diff options
Diffstat (limited to '23812-h')
| -rw-r--r-- | 23812-h/23812-h.htm | 21585 |
1 files changed, 21585 insertions, 0 deletions
diff --git a/23812-h/23812-h.htm b/23812-h/23812-h.htm new file mode 100644 index 0000000..575f0a9 --- /dev/null +++ b/23812-h/23812-h.htm @@ -0,0 +1,21585 @@ +<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/strict.dtd"> +<html> +<head> +<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=windows-1252"> +<title>Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde (Deel 1)</title> +<style type="text/css"> +<!-- + body { + margin: 5em; + padding: 0; + } + + p { + text-indent: 2em; + } + + p.quote { + text-indent: 0em; margin-left: 4em; margin-right: 4em; + white-space: pre; + } + + p.footnote { + font-size: smaller; + } + + p.footnotequote { + font-size: smaller; + text-indent: 0em; margin-left: 4em; margin-right: 4em; + white-space: pre; + } + + p.intro { + font-size: smaller; + } + + td { + text-indent: 0em; margin-left: 4em; margin-right: 4em; + white-space: pre; + } + + h3, h2, h1 { + padding-top: 50px; + text-indent: 75px; + } + + .centered { + padding-top: 50px; + text-indent: 0px; + text-align: center; + } + + a:hover { + color: #3366cc; + text-decoration: none; + } + + a { + color: #3366cc; + text-decoration: none; + } + + hr { + width: 20%; + } +--> +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, +Deel I, by Gerrit Kalff + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I + +Author: Gerrit Kalff + +Release Date: December 10, 2007 [EBook #23812] + +Language: Dutch + +Character set encoding: + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + +<p><a name="i"></a> + +<h1 class="centered">GESCHIEDENIS DER +NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE</h1> + +<p class="centered">DOOR + +<h3 class="centered">G. KALFF,</h3> + +<p class="centered">HOOGLEERAAR AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN. + +<h3 class="centered">EERSTE DEEL.</h3> + +<p class="centered">TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1906.<a name="ii"></a> + +<p class="centered">STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.<a name="iii"></a> + +<hr> + +<h2>VOORREDE.</h2> + +<p> +<i>Van 1868–1872 ontving ons volk van </i>JONCKBLOET'S<i> hand +de eerste volledige wetenschappelijke geschiedenis onzer letterkunde.</i></p> + +<p><i>Tot op den huidigen dag is die eerste de eenige gebleven. +Met die twee feiten voor oogen zal menigeen erkennen, dat de +rustelooze voortgang der wetenschap en de ontwikkeling onzer +denkbeelden over literatuur en geschiedschrijving der literatuur +een nieuwe geschiedenis onzer letterkunde wenschelijk, ja noodig, +maken.</i> + +<p><i>Het is waar</i>, JONCKBLOET <i>heeft zijn, in vele opzichten voortreffelijk, +werk in latere uitgaven aangevuld en gewijzigd; doch +het wezen van zijn boek is daardoor niet veranderd.</i> + +<p><i>Ongeveer twintig jaar na</i> JONCKBLOET <i>ondernam</i> Dr. J. TE +WINKEL <i>een nieuwe geschiedenis onzer letterkunde, eveneens +op eigen wetenschappelijk onderzoek berustend. Een dergelijk +boek mocht toen reeds om meer dan een reden noodig genoemd +worden, zooals door den schrijver in zijne Voorrede is uiteengezet. +Doch</i> Dr. TE WINKEL <i>liet zijn verdienstelijk werk na het +eerste deel steken. Zoo bleef een nieuwe volledige geschiedenis +onzer letterkunde een desideratum</i>[1]. + +<p class="footnote">[Voetnoot 1: De geïllustreerde <i>Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde</i> +van Prof. J. TEN BRINK, bestemd in de eerste plaats voor het groote +publiek en dus van anderen aard dan de beide bovengenoemde +werken, kan hier buiten beschouwing blijven.] + +<p><i>De firma</i> J.B. WOLTERS <i>te Groningen, die indertijd</i> JONCKBLOET'S +„Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" <i>had +uitgegeven, verzocht mij een nieuw dergelijk werk samen te stellen +en ik heb die taak op mij genomen, in de overtuiging dat hier +werk viel te doen nuttig voor anderen en voor mijzelf.</i> + +<p><i>Voor anderen—want ook in de 18 jaren, verloopen sedert<a name="iv"></a> +de verschijning van</i> Dr. TE WINKEL'S <i>boek, zijn weer tal van +nieuwe werken en teksten gevonden; is onze feitenkennis door +voortgezet onderzoek gewijzigd en vermeerderd; hebben buitenlandsche +geleerden werken geschreven die ons in staat stellen, +dieper door te dringen in het wezen en de ontwikkeling onzer +literatuur. Dat alleen reeds maakt een nieuwe poging tot verwerking +en samenvatting der bestaande stof wenschelijk. Doch +er is meer. Een der redenen waarom</i> Dr. TE WINKEL <i>het +wenschelijk achtte, naast</i> JONCKBLOET'S <i>werk het zijne te plaatsen, +was gelegen in een „afwijkende aesthetische beschouwing der +letterkundige voortbrengselen." Ook die reden bewoog mij tot +het samenstellen van mijn werk. De opvatting en beschouwing +mijner voorgangers eerbiedigend, acht ik het wenschelijk eene +geschiedenis onzer letterkunde samen te stellen, uitgaand van +een andere opvatting van leven en literatuur, van den samenhang +tusschen die beide, en van de taak der literatuur-geschiedschrijving.</i> + +<p><i>Voor mijzelven acht ik de samenstelling van dit werk een +goede aanleiding tot verwerking en samenvatting van hetgeen +een bijna 25-jarige studie onzer letterkunde mij te gevoelen en +te denken heeft gegeven.</i> + +<p><i>Mijne opvatting van literatuur en literatuur-geschiedschrijving +hier uiteen te zetten, schijnt mij overbodig; men zal die uit +mijn werk voldoende kunnen opmaken.</i> + +<p><i>Hier zou ik dus kunnen eindigen, ware het niet dat ik eerst +een droevigen plicht had te vervullen.</i> + +<p><i>De man die den stoot gaf tot het ontstaan van dit boek, de +uitgever</i> E.B. TER HORST, <i>is eenige dagen geleden ontvallen +aan de zijnen, aan den boekhandel, aan de wetenschap waarvoor +hij als uitgever in zijn kort leven zooveel heeft gedaan. Het doet +mij hartelijk leed, dat deze rusteloos, te rusteloos, voortvarende +man in de volle kracht zijner werkzaamheid van ons moest +scheiden; dat ik zijne belangstelling en zijn raad bij de voortzetting +van dit werk zal missen. Mij blijft slechts de herinnering +aan zijn onbekrompen trant van zaken doen en onze korte doch +aangename samenwerking</i>. + +<p>LEIDEN, 20 October 1905. +G.K.<a name="v"></a> + +<hr> + +<h2>INHOUD.</h2> + +<p class="quote"> +VOORSPEL I +VOORSPEL II + +BOEK I. +STANDENPOËZIE + +Inleiding +1. Ridderpoëzie +2. Geestelijke Poëzie (Hadewych) +3. Poëzie der Gemeenten (Reinaert) +Vroegste Lyriek +Jacob van Maerlant +Dichters, Voordragers, Publiek +Tusschenspel. Ontkieming van het Nationaliteitsgevoel + +BOEK II. +STANDENPOËZIE. DE STEM DER GEMEENTEN + +Inleiding +Ridderpoëzie in verval +Geestelijke epische poëzie en proza (Ruusbroec) +Poëzie der Gemeenten (Vervolg) + Het Leerdicht—Reinaert II + Verhalende en lyrische poëzie +Ontwikkeling van het Literair Leven +Willem van Hildegaersberch +Dirc Potter + +Alphabetisch Register +</p> + +<hr> + +<p><a name="vi"></a> +<a name="1"></a> + +<h1>VOORSPEL.</h1> + +<p><a name="2"></a> +<a name="3"></a> + +<h2>VOORSPEL.</h2> + +<h2>I.</h2> + +<p class="intro">Land en Volk. Romeinen. Franken. Bernlef. Heidendom en Christendom. +Oudnederlandsche Letterkunde. De akker der volkspoëzie ligt +braak. Latijnsche poëzie en prozawerken. + +<p>Het onderzoekend oog dat zich richt op het verst verleden +van ons volk, stuit allerwegen op een ring van duisternis. +Slechts langzaam en tragelijk wijken voor het wassend licht +der wetenschap, de dikke nevelen die verbreid liggen over het +ontkiemen van ons volksbestaan. + +<p>Wat zien wij in die schemering? + +<p>Lage landen aan zee, oostwaarts zachtkens opglooiend, overal +afgebroken door plassen en meren en breede rivieren; eenzame +heiden en uitgestrekte bosschen, afgewisseld door poelen en +moerassen. Over die woeste gronden zwerven Kelten en Germanen, +jagers en visschers, levend van de hand in den tand, +een ruw en zorgvol bestaan rekkend in den strijd met wilde +dieren. Onzekere geruchten omtrent een schrikwekkenden grooten +vloed zijn blijven hangen in het geheugen ook van ons volk. +Nog staan, indrukwekkend en geheimzinnig, op de Drentsche +heidevelden de hunnebedden, heugenissen dier vroegste schemertijden. + +<p>Maar niet onduidelijk noch onzeker van klank zijn de +schetterende trompetten die de nadering verkonden van Romeinsche +soldaten en als sterren door de nevelen schitterend<a name="4"></a> +zien wij de zilveren adelaren zich wiegen boven de helmen +dier legioenen die de wereld hadden veroverd. + +<p>In het gevolg der Romeinen kwam de beschaving. Van hen +leerden onze voorouders het aanleggen van wegen en dijken, +het bouwen van bruggen en huizen; in landontginning, landbouw, +handel en nijverheid waren de Romeinen onze voorgangers +en leermeesters. Met de zee, „de wilde zee" zooals +men haar te onzent nog lang placht te noemen, wordt een +strijd aangebonden ter verdediging van het land; weldra gaan +de Friezen haar bevaren om handel te drijven. + +<p>Langzaam neigt der Romeinen heerschappij ten val. Hun +wereldrijk verzwakt; als het bloed naar het hart trekken de +legioenen zich uit de verre streken terug, de greep van Rome's +ijzeren vuist verslapt. Wanneer eindelijk het Romeinsche rijk +bezweken is onder de slagen der Germanen, komen de Franken +hier als heerschend volk de plaats der Romeinen innemen. +Zelf een Germaansch volk, maar dat langzamerhand samensmolt +met de Gallo-Romeinsche bevolking van het door hen veroverd +land en meer en meer onder den invloed geraakte van de +beschaving en het Christendom der overwonnelingen, dringen +zij aldoor noordwaarts op. Een botsing met de, benoorden den +Rijn wonende, Friezen en Saksen kon niet uitblijven; eene +botsing van stammen tegen stammen, botsing ook van ruwheid +en beschaving, van Heidendom en Christendom. Lang blijven +de Friezen onder hunne koningen RADBOUD en POPPO zich +verdedigen tegen de Franken onder hunne PEPIJNS en KAREL +MARTEL, maar ten slotte moeten zij den strijd opgeven; het +Friesche rijk dat zich langs de zeekust eens tot het Zwin had +uitgestrekt, wordt in de 8<sup>ste</sup> eeuw bij het Frankisch rijk ingelijfd. +KAREL DE GROOTE bevestigt dien stand van zaken; onder zijne +roemvolle regeering beginnen de bewoners dezer landen de zegeningen +van orde en vrede eenigermate te leeren kennen en genieten.<a name="5"></a> + +<p>Niet verwonderlijk dus, dat wij ook nu eerst onder deze +volken eenig spoor vinden van letterkundig leven. Aan het +Friesche volk komt de eer toe, het eerst zijne stem te hebben +opgeheven in het veelstemmig koor van Nederlands poëzie; +aan de poort onzer literatuur staat—Frysk bloed, tsjoch op!—een +vrije Fries, de blinde zanger BERNLEF. + +<p>Het weinige dat wij van BERNLEF weten, is ons verhaald +door ALTFRIDUS, bisschop van Munster, in zijne levensbeschrijving +van den apostel LIUDGER, een edelen Fries die in +Friesland het werk van BONIFACIUS heeft voortgezet<a href="#1.1">[1]</a>. + +<p>In dat levensverhaal vinden wij gewag gemaakt van „den +blinden zanger BERNLEF, dien zijne buren liefhadden om zijne +minzaamheid en omdat hij de daden van het voorgeslacht en +de oorlogen der koningen wel in zijne harpzangen wist te verhalen." +Voorts wordt ons nog medegedeeld, dat BERNLEF met +zijne vrouw te Holwerd bij Dokkum woonde en dat hij drie +jaar lang met volslagen blindheid bezocht was. + +<p>Misschien hebben wij hier een dier zangers van beroep voor +ons, gelijk zij bij de Gernamen voorkwamen, een der dragers +van de oude inheemsche volkspoëzie<a href="#1.2">[2]</a>. Al kennen wij BERNLEF'S +liederen helaas! niet, wij wagen niet veel met de onderstelling +dat zij hetzelfde karakter zullen hebben gedragen als die +„alleroudste liederen over de daden en oorlogen der vroegere +koningen" welke KAREL DE GROOTE deed verzamelen en opteekenen<a href="#1.3">[3]</a>. +Was BERNLEF de dichter der liederen die hij placht +te zingen? Daarnaar kunnen wij zelfs niet gissen. Liever dan +eene poging daartoe aan te wenden, wijzen wij op een andere +mededeeling aangaande dezen Frieschen zanger in hetzelfde +<i>Leven van Liudger</i>: „Overal waar deze BERNLEF den man Gods +(LIUDGER) vond, leerde hij psalmen van hem en hij bleef in +de „verlichting" die hij door dezen deelachtig was geworden +totdat hij, oud en der dagen zat, in vrede stierf."<a name="6"></a> + +<p>De literatuur is ook hier spiegel, van het leven. In die +Oudgermaansche volkszangen, wijkend voor de Christelijke +kerkliederen, zien wij de worsteling van Heidendom en Christendom +die nu onze aandacht vraagt. + +<p>Die worsteling was niet meer zoo zwaar als zij voorheen was +geweest, maar zij was toch nog verre van geëindigd. De oudste +verkondigers van het Christendom hier te lande: SINT SERVAES, +SINT AMAND, SINT ELOY, en hunne meerendeels Angelsaksische +opvolgers WILLEBRORD, LEBUÏNUS, BONIFACIUS en zoovele +anderen hadden de bewoners dezer landen gevonden als belijders +van een geloof dat men een natuurdienst mag noemen. +Wodan was vooral een windgod, Wodan's heir de wilde jacht +der stormende wolken; Donar was een onweersgod, Moeder +Aarde werd vereerd als eene godheid, sporen van boomvereering +zijn ook hier aan te wijzen evenals van het geloof aan +elven en nikkers, geesten die verblijf hielden in lucht en aarde, +bosch en water. Tegen dat geloof komt het Christendom zich +kanten: tegen den ontzagwekkenden Wodan op zijn achtvoetig +ros de luchten doorzwevend—God de Vader; tegen den +wilden Donar met zijn pletterenden hamer—de bleeke man +der smarte met de doornenkroon; tegen de bloedwraak—het +„hebt uwe vijanden lief"; tegen de heerschappij van zinnelijkheid +en hartstocht—de eisch van zelfbeheersching, zelfverloochening, +kastijding van het booze vleesch. Overal, in +Vlaanderen en Brabant als in Holland en Friesland, doet zich +de stem van het nieuwe geloof hooren. De vrome mannen, +die hier het Evangelie brengen, worden vaak grimmig ontvangen, +hun leven in gevaar gebracht, BONIFACIUS door de Friezen +vermoord—zij versagen niet. Gestadig gaan zij voort met +prediken, bekeeren, doopen, met het bouwen van kerkjes, het +stichten van kloosters. RADBOUD, „de vijand Gods", zooals<a name="7"></a> +MELIS STOKE hem noemt, moge komen met zijne heidensche +Friezen en het pas gestichte vernielen en verbranden—geen +nood! een nieuwe kerk, een nieuw klooster verrijst. + +<p>Het Christendom wint gaandeweg veld; het heidendom trekt +zich terug, overwonnen niet gedood. Lang blijft het voortbestaan +als ondergrond van het nieuwe geloof, lang nog blijft het leven +en zich openbaren in tal van gewoonten en gebruiken, hoezeer +ook bedreigd door den banvloek des priesters. Lustig bleven +op Sint-Jan de vuren branden aan welker vlammen de heidenen +van ouds eene reinigende kracht toeschreven; bezwerings- en +tooverformulieren werden nog steeds toegepast, de wichelarij +met paarden en vogels hield stand; de hazelaarstak deed nog +lang zijne diensten bij het zoeken naar verborgen schatten. De +lijkmaaltijden bleven in zwang; men hechtte er gewicht aan, +welk dier men des morgens het eerst tegenkwam, aan welken +kant eene kraai u voorbijvloog. Menige heidensche godheid, +menig voorvaderlijk heiligdom werd gekerstend, maar lang niet +overal bleek het doopsel krachtig genoeg om het oude geloof +te verjagen. Zoo was het klooster Blandinium te Gent blijkbaar +gesticht op de plaats waar vroeger een Oudgermaansch heiligdom +had gestaan. Immers, wij lezen in het <i>Leven van Sint Amand</i>: + +<p class="quote">Het was omme den torre Blandijn, +Daer die afgod der Sarrasijn +In stont, die Marcurius hiet. +</p> + +<p>al worden de heidensche bewoners dezer landen hier, gelijk +zoo menigmaal elders, Sarracenen genoemd, al schuilt onder +den naam Mercurius Donar of een andere Germaansche god. +Nog in het midden der 14<sup>de</sup> eeuw toonde men den geloovigen +de zeven boomen „waar SINT AMAND eerst zijn ruste nam" <a href="#1.4">[4]</a>. +Doch er bestaat wel reden om te vermoeden, dat dit zevental +Sint Amands-boomen oorspronkelijk een zevental Wodans-eiken<a name="8"></a> +zal geweest zijn, zooals de overlevering er ook te Wolfhezen +toont. En menig halfbekeerde Vlaming, wiens weg hem in het +schemeruur langs die boomen voerde, zal er een eerbiedig +schuwen blik op hebben geworpen, denkend aan de oude goden. + +<p>Ondertusschen vermenigvuldigden de kloosters zich snel; +reeds vóór de kruistochten is Zuid-Nederland er mede bezaaid<a href="#1.5">[5]</a> +en in het Noorden moeten zij ook al spoedig talrijk zijn +geweest. Gewoonlijk werd zulk een klooster gesticht ergens in de +„solitudines", de woeste gronden die een groot deel dezer landen +besloegen. Bosschen moesten dan gerooid, moerassen gedempt, +heiden ontgonnen; het werk der beschaving nam een aanvang. +Naast vele wereldlijke heeren maakten vooral de Cisterciënsers +zich verdienstelijk ten opzichte dezer kolonisatie binnenslands. + +<p>Zeker, niet al deze geestelijken waren heiligen; de meesten +waren maar menschen, zwakke menschen. Over de ruwheid, +vechtlust en zedeloosheid der geestelijken van de 8<sup>ste</sup> eeuw +wordt luide geklaagd.<a href="#1.6">[6]</a> De kerkelijke tucht verslapte zóózeer, +dat in de 10<sup>de</sup> eeuw de regel van SINT BENEDICTUS bijna +geheel vergeten was, dat menig abt zich van de wereldlijke +machthebbers slechts door de tonsuur onderscheidde.<a href="#1.7">[7]</a> + +<p>Doch het zou onbillijk zijn, wegens zulke feiten den goeden +invloed, door het Christendom en een deel der geestelijkheid +geoefend, voorbij te zien. En zeker zou menig literair werk +van dezen tijd niet geschreven zijn, indien zijn maker niet in +een klooster die veiligheid, rust en kalmte van geest had +gevonden, zonder welke de meeste letterkundige werken niet +kunnen ontstaan. Dat geldt in hooge mate van de eeuwen +waarop wij hier inzonderheid het oog hebben, de 9<sup>de</sup>-12<sup>de</sup> eeuw, +die ons deze landen toonen in een toestand van verwarring en +verwildering. Telkens zeilen de Noorsche zeeroovers onze +rivieren op, allerwege schrik verbreidend; zij moorden, plunderen, +sleepen den buit naar een versterkt kamp, worden soms<a name="9"></a> +verjaagd, doch slechts om een volgenden keer met fellen wrok +terug te komen. Doch ook in streken waar zij niet kwamen, +vernemen wij weinig anders dan veeten, oorlog, roof, +moord, verwoesting. Tal van kleine graven, behalve den graaf +van Friesland (die zich later graaf van Holland zal noemen), +trachtten zich onafhankelijk te maken. Het groote rijk van +Neder-Lotharingen, dat een korten tijd al deze landen behalve +Vlaanderen omvatte, kon geen afzonderlijke staat blijven maar +loste zich op in een aantal kleine feodale staatjes<a href="#1.8">[8]</a>. + +<p>Te midden van al die verwoesting en verdeeldheid bleef de +Christelijke Kerk overeind, niet ongedeerd, maar ongeschokt +in hare eenheid. Ook op de literatuur dezer eeuwen heeft zij +haar stempel gedrukt. Want terwijl er nauwlijks sprake kan +zijn van de vorming eener literatuur in de volkstaal, kiezen de +letterkundigen dier eeuwen bijna zonder uitzondering de klassieke +kerktaal, waar zij uiting willen geven aan hetgeen hun +geest en gemoed vervult. Voordat wij die in het Latijn geschreven +werken in oogenschouw nemen, moeten wij kennis maken met +hetgeen door sommige geleerden als <i>Oudnederlandsche Letterkunde</i> +is aangeduid<a href="#1.9">[9]</a>. + +<p>Evenals de Engelschen vóór hunne middeleeuwsche letterkunde +eene Oudengelsche of Angelsaksische literatuur kunnen +aanwijzen en de Duitschers vóór de Middelhoogduitsche eene +Oudhoogduitsche, zoo moesten ook de Nederlanders, meende +men, eene Oudnederlandsche letterkunde hebben gehad. Vaderlandsliefde +die in het teeken der Romantiek stond, strekte verlangend +de armen uit; de Wetenschap werd omhelsd, zóó +vurig zelfs dat zij in de knel raakte—uit die vereeniging +werd een „twijfelkind" geboren, zelfs critische geesten zoo +bekorend, dat een hunner profeteerde als ziener met den blik +achterwaarts gericht, „dat er eene Oudnederlandsche letterkunde +<i>moet</i> bestaan hebben"<a href="#1.10">[10]</a>.