemt de eerste; denk eens
+aan GIELIJS VAN TRECHT, aan JAN VAN LIER, aan meester JAN METTER HUVEN
+[Zijnoot: muts, kapje.], die allen op hunne tochten het leven hebben
+verloren. Welnu--is het antwoord--die kregen hun verdiende loon, en dan,
+ik kan eenmaal mijn vrijheid niet opgeven; word ik eens zóó oud dat ik
+op krukken moet gaan, kom mij dan nog eens vermanen[4]!
+
+Zóó scheiden zij. Deze zwerver, die zijn zwerversleven lief heeft, is
+een type dier dagen. De gansche 14de eeuw door blijven wij hem
+aantreffen. Nog in 1396 worden "piperen, heralden, ministrelen" in één
+adem genoemd met de "varende lude"; onder deze "varende lude" vond men
+de reizende dichters in gezelschap van blinde guitaarspelers, meesters
+"van suptilen drachten" [Zijnoot: behendige kunstgrepen.],
+gasten die een levend "hoofd van Jut" op hunne schouders droegen, zooals
+zekere Brabander, "die hem up sijn hooft liet slaan hoe seere [Zijnoot:
+hard.] men woude"; onder hen ook de mislukte studenten, zooals die, aan
+wien wij de gewilde dwaasheid van "de frenesie" te danken hebben[5].
+
+Niet alle meistreels geven hun beroep op of blijven zwerven. Sommigen
+hunner blijven de kunst getrouw, doch laten, naar het schijnt, de muziek
+varen om zich uitsluitend aan de woordkunst te wijden. Dezen zien wij
+gedurende de tweede helft der 14de eeuw in deze landen optreden onder
+den naam van _sprekers_ of _zeggers_. Velen hunner zijn, evenals vroeger
+de menestreelen, verbonden aan den dienst van bijzondere heeren: zoo
+vinden wij gewag gemaakt van "des heren spreker van Zevenberghen", "des
+hertoghen spreker van Gulic", van "meester JAN, een spreker die bi den
+here van Abcoude is", "eenen seggher uut Zeelant, die seide dat hi heren
+Vranken knecht van Borssel was"; "enen spreker die bi den here van
+Wassenaer placht te wesen", "des heren spreker van Gaesbeke", "enen
+spreker die den here van Lymburch toebehoorde", "enen spreker
+toebehorende den here van Gistel". Dat deze dienstmannen van adellijke
+heeren het wapen van hun heer droegen op hunne kleedij, mag men
+vermoeden uit een rekeningpost, die spreekt van "enen vreemden spreker
+sonder wapen".
+
+De burgerij volgde ook hier den adel na en nam "stadssprekers" aan; zoo
+vinden wij BOUDEWIJN VAN DER LORE als stadsspreker van Gent; "Meyster
+PETER VREUGDEGAER, den seggher van Breda", "den spreker van Monickedam".
+Misschien waren ook meester JAN VAN VLAERDINGHE, AUGUSTIJNKEN en MEEUS
+VAN DORDT, "Meester JAN, de dichter van Sente Gheerdenberghe",
+"GODEKIJN, de spreker van Tricht", "meester JAN VAN MACHELEN", "DAEM, de
+seggher van IJsselsteyn" en BERTELMEEUS VAN DELF stadssprekers; zij
+kunnen echter ook, evenals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH genoemd zijn naar
+hunne woonplaats en als vrije sprekers hebben rondgereisd.
+
+Onder de sprekers zal natuurlijk, evenals vroeger onder de menestrelen,
+verschil van ontwikkeling en aanzien hebben bestaan. Sommigen spraken
+"voor mijnen here den grave" en konden als AUGUSTIJNKEN VAN DORDT van
+zich zelven zeggen:
+
+ Want ghi bi heren, bi hoghen vrouwen
+ Te sijn pleecht.
+
+Anderen die zonder naam worden vermeld als b.v. "twee segghers ut
+Brabant", "twee duytsche segghers" zullen van minder aanzien geweest
+zijn. Doch bij gemis aan gegevens is het moeilijk hier scheidingslijnen
+te trekken en eene plaats te wijzen b.v. aan: Meester HERMAN den
+spreker, SNELRYEM den spreker, "den Jonchere van der minnen", "JANNES
+DEN COSTER" en zoo menig ander.
+
+Een paar sprekers, AUGUSTIJNKEN en zekere COLPAERT--indien deze tot de
+sprekers gerekend mag worden--kenden Latijn; WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH
+daarentegen, toch een aanzienlijk spreker, kent het niet.
+
+Dat wij naast deze Dietsche sprekers verscheidene Duitschers vinden, kan
+ons in het Beiersch tijdvak niet verwonderen; in het gevolg der
+Beiersche graven of Duitsche edelen of althans in hunne omgeving zullen
+wij een "blinden dichter van Mens" moeten zoeken, sprekers van "Beem"
+(Bohemen), Trier, Keulen, Westfalen; een spreker "die men hiet Ghetuose"
+en "enen jonghen spreker van Holsten, gheheten HOPEZOMER." Tegenover
+deze Duitschers vinden wij slechts een enkelen Franschman: "CUDELIER,
+des conincs spreker van Vrancrike"[6].
+
+Opmerkelijk echter mag heeten dat de Noordnederlanders zoo talrijk zijn,
+zoowel onder de ons bekende sprekers als onder de overige dichters van
+dezen tijd, die wij niet met zekerheid onder de sprekers kunnen
+rangschikken. Tegenover eenige weinige sprekers en dichters van Gent,
+Mechelen, Brussel staan vele uit Noord-Nederland. Misschien zijn vele
+sprekers uit het Zuiden ons in hunne werkzaamheid vooralsnog onbekend;
+doch in elk geval blijkt wel, dat de bewoners der Noordelijke gewesten
+in de tweede helft der 14de eeuw meer dan vroeger gaan deelnemen aan de
+beoefening der literaire kunst. Evenals hunne voorgangers, de
+meistreels, doen ook deze beroepsdichters niets voor niets: geschenken
+in geld of kleeren zijn het loon waarvoor zij hunne kunst ten gehoore
+brengen. AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, die een el wit laken krijgt voor een
+paar kousen, een paar laarzen met sporen om er "mijns heren zomer
+[Zijnoot: lastpaard.] mede te riden", mag ook hier als type zijner soort
+gelden.
+
+Ook elders vertoonen zich in de literatuur van dezen tijd dichters, die
+voor geld verzen leveren, al weten wij niet of wij daar met eigenlijke
+_sprekers_ te doen hebben. Zoo begint een stichtelijke opwekking tot
+menschen van allerlei nering of bedrijf met deze regels:
+
+ Omme 't ghebrec van goeden lone
+ Blijft menich rijm te makene scone
+ Van den dichters openbaer
+ Die lustelic te hoorne waer[7].
+
+In een allegorisch gedicht over een burcht, die _Vaste Hoede_ heet,
+deelt de auteur ons mede, dat hij aan de burchtvrouw verzocht had hem
+een onderwerp voor een gedicht te geven, "want ic met dichtene mi
+ghenerde". Met het voordragen van _boerden_ vielen kostelijke kleeren te
+verdienen; "constenaers", die in een herberg een "nieuwen zanc" ten
+gehoore brachten, werden daarvoor beloond[8]. Dat de berijmde
+minnebrieven en minne-naamdichten van dezen tijd op verzoek en voor geld
+gemaakt zijn, valt niet te bewijzen; doch hunne volslagen kleurloosheid
+zou doen vermoeden, dat zij gemaakt zijn door anderen dan door de
+minnaars zelven en dan zeker niet voor niet[9].
+
+Verzen maken voor geld of ander loon, de dichtkunst opgevat als een
+beroep--dat scheidt deze dichters van andere, die andere beweegredenen
+hadden tot dichten.
+
+Die anderen waren zich wel bewust dat zij tegenover de beroepsdichters
+stonden; immers niet zelden laken zij dezen in hunne geschriften. De
+auteur van _den Grimbergschen Oorlog_ berispt de "consteneren die hem
+met dichten generen", omdat zij verzonnen en onware zaken vertellen; in
+den _Spieghel der Sonden_ worden speellieden en goochelaars genoemd in
+één adem met degenen, die "valsche rime visieren" [Zijnoot: verzinnen.];
+in een ander didactisch werk vinden wij een waarschuwing tegen de
+"smekende [Zijnoot: vleiende.] menestrelen". JAN BOENDALE volgt zijn
+meester ook in diens afkeer en afkeuring van de meistreelen; in zijne
+_Teestije_ laat hij zich minachtend uit over hen:
+
+ Die asaghen [Zijnoot: sprookjes.] ende tureluren
+ [Zijnoot: beuzelpraatjes.]
+ Dichten vander avonturen.
+
+Scherp laakt hij het in de edelen, dat zij hun goed geven aan rabouwen,
+meistreels en herauten, opdat deze hen zullen prijzen en hun lof overal
+verkondigen; een mooie lof, voegt hij er aan toe, die door "knechten en
+boeven" gegeven wordt! En in zijn _Lekenspieghel_ klinkt het nog eens
+schamper: zoo zijn de "yrauden": noode komen zij thuis eten, als zij het
+elders gratis kunnen krijgen[10].
+
+Behalve JAN BOENDALE zijn ons slechts enkele dichters, die tot deze
+groep behooren, bij name bekend. Hunne beweegredenen tot dichten mogen
+onderling verschillen, alle wortelen zij toch in het godsdienstig of
+zedelijk gemoedsleven. De Ypersche chirurgijn JAN DE WEERT b.v. had vrij
+wat wereldsche poëzie gedicht vóórdat hij zijn _Nieuwen Doctrinael_
+schreef, om daarmede de dichterzonden zijner jeugd te boeten. Als
+dichter van _Sinte Amands Leven_ kennen wij den jongen geestelijke
+GILLIS DE WEVELE van Brugge. Deze legt er den nadruk op, dat hij met
+zijn werk geen "winninghe van gelde" of ander loon beoogt; zijn loon
+wacht hij slechts van God. Een andere beweegreden, door hem genoemd, is
+angst voor de "ledicheit", immers ook heden nog des duivels oorkussen.
+Een lofdicht op MARIA werd geschreven uit "groote vreeze", blijkbaar
+voor de vergelding die den zondaar wacht. Het _Vagevier van Sinte
+Patricius_ dankte zijn ontstaan aan het verlangen des dichters om den
+boozen afkeer van hunne boosheid in te boezemen. Andere geestelijke
+dichters vragen: bid voor mij die dit schreef, of beloven den lezers
+kwijtschelding van zonden[11].
+
+Is ook de liefelijke sproke _van Beatrijs_ te beschouwen als een soort
+van boetedoening? Zekerheid hebben wij hier niet. De dichter
+(dichteres?) vangt zijn werk aan met:
+
+ Van dichten comt mi cleine bate;
+ Die liede raden mi dat ict late
+ Ende minen sin niet en vertare
+
+Doch het is bezwaarlijk uit te maken of met deze "bate" al dan niet
+geldelijk voordeel bedoeld is; of wij hier een beroepsdichter vóór ons
+hebben die zijn beroep vaarwel zegt, of een leek, die vroeger wereldsche
+poëzie had gedicht en nu iets beters wil geven.
+
+Dit is trouwens niet het eenige geval, waar wij in onzekerheid blijven
+omtrent de personen der dichters van de 14de eeuw. Van sommige kennen
+wij de namen, doch ook weinig meer; van andere weten wij zelfs den naam
+niet en naar hunne persoonlijkheid kunnen wij slechts gissen. Wij weten
+dat LODEWIJK VAN VAELBEKE een bekend menestreel is geweest, die in den
+aanvang der 14de eeuw stierf en zich naam had gemaakt o.a. door zijne
+"stampiën" (misschien eene soort van dansliederen). OTTO VAN ORLEIEN
+schreef eene "bedinghe van onsen Here", die niets karakteristieks heeft;
+de samensteller van _die Cracht der Mane_ heette HEINRIC VAN HOLLANT.
+Als dichter van den _Seghelyn van Jeruzalem_ noemt zich LOY LATEWAERT,
+dien wij om zijne literaire kennis en aanhalingen van door hem zelven
+vertaald Latijn voor een eenigermate ontwikkeld man moeten houden. Was
+hij misschien een "clerck", verbonden aan den dienst van een edelman?
+Diezelfde gissing zou men willen wagen ten opzichte van den man, die ons
+het verhaal _Van den borchgrave van Couchi_ naliet; bij den _Malegijs_
+en de overige ridderromans van dezen tijd zal men over het algemeen
+misschien eer aan meistreelen dan aan "clercken" moeten denken.
+
+In een aantal vierregelige wapendichten op de edelen, die met WILLEM IV
+in Friesland sneuvelden, meen ik de hand van een heraut te herkennen.
+Elders kunnen wij zelfs geen gissing wagen. Wie schreef b.v. den
+geestelijken roman _Van Jonitas en Rosafiere_? BOUDEWIJN VAN DER LORE
+noemt zich als auteur van _Achte Persone Wenschen_; doch wie schreef de
+overige wenschliederen? Hier staan wij in een duisternis, die bij
+voortgezet onderzoek misschien zal verdunnen tot den nevel, waarin wij
+een dichter als JAN VAN HULST zien, een zanger als die EGIDIUS, wiens
+dood ons gemeld wordt in dat roerend klaaglied dat aanvangt:
+
+ Egidius, waer bestu bleven?
+ Mi lanct na di, gheselle mijn!
+ Du coors [Zijnoot: verkoost.] die doot, du liets mi tleven.
+ Dat was gheselscap goed ende fijn,
+ Het sceen, 't een moeste ghestorven sijn[12].
+
+
+_b_. PUBLIEK. VOORDRAGEN EN LEZEN. HET BOEK.
+
+Het publiek waarvoor deze dichters optraden, wisselde af evenals vroeger
+naar gelang van de poëzie en van den voordrager.
+
+Voorname sprekers, zooals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG en AUGUSTIJNKEN VAN
+DORDT, zullen zich vooral tot de aanzienlijken hebben begeven om hun
+werk voortedragen. Dat blijkt wel uit het "heren en cnapen", waarmede
+zij hunne hoorders niet zelden toespreken. Menige sproke zal ook wel in
+de eerste plaats voor den adel bestemd zijn geweest. Zoo wordt in _de
+Mantel van eren_ het wapenschild beschreven van den edelen ridder, wiens
+lof hier was verkondigd: "van lazure // met twee ramshorne van
+goude"[13]. In een andere sproke echter, van het Jodenmeisje dat
+Christin wordt, spreekt de dichter zijn publiek aan met: "gi goede
+liede"; diezelfde uitdrukking vindt men in het heiligenleven _van Sint
+Amand_, doch afgewisseld door: "ghi lieden alle ghemeene... knapen,
+joncwive, vrouwen ende heeren." Dat de boerden vooral voor de burgerij
+bestemd waren zou men op zich zelf reeds vermoeden; dat vermoeden krijgt
+meer zekerheid door een aanvang als: "Alle swighet ende hoert," of:
+
+ Ghi goede liede, hoort na mi!
+ Selke boerde en hoerdi nie
+ Als ic u hier sal vertellen.
+
+Maar ook sproken en andere ernstige stukken zullen zeker wel eens voor
+de mindergegoede standen zijn voorgedragen. De sproke van de edelvrouw,
+die "vigilyen" voor de dooden placht te lezen, richt zich niet tot edele
+heeren of vrouwen, doch tot "alle... eist wijf of man", en aan het slot
+van een notabel lezen wij: "Secht "amen" die hier zijn omtrent[14]."
+
+Nog altijd was de literatuur bestemd in de eerste plaats om te worden
+voorgedragen en gehoord; ook zelfs een populair-wetenschappelijk werkje
+als _die Cracht der Mane_; ook een prozawerk als het _Leven van Jezus_
+richt zich tot degenen "die dit lesen (voorlezen) selen ende hoeren
+lesen". Het verzoek om stilte en aandacht blijkt ook in deze tijden nog
+niet overbodig. Evenals in de 13de eeuw werd de voordracht van poëzie
+nog wel door muziek begeleid. In den aanvang der boerde _van Heile van
+Berseele_ ten minste wordt het vertellen van schoone avonturen genoemd
+in verband met "vedelen en singhen" en "somtijd spelen metter harpen".
+De taverne zal wel--wij hoorden het reeds van den zwervenden
+meistreel--de plaats zijn geweest waar men de meeste kans had een
+rondreizend dichter aan te treffen en zijne voordrachten bij te wonen.
+Een jonkman die gaarne met goede gezellen uitgaat, gaarne een rooden
+mond ziet en lachende vrouwenoogen, vertelt ons hoe hij "te wine" of "te
+biere" zit:
+
+ Ende hoor daer singen ende boerden spreken.
+
+Voor een droge keel wist de voordrager zich te wachten; aan het slot der
+zedenschets _van den man die gherne dranc_--een dorstige stof--klinkt
+het:
+
+ Nu, gheeft mi drincken metter vaert
+ Want drincken dat es al mijn aert[15].
+
+Tusschen de overgroote meerderheid der hoorders van eenig literair werk
+zagen wij in een vroeger tijdperk hier en daar ook eenige lezers. Die
+lezers zullen langzamerhand talrijker worden, al blijven zij nog lang
+tevens hoorders.
+
+Onder een zich ontwikkelend volk, onder eene zich ontwikkelende burgerij
+vooral, neemt de vraag naar literatuur in dezen tijd steeds toe. De
+literatuur van een vroeger tijdvak vindt nog altijd aftrek; de werken
+der 13de eeuw immers zijn ons bewaard gebleven vooral in afschriften der
+14de eeuw. Doch ook de geschriften van tijdgenooten worden door
+afschrijvers vermenigvuldigd. De bescheiden RUUSBROECK was er niet op
+gesteld dat men zijne werken langs dezen weg onder de menschen bracht.
+Slechts heimelijk durfde een priester, die zijn "notarius" geweest was,
+Heer JAN'S werk aan eenige bewonderaars toevertrouwen tot het nemen van
+een afschrift[16].
+
+Adellijke heeren en vrouwen wekken schrijvers op tot het samenstellen
+van een of ander letterkundig werk. Zij wenschen een stuk dat men hun
+waarschijnlijk eerst voorgedragen heeft, in bezit te hebben. Zoo schenkt
+in 1360 de Graaf VAN BLOYS 19 schellingen en 4 stuivers aan JAN BOT den
+"segger", "want hi ene sproke gemaect hadde, ende in gescrifte overgaf,
+van minen here van Byamont, des God ghedenke"; in 1398 krijgt de spreker
+van Monickedam "die mynen here een sproke van de Vriezen overgaf" twee
+"nye gulden"[17]. Men begint een boek als een geschenk te beschouwen:
+jonkvrouw JOHANNA VAN BLOIS krijgt voor haar Paschen "enen nuwen
+boexkine" ten geschenke, "daer in stont onser Vrouwen legende"[18]. Ook
+uit andere feiten blijkt ons, dat de adel prijs stelt op boeken: de
+Vlaamsche graaf ROBRECHT VAN BETHUNE bezit een boek van _Godefroi de
+Bullion_, van _Merlin_ en de _contes du Barisiel_; een Henegouwsch
+edelman, GODEVAERD VAN NAAST (± 1337), bezit reeds eene kleine
+boekenverzameling: _le message Carlemaigne_, de geschiedenissen _d'Aëlis
+et l'Empereur et du roy Ingres_, van _Atis et Prophelias_, van
+_Sidraach_, van _Mainnet_, de _Aventures d'Oultremer_ en den _Veus dou
+Paon_.
+
+Lezen de Leliaerts Fransch--de Clauwaerts houden zich aan hun Vlaamsch.
+
+Welk een belangstelling in literatuur en wetenschap spreekt er uit de
+boeken, die wij in de tweede helft der 14de eeuw in het bezit vinden van
+aanzienlijke en eenvoudige Gentsche burgers. De handschoenmaker JAN DE
+BEERE heeft een _Bestiaris_, een _Lucidarius_, een _(Wapene) Martin_,
+een boek _van den Landsheren_ en _Evangeliën in vlaems_. WILLEM VAN DEN
+PITTE, lakensnijder en eerste schepen, is eigenaar van den "_Spieghel
+Ystoriaelle_ in twee bouken ghescreven". Meester SYMOEN ELYAES,
+waarschijnlijk een chirurgijn, bezit een _Barlaäm_, een "cleennen"
+_Spieghel_" en "een deel van der Biblen". De Clauwaert JAN WASSELINS
+heeft een heele bibliotheek. Evenals de twee eerstgenoemde Gentenaars
+heeft ook hij een "Bibele in vlaemsche"; maar wat heeft hij al niet
+meer! Zijne boekerij is bijna een kort begrip onzer middeleeuwsche
+literatuur, voorzoover daarin de voorname genres behalve het lied en het
+drama vertegenwoordigd zijn. Wij vinden onder zijne boeken geestelijke
+werken over _de Passie_, over _Adam en Eva_, _van der Zielen_ en _van
+der ghuldene baghe_; ridderromans _van Ogier, Seghelijn, Isenbaert_[19];
+zedekundige werken en leerdichten: van SENECA, "_Pietagoras bloume_",
+_Jans Testye_, een paar "doctrinaelen", een _Bestiaris_, _Melibeus_, een
+_Wapene Martijn_; een historisch werk over de Pausen en een Kroniek van
+Vlaanderen, Brabant en Frankrijk; wetenschappelijke geschriften over
+astronomie en medicijnen. Ook "_een bouc van Reynaerde_" ontbreekt
+niet[20].
+
+Zouden deze Vlamingen de eenige bezitters van boeken geweest zijn? Met
+het oog op het groote aantal handschriften der 14de eeuw, zal men wel
+mogen aannemen dat er verscheidene andere boekenliefhebbers waren. De
+lust tot lezen bracht meer boeken te voorschijn; die boeken brachten op
+hunne beurt meer menschen aan het lezen. JAN BOENDALE waarschuwt wel
+tegen de lezing van ijdele boeken, maar toch:
+
+ Alse ghi den tijt corten wilt,
+ In u camere ghi u sluten silt
+ Ende roepen uwen sceppre an;
+ Oft ghi selt boeke hebben dan
+ Van Gode oft van goeden zeden
+ Ende niet van idelheden
+ Ende selse lesen oft doen lesen[21].
+
+De _Melibeus_ spreekt niet alleen van _lezen_ maar ook van _overlezen_
+en broeder GHERAERT, de Karthuizer-prior, neemt in zijn afschrift van
+RUUSBROECK'S _Tabernakel_ ook meeningen van anderen op, opdat "een
+subtijl ende verlicht lesere yet orberlics [Zijnoot: nuttigs.] daer uut
+moghe _mediteren_"[22].
+
+Naast de voordracht van proza of poëzie, die zoo gemakkelijk ten ooren
+invloeide en geen tijd liet tot overpeinzen van wat men niet
+onmiddellijk begreep, komt nu langzamerhand het nadenken over het
+gelezene, het worstelen met een stuk dat men niet dadelijk vat. In een
+vroeger door ons genoemd allegorisch gedicht zien wij vier personages,
+die elk een der temperamenten voorstellen, bezig met een lied waarvan
+zij den zin niet kunnen vatten. Nu spreken zij af:
+
+ Dat si souden al ghemeen
+ Studeren, peinsen, nacht ende dach,
+ Bezien wiet eerst ghevinden mach[23].
+
+Dit critisch lezen vindt een tegenhanger in het critisch vergelijken der
+onderscheiden handschriften van één werk om daaruit een goeden tekst
+samentestellen. Devote bewondering van RUUSBROECK'S geschriften bracht
+een lateren bewoner van Groenendaal tot het verzoek aan alle minnaars
+der waarheid, om onderscheiden exemplaren van een werk des meesters te
+vergaderen "op dat sy doch uut enighen, of nu uut den eenen, dan uut den
+anderen, den gherechten sinne vinden ende setten moghen."[24].
+
+
+_c_. CRITIEK EN THEORIE. INVLOED DER LITERATUUR. LETTERROEM.
+
+Langs deze en dergelijke wegen ging zich de literaire critiek
+langzamerhand ontwikkelen.
+
+De vorige eeuw had hare geboorte gezien uit het verschil in aard,
+temperament en smaak der menschen. MAERLANT had zich ook hier weer een
+vertegenwoordiger van zijn tijd getoond, want in zijn werk vooral vinden
+wij die klachten over het "beniden", de "niders" en de "nidechede" onder
+degenen voor wie zijn werk bestemd was[25]. Doch in de 14de eeuw zien
+wij de critiek toenemen. BOENDALE en de auteur van _Der Mannen ende der
+Vrouwen Heimelycheit_ klagen over de "beniders" evenals hunne
+voorgangers in dezen; doch in een didactisch stukje van een hunner
+tijdgenooten, zien wij de critiek zich uitbreiden ook tot hen die in
+wetenschap of muziek zich onderscheiden, en daardoor de ijverzucht van
+anderen opwekken. Want zóó laag is de opvatting van critiek in 't
+algemeen nog, dat men haar toeschrijft in de eerste plaats aan
+ijverzucht of afgunst.
+
+In het bovenbedoeld stukje lezen wij:
+
+ Predict een cleerc die waerheit
+ Of toecht een zijn meesterie,
+ Pijpt hi, zyncht hi, of dichte seit,
+ Of spel toecht of melodye,
+ Ezels ende rude saeftiere [Zijnoot: broddelaars, knoeiers.]
+ Die der consten niet en weten een haer,
+ Sullen bi ombekender maniere [Zijnoot: uit gemis aan ontwikkeling.]
+ Haestelic vinden daer an een "maer"[26].
+
+Doch niet alleen op andermans werk ook op eigen werk en talent gaat de
+literaire critiek zich richten.
+
+De samenstellers van _Sinte Amands Leven_ en van _de Tien Plaghen_
+beseffen wel dat zij geene "meesters" in de kunst zijn, dat "diepheit
+van dichtene" en "sproken van cunsten fijn" hunne zaak niet is. De
+bewerker van den _Spieghel der Sonden_ is zich ook wel van iets
+dergelijks bewust; doch hij acht dat van geringe beteekenis: "de rime"
+moge van minder allooi zijn, wat schaadt dat, indien de _Spiegel_ maar
+helder is[27]?
+
+En dan, de critiek was niet louter afkeuring. MAERLANT brengt zijns
+ondanks hulde aan de bevalligheid der ridderpoëzie waartegen hij in
+later tijd te velde trok en BOENDALE volgt hem ook in die hulde.
+MAERLANT zelf werd bewonderd en geprezen door wie na hem kwamen en
+AUGUSTIJNKEN VAN DORDT na zijn dood geroemd als "een constenare fijn."
+
+Zelfs zouden wij een oogenblik kunnen meenen, dat men toentertijd te
+onzent reeds beroeps-critici gekend heeft, wanneer wij gewag hooren
+maken van
+
+ Die meerkeren ende de wijsen
+ Die de grote cunste prisen[28].
+
+Doch ook al laten wij deze plaats uit een sterk Duitsch-getint gedicht
+ter zijde, dan nog blijkt uit al het voorafgaande wel, dat men aan
+poëzie en alles wat haar raakt meer gewicht gaat hechten dan vroeger.
+
+Reeds het veelvuldig gebruik van den droom als poëtischen vorm wijst op
+een hooger opvatting van poëzie. De dichters wilden hierdoor op naïeve
+wijze te kennen geven dat poëzie iets buitengewoons is, iets dat buiten
+of boven de gewone werkelijkheid staat. Het visioen der mystieken breidt
+zich in steeds breeder en flauwer wordende kringen over ons volk uit.
+
+Dichtkunst en poëzie worden opgenomen onder de stoffen van het
+dagelijksch gesprek, zij het dat wij daarvan vooralsnog slechts één
+bewijs kunnen bijbrengen: HILLEGAERTSBERCH laat "een leeck dichter" en
+een "clerck" zich onderhouden over "dichten ende const". JAN VAN HULST
+(of welke andere Vlaamsche dichter ook) acht het der moeite waard, ons
+het dichten, componeeren en opschrijven van een lied tamelijk uitvoerig
+te beschrijven.
+
+Geen auteur van dezen tijd leert ons de toenmalige opvatting en
+beschouwing van dichters en dichtkunst beter kennen dan JAN BOENDALE.
+
+In den proloog van zijne _Teestye_ doet hij ons reeds eenige
+bekentenissen over zijne neiging tot en zijne beschouwing van poëzie.
+Hoog is die beschouwing niet; de neiging tot poëzie komt bij hem voort
+uit afkeer van ledigheid, doch tevens uit zijne natuur; poëzie is
+vermoeienis des geestes, doch daarom verzaakt hij haar niet. Hij hoopt
+zich met deze "reyne onlede" [Zijnoot: bezigheid.] bezig te houden,
+zoolang God hem het leven gunt, en zijn talent aan te wenden ten dienste
+van zijn beschermer, Heer ROGIER VAN LEEFDALE[29].
+
+Veel gewichtiger echter voor ons doel is het bekende hoofdstuk uit het
+derde Boek van _der Leken Spieghel_.
+
+Het heeft BOENDALE getroffen, dat in zijn tijd zooveel leeken naast de
+"clercken" optreden als dichters; daarom acht hij wenschelijk uiteen te
+zetten, wat noodig is om een recht dichter te zijn. Wenschelijk, want:
+"dichten en is geen spel." Drie dingen zijn noodig: een dichter moet de
+taalkunde en de kunst van schrijven verstaan; waarheidlievend moet hij
+zijn en eerzaam van leven. Hij moet zich toeleggen op schoone taal en de
+woorden te voegen "elc na sinen scoonsten accoorde", hij moet juist
+schrijven en spellen, begrip hebben hoe men een stuk moet opzetten,
+voltooien, en stevigen door kracht van voorbeelden. Leeken, die van dit
+alles, de kunst der "gramarie", geen verstand hebben, deugen niet voor
+dichter; zij missen den onontbeerlijken grondslag.
+
+Een poëet moet de waarheid liefhebben. Want hij wenscht toch, dat men
+zijne geschriften leze en blijve lezen. Wordt hij nu op onwaarheid
+betrapt, dan zal men hem niet meer gelooven en zijn dichternaam is
+verloren. Er zijn bovenal twee dingen, waarin hij niet mag liegen:
+historische feiten en de Bijbel. "Eere wien eere toekomt", dat zij de
+leus van den rechten geschiedschrijver; onwetendheid, gunst en afgunst
+doen de waarheid vaak verzwijgen--maar men bedenke, dat leugen de ziele
+doodt en dat wij rekenschap moeten geven van elk ijdel woord. Terecht is
+JACOB VAN MAERLANT, "die vader is der Dietsche dichtren algader", zoo
+uitgevaren tegen de leugendichters, die met vernuft en in mooie taal
+allerlei onwaarheid verteld hebben van historische personages als KAREL
+DE GROOTE en OCTAVIANUS. Zoo vertelt men van KAREL dat hij indertijd uit
+stelen gegaan is, dat hij door zijn vader op een kar bij een dienstmaagd
+verwekt is; van OCTAVIANUS dat hij bij Leuven geboren is "ten Zeven
+Tommen" [Zijnoot: bij de zeven graven.]. Alles leugens! Zulken
+leugenaars moest men het dichten verbieden! 't Is waar, zij willen de
+menschen iets nieuws opdisschen om er geld of eer mede te winnen. Ja,
+men vertelt wel eens verzonnen dingen, zoo b.v. van Reynaert en Izegrim
+en Bruin den beer; maar daar is het te doen om leering en wijsheid. God
+zelf sprak immers ook in parabelen!
+
+Het tweede, waarin men geen onwaarheid spreken mag, dat zijn heilige
+boeken, levens der heiligen en alles wat tot de heilige Kerk behoort;
+want die heeft haar grondslag in JEZUS CHRISTUS, die alleen de waarheid
+is.
+
+Wil hij in zijn werk de menschen op het rechte pad brengen, priesters en
+ridders deugd en wijsheid leeren, vaak hen berispen, dan moet hij zelf
+een deugdzaam man zijn. Leeringen wekken, voorbeelden trekken. Let eens
+op de dichters die er vroeger waren: MOZES, (FLAVIUS) JOSEPHUS,
+ARISTOTELES, CATO, SENECA, PLATO, HORATIUS, OVIDIUS, HIERONYMUS die den
+Bijbel vertaald heeft--allen dichters in eere en deugd. Niemand heeft
+ooit JACOB VAN MAERLANT op een leugen betrapt, want zijn leven was
+eerzaam, zooals een dichter past.
+
+Dichter moet men zijn van nature; zijt gij door de natuur niet tot
+dichter gemaakt, dan zal niemand u kunnen leeren hoe gij het worden
+zult. Rechte dichters moet men op hoogen prijs stellen. Zij zijn
+onmisbaar; want de Bijbel, alle recht en wet, ons geloof, onze
+handvesten en onze geschiedenis--alles zou verloren zijn gegaan, hadden
+de dichters het niet in hunne geschriften bewaard.
+
+Ten slotte wil ik u zeggen, wie dichters geboren zijn.
+
+De een dicht om een liefje, de ander om roem te winnen, weer een ander
+om geld--maar dat is de rechte poëzie niet; zulke menschen dichten uit
+winstbejag, zonder natuurlijke aandrift
+
+ Een rechte dichtere, God weet,
+ Al waer hi in enen woude,
+ Dat hi nemmermeer en soude
+ Van dichtene hebben danc,
+ Nochtan soude hi herde onlanc [Zijnoot: zeer korten tijd.]
+ Sonder dichten daer gheduren,
+ Want het hoort te sire naturen:
+ Hi en mochts niet laten, al woude hi.
+ Dichten moet uut herten vri
+ Comen ende uut claren zinne,
+ Daer God behoude inne
+ Elken dichter die waerheit mint.
+
+Aldus eindigt de eerste Nederlandsche poëtiek. Misschien mogen wij
+zeggen: de eerste Europeesche poëtiek die in eene moderne volkstaal
+geschreven is; mij althans is in geen der moderne literaturen een
+vroeger of gelijktijdig geschrift bekend dat met dit hoofdstuk van JAN
+BOENDALE vergeleken kan worden. Reeds om die reden acht ik deze
+verhandeling van groote beteekenis; doch ook om andere redenen.
+
+Het had BOENDALE getroffen dat de poëzie langzamerhand uit de handen der
+meistreelen en "clercken" overging in die der burgerij; en daar de
+dichters voor hem blijkbaar de dragers van het ideaal zijn, tracht hij
+de komende dichters in het rechte spoor te brengen. Vandaar zijne
+omschrijving der eischen waaraan een dichter behoort te voldoen. Zij
+moeten ontwikkelde mannen zijn, wier leven in overeenstemming is met
+hunne poëzie. De waarheid moeten zij voorstaan, al wordt het begrip
+_waarheid_ hier nog in zeer beperkten zin opgevat. Het gewicht van het
+nieuwe in de literatuur heeft BOENDALE reeds gevoeld; hij heeft ook
+beseft dat ware poëzie geboren kan worden slechts uit belangelooze
+aandoening en aandrift, en niets gemeen kan hebben met eenige zelfzucht.
+Waar hij er op wijst, hoeveel de menschheid aan de poëten te danken
+heeft, herinnert hij even aan niemand minder dan SHELLEY die in zijne
+_Defence of Poetry_ deze gedachte heeft uiteengezet met een rijkdom van
+gevoel en wetenschap en bekleed met een heerlijkheid van taal, waarvan
+de Antwerpsche schepenklerk zich geene voorstelling heeft kunnen vormen.
+
+Doch hoe onvolkomen en gebrekkig in menig opzicht de berijmde
+verhandeling van dezen ook moge zijn, zij blijft een merkwaardig
+literair-historisch stuk. Al ware zij ook onvolkomener dan zij is, dan
+nog zouden wij BOENDALE dankbaar moeten blijven voor dezen eersten stap
+op een onbetreden weg; niet het minst voor die fraaie slotregels, waarin
+voor de eerste maal in deze lage landen bij de zee verkondigd is, dat
+men dichter geboren moet zijn en dat een recht dichter zingt, "al zong
+hij zichzelve' alleen"[30].
+
+BOENDALE'S uiteenzetting van den invloed der literatuur op de
+ontwikkeling der maatschappij kan worden aangevuld met een paar
+staaltjes van dien invloed, ontleend aan zijn eigen tijd.
+
+MAERLANT, vervolgd door de geestelijkheid wegens zijn Rijmbijbel, heeft
+ons reeds vroeger getoond dat men de macht der literatuur in de
+volkstaal ging beseffen. MELIS STOKE maakt zich ongerust over de
+wraakzucht van het publiek; bij de beschrijving van een gevecht acht hij
+het veiliger dappere strijders en lafaards niet bij name te noemen; hij
+kent zijne tijdgenooten als hardhandig en geen vrienden van halve
+maatregelen[31]. In het verhaal _van den borchgrave van Couchi_ wordt
+een page die een verboden lied zingt, opgehangen aan een boom[32].
+
+Begon de literatuur zoo eenerzijds invloed te oefenen, anderzijds bracht
+zij soms roem aan de schrijvers. De dichters van _Sinte Amands Leven_ en
+van _Theophilus_ vreezen dat hun naam zal bekend worden en dat men dan
+hun werk zal toeschrijven aan roemzucht; Broeder GHERAERT, de
+Karthuizer, verbaast er zich over dat RUUSBROECK zoo volslagen vrij is
+van "ydelre gloriën"[33].
+
+Die afwezigheid van roemzucht in den prior van Groenendale verhoogde
+zijn roem, versterkte en verbreidde zijn invloed ook op de auteurs die
+na hem kwamen. Zoo werden ook MAERLANT'S aanzien en invloed op latere
+schrijvers verhoogd door de vervolging waaraan hij bloot stond.
+
+In VELDEKE'S invloed op de Hoogduitsche literatuur, in den invloed door
+MAERLANT en RUUSBROECK geoefend op de schrijvers die na hen kwamen,
+hebben wij in onze literatuur de eerste voorbeelden van de literaire
+vorming welke een volgend geslacht van het voorgaande ontvangt.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] Vgl. Mr. S. MULLER FZ., _De Registers en Rekeningen van het bisdom
+Utrecht_ (ao 1325, 1329, 1332), I, 567, 383; _Rekeningen der
+Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis_ (ed. HAMAKER),
+III, p. 49, 92 vlgg.; _Cameraars-rekeningen_ (ed. VAN DOORNINCK), I, 47,
+84; II, 20, 308, 783; III, 498, 518 (ao 1339, 1340, 1360, 1365).
+
+[2] Vgl. _Oudste Burgemeesters rekening van Middelburg_ (ao 1364),
+uitgeg. door het Historisch Genootschap in _Codex Diplom. Neerl._, 1853,
+II, p. 5, 6. _Oudvl. Lied. en Ged._, p. 267 en _Versl. en Med. Kon.
+Akad._, 3e Reeks, XII, 164, vs. 144.
+
+[3] Vgl. _Dits et Contes de Baudouin de Condé...._ par AUG. SCHELER, I,
+153: _Li Contes des Hiraus_; I, 448 een citaat uit de _Hist. Litt. de la
+France_, XXIII, 272; "A la fin du XIIIe siècle la profession des hérauts
+etc."
+
+In het tweede der vier boven aangehaalde verzen staat in den tekst
+_lecken berden_. VERDAM wil hiervoor lezen: _leckeberden_ in den zin van
+_flikflooien_. Doch op andere plaatsen schijnt dat w.w. niet voor te
+komen (_Mnl. Wdb._ i.v.). De emendatie blijft dus twijfelachtig voor
+mij. Wat beteekent _bert_ hier? In de beteekenis _schotel_ schijnt het
+niet voor te komen. Kan het misschien _(wapen)bord_ beteekenen? Zoo ja,
+dan zouden wij daarin een duidelijker toespeling op de herauten hebben.
+
+[4] _Belg. Mus._, VII, 318.
+
+[5] _Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen_, bl. 63;
+_Cam. Reken._, III, 1, p. 624 (ao 1366); III, 2, p. 239 (ao 1369);
+_Reken. der Graf. v. Holland onder het Heneg. huis_, III, 385; _Goede
+Boerden_, p. 37 vlgg.
+
+[6] Al deze sprekers worden vermeld in de excerpten der
+_Grafelijkheids-rekeningen_ achter JONCKBLOET'S _Mnl. Dichtk._, Deel
+III. COLPAERT in _Vad. Mus._, I, 50. De Holsteinsche _Hopezomer_ wordt
+ao 1392-'3 _jong_ genoemd en kan dus niet dezelfde zijn als zijn
+naamgenoot de heraut.
+
+[7] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 114.
+
+[8] _Vad. Mus._, I, 335, vs. 44 vlgg.; _Vierde Martijn_, vs. 789-791;
+_Van den Borchgrave van Couchi_, I, 94 vlgg.
+
+[9] Die naamdichten (voor _Marie, Liegaert, Lauwerette, Violette Calle_
+e.a. volgens aanwijzing van ARNOLD in _D. War._, I, 542) in _Oudvl.
+Lied. en Ged._
+
+[10] _Grimb. Oorlog_, I, 12-21; _Sp. der Zonden_, vs. 7739-'40; _Oudvl.
+Ged._ (ed. BLOMMAERT), III, 115; _Teestije_, vs. 1615 vlgg.; 922 vlgg.;
+_Lekensp._, III, c. 4, 190-2. Misschien zouden wij in dit verband ook de
+zonderlinge _Tweespraak van Scalc ende Clerc_ moeten behandelen (vgl. TE
+WINKEL, bl. 310; ook m.i. is zij stellig niet van MAERLANT). Doch
+zoolang wij dit gedicht slechts in zoo gebrekkigen tekst kennen, is het
+beter zich van een oordeel te onthouden.
+
+[11] Vgl. _N. Doct._, vs. 19 vlgg.; _Leven Van S. Amand_, 1379 vlgg.;
+_Theoph._, 28-29; _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 12; _Vaghevier van S.
+Patr._, 24-26; _Bed. der Missen_ aan het slot; _Mnl. Ged._ (ed. DE
+PAUW), I, 41 vlgg.; _S. Kerstine's Leven_, vs. 151-3; _Der Ystor.
+Bloeme_, 36-40, 725 vlgg.
+
+[12] Over LOD. VAN VAELBEKE vgl. _Lied in de Midd._, bl. 587; maar
+vooral: VANDER STRAETEN'S _Les Ménestrels aux Pays-Bas_, p. 88 suivv.
+OTTE VAN ORLEIEN, _Vad. Mus._, II, 394; de hand van een geestelijke of
+clerck meen ik te zien in _Couchi_, II, 1628 vlgg., 1746-'7, 2171 vlgg.;
+de bedoelde wapendichten in _Belg. Mus._, V, 104 vlgg.; het groot aantal
+assoneerende rijmen in _Jonitas en Rosafiere_ (zeker een 40-tal op 1200
+verzen) zou aan een volksdichter doen denken; de rijmen van BOUDEN VAN
+DER LOREN zijn over het algemeen zuiver, terwijl men in de overige
+wenschliederen nog al wat assoneerende rijmen aantreft. Over JAN VAN
+HULST vgl. een artikel van ARNOLD in _D. Warande_, (N. Reeks), I, 542 en
+de Inleiding tot de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._ Een nauwkeurig
+onderzoek der onderscheiden liederen en gedichten van dezen bundel zal
+misschien meer zekerheid brengen aangaande de makers of den maker; het
+komt mij voor dat althans de twee groote allegorische gedichten op bl.
+233 vlgg. en 314 vlgg. van dezelfde hand zijn die vele der liederen
+schreef: op bl. 266 vindt men een viertal verzen die hier en daar
+letterlijk herinneren aan eenige uit het lied op de "kerels". Vgl. ook
+bl. 311-312 met no. 36, no. 103, no. 140 (de kleuren). De liederen op
+bl. 247, 261, 276, 279, 280, 294, 303, 311 herinneren door vorm en
+inhoud aan vele der 145 die den bundel openen.
+
+Op bl. 459 wordt Brugge genoemd als woonplaats van den dichter;
+
+juist dat gedicht vertoont in de aanvangsletters zijner laatste verzen
+den naam JAN MORITOEN; dezelfde als JAN VAN HULST? Over den zanger
+EGIDIUS te verg. no. 98 en no. 100 der _Oudvl. Lied. en Ged._; op p. 470
+van dien bundel eene klacht die aan hem doet denken; voorts _Tijdschr.
+v. Ned. T. en L._, XI, bl. 286-7, 289-292.
+
+[13] _Belg. Mus._, X, 69.
+
+[14] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII, 46; _Leven van S. Amand_, I,
+676, 2807, 3920; _Goede Boerden_, p. 4; _Belg. Mus._, X, 69; KAUSLER,
+_Denkm._, III, 109, 203.
+
+[15] De plaatsen over het _hooren_ van poëzie zijn, na de vroeger
+vermelde, te talrijk om mede te deelen; ieder kan ze gemakkelijk vinden.
+Vgl. overigens: _Vad. Mus._, I, 337; _Belg. Mus._, X, 57.
+
+[16] Vgl. _Werken_ (ed. DAVID), I, bl. IX.
+
+[17] _Het Leven van S. Kerstine_ ondernomen op verzoek der geestelijke
+jonkvrouw FEMINE VAN HOYE; VELTHEM berijmde voor loon zijne voortzetting
+van den _Sp. Hist._ op verzoek van de Vrouwe VAN BERLAER; de
+_Brabantsche Yeesten_ werden gemaakt in opdracht van Heer WILLEM
+BORNECOLVE, een aanzienlijk Antwerpenaar; de _Grimb. Oorlog_ werd
+"beschreven en gedicht" op verzoek waarschijnlijk van een edelman (zie
+vs. 6167 vlgg. en 6600-'2 van het tweede deel); _Tondalus Visioen_ voor
+een "edele Jonfer".
+
+De beide rekeningposten in JONCKBLOET'S _Gesch. der Mnl. Dichtkunst_,
+III, 618, 611.
+
+[18] DE LANGE VAN WIJNGAERDEN, _Geschied. van Gouda_, I, 187 (omstreeks
+1387).
+
+[19] Vgl. over dien roman _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 263-4; voorts
+_Das Epos von Isembard und Gormond...._ von Dr. R. ZENKER, Halle a.S.
+1896; THEODOR FLURI, _Isembart et Gormond_ (Züricher Diss., 1895);
+_Romania_, Avril, 1897, Janv. 1898.
+
+[20] Vgl. het merkwaardig stuk van NAP. DE PAUW in _Ned. Museum_, 1879.
+
+[21] _Lekensp._, B. III, c. 3, vs. 969 vlgg.
+
+[22] _Melib._, 55-58. (Ook al komt deze plaats reeds in het origineel
+voor, dan blijft zij nog van gewicht); DE VREESE'S _Bijdragen_, bl. 15.
+Andere plaatsen waar m.i. gewag wordt gemaakt van _lezen_ in onze
+beteekenis, zijn: _Jans Teesteye_, vs. 812-'4; _Vlaamsche Rijmkroniek_
+(in KAUSLER'S _Denkmäler_), vs. 4124-'5; _Tondalus Visioen_ in den
+aanvang (ed. BLOMMAERT), II, 31: "So wie datter neerenstelic in wille
+lesen ende de woorden merken, hi sal" enz.
+
+[23] _Oudvl. Lied. en andere Ged._, bl. 268.
+
+[24] DE VREESE, a.w. bl. 24.
+
+[25] _Alex._, vs. 6, 29; _Merlijn_, 6 vlgg.; _Troyen_, 24-26; _Rijmb._,
+I, 73 vlgg.
+
+[26] Proloog v.d. _Lekensp._; _M.e.V. Heim._, vs. 25 vlgg.; KAUSLER,
+_Denkm._, III, bl. 215.
+
+[27] _S. Amand_, II, 5333 vlgg.; _Tien Plaghen_, 30-33; _Sp. der Zond._
+I, p. 218.
+
+[28] _Oudvl. Ged._, III, 105; _Tien Plaghen_, vs. 43-44.
+
+[29] A.w. vs. 64 vlgg.
+
+[30] _Licht en Schaduw_ door SOERA RANA (I. ESSER JR.), bl. 6.
+
+[31] A.w. (ed. BRILL), I, bl. 224; Boek X, vs. 40-151.
+
+[32] A.w. I, 113 vlgg., 312 vlgg. Daarbij: _Oudvl. Lied. en Ged._, bl.
+270 en _Brab. Yeesten_, V, 3181 vlgg.
+
+[33] DE VREESE, t.a.p. bl. 13.
+
+
+
+WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH.
+
+Een goed voorbeeld van dien invloed vinden wij in de persoonlijkheid en
+het werk van den dichter wiens naam hierboven staat.
+
+Die persoonlijkheid en dat werk vereenigen in zich zooveel trekken van
+veertiend'eeuwsche dichters en dichtkunst, zij toonen ons den invloed
+der vroegere literatuur zooveel beter dan die der meeste anderen uit
+dezen tijd, zij voegen bij dat gemeenschappelijke en ontleende zooveel
+eigens--dat WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel aanspraak mag maken op een
+afzonderlijke plaats in dit verhaal[1].
+
+Hij was een spreker gelijk er zoovelen waren, doch die, naar het
+schijnt, de overigen in talent overtrof; in allen gevalle is hij de
+eenige van wiens werken ons zooveel is overgebleven en van wien wij ons
+daardoor eene betrekkelijk zoo volledige voorstelling kunnen vormen.
+
+Misschien is hij omstreeks het midden der 14de eeuw geboren, en
+gestorven niet lang na 1408. Vóór 1375 moet hij reeds als spreker zijn
+opgetreden. Heeft broodsgebrek hem gedrongen tot het aanvaarden van dat
+beroep? Het is licht mogelijk. Mij ten minste komt het niet
+onwaarschijnlijk voor dat hij in één zijner gedichten over zich zelven
+spreekt waar hij een jonkman over zijne jeugd laat verhalen: hoewel van
+matigen rijkdom, leefde hij als een prins; zijne magen ergerden zich aan
+zijn gedrag en rieden hem aan dat leven te laten varen; maar hij stoorde
+zich niet aan hen; toen trokken zij de handen van hem af en het liep mis
+met hem[2].
+
+Eerst in 1382 vinden wij in de rekeningen der Grafelijkheid van Holland
+gewag van hem gemaakt; uit de wijze waarop hij daar genoemd wordt:
+"WILLEM VAN HILGAERTSBERGHE, _enen_ spreker" zou men opmaken, dat hij
+toen nog niet zeer bekend was aan des graven hof. In het volgend jaar
+echter schijnt "Meester WILLEM de spreker" reeds meer bekend te zijn
+geworden. Behalve voor mijn Heer den Grave spreekt hij niet zelden voor
+andere "hoghe heren", maar hij is, zoomin als zijne kunstbroeders, te
+grootsch om zes "nieuwe schilden" aan te nemen voor een rok en een paar
+"Henegouwsche kronen" als drinkgeld. Met spijs en drank als loon voor
+kunst is hij niet zooals zijne mindere gildebroeders tevreden en waar
+hij geen kans ziet een zwanepluim rijker te worden, zooals ten huize van
+Heer DIRC den Commandeur der Duitsche Orde te Leiden, daar licht hij
+zijne hielen.
+
+Evenals andere sprekers en zeggers wacht hij niet altijd op eigen
+aandrift, maar vervaardigt ook wel een gedicht over een opgegeven
+onderwerp. Zoo schrijft hij op verzoek der abdisse van Rijnsburg iets
+over de Tien Geboden[3].
+
+HILDEGAERSBERCH'S werken geven een kort begrip van een groot deel der
+toenmalige literatuur: men vindt er tal van stichtelijke of zedekundige
+stukken, een paar dierfabels, een paar boerden, ook historische
+gedichten aan de tijdsomstandigheden ontleend. In zijn werk is de
+invloed van vroegere auteurs duidelijk zichtbaar en wij vinden er
+onderscheidene trekken der gelijktijdige literatuur in terug. Een
+geleerd dichter als MAERLANT of BOENDALE was hij allerminst; Latijn
+kende hij niet en zijne boekenkennis zal zich in hoofdzaak wel bepaald
+hebben tot den bijbel[4]. Destemeer zal hij zijn voordeel hebben gedaan
+met wat de geleerde "clercken" vóór hem hadden gedicht. MAERLANT'S
+werken, o.a. zijne strophische gedichten, zijn hem niet onbekend
+gebleven; doch meer had hij te danken aan het werk van BOENDALE die een
+paar geslachten ouder moet zijn geweest dan de Hollandsche spreker.
+Stukken van _der Leken Spieghel_ zijn door WILLEM in zijne werken
+opgenomen. Zijn verzet tegen de materiëele voorstelling dat "God is als
+een mensch gedaen", zijne eigene voorstelling dat God "altemale een
+gheest" is, herinneren ons ook aan den _Lekenspieghel_. BOENDALE'S
+beschouwing der literaire kunst is door HILDEGAERSBERCH overgenomen; de
+verzen:
+
+ Const is die alrehoochste schat
+ Die men ter werelt ye besat.
+
+zijn een weerklank van BOENDALE'S hoofdstuk _Hoe dichters dichten
+sullen_[5].
+
+Evenals voor BOENDALE heeft ook voor WILLEM de dierfabel slechts waarde
+als voertuig van nuttige leering: "Zoo sprac Reynaert, ende hi was
+vroet"--daarmede besluit hij een zijner dierfabels en in een andere waar
+hij een hond doet spreken, acht hij zich verplicht den lezer te
+waarschuwen:
+
+ Niet dat honden yet spreken moghen,
+ Mar in 't ghelijcke wert vertoghen
+ Menighe leer tot onser bate[6].
+
+Den invloed van MAERLANT meer dan dien van BOENDALE zien wij in WILLEM'S
+beschouwing der vrouwen. Bij hem als bij MAERLANT vinden wij vooral den
+hoofschen vrouwendienst die zich vertoont o.a. in regels als deze uit
+een stuk _Vanden goeden vrouwen_:
+
+ Twaer een kaerl onwijs te weten
+ Off by maten dat uut te meten,
+ Wat loff den vrouwen toebehoort.
+
+"Wat een reyn wijff waerdich is", heeft hij uiteengezet en ook in andere
+stukken zijn eerbied voor het vrouwelijk geslacht betuigd. Die eerbied
+is zóó groot dat hij eervergeten vrouwen die zich onder de eerzame
+mengen, bellen zou willen aanhangen "die lude cloncken waer si
+ghinghen"; op die wijze zou men zich voor haar kunnen wachten[7].
+
+Niet alleen door den inhoud, ook door den uiterlijken en innerlijken
+vorm zijner poëzie toont WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH zich een kind van
+zijn tijd. Allegorische personages als Trouw en Gerechtigheid, Rede als
+portier, Trouwe als kastelein, Eer als raadsman en dergelijke komen ook
+bij hem voor. Hij bedient zich van tweespraak en "disputacie", hij
+speelt met woorden als _beschermen_ dat tot _bescheren_ wordt, met
+_vaer_ [Zijnoot: vrees.] en _varen_[8]. Zijne stukken zijn, gelijk
+zoovele andere didactisch-lyrische, niet zelden in coupletten verdeeld
+en vangen nog al eens aan met eene natuurschildering. De stof is er op
+de gewone schoolsche wijze verdeeld in punten, die achtereenvolgens
+nauwgezet en degelijk worden behandeld; reeksen los aaneengeregen
+sententie's zijn ook bij hem niet zeldzaam.
+
+Bijna alle gedichten van HILDEGAERSBERCH hebben, de strekking: invloed
+ten goede te oefenen op de menschen en de maatschappij. Wij weten te
+weinig van de poëzie der overige sprekers om te kunnen beslissen of hij
+ook hier als type zijner soort mag gelden; doch indien de stichtelijke
+en didactische lyriek dier dagen grootendeels aan sprekers mag worden
+toegeschreven--en ik zie daartegen geen bezwaar--dan bevat WILLEM'S werk
+ook hier het meest wezenlijke van dat zijner tijdgenooten.
+
+Overal vinden wij in zijne gedichten die opwekkingen en waarschuwingen
+om wel te leven, ten einde zalig te kunnen sterven; te geven "metter
+wermer hant" [Zijnoot: nog bij iemands leven.], niet gierig te zijn, de
+goede keuze te doen tusschen het tijdelijke en het eeuwige, indachtig te
+blijven dat wij "geen _morgen_ hebben", dat wij allen "op de lange
+vaart" moeten. Hij wendt zich tot de hooge heeren met de bede om recht
+en billijkheid te betrachten, klaagt over het onrecht dat zij laten
+geschieden, waarschuwt anderen zich niet al te veel met de groote heeren
+in te laten. Den rechters houdt hij het ideaal voor oogen van den
+waarachtigen rechter: God "die elken man ghelike recht". Den steden
+wijst hij den weg om tot voorspoed te komen: onderling eendrachtig zijn,
+geld verdienen, vreemde kooplieden aanmoedigen[9].
+
+Evenals bij MAERLANT, anders dan bij BOENDALE, is bij WILLEM het
+verleden de lichte achtergrond waartegen de gebreken van het heden
+scherp uitkomen. Het heden ligt voor hem in het booze: Reinaert staat
+aan het roer en Simon [Zijnoot: verpersoonlijking der simonie.] op de
+voorplecht. Vroeger was alles zooveel beter; toen werden Trouw en
+Gerechtigheid geëerd; nu denkt ieder er slechts aan zijn eigen kist te
+vullen. Midden in een of ander verhaal uit het verre verleden zien wij
+hem soms plotseling terugkeeren tot zijn eigen tijd, om dien tegenover
+het betere verleden te plaatsen[10].
+
+Doch het sterke idealisme dat den onafhankelijken MAERLANT zóó forsch
+deed spreken, missen wij in HILDEGAERSBERCH die leven moest van het
+publiek. De zorg voor het dagelijksch brood hing den armen spreker als
+een kluister aan het been. Hij moet oppassen niet te veel te zeggen, of
+hij zal het voelen in zijne beurs, ja in zijn maag:
+
+ Want een dichter moet hem hoeden
+ Voer den ghenen diet sullen horen,
+ Dat sijs [Zijnoot: zij het.] in nide noch in toren
+ Niet en nemen dat hi maect.
+
+Hoe nederig vraagt hij de heeren om wat geduld; het moge hun toch niet
+te lang vallen als zij goede leering hooren! Zijnerzijds belooft hij
+maat te houden:
+
+ Een dichter die hem wel verstaet,
+ Dien dicht niet al sijns selfs begheren.
+
+Niet te lang, "dat heeft men gaern ter heren hove," en daaraan zal hij
+zich ook maar houden[11]. Vandaar in zijne gansche houding tegenover
+zijn publiek iets slaps en zwaks. Het hoogste waartoe hij het in dezen
+brengt, is zachte ironie die in haar soort vooral voor dien tijd
+verdienstelijk is:
+
+ Waerom souden wy trueren yet?
+ Sint God die werelt werden liet,
+ So ne was sy nye so wel te vreden.
+ Die paeus die leeft by goeden reden
+ Om te dienen onsen Heer
+
+al het volk leeft deugdzaam, in de omgeving van den paus kent men geen
+afgunst en hebzucht, bisschoppen en prelaten zijn rechtschapen waar men
+komt--meer zal ik er niet van zeggen.
+
+Doch ironie is bij WILLEM, en over het algemeen in de middeleeuwsche
+literatuur, betrekkelijk schaarsch. Gewoonlijk tracht ook deze
+leerdichter zijn publiek rechtstreeks te overtuigen; doch van hoe weinig
+idealisme getuigen doorgaans zijne gelijkvloersche argumenten. De tien
+geboden moet men houden. Waarom? Men leeft langer en heeft veel minder
+te doorstaan dan zij, die ze overtreden; die overtreders immers worden
+zelden oud, hunne zorgeloosheid kost hun het leven of maakt hen jichtig
+en lam. Met "wychelinge" [Zijnoot: de zwarte kunst.] moet men zich niet
+afgeven: zij brengt geen voordeel aan. Één God moet men aanbidden; men
+kan immers "met minre arbeide" één God aanbidden dan vele? God moet men
+"te vriend houden" en eenvoudig weg gelooven dat Hij, onze Heer van den
+hemel, is één God en drie personen--"daer comt men by ten hoghen loon."
+Hebt gij verdriet, toon dat dan niet in uw uiterlijk: uwe vijanden
+zouden er in groeien. De heeren mogen hunne onderdanige schapen wel
+scheren, maar het vel moeten zij hun laten; dan kan er immers nieuwe wol
+op groeien! Wat overigens het onrecht betreft, dat moet men verdragen en
+zachtkens terecht trachten te brengen. Al deed de heer nog zooveel
+kwaad, zijne onderdanen moeten steeds
+
+ smeken ende nygen [Zijnoot: vleien en buigen.]
+ Om hoers heren hulde [Zijnoot: gunst, genegenheid.] te crigen.
+
+WILLEM ziet wel dat de Kerk in zijne dagen van den rechten weg is
+afgedwaald en dat vele priesters niet deugen; doch de leeken moeten er
+zich maar niet te zeer aan ergeren en slechts letten op wat de priesters
+hun _leeren_; er kan wel goed zaad gestrooid worden uit een slechten
+korf[12].
+
+Dat de roeping van den dichter is vóór alles: priester der waarheid te
+zijn, hadden MAERLANT en BOENDALE WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH geleerd;
+hij heeft getracht die leer in praktijk te brengen, doch zijn beroep
+kwam telkens met zijne roeping in strijd. "De waarheid wil niet gehoord
+zijn" dat was meer dan eens zijn droeve ervaring, en de omstandigheden
+dwongen hem daarin te berusten. Echter bracht die berusting hem niet tot
+lijdelijk stroomaf drijven; hij bleef roeien met de riemen die hij had.
+Ik zal leeren dicht bij het wit te schieten, niet het wit zelf te
+treffen, zegt hij in het gedicht _van den coninc van Poertegael_. Maar
+zijn eerlijk eenvoudig hart, verdeeld tusschen ideaal en werkelijkheid,
+blijft droevig gestemd:
+
+ Hoe sal ic dan, arme oude,
+ Die gaerne die waerheit spreken soude,
+ Der heren gunst of hulde verwerven?
+
+In die verdeeldheid, in die droevige stemming is hij waarschijnlijk
+blijven verkeeren tot zijn dood.
+
+Hij had de Fortuin gezocht oost en west, maar nooit gevonden. Doch al
+was zijn voorspoed naar de wereld gering, hij wilde zijn loon verwachten
+van God, zijn lijden geduldig dragen. Had het sprekerswerk hem geen
+stoffelijke winst gebracht, ook den invloed, door hem als dichter
+geoefend, schatte hij gering. Wat werkt al ons dichten en verzinnen uit?
+vraagt hij ergens, en met lichten spot antwoordt hij zelf: de menschen
+worden tegenwoordig zóó deugdzaam, dat matiging en billijkheid in hen
+blijven als in bodemlooze vaten. Elders klinkt het zonder spot en
+mismoedig:
+
+ Oft al om niet is dat ic doe,
+ Wat sel dan arbeit onderstaen?
+ [Zijnoot: Waartoe mij dan moeite gegeven?]"
+
+Hij gaat zijn leven als spreker nog eens na: hoeveel schoone "exempelen"
+heeft hij voor de heeren gesproken; al zijn verzen spraken van
+rechtvaardigheid en eer te betrachten; hoe liefelijk men treedt op het
+pad naar den hemel--hoe vuil het pad is dat ter helle voert. Maar weinig
+hebben de menschen er zich om bekommerd; zij hebben den achterkant naar
+voren gekeerd
+
+ Dus clop ic veel an doofmans deur;
+ Al roep ic lude, en mach niet in.
+
+Zijne tijdgenooten zijn gestorven of verdwenen, hij zelf wordt vergeten,
+zijne ledematen gaan hem begeven, hij hoort het vesperklokje luiden.
+Zelf is hij moede en verlangt naar rust. Eindelijk komt de man "met het
+witte kleed",.die niemand spaart, ook hem halen. In April 1409 kocht
+graaf WILLEM VI een boek "dairin stonden vele schoonre sproken, die
+Willem van Hillegairtsberge gemaeckt hadde"; dat zal wel de voornaamste
+nalatenschap van onzen spreker geweest zijn[13].
+
+Die nalatenschap zou er misschien anders hebben uitgezien, indien zijn
+talent zich onder gunstiger omstandigheden had kunnen ontwikkelen. Want
+eenig talent had WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel. Zijne vergelijkingen
+zijn niet zelden aardig gevonden; zoo b.v. die van de stichtelijke
+woorden, die langs de meeste kerkgangers afglijden als hagelsteenen
+langs de kleeren. Hoe goed van waarneming is dat huiselijk tooneeltje,
+waar wij middeleeuwsche huisvrouwen aan het spinrokken zien, terwijl de
+jonge kuikens met de klokhen om haar heen in de zon loopen. De
+vergelijking van het leven bij een zeereis is ook verdienstelijk
+uitgewerkt[14].
+
+Vertellen kan WILLEM ook wel; dat blijkt ten deele uit zijne fabels en
+de sproke _van Sinte Gheertruden min_, maar vooral uit de twee boerden
+_van het gestolen varken_ en _van den Monnik_[15]. Welk een levendigheid
+en gang is in die verhalen, al worden zij hier en daar vertraagd door de
+zucht tot leering en vermaning; welk een talent van waarnemen en
+voorstellen; welk een blijkbaar welbehagen ook in de behandelde stof! De
+door den duivel bedrogen monnik vooral is kostelijk! Aan zin voor echten
+volkshumor paarde deze spreker een loffelijk vermogen van waarneming.
+Dat vermogen toonde hij in zijne verhalen; hij toont het ook waar hij
+anderer of eigen gemoedsleven afbeeldt. Hoe juist heeft hij die zwakke
+en zorgelooze menschen gezien, die zich geene behagelijke zonden willen
+ontzeggen en denken: als wij ouder worden zal onze zinnelijkheid vanzelf
+wel afnemen en onze "nature vercouden". HILDEGAERSBERCH heeft het eerst
+de verveling van den traag voortkruipenden tijd beseft en in woorden
+gebracht:
+
+ Als my die tijt verlanghen dede,
+ So had ic ziecte ende onghevoech,
+ Ic hoorde wat die clocke sloech,
+ Die tijt, die ghinc van ure tot uren[16].
+
+Meer dan een zijner kleinere stukken mag bevallig worden genoemd. Zoo
+b.v. dat gedicht op het scheiden, dat aanvangt:
+
+ Ic heb op [Zijnoot: tegen.] scheyden horen spreken,
+ Dattet vroechde mochte breken
+ Onder tfolc, verre off naer,
+ Die uut dier nature beke
+ Mit ghenoechten soude leken,
+ En dede [Zijnoot: indien er niet was.] der argher nyders schaer,
+ Die menichwerve binnen der weken
+ Goet gheselscap doen versteken,
+ Die liever bleven tsamen daer,
+ Al moeten si scheiden ane vaer [Zijnoot: zonder vrees.] [17].
+
+Ook is er in zijne poëzie hier en daer iets persoonlijks, dat ons in een
+middeleeuwsch dichter door zijne zeldzaamheid treft en dat wij vóór
+dezen slechts een enkelen keer hebben aangetroffen bij MAERLANT, waar
+hij zijne grijze haren in den spiegel ziet. Ik heb het oog o.a. op een
+reeds vroeger vermeld stuk, dat wel een van des dichters laatste zal
+zijn:
+
+ Ic bin al moede, ic wil gaen rusten;
+ Van des mi wilen [Zijnoot: vroeger.] plach te lusten
+ Des wordic sat, en weet niet hoe.
+ enz.[18]
+
+Ook op de inleiding van het gedicht _Van Ghilden_, waar hij op zoo
+naïeve wijze getuigt hoe onzeker en schroomvallig hij zich gevoelt door
+zijn gemis aan kennis en ontwikkeling. Altijd is hij bang in strijd te
+komen met "die scrifture", wanneer hij iets gemaakt heeft. Die "anxte
+zwaer" voor de wijsheid, die in geschriften ligt opgetast, benauwt hem,
+drukt op zijn denken en zijn verbeelding, als het net op een vogel.
+Denkt hij over iets na, dan schiet hem tevens te binnen dat dit alles
+misschien lang en breed in een of ander geschrift te vinden is:
+
+ Want die clergie [Zijnoot: de geleerden.] is so subtijl:
+ Daer ic om peynse lange wijl,
+ Dat vinden sy varinc [Zijnoot: schielijk.] inder scrift;
+ Dit doet dat ic met anxten dicht.
+ Anxte die heeft my veel becoort,
+ Als ic dichte of brenghe voort
+ Enigherhande hoghe sake[19].
+
+In die stemming moet hij dikwijls verkeerd hebben en het behoeft geen
+betoog dat zijne poëzie daaronder geleden heeft. De boerde _van den
+Monnik_ en, in mindere mate, die _van het gestolen varken_ toonen ons
+wat hij kan, indien hij zich durft laten gaan; doch vermoedelijk zal hij
+zelf deze stukken niet hoog hebben gesteld. Opmerkelijk is het, wat er
+onder zijne handen wordt van de fraaie geestelijke romance _van Sinte
+Gheertruut_[20]. WILLEM'S bewerking heeft meer dan driemaal den omvang
+van de romance; in dichterlijke waarde echter overtreft het lied van den
+volksdichter de sproke van den spreker: de eerste is een werk van
+verbeelding, de laatste hoofdzakelijk verstandswerk. Het is er
+HILDEGAERSBERCH van den aanvang af om te doen, zijnen hoorders de
+beteekenis van de Sint-Geerteminne uit te leggen; ook andere deelen der
+stof wenscht hij voor het verstand zijner hoorders aannemelijker te
+maken, zoo b.v. de reden waarom SINTE GHEERTRUUT juist tot SINT JAN zich
+zoozeer aangetrokken voelde. Het gansche verhaal trouwens geeft hij aan
+zijn publiek ter leering:
+
+ By desen _exempel_ moochdi leren,
+ Dat hem nyemant en laet bedrieghen.
+
+en hij verzuimt niet zich meer dan eens tot zijne hoorders te richten
+met een stichtelijke waarschuwing of opwekking.
+
+De ridder in de sproke is, evenals zijn maker, iemand in wien het
+verstand overheerscht, die redeneert, en, waar hij eens onverstandig
+handelt, daarover door den dichter berispt wordt: "Doe en dede hi niet
+als die vroede." Hij gevoelt wel liefde voor SINTE GHEERTRUUT, doch het
+is hoofsche liefde:
+
+ Ghestade te bliven in horen dienst
+ Sonder enich dorperheit;
+
+De ridder in het volkslied is een type van gewone menschelijkheid; hij
+houdt van eten en drinken en tournooien en ledigt den beker tot den
+bodem; hij kan zijn hartstocht voor de schoone non tenauwernood
+bedwingen: als hij haar in het klooster eens niet mag zien of spreken,
+vreest hij dat zijn hart breken zal.
+
+Uit verbeelding en hartstocht ontstond in het lied de poëzie die uit de
+sproke geweerd is door zucht tot leering en stichting. Nergens blijkt
+dat zoo duidelijk als bij het eerste afscheid van den ridder, wanneer
+hij al zijn goed in den dienst van SINTE GHEERTRUUT heeft verteerd. De
+overeenkomstige deelen van beide gedichten volgen hieronder:
+
+
+ _Lied_ (c. 10-14).
+
+ Drie jaer lanc heeft die ridder dit
+ [ghepleghen,
+ Des so en heeft hi niet behouden:
+ Sijn schat ende sijn goet heeft hem
+ [altemael begheven,
+ Des hadde die ridder also groten rouwe.
+ "Adieu, goet lief ende blijft ghesont,
+ "Adieu, ende ic moet immer van u
+ [scheiden!
+ "Die wech en is mi niet becant,
+ "Te dwalen aen gheenre wilder heiden.
+
+ "Och, lacy, god, het is altemael verloren:
+ "Wat coste dat ic daaraen hebbe geleit!
+ "Hadde ic dat so wel gheweten te voren,
+ "Ic woude van der joncfrouwen hebben ghescheiden."
+
+ Dus is die ridder uutghestreken
+ In eenre duustre avontstont,
+ Hi is gaen dwalen aen gheenre wilder heiden,
+
+ Die wech en was hem onbecant.
+
+ Doe dat quam omtrent der middernacht,
+ Druc ende liden so ghinc den ridder an,
+ Die viant [Zijnoot: de duivel.] die hadde hem also schier verwracht,
+ Hi stont gheschapen of dat waer een man.
+
+
+
+ _Sproke_ (vs. 148-170).
+
+ Daer nae wart hi des ghevens mat,
+ Want sinen staet die quam ten ende.
+ Doe was die ridder in ellende,
+ Ende hi en wiste hem ghenen raet:
+ Dat dede, hi most sijn hoghe staet
+ Dalen laten aen sinen danck.
+ Doe wort sijn hope al te cranck,
+ Ende hi dochte in sijn moet:
+ "Al creghe ic dese joncfrou goet,
+ "Ic en mochtse niet in eren houden,
+ "Waer op so willic mi verhouden
+ "Off verstroyen tenighen tijden?"
+ Doe most die ridder sorghe lyden,
+ Des hi onghewone was
+ Daer te voren, als ic las.
+ Ende als hi stont in dit ghepeyns
+ Ende dochte harwaert ende gheyns
+ Doe quam die bose tot hem ghegaen
+ Ende was recht als een man ghedaen
+ So wye dat in wanhope sy,
+ Daer is die vyant gheerne by;
+ Want hy en [Zijnoot: hem.] dan best becoren mach,
+ So poecht hire om nacht ende dach.
+
+
+Maar ook elders in de beide gedichten: het sluiten van het contract met
+den Booze, het drinken van den beker van Sint-Geerteminne, de tweede
+samenkomst van den ridder met den duivel zien wij dergelijke
+tegenstellingen als in de boven medegedeelde stukken. Opmerkelijk is
+ook, dat bij die tweede samenkomst in het volkslied SINTE GHEERTRUUT,
+blijkbaar onzichtbaar voor den ridder achter hem te paard gezeten, den
+Booze ontzag inboezemt. HILDEGAERSBERCH die dit voor eene heilige minder
+passend zal hebben gevonden, maakt er geen gewag van.
+
+De indruk, dien WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH'S persoon en werk ten slotte
+bij ons achterlaten, heeft iets droevigs: een dichter van eenig talent
+die gaarne zijne roeping als dichter zoo goed mogelijk zou vervullen,
+daarin belemmerd of verhinderd door den dwang van zijn beroep; dien de
+ontwakende wetenschap schroomvallig maakt, zoodat hij zich niet durft
+laten gaan; die zich verplicht acht, echte poëzie waar hij die bij een
+ander vindt, weg te werken voor leering en stichting; die scheidt uit
+dit leven in de neerdrukkende overtuiging dat hij tevergeefs heeft
+geleefd.
+
+Echter, ook zóó is hij den geschiedschrijver lief als een merkwaardig
+type van de dichters der 14de eeuw; merkwaardig ook als
+vertegenwoordiger der kleine Hollandsche volkseenheid waartoe hij
+behoorde. Stond MELIS STOKE nog vijandig tegenover de Vlamingen--deze
+Hollander vond zijne voorname leermeesters in den Vlaming MAERLANT en
+den Brabander BOENDALE. In HILDEGAERSBERCH'S werk zien wij voor het
+eerst dien ontwikkelenden invloed, door het Zuiden op het Noorden
+geoefend, waarvan wij ook in het vervolg van dit werk meermalen zullen
+gewagen.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken door
+BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts naar
+hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk overzicht
+van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld in
+_jahrbuch d.V.f.N. Sprachf._, XII, 106; XV, 39 flgg.
+
+[2] _Ged._, bl. 127.
+
+[3] Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op de _Gedichten_,
+bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot de
+_heren_ o.a. bl. 16, 23-24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127-8; 109, 167;
+111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14-18; 166, 224; 183, 115; 216, 257. _Van
+den X Gheboeden_ op bl. 12 der _Gedichten_.
+
+[4] _Ged._, bl. 45, 32-34; 71, vs. 14-17; 155, 153-4.
+
+[5] _Ged._, bl. 173, 131-2.
+
+[6] _Ged._, bl. 21, 82; 90, 68 vlgg.
+
+[7] _Ged._, p. 73, no. 34; 195, 38-42; p. 240 (no. 114). Over den
+invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot de _Stroph. Ged._ (edd. FRANCK
+en VERDAM), p. LXXXIX.
+
+[8] _Ged._, bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65-7; 71, 25 vlgg.;
+149, vs. 46.
+
+[9] Vgl. o.a. _Ged._, 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61, 5-8;
+107, 18; 156, 77-78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139, 61; 96,
+104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139-141.
+
+[10] _Ged._, 25, 8; 36, 12-25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123; 55,
+190; 146, 290-2.
+
+[11] _Ged._, 164, 26; 109, 149 vlgg.
+
+[12] _Ged._, bl. 40 (no. XIX _Van Mer._); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101,
+73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193.
+
+[13] Opvatting zijner taak als dichter vgl. _Ged._, 16, 1; 45, 18-20;
+53, 1; 66, 9-10; 169, 10-23; 247, 5-7. Over zijn zwerven en zijn
+tegenspoeden, bl. 183 (_Van der Avontuer_); invloed zijner poëzie:
+_Ged._, 226, 17-21; 236, no. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66, vs.
+9-10; 183, 1-8; 236, no. 111; 239, no. 113; 249, no. 119. Voorstelling
+van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201, 121-'2; 202,
+213-'6. Nalatenschap _Inleid._ tot de _Ged._, IX.
+
+[14] _Ged._, 2, 116-117; 31, 109-132; 245, 137-150.
+
+[15] De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche fabliau _du
+Boucher d'Abbeville_ (Recueil de Fab. van Montaiglon et Raynaud, III,
+227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden.
+
+[16] _Ged._, 242, 36.
+
+[17] _Ged._, bl. 116.
+
+[18] _Ged._, bl. 236.
+
+[19] _Ged._, bl. 117; vgl. ook vs. 16 "mit anxten zeer bevaen" en vs.
+20, 23.
+
+[20] In _Het Lied in de Middeleeuwen_, bl. 605 vlgg. is door mij
+aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide gedichten
+(vgl. bl. 616-617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat het volkslied
+het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH is omgewerkt.
+Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht van H. de
+vermelding van eene bron vinden in vs. 162: "als ic las."
+
+
+
+DIRC POTTER.
+
+Naast het werk van HILDEGAERSBERCH plaatsen wij dat van DIRC POTTER als
+een ander type van veertiend'eeuwsche dichtkunst.
+
+POTTER, een Hollandsch edelman, diende eerst graaf ALBRECHT, later
+WILLEM VI, daarna Vrouwe JACOBA als secretaris. In die hoedanigheid
+vergezelt hij zijne meesters op reis en wordt ook wel met zendingen
+belast; een tijd lang vervult hij den post van baljuw van den Haag. Voor
+zijne getrouwe diensten wordt hij door Graaf WILLEM beloond met de
+hofstede ter Loo in het ambacht van Voorburg, waar een paar eeuwen later
+een andere secretaris van Hollandsche vorsten zich een buitenverblijf
+zou stichten.
+
+Toen hij in 1428 gestorven was, bleef JACOBA zijne goede diensten in
+dankbare gedachtenis houden; de zoon van den trouwen dienaar, GERRIT
+POTTER VAN DER LOO, zag het erf, hem door zijn vader nagelaten, met nog
+vijftien morgen lands vergroot[1].
+
+In zijne jonge jaren, aldus vertelt POTTER zelf ons, werd hij met een
+geheime zending naar Rome belast. Hij bleef er langer dan een jaar.
+Overviel hem bij wijlen de melancolie--zou het geen heimwee zijn
+geweest?--dan ging hij wandelen langs een stroomend water. Daar
+verschijnt hem vrouw Venus die hem opwekt in een gedicht "den loop der
+minne" te beschrijven, opdat ridders, edele vrouwen en schildknapen
+daaruit mogen leeren wat liefde en minne is. Aan die opwekking gaf hij
+gehoor en schreef het werk, dat door hem zelven _der Minnen Loop_ is
+genoemd[2]. Mogen wij POTTER'S voorstelling van zaken naar de letter
+opvatten, dan had hij, toen hij zijn gedicht schreef, met de liefde
+afgerekend. Zelf had hij meer last dan lust van haar gehad: "wat hij
+jaagde, bleef ongevangen"; den zoeten drank had hij nooit gedronken[3].
+Nu wilde hij jongeren met zijne ervaring van dienst zijn, hun het rechte
+pad wijzen, hen waarschuwen voor het kwade.
+
+Doch van welken aard zijne beweegredenen ook mogen geweest zijn, in
+allen gevalle moet zijn werk worden aangeduid als een _leerdicht_. De
+woorden _leer_ en _leeren_ vloeien hem telkens uit de pen: "had hij maar
+gedacht aan zijne leer!" zegt hij van een ongelukkigen minnaar, die niet
+op zijne hoede is geweest en ten gevolge daarvan met een hamer "opten
+cop" werd geslagen, zoodat hij nooit meer een minnebrief schreef. "Denkt
+maar aan deze leer!" zegt hij tot de minnenden, "dan dwaalt gij niet van
+het rechte pad af." Een minnaar moet _leeren_; vóór alles moet hij
+geduld leeren: vrouwen zijn veranderlijk, haastigheid is nooit goed, en
+dan: de boom valt immers niet met den eersten slag?
+
+In overeenstemming met het karakter van het leerdicht heeft POTTER zijn
+werk verdeeld in vier boeken, die achtereenvolgens handelen over dwaze,
+goede, ongeoorloofde en geoorloofde liefde. In de goede reine liefde
+onderscheidt hij weer vier graden, zooals de mystieken die in de
+goddelijke liefde aannamen. De inhoud dier boeken bestaat in tal van
+meer of minder bekende liefdesgeschiedenissen, telkens besloten met een
+les of eene waarschuwing; niet zelden ook gaat een of andere algemeene
+zedekundige stelregel vooraf en dient het dan volgend verhaal als
+"exempel". Tusschen _der Minnen Loop_ en een leerdicht als _De Spiegel
+der Zonden_ is dus alleen dit verschil, dat de liefde hier de plaats der
+hoofdzonden inneemt en dat de "exempelen" in het eerste werk meer plaats
+beslaan dan in het laatste. Ook de neiging tot spreuken en spreekwoorden
+en wendingen als: "kinder mijn", "salighe wiven", "lieve vrienden"
+ontbreken hier niet. Dat deze leerdichter slecht te spreken is over den
+"scalken vos Reynaert", kan ons niet verwonderen[4].
+
+Evenals de overige leerdichten is ook _der Minnen Loop_ een vrucht
+vooral van lectuur. De secretaris der Beiersche graven van Holland was
+een groot lezer, zooals hij zelf ons meer dan eens vertelt. De Godheid
+contempleeren, dat liet hij den theologen, de medici mochten zich moeien
+met hetgeen den zieken te pas komt, de wetgeleerden met hunne codices en
+digesten--"poëten ende historiën zanck" dat was wat hem smaakte. Vrouw
+Venus zelve wekt hem dan ook op, allerlei liefdesgeschiedenissen in zijn
+geheugen terug te roepen om ze aan anderen opnieuw te vertellen.
+
+Tal van verhalen, aan OVIDIUS' _Heroïdes_ en _Metamorphosen_ of aan den
+Bijbel ontleend, zijn door POTTER in zijn werk gevlochten: _Pyramus en
+Thisbe_, _Hero en Leander_, _Phoedra en Hippolytus_, _Ahasverus en
+Vasthi_, _David en Michol_, _Jacob's dochter Dina_ zijn eenige der meest
+bekende. Ook van elders heeft hij zijne stoffen ontleend; hij kent
+blijkbaar het werk van den Duitschen "minnesinger" NEIDHART VON REUENTAL
+("Heer Nytert van Ruwendael"), den roman _van Tristan en Isolde_ en
+WOLFRAM VON ESCHENBACH'S _Titurel_; ook de romans _van Malegijs_ en _van
+Parcival_ en eene novelle als die _van Griseldis_, hier onder den naam
+_van Orphaen en Lympiose_[5]. POTTER is zoozeer vervuld van zijne
+literaire herinneringen, dat hij soms een beroep doet op de lectuur van
+zijn publiek. In het verhaal _der Borchgravinne van Vergi_ dat ook door
+hem in zijn werk is opgenomen, zegt hij tot zijn lezers of hoorders:
+
+ Dat hebdi lichte ghelesen mee.
+
+De heldin van een zijner verhalen, PERNELLA, leest in een of ander
+geschrift dat men in een liefdesbetrekking goeden dienst kan hebben van
+een vertrouweling; eerst die mededeeling brengt haar op de gedachte zich
+te verzekeren van de hulp eener kamenier. Aan het slot van zijn werk
+verzuimt POTTER niet, de eerbare vrouwen eraan te herinneren dat de
+dichters, zooveel over haar geschreven hebben[6].
+
+Het is begrijpelijk, dat in het werk van een auteur die zooveel las,
+zich de invloed der vroegere literatuur vertoont; dat denkbeelden en
+opvattingen, langzamerhand door de literatuur tot gemeen goed geworden,
+in zijn werk worden aangetroffen.
+
+De kleurensymboliek die wij hier en daar in _der Minnen Loop_ vinden;
+het ontstaan van een dichtwerk uit eene "fantasie" waarin de dichter
+eene verschijning ziet; eene "vraghe" door den auteur aan zijn publiek
+gesteld, en die hij zelf niet kan "solveren"; het noemen van zijn naam
+in de aanvangsletters der slotregels van zijn gedicht--dat zijn altemaal
+trekken die wij ons uit de poëzie vóór POTTER herinneren[7].
+
+De gansche voorstelling der liefde als een "verband der herten"
+herinneren wij ons reeds uit den _Wapene Martijn_. En waar wij POTTER
+met nadruk hooren beweren dat alle verschil van stand voor de liefde
+moet wijken en met blijkbare instemming vermelden dat de gemaal van
+LYMPIOSE deugd boven afkomst stelde, zouden wij ook daar niet aan
+MAERLANT'S invloed moeten denken?
+
+Eene herinnering aan HILDEGAERSBERCH vinden wij misschien in POTTER'S
+klacht over zijn vijand "die avontuyer", die hem in de minne altijd
+ongunstig was geweest. BOENDALE'S invloed zien wij in de gelijkstelling
+van leeken en geestelijken; die wij aantreffen in deze regels:
+
+ Elck dient bijsonder sinen God:
+ Soe wael dient Gode Hein ende Han [Zijnoot: Jan, Piet en Klaas.],
+ Ghelijck doet een begheven man [Zijnoot: kloosterling.],
+ Al staet die een in hogher scouwe.
+
+Ook in POTTER'S verheffing van het huwelijk boven den ongehuwden staat
+en in zijn onderscheiding van _vrouwen_ en _wiven_ mogen wij staaltjes
+van BOENDALE'S invloed vermoeden[8].
+
+Het spreekt vanzelf, dat in het laatste geval behalve met BOENDALE'S
+invloed rekening moet gehouden worden met den ganschen tijdgeest; immers
+ook in dit onderscheid openbaarde zich die vrouwendienst die zulk een
+gewichtig aandeel heeft gehad in de gemoedsontwikkeling der moderne
+volken.
+
+Het loont de moeite na te gaan, hoe die vrouwendienst door dezen
+Hollandschen edelman is opgevat, wat hij daaruit heeft overgenomen en in
+hoever zijn oorspronkelijk wezen daardoor ongewijzigd is gebleven.
+
+Met DIEDERIC VAN ASSENEDE en zoo menig ander hoofsch dichter van
+vroegeren tijd is POTTER het eens, dat geen recht begrip van liefde kan
+wonen in "rude menschen van grover aert": boeren, visschers, slagers,
+smeden, spitters en delvers, monniken, schippers en allerlei ambachtslui
+zijn nooit door de liefde ten verderve gevoerd. Toch maakt hij ééne
+uitzondering en wel voor hen "die van naturen edel sijn" en die hij
+plaatst nevens de lieden "van goeder gheboort". Hij kan zich wel
+voorstellen dat een minnend paar waant in het bezit te zijn van "een
+graal van zaligheid". Minachtend laat hij zich uit over huisbakken
+jongens die te dikhuidig zijn om de liefde te begrijpen. Overal houdt
+hij in zijn werk de eer hoog. Zijn kieschheidsgevoel is reeds vrij
+ontwikkeld: bij verhalen als dat van PASIPHAË en van VIRGILIUS' wraak op
+een meisje dat hem in een mand ten toon had gesteld, schaamt hij zich
+voor zijne hoorderessen of lezeressen en verontschuldigt zich over zulke
+mededeelingen. Ook heeft hij een goeden dunk van de vrouwen zijner
+dagen; hij twijfelt er niet aan dat men er onder de eerbare goede
+vrouwen nog wel zou vinden die voor hare mans zouden willen sterven[9].
+Maar niet zoozeer is hij in bewondering voor de vrouwen of hij blijft
+indachtig dat zij toch menschen zijn en veranderlijke menschen, die wel
+eens "neen" zeggen als zij "ja" meenen. De vrouw moet "heer" zijn en de
+man "knecht"--ja, zegt POTTER, dat geldt voor de rechtbank der liefde,
+maar in het huwelijk is het iets anders: "daer sal die man een voocht
+[Zijnoot: de baas.] wesen".
+
+Al die liefde en vrouwendienst is heel mooi, maar ten slotte staat toch
+de huwelijksliefde het hoogst. In overeenstemming daarmede handelt het
+tweede boek dat verreweg het omvangrijkst is, over de "goede reine
+minne"; het derde, verreweg het kleinste, over de ongeoorloofde
+liefde[10].
+
+In zulk eene beschouwing van vrouwen en vrouwendienst kon bezwaarlijk
+plaats zijn voor eenig medegevoel met den hartstocht. Eene liefde als
+die van MEDEA, DIDO, HELENA, ARIADNE, rangschikt POTTER dan ook onder de
+"gecke minne". Hartstocht die aan een minnaar of eene minnares het leven
+kost, daar kan hij niet bij:
+
+ Om sulc wee te bliven doot,
+ Dat en docht mi sijn gheen noot.
+
+HERO zou hem bijna verteederd hebben. Wanneer hij de droeve geschiedenis
+dezer twee koningskinderen die elkander zoo lief hadden, verteld heeft
+en hoe HERO met LEANDER'S lijk in zee springt, dan geraakt hij zelf
+onder den indruk en stemt een lofzang aan voor de trouwe liefde:
+
+ O edel vrouwe ende goede man,
+ Hier sal men truwelic deyncken an.
+ Hier liet truwe [Zijnoot: trouwe.] truwe bliken.
+ Der truwen en woude sy niet bezwiken.
+ Die wile si leefden waren sy
+ Onverscheiden ende wandels vry:
+ Dus sijn sy in der lesten noot
+ Onghescheiden ghebleven doot.
+ Daer wrocht Venus den rechten aert.
+
+Maar te rechter tijd komt hij nog tot bezinning en besluit zijn lofzang
+met:
+
+ Nochtan waer beter tlijff[het leven.] ghespaert,
+ Also als ic voer hebbe bescreven.
+
+Liefde is goed, maar--getemperd:
+
+ Minne sal sijn te maten heet,
+ Te maten cout ende wail ghesmeet
+ ....
+ Vrou mate is een edel vorstinne.
+
+Hollandsche bezadigdheid kwam hier in botsing met uitheemschen
+hartstocht, Hollandsche zedelijkheid met geïdealizeerde zinnelijkheid.
+Toch is POTTER'S gevoel van zedelijkheid niet bijzonder hoog ontwikkeld.
+Kan een minnend paar zich volstrekt niet bedwingen, dan moeten zij hun
+gang maar gaan--indien het dan slechts heimelijk gebeurt, zoodat de eer
+naar de wereld ongeschonden blijft. De wagenmenner MIRTHOÜS helpt door
+bedrog zijn meester PELOPS aan het bezit der schoone HIPPODAMIA; PELOPS
+heeft MIRTHOÜS zijn deel in dat bezit beloofd; als MIRTHOÜS zijn meester
+nu komt manen om de vervulling der belofte, werpt PELOPS hem in zee waar
+hij verdrinkt. POTTER vindt dit volmaakt billijk: aan een onredelijken
+eisch moet op onredelijke wijze voldaan worden; deze boef kreeg loon
+naar werken.
+
+Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk, dat gaat
+niet aan, zegt POTTER. De eer van den man lijdt er naar de wereld niet
+onder of hij al eenige bastaarden heeft; bij de vrouw is dat heel wat
+anders. Ook heeft men dikwijls gehoord dat heidensche vorsten en andere
+mannen twintig, veertig of honderd vrouwen hadden, doch ééne vrouw twee
+mannen--nooit! Kortom, het is een verschil als van dag en nacht[11].
+
+POTTER moge kennis gemaakt hebben met het werk van GODFRIED VON
+STRASSBURG en van WOLFRAM VON ESCHENBACH, hij moge OVIDIUS' _Heroïdes_
+en _Metamorphosen_ hebben gelezen--een dichter als zij is hij niet
+geweest. Het licht en liefelijk spel van GODFRIED'S verbeelding,
+WOLFRAM'S diepte en innigheid, de fijnheid en bevalligheid van OVIDIUS,
+men zoekt ze in zijn werk tevergeefs.
+
+Dat POTTER'S smaak nog niet zeer ontwikkeld was, gaat men reeds
+vermoeden wanneer men eene vermelding van PARCIVAL'S zoeken naar den
+Graal aantreft op bedenkelijk korten afstand van de jacht op een wilden
+witten haas, die door een vijftal gezellen drie jaar lang werd
+voortgezet. Dat vermoeden wordt versterkt, waar wij hier en daar
+slordige of lamme rijmen aantreffen en platte beeldspraak. In het eerste
+boek, van de "gecke" minne, zegt hij tot de vrouwen: hebt gij last van
+de liefde, weest dan voorzichtig in de keus van uw minnaar of zooals hij
+het uitdrukt: kookt uw spek in goed rivierwater! Van minnende paren heet
+het elders:
+
+ Sijn zij in kercken of in clusen,
+ Die cat siet altoos na den musen.
+
+Een minnaar kan veel dienst hebben van een vertrouwden vriend, maar laat
+hij oppassen dat uit den vriend geen medeminnaar worde, die de "potage
+met het spek" naar zich toe haalt[12]. Doch tegenover zulke plaatsen die
+bovendien niet talrijk zijn, staan vrij wat andere die getuigen dat
+POTTER, al was hij geen groot dichter, toch niet van talent ontbloot
+was. Verdienstelijk is b.v. zijn lofzang op de
+
+ Rechte mynnentlike minne,
+ Die den menschen in den zinne
+ Verwerret lecht ende ghestricket.
+
+Hoe aardig is in het eerste boek de schets van den jeugdigen zot, die
+door een meisje voor de grap als minnaar is aangenomen, slechts voor
+deze Meimaand en niet langer. Wat is dat zomergekje dan opgewonden! Hij
+brengt zijn liefste een meitak, hij vertelt aan een van zijne vrienden
+uit Zotteghem--soort zoekt immers soort?--dat hij een liefje heeft die
+doet wat hij wil; samen gaan zij er op uit om haar ergens te zien.
+Gebeurt hem dat, dan is het al te mooi, dan moet er een dronk op staan:
+
+ So sal hi dan sijn gheselle gaen slepen
+ In den wijn; daer gaen si sitten.
+ Die wile hi zweeft in deser hitten,
+ So werpt hi sijn arm in die lucht
+ Ende maect een heerlic gherucht [Zijnoot: geroep.]:
+ "Wy hou! ic heb minen boel ghesien!
+ "Huden [Zijnoot: heden.] en mach mi niet misschien
+ [Zijnoot: niets kwaads overkomen.]!"
+ Vrolic is hi mit ghesanghe.
+ So vraghen die ander also langhe,
+ Dattet die heelghesel al seit,
+ Wair dat Hannen sin op steit.
+ Des wondert den ghesellen dan
+ Ende segghen: "Is Hannen alsulken man?"
+ Ende dat hoert Hannen al te gaern,
+ Dat die ghesellen van der tavaern
+ Weten van sire minnen staet[13].
+
+Kon POTTER de kunst van OVIDIUS al niet navolgen, veel min evenaren, men
+kan toch zien dat het verhaal van HERO en LEANDER, zooals het in de
+_Heroïdes_ voorkomt, indruk op hem heeft gemaakt; zijne bewerking treft
+ons hier en daar door een zachte bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt
+door den welluidenden klank onzer middeleeuwsche taal. Zoo in dat deel
+van het verhaal, waar HERO beschrijft hoe zij op LEANDER zit te wachten:
+
+ Als my die vake dan bestaet
+ Ende twater an die mure slaet,
+ Soe waen ic alle weghe [Zijnoot: telkens.] dan
+ Dattu daer biste, mijn liefste man.
+ Wat ic lope, en vinde niet.
+ O wy! wat is my gheschiet!
+ Ic wachte, ic wake, twort my zuyr;
+ Ic sitte dromende by den vuyr;
+ My donct dan dattu by mi bist,
+ Dat alle gader niet en ist.
+ Als ic dan weder wakende werde,
+ So sitte ic noch bij den haerde
+ Ende droghe die schone sachte doecken.
+ O wy! ic mach dat water vloeken,
+ Dat so onstuyr [Zijnoot: onstuimig.] heeft gheweest
+ Van groten storme ende tempeest[14].
+
+En waar POTTER zich eens durft overgeven aan zijn gevoel, omdat hij
+immers "van goede reine minne" spreekt, hoe verrast hij ons daar met dit
+liefelijk miniatuurtje van een paar gelieven:
+
+ Daer legghen sy in groter lust:
+ Menichwerff wart dair ghecust,
+ Die lipkijns werden gheconreydet [Zijnoot: uitgestoken.],
+ Vroechde meret, trueren beydet,
+ Menich guetlic, lieflic woert
+ Wort van beyden daer ghehoert,
+ Vriendelick drucken sy die armen,
+ In gueder vroechden sy hem warmen,
+ Lachende blencken dair die oghen,
+ Elck anderen troest van allen doghen [Zijnoot: verdriet.]:
+ Al waer hi sieck ende onghesont,
+ Elck ghenase in sulker stont.
+ Die witte kele ende wancskijn root
+ Mach men handelen daer al bloot.
+ Die borstkijns mach men wel anstoten,
+ Sijn sy niet te vast besloten,
+ Ende byeden hem gueden dach[15].
+
+In de beschrijving is POTTER sterker dan in het verhaal; toch heeft hij
+ook als verteller zijne verdiensten. Een meester in die kunst, zooals
+zijne oudere tijdgenooten BOCCACCIO en CHAUCER, was hij niet, doch er is
+in zijn zestigtal sproken van minne menig goed of aardig brok aan te
+wijzen, dat eene plaats verdient nevens de beste der hiervoor behandelde
+sproken van onbekende dichters.
+
+Houden wij _der Minnen Loop_ ten slotte naast een vroeger leerdicht over
+dezelfde stof: _den Spiegel der Minnen_ of den _roman van de Roos_, dan
+merken wij vrij wat verschil op. Het voornaamste punt van verschil is
+zeker, dat tegenover een vertaald werk nu een werk is gekomen dat
+oorspronkelijk mag heeten, al heeft het--gelijk zoo menig ander
+oorspronkelijk werk--een deel zijner stof van elders ontleend. Dat feit
+toont reeds dat de Dietsche geest aan zelfstandigheid had gewonnen; doch
+er is meer. Van de elementen, waaruit de _roman van de Roos_ bestaat,
+vinden wij er hier eenige terug, doch op andere wijze dan daar
+verbonden. In _der Minnen Loop_ is geen plaats voor de minachting der
+vrouw, noch voor het scepticisme, noch voor het cynisme, dat JEAN DE
+MEUNG kenmerkt, wel voor een deel van den hoofschen eerbied, dien
+GUILLAUME DE LORRIS de vrouwen toedroeg. Het zinnelijk element dier
+hoofsche liefde is in het Hollandsch dichtwerk zwakker dan in het
+Fransche; bij de goede reine liefde staat de Hollander het langst stil;
+de huwelijksliefde staat voor hem het hoogst; jegens den hartstocht is
+hij op zijne hoede. Die liefde, zóó opgevat, is verwerkt door een
+didactischen geest die weer aan JEAN DE MEUNG doet denken, tot een
+eenigszins schoolsch geheel, waarin theorie en practijk des levens nog
+niet zijn versmolten, doch onderling verbonden naast elkander staan als
+leering en voorbeeld.
+
+Menig lezer zal misschien van meening zijn, dat een Christelijk
+Hollandsch dichter als POTTER tevreden kon blijven over zijn werk. Hij
+had immers willen waarschuwen en leeren, en aan het nuttige
+gemakkelijker ingang verschaft door het aangename? Verhalen van minne,
+zelfs al waren zij verdicht, vonden immers genade ook bij kunstrechters,
+die van de kunst bevordering der zedelijkheid eischten? Zoo zou men
+meenen, doch te onrechte. POTTER is gebeurd, wat menig dichter of
+verzenmaker vóór hem was gebeurd: in zijn later leven kreeg hij berouw
+over de literaire zonden zijner jeugd en trachtte die met ander werk te
+boeten.
+
+In zijn ouderdom schreef hij een werk, door hem zelven
+
+_Blome der Doechden_ [Zijnoot: Bloem der Deugden.] genoemd, waarin hij
+_der Minnen Loop_ wel niet verloochent, maar toch scherp laakt[16].
+
+Op een vóór zijn werk geplaatst miniatuur zien wij op zinrijke wijze den
+auteur van _der Minnen Loop_ tegenover dien van de _Bloem der Deugden_
+gesteld; die tegenstelling is door POTTER zelf in den aanvang van zijn
+laatste werk bovendien toegelicht. Die miniatuur toont ons in een
+lusthof een "out simpel man" met een grauwen tabbaard, die met een
+mestvork veel mooie, welriekende bloemen uit den grond haalt en tevens
+vele leelijke bloemen en onreine, bitter smakende kruiden. Die had hij
+alle te zamen in zijne onwetendheid en onnoozelheid in één korf
+geworpen. Zóó, dat hij de goede niet van de kwade had gescheiden, wat
+hem ook niet mogelijk was.
+
+Tegenover hem zien wij een schoon jonkman, prachtig gekleed, die een
+paar mooie bloemen uit den korf neemt. Deze stelt den ouderen POTTER
+voor, die tot beter inzicht gekomen is; want dat de auteur van _der
+Minnen Loop_ voorgesteld wordt als "van grover erde ende onghemaect van
+lijflijker scoenheit" is slechts symboliek en daarom ook is de oudere
+POTTER bekleed met uitwendige schoonheid en pracht. Deze immers heeft de
+onwetendheid van dien groven mensen bemerkt en de heilige goddelijke
+Drievuldigheid aangeroepen, hem wijsheid te verleenen, opdat hij de
+goede, reine bloemen, waar deugd in bloeide, mocht onderkennen van de
+overige. Die bloemen der deugd heeft hij dus uitgelezen en
+bijeengebracht in een zuiver vat. De overige heeft hij onachtzaam ter
+zijde geworpen; laat niemand ze ter hand nemen, want steekt iemand zijn
+hand in het pik, zij zal er in blijven steken.
+
+Deze _Bloeme der Deugden_ zou misschien kunnen goedmaken, wat hij
+eertijds had misdreven met een ander boek "van wer(l)tlijker mijnnen
+ende van menschelijker ijdel liefde die ut vleyschelijker becoringhen
+hoeren oerspronck nemt" dat hij in zijne jonge jaren te Rome had
+gemaakt; over die liefde had hij daarin veel geschreven en, naar hij
+vreesde, "meer dan gode behagelijk was". Hij hoopt dat God hem dat zal
+vergeven, omdat hij het had gedaan met een goede bedoeling. In zijn
+tweede boek zal hij van die ijdele minne geen gewag meer maken.
+
+Wij vinden hier dan ook wel verhalen uit _Der Minnen Loop_ terug, doch
+alleen zulke die de auteur bij zijn strenger opvatting van de zedelijke
+verplichtingen der kunst oorbaar achtte. De neiging tot kleurensymboliek
+komt ook hier nog wel eens voor den dag en de "bose Hecuba" die het in
+_Der Minnen Loop_ zoo moest ontgelden, wordt ook hier nog eens onder
+handen genomen[17].
+
+Doch overigens heeft POTTER hier een werk geleverd zeer verschillend van
+het werk zijner jonge jaren. De verdichte verhalen zijn naar den
+achtergrond gedrongen of van het tooneel verdwenen. De schrijver laat
+zich afkeurend uit over "woerde in boerden voertgebracht om ghenoechte
+of corttinghe des tijts sonder ernste"; over leugens van poëten die
+schoone woorden schrijven, van "veel dichters ende sproeken sprekers
+ende sonderlinghen [Zijnoot: in 't bijzonder.] in valsschen
+hystoriën"[18]. Sprak hij vroeger luchtigjes over zijn onvoldoende
+kennis, liet hij de wetenschap aan wie er lust in had om zich alleen aan
+"poetryen ende oude gesten" te wijden--nu heeft hij zijne schade
+ingehaald. De _Bloem der Deugden_ is samengesteld uit den bijbel en de
+werken van ARISTOTELES, SENECA, de Kerkvaders en menig ander geleerd
+auteur. Deze, zijns inziens deugdelijker, stof heeft hij scherp
+gescheiden in voorbeelden van deugd en van ondeugd; want ook de ondeugd
+heeft hij in zijn boek opgenomen: op elk hoofdstuk waarin een deugd
+behandeld en toegelicht is, volgt een ander over de ondeugd die
+ertegenover staat; immers: "witte verwe onderscheidt haer selven van der
+swertter, soe doet die ondoecht als die doecht daer bij ghestelt
+wort"[19].
+
+_Der Minnen Loop_ is in verzen geschreven, de _Bloem der Deugden_ in
+proza. Ook dat verschil is in overeenstemming met den aanwas van
+strakken ernst dien de ouder wordende POTTER te zien geeft. "Soeticheit
+van sanghe van melodiën ende die genoechten van instrumenten, van dansen
+ende desghelijcs", het was nu alles uit den Booze. Had PYTHAGORAS niet
+geleerd, dat de "luxurie" wast door instrumenten en melodieën zooals de
+kruiden bij de oevers der rivieren?[20]
+
+Wie zóó over poëzie en melodie dacht, zal het zich waarschijnlijk tot
+plicht hebben gerekend, de schoonheidsontroering waar zij in hem mocht
+opkomen te onderdrukken. De aesthetische waarde van dit prozawerk in
+zijn geheel is dan ook niet groot. Maar het bloed kruipt waar het niet
+gaan kan: waar POTTER het fraaigebouwd gevoelig proza van SINTE
+BERNARDUS onder de oogen krijgt, kan hij toch niet anders dan er mooi
+Hollandsch proza van maken. Ook elders toont hij bij de omschrijving van
+een deugd of een ondeugd de taal wel meester te zijn, al moet ook hier
+natuurlijk de vraag naar de oorspronkelijkheid veel gewicht in de schaal
+leggen[21].
+
+DIRC POTTER behoorde evenals WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH tot de poëten
+van lager orde. Hij zelf is zich daarvan wel bewust geweest[22]. Doch
+schoonheid is niet het eenige wat een literair werk van vroegeren tijd
+belangrijk maakt voor den geschiedschrijver. Naast de schoonheid staat
+het karakter. Dat POTTER'S werk karakteristiek is als type van de poëzie
+zijner eeuw, zagen wij reeds vroeger. En er is meer te noemen. Een
+Hollandsch edelman die voor zijn pleizier, zij het ook met de
+bijbedoeling om nuttige leering te geven, verzen schrijft over
+wereldsche minne, is een type dat wij tot dusver niet ontmoet hebben;
+als zoodanig staat hij tegenover den beroepsdichter HILDEGAERSBERCH en
+kondigt hij, ook als verteller, den Zeeuw CATS aan[23].
+
+Opmerkelijk is in dezen Hollandschen edelman die wel gevoel blijkt te
+hebben voor hoofschen vrouwendienst, de democratische gezindheid waarin
+hij kunsten en wetenschappen verheft als het middel waardoor de arme den
+rijke kan evenaren en overtreffen. Opmerkelijk ook het gevoel van
+onafhankelijkheid tegenover zijn publiek--zoo geheel anders dan bij
+HILDEGAERSBERCH en andere sprekers en dichters--dat hem in den aanvang
+van zijn Derde Boek doet zeggen: wie wil pogen in zijne geschriften
+allen te behagen, die moet vroeg opstaan! Hij is niet van plan zich
+daarover druk te maken, hij wil dichten naar zijn eigen zin, en, zoo
+vervolgt hij:
+
+ Ist dat ic yet scrive hier in,
+ Dat den enen of oec den anderen
+ Niet en ghenoecht, die mach gaen wanderen
+ Ende latent anderen luden lezen[24].
+
+Die zelfbewuste onafhankelijkheid van geest is in dezen
+vertegenwoordiger der veertiende eeuw eene flauwe voorafschaduwing van
+later tijden. Dienzelfden indruk geven ons een paar andere trekken van
+zijn werk en zijne persoonlijkheid. Flauwtjes klinkt ons uit de verte
+het bellengerinkel van STULTITIA'S narrenkap in het oor, waar wij in _De
+Bloem der Deugden_ lezen: "Mer, god betert, ic duchte die ghecheit vele
+meer scolieren ende naevolgers heeft dan die wijsheit"[25].
+
+ERASMUS, de schrijver der _Laus Stultitiae_, doet ons denken aan Italië.
+POTTER is, voorzoover wij weten, de eerste Nederlandsche dichter die
+Italië heeft bezocht. Langer dan een jaar is hij er gebleven, doch dat
+verblijf schijnt weinig of geen invloed te hebben geoefend op zijne
+ontwikkeling. Of hij Italiaansch heeft gekend, mag betwijfeld worden. In
+allen gevalle maakt hij met geen enkel woord gewag van de Italiaansche
+literatuur, en toch waren DANTE, PETRARCA en BOCCACCIO reeds eenigen
+tijd geleden gestorven en verbreidde hun roem zich al verder. Ook van
+den invloed der Renaissance, wier profeet PETRARCA was geweest, is in
+POTTER'S werk niets te bespeuren. Of wil men als zoodanig de vermelding
+van een paar groote oude steenen laten gelden[26]? Maar wat dan nog?
+
+De ongunstige indruk dien POTTER van de Italianen kreeg, zal hem niet
+hebben opgewekt, nader kennis te maken met hun taal en hun kunst. "Ter
+wereld is geen vuiler volk", zegt hij in zijn _Minnen Loop_; die vuile
+honden leven in allerlei zonde; vrouwen slaan, daar stellen zij eene eer
+in; schelden kunnen zij, "maer sy en willen niet ten zwaerde";
+hebzuchtig, onbetrouwbaar, verraderlijke gifmengers, leugenaars,
+roovers--dat zijn zij. Maar de vrouwen zijn de "schoonste creaturen die
+men kan vinden". Ook hun aangeboren spotlust heeft POTTER blijkbaar
+geërgerd. Het zou mij niet verwonderen, indien de Italianen met wie hij
+in kennis is gekomen, zich vroolijk hebben gemaakt over zijn Hollandsch.
+Immers nog in de _Bloem der Deugden_ acht hij het noodig te verdedigen
+dat "een yeghelijc sprect nae sijns lants taele"; en "daerom so sijnt in
+den iersten dwase ende ongheleert die eenen anderen bespotten om sijnre
+talen die hem van sijns lants weghen aengheboeren is"[27].
+
+Trouwens, ook de Henegouwers, Franschen of Vlamingen onder wie zijne
+zendingen als grafelijk secretaris hem brachten, kunnen zich over zijn
+Hollandsch vroolijk hebben gemaakt. En ook dezen kan zijne ergernis
+gelden; want, overtuigd van de voortreffelijkheid van eigen volk, heeft
+hij het op andere volken niet begrepen. De goeden in het Duutsche land
+hebben volgens POTTER het monopolie van de goede reine minne; Lombarden,
+Engelschen en Walen hebben daar over het algemeen geen begrip van;
+enkelen mogen er zijn, maar dan zeker niet over de bergen. Ook in zijn
+later leven was hij er nog steeds van overtuigd, dat men de meeste
+ijdelheid en "onnutte glorie" vindt in de Waalsche landen[28].
+
+POTTER'S gevoel en smaak waren nog niet zóó ontwikkeld, dat de kunst der
+Oudheid een indruk op hem kon maken, sterk genoeg om hem te dwingen tot
+eene uiting van eenige beteekenis. Zijne eenzijdige en benepen
+beschouwing van het Italiaansche volk zal hem hebben weerhouden van eene
+kennismaking met hun taal en hun literatuur. CHAUCER die, eveneens met
+eene zending naar Italië belast, een jaar te Genua en Florence
+vertoefde, deed anders: hij kocht handschriften der werken van DANTE,
+PETRARCA, BOCCACCIO, bestudeerde die en bracht langs die nieuwe baan
+zijn eigen kunst tot hooger ontwikkeling.
+
+POTTER'S nationaliteitsgevoel was nog van dat enghartige soort, dat zich
+openbaart vooral in overmatige verheffing van het eigen volk en in
+vijandige gezindheid tegenover andere volken. In beide opzichten was hij
+een type van zijn volk[29]. Dat volk moest nog een aanzienlijk deel van
+de baan zijner ontwikkeling afleggen, eer de herboren Oudheid haar
+invloed ook in deze landen kon doen gevoelen, eer het
+nationaliteitsgevoel ruimer en sterker kon worden. Op dat deel harer
+baan zullen wij de ontwikkeling dezer volken nu gaan volgen.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel aan het
+onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken hebben, medegedeeld in
+LEENDERTZ' uitgave van _Der Minnen Loep_. Vgl. ook het degelijk
+overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg. BUSKEN HUET heeft in _Het
+Land van Rembrand_ menige aardige of geestige opmerking over POTTER en
+_der Minnen Loop_ ten beste gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel
+over HUET'S tekortkomingen in dezen te hard--wie het om historische
+waarheid, om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog
+verliezen, dat ook in _Het Land van Rembrand_ de schrijver der
+_Literaire Fantasieën_ aan het woord is.
+
+[2] Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is niet
+gemakkelijk. Uit _Der Minnen Loop_ zou men opmaken, dat POTTER reeds een
+man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef. Vgl. plaatsen als I,
+73: "vesper is over langhe gheluut"; I, 949; II, 2465; II, 4137. Maar in
+zijn tweede werk _Bloeme der Deugden_, spreekt P. van _Der Minnen Loop_
+als van "een boec dat ic in jongen tijden maecte te Rome."
+
+[3] I, 169; II, 2394.
+
+[4] Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246; I, 2091,
+2372, 3025; III, 1104; I, 1841.
+
+[5] De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335. De
+opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij TE WINKEL,
+bl. 508 vlgg.
+
+De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men in _Der Minnen Loop_,
+II, 705-6. De stof van het verhaal van den Spaanschen schildknaap, die
+TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die der boerde
+opgenomen in _Van Vrouwen ende van Minne_, no. II (Inl. XVI).
+
+[6] II, 560, 1430; IV, 2276.
+
+[7] II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg.
+
+[8] I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18;
+IV, 38 vlgg.; 1839-'42.
+
+[9] II, 665-704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621-2; III, 191; IV, 1089
+vlgg.
+
+[10] I, 1225-'30; 2700 vlgg.
+
+[11] I, 459-460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.; I,
+3116-'7, 3129-'30; II, 1798-1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV, 365-386,
+612 vlgg.
+
+[12] I, 1280 vlgg.; 585-6, 613-614, 1379-'80; IV, 1005-'6; I, 3207-'9;
+II, 815-'6; 3894-'6.
+
+[13] I, 736 vlgg.
+
+[14] II, 297 vlgg.
+
+[15] II, 1299-1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9; ik geef
+slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste.
+
+[16] Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige wijze,
+uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder, onder den
+titel _Dat Bouck der Bloemen_ (Hoogstraten, L. VAN HOOF--ROELANS, 1904).
+Dat dit werk van POTTER is, kan niet betwijfeld worden door iemand die
+met een weinig kennis van zaken de eerste bladzijden (7-12) leest en dan
+let o.a. op de vermelding van het ambt door den auteur bekleed (de
+"yseren roede" vgl. _M. Loop_, I, 78-79), op het "boec van wer(l)tlijker
+minnen" dat hij "in jonghen tijden maecte te rome", op alle in _Der
+Minnen Loop_ voorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek
+worden genoemd. De "lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt, zal
+misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien wij reeds
+spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der kroniek van
+Froissard.
+
+[17] Vgl. bl. 9, 54, 97.
+
+[18] Bl. 35-36.
+
+[19] Bl. 9.
+
+[20] Bl. 79.
+
+[21] Vgl. b.v. bl. 10, 31 (_wreetheit_), bl. 85 (_gierigheid_) en
+passim.
+
+[22] Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025.
+
+[23] I, 66; II, 636.
+
+[24] I, 1-25; III, 1-17.
+
+[25] Bl. 44.
+
+[26] I, 2613; II, 3207.
+
+[27] _Der Minnen Loop_, III, 98 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 43.
+
+[28] _M. Loop_, II, 721 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 101.
+
+[29] Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen tijd
+_Giotto_ schijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet
+ontzenuwen.
+
+
+
+ALPHABETISCH REGISTER[*].
+
+[*] Alle namen van dicht- en prozawerken zijn cursief gedrukt.
+
+A.
+
+_Aechte (Van Sente)_, I, 137-138.
+_Aiol_, I, 94, 97, 100.
+_Alexander den Groote (Leven van)_, I, 362.
+_Alexander_, I, 230-235, 239.
+Alpertus' _De diversitate temporum_, I, 22.
+_Amadas en IJdoine_, I, 112.
+_Amand (Leven van Sint)_, I, 349-351.
+_Amand (Leven van S.)_ Latijn, I, 17.
+_Anno-lied_, I, 21.
+_Ansfried (Loflied op bisschop)_ Latijn, I, 20.
+_Artur's dood_, I, 109.
+_Aubri de Borgengoen_, I, 95, 97, 98.
+Augustijnken van Dordt, I, 497, 515, 516.
+
+B.
+
+_Baerte metten breden voeten_, I, 337-8.
+_Beatrijs (Van)_, I, 353 vlgg. 518.
+_Becoringhen (Van den vier)_, I, 382 vlgg.
+_Beghinen (Van den twaelf)_, I, 382 vlgg.
+_Beovulf_, I, 10.
+Bernlef, I, 5.
+Bertelmeeus van Delf, I, 515.
+_Bestiaris_, I, 186.
+_Bestiaris (van minnen)_, I, 185.
+_Biechten (Boec der)_, I, 138.
+_Biën Boeck (der)_, 225 vlgg.
+_Bloeme der Doechden_, I, 565 vlgg.
+Boendale (Jan), I, 427 vlgg. 517-518, 524, 527-'31.
+_Boerde (de eerste)_, I, 189.
+_Boerden_, I, 455 vlgg.
+_Boerden en Sproken_, I, 504 vlgg.
+_Bonifacius (Leven van S.)_ Latijn, I, 18.
+Boudewijn van der Loren, I, 497, 515, 520.
+_Brandaen (Van Sinte)_, I, 53.
+
+C.
+
+Chaucer, I, 504, 570.
+_Chierheit der geesteleker Brulocht_, I, 382-3.
+
+D.
+
+Daem van IJsselsteyn, I, 515.
+_Disputatie van den Cruce_, I, 245 vlgg.
+_Disticha Catonis_, I, 184.
+_Doctrinael (Dietsche)_, I, 423 vlgg.
+_Doctrinael (Nieuwe)_, I, 334; 423 vlgg.
+_Doctrinael savage_, I, 436.
+_Dogheden (Van den twaelf)_, I, 382 vlgg.
+_Doon de Mayence_, I, 96, 97.
+_Drievoudichede (Van der)_, I, 245 vlgg.
+
+E.
+
+Eckhart, I, 365 vlgg.
+_Edewaert (Van den derden)_, I, 313, 427.
+Egidius, I 520.
+_Eneïde_, I 38.
+Erasmus, I, 568.
+_Esopet_ ("favele" van Esopus), I, 187, 193.
+_Eustaesse (van sente)_, I, 137-138.
+
+F.
+
+_Fierabras_, I, 97.
+_Flandrijs_, I, 306-7.
+_Floris en Blancefloer_ (Limburgsche bewerking), I, 34.
+_Floris en Blancefloer (van Diederic van Assenede)_, I, 111-112, 116, 117.
+_Flovent_, I, 91, 97.
+_Foulque de Candie_, I, 97.
+_Franciscus Leven (Sinte)_, I, 231, 244.
+Froissart (Vertaling van Kroniek), I, 332.
+_Ferguut_, I, 110-111, 113-115, 118.
+
+G.
+
+_Galbertus (Kroniek van)_, I, 23.
+Geraert (Heer), I, 313.
+_Geraert van Viane_, I, 93, 97, 98.
+_Ghelove (Van den Kerstenen)_, I, 382 vlgg.
+Gielys van Molhem, I, 139.
+Gielijs van Trecht, I, 514.
+Godekijn van Tricht, I, 515.
+Gillis de Wevel, I, 305, 518.
+Graal (de heilige), I, 108-109.
+_Graalqueste_, I, 109, 110.
+_Grale (Historie van den)_, I, 236.
+_Grimbergsche Oorlog_, I, 295, 341-2.
+_Gudrun_, I, 10.
+_Gwidekijn van Sassen_, I, 96, 97.
+
+H.
+
+Hadewych, I, 150, 155, 156 vlgg.
+Heelu (Jan van), I, 304.
+_Heemskinderen_, I, 89, 91, 93, 97, 98.
+_Heimelijkheid der Heimelijkheden_, I, 254.
+_Heimelicheit (Der Vrouwen)_, I, 421.
+_Heimelicheit (Der Mannen ende der Vrouwen)_, I, 421.
+Heyn van Aken, I, 298.
+Heinrec, I, 139 (vgl. _Rinclus_).
+Heinric van Hollant, I, 519.
+Herman de Spreker, I, 515.
+Hese (Reisverhaal van Joannes Witte de), I, 363.
+Hillegaertsberch (Willem van), I, 328, 333, 345.
+Hopezomer, I, 512, 516, 533.
+_Horologium aeternae sapientiae_, I, 369.
+_Houte (Dboec van den)_, I, 352, 361.
+_Huge van Bordeeus_, I, 338 vlgg.
+_Hughe van Tabaryen_, I, 299.
+
+I. J.
+
+Jan I van Brabant, I, 221.
+Jan Bot, I, 522.
+Jan Dyllen, I, 513.
+Jan van Sente Gheerdenberghe, I, 515.
+Jan van Hulst, I, 520.
+Jan metter Huven, I, 514.
+Jan van Lier, I, 514.
+Jan van Machelen, I, 515.
+Jan Praet, I, 437 vlgg.
+Jan van Vlaerdinghen, I, 512, 515.
+Jan de Weert, I, 334, 423, 435, 518.
+Jannes den Coster, I, 515.
+_Jonitas en Rosafiere (Van)_, I, 353 vlgg.
+Jonchere van der Minnen, I, 515.
+
+K.
+
+Calfstaf, I, 187.
+_Karel en Elegast_, I, 101.
+_Karel en Galie_, I, 97.
+_Carmen allegoricum (S. Suitbert)_, I, 18.
+_Cassamus_, I, 337-9, 344.
+
+_Caterine (Van sente)_, I, 137-138.
+_Kerstine (Leven van Sinte)_, I, 350-1.
+_Claghe (der Kerken)_, I, 257.
+_Clara (Leven van Sinte)_, I, 231.
+_Clausule van der Bible_, I, 245 vlgg.
+Colpaert, I, 515.
+_Couchi (Van den borchgrave van)_, I, 338 vlgg. 347.
+_Cracht der Mane_, I, 421.
+_Kruis (Van het heilige)_, I, 13, 352-3.
+_Kunera (Van Sinte)_, I, 350, 361.
+
+L.
+
+Lambert van Waterloos, I, 225.
+_Lancelot_, I, 106, 109, 110, 113, 296, 306.
+_Lande van Overzee (Van den)_, I, 259.
+_Lebuïnus (Ecloga op S.)_, I, 18.
+_Leec_ (geestelijk lied), I, 223.
+_Leek (Geschrift van den onbekenden)_, I, 375.
+_Levene ons Heren (Van den)_, I, 132-137.
+Leeuwen (Jan van), I, 368, 377.
+_Limborch (Roman van)_, I, 301.
+_Lorreinen_, I, 89, 94, 97, 98.
+Lodewijk van Vaelbeke, I, 519, 534.
+Loy Latewaert, I, 519.
+_Loyhier ende Malaert_, I, 337-8.
+_Lucidarius (Dietsche)_, I, 422.
+_Leven van Ludger_ (Latijn), I, 18.
+_Lutgart (Leven van Sinte)_ door broeder Gheraert, I, 350.
+_Lutgart (Leven van Sinte)_ door Willem van Afflighem, I, 149-155.
+
+M.
+
+_Machteldis visioenen (Van)_ I, 374, 441.
+_Madocs droom_, I, 112.
+_Malegijs_, I, 338 vlgg.
+_Marie Egyptiake (Van sente)_, I, 137-138.
+_Maartensliedjes (Sint)_, I, 227.
+_Martijn (Vierde)_, I, 267.
+_Martijns-zangen_, I, 249 vlgg.; 267.
+Meeus van Dordt, I, 515.
+_Meliboeus_, I, 435, 451.
+_Merlijn_, I, 230, 236-238.
+_Minnen Loop (Der)_, I, 553 vlgg.
+_Missen (Bediedenisse der)_, I, 422.
+_Moriaen_, I, 118-119.
+
+N.
+
+_Naturen Bloeme (der)_, I, 231, 254-6.
+Nederlant, I, 311-2.
+Neidhart von Reuental, I, 555, 571.
+_Nibelungen-lied_ (Dietsche vertaling), I, 45.
+Noydekijn, I, 187.
+"_Nu zijt wellecome_", I, 223.
+
+O.
+
+_Octaviaan_, I, 112.
+_Ogier_, I, 338 vlgg.
+_Oranje (Willem van)_, I, 90, 92, 97.
+Otto van Orleien, I, 519.
+
+P.
+
+_Partonopeüs en Melior_, I, 111-112, 115-116, 118.
+_Passionael_, I, 408.
+Peter Vreugdegaer, I, 515.
+_Plaghen (Die X)_, I, 423.
+_Percevael_, I, 109, 113.
+
+R.
+
+_Ragisel (Wrake van)_, I, 109.
+_Reinaerde (Van den Vos)_, I, 193.
+_Reinaert II_, I, 440-449.
+_Ridder metter mouwen_, I, 109.
+_Ridder metten Zwane_, I, 337-9.
+_Rike der Ghelieven_, I, 382 vlgg.
+_Rinclus_, I, 139-141.
+_Roelants-lied_, I, 89, 90, 92, 97.
+_Rogiere (Disputacie van--ende van Janne)_, I, 435.
+_Roos (Roman van de)_, I, 299.
+Ruusbroec, I, 371, 379.
+_Rijmbijbel_ (Maerlant's), I, 231, 243.
+
+S.
+
+_Scivias_, I, 143.
+_Seghelijn van Jerusalem_, I, 338 vlgg.
+_Seneka leren_, I, 436.
+_Sermoenen (Limburgsche)_, I, 371.
+_Sinte Servatius' Legende_, I, 36.
+Snelryem de spreker, I, 515.
+_Sobrietate (De)_, I, 18.
+_Spaengen (Olivier van)_, I, 318, noot 5.
+_Spieghel Historiael_, I, 231, 255-6.
+_Spiegel (der Leken)_, I, 427.
+_Spieghel der ewigher Salicheit_, I, 382 vlgg.
+_Spiegel der Zonden_, I, 334, 423 vlgg.
+_Sproken_, I, 456 vlgg.
+Stoke (Melis), I, 307-310, 317.
+Suso, I, 369.
+
+T.
+
+_Tabernacule (Van den gheestelijken)_, I, 382 vlgg.
+Tauler, I, 371.
+_Oude Testament (Eerste vertaling van het)_, I, 408.
+_Teestye_ (Jans), I, 325-327, 429.
+_Theophilus (Van)_, I, 353 vlgg.; 361.
+Thomas van Cantimpré, I, 149.
+_Tondalus (Visioen van)_, I, 361.
+_Torec_, I, 230, 238-239.
+_Tractaet van seven sloten_, I, 382 vlgg.
+_Trappen (Van Seven)_, I, 382 vlgg.
+_Tristan en Isolde_, I, 112.
+_Troyen_, I, 105, 230, 235-236, 240.
+
+U.
+
+Willem Utenhove, I, 186.
+
+V.
+
+_Vaghevier (Van S. Patricius')_, I, 351-2.
+_Valentijn en Nameloos_, I, 338 vlgg.
+Heinric van Veldeke, I, 34.
+Veldeke's _Minneliederen_, I, 41.
+Velthem (Lodewijk van), I, 305-6.
+_Vergy (Borchgravinne van)_, I, 337-9, 344.
+_Versus de hirundine_, I, 18.
+_Vingherlinc_, I, 382 vlgg.
+_Vitae patrum_, I, 362.
+_Vroeden (Van den VII... binnen Rome)_ (gedicht), I, 190.
+_Vrouden (Van den vijf)_, I, 245 vlgg.
+
+W.
+
+_Walewein_, I, 119-121.
+_Walewein-boek,_ I, 109.
+_Boek der Waarheid_ (Suso), I, 369.
+_Waerheit (Boec vander hoechster)_, I, 382 vlgg.
+_Waerneer (Van sente)_, I, 137-138.
+Willem van Afflighem, I, 150.
+_Wraken (Boec van der)_, I, 422, 451.
+_Wrake (Van onses Heren)_, I, 139.
+_Wisselau (Van den bere)_, I, 48.
+_Woeringen (Slag bij)_, I, 303.
+_Wonden (Van ons Heren)_, I, 245 vlgg.
+_Wychliederen_, I, 223
+
+Y.
+
+_Yeesten (Brabantsche)_, I, 427.
+_Ysengrimus_, I, 24.
+_Ystoriën (Der--Bloeme)_, I, 349.
+
+Z.
+
+_Zalichede (Leeringhe der)_, I, 437 vlgg.
+_Zeden (Bouc van)_, I, 436.
+_Zeden (Van)_, I, 436.
+_Zwaanridder-sage_, I, 11.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche
+letterkunde, Deel I, by Gerrit Kalff
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE ***
+
+***** This file should be named 23812-0.txt or 23812-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/3/8/1/23812/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/23812-0.zip b/23812-0.zip
new file mode 100644
index 0000000..f327f72
--- /dev/null
+++ b/23812-0.zip
Binary files differ
diff --git a/23812-8.txt b/23812-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..3da07a9
--- /dev/null
+++ b/23812-8.txt
@@ -0,0 +1,19519 @@
+The Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde,
+Deel I, by Gerrit Kalff
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
+
+Author: Gerrit Kalff
+
+Release Date: December 10, 2007 [EBook #23812]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+ GESCHIEDENIS DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE
+
+ DOOR
+
+ G. KALFF,
+
+ HOOGLEERAAR AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN.
+
+ EERSTE DEEL.
+
+ TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1906.
+
+ STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+_Van 1868-1872 ontving ons volk van _JONCKBLOET'S_ hand de eerste
+volledige wetenschappelijke geschiedenis onzer letterkunde._
+
+_Tot op den huidigen dag is die eerste de eenige gebleven. Met die twee
+feiten voor oogen zal menigeen erkennen, dat de rustelooze voortgang der
+wetenschap en de ontwikkeling onzer denkbeelden over literatuur en
+geschiedschrijving der literatuur een nieuwe geschiedenis onzer
+letterkunde wenschelijk, ja noodig, maken._
+
+_Het is waar_, JONCKBLOET _heeft zijn, in vele opzichten voortreffelijk,
+werk in latere uitgaven aangevuld en gewijzigd; doch het wezen van zijn
+boek is daardoor niet veranderd._
+
+_Ongeveer twintig jaar na_ JONCKBLOET _ondernam_ Dr. J. TE WINKEL _een
+nieuwe geschiedenis onzer letterkunde, eveneens op eigen
+wetenschappelijk onderzoek berustend. Een dergelijk boek mocht toen
+reeds om meer dan een reden noodig genoemd worden, zooals door den
+schrijver in zijne Voorrede is uiteengezet. Doch_ Dr. TE WINKEL _liet
+zijn verdienstelijk werk na het eerste deel steken. Zoo bleef een nieuwe
+volledige geschiedenis onzer letterkunde een desideratum_[1].
+
+[1] De gellustreerde _Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde_ van
+Prof. J. TEN BRINK, bestemd in de eerste plaats voor het groote publiek
+en dus van anderen aard dan de beide bovengenoemde werken, kan hier
+buiten beschouwing blijven.
+
+_De firma_ J.B. WOLTERS _te Groningen, die indertijd_ JONCKBLOET'S
+"Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" _had uitgegeven, verzocht
+mij een nieuw dergelijk werk samen te stellen en ik heb die taak op mij
+genomen, in de overtuiging dat hier werk viel te doen nuttig voor
+anderen en voor mijzelf._
+
+_Voor anderen--want ook in de 18 jaren, verloopen sedert de verschijning
+van_ Dr. TE WINKEL'S _boek, zijn weer tal van nieuwe werken en teksten
+gevonden; is onze feitenkennis door voortgezet onderzoek gewijzigd en
+vermeerderd; hebben buitenlandsche geleerden werken geschreven die ons
+in staat stellen, dieper door te dringen in het wezen en de ontwikkeling
+onzer literatuur. Dat alleen reeds maakt een nieuwe poging tot
+verwerking en samenvatting der bestaande stof wenschelijk. Doch er is
+meer. Een der redenen waarom_ Dr. TE WINKEL _het wenschelijk achtte,
+naast_ JONCKBLOET'S _werk het zijne te plaatsen, was gelegen in een
+"afwijkende aesthetische beschouwing der letterkundige voortbrengselen."
+Ook die reden bewoog mij tot het samenstellen van mijn werk. De
+opvatting en beschouwing mijner voorgangers eerbiedigend, acht ik het
+wenschelijk eene geschiedenis onzer letterkunde samen te stellen,
+uitgaand van een andere opvatting van leven en literatuur, van den
+samenhang tusschen die beide, en van de taak der
+literatuur-geschiedschrijving._
+
+_Voor mijzelven acht ik de samenstelling van dit werk een goede
+aanleiding tot verwerking en samenvatting van hetgeen een bijna
+25-jarige studie onzer letterkunde mij te gevoelen en te denken heeft
+gegeven._
+
+_Mijne opvatting van literatuur en literatuur-geschiedschrijving hier
+uiteen te zetten, schijnt mij overbodig; men zal die uit mijn werk
+voldoende kunnen opmaken._
+
+_Hier zou ik dus kunnen eindigen, ware het niet dat ik eerst een
+droevigen plicht had te vervullen._
+
+_De man die den stoot gaf tot het ontstaan van dit boek, de uitgever_
+E.B. TER HORST, _is eenige dagen geleden ontvallen aan de zijnen, aan
+den boekhandel, aan de wetenschap waarvoor hij als uitgever in zijn kort
+leven zooveel heeft gedaan. Het doet mij hartelijk leed, dat deze
+rusteloos, te rusteloos, voortvarende man in de volle kracht zijner
+werkzaamheid van ons moest scheiden; dat ik zijne belangstelling en zijn
+raad bij de voortzetting van dit werk zal missen. Mij blijft slechts de
+herinnering aan zijn onbekrompen trant van zaken doen en onze korte doch
+aangename samenwerking_.
+
+LEIDEN, 20 October 1905. G.K.
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+VOORSPEL I
+VOORSPEL II
+
+BOEK I.
+STANDENPOZIE
+
+Inleiding
+1. Ridderpozie
+2. Geestelijke Pozie (Hadewych)
+3. Pozie der Gemeenten (Reinaert)
+Vroegste Lyriek
+Jacob van Maerlant
+Dichters, Voordragers, Publiek
+Tusschenspel. Ontkieming van het Nationaliteitsgevoel
+
+BOEK II.
+STANDENPOZIE. DE STEM DER GEMEENTEN
+
+Inleiding
+Ridderpozie in verval
+Geestelijke epische pozie en proza (Ruusbroec)
+Pozie der Gemeenten (Vervolg)
+ Het Leerdicht--Reinaert II
+ Verhalende en lyrische pozie
+Ontwikkeling van het Literair Leven
+Willem van Hildegaersberch
+Dirc Potter
+
+Alphabetisch Register
+
+
+
+
+VOORSPEL.
+
+
+
+
+VOORSPEL.
+
+I.
+
+ Land en Volk. Romeinen. Franken. Bernlef. Heidendom en Christendom.
+ Oudnederlandsche Letterkunde. De akker der volkspozie ligt
+ braak. Latijnsche pozie en prozawerken.
+
+Het onderzoekend oog dat zich richt op het verst verleden van ons volk,
+stuit allerwegen op een ring van duisternis. Slechts langzaam en
+tragelijk wijken voor het wassend licht der wetenschap, de dikke nevelen
+die verbreid liggen over het ontkiemen van ons volksbestaan.
+
+Wat zien wij in die schemering?
+
+Lage landen aan zee, oostwaarts zachtkens opglooiend, overal afgebroken
+door plassen en meren en breede rivieren; eenzame heiden en uitgestrekte
+bosschen, afgewisseld door poelen en moerassen. Over die woeste gronden
+zwerven Kelten en Germanen, jagers en visschers, levend van de hand in
+den tand, een ruw en zorgvol bestaan rekkend in den strijd met wilde
+dieren. Onzekere geruchten omtrent een schrikwekkenden grooten vloed
+zijn blijven hangen in het geheugen ook van ons volk. Nog staan,
+indrukwekkend en geheimzinnig, op de Drentsche heidevelden de
+hunnebedden, heugenissen dier vroegste schemertijden.
+
+Maar niet onduidelijk noch onzeker van klank zijn de schetterende
+trompetten die de nadering verkonden van Romeinsche soldaten en als
+sterren door de nevelen schitterend zien wij de zilveren adelaren zich
+wiegen boven de helmen dier legioenen die de wereld hadden veroverd.
+
+In het gevolg der Romeinen kwam de beschaving. Van hen leerden onze
+voorouders het aanleggen van wegen en dijken, het bouwen van bruggen en
+huizen; in landontginning, landbouw, handel en nijverheid waren de
+Romeinen onze voorgangers en leermeesters. Met de zee, "de wilde zee"
+zooals men haar te onzent nog lang placht te noemen, wordt een strijd
+aangebonden ter verdediging van het land; weldra gaan de Friezen haar
+bevaren om handel te drijven.
+
+Langzaam neigt der Romeinen heerschappij ten val. Hun wereldrijk
+verzwakt; als het bloed naar het hart trekken de legioenen zich uit de
+verre streken terug, de greep van Rome's ijzeren vuist verslapt. Wanneer
+eindelijk het Romeinsche rijk bezweken is onder de slagen der Germanen,
+komen de Franken hier als heerschend volk de plaats der Romeinen
+innemen. Zelf een Germaansch volk, maar dat langzamerhand samensmolt met
+de Gallo-Romeinsche bevolking van het door hen veroverd land en meer en
+meer onder den invloed geraakte van de beschaving en het Christendom der
+overwonnelingen, dringen zij aldoor noordwaarts op. Een botsing met de,
+benoorden den Rijn wonende, Friezen en Saksen kon niet uitblijven; eene
+botsing van stammen tegen stammen, botsing ook van ruwheid en
+beschaving, van Heidendom en Christendom. Lang blijven de Friezen onder
+hunne koningen RADBOUD en POPPO zich verdedigen tegen de Franken onder
+hunne PEPIJNS en KAREL MARTEL, maar ten slotte moeten zij den strijd
+opgeven; het Friesche rijk dat zich langs de zeekust eens tot het Zwin
+had uitgestrekt, wordt in de 8ste eeuw bij het Frankisch rijk ingelijfd.
+KAREL DE GROOTE bevestigt dien stand van zaken; onder zijne roemvolle
+regeering beginnen de bewoners dezer landen de zegeningen van orde en
+vrede eenigermate te leeren kennen en genieten.
+
+Niet verwonderlijk dus, dat wij ook nu eerst onder deze volken eenig
+spoor vinden van letterkundig leven. Aan het Friesche volk komt de eer
+toe, het eerst zijne stem te hebben opgeheven in het veelstemmig koor
+van Nederlands pozie; aan de poort onzer literatuur staat--Frysk bloed,
+tsjoch op!--een vrije Fries, de blinde zanger BERNLEF.
+
+Het weinige dat wij van BERNLEF weten, is ons verhaald door ALTFRIDUS,
+bisschop van Munster, in zijne levensbeschrijving van den apostel
+LIUDGER, een edelen Fries die in Friesland het werk van BONIFACIUS heeft
+voortgezet[1].
+
+In dat levensverhaal vinden wij gewag gemaakt van "den blinden zanger
+BERNLEF, dien zijne buren liefhadden om zijne minzaamheid en omdat hij
+de daden van het voorgeslacht en de oorlogen der koningen wel in zijne
+harpzangen wist te verhalen." Voorts wordt ons nog medegedeeld, dat
+BERNLEF met zijne vrouw te Holwerd bij Dokkum woonde en dat hij drie
+jaar lang met volslagen blindheid bezocht was.
+
+Misschien hebben wij hier een dier zangers van beroep voor ons, gelijk
+zij bij de Gernamen voorkwamen, een der dragers van de oude inheemsche
+volkspozie[2]. Al kennen wij BERNLEF'S liederen helaas! niet, wij wagen
+niet veel met de onderstelling dat zij hetzelfde karakter zullen hebben
+gedragen als die "alleroudste liederen over de daden en oorlogen der
+vroegere koningen" welke KAREL DE GROOTE deed verzamelen en
+opteekenen[3]. Was BERNLEF de dichter der liederen die hij placht te
+zingen? Daarnaar kunnen wij zelfs niet gissen. Liever dan eene poging
+daartoe aan te wenden, wijzen wij op een andere mededeeling aangaande
+dezen Frieschen zanger in hetzelfde _Leven van Liudger_: "Overal waar
+deze BERNLEF den man Gods (LIUDGER) vond, leerde hij psalmen van hem en
+hij bleef in de "verlichting" die hij door dezen deelachtig was geworden
+totdat hij, oud en der dagen zat, in vrede stierf."
+
+De literatuur is ook hier spiegel, van het leven. In die Oudgermaansche
+volkszangen, wijkend voor de Christelijke kerkliederen, zien wij de
+worsteling van Heidendom en Christendom die nu onze aandacht vraagt.
+
+Die worsteling was niet meer zoo zwaar als zij voorheen was geweest,
+maar zij was toch nog verre van geindigd. De oudste verkondigers van
+het Christendom hier te lande: SINT SERVAES, SINT AMAND, SINT ELOY, en
+hunne meerendeels Angelsaksische opvolgers WILLEBRORD, LEBUNUS,
+BONIFACIUS en zoovele anderen hadden de bewoners dezer landen gevonden
+als belijders van een geloof dat men een natuurdienst mag noemen. Wodan
+was vooral een windgod, Wodan's heir de wilde jacht der stormende
+wolken; Donar was een onweersgod, Moeder Aarde werd vereerd als eene
+godheid, sporen van boomvereering zijn ook hier aan te wijzen evenals
+van het geloof aan elven en nikkers, geesten die verblijf hielden in
+lucht en aarde, bosch en water. Tegen dat geloof komt het Christendom
+zich kanten: tegen den ontzagwekkenden Wodan op zijn achtvoetig ros de
+luchten doorzwevend--God de Vader; tegen den wilden Donar met zijn
+pletterenden hamer--de bleeke man der smarte met de doornenkroon; tegen
+de bloedwraak--het "hebt uwe vijanden lief"; tegen de heerschappij van
+zinnelijkheid en hartstocht--de eisch van zelfbeheersching,
+zelfverloochening, kastijding van het booze vleesch. Overal, in
+Vlaanderen en Brabant als in Holland en Friesland, doet zich de stem van
+het nieuwe geloof hooren. De vrome mannen, die hier het Evangelie
+brengen, worden vaak grimmig ontvangen, hun leven in gevaar gebracht,
+BONIFACIUS door de Friezen vermoord--zij versagen niet. Gestadig gaan
+zij voort met prediken, bekeeren, doopen, met het bouwen van kerkjes,
+het stichten van kloosters. RADBOUD, "de vijand Gods", zooals MELIS
+STOKE hem noemt, moge komen met zijne heidensche Friezen en het pas
+gestichte vernielen en verbranden--geen nood! een nieuwe kerk, een nieuw
+klooster verrijst.
+
+Het Christendom wint gaandeweg veld; het heidendom trekt zich terug,
+overwonnen niet gedood. Lang blijft het voortbestaan als ondergrond van
+het nieuwe geloof, lang nog blijft het leven en zich openbaren in tal
+van gewoonten en gebruiken, hoezeer ook bedreigd door den banvloek des
+priesters. Lustig bleven op Sint-Jan de vuren branden aan welker vlammen
+de heidenen van ouds eene reinigende kracht toeschreven; bezwerings- en
+tooverformulieren werden nog steeds toegepast, de wichelarij met paarden
+en vogels hield stand; de hazelaarstak deed nog lang zijne diensten bij
+het zoeken naar verborgen schatten. De lijkmaaltijden bleven in zwang;
+men hechtte er gewicht aan, welk dier men des morgens het eerst
+tegenkwam, aan welken kant eene kraai u voorbijvloog. Menige heidensche
+godheid, menig voorvaderlijk heiligdom werd gekerstend, maar lang niet
+overal bleek het doopsel krachtig genoeg om het oude geloof te verjagen.
+Zoo was het klooster Blandinium te Gent blijkbaar gesticht op de plaats
+waar vroeger een Oudgermaansch heiligdom had gestaan. Immers, wij lezen
+in het _Leven van Sint Amand_:
+
+ Het was omme den torre Blandijn,
+ Daer die afgod der Sarrasijn
+ In stont, die Marcurius hiet.
+
+al worden de heidensche bewoners dezer landen hier, gelijk zoo menigmaal
+elders, Sarracenen genoemd, al schuilt onder den naam Mercurius Donar of
+een andere Germaansche god. Nog in het midden der 14de eeuw toonde men
+den geloovigen de zeven boomen "waar SINT AMAND eerst zijn ruste nam"
+[4]. Doch er bestaat wel reden om te vermoeden, dat dit zevental Sint
+Amands-boomen oorspronkelijk een zevental Wodans-eiken zal geweest zijn,
+zooals de overlevering er ook te Wolfhezen toont. En menig halfbekeerde
+Vlaming, wiens weg hem in het schemeruur langs die boomen voerde, zal er
+een eerbiedig schuwen blik op hebben geworpen, denkend aan de oude
+goden.
+
+Ondertusschen vermenigvuldigden de kloosters zich snel; reeds vr de
+kruistochten is Zuid-Nederland er mede bezaaid[5] en in het Noorden
+moeten zij ook al spoedig talrijk zijn geweest. Gewoonlijk werd zulk een
+klooster gesticht ergens in de "solitudines", de woeste gronden die een
+groot deel dezer landen besloegen. Bosschen moesten dan gerooid,
+moerassen gedempt, heiden ontgonnen; het werk der beschaving nam een
+aanvang. Naast vele wereldlijke heeren maakten vooral de Cistercinsers
+zich verdienstelijk ten opzichte dezer kolonisatie binnenslands.
+
+Zeker, niet al deze geestelijken waren heiligen; de meesten waren maar
+menschen, zwakke menschen. Over de ruwheid, vechtlust en zedeloosheid
+der geestelijken van de 8ste eeuw wordt luide geklaagd.[6] De kerkelijke
+tucht verslapte zzeer, dat in de 10de eeuw de regel van SINT
+BENEDICTUS bijna geheel vergeten was, dat menig abt zich van de
+wereldlijke machthebbers slechts door de tonsuur onderscheidde.[7]
+
+Doch het zou onbillijk zijn, wegens zulke feiten den goeden invloed,
+door het Christendom en een deel der geestelijkheid geoefend, voorbij te
+zien. En zeker zou menig literair werk van dezen tijd niet geschreven
+zijn, indien zijn maker niet in een klooster die veiligheid, rust en
+kalmte van geest had gevonden, zonder welke de meeste letterkundige
+werken niet kunnen ontstaan. Dat geldt in hooge mate van de eeuwen
+waarop wij hier inzonderheid het oog hebben, de 9de-12de eeuw, die ons
+deze landen toonen in een toestand van verwarring en verwildering.
+Telkens zeilen de Noorsche zeeroovers onze rivieren op, allerwege schrik
+verbreidend; zij moorden, plunderen, sleepen den buit naar een versterkt
+kamp, worden soms verjaagd, doch slechts om een volgenden keer met
+fellen wrok terug te komen. Doch ook in streken waar zij niet kwamen,
+vernemen wij weinig anders dan veeten, oorlog, roof, moord, verwoesting.
+Tal van kleine graven, behalve den graaf van Friesland (die zich later
+graaf van Holland zal noemen), trachtten zich onafhankelijk te maken.
+Het groote rijk van Neder-Lotharingen, dat een korten tijd al deze
+landen behalve Vlaanderen omvatte, kon geen afzonderlijke staat blijven
+maar loste zich op in een aantal kleine feodale staatjes[8].
+
+Te midden van al die verwoesting en verdeeldheid bleef de Christelijke
+Kerk overeind, niet ongedeerd, maar ongeschokt in hare eenheid. Ook op
+de literatuur dezer eeuwen heeft zij haar stempel gedrukt. Want terwijl
+er nauwlijks sprake kan zijn van de vorming eener literatuur in de
+volkstaal, kiezen de letterkundigen dier eeuwen bijna zonder
+uitzondering de klassieke kerktaal, waar zij uiting willen geven aan
+hetgeen hun geest en gemoed vervult. Voordat wij die in het Latijn
+geschreven werken in oogenschouw nemen, moeten wij kennis maken met
+hetgeen door sommige geleerden als _Oudnederlandsche Letterkunde_ is
+aangeduid[9].
+
+Evenals de Engelschen vr hunne middeleeuwsche letterkunde eene
+Oudengelsche of Angelsaksische literatuur kunnen aanwijzen en de
+Duitschers vr de Middelhoogduitsche eene Oudhoogduitsche, zoo moesten
+ook de Nederlanders, meende men, eene Oudnederlandsche letterkunde
+hebben gehad. Vaderlandsliefde die in het teeken der Romantiek stond,
+strekte verlangend de armen uit; de Wetenschap werd omhelsd, z vurig
+zelfs dat zij in de knel raakte--uit die vereeniging werd een
+"twijfelkind" geboren, zelfs critische geesten zoo bekorend, dat een
+hunner profeteerde als ziener met den blik achterwaarts gericht, "dat er
+eene Oudnederlandsche letterkunde _moet_ bestaan hebben"[10].
+
+Er was hier een bezwaar: Oudnederlandsche dichtwerken waren en zijn
+afwezig. Doch voorloopig behielp men zich met gewag te maken van het
+Hildebrandslied, het Lodewijkslied, van den Oudsaksischen Hliand, van
+OTFRID'S Evangelin-harmonie en dergelijke werken. En zeker, wanneer men
+zegt: wij Nederlanders zijn een Germaansch volk, _dus_ hebben ook wij
+deel aan de Oudgermaansche letterkunde; of: ook hier te lande hebben
+Saksen gewoond, _dus_ kunnen wij den Hliand tot onze literatuur
+rekenen, dan kan men van die werken gewag maken in een geschiedenis
+onzer nationale literatuur. Doch dan moet men nog heel wat meer tot de
+Oudnederlandsche letterkunde rekenen dan thans geschiedt. Wie bij zijn
+verhaal van de ontwikkeling der Nederlandsche literatuur zooveel
+mogelijk de grenzen wenscht te eerbiedigen, waarbinnen deze volken van
+ouds geleefd of hunne taal gesproken hebben, die zal dit deel der
+Oudnederlandsche literatuur afwijzen als onrechtmatig verkregen goed.
+Sterker meenen de scheppers dier literatuur te staan in hunne aanspraken
+op een aandeel in de vorming van heldendichten als BEOVULF en GUDRUN.
+Dat die dichterlijke werken of deelen daarvan hier te lande bekend zijn
+geweest, daarvan hebben wij ook zelfs niet de geringste historische
+aanwijzing. Ook later wordt ten minste van BEOVULF en GUDRUN nooit
+gerept. "Het mag daarom met recht bevreemding wekken", lezen wij bij een
+der bovenbedoelde geleerden, "dat zij hier volkomen in vergetelheid zijn
+geraakt"[11].
+
+Uitgaande van die vooropgezette meening, heeft men met vlijt en
+scherpzinnigheid alles samengebracht, wat maar eenigszins dienen kon om
+te betoogen b.v. dat de Gudrun-sage hier gelocaliseerd is geweest, of
+ten minste dat het tooneel der gebeurtenissen die in de Gudrun-sage
+verhaald worden, voor een deel in ons land te zoeken is. De Franken en
+Friezen worden genoemd in den BEOVULF; in de GUDRUN is sprake van
+Friesland, en allerlei andere plaatsnamen die _kunnen_ doen denken aan
+deze landen bij de zee.
+
+Met den jongsten uitgever van GUDRUN geloof ik, dat de aardrijkskundige
+en staatkundige namen en aanwijzingen in dat gedicht zulk een verward
+mengelmoes te zien geven, dat wij ons daarvan kwalijk als
+wetenschappelijk materiaal kunnen bedienen[12]. Doch laat het waar zijn,
+dat de gebeurtenissen, in die heldendichten bezongen, ten deele op onze
+kusten hebben plaats gehad, krijgen wij dan daardoor eenig aandeel aan
+dat Angelsaksische, aan dat Middelhoogduitsche dichtwerk? "Ja", zal men
+zeggen, "want dan hebben wij tot het ontstaan van die gedichten
+bijgedragen". Mij schijnt die gevolgtrekking uitermate gewaagd.
+
+Behoort dan een dichterlijk werk, welks tooneel ons verplaatst naar een
+of ander land, daardoor reeds tot de literatuur van dat land? Dan zal
+men de literatuurgeschiedenis van menig volk moeten gaan herzien.
+
+Zoolang er geen deugdelijker gronden worden aangevoerd voor de stelling,
+dat ook ons volk deel heeft gehad aan de vorming dier Oudgermaansche
+heldendichten, acht ik het beter geene poging te doen ons te tooien met
+veeren uit de pluimage van Duitschers en Engelschen.
+
+Een eenigszins verschillend geval hebben wij in de sage van den
+Zwaanridder. Dat die sage hier te lande, vooral in Brabant maar ook
+elders, overal bekend is geweest, daarvan zijn onderscheidene
+bewijzen[13]. Een deel dezer sage, ook dat staat vast, ten minste voor
+sommige redactie's, heeft zich gelocaliseerd te Nijmegen. Wat meer zegt,
+hier _weten_ wij, dat de sage te onzent in de middeleeuwen bekend is
+geweest: MAERLANT immers acht het de moeite waard, de sage te bestrijden
+die verhaalde dat de hertogen van Brabant afstammen van den Zwaanridder.
+"Misdadige leugenaars tijgen GODFRIED VAN BOUILLON aan dat HELIAS, de
+Zwaanridder, zijn grootvader van moederszijde was" zegt hij in zijn
+_Spieghel Historiael_ en elders in datzelfde werk over GODFRIED
+sprekend:
+
+ Noch wijf, no man, als ict vernam,
+ Ne was noit zwane, daer hi af quam,
+ Al eist dattem Brabanters beroemen,
+ Dat si vanden zwane sijn coemen[14].
+
+Voorts bestaat er een fragment van een Dietsch gedicht over den
+Zwaanridder. Doch geeft het bestaan van dat fragment ons nu "alle reden
+om te doen vermoeden dat er evengoed een Nederlandsche roman van den
+Zwaanridder zal bestaan hebben, als er een Fransche _Roman du Chevalier
+au Cygne_ in verschillende redacties, en meer dan ne bewerking in de
+Middel-hoogduitsche letterkunde van bestaat"?[15]
+
+Dat wij eertijds eene volledige bewerking der sage in het Nederlandsch
+bezeten hebben, geloof ook ik. Echter--en daarop komt het aan, indien
+men spreekt over sagen als materiaal voor de pozie--voorzoover wij nu
+zien kunnen, is dit Nederlandsch gedicht geen zelfstandige bewerking der
+inheemsche sage, maar eene navolging van een of ander Fransch
+origineel[15]. Ook de sage der Heemskinderen was hier te lande populair;
+doch het Middelnederlandsch gedicht, dat hunne geschiedenis behandelt,
+is bewerkt naar het Fransch.
+
+Wij zien dus, dat ook hier potische stof voor het grijpen lag; maar
+geen dichter die er de hand op legde om er een potisch werk in de
+volkstaal uit te scheppen.
+
+De bovengenoemde voorbeelden zijn niet de eenige van dien aard. Wat kan
+sterker indruk hebben gemaakt op het gemoed en de verbeelding onzer
+voorouders, dan die telkens herhaalde rooftochten der Noormannen?
+Wanneer de gevreesde viking zich vertoonde aan boord van zijn hooge
+kromsteven, dan sidderde ook den stouten Fries het hart in de borst,
+want hij wist dat er geen genade was; dat plundering, mishandeling,
+moord hem en zijn volk bedreigden, dat ballingschap en slavernij veelal
+het lot was van wie gespaard bleven. De gansche negende eeuw door
+bestoken de Noormannen de kusten van Holland en Vlaanderen. Zij zeilen
+de rivieren op, diep landwaarts in; zij bouwen versterkte legerplaatsen
+bij Maastricht en Leuven, die uitgangspunten worden voor rooftochten in
+het omliggend land.[16].
+
+Welnu, geen enkel gedicht, geen lied, geen rijmpje zelfs in de volkstaal
+dier eeuwen is tot ons gekomen. Eerst in een gedicht van veel lateren
+tijd, de _Legende van het heilige Kruis_ (naar het schijnt uit de 14de
+eeuw), vinden wij verwarde herinneringen aan het verblijf der Denen
+(Noormannen) in Brabant.
+
+Zweeg men, omdat de smart te groot was? Dikwijls immers is het waar, wat
+in later tijden Vader CATS een Latijnsch dichter nazeide:
+
+ Gewone droefheid klaagt, maar al te diepe zeer
+ En heeft geen open wond, geen zucht, geen tranen meer.
+
+Doch de akker der volkspozie is braak blijven liggen ook op plaatsen,
+waar eene verklaring als de bovenstaande niet van pas zou zijn.
+
+Wat al gerucht is, in den aanvang der 12de eeuw, in den lande gemaakt,
+in Zeeland, Utrecht, Keulen, door den dweper TANCHELM! Een voorlooper
+van JAN VAN LEIDEN, een volksredenaar z welsprekend, dat hij de
+geleerde klerken ijverzuchtig maakte; die door zijn grooten invloed op
+de vrouwen ook de mannen voor zich wist te winnen; die in 't openbaar
+optrad in kleederen met goud doorweven, omstuwd door lijfwachten die een
+banier en een zwaard voor hem uitdroegen; die de geestelijkheid en de
+kerkleer durfde aantasten in zijne prediking en door de Utrechtsche
+Kanunniken aan den aartsbisschop van Keulen werd afgeschilderd als de
+voorlooper van den Antichrist! Te Keulen gevangen gezet met zijne
+gezellen: een priester EVERWACHER en een smid MANASSE die naar het
+voorbeeld van zijn meester een broederschap van twaalf mannen en ne
+vrouw had opgericht (de apostelen en de maagd Maria), weet hij zich door
+de waterproef te zuiveren van de beschuldigingen tegen hem ingebracht.
+Later treedt hij weer in het openbaar op; in een vorstelijk kleed en met
+schitterend hoofdtooisel trekt hij, omgeven door drieduizend mannen,
+door stad en land. Hertogen noch graven durven hem weerstand bieden. In
+1115 wordt hij, in een vaartuig gezeten, door een priester
+verslagen.[17]
+
+Een potische stof, zou men zeggen, aantrekkelijk ook voor onze
+middeleeuwsche dichters, wien het--indien men mag afgaan op zoo menig
+dichterlijk werk van later tijd--waarlijk niet haperde aan gevoel voor
+het indrukwekkende of aangrijpende. Maar de nationale pozie zwijgt over
+TANCHELM en de Tanchelmisten, over den priester EVERWACHER, over den
+smid MANASSE en zijn ontuchtig apostelengilde. Waarom? De verklaring
+schijnt mij voor de hand te liggen.
+
+Behalve de bovengenoemde zijn er in deze eeuwen nog zooveel andere
+dingen gebeurd, die indruk gemaakt hebben op de gemoederen der menschen
+van toen. Verscheidene daarvan nu zijn wel herschapen tot literaire
+werken van grooter of kleiner waarde. Echter niet in de volkstaal, maar
+in de taal der Kerk, het Latijn.
+
+Verwonderlijk is dat niet. In de schatting der middeleeuwsche menschen
+van dien tijd, stond het Latijn hoog boven de volkstaal. Het Dietsch was
+de taal van het "diet", van JAN ALLEMAN, en werd nog niet als
+schrijftaal gebezigd; het Latijn, met zijn eerbiedwaardig verleden, den
+roem en het gezag der klassieke schrijvers, was de taal der Kerk in
+gansch West-Europa, de taal ook waarvan geestelijken en geleerden zich
+schriftelijk bedienden, de taal die vorsten en machtigen kozen voor het
+opstellen van officieele stukken. Rome's taal en letterkunde werden ook
+hier te lande vlijtig beoefend. In de bibliotheek der beroemde abdij van
+Egmond vond men in de 11de en 12de eeuw tal van klassieke dichtwerken:
+VIRGILIUS' _Bucolica_ en _Georgica_; OVIDIUS' _Tristia_; CICERO's _De
+Senectute, De Amicitia_, de _Orationes_; SALLUSTIUS' werken. Van de
+lateren vond men er: PERSIUS' _Satiren_, STATIUS' _Thebas_; SENECA'S
+_De Clementia_; AULUS GELLIUS' _Noctes Atticae_. Voorts talrijke glosen
+op de klassieke schrijvers waaruit men mag opmaken dat de werken dier
+auteurs wel bestudeerd werden. Van middeleeuwsch-Latijnsche werken trof
+men er aan o.a.: eene _Vita Brendani_, de _Gesta Francorum id est
+Cronica cum Vita Karoli_, DARES FRIGIUS' _De Excidio Trojae, Gesta
+Alexandri Magni_[18]. Onder de boeken welke de abdij Bloemhof te
+Wittewierum in een latere eeuw (de 13de) bezat, vinden wij OVIDIUS,
+VIRGILIUS, eenige auctores ethici et satyrici; verder tal van werken
+over grammatica en dialectiek, geschriften van de Kerkvaders AUGUSTINUS
+en GREGORIUS[19]. In diezelfde eeuw vinden wij aan de abdij van
+Maringaarde te Hallum eene "scola publica" verbonden; aan haar hoofd
+stond zekere magister FREDERIK, die met zijne leerlingen 's morgens de
+heidensche poten en geschiedschrijvers en na het middagmaal de
+Kerkvaders las[20].
+
+Die eerbied en liefde voor het Latijn zal de ontwikkeling der volkstaal
+waarschijnlijk belemmerd hebben; de veldbloem heeft "tier noch zwier" in
+de schaduw van den grooten boom die haar het vrije genot van zon en wind
+en regen beneemt en beslag legt op de groeikracht van Moeder Aarde.
+
+Abt EMO van Wittewierum bezat, volgens zijn biograaf, den lateren abt
+MENKO, vele gaven en talenten--doch niet de gaaf der wereldlijke
+welsprekendheid "in lingua teutonica"; daarvan was hij geen beminnaar en
+hij oefende er zich ook niet in "propter studium et amorem vitae
+spiritualis et lectionis". Nog op zijn sterfbed sprak hij keurig Latijn.
+
+Begrijpelijk is het, dat wij in de Latijnsche geschriften van zulke
+mannen niet zelden aanhalingen vinden uit klassieke schrijvers: in EMO'S
+Kroniek b.v. verzen of sententie's van CICERO, HORATIUS, SENECA,
+LUCANUS; in een reisbeschrijving van een Friesch of Groningsch pelgrim
+uit den aanvang der 13de eeuw herinneringen aan VIRGILIUS' _Eclogae_ en
+aan zijne _Aeneis_[21]. Begrijpelijk evenzeer, dat bewondering ook hier
+tot navolging bracht. Het lag voor de hand, dat allen die in aanraking
+waren gekomen met de Latijnsche literatuur en behoefte gevoelden zich te
+uiten, voor die uiting de taal zouden kiezen waarmede zij vertrouwd
+waren, die reeds op zich zelve zekere waardigheid aan een literair werk
+bijzette, het verhief boven het alledaagsche, en waarin zij allerlei
+wendingen, uitdrukkingen, vergelijkingen vonden waarmede zij hun
+voordeel konden doen.
+
+In die dagen, met voorbijgang van het Latijn, zich van de volkstaal
+bedienen voor de samenstelling van eenig letterkundig werk, zou alleen
+dan verwacht kunnen worden, indien er toen onder ons volk een krachtig
+gevoel van zelfbewustheid, een krachtig nationaliteitsgevoel, aanwezig
+ware geweest. Daarvan was nog geene sprake. Indien men zich herinnert,
+dat de grootste dichter der middeleeuwen, DANTE ALIGHIERI, vr het
+schrijven der _Commedia_ geweifeld moet hebben tusschen de volkstaal en
+het Latijn, dat hij zelfs den aanvang van den _Inferno_ in Latijnsche
+hexameters gedicht heeft, dan zal men zich over de toestanden te onzent
+in vroeger eeuwen niet verwonderen.
+
+Het is natuurlijk denkbaar dat in die eeuwen een dichter, die geen
+Latijn kende, zich gedrongen zal hebben gevoeld tot eene potische
+uiting in de volkstaal. Maar in allen gevalle is geen enkel voorbeeld
+van zoodanige uiting tot ons gekomen.
+
+Wanneer wij nu het oog slaan op de Latijnsche werken, toen te onzent
+gedicht, dan treft ons aanstonds, dat wij hier een zwak voorspel
+vernemen van de latere literatuur der middeleeuwen. MAERLANT sprak in
+zijn _Wapene Martijn_ dit kloeke woord over den adel:
+
+ Mine roec, wiene droech of wan [Zijnoot: Ik geef er niet om wie zijn
+moeder of zijn vader was.],
+ Daer trouwe ende doghet es an
+ Ende rene es van seden;
+ Uut wat lande dat hi ran,
+ Dats, dien ic der namen an [Zijnoot: toeken (gun)]
+ Van der edelheden.
+
+Maar lang vr hem had de adellijke Fries LUDGER, in den proloog van
+zijn verhaal over de heiligen BONIFACIUS en GREGORIUS, verklaard "dat er
+een adel des geestes bestaat, welks leden boven alle aanzienlijken van
+geboorte, de hoogste liefde en vereering waardig zijn"[22].
+
+Wij vinden de stof voor meer dan een ridder-epos in een paar Latijnsche
+kronieken dier eeuwen; eene bewerking der Reinaert-sage, eenige
+heiligenlevens, een leerdicht en ten slotte een paar staaltjes van
+lyrische pozie. Het schijnt mij de moeite waard, de meeste dezer
+werken, het een iets korter, het ander iets uitvoeriger, te
+behandelen[23].
+
+MILO, monnik uit het klooster Elnon bij Doornik, die omstreeks 872
+stierf, behoort zeker wel tot de oudste Latijnsche dichters te onzent.
+Hij vervaardigde een leven van SINT AMAND in 1800 hexameters, op
+aansporing zijner kloosterbroeders, en als een hulde door hem op den dag
+van Sint Amand aan dien heilige gebracht.
+
+Behalve eenige kleinere gedichten schreef hij ook nog een omvangrijk
+leerdicht in twee boeken _De Sobrietate_, waarin door tal van
+voorbeelden uit O. en N. Testament wordt aangetoond, hoe nadeelig de
+gevolgen der gulzigheid en hoe goed die der matigheid zijn. Tusschen die
+voorbeelden vindt men hier en daar, evenals in de leerdichten van
+lateren tijd, uitweidingen over de priesters, over de onkuischheid van
+velen in dien tijd, ook wel eens over den dichter zelven. Geleerdheid is
+hier genoeg, ook navolging van VIRGILIUS; pozie zoo min als in verreweg
+de meeste onzer middeleeuwsche leerdichten.
+
+Over de levens van BONIFACIUS en GREGORIUS door LUDGER, beide in proza,
+spraken wij reeds. Voorts vinden wij nog melding gemaakt van een ander
+leven van BONIFACIUS, geschreven door een tijdgenoot van LUDGER, een man
+van merkwaardige belezenheid en eenigermate bekend met Latijnsche
+klassieken en mythologie. In de eerste helft der 9de eeuw schreef een
+Friesch monnik in de abdij van Werden eene levensbeschrijving van
+LUDGER, waarin soms stof voorkomt, bruikbaar voor een dichter. In de
+laatste helft der 10de eeuw gaf een ander Friesch monnik ter abdij van
+Werden een verhaal van de romantische lotgevallen en vele mirakelen der
+Heilige Ida[24].
+
+Bisschop RADBOUD van Utrecht ( 917) toonde vooral eene voor dien tijd
+zeldzame kennis van grammatica en metriek in zijne _Versus de
+hirundine_, zijn _Carmen Allegoricum_ op Sint Suitbert en zijne _Ecloga_
+op Sint Lebunus; in deze en andere stukken van zijne hand vinden wij
+wel loofwerk van antieke mythologie en navolging van VIRGILIUS, maar
+nergens eene wending of uitdrukking, karakteristiek voor den volksgeest
+of het volksgemoed dier dagen[25].
+
+Door de heerschappij van het Latijn werd de natuurlijke uiting van het
+gemoedsleven als gestremd en verstijfd. Rechtstreeksche gemeenschap
+tusschen het innerlijk leven en de taal die dat innerlijk leven moet
+verklanken, kon onder die heerschappij niet bestaan. Om uit te drukken
+wat men gevoelde, moest men in eene vreemde taal zoeken naar woorden,
+wendingen, vergelijkingen die zoo ongeveer overeenkwamen met hetgeen men
+wenschte uit te drukken. Zoo kwam men tot pozie, die op echte pozie
+gelijkt als een kunstbloem op een levende bloem.
+
+Een goed voorbeeld van zulk dichtwerk vinden wij in de verzen die gewijd
+zijn aan het leven en den lof van ANSFRIED, bisschop van Utrecht, die in
+1010 stierf.
+
+Hoe rijk aan afwisseling is het leven van dezen bisschop, hoe rijk ook
+aan treffende of ontroerende feiten, aan zedelijke schoonheid, aan
+verhevenheid.
+
+Hij is van aanzienlijke afkomst, zijn vader schijnt graaf van Leuven te
+zijn geweest; een neef en naamgenoot van den knaap bezit vijftien
+graafschappen. Aartsbisschoppen, die van Trier, die van Keulen, leiden
+zijne opvoeding. De latere keizer OTTO I kiest hem op een tocht naar
+Itali tot zijn zwaarddrager; onder diens roemrijke leiding wordt hij
+een bekwaam veldheer. Spoedig is hij een der machtigste edelen van zijn
+tijd. Van de vroomheid en trouw zijner gemalin HILSWINDE bleven tot in
+onzen tijd romantische verhalen bewaard. Krachtig treedt hij op tegen de
+roovers (Noormannen?) in Brabant. Daarna wordt hij--zijns ondanks--door
+den keizer tot bisschop van Utrecht verheven; hij legt in de kapel te
+Aken zijn zwaard op het altaar der H. Maagd en wijdt zich aan haar
+dienst. Alle omstanders barsten in tranen uit. Voortaan wordt zijn leven
+meer en meer dat van een heilige; blind geworden, vertoeft hij liefst in
+het door hem gestichte klooster, de Hohorst bij Amersfoort. Zijn leven
+daar doet denken aan dat van SINT FRANCISCUS: hij put water om
+melaatschen te wasschen; zijne liefde ontwikkelt zich tot eene
+onbegrensde teederheid voor alle schepselen van den Heer. Zelfs den
+vogelkens was hij weldadig. Des winters liet hij uit medelijden met
+hunne armoede volle korenschooven in de boomen van zijn heuvel plaatsen.
+
+Geen wonder waarlijk dat na zijn dood de Utrechtenaren niet rustten,
+vrdat zij zijn lijk van den Hohorst naar hunne stad hadden gevoerd,
+waar het onder psalmen en lofzangen en den toeloop eener ontelbare
+menigte in de Sint-Maartenskerk begraven werd[26]. Geen wonder ook dat
+een Utrechtsch priester zich niet lang daarna opgewekt, misschien
+gedrongen, gevoelde om den lof van zulk een man en zulk een leven te
+zingen. Hij heeft getuigd van zijn eerbiedige liefde voor zijn bisschop
+in een 26-tal Latijnsche hexameters.
+
+Dat deze hexameters niets eigens, niets persoonlijks hebben, bevreemdt
+ons niet; de kunst der middeleeuwen immers is juist algemeen en
+onpersoonlijk van aard. Maar wij verwachten toch voor het minst in deze
+uiting van droefheid en bewondering eenige warmte van gevoel te zullen
+opmerken en dat des dichters hart bewogen was, toen hij zijne verzen
+schreef. Inderdaad is er wel eenige golving van gevoel te bespeuren,
+maar het zijn golvingen zooals men ze ziet in een ijskorst die over het
+bewegelijk element ligt uitgebreid. Onder den verstijvenden invloed der
+rhetoriek, bij het verkillend zoeken naar juiste uitdrukkingen en
+tegenstellingen in een vreemde taal, is, wat er aan gevoelswarmte moge
+geweest zijn, vervlogen en wij vinden meerendeels slechts verzen als de
+volgende:
+
+ Quondam bellator, nunc autem pacis amator.
+ ...
+ Deposuit parmam, cepitque levare patenam.
+
+Wat de nagedachtenis van een als heilige vereerd en bemind prelaat in
+het Nederland dier dagen niet vermocht: een gedicht in de volkstaal te
+voorschijn roepen, dat is een halve eeuw later in Duitschland geschied.
+Toen een jongere tijdgenoot van ANSFRIED, de beroemde aartsbisschop ANNO
+van Keulen in 1075 gestorven was, heeft een Frankisch geestelijke niet
+lang daarna in een dichtwerk getuigd van zijne liefde en eerbied voor
+den overledene. Maar in Duitschland was de ontwikkeling van het
+nationaliteitsgevoel blijkbaar verder gevorderd dan te onzent: het
+bekende Anno-lied is in de volkstaal gedicht. Dit 900-tal verzen geeft
+ons iets anders te zien dan de 26 Latijnsche hexameters van den
+Utrechtschen klerk.
+
+Welk een rijke ader van echte pozie zien wij telkens glinsteren in het
+ruwe, ongevormde en onbewerkte, ijzerharde taal-erts van dat Anno-lied!
+Ja, wij vinden hier veel onbeholpens, ook hier die zonderlinge
+overzichten van bijbelsche en wereldgeschiedenis, dat gemis aan
+samenhang en overgang; herinneringen aan VIRGILIUS en LUCANUS, te midden
+dezer speelmans-pozie.... Maar hoe leven hier de middeleeuwen in
+visioenen van hemelsche heerlijkheid, in wonderen en allegorien, in
+verhalen van veldslagen, roof, moord, brand en verwoesting. Hoe gloeit
+de wilde strijdlust der ijzeren eeuw van tijd tot tijd op in stalen
+helmen en vaste halsbergen en scherpe Beiersche zwaarden, die door
+helmen bijten; hoe vlamt die strijdlust op uit verzen als:
+
+ Ha! hoe kletterden de wapenen
+ Toen de rossen op elkander in vlogen,
+ Legerhoornen loeiden,
+ Beken bloeds vloten.
+
+Maar hoezeer ook overweldigd door de volheid zijner kwalijk beheerschte
+stof, toch vergeet de dichter zijn held niet, den "dierbaren" man, den
+"heiligen bisschop" in Keulen, de schoonste burg in het Duitsche land.
+Telkens waar SINT ANNO in dit dichtstuk optreedt, schieten, als zedige
+bloemen onder zijne voeten, beelden en vergelijkingen uit de verzen op:
+te midden der zeven heilige bisschoppen van Keulen schittert ANNO als de
+turkois in een gouden vingerling; God heeft hem door lijden gelouterd
+zooals de goudsmid goud in het vuur smelt, wanneer hij een kostbare
+spang wil maken; als een leeuw zat hij voor de vorsten, als een lam ging
+hij tusschen de behoeftigen; hij is ten hemel opgestegen om ons den weg
+derwaarts te wijzen, zooals een arend die zijne jongen wil leeren
+vliegen, in kringen opwaarts stijgt en op zijne wieken statig
+zweeft[27].
+
+Zulke tonen wist die vroege zanger voort te brengen, omdat hij durfde
+zingen in zijne moedertaal. Zulke of dergelijke muziek had ook hier
+kunnen weerklinken, indien het nationaliteitsgevoel krachtig genoeg ware
+geweest; indien een Dietsch dichter de hand had durven slaan aan de
+potische stof die ook te onzent lag opgehoopt.
+
+Welk een voorraad van zulke stof geven ons de beide Latijnsche kronieken
+van den Utrechtschen geestelijke ALPERTUS en zijn Vlaamschen genoot
+GALBERTUS te aanschouwen[28]. Ik heb hier het oog vooral op de
+geschiedenis van den edelman BALDERIK die met ADELA, eene dochter van
+den machtigen graaf WICHMAN van Hamaland, gehuwd was. De
+levensgeschiedenis van dit verdorven echtpaar verhaalt ons van
+langdurige belegeringen, onneembare kasteelen en verraders die den
+vijand ter sluik binnenlaten; van gevechten in het open veld;
+dienstmannen wien neus en ooren worden afgesneden; van vrouwen in eene
+belegerde vesting die helmen op het hoofd zetten om de belegeraars te
+misleiden; de vernietiging der sterke vesting Uplade (bij Elten aan den
+Rijn); den sluipmoord op den jongen Saksischen graaf WICHMAN gepleegd en
+de vernietiging der sterke vesting Uplade waar die daad geschied was.
+Wegens dien moord moet BALDERIK zich te Nijmegen voor Keizer HENDRIK
+komen verantwoorden. Als hij vr den Keizer staat, verbieden de
+hertogen GODFRIED en BERNHARD hem te spreken. Wanneer hij
+desniettegenstaande zich gaat verdedigen, knarstanden zij van woede en
+het scheelt weinig of hij wordt door hunne krijgers afgemaakt.
+
+ADELA doet ons in hare verhouding tot BALDERIK soms aan Lady MACBETH
+denken: op de tijding van des Keizers komst, wordt BALDERIK moedeloos;
+ADELA verliest den moed niet, doch wekt haren man op tot dappere
+tegenweer. Van haar gaat het plan uit tot moord op graaf WICHMAN, hun
+tegenstander, die als gast op het kasteel Uplade vertoeft. Eerst wil zij
+hem vergiftigen; als dat niet gelukt, draagt zij hare taak over aan een
+paar knechten die WICHMAN van achteren aanvallen en neerstooten.
+Voortdurend zet zij BALDERIK aan tot nieuwe misdaden. "Et sicut Hiezabel
+Achab, ita et ista hunc ad flagitia semper concitavit, dans ei consilia,
+quibus ad perniciem suam uteretur, donec abominabilis et odiosus omnibus
+fieret"[29].
+
+Een onvoldragen gedicht zien wij ook in het geschiedverhaal van den
+moord, die in 1126 in een kerk te Brugge gepleegd werd op KAREL DEN
+GOEDE, graaf van Vlaanderen. Na het volbrengen van den moord verschansen
+de moordenaars onder hunne aanvoerders, BOUTSAERT (BORSIARDUS) en
+ROBBRECHT, in eene kerk en worden daar door de aanhangers van den graaf
+belegerd. De strijd die dan aanvangt, heeft in de beschrijving van
+GALBERTUS inderdaad hier en daar een grootsch karakter. Begrijpelijk is
+het, dat men een oogenblik denkt aan het indrukwekkend slottafreel der
+_Nibelungen_, in BOUTSAERT den grimmigen HAGEN meent te herkennen, in
+ROBBRECHT "Giselher daz Kint". Terwijl de strijd in de Kerk woedt,
+springt WALTER, een dienstman van den graaf die zich op het orgel
+verscholen hield, naar beneden midden tusschen de vijanden--een sprong
+die doet denken aan den vervolgden HERNANT in de _Chanson des
+Lorrains_[30]. Maar er is in de middeleeuwen meer gelijk dan eigen, en
+dergelijke overeenkomsten bewijzen alleen, hoe zeer het middeleeuwsch
+epos _in hoofdzaak_ juiste afspiegeling der werkelijkheid bevat; niet
+dat een episch dichter het oog hield gericht op een of ander historisch
+feit.
+
+Met een weinig scherpzinnigheid eenerzijds en een weinig goeden wil
+anderzijds, zou men op die wijze ook kunnen aantoonen, dat SHAKESPEARE
+in zijn _Macbeth_ het oog moet hebben gehad op de geschiedenis van ADELA
+en BALDERIK.
+
+In beide deze kronieken, vooral in die van GALBERTUS, blijkt op meer dan
+eene plaats vrij sterke aandoening; er was ook wel voldoende
+zelfbeheersching en neiging om het waargenomene en gevoelde te verwerken
+tot een met kunst geschreven verhaal. Maar dan toch een verhaal naar het
+voorbeeld der Romeinsche geschiedschrijvers. Vandaar de rhetorische
+toon, de redevoeringen en gesprekken in den trant van die voorgangers,
+doch met minder talent. GALBERTUS laat zich wel eens verleiden zijner
+verbeelding te zeer den teugel te vieren: hij weet ons o.a. gezegden
+mede te deelen, die midden in een vreeselijk bloedbad geuit zullen zijn
+en wat een eenzaam opgesloten man denkt, vrdat hij sterft. Maar toch,
+had deze monnik eens den moed gehad zich van zijne moedertaal te
+bedienen--misschien waren wij een belangwekkend kunstwerk rijker.
+Diezelfde gedachte komt bij ons op, indien wij kennis maken met de
+Latijnsche bewerking der Reinaert-sage die op deze kronieken volgt,
+zooals in de nationale literaturen van Franschen, Duitschers en
+Nederlanders de bewerkingen der dier-sage op het ridder-epos.
+
+Dit Latijnsche gedicht, dat naar den wolf: _Ysengrimus_ heet, is
+vermoedelijk omstreeks 1150 vervaardigd door zekeren Magister NIVARDUS,
+eerst monnik in het klooster Blandinium, later scholaster der Kerk van
+S. Pharahilde te Gent[31].
+
+Wij vinden hier een aantal, ook van elders bekende, dierfabels in
+distichen vervat en op kunstelooze wijze tot een geheel verbonden. Het
+verhalend element is in dit werk gering, de dialoog overheerscht; het
+zijn al te vaak eindelooze gesprekken waarin de middeleeuwsche
+dialectiek triomfen viert, maar die den lezer na eenigen tijd vermoeien
+en ten slotte vervelen. De dichter was een zeer belezen man, die de
+klassieke Latijnsche schrijvers goed en OVIDIUS op zijn duimpje kende;
+onder het schrijven zijner verzen stonden hem telkens plaatsen uit zijne
+lievelingsauteurs voor den geest, maar nergens maakt hij zich aan
+slaafsche navolging schuldig.
+
+Opmerkelijk nu is vooral, hoe onder en in dit overgenomen klassicisme
+telkens het Vlaamsch-menschelijke zich vertoont. Wij speuren en zien den
+volksgeest in die ietwat ruwe rondheid die alles bij zijn naam noemt, in
+de ironie, de komische of groteske overdrijving, de grappen, de
+vergelijkingen en spreekwoorden aan het dagelijksch leven ontleend[32].
+In zijne uitdrukkingen en aardigheden, in woorden als _mantica, bulga,
+follis_ te vergelijken bij het latere middelnederlandsche _male_ (maag),
+als _taberna (taverne), carmina completoria ("van uwen complete dat
+ghetide")_ doet hij ons telkens aan den, een eeuw jongeren, _Reinaert_
+denken. Het is dezelfde nationale dichtader, maar die hier niet kan
+uitschieten in de laag van klassicisme waarmede de Vlaamsche
+geestesakker overdekt was.
+
+Indien deze dichter eens gedurfd had, zooals DANTE gedurfd heeft! Wat
+zou hij, met zijn ongetwijfeld voortreffelijken aanleg niet hebben
+kunnen volbrengen. Maar de tijd, dat een dichter zulk eene stof in de
+volkstaal zou durven behandelen, was nog verre. Er moest nog veel
+veranderen in het uiterlijk en innerlijk leven van de bewoners dezer
+landen, eer het zoover kon komen.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] Deze _Vita Liudgeri_ is uitgegeven in PERTZ _Monumenta G._, II, 404
+seqq.
+
+[2] Vgl. P. PIPER, _Die Spielmannsdichtung_, I, 29.
+
+[3] In EGINHARD'S _Vita Caroli Magni_ 29 (PERTZ, _Monum._, II, 458).
+"Item barbara et antiquissima carmina, quibus veterum regum actus et
+bella canebantur, scripsit memoriaeque mandavit."
+
+En in _Annales Caroli Magni_, V, 545 (PERTZ, _Monum._, I, 276) leest
+men:
+
+Quae veterum depromunt praelia regum Barbara mandavit carmina
+litterulis.
+
+[4] _Leven van Sint Amand_ (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303.
+
+[5] PIRENNE, _Geschichte Belgiens_, I, 91.
+
+[6] _Bonifacins_ door Dr. J.P. MLLER, I, 86.
+
+[7] PIRENNE, t.a.p. I, 86-7.
+
+[8] Vgl. hier als elders BLOK'S _Geschied. v.h. Nederl. Volk_.
+
+[9] Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is uiteengezet
+en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S rectorale rede
+"_over Angelsaksische Pozie_" (1899).
+
+[10] COSIJN, t.a.p. bl. 21.
+
+[11] Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._
+
+[12] _Hilde--Gudrun...._ von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof.
+SYMONS, die de _Gudrun_ uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel.
+
+[13] Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET (I, 33
+volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene studin van
+Dr. BLTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in _Romania_, 1901,
+en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in _Versl. en Meded. d. Kon. Akad._,
+XII, 253 volgg.
+
+[14] _Sp. Hist._, IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts mijne
+_Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 250 volgg.
+
+[15] Vgl. _Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 255.
+
+[16] PIRENNE, t.a.p. bl. 41-43.
+
+[17] Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S _Kerkgeschiedenis_,
+II, 3, bl. 45-55.
+
+[18] Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in VAN WIJN'S
+_Huiszittend Leeven_ en, in veel beter uitgaaf, in _Archief voor Ned.
+Kerkgesch._, II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN.
+
+[19] A.W. WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 78-79.
+
+[20] MOLL, t.a.p. II, 2, 239.
+
+[21] In het _Itinerarium_ van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit
+MATTHAEI _Veteris Aevi Analecta_, II, 26-33 b.v.: "Natales fines et arva
+dulcia linquentes" (_Ecl._, I, 3); aan het slot: "et tunc demum quae
+passi fuimus periculorum meminisse juvabit" (_Aen._, I, 203). Vgl. ook
+de naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p.
+31.
+
+In de Kroniek van ALPERTUS, _De Diversitate Temporum_ (ed. DEDERICH)
+o.a.: uit Juvenalis: "Intolerabilius nihil est quam foemina dives."
+
+[22] MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS. Zie
+FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Gedichten_,
+bl. LXXVIII.
+
+[23] Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S _Allgem.
+Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande_, van MOLL's
+_Kerkgeschiedenis_ en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S _Liber de
+vita_ etc.
+
+MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in _Poetae
+Latini Aevi Carolini_, III, 557 seqq.
+
+[24] Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg.
+
+[25] Vgl. over de pozie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184. H.
+PEERLKAMP, p. 11. De _Versus de hirundine_ medegedeeld in _Zeitsch. f.d.
+Alt._ N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten in _Kerkhistor.
+Archief_, III, 213 volgg.
+
+[26] Zie voor het medegedeelde MOLL'S _Kerkgesch._, I, 275 volgg. en
+ALPERTUS' Kroniek _De Div. Temporum_.
+
+[27] _Der Lobgesang auf den heiligen Anno_ (ed. GOLDMANN), Leipzig und
+Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men _Grundriss der
+Germ. Phil._, II, 1, 251; en PIPER'S _Spielmannsdichtung_, II, 1.
+Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105-1110.
+
+[28] De Kroniek van ALPERTUS: _De diversitate temporum libri_ II, is van
+ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Mnster, 1859). Vgl. MOLL, _Kerkgesch._,
+II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS vgl. RUDOLF
+HENNING, _Nibelungen--Studin._ Strassburg. 1883.
+
+[29] _De Div. Temp._, II, 5.
+
+[30] R. HENNING in het aangehaald werk.
+
+[31] Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave van
+den _Ysengrimus_, (Halle a.S., 1884). In zijne _Etude sur l'Ysengrinus_,
+(Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen dan
+VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151-1152; V.c. 1148. W. gelooft
+dat een "flamand gallicant" uit de buurt van Lille de dichter is geweest
+en dat deze niet uit de mondelinge overlevering maar uit de verhalen der
+trouvres heeft geput. Het eerste is door W. m.i. niet aangetoond; het
+tweede is niet te bewijzen. Zie over WILLEMS' boek ook het oordeel van
+Dr. J.W. MULLER in _Museum_ (1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan
+vereenigen.
+
+[32] VOIGT, _Einl._ LXIII.
+
+
+
+II.
+
+ De Kruistochten. De "lage landen bij de zee" als grensland tusschen
+ Frankrijk en Duitschland. Fransche en Duitsche literatuur. Heinric
+ van Veldeke (_Leven van Sint Servaes_, _Enede_, liederen). Vertaling
+ van het Nibelungen-lied. Speelmanspozie (_Van den bere Wisselau_;
+ _Van Sente Brandane_). Losmaking van Duitschland.
+
+Toen het gevreesde jaar 1000 voorbij en de wereld niet vergaan was,
+ademden ook de bewoners dezer landen op.
+
+Niet alsof met die 11de eeuw een tijd van ongestoorden vrede en rust
+aanbrak! Integendeel, ook in deze en de volgende eeuw, wij hebben er
+reeds staaltjes van gezien, was er nog allerwege verdeeldheid; soms
+schijnt het alsof ieders hand tegen allen is opgeheven. Zeker, tegenover
+de verdeelende stonden verbindende krachten: de kerk, het leenwezen,
+eene zelfde of ten minste gelijke taal, dezelfde zeden en gewoonten.
+Maar voorshands is de eenheid van elk dier onderscheidene kleinere
+volksgeheelen hier te lande (Friesland, Holland, Vlaanderen, Brabant en
+andere) weinig hecht; er is te nauwernood sprake van n band die ze
+onderling vereenigt.
+
+Geen verschijnsel heeft in deze eeuwen zoo krachtigen invloed geoefend
+op onze volkswording als de kruistochten!
+
+Onder de eerste deelnemers aan die grootsche tochten, toen "het Westen
+zich op het Oosten wierp, onder den kreet: God wil het!" vinden wij ook
+onze voorouders. Reeds omstreeks 1030 zien wij een graaf van Holland ter
+kruisvaart trekken en aan zijne zijde een lid dier stoute ARKELS, welke
+de latere graven van Holland zoo dikwijls tegenover zich zouden zien[1].
+Na hen treffen wij onder de kruisvaarders in deze en de volgende eeuwen
+graven van Holland, Gelder, Vlaanderen aan; zonen van oud-adellijke
+geslachten als de BREDERODE'S, BORSELEN'S, VAN LYNDEN'S; Friesche edelen
+uit den stam van GALAMA en BOTNIA. Nog lang na den tweeden kruistocht,
+die in 1147 voorviel, wezen latere kruisvaarders elkander den palmboom
+op het graf van den dapperen Frieschen aanvoerder HENDRIK ULVINGA in de
+nabijheid van Lissabon. Niet alleen ridders, ook aanzienlijke burgers,
+gewone poorters, lijfeigenen trokken naar het Heilige Land.
+Waarschijnlijk waren er maar weinig ridders onder die Antwerpenaars,
+Hollanders en Friezen, die volgens hun eigen getuigenis acht jaren in de
+Middellandsche zee van roof op de heidenen hadden geleefd en in 1097 op
+hunne schepen, welker masten met goud waren beslagen, het leger der
+kruisvaarders in Cilici te hulp kwamen[2].
+
+Zeker, behalve zuivere godsdienstige geestdrift zullen er voor deze
+tochten beweegredenen zijn geweest van minder gehalte; de naam "groote
+aflaat" dien men in de 13de eeuw aan een kruistocht gaf, wijst reeds op
+iets anders dan op liefde tot God om Gods wil. En dat vooral bij degenen
+die slechts geld, niet zich zelven, gaven ten behoeve dezer tochten. Ook
+bezwaardheid van geweten zal wel tot de beweegredenen hebben behoord;
+ook drijfveeren van minder allooi zal men niet mogen voorbijzien: lust
+naar avonturen, strijdlust, zucht om buit of roof te behalen.
+
+Dat alles moge waar zijn, maar desniettemin zien wij hier in de
+ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk dit belangrijk verschijnsel, dat
+voor het eerst zij die z lang verdeeld waren gebleven: Vlamingen,
+Friezen, Hollanders, Gelderschen en zoovele anderen, in het besef hunner
+nheid als Christenen, gezamenlijk optrekken tegen n vijand in verre
+gewesten.
+
+De groote invloed dier tochten op de ontwikkeling ook van ons volk is
+bekend. Nu eerst deden de Nederlanders hun "intocht in de Kerk waardoor
+zij inderdaad vereenigd werden met het groote lichaam, waarvan zij
+vroeger leden heetten, maar niet waren"[3]. Handel en nijverheid, ook de
+kunsten ontwikkelden zich. De trage verbeelding der bewoners van deze
+lage landen kreeg een schok, werd opgewekt, geprikkeld. Welk een indruk
+moet het Zuiden, moeten die landen der zon met hun geheimzinnig
+achterland, hebben gemaakt op de ruwe maar ontvankelijke gemoederen
+dezer zonen van het Noorden, die zich voor het eerst verplaatst zagen
+buiten de enge grenzen van hun gouw of graafschap!
+
+Maar niet minder gewichtig dan dat alles is de invloed geweest, dien de
+aanraking met andere volken moet hebben geoefend op het onze. Door dat
+herhaald en langdurig samenzijn en samenwerken met andere volken of
+volksdeelen, moeten onze voorouders voor het eerst ten deele bewust zijn
+geworden van zich zelf. Nu eerst wordt hun de gelegenheid gegeven om
+door vergelijking met anderen zich zelven te leeren kennen; nu eerst
+begint door den morgennevel der naeveteit heen het beeld der eigen
+persoonlijkheid flauw voor hen op te schemeren. Ook van het volk,
+waarvan zij nog een deel uitmaakten en waaraan zij zich het nauwst
+verwant gevoelden: de Duitschers, moeten zij zich reeds onderscheiden
+hebben gevoeld in taal en karakter. Welk een aanzienlijk verschil
+bestond er reeds omstreeks 1171, toen HEINRIC VAN VELDEKE zijn _Sint
+Servaes_ dichtte, tusschen Middelnederlandsch en Middelhoogduitsch! Dat
+verschil kan natuurlijk eerst langzamerhand zoo gewichtig zijn geworden.
+
+Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de meeste dezer lage
+landen tot Duitschland; hunne ligging in Europa maakte ze tot een
+schakel tusschen Germaansche en Romaansche landen. Langzamerhand zullen
+wij den band met het overig Duitschland losser zien worden en ten slotte
+feitelijk wegglijden, al blijft hij in schijn nog lang zichtbaar, al
+wordt hij later wel eens opnieuw aangeknoopt.
+
+Dat de bewoners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen in
+woonden; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het Dietsch onmiddellijk
+paalde aan het Fransch, was oorzaak dat Fransche taal en letterkunde te
+onzent gemakkelijk ingang konden vinden.
+
+Dien aanwas van zelfstandigheid tegenover Duitschland, waarbij de
+invloed van Frankrijk zich doet gevoelen, zullen wij nu in de
+geschiedenis, onzer letterkunde gaan beschouwen.
+
+De eenheid dezer landen met het overig Nederduitschland vertoont zich
+ook in die scharen van Vlaamsche en Hollandsche kolonisten, welke in de
+11de en 12de eeuw een deel van Nederduitschland bevolkt en er zeker toe
+bijgedragen hebben daar het gevoel van eenheid met de bewoners der lage
+landen levendig te houden. Echter moet dat gevoel van eenheid te onzent
+sterker geweest zijn in het zuiver Germaansche Noorden dan in het
+Zuiden, dat een tweetalig land was. Dit verschil tusschen Noord- en
+Zuid-Nederland moeten wij hier al aanstonds op den voorgrond brengen.
+
+Zuid-Nederland was verdeeld in Dietsche en Waalsche gewesten of zulke
+die Dietsche en Waalsche elementen in zich vereenigden. Vlaanderen,
+Brabant, Limburg waren in hoofdzaak Dietsche gewesten; Artois, Kamerijk,
+Henegouwen, Namen en het land van Luik bijna uitsluitend Waalsche.
+Echter deed zich in Vlaanderen de politieke invloed van Frankrijk sterk
+gelden; Brabant hing nauwer met Duitschland samen; Limburg had wel het
+meest recht op den naam van: grensland.
+
+Tegenover de Fransch (Walsch) sprekenden voelden de Dietsch-sprekenden
+zich n. Reeds in VELDEKE'S _Leven van Sint Servaes_ worden "Dutschen
+ende Walen" tegenover elkander gesteld[4], Maar niet z scherp stonden
+zij tegenover elkander, of de meerdere geestesbeschaving en kunstzin van
+het Fransche volk oefenden hare bekoring en haren invloed op de minder
+ontwikkelde bewoners dezer grenslanden, voorzoover zij Fransch
+verstonden. Ook in de literatuur zal dat blijken. Terwijl te onzent,
+zooals wij gezien hebben, nog geene nationale letterkunde bestond, had
+de kunst van het woord in Frankrijk reeds tal van voortreffelijke of
+belangwekkende werken voortgebracht. Kort vr of na den eersten
+Kruistocht waren de oudste _Chansons de geste_ reeds gedicht: de
+grootsche _Chanson de Roland_, de indrukwekkende _Lorreinen_, barbaarsch
+als de Roodhuiden, de bloedige _Raoul de Cambrai_, _Girart de
+Roussillon_, een deel van den _Guillaume d'Orange_, de _Aiol_. De
+aanvang der 12de eeuw bracht het ontstaan van het hoofsche ridderdicht
+("pope courtoise") en dat der lyriek. Vr het midden dier eeuw waren
+de meeste verhalen, die de onderscheidene "branches" van den _Roman du
+Renart_ vormen, reeds voor de eerste maal opgesteld[5].
+
+Ook de Duitschers konden, lang vr het ontwaken der literatuur te
+onzent, op menig werk van beteekenis wijzen; behalve de vroeger genoemde
+dichtwerken hadden zij reeds: het Walthari-lied, EZZO'S lied over de
+Wonderen van Christus, een gedicht over Koning ROTHER. Die nationale
+literatuur, in hoe menig opzicht ook zelfstandig en oorspronkelijk, kon
+zich echter niet onttrekken aan den invloed der Fransche literatuur, die
+toen reeds den toon aangaf. De _Alexander_ van PFAFFE LAMBRECHT en het
+_Rolands-lied_ van PFAFFE KONRAD waren reeds in de eerste helft der 12de
+eeuw uit het Fransch vertaald; in de tweede helft dier eeuw zou de
+vertaling eener branche van den _Roman du Renart_ volgen en de Fransche
+lyriek de ontwikkeling der Duitsche bevorderen.
+
+Het is waarlijk niet vreemd dat wij dezen invloed van Frankrijk op
+Duitschland kunnen waarnemen ook in het land, dat meer dan eenig ander
+een schakel tusschen hen vormde: Limburg. Omstreeks 1170 werd binnen of
+bij de grenzen van dat land de bekende geschiedenis van FLORIS en
+BLANCEFLOER bewerkt in een dialect, dat misschien oorspronkelijk zuiver
+Limburgsch geweest is of althans met evenveel recht tot het Nederlandsch
+als tot het overige Nederduitsch kan gerekend worden[6]. Het is den
+schrijver dezer bewerking, die een Fransch voorbeeld volgde, blijkbaar
+slechts om het verhaal te doen geweest; reflexie is, naar het schijnt,
+afwezig. Zijn verhaaltrant is uiterst beknopt en zaakrijk, sober maar
+droog; van de aandoening die dit liefelijk verhaal in latere dichters
+zou wekken, is hier weinig te bespeuren. Taal en stijl van dit gedicht
+zijn nog onbeholpen; de korte zinnen, en de hortende verzen waarin
+dalingen niet zelden ontbreken, met hunne onzuivere rijmen, wijzen op
+geringe technische vaardigheid.
+
+Veel duidelijker dan in dit gedicht vertoont zich de invloed der
+literaturen van Frankrijk en Duitschland op de ontwikkeling der onze in
+het werk van HEINRIC VAN VELDEKE.
+
+In de pozie van dezen Limburgschen edelman uit de buurt van Maastricht
+vinden wij de onderscheiden elementen vereenigd, welke wij hier
+achtereenvolgens hebben leeren kennen: hij legt den band tusschen de
+Latijnsche literatuur en de nationale door zijne omwerking van een
+Latijnsch heiligenleven tot het Limburgsch _Leven van Sint Servaes_; uit
+het Fransch vertaalt hij een riddergedicht over ENEAS in zijne
+moedertaal, waaruit het weer in het Middelhoogduitsch wordt overgebracht
+(_Enet_); in het Limburgsch dicht hij, onder den invloed der Fransche
+(Provenaalsche) lyriek een dertigtal minneliederen die eveneens in het
+Middelhoogduitsch worden vertaald. Zoowel zijne _Enede_ als zijne
+minneliederen hebben groote beteekenis gehad voor de ontwikkeling der
+Middelhoogduitsche epische en lyrische pozie.
+
+Van zijn leven is ons weinig bekend. Hij schijnt op een of andere wijze
+in betrekking te hebben gestaan tot den geestelijken stand en het
+klooster van SINT SERVAES; blijkbaar kende hij behalve de Fransche ook
+de Latijnsche literatuur, o.a. de _Aenes_, de _Metamorphosen_ en het
+epos van STATIUS[7]. Hij ondernam c. 1171 de bewerking der _Vita_ van
+den H. Servatius op verzoek van gravin AGNES VAN LOON en van zekeren
+kanunnik HESSEL, "die doen der costeryen plach." Hij heeft in
+Duitschland gereisd, was omstreeks 1175 aan het hof van Kleef en gaf
+zijn onvoltooide _Enede_ daar te lezen aan gravin MARGARETA, de bruid
+van LODEWIJK III, landgraaf van Thringen. Zijn handschrift werd hem
+ontstolen en eerst veel later terug bezorgd, zoodat de voltooiing der
+_Enede_ waarschijnlijk kort vr 1190 heeft plaats gehad. In
+Duitschland zal hij kennis gemaakt hebben met de daar bestaande
+nationale literatuur, o.a.: het _Anno-lied_, LAMPRECHT'S _Alexander_,
+KONRAD'S _Rollands-lied_; ook de Duitsche sagen van dien tijd kunnen hem
+niet vreemd zijn gebleven. Zijne minneliederen dagteekenen misschien uit
+denzelfden tijd als zijne _Enede_. Ook heeft hij nog een gedicht van
+"Salomon en de Minne" geschreven, dat ons slechts uit eene aanwijzing
+van een Duitsch dichter bekend is[8].
+
+Indien "meyster HEINRIC" begonnen ware met minneliederen te dichten,
+vervolgens de hand geslagen had aan een ridderroman waarvan de minne
+schering en inslag is, en daarna, ouder en ernstiger geworden, getracht
+had door middel van een heiligenleven goed te maken wat hij misdreven
+had met het dichten dier wereldsche pozie--dan zou hij gedaan hebben,
+wat na hem door tal van andere Nederlandsche dichters gedaan is. Die
+gang van zaken zou bovendien in overeenstemming zijn geweest met wat de
+gewone levenservaring ons leert. Naar het schijnt, heeft het
+tegenovergestelde plaats gehad: is hij begonnen met de bewerking van een
+heiligenleven, om zich daarna tot minnepozie en ridderverhaal te
+wenden. Zoolang deze voorstelling niet door nieuwe feiten aangetast is,
+zullen wij ons er aan moeten houden.
+
+Daar zoowel _Sinte Servatius Legende_ als de _Enede_ bewerkt zijn, de
+eene naar een Latijnsch, de andere naar een Fransch voorbeeld, komt het
+er bovenal op aan, het karakter dezer bewerkingen te leeren kennen. Over
+het algemeen volgt VELDEKE zijne Servatius-legende, die hij telkens
+aanduidt als "die vite", op den voet[9]. De letterkundige waarde dezer
+bewerking is gering en herinnert ons dat wij bij den aanvang van de
+ontwikkeling onzer literaire kunst staan. De gebrekkige uitdrukking, de
+afgebroken zinbouw, de stootende verzen met hun drietal heffingen doen
+ons denken aan de oude volkspozie. In eene periode als:
+
+ Alle die vergaderinghen
+ Al weynende dat sij songhen
+ Met luder stemmen: Osanna!
+ Doen was vroude ende yamer da,
+
+meent men een nagalm te hooren van deze verzen uit het
+Lodewijkslied:
+
+ Joh alle saman sungun
+ "Kyrieleison".
+ Sang was gisungan
+ Wig was bigunnan.
+ Enz.
+
+Beelden en vergelijkingen zijn schaarsch en over het algemeen
+onbeduidend. In een paar dier vergelijkingen bespeuren wij eenige
+aandoening. Zoo b.v. in deze uit het eerste boek:
+
+ Daer nae sprack der heilighe man,
+ --Die salighe diet ghemercken can--
+ "Men mach in menghen synnen
+ "Gods heerscapie bekennen,
+ "Sijne ghenade ende sijne ghewalt.
+ "Ghij siet wale wie der wynter kalt
+ "Die eerde bevroret
+ "Ende haer vrocht testoret
+ "Ende tewrijvet ende verkeert;
+ "Ende als hij dan henne veert,
+ "Ende der somer aen gheyt,
+ "Dien alle die werelt gherne ontfeyt,
+ "Ende daer toe alle creatueren,
+ "Eyn yeghelijck nae sijnre natueren,
+ "Verhoghen sich ende vervrouwen.
+ "Allen die Gode ghetrouwen
+ "Ende doer hem lijden arbeit,
+ "Dien gheeft hij grote rijcheit,
+ "Woninghe in hiemelrijck
+ "Ende vroude ewelijck."
+
+Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en daar op de
+overeenkomstige plaats lezen: "en", ait "quomodo verna temperies redit
+post hiemem, sic post mortem orietur beatis requies", dan zien wij dat
+VELDEKE'S verdienste hierin bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel
+van zijn voorbeeld op zelfstandige wijze heeft uitgebreid[10].
+
+Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van aandoening zich
+in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals b.v. in de visioenen,
+wordt die verwachting niet vervuld[11].
+
+Toen VELDEKE zijn _Leven van Sint Servaes_ bewerkte, gevoelde hij zich
+een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak van den heiligen
+man bij God; die hoopte dat zijn werk ter eere Gods zou strekken[12].
+Maar de levensgeschiedenis van den heilige moge hem hebben gesticht, zij
+heeft noch zijn gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was
+dat met de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch
+dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman[13].
+
+Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze waarop hier de
+liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk motief is gebruikt en de
+groote plaats die de ontleding van het gansche gemoedsleven, van de
+hartstochten en vooral van de liefde hier inneemt. Deze opvatting der
+liefde was iets nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken
+viel die niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der
+vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch anders was
+dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen die TACITUS in de
+Germanen sterker troffen dan juist hun achting voor de vrouwen, hun
+eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid bij hen in eere was en dat de
+vrouw in het huwelijk stond als eene gelijke tegenover den man. Door de
+opkomst van het ridderwezen, eene Germaansche instelling, was dit gevoel
+van eerbied jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich,
+vooral in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd.
+
+In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht bij
+uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd, fijn. Het is
+een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld en in eigen trant het
+eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch al heeft hij een voorbeeld
+gevolgd, hij was geenszins louter vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd
+of veranderd, weggelaten of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de
+juistheid der uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te
+verduidelijken; ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid of eigen
+smaak te bevredigen[14]. Verscheidene didactische uitweidingen,
+overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft hij laten vervallen.
+Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000 verzen meer dan het
+oorspronkelijke. Die grooter omvang is toe te schrijven vooral aan de
+wijdloopigheid van den bewerker, die zich openbaart o.a. in het
+uitspinnen van monologen en van gevechten, ook in de beschrijving van
+zielstoestanden. Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont
+VELDEKE menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl zijn
+smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo b.v. waar hij
+ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS "toe Icnjen in her hs" bezocht.
+Een viertal verzen van het oorspronkelijk gedicht zijn in de bewerking
+uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men hier met recht van VELDEKE'S werk
+mag spreken:
+
+ grt ende gr was her dat hr
+ end harde verworren--
+ dat wir wale spreken dorren--
+ alse eines perdes mane.
+ die frouwe hadde ane
+ vele onfrouwelch gewant.
+ ein boech hade s an der hant.
+ dar ane sach s ende las.
+ doe schoude s Enas.
+ He marcde s rechte.
+ dat mies [Zijnoot: mos.] lockechte
+ hiene her t den ren.
+ s enmochte niet gehren,
+ et enwre, dat man riepe.
+ her ougen stonden er diepe
+ onder den ouchbrwen,
+ langen ende grwen,
+ die d vore hiengen--
+ end her ter nase giengen,
+ grouwelch was her lf:
+ hem enwart nie wf
+ als wonderlich kont.
+ swart ende kalt was her der mont.
+ s sat in den gebre,
+ alse er leven wre
+ n alre slachte wonne.
+ die tande stonden er donne [Zijnoot: dun (geplant).]
+ end wrn her lanc ende gele.
+ her was der hals end die kele
+ swart end gerompen [Zijnoot: gerimpeld.].
+ s selve was geskrompen
+ in bsen gewande.
+ her arme end here hande
+ waren dern ende vel[15].
+
+
+Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naef kunstenaar
+met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder den indruk en tracht
+dien zoo goed mogelijk weer te geven; er is wel goede grondstof, er zijn
+wel goede deelen van een beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen.
+Telkens springt hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of
+wordt zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht
+moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde
+paardemanen--de vergelijking raakt volgens VELDEKE blijkbaar de grens
+der kieschheid--een blik op het onvrouwelijk gewaad; zij had een boek in
+de hand; nu weer de dtails: vlokken mos (haar) hingen haar uit de
+ooren, diepliggende oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan
+plotseling een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna
+terugkeer tot de dtails: de mond was zwart en koud; wer een algemeene
+indruk: hare houding gaf te kennen dat zij geenerlei vreugde kende; zoo
+gaat het voort.
+
+Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat VELDEKE'S
+invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden naar het schijnt
+zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker.
+
+Duidelijker nog dan in zijne _Eneide_ blijkt die aanleg in het dertigtal
+minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche hoofsche lyriek
+gedicht.
+
+In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en uitdrukkingen
+blijven deze liederen binnen den kring van den conventioneelen
+vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld en zich daar en
+elders deed gelden, zoowel in eene min of meer kunstmatige werkelijkheid
+als in de pozie.
+
+De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw die hij wenscht,
+wordt voorgesteld als een _dienst_: zij is de meesteres, hij de dienaar.
+Telkens is ook in deze liederen sprake van _dienen_ en _dienst_. De
+minne wordt verheerlijkt:
+
+ Von minne kumet uns allez guot:
+ diu minne machet reinen muot.
+ Waz solte ich sunder minne dan?[16]
+
+
+De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar
+toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide
+seksen (het "umbevn") wordt dorperlijk genoemd:
+
+ Wie mohte ich dat fr guot entstn,
+ dat h m dorpelche bte
+ dat h m muoste al umbevn?[17]
+
+vraagt eene vrouw, die--naar de gewoonte in deze minnepozie--sprekend
+wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam moet de minnaar zorg dragen;
+daarom mag hij zijne liefste niet in het openbaar noemen; daarom ook
+moet hij haar en zich hoeden tegen de booze tongen de ("rueger" en
+"nider") [18]. Niet zelden begint een lied--ook dat was conventioneel
+geworden, maar conventie waarin waarheid schuilt--met een klein
+natuurschetsje of een trek uit het natuurleven; hetzij om
+overeenstemming, hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en
+gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al dadelijk in
+het eerste lied:
+
+ Ez sint guotiu niuwe mre,
+ daz die vogel offenbre
+ singent d man bluomen siet.
+ Zuo den zten in dem jre
+ stuende wol daz man fr wre:
+ leider des enbin ich niet[19].
+
+
+Overeenstemming treft men aan in verzen als deze:
+
+ Ez tuont die vogele schn [Zijnoot: toonen.]
+ daz si die boume sehent gebluot [Zijnoot: bloeiend.].
+ ir sanc machet mir den muot
+ s guot daz ich vr bin
+ noch trric niht kan sn[20].
+
+Maar niet z vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst of de
+natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge dorperlijk zijn naar het
+"umbevn" te verlangen, deze minnaar doet wat hij niet laten kan:
+
+ ich bat sie in der kartten
+ daz si mich mese al umbevn[21].
+
+en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind,
+hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet:
+
+ Swer den vrouwen setzet huote [Zijnoot: bewaking.],
+ der tuot daz bele dicke stt.
+ vil manic man der treit die ruote [Zijnoot: draagt de roede.]
+ da er sich selben mite slt[22].
+
+Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen:
+
+ geschihet mir als deme swan,
+ der singet als er sterben sal,
+ s vliuse [Zijnoot: verlies.] ich ze vil dar an[23].
+
+Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting
+kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in Limburg bekend
+zijn geworden, noch of zij ook in andere deelen dezer landen verbreid
+zijn en invloed hebben geoefend op de zich daar ontwikkelende
+literatuur. Wij komen op die vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds
+zeggen, dat wij voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend
+bewijs hebben. Ten opzichte der _Eneide_ verkeeren wij in iets gunstiger
+omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijne _Historie van
+Troyen_, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO, zegt: "Oec ist
+gedicht in Duytsche woert"[24]. Het is mogelijk, dat hij hier het oog
+heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder nader bewijs mogen wij dezen
+regel natuurlijk niet als beslissend beschouwen.
+
+Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op de ontwikkeling
+der Nederlandsche letterkunde gering geweest; in allen gevalle op verre
+na niet zoo belangrijk als op die der Hoogduitsche literatuur. Voor tal
+van Middelhoogduitsche dichters is VELDEKE'S werk, met name zijne
+_Eneide_, een voorbeeld geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn
+dichterlijk verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der
+epische minnepozie en minstens eene eeuw lang wordt hij door Duitsche
+dichters gelezen en geprezen, ook door de grootsten onder hen als
+WOLFRAM VON ESCHENBACH, den duister-verhevene en den beminnelijken
+GOTTFRIED VON STRASSBURG[25].
+
+VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, die reeds zekere
+mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de kunstpozie dier
+dagen. In die pozie is een Nederlander de Duitschers vrgegaan. Naast
+die kunstpozie echter bestond in Duitschland eene nationale verhalende
+volkspozie. Gedeeltelijk was deze, in den tijd waarvan wij spreken,
+reeds onder den invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende
+heldendichten _Nibelungen_ en _Gudrun_ leveren daarvan het bewijs en
+toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander deel dezer
+volkspozie was vrij gebleven van dien invloed van het hoofsche epos.
+Die soort van pozie vinden wij vertegenwoordigd in een aantal
+verhalende gedichten, meerendeels In het laatst der 12de eeuw gemaakt en
+voor een deel afkomstig uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten
+onder den naam: _speelmanspozie_, omdat zij zwervende dichters en
+voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten een
+speelman op den voorgrond. De meest bekende zijn: _Orendel, Salman und
+Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald_. Alle herinneren door hun inhoud en
+hun trant min of meer aan een vroeger gedicht van dezen aard: de
+geschiedenis van _Koning Rother_, al beweegt dat verhaal zich in hooger
+sfeer dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den
+historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij hier dan ook
+telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen. Het verhaal dier
+tochten naar verre landen geeft den dichters natuurlijk ruimschoots
+gelegenheid hunnen hoorders allerlei vreemds en wonderbaarlijks voor
+oogen te brengen; vooral het verhaal van Hertog ERNST is met dat
+wonderbare vervuld. Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen,
+gewoonlijk in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten
+kon[26].
+
+Hier staat de Nederlandsche pozie tegenover de Hoog- en Nederduitsche
+in eene andere verhouding dan bij VELDEKE: dr was het onzerzijds
+_geven_, hier _nemen_. Beide boven aangewezen soorten van volkspozie
+vinden wij te onzent vertegenwoordigd: het volksepos onder den invloed
+der hoofsche ridderpozie in eene vertaling der _Nibelungen_; de
+speelmanspozie in het gedicht _van den Bere Wisselau_ en misschien ook
+in dat _van Sinte Brandaen_.
+
+In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het eerst kennis
+gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag moeten wij het antwoord
+schuldig blijven. Dat er geen grond bestaat om den bewoners dezer landen
+een aandeel toe te kennen in de _vorming_ van het Oudgermaansch
+heldendicht, hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk
+niet opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van die _elders
+ontstane_ heldenpozie of heldensage kan hebben gedragen.
+
+Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10de eeuw en in
+den _Reinaert_ vermelde, koning HERMENRYC de bekende Gotenkoning der
+heldensage is[27]. Ook weten wij dat de abdij van Egmond reeds in de
+11de of in het begin der 12de eeuw een exemplaar van het _Walthari-lied_
+heeft bezeten[28]. Weliswaar was het slechts een Latijnsche vertaling
+waarin dat heldendicht tot ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het
+aantrekkelijk hebben gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen
+gevalle mag men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een
+bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage.
+
+Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het Zuidoosten,
+Nibelungen-liederen gekend, vrdat het, later uit die liederen
+ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald? Die vraag hangt samen
+met het vraagstuk van den ouderdom dier vertaling. Volgens de meeste
+Duitsche geleerden is het epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en
+dat het voorbeeld is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan
+1205[29]. Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijn _Leven van Sint
+Servaes_ spreekt van ATTILA als "Bodelinghes son" [30]; deze vadersnaam
+komt ook in de _Nibelungen_ meer dan eens voor. Was VELDEKE nu met dezen
+naam bekend geworden door de _Nibelungen_ of kende hij dien van elders?
+Dat hij dien naam in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen
+der heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij in de
+_Enede_ spreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft, naar het
+schijnt, eerst na het dichten van den _Servaes_ in Duitschland gereisd.
+
+Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien Nibelungen-liederen
+in omloop zijn geweest, is dit: nog in de 15de eeuw vinden wij den
+melkweg in een Geldersch-Kleefsch woordenboek genoemd: _Ver Broenelden
+strait_[31].
+
+Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken naam niet op
+langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage? Is het wel aannemelijk dat
+een dergelijke naam in zwang zou kunnen komen door den invloed eener
+schriftelijke vertaling en moet hier niet veel eer gedacht worden aan
+den gestadigen invloed eener mondelinge overlevering?
+
+Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied in het
+Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling der Duitsche
+geleerden juist is, dat deze vertaling n 1205 is vervaardigd[32]. Hoe
+lang na 1205? Dat is niet met een jaartal aan te geven. Doch er bestaat
+reden om te gelooven, dat onze vertaling in de eerste helft der 13de
+eeuw is gemaakt. De populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over
+de grenzen dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de
+fragmenten der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13de
+eeuw te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werk
+_Alexander_ den vernederlandschten naam van ATTILA: _Ettel_ gebruikt en
+in zijn _Spiegel Historiael_ dien van _Diederic van Berne_, mag doen
+vermoeden dat hij deze namen misschien uit de vertaling der _Nibelungen_
+heeft leeren kennen.
+
+Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten over, elk van
+72 verzen, die een gedeelte der 16de en een gedeelte der 17de Aventiure
+van het oorspronkelijk epos behelzen. Of men het gansche gedicht
+vertaald heeft, moet dus onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het
+genoemd hebben. Dat men van het _Nevelingen-lied_ of van de _Nevelingen_
+zal hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds in de
+13de eeuw eene gansch andere beteekenis had (_neef_ of _verwant_).
+
+Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te vragen naar het
+karakter der vertaling en de wijze waarop de vertaler zich van zijne
+taak heeft gekweten[33].
+
+Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne verzen zijn
+vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme van het origineel
+weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis van het Duitsch belemmerde
+hem in zijn werk als een blok aan het been. Waar hij een woord of een
+vers niet begreep, liet hij het weg, of--erger--verving het door een
+stoplap als: "dat doe ic u verstaen" en "dies was hi wel blide". Aan
+zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven, dat,
+vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal hier en daar
+onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid van het jachttooneel
+heeft bij de overbrenging geleden; voor het krabben en bijten van den
+beer dien SIEGFRIED vangt, heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog
+ook voor SIEGFRIEDS rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het
+goede zwaard BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht
+over KRIEMHILDE'S droefheid:
+
+ ir hetet mn vergezzen, des mag ich wol jehen,
+ d ich d wart gescheiden von mme lieben man.
+ "daz wolde got" sprach Kriemhilt, "waer iz mir selber getn".
+
+zijn weergegeven door het onbeteekenende:
+
+ Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen.
+
+Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden man te
+laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking.
+
+Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin als van de
+auteurs van _Wisselau_ en _Brandaen_. Dat is geen toeval, maar in
+overeenstemming met het onpersoonlijk karakter der volkspozie, in
+tegenstelling met de bekendheid van de auteurs der meer individueele
+kunstpozie. Indien wij echter in aanmerking nemen dat in het laatste
+couplet van het tweede fragment de geestelijke tint bij de overzetting
+vrij wat sterker is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een
+geestelijke voor den bewerker te houden.
+
+Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaal _van den
+Bere Wisselau_ heeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot speelman
+verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of goliarden, gelijk
+er in de 12de en 13de eeuw zoovele rondzwierven: arme schooiers, tuk op
+een goeden maaltijd, en als GARGANTUA in extaze gerakend "au seul son
+des pintes et flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was
+
+ in taberna mori,
+ ubi vina proxima
+ morientis ori
+
+wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk:
+
+ "Deus sit propitius
+ isti potatori".
+
+Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de rechte
+speelmanspozie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud van het gedicht
+kan dat blijken[34].
+
+Het begin van het fragment brengt ons naar het land van den reuzenkoning
+ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning KAREL is juist met zijne
+"genooten" op een schip aangekomen. Onder zijn gevolg is een reusachtige
+beer, Wisselau genaamd, die zekeren GEERNOUT als zijn meester
+gehoorzaamt. Een reus die de wacht aan het strand houdt, wordt door
+Wisselau gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne
+vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke beren in het
+schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN koning KAREL en de
+zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt Wisselau een rok van vier
+kwartieren aan, dien hij voor hem had laten snijden ter gelegenheid van
+een hoffeest te Aken en volgt met den beer de overigen. Als zij aan
+ESPRIAANS burcht komen, loopt de portier op het zien van Wisselau
+jammerend van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de "gargoensche
+tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de keuken
+moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in den soepketel
+werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen, om de reuzen nog meer
+schrik aan te jagen. Dat geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal
+binnenvliegen om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL
+gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken last.
+ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer op zijn zetel.
+Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt hij rond, zoodat de
+reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken klimmen. De reuzenkoning smeekt
+GEERNOUT om hulp en deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn
+gargoensch zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden;
+Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling
+geindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den kleinen
+man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er niets meer te eten is;
+ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordt boos en schudt zich, zoodat de
+kostbare knoopen van zijn rok springen. Daarna werpt hij den rok op het
+vuur en gaat er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een
+jonker! Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op te
+staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den beer. Een
+maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men beraadslaagt over het
+nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT
+denkt er over hoe hij koning KAREL en zijne gezellen behouden weer uit
+het reuzenland zal brengen.--Daar eindigt het fragment.
+
+De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders[35], ESPRIAAN of
+ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt genoemd, is een
+ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het gedicht van koning ROTHER
+voorkomt als koning van het verre reuzenland. In eene Noorsche sage
+bevindt hij zich onder het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand
+eener Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie
+broeders: WIDOLF "mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD. WIDOLF (elders
+WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens zijne wildheid aan een keten
+meegevoerd; want, laat men hem los, dan slaat hij met zijne ijzeren
+stang woedend om zich heen.
+
+Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch
+fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot in een gevecht van den
+held van BERN en ATTILA tegen koning OSANTRIX, is door WIDOLFS stang
+neergeslagen, door den vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop
+doen WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens
+voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den gevangene door list
+te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene berenhuid naaien en wordt zoo
+door zijn gezel bij den halsband geleid. In 's konings hof aangekomen,
+slaat ISUNG meesterlijk de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn
+beer, dien hij _Vizleo_ (Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen.
+OSANTRIX wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op eene
+schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote menigte, zestig
+groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De koning is ook aanwezig,
+vergezeld door zijne dienstmannen, onder welke zich de geboeide WIDOLF
+bevindt, geleid door zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt
+den grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood.
+Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los en brengt hem
+een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft de berenhuid maar stuit
+af op de "bronie" (malinkolder) daaronder. Als OSANTRIX dan naar de
+zijnen wil terugkeeren, rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den
+speelman, loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen de
+reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat hen. WIDGA wordt
+bevrijd en keert terug tot THIDRIK.
+
+In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante van den beer, Thor
+schuilt en het berengevecht eigenlijk een strijd van zomer en winter
+moet voorstellen, is voor ons van minder gewicht. Duidelijk blijkt
+echter uit het voorgaande de samenhang van het Nederlandsch gedicht met
+andere, ook tot pozie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke
+verhalen moet de dichter van den _Wisselau_ gekend hebben; daar heeft
+hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in eigen trant zijn
+bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning ROTHER was in de Rijnlanden
+ontstaan en de herinnering aan den geketenden beer leefde daar ook in
+liederen als dat "von dem belen wbe" voort. Naar de oostelijke grenzen
+wijst ons dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de
+vorm van den naam _Wisselau_, die in het Nederlandsch _Wittelau_. zou
+moeten luiden[36]. In het oosten of zuidoosten des lands zal dit
+speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijk kort na den tijd, waaruit
+ook de Duitsche speelmansgedichten dagteekenen--, nl. het laatst der
+12de of den aanvang der 13de eeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds,
+want in zijn _Spieghel Historiael_ laat hij er zich afkeurend over uit.
+Tot tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in hunne
+pozie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere gedichten van dien aard
+vermeldt hij ook "van bere Wisslau die saghe" en
+
+ Van bere Wisslau die snodelhede [Zijnoot: onwaardige, armzalige dingen.]
+ ende meneghe favele groet ende cleine[37].
+
+MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden,
+dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap
+bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet
+behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een
+dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest
+en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant,
+dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden
+met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe
+ook de "Sarrasijn" behoorde, "die voor mijn here speelde met
+eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14de eeuw
+gewag maakt[38].
+
+Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger als
+MAERLANT zich ver verheven.
+
+De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen lachen;
+gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook van _lachen_ en _scop_
+(scherts) spreken. Die grappen waren niet van het fijnste soort; dat kan
+men verwachten: een beer, potsierlijk uitgedost in zijn rok met
+kwartieren als in een ridders wapenrok; een kok, gekookt in zijn eigen
+soepketel; een angstige portier, roepend, schreeuwend: "o wi, o wach!";
+schenkers en drossaten die, hals over kop, een zaal komen
+binnenvluchten, zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te
+verantwoorden hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik
+gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als hij zich
+schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht zoekend; een
+reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken gast
+loerend--alles gruwzaam of grof, doch niet zonder zekere ruw-komische
+kracht en wel geschikt om de ruige lippen van ruwe poorters en boeren te
+plooien tot een breeden lach.
+
+Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als de meeste zijner
+gildebroeders; hij bekommert zich weinig om de overgangen in zijn
+verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken volzinnen als met vlugge
+schokjes voortspoedt met veronachtzaming zoowel van de maat der verzen
+als van de zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend
+hebben, zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er
+onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden, geboeid
+worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter; op dit publiek, tot
+hetwelk de dichter zich meer dan eens richt, was alles berekend. Geen
+wonder voor wie in het oog houdt, dat deze dichters van hunne kunst
+leven moesten.
+
+Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook het gedicht
+_van Sente Brandane_ zich gericht hebben. Deze BRANDAEN was abt van een
+Iersch klooster. Eens zat hij te lezen in een boek dat allerlei verhalen
+van wonderen bevatte. Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en
+wierp het boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot
+straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet scheep gaan
+en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne tochten zien zij zooveel
+wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht vergaat. Nu mag hij naar
+zijn klooster terugkeeren en sterft kort daarna.
+
+De kern van dit verhaal is reeds in de 10de eeuw te vinden in een
+Latijnsche legende: _Peregrinatio Sancti Brandani Abbatis_ en werd later
+in verscheidene Europeesche talen, zoowel in proza als in pozie,
+bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen 1173-1180 aan den
+Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en misschien niet lang daarna in
+het Nederlandsch vertaald[39].
+
+Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben, kan niet
+betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins op de hoogte is
+van deze soort pozie. Evenals in den _Oswald_ en den _Orendel_ hebben
+wij hier eene half-ascetischen half ridderlijken zeetocht (de _Brandaen_
+spreekt van "recken"); vooral in het gedicht van _Hertog Ernst_ vinden
+wij tal van wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen:
+zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels; het
+prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde dieren; de menschen, met
+zwijnskoppen en kranenhalzen, in zijden gewaden, gewapend met bogen; de
+vermelding der Pygmeen. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont,
+vindt men weer in het verhaal van _Sint Oswald_.
+
+Dat ook in den _Brandaen_ drossaten en schenkers voorkomen, die
+veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat ze in honderd
+jaren geen droppel water binnen krijgen, is een der vaste trekken van de
+speelmanspozie[40]. Het was een onschuldige wraakneming der speellieden
+op degenen die hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en
+droog hadden voorzien.
+
+Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen, welke men niet
+vindt in een der drie Duitsche bewerkingen die voortgekomen zijn uit het
+oorspronkelijk Nederrijnsch gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de
+merkwaardige ontmoeting van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat
+door den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaal vindt
+men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS. In de eerste legende
+is sprake niet van het hoofd doch van het gansche lichaam van een
+gestorven heidenschen reus; in de tweede van een reuzenhoofd. Beide
+reuzen laten zich doopen. In dat laatste opzicht nu geeft de
+Nederlandsche bewerking ons iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het
+reuzenhoofd voor, zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij
+vreest zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en
+zondigde hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger
+gestraft worden. En dus, zoo besluit hij:
+
+ willic weder varen
+ Te mijnre aermer scaren
+ In die deemsternesse [Zijnoot: duisternis.] [41].
+
+Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker, bij deze
+vermoedelijk van hem afkomstige passage, aan den Frieschen koning
+RADBOUD gedacht heeft, die door den apostel WULFRAN gedoopt zou worden.
+Immers, als deze heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de
+plaats der helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de
+doopvont terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan met de
+Christenen in den hemel verblijven[42]. Opmerkelijk mag ten slotte
+heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking op een paar plaatsen een
+komisch element aantreffen, waar dat in de drie ons overgebleven
+Duitsche bewerkingen ontbreekt. Ook dat getuigt dat wij hier het werk
+van een speelman voor ons hebben[43].
+
+Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht is ons
+duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en zouden er nieuwe
+kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende grond aanwezig om aan te
+nemen, dat het uit het Duitsch vertaald is en met de vertaling der
+_Nibelungen_ en het gedicht _Van den Bere Wisselau_ dagteekent uit het
+laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw. Ook de twee laatstgenoemde
+werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de literatuur van
+dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking van het overig
+Duitschland te toonen.
+
+Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond. Wel dient de
+aandacht te worden gevestigd op het gewicht van feiten als de vertaling
+van _Nibelungen_ en _Brandaen_, als de bewerking van _den Bere
+Wisselau_. Want uit dat overbrengen van de eene taal in de andere
+blijkt, dat de bewoners dezer landen zich een ander volk voelden dan de
+overige Duitschers; het gedicht _van den Bere Wisselau_, zelfstandige
+bewerking van Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger
+mate.
+
+Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk van
+Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst, zouden zij
+steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden dat vooral doen, nadat
+Brabant en Vlaanderen op den voorgrond waren getreden en Limburg op den
+achtergrond was geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral
+Vlaanderen de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij
+daarmede begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling der
+_Nibelungen_ misschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties
+van den _Brandaen_ in het oosten des lands of elders gemaakt?
+Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke MAERLANT in
+n adem noemt met de "sage van den bere Wisslau", uit denzelfden tijd
+als de _Wisselau_?
+
+Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn wij vooralsnog
+niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag men misschien: "ja"
+antwoorden of: "het is waarschijnlijk."
+
+Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige Duitschers
+moesten losmaken, vrdat er sprake kon zijn van hunne ontwikkeling tot
+een zelfstandig volk en ook: dat de hier aanwezige kiemen van
+nationaliteit beter bodem vonden in het verder van Duitschland af, en
+aan zee gelegen, Vlaanderen, dan in het grensland Limburg.
+
+In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de 13de eeuw, op
+welker drempel wij nu staan, eene half-internationale, half-nationale
+kunst groeien en bloeien.
+
+Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden zij zich
+ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S _Kerkgesch._,
+II, 1, bl. 7 volgg.
+
+[2] Vgl. MAERLANT'S _Spiegh. Historiael_ (edd. DE VRIES en VERWIJS),
+III, bl. 366.
+
+[3] MOLL, t.a.p.
+
+[4] Zie I, 1116. Zie ook I, 682-3: "In ebreuschen, in dietschen || In
+walschen ende in vriesschen". Vgl. ook _Roman van Torec_, vs. 2556:
+"Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den _Rinclus_, vs. 602
+_walsch_ en _vriesch_ tegenover elkander gesteld.
+
+[5] Vgl. _Hist. de la langue et de la Littrature franaise...._ sous la
+direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100-101), 171
+en L. SUDRE, _Les sources du Roman de Renart_, p. 341.
+
+[6] Vgl. SCHERER, _Gesch. der D. Lit._, S. 143-4; PIPER,
+_Spielmannsdichtung_, II, 299; _Grundriss der German. Phil._, II, 1,
+258. Uitgegeven door STEINMEYER in _Z.f.d.A._, 21, Bd. S. 307 flgg.
+STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche tint
+gegeven heeft.
+
+De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd, waaruit
+no. 1 en no. 2 der door ED. DU MRIL uitgegevene redactie's zijn
+voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking, vs.
+2315-3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen zijn echter op vele
+plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S raming van het geheel (c. 3700
+verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S bewerking die veel uitvoeriger
+is, telt er slechts 3980.
+
+[7] Dat hij zich "ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal wel
+eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor stelt hij
+zich zelven tegenover de "ongheleerde luden". Vgl. bovendien het Latijn
+in den proloog en eene plaats als II, 944-946.
+
+[8] Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de Inleiding
+tot BEHAGHEL'S _Eneide_. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken wat Prof
+J.H. KERN mededeelt in _Museum_ 1900, bl. 213-218. Overigens nog
+BORMANS' Inleiding op _Sint Servatius Legende_.
+
+[9] VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven van S.
+SERVAES, dat men vindt in de _Gesta pontificum Tungrensium Trajectensium
+et Leodiensium_ in de 10e eeuw samengesteld door den abt HARIGER. Vgl.
+over een fragment van een hs. van het eind der 12e eeuw: _Z.f.d.A._, Bd.
+27, 146-157. Over een Duitsch leven van S. SERVAES uit ongeveer
+denzelfden tijd als VELDEKE'S werk: _Z.f.d.A._, 1845, V, 75 flgg.
+
+[10] Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S _Gesta_, wel in
+de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een Cistercienser
+monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis. Daar AEGIDIUS echter
+omstreeks het midden der 13e eeuw schreef, moet de door VELDEKE
+gebruikte _Vite_ ook door HARIGER en AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie
+CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de
+vergelijking uit I, 271 terug in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe
+multas tunc temporis provisio divina pro necessitate accenderat faces
+etc.
+
+[11] Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931.
+
+[12] Vgl. den proloog van Boek I.
+
+[13] Vroeger hield men BENOT DE STE. MORE voor den maker. Zie PETIT DE
+JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, _Introduction une dition
+critique du Roman d'Eneas_ ('s-Gravenhage, 1888).
+
+[14] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, CL-CLVI.
+
+[15] Vs. 2708-2741; in het Fransche gedicht vs. 3456-3460.
+
+[16] _Minnesangs Frhling_, p. 62.
+
+Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal
+gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze--in tegenstelling met de
+werken der overige Minnesinger--gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch
+(daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.:
+
+van minne comet ons alle goet: die minne maket reinen moet. Wat soude ic
+ane minne dan?
+
+[17] Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk
+Middelhoogduitsch is. Misschien heeft eene verwarring met _entfaen_
+(ontvangen) plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen
+weergeven:
+
+hoe mochte ic dat voor goet ontfaen, dat hi mi dorperlike bade dat hi mi
+moeste ombevaen?
+
+
+[18] Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30-32; 60, 32; 61, 10; 58, 17-19.
+
+[19] M.F. 56, 1-6.
+
+Het sijn goede nieuwe maren dat die vogel openbare singen daer men
+bloemen siet. tot dien tiden in den jare stonde wel dat men vro ware:
+lacen, des en ben ic niet.
+
+
+[20] M.F. 64, 17-21.
+
+Die vogelen doen ane schijn dat si die bome sien gebloet. haer sanc
+maket mi den moet so goet dat ic vro bin ende trurich niet can sijn.
+
+
+Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10-18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1.
+
+[21] M.F. 57, 5-6.
+
+ic bat hare in der caritaten dat si mi moeste al ombevaen.
+
+
+Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1.
+
+[22] M.F. 65, 21-24.
+
+So wie den vrouwen settet hoede, die doet dat dicke evel staet. wel
+menich man draget die roede daer hi sich selven mede slaet.
+
+
+Vgl. voorts: 65, 11-12; 67, 1-2; 62, 11-22.
+
+[23] M.F. 66, 13-15.
+
+geschiedet [Zijnoot: Misschien in het oorspronkelijk Limburgsch:
+_gescege_?]" mi alse den swane die singet alse hi sterven sal, so
+verliese ic te vele daer ane.
+
+
+[24] Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S _Historie van Troyen_ door Dr. J.
+VERDAM, p. 27-28.
+
+[25] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, S. CLXXXVI flgg.
+
+[26] Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer pozie in
+PIPER'S _Spielmannspoesie_. Vgl. voorts: _Grundriss_, II, 1, 305 vlgg.
+
+[27] Vgl. _Reinaert_ (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. _Ermenrijc_ en W.
+MLLER, _Mythologie der deutschen Heldensage_, S. 178.
+
+[28] Vgl. KLEYN'S Catalogus in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, II, 147.
+
+[29] Over die tijdsbepaling _Grundriss_, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE
+houdt het er voor dat B. "um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan.
+(_Das Nibelungen-Lied, Einl._, S. XIV).
+
+[30] Boek II, 115.
+
+[31] _Teuthonista_ (ed. VERDAM), p. 486: "die witte wech des nachtes an
+der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden strait,
+_galaxia_."
+
+[32] Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt
+aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne _Middelned. Epische
+Fragmenten_, p. 1-3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in _De Gids_, 1889,
+I, 29-79.
+
+[33] In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een en ander
+medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe in zijn
+voortreffelijk _Gids_-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog eens met
+het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: _Der Nibelunge Nt._
+(Leipzig. BROCKHAUS, 1870-1880) waarin men ook de varianten der hss.
+vindt.
+
+[34] Vgl. _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 9-32; het genoemde stuk van
+Dr. FRANTZEN in _De Gids_ en de uitgave van E. MARTIN in _Quellen und
+Forschungen_, 65. Heft.
+
+[35] Vgl. _Mnl. Ep. Fragmenten_, bl. 10.
+
+[36] Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.
+
+[37] _Sp. Hist._, IIIe Deel, bl. 170, 204.
+
+[38] Vgl. _Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het
+Henegouwsche huis_, III, p. 96.
+
+[39] Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd worden:
+1o. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. (Amsterdam.
+Gebroeders BINGER. 1894); 2o. Dr. J. BERGSMA, _Bijdrage tot de
+Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten_; 3o. _Van
+Sente Brandane_ in _Tijdschr. v. Ned. T. en L._, VII, 85 vlgg.; 4o.
+_Romanische Studin...._ von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over de
+tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, I,
+116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in twee
+redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche hs. Ook ik
+houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal assoneerende rijmen
+en het aantal der verzen met slechts drie of twee heffingen er grooter
+is dan in het Comburgsche hs.
+
+De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar
+hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.
+
+[40] Vgl. _Van Sente Brandane_ (ed. BONEBAKKER), p. 10.
+
+[41] Vs. 249-251.
+
+[42] Het hier en elders in den _Brandaen_ voorkomende _aerme scaren_
+(zie BONEBAKKER'S _Aant._, p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM e.a. te
+veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord _harmschare_ (straf,
+kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties voorkomt, schijnt mij
+niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het Comb. Hs. dat spreekt van
+"keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen waarschuwen. De uitdrukking is
+op de bewuste plaatsen volkomen goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van
+"blide scare" voor hemelbewoners; (zie _Stroph. Ged._ edd. FRANCK en
+VERDAM, p. 135). Doch wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen
+waarin de oudere philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping
+van het voor de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de
+spelingen van haar critisch vernuft.
+
+[43] Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075-1081, H. 1022-1028.
+
+
+
+BOEK I.
+
+STANDENPOZIE.
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+Gedurende de gansche 13de eeuw is er in deze landen en volken nog weinig
+eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien eene veelheid van
+onderscheidene eenheden: kleine staten en staatjes die voortdurend naar
+volkomener onafhankelijkheid streven. Holland was reeds vroeg
+zelfstandig geworden, had zich nagenoeg van het Duitsche rijk
+afgescheiden, was er steeds op uit alle bemoeiingen van Keizers of
+andere rijksvorsten met zijne binnenlandsche aangelegenheden af te
+weren. De overige landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden
+weg. Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om
+onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven.
+
+Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen tegen het
+water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen in bouwland en
+weiland. Het water geeft geen kamp: de Marcellus-vloed van 1218 wordt
+meer dan eens door hevige overstroomingen gevolgd; doch de waterschappen
+ontstaan, polderland komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens
+te draaien.
+
+Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze landen bewoont.
+Tegenover het geestelijk element stond het wereldlijke. God--zegt DIRC
+POTTER in zijn _Minnen Loop_--heeft der wereld rijk in tween gedeeld:
+de eene helft moet zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet
+opwaarts schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft,
+moeten leeren[1]. Het wereldlijk element werd weer gescheiden in heeren
+en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de gemeenten waartoe men ook
+de landbouwers kan rekenen, vormden de drie groote bestanddeelen der
+bevolking van al deze gewesten. Een dichter der 14de eeuw, WILLEM VAN
+HILLEGAERTSBERCH, spreekt dan ook "van der drierehande staet der werelt"
+en bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden[2].
+
+Niet meer, als in de 11de eeuw, waren de Zuidnederlandsche ridders op
+het land wonende grondbezitters, die in vredestijd hunne goederen
+bestuurden en zelf wel eens de hand aan den ploeg sloegen; die,
+eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn best een wachttoren op een heuvel
+bewoonden, omgeven door een muur van ruwe steenen.
+
+In het laatst der 12de eeuw reeds prijst de Duitsche dichter HARTMANN
+VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant en de Haspengouw, als hij
+voortreffelijke ridders wil noemen. De graven van Henegouwen en van
+Leuven komen soms met honderden prachtig uitgedoste ridders ten
+tournooi. In Holland zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS,
+EGMONDEN, ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN
+VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op een tournooi of aan
+de gevolgen van daar ontvangen wonden. Terwijl een aantal Vlaamsche
+ridders zich bij Hesdin met het ridderlijk spel der "tafelronde"
+vermaken, hechten zij zich het kruis op borst of schouder.
+
+Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken. Naast hen,
+want ook in deze landen vond men prelaten als die bisschop van Beauvais
+die in den slag bij Bouvines de vijanden met een ijzeren knots
+neersloeg--omdat de Kerk geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover
+hen, in de werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor
+monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers,
+Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het
+monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral de orde der
+Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De bagijnen beginnen hare
+hoven te stichten. Voorname abdijen als die van Egmond, Rijnsburg,
+Leeuwenhorst verrijzen. In Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in
+Limburg en Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd
+een eenzaam leven leiden.
+
+Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde als visschers
+langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort reeds)[3], als landbouwers
+en veeboeren ten platten lande, alleen of in dorpen en gehuchten, of
+eindelijk als kooplieden, neringdoenden, ambachtslieden in de steden die
+in aantal en omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den
+tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten van
+marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om een kasteel of
+klooster of waren ontstaan uit de vereeniging van eenige landgemeenten.
+Allengs verkrijgen zij het recht zich te beschermen met "eiken tune
+(planken muren) ende diepe grachte", een stedelijke hal, een steenen
+gevangenis (_steen_) te bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen
+volgen. In groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding
+gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de meeste waren
+van hout en met riet gedekt).
+
+De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de middeleeuwen
+minder droevig dan men langen tijd heeft gemeend. Ook was de verhouding
+tusschen heer en lijfeigenen niet louter die van een meester tegenover
+zijne dienstknechten en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het
+gansche leven in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden
+iets patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13de eeuw
+eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand; aan het eind dier
+eeuw is de groote meerderheid der bevolking vrij geworden.
+
+Er wordt--het spreekt vanzelf in dien tijd--ter dege onderscheid gemaakt
+tusschen ridders en dorpers; zoo wordt bijvoorbeeld een dorper die een
+ridder slaat of scheldt, zwaarder gestraft dan wanneer hij een anderen
+dorper te na gekomen is, en het schaken van een meisje uit den
+aanzienlijken stand zwaarder dan van een arm meisje[4]. Toch was de adel
+niet een _heerschende_ stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook waren
+ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er hadden wel
+huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En eindelijk: de vroeger
+zoo talrijke klasse van ridders nam gedurende deze eeuw af in aantal als
+in aanzien. Verarmd door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van
+het ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der
+vorsten treden, den vorst hunne allodin opdragen en voortaan leven als
+zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters daalden in
+maatschappelijke en economische beteekenis. De geestelijkheid moest,
+tenminste in Gelderland, een deel harer bezittingen aan den graaf
+overdragen.
+
+Maar stadig rees de ster der gemeenten[5].
+
+In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en gemeenten,
+kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde eenheden opmerken: de
+onderscheidene "sibben", maagschappen of geslachten. De band tusschen
+bloedverwanten was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch
+alleen zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde.
+Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid zijner
+"sibbe"[6]. De maagschap staat op den voorgrond, niet de enkeling.
+
+Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door vergelijking
+met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens den Saksenspiegel de
+ouders voorgesteld door het hoofd; de kinderen door de geleding tusschen
+hoofd en hals en zoo voort, totdat eindelijk de zevende "sibbe" in de
+nagels der handen geplaatst, en vandaar "nagelmagen" genoemd werd. De
+maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met zich. Zoo b.v. het
+recht en den plicht tot het opnemen der veete van een verslagen
+bloedverwant. Nog in het midden der 13de eeuw heerschte in Friesland de
+barbaarsche gewoonte om een verslagene niet te begraven, vrdat zijne
+naastbestaanden op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak
+hadden genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te
+eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was het nog in
+de 14de eeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige en zes zijner
+naaste magen (in Drenthe "keurmagen" genoemd) ieder een zevende van het
+weergeld (man-geld) of zoengeld betaalden. De magen staan elkander bij
+voor het gerecht als in het gevecht. Zij deelen in de schande die over
+een hunner komt.
+
+Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt AERNT VAN BENSCOP
+hem zijn jachtvogel en zegt:
+
+ Ic moet nu op desen tijt
+ Uwen sconen sperwaer draghen,
+ _U te lachtre [Zijnoot: schande.] ende uwen maghen_.
+
+Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil
+opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij:
+
+ _Eest dat ghi sijt van haren maghen_,
+ So moetti nuwe wapene draghen,
+ Keren ende wreken dese overdaet.
+
+En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch ridder koning
+ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag, dan door als gevolg van dien
+slag te noemen: "ic vergat al mire mage"[7].
+
+Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den enkeling, het
+samengestelde boven het enkele, het vormen van complexe eenheden, zien
+wij in deze eeuwen ook elders.
+
+Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin, vischwater,
+met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine wereld op zich zelve.
+Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren en grachten tal van
+afzonderlijke gebouwen. In menig gezin, vooral ten platten lande, at men
+eigengebakken brood (_huisbakken_ kreeg eerst later zijne ongunstige
+beteekenis); droeg men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in
+Reuzelmaand een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en
+der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden als ROGER
+BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS, JACOB VAN MAERLANT weten
+alles wat er in dien tijd te weten valt.
+
+Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in die meest
+geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook daar de synthese het
+wint van de analyse, zooals blijkt uit de neiging tot het vormen van
+groote zin-complexen bij menigen middeleeuwschen schrijver? Zulk een
+zin-complex is b.v. dit volgende uit den proloog van den _Brandaen_:
+
+ Die Heleghe Gheest moet mi leeren,
+ --Die welke der ezelinnen
+ Wijlen dede sprekens beghinnen,
+ Daer up dat reet Balaam,
+ Dat was een heydin man,
+ Dat so [Zijnoot: zij.] meinschelike sprac,
+ Daer sij den inghel Gods sach
+ Commen in haer ghemoet:
+ Den wech hi haer wederstoet [Zijnoot: versperde.]
+ Met eenen zwerde vierijn [Zijnoot: van vuur.];
+ Si vloo van den inghel fijn
+ Ende dede haeren heere cont--
+ Dese moete ontsluten minen mont:
+ Die ghene die haer gaf de macht,
+ Dat si wert redene acht [Zijnoot: met spraak begaafd.] [8].
+
+Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid het
+gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een zwak schemerlicht
+op de onnaspeurbare gangen der menschelijke gedachte--ook andere deelen
+van dat innerlijk leven zijn ons in het afdruksel der taal bewaard
+gebleven: de sterk ontwikkelde zinnelijkheid van het middeleeuwsch
+geslacht en zijn gebrek aan zelfbeheersching.
+
+Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient men zich niet
+van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men verzinnelijkt die begrippen
+door te spreken van: een boogschot hoog, een steenworp ver; zekere
+eilanden liggen volgens MAERLANT "twee dachseilinghe verre" van Afrika;
+zeker arts is beroemd: "alse [Zijnoot: even.] verre als God de sonne
+seinen doet". Iets zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar
+ridders vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen. De
+tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee sonnescinen"; van
+den eenen winter op den anderen door: "tusschen twee sneeuwe". De lente
+door: "alst ten nieuwen gerse [Zijnoot: gras.] kwam", najaar en voorjaar
+door "te hooi en te gras". Men ziet de dingen nog vr zich: een bosch
+_staat_; een brug _loopt_ over een rivier; men hangt iemand niet op--men
+hangt hem "_bi der kelen_"; men kust een meisje "_ane haren mont_", zit
+met haar in het "_groene gras_", begraaft haar onder "_de rooskens
+root_".
+
+Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers van toen
+tot het uitdrukken van deelen eener handeling, die wij--als onnoodig,
+immers: vanzelf sprekend--weglaten. Het zijn gewoonlijk verbindingen van
+twee werkwoorden, waarvan het eene een lichamelijken toestand, het
+andere eene werking uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals:
+"daer hi lach, sat, stont" achten wij nu overbodig--voor de
+middeleeuwsche menschen waren zij dat niet.
+
+Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als: _antwoordde ende seide,
+bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat vaste, Gods ghebot
+ende sine woorde_ tautologien te noemen: toen had elk der deelen van
+zulke uitdrukkingen zijne eigen beteekenis en kracht; het verschil
+tusschen onze voorouders en ons is slechts, dat zij er behoefte aan
+hadden een grooter deel der voorstelling in taal te verzinnelijken dan
+wij. Om dezelfde reden zijn in: _God, die coninc van den trone_
+[Zijnoot: hemel.], de op _God_ volgende woorden volstrekt geen stoplap,
+evenmin als in zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond
+behoefte om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven[9].
+
+Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een
+middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen trant
+van voorstelling zien verlaten, met dien verstande dat hij het indirecte
+vervangt door het directe. Zij beginnen b.v. met een bode te doen
+spreken in afhankelijke zinnen:
+
+ Dat sijn vader doot ware
+ Ende sijn moeder ooc mede.
+
+Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen:
+
+ "Ende in u lant is groot onvrede,
+ "Want vremt volc, sonder waen,
+ "Hebben u lant ondergedaen [Zijnoot: onderworpen.]."
+
+Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik van
+afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig en de rechtstreeksche
+uiting, als natuurlijker, hun aangenamer.
+
+Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen die
+perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal of beschrijving laat
+varen voor het sprekend invoeren van een zijner personages, zonder dezen
+overgang aan te kondigen: een schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in
+hooge mate tot de verlevendiging van het verhaal bijdraagt[10].
+
+De taal--wij zeiden het reeds--was hier spiegel van het leven. Welk een
+brand van hartstocht slaat ons tegen uit de middeleeuwsche kronieken!
+Hoe onbeteugeld stormen de driften in al die gevoelsmenschen, die nog
+zoo weinig gewend zijn hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de
+rede stem in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde
+men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden werd. Ook
+het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste menigte, in strijd met
+den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde, stormt de kloosterkapel
+binnen, rooft het corpus domini met het ciborium en steekt de
+kloostergebouwen in brand. Van hertog JAN I van Brabant, een toonbeeld
+van echte ridderschap, wordt ons verhaald dat hij in gramschap een stok
+doormidden beet.
+
+MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen bedriegen en
+als hunne prooi beschouwen. De abdis van het hoog-adellijk Rijnsburg
+klaagde aan den paus, dat hare nonnen in vele opzichten den regel
+overtraden, dat zij twistgierig waren en zelfs de handen aan elkander
+sloegen.
+
+De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn--zij konden den hartstocht
+niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster zal voor menigeen een
+veilige wijkplaats zijn geweest, maar hoevelen namen hun strijd met zich
+nadat de poort zich achter hen gesloten had! Als een rijk man gereed
+staat der wereld vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het
+klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er dan tusschen
+de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap[11]. Wat is er ook binnen
+de kloostermuren geleden in den strijd met de zonde en den wellust. Hoe
+heerschten ook daar trots, ijverzucht, toorn, gulzigheid en die
+zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken van Heisterbach _acedia_
+noemden en die een middeleeuwsch prototype van _spleen_ en _weltschmerz_
+schijnt te zijn geweest[11].
+
+Gansche geslachten komen door de verplichting van veete tegenover
+elkander te staan: in Leuven de patricische families van BLANCKAERT en
+DE COLVERE; in den slag bij Woeringen vinden wij de SCAVEDRIESCHEN
+tegenover de geslachten van WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de
+Haspengouw een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux,
+die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde richten en
+vele dorpen worden verbrand.
+
+De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van Rijnsburg is meer
+dan eens in twist met de grafelijkheid van Holland of met Hollandsche
+edelen, met TEYLINGHENS, WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan
+over den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht, OTTO VAN DER
+LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in de buurt van Vollenhove en
+slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT VAN AEMSTEL leidt in Holland en het
+Sticht een boerenopstand waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de
+burgerij zien wij op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de
+patricische geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog
+beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de regeering
+gunden[12].
+
+Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht, stand
+tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest. Het is de
+strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en REINOUT van Gelre;
+tusschen de hartstochtelijke gravin van Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en
+WILLEM II van Holland; denzelfden graaf van Holland die bij Hoogwoude
+tegen de Friezen sneuvelt.
+
+Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te nauwernood
+in bedwang gehouden door Germaansch recht en Christelijk geloof.
+
+"Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord en waarin onze
+voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet daarin dat zij te zachte
+heelmeesters waren. Zij die een meisje aanspoorden om zich te laten
+schaken (het schaken was in zwang) werden gestraft met het verlies van
+den neus. "Wie vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals
+afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte "alle duytsche
+lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar of moordbrander
+het rad, dat manslag en roof met het zwaard werden gestraft, een valsche
+munter in een ketel levend gezoden werd, een spion boeten moest met
+verlies van een oog, een "pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim
+moest missen.
+
+Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan hand. Ook de
+kerk had tal van straffen te harer beschikking en maakte daarvan een
+ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten behoorden tot de gewone
+straffen. Had iemand zich zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven
+jaren lang in ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door
+de excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als
+vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds, dan
+wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch monnik
+samengevat in een vers dat reeds aan de tong een voorsmaak van dat
+lijden geeft:
+
+ Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror.
+
+Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en straffen. Met
+krachtige hand bestuurde zij de gemeente der geloovigen; liet zij de
+teugels vaak losjes hangen, zij hield ze stevig vast. Van de wieg tot
+het graf begeleidde zij den mensch, ja, haar invloed eindigde ook met
+den dood niet. Was de middeleeuwsche christen door den doop in de
+gemeenschap der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling
+die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd worden.
+Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem, uit geheimzinnig
+schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht tegenglansde, waar bij
+het mysterie der mis de opzwevende wierookgeuren hem stemden tot
+aandacht en vereering. Lag hij op zijn sterfbed, dan naderde,
+aangekondigd door de klinkende altaarschel, de priester met de heilige
+hostie en de stervende blies den laatsten adem uit met de gewijde
+waskaars tusschen de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig
+leven in eeuwigheid.
+
+In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door de heiligen
+die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem waren voorgegaan naar
+den hemel, doch nog steeds over de menschen bleven waken. Wie op reis
+ging, beval zich in de hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT
+CHRISTOFFEL was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL
+beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze en zijne
+trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden verslinden. Maar wat
+nood voor den vromen Christen? Konden God, Jezus en Maria, konden de
+heiligen en zelfs de overblijfselen dier heiligen, niet elk oogenblik
+een wonder verrichten? Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat
+er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het jaar 1214
+kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker OLIVIER van
+Keulen sprak. In het klooster Aduard waren monniken, z eenvoudig van
+hart, dat zij beproefden hunne kappen op te hangen aan de
+zonnestralen[13]. Was er nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid
+voor wie deze en dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het
+niet begrijpelijk, dat de dichter van den _Karel ende Elegast_ in den
+aanvang van zijn verhaal "wonder en waarheid" in n adem noemt?
+
+Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling te geven
+van het leven der toenmalige maatschappij. Het was noodig eene poging
+daartoe aan te wenden, omdat alleen langs dien weg eenigermate zal
+kunnen blijken, op welke wijze zich hier het leven in de pozie heeft
+geuit. Zveel kan althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat
+gedurende de 13de eeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere,
+het samengestelde op het enkele, de stand op het individu. Het leven
+heeft zich toen vooral _standsgewijze_ geuit. En zoo bevat de pozie,
+die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak uitingen, niet van
+individuen, maar van standen. Daarom mag zij _standenpozie_ heeten.
+
+In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde
+persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen. Z is
+het ook in de pozie. HADEWIJCH, WILLEM VAN AFFLIGHEM en vooral MAERLANT
+vertoonen iets van een dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig
+van omtrek. Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons
+gekomen, doch het zijn _slechts_ namen. Wat baat het ons of wij weten
+dat "CLAES VER BRECHTEN ZONE" den _Willem van Oranje_ vertaald heeft?
+Dat WILLEM VAN UTENHOVE "een priester van goeden love" was en dat de
+dichter van den _Reinaert_ eveneens WILLEM heette? Kennen wij die mannen
+nu? Van vele andere dichterlijke werken zijn zelfs de namen der
+bewerkers ons onbekend.
+
+Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer pozie als
+volkspozie, maar volkspozie, welke, naar de verschillende stroomingen
+die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt in: ridderpozie,
+geestelijke pozie en pozie der gemeenten.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] _Der Minnen Loop_, IV, vs. 4 vlgg.
+
+[2] _Gedichten_ (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den
+Henegouwschen dichter JEAN DE COND vindt men een _dis des trois estas
+dou Monde_ (_Dits et Contes de Baudouin de Cond_, II, 49 suivv.). Beide
+stukken hebben overigens niets gemeen.
+
+[3] Vgl. Boek VIII, vs. 1070.
+
+[4] VANDERKINDERE, _Sicle des Artevelde_, p. 141.
+
+[5] Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van PIRENNE,
+MOLL en BLOK; A. SCHULTZ, _Hfisches Leben zur zeit der Minnesinger_;
+SCHOTEL, _De Abdij van Rijnsburg_; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, _Studin en
+Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad. Royale de Belgique_, no. 32; _Kronijk
+v.h. Histor. Genootschap_, XII, (164-165); twee artikelen van POLS in
+_Bijdr. voor Vad. Gesch. en Oudh._ (stuk over Graaf JAN I van Holland)
+en redevoering ter algem. vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879.
+_De Slag van Woeringen_ (ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de
+Aant. p. 542.
+
+Wat den _Grgorjus_ van HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog op, dat de
+tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan.
+
+[6] Vgl. _Reinaert_, vs. 2006-'98:
+
+Hi rekende dat hi ware mijn oom ende began ene sibbe tellen; aldaer
+worden wi gesellen.
+
+[7] Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S _Deutsche
+Rechtsalterthmer_, (4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDRE in:
+_Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin_, p. 259 vlgg.;
+_Nederd. Regtsoudheden_, p. 298; _Versl. en Meded. der Kon. Akad. afd.
+Lett._, 4e Reeks, Deel I; MOLL, _Kerkgesch._, II, 4, 225; _Kroniek van
+Melis Stoke_ (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; _Kerken Claghe,_
+vs. 212; _Moriaen_, vs. 174-177; voorts _Grimb. Oorlog_, II, vs. 291,
+413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; _Parthonopeus_, vs. 1227;
+_Limborch_, II, 1862. In het _Mnl. Wdb._ zullen i.v. nog wel andere
+voorbeelden genoemd worden.
+
+[8] Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De
+oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van
+wat zij: _inlapsels_ noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn.
+Wie een citaat uit den _Brandaen_ niet afdoend acht uit hoofde van
+mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van den
+Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden in
+MAERLANT'S _Alexander_, I, 953-960; VII, 61-84; 93-105; _Leven van S.
+Lutgarde_, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39; 6694-6716; 9542-'48;
+9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37; 11504-'512; 13844-'66; III,
+548-557; 850-864. _Der Leken Spieghel_, II, c. 48, vs. 668-685 (men
+lette vooral op het slotvers in verband met den aanvang). _Der Minnen
+Loep_, I, 2047-2060. STOETT, _Syntaxis_, p. 146; _Hildegaersberch's
+Gedichten_, 155, 203 vlgg.; 157, 129-138; 157, 1-15. FRANCK onderstelt
+in den dichter van het _Leven der H. Lutgarde_ opzet bij het maken
+zijner lange en ingewikkelde zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig.
+Doch indien er al opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te
+hulp zijn gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in _Neue Jahrbcher fr das
+Klass. Alt. Gesch. u. Deutsche Lit._, Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432-434.
+F. denkt aan invloed van het Latijn).
+
+[9] Deze en andere voorbeelden vindt men: _Karel en Elegast_ (ed.
+KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; _Sp. Hist._, I, p. 34, vs.
+21; _Alexander_, I, 1121; _Moriaen_, vs. 86, 3795; _Tijdschr. v. N.T. en
+L._, XVII, 297 vlgg.; _Kar. e. Eleg._, 100, 198; _Merlijn_, p. 72, vs.
+6696; _Lied in de Middeleeuwen_, bl. 572; STOETT, _Syntaxis_, p. 121;
+BOTERMANS, _Die hystorie van die seven wijse mannen van romen_.
+Proefschrift, p. 50; _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM).
+Inl. XXXVI.
+
+[10] _Torec_, 3800-3804; 3738-'41; _Moriaen_, 355, 573, 972; _Karel en
+El._, 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S _Syntaxis_, p. 144.
+
+Het verwante verschijnsel in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 187;
+behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: _Flovent_, 395; _Madelghijs
+Kintsheit_, p. 69, vs. 40; _Aiol_ (Vlaamsche redactie), vs. 663; _Karel
+de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen)_, p. 12, vs. 287; p. 31, vs.
+872 (weer het eerste verschijnsel). LONGINUS of althans de schrijver van
+het boek [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij
+HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI _de Sublimitate_ (ed. B. WEISKE.
+Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII.
+
+[11] Vgl. TE WINKEL'S _Maerlant_, p. 257, noot 2; WYBRANDS, _De Abdij
+Bloemhof_, p. 72; _Naturen Bloeme_, II, 690-2; MOLL, _Kerkgesch._, II,
+2, 78; _Brab. Yeesten_, V, 144-146; MOLL, t.a.p. II, 2, 45; MOLL en DE
+HOOP SCHEFFER, _Stud. en Bijdr._, II.
+
+[12] DEWEZ, _Histoire gnrale de la Belgique_, III, 43; HEELU'S _Slag
+bij Woeringen_, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174; SCHOTEL,
+_A.v.R._, o.a. p. 100-101; PIRENNE I, 416, 422.
+
+[13] BLOK a.w. I, 175.
+
+_Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap_, XXIII, 43.
+
+
+
+1. RIDDERPOZIE.
+
+ Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpozie. Ouderdom
+ der Nederlandsche ridderpozie. In hoeverre indeeling naar de "matires"
+ te onzent geoorloofd?
+
+ Romans: _Flovent_, _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_,
+ _Renout van Montalbaen_, _Geraert van Viane_, _Lorreinen_, _Aiol_, _Aubri
+ de Borgengoen_, _Doon de Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_. Overige
+ romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Karel en Elegast_.
+
+ II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans: _Lancelot_, _Percevael_,
+ _Ferguut_, _Floris en Blancefloer_, _Partonopeus en Melior_. Overige
+ romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Moriaen_, _Walewein_.
+
+ Eindbeschouwing.
+
+Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten, frisch
+uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend in pracht, verstorven door
+overmaat van weelderigheid--zoo ging op, zoo blonk, zoo verzonk het
+ridderwezen.
+
+Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een plechtige
+bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de kern, door de
+Franken gebracht in het naar hen genoemd land; onder den invloed der
+kruistochten ontwikkelde die kern zich daar tot een zedelijke instelling
+met een hoog-ideaal karakter. Een ridder moest zijn "grootmoedig in
+tegenspoed, edel van bloede, overvloeiend van eerlijkheid,
+voortreffelijk door hoffelijke zeden, standvastig in mannelijke
+braafheid. Dagelijks moest hij met devote gedachtenis aan 's Heeren
+lijden de mis hooren, voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil
+hebben, de heilige Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars
+bevrijden, weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen,
+onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon weigeren, tot
+bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter optreden, geene
+steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke bedoelingen, den roomschen
+Keizer of zijn stadhouder in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat
+ongeschonden in zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks
+vervreemden en onberispelijk voor God en menschen leven."
+
+Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van vroeger, in
+veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling en beschaving der
+maatschappij. Maar de aanraking met het weelderig Oosten, de toenemende
+rijkdom en weelde, menschelijke zwakheid en zinnelijkheid begonnen na
+eenigen tijd de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden
+haar langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied voor de
+vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd tot een vrouwendienst
+waarin het zinnelijk element zich krachtig deed gelden; de hoofschheid,
+die gaandeweg de vroegere ruwheid had vervangen, werd galanterie; de
+losheid, loszinnigheid en die: losbandigheid. Toewijding die goed en
+bloed op het spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht,
+roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was de adel een
+stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom en uiterlijke
+beschaving onderscheidde van de overige bevolking, die hem veelal
+overtrof in innerlijke kracht, in zedelijke en geestelijke
+ontwikkeling[1].
+
+De pozie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn
+ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking. Wie
+kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat roerend-droeve verhaal van
+FRANCESCA DA RIMINI en die verzen:
+
+ Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse:
+ Quel giorno pi non vi leggemmo avante.
+
+Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar levend, hebben
+uit verhalende liederen grootere verhalende gedichten geschapen. In den
+aanvang behandelden die gedichten uitsluitend het nationaal verleden,
+uit den tijd der Merovingen, zooals de _Floovant_; uit dien der
+Karolingen verhalen waarin KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote
+vazallen des rijks optreden: de _Chanson de Roland_, de _Chanson des
+Saisnes_ (Saksen), den _Ogier_, den cyclus van _Guillaume d'Orange_, de
+_Lorrains_ (hertogen van Lotharingen), _Renaus de Montauban_, _Aiol_,
+_Auberi le Bourgoing_. Kort voor of in den aanvang der 12de eeuw
+begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit den
+Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid te verwerken:
+den _Roman de Troie_, den _Roman d'Enas_, _Roman de Thbes_, de _Geste
+d'Alexandre_, den _Roman de Jules Csar_.
+
+Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met het Keltisch
+element in Engeland ontstond omstreeks het midden der 12de eeuw een
+nieuw soort van verhalen: de Keltische romans. Keltische zangers die
+rondzwierven door Engeland en Frankrijk, zongen ook in het laatste land
+hunne lais, liederen van fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al
+spoedig werden vertaald en nagevolgd door Fransche dichters.
+Langzamerhand werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden
+ook nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld. Wij
+vinden hier in hoofdzaak f verhalen, waarin Koning ARTUR en zijne
+gemalin op den voorgrond komen en het Christelijk element zich krachtig
+doet gelden f zulke, waarin de dolende ridders van ARTURS hof eene
+hoofdrol spelen als: de _Tristran_, _Ivein_, _Lancelot_, _Erec_,
+_Gauvain_, _Cligs_.
+
+Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans als _Le
+Grand Saint Graal_, die bestaat uit deze drie deelen: _Jozef van
+Arimathea_, _Merlijn_, _Perceval_; voorts _la queste_ (het zoeken) _du
+Saint Graal_ en een gedicht _Le Petit Saint Graal_.
+
+Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer romans, waarvan
+ik slechts eenige voorname heb genoemd, gemakkelijk gemaakt door de drie
+voorname stoffen, welke zij behandelen, aan te wijzen. In de _Chanson
+des Saisnes_ heet het:
+
+ Ne sont que trois matires a nul home entendant:
+ De France et de Bretaigne et de Rome la grant.
+
+Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen, zijn,
+bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ns geestes kinderen; de
+romans waarin nationale stoffen verwerkt zijn, danken hun ontstaan aan
+een anderen geest.
+
+Zoo mag men deze epische pozie dan ten slotte scheiden in twee groote
+afdeelingen, die zich tot elkander verhouden als het nationale tot het
+uitheemsche.
+
+Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke der oude
+nationale _Chansons-de-Geste_ met hunne ruwheid en grootschheid, ziet
+men de Keltische en klassieke romans met hunne hoofschheid, hunnen
+vrouwendienst, het sterk ontwikkeld lyrisch-erotische, gemengd met
+mystiek, hunne neiging tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in
+de nationale gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in
+zverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden
+weergeven: de nationale groep weerspiegelt een beschaving minder
+ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche geboren is. De nationale groep
+staat dichter bij het volks-epos, de uitheemsche dichter bij het
+kunst-epos. Voor een deel geldt dit onderscheid van volks-epos en
+kunst-epos ook met betrekking tot de dichters dezer romans; want de
+makers der oudste _Chansons-de-Geste_: _Roland_, _Girard de Roussillon_,
+_Jourdain de Blaives_, _Floovant_, zijn ons onbekend; van de dichters
+der latere _Chansons_ kennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI,
+BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DE TROYES, BROL,
+BENOIST DE SAINTE MORE, ALBRIC DE BRIANON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE
+DE BERNAY... doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters
+hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt, andere
+hebben uitheemsche gedicht.
+
+Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den uiterlijken
+vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven in korte verzen
+van acht lettergrepen, in tegenstelling met de overige die in het oudere
+decasyllabische vers of in alexandrijnen zijn gedicht[2].
+
+Langs zulke wegen was de Oudfransche epische pozie bezig zich te
+ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend werd. Dat zij daar
+bekend werd, is licht te verklaren uit het internationaal karakter der
+ridderschap en de nabuurschap van Frankrijk. Maar bovendien waren
+Fransche taal en literatuur reeds in de laatste helft der 12de eeuw in
+een deel van Zuid-Nederland bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch
+werd als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd; in
+Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de hooge
+geestelijkheid als een tweede volkstaal[3]. Aan het hof van den
+Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168-1191) leefde en werkte de
+beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter van vele Keltisch-Fransche romans;
+BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen dichtte Provencaalsche liedjes; een paar
+bekende Fransche dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te
+Atrecht[4]. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking met de
+Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging; dat wij eene
+Nederlandsche ridderpozie zien ontstaan onder den invloed der Fransche.
+
+Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog niet
+mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aannemen, dat wij het
+laatst der 12de of althans de eerste helft der 13de eeuw als zoodanig
+moeten beschouwen. MAERLANT immers heeft meer dan eens in zijne werken
+(_Alexander, Sint Franciscus, Spieghel Historiael_) gewaarschuwd tegen
+den, zijns inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende
+ridderromans. Onder die romans vindt men een paar die tot de
+bovengenoemde "nationale" groep behooren, zooals _Willem van Oranje_ en
+de _Heemskinderen (Renaus de Montauban)_; enkele zoogenaamde klassieke
+romans, zooals die over _Alexander_; een paar die in het Oosten spelen:
+de _Floris en Blancefloer_ en den _Partonopeus_; eindelijk een groot
+aantal die tot de Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die van
+_Lancelot_ en _Tristan_[5]. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende,
+bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit het _Leven van Sinte Lutgart_
+gevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt, dat de menschen niet
+willen luisteren naar "goede exempelkine", maar gaarne komen:
+
+ Daer men van ouden ijeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] singet,
+ Oec daer men voert die sagen bringet
+ Van wigen [Zijnoot: strijden.] och van tavelronden,
+ Daer wilen eer hen onderwonden
+ Te dichtene af die menestrele.
+ ...
+ Mar wonder hevet mi van desen
+ Warumme si so gerne lesen
+ Van ouden sagen dat gedichte
+ Ende oc geloeven also lichte
+ Din logeneren die se tellen.
+ ...
+ Mar die die oude bourden scriven,
+ Si swegen bat, dat seggic hen[6].
+
+Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het oog hebben op
+Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich vooral tot de
+gemeentenaren en lagere geestelijken die over het algemeen weinig of
+geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder den lageren adel de kennis
+van die taal zoo verbreid zijn geweest, dat men er de voordracht van
+Fransche gedichten met eenig gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS,
+wier moeder van adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in
+het klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks
+zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon vragen wanneer
+zij honger had[7]. Zouden ook lieden uit dien kring der maatschappij
+geen deel hebben uitgemaakt van het publiek dat Fransche romans liefst
+vertaald hoorde voordragen?
+
+Indien men nu in aanmerking neemt, dat de _Alexander_, het oudste der
+genoemde werken van MAERLANT, omstreeks 1257-1260 zal zijn vervaardigd
+en het _Leven van Sinte Lutgart_ tusschen 1263-1274; dat de romans,
+waartegen met zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben
+behoefd om z bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke
+Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in de tweede helft der
+12de eeuw reeds bestonden, deels van nog vroeger tijd dagteekenen--dan
+zal men wel mogen aannemen, dat men te onzent in het laatst der 12de of
+den aanvang der 13de eeuw het grootste deel der bewuste ridderromans
+heeft verdietscht.
+
+Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpozie zich bedienen
+van het onderscheid in: nationale (Frankische) en uitheemsche
+(Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche) ridderdichten? In
+allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht dat de Fransche
+literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens blijkt dat men te onzent zich
+bewust is geweest van een onderscheid in drie "matires". Niet, als in
+Frankrijk, beantwoorden hier de beide groepen aan verschillende
+cultuurtoestanden, waarvan de een op den ander volgde. Integendeel,
+voorzoover wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te
+onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep te vertalen.
+VELDEKE'S _Enede_ is het vroegste episch vertaalwerk dat wij met
+zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel van den _Roman de
+Troie_, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF. Zou de vertaling van de
+_Chanson de Roland_ niet ouder zijn dan beide? Onmogelijk is dat niet,
+zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk, aangezien het oorspronkelijk gedicht
+reeds vr den eersten Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang
+gemaakt en zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene
+Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet verkrijgen.
+Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men hier te lande in het
+laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw, zonder oordeel des
+onderscheids, Fransche ridderromans heeft vertaald en nagevolgd. Indien
+wij nu toch onderscheid blijven maken tusschen een paar groepen van
+riddergedichten, dan geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een
+verschillende geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen
+wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen.
+
+
+FRANKISCHE ROMANS.
+
+De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek dier dagen wel
+krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats de indrukwekkende
+gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers ook hier te lande bemind en
+geerd; groot in de oogen van het nageslacht niet het minst om zijne
+oorlogen tegen de heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en
+burgers dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden
+strijd tegen het "Saracynsche diet" dien ook de groote Koning met zijne
+dapperen had gestreden? En onder die dapperen verschenen in deze romans
+voor het geestesoog de dappersten en wijsten, die beroemde "genooten",
+lijfwacht en raad des Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en
+zijn boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den
+strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD van
+Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren en anderen[8]. Het
+geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke werken moest wel
+indruk maken op een publiek, eenvoudig van gemoed, beheerscht door
+dezelfde hartstochten als de personages in die verhalen.
+
+Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd tegen duizenden
+bij duizenden Sarracenen, die weigert op zijn wonderhoorn Olifante te
+blazen om zijn Koning te hulp te roepen; die eindelijk afgestreden, ten
+doode gewond, zich uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar
+Spanje gekeerd, maar het hart vol van "het zoete Frankrijk" en zijne
+maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog houdt tot God
+zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn hoofd op zijn arm, met
+saamgelegde handen ontslaapt hij; cherubijnen komen en voeren graaf
+ROLAND'S ziel naar het paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige
+hertog van Lotharingen, door een overmacht na heldhaftige tegenweer
+neergeveld, die daar ligt tusschen de overige dooden, "als de eik
+tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier Heemskinderen,
+die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal gezeten is, wanneer de
+gezanten van koning KAREL, ROLAND en WILLEM VAN ORANJE onder hen,
+binnentreden. Overmoedig zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn
+scherp zwaard over zijne knien gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden
+bliaut, het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op
+zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woord spreken. De
+afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor hem. Hij wil hen niet
+aanzien. Zij richten het woord tot hem. Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij,
+nu hij zijne vijanden daar voor zich ziet, maar hij kan geen woord
+uitbrengen: te vol is zijn gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft
+zwijgen. Dan komt zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden
+schaal vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren man
+dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft zij dat
+woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft haar zoo in het
+aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort.
+
+Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of ruw; ook
+voor het zachte, het teedere is er eenige plaats.
+
+In de grootsche _Chanson de Roland_ komt de teederheid soms te
+voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende onweerswolken.
+ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER is doodelijk gewond; met
+moeite houdt hij zich nog in den zadel, de nevel des doods houdt zijn
+blik reeds omtogen; zoo voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND
+die komt aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner
+laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den helm toe.
+ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij: gezel, doet gij dat
+met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief heeft.--Ik hoor u, zegt OLIVIER;
+ik hoor u spreken, maar ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u
+getroffen, vergeef mij.--Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND ik
+vergeef het u.
+
+Hoe treffend is het tooneel in den _Willen van Oranje_, waar de
+roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor zijn klooster
+uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te hebben gedood of verjaagd,
+ontdekt hij in een kar die de roovers medevoerden, zijne eigen jonge
+kinderen.
+
+Aandoenlijk is in den roman der _Heemskinderen_ de trouw van het
+reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het eindelijk op den
+eisch des Konings in de Oise verdronken zal worden, slaat het telkens de
+steenen stuk welke de dienaars aan zijne pooten hebben gebonden; zoolang
+het ros zijn meester ziet, heeft het kracht om dat vol te houden. Nu
+dwingt de Koning REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar
+Beyaert. Op nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt het
+boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester, "alsof 't een
+mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient bitterlijk geschreit
+hadde"[9]. Wanneer REINOUT dan niet naar den trouwen vriend omziet,
+zinkt het ros en verdrinkt.
+
+De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans niet op den
+voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch tooneeltje of een
+komische trek den ernst vervangen; de grappen waarmede de personages
+zich vermaken, zijn ruw of grimmig.
+
+Behalve de kleine roman van _Karel en Elegast_, die een afzonderlijke
+plaats verdient, is geen enkele dezer romans in zijn geheel tot ons
+gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts grooter of kleiner
+fragmenten[9]. Wij noemen den roman van _Flovent_ in de eerste plaats,
+omdat de _kern_ van dit gedicht herinneringen bevat aan de eerste
+Frankische dynastie: de Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als
+oudste zoon van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS.
+Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen schildknaap
+RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en vrienden, in oorlog met de
+Sarracenen (onder wie hier, gelijk zoo dikwijls, de heidensche Saksen
+schuilen). Een christelijke en een heidensche prinses betwisten elkander
+FLOVENT'S bezit. Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door
+zijn vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De heidenen
+worden verslagen en FLOVENT later koning van Frankrijk. Ons fragment van
+ruim 600 verzen wijkt sterk af van de eenige ons bewaarde Fransche
+redactie, die echter zelve weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere.
+
+Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats het
+_Roelants-lied_ te worden genoemd. Algemeen bekend is, dat wij hier het
+verhaal hebben van den slag bij Roncevaux, waarin de achterhoede van
+KAREL DE GROOTE'S leger, onder bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaen
+door de vijandige Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde
+van een tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand, de
+Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche gedicht is
+waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke
+vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel een vijftal
+fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche bewerking berusten.
+Tracht men daaruit die verloren bewerking weer samen te stellen, dan
+komt men tot een fragment van ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen
+van het Fransch ten deele teruggevonden worden.
+
+Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus van gedichten
+welke zich groepeeren om den persoon van WILLEM VAN ORANJE, een der
+voorname edelen uit Zuid-Frankrijk, die de Mooren telkens terugsloegen
+wanneer zij pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaen
+te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts n dezer werken, het
+zoogenaamde _Moniage Guillaume_ (WILLEM'S monniksschap) hier vertaald;
+van dat laatste deel van WILLEM'S geschiedenis is ons een klein fragment
+van ruim 400 verzen bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de
+wetenschap, dat zekere CLAES VAN HAERLEM, "VER BRECHTEN SONE", deze
+vertaling vervaardigde[10]. De ons bewaard gebleven fragmenten behelzen
+de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan boven sprake was en
+eenige van zijne latere lotgevallen.
+
+Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote vazallen
+geeft de roman van _Renaus de Montauban_ ons een voorbeeld[11]. Een der
+machtige vazallen des Konings, HAYMIJN van Dordogne, is met dezen in
+strijd. Zijne zonen REINOUT, ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten
+dezen strijd tegen den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien
+strijd moeten zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde
+koningen. Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan
+den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de toovenaar MALEGIJS
+spelen een gewichtige rol in dit gedicht. De roman draagt terecht den
+naam van den oudste der vier Heemskinderen--zooals zij later te onzent
+genoemd werden--daar REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans
+telkens weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht
+eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft het
+mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige wijze eenige der
+bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd. Welk Fransch
+origineel door hem is gevolgd, weten wij niet; wel dat het geen der ons
+overgebleven redactin is geweest. Misschien ook is de Nederlandsche
+bewerking eene samensmelting van een paar oudere redactin en heeft de
+bewerker, evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke
+Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste[12].
+
+De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen; misschien
+slechts een zevende der gansche bewerking[13].
+
+Naast den _Reinout van Montalbaen_ moet de _Geraert van Viane_ genoemd
+worden; ook deze roman immers bevat herinneringen aan den strijd van
+CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen, al zijn die herinneringen hier
+verbonden met heugenissen aan den strijd tegen de Sarracenen in
+Zuid-Frankrijk. Slechts een klein fragment van nog geen 200 verzen van
+dezen roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Fransche roman
+van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld van den Nederlandschen
+bewerker geweest, maar eene veel oudere bewerking.
+
+Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten vinden
+wij in de _Chanson des Lorrains_. Door die geheele grootsche epopee
+immers loopt als een roode draad: de bloedwraak; alles draait om de
+"veede" tusschen het geslacht der hertogen van Lotharingen en dat van
+FROMONT van Bordeaux. Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens
+wordt de vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit
+weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed tegen
+sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen op de jacht overvallen
+en vermoord is en daarna ook GARIJN zelf, het hoofd van het geslacht der
+Lorreinen, zetten hunne zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT
+doodt FROMOND van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de "veede"
+over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling bleven
+ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen meer dan 10.000 verzen,
+misschien slechts een tiende deel van het oorspronkelijk gedicht
+bevattend[14].
+
+Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten de _Aiol_ in.
+Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur van den jongen
+ridder, die alleen naar des Konings hof trekt om de zaak van zijn
+verongelijkten en verarmden vader te verdedigen. In de verroeste
+wapenrusting van zijn vader, op een armzalig paard, rijdt hij heen en
+wekt den spotlust van wie hem op zijn weg ontmoeten--maar hij wint zijne
+zaak. Deze roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide
+bewerkingen zijn onderling onafhankelijk[15]. De eene, in Limburg
+vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het ons
+bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten, ongeveer 600
+verzen bedragend, omvatten vs. 2538-10092 van het origineel. Eenige
+verzen der Middelnederlandsche bewerking (vs. 58-73) vindt men in het
+Fransen niet terug. De andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn
+overgebleven, wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde.
+Of wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene, ons
+onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter betwijfeld
+worden. De samensteller dezer bewerking volgt het Fransche verhaal wel
+in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken op eigen wijs. Hij heeft
+veel weggelaten (vs. 518-601 komen overeen met vs. 8354-9061: 83 verzen
+in het Nederlandsch voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801-1200
+dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat deze
+bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook met het oog op het
+feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk Nederlandschen naam
+vinden voor AIOL'S zwaard, nl.: _Scaerdeline_, terwijl in het Fransche
+gedicht geen zwaard van AIOL een naam draagt[16]. Dat namen uit het
+origineel als _Elie, Avisse_ zijn weergegeven door _Helline_ en
+_Anflisse_, doet denken dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts
+kende van "hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het tweede
+fragment dezer bewerking (_Baselie, Mersaelien ende Eggermort,
+Florette_, het wout van _Bonival, Godevert van Brusewijc_) in het
+Fransch in het geheel niet voor.
+
+Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman van _Auberi le
+Bourgoing_. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten en daden van een
+jong Bourgondisch ridder, die met zijn neef en wapenbroeder GASCELIN, in
+Beieren de Russen en in Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door
+een huwelijk met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van dat
+land wordt.
+
+Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten, die tot
+dusverre geacht worden ontleend te zijn aan den roman van _Doon de
+Mayence_ en aan de _Chanson des Saisnes_ (Saxons). Het eerstgenoemd
+fragment verhaalt ons van drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO
+(ROELANTS vader) die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere,
+welke door de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten
+drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal plaats
+hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar Vauclere doen de
+ridders een inval in het kamp der heidenen en een hevig gevecht vangt
+aan. In den Franschen roman van dezen naam, waarin de stad Vauclere en
+de Sarraceensche aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote
+rol spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer men in
+aanmerking neemt dat de roman van _Fierabras_ hier volgens MAERLANT'S
+mededeeling reeds vr het eind der 13de eeuw vertaald was; dat in den
+_Geraert van Viane_ de strijd tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats
+heeft op een eiland in een rivier[17]; dat ELEGAST hier, evenals in den
+roman van _Karel en Elegast_, optreedt als toovenaar; dat de naam van
+ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair van
+CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden zijn, dan moet men
+waarschijnlijk achten, dat wij hier eene vrije bewerking van Fransche
+epische stoffen vr ons hebben.
+
+Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naam _Gwidekijn van
+Sassen_, ook daarin blijft nog veel over dat opheldering behoeft[18].
+Met JEAN BODEL'S _Chanson des Saxons_ heeft ons fragment niets gemeen;
+dat het vertaald zou zijn naar eene vroegere bewerking dezer stof die
+bewaard is gebleven in de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik
+onwaarschijnlijk wegens de gewichtige afwijkingen. Ons fragment
+verplaatst ons in de volgende omstandigheden: Het Fransche leger,
+waarbij ROLAND en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend),
+OLIVIER, ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich bevinden,
+heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar de reus FLEDRIC,
+GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een nachtelijk gevecht heeft
+plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De dichter der Nederlandsche bewerking
+kende het _Roelants-lied_ blijkbaar; met den ridder in de zwarte
+wapenrusting die tooveren kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn[19]. Ook
+hier moeten wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van
+epische stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts door
+mondelinge overlevering bekend waren geworden.
+
+Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen tijd
+vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien door eene
+Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij, spreekt van _Fierabras_.
+Waarschijnlijk heeft hij den naam van dezen heidenschen reus, die in
+Spanje, na een gevecht met OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt,
+leeren kennen uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook
+Nederlandsche bewerkingen der romans van _Foulque de Candie_ en van
+_Karel en Galie_, welke laatste ons in eene Nederduitsche omwerking in
+den _Karlmeinet_ is bekend gebleven.
+
+Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans en van de reeds
+behandelde: _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_, _Reinout van
+Montalbaen_, zal men wel mogen aannemen, dat zij uit de eerste helft der
+13de eeuw, ten deele misschien (het _Roelants-lied_ b.v.) nog uit het
+laatst der 12de eeuw dagteekenen. Ook van den _Flovent_, _Geraert van
+Viane_, de _Lorreinen_, den _Aiol_ (ten minste de Limburgsche redactie)
+en den _Aubri de Borgengoen_, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de
+eerste helft der 13de eeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking van
+den _Aiol_, de _Doon de Mayence_, de _Gwidekijn van Sassen_ tot
+dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der 13de eeuw
+moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meer en beter gegevens hebben,
+zal dat bezwaarlijk zijn uit te maken[20].
+
+Dat in vele dezer romans echte pozie of tenminste potische stof wordt
+gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die pozie echter was
+voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke werken; er is hier
+gewag gemaakt van die pozie alleen om den smaak onzer voorouders in
+dezen te kenschetsen. De Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben
+slechts eenig aandeel in deze pozie, voorzoover zij die hebben
+nagevoeld. De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche
+werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als bewerking of
+navolging?[21]
+
+Over het algemeen kan men zeggen, dat--met uitzondering van het
+_Roelants-lied_--bij de bewerkers wel gevoel voor het ridderwezen
+bestond. In de _Lorreinen_ die vrij letterlijk vertaald schijnen, worden
+de lange gevechten niet weggelaten of bekort, ook in de _Geraert van
+Viane_ zijn verzen als:
+
+ Wi sullen hem marghiin laten weten,
+ Of onse swerde connen sniden,
+
+tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke
+voorkomen. In den _Aubri_ is sympathie voor het ridderwezen; de bewerker
+heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros Blanchaert dat zijn
+meester terugvindt.
+
+ Ende het begonde neyen [Zijnoot: hinneken.] zeere
+ Ende scrabbelde metten voete.
+
+Ook in den _Renout_ kan men nog vrij wat van de ruwe grootschheid van
+het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking beneden haar origineel.
+
+Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt die van het
+_Roelants-lied_. Niet zoozeer, doordat de bewerker slechts gebrekkig
+Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel lager gestaan hebben dan de
+meeste overigen. Maar doordat hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt
+ridderlijk epos, zoo sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in
+zijn grootschen eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel,
+hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is soldaat in
+zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht; hij kent de
+wapenrustingen door en door: de blinkende, met goud doorwerkte
+halsbergen, de met goud en gesteenten versierde puntige helmen, de
+lansen met hunne kleine vaantjes, de zwaarden van gebruineerd staal, de
+gouden sporen. Hij volgt elken slag met het oog van een kenner en weet
+op een prik of de den neus beschermende strook metaal (_le nasel_) al
+dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan wel het
+lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het zadel wordt
+tegengehouden, of nog verder dringt en ook het paard een diepe wonde
+toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne ruwe eenvoudige wijze, maar hij
+weet dapperheid toch ook in een Sarraceen te waardeeren; hij is een
+getrouw vazal: voor zijnen Koning en voor "douce France" heeft hij alles
+over. De woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens
+worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend: "halt sunt
+li pui e tenebrus li val" [Zijnoot: Hoog zijn de bergen en duister de
+dalen.], verhoogt nog den indruk van het geheel.
+
+Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of niets
+gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het ridderwezen of die
+uitingen zijn van den feodalen geest, laat hij weg. Voor ridderlijke
+mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid. Waar hij een epitheton
+toevoegt, geschiedt het om de Christenen dapperder en vromer, de
+heidenen lafhartiger en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer
+OLIVIER zijn aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk
+tusschen dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in het
+Fransch:
+
+ Vus ne gerrez [Zijnoot: zult liggen.] jamais entre sa brace
+
+in het Nederlandsch:
+
+ Nemmermeer en wert si u wijf.
+
+Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke in dit fatsoen
+ondergegaan.
+
+Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg ging, daar
+krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje op den geest van
+zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de Vlaamsche bewerking van den
+_Aiol_, waar de beschrijvingen vooral van gevechten aanzienlijk bekort
+of geheel weggelaten zijn, de episode van den visscher TIERIJN
+daarentegen met blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met
+dat krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze:
+
+ Ware Macharijs mijn oem hier,
+ Hi soud u, Ayoel, _selc een bier
+ Met vullen nappe scinken_,
+ Ghi souds langhe mogen dinken[22].
+
+Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654-700) vinden wij in
+het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel des bewerkers een vers
+als het derde van dit drietal:
+
+ De hermite starf cortelike,
+ Want hi voer te Gods rike:
+ _Daer moeten wi alle comen_!
+
+De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de "maechscap" die haar verhindert
+AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig teeken des tijds[23].
+
+De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over het algemeen
+gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd; telkens komen verzen met drie
+heffingen al te lange verzen afwisselen. De rijmen zijn achteloos
+behandeld; het aantal assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen
+is vrij groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene
+eigenaardigheid des bewerkers van _Reinout van Montalbaen_ is, dat hij
+in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woord _man_ moet _sente
+Jan_ te hulp komen; bij _trouwe_: _onse Vrouwe_; bij _huus_: _Jesus_
+enz.[24]. Niet alleen het _Roelants-lied_, maar ook de _Lorreinen_, de
+_Reinout van Montalbaen_ wemelen van stoplappen; met _Flovent_, _Aubri
+den Borgengoen_, _Willen van Oringen_ schijnt het in dezen beter
+gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort afgebroken perioden, wijst er
+ons op dat wij hier waarschijnlijk met volksdichters, niet met geleerde
+dichters (_clercken_) te doen hebben.
+
+Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij in _Doon de
+Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_ en de Vlaamsche redactie van _Aiol_ eer
+vrije bewerkingen van, uit Frankrijk afkomstige, epische stoffen te zien
+hebben dan vertalingen. Met meer recht mag men dit aannemen van _Karel
+ende Elegast_. Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden,
+dat wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof
+hebben[25]. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene samenzwering,
+tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen een door God gezonden engel
+hem waarschuwde. Die engel gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen.
+Op zijn nachtelijken tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden,
+die hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden ontmaskerd
+en gestraft. In de Latijnsche kroniek van ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt
+de kern van dit verhaal vermeld en ook gewag gemaakt van eene
+_cantilena_ (lied) waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige
+Oudfransche gedichten, vooral den _Renaus de Montauban_ en een werk van
+lateren tijd, _le Restor du Paon_, wordt over dit verhaal gesproken. Dat
+er behalve het lied over deze stof nog een episch gedicht van eenigen
+omvang zou hebben bestaan, is niet bewezen. In allen gevalle is zulk een
+episch gedicht niet bekend en kan men dus geen origineel van het
+Nederlandsch gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat zulk een
+Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog? Moet dat dan
+noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons verhaal? Kan de
+Nederlandsche dichter niet evengoed kennis hebben gekregen van zijne
+stof langs den weg der mondelinge overlevering? In tegenstelling met de
+meeste Middelnederlandsche gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn
+naar een uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt van
+een bron, nergens eene uitdrukking als "die boec seit" of iets
+dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons gedicht vindt, deze
+verzen uit den aanhef:
+
+ Wat den coninc daer ghevel,
+ _Dat weten noch die menighe wel_
+
+wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de
+richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende reden om
+reeds op grond van de bovenvermelde feiten de oorspronkelijkheid van ons
+gedicht onwaarschijnlijk te achten of te ontkennen[26]. Doch er is meer:
+de namen ELEGAST, EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen,
+waarvan de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel van ons
+verhaal--anders dan in de Fransche vermeldingen--de landstreek rondom
+KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats Ingelheim. Bovendien schuilt
+in ELEGAST een wezen uit de Germaansche mythologie en is hij blijkbaar
+verwant met ALVEGAST (heer der elven), denzelfde die in Frankrijk
+AUBERON genoemd werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken,
+het vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en honden bassen; de
+kennis van een tooverspreuk (hier _bede_ genoemd) waardoor hij de
+bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn dan ook trekken die men
+in Germaansche sprookjes terugvindt[27].
+
+Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel en taal, een
+geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog op bovenstaande
+uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te denken; moet men al denken
+aan navolging, dan zeker aan eene die van oorspronkelijkheid niet ver
+afstaat.
+
+Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof in God en
+vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in uitdrukkingen als "een
+heilich enghel", "d'enghel die van Gode quam", "d'enghel van den
+paradise"; in Gods vaderlijke zorg voor den koning die het gezinde van
+Ingelheim in vasten slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den
+nachtelijken tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen
+riddereer en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: "varen
+stelen of God verwerken [Zijnoot: van zich afkeerig maken.]!" Hoe goed
+kent de dichter het ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide
+gevechten mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de "witte"
+halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en den
+wachter die "den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd. Opmerkelijk is
+hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE, "d'edel man" zooals hij telkens
+wordt genoemd; treffend de onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST,
+door hem op valsche aantijgingen verjaagd.
+
+Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter voor hem de
+sympathie die de "vogelvrije" te allen tijde gevonden heeft; ook
+beantwoordt hij aan het ideale type van den vogelvrijen roover: alleen
+den rijken ontneemt hij het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken
+vooral zijn hem een welkome prooi. Hij leeft van _roof_, maar dat
+verlaagde hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek[28]. Dat
+publiek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid, kracht en
+edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen spot met KARELS
+talenten als dief en inbreker.
+
+En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen, met
+slechts een enkele reflexie over "vrouwenlist", zelden ontsierd door
+stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang op eenvoudige maar
+doeltreffende wijze voorbereid door des konings overpeinzing over
+"ridders die op aventure" leven[29]; dan zien wij den nachtelijken rit
+bij maanlicht door het bosch, de ontmoeting met den dreigenden zwarten
+ridder, het tweegevecht, de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in
+EGGHERIC'S kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons te
+boeien en met zich te voeren--zooals hij het ook ongetwijfeld meer dan
+zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan.
+
+
+KELTISCHE, KLASSIEKE EN OOSTERSCHE ROMANS.
+
+Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen aard dan wat
+hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht der Frankische romans.