<a name="10"></a> + +<p>Er was hier een bezwaar: Oudnederlandsche dichtwerken +waren en zijn afwezig. Doch voorloopig behielp men zich met +gewag te maken van het Hildebrandslied, het Lodewijkslied, +van den Oudsaksischen Hêliand, van OTFRID'S Evangeliën-harmonie +en dergelijke werken. En zeker, wanneer men zegt: +wij Nederlanders zijn een Germaansch volk, <i>dus</i> hebben ook +wij deel aan de Oudgermaansche letterkunde; of: ook hier te +lande hebben Saksen gewoond, <i>dus</i> kunnen wij den Hêliand +tot onze literatuur rekenen, dan kan men van die werken +gewag maken in een geschiedenis onzer nationale literatuur. +Doch dan moet men nog heel wat meer tot de Oudnederlandsche +letterkunde rekenen dan thans geschiedt. Wie bij zijn +verhaal van de ontwikkeling der Nederlandsche literatuur zooveel +mogelijk de grenzen wenscht te eerbiedigen, waarbinnen +deze volken van ouds geleefd of hunne taal gesproken hebben, +die zal dit deel der Oudnederlandsche literatuur afwijzen als +onrechtmatig verkregen goed. Sterker meenen de scheppers dier +literatuur te staan in hunne aanspraken op een aandeel in de +vorming van heldendichten als BEOVULF en GUDRUN. Dat die +dichterlijke werken of deelen daarvan hier te lande bekend zijn +geweest, daarvan hebben wij ook zelfs niet de geringste historische +aanwijzing. Ook later wordt ten minste van BEOVULF en +GUDRUN nooit gerept. „Het mag daarom met recht bevreemding +wekken", lezen wij bij een der bovenbedoelde geleerden, „dat +zij hier volkomen in vergetelheid zijn geraakt"<a href="#1.11">[11]</a>. + +<p>Uitgaande van die vooropgezette meening, heeft men met +vlijt en scherpzinnigheid alles samengebracht, wat maar eenigszins +dienen kon om te betoogen b.v. dat de Gudrun-sage hier gelocaliseerd +is geweest, of ten minste dat het tooneel der gebeurtenissen +die in de Gudrun-sage verhaald worden, voor een deel in ons +land te zoeken is. De Franken en Friezen worden genoemd +in den BEOVULF; in de GUDRUN is sprake van Friesland, en<a name="11"></a> +allerlei andere plaatsnamen die <i>kunnen</i> doen denken aan deze +landen bij de zee. + +<p>Met den jongsten uitgever van GUDRUN geloof ik, dat de +aardrijkskundige en staatkundige namen en aanwijzingen in dat +gedicht zulk een verward mengelmoes te zien geven, dat wij +ons daarvan kwalijk als wetenschappelijk materiaal kunnen bedienen<a href="#1.12">[12]</a>. +Doch laat het waar zijn, dat de gebeurtenissen, in +die heldendichten bezongen, ten deele op onze kusten hebben +plaats gehad, krijgen wij dan daardoor eenig aandeel aan dat +Angelsaksische, aan dat Middelhoogduitsche dichtwerk? „Ja", zal +men zeggen, „want dan hebben wij tot het ontstaan van die +gedichten bijgedragen". Mij schijnt die gevolgtrekking uitermate +gewaagd. + +<p>Behoort dan een dichterlijk werk, welks tooneel ons verplaatst +naar een of ander land, daardoor reeds tot de literatuur van +dat land? Dan zal men de literatuurgeschiedenis van menig +volk moeten gaan herzien. + +<p>Zoolang er geen deugdelijker gronden worden aangevoerd +voor de stelling, dat ook ons volk deel heeft gehad aan de +vorming dier Oudgermaansche heldendichten, acht ik het beter +geene poging te doen ons te tooien met veeren uit de pluimage +van Duitschers en Engelschen. + +<p>Een eenigszins verschillend geval hebben wij in de sage van +den Zwaanridder. Dat die sage hier te lande, vooral in Brabant +maar ook elders, overal bekend is geweest, daarvan zijn onderscheidene +bewijzen<a href="#1.13">[13]</a>. Een deel dezer sage, ook dat staat vast, +ten minste voor sommige redactie's, heeft zich gelocaliseerd te +Nijmegen. Wat meer zegt, hier <i>weten</i> wij, dat de sage te onzent +in de middeleeuwen bekend is geweest: MAERLANT immers acht +het de moeite waard, de sage te bestrijden die verhaalde dat +de hertogen van Brabant afstammen van den Zwaanridder. +„Misdadige leugenaars tijgen GODFRIED VAN BOUILLON aan<a name="12"></a> +dat HELIAS, de Zwaanridder, zijn grootvader van moederszijde +was" zegt hij in zijn <i>Spieghel Historiael</i> en elders in datzelfde +werk over GODFRIED sprekend: + +<p class="quote">Noch wijf, no man, als ict vernam, +Ne was noit zwane, daer hi af quam, +Al eist dattem Brabanters beroemen, +Dat si vanden zwane sijn coemen<a href="#1.14">[14]</a>. +</p> + +<p>Voorts bestaat er een fragment van een Dietsch gedicht over +den Zwaanridder. Doch geeft het bestaan van dat fragment ons +nu „alle reden om te doen vermoeden dat er evengoed een +Nederlandsche roman van den Zwaanridder zal bestaan hebben, +als er een Fransche <i>Roman du Chevalier au Cygne</i> in verschillende +redacties, en meer dan ééne bewerking in de Middel-hoogduitsche +letterkunde van bestaat"?<a href="#1.15">[15]</a> + +<p>Dat wij eertijds eene volledige bewerking der sage in het +Nederlandsch bezeten hebben, geloof ook ik. Echter—en +daarop komt het aan, indien men spreekt over sagen als materiaal +voor de poëzie—voorzoover wij nu zien kunnen, is dit +Nederlandsch gedicht geen zelfstandige bewerking der inheemsche +sage, maar eene navolging van een of ander Fransch +origineel<a href="#1.15">[15]</a>. Ook de sage der Heemskinderen was hier te lande +populair; doch het Middelnederlandsch gedicht, dat hunne +geschiedenis behandelt, is bewerkt naar het Fransch. + +<p>Wij zien dus, dat ook hier poëtische stof voor het grijpen +lag; maar geen dichter die er de hand op legde om er een +poëtisch werk in de volkstaal uit te scheppen. + +<p>De bovengenoemde voorbeelden zijn niet de eenige van dien +aard. Wat kan sterker indruk hebben gemaakt op het gemoed +en de verbeelding onzer voorouders, dan die telkens herhaalde +rooftochten der Noormannen? Wanneer de gevreesde viking +zich vertoonde aan boord van zijn hooge kromsteven, dan<a name="13"></a> +sidderde ook den stouten Fries het hart in de borst, want hij +wist dat er geen genade was; dat plundering, mishandeling, +moord hem en zijn volk bedreigden, dat ballingschap en +slavernij veelal het lot was van wie gespaard bleven. De gansche +negende eeuw door bestoken de Noormannen de kusten van +Holland en Vlaanderen. Zij zeilen de rivieren op, diep landwaarts +in; zij bouwen versterkte legerplaatsen bij Maastricht en +Leuven, die uitgangspunten worden voor rooftochten in het +omliggend land.<a href="#1.16">[16]</a>. + +<p>Welnu, geen enkel gedicht, geen lied, geen rijmpje zelfs in +de volkstaal dier eeuwen is tot ons gekomen. Eerst in een +gedicht van veel lateren tijd, de <i>Legende van het heilige Kruis</i> +(naar het schijnt uit de 14<sup>de</sup> eeuw), vinden wij verwarde herinneringen +aan het verblijf der Denen (Noormannen) in Brabant. + +<p>Zweeg men, omdat de smart te groot was? Dikwijls immers +is het waar, wat in later tijden Vader CATS een Latijnsch +dichter nazeide: + +<p class="quote">Gewone droefheid klaagt, maar al te diepe zeer +En heeft geen open wond, geen zucht, geen tranen meer. +</p> + +<p>Doch de akker der volkspoëzie is braak blijven liggen ook op +plaatsen, waar eene verklaring als de bovenstaande niet van +pas zou zijn. + +<p>Wat al gerucht is, in den aanvang der 12<sup>de</sup> eeuw, in den +lande gemaakt, in Zeeland, Utrecht, Keulen, door den dweper +TANCHELM! Een voorlooper van JAN VAN LEIDEN, een volksredenaar +zóó welsprekend, dat hij de geleerde klerken ijverzuchtig +maakte; die door zijn grooten invloed op de vrouwen +ook de mannen voor zich wist te winnen; die in 't openbaar +optrad in kleederen met goud doorweven, omstuwd door lijfwachten +die een banier en een zwaard voor hem uitdroegen; +die de geestelijkheid en de kerkleer durfde aantasten in zijne<a name="14"></a> +prediking en door de Utrechtsche Kanunniken aan den aartsbisschop +van Keulen werd afgeschilderd als de voorlooper van +den Antichrist! Te Keulen gevangen gezet met zijne gezellen: +een priester EVERWACHER en een smid MANASSE die naar het +voorbeeld van zijn meester een broederschap van twaalf mannen +en ééne vrouw had opgericht (de apostelen en de maagd Maria), +weet hij zich door de waterproef te zuiveren van de beschuldigingen +tegen hem ingebracht. Later treedt hij weer in het +openbaar op; in een vorstelijk kleed en met schitterend hoofdtooisel +trekt hij, omgeven door drieduizend mannen, door stad +en land. Hertogen noch graven durven hem weerstand bieden. +In 1115 wordt hij, in een vaartuig gezeten, door een priester +verslagen.<a href="#1.17">[17]</a> + +<p>Een poëtische stof, zou men zeggen, aantrekkelijk ook voor +onze middeleeuwsche dichters, wien het—indien men mag +afgaan op zoo menig dichterlijk werk van later tijd—waarlijk +niet haperde aan gevoel voor het indrukwekkende of aangrijpende. +Maar de nationale poëzie zwijgt over TANCHELM en +de Tanchelmisten, over den priester EVERWACHER, over den +smid MANASSE en zijn ontuchtig apostelengilde. Waarom? De +verklaring schijnt mij voor de hand te liggen. + +<p>Behalve de bovengenoemde zijn er in deze eeuwen nog +zooveel andere dingen gebeurd, die indruk gemaakt hebben +op de gemoederen der menschen van toen. Verscheidene daarvan +nu zijn wel herschapen tot literaire werken van grooter of +kleiner waarde. Echter niet in de volkstaal, maar in de taal der +Kerk, het Latijn. + +<p>Verwonderlijk is dat niet. In de schatting der middeleeuwsche +menschen van dien tijd, stond het Latijn hoog boven de volkstaal. +Het Dietsch was de taal van het "diet", van JAN ALLEMAN, +en werd nog niet als schrijftaal gebezigd; het Latijn, met zijn +eerbiedwaardig verleden, den roem en het gezag der klassieke<a name="15"></a> +schrijvers, was de taal der Kerk in gansch West-Europa, +de taal ook waarvan geestelijken en geleerden zich schriftelijk +bedienden, de taal die vorsten en machtigen kozen voor het +opstellen van officieele stukken. Rome's taal en letterkunde +werden ook hier te lande vlijtig beoefend. In de bibliotheek +der beroemde abdij van Egmond vond men in de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> +eeuw tal van klassieke dichtwerken: VIRGILIUS' <i>Bucolica</i> en +<i>Georgica</i>; OVIDIUS' <i>Tristia</i>; CICERO's <i>De Senectute, De Amicitia</i>, +de <i>Orationes</i>; SALLUSTIUS' werken. Van de lateren vond men +er: PERSIUS' <i>Satiren</i>, STATIUS' <i>Thebaïs</i>; SENECA'S <i>De Clementia</i>; +AULUS GELLIUS' <i>Noctes Atticae</i>. Voorts talrijke glosen op de +klassieke schrijvers waaruit men mag opmaken dat de werken +dier auteurs wel bestudeerd werden. Van middeleeuwsch-Latijnsche +werken trof men er aan o.a.: eene <i>Vita Brendani</i>, +de <i>Gesta Francorum id est Cronica cum Vita Karoli</i>, DARES +FRIGIUS' <i>De Excidio Trojae, Gesta Alexandri Magni</i><a href="#1.18">[18]</a>. Onder +de boeken welke de abdij Bloemhof te Wittewierum in een +latere eeuw (de 13<sup>de</sup>) bezat, vinden wij OVIDIUS, VIRGILIUS, +eenige auctores ethici et satyrici; verder tal van werken over +grammatica en dialectiek, geschriften van de Kerkvaders +AUGUSTINUS en GREGORIUS<a href="#1.19">[19]</a>. In diezelfde eeuw vinden wij +aan de abdij van Mariëngaarde te Hallum eene „scola publica" +verbonden; aan haar hoofd stond zekere magister FREDERIK, +die met zijne leerlingen 's morgens de heidensche poëten en +geschiedschrijvers en na het middagmaal de Kerkvaders las<a href="#1.20">[20]</a>. + +<p>Die eerbied en liefde voor het Latijn zal de ontwikkeling +der volkstaal waarschijnlijk belemmerd hebben; de veldbloem +heeft „tier noch zwier" in de schaduw van den grooten boom +die haar het vrije genot van zon en wind en regen beneemt +en beslag legt op de groeikracht van Moeder Aarde. + +<p>Abt EMO van Wittewierum bezat, volgens zijn biograaf, den +lateren abt MENKO, vele gaven en talenten—doch niet de gaaf<a name="16"></a> +der wereldlijke welsprekendheid „in lingua teutonica"; daarvan +was hij geen beminnaar en hij oefende er zich ook niet in +„propter studium et amorem vitae spiritualis et lectionis". Nog +op zijn sterfbed sprak hij keurig Latijn. + +<p>Begrijpelijk is het, dat wij in de Latijnsche geschriften van +zulke mannen niet zelden aanhalingen vinden uit klassieke +schrijvers: in EMO'S Kroniek b.v. verzen of sententie's van +CICERO, HORATIUS, SENECA, LUCANUS; in een reisbeschrijving +van een Friesch of Groningsch pelgrim uit den aanvang der +13<sup>de</sup> eeuw herinneringen aan VIRGILIUS' <i>Eclogae</i> en aan zijne +<i>Aeneis</i><a href="#1.21">[21]</a>. Begrijpelijk evenzeer, dat bewondering ook hier tot +navolging bracht. Het lag voor de hand, dat allen die in aanraking +waren gekomen met de Latijnsche literatuur en behoefte +gevoelden zich te uiten, voor die uiting de taal zouden kiezen +waarmede zij vertrouwd waren, die reeds op zich zelve zekere +waardigheid aan een literair werk bijzette, het verhief boven het +alledaagsche, en waarin zij allerlei wendingen, uitdrukkingen, +vergelijkingen vonden waarmede zij hun voordeel konden doen. + +<p>In die dagen, met voorbijgang van het Latijn, zich van de +volkstaal bedienen voor de samenstelling van eenig letterkundig +werk, zou alleen dan verwacht kunnen worden, indien er +toen onder ons volk een krachtig gevoel van zelfbewustheid, +een krachtig nationaliteitsgevoel, aanwezig ware geweest. Daarvan +was nog geene sprake. Indien men zich herinnert, dat de +grootste dichter der middeleeuwen, DANTE ALIGHIERI, vóór het +schrijven der <i>Commedia</i> geweifeld moet hebben tusschen de +volkstaal en het Latijn, dat hij zelfs den aanvang van den +<i>Inferno</i> in Latijnsche hexameters gedicht heeft, dan zal men +zich over de toestanden te onzent in vroeger eeuwen niet verwonderen. + +<p>Het is natuurlijk denkbaar dat in die eeuwen een dichter, +die geen Latijn kende, zich gedrongen zal hebben gevoeld tot<a name="17"></a> +eene poëtische uiting in de volkstaal. Maar in allen gevalle is +geen enkel voorbeeld van zoodanige uiting tot ons gekomen. + +<p>Wanneer wij nu het oog slaan op de Latijnsche werken, toen +te onzent gedicht, dan treft ons aanstonds, dat wij hier een +zwak voorspel vernemen van de latere literatuur der middeleeuwen. +MAERLANT sprak in zijn <i>Wapene Martijn</i> dit kloeke +woord over den adel: + +<p class="quote">Mine roec, wiene droech of wan<a title="[margin: Ik geef er niet om wie zijn moeder of zijn vader was.]"><sup>#</sup></a>, +Daer trouwe ende doghet es an + Ende rene es van seden; + Uut wat lande dat hi ran, + Dats, dien ic der namen an<a title="[margin: toeken (gun).]"><sup>#</sup></a> + Van der edelheden. +</p> + +<p>Maar lang vóór hem had de adellijke Fries LUDGER, in den +proloog van zijn verhaal over de heiligen BONIFACIUS en +GREGORIUS, verklaard „dat er een adel des geestes bestaat, +welks leden boven alle aanzienlijken van geboorte, de hoogste +liefde en vereering waardig zijn"<a href="#1.22">[22]</a>. + +<p>Wij vinden de stof voor meer dan een ridder-epos in een +paar Latijnsche kronieken dier eeuwen; eene bewerking der +Reinaert-sage, eenige heiligenlevens, een leerdicht en ten slotte +een paar staaltjes van lyrische poëzie. Het schijnt mij de moeite +waard, de meeste dezer werken, het een iets korter, het ander +iets uitvoeriger, te behandelen<a href="#1.23">[23]</a>. + +<p>MILO, monnik uit het klooster Elnon bij Doornik, die +omstreeks 872 stierf, behoort zeker wel tot de oudste Latijnsche +dichters te onzent. Hij vervaardigde een leven van SINT AMAND +in 1800 hexameters, op aansporing zijner kloosterbroeders, en +als een hulde door hem op den dag van Sint Amand aan dien +heilige gebracht.<a name="18"></a> + +<p>Behalve eenige kleinere gedichten schreef hij ook nog een +omvangrijk leerdicht in twee boeken <i>De Sobrietate</i>, waarin +door tal van voorbeelden uit O. en N. Testament wordt aangetoond, +hoe nadeelig de gevolgen der gulzigheid en hoe goed +die der matigheid zijn. Tusschen die voorbeelden vindt men +hier en daar, evenals in de leerdichten van lateren tijd, uitweidingen +over de priesters, over de onkuischheid van velen in +dien tijd, ook wel eens over den dichter zelven. Geleerdheid +is hier genoeg, ook navolging van VIRGILIUS; poëzie zoo min +als in verreweg de meeste onzer middeleeuwsche leerdichten. + +<p>Over de levens van BONIFACIUS en GREGORIUS door LUDGER, +beide in proza, spraken wij reeds. Voorts vinden wij nog melding +gemaakt van een ander leven van BONIFACIUS, geschreven +door een tijdgenoot van LUDGER, een man van merkwaardige +belezenheid en eenigermate bekend met Latijnsche klassieken +en mythologie. In de eerste helft der 9<sup>de</sup> eeuw schreef een +Friesch monnik in de abdij van Werden eene levensbeschrijving +van LUDGER, waarin soms stof voorkomt, bruikbaar voor +een dichter. In de laatste helft der 10<sup>de</sup> eeuw gaf een ander +Friesch monnik ter abdij van Werden een verhaal van de +romantische lotgevallen en vele mirakelen der Heilige Ida<a href="#1.24">[24]</a>. + +<p>Bisschop RADBOUD van Utrecht (± 917) toonde vooral eene +voor dien tijd zeldzame kennis van grammatica en metriek in +zijne <i>Versus de hirundine</i>, zijn <i>Carmen Allegoricum</i> op Sint +Suitbert en zijne <i>Ecloga</i> op Sint Lebuïnus; in deze en andere +stukken van zijne hand vinden wij wel loofwerk van antieke +mythologie en navolging van VIRGILIUS, maar nergens eene +wending of uitdrukking, karakteristiek voor den volksgeest of +het volksgemoed dier dagen<a href="#1.25">[25]</a>. + +<p>Door de heerschappij van het Latijn werd de natuurlijke +uiting van het gemoedsleven als gestremd en verstijfd. Rechtstreeksche +gemeenschap tusschen het innerlijk leven en de taal<a name="19"></a> +die dat innerlijk leven moet verklanken, kon onder die heerschappij +niet bestaan. Om uit te drukken wat men gevoelde, +moest men in eene vreemde taal zoeken naar woorden, wendingen, +vergelijkingen die zoo ongeveer overeenkwamen met +hetgeen men wenschte uit te drukken. Zoo kwam men tot +poëzie, die op echte poëzie gelijkt als een kunstbloem op een +levende bloem. + +<p>Een goed voorbeeld van zulk dichtwerk vinden wij in de +verzen die gewijd zijn aan het leven en den lof van ANSFRIED, +bisschop van Utrecht, die in 1010 stierf. + +<p>Hoe rijk aan afwisseling is het leven van dezen bisschop, +hoe rijk ook aan treffende of ontroerende feiten, aan zedelijke +schoonheid, aan verhevenheid. + +<p>Hij is van aanzienlijke afkomst, zijn vader schijnt graaf van +Leuven te zijn geweest; een neef en naamgenoot van den knaap +bezit vijftien graafschappen. Aartsbisschoppen, die van Trier, +die van Keulen, leiden zijne opvoeding. De latere keizer OTTO I +kiest hem op een tocht naar Italië tot zijn zwaarddrager; onder +diens roemrijke leiding wordt hij een bekwaam veldheer. Spoedig +is hij een der machtigste edelen van zijn tijd. Van de vroomheid +en trouw zijner gemalin HILSWINDE bleven tot in onzen +tijd romantische verhalen bewaard. Krachtig treedt hij op tegen +de roovers (Noormannen?) in Brabant. Daarna wordt hij—zijns +ondanks—door den keizer tot bisschop van Utrecht +verheven; hij legt in de kapel te Aken zijn zwaard op het +altaar der H. Maagd en wijdt zich aan haar dienst. Alle omstanders +barsten in tranen uit. Voortaan wordt zijn leven meer en +meer dat van een heilige; blind geworden, vertoeft hij liefst +in het door hem gestichte klooster, de Hohorst bij Amersfoort. +Zijn leven daar doet denken aan dat van SINT FRANCISCUS: +hij put water om melaatschen te wasschen; zijne liefde ontwikkelt +zich tot eene onbegrensde teederheid voor alle schepselen van<a name="20"></a> +den Heer. Zelfs den vogelkens was hij weldadig. Des winters +liet hij uit medelijden met hunne armoede volle korenschooven +in de boomen van zijn heuvel plaatsen. + +<p>Geen wonder waarlijk dat na zijn dood de Utrechtenaren +niet rustten, vóórdat zij zijn lijk van den Hohorst naar hunne +stad hadden gevoerd, waar het onder psalmen en lofzangen +en den toeloop eener ontelbare menigte in de Sint-Maartenskerk +begraven werd<a href="#1.26">[26]</a>. Geen wonder ook dat een Utrechtsch priester +zich niet lang daarna opgewekt, misschien gedrongen, gevoelde +om den lof van zulk een man en zulk een leven te zingen. +Hij heeft getuigd van zijn eerbiedige liefde voor zijn bisschop +in een 26-tal Latijnsche hexameters. + +<p>Dat deze hexameters niets eigens, niets persoonlijks hebben, +bevreemdt ons niet; de kunst der middeleeuwen immers is +juist algemeen en onpersoonlijk van aard. Maar wij verwachten +toch voor het minst in deze uiting van droefheid en bewondering +eenige warmte van gevoel te zullen opmerken en dat +des dichters hart bewogen was, toen hij zijne verzen schreef. +Inderdaad is er wel eenige golving van gevoel te bespeuren, +maar het zijn golvingen zooals men ze ziet in een ijskorst die +over het bewegelijk element ligt uitgebreid. Onder den verstijvenden +invloed der rhetoriek, bij het verkillend zoeken naar +juiste uitdrukkingen en tegenstellingen in een vreemde taal, is, +wat er aan gevoelswarmte moge geweest zijn, vervlogen en wij +vinden meerendeels slechts verzen als de volgende: + +<p class="quote">Quondam bellator, nunc autem pacis amator. +... +Deposuit parmam, cepitque levare patenam. +</p> + +<p>Wat de nagedachtenis van een als heilige vereerd en bemind +prelaat in het Nederland dier dagen niet vermocht: een gedicht +in de volkstaal te voorschijn roepen, dat is een halve eeuw<a name="21"></a> +later in Duitschland geschied. Toen een jongere tijdgenoot van +ANSFRIED, de beroemde aartsbisschop ANNO van Keulen in +1075 gestorven was, heeft een Frankisch geestelijke niet lang +daarna in een dichtwerk getuigd van zijne liefde en eerbied +voor den overledene. Maar in Duitschland was de ontwikkeling +van het nationaliteitsgevoel blijkbaar verder gevorderd dan te +onzent: het bekende Anno-lied is in de volkstaal gedicht. Dit +900-tal verzen geeft ons iets anders te zien dan de 26 Latijnsche +hexameters van den Utrechtschen klerk. + +<p>Welk een rijke ader van echte poëzie zien wij telkens glinsteren +in het ruwe, ongevormde en onbewerkte, ijzerharde taal-erts +van dat Anno-lied! Ja, wij vinden hier veel onbeholpens, ook +hier die zonderlinge overzichten van bijbelsche en wereldgeschiedenis, +dat gemis aan samenhang en overgang; herinneringen +aan VIRGILIUS en LUCANUS, te midden dezer speelmans-poëzie.... +Maar hoe leven hier de middeleeuwen in visioenen +van hemelsche heerlijkheid, in wonderen en allegorieën, in +verhalen van veldslagen, roof, moord, brand en verwoesting. +Hoe gloeit de wilde strijdlust der ijzeren eeuw van tijd tot tijd +op in stalen helmen en vaste halsbergen en scherpe Beiersche +zwaarden, die door helmen bijten; hoe vlamt die strijdlust op +uit verzen als: + +<p class="quote">Ha! hoe kletterden de wapenen +Toen de rossen op elkander in vlogen, +Legerhoornen loeiden, +Beken bloeds vloten. +</p> + +<p>Maar hoezeer ook overweldigd door de volheid zijner kwalijk +beheerschte stof, toch vergeet de dichter zijn held niet, den +„dierbaren" man, den „heiligen bisschop" in Keulen, de +schoonste burg in het Duitsche land. Telkens waar SINT ANNO +in dit dichtstuk optreedt, schieten, als zedige bloemen onder<a name="22"></a> +zijne voeten, beelden en vergelijkingen uit de verzen op: te +midden der zeven heilige bisschoppen van Keulen schittert ANNO +als de turkois in een gouden vingerling; God heeft hem door +lijden gelouterd zooals de goudsmid goud in het vuur smelt, +wanneer hij een kostbare spang wil maken; als een leeuw zat +hij voor de vorsten, als een lam ging hij tusschen de behoeftigen; +hij is ten hemel opgestegen om ons den weg derwaarts +te wijzen, zooals een arend die zijne jongen wil leeren vliegen, +in kringen opwaarts stijgt en op zijne wieken statig zweeft<a href="#1.27">[27]</a>. + +<p>Zulke tonen wist die vroege zanger voort te brengen, omdat +hij durfde zingen in zijne moedertaal. Zulke of dergelijke +muziek had ook hier kunnen weerklinken, indien het nationaliteitsgevoel +krachtig genoeg ware geweest; indien een Dietsch +dichter de hand had durven slaan aan de poëtische stof die +ook te onzent lag opgehoopt. + +<p>Welk een voorraad van zulke stof geven ons de beide +Latijnsche kronieken van den Utrechtschen geestelijke ALPERTUS +en zijn Vlaamschen genoot GALBERTUS te aanschouwen<a href="#1.28">[28]</a>. +Ik heb hier het oog vooral op de geschiedenis van den +edelman BALDERIK die met ADELA, eene dochter van den +machtigen graaf WICHMAN van Hamaland, gehuwd was. De +levensgeschiedenis van dit verdorven echtpaar verhaalt ons van +langdurige belegeringen, onneembare kasteelen en verraders die +den vijand ter sluik binnenlaten; van gevechten in het open +veld; dienstmannen wien neus en ooren worden afgesneden; +van vrouwen in eene belegerde vesting die helmen op het +hoofd zetten om de belegeraars te misleiden; de vernietiging +der sterke vesting Uplade (bij Elten aan den Rijn); den sluipmoord +op den jongen Saksischen graaf WICHMAN gepleegd en +de vernietiging der sterke vesting Uplade waar die daad geschied +was. Wegens dien moord moet BALDERIK zich te Nijmegen +voor Keizer HENDRIK komen verantwoorden. Als hij vóór den<a name="23"></a> +Keizer staat, verbieden de hertogen GODFRIED en BERNHARD +hem te spreken. Wanneer hij desniettegenstaande zich gaat verdedigen, +knarstanden zij van woede en het scheelt weinig of +hij wordt door hunne krijgers afgemaakt. + +<p>ADELA doet ons in hare verhouding tot BALDERIK soms aan +Lady MACBETH denken: op de tijding van des Keizers komst, +wordt BALDERIK moedeloos; ADELA verliest den moed niet, +doch wekt haren man op tot dappere tegenweer. Van haar gaat +het plan uit tot moord op graaf WICHMAN, hun tegenstander, +die als gast op het kasteel Uplade vertoeft. Eerst wil zij hem +vergiftigen; als dat niet gelukt, draagt zij hare taak over aan +een paar knechten die WICHMAN van achteren aanvallen en +neerstooten. Voortdurend zet zij BALDERIK aan tot nieuwe +misdaden. „Et sicut Hiezabel Achab, ita et ista hunc ad flagitia +semper concitavit, dans ei consilia, quibus ad perniciem suam +uteretur, donec abominabilis et odiosus omnibus fieret"<a href="#1.29">[29]</a>. + +<p>Een onvoldragen gedicht zien wij ook in het geschiedverhaal +van den moord, die in 1126 in een kerk te Brugge gepleegd +werd op KAREL DEN GOEDE, graaf van Vlaanderen. Na het +volbrengen van den moord verschansen de moordenaars onder +hunne aanvoerders, BOUTSAERT (BORSIARDUS) en ROBBRECHT, +in eene kerk en worden daar door de aanhangers van den +graaf belegerd. De strijd die dan aanvangt, heeft in de beschrijving +van GALBERTUS inderdaad hier en daar een grootsch +karakter. Begrijpelijk is het, dat men een oogenblik denkt aan +het indrukwekkend slottafreel der <i>Nibelungen</i>, in BOUTSAERT +den grimmigen HAGEN meent te herkennen, in ROBBRECHT +„Giselher daz Kint". Terwijl de strijd in de Kerk woedt, springt +WALTER, een dienstman van den graaf die zich op het orgel +verscholen hield, naar beneden midden tusschen de vijanden—een +sprong die doet denken aan den vervolgden HERNANT in +de <i>Chanson des Lorrains</i><a href="#1.30">[30]</a>. Maar er is in de middeleeuwen<a name="24"></a> +meer gelijk dan eigen, en dergelijke overeenkomsten bewijzen +alleen, hoe zeer het middeleeuwsch epos <i>in hoofdzaak</i> juiste +afspiegeling der werkelijkheid bevat; niet dat een episch dichter +het oog hield gericht op een of ander historisch feit. + +<p>Met een weinig scherpzinnigheid eenerzijds en een weinig +goeden wil anderzijds, zou men op die wijze ook kunnen aantoonen, +dat SHAKESPEARE in zijn <i>Macbeth</i> het oog moet hebben +gehad op de geschiedenis van ADELA en BALDERIK. + +<p>In beide deze kronieken, vooral in die van GALBERTUS, +blijkt op meer dan eene plaats vrij sterke aandoening; er was +ook wel voldoende zelfbeheersching en neiging om het waargenomene +en gevoelde te verwerken tot een met kunst geschreven +verhaal. Maar dan toch een verhaal naar het voorbeeld der +Romeinsche geschiedschrijvers. Vandaar de rhetorische toon, de +redevoeringen en gesprekken in den trant van die voorgangers, +doch met minder talent. GALBERTUS laat zich wel eens verleiden +zijner verbeelding te zeer den teugel te vieren: hij weet +ons o.a. gezegden mede te deelen, die midden in een vreeselijk +bloedbad geuit zullen zijn en wat een eenzaam opgesloten man +denkt, vóórdat hij sterft. Maar toch, had deze monnik eens +den moed gehad zich van zijne moedertaal te bedienen—misschien +waren wij een belangwekkend kunstwerk rijker. +Diezelfde gedachte komt bij ons op, indien wij kennis maken +met de Latijnsche bewerking der Reinaert-sage die op deze +kronieken volgt, zooals in de nationale literaturen van Franschen, +Duitschers en Nederlanders de bewerkingen der dier-sage op +het ridder-epos. + +<p>Dit Latijnsche gedicht, dat naar den wolf: <i>Ysengrimus</i> heet, +is vermoedelijk omstreeks 1150 vervaardigd door zekeren Magister +NIVARDUS, eerst monnik in het klooster Blandinium, later +scholaster der Kerk van S. Pharahilde te Gent<a href="#1.31">[31]</a>. + +<p>Wij vinden hier een aantal, ook van elders bekende, dier<a name="25"></a>fabels +in distichen vervat en op kunstelooze wijze tot een geheel +verbonden. Het verhalend element is in dit werk gering, de +dialoog overheerscht; het zijn al te vaak eindelooze gesprekken +waarin de middeleeuwsche dialectiek triomfen viert, maar die +den lezer na eenigen tijd vermoeien en ten slotte vervelen. De +dichter was een zeer belezen man, die de klassieke Latijnsche +schrijvers goed en OVIDIUS op zijn duimpje kende; onder het +schrijven zijner verzen stonden hem telkens plaatsen uit zijne +lievelingsauteurs voor den geest, maar nergens maakt hij zich +aan slaafsche navolging schuldig. + +<p>Opmerkelijk nu is vooral, hoe onder en in dit overgenomen +klassicisme telkens het Vlaamsch-menschelijke zich vertoont. Wij +speuren en zien den volksgeest in die ietwat ruwe rondheid +die alles bij zijn naam noemt, in de ironie, de komische of +groteske overdrijving, de grappen, de vergelijkingen en spreekwoorden +aan het dagelijksch leven ontleend<a href="#1.32">[32]</a>. In zijne uitdrukkingen +en aardigheden, in woorden als <i>mantica, bulga, follis</i> +te vergelijken bij het latere middelnederlandsche <i>male</i> (maag), +als <i>taberna (taverne), carmina completoria („van uwen complete +dat ghetide")</i> doet hij ons telkens aan den, een eeuw jongeren, +<i>Reinaert</i> denken. Het is dezelfde nationale dichtader, maar +die hier niet kan uitschieten in de laag van klassicisme waarmede +de Vlaamsche geestesakker overdekt was. + +<p>Indien deze dichter eens gedurfd had, zooals DANTE gedurfd +heeft! Wat zou hij, met zijn ongetwijfeld voortreffelijken aanleg +niet hebben kunnen volbrengen. Maar de tijd, dat een dichter +zulk eene stof in de volkstaal zou durven behandelen, was nog +verre. Er moest nog veel veranderen in het uiterlijk en innerlijk +leven van de bewoners dezer landen, eer het zoover kon komen.<a name="26"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN.</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.1">1</a>: Deze <i>Vita Liudgeri</i> is uitgegeven in PERTZ <i>Monumenta G.</i>, II, +404 seqq.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.2">2</a>: Vgl. P. PIPER, <i>Die Spielmannsdichtung</i>, I, 29.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.3">3</a>: In EGINHARD'S <i>Vita Caroli Magni</i> 29 (PERTZ, <i>Monum.</i>, II, +458). „Item barbara et antiquissima carmina, quibus veterum regum +actus et bella canebantur, scripsit memoriaeque mandavit." + +<p class="footnote">En in <i>Annales Caroli Magni</i>, V, 545 (PERTZ, <i>Monum.</i>, I, 276) +leest men: + +<p class="footnotequote">Quae veterum depromunt praelia regum +Barbara mandavit carmina litterulis.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.4">4</a>: <i>Leven van Sint Amand</i> (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.5">5</a>: PIRENNE, <i>Geschichte Belgiens</i>, I, 91.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.6">6</a>: <i>Bonifacins</i> door Dr. J.P. MÜLLER, I, 86.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.7">7</a>: PIRENNE, t.a.p. I, 86–7.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.8">8</a>: Vgl. hier als elders BLOK'S <i>Geschied. v.h. Nederl. Volk</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.9">9</a>: Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is +uiteengezet en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S +rectorale rede „<i>over Angelsaksische Poëzie</i>" (1899).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.10">10</a>: COSIJN, t.a.p. bl. 21.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.11">11</a>: Dr. TE WINKEL, <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.12">12</a>: <i>Hilde—Gudrun....</i> von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof. +SYMONS, die de <i>Gudrun</i> uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.13">13</a>: Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET +(I, 33 volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene +studiën van Dr. BLÖTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in +<i>Romania</i>, 1901, en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in <i>Versl. en +Meded. d. Kon. Akad.</i>, XII, 253 volgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.14">14</a>: <i>Sp. Hist.</i>, IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts +mijne <i>Middelned. Epische Fragmenten</i>, bl. 250 volgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.15">15</a>: Vgl. <i>Middelned. Epische Fragmenten</i>, bl. 255.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.16">16</a>: PIRENNE, t.a.p. bl. 41–43.]<a name="27"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.17">17</a>: Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S <i>Kerkgeschiedenis</i>, +II, 3, bl. 45–55.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.18">18</a>: Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in +VAN WIJN'S <i>Huiszittend Leeven</i> en, in veel beter uitgaaf, in <i>Archief +voor Ned. Kerkgesch.</i>, II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.19">19</a>: A.W. WYBRANDS, <i>De Abdij Bloemhof</i>, bl. 78–79.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.20">20</a>: MOLL, t.a.p. II, 2, 239.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.21">21</a>: In het <i>Itinerarium</i> van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit +MATTHAEI <i>Veteris Aevi Analecta</i>, II, 26–33 b.v.: „Natales fines et arva +dulcia linquentes" (<i>Ecl.</i>, I, 3); aan het slot: „et tunc demum quae passi +fuimus periculorum meminisse juvabit" (<i>Aen.</i>, I, 203). Vgl. ook de +naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p. 31. + +<p class="footnote">In de Kroniek van ALPERTUS, <i>De Diversitate Temporum</i> (ed. +DEDERICH) o.a.: uit Juvenalis: „Intolerabilius nihil est quam +foemina dives."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.22">22</a>: MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS. +Zie FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S <i>Stroph. +Gedichten</i>, bl. LXXVIII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.23">23</a>: Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S <i>Allgem. +Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande</i>, van MOLL's +<i>Kerkgeschiedenis</i> en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S +<i>Liber de vita</i> etc. + +<p class="footnote">MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in +<i>Poetae Latini Aevi Carolini</i>, III, 557 seqq.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.24">24</a>: Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.25">25</a>: Vgl. over de poëzie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184. +H. PEERLKAMP, p. 11. De <i>Versus de hirundine</i> medegedeeld in +<i>Zeitsch. f.d. Alt.</i> N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten +in <i>Kerkhistor. Archief</i>, III, 213 volgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.26">26</a>: Zie voor het medegedeelde MOLL'S <i>Kerkgesch.</i>, I, 275 volgg. +en ALPERTUS' Kroniek <i>De Div. Temporum</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.27">27</a>: <i>Der Lobgesang auf den heiligen Anno</i> (ed. GOLDMANN), +Leipzig und Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men +<i>Grundriss der Germ. Phil.</i>, II, 1, 251; en PIPER'S <i>Spielmannsdichtung</i>, +II, 1. Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105–1110.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.28">28</a>: De Kroniek van ALPERTUS: <i>De diversitate temporum libri</i> II, +is van ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Münster, 1859). Vgl. MOLL, +<i>Kerkgesch.</i>, II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS +vgl. RUDOLF HENNING, <i>Nibelungen—Studiën.</i> Strassburg. 1883.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.29">29</a>: <i>De Div. Temp.</i>, II, 5.]<a name="28"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.30">30</a>: R. HENNING in het aangehaald werk.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.31">31</a>: Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave +van den <i>Ysengrimus</i>, (Halle a.S., 1884). In zijne <i>Etude sur l'Ysengrinus</i>, +(Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen +dan VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151–1152; V.c. 1148. +W. gelooft dat een „flamand gallicant" uit de buurt van Lille de +dichter is geweest en dat deze niet uit de mondelinge overlevering +maar uit de verhalen der trouvères heeft geput. Het eerste is door +W. m.i. niet aangetoond; het tweede is niet te bewijzen. Zie over +WILLEMS' boek ook het oordeel van Dr. J.W. MULLER in <i>Museum</i> +(1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan vereenigen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="1.32">32</a>: VOIGT, <i>Einl.</i> LXIII.]<a name="29"></a> + +<hr> + +<h2>II.</h2> + +<p class="intro">De Kruistochten. De „lage landen bij de zee" als grensland tusschen +Frankrijk en Duitschland. Fransche en Duitsche literatuur. Heinric +van Veldeke (<i>Leven van Sint Servaes</i>, <i>Eneïde</i>, liederen). Vertaling +van het Nibelungen-lied. Speelmanspoëzie (<i>Van den bere Wisselau</i>; +<i>Van Sente Brandane</i>). Losmaking van Duitschland. + +<p>Toen het gevreesde jaar 1000 voorbij en de wereld niet +vergaan was, ademden ook de bewoners dezer landen op. + +<p>Niet alsof met die 11<sup>de</sup> eeuw een tijd van ongestoorden vrede +en rust aanbrak! Integendeel, ook in deze en de volgende +eeuw, wij hebben er reeds staaltjes van gezien, was er nog +allerwege verdeeldheid; soms schijnt het alsof ieders hand tegen +allen is opgeheven. Zeker, tegenover de verdeelende stonden +verbindende krachten: de kerk, het leenwezen, eene zelfde of +ten minste gelijke taal, dezelfde zeden en gewoonten. Maar +voorshands is de eenheid van elk dier onderscheidene kleinere +volksgeheelen hier te lande (Friesland, Holland, Vlaanderen, +Brabant en andere) weinig hecht; er is te nauwernood sprake +van één band die ze onderling vereenigt. + +<p>Geen verschijnsel heeft in deze eeuwen zoo krachtigen invloed +geoefend op onze volkswording als de kruistochten! + +<p>Onder de eerste deelnemers aan die grootsche tochten, toen +„het Westen zich op het Oosten wierp, onder den kreet: God +wil het!" vinden wij ook onze voorouders. Reeds omstreeks +1030 zien wij een graaf van Holland ter kruisvaart trekken en +aan zijne zijde een lid dier stoute ARKELS, welke de latere<a name="30"></a> +graven van Holland zoo dikwijls tegenover zich zouden zien<a href="#2.1">[1]</a>. +Na hen treffen wij onder de kruisvaarders in deze en de volgende +eeuwen graven van Holland, Gelder, Vlaanderen aan; zonen +van oud-adellijke geslachten als de BREDERODE'S, BORSELEN'S, +VAN LYNDEN'S; Friesche edelen uit den stam van GALAMA en +BOTNIA. Nog lang na den tweeden kruistocht, die in 1147 +voorviel, wezen latere kruisvaarders elkander den palmboom +op het graf van den dapperen Frieschen aanvoerder HENDRIK +ULVINGA in de nabijheid van Lissabon. Niet alleen ridders, +ook aanzienlijke burgers, gewone poorters, lijfeigenen trokken +naar het Heilige Land. Waarschijnlijk waren er maar weinig +ridders onder die Antwerpenaars, Hollanders en Friezen, die +volgens hun eigen getuigenis acht jaren in de Middellandsche +zee van roof op de heidenen hadden geleefd en in 1097 op +hunne schepen, welker masten met goud waren beslagen, het +leger der kruisvaarders in Cilicië te hulp kwamen<a href="#2.2">[2]</a>. + +<p>Zeker, behalve zuivere godsdienstige geestdrift zullen er voor +deze tochten beweegredenen zijn geweest van minder gehalte; +de naam „groote aflaat" dien men in de 13<sup>de</sup> eeuw aan een +kruistocht gaf, wijst reeds op iets anders dan op liefde tot God +om Gods wil. En dat vooral bij degenen die slechts geld, niet +zich zelven, gaven ten behoeve dezer tochten. Ook bezwaardheid +van geweten zal wel tot de beweegredenen hebben behoord; +ook drijfveeren van minder allooi zal men niet mogen voorbijzien: +lust naar avonturen, strijdlust, zucht om buit of roof +te behalen. + +<p>Dat alles moge waar zijn, maar desniettemin zien wij hier +in de ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk dit belangrijk +verschijnsel, dat voor het eerst zij die zóó lang verdeeld waren +gebleven: Vlamingen, Friezen, Hollanders, Gelderschen en +zoovele anderen, in het besef hunner éénheid als Christenen, +gezamenlijk optrekken tegen één vijand in verre gewesten.<a name="31"></a> + +<p>De groote invloed dier tochten op de ontwikkeling ook van +ons volk is bekend. Nu eerst deden de Nederlanders hun +„intocht in de Kerk waardoor zij inderdaad vereenigd werden +met het groote lichaam, waarvan zij vroeger leden heetten, +maar niet waren"<a href="#2.3">[3]</a>. Handel en nijverheid, ook de kunsten +ontwikkelden zich. De trage verbeelding der bewoners van deze +lage landen kreeg een schok, werd opgewekt, geprikkeld. Welk +een indruk moet het Zuiden, moeten die landen der zon met +hun geheimzinnig achterland, hebben gemaakt op de ruwe +maar ontvankelijke gemoederen dezer zonen van het Noorden, +die zich voor het eerst verplaatst zagen buiten de enge grenzen +van hun gouw of graafschap! + +<p>Maar niet minder gewichtig dan dat alles is de invloed +geweest, dien de aanraking met andere volken moet hebben +geoefend op het onze. Door dat herhaald en langdurig samenzijn +en samenwerken met andere volken of volksdeelen, moeten +onze voorouders voor het eerst ten deele bewust zijn geworden +van zich zelf. Nu eerst wordt hun de gelegenheid gegeven om +door vergelijking met anderen zich zelven te leeren kennen; +nu eerst begint door den morgennevel der naïeveteit heen het +beeld der eigen persoonlijkheid flauw voor hen op te schemeren. +Ook van het volk, waarvan zij nog een deel uitmaakten en +waaraan zij zich het nauwst verwant gevoelden: de Duitschers, +moeten zij zich reeds onderscheiden hebben gevoeld in taal en +karakter. Welk een aanzienlijk verschil bestond er reeds omstreeks +1171, toen HEINRIC VAN VELDEKE zijn <i>Sint Servaes</i> dichtte, +tusschen Middelnederlandsch en Middelhoogduitsch! Dat verschil +kan natuurlijk eerst langzamerhand zoo gewichtig zijn geworden. + +<p>Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de +meeste dezer lage landen tot Duitschland; hunne ligging in +Europa maakte ze tot een schakel tusschen Germaansche en +Romaansche landen. Langzamerhand zullen wij den band met<a name="32"></a> +het overig Duitschland losser zien worden en ten slotte feitelijk +wegglijden, al blijft hij in schijn nog lang zichtbaar, al wordt +hij later wel eens opnieuw aangeknoopt. + +<p>Dat de bewoners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen +in woonden; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het +Dietsch onmiddellijk paalde aan het Fransch, was oorzaak dat +Fransche taal en letterkunde te onzent gemakkelijk ingang +konden vinden. + +<p>Dien aanwas van zelfstandigheid tegenover Duitschland, +waarbij de invloed van Frankrijk zich doet gevoelen, zullen +wij nu in de geschiedenis, onzer letterkunde gaan beschouwen. + +<p>De eenheid dezer landen met het overig Nederduitschland +vertoont zich ook in die scharen van Vlaamsche en Hollandsche +kolonisten, welke in de 11<sup>de</sup> en 12<sup>de</sup> eeuw een deel van Nederduitschland +bevolkt en er zeker toe bijgedragen hebben daar +het gevoel van eenheid met de bewoners der lage landen +levendig te houden. Echter moet dat gevoel van eenheid te +onzent sterker geweest zijn in het zuiver Germaansche Noorden +dan in het Zuiden, dat een tweetalig land was. Dit verschil +tusschen Noord- en Zuid-Nederland moeten wij hier al aanstonds +op den voorgrond brengen. + +<p>Zuid-Nederland was verdeeld in Dietsche en Waalsche gewesten +of zulke die Dietsche en Waalsche elementen in zich +vereenigden. Vlaanderen, Brabant, Limburg waren in hoofdzaak +Dietsche gewesten; Artois, Kamerijk, Henegouwen, Namen en +het land van Luik bijna uitsluitend Waalsche. Echter deed zich +in Vlaanderen de politieke invloed van Frankrijk sterk gelden; +Brabant hing nauwer met Duitschland samen; Limburg had +wel het meest recht op den naam van: grensland. + +<p>Tegenover de Fransch (Walsch) sprekenden voelden de Dietsch-sprekenden +zich één. Reeds in VELDEKE'S <i>Leven van Sint Servaes</i><a name="33"></a> +worden „Dutschen ende Walen" tegenover elkander gesteld<a href="#2.4">[4]</a>, +Maar niet zóó scherp stonden zij tegenover elkander, of de +meerdere geestesbeschaving en kunstzin van het Fransche volk +oefenden hare bekoring en haren invloed op de minder ontwikkelde +bewoners dezer grenslanden, voorzoover zij Fransch +verstonden. Ook in de literatuur zal dat blijken. Terwijl te onzent, +zooals wij gezien hebben, nog geene nationale letterkunde +bestond, had de kunst van het woord in Frankrijk reeds tal +van voortreffelijke of belangwekkende werken voortgebracht. +Kort vóór of na den eersten Kruistocht waren de oudste <i>Chansons +de geste</i> reeds gedicht: de grootsche <i>Chanson de Roland</i>, de +indrukwekkende <i>Lorreinen</i>, barbaarsch als de Roodhuiden, de +bloedige <i>Raoul de Cambrai</i>, <i>Girart de Roussillon</i>, een deel +van den <i>Guillaume d'Orange</i>, de <i>Aiol</i>. De aanvang der 12<sup>de</sup> +eeuw bracht het ontstaan van het hoofsche ridderdicht („épopée +courtoise") en dat der lyriek. Vóór het midden dier eeuw waren +de meeste verhalen, die de onderscheidene „branches" van den +<i>Roman du Renart</i> vormen, reeds voor de eerste maal opgesteld<a href="#2.5">[5]</a>. + +<p>Ook de Duitschers konden, lang vóór het ontwaken der +literatuur te onzent, op menig werk van beteekenis wijzen; +behalve de vroeger genoemde dichtwerken hadden zij reeds: +het Walthari-lied, EZZO'S lied over de Wonderen van Christus, +een gedicht over Koning ROTHER. Die nationale literatuur, in +hoe menig opzicht ook zelfstandig en oorspronkelijk, kon zich +echter niet onttrekken aan den invloed der Fransche literatuur, +die toen reeds den toon aangaf. De <i>Alexander</i> van PFAFFE +LAMBRECHT en het <i>Rolands-lied</i> van PFAFFE KONRAD waren +reeds in de eerste helft der 12<sup>de</sup> eeuw uit het Fransch vertaald; +in de tweede helft dier eeuw zou de vertaling eener branche +van den <i>Roman du Renart</i> volgen en de Fransche lyriek de +ontwikkeling der Duitsche bevorderen. + +<p>Het is waarlijk niet vreemd dat wij dezen invloed van<a name="34"></a> +Frankrijk op Duitschland kunnen waarnemen ook in het land, +dat meer dan eenig ander een schakel tusschen hen vormde: +Limburg. Omstreeks 1170 werd binnen of bij de grenzen van +dat land de bekende geschiedenis van FLORIS en BLANCEFLOER +bewerkt in een dialect, dat misschien oorspronkelijk zuiver Limburgsch +geweest is of althans met evenveel recht tot het +Nederlandsch als tot het overige Nederduitsch kan gerekend +worden<a href="#2.6">[6]</a>. Het is den schrijver dezer bewerking, die een Fransch +voorbeeld volgde, blijkbaar slechts om het verhaal te doen +geweest; reflexie is, naar het schijnt, afwezig. Zijn verhaaltrant +is uiterst beknopt en zaakrijk, sober maar droog; van de +aandoening die dit liefelijk verhaal in latere dichters zou wekken, +is hier weinig te bespeuren. Taal en stijl van dit gedicht +zijn nog onbeholpen; de korte zinnen, en de hortende verzen +waarin dalingen niet zelden ontbreken, met hunne onzuivere +rijmen, wijzen op geringe technische vaardigheid. + +<p>Veel duidelijker dan in dit gedicht vertoont zich de invloed +der literaturen van Frankrijk en Duitschland op de ontwikkeling +der onze in het werk van HEINRIC VAN VELDEKE. + +<p>In de poëzie van dezen Limburgschen edelman uit de buurt +van Maastricht vinden wij de onderscheiden elementen vereenigd, +welke wij hier achtereenvolgens hebben leeren kennen: +hij legt den band tusschen de Latijnsche literatuur en de nationale +door zijne omwerking van een Latijnsch heiligenleven tot het +Limburgsch <i>Leven van Sint Servaes</i>; uit het Fransch vertaalt +hij een riddergedicht over ENEAS in zijne moedertaal, waaruit +het weer in het Middelhoogduitsch wordt overgebracht (<i>Eneît</i>); +in het Limburgsch dicht hij, onder den invloed der Fransche +(Provençaalsche) lyriek een dertigtal minneliederen die eveneens +in het Middelhoogduitsch worden vertaald. Zoowel zijne <i>Eneïde</i> +als zijne minneliederen hebben groote beteekenis gehad voor de +ontwikkeling der Middelhoogduitsche epische en lyrische poëzie.