+Met de personages uit die romans voelden zij zich verwant; het leven
+daar afgebeeld was min of meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar
+op grooter schaal en in het licht der pozie. De Keltische en daarop
+gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels vreemd
+was, maar die hen bekoorde, deels door al dat vreemde en
+wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed vonden wat zij
+begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde, hoofsche beschaving,
+fijnheid van vormen en omgangstaal.
+
+Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van het hoofsche
+ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de volmaakte ridder;
+koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en edele schoonheid. Rondom hen
+eene glanzende schaar van ridders, getrouwe vazallen, bereid hun leven
+voor hun koning te wagen, dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en
+jonkvrouwen, bekoorlijk, dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en
+op de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde men dan een
+levendig spel van woord en weerwoord; van dartele behaagzucht en schalke
+veinzerij tegen vurige liefde en ootmoedige toewijding.
+
+Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die bleek worden
+van aandoening, die om genade smeeken, en jonkvrouwen die zich houden
+alsof zij niets gehoord hebben, die haar minnaar wijs maken, dat hij
+geslapen heeft. Welk Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken
+gehoord als dit van POLLIDAMAS en HELENE in den _Roman van Troye_:
+HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.--Word toch wakker,
+POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van nacht kunt gij slapen zooveel
+gij wilt.--Vrouwe, zegt hij, wie zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te
+zitten slapen?--Zoo onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers
+in uw slaap tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou het
+u slecht bekomen.--Sliep ik dan?--Ja zeker.--Als gij het zegt, moet het
+waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap iets miszegd?--Ja gij, maar
+onwetend; daarom zal ik het niet in ernst opnemen.--Mag ik zoo vrij zijn
+u te vragen, wat ik miszegd heb?--Ja gij: eerst zegt gij tot mij:
+"genade!"; toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u,
+wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief! Toen ik
+die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij droomde en maakte u
+wakker.--Ach, vrouwe, men heeft wel eens meer gezegd: waar het hart vol
+van is, daar loopt de mond van over.--
+
+Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij niet,
+want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtende jonkers gold:
+"vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur van den hartstocht
+blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo menige geschaakte jonkvrouw die
+hij op zijn weg ontmoet, die hij verlost uit de macht van een of anderen
+rooden ridder of afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne
+eenzaamheid wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi
+te zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van FLORIS
+voor BLANCEFLOER, van PARTONOPES voor MELIOR; de liefde voor GALIENE
+doet wonderen aan den boerenzoon FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt
+ridder.
+
+Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden, is reeds uit het
+voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt het, indien men er op let,
+hoe de aandacht die vroeger alleen of voornamelijk den man geschonken
+werd, nu in beslag wordt genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS
+denkt, kan BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPES herinnert ons MELIOR,
+TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt door de verleidelijke
+VIVIANE in het bosch van Broceliande verstrikt. En wie kan LANCELOT de
+bloem der ridderschap noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne
+misdadige liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE?
+
+Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans der pozie;
+nergens misschien liefelijker dan in den roman van _Lancelot_, waar ons
+verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen lag in de woning der fee
+MORGUEYNE.--Uit zijne gevangenis, door de ijzeren staven voor het
+venster, ziet hij in den bloeienden tuin. Twee winters en een zomer zit
+hij nu reeds daar. Om de verveling te verdrijven, heeft hij zijne
+wapenfeiten op de muren geteekend. In die wemeling van figuren
+verschijnt meermalen ne vrouw--de koningin. Dikwijls gaat hij op haar
+beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan weent en klaagt hij.
+De Mei is gekomen; April heeft oorlof genomen. Weer ziet hij de boomen
+bloeien, de frissche rozen opluiken, de roode rozen... hij ziet haar
+rooden mond. Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg
+opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen; ne is
+er, pas ontloken--z was zij, toen hij haar zag ten tournooi te
+Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt hij zijn hand uit het
+venster, maar de ijzeren tralin houden hem tegen. "Zouden tralin mij
+tegenhouden?--Neen!"--met beide handen grijpt hij de twee staven aan;
+n ruk... zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht.
+Nu verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar en
+legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent zich, kiest een
+goed ros, zit op en rijdt heen.
+
+Waarheen? Op een der vele tochten ("questen") die deze dolende ridders
+ondernemen om iemand of iets te zoeken: een gevangen wapenbroeder, een
+wonderbaarlijk zwaard of schaakbord, een sluier of ander ridderteeken.
+Waar komen zij, wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar
+kluizenaars wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar
+tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op rust; zij
+geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen naar
+ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen en toovenaars.
+
+Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier fijner vormen
+aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst van vroeger, maar eer een
+tournooi met scherpe wapenen. Grootsche afmetingen neemt de strijd aan
+in het laatste deel van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den
+strijd der Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon
+MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van Salesbiere komt
+het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger reeds gesneuveld;
+LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN, de ridder met den leeuw,
+ligt met gekloofden schedel neer; van die gansche roemruchte Tafelronde
+staan nog slechts een paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De
+Koning doodt MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde.
+Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders, GRIFLET, zet
+hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt zijne krachten
+bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S goed zwaard Excalibur in
+een poel; een gewapende hand en arm komt te voorschijn en vangt het
+zwaard op. GRIFLET verwijdert zich op 's Konings bevel. Van een
+heuveltop ziet hij uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn
+gezeten; ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard en
+wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe dienaar verliest
+hem weldra uit het oog.
+
+Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch omstraald met
+hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo menig dapper ridder der
+Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht; niet weggelegd voor LANCELOT noch
+WALEWEIN, die besmet zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de
+reine GALAD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den Graal
+zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche godsdiensten
+geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen heeft. Een
+tooverketel die drommen van ridders kon spijzigen, kwam reeds in de
+Keltische mythologie voor; het Christendom verving dien ketel door een
+schotel, later een beker (_gradale, gral_ is een Romaansch woord voor
+_schotel_), waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal.
+De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de Keltische
+mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van LONGINUS. Ook de
+Graalburcht met den koninklijken visscher (le Roi Peschor) wordt in
+Keltische verhalen teruggevonden. Geheimzinnig en wonderbaar is de graal
+reeds in CRESTIEN DE TROYE'S _Conte del Graal_ (omstreeks 1175).
+PERCEVAL, in den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page
+binnentreden die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot
+de hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters; dan
+een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare steenen sieren hem. Z
+verblindend een glans straalt van dien schotel af, dat het licht aller
+kaarsen in de zaal verdoofd wordt. Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk
+door MAERLANT vertaald werd, is de Graal de Avondmaalsbeker[30]. En zoo
+blijft hij het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met
+het brood des levens.
+
+Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk tot ons
+gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen van _Lancelot,_,
+_Percevael_, _Walewein_; de romans _van Ferguut_, _van Torec_, _van den
+Graal_ en _van Merlijn_; de roman _van Alexander_ en die _van Troje_;
+eindelijk de verhalen _van Floris en Blancefloer_ en _van Partonopeus en
+Melior_.
+
+Over de romans _van Merlijn_, _van den Graal_ en _van Torec_, evenals de
+roman _van Alexander_, bewerkt door MAERLANT, spreken wij later.
+
+Onder den naam: _roman van Lancelot_, is tot ons gekomen een groot werk
+dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene zelfstandige
+werken door LODEWIJK VAN VELTHEM was erkend, en welks deelen men
+langzamerhand beter leert kennen[31]. Wij vinden hier 1o een groot werk
+waarvan LANCELOT de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is
+gekomen, 2o de _Graalqueste_ en 3o _Artur's dood_. Voorts hebben wij,
+blijkens deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN DE
+TROIE'S _Percevael_, van de _Wrake van Ragisel_, een _Walewein-boek_,
+een roman _van den Ridder metter mouwen_ en de vertaling van een paar
+Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen[32].
+
+De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door dit viertal
+verzen uit den proloog van den _Lancelot_ (II, 11-14):
+
+ Ghi sult hier horen scone die jeesten [Zijnoot: verhalen.]
+ Bede van rouwen ende van feesten,
+ Van ridderscape groote daet,
+ Van selsieneheden [Zijnoot: vreemde dingen.] menich baraet [Zijnoot:
+ bedrieglijk spel.].
+
+In den _Lancelot_ vinden wij vele "wandele" of "dolende" ridders.
+Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier inneemt. Wij treffen
+hier o.a. reeds "'t wiel van avonturen" aan. Ook vrouw VENUS, die "den
+boom der minnen" in het harte der menschen plant; deze boom heeft
+twintig telgen: de eerste telg draagt "melthede", de tweede
+"oetmoedechede", de derde "sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde
+deel, dat de vertaling bevat van de _Queste van den Grale_, vinden wij
+veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de "hertheid van ertrike"
+voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren; zeven ridders
+zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de wereld; de oude en de
+nieuwe wet worden voorgesteld door eene vrouw op een serpent en eene op
+een leeuw gezeten[33].
+
+De roman _van Ferguut_ heeft naar den inhoud iets eigens. FERGUUT immers
+is de zoon van een rijken dorper, wiens vrouw echter met den adel is
+vermaagschapt. Terwijl hij achter den ploeg loopt, komen eenige gezellen
+der Ronde Tafel, die op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te
+worden als zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting
+trekt hij naar ARTUR'S hof--evenals AIOL naar het hof te Parijs. ARTUR
+geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op avontuur, ziet de schoone
+GALIENE en wordt onder den invloed van de liefde tot haar langzamerhand
+een volmaakt ridder. Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door
+den invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieuwen adel
+uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van de gemoedsontwikkeling
+der moderne volken onder den invloed der liefde.
+
+Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige: ridder KEYE,
+ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk personage, bespot
+den boerenzoon; FERGUUT overwint ridders, bevecht eene reuzin, neemt
+deel aan het beleg van eene stad enz.
+
+Iets eigens hebben ook de romans van _Floris en Blancefloer_ en van
+_Partonopes en Melior_. In beide staat de liefde op den voorgrond, de
+avonturen--hoe talrijk en wonderbaarlijk ook--op den achtergrond. Maar
+in den eersten roman zien wij die liefde in een paar kinderen die samen
+opgroeien: een heidensch prinsje en een christelijke gravendochter. Door
+de ouders van FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde,
+met naeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS wordt
+Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de grootouders van
+KAREL DEN GROOTE.
+
+In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene dergelijke stof
+als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren jong edelman, PARTONOPES
+VAN BLOIS, op jacht verdwaald, wordt door een tooverschip naar een
+geheimzinnig prachtig kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend,
+gaat hij na den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich
+naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar gelaat te
+zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt zijne gelofte en
+daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding van een paar jaren, waarin
+PARTONOPES half waanzinnig rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De
+geheimzinnige minnares blijkt de dochter van den Keizer van
+Constantinopel te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPES Keizer
+van Constantinopel wordt, spreekt vanzelf.
+
+Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide romans een
+historischen achtergrond: de nauwe aanraking tusschen Europa en het
+Oosten in den tijd der Kruistochten, aanraking ook tusschen Christendom
+en Heidendom; zegepraal van het eerste over het laatste, blijkbaar
+zoowel in de kerstening van FLORIS als in de kroning van PARTONOPES.
+Elkanders tegenbeeld zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze
+waarop de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld
+zijn.
+
+Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere werken van deze
+soort te onzent bekend geweest. MAERLANT maakt nog melding van: _Tristan
+en Isoude, Octaviaan, Madocs droom, Amadas en Ydoine_[34]. Al zijn ons
+geene Nederlandsche bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er
+bestaat toch voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke
+werken, hierbij te voegen. Want--wij stipten het reeds aan--men mag ter
+wille van een beter overzicht wel spreken van Keltische of
+Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche romans; doch in waarheid zijn
+al deze werken voortbrengsels van denzelfden geest. Ten deele zal dat
+reeds uit het voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw,
+indien men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen.
+Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans? Niets dan de
+namen van plaatsen en personen; voor het overige gelijken zij volkomen
+op de andere romans. Grieken en Trojanen, mannen zoowel als vrouwen,
+gevoelen, denken en spreken als middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed
+en gewapend als zij. Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans
+ligt voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen verschil
+tusschen PARTONOPES en PARIS, tusschen BLANCEFLOER en een of andere
+Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze en GALIENE of dergelijke
+heldinnen uit een Keltischen roman.
+
+De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet lang na het
+midden der 13de eeuw gedicht (tusschen 1257 en 1264), de overige worden
+door hem in onderscheidene zijner werken genoemd en zullen dus wel
+tenminste zoo oud zijn als die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten
+deele, nog wel tot de eerste helft der 13de eeuw behooren.
+
+Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig houden, deze:
+welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen dezer oorspronkelijk
+Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers dier bewerkingen hunne taak
+opgevat en uitgevoerd?
+
+De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat na te gaan;
+zoolang wij de onderscheiden werken, welke door VELTHEM zijn vereenigd,
+niet in hun oorspronkelijken vorm bezitten, kunnen wij bezwaarlijk
+uitmaken, wat van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker, wat van
+den compilator is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den
+eigenlijken Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd[35].
+Dat het godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan in
+den Franschen roman, moet misschien op rekening van VELTHEM worden
+gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking moet toeschrijven van een
+bloedenden ridder bij een rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te
+maken[36]. Ook het duizendtal verzen dat wij van den roman _van
+Percevael_ in zijn oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van
+nauwe aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts
+hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd te
+hebben[37].
+
+Op vaster grond staan wij bij de bewerking van den _Ferguut_. Het is
+mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking te danken
+hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn werk bij vs. 2593 zou
+hebben begonnen. Doch in allen gevalle bestaat er geen reden, om het
+eerste deel der bewerking tegenover het tweede te stellen als het werk
+van een "hoofsch" tegenover dat van een "dorper" dichter; beide deelen
+der Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest die zeker
+eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden[38]. De dichter van den
+Franschen roman _Fergus_ was blijkbaar een bewonderaar van CRESTIENS DE
+TROIES. De Nederlandsche bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het
+Fransche oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier
+niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE, een naam
+dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen uit CRESTIENS'
+_Ivain_, waar de kamenier van IVAIN'S minnares denzelfden naam
+draagt[39].
+
+De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige pozie en de
+Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat weten te behouden. Zoo
+zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van GALIENE goed door hem
+weergegeven. Op een enkele plaats heeft hij de levendigheid van het
+oorspronkelijke verhoogd door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede
+is dan ook gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden.
+Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten of
+ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling van _vilain_
+door _vrient_; de zedigheid van den bewerker toont zich, waar uit de
+opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden de "mamelettes comme pumetes
+[Zijnoot: appeltjes.]" zijn verdwenen[40]. Had hij maar niets
+gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de beschrijving der jacht
+in het oorspronkelijke bij die in het Nederlandsche verhaal. Duidelijk
+blijkt dan dat de bewerker, anders dan de dichter, die hertenjacht in
+het bosch niet heeft _gezien_; niet gezien "hoe de Koning gaat staan in
+de stijgbeugels om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe "de
+bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt "het hijgen en
+woelen" van het uitgeput hert en hoe het, verdronken in de rivier, komt
+bovendrijven met "den gezwollen buik, stijfstaand van het ingezwolgen
+water"[41]. Tal van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker
+ingevoegd; zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor
+Koning ARTUR en zijne ridders: "Hi stont ende sweette als een das";
+iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand iets "aen sijn
+cleet wriven" of iemand "sijn vel verwarmen". FERGUUT blijft te lang weg
+van zijne minnares; "een vrouwenhart is niet van staal", waarschuwt de
+Nederlandsche dichter, en: "zijne rapen zouden wel eens kunnen
+aanbranden"[42].
+
+In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker de
+grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het doet voorkomen dat
+GENOVERE niets was in vergelijking van GALIENE en waar hij Koning ARTUR
+tot GALIENE doet zeggen: "ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw".
+
+Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker afkomstig is: eene
+uitweiding over het karakter der liefde en een licht komisch glimpje
+hier en daar o.a. in een spottend verkleinwoord[43]. Doch noodig is dat
+niet om op grond dezer bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze
+bewerker een zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat,
+doch wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en aan
+de gewenschte fijnheid van gevoel.
+
+Meer talent dan uit de bewerking van den _Ferguut_ blijkt ons uit die
+van den _Partonopes_, waarvan groote fragmenten (meer dan 8000 verzen)
+tot ons zijn gekomen[44]. Dat deze bewerker onvoldoende kennis toont van
+ridderlijke kleeding en riddergebruik, raakt de aesthetische waarde
+zijner bewerking niet van nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch
+element heeft verzwakt, daar het parallellisme van eenige mooie verzen
+heeft voorbijgezien of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijken
+hartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming
+daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt en o.a. de
+vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft weggelaten. Doch van
+meer gewicht dan dat alles is, dat hij op verscheidene plaatsen zijner
+bewerking toont dichter te zijn. Hij moge onbekend zijn met de namen van
+sommige kleedingstukken, met sommige gebruiken bij het geven van den
+ridderslag en het houden van een tournooi--aan _gevoel_ voor deze dingen
+ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van den _Ferguut_ heeft
+hij de jacht van PARTONOPES op een wild zwijn blijkbaar wel voor oogen;
+hij voegt er zelfs een paar aardige trekjes aan toe: hij ziet den
+jachthond aan de "leise" (zeel), ziet hoe de honden met de oogen den
+ever volgen. In een troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij
+blijkbaar behagen:
+
+ scone gewapent quamen si echt [Zijnoot: achteraan.],
+ scilt ane hals ende spere gerecht,
+ helm op 't hovet, baniere gebonden,
+ ende neder totter hant ontwonden.
+
+Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat
+menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij:
+
+ Dus souden wi die roede houwen
+ daer men ons soude mede blouwen [Zijnoot: slaan.],
+
+Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn niet zelden
+door even fraaie Nederlandsche weergegeven[45].
+
+Hooger dan de _Partonopes_, het hoogst misschien van al deze
+bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'S _Floris ende Blancefloer_.
+Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en schoon Fransch
+gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk en mooi Nederlandsch berijmd
+verhaal, moet toegeschreven worden vooral aan zijne idealistische
+opvatting der liefde. Het zaad der edele minne, afkomstig uit verhalen
+als _Tristram en Isoude_, _Paris en Helena_ en andere werken der
+hoofsche minne-epiek, was bij hem in goede aarde gevallen: geen
+dorperlijk gemoed--hij besefte het--kon de edele minne op den rechten
+prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor clercken,
+leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring hebben leeren
+kennen[46]. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet; zij viel hem zuur,
+zooals hij ons zelf zegt; met passen en meten verdietschte hij het
+"walsch":
+
+ men moet corten ende lingen
+ die tale, salmen se te rime bringen.
+
+en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne
+worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan[47]. Doch
+daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de vergelijking met
+zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die deelen van het werk welke
+door hem zijn uitgebreid of waarin hij meer zelfstandig te werk gaat,
+beter zijn dan de overige; dat over het algemeen de naeve bevalligheid
+van het oorspronkelijk gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke
+wijze in zijn dietsch weergegeven.
+
+Vermoedelijk eenigen tijd vr DIEDERIC VAN ASSENEDE (c. 1220) heeft een
+Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK), hetzelfde Fransche gedicht in
+zijne moedertaal bewerkt. In sommige opzichten, vooral in
+gemoedsontwikkeling, staat FLEKE boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze
+de oorspronkelijke stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000
+Fransche verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne
+wijdloopige reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd[48].
+
+Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen van de
+kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich openbaart in het
+bouwen van verzen en het vinden van rijmen, dan wordt ons dat moeilijk
+gemaakt door den toestand waarin o.a. de romans der Lancelot-compilatie
+tot ons zijn gekomen. Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn
+wij geneigd aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen
+ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de stoplappen
+minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men o.a. in de romans
+_van Ferguut_ en _van Partonopes_. Daar, evenals in den _Walewein_ en
+den _Moriaen_, treft men vrij wat voorbeelden aan van het zoogenaamd
+_rime riche_ (gelijke klank bij verschil van beteekenis of van functie),
+zoowel waar het geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het
+eigenaardig soort van rijm, dat wij in den _Renout van Montalbaen_
+aantroffen, waar steeds een of andere heilige in den rijmnood moet
+voorzien, vinden wij in den _Ferguut_ terug[49].
+
+Zooals onder de Frankische romans o.a. de _Aiol_ den overgang vormt van
+de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig werk als _Karel en
+Elegast_, zoo staat hier de bewerking van _Floris en Blancefloer_
+tusschen de vertaalde romans en een paar werken die mij voorkomen
+zelfstandig te zijn: _Moriaen_ en _Walewein_.
+
+Ook de roman _van Moriaen_ is ons bewaard gebleven in de
+Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S handen
+te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken vorm tot ons te
+zijn gekomen[50]. Zelfstandig en eenigermate oorspronkelijk mag deze
+roman heeten, aangezien er geen origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon,
+een Moor, die voorgesteld wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt
+oorspronkelijk[51]. Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De
+zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige, uit
+andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft vereenigd tot
+een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is ten opzichte van taal en
+versbouw, doch overigens niets eigens noch veel kunstvaardigheid toont.
+Een overwonnen ridder die door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt
+gezonden, tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de
+handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen
+tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg van een
+sterk kasteel--dat alles behoort tot het vaste materiaal waaruit deze
+romans werden samengesteld.
+
+Bovendien heeft de dichter gedurig den roman _van Karel en Elegast_ voor
+oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men zelfs woordelijke
+navolging opmerken[52].
+
+Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere romans had
+leeren kennen, schijnt ook de roman _van Walewein_, waarvan door den
+dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen werden gedicht en die met 3300
+verzen door PIETER VOSTAERT werd voltooid[53]. Hier wordt ons verteld
+van onderscheidene "questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig
+schaakbord, in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet
+WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt te behooren
+aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het kleinood afstaan, indien hij
+daarvoor het wonderzwaard met de twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN
+bezit. Een nieuwe zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard
+slechts geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S
+dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot van
+JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een vos herschapen,
+wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht. WALEWEIN wint IJSABELE, ook
+haar hart, en trekt terug naar koning AMORAEN. Deze redt hem uit de
+moeilijkheid eener keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te
+overlijden. Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het
+schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar koning
+ARTUR die zijn schaakbord ontvangt.
+
+Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van andere minder
+belangrijke, zooals ze in deze romans plegen voor te komen.
+
+Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste wonden
+geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in den lusthof van YSABELE
+en een gloeiende rivier rondom den burcht van koning ASSENTYN, om van
+den betooverden prins te zwijgen[54]. Zulke zaken vindt men eveneens in
+andere romans van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien
+aard. Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenis
+_van Peredur (Perceval)_; daar ook de vermelding van het "Castle of
+Wonders" of "van den wondere dat casteel" zooals het in den roman _van
+Lancelot_ genoemd wordt. Ook de bron der jeugd, waarvan hier verhaald
+wordt; de smalle brug, scherp als een scheermes; de onderscheidene
+tafels, waaraan verschillende leden eener hofhouding middagmalen, zijn
+ons van elders bekend[55].
+
+Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters vereenigd tot een
+geheel; want eenheid is er, al is zij niet van hooger orde dan die in
+het bekende sprookje:
+
+ Toen ging hij naar de Galg:
+ "Galg, wil jij Man hangen?
+ "Man wil niet Os dollen,
+ "Os wil niet water slobberen
+ ...
+ ...
+ Ja, zei Galg.
+ En Galg hing Man,
+ En Man dolde Os
+ En Os slobberde water
+ enz.
+
+Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van deze soort, valt
+moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN HEELU kennen blijkbaar wel
+verhalen over _Walewein_; of zij echter het oog hebben juist op dezen
+roman[56]? Met het oog op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij
+sterk is, op het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die
+over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt, zou ik geneigd
+zijn dezen roman in allen gevalle tot de 13de eeuw, en eer tot de eerste
+helft daarvan dan tot de tweede te brengen. Ook de taal en het vrij
+groot aantal assoneerende rijmen schijnen ons daartoe recht te
+geven[57].
+
+De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar macht en haar
+praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de gemoederen van velen
+hier te lande aangetrokken, beheerscht of bekoord. De pozie, uit dat
+ridderwezen en ridderleven geboren, heeft vooral den adel, maar
+waarschijnlijk ook de aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan
+de indruk, door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk
+gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest.
+
+Het feit alleen dat de ridderpozie zich te onzent ontwikkelde onder den
+invloed der Fransche ridderpozie, kan niet volstaan om die bewering te
+staven. Immers, ook in de overige landen van West-Europa was dat het
+geval. Doch--en dat feit weegt zwaarder--de volksziel nam hier te lande
+het ridderwezen niet z gretig in zich op, werd daardoor niet zoo
+krachtig bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale
+ridderpozie werd geboren; eene _eigen_ ridderpozie, gelijk de
+Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON STRASSBURG,
+HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH en het nationaal-ridderlijk
+epos van _Nibelungen_ en _Gudrun_.
+
+Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de door hen vertaalde
+of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar zien wij naast gevoel voor
+het ridderwezen in zijne onderscheidene uitingen, ook vroomheid en
+zedigheid die slechts matige sympathie koesteren voor de ridderidealen:
+die den hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende
+opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis aan
+verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische roman, dien wij
+voor een oorspronkelijk werk mogen houden, hooger staat dan de twee
+zelfstandig bewerkte Keltische romans. _Karel en Elegast_ staat niet
+veel lager dan de beste "Chansons-de-geste" uit den nationalen cyclus;
+_Moriaen_ en _Walewein_ veel lager dan de beste Fransche romans van den
+uitheemschen cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich
+afspiegelt in de Frankische romans, heeft--zou men zeggen--sterker
+indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer sympathie gevonden,
+kon dus ook beter door hen vertolkt worden, dan dat der volgende
+periode, toen liefde, maar vooral zinnelijke liefde, hoofsche
+bevalligheid en fijne vormen overheerschend waren.
+
+Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling van ons volk
+ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen geboren pozie
+heeft de ridderlijke idealen onder deze volken helpen verbreiden. Die
+idealen en die pozie hebben er deels ingang gevonden, deels hebben zij
+afkeer gewekt en verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder
+geestelijkheid en gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al
+niet tegen den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene
+andere richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting
+vragen nu onze aandacht.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE DE
+SAINTE PALAYE, _Mmoire sur l'ancienne Chevalerie_; L. GAUTIER, _La
+Chevalerie_; A. SCHULZ, _Das hfische Leben zur Zeit der Minnesinger_;
+MOLL, a.w. II, 4, 235.
+
+De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland--aanlokkelijke maar
+zware taak--moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL gaf een vlijtig
+bewerkte studie: _Het kasteel in de XIIIe eeuw_, later omgewerkt tot:
+_Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans_. Maar het blijft de
+vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde, ridderromans hier als
+bronnen mogen dienen.
+
+[2] De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek zijn
+hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om de
+Nederlandsche ridder-pozie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt, zal
+verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van dit
+overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON PARIS
+(_Histoire potique de Charlemagne_); L. GAUTIER, _Le Epopes
+Franaises_ (2e d.); PIO RAJNA, _Le origini dell'epopea francese_; K.
+NYROP, _Den oldfranske heltedigtning_. Ik volgde vooral NYROP en de
+auteurs in PETIT DE JULEVILLE'S _Histoire_, I, 49-344.
+
+Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met belangrijke
+aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De oudere literatuur
+(tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL. Daarbij moet
+gevoegd o.a.: _Studies on the Legend of the Holy Grail_ by ALFRED NUTT
+(1888) en de scherpe doch billijke en opbouwende critiek op NUTT'S werk
+door Prof. H. ZIMMER in _Gtt. gel. Anzeigen_ (1890); _Studies in the
+Arthurian Legend_ by JOHN. RHYS. (1891). Zie voorts de literatuur bij
+PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W.
+FOERSTER'S _Der Karrenritter_ (LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899.
+
+[3] Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368-9; JONCKBLOET, I, 113 (noot).
+
+[4] Vgl. TE WINKEL, p. 79-83 en J. STECHER, _Hist. de la Litt. Nerl._,
+p. 21 suivv.
+
+[5] JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen
+gevestigd. Vgl. o.a. zijne _Gesch. der Ned. Lett._, I, 140 vlgg.; 289
+vlgg.
+
+TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijn _Maerlant's
+Werken_, (2e druk), bl. 402-408.
+
+[6] _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39-57. Vgl. ook
+de plaats uit _Van den Levene ons Heren_ die later vermeld zal worden.
+
+[7] _Acta Sanctorum Junii_, III, p. 242-3: "in quadraginta annis, quibus
+postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici
+addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit."
+_Leven van Sinte Lutgart_, II, 461 vlgg.
+
+S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwires) in 1246.
+
+[8] De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER in
+zijne voortreffelijke uitgave der _Chanson de Roland_, p. 30-31 (in de
+aanteekeningen).
+
+[9] Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier
+behandelde fragmenten naar mijne _Mnl. Epische Fragmenten_. Daar ook
+vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz.
+
+[10] _Spiegh. Hist._, IV, 1, c. 29, vs. 73-76.
+
+[11] Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875).
+
+[12] Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek, p.
+XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers.
+
+[13] Vergelijkt men de Mnl. bewerking met het _Volksboek_ (ed. MATTHES),
+dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van het _Volksboek_ overeenkomen
+met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening zou het
+gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben geteld, daar het _V._
+184 bladzijden telt.
+
+[14] Uitgegeven door Prof. J. VERDAM in _Tijdschrift voor Ned. T. en
+Lett._, II, 209 vlgg.
+
+[15] Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen, bemerkte
+ik, dat SUCHIER dat deel der _Lorreinen_ hetwelk niet te vinden is in
+het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt, terwijl G. HUET het
+aan een verloren Fransch werk ontleend acht.
+
+De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten geleerde
+over dit onderwerp zijn gepubliceerd: _Romania_, XXI, 361 suivv. en
+XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijne _Gesch. der Franz.
+Lit._ (1900), p. 45.
+
+[16] _Scaerdelijn_ ziet er uit als eene afleiding van _scaert_
+(_scaerde_). Zie o.a. _Karel ende Elegast_, vs. 413 de "scaerde ende
+vlegghen" in de helmen.
+
+[17] Zulke duels komen in de Oudfransche epische pozie meermalen voor.
+Zie o.a. Pio RAJNA, _Le Origini_, p. 402.
+
+[18] Eene collatie van het hs. gaf ik later in _Tijdschr. v. Ned. T. en
+Lett._, IXe jaarg., p. 166, 189.
+
+Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: "Winechkijn, der Sassen here";
+zie: _Spieghel Historiael_, III, 8, c. 86, vs. 3.
+
+[19] Met terugneming van hetgeen ik vroeger (_Tijdschr. v. N.T. en L._,
+IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat met _El'e_ of _Es'e_ in het hs.
+Elegast bedoeld is.
+
+[20] Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen als
+die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van het oorspronkelijk
+gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking, ook den geest van het
+gedicht en dien der bewerking. Overigens verwijs ik voor dit deel van
+mijn verhaal naar mijne _Middelnederlandsche Epische Fragmenten_ en de
+vroeger aangehaalde werken over de Fransche epische pozie. Doch er valt
+ook in onze ridderpozie nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de
+verhouding van den _Karlmeinet_ tot de Mnl. ridderpozie.
+
+[21] In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den
+tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eene _vertaling_ in onzen
+zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer een
+_bewerking_ dan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat BORMANS
+(_Mnl. Ep. Fragm._, p. 51) zegt: "traduire c'tait imiter; on
+retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes
+manires." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking in
+te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene
+redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet
+vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben
+gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft in zijn
+onderzoek van den _Partonopeus_, Dr. BOTERMANS in dat van _die hystorie
+van die seven wyse mannen van romen_; ik meen ook te mogen wijzen op
+mijne Inleiding tot de fragmenten van het _Roelantslied_.
+
+Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor eene
+vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men den geest
+der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of wijzigingen
+vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den bewerker moeten
+zetten.
+
+Bij de vergelijking der bewerkingen van _Nibelungen_, _Roelantslied_,
+_Reinaert_, _Rinclus_ e.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen
+van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende
+afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker. [
+F2] _Aiol_ (ed. VERDAM), vs. 14-17.
+
+[23] T.a.p., vs. 390-405:
+
+"Verdoemt moete de maechscap sijn" "Ay, maechscap, wat heb di mi
+gedaen!" enz.
+
+
+[24] Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095, 1103
+(pass.), 1147, 1248, 1515, 1774.
+
+[25] Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN EN ZOON.
+1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook: BERGSMA'S
+_Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast_. (Groningen.
+1890).
+
+[26] Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan. Maar
+JONCKBLOET was z bevangen door zijne studin der Oudfransche
+Chanson-de-geste--hoe uitnemende vruchten die studin ook hebben
+gedragen--en had daarbij z weinig geloof in het dichterlijk vermogen
+van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde hem reeds dadelijk
+afdoende voorkwamen.
+
+[27] _Karel ende Elegast_ (ed. KUIPER), vs. 768-9, 837-839, 923.
+
+[28] _Roof_ was niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte
+onderscheid tusschen "diefte ende roof" (_Limborch_, X, 505). MAERLANT
+zegt in zijn _Rijmbijbel_, (I, p. 206): "Ne roof niet, hen si dijn"; in
+den _Spiegh. Historiael_, III, p. 374: "onse aerme worden rike met
+rove". Zie verder _Nederd. Regtsoudheden_, p. 282. De dichter van _Van
+den Levene ons Heren_ legt het zelfs Jezus in den mond, (vs. 943).
+
+[29] Vs. 105 vlgg; 203 vlgg.
+
+[30] Een overzicht van den _Oorsprong van den Graal_ gaf TEN BRINK in
+eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie. Afzonderlijk
+uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897).
+
+[31] Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van deelen
+der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door TE WINKEL,
+MOLTZER en FRANCK in _Tijdschr. v. N.T. en L._, X, XIII, XIV, XIX, en
+door VAN VEERDEGHEM in de _Bulletins de l'Acad. Royale de Belgique_, 3me
+srie, tome XX, no. 12.
+
+[32] TE WINKEL, _Geschiedenis,_ p. 190.
+
+[33] Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg.
+
+[34] Vgl. _Maerlant's Werken_ door Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg.
+
+Ook in _Floris en Blancefloer_, (vs. 58-59) wordt melding gemaakt van de
+geschiedenis _van Tristram en Ysoude_.
+
+In het gedicht _Van den Levene ons Heren_, vs. 15, wordt onder de romans
+waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die
+
+_Van Pyramuse_, hoe hi sijn leven Verloos....
+
+
+In de Oudfransche literatuur bestond een roman van dien naam. (Vgl. P.
+DE JULEVILLE'S, _Histoire_ etc., I, 244).
+
+[35] Zie JONCKBLOET'S _Inleiding_ op Deel II, p. CCVI.
+
+[36] Vgl. o.a. III, 22557 vlgg.; IV, 2149-'50.
+
+[37] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIII, 38.
+
+[38] VERWIJS geloofde aan twee dichters. Zie zijne Inleiding, p. XXIX.
+Bij zijne argumenten moet nog gevoegd worden dat in het eerste deel niet
+19 assoneerende rijmen voorkomen, maar 28 (vgl. vs. 59-60, 121-122,
+563-4, 605-6, 669-'70, 711-'12, 1029-'30, 1331-2, 1673-4).
+
+Deze voorstelling werd door JONCKBLOET bestreden. (Vgl. zijne _Gesch.
+der Ned. Lett._, I, 310). Ik zou mij eer aan de zijde van J. scharen;
+doch acht den strijd niet zoo heel gewichtig, omdat in allen gevalle de
+geest der bewerking doorgaans dezelfde blijft.
+
+[39] Zie o.a. RHYS, _Studies_, 93, 105 en PETIT DE JULEVILLE a.w. I,
+310.
+
+[40] Vgl. vs. 1360 vlgg. (liefdesoverpeinzingen); 1671-'6 (dialoog);
+1658 en 1666; vs. 1182 vlgg.
+
+[41] Vs. 75 vlgg.
+
+[42] Vs. 319, 2057, 5328, 4984; andere dergelijke uitdrukkingen:
+399-400, 402-4, 1170, 2099.
+
+[43] Vs. 5035, 5056; 2768-'84; 3500 vlgg. (waar de afschuwelijke reuzin
+PANTASALE "scone wijf" wordt genoemd); 3365, 3524, 3533.
+
+[44] Vgl. het in menig opzicht uitnemend proefschrift van Dr. A. VAN
+BERKUM: _De Middelnederlandsche bewerking van den Partonopeusroman_.
+(Groningen, WOLTERS. 1897.)
+
+[45] Zie VAN BERKUM a.w. LXIII, LXVII, LXXI; CXV; CIV; CIII, CXXXIII;
+XLIV; CV, CVI, CVIII; XCVII, CXII-CXIII.
+
+[46] Die opvatting in vs. 3-13, 53-75, 1012 (door MOLTZER blijkens zijne
+aanteekening niet begrepen); vs. 1365 (waar met het hs. _sot_ moet
+worden gelezen).
+
+[47] Vgl. vs. 22, 86; vs. 19-20; al te lange verzen of zulke waarin men
+geen rhythme hoort zijn b.v. vs. 1900, 1918, 2005, 2058, 2339, 2647,
+2859, 3567, 3853.
+
+[48] Uit vs. 282-4 zou men opmaken, dat D.v.A. meer dan een redactie van
+het verhaal heeft gekend. Van de twee door ED. DU MRIL uitgegeven
+redactie's van het Fransch gedicht, staat A dichter bij DIEDERIC'S werk
+dan B; echter heeft DIEDERIC waarschijnlijk eene ons onbekende redactie
+gevolgd. Die redactie zal wel dezelfde zijn geweest als of dicht gestaan
+hebben bij de door FLEKE gebruikte: in vs. 272-'82, 474-'95, 1562-'81,
+staat D.'s bewerking dichter bij die van FLEKE dan bij version A.
+
+Vgl. over de verhouding der onderscheiden redacties: MOLTZER'S Inleiding
+voor zijne uitgave; H. SUNDMACHER, _Die altfranzsische und mhd.
+Bearbeitung der Sage von Flore und Blanscheflur_. (Gttingen. 1872) en
+H. HERZOG in _Germania_, 1884, 149. SUNDMACHER overschat FLEKE'S
+bewerking, die hij bespreekt alsof ze een oorspronkelijk werk ware;
+onderschat de Middelnederlandsche. HERZOG'S stuk is vol geleerdheid,
+gewaagde onderstellingen en slotsommen.
+
+Op vele plaatsen is DIEDERIC'S bewerking veel uitvoeriger dan het
+Fransch. B.v. in vs. 213-'30, 322-'48, 474-'95, 519-'34, 1562-'81,
+1922-'31, 2148-'54, 2219-'22, 2224-'48, 2735-'50, 2750-2820, 2827-'31,
+3173-'95, 3376-'81.
+
+Niet in het ons bekende Fransch komen voor: 272-'82, 378-'9, 410-'20,
+570-'85, 714-831 (iets daarvan in version B), 2197-2204, 2841-'9,
+2887-'9, 3139-'49, 3396-3415, 3482-'97.
+
+Van deze plaatsen vindt men voor een klein deel iets bij FLEKE; maar
+DIEDERIC gaat ook daar doorgaans zijn eigen weg.
+
+[49] Vgl. vs. 657-8, 2138, 2830, 2908, 3201, 3762, 3832, 4534, 4749,
+4783, 4839, 5275, 5392.
+
+Ook in de Fransche epische pozie was dit heiligen-rijm bekend. Vgl.
+NYROP in de vertaling van _Gorra_, p. 383.
+
+[50] Vgl. FRANCK'S uiteenzetting in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX,
+45-46.
+
+[51] In den _Merlijn_ wordt vs. 31706 zekere ridder _Morian_ genoemd
+("Dander was Morian, als ic versta"). Waarschijnlijk hebben wij hier
+echter te doen met een bedorven tekst; immers diezelfde ridder wordt,
+verderop in dat hoofdstuk, tweemaal _Moriaval_ genoemd (vs. 31942,
+31989). Misschien had het hs. _Moriau'_; het is bekend hoe licht _u_ en
+_n_ verwisseld werden.
+
+[52] Vgl. Dr. BERGSMA'S uitgave van _K.e.E._, bl. 47-48. Bij de daar
+opgegeven plaatsen moet nog gevoegd worden: vs. 112 (het tooverkruid uit
+den _K.e.E._) en _M._ 607-8 = _K.e.E._, vs. 1205-6.
+
+[53] JONCKBLOET hield ook dezen roman voor vertaald; doch de
+bewijsgronden, door hem aangevoerd, zijn zwak. Van een Fransch origineel
+is niets bekend; J. zelf houdt de aanwijzing bij ROQUEFORT (II, 33) voor
+eene vergissing; de door R. aangehaalde plaatsen (II, 129), meerendeels
+gemeenplaatsen, hebben weinig bewijskracht. Ook kan men den proloog maar
+niet wraken of uitleggen, zooals J. doet. Er zijn inderdaad vele
+verwijzingen naar een bron of bronnen (bij VOSTAERT meer dan bij
+PENNINC); doch die geven nog geen recht om aan te nemen, dat hier een
+voorbeeld werd nagevolgd.
+
+[54] Deze elementen aangewezen door JONCKBLOET in zijne uitgave van den
+roman (II, 152-153).
+
+[55] Vgl. RHYS, _Studies_, 105 en 55; _Lancelot_, II, 40393; _Walewein_,
+vs. 1010 vlgg.; 3550 vlgg. en II, p. 153.
+
+[56] Vgl. JONCKBLOET'S uitgaaf II, 135.
+
+[57] Gevoel voor het ridderwezen in vs. 1846 vlgg.; 4333 vlgg.; de
+beschrijving van het gevecht, vs. 10598-10635. VOSTAERT heeft eens de
+platte vergelijking van een bloedenden ridder bij eene geslachte koe.
+(8830-1).
+
+De godsdienstige tint in vs. 147-9, 236-8, 292-4, 378-9, 384, 460,
+478-'81, 495 vlgg., 574-6, 666, 1154-6, 1326-'30, 2684, 2695, 2980-4,
+3010, 3049-'51, 3360-'66, 3626-'33, 3649-'50, 3714, 3875-'7, 3946-'54,
+4020-'1, 4064-'5, 4097 vlgg., 4268-'9, 4348-'52, 4436-'7, 4758 vlgg.,
+6138, 6142, 6683 vlgg., 7049-'55, 7198-7200, 7687-'8.
+
+Bij VOSTAERT: 8118-'9, 8133-'5, 8380-'5, 8478, 9272-'7, 9376-'7, 9531,
+9866, 11088.
+
+De moralizeerende toespraak van den dichter tot zijn publiek (4838-4845)
+zou ik dan ook niet met JONCKBLOET willen schrappen, als van een
+afschrijver afkomstig.
+
+Over de taal vgl. JONCKBLOET II, 135. Verscheidene daar genoemde woorden
+komen echter ook in later tijd voor.
+
+
+
+2. GEESTELIJKE POZIE.
+
+ Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke pozie. _Van den
+ Levene ons Heren_. Heiligenlevens. _Rinclus_. Ontstaan der mystiek.
+ Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schnau. Mechthild van
+ Maagdeburg. Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies,
+ Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van
+ Tongeren. _Leven van Sinte Lutgart_. De Minne. Hadewych.
+
+Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken,
+daar ging haar streven in dezelfde richting als dat der geestelijkheid
+die de Christelijke idealen, voor een deel althans, tot werkelijkheid
+trachtte te maken. En dat was niet het eenige punt, waar deze beide
+standen elkander raakten. Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel
+behoorden, lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een
+Westvlaamsch auteur der 14de eeuw gaat zelfs zver dat hij zegt:
+
+ Van vier moneken sijn die drie
+ Gheboren van groten maghen.[1]
+
+In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige
+maatschappij vereenigd.
+
+Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een scherp
+verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens. Waar de adel,
+alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen ontzag om zijn doel
+te bereiken, daar kwam hij in botsing met die geestelijken welke, hunne
+roeping getrouw, den blik op het eeuwige gevestigd hielden.
+
+De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde zonder
+wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en te lezen gaven, moest
+kwaad zijn in de oogen van vrome geestelijken. Daartegen waarschuwen
+moesten zij plicht achten. Doch dan mochten zij het niet laten bij
+waarschuwen; dan moesten zij trachten den verkeerden invloed dier
+ridderromans te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen
+op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg ontstond
+geestelijke pozie als eene terugwerking der ridderpozie. Wij hebben
+reeds vroeger eene plaats uit het _Leven van Sinte Lutgart_ leeren
+kennen, die ons dien gang van zaken toont[2].
+
+Tegenover al die "sagen van wigen och van tavelronden", [Zijnoot:
+Verhalen van oorlogen en tournooien.] van "minne" die niet tot de
+"gerechte minne", nl. de liefde tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN
+AFFLIGHEM zijn leven van de maagd LUTGARDE "dat vromelic es ende goet".
+Eene tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedicht _Van den
+levene ons Heren_. In den proloog van dat werk waarschuwt de dichter
+zijn publiek tegen zoo menige "rime die ter zielen luttel smaect"; hij
+heeft daarbij het oog op verhalen
+
+ Van battalien ende van minnen
+ Van meneghen die wi niet kinnen:
+ Van Roelande ende van Oliviere,
+ Van Alexandre ende van Ogiere,
+ Van Walewaine ende van siere macht,
+ Hoe hi jeghen sine viande vacht;
+ Van Digenen, hoe hi sijn lijf
+ Tormente omme een scone wijf;
+ Van Pyramuse hoe hi sijn leven
+ Omme minne verloos....[3]
+
+
+Doch dat zijn alles "boerden", al zijn zij op schrift gebracht.
+Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarin _waarheid_
+verkondigd wordt: van "waarheid" spreekt zijn werk, immers van den
+heiligen Christus.
+
+Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd om de kern
+van het werk: de verlossing van het menschdom, zijn hier door een echt
+dichter vereenigd tot een geheel dat hooge waarde heeft[4].
+
+De ons onbekende maker, misschien een "clerc", heeft zijne stof tusschen
+1260-1270 bewerkt, zooals hij die had leeren kennen uit den bijbel en
+uit andere bronnen[5]. Onder die andere bronnen moeten de zoogenaamde
+apocriefe evangelin in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel
+kreeg de christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei
+uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch behalve
+die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken, vond men
+andere evangelin over JEZUS, MARIA, JOZEF, PILATUS, JOZEF van Arimathea
+en andere heilige personen, die als een sterke onderstroom het
+godsdienstig gemoedsleven onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke
+bijbelboeken waren voor het grootste deel des volks te sober, te
+verheven; de apocriefe evangelin wisten hun allerlei te vertellen
+waarover de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht
+naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES afliep; van
+JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar aanwezige heilige mannen
+uit het Oude Testament, ondanks het verzet der duivelen, verloste. Aan
+het gewoon-menschelijke, het dagelijksche is in deze verhalen meer
+plaats vergund; maar ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte.
+Dat alles trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken
+die n was met het volk waaronder hij stond, al stak hij boven hen uit
+door zijne dichterlijke gaven.
+
+Dat dit gedicht volkspozie bevat, zou men reeds vermoeden, wanneer men
+ziet welk een warme liefde tot de misdeelden den dichter bezielde:
+
+ Selen wy dragen bont ende grau,
+ Ende ons sieren als enen pau,
+ Ende die arme sal sijn in selc bedwanc,
+ Dat hi ne sal hebben spel no sanc?
+
+
+Maar niet alle vr het volk geschreven pozie is volkspozie. Deze is
+het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de wendingen der
+volkspozie, zooals wij die van elders kennen. Zoo b.v. de
+rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIL Gods wil aan MARIA
+komt boodschappen:
+
+ Vant hi Marien ter venstren staen?
+ Vant hise achter [Zijnoot: langs.] straten gaen?
+ Vant hise in plaetsen [Zijnoot: pleinen.], vant hise int spel?
+ Neen hi, niet; die maecht pensde al el [Zijnoot: andere dingen.].
+
+
+Zoo ook wendingen der verhalende volkspozie als: "Doe sprac een jode:
+Heren, hort na my"; het afgebrokene in den zinbouw, den korten
+vleugelslag van des dichters gedachten[6].
+
+De naeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige, die wij
+later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken, openbaren zich
+hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid van toon, een doorvoelen
+van JEZUS' lijden, zooals later MEMLINC het ons te zien zal geven.
+Telkens hooren wij van "dat zoete kint", zijne heilige, zijne
+gebenedijde hand, zijn zoete hart; God "van hemele", "d'alweldeghe God",
+de heilige engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in
+verzen als: "Kinder, seit hi, hoert na mi" of "Kinder, seit hi, lieve
+vrient"[7]. De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat
+tegen HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel als een
+hond; hij is een "dief" (in de taal onzer voorouders: het inbegrip van
+alle kwaad), een "onreyne drake"; ten laatste wordt hij krankzinnig, het
+helsche vuur gloeit uit zijne oogen[8]. Geen woorden genoeg heeft de
+dichter om de Joden uit te beelden in hunne felheid, die hen doet
+schuimbekken; in het welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en
+martelen; in hun schamperen spot[9]. Die haat en die liefde zijn beide
+in hooge mate naef. "God is een goed wreker", zegt de dichter, "al
+spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: "Hart, kondt gij
+spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden klagen". Van
+GABRIL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer bracht en ter
+verklaring daarvan: "Hine dorst laten, want hi was God". De duivel
+spreekt van "mijn hel"[10].
+
+Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden verminderde den
+afstand tusschen God en de geloovigen, die niet zich verhieven tot Hem
+maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen, door latere geslachten in
+acht genomen, bestaan voor dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt
+niet, de schamele hut, het "huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt,
+met zachte ironie "dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS te
+zeggen, dat hij "zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende, of
+ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij onder stoelen en banken door
+kruipt om bij JEZUS te komen[11].
+
+Zooals de dichters der ridderpozie zich eene klassieke oudheid schiepen
+naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde deze volksdichter met de
+bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling van het maatschappelijk en
+huiselijk leven in Palaestina, geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving,
+zooals lang vr hem de dichter van den Oudsaksischen _Hljand_ had
+gedaan. JEZUS deelt aan zijne twaalf "gezellen" mede, dat de smartelijke
+kruisdood hem wacht; de "gezellen" zwijgen op dat bericht, maar PETER
+"zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord en wenscht dat JEZUS
+nog berouw moge krijgen over hetgeen hij gezegd heeft: "Ghi sijt een so
+scone man", zegt hij, "hoe komt zoo iets dan in uwe gedachten?"
+
+Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld staand of
+zittend "in een rinc", zooals dat van ouds ook hier te lande
+gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die aan MAHOMED
+gelooven; zij komen "met manne ende maghe" te samen; hun hoogepriester
+wordt "bisschop" genoemd, PILATUS noemt zich zelven "meier". Hier en
+daar klinken tonen uit de ridderpozie door deze geestelijke pozie
+heen: wij treffen woorden aan als stegereep [Zijnoot: stijgbeugel.],
+ghereide en vorboech" [Zijnoot: borstriem.], als "glavin" voor lansen;
+geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij JEZUS' graf; van een
+slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande uitdrukking gebezigd: "dat hi
+en horde no en sach"[12]. Het wonder van het droogvoets trekken der
+Isralieten door de Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de
+Roode Zee maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der
+elementen herinnerend aan den baaierd vr de schepping, ergens ver weg
+in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op zijne
+zwerftochten bezocht[13].
+
+Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen dichter die het
+leven van JEZUS z medeleeft, welt pozie op telkens wanneer een deel
+van dat leven hem sterk ontroert. Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S
+moederweelde schetst:
+
+ Sat Maria, ghinc se ochte stoet [Zijnoot: of stond zij.],
+ Sie custe dicke [Zijnoot: dikwijls.] haers kindes voet,
+ Daer sijt in die wieghe leide ofte nam;
+ Soe lanc soe meer tkint haer bequam [Zijnoot: behaagde.].
+ Als tkint weende, haer was onsachte,
+ Sie sweghet [Zijnoot: suste.] minlike, soete ende sachte;
+ Als tkint hadde honger ofte dorst,
+ Sie gaf hem haer ghebenedide borst;
+ Sine cleder waren altoos wit,
+ Nieuwe gedweghen [Zijnoot: pas gewasschen.], groot recht was dit;
+ Sijn bat ne was no heet no cout,
+ Met rechte was tkint sire moeder hout [Zijnoot: genegen.].
+ Maria herde wel dies wachte,
+ Dat sine wieghe was scone ende sachte;
+ At sie, dranc sie, al dat sie dede,
+ Haer oghen volgden den kinde mede.
+
+Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen, lachend
+tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend oogenblik zullen
+treffen:
+
+ Daer tkint sach blicken [Zijnoot: schitteren] tscarpe swert,
+ Tkint loech ten mordenare wert.
+
+Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van het
+rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat zijn verhaal
+telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud Driekoningen-lied te
+hooren in:
+
+ Drie coninge woenden in Orint,
+ D'een den anderen wel ghehent [Zijnoot: naburig.].
+ ...............
+ Een werf [Zijnoot: eens]" in ere avontstont
+ Een clare sterre an den hemel stont.
+ ..................
+ Sie lasen op, (sie lasen) nedere,
+ Ter sterren si keerden wedere.
+ ...............
+ Een coninc vant ende las,
+ Wat dat scone boekijn [Zijnoot: voorteeken.] was.
+ Enz.
+
+Z dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen
+gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan van het
+epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier bestaande liederen
+door den dichter tot een geheel zijn verenigd[14]. Doch al acht ik dit
+niet waarschijnlijk, voor zeker houd ik, dat het gedicht, ware het in
+beter toestand tot ons gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het
+nu reeds doet.
+
+Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere van zijnen
+Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den ombouw en het bijwerk
+waarmede een latere tijd haar heeft ontsierd, dan zou eerst duidelijk
+blijken, hoe oorspronkelijk van opvatting dit voortbrengsel van nave
+kunst is en welk een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert.
+
+Niet van alle geestelijke pozie, welke wij meenen te mogen brengen tot
+de 13de eew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan is uit eene
+terugwerking der ridderpozie. Trouwens, ook werken als het _Leven van
+Sinte Lutgarde_ en _Van den Levene ons Heren_ zijn natuurlijk niet
+voortgebracht louter uit begeerte om tegenover de ridderromans
+geestelijke pozie te plaatsen. Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te
+verdiepen in het eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te
+verdiepen in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn der
+christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere werken
+ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen,
+tegenovergesteld aan den geest en het karakter der ridderpozie.
+
+Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13de eeuw, dat ons een fragment
+van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft, bevat een aantal
+berijmde levensverhalen van heiligen: _van sente Marie Egyptiake, van
+sente Eustaesse, van sente Aechte, van sente Caterine, van sente
+Waerneer_[15].
+
+Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen. De
+meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben geteld en geven een
+eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen der bovengenoemde
+heilige vrouwen en mannen. Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit
+het Latijn; ook het beroep op eene "scrifture" dat men in het leven _van
+sente Eustaesse_ vindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De
+legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen algemeen verbreid
+geloof aan een, jaarlijks door de Joden gebracht, offer van een
+Christenkind "wit [Zijnoot: blank.], blosende ende root."
+
+Dat deze heiligenlevens van ne hand zijn, is natuurlijk mogelijk; doch
+het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij van de meeste slechts
+betrekkelijk kleine fragmenten hebben. Misschien moet men het
+onwaarschijnlijk achten, omdat b.v. het leven _van sente Aechte_ zooveel
+assoneerende rijmen vertoont, terwijl die in de overige fragmenten
+schaarscher zijn of, zooals in het leven _van sente Marie Egyptiake_,
+schijnen te ontbreken[16]. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen
+hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht: dat
+het aanhooren van zulk een levensverhaal onder hunne goede werken moge
+medegerekend worden[17].
+
+Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst worden
+gerekend een klein fragment van _de boec der biechten_, dat eveneens in
+het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT gevonden wordt. Vermoedelijk is
+dit werk uit denzelfden tijd als de bovengenoemde heiligenlevens. In
+allen gevalle is het aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk
+vervaardigd zal zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar
+reeds in de 9de eeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die aan
+de Denen het evangelie zouden verkondigen[18].
+
+Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het middeleeuwsch
+Christendom de voorstelling van God als "een goed wreker", volgens de
+uitdrukking in _Van den Levene ons Heren_. Het is niet geheel zeker maar
+toch m.i. waarschijnlijk, dat er reeds vr het midden der 13de eeuw te
+onzent een gedicht _van onses Heren wrake_ bekend was, vertaald of
+vervaardigd door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht zal
+waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting van
+Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld te worden als
+Gods wraak over het ter dood brengen van JEZUS. In den proloog van zijn
+boek over den Graal en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht "wyde becant";
+was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding van
+het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd vereischt, en moet het
+dus ten minste in de eerste helft der 13de eeuw ontstaan zijn[19].
+
+Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking van een
+Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12de of den aanvang
+der 13de eeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoord _Miserere_ genoemd
+wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar) van Moiliens werd
+gedicht[20]. In de geschiedverhalen onzer letterkunde wordt het kortweg
+_Rinclus_ genoemd[20]. Het Fransche werk is in 12-regelige coupletten
+gedicht, een vorm die in de Nederlandsche overzetting behouden bleef. De
+97 eerste coupletten werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp
+van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren HEINREC. Het
+gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de vragen: wat de mensch
+geweest is, wat hij is en wat hij zijn zal; het wekt op tot navolging
+der martelaren, tot het doen van de rechte keuze tusschen God en de
+wereld, het betoonen van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de
+dichter zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft
+zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van weelde, ijdel
+zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch leven ontleend zijn. Ook de
+priesterschap en de kloosterlingen worden niet gespaard.
+
+De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts de hoofdzaken
+van het origineel terug, of slechts het een en ander daarvan[21]. Soms
+heeft de Nederlander zijn voorbeeld niet begrepen en maakt hij er maar
+iets van; elders heeft hij een beeld weggelaten dat hij misschien geen
+kans zag weer te geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten,
+waaraan die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid
+ontleent. Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk die op
+het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel; in het
+Fransche verhaal _van Sint Maarten_ die zijn mantel doorsnijdt, krijgt
+men "het stalen zwaard" te zien--de Nederlandsche bewerking spreekt
+slechts van de "snede die den mantel deelde in tween". Elders is eene
+tegenstelling grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene
+realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het Dietsch
+ingetogener dan het Fransch[22].
+
+Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun voorbeeld
+schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar voegen zij--GIELIJS
+meer dan HEINREC--iets van het hunne in; onder die invoegsels of
+wijzigingen zijn er die verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten.
+In no. 33 is sprake van priesters die--zooals HEINE zegt--"water
+preeken, maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM niet als
+kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke "verlucht"
+met dit beeld: "eerst moet hij zelf de donkere diepte bevaren; dan zal
+hij wind in zijn zeil krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak "on veut
+bien tain pour argent" door: "want hi neemt rogge daer hi leent evene"
+(haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort van den rijke, heet
+het bij GIELIJS: "men sant hem niet dan hontgebas". Van een begeerig man
+die verlangend voor een gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch:
+"tant huka [Zijnoot: schreeuwde.] et tant apela"; GIELIJS vertaalt: "Hi
+claterde der doren rinc". Elders vinden wij in het origineele gedicht
+een hoovaardige in dit vers: "orguieus va dou col coloiant" [Zijnoot:
+rek (reik)-halzend.]! Aardig geschetst; maar GIELIJS overtreft zijn
+voorbeeld met: "'t Hoot op hals als een hane die crait". Op een andere
+plaats weer heeft hij de voorstelling verlevendigd door het invoegen van
+een dialoog[23].
+
+Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten zoowel aan
+GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest; hier en daar vindt men zelfs
+plaatsen die woordelijk overeenkomen[24]. Maar alleen op grond van die
+bekendheid aan te nemen, dat de bewerkers van den _Rinclus_ en MAERLANT
+tijdgenooten zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog op
+den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is om de
+Nederlandsche bewerking nog in de 13de eeuw te plaatsen.
+
+
+DE MYSTIEK.
+
+De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde, breidde hare
+macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich zelve voor als de eenige
+bron van waarheid en recht. Doch al te velen onder hare machthebbers
+logenstraften door hunne daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid
+en kracht, wat zij met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag
+eener kerk, door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide
+in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling.
+
+Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten voelden
+ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige
+geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten grond te
+herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden?
+
+Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijn tusschen God en
+den mensch--dan afgedaald in de eigen ziel, daar zelf den weg tot God
+gezocht.
+
+Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig gemoedsleven
+der middeleeuwen langzamerhand die strooming, welke bekend staat onder
+den naam van: mystiek. Onder haar invloed ontwikkelde zich het
+gemoedsleven met eene vroeger niet gekende kracht; geen hoogte was meer
+te hoog, geen diepte te diep.
+
+Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen, geestelijken
+en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen toestand der kerk.
+In de abdij van Molesme werd de geest van SINT BENEDICTUS vaardig over
+Vader ROBERTUS en zijne boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux
+het eerste Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde
+zonen van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren. Eene
+eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de grootsche en
+teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den "bruidegom der armoede", die zijn
+kort maar rijk leven besteedde aan eene poging om de kerk tot nieuw
+leven te wekken.
+
+Omstreeks het midden der 12de eeuw zien wij een paar abdissen van
+Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD VAN BINGEN en
+ELISABETH VAN SCHNAU zich met hare profetische beden wenden tot keizer,
+paus, bisschoppen en abten. Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese
+van Lyon tot paus ALEXANDER III met het verzoek om de armen het
+evangelie te mogen verkondigen.
+
+Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen. In de
+voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen gesneuveld; hunne
+vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven, zwierven bedelend rond, werden de
+prooi van ruw geweld of leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier,
+gelijk zoo menigmaal in de middeleeuwen, de individun, machteloos op
+zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingen der
+Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren, in Leuven
+vindt men begijnhoven reeds in den aanvang der 13de eeuw; Luik zag
+omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen als in eene afzonderlijke kleine
+stad vereenigd; Keulen telde er omstreeks het midden der 13de eeuw
+duizend; nog vr het einde dier eeuw waren er ten minste zestien
+plaatsen in Belgi die een begijnhof bezaten.
+
+Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12de en 13de eeuw zijn
+eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij hier in het bijzonder het
+oog moeten richten, omdat het ons vergund is een blik te slaan in haar
+godsdienstig gemoedsleven.
+
+Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD VAN BINGEN en
+ELISABETH VAN SCHNAU, beide draagsters van beroemde namen in de
+geschiedenis der mystiek.
+
+HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104-1178 en stierf als
+abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook hier te lande bekend. De
+bisschoppen: RUDOLF van Luik, GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den
+Elzas, een Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden
+haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar in het
+Roermondsche, een krans hebben gezonden.
+
+Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften door
+haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels in het Latijn
+opgesteld; de Duitsche werken zullen later door haar biechtvader
+GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht. Haar voornaamste geschrift
+heet: _Scivias sive Visionum ac Revelationum libri tres_[25]. Zij zegt
+ons daarin o.a. dat zij alle dingen ziet in een buitengewoon licht, dat
+als een vlam hare ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt
+zij _visioen_. In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg,
+ijzerkleurig; daarop gezeten iemand van wien zulk een luister
+uitstraalt, dat zij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem.
+Deze berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van Gods
+heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden koningstroon en
+daarop gezeten een jongeling van zooveel glans dat zij hem niet kan
+aanzien. Telkens ziet zij schitterend licht, schitterende torens en
+kolommen. Ook wel een menschenhoofd met zes vleugels.
+
+Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van ELISABETH,
+"magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S antwoord.
+
+Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders geboren (1129). Van
+der jeugd af leidde zij een ascetisch leven, droeg het haren kleed op
+het lichaam, was omgord met een ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig
+voedsel; alles onder veel weenens en biddens. In het klooster Schnau
+bij Bingen, waar zij van 1141-1165 leefde, ontvangt zij, evenals
+HILDEGARDE, last van God om de menschen op te wekken tot berouw en
+bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last te
+onttrekken door aan te voeren dat zij niet "wel ter tale" is ("nescio
+loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften berispt zij
+vooral de geestelijken om hunne hebzucht en heerschzucht, hun hoogmoed,
+weelde en wellust. Ook den paus spaart zij niet.
+
+Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke spanning.
+Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot wiel van vuur;
+een kruis, oogverblindend in gouden glans; een hoogen berg en op den top
+schitterend het Lam Gods; op een wiel eene ladder welker top de hemelen
+schijnt te doorboren; naast het wiel een man met goudglanzend hoofd,
+haar als witte wol, schitterende oogen; vr Gods troon vier dieren, die
+vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn vol oogen;
+een hoogen berg, welks top schittert van licht;
+
+van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische
+beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt dikwijls mede op
+welken tijd, onder welke omstandigheden zij in dien toestand van extaze
+geraakt en hoe lang die toestand aanhoudt[26].
+
+Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls--geen wonder bij zulk een
+lichaams- en gemoedstoestand--wordt zij overvallen door droefheid en
+somberheid. Zelfs het gebed, anders haar hoogste genot, staat haar dan
+tegen. Zij werpt haar psalmboek van zich. Wel schrikt zij van die daad
+en grijpt het terstond weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare
+somberheid. De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den
+Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven is? Ook
+aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent zij over zekere
+droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het leven gaat haar walgen. "Maak
+er een eind aan" blaast de Booze haar in. Doch God waakt over haar, ook
+in hare ellende.
+
+Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw in niet
+geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen vooral vond men in
+de 13de eeuw een aantal vrouwen, daaronder vele adellijke, die haar
+leven verdeelden tusschen mystieke overpeinzing en het verplegen van
+zieken en melaatschen[27]. Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN
+MAAGDEBURG (c. 1212-1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een
+aantal liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar
+innerlijk leven ten deele blootlegt.
+
+Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen over de
+zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging berokkend
+te hebben. Doch gewichtiger dan zulke uitingen zijn voor ons die over de
+gewijde liefde, de _minne_ als middelares tusschen God en de ziel.
+Evenzeer die over de zondige begeerten, welke des menschen lichaam en
+zijne ziel in vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De
+geweldige Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij
+aanschouwd heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne en de
+Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het zijn telkens weer
+uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne. Vrouw Minne heeft haar
+beroofd van vrienden en magen, van wereldsche eer en rijkdom; heeft haar
+ziekte berokkend, heeft haar vleesch en bloed verteerd--maar ook, welk
+een rijken schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen.
+
+Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen, uit
+streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en een ketterjager zou deze
+zorgeloos rondzwevende vogels licht onder schot kunnen krijgen.
+MECHTHILD laat zich gaan, zooals een dichteres dat doet. Want pozie is
+hier in zoo menige uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart
+met "een kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij
+Suso vindt". Pozie is ook in beelden en vergelijkingen als deze: wie
+van minne sterft, dien moet men in God begraven; van het leven in God
+sprekend: zegt zij: de visch kan in het water niet verdrinken; de genade
+komt van boven: dat de arend zoo hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil
+te danken; de ziel moet zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die
+in de val zit en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige
+Drievuldigheid, zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner moeder
+en zich vlijt aan haar borst.
+
+De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland hebben
+waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen. De eerste helft der
+12de eeuw was nog maar even voorbij, toen de abdij Klaarkamp in
+Friesland als het eerste Cistercinser-klooster verrees. Tal van andere
+kloosters kwamen uit dit moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters:
+Syon en Nazareth in Friesland, Jesse bij Groningen, Marinkamp bij
+Assen, Marinhorst bij Deventer, Marindaal bij Utrecht. In de meeste
+dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende, als de
+abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond men addellijke jonkvrouwen
+en daaronder ettelijke die de namen droegen van RENESSE, ALKEMADE,
+TEILINGEN, DUVENVOORDE.
+
+Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen van een
+hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het Praemonstreiter klooster
+Maringaarde gold het als een bewijs van innige vroomheid en tevens als
+eene groote genade-gave: "totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het
+dankgebed na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een
+toestand verkeerde, werd "intus debriatus" genoemd. Ook van het
+zoogenaamde "tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen GERBRAND,
+tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar Citeaux huiswaarts keerde,
+werd hij ziek en stierf te Vervins; lang vrdat de tijding van zijn
+dood in Friesland was ontvangen, had eene non van het klooster Syon in
+een visioen den abt zien sterven.
+
+Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische strooming in
+het Zuiden dezer landen.
+
+Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam, werd hij
+getroffen door de menigte extatische vrouwen in die stad. Sommige konden
+in de zielen van anderen lezen; andere waren zoo krachteloos door
+verlangen naar den hemelschen bruidegom, dat zij in vele jaren slechts
+enkele malen van haar bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de
+tong zoo vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in
+zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor een steek
+met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos.
+
+Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland is ons
+nader bekend geworden, uit de verhalen daarvan in het Latijn opgesteld
+door THOMAS VAN CANTIMPR en JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN
+OIGNIES, in 1177 te Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als
+bagijn gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150-1224;
+MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21ste jaar overleed en
+LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige CHRISTINA in het klooster
+te Sint Truyen leefde en van daar naar het klooster Aquiria bij Kamerijk
+ging, waar zij in 1246 stierf.
+
+De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer zusteren, een
+streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor koude, al bevriest de
+wijn in de miskelk; voor pijn, voor honger. MARIA en MARGARETHA waren
+begaafd met het "tweede gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in
+Christus' lijden, vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij
+in extaze of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen
+lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van hare lippen
+dan: "ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer al het zinnelijke als een
+wolk uit hare ziel was verdwenen door de stralen van het goddelijk
+licht, dan ontving zij de vormen der godheid in hare ziel als in een
+spiegel. CHRISTINA onderscheidt zich van de overige door den sterken
+invloed dien het natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht
+welke hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke
+van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige begeerte
+naar mannen, die haar uit angst voor dien hartstocht tot Christus doet
+vluchten; die er haar toe brengt zich met doornen te geeselen, totdat
+zij de booze zinnen heeft getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid
+is, gaat haar dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van
+mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet meer kan
+verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden verzonken blijft en dat
+haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt, dat zij soms in diepen slaap
+viel wanneer zij zedelijk gekwetst werd door iets dat zij hoorde of
+zag[28].
+
+
+LEVEN VAN SINTE LUTGART.
+
+Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN TONGEREN te
+worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze gelukt het ook haar,
+slechts door de liefde tot den hemelschen bruidegom de zinnelijke liefde
+te overwinnen. In hare extazes ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks
+de Moeder Gods, de engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene
+rust voordat zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met
+Hem heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des
+nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger hadden
+gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en anderen, wordt ons
+verhaald, dat zij door aanraking met hare hand of door het strijken van
+speeksel wonderen verrichtte.
+
+Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig voor ons[29].
+Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door den bekenden
+Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk geslacht van Bellenghem, die
+gewoonlijk genoemd wordt naar de abdij van Cantimpr bij Kamerijk, waar
+hij een deel zijner jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een
+vertrouwd vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de
+eveneens bij Kamerijk gelegen abdij van Aywires (Aquiria). Dankbaar
+herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin--zij was
+omstreeks 18 jaar ouder dan hij--hem had getroost en opgebeurd, wanneer
+hij de moeilijke taak der biecht-afneming had te vervullen. Voor hem was
+zij een heilige; de gedachte dat hem, na haar scheiden uit dit leven,
+niets van haar zou overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was
+hem blijkbaar ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen
+behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze dan haar
+lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt hare behoefte
+aan een tastbare heugenis van geliefde dooden met een vlok haar--dit
+kind eener eeuw van forscher en grover zinnelijkheid wenschte hoofd of
+hand zijner vriendin voor zich om die, in zilver of goud beslagen, te
+bewaren[30]. Slechts haar rechterpink, haar "minste vingerkijn", had
+LUTGART, wien het ter oore was gekomen, hem half in ernst half in
+scherts toegezegd. Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een
+paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd abdis van
+Aywires, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de begeerde reliquie slechts,
+nadat hij de abdis beloofd had het leven zijner gestorven vriendin te
+zullen beschrijven.
+
+Ter vervulling van die belofte schreef hij zijne _Vita Lutgardis_; dat
+werk moet voltooid zijn geweest vr 1248, het sterfjaar van HADEWYCH
+aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen. De schrijver had het verdeeld
+in drie deelen volgens de drie trappen van het ascetisch leven: het
+begin, den voortgang en de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons
+LUTGART'S leven in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het
+tweede omvat de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de
+Cistercinser-nonnen van Aywires; het derde hare elf laatste
+levensjaren.
+
+Deze _Vita Lutgardis_ nu is als leiddraad gebruikt door een Nederlandsch
+dichter bij het schrijven van zijn merkwaardig _Leven van Sinte
+Lutgart_. De dichter van dat werk, WILLEM genaamd, werd omstreeks 1210
+te Mechelen geboren als een onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk
+geslacht der Berthouts; hij studeerde te Parijs, trad in de orde van
+Sint Benedictus, werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van
+Sint Truyen en stierf in 1297. Zijn _Leven van Sinte Lutgart_ is door
+hem waarschijnlijk tusschen 1262-1274 gedicht[31].
+
+Inderdaad, meer dan een leiddraad is de Latijnsche _Vita_ niet geweest
+voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere verhaal van THOMAS in de
+gemakkelijk vloeiende verzen zijner omstandige en genoegelijk
+breedvoerige bewerking liet uitdijen tot een omvangrijk geheel; het
+tweede en het derde boek, die alleen tot ons zijn gekomen, omvatten
+samen reeds meer dan 20.000 verzen[32]. WILLEM heeft slechts weinig
+weggelaten; wat hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden
+naam der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen.
+
+Zoo vertelt THOMAS ons in zijne _Vita_ van eene non, door den duivel
+bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt, dat zij zich meer
+dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven, indien vurige gebeden haar
+niet weerhouden hadden[33]. WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de
+non door den Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er
+angstwekkend uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons daarop
+van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong, het lichaam der
+bezetene te verlaten; van het gansche levendig tooneel dier
+duivelbezwering vinden wij daarentegen in de _Vita_ weinig of niets[33].
+
+Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een invoegsel.
+In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets weg te laten, zijn
+voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens en opmerkingen van zich zelven
+ingevoegd. Zoo b.v. waar een paar van LUTGART'S visioenen beschreven
+worden en waar hij zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen,
+de dichters dwaas te noemen, omdat zij al die "fantasijen" van oude
+vrouwen beschrijven[34]. Zoo is ook hoofdstuk XVI van het Tweede Boek
+bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons daar eene levendige
+schildering geeft van den strijd tusschen LUTGART en de duivelen die
+haar voortdurend belagen; die zij verjaagt, "zooals iemand zich de
+vliegen met een kwispel of een tak van het lijf houdt" en die haar z
+vreezen dat zij zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te
+naderen.
+
+Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat genomen, om
+vermaningen te richten tot de "heren en vrouwen" die zich onder zijn
+gehoor bevonden of die hij elders door de lezing van zijn werk hoopte te
+bereiken. Hij waarschuwt de prelaten die hun plicht verzaken en wien het
+slechts om wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog,
+hoe LUTGART slechts door de "sterke minne" tot God den duivel en zijne
+trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen de oude hebzuchtige
+huichelaars, de "papelarde metten grisen langen barde", die den armen
+onder allerlei drogredenen het hun toekomende willen onthouden; hij
+betreurt de verslapping der kloostertucht en stelt de abdij van
+Afflighem aan andere ten voorbeeld.
+
+Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal van
+bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen, anderzijds dient
+erkend, dat hij even vaak onderhoudend en levendig vertelt. Levendig en
+onderhoudend is b.v. de proloog van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger
+eenige verzen aanhaalden. En hoe aardig teekent hij in den proloog van
+het Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft
+bevangen onder de voordracht:
+
+ Dat heldekoppen [Zijnoot: knikkebollen.] ende nigen,
+ Dat metten hoofden neder sigen
+ Gaf mi litteeken [Zijnoot: blijk.] dat hem somen
+ Die vaec in d'ogen ware comen.
+
+Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk; daar
+wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den beganen grond,
+maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk dichter; heeft ten minste
+eenige der wezenlijke eigenschappen van een dichter. Men zou dat reeds
+vermoeden waar men hem de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na
+een gebed tot God, aldus vertelt WILLEM ons, z verheugd,
+
+ Meer dan u iemen soude mogen
+ Geseggen wel met didscher spraken
+ [Zijnoot: in het dietsch (de volkstaal).].
+
+Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons beschrijft
+hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat gelaat van uitgelezen
+schoonheid, anders stralend van glans, nu zoo bleek en verslagen ziet
+van hartzeer; hoe donker haar gewaad, dat anders schittert heller dan
+het licht van een zomerschen dag. Fraai is het 4de hoofdstuk van het
+Tweede Boek, waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden
+den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde tot
+eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd dien eene
+mystieke vrouw te strijden had, vrdat zij rust in God vond, is ons in
+het zesde hoofdstuk van dat boek geschetst met de zachte gevoeligheid
+van omtrek die wij ook in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier
+vooral de verhouding eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er
+is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVI
+
+ die har herte voeget
+ So simpellic an onsen Here,
+ Dat men ne can no min no mere
+ Vergronden noch genemen ware
+ Hoe 't tusschen hem stoet ende hare.
+ Si es so schamel [Zijnoot: bedeesd.] ende so blode,
+ Dat si mi soude ontdekken node
+ Des iwent [Zijnoot: iets.] ochte condech maken[35].
+
+Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook in de zorgzaamheid
+voor den vorm van zijn werk: zijne verzen zijn gebouwd met eene
+regelmaat van stijging en daling, die eenig is in onze middeleeuwsche
+literatuur en zijne rijmen zijn zoo zuiver, dat men er te nauwernood
+eene enkele assonance onder aantreft[36].
+
+Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van WILLEM'S werk
+buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige voorstelling van het
+streven der ziel naar vereeniging met God, dat hij _minne_ noemt. Als
+een stroom van wit licht doorgloeit die "minne" het _Leven van Sinte
+Lutgart_; in de _Vita_ van THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een
+glimpje te zien.
+
+Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware "minne" is, namelijk niet de
+wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de liefde der ziel tot God, dan
+moet men al zijne krachten inspannen om deze liefde deelachtig te
+worden. Maar lang is de weg en moeilijk de strijd. Menigeen die zich
+gewennen wil de minne te dienen en in haar school te gaan, streeft in
+den aanvang al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten.
+In den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar; doch
+indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich te nemen dan hij
+kan volbrengen, dan wachten hem schaamte en vernedering. Daarom moet hij
+die "der minnen rade volger" gestadig volharden in den goeden strijd.
+Want een strijd, eene worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART
+dwong met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer, haar al
+hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het haar niet
+weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij haar geene "zeghe
+vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen, krachtiglijk met
+gebeden worstelend tegen den hoogste des hemels. Maar wie eenmaal de
+minne als middelares tot vereeniging met God heeft leeren kennen, die
+blijft strijden. En dan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne
+geschonken, zoodat hij in "orewoet" [Zijnoot: geestverrukking.] geraakt
+en verzwolgen wordt in der minne grondelooze diepte. LUTGART was in de
+school der minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar
+zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat geen geleerde
+met behulp van boeken en schrifturen verklaren kan[37].
+
+Ook andere nonnen van Aywires waren de genade der minne in meerdere of
+mindere mate deelachtig geworden; het spreekt van zelf, dat verwante
+zielen, die eenigen tijd de minne hadden gediend, behoefte hebben
+gevoeld, hare innerlijke ervaringen ten minste ten deele te bespreken,
+of te luisteren naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne
+het z ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen in de
+ziekenzaal van Aywires zitten, daarheen gekomen om LUTGART te hooren
+"disputeren van der minnen".
+
+Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de eenige keer
+zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante zusters in het
+klooster zich hebben onderhouden over de hooge dingen die hare gansche
+ziel vervulden.
+
+Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen aan die
+gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar z na aan 't hart lag, dat zij
+"het minste vingerkijn" der overledene niet missen en slechts voor eene
+levensbeschrijving der betreurde zuster wilde afstaan?
+
+Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPR zijne _Vita
+Lutgardis_ opdroeg, eene andere zijn geweest dan de mystieke, en tot nog
+toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare visioenen heeft geopenbaard
+en de minne verheerlijkt in zoo menig fraai en innig gevoeld lied?
+
+Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op die vraag het
+antwoord geven.
+
+
+HADEWYCH.
+
+Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche werken in
+proza en pozie uit dezen tijd voor ons bewaard, die in een paar
+handschriften van de 13de en den aanvang der 14de eeuw _visiones
+haywigis, epistole haywigis_ en _ritmata haywigis_ genoemd worden[38].
+
+De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen eene in
+extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen veelal over de
+minne; ook de epistolae behandelen vooral dat onderwerp, zooals reeds
+blijkt uit den aanvang: "God die de clare Minne die onbekint was,
+verclaerde bi siere doghet"; van de gedichten (_ritmata_) is de minne
+schering en inslag. Blijkbaar hebben wij hier het werk vr ons van ne
+dichteres die den naam HADEWYCH draagt; ook _in_ haar werk wordt die
+naam een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan al
+deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde sfeer,
+waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen in ons land en in
+den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer wij in een van HADEWYCH'S
+visioenen melding gemaakt vinden van "Heldegaert die al de visione
+sach", dan zal het wel niet gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis
+HILDEGARDE VAN BINGEN bedoeld is[39].
+
+Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen en
+Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder krachtig
+ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele bagijnen noemt,
+zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze voorstelling nog
+aannemelijker. Op eene andere plaats in haar werk maakt HADEWYCH gewag
+van de "vrouwe van Nazaret". Waarschijnlijk hebben wij hier te denken
+aan BEATRIX VAN THIENEN, abdisse van het Cistercinser-klooster Nazareth
+(bij Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had[40].
+
+Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken in een
+Cistercinser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat er in de
+abdij van Aywires of elders eene Cistercinser-non heeft geleefd,
+eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest verwant met al de hierboven
+genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk zal HADEWYCH, de dichteres, n
+zijn geweest met de abdis van Aywires aan wie THOMAS VAN CANTIMPR
+zijne _Vita Lutgardis_ heeft opgedragen.
+
+Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter de zuiver
+lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene jongere
+geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken met "lieve
+kint". Deze "joncfrouwe" is nog "ongheproeft van allen dinghen".
+HADEWYCH wekt haar op om zich in te spannen als iemand die den weg der
+Minne nog van meet af heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten
+ootmoed betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken[41]. Door middel
+van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen uit
+ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere SARA en EMME, wie zij
+verwijt dat zij zich te weinig bekommeren om de minne, die haar zelve
+"zoo vreseleke omvaen hevet in beroeringhen van onghecuster [Zijnoot:
+onbevredigd.] minnen".
+
+Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw tot wie
+HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen over allen nood, goede
+daden verrichten, zieken verplegen. Zij zelve heeft dat ook gedaan
+totdat het haar verboden werd[42].
+
+Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S werken niet veel
+te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen, is gedeeltelijk
+nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar tiende jaar had de minne haar hart
+bedwongen; had God haar niet gesterkt, zij ware onder dien dwang
+bezweken. De meeste visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al
+kwamen zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd af had zij
+haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden van al wat niet
+betaamt; z was zij geworden tot eene reine kolom in de kerk der
+heiligen[43]. Wel had zij reeds in hare jeugd een sterk zielsverlangen
+naar het genot van n te zijn met Gode; doch daartoe was zij toen nog
+te weinig volgroeid naar den geest; zij had er zich nog te weinig voor
+ingespannen. Leed en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot
+heiliging.
+
+Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In een visioen was
+haar door God dit gebod gegeven: zij moest begeeren arm, ellendig en
+versmaad te zijn onder alle menschen; alle verdriet moest haar
+behagelijk zijn boven alle aardsche geneugten, ook al zou dat verdriet
+ondragelijk zijn voor een mensch. Zij moest der wereld vreemd worden,
+klein geacht bij de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten
+waar zij des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden haar
+begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren nood en hare
+ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare jeugdige vrienden:
+zij heeft niet onder de menschen gewandeld, hunne gewoonten niet
+gevolgd, noch in hun eten noch in hun drinken noch in hun slapen; niet
+zich gesierd met kleurige kleederen, nooit genoten van blijdschap die
+een menschenhart verblijden kan. Bedroef u--zegt zij tot het jonge
+meisje--zoo weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga,
+hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want het is
+al der minnen werk, dat de "vreemden" niet kennen[44].
+
+Op die gevangenschap die haar bedreigde en die "vreemden" komen wij
+terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling te vormen van
+haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is met behulp van het tot
+hiertoe medegedeelde.
+
+Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne. "Mint de
+minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken. Wie naar minne
+streeft, doch naar die stem niet luistert, dien klinkt zij vreeselijker
+dan de donder. Dat woord is de band daar de minne hare gevangenen mede
+bindt, het zwaard waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede
+zij hare kinderen kastijdt.
+
+Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken in het
+bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en "het swaerste inder
+scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes: "Du salt minnen dinen
+Here, dinen God, van al dijnre herten, van al dijnre sielen, van al
+dijnren crachten"[45]. Die woorden mag de minnende ziel nimmer vergeten,
+slapend noch wakend. Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij,
+dan moet zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet
+dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid te
+verwerven, noch om der wille van eenig genot in den hemel of op
+aarde--maar alleen omdat het welbehagelijk is aan den hoogwaardigen God,
+die de menschelijke natuur daartoe geschapen heeft.
+
+Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich neemt. Met de
+minne komt ook de vreeze het hart des minnaars binnen. Hij vreest, dat
+hij de minne niet zal kunnen voldoen; dat al wat hij over minne zegt, te
+gering zal zijn voor haar. En wel bestaat er reden tot zulke vreeze.
+Want wij willen allen wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen
+mensch zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan het kruis
+hangen om de schuld van het menschdom te voldoen. Elk klein verdriet
+trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid, beliegt men ons, worden wij
+in onze eer getast of in ons gemak of in ons genoegen--dan gaat het ons
+zoo ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen
+ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo dolen wij
+arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijke wegen in een
+vreemd land. Want alleen de minne kan ons voldoen; niets anders. Der
+minne loon blijft nimmer uit, al komt het dikwijls spade. Wie haar zich
+zelven geeft geheel, die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed.
+Dan hebben zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne
+brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen in de
+diepte der minne.
+
+Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de dingen der
+menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo wonderliefelijk
+gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich goedertierenlijk tot de
+menschen kan richten in al wat zij wil[46].
+
+Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm gelukkig.
+
+Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in het hart zijner
+vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid in eene geestelijke
+dronkenschap "daer si in moet spelende sijn". Telkens valt HADEWYCH zoo
+"buten den geest" en blijft zij z verzwolgen in de minne, dat zij
+geene voorstelling of begrip meer heeft van iets anders dan n te zijn
+met Hem en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip
+en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven. Zij
+geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op Pinksteren, op
+Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L. Vrouwe Hemelvaart; de eene
+extaze duurt een half uur, eene andere een halven dag, vaak blijft zij
+drie dagen en drie nachten "in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een
+hoogen berg met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende
+schijf die de eeuwigheid verbeeldt, de drie "overste" hemelen met de
+tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem met al de
+zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus: "Ende ic keerde mi
+van heme ende ic sach een cruce vore mi staen ghelijc cristalle, claerre
+[Zijnoot: helderder.] ende witter dan cristal; daer mocht men dore sien
+een groote wijtheit. Ende vore dat cruce sach ic staen enen setel
+ghelijc eener sciven ende [Zijnoot: die.] was claerre ane te siene dan
+die sonne in haerre claerster macht ende onder die scive stonden drie
+colommen.... Ende midden onder die scive draeyde een wiel soo vreseleke
+omme ende die soo eyselike was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike
+daer of verwonderen mochte ende vervaren [Zijnoot: vreezen.]. De zetel
+beteekent de eeuwigheid; de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H.
+Geest.
+
+Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug. Doch terwijl
+zij bezig is met eene poging om mede te deelen wat zij gezien heeft, op
+eene wijze die levendig herinnert aan het beeld van "eenen den Zoon des
+menschen gelijk zijnde" uit de Openbaring, wordt zij z overweldigd
+door Gods grootheid en schoonheid, dat zij erkennen moet: "Daer ne magh
+ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke [Zijnoot: onzegbaar.]
+grote scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken
+wonderleken aenscine, dat benam mi alle redene van hem in
+ghelikenessen."
+
+Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische
+ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen neemt en
+aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne gevoelden naar haars
+harten begeeren; eene korte wijle heeft zij kracht dat genot te
+verdragen, maar spoedig daarop verliest zij den schoonen man in zijn
+zichtbaren vorm; zij ziet hem als wegsmelten, totdat zij niets meer van
+hem gewaar wordt. Doch op die ure was het haar alsof zij n waren
+"zonder differentie". Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de
+zuivere vlam, waarmede de minne doorgaans in haar brandt.
+
+Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam moesten
+aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet haar te hooren
+vertellen, dat soms al hare leden schudden en beven van begeerte; dat
+zij, uit eene extaze tot zich zelve komend, zich niet zelden
+neerslachtig of ellendig voelt[47].
+
+Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S visioenen, de
+aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES; de invloed van dat werk
+toch openbaart zich telkens in de beschrijving van hare droomen en
+gezichten. Ook de schrijver der Openbaring deelt ons een paar maal mede
+dat hij "in den geest was", eens "op den dag des Heeren"; ook hij heeft
+velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier dieren, den
+arend, de sterke stem als die van den donder, de zes vleugels met oogen
+bezet; het zevenvoudig bazuingeschal vinden wij terug in de zeven
+vleugelslagen waarmede, bij HADEWYCH, de engel "een ghestille" maakt. In
+de woorden der Openbaring: "gij moet wederom profeteren voor vele volken
+en natin en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod hebben
+gezien--zooals vr haar HILDEGARDE VAN BINGEN en ELISABETH VAN
+SCHNAU--haar dwingend hare visioenen te openbaren[48].
+
+Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden onder de bronnen
+waaraan deze volgster der minne haren dorst naar het eeuwige stilde.
+Onder de boeken, toebehoorend aan het Roode-Klooster in het Sonin-bosch
+waar HADEWYCH'S pozie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van
+"der minnen boec dat men noempt cantica canticorum"[49]. Op meer dan
+eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar bekend was, dat
+de voorlezing van dat bijbelboek haar hart ontroerde[50].
+
+Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S gevoel en
+verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat behalve haar gevoel ook
+haar verstand bevredigde. PAULUS was haar niet onbekend, noch ORIGENES,
+noch AUGUSTINUS. De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX
+moesten deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door haar
+zoo geliefden tekst uit het Hooglied: "dilectus meus mihi et ego illi"
+tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen; weinigen hadden zich
+zoo als hij verdiept in de beschouwing van de geestelijke liefde, van
+dien "amor sanctus et castus" waardoor de ziel van den Christen moet
+worden gezuiverd; ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een
+ijzer, gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt;
+zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd
+wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in het Hooglied en de
+Psalmen melding gemaakt vond, moet hij, evenals HADEWYCH, hebben gevoeld
+vrdat hij haar in een zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer
+HADEWYCH in een harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God
+dienen uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide soorten
+tegenover elkander stelt als "knechten" en "zonen", dan schijnt haar
+daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S brieven voor den geest te
+staan[51].
+
+Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt zij, wie het
+Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben gemaakt. Wanneer
+wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt in _redene_, _wille_
+en _memorie_, dan worden wij herinnerd aan ALBERTUS' indeeling: _ratio,
+voluntas, memoria_[52].
+
+Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend in hare visioenen,
+nooit de grenzen overschreden welke door de R.K. Kerk aan het voelen en
+denken waren gesteld? Er bestaat reden die vraag te doen, waar het
+mystieken geldt. Hoe licht konden zij er toe komen zich te vergelijken
+met andere Christenen en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in
+haar proza en hare pozie spreekt HADEWYCH van hen die zij "_vreemde_"
+noemt[53]. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde personen die zij
+elders noemt: "valsche broederen die seinen huusgenoote des geloofs".
+Tegenover deze plaatst zij de ware broeders en zusters die zij met den
+naam van de "_nuwe_" (nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet
+waarschijnlijk voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche
+secte als die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest,
+doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om licht moeten
+wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt van het woord _nieuw_ in
+geestelijken zin, in uitdrukkingen als: En ik zag eenen _nieuwen_ hemel
+en eene _nieuwe_ aarde; het _nieuwe_ Jezuzalem; ziet ik maak alle dingen
+_nieuw_[54].
+
+Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een klein aantal
+geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men tot haar opzag, dat zij
+daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing, dat zij kwam tot uitspraken
+als deze: "ic en gheloefs ooc niet, dat enich mensche levet daer God
+also sere af ghemint es". Doch er is een groote afstand tusschen al of
+niet rechtmatige zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar
+proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v. in een zin
+als deze: "Mer in ghebrukene [Zijnoot: genot]" van minnen es men God
+worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men het anathema
+uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een eigen weg naar God
+zoekt, eene kiem van ketterij in zich omdraagt, en dat er naast eene
+kettersche ook eene kerkelijke mystiek leefde: men heeft toch BERNARD
+VAN CLAIRVAUX niet van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat
+"de diligendo Deo" geschreven heeft: "sic affici deificari est"?[55]
+
+In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare pozie meer dan eens getuigd van
+haren eerbied voor de "heilige kerk", en tegen haar eigen getuigenis in
+mag men haar niet van ketterij beschuldigen.
+
+Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande HADEWYCH'S
+persoon zijn beantwoord.
+
+Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert, dat de
+menschen haar "soo langhe laten leven ende datse enegen raet ochte enecb
+sparen ochte genade te mi hebben, sine tormenten mi altoes met nuwen
+tormente", dan moet men wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging
+om den geloove. Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere
+over ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan komt men
+tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn reizend en
+trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven vereenigd). Onder
+hare geestverwanten noemt zij immers ook "eene beghine die meester
+ROBBEERT doedde _om hare gherechte Minne_"[56]. Eerst in lateren tijd
+zou zij dan eene toevlucht hebben gezocht bij de Cistercinser-nonnen
+van Aywires en abdis zijn geworden.
+
+Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben, het
+vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster, begijn, non of
+abdis, dankbaar moeten zijn.
+
+Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch naar het
+oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene periode, aanvangend:
+"Nu verstaet die innecheit van uwer zielen, wat dat es: ziele". Men zou
+het gevoelsleven dier mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die
+periode geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan men
+toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in het eerst van
+zijne vlucht:
+
+"Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem weder sienlec....
+Siele es een wech van den dorevaerne Gods in zine vriheit van sinen
+diepsten ende God es een wech van den dorevaerne der zielen in hare
+vriheit.... Dat sien dat naturelec in de ziele ghescapen es, dat es
+caritate. Dat sien hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene
+en can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en rust
+niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit dan minne,
+mer minne hevet meer suetecheiden van zalecheden dan redene. Doch hulpen
+hem dese twee herde zeer onderlinghe, want redene leert minne ende minne
+verlicht redene"[57].
+
+HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne verhevenheid.
+Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij den arend: zooals hij
+de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt de ziel God; dan denkt zij
+niet meer aan heiligen of menschen, zij vliegt alleen "in die hoechede
+Gods". Op andere plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en
+zuiverheid uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich verlaten
+en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt om Gods wil Hem
+behagelijk is.
+
+"Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse ochte ghi van
+hem begheven waert, daer omme en mestroest u selven niet. Want ic segghe
+u waerleke, dat al de ellende die men doeghet met goeden wille te Gode,
+die es bequame [Zijnoot: passend.] in die ghehele nature Gods".
+
+Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere niet, want
+zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit waar zij ons
+mededeelt, hoe God haar eerst het genot had gegeven van Hem lief te
+hebben, doch haar dat ontnomen had, toen zij zich zelve in hare
+onwaardigheid had leeren kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens
+Hem te grijpen, later ontweek Hij hare grijpende hand: "Nu gaat het
+mij", zegt zij, "als iemand wien men iets aanbiedt "te spele" (uit de
+grap) en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt:
+vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eene
+uiteenzetting van haar "ongheval ter minne" uit vrees voor verkeerde
+uitleggingen der "vreemden": "de vreemde souden netelen planten daer de
+rosen staen zouden"[58].
+
+Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote schoonheid is,
+heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S proza. Men ziet het
+b.v. waar zij de kleinmoedigheid van sommige minnende zielen schelst:
+"Inden daghe der gratien sijn si coene ende inden nacht der tribulatien
+soe keren si den rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte
+verheven int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine
+gratie doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy [Zijnoot:
+verdriet.] sere verdroeven."
+
+Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de kerkvaders zoo
+veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij HADEWYCH voor.
+
+Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken in het
+proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen vaak gezien
+wordt[59]. Blijkbaar geschiedde dit met de bedoeling aan de taal eenige
+verheffing en uiterlijk schoon bij te zetten; doch het bloed kroop hier
+waar het niet gaan kon.
+
+Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal den harteklop
+der echte pozie kunnen hooren.
+
+HADEWYCH mocht al zeggen:
+
+ Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe
+ Ende mi selven mine quale linghe [Zijnoot: verleng.].
+
+Zij liet het daarom niet; zij wist te goed:
+
+ Maer dien ouden ende dien jonghen
+ Coelt sanc van minnen haren moet.
+
+Wel ons, dat zij "van minne" gezongen heeft, want wij hebben daaraan het
+bezit van geestelijke pozie te danken, niet zelden duister, ook wel
+eens eentonig en onbeteekenend, maar vaker in haar onbestuurde gangen
+voortzwevend met onbewuste gratie en bijwijlen treffend door eene diepte
+en innigheid van gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur
+niet dikwijls zullen aantreffen.
+
+Ook tot hare "vri edele sinne ende wel gheboren" was het verholen woord
+gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan. In hare jonge jaren had zij
+zich geheel aan de minne overgegeven; zij beloofde zich niets dan
+zaligheid van de minne, van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid,
+macht--lacy! het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper:
+
+ jeghen avont
+ Sal men loven den sconen dach.
+
+Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie
+wachtten haar, onnoozele; want:
+
+ Suer ende donker ende overwreet
+ Sijn der minnen weghe in haer beghin.
+
+
+Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en
+dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet:
+
+ Want ic sach eene lichte wolke opgaen
+ Over alle swerke, soo scone gedaen [Zijnoot: van gedaante.],
+ Ic waende met volre weelden saen [Zijnoot: spoedig.]
+ Vri spelen in de zonne....
+ Doe wert mijn hoge [Zijnoot: blijdschap.] maer een waen;
+ Al storve ic, wie es dies mi wanconne [Zijnoot: misgunnen zou.]?
+
+Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te komen leeren
+kennen: vreemden en vrienden had zij laten varen, eer en rust opgegeven;
+hare ziel zooveel mogelijk ontledigd van indrukken, door al het
+geschapene op haar gemaakt; die ziel gemaakt tot een klaren spiegel,
+waarin het beeld der Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de
+minnende ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de
+minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op allerlei
+geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt eerst dat redene
+den grond der minne moet doorglanzen.
+
+Nu kan de ziel de onderscheidene trappen ("graden" en "staghen") der
+minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan dat geschieden; men moet
+geduld oefenen. Menigeen wil wel op gemakkelijke wijze de minne
+deelachtig worden en stelt zich, dorper die hij is, tevreden met een
+klein genot dat voor de hand ligt; doch minne kent dezulken niet:
+
+ Die gherne woude doghen tsuete ellende: [Zijnoot: ballingschap.]
+ Die weghe ter hogher mnnen lant,
+ Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende,
+ Des ghevet de trouwe seghel ende pant.
+ Nu es menech dorper soo truwant [Zijnoot: (schooierig) verachtelijk.],
+ Hi nemt dat hem es naest ghehende [Zijnoot: nabij.]
+ Ende blivet vore minne die onbekende;
+ Metter truancin cleet,
+ Soo en hevet hi vorme noch ere,
+ Daer minne dat haer bi versteet.
+
+In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene kracht, geen
+merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig aan deze uitspraak der
+minne: hoe dieper gewond, hoe zachter genezen!
+
+Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als een band, een
+licht, een kole vuurs, een dauw, een levende bron; eene helle, die alles
+verslindt. Alleen hij zal haar geheel bezitten, die zich geheel aan haar
+overgeeft. "Den middenweg houden, dat is zalig leven", zeggen de
+vroeden, die naar deze wereld wijs geacht worden--maar HADEWYCH zegt:
+
+ Middelheit moet af,
+ Eer men in mach
+ Ten edelen goede.
+
+Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en
+klagen, maar daarin is toch zaligheid:
+
+ Bi wilen lief, bi wilen leet,
+ Bi wilen verre, bi wilen ghereet [Zijnoot: dicht bij.],
+ Die dit met trouwe van minnen versteet,
+ Dat es jubileren:
+ Hoe minne versleet [Zijnoot: verslaat.]
+ Ende ommeveet [Zijnoot: omvangt.]
+ In n hanteren.
+
+ Bi wilen licht, bi wilen swaer,
+ Bi wilen doncker, bi wilen claer,
+ In vrin troost, in bedwongen vaer [Zijnoot: vrees.],
+ In nemen ende in gheven,
+ Moeten die sinne
+ Die dolen in minne
+ Altoos hier leven[60].
+
+Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot den dood voor
+ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen begrijpen, vrdat MARIA
+door haren ootmoed de minne zelve had gevangen:
+
+ Wat soo ons god ye onste [Zijnoot: ooit gunde.],
+ Hen wert nie man [Zijnoot: er kwam nooit iemand.], die conste
+ Gherechte minne verstaen,
+ Eer dat maria de goede
+ Met diepen ootmoede
+ Die minne hadde gevaen [Zijnoot: gevangen.].
+ T'ierst was si wilt, doe wert si tam,
+ Si gaf ons vore den leeuwe een lam:
+ Si maecte de demsterheit [Zijnoot: duisternis.] claer,
+ Die hadde geweest donker wel menech jaer[61].
+
+Is men onder strijd en storm van minne door het land van ballingschap
+tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al dat hooge gerucht (der
+wereld) de stilte der nederigheid over de ziel; dan omvat de ziel wijde
+ruimten, dan doorwandelt zij de diepten der minne ("der minnen gewat");
+zij geniet de minne en geniet totdat zij in "orewoet" en geestelijke
+dronkenschap zich zelve verliest.
+
+Pozie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als deze, kan
+kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij weten te weinig van
+de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek om met zekerheid te kunnen
+spreken over den samenhang van HADEWYCH'S pozie met de pozie vr
+haar. Dat er te onzent, vr of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen,
+eene lyrische pozie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen;
+doch iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van de
+pozie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben leeren kennen.
+
+HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene onmiskenbare
+verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals die zich vr haar in de
+aangrenzende landen en ook te onzent had ontwikkeld. Onder al dit
+"zingen van minne" verneemt men telkens klanken en motieven die ook in
+de wereldsche minnepozie voorkomen. Dat om genade bidden, die klachten
+over den band en den brand der minne, de ellende die de minnaar moet
+doorstaan, die betuigingen dat de minne met haar aanlokkelijk gelaat hem
+van zinnen berooft--dat alles hooren wij ook in de gewone minnepozie.
+Woorden als _zeelde_ (minneweelde), _merkaren_ (kwaadwillige spionnen en
+verklikkers), eene uitdrukking als: "de minne heeft de dagen en ik de
+nachten", wijzen in diezelfde richting[62]. De aanvang van een der
+grootere lyrische gedichten:
+
+ Viere meisteren seiden een coninc:
+ Welc ware de starcste dinc
+
+is de gewone van zoovele _tenzonen_ (strijdgedichten) welke,
+in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken
+gemaakt werden[63].
+
+Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van HADEWYCH'S
+liederen aan met een schetsje of een greep uit het natuurleven. Dat
+natuurleven moet dienen ter inleiding van het gemoedsleven, hetzij door
+overeenkomst hetzij door tegenstelling. Zoo b.v. in dit fraaie
+aanvangscouplet:
+
+ Tsaermeer [Zijnoot: thans.] sal in corten tide
+ Tsap van den wortelen opwaert slaen!
+ Daerbi sal, verre ende wide,
+ Beemt ende cruut sijn loof ontfaen;
+ Dies so hebben wi sekeren waen [Zijnoot: vast geloof.],
+ Die voghele werden blide;
+ Die gheet in minnen te stride,
+ Hi sal verwinnen saen [Zijnoot: spoedig.],
+ Opdat hi niet en mide [Zijnoot: zich niet spare.] [64].
+
+Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan het
+natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne en alle verdriet
+te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd door den dauw, op den
+dorenstruik ontluikt; ook in de minne is het: "na groten storme werdet
+dat weder scone"; waar 't gemoed met den rijp van den waan is bedekt,
+daar kan geen loover van minne groeien[65]. Andere vergelijkingen
+verplaatsen ons in het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil
+bouwen, hoe dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich
+zelve bij een kind "dat na sprect dat het spreken hoort"; op de
+vervulling van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals een
+gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij vergelijkingen of
+beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel; op de grens van het platte
+staat zij met haar beeldspraak van de taverne waarin Minne hare gasten
+bedient. Aan de volkspozie en wel aan de oudste leugenliederen
+herinneren ons deze verzen:
+
+ Want niet bat en can 't getoonen mijn sin,
+ Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin[66].
+
+Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden wij door hare
+beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan aan het ridderwezen. In
+het proza komt er een enkele maal een voor, zoo b.v. waar zij spreekt
+van de "wijsheit" die "alle die edele ridderen achemeert" [Zijnoot:
+uitrust.] in den strijd der minne; doch in de pozie wemelt het
+ridderleven ons telkens voor de oogen. De gansche voorstelling van het
+zoeken der minne als een strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft
+overigens waarschijnlijk ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij
+hooren van "doorhouwen schilden" en "schermen onder den scilt", van
+"joesten", eenen "keer doen" (zich door den vijand heen houwen en langs
+denzelfden weg terugkeeren), van "sinen hoghen telt (draf) riden", van
+"heervaert", "kimpen" (kampvechters), "vesten", muren en grachten; van
+koene ridders die een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van
+"schachten die diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het
+ridderleven kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en het
+is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres van het vers:
+
+ Fiere herte en was nie [Zijnoot: nooit.] bloode
+
+gelijk zoovele Cistercinser-nonnen van adellijke afkomst is
+geweest[67].
+
+Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel van haar geest
+en haar gemoed.
+
+Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele weet te
+vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen die haar eenigszins
+kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt. Haar gevoel is dikwijls
+onbestuurd en doet hare pozie dan vervloeien tot muzikale
+woord-arabesken, die uiting geven aan hare gemoedsstemming, al kunnen
+wij daar het verband tusschen gevoel en klank niet waarnemen. Op menige
+plaats geven hare verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener
+ziel met het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat
+brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben beseft. Voor
+het eerst--immers nog vr WILLEM VAN AFFLIGHEM--vinden wij in de
+geschiedenis onzer woordkunst het besef uitgesproken van het onvermogen
+der taal om de diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over
+de Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: "van al dien dat in ertike es, mach men
+redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe en wetic gheen dietsch
+noch gheen redene". En elders lezen wij over het zich oplossen van den
+mensch in God: "ay, ic en dar [Zijnoot: durf.] hier af nemmeer scriven,
+ic moet emmer van den besten meest swighen... ende hier omme quetse ic
+mi, dat ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, dat
+der pinen [Zijnoot: moeite.] wert es, ochte woorde na [Zijnoot:
+volgens.] miere zielen gront." Ook in hare pozie vinden wij uitingen
+als:
+
+ Het mochte dat inneghe gedinken
+ De tonge verminken,
+ Sprake siere af meer[68].
+
+Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden en smarten
+der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige taal, telkens nieuwe
+rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend met het lichte spel van
+rijmklanken, van staand en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein.
+
+Eentonig--heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig? Ook de
+heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich gelukkig voelen, omdat de
+blik er niet op grenzen stuit, noch in het wijde rondom noch in het
+diepe omhoog; wier oog met welbehagen rust op frissche wel en volle
+beek, op den dorren grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn
+stemmig bruin, en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der
+erica.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] _Spiegel der Zonden_ (ed. VERDAM), vs. 4852-3.
+
+[2] Zie bl. 124, 6.
+
+[3] Vs. 5-15. Den naam _Digenen_ kan ik niet thuisbrengen. De eenige mij
+bekende naam die op dezen gelijkt, is die van den ridder _Degener_ die
+door zijne minnares LUSSEWINE verraden wordt. Vgl. de romance in H. v.
+FALLERSLEBEN'S _Horae Belgicae_, II, 29.
+
+[4] Uitgaven van het volledig gedicht en van eenige fragmenten vermeld
+door TE WINKEL, _Gesch._, bl. 266 en in PETIT'S _Bibliographie_, no. 478
+en 1143. Zie verder het belangrijk artikel van VERDAM in: _Versl. en
+Meded. der Kon. Akad. v. Wet._, 4e Reeks, Deel IV.
+
+[5] In vs. 4055 wordt "die ewangeliste" genoemd; in vs. 4059 "sinte
+Gregorijs"; in vs. 4067 "sinte Augustijn". Doch is dit deel van het
+gedicht van den oorspronkelijken dichter, die de Roode Zee: de
+_leverzee_ noemt, (vs. 1130)?
+
+[6] Vgl. vs. 165 vlgg.; 1100, 1292, 1310, 1342, 1584, 1752, 1760, 2076;
+vs. 217 vlgg.; 478, 930, 1352 en de telkens volgende verzen.
+
+[7] Vgl. o.a.: 376, 660, 1837, 1843, 2857, 3678; vs. 345 vlgg.; 860
+vlgg.; 644, 650, 1277, 666; 1775-8, 1802, 1910.
+
+[8] Vs. 517, 757 vlgg.
+
+[9] Vs. 2154-'67, 2353-'62, 2788 vlgg.; 2860, 2885 vlgg.; 2923, 2950
+vlgg.; 3039 vlgg.
+
+[10] Vs. 754-5, 1634, 271-2, 4277.
+
+[11] Vs. 354-5 (het Ovidiaansch: "eodem argento" maar minder fijn);
+2251, 1402.
+
+[12] Vgl. vs. 1050 vlgg., 1382 vlgg.; 1685, 1864; 1179, 2394, 2396;
+2376, 2720, 1539 vlgg.; 2054, 3903 vlgg.; 2340-1.
+
+[13] Vs. 1130.
+
+[14] Zulke plaatsen zijn vs. 478 vlgg.; 1417 vlgg.; 1626 vlgg.; 1986
+vlgg.; 2088 vlgg.; 2440-'64; 2983 vlgg.; 3195 vlgg.; 3277 vlgg.; 3395
+vlgg.; 3445 vlgg.; 3483 vlgg.
+
+Op menige plaats kan men zonder moeite een lied in vier- of meerregelige
+coupletten, welker aanvang of slot door gelijke verzen wordt aangegeven,
+herkennen. Door te letten op den bouw dier liederen kan men dan den
+blijkbaar sterk genterpoleerden tekst zuiveren. In het door WILLEMS
+uitgegeven fragment naar een hs. der 14e eeuw vinden wij de coupletten,
+MARIA MAGDALENA in den mond gelegd (vs. 1417 vlgg.) doch door den
+afschrijver verknoeid; het volledige hs. (der 15e eeuw) geeft hier een
+zuiverder tekst. Echter heeft ook deze eene critische zuivering
+hoognoodig. Opmerkelijk is (VERDAM merkte het reeds op) hoe dikwijls van
+vier verzen met gelijk rijm twee bij eenig nadenken al spoedig
+interpolaties blijken.
+
+[15] Het hs. is waarschijnlijk geschreven door zekeren MARTIJN van
+Thorout in de abdij van EENAME bij Oudenaarde. Zie over dat hs. _Belg.
+Museum_, III, 197 vlgg.; NAP. DE PAUW, _Mnl. Gedichten_, II, Inleid.;
+PRIEBSCH, _Deutsche Handschriften_ enz., no. 177.
+
+In vs. 752 van het leven _van S. Aechte_ wordt als jaar der
+vervaardiging 1286 genoemd; S. WERNER is volgens de A.S. gestorven in
+1287 en in vs. 13-15 van zijn leven lezen wij: "dat doet es bleven _nu
+nichtinghe_"; in het leven _van S. Marie Egyptiake_, vs. 687-9: "dit was
+ghemaect.... MCC ende neghentech jaer."
+
+[16] Een tijdgenoot dezer dichters, de Fransche poet RUTEBEUF schreef
+eveneens eene _Vie sainte Marie l'Egyptianne_. De Mnl. bewerking, die
+uitvoeriger is, heeft, voorzoover ik kan zien, niets met deze bewerking
+gemeen dan natuurlijk de hoofdzaken, die men o.a. vindt in de _Legenda
+Aurea_ (ed. GRSSE), p. 247, c. LVI.
+
+[17] _Van sente Aechte_, vs. 668 vlgg. en vs. 762 vlgg.; _van sente
+Waerneer_, vs. 5 vlgg.; ook het slot van _van sente Marie Egyptiake_.
+
+[18] Vgl. PIRENNE'S _Gesch. Belgins_, I, 36. Het klooster Thorout
+(Thor-hout?) lag niet ver van Sluis.
+
+[19] Vgl. over de vraag of MAERLANT een Dietsch dan wel een Fransch werk
+zal hebben bedoeld JONCKBLOET'S _Gesch. der Ned. Lett._, II, 88-90.
+
+FRANCK is van oordeel, dat M. ook wel een Fransch gedicht kan hebben
+bedoeld; JONCKBLOET'S betoog komt mij echter overtuigend voor. Zou
+MAERLANT trouwens wel van een _Fransch_ werk hebben kunnen zeggen, dat
+het "wyde becant" was? Kennis van het Fransch was in de 13e eeuw
+geenszins algemeen in Vlaanderen.
+
+[20] Zie de literatuur-opgaven bij TE WINKEL, (p. 408); daar ook den
+titel van VAN HAMEL'S uitgave van het oorspronkelijk Fransch werk. Ik
+verwijs hier steeds naar de nieuwste uitgaaf van Dr. P. LEENDERTZ.
+(Amsterdam. 1893).
+
+[21] Vgl. b.v. no. 15, 39, 44, 48, 51, 86, 114, 117 van den _Rinclus_
+met de overeenkomstige coupletten van het oorspronkelijke.
+
+[22] Vgl. no. 38 (v.d. _Rinclus_) met het origineel; vs. 936 (_Rinclus_)
+met str. no. 81, 11; voorts no. 5, 12 v. _Mis._ met de bewerking; no.
+104 (met 103 v.d. _Rinclus_) no. 109 (met 108); in no. 112 de
+uitdrukking: _n'en leva pas le ventre vuit_, die niet in no. 111 (_R._)
+te vinden is; no. 120 (_Mis._). De varianten van 29 door VAN HAMEL
+medegedeelde hss. zijn hier zonder beteekenis.
+
+[23] Vgl. _Rinclus_, no. 117; vs. 526 (_Mis._, no. 43, 5-8); vs. 691
+(_Mis._, no. LVII); vs. 1114 (_Mis._, no. 96, vs. 8); vs. 595 vlgg.
+
+[24] Reeds JONCKBLOET had deze overeenkomst opgemerkt. Vgl. zijne
+_Gesch. der Ned. Lett._, I, 434. Meer punten van overeenkomst zijn
+aangewezen in FRANCK en VERDAM'S uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Ged._,
+Inl. LXXXVIII.
+
+[25] _Scivias_ i.e. _nosce vias Domini_ (onderzoek (leer kennen) de
+wegen des Heeren).
+
+[26] Vgl. _Acta Sanct._ (ord. S. BENED). Junii III, p. 612 ("Deinde cum
+inchoaretur Missa de beatissima Virgine Domina Nostra (sabbatum enim
+erat), veni in extasim." "Et his dictis, ab extasi reversa sum", p. 617:
+"In Exaltatione Sanctae Crucis saepe in extasi facta"; p. 619: "Accidit
+in prima Dominica solennis Jejunii in primis Vesperis, ut venirem in
+mentis excessum"; p. 620: "In die ad Missam, cum inchoaretur Passio
+Domini, iterum in extasim veni."
+
+[27] In een brief der abdis van ANDERNACH aan HILDEGARDE (_Epistola_
+CXVI) vraagt eerstgenoemde of het waar is, dat H. alleen adellijke
+jonkvrouwen in haar klooster opneemt.
+
+[28] Het hier beknopt samengevatte werd door mij ontleend vooral aan:
+MOLL'S _Kerkgesch._, (zie: _Alg. Reg._, p. 181-2. Zonden heerschende bij
+geestelijken en kloosterlingen), voorts pass. en o.a.: II, 2, 1 vlgg. en
+148 vlgg.; PREGER, _Gesch. der deutschen Mystik_, I; SABATIER, _Vita di
+S. Francesco d'Assisi_; MIGNE, _Patrolog._, T. 197; _Acta Sanct._ (ord.
+S. BENED). Junii III, 604-643. _Offenbarungen der Schwester Mechthild
+von Magdeburg...._ herausgeg. von P. GALL MOREL; WYBRANDS, _De Abdij
+Bloemhof_, p. 136-7. AUGER'S _Etude sur les Mystiques des Pays-Bas_
+geeft weinig nieuws van beteekenis.
+
+[29] Vgl. _Leven van Sinte Lutgart...._ door F. VAN VEERDEGHEM. Leiden,
+voorheen E.J. BRILL. 1899.
+
+[30] Vgl. ald. III, 4580-'84. De _Vita_ schijnt slechts van _de hand_ te
+spreken. Zie _Inl._ XI.
+
+[31] Vgl. over dat alles VAN VEERDEGHEM'S _Inleiding_.
+
+[32] Zie staaltjes dier breedvoerigheid t.a.p. XXXV-XXXVI.
+[33] _Vita_ (in de _Acta Sanct._, Junii, T. III), p. 246, c. 11; _Leven
+van S. Lutgart_, IIe Boek, c. XII.
+
+[34] II, vs. 1684 vlgg.; 2576 vlgg.; III, 956-979.
+
+[35] De bedoelde plaatsen, voorzoover niet reeds aangewezen, vindt men
+II, 1297; 516-562; vgl. ook vs. 7479-'83 met het origineel, waar men
+slechts deze woorden vindt: "cum Moniales alta voce cantarent."
+
+[36] De uitgever zegt: "assonances hebben wij er niet opgemerkt" (_Inl._
+LXIII). Ik vond er slechts n (II, 241-2: _talen_ || _maken_).
+
+[37] De voornaamste plaatsen waar over de _minne_ gesproken wordt, zijn
+II, 81-88; 1220 vlgg.; 1339; 4625-'7; 5262-'7; 6283 vlgg.; 6388-'98;
+6969-'88; 7787-7806; 7848-'52; 7906-'13; III, 1789-'91; 2008-'32;
+3070-'84; 4564-'7.
+
+_Orewoet_ genoemd: II, 6409, 7066, 7544, 7893, 13927.
+
+Al deze plaatsen worden in het Latijn niet aangetroffen. Slechts van
+III, 3070-'84 vindt men iets in het Latijn terug ("pia Lutgardis in
+oratione cum Domino mira spiritus instantia luctabatur. Tandem vero, ubi
+in ira Dominum misericordias continentem evincere non valebat" etc.).
+
+[38] Uitgaven van haar werk: _Gedichten_ in Maetschappij der Vlaemsche
+Bibliophilen, 4e Reeks, no. 2; _Proza_, id. no. 11. De hss. ter Bibl.
+Royale te Brussel Cat. Ned. hss., no. 2877-'80 en ter Univ.-Bibl. te
+Gent. Vgl. voorts over die hss. _Vaderl. Museum_, II, 136 vlgg. Een
+artikel van PAUL FRDRICQ over: _De geheimzinnige ketterin
+Bloemaerdinne_. (Zuster HADEWYCH) in: _Versl. en Meded. der Kon. Akad.
+v. Wet._, 3e Reeks, Deel XII en het stuk daartegen van E. VAN EVEN in
+_Dietsche War._ van 1896. Voorts: _Untersuchungen ber die Werken van
+Zuster Hadewych...._ von M. JRIS. Strassburg. 1894.
+
+De voorstelling van RUELENS--FRDRICQ: Hadewych = Bloemaerdinne is m.i.
+onaannemelijk. VAN EVEN heeft dat reeds ten deele aangetoond.
+
+Tegen die voorstelling pleit vooral:
+
+1o. dat de namen der beide vrouwen verschillen; _Hadewijch_ en
+_Heilwijch_ zijn namen van verschillende afkomst (zie o.a. POTT, _Die
+Personennamen_, 110, 212, 641) en nergens blijkt, dat zij in dien tijd
+ook wel verwisseld worden
+
+2o. de voorbeelden van kettersche leerstellingen, door F. uit HADEWYCH'S
+werken aangehaald, bewijzen niet dat hier inderdaad van ketterij sprake
+mag zijn; ook van die "allerschandelijkste seraphische liefde" zijn in
+HADEWYCH'S werken geene sporen aan te wijzen.
+
+3o. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en haar invloed
+bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok JAN VAN LEEUWEN,
+spreekt van "een overheylich wijf die hiet hadewijch" en van hare "edel
+goddelike leringhe"; die "leringhe" is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S
+geschrift: _die rolie der woedegher minnen_. Zie daarover het artikel
+van Dr. C.G.N. DE VOOYS in: _De XXe eeuw_, IX, 181.
+
+[39] _Proza_, bl. 187.
+
+[40] Vgl. _Quinque prudentes Virgines...._ auctore P.F. CHRYSOSTOMO
+HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de _Vita B. Beatricis_. Was zij
+de Cistercinser-non, "quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat
+de se ipsa"? (_Vad. Museum_, II, 142), en wier werk door WILLEM VAN
+AFFLIGHEM in het Latijn "satis eleganter" vertaald is? Of moeten wij aan
+HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden wij ook hier weer
+verplaatst onder de Cistercinser-nonnen en zien wij WILLEM VAN
+AFFLIGHEM in betrekking tot deze.
+
+[41] Vgl. o.a. _Proza_, blz. 5-6, 15, 20-21, den aanvang der _Epistolae;
+Gedichten_, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5-10; 210, 25-28.
+
+[42] _Proza_, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij sommige
+Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese?
+
+[43] _Proza_, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van PAUL
+FRDRICQ.
+
+[44] _Proza_, bl. 106-7, 128.
+
+[45] _Deuteronomium_ VI, 5. (De tekst van het proza heeft "_diere_
+herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik _dijnre_).
+
+[46] Vgl. _Proza_, bl. 72-3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63.
+
+[47] _Proza_, bl. 104, 143, 179, 119, 126-7. (_Openb._ I, 13 vlgg.),
+146, 144, 151. Vgl. ook FRDRICQ'S artikel, bl. 83.
+
+[48] Vgl. _Openb._ VIII, 6 en _Proza_, 135; VI, 1 en 135-6; VIII, 13 en
+153-4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met _Proza_, 135,
+139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: "gij moet wederom" enz.
+
+In _Openb._ II, 4 lezen wij: "Maar ik heb tegen u dat gij uwe eerste
+liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: "maar ik heb eenige weinige dingen
+tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: "Mer ic hebbe een dinc te di, daer
+ic mi omme belghe" enz.
+
+[49] Vgl. _De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken...._ door W.
+DE VREESE, I, 427.
+
+[50] _Proza_, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: "ic di, wes mi" in hare
+_Pozie_, bl. 94, 131, 244.
+
+[51] S. BERNARDI _Opera omnia...._ D. JOANNIS MABILLON. Mediolani. JAC.
+GNOCCHI, 1850, I, _Ep._, XI te vergelijken met: _Gedichten_, XI, 19-20:
+
+Want der knechten wet es vaer [Zijnoot: vrees.] Maer minne es wet der
+sonen.
+
+"Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit sibi:
+tertius filius et defert patri."
+
+Voorts: _Tract. de Conversione_; _de diligendo Deo_; _In cantica sermo
+67_.
+
+[52] Vgl. _Proza_, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK GOETHALS
+van Gent, spreekt van: _nosse_, _velle_ et _posse_. Vgl. _Heinrich von
+Gent_ von Dr. K. WERNER, S. 37.
+
+[53] B.v. _Proza_, p. 43, 93, 107. _Gedichten_ o.a.: p. 5, 41; 26; 86,
+41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2;
+86, 27 en pass.
+
+[54] _Proza_, 14, 24; voorbeelden van _nuw_, _Mnl. Wdb._, IV, 2422 en
+pass. in HADEWYCH'S _Gedichten_. Tegenover de _nieuwe_ plaatst H. ook
+wel eens de _oude_ en tegenover de _vreemde_ de _bekende_. Zie b.v.
+_Ged._, bl. 224 (b.).
+
+[55] _Proza_, 35, 58.
+
+[56] _Gedichten_, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk is
+190, 1 vlgg. _Proza_, bl. 176.
+
+Met "broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der 13e
+eeuw bedoeld. Vgl. FRDRICQ t.a.p., bl. 90.
+
+[57] _Proza_, bl. 61-2. _Minne_ en _Redene_ als de twee voornaamste
+zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S _voluntas_ en _ratio_.
+
+Inderdaad vinden wij in de _Gedichten_, bl. 196, vs. 15 vlgg. _redene_
+en _wille_ in verband met _memorie_ behandeld.
+
+[58] _Proza_, bl. 87, 5, 3, 68.
+
+[59] _Proza_, bl. 32; voorts 17, 96, 104. _Rijmklanken_ o.a. op bl. 23,
+42, 57, 89.
+
+[60] Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de _Gedichten_, p. 84, 69,
+18, 56, 61, 66-7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne), 92,
+93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der minne),
+242, 264, 21-22, 32; (de geestelijke "dorper"), 39, 42, 43, 46, 49, 105,
+123, 235.
+
+[61] Vgl. _Ged._, 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17-18; ("hoech
+gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; ("gewat"), 9;
+("ghebruken"), _orewoet_, (28, 51, 69, 107, 30-31), 43.
+
+[62] _Ged._, p. 69, 134, 142, 146, 156-7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93.
+
+[63] Vgl. bl. 186.
+
+[64] Bl. 8. En voorts pass. b.v. no. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23, 35,
+41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143.
+
+[65] _Ged._, bl. 11, 15, 24.
+
+[66] _Ged._, bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich
+het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met den
+aanvang:
+
+Een blinde zag een molensteen Ronddrijven in den stroom.
+
+[67] Vgl. _Proza_, bl. 60-61; _Ged._ 14, 32, 36, 53, 55, 78, 79, 83,
+124, 145, 151, 152, 154, 158, 165, 169, 178, 179, 269. Of het vers:
+"Haddic mijn hoege geslachte bedacht" (XXIII, 50) eene zinspeling is op
+haar adeldom (zooals JONCKBLOET meent), schijnt mij twijfelachtig. In
+den mond van mystieken beteekent zulk eene uitdrukking m.i. eer: dat men
+zich een schepsel Gods dan dat men zich van adellijk geslacht voelt.
+
+[68] _Proza_, bl. 59, 77; _Ged._, bl. 252, 254, 257.
+
+
+
+3. POZIE DER GEMEENTEN.
+
+ De gemeenten tegenover adel en geestelijkheid. _Disticha Catonis_.
+ Dietsche _Ars Amandi_. _Bestiaris_. _Esopet_. De eerste boerde. Roman
+ _van den VII. Vroeden van Rome_. _Van den Vos Reinaerde_.
+
+De ridderschap droeg een half nationaal half internationaal karakter. De
+adel van eenig land mocht zich aan dat land verbonden gevoelen door
+afkomst, taal, grondbezit en van tijd tot tijd met zijne landgenooten
+tegenover andere volken staan--toch had hij met den adel van andere
+West-europeesche volken veel gemeen: dezelfde ridderplichten golden voor
+allen, hun begeeren en streven, hunne leefwijze, zeden en gewoonten,
+waren grootendeels van denzelfden aard.
+
+Ook de geestelijkheid, dienaren eener zelfde kerk die het Westen van
+Europa in haar greep omvatte, had vrij wat internationaals; dezelfde
+klooster-orden vond men in onderscheiden landen; overal droegen "gelijke
+monniken gelijke kappen" en konden van gedachten wisselen in de
+gemeenschappelijke kerktaal.
+
+Tegenover deze beide standen vertegenwoordigen de gemeenten het
+zuiver-nationale element. Poorters en boeren, doorgaans aan stad of dorp
+gebonden, kwamen zelden buiten hunne streek of hunne gouw, veel minder
+in vreemde landen, tenzij een bedevaart of een krijgstocht er hen toe
+dwong. In die talrijke kleine kringen welker samenhang door onderling
+gesloten huwelijken nog versterkt werd, bewaarde men het zuiverst het
+oorspronkelijk volkskarakter in zijne voorname uitingen: taal, recht,
+maatschappelijk en huiselijk leven. Daar sprak men slechts Dietsch, gaf
+en ontving recht volgens voorvaderlijke instellingen, en bewaarde de
+eeuwen door een schat van instellingen, gebruiken, zeden en gewoonten.
+
+Het ideale streven van den adel en de geestelijke "minne" waren voor
+hunne nuchterheid te hoog. Oorlog en hoofsche minne, in de ridderromans
+verheerlijkt, konden nog niet veel aantrekkelijks hebben voor harde
+werkers, tuk op winst die slechts de vrede hun brengen kon; voor
+eenvoudige boeren en poorters, die nog niet veel gaven om oorlogsroem,
+uiterlijke beschaving en verfijning. Zeker, ook zij hadden behoefte aan
+iets hoogers dan het dagelijksch werken om den broode. In die behoefte
+voorzagen de kerk en het geloof voor een groot deel; doch naarmate het
+geestelijk leven onder de gemeenten zich ontwikkelde, begonnen ook zij
+smaak te krijgen in eenig letterkundig werk dat hen kon vermaken,
+onderrichten of stichten. Wat aan een of meer dezer drie voorwaarden
+voldeed, had kans de gemeente te behagen--indien het niet te omvangrijk
+was; want onder burgers en boeren had men niet zooveel vrijen tijd als
+in kasteel of klooster.
+
+Van dien aard was de Latijnsche verzameling van eenvoudige zedelessen
+onder den naam _Disticha Catonis_ uit de eerste eeuwen onzer
+jaartelling, die in bijna ontelbare bewerkingen of vertalingen onder de
+volken van West-Europa was verbreid[1].
+
+Dat "bouc van zeden" zooals MAERLANT het noemt, werd reeds in 1253 z
+hoog geschat, dat men het op de scholen van Yperen als leerboek
+gebruikte; toen DIEDERIC VAN ASSENEDE zijn _Floris en Blancefloer_
+bewerkte, nam hij in zijn gedicht een drietal verzen uit den "bouc van
+zeden" op, die hem blijkbaar nog van de schoolbanken heugden. De korte,
+grootendeels vierregelige stukjes, in eenvoudige taal en doorgaans
+paarsgewijze rijmend, waren daartoe dan ook wel geschikt. Met hun inhoud
+kon het middeleeuwsch geslacht zeker zijn voordeel doen. Zij vonden hier
+enkele voorschriften in den geest van het Christendom, zooals: den dood
+niet vreezen, zich niet schuldig maken aan overspel of vrekheid. Veel
+meer echter zulke die gericht waren op algemeene zedelijke vorming, op
+de praktijk des levens, het aankweeken van zachtheid en heuschheid, het
+aanleeren van goede manieren: vroeg opstaan, niet te veel eten en
+drinken, niet veel praten onder het eten, zijn kinderen een ambacht
+laten leeren, spaarzaam zijn, weer goed maken wat gij in dronkenschap
+misdreven hebt; ais gij ziek zijt, kies dan iemand die verstand heeft
+van de geneeskunst; let niet op droomen, beproef niet te doen wat uwe
+kracht te boven gaat; maak u niet boos op uwe dienstbaren, geloof uwe
+vrouw niet als zij te onrechte over hen klaagt, bedenk dat zij menschen
+zijn als gij; aanvaard minzaam ook een kleine gift, scheld niet die u
+liefhebben; bespot oude menschen niet; tracht wijs te worden: onderricht
+in den landbouw kunt gij vinden bij VIRGILIUS, in den oorlog bij
+LUCANUS, in de minne bij OVIDIUS. Wacht u voor menschen die weinig
+spreken:
+
+ Men seit: die vloet die stille staet,
+ Soe [Zijnoot: zij.] es dieper dan die harde gaet.
+
+Bemin het geld om zijn gebruik; bezit gij have en goed, geniet er dan
+van. Gij moogt wel een spiering uitgooien om een kabeljauw te vangen.
+
+OVIDIUS' onderricht in de minne, waarvan de _Dietsche Catoen_ spreekt,
+was te vinden o.a. in een uit het Fransch vertaald gedicht, dat
+waarschijnlijk tot dezen tijd behoort en de _Ars Amandi_ behandelde. Ook
+in een _bestiaire_--wij zouden zeggen: een _beestenboek_--zooals een
+Fransch geestelijke van hoogen rang, RICHARD DE FOURNIVALL, er in den
+aanvang der 13de eeuw een schreef, dat toepasselijk was gemaakt op de
+liefde. Zulk een "bestiaris van minnen", waarschijnlijk uit dezen tijd,
+kwam gedeeltelijk tot ons.
+
+Veel meer in trek echter waren de echte "bestiaires" die een overzicht
+van gesymboliseerde zologie behelsden. MAERLANT verhaalt ons dat Heer
+WILLEM UTENHOVE, "priester van goeden hove" te Aardenburch, zulk een
+_Bestiaris_ had gemaakt. Doch hij was van den rechten weg afgedwaald,
+doordat hij een Fransch gedicht tot voorbeeld had gekozen. Misschien was
+dit voorbeeld PHILIPPE DE THAON'S _Bestiaire_ uit den aanvang der 12de
+eeuw, waarin o.a. de leeuw Jezus-Christus voorstelt; de eenhoorn die
+zich laat vangen door eene maagd: God die afgedaald is tot Maria; de
+krokodil den duivel; de sirenen die in zee de schippers verlokken: de
+rijkdommen in de wereld de menschen verleidend enz.[2].
+
+Doch hoe nuttig zulke zedelessen ook waren, zij zetten de verbeelding
+niet aan het werk en vermochten dus niet, wat men van een literair werk
+vooral verlangt: de toehoorders (lezers) aan zich zelven te ontrukken.
+
+Daartoe was het verhaal beter geschikt, het korte verhaal dat tevens een
+nuttige les bevatte. Zulke verhalen zijn van de oudste tijden af bij
+alle volken, beschaafd of onbeschaafd, in zwang geweest en hebben zich
+langs de wegen van mondelinge en schriftelijke overlevering, de eeuwen
+door, van het eene volk tot het andere verbreid. In tijden toen de
+mensch zijne meerderheid boven het dier nog niet zoo sterk gevoelde als
+later, verplaatste de verteller zijne hoorders gaarne te midden der
+dierwereld. Liet hij dieren handelen en spreken als menschen, dan kon
+niemand zich ergeren als ware het op hem gemunt, en het verhaal won aan
+zinrijkheid doordat het den geest der hoorders aan het werk zette, en
+hen zelven de toepassing deed maken. Niet zelden ook voerde de verteller
+de dieren in gezelschap van een of meer menschen ten tooneele of
+vertelde hij een verhaal waarin louter menschen voorkwamen onder
+verdichte namen of aangeduid in algemeene bewoordingen.
+
+Die honderden verhalen in hunne verbreiding over de wereld door den loop
+der eeuwen volgen, daartoe is de wetenschap op verre na niet in staat.
+Slechts hier en daar kan zij ons een kijkje geven op de veelheid hunner
+elkander kruisende kronkelwegen. In het Oosten met name in Voor-Indi,
+zijn vele dezer verhalen al vroeg opgeteekend en tot grootere werken
+vereenigd; van het Oosten zijn er ettelijke, ten deele langs
+schriftelijken ten deele langs mondelingen weg, naar het Westen gekomen;
+vele andere moeten echter vanouds gemeen goed der menschheid geweest en
+mondeling van het eene geslacht op het andere zijn overgegaan, ook al
+kreeg men door vertalingen eene schriftelijke overlevering naast die
+mondelinge[3].
+
+Waarschijnlijk waren er in de 13de eeuw ook hier te lande verscheidene
+dierenfabels in omloop[4]. Echter berust de eenige Nederlandsche
+fabelbundel van dezen tijd die tot ons is gekomen niet op mondelinge
+overlevering, maar bevat zij eene vertaling van een Latijnsch origineel
+dat bekend staat onder den naam _Romulus_. Misschien had MAERLANT het
+oog op dezen bundel, toen hij in zijn _Spieghel Historiael_ verhaalde
+dat de "favele" van ESOPUS door een paar dichters, CALFSTAF en
+NOYDEKIIN, waren verdietscht "in rime scone ende fijn" en ze aanprees om
+de "spellecheit [Zijnoot: vermakelijkheid.] ende wijsheit van zinne" die
+men er in vond[5].
+
+De bedoeling ook van dezen fabelbundel, gewoonlijk _Esopet_ genoemd, was
+natuurlijk lessen van menschenkennis en levenswijsheid mede te deelen.
+De schrijver van den proloog bereidde zijne hoorders (lezers) daarop
+voor, toen hij aldus aanving:
+
+ Ic wille u, in die ere ons Heren,
+ Bi beesten ende bi vogelen leren,
+ Wisen ende wel bedieden
+ Die nature van den lieden.
+
+Aan het slot der fabels zijn die lessen dan ook doorgaans in een paar
+regels of een spreekwoord samengevat. In die goede lessen achtte de
+proloogschrijver de verdienste van het boek gelegen. "Let op den inhoud,
+niet op den vorm", zegt hij; in elk woord vindt gij "redene ende goeden
+sin"[6]. Toch mag de bewerking over het algemeen verdienstelijk heeten,
+al is zij onder de handen van een afschrijver er waarschijnlijk niet
+beter op geworden. De 67 fabelen die hier uit den _Romulus_ ter
+bewerking zijn gekozen, behelzen de algemeen bekende verhalen van vos en
+kraai, kikvorsch en os, wolf en kraanvogel enz.; zij zijn meerendeels
+levendig verteld; hier en daar heeft de bewerker de levendigheid
+verhoogd door zijne personages sprekend op te voeren, zooals dat ook in
+de epische ridderpozie gebruikelijk was[7]. Hier en daar heeft de
+volksaard aan de vertaling een eigen kleur gegeven. Zoo b.v. waar de
+vertaler de fabel van de muis en de kikvorsch besluit met:
+
+ Hets recht, dat valsche taverniere
+ Drinken van hars selfs biere[8].
+
+Elders komt de maagschap ons herinneren dat wij in middeleeuwsch
+Nederland zijn. Op een andere plaats geeft de bewerker ons een kijkje in
+de middeleeuwsche hel waar de rampzaligen in de (met kokend sulfer en
+pik gevulde) ketels moeten ronddrijven[9].
+
+In een vijftiental dezer fabelen komen naast dieren ook menschen ten
+tooneele, in een vijftal slechts menschen of goden; zij handelen over de
+bruiloft van een dief, over Juno en Venus, een jonkman en eene
+jonkvrouw, een vader met zijn onhandelbaren zoon, een man die uit twee
+monden spreekt. Daar had de dichter een greep gedaan in het algemeen
+menschelijke, daar verplaatste hij zijne hoorders in wat ook nog voor
+hen werkelijkheid was[10].
+
+In hooger mate geldt dat van een der verhalen uit dezen bundel dat ik
+tot nog toe ter zijde heb gelaten, omdat het een karakter draagt,
+verschillend van dat der overige. Het is het bekende verhaal van de
+ontroostbare weduwe die niet wil scheiden van haar mans lijk. Niet ver
+van haar zit een soldaat op wacht bij de galg, waaraan het lijk van een
+misdadiger hangt. De wachter krijgt dorst, klopt aan bij de schoone
+weduwe, stilt zijn dorst en troost haar. Terugkomend, ziet hij dat
+verwanten van den gehangene het lijk gestolen hebben. Bevreesd voor
+straf, roept hij de hulp der weduwe in; deze redt hem uit den brand door
+het lijk van den betreurden echtgenoot in de plaats van het
+misdadigerslijk te hangen.
+
+Het middeleeuwsch woord _fabel_ was, evenals het Oudfransche _fabliau_,
+ruim genoeg om verhalen van dezen aard en verhalen uit het dierenleven
+te omvatten; doch wanneer wij de Nederlandsche bewerking vergelijken met
+het Latijnsche origineel, dan zien wij duidelijk dat wij hier een
+voorlooper onzer latere _boerden_ voor ons hebben. Van het sober, bijna
+droog, vertelde Latijnsche verhaal heeft de Nederlandsche dichter een
+klein tafereel vol leven gemaakt, waarin de naeve volkshumor van tijd
+tot tijd op voortreffelijke wijze tot uiting komt. Men hoore b.v. het
+eerste onderhoud tusschen de schijndroeve en den wachter:
+
+ "Vrouwe," seegt hi, "God houde u!"
+ "Ay mi!" seegt si, "wie es daer nu?"
+ "Vrouwe," seegt hi, "hier es een man."
+ "Ay mi!" seegt si, "nu vlie dan!
+ "Nemmermeer so ne wil ic comen,
+ "Of God wilt daer men _man_ hort noemen.
+ "Ay mi!" seegt si, "hier leget doet
+ "Mijn soete vrient, mijn beddeghenoet
+ ...
+
+
+Dan de leukheid waarmede de wachter haar troost:
+
+ "Bi Gode!" seegt hi, "lieve vrouwe,
+ "Mi es herde leet uw rouwe;
+ "Maer die levende ende die dode
+ "Moeten sceden, al doen sij 't node."
+ ...
+
+
+Verdraag wat gij niet verhelpen kunt; denk aan uw jonge jeugd. Zoo'n
+mooie vrouw past vroolijkheid beter; en dan, uw man mag flink zijn
+geweest... daar zijn nog betere dan hij:
+
+ "Beter?" seegt si, "ay mi! ay mi!
+ "Wie soude dat sijn, segt mi, wie?"--
+ "Vrouwe," seegt hi, "dat ben ic,
+ "Die u ghemint hebbe een stic" [Zijnoot: eenigen tijd.].--
+ "Ghi hout u scaren [Zijnoot: gij spot.], ic wane," seegt soe.
+ "God weet, vrouwe," seegt hi, "in doe."
+
+Met dezelfde losheid en levendigheid gaat het verhaal voort tot het
+eind, al heeft de afschrijver op al te plompe wijze getracht het slot te
+verknoeien[11].
+
+Een dergelijk verhaal van de ontroostbare weduwe vindt men met
+verscheidene andere vereenigd in een der beroemdste verhalenbundels,
+welke de wereldliteratuur kent, nl.: _van den VII. vroeden binnen Rome_.
+
+Van de vroegste tijden af vindt men bij tal van volken in Azi en Europa
+deze en soortgelijke verhalen vereenigd tot bundels, die onderling
+verschillen doordat, als in een kaleidoscoop, telkens weer andere
+verhalen zich samenvoegen tot een nieuw geheel. De lijst om die verhalen
+blijft dezelfde; overal is het een stiefmoeder die haren schoonen
+voorzoon, een JOZEF-HIPPOLYTUS, belastert bij zijn vader. Telkens wil de
+vader den zoon ter dood laten brengen, doch wordt ook telkens daarvan
+afgebracht door een waarschuwend verhaal van een der zeven vroede mannen
+die den jongeling hebben opgevoed. Tegenover elk dier verhalen plaatst
+de stiefmoeder een verhaal met tegenovergestelde strekking, totdat de
+vader de waarheid ervaart en de booze stiefmoeder doet verbranden. In
+die lijst vindt men telkens weer een verschillend samenstel van
+verhalen, al komen ettelijke van dezelfde verhalen in vele bewerkingen
+voor[12].
+
+In den bovengenoemden Nederlandschen bundel hebben wij waarschijnlijk de
+bewerking eener Fransche proza-redactie[13]. MAERLANT zal wel het oog op
+dit gedicht hebben gehad, toen hij in zijn _Spiegel Historiael_ schreef:
+
+ Maer noit en vand ic, als ic ghome [Zijnoot: naar ik meen.],
+ Ghene VII. vroede te Rome,
+ _Els dan die valsche faloerde [Zijnoot: Behalve dan dat logenverhaal.]
+ Veinset daer af eene boerde_[14].
+
+Ook is het zeer wel mogelijk dat een paar regels uit n der verhalen
+zijn overgenomen uit het verhaal van de weduwe in _Esopet_ of omgekeerd,
+zoodat beide werken niet zoo heel lang na elkander zullen vervaardigd
+zijn[15].
+
+Deze Nederlandsche bewerking geeft ons een aantal der meest bekende
+verhalen, waarvan ik slechts een paar noem om eenig denkbeeld van het
+geheel te geven. Wij vinden hier o.a. het verhaal van den trouwen hond
+die een kind in de wieg verdedigt tegen een slang, de slang doodt en,
+met bloed bevlekt, zich neervlijt bij de wieg die in het gevecht
+ondersteboven is komen liggen. Als dan de vader van het kind thuiskomt,
+de wieg ondersteboven doch niet zijn kind ziet, waant hij dat de hond
+het kind heeft gedood en slaat den trouwen wachter den kop af. Voorts
+het verhaal, reeds bij HERODOTUS voorkomend, van de dieven die in des
+Konings schatkamer binnendringen, waarin n hunner gevangen blijft; dat
+van de vrouw die het geduld van haar man op zware proeven stelt, door
+SHAKESPEARE in zijn _Taming of the Shrew_ gedramatizeerd; van de
+overspelige vrouw die door een slimmen streek haar man 's nachts buiten
+de deur weet te sluiten en de verdenking van ontrouw op hem te laden.
+
+Vergelijkt men de Nederlandsche bewerking met haar voorbeeld dat zij
+over het algemeen vrij getrouw volgt, dan blijkt dat de vertaler in
+menig opzicht te kort schiet: zelden treffen wij een stuk aan dat mooi
+verteld is, al te vaak vinden wij noodelooze herhalingen en stoplappen;
+de bouw zijner zinnen laat nogal eens te wenschen over. Anderzijds is er
+in zijn werk zekere frischheid en iets eigens dat aangenaam aandoet en
+de vele teekenachtige woorden die hij gebruikt, versterken dien indruk
+nog. Zelden of nooit laat hij in eene opmerking of overweging iets van
+zijne persoonlijkheid zien, doch het karakter van zijn volk en zijn tijd
+openbaart zich hier en daar duidelijk. Op meer dan een plaats vinden wij
+een godsdienstig tintje, waar dat in het Fransen ontbreekt; elders
+integendeel een realistisch-erotisch element, dat in het Fransch niet
+gevonden wordt. Soms geeft hij ons een kijkje in de rechtspraak dier
+dagen, in het huiselijk leven en de gewoonte om met Kerstdag zijne magen
+ten eten te noodigen, toont ons dat het verbod om 's avonds na klokslag
+zonder lantaarn uit te gaan toen reeds bestond of, verlevendigt zijn
+verhaal door het aardig weergeven eener tevreden stemming in een regel
+als deze:
+
+ Dat halp den keyser in sijn merch[16].
+
+Zulke teekenachtige uitdrukkingen, in verband met den ganschen geest der
+bewerking en de blijkbare onbedrevenheid van den bewerker in het
+hanteeren der taal, doen mij eer aan een volksdichter dan aan een
+ontwikkeld dichter denken, al blijkt ons niet tot welk publiek hij zich
+bij voorkeur richt.
+
+Opmerkelijk blijft in allen gevalle dat de smaak in korte verhalen van
+dezen aard--zij konden immers alle afzonderlijk worden
+voorgedragen--zich in dezen tijd onder ons volk openbaart. En
+begrijpelijk is het dat men hier nog meer moet hebben genoten van een
+dichtwerk waarin een aantal dierfabels waren verbonden tot een veel
+hechter en schooner geheel dan dat der _VII. vroeden van Rome_.
+
+Men zal beseffen dat ik het oog heb op het voortreffelijk middeleeuwsch
+kunstwerk
+
+VAN DEN VOS REINAERDE[17].
+
+In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt de
+fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit volgt natuurlijk nog
+niet, dat de fabelbundel _Esopet_ ouder moet zijn dan het episch gedicht
+_Van den Vos Reinaerde_; doch welke ook de ontstaans-orde dezer twee
+werken moge zijn, veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet
+ontloopen. En, wat gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier
+waarschijnlijk eene mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of
+onder de schriftelijke.
+
+De bewerker der Latijnsche fabels uit den _Romulus_ moet ook andere
+fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de hand, dan dat die hem uit
+den volksmond bekend, dat zij hem door anderen verteld zijn geworden?
+Anders dan in den _Romulus_ draagt de vos bij hem reeds zijn naam
+_Reinaert_, kent hij den ezel onder den naam _Boudewijn_, den aap onder
+dien van _Martijn_; de vos spreekt den wolf aan met "soete here oom", de
+ezel het everzwijn met "lieve broeder", de kleinere dieren (muis, lam)
+spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met "here" of "edel here"; wij
+vinden in den _Esopet_ reeds de uitdrukking: "van reinaerts spele
+spelen".
+
+Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels
+kenden, zal de verdietsching van den _Romulus_ bij hen in goede aarde
+zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept hebben in die korte verhalen,
+waarin allerlei menschelijk gebeuren, denken en gevoelen was
+voorgesteld; te meer, omdat de acteurs op dit klein tooneel te
+voorschijn kwamen in de gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende
+dieren. Maar in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve
+waren, zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen: den
+hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare, den
+hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand; hier konden zij
+"vroescap leren" in nuttige lessen als: tevreden zijn met weinig, zich
+hoeden voor slechte raadgevers, mooipraters wantrouwen, zich aan een
+ander spiegelen, om het rad van avontuur denken, dat het met groote
+heeren kwaad kersen eten is, "dat behendichede beter es dan sterchede".
+
+En die "vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat zij werd
+voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met rustige vroolijkheid en
+zachte luim en leuke scherts die hier en daar, als in de fabel over de
+vrouwen, tot goelijken spot werd.
+
+Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing van het zooveel
+grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk dierenleven, dat hun in
+het verhaal _Van den Vos Reinaerde_ geboden werd. Alles wat er in
+_Esopet_ te genieten viel, was ook hier aanwezig, maar in hoogere macht,
+en vereenigd tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren
+een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf[18], vos, das,
+ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met uitheemsche
+als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij gelijk aan de
+feodale, bestuurd door Koning Leeuw die met zijne groote vazallen te
+rade gaat. In die maatschappij is er een die zich om recht noch wet
+bekommert, leeft naar eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei
+misdaden zich tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos
+Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel, onbarmhartig,
+telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna ongenaakbaar Maupertuis
+verlatend.
+
+Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van klachten zijn
+tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings rechterstoel vangt aan.
+Reinaerts grootste vijand, Isegrim de wolf, opent de reeks der
+aanklagers. De Koning besluit dat Reinaert driemaal zal worden
+ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens naar Maupertuis gezonden,
+komen met schade en schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het
+aan neef Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld
+tot de galg, weet de schelm zich te redden door den Koning het uitzicht
+te openen op een ver weg begraven schat; dit leugenverhaal heeft hij
+verbonden met zware beschuldigingen tegen beer en wolf. Hij komt er af
+met eene bedevaart; beer en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram
+Belijn vergezellen hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met
+Cuwaerts kop tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert
+met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis.
+
+In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een paar lijnen
+aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen indruk moesten
+wij hebben, voordat wij ons nu kunnen wenden tot het beantwoorden van de
+vragen: van waar had de dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar
+opgevat en uitgewerkt? welke indrukken laat de beschouwing van zijn
+kunstwerk bij ons achter?
+
+Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een of meer der
+Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft gekend, noch dat hij een
+zoogenaamde "branche" dier sage, _Le Plaid_, eenigermate als voorbeeld
+heeft gevolgd.
+
+Van de 12de tot de 14de eeuw hadden tal van Fransche trouvres,
+meerendeels klerken, uit Normandi en Champagne, maar vooral uit
+Picardi en Fransch-Vlaanderen, met liefde deze verhalen behandeld,
+zooals zij zich die herinnerden uit de klassieke fabelbundels, uit de in
+kloosters gedichte Latijnsche verhalen als _Ecbasis Captivi_, _Sacerdos
+et Lupus_, _Gallus et Vulpes_, of uit de mondelinge overlevering.
+Langzamerhand ziet men in het werk der trouvres satire van kerk en
+kerkgebruiken en parodie van ridderwezen en ridderroman op den voorgrond
+komen. Bij de voortgaande ontwikkeling van het literair kunstgevoel
+gingen sommige dichters er naar streven eenheid te brengen in de
+veelheid dezer verhalen. In den aanvang der 13de eeuw (omstreeks 1204)
+zien wij dat streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht
+_Le Plaid_.
+
+Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen
+dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een nieuw werk; tal van
+bekende verhalen en dichterlijke motieven, met kunst verwerkt en met
+tact samengevoegd, zijn daarin door hem met nieuw leven bezield. In het
+eerste deel van zijn werk (ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele
+het Fransche gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het
+verhaal wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook
+andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche "branches" of
+uit de mondelinge overlevering bekend waren. In het tweede deel ging hij
+nog meer zijn eigen weg, daar hij, naar dichters welbehagen puttend uit
+de bronnen der schriftelijke en waarschijnlijk ook der mondelinge
+overlevering, uit de door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is
+er dus wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar hun
+gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen, scherp kan
+die tegenstelling niet genoemd worden.
+
+Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch gedicht
+en de Fransche "branches" zijn ons reeds vroeger aangewezen; die
+overeenkomst heeft soms betrekking op den toestand, soms ook, maar
+minder dikwijls, op de wijze van voorstelling; woordelijke overeenkomst
+kan vooral in het eerste deel hier en daar worden opgemerkt[19]. De tot
+dusver gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd.
+
+Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen, terwijl
+hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat te praten. Een
+tweede aanwijzing vinden wij in het volgende. In het Nederlandsch
+gedicht moet Bruin de beer, op zijne zending naar Maupertuis door
+Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld, een zwaren tocht volbrengen om
+koning Nobel alles te berichten; niet in _Le Plaid_, maar in een der
+andere Fransche "branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde
+omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen, valt door
+Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren mishandeld en sleept
+zich met moeite naar 's konings hof. De weeklachten van vrouwe JULOCKE,
+de pastoorsche, vindt men op de overeenkomstige plaats in _Le Plaid_
+slechts aangeduid; vrij wat uitvoeriger zijn de klachten der
+"prestresse" uit eene andere branche en het meest gelijken zij op het
+gejammer van Dame Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar
+gemaal Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als de
+pastoor. Botsaert, de "clerc" des konings, schijnt van WILLEM'S vinding;
+wij mogen echter niet vergeten, dat ook koning Noble een "clerc" heeft
+in Baucent "le sanglier", al komt deze niet op dezelfde plaats voor als
+in het Nederlandsch. Het gat dat "onder dien spiker verholenlike
+gemaect" was, uit den _Reinaert_, vinden wij niet op de overeenkomstige
+plaats in _Le Plaid_, wel in eene andere "branche" terug[20].
+
+In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden gelegen;
+behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke overeenkomst
+sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat wij hier aan de
+schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering moeten toeschrijven.
+Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM onderscheidene, door trouvre's
+gedichte, verhalen van Renart heeft gekend, maar toch waarschijnlijk
+niet met eene volledigheid die slechts door hedendaagsche critische
+uitgaven bereikt wordt. Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge
+overlevering ook hier niet uit het oog te verliezen.
+
+Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den _Reinaert_ als
+parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in meer dan een der
+Fransche "branches", ook in _Le Plaid_, aanwezig. Hier is het een
+verdienste van WILLEM, dat hij den geest dier parodie zoo uitnemend
+heeft gevat en weergegeven en dat hij getoond heeft dit wapen van den
+spot voortreffelijk te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers
+vond. Hoe duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het
+gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door parodiering
+der genealogische herauten-wijsheid zulk een komisch-grotesk aanzien
+weet te geven.
+
+Doch ook op eigen hand parodiert hij het ridderwezen, zooals het hem
+uit Nederlandsche romans bekend was geworden. Dat hij den _Karel en
+Elegast_ voor dat doel gebruikt heeft, wisten wij; op verscheidene
+plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming aan te wijzen. Doch er is
+meer van dien aard te noemen.
+
+In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd wordt: met
+snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten eik op LAMFROIT'S erf
+en bedreigd door een aansnellenden troep dorpers, heeft WILLEM naar alle
+waarschijnlijkheid het Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch
+niet alleen. Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman
+_van Lancelot_ een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer met
+vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men oordeele:
+
+
+ _Reinaert_, vs. 718 vlgg.
+
+ Doe volchde hem een mekel here.
+ Int dorp ne bleef man no wijf:
+ Den bere te nemene sijn lijf
+ Liep 't al dat lopen mochte.
+ Sulc was die enen bessem brochte,
+ Sulc enen vleghel, sulc een rake:
+ Sulc quam ghelopen met enen stake,
+ _So si quamen van haren werke_
+ _Lancelot_, II, 38377 vlgg.
+
+ (Die meyer liep sere verbolgen:
+ Die scepenen gingen hem volgen.
+ Men geboet al ute daer,
+ Wat elc conste vinden vorwaer,
+ Waes 't riec, pike, vleghel, stocken,
+ Hake, sceppen, swingen, rocken,
+ Wat dat si gegripen conden,
+ _Also alsi in haer ambacht stonden_,
+ Nam elc dat ende volgede naer.
+ Sulc nam enen timberbiel daer
+ Ofte ene reke oft een gysarme;
+ En si dattene God bescerme
+ Soe es min here Walewein verloren.
+
+De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in _Le Plaid_
+eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit den Franschen
+_Lancelot_; doch met het oog op de boven gecursiveerde verzen, komt mij
+dat niet zoo waarschijnlijk voor.
+
+Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der _Lorreinen_. In
+het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert lezen wij o.a. dit vers
+(1075):
+
+ wat cost Reinaerde scone tale?
+
+Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch
+(vs. 782) lezen:
+
+ Mes sa parole que li coste?
+
+dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder de oogen
+heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman der _Lorreinen_ den
+verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode (dus onder dezelfde
+omstandigheden) hooren zeggen:
+
+ Want mi cost niet hoefsce tale
+
+dan gaan wij toch vermoeden, dat WILLEM ook dit vers moet gekend hebben.
+En dat met meer reden, omdat er ook andere plaatsen in de _Lorreinen_
+zijn, die ons aan het gedicht _van den vos Reinaerde_ doen denken.
+
+In het Tweede Boek van dien roman vinden wij keizer KAREL te Aken; hij
+zal uitspraak doen in "'t gedinge" tusschen een paar zijner groote
+vazallen: koning OTTE en koning YOEN; de laatste wordt namelijk
+beschuldigd van overspel met OTTE'S gemalin (de verhouding tusschen
+Isegrim, Reinaert en Hersent).
+
+Ook elders in dezen roman vinden wij een paar voorname vazallen met
+hunne magen voor 's Konings rechterstoel hunne zaak bepleitend. GELLOEN,
+de verrader, die in dezen roman eene gewichtige rol speelt, boos, sluw,
+dapper, doet ons meer dan eens aan Reinaert denken: indertijd heeft hij
+in een strijd tusschen zijn heer, koning KAREL, en koning ASPRIAEN, de
+zijde van den laatste gekozen om der wille van ASPRIAEN'S dochter; toen
+hij zag, dat de zaak verkeerd liep voor ASPRIAEN, kwam hij koning KAREL
+"smeken ende lecken || Als die sine quaetheit woude decken." Tot straf
+voor zijne misdaden wordt hem eene "heilege bedevaert" opgelegd[21]. Het
+eerste geval herinnert aan de houding van Reinaerts vader in den strijd
+tusschen leeuw en beer; de bedevaart wordt, zooals men weet, ook
+Reinaert tot straf opgelegd.
+
+Ook hier zou men van oordeel kunnen zijn, dat de overeenkomst reeds kan
+bestaan hebben tusschen de _Chanson des Lorrains_ en den _Renart_ en dus
+het Nederlandsch gedicht niet of niet in de eerste plaats raakt. Doch
+zoo oordeelend zou men geene rekening houden met een gewichtigen, tot
+dusver onopgemerkten karaktertrek van het Nederlandsch gedicht: de
+groote rol die _de maagschap_ daarin speelt.
+
+In WILLEM'S gedicht zien wij de dieren telkens met hunne maagschap
+opkomen en vinden wij over het algemeen een levendig besef van de
+beteekenis der maagschap; in de Fransche gedichten over Renart vindt men
+op de overeenkomstige plaatsen niets daarvan. Neemt men nu in aanmerking
+dat die maagschap vooral in de tweede helft van WILLEM'S gedicht op den
+voorgrond treedt en dat er zeker weinig Fransche riddergedichten zijn,
+waarin de maagschap vaker genoemd wordt dan juist in de _Lorreinen_, het
+verhaal der veete tusschen twee voorname geslachten--dan geloof ik wel
+te mogen aannemen dat WILLEM ook de Nederlandsche _Lorreinen_
+zelfstandig heeft geparodieerd[22].
+
+Zelfstandige parodie van den ridderroman vinden wij ten slotte niet het
+minst in den proloog, die juist om die reden zoo uitnemend strookt met
+het gansche gedicht. Wie den proloog van den _Reinaert_ leest na die van
+_Walewein_ en van _Floris en Blancefloer_, zal in gelijke woorden,
+wendingen en rijmklanken meer dan eens de parodie opmerken[23].
+
+WILLEM beweert zijn gedicht te hebben geschreven op verzoek eener dame.
+Het is natuurlijk mogelijk, dat hij hier de waarheid zegt; doch
+waarschijnlijk acht ik, dat de proloog ook hier de ridderromans
+parodieert, waarin wel eens meer gewag wordt gemaakt van zulk een
+verzoek.
+
+Zoo deelt MAERLANT ons mede dat hij zijn roman _van Alexander_ heeft
+ondernomen ter eere van haar die hem "gevangen" houdt. En nu is het
+opmerkelijk dat wij juist in den _Alexander_ tal van plaatsen vinden die
+ons aan den _Reinaert_ herinneren en hoogstwaarschijnlijk maken, dat
+WILLEM ook dezen roman heeft gekend[24].
+
+Elk dichter die menschen voorstelt in de gedaante van dieren, loopt
+gevaar dat hij het gevoel voor harmonie van zijn publiek te weinig zal
+ontzien; dierfabel en dierepos immers brengen in hun wezen zekere
+tweeslachtigheid mede. Ongetwijfeld is elk publiek gaarne bereid den
+dichter ook in zulke verbeeldingen te volgen, en naarmate een publiek
+eenvoudiger is, zal het te minder gestoord worden in zijn genot door het
+overschrijden der grenzen in dezen. Van den bewusten of onbewusten tact
+des dichters zal het afhangen, of en in hoever hij hier de juiste maat
+weet in acht te nemen en, der menschen leven uitbeeldend, ons toch
+binnen den kring van het dierenleven te houden.
+
+De dichter WILLEM heeft, zoo min als eenig ander, dit anthropomorphisme
+geheel kunnen vermijden. Wij vinden hier immers eene voorstelling der
+feodale maatschappij: de koning bestuurt den staat, zijne groote heeren
+zijn zijne raadslieden, hij houdt een hofdag en behandelt gedingen, hij
+zendt gezanten die brieven meekrijgen, wij hooren van een mis, een
+kapelaan, van het zweren op heilige reliquien; de dieren doen afstand
+van iets met den symbolischen stroohalm, worden begraven met eene
+lijkmis, hebben een graf met grafschrift, een kasteel, schatten, gaan op
+een bedevaart met "palster ende scerpe", worden terechtgesteld; de galg
+staat voor hen klaar, er wordt bij de terechtstelling op een hoorn
+geblazen. De leden dezer feodale maatschappij vertoonen onderscheidene
+menschelijke aandoeningen: de beer lacht dat hij niet meer kan, Reinaert
+bespot den beer met allerlei aardigheden die op den priesterstand
+betrekking hebben, Reinaert's vrouw Ermeline valt in onmacht, Reinaert
+zelf loopen bij zekere gelegenheid de tranen langs de knevels[25].
+
+Al dit menschelijk-dierlijke, of ten minste verreweg het meeste daarvan,
+had de dichter reeds in zijn voorbeeld gevonden. Nergens echter gaat hij
+de grenzen van den tact zoozeer te buiten als de dichters van _Le Plaid_
+en der overige "branches". Deze laten de dieren op bankjes zitten,
+blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den
+vinger steken, baden en aderlaten; hier werpt men eene in zwijm gevallen
+kip water over den kop, om haar weer bij te brengen. In den _Reinaert_
+vinden wij een enkelen keer eene uitdrukking, aan het paardrijden
+ontleend, gebezigd van dieren: Reinaert en Tibeert de kater loopen
+
+ daer si lopen wilden,
+ dat si nie toghel uphilden[26].
+
+Daar echter nergens in dit of eenig ander deel van het verhaal sprake is
+van rijpaarden, kan deze uitdrukking niet meer beteekenen dan:
+_stilstaan_.
+
+In de Fransche gedichten echter vinden wij, behalve deze uitdrukking
+("onques n'i ot resne tenue") nog vrij wat andere die ons de dieren
+werkelijk te paard zittend voorstellen, hoe zij hun rijdier de sporen
+geven en door de vlakte draven.
+
+WILLEM spreekt van Reinaert's kasteel en zelfs van een der buitenwerken
+daarvan, de "barbecane". Doch daarbij blijft het. In de Fransche
+gedichten krijgen wij het gansche kasteel voor ons met zijne hooge
+muren, ophaalbruggen, het wiket in de poort; in een der "branches" wordt
+zelfs een formeel beleg beschreven; elders gewag gemaakt van het
+Grieksch vuur[27]. Heeft WILLEM dus in de onvermijdelijke
+vermenschelijking der dieren de maat geerbiedigd, anderzijds weet hij
+de dieren in hun handel en wandel zoo telkens weer voor onze oogen te
+brengen en te houden, dat wij het menschenleven maar flauwtjes door dat
+dierenleven heen zien schemeren.
+
+Nu eens zien wij Reinaert een haas bij de keel grijpen, dan eens aan de
+kleine wolfjes zeker oogwater toedienen waardoor zij stekeblind worden.
+Wij zien hem om een hoenderpark sluipen; de honden gaan hem te lijf, dat
+de vlokken hem van den pels stuiven. In zijn schuilplaats ligt hij zich
+te koesteren op een zonnig plekje. Hij speelt met de jonge lammetjes,
+totdat hij er een dood bijt en het opgelikte bloed den sluimerenden
+moordlust voorgoed wekt. Onder varens verscholen, ligt hij zijn vader te
+bespieden, den ouden vos die met den staart zijn spoor uitwischt; hij
+zelf krabt met zijn pooten het zand weg van den toegang tot een hol, pas
+door zijn vader gestopt en kruipt naar binnen; bij het afscheid van den
+koning en het hof gaat hij op zijne achterpooten staan. Hij bijt Cuwaert
+de keel af en het vossengezin smult van den "goeden vetten hase."
+
+Daar is Isegrim de wolf die zich zoo dik gegeten heeft, dat hij niet
+meer kan ontsnappen door het gat, waardoor hij eerst is binnengekomen;
+die, als hij een kalf of ram heeft buitgemaakt, onder het vreten tegen
+Reinaert gromt en hem de tanden laat zien; Isegrim met zijne magen die
+ons zoo goed geschetst worden in dat ne vers: "met scerpen claeuwen,
+met diepen monden." Bruin de beer, op zijn staart voor de "barbecane"
+van Malpertuis gezeten, den honing verheerlijkend, met kop en voorpooten
+gevangen in een halfgespleten eik; later zien wij hem afgemat en
+bloedend op den oever liggen, "ende sloech met beiden sinen lanken"
+[Zijnoot: zijden.]; daarna op weg naar des konings hof, beurtelings
+voortschuivend op zijne achterdeelen of zich over den grond wentelend.
+Tibert de kater, op de
+
+muizenjacht in een strik gevangen, die in zijn doodsangst den bijna
+naakten pastoor met klauwen en tanden te lijf gaat; die zich uit den
+strik redt door het touw stuk te bijten. Daar is voorts de haan
+Cantecleer met zijn kippenharem, die zoo lustig en rustig leeft in dat
+mooie park, totdat de roode vijand hen komt belagen; Cantecleer,
+klapwiekend gaande voor de lijkbaar, waarop de door Reinaert vermoorde
+kip Coppe ligt; Coppe "die so wale conste scraven [Zijnoot: (met de
+pooten) schrabbelen.]." Elders zien wij haan en kippen op de hanebalken
+of losloopend bij een schuur, hond en kat kijvend om een worst, de
+ooievaar die de kikkers opslokt en tal van andere beesten die ons
+slechts terloops genoemd worden.
+
+Dat rumoerig dierenleven in zijne bonte afwisseling wordt grootendeels
+afgespeeld onder den blooten hemel in Gods vrije natuur.
+
+Het is Pinksteren in een heuvelachtig land, bosch en hagen staan in het
+groene blad. Op een grasveld houdt Nobel hof; een hooge steen is 's
+konings troon. Onbezorgd wandelt Cantecleer met zijne kippen rond waar
+de groene velden vol bloemen staan. Coppe wordt begraven onder de linde
+(rustplaats van zoo menig minnend hart!) Bruin trekt naar Malpertuis
+door een donker woud, door een wildernis, over een hoogen breeden
+heuvelrug. Langs een krom pad bereiken Reinaert en hij het erf van
+LAMFROIT, waar een eik ligt dien de boer uit het bosch heeft gehaald om
+hem te splijten; een rivier stroomt in de nabijheid. In die rivier
+ontkomt de mishandelde beer aan zijne vervolgers. Op den oever van die
+rivier ligt hij uitgeput, als Reinaert die op een heideheuvel een vet
+hoen heeft verorberd, daarheen komt om zich wat op te frisschen.
+
+Tibert ontmoet op zijn weg de kraai. "Al heil, edel voghel!" roept hij,
+"vlieg aan mijne rechterhand voorbij!" Maar de vogel vliegt in het
+kreupelhout, links van hem: een kwaad voorteeken! 's Avonds laat bereikt
+hij Maupertuis; helder als de dag schijnt de maan over de heide; bij dat
+licht loopen hij en Reinaert naar pastoors schuur.
+
+Ver weg van deze streken, in de wildernis, bij een bosch ligt de bron
+Kriekeput; alleen uilen nestelen in die eenzaamheid; jonge berken staan
+in den bemosten grond om de put. Een dergelijke wildernis moet het zijn,
+waarheen Reinaert ten slotte met zijn gezin de wijk neemt, waar het op
+de heide en in het kreupelhout krioelt van patrijzen en ander gevogelte.
+
+Welk een meester toont deze middeleeuwsche dichter zich reeds in de
+karakteristiek zijner personages?
+
+Welk een brutale zinnelijkheid is er in dien Reinaert, den echtbreker;
+die niet tevreden met de wolvin, ook de gemalin van den koning, naar het
+schijnt, te na is gekomen; die voor zich zelf weet te zorgen en tijdens
+het gevecht der dorpelingen met Bruin een vet hoen wegkaapt; hoe grof
+uiten zich zijne teleurstelling en zijne minachting voor LAMFROIT, als
+deze den beer heeft laten ontsnappen; hij lacht dat hij kraakt bij de
+weeklachten der pastoorsche. Hoe gruwzaam is zijn wraak op Isegrim en
+Bruin en hoe bitter zijn spot over hun ongeluk. Bij zijn afscheid weet
+hij den haas Cuwaert en den ram Belijn met zich te lokken; den eerste
+vermoordt hij en zendt den ander met den kop des vermoorden in een zak
+naar den Koning terug; "er zitten brieven in", zegt hij, "waarvoor de
+Koning u dankbaar zal zijn". Dat is zijn afscheidsgroet. Al zit hij in
+de klem, hij verliest den moed niet. Aan 's Konings hof gekomen na al
+zijne misdaden, krijgt hij het benauwd; toch houdt hij het hoofd op, hij
+loopt als een prins bij den weg. Met de galg voor oogen spot hij nog met
+Isegrim. Zijn zelfvertrouwen begeeft hem ook nu niet, want reeds heeft
+zijn vindingrijke geest een uitweg ontdekt: als terloops laat hij iets
+van een schat verluiden; wanneer dan de hebzucht van Koning en Koningin
+gewekt is, doet hij een kunstig verzonnen verhaal over eene samenzwering
+der dieren om Bruin op Nobels troon te zetten. Dat verhaal besluit hij
+op voortreffelijke wijze met de klacht: "ende arm man Reinaert es de
+blare [Zijnoot: zondebok.] "; langs dien weg weet hij het verhaal weer
+op zich te wenden. Niets is hem heilig: hij maakt grappen bij de biecht
+en begint Latijn te koeteren; als Grimbaert hem berispt dat hij na de
+biecht onmiddellijk een aanval doet op eenige kippen, zegt hij: stoor
+mij niet in mijne vrome overpeinzingen! Onder het voorwendsel van
+Cuwaert een gebed te leeren, grijpt hij hem bij de keel. Hoe ootmoedig
+houdt hij zich tegenover den Koning; hoe nederig tegenover den beer: ik
+moet wel honing eten uit nood, een arm man is geen graaf! Maar des te
+bitterder en onbarmhartiger is zijn spot later, als hij het spel
+gewonnen ziet. Want hij kent geen genade; boven alles is hij _fel_: "de
+felle metten roden baerde", het "felle dier", "die felle creature"--zoo
+noemt de dichter hem bij voorkeur. Zijn eenige zwakke punt is de liefde
+voor zijne zoons: Reinaerdijn, wien de knevels al zoo aardig aan zijn
+muiltje staan en die een aardje naar zijn vartje zal hebben; Rosseel,
+"den schonen dief", die hij zoo lief heeft als eenig vader zijne
+kinderen.
+
+Het meest op den voorgrond staan tegenover Reinaert Isegrim en Bruin,
+naast Reinaert zijn neef Grimbaert de das, terwijl Tibert de kater zich
+later ook tegenover Reinaert plaatst.
+
+Van Isegrim wordt ons meer verhaald dan dat wij hem zien handelen of
+hooren spreken. In den aanvang van het verhaal staat hij met zijne vrouw
+Hersinde en zijne magen vr den Koning; hij is degeen die de reeks der
+klagers opent. Uit onderscheiden verhalen blijkt ons, hoe vaak Reinaert
+en hij als "gezellen" er op uit zijn geweest en hoe slecht Isegrim er
+gewoonlijk is afgekomen. Bij de voorgenomen terechtstelling van Reinaert
+is hij op dreef: hij vermaant zijne magen den schuldige stevig vast te
+houden, Hersinde moet den schelm bij zijn baard grijpen, onderwijl zal
+hij met Bruin en Tibert de galg in gereedheid brengen. In zijn triomf
+over den gehaten vijand maakt hij bittere grappen in vossetrant. Als hij
+hoort dat Reinaert zich heeft weten vrij te pleiten, snelt hij terug
+naar 's konings hof en vaart zoo uit, dat de koning boos wordt en hem
+met Bruin doet gevangen nemen. Terwijl zijne voorpooten gevild worden,
+ligt hij stil; bij Reinaerts spotternijen verkropt hij zwijgend zijne
+woede.
+
+Met blijkbaar welbehagen heeft de dichter den beer geteekend in zijn
+domme zelfgenoegzaamheid. "Maak u niet bezorgd over mij" zegt hij tot
+den Koning, die hem waarschuwt tegen Reinaerts bedriegelijken aard.
+Komisch is hij in zijn naieven lofzang op den honing, niet minder in de
+deftigheid waarmede hij een wijs spreekwoord te pas brengt; hij, de
+gulzigaard, over het "maathouden"! Dan zien wij "arm man Brune" in de
+knijp: met een bebloeden kop, zonder wangen, met slechts n oor, drijft
+hij vloekend de rivier af; hijgend van inspanning, steunend van pijn,
+ligt hij op den oever; liever dan Reinaerts bittere grappen te
+verdragen, springt hij opnieuw in het water. Welk een krachtig komische
+werking doet zijn droefheid over de vermindering van zijn uiterlijk, het
+verlies van zijne "mooie wangen". Wanneer de vos eindelijk als gedaagde
+aan het hof verschijnt, springt hij met zijne verwanten op; gretig neemt
+hij deel aan de toebereidselen tot de terechtstelling.
+
+Grimbaert de das is de eenige trouwe vriend dien Reinaert heeft, die hem
+van den aanvang af verdedigt, die hem trouw blijft, ook nadat zijn oom
+hem droevig heeft gelogenstraft. Wanneer hij ziet, dat Reinaert gevaar
+loopt door niet aan de indaging gehoor te geven, brengt hij zelf hem aan
+'s Konings hof. Is Reinaert veroordeeld, dan gaat hij met zijne magen
+heen, om zijn ooms dood niet te moeten zien. Slecht wordt hij voor zijne
+trouw beloond; om zich van de galg te redden, beticht Reinaert ook hem
+van deelname aan de samenzwering tegen den koning.
+
+Voor Reinaert pleit, althans in den aanvang, ook kater Tibert. Maar hij,
+"een arm wicht, een clene dier" heeft toch na Bruin's mislukten tocht
+weinig trek zijn vriend Reinaert te gaan halen. Onderweg is hij angstig,
+al tracht hij zich goed te houden. Voorzichtig zal hij zijn, maar zijn
+snoepzucht is hem de baas; voor de opening in pastoors schuurdeur
+aarzelt hij, maar Reinaert weet op zijn eergevoel te werken, zooals ook
+koning Nobel dat vroeger gedaan had. In beide gevallen geeft hij aan dat
+beroep op zijn eergevoel gehoor; katten zijn immers ook nu nog dieren
+"qui se respectent." Met welbehagen neemt hij later de beulsrol op zich:
+"ic ne dede nie so lieve pine." Het loopen met het zware stroptouw valt
+hem wat moeilijk, maar hij doet het met goeden wille. In groote zorg
+zien wij hem ten laatste op de galg blijven zitten, wanneer de raaf het
+bericht brengt van Reinaerts vrijspraak.
+
+Daar zijn verder de lichtgeloovige Cuwaert; de waardige Cantecleer, zoo
+fier op zijn groot geslacht en zijn wijze echtgenoot; de angstige en
+domme ram Belijn en andere dieren die geheel op den achtergrond blijven.
+Boven deze staat koning Leeuw, lichtgeloovig, lichtgeraakt, lichtgesust,
+een spotbeeld van een koning, zooals CHARLEMAGNE in zoo menigen
+ridderroman.
+
+ Dus siet men dat behendichede
+ Beter es dan sterchede.
+
+Die slotverzen van een der fabels uit _Esopet_ moeten wel den voornamen
+indruk hebben weergegeven, op de Nederlandsche gemeenten gemaakt door
+dit werk, het rechte epos der gemeentenaren. Voor hen geen ridderidealen
+noch hooge minne. Reinaert was een held naar hun hart: een sluwe
+vermetele boef, koel van hoofd, scherp van zinnen, tuk op zijn voordeel,
+die spot met het gezag en zich weet te handhaven tegen zijne meerderen;
+grappenmaker met een scherpe tong, die ook het heilige niet spaart, die
+pleizier heeft in eigen schelmstukken; wien gewetenloosheid en wreedheid
+werden vergeven, omdat hij ten slotte zijne zaak wint, en omdat hij
+bovendien immers maar een dier was.
+
+Zulk een karakter moet aantrekkelijk zijn geweest voor poorters en
+boeren, wier grove zinnelijkheid met moeite in band gehouden werd door
+het geloof en de wet, wier nuchter verstand gescherpt werd vooral door
+den lust naar voordeel en gewin; wien hartige scherts en losse grappen
+zoo smaakten al liep er wat van SINT ANNA onder; die zelf zoo
+onbarmhartig en genadeloos wreed konden te werk gaan tegen hunne
+vijanden; die hunne wassende zelfstandigheid hadden te verdedigen tegen
+de hoogere standen.
+
+Dat zij van dit dierenverhaal zulk een sterken indruk kregen, hadden zij
+te danken aan den voortreffelijken dichter, van wien wij slechts weten
+dat hij WILLEM heette, een roman van Madoc (uit den Britschen
+sagenkring) had gedicht, en van wien wij mogen vermoeden dat hij in
+Oost-Vlaanderen woonachtig was.
+
+Die dichter toonde zijn meesterschap niet alleen in de karakteristiek,
+maar ook in den bouw van zijn werk. Welk een eenheid heerscht daar!
+Reinaert's figuur beheerscht het gansche gedicht; hij vervult
+voortdurend onze gedachten; is hij niet ten tooneele, dan spreekt men
+van hem. Doch niet minder voortreffelijk is de wijze waarop WILLEM al
+deze, deels overgenomen deels zelfgekozen, stoffen heeft verwerkt en
+vereenigd. Hoe is hij _in_ zijn verhaal, dat slechts hier en daar door
+eene reflexie wordt afgebroken. Welk een pleizier heeft hij zelf in
+zijne stof; zoo b.v. wanneer hij Reinaert in schoenen van Isegrim's huid
+en met een reiszak van Bruin's vel op reis ziet gaan. Trouwens het
+gansche gedicht is geboren uit liefde, liefde tot het uitbeelden van
+menschen, dieren, de natuur.
+
+Wie zoo geestig kon vertellen, schertsen, parodieren, moet een fijn man
+zijn geweest.
+
+Van hoeveel takt getuigt het, dat hij Reinaert's overspel met de wolvin,
+in het Fransch de spil waarom alles draait, naar den achtergrond heeft
+geschoven. Hoe geestig weet hij den hoofschen spreektrant na te volgen
+in dat half omsluieren van het onkiesche, waar Reinaert zijn overspel
+aan Grimbaert biecht; want Grimbaert, nog heden een nurksche potentaat
+maar een rustig en, voor zijn doen, fatsoenlijk man, moet vooral op dat
+oogenblik door Reinaert worden ontzien.
+
+Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen roman heeft
+bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in den aanvang van zijn
+verhaal mede te deelen.
+
+Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich n hebben gevoeld met zijn
+volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den dag, waar hij het
+juffershondje Cortois Fransch doet spreken; en Grimbaert bij de biecht
+tot den Latijn brabbelenden Reinaert zeggen: "oom, praat je Fransch?
+spreek asjeblieft Dietsch, dan kan ik je verstaan".
+
+Den hoofschen dichter van _Sinte Lutgarts Leven_, WILLEM VAN AFFLIGHEM,
+smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die opgesmukte leugenverhalen
+van ezels die dansen en springen, van rammen die de mis bedienen[28].
+
+Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is zijn Reinaert
+blijven genieten en het Nederlandsche volk is gevolgd waar de Vlaming
+voorging. Eeuw in eeuw uit, in omwerkingen van velen aard, in volksboek,
+volkslied, volkssprookje kwam "'t looze Reintje" de geesten bekoren met
+zijne vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of
+scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot de kinderkamer.
+Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan deze stof opnieuw de
+hand geslagen, om haar te verwerken in den geest van het oude gedicht of
+om er zijn eigen omgeving parodieerend in af te beelden.
+
+Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft het gedicht
+_van den vos Reinaerde_ een kleinood der Dietsche letterkunde, en de
+nagenoeg onbekende WILLEM een dichter die onder de middeleeuwsche
+kunstenaars van het woord te onzent geen meerdere en te nauwernood zijns
+gelijke heeft gevonden.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] Uitgave van Dr. A. BEETS. (Groningen. WOLTERS. 1885).
+
+[2] Fragmenten van een bestiaris van minnen (oorspronkelijk of
+vertaald?) en van een gedicht getiteld "_Hier beghint Ovidius_", dat uit
+het Fransch is vertaald, uitgeg. door BORMANS in: _Bulletins de l'Acad.
+Roy. de Belgique_, T. XXVII, 488.
+
+MAERLANT'S mededeeling in _Der Naturen Bloeme_, (ed. VERWIJS), bl. 5.
+Zie voorts over de _bestiaires_: PETIT DE JULEVILLE, a.w. II, 164 suivv.
+en: _Geschichte des Physiologus_ von Dr. F. LAUCHERT. Strassburg. 1889.
+
+[3] Ik volgde hier hoofdzakelijk de voorstelling van BDIER in zijn
+bekend werk _Les Fabliaux_.
+
+[4] Vgl. het artikel van Dr. J.W. MULLER in _Taal en Letteren_, XIV,
+490.
+
+De verzen uit _Sinte Lutgart's Leven_ (II, 95-6):
+
+Daer doen si stomme beesten spreken _Daer doen si simmen speren breken_
+
+wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men opmaken,
+dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een tournooi van
+apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns wetens, niet tot ons
+gekomen.
+
+[5] T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL.
+
+[6] Aldus versta ik de verzen (vs. 19-20):
+
+Maer merket ende hoert Meer die redene dan die woert.
+
+[7] Vgl. b.v. no. 11, 1-2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg.
+
+[8] De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe.
+
+[9] Vgl. no. 3; no. 50; no. 30; no. 66. Het Latijn heeft op deze
+plaatsen niets van dien aard.
+
+[10] no. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd tusschen
+den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de dierenwereld
+(LXV).
+
+[11] De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte, onmogelijk
+van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn.
+
+Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts het
+volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille videret
+feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et tertio."
+Vgl. _Romulus_ (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung), p.
+69, III, 9.
+
+[12] Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur daarover gaf
+Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: _Die hystorie van die seven
+wijse mannen, van romen._ 1898. De Erven F. BOHN. Haarlem. Hoofdstuk I.
+
+[13] Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, _De Middelnederlandsche bewerking
+van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome._ (Utrecht. 1899).
+
+[14] I, p. 92.
+
+[15] Vgl. _Esopet_, vs. 51-2:
+
+Mi es te nacht een dief verstolen, Die mi op thoeft was bevolen
+
+met _VII. Vroeden,_ 3248-9:
+
+Ende hem van der galgen verstolen, Die hem te wachten was bevolen.
+
+Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier uitgave
+van Dr. STOETT in _Noord en Zuid_, X, 6.
+
+[16] Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg.
+
+Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "_Maer so
+een meer maelt, so hi moeder es._" (Vgl. mijn _Lied in de Midd._ over de
+molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het verbod
+van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur van Antwerpen
+van 1438-'9: "dat nyement by nachte en ga achter de straten na de
+diefclocke sonder lanteern ofte licht." (_Antw. Bibliophilen_, no. 3,
+bl. 134).
+
+[17] Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij moet
+gevoegd worden vooral: _Les Sources du Roman de Renart_ par L. SUDRE,
+(Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof. J.W. MULLER in
+_Taal en Letteren_ van 1895; de nieuwe uitgave
+
+"_van den Vos Reinaerde_" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER; de
+artikelen dezer geleerden in _Taal en Letteren_, 14e jaargang.
+
+Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN; voor
+de Fransche branches naar MARTIN'S _Roman de Renart_, ook naar een
+uitnemend artikel van VORETZSCH in _Zeitschr. fr roman. Philol._, XV en
+XVI.
+
+[18] Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en trouwens
+in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl. _Sicle des Artevelde_,
+p. 251 en _Mm. Cour. de l'Acad. Royale de Belg._, XXXII, 221.
+
+[19] Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN; Prof. J.W.
+MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in het genoemde artikel
+in _Taal en Letteren_.
+
+[20] Vgl. _Reinaert_, vs. 623-6 met _Br._, XIV, 302-6 (al is daar geen
+"gepeins" maar "dire soef"); dit "binnensmonds spreken" ook I, 2785,
+2841. _Rein._, 960-'81 met _Br._, X, 687-716; _Rein._, 1258 vlgg. met
+_Br._, I, 879-882; VI, 207-224; _Br._, I b. 2702-2722; _Rein._, 3368
+vlgg. met _Br._, I, 942-3; _Rein._, 1510 vlgg. met _Br._, I, 1050-'54 en
+XIV, 258-9, 665 vlgg.
+
+[21] Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (_Karel de Groote en
+zijne XII. Pairs_), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244.
+
+[22] De bedoelde plaatsen in den _Reinaert_ zijn: vs. 62: "Isingrijn
+ende sine maghe"; 1024: "te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084-5;
+voorts: vs. 1666: "ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic
+eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: "so arem no van so cranken maghen";
+vs. 1850: "Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884-5: "Orlof nam
+Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen"; 1899-1900: "al es
+Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden maech"; 2191: "som van
+minen liefsten maghen || die ic node soude bedraghen" (ook vs. 2228,
+2913); vs. 2463: "ser Isingrijns maghe"; 2720: "doe haddics rauwe als
+een sijn maech"; 3398-9: "hi was een deel des coninx maech || hi mocht
+wel doen"; vs. 3449: "alle sheren Belijns maghe"; 3456-7: "Reinaerde...
+ende allen sinen maghen".
+
+[23] Vgl. _Rein._, 11-17, 32-7 met _Flor. en Blanc._, 1-13, 65-75;
+_Rein._, 1-9 met _Wal._, 1-6; _Rein._, 1-2 met _Wal._, 23-24.
+
+[24] Vgl. FRANK'S uitgave van den _Alexander_, Inl. XVII-XVIII. F.
+gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft. Mij
+komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien: bij
+de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensie van F.'s
+werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.: _Alex._, VIII, 315 te verg.
+met _Rein._, 1589.
+
+VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard geacht,
+dat de rijmen dier verzen: _oghen_ || _ghedoghen_ in datzelfde boek nog
+tweemaal voorkomen: VIII, 251-2, 751-2.
+
+Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit den _Alexander_,
+welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor zijn
+blijven hangen, dan dat MAERLANT het ne verspaar uit den _Reinaert_
+zou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt hebben.
+
+Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van
+WILLEM'S proloog en dat der _Enfances Ogier_ van ADENEZ LE ROI: Li roi
+ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal ber, soit
+corrompue, pour ce i veut penser etc.
+
+[25] Vgl. o.a. _Rein._ 83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713,
+1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980, 2993,
+3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen.
+
+[26] 1159-1160.
+
+[27] Vgl. _Br._, I, 271, 342; 134: "Hersent rogist, si ot vergoine";
+967: "au col li met andous les braz"; 1447-'59: "Renart mist l'anel en
+son doi"; 1617: "baignier... ventuser... sener"; 344; 577 ("onques n'i
+ot resne tenue"); 580: "Iloc s'arestent li destrer"; 705: "tant a al
+esporonant"; 744: "tant a sa mule esporonee" en voorts 1146, 1190,
+1461-2. Het kasteel: vs. 953, 961, 1120; _Br._, I a.; het Grieksch vuur
+I, 282.
+
+[28] T.a.p. II, 89 vlgg.
+
+
+
+VROEGSTE LYRIEK.
+
+ Hoofsche lyriek. Geestelijke lyriek. Het volkslied.
+
+VELDEKE'S minneliederen--wij zagen het in een vroeger
+hoofdstuk--vertoonen den invloed der Oudfransche lyriek; in hun
+Middelhoogduitsch gewaad staan zij volkomen op hunne plaats tusschen de
+werken der Minnesinger, omdat immers ook de Duitsche lyriek van minne
+zich had ontwikkeld onder den invloed der Fransche. Of HADEWYCH Fransch
+en de Fransche lyriek heeft gekend, weten wij niet; woorden als _zeelde_
+en _merkaren_ in hare pozie wijzen eer naar de lyriek der Minnesinger;
+doch dat zij de wereldlijke minnepozie moet gekend hebben, kan
+nauwlijks betwijfeld worden[1].
+
+Het is geen toeval dat VELDEKE en waarschijnlijk ook HADEWYCH tot den
+adel behoorden; de erotische lyriek immers, waarop wij het oog hebben,
+was _hoofsche_ lyriek, werd vooral door den adel voor den adel gemaakt;
+tot den adel behoorden zoowel de Zuidfransche troubadours als de
+Hoogduitsche Minnesinger. Een aantal Zuidnederlandsche edelen uit
+Brabant, Vlaanderen, het Doorniksche, Artois volgden hun voorbeeld;
+onder hen HENDRIK III, hertog van Brabant ( 1260). De Fransche
+minnepozie dezer Zuidnederlandsche dichters draagt in hoofdzaak
+hetzelfde karakter als de overige "lyrique courtoise", die wij reeds in
+VELDEKE'S werk leerden kennen; wij vinden hier dezelfde opvatting en
+voorstelling der liefde, de geveinsde wanhoop, dezelfde klachten,
+hetzelfde smachten, talrijke jeux-parti's (tenzonen) waarin twee
+tegenovergestelde meeningen door een paar vrienden verdedigd worden,
+vele pastourellen; niet zelden vangt een lied aan met een klein
+natuurschetsje, vele dezer stukjes vertoonen een refrein. Zoo klaagt
+QUENES DE BETHUNE die blijkbaar ter kruisvaart gereed staat:
+
+ A, amors, com dure departie,
+ Me covient faire perdre la millor
+ Ki onkes fust ame ne servie;
+ Deus me ramainst li, par sa douor,
+ Si voirement com j'en part dolor!
+ Deus, c'ai je dit! J ne m'en part je mie:
+ Se li cors vait servir Nostre Signor,
+ Tous li miens cuers remaint en sa baillie.
+
+
+GUILLAUME DE BETHUNE begint een lied aldus:
+
+ Kant li boscage retentist
+ Dou chant des oisillons en mai
+ Et la rose el vergier florist,
+ En icel tens joious et gai,
+ Lors chanterai de cuer verai,
+ Car quant li maus d'amer me prist,
+ El plus haut lieu del mont me mist.
+
+Verderop in dat lied lezen wij:
+
+
+ Douce Dame, quant je vos vi
+ A celle fois premirement,
+ Ne cuidai pas il fust issi
+ De tout en tout vo talent;
+ Por vos languis esciant,
+ Et quant n'i puis merci trover,
+ Bien veul morir por bien amer[2].
+
+
+Heeft er geen Dietsche minnepozie van dezen aard bestaan? Men moet het
+wel gaan vermoeden, indien men ziet, dat er meermalen gewag van wordt
+gemaakt. In den proloog der _Disticha Catonis_ lezen wij:
+
+ Dieghene die in haren sinne
+ Draghen waerlike [Zijnoot: wereldsche.] minne,
+ Si maker of riim ende liet.
+
+Dat deze dichter het oog heeft op wereldsche, zinnelijke liefde, blijkt
+wel uit hetgeen hij laat volgen:
+
+ Der minne so ne draghic niet[3]
+
+ook uit zijne uitdrukking "ter minnen dienste staen" die immers ontleend
+is aan de hoofsche lyriek.
+
+Ook WILLEM VAN AFFLIGHEM klaagt over hen
+
+ Die loes baraet [Zijnoot: sluw bedrog.] ende arge treken
+ Bedekken metter minnen name
+
+over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige rijmen[4].
+
+Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld die waar
+MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepozie waarschuwt en haar tevens
+kenschetst. In zijn _Wapene Martijn_ zegt hij tot zijn vriend:
+
+ Martijn, ic ben wel berecht:
+ Het seghet al, heren ende knecht [Zijnoot: schildknaap.],
+ Vrouwen ende joncfrouwen,
+ In sanghe ende in rime slecht,
+ Dat si met minnen sijn verplecht [Zijnoot: verstrikt.],
+ Ende men cans niet bescouwen.
+ Mi dinke dat al die werelt vecht
+ Jeghen der reenre minnen lecht
+ Ende volghen ontrouwen.
+ Menich seghet nu ende echt [Zijnoot: daarna.]:
+ "Mijn sin is ane u ghehecht
+ So sere, ic wane bedouwen" [Zijnoot: wegkwijnen.];
+ Achtre maken si de mouwen [Zijnoot: steken zij er den draak mede.] [5].
+
+MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters en lezers
+van minnepozie. Dat echter ook geestelijken zulke minnepozie maakten,
+blijkt ons uit den _Spieghel Historiael_. In zijn voorbeeld, VINCENTIUS'
+_Speculum_, worden de wereldsche geestelijken dier dagen berispt, wier
+gefriseerde lokken en geparfumeerde kleederen eene andere dan "heilige
+minne" verraden en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden:
+"dulces literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT:
+
+ noch laten gaen
+ Salute, subtijleke ghedicht
+ Ende met sconen rimen verlicht[6].
+
+Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde plaatsen
+gedoeld wordt op Fransche minnepozie, doch het kan niet waarschijnlijk
+worden geacht. Zoowel de dichter der _Disticha Catonis_ als MAERLANT
+richtten zich immers niet in de eerste plaats tot edelen; onder de
+gemeenten was kennis van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid,
+en het is de vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het
+Fransch zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden
+maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden, dat er
+omstreeks het midden der 13de eeuw vrij wat Dietsche minnelyriek moet
+zijn geweest. Doch in ieder geval is er maar zeer weinig van
+overgebleven.
+
+Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde
+"clerken" zijner dagen die minnepozie dichtten, herinnerde hij zich
+misschien niet dan met berouw, dat hij, ook een "clerc", indertijd den
+roman _van Troje_ had vertaald waarin de minne zooveel plaats beslaat.
+Zou hij zelf nooit een minneliedje hebben gedicht ter eere van de
+onbekende jonkvrouw voor wie hij zijn _Alexander_ heeft bewerkt? Het is
+licht mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de
+vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht voor
+een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet:
+
+ Nye en droech vrouwe
+ Ghestadighen rouwe,
+ Noch nummer en doet;
+ Haer ketsen [Zijnoot: zich inspannen.], haer jaghen,
+ Haer mynne draghen
+ Is saen te voet[7].
+
+Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN BRABANT worden
+toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche lyriek dier tijden is
+overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle, aan Hertog JAN
+toegeschrevene, minneliederen die ons slechts in Hoogduitsche
+overzetting bewaard bleven, inderdaad door hem gedicht. Een vijftal dat
+zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch laat terugbrengen, zullen
+wij aan hem mogen toekennen; de overige zijn misschien door hem in het
+Middelhoogduitsch gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld[8].
+
+In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar zij zijn
+bevallig en welluidend. Zoo b.v.:
+
+ Eens meienmorgens vroe
+ Was ic opgestaen;
+ In een scoen boemgaerdekijn
+ Soudic spelen gaen.
+ Daer vant ic drie joncfrouwen staen;
+ D'ene sanc voren, d'ander sanc na:
+ Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.
+
+ Doe ic versach dat scone cruut
+ In den boemgaerdekijn,
+ Ende ic verhoerde dat soete geluut
+ Van den mageden fijn,
+ Doe verblide dat herte mijn,
+ Dat ic moeste singen na:
+ Harba lori fa, enz.
+
+ Doe groette ic die allerscoenste,
+ Die daer onder stont;
+ Ic liet mine arme al omme gaen;
+ Doe ter selver stont
+ Ic woude se cussen an haren mont;
+ Si sprac: "laet staen, laet staen, laet staen!"
+ Harba lori fa, enz.
+
+Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men ook in de
+overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men, gelijk elders zoo
+vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur. Overigens vinden wij hier
+de gewone klachten, verzuchtingen en betuigingen.
+
+Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan, is ons
+overvloedig gebleken uit de pozie van HADEWYCH.
+
+Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest die van
+"minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens en behoeften des
+harten geuit in liederen of andere lyrische vormen. Dat men in dezen
+tijd geestelijke liederen heeft gekend, weten wij uit het _Leven van
+Sinte Lutgart_. In een visioen ziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA
+en CATHERINA naderen, achter haar eene schare groote schoone maagden, in
+witte stolen gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen
+zingen zij "enen leec van minnen"[9]. Uit dit zeldzaam,
+slechts hier voorkomend, woord _leec_ blijkt in allen gevalle dat ook
+WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe bepaalt
+zich onze wetenschap in dezen.
+
+Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons slechts in
+latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen. Zoo b.v.
+het lied:
+
+ Nu zijt wellecome, Heere Christ,
+ Want ghy onser alder Heere bist
+ enz.
+
+dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds vr het
+jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid is hier niets te
+zeggen[10].
+
+Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere korte
+lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het gansche volk
+of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds op zich zelf moet dat in
+dezen tijd waarschijnlijk worden geacht; doch ook hier zijn ons meer
+aanwijzingen dan teksten van liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen
+kunnen de bewoners dezer landen sterker hebben ontroerd dan de
+kruistochten? Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat
+eene herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet
+geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken[11].
+
+Liederen, vr of in den strijd aangeheven--men zou ze in navolging van
+onze oostelijke buren: _wijchliederen_ kunnen noemen--waren bij de
+Germanen vanouds bekend[12]. Een dezer liederen is, hoe zeer dan ook
+verminkt, door een Engelsch kroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS
+PARISIENSIS vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst
+van ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173, vr den
+strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij zongen:
+
+ Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin,
+ Engelond is min ant tin [13].
+
+Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen zijn, het feit:
+dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk heeten en niet minder:
+dat wij hier het van ouds bestaand verband tusschen zang en dans nog
+vermeld vinden; dat verband is misschien nog zichtbaar in het herhaalde
+_hoppe_[13].
+
+Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel vroeger eeuw de
+Friesche zanger BERNLEF er zong, werden ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar
+nog altijd tot liederen verwerkt.
+
+In zijn roman _van Alexander_ zegt hij:
+
+ Alse die liede seghe
+ ghewinnen, Spreectmen verre van haren daden Ende singht er af in
+ meneghen staden.
+
+Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de Latijnsche
+woorden: "toto radiaret in orbe" door:
+
+ Men soude van siere doghet
+ singhen Al van daer die sonne up staet,
+ Tote daer soe weder neder gaet.
+
+Ook de typische uitdrukking _een nieuw lied_ waarmede de liedjesdichters
+en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid van het publiek hebben
+geprikkeld, is aan MAERLANT reeds bekend, zooals blijkt uit het vers
+waarin hij van ALEXANDER zegt:
+
+ Van joien sanc hi nuwen sanc[14].
+
+Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen de
+Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne bondgenooten anderzijds,
+waren er blijkbaar spotdichten gemaakt, waarin JAN VAN BRABANT en de
+zijnen vergeleken werden bij een haan met zijne hennen, hunne
+tegenstanders bij valken en blauwvoeten[15].
+
+Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien reeds in de
+12de eeuw in een lied werden bezongen, blijkt ons uit eene mededeeling
+van den kroniekschrijver LAMBERT VAN WATERLOOS. Niet lang vr 1108 werd
+in de buurt van Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders
+sneuvelden; een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden
+door liedjeszangers gezongen[16]. Deze liedjeszangers waren met de
+pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders en
+verbreiders, misschien ten deele ook de dichters van zoovele liederen
+die toentertijd bestaan moeten hebben, doch, naar het schijnt, voorgoed
+verdwenen zijn.
+
+Omstreeks het midden der 13de eeuw moet er een aantal vroolijke, dartele
+of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met het oog op den volksaard
+zouden wij dat wel reeds mogen vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt
+ons verschaft door den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPR in zijn
+_Liber Apum_ ("der Bin Boeck") dat tusschen 1258-1261 geschreven is. In
+menig verhaal, door den schrijver tot stichting of waarschuwing verteld,
+vinden wij eene kostbare bijdrage tot onze betere kennis van het leven
+onzer voorouders.
+
+Zoo lezen wij b.v.: "Inder sceydinghe des landes van Vlanderen ende
+Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes ende inden dorpe was
+karcwijdinghe, ende daer waren vele menschen verghadert te spelen, onder
+wien dat was een piper als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS,
+die een gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande.
+De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen
+ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen. Daer nae doe
+die hemel des avondes verdonckert was ende alleman te huys ghinck, was
+alleen de piper noch niet ghesadet van den spele ende ghinc over den
+weghe singhende mitten pipen". Een onweer komt op en twee
+herdersjongens, die den pijper vergezellen, zien dat hij, door den
+bliksem getroffen, ineenzinkt. "Mercke hier", besluit de schrijver, "dat
+alle die gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit
+schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher
+wraeken"[17].
+
+Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig man, Heer
+GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: "hy hadde eenen knechte,
+ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet, die geset was des nachtes
+te waken. Dese selve voerghenoemde knecht was seer ydel in allen
+doechden ende was oeck mede des selve ghelijkes seer oncuus ende hi
+plach te pipen ende te singhen ende vergaderde vele maechden ende
+jonghelinghen. Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende
+dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke dat
+die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden oghen voer den piper
+huppelde ende spranc, ende tot menigherhande maniren zijnre beweghinghe
+hem menichsins verblidede. Doe dat die here den knecht gheseyt hadde
+ende hi niet aflaten en wolde vanden verdoemelijcken spele ende
+alremeest van den oncuuschen lieden daer hi die magheden mede
+verweckede, gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig
+tijds later wordt ook deze knecht "van gode gheslaghen"[18].
+
+"Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPR op eene andere plaats
+van zijn boek, "dat door ontuchtige minneliederen de harten ook van
+kloosterlingen en oprechte geloovigen dikwijls verontrust worden?"[19].
+
+Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke
+Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den jare
+1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde, zou ten
+aanhoore van het volk gezegd hebben: "dat vermaarde lied van _Martijn_
+heb ik met een mijner gezellen vervaardigd en in verscheidene deelen van
+Frankrijk en Duitschland verbreid." De schrijver voegt er aan toe: "dit
+nu was een zeer schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"[20].
+
+Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser met zijne brandende
+oogen, die voor den pijper uit danste, men zal kwalijk geloof kunnen
+weigeren aan het getuigenis van CANTIMPR dat er toentertijd vrij wat
+dartele of ontuchtige minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die
+liederen meest 's avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen;
+opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid door muziek
+en dans, waarmede het vanouds verbonden is geweest.
+
+Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven. Zij zijn
+verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen heeft op zomeravonden
+bij den reidans onder het spel van den pijper. De zangers konden ze niet
+opschrijven al wilden zij; wie schrijven konden, zullen het niet der
+moeite waard hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der
+burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken die nuttige
+kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en gemoed bevorderden.
+Die kennis en ontwikkeling werd hun rijkelijk verschaft door den man die
+meer dan eenig ander zijner tijdgenooten in zijne werken eene
+samenvatting en een beeld geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] Over den vermoedelijken invloed van VELDEKE'S pozie op de hare vgl.
+MARTIN JRIS, _Untersuchungen_ enz., bl. 81 vlgg.
+
+[2] Vgl. hetgeen ik hierover vroeger heb geschreven in mijn _Lied in de
+Middeleeuwen_, bl. 252 vlgg.
+
+De aangehaalde verzen zijn te vinden in: _Trouvres Belges du XIIe au
+XIVe sicle...._ par A. SCHELER, p. 2, 35, 36.
+
+[3] _Der_ moet hier opgevat worden, gelijk niet zelden op andere
+plaatsen, als aanwijzend voornaamwoord; vgl. ook den variant: _Diere
+minne ne garic niet_.
+
+[4] T.a.p. II, 63 vlgg.
+
+[5] _Strophische Gedichten_ (edd. FRANK en VERDAM), I, str. 35.
+
+Ik vestigde indertijd de aandacht op deze plaats in _Het Lied in de
+Middeleeuwen_; vgl. ald. bl. 253.
+
+[6] A.w. II, bl. 82, vs. 40-42.
+
+[7] Vgl. _Historie van Troyen_ (ed. DE PAUW en GAILLIARD) vs. 16055. Het
+Fransche vers (13421) luidt: "One nule ne pot doel aveir."
+
+Eene lyrische ontboezeming ook in vs. 6666-6677 over den dood van
+HECTOR, waar men in het origineel (vs. 16179-'81) slechts een drietal
+verzen vindt.
+
+[8] Het vraagstuk van Hertog JAN'S liederen is grondig behandeld door H.
+BOERMA in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV, 220 vlgg. Onder de daar
+genoemde literatuur is vergeten hetgeen door VERDAM was opgemerkt in
+hetzelfde Tijdschrift IX, 274.
+
+[9] A.w. II, 2673-'4. In het Latijn is hiervan niets te vinden; vgl. _A.
+Sanct._ Junii III, p. 245, 9.
+
+[10] Vgl. _Kerstliederen en Leisen_ door J.G.R. ACQUOY, Amsterdam, JOH.
+MLLER, 1887, bl. 20; BUMKER, _Niederl. geistl. lieder_ in:
+_Vierteljahrsschrift fr Musikw._, 1888, bl. 157.
+
+[11] In R. HENNING'S _Nibelungen-Studin_ (_Quell. u. Forsch._, 31, p.
+21) lees ik: ALBERT VON AACHEN schpfte im Anfang des zwlften
+Jahrhunderts seine Erzhlung ber den ersten Kreuzzug aus flandrischen
+und nordfranzsischen Liedern." Het is mij niet mogen gelukken in het
+_Chronicon Hierosolymitanum_ de plaatsen te vinden, welke die bewering
+zouden kunnen staven.
+
+[12] Vgl. HOFFM. VON FALLERSLEBEN'S _Gesch. des deutschen
+Kirchenliedes_, p. 44-5.
+
+[13] Vgl. _Onze historische Volksliederen_ door PAUL FRDRICQ, bl. 8 en
+_Middelnederlandsche Historieliederen_ door Dr. C.C. v.d. GRAFT, bl. 43.
+
+[14] Vgl. _Alexander_ (ed. FRANCK), IV, 1450; V, 1226; III, 1338 en de
+aanteekening op p. 435. Eene vergelijking met het Latijn toont dat deze
+verzen van MAERLANT zijn. (Het "singhen ende lesen" in X, 1254 b.v. is
+van GAUTIER DE CHATILLON).
+
+[15] Vgl. _Rymkronyk van Jan van Heeln_ (ed. WILLEMS), p. 343, DXX vlgg.
+JAN VAN HEELU zelf zinspeelt op die gedichten in vs. 5184 vlgg.
+
+[16] PAUL FRDRICQ in a.w. bl. 8.
+
+[17] Ik geef hier de Dietsche vertaling uit den druk van PETER VAN OS,
+Swolle 1488 weer. Dit verhaal vindt men fo 169 vo.
+
+[18] T.a.p. fo 140.
+
+[19] _Liber Apum_ c. XLVIII: "obscenis et venereis cantibus corda etiam
+religiosorum ac bonorum fidelium multotiens permoveri".
+
+[20] A.w.c. XLVIII: "Cantum hunc celebrem de Martino ego cum collega meo
+composui et per diversas partes gallie, theutonie promulgavi. Erat autem
+turpissimus et plenus luxuriosis plausibus cantus ille."
+
+Ik vond deze plaats niet in den door mij gebruikten druk der Dietsche
+vertaling.
+
+Het, mij en anderen onduidelijk, "plenus luxuriosis plausibus" heb ik
+gemeend op bovenstaande wijze te mogen vertalen.
+
+
+
+JACOB VAN MAERLANT.
+
+ Inleiding. Ridderpozie. Omkeer. Geestelijke pozie. Pozie der
+ Gemeenten. Der Kerken Claghe. Van den Lande van Overzee. Besluit.
+
+In MAERLANT'S persoon en werk vinden wij de drie standen en hunne pozie
+vereenigd.
+
+Hij staat in betrekking tot den adel en dicht ridderromans; hij behoort
+tot de lagere geestelijkheid en schrijft geestelijke pozie; hij zegt
+den adel en vooral den geestelijken de waarheid en tracht door zijne
+latere werken aan de gemeentenaren die kennis en ontwikkeling te
+verschaffen die zij begeerden en noodig hadden.
+
+Van zijn uiterlijk leven, vooral van zijn leven in verband met zijne
+werken, is ons weinig bekend. Hij was een Vlaming, in de eerste helft
+der 13de eeuw, vermoedelijk in de buurt van Brugge, geboren; misschien
+woonachtig te Damme. Later in zijn leven vinden wij hem als koster te
+Oost-Voorne en in betrekking tot de machtige edelen: Heer NICOLAAS VAN
+CATS, wien hij zijn _Naturen Bloeme_ ten geschenke gaf, en ALBRECHT,
+Heer van Voorne, burggraaf van Zeeland en vertrouwd raadsman van FLORIS
+V; aan dezen ALBRECHT van Voorne droeg hij zijn roman _van Merlijn_ op.
+
+Ten deele misschien nog in Vlaanderen, ten deele op Voorne, schreef hij
+zijne eerste werken: den roman _van Alexander_ (1257-1260), _van
+Merlijn_ (c. 1261), _van Torec_ (c. 1262) en _van Troyen_ (c. 1264)[1];
+waarschijnlijk nog op Voorne de tweespraak die naar de aanvangswoorden
+_Wapene Martijn_ (c. 1266) genoemd wordt. Van Voorne verhuisde hij naar
+Damme, waar hij, volgens de overlevering, "scepenclerc"
+(gemeentesecretaris) zou zijn geweest. Die verhuizing heeft misschien
+omstreeks 1266 plaats gehad.
+
+Na dien tijd schreef hij, behalve een aantal strophische gedichten, nog
+eenige groote werken: _der Naturen Bloeme_ (1266-1269); _Rijmbijbel_
+(vr 1271); _Sinte Franciscus Leven_ (c. 1271-1272?) en daarvr het
+_Leven van Sinte Clara Spieghel Historiael_ (1282 of 1283 tot 1289 of
+1290[2]).
+
+In dat laatste werk is hij blijven steken; de dood heeft hem belet het
+te voltooien. Aan het slot van het 3de boek der 4de Partie van dat
+groote werk gekomen, schreef hij:
+
+ Ende verstaet dat Jacob moet
+ Van Maerlant rusten terre stede
+ Van der vierder paertyen mede,
+ Ende beiden tote dats hem God jan [Zijnoot: vergunt.],
+ Dat hire weder coemet an,
+ Omme te dichtene in redene claer
+ Die dinghe diere volghen naer.
+
+In die verzen meenen wij het doodsklokje te hooren luiden.
+
+
+RIDDERPOEZIE.
+
+Wie MAERLANT door latere dichters "vader der Dietsche dichteren algader"
+hoort noemen, zou kunnen vergeten dat ook deze vader eens jong geweest
+is en de minne heeft gekend, al was hij nog zoo degelijk. De zoete
+heugenis dier minne overvalt hem later midden in de geleerdheid van _der
+Naturen Bloeme_. Wanneer broeder THOMAS VAN CANTIMPR aan eene
+beschrijving van den kalander-leeuwerik eene uitweiding over de vreugde
+der contemplatie vastknoopt, gaat MAERLANT in zijn vertaling een anderen
+weg. Dezen leeuwerik, die heerlijker zingt dan eenige andere, wien in
+eene kooi de gevangenschap weelde schijnt, vergelijkt hij bij
+
+ Hem die met minnen es bevaen,
+ _Dat een zwaer karker es ende soete_.
+ Cume [Zijnoot: nauwlijks.] hevet hi enighe moete [Zijnoot: tijd.]
+ Om yet te pensen dan omme sanc,
+ Ende om feeste ende om spel ghemanc [Zijnoot: samen.],
+ _Der minnen karker geeft hi prijs [Zijnoot: lof.],
+ Want et dinct hem een paradijs_[3].
+
+In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen hij de hand
+sloeg aan eene bewerking van den roman van ALEXANDER, ter wille van eene
+schoone die hem gevangen hield en peinzen deed[4]. Behalve den
+_Alexander_ bewerkte hij in deze eerste jaren nog drie andere romans.
+Het is begrijpelijk dat twee daarvan: _Merlijn_ en _Torec_ behooren tot
+die Keltische romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een
+lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman in MAERLANT'S
+omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk ook, dat de twee
+overige: _Alexander_ en _Troyen_ behooren tot die klassieke romans die
+naar den geest zoo verwant waren met de Keltische.
+
+De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere beschouwing,
+voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT niet. Hij noemt in zijn
+proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig met en overtreffende die van
+zoovele andere helden: de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen
+niet halen, de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de
+oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne Hunnen kunnen
+hiermede niet vergeleken worden. Voor MAERLANT zijn blijkbaar alle
+gedichten die deze en dergelijke stoffen behandelen, gelijksoortig als
+schilderingen van het verleden.
+
+Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen over
+ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring in het zoo even
+gezegde. Maar ook de groote roem van het door hem verdietschte werk moet
+daartoe hebben bijgedragen. De _Alexandres_ waarmede de scholaster
+GAUTIER DE CHATILLON andere onhistorische gedichten over ALEXANDER
+hoopte te verdringen, maakte grooten opgang; z zelfs dat de
+Universiteit van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke
+boeken opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een van
+deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen. MENKO, abt
+van Wittewierum in den aanvang der 13de eeuw, noemt in de kroniek van
+zijn klooster de _Alexandres_ in n adem met de _Aenes_; een zijner
+tijdgenooten, de Christelijke Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit
+werk zoozeer in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat
+liggen[5]. Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen
+was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken. Geest en
+gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden wijd open als de bloemkelk
+gereed om zonnestralen en dauw en regen op te vangen. Deze menschen
+luisterden naar verhalen uit den voortijd als kinderen naar een
+sprookje; hun frissche belangstelling, nog niet neergebogen onder den
+last eener eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt,
+zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden.
+
+Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig Oosten
+introk en den machtigen Perzischen heerscher durfde aantasten, moest wel
+indruk maken op de verbeelding van middeleeuwsche menschen. Wanneer
+MAERLANT de toebereidselen tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij
+zich dan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven[6]. En wat
+al wonderen verhaalden de auteurs van de _Alexandres_ en dergelijke
+werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden en zilveren bergen zijn;
+gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij het Paradijs dat er uitziet als een
+schitterende burg; hij ziet menschen zonder hoofd, arenden die van
+achteren leeuwen zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de
+verbeelding in werking te brengen behaagde de _Alexandres_; in de
+schets eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping
+en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en klerken gericht
+wegens hunne simonie, tot de groote heeren wegens hunne hebzucht, was
+veel wat den jongen MAERLANT belangwekkend en aantrekkelijk moest
+voorkomen. Het verwondert ons dan ook niet van hemzelven te vernemen,
+dat hij dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet
+zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een half jaar
+heeft verdietscht[7].
+
+Gelijk zoo menig dichter vr hem, geeft ook MAERLANT in dit gedicht eer
+eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft korte samenvattingen, ten
+einde grooter duidelijkheid of beter samenhang te verkrijgen; lascht
+gepaste vergelijkingen of spreekwoorden in of voegt scherper trekken toe
+aan de teekening van zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van
+alle aardsche grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den
+bombastischen, bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk
+niet willen noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde
+Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een enkelen keer
+door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op sommige plaatsen bekort
+hij zijn voorbeeld en breidt dan niet zelden uit hetgeen onmiddellijk
+volgt, als om eene vergoeding te geven[8].
+
+Een der meest karakteristieke uitbreidingen is zeker die
+
+waarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft; in de
+teekening van "meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt hij zooveel Vlaamsche
+werkelijkheid, dat men hier en daar wanen zou verplaatst te zijn naar
+een Vlaamsche stad die feest viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig
+jonkman zijn geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid
+even vroolijk te maken over de dwaze "warmoesdeernen" die zich hoofsche
+namen hebben aangeschaft en beweren "vrouwe YMME" en "vrouwe MARGRIETE"
+te heeten[9].
+
+Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de hoofsche
+vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans der minne blonk. Wanneer
+"meester WOUTER VAN CASTELLIOEN" de schoonheid eener Scythische koningin
+heeft geprezen, neemt MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde
+schoonheden uit vroeger tijden op te sommen[10]. Hij heeft ze voor het
+kiezen: behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee van
+hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die andere YSOUDE "met
+de blanke handen" en MELIOR VAN CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en
+eene van WALEWEIN'S vele minnaressen en LANCELOT'S "amie" en DEJANIRA,
+DIDO, BRISES en ABSALON'S zuster THAMAR... waarlijk, men behoeft niet
+te vragen met welke lectuur deze in der minnen kerker gevangene zich tot
+nog toe bij voorkeur den tijd had verdreven.
+
+Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook de _Historie van Troyen_.
+
+Een geruimen tijd vr MAERLANT, waarschijnlijk in den aanvang der 13de
+eeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam: DIEREGOTGAF, een paar
+gedeelten van den Franschen _Roman de Troie_ vertaald of bewerkt[11]. In
+het eene stuk, _tprieel van Troyen_ genaamd, is de liefde hoofdzaak; wij
+zijn daar in het gezelschap van een aantal jongere ridders, met de
+koninginnen van hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend
+in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons in den
+oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot tournooi met scherpe
+wapenen; de dames zitten er dan ook naar te kijken.
+
+MAERLANT heeft den ganschen _roman de Troie_ van BENOT DE ST. MORE
+vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen, waarschijnlijk echter
+na het z te hebben gewijzigd dat het met zijn eigen werk strookte[12].
+
+De _Roman van Troyen_ is vol liefdelyriek. Het is dan ook begrijpelijk,
+dat op ne plaats dat lyrisch element ook den uiterlijken vorm der
+lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt met een minneliedje. Ook
+elders vinden wij dat lyrisch karakter: een drietal verzen van BENOT
+over den dood van HECTOR wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene
+elegische ontboezeming, wel niet in coupletten, maar toch in eenige op
+gelijke wijze aanvangende perioden afgedeeld[13].
+
+Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk heeten; op
+menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de bewerker vervuld was van
+zijn onderwerp, van die ridderwereld en die liefdesgevallen. Waar hij
+b.v. MEDEA'S hartstocht in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene
+fraaie navolging van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking
+heeft hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog in
+het verhaal te brengen[14].
+
+Tusschen den roman _van Alexander_ en dien _van Troye_ bewerkte hij een
+paar romans uit den Britschen sagenkring. De _Historie van den Grale_ en
+_Merlijns Boeck_ vormen de beide deelen van het eene werk, dat eene
+vertaling bevat van een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON.
+
+In de _Historie van den Grale_ worden ons in hoofdzaak de lotgevallen
+van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij van PILATUS een "nap" of
+"scotele" had ontvangen, "daer Jezus die eerste misse in sanc"; hoe hij
+na de inneming van Jeruzalem door de Romeinen met een groote schare naar
+verre landen trok en hoe "die scotele die men heet den Grael" het
+vermogen bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de
+goeden de "gracie" te doen gewinnen. Later wordt de "heilige Grael",
+"dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede van JOZEF'S zwager
+BROEN, die "de rike visscher" geheeten wordt omdat hij een visch moet
+vangen die naast den Graal op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet
+worden gelegd. BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier
+afdeelingen van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten
+verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen wij
+verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling een eind en wendt
+zich tot de geschiedenis van MERLIJN.
+
+Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over het recht
+op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN, advocaat der
+duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen[15]. Natuurlijk
+verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken, doen zij door een
+hunner bij eene onschuldige maagd een kind verwekken dat tot Antichrist
+bestemd is. Hun opzet mislukt, doordat dit kind, MERLIJN, zijne
+bovennatuurlijke wijsheid slechts tot heil der menschheid wil aanwenden.
+MERLIJN komt later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens
+broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische
+indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking tot YGERNE,
+"des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van die overspelige liefde
+is ARTUR, die koning van Logres wordt maar jaren lang strijd moet voeren
+tegen de weerbarstige baronnen in zijn land.
+
+Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door LODEWIJK VAN
+VELTHEM zal worden voortgezet[16].
+
+Noch in de _Historie van den Grale_, noch in _Merlijns boeck_ vind ik
+plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler doen kennen. Wel
+mag men vermoeden, dat de beschrijving der hoofsch-hartstochtelijke
+liefde van koning UTER voor de schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal
+zijn gevallen[17]. Had hij geen behagen geschept in zulke
+liefdesgeschiedenissen, dan zou hij zeker den roman _van Torec_ niet
+hebben bewerkt. Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in de
+_Lancelot-compilatie_ is opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene
+verwerking derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans,
+met name in den _Lancelot_, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een schoone
+maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan verlaten; een dozijn
+ridders, achtereenvolgens uit een kasteel komend, die door den held van
+het verhaal overwonnen moeten worden; het "josteeren" tegen de gezellen
+van de Tafelronde; bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen.
+
+Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik heeft gemaakt
+van Fransche romans, mag men reeds opmaken uit een vrouwenaam als
+"TRISTOUSE" dien hij vertaalt door: "met rouwe gedragen" (er is daar
+sprake van een kind); uit riddernamen als "VAN DER BASSE RIVIERE" en "DE
+ORGELIOUS"; de hier voorkomende "camere van wijsheden" herinnert ons aan
+"la Chambre de Beaut" in den _Roman de Troie_[18]. De eenmaal
+voorkomende uitdrukking "also als ic 't int romans hore" kan wel grond
+geven tot de onderstelling dat MAERLANT zich bij die plaats van zijn
+werk een Fransch voorbeeld herinnerde; doch op grond van dat vers alleen
+aan te nemen dat de _Torec_ vertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog
+op het feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd wordt.
+Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt, de roman van
+MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan men er toch niet in
+aanwijzen.
+
+Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook in dezen
+roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als:
+
+ Dat hare doe een splinter stac
+ Van reinre minnen in haer herte
+
+in eene lyrische ontboezeming over de minne, "die alle hovescheit
+wiset"; in het "saluut van minnen" dat TOREC aan de blanke MIRAUDE
+zendt[19].
+
+
+OMKEER.
+
+In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens behalve liefde voor
+vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt doch behoeft nadere
+verklaring.
+
+Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag men
+betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap tot de zijne had
+gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken koning PORUS hebben gezegd,
+dat hij "bloedde als een rund" of uit den roman _van Troyen_ juist
+beschrijvingen van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag
+hebben weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANT _historie_.
+In zijn _Alexander_ verklaart hij met nadruk dat hij "die waerheit, meer
+no min" in het Dietsch wil uiteenzetten; n in dien roman n in de
+overige vergenoegt hij zich niet met zijn voorbeeld te volgen; doch hij
+vult het aan, wijzigt of bestrijdt het, zooals hij meende dat de
+historische waarheid het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige
+kennis, blijkt duidelijk waar wij in den _Alexander_ allerlei
+wetenschappelijke invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de
+Babylonisch-Perzische geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS,
+XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering. Naar het
+schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechts zijn geheugen
+geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken gelezen moet hebben dan
+"der minnen boek". Zoo hoog stelt MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES
+tot zijne geliefde BRISES laat zeggen: "wy lesen in ouden vyten", waar
+het Fransch slechts van "hooren zeggen" spreekt[20].
+
+Niet z ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER of hij blijft
+zich helder bewust dat deze toch een _heiden_ was en hij verzuimt niet
+DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel zal komen[21].
+Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone en bewondering voor
+uitheemsche romanheldinnen, maar in schoonheid konden die toch niet
+halen bij
+
+ ... de vrouwe die noit en dede
+ Sonde no ooc dorperhede
+
+met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit. Dezelfde
+eerbiedige liefde voor "de moeder ons heren" vinden wij aan het slot van
+den _Alexander_ en in den roman _van Troyen_, waar hij eene onbekende,
+door BENOT aangeduid als "riche dame de riche roi", vervangt door haar
+die "moeder es ende maghet".
+
+Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT den indruk van
+dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben meent hij, in den oorlog
+hunne eer verloren. En waarom--gaat hij voort--laat men zich onder
+Christenmenschen nog altijd voorlezen van die "overdaet"--Want aan
+weerszijden waren het louter heidenen--? Het antwoord luidt: opdat
+
+ ... elc man mercken sal,
+ Hoe onreene dat averal
+ Hoerdom es ende hoe groot quaet
+ Datter af te comene staet[22].
+
+Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst doen als
+afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zal MAERLANT zijn geweten
+hebben gerust gesteld, indien dat ten minste nu reeds in hem sprak,
+zooals het later zou spreken over den verkeerden weg door hem als
+dichter gevolgd.
+
+Gaf de _Alexander_ ons den MAERLANT van later reeds te zien in zijne
+neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet hij dat, waar wij
+in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige bewerking vinden van
+de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten jegens papen en klerken over
+hunne symonie, jegens groote heeren over hunne hebzucht.
+
+Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT z duidelijk
+wat hij later worden zal als in den _Torec_. In het hoofdstuk, getiteld
+"hoe Torec in 't scep van aventuren was", zien wij allerlei kiemen die
+later zich zullen ontwikkelen. In een rijkversierd vertrek hooren wij
+daar vroede oude mannen spreken over het nut der wijsheid, over dwazen
+die dat nut niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de
+minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen rijk en
+arm, de onverdiende geringschatting van den arme. Hier vinden wij ook
+reeds de drie soorten van liefde genoemd, die wij later in den _Wapene
+Martijn_ zullen terugvinden[23].
+
+Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt boven alle vrouwen,
+die partij kiest voor den arme tegen de grooten der aarde, die adel en
+geestelijkheid hunne hebzucht verwijt, die wijsheid en nuttige kennis
+verheft en aanprijst--zal het winnen van den verliefden bewerker van
+ridderromans. Zal het winnen--langzamerhand. Want van eene bekeering in
+den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken. Immers onder
+zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch geschrift over de
+gesteenten (_Lapidarijs_) en een werkje over droomen (_Somniarijs_) dat
+een dergelijk karakter zal hebben gedragen. Ook verloochent hij in
+latere jaren dat eerste werk niet. Naar zijn _Troyen_ en zijn
+_Alexander_ verwijst hij de lezers ook nog in zijn _Rijmbijbel_ en zijn
+_Spieghel Historiael_ zonder ze af te keuren; van den _Alexander_ zegt
+hij alleen, dat er fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil
+herhalen. Anders is het met den _Merlijn_ en de Britsche romans in het
+algemeen. Zoowel in _Rijmbijbel_ als in _Spieghel Historiael_ laat hij
+zich geringschattend uit over "die boerde van den Grale", over "MADOCS
+droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"[24].
+
+Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en meer komt hij
+tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken van den rechten weg
+was afgedwaald. In den _Rijmbijbel_ zien wij die overtuiging zoo sterk
+geworden, dat zij zich moet uitspreken. Hij bidt God: vergeef mij om der
+wille van dit werk
+
+ dat ic mi besmet
+ Ebbe in logenliken saken,
+ Die mi de lichtheit dede maken
+ Van der herten ende van den zinne
+ Ende van der wereliker minne[25].
+
+Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT toont besef te
+hebben van dien omkeer en van nu af zien wij hem in de nieuwe richting
+voortgaan. Meer dan eens stelt hij "der poten fabelen", de "boerden
+ende favele" tegenover de waarheid, tegenover het evangelie. Het
+duidelijkst in den aanvang van _Sinte Franciscus Leven_:
+
+ Cume [Zijnoot: nauwlijks.] es hi van mi bekint,
+ Die nu leeft ende waerheit mint;
+ Maer Tristram ende Lanceloot,
+ Perchevael ende Galehoot,
+ Ghevensde [Zijnoot: verzonnen.] namen ende ongheboren,
+ Hier of willen de lieden horen;
+ Truffe van minnen ende van stride
+ Leestmen dor de werelt wide.
+ Die ewangelie es ons te zwaer,
+ Omdat soe recht seit ende waer.
+
+Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn verhaal van dien
+"coninc van versen"
+
+ Die vinden conste ende maken
+ Veerse die ter werelt smaken
+
+maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan "pensde te
+betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk uit te maken; doch
+zeker is, dat de stem der waarheid zich in MAERLANT'S werk luider doet
+hooren, naarmate hij ouder wordt[26].
+
+Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche
+romanliteratuur den rug toegekeerd; naef doch begrijpelijk is het, dat
+nu in het vervolg alle "Walsch" voor hem "valsch" is, terwijl het
+Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig heet. Dat onder de
+waarheid, die hij voortaan wil verkondigen, tal van wonderen begrepen
+zijn, behoeft in een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; "waerheit
+ende menech wonder", "wonder ende waer" worden door hem, evenals door
+andere middeleeuwsche auteurs, telkens in n adem genoemd[27].
+
+GEESTELIJKE POZIE.
+
+Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen vinden dan in
+den bijbel? In die overtuiging heeft hij de _Historia Scolastica_ van
+PETRUS COMESTOR verdietscht, die bekend staat onder den naam van
+_Rijmbijbel_.
+
+In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven der
+geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met dien
+der Apocriefe Boeken en der Evangelin. MAERLANT heeft weggelaten wat
+hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en daar stukken van den
+bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd; menige mystieke uitlegging
+van het bijbelverhaal is door hem uitgebreid, ook neemt hij niet zelden
+de gelegenheid waar om MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te
+gispen[28].
+
+Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis onder
+het bereik der leeken brengen. Van pozie is in dit werk geen sprake;
+van aandoening zelfs tenauwernood. Slechts op een paar plaatsen,
+namelijk waar hij den dood van JUDAS MACCABES verhaalt, en eens waar
+van JEZUS sprake is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen[29].
+Blijkbaar was de bewerking der _Scolastica_ voor den auteur louter
+plicht. Hij moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben,
+wij kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de
+voltooiing der bewerking van den _Pentateuch_ slaakt hij dan ook de
+verzuchting:
+
+ God danc, ic heb se overleden [Zijnoot: achter den rug.].
+
+Minder zwaar zal hem de bewerking van _Sint Franciscus' Leven_ zijn
+gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging, maar op verzoek
+van eenige belangstellenden te Utrecht, inzonderheid van zekeren broeder
+ALAERD, waarschijnlijk, evenals de overige vragers, lid der orde van
+SINT FRANCISCUS. Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in
+de persoonlijkheid van den "edelen vaendragher ons Heren" veel moet zijn
+geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de armen tegen de
+aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den proloog immers herhaalt
+hij nog eens eene waarschuwing van vroeger:
+
+ Dat minnen gaet vor alle ere;
+ _Want arem man heet emmer sot_.
+
+En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend, wie haar op
+kostelijker altaar geheven, dan juist "il Poverello"?
+
+Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven weinig eigens,
+weinig ook dat ons spreekt van aandoening in hem gewekt door de
+levensopvatting en den levenswandel van "SINTE FRANSOYS". Waar wij hier
+en daar sporen van aandoening meenen te zien, blijkt bij vergelijking
+met het origineel dat MAERLANT niet veel meer geeft dan eene
+vertaling[30].
+
+Met _Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_ had MAERLANT werken gegeven
+die zijns inziens beter lectuur waren dan de door hem verworpen
+dwaasheden "van minnen ende van stride". De kennismaking met Latijnsche
+kerkliederen en eigen godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook
+nog andere geestelijke pozie uit hem voort, waarop wij nu het oog
+moeten richten.
+
+Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde lyrische
+gedichten, waarvan een drietal: _Van den vijf Vrouden_ [Zijnoot:
+vreugden.], _Van ons Heren Wonden_ en _Clausule van der Bible_
+misschien nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is
+waarschijnlijk, het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het
+vierde gedicht _Van der Drievoudichede_ bevat een zeer vrije bewerking
+van een Latijnsch gedicht als dat _De Sancta Trinitate_; _Clausule van
+der Bible_ en _Disputatie van den Cruce_ schijnen zelfstandige
+bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten en voorstellingen, die
+men ook elders in de middeleeuwsche literatuur aantreft[31]. In het
+eerste stuk wordt telkens in een nieuw couplet eene nieuwe vreugde van
+MARIA, in het tweede achtereenvolgens de vijf wonden van JEZUS bezongen.
+_Clausule van der Bible_ bevat eene verheerlijking van MARIA in een toen
+veelvuldig gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude Testament,
+vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT wordt niet moede, door een
+veertigtal strofen heen, de Moedermaagd telkens weer onder een andere
+gedaante te verheerlijken: MARIA is de duive met den olijftak
+terugkeerend naar de ark; de ladder waarlangs de engelen af- en
+opklommen; RACHEL, des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind
+MOZES schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels dauw
+neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna, de steen waaruit op
+MOZES' gebed een klare fontein ontsprong... zoo volgt het eene beeld op
+het andere, totdat de dichter het moet opgeven, want "volprisen" kan hij
+haar niet, "de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht scheen
+gelijk de zonneschijn.
+
+In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan; behoefte om
+JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden, uit zich hier
+ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende verzen.
+
+Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten: _Van der
+Drievoudichede_ en _Disputatie van den Cruce_. Hier kon hij niet
+volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele vraagstukken als
+dat der Drieenheid, een geschil als dat tusschen MARIA en het Kruis,
+eischten inspanning van denkkracht en voorstellingsvermogen om zelf te
+begrijpen en anderen te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat
+wij MAERLANT hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het
+lyrisch-dramatische van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang
+gekomen op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche
+geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend bij de
+samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de rollen zoo
+verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt. Die verdeeling
+gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van moeilijke vraagstukken;
+de afwisseling van vraag en antwoord of ook het verschil van opvatting
+tusschen twee sprekers bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT,
+man van veelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de
+Latijnsche literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch
+zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven van de
+"dbats", "jeux-partis" en "tenons" die in de toenmalige nationale
+Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden en die ook door de
+Belgische trouvres gedicht werden[32].
+
+Zoo zien wij in de tweespraak _Van der Drievoudichede_ JACOB in
+gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe kan ik God
+leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim en Seraphim, antwoordt
+JACOB, nog zou ik u op die hooge vraag niet kunnen antwoorden. Luister
+naar hetgeen mij de bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil
+doorgronden is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd
+zullen worden als zij den Horeb beklimmen.--Ook ik ben overtuigd,
+herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid niet zouden kunnen
+omvatten; doch leer mij zooveel mijn door de zonde verzwakt verstand kan
+bevatten. JACOB geeft dien wensch gehoor: God is boven alles, onder
+alles, buiten alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest.
+Den Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vr alle begin; daarna
+den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider vereeniging ontsproten
+Heiligen Geest; samen vormen zij eene drie-eenheid van _macht_, _const_
+en _wille_, die aanwezig moet zijn in elken mensch die iets wil
+voortbrengen. God rust zelf en brengt alles in beweging; geene plaats
+omvangt Hem, Hij omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde,
+Hij is eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het geloof
+draagt hier de kroon.
+
+Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon geeft MAERLANT
+eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer, van den zondeval, van
+de verhouding tusschen het menschelijke en het goddelijke in JEZUS, van
+het Laatste Oordeel. Hij is van ons heengegaan, doch Hij heeft zijn
+vleesch en bloed hier gelaten om het te "sacreeren" in der priesters
+handen. Met eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing
+tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig te mogen
+worden wordt het gedicht besloten[33].
+
+In _Disputatie van den Cruce_ zien wij MARIA handenwringend staan onder
+het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis: moordenaars en
+dieven moet gij straffen, niet Hem die rein van zonden is.--Niet alleen
+uwe zaak geldt het hier, antwoordt het kruis, maar die "der wereld
+gemene"; toen ik uw zoon ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch
+onsterfelijk zal Hij terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op
+Hem en willen van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet
+met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis waarheid
+heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren: mensch, wat heb ik
+voor u gedaan en wat doet gij voor mij? Gij moet de wereld verzaken of
+gij zult niet met mij leven. Al uw pogen strekt om schatten te
+vergaderen. Doch het is niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders
+voorgaan: al het kwaad komt uit de "sacristie" [Zijnoot: de kerk.];
+vleeschelijk leven, wellust, zich trotsch gedragen--het vindt zijn
+oorsprong bij de geestelijkheid. Om de armen bekommeren zij zich niet.
+Beginnen zij soms de wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de
+vleeschpotten van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en
+vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der kudde, maar
+wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en ontrukt het heilige land
+aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en het kruis zegt tot MARIA, dat het
+niets baat of men haar al bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden
+heeft. Ten slotte gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat
+door Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van Kruis
+noch Maagd kan ontberen.
+
+
+POZIE DER GEMEENTEN.
+
+In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over de hoogten
+der bespiegeling; in _Disputatie van den Cruce_ zien wij hem afdalen tot
+de vlakte beneden waar het werkelijk leven wordt afgespeeld. Er was
+echter in dat werkelijk leven, behalve het wangedrag der geestelijken,
+nog zooveel dat hem vervulde: maatschappelijke misstanden die hem in
+twijfel en onrust hielden, onrecht dat hem ergerde, gewichtige
+vraagstukken die hem niet los lieten. In een paar tweespraken, _de
+eerste_ en _d'ander Martijn_, heeft hij getracht samen te vatten wat in
+hem omging. Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen,
+gedachten over maatschappij en kerk, over handel en wandel der menschen,
+over de verhouding der standen, over de liefde, de zonde, over God, ten
+deele reeds door anderen uitgesproken, ten deele dus herinneringen den
+dichter bijgebleven uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn
+eigendom--zijn hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken
+bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook de meeste
+andere vervat zijn; in _de Eerste Martijn_, de omvangrijkste tweespraak
+van alle die bijna 1000 verzen telt, is op menige plaats een
+dichterlijke gloed waaruit ware pozie is voortgekomen; _d'ander
+Martijn_, van veel minder omvang, geeft meer spel van vernuft dan pozie
+al is deze niet geheel afwezig.
+
+De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de hoofsche
+minnelyriek en de minachting van "truffen ende potrin", het
+meesterschap over den vorm verbieden ons aan te nemen dat zij uit des
+dichters jeugd zouden dagteekenen. Maar anderzijds getuigt _de Eerste
+Martijn_ van zooveel eerbiedige liefde voor de vrouwen, zij het ook dat
+die evenals in den _Roman van Troyen_ bekroond wordt door een AVE MARIA,
+en toont _d'ander Martijn_ zulk een welbehagen in het behandelen van
+eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons den dichter
+kwalijk als een bedaagd man kunnen denken. Mag men eene gissing wagen,
+dan zal men geneigd zijn aan te nemen, dat hier een man van tusschen de
+dertig en veertig tot ons spreekt.
+
+Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien wij in _de Eerste
+Martijn_ in de weemoedige stemming die op eene ontgoocheling pleegt te
+volgen. Hij heeft de werkelijkheid aan zijne idealen getoetst, de
+schellen zijn hem van de oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet:
+"Wapene [Zijnoot: wee!]", Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden
+bespot, verdrukt--de slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere.
+Hoe anders dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw en
+deugd was, tot heer boven den "dorper"--nu spannen de heeren samen,
+vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de slechten de macht in handen.
+Dat komt van de kwade raadgevers. Is er nog een God die regeert?
+Blijkbaar laat Hij alles over aan het blinde toeval.
+
+MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt hij. Terug!
+God hoort en ziet alles. De priesters zullen het gewaar worden; de
+brandstapel wacht u! Vertrouw op God:
+
+ God en was noit moede no mat;
+ In 't wout en es loof no blat
+ Buten siere hoede.
+ Al dat es in elke stat
+ Dat behoet hi ende besat
+ Met godliken goede [Zijnoot: voorziet Hij van goddelijken zegen.].
+ Al ghehinghet hi dan dat,
+ Dat die quade ghewinnet scat
+ Ende menne heet den vroede:
+ So hi hoghere sit up 't rat [Zijnoot: van Avontuur.],
+ So hogher val, so meere plat [Zijnoot: zwaarder smak.]
+ In der helscher gloede
+ Onder der duvele roede.
+
+JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de slechten
+eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen aan den harden
+MARTIJN.--Omdat de zondaar eeuwig zou willen leven, klinkt het antwoord,
+moet hij ook eeuwige straf ondergaan.
+
+Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou ik dan, indien
+ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig verdoemd zijn, ook al ware
+ik milddadig en al had ik penitentie gedaan? MARTIJN spreekt den vrager
+moed in: laat u niet van allerlei door de priesters opdringen, er is
+"menich onbescheden [Zijnoot: onverstandig.] swijn" onder; God is ook
+een God van genade, van liefde. Maar de liefde is blind, naar men
+zegt--herneemt JACOB. Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er
+zijn drie soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de "caritate" die
+God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar van aard,
+strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de "cracht die twee
+herten tsamen bint". Met een uitval tegen de hoofsche minnepozie geeft
+JACOB zijne instemming te kennen.
+
+Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn pad gekomen,
+keert de dichter de rollen om.
+
+MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer op: van waar
+komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen, edel en onedel?
+Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van CAN; anderen: van CHAM; doch het
+is onwaar, de "Duutsche loy" [Zijnoot: Het Duitsche wetboek: de
+_Saksenspiegel_.] weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van
+krijgsgevangenen. En wat den adel betreft--wat gaat het mij aan, wie
+iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugdzaam
+is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman[34]! MARTIJN
+stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van ADAM afstammen en dus
+bloedverwanten zijn, hoe is dan de "maechscap" zoo verdwenen? Van waar
+dan al die afgunst en strijd?--LUCIFER is daarmede in den hemel
+begonnen, antwoordt JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn
+en Dijn hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot een
+ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar neemt de
+liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het hart of uit de
+oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB; als een onbeschaafde
+Fries die niet weet wat liefde is. Luister! Nu vangt een redetwist aan
+tusschen het hart en het oog, tweespraak in de tweespraak, die door
+vrouwe Redene beslecht wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met
+de liefde tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De
+priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf volgen zij
+een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel van uw goed aan de
+armen, neig uw hart tot hen; dan moge God u in Zijne hoede nemen, u aan
+de macht der duivelen onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op
+den oorsprong van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de
+vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor de vrouwen die
+hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN verklaart zich
+overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om der wille van de "hooge
+vrouwe", aan wie ons behoud gelegen is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de
+tweespraak een einde.
+
+_D'ander Martijn_ is in zoover eene voortzetting van _den Eersten
+Martijn_, dat wij hier in den aanvang een dergelijke vraag gesteld zien
+als die over den strijd tusschen het hart en het oog. Hier geldt het de
+vraag: twee vrouwen beminnen mij; de eene heb ik lief, maar zij mij
+niet; de andere heeft mij lief, maar ik haar niet--tot welke der twee
+moet ik mij wenden?
+
+Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der "Cours d'amour"
+bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze in "_het schip van
+aventuren_" had hooren behandelen.
+
+In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander nu met
+allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan de Oudheid en den
+Bijbel. Redene moet zich in de liefde doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan
+de voorbeelden van noodlottige liefde uit den Bijbel moeten wij ons
+spiegelen. God zelf wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft,
+wie Hem wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken aan
+haar die mij lief heeft.
+
+In den _Verkeerden Martijn_ hebben wij een aardig voortbrengsel van
+middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S redeneeringen uit
+den _Eersten Martijn_ omgekeerd en tegen de zijne overgesteld. Hier en
+daar, vooral in de drie eerste strofen, meent men toch de bitterheid van
+den dichter in zijn scherts te hooren doorklinken. In het laatste
+couplet is iets van voorname levenswijsheid, die met een lichten
+glimlach spreekt over de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel
+jammer, dat slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In
+zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten
+vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid krijgen
+aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene vraag blijft: of
+MAERLANT inderdaad de maker is van dit gedicht. Er bestaat misschien
+meer reden hier aan het werk van een ander te denken dan aan een
+zelf-parodieerend sarcasme, waarvan in de middeleeuwsche literatuur,
+naar ik meen, tenauwernood een ander voorbeeld te vinden is[35].
+
+De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling in het
+maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk hart over de
+misstanden in dat leven en uit begeerte om in die misstanden verbetering
+te brengen. Verbetering door afbreken en opbouwen. De _Martijn's_,
+vooral _de Eerste Martijn_, werkten vooral afbrekend; in een drietal
+andere gedichten trachtte de dichter op te bouwen.
+
+Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan eens een vroeger
+motief hervatten, om het op nieuw te bewerken, zoo keert ook MAERLANT
+terug tot vroeger bewerkte stoffen. De schets eener middeleeuwsche
+vorstenschool uit den _Alexander_ wordt overtroffen door de handleiding
+voor vorsten in _Heimelijkheid der Heimelijkheden; Lapidarijs_ is
+uitgebreid tot het groote werk _der Naturen Bloeme_; de historische
+overzichten uit _Alexander_ en _Merlijn_ tot den _Spieghel Historiael_.
+
+Het oorspronkelijke _Liber de Secretis Secretorum_, in dezen vorm zeker
+niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag van zijn naam wijd en
+zijd verbreid, bevatte eene soort van overzicht der regeerkunst en, daar
+een vorst ook zich zelven moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet
+onwaarschijnlijk is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den
+twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht
+gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER toch in
+menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent kon heeten.
+_Heimelijkheid der Heimelijkheden_ zou dan min of meer als een
+correctief van den _Alexander_ moeten worden beschouwd, dat des te beter
+zou werken, omdat het ook hier juist ALEXANDER is, wien door den zoo
+hoog vereerden ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo
+was b.v. de aansporing tot het bedwingen van den "grammen moet" voor den
+_Alexander_ van GAUTIER de CHTILLON zeker niet overbodig[36].
+
+_Der Naturen Bloeme_ en _Spieghel Historiael_ moesten, evenals vroeger
+_Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_, voorzien in de behoefte aan
+degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching van
+THOMAS VAN CANTIMPR'S groot werk _De Naturis Rerum_ kon elk die zijne
+bekomst had van fabelen en leugens, "nutscap ende waer" vinden. Alles
+wat men toentertijd van de natuur, van menschen en dieren wist, vond men
+hier bijeen. MAERLANT heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten,
+in het overige de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn
+voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd of er
+iets aan toegevoegd[37].
+
+In zijn _Spieghel Historiael_ leverde hij populair-wetenschappelijk
+werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden was voor de
+leeken tot dusver n nevelachtig verschiet van eentonig grijs geweest;
+deze _Spiegel_ wierp er voor het eerst krachtige lichtstralen in en
+doorheen. Nu eerst namen enkele bekende figuren in dat verschiet vaste
+omtrekken aan, nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver
+af, nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin men
+leefde.
+
+Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT VAN BEAUVAIS,
+bewerkte MAERLANT slechts een deel, het _Speculum Historiale_; de twee
+voorgaande deelen: _Speculum Naturale_ dat over God, het heelal en den
+mensch handelde en het _Speculum Doctrinale_ dat een overzicht der
+menschelijke wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van
+het _Speculum Historiale_ eer eene bewerking dan eene vertaling; hij
+raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a. den Hollandschen
+kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de geschiedenis van Nederland en
+de levensbeschrijvingen van Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk
+met een schat van spreuken en lessen van levenswijsheid[38]. Hier ook
+had MAERLANT gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns
+inziens, de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of
+vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over KAREL DEN
+GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende KARELS hadden
+samengesmolten tot nen; hij houdt zich aan de _Historia Caroli Magni
+et Rolandi_; immers, dat was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich
+tegen de vermenging van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de
+verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het huis
+Bouillon[39].
+
+Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de vermenging van
+verschillende historische KARELS eerst door de hedendaagsche wetenschap
+opnieuw is gemaakt en met evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid
+gestaafd, dan moet men dezen middeleeuwschen "clerc" bewonderen om zijn
+helder verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde van
+zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan eigenlijk geen
+sprake zijn, want de pozie is in de drie laatstgenoemde werken zoo goed
+als afwezig. Zelfs vertoonen zij in de bewerking tenauwernood eenige
+aandoening, tenauwernood iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk
+grapje maken over de vlooien, de "clene wichten" die ons in dit aardsche
+tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid toonen
+waar hij het dier Furions ter sprake brengt--doorgaans blijft hij in
+_der Naturen Bloeme_ de ernstige leermeester[40].
+
+In den ganschen _Spieghel Historiael_ vond ik slechts een paar plaatsen
+waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op MAERLANT zooveel
+indruk maakte, dat zijne bewerking er de sporen van draagt.
+CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van ROELAND heeft hem blijkbaar
+getroffen; in het Dietsch lezen wij dat de groote keizer
+
+ ... grongierde [Zijnoot: brulde.] in der gebare
+ Alse oft een leuwe ware
+ Die sine jonge vonde vermort.
+
+Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden welp zal wel
+niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in zijn voorbeeld niet te
+vinden[41].
+
+Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar hij in
+bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid zegt, een
+geestverwant herkent. Daar komt hem zijn _Eerste Martijn_ weer voor den
+geest, zoo levendig zelfs dat een paar rijmen uit de eerste strophe hier
+weer opklinken[42].
+
+
+DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE VAN OVERSEE; BESLUIT.
+
+Het tekort aan pozie in de pas behandelde werken heeft MAERLANT ons
+vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten. Beide dagteekenen uit
+zijn ouderdom. _Van den Lande van Oversee_ moet gedicht zijn na den val
+van ST. JEAN D'ACRE (1291) en in _der Kerken Claghe_ hooren wij den
+dichter zeggen:
+
+ Wat sagh ic in den spieghel claer?
+ Mijn oude leven, mijn graeuwe haer,
+ Hoe sterven es met mi gheboren!
+
+Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap. De
+klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud uitmaakt van het eene,
+ruischt als ondertoon door de verzen van het andere[43].
+De dichter beeldt hier de kerk uit als eene moeder, eene bedroefde vrouw
+van haar erf ontzet, wier verdediging Christenridders plicht moet zijn.
+Het komt mij waarschijnlijk voor, dat deze voorstelling eene herinnering
+is uit de dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne
+verdiepte in ridderromans. In den roman van _Lancelot_ toch legt een abt
+aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die ridder heeft
+gezien. Wij lezen daar:
+
+ Tot u quam op dien nacht besien
+ Die heilege kerke ende al om dien
+ In eens droefs wijfs gelike,
+ Die u clagede droeffelike,
+ Datmen hare onrecht dede
+ Ende nam hare ervechtechede.
+ Sine quam niet gecleet met siden,
+ None togede met den bliden;
+ Maer si quam in groter droefheden
+ Ende gecleet met swerten cleden
+ Om den toren die hare kinder
+ Daden mere ende minder;
+ Dat sijn besondechde kerstine
+ Dat haer kinder (sculdech) te sine,
+ Ende gelijc hare moder hare
+ Altoes sculdech te houdene waren[44].
+
+Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk gewaarschuwd
+had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd tegen de geestelijkheid.
+In zijn _Naturen Bloeme_, zijn _Rijmbijbel_, zijn _Spieghel Historiael_
+had hij zich meer dan eens scherp uitgelaten over hunne hebzucht,
+weelde, wellust; hun verweten, dat zij waren
+
+ ... vor mine ogen smeker [Zijnoot: vleiend.]
+ Ende achter valsch als de verrader.
+
+De critiek, welke zijn bewerking van den _Rijmbijbel_ hem van de zijde
+der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn _Spieghel Historiael_
+nog niet vergeten[45]. Doch, had hij daar met de belgzucht van het
+"paepscap" rekening gehouden, in _der Kerken Claghe_ spaart hij hen
+niet. Onversaagd springt deze strijdbare "clerc", ridder naar geest en
+gemoed, zijne moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken,
+dat haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en leiden. De
+wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken de volle
+waarheid zou durven zeggen, hen met name noemen--hoe zou hij bejegend
+worden! Met enkele trekken schetst hij hen: korte rokken, breede
+zwaarden, lange baarden, kostbare kleederen, hooge paarden; wat al
+fierheid--ten koste der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de
+waarheid zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig,
+naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is eene
+vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op de loer. Hij
+behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen onder zijn bereik.
+Wie de kwaden vleien, hebben de beste plaatsen en eene vette keuken; zij
+drinken dat zij zweeten en slapen er te beter op. Al maken de heeren
+zich aan roof schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze
+geestelijken, die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven. En
+krachtig klinkt de oproep ten slotte: Z klaagt de heilige Kerk!
+Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij nieuwe wapenen dragen en
+deze wandaden te keer gaan en wreken.
+
+Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard, met zijne pen,
+tastte MAERLANT ook in het gedicht _Van den Lande van Oversee_ de Kerk
+van Rome aan, die hij scherp onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier
+durft hij zeggen:
+
+ Die Kerke van Romen is dusdaen vraet,
+ Si is dronken ende al sonder raet,
+ Die hovet is van Kerstijnhede.
+
+Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een noodkreet,
+door den vromen Christen geslaakt, toen hem meer en meer zekerheid
+gewerd, dat het Heilige Land aan de macht der Christenen ging
+ontglippen. In _Disputatie van den Cruce_ had hij reeds eenmaal een
+klacht daarover doen hooren, maar nu Acre, het laatste bolwerk der
+Christenen, gevallen is, slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de
+ontzetting, de verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef:
+
+ Kersten man, wats di gheschiet?
+ Slaepstu? hoe ne dienstu niet
+ Jhesum Christum dinen here?
+ Peins, doghedi dor di enich verdriet,
+ Doe hi hem vanghen ende crucen liet,
+ Int herte steken metten spere?
+ Tlant, daer hi sijn bloet in sciet [Zijnoot: stortte.],
+ Gaet al te quiste, als men siet:
+ Lacy, daer en is ghene were!
+ Daer houdt dat Sarracijnsche diet [Zijnoot: volk.]
+ Die Kerke onder sinen spiet
+ Daerneder, ende doet haer groot onnere
+ Ende di en dunkets min no mere [Zijnoot: gij geeft er niet om.]!
+
+In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe moeder, de
+Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt--gij leeft in weelde;
+Gods vijanden hebben te Acre kloosters en huizen vernield, het volk
+gedood. Christen! trek op, den hemel kunt gij winnen, indien gij die
+schande wreekt. Dan eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat
+er gebeurd is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van
+zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het vlamt weer op
+in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen... Kerk van Rome, trek
+het zwaard! Maar de voorname geestelijken hebben wel wat anders te doen!
+Wat doet gij ter wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette
+prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. "Reinaerdie"
+speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee uitrichten! En
+waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden niet te na gesproken--de
+duivel hale hen met hunne trotsche bijzitten! Maar het Heilig Graf
+vertoont zich weer aan zijn geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de
+koningen, graven en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd
+het schild "van sabel en van goude", het "lazuren" schild met de lelin
+op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat en zijne
+moeder wreekt--hij zal er voor boeten! Overredend klinkt het daarop:
+Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten immers toch eens sterven?
+Denkt wat JEZUS heeft willen lijden! Hoe anders was het ten tijde van
+CHARLEMAGNE en GODFRIED VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter
+valkenjacht, gij landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij
+u van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een bede tot
+God besluit de dichter zijn bezielden oproep.
+
+Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val van Acre is
+het Heilige Land geheel aan den greep van het Westen ontglipt. Sedert de
+kruistochten een aanvang hadden genomen, was de Europeesche Christenheid
+twee eeuwen ouder geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift
+en avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken; andere
+idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne toewijding, hunne
+kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan gevoelde, zijne devotie
+verrichten bij het Heilig Graf dat in zoo menige kerk ook te onzent was
+nagebootst.
+
+MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht opwekte,
+schijnt den veranderden koers der geesten niet te hebben opgemerkt. En
+indien al, dan heeft hij dien zeker betreurd. Want hij was een "prijzer
+van 't verlen" en zag in zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij
+dien bij vroeger vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden
+en op het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en opbouwend
+heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor te leiden, dat
+gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche dichter die,
+sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging en het plichtsverzuim van
+adel en geestelijkheid is opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij
+heeft voor Vlamingen en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na hem
+een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk leeren lezen.
+
+Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op eene plaats onder
+de groote mannen van ons volk; doch als kunstenaar rijst hij daardoor
+niet in onze schatting. Zeker, hij was dichter. Hij heeft dat getoond in
+den _Eersten Martijn_, vooral in de eerste helft waar de aandoening door
+de strofen golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt
+afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat getoond
+in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig brok van zijn
+overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch bevallig of aardig mag
+heeten. Den kunstenaar zien wij in den dichter, waar hij, in navolging
+der Latijnsche en Romaansche lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de
+afschrijvers bezweert zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde
+hecht aan de zuiverheid zijner rijmen.
+
+Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden; er is in
+zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel dat berijmd
+proza moet heeten. De drang naar schoonheid in zijn gemoed werd
+onderdrukt door het verlangen om de maatschappij te verbeteren en zijn
+volk te onderwijzen. En nu kan de invloed van een dichter op de
+zedelijke, geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk
+wel strekken om de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen,
+niet om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien
+heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt om op
+zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan.
+
+Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk zulk eene ruime
+plaats hebben gegeven in dit verhaal van de geschiedenis onzer
+letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij, beter dan eenig ander
+auteur zijner dagen, de eeuw en de maatschappij waarin hij leefde in
+hunne onderscheiden stroomingen vertegenwoordigt; omdat de geslachten
+die na hem kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter
+wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in enkele
+zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat onbeschrijfelijke
+dat wij pozie noemen.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] De romans _van Alexander, Merlijn_ en _Troyen_ zijn tot ons gekomen
+in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken, in een
+dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig Nederland
+gesproken werd _(Tijdschr. v. Ned. T. en L._, XXIII, 156). De _Torec_
+schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den
+_Lancelot_ (a.w. X, 173; XIX, 36).
+
+[2] Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk
+boek van Prof. J. TE WINKEL: _Maerlant's Werken_, (2e druk, 1892), vgl.:
+Tweede Hoofdstuk.
+
+[3] Vgl. _Nat. Bloeme_ (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en _Inleid_. XXIV.
+Over den kalander-leeuwrik: BREHM, _Het Leven der Dieren_ (bewerking van
+HUIZINGA), II, 100.
+
+[4] De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen heeft in zijn
+gedicht, heette waarschijnlijk _Gheile_ en zal wel eene Vlaamsche
+geweest zijn. Vgl. FRANCK'S _Inl_. op den _Alexander_, XI-XII.
+
+[5] WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 134.
+
+[6] Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig.
+
+[7] Vgl. X, 1530-1.
+
+[8] Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke _Inleiding_,
+inzonderheid naar het hoofdstuk: _Maerlants verhouding tot zijne
+bronnen._
+
+[9] Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454.
+
+[10] T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481.
+
+[11] Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een _Simon die
+Godgaf_ (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der Vlaemsche Bibliophilen
+I, 6).
+
+[12] Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S _Inleiding_ op zijne
+_Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen_, met name p. 17, 154-5,
+181.
+
+MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van NAPOLEON
+DE PAUW.
+
+[13] Vgl. VERDAM'S _Episodes_, vs. 6666-6711 met _Roman de Troie_, vs.
+16179-16181.
+
+[14] Vgl. _Episoden_, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOT vertelt, op
+bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305, 9345; 327,
+10166; 341, 10694.
+
+[15] FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk. TE WINKEL
+beweert het tegendeel. Vgl. _Anzeiger f.d.A._, IX, 367-8 en TE WINKEL'S
+_Gesch. der Ned. Lett._, bl. 168 noot.
+
+[16] Vgl. _Merlijn_ (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S uitgave
+kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen van FRANCK'S
+vernietigende maar rechtvaardige critiek.
+
+[17] _Merlijn_, vs. 7639 vlgg. (7770-8, 8164, 8175-'80).
+
+[18] Vgl. _Torec_ (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene
+"Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S _Conte du Graal_; zie
+de Aant. op FRANCK'S _Alexander_, bl. 481). Afbeelding der _Chambre de
+Beaut_ bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192.
+
+[19] _Torec_, vs. 869-870; 1228-'49; 3231-'51.
+
+[20] Vgl. _Alex._, IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd; vgl.
+GAUTIER, _Alex._, IX, 258-260. Of M. deze vergelijking misschien uit den
+_Lancelot_ heeft overgenomen, doet weinig ter zake. _Episoden_ enz. vs.
+767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het origineel; _Alex._, I, 68;
+VERDAM'S _Inl._ op _Episoden_ enz. bl. 21 vlgg.; TE WINKEL in _Tijdschr.
+v. N.T. e. L._, I, 332 vlgg.; _Merlijn_, vs. 33, 589, 621. FRANCK'S
+_Inl._ op den _Alex._, L-LI; _Episoden_, bl. 163-4, vs. 4159 en vs. 4219
+in verg. met het oorspronkelijke.
+
+[21] _Alex._, III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook _Troyen_, vs.
+10736.
+
+[22] _Alex._, VIII, 126-9; X, 1535 vlgg.; _Episoden_ etc. bl. 159-160.
+Over die _riche dame_ te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197-8;
+_Episod._, bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht,
+door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne
+uitgaaf v.d. _Roman de Troie_: "Sur les manuscrits" in Deel I.
+
+[23] Vgl. _Alex._, VIII, 637 vlgg.; _Torec, Inl._, bl. XXII vlgg.
+
+[24] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; _Sp.
+Hist._, I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg.
+
+[25] A.w. I, 64 vlgg.
+
+[26] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 2755; _Sinte Franc._, 9-10; 51-40. Het
+verhaal van den "coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het
+ook in het Latijn.
+
+[27] Vgl. o.a. den Proloog van _der Nat. Bloeme_, vs. 108-116; TE
+WINKEL, _Maerlant's Werken_, p. 368; waai heidsliefde o.a.: _Rijmb._, I,
+25, 4885, 34830; waarheid en wonder: _Nat. Bl._, I, 486-'93; IV, 5
+vlgg.; V, 413 vlgg.; _Sp. Hist._, I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7.
+
+[28] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 337-9.
+
+[29] Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen:
+
+Want haer lyoen, hare lupaerd, Haer troest, haer muur, haer casteel,
+Ende hare hulpe algeheel Starf met eren, die goede Judas.
+
+
+In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: "firmavit faciem suam ut iret
+in Hierusalem" aldus weergegeven:
+
+Doe de tijd naken began Vander Passin, maecte vast Sijn anscijn, _die
+lieve gast_ [Zijnoot: vreemdeling.], Te Jherusalem te gane.
+
+[30] Zoo b.v. vs. 7811-'14:
+
+Aldus in dien dorwitten vleesche Die nagle zwart als iet vereesche Entie
+wonde van der zide Bloeide als ene rose blide.
+
+Het Latijn heeft hier (in de bewerking van _Bonaventura Vulcanius_):
+"Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem lateris
+rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione reductum rosa
+quaedam pulcherrima videbatur."
+
+[31] Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen
+op de uitgave der _Strophische Gedichten_ door FRANCK en VERDAM.
+
+[32] Vgl. over den dialoog: Inleid. der _Stroph. Ged._, LXXX; EBERT,
+_Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt._, II, 16; JEANROY, _Les Origines de
+la posie lyrique_, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk van SCHELER,
+_Trouvres Belges_ o.a. I, 6-7, 137, 139, 141.
+
+[33] In sommige handschriften heet dit gedicht _De derde Martijn_.
+
+[34] Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij den
+kerkvader HIERONYMUS. Zie _Inleiding_, p. LXXVIII. Naar het schijnt, ook
+reeds in ARISTOTELES' _Ethica_. Vgl. BURCKHARDT, _Die Cultur der
+Renaissance_, II, 90. Vgl. ook _Heim. der Heim_ (ed. CLARISSE), vs.
+1831-2; in het Latijn: "quia Deus creavit aequales."
+
+[35] FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie _Inleiding_,
+p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik twijfelen.
+
+Nagevolgd werd de _Eerste Martijn_ door een dichter die in 1299 den
+_Vierden Martijn_ dichtte (uitgeg. door SERRURE in _Vad. Mus._, IV, 55
+vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging niet.
+HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE is
+geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het
+dichten "op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN AKEN beter
+verzen dan deze dichter.
+
+[36] _Heim. der Heim._ (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft vrij
+wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw gevolgd. Zie
+de vergelijking in KAUSLER'S _Denkmler_, III, 289 vlgg.
+
+[37] Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg.
+
+Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts een
+klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in Boek
+IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens de
+Inleiding in VERWIJS' uitgave.
+
+[38] Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis van de
+ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke inleiding
+van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den _Sp. Hist._ en TE
+WINKEL t.a.p. het _Achtste Hoofdstuk_.
+
+[39] Vgl. _Sp. Hist._, III, p. 170, 204; TE WINKEL, _Maerlant's Werken_,
+p. 422-5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II, p. 383; II, p.
+79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV3, c. 22, vs. 83 vlgg.; c.
+6, vs. 5-11.
+
+[40] Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg.
+
+[41] Vgl. IV1, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624, _Lib._ 24,
+c. 20): "Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem eversum brachiis
+super pectus in modum crucis positis et super eum ruens irrugit clamore
+magno."
+
+[42] Zie: _Inleiding_, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn: _hove
+|| verscrove_.
+
+[43] Vgl. _v.d. L. v. O._, vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200.
+
+[44] Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige
+verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de laatste verzen.
+
+[45] Vgl. _Nat. Bl._, II, 469-'76; 680 vlgg.; _Rijmb._, I, 78 vlgg.;
+5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485-7; _Sp. Hist._,
+I, bl. 16, vs. 80 vlgg.
+
+
+
+DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK.
+
+Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de dichtwerken die
+gedurende de 12de en de 13de eeuw door deze volken zijn voortgebracht;
+de personen der makers bleven op den achtergrond. Op dien achtergrond
+moeten zij blijven, omdat, ten minste in het verhaal van de ontwikkeling
+eener middeleeuwsche literatuur, de persoon des dichters minder
+gewichtig is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien
+achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat ons van die
+dichters met of zonder naam bekend is. Tevens geeft ons dat gelegenheid
+mede te deelen, wat wij weten van het publiek waartoe zij zich richtten,
+van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder literaire werken toen
+ter kennisse van het publiek kwamen.
+
+Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat hij er roeping
+toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht. Het spreekt vanzelf,
+dat beroep en roeping niet steeds samengingen; doch ook dat door het
+beroep de roeping niet noodwendig werd uitgesloten.
+
+Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden of omdat zij er
+behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken of "clercken" mogen
+rekenen zooals WILLEM VAN AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH,
+MAERLANT, de dichters van _Rinclus_, _Van den Levene ons Heren_, van den
+_Dietschen Catoen_, _Esopet_ en dergelijke werken; ook JAN VAN BRABANT,
+de edelen en hoofsche "clercken" die minneliedjes dichtten en de
+dichters van volksliederen. Het is wel mogelijk dat sommige dezer
+dichters zich, evenals MAERLANT, van het wereldsche tot het ernstige of
+stichtelijke hebben gewend; wij kunnen het echter slechts van n hunner
+bewijzen. De bewerker der _Disticha Catonis_ namelijk verhaalt ons in
+zijn proloog:
+
+ Als ic die minne sach, ic louch;
+ Nu haticse al in minen sinne
+ Die minne draghen entie minne
+ Ende hebbe ghekeert minen moet
+ An die ghenen die siin vroet.
+
+Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en WILLEM VAN
+AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over andere dichters die zij
+_menestrelen_ noemen. MAERLANT heeft een afzonderlijk hoofdstuk van zijn
+_Spieghel Historiael_ gewijd aan "'t scelden jegen die borderers", d.i.
+romanschrijvers; aan het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog
+heeft op de "menestrele", die dus ook door hem als de dichters der
+ridderromans werden beschouwd[1]. En WILLEM VAN AFFLIGHEM spreekt van de
+menestrelen als van "logeneren". Blijkbaar gevoelen zij zich door hunne
+geleerdheid en ontwikkeling, ook door hun streven naar waarheid en
+vroomheid verheven boven die verdichters van fabelen en luchtige
+verhalen van oorlog en minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al
+te wereldschgezinde "clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene
+schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden:
+
+ Dit en sijn niet clerke, maar menestrele[2].
+
+Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales) aanduidt,
+tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral, den heer en zijn
+"gezinde" met muziek en zang of voordracht van pozie te vermaken. Een
+dienaar van die soort hebben wij reeds ontmoet in dien knecht van den
+Brabantschen ridder, Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was "te pipen
+ende te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der
+maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en pozie vinden wij ook
+bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt in _der Naturen Bloeme_ naar
+aanleiding van den vogel _Garrulus_[3]. Het "pipen en mauwen" van den
+menestreel kan kwalijk iets anders beteekenen dan het spelen op de
+pijpen ter begeleiding van zang of voordracht.
+
+Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem de menestrelen;
+zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door hun loftuitingen te
+prikkelen, in de hoop op geschenken zijnerzijds. Lof en roem
+verwerven--MAERLANT zegt het ons--daarnaar streefden de meeste ridders:
+
+ Want die ridder niet gheroet [Zijnoot: rust.],
+ Hine verslijt vleesch ende bloet,
+ Updat sijn prijs mere.
+
+En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen, vernemen
+wij eveneens uit zijne woorden:
+
+ ... der idelre glorin cleet,
+ Daer menestraudi met omme gheet[4].
+
+In zijn _Spieghel Historiael_ laat hij nog eens een waarschuwing hooren
+tegen de "smekende" (vleiende) menestrele[5]. Een klein staaltje van
+hunne praktijken zien wij in de bewerking van den _Aiol_. In eene
+opsomming van edelen die AIOL verwelkomen, worden in de Dietsche
+bewerking o.a. de graaf van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de
+graaf van Artois genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de
+overeenkomstige plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld.
+Waarschijnlijk hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des
+menestreels jegens zijn publiek te zien[6].
+
+Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld,
+kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers in de
+met hen eenigszins verwante "yrauden" (herauten). Meer dan eens worden
+"menestrele ende yraude" of--wat hetzelfde is--"yraude ende spelmanne"
+in n adem genoemd[7].
+
+In den roman _van Torec_ zien wij den held in de wapenrusting van een
+anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders uit den zadel steken.
+De paarden der overwonnenen geeft hij aan de aanwezige speellieden en
+yrauden, en deze zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk:
+
+ Doe riepsi ende dyraude mede:
+ "Ha ha! Myduel, Myduel!
+ "Hi heeft den prijs ende niemen el;
+ "Hi es die beste van den velde:
+ "Hi es genindech [Zijnoot: dapper.], coene ende melde"
+ [Zijnoot: mild.] [8].
+
+Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren, maar ook bij
+die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig van die der ridders
+verschilde, zouden wij wel reeds mogen vermoeden. MAERLANT verzekert het
+ons ten overvloede in zijn _Rijmbijbel_[9]. Omgekeerd werd de plaats van
+den menestreel, naar het schijnt, wel eens ingenomen door een "scriver",
+die doorgaans wel een "clerc" zal zijn geweest. In de _Heimelycheit der
+Heimelychede_ lezen wij:
+
+ Nu betaemt wel elken heere
+ Die bewaren wille sine eere,
+ Dat hi scrivers met hem houde,
+ Vroede liede, jonghe ende oude,
+ Die scone ende wel connen dichten,
+ Ende met sconen worden verlichten
+ Connen dat sijn heere wille.
+ ...
+ Want ghelijc dat smenscen lede
+ Scoonre sijn ghecleedt dan naect,
+ Also eist dat men een dicht maect,
+ Daer men der wareit niet ut en gheet
+ Ende ment met scone worden cleet.
+
+MAERLANT spreekt hier over pozie, terwijl in zijn voorbeeld, naar het
+schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op te stellen
+gesproken wordt[10]. Doch wat hiervan zij, zeker is meer dan een
+dichtwerk door een "clerc" op verzoek van een edelvrouw of edelman
+vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den proloog van zijn Graal-roman
+mede:
+
+ Dese historie van den Grale
+ Dichte ick ter eren Heren Alabrechte,
+ Den Heer van Vorne, wael met rechte;
+ Want hoge liede met hoger historie
+ Menechfouden zoecken hoer glorie
+ Ende korten daer mede hoer tijt.
+
+En in de opdracht van zijn _Spieghel Historiael_ lezen wij:
+
+ Grave Florens, coninc Willems sone,
+ Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone
+ Die mi dit dede anevaen.
+
+Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige ridderromans, bij
+den voortgang onzer wetenschap, bleken bewerkt te zijn door "clercken".
+De godsdienstige, hier en daar zelfs kerkelijke, tint, die over de
+bewerking van het _Roelandslied_ en over den roman _van Walewein_ ligt,
+die misschien ook in de _Lorreinen_ te zien valt, geeft tot dit
+vermoeden wel eenigen grond[11].
+
+In ontwikkeling zullen de "clercken" over het algemeen wel boven de
+menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men daarom aan deze laatsten
+niet alle ontwikkeling te ontzeggen. De bewerker van den _Partonopes_
+b.v. was blijkbaar een man van zekere ontwikkeling en beschaving; hij
+zal wel niet de eenige zijn geweest[12]. Dat mogen wij vermoeden ook met
+het oog op eene reeds vermelde plaats uit den _Spieghel Historiael_.
+MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing over tegen de
+wereldsche "clercken" die een wit voetje bij vrouwen en jonkvrouwen
+trachten te verkrijgen. VINCENTIUS' schets van het uiterlijk dezer
+"petits abbs" geeft hij in zijn Dietsch aldus terug:
+
+ Dese setten al haer doen
+ (Om) haer surcoet [Zijnoot: tabbaard.] ende haer caproen,
+ Hoe hare gescoyte [Zijnoot: schoeisel.] ten besten staet;
+ Om specie ende mossceliaet [Zijnoot: parfums.],
+ Dat si wel rieken van den crude;
+ Nuwe scoen met behagelen hude,
+ T'haer gelu enten crooc [Zijnoot: krullende lokken.],
+ Met vingerlinen verciert ooc:
+ Si gaen rechts of si pleyen [Zijnoot: dansen.] souden.
+
+Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld, over
+wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze beschrijving met
+het vers:
+
+ Dit en sijn niet clerke, maer menestrele.
+
+Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van sommige
+menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven. Blijkbaar trachtten
+dezulken hunne adellijke meesters te evenaren in voornaamheid van
+kleeding, voorkomen en gang. Zijn er te onzent, behalve HEINRIC VAN
+VELDEKE, adellijke menestrelen geweest? Dat de bewerker van den _Willem
+van Oringen_ door MAERLANT: "Claes _ver_ Brechten zone" wordt genoemd,
+geeft ons daarvan geen voorbeeld, want _ver_ wordt in de 13de eeuw reeds
+van burgervrouwen gebezigd[13].
+
+Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en onedel--zeker
+is er wel onderscheid geweest tusschen de menestrelen onderling: in
+maatschappelijke positie, in uiterlijke en innerlijke beschaving;
+onderscheid ook tusschen hen die, verbonden aan den dienst van n heer,
+als gezeten menestrelen gesteld mogen worden tegenover hunne
+rondzwervende kunst-broeders. Ook die "gezeten" menestrelen zullen wel
+eens van heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand in
+den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor; onze bronnen
+vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te kunnen spreken. Op die
+rondzwervende menestrelen moet VELDEKE het oog hebben, waar hij,
+afwijkend van zijn voorbeeld, ter bruiloft van ENEAS en LAVINE "die
+speleman end die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk
+beloonen[14]. Op hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: "menestrele
+|| Die altoes zijn onghestade"[15].
+
+Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de "speelman" en het
+"speelwijf", waarvan de bewerker van den _Partonopeus_ (niet zijn
+voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook "alle die singen broet
+om Gode", die door HEYN VAN AKEN in zijne vertaling der _Rose_ genoemd
+worden, waar het Fransch ze niet noemt[16].
+
+Dat onze voorouders bij het woord _menestreel_ in de eerste plaats
+dachten aan een _muzikant_, een "_speelman_" zooals zij zeiden, blijkt
+ook uit eene plaats in MAERLANT'S _Alexander_. Een paar verzen der
+_Alexandres_ waarin over _mimi_ gesproken wordt, geeft hij aldus weer:
+
+ Die menestrele quamer mede
+ Vor dien coninc in die stede
+ Ende loofdene met haren sanghe.
+ Daer was menich trompe langhe,
+ Vedelen, haerpen ende sijmphonien,
+ Cystolen die wel leren vrien,
+ Salterien, orghelen ende sciven[17].
+
+Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen:
+
+ Men speelder met sweerden ende met kniven
+
+dan zien wij hoe rekbaar het begrip _speelman_ was en dat het in de
+middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens zien wij dat
+zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche compilatie
+_Karlmeinet_ die omstreeks 1300 uit Nederlandsche romans is
+samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven van de kunst en de
+kunsten van
+
+ Hundert mynistrere
+ De wir nennen speleman.
+
+Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den hoorn, de
+harp, het salterie; genen kunnen spreken van wapenen, van avonturen en
+van minne; anderen goochelen onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar
+draaiende) met stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten
+vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw[18].
+
+Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk, die
+paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving. Trouwens hunne
+middeleeuwsche voorgangers stamden weer rechtstreeks af van de
+Romeinsche "mimi." In deze kringen, waarin ook niet zelden zwervende
+klerken (goliarden, vaganten) werden opgenomen, zullen wij
+waarschijnlijk de dichters hebben te zoeken die onzen _Bere Wisselau_,
+misschien ook de reize _van Sente Brandaen_ hebben vervaardigd.
+
+Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk aan het
+publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle pozie, en zeker het
+grootste deel van het proza der middeleeuwen, was in de eerste plaats
+bestemd, te worden voorgedragen en aangehoord. Tallooze plaatsen ook in
+onze middeleeuwsche literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog
+op uitdrukkingen als: "Nu hoort....", "dat u te hoorne dunket zoete",
+"hoort er naer", "nu hoort vort van deser dinge" enz.[19]. Bij de
+voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste aanvankelijk,
+wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken hebben bestaan.
+Het publiek wordt daar gewoonlijk aangesproken met: "gi heren ende gi
+vrouwen"; de hoofsche WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: "gi vrouwen
+ende heren"[20].
+
+Soms wordt deze benaming afgewisseld met: "gi goede liede"; doch men
+moet hierbij in aanmerking nemen dat deze uitdrukking eene
+beleefdheidsformule was: "een goet man" is wat wij noemen: een
+fatsoenlijk man, een man van eer. De dichter van _Floris ende
+Blancefloer_ spreekt bepaaldelijk niet tot dorpers, maar tot lieden van
+stand en ontwikkeling[21]. Het _Leven van Sinte Lutgart_ richt zich nu
+eens tot "heren ende vrouwen", dan weer tot "closterliede", "grote ende
+clene", "man noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: "die hier te
+ringe sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring om
+den voordrager heen zat.
+
+Iets gemoedelijks ligt er in het "kinder" of "lieve kinder", waarmede
+MAERLANT in zijn _Merlijn_ en de bewerkers van het _Roelands-lied_ en
+van het gedicht _Van den Levene ons Heren_ soms hun publiek
+aanspreken[22].
+
+Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden mag,
+tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT, dan paste die
+wijze van aanspraak in hun mond wel; minder in dien van
+niet-geestelijken die later hun werk voordroegen.
+
+Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding van dichter tot
+voordrager. In menig geval zal de dichter tevens de eerste voordrager
+van zijn werk zijn geweest; immers de meeste dichters zullen hunne kans
+hebben waargenomen om met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch
+zoodra het oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd
+was, konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de prologen
+van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt, dunkt mij, dat de
+dichters op latere voordragers gerekend hebben[23]. Het vermelden van
+des dichters naam in den proloog moest waarschijnlijk denzelfden dienst
+doen als in onzen tijd de naam van den schrijver op het titelblad. In
+sommige gedichten (_Moriaen_, _Carel en Elegast_, _Levene ons Heren_,
+_Seven Vroeden_) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde
+persoon te zijn
+
+geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot zijne hoorders in den
+eersten persoon; die prologen zijn zoodanig, dat ook een later
+voordrager dat _ic_ kon behouden. In andere werken (_Floris en
+Blancefloer_, _S. Frandscus_, _Walewein_, _Troyen_, _Merlijn_) begint de
+dichter wel met _ic_, doch gaat later over tot het noemen van zijn naam
+en spreekt van zich zelven in den 3en persoon. Op die wijze bleek bij
+eene voordracht door een ander toch, wie de dichter was. Ook het
+omgekeerde komt voor: de dichter van den _Reinaert_ begint met: "WILLEM,
+die... hem... hi" en spreekt later van zich zelven met _ic_; hetzelfde
+geval treffen wij aan in _der Naturen Bloeme_ en den _Rinclus_. Hier
+zullen wij moeten denken aan den overgang van _oratio indirecta_ tot
+_directa_, dien wij vroeger in een ander verband hebben besproken.
+
+Werden voordrachten van pozie vooral des zomers gehouden? Indien men
+MAERLANT'S uiting dienaangaande in _Heimelijcheid der Heimelijcheden_
+gewicht mag toekennen, dan: ja. In den zomer, zegt hij, pleegt men zich
+op allerlei wijze te vermaken:
+
+ Ende men brinct soeten sanc te voren,
+ Ende men moet dan geesten [Zijnoot: geschiedenissen.] horen
+ Die ghenouchlijc sijn int vertellen
+ Ende lachen dan met goeden ghesellen[24].
+
+Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den adel, juist
+des winters en in den herfst meer behoefte hebben gehad aan zulke
+voordrachten dan in de andere seizoenen.
+
+Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager geschaard,
+dan verzocht hij een "ghestille" en de voordracht ving aan. Begon hij
+dadelijk met spreken? Indien wij ons herinneren, dat de menestrelen
+tevens muzikanten waren, dan is het niet onwaarschijnlijk dat zij
+begonnen zijn met een klein voorspel. Zoo lezen wij in den roman _van
+Lancelot_:
+
+ Hi tymperde die harpe eer iet lanc,
+ Ende begonste harpen enen sanc[25].
+
+Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht begeleid
+heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten zelfs niet, of de
+verzen in den toon van het recitatief of slechts rhythmeerend
+voorgedragen werden.
+
+Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig zeggen der
+verzen, of streefden zij er ook naar, de personen in hun verhaal ten
+minste met de stem, misschien ook in houding en gebaar, te verbeelden?
+Verwonderlijk zou dat niet zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners
+van Provence een speelman: _contrafazedor_, d.i.: conterfeiter,
+nabootser. Het voordragen van een stuk door n persoon met
+verschillende stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en
+waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste, ook niet een
+menschenstem nabootsen?[26]
+
+Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke speellieden
+pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren nafluiten en nabootsen
+(wie hoorde zulke kunstenaars nooit ten platten lande of in kleine
+steden?) dacht aan den vogel Garrulus, de gaai, die ook bij de
+hedendaagsche vogelkenners geroemd wordt om zijn nabootsingstalent.
+Vooral de Vlaamsche gaai moet "een der meest begaafde en onderhoudende
+inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen hinneken als een veulen,
+anderen hebben zich geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen
+als een hen. Een hedendaagsch natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij
+eens in het bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster
+hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van de ekster,
+de stem van den spreeuw... en eindelijk, opkijkend, een Vlaamsche gaai
+boven zich zag[27].
+
+Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van _der Naturen Bloeme_ nu
+lezen wij van de gaai:
+
+ Wat so bi hem lijt [Zijnoot: hem voorbijgaat.] ooc mede,
+ Ist man, ist voghel, ist enich dier,
+ Bespot dit voghelkijn al hier,
+ Ende conterfaet alrehande luut
+ ...
+ ...
+ Gheplumt ist van menigher ghedane
+ ...
+ ...
+ Garrulus dit dinct mi vele
+ Bedieden some menestrele,
+ Die altoes sijn onghestade,
+ Ende callende vroe ende spade
+ Vele boerden, vele lueghen,
+ Ende conterfeiten dien si moeghen,
+ Bede riddere ende papen,
+ Porters, vrouwen ende knapen,
+ Daer si scone sijn omme gheplumet.
+
+Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande
+mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen, dat de
+bedoelde menestrelen inderdaad door stem, houding en gebaar de personen
+in hun verhaal trachtten uit te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog
+op het laatste vers, waarschijnlijk, dat de menestrelen soms
+gekostumeerd zijn opgetreden.
+
+Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een handschrift. Op
+zulk eene voordracht immers doelen de talrijke plaatsen waar van _lesen_
+sprake is in den zin van _voorlezen_[28]. In verband daarmede wordt, ten
+minste in _Sinte Lutgarts Leven_, de voordracht zelve _lesse_
+genoemd[29]. Opmerkelijk is ook de niet zeldzame uitdrukking "singen no
+lesen" of "lesen ende singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend
+is, maar ons toch ook aan het Oudgermaansche _singen und sagen_
+herinnert[30].
+
+Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten uit het hoofd
+opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk kunnen maken, zijn er ook nu
+nog. Zij zullen in die vroegere tijden, toen het geheugen zooveel minder
+beladen en overladen werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men
+zal dit te eer aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen
+zich gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht
+oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken zullen
+doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn.
+
+Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben gegolden,
+indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te hebben. Wij lezen op
+eene vroeger vermelde plaats van den _Karlmeinet_, dat er menestrelen
+waren
+
+ De van mynnen ind leve [Zijnoot: liefde.]
+ Sprachen _sunder breve_[31].
+
+Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij las, hij
+kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner hoorders had grenzen.
+Zeker, het publiek dier dagen, niet verwend en luistergraag, zal niet
+spoedig te veel hebben gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op
+bedacht, aan het dreigend "te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij
+hier en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen als:
+"Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze uit _Floris en
+Blancefloer_:
+
+ Het soude u allen dinken te lanc,
+ Noemdic u die gherechten alle[32].
+
+Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen
+op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen, maar ook door
+bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor hetgeen onmiddellijk zal
+volgen. Het zijn wendingen als: "Hoort hier wonder groot!", "Hoort hier
+ontfermelike dinc!" of:
+
+ Nu alre irst so mogedi horen
+ Utenemende aventuren.
+
+Ook klinkt het wel overredend:
+
+ Maer wildi vort met lesen duren,
+ Ghi sult hier horen scone die jeeste[33].
+
+Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders wel eens verveeld
+hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen over zijn publiek verdienen
+stellig niet alle letterlijk te worden geloofd; doch de aardige verzen
+waarin hij de verveling zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor
+een deel werkelijkheid bevatten[34]. Een zoo omvangrijk gedicht als het
+_Leven van Sinte Lutgart_ zal wel in verscheidene "lessen" en op
+achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het spreekt vanzelf
+dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd moesten pauzeeren. Met
+de groote ridderromans zal het wel niet anders zijn gegaan. Doch men
+behoefde natuurlijk niet steeds een werk in zijn geheel voor te dragen;
+het karakter van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed
+juist tot gedeeltelijke voordracht.
+
+De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men gewoonlijk in ne
+"lesse" voor? Zou men ook te onzent, evenals misschien in Frankrijk,
+niet meer dan twee of drie duizend verzen tegelijk hebben gelezen of
+gezegd[35]?
+
+Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is in dezen nog
+niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk. Wij kunnen slechts door
+een paar voorbeelden de richting aangeven, waarin met eenige kans op
+vinden kan worden gezocht.
+
+In den grooten roman der _Lorreinen_ die waarschijnlijk uit een
+honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk in zijn geheel
+kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan een plaats verzen die het
+begin, andere die het eind eener "lesse" schijnen aan te wijzen; niet
+zelden geeft de voordrager daar eene korte samenvatting van hetgeen te
+voren verhaald was, om daarna den draad van zijn verhaal weer op te
+vatten. Zulke literaire pleisterplaatsen vindt men ook in den _Walewein_
+en den _Reinaert_. In de _Lorreinen_ leest men b.v. (na de gewone
+opwekking tot aandacht: "Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze
+samenvatting:
+
+ Gi hebt hier voren wel gehort,
+ Hoe van Bordeas der port
+ Was gereden her Garijn
+ enz.
+
+Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van den inhoud der
+drie groote deelen van het gedicht, en iets later deze samenvatting van
+het voorafgaande:
+
+ Gi hebt hier voren verstaen wel,
+ Hoe Gelloen die ridder fel
+ enz.
+
+Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke recapitulatie
+vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven door een groote
+geschilderde hoofdletter[36].
+
+Zoo ook in den _Walewein_:
+
+ Nu latic hier of die tale,
+ Ic salre weder toe keren wale.
+ Ghi hebt wel ghehort hier voren
+ Hoe Walewein die ridder uutvercoren
+ Jeghen den roden ridder vacht
+ Die....
+
+Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: "Ic wille corten
+mine tale" misschien het eind eener voordracht[37]. Dat
+men het gedicht _Van den Vos Reinaerde_, bijna 3500 verzen, in ne
+"zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk; doch
+waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt gekozen zal
+hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8:
+
+ nu moet hi pleghen siere sele
+ Reinaert bi Grimbeerts rade,
+ ende ghinc te hove up ghenade.
+
+om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende vs. 1689:
+
+ Nu es die biechte ghedaen.
+
+Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder na vs.
+1962. Wij lezen daar:
+
+ Nu waren die drie heren gereet,
+ die Reinaerde waren te wreet.
+ dat was de wulf ende Tibeert
+ ende her Bruun die hadde gheleert
+ honich stelen te sinen scaden.
+
+Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan zijne "lesse"
+midden in het verhaal der voltrekking van het vonnis aan Reinaert die
+tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord: waarom zou hij de aandacht
+zijner hoorders niet gespannen hebben met dezelfde kinderlijke
+kunstgreep, waarvan zich in onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs
+bedienen, wanneer zij een hoofdstuk besluiten met: "Eensklaps weergalmde
+een schot!" of: "De doodstraf nam een aanvang"?
+
+Behalve de mogelijkheid dat men den _Reinaert_ in zijn geheel of in twee
+deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze andere: dat men telkens
+slechts n of meer der afzonderlijke verhalen hebbe gekozen waaruit het
+gedicht bestaat. Men zal b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als
+deze: Inleiding (vs. 1-464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs.
+465(518)-1014); zending van Tibert (vs. 1043-1356); zending van
+Grimbaert (vs. 1357-1750); Reinaert ten hove (1751-3018; misschien met
+een rust vr vs. 2551: "Doe Reinaert quite was ghelaten"); Reinaert's
+wraak (3019-3476). In allen gevalle is het wel opmerkelijk, dat de
+Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld is in een aantal
+hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen met de bovenvermelde, door mij
+afgedeelde, "lessen".
+
+Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch gedicht
+geeft ons o.a. de roman _van Limborch_. Dit verhaal is verdeeld in een
+aantal boeken, welke--evenals in de _Lorreinen_--door eene groote
+gebloemde letter zijn onderscheiden[38]. Sommige dezer boeken die van
+1000-1400 verzen tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In
+de overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot van eenig
+onderdeel een "amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt[39].
+
+Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden pad moeten
+wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op de in den aanvang
+gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal voortgezet onderzoek ons dat
+brengen? Voorloopig meen ik het te moeten betwijfelen. Voor den omvang
+dier middeleeuwsche voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij
+uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk
+zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene regelmaat
+van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en op een anderen keer 1000
+en bij weer een andere gelegenheid 2000 verzen hebben voorgedragen? Of
+welk ander aantal ook, afhankelijk slechts van de omstandigheden, den
+aard der stof in verband met de aandacht van het publiek en de
+persoonlijkheid van den voordrager?
+
+Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel van ons
+verhaal kunnen besluiten.
+
+Alle pozie--zeiden wij vroeger--en het grootste deel van het proza der
+middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd te worden voorgedragen en
+aangehoord. In die uitspraak ligt opgesloten, dat verzen en proza ook
+langs een anderen weg ter kennisse van het publiek konden komen; men
+begrijpt, dat ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen.
+
+Er zijn in de tweede helft der 13de eeuw wel reeds lezers, in onzen zin
+des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat wij die in de eerste
+plaats onder de geestelijkheid en daarna onder den adel zullen vinden.
+Zoo zegt MAERLANT'S vriend MARTIJN aan het slot van het strophisch
+gedicht _Van der Drievoudecheide_:
+
+ Als ic dit lese ende spelle
+ Maghic leren, als ic vertelle,
+ Mijn ghelove al bloot.
+
+In den proloog van _Sinte Lutgarts Leven_ lezen wij:
+
+ Mar wonder hevet mi van desen
+ Warumme si so gerne lesen
+ Van ouden sagen dat gedichte,
+ Ende oc geloeven also lichte
+ Din logeneren die se tellen[40].
+
+En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die hem niet
+gelooft aan:
+
+ Dat hi die vite van der maget
+ ...
+ Of selve lese, ochte imene el
+ Hem lesen doe[41].
+
+In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking der _Historie van
+Troyen_ voorspelt de dichter, sprekend van HECTOR'S dood:
+
+ Oec alle heren ende vrouwen
+ Diet lesen, sullen maken rouwe[42].
+
+En in _der Naturen Bloeme_ zegt hij tot Heer NICLAES VAN CATS:
+
+ Ghebiedijt, here, dit suldi lesen,
+ Die wile dat ghi ledich sout wesen[43].
+
+Misschien heeft MAERLANT in zijn _Rijmbijbel_, die toch tenminste
+evenzeer voor de gemeenten als voor den adel bestemd was, het oog op
+zelf lezen, als hij schrijft:
+
+ Nu merct ghi die hier in zult lesen,
+ Wat nutscap hier an zal wesen.
+
+Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal niet geweest
+zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen? Het mag betwijfeld
+worden. Ook had de adel tal van vermaken en ontspanningen die hij hooger
+stelde dan deze vermoeienis des geestes. De geestelijken konden wel
+lezen, doch Latijnsche geschriften genoten bij hen de voorkeur. In de
+kloosters werd bovendien onder de maaltijden veel voorgelezen.
+Voorzoover de monniken zelven lazen, beperkte zich hunne lectuur
+waarschijnlijk tot liturgische of stichtelijke geschriften. Onder de
+gemeentenaren werd de leeskunst zeker weinig beoefend. Het lager
+onderwijs was uiterst gebrekkig. Indien een poorter al kon lezen, dan
+eischte het koopen van een handschrift toch eene vrij hooge mate van
+stoffelijke welvaart, want een handschrift bleef vooreerst nog een
+voorwerp van weelde; het lezen eischte smaak in geestelijke ontspanning,
+vrijen tijd en niet minder zekere zelfstandigheid van gevoelen en
+denken, zich openbarend in het kiezen van eigen lectuur, die verre van
+algemeen verbreid was.
+
+Eer de Dietsche laaglanders tot die zelfstandigheid van gevoelen en
+denken konden komen, hadden zij nog menig stadium van ontwikkeling te
+doorloopen. In het eerstvolgende dier stadin zullen wij hen nu
+gadeslaan.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] _Sp. Hist._, IV, 1, cap. XXIX.
+
+[2] A.w. Deel II, p. 85, vs. 20. In het Latijn leest men daarvoor:
+"_sponsos_ magis estimatos quam clericos."
+
+[3] T.a.p. III, 2146:
+
+"Als hi dus pipet ende mauwet."
+
+
+Vgl. ook XI, 149: "blasen ende pipen" in verband met het woord "noten"
+in vs. 151.
+
+[4] _Eerste Martijn_, vs. 371-388.
+
+[5] A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22.
+
+[6] _Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk_., II, 230, vs. 493-4.
+
+[7] Vgl. b.v. _Moriaen_ 4641-2: "Menestrele ende yraude mede || Ward
+daer gegeven grote rijchede"; _Lorr._ (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs.
+1342. _Torec_, vs. 2714-'5: "Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi
+alle gichte danne". Dat _menestreel_ verdietscht werd met _speelman_,
+zien wij in _Karlmeinet_, A. 287, vs. 12-13:
+
+Hundert mynistrere, De wir nennen speleman.
+
+
+[8] A.w. vs. 2753-'7. Eene eeuw later vermeldt WILLEM VAN
+HILDEGAERTSBERCH nog hetzelfde gebruik. In het stuk getiteld _Van Feeste
+van Heren_ lezen wij (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 195: Dan roepen die
+eerauden voort Den danc als die vrouwen ramen, Ende noemen overluut bi
+namen Wyet verdient nae wapen recht.
+
+
+[9] Vs. 15259 vlgg.
+
+[10] A.w. vs. 2087 vlgg. en KAUSLER'S mededeeling over den inhoud van
+het capittel: _De Electione notarii_.
+
+[11] Vgl. mijne aanwijzingen daaromtrent in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_,
+bl. 52, 55. Over den roman _van Walewein_ vgl. het vroeger medegedeelde
+en vs. 19-21 van den proloog. Wat de _Lorreinen_ betreft, verwijs ik
+naar de door MATTHES uitgegeven fragmenten, p. 17, vs. 371-2; 28, 637-9;
+30, 661; 32, 730-'4.
+
+[12] Vgl. Dr. VAN BERKUM'S opmerkingen dienaangaande t.a.p. bl. LI vlgg.
+
+[13] In de _Oudste Stadsrekeningen van Dordrecht_ (ed. Mr. CH. M. DOZY),
+p. 7 vindt men op het jaar 1284-'85: "Symoen vern Anesoeten sone van
+wine" etc. Ik dank deze mededeeling aan mijn vriend VERDAM. Bij nader
+onderzoek bleek mij dat er in de voorafgaande posten nog tal van
+dergelijke benamingen voorkomen, die duidelijk maken dat _ver_ in het
+laatst der 13e eeuw geene adellijke dame aanduidde. Zoo b.v.: "Thout Jan
+ver Haedwien sone"; "Van den mele Jan ver Diewien sone"; "Ysere Heyne
+ver Lisbetten sone" enz.