<a name="35"></a> + +<p>Van zijn leven is ons weinig bekend. Hij schijnt op een of +andere wijze in betrekking te hebben gestaan tot den geestelijken +stand en het klooster van SINT SERVAES; blijkbaar kende +hij behalve de Fransche ook de Latijnsche literatuur, o.a. de +<i>Aeneïs</i>, de <i>Metamorphosen</i> en het epos van STATIUS<a href="#2.7">[7]</a>. Hij +ondernam c. 1171 de bewerking der <i>Vita</i> van den H. Servatius +op verzoek van gravin AGNES VAN LOON en van zekeren +kanunnik HESSEL, „die doen der costeryen plach." Hij heeft +in Duitschland gereisd, was omstreeks 1175 aan het hof van +Kleef en gaf zijn onvoltooide <i>Eneïde</i> daar te lezen aan gravin +MARGARETA, de bruid van LODEWIJK III, landgraaf van Thüringen. +Zijn handschrift werd hem ontstolen en eerst veel later +terug bezorgd, zoodat de voltooiing der <i>Eneïde</i> waarschijnlijk +kort vóór 1190 heeft plaats gehad. In Duitschland zal hij kennis +gemaakt hebben met de daar bestaande nationale literatuur, +o.a.: het <i>Anno-lied</i>, LAMPRECHT'S <i>Alexander</i>, KONRAD'S +<i>Rollands-lied</i>; ook de Duitsche sagen van dien tijd kunnen +hem niet vreemd zijn gebleven. Zijne minneliederen dagteekenen +misschien uit denzelfden tijd als zijne <i>Eneïde</i>. Ook heeft hij nog +een gedicht van „Salomon en de Minne" geschreven, dat ons +slechts uit eene aanwijzing van een Duitsch dichter bekend is<a href="#2.8">[8]</a>. + +<p>Indien „meyster HEINRIC" begonnen ware met minneliederen +te dichten, vervolgens de hand geslagen had aan een ridderroman +waarvan de minne schering en inslag is, en daarna, +ouder en ernstiger geworden, getracht had door middel van +een heiligenleven goed te maken wat hij misdreven had met +het dichten dier wereldsche poëzie—dan zou hij gedaan +hebben, wat na hem door tal van andere Nederlandsche dichters +gedaan is. Die gang van zaken zou bovendien in overeenstemming +zijn geweest met wat de gewone levenservaring ons leert. +Naar het schijnt, heeft het tegenovergestelde plaats gehad: is +hij begonnen met de bewerking van een heiligenleven, om zich<a name="36"></a> +daarna tot minnepoëzie en ridderverhaal te wenden. Zoolang +deze voorstelling niet door nieuwe feiten aangetast is, zullen +wij ons er aan moeten houden. + +<p>Daar zoowel <i>Sinte Servatius Legende</i> als de <i>Eneïde</i> bewerkt +zijn, de eene naar een Latijnsch, de andere naar een Fransch +voorbeeld, komt het er bovenal op aan, het karakter dezer +bewerkingen te leeren kennen. Over het algemeen volgt VELDEKE +zijne Servatius-legende, die hij telkens aanduidt als „die vite", +op den voet<a href="#2.9">[9]</a>. De letterkundige waarde dezer bewerking is +gering en herinnert ons dat wij bij den aanvang van de ontwikkeling +onzer literaire kunst staan. De gebrekkige uitdrukking, +de afgebroken zinbouw, de stootende verzen met hun +drietal heffingen doen ons denken aan de oude volkspoëzie. +In eene periode als: + +<p class="quote">Alle die vergaderinghen +Al weynende dat sij songhen +Met luder stemmen: Osanna! +Doen was vroude ende yamer da, +</p> + +<p>meent men een nagalm te hooren van deze verzen uit het +Lodewijkslied: + +<p class="quote">Joh alle saman sungun +„Kyrieleison". +Sang was gisungan +Wig was bigunnan. + Enz. +</p> + +<p>Beelden en vergelijkingen zijn schaarsch en over het algemeen +onbeduidend. In een paar dier vergelijkingen bespeuren wij +eenige aandoening. Zoo b.v. in deze uit het eerste boek: + +<p class="quote">Daer nae sprack der heilighe man, +—Die salighe diet ghemercken can—<a name="37"></a> +„Men mach in menghen synnen +„Gods heerscapie bekennen, +„Sijne ghenade ende sijne ghewalt. +„Ghij siet wale wie der wynter kalt +„Die eerde bevroret +„Ende haer vrocht testoret +„Ende tewrijvet ende verkeert; +„Ende als hij dan henne veert, +„Ende der somer aen gheyt, +„Dien alle die werelt gherne ontfeyt, +„Ende daer toe alle creatueren, +„Eyn yeghelijck nae sijnre natueren, +„Verhoghen sich ende vervrouwen. +„Allen die Gode ghetrouwen +„Ende doer hem lijden arbeit, +„Dien gheeft hij grote rijcheit, +„Woninghe in hiemelrijck +„Ende vroude ewelijck." +</p> + +<p>Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en +daar op de overeenkomstige plaats lezen: „en", ait „quomodo +verna temperies redit post hiemem, sic post mortem orietur +beatis requies", dan zien wij dat VELDEKE'S verdienste hierin +bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel van zijn voorbeeld op +zelfstandige wijze heeft uitgebreid<a href="#2.10">[10]</a>. + +<p>Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van +aandoening zich in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals +b.v. in de visioenen, wordt die verwachting niet vervuld<a href="#2.11">[11]</a>. + +<p>Toen VELDEKE zijn <i>Leven van Sint Servaes</i> bewerkte, gevoelde +hij zich een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak +van den heiligen man bij God; die hoopte dat zijn +werk ter eere Gods zou strekken<a href="#2.12">[12]</a>. Maar de levensgeschiedenis<a name="38"></a> +van den heilige moge hem hebben gesticht, zij heeft noch zijn +gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was dat met +de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch +dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman<a href="#2.13">[13]</a>. + +<p>Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze +waarop hier de liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk +motief is gebruikt en de groote plaats die de ontleding van +het gansche gemoedsleven, van de hartstochten en vooral van +de liefde hier inneemt. Deze opvatting der liefde was iets +nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken viel die +niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der +vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch +anders was dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen +die TACITUS in de Germanen sterker troffen dan juist hun achting +voor de vrouwen, hun eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid +bij hen in eere was en dat de vrouw in het huwelijk stond als +eene gelijke tegenover den man. Door de opkomst van het ridderwezen, +eene Germaansche instelling, was dit gevoel van eerbied +jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich, vooral +in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd. + +<p>In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht +bij uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd, +fijn. Het is een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld +en in eigen trant het eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch +al heeft hij een voorbeeld gevolgd, hij was geenszins louter +vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd of veranderd, weggelaten +of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de juistheid der +uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te verduidelijken; +ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid +of eigen smaak te bevredigen<a href="#2.14">[14]</a>. Verscheidene didactische uitweidingen, +overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft +hij laten vervallen. Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000<a name="39"></a> +verzen meer dan het oorspronkelijke. Die grooter omvang is +toe te schrijven vooral aan de wijdloopigheid van den bewerker, +die zich openbaart o.a. in het uitspinnen van monologen en +van gevechten, ook in de beschrijving van zielstoestanden. +Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont VELDEKE +menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl +zijn smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo +b.v. waar hij ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS „toe Icônjen +in her hûs" bezocht. Een viertal verzen van het oorspronkelijk +gedicht zijn in de bewerking uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men +hier met recht van VELDEKE'S werk mag spreken: + +<p class="quote">grôt ende grâ was her dat hâr +end harde verworren— +dat wir wale spreken dorren— +alse eines perdes mane. +die frouwe hadde ane +vele onfrouwelîch gewant. +ein boech hade sî an der hant. +dar ane sach sî ende las. +doe schoude sî Enêas. +He marcde sî rechte. +dat mies<a title="[margin: mos.]"><sup>#</sup></a> lockechte +hiene her ût den ôren. +sî enmochte niet gehôren, +et enwâre, dat man riepe. +her ougen stonden er diepe +onder den ouchbrâwen, +langen ende grâwen, +die dâ vore hiengen— +end her ter nase giengen, +grouwelîch was her lîf:<a name="40"></a> +hem enwart nie wîf +alsô wonderlich kont. +swart ende kalt was her der mont. +sî sat in den gebâre, +alse er leven wâre +ân alre slachte wonne. +die tande stonden er donne<a title="[margin: dun (geplant).]"><sup>#</sup></a> +end wârn her lanc ende gele. +her was der hals end die kele +swart end gerompen<a title="[margin: gerimpeld.]"><sup>#</sup></a>. +sî selve was geskrompen +in bôsen gewande. +her arme end here hande +waren âdern ende vel<a href="#2.15">[15]</a>. +</p> + +<p>Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naïef +kunstenaar met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder +den indruk en tracht dien zoo goed mogelijk weer te geven; +er is wel goede grondstof, er zijn wel goede deelen van een +beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen. Telkens springt +hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of wordt +zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht +moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde +paardemanen—de vergelijking raakt volgens VELDEKE +blijkbaar de grens der kieschheid—een blik op het onvrouwelijk +gewaad; zij had een boek in de hand; nu weer de détails: +vlokken mos (haar) hingen haar uit de ooren, diepliggende +oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan plotseling +een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna +terugkeer tot de détails: de mond was zwart en koud; weêr +een algemeene indruk: hare houding gaf te kennen dat zij +geenerlei vreugde kende; zoo gaat het voort.<a name="41"></a> + +<p>Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat +VELDEKE'S invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden +naar het schijnt zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker. + +<p>Duidelijker nog dan in zijne <i>Eneide</i> blijkt die aanleg in het +dertigtal minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche +hoofsche lyriek gedicht. + +<p>In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en +uitdrukkingen blijven deze liederen binnen den kring van den +conventioneelen vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld +en zich daar en elders deed gelden, zoowel in eene +min of meer kunstmatige werkelijkheid als in de poëzie. + +<p>De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw +die hij wenscht, wordt voorgesteld als een <i>dienst</i>: zij is de +meesteres, hij de dienaar. Telkens is ook in deze liederen sprake +van <i>dienen</i> en <i>dienst</i>. De minne wordt verheerlijkt: + +<p class="quote">Von minne kumet uns allez guot: +diu minne machet reinen muot. +Waz solte ich sunder minne dan?<a href="#2.16">[16]</a> +</p> + +<p>De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar +toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide +seksen (het „umbevân") wordt dorperlijk genoemd: + +<p class="quote">Wie mohte ich dat für guot entstân, +dat hê mî dorpelîche bâte +dat hê mî muoste al umbevân?<a href="#2.17">[17]</a> +</p> + +<p>vraagt eene vrouw, die—naar de gewoonte in deze minnepoëzie—sprekend +wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam +moet de minnaar zorg dragen; daarom mag hij zijne liefste niet +in het openbaar noemen; daarom ook moet hij haar en zich +hoeden tegen de booze tongen de („rueger" en „nider") <a href="#2.18">[18]</a>. Niet +zelden begint een lied—ook dat was conventioneel geworden,<a name="42"></a> +maar conventie waarin waarheid schuilt—met een klein natuurschetsje +of een trek uit het natuurleven; hetzij om overeenstemming, +hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en +gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al +dadelijk in het eerste lied: + +<p class="quote">Ez sint guotiu niuwe mâre, +daz die vogel offenbâre +singent dâ man bluomen siet. +Zuo den zîten in dem jâre +stuende wol daz man frô wâre: +leider des enbin ich niet<a href="#2.19">[19]</a>. +</p> + +<p>Overeenstemming treft men aan in verzen als deze: + +<p class="quote">Ez tuont die vogele schîn<a title="[margin: toonen.]"><sup>#</sup></a> +daz si die boume sehent gebluot<a title="[margin: bloeiend.]"><sup>#</sup></a>. +ir sanc machet mir den muot +sô guot daz ich vrô bin +noch trûric niht kan sîn<a href="#2.20">[20]</a>. +</p> + +<p>Maar niet zóó vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst +of de natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge +dorperlijk zijn naar het „umbevân" te verlangen, deze minnaar +doet wat hij niet laten kan: + +<p class="quote">ich bat sie in der kartâten +daz si mich müese al umbevân<a href="#2.21">[21]</a>. +</p> + +<p>en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind, +hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet: + +<p class="quote">Swer den vrouwen setzet huote<a title="[margin: bewaking.]"><sup>#</sup></a>, +der tuot daz übele dicke stêt. +vil manic man der treit die ruote<a title="[margin: draagt de roede.]"><sup>#</sup></a> +da er sich selben mite slêt<a href="#2.22">[22]</a>.<a name="43"></a> +</p> + +<p>Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen: + +<p class="quote">geschihet mir als deme swan, +der singet als er sterben sal, +sô vliuse<a title="[margin: verlies]"><sup>#</sup></a> ich ze vil dar an<a href="#2.23">[23]</a>. +</p> + +<p>Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting +kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in +Limburg bekend zijn geworden, noch of zij ook in andere +deelen dezer landen verbreid zijn en invloed hebben geoefend +op de zich daar ontwikkelende literatuur. Wij komen op die +vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds zeggen, dat wij +voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend bewijs +hebben. Ten opzichte der <i>Eneide</i> verkeeren wij in iets gunstiger +omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijne <i>Historie +van Troyen</i>, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO, +zegt: „Oec ist gedicht in Duytsche woert"<a href="#2.24">[24]</a>. Het is mogelijk, +dat hij hier het oog heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder +nader bewijs mogen wij dezen regel natuurlijk niet als beslissend +beschouwen. + +<p>Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op +de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde gering geweest; +in allen gevalle op verre na niet zoo belangrijk als op die der +Hoogduitsche literatuur. Voor tal van Middelhoogduitsche +dichters is VELDEKE'S werk, met name zijne <i>Eneide</i>, een voorbeeld +geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn dichterlijk +verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der +epische minnepoëzie en minstens eene eeuw lang wordt hij +door Duitsche dichters gelezen en geprezen, ook door de +grootsten onder hen als WOLFRAM VON ESCHENBACH, den +duister-verhevene en den beminnelijken GOTTFRIED VON +STRASSBURG<a href="#2.25">[25]</a>. + +<p>VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, die<a name="44"></a> +reeds zekere mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de +kunstpoëzie dier dagen. In die poëzie is een Nederlander de +Duitschers vóórgegaan. Naast die kunstpoëzie echter bestond +in Duitschland eene nationale verhalende volkspoëzie. Gedeeltelijk +was deze, in den tijd waarvan wij spreken, reeds onder den +invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende heldendichten +<i>Nibelungen</i> en <i>Gudrun</i> leveren daarvan het bewijs en +toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander +deel dezer volkspoëzie was vrij gebleven van dien invloed van +het hoofsche epos. Die soort van poëzie vinden wij vertegenwoordigd +in een aantal verhalende gedichten, meerendeels +In het laatst der 12<sup>de</sup> eeuw gemaakt en voor een deel afkomstig +uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten onder +den naam: <i>speelmanspoëzie</i>, omdat zij zwervende dichters en +voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten +een speelman op den voorgrond. De meest bekende +zijn: <i>Orendel, Salman und Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald</i>. +Alle herinneren door hun inhoud en hun trant min of meer +aan een vroeger gedicht van dezen aard: de geschiedenis van +<i>Koning Rother</i>, al beweegt dat verhaal zich in hooger sfeer +dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den +historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij +hier dan ook telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen. +Het verhaal dier tochten naar verre landen geeft den dichters +natuurlijk ruimschoots gelegenheid hunnen hoorders allerlei +vreemds en wonderbaarlijks voor oogen te brengen; vooral +het verhaal van Hertog ERNST is met dat wonderbare vervuld. +Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen, gewoonlijk +in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten kon<a href="#2.26">[26]</a>. + +<p>Hier staat de Nederlandsche poëzie tegenover de Hoog- en +Nederduitsche in eene andere verhouding dan bij VELDEKE: +dáár was het onzerzijds <i>geven</i>, hier <i>nemen</i>. Beide boven<a name="45"></a> +aangewezen soorten van volkspoëzie vinden wij te onzent vertegenwoordigd: +het volksepos onder den invloed der hoofsche +ridderpoëzie in eene vertaling der <i>Nibelungen</i>; de speelmanspoëzie +in het gedicht <i>van den Bere Wisselau</i> en misschien ook +in dat <i>van Sinte Brandaen</i>. + +<p>In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het +eerst kennis gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag +moeten wij het antwoord schuldig blijven. Dat er geen grond +bestaat om den bewoners dezer landen een aandeel toe te +kennen in de <i>vorming</i> van het Oudgermaansch heldendicht, +hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk niet +opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van die <i>elders +ontstane</i> heldenpoëzie of heldensage kan hebben gedragen. + +<p>Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10<sup>de</sup> +eeuw en in den <i>Reinaert</i> vermelde, koning HERMENRYC de bekende +Gotenkoning der heldensage is<a href="#2.27">[27]</a>. Ook weten wij dat de +abdij van Egmond reeds in de 11<sup>de</sup> of in het begin der 12<sup>de</sup> eeuw +een exemplaar van het <i>Walthari-lied</i> heeft bezeten<a href="#2.28">[28]</a>. Weliswaar +was het slechts een Latijnsche vertaling waarin dat heldendicht tot +ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het aantrekkelijk hebben +gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen gevalle mag +men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een +bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage. + +<p>Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het +Zuidoosten, Nibelungen-liederen gekend, vóórdat het, later uit +die liederen ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald? +Die vraag hangt samen met het vraagstuk van den ouderdom +dier vertaling. Volgens de meeste Duitsche geleerden is het +epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en dat het voorbeeld +is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan 1205<a href="#2.29">[29]</a>. +Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijn <i>Leven van Sint +Servaes</i> spreekt van ATTILA als „Bodelinghes son" <a href="#2.30">[30]</a>; deze vaders<a name="46"></a>naam +komt ook in de <i>Nibelungen</i> meer dan eens voor. Was +VELDEKE nu met dezen naam bekend geworden door de +<i>Nibelungen</i> of kende hij dien van elders? Dat hij dien naam +in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen der +heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij +in de <i>Eneïde</i> spreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft, +naar het schijnt, eerst na het dichten van den <i>Servaes</i> in +Duitschland gereisd. + +<p>Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien +Nibelungen-liederen in omloop zijn geweest, is dit: nog in de +15<sup>de</sup> eeuw vinden wij den melkweg in een Geldersch-Kleefsch +woordenboek genoemd: <i>Ver Broenelden strait</i><a href="#2.31">[31]</a>. + +<p>Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken +naam niet op langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage? +Is het wel aannemelijk dat een dergelijke naam in zwang zou +kunnen komen door den invloed eener schriftelijke vertaling +en moet hier niet veel eer gedacht worden aan den gestadigen +invloed eener mondelinge overlevering? + +<p>Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied +in het Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling +der Duitsche geleerden juist is, dat deze vertaling nà 1205 is +vervaardigd<a href="#2.32">[32]</a>. Hoe lang na 1205? Dat is niet met een jaartal +aan te geven. Doch er bestaat reden om te gelooven, dat onze +vertaling in de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw is gemaakt. De +populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over de grenzen +dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de fragmenten +der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13<sup>de</sup> eeuw +te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werk +<i>Alexander</i> den vernederlandschten naam van ATTILA: <i>Ettel</i> +gebruikt en in zijn <i>Spiegel Historiael</i> dien van <i>Diederic van +Berne</i>, mag doen vermoeden dat hij deze namen misschien +uit de vertaling der <i>Nibelungen</i> heeft leeren kennen.<a name="47"></a> + +<p>Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten +over, elk van 72 verzen, die een gedeelte der 16<sup>de</sup> en een +gedeelte der 17<sup>de</sup> Aventiure van het oorspronkelijk epos behelzen. +Of men het gansche gedicht vertaald heeft, moet dus +onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het genoemd hebben. +Dat men van het <i>Nevelingen-lied</i> of van de <i>Nevelingen</i> zal +hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds +in de 13<sup>de</sup> eeuw eene gansch andere beteekenis had (<i>neef</i> of +<i>verwant</i>). + +<p>Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te +vragen naar het karakter der vertaling en de wijze waarop de +vertaler zich van zijne taak heeft gekweten<a href="#2.33">[33]</a>. + +<p>Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne +verzen zijn vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme +van het origineel weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis +van het Duitsch belemmerde hem in zijn werk als een blok +aan het been. Waar hij een woord of een vers niet begreep, +liet hij het weg, of—erger—verving het door een stoplap +als: „dat doe ic u verstaen" en „dies was hi wel blide". Aan +zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven, +dat, vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal +hier en daar onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid +van het jachttooneel heeft bij de overbrenging geleden; voor +het krabben en bijten van den beer dien SIEGFRIED vangt, +heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog ook voor SIEGFRIEDS +rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het goede zwaard +BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht +over KRIEMHILDE'S droefheid: + +<p class="quote">ir hetet mîn vergezzen, des mag ich wol jehen, +dâ ich dâ wart gescheiden von mîme lieben man. +„daz wolde got" sprach Kriemhilt, „waer iz mir selber getân".<a name="48"></a> +</p> + +<p>zijn weergegeven door het onbeteekenende: + +<p class="quote">Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen. +</p> + +<p>Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden +man te laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking. + +<p>Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin +als van de auteurs van <i>Wisselau</i> en <i>Brandaen</i>. Dat is geen +toeval, maar in overeenstemming met het onpersoonlijk karakter +der volkspoëzie, in tegenstelling met de bekendheid van de +auteurs der meer individueele kunstpoëzie. Indien wij echter +in aanmerking nemen dat in het laatste couplet van het tweede +fragment de geestelijke tint bij de overzetting vrij wat sterker +is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een +geestelijke voor den bewerker te houden. + +<p>Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaal +<i>van den Bere Wisselau</i> heeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot +speelman verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of +goliarden, gelijk er in de 12<sup>de</sup> en 13<sup>de</sup> eeuw zoovele rondzwierven: +arme schooiers, tuk op een goeden maaltijd, en als +GARGANTUA in extaze gerakend „au seul son des pintes et +flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was + +<p class="quote">in taberna mori, +ubi vina proxima +morientis ori +</p> + +<p>wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk: + +<p class="quote">„Deus sit propitius +isti potatori". +</p> + +<p>Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de +rechte speelmanspoëzie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud +van het gedicht kan dat blijken<a href="#2.34">[34]</a>.<a name="49"></a> + +<p>Het begin van het fragment brengt ons naar het land van +den reuzenkoning ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning +KAREL is juist met zijne „genooten" op een schip aangekomen. +Onder zijn gevolg is een reusachtige beer, Wisselau genaamd, +die zekeren GEERNOUT als zijn meester gehoorzaamt. Een reus +die de wacht aan het strand houdt, wordt door Wisselau +gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne +vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke +beren in het schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN +koning KAREL en de zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt +Wisselau een rok van vier kwartieren aan, dien hij voor hem +had laten snijden ter gelegenheid van een hoffeest te Aken en +volgt met den beer de overigen. Als zij aan ESPRIAANS burcht +komen, loopt de portier op het zien van Wisselau jammerend +van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de „gargoensche +tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de +keuken moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in +den soepketel werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen, +om de reuzen nog meer schrik aan te jagen. Dat +geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal binnenvliegen +om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL +gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken +last. ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer +op zijn zetel. Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt +hij rond, zoodat de reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken +klimmen. De reuzenkoning smeekt GEERNOUT om hulp en +deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn gargoensch +zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden; +Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling +geëindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den +kleinen man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er +niets meer te eten is; ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordt<a name="50"></a> +boos en schudt zich, zoodat de kostbare knoopen van zijn +rok springen. Daarna werpt hij den rok op het vuur en gaat +er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een jonker! +Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op +te staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den +beer. Een maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men +beraadslaagt over het nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den +beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT denkt er over hoe hij koning +KAREL en zijne gezellen behouden weer uit het reuzenland zal +brengen.—Daar eindigt het fragment. + +<p>De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders<a href="#2.35">[35]</a>, +ESPRIAAN of ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt +genoemd, is een ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het +gedicht van koning ROTHER voorkomt als koning van het +verre reuzenland. In eene Noorsche sage bevindt hij zich onder +het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand eener +Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie +broeders: WIDOLF „mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD. +WIDOLF (elders WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens +zijne wildheid aan een keten meegevoerd; want, laat men hem +los, dan slaat hij met zijne ijzeren stang woedend om zich heen. + +<p>Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch +fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot +in een gevecht van den held van BERN en ATTILA tegen koning +OSANTRIX, is door WIDOLFS stang neergeslagen, door den +vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop doen +WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens +voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den +gevangene door list te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene +berenhuid naaien en wordt zoo door zijn gezel bij den halsband +geleid. In 's konings hof aangekomen, slaat ISUNG meesterlijk +de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn beer, dien hij<a name="51"></a> +<i>Vizleo</i> (Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen. OSANTRIX +wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op +eene schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote +menigte, zestig groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De +koning is ook aanwezig, vergezeld door zijne dienstmannen, +onder welke zich de geboeide WIDOLF bevindt, geleid door +zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt den +grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood. +Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los +en brengt hem een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft +de berenhuid maar stuit af op de „bronie" (maliënkolder) +daaronder. Als OSANTRIX dan naar de zijnen wil terugkeeren, +rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den speelman, +loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen +de reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat +hen. WIDGA wordt bevrijd en keert terug tot THIDRIK. + +<p>In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante +van den beer, Thor schuilt en het berengevecht eigenlijk een +strijd van zomer en winter moet voorstellen, is voor ons van +minder gewicht. Duidelijk blijkt echter uit het voorgaande de +samenhang van het Nederlandsch gedicht met andere, ook tot +poëzie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke verhalen +moet de dichter van den <i>Wisselau</i> gekend hebben; daar +heeft hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in +eigen trant zijn bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning +ROTHER was in de Rijnlanden ontstaan en de herinnering aan +den geketenden beer leefde daar ook in liederen als dat „von +dem übelen wîbe" voort. Naar de oostelijke grenzen wijst ons +dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de +vorm van den naam <i>Wisselau</i>, die in het Nederlandsch +<i>Wittelau</i>. zou moeten luiden<a href="#2.36">[36]</a>. In het oosten of zuidoosten +des lands zal dit speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijk<a name="52"></a> +kort na den tijd, waaruit ook de Duitsche speelmansgedichten +dagteekenen—, nl. het laatst der 12<sup>de</sup> of den aanvang der +13<sup>de</sup> eeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds, want in zijn +<i>Spieghel Historiael</i> laat hij er zich afkeurend over uit. Tot +tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in +hunne poëzie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere +gedichten van dien aard vermeldt hij ook „van bere Wisslau +die saghe" en + +<p class="quote">Van bere Wisslau die snodelhede<a title="[margin: onwaardige, armzalige dingen.]"><sup>#</sup></a> +ende meneghe favele groet ende cleine<a href="#2.37">[37]</a>. +</p> + +<p>MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden, +dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap +bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet +behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een +dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest +en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant, +dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden +met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe +ook de „Sarrasijn" behoorde, „die voor mijn here speelde met +eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14<sup>de</sup> eeuw +gewag maakt<a href="#2.38">[38]</a>. + +<p>Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger +als MAERLANT zich ver verheven. + +<p>De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen +lachen; gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook van <i>lachen</i> +en <i>scop</i> (scherts) spreken. Die grappen waren niet van het +fijnste soort; dat kan men verwachten: een beer, potsierlijk +uitgedost in zijn rok met kwartieren als in een ridders wapenrok; +een kok, gekookt in zijn eigen soepketel; een angstige +portier, roepend, schreeuwend: „o wi, o wach!"; schenkers<a name="53"></a> +en drossaten die, hals over kop, een zaal komen binnenvluchten, +zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te verantwoorden +hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik +gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als +hij zich schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht +zoekend; een reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken +gast loerend—alles gruwzaam of grof, doch niet zonder +zekere ruw-komische kracht en wel geschikt om de ruige lippen +van ruwe poorters en boeren te plooien tot een breeden lach. + +<p>Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als +de meeste zijner gildebroeders; hij bekommert zich weinig om +de overgangen in zijn verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken +volzinnen als met vlugge schokjes voortspoedt met veronachtzaming +zoowel van de maat der verzen als van de +zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend hebben, +zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er +onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden, +geboeid worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter; +op dit publiek, tot hetwelk de dichter zich meer dan eens richt, +was alles berekend. Geen wonder voor wie in het oog houdt, +dat deze dichters van hunne kunst leven moesten. + +<p>Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook +het gedicht <i>van Sente Brandane</i> zich gericht hebben. Deze +BRANDAEN was abt van een Iersch klooster. Eens zat hij te +lezen in een boek dat allerlei verhalen van wonderen bevatte. +Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en wierp het +boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot +straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet +scheep gaan en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne +tochten zien zij zooveel wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht +vergaat. Nu mag hij naar zijn klooster terugkeeren en +sterft kort daarna.<a name="54"></a> + +<p>De kern van dit verhaal is reeds in de 10<sup>de</sup> eeuw te vinden +in een Latijnsche legende: <i>Peregrinatio Sancti Brandani Abbatis</i> +en werd later in verscheidene Europeesche talen, zoowel in +proza als in poëzie, bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen +1173–1180 aan den Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en +misschien niet lang daarna in het Nederlandsch vertaald<a href="#2.39">[39]</a>. + +<p>Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben, +kan niet betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins +op de hoogte is van deze soort poëzie. Evenals in den <i>Oswald</i> +en den <i>Orendel</i> hebben wij hier eene half-ascetischen half +ridderlijken zeetocht (de <i>Brandaen</i> spreekt van „recken"); +vooral in het gedicht van <i>Hertog Ernst</i> vinden wij tal van +wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen: +zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels; +het prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde +dieren; de menschen, met zwijnskoppen en kranenhalzen, in +zijden gewaden, gewapend met bogen; de vermelding der +Pygmeeën. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont, +vindt men weer in het verhaal van <i>Sint Oswald</i>. + +<p>Dat ook in den <i>Brandaen</i> drossaten en schenkers voorkomen, +die veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat +ze in honderd jaren geen droppel water binnen krijgen, is +een der vaste trekken van de speelmanspoëzie<a href="#2.40">[40]</a>. Het was +een onschuldige wraakneming der speellieden op degenen die +hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en droog +hadden voorzien. + +<p>Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen, +welke men niet vindt in een der drie Duitsche bewerkingen +die voortgekomen zijn uit het oorspronkelijk Nederrijnsch +gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de merkwaardige ontmoeting +van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat door +den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaal<a name="55"></a> +vindt men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS. +In de eerste legende is sprake niet van het hoofd doch van +het gansche lichaam van een gestorven heidenschen reus; in +de tweede van een reuzenhoofd. Beide reuzen laten zich doopen. +In dat laatste opzicht nu geeft de Nederlandsche bewerking ons +iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het reuzenhoofd voor, +zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij vreest +zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en zondigde +hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger +gestraft worden. En dus, zoo besluit hij: + +<p class="quote"> willic weder varen +Te mijnre aermer scaren +In die deemsternesse<a title="[margin: duisternis.]"><sup>#</sup></a><a href="#2.41">[41]</a>. +</p> + +<p>Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker, +bij deze vermoedelijk van hem afkomstige passage, +aan den Frieschen koning RADBOUD gedacht heeft, die door +den apostel WULFRAN gedoopt zou worden. Immers, als deze +heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de plaats der +helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de doopvont +terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan +met de Christenen in den hemel verblijven<a href="#2.42">[42]</a>. Opmerkelijk +mag ten slotte heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking +op een paar plaatsen een komisch element aantreffen, waar dat +in de drie ons overgebleven Duitsche bewerkingen ontbreekt. +Ook dat getuigt dat wij hier het werk van een speelman voor +ons hebben<a href="#2.43">[43]</a>. + +<p>Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht +is ons duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en +zouden er nieuwe kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende +grond aanwezig om aan te nemen, dat het uit het +Duitsch vertaald is en met de vertaling der <i>Nibelungen</i> en het<a name="56"></a> +gedicht <i>Van den Bere Wisselau</i> dagteekent uit het laatst der +12<sup>de</sup> of den aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw. Ook de twee laatstgenoemde +werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de +literatuur van dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking +van het overig Duitschland te toonen. + +<p>Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond. +Wel dient de aandacht te worden gevestigd op het gewicht +van feiten als de vertaling van <i>Nibelungen</i> en <i>Brandaen</i>, als +de bewerking van <i>den Bere Wisselau</i>. Want uit dat overbrengen +van de eene taal in de andere blijkt, dat de bewoners dezer +landen zich een ander volk voelden dan de overige Duitschers; +het gedicht <i>van den Bere Wisselau</i>, zelfstandige bewerking van +Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger mate. + +<p>Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk +van Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst, +zouden zij steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden +dat vooral doen, nadat Brabant en Vlaanderen op den voorgrond +waren getreden en Limburg op den achtergrond was +geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral Vlaanderen +de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij daarmede +begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling der <i>Nibelungen</i> +misschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties +van den <i>Brandaen</i> in het oosten des lands of elders gemaakt? +Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke +MAERLANT in één adem noemt met de „sage van den bere +Wisslau", uit denzelfden tijd als de <i>Wisselau</i>? + +<p>Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn +wij vooralsnog niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag +men misschien: „ja" antwoorden of: „het is waarschijnlijk." + +<p>Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige +Duitschers moesten losmaken, vóórdat er sprake kon zijn van +hunne ontwikkeling tot een zelfstandig volk en ook: dat de<a name="57"></a> +hier aanwezige kiemen van nationaliteit beter bodem vonden +in het verder van Duitschland af, en aan zee gelegen, Vlaanderen, +dan in het grensland Limburg. + +<p>In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de +13<sup>de</sup> eeuw, op welker drempel wij nu staan, eene half-internationale, +half-nationale kunst groeien en bloeien. + +<p>Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden +zij zich ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen.<a name="58"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN.</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.1">1</a>: Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S <i>Kerkgesch.</i>, +II, 1, bl. 7 volgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.2">2</a>: Vgl. MAERLANT'S <i>Spiegh. Historiael</i> (edd. DE VRIES en VERWIJS), +III, bl. 366.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.3">3</a>: MOLL, t.a.p.