+
+[14] _Eneide_, vs. 13107, 13159, 13196. VELDEKE gaat hier zijn eigen
+weg, zooals uit eene vergelijking met het Fransch (ed. SALVERDA DE
+GRAVE) blijkt.
+
+[15] _Nat. Bloeme_, III, 2135. In afwijking van het _Mnl. Wdb._ vat ik
+hier _onghestade_ op als _ongedurig, zwervend_. Immers dan alleen gaat
+de vergelijking op met den gaai "die van bome te bome vliecht ende
+sprinct.... Noch gheduert in ghere stede."
+
+[16] A.w. vs. 10514-6.
+
+[17] _Alex._, V, 1041-7. In de _Alexandres_ op de overeenkomstige
+plaats, (V, 483):
+
+Occurrunt lyricis modulantes cantibus odas Cum cytharis mimi:
+
+
+[18] _Karlmeinet_ (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog 296_b_,
+vs. 48 vlgg.
+
+[19] Vgl. o.a. _Mnl. Wdb._ i.v. III, kol. 592.
+
+[20] A.w. II, vs. 5089, 6271.
+
+[21] Proloog, vs. 3 vlgg.; 72-5.
+
+[22] Eenige bewijsplaatsen uit vele: _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 124; _Flor.
+en Blanc._, 16; _S. Lutgart_, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047, 11393,
+13817; III; 68, 2737; _Roel._, 210; _Merlijn_, vs. 545; _L.o.H._, vs.
+17.
+
+[23] Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag of de
+proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier niet dieper
+treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk onderzoek
+verdienen.
+
+[24] A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig.
+
+[25] II, 29408.
+
+[26] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neueren Dramas_, I, 380. Over het
+voordragen met "Stimmenwechsel" ald. 34, 160.
+
+[27] Vgl. BREHM'S _Leven der Dieren_ (bewerking van HUIZINGA), II,
+227-8.
+
+[28] _Sp. Hist._, I, 280 (2e kol.): "Maer die scone bispele || Diemen
+gerne lesen hort"; _Bere Wiss._, 391: "daer ic vormaels ave las";
+_Ferg._, 4509: "dus gedaen dinc hordic noit lesen"; _Rijmb._, 27099:
+"Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment
+leest bi sullen wesen" (de toehoorders).
+
+[29] II, 168. Vgl. voorts _Mnl. Wdb._, IV, kol. 403-4.
+
+[30] _Moriaen_, 2506-7: "Van soo vreseliken dinghen || En horde noit man
+lesen no singhen"; _Walewein_, 4994; _Troyen_ (Epis. ed. VERDAM), 4687,
+waar in het origineel staat: "Jams hom _n'orra_ tel esforz"; _Leven v.
+S. Lutgart_, II, 3157, 5580, 7631.
+
+Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den _Reinaert_, I,
+2981 en _Mnl. Wdb._, IV, p. 392, 394, 395, 396.
+
+[31] D.i.: zonder beschreven papier vr zich, uit het hoofd.
+
+Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in _Mnl. Wdb._, I, kol.
+1337.
+
+[32] Vs. 2197-8.
+
+[33] Vgl. o.a.: _Reinaert_, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425, 2848 en
+pass.; _Aiol_, 25, 602, 615, 983; _Van Sente Brandane_, C. vs. 1, 5, 30,
+1702; H. vs. 2014, 2026; _Moriaen_, 1688-90; _Lancelot_, II, 10-11.
+
+Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd,
+die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn _Leven van S.
+Lutgart_ ten onrechte stoplappen noemt.
+
+[34] Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over WILLEM
+VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: _Neue Jahrbcher fr das klassische
+Altertum_ etc., XIII Bd., 6. Heft.
+
+[35] Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de
+Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288.
+
+[36] Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (_Kar. de Groote en zijne XII.
+Pairs_), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs. 1354 vlgg.; bl.
+74-75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in _Tijdschr. v. N.T. en
+L._, III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog Fragm. JONCKBLOET, bl.
+131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES, bl. 31, vs. 95 vlgg.
+
+Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere _rubricae_ is het
+misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen.
+
+[37] Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener "lesse" in vs. 1867 en
+vs. 2842?
+
+[38] Inleiding, p. XXXV.
+
+[39] I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal "amen's";
+in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden; V, 1738; ook aan
+het slot; VI, 2234.
+
+[40] II, 47-51.
+
+[41] A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165-7.
+
+[42] _Epis._, vs. 6676-7.
+
+[43] _Nat. Bl._, bl. 169, vs. 4029-4030.
+
+
+
+TUSSCHENSPEL.
+
+
+ONTKIEMING VAN HET NATIONALITEITSGEVOEL.
+
+ Maerlant. Ridderpozie. Heyn van Aken. _Hughe van Tabarien_; _Roman van
+ de Roos_; _Roman van Limborch_. Jan van Heelu. _Slag bij Woeronc_.
+ Lodewijk van Velthem. _Flandrijs_. _Vlaamsche Rijmkroniek_.
+ _Brabantsche Yeesten_. Melis Stoke.
+
+Op onzen weg door het verleden hebben wij tot dusver meermalen iets
+aangetroffen, dat, uit deze volken oorspronkelijk voortgekomen of onder
+hen opnieuw geboren, als het inheemsche tegenover het uitheemsche mocht
+worden gesteld.
+
+In de bewerkingen der ridderromans zagen wij hier en daar wel gevoel
+voor het ridderwezen in zijn heroek idealisme, zijn hoofschheid en
+fijnheid, doch vaker het burgerlijke tegenover het ridderlijke, het
+dorperlijke tegenover het hoofsche; uit gemis aan aesthetischen zin het
+aanschouwelijke en beeldende opgeofferd aan de eischen van fatsoen en
+zedigheid.
+
+In den _Karel en Elegast_ bewonderden wij eenvoudig en zuiver gevoel,
+sober en met naeve kunst verwerkt. Het gedicht _Van den Levene ons
+Heren_, de pozie van WILLEM VAN AFFLIGHEM, vooral die van HADEWIJCH,
+toonden ons innigheid van godsdienstig gevoel in bevallige vormen en de
+hooge vlucht der ziel op sterke wieken des geloofs. Uit het verhaal _van
+den vos Reinaerde_ sprak brutale zinnelijkheid naast scherpe waarneming
+der werkelijkheid; daar vonden wij schalksche scherts en bitteren spot
+in dienst der hekeling van maatschappelijke toestanden.
+
+Bij MAERLANT zagen wij onverschrokken waarheidszin en sterk
+rechtsgevoel; schoonheidszin onderdrukt door het verlangen om te
+onderwijzen en te stichten, doch bijwijlen zich uitend krachtig en
+bezield.
+
+Men zou zulke eigenaardigheden en eigenschappen als het nationale
+tegenover het uitheemsche of het internationale kunnen stellen. Doch men
+zou zoo doende uit het oog verliezen, dat er in dezen tijd van het
+nationale in den vollen zin des woords eigenlijk niet gesproken kan
+worden, omdat uit de bewoners dezer landen nog niet eene natie, ne
+natie, was ontstaan.
+
+De eigenaardigheden en eigenschappen waarop wij het oog hebben,
+behoorden echter tot de elementen waaruit zich het Nederlandsch
+volkskarakter mettertijd zou vormen. Eer het zoover kon komen, moesten
+de onderscheiden volksgroepen hier te lande zich nauwer aaneensluiten.
+Dat kon weer niet geschieden, voordat in elk dier groepen een inniger
+samenhang ontstaan en het besef ontwaakt was van dien samenhang. Elke
+groep moest zich bewust worden, dat zij, tegenover de andere, eene
+eenheid vormde, eenheid van tongval, recht, zeden en gewoonten,
+kleeding; eenheid ook ten opzichte van den grond, waaraan zij allen
+eenig deel hadden, dien zij wilden verdedigen tegen indringers, waaraan
+zij gehecht waren door de kracht der gewoonte en doordat zij er zich
+thuis gevoelden.
+
+MAERLANT is ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn volk, dat hij
+onder de eersten zich bewust wordt van die gehechtheid aan den
+geboortegrond, die zulk een voornaam bestanddeel vormt van het
+nationaliteitsgevoel. Tot die bewustheid is hij niet uit zich zelven
+gekomen. GAUTIER DE CHATILLON heeft hem door zijne _Alexandres_ op die
+gehechtheid aan den geboortegrond opmerkzaam gemaakt; doch GAUTIER'S
+warme ontboezeming is door MAERLANT nagevoeld en op zelfstandige wijze
+weergegeven in deze verzen:
+
+ Owi, here God, hoe macht sijn
+ Dat elken minsce int herte sijn
+ So soete dunct sijns selves lant?
+ Die Brabantsoen prijst Brabant
+ Ende die Fransois Vrankerike,
+ Die Duutsce dat Keyserrike,
+ Die Baertoene [Zijnoot: Bretagners.] prisen Baertanin,
+ Die Tsampanoise Tsampanin,
+ Also mint die vogel dwout,
+ Daer hi in hevet grote ghewout [Zijnoot: vrijheid.].
+ Al dademene in een waerme mute [Zijnoot: kooi.],
+ Mach hi, hi vlieghet ute.
+ Dus priset elckerlijc sijn lant.
+ Maerlant seide dat hi noit en vant
+ Also goet lant alse Bruxambocht [Zijnoot: het Vrije van Brugge.].
+ Ic waens hem daerbi heeft ghedocht,
+ Omdat hiere in was gheboren[1].
+
+Zooals men hier ziet, toont MAERLANT eene ruime opvatting van het begrip
+_geboortegrond_, waar hij over Frankrijk en Duitschland als het land van
+_de_ Franschen, _de_ Duitschers spreekt. Doch daarnaast zien wij eene
+beperkter opvatting, waar hij Champagne en Bretagne in n adem met
+zulke landen noemt. Met die beperkter opvatting strookt, dat hij Brabant
+als een land op zich zelf en het Vrije van Brugge als zijn geboortegrond
+voorstelt.
+
+MAERLANT zal hier wel de opvatting van de meeste zijner tijdgenooten
+hebben weergegeven.
+
+De dichter van den _Reinaert_ moge een enkele maal den blik laten weiden
+over het groote laagland "tusschen de Elbe en de Somme", HADEWYCH hare
+geestverwanten hebben gehad in Thuringen en Saksen, geestelijken en
+clercken als MAERLANT een deel van Europa hebben omvat met hun blik--de
+groote meerderheid des volks bleef naar lichaam en geest gevangen binnen
+den kring van de eigen stad of de streek, waar zij geboren waren. De
+blik der meesten werd beperkt door de grenzen van het graafschap of
+hertogdom, waartoe zij behoorden, en richtte zich betrekkelijk zelden op
+naburige landen en volken.
+
+Het gevoel van gehechtheid aan den geboortegrond, zoo licht zich
+uitzettend tot trots op dien grond, dat wij omstreeks het midden der
+13de eeuw in MAERLANT aantreffen, kunnen wij in het laatst dier eeuw en
+in den aanvang der volgende ook elders in deze landen waarnemen. In
+Limburg, Brabant, Vlaanderen, die landschappen dus, waar het
+letterkundig leven tot nog toe hoofdzakelijk zich had ontwikkeld, zien
+wij het volksgevoel ontwaken en zich uiten in den roman _van Limborch_
+en den _Flandrijs_, in JAN VAN HEELU'S verhaal van den _slag bij
+Woeringen_, in het werk van VELTHEM en de Kroniek van MELIS STOKE.
+
+Opmerkelijk, doch niet onverklaarbaar, is, dat wij in de meeste dezer
+werken het volksgevoel--of beter: het stamgevoel--verbonden zien met de
+verheerlijking van den adel, dat de vorm dier werken ons herinnert aan
+dien der ridderromans, dat de dichters dezer werken grootendeels in vrij
+nauwe betrekking staan tot den adel. Het zelfbesef der edelen, de
+ingenomenheid met eigen geslacht en de zucht om den roem van dat
+geslacht te verhoogen, vinden wij op groote schaal terug bij een
+ganschen stam. Zoo kwam een dichter er toe, de verheerlijking van een
+geslacht uit te breiden tot den stam, waarover dat geslacht regeerde.
+
+Een staaltje van dergelijke uitbreiding vinden wij in een 14de-eeuwsch
+dichtwerk over den Grimbergschen oorlog, een strijd tusschen de machtige
+heeren van Grimbergen en de hertogen van Brabant. De bedoeling van den
+dichter was natuurlijk: eene verheerlijking van het geslacht van
+Grimbergen. Doch in die verheerlijking krijgt ook de gansche adel en het
+gansche Brabantsche volk deel, zoodat wij reeds in den aanvang vernemen,
+dat "die van Brabant" gekomen zijn "uut dien van Troyen[2]." Langs dien,
+ook later niet zelden gevolgden, weg verhief men een gansch volk tot den
+adelstand.
+
+Wij worden in onze overtuiging van de juistheid dezer voorstelling
+versterkt, wanneer wij er op letten, hoe in de oorspronkelijke
+ridderpozie de liefde tot het eigen land zich reeds openbaart. Toont de
+onbekende dichter der _Chanson de Roland_ niet eene sterke liefde voor
+"dulce France"? Het zou geen wonder zijn, dat menig hoorder der
+Nederlandsche bewerking zich bewust is geworden van de liefde tot zijn
+geboorteland, waar hij ROELANT hoorde zeggen:
+
+ Dan wille God niet, dat ghesciet,
+ Dat soete Vrankrike bi mi
+ Sijn eere verliese, hets soe vri!
+
+of waar hij dergelijke uitingen elders hoorde terugkeeren[3].
+
+In geen, te onzent vertaalden of bewerkten, ridderroman echter vond ik
+de liefde tot een bepaald land en zijne inwoners zoo diep gevoeld, zoo
+uitvoerig in wezen en werking beschreven, als in den roman _van
+Lancelot_, in deze verzen:
+
+ Alsi ter zee quamen mettien,
+ Begonste Lancelot dat lant besien,
+ Daer hem in was menege ere
+ Gedaen ende oec vele mere
+ Dan oit daer vore was, sonder waen,
+ Enegen riddere allene gedaen.
+ Hem begonste lopen sere
+ Die trane op sirie lire [Zijnoot: wangen.],
+ Ende hi versuchte doe sware
+ Ende weende sere daernare.
+ Alsi aldus hadde gewesen
+ Ene wile, hi sprac na desen
+ Stillekine, so dat dese word
+ Nieman en verstont dan Bohort:
+ "Ay soete lant ende godertire
+ "Ende mergelijc [Zijnoot: vreugdevol.] in alre manire,
+ "Wel sittende ende blide mede,
+ "Vol van alre geluckechede,
+ "Daer min geest in blivet geellike [Zijnoot: geheel en al.]
+ "Ende mine ziele dier gelike,
+ "Gebenedijt moetstu talle stonde
+ "Wesen van Jhesus Kerst monde,
+ "Ende gebenediet soe sijn si
+ "Dire in bliven selen na mi
+ "Ende wonen selen in desen lande!
+ "Sijn si mi vriende oft viande,
+ "God mote hen pays geven
+ "Ende met rasten [Zijnoot: rust.] doen leven!"
+ ...
+ ...
+ Dit waren sine worde die hi sprac,
+ Alsi uten lande van Logres trac.
+ Hi sach ten landewaerd nadien,
+ Alse lange als hijt conde gesien[4].
+
+Hoe modern reeds schijnt ons dit afscheid van een land dat ons lief
+geworden is: die tranen langs de wangen, die zuchten, die gefluisterde
+zegenwensch, dat staren naar de wijkende kust! Hoe modern reeds, al
+hooren wij hier slechts een flauw voorspel van dergelijke pozie in
+lateren tijd, wanneer CHILDE HAROLD zijn "native shore" vaarwel zal
+zeggen.
+
+Den samenhang nu tusschen ridderlijke romantiek en een kiem van
+nationaliteitsgevoel, dien wij in het _Roelants-lied_ en den roman _van
+Lancelot_ kunnen opmerken, vinden wij ook in de meeste bovengenoemde
+Dietsche dichtwerken en dichters. De _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn
+ridderromans; HEYN VAN AKEN, dichter van den _Limborch_, toont ook
+elders sympathie voor het ridderwezen; de _Slag van Woeringen_ is half
+ridderroman half kroniek, de dichter van dat werk, JAN VAN HEELU, zal
+wel tot het gevolg van JAN I, hertog van Brabant, behoord hebben; de
+edelman LODEWIJK VAN VELTHEM zet wel MAERLANT'S _Spieghel Historiael_
+voort, doch is tevens de samensteller van de Lancelot-compilatie. De
+_Vlaamsche Rijm-Kroniek_, de _Brabantsche Yeesten_ en MELIS STOKE'S
+_Rijmkroniek van Holland_ zijn zuiver-historische werken; doch men
+vergete niet, dat deze werken ten deele strekken moesten om de
+aanzienlijke afkomst der over die landen regeerende vorstenhuizen te
+betoogen, en dat de adel zelf grootendeels aan de historie zijn recht
+van bestaan ontleende.
+
+De dichter van den _roman van Limborch_, HEYN VAN AKEN, was vermoedelijk
+in Brussel geboren en tijdens zijn leven pastoor van Corbeke bij Leuven.
+Wij kennen drie werken van hem; twee vertaalde: _Hughe van Tabarien_ en
+den roman _van de Roos_; een oorspronkelijk: den _roman van Limborch_.
+Het laatste is door hem waarschijnlijk geschreven tusschen 1291-1318;
+het middelste misschien omstreeks 1300 terwijl hij de bewerking van den
+_Limborch_ eenigen tijd liet rusten; de dagteekening van het eerste is
+onzeker. De dichter moet vr 1330 gestorven zijn; zeker niet zoo heel
+lang na de voleindiging van den _Limborch_[5]. In den aanvang van het
+Tiende Boek immers stelt hij zich aan zijn publiek voor als een oud man:
+hij is versleten, het vesperklokje gaat voor hem luiden, zijn eenig
+genoegen "leit in de scotele ende in den nap"; voor de minne deugt hij
+niet langer, erover praten is al wat hij kan. Hij moge dan pastoor
+geweest zijn, aan het slot van zijn _Hughe van Tabaryen_ schreef hij:
+
+ Dit hevet ghedicht, te love ende theeren [Zijnoot: ter eer.]
+ Allen rudderen, Heyne van Haken[6].
+
+Daaruit blijkt wel, dat hij met den adel op goeden voet stond of
+wenschte te staan. Het oorspronkelijk gedicht _De l'Ordene de
+Chevalerie_ in 36 achtregelige strofen, bevat eene uiteenzetting van het
+ridderwezen en van de symbolische beteekenis der plechtigheden bij de
+ridderwijding. Evenzoo behelst de roman _van de Roos_, vooral in zijn
+eerste deel, eene uiteenzetting van het wezen der hoofsche liefde.
+Daarom is de tweede titel van dezen roman, dien wij in het werk zelf
+vinden: nl. _Spieghel der minne_, zooveel juister, omdat hij het wezen
+van het boek beter aanwijst. Naspeuren en uiteenzetten van het wezen der
+dingen--dat was de geest der burgerij, die misschien ook over een deel
+der edelen vaardig werd. Het kenschetst echter dit tijdvak van overgang,
+dat die geest zich hier richtte op de instelling van het ridderwezen en
+op den hartstocht die vooral door den ridderstand tot eene soort van
+eeredienst was verheven. Trouwens den ganschen opzet van den _Roman de
+la Rose_: een minnaar die eene roos (symbool der geliefde) wil machtig
+worden, maar daarin door zijne gevangenschap verhinderd wordt, vindt men
+reeds in den roman _van Lancelot_[7].
+
+Doch er is in dit werk behalve den opzet nog meer gewichtigs, waarvan
+wij hier het een en ander moeten mededeelen.
+
+Het oorspronkelijk gedicht dankt zijn ontstaan aan twee dichters:
+GUILLAUME DE LORRIS en JEAN DE MEUNG; het werk van den eerste dagteekent
+van omstreeks 1225-1230, en is omstreeks 1270 door den tweede
+voortgezet. Tusschen die beide dichters bestaat een groot verschil.
+GUILLAUME DE LORRIS, uit de school van CRESTIENS DE TROIES, is een
+elegant prediker der hoofsche liefde, een vereerder der vrouwen, een
+bevallig kiesch dichter, die voor edele heeren en hoofsche vrouwen
+schrijft--JEAN DE MEUNG is een geleerde met een scherp verstand, een
+open oog voor de werkelijkheid in al hare naaktheid, onbevangen,
+sceptisch, niet zelden cynisch, die de vrouwen minacht. GUILLAUME leert
+hoe men de vrouwen moet winnen, JEAN hoe men ze moet bedriegen. Ook JEAN
+is een begaafd dichter, maar zonder zelfbedwang of kieschheid. Geeft het
+eerste deel van den roman ons vooral eene "minnekonst"; in het tweede
+vinden wij de minne verbonden met allerlei anderslachtigs: wijsbegeerte,
+godgeleerdheid, natuurwetenschap, satire tegen de vrouwen, de
+geestelijke orden, de grooten, de koningen zoodat wij aan onzen MAERLANT
+gaan denken[8].
+
+Van dien aard is het werk dat door HEYN VAN AKEN half bewerkt half
+vertaald is. Hij heeft vrij wat bekort, vrij wat weggelaten; bekort zijn
+de wijdloopige redeneeringen hier en daar, zoo ook eene beschrijving der
+kunstmiddelen van het vrouwelijk toilet, eene opsomming van
+voorschriften aangaande de wellevendheid. Weggelaten is de uitweiding
+waarin JEAN DE MEUNG zich verontschuldigt dat hij de vrouwen harde
+waarheden heeft moeten zeggen, de uitweiding over den strijd tusschen de
+Natuur en den Dood, vooral de 4000 verzen lange biecht der Natuur "de
+omni scibili", de mededeelingen over de kracht van het Medusa-hoofd, de
+uitval tegen de Dominicaner-orde[9]. Hier en daar vinden wij een
+eenigszins karakteristieke afwijking; zoo b.v. waar de bewerker spreekt
+van "al 't goet van Sassen", waar hij den Rijn in de plaats stelt van de
+Seine, of Poitou en Engeland in zijn gedicht brengt[10]. Doch overigens
+vertoonen zijne vrij goede en vloeiende verzen weinig dat het karakter
+van den bewerker of dat van zijn volk kenschetst.
+
+Meer van hem zelven vinden wij in den _Limborch_, al kan dat werk
+slechts met aanzienlijke beperkingen oorspronkelijk worden genoemd. Dat
+tekort aan oorspronkelijkheid blijkt niet uit het telkens herhaald
+beroep op het Walsch. "Als ict in den Walsche las" en dergelijke
+uitdrukkingen dienden slechts om achtbaarheid aan zijn werk te geven of
+om hem aan een slot te helpen: "want dWalsch en seges mi nemmeer".
+
+Er was hier een historische kern in de persoon van Hertog HENDRIK IV van
+Limburg die in 1227 keizer FREDERIK vergezelde op een tocht naar het
+Heilige Land. De dichter heeft dezen hertog echter verward met HENDRIK I
+die in 1206 te Constantinopel tot keizer werd gekroond en bovendien de
+geschiedenis zoodanig met sagen of eigen verdichtselen omhuld dat het
+geheel niet meer dan eene fabel kan geacht worden[11]. Hoofdzaak was
+voor den dichter de verheerlijking van het huis van Limburg door middel
+van een rijmwerk. Om dat rijmwerk te kunnen samenstellen, had hij stof
+noodig; die stof heeft hij uit zijne herinneringen aan vroegere werken
+samengebracht en op de gebruikelijke wijze verwerkt.
+
+Zoo ontstond, niet uit het leven, maar uit boeken, dit doodgeboren kind
+van belezenheid en gunstbejag.
+
+Menig dichter vr hem had zijn werk vervaardigd ter eere eener
+jonkvrouw die hij liefhad, HEYN VAN AKEN blijft in dezen niet in
+gebreke. Doch hij weet zich niet te hoeden voor het gevaar, dat
+navolgers dreigt: hij tracht zijne voorgangers te evenaren, doch
+overschreeuwt hen. Hadden zij een enkelen keer gewag gemaakt van de
+schoone, ter wille van wie zij hun werk ondernamen, hij herhaalt zulke
+betuigingen door acht boeken heen[12]. Kwam zijne "joncfrouwe
+ongheveinst" misschien uit hetzelfde Walsch, waaruit hij zijn roman
+vertaalde? DIEDERIC VAN ASSENEDE had gezegd, dat de liefde slechts voor
+hoofsche lieden is weggelegd--HEYN VAN AKEN praat het hem
+na. Waar hij elders eene omschrijving der minne wil geven, bedient hij
+zich van een paar verzen uit MAERLANT'S _Eerste Martijn_ [13].
+
+Allerlei motieven, toestanden, namen in zijn werk zijn aan vroegere
+werken ontleend; namen als SIBILLE, MORANT, JONET, EVAX, FROMOND vinden
+wij terug in het verhaal _van koningin Sibille_, in den _Lancelot_ en
+den _Merlijn_, in de _Lorreinen_, den _Lapidarius_ van bisschop
+MARBODEUS van Rennes. De verhouding tusschen den gravenzoon ECHITES en
+de gewaande dienstmaagd MARGRIETE VAN LIMBORCH is geheel dezelfde als
+die tusschen den koningszoon FLORIS en BLANCEFLOER, de dochter der
+Spaansche edelvrouw, die kameniersdienst moet doen; ook de toorn der
+moeder over die verhouding, de list, aangewend om een eind te maken aan
+die liefde, de redding van het meisje door haren minnaar op het
+hachelijkst oogenblik, zijn in beide werken gelijk. Trouwens ook in den
+_Lancelot_ vinden wij eene jonkvrouw "al naect in haer hemde gedaen" te
+midden eener menigte, die de "justitie" wil zien, totdat LANCELOT het
+meisje bevrijdt[14]. ECHITES werpt zijn vaders kok op het vuur, omdat
+deze niet doet wat hij gelast--iets dergelijks doet REINOUT in den roman
+der _Vier Heemskinderen_ [15]. Het gevecht met den draak herinnert aan
+dat met den vogel grijp in de _Lorreinen_[16]. Het koningspel hier doet
+denken aan iets dergelijks in SEGHER'S _Prieel van Troyen_[17]. Van dien
+aard zou meer te noemen zijn, doch het is onnoodig.
+
+Dat in een gedicht, bestemd voor een Limburgsch publiek, niet alleen
+Fransche, maar ook Duitsche dichtwerken op cijns gesteld werden, is
+licht verklaarbaar. Zoo vinden wij hier dan ook de namen van het zwaard
+Mimminc, van den smid WILANT, van den koenen held WEDEGE (WITTICH); eene
+herinnering aan de Nibelungen (de "drie meerwiven"), misschien ook aan
+TANNHUSER en zijn verblijf in den Venusberg[18].
+
+HEYN VAN AKEN mocht al beweren, dat zijn held ECHITES ROELANT en OLIVIER
+overtrof en aan zijne reuzen ongeloofelijke afmetingen geven--zijn werk
+kreeg daardoor niets van het heroeke of ideale, dat echte ridderpozie
+toch altijd eenigermate bezit. Een ridder, die uitgedaagd wordt tot een
+tweegevecht, vraagt uitstel, om in dien tijd schermen te leeren! Is dit
+bedoeld als een grap? Dan nog blijft die grap kenschetsend. MARGRIETE
+VAN LIMBORCH vergelijkt den jongen graaf ECHITES bij een ouden hond, en
+dat nog wel terwijl zij van minne spreken. Wanneer ECHITES in een
+tournooi de overige ridders voor zich uitdrijft, wordt HEYN VAN AKEN
+warm; een beeld ontstaat uit dien gloed: ECHITES is gelijk den stroom,
+die turven stroomafwaarts voert[19].
+
+In de lange gebeden zijner ridders kon de samensteller van den
+_Limborch_ andere romandichters wel navolgen, doch hij vermocht niet die
+te bezielen met de naeve vroomheid die den _Karel en Elegast_ zoo
+aantrekkelijk maakt. Maar in geleerdheid overtrof hij de meeste zijner
+voorgangers; de lauweren van JEAN DE MEUNG lieten hem blijkbaar geen
+rust. Hij kent VENUS, JUNO, PALLAS, de drie Parcen, CUPIDO met fakkel en
+speer; hij is ver in aardrijkskunde, hij weet van Narcissus, van Ulysses
+en Penelope, hij onthaalt ons op een staaltje van de allegorie waarmede
+de _Roman van de Roos_ zoo vervuld is[20].
+
+Ja, indien geleerdheid de waarde van pozie verhoogde en andermans
+veeren zoo goed waren als eigene, dan zou HEYN VAN AKEN met zijn
+_Limborg_ eer hebben ingelegd. Echter, niet zoozeer dat hij zijne stof
+van anderen ontleende, komt in zijn nadeel; doch dat hij die ontleende
+stof niet tot zijne eigene heeft weten te maken, dat zijn rijmwerk
+weinig of niets eigens vertoont.
+
+Dat geldt ook van den _Slag bij Woeringen_.
+
+De strijd tusschen JAN I VAN BRABANT en REINOUT VAN GELRE om het bezit
+van Limburg, in 1288 beslist door eene overwinning der Brabanders, werd
+omstreeks 1291 verheerlijkt door een rijmer die misschien JAN VAN HEELU
+heette en wel een van hertog JAN'S menestreelen kan zijn geweest[21].
+
+Meer nog dan de _Limborch_ was dit gedicht er op berekend, de roemzucht
+van den adel te streelen en te prikkelen. Voortdurend deelt de schrijver
+ons mede, dat hij gewag maakt van deze of gene ridders, opdat men "hare
+daden ewelike gedincken sal." Elders heet het: "zoo groote condicheit"
+(stoutheid) werd nooit gezien als voor Woeronc; meer dan eens
+verontschuldigt hij zich dat hij niet alle ridders bij name kan noemen;
+ook van dappere vijanden verzwijgt hij de namen niet. Geen wonder dat
+het aantal namen hier legio is en nog--zegt de auteur--verzwijg ik de
+namen van velen die even dapper in den strijd waren of nog dapperder dan
+de genoemden[22].
+
+Wat HOMERUS niet kon: pozie maken van een catalogus, kon ook deze
+schrijver niet. Wat HEYN VAN AKEN kon: slaafs overnemen van anderen, dat
+kon ook hij. Dat hij bij de samenstelling van zijn werk onder den
+invloed was zijner lectuur, blijkt o.a. in den aanvang van het Tweede
+Boek, waar hij zegt dat de daden der Maccaben, van "Roelant ende sine
+gesellen", van WALEWEIN, PERCHEVAEL en ALEXANDER niet zoo grootsch en
+indrukwekkend zijn geweest als de daden in den slag bij Woeronc
+bedreven. De wijze waarop de schrijver van dit rijmwerk den
+aartsbisschop van Keulen doet optreden, herinnert hier en daar levendig
+aan het gedrag van bisschop TULPIJN in het _Roelands-lied_; op een
+andere plaats blijkt dat bisschop TULPIJN hem onder het schrijven
+inderdaad voor den geest stond[23]. Pozie is in dit verhaal nergens te
+vinden, wel herhaalde uitingen waaruit blijkt dat de stof den rijmer
+overweldigde. Tevergeefs heeft hij getracht aan zijne verzen hier en
+daar door een vergelijking meer verheffing te geven[24].
+
+Het verhaal van den _Slag bij Woeringen_, schreven wij
+hierboven, is half ridderroman half rijmkroniek. Die beide dichtsoorten
+vinden wij eveneens, doch onvermengd, in LODEWIJK VAN VELTHEM'S werk.
+VELTHEM zette MAERLANT'S _Spiegel Historiael_ voort op verzoek eener
+aanzienlijke Antwerpsche edelvrouw, MARIA VAN BERLAER, en voor loon. Wij
+vinden in zijne kroniek de geschiedenis van Holland, Brabant,
+Vlaanderen, ook die van zijn eigen tijd, ten deele volgens hetgeen hij
+zelf gezien of van ooggetuigen vernomen had. Voor de kennis van de
+ontwikkeling onzer literatuur is dit geschiedwerk van geringe
+beteekenis. Slechts een paar maal, zooals b.v. in het verhaal van den
+Leuvenschen kampvechter en in dat van een mirakel dat te Velthem gebeurd
+zou zijn, vinden wij in de levendigheid en natuurlijken eenvoud van
+stijl iets dat naar literaire kunst zweemt. Een paar andere groene
+plekjes zijn die waar hij, den lof der Heilige Maagd zingend, verzen
+schrijft die voortvloeien met zekere natuurlijke bevalligheid[25].
+
+Tien jaar later, in 1326 namelijk, voltooide VELTHEM, in MAERLANT'S
+voetspoor tredend, een ander werk: het _boek van koning Artur_, dat zich
+bij den _Merlijn_ aansluit. Vertaling van een Fransch _Livre du roi
+Artus_, bevat het de verdere geschiedenis van ARTUR en MERLIJN en hoe de
+machtige toovenaar ten slotte, verstrikt in zijne liefde tot de fee
+VIVIANE, door haar met zijn eigen tooverkunsten gebannen wordt binnen
+een toovercirkel in het woud van Broceliande[26].
+
+Het eenige dat opmerking verdient in deze vertaling, is de indruk dien
+MERLIJN'S geschiedenis op VELTHEM ten slotte heeft gemaakt; indruk dien
+hij weergeeft in deze regels:
+
+ Wat mach men daer meer af seegen dan?
+ Negeen dinc, so help mi God,
+ Dan dat hi was een fijn sot;
+ Al heet hi vroet ende conde vele,
+ Nochtan heeften een wijf bij horen spele
+ Datsi hem toende menechfoude,
+ Bracht in 't nette daer si woude.
+
+Wat zou DIEDERIK VAN ASSENEDE wel gezegd hebben van zulk eene opvatting
+der liefde?
+
+Over VELTHEM als compilator van de in den _Lancelot_ vereenigde
+ridderromans spraken wij vroeger reeds. Zoolang wij de samengevoegde
+werken niet in hunnen oorspronkelijken vorm kunnen vergelijken met dien
+waarin zij hier voorkomen, kan over VELTHEM'S werk in dezen geen afdoend
+oordeel worden geveld. Doch zveel kunnen wij ook nu reeds zien: dat de
+onderscheidene verhalen zijn aaneengeschakeld zonder eenige kunst met
+een: "nu doet d' aventure verstaen," d' avonture seget hier ter steden"
+of dergelijk tusschenvoegsel. Ook dat de compilator weinig op den
+samenhang van zijn werk gelet schijnt te hebben, daar hij in het Derde
+Boek PERCHEVAL doet optreden, nadat deze in het Tweede Boek overleden
+was. Op een paar plaatsen blijkt, dat de "clerc" VELTHEM zich bezwaard
+gevoelde over het berijmen van "alle dese wereltlike daden", waarvoor
+hij God en MARIA om vergeving bidt[27]. Geen werk eindelijk is er in
+dezen tijd aan te wijzen, dat zoo krioelt van stoplappen als deze
+compilatie; in dat opzicht wordt VELTHEM misschien door niemand onder de
+Dietsche rijmers der middeleeuwen overtroffen.
+
+Wat HEYN VAN AKEN voor de Limburgers had gedaan, werd in het eerste
+kwart der 14de eeuw door een onbekend auteur voor de Vlamingen verricht
+met de bewerking van den ridderroman _Flandrijs_. Indien men ten minste,
+wat mij hoogst waarschijnlijk voorkomt, dezen naam moet vertalen met
+_Vlaming_ en dat werk als eene, zij het ook zwakke, uiting beschouwen
+van het Vlaamsch nationaliteitsgevoel[28]. Evenals de _Limborch_ is ook
+de _Flandrijs_ een gebrekkig samenstel van allerlei bestanddeelen,
+grootendeels ontleend aan vroegere ridderromans: _Ferguut_, _Walewein_,
+_Moriaen_, _Torec_, _Historie van Troyen_. Ook hier vinden wij bedreigde
+en verloste jonkvrouwen, den zoon van een gastheer gedood, gevechten met
+roofridders en reuzen enz. Het godsdienstig gevoel in den _Flandrijs_
+schijnt sterker dan het gevoel voor het ridderwezen. Een ridder,
+doormidden gehouwen "zooals men het een varken doet," brengt ons naar
+den slagerswinkel; de aanprijzing van het Christendom hier en daar en
+een lang gebed geven het werk iets stichtelijks, wat men niet kan zeggen
+van FLANDRIJS, die door het teeken des kruises een gebraden kapoen van
+de tafel doet opvliegen.
+
+Van Vlaanderen is sprake in een rijmkroniek, die ongeveer ter zelfder
+tijd als de _Flandrijs_ werd vervaardigd en hier slechts om dat
+nationale element even vermeld kan worden[29].
+
+Gewichtiger is MELIS STOKE'S _Rijmkroniek van Holland_, aangevangen
+waarschijnlijk in het laatste twintigtal jaren der 13de eeuw, voortgezet
+en voltooid in het jaar 1305.
+
+STOKE'S werk ontstond uit dezelfde beweegredenen als de andere in dit
+hoofdstuk behandelde werken, doch die beweegredenen zijn hier
+samengesteld op eigenaardige wijze. Verheerlijking van het regeerend
+gravenhuis was een dier beweegredenen. Vandaar dat het eerste deel
+zijner kroniek is opgedragen aan Floris V, het voltooide werk aan graaf
+Willem III, wiens "armen clerc" (secretaris) hij zich noemt. Vandaar dat
+hij aantoont en met nadruk verzekert, dat het Hollandsche gravenhuis
+"van edelen tronke begonde". Maar, in tegenstelling met JAN VAN HEELU,
+onthoudt hij er zich van, de roemzucht des adels te prikkelen, door hen
+bij name te noemen. Daar zien wij misschien weer het verschil tusschen
+"menestreelen" en "clercken". Hij verklaart openlijk, dat hij niet bij
+name wil noemen:
+
+ Die van den stride was de bloeme
+ Of de quaetste of de beste
+
+uit vrees dat men hem mocht beschuldigen van afgunst, van winzucht; uit
+vrees ook--het kenschetst den tijd--dat hij vervolgd en doodgeslagen zou
+worden[30]. Liefde voor zijn land dat hij verdedigt tegen de aanmatiging
+der Henegouwers, belangstelling in de geschiedenis van dat land en zijne
+bewoners behooren evenzeer tot zijne beweegredenen[31].
+
+De beide eerste boeken en misschien een deel van het derde bevatten
+weinig meer dan eene vertaling van het _Chronicum Egmundanum_; het
+overige deel van het werk berust, naar het schijnt, hoofdzakelijk op
+mondelinge overlevering en op hetgeen hij zelf had bijgewoond. Van
+pozie is ook bij STOKE weinig sprake, maar toch meer dan bij HEYN VAN
+AKEN of HEELU. Waar STOKE warm wordt, vergelijkt hij ten minste geene
+ridders bij turven. Eerbiedige bewondering voor SOPHIA, gravin van
+Holland, en voor JAN VAN BRABANT ontlokt hem verdienstelijke verzen als
+deze:
+
+ Haer herte was een grondeloos wael [Zijnoot: bron.]
+ Van miltheit ende van ontfarme,
+ Van soeticheit op de Gods arme,
+ Van wakene, van pinen in ghebede
+
+en:
+
+ Ja! hoech man was hi, weet men wale,
+ Beide in der daet ende in de tale[32].
+
+Maar het beste brok van zijn werk is zeker het verhaal van FLORIS DE
+VIJFDE'S gevangenneming en dood. Daar hooren wij oprecht gevoel zich met
+naeve warmte uiten in eenvoudig-zuivere taal. Treffend is b.v. de
+ontzetting van des graven "arme clerc" over het feit, dat men de hand
+heeft durven slaan aan een zoo hoog heer:
+
+ Deus, here God, wat hi dochte,
+ De des eerst ghewaghen durste,
+ Dat men also groot een vurste
+ Soude vanghen of verslaen!
+
+Ook zijne klachten en verwijten tot de samengezworenen:
+
+ Ay Herman! bi wat zaken
+ Wilstu der quader name ontfaen?
+ Was di niet ghenoech ghedaen?
+ ...
+ Ende du Gheraert, felle man,
+ Droeghes oec sine cleder an,
+ Du hads van kinde met hem ghewesen.
+
+Zijn medelijden met den graaf die al te goed van vertrouwen, was:
+
+ Hi waende, hem sijn volc ghemene
+ Ghetrouwe waren, groot ende clene.
+ Ay lasi! hi ne mocht niet weten,
+ Dat hi van binnen was beseten.
+ ...
+
+Zijne naeve bewondering van de trouw, door FLORIS' jachthonden
+betoond aan het lijk van hunnen meester[33].
+
+Deze en dergelijke verzen maken AMELIS STOKE niet tot een dichter van
+beteekenis, neen zeker! Maar zij vermogen toch in den nacht der
+vergetelheid een flauw lichtglansje te verbreiden om den naam van den
+eersten Hollander die zich met bewustheid Hollander heeft gevoeld, den
+eersten ook die in de geschiedenis onzer letterkunde den naam van
+Holland heeft doen opklinken.
+
+Hollander gevoelde STOKE zich, doch vooral Hollander die min of meer
+vijandig gezind was jegens de bewoners van andere graafschappen of
+hertogdommen in het Dietsche land. Hoe stelt hij zijn volk reeds
+tegenover het Vlaamsche volk, waar hij beweert dat de Vlamingen, anders
+dan de Hollanders, nooit hun verlies willen erkennen:
+
+ Verliesen wi, wi ghelin [Zijnoot: ten volle erkennen.] wale;
+ Die Vlaminc hevet ander tale:
+ Verliest hi, hi ne lits [Zijnoot: erkent.] niet
+ ...
+ ...
+ Het is der Hollanders maniere:
+ Verliesen si drie manne ofte viere,
+ Si seggen liever meer dan min--
+ Die Vlaminc messaect [Zijnoot: loochent.] int beghin[34].
+
+Zijn afkeer van de Vlamingen is zeker niet verminderd door hun inval
+in Holland die eerst bij het Manpad gestuit werd.
+
+Niet veel vriendelijker is STOKE gezind jegens de Friezen en Saksen,
+voor hem n volk (immers "die Nederzassen heten nu Vriesen"). In den
+aanvang zijner Kroniek spreekt hij minachtend over het "onbeschaamde
+Friesche volk dat niets van historie weet"[35]. STOKE'S tijdgenoot,
+MAERLANT, denkt evenzoo over de "wilde Saksen" en "ruwe Friezen"[36].
+Een eeuw later zal de Hollander WILLEM VAN HILLEGAERSBERCH nog in
+denzelfden geest spreken[37]. En hoeveel wrok en minachting open baren
+zich in deze woorden van den "clerc uten lagen landen" waar hij in zijne
+Kroniek gewaagt van de Friezen bij het lijk van den gesneuvelden
+Roomsch-Koning WILLEM II van Holland: "dese Vriesche honden en wisten
+niet dathet coninc WILLEM die edel man was... ende liepen over hoop
+daeromme staen als beesten."
+
+Maar hoe geminacht ook door de Hollanders, de Friezen verdedigden hun
+vrij land daarom niet minder krachtig tegen elken indringer. Telkens
+doen de Hollandsche graven pogingen zich van Friesland meester te maken,
+doch gewoonlijk trekken zij aan het kortste eind. WILLEM IV sneuvelt met
+de bloem van zijn edelen bij Stavoren. Een halve eeuw later komt Graaf
+ALBRECHT die nederlaag wreken: bij Schoterzijl worden de Friezen
+overwonnen. Zonder genade woedt het gevecht, geen losprijs wordt
+geboden, geen lijfsbehoud gegeven: alles wat den Hollanders in handen
+valt, wordt meedoogenloos over de kling gejaagd; in het heetst van den
+strijd valt ook de dappere Friesche aanvoerder, de vermaarde edelman
+JUWINGA, die, als koning SAUL weleer, een hoofd boven de anderen
+uitstak[38].
+
+Toch was de uitslag van dien tocht gering; de Friezen werden niet tot
+gehoorzaamheid gebracht. Zij bleven naijverig op hunne zelfstandigheid
+en ongezind vreemde machthebbers van welken aard ook te erkennen.
+Getuigenis daarvan gaven reeds vroeger (1327) die parochianen van
+Bolsward, die weigerden een hun uit Utrecht gezonden rector der Kerk te
+ontvangen en te erkennen, omdat hij geen Fries was[39].
+
+Eene verdeeldheid als die tusschen Brabanders en Gelderschen, Vlamingen
+en Hollanders, Hollanders en Friezen zag men ook elders in deze "lage
+landen". Het meervoud in dezen bekenden naam verdient aandacht, want
+inderdaad bestond er nog niet n land dat _Nederland_ heette. In naam
+bestond het wel. In een allegorisch gedicht uit de tweede helft der 14de
+eeuw wordt gezegd, dat de knapen van zekeren HER ERENTRIJC waren
+
+ ... al van eenen gheslachte
+ Gheboren al ut Nederlant.
+
+Ook als strijdleus vinden wij dien naam daar gebezigd:
+
+ Daer mochtmen die tyene horen
+ Lude roepen: "Nederlant!"[40]
+
+Doch het was slechts een naam. Landseenheid berustend op volkseenheid,
+lag nog ver af, als een kust die men over de wateren ziet blauwen. Maar
+toch niet z ver, of men kon er een paar vooruitstekende punten van
+onderscheiden: wordende eenheid van taal en wordende betrekking tusschen
+volk en landsheer.
+
+De verdeeldheid tusschen de onderscheidene volksdeelen hier te lande
+spiegelde zich af in het verschil van tongvallen of "tongen", zooals men
+toen zeide. Men voelde zich Vlaming, Brabander, Hollander, Zeeuw; een
+enkele besefte ook dat er verschil was tusschen de talen in die
+onderscheidene deelen des lands gesproken. In zijn _Leven van Sint
+Franciscus_ zegt MAERLANT:
+
+ Men moet om de rime souken
+ Misselike [Zijnoot: onderscheidene.] tonghe in bouken:
+ Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus[41].
+
+Met _Duuts_ zal hier wel _Hollandsch_ bedoeld zijn in den eigenlijken
+zin des woords.
+
+In den _Spieghel Historiael_ lezen wij:
+
+ Int ander jaer dat Karel de jonge,
+ Die grouf [Zijnoot: (grof) dik.] hiet in somege tonge.
+ ...
+
+Echter, indien MAERLANT het verschil van tongvallen besefte, hij was er
+zich tevens van bewust, dat er tegenover of boven die tongvallen een
+algemeen Dietsch bestond. In zijn _Naturen Bloeme_ stelt hij op meer dan
+een plaats het Vlaamsch of "_ons_ Dietsch" tegenover _het_ Dietsch[42].
+Een tijdgenoot van RUUSBROEC, Heer GERAERT, prior van een
+Karthuizer-klooster spreekt van "brabantsch dietsch" en zelfs van
+"brusselsch dietsch" in deze opmerkelijke woorden: "Oec is te merken dat
+dese boeken (van RUUSBROEC) ghemaect sijn in onvermingheden
+bruesselschen dietsche, soe datter luttel latijnscher ofte walscer
+woerden ofte van enighen anderen tale in sijn ghesaeit. Ende oec is dat
+selve brueselsche dietsche volcomenre hier in gheset dant daer die
+lieden ghemeinlic spreken, in dien dat si dicwile in hare tale
+vernieuten ofte minderen haer pronominael artikelen bi desen exempelen:
+Als si souden seggen _dat ierste, dat anderde, dat derde, dat vierde_,
+soe laten si ghemeinlic after die twie letteren van dien artikele _dat_,
+ende segghen: _dierste, dandere, derde, tfierde_, ende des ghelijcs in
+noch anderen silleben ende woerden"[43]. Opmerkelijk noemde ik deze
+woorden, omdat men er tevens uit ziet, dat men eenig verschil ging
+waarnemen tusschen de gesproken en de geschreven taal.
+
+MAERLANT en de prior GHERAERT waren niet de eenigen die de eenheid
+van het Dietsch beseften, al of niet in tegenstelling met het Walsch.
+JAN VAN HEELU spreekt van:
+
+ Alle die yeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] die nu sijn
+ In dietsche, in walsche, in latijn[44].
+
+In BOENDALE'S rijmwerk _Van den derden Edewaert_ lezen wij:
+
+ Want tkerstenheit es gedeelt in tween:
+ Die Walsche tongen die es een,
+ Dandre die Dietsche al geheel[45].
+
+En er zweeft reeds een adem van volksgevoel en volkseenheid door deze
+regels van BOENDALE over den zeeslag bij Sluis (1340):
+
+ Van deser hoger victorin
+ Die eeuwig blijft in memorin,
+ Werden blide ten selven male
+ Alle die spreken Dietsche tale[46].
+
+Naarmate er meer letterkundige werken van beteekenis in het Dietsch
+geschreven werden, rees die taal in de achting dergenen die haar
+spraken. Een blijk van die achting voor de taal zien wij in het feit dat
+JAN VAN HEELU zijne rijmkroniek zond aan MARGRIETE VAN ENGELAND,
+verloofd met den zoon van Hertog JAN VAN BRABANT, opdat zij er "dietsch
+in leeren" mocht. Langzamerhand ontwikkelde zich dit gevoel van
+zelfstandigheid, zich openbarend in eerbied voor de moedertaal. Eerst
+nadat het, vooral langs den weg der literaire kunst, bij de individun
+zich had ontwikkeld, kon het z krachtig worden, dat Overheid en
+Regeering volgden waar de onderdanen waren voorgegaan. Het oudste ons
+bekende charter in de landstaal dagteekent van 1249 en is opgesteld door
+de schepenen van Bochoute (tusschen Gent en Oudenaarde). Daarna komen er
+tal van charters en keuren in de landstaal in Vlaanderen, Brabant,
+Holland.
+
+De Hollandsche graven zijn de eersten die in hunne staatsstukken het
+Latijn door het Dietsch vervangen. Hun voorbeeld wordt langzamerhand
+door de andere landsheeren gevolgd, al kunnen de graven van Vlaanderen
+in de 14de eeuw en later hunne voorliefde voor het Fransch niet geheel
+opgeven. Gelderland komt achteraan; het Latijn handhaaft zich daar nog
+in de staatsstukken der 14de eeuw, maar wordt toch ook reeds in die eeuw
+door het Dietsch overvleugeld[47]. Ook in de rechtsbediening zien wij
+dat streven naar eerbiediging der moedertaal.
+
+Paus ALEXANDER IV stond den burgers van Gent hun verzoek toe, dat zij
+niet gedwongen zouden worden recht te gaan zoeken bij de geestelijke
+rechtbanken van Doornik of, in tweede instantie, te Reims, omdat dan tot
+hen gesproken zou worden in een taal die zij niet verstonden[48]. In
+1290 werd bepaald, dat in Vlaanderen alle burgerlijke rechtsgedingen in
+het Vlaamsch zouden behandeld worden[49]. Die maatregel was zeker niet
+naar den zin van den Franschen koning FILIPS DE SCHOONE, die omstreeks
+dienzelfden tijd het gerechtshof te Gent had gedwongen, een door hem
+gezonden prevt toe te laten. Telkens, wanneer die koninklijke prevt
+aanwezig was, moest er Fransch gesproken worden[50].
+
+Op heel wat lager toon zong zijn opvolger KAREL VI, die in 1385 in
+eene vredes-onderhandeling voor 150 Gentenaren een geleide-brief in het
+Vlaamsch deed opstellen[51].
+
+Maar tusschen 1290 en 1385 liggen dan ook de Sporenslag en de leus:
+"Schild ende Vriend."
+
+Daar klonk voor het eerst de stem van den Vlaamschen Leeuw!
+
+Toen de Franschen in 1301 Vlaanderen binnenrukten, scheen de
+nationale zaak geene verdedigers meer te hebben; de adel en de rijke
+burgers verwelkomden de indringers, maar de gemeenten waakten. In
+Kortrijks velden werd het Vlaamsche volk zich voor het eerst van zijne
+kracht bewust; daar werden hun zelfgevoel en hun volksgevoel verhoogd,
+toen zij in den strijd voor vrijheid en voor recht, onder eigen leiders,
+eene roemrijke overwinning behaalden op een buitenlandschen vijand, die
+hun volksbestaan bedreigde.
+
+Doch al was die vijand overwonnen, hij was niet machteloos gemaakt. De
+gansche 14de eeuw door moet Vlaanderen zijne onafhankelijkheid tegenover
+Frankrijk blijven handhaven; het is daarin geslaagd, maar ten koste van
+de Waalsche deelen des lands. Voortaan is Vlaanderen, dat vroeger
+tweetalig was, een zuiver Dietsch land. Voortaan zijn de Nederlanden
+onafhankelijk van Frankrijk, zooals zij het inderdaad reeds van
+Duitschland waren. Toen de graven van Henegouwen ook het graafschap
+Holland verwierven, werd het Dietsche element in de Zuidelijke
+Nederlanden versterkt en een eerste, nog zwakke, band geknoopt tusschen
+Noord en Zuid.
+
+De graven van Vlaanderen hadden niet zelden gemeene zaak gemaakt met de
+gemeenten. Deze begrepen niet, dat het den graaf slechts te doen was om
+de patricirs te kortwieken; doch toen de patricirs steun zochten bij
+Frankrijk, ontwaakte onder de gemeentenaren het nationaliteitsgevoel en
+verdedigden zij hun eigen onafhankelijkheid en die van hun graaf tevens.
+Die gelijkheid van belangen versterkte den band tusschen volk en
+landsheer[52]. Iets dergelijks was vroeger gezien in Holland. Graaf
+FLORIS V, "der keerlen god", lag overhoop met den adel. Toen eenige
+samengezworen edelen den graaf hadden opgelicht en gevangen gezet,
+ontstond er eene algemeene verbijstering in het land. Geen der edelen
+snelde toe om den graaf te bevrijden. Maar in dreigende drommen komt het
+volk opzetten: Kennemers, Friezen, Waterlanders, "tghemene diet" van
+Noord-Holland, de poorters uit Zuid-Holland--alles trekt naar het
+kasteel aan de Vecht
+
+ Ende segghen, dat si verliesen
+ Willen beide lijf ende have,
+ Of si wreken haren grave[53].
+
+Den moord op den graaf hebben zij niet kunnen verhinderen, maar met des
+te meer liefde hebben zij zijne nagedachtenis in eere gehouden. Dat
+bleek, toen acht jaar later de Vlamingen Holland binnendrongen,
+overstroomden, aan zich onderwierpen. Slechts achter de muren van een
+drietal steden: Zierikzee, Dordrecht, Haarlem, werd nog tegenweer
+geboden; het scheen gedaan met Hollands onafhankelijkheid. Maar hoe
+herleefde de moed des volks, toen WITTE VAN HAEMSTEDE, onechte zoon van
+FLORIS V, te Zandvoort geland, op den Blinkert de banier van Holland
+liet wapperen en de poorters uit Haarlem en van elders toestroomden om
+hem te verwelkomen. In hem immers zagen zij den zoon van FLORIS en hij
+verzuimde dan ook niet partij te trekken van zijne afkomst. MELIS STOKE
+heeft ons de heugenis bewaard van dat tooneeltje op den Blinkert, van
+die ontmoeting, ook van dat woord en weerwoord:
+
+ Wie sidi dan? Ic hete Witte
+ Ende was 's graven Florens kint,
+ Ende her Willem heeft mi ghesint
+ Alhier van Zirixe
+ U te troostene.
+
+Op dien Zondag in de Zandvoortsche duinen, in de schaduw der banier
+met den rooden leeuw, heeft een der kiemen van nationaliteitsgevoel zich
+in Holland ontsloten, heeft de betrekking tusschen volk en landsheer
+iets in hechtheid gewonnen. Zoolang vreemde landsheeren hier regeerden,
+kon die gehechtheid bezwaarlijk sterk worden. Voor een vorst, hier te
+lande geboren, zooals KAREL V, kon men reeds iets meer gevoelen, ook al
+was hij uit het Oostenrijksch stamhuis.
+
+Maar zoover zijn wij nog lang niet. Wij moeten vooreerst trachten,
+ons ten minste eenigermate eene voorstelling te vormen van sommige
+toestanden hier te lande, zooals zij zich aan ons oog vertoonen in het
+nieuwe tijdvak dat ingeluid is door de geboorteklok van het
+nationaliteitsgevoel.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] A.w. I, 1081-'97. De overeenkomstige plaats in de _Alexandres_, I,
+365 seqq. luidt:
+
+O patriae natalis amor, sic allicis omnes O quantum dulcoris habes!
+fugitiva per altum Classis dum patriae raptim furatur alumnos, Sponte
+licet properent Persarum invadere fines, Nec trahit invitos ad praedae
+praemia ductor, Sola tamen revocat patriae dulcedo volentes, Nec sinit a
+patria divelli mentis acumen, Sed dulces oculos animumque retorquet ad
+Argos, Donec ab intuitu longe decrescere visus Europae defecit apex
+portusque recessit.
+
+[2] I, vs. 59-62.
+
+[3] Vgl. de uitgaaf in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 57 vlgg., vs.
+103-4, 110-112, 267-9, 316-7, 340, 547-550; bovendien hebben wij slechts
+een deel der vertaling over.
+
+[4] A.w. IV, 7325 vlgg.
+
+[5] Over dat alles is uitvoerig gehandeld door JONCKBLOET in zijne
+_Geschiedenis_, II, 218 vgg.; TE WINKEL in zijne _Geschiedenis_, bl.
+218-229; voorts door VAN DEN BERGH en VERWIJS in hunne inleidingen. Ten
+opzichte der dateering van den roman _van de Roos_ deel ik TE WINKEL'S
+zienswijze. Was de roman _van Olivier van Spaengen_ (_Limb._, III,
+800-807) misschien ook door HEYN VAN AKEN gedicht?
+
+[6] KAUSLER, _Denkmler_, III, 93.
+
+[7] A.w. vs. 23394-23553.
+
+[8] Vgl. over den _Roman de la Rose_, PETIT DE JULEVILLE a.w. II,
+105-161.
+
+[9] Vgl. de Inleiding van VERWIJS, XVI vlgg.
+
+[10] Vgl. vs. 2992 (voor: "por nule riens vivant"); 4916; 7044 ("mainte
+terre sauvage"). Paep Jans lant in vs. 1013-4, waar in het Fransch:
+"trestous li ors de Romme".
+
+[11] Vgl. VAN DEN BERGH'S _Inleiding_, IV.
+
+[12] Vgl. den aanvang van boek II-IX.
+
+[13] Vgl. _Limb._, VII, 1683-5 met _Flor. en Blanc._, Proloog, vs. 1-12,
+65-75; _Limb._, XI, 642-5 met _Eerste Martijn_, vs. 430-1.
+
+[14] _Limb._, I, 1316 vlgg.; het tooneel der "justicie" alleen in de 2e
+bewerking van _Flor. en Blanc._ (het Fransche gedicht nl.), vs. 359-902.
+_Lanc._, I, vs. 19208 vlgg.
+
+[15] _Limb._, IV, 248-250 te verg. met _De Vier Heemsk._ (ed. MATTHES),
+p. 26.
+
+[16] _Limb._, X, 1013 vlgg. te verg. met _Lorr._ in _Mnl. Ep. Fragm._,
+bl. 132-3.
+
+[17] _Limb._, XI, 67 vlgg. te verg. met BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, I, 6
+vlgg.
+
+[18] _Limb._, IV, 1057-'69; 1298 vlgg.; III, 1159 vlgg. (1374-6).
+
+[19] _Limb._, V, 374; VIII, 149 (een reus van 30 voet lang en 10 voet
+breed); III, 1009; IV, 328; IV, 546-7; zie ook nog VIII, 574-5.
+
+[20] _Limb._, III, 1248 vlgg.; V, 2105 vlgg.; VI, 59; VIII, 822 vlgg.;
+X, 279 vlgg.
+
+[21] Vgl. de uitgave van WILLEMS, _Introd._, VIII. Misschien was de
+berijmer ooggetuige. (_Introd._, VII; vgl. echter vs. 8221).
+
+[22] Vgl. vs. 3372-3; 4084-5; 4178 vlgg.; 4640 vlgg., 4746, 5627, 7808
+vlgg., 8184, 8346 vlgg., 8410-12, 8537 vlgg. en tal van andere plaatsen.
+
+[23] Vgl. Tweede Boek vs. 1 vlgg.; 5786 vlgg., 5851 (een paard dat
+"Baiaert ghenoot" was), 8559 vlgg.; 4271 vlgg., 6025-8.
+
+[24] Ik heb het oog op de dozijnen van uitingen gelijk die welke men
+vindt o.a. in vs. 2679, 2954, 3102, 3155, 3418, 7652 vlgg., 8073 vlgg.
+Vergelijkingen in vs. 1037, 1044, 3253, 3944, 5185, 5651.
+
+[25] Uitvoerig en nauwkeurig is over VELTHEM'S kroniek gehandeld door
+Dr. TE WINKEL in zijne _Geschiedenis der Ned. Lett._, bl. 355-367. De
+bovengenoemde verhalen vindt men: _Sp. Hist._, V, 1, 28-30, en VI, 4.
+Over de H. Maagd VI, 32 en VIII, 34.
+
+[26] Vgl. TE WINKEL a.w. bl. 170-171.
+
+[27] Vgl. het slot van den proloog van Boek IV en het slot van dat Boek.
+
+[28] Ik volg hier de uitgave en de inleiding van FRANCK.
+
+[29] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 381-3. Het eerste
+deel schijnt in het laatst der 13e of den aanvang der 14e eeuw
+opgesteld.
+
+[30] Vgl. Ed. BRILL, Boek X, 40-151 in verband met eene plaats uit Boek
+IV. (I, p. 224): "God moet mi sijnre hulpen jonnen" enz.
+
+[31] III, 1473-'78; Opdracht van Boek I.
+
+[32] II, 644-'7; IV, 263 enz.
+
+[33] Boek IV, vs. 1086 vlgg. en V, 96 vlgg.
+
+[34] In twee der drie hss. van STOKE'S Kroniek lezen wij deze verzen in
+plaats van VIII, 791-2.
+
+[35] I, 76, 531.
+
+[36] _Eerste Martijn,_ vs. 109-110, 665; _Sp. Hist._, III, 8, c. 93,
+185.
+
+[37] _Gedichten_, bl. 3, 180; 125, 174.
+
+[38] _Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen_ door E.
+VERWIJS. (Utrecht. 1869). CXLVIII.
+
+[39] _Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht_ door Mr. S. MULLER
+FZ., I, 165.
+
+[40] _Dietsche Warande_, IX, 147, 150. De naam _Nederland_ in de
+vertaling van het _Nibelungenlied_ (II, vs. 11) heeft hier geen
+bewijskracht, daar hij ook reeds in het origineel voorkomt.
+
+[41] Vs. 131-'3.
+
+[42] _Inl._ XXXVI-XXXVII.
+
+[43] W.L. DE VREESE, _Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken
+van Jan van Ruusbroec_, bl. 10, 19.
+
+[44] Vs. 3175-6.
+
+[45] Vs. 1585-7.
+
+[46] Ik dank de aanwijzing van deze plaats aan mijn vriend, Prof. PAUL
+FRDRICQ te Gent.
+
+[47] Ik deed hier mijn voordeel met de opsomming, door Dr. TE WINKEL
+gegeven in zijne _Geschiedenis der Ned. Lett._, bl. 541-544.
+
+Vergeten is daar het, voor de geschiedenis onzer taal zoo merkwaardig,
+reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op het Zwin,
+afgedrukt in _Bijdragen tot de Oudheidkunde en geschiedenis inzonderheid
+van Zeeuwsch Vlaanderen_, V, 1 vlgg.
+
+Opmerkelijk is ook, dat de oudste Cameraars-rekening in het Dietsch
+eerst van 1361 dagteekent, terwijl er reeds eene Dordrechtsche
+stadsrekening in de moedertaal is van 1284-'85. Ook hier zien wij het
+Oosten des lands achteraankomen.
+
+[48] WARNKNIG, _Hist. de la Flandre_, III, 171.
+
+[49] _Belg. Museum_, II, 387.
+
+[50] WARNKNIG a.w.
+
+[51] _Belg. Mus._, II, 388-9.
+
+[52] Vgl. VANDERKINDERE, _Sicle des Artevelde_, p. 31; PIRENNE a.w. I,
+104; II, 7; I, 408 vlgg.
+
+[53] Vgl. het artikel van POLS over Graaf JAN I in: _Bijdr. voor Vad.
+Gesch. en Oudh._ en STOKE V, 222-'30.
+
+
+
+
+BOEK II.
+
+
+
+
+STANDENPOZIE. DE STEM DER
+GEMEENTEN.
+
+
+INLEIDING.
+
+De drie stemmen die wij in het Eerste Boek hoorden: eerst
+achtereenvolgend, toen in de lyriek vereenigd en daarna in MAERLANT'S
+werk versmolten, vallen ook in het Tweede Boek te onderscheiden; doch in
+andere orde en verhouding.
+
+De Stem der Gemeenten krijgt den boventoon en behoudt dien. Handel,
+nijverheid, landbouw, de maatschappelijke toestanden hebben zich
+ontwikkeld en die ontwikkeling is vooral ten goede gekomen aan de
+gemeenten, is zichtbaar vooral in de door hen gestichte steden.
+
+De adel is er nog en zet het oude leven gedeeltelijk voort, den oorlog
+afwisselend met feesten, tournooien, jacht en galanten omgang. Vooral de
+Geldersche adel onderscheidt zich in dit opzicht. WILLEM VAN GULIK,
+hertog van Gelderland, wordt door FROISSARD telkens met lof vermeld. Hij
+doet, evenals vr hem graaf WILLEM IV van Holland, een krijgstocht
+tegen de ongeloovigen in het Oosten van Duitschland, wordt gevangen
+gehouden op een slot in Pommeren, doet een inval in Brabant, voert een
+bloedigen strijd om Grave en wordt eerst door een Fransch leger tot
+staan gebracht. Maar de uitvinding der vuurwapenen en de instelling van
+huurtroepen bedreigen den adel in zijn bestaan[1]. Feestvieren kunnen
+zij nog wel; de hoogsten gaan hun daarin voor. De graven van Holland
+komen niet zelden in de hoog-adellijke en rijke abdij van Rijnsburg,
+hetzij met een sleep van baronnen, hetzij met klein "gezinde" om er te
+ontbijten of het noenmaal te houden. Aan spijs en drank behoefde het
+niet te ontbreken: soms werden 18 kapoenen en een aam rijnwijn
+vooruitgezonden. Daarna ging men "haar met haar en veer met veer" jagen
+in den Haarlemmerhout en 's avonds dansen met de edele jonkvrouwen[2].
+In den Haarlemmerhout kon men ook wel eens een ander machtig edelman
+vinden, graaf JAN VAN BLOIS, ter jacht met de gravinne van Holland. Ook
+in Brabant kon men hem vinden aan het "jagen en vliegen" met een groot
+aantal edelen en edelvrouwen of aan een grooten avondmaaltijd in het
+Katrijnen-klooster te Utrecht, waar meer dan honderd edele gasten
+aanzaten[3].
+
+Een edelman die in botsing kwam met de steden kreeg soms een gevoelige
+les: ZWEDER VAN VOORST ondervond het in zijn strijd tegen de steden van
+het Oversticht en hun heer den Bisschop, al zat hij ook achter muren die
+tachtig voet hoog en twaalf voet dik waren. Het sterke kasteel Gaesbeek
+in Brabant, toebehoorend aan Heer ZWEDER VAN ABCOUDE, werd door de
+Brabantsche en Luiksche burgerijen ingenomen en geslecht[4].
+
+Zijne verwoeste kasteelen kon de adel wel opbouwen, niet zijne verloren
+idealen herwinnen. En vooral daardoor, meer dan door vuurwapenen en
+huurtroepen, is de adel gedaald van het vroegere standpunt. JAN
+BOENDALE, de schrandere schepenklerk van Antwerpen, zag het wel, toen
+hij in zijn _Lekenspieghel_ zeide: "vroeger, toen de edelen ouder
+gewoonte nog buiten woonden en onderling huwelijken sloten, hielden zij
+den adel hoog en waren edelen met eere; doch sedert zij om der wille van
+het geld naar de steden zijn getrokken, heeft hebzucht de schuldelooze
+edelheid onder de voet geworpen. Zal zij ooit weer opstaan? Vroeger was
+het edele wapenspel in zwang en gang, hetzij in het Heilige Land, hetzij
+in de grenslanden--nu heeft het afgedaan: schatten, weelde, gemak, dat
+is wat de adel begeert. Het edele, ingetogen leven wordt in den lande
+niet meer gezien[5]."
+
+Anders dan met den adel stond het met de geestelijkheid. Ja, ook daar
+zag men ten deele de toestanden van vroeger. Te Rijnsburg kwamen niet
+alleen de Hollandsche graven, maar ook de abten van Egmond, die er met
+hun gevolg eenige dagen "joleuslyck" werden onthaald. Strijdbare
+geestelijken vinden wij ook nu: in dien bisschop van Luik, ADOLF VAN DER
+MARCK, die, omzwermd van pijlen en steenen, zijne troepen leidt tot een
+stormaanval op sterke burchten; in dien geestelijke uit het Groningsche
+klooster Aduard, die, gereed de mis op te dragen, bij een aanval op het
+klooster zijn priesterkleed afwerpt, naar buiten stormt en in den strijd
+sneuvelt[6].
+
+Doch naast of liever tegenover zulke geestelijken stonden andere, die,
+zonder zich met de wereld in te laten meer dan noodig was, eenvoudig hun
+plicht deden, of, de wegen der mystiek volgend, ingekeerd tot zich
+zelven, de diepten der eigen ziel trachtten te peilen en te verkennen.
+
+Het zelfgevoel der burgerijen, dat zich zoo krachtig deed gelden
+tegenover den adel, verloochent zich ook niet tegenover de geestelijken.
+Niemand heeft dat deel van het aangroeiend zelfgevoel beter vertolkt dan
+diezelfde BOENDALE, dien wij zoo even over den adel hoorden spreken. In
+zijne _Teestye_ [Zijnoot: Overtuiging.] durft hij zeggen:
+
+ Du leec man en ontsie di niet,
+ Dat paepscap en es sekerre [Zijnoot: zekerder.] niet
+ Hemelrijx dan du bes:
+ Die best leeft, best es.
+ Al predect tpaepscap Gods woert,
+ Ende haer theologie bringt voert,
+ Ende du sits daer voer hare voete,
+ Du best lichte also soete
+ Ende also weert voer d' anscijn Ons Heren
+ Als si sijn die di leren;
+ Want clergye sonder goet leven
+ En can ghene salecheyt gheven.
+ Hets beter een doghet allene
+ Dan alle phylosophye ghemene [Zijnoot: samen.].
+ Al eest oec dat si di biechten
+ Ende dine ziele verlichten
+ Ende van dinen sonden ontladen daer,
+ Du best lichte also claer
+ Oft claerre [Zijnoot: zuiverder.] voer Gode dan hi,
+ Die daer absolveert di[7].
+
+En hierbij laat deze wakkere "scepenclerc" het niet. Een volgend
+hoofdstuk brengt: "van den papen noch meer". Kwam Gods Zoon nu op aarde
+en dorst hij den priesters de waarheid zeggen, hunne gebreken onder het
+oog brengen, het volk tot zich en van hen af trekken--zij zouden "te
+zamen raad tegen hem houden, hoe zij hem dooden mochten", gelijk de
+Farizen weleer. Zij verkoopen het volk aflaat van zonden; zelf koopen
+zij dien niet, al hebben zij hem evenzeer noodig. In het sermoen zoekt
+men hen te vergeefs, al zou het voor hen evenveel vrucht dragen als voor
+de leeken. BOENDALE zegt later, dat hij der papen vriend is
+
+ Maer dat si mesdoen, dats mi leet;
+
+hij zal in die uitspraak zeker oprecht zijn geweest, doch van zulke
+vrienden was de meerderheid der priesters niet gediend. Al te welig
+schoot hier het zaad op, met volle hand gestrooid door "JACOB, die
+dichter hoghe", wiens beeld zijn navolger hier blijkbaar voor den geest
+stond. En het zou nog erger worden voor de priesters, geloofde BOENDALE.
+Uit oude profetien had hij vernomen:
+
+ Dat men noch zal die papen jaghen
+ Ende die Kerke doghen [Zijnoot: lijden.] sal,
+ Ende bider papen ghebreke al,
+ ...
+ ...
+ Maer en sal niet dueren langhe
+ Si en selen te payse comen weder
+ Ende haer ghierecheit [Zijnoot: hebzucht.] legghen neder
+ Ende andre onnutte seden
+ Ende hem bat hoeden dan si deden
+ Ende men sal hem meer eeren doen
+ Dan noyt te voren was gheploen [Zijnoot: gepleegd.].
+
+Hoe zullen in latere dagen Hervorming en Tegenhervorming, en ook de
+geschiedenis van onzen tijd, deze profetien op ongedachte wijze
+vervullen! Dat heeft BOENDALE niet kunnen voorzien, doch de fakkel der
+waarheid, hem door MAERLANT'S hand toegereikt, heeft hij op zijne beurt
+overgegeven aan wie na hem kwamen.
+
+Oefende de geestelijkheid aldus door doen en laten invloed op de
+ontwikkeling der geestelijke zelfstandigheid van deze volken, ook de
+adel, al geraakte hij in de minderheid, deed zijn invloed op de
+gemeenten gelden. Doch deze invloed was van anderen aard. Het beginsel
+der navolging dat zich ook in het maatschappelijk leven zoo krachtig
+openbaart, had langzamerhand uit de bovenste lagen der gemeentenaren een
+patriciaat gevormd, verwant met den adel, naar den bloede door
+huwelijken, naar den geest, door leefwijze en levensopvatting. Dat waren
+de oude geslachten der vermogende kooplieden en grondbezitters, de
+stedelijke aristocratien, die nog in het laatst der 13de eeuw de
+leiders of meesters der gemeenten waren. Zij zochten den adel te
+evenaren in uiterlijken glans, in vertoon van pracht en praal, in
+beschaving en fijnheid van vormen. Zij streefden naar hetgeen de adel
+nooit had kunnen bereiken: heerschende stand te zijn. Een tijd lang
+gelukte hun dat, doch reeds de eerste helft der 14de eeuw bracht een
+omkeer in hun toestand. De handwerkslieden, in Noord en Zuid vereenigd
+tot gilden die al machtiger werden, stelden zich onder hunne Dekens
+tegenover de "geslachten" en eischten deel aan de regeering van stad en
+land. Overal zien wij deze democratische woeling en strijd der partijen.
+Doch de zege blijft aan de gilden. JACOB VAN ARTEVELDE bezorgt hun in
+Gent de overwinning; ook elders in Zuid-Nederland en in het Noorden, in
+steden als Dordt, Leiden, Utrecht, Zwolle zien wij deze verplaatsing van
+het overwicht[8]. Eene nieuwe laag der bevolking komt op ruimer schaal
+dan vroeger deelnemen aan en invloed oefenen op het volksleven in al
+zijne uitingen.
+
+Ook onder de lagere standen ontwaken het zelfgevoel en de begeerte om
+hoogerop te komen:
+
+ Die huusman [Zijnoot: boer.] volcht den heren naer,
+ Om schout te wesen ofte baeliu,
+
+zegt WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH[9].
+
+In een stuk van een onbekend dichter uit dezen tijd zien wij, hoe de
+titelzucht ook toen reeds de burgerij had bevangen.
+
+De neiging tot een titel, door MAERLANT in zijn _Alexander_ terloops
+gehekeld bij de meisjes uit het volk, is blijkbaar zoo sterk geworden
+dat een ander dichter er een gansch gedicht aan wijdt, getiteld _Van dat
+die liede sijn gherne geheten joncfrou_. Wij lezen daar o.a.:
+
+ Heile, Griete, Lise oft Calle,
+ heten nu joncfrou alle!
+ Al hadde haer moeder warmoes vercocht,
+ oft liede gebeden ter bruloft,
+ oft te like gebeden [Zijnoot: ter begrafenis genoodigd.] vrouwen,
+ oft ael [Zijnoot: bier (met minder hop).] oft bier gebrouwen,
+ natten geknocht [Zijnoot: biezen gevlochten.] oft huven,
+ hoenre vercocht ende duven--,
+ Si souden joncfrou willen sijn.
+
+Een van deze dames, die door den dichter wordt begroet met _vrouwe_,
+kijkt op hem neer zoo trotsch
+
+ Als ene hinne op enen pier![10]
+
+BOENDALE keurde deze gansche volksbeweging af; dat de "heeren" moesten
+wijken voor schoenmakers, volders, wevers, slagers en dergelijken--het
+was voor hem "de verkeerde wereld"[11]. Doch vruchteloos heeft hij zich
+met deze nabetrachting tegen den stroom gekant; hij heeft dien niet
+kunnen keeren.
+
+Al gelooft men niet dat het toentertijd in de Nederlanden de verkeerde
+wereld was, men kan daarom toch wel erkennen dat er in die wereld veel
+verkeerds was. De vroegere onkunde begon weliswaar te wijken voor den
+invloed, die uitging van kapittel- en kloosterscholen, van parochie- en
+bijzondere scholen; de kunsten van lezen, schrijven en rekenen begonnen
+zich langzamerhand te verbreiden; de volslagen onwetendheid van vroeger
+ziet men nog vooral onder de boeren, die zelfs niet weten hoe oud zij en
+hunne kinderen zijn. Maar de wilde zinnelijkheid van deze krachtige
+jonge volken laat zich even bezwaarlijk teugelen als in een vroeger
+tijdvak. Dat zij behagen schepten in lichaamsoefeningen: naar den
+papegaai schieten, kaatsen en andere spelen, dat kon men slechts loven;
+minder prijselijk was hun lust tot dobbelen met teerlingen, hun dansen,
+reien en springen in de kroegen op heilige dagen.
+
+Welk een ruwheid overal! Lieden, die in de kerken nog wel een vrijplaats
+gevonden hadden, ontzien zich niet de banken af te breken om er vuren
+van te stoken, er te dobbelen, te twisten en ontucht te plegen. Het
+schenden van heiligenbeelden en van het plaveisel in de
+Lievevrouwen-kerk te Dordrecht was niet zeldzaam. In de kerken wordt ook
+onder den dienst getwist en gekeven; ook soms tusschen priesters en
+leeken, zoodat de vuist en de wijkwast te werk gesteld worden. De leden
+van den Raad te Kampen gaan elkander in het Rechthuis te lijf.
+
+De strafregisters van dezen tijd zijn rijk voorzien, ook rijk aan
+afwisseling. CLAES MEYNSEN ZOON wordt gestraft, omdat hij de sluis van
+NANNE MODDE heeft opengezet, zoodat NANNE'S land is ondergeloopen.
+LAMMEKIJN DE WEVER, omdat hij een stomme heeft mishandeld en willen
+dwingen tot spreken. NANNE LUTART, omdat hij een brouwsel bier van
+JACOB, ALIDE'S ZOON, heeft bedorven, door er een dood varken in te
+gooien. GERRIT DE DUIVEL en tal van anderen, omdat zij een mes hebben
+getrokken. Zekere CAMERMAN wegens het toebrengen van een vuistslag bij
+nacht (die waren tweemaal duurder dan de overdagsche)[12]. Talrijk zijn
+de boeten, opgelegd aan gehuwde mannen en vrouwen, die leven met andere
+vrouwen en mannen. Vrouwenschennis en schaking waren niet zeldzaam. De
+rekeningen van het bisdom Utrecht bevatten talrijke posten "de
+fornicacione", "de adulterio" en "de duplici adulterio"[13].
+
+Al deze ruwheid van zeden en grofheid van uitspattingen mogen niet
+vooral op rekening der opkomende democratie worden geschoven. De hoogere
+standen bezaten meer uiterlijke verfijning, dan de lagere; doch vaak was
+die slechts een vernisje, waar de oorspronkelijke ruwheid op menige plek
+doorheen schemerde. Wanneer eene aanzienlijke edelvrouw als YOLENTE
+COURTROISIN, uit het geslacht der kasteleinen van Kortrijk, zich z ver
+vergeten kon, dat zij een baljuw in de uitoefening zijner bediening
+grovelijk beleedigde en met een stok mishandelde; wanneer de kanonniken
+der hofkapel te 's-Gravenhage elkaar niet zelden in het koor bespotten,
+scholden, stootten en sloegen--dan kan de beschaving onder den adel over
+het algemeen geen hoogen trap hebben bereikt[14].
+
+De Overheid trachtte de brooddronkenheid, bandeloosheid en ontucht met
+wetten te keeren en te betoomen. In Vlaanderen en Brabant werden wetten
+uitgevaardigd tegen de weelde. Brussel bezat reeds in de tweede helft
+der 14de eeuw tuchthuizen, "goede vaste ghyoelen", "omme de wilde
+joncheit te bat in bedwange te houden". De straffen blijven nog altijd
+zwaar en ten deele barbaarsch. In Deventer worden in 1344 vrouwen levend
+begraven. Een valsche wijbisschop wordt in 1392 te Utrecht veroordeeld
+om levend gekookt te worden in een onder het schavot geplaatsten ketel.
+Bij wijze van gratie wordt hij uit den ketel getild en onthoofd[15].
+Naar het schijnt, werd deze laatste straf slechts zelden toegepast; doch
+er waren zoovele andere gruwzame straffen, dat onze algemeene indruk
+daardoor weinig gewijzigd wordt.
+
+Die straffen strookten met die tijden: tijden van groote ruwheid ja,
+maar ook van groote, van ontzagwekkende kracht. Welk een taaie kracht
+was er in die Friezen, die telkens de aanvallen der machtige Hollandsche
+graven afslaan en onder wier slagen de bloem van den Hollandschen en
+Henegouwschen adel bezwijkt; in die Vlamingen ook die den slag bij
+Kortrijk wonnen; in al die weerbare burgerijen, verplicht en gereed
+hunne stad te bewaken en te verdedigen.
+
+Welk eene volksweerbaarheid, welk eene volkskracht!
+
+Die volkskracht gaat zich openbaren in eene aanwassende verscheidenheid
+van vormen en gestalten. Er komt werking in de massa's; hier en daar
+gaat zich het bijzondere losmaken van het algemeene, de enkeling zich
+onderscheiden van den stand waartoe hij behoort. Bij adel en
+geestelijkheid was dat reeds vroeger eenigermate het geval geweest; nu
+ziet men dat verschijnsel ook onder de gemeentenaren. Het is geen toeval
+dat wij juist uit dezen tijd verscheidene hunner leiders of aanvoerders
+bij name kennen: NICOLAAS ZANNEKIJN, JAN BREYDEL en PIETER DE CONINC;
+JACOB VAN ARTEVELDE met zijne beide medestanders: PIETER VAN DEN BOSSCHE
+en FRANS ACKERMAN; JOHAN YOENS; PETER COUTEREEL, "de Brabantsche
+ARTEVELDE"[16]. In de Noordelijke landen, die in algemeene ontwikkeling
+bij de Zuidelijke achterstonden, kunnen wij niet zulk een aantal namen
+van beteekenis aanwijzen.
+
+Het bijzondere zich losmakend van het algemeene, dat verschijnsel meenen
+wij te kunnen opmerken ook op kleiner schaal: de verhouding van den
+eenling tot de maagschap. Niet alsof de maagschap hare beteekenis geheel
+zou hebben verloren! In eene oude vertaling van FROISSART'S kroniek
+lezen wij van eene bloedveete tusschen een paar geslachten van rijke
+"schippers" (reeders) te Damme uit het laatst der 14de eeuw in deze
+woorden: "Wair was dat, voir dien tijt van oudts, binnen der stede van
+den Damme, een dootlijc oirloge gestaen hadde twischen twee rijke
+mannen, scipperen aldair, met horen magen an beyden sijden, dairaf die
+een geheten was JAN PIER ende die ander JAN BAIRDE, bij welken oirloge
+onderlinge van horen magen doit gebleven wairen wail tot CXVIII pereonen
+toe, van welker eenre pertije GIJSBERT MAHIEU ende sine bruederen mage
+waren, ende JAN LIJON was maech van der ander zijde. Welken hate ende
+nijde aldus bedect gedragen wert ende van langen tijt opgevoet twischen
+desen JAN ende GIJSBERT, hoewail sij te samen spraken, aten ende
+dronken, alst so diende te samen of te punte quam, mer altijt lach desen
+hate den Mahijewelingeren veel felre ende duenre [Zijnoot: vaster]"
+int herte dan dat JAN LIJON dede"[17].
+
+In een gedicht uit dezen tijd wordt gesproken van "buten maghen in
+ellenden" te wonen[18]; daar loopt een der wegen, waarlangs het woord
+_ellende_ dat oorspronkelijk: _ander land_ beteekende, aan zijne
+overdrachtelijke beteekenis gekomen is.
+
+Maar er zijn toch teekenen die op eene aanstaande kentering in dezen
+schijnen te wijzen. Sprekend over de moordenaars van Graaf FLORIS, zegt
+MELIS STOKE:
+
+ Dat dese verraders hebben ghelaten
+ Den maghen verwijt: si moghense haten.
+
+Hier wordt de verantwoordelijkheid der magen voor de daden van n
+hunner erkend. Doch onmiddellijk daarop lezen wij:
+
+ Nochtan so nes niement vroeder [Zijnoot: geen verstandig man.],
+ De dat verwijt iement goeder,
+ Dat sijn maech hevet misdaen[19].
+
+De Antwerpsche stadssecretaris JAN BOENDALE stelt in zijn
+_Lekenspieghel_ de vraag: of men magen en vrienden moet helpen en
+ondersteunen. Een wijs meester antwoordt daarop: ja, indien uwe magen
+arm zijn, in het ongeluk geraakt en brave menschen. Doch zijn zij dwaas
+en slecht, doorbrengers of deugnieten, laat ze dan links liggen; 't is
+toch boter aan de galg gesmeerd[20].
+
+Deze Zuidnederlander durft al heel wat verder gaan dan de Hollander
+STOKE; maar ook hier zal het Noorden het Zuiden volgen.
+
+In een merkwaardig stuk _Van drierehande lyden_ heeft de
+Noordnederlandsche dichter WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH ons een man
+geschetst, wien het slecht vergaat, omdat hij zich van zijne magen
+afzondert. Hij is trotsch als een baron, hoewel hij slechts "maet van
+goede" is. Zijne magen ergeren zich daaraan, maar hij geeft niet om hun
+raad. Nu moet hij alleen zijn weg gaan en dat bekomt hem slecht:
+
+ Misdede ic yet, ic wort ghesleghen,
+ Ic most den menighen verdreghen
+ Entaer toe lyden mit hem allen.
+ Soe wye sijn maghen worden tieghen,
+ Die moet van des ghelijcke pleghen,
+ Hem sel veel te lyden vallen[21].
+
+Het is waar dat HILLEGAERTSBERCH hier waarschuwt tegen het losmaken
+van den band der maagschap, doch uit die waarschuwing zelve blijkt, dat
+de dichter dezen nieuwen trek in het volksleven had opgemerkt en
+gewichtig genoeg achtte om er de aandacht van zijn publiek op te
+vestigen.
+
+Verwant met dezen trek is het individualisme, dat zich, zij het
+slechts op een paar plaatsen, in de keuze der kleeding openbaart. De
+hekeldichter JAN DE WEERT deelt ons in zijn _Nieuwe Doctrinael_ mede:
+
+ Elc wil draghen of hebben dat niemen
+ En heeft of draghet, can hijt gheraken[22].
+
+en de auteur van een ander 14de-eeuwsch leerdicht _Spiegel
+der Zonden_ zegt evenzoo:
+
+ Elk zoect om vremde ghedane
+ In zinen clederen....[23].
+
+Dit individualisme, zich nu nog maar openbarend in iets uiterlijks,
+zullen wij gaandeweg, doch uiterst langzaam, zich zien ontwikkelen in
+een later tijdvak.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] Vgl. BLOK, _Gesch. v.h. Ned. Volk_, II, 24 vlgg., 222.
+
+[2] SCHOTEL, _Abdij van Rijnsburg_, bl. 90-92.
+
+[3] DE LANGE VAN WIJNGAARDEN, _Gesch. van Gouda_, I, 137, 141, 154.
+BUSKEN HUET geeft een aardig beeld van Graaf JAN in zijn handel en
+wandel in Deel I van _Het Land van Rembrand_.
+
+[4] BLOK a.w. II, 42-3, 165-6.
+
+[5] A.w.B. III, c. 26.
+
+[6] SCHOTEL, _Abdij van Rijnsburg_, bl. 76; PIRENNE a.w. II, 20; _Bijdr.
+en Meded. v.h. Histor. Gen._, XXIII, 60.
+
+[7] A.w. (ed. SNELLAERT in _Nederl. Gedichten uit de veertiende eeuw_),
+bl. 252.
+
+[8] Vgl. hierover VANDERKINDERE'S _Sicle des Artevelde_ o.a. p. 185,
+112, 126-130; BLOK a.w. II, 8 vlgg.; PlRENNE a.w. II, 407; S. MULLER FZ.
+in _De Gids_ van 1897 (Juni).
+
+[9] _Ged._, bl. 211, vs. 344-5.
+
+[10] _Vad. Mus._, I, 76.
+
+[11] In zijne _Brabantsche Yeesten_, V, 415 vlgg.
+
+[12] Vgl. _Sicle des Artevelde_; het "papegoy schieten" ao 1361 in de
+_Cameraars-Rek._, III, p. 15; _Nieuwe Doctrinael_, 793-5, 1720-4;
+EBBINGE WUBBEN, _Over Mnl. Vertalingen van het O.T._, p. 105 (ao 1360).
+Mr. S. MULLER FZ., _Registers en Rekeningen van het Bisdom Utrecht_, I,
+481, 488, 467 vlgg., 474-5.
+
+[13] _Sicle des Art._ p. 404; ROBERT FRUIN'S _Verspr. Geschr._, I, 155;
+MULLER, _Reg. en Rek._, I, 480; 527 vlgg.
+
+[14] Vgl. _Sicle des Art._, p. 260; CANNAERT, _Bijdragen tot de kennis
+van het oude strafrecht_, bl. 69; MOLL a.w. II, 4, bl. 146-7.
+
+[15] _Belg. Mus._, X, 104 vlgg.; _Cam.-Rek._, I, 134, 199;
+_Oud-Utrechtsche Vertellingen_ door Mr. S. MULLER FZ., bl. 43.
+
+[16] PlRENNE a.w. II, 33.
+
+[17] _Jehan Froissarts Cronycke van Vlaenderen_ in de vertaling van
+GERRIT POTTER VAN DER LOO (ed. N. DE PAUW), p. 5.
+
+[18] _Cyromanchie van den pape van den Hamme_ in N. DE PAUW'S _Mnl.
+Ged._, I, 270.
+
+[19] IV, 1305-'9.
+
+[20] A.w.B. III, c. 22.
+
+[21] _Gedichten_, bl. 127, no. 66.
+
+[22] Vs. 859-860.
+
+[23] Vs. 11605 vlgg.
+
+
+
+RIDDERPOZIE IN VERVAL[*]
+
+[*] Voor de tijdsbepaling vgl. de Aanteekeningen achter dit hoofdstuk.
+
+1. Baerte metten breden voeten, Ridder metten Zwane, Cassamus, Loyhier
+ende Malaert, Borchgravinne van Vergy.
+
+2. Ogier, Malegijs, Huge van Bordeeus, Valentijn en Nameloos.
+
+3. Borchgrave van Couchi. Seghelijn van Jerusalem.
+
+De ontwikkeling van het ridderwezen spiegelt zich af in die der
+ridderpozie. Voor een deel wordt het oude leven ook hier voortgezet: er
+wordt, als vroeger, vertaald uit het Fransch; als vroeger zelfstandige
+bewerkingen van in het Fransch bewerkte stoffen gegeven; als vroeger
+oorspronkelijke romans--voorzoover daarvan hier sprake kan
+zijn--samengesteld. Er is echter verschil op te merken in dit opzicht:
+de aanwas van zelfstandigheid onder deze volken openbaart zich hierin,
+dat het aantal vertaalde werken geringer is dan dat der zelfstandig
+bewerkte.
+
+Vertaald werden de romans: _van Baerte metten breden voeten_, _de Ridder
+metten Zwane_, _Cassamus_, _Loyhier ende Malaert_ en _de Borchgravinne
+van Vergy_; de laatste zelfs in twee bewerkingen. Van den _Loyhier ende
+Malaert_, die waarschijnlijk uit het Fransch vertaald is, kan kan men
+echter geen Fransch origineel aanwijzen. Van de twee eerstgenoemde
+werken hebben wij slechts onbeteekenende, van de twee volgende grootere
+fragmenten over; het laatstgenoemde werk is tot ons gekomen in eene
+volledige en eene onvolledige bewerking[1].
+
+Zelfstandige bewerkingen van potische stoffen, ook door Fransche
+dichters behandeld, doch kwalijk als vertalingen te beschouwen, brengen
+ons de romans _van Ogier_, _van Malegijs_, _van Huge van Bordeeus_ en
+_van Valentijn en Nameloos_, alle in fragmentarischen toestand tot ons
+gekomen. In hoever ook de _Loyhier en Malaert_ tot deze groep kan worden
+gebracht, is moeilijk uit te maken, zoolang wij het Fransch origineel
+niet bezitten[2].
+
+De romans _Van den borchgrave van Couchi_ en _van Seghelijn van
+Jerusalem_ eindelijk mag men onder voorbehoud oorspronkelijke werken
+noemen[3].
+
+Het eerste der hier genoemde werken geeft reeds dadelijk een denkbeeld
+van hetgeen ons in de overige wacht.
+
+BERTE "metten breden voeten" is de dochter van FLORIS en BLANCEFLEUR en
+huwt koning PEPIJN van Frankrijk. Eene dienstmaagd MARGISTE doet hare
+dochter ALISTE BERTE'S plaats in het bruiloftsbed innemen. BERTE wordt
+na eene valsche beschuldiging ter dood veroordeeld. Zij brengt er het
+leven af, zwerft rond in de bosschen, komt bij den "foreestier" SYMON en
+blijft daar, totdat zij door den koning wordt teruggevonden en in eere
+hersteld. Later wordt zij moeder van KAREL DEN GROOTE. Door dit werk
+toont ADENET LE ROI zich in zijn karakter van "remanieur"; aanknoopend
+bij een vroeger literair werk eenerzijds, bij de persoonlijkheid van
+CHARLEMAGNE anderzijds, tracht hij door eene verwarrende veelheid van
+avonturen de aandacht te prikkelen.
+
+LOYHIER, in den roman van dien naam, wordt ons voorgesteld als een zoon
+van CHARLEMAGNE. Hij is een middeleeuwsche Don Juan. Op aandringen der
+hooge edelen van het hof verbannen, trekt hij met zijn trouwen vriend
+MALAERT naar het Oosten, wordt keizer van Constantinopel en beleeft nog
+tal van avonturen. De roman van _den Ridder met den Zwaan_ is eene
+poging om de eigenlijke geschiedenis van den Zwaanridder HELIAS te
+verbinden met die van GODFRIED VAN BOUILLON. De onbeduidende fragmenten,
+die wij van de Dietsche bewerking over hebben, verplaatsen ons naar een
+schitterende wapenschouwing over GODFRIED'S vazallen, die indruk moest
+maken op de toehoorders als op den Sarraceenschen koning CORNUBRANT, die
+haar vermomd bijwoont. De _Cassamus_ behelst eene der bewerkingen van de
+_Alexander-sage_ en spreekt vooral van hoofschheid en van minne. De
+_Borchgravinne van Vergy_ is een bevallig maar droef verhaal van de
+liefdesbetrekking tusschen deze edelvrouw en een Bourgondisch ridder, op
+wien ook de hertogin van Bourgondi verliefd is. De ijverzuchtige
+hertogin brengt eerst de burggravin, daarna den ridder tot zelfmoord en
+wordt zelve met den dood gestraft door haren gemaal, die dan als
+Tempelridder naar Palestina trekt. Deze berijmde novelle vormt den
+overgang tusschen den ridderroman en de riddersproke.
+
+De sage van OGIER, een der dappere "genooten" van KAREL DEN GROOTE, was
+hier te lande waarschijnlijk reeds vroeg behandeld. Men mag dat
+vermoeden op grond eener vermelding in _Van den Levene ons Heren_ (vs.
+10). Doch het is weinig waarschijnlijk dat daar gedoeld wordt op deze
+Dietsche bewerking, die niet terug te brengen is tot een der bekende
+Fransche bewerkingen. Zoo hebben ook de _Malegijs_, de _Huge van
+Bordeeus_ en de _Valentyn en Nameloos_ met de Fransche bewerkingen dier
+stoffen weinig meer gemeen dan eenige namen en voorname feiten. MALEGIJS
+is de uit den roman van _de Heemskinderen_ bekende toovenaar; HUGE VAN
+BORDEEUS: een leenman van CHARLEMAGNE, die onwetend des keizers zoon
+doodt, daarvoor gestraft wordt met de opdracht om den baard en vier
+tanden van den soudaan van Babyion te gaan halen en allerlei avonturen
+gelukkig te boven komt door hulp van den tooverkoning OBERON. _Valentyn
+en Nameloos_ behelst eene bewerking der zelfde sage, die in het latere
+Fransche volksboek van VALENTIJN en OURSON wordt gevonden: de talrijke
+bonte avonturen van een broederpaar, jong gescheiden, waarvan de een
+door eene berin (wolvin) gezoogd is en door den ander, een volmaakt
+ridder, overwonnen wordt, waarna zij als wapenbroeders de wereld
+rondtrekken. VALENTIJN wordt ten slotte koning van Frankrijk, NAMELOOS
+koning van Hongarije.
+
+Het verhaal _van den Borchgrave van Couchi_ behandelt voornamelijk
+COUCHI'S liefde tot BEATRIJS, echtgenoote van den Heer van Famweel en
+zijn strijd met den bastaard MASEBROUC om het land van Ardennen. Meer
+dan eens ook worden wij verplaatst aan het hof van koning KAREL DEN
+KALE, tot wiens vazallen COUCHI behoort.
+
+SEGHELIJN van Jeruzalem eindelijk is de zoon van een heidensch vorst;
+zijne moeder heet BLANSEFLEUR. Hij wordt opgevoed door een visscher,
+helpt CONSTANTIJN DEN GROOTE de overwinning behalen, huwt diens dochter
+FLORETTE, wordt keizer van Rome en later paus. Vr dien tijd heeft hij
+de gelegenheid waargenomen bij zeven koninginnen de latere zeven vroeden
+van Rome te verwekken; op deze wijze--natuurlijker en eenvoudiger kon
+het niet!--heeft de dichter, zekere LOY LATEWAERT, zijn werk verbonden
+met den naar de Zeven Vroeden genoemden roman.
+
+Vergelijken wij deze ridderpozie met die uit ons Eerste Boek, dan
+blijkt wel dat wij van verval mogen spreken.
+
+Daar was nog gevoel voor het ridderwezen in zijn idealisme, zijn
+herosme, zijne fijnheid van omgangsvormen; hier is daarvan weinig of
+niets over. Zeker, ook het dorperlijke en onaesthetische vertoont zich
+daar, doch tegenover die schaduw is er vrij wat licht. Maar hier? Wat is
+er geworden van het gevoel voor het ridderwezen, van de ridderlijke
+idealen? Ja, er wordt nog gestreden ook tegen de heidenen, maar de
+bezieling is verdwenen. Avonturen en nog eens avonturen, wonderen het
+een nog wonderbaarlijker dan het andere, moeten dat gemis vergoeden. De
+_Limborch_ en de _Flandrijs_, die wij in het Tusschenspel leerden
+kennen, mogen in dit opzicht beschouwd worden als schakels tusschen de
+oudere en de jongere ridderpozie.
+
+Staaltjes van gemis aan ridderlijk gevoel, dorperlijke opvatting, die
+wij vroeger slechts hier en daar vonden, zijn hier maar al te rijkelijk
+aanwezig. In geen der vroegere werken wordt het ridderwezen door lage
+boert en platte grappen zoo naar beneden gehaald en onteerd als hier
+niet zelden geschiedt. In het gedicht _van den Grimbergschen Oorlog_ dat
+wij in het _Tusschenspel_ even vermeldden, moedigt Heer ARNOUT VAN
+OYENBRUGGE de zijnen aan door hen indachtig te maken dat zij in hun
+eigen land zijn, de vijand daarentegen op vreemd gebied moet strijden.
+Hij bedient zich daarbij van deze vergelijking: een hond durft op zijn
+eigen mesthoop veel beter dan een vreemde. Elders in dat gedicht lezen
+wij, dat een schild wordt gekloofd als een raap[4]. Den dapperen OGIER
+laat men struikelen over erwten, om hem zoo ten val te brengen[5]. In de
+_Couchi_ wordt eene veete bij een zwerende puist vergeleken. Ridder
+SEGHELIJN zegt van zich zelven:
+
+ Ende so ic ben een quade sprute,
+ So moet die pust breken ute.
+
+Zijn ros Glorifier eet gebraden kapoenen. Als het dan staat te
+likkebaarden, zegt zijn meester lachend tot het ros: dat is uwe ouders
+nooit gebeurd, maar gij verdient het wel!" Nadat SEGHELIJN vijftien jaar
+lang gevangen heeft gezeten op water en brood in een donker hol, doet
+God een wonder aan hem: nu ziet hij er weer zoo goed uit, "alsof hij
+zich had liggen mesten"[6].
+
+Maar de _Malegijs_ spant hier de kroon.
+
+MALEGIJS doet door zijne tooverkunsten een aantal ridders naakt een
+rondedans uitvoeren en later onder groot gelach der omstanders op den
+grond tuimelen; de dwerg SPYT vermaakt zich daar kostelijk mede en
+geeft den raad om ze als vogelverschrikkers in het koren te zetten.
+MALEGIJS' oom, meester YVERT, lacht als REINAERT: "mi dochte dat ic
+spleet". Beyaert, het edele ros der Heemskinderen, wordt door MALEGIJS
+voor een kar met wijn gespannen. Dat was erger dan, met molensteenen aan
+de pooten, in de Oise verdronken te worden! ROELANT spreekt smalend tot
+CHARLEMAGNE over diens "grote coenheide"; gaat gij ons voor in het
+gevecht, zegt ROELANT, dan vechten wij mee; maar vlucht gij, dan
+vluchten wij ook[7].
+
+Evenals de _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn ook deze werken slechts
+voor een gering deel uit het leven ontstaan, doch grootendeels uit
+herinneringen aan wat de vervaardigers elders gehoord of gelezen hadden.
+
+De _Seghelijn_ is op-en-top een compilatie; vele bewijzen daarvan zijn
+reeds vroeger bekend gemaakt en zij kunnen nog vermeerderd worden; ook
+met den _Huge van Bordeeus_ en den _Valentijn en Nameloos_ is dat het
+geval. In de overige werken kunnen wij eveneens telkens namen of
+toestanden aantreffen die reeds in vroegere werken worden gevonden en
+het beroep op "ouden jeesten" in den roman van _Couchi_ begrijpelijk
+maken[8].
+
+Doch waarin ook de ridderpozie van dezen tijd moge achterstaan bij die
+van een vroeger tijdperk, niet in stichtelijkheid. In de onderscheidene
+fragmenten van _Valentijn en Nameloos_ en in den _Malegijs_ vertoonen
+zich telkens godsdienstige of op godsdienstigheid gelijkende invoegsels.
+De voltooier van het gedicht op den Grimbergschen Oorlog betreurt het
+zelfs, dat deze strijd gevoerd is tusschen Christenridders: hadden zij
+gezamenlijk de Sarracenen bestreden, zegt hij, dan zouden wij hen mogen
+prijzen. Aan het slot van zijn werk richt hij tot den edelman, voor wien
+het werk bestemd was, een bespiegeling over de broosheid des levens en
+een waarschuwing, dat hij rekenschap zal moeten afleggen van zijn doen
+en laten[9]. Maar eerst in den _Seghelijn_ viert de stichtelijkheid
+hoogtij! Allerlei wonderen worden verricht door onderscheidene
+reliquien van CHRISTUS: den geesel, het "vergulde vat", waar JEZUS
+azijn met gal gemengd uit dronk, de doornenkroon en de spijkers van het
+kruis. De gebeden zijn hier uitermate lang; andere stichtelijke passages
+niet zeldzaam. Als SEGHELIJN honger heeft, daalt een soort manna voor
+hem uit den hemel. Op zijn wensch krijgt dat brood daarna den smaak van
+een kapoen en later zelfs van wijn. De stichtelijkheid komt hier
+gevaarlijk dicht bij het sprookje van "tafeltje dek je"! SEGHELIJN zelf
+wordt als een soort van Graalridder voorgesteld: als hij nadert laat een
+geesel met vijf knoopen, waarmede JEZUS gegeeseld is, droppels bloed
+vallen; zelfs de speer uit de Graal-sage wordt hij waardig gekeurd[10].
+
+Wel strooken met deze begeerte tot stichten de vermaningen en
+moralisaties, die in den _Ogier_ zijn gevlochten, en het didactisch
+element in dat werk en den _Seghelijn_. In den laatsten roman vinden wij
+een tooneel, waar de held door zijne moeder BLENSEFLUER gekust wordt.
+Verraders, die de verhouding der koningin tot den jongeling niet kennen,
+beschuldigen SEGHELIJN in des konings tegenwoordigheid van ongeoorloofde
+verstandhouding met de koningin. "Schurk," zegt SEGHELIJN, "men omhelst
+en kust elkander dikwijls in eer en deugd. Wat overigens de kussen
+betreft, er zijn vier soorten: "van moeder, van lieve, van peise en van
+grieve." Deze scholastieke indeeling en de elders voorkomende "questin"
+met de daarbij behoorende antwoorden verplaatsen ons naar het trivium en
+het onderwijs in de dialectiek.
+
+Het geringe gevoel voor de ridderlijke idealen, de neiging tot
+stichtelijkheid en didactiek hebben reeds het vermoeden kunnen wekken,
+dat de literaire waarde dezer werken niet groot zal zijn. Het
+compilatorisch karakter alleen zou voor dat vermoeden te weinig grond
+geven; want ook al heeft men dat vastgesteld, dan blijft altijd nog ter
+beantwoording deze vraag: Wat hebben de dichters van de door hen
+ontleende stoffen gemaakt?
+
+Maar ook op die vraag kan men bezwaarlijk anders antwoorden dan: weinig
+moois of verdienstelijks. De _Cassamus_ en vooral de _Borchgravinne van
+Vergy_ zijn vloeiend, hier en daar bevallig, vertaald; doch naar het
+schijnt hebben deze vertalingen overigens weinig eigens. De meer
+zelfstandige werken verheffen zich soms tenauwernood boven het
+middelmatige en blijven niet zelden daarbeneden. In den _Couchi_ vindt
+men wel eens aardige verzen; zoo b.v. deze:
+
+ Daer so hadde een worm ghebeten
+ Diepe in ziere rosen blat,
+ So dat nemmermeer dat gat
+ Conde heelen noch genezen.
+
+In den _Malegijs_, die overigens vooral in den versbouw een ongeoefende
+hand verraadt, vindt men hier en daar niet onverdienstelijke
+minne-lyriek[11]. Doch over het algemeen is de oogst van het goede of
+verdienstelijke uiterst schraal. Hoe zou dat ook anders kunnen zijn,
+waar de dichters van de beide minst afhankelijke werken telkens toonen
+hoe weinig zij _in_ hun verhaal zijn. Den vervaardiger van den
+_Seghelijn_ zien wij telkens het oog afwenden van zijn verhaal en zijne
+personages, om het op zijn eigen tijd te richten; gewoonlijk wordt hij
+daartoe gedreven door het verlangen om te waarschuwen, te vermanen of te
+berispen. Hij handelt dan over de trouweloosheid en de kijfzucht der
+vrouwen, de wellustigheid der mannen; ontraadt zijn publiek, een dief
+van de galg te bevrijden; hij wekt den dommen mensch op, God te erkennen
+in Zijne kracht en Hem steeds te dienen[12]. In den roman _van Couchi_
+vinden wij evenzoo b.v. een uitval tegen het ridder worden zonder den
+ridderslag; over den ootmoed, die de vrouwen past; eene bespiegeling
+over "een crudekijn, heet nijt", in den geest, waarin later WILLEM VAN
+HILLEGAERTSBERCH zal spreken "van enen cruut ende hiet selve".
+
+Niet bij toeval komt, aan het eind van dit overzicht der ridderpozie in
+verval, de naam van een Hollandschen spreker, die de gemeenten
+vertegenwoordigt. Die naam is een vingerwijzing naar de dingen die
+komen. De ridderschap als instelling had uitgeleefd, maar niet vergeefs
+geleefd. Trouw aan den heer; eergevoel, dat geen smet op het blazoen
+duldde; vereering der vrouw; toewijding, die met mannenmoed desnoods het
+leven op het spel zette, waar een der ridderlijke idealen te verdedigen
+viel; begeerte om het leven ook door de kunst schooner en aangenamer te
+maken--naar zulke dingen had de ridderschap gestreefd. En al heeft zij
+die slechts gedeeltelijk bereikt, al waren hare handelingen dikwijls in
+openbaren strijd met hare beginselen, desniettemin hebben die idealen,
+door haar voor het eerst verkondigd en voorgestaan, als een zuurdeesem
+ook in het leven dezer volken gewerkt en zijn zij dat blijven doen.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+TIJDSBEPALING.
+
+De Fransche roman van _Berte aus grans pis_ is door ADENET LE ROI
+omstreeks 1275 gedicht, de Mnl. bewerking kan dus hoogstens uit het
+laatst der 13de eeuw dagteekenen. (Vgl. _Les Epopes franaises_ III,
+7). De Fransche roman van _Le Chevalier au Cygne_, waarop wij hier het
+oog hebben, dagteekent uit de 14de eeuw. Zie _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 253.
+Onze vertaling dus ten minste evenzeer. Over den tijd der vervaardiging
+van _Cassamus_ vgl. ed. VERWIJS, Inl. XXVIII; het Fransche gedicht
+dagteekent van omstreeks 1312; zie: HOOGSTRA, _Proza-bewerking van het
+Leven van Alexander den Groote_, Inl. p. XX; de volledige bewerking der
+_Borchgravinne van Vergy_ is van 1315; zie vs. 1119 vlgg; de Fransche
+_Lohier et Mallart_ moet uit de 14de eeuw zijn: zie _Mnl. Ep. Fragm._,
+bl. 266; de overige werken: _Ogier_, _Malegijs (Maugis d'Aigremont)_,
+_Huon de Bordeaux_ behooren in de Fransche literatuur tot het tijdvak
+der dcadence van de ridderpozie (laatst der 13de en aanvang der 14de
+eeuw) en moeten dus in hun Dietschen vorm ook tot de 14de eeuw gebracht
+worden; trouwens de geest der bewerkingen zelve wijst ons ook naar dien
+tijd. Het is ook opmerkelijk, dat b.v. in den _Malegijs_ verscheidene
+vreemde woorden voorkomen, die men uitsluitend of vooral in werken der
+14e eeuw aantreft, zooals: athoer, bolle, calant, tfaliant, fardeel,
+rabat, respons, mastijn en andere op p. 193, 201, 203, 205, 207. De
+_Seghelijn van Jeruzalem_ dagteekent van omstreeks 1333-1350 (zie:
+Inleiding ed. VERDAM, IV). _Van den Borchgrave van Couchi_ wordt door DE
+VRIES m.i. terecht in het tweede vierdedeel der 14de eeuw geplaatst; (zie
+_Tijdschr. v. N.T. en L._, VII, 129-131). De roman _van Valentijn en
+Nameloos_ vertoont in opzet, samenstelling en bewerking zooveel
+overeenkomst met de hierboven genoemde, dat ik meen hem tegelijk met de
+overige hier te moeten behandelen.
+
+[1] no. 1 afgedrukt achter MOLTZER'S _Floris ende Blancefloer_, bl. 131
+vlgg., no. 2 in _Mnl. Ep. Fragm._, XIII; no. 3 uitg. VERWIJS in: _Bibl.
+van Mnl. Lett._, 2e afl.; no. 4 _Mnl. Ep. Fragm._ en _Tijdschr. v. N.T.
+en L._, XII, 241 vlgg.; no. 5 uitg. STOETT in: _Klassiek Lett.
+Pantheon_. (Zutphen. W.J. THIEME EN Co).
+
+[2] Ik bediende mij voor no. 1 van de uitgave door MATTHES in _Taal- en
+Letterbode_, VI, 241 vlgg.; no. 2: _Madelghijs' Kintsheit_ ed. N. DE
+PAUW; nieuwe fragmenten in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV en XX en
+_Romania_, 1897; no. 3-4 in _Mnl. Ep. Fragm._, XI-XII; nieuwe fragmenten
+in _Tijdschr._, XVII en XI (daarbij te verg. XI, 229 vlgg.).
+
+[3] De _Couchi_ is uitgeg. door DE VRIES in: _Tijdschr. v. N.T. en L._,
+VII, 97-250. DE VRIES hield dit werk voor eene vertaling uit het Fransch
+en meende zelfs dat dit "nauwelijks aanwijzing behoefde." Wat hij
+aanvoert als grond voor zijne meening, is echter zwak (_Tijdschr._, VII,
+124). Alleen de vele hier voorkomende Fransche woorden schijnen grond te
+geven; inderdaad kunnen zij dat niet doen; in den _Limborch_,
+_Flandrijs_, _Seghelijn_, _Leven van Sint Amand_ en menig ander, _niet_
+uit het Fransch vertaald werk van dezen tijd, komen eveneens vele
+Fransche woorden voor. Daarentegen wijzen de naam _Masebrouc_ en de
+verklaring van dien naam door den dichter (II, 371-374) er op, dat wij
+hier een oorspronkelijk Dietsch werk hebben. Ons verhaal behelst eene
+gansch andere geschiedenis dan die van den _Chtelain de Coucy_ en
+nergens blijkt dat er nog eene andere Fransche bewerking is geweest.
+Indien men let op de meerdere zelfstandigheid bij de bewerkers van
+ridderromans uit dezen tijd, die blijkt o.a. uit _Limborch_, _Flandrijs_
+en _Seghelijn_, ook uit de andere in den tekst genoemde romans; op de
+vermenging van verdichting en quasi-historische werkelijkheid, die ook
+in den _Limborch_ wordt aangetroffen, en op het didactisch karakter van
+het bewuste werk--dan zal men het met voldoenden grond voor een
+Nederlandsch werk mogen houden.
+
+Bovendien schijnen nog tot de 14e eeuw te moeten worden gebracht: 1o.
+een roman _van Cesar_, uitgeg. door N. DE PAUW in _Mnl. Ged._, III, 530
+vlgg., naar het schijnt uit het Fransch vertaald; 2o. een roman _van
+Octaviane_, door BOENDALE vermeld in _Der Leken Spieghel_, III, c. 15,
+vs. 125.
+
+[4] II, 1681-5; 3017-'9.
+
+[5] _Taal- en Letterbode_, VI, 261.
+
+[6] _Couchi_, II, 248-250; _Seghelijn_, vs. 640-2; 3134 vlgg.; 5934.
+
+[7] _Fragmenten_ (ed. DE PAUW), bl. 69, 71, 75, 81, 85, 129, 133.
+
+[8] In den _Seghelijn_ personages uit de Karel-sage (GAURES en ROHAERT);
+vooral de _Flandrijs_ is nagevolgd, zie _Inl._, VI. Den reus GRAPAERT
+vinden wij terug in AGRAPART uit den _Huge van Bordeeus_; een visscher
+die een hooggeboren kind bij zich neemt, komt voor ook in _Aiol_;
+SEGHELIJN leeft in het bosch van vruchten en kruiden (2885-'9) gelijk
+PARTONOPEUS; zijn paard wordt hem, terwijl hij ligt te slapen,
+ontstolen, zooals Beiaert aan REINOUT. De naam FLORETTE ook in
+_Karlmeinet_. De paardenaam Blankaert uit _Loyhier en Malaert_ ook reeds
+in _Aubri de Borgengoen_; de naam van het zwaard Scaerdelijn in _Val. en
+Nam._ ook reeds in _Aiol_; de dans van betooverde ridders in den
+_Malegijs_ ook reeds in den _Lancelot_, I, bl. 109, vs. 122-3; NAMELOOS
+heeft een onzichtbaar makenden ring en knots evenals de dwerg SPYT; de
+auteur v.d. _Malegijs_ heeft geput uit _Patricius' Vagevuur_ en den
+_Brandaen_ (_Romania_, p. 504). Vgl. voorts _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 206,
+210, 228. En nog noem ik niet alles.
+
+[9] II, 5203 vlgg. en 6167-'73.
+
+[10] Vgl. vs. 1311 vlgg.; 2100 vlgg.; 2124-'47, 2742-2882; 5837-5903;
+3318 vlgg.; 6200 vlgg.
+
+[11] _Couchi_, II, 195-198; _Mal._ (fragm. DE PAUW), bl. 77, vs. 130
+vlgg.; 79, vs. 141 vlgg.
+
+[12] Vgl. vs. 182-'5, 202-'5, 4641-'3, 5472-'8, 9792-'4, 10476-'81.
+
+
+
+GEESTELIJKE EPISCHE POZIE EN PROZA.
+
+
+1. POZIE.
+
+ 1. Der Ystorin Bloeme. Leven van S. Lutgart. Leven van S. Kerstine.
+ Leven van S. Amand. Leven van S. Kunera van Rhenen.
+
+ 2. Vaghevier van S. Patricius. Boec van den Houte. Legende van het H.
+ Kruis. Theophilus. Beatrijs. Jonitas en Rosafiere.
+
+Evenals de ridderpozie is de geestelijke pozie van dezen tijd ten
+deele eene voortzetting der vroegere. Dat geldt in de eerste plaats van
+een aantal heiligenlevens, waarvan enkele misschien uit het laatst der
+13de eeuw zijn, andere waarschijnlijk tot de 14de eeuw behooren; een er
+van, _het Leven van Sint Amand_ is van 1366.
+
+In _Der Ystorin Bloeme_ hebben wij aanzienlijke fragmenten over van een
+groot werk, dat volgens den proloog de levens der apostelen, der
+martelaren en confessoren en die van heilige vrouwen en maagden zou
+bevatten. Slechts de levens der apostelen zijn tot ons gekomen. Om den
+afgebroken zinbouw, de vrij talrijke assoneerende rijmen en een zeker
+waas van oudheid dat over dit werk ligt, zou het mij niet verwonderen,
+indien latere vondsten ons toonden dat het nog in de 13de eeuw is
+ontstaan; doeh zekerheid daaromtrent is voorloopig niet te verkrijgen.
+Ook niet omtrent de vraag of een kleine 500 verzen van een dergelijk
+werk over apostelen en martelaren, als "Sinte Pouwels jonghers", "Sinte
+Tecla", "Sinte Nasarius en Celsus" deel van _Der Ystorin Bloeme_ heeft
+uitgemaakt. Men zou geneigd zijn, de vraag ontkennend te beantwoorden,
+omdat de assoneerende rijmen, daar vrij talrijk, hier ontbreken. Het
+eerste werk is zeker uit het Latijn vertaald, het tweede waarschijnlijk
+ook, daar het verwijst naar een martyrologium[1]. Uit het Latijn
+vertaald zijn ook het _Leven van Sinte Lutgart_ door zekeren "broeder
+GERAERT" en dat _van Sinte Kerstine_. Voorts het _Leven van Sinte Amand_
+dat vervaardigd is door zekeren GILLIS DE WEVEL, vertaald uit het
+Latijn, onder gebruikmaking van geschriften als UTENBROEKE'S _Spieghel
+Historiael_; en ten slotte mag misschien een gedicht _van Sinte Kunera
+van Rhenen_, "hare gheboerte, hare passie en die verheffinge", ook nog
+tot de 14de eeuw gebracht worden[2]. De vijf eerstgenoemde werken zullen
+wel alle uit Zuidnederland afkomstig zijn; het laatste schijnt, naar het
+dialect te oordeelen, in Gelderland te zijn ontstaan; is dat zoo, dan
+ligt het vermoeden voor de hand, dat het in Rhenen zelf of de omstreken
+van dat stadje zal zijn vervaardigd.
+
+Voor de geschiedenis der Roomsche kerk mogen deze heiligenlevens van
+niet geringe beteekenis zijn--in die der Nederlandsche literatuur kunnen
+zij slechts een bescheiden plaatsje innemen. In geen dezer werken vindt
+men iets dat op pozie ook maar gelijkt en weinig of niets
+karakteristieks. _Der Ystorin Bloeme_ bevat slechts gebrekkig berijmd
+proza, de levens _van S. Christina_ en _S. Lutgart_ zijn beide
+letterlijk vertaald uit het Latijn van THOMAS VAN CANTIMPR en toonen
+weinig of niets eigens; de verzen in deze beide werken, ten minste in
+_S. Lutgart's Leven_ zijn beter dan die in de twee eerstgenoemde[3]. Ook
+de beide andere heiligenlevens, vooral dat _van Sinte Kunera_ hebben
+voor de geschiedenis der literaire kunst weinig te beteekenen. Van eene
+reactie tegen de ridderpozie, zooals in de geestelijke pozie van een
+vroeger tijdvak, is hier weinig te bespeuren. Het eenige van dien aard
+waarop men zou kunnen wijzen is deze in het _Leven van Sinte Christina_
+gevoegde opwekking:
+
+ En neemt meer bispel aen de papen
+ Dan aen riddre ocht aen knapen[4].
+
+Ook zou men hiertoe kunnen rekenen eene vergeestelijking van het
+koningspel die men vindt in het _Leven van Sint Amand_. De samensteller
+van dat laatste rijmwerk richt zich niet zelden tot zijne hoorders om
+hen te vermanen, te waarschuwen of te berispen[5]. In die, trouwens
+weinig beteekenende, deelen van zijn werk vinden wij dus iets eigens.
+Zoo geeft ook de vertaler der _Vita_ van de H. CHRISTINA op een enkele
+plaats een bewijs zijner kieschheid[6]. Daarmede hebben wij alles
+genoemd, wat hier vermelding verdient; eene schrale oogst, zooals men
+ziet.
+
+Naast deze vertaalde heiligenlevens staan, evenals in de ridderpozie
+van dezen tijd, eenige andere werken, die van meer zelfstandigheid
+getuigen of inderdaad oorspronkelijk mogen heeten. Een overgang tusschen
+beide soorten vormt het, waarschijnlijk uit het Latijn vertaalde,
+gedicht _Van den Vaghevier dat sente Patricius vertoghet was_[7]. Wij
+vinden hier eene beschrijving van een tocht naar het Vagevier, die
+volbracht werd door zekeren ridder, en van al de geheimenissen, door hem
+in de grot van den H. PATRICIUS op het eiland Ulton gezien. Het verhaal
+had diepen indruk gemaakt op den bewerker, die ons mededeelt:
+
+ ... noit en quam mi dicht soe na
+
+doch hij is er niet in geslaagd zijne indrukken te verwerken tot een
+letterkundig voortbrengsel van eenige beteekenis. Wij mogen de oorzaak
+der zwakheid van het werk niet zoeken in de opvatting van den dichter,
+voor wien het Vagevier iets stoffelijks was ("materelic"), evenals de
+pijnen, die de zielen er te doorstaan hadden. Dat was immers de
+algemeene opvatting dier dagen, die men terugvindt o.a. in een
+13de-eeuwsch gedicht _Le Purgatoire Seint Patriz_ van MARIE DE FRANCE,
+en zelfs bij DANTE. Maar de bewerker of vertaler was blijkbaar iemand
+van geringe potische vermogens. Niet veel hooger stond de bewerker van
+_dboec vanden houte_, een der talrijke middeleeuwsche verhalen over de
+voorgeschiedenis van JEZUS' kruis. Volgens dit verhaal ontving ADAM'S
+zoon SETH van den hemelschen wachter bij het Paradijs drie pitten van de
+vrucht, aan den boom der kennis gegroeid. SETH legde deze pitten in den
+mond van zijn stervenden vader en begroef ze met het lijk. Uit de drie
+pitten schoten drie loten op: ceder, cypres en pijnboom, zinnebeelden
+van Vader, Zoon en H. Geest. DAVID plantte ze over naar Jeruzalem, waar
+zij opwiessen en samengroeiden tot n boom. SALOMO liet den boom
+ombouwen om hem bij zijn tempelbouw te gebruiken. Na allerlei
+lotgevallen wordt deze stam later gebezigd om er een kruis voor CHRISTUS
+uit te maken.
+
+Naar het schijnt, heeft de bewerker der Nederlandsche legende zijne stof
+aan het Latijn ontleend en haar vrij zelfstandig bewerkt[8].
+
+Een zwak dichter was ook de man, die eene legende _van het Heilige
+Kruis_, verbonden met een verhaal van Denen in Brabant, heeft
+berijmd[9]. Blijkbaar kende de auteur dezer legende de vroegere
+speelmanspozie: een koning (hier DAVID BRUCE, koning van Schotland) die
+wenscht te huwen, die boden zendt tot een anderen koning (MAGNUS van
+Denemarken) "over mere" om de hand zijner dochter, het uitrusten van een
+schip--dat zijn, gelijk wij vroeger hebben gezien gewone motieven uit de
+speelmanspozie[10]. De prinses, die met dat schip overgevoerd zal
+worden, sterft onderweg; de Denen durven zonder haar niet in Schotland
+komen, maar besluiten te landen aan de Brabantsche (Zeeuwsche?) kust en
+zich daar te vestigen. Op een verkenningstocht komen zij in de buurt van
+Breda, waar zij eene burcht bouwen, die den naam van Brunensteen krijgt
+en weldra een roofnest wordt. De roovers maken het ten laatste zoo bont,
+dat zij op bevel van den hertog van Brabant door den Heer VAN WESEMAELE
+worden verslagen; hun burcht wordt geslecht.
+
+Deze Denen zijn door den bewerker voorgesteld als Christenen, wat
+kwalijk past bij hun gansche bedrijf, maar noodig was om verband te
+kunnen brengen tusschen hunne geschiedenis en die van het Heilig Kruis.
+In hunne kapel hadden de Denen namelijk een kruis gemaakt, dat na de
+slechting van den burcht in de kerk van Breda geplaatst werd en daar
+menig wonder deed.
+
+Misschien is in dit verhaal een nagalm van de rooftochten der Noormannen
+blijven hangen; zeker is, dat noch in de wijze waarop de beide deelen
+zijn verbonden, noch in de bewerking van het geheel eenige
+kunstvaardigheid of iets literair karakteristieks valt op te merken.
+
+Meer van dien aard is er in twee van de drie Maria-legenden, welke uit
+deze eeuw dagteekenen: de geschiedenis _van Theophilus_, _van Beatrijs_
+en _van Jonitas en Rosafiere_[11]. Dit vers uit _Beatrijs_:
+
+ Goet berou mach als ghewouden [Zijnoot: alles goedmaken.]
+
+en deze andere waar sprake is van MARIA:
+
+ Wie aen u soect ghenade,
+ Hi vint se, al comt hi spade.
+
+behelzen de kern der beide eerstgenoemde werken. THEOPHILUS komt ten val
+door eerzucht, BEATRIJS door onkuischheid; beiden krijgen om hun oprecht
+berouw genade door tusschenkomst van de Heilige Maagd.
+
+THEOPHILUS, een weldadig en aanzienlijk man, om zijne vroomheid geliefd
+door den bisschop zijner woonplaats, wordt door dezen tot zijn opvolger
+gekozen. Uit bescheidenheid weigert hij; een ander krijgt de hem
+toegedachte plaats. Kwaadstokers zetten den nieuwen bisschop tegen
+THEOPHILUS op; hij wordt van het bisschoppelijk hof verbannen; niemand
+ziet meer naar hem om. Nu begint zijn strijd; hij vergelijkt zijn
+vroeger aanzien bij zijne tegenwoordige versmaadheid. Een driftig
+verlangen naar herstel in zijn vroegeren staat maakt zich van hem
+meester; elk middel daartoe is hem goed genoeg. De Booze sluipt zijn
+ziel binnen. Heimelijk onderzoekt THEOPHILUS of er ook iemand in de stad
+is, die zich bezig houdt met tooverij of gemeenschap houdt met den
+duivel. Ten laatste verneemt hij, dat er een Jood is die zijne ziel
+heeft overgegeven aan den Booze en die menig ander daartoe heeft
+gebracht op hoop van gewin. Te middernacht staat hij stilletjes op en
+spoedt zich naar het huis van den Jood. Op zijn herhaald aandringen
+opent deze de deur en verneemt de reden van zijn komst. Indien gij uwen
+God en uw geloof wilt afzweren, zegt de Jood, dan zal ik u helpen. Den
+volgenden nacht neemt hij THEOPHILUS met zich naar een "dwerse strate";
+daar zien zij zwarte gedaanten die, kandelaars dragend, loopen te
+zingen. Een hunner aanbidden zij: dat is hun heer LUCIFER. Vr hem
+gebracht, kust THEOPHILUS Satans voeten en verloochent God. De Booze
+belooft hem zijn vroeger aanzien te zullen wedergeven. Dat geschiedt.
+Maar na eenigen tijd ontwaakt het berouw. Hij zoekt troost en vergeving
+bij MARIA.
+
+In de tweede helft van het verhaal vinden wij zijne weeklachten tot de
+Heilige Maagd, eene verheerlijking van hare goedheid, hare samenkomsten
+met den berouwvollen zondaar en de vergiffenis, die zij voor hem weet te
+verwerven. Ten slotte biecht THEOPHILUS wat er met hem gebeurd is aan
+den bisschop en sterft kort daarna.
+
+Deze geschiedenis bemoedigde BEATRIJS, toen zij, op hare beurt in zonde
+gevallen, berouwvol haar hart voor de Heilige Maagd uitstortte. Zij was
+eene hoofsche schoone non, die in een klooster den dienst van kosteres
+getrouwelijk waarnam. Maar de duivel, die ons dag en nacht belaagt, doet
+het vuur van den wellust in haar hart ontgloeien, z dat zij meent te
+zullen bezwijken. Met vasten en bidden gaat zij den Booze te keer;
+vergeefsch is haar strijd. Zij weet, dat zij moet vallen. Een brief van
+hare hand aan een minnaar, een vriend harer jeugd, brengt dezen in het
+klooster. Nog acht dagen, dan zal hij wederkomen met mooie kleeren voor
+haar en geld voor hen beiden. 's Nachts vindt zij haar vriend in den
+kloostertuin. Zij verkleedt zich onder eene wilde roos, hij tilt haar
+vr zich in den zadel; nu begint het te dagen in den oosten; onder het
+zingen der vogels rijden zij het bosch in.
+
+Zeven jaren lang leven zij in een vreemd land en krijgen twee kinderen.
+Dan blijkt het geld verteerd, zij vervallen tot armoede, de armoede
+verjaagt de liefde--bij den man. Heimelijk verlaat hij haar en hunne
+kinderen. BEATRIJS kent geen ambacht; hoe zal zij voor hare kinderen
+zorgen? Zich zelve geeft zij prijs. Zeven andere jaren worstelt zij z
+door, in schande en kommer. Dan doet het berouw zijne stem luider en
+luider hooren. Zij walgt van hare kostwinning. Bedelend trekt zij met
+hare kinderen terug naar haar land en haar klooster en wordt uit
+barmhartigheid opgenomen door eene weduwe, die bij het klooster woont.
+Op hare vraag naar de kosteres BEATRIJS verneemt zij, dat deze nog
+altijd in het klooster haren dienst getrouwelijk verricht. Een wonder is
+geschied: MARIA zelve heeft den dienst waargenomen voor de zondige non,
+die altoos, ook in de dagen van zonde en schande, haar _Ave Maria_ is
+blijven bidden. Diep ontroert dat bericht de zondares. In tranen en
+gebeden brengt zij nu hare nachten door. Is er vergeving voor haar?
+"Maria, vrouwe, in een vurigen oven zou ik kruipen, mocht ik daardoor
+vergiffenis verwerven." Eene stem in den nacht verkondigt haar, dat
+MARIA zich haars ontfermt; zij moet zich heimelijk naar het klooster
+begeven; de deur, waardoor zij eens is ontvlucht, zal open staan. Zij
+treedt de kerk binnen; daar ligt haar kloostergewaad op het altaar en
+hangen de sleutels der sacristie waar zij die had opgehangen dien
+laatsten keer vr hare vlucht. Het uurwerk slaat middernacht; als
+vanzelf grijpt zij het klokketouw en begint te luiden voor de metten;
+daar komen de nonnen afgedaald van den dormter en alles gaat als
+vroeger. De abdis heeft zich, op verzoek der weduwe, die waant dat de
+moeder heimelijk gevlucht is, met het onderhoud der kinderen belast.
+Maar altijd blijft BEATRIJS bezwaard met het geheim van haar zondig
+leven. Een visioen in den slaap brengt haar eindelijk tot volledige
+biecht aan een abt bij zijn jaarlijksch bezoek aan het klooster. Evenals
+de bisschop in het verhaal van THEOPHILUS, maakt ook de abt de
+geschiedenis openbaar; doch anders dan de bisschop, verzwijgt hij den
+naam van haar, wie deze dingen gebeurd zijn.
+
+Zooals reeds uit het overzicht dezer twee verhalen kan zijn gebleken,
+wint de _Beatrijs_ het van den _Theophilus_ in belangwekkendheid en
+volheid van leven. THEOPHILUS is een der velen van wie in de
+middeleeuwen het verhaal ging, dat zij zich aan den duivel verkocht
+hadden; in de middeleeuwsche literatuur is dat niets bijzonders; met het
+oog op dat punt van overeenkomst de figuur van THEOPHILUS naast die van
+FAUST te plaatsen, heeft weinig zin. Alles hangt ook hier af van de
+wijze, waarop een dichter eene dergelijke stof behandelt. Wat heeft
+deze, ons onbekende, dichter van zijne stof gemaakt? Naar het schijnt
+heeft hij andere bewerkingen der Theophilus-sage, die in de _Acta
+Sanctorum_, de Latijnsche metrische bewerking van MARBODUS, bisschop van
+Rennes, en eene Fransche van GAUTHIER DE COINSY, gekend en gebruikt.
+Daardoor wordt de oorspronkelijkheid van zijn werk binnen vrij enge
+grenzen beperkt. Echter heeft hij binnen die grenzen toch werk geleverd,
+dat, hoe ongelijk ook, hier en daar verdienstelijk mag heeten. Niet
+zelden schrijft hij passages waar gang en warmte in zijn, zoo b.v.
+THEOPHILUS' bede om verschoond te mogen blijven van het bisschopsambt en
+zijne berouwvolle weeklachten; levendig is het eerste onderhoud met den
+Jood en belangwekkend naar den inhoud dat nachtelijk "manscap doen" aan
+den Booze. Maar daartegenover staan te veel andere deelen van het
+verhaal, waar onze belangstelling niet gaande wordt gehouden, de
+wijdloopigheid ons verveelt, de dichter beneden zijn onderwerp blijft.
+
+Voor een deel moet de zwakheid van zulke deelen natuurlijk worden
+toegeschreven aan het middelmatig talent van den dichter; voor een ander
+deel waarschijnlijk ook hieraan, dat hij niet zzeer in zijne stof
+verdiept was als een kunstenaar zijn moet om iets goeds voort te
+brengen. Meer dan eens laat hij zijn verhaal in den steek om zich te
+richten tot zijne tijdgenooten, om hen te berispen of te vermanen; zoo
+o.a. waar hij klaagt over het gebrek aan nederigheid, waar hij zich
+keert tegen de huichelaars, waar hij uitweidt over het onheil, door
+booze tongen aangericht[12].
+
+Anders dan de auteur van _Theophilus_, was de, eveneens onbekende,
+dichter van _Beatrijs_ geheel _in_ zijn verhaal. Hij moge in den aanvang
+terloops een blik slaan op de hedendaagsche nonnen, en
+elders--begrijpelijk in eene Maria-legende--met een paar woorden
+opwekken tot het bidden van een "Ave" wanneer men MARIA'S beeld
+voorbijgaat--doorgaans toont hij zich geheel vervuld van zijn verhaal en
+weet ons daarvan vervuld te houden.
+
+Blijkbaar was de stof den dichter bekend geworden door mondelinge
+overlevering, geen voorbeeld bond of belemmerde hem en die vrijheid van
+beweging is aan zijn werk ten goede gekomen.
+
+Welk een gevoelige ingetogen kunst valt hier te bewonderen in de wijze
+waarop de schoone non is uitgebeeld in haar strijd met den
+vleeschelijken hartstocht, met "Venus die duivelinne" zooals het lied
+_van Heer Danilken_ het uitdrukt. Zij heeft gevast en gebeden, zich
+gekastijd--alles tevergeefs; zij meent te zullen sterven in dien strijd.
+Voor MARIA'S beeld stort zij nacht en dag hare klachten uit; wat baat
+het? Zij vreest krankzinnig te zullen worden.
+
+Echter hield des dichters vroomheid zijne verbeelding hier gestadig in
+toom. De schoonheid der non beschrijven, acht hij niet oorbaar; haar
+leven als "ghemene wijf" gaat hij voorbij. Op n plaats vlamt de
+hartstocht op: wanneer de gelieven onder vogelgezang in het heldere
+licht door de groene velden en de bosschen rijden en de jonkman BEATRIJS
+verlokken wil om af te stijgen en zich minnelijk naast hem neer te
+vlijen in het gras, vaart zij, beleedigd in hare kieschheid, tegen hem
+uit: een dorper alleen zou zoo iets voorstellen! Maar, toorn van
+gelieven is hernieuwing van liefde; bedwongen hartstocht doet haar
+zeggen:
+
+ Waric in hemelrike gheseten,
+ Ende ghi hier in ertrike,
+ Ic quame tot u sekerlike.
+
+Zelf schrikt zij van die opvlamming en bidt God om vergiffenis; zij
+haast zich erbij te voegen dat de minste vreugde van den hemel verre
+staat boven alle aardsche genot. Wijs zijn zij, die daarnaar streven;
+"maar desniettemin moet ik in zonde vervallen om der wille van u,
+schoone lieve vriend." Duidelijker nog zal deze strijd tusschen
+vroomheid en hartstocht worden voor wie in de allerbevalligste Fransche
+novelle _Aucassin et Nicolette_ eene dergelijke uiting, hier van een
+minnaar, vergelijkt met die van BEATRIJS en ziet hoe teugelloos de
+hartstocht daar voortschiet[13]. Met naef-teedere intutie heeft de
+dichter ons het gevoel van beklemdheid getoond, dat BEATRIJS bevangt
+onder het rijden, als de dag gaat doorbreken en hare gedachten
+terugvliegen naar het klooster, waar zij anders "priemtijt" zou hebben
+geluid. Welke bevallige miniaturen zien wij in dat tooneeltje der beide
+gelieven aan weerszijden van het getraliede venster en later in den
+boomgaard! Hoe goed zijn ook de bouw en de evenredigheden dezer novelle,
+die door hare zachte bevalligheid de forscher schoonheid van den _Karel
+en Elegast_ naar de kroon steekt.
+
+Geen wonder dat zulk een verhaal indruk maakte, dat men den invloed er
+van gewaar wordt in het derde bovengenoemde Maria-verhaal: van _Jonitas
+en Rosafiere_. JONITAS, een jong en vroom ridder, tevens vurig vereerder
+van MARIA, is verloofd met de schoone ROSAFIERE. Op last van MARIA zegt
+hij haar echter vaarwel; ROSAFIERE, onder een ongunstig gesternte
+geboren, moet haren vader een kind baren en zeven jaren lang een zondig
+leven leiden. JONITAS trouwt nu "t'Orinten" ROSAFIERE'S zuster
+EGLENTINE. In den bruidsnacht neemt ROSAFIERE, met toestemming harer
+zuster, EGLENTINE'S plaats in. Zij weet hare kuischheid te bewaren en
+JONITAS het geheim van hare toekomst te ontlokken. Op haar verzoek
+brengt hij haar in een klooster van Grauwe Nonnen, waar zij portierster
+wordt. Haar vader keert terug uit den oorlog tegen de Sarracenen,
+verneemt waar zij is, verkoopt zijne ziel aan den duivel, dringt met
+Satan's hulp het klooster binnen en maakt de voorspelling tot waarheid.
+JONITAS brengt ROSAFIERE naar een ander land, waar zij zeven jaren lang
+een zondig leven leidt. Nadat die zeven jaren verloopen zijn, brengt hij
+haar terug in haar klooster en verneemt, dat MARIA al dien tijd
+ROSAFIERE'S dienst heeft waargenomen. ROSAFIERE zal abdis worden,
+JONITAS met zijne echtgenoote spoedig in het hemelrijk worden opgenomen.
+
+Reeds uit dit overzicht zal gebleken zijn, dat dit verhaal op een paar
+punten overeenkomst vertoont met dat van _Beatrijs_[14]. Andere deelen
+er van vindt men in andere middeleeuwsche dichtwerken terug. Zoo is het
+b.v. opmerkelijk, dat wij het motief der dochter, die haren vader
+ontvlucht om bloedschande te ontgaan, aantreffen juist in een paar
+Fransche Maria-mirakelen van dezen tijd[15]. Een ander motief: het
+verwisselen eener bruid in den bruidsnacht, treffen wij aan o.a. in de
+geschiedenis _van Tristan_, in die _van Baerte metten breden voeten_ en
+een Fransch "conte dvot"[16]. Ook de roman _van Limborch_ schijnt den
+vervaardiger van dit Nederlandsch werk niet onbekend te zijn
+geweest[17].
+
+De wijze, waarop deze en andere bestanddeelen van dit verhaal zijn
+verbonden, getuigt evenmin van eenig letterkundig talent als de
+bewerking van het geheel.
+
+Zoolang wij omtrent dit rijmwerk niet meer gegevens hebben dan nu, is
+niet met voldoende zekerheid te zeggen of het inderdaad nog tot de 14de
+eeuw behoort, evenals de twee overige Maria-verhalen; inhoud, taal en
+dichttrant maken het m.i. wel waarschijnlijk, doch het zou ook wel uit
+den aanvang der 15de eeuw kunnen dagteekenen. Al ware dit bewezen, dan
+nog zoude het hier niet misplaatst zijn als een half-geestelijke,
+half-ridderlijke, onaanzienlijke nabloeier der vroegere pozie.
+
+
+2. PROZA.
+
+ Heiligenlevens en Wonderverhalen. Leven van Alexander den Groote.
+ Reisverhaal van Joannes Witte de Hese.
+
+ Stemmen uit den Voortijd. Kerkvaders. Betrekkingen tusschen
+ Nederlandsche en Duitsche mystiek: Eckhart en Suso. Limburgsche
+ Sermoenen. Geschriften van den onbekenden leek en Jan van Leeuwen.
+
+ Ruusbroeck.
+
+ Eerste bijbelvertaling.
+
+In de dertiende eeuw kon men zich de kunst van het woord tenauwernood
+denken zonder maat en rijm; begrippen als _pozie_ en _literatuur_
+omvatten bijna uitsluitend verzen of wat daarop geleek. HADEWYCH'S proza
+alleen kwam dat wanbegrip bestrijden; doch het mag betwijfeld worden of
+het door velen is opgemerkt en in allen gevalle staat dat proza in dien
+tijd alleen.
+
+De veertiende eeuw geeft ons eene andere verhouding tusschen epische
+geestelijke pozie en geestelijk proza te zien. In omvang reeds
+overtreft nu het proza de pozie. Doch ook in beteekenis; want hoog moge
+de pozie stijgen in het liefelijk verhaal _van Beatrijs_--die bevallige
+kleine kapel kan toch niet worden gelijk gesteld met de statige
+kathedraal van RUUSBROECK'S mystiek.
+
+Van menig hierboven behandeld geestelijk gedicht vinden wij hier de
+weergade in proza. Zoo hebben wij een prozaverhaal _van Sinte Kunera_,
+van _dBoec vanden Houte_ en _van Theophilus_, alle drie zonder literaire
+beteekenis[18]. Van het verhaal _van Sinte Patricius' Vagevier_ bezitten
+wij een tegenbeeld in proza: het _Visioen van Tondalus_.
+
+Opmerkelijk is hier, dat de vertaler zelf ons verzekert dat het
+oorspronkelijk Latijn door hem "van woorde te woorde" verdietscht is.
+Opmerkelijk is ook wat hij er bijvoegt om zijn standpunt in dezen aan te
+geven: "Maer men sal weten dat ic desen bouc niet en begheere te rimene,
+omdat icker no af no toedoen ne wille van den ghenen dat ic vand in
+lattine; ende ooc so en es men gheen helighe scriftuere sculdich te
+rimene, want in den rijm en es gheen ander voordeel dan dat den hooren
+gheeft soeten luut, ende metten rimene so wert alle helighe scriftuere
+gheconfondeert"[19].
+
+Misschien hebben wij hier de verklaring van het feit, dat wij, naast
+sommige rijmwerken over geestelijke stoffen, prozabewerkingen dierzelfde
+stoffen aantreffen. Waarschijnlijk echter zal men hier rekening moeten
+houden ook met den aanwassenden lust tot literaire werkzaamheid onder
+menschen die toch niet allen de kunst van verzenmaken meester zullen
+zijn geweest. Tot de wonderverhalen van dezen tijd behooren
+waarschijnlijk ook een paar geschiedenissen van mirakelen, door SINT JAN
+BAPTIST verricht[20]. Van den bekenden bundel _Vitae patrum_ waren de
+beide eerste boeken waarschijnlijk reeds in de 14de eeuw in het
+Nederlandsch vertaald[21].
+
+Van heiligenlevens en wonderverhalen op het _Leven van Alexander den
+Groote_ schijnt naar de hedendaagsche opvatting een groote sprong. Voor
+de middeleeuwsche denkwijze bestond die sprong niet. Immers men vindt de
+historie van ALEXANDER gewoonlijk ingevoegd tusschen de boeken van het
+Oude Testament, geheel in overeenstemming met de toenmalige opvatting,
+volgens welke de geschiedenis van het Joodsche volk de kern der
+wereldgeschiedenis vormde. Wij kennen twee proza-bewerkingen der
+Alexander-sage, die beide waarschijnlijk omstreeks het midden of in de
+eerste helft der 14de eeuw zijn ontstaan. De eerste, die eenigszins vrij
+en grillig maar beknopt is, berust vooral op Latijnsche bewerkingen: het
+zoogenaamd _Epitome_ uit den tijd van KAREL DEN GROOTE en de _Historia
+de praeliis_ uit de 10de eeuw. De tweede, die ordelijker en geregelder
+is, bevat eene verdienstelijke paraphrase van Boek IV van MAERLANT'S
+_Spieghel Historiael_, aangevuld met eenige hoofdstukken uit de
+_Historia Scholastica_ en MAERLANT'S _Alexander_. De literaire waarde
+van beide bewerkingen is gering[22].
+
+Verwantschap met legenden en mirakelverhalen heeft de Alexander-sage
+bovendien door de wonderen waarvan wij reeds bij eene vroegere
+gelegenheid melding maakten. Men verbaasde zich over die wonderen van
+het verleden trouwens weinig in een tijd, toen geloofwaardige priesters
+thuis kwamen met verhalen van de wonderen die zij in het Oosten hadden
+gezien of voor zeker hooren vertellen. De paleizen en kasteelen der
+Keltische romans waren niet zooveel wonderbaarlijker dan "paep JOHANS
+woninghe ende palaes" in Edessa, waarvan de Utrechtsche priester JOANNES
+WITTE DE HESE ons vertelt in een Latijnsch reisverhaal dat misschien in
+1398 in het Nederlandsch is vertaald[23].
+
+Bijzondere literaire verdiensten heeft het verhaal noch de vertaling,
+maar beide zijn van belang voor wie den geest des tijds er uit wil
+leeren kennen. Hoe is Palestina voor de menschen van toen met recht "het
+_heilige_ land"; hoe leeft het bijbelsch verleden daar voor hen op! In
+Hermopolis ziet DE HESE "een hof daer hadde onse lieve vrouwe in
+ghewoent" en eene fontein waar zij "haer dinghen in plach te wasschen";
+den steen waaruit MOZES water deed springen, den bitteren stroom dien
+MOZES door een roedeslag zoet maakte, eene fontein waaraan S. PAULUS en
+S. ANTONIUS gezeten hadden. DE HESE moge vrij wat ontleend hebben aan
+andere reisverhalen, zijne mededeelingen vonden daarom niet minder
+gretig geloof. Vooral het paleis van "PAEP JAN" (naar het schijnt, een
+tot het Nestorianisme bekeerde Mongoolsche Khan) zal toentertijd indruk
+gemaakt hebben. Dat paleis rust op negenhonderd pilaren; alle nachten
+wordt het door duizend gewapende mannen bewaakt; men gaat vijfhonderd
+treden eener trap op, voordat men aan de eerste verdieping komt; op elke
+trede staan levende leeuwen die elken ongeloovige of heiden die er op
+komt verscheuren; op de eerste verdieping wonen de profeten, op de
+tweede de patriarchen, op de derde de heilige jonkvrouwen enz. In de
+eetzaal van "paep JOHAN" is eene tafel van zoodanigen aard, dat indien
+er vergiftige spijs op wordt gezet, die spijs niemand zou hinderen. Er
+is een klok die, wanneer zij geluid wordt, alle booze geesten doet
+vluchten, zoodat bezetenen indien zij haar hooren, hun verstand
+herkrijgen; er zijn vaten waarin de spijs altijd zuiver blijft en haren
+smaak behoudt. Het gansche paleis kan omgedraaid worden als een rad en
+het is rond gewelfd gelijk de hemel. In de zoldering van het gewelf
+staan kostbare steenen die het paleis des nachts verlichten "recht of
+die sonne daer in scheen des middaghes". In paep JOHANS slaapkamer
+eindelijk is o.a. een reus die zwaargewapend is "ende men seghet, ginghe
+enich quaet mensche of viant daer in na der sonnen onderghanc, soe soude
+hem die roese ter stont doet sclaen". Die reus is gegoten van metaal en
+versierd met edel gesteente.
+
+Daar kon zelfs het paleis van koning WONDER niet tegen op!
+
+De tot dusver behandelde proza-werken worden in belangrijkheid en
+schoonheid overtroffen door het proza, dat, meer dan het overige, diende
+tot uitstorting van eigen en opbouw van anderer gemoedsleven. Evenals in
+de overige landen der Westersche Christenheid, ontwikkelde het
+godsdienstig gemoedsleven zich te onzent onder den invloed van de
+geschriften der kerkvaders. Hoe zou het ook anders? In de werken van
+AUGUSTINUS, zijne tijdgenooten en hunne opvolgers was zooveel diepe
+gedachte en fijn gevoel, zooveel vernuftige allegorie en verheven
+symboliek, zooveel schoonheid ook van vorm, dat de Nederlandsche
+geestelijken dier dagen wel kortzichtig zouden zijn geweest, indien zij
+met dat alles niet hun voordeel hadden gedaan. Bewondering leidde ook
+hier tot overneming en navolging. Vele preeken en andere stichtelijke
+geschriften der 14de eeuw bestaan, naar het schijnt, hoofdzakelijk uit
+aaneengeregen gezegden der kerkvaders, oudere en jongere, onder wie
+vooral S. BERNARDUS op den voorgrond komt[24].
+
+Maar naast den invloed der kerkvaders moet die der Duitsche mystiek
+worden genoemd, waar sprake is van de ontwikkeling van het Dietsche
+proza als uiting van het godsdienstig gemoedsleven. Echter is hier niet
+alleen sprake van geven, doch ook van nemen. Het is vooral Meester
+ECKHART op wien wij hier het oog moeten richten, want de twee andere
+groote mystieken der 14de eeuw, SUSO en TAULER, waren beiden zijne
+leerlingen, al gingen zij ook eigen wegen.
+
+Meester ECKHART, "wien God niets verborg," zooals een schrijver van
+lateren tijd het uitdrukt, was in menig opzicht de grootste en zeker de
+diepzinnigste der Duitsche mystieken. Zijne opvatting, beschouwing en
+uiteenzetting van het wezen Gods en het wezen der ziel, die twee assen,
+waarom zijn stelsel draait, zijn even stout als verheven en goeddeels
+oorspronkelijk, al dankt ook hij veel aan de geschriften der kerkvaders.
+Waar ECKHART spreekt van het _wezen_ bedoelt hij datgene, dat alle
+dingen nog ongedeeld in zich omsloten houdt, waarin alle dingen nog eene
+stille kracht zijn; de duisternis, waaruit het licht nog niet geboren
+is; den baaierd, rijke bron van alle kracht en macht, onbewegelijk,
+niets voortbrengend. God heeft zich geopenbaard in den Zoon, als
+uitstraling van Zijn Wezen, die voortdurend zich hernieuwt en eeuwig zal
+blijven bestaan. Het eerst, wat de engelen zagen, nadat zij geschapen
+waren, was het Wezen des Vaders en hoe de Zoon uit het hart des Vaders
+te voorschijn brak als een groene loot uit een boom. In den Heiligen
+Geest erkennen beiden hun wezen; "Vader en Zoon hebben nen wil, dat is
+de Heilige Geest". De mensch, door God geschapen, is bestemd ns boven
+de engelen te stijgen, daar de menschelijke ziel met God n zal worden.
+Daarom moet de ziel streven naar eene volslagen ledigheid en
+lijdelijkheid; immers eerst wanneer zij die bereikt heeft kan zij van
+God vervuld worden. Om dat hooge doel te treffen moet de mensch alle
+vleeschelijke lusten en begeerten in zich dooden; dan eerst wordt de
+mensch waarlijk mensch. In overeenstemming met die beschouwing is, dat
+wij in ECKHART'S werk overal het innerlijke tegenover en boven het
+uiterlijke geplaatst zien, dat hij met instemming het woord van
+DIONYSIUS AREOPAGITA aanhaalt "de hel dat is: gescheiden zijn van God,
+en het hemelrijk: Gods aangezicht"; voor ECKHART is er eene opstanding
+slechts der ziel en het Laatste Oordeel zal slechts hierin bestaan, dat
+het eigenlijk wezen van ieder mensch wordt onthuld.
+
+Maar hoe ook geneigd tot afdalen in de diepten zijner rijke ziel om van
+daar het edel erts zijner mystiek opwaarts te brengen, toch stelt hij
+het werkende leven boven het schouwende leven. "Want al ware de mensch
+ook in eene geestesverrukking als die van PAULUS en wist hij ergens een
+zieke wien hij met een soepje kon helpen, dan zou hij veel beter doen
+door uit liefde te scheiden uit zijne verrukking en den behoeftige te
+dienen uit meerder liefde"[25].
+
+Toen ECKHART deze en dergelijke dingen begon te schrijven, was RUUSBROEC
+nog maar een knaap; met zijne geschriften konden onze voorouders hun
+godsdienstig gemoedsleven nog niet opbouwen. HADEWYCH'S werk was
+blijkbaar niet geheel onbekend en werd ook in de 14de eeuw nog wel
+gelezen, maar was toch niet toereikend om de behoefte aan mystieke
+lectuur te bevredigen[26]. Het is dus begrijpelijk, dat ECKHART'S werken
+hier opgang maakten. In handschriften, deels uit de eerste deels uit de
+tweede helft der 14de eeuw, vinden wij verscheidene zijner tractaten,
+sermoenen en exempelen vertaald; zijne eigenaardige terminologie treffen
+wij voor een deel ook in Middelnederlandsche werken van dien tijd aan.
+Al ontbreekt het in die vertaalde werken niet aan bespiegelingen zooals
+b.v. in het tractaat _Diu zeichen eines warhaften grundes_, zoo schijnen
+toch vooral de exempelen en verhalen met practische strekking hier in
+den smaak te zijn gevallen. Ik heb het oog op verhalen als dat van S.
+BERNARD en "een bruer in sinte bernardus clooster die altoos gheerne in
+syn celle alleen was" en die op S. BERNARD'S vraag naar zijne bezigheden
+antwoordt: "In den eersten heb ic een wilde beeste te temmen... die
+wilde beeste zijn myn vyf wilde sinnen, die costen my groote arbeydt te
+temmen." Op het stichtelijk exempel "van eenen devooten vraukin" dat
+vertelt van haar werk op Dinsdag: "als ic mijne voghelen antiere"
+[Zijnoot: zich bezig houden met.]. Die vogels zijn namelijk hare vijf
+zinnen en zij bepeinst dan: "dat ic se meer ter werelt ghekeert hebbe
+dan tot Gode ende dat ic myne ooghen so qualic bewaert [Zijnoot: gepast
+heb op.] hebbe."
+
+Ook bespiegelingen over de "godlike mynne" zullen wel in den smaak zijn
+gevallen der geestverwanten van WILLEM VAN AFFLIGHEM en HADEWYCH.
+
+Het is er echter verre van, dat ECKHART'S geschriften hier te lande
+louter instemming zouden hebben gevonden. Immers ook in Duitschland
+waren vooral onder de geestelijkheid velen, wien zijne leer aanstoot gaf
+omdat zij haar in strijd achtten met de leer der Kerk. Meer dan eens
+heeft hij dan ook terecht moeten staan voor de Inquisiteurs en al heeft
+hij zich kunnen vrijpleiten, zoo blijkt toch wel dat zijne leer naar den
+mutsaard rook. Het karakter der mystiek in het algemeen en dat van
+ECKHART'S mystiek in het bijzonder die den mensch ten slotte tot God
+liet worden, maakt die beschuldiging van ketterij licht verklaarbaar.
+Doch bovendien werd ook door deze mystiek het middelaarschap der
+priesters tusschen God en den mensch in den wortel aangetast en heeft
+menig geschrift, van hem of aan hem toegeschreven, de strekking om te
+doen zien, hoeveel hooger geestelijke volkomenheid kon bereikt worden
+door leeken dan door geestelijken. Van dien aard is b.v. een verhaal van
+eene ontmoeting tusschen een doctor in de godgeleerdheid en een arm man,
+die, gekwetst, "sonder cousen ende baervoets" vr de kerk zit. De
+doctor staat verbaasd over de diepe gedachten, godsvrucht en vroomheid
+van den armen man en vraagt hem ten slotte: Wat creature sijdij ende van
+wat gheslachte? De man seyde: Ic ben een conync.--Conync, seyde die
+meester, hoe muecht ghij een conync ghesijn, anghesien u aermoede ende
+waer es u conyncrijcke? De man seide: Mijn siele, dats mijn rijcke, als
+ic die dueren sluute van mijnen vyf sinnen ende soucke mijnen alder
+liefsten Jhesum Christum duer 't ghelove, alle eertsche saken achter
+latende. Oec vyndic Gode int diepe van mijnre sielen duer sijn gracie,
+ende also, mijn vrient, ic segghe hu inder waerheit, dit conincrycke
+passeert ende gaet te boven alle de rijcken die up eerderijc sijn; want
+tes een conyncrijcke dat nemmermeer hende nemen en sal.
+
+Zoo is het dan niet vreemd dat in zeker tractaat de leeken gewaarschuwd
+worden tegen "eggardus sermone"; noch dat ECKHART bij sommigen doorging
+voor den vader van de kettersche secte der Vrije Geesten; noch dat JAN
+VAN LEEUWEN, de kok van RUUSBROEC'S klooster Groenendaal, vr 1355 "een
+boecxken van meester ECKAERT'S leere" schreef om den meester van dwaling
+te overtuigen. Indien men weet dat dit "boecxken" aanvangt met: "Het was
+een duvelijc mensche, hiet meester ECKAERT", dan verwondert men zich
+niet over uitdrukkingen als: "meester ECKAERT hadde alsoe vele
+ghewaregher oeffeninghen alse die padde steert heeft ende ooc alsoo vele
+als die duvel in caritaten ende in minnen leeft." Wel heeft de kok zijne
+beschuldigingen in een later geschrift herroepen, doch zijne eerste
+indrukken blijven er even merkwaardig om[27].
+
+Leerling van ECKHART, toonde HEINRICH SUSO, een tijdgenoot van
+RUYSBROECK, zich vooral in zijn eene hoofdwerk: _het Boek der Waarheid_,
+waarin de speculatieve mystiek tot de erkentenis van Gods wezen tracht
+door te dringen. Het is opmerkelijk, dat, naar het schijnt, niet dit
+werk van SUSO, maar slechts zijn andere voorname geschrift: _Horologium
+aeternae sapientiae_ (c. 1337), op het eind der 14de eeuw in het
+Nederlandsch is overgebracht. Dit werk namelijk is een voortbrengsel der
+practische mystiek. Geboren uit een oneindig verlangen naar een hoogste
+goed, dat de ledigheid der ziel zal vervullen met duurzamen vrede,
+behandelt het vooral het lijden van CHRISTUS. De idealen der eeuwige
+waarheid, goedheid en schoonheid zijn door SUSO samengevat in het begrip
+der eeuwige wijsheid. In den vorm van een gesprek tusschen CHRISTUS, die
+de eeuwige wijsheid is, en een dienaar, ontvangen wij hier schilderingen
+van de heerlijkheid dier wijsheid, van de goddelijke minne, de
+hemelweelden, het lijden van CHRISTUS en MARIA. De weg tot een leven met
+en in CHRISTUS wordt dan aangewezen en het geschrift besloten met eene
+verheerlijking van God.
+
+Vooral in dit werk toont deze "Minnesinger in Prosa" eene innigheid en
+diepte van gevoel en eene hooge opvatting der geestelijke minne, die wel
+indruk moesten maken op een Nederlandsch publiek, dat de lyriek van
+HADEWYCH en MAERLANT en een werk als dat van WILLEM VAN AFFLIGHEM geheel
+of ten deele kende. Het kan kwalijk anders of ook onze landgenooten
+moeten onder den indruk zijn gekomen van het verhaal van SUSO'S
+bekeering, van eene wonderfraaie passage daaruit als deze: "Doen gheviel
+op enen dach dat ic ongheduerich was van moede, ende sach al omme ende
+sochte een stat om mi te rustene in die scaduwe, want ic scuwen woude
+die middach hitte; daer sach ic op enen hogen berch alse ene scone edele
+veltbloeme, die lusteleken was aen te siene ende scoen sceen sonder
+ghelike allen den bloemen die ic ghesien hadde. Doen ic mi haeste dese
+bloeme te siene, doen wert si verwandelt [Zijnoot: veranderd.] ende en
+sceen niet meer bloeme, maer si scheen ene godinne alre scoenheit voir
+mi staende. Si roedde [Zijnoot: bloosde.] alse ene roede rose; si blicte
+[Zijnoot: schitterde.] alse snee ende si scheen claerre dan die sonne
+ende hair sprake was vol scoenheden. Dese godinne hadde in hare alle dat
+men begheren mochte, ende van hair soe ghinc zoeten roke verre ende
+wide, daer si mede toech [Zijnoot: trok.] tot hare minnen alle die ghene
+die den roke ghevoelden."
+
+Deze godin blijkt de "moeder der scoenre minnen" te zijn; zij bemoedigt
+hem en hij spreekt haar toe.
+
+Anderzijds verwondert het ons niet, bij een kenner der mystiek de
+onderstelling te vinden, dat SUSO de geschriften van THOMAS VAN
+CANTIMPR en JACOB VAN VITRY heeft gekend. De levensgeschiedenissen der
+ecstatische vrouwen, ons door JACOB VAN VITRY verhaald, komen ons weer
+in de gedachte, als wij hooren van SUSO'S bijna bovenmenschelijke
+zelfpijnigingen tusschen zijn 18de en 40ste jaar: het haren onderkleed
+met ijzeren nagels, die in zijn vleesch drongen; zijne handen geboeid,
+opdat het ongedierte vrij spel zou hebben op zijn lichaam; het kruis met
+spijkers, waar hij op lag; de deur, waarop hij sliep; honger, koude,
+dorst, geeselingen ten bloede--totdat zijn lichaam gezwollen, vol zweren
+en litteekens, en zijne sidderende handen hem waarschuwen, dat zijn
+leven gevaar loopt.
+
+Misschien ook heeft SUSO persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met
+Nederlandsche geestverwanten, toen hij, evenals ECKHART, van ketterij
+beschuldigd, in 1335 voor het Provinciaal Kapittel van 's-Hertogenbosch
+moest terechtstaan[28].
+
+Meer zekerheid dan omtrent SUSO'S betrekking tot de Nederlandsche
+mystiek geeft ons een bericht aangaande den derden der groote Duitsche
+mystieken: JOHANNES TAULER, evenals SUSO een tijdgenoot van RUYSBROEC,
+doch met dezen bekend en zelfs een zijner bewonderaars. In een geschrift
+van dezen tijd lezen wij: "Dese Tauweler hadde den prior Jan van
+Ruysbroeck in groter ende sonderlingher reverencin. Daer om dat hi en
+oec dick te visiteren plach... navolghende, als een oetmoedich discipel
+des prioers, syns meesters voetstappen, welcke leere hi oec te menighen
+steden heeft doen vloyen als een rivier, comende ut Ruysbroecs
+boecken[29]."
+
+Het mag alweer eene bijdrage heeten tot kenschetsing der Nederlandsche
+mystiek, dat wij haar in nauwe betrekking zien juist tot dien Duitschen
+mysticus, bij wien het zedelijk godsdienstige en de praktijk van het
+zedelijk leven op den voorgrond stonden. RUYSBROECK'S invloed bepaalt
+zich niet tot TAULER. Wij weten, dat zijn werk hooggeschat werd ook
+onder de zoogenaamde "Gottesfreunde" van Straatsburg en dat hun hoofd,
+RULMAN MERSWIN, nog in zijne laatste levensdagen RUYSBROECK'S _Chierheit
+der geestelijker Brulocht_ voor de broeders vertaalde.
+
+In RUYSBROECK'S verhouding tot de Duitsche mystiek kunnen wij hier niet
+dieper treden; wij moeten dat uitstellen, totdat wij hem zelven en zijn
+werk gaan beschouwen. Eerst hebben wij nog te spreken over andere
+mystieke geschriften. Ik heb hier het oog vooral op de zoogenaamde
+_Limburgsche Sermoenen_ waarin zich de invloed der Duitsche mystiek op
+de Nederlandsche vertoont. Deze bundel bevat 48 preeken, waarvan twee
+derde stellig en de overige vermoedelijk vertaald zijn uit het
+Hoogduitsch. De vertaler was waarschijnlijk afkomstig uit de buurt van
+Maastricht of Tongeren; zijn werk schijnt te dagteekenen uit de jaren
+tusschen 1320 en 1350. Verscheidene dezer preeken zouden, ook al waren
+zij oorspronkelijk, van geringe beteekenis voor de
+literatuurgeschiedenis zijn, omdat zij, evenals andere vroeger
+aangeduide, bestaan hoofdzakelijk uit aaneengeregen citaten. Doch andere
+zijn van meer beteekenis[30]. Dat deze preeken uit de kringen der
+mystiek afkomstig zijn, mag men aannemen op grond van den inhoud, die in
+menig opzicht verwant is met dien van andere mystieke preeken der 14de
+eeuw[31]. Zoo b.v. de opvatting der "minne" in de preek van
+"negenrehande minne", die zich onder den invloed van SINT BERNARD
+schijnt te hebben gevormd[32]. In "dboec vanden boegarde" vinden wij de
+allegorie en het niet zelden spitsvondig vernuft waarvan de mystieke
+predikers van dezen tijd zich gaarne bedienen[33]. Op menige plaats in
+dezen bundel worden wij getroffen door eene innigheid van gevoel en eene
+hoogte van vlucht, zooals wij ze slechts bij de mystieken vinden.
+
+Ik wijs op de plaats waar van een God minnende ziele gezegd wordt:
+"Susdans [Zijnoot: zoodanig.] menschen wort ende werc ende al sin leven
+es onder anderen liden [Zijnoot: lieden.] een bloyende paradis van
+dogeden ende van lichten levene"[33]. In de preek "van seven maniren van
+minnen" lezen wij: "Sulke stont [Zijnoot: soms.] geschiet dat die minne
+sutliken in der sielen verweckert [Zijnoot: aangewakkerd.] wert ende
+blidelike op versteet ende har selver berurt int herte sonder enech
+tuduen [Zijnoot: toedoen.] van menscheliken werken. Ende wert dan therte
+so morweliken gerenen [Zijnoot: inniglijk beroerd.] in minnen ende so
+begerliken getrect, so hertelic bevaen in minnen, so liflic behelst in
+minnen, dasse altemalen verwonnen wert metter minnen. Hirin gevulse
+eenre groter naheit te Gode ende ene gestelike clarheit ende wonderlike
+verwentheit [Zijnoot: weelde.] ende ene edele vriheit ende een groet
+bedwanc van starker minnen ende ene overvludege volheit van groter
+genugden; ende dan gevultse dat al har sinne sin [Zijnoot: zijn.] in der
+minnen ende al har wille es worden minne, ende dasse so dipe es
+versonken ende verswolgen in minnen ende selver al es worden minne. Die
+schonheit des minnen hefse geschoent, die cragt der minnen hefse
+vertert, die sutheid der minnen hefse versonken, die geregtheid der
+minnen hefse verswolgen, die edelheit der minnen hefse behelst, die
+purheit der minnen hefse geschirt [Zijnoot: gezuiverd.], die hogheit
+der minnen hefse boven getrect, ende in hare genget [Zijnoot:
+vereenigd.], soe dasse altemale mut sin der minnen ende anders nit en
+mach plegen."
+
+Een eind verder in diezelfde preek is sprake van de ziel voor wie het
+leven op aarde "groote ellende en zware gevangenis en hevige kwelling"
+is, die verlangt naar het "zoete gezelschap van de geesten daarboven,
+die overvloeien van minne"; de prediker vervolgt dan aldus: "Har wille
+es dar boven onder die geste [Zijnoot: geesten.] ende har begerlike
+wandelinge, ende meest onder die bernende seraphine; ende in die grote
+Gotheit ende in die hoge Drivuldecheit es har liflicste rastinge
+[Zijnoot: rust.] ende har genuglicste woninge. Si suctene in sinre
+majesteit, si volgt hem dar ende siten ane [Zijnoot: ziet hem aan.] met
+herten ende met geste. Si kenten, si minten, si begerten, soe dasse en
+can gagten [Zijnoot: achten.] heilgen noch engle, menschen noch
+creaturen dan met gemeinre [Zijnoot: gemeenschappelijk.] minnen in heme,
+darse al mede mint; ende heme allene hefse verkoren in minnen boven al
+ende onder al ende binnen al."
+
+Hier en daar toont dit proza in het werken met tegenstelling en
+parallellisme, ook in het bouwen van lange zinnen, eene kunstvaardigheid
+zooals die tot dusver in ons proza niet gezien was. Door de samenspraak
+weten de schrijvers dezer preeken soms eene hooge mate van levendigheid
+te bereiken. Zoo b.v. in _Dbuec van Heren Selfarts [Zijnoot: egist.]
+regelen_ in passages als deze: "Wie [Zijnoot: hoe.] sal ic mi selver
+bekennen?--Ic segt di. Met vif dengen. Dirste es daste arm best; dander
+daste cranc best; terde daste quaet best; tfirde daste vel sculdech
+best; tfifde daste onscoen best.--Du hefs mi seer gescouden [Zijnoot:
+berispt.]; es dit waer, so bennic sere bedrogen an mi selver. Want ic
+waende ric ende scoen wesen, starc ende dogentlic. Nu berigt mi: war
+ombe ben ic arm?--Die nit guts en heft, es di arm?--Ja er [Zijnoot:
+hij.].--So beste arm. Dun hefs [Zijnoot: gij hebt niet.] cleder noch
+spise, penninch noch penwert [Zijnoot: ter waarde van een penning.] van
+di selver. Pruve [Zijnoot: overweeg.]: wat brechste here [Zijnoot:
+bracht gij hier.], ende wat sauste hen vuren? Alt gut daste hefs, dat
+hefste van Gode: sin est [Zijnoot: het is van Hem.], hi gevet, hi
+nemet. Nu seg ochte [Zijnoot: of gij.] arm sis.--Dat weet God, ja ic! ic
+ben arm. Nu sege mi: war ombe ben ic cranc?" enz.
+
+Wij weten niet of dit proza in ruimen kring verbreid is geweest; maar
+ook binnen een beperkten kring van hoorders en lezers kan het allicht
+eenigen invloed ten goede hebben geoefend op de ontwikkeling van het
+Dietsche proza.
+
+De betrekking tusschen de Duitsche en de Nederlandsche mystiek wordt
+gekenschetst niet alleen door wederzijdsch geven en nemen maar ook door
+het voorkomen van gelijke of gelijksoortige uitingen en vormen. In de
+Opperduitsche Dominicaner-nonnenkloosters van de eerste helft der 14de
+eeuw wordt het mystieke leven, zooals wij dat vroeger onder de
+Cistercinser-nonnen leerden kennen, voortgezet. Tal van adellijke
+vrouwen en meisjes laten zich in die kloosters opnemen om daar de wereld
+en zich zelve te leeren verloochenen. Al deze nonnen, onder wie
+ELISABETH STAGEL, SUSO'S vriendin, en CHRISTINA EBNER tot de meest
+bekende behooren, streven onder ontbering en zelfkastijding naar nheid
+met JEZUS. Extatische toestanden en visioenen zijn dagelijksch brood
+voor haar; de meesten zijn ontwikkeld, eenige hebben mededeelingen uit
+haar eigen en anderer leven te boek gesteld.
+
+Naar het schijnt, hebben wij een, met die geschriften verwant,
+Nederlandsch werk in het boek _van machteldis visioenen_. Voorzoover ik
+heb kunnen nagaan, bevat dit geschrift geene vertaling der werken van de
+begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG, die wij vroeger leerden kennen[34].
+
+Zeker hebben wij met zelfstandige Nederlandsche uitingen te doen in het
+merkwaardig geschrift van een onbekenden leek dat omstreeks 1333 schijnt
+te zijn ontstaan en in de werken van "den goeden coc van Groenendaal"
+JAN VAN LEEUWEN, over wien wij reeds spraken[35].
+
+Het geschrift van den onbekenden leek, die misschien in Noord-Nederland
+leefde, heeft den gewonen vorm van een samenspraak tusschen den auteur
+(die ook wel een vrouw kan zijn geweest) en Meester EGGAERT, die in den
+aanvang "een uutgenomen licht van hemelscher wijsheit" wordt genoemd.
+
+Wat ons in deze samenspraak al dadelijk treft, is het gevoel van
+zelfstandigheid tegenover de priesters. Niet tegenover de priesterschap
+op zich zelve; hij zou wel eerbied voor hen hebben, indien zij waren wat
+zij moesten zijn: "lichtdraghers der heiligher kerken." Maar dezulken
+schijnt hij niet te kennen. Over het algemeen heeft hij van priesters en
+kloosterlingen geen hoogen dunk. Hun geestelijk "habijt" boezemt hem
+weinig eerbied in, omdat hij er door heen zooveel wereldschgezindheid
+ziet, zooveel hoogmoed, eerzucht, zinnelijkheid en laagheid. Een goed
+mensch is meer monnik voor de oogen Gods dan die het "habijt" draagt en
+ongeestelijk leeft. Wee allen, die zijn "apostelen in die tonge ende
+rabaude in die oefeninghe [Zijnoot: schurken in de practijk.]" roept
+hij uit. Hij oefent critiek op beweringen van priesters, "meesters in de
+vri consten," die hij gehoord heeft; hij stelt hunne laatdunkendheid
+tegenover de leeken aan de kaak.
+
+Zijn gevoel van zelfstandigheid openbaart zich niet minder in zijne
+opvatting van geloof en kerkleer. Welk eene stoutheid van denken vinden
+wij in dezen middeleeuwer, die durft schrijven: "Die salighe minnende
+siele is godliker op haer bedde dan in die kerc!" Soms vervoert die
+stoutheid van denken hem tot vragen, waarvoor hij zelf terugschrikt. Een
+oogenblik twijfelt hij aan de Drie-eenheid. Hij schroomt niet, Meester
+EGGAERT de vraag voor te leggen: "Plach God te lieghen, dat Hij Moyses
+niet en liet dat lant, dat Hij hem belooft hadde?" Doch als hij vraagt:
+"Meester Eggaert, hemel en aarde hadden een begin, en God is eeuwig.
+Waar was God dan vr de schepping?" dan is het antwoord: "Al daer en
+betaemt geen leec na te vraghen, noch om te peysen."
+
+Ook tegenover ECKHART weet hij zijne zelfstandigheid te bewaren, want
+visioenen stelt hij lager dan deze; hij gelooft, dat ze meerendeels het
+werk zijn van booze geesten. Met de overdreven MARIA-vereering kan hij
+zich niet vereenigen, evenmin met die van apostelen en heiligen; allen
+zijn zij Gods schepselen, "God es die fonteyne van alre doecht." Dat
+sterke besef van God als de bron van alle goed brengt hem tot de
+schijnbaar ongerijmde, maar juist daardoor zoo sterk sprekende uiting:
+"Ik zou liever met God in den afgrond van de hel zijn, dan met Maria en
+alle heiligen en alle engelen in den hemel zonder God." Ook voor
+mirakelen en het aanbidden van beelden gevoelt hij weinig. De goede
+"verlichte" menschen zoeken geen mirakelen. Slechts onverlichte
+menschen, zwak van geloof, aanbidden heiligenbeelden. Hij gaat zelfs
+zoover van te zeggen: "Eer ik n goed mensch van honger liet sterven,
+zou ik een vuur maken van alle beelden te Aken, te Aardenberg en te
+Katwijk en er voor hem eten op koken."
+
+Hier hoort men ander vuur knappen dan dat van den mutsaard, waarop de
+ketters verbrand werden! Hier gloeit reeds een sprank van het vuur dat
+later zal uitslaan in de Hervorming. Een anderen sprank van dat vuur
+zien wij in zijne ergernis over de vervolging, waaraan beggaarden en
+begijnen toentertijd blootstonden vanwege de geestelijke inquisiteurs.
+Levendig is reeds in hem het besef: God moet men gehoorzamen boven alle
+menschen en boven alle prelaten. Ook de paus, al is hij een aardsch god,
+heeft geen recht iets te bevelen, dat in botsing komt met wat God
+geboden en verboden heeft.
+
+Hier is reeds de godsvrucht die geen menschenvrees kent en zich
+afhankelijk gevoelt van God alleen; nu nog maar aanwezig in een enkele,
+doch die gaandeweg zal aanwassen en zich uitbreiden over duizenden bij
+duizenden.
+
+Het verrast ons niet, bij een man, zoo onafhankelijk van geest als deze
+leek, de opvatting van _adel_ en _dorper_ terug te vinden, die wij
+vroeger door MAERLANT hoorden verkondigen. Zijn oog blijft dan ook niet
+gesloten voor zoovele maatschappelijke misstanden, voor het onrecht in
+de verhouding tusschen rijken en armen; en zoo hij aan boeren en
+ambachtslieden onderwerping predikt, het is in bitterheid des harten.
+
+Toch is het niet vooral op deze wereld, dat hij den blik gericht houdt;
+als elk waarachtig christen, heeft hij een heimwee naar hooger, reiner
+leven: "Siet, wij sijn al pelgrims... ende wij gherne waren tot ons
+vaders lande, daer wij toe ghemaect sijn."
+
+Datzelfde heimwee vinden wij in de geschriften van den goeden kok van
+Groenendaal, waar hij verzucht: "Rechts [Zijnoot: volkomenlijk.] es hier
+mijn leven ende mijn daghelijcsche ghevoelen, als een armen ghevanghenen
+te moede es, die droeve ende serich leghet, ya al vol rouwes in eenen
+aleyndeghen [Zijnoot: ellendig.] kerkere des lichamen bevaen [Zijnoot:
+omvangen.] ende besloten."
+
+En dit is--begrijpelijkerwijze--niet het eenig punt van overeenkomst
+tusschen deze twee tijdgenooten. Ook JAN VAN LEEUWEN ergerde zich aan
+het schreeuwend verschil tusschen leer en leven van zoovele
+geestelijken, aan de hebzucht, gulzigheid en wellust van vele prelaten;
+"die duvel regneert nu onder dat gheestelijke volc"--aldus vat hij
+ergens zijne indrukken van hun handel en wandel samen. Ook bij hem
+vinden wij die neiging tot terugkeer naar den apostolischen eenvoud en
+het christelijk communisme. Ook bij hem een ruimer en hooger opvatting
+van vroomheid dan in die dagen het deel der meesten was. Hier en daar
+weet hij die opvatting weer te geven met treffende levendigheid en
+gezonde luim. Zoo b.v. waar hij spreekt over de trouwe kerkgangers die
+telkens weer in zonden vallen, maar genoeg wanen te doen door eens in
+het jaar ter biecht te gaan. "Soe seggen si: "Here, ic hebbe gheloghen
+ende ghesworen. Ic en weet niemeer. Vraecht mij voert.... Ende dan seit
+die pape [Zijnoot: priester.] ter selver stont--ende es also droncken
+als een hont--"Absolvo te!" dats in dietsche: "Ic ontbinde oft ic
+absolvere di." Ende dan seit die pape: "Joffrouwe, gaet thuuswert; sijt
+onverveert. Vallen ende opstaen es menschelijc." JAN VAN LEEUWEN heeft
+ook dien waarheidszin die hem doet schrijven: "Want ic bin der waerheyt
+meer sculdech dan alre menschen of oec enechs menschen hulde [Zijnoot:
+genegenheid.] te houdene, daer ic de waerheyt yet verswighen soude. Omme
+sterven of oec omme leven en sal men der waerheyt niet afgaen, maer wy
+selen rechte doerliden [Zijnoot: doorgaan.] voor de oghen Gods, sonder
+yemene [Zijnoot: iemand.] te spaerne om gheniets [Zijnoot: voordeel.]
+wille, noch arme noch rike, noch vriende noch maghe."
+
+Echter blijft hij zich wel bewust van de grenzen die hij hier moet in
+acht nemen: "van den alder quaetsten willic swighen". Hij heeft niet de
+onafhankelijkheid van geest, waarmede de onbekende leek zich tegenover
+kerk en priesters durft plaatsen; hij wil of durft zich niet zoo
+uitlaten als deze over Mariadienst, mirakelen, heiligenbeelden,
+vervolging om den geloove. Visioenen zullen wel in eere zijn geweest bij
+hem, die zich bevoorrecht gevoelde door de "gracie Gods" die hem het
+"scouwende leven" deelachtig had gemaakt.
+
+In dat alles was "de goede kok" een man van zijn tijd, een middeleeuwsch
+Katholiek; den onbekenden leek mag men "een middeleeuwsch Protestant"
+noemen.
+
+Dat JAN VAN LEEUWEN was zooals hij was, moet zeker goeddeels worden
+toegeschreven aan den invloed van zijn prior, van den man dien hij
+vereerde meer dan een heilige, die voor hem was "een seraphin in
+hemelrike, den hoechsten enghelen ghelike", die zijne "edele gloriose
+leringhe al eertrike dore ghesaeit ende ghespraeit" had--van JOHANNES
+RUYSBROECK, wiens werk hier reeds meer dan eens even zichtbaar is
+geworden, zooals een kerktoren bij eene nieuwe kromming van den weg.
+
+Zijn leven maar vooral zijn werk gaan wij nu beschouwen.
+
+
+RUYSBROECK[36].
+
+Het verhaal van zijn uiterlijk leven is ras gedaan. Hij werd in 1294
+geboren in het dorp Ruysbroeck, dat ten zuiden van Brussel aan de Senne
+ligt. Zijn vrome moeder wilde hem gaarne bij zich houden, maar zucht
+naar kennis en ontwikkeling dreef den knaap op zijn elfde jaar uit haar
+huis. Heimelijk gaat hij naar Brussel en wordt opgenomen bij een
+bloedverwant die kanunnik was aan de kerk van Sinte Goedele. Hij wijdt
+zich nu met grooten ijver aan de studie, vooral aan de theologie; de
+begeerte om tot een schouwend leven te komen wast steeds in hem. Zelfs
+het genot van zijne moeder te zien en te spreken ontzegt hij zich. Op
+zijn 24ste jaar wordt hij priester, daarna kapelaan aan de kerk van St.
+Goedele. Meer en meer trekt hij zich terug in eigen zieleleven.
+
+Met het klimmen zijner jaren moet het verlangen naar bevrijding van
+ambtsbezigheden en stadsleven sterker in hem zijn geworden. Op zijn
+60ste jaar legt hij zijn ambt neer en gaat met Heer FRANK VAN
+COUDENBERGHE, kapelaan van St. Goedele als hij, in het Sonin-bosch
+wonen. Daar stichten zij in een dal dat Groenendaal genoemd werd, voor
+hen beiden "eene matelycke habitacie", op de plek waar vroeger de kluis
+van een kluizenaar gestaan had.
+
+RUYSBROECK ware wel gaarne met Heer FRANK alleen gebleven; maar deze
+"begheerde die minne Gods te vermeeren in vele personen." Zoo voegden
+zich dan eenige leeken en religieusen bij hen. Allen namen daarna den
+regel en het "habijt" der regulieren van SINT AUGUSTINUS aan. Onder Heer
+FRANK als proost werd RUYSBROECK prior. In dit klooster heeft hij, zijn
+ambt waarnemend en overigens ook het geringste werk niet versmadend,
+zich eerst recht aan de oefening in het werkend en schouwend leven
+kunnen wijden. De roep van heiligheid, uitgaand van zijn leven en zijne
+werken, bracht talrijke bezoekers uit Dietsche en Duitsche landen, ook
+wel eens uit Parijs, naar Groenendaal. TAULER en GEERT DE GROOTE
+behooren tot de beroemdsten onder hen. Zijnerzijds gaat RUYSBROECK soms
+te voet, al viel het hem moeilijk, naar bevriende kloosters, waar men
+aanstoot had genomen aan eenig geschrift van zijne hand en voorlichting
+van hem begeerde. De Karthuizer-broeder GERAERT, die hem bij zulk eene
+gelegenheid heeft gezien en gesproken, weet ons te vertellen "van sinen
+ripen ende bliden aensiene, van sinen goedertieren ende oetmoedighen
+spreken." Zoo vloeit zijn leven rustig voort. Dan gaan zijne gezellen
+hem begeven o.a.: zijn leerling, de kanunnik WILLEM JORDAENS, en de
+goede kok JAN VAN LEEUWEN.
+
+RUYSBROECK'S oogen beginnen te verduisteren; als hij de mis opdraagt,
+kan hij de hostie niet goed meer onderscheiden. Steeds heeft hij den
+psalm op de lippen: "mijn ziele dorst naar God, de levende bron; wanneer
+zal ik komen en verschijnen voor het aangezicht van mijn God."
+Heugenissen der kindsheid komen op in zijn geest; het beeld zijner
+moeder verschijnt hem, zij onderricht hem van zijn sterfdag. Die dag
+kwam in December 1381. Met den blos des levens op het gelaat, scheidt
+hij uit dit leven[37].
+
+Op een miniatuur, kort na RUYSBROECK'S overlijden vervaardigd, zien wij
+hem in het Sonin-bosch bezig met het opstellen van een geschrift. De
+grijze prior zit onder een boom op den grond; op zijn knie rust een met
+groen was bestreken schrijftafeltje, zijne rechterhand grift letters in
+het was; boven zijn hoofd zweeft een duif, symbool van den Heiligen
+Geest, onder wiens inspiratie hij werkt. Tegenover hem zit een jonge
+kloosterbroeder, met bruin haar en blozende wangen, aan een
+schrijflessenaartje; links van hem ligt een beschreven was-tafeltje,
+vr hem een vel perkament; den wijsvinger der linkerhand houdt hij bij
+het in was gegrifte woord, dat hij juist bezig is op perkament over te
+brengen. Dat is de jonge priester, die Heer JAN als "notarius" diende,
+gelijk Broeder GHERAERT ons heeft verhaald[38].
+
+Naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier eene betrouwbare
+voorstelling van de wijze, waarop menig werk van RUYSBROECK is ontstaan.
+De mystieken hadden behoefte aan afzondering, om zich ongestoord in
+eigen zieleleven te kunnen verdiepen. Waar konden zij die behoefte beter
+bevredigen dan op een eenzame plaats buiten? Gedurig buiten vertoevend
+in bosschen en velden of aan het werk in den kloostertuin, leerden zij
+de natuur kennen en liefhebben als openbaring Gods. Welk een innige
+verhouding tot de natuur zien wij in Sint FRANCISCUS, die alle
+schepselen Gods als zijne broeders en zusters beschouwt en in zijn
+_Cantico del Sole_ blijk geeft van een innig samenleven met de gansche
+natuur, zooals wij dat eeuwen daarna bij dichters als GOETHE en SHELLEY,
+maar ontkerstend, zullen terugvinden. Ook in HADEWYCH'S pozie merkten
+wij een levendig natuurgevoel op. Zoo is dus de voorstelling van
+RUYSBROECK, zijne werken dichtend in het Sonin-bosch, geheel
+overeenkomstig de algemeene verhouding tusschen mystiek en natuurleven.
+
+Waarschijnlijk is een groot deel zijner werken ontstaan in en bij het
+klooster Groenendael. Maar niet alle werken. Immers broeder GHERAERT
+vertelt ons, dat RUYSBROECK te Brussel begon eenige zijner boeken te
+maken, en zijn voornaamste werk, de _Chierheit der geesteleker
+Brulocht_, was reeds in 1350 voltooid, vier jaar voordat hij de
+"habitacie" ten Groenendale betrok. Van de chronologie zijner werken is
+ons overigens tot dusver weinig bekend; slechts weten wij, dat zijn
+_Spieghel der ewigher Salicheit_ in 1359 geschreven is en dat het
+tractaat _vanden Rike der Ghelieven_ zijn eerste werk was[39].
+
+De oude "verluchter", die op zoo naeve wijze RUYSBROECK'S werk
+voorstelde als ontstaan door "ingheestinghe", toonde daardoor wel de
+juistheid van zijn inzicht. Toch mag men niet voorbijzien, dat de in den
+vromen prior schuilende scheppingskracht meer dan eens te werk is
+gesteld door een oorzaak buiten hem. Zoo werd de _Spieghel der ewigher
+Salicheit_ geschreven op verzoek eener non van St. Clara, "die hem
+langhe daerom ghebeden hadde". _Dat Boec vander hoechster Waerheit_ werd
+geschreven ter verklaring van zijn eerste werk en op verzoek van broeder
+GHERAERT en de zijnen. Een derde geschrift: _Vingherlinc [Zijnoot:
+vingerring.] of het blickende steentje_, vloeide voort uit een gesprek
+met een kluizenaar "van gheesteliker materien" en werd op verzoek van
+dezen te boek gesteld. Ook het _Tractaet van Seven sloten_ is
+waarschijnlijk geschreven op verzoek eener Clarisse[40].
+
+Behalve de reeds genoemde werken schreef RUYSBROECK nog: _Van den
+gheestelijken Tabernacule_, het omvangrijkste van alle; _Van den Twaelf
+Dogheden [Zijnoot: deugden.] _, dat, zoo al niet door hem, dan toch
+zeker geheel in zijn geest is geschreven; _Van seven Trappen_; _Van den
+Kerstenen Ghelove_; _Van den vier Becoringhen_; _Van den twaelf
+beghinen_.
+
+Zijn deze titels alle van RUYSBROECK zelf afkomstig? Van een viertal,
+reeds door broeder GHERAERT genoemde, (_Rike_ _der Ghelieven, Van der
+hoechster Waerheit, Brulocht_ en _Tabernakel_) acht ik dat wel
+waarschijnlijk; de overige zouden ook van afschrijvers kunnen zijn. Al
+deze titels houden natuurlijk in meerdere of mindere mate verband met
+den inhoud der werken, doch in bijna al deze werken vinden wij, behalve
+hetgeen door den titel wordt aangewezen, ook deelen van RUYSBROECK'S
+mystieke levensbeschouwing, telkens in ander verband en met meerdere of
+mindere volledigheid, terug. Daarom moet men bij eene beschouwing van
+RUYSBROECK'S werk niet zoozeer letten op de, door verschillende titels
+onderscheiden, deelen ervan, als wel op het geheel dat zij samen vormen.
+
+Een kort overzicht van de _Chierheit der gheesteleker Brulocht_ kan ons
+eenigermate een denkbeeld geven van den bouwtrant van RUYSBROECK'S werk.
+De _Brulocht_ bestaat uit drie deelen, overeenkomend met de drie
+trappen, welke de mysticus in zijn streven naar volmaaktheid heeft te
+bestijgen: het werkende, het innige en het schouwende leven. Aan het
+geheel is ten grondslag gelegd deze tekst: "Ziet, de bruidegom komt,
+gaat uit, hem te gemoet." De vier deelen van dezen tekst worden nu
+achtereenvolgens op elk der trappen toepepast, telkens in dieper zin.
+_Ziet_, d.i.: de mensch moet zich telkens weer richten op God; _de
+bruidegom komt_: God komt den op Hem ziende tegemoet; _gaat uit_: de
+mensch handelend in zijne betrekking tot God; _Hem tegemoet_: de
+ontmoeting van God en mensch[41].
+
+Weinig werken van RUYSBROECK vertoonen in hun bouw eene zoo strenge
+symmetrie als dit; toch kunnen wij in de meeste wel iets daarvan
+terugvinden. Het _Boek van den Tabernakel_ geeft eene voorstelling van
+het mystieke leven of van "den loop der minnen", gesymbolizeerd in den
+Tabernakel en zijne talrijke onderdeelen. _Van den twaelf Dogheden_, eer
+eene zedekundig dan een mystiek geschrift, geeft eene beschouwing der
+Christelijke deugd, welker grondslag de ootmoed wordt genoemd. In
+_Spieghel der ewigher Salicheit_ ontvangen wij beschouwingen over het
+kloosterleven, het Avondmaal en de soorten van avondmaalgangers. In het
+_Tractaet van seven Sloten_ worden de kloosterplichten uiteengezet;
+doch, evenals in de bovengenoemde en nog te noemen geschriften, telkens
+weer in verband met het gansche mystieke leven en hier inzonderheid met
+het schouwende leven. De _Vier Becoringhen_ [Zijnoot: verzoekingen.],
+bedoeld in het geschrift van dien naam, zijn: onbedwongen natuur waaruit
+zinnelijkheid en wellust voortkomen; schijnheiligheid; begeerte om met
+het natuurlijk verstand alle dingen te willen verstaan, hetwelk tot
+geestelijken hoogmoed leidt; bij de vierde "becoringhe" had RUYSBROECK
+het oog op de kettersche secte der Broeders en Zusters van den vrijen
+geest, die, innerlijke en uiterlijke goede werken versmadend, hunne ziel
+ontledigd van alle andere dingen en slechts met God vervuld achtend,
+waanden geene zonde te kunnen doen, omdat God immers alles in hen
+werkte. Het _boek van den twaelf beghinen_ is gewijd vooral aan de
+Beschouwing. Aanvangend met eene samenspraak tusschen twaalf begijnen
+over de liefde tot JEZUS, handelt het voorts over het Avondmaal, de
+vereischten voor de beschouwing, de dwalingen der ketters, de schepping
+der wereld, de bedorven natuur van den mensch enz. De stof moge hier
+rijk zijn, de samenhang der deelen laat veel te wenschen over. In
+_Vingherlinc_ wordt, aanknoopend bij een bijbeltekst uit _de Openbaring_
+waar gesproken wordt van een "blickend [Zijnoot: schitterend.]
+steenken", met kunstige symboliek aangetoond dat met dit in een ring
+gevat steentje CHRISTUS bedoeld is.
+
+Bestaat er dus wel verband tusschen de titels en den inhoud van
+RUYSBROECK'S werken, anderzijds zal gebleken zijn hoe telkens naast en
+boven dit bijzondere het algemeene zich vertoont. Dat algemeene zullen
+wij trachten beknopt samen te vatten.
+
+Uitgaande van het Wezen Gods, daalt ook RUYSBROECK'S mystiek af tot den
+mensch en klimt weer op tot God.
+
+God is het absolute praedicaatlooze Zijn, het "overwesen", de
+"onghebeelde blootheit" [Zijnoot: ledigheid zonder beelden (vormen).].
+_Wat_ God is, gaat boven het begrip aller schepselen; doch _dat_ Hij is,
+getuigt Natuur en Schriftuur en alle Creatuur. Uit Gods eenheid vloeit
+Zijne drieheid voort; de geboorte van den Zoon heeft voortdurend plaats,
+Gods wijsheid weerspiegelt zich in den _Zoon_; uit beider ontmoeting
+ontspringt hunne minne: de Heilige Geest. Ook deze wordt voortdurend
+herboren: steeds is er een nieuw "uutgheesten", een nieuwe vloed van
+eeuwige minne. Al kunnen wij God niet volnoemen noch volspreken, toch
+kunnen wij als zijne voorname eigenschappen onderscheiden: almacht,
+wijsheid en liefde, overeenkomend met Vader, Zoon en H. Geest. Tegenover
+de eeuwige schepping: het ideel vrbestaan der dingen in God, staat de
+schepping in den tijd, die eene vrijwillige daad van Gods liefde is. In
+zijne voorstelling dier tijdelijke schepping neemt RUYSBROECK
+PTOLEMAEUS' wereldstelsel over, volgens hetwelk de aarde middelpunt des
+heelals is. Tegenover de stoffelijke schepping staat de geestelijke:
+engelen en menschen. De mensch, kroon der schepping, geschapen niet uit
+Gods wezen doch uit niets, is bestemd de plaats in te nemen die de
+engelen verloren hebben, terug te vloeien tot zijn oorsprong: God. Doch
+eerst langzamerhand zal het hoogere in hem het lagere kunnen overwinnen,
+onderwerpen, beheerschen. De krachten der menschelijke ziel zijn te
+verdeelen in vier lagere "vee-gelijke", en drie hoogere; de lagere zijn:
+toorn, begeerte ("beestelicke" krachten), redelijkheid die mensch van
+dier scheidt, en vrijheid van wil. De drie hoogere: memorie, verstand en
+wil; met deze drie krachten komen overeen deze eigenschappen:
+"onghebeelde blootheit", "overste redene" en "vonke der ziele", d.i. de
+aangeboren neiging der ziel tot haren oorsprong. Door deze eigenschappen
+staat de ziel in betrekking tot God en kan zij tot Hem opklimmen. De
+mogelijkheid tot vereeniging met God is van eeuwigheid af in onze ziel
+gelegd, doch de werkelijke vereeniging met God komt tot stand eerst in
+het mystieke leven. In zijn streven naar die verwerkelijking wordt de
+mensch belemmerd door de zonde. Zonde is niet: geneigdheid tot het
+kwade, doch afwezigheid van strijd tegen het kwade. In zijne leer
+aangaande den zondeval, de zegepraal over dood en duivel en onze
+loskooping staat RUYSBROECK op het standpunt der Roomsch-Katholieke
+kerk. Echter beslaat CHRISTUS' verlossende werkzaamheid weinig plaats in
+zijn stelsel. CHRISTUS, de mensch, is hem vooral, toonbeeld van het
+mystieke leven.
+
+Zoo wordt uit het Goddelijk Wezen alles afgeleid, met dien verstande dat
+het Goddelijk beeld overal bewaard blijft. Tegenover en naast het, uit
+opeenvolgende momenten bestaande, menschenleven wordt het transcendente
+begrip van tijdeloosheid, het "ewigh nu" in God en Gods werken
+gehandhaafd. Worden en bestaan, komen en vergaan zijn slechts vluchtige
+vormen van het eenige, eeuwige Zijn; de altijd wisselende eb en vloed
+van de diepe en eeuwig ruischende zee der Godheid. De eeuwige
+bestaansvorm der Godheid vertoont zich overal in dit grootsche stelsel
+als de spitsboog in een kathedraal.
+
+Op dezen grondslag van speculatieve mystiek heeft RUYSBROECK het gebouw
+zijner practische mystiek opgetrokken. In die vereeniging van theorie en
+practijk ligt voor een deel het eigenaardige en de verdienste zijner
+mystiek.
+
+RUYSBROECK neemt drie trappen ("staten" of "ordenen") aan als
+evenzooveel stadin op den heilsweg. Wie tot een hoogeren trap opklimt,
+moet toch altijd de plichten van den vorigen trap blijven beoefenen. In
+het _Boec van seven Trappen_ noemt hij b.v. als de zeven treden
+waarlangs de vrome opklimt tot de zaligheid der beschouwing: 1o.
+eendrachtich ende eenwillich sijn met den wil ons Heren; 2o. willich
+armoede; 3o. reynicheit der sielen ende suverheit van lichame; 4o.
+ghewarighe [Zijnoot: waarachtige.] oetmoedicheit; 5o. edelheit alre
+doechde ende alre goeder werke d.i.: begeeren de eere Gods bovenal; 6o.
+een claer insien puer van gheeste ende van ghedachten; 7o. een
+grondeloos niet weten van God, "een versterven ende overliden [Zijnoot:
+overgaan.] in ene ewighe onghenoemtheid daer wi ons verliesen". De
+verdeeling in drien, die in het middeleeuwsch leven zoo veelvuldig
+voorkomt, schemert ook hier weer door. Want de drie eerste graden
+behooren tot het _Werkende_, de twee volgende tot het _Innige_, de beide
+laatste tot het _Schouwende_ leven.
+
+Tot het Werkend Leven moet de mensch voorbereid worden door tweerlei
+gratie: 1o. de "voirlopende" die den mensch beweegt, van buiten: door
+ziekte, leed, goede voorbeelden; van binnen: door overdenking van Gods
+lijden, de vergankelijkheid van het aardsche; 2o. de gratie die is "een
+heymelic inwerken Gods" in de ziel. Door Gods inwerking ontstaat dan de
+"caritate", d.i. een minneband tusschen God en de minnende ziele. Wie
+deze "caritate" bezit, heeft volkomen rouw van zonden, en wie deze
+heeft, zal trachten zich van zonde te reinigen om te komen tot een
+onbesmette conscientie.
+
+Nog is de mensch niet waardig een _zoon_ Gods te heeten; in afwachting
+daarvan moet hij trachten zooveel mogelijk een getrouwe _knecht_ te
+zijn. Abstinentie, penitentie, eerzame zeden en heilige werken van
+buiten--dat is ongeveer wat door het werkende leven wordt omvat. Op
+"caritate", rechtvaardigheid en ootmoed, berust het "gestichte alre
+doghede ende alre edelheit". In al die onderscheiden deugden: ootmoed,
+gehoorzaamheid, zelfverloochening, lijdzaamheid, zachtmoedigheid,
+medelijden, zachtheid, reinheid van ziel en lichaam, moet de mensch zich
+aldoor oefenen. Drie machtige vijanden heeft hij daarbij te weerstaan:
+de Booze, de wereld, zijn eigen vleesch. Bijgestaan door de genade Gods
+moet de mensch in dien strijd zich staande houden en zijne ziel ordenen
+als een koninkrijk, waarin de vrije wil koning is. Deze geheele
+deugdsbetrachting wordt aangewezen als navolging van CHRISTUS.
+
+Het Innige Leven staat hoog boven het Werkende, als "overlant" [Zijnoot:
+Hoogland.] boven "nederlant" [Zijnoot: Laagland.]. Wie in het Innige
+Leven wil komen, moet op de bergen wonen waar de Zonne der Gerechtigheid
+schijnt. In tegenstelling met het Werkende Leven, waar voornamelijk de
+mensch werkt, werken hier God en mensch gelijkelijk en komen elkander
+tegemoet.
+
+In het Innige Leven vallen drie stadia te onderscheiden: 1o het
+kenvermogen des menschen wordt doorschenen met bovennatuurlijke
+klaarheid; 2o daardoor voorgelicht, moet de mensch uitgaan in inwendige
+oefeningen naar gerechtigheid; 3o hij moet opklimmen tot het genieten
+van de eenheid met God. In het eerste stadium, waarin RUYSBROECK den
+invloed der bovennatuurlijke klaarheid vergelijkt bij den loop der zon,
+worden weer tal van deugden beschouwd in de wijze, waarop telkens eene
+nieuwe zich uit eene voorgaande ontwikkelt. Het hart wordt door het
+inwendig vuur van den H. Geest steeds op en neer gedreven, opbruisend en
+neervallend als water waaronder vuur wordt gestookt. Het hart, gewond
+door minne, wil telkens zich sluiten, doch telkens schijnt de zon,
+CHRISTUS, er in en wordt de wonde vernieuwd. Vandaar dat een hevige
+ijver des menschen hart verteert. Uit dezen ijver wordt hij van tijd tot
+tijd opwaarts getrokken in den geest. Dan ontstaan visioenen en
+revelatin, die hij soms wel, soms niet onder woorden kan brengen.
+Evenals de hitte afneemt, wanneer de zon het eind van haar loop nadert,
+zoo gaat nu ook CHRISTUS zich voor den mensch verbergen. Droefheid,
+gevoel van verlatenheid, van twijfel aan zich zelven maken zich nu van
+den mensch meester; doch uit zijn lijden moet hij vreugde scheppen.
+Vooral moet hij waken tegen al te groote vreugde over hetgeen hij tot
+dusver bereikt heeft; daardoor toch zou hij minder toegankelijk worden
+voor het invloeien der genade Gods.
+
+De genade-instorting van het tweede stadium wordt vergeleken bij eene
+levende fontein, die uitvloeit in drie rivieren: 1o enkelvoudigheid, die
+alle zielekrachten doordringt; hierdoor richt de mensch zich op
+_blootheit_, d.i. de waarheid, ontdaan van alle beeld en kleed, vorm en
+gelijkenis; 2o geestelijke klaarheid, die geene visioenen en revelatin
+noodig heeft. Nu moet de mensch den blik richten op de Godheid; die
+aanblik wekt in hem inwendige vreugd, waaruit de derde rivier
+ontspringt, nl. "inghegeeste hitte", die in den wil vloeit, dezen doet
+gloeien en branden en hem vervult met minne. Nu moet de mensch uitgaan
+met overvloedige liefde tot God en alle heiligen, tot de zondaren en
+verkeerde menschen, tot hen die in het Vagevuur zijn, tot zich zelven en
+alle goede menschen.
+
+In het derde stadium is de genade-instorting gelijk aan de levende ader
+in de fontein. De mensch ondervindt het "gherinen" d.i. het beroeren
+Gods. De door de genade verlichte rede tracht nu dat beroeren Gods in
+het innigste zijns geestes te beschouwen, doch bespeurt alras dat zij te
+kort schiet; zij "faelgiert in 't voirtgaen". Echter wil de minnende
+kracht niet rusten. Van nu af begint een eeuwig verlangen: de ziel
+ontbrandt in steeds gloeiender begeerte, maar is nog niet rijp voor de
+zaligheid; "het geschapen vat en can geen onghescapen goet ghevaten"
+[Zijnoot: bevatten.] [42].
+
+In het Innige Leven zijn de _knechten_ van het Werkende Leven tot
+_zonen_ Gods geworden, doch den eindpaal hebben ook zij niet bereikt.
+
+In den staat van "blootheit" kan Gods geest onmiddellijk op hen werken.
+Nu eerst kan de mensch geheel opgaan in God, zooals de rivier die zonder
+ophouden en wederkeeren altijd uitstroomt in de zee. In het Schouwende
+Leven wordt de mensch geheel lijdelijk; hij rust en gevoelt slechts wat
+hem door God wordt aangedaan. Het leven wordt een leven Gods in den
+mensch. Op den duur gevoelt de mensch echter dat hij niet louter
+lijdelijk kan blijven. Hij wil werken; "minne en mach niet ledich sijn".
+Ook het leven der Godheid is tweeledig: naar binnen eeuwig rustend, naar
+buiten eeuwig werkend. Zoo keert dan de mensch weer terug tot de
+practijk des levens. Vol van de zaligheid der Beschouwing, moet hij
+tevens de deugden van het Innige en het Werkende Leven betrachten. Door
+aldus, in God rustend, onder de menschen te werken, wordt het leven van
+den vrome een goddelijk leven dat toch menschelijk blijft. Zoolang de
+mensch op deze aarde vertoeft, zal zijn leven steeds een "crighen in
+ontbliven" (streven zonder volledig verkrijgen) zijn. Zal de schouwer
+door zijn terugkeer in de wereld niet veel van zijne innigheid moeten
+verliezen? Daarvoor behoeft geen vrees te bestaan. De ziel kan wel
+alleen zijn, ook al vertoeft zij in de buitenwereld. Het komt er slechts
+op aan, God steeds voor oogen te houden. Door voortdurende oefening moet
+de inkeer van den schouwenden mensch een onbewuste daad worden, evenals
+b.v. het vormen van letters voor iemand die schrijft.
+
+RUYSBROECK zelf had het in die kunst ver gebracht. Zijn
+levensbeschrijver deelt ons mede, dat het hem, volgens zijn eigen
+getuigenis, minder moeite kostte, door contemplatie zijn ziel tot God
+omhoog te heffen, dan zijn hand aan zijn hoofd te brengen[43].
+
+De schouwer moet dus blijven werken; ja, zelfs de zaligheid der extaze
+moet hij opgeven, indien hij een medemensen kan helpen: "want ware die
+mensche in also groter jubilacin of contemplacin als Sinte Peter of
+Sinte Pauwels ye ghewaren, ende wiste hi enen sieken mensche die
+noetorftich [Zijnoot: behoeftig.] ware eens supens [Zijnoot: soep.] oft
+anders yet, het waer veel beter dat hi liete sine oefeninghe van
+jubilacin ende van contemplacin, ende diende dien noetorftighen
+mensche in meerre [Zijnoot: vermeerdering.] van minnen."
+
+Wij konden hier slechts beproeven een beeld van RUYSBROECK'S mystiek te
+geven in eenige groote lijnen en binnen die omtrekken eenige voorname
+punten aanwijzen. Veel van het minder gewichtige moesten wij achterwege
+laten. Zoo b.v. de vraag naar de consequentie van RUYSBROECK'S stelsel.
+Naar het schijnt, is het niet moeilijk den auteur van zoovele en
+omvangrijke geschriften op meer dan eene plaats in tegenspraak te
+brengen met zich zelf. Wij willen het wel gelooven, doch achten het bij
+de beschouwing van een mystiek auteur van gering belang.
+
+Van meer gewicht is de vraag, in hoever RUYSBROECK'S werk oorspronkelijk
+mag heeten. Het slot onzer uiteenzetting van zijn stelsel zal sommige
+lezers reeds getroffen hebben als volkomen overeenstemmend met eene
+vroeger medegedeelde uiting van ECKHART. En dat is niet het eenige punt
+van overeenkomst tusschen deze twee meesters. In de grondbeginselen
+zijner speculatieve mystiek toont RUYSBROECK nauwe verwantschap met
+ECKHART, met name in de onderlinge verhouding van God, den Zoon en den
+H. Geest. Beiden stellen visioenen niet hoog. De terminologie van
+ECKHART vindt men voor een deel bij RUYSBROECK terug[44].
+
+Het is zeer wel mogelijk dat de jonge kanunnik van Sinte Goedele de
+lessen van den Duitschen meester te Keulen heeft gevolgd; en in allen
+gevalle wel waarschijnlijk, dat diens geschriften invloed hebben gehad
+op zijne theologische vorming.
+
+Anderzijds heeft, gelijk wij reeds zagen, RUYSBROECK'S persoonlijkheid
+invloed geoefend op die van TAULER.
+
+In een zijner oudere preeken zegt TAULER van de broeders en zusters van
+den vrijen geest, die volslagen werkeloos willen blijven om God
+ongestoord te laten inwerken op hunne zielen, dat zij niets doen "recht
+wie ein Werkzeug ledig ist und auf seinen Meister wartet wenn er
+arbeiten will." In een van RUYSBROECK'S werken wordt van zulke menschen
+gezegd: "rechte alse dat ghetouwe, dat selve ledich es ende sijns
+meesters beidet, wanneer hi werken wilt"[45]. De overeenkomst is te
+treffend om aan toeval te mogen worden toegeschreven; met het oog op
+eene vroeger medegedeelde uiting van een tijdgenoot, zou men geneigd
+zijn aan te nemen dat TAULER hier RUYSBROECK heeft nagevolgd; doch ook
+het omgekeerde is mogelijk.
+
+Men moet bij dergelijke vraagstukken bovendien steeds rekening houden
+met de mogelijkheid eener gemeenschappelijke bron. Ook hier blijkt de
+noodzakelijkheid daarvan. Het beeld van Gods natuur dat der menschelijke
+ziel ingedrukt is, noemt ECKHART den _Funken der Seele_ en RUYSBROECK
+gebruikt, zij het ook in eenigszins andere beteekenis, de uitdrukking
+_vonke der siele_. Doch ook BONAVENTURA bedient zich in dien zin gaarne
+van het woord _scintilla_. De indeeling der zielekrachten bij RUYSBROECK
+gelijkt op die bij ECKHART; doch beiden kunnen die hebben ontleend aan
+AUGUSTINUS. De indeeling der zielekrachten in hoogere en lagere komt bij
+TAULER zoowel als bij RUYSBROECK voor; TAULER legt den nadruk vooral op
+de _begeerte_ en den _toorn_, die eveneens bij RUYSBROECK genoemd
+worden. Maar ook THOMAS AQUINAS geeft deze indeeling.
+
+Zeker heeft RUYSBROECK de geschriften der kerkvaders wel gekend en er
+zijn voordeel mede gedaan. De werken van S. BERNARD worden meer dan eens
+door hem aangehaald en hun invloed vertoont zich o.a. waar RUYSBROECK
+het Werkende Leven uiteenzet. Naar de verschillende trappen van
+godsdienstige ontwikkeling had S. BERNARD de menschen verdeeld in
+_mercenarii_, _servi_ en _filii Dei_; RUYSBROECK spreekt evenzoo van
+_huurlingen_, _getrouwe knechten_ en _zonen Gods_; echter heeft hij
+tusschen de tweede en de derde soort die der _vrienden Gods_ gevoegd.
+
+Voor zijn geschrift _Van den Tabernacule_ heeft RUYSBROECK gebruik
+gemaakt van de werken der Fransche mystieken HUGO en RICHARD van St.
+Victor[46].
+
+Heeft RUYSBROECK, onder den invloed van andere mystieken doch vooral van
+ECKHART, nooit de geloofsgrenzen overschreden, welke de Roomsche Kerk
+geerbiedigd wilde zien? De beteekenis van dien mogelijken invloed is
+moeilijk te bepalen; doch het schijnt wel dat de vrome prior, in
+oogenblikken van contemplatie, soms meer heeft gezegd dan hij voor de
+Inquisitie zou kunnen verantwoorden. De vurige drang van zijn gemoed
+doet hem meer dan eens den afstand tusschen God en den mensch vergeten;
+maar telkens doet de rede hem dan later die kloof duidelijk zien en
+brengt zij hem tot de besliste verklaring, dat de creatuur niet God kan
+worden en dat men de eenheid tusschen God en den mensch, waarvan hij
+spreekt, verstaan moet slechts "in minnen", niet "in naturen".
+
+Na al hetgeen wij vroeger hebben opgemerkt over de kiem van ketterij
+welke alle mystiek in zich omdraagt, is er overigens niets
+verwonderlijks in, dat wij die kiem ook in RUYSBROECK'S werk aantreffen.
+Reeds na zijn eerste werk immers, hadden broeder GHERAERT en zijne
+mede-kloosterlingen aanstoot genomen aan sommige uitingen daarin; om
+dien aanstoot verder te voorkomen, schreef RUYSBROECK toen _dat Boec der
+hoechster Waerheit_. Misschien is dat niet overbodig geweest, want in
+menig later werk heeft hij de slechte priesters en monniken, en zelfs de
+"princen der heilegher Kerken" niet gespaard[47]. Persoonlijke wrok had
+zich licht kunnen verbinden met geloofsijver om den geestverwant van
+ECKHART voor de rechtbank der Inquisiteurs te brengen. Zeker zal het ook
+in zijn voordeel zijn geweest, dat hij in zijne werken de Broeders van
+den vrijen geest zoo fel bestrijdt en "hare quade secte ende beestelike
+costume"[48]. Tot die secte behoorde waarschijnlijk HEYLWIG, de dochter
+van den Brusselschen patricir BLOEMAERTS, wier verdorven geloof door
+RUYSBROECK openlijk bestreden is.
+
+De vraag naar RUYSBROECK'S orthodoxie moge belangrijk zijn geweest voor
+zijne tijdgenooten, voor de meesten onzer is zij van ondergeschikt
+belang. Gewichtiger is voor ons de vraag: hoe heeft hij zijn stelsel van
+mystiek uitgewerkt? Het is vooral in de uiteenzetting zijner practische
+mystiek, dat hij zich vertoont als den grootsten prozaschrijver dien wij
+in de middeleeuwen bezeten hebben. Zijne eigen indeeling van Werkend,
+Innig en Schouwend Leven zooveel mogelijk in het oog houdend, zullen wij
+trachten eenig denkbeeld te geven van de wijze waarop hij zijne taak
+heeft volbracht.
+
+In zijne beschouwing van het Werkend Leven treft ons de hoogheid van
+gevoel waarmede hij spreekt over de "veelike" krachten en lusten in den
+mensch; de geringschatting van zulke dingen als spijs en drank, welke de
+mensch wel moet nuttigen--maar zooals de zieke een geneesmiddel. De
+onafhankelijkheid van geest waarmede hij spreekt over de waarde van de
+wetenschap in vergelijking met het leven; het moet ons, zegt RUYSBROECK,
+meer te doen zijn "om leven dan om weten, want die vele weet ende niet
+en leeft, hi verliest den tijt." Zijne menschenkennis, zijn talent van
+karakterizeeren en uitbeelding van het gemoedsleven. Hoe scherp is de
+blik van dezen man, die zich toch zoo gaarne aan de wereld en het gewone
+menschenleven onttrok, voor de geveinsdheid dergenen die afkeerig zijn
+van onthouding en nu zeggen, dat zij "cranc ende teder ende edel van
+complexin sijn, ende daerom behoeven si vele gheriefs ende vele
+ghemacs." Hoe goed heeft hij de menschen geschetst die lijden aan
+zelfverheffing, eigenzinnigheid, die dadelijk kregel worden indien men
+hun iets in den weg legt: "Si en sijn niemene ghevolchsam van gronde,
+maer si begheren dat alle menschen haren goetdunkene ghevolchsam sijn;
+want si sijn krighelijc ende eenwillich; altoes dunct hem dat si recht
+hebben jeghen yeghewelken die hem contrarie es. Si werden lichte
+gherenen [Zijnoot: lichtgeraakt.], ghestoert, toernich, haestich,
+scalc, slaghelijc ende onweerdich in woerden, in werken, in ghelate"
+[Zijnoot: gedrag, houding.].
+
+Gevoelig en fraai is dit schetsje der gemengde aandoeningen die PETRUS
+vervulden, nadat hij zijn Meester had verloochend: "In sinen elendighen
+doghene keerde hi hem omme ende sach Petren ane met groter ghenadicheit
+ende Peter hem weder met groter bitterheit van herten. Ende inden
+onderlinghen siene vernuwede die liefde tusschen hem beiden mere dan si
+te voren was, want gracie ende liefde, inwendich rouwe, groet betruwen
+[Zijnoot: vertrouwen.], scande ende sceemte [Zijnoot: schaamte.] dese
+dingen vervulden sine herte ende alle sine binnenste; ende sine siele
+smalt als die snee voir die sonne ende als was voir een berrende vier.
+Ende met sijnre sielen vloyden tranen bitter ende suete, bitter omme
+sine sonden, soete ende vol bliscapen omme die trouwe die hi in Christo
+ghevoelde: ende aldus was hi vol droefheden ende vol bliscapen. Hoe dat
+sijn mach, dat en weet niemen dan dies ghevoelt heeft."[49].
+
+Het uitgaan met overvloedige liefde ook tot de zondaren en verkeerde
+menschen, waarvan in het Innig Leven sprake is geweest, zien wij in
+RUYSBROECK'S hartelijk medelijden met de menschen die hun eigen geluk
+niet zien: "Daer af comt in den mensche een geestelike compassie, dat hi
+proeft ende merct die scade der menschen dat si soe elendich sijn ende
+soe grote rijcheit ende ere ende weldicheit besitten mochten ofte si
+wouden ende sire hem toe voechden ende Gode soe eerlic ende soe minlic
+dienen mochten ende dit al gader verloren blijft. Dit maect alsoe groten
+wee, dat nieman vremders [Zijnoot: geen vreemde.] bekennen en mach."
+
+Maar zelf genoot hij volop van de weelde God te mogen dienen. Wel is hij
+zich bewust zijn Schepper nimmer genoeg te kunnen eeren, doch dat
+onvermogen, een bewijs van Gods grootheid, is hem eene reden tot nieuw
+genot: "dat is herde lustelic, dat onse Here ende onse God soe groot is,
+dat wi hem nemmermeer ghenoech reverencin ende waerdicheden en sellen
+moghen doen." Hooger rijst zijn vlucht, waar hij den geestelijken
+liefdebrand, den hartstocht der minnende ziel onder woorden tracht te
+brengen; zoo b.v. in eene passage als deze: "dit verberren es ene
+volmaectheit in alre dogede, want et es een gebreken [Zijnoot: te kort
+schieten.] des geestes in minnen, daer hi hem lidende houdet, ende wert
+verberret ende verteert in den onbegripeleken ommevange der eenheit
+Gods, die met ewegen hongere ende met ghelosteger niedecheit [Zijnoot:
+gretigheid.] al dat mint begaept ende verslint ende verteert in haers
+selves eenheit." Welk een kracht van gevoel en wat een durf in dat
+"begapen en verslinden", terwijl van God sprake is.
+
+RUYSBROECK zal, wanneer "al der sielen crachte in storme ende in woede"
+verkeerden, wel zelden of nooit zijn vervallen tot het loopen, springen
+en handgeklap, waarin andere mystieken hunne verrukking lucht gaven; eer
+zal hij hebben behoord tot hen die "zwighen ende smelten van weelden in
+allen sinnen." Maar ook voor hem zal op zulke verrukkingen dikwijls de
+neerslachtigheid en het gevoel van geestelijke ellende zijn gevolgd, dat
+hij zoo goed moet hebben gekend om er anderen op zoo teedere wijze in te
+kunnen troosten: "Voirtmeere, eest dat gi traecheit, zwaerheit ende
+droefheit ghevoelt inder naturen, ende dat ghi sijt sonder smake ende
+lost, ende sonder drift te gheesteliken dinghen, arm, ellendich,
+begheven [Zijnoot: eenzaam.] ende ghelaten in allen troeste van Gode, in
+verdriete, sonder smake ende lust tot enigher oefeninghen van buten ofte
+van binnen, ende alsoe zwaer ofte ghi doer die erde sinken sout: en
+ontsiet u niet, maer gheeft u over in die handen Gods ende begheert dat
+sijn wille ende sijn eere ghescie. Die donkere bedroefde wolkene die sal
+sciere overliden, ende dat licht der claer sonnen ons Heren Jhesu
+Christi sal u bescinen in meere troest ende gracien dan ghi noyt te
+voren ghevoelet [Zijnoot: ghevoeldet.]."
+
+Hij heeft wel geweten hoe zulk een van God verlaten mensch verlangt,
+ontbonden te worden van den kerker zijns lichaams, hoe de balling het
+"vaderland daarboven zoekt" (VONDEL): Soe slaet hi sijn inwendighe oghen
+op ende scouwet die hemelsche sale vol glorien ende vrouden ende sijn
+lief ghecroent daer binnen, uytvloyende in sine heilighen in riker
+weelden ende [Zijnoot: en dat.] hi des derven moet. Hier comen bi wilen
+in selke menscen uutwendighe tranen ende groet verlanghen. Soe siet hi
+neder ende merket dit ellende daer hi in ghekerkert es ende dies hi niet
+ontgaen en mach: soe vloyen tranen van droefheden ende van jammere"[50].
+
+Toen RUYSBROECK zelf door kracht van geestelijke oefening en
+bespiegeling erin geslaagd was, zijne ziel te ontledigen van het lagere,
+haar te maken tot "een levende spieghel" waar het goddelijk licht in
+scheen, toen kon hij, van het Schouwende Leven getuigend, schrijven:
+"Ende hier omme heeft ons God ghegheven een leven boven ons ende dat is
+een godlic leven. Dat en is anders niet dan scouwen ende staren ende in
+bloter minnen cleven ane Gode, smaken ende ghebruken [Zijnoot:
+genieten.] ende versmelten in minnen ende altoes vernuwen in dat selve.
+Want daer wi verhaven sijn boven redene ende boven al onse werke, in
+bloet ghesichte, daer werden wi ghewracht vanden gheeste ons Heren; ende
+daer ghedoghen wi dat inwerken Gods ende werden verclaert in godliker
+claerheit, ghelikerwijs dat die locht verclaert wert met den lichte der
+sonnen ende alse dat yser doergaen wert met crachte ende met hitten des
+viers, alsoe werden wi ghetransformeert ende doerdraghen [Zijnoot:
+doortrokken.] van clairheiden in claerheiden, in dat selve beelde der
+heyligher Drivoldicheit."
+
+Maar altijd bleef het een "crighen in ontbliven"; want de hoogste
+klaarheid die de mensch hier op aarde bereiken kon, hoe ver bleef zij
+toch steeds van de klaarheid der heiligen! "Want die scaduwe Gods
+verlicht onse inwendighe woestine; mer op die hoghe berghe inden lande
+der gheloeften daer en is gheen scaduwe: nochtan eest al n sonne ende
+ne clairheit die onse woestine verlicht ende oec die hoghe berghe; mer
+die staet der heilighen is doerschinich ende glorioes ende hierom
+ontfaen si die claerheit onghemiddelt; mer onse staet is noch sterfelic
+ende grof ende dit is dat middel daer die scaduwe ave comt die onse
+verstandicheit alsoe bescaduwet, dat wi Gode noch hemelsche dinghen niet
+bekennen en moghen also clairlic als die heylighen doen"[51].
+
+In meer dan een der hier aangehaalde stukken zal de lezer reeds zelf de
+zachte welluidendheid of de kracht, de hooge vlucht en den breeden zwaai
+van RUYSBROECK'S proza bewonderend hebben opgemerkt. Toch schijnt het
+mij wenschelijk een blik te slaan ook op eenige deelen en op het
+samenstel van zijn werk om daardoor den kunstenaar in zijne wijze van
+werken iets beter te leeren kennen.
+
+Een gewone karaktertrek van het middeleeuwsch proza, het veelvuldig
+zinsverband met "ende", zooals men het nog kan opmerken bij elk kind dat
+iets vertelt, vertoont zich ook in dit proza. Niet zelden ook bedient
+RUYSBROECK zich van de, hiermede verwante, eenvoudige opsomming; zoo
+b.v. in: "Want willen wi verduldich sijn ghewaerlic, soe en sal ons
+gheen dinc moghen ontsaten [Zijnoot: onrustig maken.], noch verlies van
+den ertschen goede, noch van vrienden, noch van maghen, noch van siecte,
+noch scande, noch doot, noch leven, noch vaghevier, noch duvel, noch
+helle[52]." Soms geeft hij regelmaat aan zijn proza door een deductieven
+schrijftrant, als in: "aldaer verliesen wi ons selven in die woeste
+idelheit [Zijnoot: leegte.], ende al verliesende ons selven vinden wi
+die salecheit, ende al vindende verkiesen wi, ende al verkiesende werden
+wi vercoren" enz.[53]. Elders zien wij hem parallellisme en
+tegenstelling aanwenden om meer kracht en scherpte te bereiken: "Hi
+arbeit sere in minnen, want hi siet sine raste. Hi is pelgrim ende hi
+siet sijn lanscap. Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine
+crone." Sprekend van het afkoopen der zonden voor geld zegt RUYSBROECK:
+"Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel de siele, de
+bisscop dat ghelt, de dore [Zijnoot: dwaze]" mensche sine corte
+ghenoechte." Tegenstelling vinden wij b.v. in: "Hi heeft hem ghenedert
+ende ons ghehoecht, hem ghearmt ende ons gherijct, hi heeft hem versmaet
+ende ons gheert. Maer al heeft hi hem ghenedert, hi en heeft hem niet
+ontedelt[54]."
+
+Zoo leerde RUYSBROECK, waar sterke aandoening hem dreef tot schrijven,
+die aandoening beheerschen en haar verklanken tot breedgolvende zinnen
+als deze over JEZUS' dood: "doen verdonkerde die locht, want die
+roedekene worden te broken [Zijnoot: verbroken.], die edele speciboem
+wart ontwe [Zijnoot: doormidden.] ghescoert, die overste crachten sijnre
+zielen worden ghesceden van den nedersten, sine sinne verghinghen, sine
+ziele sciet van den live, die doet bevinc dat leven, dat leven verwan
+die doet, die Apostelen hadden hare licht verloren, die oude wet
+[Zijnoot: geloof (der Joden).] verloes oec hare licht, die sonne liet
+hare scinen ende die locht was vol nevels der onbekinnessen [Zijnoot:
+onverstand.]--maer onse dach ginc op daer wi eweleke inne ghesien[55]."
+
+Welk een indruk maakt hier, na die opsomming der verschijnselen van
+duisternis en vernietiging, dat juichende slot.
+
+Onder de eigenaardigheden van RUYSBROECK'S stijl moet ook het rijmend
+proza genoemd worden.
+
+Het beginrijm of de alliteratie schijnt in zijn werk niet vaker voor te
+komen dan de aard onzer taal met zich brengt; doch het eindrijm is zoo
+veelvuldig, dat wij hier wel aan opzet moeten denken. Het eindrijm
+vertoont zich zoowel aan het slot van opeenvolgende zinnen als van
+opeenvolgende woorden, zoowel in: "ende soe hi hem selven naerre
+_bekint_, so hi hem in der waerheit meer te versmadene _vint_," als in:
+"kinneloos ende minneloos," "verstout ende verout". Op menige plaats
+(vooral in _Spieghel der Salicheit_ en _Rike der Ghelieven_) vinden wij
+rijmende verzen tusschen het proza in, doch hunne aanwezigheid kan
+bezwaarlijk verklaard worden uit eene verheffing van stemming, uit meer
+innigheid of gloed. Soms zelfs wordt de neiging tot rijmen RUYSBROECK
+tot last; aan het slot van een berijmd gedeelte van zijn werk immers
+zegt hij:
+
+ Nu moet ic rimen laten bliven
+ Sal ic scouwen clare bescriven[56].
+
+In dit aanwenden van parallellisme, tegenstelling en rijmklanken zal
+RUYSBROECK waarschijnlijk ten deele het voorbeeld hebben gevolgd, hem
+gegeven door de kerkvaders, wier werken hij kende. Immers in het proza
+b.v. van S. BERNARD, van BONAVENTURA, van de beide VICTORS vinden wij
+die eigenaardigheden evenzeer; waarschijnlijk ook wel in dat der oudere
+kerkvaders, die hun stijl hadden gevormd onder den invloed der klassieke
+schrijvers[57].
+
+Zijn RUYSBROECK'S verzen ook meerendeels zwak, in zijn proza toont hij
+zich een waarachtig dichter. Zijn levendig en fijn gevoel, zijn vlugge
+en sterke verbeelding, zijn gave van waarneming en voorstelling, de
+schoonheid zijner taal geven hem alleszins recht op dien eerenaam. Het
+is niet vreemd, dat hij, die in het lagere slechts een verschijningsvorm
+van het hoogere ziet, gedurig van het lagere tot het hoogere opklimt, of
+dat lagere verheft door eene gelijkenis.
+
+Een enkele maal doet hij daartoe een greep in den R.-K. eeredienst,
+liefst ontleent hij zijne voorbeelden aan de natuur of aan het
+dagelijksch leven. De tabernakel, die in middeleeuwsche kerken op het
+altaar placht te staan en diende ter bewaring van de hostie, gaf
+RUYSBROECK aanleiding tot eene breed uitgewerkte symbolische
+voorstelling. Met een onuitputtelijk geduld en een liefdevolle
+uitvoerigheid, die aan de miniatuurschilders herinneren, met eene hooge
+mate ook van subtiel vernuft, heeft hij alle deelen en onderdeelen, alle
+onderdeeltjes en deelen van onderdeeltjes van het sacramentshuis
+geestelijk verklaard: de tabernakel moet staan "in een kerckhof", "dat
+es een sedelec leven van buten met al dien dat daer toe behoort"; om dat
+kerkhof moeten staan zestig kolommen: "bi den colummen verstaet men
+starke begerte tot allen den gheboden Gods ende tot allen den seden ende
+der oefeninghen diere [Zijnoot: welke.] men pleghet in der heileger
+kercken". Deze kolommen moeten bedekt worden met zilveren platen, "dat
+es met goeden levene ende met eersamer wandelingen" enz. enz. Het
+behoeft geen betoog, dat deze voortgezette symboliek op den duur voor
+een hedendaagsch lezer vermoeiend eentonig en daardoor vervelend wordt;
+doch voor RUYSBROECK'S tijdgenooten zal de beschrijving en verklaring
+van een zoo kostelijk sacramentshuis zeker onderhoudend en aantrekkelijk
+zijn geweest.
+
+Kostelijke tabernakels zooals de hier beschrevene gaf de werkelijkheid
+tenauwernood, gaf het eenvoudig klooster te Groenendale zeker niet te
+zien; doch een stap buiten de muren bracht den prior in den kloosterhof,
+waar hij zoo menigmaal aan het wieden was, al trok hij in verstrooidheid
+de heilzame kruiden wel eens mede uit, en rondom het klooster lag Gods
+vrije natuur in rijke verscheidenheid en stille pracht. In den boogaard
+en op de mossige glooiingen, onder de wuivende kruinen van het
+Sonin-bosch, zal wel menigmaal een bloem, een plant of een dier
+RUYSBROECK'S verbeelding gaande hebben gemaakt. Zoo heeft hem de
+zonnebloem getroffen in haar volgen van de zon: "Alse die sonne opgeet
+in orinten, soe ontpluct hare [Zijnoot: ontsluit zich.] de goutbloeme
+jegen die raeien [Zijnoot: stralen.] der sonnen, ende keret hare altoes
+omme al neighende jegen de hitte der sonnen, tote in occidenten. Ende in
+der nacht luuct si hare toe, ende verberget hare varuwe ende ontbeidet
+weder der sonnen opganc. Alsoe gelikerwijs sele wi, overmids
+ghehoersamheit, onse herte ontpluken jegen dat inscinen der gracien
+Goeds, ende oetmoedichlike al nigende sele wi der gracien Goeds volgen,
+alsoe lange als wi die hitte der minnen ghevoelen. Ende alse dat
+inscinen der gracien sijn nuwe beroeren ophoudet ende wi hitte van
+minnen lettel ochte niet gevoelen: dat es die nacht, dat wi onse herte
+selen toe luken jegen al dat ons becoeren [Zijnoot: in verzoeking
+leiden.] mach; ende alsoe sele wi die goutvarwe der minnen in ons
+beluken ende ontbeiden enen nuwen opganc der sonnen, met nuwen lichte in
+nuwen beroerne[58]."
+
+Elders vergelijkt hij CHRISTUS' deugden bij de lelin van dale; de
+natuur die den geest volgt, is vrij, gelijk de vogel in het woud en
+dartelt in de minne als de visch in het water. God is "uutstortende ende
+vloeyende ghelijc der wilder see, met onbegripeliker weelden in alle die
+ghene die sijns ontfanclijc sijn ende weder ebbende is ende intreckende
+in die wilde see sijner enicheit." Als een heete bron "alsoe
+ghelikerwijs werct dat inwendighe vier des heylichs Gheests. Het drivet,
+ende stoket ende jaghet dat herte ende alle die crachte der sielen tot
+den walle [Zijnoot: koken.] dat is Gode te dankene ende te lovene." Een
+mensch die zich "wel regeeren" wil, moet doen als de wijze bij: "si
+woent in der enicheit, met vergaderinghen haerre gheselscap, en vaert
+ute, niet in storme, mer in stillen ghesaten wedere, in schinen der
+sonnen, op alle die bloemen daer men soeticheit in vinden mach. Si en
+rust niet op ghene blome noch op ghene scoenheit ofte soeticheit; mer si
+trect daer ute honich en was, dat is soeticheit en materie der
+claerheit, en voeret in die vergaderde enicheit, op dat sy vruchtbaer
+werde tot groter nutticheit." Zoo moet ook de wijze mensch doen en "niet
+rusten op ghene bloemen der gaven, maer al gheladen met danke en met
+love weder vlieghen in die enicheit, daer si met Gode rusten en wonen
+wilt"[59].
+
+Menigmaal ook vindt RUYSBROECK stof voor zijne gelijkenissen in eigen
+omgeving en het dagelijksch leven.
+
+De oefening in deugd vergelijkt hij bij een penning van fijn goud; doch
+ieder moge onderzoeken of zijn goud van goed allooi is en het volle
+gewicht heeft en aan weerszijden wel gemunt. In ons deugdzaam leven
+moeten wij allerhande sier van deugden weven, zooals vogelen en bloemen
+en gulden sterren geweven staan in de gordijnen van den tabernakel. De
+reinheid des harten "ghelijct men der lampten bernender olin, die hare
+vlamme gheeft opwert te hemele: alsoe doet die suvere herte die beneden
+besloten is yeghen die werelt ende boven open die gracie Gods
+t'ontfane."
+
+CHRISTUS' beeld moeten wij drukken in ons hart en onze zinnen, in ons
+lichaam en onze ziel, zooals men een zegel drukt en vormt in het was. De
+gratie Gods in de ziele is gelijk eene kaars in een lantaarn of glazen
+vat, want zij verlicht en verklaart en doorschijnt het vat, nl. den
+goeden mensch. Als God zich van ons afwendt, dan doet hij met ons:
+"recht alsof een mure stonde ghemaect tusschen hem ende ons."
+
+Welk eene kracht ontwikkelt RUYSBROECK'S beeldende zinnelijkheid, waar
+hij zijn hoorders voor oogen wil brengen, hoe groot Gods genadevolle
+vergevensgezindheid is: "al waer alle die werelt een gloet van viere
+ende dat midden in dat vier een vese [Zijnoot: vezel.] van een linen
+cleet laghe, soe en ware die vese niet alsoe bereet te aensteken, als
+God bereet is den sondaer sijn sonden te vergheven, als hem sijn sonden
+ghewaerachtich leet sijn[60]."
+
+Het valt bezwaarlijk te ontkennen, dat deze prozadichter, waar hij zijne
+gelijkenissen aan het dagelijksch leven ontleent, voor ons gevoel soms
+de grenzen der kieschheid te buiten gaat, doch men moet daarbij in het
+oog houden dat tusschen het hoogere en het lagere, vooral tusschen het
+hemelsche en het aardsche, in de middeleeuwen niet zulk een afstand lag
+als thans. RUYSBROECK vergelijkt iemand die waant n te zijn met
+CHRISTUS bij een slapenden hond "dien droomt dat hi heeft een stucke
+vleeschs in sinen mont" en "alse hy ontwaket, soe en heeft hi niet." Die
+vergelijking zou men desnoods ook met ons gevoel van kieschheid in
+overeenstemming kunnen brengen door te wijzen op het minderwaardige van
+hem die slechts _waant_ met CHRISTUS n te zijn. Doch tenauwernood zal
+nog n hedendaagsch lezer behagen scheppen in die talrijke andere
+beelden en gelijkenissen die ons naar de keuken en den refter (eetzaal)
+verplaatsen. De tekst: "dit is mijn vleesch en mijn bloed" en de hostie
+als symbool van CHRISTUS gaven, trouwens niet aan RUYSBROECK alleen,
+gereede aanleiding tot het vormen van beelden en gelijkenissen. Zoo zegt
+JEZUS tot den mensen:
+
+ Myn vleysch is wel gebraden
+ Aent cruce om uwe ghenaden.
+
+"De edele tarwebloem, d.i. JEZUS, is ons gegeven door MARIA; God heeft
+de olie zijner barmhartigheid in MARIA uitgestort; de Heilige Geest
+heeft dat tarwemeel en die olie samengekneed en voor ons gemaakt en
+gebakken het zoetste brood dat ooit bestond, spijze der engelen en der
+menschen. Dit brood is gebakken in den oven, dat is in het lichaam der
+zuivere maagd MARIA, die wel doorheet was met het vuur der caritate." De
+zachtmoedige lijdzaamheid van CHRISTUS vergelijkt RUYSBROECK bij "den
+cleinen oesteren die in sculpen ligghen also cleine als eens menschen
+naghel". CHRISTUS wil ons geheel in zich opnemen, zijn honger is onmatig
+groot, "want hi is een ghierich slockaert [Zijnoot: begeerige
+schrokker.] ende heeft den mengherael" [Zijnoot: geeuwhonger.]
+
+Konden wij slechts zien, welk een gretige begeerte CHRISTUS heeft naar
+onze zaligheid, "wi en mochten ons niet onthouden [Zijnoot: weerhouden.],
+wi en souden hem in die kele vlieghen." Hier schijnt de auteur zelf
+beseft te hebben dat hij de grens der kieschheid ook voor dien tijd had
+overschreden, want hij verontschuldigt zich eenigszins door te zeggen:
+"al luden mine worde wonderlike, die mynnende die verstaen my wel"[61].
+
+Gelijkenissen als deze zijn in verhouding tot alle overige niet talrijk;
+zoo is ook de toon van RUYSBROECK over het algemeen zacht en waardig,
+doch een enkele maal klinken er forscher klanken: "arme rasende
+mensche", "verscoven [Zijnoot: verstooten.] ende verblinde mensce",
+"onwaerdich boeve", "onverstandich esel"[62].
+
+Wij zouden noch het een noch het ander willen missen, want wij krijgen
+daardoor RUYSBROECK'S beeld vollediger te zien. En ook, doordat hij zich
+van tijd tot tijd laat gaan, toont deze Nederlander die zich zoo gaarne
+uit de wereld in het innerlijk zieleleven terugtrok, toch niet misdeeld
+te zijn van dien volkshumor dien wij in den _Reinaert_ en andere
+Dietsche werken genieten.
+
+Hoe aardig drijft hij den spot met de hoovaardij der rijke vrouwen: "si
+maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn des duvels neste daer si
+in sculen. Maer dunct hen dat si edel sijn van gheboerte, so moeten se
+hebben ane hare anschine cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel
+mede gheliken. Ende dan gaense hen spieghelen ochte si scoen ghenoech
+sijn den duvel ende der werelt te behaghene"[63]. De geveinsden en
+hoovaardigen vergelijkt hij bij de blaas "die vol is van losen winde;
+als men se duwet ende perst, so gheeft si enen luud die ongracelic is te
+hoirne"[64]. Nonnen die zich opsieren met zilveren gordels en allerlei
+rinkeltuig doen hem denken aan "ene hinne [Zijnoot: hen.] met
+bellen"[65].
+
+Uit denzelfden volksgeest die dezen lichten spot voortbracht, werd
+echter ook eene vergelijking geboren als deze: "wanneer een groot coninc
+oft een wijs lantshere varen wilt in pelgrimagien, in verren lande, soe
+roept hi sine ghenoten [Zijnoot: pairs.] te gader, ende beveelt hem sine
+lant, sijn volc, sijn kynder ende sine familie, dat si al dat regeren
+ende bewaren in payse ende in vreden tote dier tijt dat hi weder comt in
+sijn lant. Alsoe ghelikerwijs Christus, die ewighe wysheit Gods, coninc
+der coninghen ende heer alre heren, doen hi sine pelgrimagie gedaen
+hadde in dese ellendighe werelt, doen woude hi varen in sijns Vaders
+lant ende ten lesten daghe weder comen ten ordele. Ende hier omme, voir
+dien dach dat hi sterven woude, doe stichte hi ene grote feeste dat was
+een avonteten. Ende daer toe node hi die meeste princen der werelt, dat
+waren sine Apostelen...."[66].
+
+Dat is dezelfde geest waaruit vijf eeuwen vroeger het Oud-saksisch
+heldendicht _Hliand_ was voortgekomen.
+
+Wat ons dan ten slotte in RUYSBROECK het sterkst treft, dat is het ruime
+van zijne persoonlijkheid en zijn werk. In beide is "nederlant" en
+"overlant", al woont hij liefst op de tergen, waar de zonne der
+gerechtigheid schijnt. Hij ziet de huurlingen en knechten, maar ook de
+vrienden en zonen Gods. Zijn blik omvat de zonnebloem, den slapenden
+hond die van vleesch droomt, de bij die beladen van bloem tot bloem
+vliegt, maar ook een groot koning en de wilde zee en de zon in haar loop
+door de ongemeten ruimten. Hij schuwt de menschen, doch blijft ze
+liefhebben; zijne menschenkennis heeft zijne menschenliefde niet
+uitgedoofd, al openbaart die liefde zich op eigenaardig-middeleeuwsche
+wijze. Hij kent het gevoel van geestelijke ellende, maar ook het
+zwijgend wegsmelten van innerlijke weelde.
+
+RUYSBROECK is de eerste Nederlander, die in de volkstaal een ideaal
+levensgeheel heeft ontworpen, dat slechts paste voor kloosterlingen,
+doch dat ook voor hen, die in de wereld bleven, veel goeds, edels en
+schoons bevatte. Tegenover den toenemenden drang naar verlichting des
+verstands heeft hij de ontwikkeling van het zedelijk en godsdienstig
+gemoedsleven gesteld; tegenover het "kennen" het "minnen", zooals reeds
+kort na zijn dood door een zijner vereerders werd getuigd; tegenover het
+"mate is goet t' allen spele"--het "wiselose", het bovenmatige, den
+hartstocht, zij het ook slechts in het streven der ziel naar nheid met
+God. Hij heeft zijn levens-ideaal niet opgetrokken tot n grootsch
+gebouw, doch het verwerkt tot een aantal grootere en kleinere
+taalmonumenten, die ons niet zelden treffen door schoonheid van lijn en
+fijnheid van uitvoering. Ook in dat taalwerk is "nederlant" en
+"overlant": het vlakke, dat wel eens plat wordt; de liefelijk opwaarts
+glooiende landen; de hooge toppen, waar de auteur zich in de nevelen
+verliest: de "hoge materin", waarvan hij beseft dat een schrijver ze
+slechts kan "voirt bringhen met woorden also verre als ment woorden
+mach"[67].
+
+Dozijnen bij dozijnen handschriften zijner werken bewijzen welk een
+invloed zijne mystiek moet hebben geoefend. Die invloed beperkte zich
+niet tot de grenzen van het Dietsche taalgebied, noch tot des schrijvers
+taalgenooten, maar strekte zich uit tot Neder- en Opper-Duitschland en
+was krachtig nog in de 16de eeuw, toen zijne werken veelvuldig in de
+kloosters werden gelezen en in eene Latijnsche vertaling toegankelijk
+gemaakt ook voor hen, die geen Dietsch verstonden.
+
+In RUYSBROECK heeft de Dietsche mystiek haar voornaamsten
+vertegenwoordiger gevonden. Ja, HADEWYCH is hem vr geweest. Maar, is
+HADEWYCH de leeuwrik, de "hemellawerke" opwaarts wiekend op de vleugelen
+van haar lied en vaak zich verliezend in het blauwe--RUYSBROECK is de
+nachtegaal, immers ook een zanger van "minne", zijn smeltend lied, zijn
+storm van geluid orgelend in de stilte van het Sonin-bosch.
+
+Het werk van RUYSBROECK is een der hooge toppen in het land onzer
+literatuur en dus zou het begrijpelijk zijn, indien wij daarmede dit
+deel van ons werk besloten. Wij hebben echter goede reden het niet te
+doen, want: meer dan RUYSBROECK is hier.
+
+Omstreeks 1360 werd een groot deel van het Oude Testament in de
+volkstaal te boek gesteld[68].
+
+De vertaler was blijkbaar een niet-geordend geestelijke, misschien een
+Vlaming, zeker een vroom man; ook een ontwikkeld man, wien de brieven
+van PAULUS, eenige kerkvaders, MAERLANT'S _Spieghel_ en _Rijmbijbel_
+bekend waren, en die zijne vertaling kon toelichten met behulp der
+_Scolastica_ en van andere werken. Vroeger had hij reeds eene Dietsche
+overzetting geleverd van het _Passionael_ (de "Legenda aurea").
+
+Van het karakter zijner vertaling valt weinig te zeggen, zoolang wij
+niet weten, welke redactie der _Biblia Vulgata_ door hem gebruikt werd.
+Echter deelt de vertaler zelf in den proloog ons mede dat hij voornemens
+is, het Latijn "ghetrouwelic te dietschen... die lettere houdende van
+woorde te woorde ofte van zinne te zinne of van beyden onderminghet, so
+dattet die liede verstaen moghen na den sede van onsen lande"[69].
+Bovendien vallen er in of naar aanleiding van zijn werk andere dingen op
+te merken die vermeldenswaard schijnen.
+
+De vertaler was een man van orthodoxe vroomheid die meer dan eens
+verklaart, dat hij niet van zins is iets te doen "dat jeghen Gode ofte
+jeghen die heilighe kerke zi." Maar juist daarom vervulde hem het
+onbetamelijk en onzedelijk gedrag van vele priesters en leeken met des
+te meer droefheid. Hij ergert zich aan de leeken die, op feestdagen nog
+wel, in de taveernen spelen, dansen en reien; aan de priesters die in
+plaats van het volk te leeren, ook door hun voorbeeld, het volk door hun
+kwaad voorbeeld verderven, die "amin" houden en argelooze vrouwen ten
+val brengen. Daarom was het hem "langhe in 't herte geweest", het
+"fundament van der scrifture" te verdietschen, in de hoop dat menig
+ongeleerde er zijn voordeel mede zou doen. En ook, hij acht zich niet
+gerechtigd het talent dat God hem geschonken heeft ongebruikt te laten.
+Zoo heeft hij dan het werk ondernomen met vreezen en beven, in het diepe
+besef van de zwaarheid der taak; en hij zou haar misschien niet
+voleindigd hebben, indien zijn vriend JAN TAY er niet op had
+aangedrongen[70].
+
+Onder de mystieken van dien tijd zal men dezen vertaler wel niet moeten
+zoeken. Ware het zoo, dan zou dat toch uit zijn spraakgebruik moeten
+blijken, en dat is niet het geval. Toch moet er wel eenige
+geestverwantschap tusschen hen en hem hebben bestaan. Het Hooglied en de
+Openbaring, twee Bijbelboeken, bij de mystieken in eere, worden ook door
+hem hoog gesteld[71]. Tegenover de priesters toont hij dezelfde
+onbeschroomde vrijmoedigheid als JAN VAN LEEUWEN en RUYSBROECK. Zijn
+wantrouwen in de geestelijke leiding der priesters brengt hem tot het
+verdietschen van het Oude Testament, dat hij den leeken in handen wil
+geven, opdat zij daar mogen vinden wat de priesters hun onthouden[72].
+Een streven naar ontwikkeling van een zelfstandig godsdienstig
+gemoedsleven ziet men immers ook bij de mystieken, al mag het de vraag
+heeten of RUYSBROECK den Bijbel in de handen der leeken zou hebben
+gewenscht.
+
+Wat ons in dezen vertaler ten slotte treft, is het rustig
+zelfvertrouwen, waarmede hij spreekt over de ontvangst, die hem en zijn
+werk wacht van de zijde der geestelijkheid. Hij beseft zeer wel, dat het
+sommige "clercken" zal ergeren "dat men die heymelicheit der scrifturen
+den ghemenen volc ontbynden soude"; dat zijn werk zal worden "benijd en
+beknaagd door dolle honden"--maar God kent de bedoelingen, waarmede dit
+werk ondernomen is, en daarom zal hij met DAVID hopen op God en niet
+ontzien wat de menschen hem aandoen[73]. Hier spreekt een dergelijk
+vertrouwen op God en het eigen geweten, als wij vroeger opmerkten bij
+den onbekenden leek en als later in de dagen der Kerkhervorming zoo
+menigmaal zal gehoord worden.
+
+Het is wel opmerkelijk, dat van deze Bijbelvertaling, naar het schijnt,
+geen enkel afschrift der 14de eeuw is overgebleven, terwijl er dozijnen
+afschriften der 15de eeuw bestaan. Mag men aannemen, dat de
+geestelijkheid het werk onderdrukt heeft? Zoolang daarvoor geen enkel
+bewijs bestaat, natuurlijk niet. Doch in allen gevalle blijkt uit de
+afschriften, dat deze Bijbelvertaling ter kennisse van anderen is
+gekomen, zij het waarschijnlijk van slechts weinigen. Daarmede was een
+edele kiem in de ziel van ons volk gelegd, die er zich zou ontwikkelen
+met de langzaamheid die groote zaken past.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] _Der Ystorin Bloeme_ in de uitgave van A.C. OUDEMANS SR. Het tweede
+werk is als _Fragment van een oud berymd passionael_ uitgegeven door
+WILLEMS in _Belg. Museum_, IX, 418 vlgg.
+
+Vgl. _Der Ystorin Bloeme_, vs. 2229-'30, 3554; _Belg. Mus._, IX, 424,
+vs. 184.
+
+[2] _Van Sinte Lutgart_ uitgeg. door BORMANS in _Dietsche Warande_,
+III--IV. _Van Sinte Christina_ eveneens door BORMANS. Vgl. over de hss.
+ook: _Tijdschr. v. N. T. en L._, IX, 161 vlgg. _Leven van Sint Amand_
+uitgeg. door BLOMMAERT. Over de bronnen van dat werk TE WINKEL a. w. bl.
+279. Over het hs. nog _Tijdschr. v. N. T. en L._, X, 158. Het _Leven van
+S. Kunera_ in _Middeln. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 247 vlgg.; het hs.
+schijnt uit de 15e eeuw, de taal en de rijmen wijzen naar de 14e eeuw.
+
+[3] Over broeder GERAERT'S werk vgl. _Willem van Afflighem's Leven van
+Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), Inl., XVII, XXXVIII-XXXIX.
+
+[4] Vs. 1341 2.
+
+[5] I, 5135 vlgg. Wereldlijke koningspelen (waarin vooral "questin van
+minne" behandeld werden) vindt men o.a. in den _Limborch_, XI, 67 vlgg.
+en _Cassamus_, vs. 1368 vlgg. (Aant., bl. 80). Vgl. voorts II, 1331
+vlgg.; 1709; 1903 vlgg.; 4809.
+
+[6] In vs. 630 wordt gesproken van S. KERSTINE'S "lenden ende ander haer
+lede", waar het Latijn _nates_ heeft.
+
+[7] Vgl. over de vermoedelijke bron van dit werk TE WINKEL a. w. bl.
+283.
+
+[8] _Dboec van den Houte_ is uitgeg. door J. TIDEMAN. (Leiden. 1844).
+Hs. H. door TIDEMAN tot grondslag gelegd voor zijne uitgave, staat
+volgens een later onderzoeker W. MEIJER niet zoo dicht bij het
+vermoedelijk origineel als Hs. S. (Vgl. Inl., XX--XXI; en: _Abh. der
+Kn. Bayer. Akad. der Wiss._, I, Cl. XVI B. II Abth. (1881). Een
+uitvoerig stuk over de Kruis-sage van J. KOOPMANS in _Taal en Letteren_,
+VII, 321 vlgg. Een fragment uit de 14e eeuw met eenigszins afwijkende
+lezingen uitgegeven in _Germania_, XV, 360 flgg.
+
+[9] Uitgeg. door Dr. L. WIRTH in: _Bibl. van Mnl. Lett._ (Groningen.
+WOLTERS). Afl. 49. Vgl. de critiek dezer uitgave door Dr. STOETT in
+_Museum_, 1893, 104.
+
+[10] Vgl. daarover Inl., bl. 14 vlgg.
+
+[11] _Theophilus_ uitgeg. door BLOMMAERT, (Gent, 1858) en later door
+VERDAM; _Beatrijs_ door JONCKBLOET (met _Carel en Elegast_); Over het,
+eerst eenige jaren geleden ontdekte, verhaal _van Jonitas en Rosafiere_
+zie: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 170 vlgg.; het geheele werk later
+uitgeg. door N. DE PAUW in zijne _Mnl. Ged._, afl. 3, bl. 487 vlgg.
+
+VERDAM heeft in zijne Theophilus-uitgave ongeveer 260 verzen van den
+door BLOMMAERT gepubliceerden tekst geschrapt als genterpoleerd. Ik kan
+mij met deze handelwijze niet vereenigen.
+
+1o. Omdat het onbeholpene of gebrekkige van vele verzen voor mij niet
+bewijst dat zij genterpoleerd moeten zijn.
+
+2o. Allerlei uitweidingen, die door V. beschouwd worden als
+interpolaties, vindt men ook in de door hem als echt erkende deelen.
+
+3o. Eigenaardigheden van den bewerker, als het herhalen der slotwoorden
+van een vers in den aanvang van een volgend vers, vindt men zoowel in de
+verworpene als in de voor echt erkende deelen.
+
+4o. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen van het
+gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog veel meer
+geschrapt worden.
+
+[12] Ed. VERDAM, vs. 74-6, 95-116, 319-340.
+
+[13] Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg.
+
+[14] Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA bidden.
+
+[15] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neuern Dramas_, I, 147. Ook in de
+geschiedenis der "verduldige Helena van Constantinopel".
+
+[16] Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY, IV, 121.
+
+[17] In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar SINT JACOB
+wordt gebracht en vlucht naar Veneti.
+
+[18] De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige
+dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van S. KUNERA in
+KIST'S _Kerkhist. Archief_, II, 1-48; door STALLAERT vergeleken met het
+rijmwerk in _D. Warande_, 1891, 28-36.
+
+[19] Uitgeg. in BLOMMAERT'S _Oudvlaemsche Ged._, II, 31 vlgg. Zie ook:
+_de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken_ door W. DE VREESE, I,
+145. Voorts: _Visio Tnugdali...._ A. WAGNER, Erlangen, 1882. MUSSAFIA
+zegt van de Nederl. bewerking o.a.: "con una certa inclinazione a
+dilavare alquanto il dettato" (_Sitzungsber. der Wiener Akad.
+phil.-hist._, Cl. Bd. 67, 157-206). Met het oog op de verklaring van den
+Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk voor.
+
+Eene uitvoerige en goede karakteristiek van _Tondalus Visioen_, uit een
+algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in het _Tweem. Tijdschrift_
+van 1901.
+
+[20] _Rumbeeksche Avondstonden_, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is
+gedagteekend: 28 Sept. 1399.
+
+[21] DE VOOYS, _Mnl. Legenden_, p. 15.
+
+[22] Vgl. _Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den Groote...._
+door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een enkel aardig trekje
+in de eene bewerking vermeld op p. LVII.
+
+[23] Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES in _Versl. en Meded. der Vereen. voor
+oude Ned. Lett._, II, 5-32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w., bl. 569-572.
+
+Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing in _Feestbundel aan M.
+de Vries opgedragen_, p. 103. Over "PAEP JAN" vgl. _Zeitschr. f.d.
+Alt._, N.F. XXI.
+
+[24] Vgl. _Stemmen uit den Voortijd...._ door F.H.G. VAN ITERSON, p. 140
+vlgg., 162, 164-5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss. door VAN
+ITERSON als 14e eeuwsche genoemd).
+
+[25] Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'S _Gesch. der deutschen Mystik_,
+I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier geboden
+beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel te geven;
+daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan aangeduid.
+
+[26] ECKHART leefde van 1260-1327; zijn eerste werk volgens PFEIFFER van
+c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen.
+
+Een paar uittreksels uit de _Epistolae Haywigis_ in een hs. van
+1360-'70; vgl. _Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken_, I, 425.
+
+[27] Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche mystiek
+berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS in _Ned. Archief voor
+Kerkgesch._, N.S., 3e deel en in _De XXe Eeuw_, IX Jaarg. Vgl. voorts:
+_De Handschr. v. J. v. Ruusbroec_, II, 642.
+
+Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor theologen
+dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijn met de
+teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld. Vgl.
+daarover de Inleiding op: _Meister Eckhart und seine jnger...._
+herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895.
+
+[28] Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w. _Einl._,
+XIV. DE VOOYS, _Mnl. Leg._ p. 325.
+
+[29] _Ned. Archief voor Kerkgesch._, N. Serie, III, 54. Over TAULER vgl.
+PREGER a.w. III, 90 vlgg.
+
+[30] _De Limburgsche Sermoenen_ (uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig of
+geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII, XXIX,
+XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over het verschil
+tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK in _Taal en Letteren_,
+Jaargang VIII.
+
+[31] Vgl. PREGER a.w. II, 3-246. Het in de _Limb. Sermoenen_ voorkomend
+_buec vanden Palmboeme_ is blijkbaar hetzelfde als het door PREGER, p.
+52-53 vermelde _der Palmbaum; Dboec vanden boegarde_ doet denken aan
+_den Baumgarten_ waarover vgl. PREGER, p. 48 vlgg.
+
+[32] Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg.
+
+[33] Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg.
+
+[34] Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt, der
+14e eeuw, dat aanvangt: "Hier beghint die prologus van desen boke als
+der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste boec van
+haren visioenen."
+
+In den aanvang der 15e eeuw waren "Machteldis revelacien" te onzent nog
+in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze in een dubbel
+exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw bevattend een groot
+aantal "stichtige woorde genomen uut den boeck der revelacien der
+heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan "die susteren van
+der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in N.-Brabant. MOLL,
+_Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster_, p. 32-33.
+
+In diezelfde boekerij vond men een boek _van Maria van Ogines_ (t.a.p.
+bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar
+levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPR zijn geweest.
+
+Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek bleef.
+Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk
+onderzoek.
+
+[35] Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van Dr.
+DE VOOYS (in: _De XXe Eeuw_, 9e Jaargang) die o.a. over den "goeden kok
+van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan.
+
+[36] Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche
+Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A. V.
+OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave daarvan is
+bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding verdienen voorts: de
+_Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken van Jan van
+Ruusbroec...._ door Dr. W.L. DE VREESE, (Gent, A. SIFFER, 1896); _Jan
+van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER,
+1894); wat over R. gezegd wordt in BHRINGER'S _Deutsche Mystiker_, II,
+3; over RUYSBROEK'S verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.:
+PRIEBSCH, _Deutsche Hands._, I, 66; _Jahrbuch des Vereins f. niederd.
+Spr._ 1884.
+
+Eene vertaling van _De Chierheit der geesteleker Brulocht_ gaf MAURICE
+MAETERLINCK (_L'Ornement des noces spirituelles_); eene bloemlezing van
+in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO: _Rusbrock
+l'Admirable_, (Paris, 1902).
+
+[37] Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen van
+"broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg.
+
+[38] Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur in _Oud-Holland_, XIIe
+Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES.
+
+[39] VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168-9; DE VREESE'S _Bijdragen_, bl.
+8, 13.
+
+[40] Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te maken;
+evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname vrouw was, "die
+RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten kwam bezoeken" en
+te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN OTTERLOO, bl. 136). Vgl.
+overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16; VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en
+Editie DAVID, III, 235.
+
+[41] Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd, over.
+Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S stelsel is
+hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend.
+
+[42] Eene andere voorstelling van het _Innige Leven_ bij RUYSBROECK
+wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265-269.
+
+[43] VAN OTTERLOO, bl. 128.
+
+[44] ECKHART spreekt van _istigkeit, entgeisten, weiselos_; RUYSBROECK
+van: _istegheit, ontgeesten, wiseloos_. Beiden gebruiken de uitdrukking
+_Funken der Seele, vonke der sielen_, zij het misschien niet in geheel
+dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God sprake
+is) ais: _die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze zee_
+doen aan dergelijke van ECKHART denken.
+
+[45] Uitgave DAVID, VI, 173.
+
+[46] Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2. VAN
+OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat RUYSBROECK'S
+werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1o. heeft RUYSBROECK voor de
+beschrijving des tabernakels het een en ander ontleend aan RICHARD'S
+_Expositio tabernaculi foederis_ (MIGNE, _Patrol._, T. 196, p. 211
+seqq.); 2o. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'S _de Archa Morali_
+(MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de hoofdstukken: de
+ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de charadrio (p. 77); de
+upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek zou hier noodig zijn.
+
+[47] Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121-2, 178-9; IV, 83-4, 108
+vlgg.
+
+[48] A.w. I, 2, p. 146; III, 198.
+
+[49] Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167-8.
+
+[50] A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256-7
+(geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81.
+
+[51] A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208-9; IV, 104); VI, 230.
+
+[52] Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met "ende" verbonden);
+IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57-8; 250.
+
+[53] Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184.
+
+[54] VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48,
+116.
+
+[55] I, 248-9. Vgl. ook III, 59-60: "En daer an en leghet niet allene"
+enz.
+
+[56] Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie III,
+121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246; I, 49,
+50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240-1. Vgl. andere voorbeelden
+in _Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A.
+SIFFER, 1894) en in _Ned. Museum_, 1891, (H. MEERT). Rijmende verzen
+o.a.: III, 201; IV, 4.
+
+[57] Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk: _Die
+antike Kunstprosa_ (van de 6e eeuw vr Chr.--Renaissance), vgl.
+_Museum_, 1899, no. 9.
+
+[58] I, 67.
+
+[59] Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38-9; _Werken_, I, 136; IV, 190; VI, 71; vgl.
+ook nog V, 71 (fontein).
+
+[60] _Werken_, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14; _Werken_, VI,
+61; III, 61; 104.
+
+[61] Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156-7.
+
+[62] V, 57-9.
+
+[63] CLAEYS a.w. bl. 33.
+
+[64] Vgl. IV, 15.
+
+Het is opmerkelijk dat VOLTAIRE, die wel niet veel in RUYSBROECK zal
+hebben gelezen, zegt: "L'amour-propre est un ballon gonfl de vent, dont
+il sort des temptes quand on lui a fait une piqre".
+
+[65] IV, 111.
+
+[66] III, 151.
+
+[67] VI, 82.
+
+[68] Vgl. over deze vertaling het degelijk bewerkt proefschrift van Dr.
+C.H. EBBINGE WUBBEN: _Over Middelnederlandsche Vertalingen van het Oude
+Testament_. ('s-Grav. NIJHOFF. 1903).
+
+[69] A.w. bl. 73.
+
+[70] Vgl. over dat alles de prologen en de hoofdstukken in de Eerste
+Afdeeling II, 1 en 3, bl. 127.
+
+[71] Zie bl. 87-88.
+
+[72] Bl. 70; ook bl. 75: "Nu bidde ic elken die hierin lezen sel ende
+tijtcortinghe doen"; bl. 85: "meniger zaliger zielen, diere in lesen
+moeten".
+
+[73] Bl. 127.
+
+
+
+POZIE DER GEMEENTEN.
+
+
+(VERVOLG).
+
+ 1. Het Leerdicht.--Reinaert II.
+
+ 2. Verhalende en lyrische pozie.
+
+Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het lied--dat
+waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop wij de gemeentenaren
+in de 13de eeuw hebben aangetroffen. Op die wegen vinden wij hen ook in
+deze volgende eeuw, doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd.
+
+De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen van
+dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan den omgang
+met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid. Den invloed dier beide
+standen zullen wij dan ook op meer dan n plaats in de pozie der
+gemeenten aantreffen. Doch tevens zal blijken, dat de burgerij, in den
+omgang met de beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend,
+ontwikkelend en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker
+tegenover die beide standen kwam te staan.
+
+Dien gang van zaken zullen wij al dadelijk waarnemen in
+
+
+1. HET LEERDICHT.
+
+In hun streven om de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling des volks
+te bevorderen, trekken de leerdichters ne lijn met de geestelijkheid.
+Onder de makers van leerdichten zien wij burgers, ons bij name bekend:
+den chirurgijn JAN DE WEERT, den schepenklerk JAN BOENDALE, naast
+ongenoemden uit den geestelijken stand: den "simpelen clerc", die den
+_Spiegel der Zonden_ samenstelde; den "armen pape", die de _Bediedenis
+der Misse_ berijmde.
+
+Evenals vroeger geestelijke dichters met bewustheid hunne pozie stelden
+tegenover de door hen gelaakte ridderpozie, zoo zien wij nu den
+samensteller van het didactisch werk _Sidrac_, dat in 1329 werd
+voltooid, in zijn proloog te velde trekken tegen de verhalen daar weinig
+nut in steekt en die slechts van "vechten en vrouwen minnen, van het
+veroveren van landen en steden" weten te spreken[1].
+
+Men mag wel aannemen dat de leerdichters bij de samenstelling van hun
+werk het oog hadden vooral op de niet-geleerden, wier grootste deel uit
+gemeentenaren bestond. Echter vindt men slechts bij een enkele hunner
+het bewijs, dat hij zich daarvan bewust was. In den proloog van zijn
+_Lekenspiegel_ zegt BOENDALE:
+
+ ... want dat leke is die sake [Zijnoot: oorzaak.]
+ Daer omme ic dit boecskijn make.
+
+In overeenstemming met het onderwijzend karakter dier werken is de vorm
+van een gesprek tusschen "Meester" en "Clerc", zooals wij dat in den
+_Lucidarius_, tusschen vader en zoon, zooals wij het in _Seneka leren_
+aantreffen; ook het dialogisch karakter van werken als de _disputacie
+van Rogier ende Janne_ en de _Melibes_. Dat deze dichters hunne lezers
+of hoorders van tijd tot tijd aanspreken met "lieve kindre" of "lieve
+liede" was dan ook in hun mond alleszins gepast[2].
+
+Op vrijwillige medewerkers aan de volksontwikkeling als deze
+leerdichters schijnen de priesters weinig gesteld te zijn geweest, even
+weinig als op den Bijbelvertaler van 1360. Blijkbaar beschouwden zij
+zulke geschriften als pijlen, waarmede onder hunne duiven geschoten
+werd, en de schrijvers als stroopers in een veld, waar de Kerk "eigen
+jacht" had. Een dezer leerdichters eerbiedigt de grenzen, waarbuiten men
+voor leeken niet gaan mag: omtrent God zal de meester zijn leerling
+onderrichten
+
+ Also verre voirt als den leeken lieden
+ Gheoorloft is te bedieden[3].
+
+Een ander is dat met hem eens, doch voegt er bij:
+
+ Ende oec ontsie ic der papen treken
+ Dat sijs mi mochten spreken lachter [Zijnoot: schande.] [4].
+
+Een derde zegt: Zou ik de gansche waarheid bekennen, de priesterschap
+zou mij vervloeken[5]. Dat BOENDALE het met zulke uitingen eens was,
+spreekt vanzelf voor wie zich zijne beschouwing van leeken en
+geestelijken uit een vroeger hoofdstuk herinnert[6]. In zijn
+_Lekenspiegel_ stelt hij zich nog eens tegenover de priesters, waar hij
+den ongehuwden staat en het huwelijk vergelijkt. Ongehuwden staat en
+maagdelijkheid acht hij hoog--wanneer zij gepaard gaan met een rein hart
+"van ghepeinse ongeknaecht"; doch dat komt maar al te zelden voor. Als
+hij daarna den lof van een goed huwelijk heeft verkondigd, voegt hij er
+aan toe: Ik weet wel, dat "liede van gheesteliken abite" zich aan dezen
+lof zullen ergeren en mijne woorden berispen... maar hoe zouden zij aan
+kost en kleeren komen, indien de gehuwde lieden niet voor hen
+zorgden[7]?
+
+Tegenover dit drietal kiest slechts een dezer leerdichters de partij der
+geestelijken. Het is begrijpelijk dat hij zelf tot hen behoorde. De
+"simpele clerc", die den _Spieghel der Zonden_ samenstelde, tracht de
+schuld van de simonie van de geestelijken op de leeken te schuiven: "Si
+sijn soekers eerst daervan." Dat er priesters zijn die een slecht leven
+leiden, geeft hij toe; maar nochtans moeten wij ze eeren, omdat God
+Almachtig hen gezonden heeft[8].
+
+Vergelijken wij het leerdicht van dit tijdvak bij dat van het
+voorafgaande, dan treft ons dat het godsdienstig en vooral het zedelijk
+element veld hebben gewonnen op het zuiver wetenschappelijke. Met groote
+werken als die van MAERLANT en VELTHEM kon men vooreerst zijn begeerte
+naar kennis der geschiedenis bevredigen; BOENDALE moge in zijne
+_Brabantsche Yeesten_ deels MAERLANT'S werk overnemen, deels de
+geschiedenis van zijn eigen tijd verhalen--meer en meer kiest de
+historiographie den vorm der proza-kroniek. Algemeene natuurkennis vond
+men voldoende in _der Naturen Bloeme_; doch voor sommige onderdeelen
+viel wel iets te doen, vooral voor een betere kennis van den mensch.
+
+Dat verklaart het ontstaan van rijmwerkjes als: _Die Cracht der Mane_
+van zekeren HEINREC VAN HOLLANT, _Der Vrouwen Heimelicheit_, _Der Mannen
+ende der Vrouwen Heimelicheit_ en eenige fragmenten van een leerdicht
+dat, voorzoover men kan zien, over de physiologie en de psychologie van
+den mensch handelt. Van literaire kunst is in deze
+populair-wetenschappelijke werkjes nog minder sprake dan in de meeste
+overige leerdichten. Opmerkelijk is slechts, hoe zich in het tweede en
+het vierde werk op zonderlinge wijze de invloed der hoofsche pozie
+vertoont. Zoo goed als de menestrelen van vroeger, heeft ook de bewerker
+van het laatste physio-psychologische werkje eene "jonkvrouw, die (z)ijn
+herte heeft ghewont." Het tweede werk, eene handleiding voor
+vroedvrouwen, was door den bewerker vertaald uit het Latijn van ALBERTUS
+MAGNUS ter wille zijner "lieve joncfrouwe", waarschijnlijk eene
+vroedvrouw wier hart hij door deze obstetrische hulde hoopte te winnen.
+Doch zijne hoofsche verzuchtingen passen bij zijne practische wetenschap
+als riddersporen aan de hielen van een dorpsbarbier[9].
+
+Voor het godsdienst-onderwijs werd op de in aantal toenemende scholen
+langzamerhand beter gezorgd. Toch voelden eenige leerdichters zich
+geroepen om dat onderwijs aan te vullen en uit te breiden. Zoo
+ontstonden werken als _die Bediedenisse der Missen_ en de berijmde
+zoowel als de proza-bewerking van den _Dietschen Lucidarius_. De inhoud
+van het eerste werk wordt voldoende door den titel aangewezen. De
+berijmde _Lucidarius_ was een vrije bewerking, hier bekort daar
+uitgebreid, van het _Elucidarium_, door HONORIUS AUGUSTODUNENSIS in het
+begin der 12de eeuw samengesteld als een dogmatisch handboek ten dienste
+van theologen. De _Lucidarius_ in proza, voorzien van een berijmde
+voorrede, was een getrouwe vertaling van een Duitschen catechismus van
+het geloof en de wetenschap dier dagen, bestemd tot onderricht der
+leeken. Het Duitsche origineel dagteekent uit het eind der 12de eeuw; de
+Dietsche bewerking, naar het schijnt, uit den aanvang der 14de. Het
+Nederlandsch rijmwerk schijnt vr 1353 reeds verbreid te zijn
+geweest[10].
+
+Dicht bij deze catechetische werkjes staat het _Boec van der Wraken_,
+omstreeks het midden der 14de eeuw gedicht; dit geschrift bevat een
+aantal voorbeelden van Gods wrekende gerechtigheid, zichtbaar in
+allerlei gebeurtenissen uit vroeger en later tijd. Opmerkelijk is hier
+vooral de voorstelling dat Gods hardheid en haastigheid zijn afgenomen,
+sinds Hij mensch geworden was:
+
+ Aldus haestich ende dus hart
+ Was God eer hi mensche wart;
+ Maer sint dat hi die menscheyt kinde,
+ Ende God die menscheyt minde,
+ En heeft hi so haestelike
+ Niet ghewroken op aertrike[11].
+
+Ook het sterk Duitsch getinte rijmwerk van _Die X Plaghen ende die X.
+Ghebode_, dat een allegorischen uitleg der Tien Plagen van Egypte geeft.
+Egypte is b.v. de duisternis der zonde, die der ziel schade doet en de
+zinnen des menschen verblindt. Overigens vindt men hier een groot aantal
+aaneengeregen uitspraken, aan den Bijbel, de apocriefe boeken en de
+kerkvaders ontleend[12].
+
+Tegenover dit achttal geschriften van wetenschappelijken of van
+theologischen aard plaatsen wij een dozijn andere, die een
+opvoedkundig-zedelijk karakter dragen. In aantal, maar meer nog in
+omvang en beteekenis, overtreffen de laatstgenoemde die der eerste
+soort.
+
+Het algemeen karakter van deze werken der tweede soort leeren wij al
+dadelijk kennen uit dit drietal: _Dietsche Doctrinael_, in 1345 door een
+onbekend dichter te Antwerpen voltooid; _Nieuwe Doctrinael_,
+samengesteld, misschien in 1351, door JAN DE WEERT, chirurgijn te
+Yperen; _Spiegel der Zonden_, het werk van een Westvlaamsch dichter der
+14de eeuw[13]. Alle drie zijn leerboeken van practische zedekunde; zij
+geven eene uiteenzetting der onderscheidene deugden en ondeugden, van de
+middelen waardoor men de deugden kan aankweeken en de ondeugden
+tegengaan; de twee laatste lichten dat alles gaarne toe met voorbeelden,
+zij wijden zich zoowel aan den opbouw van het persoonlijk zedelijk leven
+als aan dien van het huiselijk en burgerlijk leven. Dit karakter spreekt
+zich uit ook in de titels dezer werken: een _doctrinael_ is een
+leerboek, inzonderheid van practische moraal; _Spiegel der Zonden_
+spreekt voor zich zelf. JAN DE WEERT noemde zijn werk in den tekst:
+"_Spieghel der Zonden of Doctrinael_", en de middeleeuwsche titel vr
+den aanvang luidt: "Hier beghint een goet boec van den VII. doetsonden
+ende van den X gheboden."
+
+Van denzelfden aard als dit drietal moet het verloren werk zijn geweest
+van den dichter der _Dietsche Doctrinale_, dat getiteld was _Exemplaer_
+en handelde over de "IIII. doeghden cardinale."
+
+Wat deze werken gemeen hebben is, dat zij, evenals verreweg de meeste
+dezer leerdichten, uit het Latijn vertaald of althans naar het Latijn
+bewerkt zijn; voor een deel bestaan zij "uit los aaneengeregen
+aanhalingen uit gewijde schrijvers, apocriefe zoowel als canonieke, uit
+kerkvaders en voor een klein deel ongewijde schrijvers" [14]. Echter
+moet men hier eene uitzondering maken voor al die plaatsen, waar de
+auteurs over hun eigen tijd spreken en waar zij, zooals vooral JAN DE
+WEERT doet, hunne uiteenzetting of hun betoog toelichten met
+voorbeelden, door hen aan de werkelijkheid ontleend.
+
+De _Dietsche Doctrinale_ beperkt zich in hoofdzaak tot eene
+uiteenzetting van deugden en ondeugden; de _Nieuwe Doctrinael_ verbindt
+met zijne beschouwing van doodzonden en geboden eene scherpe
+zedenhekeling van alle standen; de _Spiegel der Zonden_ staat dichter
+bij den _Nieuwen_ dan bij den _Dietschen Doctrinael_, doordat hij
+waarschijnlijk berust op eene Latijnsche verhandeling over de zeven
+doodzonden en met die stof zedenhekeling verbindt; anders echter dan JAN
+DE WEERT heeft de "simpele clerc" zijne waarschuwingen en raadgevingen
+toegelicht door tal van "exempelen", "ware of verdichte verhalen,
+waaruit iets te leeren viel," die in de geschiedenis der
+wereldliteratuur zulk eene belangrijke rol hebben gespeeld [15]. Echter
+richt ook de bewerker van den _Spiegel der Sonden_ zijn blik niet zelden
+op zijne omgeving en op misbruiken, die hij zelf moet hebben
+waargenomen. Zoo b.v. waar hij te velde trekt tegen de weelde, tegen den
+adel die de boeren verdrukt, tegen de drankzucht en de kwartjesvinders
+dier dagen:
+
+ die schanienisse
+ Vanden speelre [Zijnoot: spelers.] ende die verradenisse,
+ Als si noden om drinken of eten
+ Den ghenen dien si bi ghelde weten,
+ Ende vake maken si onder hem drien
+ Of vieren verbond te rovene dien[16].
+
+Voor een betere kennis van het maatschappelijk leven dier dagen zijn
+deze leerdichten van veel belang. Echter zal men bij een werk als _de
+Spiegel der Zonden_ nimmer uit het oog mogen verliezen dat het de
+bedoeling van den samensteller was: _slechts_ de zonden te doen zien en
+dat JAN DE WEERT vooral een hekeldichter is. Wij mogen hem geen geloof
+weigeren, waar hij ons vertelt van den vraat die zijn vinger in de keel
+placht te steken om daardoor zijn volle maag te ontledigen en opnieuw
+aan het schrokken te kunnen slaan. Belangrijk voor de kennis van het
+bijgeloof zijn ook zijne mededeelingen over het "werken met
+toverringhen" om daarmede vrouwen of iets anders machtig te worden, over
+het betooveren van koeien en andere beesten. Doch men moet zich wachten
+voor het vormen van een algemeen oordeel, louter op grond van zulke
+plaatsen.
+
+Zoo zal ook JAN DE WEERT'S oordeel over de dartelheid der toenmalige
+meisjes: "waren zij niet bang voor de gevolgen, men zou er tenauwernood
+ne maagd onder vinden", zeker wel waarheid maar niet de waarheid
+bevatten.
+
+Niet alleen het zedelijk en maatschappelijk leven, ook het godsdienstig
+gemoedsleven van de Nederlanders der 14de eeuw, kan men door deze
+leerdichten beter leeren kennen. Zoo vindt men in den _Nieuwen
+Doctrinael_ dezelfde verlichte opvatting omtrent de beteekenis van
+beelden die wij reeds vroeger hebben aangewezen en eene uitvoerige
+beschouwing van de verhouding tusschen den berouwvollen, boetaardigen
+zondaar en God[17].
+
+In den _Dietschen Doctrinael_ en den _Spiegel der Zonden_ wordt
+gehandeld over de "caritate" en de verdere verhouding tusschen God en
+den mensch. Toch houden deze leerdichters den blik niet bij voorkeur op
+het godsdienstig gemoedsleven gericht. Hoofdzaak is voor hen, wat
+RUYSBROECK samenvatte onder den naam van het _Werkende Leven_. Waar een
+hunner een enkele maal over het _Schouwende Leven_ spreekt, daar is hij
+er blijkbaar mee verlegen, hoe hij het zal plaatsen tegenover het
+Werkende Leven. Er is veel over getwist, schrijft de samensteller van
+den _Dietschen Doctrinael_, welk dier twee het best zou zijn. Zelf is
+hij blijkbaar geneigd het Werkend Leven hooger te stellen; immers dat is
+"vele meerre arbeit"; de schouwer doet niets anders dan dat hij "zijnen
+Schepper liefheeft". Wat hem echter weerhoudt aan het Werkend Leven den
+voorrang te geven is, dat degelijke geleerden het Schouwende Leven
+hooger gesteld hebben; bovendien, CHRISTUS zeide immers van MARIA, dat
+zij het beste deel gekozen had; zoo komt de auteur van den _Doctrinael_
+niet tot eene slotsom. In overeenstemming met de geringe plaats, door
+het Schouwende Leven ingenomen, is ook, dat deze leerdichters slechts
+zelden over Gods wezen en het wezen der ziel spreken. In den _Dietschen
+Doctrinael_ vinden wij een hoofdstuk "Van der Godheit" en "noch
+subtijlre van Gode", in _der Leken Spieghel_ een paar hoofdstukken "van
+Gods wesene" en "van den wesene der zielen", doch wat beteekent dat
+viertal tegenover de honderde hoofdstukken van anderen aard?
+
+De rijkdom aan gegevens, dien deze leerdichten bieden aan den
+onderzoeker van de zedelijke ontwikkeling onzer voorouders, mag ons oog
+niet verblinden voor hunne doorgaans geringe waarde als literaire
+kunstwerken. JAN DE WEERT moge wel eens zekere levendigheid en gloed
+vertoonen, de samensteller van den _Spiegel der Zonden_ aardige woorden
+maken of althans gebruiken als "slaeplief" (concubine), "die
+beeste-mensche" of "die mensche-beeste" (la bte humaine), over het
+algemeen kan hier van schoonheid zelden sprake zijn. Noch in den bouw
+der werken, noch in het verband der deelen, noch in de uitwerking der
+onderdeelen valt doorgaans--want er zijn uitzonderingen--eenige kunst te
+bespeuren. Het mag de vraag heeten of deze dichters in staat waren tot
+het voortbrengen van belangrijke literaire kunst, maar zeker hebben zij
+er niet naar gestreefd.
+
+Het leerdicht der 14de eeuw vindt zijn meest typischen vertegenwoordiger
+in den Antwerpschen "scepenclerc" JAN BOENDALE, die waarschijnlijk in
+het laatste kwart der 13de eeuw geboren is. Onder den invloed van
+MAERLANT begint hij met een paar geschiedkundige werken: de _Brabantsche
+Yeesten_ en _Van den derden Edewaert_, dat den krijgstocht van den
+Engelschen koning EDUARD III tegen Frankrijk behandelt is[18]. Maar
+verreweg zijn gewichtigste werk levert hij daarna in _der Leken
+Spieghel_, een leerdicht dat tusschen 1325 en 1330 is samengesteld[19].
+In dit volksboek vond de leek ongeveer alles bijeen wat hij noodig had
+om zich als christen, mensch en burger te ontwikkelen. Het werk sprak
+eerst over God, den hemel, de goede en kwade engelen, het heelal, de
+planeten, de aarde, de hel. Daarna kwam het op den mensch, op zijne
+geschiedenis en op die van het Joodsche volk, Gods uitverkorenen; als
+aanhangsel der Joodsche geschiedenis werd ook iets van de geschiedenis
+der Romeinen medegedeeld. Na zoo, evenals de mystiek, van God tot den
+mensch te zijn afgedaald, maakt de dichter zich gereed weer tot God op
+te klimmen; maar lang is de weg. De mensch kan slechts tot hooger
+ontwikkeling komen doordat God op aarde is afgedaald. Gods menschwording
+wordt dus medegedeeld, het leven van JOZEF en MARIA, JEZUS' kindsheid en
+geschiedenis; een overzicht van de geschiedenis der door Hem gestichte
+kerk sluit zich daarbij aan. Nu plaatst de schrijver den mensch in zijne
+verhouding tegenover God, leert hem hoe hij zijn persoonlijk zedelijk
+leven kan ontwikkelen, hoe hij zich te gedragen heeft in het huwelijk en
+bij de opvoeding zijner kinderen; wat de plichten zijn van een goed
+landsheer, van een rechter; wat men te denken hebbe over de waarde en
+het wezen van kunst en wetenschap, over minne, vriendschap, mildheid,
+maagschap, voeding en dergelijke belangen. Hij besluit zijn werk met een
+groot toekomstbeeld: de Antikrist zal op aarde komen en het volk
+verleiden; de Heer zal zijne twee getrouwe knechten HENOCH en ELIA tegen
+hem uitzenden, de Antikrist zal hen dooden, doch de "gadoot" [Zijnoot:
+plotselinge dood.] zal hem zelven van Gods hand treffen. Dan zullen er
+teekenen geschieden: de zee zal zich verheffen, zeegedrochten zich
+vertoonen en angstwekkend huilen, dan aardbeving, opstanding der dooden;
+hemel en aarde zullen in brand staan--z zal de Dag des Oordeels worden
+aangekondigd. Op de wolken zal dan de rechter komen, die in het dal van
+Josaphat de menschen zal oordeelen, de goeden met zich voeren, doch de
+boozen ter helle verwijzen.
+
+Dat is de kern der omvangrijke stof die in bijna 22000 verzen, nochtans
+beknopt en zaakrijk, behandeld is. Zeker was daarin veel waarmede de
+leeken hun voordeel konden doen. Zij vonden er nuttige kennis en dingen
+die hunne algemeene ontwikkeling konden bevorderen naast lessen voor de
+practijk des levens; zoo wekt BOENDALE de landsheeren op tot zorg voor
+het algemeen welzijn; de poorters tot onderlinge eendracht, te waken
+tegen zelfverheffing, hunne kinderen op hun zevende jaar naar school te
+zenden om lezen en schrijven te leeren[20]. Doch sterker invloed nog zal
+hij geoefend hebben door zijne verheffing van het geestelijke boven het
+stoffelijke. Hoe forsch pakt hij de overmoedige zinnelijkheid dier
+opkomende burgerij aan, waar hij haar voor oogen houdt dat de "arme
+menschelichede" het zwakste en onreinste zou zijn dat bestaat--ten ware
+dat de ziel haar door hare gratie bestierde en sierde. Onder een
+geslacht dat afzonderlijke woorden bezigde voor te veel eten en drinken
+("overate" en "overdranc") is BOENDALE een matigheids-apostel geweest
+die hun voorhield, dat nmaal eten: geestelijk is, twmaal:
+menschelijk, driemaal: beestelijk. Hij komt op tegen de voorstelling van
+God als een mensch: "God is altemale gheest; tegen afbeeldingen van
+engelen met menschenlichaam en vleugels; tegen de voorstelling van de
+kerk als een huis, zooals RUYSBROECK dat evenzeer had gedaan[21].
+
+De vraagstukken van maatschappelijken aard die hier behandeld zijn,
+vindt men, met eenige andere vermeerderd, terug in een tweede, veel
+kleiner, leerdicht van BOENDALE, dat getiteld is _Jan's Teesteye_
+[Zijnoot: overtuiging.] [22]. Nieuw is hier o.a. BOENDALE'S overtuiging:
+dat de menschen, vergeleken bij de vroegere, eer vooruit dan achteruit
+zijn gegaan, al heeft de adel onder den invloed der boozen geleden; dat
+de boeren en kooplieden zulke nuttige leden der maatschappij zijn; dat
+de vrouwen zoo vele en zoo groote gebreken hebben. Ook over dichters
+vinden wij hier eenige uitlatingen die niet zonder belang zijn, doch die
+wij liever elders zullen behandelen.
+
+Vooral in de _Teesteye_ zien wij, welk een sterken invloed MAERLANT op
+BOENDALE heeft geoefend. Zijne beschouwing van de "edelhede" is geheel
+die van MAERLANT, soms vinden wij zelfs woordelijke overeenkomst.
+MAERLANT'S _Martijn's_, zijn _Spieghel_, zijn _Rijmbijbel_, zijn roman
+_van Troyen_ zijn door BOENDALE blijkbaar gelezen; gelezen en bewonderd,
+want meer dan eens verkondigt hij den lof van "JACOB, die dichter
+hoghe"; in zijn _Lekenspiegel_ noemt hij hem zelfs "'t hooft van alle
+Dietsche poten"[23]. MAERLANT heeft in BOENDALE die liefde tot de
+waarheid gewekt of versterkt, die hem den moed gaf zich zoo onbeschroomd
+tegenover de priesters te uiten, die hem ook aan een dichter den eisch
+deed stellen, "dat hi uter waerheit niet en kere"; doet hij dat, dan is
+hij den naam van dichter onwaardig[24].
+
+Toch is er tusschen den meester en zijn bewonderenden leerling een
+aanmerkelijk verschil.
+
+MAERLANT was een idealist. In zijn jonge jaren hadden de idealen van het
+ridderwezen zijn hart wel niet onverdeeld bezeten, maar er toch
+weerklank gevonden; de vereering der vrouwen had het in gloed gezet, die
+gloed was langzamerhand gezuiverd van rook en walm, de moedermaagd had
+al die romanheldinnen verdreven, den stralenden afglans van het vuur
+zijner jeugd zien wij in zijn _Land van Overzee_ en zijn _Kerken
+Claghe_; daar heeft de lezer en vertaler van ridderromans zich
+ontwikkeld tot een "miles Christianus".
+
+BOENDALE heeft ook wel eens van dien eerbied voor de vrouwen gehoord. De
+"edelhede", zegt hij in zijn _Teesteye_, gebiedt dat men over vrouwen en
+jonkvrouwen slechts hoofsche dingen spreke. Maar zich zelven acht hij
+blijkbaar aan dat gebod niet gebonden. Een paar hoofdstukken verder in
+datzelfde gedicht geeft hij eene karakteristiek van de vrouwen die aan
+duidelijkheid niets, aan hoofschheid alles te wenschen overlaat; hij zal
+er maar "een luttel" van zeggen: vrouwen zijn van nature loos, vrekkig,
+begeerig, twistziek, ongestadig, wraakzuchtig, zonder genade voor wien
+zij haten, hoovaardig, kinderachtig, onwetend, lichtgeloovig... men zou
+zeggen dat het z wel kon, doch het hoofdstuk geeft nog meer van dezen
+aard, er volgt een ander dergelijk dat getiteld is "noch van den wiven"
+en daarop nog een "exempel". Een geluk is er echter: "dat de vrouwe des
+mans dienstwijf is", wat men hieruit kan zien dat de vrouw het kind,
+door den man gewonnen, moet dragen en groot brengen; een taak waarvan de
+man terecht is vrijgesteld, omdat hij "heer en voogd van het aardrijk"
+is.
+
+Men zou BOENDALE onrecht doen, indien men verzweeg dat hij zelf zijn
+best heeft gedaan om niet misverstaan te worden; op deze hoofdstukken
+heeft hij een ander laten volgen dat handelt "van den goeden wiven";
+daarin maakt hij onderscheid tusschen "vrouwen" en "wiven": al het kwade
+geldt slechts van de "wiven", zegt hij; van de "vrouwen" weet hij
+allerlei liefelijke en goede dingen te vertellen: een goede vrouw is
+haar mans schat, zij draagt zorg voor haar mans eer, voor zijn leven,
+zijn goed; zij is hem trouw tot in den dood; zij is dikwijls wijs, geeft
+goeden raad, houdt vrede met haar man, zij troost hem als hij verdriet
+heeft; een goede vrouw gaat zilver en goud te boven en purperen
+staatsiekleederen en saffieren... aldus stelt BOENDALE het goede
+tegenover het kwade.
+
+Het feit dat drie hoofdstukken aan de "wiven" gewijd zijn en slechts n
+aan de "vrouwen" behoeft hier niet zwaar te wegen. Doch ook al ware hij
+even uitvoerig geweest over de goede als over de kwade vrouwen, dan nog
+zou men terecht mogen beweren, dat een dichter die de fouten en zonden
+der vrouwen z breed kon uitmeten, weinig sympathie kan hebben gevoeld
+voor het hoog en zuiver idealisme, dat, vermengd met elementen van
+minder waarde, in den middeleeuwschen vrouwendienst gevonden werd. Ja,
+ook MAERLANT heeft in zijn roman _van Troyen_ wel eenige verzen vertaald
+waarin gebreken der vrouwen worden opgesomd, doch wie het _vr_ en het
+_tegen_ de vrouwen in MAERLANT'S werken onderling vergelijkt, zal toch
+moeten instemmen met de slotsom van MAERLANT'S vriend MARTIJN:
+
+ Jakob, du best den vrouwen hout [Zijnoot: genegen.],
+ Du gheves den mannen al de scout [Zijnoot: schuld.].
+
+Ook elders toont BOENDALE zekere nuchterheid en bezadigdheid, die hem
+afkeerig maakt van wat buiten de middelmaat valt; "middelheit houden
+over al", dat moet iemand doen die zich zelven mint. Een ander minnen is
+goed, maar ieder minne een ander z, "dat hi sijns selfs scade niet en
+doe", want doet hij dat niet, dan heeft hij een ander liever dan zich
+zelven--en, wie z liefheeft, leeft "onwijslijc". Zoo moet men arme
+brave bloedverwanten wel helpen, doch z dat men er zelf de minste
+schade bij lijdt [25].
+
+MAERLANT'S idealisme maakte hem pessimist, gelijk zoovele idealisten
+vr en n hem. De werkelijkheid ontstemt, bedroeft, ergert hem; om zijn
+geloof aan de menschheid te kunnen behouden, vlucht hij ermee naar een
+droomland in een ver verleden waar alles rein en goed was; bij de
+toestanden uit die gouden eeuw vergeleken, is al wat hem op deze aarde
+omringt, gebrekkig, leelijk, zondig.
+
+BOENDALE is het hier geenszins met zijn voorganger eens. In zijn
+_Lekenspiegel_ sprak hij de overtuiging uit, dat de menschen
+tegenwoordig even goed zijn als vroeger. In zijn _Teesteye_ neemt hij
+die stelling in het eerste hoofdstuk reeds weer op, gaat na hoe het komt
+dat wij het voorgeslacht zoo prijzen, betoogt de waarheid zijner
+stelling met voorbeelden uit het Oude en het Nieuwe Testament, en hangt
+daarna een z verlokkend tafereel op van de braafheid en vroomheid
+zijner tijdgenooten dat men een oogenblik aan ironie denkt; doch uit het
+gansche werk blijkt dat men den dichter ook hier moet houden aan zijn
+woord. Deze verheerlijking van zijn tijd komt in een eigenaardig licht
+te staan, indien men haar naast den proloog van het werk plaatst.
+BOENDALE heeft zijn _Teesteye_ opgedragen aan een machtig en invloedrijk
+edelman, ROGIER VAN LEEFDALE, kanselier van Brabant en burggraaf van
+Brussel. Heer ROGIER was blijkbaar een MAECENAS voor BOENDALE. De
+dichter verzekert dat hij zijne dichtkunst wil stellen ten dienste en
+ter eere van zijn hoogen beschermer en diens gemalin AGNES VAN CLEVE.
+Hoog verheft hij beider lof, zelfs hunne namen deelen daarin: wie kan
+mooier namen bedenken dan: ROGIER EN ANGENEESE? n ding hoopt hij nu
+slechts: dat Heer ROGIER in dit werk niets vinden moge dat hem mishaagt.
+Vroeger is hij vaak in vreeze geweest, wanneer hij zijn beschermer eenig
+dichtwerk zond, of het hem wel bevallen zou; daarom is hij nu voortaan
+op zijn hoede, want Heer ROGIER ziet scherp en heeft hem wel eens
+berispt over zijne pozie.
+
+Blijkbaar had BOENDALE in een vorig gedicht (welk?) te stout en te
+scherp gesproken, waarschijnlijk over maatschappelijke misstanden en
+moest de aanvang der _Teesteye_ Heer ROGIER weer in een goed humeur
+brengen. Maar een idealist, een echte, doet zulke dingen toch niet.
+
+MAERLANT sprak een stout woord voor dien tijd, toen hij, het eerst in de
+volkstaal, neerschreef dat de ware adel in de deugd gelegen is. BOENDALE
+volgt hem daarin slechts na. MAERLANT zwijgt over de democratische
+beweging zijner dagen, die opkwam toen hij reeds bejaard was; doch hij
+heeft er zich toch niet vierkant tegenover geplaatst zooals BOENDALE.
+
+MAERLANT bewerkte den _Rijmbijbel_; BOENDALE voegde bij het werk van
+zijn voorganger slechts het een en ander uit de apocriefe
+evangelin[26].
+
+MAERLANT was geen hervormer maar toch een vernieuwer en een voorganger;
+BOENDALE een verdienstelijk volger en behouder.
+
+MAERLANT eindelijk was een dichter die, ja, ter wille van zijn volk veel
+berijmd proza heeft geschreven, maar in wiens werk toch op menige plaats
+echte pozie te zien valt als groene loten tusschen het dorre hout.
+BOENDALE'S potisch vermogen was blijkbaar gering. In zijne voorstelling
+van den naderenden
+
+Oordeelsdag zijn hier en daar elementen van grootsche verhevenheid die
+doen denken aan het Oudhoogduitsche _Muspilli_; doch waarschijnlijk
+heeft hij ook deze aan een of andere Latijnsche bron ontleend; indien
+hij al iets van deze verhevenheid hebbe beseft, dan is hij er toch niet
+in geslaagd het ons te doen zien.