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.4">4</a>: Zie I, 1116. Zie ook I, 682–3: „In ebreuschen, in dietschen || In +walschen ende in vriesschen". Vgl. ook <i>Roman van Torec</i>, vs. 2556: +„Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den <i>Rinclus</i>, vs. 602 <i>walsch</i> +en <i>vriesch</i> tegenover elkander gesteld.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.5">5</a>: Vgl. <i>Hist. de la langue et de la Littérature française....</i> sous +la direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100–101), +171 en L. SUDRE, <i>Les sources du Roman de Renart</i>, p. 341.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.6">6</a>: Vgl. SCHERER, <i>Gesch. der D. Lit.</i>, S. 143–4; PIPER, <i>Spielmannsdichtung</i>, +II, 299; <i>Grundriss der German. Phil.</i>, II, 1, 258. +Uitgegeven door STEINMEYER in <i>Z.f.d.A.</i>, 21, Bd. S. 307 flgg. +STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche +tint gegeven heeft. + +<p class="footnote">De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd, +waaruit n<sup>o</sup>. 1 en n<sup>o</sup>. 2 der door ED. DU MÉRIL uitgegevene redactie's +zijn voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking, +vs. 2315–3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen +zijn echter op vele plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S +raming van het geheel (c. 3700 verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S +bewerking die veel uitvoeriger is, telt er slechts 3980.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.7">7</a>: Dat hij zich „ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal +wel eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor +stelt hij zich zelven tegenover de „ongheleerde luden". Vgl. bovendien +het Latijn in den proloog en eene plaats als II, 944–946.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.8">8</a>: Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de +Inleiding tot BEHAGHEL'S <i>Eneide</i>. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken +wat Prof J.H. KERN mededeelt in <i>Museum</i> 1900, bl. 213–218. +Overigens nog BORMANS' Inleiding op <i>Sint Servatius Legende</i>.]<a name="59"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.9">9</a>: VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven +van S. SERVAES, dat men vindt in de <i>Gesta pontificum Tungrensium +Trajectensium et Leodiensium</i> in de 10e eeuw samengesteld door den +abt HARIGER. Vgl. over een fragment van een hs. van het eind der +12e eeuw: <i>Z.f.d.A.</i>, Bd. 27, 146–157. Over een Duitsch leven +van S. SERVAES uit ongeveer denzelfden tijd als VELDEKE'S werk: +<i>Z.f.d.A.</i>, 1845, V, 75 flgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.10">10</a>: Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S <i>Gesta</i>, +wel in de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een +Cistercienser monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis. +Daar AEGIDIUS echter omstreeks het midden der 13e eeuw schreef, +moet de door VELDEKE gebruikte <i>Vite</i> ook door HARIGER en +AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER +en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de vergelijking uit I, 271 terug +in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe multas tunc temporis provisio +divina pro necessitate accenderat faces etc.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.11">11</a>: Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.12">12</a>: Vgl. den proloog van Boek I.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.13">13</a>: Vroeger hield men BENOÎT DE STE. MORE voor den maker. +Zie PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, <i>Introduction +à une édition critique du Roman d'Eneas</i> ('s-Gravenhage, 1888).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.14">14</a>: Vgl. BEHAGHEL'S <i>Einleitung</i>, CL-CLVI.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.15">15</a>: Vs. 2708–2741; in het Fransche gedicht vs. 3456–3460.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.16">16</a>: <i>Minnesangs Frühling</i>, p. 62. + +<p class="footnote">Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal +gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze—in tegenstelling met +de werken der overige Minnesinger—gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch +(daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.: + +<p class="footnotequote">van minne comet ons alle goet: +die minne maket reinen moet. +Wat soude ic ane minne dan?] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.17">17</a>: Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk Middelhoogduitsch +is. Misschien heeft eene verwarring met <i>entfaen</i> (ontvangen) +plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen +weergeven: + +<p class="footnotequote">hoe mochte ic dat voor goet ontfaen, +dat hi mi dorperlike bade +dat hi mi moeste ombevaen?] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.18">18</a>: Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30–32; 60, 32; 61, 10; +58, 17–19.]<a name="60"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.19">19</a>: M.F. 56, 1–6. + +<p class="footnotequote">Het sijn goede nieuwe maren +dat die vogel openbare +singen daer men bloemen siet. +tot dien tiden in den jare +stonde wel dat men vro ware: +lacen, des en ben ic niet.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.20">20</a>: M.F. 64, 17–21. + +<p class="footnotequote">Die vogelen doen ane schijn +dat si die bome sien gebloet. +haer sanc maket mi den moet +so goet dat ic vro bin +ende trurich niet can sijn. +</p> + +<p class="footnote">Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10–18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.21">21</a>: M.F. 57, 5–6. + +<p class="footnotequote">ic bat hare in der caritaten +dat si mi moeste al ombevaen. +</p> + +<p class="footnote">Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.22">22</a>: M.F. 65, 21–24. + +<p class="footnotequote">So wie den vrouwen settet hoede, +die doet dat dicke evel staet. +wel menich man draget die roede +daer hi sich selven mede slaet. +</p> + +<p class="footnote">Vgl. voorts: 65, 11–12; 67, 1–2; 62, 11–22.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.23">23</a>: M.F. 66, 13–15. + +<p class="footnotequote">geschiedet<a title="[margin: Misschien in het oorspronkelijk Limburgsch: gescege?]"><sup>#</sup></a> mi alse den swane +die singet alse hi sterven sal, +so verliese ic te vele daer ane.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.24">24</a>: Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S <i>Historie van Troyen</i> door +Dr. J. VERDAM, p. 27–28.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.25">25</a>: Vgl. BEHAGHEL'S <i>Einleitung</i>, S. CLXXXVI flgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.26">26</a>: Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in +PIPER'S <i>Spielmannspoesie</i>. Vgl. voorts: <i>Grundriss</i>, II, 1, 305 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.27">27</a>: Vgl. <i>Reinaert</i> (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. <i>Ermenrijc</i> en +W. MÜLLER, <i>Mythologie der deutschen Heldensage</i>, S. 178.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.28">28</a>: Vgl. KLEYN'S Catalogus in <i>Archief voor Ned. Kerkgesch.</i>, II, 147.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.29">29</a>: Over die tijdsbepaling <i>Grundriss</i>, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE<a name="61"></a> +houdt het er voor dat B. „um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan. +(<i>Das Nibelungen-Lied, Einl.</i>, S. XIV).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.30">30</a>: Boek II, 115.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.31">31</a>: <i>Teuthonista</i> (ed. VERDAM), p. 486: „die witte wech des nachtes +an der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden +strait, <i>galaxia</i>."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.32">32</a>: Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt +aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne <i>Middelned. Epische Fragmenten</i>, +p. 1–3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in <i>De Gids</i>, 1889, +I, 29–79.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.33">33</a>: In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een +en ander medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe +in zijn voortreffelijk <i>Gids</i>-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog +eens met het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: <i>Der +Nibelunge Nôt.</i> (Leipzig. BROCKHAUS, 1870–1880) waarin men ook +de varianten der hss. vindt.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.34">34</a>: Vgl. <i>Middelned. Ep. Fragmenten</i>, bl. 9–32; het genoemde +stuk van Dr. FRANTZEN in <i>De Gids</i> en de uitgave van E. MARTIN +in <i>Quellen und Forschungen</i>, 65. Heft.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.35">35</a>: Vgl. <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>, bl. 10.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.36">36</a>: Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.37">37</a>: <i>Sp. Hist.</i>, IIIe Deel, bl. 170, 204.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.38">38</a>: Vgl. <i>Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het +Henegouwsche huis</i>, III, p. 96.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.39">39</a>: Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd +worden: 1<sup>o</sup>. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. +(Amsterdam. Gebroeders BINGER. 1894); 2<sup>o</sup>. Dr. J. BERGSMA, <i>Bijdrage +tot de Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten</i>; +3<sup>o</sup>. <i>Van Sente Brandane</i> in <i>Tijdschr. v. Ned. T. en L.</i>, VII, 85 vlgg.; +4<sup>o</sup>. <i>Romanische Studiën....</i> von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over +de tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, +I, 116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in +twee redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche +hs. Ook ik houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal +assoneerende rijmen en het aantal der verzen met slechts drie of twee +heffingen er grooter is dan in het Comburgsche hs. + +<p class="footnote">De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar +hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.40">40</a>: Vgl. <i>Van Sente Brandane</i> (ed. BONEBAKKER), p. 10.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.41">41</a>: Vs. 249–251.]<a name="62"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.42">42</a>: Het hier en elders in den <i>Brandaen</i> voorkomende <i>aerme scaren</i> +(zie BONEBAKKER'S <i>Aant.</i>, p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM +e.a. te veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord +<i>harmschare</i> (straf, kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties +voorkomt, schijnt mij niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het +Comb. Hs. dat spreekt van „keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen +waarschuwen. De uitdrukking is op de bewuste plaatsen volkomen +goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van „blide scare" voor hemelbewoners; +zie <i>Stroph. Ged.</i> edd. FRANCK en VERDAM, p. 135). Doch +wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen waarin de oudere +philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping van het voor +de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de spelingen +van haar critisch vernuft.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="2.43">43</a>: Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075–1081, H. +1022–1028.]<a name="63"></a> + +<hr> + +<h1>BOEK I.</h1> + +<h2>STANDENPOËZIE.</h2> + +<p><a name="64"></a> +<a name="65"></a> + +<h2>INLEIDING.</h2> + +<p>Gedurende de gansche 13<sup>de</sup> eeuw is er in deze landen en +volken nog weinig eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien +eene veelheid van onderscheidene eenheden: kleine staten en +staatjes die voortdurend naar volkomener onafhankelijkheid +streven. Holland was reeds vroeg zelfstandig geworden, had +zich nagenoeg van het Duitsche rijk afgescheiden, was er steeds +op uit alle bemoeiingen van Keizers of andere rijksvorsten met +zijne binnenlandsche aangelegenheden af te weren. De overige +landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden weg. +Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om +onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven. + +<p>Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen +tegen het water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen +in bouwland en weiland. Het water geeft geen kamp: de +Marcellus-vloed van 1218 wordt meer dan eens door hevige overstroomingen +gevolgd; doch de waterschappen ontstaan, polderland +komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens te draaien. + +<p>Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze +landen bewoont. Tegenover het geestelijk element stond het +wereldlijke. God—zegt DIRC POTTER in zijn <i>Minnen Loop</i>—heeft +der wereld rijk in tweeën gedeeld: de eene helft moet +zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet opwaarts +schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft, +moeten leeren<a href="#3.1">[1]</a>. Het wereldlijk element werd weer gescheiden +in heeren en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de ge<a name="66"></a>meenten +waartoe men ook de landbouwers kan rekenen, vormden +de drie groote bestanddeelen der bevolking van al deze gewesten. +Een dichter der 14<sup>de</sup> eeuw, WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH, +spreekt dan ook „van der drierehande staet der werelt" en +bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden<a href="#3.2">[2]</a>. + +<p>Niet meer, als in de 11<sup>de</sup> eeuw, waren de Zuidnederlandsche +ridders op het land wonende grondbezitters, die in vredestijd +hunne goederen bestuurden en zelf wel eens de hand aan den +ploeg sloegen; die, eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn +best een wachttoren op een heuvel bewoonden, omgeven door +een muur van ruwe steenen. + +<p>In het laatst der 12<sup>de</sup> eeuw reeds prijst de Duitsche dichter +HARTMANN VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant +en de Haspengouw, als hij voortreffelijke ridders wil noemen. +De graven van Henegouwen en van Leuven komen soms met +honderden prachtig uitgedoste ridders ten tournooi. In Holland +zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS, EGMONDEN, +ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN +VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op +een tournooi of aan de gevolgen van daar ontvangen wonden. +Terwijl een aantal Vlaamsche ridders zich bij Hesdin met het +ridderlijk spel der „tafelronde" vermaken, hechten zij zich het +kruis op borst of schouder. + +<p>Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken. +Naast hen, want ook in deze landen vond men prelaten als +die bisschop van Beauvais die in den slag bij Bouvines de +vijanden met een ijzeren knots neersloeg—omdat de Kerk +geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover hen, in de +werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor +monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers, +Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het +monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral<a name="67"></a> +de orde der Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De +bagijnen beginnen hare hoven te stichten. Voorname abdijen +als die van Egmond, Rijnsburg, Leeuwenhorst verrijzen. In +Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in Limburg en +Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd +een eenzaam leven leiden. + +<p>Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde +als visschers langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort +reeds)<a href="#3.3">[3]</a>, als landbouwers en veeboeren ten platten lande, +alleen of in dorpen en gehuchten, of eindelijk als kooplieden, +neringdoenden, ambachtslieden in de steden die in aantal en +omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den +tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten +van marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om +een kasteel of klooster of waren ontstaan uit de vereeniging +van eenige landgemeenten. Allengs verkrijgen zij het recht zich +te beschermen met „eiken tune (planken muren) ende diepe +grachte", een stedelijke hal, een steenen gevangenis (<i>steen</i>) te +bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen volgen. In +groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding +gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de +meeste waren van hout en met riet gedekt). + +<p>De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de +middeleeuwen minder droevig dan men langen tijd heeft +gemeend. Ook was de verhouding tusschen heer en lijfeigenen +niet louter die van een meester tegenover zijne dienstknechten +en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het gansche leven +in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden iets +patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13<sup>de</sup> +eeuw eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand; +aan het eind dier eeuw is de groote meerderheid der bevolking +vrij geworden.<a name="68"></a> + +<p>Er wordt—het spreekt vanzelf in dien tijd—ter dege +onderscheid gemaakt tusschen ridders en dorpers; zoo wordt +bijvoorbeeld een dorper die een ridder slaat of scheldt, zwaarder +gestraft dan wanneer hij een anderen dorper te na gekomen is, +en het schaken van een meisje uit den aanzienlijken stand +zwaarder dan van een arm meisje<a href="#3.4">[4]</a>. Toch was de adel niet +een <i>heerschende</i> stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook +waren ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er +hadden wel huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En +eindelijk: de vroeger zoo talrijke klasse van ridders nam +gedurende deze eeuw af in aantal als in aanzien. Verarmd +door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van het +ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der +vorsten treden, den vorst hunne allodiën opdragen en voortaan +leven als zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters +daalden in maatschappelijke en economische beteekenis. De +geestelijkheid moest, tenminste in Gelderland, een deel harer +bezittingen aan den graaf overdragen. + +<p>Maar stadig rees de ster der gemeenten<a href="#3.5">[5]</a>. + +<p>In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en +gemeenten, kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde +eenheden opmerken: de onderscheidene „sibben", +maagschappen of geslachten. De band tusschen bloedverwanten +was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch alleen +zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde. +Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid +zijner „sibbe"<a href="#3.6">[6]</a>. De maagschap staat op den voorgrond, niet +de enkeling. + +<p>Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door +vergelijking met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens +den Saksenspiegel de ouders voorgesteld door het hoofd; de +kinderen door de geleding tusschen hoofd en hals en zoo<a name="69"></a> +voort, totdat eindelijk de zevende „sibbe" in de nagels der +handen geplaatst, en vandaar „nagelmagen" genoemd werd. +De maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met +zich. Zoo b.v. het recht en den plicht tot het opnemen der veete +van een verslagen bloedverwant. Nog in het midden der +13<sup>de</sup> eeuw heerschte in Friesland de barbaarsche gewoonte om +een verslagene niet te begraven, vóórdat zijne naastbestaanden +op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak hadden +genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te +eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was +het nog in de 14<sup>de</sup> eeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige +en zes zijner naaste magen (in Drenthe „keurmagen" genoemd) +ieder een zevende van het weergeld (man-geld) of zoengeld +betaalden. De magen staan elkander bij voor het gerecht als in +het gevecht. Zij deelen in de schande die over een hunner komt. + +<p>Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt +AERNT VAN BENSCOP hem zijn jachtvogel en zegt: + +<p class="quote">Ic moet nu op desen tijt +Uwen sconen sperwaer draghen, +<i>U te lachtre<a title="[margin: schande.]"><sup>#</sup></a> ende uwen maghen</i>. +</p> + +<p>Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil +opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij: + +<p class="quote"><i>Eest dat ghi sijt van haren maghen</i>, +So moetti nuwe wapene draghen, +Keren ende wreken dese overdaet. +</p> + +<p>En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch +ridder koning ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag, +dan door als gevolg van dien slag te noemen: „ic vergat al +mire mage"<a href="#3.7">[7]</a>.<a name="70"></a> + +<p>Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den +enkeling, het samengestelde boven het enkele, het vormen van +complexe eenheden, zien wij in deze eeuwen ook elders. + +<p>Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin, +vischwater, met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine +wereld op zich zelve. Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren +en grachten tal van afzonderlijke gebouwen. In menig gezin, +vooral ten platten lande, at men eigengebakken brood (<i>huisbakken</i> +kreeg eerst later zijne ongunstige beteekenis); droeg +men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in Reuzelmaand +een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en +der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden +als ROGER BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS, +JACOB VAN MAERLANT weten alles wat er in dien tijd te +weten valt. + +<p>Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in +die meest geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook +daar de synthese het wint van de analyse, zooals blijkt uit de +neiging tot het vormen van groote zin-complexen bij menigen +middeleeuwschen schrijver? Zulk een zin-complex is b.v. dit +volgende uit den proloog van den <i>Brandaen</i>: + +<p class="quote">Die Heleghe Gheest moet mi leeren, +—Die welke der ezelinnen +Wijlen dede sprekens beghinnen, +Daer up dat reet Balaam, +Dat was een heydin man, +Dat so<a title="[margin: zij.]"