+
+In zijn beste werk, _der Leken Spieghel_, kan men slechts op een paar
+plaatsen wijzen die zich boven het gelijkvloersche verheffen. De eene is
+die waar hij spreekt over de roeping van den dichter; de andere, eene
+uiting van verlangen naar de paradijsweelde van JEZUS' liefde, bevat
+misschien de beste verzen die hij geschreven heeft:
+
+ O edele minne, wanneer seldi
+ Volkomenlike comen in mi?
+ Of dat ic uwes ghesmake iet!
+ Had ic u, mine ghebrake niet [Zijnoot: mij zou niets ontbreken]",
+ Al mijn vernoy [Zijnoot: verdriet]" ware verdreven.
+ Ay heere! wilt mi gheven
+ U vaderlike minne daer toe:
+ So blivic eeuwelike vroe [Zijnoot: blijde]"[27].
+
+_Jans Teesteye_, het werk van BOENDALE, waarin MAERLANT'S invloed zich
+het duidelijkst vertoont, is geschreven in den vorm eener samenspraak
+tusschen een paar vrienden, WOUTER en JAN; echter niet in regelmatige
+afwisseling van vraag en antwoord verdeeld over afzonderlijke
+coupletten, maar z dat verreweg de meeste hoofdstukken aanvangen met
+een vraag van WOUTER die door JAN wordt beantwoord. Misschien moeten wij
+dit dialogisch karakter toeschrijven aan den invloed van MAERLANT'S
+_Martijns_, doch, zooals wij reeds in den aanvang van dit hoofdstuk
+zagen, het leerdicht koos gaarne dezen vorm.
+
+Wij vinden den dialoogvorm nog in een drietal leerdichten die wij nu
+zullen behandelen.
+
+_Meliboeus_ een "boec van troeste ende van rade" is eene vertaling uit
+het Latijn van ALBERTANUS VAN BRESCIA en werd in 1342 door een te
+Antwerpen wonend dichter voltooid. Het zou worden opgedragen aan den
+hertog van Brabant en de hier aangeboden troost en raad waren dan ook
+voornamelijk gericht tot landsheeren, zooals ons in den proloog wordt
+medegedeeld. In een onregelmatig dialogischen vorm geeft het gedicht
+allerlei opmerkingen ten beste over de wijze waarop een man zich heeft
+te gedragen in den strijd o.a. met het vleesch, de wereld en den duivel;
+verreweg de meeste plaats wordt echter ingenomen door een breedvoerige
+behandeling van vragen als: of en wanneer een man rekening moet houden
+met den raad zijner vrouw, wat men schuwen moet in het raadplegen, hoe
+men zal onderzoeken of een raad nuttig is, dat men aan jongere menschen
+geen raad moet vragen enz.
+
+Mogelijk is ook dit werk van BOENDALE'S hand, al zal eerst voortgezet
+onderzoek deze mogelijkheid tot zekerheid of hooge waarschijnlijkheid
+kunnen brengen[28].
+
+Den invloed van MAERLANT'S _Martijns_ dien wij in BOENDALE'S _Teesteye_
+opmerkten, zien wij eveneens in _Eene disputacie van Rogiere ende van
+Janne_, door den Yperschen chirurgijn JAN DE WEERT gedicht, nadat hij
+den _Spiegel van Zonden_ had voltooid. Evenals in den _Meliboeus_ wordt
+ook hier de strijd van den mensch met zijne drie vijanden: het vleesch,
+de wereld en den Booze behandeld. Wij hebben deze voorstelling reeds
+leeren kennen uit RUYSBROECK'S _Werkende Leven_; ook andere deelen
+daarvan vinden wij in deze _Disputacie_ terug, zoo b.v. de rol die Gods
+gratie vervult in dezen strijd van den mensch met zijne vijanden; de
+vergelijking van den mensch bij eene stad waarin de vrije wil koning
+is[29].
+
+Toen JAN DE WEERT dit werk schreef, stond MAERLANT'S beeld hem voor
+oogen; MAERLANT'S naam wordt door hem dan ook meer dan eens genoemd, de
+_Martijns_ vermeld en de trant dier werken nagevolgd. Maar het talent
+van den navolger schoot te kort; de dwang van MAERLANT'S kunstig
+gebouwde strophe belemmert hem voortdurend in het voorwaartsgaan en hij
+was zich daarvan wel bewust, toen hij schreef:
+
+ Mijn conste en es niet also groot
+ Als Jacops hier te voren.
+
+Toch is hier nog in het kiezen van dien vorm een streven naar kunst.
+
+Dat streven valt tenauwernood te ontdekken en is bijna schuil gegaan
+achter het nuttigheidsbeginsel in de samenspraak tusschen vader en zoon,
+die onder den titel _Seneka leren_ eene vertaling bevat van een aan
+SENECA terecht of te onrechte toegeschreven werkje _De Remediis
+Fortuitorum_[30]. De Dietsche vertaling bevatte een menigte welgemeende
+terechtwijzigingen, verstandige voorschriften en lessen van
+levenswijsheid, in zuivere taal uitgedrukt. Door dat karakter sluit dit
+werkje zich aan eenerzijds bij den _Dietschen Catoen_ uit vroegeren tijd
+en bij eenige andere gelijktijdige: het _Doctrinael savage_, _die Bouc
+van Zeden_ en _Van Zeden_[31].
+
+Evenals de meeste overige leerdichten, zijn ook deze werkjes wel niet
+zonder belang voor de geschiedenis der literatuur--immers, zooals men de
+literatuur toen beschouwde--maar toch belangrijker voor de
+zedengeschiedenis. De twee laatste werkjes vooral zijn gewijd aan de
+verfijning van manieren en gedrag in het dagelijksch leven. Men ziet
+eruit dat ook de burgerij prijs gaat stellen op uiterlijke beschaving en
+tevens dat die beschaving nog geen hoogen trap had bereikt. Dat laatste
+blijkt wel, wanneer men in het oog houdt wat de Dietsche vertaler van
+het laatstgenoemde geschrift zijnen lezers en hoorders al zoo voorhoudt:
+eet en drink niet tegelijk; soppen in een nap gaat aan, in den mond
+niet; bijt niet in een stuk dat gij (daarna) in den schotel wilt leggen;
+gebruik het tafellaken niet om er uwe tanden, tranende oogen of uw neus
+mede te vegen; vat den beker niet bij den rand aan; wijs niet met den
+vinger naar iemand over wien gij spreekt; komt gij voor iemands deur,
+val dan niet met de deur in huis, maar geef een of ander teeken door
+kloppen, hoesten of spreken. Andere voorschriften echter waren berekend
+niet zoozeer op het te keer gaan der oorspronkelijke ruwheid als wel op
+het verhoogen der reeds aanwezige beschaving. Zoo b.v.: lach niet te
+veel; lach ook niet in u zelven, want dat is een teeken van boosheid en
+geveinsdheid; spreek niet minachtend over vrouwen; zit gij in gezelschap
+van uwen meerdere, sla dan het eene been niet over het ander; moet gij
+slapen in n bed met uw gelijke of uw meerdere, vraag hem dan aan
+welken kant hij wil liggen.
+
+Door raadgevingen als die over de drie vijanden van den mensch houdt het
+bundeltje _Van Zeden_ verband met _Meliboeus_ en JAN DE WEERT'S
+_Disputacie_, anderzijds beseft de bewerker wel dat hij iets geeft dat
+in den _Dietschen Catoen_ niet gevonden werd[32].
+
+
+De hier behandelde tweespraken en dialogische gedichten, de korte
+coupletten, waaruit het bundeltje _Van Zeden_ bestaat, kunnen dienen als
+voorbereiding op de didactische lyriek, die wij in een volgend hoofdstuk
+zullen leeren kennen. Zij zijn als schakels, die de leerdichten in
+epischen vorm verbinden met de didactische lyriek. Geen der in deze
+laatste bladzijden behandelde werken is daartoe z geschikt als het tot
+nu niet genoemde werk van zekeren JAN PRAET, dat men op grond van eene
+aanwijzing in den tekst _Leeringhe der Zalichede_ heeft genoemd[33].
+Gedicht nu eens in verzen met overslaand rijm, dan weer in paarsgewijze
+rijmende verzen, die onderbroken worden door vier- en zesregelige
+coupletten, afgewisseld op hunne beurt door twaalfregelige "motetten",
+geeft dit rijmwerk ons een vermoeiend bonte afwisseling van dichtvormen
+te zien. Harmonie heerscht hier in zver, dat ook de inhoud een bonte
+verscheidenheid toont; doch die harmonie beperkt zich tot de
+oppervlakte, want de wisselingen van vorm beantwoorden niet aan
+wisselingen van inhoud of stemming, maar schijnen slechts voort te komen
+uit zekere onrust, misschien ook uit de zucht van den auteur om met
+zijne kunstvaardigheid te pronken.
+
+Daar de aanvang en het slot van het werk ontbreken, kunnen wij ons uit
+de ongeveer 5000 overgebleven verzen geene volkomen voorstelling vormen
+van het plan des dichters. De aanvang van het fragment verplaatst ons in
+een lofzang op de H. Maagd. Hare deugden worden opgenoemd in verband met
+de letters van haar naam. Telkens begeeft de auteur zich in eene
+uitweiding, zoo b.v. over de wanhoop en de geschiedenis van THEOPHILUS.
+De voorstelling van het leven als een gevaarlijke zeereis wordt breed
+uitgewerkt: het lichaam is het schip, het hart de schipper, het gepeins
+het anker; het kompas, bestaande uit naald, zeilsteen en water, geeft
+een voorstelling van Verstand, Zin en Geheugen. Hoogmoed wordt gelaakt;
+zelfkennis aangeprezen; de verachtelijkheid van het lichaam met nadruk
+betoogd. Daarna wordt het beeld van het schip weer op den voorgrond
+gebracht. De auteur, die zich hier wel in de plaats zal stellen van den
+gewonen mensch, belijdt dat hij schuldig staat aan de zeven hoofdzonden;
+deze worden dan op de bekende middeleeuwsche wijze voorgesteld als een
+boom (hoovaardij) met zes takken (_arbor vitiorum_). Staaltjes van de
+wijze, waarop de hoofdzonden zich in het leven openbaren, worden
+medegedeeld; vooral de priesters moeten het hier ontgelden in hun
+wellust, luiheid en hebzucht. Een lang dispuut tusschen Hoovaardij en
+Ootmoed volgt; daarna een beschrijving van een strijd tusschen de
+deugden en de ondeugden (bekend uit PRUDENTIUS' _Psychomachia_); ten
+slotte wordt Hoovaardij berispt door Vrouwe Sapientia en JEZUS' leven
+uitvoerig verhaald.
+
+Hoewel nergens blijkt dat een bepaald werk of een auteur door JAN PRAET
+gevolgd is, knoopt hij toch telkens nieuwe beschouwingen vast aan
+Latijnsche teksten of korte Latijnsche verzen, die niet zelden door hem
+worden uitgebreid. In die uitbreidingen, vooral in de lyrische gedeelten
+daarvan, toont deze auteur zich op zijn best. Zijn smaak was niet
+fijn--getuige zijne vergelijking van God, die zich van sommige priesters
+afkeert, bij een haas die de honden ontvlucht[34]--hij weet zich niet te
+beheerschen noch te beperken, toont zich niet zelden een
+gelijkvloerschen rijmelaar; doch, waar hij op zijn best is, weet hij ook
+aardige, gemakkelijk voortloopende coupletten te dichten, die zekere
+natuurlijke bevalligheid vertoonen. Zoo b.v. het "motet" dat aanvangt:
+
+ Bi rimes zucht [Zijnoot: nadeelige invloed van de rijp.]
+ Verlieset vrucht
+ Saen hare baten
+
+of:
+
+ Hooren, peinsen,
+ Zwighen, veinsen
+ Ende wel voorsien,
+ Dat zijn seden
+ Van wijsheden
+ Dies willen plien [Zijnoot: plegen.].
+
+Ook de aanvang der lange passage, waar Vrouwe Hoovaardij aan het woord
+is, mag hier genoemd worden:
+
+ Ic doe tornieren,
+ Ridders verfieren [Zijnoot: stouter worden.]
+ Van haren zinne,
+ Vrouwen pareren,
+ Zinghen, baleren [Zijnoot: dansen.]
+ Om ridders minne;
+ Knapen [Zijnoot: schildknapen.] josteren [Zijnoot: strijden te paard in
+tweegevecht.]
+ Ende breken speren
+ Om roeme saken;
+ Joncfrouwen vermoyen,
+ Wempelen ployen
+ Ende horne [Zijnoot: de horens van het middeleeuwsch kapsel.] maken.
+
+Zulke stukken herinneren ons, dat er in de 14de eeuw eene bloeiende
+lyriek wordt aangetroffen. Met die lyriek zullen wij ons spoedig hebben
+bezig te houden. Eerst echter wacht ons een andere taak: na te gaan, wat
+er van den _Reinaert_ geworden is onder den invloed van de sterke
+didactische neigingen der burgerijen.
+
+
+REINAERT II.
+
+Een eeuw en het vierde eener volgende eeuw waren voorbijgegaan, sinds
+een Vlaamsch dichter de geschiedenis _van den vos Reinaerde_ aan zijn
+volk had verhaald.
+
+Welken indruk dit dichtwerk op het publiek heeft gemaakt, kunnen wij wel
+vermoeden doch niet in bijzonderheden aantoonen. Moesten wij afgaan
+alleen op het ontbreken van handschriften uit de 13de en 14de eeuw,
+waarin het gedicht is bewaard, dan zou men moeten aannemen dat het
+weinig of niet bekend is geworden. Maar de afkeurende critiek van
+ernstige mannen als WILLEM VAN AFFLIGHEM en MAERLANT bewijst wel, dat de
+roodbaard in ruimer kring sympathie vond dan hun lief was. Duidelijk
+openbaarde zich die sympathie bij zekeren BALDWINUS, die omstreeks of
+eenigen tijd vr 1280 aan ons gedicht de zeldzame eer eener vertaling
+in het Latijn bewees. Maar indien de _Reinaert_ daardoor al in de
+schatting ook der ernstige mannen gerezen is, dan toch waarschijnlijk
+alleen omdat hij ook nuttige lessen bevatte. Dat standpunt zien wij ten
+minste JAN BOENDALE innemen ongeveer een halve eeuw nadat de Latijnsche
+vertaling vervaardigd is. In zijn _Lekenspiegel_ zegt hij, sprekend "van
+Reynaerde ende Ysegrime, Brunen den bere ende den das":
+
+ Dat dese dinc vonden was,
+ Was al om lere ende wijsheit[35].
+
+Die opvatting bleef gelden ook bij anderen die na hem kwamen. Indien
+BOENDALE--wat niet waarschijnlijk is--nog heeft geleefd omstreeks 1375,
+dan heeft hij zijn hart kunnen ophalen aan een verhaal _van den vos
+Reinaerde_, dat waarschijnlijk wel genade zal hebben gevonden in de
+oogen der ernstige mannen van dien tijd. In dat jaar toch heeft een
+onbekend, geletterd dichter het oude verhaal opnieuw bewerkt in den
+geest der didactische dichters. WILLEM'S gedicht is door hem tot
+grondslag genomen eener nieuwe bewerking, bestaande uit: 1o het oude
+gedicht, doch met allerlei wijzigingen, invoegsels, toevoegsels en
+weglatingen; 2o eene voortzetting van het oude gedicht in den geest
+zijner bewerking van WILLEM'S gedicht. In zijn werk heeft hij tal van
+nieuwe dierfabels gelascht: wolf en merrie, man en slang, paard en hert,
+ezel en hond, wolf en kraanvogel, zieke leeuw en Reinaert als arts; deze
+zijn ontleend deels aan den _Esopet_ deels waarschijnlijk aan de
+Latijnsche fabelverzameling _Romulus_. Aan de voortzetting van het oude
+gedicht ligt waarschijnlijk eene Fransche bewerking van een deel der
+Reinaert-sage ten grondslag, doch de Nederlandsche bewerker heeft op
+dien grondslag zelf voortgebouwd.
+
+De dichter van 1375 heeft uit den ouden _Reinaert_ vrij wat weggelaten
+doch er ook vrij wat aan toegevoegd; zijne bewerking van WILLEM'S
+gedicht heeft denzelfden omvang als dat gedicht zelf. Door de
+voortzetting die meer dan 4000 verzen bedraagt, verkreeg _Reinaert II_,
+zooals men het 14de-eeuwsch gedicht gewoonlijk noemt, echter meer dan
+den dubbelen omvang van _Reinaert I_.
+
+Willen wij trachten _Reinaert II_ te leeren kennen en te kenschetsen,
+dan zullen wij dat werk voortdurend naast _Reinaert I_ moeten houden om
+de overeenkomst en het verschil tusschen beide te beter te zien[36].
+
+
+
+Evenals in de 13de eeuw zien wij ook nu na de ridderpozie eene
+bewerking der Reinaert-sage verschijnen, doch verschillend in wezen van
+die der 13de eeuw en onder andere omstandigheden.
+
+Het oude gedicht _Van den vos Reinaerde_ was, evenals het Fransche
+gedicht _Le Plaid_, ontstaan ten deele uit lust tot parodieering van
+ridderwezen en ridderpozie; de Vlaamsche dichter heeft die parodie op
+zelfstandige wijze met onmiskenbaar talent uitgewerkt en voortgezet. De
+parodie die in _Reinaert I_ reeds aanwezig was, is door den lateren
+dichter grootendeels behouden, doch, behalve de beschrijving van een
+tweekamp tusschen vos en wolf, heeft hij daaraan niets toegevoegd
+waaruit lust tot zulke parodie ook in hem blijkt. Wel zien wij op een
+enkele plaats dat hij het ridderwezen niet hoog stelt; hij zegt immers
+dat hij den strijd tusschen Reinaert en Isegrim liever zou zien dan dien
+"van twee riddren in een perc"[37]. Overigens moeten wij niet vergeten
+dat er voor zulk eene parodie omstreeks 1375 weinig reden meer bestond;
+het ridderwezen was niet meer wat het nog in de eerste helft der 13de
+eeuw was en de ridderpozie van de eerste helft der 14de eeuw was
+grootendeels namaak van de vroegere.
+
+Voor een ander gedeelte was het oude gedicht geboren uit natuurliefde,
+welbehagen, in het wezen en leven der dieren, lust om het leven der
+dieren in de natuur met het menschenleven in- en buitenshuis te
+vereenigen en te verwerken tot een groot tafereel. Wat is daarvan in de
+bewerking der 14de eeuw overgebleven? Het natuurleven en dierenleven is
+er natuurlijk nog; doch als een tafereel, hier verbleekt daar
+overschilderd, dat menigen fijnen trek heeft verloren en nieuwe trekken
+vertoont die kwalijk passen bij den geest van het geheel. Wij zien in de
+latere bewerking niet de menigvuldige kromme paden in Reinaert's
+jachtveld; wij hooren den beer niet meer luid steunen en zuchten,
+wanneer hij, van zijn rampspoedigen tocht naar Malpertuis teruggekomen,
+vr koning Nobel staat. Verdwenen zijn uit _Reinaert II_ de kinderen
+die den wolf een blinddoek voorbinden, verdwenen ook het aardige tooneel
+van Reinaert's vijanden bij de galg waaraan zij hem aanstonds hopen te
+hangen[38].
+
+Het onvermijdelijk anthropomorphisme, door den ouden dichter, met
+natuurlijken takt binnen de grenzen gehouden, vertoont zich hier op
+hinderlijke wijze: koning Leeuw zegt: nimmer zal ik meer een zwaard
+aangorden of een kroon dragen; Reinaert vertelt den koning, dat vrouwe
+Hermeline heeft moeten zweren in den naam der drie koningen; de dieren
+dansen hofdansen op trompen en schalmeien, zelfs dragen zij "sproken
+ende stampin" [Zijnoot: danslied.] voor; bij het beleg van Malpertuis
+bedienen zij zich van "donrebussen en bombaerden" [Zijnoot: kanonnen.]
+[39].
+
+Zoo weinig schijnt de omwerker de dieren in hun wezen en gedrag te
+kennen, misschien ook geeft hij zoo weinig acht op zijne eigen
+voorstelling van het dierenleven, dat hij den leeuw laat "brieschen als
+een stier" en den vos zijne voetstappen dekken(?) met den mond [40].
+
+Dat de omwerker op deze wijze door schrappen en toevoegen het
+oorspronkelijk werk in waarde deed dalen, behoeft ons niet te
+bevreemden. Zijn voorganger stond _in_, hij _buiten_ de dierenwereld.
+Duidelijk zien wij dat, waar hij, sprekend van eene woordenwisseling
+tusschen Reinaert en zijne vijanden, zegt: "nooit hoorde men feller
+aanklacht en beter verdediging dan daar, _ten minste van zulke wilde
+dieren_"[41]. Een dergelijke uitdrukking zou WILLEM nooit gebruikt
+hebben; die voelde zich daarvoor te zeer n met de dieren die hij voor
+ons doet optreden. De veertiend'eeuwer kent niet meer of gunt zich niet
+meer dat genot van zorgeloos gaan door een droomwereld, met de dieren te
+zwerven door bosschen en over heiden, ze na te gaan in hunne gangen, te
+beluisteren en te bespieden in hun omgang. Hij is een ontwikkeld man,
+een "clerc" die zijne geleerdheid gaarne lucht, die de wereld slecht
+vindt, haar wil waarschuwen, verbeteren, stichten. Het verhaal van
+Reinaert moet hem dienen als middel om dat doel te treffen. Reeds in den
+aanvang van zijn werk vestigt hij de aandacht op de "wijsheit" die hier
+besloten ligt; en als hij aan het eind gekomen is, klinkt het op nieuw:
+
+ so wie dit wel verstaet in 't lesen,
+ al ist som boert, hi vinter in
+ vroede leer ende goeden sin [42].
+
+Om die "vroede leer" en "goeden zin" was het den auteur te doen; dat was
+de pit, de boert slechts de bolster. Telkens blijkt het dan ook, hoe
+weinig de auteur leeft in die fantastische dierenwereld; hoe zeer hij
+vervuld is van het heden. Over dat heden is hij slecht te spreken. Er
+loopen maar al te veel Reinaerts rond, al
+
+dragen zij geen rooden baard; trouw en waarheid zijn verdreven;
+hebzucht, loosheid en afgunst met koningin Hoovaardij zitten nu op het
+kussen. De geestelijkheid moet menige veer laten: Losevont de prior,
+bisschop Prendeloor, Rapiamus de deken, de kardinaal Valoot met zijne
+concubine.
+
+Op die wijs had vroeger ook JAN DE WEERT het mes gezet in de booze
+zweren van zijn tijd. Verwantschap met de leerdichters toont de omwerker
+van den _Reinaert_ ook, waar hij veel gewicht hecht aan "raet",
+"subtilen raet" en den invloed daarvan aan een hof; waar hij nu eens de
+vrouwen in een ongunstig licht stelt dan weer een zweempje van
+vrouwendienst laat blijken. Doch ook maar een zweempje; de lof der
+vrouwen wordt verkondigd door vrouw Venus "die duvelinne". Voor den
+rechten vrouwendienst zal deze auteur te kalm en nuchter-verstandelijk
+zijn geweest. Juist door die eigenschappen kon het hem gelukken, den
+mysticus te parodieren waar hij uit Reinaert's mond sprak van "een
+bloot niet", van "bescouwender contemplacin" en "sonderlinghe
+gracin."[43].
+
+Geen bedwelmenden nectar van mystiek maar het voedzame brood van
+practische levenswijsheid--dat was wat volgens hem de burgerij noodig
+had! Wijze lessen, kernspreuken deelt onze omwerker dan ook gaarne uit:
+zonder dwang gaat het niet goed met eene gemeente; de geleerdsten zijn
+dikwijls niet de wijsten; een trouw vriend is een sterke hulp; misdoen
+en zich beteren is menschelijk, zonder dat is het duivelswerk; soms
+komen de spreuken in een vlaag achtereen: het zwaarste moet het zwaarst
+wegen; in voor- en tegenspoed moet men maat houden; karaktervastheid
+voegt den heer, het lot is wisselvallig; prijs den dag niet eer het
+avond is; goede raad kan dikwijls baten[44].
+
+Onze voorstelling zou eenzijdig, onze beschouwing onbillijk worden,
+indien wij slechts op deze karaktertrekken van Reinaert den Tweeden de
+aandacht vestigden; indien wij het deden voorkomen alsof het dezen
+auteur geheel ontbrak aan medegevoel voor het dierenleven. Dat gevoel
+was er wel, doch hij onderdrukte het ter wille van andere gevoelens; het
+bloed kroop, waar het niet gaan kon.
+
+Op verscheidene plaatsen vinden wij toevoegsels van zijne hand, die wel
+in den geest van _Reinaert I_ zijn; zoo b.v. waar hij van de vermoorde
+kip Coppe zegt: "de beste, die ie [Zijnoot: ooit.] eier leide op
+neste."--"Kon de koning geen minderen bode vinden dan u?" laat hij
+Reinaert tot den dom-trotschen afgezant Bruin zeggen; en later, als
+deze, bebloed en bek-af na de mishandeling op LAMFROIT'S erf, op den
+oever eener rivier ligt te hijgen: "hebt gij iets vergeten daarginds? ik
+zal gaarne een boodschap voor u meenemen; smaakte de honing? ik weet er
+nog meer voor u tegen denzelfden prijs." Hoe goed ook zijn de kapriolen
+beschreven van de kleine vossen, die zoo'n pleizier hebben in de
+weerkaatsing van hun beeld in een spiegel, waar zij:
+
+ in plaghen te spieghelen ende voor te springhen,
+ ende saghen hoe haer steertjens hinghen,
+ ende hoe hem haer muulken stont[45].
+
+Op meer dan eene plaats blijkt, dat de omwerker, waar hij voortzetter is
+van het oude gedicht, een levendigen stijl heeft, dat hij wel kan
+vertellen en beschrijven[46]. Vooral blijkt dat in het verhaal van
+Reinaert's bezoek bij de meerkat. "Tante," zegt Reinaert, "wat heb je
+mooie jongen! deus, hoe wel behaghen si mi!" En zij: "Reinaert, lieve
+neve, weest wellecome!" Zoo'n vriendelijke ontvangst, vertelt de vos
+later, verdiende ik al dadelijk door dat "tante". Toch verlaat hij het
+hol der apin zoo snel mogelijk, "omdattet na die wieghe daer rooc".
+
+Zoo is er dus wel geestverwantschap tusschen den ouden dichter en den
+lateren; doch anderzijds dit groote verschil dat voor den oudere de
+schepping van zijn werk haar doel vond in zich zelve, terwijl voor den
+jongere het dichtwerk vooral een middel was tot verbetering zijner
+tijdgenooten. Was WILLEM een beeldend kunstenaar, die schiep uit
+scheppingslust en drang, zijn opvolger was een verstandelijk dichter,
+die de behandeling der behagelijke stof gewettigd achtte slechts door de
+nuttige leering die zij bevatte.
+
+Dat verstandelijk element heeft er hem toe gebracht, het oude gedicht op
+menige plaats te wijzigen, met de bedoeling natuurlijk het te verbeteren
+en voor het logisch denkend verstand juister of aannemelijker te maken.
+_Reinaert I_ vertelt ons, dat Bruin, bij Reinaert's kasteel Malpertuis
+gekomen, de poort waarneemt waar Reinaert gewoonlijk uitgaat en dan vr
+de "barbecane" [Zijnoot: ronden verdedigingstoren bij een kasteel.] op
+zijn staart gaat zitten. Let wel, zegt de omwerker, de poort was
+gesloten.--Alsof dat bij een middeleeuwsch kasteel niet vanzelf
+sprak!--Bruin, mishandeld door de dorpelingen, is in de rivier
+gesprongen, laat zich met den stroom afdrijven en kruipt eindelijk
+vermoeid op den oever.--Op den _anderen_ oever, zegt de omwerker. Hij
+heeft misschien gelijk, misschien niet; maar wat kan het ons schelen?
+"Ik liep uit een schuur," vertelt Reinaert ergens. "Door het gat waar ik
+wilde zijn"--wordt ons verduidelijkt. Koning Nobel en zijne gemalin gaan
+de terechtstelling van Reinaert bijwonen, vertelt WILLEM ons.--Het hof
+ging ook me, haast zijn opvolger zich er bij te voegen.
+
+Op die wijze voortgaand, heeft hij de bekoorlijk-vrije pozie van het
+oude gedicht onder de plak van den schoolmeester gebracht[47].
+Ordelijker heeft hij haar gemaakt, hier en daar ook ordentelijker. Van
+"verhoerd" maakt hij "verdoord" [Zijnoot: het hoofd op hol gebracht.],
+al past dat niet in het verband; "achterste" wordt "lijf", al gaat
+daardoor eene aardige tegenstelling verloren[48]. Op sommige plaatsen
+heeft de omwerker door zijne zucht om duidelijk, vooral duidelijk te
+zijn, het oude gedicht ernstiger beschadigd dan door bovengenoemde
+toevoegsels of wijzigingen.
+
+De vos is ingebroken bij den pastoor en heeft een haan meegepakt;
+Martinet, pastoors zoon, heeft een strik voor het gat gespannen in de
+hoop den kippendief bij een volgend bezoek te vangen. De rampzalige
+Tibeert, gekomen om Reinaert met zich ten hove te voeren, wordt door
+Reinaert in den strik gelokt en staat droefelijk te miauwen. Martinet
+wordt wakker, vliegt op, steekt een stroowisch aan en schreeuwt tot de
+huisgenooten: "Er op af, hij is gevangen!" Dat "_hij_" zonder meer zal
+door zijn waarheid ieder treffen die weet wat men onder zulke
+omstandigheden pleegt te roepen. Den omwerker heeft het ook getroffen,
+echter niet door zijne waarheid; blijkbaar acht hij zijn voorganger ook
+ditmaal niet duidelijk genoeg en dus laat hij Martinet roepen: "Staat
+op, de dief is gevangen!" Doch welk een aardig trekje ging hier
+verloren[49].
+
+Elders hooren wij den braven haan Cantecleer roemen op zijne vijftien
+kinderen die zijne echtgenoot, de wijze Rode, hem had geschonken "in n
+broedsel"; de omwerker maakt daarvan: die mijne echtgenoot, de wijze
+Rode, "zeer verstandig opvoedde". Ook al neemt men aan dat dit ironisch
+bedoeld is, wat is dan toch het warme leven van het oude gedicht door
+deze wijziging verkild[50].
+
+Zit de omwerker eens op zijn praatstoel dan raakt hij er niet
+gemakkelijk af; zijne personages redeneeren en redeneeren... dat men
+soms niet meer weet wie aan het woord is. Vrouw Rukenau, de apin, houdt
+een pleidooi door 400 regels heen; een ingevoegd verhaal over eenige
+kostbaarheden heeft een omvang van niet minder dan 900 verzen.
+
+Dat zulke uitweidingen de belangstelling verdeelen en verzwakken,
+behoeft evenmin betoog, als dat de eenheid van het geheel er door wordt
+verbroken[51].
+
+Reinaert de Eerste heeft bij al zijne brutaliteit iets onbevangens; boef
+die hij is, heeft hij toch iets naefs. Reinaert de Tweede toont zekere
+zelfverheffing in uitingen als: "ic weet so menighen loosen vont"[52].
+
+Kortom, het is WILLEM'S dichtwerk onder de handen van den omwerker
+gegaan, zooals Reinaert onder die van tante Rukenau, de apin.
+
+Reinaert moet in het krijt komen tegen zijn ouden vijand, den sterken
+Isegrim. Zonder list zal hij dezen niet kunnen overwinnen. Moei Rukenau
+weet raad. Zij scheert neef Reinaert glad tusschen hoofd en staart en
+smeert daarna zijn romp met olie in. Z zal de vijand geen vat op hem
+kunnen krijgen, want "hij was vet en wel gevoed." Bovendien moet hij
+dien avond veel drinken, doch den natuurlijken aandrang die daarvan het
+gevolg zal zijn, bedwingen. Komt hij onder het gevecht in nood, dan zich
+niet langer bedwongen; met zijn ruigen druipenden staart kan hij dan
+zijn vijands oogen verblinden. Met behulp van deze en andere listen
+gelukt het hem inderdaad de zege te behalen.
+
+Maar hoe ziet hij er dan ook uit!
+
+Ja, het is de vos nog; nog fonkelen de wilde oogen in den fijnen kop,
+nog heeft hij klauwen en tanden. Maar zijn sieraad, de ruige dichte
+pels, waarvan de vlokken zoo afstoven toen de honden hem te lijf gingen,
+is verdwenen. Ja, hij is welgevoed; zijn lijf staat bol van nuttige
+leering en zedelijke verbetering--maar hoe is de natuurlijke schoonheid
+van den prachtigen struikroover verdwenen. Nog bezit hij den zwaren
+fraai gevormden staart, doch die hangt neer, druipend... er is een
+luchtje aan.
+
+Zoo uitgerust, was hij ongetwijfeld sterker in den strijd met den wolf
+der menschelijke ondeugd, doch wie ziet niet hoe hier de moraal de kunst
+heeft geschaad. Uit liefde, ongetwijfeld; maar, apenliefde.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] Vgl. _Sp. der. Z._, vs. 16958 en _Bed. der M._ aan het slot; en
+VERWIJS, _Van Vrouwen ende van Minne_, XIV.
+
+[2] _Lekensp._, I, c. 24, 57; c. 37, 127; II, c. 7, 102. _Dietsche
+Doctrinael_, III, 831; 1763; II, 2278. _Boec van der Wraken_, I, 262,
+294, 1142 enz.
+
+[3] _Dietsche Lucidarius_, vs. 38-40; ook vs. 335-6: "Van hem (God) en
+dorren wi niet bedieden || Te verre voor die leke lieden.
+
+[4] _Der Mannen ende der Vrouwen Heimelijcheit_ (in: _Mnl. Ged._ ed. DE
+PAUW), I, 121.
+
+[5] _Boec van der Wraken_ (ed. SNELLAERT), I, 1102-3; zijn betuiging van
+eerbied voor de priesters in het algemeen (II, 1222 vlgg.) is daarmede
+niet in strijd.
+
+[6] Bl. 288.
+
+[7] I, c. 25, vs. 79 vlgg.
+
+[8] Vgl. de inleiding van VERDAM, XLIII.
+
+[9] Over de uitgaaf van _Die cracht der Mane_ zie TE WINKEL en PETIT.
+Daarbij komen nu een paar andere uitgaven in DE PAUW'S _Mnl. Ged._, I,
+203 vlgg. en 219 vlgg. naar hss. der 14e eeuw. De uitgaven van no. 2 en
+no. 3 bij TE WINKEL en PETIT; de klacht over "die onghetrouwe merkaren"
+in no. 2 (vs. 360) wijst ook op de 14e eeuw. no. 4 is uitgegeven door W.
+DE VREESE in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 63 vlgg.
+
+[10] Over de uitgaven van beide werken vgl. TE WINKEL i.v. Voorts en
+vooral: _Studin ber das deutsche Volksbuch Lucidarius...._ van KARL
+SCHORBACH. Strassburg. TRBNER. 1894. Aankondiging van dat werk door TE
+WINKEL in _Museum_, 1895, bl. 17.
+
+[11] Uitgeg. door SNELLAERT in: _Nederlandsche Gedichten uit de
+veertiende eeuw_. De hier aangehaalde verzen I, 648 vlgg.
+
+[12] Over de uitgave vgl. TE WINKEL i.v.
+
+[13] Over de twee eerste vgl. TE WINKEL i.v. Van den _Nieuwen_
+_Doctrinael_ gaf J. KOOPMANS een boeiend overzicht en goede
+karakteristiek in _Tweem. Tijdschr._ van Jan. 1901.
+
+Voor den _Spiegel der Zonden_ verwijs ik naar de uitgave van VERDAM,
+(BRILL, Leiden, 1900) die voorzien is van eene voortreffelijke
+Inleiding.
+
+[14] VERDAM a.w. II, XLV.
+
+[15] Een degelijk overzicht daarvan danken wij aan VERDAM; vgl. a.w. II,
+LI vlgg.
+
+[16] Vgl. vs. 5645 vlgg.; 11563 vlgg., 11683, 11964; 12159 en voorts de
+plaatsen door VERDAM aangewezen in zijne Inleiding, bl. XLIX.
+
+[17] Vs. 1614 vlgg. en 1996 vlgg.
+
+[18] Vgl. de uitvoerige mededeelingen daaromtrent bij TE WINKEL, bl. 387
+vlgg.
+
+[19] Ed. DE VRIES. Bij de opgave der hss. van TE WINKEL, bl. 392 moeten
+gevoegd de _Baseler Fragmente_ waarover zie: _Germania_, XXXVII, 410.
+Karakteristiek van den inhoud door J. KOOPMANS in: _Tweem. Tijdschr._,
+1899.
+
+Over den, in den _Lekenspiegel_ opgenomen, _Sidrac_ vgl. TE WINKEL a.w.
+bl. 396. Bij de daar vermelde literatuur-opgave is te voegen eene
+mededeeling van W. DE VREESE in _Tijdschr. voor N.T. en L._, X, 33 vlgg.
+
+[20] Vgl. I, c. 40, vs. 50 vlgg.; I, c. 44; I, c. 16; III, c. 10.
+
+[21] Vgl. I, c. 16, c. 15, c. 2, c. 5; II, c. 39, 251 vlgg. te verg. met
+RUYSBROECK I, 41: "Dese heilege Kerke, dat sijn alle goede minschen met
+Gode verenecht, ende te gadere geroepen iegewelc met al den anderen."
+
+[22] Met DE VRIES en TE WINKEL geloof ik, dat de _Teesteye_ n den
+_Lekenspiegel_ is bewerkt. Zie de plaatsen pro en contra vermeld bij TE
+WINKEL, bl. 397. De _Teesteye_ werd uitgegeven door SNELLAERT in zijne:
+_Ned. Ged. uit de 14e eeuw_.
+
+[23] Vgl. _Teesteye_, 393, 812; _Lekensp._ B. II, c. 35, 17-18; vooral
+ook de Inleiding op MAERLANT'S _Strophische Gedichten_ (edd. FRANCK en
+VERDAM), bl. LXXXVII.
+
+[24] _Lekensp._, II, c. 38, vs. 103 vlgg.
+
+[25] _Lekensp._, B. III, c. 20-22.
+
+[26] _Lekensp._, B. II, c. 35, vs. 109 vlgg.
+
+[27] B. I, c. 21, vs. 93-100.
+
+[28] Wat SNELLAERT in de Inleiding zijner _Ned. Ged. uit de 14de eeuw_,
+bl. XXV heeft medegedeeld over de gelijkenis tusschen _Teesteye_, _Boec
+van der Wraken_ en _Melibeus_, is zeker niet voldoende om ons te
+overtuigen dat deze drie werken van n maker moeten zijn; doch geeft
+voldoende reden om een afzonderlijk onderzoek in te stellen. Daarbij zou
+ook het overige werk van BOENDALE moeten geraadpleegd worden. Immers bij
+de door S. medegedeelde plaatsen kan men alvast een paar verzen uit den
+_Lekenspiegel_ voegen (III, c. 3, vs. 237-8) die teruggevonden worden in
+_Meliboeus_, vs. 2266-7.
+
+Een nauwkeurig onderzoek van de taal zou de vraag heel wat verder kunnen
+brengen.
+
+Opmerkelijk is voorts, dat ook CHAUCER eene proza-bewerking gaf van _The
+tale of Melibeus_. Staat deze bewerking in verband tot het Mnl. gedicht?
+
+[29] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altniederl. Gedichte_, II, 14 vlgg. Vgl. o.a.
+vs. 210 vlgg.; 482 vlgg.; 522 vlgg.
+
+[30] Nieuwe uitgaaf van Dr. W.H.D. SURINGAR. Leiden. Gebr. V.D. HOEK.
+1895.
+
+[31] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altn. Ged._, III, 177-181. Het is vertaald
+uit het Fransche "_Doctrinal d'un rimeur nomm Sauvage_"; vgl. PETIT DE
+JULEVILLE'S _Hist. de la Litt. Fran._, II, 185, waar het "banal et
+confus" wordt genoemd. no. 2 en no. 3 eveneens uitgeg. door Dr. SURINGAR
+(Leiden, V.D. HOEK, 1891 en 1892); no. 2 ontleend aan drie Latijnsche
+werkjes waarvan n door den bewerker op den voet is gevolgd (vgl. bl.
+XXII vlgg.). no. 3 eene vertaling van den Latijnschen _Facetus_, echter
+geen woordelijke vertaling. Vgl. ook _Ned. Spect._, 1891, no. 41; 1893,
+no. 1. Over andere derg. geschriften vgl. TE WINKEL, bl. 405.
+
+[32] Vgl. no. 28, no. 2. _Die Bouc van Zeden_ behelst dergelijke
+gegevens als _Van Zeden_.
+
+[33] Uitgave van J.H. BORMANS (_Speghel der Wijsheit of Leeringhe der
+Zalichede_). Brussel. 1872.
+
+[34] Vs. 2065-6.
+
+[35] B. III, c. 15, vs. 190-3.
+
+[36] Ook _Reinaert II_ is voortreffelijk uitgegeven door MARTIN. In M's
+_Einleitung_, XLIX-LI vinden wij eene parallel als boven bedoeld wordt,
+in hoofdzaken aangegeven. Eene uitvoerige vergelijking van beide
+bewerkingen gaf Dr. J.W. MULLER in _De oude en de jongere bewerking van
+den Reinaert_. (Amsterdam. 1884).
+
+[37] Vs. 7068-'71. Vindt men in vs. 3181: "Ic heb minen dume uut sinen
+monde" misschien eene herinnering aan een tooneel uit den roman der
+Heemskinderen? (Vgl. _Volksboek_ ed. MATTHES, bl. 141).
+
+[38] Vgl. I, 505 en II, 530-1; I, 990 en II, 1013; I, 1582-'98 met II,
+1611; I, 1947-'60 en II, 1977 vlgg.
+
+[39] Vgl. II, 1022-'3; 2314-'5; 3486-'7 (ook in het Fransch; vgl.
+MARTIN, _Einl._, XLI); 3499; 3745 vlgg.; 4827-'9. Van dat alles is in
+_Reinaert I_ niets te vinden.
+
+[40] II, 3622 en II, 2417 verg. met I, 2393-'5. (Het mogelijk verkeerd
+lezen van _moude_ (stof) voor _monde_ doet hier niets af).
+
+[41] _Reinaert II_, vs. 1899.
+
+[42] Vgl. vs. 40-44, 7769 vlgg. Over het vertoon van geleerdheid vgl.
+MARTIN, _Einl._, XLIX-L.
+
+[43] Vgl. _Reinaert II_, vs. 7654 vlgg.; 2959 vlgg.; 4534 vlgg.; 4595;
+1413-'29; 3821 vlgg.; over de vrouwen vgl. MULLER'S dissertatie, bl.
+122, 187, doch ook hier vs. 5541-'5; de mystiek vs. 4130 vlgg.
+
+[44] II, 2335, 3613, 4098, 4422, 4770, 4848, 7393, 7408 en de op deze
+volgende verzen.
+
+[45] Zie deze en andere plaatsen in _Reinaert II_, vs. 488, 604-'8. 961
+vlgg., 2228-'9, 2916, 3030, 3210, 3842-'3, 4450-'9, 5896-5901, 6581 (in
+vergelijking met de overeenkomstige plaatsen van _Reinaert I_).
+
+[46] Vgl. MULLER a.w. bl. 191-2.
+
+[47] Vgl. deze en andere plaatsen I, 520 vlgg. met II, 544 vlgg.; I, 842
+en II, 881; I, 960 en II, 985; II, 1047; I, 1550 en II, 1587-'8; II,
+1595 (ingevoegd); II, 2027-'30; I, 2064 en II, 2076; II, 2307-'13; I,
+2829 en II, 2820.
+
+[48] I, 73 en II, 83 (in verband met vs. 105); I, 1929 en II, 1961.
+
+[49] Vgl. I, 1235 met II, 1259.
+
+[50] Vgl. I, 331-2 met II, 359-360. Vgl. voorts het echt epische in I,
+643 vervangen door het didactische in II, 692-3; het ironische in I,
+1663 door het rechtstreeksche in II, 1677; de mindere levendigheid in
+II, 616 vlgg. vergeleken bij I, 562 vlgg.
+
+[51] MULLER a.w. bl. 161-163, 166.
+
+[52] Vgl. vs. 2053, 3182 en 2053.
+
+
+
+2. VERHALENDE EN LYRISCHE POZIE.
+
+ _a_. Boerden en sproken, _b_. Liederen. Muziek en zang. Geestelijke
+ liederen. Minneliederen en drinkliederen. Historische Liederen, _c_.
+ Geestelijke, stichtelijke en didactische lyriek, _d_. Minnepozie.
+
+Vonden wij in de 13de eeuw nog maar weinige berijmde novellen, hoorden
+wij het lied slechts hier en daar als schuchter kweelen der vogels bij
+den komenden morgen--nu zien wij ons geplaatst voor eene menigte van
+verhalende en lyrische gedichten, zoo rijk in verscheidenheid, dat het
+moeilijk valt in die warreling het gelijke of verwante te onderkennen en
+te groepeeren. Die moeilijkheid ontslaat ons echter niet van de taak om
+te pogen, ook deze stof te beheerschen door haar te verdeelen.
+
+Wij zijn gewoon verhalende gedichten van komischen aard _boerden_ en van
+ernstigen aard _sproken_ te noemen; doch wij mogen niet voorbijzien, dat
+het hedendaagsch en het vroeger spraakgebruik elkander hier niet
+volkomen dekken. Een komisch gedicht wordt ook wel "ene boerde" genoemd,
+al bevat het niet juist wat wij een verhaal noemen en een verdicht
+verhaal wordt wel met "boerde" betiteld, al heeft het niets komisch[1].
+
+Het woord _sproke_ heeft een zeer ruime beteekenis; zoo wordt een
+"bedinghe" _van onser Vrouwen_ aan het slot genoemd: "desen _sproke_",
+en dat is niet het eenige voorbeeld van dien aard; elders treffen wij
+eene "sproke up den wijn" aan[2]. Daarentegen heet menig verhalend
+gedicht, met min of meer stichtelijke of didactische strekking, niet
+_sproke_, maar _exempel_ of _bispel_[2].
+
+Doch anderzijds blijft het waar, dat de meeste korte verhalende
+gedichten _boerde_ worden genoemd, indien zij van komischen, _sproke_
+indien zij van ernstigen inhoud zijn. Wij mogen ons dus gerechtigd
+achten deze gedichten tot eene afzonderlijke groep te vereenigen. Een
+tweede groep valt te onderscheiden in de muzikale lyriek: de liederen,
+in tegenstelling met de boerden en sproken, bestemd te worden gezongen
+niet gezegd; doch evenals deze ontstaan uit zuiverder lust tot
+dichterlijke uiting des harten en beelding der stof, dan wij over het
+algemeen in een derde groep waarnemen. Die derde groep omvat uitingen
+van het godsdienstig gemoedsleven, zoowel als stichtelijke en
+didactische stukken, bestemd tot vermaning, waarschuwing, opwekking en
+leering; het karakter van vele dezer stukken blijkt reeds ten deele uit
+vooral hier voorkomende benamingen als _bedinghe_, _disputacie_,
+_questie_, _notabel_. Het spreekt vanzelf, dat ook tegen deze
+groepeering bezwaren bestaan; ook hier ontsnapt het leven op meer dan
+een plaats aan de banden eener altijd min of meer schoolsche indeeling.
+Doch mogen de groepen hier en daar ineenvloeien, wat nood, indien
+daardoor het besef harer onderlinge eenheid wordt versterkt?
+
+
+_a_. BOERDEN EN SPROKEN.
+
+De honderden korte verhalen, welke wij vroeger leerden kennen, waren nog
+springlevend. Zij zwierven nog van mond tot mond en van het eene
+handschrift in het ander. Hen volgen op al hunne gangen is ons
+onmogelijk; wel kunnen wij zien: dat verscheidene hunner op hunne
+omzwervingen trekken van elkander overnemen, dat zij zich wijzigen naar
+het volk waaronder zij vertoeven, en dat de verhalen uit het
+menschenleven den voorrang krijgen op de dierfabels.
+
+Ook bij de Nederlanders der 14de eeuw vonden zij een gunstig onthaal.
+Tal van stoffen, die ook in andere middeleeuwsche literaturen verwerkt
+zijn, werden hier geboetseerd tot berijmde verhalen van komischen of
+ernstigen aard, die gewoonlijk van twee- tot driehonderd verzen tellen,
+doch ook wel eens grooter of kleiner omvang hebben. De komische stoffen,
+hier tot _boerden_ verwerkt, vindt men bijna alle terug in de Fransche
+literatuur; doch, hoewel de wijze van bewerking niet zelden gelijk is,
+zijn er weinig of geen sporen van navolging aan te wijzen. Onze boerden
+maken in hoofdzaak den indruk, dat zij oorspronkelijke bewerkingen zijn
+van mondeling overgeleverde stoffen. Sommige zullen uit Frankrijk
+hierheen, andere uit Brabant of Vlaanderen naar Frankrijk gekomen zijn.
+Om te zwijgen van onze literaire betrekkingen in dit opzicht tot
+Duitschland, Engeland en andere landen.
+
+De sproken zijn zeker voor een deel, voor het grootste deel misschien,
+afkomstig uit middeleeuwsche bronnen als _Vitae Patrum_, _Gesta
+Romanorum_, _Dialogus Miraculorum_, _Liber Apum_, _Legenda aurea_; voor
+een ander deel zeker ook door mondelinge overlevering verbreid. Met den
+invloed der Fransche literatuur zal men ook hier rekening moeten
+houden[3].
+
+Hier en daar vinden wij in deze boerden en sproken aanwijzingen omtrent
+den weg, waarlangs het verhaal den verteller had bereikt; uitdrukkingen
+als b.v.: "Ic quam eens daer men mi sede" of: "Ic vant ghescreven ende
+las"; doch zulke aanwijzingen zijn schaarsch en niet alle duidelijk[4].
+Duidelijk is daarentegen het streven van sommige dichters de verhalen te
+localiseeren; de stukken heeten te spelen, zijn misschien soms ook
+werkelijk z of ten naastebij z gebeurd, "in 't lant van Loon," "te
+Hasselt in die goede stede," "te Dordrecht in de poort," "Tantwerpen in
+die coperstrate"[5]. Zooals men kon verwachten, worden wij hier vaker
+naar het Zuiden dan naar het Noorden dezer landen verplaatst.
+
+Waarvan vertellen ons de boerden? In welke wereld verplaatsen zij ons?
+Op een paar uitzonderingen na behandelen zij gevallen van minne, van
+zinnelijken lust, van overspel; zij vertellen ons van overspelige mannen
+of vrouwen, die gefopt of gestraft worden, van minzieke vrouwen of
+meisjes, clerken of nonnen, een enkelen keer ook van mannen die in de
+kroeg zitten of boeven die een vroegeren kameraad bestelen. Maar de
+lusten des vleesches vormen toch het hoofdmotief, dat voor de
+middeleeuwsche dichters en niet voor de Dietsche alleen, blijkbaar een
+komisch karakter had[6].
+
+Wij worden verplaatst naar de kroeg, onder de "goede gezellen die lange
+in 't drinchuus duren" en vrouwen die hare mans uit de kroeg halen; wij
+komen in gezelschap van een waard, die bedrogen wordt door de waardin en
+haar minnaar; van reizende "clercken", die het hun verleend nachtlogies
+aan de vrouw en de dochter des huizes vergoeden in liefde, aan den
+huisheer in kostelooze vuistslagen bij nacht; van een kostelijk
+gekleeden, langharigen Don Juan te Dordrecht; van een koopman, die zijne
+al te dartele vrouw voor den gek houdt.
+
+Slechts een paar malen verkeeren wij, zooals in de laatstgenoemde
+gevallen, in de huizen van rijke burgers. Gewoonlijk zijn wij onder de
+kleine burgerij, waar men slaapt in n vertrek, meelpap eet en
+"stoppelen sonder hout" brandt of groen elzen hout; waar het 's nachts
+donker is of een vetpotje ("lichtvat met smoute") een flauw schijnsel
+geeft. De koe staat dicht achter de woonkamer, ook in een burgerhuis; in
+de boerde "van de gestolen zijde spek" zijn wij op het land ten huize
+van een voormaligen boef, die zich bekeerd heeft en eene boerendochter
+getrouwd. Elders komen wij op het erf van een visscher, aan de oevers
+der Seine. Ook de koopman, die ons wordt voorgesteld als een rijk
+man--hij heeft mooie kleeren en juweelen en speelt schaak met zijne
+vrouw--, toont in zijne manieren een buitengewone grofheid; zijne vrouw,
+die een handelsman uit de Oostzee-provincin te gast heeft en waant door
+dezen bedrogen te zijn, wreekt zich op dien gast door hem spijs op zijne
+kleeren te storten, tegen hem te vloeken en hem heimelijk tegen de
+schenen te schoppen.
+
+Dat zijn de maatschappelijke kringen, dat de levensomstandigheden, welke
+de stoffen leverden tot de dichterlijke verhalen die onder en naast het
+verhalend ridderdicht opgekomen en bestemd waren die ridderpozie te
+verdringen. De rijke koopman uit een dezer boerden, die "gheleerst,
+ghespoort, ghegort wel vaste" zijn huis binnenkomt, toont ons dat het
+zwaartepunt in de maatschappij dier dagen zich had verplaatst.
+
+In de boerde, getiteld _Wisen raet van vrouwen_, worden wij in een "huys
+met hoghe mure" gebracht; blijkbaar een dier huizingen zooals de rijke
+burgers ze in navolging van den adel bouwden. De eigenaar van het huis
+houdt daar achter slot en grendel zijne dochter die hij hoopt uit te
+huwelijken aan een ridder of jonkheer, maar wat kan hij tegen de Min?
+
+ Al sluiten
+ Hem buiten
+ Met grendel en boom
+ Benagelde poorten
+ ...
+
+hij raakt er binnen in de gedaante van een jonkman, blijkbaar een
+burger, tot wien zij haar goedgeloovigen biechtvader als liefdebode weet
+te zenden.
+
+Komt deze burger die blijkbaar hoogerop wil, er bekaaid af, op meer dan
+een plaats wordt in deze boerden op spottenden toon gesproken over het
+ridderwezen. De vrouw van een drinkebroer die thuis grimmend en grommend
+haar man zit af te wachten, zegt:
+
+ Ic woude ic met hem op een pleyn
+ Mijn leven mochte setten in waechscalen[7].
+
+Zooals de brave ELEGAST vroeger tegen den schelmschen EGGHERIC VAN
+EGGHERMONDE!
+
+Van heer GOBERT die 's nachts aan het vechten raakt met een der
+"clercken" wien hij nachtlogies heeft verstrekt, heet het:
+
+ Men sach noit so wel tornieren
+ Sonder wapene ende sonder corieren [Zijnoot: malinkolders.] [8].
+
+De dichter die ons met blijkbaar welgevallen de onbeschaamd-dartele
+boerde _Van den tanden_ verhaalt, stelt ons zich zelven voor, op zijn
+paard Morele buiten Brussel rijdend. Dien naam _Morele_ droeg eertijds
+het ros van ridder AMELANT in den roman _van Lancelot_; dien naam ook
+het ros van den dapperen TOREC, dat meer waard was dan eene stad[9].
+
+In gansch andere kringen der maatschappij leiden ons de sproken binnen.
+
+Hier verkeeren wij onder "verweende" [Zijnoot: hoovaardig.] keizers en
+koningen, heeren "van groten bloede", prinsen, graven, ridders, edele
+vrouwen en jonkvrouwen. Het is waar, dat het ridderlijk tweegevecht ook
+hier wordt afgekeurd en zelfs min of meer belachelijk gemaakt. Zeker
+keizer die den vrede lief had en wijs en rechtvaardig zijn land
+regeerde, maakte korte metten met de veete tusschen een paar zijner
+voornaamste edelen. Hij ontbood de beide "helden" en trachtte ze te
+verzoenen. Te vergeefs! Toen deed hij ze beiden ontkleeden "totter
+brouc", bracht ze in een vertrek, gaf elk een dolk en zeide: gaat nu
+maar dapper aan 't werk; gij krijgt geen eten of drinken, vrdat een
+van beiden gedood is. Onmiddellijk waren zij het eens. Z moesten meer
+vorsten doen, zegt de dichter, dan zou er heel wat minder onschuldig
+bloed vergoten worden [10]. De ernstige toon en het beroep op den
+Almachtigen Rechter aan het slot toonen wel dat, indien sproke en boerde
+hier al n lijn trekken, hun punt van uitgang toch verschillend is. In
+een ander verhaal wordt een rijk en gierig ridder op onzachte wijs voor
+den gek gehouden door zijn medeminnaar, een dapper maar arm edelman. De
+wijze waarop de gierigaard 's nachts door zijn medeminnaar bewerkt wordt
+met een hazelaarstwijg, is weinig hoofsch, en ook de verdere inkleeding
+doet hier en daar denken aan de boerden; doch dit verhaal is dan ook het
+eenige waar men twijfelt of men het tot de sproken dan wel tot de
+boerden zal rekenen [11].
+
+Overigens echter wordt in de sproken het ridderwezen met eerbied
+bejegend en er is nog gevoel voor de ridderlijke idealen. Zoo zien wij
+in een sproke een hooggeboren rijke maagd aan een dapper arm oud ridder
+de voorkeur geven boven een jongen "mooyaert" [Zijnoot: fat.], die den
+ouden krijger bespot wiens gelaat met zwaarden geteekend is [12]. Het
+fraaie verhaal: _de mantel van eren_, wil toonen, hoe verkeerd het is,
+goud hooger te stellen dan riddereer [13].
+
+Zijn wij niet aan hoven of in ridderlijke huizingen, dan brengen de
+sproken ons in klooster of kluis, in gezelschap van monniken en
+kluizenaars, nonnen en bagijnen. Van dien aard is o.a. het verhaal van
+het _Baghijnken van Parijs_, een aanzienlijk meisje dat in een bagijnhof
+wenscht te worden opgenomen; dat van de non die met haren meester haar
+klooster ontvlucht; van het jonge monnikje dat telkens een deel van zijn
+eten aan het beeld van MARIA brengt; van de edelvrouw die terwijl zij
+haar minnaar afwacht, door de geesten der afgestorvenen voor wie zij
+placht te bidden, wordt bekeerd en in een klooster gaat.
+
+Verwant met deze sproken van geestelijken inhoud zijn andere, die ons
+verhalen van eene jodin die bekeerd wordt tot het Christendom, een
+jodenmeisje dat Christin wil worden en door haar vader vermoord wordt;
+weer andere behelzen algemeen bekende korte verhalen die men overal
+terugvindt, zooals dat van Hansken met de ganzen; het ouderpaar, dat
+door hun kind teruggebracht wordt van de slechte behandeling van hun
+ouden vader; de rechtgeaarde zoon, die niet op het lijk van zijn vader
+wil schieten. In eene enkele sproke treedt de koopmansstand op: het
+verhaal van een paar trouwe vrienden, een koopman uit Brugge en een uit
+Baldac (Bagdad), die zich voor elkander willen opofferen. Het verhaal
+van Pyramus en Thisbe, "twee kinderen die droeghen eene sterke minne,"
+leende zich natuurlijk beter tot een sproke dan tot een boerde; de
+oudheid zette aan deze stof eene achtbaarheid bij, die het verhaal wel
+doet passen bij de ridderverhalen en die uit het leven der geestelijken,
+beide toch nog altijd op hooger plan gelegen dan het leven van burgers
+en plattelanders[14].
+
+Dat de sproken alle een zedelijk karakter vertoonen, kan ons niet
+verwonderen. Een dezer sprookdichters blijkt zelfs zoo nauw van geweten,
+dat hij het noodig acht zijne toehoorders gerust te stellen omtrent
+zeker gemis aan waarheid dezer verdichte verhalen. De sproke _van eenen
+verwaenden coninc_ vangt aan met deze regels:
+
+ Exempel vertrect [Zijnoot: vertelt.] men hier ende daer,
+ Niet om dat si alle zijn waer,
+ Maer om dat mer bi verstaet
+ Ondersceet tusschen goet ende quaet[15].
+
+
+In een enkel geval is de moralisatie bijna even groot als het verhaal
+zelf. Elders is in een sprookdichter de lust tot het mededeelen van
+zedekundige waarheden of bespiegelingen z sterk, dat hij ook de
+personages, die in zijn verhaal optreden, met dien lust bezielt. Een
+paar ridders "van quaden levene" komen tot hun meester om hem te zeggen,
+dat zij berouw gevoelen over hunne misdaden en hun leven willen
+veranderen. Op eene vraag van hun meester, op welke wijs zij dat denken
+te doen, antwoorden zij:
+
+ .... Wi merkent bi Alexanderen
+ Die grote coninc, dat hem en mochte
+ Die daet ghehulpen die hi wrochte,
+ ....
+ Hine moeste der doot doen een ghemoet[16].
+
+In overeenstemming met dezen lust tot moraliseeren is dan ook, dat wij
+zelden eene sproke aantreffen zonder een nuttige les of stichtelijke
+opwekking: trouw gaat boven al; hovaardij is zonde boven al; hooren,
+zwijgen en ziende blind // dat's dat nu de wereld mint, enz. Elders
+worden de hoorders opgewekt, onzer Vrouwe getijde en vigilin voor de
+dooden te lezen; hoovaardij, hebzucht en afgunst te schuwen[17].
+
+Opmerkelijker dan dit stichtelijk karakter der sproken is, dat ook in de
+meeste boerden een zedelijke of didactische strekking niet te miskennen
+valt. De boerde van de dartele koopmansvrouw met den "Oosterlinc" vangt
+aan met een paar spreukmatige regels, die in het daaropvolgend verhaal
+worden toegelicht:
+
+ Tgoede wijf maect den goeden man
+ Ende de goede man maect tgoede wijf.
+
+Aan het slot dezer boerde lezen wij dan ook: "Elc vrouwe neme hier
+exempel an." In den aanvang der boerde van de twee "clercken" en heer
+GOBERT wordt ons gezegd, dat men uit sommige gedichten "vroedschap en
+dwaasheid" te weten komt[18].
+
+Ook in andere boerden vinden wij dergelijke uitdrukkingen. In eene
+boerde, z plat-realistisch als die _van den visscher van Parijs_,
+wordt, wat de middeleeuwsche dichters huichelarij achtten in minzieke
+vrouwen, op onbarmhartige wijze bespot en de moraal der boerde _van
+Heile van Berseele_ is samengevat in eene waarschuwing tegen den omgang
+met lichte vrouwen. Waar geen eigenlijke zedeles of wat daarop gelijkt,
+in het verhaal voorkomt, voelen de boerdendichters zich toch verplicht
+iets in dien geest te geven door een zegenwensch als: "God gheve ons ter
+zielen bate" of: "God bringhe ons ten eweghen paradise"[19].
+
+Het is waar dat de vrouwen en meisjes, vooral de getrouwde vrouwen, in
+deze boerden voorgesteld worden als in hooge mate weelderig en onkuisch.
+Doch men moet niet vergeten dat deze voorstelling rust op theologischen
+grondslag en dat de middeleeuwsche dichters, voorzoover zij geen
+aanhangers van den vrouwendienst waren, er steeds op uit zijn de vrouwen
+als EVA'S dochters te doen zien. EVA'S val immers was de bron van zoo
+groote rampen voor het menschelijk geslacht geworden niet alleen hier op
+aarde maar ook nog in een later leven[20]. Ook dragen de boerdendichters
+er zorg voor dat men hen goed begrijpe: niet op "hoofsche vrouwen"
+hebben wij het gemunt, zeggen zij; en, bij een andere gelegenheid: geen
+goede vrouw behoeft dezen schoen aan te trekken[21].
+
+Die goede en hoofsche vrouwen vinden wij in de sproken: een jong rijk
+meisje dat bagijn wordt; eene edelvrouw die zich bekeert en in een
+klooster gaat; een jonge non die zich neus en lippen laat afsnijden om
+hare kuischheid te redden; eene adellijke dame die zich nieuwe kleeren
+en sieraden ontzegt om haar man te kunnen bijstaan in zijn strijd tegen
+de ongeloovigen; THISBE die den dood van haren minnaar niet overleven
+wil.
+
+Een dezer sprookdichters is zijn tijdgenooten zelfs zver vooruit, dat
+hij in de bres durft springen voor vrouwen die een misstap begaan
+hebben. Een adellijk meisje heeft eene liefdesbetrekking aangeknoopt met
+een jonkman van geringen stand. Hare magen zijn vergramd, want, al was
+de jonkman haar knecht niet, zulk een misstap was erger dan overspel.
+Haar broeder, een groot heer, heeft medelijden met haar en verdedigt
+haar in een gesprek met eene hooge bloedverwante die hem zijne
+zachtmoedigheid in dezen verwijt.--Ik zelf heb vijf onechte kinderen,
+antwoordt de edelman; zal ik een ander dan dingen verwijten die ik zelf
+heb begaan?--De hooge vrouwe herneemt: zoudt gij mannen en vrouwen in
+zoo iets willen gelijkstellen? Men zal u voor onwijs houden.--Hij weer:
+de schande der mannen zal in Gods oogen duizendmaal grooter zijn, want
+zij zijn de aanleggers, het is alles hun schuld.
+
+Deze opvatting, zooveel rechtvaardiger en menschelijker dan de gewone
+middeleeuwsche, zullen wij eerst in veel later eeuwen en in onzen tijd
+opnieuw aantreffen[22].
+
+Tot dusver hebben wij, boerden en sproken karakterizeerend in hun
+onderling verschil, gelet vooral op inhoud en geest dezer beide genres.
+Wij kunnen er nu bijvoegen dat dit verschil zich slechts ten deele in
+den uiterlijken vorm openbaart. De sproken zijn, op _het Baghijnken van
+Parijs_ na, gedicht in doorloopende verzen, paarsgewijze rijmend of met
+overslaande rijmen; de boerden, luchtiger van karakter en stemming,
+hebben in een paar gevallen den luchtiger gang van het verhalend in
+coupletten afgedeeld lied. Verscheidene dezer ernstige of komische
+verhalen zijn in allen eenvoud goed verteld,
+
+onderscheiden zich door zuiver zacht gevoel en naeve kunst, door
+vluggen lossen gang en eene soms onweerstaanbare komische kracht. Zoo
+hoog als sommige Oudfransche fabliaux staan onze boerden niet, maar op
+zich zelf beschouwd staan zij hoog. Een gevoelig en mooi stuk is de
+sproke _van het Baghijnken van Parijs_ dat ons in zijn dialogisch
+karakter en zijne wendingen telkens aan de oudere epische volkspozie
+herinnert. Zoo b.v.:
+
+ Sy ghinck voor haer moeder staen
+ Ende badt haer door (haer) houde
+ [Zijnoot: om der wille harer genegenheid.],
+ Dat syse door haer edelheyt
+ Baghyne maken woude.
+
+ Sy seyde: lieve dochter mijn,
+ Soo ghinck aen [Zijnoot: begon.] mijnen rouwe;
+ Ghy zijt van haven [Zijnoot: bezittingen.] alsoo rijck,
+ Ghy meucht wel sijn een vrouwe.
+
+De moeder tracht hare dochter te behouden voor de wereld, doch te
+vergeefs:
+
+ Die dochter keerde haer omme
+ Ende ghinck al te hant
+ Totten Baghijnkens hove,
+ Daer sij de meestersse vant.
+
+ Sy viel neder op haer knin,
+ Ootmoedelyck dat syse booch
+ Ende werp den rooden mantel
+ Ter aerden dat hy vlooch.
+
+Dat afvliegen van den rooden mantel is in zijn suggestieve kracht
+voortreffelijk.
+
+Naeve volkskunst vinden wij ook in de sproke _van Pyramus en Thisbe_.
+Te vergeefs zou men hier zoeken naar de fijnheid en berekende juistheid
+van uitdrukking, den tact, de smaakvolle zelfbeperking, ook de beeldende
+kracht van het Ovidiaansch verhaal, welks omvang nog geen vierde der
+Dietsche bewerking bedraagt. Maar deze wint het in natuurlijkheid en
+eenvoud; hare waarheid van gevoel onderscheidt zich gunstig van het hier
+en daar opgeschroefde der Latijnsche bewerking. Zij weet hare
+gemoedelijke breedheid aardig af te wisselen door levendigheid van
+alleenspraak en tweespraak, te nationalizeeren o.a. door het beeld van
+den vermoeiden pelgrim
+
+ Die lange moede heeft ghesijn,
+ Ende dan een luttel rasten [Zijnoot: rust.] heeft,
+ Ende [Zijnoot: wanneer.] hi weder gaens dan pleecht,
+ Es hi moeder dan hi was eer.
+
+door de vermelding dat THISBE sliep met andere jonkvrouwen
+
+ Die se van scake souden hoeden
+ Also als noch doen die vroeden.
+
+Hoe aardig is b.v. ook dat trekje, waarin ons geteekend wordt hoe de
+aandoening PYRAMUS overmeestert:
+
+ Daer hi Tysbee roepen soude,
+ Tusschen "Tys" ende tusschen "bee"
+ Versuchti vijfwerf ofte mee [Zijnoot: meer.].
+
+Zoo zou er meer zijn te noemen, o.a. uit de sproke _van den ouden ridder
+ende den jonghen_, waar wij een staaltje vinden van de in onze
+middeleeuwsche literatuur schaarsche ironie, hier omschreven met de
+uitdrukking "ghevensde [Zijnoot: geveinsd.] tale". Doch wij kunnen noch
+willen alles noemen, en ook in de boerden is zooveel dat verdient even
+naar voren gebracht te worden.
+
+Hoe vlot en aardig wordt het verhaal van heer GOBERT en de beide
+"clercken" verteld en hoe herinnert GOBERT'S vrouw, in hare bezorgheid
+over haar naakt-vechtenden man, aan vrouw JULOCKE uit _Reinaert I_. Hier
+als elders openbaart eene krachtige zinnelijkheid zich gaarne in
+schertsende beeldspraak, in half-omsluierde uitdrukkingen, ontleend aan
+het dorschen, het bespelen van een snaren-instrument, het ambacht van
+den kuiper. De monnik en de non, die, midden in de vreugd, op n bed
+door den duivel in het koor worden gebracht, waar alle nonnen vergaderd
+zijn, herinneren ons HEPHAISTOS' wraak, zooals zij ons in de Odyssee
+door dien meester-verteller voor oogen is gebracht. In het verhaal van
+de gestolen zijde spek worden wij op meer dan een plaats herinnerd aan
+de grappen en dubbelzinnigheden uit _Uilenspiegel_ en dergelijke
+volksboeken; ik heb het oog o.a. op den boef, die, opkijkend naar een
+bij de schouw hangende zijde spek, langs zijne wang wrijft en tot zijn
+gezel zegt: vr morgen moet hij er af; ook de wijze, waarop zij
+elkander telkens het stuk spek ontstelen, doet hier en daar aan de
+kluchtboeken denken.
+
+Voortreffelijk is het tooneeltje, waar de domme oude LACARIJS, wien
+zijne vrouw en een verliefde priester hebben wijsgemaakt dat hij dood
+is, onder een lijkkleed toegedekt, den amoureuzen paap in zijn bedrijf
+waarneemt. "Loop liever naar het bordeel!" roept hij toornig; "als ik
+maar leefde, zooals gisteren, dan zoudt gij het duur
+betalen."--"Lacarijs!" zegt de paap, "houd je oogen maar stijf dicht,
+lig stil als een molensteen; z doet men als men op de baar ligt; je
+zou ons nog bang maken."
+
+En niet minder voortreffelijk is een tooneel uit de boerde _van Heile
+van Berseele_. HEILE, een lichte vrouw, heeft afspraak gemaakt met een
+drietal minnaars, die achtereenvolgens bij haar zullen komen; maar de
+afspraak loopt in de war, en zoo is een hunner, WILLEM HOOFT, nog bij
+haar, als zijn medeminnaar, ook weer een priester, komt aankloppen.
+WILLEM wordt inderhaast in een ruimen bak gestopt, daarin opgeheschen
+tot aan de zoldering en het touw vastgemaakt. Uit zijn kraaiennest is
+hij nu getuige van het onderhoud tusschen HEILE en den pape. HEILE heeft
+den priester stilletjes beduid, wie daarboven te luisteren zit. Deze
+begint nu een verhaal van den Zondvloed; z plastisch weet hij het
+stijgen van het water voor te stellen, dat WILLEM het al benauwder
+krijgt; nog steeds hoort hij van het stijgende water... de angst wordt
+hem te machtig, hij snijdt het touw door en roept:
+
+ Nu wouds God ende goed gheval [Zijnoot: Nu zij het aan God en het
+geluk bevolen.]
+ Of Willem Hooft iet [Zijnoot: ook (soms).] zeilen zal.
+
+Z gaat deze Noach in zijn ark onder zeil.
+
+
+_b_. LIEDEREN.
+
+De kruistochten hadden ook het Dietsch sprekend volk in het Zuiden van
+Europa en in Oostersche landen gebracht. Een der gevolgen van die reizen
+was een krachtige ontwikkeling der muziek. De Grafelijkheids- en
+Cameraars-rekeningen der 14de eeuw weergalmen "van sanghe ende van
+vedelspele." Ook naar de lage landen bij de zee komt Orfeus om er de
+onbeteugelde krachten en lusten te bedwingen en te temmen.
+
+Wij vinden hier allerlei zangers en zangeressen, die liederen zingen
+soms alleen, soms in koor, onder of zonder muzikale begeleiding.
+
+Tot de reizende volksdichters en volkszangers, hetzelfde volkje dat ook
+met gedresseerde beren, geiten en apen rondtrok, behooren blijkbaar
+zangers en zangeressen, als de man die den teekenachtigen naam van "die
+wilde vos" droeg, "die sanc ende dichte voir minen here" (nl. den graaf
+van Holland); "te Berghen in Henegouwen eenen man die vedelde, sinen
+wive diere op sanc ende eene gokelaer," "'t Scoenhoven eenen menestreel
+die op een harpe speelde, daer een wyf op sanc," "te Nyerborch enen
+wive, die op de liere speelde ende sanc," "Heerkin die mitten
+cornemusekin speelde ende daerop sanc."
+
+Andere zangers behooren blijkbaar tot de menestrelen die in vasten
+dienst waren bij een of ander edelman; tot deze zou ik rekenen: het
+"sangherkin dat bi hertoghe Aelbrecht was", "Hansel tshertogen sanger
+van Gelre", "Hannekin die zangher van Apcoude", "Herman den sangher die
+miins heren (van Blois) paedse plach te wesen", misschien ook "Jacop
+vander Lucht, den zangher" en "Willem den zanger" die van den Graaf van
+Blois "twee ellen groens en twee ellen roods" krijgt, blijkbaar ter
+voorziening in zijne kleedij.
+
+Wij zagen uit de bovenstaande rekening-posten dat een menestreel soms
+alleen zingt, soms met een vrouw. Wij vinden ook wel zangers en
+zangeressen die met of zonder begeleiding, nstemmig of met hooge en
+lage stem, zingen. Uit de schrale aanwijzingen is natuurlijk niet altijd
+met zekerheid op te maken of wij hier al dan niet reizende
+beroepszangers vr ons hebben. Genoemd worden ons o.a.: "een wijf die
+op die ghisterne speelde ende twee ghesellen diere op songhen", "twee
+zanghers die een dicht zonghen van mevrouwen doot van Hollant"; "vier
+wiven die voir minen here speelden op een psalterie ende op ene
+quinterne ende daerop songhen", "drie sanghers die voer minen here
+gesongen hadden alst kermiss in den Haghe was". Soms zou men meenen een
+hedendaagsch a-capella koor aan te treffen, als men gewag gemaakt vindt
+van zangers of zangers en zangeressen die onder een met name genoemden
+leider zich laten hooren: "Wigant ende sine ghesellen die (te Mechelen)
+songhen voor minen jonchere Jan", "Meeu sijn ghesellen ende haer
+ghesellinnen die mit hem pleghen te singhen". In dit laatste geval
+hooren wij, evenals hiervoor een enkelen keer, _wat_ er gezongen werd;
+want op dien post aangaande MEEU volgt deze andere: "Item den selven
+noch ghegheven opten Jaersdach, want si dat nuwe jaer songhen in der
+sale voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden." Tot
+de concurrenten van WIGANT en MEEU behoorde ook "HEYN VAN CALES de
+sangher mit sinen ghesellen."
+
+Dit zingen in koor toont dat de wereldlijke muziek zich naast de
+kerkelijke moet hebben ontwikkeld. Voor een deel was die ontwikkeling
+zeker te danken aan de meistreel-scholen waarvan wij in het Noorden en
+het Zuiden dezer landen melding zien gemaakt. Zoo treffen wij in eene
+Cameraars-rekening van 1364 de "meysteryels van der vedelen" aan, "die
+do haer schole to Deventer ghehoelden hadden". Dat zij er welkom waren
+blijkt wel uit het feit, dat Raad en Schepenen hen op een gastmaal
+onthaald en nog een geschenk in geld gegeven hadden. In een rekening van
+1388 wordt een som gelds geboekt, die gegeven is aan den "coninc van de
+pipers van Oestervant, om mede te riden tot Berghen daer hi scoel soude
+houden van pipen."
+
+Waarschijnlijk zullen ook in de 14de eeuw, zij het eerst in de tweede
+helft, de menestrelen van eene stad zich wel tot een gilde vereenigd
+hebben. Daar elk gilde een patroon of patrones had en gewoon was den dag
+van dien patroon feestelijk te vieren, zullen ook zulke muziekgilden wel
+tenminste eenmaal 's jaars een feestelijke samenkomst hebben gehouden.
+Op zulk eene samenkomst brengen ons, naar ik vermoed, een paar liederen
+van dezen tijd: eenige leden van een gezelschap, dat, naar 't schijnt,
+_het Maria-roosken_ heet, zijn bijeen; een hunner zingt eene opwekking
+tot feestvreugd, den lof der muziek en dien van MARIA; de overigen "die
+van muziken geerne horen", zingen blijkbaar in koor een refrein[23].
+
+Naast of tegenover zulke wereldlijke muziek-vereenigingen zou men de
+scholieren kunnen plaatsen, die op Allerkinderen-dag een bisschop uit
+hun midden plachten te kiezen en met dezen aan het hoofd naar het koor
+kwamen om daar te figureeren en mede te zingen[24].
+
+Een wijder strekkend en dieper doordringend onderzoek van muziek en zang
+te onzent in de middeleeuwen blijve de taak der beoefenaars onzer
+middeleeuwsche muziekgeschiedenis. Hier moge dit weinige volstaan als
+inleiding tot hetgeen onze taak is: een overzicht en eene voorstelling
+van de liederen, die in de 14de eeuw in deze landen werden gezongen.
+
+
+GEESTELIJKE LIEDEREN.
+
+Niet talrijk zijn de liederen van dezen aard, welke met voldoende
+zekerheid tot de 14de eeuw gebracht kunnen worden.
+
+Het half Latijnsche half Dietsche lied: "In dulci jubilo singhet ende
+weset vro" uit dezen tijd is vooral van belang, omdat wij er door
+herinnerd worden aan den samenhang der geestelijke Dietsche lyriek met
+de Latijnsche hymnen en kerkliederen[25]. Opmerkelijker om zijn inhoud
+is "eyn devoet lietgen van den heilighen kerste", een kerstliedje,
+kinderliedje, dat aanvangt:
+
+ Sy namen dat kindekyn metten teenen [Zijnoot: bij de toonen.]
+ Sussoe nynnoe
+ Der heylighe kerst wil onser ghedencken
+ Sussoe nynnoe
+ Als wy suelen van ertrijc sceiden
+ Sussoe nynnoe.
+
+Op dezelfde wijze worden dan de "verssen" [Zijnoot: hielen.] daarna de
+"enckelen" in het lied gebracht en zoo beurtelings alle ledematen van
+het Christus-kind als met vroom-eerbiedige hand aangeraakt.
+
+Het zou mij niet verwonderen indien wij hier een geestelijke omwerking
+van een wereldlijk lied vr ons hadden; immers dergelijke kinderliedjes
+in den trant van ons "kinne-, kinnewipje", aanbrengers van vroegste
+zelfkennis voor het kind, zooals zij nog te onzent en in andere landen
+van West-Europa in den volksmond leven, zullen wel overoud zijn[26].
+
+Twee andere liederen hebben naar alle waarschijnlijkheid betrekking op
+een bedevaart. Het eene verplaatst ons bij zonsopgang naar bergen en
+bosschen, smeekt de bescherming van het heilig kruis af op dezen tocht,
+roept de hulp der heiligen in tot het vinden van een goede herberg en
+beveiliging tegen roovers en moordenaars te land en te water[27].
+
+Het andere is een geestelijke romance ter eere van SANTE GHEERTRUUT, de
+patronesse der reizigers. Een volksdichter heeft waarschijnlijk op dien
+tocht voor het overig "gezelschap" dat "tot onsen here god voer" het
+verhaal gezongen van den ridder die, ter wille van de schoone heilige al
+zijn goed had verteerd, die zijn ziel aan den duivel verkocht om weer
+rijk te worden en op het beslissend oogenblik door SANTE GHEERTRUUT
+wordt verlost uit de klauwen van den Booze. Er is pozie in dit lied,
+hoe weinig geoefend ook de hand was die haar verwerkte: de eenvoudige
+droefheid bij het afscheid van den ridder en zijne geliefde; de naeve
+verzuchting: had ik het maar geweten van te voren! het dwalen op een
+duisteren avond langs de wilde heide, de plotselinge verschijning van
+den Vijand, het "roode bloed" waarmee het contract wordt geschreven, de
+plastiek bij het drinken van den beker van SINT-GEERTEMINNE:
+
+ Hi nam den nap op sijnre hant,
+ Hi sette hem voor sinen mont,
+ Hi en hadde den wijn ooc niet gespaert,
+ Hi dranc hem uut al tot den gront[28].
+
+Deze en dergelijke trekken maken het wel begrijpelijk, dat een
+sprookspreker als Meester WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG geen weerstand
+heeft geboden aan den lust om de stof dezer geestelijke romance op zijne
+wijze te bewerken.
+
+
+MINNELIEDEREN.
+
+Zoo schaarsch als de geestelijke liederen zoo talrijk zijn de
+minneliederen van dezen tijd. In een handschrift van het laatst der 14de
+eeuw, dat misschien was aangelegd voor een edelman uit het Brugsch
+geslacht Van Gruythuyse, zijn ons bijna anderhalfhonderd liederen
+bewaard die ons een beeld geven van het minnelied dezer tijden. Voor een
+deel zijn die liederen misschien gedicht door zekeren jonker JAN VAN
+HULST, doch het komt mij voor dat ook andere handen in deze liederen
+vallen te onderscheiden[29]. Misschien hebben Duitsche dichters tot het
+ontstaan van dit handschrift medegewerkt; in allen gevalle worden wij al
+dadelijk getroffen door de Duitsch-getinte taal of het mengsel van
+Duitsch en Nederlandsch waarin ettelijke dezer liederen zijn geschreven.
+Het Beiersche gravenhuis had het Duitsch hier te lande in zwang
+gebracht, Duitsche dichters en zangers kwamen in het gevolg der graven
+en edelen in deze landen; het is begrijpelijk dat velen hunner getracht
+hebben aan hunne taal een Nederlandsche kleur te geven zooals de
+Fransche trouvres der 13de en 14de eeuw, in het Noorden van Itali
+rondtrekkend, de Fransche ridderpozie in veritaliaanscht Fransch
+voordroegen.
+
+Misschien zijn er ook Nederlandsche dichters geweest, die getracht
+hebben aan hunne taal een Duitsche tint te geven; het is niet
+gemakkelijk uit te maken welke der beide mogelijkheden men in bepaalde
+gevallen vr zich heeft[30].
+
+Herinneren vele dezer liederen ons door hun vorm aan Duitschland, hun
+inhoud toont in menig opzicht verwantschap met de hoofsche Duitsche
+minnepozie dier dagen. De opvatting van de liefde als een dienst, die
+wij reeds vroeger in dit verhaal hebben leeren kennen, treffen wij ook
+hier aan; ook hier zijn de rollen omgekeerd: het sterke geslacht zucht,
+treurt, klaagt en weent of vleit--het zwakke is mannelijk en fier; zij
+is de "princesse", de "keyserinne"--hij de "dienaer" of de "lijfeigene".
+De liefde is hier eerbiedig, bescheiden, het zinnelijke wordt
+onderdrukt; heimelijk smachten naar haar bijzijn, dat staat hoog; wordt
+de "stedicheit" van den minnaar ook niet beantwoord, toch blijft hij
+trouw. Hoofsch is deze opvatting der liefde in hooge mate; een dorper
+kan zich dan ook niet daartoe verheffen: "een kerel ghert der vreughden
+gheyn." Het is niet vreemd dat wij in dezen zelfden bundel een fraai
+lied aantreffen, dat van diepe minachting voor de "kerels" vervuld is.
+
+Een tegenstelling met deze liederen, gedicht onder den invloed eener
+internationale opvatting der liefde, vormt een veertigtal andere die in
+taal, gevoel en voorstelling zuiver nationaal mogen worden genoemd.
+
+Hier geen hoofschheid, neen waarlijk niet! Hier krachtig realisme en
+onbedwongen zinnelijkheid; maar ook welk een dartele levenslust en
+onbezorgde vroolijkheid, welk een helder opklinkende lach!
+
+Niet z scherp noch z volstrekt echter moet men zich deze
+tegenstelling denken, alsof alle Duitsch-getinte liederen tegenover de
+zuiver-Vlaamsche konden worden geplaatst als idealisme tegenover
+realisme. Want eenerzijds komen er onder die Duitsch-getinte liederen
+een paar voor die in dubbelzinnig schertsende beeldspraak over het
+minnespel denzelfden trant houden als sommige zuiver-Vlaamsche
+liederen[31]. Anderzijds zijn sommige zuiver-Vlaamsche stukken gedicht
+in den geest der hoofsche minnepozie; doch opmerkelijk is, hoe het
+nationaal realisme dan op sommige plaatsen door het idealistisch vernis
+heen komt kijken[32]. Overigens vindt men hier verscheidene genre's
+vertegenwoordigd: liederen over de droefheid van het scheiden, waarvan
+er een doet denken aan de later uitvoeriger te behandelen
+"wachterliederen"; nieuwjaarsliederen die waarschijnlijk bestemd waren
+om aan de liefste gezonden te worden, evenals andere die ter begeleiding
+van een bloeienden meitak zullen hebben gediend; weer andere hebben een
+meer verstandelijk karakter en handelen over de "stede" (trouw), over
+vriendschap, afgunst en nijd. Een enkel behelst klachten over de
+"niders"[33].
+
+Aan de verscheidenheid van inhoud beantwoordt een rijke verscheidenheid
+van vorm; sommige liederen bestaan uit slechts een enkel couplet, de
+meeste uit meer coupletten; de gewone vierregelige strophe komt maar een
+enkelen keer voor en dan nog met een kunstiger rijmstelsel dan de gewone
+overslaande rijmen (no. 136); de omvang der coupletten zwelt soms,
+misschien onder den invloed eener bestaande melodie, aan tot het
+buitensporige. Maar ook, hoe menig fraai lied is hier te vinden! Daar is
+dit lied op het scheiden:
+
+ Sceiden, onverwinlic leit,
+ Onvreuchdelyc es dijn beghin,
+ Dat nemic waerlic up myn heit [Zijnoot: eed.]:
+ Ten brinct gheen dinc meer lidens in.
+ Sceiden, du dwinx herte ende zin,
+ So langher tyt, so meer verdriet,
+ Sceiden, du ne ghenouchs [Zijnoot: behaagt.] mi niet.
+
+Het aardige lied op den leeuwrik, dat aanvangt:
+
+ Alotte, voghel clein!
+ Dyn nature es zoete ende rein,
+ So es dyn edel zanc;
+ Daer dienstu met den here allein
+ Te love om sinen danc.
+
+Het lied tegen de kwellende gepeinzen, die den minnaar rust noch duur
+laten, en het klaaglied over het lot van den ongelukkigen minnaar, met
+dit aardig couplet:
+
+ Trueren, waken,
+ Magher caken,
+ Selden sonder toren [Zijnoot: verdriet.],
+ Breken, maken,
+ Niet gheraken,
+ Achter meer dan voren--
+ Dit moeter al toe horen
+ Ende al den tijt verloren[34].
+
+Wij vinden hier ook meer dan een mooien beurtzang, hetzij tusschen
+ridder en jonkvrouw, minnaar en meisje, hetzij tusschen twee gezellen of
+twee speelnootjes. Als proeve kunnen hier slechts een paar coupletten
+worden medegedeeld van den beurtzang tusschen een paar gezellinnen,
+waarvan de eene aan de andere een droeve bekentenis doet:
+
+ Ghespele, in caent gheswighen niet,
+ Nu wilt mijn overzwaer verdriet
+ In trauwen helpen helen.
+ Doe ic lesten van u sciet
+ [Zijnoot: laatst afscheid van u nam.],
+ Doe addi mi allein bespiet
+ Ende ic ginc mettem spelen.
+ Ghespele, wilt beraden mi,
+ So dat mijn ere behouden zi
+ Bi wizen rade;
+ Ic wane in comme hem nemmer bi.
+ Wat sal ic doen! o wach, o wi!
+ Het es te spade!
+
+ Die ander sprac: op minen heit [Zijnoot: eed.],
+ Dat es mi waerlic alzo leit,
+ Ghespele, ic wil u claghen.
+ Waer es dijn zuver ommecleit
+ [Zijnoot: de reinheid waarin gij gekleed waart.]?
+ Nu moestu dinen aerbeit [Zijnoot: zwangerschap.]
+ Lange alleine draghen.
+ Waer es dijns hertzen toeverlaet?
+ In can di, leider! genen raet
+ Ghegheven--
+ Wint up dijn haer [Zijnoot: maagden lieten het haar los hangen.], dijn
+ guldin draet,
+ Waer es dijn vruechdenrijc ghelaet
+ Ghebleven!
+
+De realistische minneliedjes en beeldjes uit het volksleven zijn niet
+minder fraai. Het manke liefje met n oor en zwarte handen, dat knort
+als een varken, bereidt ons reeds voor op de groteske figuren van
+Breughel, en hoe gaarne zou men weten hoe het afloopt met den kapelaan
+van Hoedelem, dien wij 's morgens met den koster achter hem ter mis zien
+gaan. Maar slechts de aanvang van dat lied is ons overgebleven. Dan is
+er TUTEBIER, de marskramer, met zijn vroolijken straatroep:
+
+ Naelden, spellen, trompen, bellen,
+ Ic wil mijn merse hier nederstellen,
+ Laet zien of ic vercopen can!
+
+die aangeroepen wordt door een lachend mooi meisje, dat zoo'n moeite
+heeft om een speld van het juiste formaat te vinden:
+
+ "Merseman," seidesi, "lieve geselle,
+ "Ic hebbe een cleine cokerkijn,
+ "In vinde hier in no naelde no spelle [Zijnoot: speld.],
+ "Die wel voughen soude daer in.
+ "Hier sijn grote ende daer so cleine,
+ "Maer ic ne vinde niet dat ic meine."
+ --"Joncfrauwe, wat spellen wildi dan?
+ "Naelden, spellen, trompen, bellen,
+ "Ic wil mijn merse" enz.
+
+ "Joncfrauwe, ic hebbe een spellekijn,
+ "Dan es niet aldus cleine."
+ --"Cnape, wel moeti comen sijn,
+ "Ghi weit wel wattic meine.
+ "Wildi de spelle vercopen niet,
+ "So leen se mi of ghijt ghebiet [Zijnoot: indien gij wilt.],
+ "Ic salt u lonen, bi sinte Jan--
+ "Naelden, spellen, trompen, bellen,
+ "Ic wil mijn merse hier neder stellen,
+ "Laet zien of ic vercopen can!"
+
+Daar is verder de "maecht in vrueghden rijck" die zoo gaarne op de
+"bonghe" [Zijnoot: trom?]" wil leeren spelen; Heer WOUTER, oud en
+koud, die LYSKEN te na komt en op zijne kaken geslagen wordt; het
+avondfeestje in de schuur tusschen zuster LUTE en broeder LOLLAERT,
+waaraan zulk een onverwacht eind komt--altemaal uitingen eener krachtige
+zinnelijkheid die wel eens uit den band springt en grof wordt, doch die
+in zijn dartelen moedwil ook zulk een volheid van leven toont, zulk een
+natuurlijke bevalligheid en lossen zwier[35].
+
+De hierboven genoemde "bonghe" was een der vele muziekinstrumenten die
+na onze kennismaking met het Zuiden en het Oosten ook hier werden
+ingevoerd en gebruikt.
+
+Naar het schijnt, werd de "bonghe" ook wel "bom" genoemd en bediende men
+er zich van ter begeleiding van een zanger of zangeres[36]. Het
+_rondeel_, een der lyrische dichtvormen die in de 14de eeuw in zwang
+kwamen, werd toen ook wel gezongen met muzikale begeleiding. Een rondeel
+van amoureuzen inhoud vinden wij in een gedicht "_van den wilden man_"
+dat uit deze eeuw dagteekent; begrijpelijker wijze wordt het rondeel,
+als voor den zang bestemd, hier "liedekijn" genoemd:
+
+ Nu hoert hier dliedekijn, dat hi sanc
+ met luder stemmen eer iet lanc:
+ "Ic was wilt, ic ben ghevaen
+ "ende bracht in mintliken bande;
+ "dat heeft ene maghet ghedaen.
+ "Ic was wilt, ic ben ghevaen;
+ "Al mochtic, in woude haer niet ontgaen,
+ "des settic mine trouwe te pande.
+ "Ic was wilt, ic ben ghevaen
+ "ende bracht in mintliken bande"[36].
+
+Ook elders bleven ons nog minneliederen bewaard in eene
+Brabantsch-Limburgsch gekleurde taal, doch in z gebrekkigen toestand,
+dat men er zich geen juist oordeel over kan vormen. Zooveel is echter
+wel zeker, dat zij tot de hoofsche pozie moeten worden gebracht. Op
+meer dan een plaats immers wordt gesproken over _dienst_ en _vrouwe_,
+b.v. in eene uiting als deze:
+
+ Lijfs ende sins is hi versaeght,
+ Die dlijf [Zijnoot: het lief(je).] mint die sijn dienst meshaeght.
+
+Elders herkennen wij in "dier verreder ghevensde tale" de klachten over
+de "niders" waarvan de hoofsche minnepozie vol is. Hier en daar hooren
+wij een couplet of een paar verzen die ons een goeden dunk van het
+geheel geven. Zoo b.v.:
+
+ En mach verberghen in gheen hol
+ Hem lief vor lief, die liefs es vol.
+
+of:
+
+ Liefs troest eest beter niet ghenieten,
+ Dan na liefs troest liefs troest mesnieten [Zijnoot: ontgelden, boeten.],
+
+
+of dit deel van een couplet:
+
+ dat hem verdrote
+ 's Levens sere,
+ Die uyt sire vrouwen
+ Herte dor trouwen
+ Ghesloten were[37].
+
+Doch wij zouden er meer van over moeten hebben en vooral in een beter
+overgeleverden tekst, vrdat wij ons een algemeen oordeel zouden kunnen
+vormen.
+
+Onder de minneliederen uit het handschrift der Gruythuysens vindt men
+ook--de nabuurschap dagteekent reeds van Anakreon--een aardig drinklied
+dat aanvangt:
+
+ Scinc her den wijn,
+ Gheselle mijn,
+ Wi willen vroilic leven;
+ Het mach sulc [Zijnoot: deze of gene.] zijn
+ Noch up den Rijn,
+ Die ons gheluc mach geven,
+ Al moeten wi nu sneven.
+
+Andere, met dit lied verwante, liederen brengen ons in gezelschap van
+berooide minnaars die hunne versmade liefde zoeken te vergeten en als
+een voorspel vormen van de latere liederen der "gildekens" [Zijnoot:
+doorbrengers.] [38].
+
+
+HISTORISCHE LIEDEREN.
+
+Gebeurtenissen of toestanden en verhoudingen die in ruimen kring indruk
+maakten, ontroering verwekten onder een aanzienlijk deel van het
+Dietsch-sprekende volk, waren, zooals wij zagen, ook in een vorige eeuw
+waarschijnlijk wel tot uiting gekomen in het lied. Voorbeelden van zulke
+uitingen zijn echter niet tot ons gekomen. Gelukkiger zijn wij wat de
+14de eeuw betreft. De wassende beteekenis en invloed der burgerijen
+schijnt zich te openbaren ook in het feit, dat ten minste eenige
+historische liederen uit dezen tijd tot ons zijn gekomen.
+
+Indien wij ons herinneren welk een diepen indruk de moord op graaf
+FLORIS DEN VIJFDE in Holland maakte, dan verwondert het ons niet dat
+deze gebeurtenis tot een lied is verwerkt, noch dat dit lied eeuwen lang
+in den volksmond is blijven leven. Hoogst opmerkelijk is de wijze waarop
+de uit de geschiedenis bekende feiten hier door een ons onbekenden
+volksdichter verwerkt zijn. Spreekt de historie van een strijd tusschen
+den op zijne voorrechten naijverigen adel en den graaf dien zij
+smadelijk "der keerlen god" noemden, het lied vindt den sleutel tot de
+verklaring der gebeurtenissen in persoonlijke motieven.
+
+Graaf FLORIS, z wordt ons hier verteld, is zijne bijzit moede en wil
+haar als echtgenoote aan GERARD VAN VELZEN opdringen. Deze weigert; "uw
+versleten schoenen en wil ic niet", zegt hij in hoonende beeldspraak.
+FLORIS zint op wraak; het huwelijk van VELZEN met MACHTELD VAN WOERDEN
+biedt hem daartoe gelegenheid. Hij ontbiedt GERARD aan zijn hof; terwijl
+deze onderweg is, gaat FLORIS tot de jonge vrouwe van VELZEN en onteert
+haar. Die schennis wreekt GERARD op den schender. Verhaalt de historie
+ons dat de moordenaars van den graaf ontsnappen--de volksdichter laat
+GERAERT VAN VELSEN gevangen nemen; drie dagen lang wordt hij om en om
+gerold in een vat waarin spijkers geslagen zijn. Die marteling vermag
+hem te breken noch te buigen. Op de vraag "hoe hem nu te moede is?"
+antwoordt hij:
+
+ Ic ben noch al de selve man,
+ Die graef Floris sijn jonc leven nam.
+
+Wij mogen wel als zeker aannemen, dat deze voorstelling van zaken niet
+door den volksdichter is verzonnen, doch dat hij haar ontleend heeft aan
+een Nederduitsche sage.
+
+Van den Gotenkoning ERMANARIK en een zijner voorname heeren wordt ons
+bijna volkomen dezelfde geschiedenis verhaald; ook in Deensche liederen
+treden koning ERIK GLIPPING en zijn maarschalk, ridder STIG, in dezelfde
+verhouding op.
+
+Met dat al blijft het opmerkelijk, dat een volksdichter te onzent eene
+dergelijke voorstelling van den moord op graaf FLORIS heeft gegeven,
+waarin "der keerlen god" nu juist niet de mooiste rol heeft; zelfs kan
+men zeggen dat de sympathie des volksdichters eerder aan de zijde van
+den onbuigzamen edelman is, den wreker der bevlekte huwelijkseer en aan
+die der schoone jonge vrouw die den smaad zoo diep gevoelt. Heeft graaf
+FLORIS door een liefdesbetrekking tot eene jonkvrouw of edelvrouw
+inderdaad eenige aanleiding gegeven tot het in verbinding brengen zijner
+geschiedenis met de Nederduitsche sage? Immers, ook LODEWIJC VAN VELTHEM
+die zich overigens in dezen welingelicht toont, schrijft over de redenen
+tot den moord:
+
+ Ander secgen: dat om een Vrouwe quam,
+ Dat men hem sijn leven nam,
+ Daer hi met soude hebben te doene,
+ Die wyf was een van sinen baroene,
+ Ende datten diegene daerom lagen
+ Leiden vander stont alle dagen[39].
+
+Vr 1316 was derhalve dit gerucht aangaande de schennis eener adellijke
+dame, niet juist MACHTELD VAN VELZEN, als reden tot den moord reeds
+verbreid. Heeft VELTHEM dit gerucht leeren kennen uit het Dietsche lied
+of langs anderen weg? Tot het geven van een afdoend antwoord op die
+vragen zijn wij niet in staat. Doch hetzij den volksdichter de ware
+toedracht der zaak bekend is geweest of niet, in beide gevallen is het
+begrijpelijk dat gekrenkte huwelijkseer voor hem een aantrekkelijker
+motief was dan gekrenkte adeltrots; dat algemeen menschelijk gevoel hem
+sterker aandeed dan het belang van een bijzonderen stand, waartoe hij
+blijkbaar niet behoorde. Die aandoening zou zich ongetwijfeld
+duidelijker openbaren, indien wij het oude lied in zijn oorspronkelijken
+vorm bezaten; het moet heel wat geleden hebben in het drietal eeuwen,
+waarin het van mond tot mond ging, vrdat wij het in 1591 achter de
+_Rijm-Kroniek van Melis Stoke_ aantreffen. Doch ook in dezen verminkten
+vorm treffen ons nog de levendigheid van het verhaal in zijn vluggen
+gang, de teekenachtige beeldspraak van VELZEN tot zijn heer, de
+aanschouwelijkheid der voorstelling, de dramatische kracht; ook de
+vinding om den moordenaar, volgens een uit de sprookjes bekend motief,
+in een met spijkers doorboorde ton te rollen[40].
+
+Een landsheer in strijd met een zijner voorname edelen vinden wij ook in
+een ander lied van dezen tijd. Dat ook dit lied ons gebrekkig is
+overgeleverd, blijkt reeds uit den titel: _Van cort Rozijn_; immers de
+naam van den edelman die hier de hoofdrol speelt, ZEGER VAN KORTRIJK,
+"Segher de _Curtroysijn_" (d.i. van Courtroy), is hier verbasterd door
+een Vlaming, die blijkbaar geen Fransch kende.
+
+Wij zijn in Vlaanderen tijdens den oorlog tusschen Frankrijk en
+Engeland. De graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS, heeft de partij
+van Frankrijk gekozen; een deel van zijn volk, en daaronder twee
+invloedrijke Gentenaars, houden de zijde van Engeland. Die twee zijn
+JACOB VAN ARTEVELDE en ZEGHER VAN KORTRIJK. Vertoornd over hunne
+tegenkanting laat de Graaf ZEGHER gevangen nemen en onthoofden (1337).
+
+Opmerkelijk is ook hier de wijze, waarop deze historische kern door de
+volkspozie is verwerkt.
+
+In het lied biedt de Graaf zijn "lieven neve" den Cortrosijn het
+ruwaardschap over Vlaanderen aan; doch deze, weinig minder hooghartig
+dan VELZEN tegenover den Graaf van Holland, weigert in smadelijke
+bewoordingen: "ick leve so noode bi quaden ase" [Zijnoot: voedsel.].
+Die "spitighe woorden" zullen u berouwen, herneemt de ander; met uw
+hoofd zult gij ervoor boeten. Onvervaard door dat vooruitzicht beweert
+de Cortrosijn, dat hij nog een nacht bij des Graven dochter zal slapen.
+Toornig wendt Vlaanderens heer zich van hem af, en niet lang daarna
+wordt de weerspannige gevangen genomen. Genade bidt hij te vergeefs;
+voor het huis te Rupelmonde valt zijn hoofd onder de bijl. Maar op
+Sint-Laurensdag komt de koning van Engeland zijn aanhanger wreken; toen
+de dag ten avond kwam, lag Brugge in het roode bloed.
+
+Evenals in het lied _van Gerard van Velzen_ is ook hier het bijzondere:
+de strijd der partijen, tenauwernood zichtbaar; het algemeen
+menschelijke: gekrenkt eergevoel en liefde, staat op den voorgrond[41].
+
+Heeft de volksdichter zijne voorstelling geheel verzonnen? Wie zal dat
+uitmaken? Dat de historische stukken van dezen tijd niets van zoodanige
+verhouding weten, is wel van gewicht, maar levert geen afdoend bewijs.
+Doch ook al hebben wij hier louter verdichting, dan blijkt daaruit nog
+eens te meer het eigenaardig wezen der volkspozie, die het algemeen
+menschelijke gaarne op den voorgrond brengt, ook daar, waar het niet
+door de gebeurtenissen ten tooneele wordt gebracht.
+
+Het lied _van den Cortrosijn_ herinnerde ons den grooten patriot JACOB
+VAN ARTEVELDE. Indien de historische overlevering te werk ging volgens
+onze verwachtingen, wat zouden wij dan eer verwacht hebben, dan dat niet
+n, maar verscheidene liederen de heugenis aan ARTEVELDE'S krachtige
+persoonlijkheid en zijn tragischen dood zouden hebben bewaard? Toch
+bezitten wij niets over hem, dan een onbeteekenend fragment van een naar
+allen schijn onbeteekenend lied, dat bovendien nog van twijfelachtige
+herkomst is. Maar zijne partij, de nationale partij der "Clauwaerts",
+die de klauwen van den Vlaamschen leeuw op hunne mouwen geborduurd
+droegen, bleef leven in een kort spotliedje, uitgegaan van de
+Franschgezinde "Leliaerts", op wier mouwen de "fleur de lis" prijkte:
+
+ Clauwaert, Clauwaert,
+ Hoet u wel van den Lelyaert
+ enz.[42].
+
+Dat liedje was niet de eenige uiting van de minachting en den haat der
+voorname "Leliaerts" jegens de nationale partij. In een vierregelig
+gedichtje wordt gewezen op den overmoed van de rijk wordende "kerels".
+Uitvoeriger worden de "kerels" ons geteekend in een veel grooter gedicht
+van dezen tijd, dat van niet geringe technische vaardigheid getuigt en
+waarschijnlijk is vervaardigd door een edelman of aanhanger van den adel
+die door de "kerels" was gevangen genomen en in den "stoc" [Zijnoot:
+gevangenisblok.] gezet. Met onverholen minachting, met verdienstelijke
+plastiek en scherpen spot is de "kerel" hier afgebeeld in zijne ruwheid
+en grofheid: hij vreet look met koolstronken, met zijne handen klopt hij
+eieren door zijn heete melkpap en slaat ze naar binnen tot hij er
+scharlaken van ziet; achter het vleesch en spek zit hij heen, dat hem
+het vet langs de vingers druipt. Hoort hem kallen tegen zijn soort: mijn
+landheer vroeg mij onlangs ten eten, ik schrokte en vrat mij
+boordevol!--"Hei", roept een andere kornuit, "hoort nou ereis een
+vreemde klucht: ik heb mijn bles-merrie verruild, nu zal zij voor de
+schuit van Pieter Gerrits loopen! Heb ik hem zijn neus niet
+gesnoten?--Hadden de "kerels" de macht in handen, het zou spoedig
+klinken: slaat de heeren dood! De "kerels" van Gent kunnen het getuigen.
+Boven op een paard speelt hij ook wel voor ridder; de dorschvlegel is
+zijn speer, de wan zijn schild; "ja, zeker!" zeggen dan de overige
+rekels, "Roelof weet van steekspel houden!"
+
+Denzelfden vijandigen geest, dezelfde minachting ademt een lied "van de
+kerels" waarvan wij, sprekend over de minneliederen, reeds gewag
+maakten. In kleiner bestek doch met niet minder talent en met vaster
+hand is hier een beeld van den "kerel" omgetrokken, dat bovendien niet
+z door den tijd geleden heeft als het voorgaande. Hier zien wij hem:
+"vijand van de ruiters, langgebaard, in gescheurde kleeren, met gelapte
+kousen en schoenen, de kaproen scheef op het hoofd, altijd vol wrongel
+en wei, brood en kaas. Met een homp roggebrood in de hand gaat hij naar
+de ploeg; dan komt zijn vuil wijf er bij, de flarden hangen haar bij de
+muilen neer. Gaat hij ter kermis, dan beeldt hij zich in dat hij een
+graaf is; alles wil hij neerslaan met zijn knuppel"... in dien trant
+gaat het lied voort, om te eindigen met het grimmig dreigende:
+
+ Wi willen de kerels doen greinsen,
+ Al dravende over 't velt,
+ Hets al quaet dat zi peinsen;
+ Ic weet ze wel bestelt [Zijnoot: ik weet goed raad voor hen.]:
+ Men sal ze slepen [Zijnoot: nl. op eene horde (naar de galg).]
+ende hanghen,
+ Haer baert es al te lanc;
+ Sine connens niet ontganghen,
+ Sine dochten [Zijnoot: zouden niet deugen.] niet sonder bedwanc.
+ Wrongle ende wey, broot ende caes,
+ Dat heit [Zijnoot: eet.] hi al den dach;
+ Daer omme es de kerel so daes [Zijnoot: dwaas.],
+ Hi etes meer dan hi mach.
+
+Ook al voegt men bij deze weinige historische liederen eenige politieke
+gedichten van dezen tijd, zooals de _Jammerliche Clage_ over den dood
+van graaf WILLEM IV in Friesland, een onbeteekenend gedicht op JAN III,
+hertog van Brabant, een stuk van WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH over het
+ontstaan der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten en een paar andere--welk
+een onvolledigen en zwakken indruk krijgen wij dan nog van die
+gewichtige 14de eeuw!
+
+Doch men mag hier niet vergeten dat, vooral in de middeleeuwen, de
+pozie zich slechts ten deele openbaart door de kunst van het woord; dat
+zij voor een aanzienlijk deel latent bleef in het leven. Hoeveel pozie
+schuilt er in de werkelijkheid dier dagen, ook al richt men het oog in
+het bijzonder op de geschiedenis van land en volk. Een goed voorbeeld
+daarvan levert ons de Latijnsche kroniek, door WILLEM, kapelaan te
+Brederode, opgesteld in het eerste vierdedeel der 14de eeuw. De auteur
+verhaalt ons daar, hoe WILLEM I, graaf van Holland, op een reis naar
+Duitschland door Gelderland trekt. Uit vrees voor hinderlagen van zijn
+vijand OTTO, graaf van Gelre, heeft hij zich in geringe kleeren
+gestoken; met slechts een enkelen dienaar wandelt hij blootsvoets door
+Gelderland. Zijn weg leidt hem langs het kasteel van zijn vijand. De
+gravin staat voor het raam en ziet hem; aan zijne beenen en overige
+ledematen herkent zij den man van edel bloed en begrijpt dat het graaf
+WILLEM moet zijn. Een bode noodt hem binnen te komen. WILLEM aarzelt
+maar geeft aan de noodiging gehoor. De gravin laat hem in een kamer
+brengen en betere kleeren uit haar mans garderobe geven; zij begroet hem
+als graaf van Holland en laat niet af, al loochent hij het; op slimme
+wijs weet zij hem tot erkenning der waarheid te brengen. Bij het vallen
+van den avond komt graaf OTTO thuis. Zijn gemalin gaat hem tegemoet;
+hand in hand komen zij de zaal binnen. De verstandige vrouw vraagt of
+hij haar een belofte wil doen; de graaf stemt toe en doet er een eed op
+dat hij zijne belofte zal houden. Daarop zegt zij: huw dan onze dochter
+ALEID uit aan WILLEM, graaf van Holland.--"Droomt gij?" zegt de graaf;
+"maar mijn eed zal ik houden." Nu gaat de gravin de kamer binnen waar
+WILLEM zich bevindt, begroet hem als schoonzoon en brengt hem voor haar
+gemaal. Allen zijn verwonderd; doch sommigen zeggen: geen wijsheid, geen
+raad kan bestaan tegenover God. Lag hier niet de stof voor eene romance
+te wachten op de beeldende hand van een dichter? Die barrevoeter-graaf
+in slechte kleeren vermomd door Gelderland trekkend, die gravin voor het
+venster--typische houding eener middeleeuwsche edelvrouw--die bode, dat
+verwisselen van kleeding, die belofte van den graaf en die
+ontknooping--het is alles ongeboren pozie. Had deze kapelaan Dietsch
+durven schrijven, wie weet? Doch zijn eerbied voor HORATIUS, OVIDIUS en
+SENECA verbood hem dat en deed hem in zijn Latijn vertellen wat een mooi
+lied in de volkstaal had kunnen worden[43].
+
+
+_c_. GEESTELIJKE, STICHTELIJKE EN DIDACTISCHE LYRIEK.
+
+ Al waren alle gherse [Zijnoot: grasjes.] tonghen,
+ Die te meye oit ontspronghen,
+ Ende si alle van u songhen,
+ Si en gaven u niet te vollen prijs.
+
+Deze verzen uit een gedicht _van onser Vrouwen_ wijzen aan, waar het
+zwaartepunt ligt in de geestelijke lyriek van dien tijd: MARIA neemt de
+voornaamste plaats in. Het is haar "opvaert", hare "vijf pinen", hare
+"claghe"; wij vinden "bedinghen" tot haar, een "lof van Maria", "Ave
+Maria," "Salve Regina" en hoe die stukken verder heeten mogen. Vele
+daarvan toonen meer vroomheid dan eigenaardig karakter of talent van den
+dichter. Sommige andere verdienen op den voorgrond gebracht te worden.
+
+Zoo vinden wij drie meesters: ALBRECHT VAN KEULEN, HEYNRIC FROMATOR en
+JACOB VAN MERLANT, "een edel clerc ende wide becant" in een soort van
+wedstrijd bezig met den lof der Moedermaagd te zingen; MAERLANT'S
+lofspraak wordt de schoonste geoordeeld. Een enkelen keer treffen ons
+onder de gebeden tot MARIA fraaie stukken; zoo b.v. dit couplet:
+
+ O maghet, o moeder, o godlijc wijf,
+ O zoete, o reyne, o leytsverdrijf,
+ O lieve, o werde, o zalighe vrouwe,
+ O advocate der zonden kijf [Zijnoot: op wie de zonden kwaadaardig zijn.],
+ O onser, ellendigher, biblijf [Zijnoot: toeverlaat.];
+ O roze, vul van 's hemels dauwe,
+ O troost in node, o heils beclijf,
+ O wech der dolender, even stijf [Zijnoot: zeer betrouwbaar.],
+ O bloeyende minne, o vloeyende trouwe,
+ O moederlic herte, o maechdelic lijf,
+ O licht voor thelsche ongherijf,
+ Com, los mijn herte uut allen rauwe[44].
+
+Opmerkelijk is een stuk getiteld _Onser Vrouwen Claghe_ om den geest der
+vroegere volkspozie, dien het ademt. Zoo vinden wij hier meer dan eens
+dat spreken der personen zonder aankondiging:
+
+ Tote Adame dat hi quam:
+ "Adam, du ne wet min no mee
+ ...
+
+Ook de epische herhaling van vraag en antwoord en de deelneming van den
+dichter, die zich lucht moet geven midden in zijn verhaal met een: "Ay,
+hoe node dat hi (Adam) 't dede!"[45].
+
+Naast deze gedichten op MARIA vinden wij andere _Op het lyden Christi_,
+_ons liefs Heren passie_, _de seven ghetide van onsen here_. Hindert ons
+hier soms dezelfde platheid, die wij vroeger in de ridderpozie
+aantroffen, waar een dichter zich niet ontziet te schrijven
+
+ Dat Jhezus naect hinc als een rent [Zijnoot: rund.]
+ An den cruce moedernaect[46].
+
+Anderzijds treffen wij hier een fraai staaltje van geestelijke
+volkspozie aan in een stuk, dat den naam draagt _Van Jhesus Mynnen, een
+scoen ryme_. Men oordeele zelf:
+
+ O edele ziele mijn, en was die trouwe niet groot,
+ Dat Jhesus Christus, Marien Sone, om u vercoes di doot?
+
+ O edele ziele mijn, nu sijt hem onderdaen,
+ Want hi wilt noch anders met u spelen gaen.
+
+ O edele ziele mijn, staet op, maect u ghereet,
+ Doet uwen mantel ane, der hogher minnen cleet.
+ O edele ziele mijn, doet ane u scone juweel,
+ U brugom wilt gaen meyen met u in sijn prieel.
+
+ O edele ziele mijn, hets daer zuete meyen gaen:
+ Den wijn der melodin wort u daer opgedaen[47].
+ enz.
+
+Voorts vinden wij nog lofdichten op S. JAN BAPTIST, eene paraphrase van
+het _Miserere_, van het _Pater Noster_. Het oude geloof, dat voor het
+Christendom had moeten wijken, openbaart zich in een tooverformulier,
+dat wel gekerstend is, doch waar het oude geloof nog uit opduikt als een
+duiveltje uit een verlucht getijdenboek. Want dit is wel het
+oud-nationaal geloof:
+
+ ...
+ ... dat my gheen dinghen en moghen vellen
+ Noch gheen tonghe en moge quellen,
+ Noch yser noch stael my sniden noch slaen.
+
+Maar onmiddellijk daaraan vooraf gaat een bede tot "den heyligen kerst"
+en op den laatsten hier medegedeelden regel volgt:
+
+ Dat seder ghesmeedt waert
+ Dat Christus gheboren waert.
+
+Opmerkelijk is ook, hoe de onharmonische vermenging van oud-nationaal en
+Christelijk geloof zich hier openbaart in het gemis aan samenhang en
+harmonie van het gansche stuk[48].
+
+Vonden wij hier den mensch vooral tegenover MARIA en JEZUS, een enkelen
+keer tegenover God, in andere gedichten staat niet het godsdienstige,
+maar het zedelijke op den voorgrond. Die gedichten zijn veel en veel
+talrijker dan de weinige eigenlijk gezegde geestelijke gedichten. Meer
+en meer zien wij ook in de pozie, dat de burgerij zelf de ontwikkeling
+van haar zedelijk leven ter hand neemt, al blijft zij de priesters nog
+erkennen als middelaars tusschen haar en God.
+
+De burgerlijke dichters, die zich hier als woordvoerders der gemeente
+tot de gemeente richten, kiezen daartoe gaarne den weg van het
+verstandelijk betoog, de redeneering, de uiteenzetting, de waarschuwing.
+
+Het verwondert ons niet, bij deze neiging tot didactiek ook hier een
+paar maal het vaderlijk "lieve kindre" aan te treffen, dat wij vroeger
+in de leerdichten aanwezen, noch dat het _debat_ en daarmede verwante
+vormen hier vaak voorkomen. Juist die dichtvorm immers gaf gelegenheid,
+eene zaak door onderscheidene sprekers van verschillenden kant te doen
+beschouwen, vragen te stellen tot de hoorders om hen langs dien weg te
+brengen tot het vinden van de waarheid of ten minste van eene
+overtuiging. Vandaar dat men aan het slot van sommige dezer stukken
+uitdrukkingen leest als: "Nu mach elc vroet man merken" of "Nu gheraet
+hier naer"[49].
+
+Met het verstandelijk karakter dezer pozie strookt ook wel de lust tot
+allegorie, die hier zich zoo krachtig openbaart. De roman _van de Roos_
+moge invloed geoefend hebben op de ontwikkeling der allegorie ook te
+onzent, eene dergelijke neiging van den menschelijken geest kan toch
+niet alleen uit een boek worden afgeleid. Allerlei menschelijke
+eigenschappen en hoedanigheden, gevoelens, neigingen, toestanden, worden
+door de dichters belichaamd, treden voor ons op om, redeneerend en
+disputeerend, te leeren, te vermanen of te stichten. Het zijn Vrouw Ere,
+Vrouw Minne, Trouw, Milde; meester Baraet [Zijnoot: bedrog.] van Lozane
+en zijn vennoot Visevase; de edele vrouwe Gerechtigheid, op jacht met
+hare honden Hope en Troost, komt den jager Onrecht tegen met zijne
+honden Wankelmoed, Loosheid en Logenaar. In een gedicht van Heer
+ERENTRYCK treden o.a. Heer Hoeffscaert en Heer Mildriaen op[50].
+Ootmoedigheid disputeert tegen Wereldsche Eer, Rijkdom tegen Armoede,
+Solaes tegen Penitentie.
+
+Een der oudste stukken van dezen aard, dat nog uit het laatst der 13de
+eeuw dagteekent, is "een abel dinc ende een edel leere: _van der Zielen
+ende van den Lichame_. Het is eene bewerking van den Bijbeltekst: _de
+geest strijdt tegen het vleesch en het vleesch strijdt tegen den geest_,
+die in zijne aangrijpende kernachtigheid het zedelijk leven der meeste
+menschen samenvat[51]. Verwant met dit stuk zijn andere als "een edel
+exempel", waarin een gestorven mensch, in zijn graf liggend,
+waarschuwend en vermanend, spreekt tot hen, die over zijn graf gaan: ik
+was jong, schoon, bloeiend--nu ben ik zwart, verrot, de wormen eten mij;
+wat ik ben, zult gij worden; let dan op het eeuwige, geef aalmoezen enz.
+Ook "een figure" van een zondaar, die in de hel zijne zonden beweent en
+zijne medemenschen waarschuwt, en een drietal tweespraken tusschen een
+levenden en een dooden koning[52].
+
+Verder vinden wij een A.B.C. gedicht ter gelegenheid van het nieuwe
+jaar, vol allerlei zedelijke opwekking; een uitleg van het woord _liden_
+volgens de onderscheidene letters, die elk weer een afzonderlijke
+beteekenis hebben; eenige droomen en visioenen. De allegorie ontbreekt
+ook hier niet; zoo wordt ons b.v. verhaald van het paard dat "de
+menschelijke nature" voorstelt; dat paard wordt geregeerd met den
+breidel van "redelic verstaen"; in dien trant is de allegorie verder
+uitgewerkt[53].
+
+Wat al deze stukken gemeen hebben, is eene stichtelijke of zedelijke
+strekking; doch de dichters bedienen zich tot den opbouw van het
+zedelijk gemoedsleven hunner tijdgenooten van allerlei materiaal. De
+tweespraak is geliefd; behalve de bovengenoemde, vinden wij er een
+tusschen den Zomer en den Winter over elks meerdere voortreffelijkheid;
+een andere over de vraag, wat beter en machtiger is: geluk of geld? weer
+een ander maakt er eene "questie" van: of iemand zijn lam zal hoeden
+tegen een wolf dan wel zijne vrouw tegen een belager. Andere stukken
+geven rechtstreeksche opwekkingen tot zelfkennis, het bewaren zijner
+eer, bescheidenheid jegens zijne meerderen; zij waarschuwen tegen
+"baraet en reinaerdie", hoovaardij, afgunst, boosheid. Zij houden ons
+het beeld voor "van den IX besten", de beste vorsten die geleefd hebben:
+HECTOR, ALEXANDER, CESAR, ARTUR en anderen; zij vertellen ons van "een
+geestelijken boomgaard"; van den hemel, voorgesteld als een schoone zaal
+met vele woningen, waarin God de waard is; van een ridder die zijn zoon
+de eigenlijke beteekenis van het woord _wapen_ leert; van de raadslieden
+die een vorst tot zich moet roepen; van twaalf soorten van dienaren.
+
+Het is begrijpelijk dat dichters die er op uit waren hunnen hoorders of
+lezers praktische levenswijsheid mede te deelen, zich gaarne bedienden
+van spreuken of spreukachtige verzen. Hunne gedichten zijn dan ook vol
+spreukenwijsheid, die men vindt samengevat in een refrein, in een
+slotregel of aan het begin van een stuk als tekst; verzen als:
+
+ Gherne soud se visschen, die catte,
+ Maer node steec se den poot in 't natte.
+
+ Die wel doet, darf gheenen wisch ute steken [Zijnoot: goede wijn
+ behoeft geen
+ krans.].
+
+ Vele onderwinden en was noit goet.
+
+ Swigen brinct vele rusten in.
+
+Doch daarmede niet tevreden, brengt men spreuken in bundels samen en
+alzoo onder de menigte. Sommige daarvan zijn in onbruik geraakt; ik heb
+het oog op een aardige spreuk als:
+
+ Boven macht piint men dicke om haven
+ [Zijnoot: geeft men zich moeite om rijkdom.],
+ Want noot doet oude quenen [Zijnoot: vrouwen.] draven.
+
+Andere herkennen wij ook in dezen vroegeren vorm:
+
+ Hi en dunct mi niet te sere riesen [Zijnoot: dwaas zijn.],
+ Die van tween quaden dminste can kiesen.
+
+Of:
+
+ Met dommen dom, met wisen wijs,
+ Want het es nu der werelt prijs.
+
+Verscheidene dier spreuken worden ook in een Hoogduitschen vorm
+teruggevonden, o.a. in den bundel die bekend staat onder den naam
+_Fridankes Bescheidenheit_.
+
+Gaarne ook liet men menschenwijsheid vertolken door vogels. Soms houden
+deze "voghel sproexkene" verband met het karakter dat men een of anderen
+vogel toekende. De raaf, een onheilsvogel, zegt b.v.:
+
+ Here, dune machs niet genesen [Zijnoot: behouden blijven.]
+ Du en wilt [Zijnoot: tenzij gij wilt.] scalc und ontrou wesen.
+
+De koekoek, een "beroemech" vogel volgens onze voorouders, omdat hij
+altijd van zich zelven spreekt, zegt:
+
+ Oetmoedecheit salmen miden,
+ Want hoverde geet voren tallen tiden.
+
+Doch vaker is dit verband tusschen vogelkarakter en spreukwijsheid niet
+aanwezig en kan men het ontstaan dezer vogelspreuken slechts verklaren
+uit hetzelfde samenleven met de natuur, dat ook vroeger het lied of den
+roep van zoo menigen vogel vertolkte met menschenwoorden die er
+eenigszins op leken[54].
+
+Al dat opvoeden door middel van de pozie ging langzamerhand vrucht
+dragen: het zedelijk onderscheidingsvermogen gaat zich ontwikkelen; men
+begint scherper oog te krijgen voor eigen feilen en gebreken, en
+vooral--het waren ook toen immers maar menschen?--voor die van anderen.
+De critiek begint zich te doen gelden en invloed te oefenen, voorshands
+vooral op het zedelijk leven. De mannen die zoo gereed waren bij elk
+geschil naar zwaard of mes te grijpen, beginnen in te zien dat geen
+zwaard zoo scherp is als de menschelijke tong:
+
+ Ten snijt gheen zwert so grievelijc zeere
+ Als tonghe, die rovet des menschen eere.
+
+Menigeen moet zich onbehagelijk gevoeld hebben onder het besef dezer
+toenemende critiek. Als tolk van dezulken treedt zekere EGIDIUS op met
+een naeve klacht over het eeuwige "begrijpen" [Zijnoot: aanmerkingen
+maken.] der menschen, waaraan men niet ontkomen kan: ga ik dikwijls naar
+de kerk--ik ben een schijnheilige; laat ik het--ik ben erger dan een
+hond; draag ik een wapen--ik ben een vechtersbaas; laat ik het thuis--ik
+heet een lafaard; praat ik veel--zijn mond gaat als een Lazarusklep; zeg
+ik weinig--hij speelt stommetje; loop ik veel in de taveerne--de hel is
+zijn voorland, hij zal er nog alles doorbrengen; kom ik er weinig--'t is
+een saaie Piet! "Jeghen quade tonghen helpt geen weeren"; EGIDIUS ziet
+er niets anders op dan de tien geboden houden en de heilige kerk volgen;
+z alleen kan men rust vinden in "dit ellendighe erdsche dal."
+
+Anderen zijn niet zoo zachtmoedig tegenover de "begripers" gestemd. Dat
+voorbeeld willen zij niet volgen, zij willen liever op zich zelven
+letten:
+
+ Mijns selfs ghebrec cleeft an mi vast.
+ Dat anderen weecht, es mi gheen last.
+ Ic hebbe te draghene ghenouch an tmijn,
+ Twi [Zijnoot: waartoe.] soudic yemens begripere zijn?
+
+En tot den "begriper" zeggen zij:
+
+ So wie dat spreken wille up mi,
+ Bezye hem selven, wie hi zi.
+ Es hi goet ende al de zine,
+ So eist mi te mindre pine[55].
+
+Doch wie zich ook aan de critiek ergeren mocht, zij zweeg daarom niet.
+Het zaad, door MAERLANT uitgestrooid, dat wij reeds zagen opkomen in de
+leerdichten, droeg ook hier vrucht bij genoemden en ongenoemden.
+Ongenoemde dichters hekelden in hunne verzen het bandeloos leven in
+sommige kloosters en het kroegloopen; een ander geeft ons een aardig
+zedentafreeltje van vrouwen en meisjes die vr het avondeten
+buitenshuis op de straat komen zitten en het zoo vermoeiend vinden op te
+staan en te nijgen wanneer een kennis voorbijkomt en den kaproen licht;
+weer een ander zingt ironisch den lof van de "plaesteraers" [Zijnoot:
+vleiers.] en besluit telkens een couplet met het refrein: "ic moet emmer
+[Zijnoot: volstrekt.] plaestren leeren"[56].
+
+Onder de ons bij name bekenden vinden wij een paar "sprekers", die wij
+spoedig als dichters van beroep nader zullen leeren kennen: BOUDEWIJN
+VAN DER LOREN, waarschijnlijk een Gentenaar en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT.
+Hunne niet talrijke werken geven ons eenigszins een beeld van de in dit
+hoofdstuk behandelde pozie.
+
+BOUDEWIJN'S _Maghet van Ghend_ (omstreeks 1381) geeft een kijkje in de
+vijandige verhouding tusschen die stad en den graaf van Vlaanderen,
+LODEWIJK VAN NEVERS. AUGUSTIJNKEN'S gedicht "van (den) Sceepkene" is
+eene allegorische voorstelling van den droevigen toestand waarin de
+Hoeksche en Kabeljauwsche twisten deze landen gebracht hadden. Allegorie
+vindt men ook in zijn _Borch van Vroudenrijc_, eene voorstelling van het
+lichaam en de vijf zinnen Hekelt BOUDEWIJN personen en toestanden zijner
+dagen op scherpe wijze in de "edele sproke": _Dits Tijt's verlies_,
+AUGUSTIJNKEN schroomt niet, zich zelfs tot de pausen te richten:
+
+Petrus leyde oetmoedich leven, Daden die pausen diere gelike, Dat soude
+schinen in Kerstenrike.
+
+Ook het stichtelijk element der hiervoor behandelde pozie vinden wij
+terug in zijn gedichten over _de Schepping, Sinte Jans Ewangelium, van
+der Rycheit ende van der Doot_[57].
+
+Beide "sprekers", doch vooral AUGUSTIJNKEN, bezaten wel eenig talent. In
+BOUDEWIJN'S _Tijt's verlies_, in het laatstgenoemde stukje van
+AUGUSTIJNKEN, tevens zijn laatste werk, zijn hier en daar wel aardige
+verzen. Ook is er iets aantrekkelijks in zijn "_Sceepken_": dat bootje,
+drijvend in de Merwede, waar de dichter "in 't risen van der sonnen"
+instapt, waarin hij zich laat drijven op goed geluk, totdat hij
+eindelijk de riemen ter hand neemt--geeft ons eene aardige
+verzinnelijking der verbeelding die "vaart spelen daar draaiboom sluit
+noch hek."
+
+Beter dan hun werk echter is dat van hun kunstbroeder WILLEM VAN
+HILLEGAERSBERGH geschikt om ons de verhalende en lyrische pozie, in een
+kort bestek samengevat, op nieuw te doen zien. Vrdat wij daartoe
+overgaan hebben wij echter nog die minnepozie te beschouwen, die naar
+den geest wel verwant is met het minnelied, doch in vorm van deze
+verschilt en vooral eenige nieuwe trekken zal toevoegen aan de daar
+gegeven voorstelling.
+
+
+_d_. MINNEPOZIE.
+
+Duidelijk is ook in de minnelyriek, die niet tot het lied behoort, de
+invloed der hoofsch-ridderlijke opvatting van de liefde te zien. De
+vrouwendienst, zooals wij dien vroeger hebben leeren kennen, komt in al
+deze stukken op den voorgrond, gewoonlijk in verband met allerlei
+herinneringen aan het ridderwezen. Het bijna 900 verzen tellend gedicht
+_Van der feesten_ bevat een uitvoerig overzicht van de leer der minne,
+op scholastieke wijze verdeeld in deelen en "poenten". Wij vinden hier
+antwoorden op de vragen: wat minne is? waardoor men minne kan verwerven
+en weer verliezen? wie gestadiger zijn in de liefde: vrouwen of mannen?
+eene uiteenzetting wordt gegeven van de wijze, waarop de vier
+onderscheidene temperamenten zich in de minne openbaren. Waarschuwingen
+tegen het roem dragen op vrouwengunst, aansporingen tot het "helen" van
+den naam zijner liefste of "vrouwe" zijn niet zeldzaam. Telkens en
+telkens wijzen de dichters op de voortreffelijkheid der vrouwen.
+
+Duidelijk zien wij dat vooral in een stukje, dat getiteld is: _van XII
+cnechten [Zijnoot: schildknapen.] die ruddren worden van heeren_
+[Zijnoot: eere.]. Twaalf dappere schildknapen hebben, zonder van
+elkander te weten, een edele vrouw om minne aangezocht. Aan elk hunner
+geeft zij ten antwoord: eerst moet gij met de wapenen eere verwerven;
+dan zult gij uw loon ontvangen. Allen trekken de wereld in en worden
+ridders met eere. Teruggekeerd vragen zij om hun loon. Gij hebt het
+reeds ontvangen, zegt zij, in uw met eere verworven ridderschap.
+
+Deze voorstelling, volgens welke de vrouw de belichaming is van de
+ridderlijke idealen, vindt men ook in andere dezer gedichten, schoon
+nergens zoo duidelijk.
+
+Het is wel mogelijk dat een deel dezer werken voor een ridderlijk
+publiek zijn bestemd geweest; doch andere waren zeker voor de burgerij
+bestemd, ook al bevatten zij ridderlijke voorstellingen. Zoo ziet men
+ook in deze pozie den invloed door den eenen stand op den anderen
+geoefend.
+
+Midden in een verzameling spreuken van didactisch-burgerlijk karakter
+treft ons deze spreuk:
+
+ Spere, schilt, helm ende sweert
+ _Hebben_ gode ridders weert[58].
+
+Het Recht wordt voorgesteld als eene edelvrouwe met hare honden op
+jacht; uitdrukkingen, ontleend aan het ridderwezen, worden ook in de
+burgerlijke pozie al talrijker. Meer dan eens vinden wij herinneringen
+aan de ridderromans; in het gedicht _Van der Feesten_ worden er
+ettelijke genoemd; het Koningspel uit den roman _van Limborch_ is
+verwerkt tot een afzonderlijk stuk; de "vijf heren" en "vijf vrouwen",
+wier "wenschen" ons worden medegedeeld in een paar stukken, die
+waarschijnlijk afkomstig zijn van een of anderen spreker, behooren thuis
+in Troje; de "vier heeren", die wij voor het vuur zien zitten in een
+ruime zaal en die zich met "wenschen" den tijd korten, zijn helden uit
+het _Nibelungen-lied_. Opmerkelijk is, dat in BOUDEN VAN DER LORE'S
+_Achte Persone Wenschen_ een ridder en een edele jonkvrouw met
+geestelijken en nonnen en eene getrouwde burgervrouw zitten te drinken
+om het gelag[59].
+
+De lust tot allegorie, dien wij in de stichtelijke en didactische pozie
+opmerkten, vertoont zich ook hier. Hier openbaart zich de invloed van
+den roman _van de Roos_ zelfs in eene rechtstreeksche navolging. Wij
+bezitten nl. een gedicht van dezen tijd van meer dan 2000 verzen, dat
+blijkbaar in navolging van dat beroemde werk is gedicht en dat bovendien
+ook verwantschap toont met een deel der hier behandelde stichtelijke,
+didactische en minnepozie. Wij vinden ook hier den droom als
+inkleeding, de wandeling buiten, het zien van een kasteel, de ontmoeting
+met allegorische personages als Vrouw Hope en Twifel; later komen de
+vijf zintuigen: Heer Nouwe-zien, Heer Smakelijn, Rieke-lucht,
+Licht-gevoel en Hoor-na. Zij komen voor den zetel van Vrouwe Zuverheit,
+waar Jonkheer Lust en Jonkvrouwe Jeucht ook tegenwoordig zijn, met de
+heeren Melancholie, Collorijn en de overige temperamenten[60].
+
+Het verstandelijk element, zichtbaar in deze allegorische minnepozie,
+openbaart zich ook in de overige lyriek van minne, die van burgerlijke
+dichters afkomstig was. De liefde wordt in de pozie aangewend als een
+verstandsspel tot scherping van het vernuft. Een reeks van raadsels en
+vragen aangaande de minne, onder den titel _Der Minnen Guet_, was
+blijkbaar bestemd om door een spreker te worden gebruikt bij zijne
+voordrachten. Ook de dialogen en "twistspraken" over de minne hadden de
+strekking om in gezelschappen de wellicht eenigszins trage geesten
+gaande en de tongen los te maken. De spreker vertelde b.v. van twee
+gezellen, die uitgenoodigd worden mede te trekken naar het land van
+Overzee en die hunne liefjes vragen wat zij moeten doen; het eene meisje
+stemt toe, het andere weigert. "Nu, welc harer hadde den besten wille?"
+luidt de vraag aan het slot van het gedicht. Elders zijn wij
+tegenwoordig bij een "strijd van minne" tusschen een ridder en eene
+jonkvrouw, tusschen "Vrouw Venus en een gheselle". Ook de bovenvermelde
+"wenschdichten", al handelen zij niet uitsluitend over de minne, zijn
+met deze gedichten verwant. Een volledig pleidooi vinden wij in het
+_Jugement van Vrouw Venus_, al is dat gewichtiger als voorstelling der
+middeleeuwsche procesvoering dan om zijne literaire waarde[61].
+
+Daalt het minnedicht hier af tot het gezelschapsspel, het moet ook
+dienst doen als huwelijksmakelaar. Het conventioneel genre van den
+berijmden minnebrief, dat men in de Oudfransche en Middelhoogduitsche
+literatuur aantreft, werd in de 14de eeuw ook in de Nederlanden
+beoefend. Een vijftal Dietsche stukken van dezen aard zijn volgens het
+gewone model vervaardigd en hebben dus weinig eigens; titels als "ene
+vriendelike groete van enen lieve ten anderen" en "noch een vriendelike
+saluut van minnen" wijzen eer op invloed der Oudfransche "saluts
+d'amour" dan op dien van Middelhoogduitsche "liebesbriefe." In zulk een
+"saluut" zong een verliefd jonkman den lof eener schoone, verklaarde
+haar zijne liefde, verzocht om antwoord, hetzij een "brief" hetzij "eene
+tafele" [Zijnoot: gewast schrijftafeltje.], sloot ook wel eens eene
+roos in die hij dan als antwoord terugverzocht[62]
+
+Pozie die zulke diensten moet doen, kan kwalijk hare eer ophouden. Dat
+blijkt uit deze stukken. Wat is er geworden van den trotschen GUNTHER,
+den edelen RDEGER, den grimmigen HAGEN, die in de 13de eeuw toch nog
+indruk maakten? Het is hun vooral te doen om te lachen, met mooie
+vrouwen uit visschen te gaan, te eten en drinken, reien en dansen. Bij
+BOUDEN VAN DER LORE zit een aanzienlijk ridder met eene maagd van hoogen
+geslachte met monniken en nonnen te drinken--om het gelag! Het kan ons
+niet verwonderen dat wij een kindergrap onzer dagen als die van GRIET
+die men door een komma ten hemel of ter helle doet varen, reeds onder
+deze minnepozie aantreffen:
+
+ Ic minne een wijf die scande geert
+ Nemmermeer si pijnt na ere;
+ Wijflijcheit hat hare onweert [Zijnoot: minacht haar.]
+ Nicht [Zijnoot: niet.] haren prijs kan si meerren.
+ enz.[63].
+
+Slechts bij uitzondering vinden wij onder de minnepozie van den
+hierboven behandelden aard iets goeds, zooals b.v. in deze verzen:
+
+ Ende of ic troest sochte an hare
+ Ende sijt ontseide, wat lagher an?
+ Ic sal haer claghen mijn mesvaren;
+ In sal [Zijnoot: ik zal het niet doen.]; ic sal; in sal nochtan!
+ Ic ware een verloren man,
+ Ghelijc den snee in sonnenschine,
+ Hope ende troest dies ben ic van [Zijnoot: mis ik.]!
+ Ay lacen, die scouden [Zijnoot: schul(en).] die sijn mine![64]
+
+Waar wij verder iets aardigs aantreffen, daar is het spot met de
+hoofsche sentimentaliteit. Van dien aard is eene sterk Duitsch-getinte
+klacht van minnewee, die besloten wordt met deze regels:
+
+ Doe ich har clagede minen noot,
+ Vragede zi mi: "is Brugge groot?"[65]
+
+Recht op hun dreef komen sommige minnedichters van dezen tijd eerst in
+dartel of grof-zinnelijke stukken als de monorimes, aanvangend:
+
+ Ic quam gegaen met liste,
+ Daer ic mijn suete lief wiste,
+ Ic sprac: "lief, waer biste,?"
+
+en wat daar meer volgt.
+
+Zoo ook in de "goede boerde" van de bagijn en haar minnaar die op een
+laken door den zolder komen vallen te midden der andere bewoonsters van
+het bagijnhof; alle bagijnen slaan de handen voor de oogen, maar meer
+dan eene gluurt door de vingers. Zoo eindelijk ook in dat dartele stukje
+_Dmeisken metten sconen vlechtken_ dat aan zijne naeve zinnelijkheid
+zooveel verleidelijke bekoring paart dat de dichter of een later lezer
+er onder schreef: "Desen sproke doet mi al te sere verlanghen"[66].
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] Vgl. _Vad. Mus_., I, 369 (ook _Mnl. Ged_., ed. DE PAUW, III, 667).
+VERWIJS, _X Goede Boerden_, no. VIII: "ene boerde" en _Mnl. Wdb._ i.v.
+b.v. "die boerde van den Grale".
+
+[2] Vgl. _Mnl. Ged_. (ed. DE PAUW), I, II, 37; _Rumbeeksche
+Avondstonden_, p. 23: "eene sproke van de drie koningen": 3 achtregelige
+coupletten, elk bestemd door een der drie koningen te worden
+uitgesproken; KAUSLER, _Denkmler_, III, 204, 222, 131, 114, 109 ("dese
+miracle"). _Goede Boerden_, p. 11 (ook vs. 222: "dit exempel"); _Belg.
+Mus_., I, 326.
+
+[3] In den tekst van ons verhaal dieper in dit vraagstuk treden, zou ons
+in de vergelijkende literatuurgeschiedenis brengen. De mogelijkheid
+bestaat echter, dat voortgezet onderzoek de kennis onzer boerden en
+sproken zou kunnen bevorderen. Daarom voeg ik bij de aanwijzingen, in
+dezen door Dr. TE WINKEL gegeven; 1o eene verwijzing naar de _Hist.
+Littraire de la France_, T. XXIII, 143, 201. 2o. De stof _van den cnape
+van Dordrecht_ vindt men terug in het fabliau _du fotor (Recueil
+gnral et complet des Fabliaux_ van MONTAIGLON en RAYNAUD, I, 304). 3o.
+De stof der tot nog toe onuitgegeven boerde _van Heile van Berseele_
+vindt men, naar het schijnt, niet in de Fransche fabliaux, doch wel bij
+CHAUCER in _The Miller's Tale (Canterbury Tales)_. De vraag mag gesteld
+worden, of CHAUCER onze boerde heeft gekend? Vgl. met het oog daarop ook
+in _The Pardonere's Tale_ de passage aanvangend: "In Flandres whilom was
+a compagnie." Vgl. overigens over deze stof: _Anglia_, I, 38, 186; II,
+135. (R. KHLER). 4o. Aan het slot van het fabliau _De le vescle a
+prestre_ (MONTAIGLON et RAYNAUD, III, 106) lezen wij:
+
+Jakes de Baisiu, sans dotance, L'a de Tieus (tyois = Dietsch) en Romanc
+rime.
+
+Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van een
+paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikking zijne
+blaas te vermaken. 5o. Dezelfde stof die in de sproke "Van eenen
+verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER, _Denkmler_, III, 204-212)
+vinden wij in "_Li dis dou Magnificat_" van den Henegouwschen menestreel
+JEAN DE COND, die schreef in de eerste helft der XIVe eeuw. Vgl. _Dits
+et Contes de Baudouin de Cond_ par A. SCHELER, II, 355 suivv.
+
+[4] Vgl. _Goede Boerden_, p. 11, vs. 4; KAUSLER, _Denkmler_, III, 101;
+voorts: ald. III, 111, vs. 4-5; III, 186; _Vad. Mus._, I, 50, vs. 6-8;
+_Belg. Mus._, I, 326, vs. 12-17; 328, vs. 64-5; 336, vs. 354-5.
+
+[5] _Goede Boerden_, bl. 1, 4, 19; _Belg. Mus._, III, 108-114; KAUSLER,
+_Denkmler_, III, 165. In de boerde _van Heile van Berseele_ behalve
+Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd.
+
+[6] In de _Chansons du XVe sicle_ (ed. G. PARIS) leest men (no. LXXIX)
+de uitdrukking: "faire la follie" of "faire la sottise" in dezen zin.
+Vgl. ook: _Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged._, no. LXXI: "dat sotte dinc
+doen". Ook de Oudfransche "gabs" in de _Plrinage Jrusalem_.
+
+[7] _Belg. Mus._, X, 52.
+
+[8] _Goede Boerden_, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is
+verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen.
+
+[9] Vgl. _Lancelot_, III, 16040 en _Torec_, vs. 276.
+
+De hier bedoelde boerden zijn: _Van enen man die lach gheborghen in ene
+scrine_; _van den cnape van Dordrecht_; _een bispel van II. clerken; van
+Lacarise den katijf_ (_Goede Boerden_, ed. VERWIJS, I-IV); _Belg. Mus._,
+X, bl. 51 vlgg.: _van den man die gherne dranc_; _tghoede wijf maect den
+goeden man_; _van III. ghesellen die den bake stalen_; _Belg. Mus._,
+III, 108: _Wisen raet van Vrouwen_, vollediger in VERWIJS' _Bloemlezing
+uit Mnl. Dichters_, III; _Van Vrouwen ende van Minne_ (ed. VERWIJS), no.
+II; KAUSLER, _Denkmler_, III, 111 _van der weldaet die de duvele dede_.
+Drie onuitgegeven boerden vindt men in het Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te
+Brussel, no. 1171, 2e serie: _van den visscher van Parijs_ (_Recueil
+Gn. des Fabl._, III, 68: "Du pschor de pont seur Saine"); _van Heile
+van Bersele_ (zie boven) en _Van der vrouwen die boven haren man minde_
+(_Rec. Gnral_, V, 132-142: "De la dame qui fist entendant son mari
+qu'il sonjoit"). Ik heb de kennismaking met deze drie stukken te danken
+aan Dr. H.P.B. PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger
+vermeld Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt
+medegedeeld in de Inleiding tot zijn bundel _Van Vrouwen ende van
+Minne_, zal wel eene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die
+ook behandeld wordt in het fabliau _de Trois aveugles de Compigne_
+(_Rec. Gnral_, I, p. 70).
+
+[10] KAUSLER, _Denkmler_, III, 118-120.
+
+[11] _Van Vrouw. e.v. M._, no. VIII.
+
+[12] _Belg. Mus._, VIII, 96.
+
+[13] _Id._, X, 64.
+
+[14] Het _Baghynken van Parijs_ uitgeg. door de Maetschappij der
+Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, no. VII, volgens eene Antwerpsche
+uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk in _Konst- en Letterbode_
+van 1853, II, 50-55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in zijne _Annales_,
+no. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling (_Geistliche Gedichte des
+XIV. u. XV. Jahrh._, O. SCHADE) dagteekent echter reeds uit de eerste
+helft der 15e eeuw. Vgl. ook: _Jahrb. des Ver. fr niederd.
+Sprachforschung_, XXIII, 114. Taal en vorm van het gedicht leidden er
+mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen.
+
+De overige sproken vindt men: _Belg. Mus._, I, 326: _Een scone exempel
+van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester_; _Belg. Mus._, X,
+57 vlgg.: _van den verwenden keyser_; _de mantel van eren_; _van enen
+here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen brueder_. (Ook in
+KAUSLER'S _Denkmler_, III, 131: _een goet exemple_); _van tween
+kinderen die droeghen ene starcke minne_. (Ook in: _Taalk. Bijdr._, I,
+244, een andere bewerking); _Belg. Mus._, X, 339: _van enre nonnen
+verduldechede_; _Van Vrouwen ende van Minne_, no. VIII; KAUSLER,
+_Denkm._, III, p. 101, 118, 165, 186; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII,
+46; _Belg. Mus._, VIII, 96: _Van den ouden ridder ende den jonghen_;
+_Vad. Mus._, I, 50: _Van enen ridder die God sine sonden vergaf_; 57:
+_vanden goeden Brueder_; de exempelen in den _Spieghel der Sonden_
+opgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding, bl. LI vlgg.
+
+[15] KAUSLER, _Denkmler_, III, 204.
+
+[16] _Vad. Mus._, I, 51.
+
+[17] KAUSLER, _Denkm._, III, 165, 109; _Belg. Mus._, X, 76, vs. 1; 58,
+vs. 11; _Vad. Mus._, I, 57, 66; p. 49-50; p. 98, vs. 34-5.
+
+[18] _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3. (_Depllijcheit_ zal wel eene
+verschrijving zijn voor _Spellycheit_.)
+
+[19] Vgl. _Goede Boerden_, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166; 22, 104;
+_Belg. Mus._, X, 218 vlgg.
+
+[20] PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205.
+
+[21] _Goede Boerden_, 22, vs. 93 en 1, vs. 11.
+
+[22] _Vad. Mus._, I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing
+eerst in _Manon Lescaut_; in HOOD'S _Bridge of Sighs_, b.v. in:
+
+Still, for all slips of hers, One of Eve's family.
+
+
+De rechtvaardigheid op den voorgrond o.a. in BJRNSON'S _Handske_.
+
+[23] _Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten_, no. 99, 101.
+
+[24] De plaatsen waarop deze en de daarvoor gegeven mededeelingen
+berusten, vindt men in de uittreksels der Grafelijkheids-rekeningen
+achter JONCKBLOET'S _Gesch. der Middennederl. Dichtkunst_, III en verder
+in de _Cameraars-Rekeningen_, III, 349; DE LANGE VAN WIJNGAERDEN'S
+_Gesch. van Gouda_, I, 656; Oudste rekening der stad Antwerpen ao 1324
+(in: _Codex Diplom. Neerland. Hist. Gen._, IV, 114); _Het Lied in de
+Middeleeuwen_, hoofdstuk VII. Over muziekscholen der meistreels Deel XX
+der "_Annales de la Socit d'Emul. pour l'Etude de l'histoire et des
+antiquits de la Flandre_", p. 53. _Prludes historiques sur la ghilde
+des Mnestrels de Bruges_ door DS. VAN DE CASTEELE.
+
+[25] BUMKER'S _Niederl. geist. lieder_ etc. in: _Vierteljahrschrift fr
+Musikwissenschaft_, Leipzig, 1888, no. 63.
+
+[26] Medegedeeld door ACQUOY in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, IV,
+334-6. Vgl. overigens tal van Duitsche varianten van "Kinne Wippchen"
+in: _Das deutsche Kinderbuch_ von KARL SIMROCK, S. 5. Een Engelsch
+voorbeeld: "Here sits the Lord Mayor" in HALLIWELL'S _Nursery Rhymes_,
+p. 205. Het Fransch heeft evenzoo zijn: "_Menton d'or, bouche d'argent_"
+etc.; vgl. SCHEFFLER'S _Franzsische Volksdichtung_, I, 239.
+
+De vroegste opteekening die ik te onzent van dergelijke liedjes vond is
+van 1680 in het liedboekje _Amsterdamse-Spinhuys_, bl. 76: "Een aerdig
+Lied van een Wagenaer en sijn lief Hille":
+
+De Wagenaer die vatte sijn Lief al bij haer hoofje. Hey, wat is dat,
+Hille? Dat is mijnen krullebol, Och vader enz.
+
+
+Achtereenvolgens komen dan de _oogjes_ (kijck-uyt), _neusje_
+(snuyt-uyt), _montje_ (slock-op), _kinnetje_ (kinne-klap) enz. Dat dit
+lied eene amoureuze omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak
+niet af.
+
+[27] Vgl. bl. 199 van: _Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten der
+XIVe en XVe eeuwen_. Volgens het Voorwoord is het hs. van het laatst der
+14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord nergens gewag gemaakt
+en de liederen geven daartoe m.i. ook geen aanleiding.
+
+De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen wier namen
+zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel.
+
+[28] Vgl. _Horae Belgicae_, X, no. 39 en _Het Lied in de Midd._, bl. 605
+vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie
+overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens "overslaghend" dan
+paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz.
+
+[29] Uitgeg. in den bovengenoemden bundel _Oudvlaemsche Liederen_ enz.
+
+[30] De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht
+worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage geleverd
+in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 273 vlgg. Vgl. voorts: _Het Lied in
+de Midd._, bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, _Les Epop. Fran._ (2e d.), III,
+555 en A. DARMESTETER, _De Floovante_, p. 78: "Hodie demonstratum est"
+etc. Dr. A. NIJLAND, _Gedichten uit het Haagsche Liederhandschrift_ en
+de critiek van Dr. FRANTZEN in _Taal en Letteren_, 1896, afl. 3.
+
+[31] Vgl. no. XXXVIII en CXXI.
+
+[32] Vgl. b.v. no. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: "Woude mi de
+vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard gezet:
+"In 't scade van tween witten dien" enz.
+
+[33] Scheidliederen zijn no. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen
+doet no. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn no. 59, 60, 75, 76: in no.
+45: "den Mey die ic u minlic gheve"; voorts no. 2, 15, 33, 35, 51; de
+"niders" in no. 84.
+
+[34] no. 96, 125, 140 (opgenomen in _Het Lied in de Midd._, bl.
+269-270), 58. Beurtzangen in no. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91.
+
+[35] no. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121.
+
+[36] _Vad. Mus._, II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het
+bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men:
+"Dits een rondeel.... Vrou met eren... nacht. Ene ander maniere den bom"
+geschreven boven muzieknoten (_Vad. Mus._, III, 141). _Bonghe_, _bom_
+wordt in het _Mnl. Wdb._ verklaard met _trom_; maar in de _Oudvl.
+Lied._, no. 38 wordt van de _snaren_ der _bonghe_ gesproken.
+
+[37] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIV, 260 vlgg.
+
+[38] Vgl. _Oudvl. Lied._, no. 56, 41, 45, 49.
+
+[39] Boek III, c. 43.
+
+[40] Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied hebben wij
+te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C. BOER. (_De Gids_ van
+Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: _Hor. Belg._, II, no. 3. Vgl.
+voorts _Het Lied in de Midd._, bl. 117 vlgg. en _Middelned.
+Historieliederen_ door Dr. C.C. VAN DE GRAFT, bl. 48 vlgg. Ook nog VAN
+LENNEP'S _Vondel_, III, 350 noot op vs. 113-114. Over de bekendheid van
+het lied in lateren tijd vgl. _Het Lied in de Midd._, bl. 694, 708, 714,
+715, 729, 734.
+
+Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk in de
+16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene treffende
+overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl. HOOFT'S _Henrik
+de Groote_ (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis van _Antonis
+Nantoillet du Prat_.
+
+[41] De tekst o.a. _Hor. Belg._, XI, no. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL
+FRDRICQ, _Onze Historische Volksliederen_, bl. 16. (F. zag het eerst
+de beteekenis van den zonderlingen titel _van cort Rozijn_). Dr. V.D.
+GRAFT a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._, bl 453. De
+beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van
+Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk voor;
+vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een "fier ghelaet"
+toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste reden was om de
+stad Gent te onteeren.
+
+[42] Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRDRICQ en Dr. V.D. GRAFT
+in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook in VAN VLOTEN'S
+_Ned. Geschiedzangen_, bl. 44 en 56.
+
+[43] _Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon_ (ed. C. PYNACKER
+HORDIJK), p. 1-3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI).
+Dat dit eerste deel "krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS
+Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met ALEID
+VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze beschouwing van
+weinig gewicht. Van belang voor ons is, _dat_ de kapelaan deze
+geschiedenis in 1322 z voorstelt.
+
+[44] VERDAM in: _Versl. en Meded. Kon. Akad._, 4e Reeks, Dl. II, 156.
+
+[45] _Mnl. Gedichten_ (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar bestaat
+_Onser Vrouwen Claghe_ uit twee afzonderlijke gedichten, duidelijk
+genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het tweede
+gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af paarsgewijze
+loopen, terwijl vs. 1-185 vier aan vier zijn gerijmd, al is de tekst
+slordig overgeleverd.
+
+[46] A.w. I, 56, 332-'4.
+
+[47] A.w. I, 245.
+
+[48] VERDAM t.a.p. bl. 170.
+
+Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar de
+genoemde werken en de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._, bl. 1 vlgg.
+
+[49] Vgl. _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243; BLOMMAERT,
+_Oudvl. Ged._, II, 116, vs. 175-6; 119, vs. 179-182; 120, vs. 137-140.
+
+[50] Ook in de Hoogduitsche pozie dier dagen zulke personages; vgl. de
+bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60.
+
+[51] Vgl. BLOMMAERT, _Theophilus_, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en PETIT'S
+_Bibliographie_ i.v. In het Fransch bestaat eene "Desputaison du corps
+et de l'me" die naar den inhoud overeenkomst toont met ons gedicht.
+Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209-210. Voorts _Romania_, IX, 311; XX,
+1-55, 513-578 en _Zeitschr. f. rom. phil._, IV, 74-80. Een afzonderlijk
+onderzoek zal misschien de verhouding der beide gedichten kunnen
+bepalen.
+
+[52] Vgl. _D. War._, II, 352; III, 242; _Belg. Mus._, II, 237. Indien
+men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten van 8,
+12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken, drie
+variatie's op n thema waaruit een sprookspreker kon kiezen, dan aan
+ne).
+
+[53] De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: _D. War_,
+VII, 377; IX, 6, 142; _Vad. Mus._, II, 151; _Oudvl. Lied. en Ged._, bl.
+380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; _Versl. en Meded. der Kon.
+Akad._, 3e Reeks, Deel XII.
+
+[54] De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt men in
+_Vad. Mus._, I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van Dr. A.
+NIJLAND, p. 185; KAUSLER, _Denkmler_, III, 94 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T.
+en L._, III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.; XII, 97 vlgg.;
+XVI, 306 vlgg.
+
+Vogel-spreuken vindt men behalve _Vad. Mus._, I, 319-321, ook nog in het
+Haagsche hs. no. 721, fo 3, vo en achter een ter Kon. Bibl. aanwezig
+bundeltje, getiteld: "Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc.
+
+Vgl. voorts nog: _Jahrbuch des Vereins fr niederd. Sprachforschung_,
+no. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn vriend
+VERDAM).
+
+[55] Zie deze stukken in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 210, 289 en _D.
+War._, I, 134.
+
+[56] _Vad. Mus._, I, 82, 86, 322, 324.
+
+[57] Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S _Oudvl. Ged._, II en III.
+
+[58] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XII, 103.
+
+[59] Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' _Van Vrouwen ende
+van Minne_, p. 1, 8, 40, 42; _Vad. Mus._, I, bl. 80, 318; KAUSLER,
+_Denkm._, III, 162; BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, II, 111-120; _Tijdschr. v.
+N.T. en L._, XI, 286, vs. 15; XII, 103.
+
+In _Achte Persone Wenschen_, vs. 20 te lezen _'t Gelach_ in plaats van
+_'t Gelaet_ dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is met vs.
+179-180.
+
+[60] In de _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 233 vlgg. De invloed van den
+roman _van de Roos_ op onze letterkunde werd nog versterkt door Fransche
+navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET DE COUVIN er
+een, getiteld _Li Mireoirs as Dames_ (eerste helft der 14e eeuw). Vgl.
+_Dits de Watriquet de Couvin...._ par A. SCHELER, p. 1 suivv.
+
+[61] Vgl. o.a.: _Van Vrouw. e.v. Minne_, bl. 37 vlgg.; _Belg. Mus._,
+VII, 229; X, 84; _Vad. Mus._, I, 373, 377; Dissertatie van Dr. A.
+NIJLAND, bl. 152 vlgg.; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX, 269 vlgg.
+(misschien aanvang der 15e eeuw); _Oudvl. Lied. en Ged._, bl. 314 vlgg.
+
+[62] _Vad. Mus._, I, 366-369, 387-391. Voorts: _Die gereimten
+Liebesbriefe des deutschen Mittelalters...._ von ERNST MEYER. (Marburg.
+1899). Op bl. 88-92 behandelt de S. in "_Die niederlndischen
+Liebesbriefe_", een paar voorbeelden van dit genre uit de 15e eeuw; het
+is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden niet gekend
+heeft.
+
+[63] _Vad. Mus._, I, 369.
+
+[64] _Vad. Mus._, I, 393.
+
+[65] Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199.
+
+[66] _Goede Boerden_, no. VIII en no. VII.
+
+
+
+ONTWIKKELING VAN HET LITERAIR LEVEN.
+
+ _a_. Meistreels. Sprekers en andere dichters.
+
+ _b_. Publiek. Voordragen en Lezen. Het Boek.
+
+ _c_. Critiek en Theorie. Invloed der Literatuur. Letterroem.
+
+
+_a_. MEISTREELS. SPREKERS EN ANDERE DICHTERS.
+
+Nog altijd trekken meistreels en herauten door deze landen met vedel,
+trompet en beltrom. Wij ontmoeten hen als boden b.v. der Heeren VAN
+ARNHEM, VAN ARKEL, BRONKHORST met eene kennisgeving aan de schepenen van
+Deventer van huns heeren huwelijk of met een andere opdracht. Van een
+enkele hunner kennen wij den welluidenden naam: in het jaar 1365 vinden
+wij den heraut HOPEZOMER in de _Cameraars-rekeningen_ vermeld[1]. Nog
+altijd beoefenen zij naast de muziek de kunst van het woord. Meester JAN
+VAN VLAERDINGHEN, die genoemd wordt onder de "menistreylen" die in 1364
+te Middelburg "vor 't sacrament ghenghen", wiens vrouw en dochter ook
+tot de meistreelen behoorden, treedt elders op als dichter. In het
+toenmalig woord _vedelsage_ [Zijnoot: praatjes voor de vaak.] zien wij
+dat verband tusschen muziek en woordkunst uitgedrukt en in
+overeenstemming daarmede het woord _vedelaar_ gebruikt om een _dichter_
+(misschien een liederdichter) aan te duiden[2].
+
+Naast de menestrelen vinden wij ook nu nog de herauten. Ook zij zijn
+werkzaam als dichters. Zoo wordt melding gemaakt van "des heren hyraut
+ende sengher van Gaesbeke"; een "mynstreel", maar ook van "Jan Dyllen
+den yraut, die voer mijns heren tafel sprac". Doch de meistreels hadden
+als dichters hunne beste dagen gehad en gaan het tooneel ruimen voor
+anderen. Hebben de herauten hen ook hier te lande op den achtergrond
+gedrongen? In Frankrijk was dat, naar het schijnt, het geval. Naarmate
+de heraldiek zich ontwikkelde en steeds meer aandacht vroeg en verkreeg,
+steeg het aanzien der herauten en nam dat der meistreels af. Misschien
+heeft de dichter eener merkwaardige samenspraak tusschen een paar
+menestreelen uit dezen tijd het oog op de herauten, wanneer hij een
+meistreel tot den ander doet zeggen:
+
+ En condi geen reinaerdie,
+ Smeken [Zijnoot: vleien.], no leckeberden [Zijnoot: flikflooien?]",
+ Men sal segghen: "gaet uwer verden [Zijnoot: gaat heen.],
+ Hier en es u nu niet te doene [Zijnoot: heeft men u niet noodig.] ."[3]
+
+Doch in allen gevalle is het wel opmerkelijk dat de dichters, die
+vanouds de banierdragers der ridderlijke idealen waren geweest, niet die
+idealen zelve op den achtergrond raken. Verreweg de meesten hunner gaan
+zich uitsluitend aan de muziek wijden. Sommigen hunner laten het beroep
+varen en vestigen zich onder de burgerij; anderen zetten het zwervende
+dichtersleven voort. Een paar vertegenwoordigers dier beide soorten zijn
+het die wij in de bovenvermelde samenspraak tegenover elkander vinden.
+De een, die zich "ter neringhe geset" heeft, ontraadt den ander het
+voortzetten van het zwervend leven: vroeger ging het goed, toen de
+heeren mild waren en goedgeefsch jegens de meistreels; toen kon men van
+zijne kunst leven--maar nu? menigeen sterft van gebrek en armoede. De
+ander erkent de waarheid dier woorden ten deele; maar--zegt hij--ik eet
+zoo menigen brok, ik drink zoo menigen beker in de taverne, waar ik met
+weinig moeite aan kom, dat ik de "wandelinghe" niet kan laten.--Met
+hoevele zwervers is het slecht afgeloopen, herneemt de eerste; denk eens
+aan GIELIJS VAN TRECHT, aan JAN VAN LIER, aan meester JAN METTER HUVEN
+[Zijnoot: muts, kapje.], die allen op hunne tochten het leven hebben
+verloren. Welnu--is het antwoord--die kregen hun verdiende loon, en dan,
+ik kan eenmaal mijn vrijheid niet opgeven; word ik eens z oud dat ik
+op krukken moet gaan, kom mij dan nog eens vermanen[4]!
+
+Z scheiden zij. Deze zwerver, die zijn zwerversleven lief heeft, is
+een type dier dagen. De gansche 14de eeuw door blijven wij hem
+aantreffen. Nog in 1396 worden "piperen, heralden, ministrelen" in n
+adem genoemd met de "varende lude"; onder deze "varende lude" vond men
+de reizende dichters in gezelschap van blinde guitaarspelers, meesters
+"van suptilen drachten" [Zijnoot: behendige kunstgrepen.],
+gasten die een levend "hoofd van Jut" op hunne schouders droegen, zooals
+zekere Brabander, "die hem up sijn hooft liet slaan hoe seere [Zijnoot:
+hard.] men woude"; onder hen ook de mislukte studenten, zooals die, aan
+wien wij de gewilde dwaasheid van "de frenesie" te danken hebben[5].
+
+Niet alle meistreels geven hun beroep op of blijven zwerven. Sommigen
+hunner blijven de kunst getrouw, doch laten, naar het schijnt, de muziek
+varen om zich uitsluitend aan de woordkunst te wijden. Dezen zien wij
+gedurende de tweede helft der 14de eeuw in deze landen optreden onder
+den naam van _sprekers_ of _zeggers_. Velen hunner zijn, evenals vroeger
+de menestreelen, verbonden aan den dienst van bijzondere heeren: zoo
+vinden wij gewag gemaakt van "des heren spreker van Zevenberghen", "des
+hertoghen spreker van Gulic", van "meester JAN, een spreker die bi den
+here van Abcoude is", "eenen seggher uut Zeelant, die seide dat hi heren
+Vranken knecht van Borssel was"; "enen spreker die bi den here van
+Wassenaer placht te wesen", "des heren spreker van Gaesbeke", "enen
+spreker die den here van Lymburch toebehoorde", "enen spreker
+toebehorende den here van Gistel". Dat deze dienstmannen van adellijke
+heeren het wapen van hun heer droegen op hunne kleedij, mag men
+vermoeden uit een rekeningpost, die spreekt van "enen vreemden spreker
+sonder wapen".
+
+De burgerij volgde ook hier den adel na en nam "stadssprekers" aan; zoo
+vinden wij BOUDEWIJN VAN DER LORE als stadsspreker van Gent; "Meyster
+PETER VREUGDEGAER, den seggher van Breda", "den spreker van Monickedam".
+Misschien waren ook meester JAN VAN VLAERDINGHE, AUGUSTIJNKEN en MEEUS
+VAN DORDT, "Meester JAN, de dichter van Sente Gheerdenberghe",
+"GODEKIJN, de spreker van Tricht", "meester JAN VAN MACHELEN", "DAEM, de
+seggher van IJsselsteyn" en BERTELMEEUS VAN DELF stadssprekers; zij
+kunnen echter ook, evenals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH genoemd zijn naar
+hunne woonplaats en als vrije sprekers hebben rondgereisd.
+
+Onder de sprekers zal natuurlijk, evenals vroeger onder de menestrelen,
+verschil van ontwikkeling en aanzien hebben bestaan. Sommigen spraken
+"voor mijnen here den grave" en konden als AUGUSTIJNKEN VAN DORDT van
+zich zelven zeggen:
+
+ Want ghi bi heren, bi hoghen vrouwen
+ Te sijn pleecht.
+
+Anderen die zonder naam worden vermeld als b.v. "twee segghers ut
+Brabant", "twee duytsche segghers" zullen van minder aanzien geweest
+zijn. Doch bij gemis aan gegevens is het moeilijk hier scheidingslijnen
+te trekken en eene plaats te wijzen b.v. aan: Meester HERMAN den
+spreker, SNELRYEM den spreker, "den Jonchere van der minnen", "JANNES
+DEN COSTER" en zoo menig ander.
+
+Een paar sprekers, AUGUSTIJNKEN en zekere COLPAERT--indien deze tot de
+sprekers gerekend mag worden--kenden Latijn; WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH
+daarentegen, toch een aanzienlijk spreker, kent het niet.
+
+Dat wij naast deze Dietsche sprekers verscheidene Duitschers vinden, kan
+ons in het Beiersch tijdvak niet verwonderen; in het gevolg der
+Beiersche graven of Duitsche edelen of althans in hunne omgeving zullen
+wij een "blinden dichter van Mens" moeten zoeken, sprekers van "Beem"
+(Bohemen), Trier, Keulen, Westfalen; een spreker "die men hiet Ghetuose"
+en "enen jonghen spreker van Holsten, gheheten HOPEZOMER." Tegenover
+deze Duitschers vinden wij slechts een enkelen Franschman: "CUDELIER,
+des conincs spreker van Vrancrike"[6].
+
+Opmerkelijk echter mag heeten dat de Noordnederlanders zoo talrijk zijn,
+zoowel onder de ons bekende sprekers als onder de overige dichters van
+dezen tijd, die wij niet met zekerheid onder de sprekers kunnen
+rangschikken. Tegenover eenige weinige sprekers en dichters van Gent,
+Mechelen, Brussel staan vele uit Noord-Nederland. Misschien zijn vele
+sprekers uit het Zuiden ons in hunne werkzaamheid vooralsnog onbekend;
+doch in elk geval blijkt wel, dat de bewoners der Noordelijke gewesten
+in de tweede helft der 14de eeuw meer dan vroeger gaan deelnemen aan de
+beoefening der literaire kunst. Evenals hunne voorgangers, de
+meistreels, doen ook deze beroepsdichters niets voor niets: geschenken
+in geld of kleeren zijn het loon waarvoor zij hunne kunst ten gehoore
+brengen. AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, die een el wit laken krijgt voor een
+paar kousen, een paar laarzen met sporen om er "mijns heren zomer
+[Zijnoot: lastpaard.] mede te riden", mag ook hier als type zijner soort
+gelden.
+
+Ook elders vertoonen zich in de literatuur van dezen tijd dichters, die
+voor geld verzen leveren, al weten wij niet of wij daar met eigenlijke
+_sprekers_ te doen hebben. Zoo begint een stichtelijke opwekking tot
+menschen van allerlei nering of bedrijf met deze regels:
+
+ Omme 't ghebrec van goeden lone
+ Blijft menich rijm te makene scone
+ Van den dichters openbaer
+ Die lustelic te hoorne waer[7].
+
+In een allegorisch gedicht over een burcht, die _Vaste Hoede_ heet,
+deelt de auteur ons mede, dat hij aan de burchtvrouw verzocht had hem
+een onderwerp voor een gedicht te geven, "want ic met dichtene mi
+ghenerde". Met het voordragen van _boerden_ vielen kostelijke kleeren te
+verdienen; "constenaers", die in een herberg een "nieuwen zanc" ten
+gehoore brachten, werden daarvoor beloond[8]. Dat de berijmde
+minnebrieven en minne-naamdichten van dezen tijd op verzoek en voor geld
+gemaakt zijn, valt niet te bewijzen; doch hunne volslagen kleurloosheid
+zou doen vermoeden, dat zij gemaakt zijn door anderen dan door de
+minnaars zelven en dan zeker niet voor niet[9].
+
+Verzen maken voor geld of ander loon, de dichtkunst opgevat als een
+beroep--dat scheidt deze dichters van andere, die andere beweegredenen
+hadden tot dichten.
+
+Die anderen waren zich wel bewust dat zij tegenover de beroepsdichters
+stonden; immers niet zelden laken zij dezen in hunne geschriften. De
+auteur van _den Grimbergschen Oorlog_ berispt de "consteneren die hem
+met dichten generen", omdat zij verzonnen en onware zaken vertellen; in
+den _Spieghel der Sonden_ worden speellieden en goochelaars genoemd in
+n adem met degenen, die "valsche rime visieren" [Zijnoot: verzinnen.];
+in een ander didactisch werk vinden wij een waarschuwing tegen de
+"smekende [Zijnoot: vleiende.] menestrelen". JAN BOENDALE volgt zijn
+meester ook in diens afkeer en afkeuring van de meistreelen; in zijne
+_Teestije_ laat hij zich minachtend uit over hen:
+
+ Die asaghen [Zijnoot: sprookjes.] ende tureluren
+ [Zijnoot: beuzelpraatjes.]
+ Dichten vander avonturen.
+
+Scherp laakt hij het in de edelen, dat zij hun goed geven aan rabouwen,
+meistreels en herauten, opdat deze hen zullen prijzen en hun lof overal
+verkondigen; een mooie lof, voegt hij er aan toe, die door "knechten en
+boeven" gegeven wordt! En in zijn _Lekenspieghel_ klinkt het nog eens
+schamper: zoo zijn de "yrauden": noode komen zij thuis eten, als zij het
+elders gratis kunnen krijgen[10].
+
+Behalve JAN BOENDALE zijn ons slechts enkele dichters, die tot deze
+groep behooren, bij name bekend. Hunne beweegredenen tot dichten mogen
+onderling verschillen, alle wortelen zij toch in het godsdienstig of
+zedelijk gemoedsleven. De Ypersche chirurgijn JAN DE WEERT b.v. had vrij
+wat wereldsche pozie gedicht vrdat hij zijn _Nieuwen Doctrinael_
+schreef, om daarmede de dichterzonden zijner jeugd te boeten. Als
+dichter van _Sinte Amands Leven_ kennen wij den jongen geestelijke
+GILLIS DE WEVELE van Brugge. Deze legt er den nadruk op, dat hij met
+zijn werk geen "winninghe van gelde" of ander loon beoogt; zijn loon
+wacht hij slechts van God. Een andere beweegreden, door hem genoemd, is
+angst voor de "ledicheit", immers ook heden nog des duivels oorkussen.
+Een lofdicht op MARIA werd geschreven uit "groote vreeze", blijkbaar
+voor de vergelding die den zondaar wacht. Het _Vagevier van Sinte
+Patricius_ dankte zijn ontstaan aan het verlangen des dichters om den
+boozen afkeer van hunne boosheid in te boezemen. Andere geestelijke
+dichters vragen: bid voor mij die dit schreef, of beloven den lezers
+kwijtschelding van zonden[11].
+
+Is ook de liefelijke sproke _van Beatrijs_ te beschouwen als een soort
+van boetedoening? Zekerheid hebben wij hier niet. De dichter
+(dichteres?) vangt zijn werk aan met:
+
+ Van dichten comt mi cleine bate;
+ Die liede raden mi dat ict late
+ Ende minen sin niet en vertare
+
+Doch het is bezwaarlijk uit te maken of met deze "bate" al dan niet
+geldelijk voordeel bedoeld is; of wij hier een beroepsdichter vr ons
+hebben die zijn beroep vaarwel zegt, of een leek, die vroeger wereldsche
+pozie had gedicht en nu iets beters wil geven.
+
+Dit is trouwens niet het eenige geval, waar wij in onzekerheid blijven
+omtrent de personen der dichters van de 14de eeuw. Van sommige kennen
+wij de namen, doch ook weinig meer; van andere weten wij zelfs den naam
+niet en naar hunne persoonlijkheid kunnen wij slechts gissen. Wij weten
+dat LODEWIJK VAN VAELBEKE een bekend menestreel is geweest, die in den
+aanvang der 14de eeuw stierf en zich naam had gemaakt o.a. door zijne
+"stampin" (misschien eene soort van dansliederen). OTTO VAN ORLEIEN
+schreef eene "bedinghe van onsen Here", die niets karakteristieks heeft;
+de samensteller van _die Cracht der Mane_ heette HEINRIC VAN HOLLANT.
+Als dichter van den _Seghelyn van Jeruzalem_ noemt zich LOY LATEWAERT,
+dien wij om zijne literaire kennis en aanhalingen van door hem zelven
+vertaald Latijn voor een eenigermate ontwikkeld man moeten houden. Was
+hij misschien een "clerck", verbonden aan den dienst van een edelman?
+Diezelfde gissing zou men willen wagen ten opzichte van den man, die ons
+het verhaal _Van den borchgrave van Couchi_ naliet; bij den _Malegijs_
+en de overige ridderromans van dezen tijd zal men over het algemeen
+misschien eer aan meistreelen dan aan "clercken" moeten denken.
+
+In een aantal vierregelige wapendichten op de edelen, die met WILLEM IV
+in Friesland sneuvelden, meen ik de hand van een heraut te herkennen.
+Elders kunnen wij zelfs geen gissing wagen. Wie schreef b.v. den
+geestelijken roman _Van Jonitas en Rosafiere_? BOUDEWIJN VAN DER LORE
+noemt zich als auteur van _Achte Persone Wenschen_; doch wie schreef de
+overige wenschliederen? Hier staan wij in een duisternis, die bij
+voortgezet onderzoek misschien zal verdunnen tot den nevel, waarin wij
+een dichter als JAN VAN HULST zien, een zanger als die EGIDIUS, wiens
+dood ons gemeld wordt in dat roerend klaaglied dat aanvangt:
+
+ Egidius, waer bestu bleven?
+ Mi lanct na di, gheselle mijn!
+ Du coors [Zijnoot: verkoost.] die doot, du liets mi tleven.
+ Dat was gheselscap goed ende fijn,
+ Het sceen, 't een moeste ghestorven sijn[12].
+
+
+_b_. PUBLIEK. VOORDRAGEN EN LEZEN. HET BOEK.
+
+Het publiek waarvoor deze dichters optraden, wisselde af evenals vroeger
+naar gelang van de pozie en van den voordrager.
+
+Voorname sprekers, zooals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG en AUGUSTIJNKEN VAN
+DORDT, zullen zich vooral tot de aanzienlijken hebben begeven om hun
+werk voortedragen. Dat blijkt wel uit het "heren en cnapen", waarmede
+zij hunne hoorders niet zelden toespreken. Menige sproke zal ook wel in
+de eerste plaats voor den adel bestemd zijn geweest. Zoo wordt in _de
+Mantel van eren_ het wapenschild beschreven van den edelen ridder, wiens
+lof hier was verkondigd: "van lazure // met twee ramshorne van
+goude"[13]. In een andere sproke echter, van het Jodenmeisje dat
+Christin wordt, spreekt de dichter zijn publiek aan met: "gi goede
+liede"; diezelfde uitdrukking vindt men in het heiligenleven _van Sint
+Amand_, doch afgewisseld door: "ghi lieden alle ghemeene... knapen,
+joncwive, vrouwen ende heeren." Dat de boerden vooral voor de burgerij
+bestemd waren zou men op zich zelf reeds vermoeden; dat vermoeden krijgt
+meer zekerheid door een aanvang als: "Alle swighet ende hoert," of:
+
+ Ghi goede liede, hoort na mi!
+ Selke boerde en hoerdi nie
+ Als ic u hier sal vertellen.
+
+Maar ook sproken en andere ernstige stukken zullen zeker wel eens voor
+de mindergegoede standen zijn voorgedragen. De sproke van de edelvrouw,
+die "vigilyen" voor de dooden placht te lezen, richt zich niet tot edele
+heeren of vrouwen, doch tot "alle... eist wijf of man", en aan het slot
+van een notabel lezen wij: "Secht "amen" die hier zijn omtrent[14]."
+
+Nog altijd was de literatuur bestemd in de eerste plaats om te worden
+voorgedragen en gehoord; ook zelfs een populair-wetenschappelijk werkje
+als _die Cracht der Mane_; ook een prozawerk als het _Leven van Jezus_
+richt zich tot degenen "die dit lesen (voorlezen) selen ende hoeren
+lesen". Het verzoek om stilte en aandacht blijkt ook in deze tijden nog
+niet overbodig. Evenals in de 13de eeuw werd de voordracht van pozie
+nog wel door muziek begeleid. In den aanvang der boerde _van Heile van
+Berseele_ ten minste wordt het vertellen van schoone avonturen genoemd
+in verband met "vedelen en singhen" en "somtijd spelen metter harpen".
+De taverne zal wel--wij hoorden het reeds van den zwervenden
+meistreel--de plaats zijn geweest waar men de meeste kans had een
+rondreizend dichter aan te treffen en zijne voordrachten bij te wonen.
+Een jonkman die gaarne met goede gezellen uitgaat, gaarne een rooden
+mond ziet en lachende vrouwenoogen, vertelt ons hoe hij "te wine" of "te
+biere" zit:
+
+ Ende hoor daer singen ende boerden spreken.
+
+Voor een droge keel wist de voordrager zich te wachten; aan het slot der
+zedenschets _van den man die gherne dranc_--een dorstige stof--klinkt
+het:
+
+ Nu, gheeft mi drincken metter vaert
+ Want drincken dat es al mijn aert[15].
+
+Tusschen de overgroote meerderheid der hoorders van eenig literair werk
+zagen wij in een vroeger tijdperk hier en daar ook eenige lezers. Die
+lezers zullen langzamerhand talrijker worden, al blijven zij nog lang
+tevens hoorders.
+
+Onder een zich ontwikkelend volk, onder eene zich ontwikkelende burgerij
+vooral, neemt de vraag naar literatuur in dezen tijd steeds toe. De
+literatuur van een vroeger tijdvak vindt nog altijd aftrek; de werken
+der 13de eeuw immers zijn ons bewaard gebleven vooral in afschriften der
+14de eeuw. Doch ook de geschriften van tijdgenooten worden door
+afschrijvers vermenigvuldigd. De bescheiden RUUSBROECK was er niet op
+gesteld dat men zijne werken langs dezen weg onder de menschen bracht.
+Slechts heimelijk durfde een priester, die zijn "notarius" geweest was,
+Heer JAN'S werk aan eenige bewonderaars toevertrouwen tot het nemen van
+een afschrift[16].
+
+Adellijke heeren en vrouwen wekken schrijvers op tot het samenstellen
+van een of ander letterkundig werk. Zij wenschen een stuk dat men hun
+waarschijnlijk eerst voorgedragen heeft, in bezit te hebben. Zoo schenkt
+in 1360 de Graaf VAN BLOYS 19 schellingen en 4 stuivers aan JAN BOT den
+"segger", "want hi ene sproke gemaect hadde, ende in gescrifte overgaf,
+van minen here van Byamont, des God ghedenke"; in 1398 krijgt de spreker
+van Monickedam "die mynen here een sproke van de Vriezen overgaf" twee
+"nye gulden"[17]. Men begint een boek als een geschenk te beschouwen:
+jonkvrouw JOHANNA VAN BLOIS krijgt voor haar Paschen "enen nuwen
+boexkine" ten geschenke, "daer in stont onser Vrouwen legende"[18]. Ook
+uit andere feiten blijkt ons, dat de adel prijs stelt op boeken: de
+Vlaamsche graaf ROBRECHT VAN BETHUNE bezit een boek van _Godefroi de
+Bullion_, van _Merlin_ en de _contes du Barisiel_; een Henegouwsch
+edelman, GODEVAERD VAN NAAST ( 1337), bezit reeds eene kleine
+boekenverzameling: _le message Carlemaigne_, de geschiedenissen _d'Alis
+et l'Empereur et du roy Ingres_, van _Atis et Prophelias_, van
+_Sidraach_, van _Mainnet_, de _Aventures d'Oultremer_ en den _Veus dou
+Paon_.
+
+Lezen de Leliaerts Fransch--de Clauwaerts houden zich aan hun Vlaamsch.
+
+Welk een belangstelling in literatuur en wetenschap spreekt er uit de
+boeken, die wij in de tweede helft der 14de eeuw in het bezit vinden van
+aanzienlijke en eenvoudige Gentsche burgers. De handschoenmaker JAN DE
+BEERE heeft een _Bestiaris_, een _Lucidarius_, een _(Wapene) Martin_,
+een boek _van den Landsheren_ en _Evangelin in vlaems_. WILLEM VAN DEN
+PITTE, lakensnijder en eerste schepen, is eigenaar van den "_Spieghel
+Ystoriaelle_ in twee bouken ghescreven". Meester SYMOEN ELYAES,
+waarschijnlijk een chirurgijn, bezit een _Barlam_, een "cleennen"
+_Spieghel_" en "een deel van der Biblen". De Clauwaert JAN WASSELINS
+heeft een heele bibliotheek. Evenals de twee eerstgenoemde Gentenaars
+heeft ook hij een "Bibele in vlaemsche"; maar wat heeft hij al niet
+meer! Zijne boekerij is bijna een kort begrip onzer middeleeuwsche
+literatuur, voorzoover daarin de voorname genres behalve het lied en het
+drama vertegenwoordigd zijn. Wij vinden onder zijne boeken geestelijke
+werken over _de Passie_, over _Adam en Eva_, _van der Zielen_ en _van
+der ghuldene baghe_; ridderromans _van Ogier, Seghelijn, Isenbaert_[19];
+zedekundige werken en leerdichten: van SENECA, "_Pietagoras bloume_",
+_Jans Testye_, een paar "doctrinaelen", een _Bestiaris_, _Melibeus_, een
+_Wapene Martijn_; een historisch werk over de Pausen en een Kroniek van
+Vlaanderen, Brabant en Frankrijk; wetenschappelijke geschriften over
+astronomie en medicijnen. Ook "_een bouc van Reynaerde_" ontbreekt
+niet[20].
+
+Zouden deze Vlamingen de eenige bezitters van boeken geweest zijn? Met
+het oog op het groote aantal handschriften der 14de eeuw, zal men wel
+mogen aannemen dat er verscheidene andere boekenliefhebbers waren. De
+lust tot lezen bracht meer boeken te voorschijn; die boeken brachten op
+hunne beurt meer menschen aan het lezen. JAN BOENDALE waarschuwt wel
+tegen de lezing van ijdele boeken, maar toch:
+
+ Alse ghi den tijt corten wilt,
+ In u camere ghi u sluten silt
+ Ende roepen uwen sceppre an;
+ Oft ghi selt boeke hebben dan
+ Van Gode oft van goeden zeden
+ Ende niet van idelheden
+ Ende selse lesen oft doen lesen[21].
+
+De _Melibeus_ spreekt niet alleen van _lezen_ maar ook van _overlezen_
+en broeder GHERAERT, de Karthuizer-prior, neemt in zijn afschrift van
+RUUSBROECK'S _Tabernakel_ ook meeningen van anderen op, opdat "een
+subtijl ende verlicht lesere yet orberlics [Zijnoot: nuttigs.] daer uut
+moghe _mediteren_"[22].
+
+Naast de voordracht van proza of pozie, die zoo gemakkelijk ten ooren
+invloeide en geen tijd liet tot overpeinzen van wat men niet
+onmiddellijk begreep, komt nu langzamerhand het nadenken over het
+gelezene, het worstelen met een stuk dat men niet dadelijk vat. In een
+vroeger door ons genoemd allegorisch gedicht zien wij vier personages,
+die elk een der temperamenten voorstellen, bezig met een lied waarvan
+zij den zin niet kunnen vatten. Nu spreken zij af:
+
+ Dat si souden al ghemeen
+ Studeren, peinsen, nacht ende dach,
+ Bezien wiet eerst ghevinden mach[23].
+
+Dit critisch lezen vindt een tegenhanger in het critisch vergelijken der
+onderscheiden handschriften van n werk om daaruit een goeden tekst
+samentestellen. Devote bewondering van RUUSBROECK'S geschriften bracht
+een lateren bewoner van Groenendaal tot het verzoek aan alle minnaars
+der waarheid, om onderscheiden exemplaren van een werk des meesters te
+vergaderen "op dat sy doch uut enighen, of nu uut den eenen, dan uut den
+anderen, den gherechten sinne vinden ende setten moghen."[24].
+
+
+_c_. CRITIEK EN THEORIE. INVLOED DER LITERATUUR. LETTERROEM.
+
+Langs deze en dergelijke wegen ging zich de literaire critiek
+langzamerhand ontwikkelen.
+
+De vorige eeuw had hare geboorte gezien uit het verschil in aard,
+temperament en smaak der menschen. MAERLANT had zich ook hier weer een
+vertegenwoordiger van zijn tijd getoond, want in zijn werk vooral vinden
+wij die klachten over het "beniden", de "niders" en de "nidechede" onder
+degenen voor wie zijn werk bestemd was[25]. Doch in de 14de eeuw zien
+wij de critiek toenemen. BOENDALE en de auteur van _Der Mannen ende der
+Vrouwen Heimelycheit_ klagen over de "beniders" evenals hunne
+voorgangers in dezen; doch in een didactisch stukje van een hunner
+tijdgenooten, zien wij de critiek zich uitbreiden ook tot hen die in
+wetenschap of muziek zich onderscheiden, en daardoor de ijverzucht van
+anderen opwekken. Want z laag is de opvatting van critiek in 't
+algemeen nog, dat men haar toeschrijft in de eerste plaats aan
+ijverzucht of afgunst.
+
+In het bovenbedoeld stukje lezen wij:
+
+ Predict een cleerc die waerheit
+ Of toecht een zijn meesterie,
+ Pijpt hi, zyncht hi, of dichte seit,
+ Of spel toecht of melodye,
+ Ezels ende rude saeftiere [Zijnoot: broddelaars, knoeiers.]
+ Die der consten niet en weten een haer,
+ Sullen bi ombekender maniere [Zijnoot: uit gemis aan ontwikkeling.]
+ Haestelic vinden daer an een "maer"[26].
+
+Doch niet alleen op andermans werk ook op eigen werk en talent gaat de
+literaire critiek zich richten.
+
+De samenstellers van _Sinte Amands Leven_ en van _de Tien Plaghen_
+beseffen wel dat zij geene "meesters" in de kunst zijn, dat "diepheit
+van dichtene" en "sproken van cunsten fijn" hunne zaak niet is. De
+bewerker van den _Spieghel der Sonden_ is zich ook wel van iets
+dergelijks bewust; doch hij acht dat van geringe beteekenis: "de rime"
+moge van minder allooi zijn, wat schaadt dat, indien de _Spiegel_ maar
+helder is[27]?
+
+En dan, de critiek was niet louter afkeuring. MAERLANT brengt zijns
+ondanks hulde aan de bevalligheid der ridderpozie waartegen hij in
+later tijd te velde trok en BOENDALE volgt hem ook in die hulde.
+MAERLANT zelf werd bewonderd en geprezen door wie na hem kwamen en
+AUGUSTIJNKEN VAN DORDT na zijn dood geroemd als "een constenare fijn."
+
+Zelfs zouden wij een oogenblik kunnen meenen, dat men toentertijd te
+onzent reeds beroeps-critici gekend heeft, wanneer wij gewag hooren
+maken van
+
+ Die meerkeren ende de wijsen
+ Die de grote cunste prisen[28].
+
+Doch ook al laten wij deze plaats uit een sterk Duitsch-getint gedicht
+ter zijde, dan nog blijkt uit al het voorafgaande wel, dat men aan
+pozie en alles wat haar raakt meer gewicht gaat hechten dan vroeger.
+
+Reeds het veelvuldig gebruik van den droom als potischen vorm wijst op
+een hooger opvatting van pozie. De dichters wilden hierdoor op naeve
+wijze te kennen geven dat pozie iets buitengewoons is, iets dat buiten
+of boven de gewone werkelijkheid staat. Het visioen der mystieken breidt
+zich in steeds breeder en flauwer wordende kringen over ons volk uit.
+
+Dichtkunst en pozie worden opgenomen onder de stoffen van het
+dagelijksch gesprek, zij het dat wij daarvan vooralsnog slechts n
+bewijs kunnen bijbrengen: HILLEGAERTSBERCH laat "een leeck dichter" en
+een "clerck" zich onderhouden over "dichten ende const". JAN VAN HULST
+(of welke andere Vlaamsche dichter ook) acht het der moeite waard, ons
+het dichten, componeeren en opschrijven van een lied tamelijk uitvoerig
+te beschrijven.
+
+Geen auteur van dezen tijd leert ons de toenmalige opvatting en
+beschouwing van dichters en dichtkunst beter kennen dan JAN BOENDALE.
+
+In den proloog van zijne _Teestye_ doet hij ons reeds eenige
+bekentenissen over zijne neiging tot en zijne beschouwing van pozie.
+Hoog is die beschouwing niet; de neiging tot pozie komt bij hem voort
+uit afkeer van ledigheid, doch tevens uit zijne natuur; pozie is
+vermoeienis des geestes, doch daarom verzaakt hij haar niet. Hij hoopt
+zich met deze "reyne onlede" [Zijnoot: bezigheid.] bezig te houden,
+zoolang God hem het leven gunt, en zijn talent aan te wenden ten dienste
+van zijn beschermer, Heer ROGIER VAN LEEFDALE[29].
+
+Veel gewichtiger echter voor ons doel is het bekende hoofdstuk uit het
+derde Boek van _der Leken Spieghel_.
+
+Het heeft BOENDALE getroffen, dat in zijn tijd zooveel leeken naast de
+"clercken" optreden als dichters; daarom acht hij wenschelijk uiteen te
+zetten, wat noodig is om een recht dichter te zijn. Wenschelijk, want:
+"dichten en is geen spel." Drie dingen zijn noodig: een dichter moet de
+taalkunde en de kunst van schrijven verstaan; waarheidlievend moet hij
+zijn en eerzaam van leven. Hij moet zich toeleggen op schoone taal en de
+woorden te voegen "elc na sinen scoonsten accoorde", hij moet juist
+schrijven en spellen, begrip hebben hoe men een stuk moet opzetten,
+voltooien, en stevigen door kracht van voorbeelden. Leeken, die van dit
+alles, de kunst der "gramarie", geen verstand hebben, deugen niet voor
+dichter; zij missen den onontbeerlijken grondslag.
+
+Een poet moet de waarheid liefhebben. Want hij wenscht toch, dat men
+zijne geschriften leze en blijve lezen. Wordt hij nu op onwaarheid
+betrapt, dan zal men hem niet meer gelooven en zijn dichternaam is
+verloren. Er zijn bovenal twee dingen, waarin hij niet mag liegen:
+historische feiten en de Bijbel. "Eere wien eere toekomt", dat zij de
+leus van den rechten geschiedschrijver; onwetendheid, gunst en afgunst
+doen de waarheid vaak verzwijgen--maar men bedenke, dat leugen de ziele
+doodt en dat wij rekenschap moeten geven van elk ijdel woord. Terecht is
+JACOB VAN MAERLANT, "die vader is der Dietsche dichtren algader", zoo
+uitgevaren tegen de leugendichters, die met vernuft en in mooie taal
+allerlei onwaarheid verteld hebben van historische personages als KAREL
+DE GROOTE en OCTAVIANUS. Zoo vertelt men van KAREL dat hij indertijd uit
+stelen gegaan is, dat hij door zijn vader op een kar bij een dienstmaagd
+verwekt is; van OCTAVIANUS dat hij bij Leuven geboren is "ten Zeven
+Tommen" [Zijnoot: bij de zeven graven.]. Alles leugens! Zulken
+leugenaars moest men het dichten verbieden! 't Is waar, zij willen de
+menschen iets nieuws opdisschen om er geld of eer mede te winnen. Ja,
+men vertelt wel eens verzonnen dingen, zoo b.v. van Reynaert en Izegrim
+en Bruin den beer; maar daar is het te doen om leering en wijsheid. God
+zelf sprak immers ook in parabelen!
+
+Het tweede, waarin men geen onwaarheid spreken mag, dat zijn heilige
+boeken, levens der heiligen en alles wat tot de heilige Kerk behoort;
+want die heeft haar grondslag in JEZUS CHRISTUS, die alleen de waarheid
+is.
+
+Wil hij in zijn werk de menschen op het rechte pad brengen, priesters en
+ridders deugd en wijsheid leeren, vaak hen berispen, dan moet hij zelf
+een deugdzaam man zijn. Leeringen wekken, voorbeelden trekken. Let eens
+op de dichters die er vroeger waren: MOZES, (FLAVIUS) JOSEPHUS,
+ARISTOTELES, CATO, SENECA, PLATO, HORATIUS, OVIDIUS, HIERONYMUS die den
+Bijbel vertaald heeft--allen dichters in eere en deugd. Niemand heeft
+ooit JACOB VAN MAERLANT op een leugen betrapt, want zijn leven was
+eerzaam, zooals een dichter past.
+
+Dichter moet men zijn van nature; zijt gij door de natuur niet tot
+dichter gemaakt, dan zal niemand u kunnen leeren hoe gij het worden
+zult. Rechte dichters moet men op hoogen prijs stellen. Zij zijn
+onmisbaar; want de Bijbel, alle recht en wet, ons geloof, onze
+handvesten en onze geschiedenis--alles zou verloren zijn gegaan, hadden
+de dichters het niet in hunne geschriften bewaard.
+
+Ten slotte wil ik u zeggen, wie dichters geboren zijn.
+
+De een dicht om een liefje, de ander om roem te winnen, weer een ander
+om geld--maar dat is de rechte pozie niet; zulke menschen dichten uit
+winstbejag, zonder natuurlijke aandrift
+
+ Een rechte dichtere, God weet,
+ Al waer hi in enen woude,
+ Dat hi nemmermeer en soude
+ Van dichtene hebben danc,
+ Nochtan soude hi herde onlanc [Zijnoot: zeer korten tijd.]
+ Sonder dichten daer gheduren,
+ Want het hoort te sire naturen:
+ Hi en mochts niet laten, al woude hi.
+ Dichten moet uut herten vri
+ Comen ende uut claren zinne,
+ Daer God behoude inne
+ Elken dichter die waerheit mint.
+
+Aldus eindigt de eerste Nederlandsche potiek. Misschien mogen wij
+zeggen: de eerste Europeesche potiek die in eene moderne volkstaal
+geschreven is; mij althans is in geen der moderne literaturen een
+vroeger of gelijktijdig geschrift bekend dat met dit hoofdstuk van JAN
+BOENDALE vergeleken kan worden. Reeds om die reden acht ik deze
+verhandeling van groote beteekenis; doch ook om andere redenen.
+
+Het had BOENDALE getroffen dat de pozie langzamerhand uit de handen der
+meistreelen en "clercken" overging in die der burgerij; en daar de
+dichters voor hem blijkbaar de dragers van het ideaal zijn, tracht hij
+de komende dichters in het rechte spoor te brengen. Vandaar zijne
+omschrijving der eischen waaraan een dichter behoort te voldoen. Zij
+moeten ontwikkelde mannen zijn, wier leven in overeenstemming is met
+hunne pozie. De waarheid moeten zij voorstaan, al wordt het begrip
+_waarheid_ hier nog in zeer beperkten zin opgevat. Het gewicht van het
+nieuwe in de literatuur heeft BOENDALE reeds gevoeld; hij heeft ook
+beseft dat ware pozie geboren kan worden slechts uit belangelooze
+aandoening en aandrift, en niets gemeen kan hebben met eenige zelfzucht.
+Waar hij er op wijst, hoeveel de menschheid aan de poten te danken
+heeft, herinnert hij even aan niemand minder dan SHELLEY die in zijne
+_Defence of Poetry_ deze gedachte heeft uiteengezet met een rijkdom van
+gevoel en wetenschap en bekleed met een heerlijkheid van taal, waarvan
+de Antwerpsche schepenklerk zich geene voorstelling heeft kunnen vormen.
+
+Doch hoe onvolkomen en gebrekkig in menig opzicht de berijmde
+verhandeling van dezen ook moge zijn, zij blijft een merkwaardig
+literair-historisch stuk. Al ware zij ook onvolkomener dan zij is, dan
+nog zouden wij BOENDALE dankbaar moeten blijven voor dezen eersten stap
+op een onbetreden weg; niet het minst voor die fraaie slotregels, waarin
+voor de eerste maal in deze lage landen bij de zee verkondigd is, dat
+men dichter geboren moet zijn en dat een recht dichter zingt, "al zong
+hij zichzelve' alleen"[30].
+
+BOENDALE'S uiteenzetting van den invloed der literatuur op de
+ontwikkeling der maatschappij kan worden aangevuld met een paar
+staaltjes van dien invloed, ontleend aan zijn eigen tijd.
+
+MAERLANT, vervolgd door de geestelijkheid wegens zijn Rijmbijbel, heeft
+ons reeds vroeger getoond dat men de macht der literatuur in de
+volkstaal ging beseffen. MELIS STOKE maakt zich ongerust over de
+wraakzucht van het publiek; bij de beschrijving van een gevecht acht hij
+het veiliger dappere strijders en lafaards niet bij name te noemen; hij
+kent zijne tijdgenooten als hardhandig en geen vrienden van halve
+maatregelen[31]. In het verhaal _van den borchgrave van Couchi_ wordt
+een page die een verboden lied zingt, opgehangen aan een boom[32].
+
+Begon de literatuur zoo eenerzijds invloed te oefenen, anderzijds bracht
+zij soms roem aan de schrijvers. De dichters van _Sinte Amands Leven_ en
+van _Theophilus_ vreezen dat hun naam zal bekend worden en dat men dan
+hun werk zal toeschrijven aan roemzucht; Broeder GHERAERT, de
+Karthuizer, verbaast er zich over dat RUUSBROECK zoo volslagen vrij is
+van "ydelre glorin"[33].
+
+Die afwezigheid van roemzucht in den prior van Groenendale verhoogde
+zijn roem, versterkte en verbreidde zijn invloed ook op de auteurs die
+na hem kwamen. Zoo werden ook MAERLANT'S aanzien en invloed op latere
+schrijvers verhoogd door de vervolging waaraan hij bloot stond.
+
+In VELDEKE'S invloed op de Hoogduitsche literatuur, in den invloed door
+MAERLANT en RUUSBROECK geoefend op de schrijvers die na hen kwamen,
+hebben wij in onze literatuur de eerste voorbeelden van de literaire
+vorming welke een volgend geslacht van het voorgaande ontvangt.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] Vgl. Mr. S. MULLER FZ., _De Registers en Rekeningen van het bisdom
+Utrecht_ (ao 1325, 1329, 1332), I, 567, 383; _Rekeningen der
+Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis_ (ed. HAMAKER),
+III, p. 49, 92 vlgg.; _Cameraars-rekeningen_ (ed. VAN DOORNINCK), I, 47,
+84; II, 20, 308, 783; III, 498, 518 (ao 1339, 1340, 1360, 1365).
+
+[2] Vgl. _Oudste Burgemeesters rekening van Middelburg_ (ao 1364),
+uitgeg. door het Historisch Genootschap in _Codex Diplom. Neerl._, 1853,
+II, p. 5, 6. _Oudvl. Lied. en Ged._, p. 267 en _Versl. en Med. Kon.
+Akad._, 3e Reeks, XII, 164, vs. 144.
+
+[3] Vgl. _Dits et Contes de Baudouin de Cond...._ par AUG. SCHELER, I,
+153: _Li Contes des Hiraus_; I, 448 een citaat uit de _Hist. Litt. de la
+France_, XXIII, 272; "A la fin du XIIIe sicle la profession des hrauts
+etc."
+
+In het tweede der vier boven aangehaalde verzen staat in den tekst
+_lecken berden_. VERDAM wil hiervoor lezen: _leckeberden_ in den zin van
+_flikflooien_. Doch op andere plaatsen schijnt dat w.w. niet voor te
+komen (_Mnl. Wdb._ i.v.). De emendatie blijft dus twijfelachtig voor
+mij. Wat beteekent _bert_ hier? In de beteekenis _schotel_ schijnt het
+niet voor te komen. Kan het misschien _(wapen)bord_ beteekenen? Zoo ja,
+dan zouden wij daarin een duidelijker toespeling op de herauten hebben.
+
+[4] _Belg. Mus._, VII, 318.
+
+[5] _Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen_, bl. 63;
+_Cam. Reken._, III, 1, p. 624 (ao 1366); III, 2, p. 239 (ao 1369);
+_Reken. der Graf. v. Holland onder het Heneg. huis_, III, 385; _Goede
+Boerden_, p. 37 vlgg.
+
+[6] Al deze sprekers worden vermeld in de excerpten der
+_Grafelijkheids-rekeningen_ achter JONCKBLOET'S _Mnl. Dichtk._, Deel
+III. COLPAERT in _Vad. Mus._, I, 50. De Holsteinsche _Hopezomer_ wordt
+ao 1392-'3 _jong_ genoemd en kan dus niet dezelfde zijn als zijn
+naamgenoot de heraut.
+
+[7] KAUSLER, _Denkmler_, III, 114.
+
+[8] _Vad. Mus._, I, 335, vs. 44 vlgg.; _Vierde Martijn_, vs. 789-791;
+_Van den Borchgrave van Couchi_, I, 94 vlgg.
+
+[9] Die naamdichten (voor _Marie, Liegaert, Lauwerette, Violette Calle_
+e.a. volgens aanwijzing van ARNOLD in _D. War._, I, 542) in _Oudvl.
+Lied. en Ged._
+
+[10] _Grimb. Oorlog_, I, 12-21; _Sp. der Zonden_, vs. 7739-'40; _Oudvl.
+Ged._ (ed. BLOMMAERT), III, 115; _Teestije_, vs. 1615 vlgg.; 922 vlgg.;
+_Lekensp._, III, c. 4, 190-2. Misschien zouden wij in dit verband ook de
+zonderlinge _Tweespraak van Scalc ende Clerc_ moeten behandelen (vgl. TE
+WINKEL, bl. 310; ook m.i. is zij stellig niet van MAERLANT). Doch
+zoolang wij dit gedicht slechts in zoo gebrekkigen tekst kennen, is het
+beter zich van een oordeel te onthouden.
+
+[11] Vgl. _N. Doct._, vs. 19 vlgg.; _Leven Van S. Amand_, 1379 vlgg.;
+_Theoph._, 28-29; _Mnl. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 12; _Vaghevier van S.
+Patr._, 24-26; _Bed. der Missen_ aan het slot; _Mnl. Ged._ (ed. DE
+PAUW), I, 41 vlgg.; _S. Kerstine's Leven_, vs. 151-3; _Der Ystor.
+Bloeme_, 36-40, 725 vlgg.
+
+[12] Over LOD. VAN VAELBEKE vgl. _Lied in de Midd._, bl. 587; maar
+vooral: VANDER STRAETEN'S _Les Mnestrels aux Pays-Bas_, p. 88 suivv.
+OTTE VAN ORLEIEN, _Vad. Mus._, II, 394; de hand van een geestelijke of
+clerck meen ik te zien in _Couchi_, II, 1628 vlgg., 1746-'7, 2171 vlgg.;
+de bedoelde wapendichten in _Belg. Mus._, V, 104 vlgg.; het groot aantal
+assoneerende rijmen in _Jonitas en Rosafiere_ (zeker een 40-tal op 1200
+verzen) zou aan een volksdichter doen denken; de rijmen van BOUDEN VAN
+DER LOREN zijn over het algemeen zuiver, terwijl men in de overige
+wenschliederen nog al wat assoneerende rijmen aantreft. Over JAN VAN
+HULST vgl. een artikel van ARNOLD in _D. Warande_, (N. Reeks), I, 542 en
+de Inleiding tot de _Oudvlaemsche Lied. en Ged._ Een nauwkeurig
+onderzoek der onderscheiden liederen en gedichten van dezen bundel zal
+misschien meer zekerheid brengen aangaande de makers of den maker; het
+komt mij voor dat althans de twee groote allegorische gedichten op bl.
+233 vlgg. en 314 vlgg. van dezelfde hand zijn die vele der liederen
+schreef: op bl. 266 vindt men een viertal verzen die hier en daar
+letterlijk herinneren aan eenige uit het lied op de "kerels". Vgl. ook
+bl. 311-312 met no. 36, no. 103, no. 140 (de kleuren). De liederen op
+bl. 247, 261, 276, 279, 280, 294, 303, 311 herinneren door vorm en
+inhoud aan vele der 145 die den bundel openen.
+
+Op bl. 459 wordt Brugge genoemd als woonplaats van den dichter;
+
+juist dat gedicht vertoont in de aanvangsletters zijner laatste verzen
+den naam JAN MORITOEN; dezelfde als JAN VAN HULST? Over den zanger
+EGIDIUS te verg. no. 98 en no. 100 der _Oudvl. Lied. en Ged._; op p. 470
+van dien bundel eene klacht die aan hem doet denken; voorts _Tijdschr.
+v. Ned. T. en L._, XI, bl. 286-7, 289-292.
+
+[13] _Belg. Mus._, X, 69.
+
+[14] Vgl. _Tijdschr. v. N.T. en L._, XXIII, 46; _Leven van S. Amand_, I,
+676, 2807, 3920; _Goede Boerden_, p. 4; _Belg. Mus._, X, 69; KAUSLER,
+_Denkm._, III, 109, 203.
+
+[15] De plaatsen over het _hooren_ van pozie zijn, na de vroeger
+vermelde, te talrijk om mede te deelen; ieder kan ze gemakkelijk vinden.
+Vgl. overigens: _Vad. Mus._, I, 337; _Belg. Mus._, X, 57.
+
+[16] Vgl. _Werken_ (ed. DAVID), I, bl. IX.
+
+[17] _Het Leven van S. Kerstine_ ondernomen op verzoek der geestelijke
+jonkvrouw FEMINE VAN HOYE; VELTHEM berijmde voor loon zijne voortzetting
+van den _Sp. Hist._ op verzoek van de Vrouwe VAN BERLAER; de
+_Brabantsche Yeesten_ werden gemaakt in opdracht van Heer WILLEM
+BORNECOLVE, een aanzienlijk Antwerpenaar; de _Grimb. Oorlog_ werd
+"beschreven en gedicht" op verzoek waarschijnlijk van een edelman (zie
+vs. 6167 vlgg. en 6600-'2 van het tweede deel); _Tondalus Visioen_ voor
+een "edele Jonfer".
+
+De beide rekeningposten in JONCKBLOET'S _Gesch. der Mnl. Dichtkunst_,
+III, 618, 611.
+
+[18] DE LANGE VAN WIJNGAERDEN, _Geschied. van Gouda_, I, 187 (omstreeks
+1387).
+
+[19] Vgl. over dien roman _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 263-4; voorts
+_Das Epos von Isembard und Gormond...._ von Dr. R. ZENKER, Halle a.S.
+1896; THEODOR FLURI, _Isembart et Gormond_ (Zricher Diss., 1895);
+_Romania_, Avril, 1897, Janv. 1898.
+
+[20] Vgl. het merkwaardig stuk van NAP. DE PAUW in _Ned. Museum_, 1879.
+
+[21] _Lekensp._, B. III, c. 3, vs. 969 vlgg.
+
+[22] _Melib._, 55-58. (Ook al komt deze plaats reeds in het origineel
+voor, dan blijft zij nog van gewicht); DE VREESE'S _Bijdragen_, bl. 15.
+Andere plaatsen waar m.i. gewag wordt gemaakt van _lezen_ in onze
+beteekenis, zijn: _Jans Teesteye_, vs. 812-'4; _Vlaamsche Rijmkroniek_
+(in KAUSLER'S _Denkmler_), vs. 4124-'5; _Tondalus Visioen_ in den
+aanvang (ed. BLOMMAERT), II, 31: "So wie datter neerenstelic in wille
+lesen ende de woorden merken, hi sal" enz.
+
+[23] _Oudvl. Lied. en andere Ged._, bl. 268.
+
+[24] DE VREESE, a.w. bl. 24.
+
+[25] _Alex._, vs. 6, 29; _Merlijn_, 6 vlgg.; _Troyen_, 24-26; _Rijmb._,
+I, 73 vlgg.
+
+[26] Proloog v.d. _Lekensp._; _M.e.V. Heim._, vs. 25 vlgg.; KAUSLER,
+_Denkm._, III, bl. 215.
+
+[27] _S. Amand_, II, 5333 vlgg.; _Tien Plaghen_, 30-33; _Sp. der Zond._
+I, p. 218.
+
+[28] _Oudvl. Ged._, III, 105; _Tien Plaghen_, vs. 43-44.
+
+[29] A.w. vs. 64 vlgg.
+
+[30] _Licht en Schaduw_ door SOERA RANA (I. ESSER JR.), bl. 6.
+
+[31] A.w. (ed. BRILL), I, bl. 224; Boek X, vs. 40-151.
+
+[32] A.w. I, 113 vlgg., 312 vlgg. Daarbij: _Oudvl. Lied. en Ged._, bl.
+270 en _Brab. Yeesten_, V, 3181 vlgg.
+
+[33] DE VREESE, t.a.p. bl. 13.
+
+
+
+WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH.
+
+Een goed voorbeeld van dien invloed vinden wij in de persoonlijkheid en
+het werk van den dichter wiens naam hierboven staat.
+
+Die persoonlijkheid en dat werk vereenigen in zich zooveel trekken van
+veertiend'eeuwsche dichters en dichtkunst, zij toonen ons den invloed
+der vroegere literatuur zooveel beter dan die der meeste anderen uit
+dezen tijd, zij voegen bij dat gemeenschappelijke en ontleende zooveel
+eigens--dat WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel aanspraak mag maken op een
+afzonderlijke plaats in dit verhaal[1].
+
+Hij was een spreker gelijk er zoovelen waren, doch die, naar het
+schijnt, de overigen in talent overtrof; in allen gevalle is hij de
+eenige van wiens werken ons zooveel is overgebleven en van wien wij ons
+daardoor eene betrekkelijk zoo volledige voorstelling kunnen vormen.
+
+Misschien is hij omstreeks het midden der 14de eeuw geboren, en
+gestorven niet lang na 1408. Vr 1375 moet hij reeds als spreker zijn
+opgetreden. Heeft broodsgebrek hem gedrongen tot het aanvaarden van dat
+beroep? Het is licht mogelijk. Mij ten minste komt het niet
+onwaarschijnlijk voor dat hij in n zijner gedichten over zich zelven
+spreekt waar hij een jonkman over zijne jeugd laat verhalen: hoewel van
+matigen rijkdom, leefde hij als een prins; zijne magen ergerden zich aan
+zijn gedrag en rieden hem aan dat leven te laten varen; maar hij stoorde
+zich niet aan hen; toen trokken zij de handen van hem af en het liep mis
+met hem[2].
+
+Eerst in 1382 vinden wij in de rekeningen der Grafelijkheid van Holland
+gewag van hem gemaakt; uit de wijze waarop hij daar genoemd wordt:
+"WILLEM VAN HILGAERTSBERGHE, _enen_ spreker" zou men opmaken, dat hij
+toen nog niet zeer bekend was aan des graven hof. In het volgend jaar
+echter schijnt "Meester WILLEM de spreker" reeds meer bekend te zijn
+geworden. Behalve voor mijn Heer den Grave spreekt hij niet zelden voor
+andere "hoghe heren", maar hij is, zoomin als zijne kunstbroeders, te
+grootsch om zes "nieuwe schilden" aan te nemen voor een rok en een paar
+"Henegouwsche kronen" als drinkgeld. Met spijs en drank als loon voor
+kunst is hij niet zooals zijne mindere gildebroeders tevreden en waar
+hij geen kans ziet een zwanepluim rijker te worden, zooals ten huize van
+Heer DIRC den Commandeur der Duitsche Orde te Leiden, daar licht hij
+zijne hielen.
+
+Evenals andere sprekers en zeggers wacht hij niet altijd op eigen
+aandrift, maar vervaardigt ook wel een gedicht over een opgegeven
+onderwerp. Zoo schrijft hij op verzoek der abdisse van Rijnsburg iets
+over de Tien Geboden[3].
+
+HILDEGAERSBERCH'S werken geven een kort begrip van een groot deel der
+toenmalige literatuur: men vindt er tal van stichtelijke of zedekundige
+stukken, een paar dierfabels, een paar boerden, ook historische
+gedichten aan de tijdsomstandigheden ontleend. In zijn werk is de
+invloed van vroegere auteurs duidelijk zichtbaar en wij vinden er
+onderscheidene trekken der gelijktijdige literatuur in terug. Een
+geleerd dichter als MAERLANT of BOENDALE was hij allerminst; Latijn
+kende hij niet en zijne boekenkennis zal zich in hoofdzaak wel bepaald
+hebben tot den bijbel[4]. Destemeer zal hij zijn voordeel hebben gedaan
+met wat de geleerde "clercken" vr hem hadden gedicht. MAERLANT'S
+werken, o.a. zijne strophische gedichten, zijn hem niet onbekend
+gebleven; doch meer had hij te danken aan het werk van BOENDALE die een
+paar geslachten ouder moet zijn geweest dan de Hollandsche spreker.
+Stukken van _der Leken Spieghel_ zijn door WILLEM in zijne werken
+opgenomen. Zijn verzet tegen de materiele voorstelling dat "God is als
+een mensch gedaen", zijne eigene voorstelling dat God "altemale een
+gheest" is, herinneren ons ook aan den _Lekenspieghel_. BOENDALE'S
+beschouwing der literaire kunst is door HILDEGAERSBERCH overgenomen; de
+verzen:
+
+ Const is die alrehoochste schat
+ Die men ter werelt ye besat.
+
+zijn een weerklank van BOENDALE'S hoofdstuk _Hoe dichters dichten
+sullen_[5].
+
+Evenals voor BOENDALE heeft ook voor WILLEM de dierfabel slechts waarde
+als voertuig van nuttige leering: "Zoo sprac Reynaert, ende hi was
+vroet"--daarmede besluit hij een zijner dierfabels en in een andere waar
+hij een hond doet spreken, acht hij zich verplicht den lezer te
+waarschuwen:
+
+ Niet dat honden yet spreken moghen,
+ Mar in 't ghelijcke wert vertoghen
+ Menighe leer tot onser bate[6].
+
+Den invloed van MAERLANT meer dan dien van BOENDALE zien wij in WILLEM'S
+beschouwing der vrouwen. Bij hem als bij MAERLANT vinden wij vooral den
+hoofschen vrouwendienst die zich vertoont o.a. in regels als deze uit
+een stuk _Vanden goeden vrouwen_:
+
+ Twaer een kaerl onwijs te weten
+ Off by maten dat uut te meten,
+ Wat loff den vrouwen toebehoort.
+
+"Wat een reyn wijff waerdich is", heeft hij uiteengezet en ook in andere
+stukken zijn eerbied voor het vrouwelijk geslacht betuigd. Die eerbied
+is z groot dat hij eervergeten vrouwen die zich onder de eerzame
+mengen, bellen zou willen aanhangen "die lude cloncken waer si
+ghinghen"; op die wijze zou men zich voor haar kunnen wachten[7].
+
+Niet alleen door den inhoud, ook door den uiterlijken en innerlijken
+vorm zijner pozie toont WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH zich een kind van
+zijn tijd. Allegorische personages als Trouw en Gerechtigheid, Rede als
+portier, Trouwe als kastelein, Eer als raadsman en dergelijke komen ook
+bij hem voor. Hij bedient zich van tweespraak en "disputacie", hij
+speelt met woorden als _beschermen_ dat tot _bescheren_ wordt, met
+_vaer_ [Zijnoot: vrees.] en _varen_[8]. Zijne stukken zijn, gelijk
+zoovele andere didactisch-lyrische, niet zelden in coupletten verdeeld
+en vangen nog al eens aan met eene natuurschildering. De stof is er op
+de gewone schoolsche wijze verdeeld in punten, die achtereenvolgens
+nauwgezet en degelijk worden behandeld; reeksen los aaneengeregen
+sententie's zijn ook bij hem niet zeldzaam.
+
+Bijna alle gedichten van HILDEGAERSBERCH hebben, de strekking: invloed
+ten goede te oefenen op de menschen en de maatschappij. Wij weten te
+weinig van de pozie der overige sprekers om te kunnen beslissen of hij
+ook hier als type zijner soort mag gelden; doch indien de stichtelijke
+en didactische lyriek dier dagen grootendeels aan sprekers mag worden
+toegeschreven--en ik zie daartegen geen bezwaar--dan bevat WILLEM'S werk
+ook hier het meest wezenlijke van dat zijner tijdgenooten.
+
+Overal vinden wij in zijne gedichten die opwekkingen en waarschuwingen
+om wel te leven, ten einde zalig te kunnen sterven; te geven "metter
+wermer hant" [Zijnoot: nog bij iemands leven.], niet gierig te zijn, de
+goede keuze te doen tusschen het tijdelijke en het eeuwige, indachtig te
+blijven dat wij "geen _morgen_ hebben", dat wij allen "op de lange
+vaart" moeten. Hij wendt zich tot de hooge heeren met de bede om recht
+en billijkheid te betrachten, klaagt over het onrecht dat zij laten
+geschieden, waarschuwt anderen zich niet al te veel met de groote heeren
+in te laten. Den rechters houdt hij het ideaal voor oogen van den
+waarachtigen rechter: God "die elken man ghelike recht". Den steden
+wijst hij den weg om tot voorspoed te komen: onderling eendrachtig zijn,
+geld verdienen, vreemde kooplieden aanmoedigen[9].
+
+Evenals bij MAERLANT, anders dan bij BOENDALE, is bij WILLEM het
+verleden de lichte achtergrond waartegen de gebreken van het heden
+scherp uitkomen. Het heden ligt voor hem in het booze: Reinaert staat
+aan het roer en Simon [Zijnoot: verpersoonlijking der simonie.] op de
+voorplecht. Vroeger was alles zooveel beter; toen werden Trouw en
+Gerechtigheid geerd; nu denkt ieder er slechts aan zijn eigen kist te
+vullen. Midden in een of ander verhaal uit het verre verleden zien wij
+hem soms plotseling terugkeeren tot zijn eigen tijd, om dien tegenover
+het betere verleden te plaatsen[10].
+
+Doch het sterke idealisme dat den onafhankelijken MAERLANT z forsch
+deed spreken, missen wij in HILDEGAERSBERCH die leven moest van het
+publiek. De zorg voor het dagelijksch brood hing den armen spreker als
+een kluister aan het been. Hij moet oppassen niet te veel te zeggen, of
+hij zal het voelen in zijne beurs, ja in zijn maag:
+
+ Want een dichter moet hem hoeden
+ Voer den ghenen diet sullen horen,
+ Dat sijs [Zijnoot: zij het.] in nide noch in toren
+ Niet en nemen dat hi maect.
+
+Hoe nederig vraagt hij de heeren om wat geduld; het moge hun toch niet
+te lang vallen als zij goede leering hooren! Zijnerzijds belooft hij
+maat te houden:
+
+ Een dichter die hem wel verstaet,
+ Dien dicht niet al sijns selfs begheren.
+
+Niet te lang, "dat heeft men gaern ter heren hove," en daaraan zal hij
+zich ook maar houden[11]. Vandaar in zijne gansche houding tegenover
+zijn publiek iets slaps en zwaks. Het hoogste waartoe hij het in dezen
+brengt, is zachte ironie die in haar soort vooral voor dien tijd
+verdienstelijk is:
+
+ Waerom souden wy trueren yet?
+ Sint God die werelt werden liet,
+ So ne was sy nye so wel te vreden.
+ Die paeus die leeft by goeden reden
+ Om te dienen onsen Heer
+
+al het volk leeft deugdzaam, in de omgeving van den paus kent men geen
+afgunst en hebzucht, bisschoppen en prelaten zijn rechtschapen waar men
+komt--meer zal ik er niet van zeggen.
+
+Doch ironie is bij WILLEM, en over het algemeen in de middeleeuwsche
+literatuur, betrekkelijk schaarsch. Gewoonlijk tracht ook deze
+leerdichter zijn publiek rechtstreeks te overtuigen; doch van hoe weinig
+idealisme getuigen doorgaans zijne gelijkvloersche argumenten. De tien
+geboden moet men houden. Waarom? Men leeft langer en heeft veel minder
+te doorstaan dan zij, die ze overtreden; die overtreders immers worden
+zelden oud, hunne zorgeloosheid kost hun het leven of maakt hen jichtig
+en lam. Met "wychelinge" [Zijnoot: de zwarte kunst.] moet men zich niet
+afgeven: zij brengt geen voordeel aan. n God moet men aanbidden; men
+kan immers "met minre arbeide" n God aanbidden dan vele? God moet men
+"te vriend houden" en eenvoudig weg gelooven dat Hij, onze Heer van den
+hemel, is n God en drie personen--"daer comt men by ten hoghen loon."
+Hebt gij verdriet, toon dat dan niet in uw uiterlijk: uwe vijanden
+zouden er in groeien. De heeren mogen hunne onderdanige schapen wel
+scheren, maar het vel moeten zij hun laten; dan kan er immers nieuwe wol
+op groeien! Wat overigens het onrecht betreft, dat moet men verdragen en
+zachtkens terecht trachten te brengen. Al deed de heer nog zooveel
+kwaad, zijne onderdanen moeten steeds
+
+ smeken ende nygen [Zijnoot: vleien en buigen.]
+ Om hoers heren hulde [Zijnoot: gunst, genegenheid.] te crigen.
+
+WILLEM ziet wel dat de Kerk in zijne dagen van den rechten weg is
+afgedwaald en dat vele priesters niet deugen; doch de leeken moeten er
+zich maar niet te zeer aan ergeren en slechts letten op wat de priesters
+hun _leeren_; er kan wel goed zaad gestrooid worden uit een slechten
+korf[12].
+
+Dat de roeping van den dichter is vr alles: priester der waarheid te
+zijn, hadden MAERLANT en BOENDALE WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH geleerd;
+hij heeft getracht die leer in praktijk te brengen, doch zijn beroep
+kwam telkens met zijne roeping in strijd. "De waarheid wil niet gehoord
+zijn" dat was meer dan eens zijn droeve ervaring, en de omstandigheden
+dwongen hem daarin te berusten. Echter bracht die berusting hem niet tot
+lijdelijk stroomaf drijven; hij bleef roeien met de riemen die hij had.
+Ik zal leeren dicht bij het wit te schieten, niet het wit zelf te
+treffen, zegt hij in het gedicht _van den coninc van Poertegael_. Maar
+zijn eerlijk eenvoudig hart, verdeeld tusschen ideaal en werkelijkheid,
+blijft droevig gestemd:
+
+ Hoe sal ic dan, arme oude,
+ Die gaerne die waerheit spreken soude,
+ Der heren gunst of hulde verwerven?
+
+In die verdeeldheid, in die droevige stemming is hij waarschijnlijk
+blijven verkeeren tot zijn dood.
+
+Hij had de Fortuin gezocht oost en west, maar nooit gevonden. Doch al
+was zijn voorspoed naar de wereld gering, hij wilde zijn loon verwachten
+van God, zijn lijden geduldig dragen. Had het sprekerswerk hem geen
+stoffelijke winst gebracht, ook den invloed, door hem als dichter
+geoefend, schatte hij gering. Wat werkt al ons dichten en verzinnen uit?
+vraagt hij ergens, en met lichten spot antwoordt hij zelf: de menschen
+worden tegenwoordig z deugdzaam, dat matiging en billijkheid in hen
+blijven als in bodemlooze vaten. Elders klinkt het zonder spot en
+mismoedig:
+
+ Oft al om niet is dat ic doe,
+ Wat sel dan arbeit onderstaen?
+ [Zijnoot: Waartoe mij dan moeite gegeven?]"
+
+Hij gaat zijn leven als spreker nog eens na: hoeveel schoone "exempelen"
+heeft hij voor de heeren gesproken; al zijn verzen spraken van
+rechtvaardigheid en eer te betrachten; hoe liefelijk men treedt op het
+pad naar den hemel--hoe vuil het pad is dat ter helle voert. Maar weinig
+hebben de menschen er zich om bekommerd; zij hebben den achterkant naar
+voren gekeerd
+
+ Dus clop ic veel an doofmans deur;
+ Al roep ic lude, en mach niet in.
+
+Zijne tijdgenooten zijn gestorven of verdwenen, hij zelf wordt vergeten,
+zijne ledematen gaan hem begeven, hij hoort het vesperklokje luiden.
+Zelf is hij moede en verlangt naar rust. Eindelijk komt de man "met het
+witte kleed",.die niemand spaart, ook hem halen. In April 1409 kocht
+graaf WILLEM VI een boek "dairin stonden vele schoonre sproken, die
+Willem van Hillegairtsberge gemaeckt hadde"; dat zal wel de voornaamste
+nalatenschap van onzen spreker geweest zijn[13].
+
+Die nalatenschap zou er misschien anders hebben uitgezien, indien zijn
+talent zich onder gunstiger omstandigheden had kunnen ontwikkelen. Want
+eenig talent had WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel. Zijne vergelijkingen
+zijn niet zelden aardig gevonden; zoo b.v. die van de stichtelijke
+woorden, die langs de meeste kerkgangers afglijden als hagelsteenen
+langs de kleeren. Hoe goed van waarneming is dat huiselijk tooneeltje,
+waar wij middeleeuwsche huisvrouwen aan het spinrokken zien, terwijl de
+jonge kuikens met de klokhen om haar heen in de zon loopen. De
+vergelijking van het leven bij een zeereis is ook verdienstelijk
+uitgewerkt[14].
+
+Vertellen kan WILLEM ook wel; dat blijkt ten deele uit zijne fabels en
+de sproke _van Sinte Gheertruden min_, maar vooral uit de twee boerden
+_van het gestolen varken_ en _van den Monnik_[15]. Welk een levendigheid
+en gang is in die verhalen, al worden zij hier en daar vertraagd door de
+zucht tot leering en vermaning; welk een talent van waarnemen en
+voorstellen; welk een blijkbaar welbehagen ook in de behandelde stof! De
+door den duivel bedrogen monnik vooral is kostelijk! Aan zin voor echten
+volkshumor paarde deze spreker een loffelijk vermogen van waarneming.
+Dat vermogen toonde hij in zijne verhalen; hij toont het ook waar hij
+anderer of eigen gemoedsleven afbeeldt. Hoe juist heeft hij die zwakke
+en zorgelooze menschen gezien, die zich geene behagelijke zonden willen
+ontzeggen en denken: als wij ouder worden zal onze zinnelijkheid vanzelf
+wel afnemen en onze "nature vercouden". HILDEGAERSBERCH heeft het eerst
+de verveling van den traag voortkruipenden tijd beseft en in woorden
+gebracht:
+
+ Als my die tijt verlanghen dede,
+ So had ic ziecte ende onghevoech,
+ Ic hoorde wat die clocke sloech,
+ Die tijt, die ghinc van ure tot uren[16].
+
+Meer dan een zijner kleinere stukken mag bevallig worden genoemd. Zoo
+b.v. dat gedicht op het scheiden, dat aanvangt:
+
+ Ic heb op [Zijnoot: tegen.] scheyden horen spreken,
+ Dattet vroechde mochte breken
+ Onder tfolc, verre off naer,
+ Die uut dier nature beke
+ Mit ghenoechten soude leken,
+ En dede [Zijnoot: indien er niet was.] der argher nyders schaer,
+ Die menichwerve binnen der weken
+ Goet gheselscap doen versteken,
+ Die liever bleven tsamen daer,
+ Al moeten si scheiden ane vaer [Zijnoot: zonder vrees.] [17].
+
+Ook is er in zijne pozie hier en daer iets persoonlijks, dat ons in een
+middeleeuwsch dichter door zijne zeldzaamheid treft en dat wij vr
+dezen slechts een enkelen keer hebben aangetroffen bij MAERLANT, waar
+hij zijne grijze haren in den spiegel ziet. Ik heb het oog o.a. op een
+reeds vroeger vermeld stuk, dat wel een van des dichters laatste zal
+zijn:
+
+ Ic bin al moede, ic wil gaen rusten;
+ Van des mi wilen [Zijnoot: vroeger.] plach te lusten
+ Des wordic sat, en weet niet hoe.
+ enz.[18]
+
+Ook op de inleiding van het gedicht _Van Ghilden_, waar hij op zoo
+naeve wijze getuigt hoe onzeker en schroomvallig hij zich gevoelt door
+zijn gemis aan kennis en ontwikkeling. Altijd is hij bang in strijd te
+komen met "die scrifture", wanneer hij iets gemaakt heeft. Die "anxte
+zwaer" voor de wijsheid, die in geschriften ligt opgetast, benauwt hem,
+drukt op zijn denken en zijn verbeelding, als het net op een vogel.
+Denkt hij over iets na, dan schiet hem tevens te binnen dat dit alles
+misschien lang en breed in een of ander geschrift te vinden is:
+
+ Want die clergie [Zijnoot: de geleerden.] is so subtijl:
+ Daer ic om peynse lange wijl,
+ Dat vinden sy varinc [Zijnoot: schielijk.] inder scrift;
+ Dit doet dat ic met anxten dicht.
+ Anxte die heeft my veel becoort,
+ Als ic dichte of brenghe voort
+ Enigherhande hoghe sake[19].
+
+In die stemming moet hij dikwijls verkeerd hebben en het behoeft geen
+betoog dat zijne pozie daaronder geleden heeft. De boerde _van den
+Monnik_ en, in mindere mate, die _van het gestolen varken_ toonen ons
+wat hij kan, indien hij zich durft laten gaan; doch vermoedelijk zal hij
+zelf deze stukken niet hoog hebben gesteld. Opmerkelijk is het, wat er
+onder zijne handen wordt van de fraaie geestelijke romance _van Sinte
+Gheertruut_[20]. WILLEM'S bewerking heeft meer dan driemaal den omvang
+van de romance; in dichterlijke waarde echter overtreft het lied van den
+volksdichter de sproke van den spreker: de eerste is een werk van
+verbeelding, de laatste hoofdzakelijk verstandswerk. Het is er
+HILDEGAERSBERCH van den aanvang af om te doen, zijnen hoorders de
+beteekenis van de Sint-Geerteminne uit te leggen; ook andere deelen der
+stof wenscht hij voor het verstand zijner hoorders aannemelijker te
+maken, zoo b.v. de reden waarom SINTE GHEERTRUUT juist tot SINT JAN zich
+zoozeer aangetrokken voelde. Het gansche verhaal trouwens geeft hij aan
+zijn publiek ter leering:
+
+ By desen _exempel_ moochdi leren,
+ Dat hem nyemant en laet bedrieghen.
+
+en hij verzuimt niet zich meer dan eens tot zijne hoorders te richten
+met een stichtelijke waarschuwing of opwekking.
+
+De ridder in de sproke is, evenals zijn maker, iemand in wien het
+verstand overheerscht, die redeneert, en, waar hij eens onverstandig
+handelt, daarover door den dichter berispt wordt: "Doe en dede hi niet
+als die vroede." Hij gevoelt wel liefde voor SINTE GHEERTRUUT, doch het
+is hoofsche liefde:
+
+ Ghestade te bliven in horen dienst
+ Sonder enich dorperheit;
+
+De ridder in het volkslied is een type van gewone menschelijkheid; hij
+houdt van eten en drinken en tournooien en ledigt den beker tot den
+bodem; hij kan zijn hartstocht voor de schoone non tenauwernood
+bedwingen: als hij haar in het klooster eens niet mag zien of spreken,
+vreest hij dat zijn hart breken zal.
+
+Uit verbeelding en hartstocht ontstond in het lied de pozie die uit de
+sproke geweerd is door zucht tot leering en stichting. Nergens blijkt
+dat zoo duidelijk als bij het eerste afscheid van den ridder, wanneer
+hij al zijn goed in den dienst van SINTE GHEERTRUUT heeft verteerd. De
+overeenkomstige deelen van beide gedichten volgen hieronder:
+
+
+ _Lied_ (c. 10-14).
+
+ Drie jaer lanc heeft die ridder dit
+ [ghepleghen,
+ Des so en heeft hi niet behouden:
+ Sijn schat ende sijn goet heeft hem
+ [altemael begheven,
+ Des hadde die ridder also groten rouwe.
+ "Adieu, goet lief ende blijft ghesont,
+ "Adieu, ende ic moet immer van u
+ [scheiden!
+ "Die wech en is mi niet becant,
+ "Te dwalen aen gheenre wilder heiden.
+
+ "Och, lacy, god, het is altemael verloren:
+ "Wat coste dat ic daaraen hebbe geleit!
+ "Hadde ic dat so wel gheweten te voren,
+ "Ic woude van der joncfrouwen hebben ghescheiden."
+
+ Dus is die ridder uutghestreken
+ In eenre duustre avontstont,
+ Hi is gaen dwalen aen gheenre wilder heiden,
+
+ Die wech en was hem onbecant.
+
+ Doe dat quam omtrent der middernacht,
+ Druc ende liden so ghinc den ridder an,
+ Die viant [Zijnoot: de duivel.] die hadde hem also schier verwracht,
+ Hi stont gheschapen of dat waer een man.
+
+
+
+ _Sproke_ (vs. 148-170).
+
+ Daer nae wart hi des ghevens mat,
+ Want sinen staet die quam ten ende.
+ Doe was die ridder in ellende,
+ Ende hi en wiste hem ghenen raet:
+ Dat dede, hi most sijn hoghe staet
+ Dalen laten aen sinen danck.
+ Doe wort sijn hope al te cranck,
+ Ende hi dochte in sijn moet:
+ "Al creghe ic dese joncfrou goet,
+ "Ic en mochtse niet in eren houden,
+ "Waer op so willic mi verhouden
+ "Off verstroyen tenighen tijden?"
+ Doe most die ridder sorghe lyden,
+ Des hi onghewone was
+ Daer te voren, als ic las.
+ Ende als hi stont in dit ghepeyns
+ Ende dochte harwaert ende gheyns
+ Doe quam die bose tot hem ghegaen
+ Ende was recht als een man ghedaen
+ So wye dat in wanhope sy,
+ Daer is die vyant gheerne by;
+ Want hy en [Zijnoot: hem.] dan best becoren mach,
+ So poecht hire om nacht ende dach.
+
+
+Maar ook elders in de beide gedichten: het sluiten van het contract met
+den Booze, het drinken van den beker van Sint-Geerteminne, de tweede
+samenkomst van den ridder met den duivel zien wij dergelijke
+tegenstellingen als in de boven medegedeelde stukken. Opmerkelijk is
+ook, dat bij die tweede samenkomst in het volkslied SINTE GHEERTRUUT,
+blijkbaar onzichtbaar voor den ridder achter hem te paard gezeten, den
+Booze ontzag inboezemt. HILDEGAERSBERCH die dit voor eene heilige minder
+passend zal hebben gevonden, maakt er geen gewag van.
+
+De indruk, dien WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH'S persoon en werk ten slotte
+bij ons achterlaten, heeft iets droevigs: een dichter van eenig talent
+die gaarne zijne roeping als dichter zoo goed mogelijk zou vervullen,
+daarin belemmerd of verhinderd door den dwang van zijn beroep; dien de
+ontwakende wetenschap schroomvallig maakt, zoodat hij zich niet durft
+laten gaan; die zich verplicht acht, echte pozie waar hij die bij een
+ander vindt, weg te werken voor leering en stichting; die scheidt uit
+dit leven in de neerdrukkende overtuiging dat hij tevergeefs heeft
+geleefd.
+
+Echter, ook z is hij den geschiedschrijver lief als een merkwaardig
+type van de dichters der 14de eeuw; merkwaardig ook als
+vertegenwoordiger der kleine Hollandsche volkseenheid waartoe hij
+behoorde. Stond MELIS STOKE nog vijandig tegenover de Vlamingen--deze
+Hollander vond zijne voorname leermeesters in den Vlaming MAERLANT en
+den Brabander BOENDALE. In HILDEGAERSBERCH'S werk zien wij voor het
+eerst dien ontwikkelenden invloed, door het Zuiden op het Noorden
+geoefend, waarvan wij ook in het vervolg van dit werk meermalen zullen
+gewagen.
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+[1] Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken door
+BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts naar
+hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk overzicht
+van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld in
+_jahrbuch d.V.f.N. Sprachf._, XII, 106; XV, 39 flgg.
+
+[2] _Ged._, bl. 127.
+
+[3] Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op de _Gedichten_,
+bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot de
+_heren_ o.a. bl. 16, 23-24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127-8; 109, 167;
+111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14-18; 166, 224; 183, 115; 216, 257. _Van
+den X Gheboeden_ op bl. 12 der _Gedichten_.
+
+[4] _Ged._, bl. 45, 32-34; 71, vs. 14-17; 155, 153-4.
+
+[5] _Ged._, bl. 173, 131-2.
+
+[6] _Ged._, bl. 21, 82; 90, 68 vlgg.
+
+[7] _Ged._, p. 73, no. 34; 195, 38-42; p. 240 (no. 114). Over den
+invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot de _Stroph. Ged._ (edd. FRANCK
+en VERDAM), p. LXXXIX.
+
+[8] _Ged._, bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65-7; 71, 25 vlgg.;
+149, vs. 46.
+
+[9] Vgl. o.a. _Ged._, 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61, 5-8;
+107, 18; 156, 77-78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139, 61; 96,
+104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139-141.
+
+[10] _Ged._, 25, 8; 36, 12-25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123; 55,
+190; 146, 290-2.
+
+[11] _Ged._, 164, 26; 109, 149 vlgg.
+
+[12] _Ged._, bl. 40 (no. XIX _Van Mer._); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101,
+73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193.
+
+[13] Opvatting zijner taak als dichter vgl. _Ged._, 16, 1; 45, 18-20;
+53, 1; 66, 9-10; 169, 10-23; 247, 5-7. Over zijn zwerven en zijn
+tegenspoeden, bl. 183 (_Van der Avontuer_); invloed zijner pozie:
+_Ged._, 226, 17-21; 236, no. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66, vs.
+9-10; 183, 1-8; 236, no. 111; 239, no. 113; 249, no. 119. Voorstelling
+van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201, 121-'2; 202,
+213-'6. Nalatenschap _Inleid._ tot de _Ged._, IX.
+
+[14] _Ged._, 2, 116-117; 31, 109-132; 245, 137-150.
+
+[15] De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche fabliau _du
+Boucher d'Abbeville_ (Recueil de Fab. van Montaiglon et Raynaud, III,
+227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden.
+
+[16] _Ged._, 242, 36.
+
+[17] _Ged._, bl. 116.
+
+[18] _Ged._, bl. 236.
+
+[19] _Ged._, bl. 117; vgl. ook vs. 16 "mit anxten zeer bevaen" en vs.
+20, 23.
+
+[20] In _Het Lied in de Middeleeuwen_, bl. 605 vlgg. is door mij
+aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide gedichten
+(vgl. bl. 616-617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat het volkslied
+het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH is omgewerkt.
+Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht van H. de
+vermelding van eene bron vinden in vs. 162: "als ic las."
+
+
+
+DIRC POTTER.
+
+Naast het werk van HILDEGAERSBERCH plaatsen wij dat van DIRC POTTER als
+een ander type van veertiend'eeuwsche dichtkunst.
+
+POTTER, een Hollandsch edelman, diende eerst graaf ALBRECHT, later
+WILLEM VI, daarna Vrouwe JACOBA als secretaris. In die hoedanigheid
+vergezelt hij zijne meesters op reis en wordt ook wel met zendingen
+belast; een tijd lang vervult hij den post van baljuw van den Haag. Voor
+zijne getrouwe diensten wordt hij door Graaf WILLEM beloond met de
+hofstede ter Loo in het ambacht van Voorburg, waar een paar eeuwen later
+een andere secretaris van Hollandsche vorsten zich een buitenverblijf
+zou stichten.
+
+Toen hij in 1428 gestorven was, bleef JACOBA zijne goede diensten in
+dankbare gedachtenis houden; de zoon van den trouwen dienaar, GERRIT
+POTTER VAN DER LOO, zag het erf, hem door zijn vader nagelaten, met nog
+vijftien morgen lands vergroot[1].
+
+In zijne jonge jaren, aldus vertelt POTTER zelf ons, werd hij met een
+geheime zending naar Rome belast. Hij bleef er langer dan een jaar.
+Overviel hem bij wijlen de melancolie--zou het geen heimwee zijn
+geweest?--dan ging hij wandelen langs een stroomend water. Daar
+verschijnt hem vrouw Venus die hem opwekt in een gedicht "den loop der
+minne" te beschrijven, opdat ridders, edele vrouwen en schildknapen
+daaruit mogen leeren wat liefde en minne is. Aan die opwekking gaf hij
+gehoor en schreef het werk, dat door hem zelven _der Minnen Loop_ is
+genoemd[2]. Mogen wij POTTER'S voorstelling van zaken naar de letter
+opvatten, dan had hij, toen hij zijn gedicht schreef, met de liefde
+afgerekend. Zelf had hij meer last dan lust van haar gehad: "wat hij
+jaagde, bleef ongevangen"; den zoeten drank had hij nooit gedronken[3].
+Nu wilde hij jongeren met zijne ervaring van dienst zijn, hun het rechte
+pad wijzen, hen waarschuwen voor het kwade.
+
+Doch van welken aard zijne beweegredenen ook mogen geweest zijn, in
+allen gevalle moet zijn werk worden aangeduid als een _leerdicht_. De
+woorden _leer_ en _leeren_ vloeien hem telkens uit de pen: "had hij maar
+gedacht aan zijne leer!" zegt hij van een ongelukkigen minnaar, die niet
+op zijne hoede is geweest en ten gevolge daarvan met een hamer "opten
+cop" werd geslagen, zoodat hij nooit meer een minnebrief schreef. "Denkt
+maar aan deze leer!" zegt hij tot de minnenden, "dan dwaalt gij niet van
+het rechte pad af." Een minnaar moet _leeren_; vr alles moet hij
+geduld leeren: vrouwen zijn veranderlijk, haastigheid is nooit goed, en
+dan: de boom valt immers niet met den eersten slag?
+
+In overeenstemming met het karakter van het leerdicht heeft POTTER zijn
+werk verdeeld in vier boeken, die achtereenvolgens handelen over dwaze,
+goede, ongeoorloofde en geoorloofde liefde. In de goede reine liefde
+onderscheidt hij weer vier graden, zooals de mystieken die in de
+goddelijke liefde aannamen. De inhoud dier boeken bestaat in tal van
+meer of minder bekende liefdesgeschiedenissen, telkens besloten met een
+les of eene waarschuwing; niet zelden ook gaat een of andere algemeene
+zedekundige stelregel vooraf en dient het dan volgend verhaal als
+"exempel". Tusschen _der Minnen Loop_ en een leerdicht als _De Spiegel
+der Zonden_ is dus alleen dit verschil, dat de liefde hier de plaats der
+hoofdzonden inneemt en dat de "exempelen" in het eerste werk meer plaats
+beslaan dan in het laatste. Ook de neiging tot spreuken en spreekwoorden
+en wendingen als: "kinder mijn", "salighe wiven", "lieve vrienden"
+ontbreken hier niet. Dat deze leerdichter slecht te spreken is over den
+"scalken vos Reynaert", kan ons niet verwonderen[4].
+
+Evenals de overige leerdichten is ook _der Minnen Loop_ een vrucht
+vooral van lectuur. De secretaris der Beiersche graven van Holland was
+een groot lezer, zooals hij zelf ons meer dan eens vertelt. De Godheid
+contempleeren, dat liet hij den theologen, de medici mochten zich moeien
+met hetgeen den zieken te pas komt, de wetgeleerden met hunne codices en
+digesten--"poten ende historin zanck" dat was wat hem smaakte. Vrouw
+Venus zelve wekt hem dan ook op, allerlei liefdesgeschiedenissen in zijn
+geheugen terug te roepen om ze aan anderen opnieuw te vertellen.
+
+Tal van verhalen, aan OVIDIUS' _Herodes_ en _Metamorphosen_ of aan den
+Bijbel ontleend, zijn door POTTER in zijn werk gevlochten: _Pyramus en
+Thisbe_, _Hero en Leander_, _Phoedra en Hippolytus_, _Ahasverus en
+Vasthi_, _David en Michol_, _Jacob's dochter Dina_ zijn eenige der meest
+bekende. Ook van elders heeft hij zijne stoffen ontleend; hij kent
+blijkbaar het werk van den Duitschen "minnesinger" NEIDHART VON REUENTAL
+("Heer Nytert van Ruwendael"), den roman _van Tristan en Isolde_ en
+WOLFRAM VON ESCHENBACH'S _Titurel_; ook de romans _van Malegijs_ en _van
+Parcival_ en eene novelle als die _van Griseldis_, hier onder den naam
+_van Orphaen en Lympiose_[5]. POTTER is zoozeer vervuld van zijne
+literaire herinneringen, dat hij soms een beroep doet op de lectuur van
+zijn publiek. In het verhaal _der Borchgravinne van Vergi_ dat ook door
+hem in zijn werk is opgenomen, zegt hij tot zijn lezers of hoorders:
+
+ Dat hebdi lichte ghelesen mee.
+
+De heldin van een zijner verhalen, PERNELLA, leest in een of ander
+geschrift dat men in een liefdesbetrekking goeden dienst kan hebben van
+een vertrouweling; eerst die mededeeling brengt haar op de gedachte zich
+te verzekeren van de hulp eener kamenier. Aan het slot van zijn werk
+verzuimt POTTER niet, de eerbare vrouwen eraan te herinneren dat de
+dichters, zooveel over haar geschreven hebben[6].
+
+Het is begrijpelijk, dat in het werk van een auteur die zooveel las,
+zich de invloed der vroegere literatuur vertoont; dat denkbeelden en
+opvattingen, langzamerhand door de literatuur tot gemeen goed geworden,
+in zijn werk worden aangetroffen.
+
+De kleurensymboliek die wij hier en daar in _der Minnen Loop_ vinden;
+het ontstaan van een dichtwerk uit eene "fantasie" waarin de dichter
+eene verschijning ziet; eene "vraghe" door den auteur aan zijn publiek
+gesteld, en die hij zelf niet kan "solveren"; het noemen van zijn naam
+in de aanvangsletters der slotregels van zijn gedicht--dat zijn altemaal
+trekken die wij ons uit de pozie vr POTTER herinneren[7].
+
+De gansche voorstelling der liefde als een "verband der herten"
+herinneren wij ons reeds uit den _Wapene Martijn_. En waar wij POTTER
+met nadruk hooren beweren dat alle verschil van stand voor de liefde
+moet wijken en met blijkbare instemming vermelden dat de gemaal van
+LYMPIOSE deugd boven afkomst stelde, zouden wij ook daar niet aan
+MAERLANT'S invloed moeten denken?
+
+Eene herinnering aan HILDEGAERSBERCH vinden wij misschien in POTTER'S
+klacht over zijn vijand "die avontuyer", die hem in de minne altijd
+ongunstig was geweest. BOENDALE'S invloed zien wij in de gelijkstelling
+van leeken en geestelijken; die wij aantreffen in deze regels:
+
+ Elck dient bijsonder sinen God:
+ Soe wael dient Gode Hein ende Han [Zijnoot: Jan, Piet en Klaas.],
+ Ghelijck doet een begheven man [Zijnoot: kloosterling.],
+ Al staet die een in hogher scouwe.
+
+Ook in POTTER'S verheffing van het huwelijk boven den ongehuwden staat
+en in zijn onderscheiding van _vrouwen_ en _wiven_ mogen wij staaltjes
+van BOENDALE'S invloed vermoeden[8].
+
+Het spreekt vanzelf, dat in het laatste geval behalve met BOENDALE'S
+invloed rekening moet gehouden worden met den ganschen tijdgeest; immers
+ook in dit onderscheid openbaarde zich die vrouwendienst die zulk een
+gewichtig aandeel heeft gehad in de gemoedsontwikkeling der moderne
+volken.
+
+Het loont de moeite na te gaan, hoe die vrouwendienst door dezen
+Hollandschen edelman is opgevat, wat hij daaruit heeft overgenomen en in
+hoever zijn oorspronkelijk wezen daardoor ongewijzigd is gebleven.
+
+Met DIEDERIC VAN ASSENEDE en zoo menig ander hoofsch dichter van
+vroegeren tijd is POTTER het eens, dat geen recht begrip van liefde kan
+wonen in "rude menschen van grover aert": boeren, visschers, slagers,
+smeden, spitters en delvers, monniken, schippers en allerlei ambachtslui
+zijn nooit door de liefde ten verderve gevoerd. Toch maakt hij ne
+uitzondering en wel voor hen "die van naturen edel sijn" en die hij
+plaatst nevens de lieden "van goeder gheboort". Hij kan zich wel
+voorstellen dat een minnend paar waant in het bezit te zijn van "een
+graal van zaligheid". Minachtend laat hij zich uit over huisbakken
+jongens die te dikhuidig zijn om de liefde te begrijpen. Overal houdt
+hij in zijn werk de eer hoog. Zijn kieschheidsgevoel is reeds vrij
+ontwikkeld: bij verhalen als dat van PASIPHA en van VIRGILIUS' wraak op
+een meisje dat hem in een mand ten toon had gesteld, schaamt hij zich
+voor zijne hoorderessen of lezeressen en verontschuldigt zich over zulke
+mededeelingen. Ook heeft hij een goeden dunk van de vrouwen zijner
+dagen; hij twijfelt er niet aan dat men er onder de eerbare goede
+vrouwen nog wel zou vinden die voor hare mans zouden willen sterven[9].
+Maar niet zoozeer is hij in bewondering voor de vrouwen of hij blijft
+indachtig dat zij toch menschen zijn en veranderlijke menschen, die wel
+eens "neen" zeggen als zij "ja" meenen. De vrouw moet "heer" zijn en de
+man "knecht"--ja, zegt POTTER, dat geldt voor de rechtbank der liefde,
+maar in het huwelijk is het iets anders: "daer sal die man een voocht
+[Zijnoot: de baas.] wesen".
+
+Al die liefde en vrouwendienst is heel mooi, maar ten slotte staat toch
+de huwelijksliefde het hoogst. In overeenstemming daarmede handelt het
+tweede boek dat verreweg het omvangrijkst is, over de "goede reine
+minne"; het derde, verreweg het kleinste, over de ongeoorloofde
+liefde[10].
+
+In zulk eene beschouwing van vrouwen en vrouwendienst kon bezwaarlijk
+plaats zijn voor eenig medegevoel met den hartstocht. Eene liefde als
+die van MEDEA, DIDO, HELENA, ARIADNE, rangschikt POTTER dan ook onder de
+"gecke minne". Hartstocht die aan een minnaar of eene minnares het leven
+kost, daar kan hij niet bij:
+
+ Om sulc wee te bliven doot,
+ Dat en docht mi sijn gheen noot.
+
+HERO zou hem bijna verteederd hebben. Wanneer hij de droeve geschiedenis
+dezer twee koningskinderen die elkander zoo lief hadden, verteld heeft
+en hoe HERO met LEANDER'S lijk in zee springt, dan geraakt hij zelf
+onder den indruk en stemt een lofzang aan voor de trouwe liefde:
+
+ O edel vrouwe ende goede man,
+ Hier sal men truwelic deyncken an.
+ Hier liet truwe [Zijnoot: trouwe.] truwe bliken.
+ Der truwen en woude sy niet bezwiken.
+ Die wile si leefden waren sy
+ Onverscheiden ende wandels vry:
+ Dus sijn sy in der lesten noot
+ Onghescheiden ghebleven doot.
+ Daer wrocht Venus den rechten aert.
+
+Maar te rechter tijd komt hij nog tot bezinning en besluit zijn lofzang
+met:
+
+ Nochtan waer beter tlijff[het leven.] ghespaert,
+ Also als ic voer hebbe bescreven.
+
+Liefde is goed, maar--getemperd:
+
+ Minne sal sijn te maten heet,
+ Te maten cout ende wail ghesmeet
+ ....
+ Vrou mate is een edel vorstinne.
+
+Hollandsche bezadigdheid kwam hier in botsing met uitheemschen
+hartstocht, Hollandsche zedelijkheid met gedealizeerde zinnelijkheid.
+Toch is POTTER'S gevoel van zedelijkheid niet bijzonder hoog ontwikkeld.
+Kan een minnend paar zich volstrekt niet bedwingen, dan moeten zij hun
+gang maar gaan--indien het dan slechts heimelijk gebeurt, zoodat de eer
+naar de wereld ongeschonden blijft. De wagenmenner MIRTHOS helpt door
+bedrog zijn meester PELOPS aan het bezit der schoone HIPPODAMIA; PELOPS
+heeft MIRTHOS zijn deel in dat bezit beloofd; als MIRTHOS zijn meester
+nu komt manen om de vervulling der belofte, werpt PELOPS hem in zee waar
+hij verdrinkt. POTTER vindt dit volmaakt billijk: aan een onredelijken
+eisch moet op onredelijke wijze voldaan worden; deze boef kreeg loon
+naar werken.
+
+Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk, dat gaat
+niet aan, zegt POTTER. De eer van den man lijdt er naar de wereld niet
+onder of hij al eenige bastaarden heeft; bij de vrouw is dat heel wat
+anders. Ook heeft men dikwijls gehoord dat heidensche vorsten en andere
+mannen twintig, veertig of honderd vrouwen hadden, doch ne vrouw twee
+mannen--nooit! Kortom, het is een verschil als van dag en nacht[11].
+
+POTTER moge kennis gemaakt hebben met het werk van GODFRIED VON
+STRASSBURG en van WOLFRAM VON ESCHENBACH, hij moge OVIDIUS' _Herodes_
+en _Metamorphosen_ hebben gelezen--een dichter als zij is hij niet
+geweest. Het licht en liefelijk spel van GODFRIED'S verbeelding,
+WOLFRAM'S diepte en innigheid, de fijnheid en bevalligheid van OVIDIUS,
+men zoekt ze in zijn werk tevergeefs.
+
+Dat POTTER'S smaak nog niet zeer ontwikkeld was, gaat men reeds
+vermoeden wanneer men eene vermelding van PARCIVAL'S zoeken naar den
+Graal aantreft op bedenkelijk korten afstand van de jacht op een wilden
+witten haas, die door een vijftal gezellen drie jaar lang werd
+voortgezet. Dat vermoeden wordt versterkt, waar wij hier en daar
+slordige of lamme rijmen aantreffen en platte beeldspraak. In het eerste
+boek, van de "gecke" minne, zegt hij tot de vrouwen: hebt gij last van
+de liefde, weest dan voorzichtig in de keus van uw minnaar of zooals hij
+het uitdrukt: kookt uw spek in goed rivierwater! Van minnende paren heet
+het elders:
+
+ Sijn zij in kercken of in clusen,
+ Die cat siet altoos na den musen.
+
+Een minnaar kan veel dienst hebben van een vertrouwden vriend, maar laat
+hij oppassen dat uit den vriend geen medeminnaar worde, die de "potage
+met het spek" naar zich toe haalt[12]. Doch tegenover zulke plaatsen die
+bovendien niet talrijk zijn, staan vrij wat andere die getuigen dat
+POTTER, al was hij geen groot dichter, toch niet van talent ontbloot
+was. Verdienstelijk is b.v. zijn lofzang op de
+
+ Rechte mynnentlike minne,
+ Die den menschen in den zinne
+ Verwerret lecht ende ghestricket.
+
+Hoe aardig is in het eerste boek de schets van den jeugdigen zot, die
+door een meisje voor de grap als minnaar is aangenomen, slechts voor
+deze Meimaand en niet langer. Wat is dat zomergekje dan opgewonden! Hij
+brengt zijn liefste een meitak, hij vertelt aan een van zijne vrienden
+uit Zotteghem--soort zoekt immers soort?--dat hij een liefje heeft die
+doet wat hij wil; samen gaan zij er op uit om haar ergens te zien.
+Gebeurt hem dat, dan is het al te mooi, dan moet er een dronk op staan:
+
+ So sal hi dan sijn gheselle gaen slepen
+ In den wijn; daer gaen si sitten.
+ Die wile hi zweeft in deser hitten,
+ So werpt hi sijn arm in die lucht
+ Ende maect een heerlic gherucht [Zijnoot: geroep.]:
+ "Wy hou! ic heb minen boel ghesien!
+ "Huden [Zijnoot: heden.] en mach mi niet misschien
+ [Zijnoot: niets kwaads overkomen.]!"
+ Vrolic is hi mit ghesanghe.
+ So vraghen die ander also langhe,
+ Dattet die heelghesel al seit,
+ Wair dat Hannen sin op steit.
+ Des wondert den ghesellen dan
+ Ende segghen: "Is Hannen alsulken man?"
+ Ende dat hoert Hannen al te gaern,
+ Dat die ghesellen van der tavaern
+ Weten van sire minnen staet[13].
+
+Kon POTTER de kunst van OVIDIUS al niet navolgen, veel min evenaren, men
+kan toch zien dat het verhaal van HERO en LEANDER, zooals het in de
+_Herodes_ voorkomt, indruk op hem heeft gemaakt; zijne bewerking treft
+ons hier en daar door een zachte bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt
+door den welluidenden klank onzer middeleeuwsche taal. Zoo in dat deel
+van het verhaal, waar HERO beschrijft hoe zij op LEANDER zit te wachten:
+
+ Als my die vake dan bestaet
+ Ende twater an die mure slaet,
+ Soe waen ic alle weghe [Zijnoot: telkens.] dan
+ Dattu daer biste, mijn liefste man.
+ Wat ic lope, en vinde niet.
+ O wy! wat is my gheschiet!
+ Ic wachte, ic wake, twort my zuyr;
+ Ic sitte dromende by den vuyr;
+ My donct dan dattu by mi bist,
+ Dat alle gader niet en ist.
+ Als ic dan weder wakende werde,
+ So sitte ic noch bij den haerde
+ Ende droghe die schone sachte doecken.
+ O wy! ic mach dat water vloeken,
+ Dat so onstuyr [Zijnoot: onstuimig.] heeft gheweest
+ Van groten storme ende tempeest[14].
+
+En waar POTTER zich eens durft overgeven aan zijn gevoel, omdat hij
+immers "van goede reine minne" spreekt, hoe verrast hij ons daar met dit
+liefelijk miniatuurtje van een paar gelieven:
+
+ Daer legghen sy in groter lust:
+ Menichwerff wart dair ghecust,
+ Die lipkijns werden gheconreydet [Zijnoot: uitgestoken.],
+ Vroechde meret, trueren beydet,
+ Menich guetlic, lieflic woert
+ Wort van beyden daer ghehoert,
+ Vriendelick drucken sy die armen,
+ In gueder vroechden sy hem warmen,
+ Lachende blencken dair die oghen,
+ Elck anderen troest van allen doghen [Zijnoot: verdriet.]:
+ Al waer hi sieck ende onghesont,
+ Elck ghenase in sulker stont.
+ Die witte kele ende wancskijn root
+ Mach men handelen daer al bloot.
+ Die borstkijns mach men wel anstoten,
+ Sijn sy niet te vast besloten,
+ Ende byeden hem gueden dach[15].
+
+In de beschrijving is POTTER sterker dan in het verhaal; toch heeft hij
+ook als verteller zijne verdiensten. Een meester in die kunst, zooals
+zijne oudere tijdgenooten BOCCACCIO en CHAUCER, was hij niet, doch er is
+in zijn zestigtal sproken van minne menig goed of aardig brok aan te
+wijzen, dat eene plaats verdient nevens de beste der hiervoor behandelde
+sproken van onbekende dichters.
+
+Houden wij _der Minnen Loop_ ten slotte naast een vroeger leerdicht over
+dezelfde stof: _den Spiegel der Minnen_ of den _roman van de Roos_, dan
+merken wij vrij wat verschil op. Het voornaamste punt van verschil is
+zeker, dat tegenover een vertaald werk nu een werk is gekomen dat
+oorspronkelijk mag heeten, al heeft het--gelijk zoo menig ander
+oorspronkelijk werk--een deel zijner stof van elders ontleend. Dat feit
+toont reeds dat de Dietsche geest aan zelfstandigheid had gewonnen; doch
+er is meer. Van de elementen, waaruit de _roman van de Roos_ bestaat,
+vinden wij er hier eenige terug, doch op andere wijze dan daar
+verbonden. In _der Minnen Loop_ is geen plaats voor de minachting der
+vrouw, noch voor het scepticisme, noch voor het cynisme, dat JEAN DE
+MEUNG kenmerkt, wel voor een deel van den hoofschen eerbied, dien
+GUILLAUME DE LORRIS de vrouwen toedroeg. Het zinnelijk element dier
+hoofsche liefde is in het Hollandsch dichtwerk zwakker dan in het
+Fransche; bij de goede reine liefde staat de Hollander het langst stil;
+de huwelijksliefde staat voor hem het hoogst; jegens den hartstocht is
+hij op zijne hoede. Die liefde, z opgevat, is verwerkt door een
+didactischen geest die weer aan JEAN DE MEUNG doet denken, tot een
+eenigszins schoolsch geheel, waarin theorie en practijk des levens nog
+niet zijn versmolten, doch onderling verbonden naast elkander staan als
+leering en voorbeeld.
+
+Menig lezer zal misschien van meening zijn, dat een Christelijk
+Hollandsch dichter als POTTER tevreden kon blijven over zijn werk. Hij
+had immers willen waarschuwen en leeren, en aan het nuttige
+gemakkelijker ingang verschaft door het aangename? Verhalen van minne,
+zelfs al waren zij verdicht, vonden immers genade ook bij kunstrechters,
+die van de kunst bevordering der zedelijkheid eischten? Zoo zou men
+meenen, doch te onrechte. POTTER is gebeurd, wat menig dichter of
+verzenmaker vr hem was gebeurd: in zijn later leven kreeg hij berouw
+over de literaire zonden zijner jeugd en trachtte die met ander werk te
+boeten.
+
+In zijn ouderdom schreef hij een werk, door hem zelven
+
+_Blome der Doechden_ [Zijnoot: Bloem der Deugden.] genoemd, waarin hij
+_der Minnen Loop_ wel niet verloochent, maar toch scherp laakt[16].
+
+Op een vr zijn werk geplaatst miniatuur zien wij op zinrijke wijze den
+auteur van _der Minnen Loop_ tegenover dien van de _Bloem der Deugden_
+gesteld; die tegenstelling is door POTTER zelf in den aanvang van zijn
+laatste werk bovendien toegelicht. Die miniatuur toont ons in een
+lusthof een "out simpel man" met een grauwen tabbaard, die met een
+mestvork veel mooie, welriekende bloemen uit den grond haalt en tevens
+vele leelijke bloemen en onreine, bitter smakende kruiden. Die had hij
+alle te zamen in zijne onwetendheid en onnoozelheid in n korf
+geworpen. Z, dat hij de goede niet van de kwade had gescheiden, wat
+hem ook niet mogelijk was.
+
+Tegenover hem zien wij een schoon jonkman, prachtig gekleed, die een
+paar mooie bloemen uit den korf neemt. Deze stelt den ouderen POTTER
+voor, die tot beter inzicht gekomen is; want dat de auteur van _der
+Minnen Loop_ voorgesteld wordt als "van grover erde ende onghemaect van
+lijflijker scoenheit" is slechts symboliek en daarom ook is de oudere
+POTTER bekleed met uitwendige schoonheid en pracht. Deze immers heeft de
+onwetendheid van dien groven mensen bemerkt en de heilige goddelijke
+Drievuldigheid aangeroepen, hem wijsheid te verleenen, opdat hij de
+goede, reine bloemen, waar deugd in bloeide, mocht onderkennen van de
+overige. Die bloemen der deugd heeft hij dus uitgelezen en
+bijeengebracht in een zuiver vat. De overige heeft hij onachtzaam ter
+zijde geworpen; laat niemand ze ter hand nemen, want steekt iemand zijn
+hand in het pik, zij zal er in blijven steken.
+
+Deze _Bloeme der Deugden_ zou misschien kunnen goedmaken, wat hij
+eertijds had misdreven met een ander boek "van wer(l)tlijker mijnnen
+ende van menschelijker ijdel liefde die ut vleyschelijker becoringhen
+hoeren oerspronck nemt" dat hij in zijne jonge jaren te Rome had
+gemaakt; over die liefde had hij daarin veel geschreven en, naar hij
+vreesde, "meer dan gode behagelijk was". Hij hoopt dat God hem dat zal
+vergeven, omdat hij het had gedaan met een goede bedoeling. In zijn
+tweede boek zal hij van die ijdele minne geen gewag meer maken.
+
+Wij vinden hier dan ook wel verhalen uit _Der Minnen Loop_ terug, doch
+alleen zulke die de auteur bij zijn strenger opvatting van de zedelijke
+verplichtingen der kunst oorbaar achtte. De neiging tot kleurensymboliek
+komt ook hier nog wel eens voor den dag en de "bose Hecuba" die het in
+_Der Minnen Loop_ zoo moest ontgelden, wordt ook hier nog eens onder
+handen genomen[17].
+
+Doch overigens heeft POTTER hier een werk geleverd zeer verschillend van
+het werk zijner jonge jaren. De verdichte verhalen zijn naar den
+achtergrond gedrongen of van het tooneel verdwenen. De schrijver laat
+zich afkeurend uit over "woerde in boerden voertgebracht om ghenoechte
+of corttinghe des tijts sonder ernste"; over leugens van poten die
+schoone woorden schrijven, van "veel dichters ende sproeken sprekers
+ende sonderlinghen [Zijnoot: in 't bijzonder.] in valsschen
+hystorin"[18]. Sprak hij vroeger luchtigjes over zijn onvoldoende
+kennis, liet hij de wetenschap aan wie er lust in had om zich alleen aan
+"poetryen ende oude gesten" te wijden--nu heeft hij zijne schade
+ingehaald. De _Bloem der Deugden_ is samengesteld uit den bijbel en de
+werken van ARISTOTELES, SENECA, de Kerkvaders en menig ander geleerd
+auteur. Deze, zijns inziens deugdelijker, stof heeft hij scherp
+gescheiden in voorbeelden van deugd en van ondeugd; want ook de ondeugd
+heeft hij in zijn boek opgenomen: op elk hoofdstuk waarin een deugd
+behandeld en toegelicht is, volgt een ander over de ondeugd die
+ertegenover staat; immers: "witte verwe onderscheidt haer selven van der
+swertter, soe doet die ondoecht als die doecht daer bij ghestelt
+wort"[19].
+
+_Der Minnen Loop_ is in verzen geschreven, de _Bloem der Deugden_ in
+proza. Ook dat verschil is in overeenstemming met den aanwas van
+strakken ernst dien de ouder wordende POTTER te zien geeft. "Soeticheit
+van sanghe van melodin ende die genoechten van instrumenten, van dansen
+ende desghelijcs", het was nu alles uit den Booze. Had PYTHAGORAS niet
+geleerd, dat de "luxurie" wast door instrumenten en melodien zooals de
+kruiden bij de oevers der rivieren?[20]
+
+Wie z over pozie en melodie dacht, zal het zich waarschijnlijk tot
+plicht hebben gerekend, de schoonheidsontroering waar zij in hem mocht
+opkomen te onderdrukken. De aesthetische waarde van dit prozawerk in
+zijn geheel is dan ook niet groot. Maar het bloed kruipt waar het niet
+gaan kan: waar POTTER het fraaigebouwd gevoelig proza van SINTE
+BERNARDUS onder de oogen krijgt, kan hij toch niet anders dan er mooi
+Hollandsch proza van maken. Ook elders toont hij bij de omschrijving van
+een deugd of een ondeugd de taal wel meester te zijn, al moet ook hier
+natuurlijk de vraag naar de oorspronkelijkheid veel gewicht in de schaal
+leggen[21].
+
+DIRC POTTER behoorde evenals WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH tot de poten
+van lager orde. Hij zelf is zich daarvan wel bewust geweest[22]. Doch
+schoonheid is niet het eenige wat een literair werk van vroegeren tijd
+belangrijk maakt voor den geschiedschrijver. Naast de schoonheid staat
+het karakter. Dat POTTER'S werk karakteristiek is als type van de pozie
+zijner eeuw, zagen wij reeds vroeger. En er is meer te noemen. Een
+Hollandsch edelman die voor zijn pleizier, zij het ook met de
+bijbedoeling om nuttige leering te geven, verzen schrijft over
+wereldsche minne, is een type dat wij tot dusver niet ontmoet hebben;
+als zoodanig staat hij tegenover den beroepsdichter HILDEGAERSBERCH en
+kondigt hij, ook als verteller, den Zeeuw CATS aan[23].
+
+Opmerkelijk is in dezen Hollandschen edelman die wel gevoel blijkt te
+hebben voor hoofschen vrouwendienst, de democratische gezindheid waarin
+hij kunsten en wetenschappen verheft als het middel waardoor de arme den
+rijke kan evenaren en overtreffen. Opmerkelijk ook het gevoel van
+onafhankelijkheid tegenover zijn publiek--zoo geheel anders dan bij
+HILDEGAERSBERCH en andere sprekers en dichters--dat hem in den aanvang
+van zijn Derde Boek doet zeggen: wie wil pogen in zijne geschriften
+allen te behagen, die moet vroeg opstaan! Hij is niet van plan zich
+daarover druk te maken, hij wil dichten naar zijn eigen zin, en, zoo
+vervolgt hij:
+
+ Ist dat ic yet scrive hier in,
+ Dat den enen of oec den anderen
+ Niet en ghenoecht, die mach gaen wanderen
+ Ende latent anderen luden lezen[24].
+
+Die zelfbewuste onafhankelijkheid van geest is in dezen
+vertegenwoordiger der veertiende eeuw eene flauwe voorafschaduwing van
+later tijden. Dienzelfden indruk geven ons een paar andere trekken van
+zijn werk en zijne persoonlijkheid. Flauwtjes klinkt ons uit de verte
+het bellengerinkel van STULTITIA'S narrenkap in het oor, waar wij in _De
+Bloem der Deugden_ lezen: "Mer, god betert, ic duchte die ghecheit vele
+meer scolieren ende naevolgers heeft dan die wijsheit"[25].
+
+ERASMUS, de schrijver der _Laus Stultitiae_, doet ons denken aan Itali.
+POTTER is, voorzoover wij weten, de eerste Nederlandsche dichter die
+Itali heeft bezocht. Langer dan een jaar is hij er gebleven, doch dat
+verblijf schijnt weinig of geen invloed te hebben geoefend op zijne
+ontwikkeling. Of hij Italiaansch heeft gekend, mag betwijfeld worden. In
+allen gevalle maakt hij met geen enkel woord gewag van de Italiaansche
+literatuur, en toch waren DANTE, PETRARCA en BOCCACCIO reeds eenigen
+tijd geleden gestorven en verbreidde hun roem zich al verder. Ook van
+den invloed der Renaissance, wier profeet PETRARCA was geweest, is in
+POTTER'S werk niets te bespeuren. Of wil men als zoodanig de vermelding
+van een paar groote oude steenen laten gelden[26]? Maar wat dan nog?
+
+De ongunstige indruk dien POTTER van de Italianen kreeg, zal hem niet
+hebben opgewekt, nader kennis te maken met hun taal en hun kunst. "Ter
+wereld is geen vuiler volk", zegt hij in zijn _Minnen Loop_; die vuile
+honden leven in allerlei zonde; vrouwen slaan, daar stellen zij eene eer
+in; schelden kunnen zij, "maer sy en willen niet ten zwaerde";
+hebzuchtig, onbetrouwbaar, verraderlijke gifmengers, leugenaars,
+roovers--dat zijn zij. Maar de vrouwen zijn de "schoonste creaturen die
+men kan vinden". Ook hun aangeboren spotlust heeft POTTER blijkbaar
+gergerd. Het zou mij niet verwonderen, indien de Italianen met wie hij
+in kennis is gekomen, zich vroolijk hebben gemaakt over zijn Hollandsch.
+Immers nog in de _Bloem der Deugden_ acht hij het noodig te verdedigen
+dat "een yeghelijc sprect nae sijns lants taele"; en "daerom so sijnt in
+den iersten dwase ende ongheleert die eenen anderen bespotten om sijnre
+talen die hem van sijns lants weghen aengheboeren is"[27].
+
+Trouwens, ook de Henegouwers, Franschen of Vlamingen onder wie zijne
+zendingen als grafelijk secretaris hem brachten, kunnen zich over zijn
+Hollandsch vroolijk hebben gemaakt. En ook dezen kan zijne ergernis
+gelden; want, overtuigd van de voortreffelijkheid van eigen volk, heeft
+hij het op andere volken niet begrepen. De goeden in het Duutsche land
+hebben volgens POTTER het monopolie van de goede reine minne; Lombarden,
+Engelschen en Walen hebben daar over het algemeen geen begrip van;
+enkelen mogen er zijn, maar dan zeker niet over de bergen. Ook in zijn
+later leven was hij er nog steeds van overtuigd, dat men de meeste
+ijdelheid en "onnutte glorie" vindt in de Waalsche landen[28].
+
+POTTER'S gevoel en smaak waren nog niet z ontwikkeld, dat de kunst der
+Oudheid een indruk op hem kon maken, sterk genoeg om hem te dwingen tot
+eene uiting van eenige beteekenis. Zijne eenzijdige en benepen
+beschouwing van het Italiaansche volk zal hem hebben weerhouden van eene
+kennismaking met hun taal en hun literatuur. CHAUCER die, eveneens met
+eene zending naar Itali belast, een jaar te Genua en Florence
+vertoefde, deed anders: hij kocht handschriften der werken van DANTE,
+PETRARCA, BOCCACCIO, bestudeerde die en bracht langs die nieuwe baan
+zijn eigen kunst tot hooger ontwikkeling.
+
+POTTER'S nationaliteitsgevoel was nog van dat enghartige soort, dat zich
+openbaart vooral in overmatige verheffing van het eigen volk en in
+vijandige gezindheid tegenover andere volken. In beide opzichten was hij
+een type van zijn volk[29]. Dat volk moest nog een aanzienlijk deel van
+de baan zijner ontwikkeling afleggen, eer de herboren Oudheid haar
+invloed ook in deze landen kon doen gevoelen, eer het
+nationaliteitsgevoel ruimer en sterker kon worden. Op dat deel harer
+baan zullen wij de ontwikkeling dezer volken nu gaan volgen.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel aan het
+onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken hebben, medegedeeld in
+LEENDERTZ' uitgave van _Der Minnen Loep_. Vgl. ook het degelijk
+overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg. BUSKEN HUET heeft in _Het
+Land van Rembrand_ menige aardige of geestige opmerking over POTTER en
+_der Minnen Loop_ ten beste gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel
+over HUET'S tekortkomingen in dezen te hard--wie het om historische
+waarheid, om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog
+verliezen, dat ook in _Het Land van Rembrand_ de schrijver der
+_Literaire Fantasien_ aan het woord is.
+
+[2] Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is niet
+gemakkelijk. Uit _Der Minnen Loop_ zou men opmaken, dat POTTER reeds een
+man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef. Vgl. plaatsen als I,
+73: "vesper is over langhe gheluut"; I, 949; II, 2465; II, 4137. Maar in
+zijn tweede werk _Bloeme der Deugden_, spreekt P. van _Der Minnen Loop_
+als van "een boec dat ic in jongen tijden maecte te Rome."
+
+[3] I, 169; II, 2394.
+
+[4] Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246; I, 2091,
+2372, 3025; III, 1104; I, 1841.
+
+[5] De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335. De
+opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij TE WINKEL,
+bl. 508 vlgg.
+
+De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men in _Der Minnen Loop_,
+II, 705-6. De stof van het verhaal van den Spaanschen schildknaap, die
+TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die der boerde
+opgenomen in _Van Vrouwen ende van Minne_, no. II (Inl. XVI).
+
+[6] II, 560, 1430; IV, 2276.
+
+[7] II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg.
+
+[8] I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18;
+IV, 38 vlgg.; 1839-'42.
+
+[9] II, 665-704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621-2; III, 191; IV, 1089
+vlgg.
+
+[10] I, 1225-'30; 2700 vlgg.
+
+[11] I, 459-460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.; I,
+3116-'7, 3129-'30; II, 1798-1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV, 365-386,
+612 vlgg.
+
+[12] I, 1280 vlgg.; 585-6, 613-614, 1379-'80; IV, 1005-'6; I, 3207-'9;
+II, 815-'6; 3894-'6.
+
+[13] I, 736 vlgg.
+
+[14] II, 297 vlgg.
+
+[15] II, 1299-1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9; ik geef
+slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste.
+
+[16] Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige wijze,
+uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder, onder den
+titel _Dat Bouck der Bloemen_ (Hoogstraten, L. VAN HOOF--ROELANS, 1904).
+Dat dit werk van POTTER is, kan niet betwijfeld worden door iemand die
+met een weinig kennis van zaken de eerste bladzijden (7-12) leest en dan
+let o.a. op de vermelding van het ambt door den auteur bekleed (de
+"yseren roede" vgl. _M. Loop_, I, 78-79), op het "boec van wer(l)tlijker
+minnen" dat hij "in jonghen tijden maecte te rome", op alle in _Der
+Minnen Loop_ voorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek
+worden genoemd. De "lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt, zal
+misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien wij reeds
+spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der kroniek van
+Froissard.
+
+[17] Vgl. bl. 9, 54, 97.
+
+[18] Bl. 35-36.
+
+[19] Bl. 9.
+
+[20] Bl. 79.
+
+[21] Vgl. b.v. bl. 10, 31 (_wreetheit_), bl. 85 (_gierigheid_) en
+passim.
+
+[22] Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025.
+
+[23] I, 66; II, 636.
+
+[24] I, 1-25; III, 1-17.
+
+[25] Bl. 44.
+
+[26] I, 2613; II, 3207.
+
+[27] _Der Minnen Loop_, III, 98 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 43.
+
+[28] _M. Loop_, II, 721 vlgg.; _Bl. der Deugden_, bl. 101.
+
+[29] Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen tijd
+_Giotto_ schijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet
+ontzenuwen.
+
+
+
+ALPHABETISCH REGISTER[*].
+
+[*] Alle namen van dicht- en prozawerken zijn cursief gedrukt.
+
+A.
+
+_Aechte (Van Sente)_, I, 137-138.
+_Aiol_, I, 94, 97, 100.
+_Alexander den Groote (Leven van)_, I, 362.
+_Alexander_, I, 230-235, 239.
+Alpertus' _De diversitate temporum_, I, 22.
+_Amadas en IJdoine_, I, 112.
+_Amand (Leven van Sint)_, I, 349-351.
+_Amand (Leven van S.)_ Latijn, I, 17.
+_Anno-lied_, I, 21.
+_Ansfried (Loflied op bisschop)_ Latijn, I, 20.
+_Artur's dood_, I, 109.
+_Aubri de Borgengoen_, I, 95, 97, 98.
+Augustijnken van Dordt, I, 497, 515, 516.
+
+B.
+
+_Baerte metten breden voeten_, I, 337-8.
+_Beatrijs (Van)_, I, 353 vlgg. 518.
+_Becoringhen (Van den vier)_, I, 382 vlgg.
+_Beghinen (Van den twaelf)_, I, 382 vlgg.
+_Beovulf_, I, 10.
+Bernlef, I, 5.
+Bertelmeeus van Delf, I, 515.
+_Bestiaris_, I, 186.
+_Bestiaris (van minnen)_, I, 185.
+_Biechten (Boec der)_, I, 138.
+_Bin Boeck (der)_, 225 vlgg.
+_Bloeme der Doechden_, I, 565 vlgg.
+Boendale (Jan), I, 427 vlgg. 517-518, 524, 527-'31.
+_Boerde (de eerste)_, I, 189.
+_Boerden_, I, 455 vlgg.
+_Boerden en Sproken_, I, 504 vlgg.
+_Bonifacius (Leven van S.)_ Latijn, I, 18.
+Boudewijn van der Loren, I, 497, 515, 520.
+_Brandaen (Van Sinte)_, I, 53.
+
+C.
+
+Chaucer, I, 504, 570.
+_Chierheit der geesteleker Brulocht_, I, 382-3.
+
+D.
+
+Daem van IJsselsteyn, I, 515.
+_Disputatie van den Cruce_, I, 245 vlgg.
+_Disticha Catonis_, I, 184.
+_Doctrinael (Dietsche)_, I, 423 vlgg.
+_Doctrinael (Nieuwe)_, I, 334; 423 vlgg.
+_Doctrinael savage_, I, 436.
+_Dogheden (Van den twaelf)_, I, 382 vlgg.
+_Doon de Mayence_, I, 96, 97.
+_Drievoudichede (Van der)_, I, 245 vlgg.
+
+E.
+
+Eckhart, I, 365 vlgg.
+_Edewaert (Van den derden)_, I, 313, 427.
+Egidius, I 520.
+_Enede_, I 38.
+Erasmus, I, 568.
+_Esopet_ ("favele" van Esopus), I, 187, 193.
+_Eustaesse (van sente)_, I, 137-138.
+
+F.
+
+_Fierabras_, I, 97.
+_Flandrijs_, I, 306-7.
+_Floris en Blancefloer_ (Limburgsche bewerking), I, 34.
+_Floris en Blancefloer (van Diederic van Assenede)_, I, 111-112, 116, 117.
+_Flovent_, I, 91, 97.
+_Foulque de Candie_, I, 97.
+_Franciscus Leven (Sinte)_, I, 231, 244.
+Froissart (Vertaling van Kroniek), I, 332.
+_Ferguut_, I, 110-111, 113-115, 118.
+
+G.
+
+_Galbertus (Kroniek van)_, I, 23.
+Geraert (Heer), I, 313.
+_Geraert van Viane_, I, 93, 97, 98.
+_Ghelove (Van den Kerstenen)_, I, 382 vlgg.
+Gielys van Molhem, I, 139.
+Gielijs van Trecht, I, 514.
+Godekijn van Tricht, I, 515.
+Gillis de Wevel, I, 305, 518.
+Graal (de heilige), I, 108-109.
+_Graalqueste_, I, 109, 110.
+_Grale (Historie van den)_, I, 236.
+_Grimbergsche Oorlog_, I, 295, 341-2.
+_Gudrun_, I, 10.
+_Gwidekijn van Sassen_, I, 96, 97.
+
+H.
+
+Hadewych, I, 150, 155, 156 vlgg.
+Heelu (Jan van), I, 304.
+_Heemskinderen_, I, 89, 91, 93, 97, 98.
+_Heimelijkheid der Heimelijkheden_, I, 254.
+_Heimelicheit (Der Vrouwen)_, I, 421.
+_Heimelicheit (Der Mannen ende der Vrouwen)_, I, 421.
+Heyn van Aken, I, 298.
+Heinrec, I, 139 (vgl. _Rinclus_).
+Heinric van Hollant, I, 519.
+Herman de Spreker, I, 515.
+Hese (Reisverhaal van Joannes Witte de), I, 363.
+Hillegaertsberch (Willem van), I, 328, 333, 345.
+Hopezomer, I, 512, 516, 533.
+_Horologium aeternae sapientiae_, I, 369.
+_Houte (Dboec van den)_, I, 352, 361.
+_Huge van Bordeeus_, I, 338 vlgg.
+_Hughe van Tabaryen_, I, 299.
+
+I. J.
+
+Jan I van Brabant, I, 221.
+Jan Bot, I, 522.
+Jan Dyllen, I, 513.
+Jan van Sente Gheerdenberghe, I, 515.
+Jan van Hulst, I, 520.
+Jan metter Huven, I, 514.
+Jan van Lier, I, 514.
+Jan van Machelen, I, 515.
+Jan Praet, I, 437 vlgg.
+Jan van Vlaerdinghen, I, 512, 515.
+Jan de Weert, I, 334, 423, 435, 518.
+Jannes den Coster, I, 515.
+_Jonitas en Rosafiere (Van)_, I, 353 vlgg.
+Jonchere van der Minnen, I, 515.
+
+K.
+
+Calfstaf, I, 187.
+_Karel en Elegast_, I, 101.
+_Karel en Galie_, I, 97.
+_Carmen allegoricum (S. Suitbert)_, I, 18.
+_Cassamus_, I, 337-9, 344.
+
+_Caterine (Van sente)_, I, 137-138.
+_Kerstine (Leven van Sinte)_, I, 350-1.
+_Claghe (der Kerken)_, I, 257.
+_Clara (Leven van Sinte)_, I, 231.
+_Clausule van der Bible_, I, 245 vlgg.
+Colpaert, I, 515.
+_Couchi (Van den borchgrave van)_, I, 338 vlgg. 347.
+_Cracht der Mane_, I, 421.
+_Kruis (Van het heilige)_, I, 13, 352-3.
+_Kunera (Van Sinte)_, I, 350, 361.
+
+L.
+
+Lambert van Waterloos, I, 225.
+_Lancelot_, I, 106, 109, 110, 113, 296, 306.
+_Lande van Overzee (Van den)_, I, 259.
+_Lebunus (Ecloga op S.)_, I, 18.
+_Leec_ (geestelijk lied), I, 223.
+_Leek (Geschrift van den onbekenden)_, I, 375.
+_Levene ons Heren (Van den)_, I, 132-137.
+Leeuwen (Jan van), I, 368, 377.
+_Limborch (Roman van)_, I, 301.
+_Lorreinen_, I, 89, 94, 97, 98.
+Lodewijk van Vaelbeke, I, 519, 534.
+Loy Latewaert, I, 519.
+_Loyhier ende Malaert_, I, 337-8.
+_Lucidarius (Dietsche)_, I, 422.
+_Leven van Ludger_ (Latijn), I, 18.
+_Lutgart (Leven van Sinte)_ door broeder Gheraert, I, 350.
+_Lutgart (Leven van Sinte)_ door Willem van Afflighem, I, 149-155.
+
+M.
+
+_Machteldis visioenen (Van)_ I, 374, 441.
+_Madocs droom_, I, 112.
+_Malegijs_, I, 338 vlgg.
+_Marie Egyptiake (Van sente)_, I, 137-138.
+_Maartensliedjes (Sint)_, I, 227.
+_Martijn (Vierde)_, I, 267.
+_Martijns-zangen_, I, 249 vlgg.; 267.
+Meeus van Dordt, I, 515.
+_Meliboeus_, I, 435, 451.
+_Merlijn_, I, 230, 236-238.
+_Minnen Loop (Der)_, I, 553 vlgg.
+_Missen (Bediedenisse der)_, I, 422.
+_Moriaen_, I, 118-119.
+
+N.
+
+_Naturen Bloeme (der)_, I, 231, 254-6.
+Nederlant, I, 311-2.
+Neidhart von Reuental, I, 555, 571.
+_Nibelungen-lied_ (Dietsche vertaling), I, 45.
+Noydekijn, I, 187.
+"_Nu zijt wellecome_", I, 223.
+
+O.
+
+_Octaviaan_, I, 112.
+_Ogier_, I, 338 vlgg.
+_Oranje (Willem van)_, I, 90, 92, 97.
+Otto van Orleien, I, 519.
+
+P.
+
+_Partonopes en Melior_, I, 111-112, 115-116, 118.
+_Passionael_, I, 408.
+Peter Vreugdegaer, I, 515.
+_Plaghen (Die X)_, I, 423.
+_Percevael_, I, 109, 113.
+
+R.
+
+_Ragisel (Wrake van)_, I, 109.
+_Reinaerde (Van den Vos)_, I, 193.
+_Reinaert II_, I, 440-449.
+_Ridder metter mouwen_, I, 109.
+_Ridder metten Zwane_, I, 337-9.
+_Rike der Ghelieven_, I, 382 vlgg.
+_Rinclus_, I, 139-141.
+_Roelants-lied_, I, 89, 90, 92, 97.
+_Rogiere (Disputacie van--ende van Janne)_, I, 435.
+_Roos (Roman van de)_, I, 299.
+Ruusbroec, I, 371, 379.
+_Rijmbijbel_ (Maerlant's), I, 231, 243.
+
+S.
+
+_Scivias_, I, 143.
+_Seghelijn van Jerusalem_, I, 338 vlgg.
+_Seneka leren_, I, 436.
+_Sermoenen (Limburgsche)_, I, 371.
+_Sinte Servatius' Legende_, I, 36.
+Snelryem de spreker, I, 515.
+_Sobrietate (De)_, I, 18.
+_Spaengen (Olivier van)_, I, 318, noot 5.
+_Spieghel Historiael_, I, 231, 255-6.
+_Spiegel (der Leken)_, I, 427.
+_Spieghel der ewigher Salicheit_, I, 382 vlgg.
+_Spiegel der Zonden_, I, 334, 423 vlgg.
+_Sproken_, I, 456 vlgg.
+Stoke (Melis), I, 307-310, 317.
+Suso, I, 369.
+
+T.
+
+_Tabernacule (Van den gheestelijken)_, I, 382 vlgg.
+Tauler, I, 371.
+_Oude Testament (Eerste vertaling van het)_, I, 408.
+_Teestye_ (Jans), I, 325-327, 429.
+_Theophilus (Van)_, I, 353 vlgg.; 361.
+Thomas van Cantimpr, I, 149.
+_Tondalus (Visioen van)_, I, 361.
+_Torec_, I, 230, 238-239.
+_Tractaet van seven sloten_, I, 382 vlgg.
+_Trappen (Van Seven)_, I, 382 vlgg.
+_Tristan en Isolde_, I, 112.
+_Troyen_, I, 105, 230, 235-236, 240.
+
+U.
+
+Willem Utenhove, I, 186.
+
+V.
+
+_Vaghevier (Van S. Patricius')_, I, 351-2.
+_Valentijn en Nameloos_, I, 338 vlgg.
+Heinric van Veldeke, I, 34.
+Veldeke's _Minneliederen_, I, 41.
+Velthem (Lodewijk van), I, 305-6.
+_Vergy (Borchgravinne van)_, I, 337-9, 344.
+_Versus de hirundine_, I, 18.
+_Vingherlinc_, I, 382 vlgg.
+_Vitae patrum_, I, 362.
+_Vroeden (Van den VII... binnen Rome)_ (gedicht), I, 190.
+_Vrouden (Van den vijf)_, I, 245 vlgg.
+
+W.
+
+_Walewein_, I, 119-121.
+_Walewein-boek,_ I, 109.
+_Boek der Waarheid_ (Suso), I, 369.
+_Waerheit (Boec vander hoechster)_, I, 382 vlgg.
+_Waerneer (Van sente)_, I, 137-138.
+Willem van Afflighem, I, 150.
+_Wraken (Boec van der)_, I, 422, 451.
+_Wrake (Van onses Heren)_, I, 139.
+_Wisselau (Van den bere)_, I, 48.
+_Woeringen (Slag bij)_, I, 303.
+_Wonden (Van ons Heren)_, I, 245 vlgg.
+_Wychliederen_, I, 223
+
+Y.
+
+_Yeesten (Brabantsche)_, I, 427.
+_Ysengrimus_, I, 24.
+_Ystorin (Der--Bloeme)_, I, 349.
+
+Z.
+
+_Zalichede (Leeringhe der)_, I, 437 vlgg.
+_Zeden (Bouc van)_, I, 436.
+_Zeden (Van)_, I, 436.
+_Zwaanridder-sage_, I, 11.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche
+letterkunde, Deel I, by Gerrit Kalff
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE ***
+
+***** This file should be named 23812-8.txt or 23812-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/3/8/1/23812/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/23812-8.zip b/23812-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..e022c02
--- /dev/null
+++ b/23812-8.zip
Binary files differ
diff --git a/23812-h.zip b/23812-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..5d95337
--- /dev/null
+++ b/23812-h.zip
Binary files differ
diff --git a/23812-h/23812-h.htm b/23812-h/23812-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..575f0a9
--- /dev/null
+++ b/23812-h/23812-h.htm
@@ -0,0 +1,21585 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/strict.dtd">
+<html>
+<head>
+<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=windows-1252">
+<title>Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde (Deel 1)</title>
+<style type="text/css">
+<!--
+ body {
+ margin: 5em;
+ padding: 0;
+ }
+
+ p {
+ text-indent: 2em;
+ }
+
+ p.quote {
+ text-indent: 0em; margin-left: 4em; margin-right: 4em;
+ white-space: pre;
+ }
+
+ p.footnote {
+ font-size: smaller;
+ }
+
+ p.footnotequote {
+ font-size: smaller;
+ text-indent: 0em; margin-left: 4em; margin-right: 4em;
+ white-space: pre;
+ }
+
+ p.intro {
+ font-size: smaller;
+ }
+
+ td {
+ text-indent: 0em; margin-left: 4em; margin-right: 4em;
+ white-space: pre;
+ }
+
+ h3, h2, h1 {
+ padding-top: 50px;
+ text-indent: 75px;
+ }
+
+ .centered {
+ padding-top: 50px;
+ text-indent: 0px;
+ text-align: center;
+ }
+
+ a:hover {
+ color: #3366cc;
+ text-decoration: none;
+ }
+
+ a {
+ color: #3366cc;
+ text-decoration: none;
+ }
+
+ hr {
+ width: 20%;
+ }
+-->
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde,
+Deel I, by Gerrit Kalff
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I
+
+Author: Gerrit Kalff
+
+Release Date: December 10, 2007 [EBook #23812]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding:
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<p><a name="i"></a>
+
+<h1 class="centered">GESCHIEDENIS DER
+NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE</h1>
+
+<p class="centered">DOOR
+
+<h3 class="centered">G. KALFF,</h3>
+
+<p class="centered">HOOGLEERAAR AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN.
+
+<h3 class="centered">EERSTE DEEL.</h3>
+
+<p class="centered">TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1906.<a name="ii"></a>
+
+<p class="centered">STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.<a name="iii"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>VOORREDE.</h2>
+
+<p>
+<i>Van 1868&ndash;1872 ontving ons volk van </i>JONCKBLOET'S<i> hand
+de eerste volledige wetenschappelijke geschiedenis onzer letterkunde.</i></p>
+
+<p><i>Tot op den huidigen dag is die eerste de eenige gebleven.
+Met die twee feiten voor oogen zal menigeen erkennen, dat de
+rustelooze voortgang der wetenschap en de ontwikkeling onzer
+denkbeelden over literatuur en geschiedschrijving der literatuur
+een nieuwe geschiedenis onzer letterkunde wenschelijk, ja noodig,
+maken.</i>
+
+<p><i>Het is waar</i>, JONCKBLOET <i>heeft zijn, in vele opzichten voortreffelijk,
+werk in latere uitgaven aangevuld en gewijzigd; doch
+het wezen van zijn boek is daardoor niet veranderd.</i>
+
+<p><i>Ongeveer twintig jaar na</i> JONCKBLOET <i>ondernam</i> Dr. J. TE
+WINKEL <i>een nieuwe geschiedenis onzer letterkunde, eveneens
+op eigen wetenschappelijk onderzoek berustend. Een dergelijk
+boek mocht toen reeds om meer dan een reden noodig genoemd
+worden, zooals door den schrijver in zijne Voorrede is uiteengezet.
+Doch</i> Dr. TE WINKEL <i>liet zijn verdienstelijk werk na het
+eerste deel steken. Zoo bleef een nieuwe volledige geschiedenis
+onzer letterkunde een desideratum</i>[1].
+
+<p class="footnote">[Voetnoot 1: De gellustreerde <i>Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde</i>
+van Prof. J. TEN BRINK, bestemd in de eerste plaats voor het groote
+publiek en dus van anderen aard dan de beide bovengenoemde
+werken, kan hier buiten beschouwing blijven.]
+
+<p><i>De firma</i> J.B. WOLTERS <i>te Groningen, die indertijd</i> JONCKBLOET'S
+&#8222;Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" <i>had
+uitgegeven, verzocht mij een nieuw dergelijk werk samen te stellen
+en ik heb die taak op mij genomen, in de overtuiging dat hier
+werk viel te doen nuttig voor anderen en voor mijzelf.</i>
+
+<p><i>Voor anderen&mdash;want ook in de 18 jaren, verloopen sedert<a name="iv"></a>
+de verschijning van</i> Dr. TE WINKEL'S <i>boek, zijn weer tal van
+nieuwe werken en teksten gevonden; is onze feitenkennis door
+voortgezet onderzoek gewijzigd en vermeerderd; hebben buitenlandsche
+geleerden werken geschreven die ons in staat stellen,
+dieper door te dringen in het wezen en de ontwikkeling onzer
+literatuur. Dat alleen reeds maakt een nieuwe poging tot verwerking
+en samenvatting der bestaande stof wenschelijk. Doch
+er is meer. Een der redenen waarom</i> Dr. TE WINKEL <i>het
+wenschelijk achtte, naast</i> JONCKBLOET'S <i>werk het zijne te plaatsen,
+was gelegen in een &#8222;afwijkende aesthetische beschouwing der
+letterkundige voortbrengselen." Ook die reden bewoog mij tot
+het samenstellen van mijn werk. De opvatting en beschouwing
+mijner voorgangers eerbiedigend, acht ik het wenschelijk eene
+geschiedenis onzer letterkunde samen te stellen, uitgaand van
+een andere opvatting van leven en literatuur, van den samenhang
+tusschen die beide, en van de taak der literatuur-geschiedschrijving.</i>
+
+<p><i>Voor mijzelven acht ik de samenstelling van dit werk een
+goede aanleiding tot verwerking en samenvatting van hetgeen
+een bijna 25-jarige studie onzer letterkunde mij te gevoelen en
+te denken heeft gegeven.</i>
+
+<p><i>Mijne opvatting van literatuur en literatuur-geschiedschrijving
+hier uiteen te zetten, schijnt mij overbodig; men zal die uit
+mijn werk voldoende kunnen opmaken.</i>
+
+<p><i>Hier zou ik dus kunnen eindigen, ware het niet dat ik eerst
+een droevigen plicht had te vervullen.</i>
+
+<p><i>De man die den stoot gaf tot het ontstaan van dit boek, de
+uitgever</i> E.B. TER HORST, <i>is eenige dagen geleden ontvallen
+aan de zijnen, aan den boekhandel, aan de wetenschap waarvoor
+hij als uitgever in zijn kort leven zooveel heeft gedaan. Het doet
+mij hartelijk leed, dat deze rusteloos, te rusteloos, voortvarende
+man in de volle kracht zijner werkzaamheid van ons moest
+scheiden; dat ik zijne belangstelling en zijn raad bij de voortzetting
+van dit werk zal missen. Mij blijft slechts de herinnering
+aan zijn onbekrompen trant van zaken doen en onze korte doch
+aangename samenwerking</i>.
+
+<p>LEIDEN, 20 October 1905.
+G.K.<a name="v"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>INHOUD.</h2>
+
+<p class="quote">
+VOORSPEL I
+VOORSPEL II
+
+BOEK I.
+STANDENPOZIE
+
+Inleiding
+1. Ridderpozie
+2. Geestelijke Pozie (Hadewych)
+3. Pozie der Gemeenten (Reinaert)
+Vroegste Lyriek
+Jacob van Maerlant
+Dichters, Voordragers, Publiek
+Tusschenspel. Ontkieming van het Nationaliteitsgevoel
+
+BOEK II.
+STANDENPOZIE. DE STEM DER GEMEENTEN
+
+Inleiding
+Ridderpozie in verval
+Geestelijke epische pozie en proza (Ruusbroec)
+Pozie der Gemeenten (Vervolg)
+ Het Leerdicht&mdash;Reinaert II
+ Verhalende en lyrische pozie
+Ontwikkeling van het Literair Leven
+Willem van Hildegaersberch
+Dirc Potter
+
+Alphabetisch Register
+</p>
+
+<hr>
+
+<p><a name="vi"></a>
+<a name="1"></a>
+
+<h1>VOORSPEL.</h1>
+
+<p><a name="2"></a>
+<a name="3"></a>
+
+<h2>VOORSPEL.</h2>
+
+<h2>I.</h2>
+
+<p class="intro">Land en Volk. Romeinen. Franken. Bernlef. Heidendom en Christendom.
+Oudnederlandsche Letterkunde. De akker der volkspozie ligt
+braak. Latijnsche pozie en prozawerken.
+
+<p>Het onderzoekend oog dat zich richt op het verst verleden
+van ons volk, stuit allerwegen op een ring van duisternis.
+Slechts langzaam en tragelijk wijken voor het wassend licht
+der wetenschap, de dikke nevelen die verbreid liggen over het
+ontkiemen van ons volksbestaan.
+
+<p>Wat zien wij in die schemering?
+
+<p>Lage landen aan zee, oostwaarts zachtkens opglooiend, overal
+afgebroken door plassen en meren en breede rivieren; eenzame
+heiden en uitgestrekte bosschen, afgewisseld door poelen en
+moerassen. Over die woeste gronden zwerven Kelten en Germanen,
+jagers en visschers, levend van de hand in den tand,
+een ruw en zorgvol bestaan rekkend in den strijd met wilde
+dieren. Onzekere geruchten omtrent een schrikwekkenden grooten
+vloed zijn blijven hangen in het geheugen ook van ons volk.
+Nog staan, indrukwekkend en geheimzinnig, op de Drentsche
+heidevelden de hunnebedden, heugenissen dier vroegste schemertijden.
+
+<p>Maar niet onduidelijk noch onzeker van klank zijn de
+schetterende trompetten die de nadering verkonden van Romeinsche
+soldaten en als sterren door de nevelen schitterend<a name="4"></a>
+zien wij de zilveren adelaren zich wiegen boven de helmen
+dier legioenen die de wereld hadden veroverd.
+
+<p>In het gevolg der Romeinen kwam de beschaving. Van hen
+leerden onze voorouders het aanleggen van wegen en dijken,
+het bouwen van bruggen en huizen; in landontginning, landbouw,
+handel en nijverheid waren de Romeinen onze voorgangers
+en leermeesters. Met de zee, &#8222;de wilde zee" zooals
+men haar te onzent nog lang placht te noemen, wordt een
+strijd aangebonden ter verdediging van het land; weldra gaan
+de Friezen haar bevaren om handel te drijven.
+
+<p>Langzaam neigt der Romeinen heerschappij ten val. Hun
+wereldrijk verzwakt; als het bloed naar het hart trekken de
+legioenen zich uit de verre streken terug, de greep van Rome's
+ijzeren vuist verslapt. Wanneer eindelijk het Romeinsche rijk
+bezweken is onder de slagen der Germanen, komen de Franken
+hier als heerschend volk de plaats der Romeinen innemen.
+Zelf een Germaansch volk, maar dat langzamerhand samensmolt
+met de Gallo-Romeinsche bevolking van het door hen veroverd
+land en meer en meer onder den invloed geraakte van de
+beschaving en het Christendom der overwonnelingen, dringen
+zij aldoor noordwaarts op. Een botsing met de, benoorden den
+Rijn wonende, Friezen en Saksen kon niet uitblijven; eene
+botsing van stammen tegen stammen, botsing ook van ruwheid
+en beschaving, van Heidendom en Christendom. Lang blijven
+de Friezen onder hunne koningen RADBOUD en POPPO zich
+verdedigen tegen de Franken onder hunne PEPIJNS en KAREL
+MARTEL, maar ten slotte moeten zij den strijd opgeven; het
+Friesche rijk dat zich langs de zeekust eens tot het Zwin had
+uitgestrekt, wordt in de 8<sup>ste</sup> eeuw bij het Frankisch rijk ingelijfd.
+KAREL DE GROOTE bevestigt dien stand van zaken; onder zijne
+roemvolle regeering beginnen de bewoners dezer landen de zegeningen
+van orde en vrede eenigermate te leeren kennen en genieten.<a name="5"></a>
+
+<p>Niet verwonderlijk dus, dat wij ook nu eerst onder deze
+volken eenig spoor vinden van letterkundig leven. Aan het
+Friesche volk komt de eer toe, het eerst zijne stem te hebben
+opgeheven in het veelstemmig koor van Nederlands pozie;
+aan de poort onzer literatuur staat&mdash;Frysk bloed, tsjoch op!&mdash;een
+vrije Fries, de blinde zanger BERNLEF.
+
+<p>Het weinige dat wij van BERNLEF weten, is ons verhaald
+door ALTFRIDUS, bisschop van Munster, in zijne levensbeschrijving
+van den apostel LIUDGER, een edelen Fries die in
+Friesland het werk van BONIFACIUS heeft voortgezet<a href="#1.1">[1]</a>.
+
+<p>In dat levensverhaal vinden wij gewag gemaakt van &#8222;den
+blinden zanger BERNLEF, dien zijne buren liefhadden om zijne
+minzaamheid en omdat hij de daden van het voorgeslacht en
+de oorlogen der koningen wel in zijne harpzangen wist te verhalen."
+Voorts wordt ons nog medegedeeld, dat BERNLEF met
+zijne vrouw te Holwerd bij Dokkum woonde en dat hij drie
+jaar lang met volslagen blindheid bezocht was.
+
+<p>Misschien hebben wij hier een dier zangers van beroep voor
+ons, gelijk zij bij de Gernamen voorkwamen, een der dragers
+van de oude inheemsche volkspozie<a href="#1.2">[2]</a>. Al kennen wij BERNLEF'S
+liederen helaas! niet, wij wagen niet veel met de onderstelling
+dat zij hetzelfde karakter zullen hebben gedragen als die
+&#8222;alleroudste liederen over de daden en oorlogen der vroegere
+koningen" welke KAREL DE GROOTE deed verzamelen en opteekenen<a href="#1.3">[3]</a>.
+Was BERNLEF de dichter der liederen die hij placht
+te zingen? Daarnaar kunnen wij zelfs niet gissen. Liever dan
+eene poging daartoe aan te wenden, wijzen wij op een andere
+mededeeling aangaande dezen Frieschen zanger in hetzelfde
+<i>Leven van Liudger</i>: &#8222;Overal waar deze BERNLEF den man Gods
+(LIUDGER) vond, leerde hij psalmen van hem en hij bleef in
+de &#8222;verlichting" die hij door dezen deelachtig was geworden
+totdat hij, oud en der dagen zat, in vrede stierf."<a name="6"></a>
+
+<p>De literatuur is ook hier spiegel, van het leven. In die
+Oudgermaansche volkszangen, wijkend voor de Christelijke
+kerkliederen, zien wij de worsteling van Heidendom en Christendom
+die nu onze aandacht vraagt.
+
+<p>Die worsteling was niet meer zoo zwaar als zij voorheen was
+geweest, maar zij was toch nog verre van geindigd. De oudste
+verkondigers van het Christendom hier te lande: SINT SERVAES,
+SINT AMAND, SINT ELOY, en hunne meerendeels Angelsaksische
+opvolgers WILLEBRORD, LEBUNUS, BONIFACIUS en zoovele
+anderen hadden de bewoners dezer landen gevonden als belijders
+van een geloof dat men een natuurdienst mag noemen.
+Wodan was vooral een windgod, Wodan's heir de wilde jacht
+der stormende wolken; Donar was een onweersgod, Moeder
+Aarde werd vereerd als eene godheid, sporen van boomvereering
+zijn ook hier aan te wijzen evenals van het geloof aan
+elven en nikkers, geesten die verblijf hielden in lucht en aarde,
+bosch en water. Tegen dat geloof komt het Christendom zich
+kanten: tegen den ontzagwekkenden Wodan op zijn achtvoetig
+ros de luchten doorzwevend&mdash;God de Vader; tegen den
+wilden Donar met zijn pletterenden hamer&mdash;de bleeke man
+der smarte met de doornenkroon; tegen de bloedwraak&mdash;het
+&#8222;hebt uwe vijanden lief"; tegen de heerschappij van zinnelijkheid
+en hartstocht&mdash;de eisch van zelfbeheersching, zelfverloochening,
+kastijding van het booze vleesch. Overal, in
+Vlaanderen en Brabant als in Holland en Friesland, doet zich
+de stem van het nieuwe geloof hooren. De vrome mannen,
+die hier het Evangelie brengen, worden vaak grimmig ontvangen,
+hun leven in gevaar gebracht, BONIFACIUS door de Friezen
+vermoord&mdash;zij versagen niet. Gestadig gaan zij voort met
+prediken, bekeeren, doopen, met het bouwen van kerkjes, het
+stichten van kloosters. RADBOUD, &#8222;de vijand Gods", zooals<a name="7"></a>
+MELIS STOKE hem noemt, moge komen met zijne heidensche
+Friezen en het pas gestichte vernielen en verbranden&mdash;geen
+nood! een nieuwe kerk, een nieuw klooster verrijst.
+
+<p>Het Christendom wint gaandeweg veld; het heidendom trekt
+zich terug, overwonnen niet gedood. Lang blijft het voortbestaan
+als ondergrond van het nieuwe geloof, lang nog blijft het leven
+en zich openbaren in tal van gewoonten en gebruiken, hoezeer
+ook bedreigd door den banvloek des priesters. Lustig bleven
+op Sint-Jan de vuren branden aan welker vlammen de heidenen
+van ouds eene reinigende kracht toeschreven; bezwerings- en
+tooverformulieren werden nog steeds toegepast, de wichelarij
+met paarden en vogels hield stand; de hazelaarstak deed nog
+lang zijne diensten bij het zoeken naar verborgen schatten. De
+lijkmaaltijden bleven in zwang; men hechtte er gewicht aan,
+welk dier men des morgens het eerst tegenkwam, aan welken
+kant eene kraai u voorbijvloog. Menige heidensche godheid,
+menig voorvaderlijk heiligdom werd gekerstend, maar lang niet
+overal bleek het doopsel krachtig genoeg om het oude geloof
+te verjagen. Zoo was het klooster Blandinium te Gent blijkbaar
+gesticht op de plaats waar vroeger een Oudgermaansch heiligdom
+had gestaan. Immers, wij lezen in het <i>Leven van Sint Amand</i>:
+
+<p class="quote">Het was omme den torre Blandijn,
+Daer die afgod der Sarrasijn
+In stont, die Marcurius hiet.
+</p>
+
+<p>al worden de heidensche bewoners dezer landen hier, gelijk
+zoo menigmaal elders, Sarracenen genoemd, al schuilt onder
+den naam Mercurius Donar of een andere Germaansche god.
+Nog in het midden der 14<sup>de</sup> eeuw toonde men den geloovigen
+de zeven boomen &#8222;waar SINT AMAND eerst zijn ruste nam" <a href="#1.4">[4]</a>.
+Doch er bestaat wel reden om te vermoeden, dat dit zevental
+Sint Amands-boomen oorspronkelijk een zevental Wodans-eiken<a name="8"></a>
+zal geweest zijn, zooals de overlevering er ook te Wolfhezen
+toont. En menig halfbekeerde Vlaming, wiens weg hem in het
+schemeruur langs die boomen voerde, zal er een eerbiedig
+schuwen blik op hebben geworpen, denkend aan de oude goden.
+
+<p>Ondertusschen vermenigvuldigden de kloosters zich snel;
+reeds vr de kruistochten is Zuid-Nederland er mede bezaaid<a href="#1.5">[5]</a>
+en in het Noorden moeten zij ook al spoedig talrijk zijn
+geweest. Gewoonlijk werd zulk een klooster gesticht ergens in de
+&#8222;solitudines", de woeste gronden die een groot deel dezer landen
+besloegen. Bosschen moesten dan gerooid, moerassen gedempt,
+heiden ontgonnen; het werk der beschaving nam een aanvang.
+Naast vele wereldlijke heeren maakten vooral de Cistercinsers
+zich verdienstelijk ten opzichte dezer kolonisatie binnenslands.
+
+<p>Zeker, niet al deze geestelijken waren heiligen; de meesten
+waren maar menschen, zwakke menschen. Over de ruwheid,
+vechtlust en zedeloosheid der geestelijken van de 8<sup>ste</sup> eeuw
+wordt luide geklaagd.<a href="#1.6">[6]</a> De kerkelijke tucht verslapte zzeer,
+dat in de 10<sup>de</sup> eeuw de regel van SINT BENEDICTUS bijna
+geheel vergeten was, dat menig abt zich van de wereldlijke
+machthebbers slechts door de tonsuur onderscheidde.<a href="#1.7">[7]</a>
+
+<p>Doch het zou onbillijk zijn, wegens zulke feiten den goeden
+invloed, door het Christendom en een deel der geestelijkheid
+geoefend, voorbij te zien. En zeker zou menig literair werk
+van dezen tijd niet geschreven zijn, indien zijn maker niet in
+een klooster die veiligheid, rust en kalmte van geest had
+gevonden, zonder welke de meeste letterkundige werken niet
+kunnen ontstaan. Dat geldt in hooge mate van de eeuwen
+waarop wij hier inzonderheid het oog hebben, de 9<sup>de</sup>-12<sup>de</sup> eeuw,
+die ons deze landen toonen in een toestand van verwarring en
+verwildering. Telkens zeilen de Noorsche zeeroovers onze
+rivieren op, allerwege schrik verbreidend; zij moorden, plunderen,
+sleepen den buit naar een versterkt kamp, worden soms<a name="9"></a>
+verjaagd, doch slechts om een volgenden keer met fellen wrok
+terug te komen. Doch ook in streken waar zij niet kwamen,
+vernemen wij weinig anders dan veeten, oorlog, roof,
+moord, verwoesting. Tal van kleine graven, behalve den graaf
+van Friesland (die zich later graaf van Holland zal noemen),
+trachtten zich onafhankelijk te maken. Het groote rijk van
+Neder-Lotharingen, dat een korten tijd al deze landen behalve
+Vlaanderen omvatte, kon geen afzonderlijke staat blijven maar
+loste zich op in een aantal kleine feodale staatjes<a href="#1.8">[8]</a>.
+
+<p>Te midden van al die verwoesting en verdeeldheid bleef de
+Christelijke Kerk overeind, niet ongedeerd, maar ongeschokt
+in hare eenheid. Ook op de literatuur dezer eeuwen heeft zij
+haar stempel gedrukt. Want terwijl er nauwlijks sprake kan
+zijn van de vorming eener literatuur in de volkstaal, kiezen de
+letterkundigen dier eeuwen bijna zonder uitzondering de klassieke
+kerktaal, waar zij uiting willen geven aan hetgeen hun
+geest en gemoed vervult. Voordat wij die in het Latijn geschreven
+werken in oogenschouw nemen, moeten wij kennis maken met
+hetgeen door sommige geleerden als <i>Oudnederlandsche Letterkunde</i>
+is aangeduid<a href="#1.9">[9]</a>.
+
+<p>Evenals de Engelschen vr hunne middeleeuwsche letterkunde
+eene Oudengelsche of Angelsaksische literatuur kunnen
+aanwijzen en de Duitschers vr de Middelhoogduitsche eene
+Oudhoogduitsche, zoo moesten ook de Nederlanders, meende
+men, eene Oudnederlandsche letterkunde hebben gehad. Vaderlandsliefde
+die in het teeken der Romantiek stond, strekte verlangend
+de armen uit; de Wetenschap werd omhelsd, z
+vurig zelfs dat zij in de knel raakte&mdash;uit die vereeniging
+werd een &#8222;twijfelkind" geboren, zelfs critische geesten zoo
+bekorend, dat een hunner profeteerde als ziener met den blik
+achterwaarts gericht, &#8222;dat er eene Oudnederlandsche letterkunde
+<i>moet</i> bestaan hebben"<a href="#1.10">[10]</a>.<a name="10"></a>
+
+<p>Er was hier een bezwaar: Oudnederlandsche dichtwerken
+waren en zijn afwezig. Doch voorloopig behielp men zich met
+gewag te maken van het Hildebrandslied, het Lodewijkslied,
+van den Oudsaksischen Hliand, van OTFRID'S Evangelin-harmonie
+en dergelijke werken. En zeker, wanneer men zegt:
+wij Nederlanders zijn een Germaansch volk, <i>dus</i> hebben ook
+wij deel aan de Oudgermaansche letterkunde; of: ook hier te
+lande hebben Saksen gewoond, <i>dus</i> kunnen wij den Hliand
+tot onze literatuur rekenen, dan kan men van die werken
+gewag maken in een geschiedenis onzer nationale literatuur.
+Doch dan moet men nog heel wat meer tot de Oudnederlandsche
+letterkunde rekenen dan thans geschiedt. Wie bij zijn
+verhaal van de ontwikkeling der Nederlandsche literatuur zooveel
+mogelijk de grenzen wenscht te eerbiedigen, waarbinnen
+deze volken van ouds geleefd of hunne taal gesproken hebben,
+die zal dit deel der Oudnederlandsche literatuur afwijzen als
+onrechtmatig verkregen goed. Sterker meenen de scheppers dier
+literatuur te staan in hunne aanspraken op een aandeel in de
+vorming van heldendichten als BEOVULF en GUDRUN. Dat die
+dichterlijke werken of deelen daarvan hier te lande bekend zijn
+geweest, daarvan hebben wij ook zelfs niet de geringste historische
+aanwijzing. Ook later wordt ten minste van BEOVULF en
+GUDRUN nooit gerept. &#8222;Het mag daarom met recht bevreemding
+wekken", lezen wij bij een der bovenbedoelde geleerden, &#8222;dat
+zij hier volkomen in vergetelheid zijn geraakt"<a href="#1.11">[11]</a>.
+
+<p>Uitgaande van die vooropgezette meening, heeft men met
+vlijt en scherpzinnigheid alles samengebracht, wat maar eenigszins
+dienen kon om te betoogen b.v. dat de Gudrun-sage hier gelocaliseerd
+is geweest, of ten minste dat het tooneel der gebeurtenissen
+die in de Gudrun-sage verhaald worden, voor een deel in ons
+land te zoeken is. De Franken en Friezen worden genoemd
+in den BEOVULF; in de GUDRUN is sprake van Friesland, en<a name="11"></a>
+allerlei andere plaatsnamen die <i>kunnen</i> doen denken aan deze
+landen bij de zee.
+
+<p>Met den jongsten uitgever van GUDRUN geloof ik, dat de
+aardrijkskundige en staatkundige namen en aanwijzingen in dat
+gedicht zulk een verward mengelmoes te zien geven, dat wij
+ons daarvan kwalijk als wetenschappelijk materiaal kunnen bedienen<a href="#1.12">[12]</a>.
+Doch laat het waar zijn, dat de gebeurtenissen, in
+die heldendichten bezongen, ten deele op onze kusten hebben
+plaats gehad, krijgen wij dan daardoor eenig aandeel aan dat
+Angelsaksische, aan dat Middelhoogduitsche dichtwerk? &#8222;Ja", zal
+men zeggen, &#8222;want dan hebben wij tot het ontstaan van die
+gedichten bijgedragen". Mij schijnt die gevolgtrekking uitermate
+gewaagd.
+
+<p>Behoort dan een dichterlijk werk, welks tooneel ons verplaatst
+naar een of ander land, daardoor reeds tot de literatuur van
+dat land? Dan zal men de literatuurgeschiedenis van menig
+volk moeten gaan herzien.
+
+<p>Zoolang er geen deugdelijker gronden worden aangevoerd
+voor de stelling, dat ook ons volk deel heeft gehad aan de
+vorming dier Oudgermaansche heldendichten, acht ik het beter
+geene poging te doen ons te tooien met veeren uit de pluimage
+van Duitschers en Engelschen.
+
+<p>Een eenigszins verschillend geval hebben wij in de sage van
+den Zwaanridder. Dat die sage hier te lande, vooral in Brabant
+maar ook elders, overal bekend is geweest, daarvan zijn onderscheidene
+bewijzen<a href="#1.13">[13]</a>. Een deel dezer sage, ook dat staat vast,
+ten minste voor sommige redactie's, heeft zich gelocaliseerd te
+Nijmegen. Wat meer zegt, hier <i>weten</i> wij, dat de sage te onzent
+in de middeleeuwen bekend is geweest: MAERLANT immers acht
+het de moeite waard, de sage te bestrijden die verhaalde dat
+de hertogen van Brabant afstammen van den Zwaanridder.
+&#8222;Misdadige leugenaars tijgen GODFRIED VAN BOUILLON aan<a name="12"></a>
+dat HELIAS, de Zwaanridder, zijn grootvader van moederszijde
+was" zegt hij in zijn <i>Spieghel Historiael</i> en elders in datzelfde
+werk over GODFRIED sprekend:
+
+<p class="quote">Noch wijf, no man, als ict vernam,
+Ne was noit zwane, daer hi af quam,
+Al eist dattem Brabanters beroemen,
+Dat si vanden zwane sijn coemen<a href="#1.14">[14]</a>.
+</p>
+
+<p>Voorts bestaat er een fragment van een Dietsch gedicht over
+den Zwaanridder. Doch geeft het bestaan van dat fragment ons
+nu &#8222;alle reden om te doen vermoeden dat er evengoed een
+Nederlandsche roman van den Zwaanridder zal bestaan hebben,
+als er een Fransche <i>Roman du Chevalier au Cygne</i> in verschillende
+redacties, en meer dan ne bewerking in de Middel-hoogduitsche
+letterkunde van bestaat"?<a href="#1.15">[15]</a>
+
+<p>Dat wij eertijds eene volledige bewerking der sage in het
+Nederlandsch bezeten hebben, geloof ook ik. Echter&mdash;en
+daarop komt het aan, indien men spreekt over sagen als materiaal
+voor de pozie&mdash;voorzoover wij nu zien kunnen, is dit
+Nederlandsch gedicht geen zelfstandige bewerking der inheemsche
+sage, maar eene navolging van een of ander Fransch
+origineel<a href="#1.15">[15]</a>. Ook de sage der Heemskinderen was hier te lande
+populair; doch het Middelnederlandsch gedicht, dat hunne
+geschiedenis behandelt, is bewerkt naar het Fransch.
+
+<p>Wij zien dus, dat ook hier potische stof voor het grijpen
+lag; maar geen dichter die er de hand op legde om er een
+potisch werk in de volkstaal uit te scheppen.
+
+<p>De bovengenoemde voorbeelden zijn niet de eenige van dien
+aard. Wat kan sterker indruk hebben gemaakt op het gemoed
+en de verbeelding onzer voorouders, dan die telkens herhaalde
+rooftochten der Noormannen? Wanneer de gevreesde viking
+zich vertoonde aan boord van zijn hooge kromsteven, dan<a name="13"></a>
+sidderde ook den stouten Fries het hart in de borst, want hij
+wist dat er geen genade was; dat plundering, mishandeling,
+moord hem en zijn volk bedreigden, dat ballingschap en
+slavernij veelal het lot was van wie gespaard bleven. De gansche
+negende eeuw door bestoken de Noormannen de kusten van
+Holland en Vlaanderen. Zij zeilen de rivieren op, diep landwaarts
+in; zij bouwen versterkte legerplaatsen bij Maastricht en
+Leuven, die uitgangspunten worden voor rooftochten in het
+omliggend land.<a href="#1.16">[16]</a>.
+
+<p>Welnu, geen enkel gedicht, geen lied, geen rijmpje zelfs in
+de volkstaal dier eeuwen is tot ons gekomen. Eerst in een
+gedicht van veel lateren tijd, de <i>Legende van het heilige Kruis</i>
+(naar het schijnt uit de 14<sup>de</sup> eeuw), vinden wij verwarde herinneringen
+aan het verblijf der Denen (Noormannen) in Brabant.
+
+<p>Zweeg men, omdat de smart te groot was? Dikwijls immers
+is het waar, wat in later tijden Vader CATS een Latijnsch
+dichter nazeide:
+
+<p class="quote">Gewone droefheid klaagt, maar al te diepe zeer
+En heeft geen open wond, geen zucht, geen tranen meer.
+</p>
+
+<p>Doch de akker der volkspozie is braak blijven liggen ook op
+plaatsen, waar eene verklaring als de bovenstaande niet van
+pas zou zijn.
+
+<p>Wat al gerucht is, in den aanvang der 12<sup>de</sup> eeuw, in den
+lande gemaakt, in Zeeland, Utrecht, Keulen, door den dweper
+TANCHELM! Een voorlooper van JAN VAN LEIDEN, een volksredenaar
+z welsprekend, dat hij de geleerde klerken ijverzuchtig
+maakte; die door zijn grooten invloed op de vrouwen
+ook de mannen voor zich wist te winnen; die in 't openbaar
+optrad in kleederen met goud doorweven, omstuwd door lijfwachten
+die een banier en een zwaard voor hem uitdroegen;
+die de geestelijkheid en de kerkleer durfde aantasten in zijne<a name="14"></a>
+prediking en door de Utrechtsche Kanunniken aan den aartsbisschop
+van Keulen werd afgeschilderd als de voorlooper van
+den Antichrist! Te Keulen gevangen gezet met zijne gezellen:
+een priester EVERWACHER en een smid MANASSE die naar het
+voorbeeld van zijn meester een broederschap van twaalf mannen
+en ne vrouw had opgericht (de apostelen en de maagd Maria),
+weet hij zich door de waterproef te zuiveren van de beschuldigingen
+tegen hem ingebracht. Later treedt hij weer in het
+openbaar op; in een vorstelijk kleed en met schitterend hoofdtooisel
+trekt hij, omgeven door drieduizend mannen, door stad
+en land. Hertogen noch graven durven hem weerstand bieden.
+In 1115 wordt hij, in een vaartuig gezeten, door een priester
+verslagen.<a href="#1.17">[17]</a>
+
+<p>Een potische stof, zou men zeggen, aantrekkelijk ook voor
+onze middeleeuwsche dichters, wien het&mdash;indien men mag
+afgaan op zoo menig dichterlijk werk van later tijd&mdash;waarlijk
+niet haperde aan gevoel voor het indrukwekkende of aangrijpende.
+Maar de nationale pozie zwijgt over TANCHELM en
+de Tanchelmisten, over den priester EVERWACHER, over den
+smid MANASSE en zijn ontuchtig apostelengilde. Waarom? De
+verklaring schijnt mij voor de hand te liggen.
+
+<p>Behalve de bovengenoemde zijn er in deze eeuwen nog
+zooveel andere dingen gebeurd, die indruk gemaakt hebben
+op de gemoederen der menschen van toen. Verscheidene daarvan
+nu zijn wel herschapen tot literaire werken van grooter of
+kleiner waarde. Echter niet in de volkstaal, maar in de taal der
+Kerk, het Latijn.
+
+<p>Verwonderlijk is dat niet. In de schatting der middeleeuwsche
+menschen van dien tijd, stond het Latijn hoog boven de volkstaal.
+Het Dietsch was de taal van het "diet", van JAN ALLEMAN,
+en werd nog niet als schrijftaal gebezigd; het Latijn, met zijn
+eerbiedwaardig verleden, den roem en het gezag der klassieke<a name="15"></a>
+schrijvers, was de taal der Kerk in gansch West-Europa,
+de taal ook waarvan geestelijken en geleerden zich schriftelijk
+bedienden, de taal die vorsten en machtigen kozen voor het
+opstellen van officieele stukken. Rome's taal en letterkunde
+werden ook hier te lande vlijtig beoefend. In de bibliotheek
+der beroemde abdij van Egmond vond men in de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup>
+eeuw tal van klassieke dichtwerken: VIRGILIUS' <i>Bucolica</i> en
+<i>Georgica</i>; OVIDIUS' <i>Tristia</i>; CICERO's <i>De Senectute, De Amicitia</i>,
+de <i>Orationes</i>; SALLUSTIUS' werken. Van de lateren vond men
+er: PERSIUS' <i>Satiren</i>, STATIUS' <i>Thebas</i>; SENECA'S <i>De Clementia</i>;
+AULUS GELLIUS' <i>Noctes Atticae</i>. Voorts talrijke glosen op de
+klassieke schrijvers waaruit men mag opmaken dat de werken
+dier auteurs wel bestudeerd werden. Van middeleeuwsch-Latijnsche
+werken trof men er aan o.a.: eene <i>Vita Brendani</i>,
+de <i>Gesta Francorum id est Cronica cum Vita Karoli</i>, DARES
+FRIGIUS' <i>De Excidio Trojae, Gesta Alexandri Magni</i><a href="#1.18">[18]</a>. Onder
+de boeken welke de abdij Bloemhof te Wittewierum in een
+latere eeuw (de 13<sup>de</sup>) bezat, vinden wij OVIDIUS, VIRGILIUS,
+eenige auctores ethici et satyrici; verder tal van werken over
+grammatica en dialectiek, geschriften van de Kerkvaders
+AUGUSTINUS en GREGORIUS<a href="#1.19">[19]</a>. In diezelfde eeuw vinden wij
+aan de abdij van Maringaarde te Hallum eene &#8222;scola publica"
+verbonden; aan haar hoofd stond zekere magister FREDERIK,
+die met zijne leerlingen 's morgens de heidensche poten en
+geschiedschrijvers en na het middagmaal de Kerkvaders las<a href="#1.20">[20]</a>.
+
+<p>Die eerbied en liefde voor het Latijn zal de ontwikkeling
+der volkstaal waarschijnlijk belemmerd hebben; de veldbloem
+heeft &#8222;tier noch zwier" in de schaduw van den grooten boom
+die haar het vrije genot van zon en wind en regen beneemt
+en beslag legt op de groeikracht van Moeder Aarde.
+
+<p>Abt EMO van Wittewierum bezat, volgens zijn biograaf, den
+lateren abt MENKO, vele gaven en talenten&mdash;doch niet de gaaf<a name="16"></a>
+der wereldlijke welsprekendheid &#8222;in lingua teutonica"; daarvan
+was hij geen beminnaar en hij oefende er zich ook niet in
+&#8222;propter studium et amorem vitae spiritualis et lectionis". Nog
+op zijn sterfbed sprak hij keurig Latijn.
+
+<p>Begrijpelijk is het, dat wij in de Latijnsche geschriften van
+zulke mannen niet zelden aanhalingen vinden uit klassieke
+schrijvers: in EMO'S Kroniek b.v. verzen of sententie's van
+CICERO, HORATIUS, SENECA, LUCANUS; in een reisbeschrijving
+van een Friesch of Groningsch pelgrim uit den aanvang der
+13<sup>de</sup> eeuw herinneringen aan VIRGILIUS' <i>Eclogae</i> en aan zijne
+<i>Aeneis</i><a href="#1.21">[21]</a>. Begrijpelijk evenzeer, dat bewondering ook hier tot
+navolging bracht. Het lag voor de hand, dat allen die in aanraking
+waren gekomen met de Latijnsche literatuur en behoefte
+gevoelden zich te uiten, voor die uiting de taal zouden kiezen
+waarmede zij vertrouwd waren, die reeds op zich zelve zekere
+waardigheid aan een literair werk bijzette, het verhief boven het
+alledaagsche, en waarin zij allerlei wendingen, uitdrukkingen,
+vergelijkingen vonden waarmede zij hun voordeel konden doen.
+
+<p>In die dagen, met voorbijgang van het Latijn, zich van de
+volkstaal bedienen voor de samenstelling van eenig letterkundig
+werk, zou alleen dan verwacht kunnen worden, indien er
+toen onder ons volk een krachtig gevoel van zelfbewustheid,
+een krachtig nationaliteitsgevoel, aanwezig ware geweest. Daarvan
+was nog geene sprake. Indien men zich herinnert, dat de
+grootste dichter der middeleeuwen, DANTE ALIGHIERI, vr het
+schrijven der <i>Commedia</i> geweifeld moet hebben tusschen de
+volkstaal en het Latijn, dat hij zelfs den aanvang van den
+<i>Inferno</i> in Latijnsche hexameters gedicht heeft, dan zal men
+zich over de toestanden te onzent in vroeger eeuwen niet verwonderen.
+
+<p>Het is natuurlijk denkbaar dat in die eeuwen een dichter,
+die geen Latijn kende, zich gedrongen zal hebben gevoeld tot<a name="17"></a>
+eene potische uiting in de volkstaal. Maar in allen gevalle is
+geen enkel voorbeeld van zoodanige uiting tot ons gekomen.
+
+<p>Wanneer wij nu het oog slaan op de Latijnsche werken, toen
+te onzent gedicht, dan treft ons aanstonds, dat wij hier een
+zwak voorspel vernemen van de latere literatuur der middeleeuwen.
+MAERLANT sprak in zijn <i>Wapene Martijn</i> dit kloeke
+woord over den adel:
+
+<p class="quote">Mine roec, wiene droech of wan<a title="[margin: Ik geef er niet om wie zijn moeder of zijn vader was.]"><sup>#</sup></a>,
+Daer trouwe ende doghet es an
+ Ende rene es van seden;
+ Uut wat lande dat hi ran,
+ Dats, dien ic der namen an<a title="[margin: toeken (gun).]"><sup>#</sup></a>
+ Van der edelheden.
+</p>
+
+<p>Maar lang vr hem had de adellijke Fries LUDGER, in den
+proloog van zijn verhaal over de heiligen BONIFACIUS en
+GREGORIUS, verklaard &#8222;dat er een adel des geestes bestaat,
+welks leden boven alle aanzienlijken van geboorte, de hoogste
+liefde en vereering waardig zijn"<a href="#1.22">[22]</a>.
+
+<p>Wij vinden de stof voor meer dan een ridder-epos in een
+paar Latijnsche kronieken dier eeuwen; eene bewerking der
+Reinaert-sage, eenige heiligenlevens, een leerdicht en ten slotte
+een paar staaltjes van lyrische pozie. Het schijnt mij de moeite
+waard, de meeste dezer werken, het een iets korter, het ander
+iets uitvoeriger, te behandelen<a href="#1.23">[23]</a>.
+
+<p>MILO, monnik uit het klooster Elnon bij Doornik, die
+omstreeks 872 stierf, behoort zeker wel tot de oudste Latijnsche
+dichters te onzent. Hij vervaardigde een leven van SINT AMAND
+in 1800 hexameters, op aansporing zijner kloosterbroeders, en
+als een hulde door hem op den dag van Sint Amand aan dien
+heilige gebracht.<a name="18"></a>
+
+<p>Behalve eenige kleinere gedichten schreef hij ook nog een
+omvangrijk leerdicht in twee boeken <i>De Sobrietate</i>, waarin
+door tal van voorbeelden uit O. en N. Testament wordt aangetoond,
+hoe nadeelig de gevolgen der gulzigheid en hoe goed
+die der matigheid zijn. Tusschen die voorbeelden vindt men
+hier en daar, evenals in de leerdichten van lateren tijd, uitweidingen
+over de priesters, over de onkuischheid van velen in
+dien tijd, ook wel eens over den dichter zelven. Geleerdheid
+is hier genoeg, ook navolging van VIRGILIUS; pozie zoo min
+als in verreweg de meeste onzer middeleeuwsche leerdichten.
+
+<p>Over de levens van BONIFACIUS en GREGORIUS door LUDGER,
+beide in proza, spraken wij reeds. Voorts vinden wij nog melding
+gemaakt van een ander leven van BONIFACIUS, geschreven
+door een tijdgenoot van LUDGER, een man van merkwaardige
+belezenheid en eenigermate bekend met Latijnsche klassieken
+en mythologie. In de eerste helft der 9<sup>de</sup> eeuw schreef een
+Friesch monnik in de abdij van Werden eene levensbeschrijving
+van LUDGER, waarin soms stof voorkomt, bruikbaar voor
+een dichter. In de laatste helft der 10<sup>de</sup> eeuw gaf een ander
+Friesch monnik ter abdij van Werden een verhaal van de
+romantische lotgevallen en vele mirakelen der Heilige Ida<a href="#1.24">[24]</a>.
+
+<p>Bisschop RADBOUD van Utrecht ( 917) toonde vooral eene
+voor dien tijd zeldzame kennis van grammatica en metriek in
+zijne <i>Versus de hirundine</i>, zijn <i>Carmen Allegoricum</i> op Sint
+Suitbert en zijne <i>Ecloga</i> op Sint Lebunus; in deze en andere
+stukken van zijne hand vinden wij wel loofwerk van antieke
+mythologie en navolging van VIRGILIUS, maar nergens eene
+wending of uitdrukking, karakteristiek voor den volksgeest of
+het volksgemoed dier dagen<a href="#1.25">[25]</a>.
+
+<p>Door de heerschappij van het Latijn werd de natuurlijke
+uiting van het gemoedsleven als gestremd en verstijfd. Rechtstreeksche
+gemeenschap tusschen het innerlijk leven en de taal<a name="19"></a>
+die dat innerlijk leven moet verklanken, kon onder die heerschappij
+niet bestaan. Om uit te drukken wat men gevoelde,
+moest men in eene vreemde taal zoeken naar woorden, wendingen,
+vergelijkingen die zoo ongeveer overeenkwamen met
+hetgeen men wenschte uit te drukken. Zoo kwam men tot
+pozie, die op echte pozie gelijkt als een kunstbloem op een
+levende bloem.
+
+<p>Een goed voorbeeld van zulk dichtwerk vinden wij in de
+verzen die gewijd zijn aan het leven en den lof van ANSFRIED,
+bisschop van Utrecht, die in 1010 stierf.
+
+<p>Hoe rijk aan afwisseling is het leven van dezen bisschop,
+hoe rijk ook aan treffende of ontroerende feiten, aan zedelijke
+schoonheid, aan verhevenheid.
+
+<p>Hij is van aanzienlijke afkomst, zijn vader schijnt graaf van
+Leuven te zijn geweest; een neef en naamgenoot van den knaap
+bezit vijftien graafschappen. Aartsbisschoppen, die van Trier,
+die van Keulen, leiden zijne opvoeding. De latere keizer OTTO I
+kiest hem op een tocht naar Itali tot zijn zwaarddrager; onder
+diens roemrijke leiding wordt hij een bekwaam veldheer. Spoedig
+is hij een der machtigste edelen van zijn tijd. Van de vroomheid
+en trouw zijner gemalin HILSWINDE bleven tot in onzen
+tijd romantische verhalen bewaard. Krachtig treedt hij op tegen
+de roovers (Noormannen?) in Brabant. Daarna wordt hij&mdash;zijns
+ondanks&mdash;door den keizer tot bisschop van Utrecht
+verheven; hij legt in de kapel te Aken zijn zwaard op het
+altaar der H. Maagd en wijdt zich aan haar dienst. Alle omstanders
+barsten in tranen uit. Voortaan wordt zijn leven meer en
+meer dat van een heilige; blind geworden, vertoeft hij liefst
+in het door hem gestichte klooster, de Hohorst bij Amersfoort.
+Zijn leven daar doet denken aan dat van SINT FRANCISCUS:
+hij put water om melaatschen te wasschen; zijne liefde ontwikkelt
+zich tot eene onbegrensde teederheid voor alle schepselen van<a name="20"></a>
+den Heer. Zelfs den vogelkens was hij weldadig. Des winters
+liet hij uit medelijden met hunne armoede volle korenschooven
+in de boomen van zijn heuvel plaatsen.
+
+<p>Geen wonder waarlijk dat na zijn dood de Utrechtenaren
+niet rustten, vrdat zij zijn lijk van den Hohorst naar hunne
+stad hadden gevoerd, waar het onder psalmen en lofzangen
+en den toeloop eener ontelbare menigte in de Sint-Maartenskerk
+begraven werd<a href="#1.26">[26]</a>. Geen wonder ook dat een Utrechtsch priester
+zich niet lang daarna opgewekt, misschien gedrongen, gevoelde
+om den lof van zulk een man en zulk een leven te zingen.
+Hij heeft getuigd van zijn eerbiedige liefde voor zijn bisschop
+in een 26-tal Latijnsche hexameters.
+
+<p>Dat deze hexameters niets eigens, niets persoonlijks hebben,
+bevreemdt ons niet; de kunst der middeleeuwen immers is
+juist algemeen en onpersoonlijk van aard. Maar wij verwachten
+toch voor het minst in deze uiting van droefheid en bewondering
+eenige warmte van gevoel te zullen opmerken en dat
+des dichters hart bewogen was, toen hij zijne verzen schreef.
+Inderdaad is er wel eenige golving van gevoel te bespeuren,
+maar het zijn golvingen zooals men ze ziet in een ijskorst die
+over het bewegelijk element ligt uitgebreid. Onder den verstijvenden
+invloed der rhetoriek, bij het verkillend zoeken naar
+juiste uitdrukkingen en tegenstellingen in een vreemde taal, is,
+wat er aan gevoelswarmte moge geweest zijn, vervlogen en wij
+vinden meerendeels slechts verzen als de volgende:
+
+<p class="quote">Quondam bellator, nunc autem pacis amator.
+...
+Deposuit parmam, cepitque levare patenam.
+</p>
+
+<p>Wat de nagedachtenis van een als heilige vereerd en bemind
+prelaat in het Nederland dier dagen niet vermocht: een gedicht
+in de volkstaal te voorschijn roepen, dat is een halve eeuw<a name="21"></a>
+later in Duitschland geschied. Toen een jongere tijdgenoot van
+ANSFRIED, de beroemde aartsbisschop ANNO van Keulen in
+1075 gestorven was, heeft een Frankisch geestelijke niet lang
+daarna in een dichtwerk getuigd van zijne liefde en eerbied
+voor den overledene. Maar in Duitschland was de ontwikkeling
+van het nationaliteitsgevoel blijkbaar verder gevorderd dan te
+onzent: het bekende Anno-lied is in de volkstaal gedicht. Dit
+900-tal verzen geeft ons iets anders te zien dan de 26 Latijnsche
+hexameters van den Utrechtschen klerk.
+
+<p>Welk een rijke ader van echte pozie zien wij telkens glinsteren
+in het ruwe, ongevormde en onbewerkte, ijzerharde taal-erts
+van dat Anno-lied! Ja, wij vinden hier veel onbeholpens, ook
+hier die zonderlinge overzichten van bijbelsche en wereldgeschiedenis,
+dat gemis aan samenhang en overgang; herinneringen
+aan VIRGILIUS en LUCANUS, te midden dezer speelmans-pozie....
+Maar hoe leven hier de middeleeuwen in visioenen
+van hemelsche heerlijkheid, in wonderen en allegorien, in
+verhalen van veldslagen, roof, moord, brand en verwoesting.
+Hoe gloeit de wilde strijdlust der ijzeren eeuw van tijd tot tijd
+op in stalen helmen en vaste halsbergen en scherpe Beiersche
+zwaarden, die door helmen bijten; hoe vlamt die strijdlust op
+uit verzen als:
+
+<p class="quote">Ha! hoe kletterden de wapenen
+Toen de rossen op elkander in vlogen,
+Legerhoornen loeiden,
+Beken bloeds vloten.
+</p>
+
+<p>Maar hoezeer ook overweldigd door de volheid zijner kwalijk
+beheerschte stof, toch vergeet de dichter zijn held niet, den
+&#8222;dierbaren" man, den &#8222;heiligen bisschop" in Keulen, de
+schoonste burg in het Duitsche land. Telkens waar SINT ANNO
+in dit dichtstuk optreedt, schieten, als zedige bloemen onder<a name="22"></a>
+zijne voeten, beelden en vergelijkingen uit de verzen op: te
+midden der zeven heilige bisschoppen van Keulen schittert ANNO
+als de turkois in een gouden vingerling; God heeft hem door
+lijden gelouterd zooals de goudsmid goud in het vuur smelt,
+wanneer hij een kostbare spang wil maken; als een leeuw zat
+hij voor de vorsten, als een lam ging hij tusschen de behoeftigen;
+hij is ten hemel opgestegen om ons den weg derwaarts
+te wijzen, zooals een arend die zijne jongen wil leeren vliegen,
+in kringen opwaarts stijgt en op zijne wieken statig zweeft<a href="#1.27">[27]</a>.
+
+<p>Zulke tonen wist die vroege zanger voort te brengen, omdat
+hij durfde zingen in zijne moedertaal. Zulke of dergelijke
+muziek had ook hier kunnen weerklinken, indien het nationaliteitsgevoel
+krachtig genoeg ware geweest; indien een Dietsch
+dichter de hand had durven slaan aan de potische stof die
+ook te onzent lag opgehoopt.
+
+<p>Welk een voorraad van zulke stof geven ons de beide
+Latijnsche kronieken van den Utrechtschen geestelijke ALPERTUS
+en zijn Vlaamschen genoot GALBERTUS te aanschouwen<a href="#1.28">[28]</a>.
+Ik heb hier het oog vooral op de geschiedenis van den
+edelman BALDERIK die met ADELA, eene dochter van den
+machtigen graaf WICHMAN van Hamaland, gehuwd was. De
+levensgeschiedenis van dit verdorven echtpaar verhaalt ons van
+langdurige belegeringen, onneembare kasteelen en verraders die
+den vijand ter sluik binnenlaten; van gevechten in het open
+veld; dienstmannen wien neus en ooren worden afgesneden;
+van vrouwen in eene belegerde vesting die helmen op het
+hoofd zetten om de belegeraars te misleiden; de vernietiging
+der sterke vesting Uplade (bij Elten aan den Rijn); den sluipmoord
+op den jongen Saksischen graaf WICHMAN gepleegd en
+de vernietiging der sterke vesting Uplade waar die daad geschied
+was. Wegens dien moord moet BALDERIK zich te Nijmegen
+voor Keizer HENDRIK komen verantwoorden. Als hij vr den<a name="23"></a>
+Keizer staat, verbieden de hertogen GODFRIED en BERNHARD
+hem te spreken. Wanneer hij desniettegenstaande zich gaat verdedigen,
+knarstanden zij van woede en het scheelt weinig of
+hij wordt door hunne krijgers afgemaakt.
+
+<p>ADELA doet ons in hare verhouding tot BALDERIK soms aan
+Lady MACBETH denken: op de tijding van des Keizers komst,
+wordt BALDERIK moedeloos; ADELA verliest den moed niet,
+doch wekt haren man op tot dappere tegenweer. Van haar gaat
+het plan uit tot moord op graaf WICHMAN, hun tegenstander,
+die als gast op het kasteel Uplade vertoeft. Eerst wil zij hem
+vergiftigen; als dat niet gelukt, draagt zij hare taak over aan
+een paar knechten die WICHMAN van achteren aanvallen en
+neerstooten. Voortdurend zet zij BALDERIK aan tot nieuwe
+misdaden. &#8222;Et sicut Hiezabel Achab, ita et ista hunc ad flagitia
+semper concitavit, dans ei consilia, quibus ad perniciem suam
+uteretur, donec abominabilis et odiosus omnibus fieret"<a href="#1.29">[29]</a>.
+
+<p>Een onvoldragen gedicht zien wij ook in het geschiedverhaal
+van den moord, die in 1126 in een kerk te Brugge gepleegd
+werd op KAREL DEN GOEDE, graaf van Vlaanderen. Na het
+volbrengen van den moord verschansen de moordenaars onder
+hunne aanvoerders, BOUTSAERT (BORSIARDUS) en ROBBRECHT,
+in eene kerk en worden daar door de aanhangers van den
+graaf belegerd. De strijd die dan aanvangt, heeft in de beschrijving
+van GALBERTUS inderdaad hier en daar een grootsch
+karakter. Begrijpelijk is het, dat men een oogenblik denkt aan
+het indrukwekkend slottafreel der <i>Nibelungen</i>, in BOUTSAERT
+den grimmigen HAGEN meent te herkennen, in ROBBRECHT
+&#8222;Giselher daz Kint". Terwijl de strijd in de Kerk woedt, springt
+WALTER, een dienstman van den graaf die zich op het orgel
+verscholen hield, naar beneden midden tusschen de vijanden&mdash;een
+sprong die doet denken aan den vervolgden HERNANT in
+de <i>Chanson des Lorrains</i><a href="#1.30">[30]</a>. Maar er is in de middeleeuwen<a name="24"></a>
+meer gelijk dan eigen, en dergelijke overeenkomsten bewijzen
+alleen, hoe zeer het middeleeuwsch epos <i>in hoofdzaak</i> juiste
+afspiegeling der werkelijkheid bevat; niet dat een episch dichter
+het oog hield gericht op een of ander historisch feit.
+
+<p>Met een weinig scherpzinnigheid eenerzijds en een weinig
+goeden wil anderzijds, zou men op die wijze ook kunnen aantoonen,
+dat SHAKESPEARE in zijn <i>Macbeth</i> het oog moet hebben
+gehad op de geschiedenis van ADELA en BALDERIK.
+
+<p>In beide deze kronieken, vooral in die van GALBERTUS,
+blijkt op meer dan eene plaats vrij sterke aandoening; er was
+ook wel voldoende zelfbeheersching en neiging om het waargenomene
+en gevoelde te verwerken tot een met kunst geschreven
+verhaal. Maar dan toch een verhaal naar het voorbeeld der
+Romeinsche geschiedschrijvers. Vandaar de rhetorische toon, de
+redevoeringen en gesprekken in den trant van die voorgangers,
+doch met minder talent. GALBERTUS laat zich wel eens verleiden
+zijner verbeelding te zeer den teugel te vieren: hij weet
+ons o.a. gezegden mede te deelen, die midden in een vreeselijk
+bloedbad geuit zullen zijn en wat een eenzaam opgesloten man
+denkt, vrdat hij sterft. Maar toch, had deze monnik eens
+den moed gehad zich van zijne moedertaal te bedienen&mdash;misschien
+waren wij een belangwekkend kunstwerk rijker.
+Diezelfde gedachte komt bij ons op, indien wij kennis maken
+met de Latijnsche bewerking der Reinaert-sage die op deze
+kronieken volgt, zooals in de nationale literaturen van Franschen,
+Duitschers en Nederlanders de bewerkingen der dier-sage op
+het ridder-epos.
+
+<p>Dit Latijnsche gedicht, dat naar den wolf: <i>Ysengrimus</i> heet,
+is vermoedelijk omstreeks 1150 vervaardigd door zekeren Magister
+NIVARDUS, eerst monnik in het klooster Blandinium, later
+scholaster der Kerk van S. Pharahilde te Gent<a href="#1.31">[31]</a>.
+
+<p>Wij vinden hier een aantal, ook van elders bekende, dier<a name="25"></a>fabels
+in distichen vervat en op kunstelooze wijze tot een geheel
+verbonden. Het verhalend element is in dit werk gering, de
+dialoog overheerscht; het zijn al te vaak eindelooze gesprekken
+waarin de middeleeuwsche dialectiek triomfen viert, maar die
+den lezer na eenigen tijd vermoeien en ten slotte vervelen. De
+dichter was een zeer belezen man, die de klassieke Latijnsche
+schrijvers goed en OVIDIUS op zijn duimpje kende; onder het
+schrijven zijner verzen stonden hem telkens plaatsen uit zijne
+lievelingsauteurs voor den geest, maar nergens maakt hij zich
+aan slaafsche navolging schuldig.
+
+<p>Opmerkelijk nu is vooral, hoe onder en in dit overgenomen
+klassicisme telkens het Vlaamsch-menschelijke zich vertoont. Wij
+speuren en zien den volksgeest in die ietwat ruwe rondheid
+die alles bij zijn naam noemt, in de ironie, de komische of
+groteske overdrijving, de grappen, de vergelijkingen en spreekwoorden
+aan het dagelijksch leven ontleend<a href="#1.32">[32]</a>. In zijne uitdrukkingen
+en aardigheden, in woorden als <i>mantica, bulga, follis</i>
+te vergelijken bij het latere middelnederlandsche <i>male</i> (maag),
+als <i>taberna (taverne), carmina completoria (&#8222;van uwen complete
+dat ghetide")</i> doet hij ons telkens aan den, een eeuw jongeren,
+<i>Reinaert</i> denken. Het is dezelfde nationale dichtader, maar
+die hier niet kan uitschieten in de laag van klassicisme waarmede
+de Vlaamsche geestesakker overdekt was.
+
+<p>Indien deze dichter eens gedurfd had, zooals DANTE gedurfd
+heeft! Wat zou hij, met zijn ongetwijfeld voortreffelijken aanleg
+niet hebben kunnen volbrengen. Maar de tijd, dat een dichter
+zulk eene stof in de volkstaal zou durven behandelen, was nog
+verre. Er moest nog veel veranderen in het uiterlijk en innerlijk
+leven van de bewoners dezer landen, eer het zoover kon komen.<a name="26"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.1">1</a>: Deze <i>Vita Liudgeri</i> is uitgegeven in PERTZ <i>Monumenta G.</i>, II,
+404 seqq.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.2">2</a>: Vgl. P. PIPER, <i>Die Spielmannsdichtung</i>, I, 29.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.3">3</a>: In EGINHARD'S <i>Vita Caroli Magni</i> 29 (PERTZ, <i>Monum.</i>, II,
+458). &#8222;Item barbara et antiquissima carmina, quibus veterum regum
+actus et bella canebantur, scripsit memoriaeque mandavit."
+
+<p class="footnote">En in <i>Annales Caroli Magni</i>, V, 545 (PERTZ, <i>Monum.</i>, I, 276)
+leest men:
+
+<p class="footnotequote">Quae veterum depromunt praelia regum
+Barbara mandavit carmina litterulis.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.4">4</a>: <i>Leven van Sint Amand</i> (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.5">5</a>: PIRENNE, <i>Geschichte Belgiens</i>, I, 91.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.6">6</a>: <i>Bonifacins</i> door Dr. J.P. MLLER, I, 86.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.7">7</a>: PIRENNE, t.a.p. I, 86&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.8">8</a>: Vgl. hier als elders BLOK'S <i>Geschied. v.h. Nederl. Volk</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.9">9</a>: Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is
+uiteengezet en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S
+rectorale rede &#8222;<i>over Angelsaksische Pozie</i>" (1899).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.10">10</a>: COSIJN, t.a.p. bl. 21.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.11">11</a>: Dr. TE WINKEL, <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.12">12</a>: <i>Hilde&mdash;Gudrun....</i> von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof.
+SYMONS, die de <i>Gudrun</i> uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.13">13</a>: Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET
+(I, 33 volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene
+studin van Dr. BLTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in
+<i>Romania</i>, 1901, en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in <i>Versl. en
+Meded. d. Kon. Akad.</i>, XII, 253 volgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.14">14</a>: <i>Sp. Hist.</i>, IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts
+mijne <i>Middelned. Epische Fragmenten</i>, bl. 250 volgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.15">15</a>: Vgl. <i>Middelned. Epische Fragmenten</i>, bl. 255.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.16">16</a>: PIRENNE, t.a.p. bl. 41&ndash;43.]<a name="27"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.17">17</a>: Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S <i>Kerkgeschiedenis</i>,
+II, 3, bl. 45&ndash;55.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.18">18</a>: Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in
+VAN WIJN'S <i>Huiszittend Leeven</i> en, in veel beter uitgaaf, in <i>Archief
+voor Ned. Kerkgesch.</i>, II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.19">19</a>: A.W. WYBRANDS, <i>De Abdij Bloemhof</i>, bl. 78&ndash;79.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.20">20</a>: MOLL, t.a.p. II, 2, 239.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.21">21</a>: In het <i>Itinerarium</i> van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit
+MATTHAEI <i>Veteris Aevi Analecta</i>, II, 26&ndash;33 b.v.: &#8222;Natales fines et arva
+dulcia linquentes" (<i>Ecl.</i>, I, 3); aan het slot: &#8222;et tunc demum quae passi
+fuimus periculorum meminisse juvabit" (<i>Aen.</i>, I, 203). Vgl. ook de
+naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p. 31.
+
+<p class="footnote">In de Kroniek van ALPERTUS, <i>De Diversitate Temporum</i> (ed.
+DEDERICH) o.a.: uit Juvenalis: &#8222;Intolerabilius nihil est quam
+foemina dives."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.22">22</a>: MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS.
+Zie FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S <i>Stroph.
+Gedichten</i>, bl. LXXVIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.23">23</a>: Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S <i>Allgem.
+Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande</i>, van MOLL's
+<i>Kerkgeschiedenis</i> en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S
+<i>Liber de vita</i> etc.
+
+<p class="footnote">MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in
+<i>Poetae Latini Aevi Carolini</i>, III, 557 seqq.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.24">24</a>: Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.25">25</a>: Vgl. over de pozie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184.
+H. PEERLKAMP, p. 11. De <i>Versus de hirundine</i> medegedeeld in
+<i>Zeitsch. f.d. Alt.</i> N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten
+in <i>Kerkhistor. Archief</i>, III, 213 volgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.26">26</a>: Zie voor het medegedeelde MOLL'S <i>Kerkgesch.</i>, I, 275 volgg.
+en ALPERTUS' Kroniek <i>De Div. Temporum</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.27">27</a>: <i>Der Lobgesang auf den heiligen Anno</i> (ed. GOLDMANN),
+Leipzig und Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men
+<i>Grundriss der Germ. Phil.</i>, II, 1, 251; en PIPER'S <i>Spielmannsdichtung</i>,
+II, 1. Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105&ndash;1110.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.28">28</a>: De Kroniek van ALPERTUS: <i>De diversitate temporum libri</i> II,
+is van ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Mnster, 1859). Vgl. MOLL,
+<i>Kerkgesch.</i>, II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS
+vgl. RUDOLF HENNING, <i>Nibelungen&mdash;Studin.</i> Strassburg. 1883.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.29">29</a>: <i>De Div. Temp.</i>, II, 5.]<a name="28"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.30">30</a>: R. HENNING in het aangehaald werk.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.31">31</a>: Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave
+van den <i>Ysengrimus</i>, (Halle a.S., 1884). In zijne <i>Etude sur l'Ysengrinus</i>,
+(Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen
+dan VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151&ndash;1152; V.c. 1148.
+W. gelooft dat een &#8222;flamand gallicant" uit de buurt van Lille de
+dichter is geweest en dat deze niet uit de mondelinge overlevering
+maar uit de verhalen der trouvres heeft geput. Het eerste is door
+W. m.i. niet aangetoond; het tweede is niet te bewijzen. Zie over
+WILLEMS' boek ook het oordeel van Dr. J.W. MULLER in <i>Museum</i>
+(1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan vereenigen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.32">32</a>: VOIGT, <i>Einl.</i> LXIII.]<a name="29"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>II.</h2>
+
+<p class="intro">De Kruistochten. De &#8222;lage landen bij de zee" als grensland tusschen
+Frankrijk en Duitschland. Fransche en Duitsche literatuur. Heinric
+van Veldeke (<i>Leven van Sint Servaes</i>, <i>Enede</i>, liederen). Vertaling
+van het Nibelungen-lied. Speelmanspozie (<i>Van den bere Wisselau</i>;
+<i>Van Sente Brandane</i>). Losmaking van Duitschland.
+
+<p>Toen het gevreesde jaar 1000 voorbij en de wereld niet
+vergaan was, ademden ook de bewoners dezer landen op.
+
+<p>Niet alsof met die 11<sup>de</sup> eeuw een tijd van ongestoorden vrede
+en rust aanbrak! Integendeel, ook in deze en de volgende
+eeuw, wij hebben er reeds staaltjes van gezien, was er nog
+allerwege verdeeldheid; soms schijnt het alsof ieders hand tegen
+allen is opgeheven. Zeker, tegenover de verdeelende stonden
+verbindende krachten: de kerk, het leenwezen, eene zelfde of
+ten minste gelijke taal, dezelfde zeden en gewoonten. Maar
+voorshands is de eenheid van elk dier onderscheidene kleinere
+volksgeheelen hier te lande (Friesland, Holland, Vlaanderen,
+Brabant en andere) weinig hecht; er is te nauwernood sprake
+van n band die ze onderling vereenigt.
+
+<p>Geen verschijnsel heeft in deze eeuwen zoo krachtigen invloed
+geoefend op onze volkswording als de kruistochten!
+
+<p>Onder de eerste deelnemers aan die grootsche tochten, toen
+&#8222;het Westen zich op het Oosten wierp, onder den kreet: God
+wil het!" vinden wij ook onze voorouders. Reeds omstreeks
+1030 zien wij een graaf van Holland ter kruisvaart trekken en
+aan zijne zijde een lid dier stoute ARKELS, welke de latere<a name="30"></a>
+graven van Holland zoo dikwijls tegenover zich zouden zien<a href="#2.1">[1]</a>.
+Na hen treffen wij onder de kruisvaarders in deze en de volgende
+eeuwen graven van Holland, Gelder, Vlaanderen aan; zonen
+van oud-adellijke geslachten als de BREDERODE'S, BORSELEN'S,
+VAN LYNDEN'S; Friesche edelen uit den stam van GALAMA en
+BOTNIA. Nog lang na den tweeden kruistocht, die in 1147
+voorviel, wezen latere kruisvaarders elkander den palmboom
+op het graf van den dapperen Frieschen aanvoerder HENDRIK
+ULVINGA in de nabijheid van Lissabon. Niet alleen ridders,
+ook aanzienlijke burgers, gewone poorters, lijfeigenen trokken
+naar het Heilige Land. Waarschijnlijk waren er maar weinig
+ridders onder die Antwerpenaars, Hollanders en Friezen, die
+volgens hun eigen getuigenis acht jaren in de Middellandsche
+zee van roof op de heidenen hadden geleefd en in 1097 op
+hunne schepen, welker masten met goud waren beslagen, het
+leger der kruisvaarders in Cilici te hulp kwamen<a href="#2.2">[2]</a>.
+
+<p>Zeker, behalve zuivere godsdienstige geestdrift zullen er voor
+deze tochten beweegredenen zijn geweest van minder gehalte;
+de naam &#8222;groote aflaat" dien men in de 13<sup>de</sup> eeuw aan een
+kruistocht gaf, wijst reeds op iets anders dan op liefde tot God
+om Gods wil. En dat vooral bij degenen die slechts geld, niet
+zich zelven, gaven ten behoeve dezer tochten. Ook bezwaardheid
+van geweten zal wel tot de beweegredenen hebben behoord;
+ook drijfveeren van minder allooi zal men niet mogen voorbijzien:
+lust naar avonturen, strijdlust, zucht om buit of roof
+te behalen.
+
+<p>Dat alles moge waar zijn, maar desniettemin zien wij hier
+in de ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk dit belangrijk
+verschijnsel, dat voor het eerst zij die z lang verdeeld waren
+gebleven: Vlamingen, Friezen, Hollanders, Gelderschen en
+zoovele anderen, in het besef hunner nheid als Christenen,
+gezamenlijk optrekken tegen n vijand in verre gewesten.<a name="31"></a>
+
+<p>De groote invloed dier tochten op de ontwikkeling ook van
+ons volk is bekend. Nu eerst deden de Nederlanders hun
+&#8222;intocht in de Kerk waardoor zij inderdaad vereenigd werden
+met het groote lichaam, waarvan zij vroeger leden heetten,
+maar niet waren"<a href="#2.3">[3]</a>. Handel en nijverheid, ook de kunsten
+ontwikkelden zich. De trage verbeelding der bewoners van deze
+lage landen kreeg een schok, werd opgewekt, geprikkeld. Welk
+een indruk moet het Zuiden, moeten die landen der zon met
+hun geheimzinnig achterland, hebben gemaakt op de ruwe
+maar ontvankelijke gemoederen dezer zonen van het Noorden,
+die zich voor het eerst verplaatst zagen buiten de enge grenzen
+van hun gouw of graafschap!
+
+<p>Maar niet minder gewichtig dan dat alles is de invloed
+geweest, dien de aanraking met andere volken moet hebben
+geoefend op het onze. Door dat herhaald en langdurig samenzijn
+en samenwerken met andere volken of volksdeelen, moeten
+onze voorouders voor het eerst ten deele bewust zijn geworden
+van zich zelf. Nu eerst wordt hun de gelegenheid gegeven om
+door vergelijking met anderen zich zelven te leeren kennen;
+nu eerst begint door den morgennevel der naeveteit heen het
+beeld der eigen persoonlijkheid flauw voor hen op te schemeren.
+Ook van het volk, waarvan zij nog een deel uitmaakten en
+waaraan zij zich het nauwst verwant gevoelden: de Duitschers,
+moeten zij zich reeds onderscheiden hebben gevoeld in taal en
+karakter. Welk een aanzienlijk verschil bestond er reeds omstreeks
+1171, toen HEINRIC VAN VELDEKE zijn <i>Sint Servaes</i> dichtte,
+tusschen Middelnederlandsch en Middelhoogduitsch! Dat verschil
+kan natuurlijk eerst langzamerhand zoo gewichtig zijn geworden.
+
+<p>Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de
+meeste dezer lage landen tot Duitschland; hunne ligging in
+Europa maakte ze tot een schakel tusschen Germaansche en
+Romaansche landen. Langzamerhand zullen wij den band met<a name="32"></a>
+het overig Duitschland losser zien worden en ten slotte feitelijk
+wegglijden, al blijft hij in schijn nog lang zichtbaar, al wordt
+hij later wel eens opnieuw aangeknoopt.
+
+<p>Dat de bewoners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen
+in woonden; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het
+Dietsch onmiddellijk paalde aan het Fransch, was oorzaak dat
+Fransche taal en letterkunde te onzent gemakkelijk ingang
+konden vinden.
+
+<p>Dien aanwas van zelfstandigheid tegenover Duitschland,
+waarbij de invloed van Frankrijk zich doet gevoelen, zullen
+wij nu in de geschiedenis, onzer letterkunde gaan beschouwen.
+
+<p>De eenheid dezer landen met het overig Nederduitschland
+vertoont zich ook in die scharen van Vlaamsche en Hollandsche
+kolonisten, welke in de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw een deel van Nederduitschland
+bevolkt en er zeker toe bijgedragen hebben daar
+het gevoel van eenheid met de bewoners der lage landen
+levendig te houden. Echter moet dat gevoel van eenheid te
+onzent sterker geweest zijn in het zuiver Germaansche Noorden
+dan in het Zuiden, dat een tweetalig land was. Dit verschil
+tusschen Noord- en Zuid-Nederland moeten wij hier al aanstonds
+op den voorgrond brengen.
+
+<p>Zuid-Nederland was verdeeld in Dietsche en Waalsche gewesten
+of zulke die Dietsche en Waalsche elementen in zich
+vereenigden. Vlaanderen, Brabant, Limburg waren in hoofdzaak
+Dietsche gewesten; Artois, Kamerijk, Henegouwen, Namen en
+het land van Luik bijna uitsluitend Waalsche. Echter deed zich
+in Vlaanderen de politieke invloed van Frankrijk sterk gelden;
+Brabant hing nauwer met Duitschland samen; Limburg had
+wel het meest recht op den naam van: grensland.
+
+<p>Tegenover de Fransch (Walsch) sprekenden voelden de Dietsch-sprekenden
+zich n. Reeds in VELDEKE'S <i>Leven van Sint Servaes</i><a name="33"></a>
+worden &#8222;Dutschen ende Walen" tegenover elkander gesteld<a href="#2.4">[4]</a>,
+Maar niet z scherp stonden zij tegenover elkander, of de
+meerdere geestesbeschaving en kunstzin van het Fransche volk
+oefenden hare bekoring en haren invloed op de minder ontwikkelde
+bewoners dezer grenslanden, voorzoover zij Fransch
+verstonden. Ook in de literatuur zal dat blijken. Terwijl te onzent,
+zooals wij gezien hebben, nog geene nationale letterkunde
+bestond, had de kunst van het woord in Frankrijk reeds tal
+van voortreffelijke of belangwekkende werken voortgebracht.
+Kort vr of na den eersten Kruistocht waren de oudste <i>Chansons
+de geste</i> reeds gedicht: de grootsche <i>Chanson de Roland</i>, de
+indrukwekkende <i>Lorreinen</i>, barbaarsch als de Roodhuiden, de
+bloedige <i>Raoul de Cambrai</i>, <i>Girart de Roussillon</i>, een deel
+van den <i>Guillaume d'Orange</i>, de <i>Aiol</i>. De aanvang der 12<sup>de</sup>
+eeuw bracht het ontstaan van het hoofsche ridderdicht (&#8222;pope
+courtoise") en dat der lyriek. Vr het midden dier eeuw waren
+de meeste verhalen, die de onderscheidene &#8222;branches" van den
+<i>Roman du Renart</i> vormen, reeds voor de eerste maal opgesteld<a href="#2.5">[5]</a>.
+
+<p>Ook de Duitschers konden, lang vr het ontwaken der
+literatuur te onzent, op menig werk van beteekenis wijzen;
+behalve de vroeger genoemde dichtwerken hadden zij reeds:
+het Walthari-lied, EZZO'S lied over de Wonderen van Christus,
+een gedicht over Koning ROTHER. Die nationale literatuur, in
+hoe menig opzicht ook zelfstandig en oorspronkelijk, kon zich
+echter niet onttrekken aan den invloed der Fransche literatuur,
+die toen reeds den toon aangaf. De <i>Alexander</i> van PFAFFE
+LAMBRECHT en het <i>Rolands-lied</i> van PFAFFE KONRAD waren
+reeds in de eerste helft der 12<sup>de</sup> eeuw uit het Fransch vertaald;
+in de tweede helft dier eeuw zou de vertaling eener branche
+van den <i>Roman du Renart</i> volgen en de Fransche lyriek de
+ontwikkeling der Duitsche bevorderen.
+
+<p>Het is waarlijk niet vreemd dat wij dezen invloed van<a name="34"></a>
+Frankrijk op Duitschland kunnen waarnemen ook in het land,
+dat meer dan eenig ander een schakel tusschen hen vormde:
+Limburg. Omstreeks 1170 werd binnen of bij de grenzen van
+dat land de bekende geschiedenis van FLORIS en BLANCEFLOER
+bewerkt in een dialect, dat misschien oorspronkelijk zuiver Limburgsch
+geweest is of althans met evenveel recht tot het
+Nederlandsch als tot het overige Nederduitsch kan gerekend
+worden<a href="#2.6">[6]</a>. Het is den schrijver dezer bewerking, die een Fransch
+voorbeeld volgde, blijkbaar slechts om het verhaal te doen
+geweest; reflexie is, naar het schijnt, afwezig. Zijn verhaaltrant
+is uiterst beknopt en zaakrijk, sober maar droog; van de
+aandoening die dit liefelijk verhaal in latere dichters zou wekken,
+is hier weinig te bespeuren. Taal en stijl van dit gedicht
+zijn nog onbeholpen; de korte zinnen, en de hortende verzen
+waarin dalingen niet zelden ontbreken, met hunne onzuivere
+rijmen, wijzen op geringe technische vaardigheid.
+
+<p>Veel duidelijker dan in dit gedicht vertoont zich de invloed
+der literaturen van Frankrijk en Duitschland op de ontwikkeling
+der onze in het werk van HEINRIC VAN VELDEKE.
+
+<p>In de pozie van dezen Limburgschen edelman uit de buurt
+van Maastricht vinden wij de onderscheiden elementen vereenigd,
+welke wij hier achtereenvolgens hebben leeren kennen:
+hij legt den band tusschen de Latijnsche literatuur en de nationale
+door zijne omwerking van een Latijnsch heiligenleven tot het
+Limburgsch <i>Leven van Sint Servaes</i>; uit het Fransch vertaalt
+hij een riddergedicht over ENEAS in zijne moedertaal, waaruit
+het weer in het Middelhoogduitsch wordt overgebracht (<i>Enet</i>);
+in het Limburgsch dicht hij, onder den invloed der Fransche
+(Provenaalsche) lyriek een dertigtal minneliederen die eveneens
+in het Middelhoogduitsch worden vertaald. Zoowel zijne <i>Enede</i>
+als zijne minneliederen hebben groote beteekenis gehad voor de
+ontwikkeling der Middelhoogduitsche epische en lyrische pozie.<a name="35"></a>
+
+<p>Van zijn leven is ons weinig bekend. Hij schijnt op een of
+andere wijze in betrekking te hebben gestaan tot den geestelijken
+stand en het klooster van SINT SERVAES; blijkbaar kende
+hij behalve de Fransche ook de Latijnsche literatuur, o.a. de
+<i>Aenes</i>, de <i>Metamorphosen</i> en het epos van STATIUS<a href="#2.7">[7]</a>. Hij
+ondernam c. 1171 de bewerking der <i>Vita</i> van den H. Servatius
+op verzoek van gravin AGNES VAN LOON en van zekeren
+kanunnik HESSEL, &#8222;die doen der costeryen plach." Hij heeft
+in Duitschland gereisd, was omstreeks 1175 aan het hof van
+Kleef en gaf zijn onvoltooide <i>Enede</i> daar te lezen aan gravin
+MARGARETA, de bruid van LODEWIJK III, landgraaf van Thringen.
+Zijn handschrift werd hem ontstolen en eerst veel later
+terug bezorgd, zoodat de voltooiing der <i>Enede</i> waarschijnlijk
+kort vr 1190 heeft plaats gehad. In Duitschland zal hij kennis
+gemaakt hebben met de daar bestaande nationale literatuur,
+o.a.: het <i>Anno-lied</i>, LAMPRECHT'S <i>Alexander</i>, KONRAD'S
+<i>Rollands-lied</i>; ook de Duitsche sagen van dien tijd kunnen
+hem niet vreemd zijn gebleven. Zijne minneliederen dagteekenen
+misschien uit denzelfden tijd als zijne <i>Enede</i>. Ook heeft hij nog
+een gedicht van &#8222;Salomon en de Minne" geschreven, dat ons
+slechts uit eene aanwijzing van een Duitsch dichter bekend is<a href="#2.8">[8]</a>.
+
+<p>Indien &#8222;meyster HEINRIC" begonnen ware met minneliederen
+te dichten, vervolgens de hand geslagen had aan een ridderroman
+waarvan de minne schering en inslag is, en daarna,
+ouder en ernstiger geworden, getracht had door middel van
+een heiligenleven goed te maken wat hij misdreven had met
+het dichten dier wereldsche pozie&mdash;dan zou hij gedaan
+hebben, wat na hem door tal van andere Nederlandsche dichters
+gedaan is. Die gang van zaken zou bovendien in overeenstemming
+zijn geweest met wat de gewone levenservaring ons leert.
+Naar het schijnt, heeft het tegenovergestelde plaats gehad: is
+hij begonnen met de bewerking van een heiligenleven, om zich<a name="36"></a>
+daarna tot minnepozie en ridderverhaal te wenden. Zoolang
+deze voorstelling niet door nieuwe feiten aangetast is, zullen
+wij ons er aan moeten houden.
+
+<p>Daar zoowel <i>Sinte Servatius Legende</i> als de <i>Enede</i> bewerkt
+zijn, de eene naar een Latijnsch, de andere naar een Fransch
+voorbeeld, komt het er bovenal op aan, het karakter dezer
+bewerkingen te leeren kennen. Over het algemeen volgt VELDEKE
+zijne Servatius-legende, die hij telkens aanduidt als &#8222;die vite",
+op den voet<a href="#2.9">[9]</a>. De letterkundige waarde dezer bewerking is
+gering en herinnert ons dat wij bij den aanvang van de ontwikkeling
+onzer literaire kunst staan. De gebrekkige uitdrukking,
+de afgebroken zinbouw, de stootende verzen met hun
+drietal heffingen doen ons denken aan de oude volkspozie.
+In eene periode als:
+
+<p class="quote">Alle die vergaderinghen
+Al weynende dat sij songhen
+Met luder stemmen: Osanna!
+Doen was vroude ende yamer da,
+</p>
+
+<p>meent men een nagalm te hooren van deze verzen uit het
+Lodewijkslied:
+
+<p class="quote">Joh alle saman sungun
+&#8222;Kyrieleison".
+Sang was gisungan
+Wig was bigunnan.
+ Enz.
+</p>
+
+<p>Beelden en vergelijkingen zijn schaarsch en over het algemeen
+onbeduidend. In een paar dier vergelijkingen bespeuren wij
+eenige aandoening. Zoo b.v. in deze uit het eerste boek:
+
+<p class="quote">Daer nae sprack der heilighe man,
+&mdash;Die salighe diet ghemercken can&mdash;<a name="37"></a>
+&#8222;Men mach in menghen synnen
+&#8222;Gods heerscapie bekennen,
+&#8222;Sijne ghenade ende sijne ghewalt.
+&#8222;Ghij siet wale wie der wynter kalt
+&#8222;Die eerde bevroret
+&#8222;Ende haer vrocht testoret
+&#8222;Ende tewrijvet ende verkeert;
+&#8222;Ende als hij dan henne veert,
+&#8222;Ende der somer aen gheyt,
+&#8222;Dien alle die werelt gherne ontfeyt,
+&#8222;Ende daer toe alle creatueren,
+&#8222;Eyn yeghelijck nae sijnre natueren,
+&#8222;Verhoghen sich ende vervrouwen.
+&#8222;Allen die Gode ghetrouwen
+&#8222;Ende doer hem lijden arbeit,
+&#8222;Dien gheeft hij grote rijcheit,
+&#8222;Woninghe in hiemelrijck
+&#8222;Ende vroude ewelijck."
+</p>
+
+<p>Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en
+daar op de overeenkomstige plaats lezen: &#8222;en", ait &#8222;quomodo
+verna temperies redit post hiemem, sic post mortem orietur
+beatis requies", dan zien wij dat VELDEKE'S verdienste hierin
+bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel van zijn voorbeeld op
+zelfstandige wijze heeft uitgebreid<a href="#2.10">[10]</a>.
+
+<p>Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van
+aandoening zich in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals
+b.v. in de visioenen, wordt die verwachting niet vervuld<a href="#2.11">[11]</a>.
+
+<p>Toen VELDEKE zijn <i>Leven van Sint Servaes</i> bewerkte, gevoelde
+hij zich een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak
+van den heiligen man bij God; die hoopte dat zijn
+werk ter eere Gods zou strekken<a href="#2.12">[12]</a>. Maar de levensgeschiedenis<a name="38"></a>
+van den heilige moge hem hebben gesticht, zij heeft noch zijn
+gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was dat met
+de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch
+dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman<a href="#2.13">[13]</a>.
+
+<p>Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze
+waarop hier de liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk
+motief is gebruikt en de groote plaats die de ontleding van
+het gansche gemoedsleven, van de hartstochten en vooral van
+de liefde hier inneemt. Deze opvatting der liefde was iets
+nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken viel die
+niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der
+vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch
+anders was dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen
+die TACITUS in de Germanen sterker troffen dan juist hun achting
+voor de vrouwen, hun eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid
+bij hen in eere was en dat de vrouw in het huwelijk stond als
+eene gelijke tegenover den man. Door de opkomst van het ridderwezen,
+eene Germaansche instelling, was dit gevoel van eerbied
+jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich, vooral
+in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd.
+
+<p>In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht
+bij uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd,
+fijn. Het is een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld
+en in eigen trant het eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch
+al heeft hij een voorbeeld gevolgd, hij was geenszins louter
+vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd of veranderd, weggelaten
+of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de juistheid der
+uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te verduidelijken;
+ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid
+of eigen smaak te bevredigen<a href="#2.14">[14]</a>. Verscheidene didactische uitweidingen,
+overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft
+hij laten vervallen. Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000<a name="39"></a>
+verzen meer dan het oorspronkelijke. Die grooter omvang is
+toe te schrijven vooral aan de wijdloopigheid van den bewerker,
+die zich openbaart o.a. in het uitspinnen van monologen en
+van gevechten, ook in de beschrijving van zielstoestanden.
+Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont VELDEKE
+menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl
+zijn smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo
+b.v. waar hij ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS &#8222;toe Icnjen
+in her hs" bezocht. Een viertal verzen van het oorspronkelijk
+gedicht zijn in de bewerking uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men
+hier met recht van VELDEKE'S werk mag spreken:
+
+<p class="quote">grt ende gr was her dat hr
+end harde verworren&mdash;
+dat wir wale spreken dorren&mdash;
+alse eines perdes mane.
+die frouwe hadde ane
+vele onfrouwelch gewant.
+ein boech hade s an der hant.
+dar ane sach s ende las.
+doe schoude s Enas.
+He marcde s rechte.
+dat mies<a title="[margin: mos.]"><sup>#</sup></a> lockechte
+hiene her t den ren.
+s enmochte niet gehren,
+et enwre, dat man riepe.
+her ougen stonden er diepe
+onder den ouchbrwen,
+langen ende grwen,
+die d vore hiengen&mdash;
+end her ter nase giengen,
+grouwelch was her lf:<a name="40"></a>
+hem enwart nie wf
+als wonderlich kont.
+swart ende kalt was her der mont.
+s sat in den gebre,
+alse er leven wre
+n alre slachte wonne.
+die tande stonden er donne<a title="[margin: dun (geplant).]"><sup>#</sup></a>
+end wrn her lanc ende gele.
+her was der hals end die kele
+swart end gerompen<a title="[margin: gerimpeld.]"><sup>#</sup></a>.
+s selve was geskrompen
+in bsen gewande.
+her arme end here hande
+waren dern ende vel<a href="#2.15">[15]</a>.
+</p>
+
+<p>Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naef
+kunstenaar met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder
+den indruk en tracht dien zoo goed mogelijk weer te geven;
+er is wel goede grondstof, er zijn wel goede deelen van een
+beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen. Telkens springt
+hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of wordt
+zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht
+moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde
+paardemanen&mdash;de vergelijking raakt volgens VELDEKE
+blijkbaar de grens der kieschheid&mdash;een blik op het onvrouwelijk
+gewaad; zij had een boek in de hand; nu weer de dtails:
+vlokken mos (haar) hingen haar uit de ooren, diepliggende
+oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan plotseling
+een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna
+terugkeer tot de dtails: de mond was zwart en koud; wer
+een algemeene indruk: hare houding gaf te kennen dat zij
+geenerlei vreugde kende; zoo gaat het voort.<a name="41"></a>
+
+<p>Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat
+VELDEKE'S invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden
+naar het schijnt zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker.
+
+<p>Duidelijker nog dan in zijne <i>Eneide</i> blijkt die aanleg in het
+dertigtal minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche
+hoofsche lyriek gedicht.
+
+<p>In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en
+uitdrukkingen blijven deze liederen binnen den kring van den
+conventioneelen vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld
+en zich daar en elders deed gelden, zoowel in eene
+min of meer kunstmatige werkelijkheid als in de pozie.
+
+<p>De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw
+die hij wenscht, wordt voorgesteld als een <i>dienst</i>: zij is de
+meesteres, hij de dienaar. Telkens is ook in deze liederen sprake
+van <i>dienen</i> en <i>dienst</i>. De minne wordt verheerlijkt:
+
+<p class="quote">Von minne kumet uns allez guot:
+diu minne machet reinen muot.
+Waz solte ich sunder minne dan?<a href="#2.16">[16]</a>
+</p>
+
+<p>De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar
+toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide
+seksen (het &#8222;umbevn") wordt dorperlijk genoemd:
+
+<p class="quote">Wie mohte ich dat fr guot entstn,
+dat h m dorpelche bte
+dat h m muoste al umbevn?<a href="#2.17">[17]</a>
+</p>
+
+<p>vraagt eene vrouw, die&mdash;naar de gewoonte in deze minnepozie&mdash;sprekend
+wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam
+moet de minnaar zorg dragen; daarom mag hij zijne liefste niet
+in het openbaar noemen; daarom ook moet hij haar en zich
+hoeden tegen de booze tongen de (&#8222;rueger" en &#8222;nider") <a href="#2.18">[18]</a>. Niet
+zelden begint een lied&mdash;ook dat was conventioneel geworden,<a name="42"></a>
+maar conventie waarin waarheid schuilt&mdash;met een klein natuurschetsje
+of een trek uit het natuurleven; hetzij om overeenstemming,
+hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en
+gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al
+dadelijk in het eerste lied:
+
+<p class="quote">Ez sint guotiu niuwe mre,
+daz die vogel offenbre
+singent d man bluomen siet.
+Zuo den zten in dem jre
+stuende wol daz man fr wre:
+leider des enbin ich niet<a href="#2.19">[19]</a>.
+</p>
+
+<p>Overeenstemming treft men aan in verzen als deze:
+
+<p class="quote">Ez tuont die vogele schn<a title="[margin: toonen.]"><sup>#</sup></a>
+daz si die boume sehent gebluot<a title="[margin: bloeiend.]"><sup>#</sup></a>.
+ir sanc machet mir den muot
+s guot daz ich vr bin
+noch trric niht kan sn<a href="#2.20">[20]</a>.
+</p>
+
+<p>Maar niet z vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst
+of de natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge
+dorperlijk zijn naar het &#8222;umbevn" te verlangen, deze minnaar
+doet wat hij niet laten kan:
+
+<p class="quote">ich bat sie in der kartten
+daz si mich mese al umbevn<a href="#2.21">[21]</a>.
+</p>
+
+<p>en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind,
+hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet:
+
+<p class="quote">Swer den vrouwen setzet huote<a title="[margin: bewaking.]"><sup>#</sup></a>,
+der tuot daz bele dicke stt.
+vil manic man der treit die ruote<a title="[margin: draagt de roede.]"><sup>#</sup></a>
+da er sich selben mite slt<a href="#2.22">[22]</a>.<a name="43"></a>
+</p>
+
+<p>Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen:
+
+<p class="quote">geschihet mir als deme swan,
+der singet als er sterben sal,
+s vliuse<a title="[margin: verlies]"><sup>#</sup></a> ich ze vil dar an<a href="#2.23">[23]</a>.
+</p>
+
+<p>Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting
+kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in
+Limburg bekend zijn geworden, noch of zij ook in andere
+deelen dezer landen verbreid zijn en invloed hebben geoefend
+op de zich daar ontwikkelende literatuur. Wij komen op die
+vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds zeggen, dat wij
+voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend bewijs
+hebben. Ten opzichte der <i>Eneide</i> verkeeren wij in iets gunstiger
+omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijne <i>Historie
+van Troyen</i>, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO,
+zegt: &#8222;Oec ist gedicht in Duytsche woert"<a href="#2.24">[24]</a>. Het is mogelijk,
+dat hij hier het oog heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder
+nader bewijs mogen wij dezen regel natuurlijk niet als beslissend
+beschouwen.
+
+<p>Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op
+de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde gering geweest;
+in allen gevalle op verre na niet zoo belangrijk als op die der
+Hoogduitsche literatuur. Voor tal van Middelhoogduitsche
+dichters is VELDEKE'S werk, met name zijne <i>Eneide</i>, een voorbeeld
+geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn dichterlijk
+verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der
+epische minnepozie en minstens eene eeuw lang wordt hij
+door Duitsche dichters gelezen en geprezen, ook door de
+grootsten onder hen als WOLFRAM VON ESCHENBACH, den
+duister-verhevene en den beminnelijken GOTTFRIED VON
+STRASSBURG<a href="#2.25">[25]</a>.
+
+<p>VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, die<a name="44"></a>
+reeds zekere mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de
+kunstpozie dier dagen. In die pozie is een Nederlander de
+Duitschers vrgegaan. Naast die kunstpozie echter bestond
+in Duitschland eene nationale verhalende volkspozie. Gedeeltelijk
+was deze, in den tijd waarvan wij spreken, reeds onder den
+invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende heldendichten
+<i>Nibelungen</i> en <i>Gudrun</i> leveren daarvan het bewijs en
+toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander
+deel dezer volkspozie was vrij gebleven van dien invloed van
+het hoofsche epos. Die soort van pozie vinden wij vertegenwoordigd
+in een aantal verhalende gedichten, meerendeels
+In het laatst der 12<sup>de</sup> eeuw gemaakt en voor een deel afkomstig
+uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten onder
+den naam: <i>speelmanspozie</i>, omdat zij zwervende dichters en
+voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten
+een speelman op den voorgrond. De meest bekende
+zijn: <i>Orendel, Salman und Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald</i>.
+Alle herinneren door hun inhoud en hun trant min of meer
+aan een vroeger gedicht van dezen aard: de geschiedenis van
+<i>Koning Rother</i>, al beweegt dat verhaal zich in hooger sfeer
+dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den
+historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij
+hier dan ook telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen.
+Het verhaal dier tochten naar verre landen geeft den dichters
+natuurlijk ruimschoots gelegenheid hunnen hoorders allerlei
+vreemds en wonderbaarlijks voor oogen te brengen; vooral
+het verhaal van Hertog ERNST is met dat wonderbare vervuld.
+Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen, gewoonlijk
+in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten kon<a href="#2.26">[26]</a>.
+
+<p>Hier staat de Nederlandsche pozie tegenover de Hoog- en
+Nederduitsche in eene andere verhouding dan bij VELDEKE:
+dr was het onzerzijds <i>geven</i>, hier <i>nemen</i>. Beide boven<a name="45"></a>
+aangewezen soorten van volkspozie vinden wij te onzent vertegenwoordigd:
+het volksepos onder den invloed der hoofsche
+ridderpozie in eene vertaling der <i>Nibelungen</i>; de speelmanspozie
+in het gedicht <i>van den Bere Wisselau</i> en misschien ook
+in dat <i>van Sinte Brandaen</i>.
+
+<p>In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het
+eerst kennis gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag
+moeten wij het antwoord schuldig blijven. Dat er geen grond
+bestaat om den bewoners dezer landen een aandeel toe te
+kennen in de <i>vorming</i> van het Oudgermaansch heldendicht,
+hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk niet
+opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van die <i>elders
+ontstane</i> heldenpozie of heldensage kan hebben gedragen.
+
+<p>Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10<sup>de</sup>
+eeuw en in den <i>Reinaert</i> vermelde, koning HERMENRYC de bekende
+Gotenkoning der heldensage is<a href="#2.27">[27]</a>. Ook weten wij dat de
+abdij van Egmond reeds in de 11<sup>de</sup> of in het begin der 12<sup>de</sup> eeuw
+een exemplaar van het <i>Walthari-lied</i> heeft bezeten<a href="#2.28">[28]</a>. Weliswaar
+was het slechts een Latijnsche vertaling waarin dat heldendicht tot
+ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het aantrekkelijk hebben
+gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen gevalle mag
+men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een
+bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage.
+
+<p>Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het
+Zuidoosten, Nibelungen-liederen gekend, vrdat het, later uit
+die liederen ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald?
+Die vraag hangt samen met het vraagstuk van den ouderdom
+dier vertaling. Volgens de meeste Duitsche geleerden is het
+epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en dat het voorbeeld
+is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan 1205<a href="#2.29">[29]</a>.
+Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijn <i>Leven van Sint
+Servaes</i> spreekt van ATTILA als &#8222;Bodelinghes son" <a href="#2.30">[30]</a>; deze vaders<a name="46"></a>naam
+komt ook in de <i>Nibelungen</i> meer dan eens voor. Was
+VELDEKE nu met dezen naam bekend geworden door de
+<i>Nibelungen</i> of kende hij dien van elders? Dat hij dien naam
+in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen der
+heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij
+in de <i>Enede</i> spreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft,
+naar het schijnt, eerst na het dichten van den <i>Servaes</i> in
+Duitschland gereisd.
+
+<p>Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien
+Nibelungen-liederen in omloop zijn geweest, is dit: nog in de
+15<sup>de</sup> eeuw vinden wij den melkweg in een Geldersch-Kleefsch
+woordenboek genoemd: <i>Ver Broenelden strait</i><a href="#2.31">[31]</a>.
+
+<p>Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken
+naam niet op langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage?
+Is het wel aannemelijk dat een dergelijke naam in zwang zou
+kunnen komen door den invloed eener schriftelijke vertaling
+en moet hier niet veel eer gedacht worden aan den gestadigen
+invloed eener mondelinge overlevering?
+
+<p>Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied
+in het Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling
+der Duitsche geleerden juist is, dat deze vertaling n 1205 is
+vervaardigd<a href="#2.32">[32]</a>. Hoe lang na 1205? Dat is niet met een jaartal
+aan te geven. Doch er bestaat reden om te gelooven, dat onze
+vertaling in de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw is gemaakt. De
+populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over de grenzen
+dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de fragmenten
+der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13<sup>de</sup> eeuw
+te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werk
+<i>Alexander</i> den vernederlandschten naam van ATTILA: <i>Ettel</i>
+gebruikt en in zijn <i>Spiegel Historiael</i> dien van <i>Diederic van
+Berne</i>, mag doen vermoeden dat hij deze namen misschien
+uit de vertaling der <i>Nibelungen</i> heeft leeren kennen.<a name="47"></a>
+
+<p>Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten
+over, elk van 72 verzen, die een gedeelte der 16<sup>de</sup> en een
+gedeelte der 17<sup>de</sup> Aventiure van het oorspronkelijk epos behelzen.
+Of men het gansche gedicht vertaald heeft, moet dus
+onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het genoemd hebben.
+Dat men van het <i>Nevelingen-lied</i> of van de <i>Nevelingen</i> zal
+hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds
+in de 13<sup>de</sup> eeuw eene gansch andere beteekenis had (<i>neef</i> of
+<i>verwant</i>).
+
+<p>Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te
+vragen naar het karakter der vertaling en de wijze waarop de
+vertaler zich van zijne taak heeft gekweten<a href="#2.33">[33]</a>.
+
+<p>Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne
+verzen zijn vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme
+van het origineel weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis
+van het Duitsch belemmerde hem in zijn werk als een blok
+aan het been. Waar hij een woord of een vers niet begreep,
+liet hij het weg, of&mdash;erger&mdash;verving het door een stoplap
+als: &#8222;dat doe ic u verstaen" en &#8222;dies was hi wel blide". Aan
+zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven,
+dat, vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal
+hier en daar onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid
+van het jachttooneel heeft bij de overbrenging geleden; voor
+het krabben en bijten van den beer dien SIEGFRIED vangt,
+heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog ook voor SIEGFRIEDS
+rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het goede zwaard
+BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht
+over KRIEMHILDE'S droefheid:
+
+<p class="quote">ir hetet mn vergezzen, des mag ich wol jehen,
+d ich d wart gescheiden von mme lieben man.
+&#8222;daz wolde got" sprach Kriemhilt, &#8222;waer iz mir selber getn".<a name="48"></a>
+</p>
+
+<p>zijn weergegeven door het onbeteekenende:
+
+<p class="quote">Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen.
+</p>
+
+<p>Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden
+man te laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking.
+
+<p>Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin
+als van de auteurs van <i>Wisselau</i> en <i>Brandaen</i>. Dat is geen
+toeval, maar in overeenstemming met het onpersoonlijk karakter
+der volkspozie, in tegenstelling met de bekendheid van de
+auteurs der meer individueele kunstpozie. Indien wij echter
+in aanmerking nemen dat in het laatste couplet van het tweede
+fragment de geestelijke tint bij de overzetting vrij wat sterker
+is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een
+geestelijke voor den bewerker te houden.
+
+<p>Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaal
+<i>van den Bere Wisselau</i> heeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot
+speelman verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of
+goliarden, gelijk er in de 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> eeuw zoovele rondzwierven:
+arme schooiers, tuk op een goeden maaltijd, en als
+GARGANTUA in extaze gerakend &#8222;au seul son des pintes et
+flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was
+
+<p class="quote">in taberna mori,
+ubi vina proxima
+morientis ori
+</p>
+
+<p>wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk:
+
+<p class="quote">&#8222;Deus sit propitius
+isti potatori".
+</p>
+
+<p>Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de
+rechte speelmanspozie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud
+van het gedicht kan dat blijken<a href="#2.34">[34]</a>.<a name="49"></a>
+
+<p>Het begin van het fragment brengt ons naar het land van
+den reuzenkoning ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning
+KAREL is juist met zijne &#8222;genooten" op een schip aangekomen.
+Onder zijn gevolg is een reusachtige beer, Wisselau genaamd,
+die zekeren GEERNOUT als zijn meester gehoorzaamt. Een reus
+die de wacht aan het strand houdt, wordt door Wisselau
+gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne
+vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke
+beren in het schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN
+koning KAREL en de zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt
+Wisselau een rok van vier kwartieren aan, dien hij voor hem
+had laten snijden ter gelegenheid van een hoffeest te Aken en
+volgt met den beer de overigen. Als zij aan ESPRIAANS burcht
+komen, loopt de portier op het zien van Wisselau jammerend
+van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de &#8222;gargoensche
+tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de
+keuken moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in
+den soepketel werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen,
+om de reuzen nog meer schrik aan te jagen. Dat
+geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal binnenvliegen
+om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL
+gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken
+last. ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer
+op zijn zetel. Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt
+hij rond, zoodat de reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken
+klimmen. De reuzenkoning smeekt GEERNOUT om hulp en
+deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn gargoensch
+zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden;
+Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling
+geindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den
+kleinen man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er
+niets meer te eten is; ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordt<a name="50"></a>
+boos en schudt zich, zoodat de kostbare knoopen van zijn
+rok springen. Daarna werpt hij den rok op het vuur en gaat
+er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een jonker!
+Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op
+te staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den
+beer. Een maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men
+beraadslaagt over het nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den
+beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT denkt er over hoe hij koning
+KAREL en zijne gezellen behouden weer uit het reuzenland zal
+brengen.&mdash;Daar eindigt het fragment.
+
+<p>De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders<a href="#2.35">[35]</a>,
+ESPRIAAN of ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt
+genoemd, is een ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het
+gedicht van koning ROTHER voorkomt als koning van het
+verre reuzenland. In eene Noorsche sage bevindt hij zich onder
+het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand eener
+Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie
+broeders: WIDOLF &#8222;mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD.
+WIDOLF (elders WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens
+zijne wildheid aan een keten meegevoerd; want, laat men hem
+los, dan slaat hij met zijne ijzeren stang woedend om zich heen.
+
+<p>Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch
+fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot
+in een gevecht van den held van BERN en ATTILA tegen koning
+OSANTRIX, is door WIDOLFS stang neergeslagen, door den
+vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop doen
+WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens
+voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den
+gevangene door list te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene
+berenhuid naaien en wordt zoo door zijn gezel bij den halsband
+geleid. In 's konings hof aangekomen, slaat ISUNG meesterlijk
+de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn beer, dien hij<a name="51"></a>
+<i>Vizleo</i> (Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen. OSANTRIX
+wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op
+eene schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote
+menigte, zestig groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De
+koning is ook aanwezig, vergezeld door zijne dienstmannen,
+onder welke zich de geboeide WIDOLF bevindt, geleid door
+zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt den
+grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood.
+Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los
+en brengt hem een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft
+de berenhuid maar stuit af op de &#8222;bronie" (malinkolder)
+daaronder. Als OSANTRIX dan naar de zijnen wil terugkeeren,
+rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den speelman,
+loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen
+de reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat
+hen. WIDGA wordt bevrijd en keert terug tot THIDRIK.
+
+<p>In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante
+van den beer, Thor schuilt en het berengevecht eigenlijk een
+strijd van zomer en winter moet voorstellen, is voor ons van
+minder gewicht. Duidelijk blijkt echter uit het voorgaande de
+samenhang van het Nederlandsch gedicht met andere, ook tot
+pozie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke verhalen
+moet de dichter van den <i>Wisselau</i> gekend hebben; daar
+heeft hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in
+eigen trant zijn bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning
+ROTHER was in de Rijnlanden ontstaan en de herinnering aan
+den geketenden beer leefde daar ook in liederen als dat &#8222;von
+dem belen wbe" voort. Naar de oostelijke grenzen wijst ons
+dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de
+vorm van den naam <i>Wisselau</i>, die in het Nederlandsch
+<i>Wittelau</i>. zou moeten luiden<a href="#2.36">[36]</a>. In het oosten of zuidoosten
+des lands zal dit speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijk<a name="52"></a>
+kort na den tijd, waaruit ook de Duitsche speelmansgedichten
+dagteekenen&mdash;, nl. het laatst der 12<sup>de</sup> of den aanvang der
+13<sup>de</sup> eeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds, want in zijn
+<i>Spieghel Historiael</i> laat hij er zich afkeurend over uit. Tot
+tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in
+hunne pozie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere
+gedichten van dien aard vermeldt hij ook &#8222;van bere Wisslau
+die saghe" en
+
+<p class="quote">Van bere Wisslau die snodelhede<a title="[margin: onwaardige, armzalige dingen.]"><sup>#</sup></a>
+ende meneghe favele groet ende cleine<a href="#2.37">[37]</a>.
+</p>
+
+<p>MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden,
+dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap
+bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet
+behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een
+dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest
+en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant,
+dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden
+met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe
+ook de &#8222;Sarrasijn" behoorde, &#8222;die voor mijn here speelde met
+eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14<sup>de</sup> eeuw
+gewag maakt<a href="#2.38">[38]</a>.
+
+<p>Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger
+als MAERLANT zich ver verheven.
+
+<p>De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen
+lachen; gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook van <i>lachen</i>
+en <i>scop</i> (scherts) spreken. Die grappen waren niet van het
+fijnste soort; dat kan men verwachten: een beer, potsierlijk
+uitgedost in zijn rok met kwartieren als in een ridders wapenrok;
+een kok, gekookt in zijn eigen soepketel; een angstige
+portier, roepend, schreeuwend: &#8222;o wi, o wach!"; schenkers<a name="53"></a>
+en drossaten die, hals over kop, een zaal komen binnenvluchten,
+zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te verantwoorden
+hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik
+gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als
+hij zich schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht
+zoekend; een reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken
+gast loerend&mdash;alles gruwzaam of grof, doch niet zonder
+zekere ruw-komische kracht en wel geschikt om de ruige lippen
+van ruwe poorters en boeren te plooien tot een breeden lach.
+
+<p>Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als
+de meeste zijner gildebroeders; hij bekommert zich weinig om
+de overgangen in zijn verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken
+volzinnen als met vlugge schokjes voortspoedt met veronachtzaming
+zoowel van de maat der verzen als van de
+zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend hebben,
+zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er
+onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden,
+geboeid worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter;
+op dit publiek, tot hetwelk de dichter zich meer dan eens richt,
+was alles berekend. Geen wonder voor wie in het oog houdt,
+dat deze dichters van hunne kunst leven moesten.
+
+<p>Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook
+het gedicht <i>van Sente Brandane</i> zich gericht hebben. Deze
+BRANDAEN was abt van een Iersch klooster. Eens zat hij te
+lezen in een boek dat allerlei verhalen van wonderen bevatte.
+Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en wierp het
+boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot
+straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet
+scheep gaan en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne
+tochten zien zij zooveel wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht
+vergaat. Nu mag hij naar zijn klooster terugkeeren en
+sterft kort daarna.<a name="54"></a>
+
+<p>De kern van dit verhaal is reeds in de 10<sup>de</sup> eeuw te vinden
+in een Latijnsche legende: <i>Peregrinatio Sancti Brandani Abbatis</i>
+en werd later in verscheidene Europeesche talen, zoowel in
+proza als in pozie, bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen
+1173&ndash;1180 aan den Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en
+misschien niet lang daarna in het Nederlandsch vertaald<a href="#2.39">[39]</a>.
+
+<p>Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben,
+kan niet betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins
+op de hoogte is van deze soort pozie. Evenals in den <i>Oswald</i>
+en den <i>Orendel</i> hebben wij hier eene half-ascetischen half
+ridderlijken zeetocht (de <i>Brandaen</i> spreekt van &#8222;recken");
+vooral in het gedicht van <i>Hertog Ernst</i> vinden wij tal van
+wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen:
+zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels;
+het prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde
+dieren; de menschen, met zwijnskoppen en kranenhalzen, in
+zijden gewaden, gewapend met bogen; de vermelding der
+Pygmeen. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont,
+vindt men weer in het verhaal van <i>Sint Oswald</i>.
+
+<p>Dat ook in den <i>Brandaen</i> drossaten en schenkers voorkomen,
+die veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat
+ze in honderd jaren geen droppel water binnen krijgen, is
+een der vaste trekken van de speelmanspozie<a href="#2.40">[40]</a>. Het was
+een onschuldige wraakneming der speellieden op degenen die
+hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en droog
+hadden voorzien.
+
+<p>Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen,
+welke men niet vindt in een der drie Duitsche bewerkingen
+die voortgekomen zijn uit het oorspronkelijk Nederrijnsch
+gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de merkwaardige ontmoeting
+van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat door
+den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaal<a name="55"></a>
+vindt men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS.
+In de eerste legende is sprake niet van het hoofd doch van
+het gansche lichaam van een gestorven heidenschen reus; in
+de tweede van een reuzenhoofd. Beide reuzen laten zich doopen.
+In dat laatste opzicht nu geeft de Nederlandsche bewerking ons
+iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het reuzenhoofd voor,
+zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij vreest
+zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en zondigde
+hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger
+gestraft worden. En dus, zoo besluit hij:
+
+<p class="quote"> willic weder varen
+Te mijnre aermer scaren
+In die deemsternesse<a title="[margin: duisternis.]"><sup>#</sup></a><a href="#2.41">[41]</a>.
+</p>
+
+<p>Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker,
+bij deze vermoedelijk van hem afkomstige passage,
+aan den Frieschen koning RADBOUD gedacht heeft, die door
+den apostel WULFRAN gedoopt zou worden. Immers, als deze
+heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de plaats der
+helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de doopvont
+terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan
+met de Christenen in den hemel verblijven<a href="#2.42">[42]</a>. Opmerkelijk
+mag ten slotte heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking
+op een paar plaatsen een komisch element aantreffen, waar dat
+in de drie ons overgebleven Duitsche bewerkingen ontbreekt.
+Ook dat getuigt dat wij hier het werk van een speelman voor
+ons hebben<a href="#2.43">[43]</a>.
+
+<p>Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht
+is ons duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en
+zouden er nieuwe kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende
+grond aanwezig om aan te nemen, dat het uit het
+Duitsch vertaald is en met de vertaling der <i>Nibelungen</i> en het<a name="56"></a>
+gedicht <i>Van den Bere Wisselau</i> dagteekent uit het laatst der
+12<sup>de</sup> of den aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw. Ook de twee laatstgenoemde
+werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de
+literatuur van dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking
+van het overig Duitschland te toonen.
+
+<p>Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond.
+Wel dient de aandacht te worden gevestigd op het gewicht
+van feiten als de vertaling van <i>Nibelungen</i> en <i>Brandaen</i>, als
+de bewerking van <i>den Bere Wisselau</i>. Want uit dat overbrengen
+van de eene taal in de andere blijkt, dat de bewoners dezer
+landen zich een ander volk voelden dan de overige Duitschers;
+het gedicht <i>van den Bere Wisselau</i>, zelfstandige bewerking van
+Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger mate.
+
+<p>Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk
+van Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst,
+zouden zij steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden
+dat vooral doen, nadat Brabant en Vlaanderen op den voorgrond
+waren getreden en Limburg op den achtergrond was
+geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral Vlaanderen
+de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij daarmede
+begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling der <i>Nibelungen</i>
+misschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties
+van den <i>Brandaen</i> in het oosten des lands of elders gemaakt?
+Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke
+MAERLANT in n adem noemt met de &#8222;sage van den bere
+Wisslau", uit denzelfden tijd als de <i>Wisselau</i>?
+
+<p>Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn
+wij vooralsnog niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag
+men misschien: &#8222;ja" antwoorden of: &#8222;het is waarschijnlijk."
+
+<p>Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige
+Duitschers moesten losmaken, vrdat er sprake kon zijn van
+hunne ontwikkeling tot een zelfstandig volk en ook: dat de<a name="57"></a>
+hier aanwezige kiemen van nationaliteit beter bodem vonden
+in het verder van Duitschland af, en aan zee gelegen, Vlaanderen,
+dan in het grensland Limburg.
+
+<p>In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de
+13<sup>de</sup> eeuw, op welker drempel wij nu staan, eene half-internationale,
+half-nationale kunst groeien en bloeien.
+
+<p>Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden
+zij zich ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen.<a name="58"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.1">1</a>: Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S <i>Kerkgesch.</i>,
+II, 1, bl. 7 volgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.2">2</a>: Vgl. MAERLANT'S <i>Spiegh. Historiael</i> (edd. DE VRIES en VERWIJS),
+III, bl. 366.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.3">3</a>: MOLL, t.a.p.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.4">4</a>: Zie I, 1116. Zie ook I, 682&ndash;3: &#8222;In ebreuschen, in dietschen || In
+walschen ende in vriesschen". Vgl. ook <i>Roman van Torec</i>, vs. 2556:
+&#8222;Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den <i>Rinclus</i>, vs. 602 <i>walsch</i>
+en <i>vriesch</i> tegenover elkander gesteld.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.5">5</a>: Vgl. <i>Hist. de la langue et de la Littrature franaise....</i> sous
+la direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100&ndash;101),
+171 en L. SUDRE, <i>Les sources du Roman de Renart</i>, p. 341.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.6">6</a>: Vgl. SCHERER, <i>Gesch. der D. Lit.</i>, S. 143&ndash;4; PIPER, <i>Spielmannsdichtung</i>,
+II, 299; <i>Grundriss der German. Phil.</i>, II, 1, 258.
+Uitgegeven door STEINMEYER in <i>Z.f.d.A.</i>, 21, Bd. S. 307 flgg.
+STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche
+tint gegeven heeft.
+
+<p class="footnote">De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd,
+waaruit n<sup>o</sup>. 1 en n<sup>o</sup>. 2 der door ED. DU MRIL uitgegevene redactie's
+zijn voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking,
+vs. 2315&ndash;3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen
+zijn echter op vele plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S
+raming van het geheel (c. 3700 verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S
+bewerking die veel uitvoeriger is, telt er slechts 3980.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.7">7</a>: Dat hij zich &#8222;ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal
+wel eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor
+stelt hij zich zelven tegenover de &#8222;ongheleerde luden". Vgl. bovendien
+het Latijn in den proloog en eene plaats als II, 944&ndash;946.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.8">8</a>: Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de
+Inleiding tot BEHAGHEL'S <i>Eneide</i>. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken
+wat Prof J.H. KERN mededeelt in <i>Museum</i> 1900, bl. 213&ndash;218.
+Overigens nog BORMANS' Inleiding op <i>Sint Servatius Legende</i>.]<a name="59"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.9">9</a>: VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven
+van S. SERVAES, dat men vindt in de <i>Gesta pontificum Tungrensium
+Trajectensium et Leodiensium</i> in de 10e eeuw samengesteld door den
+abt HARIGER. Vgl. over een fragment van een hs. van het eind der
+12e eeuw: <i>Z.f.d.A.</i>, Bd. 27, 146&ndash;157. Over een Duitsch leven
+van S. SERVAES uit ongeveer denzelfden tijd als VELDEKE'S werk:
+<i>Z.f.d.A.</i>, 1845, V, 75 flgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.10">10</a>: Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S <i>Gesta</i>,
+wel in de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een
+Cistercienser monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis.
+Daar AEGIDIUS echter omstreeks het midden der 13e eeuw schreef,
+moet de door VELDEKE gebruikte <i>Vite</i> ook door HARIGER en
+AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER
+en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de vergelijking uit I, 271 terug
+in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe multas tunc temporis provisio
+divina pro necessitate accenderat faces etc.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.11">11</a>: Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.12">12</a>: Vgl. den proloog van Boek I.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.13">13</a>: Vroeger hield men BENOT DE STE. MORE voor den maker.
+Zie PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, <i>Introduction
+ une dition critique du Roman d'Eneas</i> ('s-Gravenhage, 1888).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.14">14</a>: Vgl. BEHAGHEL'S <i>Einleitung</i>, CL-CLVI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.15">15</a>: Vs. 2708&ndash;2741; in het Fransche gedicht vs. 3456&ndash;3460.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.16">16</a>: <i>Minnesangs Frhling</i>, p. 62.
+
+<p class="footnote">Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal
+gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze&mdash;in tegenstelling met
+de werken der overige Minnesinger&mdash;gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch
+(daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.:
+
+<p class="footnotequote">van minne comet ons alle goet:
+die minne maket reinen moet.
+Wat soude ic ane minne dan?]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.17">17</a>: Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk Middelhoogduitsch
+is. Misschien heeft eene verwarring met <i>entfaen</i> (ontvangen)
+plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen
+weergeven:
+
+<p class="footnotequote">hoe mochte ic dat voor goet ontfaen,
+dat hi mi dorperlike bade
+dat hi mi moeste ombevaen?]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.18">18</a>: Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30&ndash;32; 60, 32; 61, 10;
+58, 17&ndash;19.]<a name="60"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.19">19</a>: M.F. 56, 1&ndash;6.
+
+<p class="footnotequote">Het sijn goede nieuwe maren
+dat die vogel openbare
+singen daer men bloemen siet.
+tot dien tiden in den jare
+stonde wel dat men vro ware:
+lacen, des en ben ic niet.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.20">20</a>: M.F. 64, 17&ndash;21.
+
+<p class="footnotequote">Die vogelen doen ane schijn
+dat si die bome sien gebloet.
+haer sanc maket mi den moet
+so goet dat ic vro bin
+ende trurich niet can sijn.
+</p>
+
+<p class="footnote">Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10&ndash;18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.21">21</a>: M.F. 57, 5&ndash;6.
+
+<p class="footnotequote">ic bat hare in der caritaten
+dat si mi moeste al ombevaen.
+</p>
+
+<p class="footnote">Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.22">22</a>: M.F. 65, 21&ndash;24.
+
+<p class="footnotequote">So wie den vrouwen settet hoede,
+die doet dat dicke evel staet.
+wel menich man draget die roede
+daer hi sich selven mede slaet.
+</p>
+
+<p class="footnote">Vgl. voorts: 65, 11&ndash;12; 67, 1&ndash;2; 62, 11&ndash;22.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.23">23</a>: M.F. 66, 13&ndash;15.
+
+<p class="footnotequote">geschiedet<a title="[margin: Misschien in het oorspronkelijk Limburgsch: gescege?]"><sup>#</sup></a> mi alse den swane
+die singet alse hi sterven sal,
+so verliese ic te vele daer ane.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.24">24</a>: Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S <i>Historie van Troyen</i> door
+Dr. J. VERDAM, p. 27&ndash;28.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.25">25</a>: Vgl. BEHAGHEL'S <i>Einleitung</i>, S. CLXXXVI flgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.26">26</a>: Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer pozie in
+PIPER'S <i>Spielmannspoesie</i>. Vgl. voorts: <i>Grundriss</i>, II, 1, 305 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.27">27</a>: Vgl. <i>Reinaert</i> (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. <i>Ermenrijc</i> en
+W. MLLER, <i>Mythologie der deutschen Heldensage</i>, S. 178.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.28">28</a>: Vgl. KLEYN'S Catalogus in <i>Archief voor Ned. Kerkgesch.</i>, II, 147.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.29">29</a>: Over die tijdsbepaling <i>Grundriss</i>, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE<a name="61"></a>
+houdt het er voor dat B. &#8222;um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan.
+(<i>Das Nibelungen-Lied, Einl.</i>, S. XIV).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.30">30</a>: Boek II, 115.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.31">31</a>: <i>Teuthonista</i> (ed. VERDAM), p. 486: &#8222;die witte wech des nachtes
+an der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden
+strait, <i>galaxia</i>."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.32">32</a>: Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt
+aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne <i>Middelned. Epische Fragmenten</i>,
+p. 1&ndash;3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in <i>De Gids</i>, 1889,
+I, 29&ndash;79.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.33">33</a>: In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een
+en ander medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe
+in zijn voortreffelijk <i>Gids</i>-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog
+eens met het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: <i>Der
+Nibelunge Nt.</i> (Leipzig. BROCKHAUS, 1870&ndash;1880) waarin men ook
+de varianten der hss. vindt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.34">34</a>: Vgl. <i>Middelned. Ep. Fragmenten</i>, bl. 9&ndash;32; het genoemde
+stuk van Dr. FRANTZEN in <i>De Gids</i> en de uitgave van E. MARTIN
+in <i>Quellen und Forschungen</i>, 65. Heft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.35">35</a>: Vgl. <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>, bl. 10.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.36">36</a>: Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.37">37</a>: <i>Sp. Hist.</i>, IIIe Deel, bl. 170, 204.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.38">38</a>: Vgl. <i>Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het
+Henegouwsche huis</i>, III, p. 96.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.39">39</a>: Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd
+worden: 1<sup>o</sup>. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER.
+(Amsterdam. Gebroeders BINGER. 1894); 2<sup>o</sup>. Dr. J. BERGSMA, <i>Bijdrage
+tot de Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten</i>;
+3<sup>o</sup>. <i>Van Sente Brandane</i> in <i>Tijdschr. v. Ned. T. en L.</i>, VII, 85 vlgg.;
+4<sup>o</sup>. <i>Romanische Studin....</i> von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over
+de tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER,
+I, 116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in
+twee redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche
+hs. Ook ik houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal
+assoneerende rijmen en het aantal der verzen met slechts drie of twee
+heffingen er grooter is dan in het Comburgsche hs.
+
+<p class="footnote">De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar
+hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.40">40</a>: Vgl. <i>Van Sente Brandane</i> (ed. BONEBAKKER), p. 10.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.41">41</a>: Vs. 249&ndash;251.]<a name="62"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.42">42</a>: Het hier en elders in den <i>Brandaen</i> voorkomende <i>aerme scaren</i>
+(zie BONEBAKKER'S <i>Aant.</i>, p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM
+e.a. te veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord
+<i>harmschare</i> (straf, kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties
+voorkomt, schijnt mij niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het
+Comb. Hs. dat spreekt van &#8222;keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen
+waarschuwen. De uitdrukking is op de bewuste plaatsen volkomen
+goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van &#8222;blide scare" voor hemelbewoners;
+zie <i>Stroph. Ged.</i> edd. FRANCK en VERDAM, p. 135). Doch
+wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen waarin de oudere
+philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping van het voor
+de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de spelingen
+van haar critisch vernuft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.43">43</a>: Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075&ndash;1081, H.
+1022&ndash;1028.]<a name="63"></a>
+
+<hr>
+
+<h1>BOEK I.</h1>
+
+<h2>STANDENPOZIE.</h2>
+
+<p><a name="64"></a>
+<a name="65"></a>
+
+<h2>INLEIDING.</h2>
+
+<p>Gedurende de gansche 13<sup>de</sup> eeuw is er in deze landen en
+volken nog weinig eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien
+eene veelheid van onderscheidene eenheden: kleine staten en
+staatjes die voortdurend naar volkomener onafhankelijkheid
+streven. Holland was reeds vroeg zelfstandig geworden, had
+zich nagenoeg van het Duitsche rijk afgescheiden, was er steeds
+op uit alle bemoeiingen van Keizers of andere rijksvorsten met
+zijne binnenlandsche aangelegenheden af te weren. De overige
+landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden weg.
+Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om
+onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven.
+
+<p>Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen
+tegen het water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen
+in bouwland en weiland. Het water geeft geen kamp: de
+Marcellus-vloed van 1218 wordt meer dan eens door hevige overstroomingen
+gevolgd; doch de waterschappen ontstaan, polderland
+komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens te draaien.
+
+<p>Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze
+landen bewoont. Tegenover het geestelijk element stond het
+wereldlijke. God&mdash;zegt DIRC POTTER in zijn <i>Minnen Loop</i>&mdash;heeft
+der wereld rijk in tween gedeeld: de eene helft moet
+zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet opwaarts
+schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft,
+moeten leeren<a href="#3.1">[1]</a>. Het wereldlijk element werd weer gescheiden
+in heeren en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de ge<a name="66"></a>meenten
+waartoe men ook de landbouwers kan rekenen, vormden
+de drie groote bestanddeelen der bevolking van al deze gewesten.
+Een dichter der 14<sup>de</sup> eeuw, WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH,
+spreekt dan ook &#8222;van der drierehande staet der werelt" en
+bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden<a href="#3.2">[2]</a>.
+
+<p>Niet meer, als in de 11<sup>de</sup> eeuw, waren de Zuidnederlandsche
+ridders op het land wonende grondbezitters, die in vredestijd
+hunne goederen bestuurden en zelf wel eens de hand aan den
+ploeg sloegen; die, eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn
+best een wachttoren op een heuvel bewoonden, omgeven door
+een muur van ruwe steenen.
+
+<p>In het laatst der 12<sup>de</sup> eeuw reeds prijst de Duitsche dichter
+HARTMANN VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant
+en de Haspengouw, als hij voortreffelijke ridders wil noemen.
+De graven van Henegouwen en van Leuven komen soms met
+honderden prachtig uitgedoste ridders ten tournooi. In Holland
+zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS, EGMONDEN,
+ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN
+VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op
+een tournooi of aan de gevolgen van daar ontvangen wonden.
+Terwijl een aantal Vlaamsche ridders zich bij Hesdin met het
+ridderlijk spel der &#8222;tafelronde" vermaken, hechten zij zich het
+kruis op borst of schouder.
+
+<p>Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken.
+Naast hen, want ook in deze landen vond men prelaten als
+die bisschop van Beauvais die in den slag bij Bouvines de
+vijanden met een ijzeren knots neersloeg&mdash;omdat de Kerk
+geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover hen, in de
+werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor
+monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers,
+Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het
+monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral<a name="67"></a>
+de orde der Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De
+bagijnen beginnen hare hoven te stichten. Voorname abdijen
+als die van Egmond, Rijnsburg, Leeuwenhorst verrijzen. In
+Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in Limburg en
+Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd
+een eenzaam leven leiden.
+
+<p>Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde
+als visschers langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort
+reeds)<a href="#3.3">[3]</a>, als landbouwers en veeboeren ten platten lande,
+alleen of in dorpen en gehuchten, of eindelijk als kooplieden,
+neringdoenden, ambachtslieden in de steden die in aantal en
+omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den
+tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten
+van marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om
+een kasteel of klooster of waren ontstaan uit de vereeniging
+van eenige landgemeenten. Allengs verkrijgen zij het recht zich
+te beschermen met &#8222;eiken tune (planken muren) ende diepe
+grachte", een stedelijke hal, een steenen gevangenis (<i>steen</i>) te
+bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen volgen. In
+groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding
+gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de
+meeste waren van hout en met riet gedekt).
+
+<p>De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de
+middeleeuwen minder droevig dan men langen tijd heeft
+gemeend. Ook was de verhouding tusschen heer en lijfeigenen
+niet louter die van een meester tegenover zijne dienstknechten
+en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het gansche leven
+in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden iets
+patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13<sup>de</sup>
+eeuw eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand;
+aan het eind dier eeuw is de groote meerderheid der bevolking
+vrij geworden.<a name="68"></a>
+
+<p>Er wordt&mdash;het spreekt vanzelf in dien tijd&mdash;ter dege
+onderscheid gemaakt tusschen ridders en dorpers; zoo wordt
+bijvoorbeeld een dorper die een ridder slaat of scheldt, zwaarder
+gestraft dan wanneer hij een anderen dorper te na gekomen is,
+en het schaken van een meisje uit den aanzienlijken stand
+zwaarder dan van een arm meisje<a href="#3.4">[4]</a>. Toch was de adel niet
+een <i>heerschende</i> stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook
+waren ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er
+hadden wel huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En
+eindelijk: de vroeger zoo talrijke klasse van ridders nam
+gedurende deze eeuw af in aantal als in aanzien. Verarmd
+door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van het
+ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der
+vorsten treden, den vorst hunne allodin opdragen en voortaan
+leven als zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters
+daalden in maatschappelijke en economische beteekenis. De
+geestelijkheid moest, tenminste in Gelderland, een deel harer
+bezittingen aan den graaf overdragen.
+
+<p>Maar stadig rees de ster der gemeenten<a href="#3.5">[5]</a>.
+
+<p>In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en
+gemeenten, kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde
+eenheden opmerken: de onderscheidene &#8222;sibben",
+maagschappen of geslachten. De band tusschen bloedverwanten
+was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch alleen
+zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde.
+Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid
+zijner &#8222;sibbe"<a href="#3.6">[6]</a>. De maagschap staat op den voorgrond, niet
+de enkeling.
+
+<p>Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door
+vergelijking met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens
+den Saksenspiegel de ouders voorgesteld door het hoofd; de
+kinderen door de geleding tusschen hoofd en hals en zoo<a name="69"></a>
+voort, totdat eindelijk de zevende &#8222;sibbe" in de nagels der
+handen geplaatst, en vandaar &#8222;nagelmagen" genoemd werd.
+De maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met
+zich. Zoo b.v. het recht en den plicht tot het opnemen der veete
+van een verslagen bloedverwant. Nog in het midden der
+13<sup>de</sup> eeuw heerschte in Friesland de barbaarsche gewoonte om
+een verslagene niet te begraven, vrdat zijne naastbestaanden
+op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak hadden
+genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te
+eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was
+het nog in de 14<sup>de</sup> eeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige
+en zes zijner naaste magen (in Drenthe &#8222;keurmagen" genoemd)
+ieder een zevende van het weergeld (man-geld) of zoengeld
+betaalden. De magen staan elkander bij voor het gerecht als in
+het gevecht. Zij deelen in de schande die over een hunner komt.
+
+<p>Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt
+AERNT VAN BENSCOP hem zijn jachtvogel en zegt:
+
+<p class="quote">Ic moet nu op desen tijt
+Uwen sconen sperwaer draghen,
+<i>U te lachtre<a title="[margin: schande.]"><sup>#</sup></a> ende uwen maghen</i>.
+</p>
+
+<p>Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil
+opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij:
+
+<p class="quote"><i>Eest dat ghi sijt van haren maghen</i>,
+So moetti nuwe wapene draghen,
+Keren ende wreken dese overdaet.
+</p>
+
+<p>En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch
+ridder koning ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag,
+dan door als gevolg van dien slag te noemen: &#8222;ic vergat al
+mire mage"<a href="#3.7">[7]</a>.<a name="70"></a>
+
+<p>Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den
+enkeling, het samengestelde boven het enkele, het vormen van
+complexe eenheden, zien wij in deze eeuwen ook elders.
+
+<p>Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin,
+vischwater, met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine
+wereld op zich zelve. Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren
+en grachten tal van afzonderlijke gebouwen. In menig gezin,
+vooral ten platten lande, at men eigengebakken brood (<i>huisbakken</i>
+kreeg eerst later zijne ongunstige beteekenis); droeg
+men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in Reuzelmaand
+een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en
+der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden
+als ROGER BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS,
+JACOB VAN MAERLANT weten alles wat er in dien tijd te
+weten valt.
+
+<p>Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in
+die meest geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook
+daar de synthese het wint van de analyse, zooals blijkt uit de
+neiging tot het vormen van groote zin-complexen bij menigen
+middeleeuwschen schrijver? Zulk een zin-complex is b.v. dit
+volgende uit den proloog van den <i>Brandaen</i>:
+
+<p class="quote">Die Heleghe Gheest moet mi leeren,
+&mdash;Die welke der ezelinnen
+Wijlen dede sprekens beghinnen,
+Daer up dat reet Balaam,
+Dat was een heydin man,
+Dat so<a title="[margin: zij.]"><sup>#</sup></a> meinschelike sprac,
+Daer sij den inghel Gods sach
+Commen in haer ghemoet:
+Den wech hi haer wederstoet<a title="[margin: versperde.]"><sup>#</sup></a>
+Met eenen zwerde vierijn<a title="[margin: van vuur.]"><sup>#</sup></a>;<a name="71"></a>
+Si vloo van den inghel fijn
+Ende dede haeren heere cont&mdash;
+Dese moete ontsluten minen mont:
+Die ghene die haer gaf de macht,
+Dat si wert redene acht<a title="[margin: met spraak begaafd.]"><sup>#</sup></a><a href="#3.8">[8]</a>.
+</p>
+
+<p>Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid
+het gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een
+zwak schemerlicht op de onnaspeurbare gangen der menschelijke
+gedachte&mdash;ook andere deelen van dat innerlijk leven zijn ons
+in het afdruksel der taal bewaard gebleven: de sterk ontwikkelde
+zinnelijkheid van het middeleeuwsch geslacht en zijn
+gebrek aan zelfbeheersching.
+
+<p>Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient
+men zich niet van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men
+verzinnelijkt die begrippen door te spreken van: een boogschot
+hoog, een steenworp ver; zekere eilanden liggen volgens
+MAERLANT &#8222;twee dachseilinghe verre" van Afrika; zeker arts
+is beroemd: &#8222;alse<a title="[margin: even.]"><sup>#</sup></a> verre als God de sonne seinen doet". Iets
+zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar ridders
+vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen.
+De tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee
+sonnescinen"; van den eenen winter op den anderen door:
+&#8222;tusschen twee sneeuwe". De lente door: &#8222;alst ten nieuwen
+gerse<a title="[margin: gras.]"><sup>#</sup></a> kwam", najaar en voorjaar door &#8222;te hooi en te
+gras". Men ziet de dingen nog vr zich: een bosch <i>staat</i>;
+een brug <i>loopt</i> over een rivier; men hangt iemand niet op&mdash;men
+hangt hem &#8222;<i>bi der kelen</i>"; men kust een meisje &#8222;<i>ane haren
+mont</i>", zit met haar in het &#8222;<i>groene gras</i>", begraaft haar onder
+&#8222;<i>de rooskens root</i>".
+
+<p>Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers
+van toen tot het uitdrukken van deelen eener handeling, die<a name="72"></a>
+wij&mdash;als onnoodig, immers: vanzelf sprekend&mdash;weglaten.
+Het zijn gewoonlijk verbindingen van twee werkwoorden, waarvan
+het eene een lichamelijken toestand, het andere eene werking
+uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals: &#8222;daer hi
+lach, sat, stont" achten wij nu overbodig&mdash;voor de middeleeuwsche
+menschen waren zij dat niet.
+
+<p>Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als: <i>antwoordde
+ende seide, bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat
+vaste, Gods ghebot ende sine woorde</i> tautologien te noemen:
+toen had elk der deelen van zulke uitdrukkingen zijne eigen
+beteekenis en kracht; het verschil tusschen onze voorouders en
+ons is slechts, dat zij er behoefte aan hadden een grooter deel
+der voorstelling in taal te verzinnelijken dan wij. Om dezelfde
+reden zijn in: <i>God, die coninc van den trone</i><a title="[margin: hemel.]"><sup>#</sup></a>, de op
+<i>God</i> volgende woorden volstrekt geen stoplap, evenmin als in
+zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond behoefte
+om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven<a href="#3.9">[9]</a>.
+
+<p>Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een
+middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen
+trant van voorstelling zien verlaten, met dien verstande
+dat hij het indirecte vervangt door het directe. Zij beginnen
+b.v. met een bode te doen spreken in afhankelijke zinnen:
+
+<p class="quote">Dat sijn vader doot ware
+Ende sijn moeder ooc mede.
+</p>
+
+<p>Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen:
+
+<p class="quote">&#8222;Ende in u lant is groot onvrede,
+&#8222;Want vremt volc, sonder waen,
+&#8222;Hebben u lant ondergedaen<a title="[margin: onderworpen.]"><sup>#</sup></a>."
+</p>
+
+<p>Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik
+van afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig
+en de rechtstreeksche uiting, als natuurlijker, hun aangenamer.<a name="73"></a>
+
+<p>Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen
+die perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal
+of beschrijving laat varen voor het sprekend invoeren van een
+zijner personages, zonder dezen overgang aan te kondigen: een
+schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in hooge mate tot de verlevendiging
+van het verhaal bijdraagt<a href="#3.10">[10]</a>.
+
+<p>De taal&mdash;wij zeiden het reeds&mdash;was hier spiegel van het
+leven. Welk een brand van hartstocht slaat ons tegen uit de
+middeleeuwsche kronieken! Hoe onbeteugeld stormen de driften
+in al die gevoelsmenschen, die nog zoo weinig gewend zijn
+hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de rede stem
+in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde
+men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden
+werd. Ook het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste
+menigte, in strijd met den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde,
+stormt de kloosterkapel binnen, rooft het corpus domini met
+het ciborium en steekt de kloostergebouwen in brand. Van hertog
+JAN I van Brabant, een toonbeeld van echte ridderschap, wordt
+ons verhaald dat hij in gramschap een stok doormidden beet.
+
+<p>MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen
+bedriegen en als hunne prooi beschouwen. De abdis van het
+hoog-adellijk Rijnsburg klaagde aan den paus, dat hare nonnen
+in vele opzichten den regel overtraden, dat zij twistgierig waren
+en zelfs de handen aan elkander sloegen.
+
+<p>De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn&mdash;zij konden
+den hartstocht niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster
+zal voor menigeen een veilige wijkplaats zijn geweest, maar
+hoevelen namen hun strijd met zich nadat de poort zich achter
+hen gesloten had! Als een rijk man gereed staat der wereld
+vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het
+klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er
+dan tusschen de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap<a href="#3.11">[11]</a>. Wat<a name="74"></a>
+is er ook binnen de kloostermuren geleden in den strijd met de
+zonde en den wellust. Hoe heerschten ook daar trots, ijverzucht,
+toorn, gulzigheid en die zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken
+van Heisterbach <i>acedia</i> noemden en die een middeleeuwsch
+prototype van <i>spleen</i> en <i>weltschmerz</i> schijnt te zijn geweest<a href="#3.11">[11]</a>.
+
+<p>Gansche geslachten komen door de verplichting van veete
+tegenover elkander te staan: in Leuven de patricische families
+van BLANCKAERT en DE COLVERE; in den slag bij Woeringen
+vinden wij de SCAVEDRIESCHEN tegenover de geslachten van
+WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de Haspengouw
+een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux,
+die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde
+richten en vele dorpen worden verbrand.
+
+<p>De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van
+Rijnsburg is meer dan eens in twist met de grafelijkheid van
+Holland of met Hollandsche edelen, met TEYLINGHENS,
+WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan over
+den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht,
+OTTO VAN DER LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in
+de buurt van Vollenhove en slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT
+VAN AEMSTEL leidt in Holland en het Sticht een boerenopstand
+waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de burgerij zien wij
+op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de patricische
+geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog
+beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de
+regeering gunden<a href="#3.12">[12]</a>.
+
+<p>Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht,
+stand tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest.
+Het is de strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en
+REINOUT van Gelre; tusschen de hartstochtelijke gravin van
+Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en WILLEM II van Holland; denzelfden
+graaf van Holland die bij Hoogwoude tegen de Friezen sneuvelt.<a name="75"></a>
+
+<p>Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te
+nauwernood in bedwang gehouden door Germaansch recht en
+Christelijk geloof.
+
+<p>&#8222;Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord
+en waarin onze voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet
+daarin dat zij te zachte heelmeesters waren. Zij die een meisje
+aanspoorden om zich te laten schaken (het schaken was in
+zwang) werden gestraft met het verlies van den neus. &#8222;Wie
+vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals
+afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte &#8222;alle
+duytsche lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar
+of moordbrander het rad, dat manslag en roof met het zwaard
+werden gestraft, een valsche munter in een ketel levend gezoden
+werd, een spion boeten moest met verlies van een oog, een
+&#8222;pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim moest missen.
+
+<p>Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan
+hand. Ook de kerk had tal van straffen te harer beschikking
+en maakte daarvan een ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten
+behoorden tot de gewone straffen. Had iemand zich
+zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven jaren lang in
+ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door de
+excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als
+vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds,
+dan wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch
+monnik samengevat in een vers dat reeds aan de
+tong een voorsmaak van dat lijden geeft:
+
+<p class="quote">Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror.
+</p>
+
+<p>Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en
+straffen. Met krachtige hand bestuurde zij de gemeente der
+geloovigen; liet zij de teugels vaak losjes hangen, zij hield ze
+stevig vast. Van de wieg tot het graf begeleidde zij den mensch,<a name="76"></a>
+ja, haar invloed eindigde ook met den dood niet. Was de
+middeleeuwsche christen door den doop in de gemeenschap
+der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling
+die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd
+worden. Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem,
+uit geheimzinnig schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht
+tegenglansde, waar bij het mysterie der mis de opzwevende
+wierookgeuren hem stemden tot aandacht en vereering. Lag hij op
+zijn sterfbed, dan naderde, aangekondigd door de klinkende
+altaarschel, de priester met de heilige hostie en de stervende
+blies den laatsten adem uit met de gewijde waskaars tusschen
+de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig leven
+in eeuwigheid.
+
+<p>In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door
+de heiligen die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem
+waren voorgegaan naar den hemel, doch nog steeds over de
+menschen bleven waken. Wie op reis ging, beval zich in de
+hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT CHRISTOFFEL
+was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL
+beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze
+en zijne trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden
+verslinden. Maar wat nood voor den vromen Christen? Konden
+God, Jezus en Maria, konden de heiligen en zelfs de overblijfselen
+dier heiligen, niet elk oogenblik een wonder verrichten?
+Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat
+er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het
+jaar 1214 kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker
+OLIVIER van Keulen sprak. In het klooster Aduard
+waren monniken, z eenvoudig van hart, dat zij beproefden
+hunne kappen op te hangen aan de zonnestralen<a href="#3.13">[13]</a>. Was er
+nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid voor wie deze en
+dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het niet be<a name="77"></a>grijpelijk,
+dat de dichter van den <i>Karel ende Elegast</i> in den aanvang
+van zijn verhaal &#8222;wonder en waarheid" in n adem noemt?
+
+<p>Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling
+te geven van het leven der toenmalige maatschappij.
+Het was noodig eene poging daartoe aan te wenden, omdat
+alleen langs dien weg eenigermate zal kunnen blijken, op welke
+wijze zich hier het leven in de pozie heeft geuit. Zveel kan
+althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat gedurende de
+13<sup>de</sup> eeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere,
+het samengestelde op het enkele, de stand op het individu.
+Het leven heeft zich toen vooral <i>standsgewijze</i> geuit. En zoo
+bevat de pozie, die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak
+uitingen, niet van individuen, maar van standen. Daarom
+mag zij <i>standenpozie</i> heeten.
+
+<p>In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde
+persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen.
+Z is het ook in de pozie. HADEWIJCH, WILLEM VAN
+AFFLIGHEM en vooral MAERLANT vertoonen iets van een
+dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig van omtrek.
+Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons
+gekomen, doch het zijn <i>slechts</i> namen. Wat baat het ons of wij
+weten dat &#8222;CLAES VER BRECHTEN ZONE" den <i>Willem van Oranje</i>
+vertaald heeft? Dat WILLEM VAN UTENHOVE &#8222;een priester van
+goeden love" was en dat de dichter van den <i>Reinaert</i> eveneens
+WILLEM heette? Kennen wij die mannen nu? Van vele andere dichterlijke
+werken zijn zelfs de namen der bewerkers ons onbekend.
+
+<p>Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer pozie
+als volkspozie, maar volkspozie, welke, naar de verschillende
+stroomingen die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt
+in: ridderpozie, geestelijke pozie en pozie der gemeenten.<a name="78"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.1">1</a>: <i>Der Minnen Loop</i>, IV, vs. 4 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.2">2</a>: <i>Gedichten</i> (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den Henegouwschen
+dichter JEAN DE COND vindt men een <i>dis des trois estas
+dou Monde</i> (<i>Dits et Contes de Baudouin de Cond</i>, II, 49 suivv.).
+Beide stukken hebben overigens niets gemeen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.3">3</a>: Vgl. Boek VIII, vs. 1070.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.4">4</a>: VANDERKINDERE, <i>Sicle des Artevelde</i>, p. 141.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.5">5</a>: Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van
+PIRENNE, MOLL en BLOK; A. SCHULTZ, <i>Hfisches Leben zur zeit
+der Minnesinger</i>; SCHOTEL, <i>De Abdij van Rijnsburg</i>; MOLL en
+DE HOOP SCHEFFER, <i>Studin en Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad.
+Royale de Belgique</i>, n<sup>o</sup>. 32; <i>Kronijk v.h. Histor. Genootschap</i>, XII,
+(164&ndash;165); twee artikelen van POLS in <i>Bijdr. voor Vad. Gesch. en
+Oudh.</i> (stuk over Graaf JAN I van Holland) en redevoering ter algem.
+vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879. <i>De Slag van Woeringen</i>
+(ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de Aant. p. 542.
+
+<p class="footnote">Wat den <i>Grgorjus</i> van HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog
+op, dat de tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.6">6</a>: Vgl. <i>Reinaert</i>, vs. 2006-'98:
+
+<p class="footnotequote">Hi rekende dat hi ware mijn oom
+ende began ene sibbe tellen;
+aldaer worden wi gesellen.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.7">7</a>: Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S <i>Deutsche Rechtsalterthmer</i>,
+(4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDRE in: <i>Geschiedkundige
+Opstellen aangeboden aan Robert Fruin</i>, p. 259 vlgg.;
+<i>Nederd. Regtsoudheden</i>, p. 298; <i>Versl. en Meded. der Kon. Akad.
+afd. Lett.</i>, 4e Reeks, Deel I; MOLL, <i>Kerkgesch.</i>, II, 4, 225; <i>Kroniek
+van Melis Stoke</i> (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; <i>Kerken
+Claghe,</i> vs. 212; <i>Moriaen</i>, vs. 174&ndash;177; voorts <i>Grimb. Oorlog</i>, II,
+vs. 291, 413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; <i>Parthonopeus</i>, vs. 1227;<a name="79"></a>
+<i>Limborch</i>, II, 1862. In het <i>Mnl. Wdb.</i> zullen i.v. nog wel andere
+voorbeelden genoemd worden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.8">8</a>: Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De
+oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van
+wat zij: <i>inlapsels</i> noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn.
+Wie een citaat uit den <i>Brandaen</i> niet afdoend acht uit hoofde van
+mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van
+den Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden
+in MAERLANT'S <i>Alexander</i>, I, 953&ndash;960; VII, 61&ndash;84; 93&ndash;105;
+<i>Leven van S. Lutgarde</i>, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39;
+6694&ndash;6716; 9542-'48; 9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37;
+11504-'512; 13844-'66; III, 548&ndash;557; 850&ndash;864. <i>Der Leken Spieghel</i>,
+II, c. 48, vs. 668&ndash;685 (men lette vooral op het slotvers in verband
+met den aanvang). <i>Der Minnen Loep</i>, I, 2047&ndash;2060. STOETT,
+<i>Syntaxis</i>, p. 146; <i>Hildegaersberch's Gedichten</i>, 155, 203 vlgg.; 157,
+129&ndash;138; 157, 1&ndash;15. FRANCK onderstelt in den dichter van het
+<i>Leven der H. Lutgarde</i> opzet bij het maken zijner lange en ingewikkelde
+zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig. Doch indien er al
+opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te hulp zijn
+gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in <i>Neue Jahrbcher fr das Klass.
+Alt. Gesch. u. Deutsche Lit.</i>, Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432&ndash;434.
+F. denkt aan invloed van het Latijn).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.9">9</a>: Deze en andere voorbeelden vindt men: <i>Karel en Elegast</i> (ed.
+KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; <i>Sp. Hist.</i>, I, p. 34, vs. 21;
+<i>Alexander</i>, I, 1121; <i>Moriaen</i>, vs. 86, 3795; <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>,
+XVII, 297 vlgg.; <i>Kar. e. Eleg.</i>, 100, 198; <i>Merlijn</i>, p. 72, vs. 6696;
+<i>Lied in de Middeleeuwen</i>, bl. 572; STOETT, <i>Syntaxis</i>, p. 121;
+BOTERMANS, <i>Die hystorie van die seven wijse mannen van romen</i>.
+Proefschrift, p. 50; <i>Leven van Sinte Lutgart</i> (ed. VAN VEERDEGHEM).
+Inl. XXXVI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.10">10</a>: <i>Torec</i>, 3800&ndash;3804; 3738-'41; <i>Moriaen</i>, 355, 573, 972; <i>Karel
+en El.</i>, 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S <i>Syntaxis</i>, p. 144.
+
+<p class="footnote">Het verwante verschijnsel in mijne <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>, p. 187;
+behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: <i>Flovent</i>, 395; <i>Madelghijs
+Kintsheit</i>, p. 69, vs. 40; <i>Aiol</i> (Vlaamsche redactie), vs. 663; <i>Karel
+de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen)</i>, p. 12, vs. 287; p. 31,
+vs. 872 (weer het eerste verschijnsel. LONGINUS of althans de schrijver
+van het boek &Pi;&epsilon;&rho;&iota; &Upsilon;&phi;&omicron;&nu;&sigmaf; [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij
+HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI <i>de Sublimitate</i> (ed.
+B. WEISKE. Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII.]<a name="80"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.11">11</a>: Vgl. TE WINKEL'S <i>Maerlant</i>, p. 257, noot 2; WYBRANDS,
+<i>De Abdij Bloemhof</i>, p. 72; <i>Naturen Bloeme</i>, II, 690&ndash;2; MOLL,
+<i>Kerkgesch.</i>, II, 2, 78; <i>Brab. Yeesten</i>, V, 144&ndash;146; MOLL, t.a.p.
+II, 2, 45; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, <i>Stud. en Bijdr.</i>, II.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.12">12</a>: DEWEZ, <i>Histoire gnrale de la Belgique</i>, III, 43; HEELU'S
+<i>Slag bij Woeringen</i>, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174;
+SCHOTEL, <i>A.v.R.</i>, o.a. p. 100&ndash;101; PIRENNE I, 416, 422.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.13">13</a>: BLOK a.w. I, 175.
+
+<p class="footnote"><i>Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap</i>, XXIII, 43.]<a name="81"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>1. RIDDERPOZIE.</h2>
+
+<p class="intro">Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpozie. Ouderdom
+der Nederlandsche ridderpozie. In hoeverre indeeling naar de &#8222;matires"
+te onzent geoorloofd?
+
+<p class="intro">I. Frankische romans: <i>Flovent</i>, <i>Roelants-lied</i>, <i>Willem van Oringen</i>,
+<i>Renout van Montalbaen</i>, <i>Geraert van Viane</i>, <i>Lorreinen</i>, <i>Aiol</i>, <i>Aubri
+de Borgengoen</i>, <i>Doon de Mayence</i>, <i>Gwidekijn van Sassen</i>. Overige
+romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. <i>Karel en Elegast</i>.
+
+<p class="intro">II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans: <i>Lancelot</i>, <i>Percevael</i>,
+<i>Ferguut</i>, <i>Floris en Blancefloer</i>, <i>Partonopeus en Melior</i>. Overige
+romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. <i>Moriaen</i>, <i>Walewein</i>.
+
+<p class="intro">Eindbeschouwing.
+
+<p>Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten,
+frisch uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend
+in pracht, verstorven door overmaat van weelderigheid&mdash;zoo
+ging op, zoo blonk, zoo verzonk het ridderwezen.
+
+<p>Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een
+plechtige bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de
+kern, door de Franken gebracht in het naar hen genoemd
+land; onder den invloed der kruistochten ontwikkelde die kern
+zich daar tot een zedelijke instelling met een hoog-ideaal karakter.
+Een ridder moest zijn &#8222;grootmoedig in tegenspoed, edel van
+bloede, overvloeiend van eerlijkheid, voortreffelijk door hoffelijke
+zeden, standvastig in mannelijke braafheid. Dagelijks moest
+hij met devote gedachtenis aan 's Heeren lijden de mis hooren,
+voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil hebben, de heilige
+Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars bevrijden,<a name="82"></a>
+weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen,
+onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon
+weigeren, tot bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter
+optreden, geene steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke
+bedoelingen, den roomschen Keizer of zijn stadhouder
+in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat ongeschonden in
+zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks vervreemden
+en onberispelijk voor God en menschen leven."
+
+<p>Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van
+vroeger, in veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling
+en beschaving der maatschappij. Maar de aanraking met
+het weelderig Oosten, de toenemende rijkdom en weelde, menschelijke
+zwakheid en zinnelijkheid begonnen na eenigen tijd
+de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden haar
+langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied
+voor de vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd
+tot een vrouwendienst waarin het zinnelijk element zich krachtig
+deed gelden; de hoofschheid, die gaandeweg de vroegere ruwheid
+had vervangen, werd galanterie; de losheid, loszinnigheid
+en die: losbandigheid. Toewijding die goed en bloed op het
+spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht,
+roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was
+de adel een stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom
+en uiterlijke beschaving onderscheidde van de overige
+bevolking, die hem veelal overtrof in innerlijke kracht, in
+zedelijke en geestelijke ontwikkeling<a href="#4.1">[1]</a>.
+
+<p>De pozie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn
+ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking.
+Wie kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat
+roerend-droeve verhaal van FRANCESCA DA RIMINI en die verzen:
+
+<p class="quote">Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse:
+Quel giorno pi non vi leggemmo avante.<a name="83"></a>
+</p>
+
+<p>Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar
+levend, hebben uit verhalende liederen grootere verhalende
+gedichten geschapen. In den aanvang behandelden die gedichten
+uitsluitend het nationaal verleden, uit den tijd der Merovingen,
+zooals de <i>Floovant</i>; uit dien der Karolingen verhalen waarin
+KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote vazallen des rijks
+optreden: de <i>Chanson de Roland</i>, de <i>Chanson des Saisnes</i>
+(Saksen), den <i>Ogier</i>, den cyclus van <i>Guillaume d'Orange</i>, de
+<i>Lorrains</i> (hertogen van Lotharingen), <i>Renaus de Montauban</i>, <i>Aiol</i>,
+<i>Auberi le Bourgoing</i>. Kort voor of in den aanvang der 12<sup>de</sup>
+eeuw begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit
+den Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid
+te verwerken: den <i>Roman de Troie</i>, den <i>Roman d'Enas</i>, <i>Roman
+de Thbes</i>, de <i>Geste d'Alexandre</i>, den <i>Roman de Jules Csar</i>.
+
+<p>Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met
+het Keltisch element in Engeland ontstond omstreeks het midden
+der 12<sup>de</sup> eeuw een nieuw soort van verhalen: de Keltische
+romans. Keltische zangers die rondzwierven door Engeland en
+Frankrijk, zongen ook in het laatste land hunne lais, liederen van
+fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al spoedig werden
+vertaald en nagevolgd door Fransche dichters. Langzamerhand
+werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden ook
+nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld.
+Wij vinden hier in hoofdzaak f verhalen, waarin Koning
+ARTUR en zijne gemalin op den voorgrond komen en het
+Christelijk element zich krachtig doet gelden f zulke, waarin
+de dolende ridders van ARTURS hof eene hoofdrol spelen als:
+de <i>Tristran</i>, <i>Ivein</i>, <i>Lancelot</i>, <i>Erec</i>, <i>Gauvain</i>, <i>Cligs</i>.
+
+<p>Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans
+als <i>Le Grand Saint Graal</i>, die bestaat uit deze drie
+deelen: <i>Jozef van Arimathea</i>, <i>Merlijn</i>, <i>Perceval</i>; voorts <i>la queste</i>
+(het zoeken) <i>du Saint Graal</i> en een gedicht <i>Le Petit Saint Graal</i>.<a name="84"></a>
+
+<p>Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer
+romans, waarvan ik slechts eenige voorname heb genoemd,
+gemakkelijk gemaakt door de drie voorname stoffen, welke zij
+behandelen, aan te wijzen. In de <i>Chanson des Saisnes</i> heet het:
+
+<p class="quote">Ne sont que trois matires a nul home entendant:
+De France et de Bretaigne et de Rome la grant.
+</p>
+
+<p>Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen,
+zijn, bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ns
+geestes kinderen; de romans waarin nationale stoffen verwerkt
+zijn, danken hun ontstaan aan een anderen geest.
+
+<p>Zoo mag men deze epische pozie dan ten slotte scheiden
+in twee groote afdeelingen, die zich tot elkander verhouden
+als het nationale tot het uitheemsche.
+
+<p>Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke
+der oude nationale <i>Chansons-de-Geste</i> met hunne ruwheid en
+grootschheid, ziet men de Keltische en klassieke romans met
+hunne hoofschheid, hunnen vrouwendienst, het sterk ontwikkeld
+lyrisch-erotische, gemengd met mystiek, hunne neiging
+tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in de nationale
+gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in
+zverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden
+weergeven: de nationale groep weerspiegelt een
+beschaving minder ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche
+geboren is. De nationale groep staat dichter bij het volks-epos,
+de uitheemsche dichter bij het kunst-epos. Voor een deel geldt
+dit onderscheid van volks-epos en kunst-epos ook met betrekking
+tot de dichters dezer romans; want de makers der oudste
+<i>Chansons-de-Geste</i>: <i>Roland</i>, <i>Girard de Roussillon</i>, <i>Jourdain
+de Blaives</i>, <i>Floovant</i>, zijn ons onbekend; van de dichters der
+latere <i>Chansons</i> kennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI,
+BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DE<a name="85"></a>
+TROYES, BROL, BENOIST DE SAINTE MORE, ALBRIC DE
+BRIANON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE DE BERNAY...
+doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters
+hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt,
+andere hebben uitheemsche gedicht.
+
+<p>Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den
+uiterlijken vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven
+in korte verzen van acht lettergrepen, in tegenstelling
+met de overige die in het oudere decasyllabische vers of in
+alexandrijnen zijn gedicht<a href="#4.2">[2]</a>.
+
+<p>Langs zulke wegen was de Oudfransche epische pozie bezig
+zich te ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend
+werd. Dat zij daar bekend werd, is licht te verklaren uit het
+internationaal karakter der ridderschap en de nabuurschap van
+Frankrijk. Maar bovendien waren Fransche taal en literatuur
+reeds in de laatste helft der 12<sup>de</sup> eeuw in een deel van Zuid-Nederland
+bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch werd
+als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd;
+in Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de
+hooge geestelijkheid als een tweede volkstaal<a href="#4.3">[3]</a>. Aan het hof van
+den Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168&ndash;1191)
+leefde en werkte de beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter
+van vele Keltisch-Fransche romans; BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen
+dichtte Provencaalsche liedjes; een paar bekende Fransche
+dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te
+Atrecht<a href="#4.4">[4]</a>. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking
+met de Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging;
+dat wij eene Nederlandsche ridderpozie zien ontstaan onder
+den invloed der Fransche.
+
+<p>Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog
+niet mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aan<a name="86"></a>nemen,
+dat wij het laatst der 12<sup>de</sup> of althans de eerste helft
+der 13<sup>de</sup> eeuw als zoodanig moeten beschouwen. MAERLANT
+immers heeft meer dan eens in zijne werken (<i>Alexander, Sint
+Franciscus, Spieghel Historiael</i>) gewaarschuwd tegen den, zijns
+inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende ridderromans.
+Onder die romans vindt men een paar die tot de
+bovengenoemde &#8222;nationale" groep behooren, zooals <i>Willem
+van Oranje</i> en de <i>Heemskinderen (Renaus de Montauban)</i>;
+enkele zoogenaamde klassieke romans, zooals die over <i>Alexander</i>;
+een paar die in het Oosten spelen: de <i>Floris en Blancefloer</i>
+en den <i>Partonopeus</i>; eindelijk een groot aantal die tot de
+Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die van <i>Lancelot</i>
+en <i>Tristan</i><a href="#4.5">[5]</a>. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende,
+bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit het <i>Leven van Sinte
+Lutgart</i> gevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt,
+dat de menschen niet willen luisteren naar &#8222;goede exempelkine",
+maar gaarne komen:
+
+<p class="quote">Daer men van ouden ijeesten<a title="[margin: geschiedenissen.]"><sup>#</sup></a> singet,
+Oec daer men voert die sagen bringet
+Van wigen<a title="[margin: strijden.]"><sup>#</sup></a> och van tavelronden,
+Daer wilen eer hen onderwonden
+Te dichtene af die menestrele.
+...
+Mar wonder hevet mi van desen
+Warumme si so gerne lesen
+Van ouden sagen dat gedichte
+Ende oc geloeven also lichte
+Din logeneren die se tellen.
+...
+Mar die die oude bourden scriven,
+Si swegen bat, dat seggic hen<a href="#4.6">[6]</a>.<a name="87"></a>
+</p>
+
+<p>Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het
+oog hebben op Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich
+vooral tot de gemeentenaren en lagere geestelijken die over het
+algemeen weinig of geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder
+den lageren adel de kennis van die taal zoo verbreid zijn geweest,
+dat men er de voordracht van Fransche gedichten met eenig
+gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS, wier moeder van
+adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in het
+klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks
+zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon
+vragen wanneer zij honger had<a href="#4.7">[7]</a>. Zouden ook lieden uit dien
+kring der maatschappij geen deel hebben uitgemaakt van het
+publiek dat Fransche romans liefst vertaald hoorde voordragen?
+
+<p>Indien men nu in aanmerking neemt, dat de <i>Alexander</i>, het
+oudste der genoemde werken van MAERLANT, omstreeks
+1257&ndash;1260 zal zijn vervaardigd en het <i>Leven van Sinte
+Lutgart</i> tusschen 1263&ndash;1274; dat de romans, waartegen met
+zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben
+behoefd om z bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke
+Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in
+de tweede helft der 12<sup>de</sup> eeuw reeds bestonden, deels van nog
+vroeger tijd dagteekenen&mdash;dan zal men wel mogen aannemen,
+dat men te onzent in het laatst der 12<sup>de</sup> of den aanvang der
+13<sup>de</sup> eeuw het grootste deel der bewuste ridderromans heeft
+verdietscht.
+
+<p>Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpozie
+zich bedienen van het onderscheid in: nationale (Frankische) en
+uitheemsche (Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche)
+ridderdichten? In allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht
+dat de Fransche literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens
+blijkt dat men te onzent zich bewust is geweest van een onderscheid
+in drie &#8222;matires". Niet, als in Frankrijk, beantwoorden<a name="88"></a>
+hier de beide groepen aan verschillende cultuurtoestanden,
+waarvan de een op den ander volgde. Integendeel, voorzoover
+wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te
+onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep
+te vertalen. VELDEKE'S <i>Enede</i> is het vroegste episch vertaalwerk
+dat wij met zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel
+van den <i>Roman de Troie</i>, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF.
+Zou de vertaling van de <i>Chanson de Roland</i> niet ouder zijn
+dan beide? Onmogelijk is dat niet, zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk,
+aangezien het oorspronkelijk gedicht reeds vr den eersten
+Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang gemaakt en
+zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene
+Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet
+verkrijgen. Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men
+hier te lande in het laatst der 12<sup>de</sup> of den aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw,
+zonder oordeel des onderscheids, Fransche ridderromans heeft
+vertaald en nagevolgd. Indien wij nu toch onderscheid blijven
+maken tusschen een paar groepen van riddergedichten, dan
+geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een verschillende
+geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen
+wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen.
+
+<h3>FRANKISCHE ROMANS.</h3>
+
+<p>De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek
+dier dagen wel krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats
+de indrukwekkende gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers
+ook hier te lande bemind en geerd; groot in de oogen van
+het nageslacht niet het minst om zijne oorlogen tegen de
+heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en burgers
+dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden
+strijd tegen het &#8222;Saracynsche diet" dien ook de groote Koning<a name="89"></a>
+met zijne dapperen had gestreden? En onder die dapperen
+verschenen in deze romans voor het geestesoog de dappersten
+en wijsten, die beroemde &#8222;genooten", lijfwacht en raad des
+Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en zijn
+boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den
+strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD
+van Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren
+en anderen<a href="#4.8">[8]</a>. Het geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke
+werken moest wel indruk maken op een publiek, eenvoudig
+van gemoed, beheerscht door dezelfde hartstochten als
+de personages in die verhalen.
+
+<p>Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd
+tegen duizenden bij duizenden Sarracenen, die weigert op
+zijn wonderhoorn Olifante te blazen om zijn Koning te hulp
+te roepen; die eindelijk afgestreden, ten doode gewond, zich
+uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar Spanje
+gekeerd, maar het hart vol van &#8222;het zoete Frankrijk" en
+zijne maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog
+houdt tot God zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn
+hoofd op zijn arm, met saamgelegde handen ontslaapt hij;
+cherubijnen komen en voeren graaf ROLAND'S ziel naar het
+paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige hertog van Lotharingen,
+door een overmacht na heldhaftige tegenweer neergeveld,
+die daar ligt tusschen de overige dooden, &#8222;als de eik
+tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier
+Heemskinderen, die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal
+gezeten is, wanneer de gezanten van koning KAREL, ROLAND
+en WILLEM VAN ORANJE onder hen, binnentreden. Overmoedig
+zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn scherp zwaard over
+zijne knien gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden bliaut,
+het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op
+zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woord<a name="90"></a>
+spreken. De afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor
+hem. Hij wil hen niet aanzien. Zij richten het woord tot hem.
+Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij, nu hij zijne vijanden daar voor
+zich ziet, maar hij kan geen woord uitbrengen: te vol is zijn
+gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft zwijgen. Dan komt
+zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden schaal
+vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren
+man dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft
+zij dat woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft
+haar zoo in het aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort.
+
+<p>Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of
+ruw; ook voor het zachte, het teedere is er eenige plaats.
+
+<p>In de grootsche <i>Chanson de Roland</i> komt de teederheid
+soms te voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende
+onweerswolken. ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER
+is doodelijk gewond; met moeite houdt hij zich nog in den
+zadel, de nevel des doods houdt zijn blik reeds omtogen; zoo
+voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND die komt
+aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner
+laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den
+helm toe. ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij:
+gezel, doet gij dat met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief
+heeft.&mdash;Ik hoor u, zegt OLIVIER; ik hoor u spreken, maar
+ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u getroffen,
+vergeef mij.&mdash;Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND
+ik vergeef het u.
+
+<p>Hoe treffend is het tooneel in den <i>Willen van Oranje</i>, waar
+de roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor
+zijn klooster uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te
+hebben gedood of verjaagd, ontdekt hij in een kar die de
+roovers medevoerden, zijne eigen jonge kinderen.
+
+<p>Aandoenlijk is in den roman der <i>Heemskinderen</i> de trouw van<a name="91"></a>
+het reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het
+eindelijk op den eisch des Konings in de Oise verdronken zal
+worden, slaat het telkens de steenen stuk welke de dienaars aan
+zijne pooten hebben gebonden; zoolang het ros zijn meester ziet,
+heeft het kracht om dat vol te houden. Nu dwingt de Koning
+REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar Beyaert. Op
+nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt
+het boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester,
+&#8222;alsof 't een mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient
+bitterlijk geschreit hadde"<a href="#4.9">[9]</a>. Wanneer REINOUT dan niet naar
+den trouwen vriend omziet, zinkt het ros en verdrinkt.
+
+<p>De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans
+niet op den voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch
+tooneeltje of een komische trek den ernst vervangen; de grappen
+waarmede de personages zich vermaken, zijn ruw of grimmig.
+
+<p>Behalve de kleine roman van <i>Karel en Elegast</i>, die een
+afzonderlijke plaats verdient, is geen enkele dezer romans in
+zijn geheel tot ons gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts
+grooter of kleiner fragmenten<a href="#4.9">[9]</a>. Wij noemen den roman van
+<i>Flovent</i> in de eerste plaats, omdat de <i>kern</i> van dit gedicht
+herinneringen bevat aan de eerste Frankische dynastie: de
+Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als oudste zoon
+van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS.
+Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen
+schildknaap RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en
+vrienden, in oorlog met de Sarracenen (onder wie hier, gelijk
+zoo dikwijls, de heidensche Saksen schuilen). Een christelijke
+en een heidensche prinses betwisten elkander FLOVENT'S bezit.
+Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door zijn
+vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De
+heidenen worden verslagen en FLOVENT later koning van<a name="92"></a>
+Frankrijk. Ons fragment van ruim 600 verzen wijkt sterk af
+van de eenige ons bewaarde Fransche redactie, die echter zelve
+weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere.
+
+<p>Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats
+het <i>Roelants-lied</i> te worden genoemd. Algemeen bekend is,
+dat wij hier het verhaal hebben van den slag bij Roncevaux,
+waarin de achterhoede van KAREL DE GROOTE'S leger, onder
+bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaen door de vijandige
+Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde van een
+tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand,
+de Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche
+gedicht is waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke
+vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel
+een vijftal fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche
+bewerking berusten. Tracht men daaruit die verloren bewerking
+weer samen te stellen, dan komt men tot een fragment van
+ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen van het Fransch
+ten deele teruggevonden worden.
+
+<p>Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus
+van gedichten welke zich groepeeren om den persoon van
+WILLEM VAN ORANJE, een der voorname edelen uit Zuid-Frankrijk,
+die de Mooren telkens terugsloegen wanneer zij
+pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaen
+te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts n dezer
+werken, het zoogenaamde <i>Moniage Guillaume</i> (WILLEM'S
+monniksschap) hier vertaald; van dat laatste deel van WILLEM'S
+geschiedenis is ons een klein fragment van ruim 400 verzen
+bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de wetenschap,
+dat zekere CLAES VAN HAERLEM, &#8222;VER BRECHTEN SONE", deze
+vertaling vervaardigde<a href="#4.10">[10]</a>. De ons bewaard gebleven fragmenten
+behelzen de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan
+boven sprake was en eenige van zijne latere lotgevallen.<a name="93"></a>
+
+<p>Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote
+vazallen geeft de roman van <i>Renaus de Montauban</i> ons een
+voorbeeld<a href="#4.11">[11]</a>. Een der machtige vazallen des Konings, HAYMIJN
+van Dordogne, is met dezen in strijd. Zijne zonen REINOUT,
+ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten dezen strijd tegen
+den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien strijd moeten
+zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde koningen.
+Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan
+den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de
+toovenaar MALEGIJS spelen een gewichtige rol in dit gedicht.
+De roman draagt terecht den naam van den oudste der vier
+Heemskinderen&mdash;zooals zij later te onzent genoemd werden&mdash;daar
+REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans telkens
+weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht
+eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft
+het mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige
+wijze eenige der bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd.
+Welk Fransch origineel door hem is gevolgd, weten
+wij niet; wel dat het geen der ons overgebleven redactin is
+geweest. Misschien ook is de Nederlandsche bewerking eene
+samensmelting van een paar oudere redactin en heeft de bewerker,
+evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke
+Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste<a href="#4.12">[12]</a>.
+
+<p>De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen;
+misschien slechts een zevende der gansche bewerking<a href="#4.13">[13]</a>.
+
+<p>Naast den <i>Reinout van Montalbaen</i> moet de <i>Geraert van Viane</i>
+genoemd worden; ook deze roman immers bevat herinneringen
+aan den strijd van CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen,
+al zijn die herinneringen hier verbonden met heugenissen aan
+den strijd tegen de Sarracenen in Zuid-Frankrijk. Slechts
+een klein fragment van nog geen 200 verzen van dezen
+roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Fransche<a name="94"></a>
+roman van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld
+van den Nederlandschen bewerker geweest, maar eene veel
+oudere bewerking.
+
+<p>Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten
+vinden wij in de <i>Chanson des Lorrains</i>. Door die geheele
+grootsche epopee immers loopt als een roode draad: de bloedwraak;
+alles draait om de &#8222;veede" tusschen het geslacht der
+hertogen van Lotharingen en dat van FROMONT van Bordeaux.
+Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens wordt de
+vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit
+weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed
+tegen sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen
+op de jacht overvallen en vermoord is en daarna ook GARIJN
+zelf, het hoofd van het geslacht der Lorreinen, zetten hunne
+zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT doodt FROMOND
+van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de &#8222;veede"
+over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling
+bleven ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen
+meer dan 10.000 verzen, misschien slechts een tiende deel van
+het oorspronkelijk gedicht bevattend<a href="#4.14">[14]</a>.
+
+<p>Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten
+de <i>Aiol</i> in. Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur
+van den jongen ridder, die alleen naar des Konings hof trekt
+om de zaak van zijn verongelijkten en verarmden vader te verdedigen.
+In de verroeste wapenrusting van zijn vader, op een
+armzalig paard, rijdt hij heen en wekt den spotlust van wie
+hem op zijn weg ontmoeten&mdash;maar hij wint zijne zaak. Deze
+roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide
+bewerkingen zijn onderling onafhankelijk<a href="#4.15">[15]</a>. De eene, in Limburg
+vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het
+ons bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten,
+ongeveer 600 verzen bedragend, omvatten vs. 2538&ndash;10092<a name="95"></a>
+van het origineel. Eenige verzen der Middelnederlandsche bewerking
+(vs. 58&ndash;73) vindt men in het Fransen niet terug. De
+andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn overgebleven,
+wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde. Of
+wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene,
+ons onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter
+betwijfeld worden. De samensteller dezer bewerking volgt het
+Fransche verhaal wel in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken
+op eigen wijs. Hij heeft veel weggelaten (vs. 518&ndash;601
+komen overeen met vs. 8354&ndash;9061: 83 verzen in het Nederlandsch
+voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801&ndash;1200
+dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat
+deze bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook
+met het oog op het feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk
+Nederlandschen naam vinden voor AIOL'S zwaard, nl.: <i>Scaerdeline</i>,
+terwijl in het Fransche gedicht geen zwaard van AIOL
+een naam draagt<a href="#4.16">[16]</a>. Dat namen uit het origineel als <i>Elie,
+Avisse</i> zijn weergegeven door <i>Helline</i> en <i>Anflisse</i>, doet denken
+dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts kende van
+&#8222;hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het
+tweede fragment dezer bewerking (<i>Baselie, Mersaelien ende
+Eggermort, Florette</i>, het wout van <i>Bonival, Godevert van
+Brusewijc</i>) in het Fransch in het geheel niet voor.
+
+<p>Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman
+van <i>Auberi le Bourgoing</i>. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten
+en daden van een jong Bourgondisch ridder, die met zijn
+neef en wapenbroeder GASCELIN, in Beieren de Russen en in
+Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door een huwelijk
+met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van
+dat land wordt.
+
+<p>Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten,
+die tot dusverre geacht worden ontleend te zijn aan<a name="96"></a>
+den roman van <i>Doon de Mayence</i> en aan de <i>Chanson des
+Saisnes</i> (Saxons). Het eerstgenoemd fragment verhaalt ons van
+drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO (ROELANTS vader)
+die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere, welke door
+de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten
+drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal
+plaats hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar
+Vauclere doen de ridders een inval in het kamp der heidenen
+en een hevig gevecht vangt aan. In den Franschen roman van
+dezen naam, waarin de stad Vauclere en de Sarraceensche
+aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote rol
+spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer
+men in aanmerking neemt dat de roman van <i>Fierabras</i> hier
+volgens MAERLANT'S mededeeling reeds vr het eind der
+13<sup>de</sup> eeuw vertaald was; dat in den <i>Geraert van Viane</i> de strijd
+tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats heeft op een eiland
+in een rivier<a href="#4.17">[17]</a>; dat ELEGAST hier, evenals in den roman van
+<i>Karel en Elegast</i>, optreedt als toovenaar; dat de naam van
+ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair
+van CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden
+zijn, dan moet men waarschijnlijk achten, dat wij hier eene
+vrije bewerking van Fransche epische stoffen vr ons hebben.
+
+<p>Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naam
+<i>Gwidekijn van Sassen</i>, ook daarin blijft nog veel over dat
+opheldering behoeft<a href="#4.18">[18]</a>. Met JEAN BODEL'S <i>Chanson des Saxons</i>
+heeft ons fragment niets gemeen; dat het vertaald zou zijn naar
+eene vroegere bewerking dezer stof die bewaard is gebleven in
+de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik onwaarschijnlijk wegens
+de gewichtige afwijkingen. Ons fragment verplaatst ons in de
+volgende omstandigheden: Het Fransche leger, waarbij ROLAND
+en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend), OLIVIER,
+ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich be<a name="97"></a>vinden,
+heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar
+de reus FLEDRIC, GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een
+nachtelijk gevecht heeft plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De
+dichter der Nederlandsche bewerking kende het <i>Roelants-lied</i>
+blijkbaar; met den ridder in de zwarte wapenrusting die tooveren
+kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn<a href="#4.19">[19]</a>. Ook hier moeten
+wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van epische
+stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts
+door mondelinge overlevering bekend waren geworden.
+
+<p>Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen
+tijd vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien
+door eene Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij,
+spreekt van <i>Fierabras</i>. Waarschijnlijk heeft hij den naam van
+dezen heidenschen reus, die in Spanje, na een gevecht met
+OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt, leeren kennen
+uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook Nederlandsche
+bewerkingen der romans van <i>Foulque de Candie</i> en
+van <i>Karel en Galie</i>, welke laatste ons in eene Nederduitsche
+omwerking in den <i>Karlmeinet</i> is bekend gebleven.
+
+<p>Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans
+en van de reeds behandelde: <i>Roelants-lied</i>, <i>Willem van Oringen</i>,
+<i>Reinout van Montalbaen</i>, zal men wel mogen aannemen, dat
+zij uit de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw, ten deele misschien (het
+<i>Roelants-lied</i> b.v.) nog uit het laatst der 12<sup>de</sup> eeuw dagteekenen.
+Ook van den <i>Flovent</i>, <i>Geraert van Viane</i>, de <i>Lorreinen</i>, den
+<i>Aiol</i> (ten minste de Limburgsche redactie) en den <i>Aubri de
+Borgengoen</i>, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de eerste
+helft der 13<sup>de</sup> eeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking
+van den <i>Aiol</i>, de <i>Doon de Mayence</i>, de <i>Gwidekijn van Sassen</i>
+tot dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der
+13<sup>de</sup> eeuw moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meer<a name="98"></a>
+en beter gegevens hebben, zal dat bezwaarlijk zijn uit te
+maken<a href="#4.20">[20]</a>.
+
+<p>Dat in vele dezer romans echte pozie of tenminste potische
+stof wordt gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die
+pozie echter was voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke
+werken; er is hier gewag gemaakt van die pozie alleen
+om den smaak onzer voorouders in dezen te kenschetsen. De
+Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben slechts eenig
+aandeel in deze pozie, voorzoover zij die hebben nagevoeld.
+De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche
+werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als
+bewerking of navolging?<a href="#4.21">[21]</a>
+
+<p>Over het algemeen kan men zeggen, dat&mdash;met uitzondering
+van het <i>Roelants-lied</i>&mdash;bij de bewerkers wel gevoel voor het
+ridderwezen bestond. In de <i>Lorreinen</i> die vrij letterlijk vertaald
+schijnen, worden de lange gevechten niet weggelaten of bekort,
+ook in de <i>Geraert van Viane</i> zijn verzen als:
+
+<p class="quote">Wi sullen hem marghiin laten weten,
+Of onse swerde connen sniden,
+</p>
+
+<p>tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke
+voorkomen. In den <i>Aubri</i> is sympathie voor het ridderwezen;
+de bewerker heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros
+Blanchaert dat zijn meester terugvindt.
+
+<p class="quote">Ende het begonde neyen<a title="[margin: hinneken.]"><sup>#</sup></a> zeere
+Ende scrabbelde metten voete.
+</p>
+
+<p>Ook in den <i>Renout</i> kan men nog vrij wat van de ruwe
+grootschheid van het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking
+beneden haar origineel.
+
+<p>Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt
+die van het <i>Roelants-lied</i>. Niet zoozeer, doordat de bewerker<a name="99"></a>
+slechts gebrekkig Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel
+lager gestaan hebben dan de meeste overigen. Maar doordat
+hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt ridderlijk epos, zoo
+sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in zijn grootschen
+eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel,
+hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is
+soldaat in zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht;
+hij kent de wapenrustingen door en door: de blinkende,
+met goud doorwerkte halsbergen, de met goud en gesteenten
+versierde puntige helmen, de lansen met hunne kleine vaantjes,
+de zwaarden van gebruineerd staal, de gouden sporen. Hij
+volgt elken slag met het oog van een kenner en weet op een
+prik of de den neus beschermende strook metaal (<i>le nasel</i>) al
+dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan
+wel het lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het
+zadel wordt tegengehouden, of nog verder dringt en ook het
+paard een diepe wonde toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne
+ruwe eenvoudige wijze, maar hij weet dapperheid toch ook in
+een Sarraceen te waardeeren; hij is een getrouw vazal: voor
+zijnen Koning en voor &#8222;douce France" heeft hij alles over. De
+woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens
+worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend:
+&#8222;halt sunt li pui e tenebrus li val"<a title="[margin: Hoog zijn de bergen en duister de dalen.]"><sup>#</sup></a>, verhoogt nog den indruk
+van het geheel.
+
+<p>Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of
+niets gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het
+ridderwezen of die uitingen zijn van den feodalen geest, laat
+hij weg. Voor ridderlijke mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid.
+Waar hij een epitheton toevoegt, geschiedt het om
+de Christenen dapperder en vromer, de heidenen lafhartiger
+en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer OLIVIER zijn
+aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk tus<a name="100"></a>schen
+dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in
+het Fransch:
+
+<p class="quote">Vus ne gerrez<a title="[margin: zult liggen.]"><sup>#</sup></a> jamais entre sa brace
+</p>
+
+<p>in het Nederlandsch:
+
+<p class="quote">Nemmermeer en wert si u wijf.
+</p>
+
+<p>Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke
+in dit fatsoen ondergegaan.
+
+<p>Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg
+ging, daar krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje
+op den geest van zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de
+Vlaamsche bewerking van den <i>Aiol</i>, waar de beschrijvingen
+vooral van gevechten aanzienlijk bekort of geheel weggelaten
+zijn, de episode van den visscher TIERIJN daarentegen met
+blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met dat
+krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze:
+
+<p class="quote">Ware Macharijs mijn oem hier,
+Hi soud u, Ayoel, <i>selc een bier
+Met vullen nappe scinken</i>,
+Ghi souds langhe mogen dinken<a href="#4.22">[22]</a>.
+</p>
+
+<p>Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654&ndash;700)
+vinden wij in het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel
+des bewerkers een vers als het derde van dit drietal:
+
+<p class="quote">De hermite starf cortelike,
+Want hi voer te Gods rike:
+<i>Daer moeten wi alle comen</i>!
+</p>
+
+<p>De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de &#8222;maechscap" die
+haar verhindert AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig
+teeken des tijds<a href="#4.23">[23]</a>.
+
+<p>De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over
+het algemeen gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd;
+telkens komen verzen met drie heffingen al te lange verzen<a name="101"></a>
+afwisselen. De rijmen zijn achteloos behandeld; het aantal
+assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen is vrij
+groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene eigenaardigheid
+des bewerkers van <i>Reinout van Montalbaen</i> is, dat
+hij in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woord <i>man</i>
+moet <i>sente Jan</i> te hulp komen; bij <i>trouwe</i>: <i>onse Vrouwe</i>; bij
+<i>huus</i>: <i>Jesus</i> enz.<a href="#4.24">[24]</a>. Niet alleen het <i>Roelants-lied</i>, maar ook
+de <i>Lorreinen</i>, de <i>Reinout van Montalbaen</i> wemelen van stoplappen;
+met <i>Flovent</i>, <i>Aubri den Borgengoen</i>, <i>Willen van Oringen</i>
+schijnt het in dezen beter gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort
+afgebroken perioden, wijst er ons op dat wij hier waarschijnlijk met
+volksdichters, niet met geleerde dichters (<i>clercken</i>) te doen hebben.
+
+<p>Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij
+in <i>Doon de Mayence</i>, <i>Gwidekijn van Sassen</i> en de Vlaamsche
+redactie van <i>Aiol</i> eer vrije bewerkingen van, uit Frankrijk
+afkomstige, epische stoffen te zien hebben dan vertalingen. Met
+meer recht mag men dit aannemen van <i>Karel ende Elegast</i>.
+Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden, dat
+wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof
+hebben<a href="#4.25">[25]</a>. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene
+samenzwering, tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen
+een door God gezonden engel hem waarschuwde. Die engel
+gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen. Op zijn nachtelijken
+tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden, die
+hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden
+ontmaskerd en gestraft. In de Latijnsche kroniek van
+ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt de kern van dit verhaal
+vermeld en ook gewag gemaakt van eene <i>cantilena</i> (lied)
+waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige Oudfransche
+gedichten, vooral den <i>Renaus de Montauban</i> en een werk
+van lateren tijd, <i>le Restor du Paon</i>, wordt over dit verhaal<a name="102"></a>
+gesproken. Dat er behalve het lied over deze stof nog een
+episch gedicht van eenigen omvang zou hebben bestaan, is
+niet bewezen. In allen gevalle is zulk een episch gedicht
+niet bekend en kan men dus geen origineel van het Nederlandsch
+gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat
+zulk een Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog?
+Moet dat dan noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons
+verhaal? Kan de Nederlandsche dichter niet evengoed kennis
+hebben gekregen van zijne stof langs den weg der mondelinge
+overlevering? In tegenstelling met de meeste Middelnederlandsche
+gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn naar een
+uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt
+van een bron, nergens eene uitdrukking als &#8222;die boec seit" of
+iets dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons
+gedicht vindt, deze verzen uit den aanhef:
+
+<p class="quote">Wat den coninc daer ghevel,
+<i>Dat weten noch die menighe wel</i>
+</p>
+
+<p>wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de
+richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende
+reden om reeds op grond van de bovenvermelde feiten de
+oorspronkelijkheid van ons gedicht onwaarschijnlijk te achten
+of te ontkennen<a href="#4.26">[26]</a>. Doch er is meer: de namen ELEGAST,
+EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen, waarvan
+de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel
+van ons verhaal&mdash;anders dan in de Fransche vermeldingen&mdash;de
+landstreek rondom KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats
+Ingelheim. Bovendien schuilt in ELEGAST een wezen uit de Germaansche
+mythologie en is hij blijkbaar verwant met ALVEGAST
+(heer der elven), denzelfde die in Frankrijk AUBERON genoemd
+werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken, het
+vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en honden<a name="103"></a>
+bassen; de kennis van een tooverspreuk (hier <i>bede</i> genoemd)
+waardoor hij de bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn
+dan ook trekken die men in Germaansche sprookjes terugvindt<a href="#4.27">[27]</a>.
+
+<p>Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel
+en taal, een geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog
+op bovenstaande uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te
+denken; moet men al denken aan navolging, dan zeker aan
+eene die van oorspronkelijkheid niet ver afstaat.
+
+<p>Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof
+in God en vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in
+uitdrukkingen als &#8222;een heilich enghel", &#8222;d'enghel die van Gode
+quam", &#8222;d'enghel van den paradise"; in Gods vaderlijke zorg
+voor den koning die het gezinde van Ingelheim in vasten
+slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den nachtelijken
+tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen riddereer
+en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: &#8222;varen
+stelen of God verwerken<a title="[margin: van zich afkeerig maken.]"><sup>#</sup></a>!" Hoe goed kent de dichter het
+ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide gevechten
+mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de &#8222;witte"
+halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en
+den wachter die &#8222;den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd.
+Opmerkelijk is hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE,
+&#8222;d'edel man" zooals hij telkens wordt genoemd; treffend de
+onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST, door hem op
+valsche aantijgingen verjaagd.
+
+<p>Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter
+voor hem de sympathie die de &#8222;vogelvrije" te allen tijde
+gevonden heeft; ook beantwoordt hij aan het ideale type
+van den vogelvrijen roover: alleen den rijken ontneemt hij
+het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken vooral zijn
+hem een welkome prooi. Hij leeft van <i>roof</i>, maar dat verlaagde
+hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek<a href="#4.28">[28]</a>. Dat<a name="104"></a>
+publiek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid,
+kracht en edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen
+spot met KARELS talenten als dief en inbreker.
+
+<p>En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen,
+met slechts een enkele reflexie over &#8222;vrouwenlist", zelden ontsierd
+door stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang
+op eenvoudige maar doeltreffende wijze voorbereid door des
+konings overpeinzing over &#8222;ridders die op aventure" leven<a href="#4.29">[29]</a>;
+dan zien wij den nachtelijken rit bij maanlicht door het bosch,
+de ontmoeting met den dreigenden zwarten ridder, het tweegevecht,
+de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in EGGHERIC'S
+kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons
+te boeien en met zich te voeren&mdash;zooals hij het ook ongetwijfeld
+meer dan zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan.
+
+<h3>KELTISCHE, KLASSIEKE EN OOSTERSCHE ROMANS.</h3>
+
+<p>Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen
+aard dan wat hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht
+der Frankische romans. Met de personages uit die romans
+voelden zij zich verwant; het leven daar afgebeeld was min of
+meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar op grooter
+schaal en in het licht der pozie. De Keltische en daarop
+gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels
+vreemd was, maar die hen bekoorde, deels door al dat
+vreemde en wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed
+vonden wat zij begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde,
+hoofsche beschaving, fijnheid van vormen en omgangstaal.
+
+<p>Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van
+het hoofsche ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de
+volmaakte ridder; koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en
+edele schoonheid. Rondom hen eene glanzende schaar van ridders,<a name="105"></a>
+getrouwe vazallen, bereid hun leven voor hun koning te wagen,
+dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en jonkvrouwen, bekoorlijk,
+dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en op
+de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde
+men dan een levendig spel van woord en weerwoord; van
+dartele behaagzucht en schalke veinzerij tegen vurige liefde en
+ootmoedige toewijding.
+
+<p>Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die
+bleek worden van aandoening, die om genade smeeken, en
+jonkvrouwen die zich houden alsof zij niets gehoord hebben,
+die haar minnaar wijs maken, dat hij geslapen heeft. Welk
+Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken gehoord
+als dit van POLLIDAMAS en HELENE in den <i>Roman van Troye</i>:
+HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.&mdash;Word
+toch wakker, POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van
+nacht kunt gij slapen zooveel gij wilt.&mdash;Vrouwe, zegt hij, wie
+zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te zitten slapen?&mdash;Zoo
+onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers in uw slaap
+tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou
+het u slecht bekomen.&mdash;Sliep ik dan?&mdash;Ja zeker.&mdash;Als
+gij het zegt, moet het waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap
+iets miszegd?&mdash;Ja gij, maar onwetend; daarom zal ik het
+niet in ernst opnemen.&mdash;Mag ik zoo vrij zijn u te vragen,
+wat ik miszegd heb?&mdash;Ja gij: eerst zegt gij tot mij: &#8222;genade!";
+toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u,
+wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief!
+Toen ik die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij
+droomde en maakte u wakker.&mdash;Ach, vrouwe, men heeft
+wel eens meer gezegd: waar het hart vol van is, daar loopt
+de mond van over.&mdash;
+
+<p>Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij
+niet, want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtende<a name="106"></a>
+jonkers gold: &#8222;vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur
+van den hartstocht blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo
+menige geschaakte jonkvrouw die hij op zijn weg ontmoet, die
+hij verlost uit de macht van een of anderen rooden ridder of
+afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne eenzaamheid
+wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi te
+zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van
+FLORIS voor BLANCEFLOER, van PARTONOPES voor MELIOR;
+de liefde voor GALIENE doet wonderen aan den boerenzoon
+FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt ridder.
+
+<p>Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden,
+is reeds uit het voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt
+het, indien men er op let, hoe de aandacht die vroeger alleen
+of voornamelijk den man geschonken werd, nu in beslag wordt
+genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS denkt, kan
+BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPES herinnert ons
+MELIOR, TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt
+door de verleidelijke VIVIANE in het bosch van Broceliande
+verstrikt. En wie kan LANCELOT de bloem der ridderschap
+noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne misdadige
+liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE?
+
+<p>Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans
+der pozie; nergens misschien liefelijker dan in den roman van
+<i>Lancelot</i>, waar ons verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen
+lag in de woning der fee MORGUEYNE.&mdash;Uit zijne gevangenis,
+door de ijzeren staven voor het venster, ziet hij in den bloeienden
+tuin. Twee winters en een zomer zit hij nu reeds daar. Om
+de verveling te verdrijven, heeft hij zijne wapenfeiten op de
+muren geteekend. In die wemeling van figuren verschijnt
+meermalen ne vrouw&mdash;de koningin. Dikwijls gaat hij op
+haar beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan
+weent en klaagt hij. De Mei is gekomen; April heeft oorlof<a name="107"></a>
+genomen. Weer ziet hij de boomen bloeien, de frissche rozen
+opluiken, de roode rozen ... hij ziet haar rooden mond.
+Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg
+opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen;
+ne is er, pas ontloken&mdash;z was zij, toen hij haar zag ten
+tournooi te Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt
+hij zijn hand uit het venster, maar de ijzeren tralin houden
+hem tegen. &#8222;Zouden tralin mij tegenhouden?&mdash;Neen!"&mdash;met
+beide handen grijpt hij de twee staven aan; n ruk ...
+zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht. Nu
+verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar
+en legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent
+zich, kiest een goed ros, zit op en rijdt heen.
+
+<p>Waarheen? Op een der vele tochten (&#8222;questen") die deze
+dolende ridders ondernemen om iemand of iets te zoeken:
+een gevangen wapenbroeder, een wonderbaarlijk zwaard of
+schaakbord, een sluier of ander ridderteeken. Waar komen zij,
+wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar kluizenaars
+wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar
+tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op
+rust; zij geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen
+naar ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen
+en toovenaars.
+
+<p>Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier
+fijner vormen aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst
+van vroeger, maar eer een tournooi met scherpe wapenen.
+Grootsche afmetingen neemt de strijd aan in het laatste deel
+van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den strijd der
+Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon
+MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van
+Salesbiere komt het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger
+reeds gesneuveld; LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN,<a name="108"></a>
+de ridder met den leeuw, ligt met gekloofden schedel neer;
+van die gansche roemruchte Tafelronde staan nog slechts een
+paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De Koning doodt
+MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde.
+Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders,
+GRIFLET, zet hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt
+zijne krachten bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S
+goed zwaard Excalibur in een poel; een gewapende hand en
+arm komt te voorschijn en vangt het zwaard op. GRIFLET verwijdert
+zich op 's Konings bevel. Van een heuveltop ziet hij
+uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn gezeten;
+ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard
+en wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe
+dienaar verliest hem weldra uit het oog.
+
+<p>Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch
+omstraald met hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo
+menig dapper ridder der Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht;
+niet weggelegd voor LANCELOT noch WALEWEIN, die besmet
+zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de reine
+GALAD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den
+Graal zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche
+godsdiensten geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen
+heeft. Een tooverketel die drommen van ridders
+kon spijzigen, kwam reeds in de Keltische mythologie voor;
+het Christendom verving dien ketel door een schotel, later
+een beker (<i>gradale, gral</i> is een Romaansch woord voor <i>schotel</i>),
+waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal.
+De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de
+Keltische mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van
+LONGINUS. Ook de Graalburcht met den koninklijken visscher
+(le Roi Peschor) wordt in Keltische verhalen teruggevonden.
+Geheimzinnig en wonderbaar is de graal reeds in CRESTIEN<a name="109"></a>
+DE TROYE'S <i>Conte del Graal</i> (omstreeks 1175). PERCEVAL, in
+den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page binnentreden
+die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot de
+hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters;
+dan een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare
+steenen sieren hem. Z verblindend een glans straalt van dien
+schotel af, dat het licht aller kaarsen in de zaal verdoofd wordt.
+Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk door MAERLANT vertaald
+werd, is de Graal de Avondmaalsbeker<a href="#4.30">[30]</a>. En zoo blijft hij
+het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met
+het brood des levens.
+
+<p>Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk
+tot ons gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen van
+<i>Lancelot,</i>, <i>Percevael</i>, <i>Walewein</i>; de romans <i>van Ferguut</i>, <i>van
+Torec</i>, <i>van den Graal</i> en <i>van Merlijn</i>; de roman <i>van Alexander</i>
+en die <i>van Troje</i>; eindelijk de verhalen <i>van Floris en Blancefloer</i>
+en <i>van Partonopeus en Melior</i>.
+
+<p>Over de romans <i>van Merlijn</i>, <i>van den Graal</i> en <i>van Torec</i>,
+evenals de roman <i>van Alexander</i>, bewerkt door MAERLANT,
+spreken wij later.
+
+<p>Onder den naam: <i>roman van Lancelot</i>, is tot ons gekomen
+een groot werk dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene
+zelfstandige werken door LODEWIJK VAN VELTHEM
+was erkend, en welks deelen men langzamerhand beter leert kennen<a href="#4.31">[31]</a>.
+Wij vinden hier 1<sup>o</sup> een groot werk waarvan LANCELOT
+de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen,
+2<sup>o</sup> de <i>Graalqueste</i> en 3<sup>o</sup> <i>Artur's dood</i>. Voorts hebben wij, blijkens
+deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN
+DE TROIE'S <i>Percevael</i>, van de <i>Wrake van Ragisel</i>, een <i>Walewein-boek</i>,
+een roman <i>van den Ridder metter mouwen</i> en de vertaling
+van een paar Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen<a href="#4.32">[32]</a>.<a name="110"></a>
+
+<p>De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door
+dit viertal verzen uit den proloog van den <i>Lancelot</i> (II, 11&ndash;14):
+
+<p class="quote">Ghi sult hier horen scone die jeesten<a title="[margin: verhalen.]"><sup>#</sup></a>
+Bede van rouwen ende van feesten,
+Van ridderscape groote daet,
+Van selsieneheden<a title="[margin: vreemde dingen.]"><sup>#</sup></a> menich baraet<a title="[margin: bedrieglijk spel.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>In den <i>Lancelot</i> vinden wij vele &#8222;wandele" of &#8222;dolende"
+ridders. Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier
+inneemt. Wij treffen hier o.a. reeds &#8222;'t wiel van avonturen"
+aan. Ook vrouw VENUS, die &#8222;den boom der minnen" in het
+harte der menschen plant; deze boom heeft twintig telgen:
+de eerste telg draagt &#8222;melthede", de tweede &#8222;oetmoedechede",
+de derde &#8222;sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde deel,
+dat de vertaling bevat van de <i>Queste van den Grale</i>, vinden
+wij veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de &#8222;hertheid van
+ertrike" voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren;
+zeven ridders zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de
+wereld; de oude en de nieuwe wet worden voorgesteld door
+eene vrouw op een serpent en eene op een leeuw gezeten<a href="#4.33">[33]</a>.
+
+<p>De roman <i>van Ferguut</i> heeft naar den inhoud iets eigens.
+FERGUUT immers is de zoon van een rijken dorper, wiens
+vrouw echter met den adel is vermaagschapt. Terwijl hij achter
+den ploeg loopt, komen eenige gezellen der Ronde Tafel, die
+op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te worden als
+zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting
+trekt hij naar ARTUR'S hof&mdash;evenals AIOL naar het hof te
+Parijs. ARTUR geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op
+avontuur, ziet de schoone GALIENE en wordt onder den invloed
+van de liefde tot haar langzamerhand een volmaakt ridder.
+Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door den
+invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieu<a name="111"></a>wen
+adel uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van
+de gemoedsontwikkeling der moderne volken onder den invloed
+der liefde.
+
+<p>Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige:
+ridder KEYE, ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk
+personage, bespot den boerenzoon; FERGUUT overwint
+ridders, bevecht eene reuzin, neemt deel aan het beleg
+van eene stad enz.
+
+<p>Iets eigens hebben ook de romans van <i>Floris en Blancefloer</i>
+en van <i>Partonopes en Melior</i>. In beide staat de liefde op den
+voorgrond, de avonturen&mdash;hoe talrijk en wonderbaarlijk ook&mdash;op
+den achtergrond. Maar in den eersten roman zien wij die
+liefde in een paar kinderen die samen opgroeien: een heidensch
+prinsje en een christelijke gravendochter. Door de ouders van
+FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde, met
+naeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS
+wordt Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de
+grootouders van KAREL DEN GROOTE.
+
+<p>In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene
+dergelijke stof als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren
+jong edelman, PARTONOPES VAN BLOIS, op jacht verdwaald,
+wordt door een tooverschip naar een geheimzinnig prachtig
+kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend, gaat hij na
+den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich
+naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar
+gelaat te zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt
+zijne gelofte en daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding
+van een paar jaren, waarin PARTONOPES half waanzinnig
+rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De geheimzinnige
+minnares blijkt de dochter van den Keizer van Constantinopel
+te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPES Keizer van
+Constantinopel wordt, spreekt vanzelf.<a name="112"></a>
+
+<p>Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide
+romans een historischen achtergrond: de nauwe aanraking
+tusschen Europa en het Oosten in den tijd der Kruistochten,
+aanraking ook tusschen Christendom en Heidendom; zegepraal
+van het eerste over het laatste, blijkbaar zoowel in de kerstening
+van FLORIS als in de kroning van PARTONOPES. Elkanders tegenbeeld
+zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze waarop
+de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld zijn.
+
+<p>Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere
+werken van deze soort te onzent bekend geweest. MAERLANT
+maakt nog melding van: <i>Tristan en Isoude, Octaviaan, Madocs
+droom, Amadas en Ydoine</i><a href="#4.34">[34]</a>. Al zijn ons geene Nederlandsche
+bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er bestaat toch
+voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke
+werken, hierbij te voegen. Want&mdash;wij stipten het reeds
+aan&mdash;men mag ter wille van een beter overzicht wel spreken
+van Keltische of Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche
+romans; doch in waarheid zijn al deze werken voortbrengsels
+van denzelfden geest. Ten deele zal dat reeds uit het
+voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw, indien
+men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen.
+Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans?
+Niets dan de namen van plaatsen en personen; voor het overige
+gelijken zij volkomen op de andere romans. Grieken en Trojanen,
+mannen zoowel als vrouwen, gevoelen, denken en spreken als
+middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed en gewapend als zij.
+Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans ligt
+voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen
+verschil tusschen PARTONOPES en PARIS, tusschen BLANCEFLOER
+en een of andere Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze
+en GALIENE of dergelijke heldinnen uit een Keltischen roman.<a name="113"></a>
+
+<p>De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet
+lang na het midden der 13<sup>de</sup> eeuw gedicht (tusschen 1257 en
+1264), de overige worden door hem in onderscheidene zijner
+werken genoemd en zullen dus wel tenminste zoo oud zijn als
+die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten deele, nog wel tot
+de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw behooren.
+
+<p>Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig
+houden, deze: welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen
+dezer oorspronkelijk Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers
+dier bewerkingen hunne taak opgevat en uitgevoerd?
+
+<p>De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat
+na te gaan; zoolang wij de onderscheiden werken, welke door
+VELTHEM zijn vereenigd, niet in hun oorspronkelijken vorm
+bezitten, kunnen wij bezwaarlijk uitmaken, wat van den oorspronkelijken
+Nederlandschen bewerker, wat van den compilator
+is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den eigenlijken
+Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd<a href="#4.35">[35]</a>. Dat het
+godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan
+in den Franschen roman, moet misschien op rekening van
+VELTHEM worden gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking
+moet toeschrijven van een bloedenden ridder bij een
+rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te maken<a href="#4.36">[36]</a>. Ook het
+duizendtal verzen dat wij van den roman <i>van Percevael</i> in zijn
+oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van nauwe
+aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts
+hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd
+te hebben<a href="#4.37">[37]</a>.
+
+<p>Op vaster grond staan wij bij de bewerking van den <i>Ferguut</i>.
+Het is mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking
+te danken hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn
+werk bij vs. 2593 zou hebben begonnen. Doch in allen gevalle<a name="114"></a>
+bestaat er geen reden, om het eerste deel der bewerking tegenover
+het tweede te stellen als het werk van een &#8222;hoofsch"
+tegenover dat van een &#8222;dorper" dichter; beide deelen der
+Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest
+die zeker eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden<a href="#4.38">[38]</a>.
+De dichter van den Franschen roman <i>Fergus</i> was blijkbaar een
+bewonderaar van CRESTIENS DE TROIES. De Nederlandsche
+bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het Fransche
+oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier
+niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE,
+een naam dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen
+uit CRESTIENS' <i>Ivain</i>, waar de kamenier van IVAIN'S minnares
+denzelfden naam draagt<a href="#4.39">[39]</a>.
+
+<p>De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige
+pozie en de Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat
+weten te behouden. Zoo zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van
+GALIENE goed door hem weergegeven. Op een enkele plaats
+heeft hij de levendigheid van het oorspronkelijke verhoogd
+door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede is dan ook
+gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden.
+Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten
+of ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling
+van <i>vilain</i> door <i>vrient</i>; de zedigheid van den bewerker toont
+zich, waar uit de opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden
+de &#8222;mamelettes comme pumetes<a title="[margin: appeltjes.]"><sup>#</sup></a>" zijn verdwenen<a href="#4.40">[40]</a>. Had hij
+maar niets gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de
+beschrijving der jacht in het oorspronkelijke bij die in het
+Nederlandsche verhaal. Duidelijk blijkt dan dat de bewerker,
+anders dan de dichter, die hertenjacht in het bosch niet heeft
+<i>gezien</i>; niet gezien &#8222;hoe de Koning gaat staan in de stijgbeugels
+om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe &#8222;de
+bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt<a name="115"></a>
+&#8222;het hijgen en woelen" van het uitgeput hert en hoe het,
+verdronken in de rivier, komt bovendrijven met &#8222;den gezwollen
+buik, stijfstaand van het ingezwolgen water"<a href="#4.41">[41]</a>. Tal
+van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker ingevoegd;
+zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor
+Koning ARTUR en zijne ridders: &#8222;Hi stont ende sweette als
+een das"; iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand
+iets &#8222;aen sijn cleet wriven" of iemand &#8222;sijn vel verwarmen".
+FERGUUT blijft te lang weg van zijne minnares; &#8222;een vrouwenhart
+is niet van staal", waarschuwt de Nederlandsche dichter,
+en: &#8222;zijne rapen zouden wel eens kunnen aanbranden"<a href="#4.42">[42]</a>.
+
+<p>In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker
+de grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het
+doet voorkomen dat GENOVERE niets was in vergelijking van
+GALIENE en waar hij Koning ARTUR tot GALIENE doet zeggen:
+&#8222;ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw".
+
+<p>Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker
+afkomstig is: eene uitweiding over het karakter der liefde en
+een licht komisch glimpje hier en daar o.a. in een spottend
+verkleinwoord<a href="#4.43">[43]</a>. Doch noodig is dat niet om op grond dezer
+bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze bewerker een
+zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat, doch
+wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en
+aan de gewenschte fijnheid van gevoel.
+
+<p>Meer talent dan uit de bewerking van den <i>Ferguut</i> blijkt ons
+uit die van den <i>Partonopes</i>, waarvan groote fragmenten (meer
+dan 8000 verzen) tot ons zijn gekomen<a href="#4.44">[44]</a>. Dat deze bewerker
+onvoldoende kennis toont van ridderlijke kleeding en riddergebruik,
+raakt de aesthetische waarde zijner bewerking niet van
+nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch element heeft verzwakt,
+daar het parallellisme van eenige mooie verzen heeft voorbijgezien
+of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijken<a name="116"></a>
+hartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming
+daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt
+en o.a. de vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft
+weggelaten. Doch van meer gewicht dan dat alles is, dat hij
+op verscheidene plaatsen zijner bewerking toont dichter te zijn.
+Hij moge onbekend zijn met de namen van sommige kleedingstukken,
+met sommige gebruiken bij het geven van den ridderslag
+en het houden van een tournooi&mdash;aan <i>gevoel</i> voor deze
+dingen ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van
+den <i>Ferguut</i> heeft hij de jacht van PARTONOPES op een wild
+zwijn blijkbaar wel voor oogen; hij voegt er zelfs een paar
+aardige trekjes aan toe: hij ziet den jachthond aan de &#8222;leise"
+(zeel), ziet hoe de honden met de oogen den ever volgen. In een
+troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij blijkbaar behagen:
+
+<p class="quote">scone gewapent quamen si echt<a title="[margin: achteraan.]"><sup>#</sup></a>,
+scilt ane hals ende spere gerecht,
+helm op 't hovet, baniere gebonden,
+ende neder totter hant ontwonden.
+</p>
+
+<p>Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat
+menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij:
+
+<p class="quote">Dus souden wi die roede houwen
+daer men ons soude mede blouwen<a title="[margin: slaan.]"><sup>#</sup></a>,
+</p>
+
+<p>Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn
+niet zelden door even fraaie Nederlandsche weergegeven<a href="#4.45">[45]</a>.
+
+<p>Hooger dan de <i>Partonopes</i>, het hoogst misschien van al
+deze bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'S <i>Floris ende
+Blancefloer</i>. Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en
+schoon Fransch gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk
+en mooi Nederlandsch berijmd verhaal, moet toegeschreven
+worden vooral aan zijne idealistische opvatting der liefde. Het<a name="117"></a>
+zaad der edele minne, afkomstig uit verhalen als <i>Tristram en
+Isoude</i>, <i>Paris en Helena</i> en andere werken der hoofsche minne-epiek,
+was bij hem in goede aarde gevallen: geen dorperlijk
+gemoed&mdash;hij besefte het&mdash;kon de edele minne op den
+rechten prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor
+clercken, leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring
+hebben leeren kennen<a href="#4.46">[46]</a>. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet;
+zij viel hem zuur, zooals hij ons zelf zegt; met passen en
+meten verdietschte hij het &#8222;walsch":
+
+<p class="quote">men moet corten ende lingen
+die tale, salmen se te rime bringen.
+</p>
+
+<p>en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne
+worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan<a href="#4.47">[47]</a>.
+Doch daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de
+vergelijking met zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die
+deelen van het werk welke door hem zijn uitgebreid of waarin
+hij meer zelfstandig te werk gaat, beter zijn dan de overige;
+dat over het algemeen de naeve bevalligheid van het oorspronkelijk
+gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke wijze
+in zijn dietsch weergegeven.
+
+<p>Vermoedelijk eenigen tijd vr DIEDERIC VAN ASSENEDE
+(c. 1220) heeft een Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK),
+hetzelfde Fransche gedicht in zijne moedertaal bewerkt. In
+sommige opzichten, vooral in gemoedsontwikkeling, staat FLEKE
+boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze de oorspronkelijke
+stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000 Fransche
+verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne wijdloopige
+reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd<a href="#4.48">[48]</a>.
+
+<p>Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen
+van de kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich
+openbaart in het bouwen van verzen en het vinden van rijmen,<a name="118"></a>
+dan wordt ons dat moeilijk gemaakt door den toestand waarin
+o.a. de romans der Lancelot-compilatie tot ons zijn gekomen.
+Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn wij geneigd
+aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen
+ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de
+stoplappen minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men
+o.a. in de romans <i>van Ferguut</i> en <i>van Partonopes</i>. Daar,
+evenals in den <i>Walewein</i> en den <i>Moriaen</i>, treft men vrij wat
+voorbeelden aan van het zoogenaamd <i>rime riche</i> (gelijke klank
+bij verschil van beteekenis of van functie), zoowel waar het
+geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het eigenaardig
+soort van rijm, dat wij in den <i>Renout van Montalbaen</i> aantroffen,
+waar steeds een of andere heilige in den rijmnood
+moet voorzien, vinden wij in den <i>Ferguut</i> terug<a href="#4.49">[49]</a>.
+
+<p>Zooals onder de Frankische romans o.a. de <i>Aiol</i> den overgang
+vormt van de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig
+werk als <i>Karel en Elegast</i>, zoo staat hier de bewerking van <i>Floris
+en Blancefloer</i> tusschen de vertaalde romans en een paar werken
+die mij voorkomen zelfstandig te zijn: <i>Moriaen</i> en <i>Walewein</i>.
+
+<p>Ook de roman <i>van Moriaen</i> is ons bewaard gebleven in de
+Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S
+handen te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken
+vorm tot ons te zijn gekomen<a href="#4.50">[50]</a>. Zelfstandig en eenigermate
+oorspronkelijk mag deze roman heeten, aangezien er geen
+origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon, een Moor, die voorgesteld
+wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt oorspronkelijk<a href="#4.51">[51]</a>.
+Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De
+zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige,
+uit andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft
+vereenigd tot een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is
+ten opzichte van taal en versbouw, doch overigens niets eigens<a name="119"></a>
+noch veel kunstvaardigheid toont. Een overwonnen ridder die
+door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt gezonden,
+tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de
+handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen
+tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg
+van een sterk kasteel&mdash;dat alles behoort tot het vaste materiaal
+waaruit deze romans werden samengesteld.
+
+<p>Bovendien heeft de dichter gedurig den roman <i>van Karel en
+Elegast</i> voor oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men
+zelfs woordelijke navolging opmerken<a href="#4.52">[52]</a>.
+
+<p>Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere
+romans had leeren kennen, schijnt ook de roman <i>van Walewein</i>,
+waarvan door den dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen
+werden gedicht en die met 3300 verzen door PIETER VOSTAERT
+werd voltooid<a href="#4.53">[53]</a>. Hier wordt ons verteld van onderscheidene
+&#8222;questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig schaakbord,
+in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet
+WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt
+te behooren aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het
+kleinood afstaan, indien hij daarvoor het wonderzwaard met de
+twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN bezit. Een nieuwe
+zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard slechts
+geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S
+dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot
+van JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een
+vos herschapen, wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht.
+WALEWEIN wint IJSABELE, ook haar hart, en trekt terug naar
+koning AMORAEN. Deze redt hem uit de moeilijkheid eener
+keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te overlijden.
+Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het
+schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar
+koning ARTUR die zijn schaakbord ontvangt.<a name="120"></a>
+
+<p>Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van
+andere minder belangrijke, zooals ze in deze romans plegen
+voor te komen.
+
+<p>Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste
+wonden geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in
+den lusthof van YSABELE en een gloeiende rivier rondom den
+burcht van koning ASSENTYN, om van den betooverden prins
+te zwijgen<a href="#4.54">[54]</a>. Zulke zaken vindt men eveneens in andere romans
+van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien aard.
+Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenis
+<i>van Peredur (Perceval)</i>; daar ook de vermelding van het &#8222;Castle
+of Wonders" of &#8222;van den wondere dat casteel" zooals het in
+den roman <i>van Lancelot</i> genoemd wordt. Ook de bron der
+jeugd, waarvan hier verhaald wordt; de smalle brug, scherp
+als een scheermes; de onderscheidene tafels, waaraan verschillende
+leden eener hofhouding middagmalen, zijn ons van
+elders bekend<a href="#4.55">[55]</a>.
+
+<p>Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters
+vereenigd tot een geheel; want eenheid is er, al is zij niet
+van hooger orde dan die in het bekende sprookje:
+
+<p class="quote">Toen ging hij naar de Galg:
+&#8222;Galg, wil jij Man hangen?
+&#8222;Man wil niet Os dollen,
+&#8222;Os wil niet water slobberen
+...
+...
+Ja, zei Galg.
+En Galg hing Man,
+En Man dolde Os
+En Os slobberde water
+ enz.<a name="121"></a>
+</p>
+
+<p>Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van
+deze soort, valt moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN
+HEELU kennen blijkbaar wel verhalen over <i>Walewein</i>; of zij
+echter het oog hebben juist op dezen roman<a href="#4.56">[56]</a>? Met het oog
+op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij sterk is, op
+het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die
+over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt,
+zou ik geneigd zijn dezen roman in allen gevalle tot de
+13<sup>de</sup> eeuw, en eer tot de eerste helft daarvan dan tot de tweede
+te brengen. Ook de taal en het vrij groot aantal assoneerende
+rijmen schijnen ons daartoe recht te geven<a href="#4.57">[57]</a>.
+
+<p>De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar
+macht en haar praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de
+gemoederen van velen hier te lande aangetrokken, beheerscht
+of bekoord. De pozie, uit dat ridderwezen en ridderleven
+geboren, heeft vooral den adel, maar waarschijnlijk ook de
+aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan de indruk,
+door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk
+gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest.
+
+<p>Het feit alleen dat de ridderpozie zich te onzent ontwikkelde
+onder den invloed der Fransche ridderpozie, kan niet volstaan
+om die bewering te staven. Immers, ook in de overige landen
+van West-Europa was dat het geval. Doch&mdash;en dat feit weegt
+zwaarder&mdash;de volksziel nam hier te lande het ridderwezen
+niet z gretig in zich op, werd daardoor niet zoo krachtig
+bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale
+ridderpozie werd geboren; eene <i>eigen</i> ridderpozie, gelijk de
+Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON
+STRASSBURG, HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH
+en het nationaal-ridderlijk epos van <i>Nibelungen</i> en <i>Gudrun</i>.
+
+<p>Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de door<a name="122"></a>
+hen vertaalde of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar
+zien wij naast gevoel voor het ridderwezen in zijne onderscheidene
+uitingen, ook vroomheid en zedigheid die slechts
+matige sympathie koesteren voor de ridderidealen: die den
+hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende
+opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis
+aan verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische
+roman, dien wij voor een oorspronkelijk werk mogen houden,
+hooger staat dan de twee zelfstandig bewerkte Keltische romans.
+<i>Karel en Elegast</i> staat niet veel lager dan de beste "Chansons-de-geste"
+uit den nationalen cyclus; <i>Moriaen</i> en <i>Walewein</i> veel
+lager dan de beste Fransche romans van den uitheemschen
+cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich afspiegelt
+in de Frankische romans, heeft&mdash;zou men zeggen&mdash;sterker
+indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer
+sympathie gevonden, kon dus ook beter door hen vertolkt
+worden, dan dat der volgende periode, toen liefde, maar
+vooral zinnelijke liefde, hoofsche bevalligheid en fijne vormen
+overheerschend waren.
+
+<p>Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling
+van ons volk ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen
+geboren pozie heeft de ridderlijke idealen onder deze
+volken helpen verbreiden. Die idealen en die pozie hebben
+er deels ingang gevonden, deels hebben zij afkeer gewekt en
+verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder geestelijkheid en
+gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al niet tegen
+den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene andere
+richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting
+vragen nu onze aandacht.<a name="123"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.1">1</a>: De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE
+DE SAINTE PALAYE, <i>Mmoire sur l'ancienne Chevalerie</i>; L. GAUTIER,
+<i>La Chevalerie</i>; A. SCHULZ, <i>Das hfische Leben zur Zeit der Minnesinger</i>;
+MOLL, a.w. II, 4, 235.
+
+<p class="footnote">De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland&mdash;aanlokkelijke
+maar zware taak&mdash;moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL
+gaf een vlijtig bewerkte studie: <i>Het kasteel in de XIIIe eeuw</i>, later
+omgewerkt tot: <i>Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans</i>.
+Maar het blijft de vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde,
+ridderromans hier als bronnen mogen dienen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.2">2</a>: De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek
+zijn hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om
+de Nederlandsche ridder-pozie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt,
+zal verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van
+dit overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON
+PARIS (<i>Histoire potique de Charlemagne</i>); L. GAUTIER, <i>Le Epopes
+Franaises</i> (2e d.); PIO RAJNA, <i>Le origini dell'epopea francese</i>;
+K. NYROP, <i>Den oldfranske heltedigtning</i>. Ik volgde vooral NYROP
+en de auteurs in PETIT DE JULEVILLE'S <i>Histoire</i>, I, 49&ndash;344.
+
+<p class="footnote">Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met
+belangrijke aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De
+oudere literatuur (tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL.
+Daarbij moet gevoegd o.a.: <i>Studies on the Legend of the Holy
+Grail</i> by ALFRED NUTT (1888) en de scherpe doch billijke en
+opbouwende critiek op NUTT'S werk door Prof. H. ZIMMER in
+<i>Gtt. gel. Anzeigen</i> (1890); <i>Studies in the Arthurian Legend</i> by
+JOHN. RH&#374;S. (1891). Zie voorts de literatuur bij PETIT DE JULEVILLE
+a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W. FOERSTER'S <i>Der
+Karrenritter</i> (LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.3">3</a>: Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368&ndash;9; JONCKBLOET, I, 113 (noot).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.4">4</a>: Vgl. TE WINKEL, p. 79&ndash;83 en J. STECHER, <i>Hist. de la Litt.
+Nerl.</i>, p. 21 suivv.]<a name="124"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.5">5</a>: JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen
+gevestigd. Vgl. o.a. zijne <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, I, 140 vlgg.; 289 vlgg.
+
+<p class="footnote">TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijn
+<i>Maerlant's Werken</i>, (2e druk), bl. 402&ndash;408.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.6">6</a>: <i>Leven van Sinte Lutgart</i> (ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39&ndash;57. Vgl.
+ook de plaats uit <i>Van den Levene ons Heren</i> die later vermeld zal worden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.7">7</a>: <i>Acta Sanctorum Junii</i>, III, p. 242&ndash;3: &#8222;in quadraginta annis,
+quibus postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici
+addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit."
+<i>Leven van Sinte Lutgart</i>, II, 461 vlgg.
+
+<p class="footnote">S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwires) in 1246.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.8">8</a>: De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER
+in zijne voortreffelijke uitgave der <i>Chanson de Roland</i>, p. 30&ndash;31
+(in de aanteekeningen).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.9">9</a>: Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier
+behandelde fragmenten naar mijne <i>Mnl. Epische Fragmenten</i>. Daar ook
+vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.10">10</a>: <i>Spiegh. Hist.</i>, IV, 1, c. 29, vs. 73&ndash;76.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.11">11</a>: Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.12">12</a>: Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek,
+p. XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.13">13</a>: Vergelijkt men de Mnl. bewerking met het <i>Volksboek</i> (ed.
+MATTHES), dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van het <i>Volksboek</i>
+overeenkomen met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening
+zou het gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben
+geteld, daar het <i>V.</i> 184 bladzijden telt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.14">14</a>: Uitgegeven door Prof. J. VERDAM in <i>Tijdschrift voor Ned. T.
+en Lett.</i>, II, 209 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.15">15</a>: Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen,
+bemerkte ik, dat SUCHIER dat deel der <i>Lorreinen</i> hetwelk niet te
+vinden is in het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt,
+terwijl G. HUET het aan een verloren Fransch werk ontleend acht.
+
+<p class="footnote">De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten
+geleerde over dit onderwerp zijn gepubliceerd: <i>Romania</i>, XXI, 361
+suivv. en XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijne
+<i>Gesch. der Franz. Lit.</i> (1900), p. 45.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.16">16</a>: <i>Scaerdelijn</i> ziet er uit als eene afleiding van <i>scaert</i> (<i>scaerde</i>). Zie
+o.a. <i>Karel ende Elegast</i>, vs. 413 de &#8222;scaerde ende vlegghen" in de helmen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.17">17</a>: Zulke duels komen in de Oudfransche epische pozie meermalen
+voor. Zie o.a. Pio RAJNA, <i>Le Origini</i>, p. 402.]<a name="125"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.18">18</a>: Eene collatie van het hs. gaf ik later in <i>Tijdschr. v. Ned. T.
+en Lett.</i>, IXe jaarg., p. 166, 189.
+
+<p class="footnote">Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: &#8222;Winechkijn, der Sassen
+here"; zie: <i>Spieghel Historiael</i>, III, 8, c. 86, vs. 3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.19">19</a>: Met terugneming van hetgeen ik vroeger (<i>Tijdschr. v. N.T. en
+L.</i>, IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat met <i>El'e</i> of <i>Es'e</i> in het hs.
+Elegast bedoeld is.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.20">20</a>: Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen
+als die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van
+het oorspronkelijk gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking,
+ook den geest van het gedicht en dien der bewerking. Overigens
+verwijs ik voor dit deel van mijn verhaal naar mijne <i>Middelnederlandsche
+Epische Fragmenten</i> en de vroeger aangehaalde werken over
+de Fransche epische pozie. Doch er valt ook in onze ridderpozie
+nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de verhouding van den
+<i>Karlmeinet</i> tot de Mnl. ridderpozie.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.21">21</a>: In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den
+tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eene <i>vertaling</i> in onzen
+zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer
+een <i>bewerking</i> dan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat
+BORMANS (<i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, p. 51) zegt: &#8222;traduire c'tait imiter;
+on retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes
+manires." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking
+in te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene
+redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet
+vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben
+gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft
+in zijn onderzoek van den <i>Partonopeus</i>, Dr. BOTERMANS in dat
+van <i>die hystorie van die seven wyse mannen van romen</i>; ik meen
+ook te mogen wijzen op mijne Inleiding tot de fragmenten van het
+<i>Roelantslied</i>.
+
+<p class="footnote">Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor
+eene vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men
+den geest der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of
+wijzigingen vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den
+bewerker moeten zetten.
+
+<p class="footnote">Bij de vergelijking der bewerkingen van <i>Nibelungen</i>, <i>Roelantslied</i>,
+<i>Reinaert</i>, <i>Rinclus</i> e.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen
+van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende
+afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker.]<a name="126"></a>
+[Voetnoot <a name="4.22">22</a>: <i>Aiol</i> (ed. VERDAM), vs. 14&ndash;17.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.23">23</a>: T.a.p., vs. 390&ndash;405:
+
+<p class="footnotequote">&#8222;Verdoemt moete de maechscap sijn"
+&#8222;Ay, maechscap, wat heb di mi gedaen!"
+ enz.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.24">24</a>: Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095,
+1103 (pass.), 1147, 1248, 1515, 1774.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.25">25</a>: Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN
+EN ZOON. 1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook:
+BERGSMA'S <i>Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast</i>.
+(Groningen. 1890).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.26">26</a>: Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan.
+Maar JONCKBLOET was z bevangen door zijne studin der Oudfransche
+Chanson-de-geste&mdash;hoe uitnemende vruchten die studin
+ook hebben gedragen&mdash;en had daarbij z weinig geloof in het
+dichterlijk vermogen van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde
+hem reeds dadelijk afdoende voorkwamen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.27">27</a>: <i>Karel ende Elegast</i> (ed. KUIPER), vs. 768&ndash;9, 837&ndash;839, 923.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.28">28</a>: <i>Roof</i> was niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte
+onderscheid tusschen &#8222;diefte ende roof" (<i>Limborch</i>, X, 505). MAERLANT
+zegt in zijn <i>Rijmbijbel</i>, (I, p. 206): &#8222;Ne roof niet, hen si dijn"; in
+den <i>Spiegh. Historiael</i>, III, p. 374: &#8222;onse aerme worden rike
+met rove". Zie verder <i>Nederd. Regtsoudheden</i>, p. 282. De dichter
+van <i>Van den Levene ons Heren</i> legt het zelfs Jezus in den mond,
+(vs. 943).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.29">29</a>: Vs. 105 vlgg; 203 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.30">30</a>: Een overzicht van den <i>Oorsprong van den Graal</i> gaf TEN BRINK
+in eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie.
+Afzonderlijk uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.31">31</a>: Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van
+deelen der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door
+TE WINKEL, MOLTZER en FRANCK in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, X,
+XIII, XIV, XIX, en door VAN VEERDEGHEM in de <i>Bulletins de
+l'Acad. Royale de Belgique</i>, 3me srie, tome XX, n<sup>o</sup>. 12.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.32">32</a>: TE WINKEL, <i>Geschiedenis,</i> p. 190.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.33">33</a>: Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.34">34</a>: Vgl. <i>Maerlant's Werken</i> door Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg.
+
+<p class="footnote">Ook in <i>Floris en Blancefloer</i>, (vs. 58&ndash;59) wordt melding gemaakt
+van de geschiedenis <i>van Tristram en Ysoude</i>.]<a name="127"></a>
+
+<p class="footnote">In het gedicht <i>Van den Levene ons Heren</i>, vs. 15, wordt onder de
+romans waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die
+
+<p class="footnotequote"><i>Van Pyramuse</i>, hoe hi sijn leven
+Verloos....
+</p>
+
+<p class="footnote">In de Oudfransche literatuur bestond een roman van dien naam.
+(Vgl. P. DE JULEVILLE'S, <i>Histoire</i> etc., I, 244).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.35">35</a>: Zie JONCKBLOET'S <i>Inleiding</i> op Deel II, p. CCVI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.36">36</a>: Vgl. o.a. III, 22557 vlgg.; IV, 2149-'50.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.37">37</a>: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIII, 38.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.38">38</a>: VERWIJS geloofde aan twee dichters. Zie zijne Inleiding, p. XXIX.
+Bij zijne argumenten moet nog gevoegd worden dat in het eerste
+deel niet 19 assoneerende rijmen voorkomen, maar 28 (vgl. vs.
+59&ndash;60, 121&ndash;122, 563&ndash;4, 605&ndash;6, 669-'70, 711-'12, 1029-'30,
+1331&ndash;2, 1673&ndash;4).
+
+<p class="footnote">Deze voorstelling werd door JONCKBLOET bestreden. (Vgl. zijne
+<i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, I, 310). Ik zou mij eer aan de zijde van J.
+scharen; doch acht den strijd niet zoo heel gewichtig, omdat in allen
+gevalle de geest der bewerking doorgaans dezelfde blijft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.39">39</a>: Zie o.a. RH&#374;S, <i>Studies</i>, 93, 105 en PETIT DE JULEVILLE
+a.w. I, 310.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.40">40</a>: Vgl. vs. 1360 vlgg. (liefdesoverpeinzingen); 1671-'6 (dialoog);
+1658 en 1666; vs. 1182 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.41">41</a>: Vs. 75 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.42">42</a>: Vs. 319, 2057, 5328, 4984; andere dergelijke uitdrukkingen:
+399&ndash;400, 402&ndash;4, 1170, 2099.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.43">43</a>: Vs. 5035, 5056; 2768-'84; 3500 vlgg. (waar de afschuwelijke
+reuzin PANTASALE &#8222;scone wijf" wordt genoemd); 3365, 3524, 3533.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.44">44</a>: Vgl. het in menig opzicht uitnemend proefschrift van Dr. A.
+VAN BERKUM: <i>De Middelnederlandsche bewerking van den Partonopeusroman</i>.
+(Groningen, WOLTERS. 1897.)]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.45">45</a>: Zie VAN BERKUM a.w. LXIII, LXVII, LXXI; CXV; CIV;
+CIII, CXXXIII; XLIV; CV, CVI, CVIII; XCVII, CXII-CXIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.46">46</a>: Die opvatting in vs. 3&ndash;13, 53&ndash;75, 1012 (door MOLTZER
+blijkens zijne aanteekening niet begrepen); vs. 1365 (waar met het
+hs. <i>sot</i> moet worden gelezen).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.47">47</a>: Vgl. vs. 22, 86; vs. 19&ndash;20; al te lange verzen of zulke waarin
+men geen rhythme hoort zijn b.v. vs. 1900, 1918, 2005, 2058, 2339,
+2647, 2859, 3567, 3853.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.48">48</a>: Uit vs. 282&ndash;4 zou men opmaken, dat D.v.A. meer dan een<a name="128"></a>
+redactie van het verhaal heeft gekend. Van de twee door ED. DU MRIL
+uitgegeven redactie's van het Fransch gedicht, staat A dichter bij
+DIEDERIC'S werk dan B; echter heeft DIEDERIC waarschijnlijk eene
+ons onbekende redactie gevolgd. Die redactie zal wel dezelfde zijn
+geweest als of dicht gestaan hebben bij de door FLEKE gebruikte: in
+vs. 272-'82, 474-'95, 1562-'81, staat D.'s bewerking dichter bij die
+van FLEKE dan bij version A.
+
+<p class="footnote">Vgl. over de verhouding der onderscheiden redacties: MOLTZER'S
+Inleiding voor zijne uitgave; H. SUNDMACHER, <i>Die altfranzsische
+und mhd. Bearbeitung der Sage von Flore und Blanscheflur</i>. (Gttingen.
+1872) en H. HERZOG in <i>Germania</i>, 1884, 149. SUNDMACHER
+overschat FLEKE'S bewerking, die hij bespreekt alsof ze een oorspronkelijk
+werk ware; onderschat de Middelnederlandsche. HERZOG'S stuk is vol
+geleerdheid, gewaagde onderstellingen en slotsommen.
+
+<p class="footnote">Op vele plaatsen is DIEDERIC'S bewerking veel uitvoeriger dan het
+Fransch. B.v. in vs. 213-'30, 322-'48, 474-'95, 519-'34, 1562-'81,
+1922-'31, 2148-'54, 2219-'22, 2224-'48, 2735-'50, 2750&ndash;2820,
+2827-'31, 3173-'95, 3376-'81.
+
+<p class="footnote">Niet in het ons bekende Fransch komen voor: 272-'82, 378-'9,
+410-'20, 570-'85, 714&ndash;831 (iets daarvan in version B), 2197&ndash;2204,
+2841-'9, 2887-'9, 3139-'49, 3396&ndash;3415, 3482-'97.
+
+<p class="footnote">Van deze plaatsen vindt men voor een klein deel iets bij FLEKE;
+maar DIEDERIC gaat ook daar doorgaans zijn eigen weg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.49">49</a>: Vgl. vs. 657&ndash;8, 2138, 2830, 2908, 3201, 3762, 3832, 4534, 4749,
+4783, 4839, 5275, 5392.
+
+<p class="footnote">Ook in de Fransche epische pozie was dit heiligen-rijm bekend.
+Vgl. NYROP in de vertaling van <i>Gorra</i>, p. 383.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.50">50</a>: Vgl. FRANCK'S uiteenzetting in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIX,
+45&ndash;46.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.51">51</a>: In den <i>Merlijn</i> wordt vs. 31706 zekere ridder <i>Morian</i> genoemd
+(&#8222;Dander was Morian, als ic versta"). Waarschijnlijk hebben wij hier
+echter te doen met een bedorven tekst; immers diezelfde ridder wordt,
+verderop in dat hoofdstuk, tweemaal <i>Moriaval</i> genoemd (vs. 31942,
+31989). Misschien had het hs. <i>Moriau'</i>; het is bekend hoe licht <i>u</i> en
+<i>n</i> verwisseld werden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.52">52</a>: Vgl. Dr. BERGSMA'S uitgave van <i>K.e.E.</i>, bl. 47&ndash;48. Bij de
+daar opgegeven plaatsen moet nog gevoegd worden: vs. 112 (het
+tooverkruid uit den <i>K.e.E.</i>) en <i>M.</i> 607&ndash;8 = <i>K.e.E.</i>, vs. 1205&ndash;6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.53">53</a>: JONCKBLOET hield ook dezen roman voor vertaald; doch de
+bewijsgronden, door hem aangevoerd, zijn zwak. Van een Fransch<a name="129"></a>
+origineel is niets bekend; J. zelf houdt de aanwijzing bij ROQUEFORT
+(II, 33) voor eene vergissing; de door R. aangehaalde plaatsen (II, 129),
+meerendeels gemeenplaatsen, hebben weinig bewijskracht. Ook kan
+men den proloog maar niet wraken of uitleggen, zooals J. doet. Er
+zijn inderdaad vele verwijzingen naar een bron of bronnen (bij
+VOSTAERT meer dan bij PENNINC); doch die geven nog geen recht
+om aan te nemen, dat hier een voorbeeld werd nagevolgd.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.54">54</a>: Deze elementen aangewezen door JONCKBLOET in zijne uitgave
+van den roman (II, 152&ndash;153).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.55">55</a>: Vgl. RH&#374;S, <i>Studies</i>, 105 en 55; <i>Lancelot</i>, II, 40393; <i>Walewein</i>,
+vs. 1010 vlgg.; 3550 vlgg. en II, p. 153.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.56">56</a>: Vgl. JONCKBLOET'S uitgaaf II, 135.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.57">57</a>: Gevoel voor het ridderwezen in vs. 1846 vlgg.; 4333 vlgg.; de
+beschrijving van het gevecht, vs. 10598&ndash;10635. VOSTAERT heeft eens
+de platte vergelijking van een bloedenden ridder bij eene geslachte
+koe. (8830&ndash;1).
+
+<p class="footnote">De godsdienstige tint in vs. 147&ndash;9, 236&ndash;8, 292&ndash;4, 378&ndash;9, 384,
+460, 478-'81, 495 vlgg., 574&ndash;6, 666, 1154&ndash;6, 1326-'30, 2684,
+2695, 2980&ndash;4, 3010, 3049-'51, 3360-'66, 3626-'33, 3649-'50, 3714,
+3875-'7, 3946-'54, 4020-'1, 4064-'5, 4097 vlgg., 4268-'9,
+4348-'52, 4436-'7, 4758 vlgg., 6138, 6142, 6683 vlgg., 7049-'55,
+7198&ndash;7200, 7687-'8.
+
+<p class="footnote">Bij VOSTAERT: 8118-'9, 8133-'5, 8380-'5, 8478, 9272-'7, 9376-'7,
+9531, 9866, 11088.
+
+<p class="footnote">De moralizeerende toespraak van den dichter tot zijn publiek
+(4838&ndash;4845) zou ik dan ook niet met JONCKBLOET willen schrappen,
+als van een afschrijver afkomstig.
+
+<p class="footnote">Over de taal vgl. JONCKBLOET II, 135. Verscheidene daar genoemde
+woorden komen echter ook in later tijd voor.]<a name="130"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>2. GEESTELIJKE POZIE.</h2>
+
+<p class="intro">Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke pozie. <i>Van den
+Levene ons Heren</i>. Heiligenlevens. <i>Rinclus</i>. Ontstaan der mystiek.
+Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schnau. Mechthild van Maagdeburg.
+Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies,
+Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van
+Tongeren. <i>Leven van Sinte Lutgart</i>. De Minne. Hadewych.
+
+<p>Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken,
+daar ging haar streven in dezelfde richting als dat
+der geestelijkheid die de Christelijke idealen, voor een deel
+althans, tot werkelijkheid trachtte te maken. En dat was niet
+het eenige punt, waar deze beide standen elkander raakten.
+Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel behoorden,
+lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een Westvlaamsch
+auteur der 14<sup>de</sup> eeuw gaat zelfs zver dat hij zegt:
+
+<p class="quote">Van vier moneken sijn die drie
+Gheboren van groten maghen.<a href="#5.1">[1]</a>
+</p>
+
+<p>In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige
+maatschappij vereenigd.
+
+<p>Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een
+scherp verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens.
+Waar de adel, alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen
+ontzag om zijn doel te bereiken, daar kwam hij in botsing met
+die geestelijken welke, hunne roeping getrouw, den blik op
+het eeuwige gevestigd hielden.<a name="131"></a>
+
+<p>De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde
+zonder wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en
+te lezen gaven, moest kwaad zijn in de oogen van vrome
+geestelijken. Daartegen waarschuwen moesten zij plicht achten.
+Doch dan mochten zij het niet laten bij waarschuwen; dan
+moesten zij trachten den verkeerden invloed dier ridderromans
+te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen
+op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg
+ontstond geestelijke pozie als eene terugwerking der ridderpozie.
+Wij hebben reeds vroeger eene plaats uit het <i>Leven van
+Sinte Lutgart</i> leeren kennen, die ons dien gang van zaken
+toont<a href="#5.2">[2]</a>.
+
+<p>Tegenover al die &#8222;sagen van wigen och van tavelronden",<a title="[margin: Verhalen van oorlogen en tournooien.]"><sup>#</sup></a>
+van &#8222;minne" die niet tot de &#8222;gerechte minne", nl. de liefde
+tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN AFFLIGHEM zijn leven
+van de maagd LUTGARDE &#8222;dat vromelic es ende goet". Eene
+tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedicht <i>Van
+den levene ons Heren</i>. In den proloog van dat werk waarschuwt
+de dichter zijn publiek tegen zoo menige &#8222;rime die ter zielen
+luttel smaect"; hij heeft daarbij het oog op verhalen
+
+<p class="quote">Van battalien ende van minnen
+Van meneghen die wi niet kinnen:
+Van Roelande ende van Oliviere,
+Van Alexandre ende van Ogiere,
+Van Walewaine ende van siere macht,
+Hoe hi jeghen sine viande vacht;
+Van Digenen, hoe hi sijn lijf
+Tormente omme een scone wijf;
+Van Pyramuse hoe hi sijn leven
+Omme minne verloos....<a href="#5.3">[3]</a>
+</p>
+
+<p>Doch dat zijn alles &#8222;boerden", al zijn zij op schrift gebracht.<a name="132"></a>
+Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarin <i>waarheid</i>
+verkondigd wordt: van &#8222;waarheid" spreekt zijn werk, immers
+van den heiligen Christus.
+
+<p>Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd
+om de kern van het werk: de verlossing van het menschdom,
+zijn hier door een echt dichter vereenigd tot een geheel dat
+hooge waarde heeft<a href="#5.4">[4]</a>.
+
+<p>De ons onbekende maker, misschien een &#8222;clerc", heeft zijne
+stof tusschen 1260&ndash;1270 bewerkt, zooals hij die had leeren
+kennen uit den bijbel en uit andere bronnen<a href="#5.5">[5]</a>. Onder die
+andere bronnen moeten de zoogenaamde apocriefe evangelin
+in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel kreeg de
+christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei
+uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch
+behalve die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken,
+vond men andere evangelin over JEZUS, MARIA, JOZEF,
+PILATUS, JOZEF van Arimathea en andere heilige personen, die
+als een sterke onderstroom het godsdienstig gemoedsleven
+onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke bijbelboeken
+waren voor het grootste deel des volks te sober, te verheven;
+de apocriefe evangelin wisten hun allerlei te vertellen waarover
+de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht
+naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES
+afliep; van JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar
+aanwezige heilige mannen uit het Oude Testament, ondanks
+het verzet der duivelen, verloste. Aan het gewoon-menschelijke,
+het dagelijksche is in deze verhalen meer plaats vergund; maar
+ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte. Dat alles
+trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken
+die n was met het volk waaronder hij stond, al stak hij
+boven hen uit door zijne dichterlijke gaven.
+
+<p>Dat dit gedicht volkspozie bevat, zou men reeds vermoeden,<a name="133"></a>
+wanneer men ziet welk een warme liefde tot de misdeelden
+den dichter bezielde:
+
+<p class="quote">Selen wy dragen bont ende grau,
+Ende ons sieren als enen pau,
+Ende die arme sal sijn in selc bedwanc,
+Dat hi ne sal hebben spel no sanc?
+</p>
+
+<p>Maar niet alle vr het volk geschreven pozie is volkspozie.
+Deze is het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de
+wendingen der volkspozie, zooals wij die van elders kennen.
+Zoo b.v. de rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIL
+Gods wil aan MARIA komt boodschappen:
+
+<p class="quote">Vant hi Marien ter venstren staen?
+Vant hise achter<a title="[margin: langs.]"><sup>#</sup></a> straten gaen ?
+Vant hise in plaetsen<a title="[margin: pleinen.]"><sup>#</sup></a>, vant hise int spel?
+Neen hi, niet; die maecht pensde al el<a title="[margin: andere dingen.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Zoo ook wendingen der verhalende volkspozie als: &#8222;Doe
+sprac een jode: Heren, hort na my"; het afgebrokene in den
+zinbouw, den korten vleugelslag van des dichters gedachten<a href="#5.6">[6]</a>.
+
+<p>De naeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige,
+die wij later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken,
+openbaren zich hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid
+van toon, een doorvoelen van JEZUS' lijden, zooals
+later MEMLINC het ons te zien zal geven. Telkens hooren wij
+van &#8222;dat zoete kint", zijne heilige, zijne gebenedijde hand, zijn
+zoete hart; God &#8222;van hemele", &#8222;d'alweldeghe God", de heilige
+engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in verzen als:
+&#8222;Kinder, seit hi, hoert na mi" of &#8222;Kinder, seit hi, lieve vrient"<a href="#5.7">[7]</a>.
+De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat tegen
+HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel
+als een hond; hij is een &#8222;dief" (in de taal onzer voorouders:<a name="134"></a>
+het inbegrip van alle kwaad), een &#8222;onreyne drake"; ten laatste
+wordt hij krankzinnig, het helsche vuur gloeit uit zijne oogen<a href="#5.8">[8]</a>.
+Geen woorden genoeg heeft de dichter om de Joden uit te
+beelden in hunne felheid, die hen doet schuimbekken; in het
+welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en martelen;
+in hun schamperen spot<a href="#5.9">[9]</a>. Die haat en die liefde zijn beide
+in hooge mate naef. &#8222;God is een goed wreker", zegt de dichter,
+&#8222;al spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: &#8222;Hart, kondt
+gij spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden
+klagen". Van GABRIL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer
+bracht en ter verklaring daarvan: &#8222;Hine dorst laten, want hi
+was God". De duivel spreekt van &#8222;mijn hel"<a href="#5.10">[10]</a>.
+
+<p>Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden
+verminderde den afstand tusschen God en de geloovigen, die
+niet zich verhieven tot Hem maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen,
+door latere geslachten in acht genomen, bestaan voor
+dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt niet, de schamele
+hut, het &#8222;huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt, met
+zachte ironie &#8222;dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS
+te zeggen, dat hij &#8222;zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende,
+of ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij
+onder stoelen en banken door kruipt om bij JEZUS te komen<a href="#5.11">[11]</a>.
+
+<p>Zooals de dichters der ridderpozie zich eene klassieke oudheid
+schiepen naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde
+deze volksdichter met de bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling
+van het maatschappelijk en huiselijk leven in Palaestina,
+geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving, zooals lang vr
+hem de dichter van den Oudsaksischen <i>Hljand</i> had gedaan.
+JEZUS deelt aan zijne twaalf &#8222;gezellen" mede, dat de smartelijke
+kruisdood hem wacht; de &#8222;gezellen" zwijgen op dat bericht,
+maar PETER &#8222;zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord
+en wenscht dat JEZUS nog berouw moge krijgen over hetgeen<a name="135"></a>
+hij gezegd heeft: &#8222;Ghi sijt een so scone man", zegt hij, &#8222;hoe
+komt zoo iets dan in uwe gedachten?"
+
+<p>Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld
+staand of zittend &#8222;in een rinc", zooals dat van ouds ook hier
+te lande gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die
+aan MAHOMED gelooven; zij komen &#8222;met manne ende maghe"
+te samen; hun hoogepriester wordt &#8222;bisschop" genoemd, PILATUS
+noemt zich zelven &#8222;meier". Hier en daar klinken tonen uit de
+ridderpozie door deze geestelijke pozie heen: wij treffen woorden
+aan als stegereep<a title="[margin: stijgbeugel.]"><sup>#</sup></a>, ghereide en vorboech"<a title="[margin: borstriem.]"><sup>#</sup></a>, als &#8222;glavin"
+voor lansen; geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij
+JEZUS' graf; van een slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande
+uitdrukking gebezigd: &#8222;dat hi en horde no en sach"<a href="#5.12">[12]</a>. Het
+wonder van het droogvoets trekken der Isralieten door de
+Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de Roode Zee
+maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der elementen
+herinnerend aan den baaierd vr de schepping, ergens ver weg
+in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op
+zijne zwerftochten bezocht<a href="#5.13">[13]</a>.
+
+<p>Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen
+dichter die het leven van JEZUS z medeleeft, welt pozie op
+telkens wanneer een deel van dat leven hem sterk ontroert.
+Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S moederweelde schetst:
+
+<p class="quote">Sat Maria, ghinc se ochte stoet<a title="[margin: of stond zij.]"><sup>#</sup></a>,
+Sie custe dicke<a title="[margin: dikwijls.]"><sup>#</sup></a> haers kindes voet,
+Daer sijt in die wieghe leide ofte nam;
+Soe lanc soe meer tkint haer bequam<a title="[margin: behaagde.]"><sup>#</sup></a>.
+Als tkint weende, haer was onsachte,
+Sie sweghet<a title="[margin: suste.]"><sup>#</sup></a> minlike, soete ende sachte;
+Als tkint hadde honger ofte dorst,
+Sie gaf hem haer ghebenedide borst;<a name="136"></a>
+Sine cleder waren altoos wit,
+Nieuwe gedweghen<a title="[margin: pas gewasschen.]"><sup>#</sup></a>, groot recht was dit;
+Sijn bat ne was no heet no cout,
+Met rechte was tkint sire moeder hout<a title="[margin: genegen.]"><sup>#</sup></a>.
+Maria herde wel dies wachte,
+Dat sine wieghe was scone ende sachte;
+At sie, dranc sie, al dat sie dede,
+Haer oghen volgden den kinde mede.
+</p>
+
+<p>Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen,
+lachend tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend
+oogenblik zullen treffen:
+
+<p class="quote">Daer tkint sach blicken<a title="[margin: schitteren]"><sup>#</sup></a> tscarpe swert,
+Tkint loech ten mordenare wert.
+</p>
+
+<p>Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van
+het rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat
+zijn verhaal telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud
+Driekoningen-lied te hooren in:
+
+<p class="quote">Drie coninge woenden in Orint,
+D'een den anderen wel ghehent<a title="[margin: naburig.]"><sup>#</sup></a>.
+. . . . . . . . . . . . . . .
+Een werf<a title="[margin: eens]"><sup>#</sup></a> in ere avontstont
+Een clare sterre an den hemel stont.
+. . . . . . . . . . . . . . . . . .
+Sie lasen op, (sie lasen) nedere,
+Ter sterren si keerden wedere.
+. . . . . . . . . . . . . . .
+Een coninc vant ende las,
+Wat dat scone boekijn<a title="[margin: voorteeken.]"><sup>#</sup></a> was.
+ Enz.<a name="137"></a>
+</p>
+
+<p>Z dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen
+gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan
+van het epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier
+bestaande liederen door den dichter tot een geheel zijn verenigd<a href="#5.14">[14]</a>.
+Doch al acht ik dit niet waarschijnlijk, voor zeker
+houd ik, dat het gedicht, ware het in beter toestand tot ons
+gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het nu reeds doet.
+
+<p>Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere
+van zijnen Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den
+ombouw en het bijwerk waarmede een latere tijd haar heeft
+ontsierd, dan zou eerst duidelijk blijken, hoe oorspronkelijk
+van opvatting dit voortbrengsel van nave kunst is en welk
+een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert.
+
+<p>Niet van alle geestelijke pozie, welke wij meenen te mogen
+brengen tot de 13<sup>de</sup> eew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan
+is uit eene terugwerking der ridderpozie. Trouwens, ook
+werken als het <i>Leven van Sinte Lutgarde</i> en <i>Van den Levene
+ons Heren</i> zijn natuurlijk niet voortgebracht louter uit begeerte
+om tegenover de ridderromans geestelijke pozie te plaatsen.
+Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te verdiepen in het
+eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te verdiepen
+in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn
+der christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere
+werken ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen,
+tegenovergesteld aan den geest en het karakter der
+ridderpozie.
+
+<p>Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13<sup>de</sup> eeuw, dat ons
+een fragment van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft,
+bevat een aantal berijmde levensverhalen van heiligen: <i>van sente
+Marie Egyptiake, van sente Eustaesse, van sente Aechte, van
+sente Caterine, van sente Waerneer</i><a href="#5.15">[15]</a>.<a name="138"></a>
+
+<p>Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen.
+De meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben
+geteld en geven een eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen
+der bovengenoemde heilige vrouwen en mannen.
+Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit het Latijn; ook het
+beroep op eene &#8222;scrifture" dat men in het leven <i>van sente
+Eustaesse</i> vindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De
+legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen
+algemeen verbreid geloof aan een, jaarlijks door de Joden
+gebracht, offer van een Christenkind &#8222;wit<a title="[margin: blank.]"><sup>#</sup></a>, blosende ende root."
+
+<p>Dat deze heiligenlevens van ne hand zijn, is natuurlijk
+mogelijk; doch het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij
+van de meeste slechts betrekkelijk kleine fragmenten hebben.
+Misschien moet men het onwaarschijnlijk achten, omdat b.v.
+het leven <i>van sente Aechte</i> zooveel assoneerende rijmen vertoont,
+terwijl die in de overige fragmenten schaarscher zijn of,
+zooals in het leven <i>van sente Marie Egyptiake</i>, schijnen te
+ontbreken<a href="#5.16">[16]</a>. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen
+hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht:
+dat het aanhooren van zulk een levensverhaal onder
+hunne goede werken moge medegerekend worden<a href="#5.17">[17]</a>.
+
+<p>Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst
+worden gerekend een klein fragment van <i>de boec der biechten</i>,
+dat eveneens in het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT
+gevonden wordt. Vermoedelijk is dit werk uit denzelfden tijd
+als de bovengenoemde heiligenlevens. In allen gevalle is het
+aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk vervaardigd zal
+zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar reeds in
+de 9<sup>de</sup> eeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die
+aan de Denen het evangelie zouden verkondigen<a href="#5.18">[18]</a>.
+
+<p>Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het
+middeleeuwsch Christendom de voorstelling van God als &#8222;een<a name="139"></a>
+goed wreker", volgens de uitdrukking in <i>Van den Levene ons
+Heren</i>. Het is niet geheel zeker maar toch m.i. waarschijnlijk,
+dat er reeds vr het midden der 13<sup>de</sup> eeuw te onzent een
+gedicht <i>van onses Heren wrake</i> bekend was, vertaald of vervaardigd
+door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht
+zal waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting
+van Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld
+te worden als Gods wraak over het ter dood brengen
+van JEZUS. In den proloog van zijn boek over den Graal
+en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht &#8222;wyde becant";
+was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding
+van het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd
+vereischt, en moet het dus ten minste in de eerste helft der
+13<sup>de</sup> eeuw ontstaan zijn<a href="#5.19">[19]</a>.
+
+<p>Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking
+van een Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12<sup>de</sup> of den
+aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoord
+<i>Miserere</i> genoemd wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar)
+van Moiliens werd gedicht<a href="#5.20">[20]</a>. In de geschiedverhalen onzer
+letterkunde wordt het kortweg <i>Rinclus</i> genoemd<a href="#5.20">[20]</a>. Het Fransche
+werk is in 12-regelige coupletten gedicht, een vorm die in de
+Nederlandsche overzetting behouden bleef. De 97 eerste coupletten
+werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp
+van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren
+HEINREC. Het gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de
+vragen: wat de mensch geweest is, wat hij is en wat hij zijn
+zal; het wekt op tot navolging der martelaren, tot het doen
+van de rechte keuze tusschen God en de wereld, het betoonen
+van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de dichter
+zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft
+zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van
+weelde, ijdel zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch leven<a name="140"></a>
+ontleend zijn. Ook de priesterschap en de kloosterlingen worden
+niet gespaard.
+
+<p>De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts
+de hoofdzaken van het origineel terug, of slechts het een en
+ander daarvan<a href="#5.21">[21]</a>. Soms heeft de Nederlander zijn voorbeeld
+niet begrepen en maakt hij er maar iets van; elders heeft hij
+een beeld weggelaten dat hij misschien geen kans zag weer te
+geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten, waaraan
+die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid ontleent.
+Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk
+die op het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel;
+in het Fransche verhaal <i>van Sint Maarten</i> die zijn
+mantel doorsnijdt, krijgt men &#8222;het stalen zwaard" te zien&mdash;de
+Nederlandsche bewerking spreekt slechts van de &#8222;snede die
+den mantel deelde in tween". Elders is eene tegenstelling
+grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene
+realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het
+Dietsch ingetogener dan het Fransch<a href="#5.22">[22]</a>.
+
+<p>Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun
+voorbeeld schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar
+voegen zij&mdash;GIELIJS meer dan HEINREC&mdash;iets van het
+hunne in; onder die invoegsels of wijzigingen zijn er die
+verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten. In n<sup>o</sup>. 33 is
+sprake van priesters die&mdash;zooals HEINE zegt&mdash;&#8222;water preeken,
+maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM
+niet als kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke
+&#8222;verlucht" met dit beeld: &#8222;eerst moet hij zelf
+de donkere diepte bevaren; dan zal hij wind in zijn zeil
+krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak &#8222;on veut bien
+tain pour argent" door: &#8222;want hi neemt rogge daer hi leent
+evene" (haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort
+van den rijke, heet het bij GIELIJS: &#8222;men sant hem niet dan<a name="141"></a>
+hontgebas". Van een begeerig man die verlangend voor een
+gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch: &#8222;tant huka<a title="[margin: schreeuwde.]"><sup>#</sup></a> et
+tant apela"; GIELIJS vertaalt: &#8222;Hi claterde der doren rinc".
+Elders vinden wij in het origineele gedicht een hoovaardige
+in dit vers: &#8222;orguieus va dou col coloiant"<a title="[margin: rek (reik)-halzend.]"><sup>#</sup></a>! Aardig geschetst;
+maar GIELIJS overtreft zijn voorbeeld met: "'t Hoot op hals als
+een hane die crait". Op een andere plaats weer heeft hij de
+voorstelling verlevendigd door het invoegen van een dialoog<a href="#5.23">[23]</a>.
+
+<p>Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten
+zoowel aan GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest;
+hier en daar vindt men zelfs plaatsen die woordelijk overeenkomen<a href="#5.24">[24]</a>.
+Maar alleen op grond van die bekendheid aan te
+nemen, dat de bewerkers van den <i>Rinclus</i> en MAERLANT tijdgenooten
+zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog
+op den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is
+om de Nederlandsche bewerking nog in de 13<sup>de</sup> eeuw te plaatsen.
+
+<h3>DE MYSTIEK.</h3>
+
+<p>De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde,
+breidde hare macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich
+zelve voor als de eenige bron van waarheid en recht. Doch
+al te velen onder hare machthebbers logenstraften door hunne
+daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid en kracht, wat zij
+met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag eener kerk,
+door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide
+in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling.
+
+<p>Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten
+voelden ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige
+geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten
+grond te herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden?
+
+<p>Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijn<a name="142"></a>
+tusschen God en den mensch&mdash;dan afgedaald in de eigen
+ziel, daar zelf den weg tot God gezocht.
+
+<p>Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig
+gemoedsleven der middeleeuwen langzamerhand die strooming,
+welke bekend staat onder den naam van: mystiek. Onder haar invloed
+ontwikkelde zich het gemoedsleven met eene vroeger niet
+gekende kracht; geen hoogte was meer te hoog, geen diepte te diep.
+
+<p>Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen,
+geestelijken en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen
+toestand der kerk. In de abdij van Molesme werd de geest van
+SINT BENEDICTUS vaardig over Vader ROBERTUS en zijne
+boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux het eerste
+Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde zonen
+van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren.
+Eene eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de
+grootsche en teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den &#8222;bruidegom
+der armoede", die zijn kort maar rijk leven besteedde aan eene
+poging om de kerk tot nieuw leven te wekken.
+
+<p>Omstreeks het midden der 12<sup>de</sup> eeuw zien wij een paar
+abdissen van Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD
+VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHNAU zich met hare profetische
+beden wenden tot keizer, paus, bisschoppen en abten.
+Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese van Lyon tot paus
+ALEXANDER III met het verzoek om de armen het evangelie
+te mogen verkondigen.
+
+<p>Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen.
+In de voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen
+gesneuveld; hunne vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven,
+zwierven bedelend rond, werden de prooi van ruw geweld of
+leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier, gelijk zoo
+menigmaal in de middeleeuwen, de individun, machteloos op
+zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingen<a name="143"></a>
+der Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren,
+in Leuven vindt men begijnhoven reeds in den aanvang
+der 13<sup>de</sup> eeuw; Luik zag omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen
+als in eene afzonderlijke kleine stad vereenigd; Keulen
+telde er omstreeks het midden der 13<sup>de</sup> eeuw duizend; nog
+vr het einde dier eeuw waren er ten minste zestien plaatsen
+in Belgi die een begijnhof bezaten.
+
+<p>Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12<sup>de</sup> en
+13<sup>de</sup> eeuw zijn eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij
+hier in het bijzonder het oog moeten richten, omdat het ons
+vergund is een blik te slaan in haar godsdienstig gemoedsleven.
+
+<p>Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD
+VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHNAU, beide draagsters
+van beroemde namen in de geschiedenis der mystiek.
+
+<p>HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104&ndash;1178
+en stierf als abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook
+hier te lande bekend. De bisschoppen: RUDOLF van Luik,
+GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den Elzas, een
+Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden
+haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar
+in het Roermondsche, een krans hebben gezonden.
+
+<p>Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften
+door haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels
+in het Latijn opgesteld; de Duitsche werken zullen later door
+haar biechtvader GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht.
+Haar voornaamste geschrift heet: <i>Scivias sive Visionum ac
+Revelationum libri tres</i><a href="#5.25">[25]</a>. Zij zegt ons daarin o.a. dat zij alle
+dingen ziet in een buitengewoon licht, dat als een vlam hare
+ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt zij <i>visioen</i>.
+In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg, ijzerkleurig;
+daarop gezeten iemand van wien zulk een luister uitstraalt, dat
+<a name="144"></a>
+zij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem. Deze
+berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van
+Gods heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden
+koningstroon en daarop gezeten een jongeling van zooveel
+glans dat zij hem niet kan aanzien. Telkens ziet zij schitterend
+licht, schitterende torens en kolommen. Ook wel een menschenhoofd
+met zes vleugels.
+
+<p>Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van
+ELISABETH, &#8222;magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S
+antwoord.
+
+<p>Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders
+geboren (1129). Van der jeugd af leidde zij een ascetisch leven,
+droeg het haren kleed op het lichaam, was omgord met een
+ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig voedsel; alles onder
+veel weenens en biddens. In het klooster Schnau bij Bingen,
+waar zij van 1141&ndash;1165 leefde, ontvangt zij, evenals HILDEGARDE,
+last van God om de menschen op te wekken tot berouw
+en bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last
+te onttrekken door aan te voeren dat zij niet &#8222;wel ter tale" is
+(&#8222;nescio loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften
+berispt zij vooral de geestelijken om hunne hebzucht
+en heerschzucht, hun hoogmoed, weelde en wellust. Ook den
+paus spaart zij niet.
+
+<p>Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke
+spanning. Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot
+wiel van vuur; een kruis, oogverblindend in gouden glans;
+een hoogen berg en op den top schitterend het Lam Gods;
+op een wiel eene ladder welker top de hemelen schijnt te doorboren;
+naast het wiel een man met goudglanzend hoofd, haar
+als witte wol, schitterende oogen; vr Gods troon vier dieren,
+die vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn
+vol oogen; een hoogen berg, welks top schittert van licht;
+<a name="145"></a>
+van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische
+beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt
+dikwijls mede op welken tijd, onder welke omstandigheden zij
+in dien toestand van extaze geraakt en hoe lang die toestand
+aanhoudt<a href="#5.26">[26]</a>.
+
+<p>Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls&mdash;geen wonder
+bij zulk een lichaams- en gemoedstoestand&mdash;wordt zij overvallen
+door droefheid en somberheid. Zelfs het gebed, anders
+haar hoogste genot, staat haar dan tegen. Zij werpt haar psalmboek
+van zich. Wel schrikt zij van die daad en grijpt het terstond
+weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare somberheid.
+De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den
+Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven
+is? Ook aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent
+zij over zekere droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het
+leven gaat haar walgen. &#8222;Maak er een eind aan" blaast de Booze
+haar in. Doch God waakt over haar, ook in hare ellende.
+
+<p>Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw
+in niet geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen
+vooral vond men in de 13<sup>de</sup> eeuw een aantal vrouwen, daaronder
+vele adellijke, die haar leven verdeelden tusschen mystieke
+overpeinzing en het verplegen van zieken en melaatschen<a href="#5.27">[27]</a>.
+Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG
+(c. 1212&ndash;1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een aantal
+liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar
+innerlijk leven ten deele blootlegt.
+
+<p>Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen
+over de zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging
+berokkend te hebben. Doch gewichtiger dan zulke
+uitingen zijn voor ons die over de gewijde liefde, de <i>minne</i>
+als middelares tusschen God en de ziel. Evenzeer die over de
+zondige begeerten, welke des menschen lichaam en zijne ziel<a name="146"></a>
+in vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De geweldige
+Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij aanschouwd
+heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne
+en de Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het
+zijn telkens weer uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne.
+Vrouw Minne heeft haar beroofd van vrienden en magen, van
+wereldsche eer en rijkdom; heeft haar ziekte berokkend, heeft
+haar vleesch en bloed verteerd&mdash;maar ook, welk een rijken
+schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen.
+
+<p>Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen,
+uit streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en
+een ketterjager zou deze zorgeloos rondzwevende vogels licht
+onder schot kunnen krijgen. MECHTHILD laat zich gaan, zooals
+een dichteres dat doet. Want pozie is hier in zoo menige
+uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart met &#8222;een
+kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij Suso
+vindt". Pozie is ook in beelden en vergelijkingen als deze:
+wie van minne sterft, dien moet men in God begraven; van
+het leven in God sprekend: zegt zij: de visch kan in het water
+niet verdrinken; de genade komt van boven: dat de arend zoo
+hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil te danken; de ziel moet
+zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die in de val zit
+en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige Drievuldigheid,
+zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner
+moeder en zich vlijt aan haar borst.
+
+<p>De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland
+hebben waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen.
+De eerste helft der 12<sup>de</sup> eeuw was nog maar even voorbij,
+toen de abdij Klaarkamp in Friesland als het eerste Cistercinser-klooster
+verrees. Tal van andere kloosters kwamen uit dit
+moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters: Syon en Nazareth<a name="147"></a>
+in Friesland, Jesse bij Groningen, Marinkamp bij Assen,
+Marinhorst bij Deventer, Marindaal bij Utrecht. In de meeste
+dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende,
+als de abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond
+men addellijke jonkvrouwen en daaronder ettelijke die de namen
+droegen van RENESSE, ALKEMADE, TEILINGEN, DUVENVOORDE.
+
+<p>Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen
+van een hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het
+Praemonstreiter klooster Maringaarde gold het als een bewijs
+van innige vroomheid en tevens als eene groote genade-gave:
+&#8222;totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het dankgebed
+na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een toestand
+verkeerde, werd &#8222;intus debriatus" genoemd. Ook van het
+zoogenaamde &#8222;tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen
+GERBRAND, tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar
+Citeaux huiswaarts keerde, werd hij ziek en stierf te Vervins;
+lang vrdat de tijding van zijn dood in Friesland was ontvangen,
+had eene non van het klooster Syon in een visioen
+den abt zien sterven.
+
+<p>Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische
+strooming in het Zuiden dezer landen.
+
+<p>Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam,
+werd hij getroffen door de menigte extatische vrouwen in die
+stad. Sommige konden in de zielen van anderen lezen; andere
+waren zoo krachteloos door verlangen naar den hemelschen
+bruidegom, dat zij in vele jaren slechts enkele malen van haar
+bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de tong zoo
+vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in
+zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor
+een steek met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos.
+
+<p>Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland
+is ons nader bekend geworden, uit de verhalen daarvan<a name="148"></a>
+in het Latijn opgesteld door THOMAS VAN CANTIMPR en
+JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN OIGNIES, in 1177 te
+Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als bagijn
+gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150&ndash;1224;
+MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21<sup>ste</sup> jaar overleed
+en LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige
+CHRISTINA in het klooster te Sint Truyen leefde en van daar
+naar het klooster Aquiria bij Kamerijk ging, waar zij in 1246
+stierf.
+
+<p>De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer
+zusteren, een streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor
+koude, al bevriest de wijn in de miskelk; voor pijn, voor
+honger. MARIA en MARGARETHA waren begaafd met het &#8222;tweede
+gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in Christus' lijden,
+vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij in extaze
+of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen
+lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van
+hare lippen dan: &#8222;ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer
+al het zinnelijke als een wolk uit hare ziel was verdwenen door
+de stralen van het goddelijk licht, dan ontving zij de vormen
+der godheid in hare ziel als in een spiegel. CHRISTINA onderscheidt
+zich van de overige door den sterken invloed dien het
+natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht welke
+hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke
+van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige
+begeerte naar mannen, die haar uit angst voor dien
+hartstocht tot Christus doet vluchten; die er haar toe brengt
+zich met doornen te geeselen, totdat zij de booze zinnen heeft
+getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid is, gaat haar
+dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van
+mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet
+meer kan verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden ver<a name="149"></a>zonken
+blijft en dat haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt,
+dat zij soms in diepen slaap viel wanneer zij zedelijk gekwetst
+werd door iets dat zij hoorde of zag<a href="#5.28">[28]</a>.
+
+<h3>LEVEN VAN SINTE LUTGART.</h3>
+
+<p>Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN
+TONGEREN te worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze
+gelukt het ook haar, slechts door de liefde tot den hemelschen
+bruidegom de zinnelijke liefde te overwinnen. In hare extazes
+ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks de Moeder Gods, de
+engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene rust voordat
+zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met Hem
+heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des
+nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger
+hadden gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en
+anderen, wordt ons verhaald, dat zij door aanraking met hare
+hand of door het strijken van speeksel wonderen verrichtte.
+
+<p>Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig
+voor ons<a href="#5.29">[29]</a>. Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door
+den bekenden Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk
+geslacht van Bellenghem, die gewoonlijk genoemd wordt naar
+de abdij van Cantimpr bij Kamerijk, waar hij een deel zijner
+jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een vertrouwd
+vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de eveneens
+bij Kamerijk gelegen abdij van Aywires (Aquiria). Dankbaar
+herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin&mdash;zij
+was omstreeks 18 jaar ouder dan hij&mdash;hem had getroost
+en opgebeurd, wanneer hij de moeilijke taak der biecht-afneming
+had te vervullen. Voor hem was zij een heilige; de gedachte
+dat hem, na haar scheiden uit dit leven, niets van haar zou
+overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was hem blijk<a name="150"></a>baar
+ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen
+behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze
+dan haar lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt
+hare behoefte aan een tastbare heugenis van geliefde dooden
+met een vlok haar&mdash;dit kind eener eeuw van forscher en grover
+zinnelijkheid wenschte hoofd of hand zijner vriendin voor zich
+om die, in zilver of goud beslagen, te bewaren<a href="#5.30">[30]</a>. Slechts haar
+rechterpink, haar &#8222;minste vingerkijn", had LUTGART, wien het
+ter oore was gekomen, hem half in ernst half in scherts toegezegd.
+Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een
+paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd
+abdis van Aywires, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de
+begeerde reliquie slechts, nadat hij de abdis beloofd had het
+leven zijner gestorven vriendin te zullen beschrijven.
+
+<p>Ter vervulling van die belofte schreef hij zijne <i>Vita Lutgardis</i>;
+dat werk moet voltooid zijn geweest vr 1248, het sterfjaar
+van HADEWYCH aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen.
+De schrijver had het verdeeld in drie deelen volgens de drie
+trappen van het ascetisch leven: het begin, den voortgang en
+de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons LUTGART'S leven
+in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het tweede omvat
+de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de Cistercinser-nonnen
+van Aywires; het derde hare elf laatste levensjaren.
+
+<p>Deze <i>Vita Lutgardis</i> nu is als leiddraad gebruikt door een
+Nederlandsch dichter bij het schrijven van zijn merkwaardig
+<i>Leven van Sinte Lutgart</i>. De dichter van dat werk, WILLEM
+genaamd, werd omstreeks 1210 te Mechelen geboren als een
+onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk geslacht der Berthouts;
+hij studeerde te Parijs, trad in de orde van Sint Benedictus,
+werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van Sint Truyen
+en stierf in 1297. Zijn <i>Leven van Sinte Lutgart</i> is door hem
+waarschijnlijk tusschen 1262&ndash;1274 gedicht<a href="#5.31">[31]</a>.<a name="151"></a>
+
+<p>Inderdaad, meer dan een leiddraad is de Latijnsche <i>Vita</i>
+niet geweest voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere
+verhaal van THOMAS in de gemakkelijk vloeiende verzen zijner
+omstandige en genoegelijk breedvoerige bewerking liet uitdijen
+tot een omvangrijk geheel; het tweede en het derde boek, die
+alleen tot ons zijn gekomen, omvatten samen reeds meer dan
+20.000 verzen<a href="#5.32">[32]</a>. WILLEM heeft slechts weinig weggelaten; wat
+hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden naam
+der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen.
+
+<p>Zoo vertelt THOMAS ons in zijne <i>Vita</i> van eene non, door
+den duivel bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt,
+dat zij zich meer dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven,
+indien vurige gebeden haar niet weerhouden hadden<a href="#5.33">[33]</a>.
+WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de non door den
+Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er angstwekkend
+uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons
+daarop van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong,
+het lichaam der bezetene te verlaten; van het gansche levendig
+tooneel dier duivelbezwering vinden wij daarentegen in de <i>Vita</i>
+weinig of niets<a href="#5.33">[33]</a>.
+
+<p>Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een
+invoegsel. In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets
+weg te laten, zijn voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens
+en opmerkingen van zich zelven ingevoegd. Zoo b.v. waar een
+paar van LUTGART'S visioenen beschreven worden en waar hij
+zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen, de
+dichters dwaas te noemen, omdat zij al die &#8222;fantasijen" van
+oude vrouwen beschrijven<a href="#5.34">[34]</a>. Zoo is ook hoofdstuk XVI van
+het Tweede Boek bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons
+daar eene levendige schildering geeft van den strijd tusschen
+LUTGART en de duivelen die haar voortdurend belagen; die
+zij verjaagt, &#8222;zooals iemand zich de vliegen met een kwispel<a name="152"></a>
+of een tak van het lijf houdt" en die haar z vreezen dat zij
+zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te naderen.
+
+<p>Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat
+genomen, om vermaningen te richten tot de &#8222;heren en vrouwen"
+die zich onder zijn gehoor bevonden of die hij elders door de
+lezing van zijn werk hoopte te bereiken. Hij waarschuwt de
+prelaten die hun plicht verzaken en wien het slechts om
+wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog,
+hoe LUTGART slechts door de &#8222;sterke minne" tot God den
+duivel en zijne trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen
+de oude hebzuchtige huichelaars, de &#8222;papelarde metten grisen
+langen barde", die den armen onder allerlei drogredenen het
+hun toekomende willen onthouden; hij betreurt de verslapping
+der kloostertucht en stelt de abdij van Afflighem aan andere
+ten voorbeeld.
+
+<p>Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal
+van bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen,
+anderzijds dient erkend, dat hij even vaak onderhoudend en
+levendig vertelt. Levendig en onderhoudend is b.v. de proloog
+van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger eenige verzen aanhaalden.
+En hoe aardig teekent hij in den proloog van het
+Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft
+bevangen onder de voordracht:
+
+<p class="quote">Dat heldekoppen<a title="[margin: knikkebollen.]"><sup>#</sup></a> ende nigen,
+Dat metten hoofden neder sigen
+Gaf mi litteeken<a title="[margin: blijk.]"><sup>#</sup></a> dat hem somen
+Die vaec in d'ogen ware comen.
+</p>
+
+<p>Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk;
+daar wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den
+beganen grond, maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk
+dichter; heeft ten minste eenige der wezenlijke eigenschappen<a name="153"></a>
+van een dichter. Men zou dat reeds vermoeden waar men hem
+de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na een gebed
+tot God, aldus vertelt WILLEM ons, z verheugd,
+
+<p class="quote">Meer dan u iemen soude mogen
+Geseggen wel met didscher spraken<a title="[margin: in het dietsch (de volkstaal).]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons
+beschrijft hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat
+gelaat van uitgelezen schoonheid, anders stralend van glans,
+nu zoo bleek en verslagen ziet van hartzeer; hoe donker haar
+gewaad, dat anders schittert heller dan het licht van een zomerschen
+dag. Fraai is het 4<sup>de</sup> hoofdstuk van het Tweede Boek,
+waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden
+den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde
+tot eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd
+dien eene mystieke vrouw te strijden had, vrdat zij rust in
+God vond, is ons in het zesde hoofdstuk van dat boek
+geschetst met de zachte gevoeligheid van omtrek die wij ook
+in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier vooral de verhouding
+eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er
+is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVI
+
+<p class="quote"> die har herte voeget
+So simpellic an onsen Here,
+Dat men ne can no min no mere
+Vergronden noch genemen ware
+Hoe 't tusschen hem stoet ende hare.
+Si es so schamel<a title="[margin: bedeesd.]"><sup>#</sup></a> ende so blode,
+Dat si mi soude ontdekken node
+Des iwent<a title="[margin: iets.]"><sup>#</sup></a> ochte condech maken<a href="#5.35">[35]</a>.
+</p>
+
+<p>Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook
+in de zorgzaamheid voor den vorm van zijn werk: zijne verzen<a name="154"></a>
+zijn gebouwd met eene regelmaat van stijging en daling, die
+eenig is in onze middeleeuwsche literatuur en zijne rijmen zijn
+zoo zuiver, dat men er te nauwernood eene enkele assonance
+onder aantreft<a href="#5.36">[36]</a>.
+
+<p>Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van
+WILLEM'S werk buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige
+voorstelling van het streven der ziel naar vereeniging met God,
+dat hij <i>minne</i> noemt. Als een stroom van wit licht doorgloeit
+die &#8222;minne" het <i>Leven van Sinte Lutgart</i>; in de <i>Vita</i> van
+THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een glimpje
+te zien.
+
+<p>Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware &#8222;minne" is,
+namelijk niet de wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de
+liefde der ziel tot God, dan moet men al zijne krachten inspannen
+om deze liefde deelachtig te worden. Maar lang is de weg
+en moeilijk de strijd. Menigeen die zich gewennen wil de minne
+te dienen en in haar school te gaan, streeft in den aanvang
+al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten. In
+den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar;
+doch indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich
+te nemen dan hij kan volbrengen, dan wachten hem schaamte
+en vernedering. Daarom moet hij die &#8222;der minnen rade volger"
+gestadig volharden in den goeden strijd. Want een strijd, eene
+worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART dwong
+met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer,
+haar al hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het
+haar niet weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij
+haar geene &#8222;zeghe vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen,
+krachtiglijk met gebeden worstelend tegen den hoogste des
+hemels. Maar wie eenmaal de minne als middelares tot vereeniging
+met God heeft leeren kennen, die blijft strijden. En<a name="155"></a>
+dan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne geschonken,
+zoodat hij in &#8222;orewoet"<a title="[margin: geestverrukking.]"><sup>#</sup></a> geraakt en verzwolgen wordt in der
+minne grondelooze diepte. LUTGART was in de school der
+minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar
+zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat
+geen geleerde met behulp van boeken en schrifturen verklaren
+kan<a href="#5.37">[37]</a>.
+
+<p>Ook andere nonnen van Aywires waren de genade der
+minne in meerdere of mindere mate deelachtig geworden; het
+spreekt van zelf, dat verwante zielen, die eenigen tijd de minne
+hadden gediend, behoefte hebben gevoeld, hare innerlijke
+ervaringen ten minste ten deele te bespreken, of te luisteren
+naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne het
+z ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen
+in de ziekenzaal van Aywires zitten, daarheen gekomen om
+LUTGART te hooren &#8222;disputeren van der minnen".
+
+<p>Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de
+eenige keer zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante
+zusters in het klooster zich hebben onderhouden over
+de hooge dingen die hare gansche ziel vervulden.
+
+<p>Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen
+aan die gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar z na aan
+'t hart lag, dat zij &#8222;het minste vingerkijn" der overledene niet
+missen en slechts voor eene levensbeschrijving der betreurde
+zuster wilde afstaan?
+
+<p>Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPR
+zijne <i>Vita Lutgardis</i> opdroeg, eene andere zijn geweest dan de
+mystieke, en tot nog toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare
+visioenen heeft geopenbaard en de minne verheerlijkt in zoo
+menig fraai en innig gevoeld lied?
+
+<p>Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op
+die vraag het antwoord geven.<a name="156"></a>
+
+<h3>HADEWYCH.</h3>
+
+<p>Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche
+werken in proza en pozie uit dezen tijd voor ons bewaard,
+die in een paar handschriften van de 13<sup>de</sup> en den aanvang der
+14<sup>de</sup> eeuw <i>visiones haywigis, epistole haywigis</i> en <i>ritmata
+haywigis</i> genoemd worden<a href="#5.38">[38]</a>.
+
+<p>De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen
+eene in extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen
+veelal over de minne; ook de epistolae behandelen vooral dat
+onderwerp, zooals reeds blijkt uit den aanvang: &#8222;God die de
+clare Minne die onbekint was, verclaerde bi siere doghet"; van
+de gedichten (<i>ritmata</i>) is de minne schering en inslag. Blijkbaar
+hebben wij hier het werk vr ons van ne dichteres die den
+naam HADEWYCH draagt; ook <i>in</i> haar werk wordt die naam
+een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan
+al deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde
+sfeer, waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen
+in ons land en in den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer
+wij in een van HADEWYCH'S visioenen melding gemaakt vinden
+van &#8222;Heldegaert die al de visione sach", dan zal het wel niet
+gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis HILDEGARDE
+VAN BINGEN bedoeld is<a href="#5.39">[39]</a>.
+
+<p>Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen
+en Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder
+krachtig ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele
+bagijnen noemt, zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze
+voorstelling nog aannemelijker. Op eene andere plaats in haar
+werk maakt HADEWYCH gewag van de &#8222;vrouwe van Nazaret".
+Waarschijnlijk hebben wij hier te denken aan BEATRIX VAN
+THIENEN, abdisse van het Cistercinser-klooster Nazareth (bij
+Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had<a href="#5.40">[40]</a>.<a name="157"></a>
+
+<p>Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken
+in een Cistercinser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat
+er in de abdij van Aywires of elders eene Cistercinser-non
+heeft geleefd, eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest
+verwant met al de hierboven genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk
+zal HADEWYCH, de dichteres, n zijn geweest met
+de abdis van Aywires aan wie THOMAS VAN CANTIMPR zijne
+<i>Vita Lutgardis</i> heeft opgedragen.
+
+<p>Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter
+de zuiver lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene
+jongere geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken
+met &#8222;lieve kint". Deze &#8222;joncfrouwe" is nog &#8222;ongheproeft
+van allen dinghen". HADEWYCH wekt haar op om zich in te
+spannen als iemand die den weg der Minne nog van meet af
+heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten ootmoed
+betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken<a href="#5.41">[41]</a>. Door middel
+van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen
+uit ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere
+SARA en EMME, wie zij verwijt dat zij zich te weinig bekommeren
+om de minne, die haar zelve &#8222;zoo vreseleke omvaen
+hevet in beroeringhen van onghecuster<a title="[margin: onbevredigd.]"><sup>#</sup></a> minnen".
+
+<p>Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw
+tot wie HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen
+over allen nood, goede daden verrichten, zieken verplegen. Zij
+zelve heeft dat ook gedaan totdat het haar verboden werd<a href="#5.42">[42]</a>.
+
+<p>Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S
+werken niet veel te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen,
+is gedeeltelijk nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar
+tiende jaar had de minne haar hart bedwongen; had God haar
+niet gesterkt, zij ware onder dien dwang bezweken. De meeste
+visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al kwamen
+zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd af<a name="158"></a>
+had zij haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden
+van al wat niet betaamt; z was zij geworden tot eene reine
+kolom in de kerk der heiligen<a href="#5.43">[43]</a>. Wel had zij reeds in hare jeugd
+een sterk zielsverlangen naar het genot van n te zijn met
+Gode; doch daartoe was zij toen nog te weinig volgroeid naar
+den geest; zij had er zich nog te weinig voor ingespannen. Leed
+en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot heiliging.
+
+<p>Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In
+een visioen was haar door God dit gebod gegeven: zij moest
+begeeren arm, ellendig en versmaad te zijn onder alle menschen;
+alle verdriet moest haar behagelijk zijn boven alle aardsche
+geneugten, ook al zou dat verdriet ondragelijk zijn voor een
+mensch. Zij moest der wereld vreemd worden, klein geacht bij
+de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten waar zij
+des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden
+haar begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren
+nood en hare ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare
+jeugdige vrienden: zij heeft niet onder de menschen gewandeld,
+hunne gewoonten niet gevolgd, noch in hun eten noch in hun
+drinken noch in hun slapen; niet zich gesierd met kleurige
+kleederen, nooit genoten van blijdschap die een menschenhart
+verblijden kan. Bedroef u&mdash;zegt zij tot het jonge meisje&mdash;zoo
+weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga,
+hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want
+het is al der minnen werk, dat de &#8222;vreemden" niet kennen<a href="#5.44">[44]</a>.
+
+<p>Op die gevangenschap die haar bedreigde en die &#8222;vreemden"
+komen wij terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling
+te vormen van haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is
+met behulp van het tot hiertoe medegedeelde.
+
+<p>Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne.
+&#8222;Mint de minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken.<a name="159"></a>
+Wie naar minne streeft, doch naar die stem niet luistert,
+dien klinkt zij vreeselijker dan de donder. Dat woord is de
+band daar de minne hare gevangenen mede bindt, het zwaard
+waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede zij hare
+kinderen kastijdt.
+
+<p>Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken
+in het bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en &#8222;het
+swaerste inder scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes:
+&#8222;Du salt minnen dinen Here, dinen God, van al dijnre herten,
+van al dijnre sielen, van al dijnren crachten"<a href="#5.45">[45]</a>. Die woorden
+mag de minnende ziel nimmer vergeten, slapend noch wakend.
+Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij, dan moet
+zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet
+dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid
+te verwerven, noch om der wille van eenig genot in
+den hemel of op aarde&mdash;maar alleen omdat het welbehagelijk
+is aan den hoogwaardigen God, die de menschelijke natuur
+daartoe geschapen heeft.
+
+<p>Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich
+neemt. Met de minne komt ook de vreeze het hart des minnaars
+binnen. Hij vreest, dat hij de minne niet zal kunnen voldoen;
+dat al wat hij over minne zegt, te gering zal zijn voor haar.
+En wel bestaat er reden tot zulke vreeze. Want wij willen allen
+wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen mensch
+zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan
+het kruis hangen om de schuld van het menschdom te voldoen.
+Elk klein verdriet trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid,
+beliegt men ons, worden wij in onze eer getast of
+in ons gemak of in ons genoegen&mdash;dan gaat het ons zoo
+ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen
+ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo
+dolen wij arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijke<a name="160"></a>
+wegen in een vreemd land. Want alleen de minne kan ons
+voldoen; niets anders. Der minne loon blijft nimmer uit, al
+komt het dikwijls spade. Wie haar zich zelven geeft geheel,
+die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed. Dan hebben
+zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne
+brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen
+in de diepte der minne.
+
+<p>Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de
+dingen der menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo
+wonderliefelijk gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich
+goedertierenlijk tot de menschen kan richten in al wat zij wil<a href="#5.46">[46]</a>.
+
+<p>Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm
+gelukkig.
+
+<p>Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in
+het hart zijner vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid
+in eene geestelijke dronkenschap &#8222;daer si in moet spelende sijn".
+Telkens valt HADEWYCH zoo &#8222;buten den geest" en blijft zij
+z verzwolgen in de minne, dat zij geene voorstelling of
+begrip meer heeft van iets anders dan n te zijn met Hem
+en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip
+en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven.
+Zij geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op
+Pinksteren, op Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L.
+Vrouwe Hemelvaart; de eene extaze duurt een half uur, eene
+andere een halven dag, vaak blijft zij drie dagen en drie nachten
+&#8222;in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een hoogen berg
+met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende schijf
+die de eeuwigheid verbeeldt, de drie &#8222;overste" hemelen met
+de tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem
+met al de zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus:
+&#8222;Ende ic keerde mi van heme ende ic sach een cruce vore mi
+staen ghelijc cristalle, claerre<a title="[margin: helderder.]"><sup>#</sup></a> ende witter dan cristal; daer<a name="161"></a>
+mocht men dore sien een groote wijtheit. Ende vore dat cruce
+sach ic staen enen setel ghelijc eener sciven ende<a title="[margin: die.]"><sup>#</sup></a> was claerre
+ane te siene dan die sonne in haerre claerster macht ende onder
+die scive stonden drie colommen.... Ende midden onder die
+scive draeyde een wiel soo vreseleke omme ende die soo eyselike
+was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike daer of verwonderen
+mochte ende vervaren<a title="[margin: vreezen.]"><sup>#</sup></a>. De zetel beteekent de eeuwigheid;
+de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H.
+Geest.
+
+<p>Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug.
+Doch terwijl zij bezig is met eene poging om mede te deelen
+wat zij gezien heeft, op eene wijze die levendig herinnert aan
+het beeld van &#8222;eenen den Zoon des menschen gelijk zijnde"
+uit de Openbaring, wordt zij z overweldigd door Gods grootheid
+en schoonheid, dat zij erkennen moet: &#8222;Daer ne magh
+ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke<a title="[margin: onzegbaar.]"><sup>#</sup></a> grote
+scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken wonderleken
+aenscine, dat benam mi alle redene van hem in
+ghelikenessen."
+
+<p>Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische
+ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen
+neemt en aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne
+gevoelden naar haars harten begeeren; eene korte wijle heeft
+zij kracht dat genot te verdragen, maar spoedig daarop verliest
+zij den schoonen man in zijn zichtbaren vorm; zij ziet hem als
+wegsmelten, totdat zij niets meer van hem gewaar wordt. Doch
+op die ure was het haar alsof zij n waren &#8222;zonder differentie".
+Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de zuivere vlam,
+waarmede de minne doorgaans in haar brandt.
+
+<p>Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam
+moesten aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet
+haar te hooren vertellen, dat soms al hare leden schudden en<a name="162"></a>
+beven van begeerte; dat zij, uit eene extaze tot zich zelve
+komend, zich niet zelden neerslachtig of ellendig voelt<a href="#5.47">[47]</a>.
+
+<p>Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S
+visioenen, de aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES;
+de invloed van dat werk toch openbaart zich telkens in de
+beschrijving van hare droomen en gezichten. Ook de schrijver
+der Openbaring deelt ons een paar maal mede dat hij &#8222;in den
+geest was", eens &#8222;op den dag des Heeren"; ook hij heeft
+velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier
+dieren, den arend, de sterke stem als die van den donder, de
+zes vleugels met oogen bezet; het zevenvoudig bazuingeschal
+vinden wij terug in de zeven vleugelslagen waarmede, bij
+HADEWYCH, de engel &#8222;een ghestille" maakt. In de woorden
+der Openbaring: &#8222;gij moet wederom profeteren voor vele volken
+en natin en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod
+hebben gezien&mdash;zooals vr haar HILDEGARDE VAN BINGEN
+en ELISABETH VAN SCHNAU&mdash;haar dwingend hare visioenen
+te openbaren<a href="#5.48">[48]</a>.
+
+<p>Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden
+onder de bronnen waaraan deze volgster der minne haren
+dorst naar het eeuwige stilde. Onder de boeken, toebehoorend
+aan het Roode-Klooster in het Sonin-bosch waar HADEWYCH'S
+pozie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van &#8222;der
+minnen boec dat men noempt cantica canticorum"<a href="#5.49">[49]</a>. Op meer
+dan eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar
+bekend was, dat de voorlezing van dat bijbelboek haar hart
+ontroerde<a href="#5.50">[50]</a>.
+
+<p>Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S
+gevoel en verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat
+behalve haar gevoel ook haar verstand bevredigde. PAULUS
+was haar niet onbekend, noch ORIGENES, noch AUGUSTINUS.<a name="163"></a>
+De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX moesten
+deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door
+haar zoo geliefden tekst uit het Hooglied: &#8222;dilectus meus mihi
+et ego illi" tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen;
+weinigen hadden zich zoo als hij verdiept in de beschouwing
+van de geestelijke liefde, van dien &#8222;amor sanctus et castus"
+waardoor de ziel van den Christen moet worden gezuiverd;
+ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een ijzer,
+gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt;
+zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd
+wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in
+het Hooglied en de Psalmen melding gemaakt vond, moet hij,
+evenals HADEWYCH, hebben gevoeld vrdat hij haar in een
+zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer HADEWYCH in een
+harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God dienen
+uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide
+soorten tegenover elkander stelt als &#8222;knechten" en &#8222;zonen",
+dan schijnt haar daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S
+brieven voor den geest te staan<a href="#5.51">[51]</a>.
+
+<p>Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt
+zij, wie het Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben
+gemaakt. Wanneer wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt
+in <i>redene</i>, <i>wille</i> en <i>memorie</i>, dan worden wij herinnerd
+aan ALBERTUS' indeeling: <i>ratio, voluntas, memoria</i><a href="#5.52">[52]</a>.
+
+<p>Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend
+in hare visioenen, nooit de grenzen overschreden welke door de
+R.K. Kerk aan het voelen en denken waren gesteld? Er bestaat
+reden die vraag te doen, waar het mystieken geldt. Hoe licht
+konden zij er toe komen zich te vergelijken met andere Christenen
+en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in haar
+proza en hare pozie spreekt HADEWYCH van hen die zij<a name="164"></a>
+&#8222;<i>vreemde</i>" noemt<a href="#5.53">[53]</a>. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde
+personen die zij elders noemt: &#8222;valsche broederen die seinen
+huusgenoote des geloofs". Tegenover deze plaatst zij de ware
+broeders en zusters die zij met den naam van de &#8222;<i>nuwe</i>"
+(nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet waarschijnlijk
+voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche secte als
+die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest,
+doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om
+licht moeten wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt
+van het woord <i>nieuw</i> in geestelijken zin, in uitdrukkingen als:
+En ik zag eenen <i>nieuwen</i> hemel en eene <i>nieuwe</i> aarde; het
+<i>nieuwe</i> Jezuzalem; ziet ik maak alle dingen <i>nieuw</i><a href="#5.54">[54]</a>.
+
+<p>Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een
+klein aantal geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men
+tot haar opzag, dat zij daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing,
+dat zij kwam tot uitspraken als deze: &#8222;ic en gheloefs
+ooc niet, dat enich mensche levet daer God also sere af ghemint
+es". Doch er is een groote afstand tusschen al of niet rechtmatige
+zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar
+proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v.
+in een zin als deze: "Mer in ghebrukene<a title="[margin: genot]"><sup>#</sup></a> van minnen es men
+God worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men
+het anathema uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een
+eigen weg naar God zoekt, eene kiem van ketterij in zich
+omdraagt, en dat er naast eene kettersche ook eene kerkelijke
+mystiek leefde: men heeft toch BERNARD VAN CLAIRVAUX niet
+van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat &#8222;de diligendo
+Deo" geschreven heeft: &#8222;sic affici deificari est"?<a href="#5.55">[55]</a>
+
+<p>In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare pozie meer dan
+eens getuigd van haren eerbied voor de &#8222;heilige kerk", en
+tegen haar eigen getuigenis in mag men haar niet van ketterij
+beschuldigen.<a name="165"></a>
+
+<p>Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande
+HADEWYCH'S persoon zijn beantwoord.
+
+<p>Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert,
+dat de menschen haar &#8222;soo langhe laten leven ende
+datse enegen raet ochte enecb sparen ochte genade te mi hebben,
+sine tormenten mi altoes met nuwen tormente", dan moet men
+wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging om den geloove.
+Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere over
+ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan
+komt men tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn
+reizend en trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven
+vereenigd). Onder hare geestverwanten noemt zij immers ook
+&#8222;eene beghine die meester ROBBEERT doedde <i>om hare gherechte
+Minne</i>"<a href="#5.56">[56]</a>. Eerst in lateren tijd zou zij dan eene toevlucht hebben
+gezocht bij de Cistercinser-nonnen van Aywires en abdis
+zijn geworden.
+
+<p>Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben,
+het vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster,
+begijn, non of abdis, dankbaar moeten zijn.
+
+<p>Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch
+naar het oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene
+periode, aanvangend: &#8222;Nu verstaet die innecheit van uwer
+zielen, wat dat es: ziele". Men zou het gevoelsleven dier
+mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die periode
+geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan
+men toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in
+het eerst van zijne vlucht:
+
+<p>&#8222;Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem
+weder sienlec.... Siele es een wech van den dorevaerne Gods
+in zine vriheit van sinen diepsten ende God es een wech van
+den dorevaerne der zielen in hare vriheit.... Dat sien dat<a name="166"></a>
+naturelec in de ziele ghescapen es, dat es caritate. Dat sien
+hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene en
+can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en
+rust niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit
+dan minne, mer minne hevet meer suetecheiden van
+zalecheden dan redene. Doch hulpen hem dese twee herde zeer
+onderlinghe, want redene leert minne ende minne verlicht
+redene"<a href="#5.57">[57]</a>.
+
+<p>HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne
+verhevenheid. Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij
+den arend: zooals hij de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt
+de ziel God; dan denkt zij niet meer aan heiligen of
+menschen, zij vliegt alleen &#8222;in die hoechede Gods". Op andere
+plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en zuiverheid
+uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich
+verlaten en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt
+om Gods wil Hem behagelijk is.
+
+<p>&#8222;Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse
+ochte ghi van hem begheven waert, daer omme en mestroest
+u selven niet. Want ic segghe u waerleke, dat al de ellende
+die men doeghet met goeden wille te Gode, die es bequame<a title="[margin: passend.]"><sup>#</sup></a>
+in die ghehele nature Gods".
+
+<p>Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere
+niet, want zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit
+waar zij ons mededeelt, hoe God haar eerst het genot had
+gegeven van Hem lief te hebben, doch haar dat ontnomen
+had, toen zij zich zelve in hare onwaardigheid had leeren
+kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens Hem te grijpen,
+later ontweek Hij hare grijpende hand: &#8222;Nu gaat het mij", zegt
+zij, &#8222;als iemand wien men iets aanbiedt &#8222;te spele" (uit de grap)
+en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt:
+vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eene<a name="167"></a>
+uiteenzetting van haar &#8222;ongheval ter minne" uit vrees voor
+verkeerde uitleggingen der &#8222;vreemden": &#8222;de vreemde souden
+netelen planten daer de rosen staen zouden"<a href="#5.58">[58]</a>.
+
+<p>Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote
+schoonheid is, heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S
+proza. Men ziet het b.v. waar zij de kleinmoedigheid
+van sommige minnende zielen schelst: &#8222;Inden daghe der gratien
+sijn si coene ende inden nacht der tribulatien soe keren si den
+rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte verheven
+int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine gratie
+doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy<a title="[margin: verdriet.]"><sup>#</sup></a> sere
+verdroeven."
+
+<p>Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de
+kerkvaders zoo veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij
+HADEWYCH voor.
+
+<p>Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken
+in het proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen
+vaak gezien wordt<a href="#5.59">[59]</a>. Blijkbaar geschiedde dit met de
+bedoeling aan de taal eenige verheffing en uiterlijk schoon bij
+te zetten; doch het bloed kroop hier waar het niet gaan kon.
+
+<p>Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal
+den harteklop der echte pozie kunnen hooren.
+
+<p>HADEWYCH mocht al zeggen:
+
+<p class="quote">Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe
+Ende mi selven mine quale linghe<a title="[margin: verleng.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Zij liet het daarom niet; zij wist te goed:
+
+<p class="quote">Maer dien ouden ende dien jonghen
+Coelt sanc van minnen haren moet.
+</p>
+
+<p>Wel ons, dat zij &#8222;van minne" gezongen heeft, want wij
+hebben daaraan het bezit van geestelijke pozie te danken, niet<a name="168"></a>
+zelden duister, ook wel eens eentonig en onbeteekenend, maar
+vaker in haar onbestuurde gangen voortzwevend met onbewuste
+gratie en bijwijlen treffend door eene diepte en innigheid van
+gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur niet
+dikwijls zullen aantreffen.
+
+<p>Ook tot hare &#8222;vri edele sinne ende wel gheboren" was het
+verholen woord gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan.
+In hare jonge jaren had zij zich geheel aan de minne overgegeven;
+zij beloofde zich niets dan zaligheid van de minne,
+van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid, macht&mdash;lacy!
+het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper:
+
+<p class="quote"> jeghen avont
+Sal men loven den sconen dach.
+</p>
+
+<p>Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie
+wachtten haar, onnoozele; want:
+
+<p class="quote">Suer ende donker ende overwreet
+Sijn der minnen weghe in haer beghin.
+</p>
+
+<p>Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en
+dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet:
+
+<p class="quote">Want ic sach eene lichte wolke opgaen
+Over alle swerke, soo scone gedaen<a title="[margin: van gedaante.]"><sup>#</sup></a>,
+Ic waende met volre weelden saen<a title="[margin: spoedig.]"><sup>#</sup></a>
+Vri spelen in de zonne....
+Doe wert mijn hoge<a title="[margin: blijdschap.]"><sup>#</sup></a> maer een waen;
+Al storve ic, wie es dies mi wanconne<a title="[margin: misgunnen zou.]"><sup>#</sup></a>?
+</p>
+
+<p>Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te
+komen leeren kennen: vreemden en vrienden had zij laten
+varen, eer en rust opgegeven; hare ziel zooveel mogelijk ont<a name="169"></a>ledigd
+van indrukken, door al het geschapene op haar gemaakt;
+die ziel gemaakt tot een klaren spiegel, waarin het beeld der
+Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de minnende
+ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de
+minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op
+allerlei geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt
+eerst dat redene den grond der minne moet doorglanzen.