><sup>#</sup></a> meinschelike sprac, +Daer sij den inghel Gods sach +Commen in haer ghemoet: +Den wech hi haer wederstoet<a title="[margin: versperde.]"><sup>#</sup></a> +Met eenen zwerde vierijn<a title="[margin: van vuur.]"><sup>#</sup></a>;<a name="71"></a> +Si vloo van den inghel fijn +Ende dede haeren heere cont— +Dese moete ontsluten minen mont: +Die ghene die haer gaf de macht, +Dat si wert redene acht<a title="[margin: met spraak begaafd.]"><sup>#</sup></a><a href="#3.8">[8]</a>. +</p> + +<p>Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid +het gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een +zwak schemerlicht op de onnaspeurbare gangen der menschelijke +gedachte—ook andere deelen van dat innerlijk leven zijn ons +in het afdruksel der taal bewaard gebleven: de sterk ontwikkelde +zinnelijkheid van het middeleeuwsch geslacht en zijn +gebrek aan zelfbeheersching. + +<p>Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient +men zich niet van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men +verzinnelijkt die begrippen door te spreken van: een boogschot +hoog, een steenworp ver; zekere eilanden liggen volgens +MAERLANT „twee dachseilinghe verre" van Afrika; zeker arts +is beroemd: „alse<a title="[margin: even.]"><sup>#</sup></a> verre als God de sonne seinen doet". Iets +zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar ridders +vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen. +De tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee +sonnescinen"; van den eenen winter op den anderen door: +„tusschen twee sneeuwe". De lente door: „alst ten nieuwen +gerse<a title="[margin: gras.]"><sup>#</sup></a> kwam", najaar en voorjaar door „te hooi en te +gras". Men ziet de dingen nog vóór zich: een bosch <i>staat</i>; +een brug <i>loopt</i> over een rivier; men hangt iemand niet op—men +hangt hem „<i>bi der kelen</i>"; men kust een meisje „<i>ane haren +mont</i>", zit met haar in het „<i>groene gras</i>", begraaft haar onder +„<i>de rooskens root</i>". + +<p>Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers +van toen tot het uitdrukken van deelen eener handeling, die<a name="72"></a> +wij—als onnoodig, immers: vanzelf sprekend—weglaten. +Het zijn gewoonlijk verbindingen van twee werkwoorden, waarvan +het eene een lichamelijken toestand, het andere eene werking +uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals: „daer hi +lach, sat, stont" achten wij nu overbodig—voor de middeleeuwsche +menschen waren zij dat niet. + +<p>Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als: <i>antwoordde +ende seide, bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat +vaste, Gods ghebot ende sine woorde</i> tautologieën te noemen: +toen had elk der deelen van zulke uitdrukkingen zijne eigen +beteekenis en kracht; het verschil tusschen onze voorouders en +ons is slechts, dat zij er behoefte aan hadden een grooter deel +der voorstelling in taal te verzinnelijken dan wij. Om dezelfde +reden zijn in: <i>God, die coninc van den trone</i><a title="[margin: hemel.]"><sup>#</sup></a>, de op +<i>God</i> volgende woorden volstrekt geen stoplap, evenmin als in +zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond behoefte +om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven<a href="#3.9">[9]</a>. + +<p>Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een +middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen +trant van voorstelling zien verlaten, met dien verstande +dat hij het indirecte vervangt door het directe. Zij beginnen +b.v. met een bode te doen spreken in afhankelijke zinnen: + +<p class="quote">Dat sijn vader doot ware +Ende sijn moeder ooc mede. +</p> + +<p>Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen: + +<p class="quote">„Ende in u lant is groot onvrede, +„Want vremt volc, sonder waen, +„Hebben u lant ondergedaen<a title="[margin: onderworpen.]"><sup>#</sup></a>." +</p> + +<p>Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik +van afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig +en de rechtstreeksche uiting, als natuurlijker, hun aangenamer.<a name="73"></a> + +<p>Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen +die perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal +of beschrijving laat varen voor het sprekend invoeren van een +zijner personages, zonder dezen overgang aan te kondigen: een +schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in hooge mate tot de verlevendiging +van het verhaal bijdraagt<a href="#3.10">[10]</a>. + +<p>De taal—wij zeiden het reeds—was hier spiegel van het +leven. Welk een brand van hartstocht slaat ons tegen uit de +middeleeuwsche kronieken! Hoe onbeteugeld stormen de driften +in al die gevoelsmenschen, die nog zoo weinig gewend zijn +hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de rede stem +in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde +men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden +werd. Ook het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste +menigte, in strijd met den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde, +stormt de kloosterkapel binnen, rooft het corpus domini met +het ciborium en steekt de kloostergebouwen in brand. Van hertog +JAN I van Brabant, een toonbeeld van echte ridderschap, wordt +ons verhaald dat hij in gramschap een stok doormidden beet. + +<p>MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen +bedriegen en als hunne prooi beschouwen. De abdis van het +hoog-adellijk Rijnsburg klaagde aan den paus, dat hare nonnen +in vele opzichten den regel overtraden, dat zij twistgierig waren +en zelfs de handen aan elkander sloegen. + +<p>De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn—zij konden +den hartstocht niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster +zal voor menigeen een veilige wijkplaats zijn geweest, maar +hoevelen namen hun strijd met zich nadat de poort zich achter +hen gesloten had! Als een rijk man gereed staat der wereld +vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het +klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er +dan tusschen de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap<a href="#3.11">[11]</a>. Wat<a name="74"></a> +is er ook binnen de kloostermuren geleden in den strijd met de +zonde en den wellust. Hoe heerschten ook daar trots, ijverzucht, +toorn, gulzigheid en die zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken +van Heisterbach <i>acedia</i> noemden en die een middeleeuwsch +prototype van <i>spleen</i> en <i>weltschmerz</i> schijnt te zijn geweest<a href="#3.11">[11]</a>. + +<p>Gansche geslachten komen door de verplichting van veete +tegenover elkander te staan: in Leuven de patricische families +van BLANCKAERT en DE COLVERE; in den slag bij Woeringen +vinden wij de SCAVEDRIESCHEN tegenover de geslachten van +WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de Haspengouw +een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux, +die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde +richten en vele dorpen worden verbrand. + +<p>De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van +Rijnsburg is meer dan eens in twist met de grafelijkheid van +Holland of met Hollandsche edelen, met TEYLINGHENS, +WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan over +den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht, +OTTO VAN DER LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in +de buurt van Vollenhove en slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT +VAN AEMSTEL leidt in Holland en het Sticht een boerenopstand +waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de burgerij zien wij +op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de patricische +geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog +beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de +regeering gunden<a href="#3.12">[12]</a>. + +<p>Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht, +stand tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest. +Het is de strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en +REINOUT van Gelre; tusschen de hartstochtelijke gravin van +Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en WILLEM II van Holland; denzelfden +graaf van Holland die bij Hoogwoude tegen de Friezen sneuvelt.<a name="75"></a> + +<p>Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te +nauwernood in bedwang gehouden door Germaansch recht en +Christelijk geloof. + +<p>„Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord +en waarin onze voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet +daarin dat zij te zachte heelmeesters waren. Zij die een meisje +aanspoorden om zich te laten schaken (het schaken was in +zwang) werden gestraft met het verlies van den neus. „Wie +vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals +afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte „alle +duytsche lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar +of moordbrander het rad, dat manslag en roof met het zwaard +werden gestraft, een valsche munter in een ketel levend gezoden +werd, een spion boeten moest met verlies van een oog, een +„pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim moest missen. + +<p>Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan +hand. Ook de kerk had tal van straffen te harer beschikking +en maakte daarvan een ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten +behoorden tot de gewone straffen. Had iemand zich +zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven jaren lang in +ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door de +excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als +vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds, +dan wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch +monnik samengevat in een vers dat reeds aan de +tong een voorsmaak van dat lijden geeft: + +<p class="quote">Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror. +</p> + +<p>Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en +straffen. Met krachtige hand bestuurde zij de gemeente der +geloovigen; liet zij de teugels vaak losjes hangen, zij hield ze +stevig vast. Van de wieg tot het graf begeleidde zij den mensch,<a name="76"></a> +ja, haar invloed eindigde ook met den dood niet. Was de +middeleeuwsche christen door den doop in de gemeenschap +der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling +die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd +worden. Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem, +uit geheimzinnig schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht +tegenglansde, waar bij het mysterie der mis de opzwevende +wierookgeuren hem stemden tot aandacht en vereering. Lag hij op +zijn sterfbed, dan naderde, aangekondigd door de klinkende +altaarschel, de priester met de heilige hostie en de stervende +blies den laatsten adem uit met de gewijde waskaars tusschen +de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig leven +in eeuwigheid. + +<p>In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door +de heiligen die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem +waren voorgegaan naar den hemel, doch nog steeds over de +menschen bleven waken. Wie op reis ging, beval zich in de +hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT CHRISTOFFEL +was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL +beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze +en zijne trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden +verslinden. Maar wat nood voor den vromen Christen? Konden +God, Jezus en Maria, konden de heiligen en zelfs de overblijfselen +dier heiligen, niet elk oogenblik een wonder verrichten? +Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat +er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het +jaar 1214 kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker +OLIVIER van Keulen sprak. In het klooster Aduard +waren monniken, zóó eenvoudig van hart, dat zij beproefden +hunne kappen op te hangen aan de zonnestralen<a href="#3.13">[13]</a>. Was er +nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid voor wie deze en +dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het niet be<a name="77"></a>grijpelijk, +dat de dichter van den <i>Karel ende Elegast</i> in den aanvang +van zijn verhaal „wonder en waarheid" in één adem noemt? + +<p>Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling +te geven van het leven der toenmalige maatschappij. +Het was noodig eene poging daartoe aan te wenden, omdat +alleen langs dien weg eenigermate zal kunnen blijken, op welke +wijze zich hier het leven in de poëzie heeft geuit. Zóóveel kan +althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat gedurende de +13<sup>de</sup> eeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere, +het samengestelde op het enkele, de stand op het individu. +Het leven heeft zich toen vooral <i>standsgewijze</i> geuit. En zoo +bevat de poëzie, die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak +uitingen, niet van individuen, maar van standen. Daarom +mag zij <i>standenpoëzie</i> heeten. + +<p>In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde +persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen. +Zóó is het ook in de poëzie. HADEWIJCH, WILLEM VAN +AFFLIGHEM en vooral MAERLANT vertoonen iets van een +dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig van omtrek. +Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons +gekomen, doch het zijn <i>slechts</i> namen. Wat baat het ons of wij +weten dat „CLAES VER BRECHTEN ZONE" den <i>Willem van Oranje</i> +vertaald heeft? Dat WILLEM VAN UTENHOVE „een priester van +goeden love" was en dat de dichter van den <i>Reinaert</i> eveneens +WILLEM heette? Kennen wij die mannen nu? Van vele andere dichterlijke +werken zijn zelfs de namen der bewerkers ons onbekend. + +<p>Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer poëzie +als volkspoëzie, maar volkspoëzie, welke, naar de verschillende +stroomingen die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt +in: ridderpoëzie, geestelijke poëzie en poëzie der gemeenten.<a name="78"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.1">1</a>: <i>Der Minnen Loop</i>, IV, vs. 4 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.2">2</a>: <i>Gedichten</i> (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den Henegouwschen +dichter JEAN DE CONDÉ vindt men een <i>dis des trois estas +dou Monde</i> (<i>Dits et Contes de Baudouin de Condé</i>, II, 49 suivv.). +Beide stukken hebben overigens niets gemeen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.3">3</a>: Vgl. Boek VIII, vs. 1070.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.4">4</a>: VANDERKINDERE, <i>Siècle des Artevelde</i>, p. 141.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.5">5</a>: Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van +PIRENNE, MOLL en BLOK; A. SCHULTZ, <i>Höfisches Leben zur zeit +der Minnesinger</i>; SCHOTEL, <i>De Abdij van Rijnsburg</i>; MOLL en +DE HOOP SCHEFFER, <i>Studiën en Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad. +Royale de Belgique</i>, n<sup>o</sup>. 32; <i>Kronijk v.h. Histor. Genootschap</i>, XII, +(164–165); twee artikelen van POLS in <i>Bijdr. voor Vad. Gesch. en +Oudh.</i> (stuk over Graaf JAN I van Holland) en redevoering ter algem. +vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879. <i>De Slag van Woeringen</i> +(ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de Aant. p. 542. + +<p class="footnote">Wat den <i>Grêgorjus</i> van HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog +op, dat de tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.6">6</a>: Vgl. <i>Reinaert</i>, vs. 2006-'98: + +<p class="footnotequote">Hi rekende dat hi ware mijn oom +ende began ene sibbe tellen; +aldaer worden wi gesellen.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.7">7</a>: Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S <i>Deutsche Rechtsalterthümer</i>, +(4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDREÆ in: <i>Geschiedkundige +Opstellen aangeboden aan Robert Fruin</i>, p. 259 vlgg.; +<i>Nederd. Regtsoudheden</i>, p. 298; <i>Versl. en Meded. der Kon. Akad. +afd. Lett.</i>, 4e Reeks, Deel I; MOLL, <i>Kerkgesch.</i>, II, 4, 225; <i>Kroniek +van Melis Stoke</i> (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; <i>Kerken +Claghe,</i> vs. 212; <i>Moriaen</i>, vs. 174–177; voorts <i>Grimb. Oorlog</i>, II, +vs. 291, 413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; <i>Parthonopeus</i>, vs. 1227;<a name="79"></a> +<i>Limborch</i>, II, 1862. In het <i>Mnl. Wdb.</i> zullen i.v. nog wel andere +voorbeelden genoemd worden.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.8">8</a>: Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De +oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van +wat zij: <i>inlapsels</i> noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn. +Wie een citaat uit den <i>Brandaen</i> niet afdoend acht uit hoofde van +mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van +den Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden +in MAERLANT'S <i>Alexander</i>, I, 953–960; VII, 61–84; 93–105; +<i>Leven van S. Lutgarde</i>, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39; +6694–6716; 9542-'48; 9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37; +11504-'512; 13844-'66; III, 548–557; 850–864. <i>Der Leken Spieghel</i>, +II, c. 48, vs. 668–685 (men lette vooral op het slotvers in verband +met den aanvang). <i>Der Minnen Loep</i>, I, 2047–2060. STOETT, +<i>Syntaxis</i>, p. 146; <i>Hildegaersberch's Gedichten</i>, 155, 203 vlgg.; 157, +129–138; 157, 1–15. FRANCK onderstelt in den dichter van het +<i>Leven der H. Lutgarde</i> opzet bij het maken zijner lange en ingewikkelde +zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig. Doch indien er al +opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te hulp zijn +gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in <i>Neue Jahrbücher für das Klass. +Alt. Gesch. u. Deutsche Lit.</i>, Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432–434. +F. denkt aan invloed van het Latijn).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.9">9</a>: Deze en andere voorbeelden vindt men: <i>Karel en Elegast</i> (ed. +KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; <i>Sp. Hist.</i>, I, p. 34, vs. 21; +<i>Alexander</i>, I, 1121; <i>Moriaen</i>, vs. 86, 3795; <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, +XVII, 297 vlgg.; <i>Kar. e. Eleg.</i>, 100, 198; <i>Merlijn</i>, p. 72, vs. 6696; +<i>Lied in de Middeleeuwen</i>, bl. 572; STOETT, <i>Syntaxis</i>, p. 121; +BOTERMANS, <i>Die hystorie van die seven wijse mannen van romen</i>. +Proefschrift, p. 50; <i>Leven van Sinte Lutgart</i> (ed. VAN VEERDEGHEM). +Inl. XXXVI.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.10">10</a>: <i>Torec</i>, 3800–3804; 3738-'41; <i>Moriaen</i>, 355, 573, 972; <i>Karel +en El.</i>, 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S <i>Syntaxis</i>, p. 144. + +<p class="footnote">Het verwante verschijnsel in mijne <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>, p. 187; +behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: <i>Flovent</i>, 395; <i>Madelghijs +Kintsheit</i>, p. 69, vs. 40; <i>Aiol</i> (Vlaamsche redactie), vs. 663; <i>Karel +de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen)</i>, p. 12, vs. 287; p. 31, +vs. 872 (weer het eerste verschijnsel. LONGINUS of althans de schrijver +van het boek Περι Υφονς [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij +HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI <i>de Sublimitate</i> (ed. +B. WEISKE. Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII.]<a name="80"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.11">11</a>: Vgl. TE WINKEL'S <i>Maerlant</i>, p. 257, noot 2; WYBRANDS, +<i>De Abdij Bloemhof</i>, p. 72; <i>Naturen Bloeme</i>, II, 690–2; MOLL, +<i>Kerkgesch.</i>, II, 2, 78; <i>Brab. Yeesten</i>, V, 144–146; MOLL, t.a.p. +II, 2, 45; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, <i>Stud. en Bijdr.</i>, II.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.12">12</a>: DEWEZ, <i>Histoire générale de la Belgique</i>, III, 43; HEELU'S +<i>Slag bij Woeringen</i>, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174; +SCHOTEL, <i>A.v.R.</i>, o.a. p. 100–101; PIRENNE I, 416, 422.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="3.13">13</a>: BLOK a.w. I, 175. + +<p class="footnote"><i>Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap</i>, XXIII, 43.]<a name="81"></a> + +<hr> + +<h2>1. RIDDERPOËZIE.