+
+<p>Nu kan de ziel de onderscheidene trappen (&#8222;graden" en
+&#8222;staghen") der minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan
+dat geschieden; men moet geduld oefenen. Menigeen wil wel
+op gemakkelijke wijze de minne deelachtig worden en stelt
+zich, dorper die hij is, tevreden met een klein genot dat voor
+de hand ligt; doch minne kent dezulken niet:
+
+<p class="quote">Die gherne woude doghen tsuete ellende:<a title="[margin: ballingschap.]"><sup>#</sup></a>
+Die weghe ter hogher mnnen lant,
+Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende,
+Des ghevet de trouwe seghel ende pant.
+Nu es menech dorper soo truwant<a title="[margin: (schooierig) verachtelijk.]"><sup>#</sup></a>,
+Hi nemt dat hem es naest ghehende<a title="[margin: nabij.]"><sup>#</sup></a>
+Ende blivet vore minne die onbekende;
+Metter truancin cleet,
+Soo en hevet hi vorme noch ere,
+Daer minne dat haer bi versteet.
+</p>
+
+<p>In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene
+kracht, geen merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig
+aan deze uitspraak der minne: hoe dieper gewond, hoe zachter
+genezen!
+
+<p>Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als
+een band, een licht, een kole vuurs, een dauw, een levende
+bron; eene helle, die alles verslindt. Alleen hij zal haar geheel
+bezitten, die zich geheel aan haar overgeeft. &#8222;Den middenweg<a name="170"></a>
+houden, dat is zalig leven", zeggen de vroeden, die naar deze
+wereld wijs geacht worden&mdash;maar HADEWYCH zegt:
+
+<p class="quote">Middelheit moet af,
+Eer men in mach
+Ten edelen goede.
+</p>
+
+<p>Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en
+klagen, maar daarin is toch zaligheid:
+
+<p class="quote">Bi wilen lief, bi wilen leet,
+Bi wilen verre, bi wilen ghereet<a title="[margin: dicht bij.]"><sup>#</sup></a>,
+Die dit met trouwe van minnen versteet,
+Dat es jubileren:
+Hoe minne versleet<a title="[margin: verslaat.]"><sup>#</sup></a>
+Ende ommeveet<a title="[margin: omvangt.]"><sup>#</sup></a>
+In n hanteren.
+
+Bi wilen licht, bi wilen swaer,
+Bi wilen doncker, bi wilen claer,
+In vrin troost, in bedwongen vaer<a title="[margin: vrees.]"><sup>#</sup></a>,
+In nemen ende in gheven,
+Moeten die sinne
+Die dolen in minne
+Altoos hier leven<a href="#5.60">[60]</a>.
+</p>
+
+<p>Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot
+den dood voor ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen
+begrijpen, vrdat MARIA door haren ootmoed de minne zelve
+had gevangen:
+
+<p class="quote">Wat soo ons god ye onste<a title="[margin: ooit gunde.]"><sup>#</sup></a>,
+Hen wert nie man <a title="[margin: er kwam nooit iemand.]"><sup>#</sup></a>, die conste
+Gherechte minne verstaen,
+Eer dat maria de goede<a name="171"></a>
+Met diepen ootmoede
+Die minne hadde gevaen<a title="[margin: gevangen.]"><sup>#</sup></a>.
+T'ierst was si wilt, doe wert si tam,
+Si gaf ons vore den leeuwe een lam:
+Si maecte de demsterheit<a title="[margin: duisternis.]"><sup>#</sup></a> claer,
+Die hadde geweest donker wel menech jaer<a href="#5.61">[61]</a>.
+</p>
+
+<p>Is men onder strijd en storm van minne door het land van
+ballingschap tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al
+dat hooge gerucht (der wereld) de stilte der nederigheid over
+de ziel; dan omvat de ziel wijde ruimten, dan doorwandelt zij
+de diepten der minne (&#8222;der minnen gewat"); zij geniet de
+minne en geniet totdat zij in &#8222;orewoet" en geestelijke dronkenschap
+zich zelve verliest.
+
+<p>Pozie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als
+deze, kan kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij
+weten te weinig van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek
+om met zekerheid te kunnen spreken over den samenhang van
+HADEWYCH'S pozie met de pozie vr haar. Dat er te onzent,
+vr of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen, eene lyrische
+pozie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen; doch
+iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van
+de pozie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben
+leeren kennen.
+
+<p>HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene
+onmiskenbare verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals
+die zich vr haar in de aangrenzende landen en ook te
+onzent had ontwikkeld. Onder al dit &#8222;zingen van minne"
+verneemt men telkens klanken en motieven die ook in de
+wereldsche minnepozie voorkomen. Dat om genade bidden,
+die klachten over den band en den brand der minne, de<a name="172"></a>
+ellende die de minnaar moet doorstaan, die betuigingen dat de
+minne met haar aanlokkelijk gelaat hem van zinnen berooft&mdash;dat
+alles hooren wij ook in de gewone minnepozie. Woorden
+als <i>zeelde</i> (minneweelde), <i>merkaren</i> (kwaadwillige spionnen en
+verklikkers), eene uitdrukking als: &#8222;de minne heeft de dagen
+en ik de nachten", wijzen in diezelfde richting<a href="#5.62">[62]</a>. De aanvang
+van een der grootere lyrische gedichten:
+
+<p class="quote">Viere meisteren seiden een coninc:
+Welc ware de starcste dinc
+</p>
+
+<p>is de gewone van zoovele <i>tenzonen</i> (strijdgedichten) welke,
+in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken
+gemaakt werden<a href="#5.63">[63]</a>.
+
+<p>Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van
+HADEWYCH'S liederen aan met een schetsje of een greep uit
+het natuurleven. Dat natuurleven moet dienen ter inleiding van
+het gemoedsleven, hetzij door overeenkomst hetzij door tegenstelling.
+Zoo b.v. in dit fraaie aanvangscouplet:
+
+<p class="quote">Tsaermeer<a title="[margin: thans.]"><sup>#</sup></a> sal in corten tide
+Tsap van den wortelen opwaert slaen!
+Daerbi sal, verre ende wide,
+Beemt ende cruut sijn loof ontfaen;
+Dies so hebben wi sekeren waen<a title="[margin: vast geloof.]"><sup>#</sup></a>,
+Die voghele werden blide;
+Die gheet in minnen te stride,
+Hi sal verwinnen saen<a title="[margin: spoedig.]"><sup>#</sup></a>,
+Opdat hi niet en mide<a title="[margin: zich niet spare.]"><sup>#</sup></a><a href="#5.64">[64]</a>.
+</p>
+
+<p>Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan
+het natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne
+en alle verdriet te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd door<a name="173"></a>
+den dauw, op den dorenstruik ontluikt; ook in de minne is
+het: &#8222;na groten storme werdet dat weder scone"; waar 't gemoed
+met den rijp van den waan is bedekt, daar kan geen loover
+van minne groeien<a href="#5.65">[65]</a>. Andere vergelijkingen verplaatsen ons in
+het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil bouwen, hoe
+dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich zelve
+bij een kind &#8222;dat na sprect dat het spreken hoort"; op de vervulling
+van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals
+een gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij
+vergelijkingen of beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel;
+op de grens van het platte staat zij met haar beeldspraak van
+de taverne waarin Minne hare gasten bedient. Aan de volkspozie
+en wel aan de oudste leugenliederen herinneren ons
+deze verzen:
+
+<p class="quote">Want niet bat en can 't getoonen mijn sin,
+Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin<a href="#5.66">[66]</a>.
+</p>
+
+<p>Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden
+wij door hare beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan
+aan het ridderwezen. In het proza komt er een enkele maal
+een voor, zoo b.v. waar zij spreekt van de &#8222;wijsheit" die &#8222;alle
+die edele ridderen achemeert"<a title="[margin: uitrust.]"><sup>#</sup></a> in den strijd der minne; doch
+in de pozie wemelt het ridderleven ons telkens voor de oogen.
+De gansche voorstelling van het zoeken der minne als een
+strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft overigens waarschijnlijk
+ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij hooren
+van &#8222;doorhouwen schilden" en &#8222;schermen onder den scilt", van
+&#8222;joesten", eenen &#8222;keer doen" (zich door den vijand heen
+houwen en langs denzelfden weg terugkeeren), van &#8222;sinen
+hoghen telt (draf) riden", van &#8222;heervaert", &#8222;kimpen" (kampvechters),
+&#8222;vesten", muren en grachten; van koene ridders die
+een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van &#8222;schachten<a name="174"></a>
+die diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het ridderleven
+kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en
+het is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres
+van het vers:
+
+<p class="quote">Fiere herte en was nie<a title="[margin: nooit.]"><sup>#</sup></a> bloode
+</p>
+
+<p>gelijk zoovele Cistercinser-nonnen van adellijke afkomst is
+geweest<a href="#5.67">[67]</a>.
+
+<p>Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel
+van haar geest en haar gemoed.
+
+<p>Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele
+weet te vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen
+die haar eenigszins kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt.
+Haar gevoel is dikwijls onbestuurd en doet hare pozie dan
+vervloeien tot muzikale woord-arabesken, die uiting geven aan
+hare gemoedsstemming, al kunnen wij daar het verband tusschen
+gevoel en klank niet waarnemen. Op menige plaats geven hare
+verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener ziel met
+het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat
+brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben
+beseft. Voor het eerst&mdash;immers nog vr WILLEM VAN
+AFFLIGHEM&mdash;vinden wij in de geschiedenis onzer woordkunst
+het besef uitgesproken van het onvermogen der taal om de
+diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over de
+Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: &#8222;van al dien dat in ertike es,
+mach men redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe
+en wetic gheen dietsch noch gheen redene". En elders lezen
+wij over het zich oplossen van den mensch in God: &#8222;ay, ic
+en dar<a title="[margin: durf.]"><sup>#</sup></a> hier af nemmeer scriven, ic moet emmer van den
+besten meest swighen ... ende hier omme quetse ic mi, dat
+ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, dat
+<a name="175"></a>
+der pinen<a title="[margin: moeite.]"><sup>#</sup></a> wert es, ochte woorde na<a title="[margin: volgens.]"><sup>#</sup></a> miere zielen gront."
+Ook in hare pozie vinden wij uitingen als:
+
+<p class="quote">Het mochte dat inneghe gedinken
+De tonge verminken,
+Sprake siere af meer<a href="#5.68">[68]</a>.
+</p>
+
+<p>Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden
+en smarten der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige
+taal, telkens nieuwe rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend
+met het lichte spel van rijmklanken, van staand
+en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein.
+
+<p>Eentonig&mdash;heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig?
+Ook de heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich
+gelukkig voelen, omdat de blik er niet op grenzen stuit, noch
+in het wijde rondom noch in het diepe omhoog; wier oog met
+welbehagen rust op frissche wel en volle beek, op den dorren
+grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn stemmig bruin,
+en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der erica.<a name="176"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.1">1</a>: <i>Spiegel der Zonden</i> (ed. VERDAM), vs. 4852&ndash;3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.2">2</a>: Zie bl. 124, 6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.3">3</a>: Vs. 5&ndash;15. Den naam <i>Digenen</i> kan ik niet thuisbrengen. De
+eenige mij bekende naam die op dezen gelijkt, is die van den ridder
+<i>Degener</i> die door zijne minnares LUSSEWINE verraden wordt. Vgl. de
+romance in H. v. FALLERSLEBEN'S <i>Horae Belgicae</i>, II, 29.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.4">4</a>: Uitgaven van het volledig gedicht en van eenige fragmenten
+vermeld door TE WINKEL, <i>Gesch.</i>, bl. 266 en in PETIT'S <i>Bibliographie</i>,
+n<sup>o</sup>. 478 en 1143. Zie verder het belangrijk artikel van VERDAM in:
+<i>Versl. en Meded. der Kon. Akad. v. Wet.</i>, 4e Reeks, Deel IV.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.5">5</a>: In vs. 4055 wordt &#8222;die ewangeliste" genoemd; in vs. 4059
+&#8222;sinte Gregorijs"; in vs. 4067 &#8222;sinte Augustijn". Doch is dit deel van
+het gedicht van den oorspronkelijken dichter, die de Roode Zee: de
+<i>leverzee</i> noemt, (vs. 1130)?]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.6">6</a>: Vgl. vs. 165 vlgg.; 1100, 1292, 1310, 1342, 1584, 1752, 1760,
+2076; vs. 217 vlgg.; 478, 930, 1352 en de telkens volgende verzen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.7">7</a>: Vgl. o.a.: 376, 660, 1837, 1843, 2857, 3678; vs. 345 vlgg.;
+860 vlgg.; 644, 650, 1277, 666; 1775&ndash;8, 1802, 1910.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.8">8</a>: Vs. 517, 757 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.9">9</a>: Vs. 2154-'67, 2353-'62, 2788 vlgg.; 2860, 2885 vlgg.; 2923,
+2950 vlgg.; 3039 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.10">10</a>: Vs. 754&ndash;5, 1634, 271&ndash;2, 4277.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.11">11</a>: Vs. 354&ndash;5 (het Ovidiaansch: &#8222;eodem argento" maar minder
+fijn); 2251, 1402.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.12">12</a>: Vgl. vs. 1050 vlgg., 1382 vlgg.; 1685, 1864; 1179, 2394, 2396;
+2376, 2720, 1539 vlgg.; 2054, 3903 vlgg.; 2340&ndash;1.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.13">13</a>: Vs. 1130.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.14">14</a>: Zulke plaatsen zijn vs. 478 vlgg.; 1417 vlgg.; 1626 vlgg.;
+1986 vlgg.; 2088 vlgg.; 2440-'64; 2983 vlgg.; 3195 vlgg.; 3277 vlgg.;
+3395 vlgg.; 3445 vlgg.; 3483 vlgg.
+
+<p class="footnote">Op menige plaats kan men zonder moeite een lied in vier- of
+meerregelige coupletten, welker aanvang of slot door gelijke verzen
+wordt aangegeven, herkennen. Door te letten op den bouw dier<a name="177"></a>
+liederen kan men dan den blijkbaar sterk genterpoleerden tekst
+zuiveren. In het door WILLEMS uitgegeven fragment naar een hs. der
+14e eeuw vinden wij de coupletten, MARIA MAGDALENA in den mond
+gelegd (vs. 1417 vlgg.) doch door den afschrijver verknoeid; het
+volledige hs. (der 15e eeuw) geeft hier een zuiverder tekst. Echter
+heeft ook deze eene critische zuivering hoognoodig. Opmerkelijk is
+(VERDAM merkte het reeds op) hoe dikwijls van vier verzen met
+gelijk rijm twee bij eenig nadenken al spoedig interpolaties blijken.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.15">15</a>: Het hs. is waarschijnlijk geschreven door zekeren MARTIJN
+van Thorout in de abdij van EENAME bij Oudenaarde. Zie over
+dat hs. <i>Belg. Museum</i>, III, 197 vlgg.; NAP. DE PAUW, <i>Mnl. Gedichten</i>,
+II, Inleid.; PRIEBSCH, <i>Deutsche Handschriften</i> enz., n<sup>o</sup>. 177.
+
+<p class="footnote">In vs. 752 van het leven <i>van S. Aechte</i> wordt als jaar der vervaardiging
+1286 genoemd; S. WERNER is volgens de A.S. gestorven
+in 1287 en in vs. 13&ndash;15 van zijn leven lezen wij: &#8222;dat doet es
+bleven <i>nu nichtinghe</i>"; in het leven <i>van S. Marie Egyptiake</i>, vs.
+687&ndash;9: &#8222;dit was ghemaect.... MCC ende neghentech jaer."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.16">16</a>: Een tijdgenoot dezer dichters, de Fransche poet RUTEBEUF
+schreef eveneens eene <i>Vie sainte Marie l'Egyptianne</i>. De Mnl. bewerking,
+die uitvoeriger is, heeft, voorzoover ik kan zien, niets met
+deze bewerking gemeen dan natuurlijk de hoofdzaken, die men o.a.
+vindt in de <i>Legenda Aurea</i> (ed. GRSSE), p. 247, c. LVI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.17">17</a>: <i>Van sente Aechte</i>, vs. 668 vlgg. en vs. 762 vlgg.; <i>van sente
+Waerneer</i>, vs. 5 vlgg.; ook het slot van <i>van sente Marie Egyptiake</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.18">18</a>: Vgl. PIRENNE'S <i>Gesch. Belgins</i>, I, 36. Het klooster Thorout
+(Thor-hout ?) lag niet ver van Sluis.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.19">19</a>: Vgl. over de vraag of MAERLANT een Dietsch dan wel een
+Fransch werk zal hebben bedoeld JONCKBLOET'S <i>Gesch. der Ned.
+Lett.</i>, II, 88&ndash;90.
+
+<p class="footnote">FRANCK is van oordeel, dat M. ook wel een Fransch gedicht kan
+hebben bedoeld; JONCKBLOET'S betoog komt mij echter overtuigend
+voor. Zou MAERLANT trouwens wel van een <i>Fransch</i> werk hebben
+kunnen zeggen, dat het &#8222;wyde becant" was? Kennis van het Fransch
+was in de 13e eeuw geenszins algemeen in Vlaanderen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.20">20</a>: Zie de literatuur-opgaven bij TE WINKEL, (p. 408); daar ook
+den titel van VAN HAMEL'S uitgave van het oorspronkelijk Fransch
+werk. Ik verwijs hier steeds naar de nieuwste uitgaaf van Dr. P.
+LEENDERTZ. (Amsterdam. 1893).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.21">21</a>: Vgl. b.v. n<sup>o</sup>. 15, 39, 44, 48, 51, 86, 114, 117 van den <i>Rinclus</i>
+met de overeenkomstige coupletten van het oorspronkelijke.]<a name="178"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.22">22</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. 38 (v.d. <i>Rinclus</i>) met het origineel; vs. 936 (<i>Rinclus</i>)
+met str. n<sup>o</sup>. 81, 11; voorts n<sup>o</sup>. 5, 12 v. <i>Mis.</i> met de bewerking;
+n<sup>o</sup>. 104 (met 103 v.d. <i>Rinclus</i>) n<sup>o</sup>. 109 (met 108); in n<sup>o</sup>. 112 de
+uitdrukking: <i>n'en leva pas le ventre vuit</i>, die niet in n<sup>o</sup>. 111 (<i>R.</i>) te
+vinden is; n<sup>o</sup>. 120 (<i>Mis.</i>). De varianten van 29 door VAN HAMEL
+medegedeelde hss. zijn hier zonder beteekenis.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.23">23</a>: Vgl. <i>Rinclus</i>, n<sup>o</sup>. 117; vs. 526 (<i>Mis.</i>, n<sup>o</sup>. 43, 5&ndash;8); vs. 691
+(<i>Mis.</i>, n<sup>o</sup>. LVII); vs. 1114 (<i>Mis.</i>, n<sup>o</sup>. 96, vs. 8); vs. 595 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.24">24</a>: Reeds JONCKBLOET had deze overeenkomst opgemerkt. Vgl.
+zijne <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, I, 434. Meer punten van overeenkomst
+zijn aangewezen in FRANCK en VERDAM'S uitgave van MAERLANT'S
+<i>Stroph. Ged.</i>, Inl. LXXXVIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.25">25</a>: <i>Scivias</i> i.e. <i>nosce vias Domini</i> (onderzoek (leer kennen) de
+wegen des Heeren).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.26">26</a>: Vgl. <i>Acta Sanct.</i> (ord. S. BENED). Junii III, p. 612 (&#8222;Deinde
+cum inchoaretur Missa de beatissima Virgine Domina Nostra (sabbatum
+enim erat), veni in extasim." &#8222;Et his dictis, ab extasi reversa sum",
+p. 617: &#8222;In Exaltatione Sanctae Crucis saepe in extasi facta"; p. 619:
+&#8222;Accidit in prima Dominica solennis Jejunii in primis Vesperis, ut
+venirem in mentis excessum"; p. 620: &#8222;In die ad Missam, cum
+inchoaretur Passio Domini, iterum in extasim veni."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.27">27</a>: In een brief der abdis van ANDERNACH aan HILDEGARDE
+<i>Epistola</i> CXVI) vraagt eerstgenoemde of het waar is, dat H. alleen
+adellijke jonkvrouwen in haar klooster opneemt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.28">28</a>: Het hier beknopt samengevatte werd door mij ontleend vooral
+aan: MOLL'S <i>Kerkgesch.</i>, (zie: <i>Alg. Reg.</i>, p. 181&ndash;2. Zonden heerschende
+bij geestelijken en kloosterlingen), voorts pass. en o.a.:
+II, 2, 1 vlgg. en 148 vlgg.; PREGER, <i>Gesch. der deutschen Mystik</i>, I;
+SABATIER, <i>Vita di S. Francesco d'Assisi</i>; MIGNE, <i>Patrolog.</i>, T. 197;
+<i>Acta Sanct.</i> (ord. S. BENED). Junii III, 604&ndash;643. <i>Offenbarungen
+der Schwester Mechthild von Magdeburg....</i> herausgeg. von
+P. GALL MOREL; WYBRANDS, <i>De Abdij Bloemhof</i>, p. 136&ndash;7.
+AUGER'S <i>Etude sur les Mystiques des Pays-Bas</i> geeft weinig nieuws
+van beteekenis.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.29">29</a>: Vgl. <i>Leven van Sinte Lutgart....</i> door F. VAN VEERDEGHEM.
+Leiden, voorheen E.J. BRILL. 1899.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.30">30</a>: Vgl. ald. III, 4580-'84. De <i>Vita</i> schijnt slechts van <i>de hand</i>
+te spreken. Zie <i>Inl.</i> XI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.31">31</a>: Vgl. over dat alles VAN VEERDEGHEM'S <i>Inleiding</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.32">32</a>: Zie staaltjes dier breedvoerigheid t.a.p. XXXV-XXXVI.]<a name="179"></a>
+[Voetnoot <a name="5.33">33</a>: <i>Vita</i> (in de <i>Acta Sanct.</i>, Junii, T. III), p. 246, c. 11; <i>Leven
+van S. Lutgart</i>, IIe Boek, c. XII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.34">34</a>: II, vs. 1684 vlgg.; 2576 vlgg.; III, 956&ndash;979.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.35">35</a>: De bedoelde plaatsen, voorzoover niet reeds aangewezen, vindt
+men II, 1297; 516&ndash;562; vgl. ook vs. 7479-'83 met het origineel,
+waar men slechts deze woorden vindt: &#8222;cum Moniales alta voce cantarent."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.36">36</a>: De uitgever zegt: &#8222;assonances hebben wij er niet opgemerkt"
+(<i>Inl.</i> LXIII). Ik vond er slechts n (II, 241&ndash;2: <i>talen</i> || <i>maken</i>).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.37">37</a>: De voornaamste plaatsen waar over de <i>minne</i> gesproken wordt,
+zijn II, 81&ndash;88; 1220 vlgg.; 1339; 4625-'7; 5262-'7; 6283 vlgg.;
+6388-'98; 6969-'88; 7787&ndash;7806; 7848-'52; 7906-'13; III, 1789-'91;
+2008-'32; 3070-'84; 4564-'7.
+
+<p class="footnote"><i>Orewoet</i> genoemd: II, 6409, 7066, 7544, 7893, 13927.
+
+<p class="footnote">Al deze plaatsen worden in het Latijn niet aangetroffen. Slechts
+van III, 3070-'84 vindt men iets in het Latijn terug (&#8222;pia Lutgardis
+in oratione cum Domino mira spiritus instantia luctabatur. Tandem
+vero, ubi in ira Dominum misericordias continentem evincere non
+valebat" etc.).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.38">38</a>: Uitgaven van haar werk: <i>Gedichten</i> in Maetschappij der
+Vlaemsche Bibliophilen, 4e Reeks, n<sup>o</sup>. 2; <i>Proza</i>, id. n<sup>o</sup>. 11. De hss.
+ter Bibl. Royale te Brussel Cat. Ned. hss., n<sup>o</sup>. 2877-'80 en ter
+Univ.-Bibl. te Gent. Vgl. voorts over die hss. <i>Vaderl. Museum</i>, II,
+136 vlgg. Een artikel van PAUL FRDRICQ over: <i>De geheimzinnige
+ketterin Bloemaerdinne</i>. (Zuster HADEWYCH) in: <i>Versl. en Meded. der
+Kon. Akad. v. Wet.</i>, 3e Reeks, Deel XII en het stuk daartegen van
+E. VAN EVEN in <i>Dietsche War.</i> van 1896. Voorts: <i>Untersuchungen
+ber die Werken van Zuster Hadewych....</i> von M. JRIS. Strassburg. 1894.
+
+<p class="footnote">De voorstelling van RUELENS&mdash;FRDRICQ: Hadewych = Bloemaerdinne
+is m.i. onaannemelijk. VAN EVEN heeft dat reeds ten deele
+aangetoond.
+
+<p class="footnote">Tegen die voorstelling pleit vooral:
+
+<p class="footnote">1<sup>o</sup>. dat de namen der beide vrouwen verschillen; <i>Hadewijch</i> en
+<i>Heilwijch</i> zijn namen van verschillende afkomst (zie o.a. POTT, <i>Die
+Personennamen</i>, 110, 212, 641) en nergens blijkt, dat zij in dien
+tijd ook wel verwisseld worden
+
+<p class="footnote">2<sup>o</sup>. de voorbeelden van kettersche leerstellingen, door F. uit
+HADEWYCH'S werken aangehaald, bewijzen niet dat hier inderdaad
+van ketterij sprake mag zijn; ook van die &#8222;allerschandelijkste seraphische
+liefde" zijn in HADEWYCH'S werken geene sporen aan te wijzen.
+
+<p class="footnote">3<sup>o</sup>. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en<a name="180"></a>
+haar invloed bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok
+JAN VAN LEEUWEN, spreekt van &#8222;een overheylich wijf die hiet
+hadewijch" en van hare &#8222;edel goddelike leringhe"; die &#8222;leringhe"
+is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S geschrift: <i>die rolie der woedegher
+minnen</i>. Zie daarover het artikel van Dr. C.G.N. DE VOOYS in:
+<i>De XXe eeuw</i>, IX, 181.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.39">39</a>: <i>Proza</i>, bl. 187.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.40">40</a>: Vgl. <i>Quinque prudentes Virgines....</i> auctore P.F. CHRYSOSTOMO
+HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de <i>Vita B. Beatricis</i>. Was
+zij de Cistercinser-non, &#8222;quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat
+de se ipsa"? (<i>Vad. Museum</i>, II, 142), en wier werk door WILLEM
+VAN AFFLIGHEM in het Latijn &#8222;satis eleganter" vertaald is? Of
+moeten wij aan HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden
+wij ook hier weer verplaatst onder de Cistercinser-nonnen en zien
+wij WILLEM VAN AFFLIGHEM in betrekking tot deze.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.41">41</a>: Vgl. o.a. <i>Proza</i>, blz. 5&ndash;6, 15, 20&ndash;21, den aanvang der
+<i>Epistolae; Gedichten</i>, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5&ndash;10;
+210, 25&ndash;28.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.42">42</a>: <i>Proza</i>, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij
+sommige Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese?]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.43">43</a>: <i>Proza</i>, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van
+PAUL FRDRICQ.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.44">44</a>: <i>Proza</i>, bl. 106&ndash;7, 128.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.45">45</a>: <i>Deuteronomium</i> VI, 5. (De tekst van het proza heeft &#8222;<i>diere</i>
+herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik <i>dijnre</i>).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.46">46</a>: Vgl. <i>Proza</i>, bl. 72&ndash;3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.47">47</a>: <i>Proza</i>, bl. 104, 143, 179, 119, 126&ndash;7. (<i>Openb.</i> I, 13 vlgg.),
+146, 144, 151. Vgl. ook FRDRICQ'S artikel, bl. 83.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.48">48</a>: Vgl. <i>Openb.</i> VIII, 6 en <i>Proza</i>, 135; VI, 1 en 135&ndash;6; VIII,
+13 en 153&ndash;4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met
+<i>Proza</i>, 135, 139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: &#8222;gij moet
+wederom" enz.
+
+<p class="footnote">In <i>Openb.</i> II, 4 lezen wij: &#8222;Maar ik heb tegen u dat gij uwe
+eerste liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: &#8222;maar ik heb eenige weinige
+dingen tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: &#8222;Mer ic hebbe een
+dinc te di, daer ic mi omme belghe" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.49">49</a>: Vgl. <i>De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken....</i>
+door W. DE VREESE, I, 427.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.50">50</a>: <i>Proza</i>, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: &#8222;ic di, wes mi" in hare
+<i>Pozie</i>, bl. 94, 131, 244.]<a name="181"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.51">51</a>: S. BERNARDI <i>Opera omnia....</i> D. JOANNIS MABILLON.
+Mediolani. JAC. GNOCCHI, 1850, I, <i>Ep.</i>, XI te vergelijken met:
+<i>Gedichten</i>, XI, 19&ndash;20:
+
+<p class="footnotequote">Want der knechten wet es vaer<a title="[margin: vrees.]"><sup>#</sup></a>
+Maer minne es wet der sonen.
+</p>
+
+<p class="footnote">&#8222;Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit
+sibi: tertius filius et defert patri."
+
+<p class="footnote">Voorts: <i>Tract. de Conversione</i>; <i>de diligendo Deo</i>; <i>In cantica sermo 67</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.52">52</a>: Vgl. <i>Proza</i>, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK
+GOETHALS van Gent, spreekt van: <i>nosse</i>, <i>velle</i> et <i>posse</i>. Vgl. <i>Heinrich
+von Gent</i> von Dr. K. WERNER, S. 37.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.53">53</a>: B.v. <i>Proza</i>, p. 43, 93, 107. <i>Gedichten</i> o.a.: p. 5, 41; 26; 86,
+41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2;
+86, 27 en pass.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.54">54</a>: <i>Proza</i>, 14, 24; voorbeelden van <i>nuw</i>, <i>Mnl. Wdb.</i>, IV, 2422
+en pass. in HADEWYCH'S <i>Gedichten</i>. Tegenover de <i>nieuwe</i> plaatst H.
+ook wel eens de <i>oude</i> en tegenover de <i>vreemde</i> de <i>bekende</i>. Zie b.v.
+<i>Ged.</i>, bl. 224 (b.).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.55">55</a>: <i>Proza</i>, 35, 58.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.56">56</a>: <i>Gedichten</i>, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk
+is 190, 1 vlgg. <i>Proza</i>, bl. 176.
+
+<p class="footnote">Met &#8222;broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der
+13e eeuw bedoeld. Vgl. FRDRICQ t.a.p., bl. 90.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.57">57</a>: <i>Proza</i>, bl. 61&ndash;2. <i>Minne</i> en <i>Redene</i> als de twee voornaamste
+zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S <i>voluntas</i> en <i>ratio</i>.
+
+<p class="footnote">Inderdaad vinden wij in de <i>Gedichten</i>, bl. 196, vs. 15 vlgg. <i>redene</i>
+en <i>wille</i> in verband met <i>memorie</i> behandeld.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.58">58</a>: <i>Proza</i>, bl. 87, 5, 3, 68.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.59">59</a>: <i>Proza</i>, bl. 32; voorts 17, 96, 104. <i>Rijmklanken</i> o.a. op bl. 23,
+42, 57, 89.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.60">60</a>: Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de <i>Gedichten</i>, p. 84,
+69, 18, 56, 61, 66&ndash;7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne),
+92, 93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der
+minne), 242, 264, 21&ndash;22, 32; (de geestelijke &#8222;dorper"), 39, 42, 43,
+46, 49, 105, 123, 235.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.61">61</a>: Vgl. <i>Ged.</i>, 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17&ndash;18; (&#8222;hoech
+gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; (&#8222;gewat"), 9;
+(&#8222;ghebruken"), <i>orewoet</i>, (28, 51, 69, 107, 30&ndash;31), 43.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.62">62</a>: <i>Ged.</i>, p. 69, 134, 142, 146, 156&ndash;7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93.]<a name="182"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.63">63</a>: Vgl. bl. 186.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.64">64</a>: Bl. 8. En voorts pass. b.v. n<sup>o</sup>. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23,
+35, 41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.65">65</a>: <i>Ged.</i>, bl. 11, 15, 24.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.66">66</a>: <i>Ged.</i>, bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich
+het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met
+den aanvang:
+
+<p class="footnotequote">Een blinde zag een molensteen
+Ronddrijven in den stroom.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.67">67</a>: Vgl. <i>Proza</i>, bl. 60&ndash;61; <i>Ged.</i> 14, 32, 36, 53, 55, 78, 79, 83,
+124, 145, 151, 152, 154, 158, 165, 169, 178, 179, 269. Of het vers:
+&#8222;Haddic mijn hoege geslachte bedacht" (XXIII, 50) eene zinspeling
+is op haar adeldom (zooals JONCKBLOET meent), schijnt mij twijfelachtig.
+In den mond van mystieken beteekent zulk eene uitdrukking
+m.i. eer: dat men zich een schepsel Gods dan dat men zich van
+adellijk geslacht voelt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.68">68</a>: <i>Proza</i>, bl. 59, 77; <i>Ged.</i>, bl. 252, 254, 257.]<a name="183"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>3. POZIE DER GEMEENTEN.</h2>
+
+<p class="intro">De gemeenten tegenover adel en geestelijkheid. <i>Disticha Catonis</i>.
+Dietsche <i>Ars Amandi</i>. <i>Bestiaris</i>. <i>Esopet</i>. De eerste boerde. Roman
+<i>van den VII. Vroeden van Rome</i>. <i>Van den Vos Reinaerde</i>.
+
+<p>De ridderschap droeg een half nationaal half internationaal
+karakter. De adel van eenig land mocht zich aan dat land verbonden
+gevoelen door afkomst, taal, grondbezit en van tijd tot
+tijd met zijne landgenooten tegenover andere volken staan&mdash;toch
+had hij met den adel van andere West-europeesche volken
+veel gemeen: dezelfde ridderplichten golden voor allen, hun
+begeeren en streven, hunne leefwijze, zeden en gewoonten,
+waren grootendeels van denzelfden aard.
+
+<p>Ook de geestelijkheid, dienaren eener zelfde kerk die het
+Westen van Europa in haar greep omvatte, had vrij wat internationaals;
+dezelfde klooster-orden vond men in onderscheiden
+landen; overal droegen &#8222;gelijke monniken gelijke kappen" en
+konden van gedachten wisselen in de gemeenschappelijke kerktaal.
+
+<p>Tegenover deze beide standen vertegenwoordigen de gemeenten
+het zuiver-nationale element. Poorters en boeren, doorgaans
+aan stad of dorp gebonden, kwamen zelden buiten hunne
+streek of hunne gouw, veel minder in vreemde landen, tenzij
+een bedevaart of een krijgstocht er hen toe dwong. In die talrijke
+kleine kringen welker samenhang door onderling gesloten
+huwelijken nog versterkt werd, bewaarde men het zuiverst het
+oorspronkelijk volkskarakter in zijne voorname uitingen: taal,
+recht, maatschappelijk en huiselijk leven. Daar sprak men slechts
+Dietsch, gaf en ontving recht volgens voorvaderlijke instellingen,<a name="184"></a>
+en bewaarde de eeuwen door een schat van instellingen, gebruiken,
+zeden en gewoonten.
+
+<p>Het ideale streven van den adel en de geestelijke &#8222;minne"
+waren voor hunne nuchterheid te hoog. Oorlog en hoofsche
+minne, in de ridderromans verheerlijkt, konden nog niet veel
+aantrekkelijks hebben voor harde werkers, tuk op winst die
+slechts de vrede hun brengen kon; voor eenvoudige boeren
+en poorters, die nog niet veel gaven om oorlogsroem, uiterlijke
+beschaving en verfijning. Zeker, ook zij hadden behoefte aan
+iets hoogers dan het dagelijksch werken om den broode. In
+die behoefte voorzagen de kerk en het geloof voor een groot
+deel; doch naarmate het geestelijk leven onder de gemeenten
+zich ontwikkelde, begonnen ook zij smaak te krijgen in eenig
+letterkundig werk dat hen kon vermaken, onderrichten of stichten.
+Wat aan een of meer dezer drie voorwaarden voldeed, had
+kans de gemeente te behagen&mdash;indien het niet te omvangrijk
+was; want onder burgers en boeren had men niet zooveel vrijen
+tijd als in kasteel of klooster.
+
+<p>Van dien aard was de Latijnsche verzameling van eenvoudige
+zedelessen onder den naam <i>Disticha Catonis</i> uit de eerste
+eeuwen onzer jaartelling, die in bijna ontelbare bewerkingen
+of vertalingen onder de volken van West-Europa was verbreid<a href="#6.1">[1]</a>.
+
+<p>Dat &#8222;bouc van zeden" zooals MAERLANT het noemt, werd
+reeds in 1253 z hoog geschat, dat men het op de scholen
+van Yperen als leerboek gebruikte; toen DIEDERIC VAN ASSENEDE
+zijn <i>Floris en Blancefloer</i> bewerkte, nam hij in zijn gedicht een
+drietal verzen uit den &#8222;bouc van zeden" op, die hem blijkbaar
+nog van de schoolbanken heugden. De korte, grootendeels
+vierregelige stukjes, in eenvoudige taal en doorgaans paarsgewijze
+rijmend, waren daartoe dan ook wel geschikt. Met hun
+inhoud kon het middeleeuwsch geslacht zeker zijn voordeel
+doen. Zij vonden hier enkele voorschriften in den geest van<a name="185"></a>
+het Christendom, zooals: den dood niet vreezen, zich niet
+schuldig maken aan overspel of vrekheid. Veel meer echter
+zulke die gericht waren op algemeene zedelijke vorming, op de
+praktijk des levens, het aankweeken van zachtheid en heuschheid,
+het aanleeren van goede manieren: vroeg opstaan, niet
+te veel eten en drinken, niet veel praten onder het eten, zijn
+kinderen een ambacht laten leeren, spaarzaam zijn, weer goed
+maken wat gij in dronkenschap misdreven hebt; ais gij ziek
+zijt, kies dan iemand die verstand heeft van de geneeskunst;
+let niet op droomen, beproef niet te doen wat uwe kracht te
+boven gaat; maak u niet boos op uwe dienstbaren, geloof
+uwe vrouw niet als zij te onrechte over hen klaagt, bedenk
+dat zij menschen zijn als gij; aanvaard minzaam ook een kleine
+gift, scheld niet die u liefhebben; bespot oude menschen niet;
+tracht wijs te worden: onderricht in den landbouw kunt gij
+vinden bij VIRGILIUS, in den oorlog bij LUCANUS, in de minne
+bij OVIDIUS. Wacht u voor menschen die weinig spreken:
+
+<p class="quote">Men seit: die vloet die stille staet,
+Soe<a title="[margin: zij.]"><sup>#</sup></a> es dieper dan die harde gaet.
+</p>
+
+<p>Bemin het geld om zijn gebruik; bezit gij have en goed,
+geniet er dan van. Gij moogt wel een spiering uitgooien om
+een kabeljauw te vangen.
+
+<p>OVIDIUS' onderricht in de minne, waarvan de <i>Dietsche Catoen</i>
+spreekt, was te vinden o.a. in een uit het Fransch vertaald
+gedicht, dat waarschijnlijk tot dezen tijd behoort en de <i>Ars
+Amandi</i> behandelde. Ook in een <i>bestiaire</i>&mdash;wij zouden
+zeggen: een <i>beestenboek</i>&mdash;zooals een Fransch geestelijke van
+hoogen rang, RICHARD DE FOURNIVALL, er in den aanvang
+der 13<sup>de</sup> eeuw een schreef, dat toepasselijk was gemaakt op
+de liefde. Zulk een &#8222;bestiaris van minnen", waarschijnlijk uit
+dezen tijd, kwam gedeeltelijk tot ons.<a name="186"></a>
+
+<p>Veel meer in trek echter waren de echte &#8222;bestiaires" die een
+overzicht van gesymboliseerde zologie behelsden. MAERLANT
+verhaalt ons dat Heer WILLEM UTENHOVE, &#8222;priester van goeden
+hove" te Aardenburch, zulk een <i>Bestiaris</i> had gemaakt. Doch
+hij was van den rechten weg afgedwaald, doordat hij een
+Fransch gedicht tot voorbeeld had gekozen. Misschien was dit
+voorbeeld PHILIPPE DE THAON'S <i>Bestiaire</i> uit den aanvang der
+12<sup>de</sup> eeuw, waarin o.a. de leeuw Jezus-Christus voorstelt; de
+eenhoorn die zich laat vangen door eene maagd: God die afgedaald
+is tot Maria; de krokodil den duivel; de sirenen die in
+zee de schippers verlokken: de rijkdommen in de wereld de
+menschen verleidend enz.<a href="#6.2">[2]</a>.
+
+<p>Doch hoe nuttig zulke zedelessen ook waren, zij zetten de
+verbeelding niet aan het werk en vermochten dus niet, wat
+men van een literair werk vooral verlangt: de toehoorders
+(lezers) aan zich zelven te ontrukken.
+
+<p>Daartoe was het verhaal beter geschikt, het korte verhaal
+dat tevens een nuttige les bevatte. Zulke verhalen zijn van de
+oudste tijden af bij alle volken, beschaafd of onbeschaafd, in
+zwang geweest en hebben zich langs de wegen van mondelinge
+en schriftelijke overlevering, de eeuwen door, van het eene volk
+tot het andere verbreid. In tijden toen de mensch zijne meerderheid
+boven het dier nog niet zoo sterk gevoelde als later, verplaatste
+de verteller zijne hoorders gaarne te midden der dierwereld.
+Liet hij dieren handelen en spreken als menschen, dan
+kon niemand zich ergeren als ware het op hem gemunt, en
+het verhaal won aan zinrijkheid doordat het den geest der
+hoorders aan het werk zette, en hen zelven de toepassing deed
+maken. Niet zelden ook voerde de verteller de dieren in gezelschap
+van een of meer menschen ten tooneele of vertelde hij
+een verhaal waarin louter menschen voorkwamen onder verdichte
+namen of aangeduid in algemeene bewoordingen.<a name="187"></a>
+
+<p>Die honderden verhalen in hunne verbreiding over de wereld
+door den loop der eeuwen volgen, daartoe is de wetenschap
+op verre na niet in staat. Slechts hier en daar kan zij ons een
+kijkje geven op de veelheid hunner elkander kruisende kronkelwegen.
+In het Oosten met name in Voor-Indi, zijn vele dezer
+verhalen al vroeg opgeteekend en tot grootere werken vereenigd;
+van het Oosten zijn er ettelijke, ten deele langs
+schriftelijken ten deele langs mondelingen weg, naar het Westen
+gekomen; vele andere moeten echter vanouds gemeen goed der
+menschheid geweest en mondeling van het eene geslacht op het
+andere zijn overgegaan, ook al kreeg men door vertalingen
+eene schriftelijke overlevering naast die mondelinge<a href="#6.3">[3]</a>.
+
+<p>Waarschijnlijk waren er in de 13<sup>de</sup> eeuw ook hier te lande
+verscheidene dierenfabels in omloop<a href="#6.4">[4]</a>. Echter berust de eenige
+Nederlandsche fabelbundel van dezen tijd die tot ons is gekomen
+niet op mondelinge overlevering, maar bevat zij eene vertaling
+van een Latijnsch origineel dat bekend staat onder den
+naam <i>Romulus</i>. Misschien had MAERLANT het oog op dezen bundel,
+toen hij in zijn <i>Spieghel Historiael</i> verhaalde dat de &#8222;favele"
+van ESOPUS door een paar dichters, CALFSTAF en NOYDEKIIN,
+waren verdietscht &#8222;in rime scone ende fijn" en ze aanprees
+om de &#8222;spellecheit<a title="[margin: vermakelijkheid.]"><sup>#</sup></a> ende wijsheit van zinne" die men er
+in vond<a href="#6.5">[5]</a>.
+
+<p>De bedoeling ook van dezen fabelbundel, gewoonlijk <i>Esopet</i>
+genoemd, was natuurlijk lessen van menschenkennis en levenswijsheid
+mede te deelen. De schrijver van den proloog bereidde
+zijne hoorders (lezers) daarop voor, toen hij aldus aanving:
+
+<p class="quote">Ic wille u, in die ere ons Heren,
+Bi beesten ende bi vogelen leren,
+Wisen ende wel bedieden
+Die nature van den lieden.<a name="188"></a>
+</p>
+
+<p>Aan het slot der fabels zijn die lessen dan ook doorgaans in
+een paar regels of een spreekwoord samengevat. In die goede
+lessen achtte de proloogschrijver de verdienste van het boek
+gelegen. &#8222;Let op den inhoud, niet op den vorm", zegt hij;
+in elk woord vindt gij &#8222;redene ende goeden sin"<a href="#6.6">[6]</a>. Toch mag
+de bewerking over het algemeen verdienstelijk heeten, al is zij
+onder de handen van een afschrijver er waarschijnlijk niet beter
+op geworden. De 67 fabelen die hier uit den <i>Romulus</i> ter
+bewerking zijn gekozen, behelzen de algemeen bekende verhalen
+van vos en kraai, kikvorsch en os, wolf en kraanvogel
+enz.; zij zijn meerendeels levendig verteld; hier en daar heeft
+de bewerker de levendigheid verhoogd door zijne personages
+sprekend op te voeren, zooals dat ook in de epische ridderpozie
+gebruikelijk was<a href="#6.7">[7]</a>. Hier en daar heeft de volksaard aan
+de vertaling een eigen kleur gegeven. Zoo b.v. waar de vertaler
+de fabel van de muis en de kikvorsch besluit met:
+
+<p class="quote">Hets recht, dat valsche taverniere
+Drinken van hars selfs biere<a href="#6.8">[8]</a>.
+</p>
+
+<p>Elders komt de maagschap ons herinneren dat wij in middeleeuwsch
+Nederland zijn. Op een andere plaats geeft de bewerker
+ons een kijkje in de middeleeuwsche hel waar de rampzaligen in de
+(met kokend sulfer en pik gevulde) ketels moeten ronddrijven<a href="#6.9">[9]</a>.
+
+<p>In een vijftiental dezer fabelen komen naast dieren ook
+menschen ten tooneele, in een vijftal slechts menschen of goden;
+zij handelen over de bruiloft van een dief, over Juno en Venus,
+een jonkman en eene jonkvrouw, een vader met zijn onhandelbaren
+zoon, een man die uit twee monden spreekt. Daar had
+de dichter een greep gedaan in het algemeen menschelijke,
+daar verplaatste hij zijne hoorders in wat ook nog voor hen
+werkelijkheid was<a href="#6.10">[10]</a>.<a name="189"></a>
+
+<p>In hooger mate geldt dat van een der verhalen uit dezen
+bundel dat ik tot nog toe ter zijde heb gelaten, omdat het
+een karakter draagt, verschillend van dat der overige. Het is
+het bekende verhaal van de ontroostbare weduwe die niet wil
+scheiden van haar mans lijk. Niet ver van haar zit een soldaat
+op wacht bij de galg, waaraan het lijk van een misdadiger
+hangt. De wachter krijgt dorst, klopt aan bij de schoone weduwe,
+stilt zijn dorst en troost haar. Terugkomend, ziet hij dat verwanten
+van den gehangene het lijk gestolen hebben. Bevreesd
+voor straf, roept hij de hulp der weduwe in; deze redt hem
+uit den brand door het lijk van den betreurden echtgenoot in
+de plaats van het misdadigerslijk te hangen.
+
+<p>Het middeleeuwsch woord <i>fabel</i> was, evenals het Oudfransche
+<i>fabliau</i>, ruim genoeg om verhalen van dezen aard en verhalen
+uit het dierenleven te omvatten; doch wanneer wij de Nederlandsche
+bewerking vergelijken met het Latijnsche origineel,
+dan zien wij duidelijk dat wij hier een voorlooper onzer latere
+<i>boerden</i> voor ons hebben. Van het sober, bijna droog, vertelde
+Latijnsche verhaal heeft de Nederlandsche dichter een klein
+tafereel vol leven gemaakt, waarin de naeve volkshumor van tijd
+tot tijd op voortreffelijke wijze tot uiting komt. Men hoore b.v.
+het eerste onderhoud tusschen de schijndroeve en den wachter:
+
+<p class="quote">&#8222;Vrouwe," seegt hi, &#8222;God houde u!"
+&#8222;Ay mi!" seegt si, &#8222;wie es daer nu?"
+&#8222;Vrouwe," seegt hi, &#8222;hier es een man."
+&#8222;Ay mi!" seegt si, &#8222;nu vlie dan!
+&#8222;Nemmermeer so ne wil ic comen,
+&#8222;Of God wilt daer men <i>man</i> hort noemen.
+&#8222;Ay mi!" seegt si, &#8222;hier leget doet
+&#8222;Mijn soete vrient, mijn beddeghenoet
+...<a name="190"></a>
+</p>
+
+<p>Dan de leukheid waarmede de wachter haar troost:
+
+<p class="quote">&#8222;Bi Gode!" seegt hi, &#8222;lieve vrouwe,
+&#8222;Mi es herde leet uw rouwe;
+&#8222;Maer die levende ende die dode
+&#8222;Moeten sceden, al doen sij 't node."
+...
+</p>
+
+<p>Verdraag wat gij niet verhelpen kunt; denk aan uw jonge
+jeugd. Zoo'n mooie vrouw past vroolijkheid beter; en dan, uw
+man mag flink zijn geweest ... daar zijn nog betere dan hij:
+
+<p class="quote">&#8222;Beter?" seegt si, &#8222;ay mi! ay mi!
+&#8222;Wie soude dat sijn, segt mi, wie?"&mdash;
+&#8222;Vrouwe," seegt hi, &#8222;dat ben ic,
+&#8222;Die u ghemint hebbe een stic"<a title="[margin: eenigen tijd.]"><sup>#</sup></a>.&mdash;
+&#8222;Ghi hout u scaren<a title="[margin: gij spot.]"><sup>#</sup></a>, ic wane," seegt soe.
+&#8222;God weet, vrouwe," seegt hi, &#8222;in doe."
+</p>
+
+<p>Met dezelfde losheid en levendigheid gaat het verhaal voort
+tot het eind, al heeft de afschrijver op al te plompe wijze
+getracht het slot te verknoeien<a href="#6.11">[11]</a>.
+
+<p>Een dergelijk verhaal van de ontroostbare weduwe vindt men
+met verscheidene andere vereenigd in een der beroemdste verhalenbundels,
+welke de wereldliteratuur kent, nl.: <i>van den VII.
+vroeden binnen Rome</i>.
+
+<p>Van de vroegste tijden af vindt men bij tal van volken in
+Azi en Europa deze en soortgelijke verhalen vereenigd tot
+bundels, die onderling verschillen doordat, als in een kaleidoscoop,
+telkens weer andere verhalen zich samenvoegen tot
+een nieuw geheel. De lijst om die verhalen blijft dezelfde;
+overal is het een stiefmoeder die haren schoonen voorzoon,
+een JOZEF-HIPPOLYTUS, belastert bij zijn vader. Telkens wil de
+vader den zoon ter dood laten brengen, doch wordt ook telkens<a name="191"></a>
+daarvan afgebracht door een waarschuwend verhaal van een
+der zeven vroede mannen die den jongeling hebben opgevoed.
+Tegenover elk dier verhalen plaatst de stiefmoeder een verhaal met
+tegenovergestelde strekking, totdat de vader de waarheid ervaart
+en de booze stiefmoeder doet verbranden. In die lijst vindt men
+telkens weer een verschillend samenstel van verhalen, al komen
+ettelijke van dezelfde verhalen in vele bewerkingen voor<a href="#6.12">[12]</a>.
+
+<p>In den bovengenoemden Nederlandschen bundel hebben wij
+waarschijnlijk de bewerking eener Fransche proza-redactie<a href="#6.13">[13]</a>.
+MAERLANT zal wel het oog op dit gedicht hebben gehad, toen
+hij in zijn <i>Spiegel Historiael</i> schreef:
+
+<p class="quote">Maer noit en vand ic, als ic ghome<a title="[margin: naar ik meen.]"><sup>#</sup></a>,
+Ghene VII. vroede te Rome,
+<i>Els dan die valsche faloerde<a title="[margin: Behalve dan dat logenverhaal.]"><sup>#</sup></a>
+Veinset daer af eene boerde</i><a href="#6.14">[14]</a>.
+</p>
+
+<p>Ook is het zeer wel mogelijk dat een paar regels uit n der
+verhalen zijn overgenomen uit het verhaal van de weduwe in
+<i>Esopet</i> of omgekeerd, zoodat beide werken niet zoo heel lang
+na elkander zullen vervaardigd zijn<a href="#6.15">[15]</a>.
+
+<p>Deze Nederlandsche bewerking geeft ons een aantal der
+meest bekende verhalen, waarvan ik slechts een paar noem om
+eenig denkbeeld van het geheel te geven. Wij vinden hier o.a.
+het verhaal van den trouwen hond die een kind in de wieg
+verdedigt tegen een slang, de slang doodt en, met bloed bevlekt,
+zich neervlijt bij de wieg die in het gevecht ondersteboven
+is komen liggen. Als dan de vader van het kind thuiskomt, de
+wieg ondersteboven doch niet zijn kind ziet, waant hij dat de
+hond het kind heeft gedood en slaat den trouwen wachter den
+kop af. Voorts het verhaal, reeds bij HERODOTUS voorkomend,
+van de dieven die in des Konings schatkamer binnendringen,
+waarin n hunner gevangen blijft; dat van de vrouw die het<a name="192"></a>
+geduld van haar man op zware proeven stelt, door SHAKESPEARE
+in zijn <i>Taming of the Shrew</i> gedramatizeerd; van de overspelige
+vrouw die door een slimmen streek haar man 's nachts buiten
+de deur weet te sluiten en de verdenking van ontrouw op hem
+te laden.
+
+<p>Vergelijkt men de Nederlandsche bewerking met haar voorbeeld
+dat zij over het algemeen vrij getrouw volgt, dan blijkt dat de
+vertaler in menig opzicht te kort schiet: zelden treffen wij een
+stuk aan dat mooi verteld is, al te vaak vinden wij noodelooze
+herhalingen en stoplappen; de bouw zijner zinnen laat nogal
+eens te wenschen over. Anderzijds is er in zijn werk zekere
+frischheid en iets eigens dat aangenaam aandoet en de vele
+teekenachtige woorden die hij gebruikt, versterken dien indruk
+nog. Zelden of nooit laat hij in eene opmerking of overweging
+iets van zijne persoonlijkheid zien, doch het karakter van
+zijn volk en zijn tijd openbaart zich hier en daar duidelijk.
+Op meer dan een plaats vinden wij een godsdienstig tintje,
+waar dat in het Fransen ontbreekt; elders integendeel een
+realistisch-erotisch element, dat in het Fransch niet gevonden
+wordt. Soms geeft hij ons een kijkje in de rechtspraak dier
+dagen, in het huiselijk leven en de gewoonte om met Kerstdag
+zijne magen ten eten te noodigen, toont ons dat het verbod
+om 's avonds na klokslag zonder lantaarn uit te gaan toen reeds
+bestond of, verlevendigt zijn verhaal door het aardig weergeven
+eener tevreden stemming in een regel als deze:
+
+<p class="quote">Dat halp den keyser in sijn merch<a href="#6.16">[16]</a>.
+</p>
+
+<p>Zulke teekenachtige uitdrukkingen, in verband met den
+ganschen geest der bewerking en de blijkbare onbedrevenheid
+van den bewerker in het hanteeren der taal, doen mij eer aan
+een volksdichter dan aan een ontwikkeld dichter denken, al
+blijkt ons niet tot welk publiek hij zich bij voorkeur richt.<a name="193"></a>
+
+<p>Opmerkelijk blijft in allen gevalle dat de smaak in korte verhalen
+van dezen aard&mdash;zij konden immers alle afzonderlijk
+worden voorgedragen&mdash;zich in dezen tijd onder ons volk
+openbaart. En begrijpelijk is het dat men hier nog meer moet
+hebben genoten van een dichtwerk waarin een aantal dierfabels
+waren verbonden tot een veel hechter en schooner geheel dan
+dat der <i>VII. vroeden van Rome</i>.
+
+<p>Men zal beseffen dat ik het oog heb op het voortreffelijk
+middeleeuwsch kunstwerk
+
+<h3>VAN DEN VOS REINAERDE<a href="#6.17">[17]</a>.</h3>
+
+<p>In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt
+de fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit
+volgt natuurlijk nog niet, dat de fabelbundel <i>Esopet</i> ouder
+moet zijn dan het episch gedicht <i>Van den Vos Reinaerde</i>; doch
+welke ook de ontstaans-orde dezer twee werken moge zijn,
+veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet ontloopen. En, wat
+gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier waarschijnlijk eene
+mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of onder
+de schriftelijke.
+
+<p>De bewerker der Latijnsche fabels uit den <i>Romulus</i> moet
+ook andere fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de
+hand, dan dat die hem uit den volksmond bekend, dat zij hem
+door anderen verteld zijn geworden? Anders dan in den <i>Romulus</i>
+draagt de vos bij hem reeds zijn naam <i>Reinaert</i>, kent hij den
+ezel onder den naam <i>Boudewijn</i>, den aap onder dien van
+<i>Martijn</i>; de vos spreekt den wolf aan met &#8222;soete here oom",
+de ezel het everzwijn met &#8222;lieve broeder", de kleinere dieren
+(muis, lam) spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met &#8222;here"
+of &#8222;edel here"; wij vinden in den <i>Esopet</i> reeds de uitdrukking:
+&#8222;van reinaerts spele spelen".<a name="194"></a>
+
+<p>Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels
+kenden, zal de verdietsching van den <i>Romulus</i> bij hen
+in goede aarde zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept
+hebben in die korte verhalen, waarin allerlei menschelijk gebeuren,
+denken en gevoelen was voorgesteld; te meer, omdat
+de acteurs op dit klein tooneel te voorschijn kwamen in de
+gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende dieren. Maar
+in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve waren,
+zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen:
+den hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare,
+den hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand;
+hier konden zij &#8222;vroescap leren" in nuttige lessen als:
+tevreden zijn met weinig, zich hoeden voor slechte raadgevers,
+mooipraters wantrouwen, zich aan een ander spiegelen, om het
+rad van avontuur denken, dat het met groote heeren kwaad
+kersen eten is, &#8222;dat behendichede beter es dan sterchede".
+
+<p>En die &#8222;vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat
+zij werd voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met
+rustige vroolijkheid en zachte luim en leuke scherts die hier
+en daar, als in de fabel over de vrouwen, tot goelijken
+spot werd.
+
+<p>Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing
+van het zooveel grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk
+dierenleven, dat hun in het verhaal <i>Van den Vos Reinaerde</i>
+geboden werd. Alles wat er in <i>Esopet</i> te genieten viel, was
+ook hier aanwezig, maar in hoogere macht, en vereenigd
+tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren
+een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf<a href="#6.18">[18]</a>, vos,
+das, ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met
+uitheemsche als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij
+gelijk aan de feodale, bestuurd door Koning Leeuw
+die met zijne groote vazallen te rade gaat. In die maatschappij<a name="195"></a>
+is er een die zich om recht noch wet bekommert, leeft naar
+eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei misdaden zich
+tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos
+Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel,
+onbarmhartig, telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna
+ongenaakbaar Maupertuis verlatend.
+
+<p>Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van
+klachten zijn tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings
+rechterstoel vangt aan. Reinaerts grootste vijand, Isegrim de
+wolf, opent de reeks der aanklagers. De Koning besluit dat
+Reinaert driemaal zal worden ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens
+naar Maupertuis gezonden, komen met schade en
+schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het aan neef
+Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld
+tot de galg, weet de schelm zich te redden door den
+Koning het uitzicht te openen op een ver weg begraven schat;
+dit leugenverhaal heeft hij verbonden met zware beschuldigingen
+tegen beer en wolf. Hij komt er af met eene bedevaart; beer
+en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram Belijn vergezellen
+hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met Cuwaerts kop
+tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert
+met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis.
+
+<p>In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een
+paar lijnen aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen
+indruk moesten wij hebben, voordat wij ons nu kunnen
+wenden tot het beantwoorden van de vragen: van waar had de
+dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar opgevat en uitgewerkt?
+welke indrukken laat de beschouwing van zijn kunstwerk
+bij ons achter?
+
+<p>Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een
+of meer der Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft<a name="196"></a>
+gekend, noch dat hij een zoogenaamde &#8222;branche" dier sage,
+<i>Le Plaid</i>, eenigermate als voorbeeld heeft gevolgd.
+
+<p>Van de 12<sup>de</sup> tot de 14<sup>de</sup> eeuw hadden tal van Fransche
+trouvres, meerendeels klerken, uit Normandi en Champagne,
+maar vooral uit Picardi en Fransch-Vlaanderen, met liefde
+deze verhalen behandeld, zooals zij zich die herinnerden uit
+de klassieke fabelbundels, uit de in kloosters gedichte Latijnsche
+verhalen als <i>Ecbasis Captivi</i>, <i>Sacerdos et Lupus</i>, <i>Gallus et
+Vulpes</i>, of uit de mondelinge overlevering. Langzamerhand
+ziet men in het werk der trouvres satire van kerk en kerkgebruiken
+en parodie van ridderwezen en ridderroman op
+den voorgrond komen. Bij de voortgaande ontwikkeling
+van het literair kunstgevoel gingen sommige dichters er naar
+streven eenheid te brengen in de veelheid dezer verhalen. In
+den aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw (omstreeks 1204) zien wij dat
+streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht
+<i>Le Plaid</i>.
+
+<p>Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen
+dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een
+nieuw werk; tal van bekende verhalen en dichterlijke motieven,
+met kunst verwerkt en met tact samengevoegd, zijn daarin door
+hem met nieuw leven bezield. In het eerste deel van zijn werk
+(ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele het Fransche
+gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het verhaal
+wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook
+andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche
+&#8222;branches" of uit de mondelinge overlevering bekend waren.
+In het tweede deel ging hij nog meer zijn eigen weg, daar hij,
+naar dichters welbehagen puttend uit de bronnen der schriftelijke
+en waarschijnlijk ook der mondelinge overlevering, uit de
+door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is er dus
+wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar<a name="197"></a>
+hun gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen,
+scherp kan die tegenstelling niet genoemd worden.
+
+<p>Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch
+gedicht en de Fransche &#8222;branches" zijn ons reeds
+vroeger aangewezen; die overeenkomst heeft soms betrekking
+op den toestand, soms ook, maar minder dikwijls, op de wijze
+van voorstelling; woordelijke overeenkomst kan vooral in het
+eerste deel hier en daar worden opgemerkt<a href="#6.19">[19]</a>. De tot dusver
+gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd.
+
+<p>Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen,
+terwijl hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat
+te praten. Een tweede aanwijzing vinden wij in het volgende.
+In het Nederlandsch gedicht moet Bruin de beer, op zijne
+zending naar Maupertuis door Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld,
+een zwaren tocht volbrengen om koning Nobel
+alles te berichten; niet in <i>Le Plaid</i>, maar in een der andere
+Fransche &#8222;branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde
+omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen,
+valt door Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren
+mishandeld en sleept zich met moeite naar 's konings hof. De
+weeklachten van vrouwe JULOCKE, de pastoorsche, vindt men
+op de overeenkomstige plaats in <i>Le Plaid</i> slechts aangeduid; vrij
+wat uitvoeriger zijn de klachten der &#8222;prestresse" uit eene andere
+branche en het meest gelijken zij op het gejammer van Dame
+Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar gemaal
+Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als
+de pastoor. Botsaert, de &#8222;clerc" des konings, schijnt van
+WILLEM'S vinding; wij mogen echter niet vergeten, dat ook
+koning Noble een &#8222;clerc" heeft in Baucent &#8222;le sanglier", al
+komt deze niet op dezelfde plaats voor als in het Nederlandsch.
+Het gat dat &#8222;onder dien spiker verholenlike gemaect" was, uit<a name="198"></a>
+den <i>Reinaert</i>, vinden wij niet op de overeenkomstige plaats in
+<i>Le Plaid</i>, wel in eene andere &#8222;branche" terug<a href="#6.20">[20]</a>.
+
+<p>In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden
+gelegen; behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke
+overeenkomst sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat
+wij hier aan de schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering
+moeten toeschrijven. Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM
+onderscheidene, door trouvre's gedichte, verhalen van Renart
+heeft gekend, maar toch waarschijnlijk niet met eene volledigheid
+die slechts door hedendaagsche critische uitgaven bereikt wordt.
+Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge overlevering
+ook hier niet uit het oog te verliezen.
+
+<p>Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den <i>Reinaert</i>
+als parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in
+meer dan een der Fransche &#8222;branches", ook in <i>Le Plaid</i>, aanwezig.
+Hier is het een verdienste van WILLEM, dat hij den
+geest dier parodie zoo uitnemend heeft gevat en weergegeven
+en dat hij getoond heeft dit wapen van den spot voortreffelijk
+te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers vond. Hoe
+duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het
+gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door
+parodiering der genealogische herauten-wijsheid zulk een
+komisch-grotesk aanzien weet te geven.
+
+<p>Doch ook op eigen hand parodiert hij het ridderwezen,
+zooals het hem uit Nederlandsche romans bekend was geworden.
+Dat hij den <i>Karel en Elegast</i> voor dat doel gebruikt heeft,
+wisten wij; op verscheidene plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming
+aan te wijzen. Doch er is meer van dien aard
+te noemen.
+
+<p>In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd
+wordt: met snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten<a name="199"></a>
+eik op LAMFROIT'S erf en bedreigd door een aansnellenden
+troep dorpers, heeft WILLEM naar alle waarschijnlijkheid het
+Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch niet alleen.
+Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman
+<i>van Lancelot</i> een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer
+met vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men
+oordeele:
+
+<table>
+<tr><td><p class="quote"><i>Reinaert</i>, vs. 718 vlgg.<br>
+<br>
+Doe volchde hem een mekel here.<br>
+Int dorp ne bleef man no wijf:<br>
+Den bere te nemene sijn lijf<br>
+Liep 't al dat lopen mochte.<br>
+Sulc was die enen bessem brochte,<br>
+Sulc enen vleghel, sulc een rake:<br>
+Sulc quam ghelopen met enen stake,<br>
+<i>So si quamen van haren werke</i></p></td>
+<td><p><i>Lancelot</i>, II, 38377 vlgg.<br>
+<br>
+(Die meyer liep sere verbolgen:<br>
+Die scepenen gingen hem volgen.<br>
+Men geboet al ute daer,<br>
+Wat elc conste vinden vorwaer,<br>
+Waes 't riec, pike, vleghel, stocken,<br>
+Hake, sceppen, swingen, rocken,<br>
+Wat dat si gegripen conden,<br>
+<i>Also alsi in haer ambacht stonden</i>,<br>
+Nam elc dat ende volgede naer.<br>
+Sulc nam enen timberbiel daer<br>
+Ofte ene reke oft een gysarme;<br>
+En si dattene God bescerme<br>
+Soe es min here Walewein verloren.</p></td></tr></table>
+
+<p>De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in
+<i>Le Plaid</i> eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit
+den Franschen <i>Lancelot</i>; doch met het oog op de boven
+gecursiveerde verzen, komt mij dat niet zoo waarschijnlijk voor.
+
+<p>Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der
+<i>Lorreinen</i>. In het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert
+lezen wij o.a. dit vers (1075):
+
+<p class="quote">wat cost Reinaerde scone tale?<a name="200"></a>
+</p>
+
+<p>Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch
+(vs. 782) lezen:
+
+<p class="quote">Mes sa parole que li coste?
+</p>
+
+<p>dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder
+de oogen heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman
+der <i>Lorreinen</i> den verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode
+(dus onder dezelfde omstandigheden) hooren zeggen:
+
+<p class="quote">Want mi cost niet hoefsce tale
+</p>
+
+<p>dan gaan wij toch vermoeden, dat WILLEM ook dit vers moet
+gekend hebben. En dat met meer reden, omdat er ook andere
+plaatsen in de <i>Lorreinen</i> zijn, die ons aan het gedicht <i>van den
+vos Reinaerde</i> doen denken.
+
+<p>In het Tweede Boek van dien roman vinden wij keizer
+KAREL te Aken; hij zal uitspraak doen in &#8222;'t gedinge"
+tusschen een paar zijner groote vazallen: koning OTTE en
+koning YOEN; de laatste wordt namelijk beschuldigd van overspel
+met OTTE'S gemalin (de verhouding tusschen Isegrim,
+Reinaert en Hersent).
+
+<p>Ook elders in dezen roman vinden wij een paar voorname
+vazallen met hunne magen voor 's Konings rechterstoel hunne
+zaak bepleitend. GELLOEN, de verrader, die in dezen roman
+eene gewichtige rol speelt, boos, sluw, dapper, doet ons meer
+dan eens aan Reinaert denken: indertijd heeft hij in een strijd
+tusschen zijn heer, koning KAREL, en koning ASPRIAEN, de
+zijde van den laatste gekozen om der wille van ASPRIAEN'S
+dochter; toen hij zag, dat de zaak verkeerd liep voor ASPRIAEN,
+kwam hij koning KAREL &#8222;smeken ende lecken || Als die sine
+quaetheit woude decken." Tot straf voor zijne misdaden wordt
+hem eene &#8222;heilege bedevaert" opgelegd<a href="#6.21">[21]</a>. Het eerste geval
+herinnert aan de houding van Reinaerts vader in den strijd<a name="201"></a>
+tusschen leeuw en beer; de bedevaart wordt, zooals men weet,
+ook Reinaert tot straf opgelegd.
+
+<p>Ook hier zou men van oordeel kunnen zijn, dat de overeenkomst
+reeds kan bestaan hebben tusschen de <i>Chanson des
+Lorrains</i> en den <i>Renart</i> en dus het Nederlandsch gedicht niet
+of niet in de eerste plaats raakt. Doch zoo oordeelend zou men
+geene rekening houden met een gewichtigen, tot dusver onopgemerkten
+karaktertrek van het Nederlandsch gedicht: de groote
+rol die <i>de maagschap</i> daarin speelt.
+
+<p>In WILLEM'S gedicht zien wij de dieren telkens met hunne
+maagschap opkomen en vinden wij over het algemeen een
+levendig besef van de beteekenis der maagschap; in de Fransche
+gedichten over Renart vindt men op de overeenkomstige plaatsen
+niets daarvan. Neemt men nu in aanmerking dat die maagschap
+vooral in de tweede helft van WILLEM'S gedicht op den
+voorgrond treedt en dat er zeker weinig Fransche riddergedichten
+zijn, waarin de maagschap vaker genoemd wordt
+dan juist in de <i>Lorreinen</i>, het verhaal der veete tusschen twee
+voorname geslachten&mdash;dan geloof ik wel te mogen aannemen
+dat WILLEM ook de Nederlandsche <i>Lorreinen</i> zelfstandig heeft
+geparodieerd<a href="#6.22">[22]</a>.
+
+<p>Zelfstandige parodie van den ridderroman vinden wij ten
+slotte niet het minst in den proloog, die juist om die reden
+zoo uitnemend strookt met het gansche gedicht. Wie den proloog
+van den <i>Reinaert</i> leest na die van <i>Walewein</i> en van <i>Floris
+en Blancefloer</i>, zal in gelijke woorden, wendingen en rijmklanken
+meer dan eens de parodie opmerken<a href="#6.23">[23]</a>.
+
+<p>WILLEM beweert zijn gedicht te hebben geschreven op verzoek
+eener dame. Het is natuurlijk mogelijk, dat hij hier de
+waarheid zegt; doch waarschijnlijk acht ik, dat de proloog ook
+hier de ridderromans parodieert, waarin wel eens meer gewag
+wordt gemaakt van zulk een verzoek.<a name="202"></a>
+
+<p>Zoo deelt MAERLANT ons mede dat hij zijn roman <i>van
+Alexander</i> heeft ondernomen ter eere van haar die hem
+&#8222;gevangen" houdt. En nu is het opmerkelijk dat wij juist in
+den <i>Alexander</i> tal van plaatsen vinden die ons aan den <i>Reinaert</i>
+herinneren en hoogstwaarschijnlijk maken, dat WILLEM ook
+dezen roman heeft gekend<a href="#6.24">[24]</a>.
+
+<p>Elk dichter die menschen voorstelt in de gedaante van dieren,
+loopt gevaar dat hij het gevoel voor harmonie van zijn publiek
+te weinig zal ontzien; dierfabel en dierepos immers brengen in
+hun wezen zekere tweeslachtigheid mede. Ongetwijfeld is elk
+publiek gaarne bereid den dichter ook in zulke verbeeldingen
+te volgen, en naarmate een publiek eenvoudiger is, zal het te
+minder gestoord worden in zijn genot door het overschrijden
+der grenzen in dezen. Van den bewusten of onbewusten tact
+des dichters zal het afhangen, of en in hoever hij hier de juiste
+maat weet in acht te nemen en, der menschen leven uitbeeldend,
+ons toch binnen den kring van het dierenleven te houden.
+
+<p>De dichter WILLEM heeft, zoo min als eenig ander, dit
+anthropomorphisme geheel kunnen vermijden. Wij vinden hier
+immers eene voorstelling der feodale maatschappij: de koning
+bestuurt den staat, zijne groote heeren zijn zijne raadslieden,
+hij houdt een hofdag en behandelt gedingen, hij zendt gezanten
+die brieven meekrijgen, wij hooren van een mis, een kapelaan,
+van het zweren op heilige reliquien; de dieren doen afstand
+van iets met den symbolischen stroohalm, worden begraven
+met eene lijkmis, hebben een graf met grafschrift, een kasteel,
+schatten, gaan op een bedevaart met &#8222;palster ende scerpe",
+worden terechtgesteld; de galg staat voor hen klaar, er wordt
+bij de terechtstelling op een hoorn geblazen. De leden dezer
+feodale maatschappij vertoonen onderscheidene menschelijke
+aandoeningen: de beer lacht dat hij niet meer kan, Reinaert<a name="203"></a>
+bespot den beer met allerlei aardigheden die op den priesterstand
+betrekking hebben, Reinaert's vrouw Ermeline valt in
+onmacht, Reinaert zelf loopen bij zekere gelegenheid de tranen
+langs de knevels<a href="#6.25">[25]</a>.
+
+<p>Al dit menschelijk-dierlijke, of ten minste verreweg het meeste
+daarvan, had de dichter reeds in zijn voorbeeld gevonden.
+Nergens echter gaat hij de grenzen van den tact zoozeer te
+buiten als de dichters van <i>Le Plaid</i> en der overige &#8222;branches".
+Deze laten de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte,
+de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger
+steken, baden en aderlaten; hier werpt men eene in zwijm
+gevallen kip water over den kop, om haar weer bij te brengen.
+In den <i>Reinaert</i> vinden wij een enkelen keer eene uitdrukking,
+aan het paardrijden ontleend, gebezigd van dieren: Reinaert en
+Tibeert de kater loopen
+
+<p class="quote"> daer si lopen wilden,
+dat si nie toghel uphilden<a href="#6.26">[26]</a>.
+</p>
+
+<p>Daar echter nergens in dit of eenig ander deel van het verhaal
+sprake is van rijpaarden, kan deze uitdrukking niet meer
+beteekenen dan: <i>stilstaan</i>.
+
+<p>In de Fransche gedichten echter vinden wij, behalve deze
+uitdrukking (&#8222;onques n'i ot resne tenue") nog vrij wat andere
+die ons de dieren werkelijk te paard zittend voorstellen, hoe
+zij hun rijdier de sporen geven en door de vlakte draven.
+
+<p>WILLEM spreekt van Reinaert's kasteel en zelfs van een der
+buitenwerken daarvan, de &#8222;barbecane". Doch daarbij blijft het.
+In de Fransche gedichten krijgen wij het gansche kasteel voor
+ons met zijne hooge muren, ophaalbruggen, het wiket in de
+poort; in een der &#8222;branches" wordt zelfs een formeel beleg
+beschreven; elders gewag gemaakt van het Grieksch vuur<a href="#6.27">[27]</a>.
+Heeft WILLEM dus in de onvermijdelijke vermenschelijking der<a name="204"></a>
+dieren de maat geerbiedigd, anderzijds weet hij de dieren in
+hun handel en wandel zoo telkens weer voor onze oogen te
+brengen en te houden, dat wij het menschenleven maar
+flauwtjes door dat dierenleven heen zien schemeren.
+
+<p>Nu eens zien wij Reinaert een haas bij de keel grijpen, dan
+eens aan de kleine wolfjes zeker oogwater toedienen waardoor
+zij stekeblind worden. Wij zien hem om een hoenderpark
+sluipen; de honden gaan hem te lijf, dat de vlokken hem van
+den pels stuiven. In zijn schuilplaats ligt hij zich te koesteren
+op een zonnig plekje. Hij speelt met de jonge lammetjes, totdat
+hij er een dood bijt en het opgelikte bloed den sluimerenden
+moordlust voorgoed wekt. Onder varens verscholen, ligt hij
+zijn vader te bespieden, den ouden vos die met den staart
+zijn spoor uitwischt; hij zelf krabt met zijn pooten het
+zand weg van den toegang tot een hol, pas door zijn vader
+gestopt en kruipt naar binnen; bij het afscheid van den
+koning en het hof gaat hij op zijne achterpooten staan. Hij
+bijt Cuwaert de keel af en het vossengezin smult van den
+&#8222;goeden vetten hase."
+
+<p>Daar is Isegrim de wolf die zich zoo dik gegeten heeft, dat
+hij niet meer kan ontsnappen door het gat, waardoor hij eerst
+is binnengekomen; die, als hij een kalf of ram heeft buitgemaakt,
+onder het vreten tegen Reinaert gromt en hem de tanden laat
+zien; Isegrim met zijne magen die ons zoo goed geschetst
+worden in dat ne vers: &#8222;met scerpen claeuwen, met diepen
+monden." Bruin de beer, op zijn staart voor de &#8222;barbecane"
+van Malpertuis gezeten, den honing verheerlijkend, met kop
+en voorpooten gevangen in een halfgespleten eik; later zien
+wij hem afgemat en bloedend op den oever liggen, &#8222;ende
+sloech met beiden sinen lanken"<a title="[margin: zijden.]"><sup>#</sup></a>; daarna op weg naar des
+konings hof, beurtelings voortschuivend op zijne achterdeelen
+of zich over den grond wentelend. Tibert de kater, op de
+<a name="205"></a>
+muizenjacht in een strik gevangen, die in zijn doodsangst den
+bijna naakten pastoor met klauwen en tanden te lijf gaat; die
+zich uit den strik redt door het touw stuk te bijten. Daar is
+voorts de haan Cantecleer met zijn kippenharem, die zoo lustig
+en rustig leeft in dat mooie park, totdat de roode vijand hen
+komt belagen; Cantecleer, klapwiekend gaande voor de lijkbaar,
+waarop de door Reinaert vermoorde kip Coppe ligt; Coppe
+&#8222;die so wale conste scraven<a title="[margin: (met de pooten) schrabbelen.]"><sup>#</sup></a>." Elders zien wij haan en kippen
+op de hanebalken of losloopend bij een schuur, hond en kat
+kijvend om een worst, de ooievaar die de kikkers opslokt en
+tal van andere beesten die ons slechts terloops genoemd worden.
+
+<p>Dat rumoerig dierenleven in zijne bonte afwisseling wordt
+grootendeels afgespeeld onder den blooten hemel in Gods
+vrije natuur.
+
+<p>Het is Pinksteren in een heuvelachtig land, bosch en hagen
+staan in het groene blad. Op een grasveld houdt Nobel hof;
+een hooge steen is 's konings troon. Onbezorgd wandelt
+Cantecleer met zijne kippen rond waar de groene velden vol
+bloemen staan. Coppe wordt begraven onder de linde (rustplaats
+van zoo menig minnend hart!) Bruin trekt naar Malpertuis
+door een donker woud, door een wildernis, over een hoogen
+breeden heuvelrug. Langs een krom pad bereiken Reinaert en
+hij het erf van LAMFROIT, waar een eik ligt dien de boer uit
+het bosch heeft gehaald om hem te splijten; een rivier stroomt
+in de nabijheid. In die rivier ontkomt de mishandelde beer aan
+zijne vervolgers. Op den oever van die rivier ligt hij uitgeput,
+als Reinaert die op een heideheuvel een vet hoen heeft verorberd,
+daarheen komt om zich wat op te frisschen.
+
+<p>Tibert ontmoet op zijn weg de kraai. &#8222;Al heil, edel voghel!"
+roept hij, &#8222;vlieg aan mijne rechterhand voorbij!" Maar de vogel
+vliegt in het kreupelhout, links van hem: een kwaad voorteeken!
+'s Avonds laat bereikt hij Maupertuis; helder als de dag schijnt<a name="206"></a>
+de maan over de heide; bij dat licht loopen hij en Reinaert
+naar pastoors schuur.
+
+<p>Ver weg van deze streken, in de wildernis, bij een bosch ligt
+de bron Kriekeput; alleen uilen nestelen in die eenzaamheid;
+jonge berken staan in den bemosten grond om de put. Een
+dergelijke wildernis moet het zijn, waarheen Reinaert ten slotte
+met zijn gezin de wijk neemt, waar het op de heide en in het
+kreupelhout krioelt van patrijzen en ander gevogelte.
+
+<p>Welk een meester toont deze middeleeuwsche dichter zich
+reeds in de karakteristiek zijner personages?
+
+<p>Welk een brutale zinnelijkheid is er in dien Reinaert, den
+echtbreker; die niet tevreden met de wolvin, ook de gemalin
+van den koning, naar het schijnt, te na is gekomen; die voor
+zich zelf weet te zorgen en tijdens het gevecht der dorpelingen
+met Bruin een vet hoen wegkaapt; hoe grof uiten zich zijne
+teleurstelling en zijne minachting voor LAMFROIT, als deze den
+beer heeft laten ontsnappen; hij lacht dat hij kraakt bij de
+weeklachten der pastoorsche. Hoe gruwzaam is zijn wraak op
+Isegrim en Bruin en hoe bitter zijn spot over hun ongeluk.
+Bij zijn afscheid weet hij den haas Cuwaert en den ram Belijn
+met zich te lokken; den eerste vermoordt hij en zendt den
+ander met den kop des vermoorden in een zak naar den Koning
+terug; &#8222;er zitten brieven in", zegt hij, &#8222;waarvoor de Koning u
+dankbaar zal zijn". Dat is zijn afscheidsgroet. Al zit hij in de
+klem, hij verliest den moed niet. Aan 's Konings hof gekomen
+na al zijne misdaden, krijgt hij het benauwd; toch houdt hij
+het hoofd op, hij loopt als een prins bij den weg. Met de
+galg voor oogen spot hij nog met Isegrim. Zijn zelfvertrouwen
+begeeft hem ook nu niet, want reeds heeft zijn vindingrijke
+geest een uitweg ontdekt: als terloops laat hij iets van een
+schat verluiden; wanneer dan de hebzucht van Koning en<a name="207"></a>
+Koningin gewekt is, doet hij een kunstig verzonnen verhaal
+over eene samenzwering der dieren om Bruin op Nobels troon
+te zetten. Dat verhaal besluit hij op voortreffelijke wijze met
+de klacht: &#8222;ende arm man Reinaert es de blare<a title="[margin: zondebok.]"><sup>#</sup></a>"; langs dien
+weg weet hij het verhaal weer op zich te wenden. Niets is
+hem heilig: hij maakt grappen bij de biecht en begint Latijn
+te koeteren; als Grimbaert hem berispt dat hij na de biecht
+onmiddellijk een aanval doet op eenige kippen, zegt hij: stoor
+mij niet in mijne vrome overpeinzingen! Onder het voorwendsel
+van Cuwaert een gebed te leeren, grijpt hij hem bij de keel.
+Hoe ootmoedig houdt hij zich tegenover den Koning; hoe
+nederig tegenover den beer: ik moet wel honing eten uit nood,
+een arm man is geen graaf! Maar des te bitterder en onbarmhartiger
+is zijn spot later, als hij het spel gewonnen ziet. Want
+hij kent geen genade; boven alles is hij <i>fel</i>: &#8222;de felle metten
+roden baerde", het &#8222;felle dier", &#8222;die felle creature"&mdash;zoo
+noemt de dichter hem bij voorkeur. Zijn eenige zwakke punt
+is de liefde voor zijne zoons: Reinaerdijn, wien de knevels al
+zoo aardig aan zijn muiltje staan en die een aardje naar zijn
+vartje zal hebben; Rosseel, &#8222;den schonen dief", die hij zoo
+lief heeft als eenig vader zijne kinderen.
+
+<p>Het meest op den voorgrond staan tegenover Reinaert Isegrim
+en Bruin, naast Reinaert zijn neef Grimbaert de das, terwijl
+Tibert de kater zich later ook tegenover Reinaert plaatst.
+
+<p>Van Isegrim wordt ons meer verhaald dan dat wij hem
+zien handelen of hooren spreken. In den aanvang van het verhaal
+staat hij met zijne vrouw Hersinde en zijne magen vr
+den Koning; hij is degeen die de reeks der klagers opent. Uit
+onderscheiden verhalen blijkt ons, hoe vaak Reinaert en hij
+als &#8222;gezellen" er op uit zijn geweest en hoe slecht Isegrim er
+gewoonlijk is afgekomen. Bij de voorgenomen terechtstelling
+van Reinaert is hij op dreef: hij vermaant zijne magen den<a name="208"></a>
+schuldige stevig vast te houden, Hersinde moet den schelm bij
+zijn baard grijpen, onderwijl zal hij met Bruin en Tibert de
+galg in gereedheid brengen. In zijn triomf over den gehaten
+vijand maakt hij bittere grappen in vossetrant. Als hij hoort
+dat Reinaert zich heeft weten vrij te pleiten, snelt hij terug
+naar 's konings hof en vaart zoo uit, dat de koning boos wordt
+en hem met Bruin doet gevangen nemen. Terwijl zijne voorpooten
+gevild worden, ligt hij stil; bij Reinaerts spotternijen
+verkropt hij zwijgend zijne woede.
+
+<p>Met blijkbaar welbehagen heeft de dichter den beer geteekend
+in zijn domme zelfgenoegzaamheid. &#8222;Maak u niet bezorgd
+over mij" zegt hij tot den Koning, die hem waarschuwt tegen
+Reinaerts bedriegelijken aard. Komisch is hij in zijn naieven
+lofzang op den honing, niet minder in de deftigheid waarmede
+hij een wijs spreekwoord te pas brengt; hij, de gulzigaard,
+over het &#8222;maathouden"! Dan zien wij &#8222;arm man Brune" in
+de knijp: met een bebloeden kop, zonder wangen, met slechts
+n oor, drijft hij vloekend de rivier af; hijgend van inspanning,
+steunend van pijn, ligt hij op den oever; liever dan Reinaerts
+bittere grappen te verdragen, springt hij opnieuw in het water.
+Welk een krachtig komische werking doet zijn droefheid over
+de vermindering van zijn uiterlijk, het verlies van zijne &#8222;mooie
+wangen". Wanneer de vos eindelijk als gedaagde aan het hof
+verschijnt, springt hij met zijne verwanten op; gretig neemt hij
+deel aan de toebereidselen tot de terechtstelling.
+
+<p>Grimbaert de das is de eenige trouwe vriend dien Reinaert
+heeft, die hem van den aanvang af verdedigt, die hem trouw
+blijft, ook nadat zijn oom hem droevig heeft gelogenstraft. Wanneer
+hij ziet, dat Reinaert gevaar loopt door niet aan de indaging
+gehoor te geven, brengt hij zelf hem aan 's Konings hof. Is
+Reinaert veroordeeld, dan gaat hij met zijne magen heen, om
+zijn ooms dood niet te moeten zien. Slecht wordt hij voor zijne<a name="209"></a>
+trouw beloond; om zich van de galg te redden, beticht Reinaert
+ook hem van deelname aan de samenzwering tegen den koning.
+
+<p>Voor Reinaert pleit, althans in den aanvang, ook kater Tibert.
+Maar hij, &#8222;een arm wicht, een clene dier" heeft toch na Bruin's
+mislukten tocht weinig trek zijn vriend Reinaert te gaan halen.
+Onderweg is hij angstig, al tracht hij zich goed te houden.
+Voorzichtig zal hij zijn, maar zijn snoepzucht is hem de baas;
+voor de opening in pastoors schuurdeur aarzelt hij, maar
+Reinaert weet op zijn eergevoel te werken, zooals ook koning
+Nobel dat vroeger gedaan had. In beide gevallen geeft hij aan
+dat beroep op zijn eergevoel gehoor; katten zijn immers ook
+nu nog dieren &#8222;qui se respectent." Met welbehagen neemt hij
+later de beulsrol op zich: &#8222;ic ne dede nie so lieve pine." Het
+loopen met het zware stroptouw valt hem wat moeilijk, maar
+hij doet het met goeden wille. In groote zorg zien wij hem
+ten laatste op de galg blijven zitten, wanneer de raaf het
+bericht brengt van Reinaerts vrijspraak.
+
+<p>Daar zijn verder de lichtgeloovige Cuwaert; de waardige
+Cantecleer, zoo fier op zijn groot geslacht en zijn wijze echtgenoot;
+de angstige en domme ram Belijn en andere dieren
+die geheel op den achtergrond blijven. Boven deze staat
+koning Leeuw, lichtgeloovig, lichtgeraakt, lichtgesust, een spotbeeld
+van een koning, zooals CHARLEMAGNE in zoo menigen
+ridderroman.
+
+<p class="quote">Dus siet men dat behendichede
+Beter es dan sterchede.
+</p>
+
+<p>Die slotverzen van een der fabels uit <i>Esopet</i> moeten wel den
+voornamen indruk hebben weergegeven, op de Nederlandsche
+gemeenten gemaakt door dit werk, het rechte epos der gemeentenaren.
+Voor hen geen ridderidealen noch hooge minne.
+Reinaert was een held naar hun hart: een sluwe vermetele boef,<a name="210"></a>
+koel van hoofd, scherp van zinnen, tuk op zijn voordeel, die
+spot met het gezag en zich weet te handhaven tegen zijne
+meerderen; grappenmaker met een scherpe tong, die ook het
+heilige niet spaart, die pleizier heeft in eigen schelmstukken;
+wien gewetenloosheid en wreedheid werden vergeven, omdat
+hij ten slotte zijne zaak wint, en omdat hij bovendien immers
+maar een dier was.
+
+<p>Zulk een karakter moet aantrekkelijk zijn geweest voor poorters
+en boeren, wier grove zinnelijkheid met moeite in band gehouden
+werd door het geloof en de wet, wier nuchter verstand
+gescherpt werd vooral door den lust naar voordeel en gewin;
+wien hartige scherts en losse grappen zoo smaakten al liep er
+wat van SINT ANNA onder; die zelf zoo onbarmhartig en
+genadeloos wreed konden te werk gaan tegen hunne vijanden;
+die hunne wassende zelfstandigheid hadden te verdedigen tegen
+de hoogere standen.
+
+<p>Dat zij van dit dierenverhaal zulk een sterken indruk kregen,
+hadden zij te danken aan den voortreffelijken dichter, van wien
+wij slechts weten dat hij WILLEM heette, een roman van Madoc
+(uit den Britschen sagenkring) had gedicht, en van wien wij
+mogen vermoeden dat hij in Oost-Vlaanderen woonachtig was.
+
+<p>Die dichter toonde zijn meesterschap niet alleen in de karakteristiek,
+maar ook in den bouw van zijn werk. Welk een
+eenheid heerscht daar! Reinaert's figuur beheerscht het gansche
+gedicht; hij vervult voortdurend onze gedachten; is hij niet ten
+tooneele, dan spreekt men van hem. Doch niet minder voortreffelijk
+is de wijze waarop WILLEM al deze, deels overgenomen
+deels zelfgekozen, stoffen heeft verwerkt en vereenigd. Hoe is
+hij <i>in</i> zijn verhaal, dat slechts hier en daar door eene reflexie
+wordt afgebroken. Welk een pleizier heeft hij zelf in zijne stof;
+zoo b.v. wanneer hij Reinaert in schoenen van Isegrim's huid
+en met een reiszak van Bruin's vel op reis ziet gaan. Trouwens<a name="211"></a>
+het gansche gedicht is geboren uit liefde, liefde tot het uitbeelden
+van menschen, dieren, de natuur.
+
+<p>Wie zoo geestig kon vertellen, schertsen, parodieren, moet
+een fijn man zijn geweest.
+
+<p>Van hoeveel takt getuigt het, dat hij Reinaert's overspel met
+de wolvin, in het Fransch de spil waarom alles draait, naar
+den achtergrond heeft geschoven. Hoe geestig weet hij den
+hoofschen spreektrant na te volgen in dat half omsluieren van
+het onkiesche, waar Reinaert zijn overspel aan Grimbaert biecht;
+want Grimbaert, nog heden een nurksche potentaat maar een
+rustig en, voor zijn doen, fatsoenlijk man, moet vooral op dat
+oogenblik door Reinaert worden ontzien.
+
+<p>Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen
+roman heeft bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in
+den aanvang van zijn verhaal mede te deelen.
+
+<p>Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich n hebben gevoeld
+met zijn volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den
+dag, waar hij het juffershondje Cortois Fransch doet spreken;
+en Grimbaert bij de biecht tot den Latijn brabbelenden Reinaert
+zeggen: &#8222;oom, praat je Fransch? spreek asjeblieft Dietsch, dan
+kan ik je verstaan".
+
+<p>Den hoofschen dichter van <i>Sinte Lutgarts Leven</i>, WILLEM
+VAN AFFLIGHEM, smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die
+opgesmukte leugenverhalen van ezels die dansen en springen,
+van rammen die de mis bedienen<a href="#6.28">[28]</a>.
+
+<p>Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is
+zijn Reinaert blijven genieten en het Nederlandsche volk is
+gevolgd waar de Vlaming voorging. Eeuw in eeuw uit, in
+omwerkingen van velen aard, in volksboek, volkslied, volkssprookje
+kwam &#8222;'t looze Reintje" de geesten bekoren met zijne
+vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of
+scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot de<a name="212"></a>
+kinderkamer. Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan
+deze stof opnieuw de hand geslagen, om haar te verwerken
+in den geest van het oude gedicht of om er zijn eigen
+omgeving parodieerend in af te beelden.
+
+<p>Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft
+het gedicht <i>van den vos Reinaerde</i> een kleinood der Dietsche
+letterkunde, en de nagenoeg onbekende WILLEM een dichter
+die onder de middeleeuwsche kunstenaars van het woord te
+onzent geen meerdere en te nauwernood zijns gelijke heeft
+gevonden.<a name="213"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.1">1</a>: Uitgave van Dr. A. BEETS. (Groningen. WOLTERS. 1885).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.2">2</a>: Fragmenten van een bestiaris van minnen (oorspronkelijk of
+vertaald?) en van een gedicht getiteld &#8222;<i>Hier beghint Ovidius</i>", dat
+uit het Fransch is vertaald, uitgeg. door BORMANS in: <i>Bulletins de
+l'Acad. Roy. de Belgique</i>, T. XXVII, 488.
+
+<p class="footnote">MAERLANT'S mededeeling in <i>Der Naturen Bloeme</i>, (ed. VERWIJS),
+bl. 5. Zie voorts over de <i>bestiaires</i>: PETIT DE JULEVILLE, a.w. II,
+164 suivv. en: <i>Geschichte des Physiologus</i> von Dr. F. LAUCHERT.
+Strassburg. 1889.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.3">3</a>: Ik volgde hier hoofdzakelijk de voorstelling van BDIER in zijn
+bekend werk <i>Les Fabliaux</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.4">4</a>: Vgl. het artikel van Dr. J.W. MULLER in <i>Taal en Letteren</i>,
+XIV, 490.
+
+<p class="footnote">De verzen uit <i>Sinte Lutgart's Leven</i> (II, 95&ndash;6):
+
+<p class="footnotequote">Daer doen si stomme beesten spreken
+<i>Daer doen si simmen speren breken</i>
+</p>
+
+<p class="footnote">wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men
+opmaken, dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een
+tournooi van apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns
+wetens, niet tot ons gekomen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.5">5</a>: T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.6">6</a>: Aldus versta ik de verzen (vs. 19&ndash;20):
+
+<p class="footnotequote">Maer merket ende hoert
+Meer die redene dan die woert.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.7">7</a>: Vgl. b.v. n<sup>o</sup>. 11, 1&ndash;2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.8">8</a>: De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.9">9</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. 3; n<sup>o</sup>. 50; n<sup>o</sup>. 30; n<sup>o</sup>. 66. Het Latijn heeft op deze
+plaatsen niets van dien aard.]<a name="214"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.10">10</a>: n<sup>o</sup>. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd
+tusschen den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de
+dierenwereld (LXV).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.11">11</a>: De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte,
+onmogelijk van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn.
+
+<p class="footnote">Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts
+het volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille
+videret feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et
+tertio." Vgl. <i>Romulus</i> (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung),
+p. 69, III, 9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.12">12</a>: Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur
+daarover gaf Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: <i>Die hystorie
+van die seven wijse mannen, van romen.</i> 1898. De Erven F. BOHN.
+Haarlem. Hoofdstuk I.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.13">13</a>: Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, <i>De Middelnederlandsche
+bewerking van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome.</i>
+(Utrecht. 1899).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.14">14</a>: I, p. 92.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.15">15</a>: Vgl. <i>Esopet</i>, vs. 51&ndash;2:
+
+<p class="footnotequote">Mi es te nacht een dief verstolen,
+Die mi op thoeft was bevolen
+</p>
+
+<p class="footnote">met <i>VII. Vroeden,</i> 3248&ndash;9:
+
+<p class="footnotequote">Ende hem van der galgen verstolen,
+Die hem te wachten was bevolen.
+</p>
+
+<p class="footnote">Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier
+uitgave van Dr. STOETT in <i>Noord en Zuid</i>, X, 6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.16">16</a>: Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg.
+
+<p class="footnote">Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "<i>Maer so
+een meer maelt, so hi moeder es.</i>" (Vgl. mijn <i>Lied in de Midd.</i> over
+de molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het
+verbod van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur
+van Antwerpen van 1438-'9: &#8222;dat nyement by nachte en ga achter
+de straten na de diefclocke sonder lanteern ofte licht." (<i>Antw. Bibliophilen</i>,
+n<sup>o</sup>. 3, bl. 134).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.17">17</a>: Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij
+moet gevoegd worden vooral: <i>Les Sources du Roman de Renart</i> par
+L. SUDRE, (Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof.
+J.W. MULLER in <i>Taal en Letteren</i> van 1895; de nieuwe uitgave
+<a name="215"></a>
+&#8222;<i>van den Vos Reinaerde</i>" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER;
+de artikelen dezer geleerden in <i>Taal en Letteren</i>, 14e jaargang.
+
+<p class="footnote">Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN;
+voor de Fransche branches naar MARTIN'S <i>Roman de Renart</i>, ook
+naar een uitnemend artikel van VORETZSCH in <i>Zeitschr. fr roman.
+Philol.</i>, XV en XVI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.18">18</a>: Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en
+trouwens in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl. <i>Sicle
+des Artevelde</i>, p. 251 en <i>Mm. Cour. de l'Acad. Royale de Belg.</i>,
+XXXII, 221.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.19">19</a>: Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN;
+Prof. J.W. MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in
+het genoemde artikel in <i>Taal en Letteren</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.20">20</a>: Vgl. <i>Reinaert</i>, vs. 623&ndash;6 met <i>Br.</i>, XIV, 302&ndash;6 (al is daar
+geen &#8222;gepeins" maar &#8222;dire soef"); dit &#8222;binnensmonds spreken" ook
+I, 2785, 2841. <i>Rein.</i>, 960-'81 met <i>Br.</i>, X, 687&ndash;716; <i>Rein.</i>, 1258 vlgg.
+met <i>Br.</i>, I, 879&ndash;882; VI, 207&ndash;224; <i>Br.</i>, I b. 2702&ndash;2722; <i>Rein.</i>,
+3368 vlgg. met <i>Br.</i>, I, 942&ndash;3; <i>Rein.</i>, 1510 vlgg. met <i>Br.</i>, I, 1050-'54
+en XIV, 258&ndash;9, 665 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.21">21</a>: Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (<i>Karel de
+Groote en zijne XII. Pairs</i>), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.22">22</a>: De bedoelde plaatsen in den <i>Reinaert</i> zijn: vs. 62: &#8222;Isingrijn
+ende sine maghe"; 1024: &#8222;te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084&ndash;5;
+voorts: vs. 1666: &#8222;ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic
+eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: &#8222;so arem no van so cranken
+maghen"; vs. 1850: &#8222;Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884&ndash;5:
+&#8222;Orlof nam Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen";
+1899&ndash;1900: &#8222;al es Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden
+maech"; 2191: &#8222;som van minen liefsten maghen || die ic node soude
+bedraghen" (ook vs. 2228, 2913); vs. 2463: &#8222;ser Isingrijns maghe";
+2720: &#8222;doe haddics rauwe als een sijn maech"; 3398&ndash;9: &#8222;hi was
+een deel des coninx maech || hi mocht wel doen"; vs. 3449: &#8222;alle
+sheren Belijns maghe"; 3456&ndash;7: &#8222;Reinaerde ... ende allen sinen
+maghen".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.23">23</a>: Vgl. <i>Rein.</i>, 11&ndash;17, 32&ndash;7 met <i>Flor. en Blanc.</i>, 1&ndash;13, 65&ndash;75;
+<i>Rein.</i>, 1&ndash;9 met <i>Wal.</i>, 1&ndash;6; <i>Rein.</i>, 1&ndash;2 met <i>Wal.</i>, 23&ndash;24.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.24">24</a>: Vgl. FRANK'S uitgave van den <i>Alexander</i>, Inl. XVII-XVIII.
+F. gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft.
+Mij komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien:
+bij de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensie<a name="216"></a>
+van F.'s werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.: <i>Alex.</i>, VIII, 315
+te verg. met <i>Rein.</i>, 1589.
+
+<p class="footnote">VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard
+geacht, dat de rijmen dier verzen: <i>oghen</i> || <i>ghedoghen</i> in datzelfde
+boek nog tweemaal voorkomen: VIII, 251&ndash;2, 751&ndash;2.
+
+<p class="footnote">Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit den <i>Alexander</i>,
+welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor
+zijn blijven hangen, dan dat MAERLANT het ne verspaar uit den
+<i>Reinaert</i> zou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt
+hebben.
+
+<p class="footnote">Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van
+WILLEM'S proloog en dat der <i>Enfances Ogier</i> van ADENEZ LE ROI:
+Li roi ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal
+ber, soit corrompue, pour ce i veut penser etc.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.25">25</a>: Vgl. o.a. <i>Rein.</i> 83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713,
+1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980,
+2993, 3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.26">26</a>: 1159&ndash;1160.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.27">27</a>: Vgl. <i>Br.</i>, I, 271, 342; 134: &#8222;Hersent rogist, si ot vergoine";
+967: &#8222;au col li met andous les braz"; 1447-'59: &#8222;Renart mist l'anel
+en son doi"; 1617: &#8222;baignier ... ventuser ... sener"; 344; 577
+(&#8222;onques n'i ot resne tenue"); 580: &#8222;Iloc s'arestent li destrer"; 705:
+&#8222;tant a al esporonant"; 744: &#8222;tant a sa mule esporonee" en voorts
+1146, 1190, 1461&ndash;2. Het kasteel: vs. 953, 961, 1120; <i>Br.</i>, I a.; het
+Grieksch vuur I, 282.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.28">28</a>: T.a.p. II, 89 vlgg.]<a name="217"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>VROEGSTE LYRIEK.</h2>
+
+<p class="intro">Hoofsche lyriek. Geestelijke lyriek. Het volkslied.
+
+<p>VELDEKE'S minneliederen&mdash;wij zagen het in een vroeger
+hoofdstuk&mdash;vertoonen den invloed der Oudfransche lyriek;
+in hun Middelhoogduitsch gewaad staan zij volkomen op hunne
+plaats tusschen de werken der Minnesinger, omdat immers ook
+de Duitsche lyriek van minne zich had ontwikkeld onder den
+invloed der Fransche. Of HADEWYCH Fransch en de Fransche
+lyriek heeft gekend, weten wij niet; woorden als <i>zeelde</i> en
+<i>merkaren</i> in hare pozie wijzen eer naar de lyriek der Minnesinger;
+doch dat zij de wereldlijke minnepozie moet gekend
+hebben, kan nauwlijks betwijfeld worden<a href="#7.1">[1]</a>.
+
+<p>Het is geen toeval dat VELDEKE en waarschijnlijk ook HADEWYCH
+tot den adel behoorden; de erotische lyriek immers,
+waarop wij het oog hebben, was <i>hoofsche</i> lyriek, werd vooral
+door den adel voor den adel gemaakt; tot den adel behoorden
+zoowel de Zuidfransche troubadours als de Hoogduitsche Minnesinger.
+Een aantal Zuidnederlandsche edelen uit Brabant, Vlaanderen,
+het Doorniksche, Artois volgden hun voorbeeld; onder
+hen HENDRIK III, hertog van Brabant ( 1260). De Fransche
+minnepozie dezer Zuidnederlandsche dichters draagt in hoofdzaak
+hetzelfde karakter als de overige &#8222;lyrique courtoise", die
+wij reeds in VELDEKE'S werk leerden kennen; wij vinden hier
+dezelfde opvatting en voorstelling der liefde, de geveinsde
+wanhoop, dezelfde klachten, hetzelfde smachten, talrijke jeux-parti's<a name="218"></a>
+(tenzonen) waarin twee tegenovergestelde meeningen door
+een paar vrienden verdedigd worden, vele pastourellen; niet
+zelden vangt een lied aan met een klein natuurschetsje, vele
+dezer stukjes vertoonen een refrein. Zoo klaagt QUENES DE
+BETHUNE die blijkbaar ter kruisvaart gereed staat:
+
+<p class="quote">A, amors, com dure departie,
+Me covient faire perdre la millor
+Ki onkes fust ame ne servie;
+Deus me ramainst li, par sa douor,
+Si voirement com j'en part dolor!
+Deus, c'ai je dit! J ne m'en part je mie:
+Se li cors vait servir Nostre Signor,
+Tous li miens cuers remaint en sa baillie.
+</p>
+
+<p>GUILLAUME DE BETHUNE begint een lied aldus:
+
+<p class="quote">Kant li boscage retentist
+Dou chant des oisillons en mai
+Et la rose el vergier florist,
+En icel tens joious et gai,
+Lors chanterai de cuer verai,
+Car quant li maus d'amer me prist,
+El plus haut lieu del mont me mist.
+</p>
+
+<p>Verderop in dat lied lezen wij:
+
+<p class="quote">Douce Dame, quant je vos vi
+A celle fois premirement,
+Ne cuidai pas il fust issi
+De tout en tout vo talent;
+Por vos languis esciant,
+Et quant n'i puis merci trover,
+Bien veul morir por bien amer<a href="#7.2">[2]</a>.<a name="219"></a>
+</p>
+
+<p>Heeft er geen Dietsche minnepozie van dezen aard bestaan?
+Men moet het wel gaan vermoeden, indien men ziet, dat er
+meermalen gewag van wordt gemaakt. In den proloog der
+<i>Disticha Catonis</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Dieghene die in haren sinne
+Draghen waerlike<a title="[margin: wereldsche.]"><sup>#</sup></a> minne,
+Si maker of riim ende liet.
+</p>
+
+<p>Dat deze dichter het oog heeft op wereldsche, zinnelijke
+liefde, blijkt wel uit hetgeen hij laat volgen:
+
+<p class="quote">Der minne so ne draghic niet<a href="#7.3">[3]</a>
+</p>
+
+<p>ook uit zijne uitdrukking &#8222;ter minnen dienste staen" die immers
+ontleend is aan de hoofsche lyriek.
+
+<p>Ook WILLEM VAN AFFLIGHEM klaagt over hen
+
+<p class="quote">Die loes baraet<a title="[margin: sluw bedrog.]"><sup>#</sup></a> ende arge treken
+Bedekken metter minnen name
+</p>
+
+<p>over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige
+rijmen<a href="#7.4">[4]</a>.
+
+<p>Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld
+die waar MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepozie
+waarschuwt en haar tevens kenschetst. In zijn <i>Wapene Martijn</i>
+zegt hij tot zijn vriend:
+
+<p class="quote">Martijn, ic ben wel berecht:
+Het seghet al, heren ende knecht<a title="[margin: schildknaap.]"><sup>#</sup></a>,
+Vrouwen ende joncfrouwen,
+In sanghe ende in rime slecht,
+Dat si met minnen sijn verplecht<a title="[margin: verstrikt.]"><sup>#</sup></a>,
+Ende men cans niet bescouwen.
+Mi dinke dat al die werelt vecht<a name="220"></a>
+Jeghen der reenre minnen lecht
+Ende volghen ontrouwen.
+Menich seghet nu ende echt<a title="[margin: daarna.]"><sup>#</sup></a>:
+&#8222;Mijn sin is ane u ghehecht
+So sere, ic wane bedouwen"<a title="[margin: wegkwijnen.]"><sup>#</sup></a>;
+Achtre maken si de mouwen<a title="[margin: steken zij er den draak mede.]"><sup>#</sup></a><a href="#7.5">[5]</a>.
+</p>
+
+<p>MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters
+en lezers van minnepozie. Dat echter ook geestelijken zulke
+minnepozie maakten, blijkt ons uit den <i>Spieghel Historiael</i>.
+In zijn voorbeeld, VINCENTIUS' <i>Speculum</i>, worden de wereldsche
+geestelijken dier dagen berispt, wier gefriseerde lokken en geparfumeerde
+kleederen eene andere dan &#8222;heilige minne" verraden
+en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden: &#8222;dulces
+literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT:
+
+<p class="quote"> noch laten gaen
+Salute, subtijleke ghedicht
+Ende met sconen rimen verlicht<a href="#7.6">[6]</a>.
+</p>
+
+<p>Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde
+plaatsen gedoeld wordt op Fransche minnepozie, doch het
+kan niet waarschijnlijk worden geacht. Zoowel de dichter der
+<i>Disticha Catonis</i> als MAERLANT richtten zich immers niet in
+de eerste plaats tot edelen; onder de gemeenten was kennis
+van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid, en het is de
+vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het Fransch
+zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden
+maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden,
+dat er omstreeks het midden der 13<sup>de</sup> eeuw vrij wat
+Dietsche minnelyriek moet zijn geweest. Doch in ieder geval is
+er maar zeer weinig van overgebleven.
+
+<p>Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde<a name="221"></a>
+&#8222;clerken" zijner dagen die minnepozie dichtten,
+herinnerde hij zich misschien niet dan met berouw, dat hij,
+ook een &#8222;clerc", indertijd den roman <i>van Troje</i> had vertaald
+waarin de minne zooveel plaats beslaat. Zou hij zelf nooit een
+minneliedje hebben gedicht ter eere van de onbekende jonkvrouw
+voor wie hij zijn <i>Alexander</i> heeft bewerkt? Het is licht
+mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de
+vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht
+voor een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet:
+
+<p class="quote">Nye en droech vrouwe
+Ghestadighen rouwe,
+Noch nummer en doet;
+Haer ketsen<a title="[margin: zich inspannen.]"><sup>#</sup></a>, haer jaghen,
+Haer mynne draghen
+Is saen te voet<a href="#7.7">[7]</a>.
+</p>
+
+<p>Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN
+BRABANT worden toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche
+lyriek dier tijden is overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle,
+aan Hertog JAN toegeschrevene, minneliederen die ons slechts
+in Hoogduitsche overzetting bewaard bleven, inderdaad door
+hem gedicht. Een vijftal dat zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch
+laat terugbrengen, zullen wij aan hem mogen
+toekennen; de overige zijn misschien door hem in het Middelhoogduitsch
+gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld<a href="#7.8">[8]</a>.
+
+<p>In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar
+zij zijn bevallig en welluidend. Zoo b.v.:
+
+<p class="quote">Eens meienmorgens vroe
+Was ic opgestaen;
+In een scoen boemgaerdekijn
+Soudic spelen gaen.<a name="222"></a>
+Daer vant ic drie joncfrouwen staen;
+D'ene sanc voren, d'ander sanc na:
+Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.
+
+Doe ic versach dat scone cruut
+In den boemgaerdekijn,
+Ende ic verhoerde dat soete geluut
+Van den mageden fijn,
+Doe verblide dat herte mijn,
+Dat ic moeste singen na:
+Harba lori fa, enz.
+
+Doe groette ic die allerscoenste,
+Die daer onder stont;
+Ic liet mine arme al omme gaen;
+Doe ter selver stont
+Ic woude se cussen an haren mont;
+Si sprac: &#8222;laet staen, laet staen, laet staen!"
+Harba lori fa, enz.
+</p>
+
+<p>Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men
+ook in de overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men,
+gelijk elders zoo vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur.
+Overigens vinden wij hier de gewone klachten, verzuchtingen
+en betuigingen.
+
+<p>Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan,
+is ons overvloedig gebleken uit de pozie van HADEWYCH.
+
+<p>Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest
+die van &#8222;minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens
+en behoeften des harten geuit in liederen of andere lyrische
+vormen. Dat men in dezen tijd geestelijke liederen heeft gekend,
+weten wij uit het <i>Leven van Sinte Lutgart</i>. In een visioen<a name="223"></a>
+ziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA en CATHERINA naderen,
+achter haar eene schare groote schoone maagden, in witte stolen
+gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen
+zingen zij &#8222;enen leec van minnen"<a href="#7.9">[9]</a>. Uit dit zeldzaam, slechts
+hier voorkomend, woord <i>leec</i> blijkt in allen gevalle dat ook
+WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe
+bepaalt zich onze wetenschap in dezen.
+
+<p>Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons
+slechts in latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen.
+Zoo b.v. het lied:
+
+<p class="quote">Nu zijt wellecome, Heere Christ,
+Want ghy onser alder Heere bist
+ enz.
+</p>
+
+<p>dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds
+vr het jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid
+is hier niets te zeggen<a href="#7.10">[10]</a>.
+
+<p>Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere
+korte lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het
+gansche volk of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds
+op zich zelf moet dat in dezen tijd waarschijnlijk worden geacht;
+doch ook hier zijn ons meer aanwijzingen dan teksten van
+liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen kunnen de bewoners
+dezer landen sterker hebben ontroerd dan de kruistochten?
+Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat eene
+herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet
+geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken<a href="#7.11">[11]</a>.
+
+<p>Liederen, vr of in den strijd aangeheven&mdash;men zou ze
+in navolging van onze oostelijke buren: <i>wijchliederen</i> kunnen
+noemen&mdash;waren bij de Germanen vanouds bekend<a href="#7.12">[12]</a>. Een
+dezer liederen is, hoe zeer dan ook verminkt, door een Engelsch
+<a name="224"></a>
+kroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS PARISIENSIS
+vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst van
+ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173,
+vr den strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij
+zongen:
+
+<p class="quote">Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin,
+Engelond is min ant tin <a href="#7.13">[13]</a>.
+</p>
+
+<p>Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen
+zijn, het feit: dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk
+heeten en niet minder: dat wij hier het van ouds bestaand
+verband tusschen zang en dans nog vermeld vinden; dat verband
+is misschien nog zichtbaar in het herhaalde <i>hoppe</i><a href="#7.13">[13]</a>.
+
+<p>Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel
+vroeger eeuw de Friesche zanger BERNLEF er zong, werden
+ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar nog altijd tot liederen verwerkt.
+
+<p>In zijn roman <i>van Alexander</i> zegt hij:
+<p class="quote">Alse die liede seghe ghewinnen,
+Spreectmen verre van haren daden
+Ende singht er af in meneghen staden.
+</p>
+
+<p>Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de
+Latijnsche woorden: &#8222;toto radiaret in orbe" door:
+<p class="quote">Men soude van siere doghet singhen
+Al van daer die sonne up staet,
+Tote daer soe weder neder gaet.
+</p>
+
+<p>Ook de typische uitdrukking <i>een nieuw lied</i> waarmede de
+liedjesdichters en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid
+van het publiek hebben geprikkeld, is aan MAERLANT reeds
+bekend, zooals blijkt uit het vers waarin hij van ALEXANDER zegt:
+<p class="quote">Van joien sanc hi nuwen sanc<a href="#7.14">[14]</a>.<a name="225"></a>
+</p>
+
+<p>Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen
+de Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne
+bondgenooten anderzijds, waren er blijkbaar spotdichten gemaakt,
+waarin JAN VAN BRABANT en de zijnen vergeleken
+werden bij een haan met zijne hennen, hunne tegenstanders
+bij valken en blauwvoeten<a href="#7.15">[15]</a>.
+
+<p>Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien
+reeds in de 12<sup>de</sup> eeuw in een lied werden bezongen, blijkt
+ons uit eene mededeeling van den kroniekschrijver LAMBERT
+VAN WATERLOOS. Niet lang vr 1108 werd in de buurt van
+Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders sneuvelden;
+een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden door
+liedjeszangers gezongen<a href="#7.16">[16]</a>. Deze liedjeszangers waren met de
+pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders
+en verbreiders, misschien ten deele ook de dichters
+van zoovele liederen die toentertijd bestaan moeten hebben,
+doch, naar het schijnt, voorgoed verdwenen zijn.
+
+<p>Omstreeks het midden der 13<sup>de</sup> eeuw moet er een aantal
+vroolijke, dartele of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met
+het oog op den volksaard zouden wij dat wel reeds mogen
+vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt ons verschaft door
+den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPR in zijn
+<i>Liber Apum</i> (&#8222;der Bin Boeck") dat tusschen 1258&ndash;1261 geschreven
+is. In menig verhaal, door den schrijver tot stichting
+of waarschuwing verteld, vinden wij eene kostbare bijdrage tot
+onze betere kennis van het leven onzer voorouders.
+
+<p>Zoo lezen wij b.v.: &#8222;Inder sceydinghe des landes van Vlanderen
+ende Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes
+ende inden dorpe was karcwijdinghe, ende daer waren vele
+menschen verghadert te spelen, onder wien dat was een piper
+als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS, die een
+gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande.<a name="226"></a>
+De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen
+ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen.
+Daer nae doe die hemel des avondes verdonckert was ende
+alleman te huys ghinck, was alleen de piper noch niet ghesadet
+van den spele ende ghinc over den weghe singhende mitten
+pipen". Een onweer komt op en twee herdersjongens, die den
+pijper vergezellen, zien dat hij, door den bliksem getroffen,
+ineenzinkt. &#8222;Mercke hier", besluit de schrijver, &#8222;dat alle die
+gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit
+schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher
+wraeken"<a href="#7.17">[17]</a>.
+
+<p>Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig
+man, Heer GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: &#8222;hy hadde
+eenen knechte, ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet,
+die geset was des nachtes te waken. Dese selve voerghenoemde
+knecht was seer ydel in allen doechden ende was oeck mede
+des selve ghelijkes seer oncuus ende hi plach te pipen ende te
+singhen ende vergaderde vele maechden ende jonghelinghen.
+Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende
+dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke
+dat die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden
+oghen voer den piper huppelde ende spranc, ende tot menigherhande
+maniren zijnre beweghinghe hem menichsins verblidede.
+Doe dat die here den knecht gheseyt hadde ende hi niet aflaten
+en wolde vanden verdoemelijcken spele ende alremeest van den
+oncuuschen lieden daer hi die magheden mede verweckede,
+gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig
+tijds later wordt ook deze knecht &#8222;van gode gheslaghen"<a href="#7.18">[18]</a>.
+
+<p>&#8222;Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPR op
+eene andere plaats van zijn boek, &#8222;dat door ontuchtige minneliederen
+de harten ook van kloosterlingen en oprechte geloovigen
+dikwijls verontrust worden?"<a href="#7.19">[19]</a>.<a name="227"></a>
+
+<p>Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke
+Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den
+jare 1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde,
+zou ten aanhoore van het volk gezegd hebben: &#8222;dat vermaarde
+lied van <i>Martijn</i> heb ik met een mijner gezellen vervaardigd
+en in verscheidene deelen van Frankrijk en Duitschland verbreid."
+De schrijver voegt er aan toe: &#8222;dit nu was een zeer
+schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"<a href="#7.20">[20]</a>.
+
+<p>Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser
+met zijne brandende oogen, die voor den pijper uit danste,
+men zal kwalijk geloof kunnen weigeren aan het getuigenis van
+CANTIMPR dat er toentertijd vrij wat dartele of ontuchtige
+minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die liederen meest
+'s avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen;
+opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid
+door muziek en dans, waarmede het vanouds verbonden is
+geweest.
+
+<p>Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven.
+Zij zijn verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen
+heeft op zomeravonden bij den reidans onder het spel van
+den pijper. De zangers konden ze niet opschrijven al wilden
+zij; wie schrijven konden, zullen het niet der moeite waard
+hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der
+burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken
+die nuttige kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en
+gemoed bevorderden. Die kennis en ontwikkeling werd hun
+rijkelijk verschaft door den man die meer dan eenig ander zijner
+tijdgenooten in zijne werken eene samenvatting en een beeld
+geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT.<a name="228"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.1">1</a>: Over den vermoedelijken invloed van VELDEKE'S pozie op de
+hare vgl. MARTIN JRIS, <i>Untersuchungen</i> enz., bl. 81 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.2">2</a>: Vgl. hetgeen ik hierover vroeger heb geschreven in mijn <i>Lied
+in de Middeleeuwen</i>, bl. 252 vlgg.
+
+<p class="footnote">De aangehaalde verzen zijn te vinden in: <i>Trouvres Belges du
+XIIe au XIVe sicle....</i> par A. SCHELER, p. 2, 35, 36.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.3">3</a>: <i>Der</i> moet hier opgevat worden, gelijk niet zelden op andere
+plaatsen, als aanwijzend voornaamwoord; vgl. ook den variant: <i>Diere
+minne ne garic niet</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.4">4</a>: T.a.p. II, 63 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.5">5</a>: <i>Strophische Gedichten</i> (edd. FRANK en VERDAM), I, str. 35.
+
+<p class="footnote">Ik vestigde indertijd de aandacht op deze plaats in <i>Het Lied in de
+Middeleeuwen</i>; vgl. ald. bl. 253.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.6">6</a>: A.w. II, bl. 82, vs. 40&ndash;42.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.7">7</a>: Vgl. <i>Historie van Troyen</i> (ed. DE PAUW en GAILLIARD) vs. 16055.
+Het Fransche vers (13421) luidt: &#8222;One nule ne pot doel aveir."
+
+<p class="footnote">Eene lyrische ontboezeming ook in vs. 6666&ndash;6677 over den dood
+van HECTOR, waar men in het origineel (vs. 16179-'81) slechts een
+drietal verzen vindt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.8">8</a>: Het vraagstuk van Hertog JAN'S liederen is grondig behandeld
+door H. BOERMA in: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XV, 220 vlgg. Onder
+de daar genoemde literatuur is vergeten hetgeen door VERDAM was
+opgemerkt in hetzelfde Tijdschrift IX, 274.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.9">9</a>: A.w. II, 2673-'4. In het Latijn is hiervan niets te vinden;
+vgl. <i>A. Sanct.</i> Junii III, p. 245, 9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.10">10</a>: Vgl. <i>Kerstliederen en Leisen</i> door J.G.R. ACQUOY, Amsterdam,
+JOH. MLLER, 1887, bl. 20; BUMKER, <i>Niederl. geistl. lieder</i> in:
+<i>Vierteljahrsschrift fr Musikw.</i>, 1888, bl. 157.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.11">11</a>: In R. HENNING'S <i>Nibelungen-Studin</i> (<i>Quell. u. Forsch.</i>, 31,
+p. 21) lees ik: ALBERT VON AACHEN schpfte im Anfang des zwlften
+Jahrhunderts seine Erzhlung ber den ersten Kreuzzug aus flandrischen<a name="229"></a>
+und nordfranzsischen Liedern." Het is mij niet mogen gelukken in
+het <i>Chronicon Hierosolymitanum</i> de plaatsen te vinden, welke die
+bewering zouden kunnen staven.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.12">12</a>: Vgl. HOFFM. VON FALLERSLEBEN'S <i>Gesch. des deutschen Kirchenliedes</i>,
+p. 44&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.13">13</a>: Vgl. <i>Onze historische Volksliederen</i> door PAUL FRDRICQ,
+bl. 8 en <i>Middelnederlandsche Historieliederen</i> door Dr. C.C. v.d. GRAFT,
+bl. 43.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.14">14</a>: Vgl. <i>Alexander</i> (ed. FRANCK), IV, 1450; V, 1226; III, 1338 en
+de aanteekening op p. 435. Eene vergelijking met het Latijn toont
+dat deze verzen van MAERLANT zijn. (Het &#8222;singhen ende lesen" in
+X, 1254 b.v. is van GAUTIER DE CHATILLON).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.15">15</a>: Vgl. <i>Rymkronyk van Jan van Heeln</i> (ed. WILLEMS), p. 343,
+DXX vlgg. JAN VAN HEELU zelf zinspeelt op die gedichten in
+vs. 5184 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.16">16</a>: PAUL FRDRICQ in a.w. bl. 8.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.17">17</a>: Ik geef hier de Dietsche vertaling uit den druk van PETER
+VAN OS, Swolle 1488 weer. Dit verhaal vindt men f<sup>o</sup> 169 v<sup>o</sup>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.18">18</a>: T.a.p. f<sup>o</sup> 140.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.19">19</a>: <i>Liber Apum</i> c. XLVIII: &#8222;obscenis et venereis cantibus corda
+etiam religiosorum ac bonorum fidelium multotiens permoveri".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.20">20</a>: A.w.c. XLVIII: &#8222;Cantum hunc celebrem de Martino ego
+cum collega meo composui et per diversas partes gallie, theutonie
+promulgavi. Erat autem turpissimus et plenus luxuriosis plausibus
+cantus ille."
+
+<p class="footnote">Ik vond deze plaats niet in den door mij gebruikten druk der
+Dietsche vertaling.
+
+<p class="footnote">Het, mij en anderen onduidelijk, &#8222;plenus luxuriosis plausibus"
+heb ik gemeend op bovenstaande wijze te mogen vertalen.]<a name="230"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>JACOB VAN MAERLANT.</h2>
+
+<p class="intro">Inleiding. Ridderpozie. Omkeer. Geestelijke pozie. Pozie der
+Gemeenten. Der Kerken Claghe. Van den Lande van Overzee.
+Besluit.
+
+<p>In MAERLANT'S persoon en werk vinden wij de drie standen
+en hunne pozie vereenigd.
+
+<p>Hij staat in betrekking tot den adel en dicht ridderromans;
+hij behoort tot de lagere geestelijkheid en schrijft geestelijke
+pozie; hij zegt den adel en vooral den geestelijken de waarheid
+en tracht door zijne latere werken aan de gemeentenaren die
+kennis en ontwikkeling te verschaffen die zij begeerden en
+noodig hadden.
+
+<p>Van zijn uiterlijk leven, vooral van zijn leven in verband
+met zijne werken, is ons weinig bekend. Hij was een Vlaming,
+in de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw, vermoedelijk in de buurt van
+Brugge, geboren; misschien woonachtig te Damme. Later in
+zijn leven vinden wij hem als koster te Oost-Voorne en in
+betrekking tot de machtige edelen: Heer NICOLAAS VAN CATS,
+wien hij zijn <i>Naturen Bloeme</i> ten geschenke gaf, en ALBRECHT,
+Heer van Voorne, burggraaf van Zeeland en vertrouwd raadsman
+van FLORIS V; aan dezen ALBRECHT van Voorne droeg
+hij zijn roman <i>van Merlijn</i> op.
+
+<p>Ten deele misschien nog in Vlaanderen, ten deele op Voorne,
+schreef hij zijne eerste werken: den roman <i>van Alexander</i>
+(1257&ndash;1260), <i>van Merlijn</i> (c. 1261), <i>van Torec</i> (c. 1262) en
+<i>van Troyen</i> (c. 1264)<a href="#8.1">[1]</a>; waarschijnlijk nog op Voorne de tweespraak<a name="231"></a>
+die naar de aanvangswoorden <i>Wapene Martijn</i> (c. 1266)
+genoemd wordt. Van Voorne verhuisde hij naar Damme, waar
+hij, volgens de overlevering, &#8222;scepenclerc" (gemeentesecretaris)
+zou zijn geweest. Die verhuizing heeft misschien omstreeks
+1266 plaats gehad.
+
+<p>Na dien tijd schreef hij, behalve een aantal strophische gedichten,
+nog eenige groote werken: <i>der Naturen Bloeme</i>
+(1266&ndash;1269); <i>Rijmbijbel</i> (vr 1271); <i>Sinte Franciscus Leven</i>
+(c. 1271&ndash;1272?) en daarvr het <i>Leven van Sinte Clara
+Spieghel Historiael</i> (1282 of 1283 tot 1289 of 1290<a href="#8.2">[2]</a>).
+
+<p>In dat laatste werk is hij blijven steken; de dood heeft hem
+belet het te voltooien. Aan het slot van het 3<sup>de</sup> boek der 4<sup>de</sup>
+Partie van dat groote werk gekomen, schreef hij:
+
+<p class="quote">Ende verstaet dat Jacob moet
+Van Maerlant rusten terre stede
+Van der vierder paertyen mede,
+Ende beiden tote dats hem God jan<a title="[margin: vergunt.]"><sup>#</sup></a>,
+Dat hire weder coemet an,
+Omme te dichtene in redene claer
+Die dinghe diere volghen naer.
+</p>
+
+<p>In die verzen meenen wij het doodsklokje te hooren luiden.
+
+<h3>RIDDERPOEZIE.</h3>
+
+<p>Wie MAERLANT door latere dichters &#8222;vader der Dietsche
+dichteren algader" hoort noemen, zou kunnen vergeten dat
+ook deze vader eens jong geweest is en de minne heeft gekend,
+al was hij nog zoo degelijk. De zoete heugenis dier minne
+overvalt hem later midden in de geleerdheid van <i>der Naturen
+Bloeme</i>. Wanneer broeder THOMAS VAN CANTIMPR aan eene
+beschrijving van den kalander-leeuwerik eene uitweiding over<a name="232"></a>
+de vreugde der contemplatie vastknoopt, gaat MAERLANT in
+zijn vertaling een anderen weg. Dezen leeuwerik, die heerlijker
+zingt dan eenige andere, wien in eene kooi de gevangenschap
+weelde schijnt, vergelijkt hij bij
+
+<p class="quote">Hem die met minnen es bevaen,
+<i>Dat een zwaer karker es ende soete</i>.
+Cume<a title="[margin: nauwlijks.]"><sup>#</sup></a> hevet hi enighe moete<a title="[margin: tijd.]"><sup>#</sup></a>
+Om yet te pensen dan omme sanc,
+Ende om feeste ende om spel ghemanc<a title="[margin: samen.]"><sup>#</sup></a>,
+<i>Der minnen karker geeft hi prijs<a title="[margin: lof.]"><sup>#</sup></a>,
+Want et dinct hem een paradijs</i><a href="#8.3">[3]</a>.
+</p>
+
+<p>In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen
+hij de hand sloeg aan eene bewerking van den roman van
+ALEXANDER, ter wille van eene schoone die hem gevangen
+hield en peinzen deed<a href="#8.4">[4]</a>. Behalve den <i>Alexander</i> bewerkte hij
+in deze eerste jaren nog drie andere romans. Het is begrijpelijk
+dat twee daarvan: <i>Merlijn</i> en <i>Torec</i> behooren tot die Keltische
+romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een
+lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman
+in MAERLANT'S omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk
+ook, dat de twee overige: <i>Alexander</i> en <i>Troyen</i> behooren tot
+die klassieke romans die naar den geest zoo verwant waren
+met de Keltische.
+
+<p>De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere
+beschouwing, voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT
+niet. Hij noemt in zijn proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig
+met en overtreffende die van zoovele andere helden:
+de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen niet halen,
+de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de
+oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne
+Hunnen kunnen hiermede niet vergeleken worden. Voor<a name="233"></a>
+MAERLANT zijn blijkbaar alle gedichten die deze en dergelijke
+stoffen behandelen, gelijksoortig als schilderingen van het
+verleden.
+
+<p>Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen
+over ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring
+in het zoo even gezegde. Maar ook de groote roem van het
+door hem verdietschte werk moet daartoe hebben bijgedragen.
+De <i>Alexandres</i> waarmede de scholaster GAUTIER DE CHATILLON
+andere onhistorische gedichten over ALEXANDER hoopte te verdringen,
+maakte grooten opgang; z zelfs dat de Universiteit
+van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke boeken
+opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een
+van deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen.
+MENKO, abt van Wittewierum in den aanvang der
+13<sup>de</sup> eeuw, noemt in de kroniek van zijn klooster de <i>Alexandres</i>
+in n adem met de <i>Aenes</i>; een zijner tijdgenooten, de Christelijke
+Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit werk zoozeer
+in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat liggen<a href="#8.5">[5]</a>.
+Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen
+was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken.
+Geest en gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden
+wijd open als de bloemkelk gereed om zonnestralen en dauw
+en regen op te vangen. Deze menschen luisterden naar verhalen
+uit den voortijd als kinderen naar een sprookje; hun frissche
+belangstelling, nog niet neergebogen onder den last eener
+eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt,
+zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden.
+
+<p>Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig
+Oosten introk en den machtigen Perzischen heerscher
+durfde aantasten, moest wel indruk maken op de verbeelding
+van middeleeuwsche menschen. Wanneer MAERLANT de toebereidselen
+tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij zich
+<a name="234"></a>
+dan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven<a href="#8.6">[6]</a>.
+En wat al wonderen verhaalden de auteurs van de <i>Alexandres</i>
+en dergelijke werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden
+en zilveren bergen zijn; gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij
+het Paradijs dat er uitziet als een schitterende burg; hij ziet
+menschen zonder hoofd, arenden die van achteren leeuwen
+zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de verbeelding in
+werking te brengen behaagde de <i>Alexandres</i>; in de schets
+eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping
+en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en
+klerken gericht wegens hunne simonie, tot de groote heeren
+wegens hunne hebzucht, was veel wat den jongen MAERLANT
+belangwekkend en aantrekkelijk moest voorkomen. Het verwondert
+ons dan ook niet van hemzelven te vernemen, dat hij
+dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet
+zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een
+half jaar heeft verdietscht<a href="#8.7">[7]</a>.
+
+<p>Gelijk zoo menig dichter vr hem, geeft ook MAERLANT in
+dit gedicht eer eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft
+korte samenvattingen, ten einde grooter duidelijkheid of beter
+samenhang te verkrijgen; lascht gepaste vergelijkingen of spreekwoorden
+in of voegt scherper trekken toe aan de teekening van
+zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van alle aardsche
+grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den bombastischen,
+bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk niet willen
+noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde
+Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een
+enkelen keer door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op
+sommige plaatsen bekort hij zijn voorbeeld en breidt dan niet
+zelden uit hetgeen onmiddellijk volgt, als om eene vergoeding
+te geven<a href="#8.8">[8]</a>.
+
+<p>Een der meest karakteristieke uitbreidingen is zeker die
+<a name="235"></a>
+waarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft;
+in de teekening van &#8222;meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt
+hij zooveel Vlaamsche werkelijkheid, dat men hier en daar
+wanen zou verplaatst te zijn naar een Vlaamsche stad die feest
+viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig jonkman zijn
+geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid even
+vroolijk te maken over de dwaze &#8222;warmoesdeernen" die zich
+hoofsche namen hebben aangeschaft en beweren &#8222;vrouwe YMME"
+en &#8222;vrouwe MARGRIETE" te heeten<a href="#8.9">[9]</a>.
+
+<p>Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de
+hoofsche vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans
+der minne blonk. Wanneer &#8222;meester WOUTER VAN CASTELLIOEN"
+de schoonheid eener Scythische koningin heeft geprezen, neemt
+MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde schoonheden uit
+vroeger tijden op te sommen<a href="#8.10">[10]</a>. Hij heeft ze voor het kiezen:
+behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee
+van hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die
+andere YSOUDE &#8222;met de blanke handen" en MELIOR VAN
+CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en eene van WALEWEIN'S
+vele minnaressen en LANCELOT'S &#8222;amie" en DEJANIRA, DIDO,
+BRISES en ABSALON'S zuster THAMAR ... waarlijk, men
+behoeft niet te vragen met welke lectuur deze in der minnen
+kerker gevangene zich tot nog toe bij voorkeur den tijd had
+verdreven.
+
+<p>Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook de <i>Historie
+van Troyen</i>.
+
+<p>Een geruimen tijd vr MAERLANT, waarschijnlijk in den
+aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam:
+DIEREGOTGAF, een paar gedeelten van den Franschen <i>Roman
+de Troie</i> vertaald of bewerkt<a href="#8.11">[11]</a>. In het eene stuk, <i>tprieel van
+Troyen</i> genaamd, is de liefde hoofdzaak; wij zijn daar in het
+gezelschap van een aantal jongere ridders, met de koninginnen<a name="236"></a>
+van hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend
+in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons
+in den oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot
+tournooi met scherpe wapenen; de dames zitten er dan ook
+naar te kijken.
+
+<p>MAERLANT heeft den ganschen <i>roman de Troie</i> van BENOT
+DE ST. MORE vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen,
+waarschijnlijk echter na het z te hebben gewijzigd dat het
+met zijn eigen werk strookte<a href="#8.12">[12]</a>.
+
+<p>De <i>Roman van Troyen</i> is vol liefdelyriek. Het is dan ook
+begrijpelijk, dat op ne plaats dat lyrisch element ook den
+uiterlijken vorm der lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt
+met een minneliedje. Ook elders vinden wij dat lyrisch karakter:
+een drietal verzen van BENOT over den dood van HECTOR
+wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene elegische ontboezeming,
+wel niet in coupletten, maar toch in eenige op gelijke wijze
+aanvangende perioden afgedeeld<a href="#8.13">[13]</a>.
+
+<p>Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk
+heeten; op menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de
+bewerker vervuld was van zijn onderwerp, van die ridderwereld
+en die liefdesgevallen. Waar hij b.v. MEDEA'S hartstocht
+in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene fraaie navolging
+van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking heeft
+hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog
+in het verhaal te brengen<a href="#8.14">[14]</a>.
+
+<p>Tusschen den roman <i>van Alexander</i> en dien <i>van Troye</i>
+bewerkte hij een paar romans uit den Britschen sagenkring.
+De <i>Historie van den Grale</i> en <i>Merlijns Boeck</i> vormen de
+beide deelen van het eene werk, dat eene vertaling bevat van
+een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON.
+
+<p>In de <i>Historie van den Grale</i> worden ons in hoofdzaak de
+lotgevallen van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij van<a name="237"></a>
+PILATUS een &#8222;nap" of &#8222;scotele" had ontvangen, &#8222;daer Jezus
+die eerste misse in sanc"; hoe hij na de inneming van Jeruzalem
+door de Romeinen met een groote schare naar verre landen
+trok en hoe &#8222;die scotele die men heet den Grael" het vermogen
+bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de
+goeden de &#8222;gracie" te doen gewinnen. Later wordt de &#8222;heilige
+Grael", &#8222;dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede
+van JOZEF'S zwager BROEN, die &#8222;de rike visscher" geheeten
+wordt omdat hij een visch moet vangen die naast den Graal
+op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet worden gelegd.
+BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier afdeelingen
+van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten
+verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen
+wij verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling
+een eind en wendt zich tot de geschiedenis van MERLIJN.
+
+<p>Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over
+het recht op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN,
+advocaat der duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen<a href="#8.15">[15]</a>.
+Natuurlijk verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken,
+doen zij door een hunner bij eene onschuldige maagd een
+kind verwekken dat tot Antichrist bestemd is. Hun opzet mislukt,
+doordat dit kind, MERLIJN, zijne bovennatuurlijke wijsheid
+slechts tot heil der menschheid wil aanwenden. MERLIJN komt
+later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens
+broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische
+indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking
+tot YGERNE, &#8222;des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van
+die overspelige liefde is ARTUR, die koning van Logres wordt
+maar jaren lang strijd moet voeren tegen de weerbarstige
+baronnen in zijn land.
+
+<p>Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door
+LODEWIJK VAN VELTHEM zal worden voortgezet<a href="#8.16">[16]</a>.<a name="238"></a>
+
+<p>Noch in de <i>Historie van den Grale</i>, noch in <i>Merlijns boeck</i>
+vind ik plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler
+doen kennen. Wel mag men vermoeden, dat de beschrijving
+der hoofsch-hartstochtelijke liefde van koning UTER voor de
+schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal zijn gevallen<a href="#8.17">[17]</a>.
+Had hij geen behagen geschept in zulke liefdesgeschiedenissen,
+dan zou hij zeker den roman <i>van Torec</i> niet hebben bewerkt.
+Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in de <i>Lancelot-compilatie</i>
+is opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene verwerking
+derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans, met
+name in den <i>Lancelot</i>, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een
+schoone maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan
+verlaten; een dozijn ridders, achtereenvolgens uit een kasteel
+komend, die door den held van het verhaal overwonnen moeten
+worden; het &#8222;josteeren" tegen de gezellen van de Tafelronde;
+bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen.
+
+<p>Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik
+heeft gemaakt van Fransche romans, mag men reeds opmaken
+uit een vrouwenaam als &#8222;TRISTOUSE" dien hij vertaalt door:
+&#8222;met rouwe gedragen" (er is daar sprake van een kind); uit
+riddernamen als &#8222;VAN DER BASSE RIVIERE" en &#8222;DE ORGELIOUS";
+de hier voorkomende &#8222;camere van wijsheden" herinnert ons
+aan &#8222;la Chambre de Beaut" in den <i>Roman de Troie</i><a href="#8.18">[18]</a>. De
+eenmaal voorkomende uitdrukking &#8222;also als ic 't int romans
+hore" kan wel grond geven tot de onderstelling dat MAERLANT
+zich bij die plaats van zijn werk een Fransch voorbeeld herinnerde;
+doch op grond van dat vers alleen aan te nemen dat
+de <i>Torec</i> vertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog op het
+feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd
+wordt. Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt,
+de roman van MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan
+men er toch niet in aanwijzen.<a name="239"></a>
+
+<p>Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook
+in dezen roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als:
+
+<p class="quote">Dat hare doe een splinter stac
+Van reinre minnen in haer herte
+</p>
+
+<p>in eene lyrische ontboezeming over de minne, &#8222;die alle hovescheit
+wiset"; in het &#8222;saluut van minnen" dat TOREC aan de
+blanke MIRAUDE zendt<a href="#8.19">[19]</a>.
+
+<h3>OMKEER.</h3>
+
+<p>In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens
+behalve liefde voor vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt
+doch behoeft nadere verklaring.
+
+<p>Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag
+men betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap
+tot de zijne had gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken
+koning PORUS hebben gezegd, dat hij &#8222;bloedde als een
+rund" of uit den roman <i>van Troyen</i> juist beschrijvingen
+van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag hebben
+weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANT
+<i>historie</i>. In zijn <i>Alexander</i> verklaart hij met nadruk dat hij
+&#8222;die waerheit, meer no min" in het Dietsch wil uiteenzetten;
+n in dien roman n in de overige vergenoegt hij zich niet
+met zijn voorbeeld te volgen; doch hij vult het aan, wijzigt
+of bestrijdt het, zooals hij meende dat de historische waarheid
+het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige kennis, blijkt
+duidelijk waar wij in den <i>Alexander</i> allerlei wetenschappelijke
+invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de Babylonisch-Perzische
+geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS,
+XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering.
+Naar het schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechts<a name="240"></a>
+zijn geheugen geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken
+gelezen moet hebben dan &#8222;der minnen boek". Zoo hoog stelt
+MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES tot zijne geliefde
+BRISES laat zeggen: &#8222;wy lesen in ouden vyten", waar het Fransch
+slechts van &#8222;hooren zeggen" spreekt<a href="#8.20">[20]</a>.
+
+<p>Niet z ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER
+of hij blijft zich helder bewust dat deze toch een <i>heiden</i> was
+en hij verzuimt niet DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel
+zal komen<a href="#8.21">[21]</a>. Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone
+en bewondering voor uitheemsche romanheldinnen, maar in
+schoonheid konden die toch niet halen bij
+
+<p class="quote">... de vrouwe die noit en dede
+Sonde no ooc dorperhede
+</p>
+
+<p>met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit.
+Dezelfde eerbiedige liefde voor &#8222;de moeder ons heren" vinden
+wij aan het slot van den <i>Alexander</i> en in den roman <i>van Troyen</i>,
+waar hij eene onbekende, door BENOT aangeduid als &#8222;riche dame
+de riche roi", vervangt door haar die &#8222;moeder es ende maghet".
+
+<p>Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT
+den indruk van dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben
+meent hij, in den oorlog hunne eer verloren. En waarom&mdash;gaat
+hij voort&mdash;laat men zich onder Christenmenschen nog
+altijd voorlezen van die &#8222;overdaet"&mdash;Want aan weerszijden
+waren het louter heidenen&mdash;? Het antwoord luidt: opdat
+
+<p class="quote">... elc man mercken sal,
+Hoe onreene dat averal
+Hoerdom es ende hoe groot quaet
+Datter af te comene staet<a href="#8.22">[22]</a>.
+</p>
+
+<p>Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst
+doen als afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zal<a name="241"></a>
+MAERLANT zijn geweten hebben gerust gesteld, indien dat ten
+minste nu reeds in hem sprak, zooals het later zou spreken over
+den verkeerden weg door hem als dichter gevolgd.
+
+<p>Gaf de <i>Alexander</i> ons den MAERLANT van later reeds te zien
+in zijne neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet
+hij dat, waar wij in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige
+bewerking vinden van de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten
+jegens papen en klerken over hunne symonie, jegens
+groote heeren over hunne hebzucht.
+
+<p>Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT
+z duidelijk wat hij later worden zal als in den <i>Torec</i>. In het
+hoofdstuk, getiteld &#8222;hoe Torec in 't scep van aventuren was",
+zien wij allerlei kiemen die later zich zullen ontwikkelen. In
+een rijkversierd vertrek hooren wij daar vroede oude mannen
+spreken over het nut der wijsheid, over dwazen die dat nut
+niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de
+minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen
+rijk en arm, de onverdiende geringschatting van den arme.
+Hier vinden wij ook reeds de drie soorten van liefde genoemd,
+die wij later in den <i>Wapene Martijn</i> zullen terugvinden<a href="#8.23">[23]</a>.
+
+<p>Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt
+boven alle vrouwen, die partij kiest voor den arme tegen de
+grooten der aarde, die adel en geestelijkheid hunne hebzucht
+verwijt, die wijsheid en nuttige kennis verheft en aanprijst&mdash;zal
+het winnen van den verliefden bewerker van ridderromans.
+Zal het winnen&mdash;langzamerhand. Want van eene bekeering
+in den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken.
+Immers onder zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch
+geschrift over de gesteenten (<i>Lapidarijs</i>) en een werkje
+over droomen (<i>Somniarijs</i>) dat een dergelijk karakter zal hebben
+gedragen. Ook verloochent hij in latere jaren dat eerste werk
+niet. Naar zijn <i>Troyen</i> en zijn <i>Alexander</i> verwijst hij de lezers<a name="242"></a>
+ook nog in zijn <i>Rijmbijbel</i> en zijn <i>Spieghel Historiael</i> zonder
+ze af te keuren; van den <i>Alexander</i> zegt hij alleen, dat er
+fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil herhalen. Anders
+is het met den <i>Merlijn</i> en de Britsche romans in het algemeen.
+Zoowel in <i>Rijmbijbel</i> als in <i>Spieghel Historiael</i> laat hij zich
+geringschattend uit over &#8222;die boerde van den Grale", over
+&#8222;MADOCS droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"<a href="#8.24">[24]</a>.
+
+<p>Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en
+meer komt hij tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken
+van den rechten weg was afgedwaald. In den <i>Rijmbijbel</i> zien
+wij die overtuiging zoo sterk geworden, dat zij zich moet uitspreken.
+Hij bidt God: vergeef mij om der wille van dit werk
+
+<p class="quote"> dat ic mi besmet
+Ebbe in logenliken saken,
+Die mi de lichtheit dede maken
+Van der herten ende van den zinne
+Ende van der wereliker minne<a href="#8.25">[25]</a>.
+</p>
+
+<p>Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT
+toont besef te hebben van dien omkeer en van nu af zien wij
+hem in de nieuwe richting voortgaan. Meer dan eens stelt hij
+&#8222;der poten fabelen", de &#8222;boerden ende favele" tegenover de
+waarheid, tegenover het evangelie. Het duidelijkst in den aanvang
+van <i>Sinte Franciscus Leven</i>:
+
+<p class="quote">Cume<a title="[margin: nauwlijks.]"><sup>#</sup></a> es hi van mi bekint,
+Die nu leeft ende waerheit mint;
+Maer Tristram ende Lanceloot,
+Perchevael ende Galehoot,
+Ghevensde<a title="[margin: verzonnen.]"><sup>#</sup></a> namen ende ongheboren,
+Hier of willen de lieden horen;
+Truffe van minnen ende van stride<a name="243"></a>
+Leestmen dor de werelt wide.
+Die ewangelie es ons te zwaer,
+Omdat soe recht seit ende waer.
+</p>
+
+<p>Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn
+verhaal van dien &#8222;coninc van versen"
+
+<p class="quote">Die vinden conste ende maken
+Veerse die ter werelt smaken
+</p>
+
+<p>maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan
+&#8222;pensde te betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk
+uit te maken; doch zeker is, dat de stem der waarheid zich in
+MAERLANT'S werk luider doet hooren, naarmate hij ouder wordt<a href="#8.26">[26]</a>.
+
+<p>Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche
+romanliteratuur den rug toegekeerd; naef doch begrijpelijk is
+het, dat nu in het vervolg alle &#8222;Walsch" voor hem &#8222;valsch"
+is, terwijl het Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig
+heet. Dat onder de waarheid, die hij voortaan wil
+verkondigen, tal van wonderen begrepen zijn, behoeft in
+een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; &#8222;waerheit
+ende menech wonder", &#8222;wonder ende waer" worden door hem,
+evenals door andere middeleeuwsche auteurs, telkens in n
+adem genoemd<a href="#8.27">[27]</a>.
+
+<p>
+GEESTELIJKE POZIE.
+
+<p>Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen
+vinden dan in den bijbel? In die overtuiging heeft hij de
+<i>Historia Scolastica</i> van PETRUS COMESTOR verdietscht, die
+bekend staat onder den naam van <i>Rijmbijbel</i>.
+
+<p>In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven
+der geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met dien
+<a name="244"></a>
+der Apocriefe Boeken en der Evangelin. MAERLANT heeft weggelaten
+wat hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en
+daar stukken van den bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd;
+menige mystieke uitlegging van het bijbelverhaal is door hem
+uitgebreid, ook neemt hij niet zelden de gelegenheid waar om
+MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te gispen<a href="#8.28">[28]</a>.
+
+<p>Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis
+onder het bereik der leeken brengen. Van pozie is
+in dit werk geen sprake; van aandoening zelfs tenauwernood.
+Slechts op een paar plaatsen, namelijk waar hij den dood van
+JUDAS MACCABES verhaalt, en eens waar van JEZUS sprake
+is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen<a href="#8.29">[29]</a>. Blijkbaar was
+de bewerking der <i>Scolastica</i> voor den auteur louter plicht. Hij
+moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben, wij
+kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de
+voltooiing der bewerking van den <i>Pentateuch</i> slaakt hij dan
+ook de verzuchting:
+<p class="quote">God danc, ic heb se overleden<a title="[margin: achter den rug.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Minder zwaar zal hem de bewerking van <i>Sint Franciscus'
+Leven</i> zijn gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging,
+maar op verzoek van eenige belangstellenden te Utrecht,
+inzonderheid van zekeren broeder ALAERD, waarschijnlijk,
+evenals de overige vragers, lid der orde van SINT FRANCISCUS.
+Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in de
+persoonlijkheid van den &#8222;edelen vaendragher ons Heren" veel
+moet zijn geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de
+armen tegen de aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den
+proloog immers herhaalt hij nog eens eene waarschuwing van
+vroeger:
+
+<p class="quote">Dat minnen gaet vor alle ere;
+<i>Want arem man heet emmer sot</i>.<a name="245"></a>
+</p>
+
+<p>En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend,
+wie haar op kostelijker altaar geheven, dan juist &#8222;il Poverello"?
+
+<p>Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven
+weinig eigens, weinig ook dat ons spreekt van aandoening in
+hem gewekt door de levensopvatting en den levenswandel van
+&#8222;SINTE FRANSOYS". Waar wij hier en daar sporen van aandoening
+meenen te zien, blijkt bij vergelijking met het origineel dat
+MAERLANT niet veel meer geeft dan eene vertaling<a href="#8.30">[30]</a>.
+
+<p>Met <i>Rijmbijbel</i> en <i>Sinte Franciscus Leven</i> had MAERLANT
+werken gegeven die zijns inziens beter lectuur waren dan de
+door hem verworpen dwaasheden &#8222;van minnen ende van
+stride". De kennismaking met Latijnsche kerkliederen en eigen
+godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook nog andere
+geestelijke pozie uit hem voort, waarop wij nu het oog
+moeten richten.
+
+<p>Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde
+lyrische gedichten, waarvan een drietal: <i>Van den vijf Vrouden</i><a title="[margin: vreugden.]"><sup>#</sup></a>,
+<i>Van ons Heren Wonden</i> en <i>Clausule van der Bible</i> misschien
+nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is waarschijnlijk,
+het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het
+vierde gedicht <i>Van der Drievoudichede</i> bevat een zeer vrije
+bewerking van een Latijnsch gedicht als dat <i>De Sancta Trinitate</i>;
+<i>Clausule van der Bible</i> en <i>Disputatie van den Cruce</i> schijnen
+zelfstandige bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten
+en voorstellingen, die men ook elders in de middeleeuwsche
+literatuur aantreft<a href="#8.31">[31]</a>. In het eerste stuk wordt telkens in een nieuw
+couplet eene nieuwe vreugde van MARIA, in het tweede achtereenvolgens
+de vijf wonden van JEZUS bezongen. <i>Clausule van der
+Bible</i> bevat eene verheerlijking van MARIA in een toen veelvuldig
+gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude
+Testament, vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT
+wordt niet moede, door een veertigtal strofen heen, de Moedermaagd<a name="246"></a>
+telkens weer onder een andere gedaante te verheerlijken:
+MARIA is de duive met den olijftak terugkeerend naar de ark;
+de ladder waarlangs de engelen af- en opklommen; RACHEL,
+des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind MOZES
+schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels
+dauw neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna,
+de steen waaruit op MOZES' gebed een klare fontein ontsprong
+... zoo volgt het eene beeld op het andere, totdat
+de dichter het moet opgeven, want &#8222;volprisen" kan hij haar
+niet, &#8222;de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht
+scheen gelijk de zonneschijn.
+
+<p>In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan;
+behoefte om JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden,
+uit zich hier ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende
+verzen.
+
+<p>Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten:
+<i>Van der Drievoudichede</i> en <i>Disputatie van den Cruce</i>. Hier
+kon hij niet volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele
+vraagstukken als dat der Drieenheid, een geschil als dat
+tusschen MARIA en het Kruis, eischten inspanning van denkkracht
+en voorstellingsvermogen om zelf te begrijpen en anderen
+te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat wij MAERLANT
+hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het lyrisch-dramatische
+van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang gekomen
+op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche
+geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend
+bij de samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de
+rollen zoo verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt.
+Die verdeeling gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van
+moeilijke vraagstukken; de afwisseling van vraag en antwoord
+of ook het verschil van opvatting tusschen twee sprekers
+bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT, man van<a name="247"></a>
+veelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de Latijnsche
+literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch
+zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven
+van de &#8222;dbats", &#8222;jeux-partis" en &#8222;tenons" die in de toenmalige
+nationale Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden
+en die ook door de Belgische trouvres gedicht werden<a href="#8.32">[32]</a>.
+
+<p>Zoo zien wij in de tweespraak <i>Van der Drievoudichede</i> JACOB
+in gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe
+kan ik God leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim
+en Seraphim, antwoordt JACOB, nog zou ik u op die hooge
+vraag niet kunnen antwoorden. Luister naar hetgeen mij de
+bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil doorgronden
+is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd
+zullen worden als zij den Horeb beklimmen.&mdash;Ook ik ben
+overtuigd, herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid
+niet zouden kunnen omvatten; doch leer mij zooveel mijn
+door de zonde verzwakt verstand kan bevatten. JACOB geeft
+dien wensch gehoor: God is boven alles, onder alles, buiten
+alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest. Den
+Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vr alle begin;
+daarna den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider
+vereeniging ontsproten Heiligen Geest; samen vormen zij eene
+drie-eenheid van <i>macht</i>, <i>const</i> en <i>wille</i>, die aanwezig moet zijn
+in elken mensch die iets wil voortbrengen. God rust zelf
+en brengt alles in beweging; geene plaats omvangt Hem, Hij
+omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde, Hij is
+eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het
+geloof draagt hier de kroon.
+
+<p>Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon
+geeft MAERLANT eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer,
+van den zondeval, van de verhouding tusschen het menschelijke
+en het goddelijke in JEZUS, van het Laatste Oordeel. Hij is van<a name="248"></a>
+ons heengegaan, doch Hij heeft zijn vleesch en bloed hier
+gelaten om het te &#8222;sacreeren" in der priesters handen. Met
+eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing
+tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig
+te mogen worden wordt het gedicht besloten<a href="#8.33">[33]</a>.
+
+<p>In <i>Disputatie van den Cruce</i> zien wij MARIA handenwringend
+staan onder het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis:
+moordenaars en dieven moet gij straffen, niet Hem die rein
+van zonden is.&mdash;Niet alleen uwe zaak geldt het hier, antwoordt
+het kruis, maar die &#8222;der wereld gemene"; toen ik uw zoon
+ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch onsterfelijk zal Hij
+terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op Hem en willen
+van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet
+met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis
+waarheid heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren:
+mensch, wat heb ik voor u gedaan en wat doet gij voor mij?
+Gij moet de wereld verzaken of gij zult niet met mij leven.
+Al uw pogen strekt om schatten te vergaderen. Doch het is
+niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders voorgaan: al het
+kwaad komt uit de &#8222;sacristie"<a title="[margin: de kerk.]"><sup>#</sup></a>; vleeschelijk leven, wellust, zich
+trotsch gedragen&mdash;het vindt zijn oorsprong bij de geestelijkheid.
+Om de armen bekommeren zij zich niet. Beginnen zij soms de
+wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de vleeschpotten
+van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en
+vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der
+kudde, maar wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en
+ontrukt het heilige land aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en
+het kruis zegt tot MARIA, dat het niets baat of men haar al
+bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden heeft. Ten slotte
+gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat door
+Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van
+Kruis noch Maagd kan ontberen.<a name="249"></a>
+
+<h3>POZIE DER GEMEENTEN.</h3>
+
+<p>In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over
+de hoogten der bespiegeling; in <i>Disputatie van den Cruce</i> zien
+wij hem afdalen tot de vlakte beneden waar het werkelijk leven
+wordt afgespeeld. Er was echter in dat werkelijk leven, behalve
+het wangedrag der geestelijken, nog zooveel dat hem vervulde:
+maatschappelijke misstanden die hem in twijfel en onrust hielden,
+onrecht dat hem ergerde, gewichtige vraagstukken die hem niet
+los lieten. In een paar tweespraken, <i>de eerste</i> en <i>d'ander
+Martijn</i>, heeft hij getracht samen te vatten wat in hem omging.
+Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen, gedachten
+over maatschappij en kerk, over handel en wandel
+der menschen, over de verhouding der standen, over de
+liefde, de zonde, over God, ten deele reeds door anderen
+uitgesproken, ten deele dus herinneringen den dichter bijgebleven
+uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn eigendom&mdash;zijn
+hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken
+bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook
+de meeste andere vervat zijn; in <i>de Eerste Martijn</i>, de omvangrijkste
+tweespraak van alle die bijna 1000 verzen telt, is
+op menige plaats een dichterlijke gloed waaruit ware pozie
+is voortgekomen; <i>d'ander Martijn</i>, van veel minder omvang,
+geeft meer spel van vernuft dan pozie al is deze niet geheel
+afwezig.
+
+<p>De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de
+hoofsche minnelyriek en de minachting van &#8222;truffen ende
+potrin", het meesterschap over den vorm verbieden ons aan
+te nemen dat zij uit des dichters jeugd zouden dagteekenen.
+Maar anderzijds getuigt <i>de Eerste Martijn</i> van zooveel eerbiedige
+liefde voor de vrouwen, zij het ook dat die evenals in den
+<i>Roman van Troyen</i> bekroond wordt door een AVE MARIA, en<a name="250"></a>
+toont <i>d'ander Martijn</i> zulk een welbehagen in het behandelen
+van eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons
+den dichter kwalijk als een bedaagd man kunnen denken.
+Mag men eene gissing wagen, dan zal men geneigd zijn
+aan te nemen, dat hier een man van tusschen de dertig en
+veertig tot ons spreekt.
+
+<p>Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien
+wij in <i>de Eerste Martijn</i> in de weemoedige stemming die op
+eene ontgoocheling pleegt te volgen. Hij heeft de werkelijkheid
+aan zijne idealen getoetst, de schellen zijn hem van de
+oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet: &#8222;Wapene<a title="[margin: wee!]"><sup>#</sup></a>,
+Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden bespot, verdrukt&mdash;de
+slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere. Hoe anders
+dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw
+en deugd was, tot heer boven den &#8222;dorper"&mdash;nu spannen de
+heeren samen, vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de
+slechten de macht in handen. Dat komt van de kwade raadgevers.
+Is er nog een God die regeert? Blijkbaar laat Hij alles
+over aan het blinde toeval.
+
+<p>MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt
+hij. Terug! God hoort en ziet alles. De priesters zullen het
+gewaar worden; de brandstapel wacht u! Vertrouw op God:
+
+<p class="quote">God en was noit moede no mat;
+In 't wout en es loof no blat
+Buten siere hoede.
+Al dat es in elke stat
+Dat behoet hi ende besat
+Met godliken goede<a title="[margin: voorziet Hij van goddelijken zegen.]"><sup>#</sup></a>.
+Al ghehinghet hi dan dat,
+Dat die quade ghewinnet scat
+Ende menne heet den vroede:<a name="251"></a>
+So hi hoghere sit up 't rat<a title="[margin: van Avontuur.]"><sup>#</sup></a>,
+So hogher val, so meere plat<a title="[margin: zwaarder smak.]"><sup>#</sup></a>
+In der helscher gloede
+Onder der duvele roede.
+</p>
+
+<p>JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de
+slechten eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen
+aan den harden MARTIJN.&mdash;Omdat de zondaar eeuwig zou
+willen leven, klinkt het antwoord, moet hij ook eeuwige straf
+ondergaan.
+
+<p>Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou
+ik dan, indien ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig
+verdoemd zijn, ook al ware ik milddadig en al had ik penitentie
+gedaan? MARTIJN spreekt den vrager moed in: laat u niet van
+allerlei door de priesters opdringen, er is &#8222;menich onbescheden<a title="[margin: onverstandig.]"><sup>#</sup></a>
+swijn" onder; God is ook een God van genade, van liefde.
+Maar de liefde is blind, naar men zegt&mdash;herneemt JACOB.
+Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er zijn drie
+soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de &#8222;caritate" die
+God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar
+van aard, strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de
+&#8222;cracht die twee herten tsamen bint". Met een uitval tegen de
+hoofsche minnepozie geeft JACOB zijne instemming te kennen.
+
+<p>Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn
+pad gekomen, keert de dichter de rollen om.
+
+<p>MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer
+op: van waar komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen,
+edel en onedel? Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van
+CAN; anderen: van CHAM; doch het is onwaar, de &#8222;Duutsche
+loy"<a title="[margin: Het Duitsche wetboek: de Saksenspiegel.]"><sup>#</sup></a> weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van krijgsgevangenen.
+En wat den adel betreft&mdash;wat gaat het mij aan,
+wie iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugd<a name="252"></a>zaam
+is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman<a href="#8.34">[34]</a>!
+MARTIJN stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van
+ADAM afstammen en dus bloedverwanten zijn, hoe is dan de
+&#8222;maechscap" zoo verdwenen? Van waar dan al die afgunst en
+strijd?&mdash;LUCIFER is daarmede in den hemel begonnen, antwoordt
+JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn en Dijn
+hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot
+een ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar
+neemt de liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het
+hart of uit de oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB;
+als een onbeschaafde Fries die niet weet wat liefde is. Luister!
+Nu vangt een redetwist aan tusschen het hart en het oog,
+tweespraak in de tweespraak, die door vrouwe Redene beslecht
+wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met de liefde
+tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De
+priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf
+volgen zij een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel
+van uw goed aan de armen, neig uw hart tot hen; dan moge
+God u in Zijne hoede nemen, u aan de macht der duivelen
+onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op den oorsprong
+van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de
+vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor
+de vrouwen die hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN
+verklaart zich overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om
+der wille van de &#8222;hooge vrouwe", aan wie ons behoud gelegen
+is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de tweespraak een einde.
+
+<p><i>D'ander Martijn</i> is in zoover eene voortzetting van <i>den
+Eersten Martijn</i>, dat wij hier in den aanvang een dergelijke
+vraag gesteld zien als die over den strijd tusschen het hart en
+het oog. Hier geldt het de vraag: twee vrouwen beminnen mij;
+de eene heb ik lief, maar zij mij niet; de andere heeft mij lief,
+maar ik haar niet&mdash;tot welke der twee moet ik mij wenden?<a name="253"></a>
+
+<p>Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der
+&#8222;Cours d'amour" bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze
+in &#8222;<i>het schip van aventuren</i>" had hooren behandelen.
+
+<p>In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander
+nu met allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan
+de Oudheid en den Bijbel. Redene moet zich in de liefde
+doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan de voorbeelden van noodlottige
+liefde uit den Bijbel moeten wij ons spiegelen. God zelf
+wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft, wie Hem
+wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken
+aan haar die mij lief heeft.
+
+<p>In den <i>Verkeerden Martijn</i> hebben wij een aardig voortbrengsel
+van middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S
+redeneeringen uit den <i>Eersten Martijn</i> omgekeerd en tegen de
+zijne overgesteld. Hier en daar, vooral in de drie eerste strofen,
+meent men toch de bitterheid van den dichter in zijn scherts
+te hooren doorklinken. In het laatste couplet is iets van voorname
+levenswijsheid, die met een lichten glimlach spreekt over
+de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel jammer, dat
+slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In
+zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten
+vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid
+krijgen aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene
+vraag blijft: of MAERLANT inderdaad de maker is van dit
+gedicht. Er bestaat misschien meer reden hier aan het werk
+van een ander te denken dan aan een zelf-parodieerend sarcasme,
+waarvan in de middeleeuwsche literatuur, naar ik meen, tenauwernood
+een ander voorbeeld te vinden is<a href="#8.35">[35]</a>.
+
+<p>De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling
+in het maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk
+hart over de misstanden in dat leven en uit begeerte om in die<a name="254"></a>
+misstanden verbetering te brengen. Verbetering door afbreken
+en opbouwen. De <i>Martijn's</i>, vooral <i>de Eerste Martijn</i>, werkten vooral afbrekend; in een drietal andere gedichten trachtte de
+dichter op te bouwen.
+
+<p>Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan
+eens een vroeger motief hervatten, om het op nieuw te bewerken,
+zoo keert ook MAERLANT terug tot vroeger bewerkte stoffen.
+De schets eener middeleeuwsche vorstenschool uit den <i>Alexander</i>
+wordt overtroffen door de handleiding voor vorsten in <i>Heimelijkheid
+der Heimelijkheden; Lapidarijs</i> is uitgebreid tot het groote
+werk <i>der Naturen Bloeme</i>; de historische overzichten uit
+<i>Alexander</i> en <i>Merlijn</i> tot den <i>Spieghel Historiael</i>.
+
+<p>Het oorspronkelijke <i>Liber de Secretis Secretorum</i>, in dezen
+vorm zeker niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag
+van zijn naam wijd en zijd verbreid, bevatte eene soort van
+overzicht der regeerkunst en, daar een vorst ook zich zelven
+moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet onwaarschijnlijk
+is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den
+twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht
+gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER
+toch in menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent
+kon heeten. <i>Heimelijkheid der Heimelijkheden</i> zou dan min of
+meer als een correctief van den <i>Alexander</i> moeten worden
+beschouwd, dat des te beter zou werken, omdat het ook hier
+juist ALEXANDER is, wien door den zoo hoog vereerden
+ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo was
+b.v. de aansporing tot het bedwingen van den &#8222;grammen moet"
+voor den <i>Alexander</i> van GAUTIER de CHTILLON zeker niet
+overbodig<a href="#8.36">[36]</a>.
+
+<p><i>Der Naturen Bloeme</i> en <i>Spieghel Historiael</i> moesten, evenals
+vroeger <i>Rijmbijbel</i> en <i>Sinte Franciscus Leven</i>, voorzien in de
+behoefte aan degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching<a name="255"></a>
+van THOMAS VAN CANTIMPR'S groot werk <i>De Naturis Rerum</i>
+kon elk die zijne bekomst had van fabelen en leugens, &#8222;nutscap
+ende waer" vinden. Alles wat men toentertijd van de natuur,
+van menschen en dieren wist, vond men hier bijeen. MAERLANT
+heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten, in het overige
+de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn
+voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd
+of er iets aan toegevoegd<a href="#8.37">[37]</a>.
+
+<p>In zijn <i>Spieghel Historiael</i> leverde hij populair-wetenschappelijk
+werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden
+was voor de leeken tot dusver n nevelachtig verschiet
+van eentonig grijs geweest; deze <i>Spiegel</i> wierp er voor het
+eerst krachtige lichtstralen in en doorheen. Nu eerst namen
+enkele bekende figuren in dat verschiet vaste omtrekken aan,
+nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver af,
+nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin
+men leefde.
+
+<p>Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT
+VAN BEAUVAIS, bewerkte MAERLANT slechts een deel, het
+<i>Speculum Historiale</i>; de twee voorgaande deelen: <i>Speculum
+Naturale</i> dat over God, het heelal en den mensch handelde
+en het <i>Speculum Doctrinale</i> dat een overzicht der menschelijke
+wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van
+het <i>Speculum Historiale</i> eer eene bewerking dan eene vertaling;
+hij raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a.
+den Hollandschen kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de
+geschiedenis van Nederland en de levensbeschrijvingen van
+Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk met een schat van
+spreuken en lessen van levenswijsheid<a href="#8.38">[38]</a>. Hier ook had MAERLANT
+gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns inziens,
+de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of
+vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over<a name="256"></a>
+KAREL DEN GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende
+KARELS hadden samengesmolten tot nen; hij houdt
+zich aan de <i>Historia Caroli Magni et Rolandi</i>; immers, dat
+was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich tegen de vermenging
+van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de
+verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het
+huis Bouillon<a href="#8.39">[39]</a>.
+
+<p>Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de
+vermenging van verschillende historische KARELS eerst door
+de hedendaagsche wetenschap opnieuw is gemaakt en met
+evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid gestaafd, dan moet
+men dezen middeleeuwschen &#8222;clerc" bewonderen om zijn helder
+verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde
+van zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan
+eigenlijk geen sprake zijn, want de pozie is in de drie laatstgenoemde
+werken zoo goed als afwezig. Zelfs vertoonen zij in
+de bewerking tenauwernood eenige aandoening, tenauwernood
+iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk grapje maken
+over de vlooien, de &#8222;clene wichten" die ons in dit aardsche
+tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid
+toonen waar hij het dier Furions ter sprake brengt&mdash;doorgaans
+blijft hij in <i>der Naturen Bloeme</i> de ernstige leermeester<a href="#8.40">[40]</a>.
+
+<p>In den ganschen <i>Spieghel Historiael</i> vond ik slechts een paar
+plaatsen waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op
+MAERLANT zooveel indruk maakte, dat zijne bewerking er de
+sporen van draagt. CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van
+ROELAND heeft hem blijkbaar getroffen; in het Dietsch lezen
+wij dat de groote keizer
+
+<p class="quote">... grongierde<a title="[margin: brulde.]"><sup>#</sup></a> in der gebare
+Alse oft een leuwe ware
+Die sine jonge vonde vermort.<a name="257"></a>
+</p>
+
+<p>Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden
+welp zal wel niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in
+zijn voorbeeld niet te vinden<a href="#8.41">[41]</a>.
+
+<p>Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar
+hij in bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid
+zegt, een geestverwant herkent. Daar komt hem zijn <i>Eerste
+Martijn</i> weer voor den geest, zoo levendig zelfs dat een paar
+rijmen uit de eerste strophe hier weer opklinken<a href="#8.42">[42]</a>.
+
+<h3>DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE
+VAN OVERSEE; BESLUIT.</h3>
+
+<p>Het tekort aan pozie in de pas behandelde werken heeft
+MAERLANT ons vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten.
+Beide dagteekenen uit zijn ouderdom. <i>Van den Lande van
+Oversee</i> moet gedicht zijn na den val van ST. JEAN D'ACRE
+(1291) en in <i>der Kerken Claghe</i> hooren wij den dichter
+zeggen:
+
+<p class="quote">Wat sagh ic in den spieghel claer?
+Mijn oude leven, mijn graeuwe haer,
+Hoe sterven es met mi gheboren!
+</p>
+
+<p>Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap.
+De klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud
+uitmaakt van het eene, ruischt als ondertoon door de verzen
+van het andere<a href="#8.43">[43]</a>. De dichter beeldt hier de kerk uit als eene
+moeder, eene bedroefde vrouw van haar erf ontzet, wier verdediging
+Christenridders plicht moet zijn. Het komt mij waarschijnlijk
+voor, dat deze voorstelling eene herinnering is uit de
+dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne verdiepte
+in ridderromans. In den roman van <i>Lancelot</i> toch legt<a name="258"></a>
+een abt aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die
+ridder heeft gezien. Wij lezen daar:
+
+<p class="quote">Tot u quam op dien nacht besien
+Die heilege kerke ende al om dien
+In eens droefs wijfs gelike,
+Die u clagede droeffelike,
+Datmen hare onrecht dede
+Ende nam hare ervechtechede.
+Sine quam niet gecleet met siden,
+None togede met den bliden;
+Maer si quam in groter droefheden
+Ende gecleet met swerten cleden
+Om den toren die hare kinder
+Daden mere ende minder;
+Dat sijn besondechde kerstine
+Dat haer kinder (sculdech) te sine,
+Ende gelijc hare moder hare
+Altoes sculdech te houdene waren<a href="#8.44">[44]</a>.
+</p>
+
+<p>Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk
+gewaarschuwd had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd
+tegen de geestelijkheid. In zijn <i>Naturen Bloeme</i>, zijn <i>Rijmbijbel</i>,
+zijn <i>Spieghel Historiael</i> had hij zich meer dan eens scherp
+uitgelaten over hunne hebzucht, weelde, wellust; hun verweten,
+dat zij waren
+
+<p class="quote">... vor mine ogen smeker<a title="[margin: vleiend.]"><sup>#</sup></a>
+Ende achter valsch als de verrader.
+</p>
+
+<p>De critiek, welke zijn bewerking van den <i>Rijmbijbel</i> hem
+van de zijde der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn
+<i>Spieghel Historiael</i> nog niet vergeten<a href="#8.45">[45]</a>. Doch, had hij daar
+met de belgzucht van het &#8222;paepscap" rekening gehouden, in<a name="259"></a>
+<i>der Kerken Claghe</i> spaart hij hen niet. Onversaagd springt
+deze strijdbare &#8222;clerc", ridder naar geest en gemoed, zijne
+moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken, dat
+haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en
+leiden. De wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken
+de volle waarheid zou durven zeggen, hen met name
+noemen&mdash;hoe zou hij bejegend worden! Met enkele trekken
+schetst hij hen: korte rokken, breede zwaarden, lange baarden,
+kostbare kleederen, hooge paarden; wat al fierheid&mdash;ten koste
+der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de waarheid
+zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig,
+naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is
+eene vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op
+de loer. Hij behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen
+onder zijn bereik. Wie de kwaden vleien, hebben de beste
+plaatsen en eene vette keuken; zij drinken dat zij zweeten en
+slapen er te beter op. Al maken de heeren zich aan roof
+schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze geestelijken,
+die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven.
+En krachtig klinkt de oproep ten slotte: Z klaagt de
+heilige Kerk! Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij
+nieuwe wapenen dragen en deze wandaden te keer gaan en wreken.
+
+<p>Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard,
+met zijne pen, tastte MAERLANT ook in het gedicht <i>Van den
+Lande van Oversee</i> de Kerk van Rome aan, die hij scherp
+onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier durft hij zeggen:
+
+<p class="quote">Die Kerke van Romen is dusdaen vraet,
+Si is dronken ende al sonder raet,
+Die hovet is van Kerstijnhede.
+</p>
+
+<p>Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een
+noodkreet, door den vromen Christen geslaakt, toen hem<a name="260"></a>
+meer en meer zekerheid gewerd, dat het Heilige Land aan de
+macht der Christenen ging ontglippen. In <i>Disputatie van den
+Cruce</i> had hij reeds eenmaal een klacht daarover doen hooren,
+maar nu Acre, het laatste bolwerk der Christenen, gevallen is,
+slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de ontzetting, de
+verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef:
+
+<p class="quote">Kersten man, wats di gheschiet?
+Slaepstu? hoe ne dienstu niet
+Jhesum Christum dinen here?
+Peins, doghedi dor di enich verdriet,
+Doe hi hem vanghen ende crucen liet,
+Int herte steken metten spere?
+Tlant, daer hi sijn bloet in sciet<a title="[margin: stortte.]"><sup>#</sup></a>,
+Gaet al te quiste, als men siet:
+Lacy, daer en is ghene were!
+Daer houdt dat Sarracijnsche diet<a title="[margin: volk.]"><sup>#</sup></a>
+Die Kerke onder sinen spiet
+Daerneder, ende doet haer groot onnere
+Ende di en dunkets min no mere<a title="[margin: gij geeft er niet om.]"><sup>#</sup></a>!
+</p>
+
+<p>In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe
+moeder, de Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt&mdash;gij
+leeft in weelde; Gods vijanden hebben te Acre kloosters
+en huizen vernield, het volk gedood. Christen! trek op, den
+hemel kunt gij winnen, indien gij die schande wreekt. Dan
+eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat er gebeurd
+is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van
+zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het
+vlamt weer op in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen
+... Kerk van Rome, trek het zwaard! Maar de voorname
+geestelijken hebben wel wat anders te doen! Wat doet gij ter
+wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette<a name="261"></a>
+prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. &#8222;Reinaerdie"
+speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee
+uitrichten! En waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden
+niet te na gesproken&mdash;de duivel hale hen met hunne trotsche
+bijzitten! Maar het Heilig Graf vertoont zich weer aan zijn
+geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de koningen, graven
+en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd het schild
+&#8222;van sabel en van goude", het &#8222;lazuren" schild met de lelin
+op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat
+en zijne moeder wreekt&mdash;hij zal er voor boeten! Overredend
+klinkt het daarop: Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten
+immers toch eens sterven? Denkt wat JEZUS heeft willen lijden!
+Hoe anders was het ten tijde van CHARLEMAGNE en GODFRIED
+VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter valkenjacht, gij
+landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij u
+van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een
+bede tot God besluit de dichter zijn bezielden oproep.
+
+<p>Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val
+van Acre is het Heilige Land geheel aan den greep van het
+Westen ontglipt. Sedert de kruistochten een aanvang hadden
+genomen, was de Europeesche Christenheid twee eeuwen ouder
+geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift en
+avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken;
+andere idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne
+toewijding, hunne kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan
+gevoelde, zijne devotie verrichten bij het Heilig Graf dat in
+zoo menige kerk ook te onzent was nagebootst.
+
+<p>MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht
+opwekte, schijnt den veranderden koers der geesten niet
+te hebben opgemerkt. En indien al, dan heeft hij dien zeker
+betreurd. Want hij was een &#8222;prijzer van 't verlen" en zag in<a name="262"></a>
+zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij dien bij vroeger
+vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden en op
+het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en
+opbouwend heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor
+te leiden, dat gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche
+dichter die, sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging
+en het plichtsverzuim van adel en geestelijkheid is
+opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij heeft voor Vlamingen
+en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na
+hem een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk
+leeren lezen.
+
+<p>Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op
+eene plaats onder de groote mannen van ons volk; doch als
+kunstenaar rijst hij daardoor niet in onze schatting. Zeker, hij
+was dichter. Hij heeft dat getoond in den <i>Eersten Martijn</i>,
+vooral in de eerste helft waar de aandoening door de strofen
+golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt
+afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat
+getoond in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig
+brok van zijn overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch
+bevallig of aardig mag heeten. Den kunstenaar zien wij in den
+dichter, waar hij, in navolging der Latijnsche en Romaansche
+lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de afschrijvers bezweert
+zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde hecht aan
+de zuiverheid zijner rijmen.
+
+<p>Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden;
+er is in zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel
+dat berijmd proza moet heeten. De drang naar schoonheid in
+zijn gemoed werd onderdrukt door het verlangen om de maatschappij
+te verbeteren en zijn volk te onderwijzen. En nu kan
+de invloed van een dichter op de zedelijke, geestelijke en
+maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk wel strekken om<a name="263"></a>
+de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen, niet
+om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien
+heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt
+om op zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan.
+
+<p>Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk
+zulk eene ruime plaats hebben gegeven in dit verhaal van de
+geschiedenis onzer letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij,
+beter dan eenig ander auteur zijner dagen, de eeuw en de
+maatschappij waarin hij leefde in hunne onderscheiden stroomingen
+vertegenwoordigt; omdat de geslachten die na hem
+kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter
+wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in
+enkele zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat
+onbeschrijfelijke dat wij pozie noemen.<a name="264"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.1">1</a>: De romans <i>van Alexander, Merlijn</i> en <i>Troyen</i> zijn tot ons gekomen in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken,
+in een dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig
+Nederland gesproken werd <i>(Tijdschr. v. Ned. T. en L.</i>, XXIII, 156). De <i>Torec</i> schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den <i>Lancelot</i> (a.w. X, 173; XIX, 36).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.2">2</a>: Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk
+boek van Prof. J. TE WINKEL: <i>Maerlant's Werken</i>, (2e druk, 1892), vgl.: Tweede Hoofdstuk.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.3">3</a>: Vgl. <i>Nat. Bloeme</i> (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en <i>Inleid</i>. XXIV. Over den kalander-leeuwrik: BREHM, <i>Het Leven der Dieren</i> (bewerking van HUIZINGA), II, 100.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.4">4</a>: De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen
+heeft in zijn gedicht, heette waarschijnlijk <i>Gheile</i> en zal wel eene Vlaamsche geweest zijn. Vgl. FRANCK'S <i>Inl</i>. op den <i>Alexander</i>, XI-XII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.5">5</a>: WYBRANDS, <i>De Abdij Bloemhof</i>, bl. 134.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.6">6</a>: Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.7">7</a>: Vgl. X, 1530&ndash;1.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.8">8</a>: Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke <i>Inleiding</i>, inzonderheid naar het hoofdstuk: <i>Maerlants verhouding tot zijne bronnen.</i>]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.9">9</a>: Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.10">10</a>: T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.11">11</a>: Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een
+<i>Simon die Godgaf</i> (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der
+Vlaemsche Bibliophilen I, 6).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.12">12</a>: Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S <i>Inleiding</i> op zijne
+<i>Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen</i>, met name p. 17,
+154&ndash;5, 181.
+
+<p class="footnote">MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van
+NAPOLEON DE PAUW.]<a name="265"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.13">13</a>: Vgl. VERDAM'S <i>Episodes</i>, vs. 6666&ndash;6711 met <i>Roman de Troie</i>,
+vs. 16179&ndash;16181.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.14">14</a>: Vgl. <i>Episoden</i>, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOT vertelt,
+op bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305,
+9345; 327, 10166; 341, 10694.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.15">15</a>: FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk.
+TE WINKEL beweert het tegendeel. Vgl. <i>Anzeiger f.d.A.</i>, IX, 367&ndash;8
+en TE WINKEL'S <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl. 168 noot.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.16">16</a>: Vgl. <i>Merlijn</i> (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S
+uitgave kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen
+van FRANCK'S vernietigende maar rechtvaardige critiek.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.17">17</a>: <i>Merlijn</i>, vs. 7639 vlgg. (7770&ndash;8, 8164, 8175-'80).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.18">18</a>: Vgl. <i>Torec</i> (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene
+&#8222;Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S <i>Conte du Graal</i>;
+zie de Aant. op FRANCK'S <i>Alexander</i>, bl. 481). Afbeelding der <i>Chambre
+de Beaut</i> bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.19">19</a>: <i>Torec</i>, vs. 869&ndash;870; 1228-'49; 3231-'51.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.20">20</a>: Vgl. <i>Alex.</i>, IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd;
+vgl. GAUTIER, <i>Alex.</i>, IX, 258&ndash;260. Of M. deze vergelijking
+misschien uit den <i>Lancelot</i> heeft overgenomen, doet weinig ter zake.
+<i>Episoden</i> enz. vs. 767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het
+origineel; <i>Alex.</i>, I, 68; VERDAM'S <i>Inl.</i> op <i>Episoden</i> enz. bl. 21 vlgg.;
+TE WINKEL in <i>Tijdschr. v. N.T. e. L.</i>, I, 332 vlgg.; <i>Merlijn</i>, vs. 33,
+589, 621. FRANCK'S <i>Inl.</i> op den <i>Alex.</i>, L-LI; <i>Episoden</i>, bl. 163&ndash;4,
+vs. 4159 en vs. 4219 in verg. met het oorspronkelijke.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.21">21</a>: <i>Alex.</i>, III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook <i>Troyen</i>, vs. 10736.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.22">22</a>: <i>Alex.</i>, VIII, 126&ndash;9; X, 1535 vlgg.; <i>Episoden</i> etc. bl. 159&ndash;160.
+Over die <i>riche dame</i> te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197&ndash;8;
+<i>Episod.</i>, bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht,
+door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne
+uitgaaf v.d. <i>Roman de Troie</i>: &#8222;Sur les manuscrits" in Deel I.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.23">23</a>: Vgl. <i>Alex.</i>, VIII, 637 vlgg.; <i>Torec, Inl.</i>, bl. XXII vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.24">24</a>: Vgl. o.a.: <i>Rijmb.</i>, I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; <i>Sp.
+Hist.</i>, I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.25">25</a>: A.w. I, 64 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.26">26</a>: Vgl. o.a.: <i>Rijmb.</i>, I, 2755; <i>Sinte Franc.</i>, 9&ndash;10; 51&ndash;40. Het verhaal
+van den &#8222;coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het ook
+in het Latijn.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.27">27</a>: Vgl. o.a. den Proloog van <i>der Nat. Bloeme</i>, vs. 108&ndash;116;
+TE WINKEL, <i>Maerlant's Werken</i>, p. 368; waai heidsliefde o.a.:<a name="266"></a>
+<i>Rijmb.</i>, I, 25, 4885, 34830; waarheid en wonder: <i>Nat. Bl.</i>, I, 486-'93;
+IV, 5 vlgg.; V, 413 vlgg.; <i>Sp. Hist.</i>, I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.28">28</a>: Vgl. TE WINKEL'S <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl. 337&ndash;9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.29">29</a>: Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen:
+
+<p class="footnotequote">Want haer lyoen, hare lupaerd,
+Haer troest, haer muur, haer casteel,
+Ende hare hulpe algeheel
+Starf met eren, die goede Judas.
+</p>
+
+<p class="footnote">In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: &#8222;firmavit faciem suam
+ut iret in Hierusalem" aldus weergegeven:
+
+<p class="footnotequote">Doe de tijd naken began
+Vander Passin, maecte vast
+Sijn anscijn, <i>die lieve gast</i><a title="[margin: vreemdeling.]"><sup>#</sup></a>,
+Te Jherusalem te gane.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.30">30</a>: Zoo b.v. vs. 7811-'14:
+
+<p class="footnotequote">Aldus in dien dorwitten vleesche
+Die nagle zwart als iet vereesche
+Entie wonde van der zide
+Bloeide als ene rose blide.
+</p>
+
+<p class="footnote">Het Latijn heeft hier (in de bewerking van <i>Bonaventura Vulcanius</i>):
+&#8222;Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem
+lateris rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione
+reductum rosa quaedam pulcherrima videbatur."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.31">31</a>: Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen
+op de uitgave der <i>Strophische Gedichten</i> door FRANCK en VERDAM.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.32">32</a>: Vgl. over den dialoog: Inleid. der <i>Stroph. Ged.</i>, LXXX;
+EBERT, <i>Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt.</i>, II, 16; JEANROY, <i>Les
+Origines de la posie lyrique</i>, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk
+van SCHELER, <i>Trouvres Belges</i> o.a. I, 6&ndash;7, 137, 139, 141.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.33">33</a>: In sommige handschriften heet dit gedicht <i>De derde Martijn</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.34">34</a>: Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij
+den kerkvader HIERONYMUS. Zie <i>Inleiding</i>, p. LXXVIII. Naar het
+schijnt, ook reeds in ARISTOTELES' <i>Ethica</i>. Vgl. BURCKHARDT, <i>Die
+Cultur der Renaissance</i>, II, 90. Vgl. ook <i>Heim. der Heim</i> (ed. CLARISSE),
+vs. 1831&ndash;2; in het Latijn: &#8222;quia Deus creavit aequales."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.35">35</a>: FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie<a name="267"></a>
+<i>Inleiding</i>, p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik
+twijfelen.
+
+<p class="footnote">Nagevolgd werd de <i>Eerste Martijn</i> door een dichter die in 1299
+den <i>Vierden Martijn</i> dichtte (uitgeg. door SERRURE in <i>Vad. Mus.</i>,
+IV, 55 vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging
+niet. HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE
+is geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het
+dichten &#8222;op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN
+AKEN beter verzen dan deze dichter.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.36">36</a>: <i>Heim. der Heim.</i> (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft
+vrij wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw
+gevolgd. Zie de vergelijking in KAUSLER'S <i>Denkmler</i>, III, 289 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.37">37</a>: Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg.
+
+<p class="footnote">Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts
+een klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in
+Boek IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens
+de Inleiding in VERWIJS' uitgave.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.38">38</a>: Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis
+van de ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke
+inleiding van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den
+<i>Sp. Hist.</i> en TE WINKEL t.a.p. het <i>Achtste Hoofdstuk</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.39">39</a>: Vgl. <i>Sp. Hist.</i>, III, p. 170, 204; TE WINKEL, <i>Maerlant's
+Werken</i>, p. 422&ndash;5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II,
+p. 383; II, p. 79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV<sup>3</sup>, c. 22,
+vs. 83 vlgg.; c. 6, vs. 5&ndash;11.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.40">40</a>: Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.41">41</a>: Vgl. IV<sup>1</sup>, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624,
+<i>Lib.</i> 24, c. 20): &#8222;Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem
+eversum brachiis super pectus in modum crucis positis et super eum
+ruens irrugit clamore magno."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.42">42</a>: Zie: <i>Inleiding</i>, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn:
+<i>hove || verscrove</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.43">43</a>: Vgl. <i>v.d. L. v. O.</i>, vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.44">44</a>: Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige
+verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de
+laatste verzen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.45">45</a>: Vgl. <i>Nat. Bl.</i>, II, 469-'76; 680 vlgg.; <i>Rijmb.</i>, I, 78 vlgg.;
+5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485&ndash;7;
+<i>Sp. Hist.</i>, I, bl. 16, vs. 80 vlgg.]<a name="268"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK.</h2>
+
+<p>Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de
+dichtwerken die gedurende de 12<sup>de</sup> en de 13<sup>de</sup> eeuw door deze
+volken zijn voortgebracht; de personen der makers bleven op
+den achtergrond. Op dien achtergrond moeten zij blijven, omdat,
+ten minste in het verhaal van de ontwikkeling eener middeleeuwsche
+literatuur, de persoon des dichters minder gewichtig
+is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien
+achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat
+ons van die dichters met of zonder naam bekend is. Tevens
+geeft ons dat gelegenheid mede te deelen, wat wij weten van
+het publiek waartoe zij zich richtten, van de wijze waarop en
+de omstandigheden waaronder literaire werken toen ter kennisse
+van het publiek kwamen.
+
+<p>Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat
+hij er roeping toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht.
+Het spreekt vanzelf, dat beroep en roeping niet steeds
+samengingen; doch ook dat door het beroep de roeping niet
+noodwendig werd uitgesloten.
+
+<p>Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden
+of omdat zij er behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken
+of &#8222;clercken" mogen rekenen zooals WILLEM VAN
+AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH, MAERLANT,
+de dichters van <i>Rinclus</i>, <i>Van den Levene ons Heren</i>,
+van den <i>Dietschen Catoen</i>, <i>Esopet</i> en dergelijke werken; ook<a name="269"></a>
+JAN VAN BRABANT, de edelen en hoofsche &#8222;clercken" die
+minneliedjes dichtten en de dichters van volksliederen. Het is
+wel mogelijk dat sommige dezer dichters zich, evenals MAERLANT,
+van het wereldsche tot het ernstige of stichtelijke hebben
+gewend; wij kunnen het echter slechts van n hunner bewijzen.
+De bewerker der <i>Disticha Catonis</i> namelijk verhaalt ons in
+zijn proloog:
+
+<p class="quote">Als ic die minne sach, ic louch;
+Nu haticse al in minen sinne
+Die minne draghen entie minne
+Ende hebbe ghekeert minen moet
+An die ghenen die siin vroet.
+</p>
+
+<p>Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en
+WILLEM VAN AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over
+andere dichters die zij <i>menestrelen</i> noemen. MAERLANT heeft
+een afzonderlijk hoofdstuk van zijn <i>Spieghel Historiael</i> gewijd
+aan &#8222;'t scelden jegen die borderers", d.i. romanschrijvers; aan
+het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog heeft op
+de &#8222;menestrele", die dus ook door hem als de dichters der
+ridderromans werden beschouwd<a href="#9.1">[1]</a>. En WILLEM VAN AFFLIGHEM
+spreekt van de menestrelen als van &#8222;logeneren". Blijkbaar gevoelen
+zij zich door hunne geleerdheid en ontwikkeling, ook
+door hun streven naar waarheid en vroomheid verheven boven
+die verdichters van fabelen en luchtige verhalen van oorlog en
+minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al te wereldschgezinde
+&#8222;clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene
+schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden:
+
+<p class="quote">Dit en sijn niet clerke, maar menestrele<a href="#9.2">[2]</a>.
+</p>
+
+<p>Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales)
+aanduidt, tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral,<a name="270"></a>
+den heer en zijn &#8222;gezinde" met muziek en zang of voordracht
+van pozie te vermaken. Een dienaar van die soort hebben wij
+reeds ontmoet in dien knecht van den Brabantschen ridder,
+Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was &#8222;te pipen ende
+te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der
+maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en pozie
+vinden wij ook bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt
+in <i>der Naturen Bloeme</i> naar aanleiding van den vogel <i>Garrulus</i><a href="#9.3">[3]</a>.
+Het &#8222;pipen en mauwen" van den menestreel kan kwalijk iets
+anders beteekenen dan het spelen op de pijpen ter begeleiding
+van zang of voordracht.
+
+<p>Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem
+de menestrelen; zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door
+hun loftuitingen te prikkelen, in de hoop op geschenken
+zijnerzijds. Lof en roem verwerven&mdash;MAERLANT zegt het
+ons&mdash;daarnaar streefden de meeste ridders:
+
+<p class="quote">Want die ridder niet gheroet<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a>,
+Hine verslijt vleesch ende bloet,
+Updat sijn prijs mere.
+</p>
+
+<p>En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen,
+vernemen wij eveneens uit zijne woorden:
+
+<p class="quote">... der idelre glorin cleet,
+Daer menestraudi met omme gheet<a href="#9.4">[4]</a>.
+</p>
+
+<p>In zijn <i>Spieghel Historiael</i> laat hij nog eens een waarschuwing
+hooren tegen de &#8222;smekende" (vleiende) menestrele<a href="#9.5">[5]</a>.
+Een klein staaltje van hunne praktijken zien wij in de bewerking
+van den <i>Aiol</i>. In eene opsomming van edelen die AIOL
+verwelkomen, worden in de Dietsche bewerking o.a. de graaf
+van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de graaf van Artois
+genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de overeenkomstige<a name="271"></a>
+plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld. Waarschijnlijk
+hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des
+menestreels jegens zijn publiek te zien<a href="#9.6">[6]</a>.
+
+<p>Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld,
+kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers
+in de met hen eenigszins verwante &#8222;yrauden" (herauten).
+Meer dan eens worden &#8222;menestrele ende yraude" of&mdash;wat
+hetzelfde is&mdash;&#8222;yraude ende spelmanne" in n adem genoemd<a href="#9.7">[7]</a>.
+
+<p>In den roman <i>van Torec</i> zien wij den held in de wapenrusting
+van een anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders
+uit den zadel steken. De paarden der overwonnenen
+geeft hij aan de aanwezige speellieden en yrauden, en deze
+zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk:
+
+<p class="quote">Doe riepsi ende dyraude mede:
+&#8222;Ha ha! Myduel, Myduel!
+&#8222;Hi heeft den prijs ende niemen el;
+&#8222;Hi es die beste van den velde:
+&#8222;Hi es genindech<a title="[margin: dapper.]"><sup>#</sup></a>, coene ende melde"<a title="[margin: mild.]"><sup>#</sup></a><a href="#9.8">[8]</a>.
+</p>
+
+<p>Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren,
+maar ook bij die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig
+van die der ridders verschilde, zouden wij wel reeds mogen
+vermoeden. MAERLANT verzekert het ons ten overvloede in
+zijn <i>Rijmbijbel</i><a href="#9.9">[9]</a>. Omgekeerd werd de plaats van den menestreel,
+naar het schijnt, wel eens ingenomen door een &#8222;scriver", die
+doorgaans wel een &#8222;clerc" zal zijn geweest. In de <i>Heimelycheit
+der Heimelychede</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Nu betaemt wel elken heere
+Die bewaren wille sine eere,
+Dat hi scrivers met hem houde,
+Vroede liede, jonghe ende oude,<a name="272"></a>
+Die scone ende wel connen dichten,
+Ende met sconen worden verlichten
+Connen dat sijn heere wille.
+...
+Want ghelijc dat smenscen lede
+Scoonre sijn ghecleedt dan naect,
+Also eist dat men een dicht maect,
+Daer men der wareit niet ut en gheet
+Ende ment met scone worden cleet.
+</p>
+
+<p>MAERLANT spreekt hier over pozie, terwijl in zijn voorbeeld,
+naar het schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op
+te stellen gesproken wordt<a href="#9.10">[10]</a>. Doch wat hiervan zij, zeker is
+meer dan een dichtwerk door een &#8222;clerc" op verzoek van een
+edelvrouw of edelman vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den
+proloog van zijn Graal-roman mede:
+
+<p class="quote">Dese historie van den Grale
+Dichte ick ter eren Heren Alabrechte,
+Den Heer van Vorne, wael met rechte;
+Want hoge liede met hoger historie
+Menechfouden zoecken hoer glorie
+Ende korten daer mede hoer tijt.
+</p>
+
+<p>En in de opdracht van zijn <i>Spieghel Historiael</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Grave Florens, coninc Willems sone,
+Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone
+Die mi dit dede anevaen.
+</p>
+
+<p>Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige
+ridderromans, bij den voortgang onzer wetenschap, bleken
+bewerkt te zijn door &#8222;clercken". De godsdienstige, hier en<a name="273"></a>
+daar zelfs kerkelijke, tint, die over de bewerking van het
+<i>Roelandslied</i> en over den roman <i>van Walewein</i> ligt, die misschien
+ook in de <i>Lorreinen</i> te zien valt, geeft tot dit vermoeden
+wel eenigen grond<a href="#9.11">[11]</a>.
+
+<p>In ontwikkeling zullen de &#8222;clercken" over het algemeen wel
+boven de menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men
+daarom aan deze laatsten niet alle ontwikkeling te ontzeggen.
+De bewerker van den <i>Partonopes</i> b.v. was blijkbaar een man
+van zekere ontwikkeling en beschaving; hij zal wel niet de
+eenige zijn geweest<a href="#9.12">[12]</a>. Dat mogen wij vermoeden ook met het
+oog op eene reeds vermelde plaats uit den <i>Spieghel Historiael</i>.
+MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing
+over tegen de wereldsche &#8222;clercken" die een wit voetje bij
+vrouwen en jonkvrouwen trachten te verkrijgen. VINCENTIUS'
+schets van het uiterlijk dezer &#8222;petits abbs" geeft hij in zijn
+Dietsch aldus terug:
+
+<p class="quote">Dese setten al haer doen
+(Om) haer surcoet<a title="[margin: tabbaard.]"><sup>#</sup></a> ende haer caproen,
+Hoe hare gescoyte<a title="[margin: schoeisel.]"><sup>#</sup></a> ten besten staet;
+Om specie ende mossceliaet<a title="[margin: parfums.]"><sup>#</sup></a>,
+Dat si wel rieken van den crude;
+Nuwe scoen met behagelen hude,
+T'haer gelu enten crooc<a title="[margin: krullende lokken.]"><sup>#</sup></a>,
+Met vingerlinen verciert ooc:
+Si gaen rechts of si pleyen<a title="[margin: dansen.]"><sup>#</sup></a> souden.
+</p>
+
+<p>Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld,
+over wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze
+beschrijving met het vers:
+
+<p class="quote">Dit en sijn niet clerke, maer menestrele.
+</p>
+
+<p>Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van
+sommige menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven.<a name="274"></a>
+Blijkbaar trachtten dezulken hunne adellijke meesters te evenaren
+in voornaamheid van kleeding, voorkomen en gang. Zijn er
+te onzent, behalve HEINRIC VAN VELDEKE, adellijke menestrelen
+geweest? Dat de bewerker van den <i>Willem van Oringen</i> door
+MAERLANT: &#8222;Claes <i>ver</i> Brechten zone" wordt genoemd, geeft
+ons daarvan geen voorbeeld, want <i>ver</i> wordt in de 13<sup>de</sup> eeuw
+reeds van burgervrouwen gebezigd<a href="#9.13">[13]</a>.
+
+<p>Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en
+onedel&mdash;zeker is er wel onderscheid geweest tusschen de
+menestrelen onderling: in maatschappelijke positie, in uiterlijke
+en innerlijke beschaving; onderscheid ook tusschen hen die,
+verbonden aan den dienst van n heer, als gezeten menestrelen
+gesteld mogen worden tegenover hunne rondzwervende kunst-broeders.
+Ook die &#8222;gezeten" menestrelen zullen wel eens van
+heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand
+in den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor;
+onze bronnen vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te
+kunnen spreken. Op die rondzwervende menestrelen moet
+VELDEKE het oog hebben, waar hij, afwijkend van zijn voorbeeld,
+ter bruiloft van ENEAS en LAVINE &#8222;die speleman end
+die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk beloonen<a href="#9.14">[14]</a>. Op
+hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: &#8222;menestrele || Die
+altoes zijn onghestade"<a href="#9.15">[15]</a>.
+
+<p>Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de &#8222;speelman"
+en het &#8222;speelwijf", waarvan de bewerker van den <i>Partonopeus</i>
+(niet zijn voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook
+&#8222;alle die singen broet om Gode", die door HEYN VAN AKEN
+in zijne vertaling der <i>Rose</i> genoemd worden, waar het Fransch
+ze niet noemt<a href="#9.16">[16]</a>.
+
+<p>Dat onze voorouders bij het woord <i>menestreel</i> in de eerste
+plaats dachten aan een <i>muzikant</i>, een &#8222;<i>speelman</i>" zooals zij
+zeiden, blijkt ook uit eene plaats in MAERLANT'S <i>Alexander</i>.<a name="275"></a>
+Een paar verzen der <i>Alexandres</i> waarin over <i>mimi</i> gesproken
+wordt, geeft hij aldus weer:
+
+<p class="quote">Die menestrele quamer mede
+Vor dien coninc in die stede
+Ende loofdene met haren sanghe.
+Daer was menich trompe langhe,
+Vedelen, haerpen ende sijmphonien,
+Cystolen die wel leren vrien,
+Salterien, orghelen ende sciven<a href="#9.17">[17]</a>.
+</p>
+
+<p>Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen:
+
+<p class="quote">Men speelder met sweerden ende met kniven
+</p>
+
+<p>dan zien wij hoe rekbaar het begrip <i>speelman</i> was en dat het
+in de middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens
+zien wij dat zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche
+compilatie <i>Karlmeinet</i> die omstreeks 1300 uit Nederlandsche
+romans is samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven
+van de kunst en de kunsten van
+
+<p class="quote">Hundert mynistrere
+De wir nennen speleman.
+</p>
+
+<p>Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den
+hoorn, de harp, het salterie; genen kunnen spreken van
+wapenen, van avonturen en van minne; anderen goochelen
+onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar draaiende) met
+stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten
+vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw<a href="#9.18">[18]</a>.
+
+<p>Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk,
+die paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving.
+Trouwens hunne middeleeuwsche voorgangers stamden weer<a name="276"></a>
+rechtstreeks af van de Romeinsche &#8222;mimi." In deze kringen,
+waarin ook niet zelden zwervende klerken (goliarden, vaganten)
+werden opgenomen, zullen wij waarschijnlijk de dichters hebben
+te zoeken die onzen <i>Bere Wisselau</i>, misschien ook de reize
+<i>van Sente Brandaen</i> hebben vervaardigd.
+
+<p>Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk
+aan het publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle pozie,
+en zeker het grootste deel van het proza der middeleeuwen,
+was in de eerste plaats bestemd, te worden voorgedragen en
+aangehoord. Tallooze plaatsen ook in onze middeleeuwsche
+literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog op uitdrukkingen
+als: &#8222;Nu hoort....", &#8222;dat u te hoorne dunket
+zoete", &#8222;hoort er naer", &#8222;nu hoort vort van deser dinge" enz.<a href="#9.19">[19]</a>.
+Bij de voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste
+aanvankelijk, wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken
+hebben bestaan. Het publiek wordt daar gewoonlijk
+aangesproken met: &#8222;gi heren ende gi vrouwen"; de hoofsche
+WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: &#8222;gi vrouwen ende
+heren"<a href="#9.20">[20]</a>. Soms wordt deze benaming afgewisseld met: &#8222;gi
+goede liede"; doch men moet hierbij in aanmerking nemen dat
+deze uitdrukking eene beleefdheidsformule was: &#8222;een goet man"
+is wat wij noemen: een fatsoenlijk man, een man van eer. De
+dichter van <i>Floris ende Blancefloer</i> spreekt bepaaldelijk niet
+tot dorpers, maar tot lieden van stand en ontwikkeling<a href="#9.21">[21]</a>. Het
+<i>Leven van Sinte Lutgart</i> richt zich nu eens tot &#8222;heren ende
+vrouwen", dan weer tot &#8222;closterliede", &#8222;grote ende clene", &#8222;man
+noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: &#8222;die hier te ringe
+sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring
+om den voordrager heen zat.
+
+<p>Iets gemoedelijks ligt er in het &#8222;kinder" of &#8222;lieve kinder",
+waarmede MAERLANT in zijn <i>Merlijn</i> en de bewerkers van het<a name="277"></a>
+<i>Roelands-lied</i> en van het gedicht <i>Van den Levene ons Heren</i>
+soms hun publiek aanspreken<a href="#9.22">[22]</a>.
+
+<p>Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden
+mag, tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT,
+dan paste die wijze van aanspraak in hun mond wel; minder
+in dien van niet-geestelijken die later hun werk voordroegen.
+
+<p>Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding
+van dichter tot voordrager. In menig geval zal de dichter tevens
+de eerste voordrager van zijn werk zijn geweest; immers de
+meeste dichters zullen hunne kans hebben waargenomen om
+met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch zoodra het
+oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd was,
+konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de
+prologen van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt,
+dunkt mij, dat de dichters op latere voordragers gerekend
+hebben<a href="#9.23">[23]</a>. Het vermelden van des dichters naam in den proloog
+moest waarschijnlijk denzelfden dienst doen als in onzen tijd
+de naam van den schrijver op het titelblad. In sommige gedichten
+(<i>Moriaen</i>, <i>Carel en Elegast</i>, <i>Levene ons Heren</i>, <i>Seven
+Vroeden</i>) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde
+persoon te zijn geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot
+zijne hoorders in den eersten persoon; die prologen zijn zoodanig,
+dat ook een later voordrager dat <i>ic</i> kon behouden. In
+andere werken (<i>Floris en Blancefloer</i>, <i>S. Frandscus</i>, <i>Walewein</i>,
+<i>Troyen</i>, <i>Merlijn</i>) begint de dichter wel met <i>ic</i>, doch gaat later
+over tot het noemen van zijn naam en spreekt van zich zelven
+in den 3<sup>en</sup> persoon. Op die wijze bleek bij eene voordracht
+door een ander toch, wie de dichter was. Ook het omgekeerde
+komt voor: de dichter van den <i>Reinaert</i> begint met: &#8222;WILLEM,
+die ... hem ... hi" en spreekt later van zich zelven met
+<i>ic</i>; hetzelfde geval treffen wij aan in <i>der Naturen Bloeme</i> en
+den <i>Rinclus</i>. Hier zullen wij moeten denken aan den overgang<a name="278"></a>
+van <i>oratio indirecta</i> tot <i>directa</i>, dien wij vroeger in een ander
+verband hebben besproken.
+
+<p>Werden voordrachten van pozie vooral des zomers gehouden?
+Indien men MAERLANT'S uiting dienaangaande in <i>Heimelijcheid
+der Heimelijcheden</i> gewicht mag toekennen, dan: ja. In den
+zomer, zegt hij, pleegt men zich op allerlei wijze te vermaken:
+
+<p class="quote">Ende men brinct soeten sanc te voren,
+Ende men moet dan geesten<a title="[margin: geschiedenissen.]"><sup>#</sup></a> horen
+Die ghenouchlijc sijn int vertellen
+Ende lachen dan met goeden ghesellen<a href="#9.24">[24]</a>.
+</p>
+
+<p>Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den
+adel, juist des winters en in den herfst meer behoefte hebben
+gehad aan zulke voordrachten dan in de andere seizoenen.
+
+<p>Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager
+geschaard, dan verzocht hij een &#8222;ghestille" en de voordracht
+ving aan. Begon hij dadelijk met spreken? Indien wij ons
+herinneren, dat de menestrelen tevens muzikanten waren, dan
+is het niet onwaarschijnlijk dat zij begonnen zijn met een klein
+voorspel. Zoo lezen wij in den roman <i>van Lancelot</i>:
+
+<p class="quote">Hi tymperde die harpe eer iet lanc,
+Ende begonste harpen enen sanc<a href="#9.25">[25]</a>.
+</p>
+
+<p>Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht
+begeleid heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten
+zelfs niet, of de verzen in den toon van het recitatief of slechts
+rhythmeerend voorgedragen werden.
+
+<p>Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig
+zeggen der verzen, of streefden zij er ook naar, de personen
+in hun verhaal ten minste met de stem, misschien ook in
+houding en gebaar, te verbeelden? Verwonderlijk zou dat niet
+zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners van Provence<a name="279"></a>
+een speelman: <i>contrafazedor</i>, d.i.: conterfeiter, nabootser. Het
+voordragen van een stuk door n persoon met verschillende
+stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en
+waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste,
+ook niet een menschenstem nabootsen?<a href="#9.26">[26]</a>
+
+<p>Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke
+speellieden pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren
+nafluiten en nabootsen (wie hoorde zulke kunstenaars nooit
+ten platten lande of in kleine steden?) dacht aan den vogel
+Garrulus, de gaai, die ook bij de hedendaagsche vogelkenners
+geroemd wordt om zijn nabootsingstalent. Vooral de
+Vlaamsche gaai moet &#8222;een der meest begaafde en onderhoudende
+inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen
+hinneken als een veulen, anderen hebben zich geoefend in het
+kraaien als een haan en het kakelen als een hen. Een hedendaagsch
+natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij eens in het
+bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster
+hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van
+de ekster, de stem van den spreeuw ... en eindelijk, opkijkend,
+een Vlaamsche gaai boven zich zag<a href="#9.27">[27]</a>.
+
+<p>Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van <i>der Naturen
+Bloeme</i> nu lezen wij van de gaai:
+
+<p class="quote">Wat so bi hem lijt<a title="[margin: hem voorbijgaat.]"><sup>#</sup></a> ooc mede,
+Ist man, ist voghel, ist enich dier,
+Bespot dit voghelkijn al hier,
+Ende conterfaet alrehande luut
+...
+...
+Gheplumt ist van menigher ghedane
+...
+...<a name="280"></a>
+Garrulus dit dinct mi vele
+Bedieden some menestrele,
+Die altoes sijn onghestade,
+Ende callende vroe ende spade
+Vele boerden, vele lueghen,
+Ende conterfeiten dien si moeghen,
+Bede riddere ende papen,
+Porters, vrouwen ende knapen,
+Daer si scone sijn omme gheplumet.
+</p>
+
+<p>Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande
+mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen,
+dat de bedoelde menestrelen inderdaad door stem,
+houding en gebaar de personen in hun verhaal trachtten uit
+te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog op het laatste vers,
+waarschijnlijk, dat de menestrelen soms gekostumeerd zijn
+opgetreden.
+
+<p>Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een
+handschrift. Op zulk eene voordracht immers doelen de talrijke
+plaatsen waar van <i>lesen</i> sprake is in den zin van <i>voorlezen</i><a href="#9.28">[28]</a>.
+In verband daarmede wordt, ten minste in <i>Sinte Lutgarts Leven</i>,
+de voordracht zelve <i>lesse</i> genoemd<a href="#9.29">[29]</a>. Opmerkelijk is ook de
+niet zeldzame uitdrukking &#8222;singen no lesen" of &#8222;lesen ende
+singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend is, maar
+ons toch ook aan het Oudgermaansche <i>singen und sagen</i>
+herinnert<a href="#9.30">[30]</a>.
+
+<p>Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten
+uit het hoofd opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk
+kunnen maken, zijn er ook nu nog. Zij zullen in die vroegere
+tijden, toen het geheugen zooveel minder beladen en overladen
+werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men zal dit te eer
+aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen zich<a name="281"></a>
+gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht
+oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken
+zullen doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn.
+
+<p>Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben
+gegolden, indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te
+hebben. Wij lezen op eene vroeger vermelde plaats van den
+<i>Karlmeinet</i>, dat er menestrelen waren
+
+<p class="quote">De van mynnen ind leve<a title="[margin: liefde.]"><sup>#</sup></a>
+Sprachen <i>sunder breve</i><a href="#9.31">[31]</a>.
+</p>
+
+<p>Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij
+las, hij kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner
+hoorders had grenzen. Zeker, het publiek dier dagen, niet
+verwend en luistergraag, zal niet spoedig te veel hebben
+gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op bedacht, aan
+het dreigend &#8222;te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij hier
+en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen
+als: &#8222;Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze
+uit <i>Floris en Blancefloer</i>:
+
+<p class="quote">Het soude u allen dinken te lanc,
+Noemdic u die gherechten alle<a href="#9.32">[32]</a>.
+</p>
+
+<p>Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen
+op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen,
+maar ook door bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor
+hetgeen onmiddellijk zal volgen. Het zijn wendingen als: &#8222;Hoort
+hier wonder groot!", &#8222;Hoort hier ontfermelike dinc!" of:
+
+<p class="quote">Nu alre irst so mogedi horen
+Utenemende aventuren.
+</p>
+
+<p>Ook klinkt het wel overredend:
+
+<p class="quote">Maer wildi vort met lesen duren,
+Ghi sult hier horen scone die jeeste<a href="#9.33">[33]</a>.<a name="282"></a>
+</p>
+
+<p>Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders
+wel eens verveeld hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen
+over zijn publiek verdienen stellig niet alle letterlijk
+te worden geloofd; doch de aardige verzen waarin hij de verveling
+zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor een
+deel werkelijkheid bevatten<a href="#9.34">[34]</a>. Een zoo omvangrijk gedicht als
+het <i>Leven van Sinte Lutgart</i> zal wel in verscheidene &#8222;lessen"
+en op achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het
+spreekt vanzelf dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd
+moesten pauzeeren. Met de groote ridderromans zal het wel
+niet anders zijn gegaan. Doch men behoefde natuurlijk niet
+steeds een werk in zijn geheel voor te dragen; het karakter
+van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed
+juist tot gedeeltelijke voordracht.
+
+<p>De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men
+gewoonlijk in ne &#8222;lesse" voor? Zou men ook te onzent,
+evenals misschien in Frankrijk, niet meer dan twee of drie
+duizend verzen tegelijk hebben gelezen of gezegd<a href="#9.35">[35]</a>?
+
+<p>Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is
+in dezen nog niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk.
+Wij kunnen slechts door een paar voorbeelden de richting
+aangeven, waarin met eenige kans op vinden kan worden gezocht.
+
+<p>In den grooten roman der <i>Lorreinen</i> die waarschijnlijk uit
+een honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk
+in zijn geheel kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan
+een plaats verzen die het begin, andere die het eind eener &#8222;lesse"
+schijnen aan te wijzen; niet zelden geeft de voordrager daar eene
+korte samenvatting van hetgeen te voren verhaald was, om
+daarna den draad van zijn verhaal weer op te vatten. Zulke literaire
+pleisterplaatsen vindt men ook in den <i>Walewein</i> en den <i>Reinaert</i>.
+In de <i>Lorreinen</i> leest men b.v. (na de gewone opwekking tot
+aandacht: &#8222;Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze samenvatting:<a name="283"></a>
+
+<p class="quote">Gi hebt hier voren wel gehort,
+Hoe van Bordeas der port
+Was gereden her Garijn
+ enz.
+</p>
+
+<p>Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van
+den inhoud der drie groote deelen van het gedicht, en iets
+later deze samenvatting van het voorafgaande:
+
+<p class="quote">Gi hebt hier voren verstaen wel,
+Hoe Gelloen die ridder fel
+ enz.
+</p>
+
+<p>Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke
+recapitulatie vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven
+door een groote geschilderde hoofdletter<a href="#9.36">[36]</a>.
+
+<p>Zoo ook in den <i>Walewein</i>:
+
+<p class="quote">Nu latic hier of die tale,
+Ic salre weder toe keren wale.
+Ghi hebt wel ghehort hier voren
+Hoe Walewein die ridder uutvercoren
+Jeghen den roden ridder vacht
+Die....
+</p>
+
+<p>Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: &#8222;Ic
+wille corten mine tale" misschien het eind eener voordracht<a href="#9.37">[37]</a>.
+Dat men het gedicht <i>Van den Vos Reinaerde</i>, bijna 3500 verzen,
+in ne &#8222;zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk;
+doch waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt
+gekozen zal hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8:
+
+<p class="quote">nu moet hi pleghen siere sele
+Reinaert bi Grimbeerts rade,
+ende ghinc te hove up ghenade.<a name="284"></a>
+</p>
+
+<p>om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende
+vs. 1689:
+
+<p class="quote">Nu es die biechte ghedaen.
+</p>
+
+<p>Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder
+na vs. 1962. Wij lezen daar:
+
+<p class="quote">Nu waren die drie heren gereet,
+die Reinaerde waren te wreet.
+dat was de wulf ende Tibeert
+ende her Bruun die hadde gheleert
+honich stelen te sinen scaden.
+</p>
+
+<p>Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan
+zijne &#8222;lesse" midden in het verhaal der voltrekking van het
+vonnis aan Reinaert die tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord:
+waarom zou hij de aandacht zijner hoorders niet gespannen
+hebben met dezelfde kinderlijke kunstgreep, waarvan zich in
+onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs bedienen, wanneer zij
+een hoofdstuk besluiten met: &#8222;Eensklaps weergalmde een schot!"
+of: &#8222;De doodstraf nam een aanvang"?
+
+<p>Behalve de mogelijkheid dat men den <i>Reinaert</i> in zijn geheel
+of in twee deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze
+andere: dat men telkens slechts n of meer der afzonderlijke
+verhalen hebbe gekozen waaruit het gedicht bestaat. Men zal
+b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als deze: Inleiding
+(vs. 1&ndash;464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs. 465(518)-1014);
+zending van Tibert (vs. 1043&ndash;1356); zending van Grimbaert
+(vs. 1357&ndash;1750); Reinaert ten hove (1751&ndash;3018; misschien
+met een rust vr vs. 2551: &#8222;Doe Reinaert quite was ghelaten");
+Reinaert's wraak (3019&ndash;3476). In allen gevalle is het wel
+opmerkelijk, dat de Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld
+is in een aantal hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen
+met de bovenvermelde, door mij afgedeelde, &#8222;lessen".<a name="285"></a>
+
+<p>Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch
+gedicht geeft ons o.a. de roman <i>van Limborch</i>. Dit verhaal
+is verdeeld in een aantal boeken, welke&mdash;evenals in de
+<i>Lorreinen</i>&mdash;door eene groote gebloemde letter zijn onderscheiden<a href="#9.38">[38]</a>.
+Sommige dezer boeken die van 1000&ndash;1400 verzen
+tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In de
+overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot
+van eenig onderdeel een &#8222;amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt<a href="#9.39">[39]</a>.
+
+<p>Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden
+pad moeten wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op
+de in den aanvang gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal
+voortgezet onderzoek ons dat brengen? Voorloopig meen ik
+het te moeten betwijfelen. Voor den omvang dier middeleeuwsche
+voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij uiterst
+moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk
+zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene
+regelmaat van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en
+op een anderen keer 1000 en bij weer een andere gelegenheid
+2000 verzen hebben voorgedragen? Of welk ander aantal ook,
+afhankelijk slechts van de omstandigheden, den aard der stof
+in verband met de aandacht van het publiek en de persoonlijkheid
+van den voordrager?
+
+<p>Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel
+van ons verhaal kunnen besluiten.
+
+<p>Alle pozie&mdash;zeiden wij vroeger&mdash;en het grootste deel
+van het proza der middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd
+te worden voorgedragen en aangehoord. In die uitspraak ligt
+opgesloten, dat verzen en proza ook langs een anderen weg
+ter kennisse van het publiek konden komen; men begrijpt, dat
+ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen.
+
+<p>Er zijn in de tweede helft der 13<sup>de</sup> eeuw wel reeds lezers,<a name="286"></a>
+in onzen zin des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat
+wij die in de eerste plaats onder de geestelijkheid en daarna
+onder den adel zullen vinden. Zoo zegt MAERLANT'S vriend
+MARTIJN aan het slot van het strophisch gedicht <i>Van der
+Drievoudecheide</i>:
+
+<p class="quote">Als ic dit lese ende spelle
+Maghic leren, als ic vertelle,
+Mijn ghelove al bloot.
+</p>
+
+<p>In den proloog van <i>Sinte Lutgarts Leven</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Mar wonder hevet mi van desen
+Warumme si so gerne lesen
+Van ouden sagen dat gedichte,
+Ende oc geloeven also lichte
+Din logeneren die se tellen<a href="#9.40">[40]</a>.
+</p>
+
+<p>En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die
+hem niet gelooft aan:
+
+<p class="quote">Dat hi die vite van der maget
+...
+Of selve lese, ochte imene el
+Hem lesen doe<a href="#9.41">[41]</a>.
+</p>
+
+<p>In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking
+der <i>Historie van Troyen</i> voorspelt de dichter, sprekend van
+HECTOR'S dood:
+
+<p class="quote">Oec alle heren ende vrouwen
+Diet lesen, sullen maken rouwe<a href="#9.42">[42]</a>.
+</p>
+
+<p>En in <i>der Naturen Bloeme</i> zegt hij tot Heer NICLAES VAN CATS:
+
+<p class="quote">Ghebiedijt, here, dit suldi lesen,
+Die wile dat ghi ledich sout wesen<a href="#9.43">[43]</a>.<a name="287"></a>
+</p>
+
+<p>Misschien heeft MAERLANT in zijn <i>Rijmbijbel</i>, die toch
+tenminste evenzeer voor de gemeenten als voor den adel bestemd
+was, het oog op zelf lezen, als hij schrijft:
+
+<p class="quote">Nu merct ghi die hier in zult lesen,
+Wat nutscap hier an zal wesen.
+</p>
+
+<p>Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal
+niet geweest zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen?
+Het mag betwijfeld worden. Ook had de adel tal van vermaken
+en ontspanningen die hij hooger stelde dan deze vermoeienis
+des geestes. De geestelijken konden wel lezen, doch Latijnsche
+geschriften genoten bij hen de voorkeur. In de kloosters werd
+bovendien onder de maaltijden veel voorgelezen. Voorzoover
+de monniken zelven lazen, beperkte zich hunne lectuur waarschijnlijk
+tot liturgische of stichtelijke geschriften. Onder de
+gemeentenaren werd de leeskunst zeker weinig beoefend. Het
+lager onderwijs was uiterst gebrekkig. Indien een poorter al
+kon lezen, dan eischte het koopen van een handschrift toch
+eene vrij hooge mate van stoffelijke welvaart, want een handschrift
+bleef vooreerst nog een voorwerp van weelde; het lezen
+eischte smaak in geestelijke ontspanning, vrijen tijd en niet
+minder zekere zelfstandigheid van gevoelen en denken, zich
+openbarend in het kiezen van eigen lectuur, die verre van
+algemeen verbreid was.
+
+<p>Eer de Dietsche laaglanders tot die zelfstandigheid van
+gevoelen en denken konden komen, hadden zij nog menig
+stadium van ontwikkeling te doorloopen. In het eerstvolgende
+dier stadin zullen wij hen nu gadeslaan.<a name="288"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.1">1</a>: <i>Sp. Hist.</i>, IV, 1, cap. XXIX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.2">2</a>: A.w. Deel II, p. 85, vs. 20. In het Latijn leest men daarvoor:
+&#8222;<i>sponsos</i> magis estimatos quam clericos."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.3">3</a>: T.a.p. III, 2146:
+
+<p class="footnotequote">&#8222;Als hi dus pipet ende mauwet."
+</p>
+
+<p class="footnote">Vgl. ook XI, 149: &#8222;blasen ende pipen" in verband met het woord
+&#8222;noten" in vs. 151.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.4">4</a>: <i>Eerste Martijn</i>, vs. 371&ndash;388.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.5">5</a>: A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.6">6</a>: <i>Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk</i>., II, 230, vs. 493&ndash;4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.7">7</a>: Vgl. b.v. <i>Moriaen</i> 4641&ndash;2: &#8222;Menestrele ende yraude mede || Ward
+daer gegeven grote rijchede"; <i>Lorr.</i> (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs. 1342. <i>Torec</i>, vs. 2714-'5: &#8222;Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi
+alle gichte danne". Dat <i>menestreel</i> verdietscht werd met <i>speelman</i>,
+zien wij in <i>Karlmeinet</i>, A. 287, vs. 12&ndash;13:
+
+<p class="footnotequote">Hundert mynistrere,
+De wir nennen speleman.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.8">8</a>: A.w. vs. 2753-'7. Eene eeuw later vermeldt WILLEM VAN
+HILDEGAERTSBERCH nog hetzelfde gebruik. In het stuk getiteld <i>Van
+Feeste van Heren</i> lezen wij (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 195:
+<p class="footnotequote">Dan roepen die eerauden voort
+Den danc als die vrouwen ramen,
+Ende noemen overluut bi namen
+Wyet verdient nae wapen recht.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.9">9</a>: Vs. 15259 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.10">10</a>: A.w. vs. 2087 vlgg. en KAUSLER'S mededeeling over den inhoud
+van het capittel: <i>De Electione notarii</i>.]<a name="289"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.11">11</a>: Vgl. mijne aanwijzingen daaromtrent in mijne <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>,
+bl. 52, 55. Over den roman <i>van Walewein</i> vgl. het vroeger
+medegedeelde en vs. 19&ndash;21 van den proloog. Wat de <i>Lorreinen</i>
+betreft, verwijs ik naar de door MATTHES uitgegeven fragmenten,
+p. 17, vs. 371&ndash;2; 28, 637&ndash;9; 30, 661; 32, 730-'4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.12">12</a>: Vgl. Dr. VAN BERKUM'S opmerkingen dienaangaande t.a.p.
+bl. LI vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.13">13</a>: In de <i>Oudste Stadsrekeningen van Dordrecht</i> (ed. Mr. CH.
+M. DOZY), p. 7 vindt men op het jaar 1284-'85: &#8222;Symoen vern
+Anesoeten sone van wine" etc. Ik dank deze mededeeling aan mijn
+vriend VERDAM. Bij nader onderzoek bleek mij dat er in de voorafgaande
+posten nog tal van dergelijke benamingen voorkomen, die
+duidelijk maken dat <i>ver</i> in het laatst der 13e eeuw geene adellijke
+dame aanduidde. Zoo b.v.: &#8222;Thout Jan ver Haedwien sone"; &#8222;Van
+den mele Jan ver Diewien sone"; &#8222;Ysere Heyne ver Lisbetten
+sone" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.14">14</a>: <i>Eneide</i>, vs. 13107, 13159, 13196. VELDEKE gaat hier zijn eigen
+weg, zooals uit eene vergelijking met het Fransch (ed. SALVERDA DE
+GRAVE) blijkt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.15">15</a>: <i>Nat. Bloeme</i>, III, 2135. In afwijking van het <i>Mnl. Wdb.</i> vat
+ik hier <i>onghestade</i> op als <i>ongedurig, zwervend</i>. Immers dan alleen
+gaat de vergelijking op met den gaai &#8222;die van bome te bome vliecht
+ende sprinct.... Noch gheduert in ghere stede."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.16">16</a>: A.w. vs. 10514&ndash;6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.17">17</a>: <i>Alex.</i>, V, 1041&ndash;7. In de <i>Alexandres</i> op de overeenkomstige
+plaats, (V, 483):
+
+<p class="footnotequote">Occurrunt lyricis modulantes cantibus odas
+Cum cytharis mimi:]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.18">18</a>: <i>Karlmeinet</i> (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog
+296<i>b</i>, vs. 48 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.19">19</a>: Vgl. o.a. <i>Mnl. Wdb.</i> i.v. III, kol. 592.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.20">20</a>: A.w. II, vs. 5089, 6271.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.21">21</a>: Proloog, vs. 3 vlgg.; 72&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.22">22</a>: Eenige bewijsplaatsen uit vele: <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, bl. 124;
+<i>Flor. en Blanc.</i>, 16; <i>S. Lutgart</i>, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047,
+11393, 13817; III; 68, 2737; <i>Roel.</i>, 210; <i>Merlijn</i>, vs. 545; <i>L.o.H.</i>,
+vs. 17.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.23">23</a>: Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag
+of de proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier<a name="290"></a>
+niet dieper treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk
+onderzoek verdienen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.24">24</a>: A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.25">25</a>: II, 29408.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.26">26</a>: Vgl. CREIZENACH, <i>Gesch. des neueren Dramas</i>, I, 380. Over
+het voordragen met &#8222;Stimmenwechsel" ald. 34, 160.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.27">27</a>: Vgl. BREHM'S <i>Leven der Dieren</i> (bewerking van HUIZINGA),
+II, 227&ndash;8.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.28">28</a>: <i>Sp. Hist.</i>, I, 280 (2e kol.):&#8222;,Maer die scone bispele || Diemen
+gerne lesen hort"; <i>Bere Wiss.</i>, 391: &#8222;daer ic vormaels ave las";
+<i>Ferg.</i>, 4509: &#8222;dus gedaen dinc hordic noit lesen"; <i>Rijmb.</i>, 27099:
+&#8222;Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment
+leest bi sullen wesen" (de toehoorders).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.29">29</a>: II, 168. Vgl. voorts <i>Mnl. Wdb.</i>, IV, kol. 403&ndash;4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.30">30</a>: <i>Moriaen</i>, 2506&ndash;7: &#8222;Van soo vreseliken dinghen || En horde
+noit man lesen no singhen"; <i>Walewein</i>, 4994; <i>Troyen</i> (Epis. ed.
+VERDAM), 4687, waar in het origineel staat: &#8222;Jams hom <i>n'orra</i> tel
+esforz"; <i>Leven v. S. Lutgart</i>, II, 3157, 5580, 7631.
+
+<p class="footnote">Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den <i>Reinaert</i>,
+I, 2981 en <i>Mnl. Wdb.</i>, IV, p. 392, 394, 395, 396.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.31">31</a>: D.i.: zonder beschreven papier vr zich, uit het hoofd.
+
+<p class="footnote">Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in <i>Mnl. Wdb.</i>, I,
+kol. 1337.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.32">32</a>: Vs. 2197&ndash;8.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.33">33</a>: Vgl. o.a.: <i>Reinaert</i>, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425,
+2848 en pass.; <i>Aiol</i>, 25, 602, 615, 983; <i>Van Sente Brandane</i>,
+C. vs. 1, 5, 30, 1702; H. vs. 2014, 2026; <i>Moriaen</i>, 1688&ndash;90;
+<i>Lancelot</i>, II, 10&ndash;11.
+
+<p class="footnote">Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd,
+die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn
+<i>Leven van S. Lutgart</i> ten onrechte stoplappen noemt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.34">34</a>: Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over
+WILLEM VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: <i>Neue Jahrbcher fr das
+klassische Altertum</i> etc., XIII Bd., 6. Heft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.35">35</a>: Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de
+Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.36">36</a>: Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (<i>Kar. de Groote en
+zijne XII. Pairs</i>), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs.
+1354 vlgg.; bl. 74&ndash;75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in
+<i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog<a name="291"></a>
+Fragm. JONCKBLOET, bl. 131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES,
+bl. 31, vs. 95 vlgg.
+
+<p class="footnote">Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere <i>rubricae</i> is het
+misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.37">37</a>: Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener &#8222;lesse" in vs. 1867
+en vs. 2842?]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.38">38</a>: Inleiding, p. XXXV.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.39">39</a>: I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal
+&#8222;amen's"; in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden;
+V, 1738; ook aan het slot; VI, 2234.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.40">40</a>: II, 47&ndash;51.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.41">41</a>: A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.42">42</a>: <i>Epis.</i>, vs. 6676&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.43">43</a>: <i>Nat. Bl.</i>, bl. 169, vs. 4029&ndash;4030.]<a name="292"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>TUSSCHENSPEL.</h2>
+
+<h3>ONTKIEMING VAN HET NATIONALITEITSGEVOEL.</h3>
+
+<p class="intro">Maerlant. Ridderpozie. Heyn van Aken. <i>Hughe van Tabarien</i>;
+<i>Roman van de Roos</i>; <i>Roman van Limborch</i>. Jan van Heelu. <i>Slag
+bij Woeronc</i>. Lodewijk van Velthem. <i>Flandrijs</i>. <i>Vlaamsche Rijmkroniek</i>.
+<i>Brabantsche Yeesten</i>. Melis Stoke.
+
+<p>Op onzen weg door het verleden hebben wij tot dusver
+meermalen iets aangetroffen, dat, uit deze volken oorspronkelijk
+voortgekomen of onder hen opnieuw geboren, als het
+inheemsche tegenover het uitheemsche mocht worden gesteld.
+
+<p>In de bewerkingen der ridderromans zagen wij hier en daar
+wel gevoel voor het ridderwezen in zijn heroek idealisme,
+zijn hoofschheid en fijnheid, doch vaker het burgerlijke tegenover
+het ridderlijke, het dorperlijke tegenover het hoofsche;
+uit gemis aan aesthetischen zin het aanschouwelijke en beeldende
+opgeofferd aan de eischen van fatsoen en zedigheid.
+
+<p>In den <i>Karel en Elegast</i> bewonderden wij eenvoudig en zuiver
+gevoel, sober en met naeve kunst verwerkt. Het gedicht <i>Van
+den Levene ons Heren</i>, de pozie van WILLEM VAN AFFLIGHEM,
+vooral die van HADEWIJCH, toonden ons innigheid van godsdienstig
+gevoel in bevallige vormen en de hooge vlucht der
+ziel op sterke wieken des geloofs. Uit het verhaal <i>van den vos
+Reinaerde</i> sprak brutale zinnelijkheid naast scherpe waarneming
+der werkelijkheid; daar vonden wij schalksche scherts en bitteren
+spot in dienst der hekeling van maatschappelijke toestanden.<a name="293"></a>
+
+<p>Bij MAERLANT zagen wij onverschrokken waarheidszin en sterk
+rechtsgevoel; schoonheidszin onderdrukt door het verlangen
+om te onderwijzen en te stichten, doch bijwijlen zich uitend
+krachtig en bezield.
+
+<p>Men zou zulke eigenaardigheden en eigenschappen als het
+nationale tegenover het uitheemsche of het internationale kunnen
+stellen. Doch men zou zoo doende uit het oog verliezen,
+dat er in dezen tijd van het nationale in den vollen zin des
+woords eigenlijk niet gesproken kan worden, omdat uit de bewoners
+dezer landen nog niet eene natie, ne natie, was ontstaan.
+
+<p>De eigenaardigheden en eigenschappen waarop wij het oog
+hebben, behoorden echter tot de elementen waaruit zich het
+Nederlandsch volkskarakter mettertijd zou vormen. Eer het
+zoover kon komen, moesten de onderscheiden volksgroepen
+hier te lande zich nauwer aaneensluiten. Dat kon weer niet
+geschieden, voordat in elk dier groepen een inniger samenhang
+ontstaan en het besef ontwaakt was van dien samenhang. Elke
+groep moest zich bewust worden, dat zij, tegenover de andere,
+eene eenheid vormde, eenheid van tongval, recht, zeden en
+gewoonten, kleeding; eenheid ook ten opzichte van den grond,
+waaraan zij allen eenig deel hadden, dien zij wilden verdedigen
+tegen indringers, waaraan zij gehecht waren door de kracht
+der gewoonte en doordat zij er zich thuis gevoelden.
+
+<p>MAERLANT is ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn
+volk, dat hij onder de eersten zich bewust wordt van die
+gehechtheid aan den geboortegrond, die zulk een voornaam
+bestanddeel vormt van het nationaliteitsgevoel. Tot die bewustheid
+is hij niet uit zich zelven gekomen. GAUTIER DE CHATILLON
+heeft hem door zijne <i>Alexandres</i> op die gehechtheid aan den
+geboortegrond opmerkzaam gemaakt; doch GAUTIER'S warme
+ontboezeming is door MAERLANT nagevoeld en op zelfstandige
+wijze weergegeven in deze verzen:<a name="294"></a>
+
+<p class="quote">Owi, here God, hoe macht sijn
+Dat elken minsce int herte sijn
+So soete dunct sijns selves lant?
+Die Brabantsoen prijst Brabant
+Ende die Fransois Vrankerike,
+Die Duutsce dat Keyserrike,
+Die Baertoene<a title="[margin: Bretagners.]"><sup>#</sup></a> prisen Baertanin,
+Die Tsampanoise Tsampanin,
+Also mint die vogel dwout,
+Daer hi in hevet grote ghewout<a title="[margin: vrijheid.]"><sup>#</sup></a>.
+Al dademene in een waerme mute<a title="[margin: kooi.]"><sup>#</sup></a>,
+Mach hi, hi vlieghet ute.
+Dus priset elckerlijc sijn lant.
+Maerlant seide dat hi noit en vant
+Also goet lant alse Bruxambocht<a title="[margin: het Vrije van Brugge.]"><sup>#</sup></a>.
+Ic waens hem daerbi heeft ghedocht,
+Omdat hiere in was gheboren<a href="#10.1">[1]</a>.
+</p>
+
+<p>Zooals men hier ziet, toont MAERLANT eene ruime opvatting
+van het begrip <i>geboortegrond</i>, waar hij over Frankrijk en
+Duitschland als het land van <i>de</i> Franschen, <i>de</i> Duitschers
+spreekt. Doch daarnaast zien wij eene beperkter opvatting,
+waar hij Champagne en Bretagne in n adem met zulke landen
+noemt. Met die beperkter opvatting strookt, dat hij Brabant
+als een land op zich zelf en het Vrije van Brugge als zijn
+geboortegrond voorstelt.
+
+<p>MAERLANT zal hier wel de opvatting van de meeste zijner
+tijdgenooten hebben weergegeven.
+
+<p>De dichter van den <i>Reinaert</i> moge een enkele maal den
+blik laten weiden over het groote laagland &#8222;tusschen de Elbe
+en de Somme", HADEWYCH hare geestverwanten hebben gehad
+in Thuringen en Saksen, geestelijken en clercken als MAERLANT<a name="295"></a>
+een deel van Europa hebben omvat met hun blik&mdash;de groote
+meerderheid des volks bleef naar lichaam en geest gevangen
+binnen den kring van de eigen stad of de streek, waar zij
+geboren waren. De blik der meesten werd beperkt door de
+grenzen van het graafschap of hertogdom, waartoe zij behoorden,
+en richtte zich betrekkelijk zelden op naburige landen
+en volken.
+
+<p>Het gevoel van gehechtheid aan den geboortegrond, zoo
+licht zich uitzettend tot trots op dien grond, dat wij omstreeks
+het midden der 13<sup>de</sup> eeuw in MAERLANT aantreffen, kunnen
+wij in het laatst dier eeuw en in den aanvang der volgende
+ook elders in deze landen waarnemen. In Limburg, Brabant,
+Vlaanderen, die landschappen dus, waar het letterkundig leven tot
+nog toe hoofdzakelijk zich had ontwikkeld, zien wij het volksgevoel
+ontwaken en zich uiten in den roman <i>van Limborch</i> en den
+<i>Flandrijs</i>, in JAN VAN HEELU'S verhaal van den <i>slag bij Woeringen</i>,
+in het werk van VELTHEM en de Kroniek van MELIS STOKE.
+
+<p>Opmerkelijk, doch niet onverklaarbaar, is, dat wij in de
+meeste dezer werken het volksgevoel&mdash;of beter: het stamgevoel&mdash;verbonden
+zien met de verheerlijking van den adel,
+dat de vorm dier werken ons herinnert aan dien der ridderromans,
+dat de dichters dezer werken grootendeels in vrij
+nauwe betrekking staan tot den adel. Het zelfbesef der edelen,
+de ingenomenheid met eigen geslacht en de zucht om den
+roem van dat geslacht te verhoogen, vinden wij op groote
+schaal terug bij een ganschen stam. Zoo kwam een dichter er
+toe, de verheerlijking van een geslacht uit te breiden tot den
+stam, waarover dat geslacht regeerde.
+
+<p>Een staaltje van dergelijke uitbreiding vinden wij in een
+14<sup>de</sup>-eeuwsch dichtwerk over den Grimbergschen oorlog, een
+strijd tusschen de machtige heeren van Grimbergen en de
+hertogen van Brabant. De bedoeling van den dichter was<a name="296"></a>
+natuurlijk: eene verheerlijking van het geslacht van Grimbergen.
+Doch in die verheerlijking krijgt ook de gansche adel en het
+gansche Brabantsche volk deel, zoodat wij reeds in den aanvang
+vernemen, dat &#8222;die van Brabant" gekomen zijn &#8222;uut
+dien van Troyen<a href="#10.2">[2]</a>." Langs dien, ook later niet zelden gevolgden,
+weg verhief men een gansch volk tot den adelstand.
+
+<p>Wij worden in onze overtuiging van de juistheid dezer
+voorstelling versterkt, wanneer wij er op letten, hoe in de
+oorspronkelijke ridderpozie de liefde tot het eigen land zich
+reeds openbaart. Toont de onbekende dichter der <i>Chanson de
+Roland</i> niet eene sterke liefde voor &#8222;dulce France"? Het zou
+geen wonder zijn, dat menig hoorder der Nederlandsche
+bewerking zich bewust is geworden van de liefde tot zijn
+geboorteland, waar hij ROELANT hoorde zeggen:
+
+<p class="quote">Dan wille God niet, dat ghesciet,
+Dat soete Vrankrike bi mi
+Sijn eere verliese, hets soe vri!
+</p>
+
+<p>of waar hij dergelijke uitingen elders hoorde terugkeeren<a href="#10.3">[3]</a>.
+
+<p>In geen, te onzent vertaalden of bewerkten, ridderroman
+echter vond ik de liefde tot een bepaald land en zijne inwoners
+zoo diep gevoeld, zoo uitvoerig in wezen en werking beschreven,
+als in den roman <i>van Lancelot</i>, in deze verzen:
+
+<p class="quote">Alsi ter zee quamen mettien,
+Begonste Lancelot dat lant besien,
+Daer hem in was menege ere
+Gedaen ende oec vele mere
+Dan oit daer vore was, sonder waen,
+Enegen riddere allene gedaen.
+Hem begonste lopen sere
+Die trane op sirie lire<a title="[margin: wangen.]"><sup>#</sup></a>,
+Ende hi versuchte doe sware<a name="297"></a>
+Ende weende sere daernare.
+Alsi aldus hadde gewesen
+Ene wile, hi sprac na desen
+Stillekine, so dat dese word
+Nieman en verstont dan Bohort:
+&#8222;Ay soete lant ende godertire
+&#8222;Ende mergelijc<a title="[margin: vreugdevol.]"><sup>#</sup></a> in alre manire,
+&#8222;Wel sittende ende blide mede,
+&#8222;Vol van alre geluckechede,
+&#8222;Daer min geest in blivet geellike<a title="[margin: geheel en al.]"><sup>#</sup></a>
+&#8222;Ende mine ziele dier gelike,
+&#8222;Gebenedijt moetstu talle stonde
+&#8222;Wesen van Jhesus Kerst monde,
+&#8222;Ende gebenediet soe sijn si
+&#8222;Dire in bliven selen na mi
+&#8222;Ende wonen selen in desen lande!
+&#8222;Sijn si mi vriende oft viande,
+&#8222;God mote hen pays geven
+&#8222;Ende met rasten<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a> doen leven!"
+...
+...
+Dit waren sine worde die hi sprac,
+Alsi uten lande van Logres trac.
+Hi sach ten landewaerd nadien,
+Alse lange als hijt conde gesien<a href="#10.4">[4]</a>.
+</p>
+
+<p>Hoe modern reeds schijnt ons dit afscheid van een land dat
+ons lief geworden is: die tranen langs de wangen, die zuchten,
+die gefluisterde zegenwensch, dat staren naar de wijkende kust!
+Hoe modern reeds, al hooren wij hier slechts een flauw voorspel
+van dergelijke pozie in lateren tijd, wanneer CHILDE
+HAROLD zijn &#8222;native shore" vaarwel zal zeggen.<a name="298"></a>
+
+<p>Den samenhang nu tusschen ridderlijke romantiek en een
+kiem van nationaliteitsgevoel, dien wij in het <i>Roelants-lied</i> en
+den roman <i>van Lancelot</i> kunnen opmerken, vinden wij ook in
+de meeste bovengenoemde Dietsche dichtwerken en dichters.
+De <i>Limborch</i> en de <i>Flandrijs</i> zijn ridderromans; HEYN VAN
+AKEN, dichter van den <i>Limborch</i>, toont ook elders sympathie
+voor het ridderwezen; de <i>Slag van Woeringen</i> is half ridderroman
+half kroniek, de dichter van dat werk, JAN VAN HEELU,
+zal wel tot het gevolg van JAN I, hertog van Brabant, behoord
+hebben; de edelman LODEWIJK VAN VELTHEM zet wel MAERLANT'S
+<i>Spieghel Historiael</i> voort, doch is tevens de samensteller
+van de Lancelot-compilatie. De <i>Vlaamsche Rijm-Kroniek</i>,
+de <i>Brabantsche Yeesten</i> en MELIS STOKE'S <i>Rijmkroniek van
+Holland</i> zijn zuiver-historische werken; doch men vergete niet,
+dat deze werken ten deele strekken moesten om de aanzienlijke
+afkomst der over die landen regeerende vorstenhuizen te betoogen,
+en dat de adel zelf grootendeels aan de historie zijn
+recht van bestaan ontleende.
+
+<p>De dichter van den <i>roman van Limborch</i>, HEYN VAN AKEN,
+was vermoedelijk in Brussel geboren en tijdens zijn leven
+pastoor van Corbeke bij Leuven. Wij kennen drie werken van
+hem; twee vertaalde: <i>Hughe van Tabarien</i> en den roman <i>van
+de Roos</i>; een oorspronkelijk: den <i>roman van Limborch</i>. Het
+laatste is door hem waarschijnlijk geschreven tusschen 1291&ndash;1318;
+het middelste misschien omstreeks 1300 terwijl hij de bewerking
+van den <i>Limborch</i> eenigen tijd liet rusten; de dagteekening van
+het eerste is onzeker. De dichter moet vr 1330 gestorven
+zijn; zeker niet zoo heel lang na de voleindiging van den
+<i>Limborch</i><a href="#10.5">[5]</a>. In den aanvang van het Tiende Boek immers stelt
+hij zich aan zijn publiek voor als een oud man: hij is versleten,
+het vesperklokje gaat voor hem luiden, zijn eenig<a name="299"></a>
+genoegen &#8222;leit in de scotele ende in den nap"; voor de minne
+deugt hij niet langer, erover praten is al wat hij kan. Hij
+moge dan pastoor geweest zijn, aan het slot van zijn <i>Hughe
+van Tabaryen</i> schreef hij:
+
+<p class="quote">Dit hevet ghedicht, te love ende theeren<a title="[margin: ter eer.]"><sup>#</sup></a>
+Allen rudderen, Heyne van Haken<a href="#10.6">[6]</a>.
+</p>
+
+<p>Daaruit blijkt wel, dat hij met den adel op goeden voet stond
+of wenschte te staan. Het oorspronkelijk gedicht <i>De l'Ordene
+de Chevalerie</i> in 36 achtregelige strofen, bevat eene uiteenzetting
+van het ridderwezen en van de symbolische beteekenis der
+plechtigheden bij de ridderwijding. Evenzoo behelst de roman
+<i>van de Roos</i>, vooral in zijn eerste deel, eene uiteenzetting van
+het wezen der hoofsche liefde. Daarom is de tweede titel van
+dezen roman, dien wij in het werk zelf vinden: nl. <i>Spieghel
+der minne</i>, zooveel juister, omdat hij het wezen van het boek
+beter aanwijst. Naspeuren en uiteenzetten van het wezen der
+dingen&mdash;dat was de geest der burgerij, die misschien ook
+over een deel der edelen vaardig werd. Het kenschetst echter
+dit tijdvak van overgang, dat die geest zich hier richtte op de
+instelling van het ridderwezen en op den hartstocht die vooral
+door den ridderstand tot eene soort van eeredienst was verheven.
+Trouwens den ganschen opzet van den <i>Roman de la Rose</i>:
+een minnaar die eene roos (symbool der geliefde) wil machtig
+worden, maar daarin door zijne gevangenschap verhinderd
+wordt, vindt men reeds in den roman <i>van Lancelot</i><a href="#10.7">[7]</a>.
+
+<p>Doch er is in dit werk behalve den opzet nog meer gewichtigs,
+waarvan wij hier het een en ander moeten mededeelen.
+
+<p>Het oorspronkelijk gedicht dankt zijn ontstaan aan twee
+dichters: GUILLAUME DE LORRIS en JEAN DE MEUNG; het werk
+van den eerste dagteekent van omstreeks 1225&ndash;1230, en is
+omstreeks 1270 door den tweede voortgezet. Tusschen die beide<a name="300"></a>
+dichters bestaat een groot verschil. GUILLAUME DE LORRIS, uit
+de school van CRESTIENS DE TROIES, is een elegant prediker
+der hoofsche liefde, een vereerder der vrouwen, een bevallig
+kiesch dichter, die voor edele heeren en hoofsche vrouwen
+schrijft&mdash;JEAN DE MEUNG is een geleerde met een scherp
+verstand, een open oog voor de werkelijkheid in al hare naaktheid,
+onbevangen, sceptisch, niet zelden cynisch, die de vrouwen
+minacht. GUILLAUME leert hoe men de vrouwen moet winnen,
+JEAN hoe men ze moet bedriegen. Ook JEAN is een begaafd
+dichter, maar zonder zelfbedwang of kieschheid. Geeft het eerste
+deel van den roman ons vooral eene &#8222;minnekonst"; in het
+tweede vinden wij de minne verbonden met allerlei anderslachtigs:
+wijsbegeerte, godgeleerdheid, natuurwetenschap, satire tegen
+de vrouwen, de geestelijke orden, de grooten, de koningen
+zoodat wij aan onzen MAERLANT gaan denken<a href="#10.8">[8]</a>.
+
+<p>Van dien aard is het werk dat door HEYN VAN AKEN half
+bewerkt half vertaald is. Hij heeft vrij wat bekort, vrij wat weggelaten;
+bekort zijn de wijdloopige redeneeringen hier en daar,
+zoo ook eene beschrijving der kunstmiddelen van het vrouwelijk
+toilet, eene opsomming van voorschriften aangaande de wellevendheid.
+Weggelaten is de uitweiding waarin JEAN DE MEUNG
+zich verontschuldigt dat hij de vrouwen harde waarheden heeft
+moeten zeggen, de uitweiding over den strijd tusschen de
+Natuur en den Dood, vooral de 4000 verzen lange biecht der
+Natuur &#8222;de omni scibili", de mededeelingen over de kracht
+van het Medusa-hoofd, de uitval tegen de Dominicaner-orde<a href="#10.9">[9]</a>.
+Hier en daar vinden wij een eenigszins karakteristieke afwijking;
+zoo b.v. waar de bewerker spreekt van &#8222;al 't goet van Sassen",
+waar hij den Rijn in de plaats stelt van de Seine, of Poitou en
+Engeland in zijn gedicht brengt<a href="#10.10">[10]</a>. Doch overigens vertoonen
+zijne vrij goede en vloeiende verzen weinig dat het karakter
+van den bewerker of dat van zijn volk kenschetst.<a name="301"></a>
+
+<p>Meer van hem zelven vinden wij in den <i>Limborch</i>, al kan
+dat werk slechts met aanzienlijke beperkingen oorspronkelijk
+worden genoemd. Dat tekort aan oorspronkelijkheid blijkt niet
+uit het telkens herhaald beroep op het Walsch. &#8222;Als ict in den
+Walsche las" en dergelijke uitdrukkingen dienden slechts om
+achtbaarheid aan zijn werk te geven of om hem aan een slot
+te helpen: &#8222;want dWalsch en seges mi nemmeer".
+
+<p>Er was hier een historische kern in de persoon van Hertog
+HENDRIK IV van Limburg die in 1227 keizer FREDERIK vergezelde
+op een tocht naar het Heilige Land. De dichter heeft dezen
+hertog echter verward met HENDRIK I die in 1206 te Constantinopel
+tot keizer werd gekroond en bovendien de geschiedenis
+zoodanig met sagen of eigen verdichtselen omhuld dat het geheel
+niet meer dan eene fabel kan geacht worden<a href="#10.11">[11]</a>. Hoofdzaak
+was voor den dichter de verheerlijking van het huis van Limburg
+door middel van een rijmwerk. Om dat rijmwerk te kunnen
+samenstellen, had hij stof noodig; die stof heeft hij uit zijne
+herinneringen aan vroegere werken samengebracht en op de
+gebruikelijke wijze verwerkt.
+
+<p>Zoo ontstond, niet uit het leven, maar uit boeken, dit
+doodgeboren kind van belezenheid en gunstbejag.
+
+<p>Menig dichter vr hem had zijn werk vervaardigd ter eere
+eener jonkvrouw die hij liefhad, HEYN VAN AKEN blijft in
+dezen niet in gebreke. Doch hij weet zich niet te hoeden voor
+het gevaar, dat navolgers dreigt: hij tracht zijne voorgangers
+te evenaren, doch overschreeuwt hen. Hadden zij een enkelen
+keer gewag gemaakt van de schoone, ter wille van wie zij
+hun werk ondernamen, hij herhaalt zulke betuigingen door
+acht boeken heen<a href="#10.12">[12]</a>. Kwam zijne &#8222;joncfrouwe ongheveinst"
+misschien uit hetzelfde Walsch, waaruit hij zijn roman vertaalde?
+DIEDERIC VAN ASSENEDE had gezegd, dat de liefde slechts
+voor hoofsche lieden is weggelegd&mdash;HEYN VAN AKEN praat<a name="302"></a>
+het hem na. Waar hij elders eene omschrijving der minne wil
+geven, bedient hij zich van een paar verzen uit MAERLANT'S
+<i>Eerste Martijn</i> <a href="#10.13">[13]</a>.
+
+<p>Allerlei motieven, toestanden, namen in zijn werk zijn aan
+vroegere werken ontleend; namen als SIBILLE, MORANT, JONET,
+EVAX, FROMOND vinden wij terug in het verhaal <i>van koningin
+Sibille</i>, in den <i>Lancelot</i> en den <i>Merlijn</i>, in de <i>Lorreinen</i>, den
+<i>Lapidarius</i> van bisschop MARBODEUS van Rennes. De verhouding
+tusschen den gravenzoon ECHITES en de gewaande dienstmaagd
+MARGRIETE VAN LIMBORCH is geheel dezelfde als die
+tusschen den koningszoon FLORIS en BLANCEFLOER, de dochter
+der Spaansche edelvrouw, die kameniersdienst moet doen; ook
+de toorn der moeder over die verhouding, de list, aangewend
+om een eind te maken aan die liefde, de redding van
+het meisje door haren minnaar op het hachelijkst oogenblik,
+zijn in beide werken gelijk. Trouwens ook in den <i>Lancelot</i>
+vinden wij eene jonkvrouw &#8222;al naect in haer hemde gedaen"
+te midden eener menigte, die de &#8222;justitie" wil zien, totdat
+LANCELOT het meisje bevrijdt<a href="#10.14">[14]</a>. ECHITES werpt zijn vaders
+kok op het vuur, omdat deze niet doet wat hij gelast&mdash;iets
+dergelijks doet REINOUT in den roman der <i>Vier Heemskinderen</i> <a href="#10.15">[15]</a>.
+Het gevecht met den draak herinnert aan dat met den vogel
+grijp in de <i>Lorreinen</i><a href="#10.16">[16]</a>. Het koningspel hier doet denken aan
+iets dergelijks in SEGHER'S <i>Prieel van Troyen</i><a href="#10.17">[17]</a>. Van dien
+aard zou meer te noemen zijn, doch het is onnoodig.
+
+<p>Dat in een gedicht, bestemd voor een Limburgsch publiek,
+niet alleen Fransche, maar ook Duitsche dichtwerken op cijns
+gesteld werden, is licht verklaarbaar. Zoo vinden wij hier dan
+ook de namen van het zwaard Mimminc, van den smid WILANT,
+van den koenen held WEDEGE (WITTICH); eene herinnering
+aan de Nibelungen (de &#8222;drie meerwiven"), misschien ook aan
+TANNHUSER en zijn verblijf in den Venusberg<a href="#10.18">[18]</a>.<a name="303"></a>
+
+<p>HEYN VAN AKEN mocht al beweren, dat zijn held ECHITES
+ROELANT en OLIVIER overtrof en aan zijne reuzen ongeloofelijke
+afmetingen geven&mdash;zijn werk kreeg daardoor niets van
+het heroeke of ideale, dat echte ridderpozie toch altijd eenigermate
+bezit. Een ridder, die uitgedaagd wordt tot een tweegevecht,
+vraagt uitstel, om in dien tijd schermen te leeren! Is
+dit bedoeld als een grap? Dan nog blijft die grap kenschetsend.
+MARGRIETE VAN LIMBORCH vergelijkt den jongen graaf ECHITES
+bij een ouden hond, en dat nog wel terwijl zij van minne
+spreken. Wanneer ECHITES in een tournooi de overige ridders
+voor zich uitdrijft, wordt HEYN VAN AKEN warm; een beeld
+ontstaat uit dien gloed: ECHITES is gelijk den stroom, die turven
+stroomafwaarts voert<a href="#10.19">[19]</a>.
+
+<p>In de lange gebeden zijner ridders kon de samensteller van
+den <i>Limborch</i> andere romandichters wel navolgen, doch hij
+vermocht niet die te bezielen met de naeve vroomheid die
+den <i>Karel en Elegast</i> zoo aantrekkelijk maakt. Maar in geleerdheid
+overtrof hij de meeste zijner voorgangers; de lauweren van
+JEAN DE MEUNG lieten hem blijkbaar geen rust. Hij kent VENUS,
+JUNO, PALLAS, de drie Parcen, CUPIDO met fakkel en speer;
+hij is ver in aardrijkskunde, hij weet van Narcissus, van Ulysses
+en Penelope, hij onthaalt ons op een staaltje van de allegorie
+waarmede de <i>Roman van de Roos</i> zoo vervuld is<a href="#10.20">[20]</a>.
+
+<p>Ja, indien geleerdheid de waarde van pozie verhoogde en
+andermans veeren zoo goed waren als eigene, dan zou HEYN
+VAN AKEN met zijn <i>Limborg</i> eer hebben ingelegd. Echter, niet
+zoozeer dat hij zijne stof van anderen ontleende, komt in zijn
+nadeel; doch dat hij die ontleende stof niet tot zijne eigene heeft
+weten te maken, dat zijn rijmwerk weinig of niets eigens vertoont.
+
+<p>Dat geldt ook van den <i>Slag bij Woeringen</i>.
+
+<p>De strijd tusschen JAN I VAN BRABANT en REINOUT VAN
+GELRE om het bezit van Limburg, in 1288 beslist door eene<a name="304"></a>
+overwinning der Brabanders, werd omstreeks 1291 verheerlijkt
+door een rijmer die misschien JAN VAN HEELU heette en wel
+een van hertog JAN'S menestreelen kan zijn geweest<a href="#10.21">[21]</a>.
+
+<p>Meer nog dan de <i>Limborch</i> was dit gedicht er op berekend,
+de roemzucht van den adel te streelen en te prikkelen. Voortdurend
+deelt de schrijver ons mede, dat hij gewag maakt van
+deze of gene ridders, opdat men &#8222;hare daden ewelike gedincken
+sal." Elders heet het: &#8222;zoo groote condicheit" (stoutheid) werd
+nooit gezien als voor Woeronc; meer dan eens verontschuldigt
+hij zich dat hij niet alle ridders bij name kan noemen; ook
+van dappere vijanden verzwijgt hij de namen niet. Geen wonder
+dat het aantal namen hier legio is en nog&mdash;zegt de auteur&mdash;verzwijg
+ik de namen van velen die even dapper in den strijd
+waren of nog dapperder dan de genoemden<a href="#10.22">[22]</a>.
+
+<p>Wat HOMERUS niet kon: pozie maken van een catalogus,
+kon ook deze schrijver niet. Wat HEYN VAN AKEN kon: slaafs
+overnemen van anderen, dat kon ook hij. Dat hij bij de samenstelling
+van zijn werk onder den invloed was zijner lectuur,
+blijkt o.a. in den aanvang van het Tweede Boek, waar hij
+zegt dat de daden der Maccaben, van &#8222;Roelant ende sine
+gesellen", van WALEWEIN, PERCHEVAEL en ALEXANDER niet
+zoo grootsch en indrukwekkend zijn geweest als de daden in
+den slag bij Woeronc bedreven. De wijze waarop de schrijver
+van dit rijmwerk den aartsbisschop van Keulen doet optreden,
+herinnert hier en daar levendig aan het gedrag van bisschop
+TULPIJN in het <i>Roelands-lied</i>; op een andere plaats blijkt dat
+bisschop TULPIJN hem onder het schrijven inderdaad voor den
+geest stond<a href="#10.23">[23]</a>. Pozie is in dit verhaal nergens te vinden, wel
+herhaalde uitingen waaruit blijkt dat de stof den rijmer overweldigde.
+Tevergeefs heeft hij getracht aan zijne verzen hier en
+daar door een vergelijking meer verheffing te geven<a href="#10.24">[24]</a>.
+
+<p>Het verhaal van den <i>Slag bij Woeringen</i>, schreven wij<a name="305"></a>
+hierboven, is half ridderroman half rijmkroniek. Die beide
+dichtsoorten vinden wij eveneens, doch onvermengd, in
+LODEWIJK VAN VELTHEM'S werk. VELTHEM zette MAERLANT'S
+<i>Spiegel Historiael</i> voort op verzoek eener aanzienlijke Antwerpsche
+edelvrouw, MARIA VAN BERLAER, en voor loon. Wij
+vinden in zijne kroniek de geschiedenis van Holland, Brabant,
+Vlaanderen, ook die van zijn eigen tijd, ten deele volgens
+hetgeen hij zelf gezien of van ooggetuigen vernomen had. Voor
+de kennis van de ontwikkeling onzer literatuur is dit geschiedwerk
+van geringe beteekenis. Slechts een paar maal, zooals
+b.v. in het verhaal van den Leuvenschen kampvechter en in
+dat van een mirakel dat te Velthem gebeurd zou zijn, vinden
+wij in de levendigheid en natuurlijken eenvoud van stijl
+iets dat naar literaire kunst zweemt. Een paar andere groene
+plekjes zijn die waar hij, den lof der Heilige Maagd zingend,
+verzen schrijft die voortvloeien met zekere natuurlijke
+bevalligheid<a href="#10.25">[25]</a>.
+
+<p>Tien jaar later, in 1326 namelijk, voltooide VELTHEM, in
+MAERLANT'S voetspoor tredend, een ander werk: het <i>boek van
+koning Artur</i>, dat zich bij den <i>Merlijn</i> aansluit. Vertaling
+van een Fransch <i>Livre du roi Artus</i>, bevat het de verdere
+geschiedenis van ARTUR en MERLIJN en hoe de machtige
+toovenaar ten slotte, verstrikt in zijne liefde tot de fee VIVIANE,
+door haar met zijn eigen tooverkunsten gebannen wordt binnen
+een toovercirkel in het woud van Broceliande<a href="#10.26">[26]</a>.
+
+<p>Het eenige dat opmerking verdient in deze vertaling, is de
+indruk dien MERLIJN'S geschiedenis op VELTHEM ten slotte
+heeft gemaakt; indruk dien hij weergeeft in deze regels:
+
+<p class="quote">Wat mach men daer meer af seegen dan?
+Negeen dinc, so help mi God,
+Dan dat hi was een fijn sot;<a name="306"></a>
+Al heet hi vroet ende conde vele,
+Nochtan heeften een wijf bij horen spele
+Datsi hem toende menechfoude,
+Bracht in 't nette daer si woude.
+</p>
+
+<p>Wat zou DIEDERIK VAN ASSENEDE wel gezegd hebben van
+zulk eene opvatting der liefde?
+
+<p>Over VELTHEM als compilator van de in den <i>Lancelot</i> vereenigde
+ridderromans spraken wij vroeger reeds. Zoolang wij
+de samengevoegde werken niet in hunnen oorspronkelijken
+vorm kunnen vergelijken met dien waarin zij hier voorkomen,
+kan over VELTHEM'S werk in dezen geen afdoend oordeel
+worden geveld. Doch zveel kunnen wij ook nu reeds zien:
+dat de onderscheidene verhalen zijn aaneengeschakeld zonder
+eenige kunst met een: &#8222;nu doet d' aventure verstaen," d' avonture
+seget hier ter steden" of dergelijk tusschenvoegsel. Ook
+dat de compilator weinig op den samenhang van zijn werk
+gelet schijnt te hebben, daar hij in het Derde Boek PERCHEVAL
+doet optreden, nadat deze in het Tweede Boek overleden was.
+Op een paar plaatsen blijkt, dat de &#8222;clerc" VELTHEM zich
+bezwaard gevoelde over het berijmen van &#8222;alle dese wereltlike
+daden", waarvoor hij God en MARIA om vergeving bidt<a href="#10.27">[27]</a>.
+Geen werk eindelijk is er in dezen tijd aan te wijzen, dat zoo
+krioelt van stoplappen als deze compilatie; in dat opzicht wordt
+VELTHEM misschien door niemand onder de Dietsche rijmers
+der middeleeuwen overtroffen.
+
+<p>Wat HEYN VAN AKEN voor de Limburgers had gedaan,
+werd in het eerste kwart der 14<sup>de</sup> eeuw door een onbekend
+auteur voor de Vlamingen verricht met de bewerking van den
+ridderroman <i>Flandrijs</i>. Indien men ten minste, wat mij hoogst
+waarschijnlijk voorkomt, dezen naam moet vertalen met <i>Vlaming</i>
+en dat werk als eene, zij het ook zwakke, uiting beschouwen<a name="307"></a>
+van het Vlaamsch nationaliteitsgevoel<a href="#10.28">[28]</a>. Evenals de <i>Limborch</i>
+is ook de <i>Flandrijs</i> een gebrekkig samenstel van allerlei bestanddeelen,
+grootendeels ontleend aan vroegere ridderromans:
+<i>Ferguut</i>, <i>Walewein</i>, <i>Moriaen</i>, <i>Torec</i>, <i>Historie van Troyen</i>.
+Ook hier vinden wij bedreigde en verloste jonkvrouwen, den
+zoon van een gastheer gedood, gevechten met roofridders en
+reuzen enz. Het godsdienstig gevoel in den <i>Flandrijs</i> schijnt
+sterker dan het gevoel voor het ridderwezen. Een ridder,
+doormidden gehouwen &#8222;zooals men het een varken doet,"
+brengt ons naar den slagerswinkel; de aanprijzing van het
+Christendom hier en daar en een lang gebed geven het werk
+iets stichtelijks, wat men niet kan zeggen van FLANDRIJS, die
+door het teeken des kruises een gebraden kapoen van de tafel
+doet opvliegen.
+
+<p>Van Vlaanderen is sprake in een rijmkroniek, die ongeveer
+ter zelfder tijd als de <i>Flandrijs</i> werd vervaardigd en hier slechts
+om dat nationale element even vermeld kan worden<a href="#10.29">[29]</a>.
+
+<p>Gewichtiger is MELIS STOKE'S <i>Rijmkroniek van Holland</i>,
+aangevangen waarschijnlijk in het laatste twintigtal jaren der
+13<sup>de</sup> eeuw, voortgezet en voltooid in het jaar 1305.
+
+<p>STOKE'S werk ontstond uit dezelfde beweegredenen als de
+andere in dit hoofdstuk behandelde werken, doch die beweegredenen
+zijn hier samengesteld op eigenaardige wijze.
+Verheerlijking van het regeerend gravenhuis was een dier
+beweegredenen. Vandaar dat het eerste deel zijner kroniek is
+opgedragen aan Floris V, het voltooide werk aan graaf
+Willem III, wiens &#8222;armen clerc" (secretaris) hij zich noemt.
+Vandaar dat hij aantoont en met nadruk verzekert, dat het
+Hollandsche gravenhuis &#8222;van edelen tronke begonde". Maar,
+in tegenstelling met JAN VAN HEELU, onthoudt hij er zich
+van, de roemzucht des adels te prikkelen, door hen bij name
+te noemen. Daar zien wij misschien weer het verschil tusschen<a name="308"></a>
+&#8222;menestreelen" en &#8222;clercken". Hij verklaart openlijk, dat hij
+niet bij name wil noemen:
+
+<p class="quote">Die van den stride was de bloeme
+Of de quaetste of de beste
+</p>
+
+<p>uit vrees dat men hem mocht beschuldigen van afgunst, van
+winzucht; uit vrees ook&mdash;het kenschetst den tijd&mdash;dat hij
+vervolgd en doodgeslagen zou worden<a href="#10.30">[30]</a>. Liefde voor zijn
+land dat hij verdedigt tegen de aanmatiging der Henegouwers,
+belangstelling in de geschiedenis van dat land en zijne bewoners
+behooren evenzeer tot zijne beweegredenen<a href="#10.31">[31]</a>.
+
+<p>De beide eerste boeken en misschien een deel van het derde
+bevatten weinig meer dan eene vertaling van het <i>Chronicum
+Egmundanum</i>; het overige deel van het werk berust, naar
+het schijnt, hoofdzakelijk op mondelinge overlevering en op
+hetgeen hij zelf had bijgewoond. Van pozie is ook bij STOKE
+weinig sprake, maar toch meer dan bij HEYN VAN AKEN of
+HEELU. Waar STOKE warm wordt, vergelijkt hij ten minste
+geene ridders bij turven. Eerbiedige bewondering voor SOPHIA,
+gravin van Holland, en voor JAN VAN BRABANT ontlokt hem
+verdienstelijke verzen als deze:
+
+<p class="quote">Haer herte was een grondeloos wael<a title="[margin: bron.]"><sup>#</sup></a>
+Van miltheit ende van ontfarme,
+Van soeticheit op de Gods arme,
+Van wakene, van pinen in ghebede
+</p>
+
+<p>en:
+
+<p class="quote">Ja! hoech man was hi, weet men wale,
+Beide in der daet ende in de tale<a href="#10.32">[32]</a>.
+</p>
+
+<p>Maar het beste brok van zijn werk is zeker het verhaal van
+FLORIS DE VIJFDE'S gevangenneming en dood. Daar hooren<a name="309"></a>
+wij oprecht gevoel zich met naeve warmte uiten in eenvoudig-zuivere
+taal. Treffend is b.v. de ontzetting van des graven
+&#8222;arme clerc" over het feit, dat men de hand heeft durven
+slaan aan een zoo hoog heer:
+
+<p class="quote">Deus, here God, wat hi dochte,
+De des eerst ghewaghen durste,
+Dat men also groot een vurste
+Soude vanghen of verslaen!
+</p>
+
+<p>Ook zijne klachten en verwijten tot de samengezworenen:
+
+<p class="quote">Ay Herman! bi wat zaken
+Wilstu der quader name ontfaen?
+Was di niet ghenoech ghedaen?
+...
+Ende du Gheraert, felle man,
+Droeghes oec sine cleder an,
+Du hads van kinde met hem ghewesen.
+</p>
+
+<p>Zijn medelijden met den graaf die al te goed van vertrouwen,
+was:
+
+<p class="quote">Hi waende, hem sijn volc ghemene
+Ghetrouwe waren, groot ende clene.
+Ay lasi! hi ne mocht niet weten,
+Dat hi van binnen was beseten.
+...
+</p>
+
+<p>Zijne naeve bewondering van de trouw, door FLORIS' jachthonden
+betoond aan het lijk van hunnen meester<a href="#10.33">[33]</a>.
+
+<p>Deze en dergelijke verzen maken AMELIS STOKE niet tot een
+dichter van beteekenis, neen zeker! Maar zij vermogen toch in
+den nacht der vergetelheid een flauw lichtglansje te verbreiden<a name="310"></a>
+om den naam van den eersten Hollander die zich met bewustheid
+Hollander heeft gevoeld, den eersten ook die in de
+geschiedenis onzer letterkunde den naam van Holland heeft
+doen opklinken.
+
+<p>Hollander gevoelde STOKE zich, doch vooral Hollander die
+min of meer vijandig gezind was jegens de bewoners van andere
+graafschappen of hertogdommen in het Dietsche land. Hoe stelt
+hij zijn volk reeds tegenover het Vlaamsche volk, waar hij
+beweert dat de Vlamingen, anders dan de Hollanders, nooit
+hun verlies willen erkennen:
+
+<p class="quote">Verliesen wi, wi ghelin<a title="[margin: ten volle erkennen.]"><sup>#</sup></a> wale;
+Die Vlaminc hevet ander tale:
+Verliest hi, hi ne lits<a title="[margin: erkent.]"><sup>#</sup></a> niet
+...
+...
+Het is der Hollanders maniere:
+Verliesen si drie manne ofte viere,
+Si seggen liever meer dan min&mdash;
+Die Vlaminc messaect<a title="[margin: loochent.]"><sup>#</sup></a> int beghin<a href="#10.34">[34]</a>.
+</p>
+
+<p>Zijn afkeer van de Vlamingen is zeker niet verminderd door
+hun inval in Holland die eerst bij het Manpad gestuit werd.
+
+<p>Niet veel vriendelijker is STOKE gezind jegens de Friezen
+en Saksen, voor hem n volk (immers &#8222;die Nederzassen heten
+nu Vriesen"). In den aanvang zijner Kroniek spreekt hij minachtend
+over het &#8222;onbeschaamde Friesche volk dat niets van
+historie weet"<a href="#10.35">[35]</a>. STOKE'S tijdgenoot, MAERLANT, denkt evenzoo
+over de &#8222;wilde Saksen" en &#8222;ruwe Friezen"<a href="#10.36">[36]</a>. Een eeuw later
+zal de Hollander WILLEM VAN HILLEGAERSBERCH nog in denzelfden
+geest spreken<a href="#10.37">[37]</a>. En hoeveel wrok en minachting open<a name="311"></a>baren
+zich in deze woorden van den &#8222;clerc uten lagen landen"
+waar hij in zijne Kroniek gewaagt van de Friezen bij het lijk
+van den gesneuvelden Roomsch-Koning WILLEM II van Holland:
+&#8222;dese Vriesche honden en wisten niet dathet coninc WILLEM
+die edel man was ... ende liepen over hoop daeromme
+staen als beesten."
+
+<p>Maar hoe geminacht ook door de Hollanders, de Friezen
+verdedigden hun vrij land daarom niet minder krachtig tegen
+elken indringer. Telkens doen de Hollandsche graven pogingen
+zich van Friesland meester te maken, doch gewoonlijk trekken
+zij aan het kortste eind. WILLEM IV sneuvelt met de bloem
+van zijn edelen bij Stavoren. Een halve eeuw later komt Graaf
+ALBRECHT die nederlaag wreken: bij Schoterzijl worden de
+Friezen overwonnen. Zonder genade woedt het gevecht, geen
+losprijs wordt geboden, geen lijfsbehoud gegeven: alles wat
+den Hollanders in handen valt, wordt meedoogenloos over
+de kling gejaagd; in het heetst van den strijd valt ook de
+dappere Friesche aanvoerder, de vermaarde edelman JUWINGA,
+die, als koning SAUL weleer, een hoofd boven de anderen
+uitstak<a href="#10.38">[38]</a>.
+
+<p>Toch was de uitslag van dien tocht gering; de Friezen
+werden niet tot gehoorzaamheid gebracht. Zij bleven naijverig op
+hunne zelfstandigheid en ongezind vreemde machthebbers van
+welken aard ook te erkennen. Getuigenis daarvan gaven reeds
+vroeger (1327) die parochianen van Bolsward, die weigerden
+een hun uit Utrecht gezonden rector der Kerk te ontvangen
+en te erkennen, omdat hij geen Fries was<a href="#10.39">[39]</a>.
+
+<p>Eene verdeeldheid als die tusschen Brabanders en Gelderschen,
+Vlamingen en Hollanders, Hollanders en Friezen zag men ook
+elders in deze &#8222;lage landen". Het meervoud in dezen bekenden
+naam verdient aandacht, want inderdaad bestond er nog niet
+n land dat <i>Nederland</i> heette. In naam bestond het wel. In<a name="312"></a>
+een allegorisch gedicht uit de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw wordt
+gezegd, dat de knapen van zekeren HER ERENTRIJC waren
+
+<p class="quote">... al van eenen gheslachte
+Gheboren al ut Nederlant.
+</p>
+
+<p>Ook als strijdleus vinden wij dien naam daar gebezigd:
+
+<p class="quote">Daer mochtmen die tyene horen
+Lude roepen: &#8222;Nederlant!"<a href="#10.40">[40]</a>
+</p>
+
+<p>Doch het was slechts een naam. Landseenheid berustend op
+volkseenheid, lag nog ver af, als een kust die men over de
+wateren ziet blauwen. Maar toch niet z ver, of men kon er
+een paar vooruitstekende punten van onderscheiden: wordende
+eenheid van taal en wordende betrekking tusschen volk en
+landsheer.
+
+<p>De verdeeldheid tusschen de onderscheidene volksdeelen hier
+te lande spiegelde zich af in het verschil van tongvallen of
+&#8222;tongen", zooals men toen zeide. Men voelde zich Vlaming,
+Brabander, Hollander, Zeeuw; een enkele besefte ook dat er
+verschil was tusschen de talen in die onderscheidene deelen
+des lands gesproken. In zijn <i>Leven van Sint Franciscus</i> zegt
+MAERLANT:
+
+<p class="quote">Men moet om de rime souken
+Misselike<a title="[margin: onderscheidene.]"><sup>#</sup></a> tonghe in bouken:
+Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus<a href="#10.41">[41]</a>.
+</p>
+
+<p>Met <i>Duuts</i> zal hier wel <i>Hollandsch</i> bedoeld zijn in den
+eigenlijken zin des woords.
+
+<p>In den <i>Spieghel Historiael</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Int ander jaer dat Karel de jonge,
+Die grouf<a title="[margin: (grof) dik.]"><sup>#</sup></a> hiet in somege tonge.
+...<a name="313"></a>
+</p>
+
+<p>Echter, indien MAERLANT het verschil van tongvallen besefte,
+hij was er zich tevens van bewust, dat er tegenover of boven
+die tongvallen een algemeen Dietsch bestond. In zijn <i>Naturen
+Bloeme</i> stelt hij op meer dan een plaats het Vlaamsch of &#8222;<i>ons</i>
+Dietsch" tegenover <i>het</i> Dietsch<a href="#10.42">[42]</a>. Een tijdgenoot van RUUSBROEC,
+Heer GERAERT, prior van een Karthuizer-klooster spreekt van
+&#8222;brabantsch dietsch" en zelfs van &#8222;brusselsch dietsch" in deze
+opmerkelijke woorden: &#8222;Oec is te merken dat dese boeken
+(van RUUSBROEC) ghemaect sijn in onvermingheden bruesselschen
+dietsche, soe datter luttel latijnscher ofte walscer woerden ofte
+van enighen anderen tale in sijn ghesaeit. Ende oec is dat selve
+brueselsche dietsche volcomenre hier in gheset dant daer die
+lieden ghemeinlic spreken, in dien dat si dicwile in hare tale
+vernieuten ofte minderen haer pronominael artikelen bi desen
+exempelen: Als si souden seggen <i>dat ierste, dat anderde, dat
+derde, dat vierde</i>, soe laten si ghemeinlic after die twie letteren
+van dien artikele <i>dat</i>, ende segghen: <i>dierste, dandere, derde,
+tfierde</i>, ende des ghelijcs in noch anderen silleben ende
+woerden"<a href="#10.43">[43]</a>. Opmerkelijk noemde ik deze woorden, omdat
+men er tevens uit ziet, dat men eenig verschil ging waarnemen
+tusschen de gesproken en de geschreven taal.
+
+<p>MAERLANT en de prior GHERAERT waren niet de eenigen
+die de eenheid van het Dietsch beseften, al of niet in tegenstelling
+met het Walsch. JAN VAN HEELU spreekt van:
+
+<p class="quote">Alle die yeesten<a title="[margin: geschiedenissen.]"><sup>#</sup></a> die nu sijn
+In dietsche, in walsche, in latijn<a href="#10.44">[44]</a>.
+</p>
+
+<p>In BOENDALE'S rijmwerk <i>Van den derden Edewaert</i> lezen wij:
+
+<p class="quote">Want tkerstenheit es gedeelt in tween:
+Die Walsche tongen die es een,
+Dandre die Dietsche al geheel<a href="#10.45">[45]</a>.<a name="314"></a>
+</p>
+
+<p>En er zweeft reeds een adem van volksgevoel en volkseenheid
+door deze regels van BOENDALE over den zeeslag bij Sluis (1340):
+
+<p class="quote">Van deser hoger victorin
+Die eeuwig blijft in memorin,
+Werden blide ten selven male
+Alle die spreken Dietsche tale<a href="#10.46">[46]</a>.
+</p>
+
+<p>Naarmate er meer letterkundige werken van beteekenis in
+het Dietsch geschreven werden, rees die taal in de achting
+dergenen die haar spraken. Een blijk van die achting voor de
+taal zien wij in het feit dat JAN VAN HEELU zijne rijmkroniek
+zond aan MARGRIETE VAN ENGELAND, verloofd met den zoon
+van Hertog JAN VAN BRABANT, opdat zij er &#8222;dietsch in leeren"
+mocht. Langzamerhand ontwikkelde zich dit gevoel van zelfstandigheid,
+zich openbarend in eerbied voor de moedertaal.
+Eerst nadat het, vooral langs den weg der literaire kunst, bij
+de individun zich had ontwikkeld, kon het z krachtig
+worden, dat Overheid en Regeering volgden waar de onderdanen
+waren voorgegaan. Het oudste ons bekende charter in
+de landstaal dagteekent van 1249 en is opgesteld door de
+schepenen van Bochoute (tusschen Gent en Oudenaarde).
+Daarna komen er tal van charters en keuren in de landstaal in
+Vlaanderen, Brabant, Holland.
+
+<p>De Hollandsche graven zijn de eersten die in hunne staatsstukken
+het Latijn door het Dietsch vervangen. Hun voorbeeld
+wordt langzamerhand door de andere landsheeren gevolgd, al
+kunnen de graven van Vlaanderen in de 14<sup>de</sup> eeuw en later
+hunne voorliefde voor het Fransch niet geheel opgeven. Gelderland
+komt achteraan; het Latijn handhaaft zich daar nog in de
+staatsstukken der 14<sup>de</sup> eeuw, maar wordt toch ook reeds in die
+eeuw door het Dietsch overvleugeld<a href="#10.47">[47]</a>. Ook in de rechtsbediening
+zien wij dat streven naar eerbiediging der moedertaal.<a name="315"></a>
+
+<p>Paus ALEXANDER IV stond den burgers van Gent hun verzoek
+toe, dat zij niet gedwongen zouden worden recht te gaan
+zoeken bij de geestelijke rechtbanken van Doornik of, in tweede
+instantie, te Reims, omdat dan tot hen gesproken zou worden
+in een taal die zij niet verstonden<a href="#10.48">[48]</a>. In 1290 werd bepaald,
+dat in Vlaanderen alle burgerlijke rechtsgedingen in het Vlaamsch
+zouden behandeld worden<a href="#10.49">[49]</a>. Die maatregel was zeker niet
+naar den zin van den Franschen koning FILIPS DE SCHOONE,
+die omstreeks dienzelfden tijd het gerechtshof te Gent had
+gedwongen, een door hem gezonden prevt toe te laten. Telkens,
+wanneer die koninklijke prevt aanwezig was, moest er
+Fransch gesproken worden<a href="#10.50">[50]</a>.
+
+<p>Op heel wat lager toon zong zijn opvolger KAREL VI, die
+in 1385 in eene vredes-onderhandeling voor 150 Gentenaren
+een geleide-brief in het Vlaamsch deed opstellen<a href="#10.51">[51]</a>.
+
+<p>Maar tusschen 1290 en 1385 liggen dan ook de Sporenslag
+en de leus: &#8222;Schild ende Vriend."
+
+<p>Daar klonk voor het eerst de stem van den Vlaamschen Leeuw!
+
+<p>Toen de Franschen in 1301 Vlaanderen binnenrukten, scheen
+de nationale zaak geene verdedigers meer te hebben; de adel
+en de rijke burgers verwelkomden de indringers, maar de
+gemeenten waakten. In Kortrijks velden werd het Vlaamsche
+volk zich voor het eerst van zijne kracht bewust; daar werden
+hun zelfgevoel en hun volksgevoel verhoogd, toen zij in den
+strijd voor vrijheid en voor recht, onder eigen leiders, eene
+roemrijke overwinning behaalden op een buitenlandschen vijand,
+die hun volksbestaan bedreigde.
+
+<p>Doch al was die vijand overwonnen, hij was niet machteloos
+gemaakt. De gansche 14<sup>de</sup> eeuw door moet Vlaanderen zijne
+onafhankelijkheid tegenover Frankrijk blijven handhaven; het is
+daarin geslaagd, maar ten koste van de Waalsche deelen des
+lands. Voortaan is Vlaanderen, dat vroeger tweetalig was, een<a name="316"></a>
+zuiver Dietsch land. Voortaan zijn de Nederlanden onafhankelijk
+van Frankrijk, zooals zij het inderdaad reeds van Duitschland
+waren. Toen de graven van Henegouwen ook het graafschap
+Holland verwierven, werd het Dietsche element in de Zuidelijke
+Nederlanden versterkt en een eerste, nog zwakke, band
+geknoopt tusschen Noord en Zuid.
+
+<p>De graven van Vlaanderen hadden niet zelden gemeene zaak
+gemaakt met de gemeenten. Deze begrepen niet, dat het den
+graaf slechts te doen was om de patricirs te kortwieken; doch
+toen de patricirs steun zochten bij Frankrijk, ontwaakte onder
+de gemeentenaren het nationaliteitsgevoel en verdedigden zij
+hun eigen onafhankelijkheid en die van hun graaf tevens.
+Die gelijkheid van belangen versterkte den band tusschen volk
+en landsheer<a href="#10.52">[52]</a>. Iets dergelijks was vroeger gezien in Holland.
+Graaf FLORIS V, &#8222;der keerlen god", lag overhoop met den
+adel. Toen eenige samengezworen edelen den graaf hadden
+opgelicht en gevangen gezet, ontstond er eene algemeene verbijstering
+in het land. Geen der edelen snelde toe om den
+graaf te bevrijden. Maar in dreigende drommen komt het volk
+opzetten: Kennemers, Friezen, Waterlanders, &#8222;tghemene diet"
+van Noord-Holland, de poorters uit Zuid-Holland&mdash;alles trekt
+naar het kasteel aan de Vecht
+
+<p class="quote">Ende segghen, dat si verliesen
+Willen beide lijf ende have,
+Of si wreken haren grave<a href="#10.53">[53]</a>.
+</p>
+
+<p>Den moord op den graaf hebben zij niet kunnen verhinderen,
+maar met des te meer liefde hebben zij zijne nagedachtenis
+in eere gehouden. Dat bleek, toen acht jaar later de
+Vlamingen Holland binnendrongen, overstroomden, aan zich
+onderwierpen. Slechts achter de muren van een drietal steden:
+Zierikzee, Dordrecht, Haarlem, werd nog tegenweer geboden;<a name="317"></a>
+het scheen gedaan met Hollands onafhankelijkheid. Maar hoe
+herleefde de moed des volks, toen WITTE VAN HAEMSTEDE,
+onechte zoon van FLORIS V, te Zandvoort geland, op den
+Blinkert de banier van Holland liet wapperen en de poorters
+uit Haarlem en van elders toestroomden om hem te verwelkomen.
+In hem immers zagen zij den zoon van FLORIS en hij
+verzuimde dan ook niet partij te trekken van zijne afkomst.
+MELIS STOKE heeft ons de heugenis bewaard van dat tooneeltje
+op den Blinkert, van die ontmoeting, ook van dat woord en
+weerwoord:
+
+<p class="quote">Wie sidi dan? Ic hete Witte
+Ende was 's graven Florens kint,
+Ende her Willem heeft mi ghesint
+Alhier van Zirixe
+U te troostene.
+</p>
+
+<p>Op dien Zondag in de Zandvoortsche duinen, in de schaduw
+der banier met den rooden leeuw, heeft een der kiemen van
+nationaliteitsgevoel zich in Holland ontsloten, heeft de betrekking
+tusschen volk en landsheer iets in hechtheid gewonnen. Zoolang
+vreemde landsheeren hier regeerden, kon die gehechtheid bezwaarlijk
+sterk worden. Voor een vorst, hier te lande geboren,
+zooals KAREL V, kon men reeds iets meer gevoelen, ook al
+was hij uit het Oostenrijksch stamhuis.
+
+<p>Maar zoover zijn wij nog lang niet. Wij moeten vooreerst
+trachten, ons ten minste eenigermate eene voorstelling te vormen
+van sommige toestanden hier te lande, zooals zij zich aan ons
+oog vertoonen in het nieuwe tijdvak dat ingeluid is door de
+geboorteklok van het nationaliteitsgevoel.<a name="318"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.1">1</a>: A.w. I, 1081-'97. De overeenkomstige plaats in de <i>Alexandres</i>,
+I, 365 seqq. luidt:
+
+<p class="footnotequote">O patriae natalis amor, sic allicis omnes
+O quantum dulcoris habes! fugitiva per altum
+Classis dum patriae raptim furatur alumnos,
+Sponte licet properent Persarum invadere fines,
+Nec trahit invitos ad praedae praemia ductor,
+Sola tamen revocat patriae dulcedo volentes,
+Nec sinit a patria divelli mentis acumen,
+Sed dulces oculos animumque retorquet ad Argos,
+Donec ab intuitu longe decrescere visus
+Europae defecit apex portusque recessit.]
+</p>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.2">2</a>: I, vs. 59&ndash;62.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.3">3</a>: Vgl. de uitgaaf in mijne <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>, p. 57 vlgg.,
+vs. 103&ndash;4, 110&ndash;112, 267&ndash;9, 316&ndash;7, 340, 547&ndash;550; bovendien
+hebben wij slechts een deel der vertaling over.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.4">4</a>: A.w. IV, 7325 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.5">5</a>: Over dat alles is uitvoerig gehandeld door JONCKBLOET in zijne
+<i>Geschiedenis</i>, II, 218 vgg.; TE WINKEL in zijne <i>Geschiedenis</i>,
+bl. 218&ndash;229; voorts door VAN DEN BERGH en VERWIJS in hunne
+inleidingen. Ten opzichte der dateering van den roman <i>van de Roos</i> deel
+ik TE WINKEL'S zienswijze. Was de roman <i>van Olivier van Spaengen</i>
+(<i>Limb.</i>, III, 800&ndash;807) misschien ook door HEYN VAN AKEN gedicht?]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.6">6</a>: KAUSLER, <i>Denkmler</i>, III, 93.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.7">7</a>: A.w. vs. 23394&ndash;23553.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.8">8</a>: Vgl. over den <i>Roman de la Rose</i>, PETIT DE JULEVILLE a.w.
+II, 105&ndash;161.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.9">9</a>: Vgl. de Inleiding van VERWIJS, XVI vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.10">10</a>: Vgl. vs. 2992 (voor: &#8222;por nule riens vivant"); 4916; 7044
+(&#8222;mainte terre sauvage"). Paep Jans lant in vs. 1013&ndash;4, waar in het
+Fransch: &#8222;trestous li ors de Romme".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.11">11</a>: Vgl. VAN DEN BERGH'S <i>Inleiding</i>, IV.]<a name="319"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.12">12</a>: Vgl. den aanvang van boek II-IX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.13">13</a>: Vgl. <i>Limb.</i>, VII, 1683&ndash;5 met <i>Flor. en Blanc.</i>, Proloog, vs. 1&ndash;12,
+65&ndash;75; <i>Limb.</i>, XI, 642&ndash;5 met <i>Eerste Martijn</i>, vs. 430&ndash;1.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.14">14</a>: <i>Limb.</i>, I, 1316 vlgg.; het tooneel der &#8222;justicie" alleen in de
+2e bewerking van <i>Flor. en Blanc.</i> (het Fransche gedicht nl.), vs. 359&ndash;902.
+<i>Lanc.</i>, I, vs. 19208 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.15">15</a>: <i>Limb.</i>, IV, 248&ndash;250 te verg. met <i>De Vier Heemsk.</i> (ed.
+MATTHES), p. 26.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.16">16</a>: <i>Limb.</i>, X, 1013 vlgg. te verg. met <i>Lorr.</i> in <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>,
+bl. 132&ndash;3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.17">17</a>: <i>Limb.</i>, XI, 67 vlgg. te verg. met BLOMMAERT, <i>Oudvl. Ged.</i>,
+I, 6 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.18">18</a>: <i>Limb.</i>, IV, 1057-'69; 1298 vlgg.; III, 1159 vlgg. (1374&ndash;6).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.19">19</a>: <i>Limb.</i>, V, 374; VIII, 149 (een reus van 30 voet lang en 10
+voet breed); III, 1009; IV, 328; IV, 546&ndash;7; zie ook nog VIII, 574&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.20">20</a>: <i>Limb.</i>, III, 1248 vlgg.; V, 2105 vlgg.; VI, 59; VIII, 822 vlgg.;
+X, 279 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.21">21</a>: Vgl. de uitgave van WILLEMS, <i>Introd.</i>, VIII. Misschien was de
+berijmer ooggetuige. (<i>Introd.</i>, VII; vgl. echter vs. 8221).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.22">22</a>: Vgl. vs. 3372&ndash;3; 4084&ndash;5; 4178 vlgg.; 4640 vlgg., 4746, 5627,
+7808 vlgg., 8184, 8346 vlgg., 8410&ndash;12, 8537 vlgg. en tal van andere
+plaatsen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.23">23</a>: Vgl. Tweede Boek vs. 1 vlgg.; 5786 vlgg., 5851 (een paard
+dat &#8222;Baiaert ghenoot" was), 8559 vlgg.; 4271 vlgg., 6025&ndash;8.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.24">24</a>: Ik heb het oog op de dozijnen van uitingen gelijk die welke
+men vindt o.a. in vs. 2679, 2954, 3102, 3155, 3418, 7652 vlgg.,
+8073 vlgg. Vergelijkingen in vs. 1037, 1044, 3253, 3944, 5185, 5651.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.25">25</a>: Uitvoerig en nauwkeurig is over VELTHEM'S kroniek gehandeld
+door Dr. TE WINKEL in zijne <i>Geschiedenis der Ned. Lett.</i>, bl. 355&ndash;367.
+De bovengenoemde verhalen vindt men: <i>Sp. Hist.</i>, V, 1, 28&ndash;30, en
+VI, 4. Over de H. Maagd VI, 32 en VIII, 34.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.26">26</a>: Vgl. TE WINKEL a.w. bl. 170&ndash;171.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.27">27</a>: Vgl. het slot van den proloog van Boek IV en het slot van dat Boek.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.28">28</a>: Ik volg hier de uitgave en de inleiding van FRANCK.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.29">29</a>: Vgl. TE WINKEL'S <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl. 381&ndash;3. Het eerste
+deel schijnt in het laatst der 13e of den aanvang der 14e eeuw opgesteld.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.30">30</a>: Vgl. Ed. BRILL, Boek X, 40&ndash;151 in verband met eene plaats
+uit Boek IV. (I, p. 224): &#8222;God moet mi sijnre hulpen jonnen" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.31">31</a>: III, 1473-'78; Opdracht van Boek I.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.32">32</a>: II, 644-'7; IV, 263 enz.]<a name="320"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.33">33</a>: Boek IV, vs. 1086 vlgg. en V, 96 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.34">34</a>: In twee der drie hss. van STOKE'S Kroniek lezen wij deze
+verzen in plaats van VIII, 791&ndash;2.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.35">35</a>: I, 76, 531.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.36">36</a>: <i>Eerste Martijn,</i> vs. 109&ndash;110, 665; <i>Sp. Hist.</i>, III, 8, c. 93, 185.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.37">37</a>: <i>Gedichten</i>, bl. 3, 180; 125, 174.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.38">38</a>: <i>Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen</i>
+door E. VERWIJS. (Utrecht. 1869). CXLVIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.39">39</a>: <i>Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht</i> door Mr.
+S. MULLER FZ., I, 165.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.40">40</a>: <i>Dietsche Warande</i>, IX, 147, 150. De naam <i>Nederland</i> in de
+vertaling van het <i>Nibelungenlied</i> (II, vs. 11) heeft hier geen bewijskracht,
+daar hij ook reeds in het origineel voorkomt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.41">41</a>: Vs. 131-'3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.42">42</a>: <i>Inl.</i> XXXVI-XXXVII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.43">43</a>: W.L. DE VREESE, <i>Bijdragen tot de kennis van het leven en
+de werken van Jan van Ruusbroec</i>, bl. 10, 19.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.44">44</a>: Vs. 3175&ndash;6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.45">45</a>: Vs. 1585&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.46">46</a>: Ik dank de aanwijzing van deze plaats aan mijn vriend, Prof.
+PAUL FRDRICQ te Gent.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.47">47</a>: Ik deed hier mijn voordeel met de opsomming, door Dr.
+TE WINKEL gegeven in zijne <i>Geschiedenis der Ned. Lett.</i>, bl. 541&ndash;544.
+
+<p class="footnote">Vergeten is daar het, voor de geschiedenis onzer taal zoo merkwaardig,
+reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op
+het Zwin, afgedrukt in <i>Bijdragen tot de Oudheidkunde en geschiedenis
+inzonderheid van Zeeuwsch Vlaanderen</i>, V, 1 vlgg.
+
+<p class="footnote">Opmerkelijk is ook, dat de oudste Cameraars-rekening in het
+Dietsch eerst van 1361 dagteekent, terwijl er reeds eene Dordrechtsche
+stadsrekening in de moedertaal is van 1284-'85. Ook hier zien wij
+het Oosten des lands achteraankomen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.48">48</a>: WARNKNIG, <i>Hist. de la Flandre</i>, III, 171.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.49">49</a>: <i>Belg. Museum</i>, II, 387.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.50">50</a>: WARNKNIG a.w.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.51">51</a>: <i>Belg. Mus.</i>, II, 388&ndash;9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.52">52</a>: Vgl. VANDERKINDERE, <i>Sicle des Artevelde</i>, p. 31; PIRENNE
+a.w. I, 104; II, 7; I, 408 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.53">53</a>: Vgl. het artikel van POLS over Graaf JAN I in: <i>Bijdr. voor
+Vad. Gesch. en Oudh.</i> en STOKE V, 222-'30.]<a name="321"></a>
+
+<hr>
+
+<h1>BOEK II.</h1>
+
+<h1>STANDENPOZIE. DE STEM DER
+GEMEENTEN.</h1><p><a name="322"></a><a name="323"></a>
+
+<h2>STANDENPOZIE. DE STEM DER
+GEMEENTEN.</h2>
+
+<h3>INLEIDING.</h3>
+
+<p>De drie stemmen die wij in het Eerste Boek hoorden: eerst
+achtereenvolgend, toen in de lyriek vereenigd en daarna in
+MAERLANT'S werk versmolten, vallen ook in het Tweede Boek
+te onderscheiden; doch in andere orde en verhouding.
+
+<p>De Stem der Gemeenten krijgt den boventoon en behoudt
+dien. Handel, nijverheid, landbouw, de maatschappelijke toestanden
+hebben zich ontwikkeld en die ontwikkeling is vooral
+ten goede gekomen aan de gemeenten, is zichtbaar vooral in
+de door hen gestichte steden.
+
+<p>De adel is er nog en zet het oude leven gedeeltelijk voort,
+den oorlog afwisselend met feesten, tournooien, jacht en galanten
+omgang. Vooral de Geldersche adel onderscheidt zich in dit
+opzicht. WILLEM VAN GULIK, hertog van Gelderland, wordt
+door FROISSARD telkens met lof vermeld. Hij doet, evenals
+vr hem graaf WILLEM IV van Holland, een krijgstocht tegen
+de ongeloovigen in het Oosten van Duitschland, wordt gevangen
+gehouden op een slot in Pommeren, doet een inval in Brabant,
+voert een bloedigen strijd om Grave en wordt eerst door een
+Fransch leger tot staan gebracht. Maar de uitvinding der vuurwapenen
+en de instelling van huurtroepen bedreigen den adel
+in zijn bestaan<a href="#11.1">[1]</a>. Feestvieren kunnen zij nog wel; de hoogsten
+gaan hun daarin voor. De graven van Holland komen niet<a name="324"></a>
+zelden in de hoog-adellijke en rijke abdij van Rijnsburg, hetzij
+met een sleep van baronnen, hetzij met klein &#8222;gezinde" om er
+te ontbijten of het noenmaal te houden. Aan spijs en drank
+behoefde het niet te ontbreken: soms werden 18 kapoenen en
+een aam rijnwijn vooruitgezonden. Daarna ging men &#8222;haar
+met haar en veer met veer" jagen in den Haarlemmerhout en
+'s avonds dansen met de edele jonkvrouwen<a href="#11.2">[2]</a>. In den Haarlemmerhout
+kon men ook wel eens een ander machtig edelman
+vinden, graaf JAN VAN BLOIS, ter jacht met de gravinne van
+Holland. Ook in Brabant kon men hem vinden aan het &#8222;jagen
+en vliegen" met een groot aantal edelen en edelvrouwen of
+aan een grooten avondmaaltijd in het Katrijnen-klooster te
+Utrecht, waar meer dan honderd edele gasten aanzaten<a href="#11.3">[3]</a>.
+
+<p>Een edelman die in botsing kwam met de steden kreeg soms
+een gevoelige les: ZWEDER VAN VOORST ondervond het in zijn
+strijd tegen de steden van het Oversticht en hun heer den
+Bisschop, al zat hij ook achter muren die tachtig voet hoog
+en twaalf voet dik waren. Het sterke kasteel Gaesbeek in
+Brabant, toebehoorend aan Heer ZWEDER VAN ABCOUDE,
+werd door de Brabantsche en Luiksche burgerijen ingenomen
+en geslecht<a href="#11.4">[4]</a>.
+
+<p>Zijne verwoeste kasteelen kon de adel wel opbouwen, niet
+zijne verloren idealen herwinnen. En vooral daardoor, meer
+dan door vuurwapenen en huurtroepen, is de adel gedaald
+van het vroegere standpunt. JAN BOENDALE, de schrandere
+schepenklerk van Antwerpen, zag het wel, toen hij in zijn
+<i>Lekenspieghel</i> zeide: &#8222;vroeger, toen de edelen ouder gewoonte
+nog buiten woonden en onderling huwelijken sloten, hielden
+zij den adel hoog en waren edelen met eere; doch sedert zij
+om der wille van het geld naar de steden zijn getrokken,
+heeft hebzucht de schuldelooze edelheid onder de voet geworpen.
+Zal zij ooit weer opstaan? Vroeger was het edele wapen<a name="325"></a>spel
+in zwang en gang, hetzij in het Heilige Land, hetzij in de
+grenslanden&mdash;nu heeft het afgedaan: schatten, weelde, gemak,
+dat is wat de adel begeert. Het edele, ingetogen leven wordt
+in den lande niet meer gezien<a href="#11.5">[5]</a>."
+
+<p>Anders dan met den adel stond het met de geestelijkheid.
+Ja, ook daar zag men ten deele de toestanden van vroeger.
+Te Rijnsburg kwamen niet alleen de Hollandsche graven, maar
+ook de abten van Egmond, die er met hun gevolg eenige
+dagen &#8222;joleuslyck" werden onthaald. Strijdbare geestelijken vinden
+wij ook nu: in dien bisschop van Luik, ADOLF VAN DER
+MARCK, die, omzwermd van pijlen en steenen, zijne troepen
+leidt tot een stormaanval op sterke burchten; in dien geestelijke
+uit het Groningsche klooster Aduard, die, gereed de mis op
+te dragen, bij een aanval op het klooster zijn priesterkleed
+afwerpt, naar buiten stormt en in den strijd sneuvelt<a href="#11.6">[6]</a>.
+
+<p>Doch naast of liever tegenover zulke geestelijken stonden
+andere, die, zonder zich met de wereld in te laten meer dan
+noodig was, eenvoudig hun plicht deden, of, de wegen der
+mystiek volgend, ingekeerd tot zich zelven, de diepten der
+eigen ziel trachtten te peilen en te verkennen.
+
+<p>Het zelfgevoel der burgerijen, dat zich zoo krachtig deed
+gelden tegenover den adel, verloochent zich ook niet tegenover
+de geestelijken. Niemand heeft dat deel van het aangroeiend
+zelfgevoel beter vertolkt dan diezelfde BOENDALE, dien wij
+zoo even over den adel hoorden spreken. In zijne <i>Teestye</i><a title="[margin: Overtuiging.]"><sup>#</sup></a>
+durft hij zeggen:
+
+<p class="quote">Du leec man en ontsie di niet,
+Dat paepscap en es sekerre<a title="[margin: zekerder.]"><sup>#</sup></a> niet
+Hemelrijx dan du bes:
+Die best leeft, best es.
+Al predect tpaepscap Gods woert,<a name="326"></a>
+Ende haer theologie bringt voert,
+Ende du sits daer voer hare voete,
+Du best lichte also soete
+Ende also weert voer d' anscijn Ons Heren
+Als si sijn die di leren;
+Want clergye sonder goet leven
+En can ghene salecheyt gheven.
+Hets beter een doghet allene
+Dan alle phylosophye ghemene<a title="[margin: samen.]"><sup>#</sup></a>.
+Al eest oec dat si di biechten
+Ende dine ziele verlichten
+Ende van dinen sonden ontladen daer,
+Du best lichte also claer
+Oft claerre<a title="[margin: zuiverder.]"><sup>#</sup></a> voer Gode dan hi,
+Die daer absolveert di<a href="#11.7">[7]</a>.
+</p>
+
+<p>En hierbij laat deze wakkere &#8222;scepenclerc" het niet. Een volgend
+hoofdstuk brengt: &#8222;van den papen noch meer". Kwam
+Gods Zoon nu op aarde en dorst hij den priesters de waarheid
+zeggen, hunne gebreken onder het oog brengen, het
+volk tot zich en van hen af trekken&mdash;zij zouden &#8222;te zamen
+raad tegen hem houden, hoe zij hem dooden mochten", gelijk
+de Farizen weleer. Zij verkoopen het volk aflaat van zonden;
+zelf koopen zij dien niet, al hebben zij hem evenzeer noodig.
+In het sermoen zoekt men hen te vergeefs, al zou het voor
+hen evenveel vrucht dragen als voor de leeken. BOENDALE
+zegt later, dat hij der papen vriend is
+
+<p class="quote">Maer dat si mesdoen, dats mi leet;
+</p>
+
+<p>hij zal in die uitspraak zeker oprecht zijn geweest, doch van
+zulke vrienden was de meerderheid der priesters niet gediend.
+Al te welig schoot hier het zaad op, met volle hand gestrooid<a name="327"></a>
+door &#8222;JACOB, die dichter hoghe", wiens beeld zijn navolger
+hier blijkbaar voor den geest stond. En het zou nog erger
+worden voor de priesters, geloofde BOENDALE. Uit oude profetien
+had hij vernomen:
+
+<p class="quote">Dat men noch zal die papen jaghen
+Ende die Kerke doghen<a title="[margin: lijden.]"><sup>#</sup></a> sal,
+Ende bider papen ghebreke al,
+...
+...
+Maer en sal niet dueren langhe
+Si en selen te payse comen weder
+Ende haer ghierecheit<a title="[margin: hebzucht.]"><sup>#</sup></a> legghen neder
+Ende andre onnutte seden
+Ende hem bat hoeden dan si deden
+Ende men sal hem meer eeren doen
+Dan noyt te voren was gheploen<a title="[margin: gepleegd.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Hoe zullen in latere dagen Hervorming en Tegenhervorming,
+en ook de geschiedenis van onzen tijd, deze profetien op
+ongedachte wijze vervullen! Dat heeft BOENDALE niet kunnen
+voorzien, doch de fakkel der waarheid, hem door MAERLANT'S
+hand toegereikt, heeft hij op zijne beurt overgegeven aan wie
+na hem kwamen.
+
+<p>Oefende de geestelijkheid aldus door doen en laten invloed
+op de ontwikkeling der geestelijke zelfstandigheid van deze
+volken, ook de adel, al geraakte hij in de minderheid, deed
+zijn invloed op de gemeenten gelden. Doch deze invloed was
+van anderen aard. Het beginsel der navolging dat zich ook in
+het maatschappelijk leven zoo krachtig openbaart, had langzamerhand
+uit de bovenste lagen der gemeentenaren een patriciaat
+gevormd, verwant met den adel, naar den bloede door
+huwelijken, naar den geest, door leefwijze en levensopvatting.<a name="328"></a>
+Dat waren de oude geslachten der vermogende kooplieden en
+grondbezitters, de stedelijke aristocratien, die nog in het laatst
+der 13<sup>de</sup> eeuw de leiders of meesters der gemeenten waren.
+Zij zochten den adel te evenaren in uiterlijken glans, in vertoon
+van pracht en praal, in beschaving en fijnheid van vormen.
+Zij streefden naar hetgeen de adel nooit had kunnen bereiken:
+heerschende stand te zijn. Een tijd lang gelukte hun dat, doch
+reeds de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw bracht een omkeer in hun
+toestand. De handwerkslieden, in Noord en Zuid vereenigd
+tot gilden die al machtiger werden, stelden zich onder hunne
+Dekens tegenover de &#8222;geslachten" en eischten deel aan de
+regeering van stad en land. Overal zien wij deze democratische
+woeling en strijd der partijen. Doch de zege blijft aan de gilden.
+JACOB VAN ARTEVELDE bezorgt hun in Gent de overwinning;
+ook elders in Zuid-Nederland en in het Noorden, in steden
+als Dordt, Leiden, Utrecht, Zwolle zien wij deze verplaatsing
+van het overwicht<a href="#11.8">[8]</a>. Eene nieuwe laag der bevolking komt op
+ruimer schaal dan vroeger deelnemen aan en invloed oefenen
+op het volksleven in al zijne uitingen.
+
+<p>Ook onder de lagere standen ontwaken het zelfgevoel en de
+begeerte om hoogerop te komen:
+
+<p class="quote">Die huusman<a title="[margin: boer.]"><sup>#</sup></a> volcht den heren naer,
+Om schout te wesen ofte baeliu,
+</p>
+
+<p>zegt WlLLEM VAN HlLLEGAERTSBERCH<a href="#11.9">[9]</a>.
+
+<p>In een stuk van een onbekend dichter uit dezen tijd zien
+wij, hoe de titelzucht ook toen reeds de burgerij had bevangen.
+
+<p>De neiging tot een titel, door MAERLANT in zijn <i>Alexander</i>
+terloops gehekeld bij de meisjes uit het volk, is blijkbaar zoo
+sterk geworden dat een ander dichter er een gansch gedicht
+aan wijdt, getiteld <i>Van dat die liede sijn gherne geheten joncfrou</i>.
+Wij lezen daar o.a.:<a name="329"></a>
+
+<p class="quote">Heile, Griete, Lise oft Calle,
+heten nu joncfrou alle!
+Al hadde haer moeder warmoes vercocht,
+oft liede gebeden ter bruloft,
+oft te like gebeden<a title="[margin: ter begrafenis genoodigd.]"><sup>#</sup></a> vrouwen,
+oft ael<a title="[margin: bier (met minder hop).]"><sup>#</sup></a> oft bier gebrouwen,
+natten geknocht<a title="[margin: biezen gevlochten.]"><sup>#</sup></a> oft huven,
+hoenre vercocht ende duven&mdash;,
+Si souden joncfrou willen sijn.
+</p>
+
+<p>Een van deze dames, die door den dichter wordt begroet
+met <i>vrouwe</i>, kijkt op hem neer zoo trotsch
+
+<p class="quote">Als ene hinne op enen pier!<a href="#11.10">[10]</a>
+</p>
+
+<p>BOENDALE keurde deze gansche volksbeweging af; dat de
+&#8222;heeren" moesten wijken voor schoenmakers, volders, wevers,
+slagers en dergelijken&mdash;het was voor hem &#8222;de verkeerde
+wereld"<a href="#11.11">[11]</a>. Doch vruchteloos heeft hij zich met deze nabetrachting
+tegen den stroom gekant; hij heeft dien niet kunnen
+keeren.
+
+<p>Al gelooft men niet dat het toentertijd in de Nederlanden
+de verkeerde wereld was, men kan daarom toch wel erkennen
+dat er in die wereld veel verkeerds was. De vroegere onkunde
+begon weliswaar te wijken voor den invloed, die uitging van
+kapittel- en kloosterscholen, van parochie- en bijzondere scholen;
+de kunsten van lezen, schrijven en rekenen begonnen zich
+langzamerhand te verbreiden; de volslagen onwetendheid van
+vroeger ziet men nog vooral onder de boeren, die zelfs niet
+weten hoe oud zij en hunne kinderen zijn. Maar de wilde
+zinnelijkheid van deze krachtige jonge volken laat zich even
+bezwaarlijk teugelen als in een vroeger tijdvak. Dat zij behagen
+schepten in lichaamsoefeningen: naar den papegaai schieten,<a name="330"></a>
+kaatsen en andere spelen, dat kon men slechts loven; minder
+prijselijk was hun lust tot dobbelen met teerlingen, hun dansen,
+reien en springen in de kroegen op heilige dagen.
+
+<p>Welk een ruwheid overal! Lieden, die in de kerken nog
+wel een vrijplaats gevonden hadden, ontzien zich niet de banken
+af te breken om er vuren van te stoken, er te dobbelen,
+te twisten en ontucht te plegen. Het schenden van heiligenbeelden
+en van het plaveisel in de Lievevrouwen-kerk te Dordrecht
+was niet zeldzaam. In de kerken wordt ook onder den
+dienst getwist en gekeven; ook soms tusschen priesters en
+leeken, zoodat de vuist en de wijkwast te werk gesteld worden.
+De leden van den Raad te Kampen gaan elkander in het
+Rechthuis te lijf.
+
+<p>De strafregisters van dezen tijd zijn rijk voorzien, ook rijk
+aan afwisseling. CLAES MEYNSEN ZOON wordt gestraft, omdat
+hij de sluis van NANNE MODDE heeft opengezet, zoodat NANNE'S
+land is ondergeloopen. LAMMEKIJN DE WEVER, omdat hij een
+stomme heeft mishandeld en willen dwingen tot spreken. NANNE
+LUTART, omdat hij een brouwsel bier van JACOB, ALIDE'S ZOON,
+heeft bedorven, door er een dood varken in te gooien. GERRIT
+DE DUIVEL en tal van anderen, omdat zij een mes hebben
+getrokken. Zekere CAMERMAN wegens het toebrengen van een
+vuistslag bij nacht (die waren tweemaal duurder dan de overdagsche)<a href="#11.12">[12]</a>.
+Talrijk zijn de boeten, opgelegd aan gehuwde
+mannen en vrouwen, die leven met andere vrouwen en mannen.
+Vrouwenschennis en schaking waren niet zeldzaam. De
+rekeningen van het bisdom Utrecht bevatten talrijke posten &#8222;de
+fornicacione", &#8222;de adulterio" en &#8222;de duplici adulterio"<a href="#11.13">[13]</a>.
+
+<p>Al deze ruwheid van zeden en grofheid van uitspattingen
+mogen niet vooral op rekening der opkomende democratie
+worden geschoven. De hoogere standen bezaten meer uiterlijke
+verfijning, dan de lagere; doch vaak was die slechts een ver<a name="331"></a>nisje,
+waar de oorspronkelijke ruwheid op menige plek doorheen
+schemerde. Wanneer eene aanzienlijke edelvrouw als
+YOLENTE COURTROISIN, uit het geslacht der kasteleinen van
+Kortrijk, zich z ver vergeten kon, dat zij een baljuw in de
+uitoefening zijner bediening grovelijk beleedigde en met een
+stok mishandelde; wanneer de kanonniken der hofkapel te
+'s-Gravenhage elkaar niet zelden in het koor bespotten, scholden,
+stootten en sloegen&mdash;dan kan de beschaving onder den
+adel over het algemeen geen hoogen trap hebben bereikt<a href="#11.14">[14]</a>.
+
+<p>De Overheid trachtte de brooddronkenheid, bandeloosheid
+en ontucht met wetten te keeren en te betoomen. In Vlaanderen
+en Brabant werden wetten uitgevaardigd tegen de weelde. Brussel
+bezat reeds in de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw tuchthuizen,
+&#8222;goede vaste ghyoelen", &#8222;omme de wilde joncheit te bat in
+bedwange te houden". De straffen blijven nog altijd zwaar en
+ten deele barbaarsch. In Deventer worden in 1344 vrouwen
+levend begraven. Een valsche wijbisschop wordt in 1392 te
+Utrecht veroordeeld om levend gekookt te worden in een onder
+het schavot geplaatsten ketel. Bij wijze van gratie wordt hij uit
+den ketel getild en onthoofd<a href="#11.15">[15]</a>. Naar het schijnt, werd deze
+laatste straf slechts zelden toegepast; doch er waren zoovele
+andere gruwzame straffen, dat onze algemeene indruk daardoor
+weinig gewijzigd wordt.
+
+<p>Die straffen strookten met die tijden: tijden van groote
+ruwheid ja, maar ook van groote, van ontzagwekkende kracht.
+Welk een taaie kracht was er in die Friezen, die telkens de
+aanvallen der machtige Hollandsche graven afslaan en onder wier
+slagen de bloem van den Hollandschen en Henegouwschen
+adel bezwijkt; in die Vlamingen ook die den slag bij Kortrijk
+wonnen; in al die weerbare burgerijen, verplicht en gereed
+hunne stad te bewaken en te verdedigen.
+
+<p>Welk eene volksweerbaarheid, welk eene volkskracht!<a name="332"></a>
+
+<p>Die volkskracht gaat zich openbaren in eene aanwassende
+verscheidenheid van vormen en gestalten. Er komt werking in
+de massa's; hier en daar gaat zich het bijzondere losmaken
+van het algemeene, de enkeling zich onderscheiden van den
+stand waartoe hij behoort. Bij adel en geestelijkheid was dat
+reeds vroeger eenigermate het geval geweest; nu ziet men dat
+verschijnsel ook onder de gemeentenaren. Het is geen toeval
+dat wij juist uit dezen tijd verscheidene hunner leiders of aanvoerders
+bij name kennen: NICOLAAS ZANNEKIJN, JAN BREYDEL
+en PIETER DE CONINC; JACOB VAN ARTEVELDE met zijne beide
+medestanders: PIETER VAN DEN BOSSCHE en FRANS ACKERMAN;
+JOHAN YOENS; PETER COUTEREEL, &#8222;de Brabantsche
+ARTEVELDE"<a href="#11.16">[16]</a>. In de Noordelijke landen, die in algemeene
+ontwikkeling bij de Zuidelijke achterstonden, kunnen wij niet
+zulk een aantal namen van beteekenis aanwijzen.
+
+<p>Het bijzondere zich losmakend van het algemeene, dat verschijnsel
+meenen wij te kunnen opmerken ook op kleiner schaal:
+de verhouding van den eenling tot de maagschap. Niet alsof
+de maagschap hare beteekenis geheel zou hebben verloren! In
+eene oude vertaling van FROISSART'S kroniek lezen wij van eene
+bloedveete tusschen een paar geslachten van rijke &#8222;schippers"
+(reeders) te Damme uit het laatst der 14<sup>de</sup> eeuw in deze
+woorden: &#8222;Wair was dat, voir dien tijt van oudts, binnen der
+stede van den Damme, een dootlijc oirloge gestaen hadde
+twischen twee rijke mannen, scipperen aldair, met horen magen
+an beyden sijden, dairaf die een geheten was JAN PIER ende
+die ander JAN BAIRDE, bij welken oirloge onderlinge van horen
+magen doit gebleven wairen wail tot CXVIII pereonen toe, van
+welker eenre pertije GIJSBERT MAHIEU ende sine bruederen
+mage waren, ende JAN LIJON was maech van der ander zijde.
+Welken hate ende nijde aldus bedect gedragen wert ende van
+langen tijt opgevoet twischen desen JAN ende GIJSBERT, hoewail<a name="333"></a>
+sij te samen spraken, aten ende dronken, alst so diende te
+samen of te punte quam, mer altijt lach desen hate den
+Mahijewelingeren veel felre ende duenre<a title="[margin: vaster]"><sup>#</sup></a> int herte dan dat JAN
+LIJON dede"<a href="#11.17">[17]</a>.
+
+<p>In een gedicht uit dezen tijd wordt gesproken van &#8222;buten
+maghen in ellenden" te wonen<a href="#11.18">[18]</a>; daar loopt een der wegen,
+waarlangs het woord <i>ellende</i> dat oorspronkelijk: <i>ander land</i>
+beteekende, aan zijne overdrachtelijke beteekenis gekomen is.
+
+<p>Maar er zijn toch teekenen die op eene aanstaande kentering
+in dezen schijnen te wijzen. Sprekend over de moordenaars van
+Graaf FLORIS, zegt MELIS STOKE:
+
+<p class="quote">Dat dese verraders hebben ghelaten
+Den maghen verwijt: si moghense haten.
+</p>
+
+<p>Hier wordt de verantwoordelijkheid der magen voor de daden
+van n hunner erkend. Doch onmiddellijk daarop lezen wij:
+
+<p class="quote">Nochtan so nes niement vroeder<a title="[margin: geen verstandig man.]"><sup>#</sup></a>,
+De dat verwijt iement goeder,
+Dat sijn maech hevet misdaen<a href="#11.19">[19]</a>.
+</p>
+
+<p>De Antwerpsche stadssecretaris JAN BOENDALE stelt in zijn
+<i>Lekenspieghel</i> de vraag: of men magen en vrienden moet
+helpen en ondersteunen. Een wijs meester antwoordt daarop:
+ja, indien uwe magen arm zijn, in het ongeluk geraakt en
+brave menschen. Doch zijn zij dwaas en slecht, doorbrengers
+of deugnieten, laat ze dan links liggen; 't is toch boter aan
+de galg gesmeerd<a href="#11.20">[20]</a>.
+
+<p>Deze Zuidnederlander durft al heel wat verder gaan dan de
+Hollander STOKE; maar ook hier zal het Noorden het Zuiden
+volgen.
+
+<p>In een merkwaardig stuk <i>Van drierehande lyden</i> heeft de
+Noordnederlandsche dichter WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH<a name="334"></a>
+ons een man geschetst, wien het slecht vergaat, omdat hij zich
+van zijne magen afzondert. Hij is trotsch als een baron, hoewel
+hij slechts &#8222;maet van goede" is. Zijne magen ergeren zich
+daaraan, maar hij geeft niet om hun raad. Nu moet hij alleen
+zijn weg gaan en dat bekomt hem slecht:
+
+<p class="quote">Misdede ic yet, ic wort ghesleghen,
+Ic most den menighen verdreghen
+Entaer toe lyden mit hem allen.
+Soe wye sijn maghen worden tieghen,
+Die moet van des ghelijcke pleghen,
+Hem sel veel te lyden vallen<a href="#11.21">[21]</a>.
+</p>
+
+<p>Het is waar dat HILLEGAERTSBERCH hier waarschuwt tegen
+het losmaken van den band der maagschap, doch uit die waarschuwing
+zelve blijkt, dat de dichter dezen nieuwen trek in
+het volksleven had opgemerkt en gewichtig genoeg achtte om
+er de aandacht van zijn publiek op te vestigen.
+
+<p>Verwant met dezen trek is het individualisme, dat zich, zij
+het slechts op een paar plaatsen, in de keuze der kleeding
+openbaart. De hekeldichter JAN DE WEERT deelt ons in zijn
+<i>Nieuwe Doctrinael</i> mede:
+
+<p class="quote">Elc wil draghen of hebben dat niemen
+En heeft of draghet, can hijt gheraken<a href="#11.22">[22]</a>.
+</p>
+
+<p>en de auteur van een ander 14<sup>de</sup>-eeuwsch leerdicht <i>Spiegel der
+Zonden</i> zegt evenzoo:
+
+<p class="quote">Elk zoect om vremde ghedane
+In zinen clederen....<a href="#11.23">[23]</a>.
+</p>
+
+<p>Dit individualisme, zich nu nog maar openbarend in iets
+uiterlijks, zullen wij gaandeweg, doch uiterst langzaam, zich
+zien ontwikkelen in een later tijdvak.<a name="335"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.1">1</a>: Vgl. BLOK, <i>Gesch. v.h. Ned. Volk</i>, II, 24 vlgg., 222.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.2">2</a>: SCHOTEL, <i>Abdij van Rijnsburg</i>, bl. 90&ndash;92.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.3">3</a>: DE LANGE VAN WIJNGAARDEN, <i>Gesch. van Gouda</i>, I, 137,
+141, 154. BUSKEN HUET geeft een aardig beeld van Graaf JAN in
+zijn handel en wandel in Deel I van <i>Het Land van Rembrand</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.4">4</a>: BLOK a.w. II, 42&ndash;3, 165&ndash;6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.5">5</a>: A.w.B. III, c. 26.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.6">6</a>: SCHOTEL, <i>Abdij van Rijnsburg</i>, bl. 76; PIRENNE a.w. II, 20;
+<i>Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Gen.</i>, XXIII, 60.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.7">7</a>: A.w. (ed. SNELLAERT in <i>Nederl. Gedichten uit de veertiende
+eeuw</i>), bl. 252.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.8">8</a>: Vgl. hierover VANDERKINDERE'S <i>Sicle des Artevelde</i> o.a. p. 185,
+112, 126&ndash;130; BLOK a.w. II, 8 vlgg.; PlRENNE a.w. II, 407;
+S. MULLER FZ. in <i>De Gids</i> van 1897 (Juni).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.9">9</a>: <i>Ged.</i>, bl. 211, vs. 344&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.10">10</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 76.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.11">11</a>: In zijne <i>Brabantsche Yeesten</i>, V, 415 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.12">12</a>: Vgl. <i>Sicle des Artevelde</i>; het &#8222;papegoy schieten" a<sup>o</sup> 1361 in
+de <i>Cameraars-Rek.</i>, III<sup>1</sup>, p. 15; <i>Nieuwe Doctrinael</i>, 793&ndash;5, 1720&ndash;4;
+EBBINGE WUBBEN, <i>Over Mnl. Vertalingen van het O.T.</i>, p. 105
+(a<sup>o</sup> 1360). Mr. S. MULLER FZ., <i>Registers en Rekeningen van het
+Bisdom Utrecht</i>, I, 481, 488, 467 vlgg., 474&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.13">13</a>: <i>Sicle des Art.</i> p. 404; ROBERT FRUIN'S <i>Verspr. Geschr.</i>, I,
+155; MULLER, <i>Reg. en Rek.</i>, I, 480; 527 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.14">14</a>: Vgl. <i>Sicle des Art.</i>, p. 260; CANNAERT, <i>Bijdragen tot
+de kennis van het oude strafrecht</i>, bl. 69; MOLL a.w. II, 4,
+bl. 146&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.15">15</a>: <i>Belg. Mus.</i>, X, 104 vlgg.; <i>Cam.-Rek.</i>, I, 134, 199; <i>Oud-Utrechtsche
+Vertellingen</i> door Mr. S. MULLER FZ., bl. 43.]<a name="336"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.16">16</a>: PlRENNE a.w. II, 33.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.17">17</a>: <i>Jehan Froissarts Cronycke van Vlaenderen</i> in de vertaling van
+GERRIT POTTER VAN DER LOO (ed. N. DE PAUW), p. 5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.18">18</a>: <i>Cyromanchie van den pape van den Hamme</i> in N. DE PAUW'S
+<i>Mnl. Ged.</i>, I, 270.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.19">19</a>: IV, 1305-'9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.20">20</a>: A.w.B. III, c. 22.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.21">21</a>: <i>Gedichten</i>, bl. 127, n<sup>o</sup>. 66.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.22">22</a>: Vs. 859&ndash;860.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.23">23</a>: Vs. 11605 vlgg.]<a name="337"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>RIDDERPOZIE IN VERVAL[*]</h2>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot *: Voor de tijdsbepaling vgl. de Aanteekeningen achter dit hoofdstuk.]
+
+<p class="intro">1. Baerte metten breden voeten, Ridder metten Zwane, Cassamus,
+Loyhier ende Malaert, Borchgravinne van Vergy.
+
+<p class="intro">2. Ogier, Malegijs, Huge van Bordeeus, Valentijn en Nameloos.
+
+<p class="intro">3. Borchgrave van Couchi. Seghelijn van Jerusalem.
+
+<p>De ontwikkeling van het ridderwezen spiegelt zich af in die
+der ridderpozie. Voor een deel wordt het oude leven ook
+hier voortgezet: er wordt, als vroeger, vertaald uit het Fransch;
+als vroeger zelfstandige bewerkingen van in het Fransch bewerkte
+stoffen gegeven; als vroeger oorspronkelijke romans&mdash;voorzoover
+daarvan hier sprake kan zijn&mdash;samengesteld. Er is
+echter verschil op te merken in dit opzicht: de aanwas van
+zelfstandigheid onder deze volken openbaart zich hierin, dat
+het aantal vertaalde werken geringer is dan dat der zelfstandig
+bewerkte.
+
+<p>Vertaald werden de romans: <i>van Baerte metten breden voeten</i>,
+<i>de Ridder metten Zwane</i>, <i>Cassamus</i>, <i>Loyhier ende Malaert</i> en
+<i>de Borchgravinne van Vergy</i>; de laatste zelfs in twee bewerkingen.
+Van den <i>Loyhier ende Malaert</i>, die waarschijnlijk uit
+het Fransch vertaald is, kan kan men echter geen Fransch
+origineel aanwijzen. Van de twee eerstgenoemde werken hebben
+wij slechts onbeteekenende, van de twee volgende grootere
+fragmenten over; het laatstgenoemde werk is tot ons gekomen
+in eene volledige en eene onvolledige bewerking<a href="#12.1">[1]</a>.<a name="338"></a>
+
+<p>Zelfstandige bewerkingen van potische stoffen, ook door
+Fransche dichters behandeld, doch kwalijk als vertalingen te
+beschouwen, brengen ons de romans <i>van Ogier</i>, <i>van Malegijs</i>,
+<i>van Huge van Bordeeus</i> en <i>van Valentijn en Nameloos</i>, alle
+in fragmentarischen toestand tot ons gekomen. In hoever ook
+de <i>Loyhier en Malaert</i> tot deze groep kan worden gebracht, is
+moeilijk uit te maken, zoolang wij het Fransch origineel niet
+bezitten<a href="#12.2">[2]</a>.
+
+<p>De romans <i>Van den borchgrave van Couchi</i> en <i>van Seghelijn
+van Jerusalem</i> eindelijk mag men onder voorbehoud oorspronkelijke
+werken noemen<a href="#12.3">[3]</a>.
+
+<p>Het eerste der hier genoemde werken geeft reeds dadelijk
+een denkbeeld van hetgeen ons in de overige wacht.
+
+<p>BERTE &#8222;metten breden voeten" is de dochter van FLORIS en
+BLANCEFLEUR en huwt koning PEPIJN van Frankrijk. Eene
+dienstmaagd MARGISTE doet hare dochter ALISTE BERTE'S plaats
+in het bruiloftsbed innemen. BERTE wordt na eene valsche
+beschuldiging ter dood veroordeeld. Zij brengt er het leven af,
+zwerft rond in de bosschen, komt bij den &#8222;foreestier" SYMON
+en blijft daar, totdat zij door den koning wordt teruggevonden
+en in eere hersteld. Later wordt zij moeder van KAREL DEN
+GROOTE. Door dit werk toont ADENET LE ROI zich in zijn
+karakter van &#8222;remanieur"; aanknoopend bij een vroeger literair
+werk eenerzijds, bij de persoonlijkheid van CHARLEMAGNE
+anderzijds, tracht hij door eene verwarrende veelheid van
+avonturen de aandacht te prikkelen.
+
+<p>LOYHIER, in den roman van dien naam, wordt ons voorgesteld
+als een zoon van CHARLEMAGNE. Hij is een middeleeuwsche
+Don Juan. Op aandringen der hooge edelen van het hof verbannen,
+trekt hij met zijn trouwen vriend MALAERT naar het
+Oosten, wordt keizer van Constantinopel en beleeft nog tal van
+avonturen. De roman van <i>den Ridder met den Zwaan</i> is eene<a name="339"></a>
+poging om de eigenlijke geschiedenis van den Zwaanridder HELIAS
+te verbinden met die van GODFRIED VAN BOUILLON. De onbeduidende
+fragmenten, die wij van de Dietsche bewerking over
+hebben, verplaatsen ons naar een schitterende wapenschouwing
+over GODFRIED'S vazallen, die indruk moest maken op de
+toehoorders als op den Sarraceenschen koning CORNUBRANT,
+die haar vermomd bijwoont. De <i>Cassamus</i> behelst eene der
+bewerkingen van de <i>Alexander-sage</i> en spreekt vooral van
+hoofschheid en van minne. De <i>Borchgravinne van Vergy</i> is
+een bevallig maar droef verhaal van de liefdesbetrekking tusschen
+deze edelvrouw en een Bourgondisch ridder, op wien
+ook de hertogin van Bourgondi verliefd is. De ijverzuchtige
+hertogin brengt eerst de burggravin, daarna den ridder tot
+zelfmoord en wordt zelve met den dood gestraft door haren
+gemaal, die dan als Tempelridder naar Palestina trekt. Deze
+berijmde novelle vormt den overgang tusschen den ridderroman
+en de riddersproke.
+
+<p>De sage van OGIER, een der dappere &#8222;genooten" van KAREL
+DEN GROOTE, was hier te lande waarschijnlijk reeds vroeg
+behandeld. Men mag dat vermoeden op grond eener vermelding
+in <i>Van den Levene ons Heren</i> (vs. 10). Doch het is
+weinig waarschijnlijk dat daar gedoeld wordt op deze Dietsche
+bewerking, die niet terug te brengen is tot een der bekende
+Fransche bewerkingen. Zoo hebben ook de <i>Malegijs</i>, de <i>Huge
+van Bordeeus</i> en de <i>Valentyn en Nameloos</i> met de Fransche
+bewerkingen dier stoffen weinig meer gemeen dan eenige namen
+en voorname feiten. MALEGIJS is de uit den roman van <i>de
+Heemskinderen</i> bekende toovenaar; HUGE VAN BORDEEUS: een
+leenman van CHARLEMAGNE, die onwetend des keizers zoon
+doodt, daarvoor gestraft wordt met de opdracht om den baard
+en vier tanden van den soudaan van Babyion te gaan halen
+en allerlei avonturen gelukkig te boven komt door hulp van<a name="340"></a>
+den tooverkoning OBERON. <i>Valentyn en Nameloos</i> behelst eene
+bewerking der zelfde sage, die in het latere Fransche volksboek
+van VALENTIJN en OURSON wordt gevonden: de talrijke bonte
+avonturen van een broederpaar, jong gescheiden, waarvan de
+een door eene berin (wolvin) gezoogd is en door den ander,
+een volmaakt ridder, overwonnen wordt, waarna zij als wapenbroeders
+de wereld rondtrekken. VALENTIJN wordt ten slotte
+koning van Frankrijk, NAMELOOS koning van Hongarije.
+
+<p>Het verhaal <i>van den Borchgrave van Couchi</i> behandelt voornamelijk
+COUCHI'S liefde tot BEATRIJS, echtgenoote van den
+Heer van Famweel en zijn strijd met den bastaard MASEBROUC
+om het land van Ardennen. Meer dan eens ook worden wij
+verplaatst aan het hof van koning KAREL DEN KALE, tot wiens
+vazallen COUCHI behoort.
+
+<p>SEGHELIJN van Jeruzalem eindelijk is de zoon van een heidensch
+vorst; zijne moeder heet BLANSEFLEUR. Hij wordt opgevoed
+door een visscher, helpt CONSTANTIJN DEN GROOTE
+de overwinning behalen, huwt diens dochter FLORETTE, wordt
+keizer van Rome en later paus. Vr dien tijd heeft hij de
+gelegenheid waargenomen bij zeven koninginnen de latere zeven
+vroeden van Rome te verwekken; op deze wijze&mdash;natuurlijker
+en eenvoudiger kon het niet!&mdash;heeft de dichter, zekere LOY
+LATEWAERT, zijn werk verbonden met den naar de Zeven
+Vroeden genoemden roman.
+
+<p>Vergelijken wij deze ridderpozie met die uit ons Eerste Boek,
+dan blijkt wel dat wij van verval mogen spreken.
+
+<p>Daar was nog gevoel voor het ridderwezen in zijn idealisme,
+zijn herosme, zijne fijnheid van omgangsvormen; hier is daarvan
+weinig of niets over. Zeker, ook het dorperlijke en onaesthetische
+vertoont zich daar, doch tegenover die schaduw is er
+vrij wat licht. Maar hier? Wat is er geworden van het gevoel<a name="341"></a>
+voor het ridderwezen, van de ridderlijke idealen? Ja, er wordt
+nog gestreden ook tegen de heidenen, maar de bezieling is
+verdwenen. Avonturen en nog eens avonturen, wonderen het
+een nog wonderbaarlijker dan het andere, moeten dat gemis
+vergoeden. De <i>Limborch</i> en de <i>Flandrijs</i>, die wij in het Tusschenspel
+leerden kennen, mogen in dit opzicht beschouwd worden
+als schakels tusschen de oudere en de jongere ridderpozie.
+
+<p>Staaltjes van gemis aan ridderlijk gevoel, dorperlijke opvatting,
+die wij vroeger slechts hier en daar vonden, zijn hier maar al
+te rijkelijk aanwezig. In geen der vroegere werken wordt het
+ridderwezen door lage boert en platte grappen zoo naar beneden
+gehaald en onteerd als hier niet zelden geschiedt. In het gedicht
+<i>van den Grimbergschen Oorlog</i> dat wij in het <i>Tusschenspel</i>
+even vermeldden, moedigt Heer ARNOUT VAN OYENBRUGGE
+de zijnen aan door hen indachtig te maken dat zij in hun eigen
+land zijn, de vijand daarentegen op vreemd gebied moet strijden.
+Hij bedient zich daarbij van deze vergelijking: een hond durft
+op zijn eigen mesthoop veel beter dan een vreemde. Elders in
+dat gedicht lezen wij, dat een schild wordt gekloofd als een
+raap<a href="#12.4">[4]</a>. Den dapperen OGIER laat men struikelen over erwten,
+om hem zoo ten val te brengen<a href="#12.5">[5]</a>. In de <i>Couchi</i> wordt eene
+veete bij een zwerende puist vergeleken. Ridder SEGHELIJN zegt
+van zich zelven:
+
+<p class="quote">Ende so ic ben een quade sprute,
+So moet die pust breken ute.
+</p>
+
+<p>Zijn ros Glorifier eet gebraden kapoenen. Als het dan staat
+te likkebaarden, zegt zijn meester lachend tot het ros: dat is
+uwe ouders nooit gebeurd, maar gij verdient het wel!" Nadat
+SEGHELIJN vijftien jaar lang gevangen heeft gezeten op water
+en brood in een donker hol, doet God een wonder aan hem:<a name="342"></a>
+nu ziet hij er weer zoo goed uit, &#8222;alsof hij zich had liggen
+mesten"<a href="#12.6">[6]</a>.
+
+<p>Maar de <i>Malegijs</i> spant hier de kroon.
+
+<p>MALEGIJS doet door zijne tooverkunsten een aantal ridders
+naakt een rondedans uitvoeren en later onder groot gelach der
+omstanders op den grond tuimelen; de dwerg SPYT vermaakt
+zich daar kostelijk mede en geeft den raad om ze als vogelverschrikkers
+in het koren te zetten. MALEGIJS' oom, meester
+YVERT, lacht als REINAERT: &#8222;mi dochte dat ic spleet". Beyaert,
+het edele ros der Heemskinderen, wordt door MALEGIJS voor
+een kar met wijn gespannen. Dat was erger dan, met molensteenen
+aan de pooten, in de Oise verdronken te worden!
+ROELANT spreekt smalend tot CHARLEMAGNE over diens &#8222;grote
+coenheide"; gaat gij ons voor in het gevecht, zegt ROELANT,
+dan vechten wij mee; maar vlucht gij, dan vluchten wij ook<a href="#12.7">[7]</a>.
+
+<p>Evenals de <i>Limborch</i> en de <i>Flandrijs</i> zijn ook deze werken
+slechts voor een gering deel uit het leven ontstaan, doch
+grootendeels uit herinneringen aan wat de vervaardigers elders
+gehoord of gelezen hadden.
+
+<p>De <i>Seghelijn</i> is op-en-top een compilatie; vele bewijzen
+daarvan zijn reeds vroeger bekend gemaakt en zij kunnen nog
+vermeerderd worden; ook met den <i>Huge van Bordeeus</i> en den
+<i>Valentijn en Nameloos</i> is dat het geval. In de overige werken
+kunnen wij eveneens telkens namen of toestanden aantreffen
+die reeds in vroegere werken worden gevonden en het beroep op
+&#8222;ouden jeesten" in den roman van <i>Couchi</i> begrijpelijk maken<a href="#12.8">[8]</a>.
+
+<p>Doch waarin ook de ridderpozie van dezen tijd moge
+achterstaan bij die van een vroeger tijdperk, niet in stichtelijkheid.
+In de onderscheidene fragmenten van <i>Valentijn en Nameloos</i>
+en in den <i>Malegijs</i> vertoonen zich telkens godsdienstige
+of op godsdienstigheid gelijkende invoegsels. De voltooier van
+het gedicht op den Grimbergschen Oorlog betreurt het zelfs,<a name="343"></a>
+dat deze strijd gevoerd is tusschen Christenridders: hadden zij
+gezamenlijk de Sarracenen bestreden, zegt hij, dan zouden wij
+hen mogen prijzen. Aan het slot van zijn werk richt hij tot
+den edelman, voor wien het werk bestemd was, een bespiegeling
+over de broosheid des levens en een waarschuwing,
+dat hij rekenschap zal moeten afleggen van zijn doen en laten<a href="#12.9">[9]</a>.
+Maar eerst in den <i>Seghelijn</i> viert de stichtelijkheid hoogtij!
+Allerlei wonderen worden verricht door onderscheidene reliquien
+van CHRISTUS: den geesel, het &#8222;vergulde vat", waar
+JEZUS azijn met gal gemengd uit dronk, de doornenkroon en
+de spijkers van het kruis. De gebeden zijn hier uitermate lang;
+andere stichtelijke passages niet zeldzaam. Als SEGHELIJN honger
+heeft, daalt een soort manna voor hem uit den hemel. Op
+zijn wensch krijgt dat brood daarna den smaak van een kapoen
+en later zelfs van wijn. De stichtelijkheid komt hier gevaarlijk
+dicht bij het sprookje van &#8222;tafeltje dek je"! SEGHELIJN zelf
+wordt als een soort van Graalridder voorgesteld: als hij nadert
+laat een geesel met vijf knoopen, waarmede JEZUS gegeeseld is,
+droppels bloed vallen; zelfs de speer uit de Graal-sage wordt
+hij waardig gekeurd<a href="#12.10">[10]</a>.
+
+<p>Wel strooken met deze begeerte tot stichten de vermaningen
+en moralisaties, die in den <i>Ogier</i> zijn gevlochten, en het didactisch
+element in dat werk en den <i>Seghelijn</i>. In den laatsten
+roman vinden wij een tooneel, waar de held door zijne
+moeder BLENSEFLUER gekust wordt. Verraders, die de verhouding
+der koningin tot den jongeling niet kennen, beschuldigen
+SEGHELIJN in des konings tegenwoordigheid van ongeoorloofde
+verstandhouding met de koningin. &#8222;Schurk," zegt
+SEGHELIJN, &#8222;men omhelst en kust elkander dikwijls in eer
+en deugd. Wat overigens de kussen betreft, er zijn vier soorten:
+&#8222;van moeder, van lieve, van peise en van grieve." Deze
+scholastieke indeeling en de elders voorkomende &#8222;questin"<a name="344"></a>
+met de daarbij behoorende antwoorden verplaatsen ons naar
+het trivium en het onderwijs in de dialectiek.
+
+<p>Het geringe gevoel voor de ridderlijke idealen, de neiging
+tot stichtelijkheid en didactiek hebben reeds het vermoeden
+kunnen wekken, dat de literaire waarde dezer werken niet
+groot zal zijn. Het compilatorisch karakter alleen zou voor dat
+vermoeden te weinig grond geven; want ook al heeft men dat
+vastgesteld, dan blijft altijd nog ter beantwoording deze vraag:
+Wat hebben de dichters van de door hen ontleende stoffen
+gemaakt?
+
+<p>Maar ook op die vraag kan men bezwaarlijk anders antwoorden
+dan: weinig moois of verdienstelijks. De <i>Cassamus</i>
+en vooral de <i>Borchgravinne van Vergy</i> zijn vloeiend, hier en
+daar bevallig, vertaald; doch naar het schijnt hebben deze
+vertalingen overigens weinig eigens. De meer zelfstandige werken
+verheffen zich soms tenauwernood boven het middelmatige en
+blijven niet zelden daarbeneden. In den <i>Couchi</i> vindt men wel
+eens aardige verzen; zoo b.v. deze:
+
+<p class="quote">Daer so hadde een worm ghebeten
+Diepe in ziere rosen blat,
+So dat nemmermeer dat gat
+Conde heelen noch genezen.
+</p>
+
+<p>In den <i>Malegijs</i>, die overigens vooral in den versbouw een
+ongeoefende hand verraadt, vindt men hier en daar niet onverdienstelijke
+minne-lyriek<a href="#12.11">[11]</a>. Doch over het algemeen is de oogst
+van het goede of verdienstelijke uiterst schraal. Hoe zou dat
+ook anders kunnen zijn, waar de dichters van de beide minst
+afhankelijke werken telkens toonen hoe weinig zij <i>in</i> hun verhaal
+zijn. Den vervaardiger van den <i>Seghelijn</i> zien wij telkens
+het oog afwenden van zijn verhaal en zijne personages, om het
+op zijn eigen tijd te richten; gewoonlijk wordt hij daartoe<a name="345"></a>
+gedreven door het verlangen om te waarschuwen, te vermanen
+of te berispen. Hij handelt dan over de trouweloosheid en de
+kijfzucht der vrouwen, de wellustigheid der mannen; ontraadt
+zijn publiek, een dief van de galg te bevrijden; hij wekt den
+dommen mensch op, God te erkennen in Zijne kracht en
+Hem steeds te dienen<a href="#12.12">[12]</a>. In den roman <i>van Couchi</i> vinden
+wij evenzoo b.v. een uitval tegen het ridder worden zonder
+den ridderslag; over den ootmoed, die de vrouwen past; eene
+bespiegeling over &#8222;een crudekijn, heet nijt", in den geest, waarin
+later WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH zal spreken &#8222;van enen
+cruut ende hiet selve".
+
+<p>Niet bij toeval komt, aan het eind van dit overzicht der
+ridderpozie in verval, de naam van een Hollandschen spreker,
+die de gemeenten vertegenwoordigt. Die naam is een vingerwijzing
+naar de dingen die komen. De ridderschap als instelling
+had uitgeleefd, maar niet vergeefs geleefd. Trouw aan
+den heer; eergevoel, dat geen smet op het blazoen duldde;
+vereering der vrouw; toewijding, die met mannenmoed desnoods
+het leven op het spel zette, waar een der ridderlijke
+idealen te verdedigen viel; begeerte om het leven ook door
+de kunst schooner en aangenamer te maken&mdash;naar zulke
+dingen had de ridderschap gestreefd. En al heeft zij die slechts
+gedeeltelijk bereikt, al waren hare handelingen dikwijls in
+openbaren strijd met hare beginselen, desniettemin hebben die
+idealen, door haar voor het eerst verkondigd en voorgestaan,
+als een zuurdeesem ook in het leven dezer volken gewerkt en
+zijn zij dat blijven doen.<a name="346"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<h4>TIJDSBEPALING.</h4>
+
+<p class="footnote">De Fransche roman van <i>Berte aus grans pis</i> is door ADENET LE
+ROI omstreeks 1275 gedicht, de Mnl. bewerking kan dus hoogstens
+uit het laatst der 13de eeuw dagteekenen. (Vgl. <i>Les Epopes franaises</i>
+III, 7). De Fransche roman van <i>Le Chevalier au Cygne</i>, waarop wij
+hier het oog hebben, dagteekent uit de 14de eeuw. Zie <i>Mnl. Ep.
+Fragm.</i>, bl. 253. Onze vertaling dus ten minste evenzeer. Over den
+tijd der vervaardiging van <i>Cassamus</i> vgl. ed. VERWIJS, Inl. XXVIII;
+het Fransche gedicht dagteekent van omstreeks 1312; zie: HOOGSTRA,
+<i>Proza-bewerking van het Leven van Alexander den Groote</i>, Inl. p. XX;
+de volledige bewerking der <i>Borchgravinne van Vergy</i> is van 1315;
+zie vs. 1119 vlgg; de Fransche <i>Lohier et Mallart</i> moet uit de 14de
+eeuw zijn: zie <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, bl. 266; de overige werken: <i>Ogier</i>,
+<i>Malegijs (Maugis d'Aigremont)</i>, <i>Huon de Bordeaux</i> behooren in de
+Fransche literatuur tot het tijdvak der dcadence van de ridderpozie
+(laatst der 13de en aanvang der 14de eeuw) en moeten dus in hun
+Dietschen vorm ook tot de 14de eeuw gebracht worden; trouwens de
+geest der bewerkingen zelve wijst ons ook naar dien tijd. Het is ook
+opmerkelijk, dat b.v. in den <i>Malegijs</i> verscheidene vreemde woorden
+voorkomen, die men uitsluitend of vooral in werken der 14e eeuw
+aantreft, zooals: athoer, bolle, calant, tfaliant, fardeel, rabat, respons,
+mastijn en andere op p. 193, 201, 203, 205, 207. De <i>Seghelijn van
+Jeruzalem</i> dagteekent van omstreeks 1333&ndash;1350 (zie: Inleiding ed.
+VERDAM, IV). <i>Van den Borchgrave van Couchi</i> wordt door DE VRIES
+m.i. terecht in het tweede vierdedeel der 14de eeuw geplaatst; zie
+<i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, VII, 129&ndash;131). De roman <i>van Valentijn
+en Nameloos</i> vertoont in opzet, samenstelling en bewerking zooveel
+overeenkomst met de hierboven genoemde, dat ik meen hem tegelijk
+met de overige hier te moeten behandelen.
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.1">1</a>: n<sup>o</sup>. 1 afgedrukt achter MOLTZER'S <i>Floris ende Blancefloer</i>,
+bl. 131 vlgg., n<sup>o</sup>. 2 in <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, XIII; n<sup>o</sup>. 3 uitg. VERWIJS<a name="347"></a>
+in: <i>Bibl. van Mnl. Lett.</i>, 2e afl.; n<sup>o</sup>. 4 <i>Mnl. Ep. Fragm.</i> en <i>Tijdschr.
+v. N.T. en L.</i>, XII, 241 vlgg.; n<sup>o</sup>. 5 uitg. STOETT in: <i>Klassiek
+Lett. Pantheon</i>. (Zutphen. W.J. THIEME EN Co).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.2">2</a>: Ik bediende mij voor n<sup>o</sup>. 1 van de uitgave door MATTHES in
+<i>Taal- en Letterbode</i>, VI, 241 vlgg.; n<sup>o</sup>. 2: <i>Madelghijs' Kintsheit</i>
+ed. N. DE PAUW; nieuwe fragmenten in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>,
+XV en XX en <i>Romania</i>, 1897; n<sup>o</sup>. 3&ndash;4 in <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>,
+XI-XII; nieuwe fragmenten in <i>Tijdschr.</i>, XVII en XI (daarbij te
+verg. XI, 229 vlgg.).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.3">3</a>: De <i>Couchi</i> is uitgeg. door DE VRIES in: <i>Tijdschr. v. N.T.
+en L.</i>, VII, 97&ndash;250. DE VRIES hield dit werk voor eene vertaling
+uit het Fransch en meende zelfs dat dit &#8222;nauwelijks aanwijzing behoefde."
+Wat hij aanvoert als grond voor zijne meening, is echter
+zwak (<i>Tijdschr.</i>, VII, 124). Alleen de vele hier voorkomende Fransche
+woorden schijnen grond te geven; inderdaad kunnen zij dat niet
+doen; in den <i>Limborch</i>, <i>Flandrijs</i>, <i>Seghelijn</i>, <i>Leven van Sint Amand</i>
+en menig ander, <i>niet</i> uit het Fransch vertaald werk van dezen tijd,
+komen eveneens vele Fransche woorden voor. Daarentegen wijzen de
+naam <i>Masebrouc</i> en de verklaring van dien naam door den dichter
+(II, 371&ndash;374) er op, dat wij hier een oorspronkelijk Dietsch werk
+hebben. Ons verhaal behelst eene gansch andere geschiedenis dan die
+van den <i>Chtelain de Coucy</i> en nergens blijkt dat er nog eene andere
+Fransche bewerking is geweest. Indien men let op de meerdere zelfstandigheid
+bij de bewerkers van ridderromans uit dezen tijd, die
+blijkt o.a. uit <i>Limborch</i>, <i>Flandrijs</i> en <i>Seghelijn</i>, ook uit de andere
+in den tekst genoemde romans; op de vermenging van verdichting
+en quasi-historische werkelijkheid, die ook in den <i>Limborch</i> wordt
+aangetroffen, en op het didactisch karakter van het bewuste werk&mdash;dan
+zal men het met voldoenden grond voor een Nederlandsch werk
+mogen houden.
+
+<p class="footnote">Bovendien schijnen nog tot de 14e eeuw te moeten worden gebracht:
+1<sup>o</sup>. een roman <i>van Cesar</i>, uitgeg. door N. DE PAUW in <i>Mnl. Ged.</i>,
+III, 530 vlgg., naar het schijnt uit het Fransch vertaald; 2<sup>o</sup>. een
+roman <i>van Octaviane</i>, door BOENDALE vermeld in <i>Der Leken Spieghel</i>,
+III, c. 15, vs. 125.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.4">4</a>: II, 1681&ndash;5; 3017-'9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.5">5</a>: <i>Taal- en Letterbode</i>, VI, 261.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.6">6</a>: <i>Couchi</i>, II, 248&ndash;250; <i>Seghelijn</i>, vs. 640&ndash;2; 3134 vlgg.; 5934.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.7">7</a>: <i>Fragmenten</i> (ed. DE PAUW), bl. 69, 71, 75, 81, 85, 129, 133.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.8">8</a>: In den <i>Seghelijn</i> personages uit de Karel-sage (GAURES en<a name="348"></a>
+ROHAERT); vooral de <i>Flandrijs</i> is nagevolgd, zie <i>Inl.</i>, VI. Den reus
+GRAPAERT vinden wij terug in AGRAPART uit den <i>Huge van Bordeeus</i>;
+een visscher die een hooggeboren kind bij zich neemt, komt voor
+ook in <i>Aiol</i>; SEGHELIJN leeft in het bosch van vruchten en kruiden
+(2885-'9) gelijk PARTONOPEUS; zijn paard wordt hem, terwijl hij
+ligt te slapen, ontstolen, zooals Beiaert aan REINOUT. De naam
+FLORETTE ook in <i>Karlmeinet</i>. De paardenaam Blankaert uit <i>Loyhier
+en Malaert</i> ook reeds in <i>Aubri de Borgengoen</i>; de naam van het
+zwaard Scaerdelijn in <i>Val. en Nam.</i> ook reeds in <i>Aiol</i>; de dans van
+betooverde ridders in den <i>Malegijs</i> ook reeds in den <i>Lancelot</i>, I,
+bl. 109, vs. 122&ndash;3; NAMELOOS heeft een onzichtbaar makenden ring
+en knots evenals de dwerg SPYT; de auteur v.d. <i>Malegijs</i> heeft
+geput uit <i>Patricius' Vagevuur</i> en den <i>Brandaen</i> (<i>Romania</i>, p. 504).
+Vgl. voorts <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, bl. 206, 210, 228. En nog noem ik
+niet alles.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.9">9</a>: II, 5203 vlgg. en 6167-'73.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.10">10</a>: Vgl. vs. 1311 vlgg.; 2100 vlgg.; 2124-'47, 2742&ndash;2882;
+5837&ndash;5903; 3318 vlgg.; 6200 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.11">11</a>: <i>Couchi</i>, II, 195&ndash;198; <i>Mal.</i> (fragm. DE PAUW), bl. 77, vs. 130
+vlgg.; 79, vs. 141 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.12">12</a>: Vgl. vs. 182-'5, 202-'5, 4641-'3, 5472-'8, 9792-'4, 10476-'81.]<a name="349"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>GEESTELIJKE EPISCHE POZIE
+EN PROZA.</h2>
+
+<h3>1. POZIE.</h3>
+
+<p class="intro">1. Der Ystorin Bloeme. Leven van S. Lutgart. Leven van S. Kerstine.
+Leven van S. Amand. Leven van S. Kunera van Rhenen.
+
+<p class="intro">2. Vaghevier van S. Patricius. Boec van den Houte. Legende van
+het H. Kruis. Theophilus. Beatrijs. Jonitas en Rosafiere.
+
+<p>Evenals de ridderpozie is de geestelijke pozie van dezen
+tijd ten deele eene voortzetting der vroegere. Dat geldt
+in de eerste plaats van een aantal heiligenlevens, waarvan
+enkele misschien uit het laatst der 13<sup>de</sup> eeuw zijn, andere waarschijnlijk
+tot de 14<sup>de</sup> eeuw behooren; een er van, <i>het Leven
+van Sint Amand</i> is van 1366.
+
+<p>In <i>Der Ystorin Bloeme</i> hebben wij aanzienlijke fragmenten
+over van een groot werk, dat volgens den proloog de levens
+der apostelen, der martelaren en confessoren en die van heilige
+vrouwen en maagden zou bevatten. Slechts de levens der
+apostelen zijn tot ons gekomen. Om den afgebroken zinbouw,
+de vrij talrijke assoneerende rijmen en een zeker waas van
+oudheid dat over dit werk ligt, zou het mij niet verwonderen,
+indien latere vondsten ons toonden dat het nog in de 13<sup>de</sup> eeuw
+is ontstaan; doeh zekerheid daaromtrent is voorloopig niet te
+verkrijgen. Ook niet omtrent de vraag of een kleine 500 verzen
+van een dergelijk werk over apostelen en martelaren, als &#8222;Sinte
+Pouwels jonghers", &#8222;Sinte Tecla", &#8222;Sinte Nasarius en Celsus"<a name="350"></a>
+deel van <i>Der Ystorin Bloeme</i> heeft uitgemaakt. Men zou
+geneigd zijn, de vraag ontkennend te beantwoorden, omdat de
+assoneerende rijmen, daar vrij talrijk, hier ontbreken. Het eerste
+werk is zeker uit het Latijn vertaald, het tweede waarschijnlijk
+ook, daar het verwijst naar een martyrologium<a href="#13.1">[1]</a>. Uit het Latijn
+vertaald zijn ook het <i>Leven van Sinte Lutgart</i> door zekeren
+&#8222;broeder GERAERT" en dat <i>van Sinte Kerstine</i>. Voorts het
+<i>Leven van Sinte Amand</i> dat vervaardigd is door zekeren GILLIS
+DE WEVEL, vertaald uit het Latijn, onder gebruikmaking van
+geschriften als UTENBROEKE'S <i>Spieghel Historiael</i>; en ten slotte
+mag misschien een gedicht <i>van Sinte Kunera van Rhenen</i>,
+&#8222;hare gheboerte, hare passie en die verheffinge", ook nog tot
+de 14<sup>de</sup> eeuw gebracht worden<a href="#13.2">[2]</a>. De vijf eerstgenoemde werken
+zullen wel alle uit Zuidnederland afkomstig zijn; het laatste
+schijnt, naar het dialect te oordeelen, in Gelderland te zijn
+ontstaan; is dat zoo, dan ligt het vermoeden voor de hand,
+dat het in Rhenen zelf of de omstreken van dat stadje zal zijn
+vervaardigd.
+
+<p>Voor de geschiedenis der Roomsche kerk mogen deze heiligenlevens
+van niet geringe beteekenis zijn&mdash;in die der Nederlandsche
+literatuur kunnen zij slechts een bescheiden plaatsje
+innemen. In geen dezer werken vindt men iets dat op pozie
+ook maar gelijkt en weinig of niets karakteristieks. <i>Der Ystorin
+Bloeme</i> bevat slechts gebrekkig berijmd proza, de levens <i>van
+S. Christina</i> en <i>S. Lutgart</i> zijn beide letterlijk vertaald uit het
+Latijn van THOMAS VAN CANTIMPR en toonen weinig of niets
+eigens; de verzen in deze beide werken, ten minste in
+<i>S. Lutgart's Leven</i> zijn beter dan die in de twee eerstgenoemde<a href="#13.3">[3]</a>.
+Ook de beide andere heiligenlevens, vooral dat <i>van Sinte
+Kunera</i> hebben voor de geschiedenis der literaire kunst weinig
+te beteekenen. Van eene reactie tegen de ridderpozie, zooals
+in de geestelijke pozie van een vroeger tijdvak, is hier weinig<a name="351"></a>
+te bespeuren. Het eenige van dien aard waarop men zou
+kunnen wijzen is deze in het <i>Leven van Sinte Christina</i> gevoegde
+opwekking:
+
+<p class="quote">En neemt meer bispel aen de papen
+Dan aen riddre ocht aen knapen<a href="#13.4">[4]</a>.
+</p>
+
+<p>Ook zou men hiertoe kunnen rekenen eene vergeestelijking
+van het koningspel die men vindt in het <i>Leven van Sint Amand</i>.
+De samensteller van dat laatste rijmwerk richt zich niet zelden
+tot zijne hoorders om hen te vermanen, te waarschuwen of
+te berispen<a href="#13.5">[5]</a>. In die, trouwens weinig beteekenende, deelen
+van zijn werk vinden wij dus iets eigens. Zoo geeft ook de
+vertaler der <i>Vita</i> van de H. CHRISTINA op een enkele plaats
+een bewijs zijner kieschheid<a href="#13.6">[6]</a>. Daarmede hebben wij alles
+genoemd, wat hier vermelding verdient; eene schrale oogst,
+zooals men ziet.
+
+<p>Naast deze vertaalde heiligenlevens staan, evenals in de
+ridderpozie van dezen tijd, eenige andere werken, die van
+meer zelfstandigheid getuigen of inderdaad oorspronkelijk mogen
+heeten. Een overgang tusschen beide soorten vormt het, waarschijnlijk
+uit het Latijn vertaalde, gedicht <i>Van den Vaghevier
+dat sente Patricius vertoghet was</i><a href="#13.7">[7]</a>. Wij vinden hier eene
+beschrijving van een tocht naar het Vagevier, die volbracht
+werd door zekeren ridder, en van al de geheimenissen, door
+hem in de grot van den H. PATRICIUS op het eiland Ulton
+gezien. Het verhaal had diepen indruk gemaakt op den bewerker,
+die ons mededeelt:
+
+<p class="quote">... noit en quam mi dicht soe na
+</p>
+
+<p>doch hij is er niet in geslaagd zijne indrukken te verwerken
+tot een letterkundig voortbrengsel van eenige beteekenis. Wij<a name="352"></a>
+mogen de oorzaak der zwakheid van het werk niet zoeken in
+de opvatting van den dichter, voor wien het Vagevier iets
+stoffelijks was (&#8222;materelic"), evenals de pijnen, die de zielen
+er te doorstaan hadden. Dat was immers de algemeene opvatting
+dier dagen, die men terugvindt o.a. in een 13<sup>de</sup>-eeuwsch
+gedicht <i>Le Purgatoire Seint Patriz</i> van MARIE DE FRANCE,
+en zelfs bij DANTE. Maar de bewerker of vertaler was blijkbaar
+iemand van geringe potische vermogens. Niet veel hooger
+stond de bewerker van <i>dboec vanden houte</i>, een der talrijke
+middeleeuwsche verhalen over de voorgeschiedenis van JEZUS'
+kruis. Volgens dit verhaal ontving ADAM'S zoon SETH van den
+hemelschen wachter bij het Paradijs drie pitten van de vrucht,
+aan den boom der kennis gegroeid. SETH legde deze pitten in
+den mond van zijn stervenden vader en begroef ze met het lijk.
+Uit de drie pitten schoten drie loten op: ceder, cypres en
+pijnboom, zinnebeelden van Vader, Zoon en H. Geest. DAVID
+plantte ze over naar Jeruzalem, waar zij opwiessen en samengroeiden
+tot n boom. SALOMO liet den boom ombouwen
+om hem bij zijn tempelbouw te gebruiken. Na allerlei lotgevallen
+wordt deze stam later gebezigd om er een kruis voor
+CHRISTUS uit te maken.
+
+<p>Naar het schijnt, heeft de bewerker der Nederlandsche legende
+zijne stof aan het Latijn ontleend en haar vrij zelfstandig
+bewerkt<a href="#13.8">[8]</a>.
+
+<p>Een zwak dichter was ook de man, die eene legende <i>van
+het Heilige Kruis</i>, verbonden met een verhaal van Denen in
+Brabant, heeft berijmd<a href="#13.9">[9]</a>. Blijkbaar kende de auteur dezer
+legende de vroegere speelmanspozie: een koning (hier DAVID
+BRUCE, koning van Schotland) die wenscht te huwen, die
+boden zendt tot een anderen koning (MAGNUS van Denemarken)
+&#8222;over mere" om de hand zijner dochter, het uitrusten
+van een schip&mdash;dat zijn, gelijk wij vroeger hebben gezien<a name="353"></a>
+gewone motieven uit de speelmanspozie<a href="#13.10">[10]</a>. De prinses, die
+met dat schip overgevoerd zal worden, sterft onderweg; de
+Denen durven zonder haar niet in Schotland komen, maar
+besluiten te landen aan de Brabantsche (Zeeuwsche?) kust en
+zich daar te vestigen. Op een verkenningstocht komen zij in
+de buurt van Breda, waar zij eene burcht bouwen, die den
+naam van Brunensteen krijgt en weldra een roofnest wordt.
+De roovers maken het ten laatste zoo bont, dat zij op bevel
+van den hertog van Brabant door den Heer VAN WESEMAELE
+worden verslagen; hun burcht wordt geslecht.
+
+<p>Deze Denen zijn door den bewerker voorgesteld als Christenen,
+wat kwalijk past bij hun gansche bedrijf, maar noodig
+was om verband te kunnen brengen tusschen hunne geschiedenis
+en die van het Heilig Kruis. In hunne kapel hadden de
+Denen namelijk een kruis gemaakt, dat na de slechting van
+den burcht in de kerk van Breda geplaatst werd en daar menig
+wonder deed.
+
+<p>Misschien is in dit verhaal een nagalm van de rooftochten
+der Noormannen blijven hangen; zeker is, dat noch in
+de wijze waarop de beide deelen zijn verbonden, noch in de
+bewerking van het geheel eenige kunstvaardigheid of iets literair
+karakteristieks valt op te merken.
+
+<p>Meer van dien aard is er in twee van de drie Maria-legenden,
+welke uit deze eeuw dagteekenen: de geschiedenis <i>van Theophilus</i>,
+<i>van Beatrijs</i> en <i>van Jonitas en Rosafiere</i><a href="#13.11">[11]</a>. Dit vers
+uit <i>Beatrijs</i>:
+
+<p class="quote">Goet berou mach als ghewouden<a title="[margin: alles goedmaken.]"><sup>#</sup></a>
+</p>
+
+<p>en deze andere waar sprake is van MARIA:
+
+<p class="quote">Wie aen u soect ghenade,
+Hi vint se, al comt hi spade.<a name="354"></a>
+</p>
+
+<p>behelzen de kern der beide eerstgenoemde werken. THEOPHILUS
+komt ten val door eerzucht, BEATRIJS door onkuischheid; beiden
+krijgen om hun oprecht berouw genade door tusschenkomst
+van de Heilige Maagd.
+
+<p>THEOPHILUS, een weldadig en aanzienlijk man, om zijne
+vroomheid geliefd door den bisschop zijner woonplaats, wordt
+door dezen tot zijn opvolger gekozen. Uit bescheidenheid
+weigert hij; een ander krijgt de hem toegedachte plaats. Kwaadstokers
+zetten den nieuwen bisschop tegen THEOPHILUS op;
+hij wordt van het bisschoppelijk hof verbannen; niemand
+ziet meer naar hem om. Nu begint zijn strijd; hij vergelijkt
+zijn vroeger aanzien bij zijne tegenwoordige versmaadheid.
+Een driftig verlangen naar herstel in zijn vroegeren staat
+maakt zich van hem meester; elk middel daartoe is hem
+goed genoeg. De Booze sluipt zijn ziel binnen. Heimelijk
+onderzoekt THEOPHILUS of er ook iemand in de stad is, die
+zich bezig houdt met tooverij of gemeenschap houdt met den
+duivel. Ten laatste verneemt hij, dat er een Jood is die zijne
+ziel heeft overgegeven aan den Booze en die menig ander
+daartoe heeft gebracht op hoop van gewin. Te middernacht
+staat hij stilletjes op en spoedt zich naar het huis van den Jood.
+Op zijn herhaald aandringen opent deze de deur en verneemt
+de reden van zijn komst. Indien gij uwen God en uw geloof
+wilt afzweren, zegt de Jood, dan zal ik u helpen. Den volgenden
+nacht neemt hij THEOPHILUS met zich naar een &#8222;dwerse
+strate"; daar zien zij zwarte gedaanten die, kandelaars dragend,
+loopen te zingen. Een hunner aanbidden zij: dat is hun heer
+LUCIFER. Vr hem gebracht, kust THEOPHILUS Satans voeten
+en verloochent God. De Booze belooft hem zijn vroeger aanzien
+te zullen wedergeven. Dat geschiedt. Maar na eenigen tijd
+ontwaakt het berouw. Hij zoekt troost en vergeving bij MARIA.
+
+<p>In de tweede helft van het verhaal vinden wij zijne wee<a name="355"></a>klachten
+tot de Heilige Maagd, eene verheerlijking van hare
+goedheid, hare samenkomsten met den berouwvollen zondaar
+en de vergiffenis, die zij voor hem weet te verwerven. Ten
+slotte biecht THEOPHILUS wat er met hem gebeurd is aan den
+bisschop en sterft kort daarna.
+
+<p>Deze geschiedenis bemoedigde BEATRIJS, toen zij, op hare
+beurt in zonde gevallen, berouwvol haar hart voor de Heilige
+Maagd uitstortte. Zij was eene hoofsche schoone non, die in
+een klooster den dienst van kosteres getrouwelijk waarnam.
+Maar de duivel, die ons dag en nacht belaagt, doet het vuur
+van den wellust in haar hart ontgloeien, z dat zij meent te
+zullen bezwijken. Met vasten en bidden gaat zij den Booze te
+keer; vergeefsch is haar strijd. Zij weet, dat zij moet vallen.
+Een brief van hare hand aan een minnaar, een vriend harer
+jeugd, brengt dezen in het klooster. Nog acht dagen, dan zal
+hij wederkomen met mooie kleeren voor haar en geld voor
+hen beiden. 's Nachts vindt zij haar vriend in den kloostertuin.
+Zij verkleedt zich onder eene wilde roos, hij tilt haar vr
+zich in den zadel; nu begint het te dagen in den oosten; onder
+het zingen der vogels rijden zij het bosch in.
+
+<p>Zeven jaren lang leven zij in een vreemd land en krijgen twee
+kinderen. Dan blijkt het geld verteerd, zij vervallen tot armoede,
+de armoede verjaagt de liefde&mdash;bij den man. Heimelijk verlaat
+hij haar en hunne kinderen. BEATRIJS kent geen ambacht; hoe
+zal zij voor hare kinderen zorgen? Zich zelve geeft zij prijs.
+Zeven andere jaren worstelt zij z door, in schande en kommer.
+Dan doet het berouw zijne stem luider en luider hooren. Zij
+walgt van hare kostwinning. Bedelend trekt zij met hare kinderen
+terug naar haar land en haar klooster en wordt uit
+barmhartigheid opgenomen door eene weduwe, die bij het
+klooster woont. Op hare vraag naar de kosteres BEATRIJS verneemt
+zij, dat deze nog altijd in het klooster haren dienst<a name="356"></a>
+getrouwelijk verricht. Een wonder is geschied: MARIA zelve
+heeft den dienst waargenomen voor de zondige non, die altoos,
+ook in de dagen van zonde en schande, haar <i>Ave Maria</i> is
+blijven bidden. Diep ontroert dat bericht de zondares. In tranen
+en gebeden brengt zij nu hare nachten door. Is er vergeving
+voor haar? &#8222;Maria, vrouwe, in een vurigen oven zou ik
+kruipen, mocht ik daardoor vergiffenis verwerven." Eene stem
+in den nacht verkondigt haar, dat MARIA zich haars ontfermt;
+zij moet zich heimelijk naar het klooster begeven; de deur,
+waardoor zij eens is ontvlucht, zal open staan. Zij treedt de
+kerk binnen; daar ligt haar kloostergewaad op het altaar en
+hangen de sleutels der sacristie waar zij die had opgehangen
+dien laatsten keer vr hare vlucht. Het uurwerk slaat middernacht;
+als vanzelf grijpt zij het klokketouw en begint te luiden
+voor de metten; daar komen de nonnen afgedaald van den
+dormter en alles gaat als vroeger. De abdis heeft zich, op
+verzoek der weduwe, die waant dat de moeder heimelijk gevlucht
+is, met het onderhoud der kinderen belast. Maar altijd
+blijft BEATRIJS bezwaard met het geheim van haar zondig leven.
+Een visioen in den slaap brengt haar eindelijk tot volledige biecht
+aan een abt bij zijn jaarlijksch bezoek aan het klooster. Evenals
+de bisschop in het verhaal van THEOPHILUS, maakt ook de
+abt de geschiedenis openbaar; doch anders dan de bisschop,
+verzwijgt hij den naam van haar, wie deze dingen gebeurd zijn.
+
+<p>Zooals reeds uit het overzicht dezer twee verhalen kan zijn
+gebleken, wint de <i>Beatrijs</i> het van den <i>Theophilus</i> in belangwekkendheid
+en volheid van leven. THEOPHILUS is een der
+velen van wie in de middeleeuwen het verhaal ging, dat zij
+zich aan den duivel verkocht hadden; in de middeleeuwsche
+literatuur is dat niets bijzonders; met het oog op dat punt
+van overeenkomst de figuur van THEOPHILUS naast die van
+FAUST te plaatsen, heeft weinig zin. Alles hangt ook hier af<a name="357"></a>
+van de wijze, waarop een dichter eene dergelijke stof behandelt.
+Wat heeft deze, ons onbekende, dichter van zijne stof gemaakt?
+Naar het schijnt heeft hij andere bewerkingen der Theophilus-sage,
+die in de <i>Acta Sanctorum</i>, de Latijnsche metrische bewerking
+van MARBODUS, bisschop van Rennes, en eene Fransche
+van GAUTHIER DE COINSY, gekend en gebruikt. Daardoor
+wordt de oorspronkelijkheid van zijn werk binnen vrij enge
+grenzen beperkt. Echter heeft hij binnen die grenzen toch
+werk geleverd, dat, hoe ongelijk ook, hier en daar verdienstelijk
+mag heeten. Niet zelden schrijft hij passages waar gang
+en warmte in zijn, zoo b.v. THEOPHILUS' bede om verschoond
+te mogen blijven van het bisschopsambt en zijne berouwvolle
+weeklachten; levendig is het eerste onderhoud met den Jood
+en belangwekkend naar den inhoud dat nachtelijk &#8222;manscap
+doen" aan den Booze. Maar daartegenover staan te veel
+andere deelen van het verhaal, waar onze belangstelling niet
+gaande wordt gehouden, de wijdloopigheid ons verveelt, de
+dichter beneden zijn onderwerp blijft.
+
+<p>Voor een deel moet de zwakheid van zulke deelen natuurlijk
+worden toegeschreven aan het middelmatig talent van den dichter;
+voor een ander deel waarschijnlijk ook hieraan, dat hij niet
+zzeer in zijne stof verdiept was als een kunstenaar zijn moet
+om iets goeds voort te brengen. Meer dan eens laat hij zijn
+verhaal in den steek om zich te richten tot zijne tijdgenooten,
+om hen te berispen of te vermanen; zoo o.a. waar hij klaagt over
+het gebrek aan nederigheid, waar hij zich keert tegen de
+huichelaars, waar hij uitweidt over het onheil, door booze
+tongen aangericht<a href="#13.12">[12]</a>.
+
+<p>Anders dan de auteur van <i>Theophilus</i>, was de, eveneens
+onbekende, dichter van <i>Beatrijs</i> geheel <i>in</i> zijn verhaal. Hij
+moge in den aanvang terloops een blik slaan op de hedendaagsche
+nonnen, en elders&mdash;begrijpelijk in eene Maria-legende&mdash;<a name="358"></a>
+met een paar woorden opwekken tot het bidden van een &#8222;Ave"
+wanneer men MARIA'S beeld voorbijgaat&mdash;doorgaans toont hij
+zich geheel vervuld van zijn verhaal en weet ons daarvan vervuld
+te houden.
+
+<p>Blijkbaar was de stof den dichter bekend geworden door mondelinge
+overlevering, geen voorbeeld bond of belemmerde hem en
+die vrijheid van beweging is aan zijn werk ten goede gekomen.
+
+<p>Welk een gevoelige ingetogen kunst valt hier te bewonderen
+in de wijze waarop de schoone non is uitgebeeld in haar strijd
+met den vleeschelijken hartstocht, met &#8222;Venus die duivelinne"
+zooals het lied <i>van Heer Danilken</i> het uitdrukt. Zij heeft
+gevast en gebeden, zich gekastijd&mdash;alles tevergeefs; zij meent
+te zullen sterven in dien strijd. Voor MARIA'S beeld stort zij
+nacht en dag hare klachten uit; wat baat het? Zij vreest krankzinnig
+te zullen worden.
+
+<p>Echter hield des dichters vroomheid zijne verbeelding hier
+gestadig in toom. De schoonheid der non beschrijven, acht hij
+niet oorbaar; haar leven als &#8222;ghemene wijf" gaat hij voorbij.
+Op n plaats vlamt de hartstocht op: wanneer de gelieven
+onder vogelgezang in het heldere licht door de groene velden
+en de bosschen rijden en de jonkman BEATRIJS verlokken wil
+om af te stijgen en zich minnelijk naast hem neer te vlijen in
+het gras, vaart zij, beleedigd in hare kieschheid, tegen hem
+uit: een dorper alleen zou zoo iets voorstellen! Maar, toorn
+van gelieven is hernieuwing van liefde; bedwongen hartstocht
+doet haar zeggen:
+
+<p class="quote">Waric in hemelrike gheseten,
+Ende ghi hier in ertrike,
+Ic quame tot u sekerlike.
+</p>
+
+<p>Zelf schrikt zij van die opvlamming en bidt God om vergiffenis;
+zij haast zich erbij te voegen dat de minste vreugde<a name="359"></a>
+van den hemel verre staat boven alle aardsche genot. Wijs zijn
+zij, die daarnaar streven; &#8222;maar desniettemin moet ik in zonde
+vervallen om der wille van u, schoone lieve vriend." Duidelijker
+nog zal deze strijd tusschen vroomheid en hartstocht worden
+voor wie in de allerbevalligste Fransche novelle <i>Aucassin
+et Nicolette</i> eene dergelijke uiting, hier van een minnaar, vergelijkt
+met die van BEATRIJS en ziet hoe teugelloos de hartstocht
+daar voortschiet<a href="#13.13">[13]</a>. Met naef-teedere intutie heeft de
+dichter ons het gevoel van beklemdheid getoond, dat BEATRIJS
+bevangt onder het rijden, als de dag gaat doorbreken en hare
+gedachten terugvliegen naar het klooster, waar zij anders
+&#8222;priemtijt" zou hebben geluid. Welke bevallige miniaturen zien
+wij in dat tooneeltje der beide gelieven aan weerszijden van
+het getraliede venster en later in den boomgaard! Hoe goed
+zijn ook de bouw en de evenredigheden dezer novelle, die
+door hare zachte bevalligheid de forscher schoonheid van den
+<i>Karel en Elegast</i> naar de kroon steekt.
+
+<p>Geen wonder dat zulk een verhaal indruk maakte, dat men
+den invloed er van gewaar wordt in het derde bovengenoemde
+Maria-verhaal: van <i>Jonitas en Rosafiere</i>. JONITAS, een jong en
+vroom ridder, tevens vurig vereerder van MARIA, is verloofd
+met de schoone ROSAFIERE. Op last van MARIA zegt hij haar
+echter vaarwel; ROSAFIERE, onder een ongunstig gesternte geboren,
+moet haren vader een kind baren en zeven jaren lang
+een zondig leven leiden. JONITAS trouwt nu &#8222;t'Orinten" ROSAFIERE'S
+zuster EGLENTINE. In den bruidsnacht neemt ROSAFIERE,
+met toestemming harer zuster, EGLENTINE'S plaats in. Zij weet
+hare kuischheid te bewaren en JONITAS het geheim van hare
+toekomst te ontlokken. Op haar verzoek brengt hij haar in
+een klooster van Grauwe Nonnen, waar zij portierster wordt.
+Haar vader keert terug uit den oorlog tegen de Sarracenen,
+verneemt waar zij is, verkoopt zijne ziel aan den duivel, dringt<a name="360"></a>
+met Satan's hulp het klooster binnen en maakt de voorspelling
+tot waarheid. JONITAS brengt ROSAFIERE naar een ander land,
+waar zij zeven jaren lang een zondig leven leidt. Nadat die
+zeven jaren verloopen zijn, brengt hij haar terug in haar
+klooster en verneemt, dat MARIA al dien tijd ROSAFIERE'S
+dienst heeft waargenomen. ROSAFIERE zal abdis worden,
+JONITAS met zijne echtgenoote spoedig in het hemelrijk worden
+opgenomen.
+
+<p>Reeds uit dit overzicht zal gebleken zijn, dat dit verhaal op
+een paar punten overeenkomst vertoont met dat van <i>Beatrijs</i><a href="#13.14">[14]</a>.
+Andere deelen er van vindt men in andere middeleeuwsche
+dichtwerken terug. Zoo is het b.v. opmerkelijk, dat wij het
+motief der dochter, die haren vader ontvlucht om bloedschande
+te ontgaan, aantreffen juist in een paar Fransche Maria-mirakelen
+van dezen tijd<a href="#13.15">[15]</a>. Een ander motief: het verwisselen eener
+bruid in den bruidsnacht, treffen wij aan o.a. in de geschiedenis
+<i>van Tristan</i>, in die <i>van Baerte metten breden voeten</i> en
+een Fransch &#8222;conte dvot"<a href="#13.16">[16]</a>. Ook de roman <i>van Limborch</i>
+schijnt den vervaardiger van dit Nederlandsch werk niet onbekend
+te zijn geweest<a href="#13.17">[17]</a>.
+
+<p>De wijze, waarop deze en andere bestanddeelen van dit
+verhaal zijn verbonden, getuigt evenmin van eenig letterkundig
+talent als de bewerking van het geheel.
+
+<p>Zoolang wij omtrent dit rijmwerk niet meer gegevens hebben
+dan nu, is niet met voldoende zekerheid te zeggen of het
+inderdaad nog tot de 14<sup>de</sup> eeuw behoort, evenals de twee
+overige Maria-verhalen; inhoud, taal en dichttrant maken het
+m.i. wel waarschijnlijk, doch het zou ook wel uit den aanvang
+der 15<sup>de</sup> eeuw kunnen dagteekenen. Al ware dit bewezen,
+dan nog zoude het hier niet misplaatst zijn als een
+half-geestelijke, half-ridderlijke, onaanzienlijke nabloeier der
+vroegere pozie.<a name="361"></a>
+
+<h3>2. PROZA.</h3>
+
+<p class="intro">Heiligenlevens en Wonderverhalen. Leven van Alexander den Groote.
+Reisverhaal van Joannes Witte de Hese.
+
+<p class="intro">Stemmen uit den Voortijd. Kerkvaders. Betrekkingen tusschen Nederlandsche
+en Duitsche mystiek: Eckhart en Suso. Limburgsche Sermoenen.
+Geschriften van den onbekenden leek en Jan van Leeuwen.
+
+<p class="intro">Ruusbroeck.
+
+<p class="intro">Eerste bijbelvertaling.
+
+<p>In de dertiende eeuw kon men zich de kunst van het woord
+tenauwernood denken zonder maat en rijm; begrippen als
+<i>pozie</i> en <i>literatuur</i> omvatten bijna uitsluitend verzen of wat
+daarop geleek. HADEWYCH'S proza alleen kwam dat wanbegrip
+bestrijden; doch het mag betwijfeld worden of het door
+velen is opgemerkt en in allen gevalle staat dat proza in dien
+tijd alleen.
+
+<p>De veertiende eeuw geeft ons eene andere verhouding tusschen
+epische geestelijke pozie en geestelijk proza te zien. In omvang
+reeds overtreft nu het proza de pozie. Doch ook in beteekenis;
+want hoog moge de pozie stijgen in het liefelijk verhaal <i>van
+Beatrijs</i>&mdash;die bevallige kleine kapel kan toch niet worden gelijk
+gesteld met de statige kathedraal van RUUSBROECK'S mystiek.
+
+<p>Van menig hierboven behandeld geestelijk gedicht vinden
+wij hier de weergade in proza. Zoo hebben wij een prozaverhaal
+<i>van Sinte Kunera</i>, van <i>dBoec vanden Houte</i> en <i>van
+Theophilus</i>, alle drie zonder literaire beteekenis<a href="#13.18">[18]</a>. Van het
+verhaal <i>van Sinte Patricius' Vagevier</i> bezitten wij een tegenbeeld
+in proza: het <i>Visioen van Tondalus</i>.
+
+<p>Opmerkelijk is hier, dat de vertaler zelf ons verzekert dat
+het oorspronkelijk Latijn door hem &#8222;van woorde te woorde"
+verdietscht is. Opmerkelijk is ook wat hij er bijvoegt om zijn
+standpunt in dezen aan te geven: &#8222;Maer men sal weten dat ic
+desen bouc niet en begheere te rimene, omdat icker no af no<a name="362"></a>
+toedoen ne wille van den ghenen dat ic vand in lattine; ende
+ooc so en es men gheen helighe scriftuere sculdich te rimene,
+want in den rijm en es gheen ander voordeel dan dat den
+hooren gheeft soeten luut, ende metten rimene so wert alle
+helighe scriftuere gheconfondeert"<a href="#13.19">[19]</a>.
+
+<p>Misschien hebben wij hier de verklaring van het feit, dat
+wij, naast sommige rijmwerken over geestelijke stoffen, prozabewerkingen
+dierzelfde stoffen aantreffen. Waarschijnlijk echter
+zal men hier rekening moeten houden ook met den aanwassenden
+lust tot literaire werkzaamheid onder menschen die toch niet
+allen de kunst van verzenmaken meester zullen zijn geweest.
+Tot de wonderverhalen van dezen tijd behooren waarschijnlijk
+ook een paar geschiedenissen van mirakelen, door SINT JAN
+BAPTIST verricht<a href="#13.20">[20]</a>. Van den bekenden bundel <i>Vitae patrum</i>
+waren de beide eerste boeken waarschijnlijk reeds in de 14<sup>de</sup>
+eeuw in het Nederlandsch vertaald<a href="#13.21">[21]</a>.
+
+<p>Van heiligenlevens en wonderverhalen op het <i>Leven van
+Alexander den Groote</i> schijnt naar de hedendaagsche opvatting
+een groote sprong. Voor de middeleeuwsche denkwijze bestond
+die sprong niet. Immers men vindt de historie van ALEXANDER
+gewoonlijk ingevoegd tusschen de boeken van het Oude Testament,
+geheel in overeenstemming met de toenmalige opvatting,
+volgens welke de geschiedenis van het Joodsche volk de kern der
+wereldgeschiedenis vormde. Wij kennen twee proza-bewerkingen
+der Alexander-sage, die beide waarschijnlijk omstreeks het midden
+of in de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw zijn ontstaan. De eerste,
+die eenigszins vrij en grillig maar beknopt is, berust vooral
+op Latijnsche bewerkingen: het zoogenaamd <i>Epitome</i> uit den
+tijd van KAREL DEN GROOTE en de <i>Historia de praeliis</i> uit
+de 10<sup>de</sup> eeuw. De tweede, die ordelijker en geregelder is, bevat
+eene verdienstelijke paraphrase van Boek IV van MAERLANT'S
+<i>Spieghel Historiael</i>, aangevuld met eenige hoofdstukken uit de<a name="363"></a>
+<i>Historia Scholastica</i> en MAERLANT'S <i>Alexander</i>. De literaire
+waarde van beide bewerkingen is gering<a href="#13.22">[22]</a>.
+
+<p>Verwantschap met legenden en mirakelverhalen heeft de
+Alexander-sage bovendien door de wonderen waarvan wij reeds
+bij eene vroegere gelegenheid melding maakten. Men verbaasde
+zich over die wonderen van het verleden trouwens weinig in
+een tijd, toen geloofwaardige priesters thuis kwamen met verhalen
+van de wonderen die zij in het Oosten hadden gezien
+of voor zeker hooren vertellen. De paleizen en kasteelen der
+Keltische romans waren niet zooveel wonderbaarlijker dan &#8222;paep
+JOHANS woninghe ende palaes" in Edessa, waarvan de Utrechtsche
+priester JOANNES WITTE DE HESE ons vertelt in een Latijnsch
+reisverhaal dat misschien in 1398 in het Nederlandsch is
+vertaald<a href="#13.23">[23]</a>.
+
+<p>Bijzondere literaire verdiensten heeft het verhaal noch de
+vertaling, maar beide zijn van belang voor wie den geest des
+tijds er uit wil leeren kennen. Hoe is Palestina voor de
+menschen van toen met recht &#8222;het <i>heilige</i> land"; hoe leeft het
+bijbelsch verleden daar voor hen op! In Hermopolis ziet DE HESE
+&#8222;een hof daer hadde onse lieve vrouwe in ghewoent" en eene
+fontein waar zij &#8222;haer dinghen in plach te wasschen"; den
+steen waaruit MOZES water deed springen, den bitteren stroom
+dien MOZES door een roedeslag zoet maakte, eene fontein
+waaraan S. PAULUS en S. ANTONIUS gezeten hadden. DE HESE
+moge vrij wat ontleend hebben aan andere reisverhalen, zijne
+mededeelingen vonden daarom niet minder gretig geloof. Vooral
+het paleis van &#8222;PAEP JAN" (naar het schijnt, een tot het
+Nestorianisme bekeerde Mongoolsche Khan) zal toentertijd indruk
+gemaakt hebben. Dat paleis rust op negenhonderd pilaren; alle
+nachten wordt het door duizend gewapende mannen bewaakt;
+men gaat vijfhonderd treden eener trap op, voordat men aan
+de eerste verdieping komt; op elke trede staan levende leeuwen<a name="364"></a>
+die elken ongeloovige of heiden die er op komt verscheuren;
+op de eerste verdieping wonen de profeten, op de tweede
+de patriarchen, op de derde de heilige jonkvrouwen enz. In de
+eetzaal van &#8222;paep JOHAN" is eene tafel van zoodanigen aard,
+dat indien er vergiftige spijs op wordt gezet, die spijs niemand
+zou hinderen. Er is een klok die, wanneer zij geluid wordt,
+alle booze geesten doet vluchten, zoodat bezetenen indien zij
+haar hooren, hun verstand herkrijgen; er zijn vaten waarin de
+spijs altijd zuiver blijft en haren smaak behoudt. Het gansche
+paleis kan omgedraaid worden als een rad en het is rond
+gewelfd gelijk de hemel. In de zoldering van het gewelf staan
+kostbare steenen die het paleis des nachts verlichten &#8222;recht of
+die sonne daer in scheen des middaghes". In paep JOHANS
+slaapkamer eindelijk is o.a. een reus die zwaargewapend is
+&#8222;ende men seghet, ginghe enich quaet mensche of viant daer
+in na der sonnen onderghanc, soe soude hem die roese ter
+stont doet sclaen". Die reus is gegoten van metaal en versierd
+met edel gesteente.
+
+<p>Daar kon zelfs het paleis van koning WONDER niet tegen op!
+
+<p>De tot dusver behandelde proza-werken worden in belangrijkheid
+en schoonheid overtroffen door het proza, dat, meer
+dan het overige, diende tot uitstorting van eigen en opbouw
+van anderer gemoedsleven. Evenals in de overige landen der
+Westersche Christenheid, ontwikkelde het godsdienstig gemoedsleven
+zich te onzent onder den invloed van de geschriften der
+kerkvaders. Hoe zou het ook anders? In de werken van
+AUGUSTINUS, zijne tijdgenooten en hunne opvolgers was zooveel
+diepe gedachte en fijn gevoel, zooveel vernuftige allegorie
+en verheven symboliek, zooveel schoonheid ook van vorm,
+dat de Nederlandsche geestelijken dier dagen wel kortzichtig
+zouden zijn geweest, indien zij met dat alles niet hun voordeel<a name="365"></a>
+hadden gedaan. Bewondering leidde ook hier tot overneming
+en navolging. Vele preeken en andere stichtelijke geschriften
+der 14<sup>de</sup> eeuw bestaan, naar het schijnt, hoofdzakelijk uit
+aaneengeregen gezegden der kerkvaders, oudere en jongere,
+onder wie vooral S. BERNARDUS op den voorgrond komt<a href="#13.24">[24]</a>.
+
+<p>Maar naast den invloed der kerkvaders moet die der Duitsche
+mystiek worden genoemd, waar sprake is van de ontwikkeling
+van het Dietsche proza als uiting van het godsdienstig
+gemoedsleven. Echter is hier niet alleen sprake van geven,
+doch ook van nemen. Het is vooral Meester ECKHART op
+wien wij hier het oog moeten richten, want de twee andere
+groote mystieken der 14<sup>de</sup> eeuw, SUSO en TAULER, waren
+beiden zijne leerlingen, al gingen zij ook eigen wegen.
+
+<p>Meester ECKHART, &#8222;wien God niets verborg," zooals een
+schrijver van lateren tijd het uitdrukt, was in menig opzicht
+de grootste en zeker de diepzinnigste der Duitsche mystieken.
+Zijne opvatting, beschouwing en uiteenzetting van het wezen
+Gods en het wezen der ziel, die twee assen, waarom zijn
+stelsel draait, zijn even stout als verheven en goeddeels
+oorspronkelijk, al dankt ook hij veel aan de geschriften der
+kerkvaders. Waar ECKHART spreekt van het <i>wezen</i> bedoelt hij
+datgene, dat alle dingen nog ongedeeld in zich omsloten houdt,
+waarin alle dingen nog eene stille kracht zijn; de duisternis,
+waaruit het licht nog niet geboren is; den baaierd, rijke bron
+van alle kracht en macht, onbewegelijk, niets voortbrengend.
+God heeft zich geopenbaard in den Zoon, als uitstraling van
+Zijn Wezen, die voortdurend zich hernieuwt en eeuwig zal
+blijven bestaan. Het eerst, wat de engelen zagen, nadat zij
+geschapen waren, was het Wezen des Vaders en hoe de Zoon
+uit het hart des Vaders te voorschijn brak als een groene loot
+uit een boom. In den Heiligen Geest erkennen beiden hun
+wezen; &#8222;Vader en Zoon hebben nen wil, dat is de Heilige<a name="366"></a>
+Geest". De mensch, door God geschapen, is bestemd ns
+boven de engelen te stijgen, daar de menschelijke ziel met
+God n zal worden. Daarom moet de ziel streven naar eene
+volslagen ledigheid en lijdelijkheid; immers eerst wanneer zij
+die bereikt heeft kan zij van God vervuld worden. Om dat
+hooge doel te treffen moet de mensch alle vleeschelijke lusten
+en begeerten in zich dooden; dan eerst wordt de mensch
+waarlijk mensch. In overeenstemming met die beschouwing is,
+dat wij in ECKHART'S werk overal het innerlijke tegenover en
+boven het uiterlijke geplaatst zien, dat hij met instemming het
+woord van DIONYSIUS AREOPAGITA aanhaalt &#8222;de hel dat is:
+gescheiden zijn van God, en het hemelrijk: Gods aangezicht";
+voor ECKHART is er eene opstanding slechts der ziel en het
+Laatste Oordeel zal slechts hierin bestaan, dat het eigenlijk
+wezen van ieder mensch wordt onthuld.
+
+<p>Maar hoe ook geneigd tot afdalen in de diepten zijner rijke
+ziel om van daar het edel erts zijner mystiek opwaarts te
+brengen, toch stelt hij het werkende leven boven het schouwende
+leven. &#8222;Want al ware de mensch ook in eene geestesverrukking
+als die van PAULUS en wist hij ergens een zieke
+wien hij met een soepje kon helpen, dan zou hij veel beter
+doen door uit liefde te scheiden uit zijne verrukking en den
+behoeftige te dienen uit meerder liefde"<a href="#13.25">[25]</a>.
+
+<p>Toen ECKHART deze en dergelijke dingen begon te schrijven,
+was RUUSBROEC nog maar een knaap; met zijne geschriften
+konden onze voorouders hun godsdienstig gemoedsleven nog
+niet opbouwen. HADEWYCH'S werk was blijkbaar niet geheel
+onbekend en werd ook in de 14<sup>de</sup> eeuw nog wel gelezen, maar
+was toch niet toereikend om de behoefte aan mystieke lectuur
+te bevredigen<a href="#13.26">[26]</a>. Het is dus begrijpelijk, dat ECKHART'S werken
+hier opgang maakten. In handschriften, deels uit de eerste deels
+uit de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw, vinden wij verscheidene<a name="367"></a>
+zijner tractaten, sermoenen en exempelen vertaald; zijne eigenaardige
+terminologie treffen wij voor een deel ook in Middelnederlandsche
+werken van dien tijd aan. Al ontbreekt het in
+die vertaalde werken niet aan bespiegelingen zooals b.v. in het
+tractaat <i>Diu zeichen eines warhaften grundes</i>, zoo schijnen toch
+vooral de exempelen en verhalen met practische strekking hier
+in den smaak te zijn gevallen. Ik heb het oog op verhalen als
+dat van S. BERNARD en &#8222;een bruer in sinte bernardus clooster
+die altoos gheerne in syn celle alleen was" en die op S. BERNARD'S
+vraag naar zijne bezigheden antwoordt: &#8222;In den eersten heb ic
+een wilde beeste te temmen ... die wilde beeste zijn myn
+vyf wilde sinnen, die costen my groote arbeydt te temmen."
+Op het stichtelijk exempel &#8222;van eenen devooten vraukin" dat
+vertelt van haar werk op Dinsdag: &#8222;als ic mijne voghelen
+antiere"<a title="[margin: zich bezig houden met.]"><sup>#</sup></a>. Die vogels zijn namelijk hare vijf zinnen en zij
+bepeinst dan: &#8222;dat ic se meer ter werelt ghekeert hebbe dan
+tot Gode ende dat ic myne ooghen so qualic bewaert<a title="[margin: gepast heb op.]"><sup>#</sup></a> hebbe."
+
+<p>Ook bespiegelingen over de &#8222;godlike mynne" zullen wel in
+den smaak zijn gevallen der geestverwanten van WILLEM VAN
+AFFLIGHEM en HADEWYCH.
+
+<p>Het is er echter verre van, dat ECKHART'S geschriften hier
+te lande louter instemming zouden hebben gevonden. Immers
+ook in Duitschland waren vooral onder de geestelijkheid velen,
+wien zijne leer aanstoot gaf omdat zij haar in strijd achtten met
+de leer der Kerk. Meer dan eens heeft hij dan ook terecht
+moeten staan voor de Inquisiteurs en al heeft hij zich kunnen
+vrijpleiten, zoo blijkt toch wel dat zijne leer naar den mutsaard
+rook. Het karakter der mystiek in het algemeen en dat van
+ECKHART'S mystiek in het bijzonder die den mensch ten slotte
+tot God liet worden, maakt die beschuldiging van ketterij licht
+verklaarbaar. Doch bovendien werd ook door deze mystiek
+het middelaarschap der priesters tusschen God en den mensch<a name="368"></a>
+in den wortel aangetast en heeft menig geschrift, van hem of
+aan hem toegeschreven, de strekking om te doen zien, hoeveel
+hooger geestelijke volkomenheid kon bereikt worden door leeken
+dan door geestelijken. Van dien aard is b.v. een verhaal van
+eene ontmoeting tusschen een doctor in de godgeleerdheid en
+een arm man, die, gekwetst, &#8222;sonder cousen ende baervoets"
+vr de kerk zit. De doctor staat verbaasd over de diepe
+gedachten, godsvrucht en vroomheid van den armen man en
+vraagt hem ten slotte: Wat creature sijdij ende van wat gheslachte?
+De man seyde: Ic ben een conync.&mdash;Conync, seyde
+die meester, hoe muecht ghij een conync ghesijn, anghesien
+u aermoede ende waer es u conyncrijcke? De man seide: Mijn
+siele, dats mijn rijcke, als ic die dueren sluute van mijnen vyf
+sinnen ende soucke mijnen alder liefsten Jhesum Christum duer
+'t ghelove, alle eertsche saken achter latende. Oec vyndic Gode
+int diepe van mijnre sielen duer sijn gracie, ende also, mijn
+vrient, ic segghe hu inder waerheit, dit conincrycke passeert
+ende gaet te boven alle de rijcken die up eerderijc sijn; want
+tes een conyncrijcke dat nemmermeer hende nemen en sal.
+
+<p>Zoo is het dan niet vreemd dat in zeker tractaat de leeken
+gewaarschuwd worden tegen &#8222;eggardus sermone"; noch dat
+ECKHART bij sommigen doorging voor den vader van de kettersche
+secte der Vrije Geesten; noch dat JAN VAN LEEUWEN,
+de kok van RUUSBROEC'S klooster Groenendaal, vr 1355
+&#8222;een boecxken van meester ECKAERT'S leere" schreef om den
+meester van dwaling te overtuigen. Indien men weet dat dit
+&#8222;boecxken" aanvangt met: &#8222;Het was een duvelijc mensche, hiet
+meester ECKAERT", dan verwondert men zich niet over uitdrukkingen
+als: &#8222;meester ECKAERT hadde alsoe vele ghewaregher
+oeffeninghen alse die padde steert heeft ende ooc
+alsoo vele als die duvel in caritaten ende in minnen leeft."
+Wel heeft de kok zijne beschuldigingen in een later geschrift<a name="369"></a>
+herroepen, doch zijne eerste indrukken blijven er even merkwaardig
+om<a href="#13.27">[27]</a>.
+
+<p>Leerling van ECKHART, toonde HEINRICH SUSO, een tijdgenoot
+van RUYSBROECK, zich vooral in zijn eene hoofdwerk:
+<i>het Boek der Waarheid</i>, waarin de speculatieve mystiek tot de
+erkentenis van Gods wezen tracht door te dringen. Het is
+opmerkelijk, dat, naar het schijnt, niet dit werk van SUSO,
+maar slechts zijn andere voorname geschrift: <i>Horologium aeternae
+sapientiae</i> (c. 1337), op het eind der 14<sup>de</sup> eeuw in het
+Nederlandsch is overgebracht. Dit werk namelijk is een voortbrengsel
+der practische mystiek. Geboren uit een oneindig
+verlangen naar een hoogste goed, dat de ledigheid der ziel
+zal vervullen met duurzamen vrede, behandelt het vooral het
+lijden van CHRISTUS. De idealen der eeuwige waarheid, goedheid
+en schoonheid zijn door SUSO samengevat in het begrip
+der eeuwige wijsheid. In den vorm van een gesprek tusschen
+CHRISTUS, die de eeuwige wijsheid is, en een dienaar, ontvangen
+wij hier schilderingen van de heerlijkheid dier wijsheid,
+van de goddelijke minne, de hemelweelden, het lijden van
+CHRISTUS en MARIA. De weg tot een leven met en in CHRISTUS
+wordt dan aangewezen en het geschrift besloten met eene verheerlijking
+van God.
+
+<p>Vooral in dit werk toont deze &#8222;Minnesinger in Prosa" eene
+innigheid en diepte van gevoel en eene hooge opvatting der
+geestelijke minne, die wel indruk moesten maken op een
+Nederlandsch publiek, dat de lyriek van HADEWYCH en MAERLANT
+en een werk als dat van WILLEM VAN AFFLIGHEM
+geheel of ten deele kende. Het kan kwalijk anders of ook
+onze landgenooten moeten onder den indruk zijn gekomen
+van het verhaal van SUSO'S bekeering, van eene wonderfraaie
+passage daaruit als deze: &#8222;Doen gheviel op enen dach
+dat ic ongheduerich was van moede, ende sach al omme ende<a name="370"></a>
+sochte een stat om mi te rustene in die scaduwe, want ic
+scuwen woude die middach hitte; daer sach ic op enen hogen
+berch alse ene scone edele veltbloeme, die lusteleken was aen
+te siene ende scoen sceen sonder ghelike allen den bloemen
+die ic ghesien hadde. Doen ic mi haeste dese bloeme te siene,
+doen wert si verwandelt<a title="[margin: veranderd.]"><sup>#</sup></a> ende en sceen niet meer bloeme,
+maer si scheen ene godinne alre scoenheit voir mi staende.
+Si roedde<a title="[margin: bloosde.]"><sup>#</sup></a> alse ene roede rose; si blicte<a title="[margin: schitterde.]"><sup>#</sup></a> alse snee ende si
+scheen claerre dan die sonne ende hair sprake was vol scoenheden.
+Dese godinne hadde in hare alle dat men begheren
+mochte, ende van hair soe ghinc zoeten roke verre ende wide,
+daer si mede toech<a title="[margin: trok.]"><sup>#</sup></a> tot hare minnen alle die ghene die den
+roke ghevoelden."
+
+<p>Deze godin blijkt de &#8222;moeder der scoenre minnen" te zijn;
+zij bemoedigt hem en hij spreekt haar toe.
+
+<p>Anderzijds verwondert het ons niet, bij een kenner der mystiek
+de onderstelling te vinden, dat SUSO de geschriften van
+THOMAS VAN CANTIMPR en JACOB VAN VITRY heeft gekend.
+De levensgeschiedenissen der ecstatische vrouwen, ons door
+JACOB VAN VITRY verhaald, komen ons weer in de gedachte,
+als wij hooren van SUSO'S bijna bovenmenschelijke zelfpijnigingen
+tusschen zijn 18<sup>de</sup> en 40<sup>ste</sup> jaar: het haren onderkleed
+met ijzeren nagels, die in zijn vleesch drongen; zijne handen
+geboeid, opdat het ongedierte vrij spel zou hebben op zijn
+lichaam; het kruis met spijkers, waar hij op lag; de deur,
+waarop hij sliep; honger, koude, dorst, geeselingen ten bloede&mdash;totdat
+zijn lichaam gezwollen, vol zweren en litteekens, en zijne
+sidderende handen hem waarschuwen, dat zijn leven gevaar loopt.
+
+<p>Misschien ook heeft SUSO persoonlijke betrekkingen aangeknoopt
+met Nederlandsche geestverwanten, toen hij, evenals
+ECKHART, van ketterij beschuldigd, in 1335 voor het Provinciaal
+Kapittel van 's-Hertogenbosch moest terechtstaan<a href="#13.28">[28]</a>.<a name="371"></a>
+
+<p>Meer zekerheid dan omtrent SUSO'S betrekking tot de Nederlandsche
+mystiek geeft ons een bericht aangaande den derden
+der groote Duitsche mystieken: JOHANNES TAULER, evenals
+SUSO een tijdgenoot van RUYSBROEC, doch met dezen bekend
+en zelfs een zijner bewonderaars. In een geschrift van dezen
+tijd lezen wij: &#8222;Dese Tauweler hadde den prior Jan van Ruysbroeck
+in groter ende sonderlingher reverencin. Daer om dat
+hi en oec dick te visiteren plach ... navolghende, als een
+oetmoedich discipel des prioers, syns meesters voetstappen,
+welcke leere hi oec te menighen steden heeft doen vloyen als
+een rivier, comende ut Ruysbroecs boecken<a href="#13.29">[29]</a>."
+
+<p>Het mag alweer eene bijdrage heeten tot kenschetsing der
+Nederlandsche mystiek, dat wij haar in nauwe betrekking zien
+juist tot dien Duitschen mysticus, bij wien het zedelijk godsdienstige
+en de praktijk van het zedelijk leven op den voorgrond
+stonden. RUYSBROECK'S invloed bepaalt zich niet tot TAULER.
+Wij weten, dat zijn werk hooggeschat werd ook onder de
+zoogenaamde &#8222;Gottesfreunde" van Straatsburg en dat hun hoofd,
+RULMAN MERSWIN, nog in zijne laatste levensdagen RUYSBROECK'S
+<i>Chierheit der geestelijker Brulocht</i> voor de broeders vertaalde.
+
+<p>In RUYSBROECK'S verhouding tot de Duitsche mystiek kunnen
+wij hier niet dieper treden; wij moeten dat uitstellen, totdat
+wij hem zelven en zijn werk gaan beschouwen. Eerst hebben
+wij nog te spreken over andere mystieke geschriften. Ik heb
+hier het oog vooral op de zoogenaamde <i>Limburgsche Sermoenen</i>
+waarin zich de invloed der Duitsche mystiek op de Nederlandsche
+vertoont. Deze bundel bevat 48 preeken, waarvan
+twee derde stellig en de overige vermoedelijk vertaald zijn uit
+het Hoogduitsch. De vertaler was waarschijnlijk afkomstig uit
+de buurt van Maastricht of Tongeren; zijn werk schijnt te dagteekenen
+uit de jaren tusschen 1320 en 1350. Verscheidene dezer
+preeken zouden, ook al waren zij oorspronkelijk, van geringe<a name="372"></a>
+beteekenis voor de literatuurgeschiedenis zijn, omdat zij, evenals
+andere vroeger aangeduide, bestaan hoofdzakelijk uit aaneengeregen
+citaten. Doch andere zijn van meer beteekenis<a href="#13.30">[30]</a>.
+Dat deze preeken uit de kringen der mystiek afkomstig zijn,
+mag men aannemen op grond van den inhoud, die in menig
+opzicht verwant is met dien van andere mystieke preeken der
+14<sup>de</sup> eeuw<a href="#13.31">[31]</a>. Zoo b.v. de opvatting der &#8222;minne" in de preek
+van &#8222;negenrehande minne", die zich onder den invloed van
+SINT BERNARD schijnt te hebben gevormd<a href="#13.32">[32]</a>. In &#8222;dboec vanden
+boegarde" vinden wij de allegorie en het niet zelden spitsvondig
+vernuft waarvan de mystieke predikers van dezen tijd zich
+gaarne bedienen<a href="#13.33">[33]</a>. Op menige plaats in dezen bundel worden
+wij getroffen door eene innigheid van gevoel en eene hoogte
+van vlucht, zooals wij ze slechts bij de mystieken vinden.
+
+<p>Ik wijs op de plaats waar van een God minnende ziele gezegd
+wordt: &#8222;Susdans<a title="[margin: zoodanig.]"><sup>#</sup></a> menschen wort ende werc ende al sin leven
+es onder anderen liden<a title="[margin: lieden.]"><sup>#</sup></a> een bloyende paradis van dogeden
+ende van lichten levene"<a href="#13.33">[33]</a>. In de preek &#8222;van seven maniren van
+minnen" lezen wij: &#8222;Sulke stont<a title="[margin: soms.]"><sup>#</sup></a> geschiet dat die minne sutliken
+in der sielen verweckert<a title="[margin: aangewakkerd.]"><sup>#</sup></a> wert ende blidelike op versteet ende
+har selver berurt int herte sonder enech tuduen<a title="[margin: toedoen.]"><sup>#</sup></a> van menscheliken
+werken. Ende wert dan therte so morweliken gerenen<a title="[margin: inniglijk beroerd.]"><sup>#</sup></a> in minnen
+ende so begerliken getrect, so hertelic bevaen in minnen, so
+liflic behelst in minnen, dasse altemalen verwonnen wert metter
+minnen. Hirin gevulse eenre groter naheit te Gode ende ene
+gestelike clarheit ende wonderlike verwentheit<a title="[margin: weelde.]"><sup>#</sup></a> ende ene edele
+vriheit ende een groet bedwanc van starker minnen ende ene
+overvludege volheit van groter genugden; ende dan gevultse
+dat al har sinne sin<a title="[margin: zijn.]"><sup>#</sup></a> in der minnen ende al har wille es
+worden minne, ende dasse so dipe es versonken ende verswolgen
+in minnen ende selver al es worden minne. Die schonheit
+des minnen hefse geschoent, die cragt der minnen hefse<a name="373"></a>
+vertert, die sutheid der minnen hefse versonken, die geregtheid
+der minnen hefse verswolgen, die edelheit der minnen hefse
+behelst, die purheit der minnen hefse geschirt<a title="[margin: gezuiverd.]"><sup>#</sup></a>, die hogheit der
+minnen hefse boven getrect, ende in hare genget<a title="[margin: vereenigd.]"><sup>#</sup></a>, soe dasse
+altemale mut sin der minnen ende anders nit en mach plegen."
+
+<p>Een eind verder in diezelfde preek is sprake van de ziel
+voor wie het leven op aarde &#8222;groote ellende en zware gevangenis
+en hevige kwelling" is, die verlangt naar het &#8222;zoete
+gezelschap van de geesten daarboven, die overvloeien van
+minne"; de prediker vervolgt dan aldus: &#8222;Har wille es dar
+boven onder die geste<a title="[margin: geesten.]"><sup>#</sup></a> ende har begerlike wandelinge, ende
+meest onder die bernende seraphine; ende in die grote Gotheit
+ende in die hoge Drivuldecheit es har liflicste rastinge<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a> ende
+har genuglicste woninge. Si suctene in sinre majesteit, si volgt
+hem dar ende siten ane<a title="[margin: ziet hem aan.]"><sup>#</sup></a> met herten ende met geste. Si kenten,
+si minten, si begerten, soe dasse en can gagten<a title="[margin: achten.]"><sup>#</sup></a> heilgen noch
+engle, menschen noch creaturen dan met gemeinre<a title="[margin: gemeenschappelijk.]"><sup>#</sup></a> minnen
+in heme, darse al mede mint; ende heme allene hefse verkoren
+in minnen boven al ende onder al ende binnen al."
+
+<p>Hier en daar toont dit proza in het werken met tegenstelling
+en parallellisme, ook in het bouwen van lange zinnen, eene
+kunstvaardigheid zooals die tot dusver in ons proza niet gezien
+was. Door de samenspraak weten de schrijvers dezer preeken
+soms eene hooge mate van levendigheid te bereiken. Zoo b.v.
+in <i>Dbuec van Heren Selfarts<a title="[margin: egist.]"><sup>#</sup></a> regelen</i> in passages als deze:
+&#8222;Wie<a title="[margin: hoe.]"><sup>#</sup></a> sal ic mi selver bekennen?&mdash;Ic segt di. Met vif dengen.
+Dirste es daste arm best; dander daste cranc best; terde daste
+quaet best; tfirde daste vel sculdech best; tfifde daste onscoen
+best.&mdash;Du hefs mi seer gescouden<a title="[margin: berispt.]"><sup>#</sup></a>; es dit waer, so bennic
+sere bedrogen an mi selver. Want ic waende ric ende scoen
+wesen, starc ende dogentlic. Nu berigt mi: war ombe ben ic
+arm?&mdash;Die nit guts en heft, es di arm?&mdash;Ja er<a title="[margin: hij.]"><sup>#</sup></a>.&mdash;So<a name="374"></a>
+beste arm. Dun hefs<a title="[margin: gij hebt niet.]"><sup>#</sup></a> cleder noch spise, penninch noch penwert<a title="[margin: ter waarde van een penning.]"><sup>#</sup></a>
+van di selver. Pruve<a title="[margin: overweeg.]"><sup>#</sup></a>: wat brechste here<a title="[margin: bracht gij hier.]"><sup>#</sup></a>, ende wat sauste
+hen vuren? Alt gut daste hefs, dat hefste van Gode: sin est<a title="[margin: het is van Hem.]"><sup>#</sup></a>,
+hi gevet, hi nemet. Nu seg ochte<a title="[margin: of gij.]"><sup>#</sup></a> arm sis.&mdash;Dat weet God,
+ja ic! ic ben arm. Nu sege mi: war ombe ben ic cranc?" enz.
+
+<p>Wij weten niet of dit proza in ruimen kring verbreid is
+geweest; maar ook binnen een beperkten kring van hoorders
+en lezers kan het allicht eenigen invloed ten goede hebben
+geoefend op de ontwikkeling van het Dietsche proza.
+
+<p>De betrekking tusschen de Duitsche en de Nederlandsche
+mystiek wordt gekenschetst niet alleen door wederzijdsch
+geven en nemen maar ook door het voorkomen van gelijke
+of gelijksoortige uitingen en vormen. In de Opperduitsche
+Dominicaner-nonnenkloosters van de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw
+wordt het mystieke leven, zooals wij dat vroeger onder de
+Cistercinser-nonnen leerden kennen, voortgezet. Tal van adellijke
+vrouwen en meisjes laten zich in die kloosters opnemen
+om daar de wereld en zich zelve te leeren verloochenen. Al
+deze nonnen, onder wie ELISABETH STAGEL, SUSO'S vriendin,
+en CHRISTINA EBNER tot de meest bekende behooren, streven
+onder ontbering en zelfkastijding naar nheid met JEZUS.
+Extatische toestanden en visioenen zijn dagelijksch brood voor
+haar; de meesten zijn ontwikkeld, eenige hebben mededeelingen
+uit haar eigen en anderer leven te boek gesteld.
+
+<p>Naar het schijnt, hebben wij een, met die geschriften verwant,
+Nederlandsch werk in het boek <i>van machteldis visioenen</i>.
+Voorzoover ik heb kunnen nagaan, bevat dit geschrift geene
+vertaling der werken van de begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG,
+die wij vroeger leerden kennen<a href="#13.34">[34]</a>.
+
+<p>Zeker hebben wij met zelfstandige Nederlandsche uitingen te
+doen in het merkwaardig geschrift van een onbekenden leek<a name="375"></a>
+dat omstreeks 1333 schijnt te zijn ontstaan en in de werken
+van &#8222;den goeden coc van Groenendaal" JAN VAN LEEUWEN,
+over wien wij reeds spraken<a href="#13.35">[35]</a>.
+
+<p>Het geschrift van den onbekenden leek, die misschien in
+Noord-Nederland leefde, heeft den gewonen vorm van een
+samenspraak tusschen den auteur (die ook wel een vrouw kan
+zijn geweest) en Meester EGGAERT, die in den aanvang &#8222;een
+uutgenomen licht van hemelscher wijsheit" wordt genoemd.
+
+<p>Wat ons in deze samenspraak al dadelijk treft, is het gevoel
+van zelfstandigheid tegenover de priesters. Niet tegenover de
+priesterschap op zich zelve; hij zou wel eerbied voor hen
+hebben, indien zij waren wat zij moesten zijn: &#8222;lichtdraghers
+der heiligher kerken." Maar dezulken schijnt hij niet te kennen.
+Over het algemeen heeft hij van priesters en kloosterlingen
+geen hoogen dunk. Hun geestelijk &#8222;habijt" boezemt hem weinig
+eerbied in, omdat hij er door heen zooveel wereldschgezindheid
+ziet, zooveel hoogmoed, eerzucht, zinnelijkheid en laagheid.
+Een goed mensch is meer monnik voor de oogen Gods
+dan die het &#8222;habijt" draagt en ongeestelijk leeft. Wee allen,
+die zijn &#8222;apostelen in die tonge ende rabaude in die oefeninghe<a title="[margin: schurken in de practijk.]"><sup>#</sup></a>"
+roept hij uit. Hij oefent critiek op beweringen van
+priesters, &#8222;meesters in de vri consten," die hij gehoord heeft;
+hij stelt hunne laatdunkendheid tegenover de leeken aan de kaak.
+
+<p>Zijn gevoel van zelfstandigheid openbaart zich niet minder
+in zijne opvatting van geloof en kerkleer. Welk eene stoutheid
+van denken vinden wij in dezen middeleeuwer, die durft
+schrijven: &#8222;Die salighe minnende siele is godliker op haer
+bedde dan in die kerc!" Soms vervoert die stoutheid van
+denken hem tot vragen, waarvoor hij zelf terugschrikt. Een
+oogenblik twijfelt hij aan de Drie-eenheid. Hij schroomt niet,
+Meester EGGAERT de vraag voor te leggen: &#8222;Plach God te
+lieghen, dat Hij Moyses niet en liet dat lant, dat Hij hem<a name="376"></a>
+belooft hadde?" Doch als hij vraagt: &#8222;Meester Eggaert, hemel
+en aarde hadden een begin, en God is eeuwig. Waar was
+God dan vr de schepping?" dan is het antwoord: &#8222;Al daer
+en betaemt geen leec na te vraghen, noch om te peysen."
+
+<p>Ook tegenover ECKHART weet hij zijne zelfstandigheid te
+bewaren, want visioenen stelt hij lager dan deze; hij gelooft,
+dat ze meerendeels het werk zijn van booze geesten. Met de
+overdreven MARIA-vereering kan hij zich niet vereenigen,
+evenmin met die van apostelen en heiligen; allen zijn zij
+Gods schepselen, &#8222;God es die fonteyne van alre doecht."
+Dat sterke besef van God als de bron van alle goed brengt
+hem tot de schijnbaar ongerijmde, maar juist daardoor zoo
+sterk sprekende uiting: &#8222;Ik zou liever met God in den afgrond
+van de hel zijn, dan met Maria en alle heiligen en alle engelen
+in den hemel zonder God." Ook voor mirakelen en het aanbidden
+van beelden gevoelt hij weinig. De goede &#8222;verlichte"
+menschen zoeken geen mirakelen. Slechts onverlichte menschen,
+zwak van geloof, aanbidden heiligenbeelden. Hij gaat zelfs
+zoover van te zeggen: &#8222;Eer ik n goed mensch van honger
+liet sterven, zou ik een vuur maken van alle beelden te Aken,
+te Aardenberg en te Katwijk en er voor hem eten op koken."
+
+<p>Hier hoort men ander vuur knappen dan dat van den
+mutsaard, waarop de ketters verbrand werden! Hier gloeit
+reeds een sprank van het vuur dat later zal uitslaan in de
+Hervorming. Een anderen sprank van dat vuur zien wij in
+zijne ergernis over de vervolging, waaraan beggaarden en begijnen
+toentertijd blootstonden vanwege de geestelijke inquisiteurs.
+Levendig is reeds in hem het besef: God moet men
+gehoorzamen boven alle menschen en boven alle prelaten.
+Ook de paus, al is hij een aardsch god, heeft geen recht iets
+te bevelen, dat in botsing komt met wat God geboden en
+verboden heeft.<a name="377"></a>
+
+<p>Hier is reeds de godsvrucht die geen menschenvrees kent
+en zich afhankelijk gevoelt van God alleen; nu nog maar
+aanwezig in een enkele, doch die gaandeweg zal aanwassen
+en zich uitbreiden over duizenden bij duizenden.
+
+<p>Het verrast ons niet, bij een man, zoo onafhankelijk van
+geest als deze leek, de opvatting van <i>adel</i> en <i>dorper</i> terug te
+vinden, die wij vroeger door MAERLANT hoorden verkondigen.
+Zijn oog blijft dan ook niet gesloten voor zoovele maatschappelijke
+misstanden, voor het onrecht in de verhouding tusschen
+rijken en armen; en zoo hij aan boeren en ambachtslieden
+onderwerping predikt, het is in bitterheid des harten.
+
+<p>Toch is het niet vooral op deze wereld, dat hij den blik gericht
+houdt; als elk waarachtig christen, heeft hij een heimwee
+naar hooger, reiner leven: &#8222;Siet, wij sijn al pelgrims ... ende wij
+gherne waren tot ons vaders lande, daer wij toe ghemaect sijn."
+
+<p>Datzelfde heimwee vinden wij in de geschriften van den
+goeden kok van Groenendaal, waar hij verzucht: &#8222;Rechts<a title="[margin: volkomenlijk.]"><sup>#</sup></a> es
+hier mijn leven ende mijn daghelijcsche ghevoelen, als een
+armen ghevanghenen te moede es, die droeve ende serich
+leghet, ya al vol rouwes in eenen aleyndeghen<a title="[margin: ellendig.]"><sup>#</sup></a> kerkere des
+lichamen bevaen<a title="[margin: omvangen.]"><sup>#</sup></a> ende besloten."
+
+<p>En dit is&mdash;begrijpelijkerwijze&mdash;niet het eenig punt van
+overeenkomst tusschen deze twee tijdgenooten. Ook JAN VAN
+LEEUWEN ergerde zich aan het schreeuwend verschil tusschen
+leer en leven van zoovele geestelijken, aan de hebzucht, gulzigheid
+en wellust van vele prelaten; &#8222;die duvel regneert nu onder
+dat gheestelijke volc"&mdash;aldus vat hij ergens zijne indrukken
+van hun handel en wandel samen. Ook bij hem vinden wij
+die neiging tot terugkeer naar den apostolischen eenvoud en
+het christelijk communisme. Ook bij hem een ruimer en hooger
+opvatting van vroomheid dan in die dagen het deel der meesten
+was. Hier en daar weet hij die opvatting weer te geven met<a name="378"></a>
+treffende levendigheid en gezonde luim. Zoo b.v. waar hij
+spreekt over de trouwe kerkgangers die telkens weer in zonden
+vallen, maar genoeg wanen te doen door eens in het jaar ter
+biecht te gaan. &#8222;Soe seggen si: &#8222;Here, ic hebbe gheloghen
+ende ghesworen. Ic en weet niemeer. Vraecht mij voert.... Ende
+dan seit die pape<a title="[margin: priester.]"><sup>#</sup></a> ter selver stont&mdash;ende es also droncken
+als een hont&mdash;&#8222;Absolvo te!" dats in dietsche: &#8222;Ic ontbinde
+oft ic absolvere di." Ende dan seit die pape: &#8222;Joffrouwe, gaet
+thuuswert; sijt onverveert. Vallen ende opstaen es menschelijc."
+JAN VAN LEEUWEN heeft ook dien waarheidszin die hem
+doet schrijven: &#8222;Want ic bin der waerheyt meer sculdech dan
+alre menschen of oec enechs menschen hulde<a title="[margin: genegenheid.]"><sup>#</sup></a> te houdene,
+daer ic de waerheyt yet verswighen soude. Omme sterven of
+oec omme leven en sal men der waerheyt niet afgaen, maer
+wy selen rechte doerliden<a title="[margin: doorgaan.]"><sup>#</sup></a> voor de oghen Gods, sonder
+yemene<a title="[margin: iemand.]"><sup>#</sup></a> te spaerne om gheniets<a title="[margin: voordeel.]"><sup>#</sup></a> wille, noch arme noch
+rike, noch vriende noch maghe."
+
+<p>Echter blijft hij zich wel bewust van de grenzen die hij hier
+moet in acht nemen: &#8222;van den alder quaetsten willic swighen".
+Hij heeft niet de onafhankelijkheid van geest, waarmede de
+onbekende leek zich tegenover kerk en priesters durft plaatsen;
+hij wil of durft zich niet zoo uitlaten als deze over Mariadienst,
+mirakelen, heiligenbeelden, vervolging om den geloove. Visioenen
+zullen wel in eere zijn geweest bij hem, die zich bevoorrecht
+gevoelde door de &#8222;gracie Gods" die hem het &#8222;scouwende leven"
+deelachtig had gemaakt.
+
+<p>In dat alles was &#8222;de goede kok" een man van zijn tijd, een
+middeleeuwsch Katholiek; den onbekenden leek mag men &#8222;een
+middeleeuwsch Protestant" noemen.
+
+<p>Dat JAN VAN LEEUWEN was zooals hij was, moet zeker
+goeddeels worden toegeschreven aan den invloed van zijn
+prior, van den man dien hij vereerde meer dan een heilige,<a name="379"></a>
+die voor hem was &#8222;een seraphin in hemelrike, den hoechsten
+enghelen ghelike", die zijne &#8222;edele gloriose leringhe al eertrike
+dore ghesaeit ende ghespraeit" had&mdash;van JOHANNES RUYSBROECK,
+wiens werk hier reeds meer dan eens even zichtbaar
+is geworden, zooals een kerktoren bij eene nieuwe kromming
+van den weg.
+
+<p>Zijn leven maar vooral zijn werk gaan wij nu beschouwen.
+
+<h3>RUYSBROECK<a href="#13.36">[36]</a>.</h3>
+
+<p>Het verhaal van zijn uiterlijk leven is ras gedaan. Hij werd
+in 1294 geboren in het dorp Ruysbroeck, dat ten zuiden van
+Brussel aan de Senne ligt. Zijn vrome moeder wilde hem
+gaarne bij zich houden, maar zucht naar kennis en ontwikkeling
+dreef den knaap op zijn elfde jaar uit haar huis.
+Heimelijk gaat hij naar Brussel en wordt opgenomen bij een
+bloedverwant die kanunnik was aan de kerk van Sinte Goedele.
+Hij wijdt zich nu met grooten ijver aan de studie, vooral aan
+de theologie; de begeerte om tot een schouwend leven te komen
+wast steeds in hem. Zelfs het genot van zijne moeder te zien
+en te spreken ontzegt hij zich. Op zijn 24<sup>ste</sup> jaar wordt hij
+priester, daarna kapelaan aan de kerk van St. Goedele. Meer
+en meer trekt hij zich terug in eigen zieleleven.
+
+<p>Met het klimmen zijner jaren moet het verlangen naar
+bevrijding van ambtsbezigheden en stadsleven sterker in hem
+zijn geworden. Op zijn 60<sup>ste</sup> jaar legt hij zijn ambt neer en
+gaat met Heer FRANK VAN COUDENBERGHE, kapelaan van
+St. Goedele als hij, in het Sonin-bosch wonen. Daar stichten
+zij in een dal dat Groenendaal genoemd werd, voor hen beiden
+&#8222;eene matelycke habitacie", op de plek waar vroeger de kluis
+van een kluizenaar gestaan had.
+
+<p>RUYSBROECK ware wel gaarne met Heer FRANK alleen gebleven;
+maar deze &#8222;begheerde die minne Gods te vermeeren<a name="380"></a>
+in vele personen." Zoo voegden zich dan eenige leeken en
+religieusen bij hen. Allen namen daarna den regel en het
+&#8222;habijt" der regulieren van SINT AUGUSTINUS aan. Onder
+Heer FRANK als proost werd RUYSBROECK prior. In dit klooster
+heeft hij, zijn ambt waarnemend en overigens ook het geringste
+werk niet versmadend, zich eerst recht aan de oefening in het
+werkend en schouwend leven kunnen wijden. De roep van
+heiligheid, uitgaand van zijn leven en zijne werken, bracht
+talrijke bezoekers uit Dietsche en Duitsche landen, ook wel
+eens uit Parijs, naar Groenendaal. TAULER en GEERT DE
+GROOTE behooren tot de beroemdsten onder hen. Zijnerzijds
+gaat RUYSBROECK soms te voet, al viel het hem moeilijk, naar
+bevriende kloosters, waar men aanstoot had genomen aan eenig
+geschrift van zijne hand en voorlichting van hem begeerde. De
+Karthuizer-broeder GERAERT, die hem bij zulk eene gelegenheid
+heeft gezien en gesproken, weet ons te vertellen &#8222;van sinen
+ripen ende bliden aensiene, van sinen goedertieren ende oetmoedighen
+spreken." Zoo vloeit zijn leven rustig voort. Dan gaan
+zijne gezellen hem begeven o.a.: zijn leerling, de kanunnik
+WILLEM JORDAENS, en de goede kok JAN VAN LEEUWEN.
+
+<p>RUYSBROECK'S oogen beginnen te verduisteren; als hij de
+mis opdraagt, kan hij de hostie niet goed meer onderscheiden.
+Steeds heeft hij den psalm op de lippen: &#8222;mijn ziele dorst naar
+God, de levende bron; wanneer zal ik komen en verschijnen
+voor het aangezicht van mijn God." Heugenissen der kindsheid
+komen op in zijn geest; het beeld zijner moeder verschijnt
+hem, zij onderricht hem van zijn sterfdag. Die dag kwam in
+December 1381. Met den blos des levens op het gelaat, scheidt
+hij uit dit leven<a href="#13.37">[37]</a>.
+
+<p>Op een miniatuur, kort na RUYSBROECK'S overlijden vervaardigd,
+zien wij hem in het Sonin-bosch bezig met het<a name="381"></a>
+opstellen van een geschrift. De grijze prior zit onder een
+boom op den grond; op zijn knie rust een met groen was
+bestreken schrijftafeltje, zijne rechterhand grift letters in het
+was; boven zijn hoofd zweeft een duif, symbool van den
+Heiligen Geest, onder wiens inspiratie hij werkt. Tegenover
+hem zit een jonge kloosterbroeder, met bruin haar en blozende
+wangen, aan een schrijflessenaartje; links van hem ligt een
+beschreven was-tafeltje, vr hem een vel perkament; den
+wijsvinger der linkerhand houdt hij bij het in was gegrifte
+woord, dat hij juist bezig is op perkament over te brengen.
+Dat is de jonge priester, die Heer JAN als &#8222;notarius" diende,
+gelijk Broeder GHERAERT ons heeft verhaald<a href="#13.38">[38]</a>.
+
+<p>Naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier eene betrouwbare
+voorstelling van de wijze, waarop menig werk van
+RUYSBROECK is ontstaan. De mystieken hadden behoefte aan
+afzondering, om zich ongestoord in eigen zieleleven te kunnen
+verdiepen. Waar konden zij die behoefte beter bevredigen dan
+op een eenzame plaats buiten? Gedurig buiten vertoevend in
+bosschen en velden of aan het werk in den kloostertuin, leerden
+zij de natuur kennen en liefhebben als openbaring Gods.
+Welk een innige verhouding tot de natuur zien wij in Sint
+FRANCISCUS, die alle schepselen Gods als zijne broeders en
+zusters beschouwt en in zijn <i>Cantico del Sole</i> blijk geeft van
+een innig samenleven met de gansche natuur, zooals wij dat
+eeuwen daarna bij dichters als GOETHE en SHELLEY, maar
+ontkerstend, zullen terugvinden. Ook in HADEWYCH'S pozie
+merkten wij een levendig natuurgevoel op. Zoo is dus de
+voorstelling van RUYSBROECK, zijne werken dichtend in het
+Sonin-bosch, geheel overeenkomstig de algemeene verhouding
+tusschen mystiek en natuurleven.
+
+<p>Waarschijnlijk is een groot deel zijner werken ontstaan in
+en bij het klooster Groenendael. Maar niet alle werken. Immers<a name="382"></a>
+broeder GHERAERT vertelt ons, dat RUYSBROECK te Brussel
+begon eenige zijner boeken te maken, en zijn voornaamste
+werk, de <i>Chierheit der geesteleker Brulocht</i>, was reeds in
+1350 voltooid, vier jaar voordat hij de &#8222;habitacie" ten
+Groenendale betrok. Van de chronologie zijner werken is
+ons overigens tot dusver weinig bekend; slechts weten wij,
+dat zijn <i>Spieghel der ewigher Salicheit</i> in 1359 geschreven is
+en dat het tractaat <i>vanden Rike der Ghelieven</i> zijn eerste
+werk was<a href="#13.39">[39]</a>.
+
+<p>De oude &#8222;verluchter", die op zoo naeve wijze RUYSBROECK'S
+werk voorstelde als ontstaan door &#8222;ingheestinghe", toonde
+daardoor wel de juistheid van zijn inzicht. Toch mag men
+niet voorbijzien, dat de in den vromen prior schuilende
+scheppingskracht meer dan eens te werk is gesteld door een
+oorzaak buiten hem. Zoo werd de <i>Spieghel der ewigher Salicheit</i>
+geschreven op verzoek eener non van St. Clara, &#8222;die hem
+langhe daerom ghebeden hadde". <i>Dat Boec vander hoechster
+Waerheit</i> werd geschreven ter verklaring van zijn eerste werk
+en op verzoek van broeder GHERAERT en de zijnen. Een derde
+geschrift: <i>Vingherlinc<a title="[margin: vingerring.]"><sup>#</sup></a> of het blickende steentje</i>, vloeide voort
+uit een gesprek met een kluizenaar &#8222;van gheesteliker materien"
+en werd op verzoek van dezen te boek gesteld. Ook het
+<i>Tractaet van Seven sloten</i> is waarschijnlijk geschreven op verzoek
+eener Clarisse<a href="#13.40">[40]</a>.
+
+<p>Behalve de reeds genoemde werken schreef RUYSBROECK nog:
+<i>Van den gheestelijken Tabernacule</i>, het omvangrijkste van alle;
+<i>Van den Twaelf Dogheden<a title="[margin: deugden.]"><sup>#</sup></a></i>, dat, zoo al niet door hem, dan
+toch zeker geheel in zijn geest is geschreven; <i>Van seven Trappen</i>;
+<i>Van den Kerstenen Ghelove</i>; <i>Van den vier Becoringhen</i>; <i>Van
+den twaelf beghinen</i>.
+
+<p>Zijn deze titels alle van RUYSBROECK zelf afkomstig? Van
+een viertal, reeds door broeder GHERAERT genoemde, (<i>Rike</i><a name="383"></a>
+<i>der Ghelieven, Van der hoechster Waerheit, Brulocht</i> en <i>Tabernakel</i>)
+acht ik dat wel waarschijnlijk; de overige zouden ook
+van afschrijvers kunnen zijn. Al deze titels houden natuurlijk
+in meerdere of mindere mate verband met den inhoud der
+werken, doch in bijna al deze werken vinden wij, behalve
+hetgeen door den titel wordt aangewezen, ook deelen van
+RUYSBROECK'S mystieke levensbeschouwing, telkens in ander
+verband en met meerdere of mindere volledigheid, terug. Daarom
+moet men bij eene beschouwing van RUYSBROECK'S werk niet
+zoozeer letten op de, door verschillende titels onderscheiden,
+deelen ervan, als wel op het geheel dat zij samen vormen.
+
+<p>Een kort overzicht van de <i>Chierheit der gheesteleker Brulocht</i>
+kan ons eenigermate een denkbeeld geven van den bouwtrant
+van RUYSBROECK'S werk. De <i>Brulocht</i> bestaat uit drie
+deelen, overeenkomend met de drie trappen, welke de mysticus
+in zijn streven naar volmaaktheid heeft te bestijgen:
+het werkende, het innige en het schouwende leven. Aan het
+geheel is ten grondslag gelegd deze tekst: &#8222;Ziet, de bruidegom
+komt, gaat uit, hem te gemoet." De vier deelen van dezen
+tekst worden nu achtereenvolgens op elk der trappen toepepast,
+telkens in dieper zin. <i>Ziet</i>, d.i.: de mensch moet zich telkens
+weer richten op God; <i>de bruidegom komt</i>: God komt den op
+Hem ziende tegemoet; <i>gaat uit</i>: de mensch handelend in zijne
+betrekking tot God; <i>Hem tegemoet</i>: de ontmoeting van God
+en mensch<a href="#13.41">[41]</a>.
+
+<p>Weinig werken van RUYSBROECK vertoonen in hun bouw
+eene zoo strenge symmetrie als dit; toch kunnen wij in de
+meeste wel iets daarvan terugvinden. Het <i>Boek van den Tabernakel</i>
+geeft eene voorstelling van het mystieke leven of van
+&#8222;den loop der minnen", gesymbolizeerd in den Tabernakel
+en zijne talrijke onderdeelen. <i>Van den twaelf Dogheden</i>,
+eer eene zedekundig dan een mystiek geschrift, geeft eene<a name="384"></a>
+beschouwing der Christelijke deugd, welker grondslag de
+ootmoed wordt genoemd. In <i>Spieghel der ewigher Salicheit</i> ontvangen
+wij beschouwingen over het kloosterleven, het Avondmaal
+en de soorten van avondmaalgangers. In het <i>Tractaet van
+seven Sloten</i> worden de kloosterplichten uiteengezet; doch,
+evenals in de bovengenoemde en nog te noemen geschriften,
+telkens weer in verband met het gansche mystieke leven en
+hier inzonderheid met het schouwende leven. De <i>Vier Becoringhen</i><a title="[margin: verzoekingen.]"><sup>#</sup></a>,
+bedoeld in het geschrift van dien naam, zijn:
+onbedwongen natuur waaruit zinnelijkheid en wellust voortkomen;
+schijnheiligheid; begeerte om met het natuurlijk verstand
+alle dingen te willen verstaan, hetwelk tot geestelijken hoogmoed
+leidt; bij de vierde &#8222;becoringhe" had RUYSBROECK het oog op
+de kettersche secte der Broeders en Zusters van den vrijen
+geest, die, innerlijke en uiterlijke goede werken versmadend,
+hunne ziel ontledigd van alle andere dingen en slechts met
+God vervuld achtend, waanden geene zonde te kunnen doen,
+omdat God immers alles in hen werkte. Het <i>boek van den
+twaelf beghinen</i> is gewijd vooral aan de Beschouwing. Aanvangend
+met eene samenspraak tusschen twaalf begijnen over
+de liefde tot JEZUS, handelt het voorts over het Avondmaal,
+de vereischten voor de beschouwing, de dwalingen der ketters,
+de schepping der wereld, de bedorven natuur van den mensch
+enz. De stof moge hier rijk zijn, de samenhang der deelen
+laat veel te wenschen over. In <i>Vingherlinc</i> wordt, aanknoopend
+bij een bijbeltekst uit <i>de Openbaring</i> waar gesproken wordt
+van een &#8222;blickend<a title="[margin: schitterend.]"><sup>#</sup></a> steenken", met kunstige symboliek aangetoond
+dat met dit in een ring gevat steentje CHRISTUS
+bedoeld is.
+
+<p>Bestaat er dus wel verband tusschen de titels en den inhoud
+van RUYSBROECK'S werken, anderzijds zal gebleken zijn hoe
+telkens naast en boven dit bijzondere het algemeene zich ver<a name="385"></a>toont.
+Dat algemeene zullen wij trachten beknopt samen te
+vatten.
+
+<p>Uitgaande van het Wezen Gods, daalt ook RUYSBROECK'S
+mystiek af tot den mensch en klimt weer op tot God.
+
+<p>God is het absolute praedicaatlooze Zijn, het &#8222;overwesen",
+de &#8222;onghebeelde blootheit"<a title="[margin: ledigheid zonder beelden (vormen).]"><sup>#</sup></a>. <i>Wat</i> God is, gaat boven het
+begrip aller schepselen; doch <i>dat</i> Hij is, getuigt Natuur en
+Schriftuur en alle Creatuur. Uit Gods eenheid vloeit Zijne
+drieheid voort; de geboorte van den Zoon heeft voortdurend
+plaats, Gods wijsheid weerspiegelt zich in den <i>Zoon</i>; uit beider
+ontmoeting ontspringt hunne minne: de Heilige Geest. Ook
+deze wordt voortdurend herboren: steeds is er een nieuw
+&#8222;uutgheesten", een nieuwe vloed van eeuwige minne. Al kunnen
+wij God niet volnoemen noch volspreken, toch kunnen wij als
+zijne voorname eigenschappen onderscheiden: almacht, wijsheid
+en liefde, overeenkomend met Vader, Zoon en H. Geest.
+Tegenover de eeuwige schepping: het ideel vrbestaan der
+dingen in God, staat de schepping in den tijd, die eene vrijwillige
+daad van Gods liefde is. In zijne voorstelling dier
+tijdelijke schepping neemt RUYSBROECK PTOLEMAEUS' wereldstelsel
+over, volgens hetwelk de aarde middelpunt des heelals is.
+Tegenover de stoffelijke schepping staat de geestelijke: engelen
+en menschen. De mensch, kroon der schepping, geschapen
+niet uit Gods wezen doch uit niets, is bestemd de plaats in te
+nemen die de engelen verloren hebben, terug te vloeien tot
+zijn oorsprong: God. Doch eerst langzamerhand zal het hoogere
+in hem het lagere kunnen overwinnen, onderwerpen, beheerschen.
+De krachten der menschelijke ziel zijn te verdeelen in vier
+lagere &#8222;vee-gelijke", en drie hoogere; de lagere zijn: toorn,
+begeerte (&#8222;beestelicke" krachten), redelijkheid die mensch van
+dier scheidt, en vrijheid van wil. De drie hoogere: memorie,<a name="386"></a>
+verstand en wil; met deze drie krachten komen overeen deze
+eigenschappen: &#8222;onghebeelde blootheit", &#8222;overste redene" en
+&#8222;vonke der ziele", d.i. de aangeboren neiging der ziel tot
+haren oorsprong. Door deze eigenschappen staat de ziel in
+betrekking tot God en kan zij tot Hem opklimmen. De mogelijkheid
+tot vereeniging met God is van eeuwigheid af in onze
+ziel gelegd, doch de werkelijke vereeniging met God komt tot
+stand eerst in het mystieke leven. In zijn streven naar die verwerkelijking
+wordt de mensch belemmerd door de zonde. Zonde
+is niet: geneigdheid tot het kwade, doch afwezigheid van strijd
+tegen het kwade. In zijne leer aangaande den zondeval, de
+zegepraal over dood en duivel en onze loskooping staat
+RUYSBROECK op het standpunt der Roomsch-Katholieke kerk.
+Echter beslaat CHRISTUS' verlossende werkzaamheid weinig
+plaats in zijn stelsel. CHRISTUS, de mensch, is hem vooral,
+toonbeeld van het mystieke leven.
+
+<p>Zoo wordt uit het Goddelijk Wezen alles afgeleid, met dien
+verstande dat het Goddelijk beeld overal bewaard blijft. Tegenover
+en naast het, uit opeenvolgende momenten bestaande, menschenleven
+wordt het transcendente begrip van tijdeloosheid, het
+&#8222;ewigh nu" in God en Gods werken gehandhaafd. Worden en
+bestaan, komen en vergaan zijn slechts vluchtige vormen van
+het eenige, eeuwige Zijn; de altijd wisselende eb en vloed van
+de diepe en eeuwig ruischende zee der Godheid. De eeuwige
+bestaansvorm der Godheid vertoont zich overal in dit grootsche
+stelsel als de spitsboog in een kathedraal.
+
+<p>Op dezen grondslag van speculatieve mystiek heeft RUYSBROECK
+het gebouw zijner practische mystiek opgetrokken. In die vereeniging
+van theorie en practijk ligt voor een deel het eigenaardige
+en de verdienste zijner mystiek.
+
+<p>RUYSBROECK neemt drie trappen (&#8222;staten" of &#8222;ordenen") aan
+als evenzooveel stadin op den heilsweg. Wie tot een hoogeren<a name="387"></a>
+trap opklimt, moet toch altijd de plichten van den vorigen trap
+blijven beoefenen. In het <i>Boec van seven Trappen</i> noemt hij
+b.v. als de zeven treden waarlangs de vrome opklimt tot de
+zaligheid der beschouwing: 1<sup>o</sup>. eendrachtich ende eenwillich
+sijn met den wil ons Heren; 2<sup>o</sup>. willich armoede; 3<sup>o</sup>. reynicheit
+der sielen ende suverheit van lichame; 4<sup>o</sup>. ghewarighe<a title="[margin: waarachtige.]"><sup>#</sup></a> oetmoedicheit;
+5<sup>o</sup>. edelheit alre doechde ende alre goeder werke d.i.:
+begeeren de eere Gods bovenal; 6<sup>o</sup>. een claer insien puer van
+gheeste ende van ghedachten; 7<sup>o</sup>. een grondeloos niet weten
+van God, &#8222;een versterven ende overliden<a title="[margin: overgaan.]"><sup>#</sup></a> in ene ewighe
+onghenoemtheid daer wi ons verliesen". De verdeeling in drien,
+die in het middeleeuwsch leven zoo veelvuldig voorkomt,
+schemert ook hier weer door. Want de drie eerste graden
+behooren tot het <i>Werkende</i>, de twee volgende tot het <i>Innige</i>,
+de beide laatste tot het <i>Schouwende</i> leven.
+
+<p>Tot het Werkend Leven moet de mensch voorbereid worden
+door tweerlei gratie: 1<sup>o</sup>. de &#8222;voirlopende" die den mensch
+beweegt, van buiten: door ziekte, leed, goede voorbeelden;
+van binnen: door overdenking van Gods lijden, de vergankelijkheid
+van het aardsche; 2<sup>o</sup>. de gratie die is &#8222;een heymelic
+inwerken Gods" in de ziel. Door Gods inwerking ontstaat dan
+de &#8222;caritate", d.i. een minneband tusschen God en de minnende
+ziele. Wie deze &#8222;caritate" bezit, heeft volkomen rouw
+van zonden, en wie deze heeft, zal trachten zich van zonde
+te reinigen om te komen tot een onbesmette conscientie.
+
+<p>Nog is de mensch niet waardig een <i>zoon</i> Gods te heeten;
+in afwachting daarvan moet hij trachten zooveel mogelijk een
+getrouwe <i>knecht</i> te zijn. Abstinentie, penitentie, eerzame zeden
+en heilige werken van buiten&mdash;dat is ongeveer wat door het
+werkende leven wordt omvat. Op &#8222;caritate", rechtvaardigheid
+en ootmoed, berust het &#8222;gestichte alre doghede ende alre
+edelheit". In al die onderscheiden deugden: ootmoed, gehoor<a name="388"></a>zaamheid,
+zelfverloochening, lijdzaamheid, zachtmoedigheid,
+medelijden, zachtheid, reinheid van ziel en lichaam, moet de
+mensch zich aldoor oefenen. Drie machtige vijanden heeft hij
+daarbij te weerstaan: de Booze, de wereld, zijn eigen vleesch.
+Bijgestaan door de genade Gods moet de mensch in dien strijd
+zich staande houden en zijne ziel ordenen als een koninkrijk,
+waarin de vrije wil koning is. Deze geheele deugdsbetrachting
+wordt aangewezen als navolging van CHRISTUS.
+
+<p>Het Innige Leven staat hoog boven het Werkende, als
+&#8222;overlant"<a title="[margin: Hoogland.]"><sup>#</sup></a> boven &#8222;nederlant"<a title="[margin: Laagland.]"><sup>#</sup></a>. Wie in het Innige Leven
+wil komen, moet op de bergen wonen waar de Zonne der
+Gerechtigheid schijnt. In tegenstelling met het Werkende Leven,
+waar voornamelijk de mensch werkt, werken hier God en
+mensch gelijkelijk en komen elkander tegemoet.
+
+<p>In het Innige Leven vallen drie stadia te onderscheiden: 1<sup>o</sup> het
+kenvermogen des menschen wordt doorschenen met bovennatuurlijke
+klaarheid; 2<sup>o</sup> daardoor voorgelicht, moet de mensch uitgaan
+in inwendige oefeningen naar gerechtigheid; 3<sup>o</sup> hij moet opklimmen
+tot het genieten van de eenheid met God. In het eerste
+stadium, waarin RUYSBROECK den invloed der bovennatuurlijke
+klaarheid vergelijkt bij den loop der zon, worden weer tal van
+deugden beschouwd in de wijze, waarop telkens eene nieuwe
+zich uit eene voorgaande ontwikkelt. Het hart wordt door het
+inwendig vuur van den H. Geest steeds op en neer gedreven,
+opbruisend en neervallend als water waaronder vuur wordt
+gestookt. Het hart, gewond door minne, wil telkens zich sluiten,
+doch telkens schijnt de zon, CHRISTUS, er in en wordt de
+wonde vernieuwd. Vandaar dat een hevige ijver des menschen
+hart verteert. Uit dezen ijver wordt hij van tijd tot tijd opwaarts
+getrokken in den geest. Dan ontstaan visioenen en revelatin,
+die hij soms wel, soms niet onder woorden kan brengen.
+Evenals de hitte afneemt, wanneer de zon het eind van haar<a name="389"></a>
+loop nadert, zoo gaat nu ook CHRISTUS zich voor den mensch
+verbergen. Droefheid, gevoel van verlatenheid, van twijfel aan
+zich zelven maken zich nu van den mensch meester; doch uit
+zijn lijden moet hij vreugde scheppen. Vooral moet hij waken
+tegen al te groote vreugde over hetgeen hij tot dusver bereikt
+heeft; daardoor toch zou hij minder toegankelijk worden voor
+het invloeien der genade Gods.
+
+<p>De genade-instorting van het tweede stadium wordt vergeleken
+bij eene levende fontein, die uitvloeit in drie rivieren:
+1<sup>o</sup> enkelvoudigheid, die alle zielekrachten doordringt; hierdoor
+richt de mensch zich op <i>blootheit</i>, d.i. de waarheid, ontdaan
+van alle beeld en kleed, vorm en gelijkenis; 2<sup>o</sup> geestelijke
+klaarheid, die geene visioenen en revelatin noodig heeft. Nu
+moet de mensch den blik richten op de Godheid; die aanblik
+wekt in hem inwendige vreugd, waaruit de derde rivier ontspringt,
+nl. &#8222;inghegeeste hitte", die in den wil vloeit, dezen
+doet gloeien en branden en hem vervult met minne. Nu moet
+de mensch uitgaan met overvloedige liefde tot God en alle
+heiligen, tot de zondaren en verkeerde menschen, tot hen
+die in het Vagevuur zijn, tot zich zelven en alle goede
+menschen.
+
+<p>In het derde stadium is de genade-instorting gelijk aan de
+levende ader in de fontein. De mensch ondervindt het &#8222;gherinen"
+d.i. het beroeren Gods. De door de genade verlichte rede
+tracht nu dat beroeren Gods in het innigste zijns geestes te
+beschouwen, doch bespeurt alras dat zij te kort schiet; zij
+&#8222;faelgiert in 't voirtgaen". Echter wil de minnende kracht niet
+rusten. Van nu af begint een eeuwig verlangen: de ziel ontbrandt
+in steeds gloeiender begeerte, maar is nog niet rijp voor
+de zaligheid; &#8222;het geschapen vat en can geen onghescapen
+goet ghevaten"<a title="[margin: bevatten.]"><sup>#</sup></a><a href="#13.42">[42]</a>.
+
+<p>In het Innige Leven zijn de <i>knechten</i> van het Werkende<a name="390"></a>
+Leven tot <i>zonen</i> Gods geworden, doch den eindpaal hebben
+ook zij niet bereikt.
+
+<p>In den staat van &#8222;blootheit" kan Gods geest onmiddellijk op
+hen werken. Nu eerst kan de mensch geheel opgaan in God,
+zooals de rivier die zonder ophouden en wederkeeren altijd
+uitstroomt in de zee. In het Schouwende Leven wordt de
+mensch geheel lijdelijk; hij rust en gevoelt slechts wat hem
+door God wordt aangedaan. Het leven wordt een leven Gods
+in den mensch. Op den duur gevoelt de mensch echter dat
+hij niet louter lijdelijk kan blijven. Hij wil werken; &#8222;minne en
+mach niet ledich sijn". Ook het leven der Godheid is tweeledig:
+naar binnen eeuwig rustend, naar buiten eeuwig werkend.
+Zoo keert dan de mensch weer terug tot de practijk des levens.
+Vol van de zaligheid der Beschouwing, moet hij tevens de
+deugden van het Innige en het Werkende Leven betrachten.
+Door aldus, in God rustend, onder de menschen te werken,
+wordt het leven van den vrome een goddelijk leven dat toch
+menschelijk blijft. Zoolang de mensch op deze aarde vertoeft,
+zal zijn leven steeds een &#8222;crighen in ontbliven" (streven zonder
+volledig verkrijgen) zijn. Zal de schouwer door zijn terugkeer
+in de wereld niet veel van zijne innigheid moeten verliezen?
+Daarvoor behoeft geen vrees te bestaan. De ziel kan wel alleen
+zijn, ook al vertoeft zij in de buitenwereld. Het komt er slechts
+op aan, God steeds voor oogen te houden. Door voortdurende
+oefening moet de inkeer van den schouwenden mensch een
+onbewuste daad worden, evenals b.v. het vormen van letters
+voor iemand die schrijft.
+
+<p>RUYSBROECK zelf had het in die kunst ver gebracht. Zijn levensbeschrijver
+deelt ons mede, dat het hem, volgens zijn eigen getuigenis,
+minder moeite kostte, door contemplatie zijn ziel tot God
+omhoog te heffen, dan zijn hand aan zijn hoofd te brengen<a href="#13.43">[43]</a>.
+
+<p>De schouwer moet dus blijven werken; ja, zelfs de zaligheid<a name="391"></a>
+der extaze moet hij opgeven, indien hij een medemensen kan
+helpen: &#8222;want ware die mensche in also groter jubilacin of
+contemplacin als Sinte Peter of Sinte Pauwels ye ghewaren,
+ende wiste hi enen sieken mensche die noetorftich<a title="[margin: behoeftig.]"><sup>#</sup></a> ware eens
+supens<a title="[margin: soep.]"><sup>#</sup></a> oft anders yet, het waer veel beter dat hi liete sine
+oefeninghe van jubilacin ende van contemplacin, ende diende
+dien noetorftighen mensche in meerre<a title="[margin: vermeerdering.]"><sup>#</sup></a> van minnen."
+
+<p>Wij konden hier slechts beproeven een beeld van RUYSBROECK'S
+mystiek te geven in eenige groote lijnen en binnen
+die omtrekken eenige voorname punten aanwijzen. Veel van het
+minder gewichtige moesten wij achterwege laten. Zoo b.v. de
+vraag naar de consequentie van RUYSBROECK'S stelsel. Naar het
+schijnt, is het niet moeilijk den auteur van zoovele en omvangrijke
+geschriften op meer dan eene plaats in tegenspraak te brengen
+met zich zelf. Wij willen het wel gelooven, doch achten het bij
+de beschouwing van een mystiek auteur van gering belang.
+
+<p>Van meer gewicht is de vraag, in hoever RUYSBROECK'S
+werk oorspronkelijk mag heeten. Het slot onzer uiteenzetting
+van zijn stelsel zal sommige lezers reeds getroffen hebben
+als volkomen overeenstemmend met eene vroeger medegedeelde
+uiting van ECKHART. En dat is niet het eenige punt van
+overeenkomst tusschen deze twee meesters. In de grondbeginselen
+zijner speculatieve mystiek toont RUYSBROECK nauwe
+verwantschap met ECKHART, met name in de onderlinge verhouding
+van God, den Zoon en den H. Geest. Beiden stellen
+visioenen niet hoog. De terminologie van ECKHART vindt men
+voor een deel bij RUYSBROECK terug<a href="#13.44">[44]</a>.
+
+<p>Het is zeer wel mogelijk dat de jonge kanunnik van Sinte
+Goedele de lessen van den Duitschen meester te Keulen heeft
+gevolgd; en in allen gevalle wel waarschijnlijk, dat diens geschriften
+invloed hebben gehad op zijne theologische vorming.<a name="392"></a>
+
+<p>Anderzijds heeft, gelijk wij reeds zagen, RUYSBROECK'S persoonlijkheid
+invloed geoefend op die van TAULER.
+
+<p>In een zijner oudere preeken zegt TAULER van de broeders
+en zusters van den vrijen geest, die volslagen werkeloos willen
+blijven om God ongestoord te laten inwerken op hunne zielen,
+dat zij niets doen &#8222;recht wie ein Werkzeug ledig ist und auf
+seinen Meister wartet wenn er arbeiten will." In een van RUYSBROECK'S
+werken wordt van zulke menschen gezegd: &#8222;rechte
+alse dat ghetouwe, dat selve ledich es ende sijns meesters beidet,
+wanneer hi werken wilt"<a href="#13.45">[45]</a>. De overeenkomst is te treffend om
+aan toeval te mogen worden toegeschreven; met het oog op
+eene vroeger medegedeelde uiting van een tijdgenoot, zou men
+geneigd zijn aan te nemen dat TAULER hier RUYSBROECK heeft
+nagevolgd; doch ook het omgekeerde is mogelijk.
+
+<p>Men moet bij dergelijke vraagstukken bovendien steeds rekening
+houden met de mogelijkheid eener gemeenschappelijke
+bron. Ook hier blijkt de noodzakelijkheid daarvan. Het beeld
+van Gods natuur dat der menschelijke ziel ingedrukt is, noemt
+ECKHART den <i>Funken der Seele</i> en RUYSBROECK gebruikt, zij
+het ook in eenigszins andere beteekenis, de uitdrukking <i>vonke
+der siele</i>. Doch ook BONAVENTURA bedient zich in dien zin
+gaarne van het woord <i>scintilla</i>. De indeeling der zielekrachten
+bij RUYSBROECK gelijkt op die bij ECKHART; doch beiden
+kunnen die hebben ontleend aan AUGUSTINUS. De indeeling
+der zielekrachten in hoogere en lagere komt bij TAULER zoowel
+als bij RUYSBROECK voor; TAULER legt den nadruk vooral op
+de <i>begeerte</i> en den <i>toorn</i>, die eveneens bij RUYSBROECK genoemd
+worden. Maar ook THOMAS AQUINAS geeft deze indeeling.
+
+<p>Zeker heeft RUYSBROECK de geschriften der kerkvaders wel
+gekend en er zijn voordeel mede gedaan. De werken van
+S. BERNARD worden meer dan eens door hem aangehaald en
+hun invloed vertoont zich o.a. waar RUYSBROECK het Werkende<a name="393"></a>
+Leven uiteenzet. Naar de verschillende trappen van godsdienstige
+ontwikkeling had S. BERNARD de menschen verdeeld in <i>mercenarii</i>,
+<i>servi</i> en <i>filii Dei</i>; RUYSBROECK spreekt evenzoo van
+<i>huurlingen</i>, <i>getrouwe knechten</i> en <i>zonen Gods</i>; echter heeft hij
+tusschen de tweede en de derde soort die der <i>vrienden Gods</i>
+gevoegd.
+
+<p>Voor zijn geschrift <i>Van den Tabernacule</i> heeft RUYSBROECK
+gebruik gemaakt van de werken der Fransche mystieken HUGO
+en RICHARD van St. Victor<a href="#13.46">[46]</a>.
+
+<p>Heeft RUYSBROECK, onder den invloed van andere mystieken
+doch vooral van ECKHART, nooit de geloofsgrenzen overschreden,
+welke de Roomsche Kerk geerbiedigd wilde zien? De beteekenis
+van dien mogelijken invloed is moeilijk te bepalen; doch
+het schijnt wel dat de vrome prior, in oogenblikken van contemplatie,
+soms meer heeft gezegd dan hij voor de Inquisitie
+zou kunnen verantwoorden. De vurige drang van zijn gemoed
+doet hem meer dan eens den afstand tusschen God en den
+mensch vergeten; maar telkens doet de rede hem dan later die
+kloof duidelijk zien en brengt zij hem tot de besliste verklaring,
+dat de creatuur niet God kan worden en dat men de eenheid
+tusschen God en den mensch, waarvan hij spreekt, verstaan
+moet slechts &#8222;in minnen", niet &#8222;in naturen".
+
+<p>Na al hetgeen wij vroeger hebben opgemerkt over de kiem van
+ketterij welke alle mystiek in zich omdraagt, is er overigens niets
+verwonderlijks in, dat wij die kiem ook in RUYSBROECK'S werk
+aantreffen. Reeds na zijn eerste werk immers, hadden broeder
+GHERAERT en zijne mede-kloosterlingen aanstoot genomen aan
+sommige uitingen daarin; om dien aanstoot verder te voorkomen,
+schreef RUYSBROECK toen <i>dat Boec der hoechster Waerheit</i>. Misschien
+is dat niet overbodig geweest, want in menig later werk
+heeft hij de slechte priesters en monniken, en zelfs de &#8222;princen
+der heilegher Kerken" niet gespaard<a href="#13.47">[47]</a>. Persoonlijke wrok had zich<a name="394"></a>
+licht kunnen verbinden met geloofsijver om den geestverwant
+van ECKHART voor de rechtbank der Inquisiteurs te brengen.
+Zeker zal het ook in zijn voordeel zijn geweest, dat hij in
+zijne werken de Broeders van den vrijen geest zoo fel bestrijdt
+en &#8222;hare quade secte ende beestelike costume"<a href="#13.48">[48]</a>. Tot die secte
+behoorde waarschijnlijk HEYLWIG, de dochter van den Brusselschen
+patricir BLOEMAERTS, wier verdorven geloof door
+RUYSBROECK openlijk bestreden is.
+
+<p>De vraag naar RUYSBROECK'S orthodoxie moge belangrijk
+zijn geweest voor zijne tijdgenooten, voor de meesten onzer
+is zij van ondergeschikt belang. Gewichtiger is voor ons de
+vraag: hoe heeft hij zijn stelsel van mystiek uitgewerkt? Het
+is vooral in de uiteenzetting zijner practische mystiek, dat
+hij zich vertoont als den grootsten prozaschrijver dien wij in
+de middeleeuwen bezeten hebben. Zijne eigen indeeling van
+Werkend, Innig en Schouwend Leven zooveel mogelijk in het
+oog houdend, zullen wij trachten eenig denkbeeld te geven
+van de wijze waarop hij zijne taak heeft volbracht.
+
+<p>In zijne beschouwing van het Werkend Leven treft ons de
+hoogheid van gevoel waarmede hij spreekt over de &#8222;veelike"
+krachten en lusten in den mensch; de geringschatting van zulke
+dingen als spijs en drank, welke de mensch wel moet nuttigen&mdash;maar
+zooals de zieke een geneesmiddel. De onafhankelijkheid
+van geest waarmede hij spreekt over de waarde van de wetenschap
+in vergelijking met het leven; het moet ons, zegt
+RUYSBROECK, meer te doen zijn &#8222;om leven dan om weten,
+want die vele weet ende niet en leeft, hi verliest den tijt." Zijne
+menschenkennis, zijn talent van karakterizeeren en uitbeelding
+van het gemoedsleven. Hoe scherp is de blik van dezen man,
+die zich toch zoo gaarne aan de wereld en het gewone
+menschenleven onttrok, voor de geveinsdheid dergenen die<a name="395"></a>
+afkeerig zijn van onthouding en nu zeggen, dat zij &#8222;cranc
+ende teder ende edel van complexin sijn, ende daerom
+behoeven si vele gheriefs ende vele ghemacs." Hoe goed heeft
+hij de menschen geschetst die lijden aan zelfverheffing, eigenzinnigheid,
+die dadelijk kregel worden indien men hun iets in
+den weg legt: &#8222;Si en sijn niemene ghevolchsam van gronde,
+maer si begheren dat alle menschen haren goetdunkene ghevolchsam
+sijn; want si sijn krighelijc ende eenwillich; altoes
+dunct hem dat si recht hebben jeghen yeghewelken die hem
+contrarie es. Si werden lichte gherenen<a title="[margin: lichtgeraakt.]"><sup>#</sup></a>, ghestoert, toernich,
+haestich, scalc, slaghelijc ende onweerdich in woerden, in
+werken, in ghelate"<a title="[margin: gedrag, houding.]"><sup>#</sup></a>.
+
+<p>Gevoelig en fraai is dit schetsje der gemengde aandoeningen
+die PETRUS vervulden, nadat hij zijn Meester had verloochend:
+&#8222;In sinen elendighen doghene keerde hi hem omme ende sach
+Petren ane met groter ghenadicheit ende Peter hem weder met
+groter bitterheit van herten. Ende inden onderlinghen siene
+vernuwede die liefde tusschen hem beiden mere dan si te voren
+was, want gracie ende liefde, inwendich rouwe, groet betruwen<a title="[margin: vertrouwen.]"><sup>#</sup></a>,
+scande ende sceemte<a title="[margin: schaamte.]"><sup>#</sup></a> dese dingen vervulden sine herte ende
+alle sine binnenste; ende sine siele smalt als die snee voir die
+sonne ende als was voir een berrende vier. Ende met sijnre
+sielen vloyden tranen bitter ende suete, bitter omme sine
+sonden, soete ende vol bliscapen omme die trouwe die hi in
+Christo ghevoelde: ende aldus was hi vol droefheden ende vol
+bliscapen. Hoe dat sijn mach, dat en weet niemen dan dies
+ghevoelt heeft."<a href="#13.49">[49]</a>.
+
+<p>Het uitgaan met overvloedige liefde ook tot de zondaren en
+verkeerde menschen, waarvan in het Innig Leven sprake is
+geweest, zien wij in RUYSBROECK'S hartelijk medelijden met de
+menschen die hun eigen geluk niet zien: &#8222;Daer af comt in
+den mensche een geestelike compassie, dat hi proeft ende merct<a name="396"></a>
+die scade der menschen dat si soe elendich sijn ende soe grote
+rijcheit ende ere ende weldicheit besitten mochten ofte si wouden
+ende sire hem toe voechden ende Gode soe eerlic ende soe
+minlic dienen mochten ende dit al gader verloren blijft. Dit
+maect alsoe groten wee, dat nieman vremders<a title="[margin: geen vreemde.]"><sup>#</sup></a> bekennen
+en mach."
+
+<p>Maar zelf genoot hij volop van de weelde God te mogen
+dienen. Wel is hij zich bewust zijn Schepper nimmer genoeg
+te kunnen eeren, doch dat onvermogen, een bewijs van Gods
+grootheid, is hem eene reden tot nieuw genot: &#8222;dat is herde
+lustelic, dat onse Here ende onse God soe groot is, dat wi
+hem nemmermeer ghenoech reverencin ende waerdicheden en
+sellen moghen doen." Hooger rijst zijn vlucht, waar hij den
+geestelijken liefdebrand, den hartstocht der minnende ziel onder
+woorden tracht te brengen; zoo b.v. in eene passage als deze:
+&#8222;dit verberren es ene volmaectheit in alre dogede, want et es een
+gebreken<a title="[margin: te kort schieten.]"><sup>#</sup></a> des geestes in minnen, daer hi hem lidende houdet,
+ende wert verberret ende verteert in den onbegripeleken ommevange
+der eenheit Gods, die met ewegen hongere ende met
+ghelosteger niedecheit<a title="[margin: gretigheid.]"><sup>#</sup></a> al dat mint begaept ende verslint ende
+verteert in haers selves eenheit." Welk een kracht van gevoel
+en wat een durf in dat &#8222;begapen en verslinden", terwijl van
+God sprake is.
+
+<p>RUYSBROECK zal, wanneer &#8222;al der sielen crachte in storme
+ende in woede" verkeerden, wel zelden of nooit zijn vervallen
+tot het loopen, springen en handgeklap, waarin andere mystieken
+hunne verrukking lucht gaven; eer zal hij hebben behoord tot
+hen die &#8222;zwighen ende smelten van weelden in allen sinnen."
+Maar ook voor hem zal op zulke verrukkingen dikwijls de
+neerslachtigheid en het gevoel van geestelijke ellende zijn gevolgd,
+dat hij zoo goed moet hebben gekend om er anderen
+op zoo teedere wijze in te kunnen troosten: &#8222;Voirtmeere, eest<a name="397"></a>
+dat gi traecheit, zwaerheit ende droefheit ghevoelt inder naturen,
+ende dat ghi sijt sonder smake ende lost, ende sonder drift
+te gheesteliken dinghen, arm, ellendich, begheven<a title="[margin: eenzaam.]"><sup>#</sup></a> ende ghelaten
+in allen troeste van Gode, in verdriete, sonder smake
+ende lust tot enigher oefeninghen van buten ofte van binnen,
+ende alsoe zwaer ofte ghi doer die erde sinken sout: en ontsiet
+u niet, maer gheeft u over in die handen Gods ende begheert
+dat sijn wille ende sijn eere ghescie. Die donkere bedroefde
+wolkene die sal sciere overliden, ende dat licht der claer sonnen
+ons Heren Jhesu Christi sal u bescinen in meere troest ende
+gracien dan ghi noyt te voren ghevoelet<a title="[margin: ghevoeldet.]"><sup>#</sup></a>."
+
+<p>Hij heeft wel geweten hoe zulk een van God verlaten mensch
+verlangt, ontbonden te worden van den kerker zijns lichaams,
+hoe de balling het &#8222;vaderland daarboven zoekt" (VONDEL): Soe
+slaet hi sijn inwendighe oghen op ende scouwet die hemelsche
+sale vol glorien ende vrouden ende sijn lief ghecroent daer
+binnen, uytvloyende in sine heilighen in riker weelden ende<a title="[margin: en dat.]"><sup>#</sup></a>
+hi des derven moet. Hier comen bi wilen in selke menscen
+uutwendighe tranen ende groet verlanghen. Soe siet hi neder
+ende merket dit ellende daer hi in ghekerkert es ende dies hi
+niet ontgaen en mach: soe vloyen tranen van droefheden ende
+van jammere"<a href="#13.50">[50]</a>.
+
+<p>Toen RUYSBROECK zelf door kracht van geestelijke oefening
+en bespiegeling erin geslaagd was, zijne ziel te ontledigen van
+het lagere, haar te maken tot &#8222;een levende spieghel" waar het
+goddelijk licht in scheen, toen kon hij, van het Schouwende
+Leven getuigend, schrijven: &#8222;Ende hier omme heeft ons God
+ghegheven een leven boven ons ende dat is een godlic leven.
+Dat en is anders niet dan scouwen ende staren ende in bloter
+minnen cleven ane Gode, smaken ende ghebruken<a title="[margin: genieten.]"><sup>#</sup></a> ende versmelten
+in minnen ende altoes vernuwen in dat selve. Want
+daer wi verhaven sijn boven redene ende boven al onse werke,<a name="398"></a>
+in bloet ghesichte, daer werden wi ghewracht vanden gheeste
+ons Heren; ende daer ghedoghen wi dat inwerken Gods ende
+werden verclaert in godliker claerheit, ghelikerwijs dat die locht
+verclaert wert met den lichte der sonnen ende alse dat yser
+doergaen wert met crachte ende met hitten des viers, alsoe
+werden wi ghetransformeert ende doerdraghen<a title="[margin: doortrokken.]"><sup>#</sup></a> van clairheiden
+in claerheiden, in dat selve beelde der heyligher Drivoldicheit."
+
+<p>Maar altijd bleef het een &#8222;crighen in ontbliven"; want de
+hoogste klaarheid die de mensch hier op aarde bereiken kon,
+hoe ver bleef zij toch steeds van de klaarheid der heiligen!
+&#8222;Want die scaduwe Gods verlicht onse inwendighe woestine;
+mer op die hoghe berghe inden lande der gheloeften daer en
+is gheen scaduwe: nochtan eest al n sonne ende ne clairheit
+die onse woestine verlicht ende oec die hoghe berghe; mer die
+staet der heilighen is doerschinich ende glorioes ende hierom
+ontfaen si die claerheit onghemiddelt; mer onse staet is noch
+sterfelic ende grof ende dit is dat middel daer die scaduwe ave
+comt die onse verstandicheit alsoe bescaduwet, dat wi Gode
+noch hemelsche dinghen niet bekennen en moghen also clairlic
+als die heylighen doen"<a href="#13.51">[51]</a>.
+
+<p>In meer dan een der hier aangehaalde stukken zal de lezer
+reeds zelf de zachte welluidendheid of de kracht, de hooge
+vlucht en den breeden zwaai van RUYSBROECK'S proza bewonderend
+hebben opgemerkt. Toch schijnt het mij wenschelijk
+een blik te slaan ook op eenige deelen en op het samenstel
+van zijn werk om daardoor den kunstenaar in zijne wijze van
+werken iets beter te leeren kennen.
+
+<p>Een gewone karaktertrek van het middeleeuwsch proza, het
+veelvuldig zinsverband met &#8222;ende", zooals men het nog kan
+opmerken bij elk kind dat iets vertelt, vertoont zich ook in
+dit proza. Niet zelden ook bedient RUYSBROECK zich van de,
+hiermede verwante, eenvoudige opsomming; zoo b.v. in:<a name="399"></a>
+&#8222;Want willen wi verduldich sijn ghewaerlic, soe en sal ons
+gheen dinc moghen ontsaten<a title="[margin: onrustig maken.]"><sup>#</sup></a>, noch verlies van den ertschen
+goede, noch van vrienden, noch van maghen, noch van siecte,
+noch scande, noch doot, noch leven, noch vaghevier, noch
+duvel, noch helle<a href="#13.52">[52]</a>." Soms geeft hij regelmaat aan zijn proza
+door een deductieven schrijftrant, als in: &#8222;aldaer verliesen wi
+ons selven in die woeste idelheit<a title="[margin: leegte.]"><sup>#</sup></a>, ende al verliesende ons
+selven vinden wi die salecheit, ende al vindende verkiesen wi,
+ende al verkiesende werden wi vercoren" enz.<a href="#13.53">[53]</a>. Elders zien
+wij hem parallellisme en tegenstelling aanwenden om meer
+kracht en scherpte te bereiken: &#8222;Hi arbeit sere in minnen,
+want hi siet sine raste. Hi is pelgrim ende hi siet sijn lanscap.
+Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine crone."
+Sprekend van het afkoopen der zonden voor geld zegt RUYSBROECK:
+&#8222;Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel
+de siele, de bisscop dat ghelt, de dore<a title="[margin: dwaze]"><sup>#</sup></a> mensche sine corte
+ghenoechte." Tegenstelling vinden wij b.v. in: &#8222;Hi heeft hem
+ghenedert ende ons ghehoecht, hem ghearmt ende ons gherijct,
+hi heeft hem versmaet ende ons gheert. Maer al heeft hi hem
+ghenedert, hi en heeft hem niet ontedelt<a href="#13.54">[54]</a>."
+
+<p>Zoo leerde RUYSBROECK, waar sterke aandoening hem dreef
+tot schrijven, die aandoening beheerschen en haar verklanken
+tot breedgolvende zinnen als deze over JEZUS' dood: &#8222;doen
+verdonkerde die locht, want die roedekene worden te broken<a title="[margin: verbroken.]"><sup>#</sup></a>,
+die edele speciboem wart ontwe<a title="[margin: doormidden.]"><sup>#</sup></a> ghescoert, die overste crachten
+sijnre zielen worden ghesceden van den nedersten, sine sinne
+verghinghen, sine ziele sciet van den live, die doet bevinc dat
+leven, dat leven verwan die doet, die Apostelen hadden hare
+licht verloren, die oude wet<a title="[margin: geloof (der Joden).]"><sup>#</sup></a> verloes oec hare licht, die sonne
+liet hare scinen ende die locht was vol nevels der onbekinnessen<a title="[margin: onverstand.]"><sup>#</sup></a>&mdash;maer
+onse dach ginc op daer wi eweleke inne
+ghesien<a href="#13.55">[55]</a>."<a name="400"></a>
+
+<p>Welk een indruk maakt hier, na die opsomming der verschijnselen
+van duisternis en vernietiging, dat juichende slot.
+
+<p>Onder de eigenaardigheden van RUYSBROECK'S stijl moet ook
+het rijmend proza genoemd worden.
+
+<p>Het beginrijm of de alliteratie schijnt in zijn werk niet vaker
+voor te komen dan de aard onzer taal met zich brengt; doch het
+eindrijm is zoo veelvuldig, dat wij hier wel aan opzet moeten
+denken. Het eindrijm vertoont zich zoowel aan het slot van
+opeenvolgende zinnen als van opeenvolgende woorden, zoowel
+in: &#8222;ende soe hi hem selven naerre <i>bekint</i>, so hi hem in der
+waerheit meer te versmadene <i>vint</i>," als in: &#8222;kinneloos ende
+minneloos," &#8222;verstout ende verout". Op menige plaats (vooral
+in <i>Spieghel der Salicheit</i> en <i>Rike der Ghelieven</i>) vinden wij
+rijmende verzen tusschen het proza in, doch hunne aanwezigheid
+kan bezwaarlijk verklaard worden uit eene verheffing van
+stemming, uit meer innigheid of gloed. Soms zelfs wordt de
+neiging tot rijmen RUYSBROECK tot last; aan het slot van een
+berijmd gedeelte van zijn werk immers zegt hij:
+
+<p class="quote">Nu moet ic rimen laten bliven
+Sal ic scouwen clare bescriven<a href="#13.56">[56]</a>.
+</p>
+
+<p>In dit aanwenden van parallellisme, tegenstelling en rijmklanken
+zal RUYSBROECK waarschijnlijk ten deele het voorbeeld
+hebben gevolgd, hem gegeven door de kerkvaders, wier werken
+hij kende. Immers in het proza b.v. van S. BERNARD,
+van BONAVENTURA, van de beide VICTORS vinden wij die
+eigenaardigheden evenzeer; waarschijnlijk ook wel in dat der
+oudere kerkvaders, die hun stijl hadden gevormd onder den
+invloed der klassieke schrijvers<a href="#13.57">[57]</a>.
+
+<p>Zijn RUYSBROECK'S verzen ook meerendeels zwak, in zijn
+proza toont hij zich een waarachtig dichter. Zijn levendig en<a name="401"></a>
+fijn gevoel, zijn vlugge en sterke verbeelding, zijn gave
+van waarneming en voorstelling, de schoonheid zijner
+taal geven hem alleszins recht op dien eerenaam. Het is
+niet vreemd, dat hij, die in het lagere slechts een verschijningsvorm
+van het hoogere ziet, gedurig van het lagere
+tot het hoogere opklimt, of dat lagere verheft door eene
+gelijkenis.
+
+<p>Een enkele maal doet hij daartoe een greep in den R.-K.
+eeredienst, liefst ontleent hij zijne voorbeelden aan de natuur
+of aan het dagelijksch leven. De tabernakel, die in middeleeuwsche
+kerken op het altaar placht te staan en diende
+ter bewaring van de hostie, gaf RUYSBROECK aanleiding tot
+eene breed uitgewerkte symbolische voorstelling. Met een onuitputtelijk
+geduld en een liefdevolle uitvoerigheid, die aan
+de miniatuurschilders herinneren, met eene hooge mate ook
+van subtiel vernuft, heeft hij alle deelen en onderdeelen, alle
+onderdeeltjes en deelen van onderdeeltjes van het sacramentshuis
+geestelijk verklaard: de tabernakel moet staan &#8222;in een
+kerckhof", &#8222;dat es een sedelec leven van buten met al dien
+dat daer toe behoort"; om dat kerkhof moeten staan zestig
+kolommen: &#8222;bi den colummen verstaet men starke begerte tot
+allen den gheboden Gods ende tot allen den seden ende der
+oefeninghen diere<a title="[margin: welke.]"><sup>#</sup></a> men pleghet in der heileger kercken".
+Deze kolommen moeten bedekt worden met zilveren platen,
+&#8222;dat es met goeden levene ende met eersamer wandelingen"
+enz. enz. Het behoeft geen betoog, dat deze voortgezette symboliek
+op den duur voor een hedendaagsch lezer vermoeiend
+eentonig en daardoor vervelend wordt; doch voor RUYSBROECK'S
+tijdgenooten zal de beschrijving en verklaring van een zoo
+kostelijk sacramentshuis zeker onderhoudend en aantrekkelijk
+zijn geweest.
+
+<p>Kostelijke tabernakels zooals de hier beschrevene gaf de<a name="402"></a>
+werkelijkheid tenauwernood, gaf het eenvoudig klooster te Groenendale
+zeker niet te zien; doch een stap buiten de muren
+bracht den prior in den kloosterhof, waar hij zoo menigmaal aan
+het wieden was, al trok hij in verstrooidheid de heilzame kruiden
+wel eens mede uit, en rondom het klooster lag Gods vrije
+natuur in rijke verscheidenheid en stille pracht. In den boogaard
+en op de mossige glooiingen, onder de wuivende kruinen van
+het Sonin-bosch, zal wel menigmaal een bloem, een plant of
+een dier RUYSBROECK'S verbeelding gaande hebben gemaakt.
+Zoo heeft hem de zonnebloem getroffen in haar volgen van
+de zon: &#8222;Alse die sonne opgeet in orinten, soe ontpluct hare<a title="[margin: ontsluit zich.]"><sup>#</sup></a>
+de goutbloeme jegen die raeien<a title="[margin: stralen.]"><sup>#</sup></a> der sonnen, ende keret hare
+altoes omme al neighende jegen de hitte der sonnen, tote in
+occidenten. Ende in der nacht luuct si hare toe, ende verberget
+hare varuwe ende ontbeidet weder der sonnen opganc. Alsoe
+gelikerwijs sele wi, overmids ghehoersamheit, onse herte ontpluken
+jegen dat inscinen der gracien Goeds, ende oetmoedichlike
+al nigende sele wi der gracien Goeds volgen, alsoe
+lange als wi die hitte der minnen ghevoelen. Ende alse dat
+inscinen der gracien sijn nuwe beroeren ophoudet ende wi
+hitte van minnen lettel ochte niet gevoelen: dat es die nacht,
+dat wi onse herte selen toe luken jegen al dat ons becoeren<a title="[margin: in verzoeking leiden.]"><sup>#</sup></a>
+mach; ende alsoe sele wi die goutvarwe der minnen in ons
+beluken ende ontbeiden enen nuwen opganc der sonnen, met
+nuwen lichte in nuwen beroerne<a href="#13.58">[58]</a>."
+
+<p>Elders vergelijkt hij CHRISTUS' deugden bij de lelin van
+dale; de natuur die den geest volgt, is vrij, gelijk de vogel in
+het woud en dartelt in de minne als de visch in het water.
+God is &#8222;uutstortende ende vloeyende ghelijc der wilder see,
+met onbegripeliker weelden in alle die ghene die sijns ontfanclijc
+sijn ende weder ebbende is ende intreckende in die wilde see
+sijner enicheit." Als een heete bron &#8222;alsoe ghelikerwijs werct<a name="403"></a>
+dat inwendighe vier des heylichs Gheests. Het drivet, ende
+stoket ende jaghet dat herte ende alle die crachte der sielen
+tot den walle<a title="[margin: koken.]"><sup>#</sup></a> dat is Gode te dankene ende te lovene." Een
+mensch die zich &#8222;wel regeeren" wil, moet doen als de wijze
+bij: &#8222;si woent in der enicheit, met vergaderinghen haerre
+gheselscap, en vaert ute, niet in storme, mer in stillen ghesaten
+wedere, in schinen der sonnen, op alle die bloemen daer men
+soeticheit in vinden mach. Si en rust niet op ghene blome
+noch op ghene scoenheit ofte soeticheit; mer si trect daer ute
+honich en was, dat is soeticheit en materie der claerheit, en
+voeret in die vergaderde enicheit, op dat sy vruchtbaer werde
+tot groter nutticheit." Zoo moet ook de wijze mensch doen en
+&#8222;niet rusten op ghene bloemen der gaven, maer al gheladen
+met danke en met love weder vlieghen in die enicheit, daer si
+met Gode rusten en wonen wilt"<a href="#13.59">[59]</a>.
+
+<p>Menigmaal ook vindt RUYSBROECK stof voor zijne gelijkenissen
+in eigen omgeving en het dagelijksch leven.
+
+<p>De oefening in deugd vergelijkt hij bij een penning van fijn
+goud; doch ieder moge onderzoeken of zijn goud van goed
+allooi is en het volle gewicht heeft en aan weerszijden wel
+gemunt. In ons deugdzaam leven moeten wij allerhande sier
+van deugden weven, zooals vogelen en bloemen en gulden
+sterren geweven staan in de gordijnen van den tabernakel. De
+reinheid des harten &#8222;ghelijct men der lampten bernender olin,
+die hare vlamme gheeft opwert te hemele: alsoe doet die suvere
+herte die beneden besloten is yeghen die werelt ende boven
+open die gracie Gods t'ontfane."
+
+<p>CHRISTUS' beeld moeten wij drukken in ons hart en onze
+zinnen, in ons lichaam en onze ziel, zooals men een zegel
+drukt en vormt in het was. De gratie Gods in de ziele is gelijk
+eene kaars in een lantaarn of glazen vat, want zij verlicht en
+verklaart en doorschijnt het vat, nl. den goeden mensch. Als<a name="404"></a>
+God zich van ons afwendt, dan doet hij met ons: &#8222;recht alsof
+een mure stonde ghemaect tusschen hem ende ons."
+
+<p>Welk eene kracht ontwikkelt RUYSBROECK'S beeldende zinnelijkheid,
+waar hij zijn hoorders voor oogen wil brengen,
+hoe groot Gods genadevolle vergevensgezindheid is: &#8222;al waer
+alle die werelt een gloet van viere ende dat midden in dat
+vier een vese<a title="[margin: vezel.]"><sup>#</sup></a> van een linen cleet laghe, soe en ware die
+vese niet alsoe bereet te aensteken, als God bereet is den
+sondaer sijn sonden te vergheven, als hem sijn sonden ghewaerachtich
+leet sijn<a href="#13.60">[60]</a>."
+
+<p>Het valt bezwaarlijk te ontkennen, dat deze prozadichter, waar
+hij zijne gelijkenissen aan het dagelijksch leven ontleent, voor ons
+gevoel soms de grenzen der kieschheid te buiten gaat, doch
+men moet daarbij in het oog houden dat tusschen het hoogere
+en het lagere, vooral tusschen het hemelsche en het aardsche,
+in de middeleeuwen niet zulk een afstand lag als thans. RUYSBROECK
+vergelijkt iemand die waant n te zijn met CHRISTUS
+bij een slapenden hond &#8222;dien droomt dat hi heeft een stucke
+vleeschs in sinen mont" en &#8222;alse hy ontwaket, soe en heeft hi
+niet." Die vergelijking zou men desnoods ook met ons gevoel
+van kieschheid in overeenstemming kunnen brengen door te
+wijzen op het minderwaardige van hem die slechts <i>waant</i> met
+CHRISTUS n te zijn. Doch tenauwernood zal nog n hedendaagsch
+lezer behagen scheppen in die talrijke andere beelden
+en gelijkenissen die ons naar de keuken en den refter (eetzaal)
+verplaatsen. De tekst: &#8222;dit is mijn vleesch en mijn bloed" en
+de hostie als symbool van CHRISTUS gaven, trouwens niet aan
+RUYSBROECK alleen, gereede aanleiding tot het vormen van
+beelden en gelijkenissen. Zoo zegt JEZUS tot den mensen:
+
+<p class="quote">Myn vleysch is wel gebraden
+Aent cruce om uwe ghenaden.<a name="405"></a>
+</p>
+
+<p>&#8222;De edele tarwebloem, d.i. JEZUS, is ons gegeven door
+MARIA; God heeft de olie zijner barmhartigheid in MARIA
+uitgestort; de Heilige Geest heeft dat tarwemeel en die olie
+samengekneed en voor ons gemaakt en gebakken het zoetste
+brood dat ooit bestond, spijze der engelen en der menschen.
+Dit brood is gebakken in den oven, dat is in het lichaam
+der zuivere maagd MARIA, die wel doorheet was met het vuur
+der caritate." De zachtmoedige lijdzaamheid van CHRISTUS vergelijkt
+RUYSBROECK bij &#8222;den cleinen oesteren die in sculpen
+ligghen also cleine als eens menschen naghel". CHRISTUS wil ons
+geheel in zich opnemen, zijn honger is onmatig groot, &#8222;want
+hi is een ghierich slockaert<a title="[margin: begeerige schrokker.]"><sup>#</sup></a> ende heeft den mengherael"<a title="[margin: geeuwhonger.]"><sup>#</sup></a>
+
+<p>Konden wij slechts zien, welk een gretige begeerte CHRISTUS
+heeft naar onze zaligheid, &#8222;wi en mochten ons niet onthouden<a title="[margin: weerhouden.]"><sup>#</sup></a>,
+wi en souden hem in die kele vlieghen." Hier schijnt de auteur
+zelf beseft te hebben dat hij de grens der kieschheid ook voor
+dien tijd had overschreden, want hij verontschuldigt zich
+eenigszins door te zeggen: &#8222;al luden mine worde wonderlike,
+die mynnende die verstaen my wel"<a href="#13.61">[61]</a>.
+
+<p>Gelijkenissen als deze zijn in verhouding tot alle overige
+niet talrijk; zoo is ook de toon van RUYSBROECK over het
+algemeen zacht en waardig, doch een enkele maal klinken er
+forscher klanken: &#8222;arme rasende mensche", &#8222;verscoven<a title="[margin: verstooten.]"><sup>#</sup></a> ende
+verblinde mensce", &#8222;onwaerdich boeve", &#8222;onverstandich esel"<a href="#13.62">[62]</a>.
+
+<p>Wij zouden noch het een noch het ander willen missen,
+want wij krijgen daardoor RUYSBROECK'S beeld vollediger te
+zien. En ook, doordat hij zich van tijd tot tijd laat gaan, toont
+deze Nederlander die zich zoo gaarne uit de wereld in het
+innerlijk zieleleven terugtrok, toch niet misdeeld te zijn van
+dien volkshumor dien wij in den <i>Reinaert</i> en andere Dietsche
+werken genieten.
+
+<p>Hoe aardig drijft hij den spot met de hoovaardij der rijke<a name="406"></a>
+vrouwen: &#8222;si maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn
+des duvels neste daer si in sculen. Maer dunct hen dat si edel
+sijn van gheboerte, so moeten se hebben ane hare anschine
+cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel mede gheliken.
+Ende dan gaense hen spieghelen ochte si scoen ghenoech sijn
+den duvel ende der werelt te behaghene"<a href="#13.63">[63]</a>. De geveinsden
+en hoovaardigen vergelijkt hij bij de blaas &#8222;die vol is van losen
+winde; als men se duwet ende perst, so gheeft si enen luud
+die ongracelic is te hoirne"<a href="#13.64">[64]</a>. Nonnen die zich opsieren met
+zilveren gordels en allerlei rinkeltuig doen hem denken aan
+&#8222;ene hinne<a title="[margin: hen.]"><sup>#</sup></a> met bellen"<a href="#13.65">[65]</a>.
+
+<p>Uit denzelfden volksgeest die dezen lichten spot voortbracht,
+werd echter ook eene vergelijking geboren als deze: &#8222;wanneer
+een groot coninc oft een wijs lantshere varen wilt in pelgrimagien,
+in verren lande, soe roept hi sine ghenoten<a title="[margin: pairs.]"><sup>#</sup></a> te gader, ende
+beveelt hem sine lant, sijn volc, sijn kynder ende sine familie,
+dat si al dat regeren ende bewaren in payse ende in vreden
+tote dier tijt dat hi weder comt in sijn lant. Alsoe ghelikerwijs
+Christus, die ewighe wysheit Gods, coninc der coninghen ende
+heer alre heren, doen hi sine pelgrimagie gedaen hadde in
+dese ellendighe werelt, doen woude hi varen in sijns Vaders
+lant ende ten lesten daghe weder comen ten ordele. Ende hier
+omme, voir dien dach dat hi sterven woude, doe stichte hi
+ene grote feeste dat was een avonteten. Ende daer toe node hi
+die meeste princen der werelt, dat waren sine Apostelen...."<a href="#13.66">[66]</a>.
+
+<p>Dat is dezelfde geest waaruit vijf eeuwen vroeger het Oud-saksisch
+heldendicht <i>Hliand</i> was voortgekomen.
+
+<p>Wat ons dan ten slotte in RUYSBROECK het sterkst treft, dat
+is het ruime van zijne persoonlijkheid en zijn werk. In beide
+is &#8222;nederlant" en &#8222;overlant", al woont hij liefst op de tergen,
+waar de zonne der gerechtigheid schijnt. Hij ziet de huurlingen<a name="407"></a>
+en knechten, maar ook de vrienden en zonen Gods. Zijn blik
+omvat de zonnebloem, den slapenden hond die van vleesch
+droomt, de bij die beladen van bloem tot bloem vliegt,
+maar ook een groot koning en de wilde zee en de zon in
+haar loop door de ongemeten ruimten. Hij schuwt de menschen,
+doch blijft ze liefhebben; zijne menschenkennis heeft zijne
+menschenliefde niet uitgedoofd, al openbaart die liefde zich
+op eigenaardig-middeleeuwsche wijze. Hij kent het gevoel van
+geestelijke ellende, maar ook het zwijgend wegsmelten van
+innerlijke weelde.
+
+<p>RUYSBROECK is de eerste Nederlander, die in de volkstaal
+een ideaal levensgeheel heeft ontworpen, dat slechts paste voor
+kloosterlingen, doch dat ook voor hen, die in de wereld bleven,
+veel goeds, edels en schoons bevatte. Tegenover den toenemenden
+drang naar verlichting des verstands heeft hij de ontwikkeling
+van het zedelijk en godsdienstig gemoedsleven gesteld;
+tegenover het &#8222;kennen" het &#8222;minnen", zooals reeds kort na
+zijn dood door een zijner vereerders werd getuigd; tegenover
+het &#8222;mate is goet t' allen spele"&mdash;het &#8222;wiselose", het bovenmatige,
+den hartstocht, zij het ook slechts in het streven der
+ziel naar nheid met God. Hij heeft zijn levens-ideaal niet
+opgetrokken tot n grootsch gebouw, doch het verwerkt tot
+een aantal grootere en kleinere taalmonumenten, die ons niet
+zelden treffen door schoonheid van lijn en fijnheid van uitvoering.
+Ook in dat taalwerk is &#8222;nederlant" en &#8222;overlant":
+het vlakke, dat wel eens plat wordt; de liefelijk opwaarts
+glooiende landen; de hooge toppen, waar de auteur zich in
+de nevelen verliest: de &#8222;hoge materin", waarvan hij beseft
+dat een schrijver ze slechts kan &#8222;voirt bringhen met woorden
+also verre als ment woorden mach"<a href="#13.67">[67]</a>.
+
+<p>Dozijnen bij dozijnen handschriften zijner werken bewijzen
+welk een invloed zijne mystiek moet hebben geoefend. Die<a name="408"></a>
+invloed beperkte zich niet tot de grenzen van het Dietsche
+taalgebied, noch tot des schrijvers taalgenooten, maar strekte
+zich uit tot Neder- en Opper-Duitschland en was krachtig nog
+in de 16<sup>de</sup> eeuw, toen zijne werken veelvuldig in de kloosters
+werden gelezen en in eene Latijnsche vertaling toegankelijk
+gemaakt ook voor hen, die geen Dietsch verstonden.
+
+<p>In RUYSBROECK heeft de Dietsche mystiek haar voornaamsten
+vertegenwoordiger gevonden. Ja, HADEWYCH is hem vr
+geweest. Maar, is HADEWYCH de leeuwrik, de &#8222;hemellawerke"
+opwaarts wiekend op de vleugelen van haar lied en vaak zich
+verliezend in het blauwe&mdash;RUYSBROECK is de nachtegaal, immers
+ook een zanger van &#8222;minne", zijn smeltend lied, zijn storm
+van geluid orgelend in de stilte van het Sonin-bosch.
+
+<p>Het werk van RUYSBROECK is een der hooge toppen in het
+land onzer literatuur en dus zou het begrijpelijk zijn, indien
+wij daarmede dit deel van ons werk besloten. Wij hebben echter
+goede reden het niet te doen, want: meer dan RUYSBROECK is hier.
+
+<p>Omstreeks 1360 werd een groot deel van het Oude Testament
+in de volkstaal te boek gesteld<a href="#13.68">[68]</a>.
+
+<p>De vertaler was blijkbaar een niet-geordend geestelijke,
+misschien een Vlaming, zeker een vroom man; ook een ontwikkeld
+man, wien de brieven van PAULUS, eenige kerkvaders,
+MAERLANT'S <i>Spieghel</i> en <i>Rijmbijbel</i> bekend waren, en die zijne
+vertaling kon toelichten met behulp der <i>Scolastica</i> en van andere
+werken. Vroeger had hij reeds eene Dietsche overzetting geleverd
+van het <i>Passionael</i> (de &#8222;Legenda aurea").
+
+<p>Van het karakter zijner vertaling valt weinig te zeggen,
+zoolang wij niet weten, welke redactie der <i>Biblia Vulgata</i> door
+hem gebruikt werd. Echter deelt de vertaler zelf in den
+proloog ons mede dat hij voornemens is, het Latijn &#8222;ghetrouwelic
+te dietschen ... die lettere houdende van woorde te<a name="409"></a>
+woorde ofte van zinne te zinne of van beyden onderminghet,
+so dattet die liede verstaen moghen na den sede van onsen
+lande"<a href="#13.69">[69]</a>. Bovendien vallen er in of naar aanleiding van zijn
+werk andere dingen op te merken die vermeldenswaard schijnen.
+
+<p>De vertaler was een man van orthodoxe vroomheid die meer
+dan eens verklaart, dat hij niet van zins is iets te doen &#8222;dat
+jeghen Gode ofte jeghen die heilighe kerke zi." Maar juist
+daarom vervulde hem het onbetamelijk en onzedelijk gedrag
+van vele priesters en leeken met des te meer droefheid. Hij
+ergert zich aan de leeken die, op feestdagen nog wel, in de
+taveernen spelen, dansen en reien; aan de priesters die in plaats
+van het volk te leeren, ook door hun voorbeeld, het volk
+door hun kwaad voorbeeld verderven, die &#8222;amin" houden en
+argelooze vrouwen ten val brengen. Daarom was het hem
+&#8222;langhe in 't herte geweest", het &#8222;fundament van der scrifture"
+te verdietschen, in de hoop dat menig ongeleerde er zijn
+voordeel mede zou doen. En ook, hij acht zich niet gerechtigd
+het talent dat God hem geschonken heeft ongebruikt te laten.
+Zoo heeft hij dan het werk ondernomen met vreezen en beven,
+in het diepe besef van de zwaarheid der taak; en hij zou haar
+misschien niet voleindigd hebben, indien zijn vriend JAN TAY
+er niet op had aangedrongen<a href="#13.70">[70]</a>.
+
+<p>Onder de mystieken van dien tijd zal men dezen vertaler
+wel niet moeten zoeken. Ware het zoo, dan zou dat toch uit
+zijn spraakgebruik moeten blijken, en dat is niet het geval.
+Toch moet er wel eenige geestverwantschap tusschen hen en
+hem hebben bestaan. Het Hooglied en de Openbaring, twee
+Bijbelboeken, bij de mystieken in eere, worden ook door hem
+hoog gesteld<a href="#13.71">[71]</a>. Tegenover de priesters toont hij dezelfde
+onbeschroomde vrijmoedigheid als JAN VAN LEEUWEN en
+RUYSBROECK. Zijn wantrouwen in de geestelijke leiding der
+priesters brengt hem tot het verdietschen van het Oude Testa<a name="410"></a>ment,
+dat hij den leeken in handen wil geven, opdat zij daar
+mogen vinden wat de priesters hun onthouden<a href="#13.72">[72]</a>. Een streven
+naar ontwikkeling van een zelfstandig godsdienstig gemoedsleven
+ziet men immers ook bij de mystieken, al mag het de
+vraag heeten of RUYSBROECK den Bijbel in de handen der
+leeken zou hebben gewenscht.
+
+<p>Wat ons in dezen vertaler ten slotte treft, is het rustig zelfvertrouwen,
+waarmede hij spreekt over de ontvangst, die hem
+en zijn werk wacht van de zijde der geestelijkheid. Hij beseft
+zeer wel, dat het sommige &#8222;clercken" zal ergeren &#8222;dat men
+die heymelicheit der scrifturen den ghemenen volc ontbynden
+soude"; dat zijn werk zal worden &#8222;benijd en beknaagd door
+dolle honden"&mdash;maar God kent de bedoelingen, waarmede
+dit werk ondernomen is, en daarom zal hij met DAVID hopen
+op God en niet ontzien wat de menschen hem aandoen<a href="#13.73">[73]</a>.
+Hier spreekt een dergelijk vertrouwen op God en het eigen
+geweten, als wij vroeger opmerkten bij den onbekenden leek
+en als later in de dagen der Kerkhervorming zoo menigmaal
+zal gehoord worden.
+
+<p>Het is wel opmerkelijk, dat van deze Bijbelvertaling, naar
+het schijnt, geen enkel afschrift der 14<sup>de</sup> eeuw is overgebleven,
+terwijl er dozijnen afschriften der 15<sup>de</sup> eeuw bestaan. Mag men
+aannemen, dat de geestelijkheid het werk onderdrukt heeft?
+Zoolang daarvoor geen enkel bewijs bestaat, natuurlijk niet.
+Doch in allen gevalle blijkt uit de afschriften, dat deze Bijbelvertaling
+ter kennisse van anderen is gekomen, zij het waarschijnlijk
+van slechts weinigen. Daarmede was een edele kiem
+in de ziel van ons volk gelegd, die er zich zou ontwikkelen
+met de langzaamheid die groote zaken past.<a name="411"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.1">1</a>: <i>Der Ystorin Bloeme</i> in de uitgave van A.C. OUDEMANS SR.
+Het tweede werk is als <i>Fragment van een oud berymd passionael</i>
+uitgegeven door WILLEMS in <i>Belg. Museum</i>, IX, 418 vlgg.
+
+<p class="footnote">Vgl. <i>Der Ystorin Bloeme</i>, vs. 2229-'30, 3554; <i>Belg. Mus.</i>, IX,
+424, vs. 184.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.2">2</a>: <i>Van Sinte Lutgart</i> uitgeg. door BORMANS in <i>Dietsche Warande</i>,
+III&mdash;IV. <i>Van Sinte Christina</i> eveneens door BORMANS. Vgl. over de
+hss. ook: <i>Tijdschr. v. N. T. en L.</i>, IX, 161 vlgg. <i>Leven van Sint
+Amand</i> uitgeg. door BLOMMAERT. Over de bronnen van dat werk
+TE WINKEL a. w. bl. 279. Over het hs. nog <i>Tijdschr. v. N. T. en L.</i>,
+X, 158. Het <i>Leven van S. Kunera</i> in <i>Middeln. Ged.</i> (ed. DE PAUW),
+I, 247 vlgg.; het hs. schijnt uit de 15e eeuw, de taal en de rijmen
+wijzen naar de 14e eeuw.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.3">3</a>: Over broeder GERAERT'S werk vgl. <i>Willem van Afflighem's
+Leven van Sinte Lutgart</i> (ed. VAN VEERDEGHEM), Inl., XVII,
+XXXVIII-XXXIX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.4">4</a>: Vs. 1341 2.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.5">5</a>: I, 5135 vlgg. Wereldlijke koningspelen (waarin vooral &#8222;questin
+van minne" behandeld werden) vindt men o.a. in den <i>Limborch</i>,
+XI, 67 vlgg. en <i>Cassamus</i>, vs. 1368 vlgg. (Aant., bl. 80). Vgl. voorts
+II, 1331 vlgg.; 1709; 1903 vlgg.; 4809.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.6">6</a>: In vs. 630 wordt gesproken van S. KERSTINE'S &#8222;lenden ende
+ander haer lede", waar het Latijn <i>nates</i> heeft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.7">7</a>: Vgl. over de vermoedelijke bron van dit werk TE WINKEL a. w.
+bl. 283.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.8">8</a>: <i>Dboec van den Houte</i> is uitgeg. door J. TIDEMAN. (Leiden. 1844).
+Hs. H. door TIDEMAN tot grondslag gelegd voor zijne uitgave, staat
+volgens een later onderzoeker W. MEIJER niet zoo dicht bij het vermoedelijk
+origineel als Hs. S. (Vgl. Inl., XX&mdash;XXI; en: <i>Abh. der Kn.
+Bayer. Akad. der Wiss.</i>, I, Cl. XVI B. II Abth. (1881). Een uitvoerig
+stuk over de Kruis-sage van J. KOOPMANS in <i>Taal en Letteren</i>, VII,<a name="412"></a>
+321 vlgg. Een fragment uit de 14e eeuw met eenigszins afwijkende
+lezingen uitgegeven in <i>Germania</i>, XV, 360 flgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.9">9</a>: Uitgeg. door Dr. L. WIRTH in: <i>Bibl. van Mnl. Lett.</i> (Groningen.
+WOLTERS). Afl. 49. Vgl. de critiek dezer uitgave door Dr. STOETT in
+<i>Museum</i>, 1893, 104.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.10">10</a>: Vgl. daarover Inl., bl. 14 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.11">11</a>: <i>Theophilus</i> uitgeg. door BLOMMAERT, (Gent, 1858) en later
+door VERDAM; <i>Beatrijs</i> door JONCKBLOET (met <i>Carel en Elegast</i>);
+Over het, eerst eenige jaren geleden ontdekte, verhaal <i>van Jonitas en
+Rosafiere</i> zie: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, IX, 170 vlgg.; het geheele
+werk later uitgeg. door N. DE PAUW in zijne <i>Mnl. Ged.</i>, afl. 3,
+bl. 487 vlgg.
+
+<p class="footnote">VERDAM heeft in zijne Theophilus-uitgave ongeveer 260 verzen van
+den door BLOMMAERT gepubliceerden tekst geschrapt als genterpoleerd.
+Ik kan mij met deze handelwijze niet vereenigen.
+
+<p class="footnote">1<sup>o</sup>. Omdat het onbeholpene of gebrekkige van vele verzen voor
+mij niet bewijst dat zij genterpoleerd moeten zijn.
+
+<p class="footnote">2<sup>o</sup>. Allerlei uitweidingen, die door V. beschouwd worden als
+interpolaties, vindt men ook in de door hem als echt erkende deelen.
+
+<p class="footnote">3<sup>o</sup>. Eigenaardigheden van den bewerker, als het herhalen der slotwoorden
+van een vers in den aanvang van een volgend vers, vindt
+men zoowel in de verworpene als in de voor echt erkende deelen.
+
+<p class="footnote">4<sup>o</sup>. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen
+van het gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog
+veel meer geschrapt worden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.12">12</a>: Ed. VERDAM, vs. 74&ndash;6, 95&ndash;116, 319&ndash;340.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.13">13</a>: Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.14">14</a>: Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA
+bidden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.15">15</a>: Vgl. CREIZENACH, <i>Gesch. des neuern Dramas</i>, I, 147. Ook
+in de geschiedenis der &#8222;verduldige Helena van Constantinopel".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.16">16</a>: Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY,
+IV, 121.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.17">17</a>: In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar
+SINT JACOB wordt gebracht en vlucht naar Veneti.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.18">18</a>: De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige
+dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van
+S. KUNERA in KIST'S <i>Kerkhist. Archief</i>, II, 1&ndash;48; door STALLAERT
+vergeleken met het rijmwerk in <i>D. Warande</i>, 1891, 28&ndash;36.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.19">19</a>: Uitgeg. in BLOMMAERT'S <i>Oudvlaemsche Ged.</i>, II, 31 vlgg.<a name="413"></a>
+Zie ook: <i>de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken</i> door
+W. DE VREESE, I, 145. Voorts: <i>Visio Tnugdali....</i> A. WAGNER,
+Erlangen, 1882. MUSSAFIA zegt van de Nederl. bewerking o.a.: &#8222;con
+una certa inclinazione a dilavare alquanto il dettato" (<i>Sitzungsber.
+der Wiener Akad. phil.-hist.</i>, Cl. Bd. 67, 157&ndash;206). Met het oog op
+de verklaring van den Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk
+voor.
+
+<p class="footnote">Eene uitvoerige en goede karakteristiek van <i>Tondalus Visioen</i>, uit
+een algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in het <i>Tweem.
+Tijdschrift</i> van 1901.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.20">20</a>: <i>Rumbeeksche Avondstonden</i>, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is
+gedagteekend: 28 Sept. 1399.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.21">21</a>: DE VOOYS, <i>Mnl. Legenden</i>, p. 15.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.22">22</a>: Vgl. <i>Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den
+Groote....</i> door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een
+enkel aardig trekje in de eene bewerking vermeld op p. LVII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.23">23</a>: Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES in <i>Versl. en Meded. der Vereen.
+voor oude Ned. Lett.</i>, II, 5&ndash;32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w.,
+bl. 569&ndash;572.
+
+<p class="footnote">Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing in <i>Feestbundel
+aan M. de Vries opgedragen</i>, p. 103. Over &#8222;PAEP JAN" vgl. <i>Zeitschr.
+f.d. Alt.</i>, N.F. XXI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.24">24</a>: Vgl. <i>Stemmen uit den Voortijd....</i> door F.H.G. VAN ITERSON,
+p. 140 vlgg., 162, 164&ndash;5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss.
+door VAN ITERSON als 14e eeuwsche genoemd).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.25">25</a>: Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'S <i>Gesch. der deutschen
+Mystik</i>, I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier
+geboden beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel
+te geven; daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan
+aangeduid.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.26">26</a>: ECKHART leefde van 1260&ndash;1327; zijn eerste werk volgens
+PFEIFFER van c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen.
+
+<p class="footnote">Een paar uittreksels uit de <i>Epistolae Haywigis</i> in een hs. van
+1360-'70; vgl. <i>Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken</i>, I, 425.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.27">27</a>: Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche
+mystiek berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS in <i>Ned.
+Archief voor Kerkgesch.</i>, N.S., 3e deel en in <i>De XXe Eeuw</i>,
+IX Jaarg. Vgl. voorts: <i>De Handschr. v. J. v. Ruusbroec</i>, II, 642.
+
+<p class="footnote">Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor
+theologen dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijn<a name="414"></a>
+met de teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld.
+Vgl. daarover de Inleiding op: <i>Meister Eckhart und seine jnger....</i>
+herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.28">28</a>: Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w.
+<i>Einl.</i>, XIV. DE VOOYS, <i>Mnl. Leg.</i> p. 325.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.29">29</a>: <i>Ned. Archief voor Kerkgesch.</i>, N. Serie, III, 54. Over TAULER
+vgl. PREGER a.w. III, 90 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.30">30</a>: <i>De Limburgsche Sermoenen</i> (uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig
+of geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII,
+XXIX, XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over
+het verschil tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK in <i>Taal en
+Letteren</i>, Jaargang VIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.31">31</a>: Vgl. PREGER a.w. II, 3&ndash;246. Het in de <i>Limb. Sermoenen</i>
+voorkomend <i>buec vanden Palmboeme</i> is blijkbaar hetzelfde als het
+door PREGER, p. 52&ndash;53 vermelde <i>der Palmbaum; Dboec vanden
+boegarde</i> doet denken aan <i>den Baumgarten</i> waarover vgl. PREGER,
+p. 48 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.32">32</a>: Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.33">33</a>: Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.34">34</a>: Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt,
+der 14e eeuw, dat aanvangt: &#8222;Hier beghint die prologus van desen
+boke als der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste
+boec van haren visioenen."
+
+<p class="footnote">In den aanvang der 15e eeuw waren &#8222;Machteldis revelacien" te
+onzent nog in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze
+in een dubbel exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw
+bevattend een groot aantal &#8222;stichtige woorde genomen uut den boeck
+der revelacien der heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan
+&#8222;die susteren van der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in
+N.-Brabant. MOLL, <i>Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster</i>, p. 32&ndash;33.
+
+<p class="footnote">In diezelfde boekerij vond men een boek <i>van Maria van Ogines</i>
+(t.a.p. bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar
+levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPR zijn
+geweest.
+
+<p class="footnote">Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek
+bleef. Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk
+onderzoek.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.35">35</a>: Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van
+Dr. DE VOOYS (in: <i>De XXe Eeuw</i>, 9e Jaargang) die o.a. over den
+&#8222;goeden kok van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan.]<a name="415"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.36">36</a>: Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche
+Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A.
+V. OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave
+daarvan is bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding
+verdienen voorts: de <i>Bijdragen tot de kennis van het leven en de
+werken van Jan van Ruusbroec....</i> door Dr. W.L. DE VREESE,
+(Gent, A. SIFFER, 1896); <i>Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl</i> door
+Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER, 1894); wat over R. gezegd
+wordt in BHRINGER'S <i>Deutsche Mystiker</i>, II, 3; over RUYSBROEK'S
+verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.: PRIEBSCH, <i>Deutsche
+Hands.</i>, I, 66; <i>Jahrbuch des Vereins f. niederd. Spr.</i> 1884.
+
+<p class="footnote">Eene vertaling van <i>De Chierheit der geesteleker Brulocht</i> gaf MAURICE
+MAETERLINCK (<i>L'Ornement des noces spirituelles</i>); eene bloemlezing
+van in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO: <i>Rusbrock
+l'Admirable</i>, (Paris, 1902).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.37">37</a>: Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen
+van &#8222;broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.38">38</a>: Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur in <i>Oud-Holland</i>,
+XIIe Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.39">39</a>: VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168&ndash;9; DE VREESE'S
+<i>Bijdragen</i>, bl. 8, 13.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.40">40</a>: Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te
+maken; evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname
+vrouw was, &#8222;die RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten
+kwam bezoeken" en te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN
+OTTERLOO, bl. 136). Vgl. overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16;
+VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en Editie DAVID, III, 235.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.41">41</a>: Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd,
+over. Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S
+stelsel is hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.42">42</a>: Eene andere voorstelling van het <i>Innige Leven</i> bij RUYSBROECK
+wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265&ndash;269.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.43">43</a>: VAN OTTERLOO, bl. 128.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.44">44</a>: ECKHART spreekt van <i>istigkeit, entgeisten, weiselos</i>; RUYSBROECK
+van: <i>istegheit, ontgeesten, wiseloos</i>. Beiden gebruiken de uitdrukking
+<i>Funken der Seele, vonke der sielen</i>, zij het misschien niet in geheel
+dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God
+sprake is) ais: <i>die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze
+zee</i> doen aan dergelijke van ECKHART denken.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.45">45</a>: Uitgave DAVID, VI, 173.]<a name="416"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.46">46</a>: Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2.
+VAN OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat
+RUYSBROECK'S werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1<sup>o</sup>. heeft
+RUYSBROECK voor de beschrijving des tabernakels het een en ander
+ontleend aan RICHARD'S <i>Expositio tabernaculi foederis</i> (MIGNE, <i>Patrol.</i>,
+T. 196, p. 211 seqq.); 2<sup>o</sup>. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'S
+<i>de Archa Morali</i> (MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de
+hoofdstukken: de ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de
+charadrio (p. 77); de upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek
+zou hier noodig zijn.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.47">47</a>: Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121&ndash;2, 178&ndash;9; IV,
+83&ndash;4, 108 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.48">48</a>: A.w. I, 2, p. 146; III, 198.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.49">49</a>: Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167&ndash;8.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.50">50</a>: A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256&ndash;7
+(geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.51">51</a>: A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208&ndash;9; IV, 104); VI, 230.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.52">52</a>: Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met &#8222;ende" verbonden);
+IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57&ndash;8; 250.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.53">53</a>: Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.54">54</a>: VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48, 116.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.55">55</a>: I, 248&ndash;9. Vgl. ook III, 59&ndash;60: &#8222;En daer an en leghet niet
+allene" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.56">56</a>: Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie
+III, 121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246;
+I, 49, 50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240&ndash;1. Vgl. andere
+voorbeelden in <i>Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl</i> door Dr. H. CLAEYS, pr.
+(Gent, A. SIFFER, 1894) en in <i>Ned. Museum</i>, 1891, (H. MEERT).
+Rijmende verzen o.a.: III, 201; IV, 4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.57">57</a>: Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk:
+<i>Die antike Kunstprosa</i> (van de 6e eeuw vr Chr.&mdash;Renaissance),
+vgl. <i>Museum</i>, 1899, n<sup>o</sup>. 9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.58">58</a>: I, 67.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.59">59</a>: Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38&ndash;9; <i>Werken</i>, I, 136; IV, 190; VI,
+71; vgl. ook nog V, 71 (fontein).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.60">60</a>: <i>Werken</i>, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14;
+<i>Werken</i>, VI, 61; III, 61; 104.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.61">61</a>: Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156&ndash;7.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.62">62</a>: V, 57&ndash;9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.63">63</a>: CLAEYS a.w. bl. 33.]<a name="417"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.64">64</a>: Vgl. IV, 15.
+
+<p>Het is opmerkelijk dat VOLTAIRE, die wel niet veel in RUYSBROECK
+zal hebben gelezen, zegt: &#8222;L'amour-propre est un ballon gonfl de
+vent, dont il sort des temptes quand on lui a fait une piqre".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.65">65</a>: IV, 111.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.66">66</a>: III, 151.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.67">67</a>: VI, 82.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.68">68</a>: Vgl. over deze vertaling het degelijk bewerkt proefschrift van
+Dr. C.H. EBBINGE WUBBEN: <i>Over Middelnederlandsche Vertalingen
+van het Oude Testament</i>. ('s-Grav. NIJHOFF. 1903).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.69">69</a>: A.w. bl. 73.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.70">70</a>: Vgl. over dat alles de prologen en de hoofdstukken in de
+Eerste Afdeeling II, 1 en 3, bl. 127.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.71">71</a>: Zie bl. 87&ndash;88.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.72">72</a>: Bl. 70; ook bl. 75: &#8222;Nu bidde ic elken die hierin lezen sel
+ende tijtcortinghe doen"; bl. 85: &#8222;meniger zaliger zielen, diere in
+lesen moeten".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.73">73</a>: Bl. 127.]<a name="418"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>POZIE DER GEMEENTEN.</h2>
+
+<h3>(VERVOLG).</h3>
+
+<p class="intro">1. Het Leerdicht.&mdash;Reinaert II.
+
+<p class="intro">2. Verhalende en lyrische pozie.
+
+<p>Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het
+lied&mdash;dat waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop
+wij de gemeentenaren in de 13<sup>de</sup> eeuw hebben aangetroffen.
+Op die wegen vinden wij hen ook in deze volgende eeuw,
+doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd.
+
+<p>De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen
+van dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan
+den omgang met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid.
+Den invloed dier beide standen zullen wij dan ook op meer
+dan n plaats in de pozie der gemeenten aantreffen. Doch
+tevens zal blijken, dat de burgerij, in den omgang met de
+beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend, ontwikkelend
+en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker
+tegenover die beide standen kwam te staan.
+
+<p>Dien gang van zaken zullen wij al dadelijk waarnemen in
+
+<h3>1. HET LEERDICHT.</h3>
+
+<p>In hun streven om de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling
+des volks te bevorderen, trekken de leerdichters ne lijn met
+de geestelijkheid. Onder de makers van leerdichten zien wij
+burgers, ons bij name bekend: den chirurgijn JAN DE WEERT,<a name="419"></a>
+den schepenklerk JAN BOENDALE, naast ongenoemden uit den
+geestelijken stand: den &#8222;simpelen clerc", die den <i>Spiegel der
+Zonden</i> samenstelde; den &#8222;armen pape", die de <i>Bediedenis der
+Misse</i> berijmde.
+
+<p>Evenals vroeger geestelijke dichters met bewustheid hunne
+pozie stelden tegenover de door hen gelaakte ridderpozie,
+zoo zien wij nu den samensteller van het didactisch werk <i>Sidrac</i>,
+dat in 1329 werd voltooid, in zijn proloog te velde trekken
+tegen de verhalen daar weinig nut in steekt en die slechts van
+&#8222;vechten en vrouwen minnen, van het veroveren van landen
+en steden" weten te spreken<a href="#14.1">[1]</a>.
+
+<p>Men mag wel aannemen dat de leerdichters bij de samenstelling
+van hun werk het oog hadden vooral op de niet-geleerden,
+wier grootste deel uit gemeentenaren bestond.
+Echter vindt men slechts bij een enkele hunner het bewijs,
+dat hij zich daarvan bewust was. In den proloog van zijn
+<i>Lekenspiegel</i> zegt BOENDALE:
+
+<p class="quote">... want dat leke is die sake<a title="[margin: oorzaak.]"><sup>#</sup></a>
+Daer omme ic dit boecskijn make.
+</p>
+
+<p>In overeenstemming met het onderwijzend karakter dier
+werken is de vorm van een gesprek tusschen &#8222;Meester" en
+&#8222;Clerc", zooals wij dat in den <i>Lucidarius</i>, tusschen vader en
+zoon, zooals wij het in <i>Seneka leren</i> aantreffen; ook het dialogisch
+karakter van werken als de <i>disputacie van Rogier ende
+Janne</i> en de <i>Melibes</i>. Dat deze dichters hunne lezers of
+hoorders van tijd tot tijd aanspreken met &#8222;lieve kindre" of
+&#8222;lieve liede" was dan ook in hun mond alleszins gepast<a href="#14.2">[2]</a>.
+
+<p>Op vrijwillige medewerkers aan de volksontwikkeling als deze
+leerdichters schijnen de priesters weinig gesteld te zijn geweest,
+even weinig als op den Bijbelvertaler van 1360. Blijkbaar beschouwden
+zij zulke geschriften als pijlen, waarmede onder<a name="420"></a>
+hunne duiven geschoten werd, en de schrijvers als stroopers
+in een veld, waar de Kerk &#8222;eigen jacht" had. Een dezer leerdichters
+eerbiedigt de grenzen, waarbuiten men voor leeken
+niet gaan mag: omtrent God zal de meester zijn leerling
+onderrichten
+
+<p class="quote">Also verre voirt als den leeken lieden
+Gheoorloft is te bedieden<a href="#14.3">[3]</a>.
+</p>
+
+<p>Een ander is dat met hem eens, doch voegt er bij:
+
+<p class="quote">Ende oec ontsie ic der papen treken
+Dat sijs mi mochten spreken lachter<a title="[margin: schande.]"><sup>#</sup></a><a href="#14.4">[4]</a>.
+</p>
+
+<p>Een derde zegt: Zou ik de gansche waarheid bekennen, de
+priesterschap zou mij vervloeken<a href="#14.5">[5]</a>. Dat BOENDALE het met
+zulke uitingen eens was, spreekt vanzelf voor wie zich zijne
+beschouwing van leeken en geestelijken uit een vroeger hoofdstuk
+herinnert<a href="#14.6">[6]</a>. In zijn <i>Lekenspiegel</i> stelt hij zich nog eens
+tegenover de priesters, waar hij den ongehuwden staat en het
+huwelijk vergelijkt. Ongehuwden staat en maagdelijkheid acht
+hij hoog&mdash;wanneer zij gepaard gaan met een rein hart &#8222;van
+ghepeinse ongeknaecht"; doch dat komt maar al te zelden voor.
+Als hij daarna den lof van een goed huwelijk heeft verkondigd,
+voegt hij er aan toe: Ik weet wel, dat &#8222;liede van gheesteliken
+abite" zich aan dezen lof zullen ergeren en mijne woorden
+berispen ... maar hoe zouden zij aan kost en kleeren komen,
+indien de gehuwde lieden niet voor hen zorgden<a href="#14.7">[7]</a>?
+
+<p>Tegenover dit drietal kiest slechts een dezer leerdichters de
+partij der geestelijken. Het is begrijpelijk dat hij zelf tot hen
+behoorde. De &#8222;simpele clerc", die den <i>Spieghel der Zonden</i>
+samenstelde, tracht de schuld van de simonie van de geestelijken
+op de leeken te schuiven: &#8222;Si sijn soekers eerst daervan."<a name="421"></a>
+Dat er priesters zijn die een slecht leven leiden, geeft hij toe;
+maar nochtans moeten wij ze eeren, omdat God Almachtig
+hen gezonden heeft<a href="#14.8">[8]</a>.
+
+<p>Vergelijken wij het leerdicht van dit tijdvak bij dat van het
+voorafgaande, dan treft ons dat het godsdienstig en vooral
+het zedelijk element veld hebben gewonnen op het zuiver
+wetenschappelijke. Met groote werken als die van MAERLANT
+en VELTHEM kon men vooreerst zijn begeerte naar kennis der
+geschiedenis bevredigen; BOENDALE moge in zijne <i>Brabantsche
+Yeesten</i> deels MAERLANT'S werk overnemen, deels de geschiedenis
+van zijn eigen tijd verhalen&mdash;meer en meer kiest de
+historiographie den vorm der proza-kroniek. Algemeene natuurkennis
+vond men voldoende in <i>der Naturen Bloeme</i>; doch
+voor sommige onderdeelen viel wel iets te doen, vooral voor
+een betere kennis van den mensch.
+
+<p>Dat verklaart het ontstaan van rijmwerkjes als: <i>Die Cracht der
+Mane</i> van zekeren HEINREC VAN HOLLANT, <i>Der Vrouwen Heimelicheit</i>,
+<i>Der Mannen ende der Vrouwen Heimelicheit</i> en eenige
+fragmenten van een leerdicht dat, voorzoover men kan zien,
+over de physiologie en de psychologie van den mensch handelt.
+Van literaire kunst is in deze populair-wetenschappelijke werkjes
+nog minder sprake dan in de meeste overige leerdichten. Opmerkelijk
+is slechts, hoe zich in het tweede en het vierde werk op
+zonderlinge wijze de invloed der hoofsche pozie vertoont. Zoo
+goed als de menestrelen van vroeger, heeft ook de bewerker
+van het laatste physio-psychologische werkje eene &#8222;jonkvrouw,
+die (z)ijn herte heeft ghewont." Het tweede werk, eene handleiding
+voor vroedvrouwen, was door den bewerker vertaald uit het
+Latijn van ALBERTUS MAGNUS ter wille zijner &#8222;lieve joncfrouwe",
+waarschijnlijk eene vroedvrouw wier hart hij door deze obstetrische
+hulde hoopte te winnen. Doch zijne hoofsche verzuch<a name="422"></a>tingen
+passen bij zijne practische wetenschap als riddersporen
+aan de hielen van een dorpsbarbier<a href="#14.9">[9]</a>.
+
+<p>Voor het godsdienst-onderwijs werd op de in aantal toenemende
+scholen langzamerhand beter gezorgd. Toch voelden eenige
+leerdichters zich geroepen om dat onderwijs aan te vullen en
+uit te breiden. Zoo ontstonden werken als <i>die Bediedenisse der
+Missen</i> en de berijmde zoowel als de proza-bewerking van den
+<i>Dietschen Lucidarius</i>. De inhoud van het eerste werk wordt
+voldoende door den titel aangewezen. De berijmde <i>Lucidarius</i>
+was een vrije bewerking, hier bekort daar uitgebreid, van het
+<i>Elucidarium</i>, door HONORIUS AUGUSTODUNENSIS in het begin
+der 12<sup>de</sup> eeuw samengesteld als een dogmatisch handboek ten
+dienste van theologen. De <i>Lucidarius</i> in proza, voorzien van een
+berijmde voorrede, was een getrouwe vertaling van een Duitschen
+catechismus van het geloof en de wetenschap dier dagen, bestemd
+tot onderricht der leeken. Het Duitsche origineel dagteekent uit
+het eind der 12<sup>de</sup> eeuw; de Dietsche bewerking, naar het
+schijnt, uit den aanvang der 14<sup>de</sup>. Het Nederlandsch rijmwerk
+schijnt vr 1353 reeds verbreid te zijn geweest<a href="#14.10">[10]</a>.
+
+<p>Dicht bij deze catechetische werkjes staat het <i>Boec van der
+Wraken</i>, omstreeks het midden der 14<sup>de</sup> eeuw gedicht; dit geschrift
+bevat een aantal voorbeelden van Gods wrekende gerechtigheid,
+zichtbaar in allerlei gebeurtenissen uit vroeger en later tijd.
+Opmerkelijk is hier vooral de voorstelling dat Gods hardheid
+en haastigheid zijn afgenomen, sinds Hij mensch geworden was:
+
+<p class="quote">Aldus haestich ende dus hart
+Was God eer hi mensche wart;
+Maer sint dat hi die menscheyt kinde,
+Ende God die menscheyt minde,
+En heeft hi so haestelike
+Niet ghewroken op aertrike<a href="#14.11">[11]</a>.<a name="423"></a>
+</p>
+
+<p>Ook het sterk Duitsch getinte rijmwerk van <i>Die X Plaghen
+ende die X. Ghebode</i>, dat een allegorischen uitleg der Tien
+Plagen van Egypte geeft. Egypte is b.v. de duisternis der zonde,
+die der ziel schade doet en de zinnen des menschen verblindt.
+Overigens vindt men hier een groot aantal aaneengeregen uitspraken,
+aan den Bijbel, de apocriefe boeken en de kerkvaders
+ontleend<a href="#14.12">[12]</a>.
+
+<p>Tegenover dit achttal geschriften van wetenschappelijken of
+van theologischen aard plaatsen wij een dozijn andere, die een
+opvoedkundig-zedelijk karakter dragen. In aantal, maar meer
+nog in omvang en beteekenis, overtreffen de laatstgenoemde
+die der eerste soort.
+
+<p>Het algemeen karakter van deze werken der tweede soort leeren
+wij al dadelijk kennen uit dit drietal: <i>Dietsche Doctrinael</i>, in
+1345 door een onbekend dichter te Antwerpen voltooid; <i>Nieuwe
+Doctrinael</i>, samengesteld, misschien in 1351, door JAN DE WEERT,
+chirurgijn te Yperen; <i>Spiegel der Zonden</i>, het werk van een
+Westvlaamsch dichter der 14<sup>de</sup> eeuw<a href="#14.13">[13]</a>. Alle drie zijn leerboeken
+van practische zedekunde; zij geven eene uiteenzetting
+der onderscheidene deugden en ondeugden, van de middelen
+waardoor men de deugden kan aankweeken en de ondeugden
+tegengaan; de twee laatste lichten dat alles gaarne toe met
+voorbeelden, zij wijden zich zoowel aan den opbouw van het
+persoonlijk zedelijk leven als aan dien van het huiselijk en
+burgerlijk leven. Dit karakter spreekt zich uit ook in de titels
+dezer werken: een <i>doctrinael</i> is een leerboek, inzonderheid
+van practische moraal; <i>Spiegel der Zonden</i> spreekt voor zich
+zelf. JAN DE WEERT noemde zijn werk in den tekst: &#8222;<i>Spieghel
+der Zonden of Doctrinael</i>", en de middeleeuwsche titel vr
+den aanvang luidt: &#8222;Hier beghint een goet boec van den VII.
+doetsonden ende van den X gheboden."<a name="424"></a>
+
+<p>Van denzelfden aard als dit drietal moet het verloren werk
+zijn geweest van den dichter der <i>Dietsche Doctrinale</i>, dat
+getiteld was <i>Exemplaer</i> en handelde over de &#8222;IIII. doeghden
+cardinale."
+
+<p>Wat deze werken gemeen hebben is, dat zij, evenals verreweg
+de meeste dezer leerdichten, uit het Latijn vertaald of
+althans naar het Latijn bewerkt zijn; voor een deel bestaan zij
+&#8222;uit los aaneengeregen aanhalingen uit gewijde schrijvers,
+apocriefe zoowel als canonieke, uit kerkvaders en voor een
+klein deel ongewijde schrijvers" <a href="#14.14">[14]</a>. Echter moet men hier eene
+uitzondering maken voor al die plaatsen, waar de auteurs over
+hun eigen tijd spreken en waar zij, zooals vooral JAN DE WEERT
+doet, hunne uiteenzetting of hun betoog toelichten met voorbeelden,
+door hen aan de werkelijkheid ontleend.
+
+<p>De <i>Dietsche Doctrinale</i> beperkt zich in hoofdzaak tot eene
+uiteenzetting van deugden en ondeugden; de <i>Nieuwe Doctrinael</i>
+verbindt met zijne beschouwing van doodzonden en
+geboden eene scherpe zedenhekeling van alle standen; de
+<i>Spiegel der Zonden</i> staat dichter bij den <i>Nieuwen</i> dan bij
+den <i>Dietschen Doctrinael</i>, doordat hij waarschijnlijk berust op
+eene Latijnsche verhandeling over de zeven doodzonden en
+met die stof zedenhekeling verbindt; anders echter dan JAN
+DE WEERT heeft de &#8222;simpele clerc" zijne waarschuwingen en
+raadgevingen toegelicht door tal van &#8222;exempelen", &#8222;ware of
+verdichte verhalen, waaruit iets te leeren viel," die in de
+geschiedenis der wereldliteratuur zulk eene belangrijke rol
+hebben gespeeld <a href="#14.15">[15]</a>. Echter richt ook de bewerker van den
+<i>Spiegel der Sonden</i> zijn blik niet zelden op zijne omgeving
+en op misbruiken, die hij zelf moet hebben waargenomen.
+Zoo b.v. waar hij te velde trekt tegen de weelde, tegen den
+adel die de boeren verdrukt, tegen de drankzucht en de
+kwartjesvinders dier dagen:<a name="425"></a>
+
+<p class="quote"> die schanienisse
+Vanden speelre<a title="[margin: spelers.]"><sup>#</sup></a> ende die verradenisse,
+Als si noden om drinken of eten
+Den ghenen dien si bi ghelde weten,
+Ende vake maken si onder hem drien
+Of vieren verbond te rovene dien<a href="#14.16">[16]</a>.
+</p>
+
+<p>Voor een betere kennis van het maatschappelijk leven dier
+dagen zijn deze leerdichten van veel belang. Echter zal men
+bij een werk als <i>de Spiegel der Zonden</i> nimmer uit het oog
+mogen verliezen dat het de bedoeling van den samensteller was:
+<i>slechts</i> de zonden te doen zien en dat JAN DE WEERT vooral
+een hekeldichter is. Wij mogen hem geen geloof weigeren,
+waar hij ons vertelt van den vraat die zijn vinger in de keel
+placht te steken om daardoor zijn volle maag te ontledigen en
+opnieuw aan het schrokken te kunnen slaan. Belangrijk voor
+de kennis van het bijgeloof zijn ook zijne mededeelingen over
+het &#8222;werken met toverringhen" om daarmede vrouwen of iets
+anders machtig te worden, over het betooveren van koeien en
+andere beesten. Doch men moet zich wachten voor het vormen
+van een algemeen oordeel, louter op grond van zulke plaatsen.
+
+<p>Zoo zal ook JAN DE WEERT'S oordeel over de dartelheid der
+toenmalige meisjes: &#8222;waren zij niet bang voor de gevolgen,
+men zou er tenauwernood ne maagd onder vinden", zeker
+wel waarheid maar niet de waarheid bevatten.
+
+<p>Niet alleen het zedelijk en maatschappelijk leven, ook het
+godsdienstig gemoedsleven van de Nederlanders der 14<sup>de</sup> eeuw,
+kan men door deze leerdichten beter leeren kennen. Zoo vindt
+men in den <i>Nieuwen Doctrinael</i> dezelfde verlichte opvatting
+omtrent de beteekenis van beelden die wij reeds vroeger hebben
+aangewezen en eene uitvoerige beschouwing van de verhouding
+tusschen den berouwvollen, boetaardigen zondaar en God<a href="#14.17">[17]</a>.<a name="426"></a>
+
+<p>In den <i>Dietschen Doctrinael</i> en den <i>Spiegel der Zonden</i>
+wordt gehandeld over de &#8222;caritate" en de verdere verhouding
+tusschen God en den mensch. Toch houden deze leerdichters
+den blik niet bij voorkeur op het godsdienstig gemoedsleven
+gericht. Hoofdzaak is voor hen, wat RUYSBROECK samenvatte
+onder den naam van het <i>Werkende Leven</i>. Waar een hunner
+een enkele maal over het <i>Schouwende Leven</i> spreekt, daar is
+hij er blijkbaar mee verlegen, hoe hij het zal plaatsen tegenover
+het Werkende Leven. Er is veel over getwist, schrijft de
+samensteller van den <i>Dietschen Doctrinael</i>, welk dier twee het
+best zou zijn. Zelf is hij blijkbaar geneigd het Werkend Leven
+hooger te stellen; immers dat is &#8222;vele meerre arbeit"; de schouwer
+doet niets anders dan dat hij &#8222;zijnen Schepper liefheeft".
+Wat hem echter weerhoudt aan het Werkend Leven den voorrang
+te geven is, dat degelijke geleerden het Schouwende Leven
+hooger gesteld hebben; bovendien, CHRISTUS zeide immers van
+MARIA, dat zij het beste deel gekozen had; zoo komt de auteur
+van den <i>Doctrinael</i> niet tot eene slotsom. In overeenstemming met
+de geringe plaats, door het Schouwende Leven ingenomen, is
+ook, dat deze leerdichters slechts zelden over Gods wezen en
+het wezen der ziel spreken. In den <i>Dietschen Doctrinael</i> vinden
+wij een hoofdstuk &#8222;Van der Godheit" en &#8222;noch subtijlre van
+Gode", in <i>der Leken Spieghel</i> een paar hoofdstukken &#8222;van
+Gods wesene" en &#8222;van den wesene der zielen", doch wat beteekent
+dat viertal tegenover de honderde hoofdstukken van
+anderen aard?
+
+<p>De rijkdom aan gegevens, dien deze leerdichten bieden aan
+den onderzoeker van de zedelijke ontwikkeling onzer voorouders,
+mag ons oog niet verblinden voor hunne doorgaans geringe
+waarde als literaire kunstwerken. JAN DE WEERT moge wel
+eens zekere levendigheid en gloed vertoonen, de samensteller
+van den <i>Spiegel der Zonden</i> aardige woorden maken of althans<a name="427"></a>
+gebruiken als &#8222;slaeplief" (concubine), &#8222;die beeste-mensche" of
+&#8222;die mensche-beeste" (la bte humaine), over het algemeen
+kan hier van schoonheid zelden sprake zijn. Noch in den
+bouw der werken, noch in het verband der deelen, noch in
+de uitwerking der onderdeelen valt doorgaans&mdash;want er zijn
+uitzonderingen&mdash;eenige kunst te bespeuren. Het mag de
+vraag heeten of deze dichters in staat waren tot het voortbrengen
+van belangrijke literaire kunst, maar zeker hebben zij er
+niet naar gestreefd.
+
+<p>Het leerdicht der 14<sup>de</sup> eeuw vindt zijn meest typischen vertegenwoordiger
+in den Antwerpschen &#8222;scepenclerc" JAN BOENDALE,
+die waarschijnlijk in het laatste kwart der 13<sup>de</sup> eeuw
+geboren is. Onder den invloed van MAERLANT begint hij met
+een paar geschiedkundige werken: de <i>Brabantsche Yeesten</i> en
+<i>Van den derden Edewaert</i>, dat den krijgstocht van den Engelschen
+koning EDUARD III tegen Frankrijk behandelt is<a href="#14.18">[18]</a>. Maar
+verreweg zijn gewichtigste werk levert hij daarna in <i>der Leken
+Spieghel</i>, een leerdicht dat tusschen 1325 en 1330 is samengesteld<a href="#14.19">[19]</a>.
+In dit volksboek vond de leek ongeveer alles bijeen
+wat hij noodig had om zich als christen, mensch en burger te
+ontwikkelen. Het werk sprak eerst over God, den hemel, de
+goede en kwade engelen, het heelal, de planeten, de aarde, de
+hel. Daarna kwam het op den mensch, op zijne geschiedenis en
+op die van het Joodsche volk, Gods uitverkorenen; als aanhangsel
+der Joodsche geschiedenis werd ook iets van de geschiedenis
+der Romeinen medegedeeld. Na zoo, evenals de mystiek, van
+God tot den mensch te zijn afgedaald, maakt de dichter zich
+gereed weer tot God op te klimmen; maar lang is de weg.
+De mensch kan slechts tot hooger ontwikkeling komen doordat
+God op aarde is afgedaald. Gods menschwording wordt dus
+medegedeeld, het leven van JOZEF en MARIA, JEZUS' kindsheid<a name="428"></a>
+en geschiedenis; een overzicht van de geschiedenis der door
+Hem gestichte kerk sluit zich daarbij aan. Nu plaatst de schrijver
+den mensch in zijne verhouding tegenover God, leert hem
+hoe hij zijn persoonlijk zedelijk leven kan ontwikkelen, hoe hij
+zich te gedragen heeft in het huwelijk en bij de opvoeding
+zijner kinderen; wat de plichten zijn van een goed landsheer,
+van een rechter; wat men te denken hebbe over de waarde en
+het wezen van kunst en wetenschap, over minne, vriendschap,
+mildheid, maagschap, voeding en dergelijke belangen. Hij besluit
+zijn werk met een groot toekomstbeeld: de Antikrist zal
+op aarde komen en het volk verleiden; de Heer zal zijne twee
+getrouwe knechten HENOCH en ELIA tegen hem uitzenden, de
+Antikrist zal hen dooden, doch de &#8222;gadoot"<a title="[margin: plotselinge dood.]"><sup>#</sup></a> zal hem zelven
+van Gods hand treffen. Dan zullen er teekenen geschieden:
+de zee zal zich verheffen, zeegedrochten zich vertoonen en
+angstwekkend huilen, dan aardbeving, opstanding der dooden;
+hemel en aarde zullen in brand staan&mdash;z zal de Dag des
+Oordeels worden aangekondigd. Op de wolken zal dan de
+rechter komen, die in het dal van Josaphat de menschen zal
+oordeelen, de goeden met zich voeren, doch de boozen ter
+helle verwijzen.
+
+<p>Dat is de kern der omvangrijke stof die in bijna 22000
+verzen, nochtans beknopt en zaakrijk, behandeld is. Zeker was
+daarin veel waarmede de leeken hun voordeel konden doen.
+Zij vonden er nuttige kennis en dingen die hunne algemeene
+ontwikkeling konden bevorderen naast lessen voor de practijk
+des levens; zoo wekt BOENDALE de landsheeren op tot zorg
+voor het algemeen welzijn; de poorters tot onderlinge eendracht,
+te waken tegen zelfverheffing, hunne kinderen op hun zevende
+jaar naar school te zenden om lezen en schrijven te leeren<a href="#14.20">[20]</a>.
+Doch sterker invloed nog zal hij geoefend hebben door zijne
+verheffing van het geestelijke boven het stoffelijke. Hoe forsch<a name="429"></a>
+pakt hij de overmoedige zinnelijkheid dier opkomende burgerij
+aan, waar hij haar voor oogen houdt dat de &#8222;arme menschelichede"
+het zwakste en onreinste zou zijn dat bestaat&mdash;ten
+ware dat de ziel haar door hare gratie bestierde en sierde.
+Onder een geslacht dat afzonderlijke woorden bezigde voor te
+veel eten en drinken (&#8222;overate" en &#8222;overdranc") is BOENDALE
+een matigheids-apostel geweest die hun voorhield, dat nmaal
+eten: geestelijk is, twmaal: menschelijk, driemaal: beestelijk.
+Hij komt op tegen de voorstelling van God als een mensch:
+&#8222;God is altemale gheest; tegen afbeeldingen van engelen met
+menschenlichaam en vleugels; tegen de voorstelling van de
+kerk als een huis, zooals RUYSBROECK dat evenzeer had gedaan<a href="#14.21">[21]</a>.
+
+<p>De vraagstukken van maatschappelijken aard die hier behandeld
+zijn, vindt men, met eenige andere vermeerderd, terug in een
+tweede, veel kleiner, leerdicht van BOENDALE, dat getiteld is
+<i>Jan's Teesteye</i><a title="[margin: overtuiging.]"><sup>#</sup></a><a href="#14.22">[22]</a>. Nieuw is hier o.a. BOENDALE'S overtuiging:
+dat de menschen, vergeleken bij de vroegere, eer vooruit dan
+achteruit zijn gegaan, al heeft de adel onder den invloed der
+boozen geleden; dat de boeren en kooplieden zulke nuttige
+leden der maatschappij zijn; dat de vrouwen zoo vele en zoo
+groote gebreken hebben. Ook over dichters vinden wij hier
+eenige uitlatingen die niet zonder belang zijn, doch die wij
+liever elders zullen behandelen.
+
+<p>Vooral in de <i>Teesteye</i> zien wij, welk een sterken invloed
+MAERLANT op BOENDALE heeft geoefend. Zijne beschouwing
+van de &#8222;edelhede" is geheel die van MAERLANT, soms vinden
+wij zelfs woordelijke overeenkomst. MAERLANT'S <i>Martijn's</i>, zijn
+<i>Spieghel</i>, zijn <i>Rijmbijbel</i>, zijn roman <i>van Troyen</i> zijn door
+BOENDALE blijkbaar gelezen; gelezen en bewonderd, want meer
+dan eens verkondigt hij den lof van &#8222;JACOB, die dichter hoghe";
+in zijn <i>Lekenspiegel</i> noemt hij hem zelfs &#8222;'t hooft van alle
+Dietsche poten"<a href="#14.23">[23]</a>. MAERLANT heeft in BOENDALE die liefde<a name="430"></a>
+tot de waarheid gewekt of versterkt, die hem den moed gaf
+zich zoo onbeschroomd tegenover de priesters te uiten, die
+hem ook aan een dichter den eisch deed stellen, &#8222;dat hi uter
+waerheit niet en kere"; doet hij dat, dan is hij den naam van
+dichter onwaardig<a href="#14.24">[24]</a>.
+
+<p>Toch is er tusschen den meester en zijn bewonderenden
+leerling een aanmerkelijk verschil.
+
+<p>MAERLANT was een idealist. In zijn jonge jaren hadden de
+idealen van het ridderwezen zijn hart wel niet onverdeeld bezeten,
+maar er toch weerklank gevonden; de vereering der
+vrouwen had het in gloed gezet, die gloed was langzamerhand
+gezuiverd van rook en walm, de moedermaagd had al die
+romanheldinnen verdreven, den stralenden afglans van het
+vuur zijner jeugd zien wij in zijn <i>Land van Overzee</i> en zijn
+<i>Kerken Claghe</i>; daar heeft de lezer en vertaler van ridderromans
+zich ontwikkeld tot een &#8222;miles Christianus".
+
+<p>BOENDALE heeft ook wel eens van dien eerbied voor de
+vrouwen gehoord. De &#8222;edelhede", zegt hij in zijn <i>Teesteye</i>, gebiedt
+dat men over vrouwen en jonkvrouwen slechts hoofsche
+dingen spreke. Maar zich zelven acht hij blijkbaar aan dat
+gebod niet gebonden. Een paar hoofdstukken verder in datzelfde
+gedicht geeft hij eene karakteristiek van de vrouwen die aan
+duidelijkheid niets, aan hoofschheid alles te wenschen overlaat;
+hij zal er maar &#8222;een luttel" van zeggen: vrouwen zijn van
+nature loos, vrekkig, begeerig, twistziek, ongestadig, wraakzuchtig,
+zonder genade voor wien zij haten, hoovaardig, kinderachtig,
+onwetend, lichtgeloovig ... men zou zeggen dat
+het z wel kon, doch het hoofdstuk geeft nog meer van dezen
+aard, er volgt een ander dergelijk dat getiteld is &#8222;noch van
+den wiven" en daarop nog een &#8222;exempel". Een geluk is er
+echter: &#8222;dat de vrouwe des mans dienstwijf is", wat men hieruit
+kan zien dat de vrouw het kind, door den man gewonnen,<a name="431"></a>
+moet dragen en groot brengen; een taak waarvan de man
+terecht is vrijgesteld, omdat hij &#8222;heer en voogd van het aardrijk" is.
+
+<p>Men zou BOENDALE onrecht doen, indien men verzweeg
+dat hij zelf zijn best heeft gedaan om niet misverstaan te worden;
+op deze hoofdstukken heeft hij een ander laten volgen dat
+handelt &#8222;van den goeden wiven"; daarin maakt hij onderscheid
+tusschen &#8222;vrouwen" en &#8222;wiven": al het kwade geldt slechts
+van de &#8222;wiven", zegt hij; van de &#8222;vrouwen" weet hij allerlei
+liefelijke en goede dingen te vertellen: een goede vrouw is
+haar mans schat, zij draagt zorg voor haar mans eer, voor
+zijn leven, zijn goed; zij is hem trouw tot in den dood; zij
+is dikwijls wijs, geeft goeden raad, houdt vrede met haar man,
+zij troost hem als hij verdriet heeft; een goede vrouw gaat
+zilver en goud te boven en purperen staatsiekleederen en saffieren
+ ... aldus stelt BOENDALE het goede tegenover het kwade.
+
+<p>Het feit dat drie hoofdstukken aan de &#8222;wiven" gewijd zijn
+en slechts n aan de &#8222;vrouwen" behoeft hier niet zwaar te
+wegen. Doch ook al ware hij even uitvoerig geweest over
+de goede als over de kwade vrouwen, dan nog zou men terecht
+mogen beweren, dat een dichter die de fouten en zonden der
+vrouwen z breed kon uitmeten, weinig sympathie kan hebben
+gevoeld voor het hoog en zuiver idealisme, dat, vermengd met
+elementen van minder waarde, in den middeleeuwschen vrouwendienst
+gevonden werd. Ja, ook MAERLANT heeft in zijn roman
+<i>van Troyen</i> wel eenige verzen vertaald waarin gebreken der
+vrouwen worden opgesomd, doch wie het <i>vr</i> en het <i>tegen</i>
+de vrouwen in MAERLANT'S werken onderling vergelijkt, zal
+toch moeten instemmen met de slotsom van MAERLANT'S
+vriend MARTIJN:
+
+<p class="quote">Jakob, du best den vrouwen hout <a title="[margin: genegen.]"><sup>#</sup></a>,
+Du gheves den mannen al de scout <a title="[margin: schuld.]"><sup>#</sup></a>.<a name="432"></a>
+</p>
+
+<p>Ook elders toont BOENDALE zekere nuchterheid en bezadigdheid,
+die hem afkeerig maakt van wat buiten de middelmaat
+valt; &#8222;middelheit houden over al", dat moet iemand doen die
+zich zelven mint. Een ander minnen is goed, maar ieder minne
+een ander z, &#8222;dat hi sijns selfs scade niet en doe", want doet
+hij dat niet, dan heeft hij een ander liever dan zich zelven&mdash;
+en, wie z liefheeft, leeft &#8222;onwijslijc". Zoo moet men arme
+brave bloedverwanten wel helpen, doch z dat men er zelf
+de minste schade bij lijdt <a href="#14.25">[25]</a>.
+
+<p>MAERLANT'S idealisme maakte hem pessimist, gelijk zoovele
+idealisten vr en n hem. De werkelijkheid ontstemt, bedroeft,
+ergert hem; om zijn geloof aan de menschheid te kunnen
+behouden, vlucht hij ermee naar een droomland in een ver
+verleden waar alles rein en goed was; bij de toestanden uit die
+gouden eeuw vergeleken, is al wat hem op deze aarde omringt,
+gebrekkig, leelijk, zondig.
+
+<p>BOENDALE is het hier geenszins met zijn voorganger eens.
+In zijn <i>Lekenspiegel</i> sprak hij de overtuiging uit, dat de menschen
+tegenwoordig even goed zijn als vroeger. In zijn <i>Teesteye</i> neemt
+hij die stelling in het eerste hoofdstuk reeds weer op, gaat na
+hoe het komt dat wij het voorgeslacht zoo prijzen, betoogt de
+waarheid zijner stelling met voorbeelden uit het Oude en het
+Nieuwe Testament, en hangt daarna een z verlokkend tafereel
+op van de braafheid en vroomheid zijner tijdgenooten dat men
+een oogenblik aan ironie denkt; doch uit het gansche werk
+blijkt dat men den dichter ook hier moet houden aan zijn
+woord. Deze verheerlijking van zijn tijd komt in een eigenaardig
+licht te staan, indien men haar naast den proloog van
+het werk plaatst. BOENDALE heeft zijn <i>Teesteye</i> opgedragen aan
+een machtig en invloedrijk edelman, ROGIER VAN LEEFDALE,
+kanselier van Brabant en burggraaf van Brussel. Heer ROGIER
+was blijkbaar een MAECENAS voor BOENDALE. De dichter<a name="433"></a>
+verzekert dat hij zijne dichtkunst wil stellen ten dienste en ter
+eere van zijn hoogen beschermer en diens gemalin AGNES VAN
+CLEVE. Hoog verheft hij beider lof, zelfs hunne namen deelen
+daarin: wie kan mooier namen bedenken dan: ROGIER EN
+ANGENEESE? n ding hoopt hij nu slechts: dat Heer ROGIER
+in dit werk niets vinden moge dat hem mishaagt. Vroeger is
+hij vaak in vreeze geweest, wanneer hij zijn beschermer eenig
+dichtwerk zond, of het hem wel bevallen zou; daarom is hij
+nu voortaan op zijn hoede, want Heer ROGIER ziet scherp en
+heeft hem wel eens berispt over zijne pozie.
+
+<p>Blijkbaar had BOENDALE in een vorig gedicht (welk?) te
+stout en te scherp gesproken, waarschijnlijk over maatschappelijke
+misstanden en moest de aanvang der <i>Teesteye</i> Heer ROGIER
+weer in een goed humeur brengen. Maar een idealist, een
+echte, doet zulke dingen toch niet.
+
+<p>MAERLANT sprak een stout woord voor dien tijd, toen hij,
+het eerst in de volkstaal, neerschreef dat de ware adel in de
+deugd gelegen is. BOENDALE volgt hem daarin slechts na.
+MAERLANT zwijgt over de democratische beweging zijner dagen,
+die opkwam toen hij reeds bejaard was; doch hij heeft er zich
+toch niet vierkant tegenover geplaatst zooals BOENDALE.
+
+<p>MAERLANT bewerkte den <i>Rijmbijbel</i>; BOENDALE voegde bij
+het werk van zijn voorganger slechts het een en ander uit de
+apocriefe evangelin<a href="#14.26">[26]</a>.
+
+<p>MAERLANT was geen hervormer maar toch een vernieuwer
+en een voorganger; BOENDALE een verdienstelijk volger en
+behouder.
+
+<p>MAERLANT eindelijk was een dichter die, ja, ter wille van
+zijn volk veel berijmd proza heeft geschreven, maar in wiens
+werk toch op menige plaats echte pozie te zien valt als groene
+loten tusschen het dorre hout. BOENDALE'S potisch vermogen
+was blijkbaar gering. In zijne voorstelling van den naderenden
+<a name="434"></a>
+Oordeelsdag zijn hier en daar elementen van grootsche verhevenheid
+die doen denken aan het Oudhoogduitsche <i>Muspilli</i>;
+doch waarschijnlijk heeft hij ook deze aan een of andere
+Latijnsche bron ontleend; indien hij al iets van deze verhevenheid
+hebbe beseft, dan is hij er toch niet in geslaagd het ons te
+doen zien.
+
+<p>In zijn beste werk, <i>der Leken Spieghel</i>, kan men slechts op
+een paar plaatsen wijzen die zich boven het gelijkvloersche
+verheffen. De eene is die waar hij spreekt over de roeping
+van den dichter; de andere, eene uiting van verlangen naar
+de paradijsweelde van JEZUS' liefde, bevat misschien de beste
+verzen die hij geschreven heeft:
+
+<p class="quote">O edele minne, wanneer seldi
+Volkomenlike comen in mi?
+Of dat ic uwes ghesmake iet!
+Had ic u, mine ghebrake niet<a title="[margin: mij zou niets ontbreken]"><sup>#</sup></a>,
+Al mijn vernoy<a title="[margin: verdriet]"><sup>#</sup></a> ware verdreven.
+Ay heere! wilt mi gheven
+U vaderlike minne daer toe:
+So blivic eeuwelike vroe<a title="[margin: blijde]"><sup>#</sup></a> <a href="#14.27">[27]</a>.
+</p>
+
+<p><i>Jans Teesteye</i>, het werk van BOENDALE, waarin MAERLANT'S
+invloed zich het duidelijkst vertoont, is geschreven in den vorm
+eener samenspraak tusschen een paar vrienden, WOUTER en
+JAN; echter niet in regelmatige afwisseling van vraag en antwoord
+verdeeld over afzonderlijke coupletten, maar z dat verreweg
+de meeste hoofdstukken aanvangen met een vraag van WOUTER
+die door JAN wordt beantwoord. Misschien moeten wij dit
+dialogisch karakter toeschrijven aan den invloed van MAERLANT'S
+<i>Martijns</i>, doch, zooals wij reeds in den aanvang van dit
+hoofdstuk zagen, het leerdicht koos gaarne dezen vorm.<a name="435"></a>
+
+<p>Wij vinden den dialoogvorm nog in een drietal leerdichten
+die wij nu zullen behandelen.
+
+<p><i>Meliboeus</i> een &#8222;boec van troeste ende van rade" is eene vertaling
+uit het Latijn van ALBERTANUS VAN BRESCIA en werd
+in 1342 door een te Antwerpen wonend dichter voltooid. Het
+zou worden opgedragen aan den hertog van Brabant en de
+hier aangeboden troost en raad waren dan ook voornamelijk
+gericht tot landsheeren, zooals ons in den proloog wordt medegedeeld.
+In een onregelmatig dialogischen vorm geeft het gedicht
+allerlei opmerkingen ten beste over de wijze waarop een man
+zich heeft te gedragen in den strijd o.a. met het vleesch, de
+wereld en den duivel; verreweg de meeste plaats wordt echter
+ingenomen door een breedvoerige behandeling van vragen als:
+of en wanneer een man rekening moet houden met den raad
+zijner vrouw, wat men schuwen moet in het raadplegen, hoe
+men zal onderzoeken of een raad nuttig is, dat men aan jongere
+menschen geen raad moet vragen enz.
+
+<p>Mogelijk is ook dit werk van BOENDALE'S hand, al zal eerst
+voortgezet onderzoek deze mogelijkheid tot zekerheid of hooge
+waarschijnlijkheid kunnen brengen<a href="#14.28">[28]</a>.
+
+<p>Den invloed van MAERLANT'S <i>Martijns</i> dien wij in BOENDALE'S
+<i>Teesteye</i> opmerkten, zien wij eveneens in <i>Eene disputacie van
+Rogiere ende van Janne</i>, door den Yperschen chirurgijn JAN
+DE WEERT gedicht, nadat hij den <i>Spiegel van Zonden</i> had
+voltooid. Evenals in den <i>Meliboeus</i> wordt ook hier de strijd
+van den mensch met zijne drie vijanden: het vleesch, de wereld
+en den Booze behandeld. Wij hebben deze voorstelling reeds
+leeren kennen uit RUYSBROECK'S <i>Werkende Leven</i>; ook andere
+deelen daarvan vinden wij in deze <i>Disputacie</i> terug, zoo b.v.
+de rol die Gods gratie vervult in dezen strijd van den mensch
+met zijne vijanden; de vergelijking van den mensch bij eene
+stad waarin de vrije wil koning is<a href="#14.29">[29]</a>.<a name="436"></a>
+
+<p>Toen JAN DE WEERT dit werk schreef, stond MAERLANT'S
+beeld hem voor oogen; MAERLANT'S naam wordt door hem
+dan ook meer dan eens genoemd, de <i>Martijns</i> vermeld en de
+trant dier werken nagevolgd. Maar het talent van den navolger
+schoot te kort; de dwang van MAERLANT'S kunstig gebouwde
+strophe belemmert hem voortdurend in het voorwaartsgaan en
+hij was zich daarvan wel bewust, toen hij schreef:
+
+<p class="quote">Mijn conste en es niet also groot
+Als Jacops hier te voren.
+</p>
+
+<p>Toch is hier nog in het kiezen van dien vorm een streven
+naar kunst.
+
+<p>Dat streven valt tenauwernood te ontdekken en is bijna
+schuil gegaan achter het nuttigheidsbeginsel in de samenspraak
+tusschen vader en zoon, die onder den titel <i>Seneka leren</i> eene
+vertaling bevat van een aan SENECA terecht of te onrechte
+toegeschreven werkje <i>De Remediis Fortuitorum</i><a href="#14.30">[30]</a>. De Dietsche
+vertaling bevatte een menigte welgemeende terechtwijzigingen,
+verstandige voorschriften en lessen van levenswijsheid, in zuivere
+taal uitgedrukt. Door dat karakter sluit dit werkje zich aan
+eenerzijds bij den <i>Dietschen Catoen</i> uit vroegeren tijd en bij
+eenige andere gelijktijdige: het <i>Doctrinael savage</i>, <i>die Bouc
+van Zeden</i> en <i>Van Zeden</i><a href="#14.31">[31]</a>.
+
+<p>Evenals de meeste overige leerdichten, zijn ook deze werkjes
+wel niet zonder belang voor de geschiedenis der literatuur&mdash;immers,
+zooals men de literatuur toen beschouwde&mdash;maar
+toch belangrijker voor de zedengeschiedenis. De twee laatste
+werkjes vooral zijn gewijd aan de verfijning van manieren en
+gedrag in het dagelijksch leven. Men ziet eruit dat ook de burgerij
+prijs gaat stellen op uiterlijke beschaving en tevens dat die
+beschaving nog geen hoogen trap had bereikt. Dat laatste blijkt
+wel, wanneer men in het oog houdt wat de Dietsche vertaler<a name="437"></a>
+van het laatstgenoemde geschrift zijnen lezers en hoorders al
+zoo voorhoudt: eet en drink niet tegelijk; soppen in een nap
+gaat aan, in den mond niet; bijt niet in een stuk dat gij (daarna)
+in den schotel wilt leggen; gebruik het tafellaken niet om er
+uwe tanden, tranende oogen of uw neus mede te vegen; vat
+den beker niet bij den rand aan; wijs niet met den vinger naar
+iemand over wien gij spreekt; komt gij voor iemands deur,
+val dan niet met de deur in huis, maar geef een of ander
+teeken door kloppen, hoesten of spreken. Andere voorschriften
+echter waren berekend niet zoozeer op het te keer gaan der
+oorspronkelijke ruwheid als wel op het verhoogen der reeds
+aanwezige beschaving. Zoo b.v.: lach niet te veel; lach ook niet
+in u zelven, want dat is een teeken van boosheid en geveinsdheid;
+spreek niet minachtend over vrouwen; zit gij in gezelschap
+van uwen meerdere, sla dan het eene been niet over het ander;
+moet gij slapen in n bed met uw gelijke of uw meerdere,
+vraag hem dan aan welken kant hij wil liggen.
+
+<p>Door raadgevingen als die over de drie vijanden van den
+mensch houdt het bundeltje <i>Van Zeden</i> verband met <i>Meliboeus</i>
+en JAN DE WEERT'S <i>Disputacie</i>, anderzijds beseft de bewerker
+wel dat hij iets geeft dat in den <i>Dietschen Catoen</i> niet gevonden
+werd<a href="#14.32">[32]</a>.
+
+<p>
+De hier behandelde tweespraken en dialogische gedichten,
+de korte coupletten, waaruit het bundeltje <i>Van Zeden</i> bestaat,
+kunnen dienen als voorbereiding op de didactische lyriek, die
+wij in een volgend hoofdstuk zullen leeren kennen. Zij zijn
+als schakels, die de leerdichten in epischen vorm verbinden
+met de didactische lyriek. Geen der in deze laatste bladzijden
+behandelde werken is daartoe z geschikt als het tot nu niet
+genoemde werk van zekeren JAN PRAET, dat men op grond
+van eene aanwijzing in den tekst <i>Leeringhe der Zalichede</i> heeft<a name="438"></a>
+genoemd<a href="#14.33">[33]</a>. Gedicht nu eens in verzen met overslaand rijm,
+dan weer in paarsgewijze rijmende verzen, die onderbroken
+worden door vier- en zesregelige coupletten, afgewisseld op
+hunne beurt door twaalfregelige &#8222;motetten", geeft dit rijmwerk
+ons een vermoeiend bonte afwisseling van dichtvormen te zien.
+Harmonie heerscht hier in zver, dat ook de inhoud een
+bonte verscheidenheid toont; doch die harmonie beperkt zich
+tot de oppervlakte, want de wisselingen van vorm beantwoorden
+niet aan wisselingen van inhoud of stemming, maar schijnen
+slechts voort te komen uit zekere onrust, misschien ook
+uit de zucht van den auteur om met zijne kunstvaardigheid te
+pronken.
+
+<p>Daar de aanvang en het slot van het werk ontbreken, kunnen
+wij ons uit de ongeveer 5000 overgebleven verzen geene
+volkomen voorstelling vormen van het plan des dichters. De
+aanvang van het fragment verplaatst ons in een lofzang op de
+H. Maagd. Hare deugden worden opgenoemd in verband met
+de letters van haar naam. Telkens begeeft de auteur zich in
+eene uitweiding, zoo b.v. over de wanhoop en de geschiedenis
+van THEOPHILUS. De voorstelling van het leven als een gevaarlijke
+zeereis wordt breed uitgewerkt: het lichaam is het
+schip, het hart de schipper, het gepeins het anker; het kompas,
+bestaande uit naald, zeilsteen en water, geeft een voorstelling
+van Verstand, Zin en Geheugen. Hoogmoed wordt gelaakt;
+zelfkennis aangeprezen; de verachtelijkheid van het lichaam met
+nadruk betoogd. Daarna wordt het beeld van het schip weer
+op den voorgrond gebracht. De auteur, die zich hier wel in
+de plaats zal stellen van den gewonen mensch, belijdt dat hij
+schuldig staat aan de zeven hoofdzonden; deze worden dan
+op de bekende middeleeuwsche wijze voorgesteld als een boom
+(hoovaardij) met zes takken (<i>arbor vitiorum</i>). Staaltjes van de
+wijze, waarop de hoofdzonden zich in het leven openbaren,<a name="439"></a>
+worden medegedeeld; vooral de priesters moeten het hier
+ontgelden in hun wellust, luiheid en hebzucht. Een lang
+dispuut tusschen Hoovaardij en Ootmoed volgt; daarna een
+beschrijving van een strijd tusschen de deugden en de ondeugden
+(bekend uit PRUDENTIUS' <i>Psychomachia</i>); ten slotte wordt
+Hoovaardij berispt door Vrouwe Sapientia en JEZUS' leven uitvoerig
+verhaald.
+
+<p>Hoewel nergens blijkt dat een bepaald werk of een auteur
+door JAN PRAET gevolgd is, knoopt hij toch telkens nieuwe
+beschouwingen vast aan Latijnsche teksten of korte Latijnsche
+verzen, die niet zelden door hem worden uitgebreid. In die
+uitbreidingen, vooral in de lyrische gedeelten daarvan, toont
+deze auteur zich op zijn best. Zijn smaak was niet fijn&mdash;getuige
+zijne vergelijking van God, die zich van sommige
+priesters afkeert, bij een haas die de honden ontvlucht<a href="#14.34">[34]</a>&mdash;hij
+weet zich niet te beheerschen noch te beperken, toont zich niet
+zelden een gelijkvloerschen rijmelaar; doch, waar hij op zijn
+best is, weet hij ook aardige, gemakkelijk voortloopende coupletten
+te dichten, die zekere natuurlijke bevalligheid vertoonen.
+Zoo b.v. het &#8222;motet" dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Bi rimes zucht<a title="[margin: nadeelige invloed van de rijp.]"><sup>#</sup></a>
+Verlieset vrucht
+Saen hare baten
+</p>
+
+<p>of:
+
+<p class="quote">Hooren, peinsen,
+Zwighen, veinsen
+Ende wel voorsien,
+Dat zijn seden
+Van wijsheden
+Dies willen plien<a title="[margin: plegen.]"><sup>#</sup></a>.<a name="440"></a>
+</p>
+
+<p>Ook de aanvang der lange passage, waar Vrouwe Hoovaardij
+aan het woord is, mag hier genoemd worden:
+
+<p class="quote">Ic doe tornieren,
+Ridders verfieren<a title="[margin: stouter worden.]"><sup>#</sup></a>
+Van haren zinne,
+Vrouwen pareren,
+Zinghen, baleren<a title="[margin: dansen.]"><sup>#</sup></a>
+Om ridders minne;
+Knapen<a title="[margin: schildknapen.]"><sup>#</sup></a> josteren<a title="[margin: strijden te paard in tweegevecht.]"><sup>#</sup></a>
+Ende breken speren
+Om roeme saken;
+Joncfrouwen vermoyen,
+Wempelen ployen
+Ende horne<a title="[margin: de horens van het middeleeuwsch kapsel.]"><sup>#</sup></a> maken.
+</p>
+
+<p>Zulke stukken herinneren ons, dat er in de 14<sup>de</sup> eeuw eene
+bloeiende lyriek wordt aangetroffen. Met die lyriek zullen wij
+ons spoedig hebben bezig te houden. Eerst echter wacht ons
+een andere taak: na te gaan, wat er van den <i>Reinaert</i> geworden
+is onder den invloed van de sterke didactische neigingen
+der burgerijen.
+
+<p>
+REINAERT II.
+
+<p>Een eeuw en het vierde eener volgende eeuw waren voorbijgegaan,
+sinds een Vlaamsch dichter de geschiedenis <i>van den
+vos Reinaerde</i> aan zijn volk had verhaald.
+
+<p>Welken indruk dit dichtwerk op het publiek heeft gemaakt,
+kunnen wij wel vermoeden doch niet in bijzonderheden aantoonen.
+Moesten wij afgaan alleen op het ontbreken van
+handschriften uit de 13<sup>de</sup> en 14<sup>de</sup> eeuw, waarin het gedicht is
+bewaard, dan zou men moeten aannemen dat het weinig of
+niet bekend is geworden. Maar de afkeurende critiek van ernstige<a name="441"></a>
+mannen als WILLEM VAN AFFLIGHEM en MAERLANT bewijst
+wel, dat de roodbaard in ruimer kring sympathie vond dan
+hun lief was. Duidelijk openbaarde zich die sympathie bij zekeren
+BALDWINUS, die omstreeks of eenigen tijd vr 1280 aan ons
+gedicht de zeldzame eer eener vertaling in het Latijn bewees.
+Maar indien de <i>Reinaert</i> daardoor al in de schatting ook der
+ernstige mannen gerezen is, dan toch waarschijnlijk alleen
+omdat hij ook nuttige lessen bevatte. Dat standpunt zien wij
+ten minste JAN BOENDALE innemen ongeveer een halve eeuw
+nadat de Latijnsche vertaling vervaardigd is. In zijn <i>Lekenspiegel</i>
+zegt hij, sprekend &#8222;van Reynaerde ende Ysegrime, Brunen den
+bere ende den das":
+
+<p class="quote">Dat dese dinc vonden was,
+Was al om lere ende wijsheit<a href="#14.35">[35]</a>.
+</p>
+
+<p>Die opvatting bleef gelden ook bij anderen die na hem
+kwamen. Indien BOENDALE&mdash;wat niet waarschijnlijk is&mdash;nog
+heeft geleefd omstreeks 1375, dan heeft hij zijn hart kunnen
+ophalen aan een verhaal <i>van den vos Reinaerde</i>, dat waarschijnlijk
+wel genade zal hebben gevonden in de oogen der ernstige
+mannen van dien tijd. In dat jaar toch heeft een onbekend,
+geletterd dichter het oude verhaal opnieuw bewerkt in den geest
+der didactische dichters. WILLEM'S gedicht is door hem tot
+grondslag genomen eener nieuwe bewerking, bestaande uit:
+1<sup>o</sup> het oude gedicht, doch met allerlei wijzigingen, invoegsels,
+toevoegsels en weglatingen; 2<sup>o</sup> eene voortzetting van het oude
+gedicht in den geest zijner bewerking van WILLEM'S gedicht.
+In zijn werk heeft hij tal van nieuwe dierfabels gelascht: wolf
+en merrie, man en slang, paard en hert, ezel en hond, wolf
+en kraanvogel, zieke leeuw en Reinaert als arts; deze zijn
+ontleend deels aan den <i>Esopet</i> deels waarschijnlijk aan de
+Latijnsche fabelverzameling <i>Romulus</i>. Aan de voortzetting van<a name="442"></a>
+het oude gedicht ligt waarschijnlijk eene Fransche bewerking
+van een deel der Reinaert-sage ten grondslag, doch de Nederlandsche
+bewerker heeft op dien grondslag zelf voortgebouwd.
+
+<p>De dichter van 1375 heeft uit den ouden <i>Reinaert</i> vrij wat
+weggelaten doch er ook vrij wat aan toegevoegd; zijne bewerking
+van WILLEM'S gedicht heeft denzelfden omvang als dat
+gedicht zelf. Door de voortzetting die meer dan 4000 verzen
+bedraagt, verkreeg <i>Reinaert II</i>, zooals men het 14<sup>de</sup>-eeuwsch
+gedicht gewoonlijk noemt, echter meer dan den dubbelen
+omvang van <i>Reinaert I</i>.
+
+<p>Willen wij trachten <i>Reinaert II</i> te leeren kennen en te
+kenschetsen, dan zullen wij dat werk voortdurend naast <i>Reinaert I</i>
+moeten houden om de overeenkomst en het verschil tusschen
+beide te beter te zien<a href="#14.36">[36]</a>.
+
+<p>
+
+<p>Evenals in de 13<sup>de</sup> eeuw zien wij ook nu na de ridderpozie
+eene bewerking der Reinaert-sage verschijnen, doch verschillend
+in wezen van die der 13<sup>de</sup> eeuw en onder andere omstandigheden.
+
+<p>Het oude gedicht <i>Van den vos Reinaerde</i> was, evenals het
+Fransche gedicht <i>Le Plaid</i>, ontstaan ten deele uit lust tot
+parodieering van ridderwezen en ridderpozie; de Vlaamsche
+dichter heeft die parodie op zelfstandige wijze met onmiskenbaar
+talent uitgewerkt en voortgezet. De parodie die in <i>Reinaert I</i>
+reeds aanwezig was, is door den lateren dichter grootendeels
+behouden, doch, behalve de beschrijving van een tweekamp
+tusschen vos en wolf, heeft hij daaraan niets toegevoegd waaruit
+lust tot zulke parodie ook in hem blijkt. Wel zien wij op een
+enkele plaats dat hij het ridderwezen niet hoog stelt; hij zegt
+immers dat hij den strijd tusschen Reinaert en Isegrim liever
+zou zien dan dien &#8222;van twee riddren in een perc"<a href="#14.37">[37]</a>. Overigens
+moeten wij niet vergeten dat er voor zulk eene parodie omstreeks
+1375 weinig reden meer bestond; het ridderwezen was niet<a name="443"></a>
+meer wat het nog in de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw was en de
+ridderpozie van de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw was grootendeels
+namaak van de vroegere.
+
+<p>Voor een ander gedeelte was het oude gedicht geboren uit
+natuurliefde, welbehagen, in het wezen en leven der dieren,
+lust om het leven der dieren in de natuur met het menschenleven
+in- en buitenshuis te vereenigen en te verwerken tot een
+groot tafereel. Wat is daarvan in de bewerking der 14<sup>de</sup> eeuw
+overgebleven? Het natuurleven en dierenleven is er natuurlijk
+nog; doch als een tafereel, hier verbleekt daar overschilderd,
+dat menigen fijnen trek heeft verloren en nieuwe trekken vertoont
+die kwalijk passen bij den geest van het geheel. Wij zien
+in de latere bewerking niet de menigvuldige kromme paden in
+Reinaert's jachtveld; wij hooren den beer niet meer luid steunen
+en zuchten, wanneer hij, van zijn rampspoedigen tocht naar
+Malpertuis teruggekomen, vr koning Nobel staat. Verdwenen
+zijn uit <i>Reinaert II</i> de kinderen die den wolf een blinddoek
+voorbinden, verdwenen ook het aardige tooneel van Reinaert's
+vijanden bij de galg waaraan zij hem aanstonds hopen te
+hangen<a href="#14.38">[38]</a>.
+
+<p>Het onvermijdelijk anthropomorphisme, door den ouden
+dichter, met natuurlijken takt binnen de grenzen gehouden,
+vertoont zich hier op hinderlijke wijze: koning Leeuw zegt:
+nimmer zal ik meer een zwaard aangorden of een kroon
+dragen; Reinaert vertelt den koning, dat vrouwe Hermeline
+heeft moeten zweren in den naam der drie koningen; de dieren
+dansen hofdansen op trompen en schalmeien, zelfs dragen zij
+&#8222;sproken ende stampin"<a title="[margin: danslied.]"><sup>#</sup></a> voor; bij het beleg van Malpertuis
+bedienen zij zich van &#8222;donrebussen en bombaerden"<a title="[margin: kanonnen.]"><sup>#</sup></a><a href="#14.39">[39]</a>.
+
+<p>Zoo weinig schijnt de omwerker de dieren in hun wezen en
+gedrag te kennen, misschien ook geeft hij zoo weinig acht op
+zijne eigen voorstelling van het dierenleven, dat hij den leeuw
+<a name="444"></a>
+laat &#8222;brieschen als een stier" en den vos zijne voetstappen
+dekken(?) met den mond <a href="#14.40">[40]</a>.
+
+<p>Dat de omwerker op deze wijze door schrappen en toevoegen
+het oorspronkelijk werk in waarde deed dalen, behoeft ons
+niet te bevreemden. Zijn voorganger stond <i>in</i>, hij <i>buiten</i> de
+dierenwereld. Duidelijk zien wij dat, waar hij, sprekend van
+eene woordenwisseling tusschen Reinaert en zijne vijanden,
+zegt: &#8222;nooit hoorde men feller aanklacht en beter verdediging
+dan daar, <i>ten minste van zulke wilde dieren</i>"<a href="#14.41">[41]</a>. Een dergelijke
+uitdrukking zou WILLEM nooit gebruikt hebben; die voelde
+zich daarvoor te zeer n met de dieren die hij voor ons doet
+optreden. De veertiend'eeuwer kent niet meer of gunt zich niet
+meer dat genot van zorgeloos gaan door een droomwereld,
+met de dieren te zwerven door bosschen en over heiden, ze
+na te gaan in hunne gangen, te beluisteren en te bespieden in
+hun omgang. Hij is een ontwikkeld man, een &#8222;clerc" die zijne
+geleerdheid gaarne lucht, die de wereld slecht vindt, haar wil
+waarschuwen, verbeteren, stichten. Het verhaal van Reinaert
+moet hem dienen als middel om dat doel te treffen. Reeds in
+den aanvang van zijn werk vestigt hij de aandacht op de
+&#8222;wijsheit" die hier besloten ligt; en als hij aan het eind gekomen
+is, klinkt het op nieuw:
+
+<p class="quote">so wie dit wel verstaet in 't lesen,
+al ist som boert, hi vinter in
+vroede leer ende goeden sin <a href="#14.42">[42]</a>.
+</p>
+
+<p>Om die &#8222;vroede leer" en &#8222;goeden zin" was het den auteur te
+doen; dat was de pit, de boert slechts de bolster. Telkens blijkt
+het dan ook, hoe weinig de auteur leeft in die fantastische dierenwereld;
+hoe zeer hij vervuld is van het heden. Over dat heden is
+hij slecht te spreken. Er loopen maar al te veel Reinaerts rond, al
+<a name="445"></a>
+dragen zij geen rooden baard; trouw en waarheid zijn verdreven;
+hebzucht, loosheid en afgunst met koningin Hoovaardij
+zitten nu op het kussen. De geestelijkheid moet menige veer
+laten: Losevont de prior, bisschop Prendeloor, Rapiamus de
+deken, de kardinaal Valoot met zijne concubine.
+
+<p>Op die wijs had vroeger ook JAN DE WEERT het mes gezet
+in de booze zweren van zijn tijd. Verwantschap met de leerdichters
+toont de omwerker van den <i>Reinaert</i> ook, waar hij
+veel gewicht hecht aan &#8222;raet", &#8222;subtilen raet" en den invloed
+daarvan aan een hof; waar hij nu eens de vrouwen in een
+ongunstig licht stelt dan weer een zweempje van vrouwendienst
+laat blijken. Doch ook maar een zweempje; de lof der vrouwen
+wordt verkondigd door vrouw Venus &#8222;die duvelinne". Voor
+den rechten vrouwendienst zal deze auteur te kalm en nuchter-verstandelijk
+zijn geweest. Juist door die eigenschappen kon
+het hem gelukken, den mysticus te parodieren waar hij uit
+Reinaert's mond sprak van &#8222;een bloot niet", van &#8222;bescouwender
+contemplacin" en &#8222;sonderlinghe gracin."<a href="#14.43">[43]</a>.
+
+<p>Geen bedwelmenden nectar van mystiek maar het voedzame
+brood van practische levenswijsheid&mdash;dat was wat volgens
+hem de burgerij noodig had! Wijze lessen, kernspreuken deelt
+onze omwerker dan ook gaarne uit: zonder dwang gaat het
+niet goed met eene gemeente; de geleerdsten zijn dikwijls niet de
+wijsten; een trouw vriend is een sterke hulp; misdoen en zich
+beteren is menschelijk, zonder dat is het duivelswerk; soms
+komen de spreuken in een vlaag achtereen: het zwaarste moet het
+zwaarst wegen; in voor- en tegenspoed moet men maat houden;
+karaktervastheid voegt den heer, het lot is wisselvallig; prijs den
+dag niet eer het avond is; goede raad kan dikwijls baten<a href="#14.44">[44]</a>.
+
+<p>Onze voorstelling zou eenzijdig, onze beschouwing onbillijk
+worden, indien wij slechts op deze karaktertrekken van Reinaert<a name="446"></a>
+den Tweeden de aandacht vestigden; indien wij het deden
+voorkomen alsof het dezen auteur geheel ontbrak aan medegevoel
+voor het dierenleven. Dat gevoel was er wel, doch hij onderdrukte
+het ter wille van andere gevoelens; het bloed kroop,
+waar het niet gaan kon.
+
+<p>Op verscheidene plaatsen vinden wij toevoegsels van zijne
+hand, die wel in den geest van <i>Reinaert I</i> zijn; zoo b.v. waar
+hij van de vermoorde kip Coppe zegt: &#8222;de beste, die ie<a title="[margin: ooit.]"><sup>#</sup></a> eier
+leide op neste."&mdash;&#8222;Kon de koning geen minderen bode vinden
+dan u?" laat hij Reinaert tot den dom-trotschen afgezant
+Bruin zeggen; en later, als deze, bebloed en bek-af na de
+mishandeling op LAMFROIT'S erf, op den oever eener rivier
+ligt te hijgen: &#8222;hebt gij iets vergeten daarginds? ik zal gaarne
+een boodschap voor u meenemen; smaakte de honing? ik weet
+er nog meer voor u tegen denzelfden prijs." Hoe goed ook
+zijn de kapriolen beschreven van de kleine vossen, die zoo'n
+pleizier hebben in de weerkaatsing van hun beeld in een spiegel,
+waar zij:
+
+<p class="quote">in plaghen te spieghelen ende voor te springhen,
+ende saghen hoe haer steertjens hinghen,
+ende hoe hem haer muulken stont<a href="#14.45">[45]</a>.
+</p>
+
+<p>Op meer dan eene plaats blijkt, dat de omwerker, waar hij
+voortzetter is van het oude gedicht, een levendigen stijl heeft,
+dat hij wel kan vertellen en beschrijven<a href="#14.46">[46]</a>. Vooral blijkt dat in
+het verhaal van Reinaert's bezoek bij de meerkat. &#8222;Tante,"
+zegt Reinaert, &#8222;wat heb je mooie jongen! deus, hoe wel behaghen
+si mi!" En zij: &#8222;Reinaert, lieve neve, weest wellecome!"
+Zoo'n vriendelijke ontvangst, vertelt de vos later, verdiende ik
+al dadelijk door dat &#8222;tante". Toch verlaat hij het hol der apin
+zoo snel mogelijk, &#8222;omdattet na die wieghe daer rooc".
+
+<p>Zoo is er dus wel geestverwantschap tusschen den ouden<a name="447"></a>
+dichter en den lateren; doch anderzijds dit groote verschil
+dat voor den oudere de schepping van zijn werk haar doel
+vond in zich zelve, terwijl voor den jongere het dichtwerk
+vooral een middel was tot verbetering zijner tijdgenooten.
+Was WILLEM een beeldend kunstenaar, die schiep uit scheppingslust
+en drang, zijn opvolger was een verstandelijk dichter,
+die de behandeling der behagelijke stof gewettigd achtte slechts
+door de nuttige leering die zij bevatte.
+
+<p>Dat verstandelijk element heeft er hem toe gebracht, het oude
+gedicht op menige plaats te wijzigen, met de bedoeling natuurlijk
+het te verbeteren en voor het logisch denkend verstand juister of
+aannemelijker te maken. <i>Reinaert I</i> vertelt ons, dat Bruin, bij
+Reinaert's kasteel Malpertuis gekomen, de poort waarneemt waar
+Reinaert gewoonlijk uitgaat en dan vr de &#8222;barbecane"<a title="[margin: ronden verdedigingstoren bij een kasteel.]"><sup>#</sup></a> op
+zijn staart gaat zitten. Let wel, zegt de omwerker, de poort was
+gesloten.&mdash;Alsof dat bij een middeleeuwsch kasteel niet vanzelf
+sprak!&mdash;Bruin, mishandeld door de dorpelingen, is in de rivier
+gesprongen, laat zich met den stroom afdrijven en kruipt eindelijk
+vermoeid op den oever.&mdash;Op den <i>anderen</i> oever, zegt de
+omwerker. Hij heeft misschien gelijk, misschien niet; maar wat
+kan het ons schelen? &#8222;Ik liep uit een schuur," vertelt Reinaert
+ergens. &#8222;Door het gat waar ik wilde zijn"&mdash;wordt ons verduidelijkt.
+Koning Nobel en zijne gemalin gaan de terechtstelling
+van Reinaert bijwonen, vertelt WILLEM ons.&mdash;Het hof
+ging ook me, haast zijn opvolger zich er bij te voegen.
+
+<p>Op die wijze voortgaand, heeft hij de bekoorlijk-vrije pozie van
+het oude gedicht onder de plak van den schoolmeester gebracht<a href="#14.47">[47]</a>.
+Ordelijker heeft hij haar gemaakt, hier en daar ook ordentelijker.
+Van &#8222;verhoerd" maakt hij &#8222;verdoord"<a title="[margin: het hoofd op hol gebracht.]"><sup>#</sup></a>, al past dat niet in
+het verband; &#8222;achterste" wordt &#8222;lijf", al gaat daardoor eene
+aardige tegenstelling verloren<a href="#14.48">[48]</a>. Op sommige plaatsen heeft
+de omwerker door zijne zucht om duidelijk, vooral duidelijk<a name="448"></a>
+te zijn, het oude gedicht ernstiger beschadigd dan door bovengenoemde
+toevoegsels of wijzigingen.
+
+<p>De vos is ingebroken bij den pastoor en heeft een haan
+meegepakt; Martinet, pastoors zoon, heeft een strik voor het
+gat gespannen in de hoop den kippendief bij een volgend bezoek
+te vangen. De rampzalige Tibeert, gekomen om Reinaert
+met zich ten hove te voeren, wordt door Reinaert in den strik
+gelokt en staat droefelijk te miauwen. Martinet wordt wakker,
+vliegt op, steekt een stroowisch aan en schreeuwt tot de huisgenooten:
+&#8222;Er op af, hij is gevangen!" Dat &#8222;<i>hij</i>" zonder meer
+zal door zijn waarheid ieder treffen die weet wat men onder
+zulke omstandigheden pleegt te roepen. Den omwerker heeft
+het ook getroffen, echter niet door zijne waarheid; blijkbaar
+acht hij zijn voorganger ook ditmaal niet duidelijk genoeg en
+dus laat hij Martinet roepen: &#8222;Staat op, de dief is gevangen!"
+Doch welk een aardig trekje ging hier verloren<a href="#14.49">[49]</a>.
+
+<p>Elders hooren wij den braven haan Cantecleer roemen op zijne
+vijftien kinderen die zijne echtgenoot, de wijze Rode, hem had geschonken
+&#8222;in n broedsel"; de omwerker maakt daarvan: die mijne
+echtgenoot, de wijze Rode, &#8222;zeer verstandig opvoedde". Ook al
+neemt men aan dat dit ironisch bedoeld is, wat is dan toch het
+warme leven van het oude gedicht door deze wijziging verkild<a href="#14.50">[50]</a>.
+
+<p>Zit de omwerker eens op zijn praatstoel dan raakt hij er niet
+gemakkelijk af; zijne personages redeneeren en redeneeren ...
+dat men soms niet meer weet wie aan het woord is. Vrouw
+Rukenau, de apin, houdt een pleidooi door 400 regels heen;
+een ingevoegd verhaal over eenige kostbaarheden heeft een
+omvang van niet minder dan 900 verzen.
+
+<p>Dat zulke uitweidingen de belangstelling verdeelen en verzwakken,
+behoeft evenmin betoog, als dat de eenheid van het
+geheel er door wordt verbroken<a href="#14.51">[51]</a>.
+
+<p>Reinaert de Eerste heeft bij al zijne brutaliteit iets onbe<a name="449"></a>vangens;
+boef die hij is, heeft hij toch iets naefs. Reinaert de
+Tweede toont zekere zelfverheffing in uitingen als: &#8222;ic weet
+so menighen loosen vont"<a href="#14.52">[52]</a>.
+
+<p>Kortom, het is WILLEM'S dichtwerk onder de handen van
+den omwerker gegaan, zooals Reinaert onder die van tante
+Rukenau, de apin.
+
+<p>Reinaert moet in het krijt komen tegen zijn ouden vijand,
+den sterken Isegrim. Zonder list zal hij dezen niet kunnen
+overwinnen. Moei Rukenau weet raad. Zij scheert neef Reinaert
+glad tusschen hoofd en staart en smeert daarna zijn romp met
+olie in. Z zal de vijand geen vat op hem kunnen krijgen,
+want &#8222;hij was vet en wel gevoed." Bovendien moet hij dien
+avond veel drinken, doch den natuurlijken aandrang die daarvan
+het gevolg zal zijn, bedwingen. Komt hij onder het gevecht in
+nood, dan zich niet langer bedwongen; met zijn ruigen druipenden
+staart kan hij dan zijn vijands oogen verblinden. Met
+behulp van deze en andere listen gelukt het hem inderdaad de
+zege te behalen.
+
+<p>Maar hoe ziet hij er dan ook uit!
+
+<p>Ja, het is de vos nog; nog fonkelen de wilde oogen in den
+fijnen kop, nog heeft hij klauwen en tanden. Maar zijn sieraad,
+de ruige dichte pels, waarvan de vlokken zoo afstoven toen de
+honden hem te lijf gingen, is verdwenen. Ja, hij is welgevoed;
+zijn lijf staat bol van nuttige leering en zedelijke verbetering&mdash;maar
+hoe is de natuurlijke schoonheid van den prachtigen
+struikroover verdwenen. Nog bezit hij den zwaren fraai gevormden
+staart, doch die hangt neer, druipend ... er is een luchtje aan.
+
+<p>Zoo uitgerust, was hij ongetwijfeld sterker in den strijd met
+den wolf der menschelijke ondeugd, doch wie ziet niet hoe hier
+de moraal de kunst heeft geschaad. Uit liefde, ongetwijfeld;
+maar, apenliefde.<a name="450"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN.</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.1">1</a>: Vgl. <i>Sp. der. Z.</i>, vs. 16958 en <i>Bed. der M.</i> aan het slot; en
+VERWIJS, <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, XIV.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.2">2</a>: <i>Lekensp.</i>, I, c. 24, 57; c. 37, 127; II, c. 7, 102. <i>Dietsche
+Doctrinael</i>, III, 831; 1763; II, 2278. <i>Boec van der Wraken</i>, I, 262,
+294, 1142 enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.3">3</a>: <i>Dietsche Lucidarius</i>, vs. 38&ndash;40; ook vs. 335&ndash;6: &#8222;Van hem
+(God) en dorren wi niet bedieden || Te verre voor die leke lieden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.4">4</a>: <i>Der Mannen ende der Vrouwen Heimelijcheit</i> (in: <i>Mnl. Ged.</i>
+ed. DE PAUW), I, 121.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.5">5</a>: <i>Boec van der Wraken</i> (ed. SNELLAERT), I, 1102&ndash;3; zijn betuiging
+van eerbied voor de priesters in het algemeen (II, 1222 vlgg.)
+is daarmede niet in strijd.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.6">6</a>: Bl. 288.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.7">7</a>: I, c. 25, vs. 79 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.8">8</a>: Vgl. de inleiding van VERDAM, XLIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.9">9</a>: Over de uitgaaf van <i>Die cracht der Mane</i> zie TE WINKEL en
+PETIT. Daarbij komen nu een paar andere uitgaven in DE PAUW'S
+<i>Mnl. Ged.</i>, I, 203 vlgg. en 219 vlgg. naar hss. der 14e eeuw. De
+uitgaven van n<sup>o</sup>. 2 en n<sup>o</sup>. 3 bij TE WINKEL en PETIT; de klacht
+over &#8222;die onghetrouwe merkaren" in n<sup>o</sup>. 2 (vs. 360) wijst ook op de
+14e eeuw. n<sup>o</sup>. 4 is uitgegeven door W. DE VREESE in <i>Tijdschr. v.
+N.T. en L.</i>, XI, 63 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.10">10</a>: Over de uitgaven van beide werken vgl. TE WINKEL i.v. Voorts
+en vooral: <i>Studin ber das deutsche Volksbuch Lucidarius....</i> van
+KARL SCHORBACH. Strassburg. TRBNER. 1894. Aankondiging van
+dat werk door TE WINKEL in <i>Museum</i>, 1895, bl. 17.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.11">11</a>: Uitgeg. door SNELLAERT in: <i>Nederlandsche Gedichten uit de
+veertiende eeuw</i>. De hier aangehaalde verzen I, 648 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.12">12</a>: Over de uitgave vgl. TE WINKEL i.v.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.13">13</a>: Over de twee eerste vgl. TE WINKEL i.v. Van den <i>Nieuwen</i><a name="451"></a>
+<i>Doctrinael</i> gaf J. KOOPMANS een boeiend overzicht en goede karakteristiek
+in <i>Tweem. Tijdschr.</i> van Jan. 1901.]
+
+<p class="footnote">Voor den <i>Spiegel der Zonden</i> verwijs ik naar de uitgave van VERDAM,
+(BRILL, Leiden, 1900) die voorzien is van eene voortreffelijke Inleiding.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.14">14</a>: VERDAM a.w. II, XLV.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.15">15</a>: Een degelijk overzicht daarvan danken wij aan VERDAM; vgl.
+a.w. II, LI vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.16">16</a>: Vgl. vs. 5645 vlgg.; 11563 vlgg., 11683, 11964; 12159 en voorts
+de plaatsen door VERDAM aangewezen in zijne Inleiding, bl. XLIX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.17">17</a>: Vs. 1614 vlgg. en 1996 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.18">18</a>: Vgl. de uitvoerige mededeelingen daaromtrent bij TE WINKEL,
+bl. 387 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.19">19</a>: Ed. DE VRIES. Bij de opgave der hss. van TE WINKEL, bl. 392
+moeten gevoegd de <i>Baseler Fragmente</i> waarover zie: <i>Germania</i>,
+XXXVII, 410. Karakteristiek van den inhoud door J. KOOPMANS in:
+<i>Tweem. Tijdschr.</i>, 1899.
+
+<p class="footnote">Over den, in den <i>Lekenspiegel</i> opgenomen, <i>Sidrac</i> vgl. TE WINKEL
+a.w. bl. 396. Bij de daar vermelde literatuur-opgave is te voegen
+eene mededeeling van W. DE VREESE in <i>Tijdschr. voor N.T. en L.</i>,
+X, 33 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.20">20</a>: Vgl. I, c. 40, vs. 50 vlgg.; I, c. 44; I, c. 16; III, c. 10.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.21">21</a>: Vgl. I, c. 16, c. 15, c. 2, c. 5; II, c. 39, 251 vlgg. te verg.
+met RUYSBROECK I, 41: &#8222;Dese heilege Kerke, dat sijn alle goede
+minschen met Gode verenecht, ende te gadere geroepen iegewelc met
+al den anderen."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.22">22</a>: Met DE VRIES en TE WINKEL geloof ik, dat de <i>Teesteye</i> n
+den <i>Lekenspiegel</i> is bewerkt. Zie de plaatsen pro en contra vermeld
+bij TE WINKEL, bl. 397. De <i>Teesteye</i> werd uitgegeven door SNELLAERT
+in zijne: <i>Ned. Ged. uit de 14e eeuw</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.23">23</a>: Vgl. <i>Teesteye</i>, 393, 812; <i>Lekensp.</i> B. II, c. 35, 17&ndash;18; vooral
+ook de Inleiding op MAERLANT'S <i>Strophische Gedichten</i> (edd. FRANCK
+en VERDAM), bl. LXXXVII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.24">24</a>: <i>Lekensp.</i>, II, c. 38, vs. 103 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.25">25</a>: <i>Lekensp.</i>, B. III, c. 20&ndash;22.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.26">26</a>: <i>Lekensp.</i>, B. II, c. 35, vs. 109 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.27">27</a>: B. I, c. 21, vs. 93&ndash;100.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.28">28</a>: Wat SNELLAERT in de Inleiding zijner <i>Ned. Ged. uit de 14de eeuw</i>,
+bl. XXV heeft medegedeeld over de gelijkenis tusschen <i>Teesteye</i>,
+<i>Boec van der Wraken</i> en <i>Melibeus</i>, is zeker niet voldoende om ons
+te overtuigen dat deze drie werken van n maker moeten zijn; doch<a name="452"></a>
+geeft voldoende reden om een afzonderlijk onderzoek in te stellen.
+Daarbij zou ook het overige werk van BOENDALE moeten geraadpleegd
+worden. Immers bij de door S. medegedeelde plaatsen kan men alvast
+een paar verzen uit den <i>Lekenspiegel</i> voegen (III, c. 3, vs. 237&ndash;8)
+die teruggevonden worden in <i>Meliboeus</i>, vs. 2266&ndash;7.
+
+<p class="footnote">Een nauwkeurig onderzoek van de taal zou de vraag heel wat verder
+kunnen brengen.
+
+<p class="footnote">Opmerkelijk is voorts, dat ook CHAUCER eene proza-bewerking gaf
+van <i>The tale of Melibeus</i>. Staat deze bewerking in verband tot het
+Mnl. gedicht?]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.29">29</a>: Uitgeg. in KAUSLER'S <i>Altniederl. Gedichte</i>, II, 14 vlgg. Vgl.
+o.a. vs. 210 vlgg.; 482 vlgg.; 522 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.30">30</a>: Nieuwe uitgaaf van Dr. W.H.D. SURINGAR. Leiden. Gebr.
+V.D. HOEK. 1895.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.31">31</a>: Uitgeg. in KAUSLER'S <i>Altn. Ged.</i>, III, 177&ndash;181. Het is vertaald
+uit het Fransche &#8222;<i>Doctrinal d'un rimeur nomm Sauvage</i>"; vgl. PETIT
+DE JULEVILLE'S <i>Hist. de la Litt. Fran.</i>, II, 185, waar het &#8222;banal
+et confus" wordt genoemd. n<sup>o</sup>. 2 en n<sup>o</sup>. 3 eveneens uitgeg. door
+Dr. SURINGAR (Leiden, V.D. HOEK, 1891 en 1892); n<sup>o</sup>. 2 ontleend
+aan drie Latijnsche werkjes waarvan n door den bewerker op den
+voet is gevolgd (vgl. bl. XXII vlgg.). n<sup>o</sup>. 3 eene vertaling van den
+Latijnschen <i>Facetus</i>, echter geen woordelijke vertaling. Vgl. ook <i>Ned.
+Spect.</i>, 1891, n<sup>o</sup>. 41; 1893, n<sup>o</sup>. 1. Over andere derg. geschriften vgl.
+TE WINKEL, bl. 405.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.32">32</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. 28, n<sup>o</sup>. 2. <i>Die Bouc van Zeden</i> behelst dergelijke
+gegevens als <i>Van Zeden</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.33">33</a>: Uitgave van J.H. BORMANS (<i>Speghel der Wijsheit of Leeringhe
+der Zalichede</i>). Brussel. 1872.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.34">34</a>: Vs. 2065&ndash;6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.35">35</a>: B. III, c. 15, vs. 190&ndash;3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.36">36</a>: Ook <i>Reinaert II</i> is voortreffelijk uitgegeven door MARTIN. In
+M's <i>Einleitung</i>, XLIX-LI vinden wij eene parallel als boven bedoeld
+wordt, in hoofdzaken aangegeven. Eene uitvoerige vergelijking van
+beide bewerkingen gaf Dr. J.W. MULLER in <i>De oude en de jongere
+bewerking van den Reinaert</i>. (Amsterdam. 1884).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.37">37</a>: Vs. 7068-'71. Vindt men in vs. 3181: &#8222;Ic heb minen dume
+uut sinen monde" misschien eene herinnering aan een tooneel uit
+den roman der Heemskinderen? (Vgl. <i>Volksboek</i> ed. MATTHES, bl. 141).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.38">38</a>: Vgl. I, 505 en II, 530&ndash;1; I, 990 en II, 1013; I, 1582-'98
+met II, 1611; I, 1947-'60 en II, 1977 vlgg.]<a name="453"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.39">39</a>: Vgl. II, 1022-'3; 2314-'5; 3486-'7 (ook in het Fransch;
+vgl. MARTIN, <i>Einl.</i>, XLI); 3499; 3745 vlgg.; 4827-'9. Van dat alles
+is in <i>Reinaert I</i> niets te vinden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.40">40</a>: II, 3622 en II, 2417 verg. met I, 2393-'5. (Het mogelijk verkeerd
+lezen van <i>moude</i> (stof) voor <i>monde</i> doet hier niets af).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.41">41</a>: <i>Reinaert II</i>, vs. 1899.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.42">42</a>: Vgl. vs. 40&ndash;44, 7769 vlgg. Over het vertoon van geleerdheid
+vgl. MARTIN, <i>Einl.</i>, XLIX-L.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.43">43</a>: Vgl. <i>Reinaert II</i>, vs. 7654 vlgg.; 2959 vlgg.; 4534 vlgg.;
+4595; 1413-'29; 3821 vlgg.; over de vrouwen vgl. MULLER'S
+dissertatie, bl. 122, 187, doch ook hier vs. 5541-'5; de mystiek
+vs. 4130 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.44">44</a>: II, 2335, 3613, 4098, 4422, 4770, 4848, 7393, 7408 en de op
+deze volgende verzen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.45">45</a>: Zie deze en andere plaatsen in <i>Reinaert II</i>, vs. 488, 604-'8.
+961 vlgg., 2228-'9, 2916, 3030, 3210, 3842-'3, 4450-'9, 5896&ndash;5901,
+6581 (in vergelijking met de overeenkomstige plaatsen van <i>Reinaert I</i>).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.46">46</a>: Vgl. MULLER a.w. bl. 191&ndash;2.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.47">47</a>: Vgl. deze en andere plaatsen I, 520 vlgg. met II, 544 vlgg.;
+I, 842 en II, 881; I, 960 en II, 985; II, 1047; I, 1550 en II,
+1587-'8; II, 1595 (ingevoegd); II, 2027-'30; I, 2064 en II, 2076;
+II, 2307-'13; I, 2829 en II, 2820.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.48">48</a>: I, 73 en II, 83 (in verband met vs. 105); I, 1929 en II, 1961.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.49">49</a>: Vgl. I, 1235 met II, 1259.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.50">50</a>: Vgl. I, 331&ndash;2 met II, 359&ndash;360. Vgl. voorts het echt epische
+in I, 643 vervangen door het didactische in II, 692&ndash;3; het ironische
+in I, 1663 door het rechtstreeksche in II, 1677; de mindere levendigheid
+in II, 616 vlgg. vergeleken bij I, 562 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.51">51</a>: MULLER a.w. bl. 161&ndash;163, 166.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.52">52</a>: Vgl. vs. 2053, 3182 en 2053.]<a name="454"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>2. VERHALENDE EN LYRISCHE POZIE.</h2>
+
+<p class="intro"><i>a</i>. Boerden en sproken, <i>b</i>. Liederen. Muziek en zang. Geestelijke
+liederen. Minneliederen en drinkliederen. Historische Liederen, <i>c</i>. Geestelijke,
+stichtelijke en didactische lyriek, <i>d</i>. Minnepozie.
+
+<p>Vonden wij in de 13<sup>de</sup> eeuw nog maar weinige berijmde
+novellen, hoorden wij het lied slechts hier en daar als schuchter
+kweelen der vogels bij den komenden morgen&mdash;nu zien wij
+ons geplaatst voor eene menigte van verhalende en lyrische
+gedichten, zoo rijk in verscheidenheid, dat het moeilijk valt in
+die warreling het gelijke of verwante te onderkennen en te
+groepeeren. Die moeilijkheid ontslaat ons echter niet van de
+taak om te pogen, ook deze stof te beheerschen door haar te
+verdeelen.
+
+<p>Wij zijn gewoon verhalende gedichten van komischen aard
+<i>boerden</i> en van ernstigen aard <i>sproken</i> te noemen; doch wij
+mogen niet voorbijzien, dat het hedendaagsch en het vroeger
+spraakgebruik elkander hier niet volkomen dekken. Een komisch
+gedicht wordt ook wel &#8222;ene boerde" genoemd, al bevat het niet
+juist wat wij een verhaal noemen en een verdicht verhaal wordt
+wel met &#8222;boerde" betiteld, al heeft het niets komisch<a href="#15.1">[1]</a>.
+
+<p>Het woord <i>sproke</i> heeft een zeer ruime beteekenis; zoo wordt
+een &#8222;bedinghe" <i>van onser Vrouwen</i> aan het slot genoemd:
+&#8222;desen <i>sproke</i>", en dat is niet het eenige voorbeeld van dien
+aard; elders treffen wij eene &#8222;sproke up den wijn" aan<a href="#15.2">[2]</a>.
+Daarentegen heet menig verhalend gedicht, met min of meer<a name="455"></a>
+stichtelijke of didactische strekking, niet <i>sproke</i>, maar <i>exempel</i>
+of <i>bispel</i><a href="#15.2">[2]</a>.
+
+<p>Doch anderzijds blijft het waar, dat de meeste korte verhalende
+gedichten <i>boerde</i> worden genoemd, indien zij van komischen,
+<i>sproke</i> indien zij van ernstigen inhoud zijn. Wij mogen
+ons dus gerechtigd achten deze gedichten tot eene afzonderlijke
+groep te vereenigen. Een tweede groep valt te onderscheiden
+in de muzikale lyriek: de liederen, in tegenstelling met de
+boerden en sproken, bestemd te worden gezongen niet gezegd;
+doch evenals deze ontstaan uit zuiverder lust tot dichterlijke
+uiting des harten en beelding der stof, dan wij over het algemeen
+in een derde groep waarnemen. Die derde groep omvat
+uitingen van het godsdienstig gemoedsleven, zoowel als stichtelijke
+en didactische stukken, bestemd tot vermaning, waarschuwing,
+opwekking en leering; het karakter van vele dezer
+stukken blijkt reeds ten deele uit vooral hier voorkomende
+benamingen als <i>bedinghe</i>, <i>disputacie</i>, <i>questie</i>, <i>notabel</i>. Het
+spreekt vanzelf, dat ook tegen deze groepeering bezwaren bestaan;
+ook hier ontsnapt het leven op meer dan een plaats
+aan de banden eener altijd min of meer schoolsche indeeling.
+Doch mogen de groepen hier en daar ineenvloeien, wat nood,
+indien daardoor het besef harer onderlinge eenheid wordt
+versterkt?
+
+<h3><i>a</i>. BOERDEN EN SPROKEN.</h3>
+
+<p>De honderden korte verhalen, welke wij vroeger leerden
+kennen, waren nog springlevend. Zij zwierven nog van mond
+tot mond en van het eene handschrift in het ander. Hen volgen
+op al hunne gangen is ons onmogelijk; wel kunnen wij
+zien: dat verscheidene hunner op hunne omzwervingen trekken
+van elkander overnemen, dat zij zich wijzigen naar het volk<a name="456"></a>
+waaronder zij vertoeven, en dat de verhalen uit het menschenleven
+den voorrang krijgen op de dierfabels.
+
+<p>Ook bij de Nederlanders der 14<sup>de</sup> eeuw vonden zij een
+gunstig onthaal. Tal van stoffen, die ook in andere middeleeuwsche
+literaturen verwerkt zijn, werden hier geboetseerd
+tot berijmde verhalen van komischen of ernstigen aard, die
+gewoonlijk van twee- tot driehonderd verzen tellen, doch ook
+wel eens grooter of kleiner omvang hebben. De komische
+stoffen, hier tot <i>boerden</i> verwerkt, vindt men bijna alle terug
+in de Fransche literatuur; doch, hoewel de wijze van bewerking
+niet zelden gelijk is, zijn er weinig of geen sporen van
+navolging aan te wijzen. Onze boerden maken in hoofdzaak
+den indruk, dat zij oorspronkelijke bewerkingen zijn van
+mondeling overgeleverde stoffen. Sommige zullen uit Frankrijk
+hierheen, andere uit Brabant of Vlaanderen naar Frankrijk
+gekomen zijn. Om te zwijgen van onze literaire betrekkingen
+in dit opzicht tot Duitschland, Engeland en andere landen.
+
+<p>De sproken zijn zeker voor een deel, voor het grootste deel
+misschien, afkomstig uit middeleeuwsche bronnen als <i>Vitae
+Patrum</i>, <i>Gesta Romanorum</i>, <i>Dialogus Miraculorum</i>, <i>Liber
+Apum</i>, <i>Legenda aurea</i>; voor een ander deel zeker ook door
+mondelinge overlevering verbreid. Met den invloed der Fransche
+literatuur zal men ook hier rekening moeten houden<a href="#15.3">[3]</a>.
+
+<p>Hier en daar vinden wij in deze boerden en sproken aanwijzingen
+omtrent den weg, waarlangs het verhaal den verteller
+had bereikt; uitdrukkingen als b.v.: &#8222;Ic quam eens daer men
+mi sede" of: &#8222;Ic vant ghescreven ende las"; doch zulke aanwijzingen
+zijn schaarsch en niet alle duidelijk<a href="#15.4">[4]</a>. Duidelijk is
+daarentegen het streven van sommige dichters de verhalen te
+localiseeren; de stukken heeten te spelen, zijn misschien soms
+ook werkelijk z of ten naastebij z gebeurd, &#8222;in 't lant van
+Loon," &#8222;te Hasselt in die goede stede," &#8222;te Dordrecht in de<a name="457"></a>
+poort," &#8222;Tantwerpen in die coperstrate"<a href="#15.5">[5]</a>. Zooals men kon
+verwachten, worden wij hier vaker naar het Zuiden dan naar
+het Noorden dezer landen verplaatst.
+
+<p>Waarvan vertellen ons de boerden? In welke wereld verplaatsen
+zij ons? Op een paar uitzonderingen na behandelen
+zij gevallen van minne, van zinnelijken lust, van overspel; zij
+vertellen ons van overspelige mannen of vrouwen, die gefopt
+of gestraft worden, van minzieke vrouwen of meisjes, clerken
+of nonnen, een enkelen keer ook van mannen die in de kroeg
+zitten of boeven die een vroegeren kameraad bestelen. Maar
+de lusten des vleesches vormen toch het hoofdmotief, dat voor
+de middeleeuwsche dichters en niet voor de Dietsche alleen,
+blijkbaar een komisch karakter had<a href="#15.6">[6]</a>.
+
+<p>Wij worden verplaatst naar de kroeg, onder de &#8222;goede gezellen
+die lange in 't drinchuus duren" en vrouwen die hare mans
+uit de kroeg halen; wij komen in gezelschap van een waard,
+die bedrogen wordt door de waardin en haar minnaar; van
+reizende &#8222;clercken", die het hun verleend nachtlogies aan de
+vrouw en de dochter des huizes vergoeden in liefde, aan den
+huisheer in kostelooze vuistslagen bij nacht; van een kostelijk
+gekleeden, langharigen Don Juan te Dordrecht; van een koopman,
+die zijne al te dartele vrouw voor den gek houdt.
+
+<p>Slechts een paar malen verkeeren wij, zooals in de laatstgenoemde
+gevallen, in de huizen van rijke burgers. Gewoonlijk
+zijn wij onder de kleine burgerij, waar men slaapt in n vertrek,
+meelpap eet en &#8222;stoppelen sonder hout" brandt of groen elzen
+hout; waar het 's nachts donker is of een vetpotje (&#8222;lichtvat met
+smoute") een flauw schijnsel geeft. De koe staat dicht achter de
+woonkamer, ook in een burgerhuis; in de boerde &#8222;van de gestolen
+zijde spek" zijn wij op het land ten huize van een voormaligen
+boef, die zich bekeerd heeft en eene boerendochter getrouwd.<a name="458"></a>
+Elders komen wij op het erf van een visscher, aan de oevers der
+Seine. Ook de koopman, die ons wordt voorgesteld als een rijk
+man&mdash;hij heeft mooie kleeren en juweelen en speelt schaak
+met zijne vrouw&mdash;, toont in zijne manieren een buitengewone
+grofheid; zijne vrouw, die een handelsman uit de Oostzee-provincin
+te gast heeft en waant door dezen bedrogen te zijn,
+wreekt zich op dien gast door hem spijs op zijne kleeren te
+storten, tegen hem te vloeken en hem heimelijk tegen de
+schenen te schoppen.
+
+<p>Dat zijn de maatschappelijke kringen, dat de levensomstandigheden,
+welke de stoffen leverden tot de dichterlijke verhalen
+die onder en naast het verhalend ridderdicht opgekomen en
+bestemd waren die ridderpozie te verdringen. De rijke koopman
+uit een dezer boerden, die &#8222;gheleerst, ghespoort, ghegort
+wel vaste" zijn huis binnenkomt, toont ons dat het zwaartepunt
+in de maatschappij dier dagen zich had verplaatst.
+
+<p>In de boerde, getiteld <i>Wisen raet van vrouwen</i>, worden wij
+in een &#8222;huys met hoghe mure" gebracht; blijkbaar een dier
+huizingen zooals de rijke burgers ze in navolging van den adel
+bouwden. De eigenaar van het huis houdt daar achter slot en
+grendel zijne dochter die hij hoopt uit te huwelijken aan een
+ridder of jonkheer, maar wat kan hij tegen de Min?
+
+<p class="quote">Al sluiten
+Hem buiten
+Met grendel en boom
+Benagelde poorten
+...
+</p>
+
+<p>hij raakt er binnen in de gedaante van een jonkman, blijkbaar
+een burger, tot wien zij haar goedgeloovigen biechtvader
+als liefdebode weet te zenden.
+
+<p>Komt deze burger die blijkbaar hoogerop wil, er bekaaid<a name="459"></a>
+af, op meer dan een plaats wordt in deze boerden op spottenden
+toon gesproken over het ridderwezen. De vrouw van
+een drinkebroer die thuis grimmend en grommend haar man
+zit af te wachten, zegt:
+
+<p class="quote">Ic woude ic met hem op een pleyn
+Mijn leven mochte setten in waechscalen<a href="#15.7">[7]</a>.
+</p>
+
+<p>Zooals de brave ELEGAST vroeger tegen den schelmschen
+EGGHERIC VAN EGGHERMONDE!
+
+<p>Van heer GOBERT die 's nachts aan het vechten raakt met
+een der &#8222;clercken" wien hij nachtlogies heeft verstrekt, heet het:
+
+<p class="quote">Men sach noit so wel tornieren
+Sonder wapene ende sonder corieren<a title="[margin: malinkolders.]"><sup>#</sup></a><a href="#15.8">[8]</a>.
+</p>
+
+<p>De dichter die ons met blijkbaar welgevallen de onbeschaamd-dartele
+boerde <i>Van den tanden</i> verhaalt, stelt ons zich zelven
+voor, op zijn paard Morele buiten Brussel rijdend. Dien naam
+<i>Morele</i> droeg eertijds het ros van ridder AMELANT in den
+roman <i>van Lancelot</i>; dien naam ook het ros van den dapperen
+TOREC, dat meer waard was dan eene stad<a href="#15.9">[9]</a>.
+
+<p>In gansch andere kringen der maatschappij leiden ons de
+sproken binnen.
+
+<p>Hier verkeeren wij onder &#8222;verweende"<a title="[margin: hoovaardig.]"><sup>#</sup></a> keizers en koningen,
+heeren &#8222;van groten bloede", prinsen, graven, ridders, edele
+vrouwen en jonkvrouwen. Het is waar, dat het ridderlijk tweegevecht
+ook hier wordt afgekeurd en zelfs min of meer belachelijk
+gemaakt. Zeker keizer die den vrede lief had en wijs
+en rechtvaardig zijn land regeerde, maakte korte metten met
+de veete tusschen een paar zijner voornaamste edelen. Hij
+ontbood de beide &#8222;helden" en trachtte ze te verzoenen.
+Te vergeefs! Toen deed hij ze beiden ontkleeden &#8222;totter brouc",<a name="460"></a>
+bracht ze in een vertrek, gaf elk een dolk en zeide: gaat nu
+maar dapper aan 't werk; gij krijgt geen eten of drinken,
+vrdat een van beiden gedood is. Onmiddellijk waren zij het
+eens. Z moesten meer vorsten doen, zegt de dichter, dan zou
+er heel wat minder onschuldig bloed vergoten worden <a href="#15.10">[10]</a>. De
+ernstige toon en het beroep op den Almachtigen Rechter aan
+het slot toonen wel dat, indien sproke en boerde hier al n
+lijn trekken, hun punt van uitgang toch verschillend is. In een
+ander verhaal wordt een rijk en gierig ridder op onzachte wijs
+voor den gek gehouden door zijn medeminnaar, een dapper
+maar arm edelman. De wijze waarop de gierigaard 's nachts
+door zijn medeminnaar bewerkt wordt met een hazelaarstwijg,
+is weinig hoofsch, en ook de verdere inkleeding doet hier en
+daar denken aan de boerden; doch dit verhaal is dan ook het
+eenige waar men twijfelt of men het tot de sproken dan wel
+tot de boerden zal rekenen <a href="#15.11">[11]</a>.
+
+<p>Overigens echter wordt in de sproken het ridderwezen met
+eerbied bejegend en er is nog gevoel voor de ridderlijke
+idealen. Zoo zien wij in een sproke een hooggeboren rijke
+maagd aan een dapper arm oud ridder de voorkeur geven
+boven een jongen &#8222;mooyaert" <a title="[margin: fat.]"><sup>#</sup></a>, die den ouden krijger bespot
+wiens gelaat met zwaarden geteekend is <a href="#15.12">[12]</a>. Het fraaie verhaal:
+<i>de mantel van eren</i>, wil toonen, hoe verkeerd het is, goud
+hooger te stellen dan riddereer <a href="#15.13">[13]</a>.
+
+<p>Zijn wij niet aan hoven of in ridderlijke huizingen, dan
+brengen de sproken ons in klooster of kluis, in gezelschap
+van monniken en kluizenaars, nonnen en bagijnen. Van dien
+aard is o.a. het verhaal van het <i>Baghijnken van Parijs</i>, een
+aanzienlijk meisje dat in een bagijnhof wenscht te worden
+opgenomen; dat van de non die met haren meester haar
+klooster ontvlucht; van het jonge monnikje dat telkens een
+deel van zijn eten aan het beeld van MARIA brengt; van de<a name="461"></a>
+edelvrouw die terwijl zij haar minnaar afwacht, door de geesten
+der afgestorvenen voor wie zij placht te bidden, wordt bekeerd
+en in een klooster gaat.
+
+<p>Verwant met deze sproken van geestelijken inhoud zijn andere,
+die ons verhalen van eene jodin die bekeerd wordt tot het
+Christendom, een jodenmeisje dat Christin wil worden en door
+haar vader vermoord wordt; weer andere behelzen algemeen
+bekende korte verhalen die men overal terugvindt, zooals dat
+van Hansken met de ganzen; het ouderpaar, dat door hun
+kind teruggebracht wordt van de slechte behandeling van hun
+ouden vader; de rechtgeaarde zoon, die niet op het lijk van
+zijn vader wil schieten. In eene enkele sproke treedt de koopmansstand
+op: het verhaal van een paar trouwe vrienden, een
+koopman uit Brugge en een uit Baldac (Bagdad), die zich
+voor elkander willen opofferen. Het verhaal van Pyramus en
+Thisbe, &#8222;twee kinderen die droeghen eene sterke minne,"
+leende zich natuurlijk beter tot een sproke dan tot een boerde;
+de oudheid zette aan deze stof eene achtbaarheid bij, die het
+verhaal wel doet passen bij de ridderverhalen en die uit het
+leven der geestelijken, beide toch nog altijd op hooger plan
+gelegen dan het leven van burgers en plattelanders<a href="#15.14">[14]</a>.
+
+<p>Dat de sproken alle een zedelijk karakter vertoonen, kan
+ons niet verwonderen. Een dezer sprookdichters blijkt zelfs
+zoo nauw van geweten, dat hij het noodig acht zijne toehoorders
+gerust te stellen omtrent zeker gemis aan waarheid dezer
+verdichte verhalen. De sproke <i>van eenen verwaenden coninc</i>
+vangt aan met deze regels:
+
+<p class="quote">Exempel vertrect<a title="[margin: vertelt.]"><sup>#</sup></a> men hier ende daer,
+Niet om dat si alle zijn waer,
+Maer om dat mer bi verstaet
+Ondersceet tusschen goet ende quaet<a href="#15.15">[15]</a>.<a name="462"></a>
+</p>
+
+<p>
+In een enkel geval is de moralisatie bijna even groot als het
+verhaal zelf. Elders is in een sprookdichter de lust tot het
+mededeelen van zedekundige waarheden of bespiegelingen z
+sterk, dat hij ook de personages, die in zijn verhaal optreden,
+met dien lust bezielt. Een paar ridders &#8222;van quaden levene"
+komen tot hun meester om hem te zeggen, dat zij berouw
+gevoelen over hunne misdaden en hun leven willen veranderen.
+Op eene vraag van hun meester, op welke wijs zij dat denken
+te doen, antwoorden zij:
+
+<p class="quote">.... Wi merkent bi Alexanderen
+Die grote coninc, dat hem en mochte
+Die daet ghehulpen die hi wrochte,
+....
+Hine moeste der doot doen een ghemoet<a href="#15.16">[16]</a>.
+</p>
+
+<p>In overeenstemming met dezen lust tot moraliseeren is dan
+ook, dat wij zelden eene sproke aantreffen zonder een nuttige
+les of stichtelijke opwekking: trouw gaat boven al; hovaardij is
+zonde boven al; hooren, zwijgen en ziende blind // dat's dat
+nu de wereld mint, enz. Elders worden de hoorders opgewekt,
+onzer Vrouwe getijde en vigilin voor de dooden te lezen;
+hoovaardij, hebzucht en afgunst te schuwen<a href="#15.17">[17]</a>.
+
+<p>Opmerkelijker dan dit stichtelijk karakter der sproken is, dat
+ook in de meeste boerden een zedelijke of didactische strekking
+niet te miskennen valt. De boerde van de dartele koopmansvrouw
+met den &#8222;Oosterlinc" vangt aan met een paar spreukmatige
+regels, die in het daaropvolgend verhaal worden toegelicht:
+
+<p class="quote">Tgoede wijf maect den goeden man
+Ende de goede man maect tgoede wijf.
+</p>
+
+<p>Aan het slot dezer boerde lezen wij dan ook: &#8222;Elc vrouwe
+neme hier exempel an." In den aanvang der boerde van de<a name="463"></a>
+twee &#8222;clercken" en heer GOBERT wordt ons gezegd, dat men
+uit sommige gedichten &#8222;vroedschap en dwaasheid" te weten
+komt<a href="#15.18">[18]</a>.
+
+<p>Ook in andere boerden vinden wij dergelijke uitdrukkingen.
+In eene boerde, z plat-realistisch als die <i>van den visscher
+van Parijs</i>, wordt, wat de middeleeuwsche dichters huichelarij
+achtten in minzieke vrouwen, op onbarmhartige wijze bespot
+en de moraal der boerde <i>van Heile van Berseele</i> is samengevat
+in eene waarschuwing tegen den omgang met lichte vrouwen.
+Waar geen eigenlijke zedeles of wat daarop gelijkt, in het
+verhaal voorkomt, voelen de boerdendichters zich toch verplicht
+iets in dien geest te geven door een zegenwensch als: &#8222;God
+gheve ons ter zielen bate" of: &#8222;God bringhe ons ten eweghen
+paradise"<a href="#15.19">[19]</a>.
+
+<p>Het is waar dat de vrouwen en meisjes, vooral de getrouwde
+vrouwen, in deze boerden voorgesteld worden als in hooge
+mate weelderig en onkuisch. Doch men moet niet vergeten dat
+deze voorstelling rust op theologischen grondslag en dat de
+middeleeuwsche dichters, voorzoover zij geen aanhangers van
+den vrouwendienst waren, er steeds op uit zijn de vrouwen
+als EVA'S dochters te doen zien. EVA'S val immers was de bron
+van zoo groote rampen voor het menschelijk geslacht geworden
+niet alleen hier op aarde maar ook nog in een later leven<a href="#15.20">[20]</a>.
+Ook dragen de boerdendichters er zorg voor dat men hen
+goed begrijpe: niet op &#8222;hoofsche vrouwen" hebben wij het
+gemunt, zeggen zij; en, bij een andere gelegenheid: geen goede
+vrouw behoeft dezen schoen aan te trekken<a href="#15.21">[21]</a>.
+
+<p>Die goede en hoofsche vrouwen vinden wij in de sproken: een
+jong rijk meisje dat bagijn wordt; eene edelvrouw die zich bekeert
+en in een klooster gaat; een jonge non die zich neus en
+lippen laat afsnijden om hare kuischheid te redden; eene adellijke
+dame die zich nieuwe kleeren en sieraden ontzegt om haar
+<a name="464"></a>
+man te kunnen bijstaan in zijn strijd tegen de ongeloovigen;
+THISBE die den dood van haren minnaar niet overleven wil.
+
+<p>Een dezer sprookdichters is zijn tijdgenooten zelfs zver
+vooruit, dat hij in de bres durft springen voor vrouwen die
+een misstap begaan hebben. Een adellijk meisje heeft eene
+liefdesbetrekking aangeknoopt met een jonkman van geringen
+stand. Hare magen zijn vergramd, want, al was de jonkman
+haar knecht niet, zulk een misstap was erger dan overspel.
+Haar broeder, een groot heer, heeft medelijden met haar en
+verdedigt haar in een gesprek met eene hooge bloedverwante
+die hem zijne zachtmoedigheid in dezen verwijt.&mdash;Ik zelf heb
+vijf onechte kinderen, antwoordt de edelman; zal ik een ander
+dan dingen verwijten die ik zelf heb begaan?&mdash;De hooge
+vrouwe herneemt: zoudt gij mannen en vrouwen in zoo iets
+willen gelijkstellen? Men zal u voor onwijs houden.&mdash;Hij
+weer: de schande der mannen zal in Gods oogen duizendmaal
+grooter zijn, want zij zijn de aanleggers, het is alles
+hun schuld.
+
+<p>Deze opvatting, zooveel rechtvaardiger en menschelijker dan
+de gewone middeleeuwsche, zullen wij eerst in veel later
+eeuwen en in onzen tijd opnieuw aantreffen<a href="#15.22">[22]</a>.
+
+<p>Tot dusver hebben wij, boerden en sproken karakterizeerend
+in hun onderling verschil, gelet vooral op inhoud en geest
+dezer beide genres. Wij kunnen er nu bijvoegen dat dit verschil
+zich slechts ten deele in den uiterlijken vorm openbaart.
+De sproken zijn, op <i>het Baghijnken van Parijs</i> na, gedicht in
+doorloopende verzen, paarsgewijze rijmend of met overslaande
+rijmen; de boerden, luchtiger van karakter en stemming,
+hebben in een paar gevallen den luchtiger gang van het verhalend
+in coupletten afgedeeld lied. Verscheidene dezer ernstige
+of komische verhalen zijn in allen eenvoud goed verteld,
+<a name="465"></a>
+onderscheiden zich door zuiver zacht gevoel en naeve kunst,
+door vluggen lossen gang en eene soms onweerstaanbare
+komische kracht. Zoo hoog als sommige Oudfransche fabliaux
+staan onze boerden niet, maar op zich zelf beschouwd staan
+zij hoog. Een gevoelig en mooi stuk is de sproke <i>van het
+Baghijnken van Parijs</i> dat ons in zijn dialogisch karakter en
+zijne wendingen telkens aan de oudere epische volkspozie
+herinnert. Zoo b.v.:
+
+<p class="quote">Sy ghinck voor haer moeder staen
+Ende badt haer door (haer) houde<a title="[margin: om der wille harer genegenheid.]"><sup>#</sup></a>,
+Dat syse door haer edelheyt
+Baghyne maken woude.
+
+Sy seyde: lieve dochter mijn,
+Soo ghinck aen<a title="[margin: begon.]"><sup>#</sup></a> mijnen rouwe;
+Ghy zijt van haven<a title="[margin: bezittingen.]"><sup>#</sup></a> alsoo rijck,
+Ghy meucht wel sijn een vrouwe.
+</p>
+
+<p>De moeder tracht hare dochter te behouden voor de wereld,
+doch te vergeefs:
+
+<p class="quote">Die dochter keerde haer omme
+Ende ghinck al te hant
+Totten Baghijnkens hove,
+Daer sij de meestersse vant.
+
+Sy viel neder op haer knin,
+Ootmoedelyck dat syse booch
+Ende werp den rooden mantel
+Ter aerden dat hy vlooch.
+</p>
+
+<p>Dat afvliegen van den rooden mantel is in zijn suggestieve
+kracht voortreffelijk.<a name="466"></a>
+
+<p>Naeve volkskunst vinden wij ook in de sproke <i>van Pyramus
+en Thisbe</i>. Te vergeefs zou men hier zoeken naar de fijnheid
+en berekende juistheid van uitdrukking, den tact, de smaakvolle
+zelfbeperking, ook de beeldende kracht van het Ovidiaansch
+verhaal, welks omvang nog geen vierde der Dietsche
+bewerking bedraagt. Maar deze wint het in natuurlijkheid en
+eenvoud; hare waarheid van gevoel onderscheidt zich gunstig
+van het hier en daar opgeschroefde der Latijnsche bewerking.
+Zij weet hare gemoedelijke breedheid aardig af te wisselen
+door levendigheid van alleenspraak en tweespraak, te nationalizeeren
+o.a. door het beeld van den vermoeiden pelgrim
+
+<p class="quote">Die lange moede heeft ghesijn,
+Ende dan een luttel rasten<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a> heeft,
+Ende<a title="[margin: wanneer.]"><sup>#</sup></a> hi weder gaens dan pleecht,
+Es hi moeder dan hi was eer.
+</p>
+
+<p>door de vermelding dat THISBE sliep met andere jonkvrouwen
+
+<p class="quote">Die se van scake souden hoeden
+Also als noch doen die vroeden.
+</p>
+
+<p>Hoe aardig is b.v. ook dat trekje, waarin ons geteekend wordt
+hoe de aandoening PYRAMUS overmeestert:
+
+<p class="quote">Daer hi Tysbee roepen soude,
+Tusschen &#8222;Tys" ende tusschen &#8222;bee"
+Versuchti vijfwerf ofte mee<a title="[margin: meer.]"><sup>#</sup></a>.
+</p>
+
+<p>Zoo zou er meer zijn te noemen, o.a. uit de sproke <i>van
+den ouden ridder ende den jonghen</i>, waar wij een staaltje vinden
+van de in onze middeleeuwsche literatuur schaarsche ironie,
+hier omschreven met de uitdrukking &#8222;ghevensde<a title="[margin: geveinsd.]"><sup>#</sup></a> tale". Doch<a name="467"></a>
+wij kunnen noch willen alles noemen, en ook in de boerden
+is zooveel dat verdient even naar voren gebracht te worden.
+
+<p>Hoe vlot en aardig wordt het verhaal van heer GOBERT en
+de beide &#8222;clercken" verteld en hoe herinnert GOBERT'S vrouw,
+in hare bezorgheid over haar naakt-vechtenden man, aan vrouw
+JULOCKE uit <i>Reinaert I</i>. Hier als elders openbaart eene krachtige
+zinnelijkheid zich gaarne in schertsende beeldspraak, in
+half-omsluierde uitdrukkingen, ontleend aan het dorschen, het
+bespelen van een snaren-instrument, het ambacht van den kuiper.
+De monnik en de non, die, midden in de vreugd, op n
+bed door den duivel in het koor worden gebracht, waar alle
+nonnen vergaderd zijn, herinneren ons HEPHAISTOS' wraak,
+zooals zij ons in de Odyssee door dien meester-verteller voor
+oogen is gebracht. In het verhaal van de gestolen zijde spek
+worden wij op meer dan een plaats herinnerd aan de grappen
+en dubbelzinnigheden uit <i>Uilenspiegel</i> en dergelijke volksboeken;
+ik heb het oog o.a. op den boef, die, opkijkend naar een bij
+de schouw hangende zijde spek, langs zijne wang wrijft en tot
+zijn gezel zegt: vr morgen moet hij er af; ook de wijze,
+waarop zij elkander telkens het stuk spek ontstelen, doet hier
+en daar aan de kluchtboeken denken.
+
+<p>Voortreffelijk is het tooneeltje, waar de domme oude LACARIJS,
+wien zijne vrouw en een verliefde priester hebben wijsgemaakt
+dat hij dood is, onder een lijkkleed toegedekt, den
+amoureuzen paap in zijn bedrijf waarneemt. &#8222;Loop liever naar het
+bordeel!" roept hij toornig; &#8222;als ik maar leefde, zooals gisteren,
+dan zoudt gij het duur betalen."&mdash;&#8222;Lacarijs!" zegt de paap,
+&#8222;houd je oogen maar stijf dicht, lig stil als een molensteen; z
+doet men als men op de baar ligt; je zou ons nog bang maken."
+
+<p>En niet minder voortreffelijk is een tooneel uit de boerde
+<i>van Heile van Berseele</i>. HEILE, een lichte vrouw, heeft afspraak
+gemaakt met een drietal minnaars, die achtereenvolgens bij<a name="468"></a>
+haar zullen komen; maar de afspraak loopt in de war, en zoo
+is een hunner, WILLEM HOOFT, nog bij haar, als zijn medeminnaar,
+ook weer een priester, komt aankloppen. WILLEM
+wordt inderhaast in een ruimen bak gestopt, daarin opgeheschen
+tot aan de zoldering en het touw vastgemaakt. Uit zijn
+kraaiennest is hij nu getuige van het onderhoud tusschen HEILE
+en den pape. HEILE heeft den priester stilletjes beduid, wie
+daarboven te luisteren zit. Deze begint nu een verhaal van
+den Zondvloed; z plastisch weet hij het stijgen van het
+water voor te stellen, dat WILLEM het al benauwder krijgt;
+nog steeds hoort hij van het stijgende water ... de angst
+wordt hem te machtig, hij snijdt het touw door en roept:
+
+<p class="quote">Nu wouds God ende goed gheval<a title="[margin: Nu zij het aan God en het geluk bevolen.]"><sup>#</sup></a>
+Of Willem Hooft iet<a title="[margin: ook (soms).]"><sup>#</sup></a> zeilen zal.
+</p>
+
+<p>Z gaat deze Noach in zijn ark onder zeil.
+
+<h3><i>b</i>. LIEDEREN.</h3>
+
+<p>De kruistochten hadden ook het Dietsch sprekend volk in
+het Zuiden van Europa en in Oostersche landen gebracht.
+Een der gevolgen van die reizen was een krachtige ontwikkeling
+der muziek. De Grafelijkheids- en Cameraars-rekeningen
+der 14<sup>de</sup> eeuw weergalmen &#8222;van sanghe ende van vedelspele."
+Ook naar de lage landen bij de zee komt Orfeus om er de
+onbeteugelde krachten en lusten te bedwingen en te temmen.
+
+<p>Wij vinden hier allerlei zangers en zangeressen, die liederen zingen
+soms alleen, soms in koor, onder of zonder muzikale begeleiding.
+
+<p>Tot de reizende volksdichters en volkszangers, hetzelfde volkje
+dat ook met gedresseerde beren, geiten en apen rondtrok,
+behooren blijkbaar zangers en zangeressen, als de man die
+den teekenachtigen naam van &#8222;die wilde vos" droeg, &#8222;die sanc
+ende dichte voir minen here" (nl. den graaf van Holland);<a name="469"></a>
+&#8222;te Berghen in Henegouwen eenen man die vedelde, sinen wive
+diere op sanc ende eene gokelaer," &#8222;'t Scoenhoven eenen menestreel
+die op een harpe speelde, daer een wyf op sanc," &#8222;te
+Nyerborch enen wive, die op de liere speelde ende sanc,"
+&#8222;Heerkin die mitten cornemusekin speelde ende daerop sanc."
+
+<p>Andere zangers behooren blijkbaar tot de menestrelen die in
+vasten dienst waren bij een of ander edelman; tot deze zou ik
+rekenen: het &#8222;sangherkin dat bi hertoghe Aelbrecht was",
+&#8222;Hansel tshertogen sanger van Gelre", &#8222;Hannekin die zangher
+van Apcoude", &#8222;Herman den sangher die miins heren (van
+Blois) paedse plach te wesen", misschien ook &#8222;Jacop vander
+Lucht, den zangher" en &#8222;Willem den zanger" die van den
+Graaf van Blois &#8222;twee ellen groens en twee ellen roods" krijgt,
+blijkbaar ter voorziening in zijne kleedij.
+
+<p>Wij zagen uit de bovenstaande rekening-posten dat een
+menestreel soms alleen zingt, soms met een vrouw. Wij vinden
+ook wel zangers en zangeressen die met of zonder begeleiding,
+nstemmig of met hooge en lage stem, zingen. Uit de schrale
+aanwijzingen is natuurlijk niet altijd met zekerheid op te maken
+of wij hier al dan niet reizende beroepszangers vr ons hebben.
+Genoemd worden ons o.a.: &#8222;een wijf die op die ghisterne
+speelde ende twee ghesellen diere op songhen", &#8222;twee zanghers
+die een dicht zonghen van mevrouwen doot van Hollant";
+&#8222;vier wiven die voir minen here speelden op een psalterie
+ende op ene quinterne ende daerop songhen", &#8222;drie sanghers
+die voer minen here gesongen hadden alst kermiss in den
+Haghe was". Soms zou men meenen een hedendaagsch a-capella
+koor aan te treffen, als men gewag gemaakt vindt van zangers
+of zangers en zangeressen die onder een met name genoemden
+leider zich laten hooren: &#8222;Wigant ende sine ghesellen die (te
+Mechelen) songhen voor minen jonchere Jan", &#8222;Meeu sijn ghesellen
+ende haer ghesellinnen die mit hem pleghen te singhen".<a name="470"></a>
+In dit laatste geval hooren wij, evenals hiervoor een enkelen
+keer, <i>wat</i> er gezongen werd; want op dien post aangaande
+MEEU volgt deze andere: &#8222;Item den selven noch ghegheven
+opten Jaersdach, want si dat nuwe jaer songhen in der sale
+voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden."
+Tot de concurrenten van WIGANT en MEEU behoorde ook
+&#8222;HEYN VAN CALES de sangher mit sinen ghesellen."
+
+<p>Dit zingen in koor toont dat de wereldlijke muziek zich naast
+de kerkelijke moet hebben ontwikkeld. Voor een deel was die
+ontwikkeling zeker te danken aan de meistreel-scholen waarvan
+wij in het Noorden en het Zuiden dezer landen melding zien
+gemaakt. Zoo treffen wij in eene Cameraars-rekening van 1364
+de &#8222;meysteryels van der vedelen" aan, &#8222;die do haer schole to
+Deventer ghehoelden hadden". Dat zij er welkom waren blijkt
+wel uit het feit, dat Raad en Schepenen hen op een gastmaal
+onthaald en nog een geschenk in geld gegeven hadden. In een
+rekening van 1388 wordt een som gelds geboekt, die gegeven
+is aan den &#8222;coninc van de pipers van Oestervant, om mede te
+riden tot Berghen daer hi scoel soude houden van pipen."
+
+<p>Waarschijnlijk zullen ook in de 14<sup>de</sup> eeuw, zij het eerst in
+de tweede helft, de menestrelen van eene stad zich wel tot
+een gilde vereenigd hebben. Daar elk gilde een patroon of
+patrones had en gewoon was den dag van dien patroon
+feestelijk te vieren, zullen ook zulke muziekgilden wel tenminste
+eenmaal 's jaars een feestelijke samenkomst hebben gehouden.
+Op zulk eene samenkomst brengen ons, naar ik vermoed,
+een paar liederen van dezen tijd: eenige leden van een
+gezelschap, dat, naar 't schijnt, <i>het Maria-roosken</i> heet, zijn
+bijeen; een hunner zingt eene opwekking tot feestvreugd,
+den lof der muziek en dien van MARIA; de overigen &#8222;die
+van muziken geerne horen", zingen blijkbaar in koor een
+refrein<a href="#15.23">[23]</a>.<a name="471"></a>
+
+<p>Naast of tegenover zulke wereldlijke muziek-vereenigingen
+zou men de scholieren kunnen plaatsen, die op Allerkinderen-dag
+een bisschop uit hun midden plachten te kiezen en met
+dezen aan het hoofd naar het koor kwamen om daar te figureeren
+en mede te zingen<a href="#15.24">[24]</a>.
+
+<p>Een wijder strekkend en dieper doordringend onderzoek van
+muziek en zang te onzent in de middeleeuwen blijve de taak
+der beoefenaars onzer middeleeuwsche muziekgeschiedenis. Hier
+moge dit weinige volstaan als inleiding tot hetgeen onze taak
+is: een overzicht en eene voorstelling van de liederen, die in
+de 14<sup>de</sup> eeuw in deze landen werden gezongen.
+
+<h4>GEESTELIJKE LIEDEREN.</h4>
+
+<p>Niet talrijk zijn de liederen van dezen aard, welke met
+voldoende zekerheid tot de 14<sup>de</sup> eeuw gebracht kunnen worden.
+
+<p>Het half Latijnsche half Dietsche lied: &#8222;In dulci jubilo singhet
+ende weset vro" uit dezen tijd is vooral van belang, omdat wij
+er door herinnerd worden aan den samenhang der geestelijke
+Dietsche lyriek met de Latijnsche hymnen en kerkliederen<a href="#15.25">[25]</a>.
+Opmerkelijker om zijn inhoud is &#8222;eyn devoet lietgen van den
+heilighen kerste", een kerstliedje, kinderliedje, dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Sy namen dat kindekyn metten teenen<a title="[margin: bij de toonen.]"><sup>#</sup></a>
+Sussoe nynnoe
+Der heylighe kerst wil onser ghedencken
+Sussoe nynnoe
+Als wy suelen van ertrijc sceiden
+Sussoe nynnoe.
+</p>
+
+<p>Op dezelfde wijze worden dan de &#8222;verssen"<a title="[margin: hielen.]"><sup>#</sup></a> daarna de
+&#8222;enckelen" in het lied gebracht en zoo beurtelings alle ledematen
+van het Christus-kind als met vroom-eerbiedige hand aangeraakt.<a name="472"></a>
+
+<p>Het zou mij niet verwonderen indien wij hier een geestelijke
+omwerking van een wereldlijk lied vr ons hadden; immers
+dergelijke kinderliedjes in den trant van ons &#8222;kinne-, kinnewipje",
+aanbrengers van vroegste zelfkennis voor het kind, zooals zij
+nog te onzent en in andere landen van West-Europa in den
+volksmond leven, zullen wel overoud zijn<a href="#15.26">[26]</a>.
+
+<p>Twee andere liederen hebben naar alle waarschijnlijkheid
+betrekking op een bedevaart. Het eene verplaatst ons bij zonsopgang
+naar bergen en bosschen, smeekt de bescherming van
+het heilig kruis af op dezen tocht, roept de hulp der heiligen
+in tot het vinden van een goede herberg en beveiliging tegen
+roovers en moordenaars te land en te water<a href="#15.27">[27]</a>.
+
+<p>Het andere is een geestelijke romance ter eere van SANTE
+GHEERTRUUT, de patronesse der reizigers. Een volksdichter
+heeft waarschijnlijk op dien tocht voor het overig &#8222;gezelschap"
+dat &#8222;tot onsen here god voer" het verhaal gezongen van den
+ridder die, ter wille van de schoone heilige al zijn goed had
+verteerd, die zijn ziel aan den duivel verkocht om weer rijk te
+worden en op het beslissend oogenblik door SANTE GHEERTRUUT
+wordt verlost uit de klauwen van den Booze. Er is pozie in
+dit lied, hoe weinig geoefend ook de hand was die haar verwerkte:
+de eenvoudige droefheid bij het afscheid van den ridder
+en zijne geliefde; de naeve verzuchting: had ik het maar geweten
+van te voren! het dwalen op een duisteren avond langs
+de wilde heide, de plotselinge verschijning van den Vijand,
+het &#8222;roode bloed" waarmee het contract wordt geschreven, de
+plastiek bij het drinken van den beker van SINT-GEERTEMINNE:
+
+<p class="quote">Hi nam den nap op sijnre hant,
+Hi sette hem voor sinen mont,
+Hi en hadde den wijn ooc niet gespaert,
+Hi dranc hem uut al tot den gront<a href="#15.28">[28]</a>.<a name="473"></a>
+</p>
+
+<p>Deze en dergelijke trekken maken het wel begrijpelijk, dat
+een sprookspreker als Meester WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG
+geen weerstand heeft geboden aan den lust om de stof dezer
+geestelijke romance op zijne wijze te bewerken.
+
+<h4>MINNELIEDEREN.</h4>
+
+<p>Zoo schaarsch als de geestelijke liederen zoo talrijk zijn de
+minneliederen van dezen tijd. In een handschrift van het laatst
+der 14<sup>de</sup> eeuw, dat misschien was aangelegd voor een edelman
+uit het Brugsch geslacht Van Gruythuyse, zijn ons bijna
+anderhalfhonderd liederen bewaard die ons een beeld geven
+van het minnelied dezer tijden. Voor een deel zijn die liederen
+misschien gedicht door zekeren jonker JAN VAN HULST, doch
+het komt mij voor dat ook andere handen in deze liederen
+vallen te onderscheiden<a href="#15.29">[29]</a>. Misschien hebben Duitsche dichters
+tot het ontstaan van dit handschrift medegewerkt; in allen
+gevalle worden wij al dadelijk getroffen door de Duitsch-getinte
+taal of het mengsel van Duitsch en Nederlandsch waarin
+ettelijke dezer liederen zijn geschreven. Het Beiersche gravenhuis
+had het Duitsch hier te lande in zwang gebracht, Duitsche
+dichters en zangers kwamen in het gevolg der graven en edelen
+in deze landen; het is begrijpelijk dat velen hunner getracht
+hebben aan hunne taal een Nederlandsche kleur te geven zooals
+de Fransche trouvres der 13<sup>de</sup> en 14<sup>de</sup> eeuw, in het Noorden
+van Itali rondtrekkend, de Fransche ridderpozie in veritaliaanscht
+Fransch voordroegen.
+
+<p>Misschien zijn er ook Nederlandsche dichters geweest, die
+getracht hebben aan hunne taal een Duitsche tint te geven;
+het is niet gemakkelijk uit te maken welke der beide mogelijkheden
+men in bepaalde gevallen vr zich heeft<a href="#15.30">[30]</a>.
+
+<p>Herinneren vele dezer liederen ons door hun vorm aan<a name="474"></a>
+Duitschland, hun inhoud toont in menig opzicht verwantschap
+met de hoofsche Duitsche minnepozie dier dagen. De opvatting
+van de liefde als een dienst, die wij reeds vroeger in dit
+verhaal hebben leeren kennen, treffen wij ook hier aan; ook
+hier zijn de rollen omgekeerd: het sterke geslacht zucht, treurt,
+klaagt en weent of vleit&mdash;het zwakke is mannelijk en fier; zij
+is de &#8222;princesse", de &#8222;keyserinne"&mdash;hij de &#8222;dienaer" of de
+&#8222;lijfeigene". De liefde is hier eerbiedig, bescheiden, het zinnelijke
+wordt onderdrukt; heimelijk smachten naar haar bijzijn, dat
+staat hoog; wordt de &#8222;stedicheit" van den minnaar ook niet
+beantwoord, toch blijft hij trouw. Hoofsch is deze opvatting
+der liefde in hooge mate; een dorper kan zich dan ook niet
+daartoe verheffen: &#8222;een kerel ghert der vreughden gheyn." Het
+is niet vreemd dat wij in dezen zelfden bundel een fraai lied
+aantreffen, dat van diepe minachting voor de &#8222;kerels" vervuld is.
+
+<p>Een tegenstelling met deze liederen, gedicht onder den invloed
+eener internationale opvatting der liefde, vormt een veertigtal
+andere die in taal, gevoel en voorstelling zuiver nationaal
+mogen worden genoemd.
+
+<p>Hier geen hoofschheid, neen waarlijk niet! Hier krachtig
+realisme en onbedwongen zinnelijkheid; maar ook welk een
+dartele levenslust en onbezorgde vroolijkheid, welk een helder
+opklinkende lach!
+
+<p>Niet z scherp noch z volstrekt echter moet men zich
+deze tegenstelling denken, alsof alle Duitsch-getinte liederen
+tegenover de zuiver-Vlaamsche konden worden geplaatst als
+idealisme tegenover realisme. Want eenerzijds komen er onder
+die Duitsch-getinte liederen een paar voor die in dubbelzinnig
+schertsende beeldspraak over het minnespel denzelfden trant
+houden als sommige zuiver-Vlaamsche liederen<a href="#15.31">[31]</a>. Anderzijds
+zijn sommige zuiver-Vlaamsche stukken gedicht in den geest
+der hoofsche minnepozie; doch opmerkelijk is, hoe het<a name="475"></a>
+nationaal realisme dan op sommige plaatsen door het idealistisch
+vernis heen komt kijken<a href="#15.32">[32]</a>. Overigens vindt men hier verscheidene
+genre's vertegenwoordigd: liederen over de droefheid
+van het scheiden, waarvan er een doet denken aan de later
+uitvoeriger te behandelen &#8222;wachterliederen"; nieuwjaarsliederen
+die waarschijnlijk bestemd waren om aan de liefste gezonden
+te worden, evenals andere die ter begeleiding van een bloeienden
+meitak zullen hebben gediend; weer andere hebben een meer
+verstandelijk karakter en handelen over de &#8222;stede" (trouw), over
+vriendschap, afgunst en nijd. Een enkel behelst klachten over
+de &#8222;niders"<a href="#15.33">[33]</a>.
+
+<p>Aan de verscheidenheid van inhoud beantwoordt een rijke
+verscheidenheid van vorm; sommige liederen bestaan uit slechts
+een enkel couplet, de meeste uit meer coupletten; de gewone
+vierregelige strophe komt maar een enkelen keer voor en dan
+nog met een kunstiger rijmstelsel dan de gewone overslaande
+rijmen (n<sup>o</sup>. 136); de omvang der coupletten zwelt soms, misschien
+onder den invloed eener bestaande melodie, aan tot het
+buitensporige. Maar ook, hoe menig fraai lied is hier te vinden!
+Daar is dit lied op het scheiden:
+
+<p class="quote">Sceiden, onverwinlic leit,
+Onvreuchdelyc es dijn beghin,
+Dat nemic waerlic up myn heit<a title="[margin: eed.]"><sup>#</sup></a>:
+Ten brinct gheen dinc meer lidens in.
+Sceiden, du dwinx herte ende zin,
+So langher tyt, so meer verdriet,
+Sceiden, du ne ghenouchs<a title="[margin: behaagt.]"><sup>#</sup></a> mi niet.
+</p>
+
+<p>Het aardige lied op den leeuwrik, dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Alotte, voghel clein!
+Dyn nature es zoete ende rein,<a name="476"></a>
+So es dyn edel zanc;
+Daer dienstu met den here allein
+Te love om sinen danc.
+</p>
+
+<p>Het lied tegen de kwellende gepeinzen, die den minnaar rust
+noch duur laten, en het klaaglied over het lot van den ongelukkigen
+minnaar, met dit aardig couplet:
+
+<p class="quote">Trueren, waken,
+Magher caken,
+Selden sonder toren<a title="[margin: verdriet.]"><sup>#</sup></a>,
+Breken, maken,
+Niet gheraken,
+Achter meer dan voren&mdash;
+Dit moeter al toe horen
+Ende al den tijt verloren<a href="#15.34">[34]</a>.
+</p>
+
+<p>Wij vinden hier ook meer dan een mooien beurtzang, hetzij
+tusschen ridder en jonkvrouw, minnaar en meisje, hetzij tusschen
+twee gezellen of twee speelnootjes. Als proeve kunnen
+hier slechts een paar coupletten worden medegedeeld van den
+beurtzang tusschen een paar gezellinnen, waarvan de eene aan
+de andere een droeve bekentenis doet:
+
+<p class="quote">Ghespele, in caent gheswighen niet,
+Nu wilt mijn overzwaer verdriet
+In trauwen helpen helen.
+Doe ic lesten van u sciet<a title="[margin: laatst afscheid van u nam.]"><sup>#</sup></a>,
+Doe addi mi allein bespiet
+Ende ic ginc mettem spelen.
+Ghespele, wilt beraden mi,
+So dat mijn ere behouden zi
+Bi wizen rade;
+Ic wane in comme hem nemmer bi.<a name="477"></a>
+Wat sal ic doen! o wach, o wi!
+Het es te spade!
+
+Die ander sprac: op minen heit<a title="[margin: eed.]"><sup>#</sup></a>,
+Dat es mi waerlic alzo leit,
+Ghespele, ic wil u claghen.
+Waer es dijn zuver ommecleit<a title="[margin: de reinheid waarin gij gekleed waart.]"><sup>#</sup></a>?
+Nu moestu dinen aerbeit<a title="[margin: zwangerschap.]"><sup>#</sup></a>
+Lange alleine draghen.
+Waer es dijns hertzen toeverlaet?
+In can di, leider! genen raet
+Ghegheven&mdash;
+Wint up dijn haer<a title="[margin: maagden lieten het haar los hangen.]"><sup>#</sup></a>, dijn guldin draet,
+Waer es dijn vruechdenrijc ghelaet
+Ghebleven!
+</p>
+
+<p>De realistische minneliedjes en beeldjes uit het volksleven
+zijn niet minder fraai. Het manke liefje met n oor en zwarte
+handen, dat knort als een varken, bereidt ons reeds voor op
+de groteske figuren van Breughel, en hoe gaarne zou men
+weten hoe het afloopt met den kapelaan van Hoedelem, dien
+wij 's morgens met den koster achter hem ter mis zien gaan.
+Maar slechts de aanvang van dat lied is ons overgebleven.
+Dan is er TUTEBIER, de marskramer, met zijn vroolijken
+straatroep:
+
+<p class="quote">Naelden, spellen, trompen, bellen,
+Ic wil mijn merse hier nederstellen,
+Laet zien of ic vercopen can!
+</p>
+
+<p>die aangeroepen wordt door een lachend mooi meisje, dat
+zoo'n moeite heeft om een speld van het juiste formaat te
+vinden:<a name="478"></a>
+
+<p class="quote">&#8222;Merseman," seidesi, &#8222;lieve geselle,
+&#8222;Ic hebbe een cleine cokerkijn,
+&#8222;In vinde hier in no naelde no spelle<a title="[margin: speld.]"><sup>#</sup></a>,
+&#8222;Die wel voughen soude daer in.
+&#8222;Hier sijn grote ende daer so cleine,
+&#8222;Maer ic ne vinde niet dat ic meine."
+&mdash;&#8222;&#8222;Joncfrauwe, wat spellen wildi dan?
+&#8222;&#8222;Naelden, spellen, trompen, bellen,
+&#8222;&#8222;Ic wil mijn merse"" enz.
+
+&#8222;Joncfrauwe, ic hebbe een spellekijn,
+&#8222;Dan es niet aldus cleine."
+&mdash;&#8222;&#8222;Cnape, wel moeti comen sijn,
+&#8222;&#8222;Ghi weit wel wattic meine.
+&#8222;&#8222;Wildi de spelle vercopen niet,
+&#8222;&#8222;So leen se mi of ghijt ghebiet<a title="[margin: indien gij wilt.]"><sup>#</sup></a>,
+&#8222;&#8222;Ic salt u lonen, bi sinte Jan&mdash;
+&#8222;Naelden, spellen, trompen, bellen,
+&#8222;Ic wil mijn merse hier neder stellen,
+&#8222;Laet zien of ic vercopen can!"
+</p>
+
+<p>Daar is verder de &#8222;maecht in vrueghden rijck" die zoo gaarne
+op de &#8222;bonghe"<a title="[margin: trom?]"><sup>#</sup></a> wil leeren spelen; Heer WOUTER, oud en
+koud, die LYSKEN te na komt en op zijne kaken geslagen
+wordt; het avondfeestje in de schuur tusschen zuster LUTE en
+broeder LOLLAERT, waaraan zulk een onverwacht eind komt&mdash;altemaal
+uitingen eener krachtige zinnelijkheid die wel eens uit
+den band springt en grof wordt, doch die in zijn dartelen
+moedwil ook zulk een volheid van leven toont, zulk een
+natuurlijke bevalligheid en lossen zwier<a href="#15.35">[35]</a>.
+
+<p>De hierboven genoemde &#8222;bonghe" was een der vele muziekinstrumenten
+die na onze kennismaking met het Zuiden en het
+Oosten ook hier werden ingevoerd en gebruikt.<a name="479"></a>
+
+<p>Naar het schijnt, werd de &#8222;bonghe" ook wel &#8222;bom" genoemd
+en bediende men er zich van ter begeleiding van een zanger
+of zangeres<a href="#15.36">[36]</a>. Het <i>rondeel</i>, een der lyrische dichtvormen die
+in de 14<sup>de</sup> eeuw in zwang kwamen, werd toen ook wel gezongen
+met muzikale begeleiding. Een rondeel van amoureuzen
+inhoud vinden wij in een gedicht &#8222;<i>van den wilden man</i>" dat
+uit deze eeuw dagteekent; begrijpelijker wijze wordt het rondeel,
+als voor den zang bestemd, hier &#8222;liedekijn" genoemd:
+
+<p class="quote">Nu hoert hier dliedekijn, dat hi sanc
+met luder stemmen eer iet lanc:
+&#8222;Ic was wilt, ic ben ghevaen
+&#8222;ende bracht in mintliken bande;
+&#8222;dat heeft ene maghet ghedaen.
+&#8222;Ic was wilt, ic ben ghevaen;
+&#8222;Al mochtic, in woude haer niet ontgaen,
+&#8222;des settic mine trouwe te pande.
+&#8222;Ic was wilt, ic ben ghevaen
+&#8222;ende bracht in mintliken bande"<a href="#15.36">[36]</a>.
+</p>
+
+<p>Ook elders bleven ons nog minneliederen bewaard in eene
+Brabantsch-Limburgsch gekleurde taal, doch in z gebrekkigen
+toestand, dat men er zich geen juist oordeel over kan vormen.
+Zooveel is echter wel zeker, dat zij tot de hoofsche pozie
+moeten worden gebracht. Op meer dan een plaats immers
+wordt gesproken over <i>dienst</i> en <i>vrouwe</i>, b.v. in eene uiting
+als deze:
+
+<p class="quote">Lijfs ende sins is hi versaeght,
+Die dlijf<a title="[margin: het lief(je).]"><sup>#</sup></a> mint die sijn dienst meshaeght.
+</p>
+
+<p>Elders herkennen wij in &#8222;dier verreder ghevensde tale" de
+klachten over de &#8222;niders" waarvan de hoofsche minnepozie<a name="480"></a>
+vol is. Hier en daar hooren wij een couplet of een paar verzen
+die ons een goeden dunk van het geheel geven. Zoo b.v.:
+
+<p class="quote">En mach verberghen in gheen hol
+Hem lief vor lief, die liefs es vol.
+</p>
+
+<p>of:
+
+<p class="quote">Liefs troest eest beter niet ghenieten,
+Dan na liefs troest liefs troest mesnieten<a title="[margin: ontgelden, boeten.]"><sup>#</sup></a>,
+</p>
+
+<p>of dit deel van een couplet:
+
+<p class="quote">dat hem verdrote
+'s Levens sere,
+Die uyt sire vrouwen
+Herte dor trouwen
+Ghesloten were<a href="#15.37">[37]</a>.
+</p>
+
+<p>Doch wij zouden er meer van over moeten hebben en vooral
+in een beter overgeleverden tekst, vrdat wij ons een algemeen
+oordeel zouden kunnen vormen.
+
+<p>Onder de minneliederen uit het handschrift der Gruythuysens
+vindt men ook&mdash;de nabuurschap dagteekent reeds van
+Anakreon&mdash;een aardig drinklied dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Scinc her den wijn,
+Gheselle mijn,
+Wi willen vroilic leven;
+Het mach sulc<a title="[margin: deze of gene.]"><sup>#</sup></a> zijn
+Noch up den Rijn,
+Die ons gheluc mach geven,
+Al moeten wi nu sneven.
+</p>
+
+<p>Andere, met dit lied verwante, liederen brengen ons in
+gezelschap van berooide minnaars die hunne versmade liefde<a name="481"></a>
+zoeken te vergeten en als een voorspel vormen van de latere
+liederen der &#8222;gildekens"<a title="[margin: doorbrengers.]"><sup>#</sup></a><a href="#15.38">[38]</a>.
+
+<h4>HISTORISCHE LIEDEREN.</h4>
+
+<p>Gebeurtenissen of toestanden en verhoudingen die in ruimen
+kring indruk maakten, ontroering verwekten onder een aanzienlijk
+deel van het Dietsch-sprekende volk, waren, zooals wij
+zagen, ook in een vorige eeuw waarschijnlijk wel tot uiting
+gekomen in het lied. Voorbeelden van zulke uitingen zijn echter
+niet tot ons gekomen. Gelukkiger zijn wij wat de 14<sup>de</sup> eeuw
+betreft. De wassende beteekenis en invloed der burgerijen schijnt
+zich te openbaren ook in het feit, dat ten minste eenige historische
+liederen uit dezen tijd tot ons zijn gekomen.
+
+<p>Indien wij ons herinneren welk een diepen indruk de moord
+op graaf FLORIS DEN VIJFDE in Holland maakte, dan verwondert
+het ons niet dat deze gebeurtenis tot een lied is verwerkt, noch
+dat dit lied eeuwen lang in den volksmond is blijven leven.
+Hoogst opmerkelijk is de wijze waarop de uit de geschiedenis
+bekende feiten hier door een ons onbekenden volksdichter verwerkt
+zijn. Spreekt de historie van een strijd tusschen den op
+zijne voorrechten naijverigen adel en den graaf dien zij smadelijk
+&#8222;der keerlen god" noemden, het lied vindt den sleutel tot de
+verklaring der gebeurtenissen in persoonlijke motieven.
+
+<p>Graaf FLORIS, z wordt ons hier verteld, is zijne bijzit
+moede en wil haar als echtgenoote aan GERARD VAN VELZEN
+opdringen. Deze weigert; &#8222;uw versleten schoenen en wil ic niet",
+zegt hij in hoonende beeldspraak. FLORIS zint op wraak; het
+huwelijk van VELZEN met MACHTELD VAN WOERDEN biedt
+hem daartoe gelegenheid. Hij ontbiedt GERARD aan zijn hof;
+terwijl deze onderweg is, gaat FLORIS tot de jonge vrouwe van
+VELZEN en onteert haar. Die schennis wreekt GERARD op den<a name="482"></a>
+schender. Verhaalt de historie ons dat de moordenaars van den
+graaf ontsnappen&mdash;de volksdichter laat GERAERT VAN VELSEN
+gevangen nemen; drie dagen lang wordt hij om en om gerold
+in een vat waarin spijkers geslagen zijn. Die marteling vermag
+hem te breken noch te buigen. Op de vraag &#8222;hoe hem nu te
+moede is?" antwoordt hij:
+
+<p class="quote">Ic ben noch al de selve man,
+Die graef Floris sijn jonc leven nam.
+</p>
+
+<p>Wij mogen wel als zeker aannemen, dat deze voorstelling
+van zaken niet door den volksdichter is verzonnen, doch dat
+hij haar ontleend heeft aan een Nederduitsche sage.
+
+<p>Van den Gotenkoning ERMANARIK en een zijner voorname
+heeren wordt ons bijna volkomen dezelfde geschiedenis verhaald;
+ook in Deensche liederen treden koning ERIK GLIPPING en zijn
+maarschalk, ridder STIG, in dezelfde verhouding op.
+
+<p>Met dat al blijft het opmerkelijk, dat een volksdichter te onzent
+eene dergelijke voorstelling van den moord op graaf FLORIS
+heeft gegeven, waarin &#8222;der keerlen god" nu juist niet de mooiste
+rol heeft; zelfs kan men zeggen dat de sympathie des volksdichters
+eerder aan de zijde van den onbuigzamen edelman is,
+den wreker der bevlekte huwelijkseer en aan die der schoone
+jonge vrouw die den smaad zoo diep gevoelt. Heeft graaf
+FLORIS door een liefdesbetrekking tot eene jonkvrouw of edelvrouw
+inderdaad eenige aanleiding gegeven tot het in verbinding
+brengen zijner geschiedenis met de Nederduitsche sage?
+Immers, ook LODEWIJC VAN VELTHEM die zich overigens in
+dezen welingelicht toont, schrijft over de redenen tot den moord:
+
+<p class="quote">Ander secgen: dat om een Vrouwe quam,
+Dat men hem sijn leven nam,<a name="483"></a>
+Daer hi met soude hebben te doene,
+Die wyf was een van sinen baroene,
+Ende datten diegene daerom lagen
+Leiden vander stont alle dagen<a href="#15.39">[39]</a>.
+</p>
+
+<p>Vr 1316 was derhalve dit gerucht aangaande de schennis
+eener adellijke dame, niet juist MACHTELD VAN VELZEN, als
+reden tot den moord reeds verbreid. Heeft VELTHEM dit gerucht
+leeren kennen uit het Dietsche lied of langs anderen weg?
+Tot het geven van een afdoend antwoord op die vragen zijn
+wij niet in staat. Doch hetzij den volksdichter de ware toedracht
+der zaak bekend is geweest of niet, in beide gevallen is het
+begrijpelijk dat gekrenkte huwelijkseer voor hem een aantrekkelijker
+motief was dan gekrenkte adeltrots; dat algemeen menschelijk
+gevoel hem sterker aandeed dan het belang van een
+bijzonderen stand, waartoe hij blijkbaar niet behoorde. Die
+aandoening zou zich ongetwijfeld duidelijker openbaren, indien
+wij het oude lied in zijn oorspronkelijken vorm bezaten; het
+moet heel wat geleden hebben in het drietal eeuwen, waarin
+het van mond tot mond ging, vrdat wij het in 1591 achter
+de <i>Rijm-Kroniek van Melis Stoke</i> aantreffen. Doch ook in
+dezen verminkten vorm treffen ons nog de levendigheid van
+het verhaal in zijn vluggen gang, de teekenachtige beeldspraak
+van VELZEN tot zijn heer, de aanschouwelijkheid der voorstelling,
+de dramatische kracht; ook de vinding om den moordenaar,
+volgens een uit de sprookjes bekend motief, in een met
+spijkers doorboorde ton te rollen<a href="#15.40">[40]</a>.
+
+<p>Een landsheer in strijd met een zijner voorname edelen vinden
+wij ook in een ander lied van dezen tijd. Dat ook dit lied
+ons gebrekkig is overgeleverd, blijkt reeds uit den titel: <i>Van
+cort Rozijn</i>; immers de naam van den edelman die hier de
+hoofdrol speelt, ZEGER VAN KORTRIJK, &#8222;Segher de <i>Curtroysijn</i>"<a name="484"></a>
+(d.i. van Courtroy), is hier verbasterd door een Vlaming,
+die blijkbaar geen Fransch kende.
+
+<p>Wij zijn in Vlaanderen tijdens den oorlog tusschen Frankrijk
+en Engeland. De graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN
+NEVERS, heeft de partij van Frankrijk gekozen; een deel
+van zijn volk, en daaronder twee invloedrijke Gentenaars,
+houden de zijde van Engeland. Die twee zijn JACOB VAN
+ARTEVELDE en ZEGHER VAN KORTRIJK. Vertoornd over hunne
+tegenkanting laat de Graaf ZEGHER gevangen nemen en onthoofden
+(1337).
+
+<p>Opmerkelijk is ook hier de wijze, waarop deze historische
+kern door de volkspozie is verwerkt.
+
+<p>In het lied biedt de Graaf zijn &#8222;lieven neve" den Cortrosijn
+het ruwaardschap over Vlaanderen aan; doch deze, weinig
+minder hooghartig dan VELZEN tegenover den Graaf van Holland,
+weigert in smadelijke bewoordingen: &#8222;ick leve so noode
+bi quaden ase"<a title="[margin: voedsel.]"><sup>#</sup></a>. Die &#8222;spitighe woorden" zullen u berouwen,
+herneemt de ander; met uw hoofd zult gij ervoor boeten.
+Onvervaard door dat vooruitzicht beweert de Cortrosijn, dat
+hij nog een nacht bij des Graven dochter zal slapen. Toornig
+wendt Vlaanderens heer zich van hem af, en niet lang daarna
+wordt de weerspannige gevangen genomen. Genade bidt hij te
+vergeefs; voor het huis te Rupelmonde valt zijn hoofd onder
+de bijl. Maar op Sint-Laurensdag komt de koning van Engeland
+zijn aanhanger wreken; toen de dag ten avond kwam, lag
+Brugge in het roode bloed.
+
+<p>Evenals in het lied <i>van Gerard van Velzen</i> is ook hier het
+bijzondere: de strijd der partijen, tenauwernood zichtbaar; het
+algemeen menschelijke: gekrenkt eergevoel en liefde, staat op
+den voorgrond<a href="#15.41">[41]</a>.
+
+<p>Heeft de volksdichter zijne voorstelling geheel verzonnen?
+Wie zal dat uitmaken? Dat de historische stukken van dezen<a name="485"></a>
+tijd niets van zoodanige verhouding weten, is wel van gewicht,
+maar levert geen afdoend bewijs. Doch ook al hebben
+wij hier louter verdichting, dan blijkt daaruit nog eens te
+meer het eigenaardig wezen der volkspozie, die het algemeen
+menschelijke gaarne op den voorgrond brengt, ook
+daar, waar het niet door de gebeurtenissen ten tooneele wordt
+gebracht.
+
+<p>Het lied <i>van den Cortrosijn</i> herinnerde ons den grooten
+patriot JACOB VAN ARTEVELDE. Indien de historische overlevering
+te werk ging volgens onze verwachtingen, wat zouden wij
+dan eer verwacht hebben, dan dat niet n, maar verscheidene
+liederen de heugenis aan ARTEVELDE'S krachtige persoonlijkheid
+en zijn tragischen dood zouden hebben bewaard? Toch bezitten
+wij niets over hem, dan een onbeteekenend fragment
+van een naar allen schijn onbeteekenend lied, dat bovendien
+nog van twijfelachtige herkomst is. Maar zijne partij, de nationale
+partij der &#8222;Clauwaerts", die de klauwen van den Vlaamschen
+leeuw op hunne mouwen geborduurd droegen, bleef
+leven in een kort spotliedje, uitgegaan van de Franschgezinde
+&#8222;Leliaerts", op wier mouwen de &#8222;fleur de lis" prijkte:
+
+<p class="quote">Clauwaert, Clauwaert,
+Hoet u wel van den Lelyaert
+ enz.<a href="#15.42">[42]</a>.
+</p>
+
+<p>Dat liedje was niet de eenige uiting van de minachting en
+den haat der voorname &#8222;Leliaerts" jegens de nationale partij.
+In een vierregelig gedichtje wordt gewezen op den overmoed
+van de rijk wordende &#8222;kerels". Uitvoeriger worden de &#8222;kerels"
+ons geteekend in een veel grooter gedicht van dezen tijd, dat
+van niet geringe technische vaardigheid getuigt en waarschijnlijk
+is vervaardigd door een edelman of aanhanger van den adel<a name="486"></a>
+die door de &#8222;kerels" was gevangen genomen en in den &#8222;stoc"<a title="[margin: gevangenisblok.]"><sup>#</sup></a>
+gezet. Met onverholen minachting, met verdienstelijke plastiek
+en scherpen spot is de &#8222;kerel" hier afgebeeld in zijne ruwheid
+en grofheid: hij vreet look met koolstronken, met zijne handen
+klopt hij eieren door zijn heete melkpap en slaat ze naar binnen
+tot hij er scharlaken van ziet; achter het vleesch en spek zit hij
+heen, dat hem het vet langs de vingers druipt. Hoort hem
+kallen tegen zijn soort: mijn landheer vroeg mij onlangs ten
+eten, ik schrokte en vrat mij boordevol!&mdash;&#8222;Hei", roept een
+andere kornuit, &#8222;hoort nou ereis een vreemde klucht: ik heb
+mijn bles-merrie verruild, nu zal zij voor de schuit van Pieter
+Gerrits loopen! Heb ik hem zijn neus niet gesnoten?&mdash;Hadden
+de &#8222;kerels" de macht in handen, het zou spoedig klinken:
+slaat de heeren dood! De &#8222;kerels" van Gent kunnen het
+getuigen. Boven op een paard speelt hij ook wel voor ridder;
+de dorschvlegel is zijn speer, de wan zijn schild; &#8222;ja, zeker!"
+zeggen dan de overige rekels, &#8222;Roelof weet van steekspel
+houden!"
+
+<p>Denzelfden vijandigen geest, dezelfde minachting ademt een
+lied &#8222;van de kerels" waarvan wij, sprekend over de minneliederen,
+reeds gewag maakten. In kleiner bestek doch met
+niet minder talent en met vaster hand is hier een beeld van
+den &#8222;kerel" omgetrokken, dat bovendien niet z door den
+tijd geleden heeft als het voorgaande. Hier zien wij hem: &#8222;vijand
+van de ruiters, langgebaard, in gescheurde kleeren, met gelapte
+kousen en schoenen, de kaproen scheef op het hoofd, altijd
+vol wrongel en wei, brood en kaas. Met een homp roggebrood
+in de hand gaat hij naar de ploeg; dan komt zijn vuil wijf
+er bij, de flarden hangen haar bij de muilen neer. Gaat hij
+ter kermis, dan beeldt hij zich in dat hij een graaf is; alles
+wil hij neerslaan met zijn knuppel" ... in dien trant gaat
+het lied voort, om te eindigen met het grimmig dreigende:<a name="487"></a>
+
+<p class="quote">Wi willen de kerels doen greinsen,
+Al dravende over 't velt,
+Hets al quaet dat zi peinsen;
+Ic weet ze wel bestelt<a title="[margin: ik weet goed raad voor hen.]"><sup>#</sup></a>:
+Men sal ze slepen<a title="[margin: nl. op eene horde (naar de galg).]"><sup>#</sup></a> ende hanghen,
+Haer baert es al te lanc;
+Sine connens niet ontganghen,
+Sine dochten<a title="[margin: zouden niet deugen.]"><sup>#</sup></a> niet sonder bedwanc.
+Wrongle ende wey, broot ende caes,
+Dat heit<a title="[margin: eet.]"><sup>#</sup></a> hi al den dach;
+Daer omme es de kerel so daes<a title="[margin: dwaas.]"><sup>#</sup></a>,
+Hi etes meer dan hi mach.
+</p>
+
+<p>Ook al voegt men bij deze weinige historische liederen eenige
+politieke gedichten van dezen tijd, zooals de <i>Jammerliche Clage</i>
+over den dood van graaf WILLEM IV in Friesland, een onbeteekenend
+gedicht op JAN III, hertog van Brabant, een stuk
+van WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH over het ontstaan der
+Hoeksche en Kabeljauwsche twisten en een paar andere&mdash;welk
+een onvolledigen en zwakken indruk krijgen wij dan nog
+van die gewichtige 14<sup>de</sup> eeuw!
+
+<p>Doch men mag hier niet vergeten dat, vooral in de middeleeuwen,
+de pozie zich slechts ten deele openbaart door de
+kunst van het woord; dat zij voor een aanzienlijk deel latent
+bleef in het leven. Hoeveel pozie schuilt er in de werkelijkheid
+dier dagen, ook al richt men het oog in het bijzonder op de
+geschiedenis van land en volk. Een goed voorbeeld daarvan
+levert ons de Latijnsche kroniek, door WILLEM, kapelaan te
+Brederode, opgesteld in het eerste vierdedeel der 14<sup>de</sup> eeuw.
+De auteur verhaalt ons daar, hoe WILLEM I, graaf van Holland,
+op een reis naar Duitschland door Gelderland trekt. Uit
+vrees voor hinderlagen van zijn vijand OTTO, graaf van Gelre,<a name="488"></a>
+heeft hij zich in geringe kleeren gestoken; met slechts een
+enkelen dienaar wandelt hij blootsvoets door Gelderland. Zijn
+weg leidt hem langs het kasteel van zijn vijand. De gravin
+staat voor het raam en ziet hem; aan zijne beenen en overige
+ledematen herkent zij den man van edel bloed en begrijpt dat het
+graaf WILLEM moet zijn. Een bode noodt hem binnen te komen.
+WILLEM aarzelt maar geeft aan de noodiging gehoor. De gravin
+laat hem in een kamer brengen en betere kleeren uit haar mans
+garderobe geven; zij begroet hem als graaf van Holland en
+laat niet af, al loochent hij het; op slimme wijs weet zij hem
+tot erkenning der waarheid te brengen. Bij het vallen van den
+avond komt graaf OTTO thuis. Zijn gemalin gaat hem tegemoet;
+hand in hand komen zij de zaal binnen. De verstandige vrouw
+vraagt of hij haar een belofte wil doen; de graaf stemt toe en
+doet er een eed op dat hij zijne belofte zal houden. Daarop
+zegt zij: huw dan onze dochter ALEID uit aan WILLEM, graaf
+van Holland.&mdash;&#8222;Droomt gij?" zegt de graaf; &#8222;maar mijn eed
+zal ik houden." Nu gaat de gravin de kamer binnen waar
+WILLEM zich bevindt, begroet hem als schoonzoon en brengt
+hem voor haar gemaal. Allen zijn verwonderd; doch sommigen
+zeggen: geen wijsheid, geen raad kan bestaan tegenover God.
+Lag hier niet de stof voor eene romance te wachten op
+de beeldende hand van een dichter? Die barrevoeter-graaf
+in slechte kleeren vermomd door Gelderland trekkend, die
+gravin voor het venster&mdash;typische houding eener middeleeuwsche
+edelvrouw&mdash;die bode, dat verwisselen van kleeding,
+die belofte van den graaf en die ontknooping&mdash;het
+is alles ongeboren pozie. Had deze kapelaan Dietsch durven
+schrijven, wie weet? Doch zijn eerbied voor HORATIUS,
+OVIDIUS en SENECA verbood hem dat en deed hem in zijn
+Latijn vertellen wat een mooi lied in de volkstaal had kunnen
+worden<a href="#15.43">[43]</a>.<a name="489"></a>
+
+<h3><i>c</i>. GEESTELIJKE, STICHTELIJKE EN DIDACTISCHE LYRIEK.</h3>
+
+<p class="quote">Al waren alle gherse<a title="[margin: grasjes.]"><sup>#</sup></a> tonghen,
+Die te meye oit ontspronghen,
+Ende si alle van u songhen,
+Si en gaven u niet te vollen prijs.
+</p>
+
+<p>Deze verzen uit een gedicht <i>van onser Vrouwen</i> wijzen aan,
+waar het zwaartepunt ligt in de geestelijke lyriek van dien tijd:
+MARIA neemt de voornaamste plaats in. Het is haar &#8222;opvaert",
+hare &#8222;vijf pinen", hare &#8222;claghe"; wij vinden &#8222;bedinghen" tot
+haar, een &#8222;lof van Maria", &#8222;Ave Maria," &#8222;Salve Regina" en hoe
+die stukken verder heeten mogen. Vele daarvan toonen meer
+vroomheid dan eigenaardig karakter of talent van den dichter.
+Sommige andere verdienen op den voorgrond gebracht te worden.
+
+<p>Zoo vinden wij drie meesters: ALBRECHT VAN KEULEN,
+HEYNRIC FROMATOR en JACOB VAN MERLANT, &#8222;een edel clerc
+ende wide becant" in een soort van wedstrijd bezig met den
+lof der Moedermaagd te zingen; MAERLANT'S lofspraak wordt
+de schoonste geoordeeld. Een enkelen keer treffen ons onder
+de gebeden tot MARIA fraaie stukken; zoo b.v. dit couplet:
+
+<p class="quote">O maghet, o moeder, o godlijc wijf,
+O zoete, o reyne, o leytsverdrijf,
+O lieve, o werde, o zalighe vrouwe,
+O advocate der zonden kijf<a title="[margin: op wie de zonden kwaadaardig zijn.]"><sup>#</sup></a>,
+O onser, ellendigher, biblijf<a title="[margin: toeverlaat.]"><sup>#</sup></a>;
+O roze, vul van 's hemels dauwe,
+O troost in node, o heils beclijf,
+O wech der dolender, even stijf<a title="[margin: zeer betrouwbaar.]"><sup>#</sup></a>,
+O bloeyende minne, o vloeyende trouwe,
+O moederlic herte, o maechdelic lijf,
+O licht voor thelsche ongherijf,
+Com, los mijn herte uut allen rauwe<a href="#15.44">[44]</a>.<a name="490"></a>
+</p>
+
+<p>Opmerkelijk is een stuk getiteld <i>Onser Vrouwen Claghe</i> om
+den geest der vroegere volkspozie, dien het ademt. Zoo vinden
+wij hier meer dan eens dat spreken der personen zonder
+aankondiging:
+
+<p class="quote">Tote Adame dat hi quam:
+&#8222;Adam, du ne wet min no mee
+...
+</p>
+
+<p>Ook de epische herhaling van vraag en antwoord en de
+deelneming van den dichter, die zich lucht moet geven midden
+in zijn verhaal met een: &#8222;Ay, hoe node dat hi (Adam)
+'t dede!"<a href="#15.45">[45]</a>.
+
+<p>Naast deze gedichten op MARIA vinden wij andere <i>Op het
+lyden Christi</i>, <i>ons liefs Heren passie</i>, <i>de seven ghetide van
+onsen here</i>. Hindert ons hier soms dezelfde platheid, die wij
+vroeger in de ridderpozie aantroffen, waar een dichter zich
+niet ontziet te schrijven
+
+<p class="quote">Dat Jhezus naect hinc als een rent<a title="[margin: rund.]"><sup>#</sup></a>
+An den cruce moedernaect<a href="#15.46">[46]</a>.
+</p>
+
+<p>Anderzijds treffen wij hier een fraai staaltje van geestelijke
+volkspozie aan in een stuk, dat den naam draagt <i>Van Jhesus
+Mynnen, een scoen ryme</i>. Men oordeele zelf:
+
+<p class="quote">O edele ziele mijn, en was die trouwe niet groot,
+Dat Jhesus Christus, Marien Sone, om u vercoes di doot?
+
+O edele ziele mijn, nu sijt hem onderdaen,
+Want hi wilt noch anders met u spelen gaen.
+
+O edele ziele mijn, staet op, maect u ghereet,
+Doet uwen mantel ane, der hogher minnen cleet.<a name="491"></a>
+O edele ziele mijn, doet ane u scone juweel,
+U brugom wilt gaen meyen met u in sijn prieel.
+
+O edele ziele mijn, hets daer zuete meyen gaen:
+Den wijn der melodin wort u daer opgedaen<a href="#15.47">[47]</a>.
+ enz.
+</p>
+
+<p>Voorts vinden wij nog lofdichten op S. JAN BAPTIST, eene
+paraphrase van het <i>Miserere</i>, van het <i>Pater Noster</i>. Het oude
+geloof, dat voor het Christendom had moeten wijken, openbaart
+zich in een tooverformulier, dat wel gekerstend is, doch
+waar het oude geloof nog uit opduikt als een duiveltje uit een
+verlucht getijdenboek. Want dit is wel het oud-nationaal geloof:
+
+<p class="quote">...
+... dat my gheen dinghen en moghen vellen
+Noch gheen tonghe en moge quellen,
+Noch yser noch stael my sniden noch slaen.
+</p>
+
+<p>Maar onmiddellijk daaraan vooraf gaat een bede tot &#8222;den heyligen
+kerst" en op den laatsten hier medegedeelden regel volgt:
+
+<p class="quote">Dat seder ghesmeedt waert
+Dat Christus gheboren waert.
+</p>
+
+<p>Opmerkelijk is ook, hoe de onharmonische vermenging van
+oud-nationaal en Christelijk geloof zich hier openbaart in het
+gemis aan samenhang en harmonie van het gansche stuk<a href="#15.48">[48]</a>.
+
+<p>Vonden wij hier den mensch vooral tegenover MARIA en
+JEZUS, een enkelen keer tegenover God, in andere gedichten
+staat niet het godsdienstige, maar het zedelijke op den voorgrond.
+Die gedichten zijn veel en veel talrijker dan de weinige
+eigenlijk gezegde geestelijke gedichten. Meer en meer zien wij<a name="492"></a>
+ook in de pozie, dat de burgerij zelf de ontwikkeling van
+haar zedelijk leven ter hand neemt, al blijft zij de priesters
+nog erkennen als middelaars tusschen haar en God.
+
+<p>De burgerlijke dichters, die zich hier als woordvoerders der
+gemeente tot de gemeente richten, kiezen daartoe gaarne den
+weg van het verstandelijk betoog, de redeneering, de uiteenzetting,
+de waarschuwing.
+
+<p>Het verwondert ons niet, bij deze neiging tot didactiek ook
+hier een paar maal het vaderlijk &#8222;lieve kindre" aan te treffen,
+dat wij vroeger in de leerdichten aanwezen, noch dat het <i>debat</i>
+en daarmede verwante vormen hier vaak voorkomen. Juist die
+dichtvorm immers gaf gelegenheid, eene zaak door onderscheidene
+sprekers van verschillenden kant te doen beschouwen,
+vragen te stellen tot de hoorders om hen langs dien weg te
+brengen tot het vinden van de waarheid of ten minste van
+eene overtuiging. Vandaar dat men aan het slot van sommige
+dezer stukken uitdrukkingen leest als: &#8222;Nu mach elc vroet
+man merken" of &#8222;Nu gheraet hier naer"<a href="#15.49">[49]</a>.
+
+<p>Met het verstandelijk karakter dezer pozie strookt ook wel
+de lust tot allegorie, die hier zich zoo krachtig openbaart. De
+roman <i>van de Roos</i> moge invloed geoefend hebben op de
+ontwikkeling der allegorie ook te onzent, eene dergelijke neiging
+van den menschelijken geest kan toch niet alleen uit een boek worden
+afgeleid. Allerlei menschelijke eigenschappen en hoedanigheden,
+gevoelens, neigingen, toestanden, worden door de
+dichters belichaamd, treden voor ons op om, redeneerend en
+disputeerend, te leeren, te vermanen of te stichten. Het zijn
+Vrouw Ere, Vrouw Minne, Trouw, Milde; meester Baraet<a title="[margin: bedrog.]"><sup>#</sup></a>
+van Lozane en zijn vennoot Visevase; de edele vrouwe Gerechtigheid,
+op jacht met hare honden Hope en Troost, komt den
+jager Onrecht tegen met zijne honden Wankelmoed, Loosheid
+en Logenaar. In een gedicht van Heer ERENTRYCK treden o.a.<a name="493"></a>
+Heer Hoeffscaert en Heer Mildriaen op<a href="#15.50">[50]</a>. Ootmoedigheid
+disputeert tegen Wereldsche Eer, Rijkdom tegen Armoede,
+Solaes tegen Penitentie.
+
+<p>Een der oudste stukken van dezen aard, dat nog uit het
+laatst der 13<sup>de</sup> eeuw dagteekent, is &#8222;een abel dinc ende een
+edel leere: <i>van der Zielen ende van den Lichame</i>. Het is eene
+bewerking van den Bijbeltekst: <i>de geest strijdt tegen het vleesch
+en het vleesch strijdt tegen den geest</i>, die in zijne aangrijpende
+kernachtigheid het zedelijk leven der meeste menschen samenvat<a href="#15.51">[51]</a>.
+Verwant met dit stuk zijn andere als &#8222;een edel exempel",
+waarin een gestorven mensch, in zijn graf liggend, waarschuwend
+en vermanend, spreekt tot hen, die over zijn graf gaan:
+ik was jong, schoon, bloeiend&mdash;nu ben ik zwart, verrot, de
+wormen eten mij; wat ik ben, zult gij worden; let dan op het
+eeuwige, geef aalmoezen enz. Ook &#8222;een figure" van een zondaar,
+die in de hel zijne zonden beweent en zijne medemenschen
+waarschuwt, en een drietal tweespraken tusschen een
+levenden en een dooden koning<a href="#15.52">[52]</a>.
+
+<p>Verder vinden wij een A.B.C. gedicht ter gelegenheid van
+het nieuwe jaar, vol allerlei zedelijke opwekking; een uitleg
+van het woord <i>liden</i> volgens de onderscheidene letters, die
+elk weer een afzonderlijke beteekenis hebben; eenige droomen
+en visioenen. De allegorie ontbreekt ook hier niet; zoo wordt
+ons b.v. verhaald van het paard dat &#8222;de menschelijke nature"
+voorstelt; dat paard wordt geregeerd met den breidel van &#8222;redelic
+verstaen"; in dien trant is de allegorie verder uitgewerkt<a href="#15.53">[53]</a>.
+
+<p>Wat al deze stukken gemeen hebben, is eene stichtelijke of
+zedelijke strekking; doch de dichters bedienen zich tot den
+opbouw van het zedelijk gemoedsleven hunner tijdgenooten
+van allerlei materiaal. De tweespraak is geliefd; behalve de
+bovengenoemde, vinden wij er een tusschen den Zomer en
+den Winter over elks meerdere voortreffelijkheid; een andere<a name="494"></a>
+over de vraag, wat beter en machtiger is: geluk of geld?
+weer een ander maakt er eene &#8222;questie" van: of iemand zijn
+lam zal hoeden tegen een wolf dan wel zijne vrouw tegen een
+belager. Andere stukken geven rechtstreeksche opwekkingen tot
+zelfkennis, het bewaren zijner eer, bescheidenheid jegens zijne
+meerderen; zij waarschuwen tegen &#8222;baraet en reinaerdie",
+hoovaardij, afgunst, boosheid. Zij houden ons het beeld voor
+&#8222;van den IX besten", de beste vorsten die geleefd hebben:
+HECTOR, ALEXANDER, CESAR, ARTUR en anderen; zij vertellen
+ons van &#8222;een geestelijken boomgaard"; van den hemel,
+voorgesteld als een schoone zaal met vele woningen, waarin
+God de waard is; van een ridder die zijn zoon de eigenlijke
+beteekenis van het woord <i>wapen</i> leert; van de raadslieden
+die een vorst tot zich moet roepen; van twaalf soorten van
+dienaren.
+
+<p>Het is begrijpelijk dat dichters die er op uit waren hunnen
+hoorders of lezers praktische levenswijsheid mede te deelen,
+zich gaarne bedienden van spreuken of spreukachtige verzen.
+Hunne gedichten zijn dan ook vol spreukenwijsheid, die men
+vindt samengevat in een refrein, in een slotregel of aan het
+begin van een stuk als tekst; verzen als:
+
+<p class="quote">Gherne soud se visschen, die catte,
+Maer node steec se den poot in 't natte.
+
+Die wel doet, darf gheenen wisch ute steken<a title="[margin: goede wijn
+behoeft geen
+krans.]"><sup>#</sup></a>.
+
+Vele onderwinden en was noit goet.
+
+Swigen brinct vele rusten in.
+</p>
+
+<p>Doch daarmede niet tevreden, brengt men spreuken in bundels
+samen en alzoo onder de menigte. Sommige daarvan zijn
+in onbruik geraakt; ik heb het oog op een aardige spreuk als:<a name="495"></a>
+
+<p class="quote">Boven macht piint men dicke om haven<a title="[margin: geeft men zich moeite om rijkdom.]"><sup>#</sup></a>,
+Want noot doet oude quenen<a title="[margin: vrouwen.]"><sup>#</sup></a> draven.
+</p>
+
+<p>Andere herkennen wij ook in dezen vroegeren vorm:
+
+<p class="quote">Hi en dunct mi niet te sere riesen<a title="[margin: dwaas zijn.]"><sup>#</sup></a>,
+Die van tween quaden dminste can kiesen.
+</p>
+
+<p>Of:
+
+<p class="quote">Met dommen dom, met wisen wijs,
+Want het es nu der werelt prijs.
+</p>
+
+<p>Verscheidene dier spreuken worden ook in een Hoogduitschen
+vorm teruggevonden, o.a. in den bundel die bekend staat
+onder den naam <i>Fridankes Bescheidenheit</i>.
+
+<p>Gaarne ook liet men menschenwijsheid vertolken door vogels.
+Soms houden deze &#8222;voghel sproexkene" verband met het
+karakter dat men een of anderen vogel toekende. De raaf, een
+onheilsvogel, zegt b.v.:
+
+<p class="quote">Here, dune machs niet genesen<a title="[margin: behouden blijven.]"><sup>#</sup></a>
+Du en wilt<a title="[margin: tenzij gij wilt.]"><sup>#</sup></a> scalc und ontrou wesen.
+</p>
+
+<p>De koekoek, een &#8222;beroemech" vogel volgens onze voorouders,
+omdat hij altijd van zich zelven spreekt, zegt:
+
+<p class="quote">Oetmoedecheit salmen miden,
+Want hoverde geet voren tallen tiden.
+</p>
+
+<p>Doch vaker is dit verband tusschen vogelkarakter en spreukwijsheid
+niet aanwezig en kan men het ontstaan dezer vogelspreuken
+slechts verklaren uit hetzelfde samenleven met de
+natuur, dat ook vroeger het lied of den roep van zoo menigen
+vogel vertolkte met menschenwoorden die er eenigszins op
+leken<a href="#15.54">[54]</a>.
+
+<p>Al dat opvoeden door middel van de pozie ging langzamerhand<a name="496"></a>
+vrucht dragen: het zedelijk onderscheidingsvermogen gaat zich
+ontwikkelen; men begint scherper oog te krijgen voor eigen
+feilen en gebreken, en vooral&mdash;het waren ook toen immers
+maar menschen?&mdash;voor die van anderen. De critiek begint
+zich te doen gelden en invloed te oefenen, voorshands vooral
+op het zedelijk leven. De mannen die zoo gereed waren bij
+elk geschil naar zwaard of mes te grijpen, beginnen in te zien
+dat geen zwaard zoo scherp is als de menschelijke tong:
+
+<p class="quote">Ten snijt gheen zwert so grievelijc zeere
+Als tonghe, die rovet des menschen eere.
+</p>
+
+<p>Menigeen moet zich onbehagelijk gevoeld hebben onder het
+besef dezer toenemende critiek. Als tolk van dezulken treedt
+zekere EGIDIUS op met een naeve klacht over het eeuwige
+&#8222;begrijpen"<a title="[margin: aanmerkingen maken.]"><sup>#</sup></a> der menschen, waaraan men niet ontkomen kan:
+ga ik dikwijls naar de kerk&mdash;ik ben een schijnheilige; laat ik
+het&mdash;ik ben erger dan een hond; draag ik een wapen&mdash;ik
+ben een vechtersbaas; laat ik het thuis&mdash;ik heet een lafaard;
+praat ik veel&mdash;zijn mond gaat als een Lazarusklep; zeg ik
+weinig&mdash;hij speelt stommetje; loop ik veel in de taveerne&mdash;de
+hel is zijn voorland, hij zal er nog alles doorbrengen; kom
+ik er weinig&mdash;'t is een saaie Piet! &#8222;Jeghen quade tonghen
+helpt geen weeren"; EGIDIUS ziet er niets anders op dan de
+tien geboden houden en de heilige kerk volgen; z alleen kan
+men rust vinden in &#8222;dit ellendighe erdsche dal."
+
+<p>Anderen zijn niet zoo zachtmoedig tegenover de &#8222;begripers"
+gestemd. Dat voorbeeld willen zij niet volgen, zij willen liever
+op zich zelven letten:
+
+<p class="quote">Mijns selfs ghebrec cleeft an mi vast.
+Dat anderen weecht, es mi gheen last.
+Ic hebbe te draghene ghenouch an tmijn,
+Twi<a title="[margin: waartoe.]"><sup>#</sup></a> soudic yemens begripere zijn?<a name="497"></a>
+</p>
+
+<p>En tot den &#8222;begriper" zeggen zij:
+
+<p class="quote">So wie dat spreken wille up mi,
+Bezye hem selven, wie hi zi.
+Es hi goet ende al de zine,
+So eist mi te mindre pine<a href="#15.55">[55]</a>.
+</p>
+
+<p>Doch wie zich ook aan de critiek ergeren mocht, zij zweeg
+daarom niet. Het zaad, door MAERLANT uitgestrooid, dat wij
+reeds zagen opkomen in de leerdichten, droeg ook hier vrucht
+bij genoemden en ongenoemden. Ongenoemde dichters hekelden
+in hunne verzen het bandeloos leven in sommige kloosters en
+het kroegloopen; een ander geeft ons een aardig zedentafreeltje
+van vrouwen en meisjes die vr het avondeten buitenshuis
+op de straat komen zitten en het zoo vermoeiend vinden op
+te staan en te nijgen wanneer een kennis voorbijkomt en den
+kaproen licht; weer een ander zingt ironisch den lof van de
+&#8222;plaesteraers"<a title="[margin: vleiers.]"><sup>#</sup></a> en besluit telkens een couplet met het refrein:
+&#8222;ic moet emmer<a title="[margin: volstrekt.]"><sup>#</sup></a> plaestren leeren"<a href="#15.56">[56]</a>.
+
+<p>Onder de ons bij name bekenden vinden wij een paar
+&#8222;sprekers", die wij spoedig als dichters van beroep nader zullen
+leeren kennen: BOUDEWIJN VAN DER LOREN, waarschijnlijk een
+Gentenaar en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT. Hunne niet talrijke
+werken geven ons eenigszins een beeld van de in dit hoofdstuk
+behandelde pozie.
+
+<p>BOUDEWIJN'S <i>Maghet van Ghend</i> (omstreeks 1381) geeft een
+kijkje in de vijandige verhouding tusschen die stad en den
+graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS. AUGUSTIJNKEN'S
+gedicht &#8222;van (den) Sceepkene" is eene allegorische voorstelling
+van den droevigen toestand waarin de Hoeksche en Kabeljauwsche
+twisten deze landen gebracht hadden. Allegorie vindt
+men ook in zijn <i>Borch van Vroudenrijc</i>, eene voorstelling van
+het lichaam en de vijf zinnen Hekelt BOUDEWIJN personen en<a name="498"></a>
+toestanden zijner dagen op scherpe wijze in de &#8222;edele sproke":
+<i>Dits Tijt's verlies</i>, AUGUSTIJNKEN schroomt niet, zich zelfs tot
+de pausen te richten:
+
+<p>Petrus leyde oetmoedich leven,
+Daden die pausen diere gelike,
+Dat soude schinen in Kerstenrike.
+
+<p>Ook het stichtelijk element der hiervoor behandelde pozie
+vinden wij terug in zijn gedichten over <i>de Schepping, Sinte
+Jans Ewangelium, van der Rycheit ende van der Doot</i><a href="#15.57">[57]</a>.
+
+<p>Beide &#8222;sprekers", doch vooral AUGUSTIJNKEN, bezaten wel
+eenig talent. In BOUDEWIJN'S <i>Tijt's verlies</i>, in het laatstgenoemde
+stukje van AUGUSTIJNKEN, tevens zijn laatste werk, zijn hier
+en daar wel aardige verzen. Ook is er iets aantrekkelijks in
+zijn &#8222;<i>Sceepken</i>": dat bootje, drijvend in de Merwede, waar de
+dichter &#8222;in 't risen van der sonnen" instapt, waarin hij zich
+laat drijven op goed geluk, totdat hij eindelijk de riemen ter
+hand neemt&mdash;geeft ons eene aardige verzinnelijking der verbeelding
+die &#8222;vaart spelen daar draaiboom sluit noch hek."
+
+<p>Beter dan hun werk echter is dat van hun kunstbroeder
+WILLEM VAN HILLEGAERSBERGH geschikt om ons de verhalende
+en lyrische pozie, in een kort bestek samengevat, op
+nieuw te doen zien. Vrdat wij daartoe overgaan hebben
+wij echter nog die minnepozie te beschouwen, die naar den
+geest wel verwant is met het minnelied, doch in vorm van
+deze verschilt en vooral eenige nieuwe trekken zal toevoegen
+aan de daar gegeven voorstelling.
+
+<h3><i>d</i>. MINNEPOZIE.</h3>
+
+<p>Duidelijk is ook in de minnelyriek, die niet tot het lied
+behoort, de invloed der hoofsch-ridderlijke opvatting van de<a name="499"></a>
+liefde te zien. De vrouwendienst, zooals wij dien vroeger
+hebben leeren kennen, komt in al deze stukken op den voorgrond,
+gewoonlijk in verband met allerlei herinneringen aan
+het ridderwezen. Het bijna 900 verzen tellend gedicht <i>Van der
+feesten</i> bevat een uitvoerig overzicht van de leer der minne,
+op scholastieke wijze verdeeld in deelen en &#8222;poenten". Wij
+vinden hier antwoorden op de vragen: wat minne is? waardoor
+men minne kan verwerven en weer verliezen? wie gestadiger
+zijn in de liefde: vrouwen of mannen? eene uiteenzetting
+wordt gegeven van de wijze, waarop de vier onderscheidene
+temperamenten zich in de minne openbaren. Waarschuwingen
+tegen het roem dragen op vrouwengunst, aansporingen tot het
+&#8222;helen" van den naam zijner liefste of &#8222;vrouwe" zijn niet
+zeldzaam. Telkens en telkens wijzen de dichters op de voortreffelijkheid
+der vrouwen.
+
+<p>Duidelijk zien wij dat vooral in een stukje, dat getiteld is:
+<i>van XII cnechten<a title="[margin: schildknapen.]"><sup>#</sup></a> die ruddren worden van heeren</i><a title="[margin: eere.]"><sup>#</sup></a>. Twaalf
+dappere schildknapen hebben, zonder van elkander te weten,
+een edele vrouw om minne aangezocht. Aan elk hunner geeft
+zij ten antwoord: eerst moet gij met de wapenen eere verwerven;
+dan zult gij uw loon ontvangen. Allen trekken de
+wereld in en worden ridders met eere. Teruggekeerd vragen
+zij om hun loon. Gij hebt het reeds ontvangen, zegt zij, in
+uw met eere verworven ridderschap.
+
+<p>Deze voorstelling, volgens welke de vrouw de belichaming
+is van de ridderlijke idealen, vindt men ook in andere dezer
+gedichten, schoon nergens zoo duidelijk.
+
+<p>Het is wel mogelijk dat een deel dezer werken voor een
+ridderlijk publiek zijn bestemd geweest; doch andere waren
+zeker voor de burgerij bestemd, ook al bevatten zij ridderlijke
+voorstellingen. Zoo ziet men ook in deze pozie den invloed
+door den eenen stand op den anderen geoefend.<a name="500"></a>
+
+<p>Midden in een verzameling spreuken van didactisch-burgerlijk
+karakter treft ons deze spreuk:
+
+<p class="quote">Spere, schilt, helm ende sweert
+<i>Hebben</i> gode ridders weert<a href="#15.58">[58]</a>.
+</p>
+
+<p>Het Recht wordt voorgesteld als eene edelvrouwe met hare
+honden op jacht; uitdrukkingen, ontleend aan het ridderwezen,
+worden ook in de burgerlijke pozie al talrijker. Meer dan
+eens vinden wij herinneringen aan de ridderromans; in het
+gedicht <i>Van der Feesten</i> worden er ettelijke genoemd; het
+Koningspel uit den roman <i>van Limborch</i> is verwerkt tot een
+afzonderlijk stuk; de &#8222;vijf heren" en &#8222;vijf vrouwen", wier
+&#8222;wenschen" ons worden medegedeeld in een paar stukken,
+die waarschijnlijk afkomstig zijn van een of anderen spreker,
+behooren thuis in Troje; de &#8222;vier heeren", die wij voor het
+vuur zien zitten in een ruime zaal en die zich met &#8222;wenschen"
+den tijd korten, zijn helden uit het <i>Nibelungen-lied</i>. Opmerkelijk
+is, dat in BOUDEN VAN DER LORE'S <i>Achte Persone
+Wenschen</i> een ridder en een edele jonkvrouw met geestelijken
+en nonnen en eene getrouwde burgervrouw zitten te drinken
+om het gelag<a href="#15.59">[59]</a>.
+
+<p>De lust tot allegorie, dien wij in de stichtelijke en didactische
+pozie opmerkten, vertoont zich ook hier. Hier openbaart zich
+de invloed van den roman <i>van de Roos</i> zelfs in eene rechtstreeksche
+navolging. Wij bezitten nl. een gedicht van dezen
+tijd van meer dan 2000 verzen, dat blijkbaar in navolging van
+dat beroemde werk is gedicht en dat bovendien ook verwantschap
+toont met een deel der hier behandelde stichtelijke,
+didactische en minnepozie. Wij vinden ook hier den droom
+als inkleeding, de wandeling buiten, het zien van een kasteel,
+de ontmoeting met allegorische personages als Vrouw Hope
+en Twifel; later komen de vijf zintuigen: Heer Nouwe-zien,<a name="501"></a>
+Heer Smakelijn, Rieke-lucht, Licht-gevoel en Hoor-na. Zij
+komen voor den zetel van Vrouwe Zuverheit, waar Jonkheer
+Lust en Jonkvrouwe Jeucht ook tegenwoordig zijn, met de
+heeren Melancholie, Collorijn en de overige temperamenten<a href="#15.60">[60]</a>.
+
+<p>Het verstandelijk element, zichtbaar in deze allegorische
+minnepozie, openbaart zich ook in de overige lyriek van
+minne, die van burgerlijke dichters afkomstig was. De liefde
+wordt in de pozie aangewend als een verstandsspel tot scherping
+van het vernuft. Een reeks van raadsels en vragen aangaande
+de minne, onder den titel <i>Der Minnen Guet</i>, was
+blijkbaar bestemd om door een spreker te worden gebruikt bij
+zijne voordrachten. Ook de dialogen en &#8222;twistspraken" over
+de minne hadden de strekking om in gezelschappen de wellicht
+eenigszins trage geesten gaande en de tongen los te maken.
+De spreker vertelde b.v. van twee gezellen, die uitgenoodigd
+worden mede te trekken naar het land van Overzee en die
+hunne liefjes vragen wat zij moeten doen; het eene meisje
+stemt toe, het andere weigert. &#8222;Nu, welc harer hadde den
+besten wille?" luidt de vraag aan het slot van het gedicht.
+Elders zijn wij tegenwoordig bij een &#8222;strijd van minne" tusschen
+een ridder en eene jonkvrouw, tusschen &#8222;Vrouw Venus
+en een gheselle". Ook de bovenvermelde &#8222;wenschdichten", al
+handelen zij niet uitsluitend over de minne, zijn met deze
+gedichten verwant. Een volledig pleidooi vinden wij in het
+<i>Jugement van Vrouw Venus</i>, al is dat gewichtiger als voorstelling
+der middeleeuwsche procesvoering dan om zijne literaire
+waarde<a href="#15.61">[61]</a>.
+
+<p>Daalt het minnedicht hier af tot het gezelschapsspel, het
+moet ook dienst doen als huwelijksmakelaar. Het conventioneel
+genre van den berijmden minnebrief, dat men in de Oudfransche
+en Middelhoogduitsche literatuur aantreft, werd in de 14<sup>de</sup> eeuw
+ook in de Nederlanden beoefend. Een vijftal Dietsche stukken<a name="502"></a>
+van dezen aard zijn volgens het gewone model vervaardigd
+en hebben dus weinig eigens; titels als &#8222;ene vriendelike
+groete van enen lieve ten anderen" en &#8222;noch een vriendelike
+saluut van minnen" wijzen eer op invloed der Oudfransche
+&#8222;saluts d'amour" dan op dien van Middelhoogduitsche &#8222;liebesbriefe."
+In zulk een &#8222;saluut" zong een verliefd jonkman den
+lof eener schoone, verklaarde haar zijne liefde, verzocht om
+antwoord, hetzij een &#8222;brief" hetzij &#8222;eene tafele"<a title="[margin: gewast schrijftafeltje.]"><sup>#</sup></a>, sloot ook
+wel eens eene roos in die hij dan als antwoord terugverzocht<a href="#15.62">[62]</a>
+
+<p>Pozie die zulke diensten moet doen, kan kwalijk hare eer
+ophouden. Dat blijkt uit deze stukken. Wat is er geworden van
+den trotschen GUNTHER, den edelen RDEGER, den grimmigen
+HAGEN, die in de 13<sup>de</sup> eeuw toch nog indruk maakten? Het
+is hun vooral te doen om te lachen, met mooie vrouwen uit
+visschen te gaan, te eten en drinken, reien en dansen. Bij
+BOUDEN VAN DER LORE zit een aanzienlijk ridder met eene
+maagd van hoogen geslachte met monniken en nonnen te
+drinken&mdash;om het gelag! Het kan ons niet verwonderen dat
+wij een kindergrap onzer dagen als die van GRIET die men
+door een komma ten hemel of ter helle doet varen, reeds
+onder deze minnepozie aantreffen:
+
+<p class="quote">Ic minne een wijf die scande geert
+Nemmermeer si pijnt na ere;
+Wijflijcheit hat hare onweert<a title="[margin: minacht haar.]"><sup>#</sup></a>
+Nicht<a title="[margin: niet.]"><sup>#</sup></a> haren prijs kan si meerren.
+ enz.<a href="#15.63">[63]</a>.
+</p>
+
+<p>Slechts bij uitzondering vinden wij onder de minnepozie
+van den hierboven behandelden aard iets goeds, zooals b.v.
+in deze verzen:
+
+<p class="quote">Ende of ic troest sochte an hare
+Ende sijt ontseide, wat lagher an?<a name="503"></a>
+Ic sal haer claghen mijn mesvaren;
+In sal<a title="[margin: ik zal het niet doen.]"><sup>#</sup></a>; ic sal; in sal nochtan!
+Ic ware een verloren man,
+Ghelijc den snee in sonnenschine,
+Hope ende troest dies ben ic van<a title="[margin: mis ik.]"><sup>#</sup></a>!
+Ay lacen, die scouden<a title="[margin: schul(en).]"><sup>#</sup></a> die sijn mine!<a href="#15.64">[64]</a>
+</p>
+
+<p>Waar wij verder iets aardigs aantreffen, daar is het spot met
+de hoofsche sentimentaliteit. Van dien aard is eene sterk Duitsch-getinte
+klacht van minnewee, die besloten wordt met deze regels:
+
+<p class="quote">Doe ich har clagede minen noot,
+Vragede zi mi: &#8222;is Brugge groot?"<a href="#15.65">[65]</a>
+</p>
+
+<p>Recht op hun dreef komen sommige minnedichters van dezen
+tijd eerst in dartel of grof-zinnelijke stukken als de monorimes,
+aanvangend:
+
+<p class="quote">Ic quam gegaen met liste,
+Daer ic mijn suete lief wiste,
+Ic sprac: &#8222;lief, waer biste,?"
+</p>
+
+<p>en wat daar meer volgt.
+
+<p>Zoo ook in de &#8222;goede boerde" van de bagijn en haar minnaar
+die op een laken door den zolder komen vallen te midden
+der andere bewoonsters van het bagijnhof; alle bagijnen slaan
+de handen voor de oogen, maar meer dan eene gluurt door
+de vingers. Zoo eindelijk ook in dat dartele stukje <i>Dmeisken
+metten sconen vlechtken</i> dat aan zijne naeve zinnelijkheid zooveel
+verleidelijke bekoring paart dat de dichter of een later lezer er
+onder schreef: &#8222;Desen sproke doet mi al te sere verlanghen"<a href="#15.66">[66]</a>.<a name="504"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.1">1</a>: Vgl. <i>Vad. Mus</i>., I, 369 (ook <i>Mnl. Ged</i>., ed. DE PAUW, III,
+667). VERWIJS, <i>X Goede Boerden</i>, n<sup>o</sup>. VIII: &#8222;ene boerde" en <i>Mnl.
+Wdb.</i> i.v. b.v. &#8222;die boerde van den Grale".]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.2">2</a>: Vgl. <i>Mnl. Ged</i>. (ed. DE PAUW), I, II, 37; <i>Rumbeeksche Avondstonden</i>,
+p. 23: &#8222;eene sproke van de drie koningen": 3 achtregelige
+coupletten, elk bestemd door een der drie koningen te worden uitgesproken;
+KAUSLER, <i>Denkmler</i>, III, 204, 222, 131, 114, 109 (&#8222;dese
+miracle"). <i>Goede Boerden</i>, p. 11 (ook vs. 222: &#8222;dit exempel");
+<i>Belg. Mus</i>., I, 326.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.3">3</a>: In den tekst van ons verhaal dieper in dit vraagstuk treden,
+zou ons in de vergelijkende literatuurgeschiedenis brengen. De mogelijkheid
+bestaat echter, dat voortgezet onderzoek de kennis onzer
+boerden en sproken zou kunnen bevorderen. Daarom voeg ik bij de
+aanwijzingen, in dezen door Dr. TE WINKEL gegeven; 1<sup>o</sup> eene verwijzing
+naar de <i>Hist. Littraire de la France</i>, T. XXIII, 143, 201.
+2<sup>o</sup>. De stof <i>van den cnape van Dordrecht</i> vindt men terug in het
+fabliau <i>du fotor (Recueil gnral et complet des Fabliaux</i> van
+MONTAIGLON en RAYNAUD, I, 304). 3<sup>o</sup>. De stof der tot nog toe
+onuitgegeven boerde <i>van Heile van Berseele</i> vindt men, naar het
+schijnt, niet in de Fransche fabliaux, doch wel bij CHAUCER in <i>The
+Miller's Tale (Canterbury Tales)</i>. De vraag mag gesteld worden, of
+CHAUCER onze boerde heeft gekend? Vgl. met het oog daarop ook
+in <i>The Pardonere's Tale</i> de passage aanvangend: &#8222;In Flandres whilom
+was a compagnie." Vgl. overigens over deze stof: <i>Anglia</i>, I, 38, 186;
+II, 135. (R. KHLER). 4<sup>o</sup>. Aan het slot van het fabliau <i>De le vescle
+a prestre</i> (MONTAIGLON et RAYNAUD, III, 106) lezen wij:
+
+<p class="footnotequote">Jakes de Baisiu, sans dotance,
+L'a de Tieus (tyois = Dietsch) en Romanc rime.
+</p>
+
+<p class="footnote">Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van
+een paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikking<a name="505"></a>
+zijne blaas te vermaken. 5<sup>o</sup>. Dezelfde stof die in de sproke &#8222;Van eenen
+verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER, <i>Denkmler</i>, III, 204&ndash;212)
+vinden wij in &#8222;<i>Li dis dou Magnificat</i>" van den Henegouwschen
+menestreel JEAN DE COND, die schreef in de eerste helft der XIVe
+eeuw. Vgl. <i>Dits et Contes de Baudouin de Cond</i> par A. SCHELER,
+II, 355 suivv.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.4">4</a>: Vgl. <i>Goede Boerden</i>, p. 11, vs. 4; KAUSLER, <i>Denkmler</i>, III,
+101; voorts: ald. III, 111, vs. 4&ndash;5; III, 186; <i>Vad. Mus.</i>, I, 50,
+vs. 6&ndash;8; <i>Belg. Mus.</i>, I, 326, vs. 12&ndash;17; 328, vs. 64&ndash;5; 336,
+vs. 354&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.5">5</a>: <i>Goede Boerden</i>, bl. 1, 4, 19; <i>Belg. Mus.</i>, III, 108&ndash;114; KAUSLER,
+<i>Denkmler</i>, III, 165. In de boerde <i>van Heile van Berseele</i> behalve
+Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.6">6</a>: In de <i>Chansons du XVe sicle</i> (ed. G. PARIS) leest men
+(n<sup>o</sup>. LXXIX) de uitdrukking: &#8222;faire la follie" of &#8222;faire la sottise" in
+dezen zin. Vgl. ook: <i>Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged.</i>, n<sup>o</sup>. LXXI: &#8222;dat
+sotte dinc doen". Ook de Oudfransche &#8222;gabs" in de <i>Plrinage
+Jrusalem</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.7">7</a>: <i>Belg. Mus.</i>, X, 52.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.8">8</a>: <i>Goede Boerden</i>, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is
+verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.9">9</a>: Vgl. <i>Lancelot</i>, III, 16040 en <i>Torec</i>, vs. 276.
+
+<p class="footnote">De hier bedoelde boerden zijn: <i>Van enen man die lach gheborghen
+in ene scrine</i>; <i>van den cnape van Dordrecht</i>; <i>een bispel van II. clerken;
+van Lacarise den katijf</i> (<i>Goede Boerden</i>, ed. VERWIJS, I-IV); <i>Belg.
+Mus.</i>, X, bl. 51 vlgg.: <i>van den man die gherne dranc</i>; <i>tghoede wijf
+maect den goeden man</i>; <i>van III. ghesellen die den bake stalen</i>;
+<i>Belg. Mus.</i>, III, 108: <i>Wisen raet van Vrouwen</i>, vollediger in VERWIJS'
+<i>Bloemlezing uit Mnl. Dichters</i>, III; <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>
+(ed. VERWIJS), n<sup>o</sup>. II; KAUSLER, <i>Denkmler</i>, III, 111 <i>van der weldaet
+die de duvele dede</i>. Drie onuitgegeven boerden vindt men in het
+Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te Brussel, n<sup>o</sup>. 1171, 2e serie: <i>van den
+visscher van Parijs</i> (<i>Recueil Gn. des Fabl.</i>, III, 68: &#8222;Du pschor
+de pont seur Saine"); <i>van Heile van Bersele</i> (zie boven) en <i>Van der
+vrouwen die boven haren man minde</i> (<i>Rec. Gnral</i>, V, 132&ndash;142: &#8222;De
+la dame qui fist entendant son mari qu'il sonjoit"). Ik heb de
+kennismaking met deze drie stukken te danken aan Dr. H.P.B.
+PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger vermeld
+Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt medegedeeld
+in de Inleiding tot zijn bundel <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, zal wel<a name="506"></a>
+eene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die ook behandeld
+wordt in het fabliau <i>de Trois aveugles de Compigne</i> (<i>Rec.
+Gnral</i>, I, p. 70).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.10">10</a>: KAUSLER, <i>Denkmler</i>, III, 118&ndash;120.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.11">11</a>: <i>Van Vrouw. e.v. M.</i>, n<sup>o</sup>. VIII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.12">12</a>: <i>Belg. Mus.</i>, VIII, 96.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.13">13</a>: <i>Id.</i>, X, 64.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.14">14</a>: Het <i>Baghynken van Parijs</i> uitgeg. door de Maetschappij der
+Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, n<sup>o</sup>. VII, volgens eene Antwerpsche
+uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk in <i>Konst- en Letterbode</i>
+van 1853, II, 50&ndash;55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in
+zijne <i>Annales</i>, n<sup>o</sup>. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling
+(<i>Geistliche Gedichte des XIV. u. XV. Jahrh.</i>, O. SCHADE) dagteekent
+echter reeds uit de eerste helft der 15e eeuw. Vgl. ook: <i>Jahrb. des
+Ver. fr niederd. Sprachforschung</i>, XXIII, 114. Taal en vorm van
+het gedicht leidden er mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen.
+
+<p class="footnote">De overige sproken vindt men: <i>Belg. Mus.</i>, I, 326: <i>Een scone
+exempel van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester</i>; <i>Belg.
+Mus.</i>, X, 57 vlgg.: <i>van den verwenden keyser</i>; <i>de mantel van eren</i>;
+<i>van enen here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen
+brueder</i>. (Ook in KAUSLER'S <i>Denkmler</i>, III, 131: <i>een goet exemple</i>);
+<i>van tween kinderen die droeghen ene starcke minne</i>. (Ook in: <i>Taalk.
+Bijdr.</i>, I, 244, een andere bewerking); <i>Belg. Mus.</i>, X, 339: <i>van
+enre nonnen verduldechede</i>; <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, n<sup>o</sup>. VIII;
+KAUSLER, <i>Denkm.</i>, III, p. 101, 118, 165, 186; <i>Tijdschr. v. N.T.
+en L.</i>, XXIII, 46; <i>Belg. Mus.</i>, VIII, 96: <i>Van den ouden ridder ende
+den jonghen</i>; <i>Vad. Mus.</i>, I, 50: <i>Van enen ridder die God sine sonden
+vergaf</i>; 57: <i>vanden goeden Brueder</i>; de exempelen in den <i>Spieghel
+der Sonden</i> opgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding,
+bl. LI vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.15">15</a>: KAUSLER, <i>Denkmler</i>, III, 204.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.16">16</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 51.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.17">17</a>: KAUSLER, <i>Denkm.</i>, III, 165, 109; <i>Belg. Mus.</i>, X, 76, vs. 1;
+58, vs. 11; <i>Vad. Mus.</i>, I, 57, 66; p. 49&ndash;50; p. 98, vs. 34&ndash;5.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.18">18</a>: <i>Goede Boerden</i>, bl. 11, vs. 3. (<i>Depllijcheit</i> zal wel eene verschrijving
+zijn voor <i>Spellycheit</i>.)]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.19">19</a>: Vgl. <i>Goede Boerden</i>, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166;
+22, 104; <i>Belg. Mus.</i>, X, 218 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.20">20</a>: PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.21">21</a>: <i>Goede Boerden</i>, 22, vs. 93 en 1, vs. 11.]<a name="507"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.22">22</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing
+eerst in <i>Manon Lescaut</i>; in HOOD'S <i>Bridge of Sighs</i>, b.v. in:
+
+<p class="footnotequote">Still, for all slips of hers,
+One of Eve's family.
+</p>
+
+<p class="footnote">De rechtvaardigheid op den voorgrond o.a. in BJRNSON'S <i>Handske</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.23">23</a>: <i>Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten</i>, n<sup>o</sup>. 99, 101.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.24">24</a>: De plaatsen waarop deze en de daarvoor gegeven mededeelingen
+berusten, vindt men in de uittreksels der Grafelijkheids-rekeningen
+achter JONCKBLOET'S <i>Gesch. der Middennederl. Dichtkunst</i>, III en
+verder in de <i>Cameraars-Rekeningen</i>, III, 349; DE LANGE VAN
+WIJNGAERDEN'S <i>Gesch. van Gouda</i>, I, 656; Oudste rekening der
+stad Antwerpen a<sup>o</sup> 1324 (in: <i>Codex Diplom. Neerland. Hist. Gen.</i>,
+IV, 114); <i>Het Lied in de Middeleeuwen</i>, hoofdstuk VII. Over muziekscholen
+der meistreels Deel XX der &#8222;<i>Annales de la Socit d'Emul.
+pour l'Etude de l'histoire et des antiquits de la Flandre</i>", p. 53.
+<i>Prludes historiques sur la ghilde des Mnestrels de Bruges</i> door
+DS. VAN DE CASTEELE.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.25">25</a>: BUMKER'S <i>Niederl. geist. lieder</i> etc. in: <i>Vierteljahrschrift fr
+Musikwissenschaft</i>, Leipzig, 1888, n<sup>o</sup>. 63.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.26">26</a>: Medegedeeld door ACQUOY in <i>Archief voor Ned. Kerkgesch.</i>,
+IV, 334&ndash;6. Vgl. overigens tal van Duitsche varianten van &#8222;Kinne
+Wippchen" in: <i>Das deutsche Kinderbuch</i> von KARL SIMROCK, S. 5.
+Een Engelsch voorbeeld: &#8222;Here sits the Lord Mayor" in HALLIWELL'S
+<i>Nursery Rhymes</i>, p. 205. Het Fransch heeft evenzoo zijn: &#8222;<i>Menton
+d'or, bouche d'argent</i>" etc.; vgl. SCHEFFLER'S <i>Franzsische Volksdichtung</i>,
+I, 239.
+
+<p class="footnote">De vroegste opteekening die ik te onzent van dergelijke liedjes
+vond is van 1680 in het liedboekje <i>Amsterdamse-Spinhuys</i>, bl. 76:
+&#8222;Een aerdig Lied van een Wagenaer en sijn lief Hille":
+
+<p class="footnotequote">De Wagenaer die vatte sijn Lief al bij haer hoofje.
+Hey, wat is dat, Hille?
+Dat is mijnen krullebol,
+Och vader enz.
+</p>
+
+<p class="footnote">Achtereenvolgens komen dan de <i>oogjes</i> (kijck-uyt), <i>neusje</i> (snuyt-uyt),
+<i>montje</i> (slock-op), <i>kinnetje</i> (kinne-klap) enz. Dat dit lied eene amoureuze
+omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak niet af.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.27">27</a>: Vgl. bl. 199 van: <i>Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten
+der XIVe en XVe eeuwen</i>. Volgens het Voorwoord is het hs. van het<a name="508"></a>
+laatst der 14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord
+nergens gewag gemaakt en de liederen geven daartoe m.i. ook geen
+aanleiding.
+
+<p class="footnote">De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen
+wier namen zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.28">28</a>: Vgl. <i>Horae Belgicae</i>, X, n<sup>o</sup>. 39 en <i>Het Lied in de Midd.</i>,
+bl. 605 vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie
+overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens &#8222;overslaghend"
+dan paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.29">29</a>: Uitgeg. in den bovengenoemden bundel <i>Oudvlaemsche Liederen</i>
+enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.30">30</a>: De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht
+worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage
+geleverd in: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, IX, 273 vlgg. Vgl. voorts:
+<i>Het Lied in de Midd.</i>, bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, <i>Les Epop. Fran.</i>
+(2e d.), III, 555 en A. DARMESTETER, <i>De Floovante</i>, p. 78: &#8222;Hodie
+demonstratum est" etc. Dr. A. NIJLAND, <i>Gedichten uit het Haagsche
+Liederhandschrift</i> en de critiek van Dr. FRANTZEN in <i>Taal en
+Letteren</i>, 1896, afl. 3.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.31">31</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. XXXVIII en CXXI.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.32">32</a>: Vgl. b.v. n<sup>o</sup>. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: &#8222;Woude mi
+de vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard
+gezet: &#8222;In 't scade van tween witten dien" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.33">33</a>: Scheidliederen zijn n<sup>o</sup>. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen
+doet n<sup>o</sup>. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn n<sup>o</sup>. 59, 60, 75, 76: in
+n<sup>o</sup>. 45: &#8222;den Mey die ic u minlic gheve"; voorts n<sup>o</sup>. 2, 15, 33, 35,
+51; de &#8222;niders" in n<sup>o</sup>. 84.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.34">34</a>: n<sup>o</sup>. 96, 125, 140 (opgenomen in <i>Het Lied in de Midd.</i>,
+bl. 269&ndash;270), 58. Beurtzangen in n<sup>o</sup>. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.35">35</a>: n<sup>o</sup>. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.36">36</a>: <i>Vad. Mus.</i>, II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het
+bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men:
+&#8222;Dits een rondeel.... Vrou met eren ... nacht. Ene ander maniere
+den bom" geschreven boven muzieknoten (<i>Vad. Mus.</i>, III, 141).
+<i>Bonghe</i>, <i>bom</i> wordt in het <i>Mnl. Wdb.</i> verklaard met <i>trom</i>; maar in
+de <i>Oudvl. Lied.</i>, n<sup>o</sup>. 38 wordt van de <i>snaren</i> der <i>bonghe</i> gesproken.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.37">37</a>: Vgl. <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIV, 260 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.38">38</a>: Vgl. <i>Oudvl. Lied.</i>, n<sup>o</sup>. 56, 41, 45, 49.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.39">39</a>: Boek III, c. 43.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.40">40</a>: Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied<a name="509"></a>
+hebben wij te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C.
+BOER. (<i>De Gids</i> van Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: <i>Hor.
+Belg.</i>, II, n<sup>o</sup>. 3. Vgl. voorts <i>Het Lied in de Midd.</i>, bl. 117 vlgg.
+en <i>Middelned. Historieliederen</i> door Dr. C.C. VAN DE GRAFT,
+bl. 48 vlgg. Ook nog VAN LENNEP'S <i>Vondel</i>, III, 350 noot op
+vs. 113&ndash;114. Over de bekendheid van het lied in lateren tijd
+vgl. <i>Het Lied in de Midd.</i>, bl. 694, 708, 714, 715, 729, 734.
+
+<p class="footnote">Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk
+in de 16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene
+treffende overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl.
+HOOFT'S <i>Henrik de Groote</i> (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis
+van <i>Antonis Nantoillet du Prat</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.41">41</a>: De tekst o.a. <i>Hor. Belg.</i>, XI, n<sup>o</sup>. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL
+FRDRICQ, <i>Onze Historische Volksliederen</i>, bl. 16. (F. zag het eerst
+de beteekenis van den zonderlingen titel <i>van cort Rozijn</i>). Dr. V.D. GRAFT
+a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl 453. De
+beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van
+Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk
+voor; vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een &#8222;fier
+ghelaet" toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste
+reden was om de stad Gent te onteeren.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.42">42</a>: Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRDRICQ en Dr.
+V.D. GRAFT in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook
+in VAN VLOTEN'S <i>Ned. Geschiedzangen</i>, bl. 44 en 56.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.43">43</a>: <i>Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon</i> (ed. C. PYNACKER
+HORDIJK), p. 1&ndash;3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI).
+Dat dit eerste deel &#8222;krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS
+Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met
+ALEID VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze
+beschouwing van weinig gewicht. Van belang voor ons is, <i>dat</i> de
+kapelaan deze geschiedenis in 1322 z voorstelt.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.44">44</a>: VERDAM in: <i>Versl. en Meded. Kon. Akad.</i>, 4e Reeks, Dl. II, 156.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.45">45</a>: <i>Mnl. Gedichten</i> (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar
+bestaat <i>Onser Vrouwen Claghe</i> uit twee afzonderlijke gedichten,
+duidelijk genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het
+tweede gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af
+paarsgewijze loopen, terwijl vs. 1&ndash;185 vier aan vier zijn gerijmd, al
+is de tekst slordig overgeleverd.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.46">46</a>: A.w. I, 56, 332-'4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.47">47</a>: A.w. I, 245.]<a name="510"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.48">48</a>: VERDAM t.a.p. bl. 170.
+
+<p class="footnote">Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar
+de genoemde werken en de <i>Oudvlaemsche Lied. en Ged.</i>, bl. 1 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.49">49</a>: Vgl. <i>Mnl. Ged.</i> (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243;
+BLOMMAERT, <i>Oudvl. Ged.</i>, II, 116, vs. 175&ndash;6; 119, vs. 179&ndash;182;
+120, vs. 137&ndash;140.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.50">50</a>: Ook in de Hoogduitsche pozie dier dagen zulke personages;
+vgl. de bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.51">51</a>: Vgl. BLOMMAERT, <i>Theophilus</i>, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en
+PETIT'S <i>Bibliographie</i> i.v. In het Fransch bestaat eene &#8222;Desputaison
+du corps et de l'me" die naar den inhoud overeenkomst toont met
+ons gedicht. Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209&ndash;210. Voorts
+<i>Romania</i>, IX, 311; XX, 1&ndash;55, 513&ndash;578 en <i>Zeitschr. f. rom. phil.</i>,
+IV, 74&ndash;80. Een afzonderlijk onderzoek zal misschien de verhouding
+der beide gedichten kunnen bepalen.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.52">52</a>: Vgl. <i>D. War.</i>, II, 352; III, 242; <i>Belg. Mus.</i>, II, 237. Indien
+men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten
+van 8, 12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken,
+drie variatie's op n thema waaruit een sprookspreker kon kiezen,
+dan aan ne).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.53">53</a>: De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: <i>D. War</i>,
+VII, 377; IX, 6, 142; <i>Vad. Mus.</i>, II, 151; <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>,
+bl. 380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; <i>Versl. en Meded. der Kon.
+Akad.</i>, 3e Reeks, Deel XII.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.54">54</a>: De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt
+men in <i>Vad. Mus.</i>, I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van
+Dr. A. NIJLAND, p. 185; KAUSLER, <i>Denkmler</i>, III, 94 vlgg.;
+<i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.;
+XII, 97 vlgg.; XVI, 306 vlgg.
+
+<p class="footnote">Vogel-spreuken vindt men behalve <i>Vad. Mus.</i>, I, 319&ndash;321, ook
+nog in het Haagsche hs. n<sup>o</sup>. 721, f<sup>o</sup> 3, v<sup>o</sup> en achter een ter Kon. Bibl.
+aanwezig bundeltje, getiteld: &#8222;Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc.
+
+<p class="footnote">Vgl. voorts nog: <i>Jahrbuch des Vereins fr niederd. Sprachforschung</i>,
+n<sup>o</sup>. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn
+vriend VERDAM).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.55">55</a>: Zie deze stukken in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XI, 210, 289 en
+<i>D. War.</i>, I, 134.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.56">56</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 82, 86, 322, 324.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.57">57</a>: Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S <i>Oudvl. Ged.</i>, II en III.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.58">58</a>: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XII, 103.]<a name="511"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.59">59</a>: Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' <i>Van Vrouwen
+ende van Minne</i>, p. 1, 8, 40, 42; <i>Vad. Mus.</i>, I, bl. 80, 318; KAUSLER,
+<i>Denkm.</i>, III, 162; BLOMMAERT, <i>Oudvl. Ged.</i>, II, 111&ndash;120; <i>Tijdschr.
+v. N.T. en L.</i>, XI, 286, vs. 15; XII, 103.
+
+<p class="footnote">In <i>Achte Persone Wenschen</i>, vs. 20 te lezen <i>'t Gelach</i> in plaats
+van <i>'t Gelaet</i> dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is
+met vs. 179&ndash;180.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.60">60</a>: In de <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>, bl. 233 vlgg. De invloed van den
+roman <i>van de Roos</i> op onze letterkunde werd nog versterkt door
+Fransche navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET
+DE COUVIN er een, getiteld <i>Li Mireoirs as Dames</i> (eerste helft der
+14e eeuw). Vgl. <i>Dits de Watriquet de Couvin....</i> par A. SCHELER,
+p. 1 suivv.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.61">61</a>: Vgl. o.a.: <i>Van Vrouw. e.v. Minne</i>, bl. 37 vlgg.; <i>Belg.
+Mus.</i>, VII, 229; X, 84; <i>Vad. Mus.</i>, I, 373, 377; Dissertatie van
+Dr. A. NIJLAND, bl. 152 vlgg.; <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIX,
+269 vlgg. (misschien aanvang der 15e eeuw); <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>,
+bl. 314 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.62">62</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 366&ndash;369, 387&ndash;391. Voorts: <i>Die gereimten
+Liebesbriefe des deutschen Mittelalters....</i> von ERNST MEYER.
+(Marburg. 1899). Op bl. 88&ndash;92 behandelt de S. in &#8222;<i>Die niederlndischen
+Liebesbriefe</i>", een paar voorbeelden van dit genre uit de
+15e eeuw; het is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden
+niet gekend heeft.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.63">63</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 369.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.64">64</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 393.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.65">65</a>: Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.66">66</a>: <i>Goede Boerden</i>, n<sup>o</sup>. VIII en n<sup>o</sup>. VII.]<a name="512"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>ONTWIKKELING VAN HET LITERAIR
+LEVEN.</h2>
+
+<p class="intro"><i>a</i>. Meistreels. Sprekers en andere dichters.
+
+<p class="intro"><i>b</i>. Publiek. Voordragen en Lezen. Het Boek.
+
+<p class="intro"><i>c</i>. Critiek en Theorie. Invloed der Literatuur. Letterroem.
+
+<h3><i>a</i>. MEISTREELS. SPREKERS EN ANDERE DICHTERS.</h3>
+
+<p>Nog altijd trekken meistreels en herauten door deze landen
+met vedel, trompet en beltrom. Wij ontmoeten hen als boden
+b.v. der Heeren VAN ARNHEM, VAN ARKEL, BRONKHORST
+met eene kennisgeving aan de schepenen van Deventer van
+huns heeren huwelijk of met een andere opdracht. Van een
+enkele hunner kennen wij den welluidenden naam: in het jaar
+1365 vinden wij den heraut HOPEZOMER in de <i>Cameraars-rekeningen</i>
+vermeld<a href="#16.1">[1]</a>. Nog altijd beoefenen zij naast de muziek
+de kunst van het woord. Meester JAN VAN VLAERDINGHEN,
+die genoemd wordt onder de &#8222;menistreylen" die in 1364 te
+Middelburg &#8222;vor 't sacrament ghenghen", wiens vrouw en dochter
+ook tot de meistreelen behoorden, treedt elders op als dichter.
+In het toenmalig woord <i>vedelsage</i><a title="[margin: praatjes voor de vaak.]"><sup>#</sup></a> zien wij dat verband tusschen
+muziek en woordkunst uitgedrukt en in overeenstemming
+daarmede het woord <i>vedelaar</i> gebruikt om een <i>dichter</i> (misschien
+een liederdichter) aan te duiden<a href="#16.2">[2]</a>.
+
+<p>Naast de menestrelen vinden wij ook nu nog de herauten.
+Ook zij zijn werkzaam als dichters. Zoo wordt melding gemaakt
+van &#8222;des heren hyraut ende sengher van Gaesbeke";<a name="513"></a>
+een &#8222;mynstreel", maar ook van &#8222;Jan Dyllen den yraut,
+die voer mijns heren tafel sprac". Doch de meistreels hadden
+als dichters hunne beste dagen gehad en gaan het tooneel
+ruimen voor anderen. Hebben de herauten hen ook hier te
+lande op den achtergrond gedrongen? In Frankrijk was dat,
+naar het schijnt, het geval. Naarmate de heraldiek zich ontwikkelde
+en steeds meer aandacht vroeg en verkreeg, steeg het
+aanzien der herauten en nam dat der meistreels af. Misschien
+heeft de dichter eener merkwaardige samenspraak tusschen een
+paar menestreelen uit dezen tijd het oog op de herauten,
+wanneer hij een meistreel tot den ander doet zeggen:
+
+<p class="quote">En condi geen reinaerdie,
+Smeken<a title="[margin: vleien.]"><sup>#</sup></a>, no leckeberden<a title="[margin: flikflooien?]"><sup>#</sup></a>,
+Men sal segghen: &#8222;gaet uwer verden<a title="[margin: gaat heen.]"><sup>#</sup></a>,
+Hier en es u nu niet te doene<a title="[margin: heeft men u niet noodig.]"><sup>#</sup></a>."<a href="#16.3">[3]</a>
+</p>
+
+<p>Doch in allen gevalle is het wel opmerkelijk dat de dichters, die
+vanouds de banierdragers der ridderlijke idealen waren geweest,
+niet die idealen zelve op den achtergrond raken. Verreweg
+de meesten hunner gaan zich uitsluitend aan de muziek wijden.
+Sommigen hunner laten het beroep varen en vestigen zich
+onder de burgerij; anderen zetten het zwervende dichtersleven
+voort. Een paar vertegenwoordigers dier beide soorten zijn het
+die wij in de bovenvermelde samenspraak tegenover elkander
+vinden. De een, die zich &#8222;ter neringhe geset" heeft, ontraadt
+den ander het voortzetten van het zwervend leven: vroeger
+ging het goed, toen de heeren mild waren en goedgeefsch
+jegens de meistreels; toen kon men van zijne kunst leven&mdash;maar
+nu? menigeen sterft van gebrek en armoede. De ander
+erkent de waarheid dier woorden ten deele; maar&mdash;zegt hij&mdash;ik
+eet zoo menigen brok, ik drink zoo menigen beker in de
+taverne, waar ik met weinig moeite aan kom, dat ik de<a name="514"></a>
+&#8222;wandelinghe" niet kan laten.&mdash;Met hoevele zwervers is het
+slecht afgeloopen, herneemt de eerste; denk eens aan GIELIJS VAN
+TRECHT, aan JAN VAN LIER, aan meester JAN METTER HUVEN<a title="[Margin: muts, kapje.]"><sup>#</sup></a>,
+die allen op hunne tochten het leven hebben verloren. Welnu&mdash;is
+het antwoord&mdash;die kregen hun verdiende loon, en dan, ik
+kan eenmaal mijn vrijheid niet opgeven; word ik eens z oud
+dat ik op krukken moet gaan, kom mij dan nog eens vermanen<a href="#16.4">[4]</a>!
+
+<p>Z scheiden zij. Deze zwerver, die zijn zwerversleven lief
+heeft, is een type dier dagen. De gansche 14<sup>de</sup> eeuw door
+blijven wij hem aantreffen. Nog in 1396 worden &#8222;piperen,
+heralden, ministrelen" in n adem genoemd met de &#8222;varende
+lude"; onder deze "varende lude" vond men de reizende dichters
+in gezelschap van blinde guitaarspelers, meesters &#8222;van
+suptilen drachten"<a title="[Margin: behendige kunstgrepen.]"><sup>#</sup></a>, gasten die een levend &#8222;hoofd van Jut"
+op hunne schouders droegen, zooals zekere Brabander, &#8222;die
+hem up sijn hooft liet slaan hoe seere<a title="[Margin: hard.]"><sup>#</sup></a> men woude"; onder
+hen ook de mislukte studenten, zooals die, aan wien wij de
+gewilde dwaasheid van &#8222;de frenesie" te danken hebben<a href="#16.5">[5]</a>.
+
+<p>Niet alle meistreels geven hun beroep op of blijven zwerven.
+Sommigen hunner blijven de kunst getrouw, doch laten, naar
+het schijnt, de muziek varen om zich uitsluitend aan de
+woordkunst te wijden. Dezen zien wij gedurende de tweede
+helft der 14<sup>de</sup> eeuw in deze landen optreden onder den naam
+van <i>sprekers</i> of <i>zeggers</i>. Velen hunner zijn, evenals vroeger de
+menestreelen, verbonden aan den dienst van bijzondere heeren:
+zoo vinden wij gewag gemaakt van "des heren spreker van
+Zevenberghen", "des hertoghen spreker van Gulic", van "meester
+JAN, een spreker die bi den here van Abcoude is", "eenen
+seggher uut Zeelant, die seide dat hi heren Vranken knecht
+van Borssel was"; "enen spreker die bi den here van Wassenaer
+placht te wesen", "des heren spreker van Gaesbeke",<a name="515"></a>
+&#8222;enen spreker die den here van Lymburch toebehoorde", &#8222;enen
+spreker toebehorende den here van Gistel". Dat deze dienstmannen
+van adellijke heeren het wapen van hun heer droegen
+op hunne kleedij, mag men vermoeden uit een rekeningpost,
+die spreekt van &#8222;enen vreemden spreker sonder wapen".
+
+<p>De burgerij volgde ook hier den adel na en nam &#8222;stadssprekers"
+aan; zoo vinden wij BOUDEWIJN VAN DER LORE
+als stadsspreker van Gent; &#8222;Meyster PETER VREUGDEGAER,
+den seggher van Breda", &#8222;den spreker van Monickedam".
+Misschien waren ook meester JAN VAN VLAERDINGHE, AUGUSTIJNKEN
+en MEEUS VAN DORDT, &#8222;Meester JAN, de dichter van
+Sente Gheerdenberghe", &#8222;GODEKIJN, de spreker van Tricht",
+&#8222;meester JAN VAN MACHELEN", &#8222;DAEM, de seggher van IJsselsteyn"
+en BERTELMEEUS VAN DELF stadssprekers; zij kunnen echter ook,
+evenals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH genoemd zijn naar
+hunne woonplaats en als vrije sprekers hebben rondgereisd.
+
+<p>Onder de sprekers zal natuurlijk, evenals vroeger onder
+de menestrelen, verschil van ontwikkeling en aanzien hebben
+bestaan. Sommigen spraken &#8222;voor mijnen here den grave" en
+konden als AUGUSTIJNKEN VAN DORDT van zich zelven zeggen:
+
+<p class="quote">Want ghi bi heren, bi hoghen vrouwen
+Te sijn pleecht.
+</p>
+
+<p>Anderen die zonder naam worden vermeld als b.v. &#8222;twee
+segghers ut Brabant", &#8222;twee duytsche segghers" zullen van
+minder aanzien geweest zijn. Doch bij gemis aan gegevens is
+het moeilijk hier scheidingslijnen te trekken en eene plaats te
+wijzen b.v. aan: Meester HERMAN den spreker, SNELRYEM den
+spreker, &#8222;den Jonchere van der minnen", &#8222;JANNES DEN COSTER"
+en zoo menig ander.
+
+<p>Een paar sprekers, AUGUSTIJNKEN en zekere COLPAERT&mdash;indien
+deze tot de sprekers gerekend mag worden&mdash;kenden<a name="516"></a>
+Latijn; WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH daarentegen, toch een
+aanzienlijk spreker, kent het niet.
+
+<p>Dat wij naast deze Dietsche sprekers verscheidene Duitschers
+vinden, kan ons in het Beiersch tijdvak niet verwonderen; in
+het gevolg der Beiersche graven of Duitsche edelen of althans
+in hunne omgeving zullen wij een &#8222;blinden dichter van Mens"
+moeten zoeken, sprekers van &#8222;Beem" (Bohemen), Trier, Keulen,
+Westfalen; een spreker &#8222;die men hiet Ghetuose" en &#8222;enen
+jonghen spreker van Holsten, gheheten HOPEZOMER." Tegenover
+deze Duitschers vinden wij slechts een enkelen Franschman:
+&#8222;CUDELIER, des conincs spreker van Vrancrike"<a href="#16.6">[6]</a>.
+
+<p>Opmerkelijk echter mag heeten dat de Noordnederlanders zoo
+talrijk zijn, zoowel onder de ons bekende sprekers als onder
+de overige dichters van dezen tijd, die wij niet met zekerheid
+onder de sprekers kunnen rangschikken. Tegenover eenige weinige
+sprekers en dichters van Gent, Mechelen, Brussel staan vele
+uit Noord-Nederland. Misschien zijn vele sprekers uit het Zuiden
+ons in hunne werkzaamheid vooralsnog onbekend; doch in elk
+geval blijkt wel, dat de bewoners der Noordelijke gewesten in
+de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw meer dan vroeger gaan deelnemen
+aan de beoefening der literaire kunst. Evenals hunne
+voorgangers, de meistreels, doen ook deze beroepsdichters niets
+voor niets: geschenken in geld of kleeren zijn het loon waarvoor
+zij hunne kunst ten gehoore brengen. AUGUSTIJNKEN VAN
+DORDT, die een el wit laken krijgt voor een paar kousen, een
+paar laarzen met sporen om er &#8222;mijns heren zomer<a title="[margin: lastpaard.]"><sup>#</sup></a> mede te
+riden", mag ook hier als type zijner soort gelden.
+
+<p>Ook elders vertoonen zich in de literatuur van dezen tijd
+dichters, die voor geld verzen leveren, al weten wij niet of
+wij daar met eigenlijke <i>sprekers</i> te doen hebben. Zoo begint
+een stichtelijke opwekking tot menschen van allerlei nering of
+bedrijf met deze regels:<a name="517"></a>
+
+<p class="quote">Omme 't ghebrec van goeden lone
+Blijft menich rijm te makene scone
+Van den dichters openbaer
+Die lustelic te hoorne waer<a href="#16.7">[7]</a>.
+</p>
+
+<p>In een allegorisch gedicht over een burcht, die <i>Vaste Hoede</i>
+heet, deelt de auteur ons mede, dat hij aan de burchtvrouw
+verzocht had hem een onderwerp voor een gedicht te geven,
+&#8222;want ic met dichtene mi ghenerde". Met het voordragen van
+<i>boerden</i> vielen kostelijke kleeren te verdienen; &#8222;constenaers",
+die in een herberg een &#8222;nieuwen zanc" ten gehoore brachten,
+werden daarvoor beloond<a href="#16.8">[8]</a>. Dat de berijmde minnebrieven
+en minne-naamdichten van dezen tijd op verzoek en
+voor geld gemaakt zijn, valt niet te bewijzen; doch hunne
+volslagen kleurloosheid zou doen vermoeden, dat zij gemaakt
+zijn door anderen dan door de minnaars zelven en dan zeker
+niet voor niet<a href="#16.9">[9]</a>.
+
+<p>Verzen maken voor geld of ander loon, de dichtkunst opgevat
+als een beroep&mdash;dat scheidt deze dichters van andere,
+die andere beweegredenen hadden tot dichten.
+
+<p>Die anderen waren zich wel bewust dat zij tegenover de
+beroepsdichters stonden; immers niet zelden laken zij dezen in
+hunne geschriften. De auteur van <i>den Grimbergschen Oorlog</i>
+berispt de &#8222;consteneren die hem met dichten generen", omdat
+zij verzonnen en onware zaken vertellen; in den <i>Spieghel der
+Sonden</i> worden speellieden en goochelaars genoemd in n
+adem met degenen, die &#8222;valsche rime visieren"<a title="[margin: verzinnen.]"><sup>#</sup></a>; in een ander
+didactisch werk vinden wij een waarschuwing tegen de &#8222;smekende<a title="[margin: vleiende.]"><sup>#</sup></a>
+menestrelen". JAN BOENDALE volgt zijn meester ook in
+diens afkeer en afkeuring van de meistreelen; in zijne <i>Teestije</i>
+laat hij zich minachtend uit over hen:<a name="518"></a>
+
+<p class="quote">Die asaghen<a title="[margin: sprookjes.]"><sup>#</sup></a> ende tureluren<a title="[margin: beuzelpraatjes.]"><sup>#</sup></a>
+Dichten vander avonturen.
+</p>
+
+<p>Scherp laakt hij het in de edelen, dat zij hun goed geven aan
+rabouwen, meistreels en herauten, opdat deze hen zullen prijzen
+en hun lof overal verkondigen; een mooie lof, voegt hij
+er aan toe, die door &#8222;knechten en boeven" gegeven wordt!
+En in zijn <i>Lekenspieghel</i> klinkt het nog eens schamper: zoo
+zijn de &#8222;yrauden": noode komen zij thuis eten, als zij het
+elders gratis kunnen krijgen<a href="#16.10">[10]</a>.
+
+<p>Behalve JAN BOENDALE zijn ons slechts enkele dichters, die
+tot deze groep behooren, bij name bekend. Hunne beweegredenen
+tot dichten mogen onderling verschillen, alle wortelen
+zij toch in het godsdienstig of zedelijk gemoedsleven. De Ypersche
+chirurgijn JAN DE WEERT b.v. had vrij wat wereldsche
+pozie gedicht vrdat hij zijn <i>Nieuwen Doctrinael</i> schreef,
+om daarmede de dichterzonden zijner jeugd te boeten. Als
+dichter van <i>Sinte Amands Leven</i> kennen wij den jongen geestelijke
+GILLIS DE WEVELE van Brugge. Deze legt er den
+nadruk op, dat hij met zijn werk geen &#8222;winninghe van gelde"
+of ander loon beoogt; zijn loon wacht hij slechts van God.
+Een andere beweegreden, door hem genoemd, is angst voor
+de &#8222;ledicheit", immers ook heden nog des duivels oorkussen.
+Een lofdicht op MARIA werd geschreven uit &#8222;groote vreeze",
+blijkbaar voor de vergelding die den zondaar wacht. Het
+<i>Vagevier van Sinte Patricius</i> dankte zijn ontstaan aan het verlangen
+des dichters om den boozen afkeer van hunne boosheid
+in te boezemen. Andere geestelijke dichters vragen: bid voor mij
+die dit schreef, of beloven den lezers kwijtschelding van zonden<a href="#16.11">[11]</a>.
+
+<p>Is ook de liefelijke sproke <i>van Beatrijs</i> te beschouwen als
+een soort van boetedoening? Zekerheid hebben wij hier niet.
+De dichter (dichteres?) vangt zijn werk aan met:<a name="519"></a>
+
+<p class="quote">Van dichten comt mi cleine bate;
+Die liede raden mi dat ict late
+Ende minen sin niet en vertare
+</p>
+
+<p>Doch het is bezwaarlijk uit te maken of met deze &#8222;bate" al
+dan niet geldelijk voordeel bedoeld is; of wij hier een beroepsdichter
+vr ons hebben die zijn beroep vaarwel zegt, of een
+leek, die vroeger wereldsche pozie had gedicht en nu iets
+beters wil geven.
+
+<p>Dit is trouwens niet het eenige geval, waar wij in onzekerheid
+blijven omtrent de personen der dichters van de 14<sup>de</sup> eeuw.
+Van sommige kennen wij de namen, doch ook weinig meer;
+van andere weten wij zelfs den naam niet en naar hunne persoonlijkheid
+kunnen wij slechts gissen. Wij weten dat LODEWIJK
+VAN VAELBEKE een bekend menestreel is geweest, die in den
+aanvang der 14<sup>de</sup> eeuw stierf en zich naam had gemaakt o.a.
+door zijne &#8222;stampin" (misschien eene soort van dansliederen).
+OTTO VAN ORLEIEN schreef eene &#8222;bedinghe van onsen Here",
+die niets karakteristieks heeft; de samensteller van <i>die Cracht
+der Mane</i> heette HEINRIC VAN HOLLANT. Als dichter van den
+<i>Seghelyn van Jeruzalem</i> noemt zich LOY LATEWAERT, dien wij
+om zijne literaire kennis en aanhalingen van door hem zelven
+vertaald Latijn voor een eenigermate ontwikkeld man moeten
+houden. Was hij misschien een &#8222;clerck", verbonden aan den
+dienst van een edelman? Diezelfde gissing zou men willen
+wagen ten opzichte van den man, die ons het verhaal <i>Van den
+borchgrave van Couchi</i> naliet; bij den <i>Malegijs</i> en de overige
+ridderromans van dezen tijd zal men over het algemeen misschien
+eer aan meistreelen dan aan &#8222;clercken" moeten denken.
+
+<p>In een aantal vierregelige wapendichten op de edelen, die
+met WILLEM IV in Friesland sneuvelden, meen ik de hand
+van een heraut te herkennen. Elders kunnen wij zelfs geen<a name="520"></a>
+gissing wagen. Wie schreef b.v. den geestelijken roman <i>Van
+Jonitas en Rosafiere</i>? BOUDEWIJN VAN DER LORE noemt zich
+als auteur van <i>Achte Persone Wenschen</i>; doch wie schreef de
+overige wenschliederen? Hier staan wij in een duisternis, die
+bij voortgezet onderzoek misschien zal verdunnen tot den nevel,
+waarin wij een dichter als JAN VAN HULST zien, een zanger
+als die EGIDIUS, wiens dood ons gemeld wordt in dat roerend
+klaaglied dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Egidius, waer bestu bleven?
+Mi lanct na di, gheselle mijn!
+Du coors<a title="[margin: verkoost.]"><sup>#</sup></a> die doot, du liets mi tleven.
+Dat was gheselscap goed ende fijn,
+Het sceen, 't een moeste ghestorven sijn<a href="#16.12">[12]</a>.
+</p>
+
+<h3><i>b</i>. PUBLIEK. VOORDRAGEN EN LEZEN. HET BOEK.</h3>
+
+<p>Het publiek waarvoor deze dichters optraden, wisselde af
+evenals vroeger naar gelang van de pozie en van den voordrager.
+
+<p>Voorname sprekers, zooals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG
+en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, zullen zich vooral tot de aanzienlijken
+hebben begeven om hun werk voortedragen. Dat
+blijkt wel uit het &#8222;heren en cnapen", waarmede zij hunne
+hoorders niet zelden toespreken. Menige sproke zal ook wel
+in de eerste plaats voor den adel bestemd zijn geweest. Zoo
+wordt in <i>de Mantel van eren</i> het wapenschild beschreven
+van den edelen ridder, wiens lof hier was verkondigd: &#8222;van
+lazure // met twee ramshorne van goude"<a href="#16.13">[13]</a>. In een andere
+sproke echter, van het Jodenmeisje dat Christin wordt, spreekt
+de dichter zijn publiek aan met: &#8222;gi goede liede"; diezelfde
+uitdrukking vindt men in het heiligenleven <i>van Sint Amand</i>,
+doch afgewisseld door: &#8222;ghi lieden alle ghemeene ...<a name="521"></a>
+knapen, joncwive, vrouwen ende heeren." Dat de boerden
+vooral voor de burgerij bestemd waren zou men op zich zelf
+reeds vermoeden; dat vermoeden krijgt meer zekerheid door
+een aanvang als: &#8222;Alle swighet ende hoert," of:
+
+<p class="quote">Ghi goede liede, hoort na mi!
+Selke boerde en hoerdi nie
+Als ic u hier sal vertellen.
+</p>
+
+<p>Maar ook sproken en andere ernstige stukken zullen zeker
+wel eens voor de mindergegoede standen zijn voorgedragen.
+De sproke van de edelvrouw, die &#8222;vigilyen" voor de dooden
+placht te lezen, richt zich niet tot edele heeren of vrouwen,
+doch tot &#8222;alle ... eist wijf of man", en aan het slot van
+een notabel lezen wij: &#8222;Secht &#8222;amen" die hier zijn omtrent<a href="#16.14">[14]</a>."
+
+<p>Nog altijd was de literatuur bestemd in de eerste plaats om
+te worden voorgedragen en gehoord; ook zelfs een populair-wetenschappelijk
+werkje als <i>die Cracht der Mane</i>; ook een
+prozawerk als het <i>Leven van Jezus</i> richt zich tot degenen &#8222;die
+dit lesen (voorlezen) selen ende hoeren lesen". Het verzoek om
+stilte en aandacht blijkt ook in deze tijden nog niet overbodig.
+Evenals in de 13<sup>de</sup> eeuw werd de voordracht van pozie
+nog wel door muziek begeleid. In den aanvang der boerde
+<i>van Heile van Berseele</i> ten minste wordt het vertellen van
+schoone avonturen genoemd in verband met &#8222;vedelen en
+singhen" en &#8222;somtijd spelen metter harpen". De taverne zal
+wel&mdash;wij hoorden het reeds van den zwervenden meistreel&mdash;de
+plaats zijn geweest waar men de meeste kans had een rondreizend
+dichter aan te treffen en zijne voordrachten bij te wonen.
+Een jonkman die gaarne met goede gezellen uitgaat, gaarne
+een rooden mond ziet en lachende vrouwenoogen, vertelt ons
+hoe hij &#8222;te wine" of &#8222;te biere" zit:
+
+<p class="quote">Ende hoor daer singen ende boerden spreken.<a name="522"></a>
+</p>
+
+<p>Voor een droge keel wist de voordrager zich te wachten;
+aan het slot der zedenschets <i>van den man die gherne dranc</i>&mdash;een
+dorstige stof&mdash;klinkt het:
+
+<p class="quote">Nu, gheeft mi drincken metter vaert
+Want drincken dat es al mijn aert<a href="#16.15">[15]</a>.
+</p>
+
+<p>Tusschen de overgroote meerderheid der hoorders van eenig
+literair werk zagen wij in een vroeger tijdperk hier en daar
+ook eenige lezers. Die lezers zullen langzamerhand talrijker
+worden, al blijven zij nog lang tevens hoorders.
+
+<p>Onder een zich ontwikkelend volk, onder eene zich ontwikkelende
+burgerij vooral, neemt de vraag naar literatuur in dezen
+tijd steeds toe. De literatuur van een vroeger tijdvak vindt nog
+altijd aftrek; de werken der 13<sup>de</sup> eeuw immers zijn ons bewaard
+gebleven vooral in afschriften der 14<sup>de</sup> eeuw. Doch ook de
+geschriften van tijdgenooten worden door afschrijvers vermenigvuldigd.
+De bescheiden RUUSBROECK was er niet op gesteld
+dat men zijne werken langs dezen weg onder de menschen
+bracht. Slechts heimelijk durfde een priester, die zijn &#8222;notarius"
+geweest was, Heer JAN'S werk aan eenige bewonderaars toevertrouwen
+tot het nemen van een afschrift<a href="#16.16">[16]</a>.
+
+<p>Adellijke heeren en vrouwen wekken schrijvers op tot het
+samenstellen van een of ander letterkundig werk. Zij wenschen
+een stuk dat men hun waarschijnlijk eerst voorgedragen heeft,
+in bezit te hebben. Zoo schenkt in 1360 de Graaf VAN BLOYS
+19 schellingen en 4 stuivers aan JAN BOT den &#8222;segger", &#8222;want
+hi ene sproke gemaect hadde, ende in gescrifte overgaf, van
+minen here van Byamont, des God ghedenke"; in 1398 krijgt
+de spreker van Monickedam &#8222;die mynen here een sproke van
+de Vriezen overgaf" twee &#8222;nye gulden"<a href="#16.17">[17]</a>. Men begint een
+boek als een geschenk te beschouwen: jonkvrouw JOHANNA VAN
+BLOIS krijgt voor haar Paschen &#8222;enen nuwen boexkine" ten<a name="523"></a>
+geschenke, &#8222;daer in stont onser Vrouwen legende"<a href="#16.18">[18]</a>. Ook
+uit andere feiten blijkt ons, dat de adel prijs stelt op boeken:
+de Vlaamsche graaf ROBRECHT VAN BETHUNE bezit een boek
+van <i>Godefroi de Bullion</i>, van <i>Merlin</i> en de <i>contes du Barisiel</i>;
+een Henegouwsch edelman, GODEVAERD VAN NAAST ( 1337),
+bezit reeds eene kleine boekenverzameling: <i>le message Carlemaigne</i>,
+de geschiedenissen <i>d'Alis et l'Empereur et du roy
+Ingres</i>, van <i>Atis et Prophelias</i>, van <i>Sidraach</i>, van <i>Mainnet</i>,
+de <i>Aventures d'Oultremer</i> en den <i>Veus dou Paon</i>.
+
+<p>Lezen de Leliaerts Fransch&mdash;de Clauwaerts houden zich
+aan hun Vlaamsch.
+
+<p>Welk een belangstelling in literatuur en wetenschap spreekt
+er uit de boeken, die wij in de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw in
+het bezit vinden van aanzienlijke en eenvoudige Gentsche
+burgers. De handschoenmaker JAN DE BEERE heeft een <i>Bestiaris</i>,
+een <i>Lucidarius</i>, een <i>(Wapene) Martin</i>, een boek <i>van den Landsheren</i>
+en <i>Evangelin in vlaems</i>. WILLEM VAN DEN PITTE,
+lakensnijder en eerste schepen, is eigenaar van den &#8222;<i>Spieghel
+Ystoriaelle</i> in twee bouken ghescreven". Meester SYMOEN
+ELYAES, waarschijnlijk een chirurgijn, bezit een <i>Barlam</i>, een
+&#8222;cleennen" <i>Spieghel</i>" en &#8222;een deel van der Biblen". De Clauwaert
+JAN WASSELINS heeft een heele bibliotheek. Evenals de
+twee eerstgenoemde Gentenaars heeft ook hij een &#8222;Bibele in
+vlaemsche"; maar wat heeft hij al niet meer! Zijne boekerij is
+bijna een kort begrip onzer middeleeuwsche literatuur, voorzoover
+daarin de voorname genres behalve het lied en het
+drama vertegenwoordigd zijn. Wij vinden onder zijne boeken
+geestelijke werken over <i>de Passie</i>, over <i>Adam en Eva</i>, <i>van
+der Zielen</i> en <i>van der ghuldene baghe</i>; ridderromans <i>van
+Ogier, Seghelijn, Isenbaert</i><a href="#16.19">[19]</a>; zedekundige werken en leerdichten:
+van SENECA, &#8222;<i>Pietagoras bloume</i>", <i>Jans Testye</i>, een
+paar &#8222;doctrinaelen", een <i>Bestiaris</i>, <i>Melibeus</i>, een <i>Wapene</i>
+<a name="524"></a>
+<i>Martijn</i>; een historisch werk over de Pausen en een Kroniek
+van Vlaanderen, Brabant en Frankrijk; wetenschappelijke geschriften
+over astronomie en medicijnen. Ook "<i>een bouc van
+Reynaerde</i>" ontbreekt niet<a href="#16.20">[20]</a>.
+
+<p>Zouden deze Vlamingen de eenige bezitters van boeken
+geweest zijn? Met het oog op het groote aantal handschriften
+der 14<sup>de</sup> eeuw, zal men wel mogen aannemen
+dat er verscheidene andere boekenliefhebbers waren. De lust
+tot lezen bracht meer boeken te voorschijn; die boeken
+brachten op hunne beurt meer menschen aan het lezen.
+JAN BOENDALE waarschuwt wel tegen de lezing van ijdele
+boeken, maar toch:
+
+<p class="quote">Alse ghi den tijt corten wilt,
+In u camere ghi u sluten silt
+Ende roepen uwen sceppre an;
+Oft ghi selt boeke hebben dan
+Van Gode oft van goeden zeden
+Ende niet van idelheden
+Ende selse lesen oft doen lesen<a href="#16.21">[21]</a>.
+</p>
+
+<p>De <i>Melibeus</i> spreekt niet alleen van <i>lezen</i> maar ook van
+<i>overlezen</i> en broeder GHERAERT, de Karthuizer-prior, neemt
+in zijn afschrift van RUUSBROECK'S <i>Tabernakel</i> ook meeningen
+van anderen op, opdat "een subtijl ende verlicht lesere yet
+orberlics<a title="[margin: nuttigs.]"><sup>#</sup></a> daer uut moghe <i>mediteren</i>"<a href="#16.22">[22]</a>.
+
+<p>Naast de voordracht van proza of pozie, die zoo gemakkelijk
+ten ooren invloeide en geen tijd liet tot overpeinzen van wat
+men niet onmiddellijk begreep, komt nu langzamerhand het
+nadenken over het gelezene, het worstelen met een stuk dat
+men niet dadelijk vat. In een vroeger door ons genoemd allegorisch
+gedicht zien wij vier personages, die elk een der
+<a name="525"></a>
+temperamenten voorstellen, bezig met een lied waarvan zij den
+zin niet kunnen vatten. Nu spreken zij af:
+
+<p class="quote">Dat si souden al ghemeen
+Studeren, peinsen, nacht ende dach,
+Bezien wiet eerst ghevinden mach<a href="#16.23">[23]</a>.
+</p>
+
+<p>Dit critisch lezen vindt een tegenhanger in het critisch vergelijken
+der onderscheiden handschriften van n werk om
+daaruit een goeden tekst samentestellen. Devote bewondering
+van RUUSBROECK'S geschriften bracht een lateren bewoner van
+Groenendaal tot het verzoek aan alle minnaars der waarheid,
+om onderscheiden exemplaren van een werk des meesters te
+vergaderen &#8222;op dat sy doch uut enighen, of nu uut den eenen,
+dan uut den anderen, den gherechten sinne vinden ende setten
+moghen."<a href="#16.24">[24]</a>.
+
+<h3><i>c</i>. CRITIEK EN THEORIE. INVLOED DER LITERATUUR.
+LETTERROEM.</h3>
+
+<p>Langs deze en dergelijke wegen ging zich de literaire critiek
+langzamerhand ontwikkelen.
+
+<p>De vorige eeuw had hare geboorte gezien uit het verschil
+in aard, temperament en smaak der menschen. MAERLANT had
+zich ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn tijd getoond,
+want in zijn werk vooral vinden wij die klachten over het
+&#8222;beniden", de &#8222;niders" en de &#8222;nidechede" onder degenen voor
+wie zijn werk bestemd was<a href="#16.25">[25]</a>. Doch in de 14<sup>de</sup> eeuw zien wij
+de critiek toenemen. BOENDALE en de auteur van <i>Der Mannen
+ende der Vrouwen Heimelycheit</i> klagen over de &#8222;beniders" evenals
+hunne voorgangers in dezen; doch in een didactisch stukje van
+een hunner tijdgenooten, zien wij de critiek zich uitbreiden ook
+tot hen die in wetenschap of muziek zich onderscheiden, en
+daardoor de ijverzucht van anderen opwekken. Want z laag<a name="526"></a>
+is de opvatting van critiek in 't algemeen nog, dat men haar
+toeschrijft in de eerste plaats aan ijverzucht of afgunst.
+
+<p>In het bovenbedoeld stukje lezen wij:
+
+<p class="quote">Predict een cleerc die waerheit
+Of toecht een zijn meesterie,
+Pijpt hi, zyncht hi, of dichte seit,
+Of spel toecht of melodye,
+Ezels ende rude saeftiere<a title="[margin: broddelaars, knoeiers.]"><sup>#</sup></a>
+Die der consten niet en weten een haer,
+Sullen bi ombekender maniere<a title="[margin: uit gemis aan ontwikkeling.]"><sup>#</sup></a>
+Haestelic vinden daer an een &#8222;maer"<a href="#16.26">[26]</a>.
+</p>
+
+<p>Doch niet alleen op andermans werk ook op eigen werk en
+talent gaat de literaire critiek zich richten.
+
+<p>De samenstellers van <i>Sinte Amands Leven</i> en van <i>de Tien
+Plaghen</i> beseffen wel dat zij geene &#8222;meesters" in de kunst
+zijn, dat &#8222;diepheit van dichtene" en &#8222;sproken van cunsten
+fijn" hunne zaak niet is. De bewerker van den <i>Spieghel der
+Sonden</i> is zich ook wel van iets dergelijks bewust; doch hij
+acht dat van geringe beteekenis: &#8222;de rime" moge van minder
+allooi zijn, wat schaadt dat, indien de <i>Spiegel</i> maar helder is<a href="#16.27">[27]</a>?
+
+<p>En dan, de critiek was niet louter afkeuring. MAERLANT
+brengt zijns ondanks hulde aan de bevalligheid der ridderpozie
+waartegen hij in later tijd te velde trok en BOENDALE volgt
+hem ook in die hulde. MAERLANT zelf werd bewonderd en
+geprezen door wie na hem kwamen en AUGUSTIJNKEN VAN
+DORDT na zijn dood geroemd als &#8222;een constenare fijn."
+
+<p>Zelfs zouden wij een oogenblik kunnen meenen, dat men
+toentertijd te onzent reeds beroeps-critici gekend heeft, wanneer
+wij gewag hooren maken van
+
+<p class="quote">Die meerkeren ende de wijsen
+Die de grote cunste prisen<a href="#16.28">[28]</a>.<a name="527"></a>
+</p>
+
+<p>Doch ook al laten wij deze plaats uit een sterk Duitsch-getint
+gedicht ter zijde, dan nog blijkt uit al het voorafgaande
+wel, dat men aan pozie en alles wat haar raakt meer gewicht
+gaat hechten dan vroeger.
+
+<p>Reeds het veelvuldig gebruik van den droom als potischen
+vorm wijst op een hooger opvatting van pozie. De dichters
+wilden hierdoor op naeve wijze te kennen geven dat pozie
+iets buitengewoons is, iets dat buiten of boven de gewone
+werkelijkheid staat. Het visioen der mystieken breidt zich
+in steeds breeder en flauwer wordende kringen over ons
+volk uit.
+
+<p>Dichtkunst en pozie worden opgenomen onder de stoffen
+van het dagelijksch gesprek, zij het dat wij daarvan vooralsnog
+slechts n bewijs kunnen bijbrengen: HILLEGAERTSBERCH
+laat &#8222;een leeck dichter" en een &#8222;clerck" zich onderhouden
+over &#8222;dichten ende const". JAN VAN HULST (of welke andere
+Vlaamsche dichter ook) acht het der moeite waard, ons het
+dichten, componeeren en opschrijven van een lied tamelijk uitvoerig
+te beschrijven.
+
+<p>Geen auteur van dezen tijd leert ons de toenmalige opvatting
+en beschouwing van dichters en dichtkunst beter kennen dan
+JAN BOENDALE.
+
+<p>In den proloog van zijne <i>Teestye</i> doet hij ons reeds eenige
+bekentenissen over zijne neiging tot en zijne beschouwing van
+pozie. Hoog is die beschouwing niet; de neiging tot pozie
+komt bij hem voort uit afkeer van ledigheid, doch tevens uit
+zijne natuur; pozie is vermoeienis des geestes, doch daarom
+verzaakt hij haar niet. Hij hoopt zich met deze &#8222;reyne onlede"<a title="[margin: bezigheid.]"><sup>#</sup></a>
+bezig te houden, zoolang God hem het leven gunt, en zijn
+talent aan te wenden ten dienste van zijn beschermer, Heer
+ROGIER VAN LEEFDALE<a href="#16.29">[29]</a>.<a name="528"></a>
+
+<p>Veel gewichtiger echter voor ons doel is het bekende hoofdstuk
+uit het derde Boek van <i>der Leken Spieghel</i>.
+
+<p>Het heeft BOENDALE getroffen, dat in zijn tijd zooveel leeken
+naast de &#8222;clercken" optreden als dichters; daarom acht hij
+wenschelijk uiteen te zetten, wat noodig is om een recht
+dichter te zijn. Wenschelijk, want: &#8222;dichten en is geen spel."
+Drie dingen zijn noodig: een dichter moet de taalkunde en
+de kunst van schrijven verstaan; waarheidlievend moet hij zijn
+en eerzaam van leven. Hij moet zich toeleggen op schoone
+taal en de woorden te voegen &#8222;elc na sinen scoonsten accoorde",
+hij moet juist schrijven en spellen, begrip hebben hoe men
+een stuk moet opzetten, voltooien, en stevigen door kracht
+van voorbeelden. Leeken, die van dit alles, de kunst der
+&#8222;gramarie", geen verstand hebben, deugen niet voor dichter;
+zij missen den onontbeerlijken grondslag.
+
+<p>Een poet moet de waarheid liefhebben. Want hij wenscht
+toch, dat men zijne geschriften leze en blijve lezen. Wordt hij
+nu op onwaarheid betrapt, dan zal men hem niet meer gelooven
+en zijn dichternaam is verloren. Er zijn bovenal twee dingen,
+waarin hij niet mag liegen: historische feiten en de Bijbel.
+&#8222;Eere wien eere toekomt", dat zij de leus van den rechten
+geschiedschrijver; onwetendheid, gunst en afgunst doen de
+waarheid vaak verzwijgen&mdash;maar men bedenke, dat leugen
+de ziele doodt en dat wij rekenschap moeten geven van elk
+ijdel woord. Terecht is JACOB VAN MAERLANT, &#8222;die vader is
+der Dietsche dichtren algader", zoo uitgevaren tegen de leugendichters,
+die met vernuft en in mooie taal allerlei onwaarheid
+verteld hebben van historische personages als KAREL DE GROOTE
+en OCTAVIANUS. Zoo vertelt men van KAREL dat hij indertijd
+uit stelen gegaan is, dat hij door zijn vader op een kar bij
+een dienstmaagd verwekt is; van OCTAVIANUS dat hij bij Leuven
+geboren is &#8222;ten Zeven Tommen"<a title="[margin: bij de zeven graven.]"><sup>#</sup></a>. Alles leugens! Zulken<a name="529"></a>
+leugenaars moest men het dichten verbieden! 't Is waar, zij
+willen de menschen iets nieuws opdisschen om er geld of eer
+mede te winnen. Ja, men vertelt wel eens verzonnen dingen,
+zoo b.v. van Reynaert en Izegrim en Bruin den beer;
+maar daar is het te doen om leering en wijsheid. God zelf
+sprak immers ook in parabelen!
+
+<p>Het tweede, waarin men geen onwaarheid spreken mag, dat
+zijn heilige boeken, levens der heiligen en alles wat tot de
+heilige Kerk behoort; want die heeft haar grondslag in JEZUS
+CHRISTUS, die alleen de waarheid is.
+
+<p>Wil hij in zijn werk de menschen op het rechte pad brengen,
+priesters en ridders deugd en wijsheid leeren, vaak hen berispen,
+dan moet hij zelf een deugdzaam man zijn. Leeringen
+wekken, voorbeelden trekken. Let eens op de dichters die
+er vroeger waren: MOZES, (FLAVIUS) JOSEPHUS, ARISTOTELES,
+CATO, SENECA, PLATO, HORATIUS, OVIDIUS, HIERONYMUS
+die den Bijbel vertaald heeft&mdash;allen dichters in eere en
+deugd. Niemand heeft ooit JACOB VAN MAERLANT op een
+leugen betrapt, want zijn leven was eerzaam, zooals een
+dichter past.
+
+<p>Dichter moet men zijn van nature; zijt gij door de natuur
+niet tot dichter gemaakt, dan zal niemand u kunnen leeren
+hoe gij het worden zult. Rechte dichters moet men op hoogen
+prijs stellen. Zij zijn onmisbaar; want de Bijbel, alle recht en
+wet, ons geloof, onze handvesten en onze geschiedenis&mdash;alles
+zou verloren zijn gegaan, hadden de dichters het niet in
+hunne geschriften bewaard.
+
+<p>Ten slotte wil ik u zeggen, wie dichters geboren zijn.
+
+<p>De een dicht om een liefje, de ander om roem te winnen,
+weer een ander om geld&mdash;maar dat is de rechte pozie niet;
+zulke menschen dichten uit winstbejag, zonder natuurlijke
+aandrift<a name="530"></a>
+
+<p class="quote">Een rechte dichtere, God weet,
+Al waer hi in enen woude,
+Dat hi nemmermeer en soude
+Van dichtene hebben danc,
+Nochtan soude hi herde onlanc<a title="[margin: zeer korten tijd.]"><sup>#</sup></a>
+Sonder dichten daer gheduren,
+Want het hoort te sire naturen:
+Hi en mochts niet laten, al woude hi.
+Dichten moet uut herten vri
+Comen ende uut claren zinne,
+Daer God behoude inne
+Elken dichter die waerheit mint.
+</p>
+
+<p>Aldus eindigt de eerste Nederlandsche potiek. Misschien
+mogen wij zeggen: de eerste Europeesche potiek die in eene
+moderne volkstaal geschreven is; mij althans is in geen der
+moderne literaturen een vroeger of gelijktijdig geschrift bekend
+dat met dit hoofdstuk van JAN BOENDALE vergeleken kan
+worden. Reeds om die reden acht ik deze verhandeling van
+groote beteekenis; doch ook om andere redenen.
+
+<p>Het had BOENDALE getroffen dat de pozie langzamerhand
+uit de handen der meistreelen en &#8222;clercken" overging in die
+der burgerij; en daar de dichters voor hem blijkbaar de dragers
+van het ideaal zijn, tracht hij de komende dichters in het
+rechte spoor te brengen. Vandaar zijne omschrijving der eischen
+waaraan een dichter behoort te voldoen. Zij moeten ontwikkelde
+mannen zijn, wier leven in overeenstemming is met hunne
+pozie. De waarheid moeten zij voorstaan, al wordt het begrip
+<i>waarheid</i> hier nog in zeer beperkten zin opgevat. Het gewicht
+van het nieuwe in de literatuur heeft BOENDALE reeds gevoeld;
+hij heeft ook beseft dat ware pozie geboren kan worden slechts
+uit belangelooze aandoening en aandrift, en niets gemeen kan<a name="531"></a>
+hebben met eenige zelfzucht. Waar hij er op wijst, hoeveel de
+menschheid aan de poten te danken heeft, herinnert hij even
+aan niemand minder dan SHELLEY die in zijne <i>Defence of
+Poetry</i> deze gedachte heeft uiteengezet met een rijkdom van
+gevoel en wetenschap en bekleed met een heerlijkheid van
+taal, waarvan de Antwerpsche schepenklerk zich geene voorstelling
+heeft kunnen vormen.
+
+<p>Doch hoe onvolkomen en gebrekkig in menig opzicht de
+berijmde verhandeling van dezen ook moge zijn, zij blijft een
+merkwaardig literair-historisch stuk. Al ware zij ook onvolkomener
+dan zij is, dan nog zouden wij BOENDALE dankbaar
+moeten blijven voor dezen eersten stap op een onbetreden weg;
+niet het minst voor die fraaie slotregels, waarin voor de eerste
+maal in deze lage landen bij de zee verkondigd is, dat men
+dichter geboren moet zijn en dat een recht dichter zingt, &#8222;al
+zong hij zichzelve' alleen"<a href="#16.30">[30]</a>.
+
+<p>BOENDALE'S uiteenzetting van den invloed der literatuur op
+de ontwikkeling der maatschappij kan worden aangevuld met
+een paar staaltjes van dien invloed, ontleend aan zijn eigen tijd.
+
+<p>MAERLANT, vervolgd door de geestelijkheid wegens zijn
+Rijmbijbel, heeft ons reeds vroeger getoond dat men de macht
+der literatuur in de volkstaal ging beseffen. MELIS STOKE maakt
+zich ongerust over de wraakzucht van het publiek; bij de
+beschrijving van een gevecht acht hij het veiliger dappere
+strijders en lafaards niet bij name te noemen; hij kent zijne
+tijdgenooten als hardhandig en geen vrienden van halve maatregelen<a href="#16.31">[31]</a>.
+In het verhaal <i>van den borchgrave van Couchi</i>
+wordt een page die een verboden lied zingt, opgehangen aan
+een boom<a href="#16.32">[32]</a>.
+
+<p>Begon de literatuur zoo eenerzijds invloed te oefenen, anderzijds
+bracht zij soms roem aan de schrijvers. De dichters van<a name="532"></a>
+<i>Sinte Amands Leven</i> en van <i>Theophilus</i> vreezen dat hun naam
+zal bekend worden en dat men dan hun werk zal toeschrijven
+aan roemzucht; Broeder GHERAERT, de Karthuizer, verbaast er
+zich over dat RUUSBROECK zoo volslagen vrij is van &#8222;ydelre
+glorin"<a href="#16.33">[33]</a>.
+
+<p>Die afwezigheid van roemzucht in den prior van Groenendale
+verhoogde zijn roem, versterkte en verbreidde zijn invloed ook
+op de auteurs die na hem kwamen. Zoo werden ook MAERLANT'S
+aanzien en invloed op latere schrijvers verhoogd door
+de vervolging waaraan hij bloot stond.
+
+<p>In VELDEKE'S invloed op de Hoogduitsche literatuur, in den
+invloed door MAERLANT en RUUSBROECK geoefend op de
+schrijvers die na hen kwamen, hebben wij in onze literatuur
+de eerste voorbeelden van de literaire vorming welke een
+volgend geslacht van het voorgaande ontvangt.<a name="533"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.1">1</a>: Vgl. Mr. S. MULLER FZ., <i>De Registers en Rekeningen van het
+bisdom Utrecht</i> (a<sup>o</sup> 1325, 1329, 1332), I, 567, 383; <i>Rekeningen der
+Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis</i> (ed. HAMAKER),
+III, p. 49, 92 vlgg.; <i>Cameraars-rekeningen</i> (ed. VAN DOORNINCK),
+I, 47, 84; II, 20, 308, 783; III<sup>1</sup>, 498, 518 (a<sup>o</sup> 1339, 1340, 1360, 1365).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.2">2</a>: Vgl. <i>Oudste Burgemeesters rekening van Middelburg</i> (a<sup>o</sup> 1364),
+uitgeg. door het Historisch Genootschap in <i>Codex Diplom. Neerl.</i>,
+1853, II, p. 5, 6. <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>, p. 267 en <i>Versl. en Med.
+Kon. Akad.</i>, 3e Reeks, XII, 164, vs. 144.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.3">3</a>: Vgl. <i>Dits et Contes de Baudouin de Cond....</i> par AUG. SCHELER,
+I, 153: <i>Li Contes des Hiraus</i>; I, 448 een citaat uit de <i>Hist. Litt.
+de la France</i>, XXIII, 272; &#8222;A la fin du XIIIe sicle la profession
+des hrauts etc."
+
+<p class="footnote">In het tweede der vier boven aangehaalde verzen staat in den tekst
+<i>lecken berden</i>. VERDAM wil hiervoor lezen: <i>leckeberden</i> in den zin van
+<i>flikflooien</i>. Doch op andere plaatsen schijnt dat w.w. niet voor te
+komen (<i>Mnl. Wdb.</i> i.v.). De emendatie blijft dus twijfelachtig voor
+mij. Wat beteekent <i>bert</i> hier? In de beteekenis <i>schotel</i> schijnt het niet
+voor te komen. Kan het misschien <i>(wapen)bord</i> beteekenen? Zoo ja,
+dan zouden wij daarin een duidelijker toespeling op de herauten
+hebben.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.4">4</a>: <i>Belg. Mus.</i>, VII, 318.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.5">5</a>: <i>Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen</i>,
+bl. 63; <i>Cam. Reken.</i>, III, 1, p. 624 (a<sup>o</sup> 1366); III, 2, p. 239 (a<sup>o</sup> 1369);
+<i>Reken. der Graf. v. Holland onder het Heneg. huis</i>, III, 385; <i>Goede
+Boerden</i>, p. 37 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.6">6</a>: Al deze sprekers worden vermeld in de excerpten der <i>Grafelijkheids-rekeningen</i>
+achter JONCKBLOET'S <i>Mnl. Dichtk.</i>, Deel III.
+COLPAERT in <i>Vad. Mus.</i>, I, 50. De Holsteinsche <i>Hopezomer</i> wordt
+a<sup>o</sup> 1392-'3 <i>jong</i> genoemd en kan dus niet dezelfde zijn als zijn
+naamgenoot de heraut.]<a name="534"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.7">7</a>: KAUSLER, <i>Denkmler</i>, III, 114.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.8">8</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 335, vs. 44 vlgg.; <i>Vierde Martijn</i>, vs. 789&ndash;791;
+<i>Van den Borchgrave van Couchi</i>, I, 94 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.9">9</a>: Die naamdichten (voor <i>Marie, Liegaert, Lauwerette, Violette
+Calle</i> e.a. volgens aanwijzing van ARNOLD in <i>D. War.</i>, I, 542) in
+<i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.10">10</a>: <i>Grimb. Oorlog</i>, I, 12&ndash;21; <i>Sp. der Zonden</i>, vs. 7739-'40;
+<i>Oudvl. Ged.</i> (ed. BLOMMAERT), III, 115; <i>Teestije</i>, vs. 1615 vlgg.;
+922 vlgg.; <i>Lekensp.</i>, III, c. 4, 190&ndash;2. Misschien zouden wij in dit
+verband ook de zonderlinge <i>Tweespraak van Scalc ende Clerc</i> moeten
+behandelen (vgl. TE WINKEL, bl. 310; ook m.i. is zij stellig niet
+van MAERLANT). Doch zoolang wij dit gedicht slechts in zoo gebrekkigen
+tekst kennen, is het beter zich van een oordeel te onthouden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.11">11</a>: Vgl. <i>N. Doct.</i>, vs. 19 vlgg.; <i>Leven Van S. Amand</i>, 1379 vlgg.;
+<i>Theoph.</i>, 28&ndash;29; <i>Mnl. Ged.</i> (ed. DE PAUW), I, 12; <i>Vaghevier van
+S. Patr.</i>, 24&ndash;26; <i>Bed. der Missen</i> aan het slot; <i>Mnl. Ged.</i> (ed.
+DE PAUW), I, 41 vlgg.; <i>S. Kerstine's Leven</i>, vs. 151&ndash;3; <i>Der Ystor.
+Bloeme</i>, 36&ndash;40, 725 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.12">12</a>: Over LOD. VAN VAELBEKE vgl. <i>Lied in de Midd.</i>, bl. 587; maar
+vooral: VANDER STRAETEN'S <i>Les Mnestrels aux Pays-Bas</i>, p. 88 suivv.
+OTTE VAN ORLEIEN, <i>Vad. Mus.</i>, II, 394; de hand van een geestelijke
+of clerck meen ik te zien in <i>Couchi</i>, II, 1628 vlgg., 1746-'7,
+2171 vlgg.; de bedoelde wapendichten in <i>Belg. Mus.</i>, V, 104 vlgg.;
+het groot aantal assoneerende rijmen in <i>Jonitas en Rosafiere</i> (zeker
+een 40-tal op 1200 verzen) zou aan een volksdichter doen denken;
+de rijmen van BOUDEN VAN DER LOREN zijn over het algemeen
+zuiver, terwijl men in de overige wenschliederen nog al wat assoneerende
+rijmen aantreft. Over JAN VAN HULST vgl. een artikel van
+ARNOLD in <i>D. Warande</i>, (N. Reeks), I, 542 en de Inleiding tot de
+<i>Oudvlaemsche Lied. en Ged.</i> Een nauwkeurig onderzoek der onderscheiden
+liederen en gedichten van dezen bundel zal misschien meer
+zekerheid brengen aangaande de makers of den maker; het komt mij
+voor dat althans de twee groote allegorische gedichten op bl. 233 vlgg.
+en 314 vlgg. van dezelfde hand zijn die vele der liederen schreef:
+op bl. 266 vindt men een viertal verzen die hier en daar letterlijk
+herinneren aan eenige uit het lied op de &#8222;kerels". Vgl. ook bl. 311&ndash;312
+met n<sup>o</sup>. 36, n<sup>o</sup>. 103, n<sup>o</sup>. 140 (de kleuren). De liederen op bl. 247, 261,
+276, 279, 280, 294, 303, 311 herinneren door vorm en inhoud aan
+vele der 145 die den bundel openen.
+
+<p class="footnote">Op bl. 459 wordt Brugge genoemd als woonplaats van den dichter;
+<a name="535"></a>
+juist dat gedicht vertoont in de aanvangsletters zijner laatste verzen
+den naam JAN MORITOEN; dezelfde als JAN VAN HULST? Over den
+zanger EGIDIUS te verg. n<sup>o</sup>. 98 en n<sup>o</sup>. 100 der <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>;
+op p. 470 van dien bundel eene klacht die aan hem doet denken;
+voorts <i>Tijdschr. v. Ned. T. en L.</i>, XI, bl. 286&ndash;7, 289&ndash;292.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.13">13</a>: <i>Belg. Mus.</i>, X, 69.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.14">14</a>: Vgl. <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XXIII, 46; <i>Leven van S. Amand</i>,
+I, 676, 2807, 3920; <i>Goede Boerden</i>, p. 4; <i>Belg. Mus.</i>, X, 69;
+KAUSLER, <i>Denkm.</i>, III, 109, 203.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.15">15</a>: De plaatsen over het <i>hooren</i> van pozie zijn, na de vroeger
+vermelde, te talrijk om mede te deelen; ieder kan ze gemakkelijk
+vinden. Vgl. overigens: <i>Vad. Mus.</i>, I, 337; <i>Belg. Mus.</i>, X, 57.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.16">16</a>: Vgl. <i>Werken</i> (ed. DAVID), I, bl. IX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.17">17</a>: <i>Het Leven van S. Kerstine</i> ondernomen op verzoek der geestelijke
+jonkvrouw FEMINE VAN HOYE; VELTHEM berijmde voor loon
+zijne voortzetting van den <i>Sp. Hist.</i> op verzoek van de Vrouwe
+VAN BERLAER; de <i>Brabantsche Yeesten</i> werden gemaakt in opdracht
+van Heer WILLEM BORNECOLVE, een aanzienlijk Antwerpenaar; de
+<i>Grimb. Oorlog</i> werd &#8222;beschreven en gedicht" op verzoek waarschijnlijk
+van een edelman (zie vs. 6167 vlgg. en 6600-'2 van het tweede deel);
+<i>Tondalus Visioen</i> voor een &#8222;edele Jonfer".
+
+<p class="footnote">De beide rekeningposten in JONCKBLOET'S <i>Gesch. der Mnl. Dichtkunst</i>,
+III, 618, 611.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.18">18</a>: DE LANGE VAN WIJNGAERDEN, <i>Geschied. van Gouda</i>, I, 187
+(omstreeks 1387).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.19">19</a>: Vgl. over dien roman <i>Middelned. Ep. Fragmenten</i>, bl. 263&ndash;4;
+voorts <i>Das Epos von Isembard und Gormond....</i> von Dr. R. ZENKER,
+Halle a.S. 1896; THEODOR FLURI, <i>Isembart et Gormond</i> (Zricher
+Diss., 1895); <i>Romania</i>, Avril, 1897, Janv. 1898.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.20">20</a>: Vgl. het merkwaardig stuk van NAP. DE PAUW in <i>Ned.
+Museum</i>, 1879.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.21">21</a>: <i>Lekensp.</i>, B. III, c. 3, vs. 969 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.22">22</a>: <i>Melib.</i>, 55&ndash;58. (Ook al komt deze plaats reeds in het origineel
+voor, dan blijft zij nog van gewicht); DE VREESE'S <i>Bijdragen</i>, bl. 15.
+Andere plaatsen waar m.i. gewag wordt gemaakt van <i>lezen</i> in onze
+beteekenis, zijn: <i>Jans Teesteye</i>, vs. 812-'4; <i>Vlaamsche Rijmkroniek</i>
+(in KAUSLER'S <i>Denkmler</i>), vs. 4124-'5; <i>Tondalus Visioen</i> in den
+aanvang (ed. BLOMMAERT, II, 31: &#8222;So wie datter neerenstelic in
+wille lesen ende de woorden merken, hi sal" enz.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.23">23</a>: <i>Oudvl. Lied. en andere Ged.</i>, bl. 268.]<a name="536"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.24">24</a>: DE VREESE, a.w. bl. 24.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.25">25</a>: <i>Alex.</i>, vs. 6, 29; <i>Merlijn</i>, 6 vlgg.; <i>Troyen</i>, 24&ndash;26; <i>Rijmb.</i>,
+I, 73 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.26">26</a>: Proloog v.d. <i>Lekensp.</i>; <i>M.e.V. Heim.</i>, vs. 25 vlgg.; KAUSLER,
+<i>Denkm.</i>, III, bl. 215.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.27">27</a>: <i>S. Amand</i>, II, 5333 vlgg.; <i>Tien Plaghen</i>, 30&ndash;33; <i>Sp. der
+Zond.</i> I, p. 218.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.28">28</a>: <i>Oudvl. Ged.</i>, III, 105; <i>Tien Plaghen</i>, vs. 43&ndash;44.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.29">29</a>: A.w. vs. 64 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.30">30</a>: <i>Licht en Schaduw</i> door SOERA RANA (I. ESSER JR.), bl. 6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.31">31</a>: A.w. (ed. BRILL), I, bl. 224; Boek X, vs. 40&ndash;151.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.32">32</a>: A.w. I, 113 vlgg., 312 vlgg. Daarbij: <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>,
+bl. 270 en <i>Brab. Yeesten</i>, V, 3181 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.33">33</a>: DE VREESE, t.a.p. bl. 13.]<a name="537"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH.</h2>
+
+<p>Een goed voorbeeld van dien invloed vinden wij in de
+persoonlijkheid en het werk van den dichter wiens naam hierboven
+staat.
+
+<p>Die persoonlijkheid en dat werk vereenigen in zich zooveel
+trekken van veertiend'eeuwsche dichters en dichtkunst, zij toonen
+ons den invloed der vroegere literatuur zooveel beter dan die
+der meeste anderen uit dezen tijd, zij voegen bij dat gemeenschappelijke
+en ontleende zooveel eigens&mdash;dat WILLEM VAN
+HILDEGAERSBERCH wel aanspraak mag maken op een afzonderlijke
+plaats in dit verhaal<a href="#17.1">[1]</a>.
+
+<p>Hij was een spreker gelijk er zoovelen waren, doch die, naar
+het schijnt, de overigen in talent overtrof; in allen gevalle is
+hij de eenige van wiens werken ons zooveel is overgebleven
+en van wien wij ons daardoor eene betrekkelijk zoo volledige
+voorstelling kunnen vormen.
+
+<p>Misschien is hij omstreeks het midden der 14<sup>de</sup> eeuw geboren,
+en gestorven niet lang na 1408. Vr 1375 moet hij reeds als
+spreker zijn opgetreden. Heeft broodsgebrek hem gedrongen tot
+het aanvaarden van dat beroep? Het is licht mogelijk. Mij ten
+minste komt het niet onwaarschijnlijk voor dat hij in n zijner
+gedichten over zich zelven spreekt waar hij een jonkman over
+zijne jeugd laat verhalen: hoewel van matigen rijkdom, leefde
+hij als een prins; zijne magen ergerden zich aan zijn gedrag
+en rieden hem aan dat leven te laten varen; maar hij stoorde<a name="538"></a>
+zich niet aan hen; toen trokken zij de handen van hem af
+en het liep mis met hem<a href="#17.2">[2]</a>.
+
+<p>Eerst in 1382 vinden wij in de rekeningen der Grafelijkheid
+van Holland gewag van hem gemaakt; uit de wijze waarop hij
+daar genoemd wordt: &#8222;WILLEM VAN HILGAERTSBERGHE, <i>enen</i>
+spreker" zou men opmaken, dat hij toen nog niet zeer bekend was
+aan des graven hof. In het volgend jaar echter schijnt &#8222;Meester
+WILLEM de spreker" reeds meer bekend te zijn geworden.
+Behalve voor mijn Heer den Grave spreekt hij niet zelden voor
+andere &#8222;hoghe heren", maar hij is, zoomin als zijne kunstbroeders,
+te grootsch om zes &#8222;nieuwe schilden" aan te nemen
+voor een rok en een paar &#8222;Henegouwsche kronen" als drinkgeld.
+Met spijs en drank als loon voor kunst is hij niet
+zooals zijne mindere gildebroeders tevreden en waar hij geen
+kans ziet een zwanepluim rijker te worden, zooals ten huize
+van Heer DIRC den Commandeur der Duitsche Orde te Leiden,
+daar licht hij zijne hielen.
+
+<p>Evenals andere sprekers en zeggers wacht hij niet altijd op
+eigen aandrift, maar vervaardigt ook wel een gedicht over een
+opgegeven onderwerp. Zoo schrijft hij op verzoek der abdisse
+van Rijnsburg iets over de Tien Geboden<a href="#17.3">[3]</a>.
+
+<p>HILDEGAERSBERCH'S werken geven een kort begrip van een
+groot deel der toenmalige literatuur: men vindt er tal van
+stichtelijke of zedekundige stukken, een paar dierfabels, een
+paar boerden, ook historische gedichten aan de tijdsomstandigheden
+ontleend. In zijn werk is de invloed van vroegere auteurs
+duidelijk zichtbaar en wij vinden er onderscheidene trekken der
+gelijktijdige literatuur in terug. Een geleerd dichter als MAERLANT
+of BOENDALE was hij allerminst; Latijn kende hij niet en
+zijne boekenkennis zal zich in hoofdzaak wel bepaald hebben
+tot den bijbel<a href="#17.4">[4]</a>. Destemeer zal hij zijn voordeel hebben gedaan
+met wat de geleerde &#8222;clercken" vr hem hadden gedicht.<a name="539"></a>
+MAERLANT'S werken, o.a. zijne strophische gedichten, zijn
+hem niet onbekend gebleven; doch meer had hij te danken
+aan het werk van BOENDALE die een paar geslachten ouder
+moet zijn geweest dan de Hollandsche spreker. Stukken van
+<i>der Leken Spieghel</i> zijn door WILLEM in zijne werken opgenomen.
+Zijn verzet tegen de materiele voorstelling dat &#8222;God
+is als een mensch gedaen", zijne eigene voorstelling dat God
+&#8222;altemale een gheest" is, herinneren ons ook aan den <i>Lekenspieghel</i>.
+BOENDALE'S beschouwing der literaire kunst is door
+HILDEGAERSBERCH overgenomen; de verzen:
+
+<p class="quote">Const is die alrehoochste schat
+Die men ter werelt ye besat.
+</p>
+
+<p>zijn een weerklank van BOENDALE'S hoofdstuk <i>Hoe dichters
+dichten sullen</i><a href="#17.5">[5]</a>.
+
+<p>Evenals voor BOENDALE heeft ook voor WILLEM de dierfabel
+slechts waarde als voertuig van nuttige leering: &#8222;Zoo
+sprac Reynaert, ende hi was vroet"&mdash;daarmede besluit hij
+een zijner dierfabels en in een andere waar hij een hond doet
+spreken, acht hij zich verplicht den lezer te waarschuwen:
+
+<p class="quote">Niet dat honden yet spreken moghen,
+Mar in 't ghelijcke wert vertoghen
+Menighe leer tot onser bate<a href="#17.6">[6]</a>.
+</p>
+
+<p>Den invloed van MAERLANT meer dan dien van BOENDALE
+zien wij in WILLEM'S beschouwing der vrouwen. Bij hem als
+bij MAERLANT vinden wij vooral den hoofschen vrouwendienst
+die zich vertoont o.a. in regels als deze uit een stuk <i>Vanden
+goeden vrouwen</i>:
+
+<p class="quote">Twaer een kaerl onwijs te weten
+Off by maten dat uut te meten,
+Wat loff den vrouwen toebehoort.<a name="540"></a>
+</p>
+
+<p>&#8222;Wat een reyn wijff waerdich is", heeft hij uiteengezet en
+ook in andere stukken zijn eerbied voor het vrouwelijk geslacht
+betuigd. Die eerbied is z groot dat hij eervergeten vrouwen
+die zich onder de eerzame mengen, bellen zou willen aanhangen
+&#8222;die lude cloncken waer si ghinghen"; op die wijze zou men
+zich voor haar kunnen wachten<a href="#17.7">[7]</a>.
+
+<p>Niet alleen door den inhoud, ook door den uiterlijken en
+innerlijken vorm zijner pozie toont WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH
+zich een kind van zijn tijd. Allegorische personages
+als Trouw en Gerechtigheid, Rede als portier, Trouwe
+als kastelein, Eer als raadsman en dergelijke komen ook bij
+hem voor. Hij bedient zich van tweespraak en &#8222;disputacie",
+hij speelt met woorden als <i>beschermen</i> dat tot <i>bescheren</i> wordt,
+met <i>vaer</i><a title="[margin: vrees.]"><sup>#</sup></a> en <i>varen</i><a href="#17.8">[8]</a>. Zijne stukken zijn, gelijk zoovele
+andere didactisch-lyrische, niet zelden in coupletten verdeeld
+en vangen nog al eens aan met eene natuurschildering. De
+stof is er op de gewone schoolsche wijze verdeeld in punten,
+die achtereenvolgens nauwgezet en degelijk worden behandeld;
+reeksen los aaneengeregen sententie's zijn ook bij hem niet
+zeldzaam.
+
+<p>Bijna alle gedichten van HILDEGAERSBERCH hebben, de strekking:
+invloed ten goede te oefenen op de menschen en de
+maatschappij. Wij weten te weinig van de pozie der overige
+sprekers om te kunnen beslissen of hij ook hier als type zijner
+soort mag gelden; doch indien de stichtelijke en didactische
+lyriek dier dagen grootendeels aan sprekers mag worden toegeschreven&mdash;en
+ik zie daartegen geen bezwaar&mdash;dan bevat
+WILLEM'S werk ook hier het meest wezenlijke van dat zijner
+tijdgenooten.
+
+<p>Overal vinden wij in zijne gedichten die opwekkingen en
+waarschuwingen om wel te leven, ten einde zalig te kunnen<a name="541"></a>
+sterven; te geven &#8222;metter wermer hant"<a title="[margin: nog bij iemands leven.]"><sup>#</sup></a>, niet gierig te zijn,
+de goede keuze te doen tusschen het tijdelijke en het eeuwige,
+indachtig te blijven dat wij &#8222;geen <i>morgen</i> hebben", dat wij
+allen &#8222;op de lange vaart" moeten. Hij wendt zich tot de hooge
+heeren met de bede om recht en billijkheid te betrachten,
+klaagt over het onrecht dat zij laten geschieden, waarschuwt
+anderen zich niet al te veel met de groote heeren in te laten.
+Den rechters houdt hij het ideaal voor oogen van den waarachtigen
+rechter: God &#8222;die elken man ghelike recht". Den steden
+wijst hij den weg om tot voorspoed te komen: onderling eendrachtig
+zijn, geld verdienen, vreemde kooplieden aanmoedigen<a href="#17.9">[9]</a>.
+
+<p>Evenals bij MAERLANT, anders dan bij BOENDALE, is bij
+WILLEM het verleden de lichte achtergrond waartegen de gebreken
+van het heden scherp uitkomen. Het heden ligt voor
+hem in het booze: Reinaert staat aan het roer en Simon<a title="[margin: verpersoonlijking der simonie.]"><sup>#</sup></a> op
+de voorplecht. Vroeger was alles zooveel beter; toen werden
+Trouw en Gerechtigheid geerd; nu denkt ieder er slechts aan
+zijn eigen kist te vullen. Midden in een of ander verhaal uit
+het verre verleden zien wij hem soms plotseling terugkeeren
+tot zijn eigen tijd, om dien tegenover het betere verleden te
+plaatsen<a href="#17.10">[10]</a>.
+
+<p>Doch het sterke idealisme dat den onafhankelijken MAERLANT
+z forsch deed spreken, missen wij in HILDEGAERSBERCH
+die leven moest van het publiek. De zorg voor het
+dagelijksch brood hing den armen spreker als een kluister aan
+het been. Hij moet oppassen niet te veel te zeggen, of hij zal
+het voelen in zijne beurs, ja in zijn maag:
+
+<p class="quote">Want een dichter moet hem hoeden
+Voer den ghenen diet sullen horen,
+Dat sijs<a title="[margin: zij het.]"><sup>#</sup></a> in nide noch in toren
+Niet en nemen dat hi maect.<a name="542"></a>
+</p>
+
+<p>Hoe nederig vraagt hij de heeren om wat geduld; het moge
+hun toch niet te lang vallen als zij goede leering hooren!
+Zijnerzijds belooft hij maat te houden:
+
+<p class="quote">Een dichter die hem wel verstaet,
+Dien dicht niet al sijns selfs begheren.
+</p>
+
+<p>Niet te lang, &#8222;dat heeft men gaern ter heren hove," en daaraan
+zal hij zich ook maar houden<a href="#17.11">[11]</a>. Vandaar in zijne gansche
+houding tegenover zijn publiek iets slaps en zwaks. Het
+hoogste waartoe hij het in dezen brengt, is zachte ironie die
+in haar soort vooral voor dien tijd verdienstelijk is:
+
+<p class="quote">Waerom souden wy trueren yet?
+Sint God die werelt werden liet,
+So ne was sy nye so wel te vreden.
+Die paeus die leeft by goeden reden
+Om te dienen onsen Heer
+</p>
+
+<p>al het volk leeft deugdzaam, in de omgeving van den paus
+kent men geen afgunst en hebzucht, bisschoppen en prelaten
+zijn rechtschapen waar men komt&mdash;meer zal ik er niet van
+zeggen.
+
+<p>Doch ironie is bij WILLEM, en over het algemeen in de
+middeleeuwsche literatuur, betrekkelijk schaarsch. Gewoonlijk
+tracht ook deze leerdichter zijn publiek rechtstreeks te overtuigen;
+doch van hoe weinig idealisme getuigen doorgaans zijne gelijkvloersche
+argumenten. De tien geboden moet men houden.
+Waarom? Men leeft langer en heeft veel minder te doorstaan
+dan zij, die ze overtreden; die overtreders immers worden zelden
+oud, hunne zorgeloosheid kost hun het leven of maakt hen
+jichtig en lam. Met &#8222;wychelinge"<a title="[margin: de zwarte kunst.]"><sup>#</sup></a> moet men zich niet afgeven:
+zij brengt geen voordeel aan. n God moet men aanbidden;
+men kan immers &#8222;met minre arbeide" n God aanbidden<a name="543"></a>
+dan vele? God moet men &#8222;te vriend houden" en eenvoudig
+weg gelooven dat Hij, onze Heer van den hemel, is n God
+en drie personen&mdash;&#8222;daer comt men by ten hoghen loon."
+Hebt gij verdriet, toon dat dan niet in uw uiterlijk: uwe vijanden
+zouden er in groeien. De heeren mogen hunne onderdanige
+schapen wel scheren, maar het vel moeten zij hun laten;
+dan kan er immers nieuwe wol op groeien! Wat overigens
+het onrecht betreft, dat moet men verdragen en zachtkens
+terecht trachten te brengen. Al deed de heer nog zooveel
+kwaad, zijne onderdanen moeten steeds
+
+<p class="quote"> smeken ende nygen<a title="[margin: vleien en buigen.]"><sup>#</sup></a>
+Om hoers heren hulde<a title="[margin: gunst, genegenheid.]"><sup>#</sup></a> te crigen.
+</p>
+
+<p>WILLEM ziet wel dat de Kerk in zijne dagen van den rechten
+weg is afgedwaald en dat vele priesters niet deugen; doch
+de leeken moeten er zich maar niet te zeer aan ergeren en
+slechts letten op wat de priesters hun <i>leeren</i>; er kan wel goed
+zaad gestrooid worden uit een slechten korf<a href="#17.12">[12]</a>.
+
+<p>Dat de roeping van den dichter is vr alles: priester der
+waarheid te zijn, hadden MAERLANT en BOENDALE WILLEM
+VAN HILDEGAERSBERCH geleerd; hij heeft getracht die leer in
+praktijk te brengen, doch zijn beroep kwam telkens met zijne
+roeping in strijd. &#8222;De waarheid wil niet gehoord zijn" dat
+was meer dan eens zijn droeve ervaring, en de omstandigheden
+dwongen hem daarin te berusten. Echter bracht die
+berusting hem niet tot lijdelijk stroomaf drijven; hij bleef roeien
+met de riemen die hij had. Ik zal leeren dicht bij het wit te
+schieten, niet het wit zelf te treffen, zegt hij in het gedicht
+<i>van den coninc van Poertegael</i>. Maar zijn eerlijk eenvoudig
+hart, verdeeld tusschen ideaal en werkelijkheid, blijft droevig
+gestemd:<a name="544"></a>
+
+<p class="quote">Hoe sal ic dan, arme oude,
+Die gaerne die waerheit spreken soude,
+Der heren gunst of hulde verwerven?
+</p>
+
+<p>In die verdeeldheid, in die droevige stemming is hij waarschijnlijk
+blijven verkeeren tot zijn dood.
+
+<p>Hij had de Fortuin gezocht oost en west, maar nooit gevonden.
+Doch al was zijn voorspoed naar de wereld gering,
+hij wilde zijn loon verwachten van God, zijn lijden geduldig
+dragen. Had het sprekerswerk hem geen stoffelijke winst gebracht,
+ook den invloed, door hem als dichter geoefend,
+schatte hij gering. Wat werkt al ons dichten en verzinnen uit?
+vraagt hij ergens, en met lichten spot antwoordt hij zelf: de
+menschen worden tegenwoordig z deugdzaam, dat matiging
+en billijkheid in hen blijven als in bodemlooze vaten. Elders
+klinkt het zonder spot en mismoedig:
+
+<p class="quote">Oft al om niet is dat ic doe,
+Wat sel dan arbeit onderstaen?<a title="[margin: Waartoe mij dan moeite gegeven?]"><sup>#</sup></a>
+</p>
+
+<p>Hij gaat zijn leven als spreker nog eens na: hoeveel schoone
+&#8222;exempelen" heeft hij voor de heeren gesproken; al zijn verzen
+spraken van rechtvaardigheid en eer te betrachten; hoe liefelijk
+men treedt op het pad naar den hemel&mdash;hoe vuil het pad is
+dat ter helle voert. Maar weinig hebben de menschen er zich
+om bekommerd; zij hebben den achterkant naar voren gekeerd
+
+<p class="quote">Dus clop ic veel an doofmans deur;
+Al roep ic lude, en mach niet in.
+</p>
+
+<p>Zijne tijdgenooten zijn gestorven of verdwenen, hij zelf wordt
+vergeten, zijne ledematen gaan hem begeven, hij hoort het
+vesperklokje luiden. Zelf is hij moede en verlangt naar rust.
+Eindelijk komt de man "met het witte kleed",.die niemand
+spaart, ook hem halen. In April 1409 kocht graaf WILLEM VI<a name="545"></a>
+een boek &#8222;dairin stonden vele schoonre sproken, die Willem
+van Hillegairtsberge gemaeckt hadde"; dat zal wel de voornaamste
+nalatenschap van onzen spreker geweest zijn<a href="#17.13">[13]</a>.
+
+<p>Die nalatenschap zou er misschien anders hebben uitgezien,
+indien zijn talent zich onder gunstiger omstandigheden had
+kunnen ontwikkelen. Want eenig talent had WILLEM VAN
+HILDEGAERSBERCH wel. Zijne vergelijkingen zijn niet zelden
+aardig gevonden; zoo b.v. die van de stichtelijke woorden,
+die langs de meeste kerkgangers afglijden als hagelsteenen
+langs de kleeren. Hoe goed van waarneming is dat huiselijk
+tooneeltje, waar wij middeleeuwsche huisvrouwen aan het
+spinrokken zien, terwijl de jonge kuikens met de klokhen om
+haar heen in de zon loopen. De vergelijking van het leven bij
+een zeereis is ook verdienstelijk uitgewerkt<a href="#17.14">[14]</a>.
+
+<p>Vertellen kan WILLEM ook wel; dat blijkt ten deele uit zijne
+fabels en de sproke <i>van Sinte Gheertruden min</i>, maar vooral
+uit de twee boerden <i>van het gestolen varken</i> en <i>van den Monnik</i><a href="#17.15">[15]</a>.
+Welk een levendigheid en gang is in die verhalen, al worden
+zij hier en daar vertraagd door de zucht tot leering en vermaning;
+welk een talent van waarnemen en voorstellen; welk een
+blijkbaar welbehagen ook in de behandelde stof! De door den
+duivel bedrogen monnik vooral is kostelijk! Aan zin voor
+echten volkshumor paarde deze spreker een loffelijk vermogen
+van waarneming. Dat vermogen toonde hij in zijne verhalen;
+hij toont het ook waar hij anderer of eigen gemoedsleven afbeeldt.
+Hoe juist heeft hij die zwakke en zorgelooze menschen gezien,
+die zich geene behagelijke zonden willen ontzeggen en denken:
+als wij ouder worden zal onze zinnelijkheid vanzelf wel afnemen
+en onze &#8222;nature vercouden". HILDEGAERSBERCH heeft het eerst
+de verveling van den traag voortkruipenden tijd beseft en in
+woorden gebracht:<a name="546"></a>
+
+<p class="quote">Als my die tijt verlanghen dede,
+So had ic ziecte ende onghevoech,
+Ic hoorde wat die clocke sloech,
+Die tijt, die ghinc van ure tot uren<a href="#17.16">[16]</a>.
+</p>
+
+<p>Meer dan een zijner kleinere stukken mag bevallig worden
+genoemd. Zoo b.v. dat gedicht op het scheiden, dat aanvangt:
+
+<p class="quote">Ic heb op<a title="[margin: tegen.]"><sup>#</sup></a> scheyden horen spreken,
+Dattet vroechde mochte breken
+Onder tfolc, verre off naer,
+Die uut dier nature beke
+Mit ghenoechten soude leken,
+En dede<a title="[margin: indien er niet was.]"><sup>#</sup></a> der argher nyders schaer,
+Die menichwerve binnen der weken
+Goet gheselscap doen versteken,
+Die liever bleven tsamen daer,
+Al moeten si scheiden ane vaer<a title="[margin: zonder vrees.]"><sup>#</sup></a><a href="#17.17">[17]</a>.
+</p>
+
+<p>Ook is er in zijne pozie hier en daer iets persoonlijks, dat
+ons in een middeleeuwsch dichter door zijne zeldzaamheid treft
+en dat wij vr dezen slechts een enkelen keer hebben aangetroffen
+bij MAERLANT, waar hij zijne grijze haren in den spiegel
+ziet. Ik heb het oog o.a. op een reeds vroeger vermeld stuk,
+dat wel een van des dichters laatste zal zijn:
+
+<p class="quote">Ic bin al moede, ic wil gaen rusten;
+Van des mi wilen<a title="[margin: vroeger.]"><sup>#</sup></a> plach te lusten
+Des wordic sat, en weet niet hoe.
+ enz.<a href="#17.18">[18]</a>
+</p>
+
+<p>Ook op de inleiding van het gedicht <i>Van Ghilden</i>, waar hij
+op zoo naeve wijze getuigt hoe onzeker en schroomvallig hij
+zich gevoelt door zijn gemis aan kennis en ontwikkeling. Altijd<a name="547"></a>
+is hij bang in strijd te komen met &#8222;die scrifture", wanneer hij
+iets gemaakt heeft. Die &#8222;anxte zwaer" voor de wijsheid, die in
+geschriften ligt opgetast, benauwt hem, drukt op zijn denken
+en zijn verbeelding, als het net op een vogel. Denkt hij over
+iets na, dan schiet hem tevens te binnen dat dit alles misschien
+lang en breed in een of ander geschrift te vinden is:
+
+<p class="quote">Want die clergie<a title="[margin: de geleerden.]"><sup>#</sup></a> is so subtijl:
+Daer ic om peynse lange wijl,
+Dat vinden sy varinc<a title="[margin: schielijk.]"><sup>#</sup></a> inder scrift;
+Dit doet dat ic met anxten dicht.
+Anxte die heeft my veel becoort,
+Als ic dichte of brenghe voort
+Enigherhande hoghe sake<a href="#17.19">[19]</a>.
+</p>
+
+<p>In die stemming moet hij dikwijls verkeerd hebben en het
+behoeft geen betoog dat zijne pozie daaronder geleden heeft.
+De boerde <i>van den Monnik</i> en, in mindere mate, die <i>van het
+gestolen varken</i> toonen ons wat hij kan, indien hij zich durft
+laten gaan; doch vermoedelijk zal hij zelf deze stukken niet
+hoog hebben gesteld. Opmerkelijk is het, wat er onder
+zijne handen wordt van de fraaie geestelijke romance <i>van
+Sinte Gheertruut</i><a href="#17.20">[20]</a>. WILLEM'S bewerking heeft meer dan
+driemaal den omvang van de romance; in dichterlijke waarde
+echter overtreft het lied van den volksdichter de sproke van
+den spreker: de eerste is een werk van verbeelding, de
+laatste hoofdzakelijk verstandswerk. Het is er HILDEGAERSBERCH
+van den aanvang af om te doen, zijnen hoorders de
+beteekenis van de Sint-Geerteminne uit te leggen; ook andere
+deelen der stof wenscht hij voor het verstand zijner hoorders
+aannemelijker te maken, zoo b.v. de reden waarom SINTE
+GHEERTRUUT juist tot SINT JAN zich zoozeer aangetrokken voelde.
+Het gansche verhaal trouwens geeft hij aan zijn publiek ter leering:<a name="548"></a>
+
+<p class="quote">By desen <i>exempel</i> moochdi leren,
+Dat hem nyemant en laet bedrieghen.
+</p>
+
+<p>en hij verzuimt niet zich meer dan eens tot zijne hoorders te
+richten met een stichtelijke waarschuwing of opwekking.
+
+<p>De ridder in de sproke is, evenals zijn maker, iemand in
+wien het verstand overheerscht, die redeneert, en, waar hij
+eens onverstandig handelt, daarover door den dichter berispt
+wordt: &#8222;Doe en dede hi niet als die vroede." Hij gevoelt wel
+liefde voor SINTE GHEERTRUUT, doch het is hoofsche liefde:
+
+<p class="quote">Ghestade te bliven in horen dienst
+Sonder enich dorperheit;
+</p>
+
+<p>De ridder in het volkslied is een type van gewone menschelijkheid;
+hij houdt van eten en drinken en tournooien en ledigt
+den beker tot den bodem; hij kan zijn hartstocht voor de schoone
+non tenauwernood bedwingen: als hij haar in het klooster eens
+niet mag zien of spreken, vreest hij dat zijn hart breken zal.
+
+<p>Uit verbeelding en hartstocht ontstond in het lied de pozie
+die uit de sproke geweerd is door zucht tot leering en stichting.
+Nergens blijkt dat zoo duidelijk als bij het eerste afscheid van
+den ridder, wanneer hij al zijn goed in den dienst van SINTE
+GHEERTRUUT heeft verteerd. De overeenkomstige deelen van
+beide gedichten volgen hieronder:
+
+<table>
+<tr><td><p class="quote"> <i>Lied</i> (c. 10&ndash;14).
+
+Drie jaer lanc heeft die ridder dit
+ [ghepleghen,
+Des so en heeft hi niet behouden:
+Sijn schat ende sijn goet heeft hem
+ [altemael begheven,
+Des hadde die ridder also groten rouwe.
+&#8222;Adieu, goet lief ende blijft ghesont,
+&#8222;Adieu, ende ic moet immer van u
+ [scheiden!
+&#8222;Die wech en is mi niet becant,
+&#8222;Te dwalen aen gheenre wilder heiden.
+
+&#8222;Och, lacy, god, het is altemael verloren:
+&#8222;Wat coste dat ic daaraen hebbe geleit!
+&#8222;Hadde ic dat so wel gheweten te voren,
+&#8222;Ic woude van der joncfrouwen hebben
+ [ghescheiden."
+
+Dus is die ridder uutghestreken
+In eenre duustre avontstont,
+Hi is gaen dwalen aen gheenre wilder
+ [heiden,
+Die wech en was hem onbecant.
+
+Doe dat quam omtrent der middernacht,
+Druc ende liden so ghinc den ridder an,
+Die viant<a title="[margin: de duivel.]"><sup>#</sup></a> die hadde
+ [hem also schier verwracht,
+Hi stont gheschapen of dat waer een man.</p></td>
+<td><p class="quote"> <i>Sproke</i> (vs. 148&ndash;170).
+
+Daer nae wart hi des ghevens mat,
+Want sinen staet die quam ten
+ [ende.
+Doe was die ridder in ellende,
+Ende hi en wiste hem ghenen raet:
+Dat dede, hi most sijn hoghe staet<a name="549"></a>
+Dalen laten aen sinen danck.
+Doe wort sijn hope al te cranck,
+Ende hi dochte in sijn moet:
+&#8222;Al creghe ic dese joncfrou goet,
+&#8222;Ic en mochtse niet in eren
+ [houden,
+&#8222;Waer op so willic mi verhouden
+&#8222;Off verstroyen tenighen tijden?"
+Doe most die ridder sorghe lyden,
+Des hi onghewone was
+Daer te voren, als ic las.
+Ende als hi stont in dit ghepeyns
+Ende dochte harwaert ende
+ [gheyns,
+Doe quam die bose tot hem
+ [ghegaen
+Ende was recht als een man
+ [ghedaen.
+So wye dat in wanhope sy,
+Daer is die vyant gheerne by;
+Want hy en<a title="[margin: hem.]"><sup>#</sup></a> dan best
+ [becoren mach,
+So poecht hire om nacht ende dach.</p></td></tr></table>
+
+<p>Maar ook elders in de beide gedichten: het sluiten van het
+contract met den Booze, het drinken van den beker van Sint-Geerteminne,
+de tweede samenkomst van den ridder met den
+duivel zien wij dergelijke tegenstellingen als in de boven
+medegedeelde stukken. Opmerkelijk is ook, dat bij die tweede
+samenkomst in het volkslied SINTE GHEERTRUUT, blijkbaar
+onzichtbaar voor den ridder achter hem te paard gezeten,
+den Booze ontzag inboezemt. HILDEGAERSBERCH die dit voor<a name="550"></a>
+eene heilige minder passend zal hebben gevonden, maakt er
+geen gewag van.
+
+<p>De indruk, dien WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH'S persoon
+en werk ten slotte bij ons achterlaten, heeft iets droevigs: een
+dichter van eenig talent die gaarne zijne roeping als dichter
+zoo goed mogelijk zou vervullen, daarin belemmerd of verhinderd
+door den dwang van zijn beroep; dien de ontwakende
+wetenschap schroomvallig maakt, zoodat hij zich niet durft laten
+gaan; die zich verplicht acht, echte pozie waar hij die bij een
+ander vindt, weg te werken voor leering en stichting; die
+scheidt uit dit leven in de neerdrukkende overtuiging dat hij
+tevergeefs heeft geleefd.
+
+<p>Echter, ook z is hij den geschiedschrijver lief als een
+merkwaardig type van de dichters der 14<sup>de</sup> eeuw; merkwaardig
+ook als vertegenwoordiger der kleine Hollandsche volkseenheid
+waartoe hij behoorde. Stond MELIS STOKE nog vijandig tegenover
+de Vlamingen&mdash;deze Hollander vond zijne voorname leermeesters
+in den Vlaming MAERLANT en den Brabander BOENDALE.
+In HILDEGAERSBERCH'S werk zien wij voor het eerst
+dien ontwikkelenden invloed, door het Zuiden op het Noorden
+geoefend, waarvan wij ook in het vervolg van dit werk meermalen
+zullen gewagen.<a name="551"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.1">1</a>: Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken
+door BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts
+naar hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk
+overzicht van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld
+in <i>jahrbuch d.V.f.N. Sprachf.</i>, XII, 106; XV, 39 flgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.2">2</a>: <i>Ged.</i>, bl. 127.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.3">3</a>: Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op de <i>Gedichten</i>,
+bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot
+de <i>heren</i> o.a. bl. 16, 23&ndash;24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127&ndash;8;
+109, 167; 111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14&ndash;18; 166, 224; 183, 115;
+216, 257. <i>Van den X Gheboeden</i> op bl. 12 der <i>Gedichten</i>.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.4">4</a>: <i>Ged.</i>, bl. 45, 32&ndash;34; 71, vs. 14&ndash;17; 155, 153&ndash;4.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.5">5</a>: <i>Ged.</i>, bl. 173, 131&ndash;2.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.6">6</a>: <i>Ged.</i>, bl. 21, 82; 90, 68 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.7">7</a>: <i>Ged.</i>, p. 73, n<sup>o</sup>. 34; 195, 38&ndash;42; p. 240 (n<sup>o</sup>. 114). Over den
+invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot de <i>Stroph. Ged.</i> (edd.
+FRANCK en VERDAM), p. LXXXIX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.8">8</a>: <i>Ged.</i>, bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65&ndash;7; 71, 25 vlgg.;
+149, vs. 46.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.9">9</a>: Vgl. o.a. <i>Ged.</i>, 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61,
+5&ndash;8; 107, 18; 156, 77&ndash;78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139,
+61; 96, 104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139&ndash;141.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.10">10</a>: <i>Ged.</i>, 25, 8; 36, 12&ndash;25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123;
+55, 190; 146, 290&ndash;2.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.11">11</a>: <i>Ged.</i>, 164, 26; 109, 149 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.12">12</a>: <i>Ged.</i>, bl. 40 (n<sup>o</sup>. XIX <i>Van Mer.</i>); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101,
+73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.13">13</a>: Opvatting zijner taak als dichter vgl. <i>Ged.</i>, 16, 1; 45, 18&ndash;20;
+53, 1; 66, 9&ndash;10; 169, 10&ndash;23; 247, 5&ndash;7. Over zijn zwerven en zijn
+tegenspoeden, bl. 183 (<i>Van der Avontuer</i>); invloed zijner pozie:<a name="552"></a>
+<i>Ged.</i>, 226, 17&ndash;21; 236, n<sup>o</sup>. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66,
+vs. 9&ndash;10; 183, 1&ndash;8; 236, n<sup>o</sup>. 111; 239, n<sup>o</sup>. 113; 249, n<sup>o</sup>. 119.
+Voorstelling van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201,
+121-'2; 202, 213-'6. Nalatenschap <i>Inleid.</i> tot de <i>Ged.</i>, IX.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.14">14</a>: <i>Ged.</i>, 2, 116&ndash;117; 31, 109&ndash;132; 245, 137&ndash;150.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.15">15</a>: De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche
+fabliau <i>du Boucher d'Abbeville</i> (Recueil de Fab. van Montaiglon et
+Raynaud, III, 227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.16">16</a>: <i>Ged.</i>, 242, 36.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.17">17</a>: <i>Ged.</i>, bl. 116.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.18">18</a>: <i>Ged.</i>, bl. 236.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.19">19</a>: <i>Ged.</i>, bl. 117; vgl. ook vs. 16 &#8222;mit anxten zeer bevaen" en
+vs. 20, 23.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.20">20</a>: In <i>Het Lied in de Middeleeuwen</i>, bl. 605 vlgg. is door mij
+aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide
+gedichten (vgl. bl. 616&ndash;617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat
+het volkslied het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH
+is omgewerkt. Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht
+van H. de vermelding van eene bron vinden in vs. 162: &#8222;als ic las."]<a name="553"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>DIRC POTTER.</h2>
+
+<p>Naast het werk van HILDEGAERSBERCH plaatsen wij dat van
+DIRC POTTER als een ander type van veertiend'eeuwsche
+dichtkunst.
+
+<p>POTTER, een Hollandsch edelman, diende eerst graaf ALBRECHT,
+later WILLEM VI, daarna Vrouwe JACOBA als secretaris.
+In die hoedanigheid vergezelt hij zijne meesters op reis en
+wordt ook wel met zendingen belast; een tijd lang vervult hij
+den post van baljuw van den Haag. Voor zijne getrouwe diensten
+wordt hij door Graaf WILLEM beloond met de hofstede ter Loo
+in het ambacht van Voorburg, waar een paar eeuwen later een
+andere secretaris van Hollandsche vorsten zich een buitenverblijf
+zou stichten.
+
+<p>Toen hij in 1428 gestorven was, bleef JACOBA zijne goede
+diensten in dankbare gedachtenis houden; de zoon van den
+trouwen dienaar, GERRIT POTTER VAN DER LOO, zag het erf,
+hem door zijn vader nagelaten, met nog vijftien morgen lands
+vergroot<a href="#18.1">[1]</a>.
+
+<p>In zijne jonge jaren, aldus vertelt POTTER zelf ons, werd
+hij met een geheime zending naar Rome belast. Hij bleef er
+langer dan een jaar. Overviel hem bij wijlen de melancolie&mdash;zou
+het geen heimwee zijn geweest?&mdash;dan ging hij wandelen
+langs een stroomend water. Daar verschijnt hem vrouw Venus
+die hem opwekt in een gedicht &#8222;den loop der minne" te beschrijven,
+opdat ridders, edele vrouwen en schildknapen daaruit
+mogen leeren wat liefde en minne is. Aan die opwekking gaf<a name="554"></a>
+hij gehoor en schreef het werk, dat door hem zelven <i>der
+Minnen Loop</i> is genoemd<a href="#18.2">[2]</a>. Mogen wij POTTER'S voorstelling
+van zaken naar de letter opvatten, dan had hij, toen hij zijn
+gedicht schreef, met de liefde afgerekend. Zelf had hij meer
+last dan lust van haar gehad: &#8222;wat hij jaagde, bleef ongevangen";
+den zoeten drank had hij nooit gedronken<a href="#18.3">[3]</a>. Nu wilde hij
+jongeren met zijne ervaring van dienst zijn, hun het rechte
+pad wijzen, hen waarschuwen voor het kwade.
+
+<p>Doch van welken aard zijne beweegredenen ook mogen geweest
+zijn, in allen gevalle moet zijn werk worden aangeduid
+als een <i>leerdicht</i>. De woorden <i>leer</i> en <i>leeren</i> vloeien hem telkens
+uit de pen: &#8222;had hij maar gedacht aan zijne leer!" zegt
+hij van een ongelukkigen minnaar, die niet op zijne hoede is
+geweest en ten gevolge daarvan met een hamer &#8222;opten cop"
+werd geslagen, zoodat hij nooit meer een minnebrief schreef.
+&#8222;Denkt maar aan deze leer!" zegt hij tot de minnenden, &#8222;dan
+dwaalt gij niet van het rechte pad af." Een minnaar moet <i>leeren</i>;
+vr alles moet hij geduld leeren: vrouwen zijn veranderlijk,
+haastigheid is nooit goed, en dan: de boom valt immers niet
+met den eersten slag?
+
+<p>In overeenstemming met het karakter van het leerdicht heeft
+POTTER zijn werk verdeeld in vier boeken, die achtereenvolgens
+handelen over dwaze, goede, ongeoorloofde en geoorloofde
+liefde. In de goede reine liefde onderscheidt hij weer vier
+graden, zooals de mystieken die in de goddelijke liefde
+aannamen. De inhoud dier boeken bestaat in tal van meer of
+minder bekende liefdesgeschiedenissen, telkens besloten met een
+les of eene waarschuwing; niet zelden ook gaat een of andere
+algemeene zedekundige stelregel vooraf en dient het dan volgend
+verhaal als &#8222;exempel". Tusschen <i>der Minnen Loop</i> en
+een leerdicht als <i>De Spiegel der Zonden</i> is dus alleen dit verschil,
+dat de liefde hier de plaats der hoofdzonden inneemt en dat<a name="555"></a>
+de &#8222;exempelen" in het eerste werk meer plaats beslaan dan in
+het laatste. Ook de neiging tot spreuken en spreekwoorden en
+wendingen als: &#8222;kinder mijn", &#8222;salighe wiven", &#8222;lieve vrienden"
+ontbreken hier niet. Dat deze leerdichter slecht te spreken is
+over den &#8222;scalken vos Reynaert", kan ons niet verwonderen<a href="#18.4">[4]</a>.
+
+<p>Evenals de overige leerdichten is ook <i>der Minnen Loop</i> een
+vrucht vooral van lectuur. De secretaris der Beiersche graven
+van Holland was een groot lezer, zooals hij zelf ons meer dan
+eens vertelt. De Godheid contempleeren, dat liet hij den theologen,
+de medici mochten zich moeien met hetgeen den zieken
+te pas komt, de wetgeleerden met hunne codices en digesten&mdash;&#8222;poten
+ende historin zanck" dat was wat hem smaakte.
+Vrouw Venus zelve wekt hem dan ook op, allerlei liefdesgeschiedenissen
+in zijn geheugen terug te roepen om ze aan
+anderen opnieuw te vertellen.
+
+<p>Tal van verhalen, aan OVIDIUS' <i>Herodes</i> en <i>Metamorphosen</i>
+of aan den Bijbel ontleend, zijn door POTTER in zijn werk
+gevlochten: <i>Pyramus en Thisbe</i>, <i>Hero en Leander</i>, <i>Phoedra en
+Hippolytus</i>, <i>Ahasverus en Vasthi</i>, <i>David en Michol</i>, <i>Jacob's
+dochter Dina</i> zijn eenige der meest bekende. Ook van elders
+heeft hij zijne stoffen ontleend; hij kent blijkbaar het werk van
+den Duitschen &#8222;minnesinger" NEIDHART VON REUENTAL (&#8222;Heer
+Nytert van Ruwendael"), den roman <i>van Tristan en Isolde</i> en
+WOLFRAM VON ESCHENBACH'S <i>Titurel</i>; ook de romans <i>van
+Malegijs</i> en <i>van Parcival</i> en eene novelle als die <i>van Griseldis</i>,
+hier onder den naam <i>van Orphaen en Lympiose</i><a href="#18.5">[5]</a>). POTTER
+is zoozeer vervuld van zijne literaire herinneringen, dat hij
+soms een beroep doet op de lectuur van zijn publiek. In het
+verhaal <i>der Borchgravinne van Vergi</i> dat ook door hem in zijn
+werk is opgenomen, zegt hij tot zijn lezers of hoorders:
+
+<p class="quote">Dat hebdi lichte ghelesen mee.<a name="556"></a>
+</p>
+
+<p>De heldin van een zijner verhalen, PERNELLA, leest in een
+of ander geschrift dat men in een liefdesbetrekking goeden
+dienst kan hebben van een vertrouweling; eerst die mededeeling
+brengt haar op de gedachte zich te verzekeren van de hulp
+eener kamenier. Aan het slot van zijn werk verzuimt POTTER
+niet, de eerbare vrouwen eraan te herinneren dat de dichters,
+zooveel over haar geschreven hebben<a href="#18.6">[6]</a>.
+
+<p>Het is begrijpelijk, dat in het werk van een auteur die
+zooveel las, zich de invloed der vroegere literatuur vertoont;
+dat denkbeelden en opvattingen, langzamerhand door de
+literatuur tot gemeen goed geworden, in zijn werk worden
+aangetroffen.
+
+<p>De kleurensymboliek die wij hier en daar in <i>der Minnen
+Loop</i> vinden; het ontstaan van een dichtwerk uit eene &#8222;fantasie"
+waarin de dichter eene verschijning ziet; eene &#8222;vraghe" door
+den auteur aan zijn publiek gesteld, en die hij zelf niet kan
+&#8222;solveren"; het noemen van zijn naam in de aanvangsletters
+der slotregels van zijn gedicht&mdash;dat zijn altemaal trekken die
+wij ons uit de pozie vr POTTER herinneren<a href="#18.7">[7]</a>.
+
+<p>De gansche voorstelling der liefde als een &#8222;verband der
+herten" herinneren wij ons reeds uit den <i>Wapene Martijn</i>. En
+waar wij POTTER met nadruk hooren beweren dat alle verschil
+van stand voor de liefde moet wijken en met blijkbare instemming
+vermelden dat de gemaal van LYMPIOSE deugd boven
+afkomst stelde, zouden wij ook daar niet aan MAERLANT'S
+invloed moeten denken?
+
+<p>Eene herinnering aan HILDEGAERSBERCH vinden wij misschien
+in POTTER'S klacht over zijn vijand &#8222;die avontuyer", die hem
+in de minne altijd ongunstig was geweest. BOENDALE'S invloed
+zien wij in de gelijkstelling van leeken en geestelijken; die wij
+aantreffen in deze regels:<a name="557"></a>
+
+<p class="quote">Elck dient bijsonder sinen God:
+Soe wael dient Gode Hein ende Han<a title="[margin: Jan, Piet en Klaas.]"><sup>#</sup></a>,
+Ghelijck doet een begheven man<a title="[margin: kloosterling.]"><sup>#</sup></a>,
+Al staet die een in hogher scouwe.
+</p>
+
+<p>Ook in POTTER'S verheffing van het huwelijk boven den
+ongehuwden staat en in zijn onderscheiding van <i>vrouwen</i> en
+<i>wiven</i> mogen wij staaltjes van BOENDALE'S invloed vermoeden<a href="#18.8">[8]</a>.
+
+<p>Het spreekt vanzelf, dat in het laatste geval behalve met
+BOENDALE'S invloed rekening moet gehouden worden met den
+ganschen tijdgeest; immers ook in dit onderscheid openbaarde
+zich die vrouwendienst die zulk een gewichtig aandeel heeft
+gehad in de gemoedsontwikkeling der moderne volken.
+
+<p>Het loont de moeite na te gaan, hoe die vrouwendienst door
+dezen Hollandschen edelman is opgevat, wat hij daaruit heeft
+overgenomen en in hoever zijn oorspronkelijk wezen daardoor
+ongewijzigd is gebleven.
+
+<p>Met DIEDERIC VAN ASSENEDE en zoo menig ander hoofsch
+dichter van vroegeren tijd is POTTER het eens, dat geen recht
+begrip van liefde kan wonen in &#8222;rude menschen van grover
+aert": boeren, visschers, slagers, smeden, spitters en delvers,
+monniken, schippers en allerlei ambachtslui zijn nooit door de
+liefde ten verderve gevoerd. Toch maakt hij ne uitzondering
+en wel voor hen &#8222;die van naturen edel sijn" en die hij plaatst
+nevens de lieden &#8222;van goeder gheboort". Hij kan zich wel
+voorstellen dat een minnend paar waant in het bezit te zijn
+van &#8222;een graal van zaligheid". Minachtend laat hij zich uit
+over huisbakken jongens die te dikhuidig zijn om de liefde te
+begrijpen. Overal houdt hij in zijn werk de eer hoog. Zijn
+kieschheidsgevoel is reeds vrij ontwikkeld: bij verhalen als dat
+van PASIPHA en van VIRGILIUS' wraak op een meisje dat hem
+in een mand ten toon had gesteld, schaamt hij zich voor zijne<a name="558"></a>
+hoorderessen of lezeressen en verontschuldigt zich over zulke
+mededeelingen. Ook heeft hij een goeden dunk van de vrouwen
+zijner dagen; hij twijfelt er niet aan dat men er onder de
+eerbare goede vrouwen nog wel zou vinden die voor hare
+mans zouden willen sterven<a href="#18.9">[9]</a>. Maar niet zoozeer is hij in
+bewondering voor de vrouwen of hij blijft indachtig dat zij
+toch menschen zijn en veranderlijke menschen, die wel eens
+&#8222;neen" zeggen als zij &#8222;ja" meenen. De vrouw moet &#8222;heer" zijn
+en de man &#8222;knecht"&mdash;ja, zegt POTTER, dat geldt voor de
+rechtbank der liefde, maar in het huwelijk is het iets anders:
+&#8222;daer sal die man een voocht<a title="[margin: de baas.]"><sup>#</sup></a> wesen".
+
+<p>Al die liefde en vrouwendienst is heel mooi, maar ten slotte
+staat toch de huwelijksliefde het hoogst. In overeenstemming
+daarmede handelt het tweede boek dat verreweg het omvangrijkst
+is, over de &#8222;goede reine minne"; het derde, verreweg het
+kleinste, over de ongeoorloofde liefde<a href="#18.10">[10]</a>.
+
+<p>In zulk eene beschouwing van vrouwen en vrouwendienst
+kon bezwaarlijk plaats zijn voor eenig medegevoel met den
+hartstocht. Eene liefde als die van MEDEA, DIDO, HELENA,
+ARIADNE, rangschikt POTTER dan ook onder de &#8222;gecke minne".
+Hartstocht die aan een minnaar of eene minnares het leven
+kost, daar kan hij niet bij:
+
+<p class="quote">Om sulc wee te bliven doot,
+Dat en docht mi sijn gheen noot.
+</p>
+
+<p>HERO zou hem bijna verteederd hebben. Wanneer hij de
+droeve geschiedenis dezer twee koningskinderen die elkander
+zoo lief hadden, verteld heeft en hoe HERO met LEANDER'S
+lijk in zee springt, dan geraakt hij zelf onder den indruk en
+stemt een lofzang aan voor de trouwe liefde:
+
+<p class="quote">O edel vrouwe ende goede man,
+Hier sal men truwelic deyncken an.<a name="559"></a>
+Hier liet truwe<a title="[margin: trouwe.]"><sup>#</sup></a> truwe bliken.
+Der truwen en woude sy niet bezwiken.
+Die wile si leefden waren sy
+Onverscheiden ende wandels vry:
+Dus sijn sy in der lesten noot
+Onghescheiden ghebleven doot.
+Daer wrocht Venus den rechten aert.
+</p>
+
+<p>Maar te rechter tijd komt hij nog tot bezinning en besluit
+zijn lofzang met:
+
+<p class="quote">Nochtan waer beter tlijff[het leven.] ghespaert,
+Also als ic voer hebbe bescreven.
+</p>
+
+<p>Liefde is goed, maar&mdash;getemperd:
+
+<p class="quote">Minne sal sijn te maten heet,
+Te maten cout ende wail ghesmeet
+....
+Vrou mate is een edel vorstinne.
+</p>
+
+<p>Hollandsche bezadigdheid kwam hier in botsing met uitheemschen
+hartstocht, Hollandsche zedelijkheid met gedealizeerde
+zinnelijkheid. Toch is POTTER'S gevoel van zedelijkheid niet
+bijzonder hoog ontwikkeld. Kan een minnend paar zich volstrekt
+niet bedwingen, dan moeten zij hun gang maar gaan&mdash;indien
+het dan slechts heimelijk gebeurt, zoodat de eer naar de wereld
+ongeschonden blijft. De wagenmenner MIRTHOS helpt door
+bedrog zijn meester PELOPS aan het bezit der schoone
+HIPPODAMIA; PELOPS heeft MIRTHOS zijn deel in dat bezit
+beloofd; als MIRTHOS zijn meester nu komt manen om de
+vervulling der belofte, werpt PELOPS hem in zee waar hij verdrinkt.
+POTTER vindt dit volmaakt billijk: aan een onredelijken
+eisch moet op onredelijke wijze voldaan worden; deze boef
+kreeg loon naar werken.<a name="560"></a>
+
+<p>Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk,
+dat gaat niet aan, zegt POTTER. De eer van den man
+lijdt er naar de wereld niet onder of hij al eenige bastaarden
+heeft; bij de vrouw is dat heel wat anders. Ook heeft men
+dikwijls gehoord dat heidensche vorsten en andere mannen
+twintig, veertig of honderd vrouwen hadden, doch ne vrouw
+twee mannen&mdash;nooit! Kortom, het is een verschil als van
+dag en nacht<a href="#18.11">[11]</a>.
+
+<p>POTTER moge kennis gemaakt hebben met het werk van
+GODFRIED VON STRASSBURG en van WOLFRAM VON ESCHENBACH,
+hij moge OVIDIUS' <i>Herodes</i> en <i>Metamorphosen</i> hebben
+gelezen&mdash;een dichter als zij is hij niet geweest. Het licht en
+liefelijk spel van GODFRIED'S verbeelding, WOLFRAM'S diepte
+en innigheid, de fijnheid en bevalligheid van OVIDIUS, men
+zoekt ze in zijn werk tevergeefs.
+
+<p>Dat POTTER'S smaak nog niet zeer ontwikkeld was, gaat
+men reeds vermoeden wanneer men eene vermelding van
+PARCIVAL'S zoeken naar den Graal aantreft op bedenkelijk
+korten afstand van de jacht op een wilden witten haas, die
+door een vijftal gezellen drie jaar lang werd voortgezet. Dat
+vermoeden wordt versterkt, waar wij hier en daar slordige of
+lamme rijmen aantreffen en platte beeldspraak. In het eerste
+boek, van de &#8222;gecke" minne, zegt hij tot de vrouwen: hebt
+gij last van de liefde, weest dan voorzichtig in de keus van
+uw minnaar of zooals hij het uitdrukt: kookt uw spek in goed
+rivierwater! Van minnende paren heet het elders:
+
+<p class="quote">Sijn zij in kercken of in clusen,
+Die cat siet altoos na den musen.
+</p>
+
+<p>Een minnaar kan veel dienst hebben van een vertrouwden
+vriend, maar laat hij oppassen dat uit den vriend geen medeminnaar<a name="561"></a>
+worde, die de &#8222;potage met het spek" naar zich toe
+haalt<a href="#18.12">[12]</a>. Doch tegenover zulke plaatsen die bovendien niet
+talrijk zijn, staan vrij wat andere die getuigen dat POTTER,
+al was hij geen groot dichter, toch niet van talent ontbloot was.
+Verdienstelijk is b.v. zijn lofzang op de
+
+<p class="quote">Rechte mynnentlike minne,
+Die den menschen in den zinne
+Verwerret lecht ende ghestricket.
+</p>
+
+<p>Hoe aardig is in het eerste boek de schets van den jeugdigen
+zot, die door een meisje voor de grap als minnaar is
+aangenomen, slechts voor deze Meimaand en niet langer. Wat
+is dat zomergekje dan opgewonden! Hij brengt zijn liefste een
+meitak, hij vertelt aan een van zijne vrienden uit Zotteghem&mdash;soort
+zoekt immers soort?&mdash;dat hij een liefje heeft die doet
+wat hij wil; samen gaan zij er op uit om haar ergens te zien.
+Gebeurt hem dat, dan is het al te mooi, dan moet er een
+dronk op staan:
+
+<p class="quote">So sal hi dan sijn gheselle gaen slepen
+In den wijn; daer gaen si sitten.
+Die wile hi zweeft in deser hitten,
+So werpt hi sijn arm in die lucht
+Ende maect een heerlic gherucht<a title="[margin: geroep.]"><sup>#</sup></a>:
+&#8222;Wy hou! ic heb minen boel ghesien!
+&#8222;Huden<a title="[margin: heden.]"><sup>#</sup></a> en mach mi niet misschien<a title="[margin: niets kwaads overkomen.]"><sup>#</sup></a>!"
+Vrolic is hi mit ghesanghe.
+So vraghen die ander also langhe,
+Dattet die heelghesel al seit,
+Wair dat Hannen sin op steit.
+Des wondert den ghesellen dan
+Ende segghen: &#8222;Is Hannen alsulken man?"<a name="562"></a>
+Ende dat hoert Hannen al te gaern,
+Dat die ghesellen van der tavaern
+Weten van sire minnen staet<a href="#18.13">[13]</a>.
+</p>
+
+<p>Kon POTTER de kunst van OVIDIUS al niet navolgen, veel
+min evenaren, men kan toch zien dat het verhaal van HERO
+en LEANDER, zooals het in de <i>Herodes</i> voorkomt, indruk op
+hem heeft gemaakt; zijne bewerking treft ons hier en daar
+door een zachte bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt door
+den welluidenden klank onzer middeleeuwsche taal. Zoo in
+dat deel van het verhaal, waar HERO beschrijft hoe zij op
+LEANDER zit te wachten:
+
+<p class="quote">Als my die vake dan bestaet
+Ende twater an die mure slaet,
+Soe waen ic alle weghe<a title="[margin: telkens.]"><sup>#</sup></a> dan
+Dattu daer biste, mijn liefste man.
+Wat ic lope, en vinde niet.
+O wy! wat is my gheschiet!
+Ic wachte, ic wake, twort my zuyr;
+Ic sitte dromende by den vuyr;
+My donct dan dattu by mi bist,
+Dat alle gader niet en ist.
+Als ic dan weder wakende werde,
+So sitte ic noch bij den haerde
+Ende droghe die schone sachte doecken.
+O wy! ic mach dat water vloeken,
+Dat so onstuyr<a title="[margin: onstuimig.]"><sup>#</sup></a> heeft gheweest
+Van groten storme ende tempeest<a href="#18.14">[14]</a>.
+</p>
+
+<p>En waar POTTER zich eens durft overgeven aan zijn gevoel,
+omdat hij immers &#8222;van goede reine minne" spreekt, hoe verrast<a name="563"></a>
+hij ons daar met dit liefelijk miniatuurtje van een paar
+gelieven:
+
+<p class="quote">Daer legghen sy in groter lust:
+Menichwerff wart dair ghecust,
+Die lipkijns werden gheconreydet<a title="[margin: uitgestoken.]"><sup>#</sup></a>,
+Vroechde meret, trueren beydet,
+Menich guetlic, lieflic woert
+Wort van beyden daer ghehoert,
+Vriendelick drucken sy die armen,
+In gueder vroechden sy hem warmen,
+Lachende blencken dair die oghen,
+Elck anderen troest van allen doghen<a title="[margin: verdriet.]"><sup>#</sup></a>:
+Al waer hi sieck ende onghesont,
+Elck ghenase in sulker stont.
+Die witte kele ende wancskijn root
+Mach men handelen daer al bloot.
+Die borstkijns mach men wel anstoten,
+Sijn sy niet te vast besloten,
+Ende byeden hem gueden dach<a href="#18.15">[15]</a>.
+</p>
+
+<p>In de beschrijving is POTTER sterker dan in het verhaal;
+toch heeft hij ook als verteller zijne verdiensten. Een meester
+in die kunst, zooals zijne oudere tijdgenooten BOCCACCIO en
+CHAUCER, was hij niet, doch er is in zijn zestigtal sproken
+van minne menig goed of aardig brok aan te wijzen, dat eene
+plaats verdient nevens de beste der hiervoor behandelde sproken
+van onbekende dichters.
+
+<p>Houden wij <i>der Minnen Loop</i> ten slotte naast een vroeger
+leerdicht over dezelfde stof: <i>den Spiegel der Minnen</i> of den
+<i>roman van de Roos</i>, dan merken wij vrij wat verschil op.
+Het voornaamste punt van verschil is zeker, dat tegenover een
+vertaald werk nu een werk is gekomen dat oorspronkelijk mag<a name="564"></a>
+heeten, al heeft het&mdash;gelijk zoo menig ander oorspronkelijk
+werk&mdash;een deel zijner stof van elders ontleend. Dat feit toont
+reeds dat de Dietsche geest aan zelfstandigheid had gewonnen;
+doch er is meer. Van de elementen, waaruit de <i>roman van de
+Roos</i> bestaat, vinden wij er hier eenige terug, doch op andere
+wijze dan daar verbonden. In <i>der Minnen Loop</i> is geen plaats
+voor de minachting der vrouw, noch voor het scepticisme,
+noch voor het cynisme, dat JEAN DE MEUNG kenmerkt, wel
+voor een deel van den hoofschen eerbied, dien GUILLAUME
+DE LORRIS de vrouwen toedroeg. Het zinnelijk element dier
+hoofsche liefde is in het Hollandsch dichtwerk zwakker dan in
+het Fransche; bij de goede reine liefde staat de Hollander het
+langst stil; de huwelijksliefde staat voor hem het hoogst; jegens
+den hartstocht is hij op zijne hoede. Die liefde, z opgevat,
+is verwerkt door een didactischen geest die weer aan JEAN
+DE MEUNG doet denken, tot een eenigszins schoolsch geheel,
+waarin theorie en practijk des levens nog niet zijn versmolten,
+doch onderling verbonden naast elkander staan als leering en
+voorbeeld.
+
+<p>Menig lezer zal misschien van meening zijn, dat een Christelijk
+Hollandsch dichter als POTTER tevreden kon blijven over
+zijn werk. Hij had immers willen waarschuwen en leeren, en
+aan het nuttige gemakkelijker ingang verschaft door het aangename?
+Verhalen van minne, zelfs al waren zij verdicht, vonden
+immers genade ook bij kunstrechters, die van de kunst bevordering
+der zedelijkheid eischten? Zoo zou men meenen, doch
+te onrechte. POTTER is gebeurd, wat menig dichter of verzenmaker
+vr hem was gebeurd: in zijn later leven kreeg hij
+berouw over de literaire zonden zijner jeugd en trachtte die
+met ander werk te boeten.
+
+<p>In zijn ouderdom schreef hij een werk, door hem zelven
+<a name="565"></a>
+<i>Blome der Doechden</i><a title="[margin: Bloem der Deugden.]"><sup>#</sup></a> genoemd, waarin hij <i>der Minnen Loop</i>
+wel niet verloochent, maar toch scherp laakt<a href="#18.16">[16]</a>.
+
+<p>Op een vr zijn werk geplaatst miniatuur zien wij op zinrijke
+wijze den auteur van <i>der Minnen Loop</i> tegenover dien
+van de <i>Bloem der Deugden</i> gesteld; die tegenstelling is door
+POTTER zelf in den aanvang van zijn laatste werk bovendien
+toegelicht. Die miniatuur toont ons in een lusthof een
+&#8222;out simpel man" met een grauwen tabbaard, die met een
+mestvork veel mooie, welriekende bloemen uit den grond haalt
+en tevens vele leelijke bloemen en onreine, bitter smakende
+kruiden. Die had hij alle te zamen in zijne onwetendheid en
+onnoozelheid in n korf geworpen. Z, dat hij de goede niet
+van de kwade had gescheiden, wat hem ook niet mogelijk was.
+
+<p>Tegenover hem zien wij een schoon jonkman, prachtig
+gekleed, die een paar mooie bloemen uit den korf neemt.
+Deze stelt den ouderen POTTER voor, die tot beter inzicht
+gekomen is; want dat de auteur van <i>der Minnen Loop</i> voorgesteld
+wordt als &#8222;van grover erde ende onghemaect van lijflijker
+scoenheit" is slechts symboliek en daarom ook is de
+oudere POTTER bekleed met uitwendige schoonheid en pracht.
+Deze immers heeft de onwetendheid van dien groven mensen
+bemerkt en de heilige goddelijke Drievuldigheid aangeroepen,
+hem wijsheid te verleenen, opdat hij de goede, reine bloemen,
+waar deugd in bloeide, mocht onderkennen van de overige.
+Die bloemen der deugd heeft hij dus uitgelezen en bijeengebracht
+in een zuiver vat. De overige heeft hij onachtzaam ter
+zijde geworpen; laat niemand ze ter hand nemen, want steekt
+iemand zijn hand in het pik, zij zal er in blijven steken.
+
+<p>Deze <i>Bloeme der Deugden</i> zou misschien kunnen goedmaken,
+wat hij eertijds had misdreven met een ander boek &#8222;van
+wer(l)tlijker mijnnen ende van menschelijker ijdel liefde die ut
+vleyschelijker becoringhen hoeren oerspronck nemt" dat hij in<a name="566"></a>
+zijne jonge jaren te Rome had gemaakt; over die liefde had
+hij daarin veel geschreven en, naar hij vreesde, &#8222;meer dan
+gode behagelijk was". Hij hoopt dat God hem dat zal vergeven,
+omdat hij het had gedaan met een goede bedoeling.
+In zijn tweede boek zal hij van die ijdele minne geen gewag
+meer maken.
+
+<p>Wij vinden hier dan ook wel verhalen uit <i>Der Minnen Loop</i>
+terug, doch alleen zulke die de auteur bij zijn strenger opvatting
+van de zedelijke verplichtingen der kunst oorbaar achtte.
+De neiging tot kleurensymboliek komt ook hier nog wel eens
+voor den dag en de bose Hecuba" die het in <i>Der Minnen
+Loop</i> zoo moest ontgelden, wordt ook hier nog eens onder
+handen genomen<a href="#18.17">[17]</a>.
+
+<p>Doch overigens heeft POTTER hier een werk geleverd zeer
+verschillend van het werk zijner jonge jaren. De verdichte
+verhalen zijn naar den achtergrond gedrongen of van het
+tooneel verdwenen. De schrijver laat zich afkeurend uit over
+&#8222;woerde in boerden voertgebracht om ghenoechte of corttinghe
+des tijts sonder ernste"; over leugens van poten die schoone
+woorden schrijven, van &#8222;veel dichters ende sproeken sprekers
+ende sonderlinghen<a title="[margin: in 't bijzonder.]"><sup>#</sup></a> in valsschen hystorin"<a href="#18.18">[18]</a>. Sprak hij vroeger
+luchtigjes over zijn onvoldoende kennis, liet hij de wetenschap
+aan wie er lust in had om zich alleen aan &#8222;poetryen ende
+oude gesten" te wijden&mdash;nu heeft hij zijne schade ingehaald.
+De <i>Bloem der Deugden</i> is samengesteld uit den bijbel en de
+werken van ARISTOTELES, SENECA, de Kerkvaders en menig
+ander geleerd auteur. Deze, zijns inziens deugdelijker, stof
+heeft hij scherp gescheiden in voorbeelden van deugd en van
+ondeugd; want ook de ondeugd heeft hij in zijn boek opgenomen:
+op elk hoofdstuk waarin een deugd behandeld en
+toegelicht is, volgt een ander over de ondeugd die ertegenover
+staat; immers: &#8222;witte verwe onderscheidt haer selven van der<a name="567"></a>
+swertter, soe doet die ondoecht als die doecht daer bij
+ghestelt wort"<a href="#18.19">[19]</a>.
+
+<p><i>Der Minnen Loop</i> is in verzen geschreven, de <i>Bloem der
+Deugden</i> in proza. Ook dat verschil is in overeenstemming
+met den aanwas van strakken ernst dien de ouder wordende
+POTTER te zien geeft. &#8222;Soeticheit van sanghe van melodin
+ende die genoechten van instrumenten, van dansen ende
+desghelijcs", het was nu alles uit den Booze. Had PYTHAGORAS
+niet geleerd, dat de &#8222;luxurie" wast door instrumenten en melodien
+zooals de kruiden bij de oevers der rivieren?<a href="#18.20">[20]</a>
+
+<p>Wie z over pozie en melodie dacht, zal het zich waarschijnlijk
+tot plicht hebben gerekend, de schoonheidsontroering
+waar zij in hem mocht opkomen te onderdrukken. De aesthetische
+waarde van dit prozawerk in zijn geheel is dan ook niet
+groot. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: waar
+POTTER het fraaigebouwd gevoelig proza van SINTE BERNARDUS
+onder de oogen krijgt, kan hij toch niet anders dan er mooi
+Hollandsch proza van maken. Ook elders toont hij bij de
+omschrijving van een deugd of een ondeugd de taal wel
+meester te zijn, al moet ook hier natuurlijk de vraag naar de
+oorspronkelijkheid veel gewicht in de schaal leggen<a href="#18.21">[21]</a>.
+
+<p>DIRC POTTER behoorde evenals WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH
+tot de poten van lager orde. Hij zelf is zich daarvan
+wel bewust geweest<a href="#18.22">[22]</a>. Doch schoonheid is niet het eenige
+wat een literair werk van vroegeren tijd belangrijk maakt voor
+den geschiedschrijver. Naast de schoonheid staat het karakter.
+Dat POTTER'S werk karakteristiek is als type van de pozie
+zijner eeuw, zagen wij reeds vroeger. En er is meer te noemen.
+Een Hollandsch edelman die voor zijn pleizier, zij het ook met
+de bijbedoeling om nuttige leering te geven, verzen schrijft
+over wereldsche minne, is een type dat wij tot dusver niet<a name="568"></a>
+ontmoet hebben; als zoodanig staat hij tegenover den beroepsdichter
+HILDEGAERSBERCH en kondigt hij, ook als verteller, den
+Zeeuw CATS aan<a href="#18.23">[23]</a>.
+
+<p>Opmerkelijk is in dezen Hollandschen edelman die wel gevoel
+blijkt te hebben voor hoofschen vrouwendienst, de democratische
+gezindheid waarin hij kunsten en wetenschappen verheft als het
+middel waardoor de arme den rijke kan evenaren en overtreffen.
+Opmerkelijk ook het gevoel van onafhankelijkheid tegenover
+zijn publiek&mdash;zoo geheel anders dan bij HILDEGAERSBERCH
+en andere sprekers en dichters&mdash;dat hem in den aanvang
+van zijn Derde Boek doet zeggen: wie wil pogen in zijne
+geschriften allen te behagen, die moet vroeg opstaan! Hij is
+niet van plan zich daarover druk te maken, hij wil dichten
+naar zijn eigen zin, en, zoo vervolgt hij:
+
+<p class="quote">Ist dat ic yet scrive hier in,
+Dat den enen of oec den anderen
+Niet en ghenoecht, die mach gaen wanderen
+Ende latent anderen luden lezen<a href="#18.24">[24]</a>.
+</p>
+
+<p>Die zelfbewuste onafhankelijkheid van geest is in dezen
+vertegenwoordiger der veertiende eeuw eene flauwe voorafschaduwing
+van later tijden. Dienzelfden indruk geven ons een
+paar andere trekken van zijn werk en zijne persoonlijkheid.
+Flauwtjes klinkt ons uit de verte het bellengerinkel van STULTITIA'S
+narrenkap in het oor, waar wij in <i>De Bloem der Deugden</i>
+lezen: &#8222;Mer, god betert, ic duchte die ghecheit vele meer
+scolieren ende naevolgers heeft dan die wijsheit"<a href="#18.25">[25]</a>.
+
+<p>ERASMUS, de schrijver der <i>Laus Stultitiae</i>, doet ons denken aan
+Itali. POTTER is, voorzoover wij weten, de eerste Nederlandsche
+dichter die Itali heeft bezocht. Langer dan een jaar is hij er
+gebleven, doch dat verblijf schijnt weinig of geen invloed te
+hebben geoefend op zijne ontwikkeling. Of hij Italiaansch heeft<a name="569"></a>
+gekend, mag betwijfeld worden. In allen gevalle maakt hij met
+geen enkel woord gewag van de Italiaansche literatuur, en toch
+waren DANTE, PETRARCA en BOCCACCIO reeds eenigen tijd
+geleden gestorven en verbreidde hun roem zich al verder. Ook
+van den invloed der Renaissance, wier profeet PETRARCA was
+geweest, is in POTTER'S werk niets te bespeuren. Of wil men
+als zoodanig de vermelding van een paar groote oude steenen
+laten gelden<a href="#18.26">[26]</a>? Maar wat dan nog?
+
+<p>De ongunstige indruk dien POTTER van de Italianen kreeg,
+zal hem niet hebben opgewekt, nader kennis te maken met
+hun taal en hun kunst. &#8222;Ter wereld is geen vuiler volk",
+zegt hij in zijn <i>Minnen Loop</i>; die vuile honden leven in allerlei
+zonde; vrouwen slaan, daar stellen zij eene eer in; schelden
+kunnen zij, &#8222;maer sy en willen niet ten zwaerde"; hebzuchtig,
+onbetrouwbaar, verraderlijke gifmengers, leugenaars, roovers&mdash;dat
+zijn zij. Maar de vrouwen zijn de &#8222;schoonste creaturen die
+men kan vinden". Ook hun aangeboren spotlust heeft POTTER
+blijkbaar gergerd. Het zou mij niet verwonderen, indien de
+Italianen met wie hij in kennis is gekomen, zich vroolijk hebben
+gemaakt over zijn Hollandsch. Immers nog in de <i>Bloem der
+Deugden</i> acht hij het noodig te verdedigen dat &#8222;een yeghelijc
+sprect nae sijns lants taele"; en &#8222;daerom so sijnt in den iersten
+dwase ende ongheleert die eenen anderen bespotten om sijnre
+talen die hem van sijns lants weghen aengheboeren is"<a href="#18.27">[27]</a>.
+
+<p>Trouwens, ook de Henegouwers, Franschen of Vlamingen
+onder wie zijne zendingen als grafelijk secretaris hem brachten,
+kunnen zich over zijn Hollandsch vroolijk hebben gemaakt.
+En ook dezen kan zijne ergernis gelden; want, overtuigd van
+de voortreffelijkheid van eigen volk, heeft hij het op andere
+volken niet begrepen. De goeden in het Duutsche land hebben
+volgens POTTER het monopolie van de goede reine minne;
+Lombarden, Engelschen en Walen hebben daar over het<a name="570"></a>
+algemeen geen begrip van; enkelen mogen er zijn, maar dan
+zeker niet over de bergen. Ook in zijn later leven was hij er
+nog steeds van overtuigd, dat men de meeste ijdelheid en
+&#8222;onnutte glorie" vindt in de Waalsche landen<a href="#18.28">[28]</a>.
+
+<p>POTTER'S gevoel en smaak waren nog niet z ontwikkeld,
+dat de kunst der Oudheid een indruk op hem kon maken,
+sterk genoeg om hem te dwingen tot eene uiting van eenige
+beteekenis. Zijne eenzijdige en benepen beschouwing van het
+Italiaansche volk zal hem hebben weerhouden van eene kennismaking
+met hun taal en hun literatuur. CHAUCER die, eveneens
+met eene zending naar Itali belast, een jaar te Genua
+en Florence vertoefde, deed anders: hij kocht handschriften
+der werken van DANTE, PETRARCA, BOCCACCIO, bestudeerde
+die en bracht langs die nieuwe baan zijn eigen kunst tot hooger
+ontwikkeling.
+
+<p>POTTER'S nationaliteitsgevoel was nog van dat enghartige
+soort, dat zich openbaart vooral in overmatige verheffing van
+het eigen volk en in vijandige gezindheid tegenover andere
+volken. In beide opzichten was hij een type van zijn volk<a href="#18.29">[29]</a>.
+Dat volk moest nog een aanzienlijk deel van de baan zijner
+ontwikkeling afleggen, eer de herboren Oudheid haar invloed
+ook in deze landen kon doen gevoelen, eer het nationaliteitsgevoel
+ruimer en sterker kon worden. Op dat deel harer baan
+zullen wij de ontwikkeling dezer volken nu gaan volgen.<a name="571"></a>
+
+<hr>
+
+<h3>AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.1">1</a>: Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel
+aan het onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken
+hebben, medegedeeld in LEENDERTZ' uitgave van <i>Der Minnen Loep</i>.
+Vgl. ook het degelijk overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg.
+BUSKEN HUET heeft in <i>Het Land van Rembrand</i> menige aardige of
+geestige opmerking over POTTER en <i>der Minnen Loop</i> ten beste
+gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel over HUET'S tekortkomingen
+in dezen te hard&mdash;wie het om historische waarheid,
+om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog verliezen,
+dat ook in <i>Het Land van Rembrand</i> de schrijver der <i>Literaire
+Fantasien</i> aan het woord is.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.2">2</a>: Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is
+niet gemakkelijk. Uit <i>Der Minnen Loop</i> zou men opmaken, dat POTTER
+reeds een man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef.
+Vgl. plaatsen als I, 73: &#8222;vesper is over langhe gheluut"; I, 949;
+II, 2465; II, 4137. Maar in zijn tweede werk <i>Bloeme der Deugden</i>,
+spreekt P. van <i>Der Minnen Loop</i> als van &#8222;een boec dat ic in jongen
+tijden maecte te Rome."]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.3">3</a>: I, 169; II, 2394.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.4">4</a>: Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246;
+I, 2091, 2372, 3025; III, 1104; I, 1841.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.5">5</a>: De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335.
+De opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij
+TE WINKEL, bl. 508 vlgg.
+
+<p class="footnote">De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men in <i>Der
+Minnen Loop</i>, II, 705&ndash;6. De stof van het verhaal van den Spaanschen
+schildknaap, die TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die
+der boerde opgenomen in <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, n<sup>o</sup>. II (Inl. XVI).]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.6">6</a>: II, 560, 1430; IV, 2276.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.7">7</a>: II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.8">8</a>: I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18;
+IV, 38 vlgg.; 1839-'42.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.9">9</a>: II, 665&ndash;704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621&ndash;2; III, 191;
+IV, 1089 vlgg.]<a name="572"></a>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.10">10</a>: I, 1225-'30; 2700 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.11">11</a>: I, 459&ndash;460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.;
+I, 3116-'7, 3129-'30; II, 1798&ndash;1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV,
+365&ndash;386, 612 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.12">12</a>: I, 1280 vlgg.; 585&ndash;6, 613&ndash;614, 1379-'80; IV, 1005-'6;
+I, 3207-'9; II, 815-'6; 3894-'6.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.13">13</a>: I, 736 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.14">14</a>: II, 297 vlgg.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.15">15</a>: II, 1299&ndash;1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9;
+ik geef slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.16">16</a>: Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige
+wijze, uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder,
+onder den titel <i>Dat Bouck der Bloemen</i> (Hoogstraten,
+L. VAN HOOF&mdash;ROELANS, 1904). Dat dit werk van POTTER is, kan
+niet betwijfeld worden door iemand die met een weinig kennis van
+zaken de eerste bladzijden (7&ndash;12) leest en dan let o.a. op de vermelding
+van het ambt door den auteur bekleed (de &#8222;yseren roede"
+vgl. <i>M. Loop</i>, I, 78&ndash;79), op het &#8222;boec van wer(l)tlijker minnen"
+dat hij &#8222;in jonghen tijden maecte te rome", op alle in <i>Der Minnen
+Loop</i> voorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek
+worden genoemd. De &#8222;lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt,
+zal misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien
+wij reeds spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der
+kroniek van Froissard.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.17">17</a>: Vgl. bl. 9, 54, 97.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.18">18</a>: Bl. 35&ndash;36.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.19">19</a>: Bl. 9.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.20">20</a>: Bl. 79.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.21">21</a>: Vgl. b.v. bl. 10, 31 (<i>wreetheit</i>), bl. 85 (<i>gierigheid</i>) en passim.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.22">22</a>: Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.23">23</a>: I, 66; II, 636.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.24">24</a>: I, 1&ndash;25; III, 1&ndash;17.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.25">25</a>: Bl. 44.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.26">26</a>: I, 2613; II, 3207.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.27">27</a>: <i>Der Minnen Loop</i>, III, 98 vlgg.; <i>Bl. der Deugden</i>, bl. 43.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.28">28</a>: <i>M. Loop</i>, II, 721 vlgg.; <i>Bl. der Deugden</i>, bl. 101.]
+
+<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.29">29</a>: Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen
+tijd <i>Giotto</i> schijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet
+ontzenuwen.]<a name="573"></a>
+
+<hr>
+
+<h2>ALPHABETISCH REGISTER[*].</h2>
+
+<p class="footnote">[Voetnoot *: Alle namen van dicht- en prozawerken zijn cursief gedrukt.]
+
+<h3>A.</h3>
+
+<p><i>Aechte (Van Sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>&ndash;138.<br>
+<i>Aiol</i>, I, <a href="#94">94</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#100">100</a>.<br>
+<i>Alexander den Groote (Leven van)</i>, I, <a href="#362">362</a>.<br>
+<i>Alexander</i>, I, <a href="#230">230</a>&ndash;235, <a href="#239">239</a>.<br>
+Alpertus' <i>De diversitate temporum</i>, I, <a href="#22">22</a>.<br>
+<i>Amadas en IJdoine</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br>
+<i>Amand (Leven van Sint)</i>, I, <a href="#349">349</a>&ndash;351.<br>
+<i>Amand (Leven van S.)</i> Latijn, I, <a href="#17">17</a>.<br>
+<i>Anno-lied</i>, I, <a href="#21">21</a>.<br>
+<i>Ansfried (Loflied op bisschop)</i> Latijn, I, <a href="#20">20</a>.<br>
+<i>Artur's dood</i>, I, <a href="#109">109</a>.<br>
+<i>Aubri de Borgengoen</i>, I, <a href="#95">95</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br>
+Augustijnken van Dordt, I, <a href="#497">497</a>, <a href="#515">515</a>, <a href="#516">516</a>.
+
+<h3>B.</h3>
+
+<p><i>Baerte metten breden voeten</i>, I, <a href="#337">337</a>&ndash;8.<br>
+<i>Beatrijs (Van)</i>, I, <a href="#353">353 vlgg.</a> <a href="#518">518</a>.<br>
+<i>Becoringhen (Van den vier)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Beghinen (Van den twaelf)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Beovulf</i>, I, <a href="#10">10</a>.<br>
+Bernlef, I, <a href="#5">5</a>.<br>
+Bertelmeeus van Delf, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Bestiaris</i>, I, <a href="#186">186</a>.<br>
+<i>Bestiaris (van minnen)</i>, I, <a href="#185">185</a>.<br>
+<i>Biechten (Boec der)</i>, I, <a href="#138">138</a>.<br>
+<i>Bin Boeck (der)</i>, <a href="#225">225 vlgg.</a><br>
+<i>Bloeme der Doechden</i>, I, <a href="#565">565 vlgg.</a><br>
+Boendale (Jan), I, <a href="#427">427 vlgg.</a> <a href="#517">517</a>&ndash;518, <a href="#524">524</a>, <a href="#527">527</a>-'31.<br>
+<i>Boerde (de eerste)</i>, I, <a href="#189">189</a>.<br>
+<i>Boerden</i>, I, <a href="#455">455 vlgg.</a><br>
+<i>Boerden en Sproken</i>, I, <a href="#504">504 vlgg.</a><br>
+<i>Bonifacius (Leven van S.)</i> Latijn, I, <a href="#18">18</a>.<br>
+Boudewijn van der Loren, I, <a href="#497">497</a>, <a href="#515">515</a>, <a href="#520">520</a>.<br>
+<i>Brandaen (Van Sinte)</i>, I, <a href="#53">53</a>.
+
+<h3>C.</h3>
+
+<p>Chaucer, I, <a href="#504">504</a>, <a href="#570">570</a>.<br>
+<i>Chierheit der geesteleker Brulocht</i>, I, <a href="#382">382</a>&ndash;3.
+
+<h3>D.</h3>
+
+<p>Daem van IJsselsteyn, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Disputatie van den Cruce</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a><br>
+<i>Disticha Catonis</i>, I, <a href="#184">184</a>.<br>
+<i>Doctrinael (Dietsche)</i>, I, <a href="#423">423 vlgg.</a><br>
+<i>Doctrinael (Nieuwe)</i>, I, <a href="#334">334</a>; <a href="#423">423 vlgg.</a><br>
+<i>Doctrinael savage</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br>
+<i>Dogheden (Van den twaelf)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Doon de Mayence</i>, I, <a href="#96">96</a>, <a href="#97">97</a>.<br>
+<i>Drievoudichede (Van der)</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a>
+
+<h3>E.</h3>
+
+<p>Eckhart, I, <a href="#365">365 vlgg.</a><br>
+<i>Edewaert (Van den derden)</i>, I, <a href="#313">313</a>, <a href="#427">427</a>.<br>
+<a name="574"></a>
+Egidius, I <a href="#520">520</a>.<br>
+<i>Enede</i>, I <a href="#38">38</a>.<br>
+Erasmus, I, <a href="#568">568</a>.<br>
+<i>Esopet</i> (&#8222;favele" van Esopus), I, <a href="#187">187</a>, <a href="#193">193</a>.<br>
+<i>Eustaesse (van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>&ndash;138.
+
+<h3>F.</h3>
+
+<p><i>Fierabras</i>, I, <a href="#97">97</a>.<br>
+<i>Flandrijs</i>, I, <a href="#306">306</a>&ndash;7.<br>
+<i>Floris en Blancefloer</i> (Limburgsche bewerking), I, <a href="#34">34</a>.<br>
+<i>Floris en Blancefloer (van Diederic van Assenede)</i>, I, <a href="#111">111</a>&ndash;112, <a href="#116">116</a>, <a href="#117">117</a>.<br>
+<i>Flovent</i>, I, <a href="#91">91</a>, <a href="#97">97</a>.<br>
+<i>Foulque de Candie</i>, I, <a href="#97">97</a>.<br>
+<i>Franciscus Leven (Sinte)</i>, I, <a href="#231">231</a>, <a href="#244">244</a>.<br>
+Froissart (Vertaling van Kroniek), I, <a href="#332">332</a>.<br>
+<i>Ferguut</i>, I, <a href="#110">110</a>&ndash;111, <a href="#113">113</a>&ndash;115, <a href="#118">118</a>.
+
+<h3>G.</h3>
+
+<p><i>Galbertus (Kroniek van)</i>, I, <a href="#23">23</a>.<br>
+Geraert (Heer), I, <a href="#313">313</a>.<br>
+<i>Geraert van Viane</i>, I, <a href="#93">93</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br>
+<i>Ghelove (Van den Kerstenen)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+Gielys van Molhem, I, <a href="#139">139</a>.<br>
+Gielijs van Trecht, I, <a href="#514">514</a>.<br>
+Godekijn van Tricht, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+Gillis de Wevel, I, <a href="#305">305</a>, <a href="#518">518</a>.<br>
+Graal (de heilige), I, <a href="#108">108</a>&ndash;109.<br>
+<i>Graalqueste</i>, I, <a href="#109">109</a>, <a href="#110">110</a>.<br>
+<i>Grale (Historie van den)</i>, I, <a href="#236">236</a>.<br>
+<i>Grimbergsche Oorlog</i>, I, <a href="#295">295</a>, <a href="#341">341</a>&ndash;2.<br>
+<i>Gudrun</i>, I, <a href="#10">10</a>.<br>
+<i>Gwidekijn van Sassen</i>, I, <a href="#96">96</a>, <a href="#97">97</a>.
+
+<h3>H.</h3>
+
+<p>Hadewych, I, <a href="#150">150</a>, <a href="#155">155</a>, <a href="#156">156 vlgg.</a><br>
+Heelu (Jan van), I, <a href="#304">304</a>.<br>
+<i>Heemskinderen</i>, I, <a href="#89">89</a>, <a href="#91">91</a>, <a href="#93">93</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br>
+<i>Heimelijkheid der Heimelijkheden</i>, I, <a href="#254">254</a>.<br>
+<i>Heimelicheit (Der Vrouwen)</i>, I, <a href="#421">421</a>.<br>
+<i>Heimelicheit (Der Mannen ende der Vrouwen)</i>, I, <a href="#421">421</a>.<br>
+Heyn van Aken, I, <a href="#298">298</a>.<br>
+Heinrec, I, <a href="#139">139</a> (vgl. <i>Rinclus</i>).<br>
+Heinric van Hollant, I, <a href="#519">519</a>.<br>
+Herman de Spreker, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+Hese (Reisverhaal van Joannes Witte de), I, <a href="#363">363</a>.<br>
+Hillegaertsberch (Willem van), I, <a href="#328">328</a>, <a href="#333">333</a>, <a href="#345">345</a>.<br>
+Hopezomer, I, <a href="#512">512</a>, <a href="#516">516</a>, <a href="#533">533</a>.<br>
+<i>Horologium aeternae sapientiae</i>, I, <a href="#369">369</a>.<br>
+<i>Houte (Dboec van den)</i>, I, <a href="#352">352</a>, <a href="#361">361</a>.<br>
+<i>Huge van Bordeeus</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br>
+<i>Hughe van Tabaryen</i>, I, <a href="#299">299</a>.
+
+<h3>I. J.</h3>
+
+<p>Jan I van Brabant, I, <a href="#221">221</a>.<br>
+Jan Bot, I, <a href="#522">522</a>.<br>
+Jan Dyllen, I, <a href="#513">513</a>.<br>
+Jan van Sente Gheerdenberghe, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+Jan van Hulst, I, <a href="#520">520</a>.<br>
+Jan metter Huven, I, <a href="#514">514</a>.<br>
+Jan van Lier, I, <a href="#514">514</a>.<br>
+Jan van Machelen, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+Jan Praet, I, <a href="#437">437 vlgg.</a><br>
+Jan van Vlaerdinghen, I, <a href="#512">512</a>, <a href="#515">515</a>.<br>
+Jan de Weert, I, <a href="#334">334</a>, <a href="#423">423</a>, <a href="#435">435</a>, <a href="#518">518</a>.<br>
+Jannes den Coster, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Jonitas en Rosafiere (Van)</i>, I, <a href="#353">353 vlgg.</a><br>
+Jonchere van der Minnen, I, <a href="#515">515</a>.
+
+<h3>K.</h3>
+
+<p>Calfstaf, I, <a href="#187">187</a>.<br>
+<i>Karel en Elegast</i>, I, <a href="#101">101</a>.<br>
+<i>Karel en Galie</i>, I, <a href="#97">97</a>.<br>
+<i>Carmen allegoricum (S. Suitbert)</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br>
+<i>Cassamus</i>, I, <a href="#337">337</a>&ndash;9, <a href="#344">344</a>.<br>
+<a name="575"></a>
+<i>Caterine (Van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>&ndash;138.<br>
+<i>Kerstine (Leven van Sinte)</i>, I, <a href="#350">350</a>&ndash;1.<br>
+<i>Claghe (der Kerken)</i>, I, <a href="#257">257</a>.<br>
+<i>Clara (Leven van Sinte)</i>, I, <a href="#231">231</a>.<br>
+<i>Clausule van der Bible</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a><br>
+Colpaert, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Couchi (Van den borchgrave van)</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a> <a href="#347">347</a>.<br>
+<i>Cracht der Mane</i>, I, <a href="#421">421</a>.<br>
+<i>Kruis (Van het heilige)</i>, I, <a href="#13">13</a>, <a href="#352">352</a>&ndash;3.<br>
+<i>Kunera (Van Sinte)</i>, I, <a href="#350">350</a>, <a href="#361">361</a>.
+
+<h3>L.</h3>
+
+<p>Lambert van Waterloos, I, <a href="#225">225</a>.<br>
+<i>Lancelot</i>, I, <a href="#106">106</a>, <a href="#109">109</a>, <a href="#110">110</a>, <a href="#113">113</a>, <a href="#296">296</a>, <a href="#306">306</a>.<br>
+<i>Lande van Overzee (Van den)</i>, I, <a href="#259">259</a>.<br>
+<i>Lebunus (Ecloga op S.)</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br>
+<i>Leec</i> (geestelijk lied), I, <a href="#223">223</a>.<br>
+<i>Leek (Geschrift van den onbekenden)</i>, I, <a href="#375">375</a>.<br>
+<i>Levene ons Heren (Van den)</i>, I, <a href="#132">132</a>&ndash;137.<br>
+Leeuwen (Jan van), I, <a href="#368">368</a>, <a href="#377">377</a>.<br>
+<i>Limborch (Roman van)</i>, I, <a href="#301">301</a>.<br>
+<i>Lorreinen</i>, I, <a href="#89">89</a>, <a href="#94">94</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br>
+Lodewijk van Vaelbeke, I, <a href="#519">519</a>, <a href="#534">534</a>.<br>
+Loy Latewaert, I, <a href="#519">519</a>.<br>
+<i>Loyhier ende Malaert</i>, I, <a href="#337">337</a>&ndash;8.<br>
+<i>Lucidarius (Dietsche)</i>, I, <a href="#422">422</a>.<br>
+<i>Leven van Ludger</i> (Latijn), I, <a href="#18">18</a>.<br>
+<i>Lutgart (Leven van Sinte)</i> door broeder Gheraert, I, <a href="#350">350</a>.<br>
+<i>Lutgart (Leven van Sinte)</i> door Willem van Afflighem, I, <a href="#149">149</a>&ndash;155.
+
+<h3>M.</h3>
+
+<p><i>Machteldis visioenen (Van)</i> I, <a href="#374">374</a>, <a href="#441">441</a>.<br>
+<i>Madocs droom</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br>
+<i>Malegijs</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br>
+<i>Marie Egyptiake (Van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>&ndash;138.<br>
+<i>Maartensliedjes (Sint)</i>, I, <a href="#227">227</a>.<br>
+<i>Martijn (Vierde)</i>, I, <a href="#267">267</a>.<br>
+<i>Martijns-zangen</i>, I, <a href="#249">249 vlgg.</a>; <a href="#267">267</a>.<br>
+Meeus van Dordt, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Meliboeus</i>, I, <a href="#435">435</a>, <a href="#451">451</a>.<br>
+<i>Merlijn</i>, I, <a href="#230">230</a>, <a href="#236">236</a>&ndash;238.<br>
+<i>Minnen Loop (Der)</i>, I, <a href="#553">553 vlgg.</a><br>
+<i>Missen (Bediedenisse der)</i>, I, <a href="#422">422</a>.<br>
+<i>Moriaen</i>, I, <a href="#118">118</a>&ndash;119.
+
+<h3>N.</h3>
+
+<p><i>Naturen Bloeme (der)</i>, I, <a href="#231">231</a>, <a href="#254">254</a>&ndash;6.<br>
+Nederlant, I, <a href="#311">311</a>&ndash;2.<br>
+Neidhart von Reuental, I, <a href="#555">555</a>, <a href="#571">571</a>.<br>
+<i>Nibelungen-lied</i> (Dietsche vertaling), I, <a href="#45">45</a>.<br>
+Noydekijn, I, <a href="#187">187</a>.<br>
+&#8222;<i>Nu zijt wellecome</i>", I, <a href="#223">223</a>.
+
+<h3>O.</h3>
+
+<p><i>Octaviaan</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br>
+<i>Ogier</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br>
+<i>Oranje (Willem van)</i>, I, <a href="#90">90</a>, <a href="#92">92</a>, <a href="#97">97</a>.<br>
+Otto van Orleien, I, <a href="#519">519</a>.
+
+<h3>P.</h3>
+
+<p><i>Partonopes en Melior</i>, I, <a href="#111">111</a>&ndash;112, <a href="#115">115</a>&ndash;116, <a href="#118">118</a>.<br>
+<i>Passionael</i>, I, <a href="#408">408</a>.<br>
+Peter Vreugdegaer, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Plaghen (Die X)</i>, I, <a href="#423">423</a>.<br>
+<i>Percevael</i>, I, <a href="#109">109</a>, <a href="#113">113</a>.
+
+<h3>R.</h3>
+
+<p><i>Ragisel (Wrake van)</i>, I, <a href="#109">109</a>.<br>
+<i>Reinaerde (Van den Vos)</i>, I, <a href="#193">193</a>.<br>
+<i>Reinaert II</i>, I, <a href="#440">440</a>&ndash;449.<br>
+<i>Ridder metter mouwen</i>, I, <a href="#109">109</a>.<br>
+<i>Ridder metten Zwane</i>, I, <a href="#337">337</a>&ndash;9.<br>
+<i>Rike der Ghelieven</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Rinclus</i>, I, <a href="#139">139</a>&ndash;141.<br>
+<i>Roelants-lied</i>, I, <a href="#89">89</a>, <a href="#90">90</a>, <a href="#92">92</a>, <a href="#97">97</a>.<a name="576"></a><br>
+<i>Rogiere (Disputacie van&mdash;ende van Janne)</i>, I, <a href="#435">435</a>.<br>
+<i>Roos (Roman van de)</i>, I, <a href="#299">299</a>.<br>
+Ruusbroec, I, <a href="#371">371</a>, <a href="#379">379</a>.<br>
+<i>Rijmbijbel</i> (Maerlant's), I, <a href="#231">231</a>, <a href="#243">243</a>.
+
+<h3>S.</h3>
+
+<p><i>Scivias</i>, I, <a href="#143">143</a>.<br>
+<i>Seghelijn van Jerusalem</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br>
+<i>Seneka leren</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br>
+<i>Sermoenen (Limburgsche)</i>, I, <a href="#371">371</a>.<br>
+<i>Sinte Servatius' Legende</i>, I, <a href="#36">36</a>.<br>
+Snelryem de spreker, I, <a href="#515">515</a>.<br>
+<i>Sobrietate (De)</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br>
+<i>Spaengen (Olivier van)</i>, I, <a href="#318">318</a>, noot 5.<br>
+<i>Spieghel Historiael</i>, I, <a href="#231">231</a>, <a href="#255">255</a>&ndash;6.<br>
+<i>Spiegel (der Leken)</i>, I, <a href="#427">427</a>.<br>
+<i>Spieghel der ewigher Salicheit</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Spiegel der Zonden</i>, I, <a href="#334">334</a>, <a href="#423">423 vlgg.</a><br>
+<i>Sproken</i>, I, <a href="#456">456 vlgg.</a><br>
+Stoke (Melis), I, <a href="#307">307</a>&ndash;310, <a href="#317">317</a>.<br>
+Suso, I, <a href="#369">369</a>.
+
+<h3>T.</h3>
+
+<p><i>Tabernacule (Van den gheestelijken)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+Tauler, I, <a href="#371">371</a>.<br>
+<i>Oude Testament (Eerste vertaling van het)</i>, I, <a href="#408">408</a>.<br>
+<i>Teestye</i> (Jans), I, <a href="#325">325</a>&ndash;327, <a href="#429">429</a>.<br>
+<i>Theophilus (Van)</i>, I, <a href="#353">353 vlgg.</a>; <a href="#361">361</a>.<br>
+Thomas van Cantimpr, I, <a href="#149">149</a>.<br>
+<i>Tondalus (Visioen van)</i>, I, <a href="#361">361</a>.<br>
+<i>Torec</i>, I, <a href="#230">230</a>, <a href="#238">238</a>&ndash;239.<br>
+<i>Tractaet van seven sloten</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Trappen (Van Seven)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Tristan en Isolde</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br>
+<i>Troyen</i>, I, <a href="#105">105</a>, <a href="#230">230</a>, <a href="#235">235</a>&ndash;236, <a href="#240">240</a>.
+
+<h3>U.</h3>
+
+<p>Willem Utenhove, I, <a href="#186">186</a>.
+
+<h3>V.</h3>
+
+<p><i>Vaghevier (Van S. Patricius')</i>, I, <a href="#351">351</a>&ndash;2.<br>
+<i>Valentijn en Nameloos</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br>
+Heinric van Veldeke, I, <a href="#34">34</a>.<br>
+Veldeke's <i>Minneliederen</i>, I, <a href="#41">41</a>.<br>
+Velthem (Lodewijk van), I, <a href="#305">305</a>&ndash;6.<br>
+<i>Vergy (Borchgravinne van)</i>, I, <a href="#337">337</a>&ndash;9, <a href="#344">344</a>.<br>
+<i>Versus de hirundine</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br>
+<i>Vingherlinc</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Vitae patrum</i>, I, <a href="#362">362</a>.<br>
+<i>Vroeden (Van den VII ... binnen Rome)</i> (gedicht), I, <a href="#190">190</a>.<br>
+<i>Vrouden (Van den vijf)</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a>
+
+<h3>W.</h3>
+
+<p><i>Walewein</i>, I, <a href="#119">119</a>&ndash;121.<br>
+<i>Walewein-boek,</i> I, <a href="#109">109</a>.<br>
+<i>Boek der Waarheid</i> (Suso), I, <a href="#369">369</a>.<br>
+<i>Waerheit (Boec vander hoechster)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br>
+<i>Waerneer (Van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>&ndash;138.<br>
+Willem van Afflighem, I, <a href="#150">150</a>.<br>
+<i>Wraken (Boec van der)</i>, I, <a href="#422">422</a>, <a href="#451">451</a>.<br>
+<i>Wrake (Van onses Heren)</i>, I, <a href="#139">139</a>.<br>
+<i>Wisselau (Van den bere)</i>, I, <a href="#48">48</a>.<br>
+<i>Woeringen (Slag bij)</i>, I, <a href="#303">303</a>.<br>
+<i>Wonden (Van ons Heren)</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a><br>
+<i>Wychliederen</i>, I, <a href="#223">223</a>&ndash;224.
+
+<h3>Y.</h3>
+
+<p><i>Yeesten (Brabantsche)</i>, I, <a href="#427">427</a>.<br>
+<i>Ysengrimus</i>, I, <a href="#24">24</a>.<br>
+<i>Ystorin (Der&mdash;Bloeme)</i>, I, <a href="#349">349</a>.
+
+<h3>Z.</h3>
+
+<p><i>Zalichede (Leeringhe der)</i>, I, <a href="#437">437 vlgg.</a><br>
+<i>Zeden (Bouc van)</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br>
+<i>Zeden (Van)</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br>
+<i>Zwaanridder-sage</i>, I, <a href="#11">11</a>.<a name="577"></a>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche
+letterkunde, Deel I, by Gerrit Kalff
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE ***
+
+***** This file should be named 23812-h.htm or 23812-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/3/8/1/23812/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..a9358d2
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #23812 (https://www.gutenberg.org/ebooks/23812)