</h2> + +<p class="intro">Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpoëzie. Ouderdom +der Nederlandsche ridderpoëzie. In hoeverre indeeling naar de „matières" +te onzent geoorloofd? + +<p class="intro">I. Frankische romans: <i>Flovent</i>, <i>Roelants-lied</i>, <i>Willem van Oringen</i>, +<i>Renout van Montalbaen</i>, <i>Geraert van Viane</i>, <i>Lorreinen</i>, <i>Aiol</i>, <i>Aubri +de Borgengoen</i>, <i>Doon de Mayence</i>, <i>Gwidekijn van Sassen</i>. Overige +romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. <i>Karel en Elegast</i>. + +<p class="intro">II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans: <i>Lancelot</i>, <i>Percevael</i>, +<i>Ferguut</i>, <i>Floris en Blancefloer</i>, <i>Partonopeus en Melior</i>. Overige +romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. <i>Moriaen</i>, <i>Walewein</i>. + +<p class="intro">Eindbeschouwing. + +<p>Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten, +frisch uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend +in pracht, verstorven door overmaat van weelderigheid—zoo +ging op, zoo blonk, zoo verzonk het ridderwezen. + +<p>Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een +plechtige bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de +kern, door de Franken gebracht in het naar hen genoemd +land; onder den invloed der kruistochten ontwikkelde die kern +zich daar tot een zedelijke instelling met een hoog-ideaal karakter. +Een ridder moest zijn „grootmoedig in tegenspoed, edel van +bloede, overvloeiend van eerlijkheid, voortreffelijk door hoffelijke +zeden, standvastig in mannelijke braafheid. Dagelijks moest +hij met devote gedachtenis aan 's Heeren lijden de mis hooren, +voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil hebben, de heilige +Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars bevrijden,<a name="82"></a> +weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen, +onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon +weigeren, tot bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter +optreden, geene steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke +bedoelingen, den roomschen Keizer of zijn stadhouder +in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat ongeschonden in +zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks vervreemden +en onberispelijk voor God en menschen leven." + +<p>Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van +vroeger, in veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling +en beschaving der maatschappij. Maar de aanraking met +het weelderig Oosten, de toenemende rijkdom en weelde, menschelijke +zwakheid en zinnelijkheid begonnen na eenigen tijd +de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden haar +langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied +voor de vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd +tot een vrouwendienst waarin het zinnelijk element zich krachtig +deed gelden; de hoofschheid, die gaandeweg de vroegere ruwheid +had vervangen, werd galanterie; de losheid, loszinnigheid +en die: losbandigheid. Toewijding die goed en bloed op het +spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht, +roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was +de adel een stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom +en uiterlijke beschaving onderscheidde van de overige +bevolking, die hem veelal overtrof in innerlijke kracht, in +zedelijke en geestelijke ontwikkeling<a href="#4.1">[1]</a>. + +<p>De poëzie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn +ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking. +Wie kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat +roerend-droeve verhaal van FRANCESCA DA RIMINI en die verzen: + +<p class="quote">Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse: +Quel giorno più non vi leggemmo avante.<a name="83"></a> +</p> + +<p>Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar +levend, hebben uit verhalende liederen grootere verhalende +gedichten geschapen. In den aanvang behandelden die gedichten +uitsluitend het nationaal verleden, uit den tijd der Merovingen, +zooals de <i>Floovant</i>; uit dien der Karolingen verhalen waarin +KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote vazallen des rijks +optreden: de <i>Chanson de Roland</i>, de <i>Chanson des Saisnes</i> +(Saksen), den <i>Ogier</i>, den cyclus van <i>Guillaume d'Orange</i>, de +<i>Lorrains</i> (hertogen van Lotharingen), <i>Renaus de Montauban</i>, <i>Aiol</i>, +<i>Auberi le Bourgoing</i>. Kort voor of in den aanvang der 12<sup>de</sup> +eeuw begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit +den Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid +te verwerken: den <i>Roman de Troie</i>, den <i>Roman d'Enéas</i>, <i>Roman +de Thèbes</i>, de <i>Geste d'Alexandre</i>, den <i>Roman de Jules César</i>. + +<p>Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met +het Keltisch element in Engeland ontstond omstreeks het midden +der 12<sup>de</sup> eeuw een nieuw soort van verhalen: de Keltische +romans. Keltische zangers die rondzwierven door Engeland en +Frankrijk, zongen ook in het laatste land hunne lais, liederen van +fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al spoedig werden +vertaald en nagevolgd door Fransche dichters. Langzamerhand +werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden ook +nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld. +Wij vinden hier in hoofdzaak òf verhalen, waarin Koning +ARTUR en zijne gemalin op den voorgrond komen en het +Christelijk element zich krachtig doet gelden òf zulke, waarin +de dolende ridders van ARTURS hof eene hoofdrol spelen als: +de <i>Tristran</i>, <i>Ivein</i>, <i>Lancelot</i>, <i>Erec</i>, <i>Gauvain</i>, <i>Cligès</i>. + +<p>Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans +als <i>Le Grand Saint Graal</i>, die bestaat uit deze drie +deelen: <i>Jozef van Arimathea</i>, <i>Merlijn</i>, <i>Perceval</i>; voorts <i>la queste</i> +(het zoeken) <i>du Saint Graal</i> en een gedicht <i>Le Petit Saint Graal</i>.<a name="84"></a> + +<p>Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer +romans, waarvan ik slechts eenige voorname heb genoemd, +gemakkelijk gemaakt door de drie voorname stoffen, welke zij +behandelen, aan te wijzen. In de <i>Chanson des Saisnes</i> heet het: + +<p class="quote">Ne sont que trois matières a nul home entendant: +De France et de Bretaigne et de Rome la grant. +</p> + +<p>Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen, +zijn, bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ééns +geestes kinderen; de romans waarin nationale stoffen verwerkt +zijn, danken hun ontstaan aan een anderen geest. + +<p>Zoo mag men deze epische poëzie dan ten slotte scheiden +in twee groote afdeelingen, die zich tot elkander verhouden +als het nationale tot het uitheemsche. + +<p>Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke +der oude nationale <i>Chansons-de-Geste</i> met hunne ruwheid en +grootschheid, ziet men de Keltische en klassieke romans met +hunne hoofschheid, hunnen vrouwendienst, het sterk ontwikkeld +lyrisch-erotische, gemengd met mystiek, hunne neiging +tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in de nationale +gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in +zóóverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden +weergeven: de nationale groep weerspiegelt een +beschaving minder ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche +geboren is. De nationale groep staat dichter bij het volks-epos, +de uitheemsche dichter bij het kunst-epos. Voor een deel geldt +dit onderscheid van volks-epos en kunst-epos ook met betrekking +tot de dichters dezer romans; want de makers der oudste +<i>Chansons-de-Geste</i>: <i>Roland</i>, <i>Girard de Roussillon</i>, <i>Jourdain +de Blaives</i>, <i>Floovant</i>, zijn ons onbekend; van de dichters der +latere <i>Chansons</i> kennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI, +BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DE<a name="85"></a> +TROYES, BÉROL, BENOIST DE SAINTE MORE, ALBÉRIC DE +BRIANÇON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE DE BERNAY... +doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters +hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt, +andere hebben uitheemsche gedicht. + +<p>Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den +uiterlijken vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven +in korte verzen van acht lettergrepen, in tegenstelling +met de overige die in het oudere decasyllabische vers of in +alexandrijnen zijn gedicht<a href="#4.2">[2]</a>. + +<p>Langs zulke wegen was de Oudfransche epische poëzie bezig +zich te ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend +werd. Dat zij daar bekend werd, is licht te verklaren uit het +internationaal karakter der ridderschap en de nabuurschap van +Frankrijk. Maar bovendien waren Fransche taal en literatuur +reeds in de laatste helft der 12<sup>de</sup> eeuw in een deel van Zuid-Nederland +bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch werd +als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd; +in Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de +hooge geestelijkheid als een tweede volkstaal<a href="#4.3">[3]</a>. Aan het hof van +den Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168–1191) +leefde en werkte de beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter +van vele Keltisch-Fransche romans; BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen +dichtte Provencaalsche liedjes; een paar bekende Fransche +dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te +Atrecht<a href="#4.4">[4]</a>. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking +met de Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging; +dat wij eene Nederlandsche ridderpoëzie zien ontstaan onder +den invloed der Fransche. + +<p>Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog +niet mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aan<a name="86"></a>nemen, +dat wij het laatst der 12<sup>de</sup> of althans de eerste helft +der 13<sup>de</sup> eeuw als zoodanig moeten beschouwen. MAERLANT +immers heeft meer dan eens in zijne werken (<i>Alexander, Sint +Franciscus, Spieghel Historiael</i>) gewaarschuwd tegen den, zijns +inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende ridderromans. +Onder die romans vindt men een paar die tot de +bovengenoemde „nationale" groep behooren, zooals <i>Willem +van Oranje</i> en de <i>Heemskinderen (Renaus de Montauban)</i>; +enkele zoogenaamde klassieke romans, zooals die over <i>Alexander</i>; +een paar die in het Oosten spelen: de <i>Floris en Blancefloer</i> +en den <i>Partonopeus</i>; eindelijk een groot aantal die tot de +Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die van <i>Lancelot</i> +en <i>Tristan</i><a href="#4.5">[5]</a>. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende, +bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit het <i>Leven van Sinte +Lutgart</i> gevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt, +dat de menschen niet willen luisteren naar „goede exempelkine", +maar gaarne komen: + +<p class="quote">Daer men van ouden ijeesten<a title="[margin: geschiedenissen.]"><sup>#</sup></a> singet, +Oec daer men voert die sagen bringet +Van wigen<a title="[margin: strijden.]"><sup>#</sup></a> och van tavelronden, +Daer wilen eer hen onderwonden +Te dichtene af die menestrele. +... +Mar wonder hevet mi van desen +Warumme si so gerne lesen +Van ouden sagen dat gedichte +Ende oc geloeven also lichte +Din logeneren die se tellen. +... +Mar die die oude bourden scriven, +Si swegen bat, dat seggic hen<a href="#4.6">[6]</a>.<a name="87"></a> +</p> + +<p>Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het +oog hebben op Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich +vooral tot de gemeentenaren en lagere geestelijken die over het +algemeen weinig of geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder +den lageren adel de kennis van die taal zoo verbreid zijn geweest, +dat men er de voordracht van Fransche gedichten met eenig +gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS, wier moeder van +adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in het +klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks +zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon +vragen wanneer zij honger had<a href="#4.7">[7]</a>. Zouden ook lieden uit dien +kring der maatschappij geen deel hebben uitgemaakt van het +publiek dat Fransche romans liefst vertaald hoorde voordragen? + +<p>Indien men nu in aanmerking neemt, dat de <i>Alexander</i>, het +oudste der genoemde werken van MAERLANT, omstreeks +1257–1260 zal zijn vervaardigd en het <i>Leven van Sinte +Lutgart</i> tusschen 1263–1274; dat de romans, waartegen met +zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben +behoefd om zóó bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke +Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in +de tweede helft der 12<sup>de</sup> eeuw reeds bestonden, deels van nog +vroeger tijd dagteekenen—dan zal men wel mogen aannemen, +dat men te onzent in het laatst der 12<sup>de</sup> of den aanvang der +13<sup>de</sup> eeuw het grootste deel der bewuste ridderromans heeft +verdietscht. + +<p>Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpoëzie +zich bedienen van het onderscheid in: nationale (Frankische) en +uitheemsche (Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche) +ridderdichten? In allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht +dat de Fransche literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens +blijkt dat men te onzent zich bewust is geweest van een onderscheid +in drie „matières". Niet, als in Frankrijk, beantwoorden<a name="88"></a> +hier de beide groepen aan verschillende cultuurtoestanden, +waarvan de een op den ander volgde. Integendeel, voorzoover +wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te +onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep +te vertalen. VELDEKE'S <i>Eneïde</i> is het vroegste episch vertaalwerk +dat wij met zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel +van den <i>Roman de Troie</i>, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF. +Zou de vertaling van de <i>Chanson de Roland</i> niet ouder zijn +dan beide? Onmogelijk is dat niet, zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk, +aangezien het oorspronkelijk gedicht reeds vóór den eersten +Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang gemaakt en +zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene +Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet +verkrijgen. Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men +hier te lande in het laatst der 12<sup>de</sup> of den aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw, +zonder oordeel des onderscheids, Fransche ridderromans heeft +vertaald en nagevolgd. Indien wij nu toch onderscheid blijven +maken tusschen een paar groepen van riddergedichten, dan +geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een verschillende +geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen +wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen. + +<h3>FRANKISCHE ROMANS.</h3> + +<p>De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek +dier dagen wel krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats +de indrukwekkende gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers +ook hier te lande bemind en geëerd; groot in de oogen van +het nageslacht niet het minst om zijne oorlogen tegen de +heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en burgers +dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden +strijd tegen het „Saracynsche diet" dien ook de groote Koning<a name="89"></a> +met zijne dapperen had gestreden? En onder die dapperen +verschenen in deze romans voor het geestesoog de dappersten +en wijsten, die beroemde „genooten", lijfwacht en raad des +Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en zijn +boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den +strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD +van Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren +en anderen<a href="#4.8">[8]</a>. Het geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke +werken moest wel indruk maken op een publiek, eenvoudig +van gemoed, beheerscht door dezelfde hartstochten als +de personages in die verhalen. + +<p>Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd +tegen duizenden bij duizenden Sarracenen, die weigert op +zijn wonderhoorn Olifante te blazen om zijn Koning te hulp +te roepen; die eindelijk afgestreden, ten doode gewond, zich +uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar Spanje +gekeerd, maar het hart vol van „het zoete Frankrijk" en +zijne maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog +houdt tot God zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn +hoofd op zijn arm, met saamgelegde handen ontslaapt hij; +cherubijnen komen en voeren graaf ROLAND'S ziel naar het +paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige hertog van Lotharingen, +door een overmacht na heldhaftige tegenweer neergeveld, +die daar ligt tusschen de overige dooden, „als de eik +tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier +Heemskinderen, die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal +gezeten is, wanneer de gezanten van koning KAREL, ROLAND +en WILLEM VAN ORANJE onder hen, binnentreden. Overmoedig +zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn scherp zwaard over +zijne knieën gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden bliaut, +het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op +zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woord<a name="90"></a> +spreken. De afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor +hem. Hij wil hen niet aanzien. Zij richten het woord tot hem. +Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij, nu hij zijne vijanden daar voor +zich ziet, maar hij kan geen woord uitbrengen: te vol is zijn +gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft zwijgen. Dan komt +zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden schaal +vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren +man dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft +zij dat woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft +haar zoo in het aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort. + +<p>Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of +ruw; ook voor het zachte, het teedere is er eenige plaats. + +<p>In de grootsche <i>Chanson de Roland</i> komt de teederheid +soms te voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende +onweerswolken. ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER +is doodelijk gewond; met moeite houdt hij zich nog in den +zadel, de nevel des doods houdt zijn blik reeds omtogen; zoo +voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND die komt +aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner +laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den +helm toe. ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij: +gezel, doet gij dat met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief +heeft.—Ik hoor u, zegt OLIVIER; ik hoor u spreken, maar +ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u getroffen, +vergeef mij.—Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND +ik vergeef het u. + +<p>Hoe treffend is het tooneel in den <i>Willen van Oranje</i>, waar +de roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor +zijn klooster uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te +hebben gedood of verjaagd, ontdekt hij in een kar die de +roovers medevoerden, zijne eigen jonge kinderen. + +<p>Aandoenlijk is in den roman der <i>Heemskinderen</i> de trouw van<a name="91"></a> +het reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het +eindelijk op den eisch des Konings in de Oise verdronken zal +worden, slaat het telkens de steenen stuk welke de dienaars aan +zijne pooten hebben gebonden; zoolang het ros zijn meester ziet, +heeft het kracht om dat vol te houden. Nu dwingt de Koning +REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar Beyaert. Op +nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt +het boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester, +„alsof 't een mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient +bitterlijk geschreit hadde"<a href="#4.9">[9]</a>. Wanneer REINOUT dan niet naar +den trouwen vriend omziet, zinkt het ros en verdrinkt. + +<p>De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans +niet op den voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch +tooneeltje of een komische trek den ernst vervangen; de grappen +waarmede de personages zich vermaken, zijn ruw of grimmig. + +<p>Behalve de kleine roman van <i>Karel en Elegast</i>, die een +afzonderlijke plaats verdient, is geen enkele dezer romans in +zijn geheel tot ons gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts +grooter of kleiner fragmenten<a href="#4.9">[9]</a>. Wij noemen den roman van +<i>Flovent</i> in de eerste plaats, omdat de <i>kern</i> van dit gedicht +herinneringen bevat aan de eerste Frankische dynastie: de +Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als oudste zoon +van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS. +Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen +schildknaap RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en +vrienden, in oorlog met de Sarracenen (onder wie hier, gelijk +zoo dikwijls, de heidensche Saksen schuilen). Een christelijke +en een heidensche prinses betwisten elkander FLOVENT'S bezit. +Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door zijn +vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De +heidenen worden verslagen en FLOVENT later koning van<a name="92"></a> +Frankrijk. Ons fragment van ruim 600 verzen wijkt sterk af +van de eenige ons bewaarde Fransche redactie, die echter zelve +weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere. + +<p>Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats +het <i>Roelants-lied</i> te worden genoemd. Algemeen bekend is, +dat wij hier het verhaal hebben van den slag bij Roncevaux, +waarin de achterhoede van KAREL DE GROOTE'S leger, onder +bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaeën door de vijandige +Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde van een +tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand, +de Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche +gedicht is waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke +vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel +een vijftal fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche +bewerking berusten. Tracht men daaruit die verloren bewerking +weer samen te stellen, dan komt men tot een fragment van +ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen van het Fransch +ten deele teruggevonden worden. + +<p>Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus +van gedichten welke zich groepeeren om den persoon van +WILLEM VAN ORANJE, een der voorname edelen uit Zuid-Frankrijk, +die de Mooren telkens terugsloegen wanneer zij +pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaeën +te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts één dezer +werken, het zoogenaamde <i>Moniage Guillaume</i> (WILLEM'S +monniksschap) hier vertaald; van dat laatste deel van WILLEM'S +geschiedenis is ons een klein fragment van ruim 400 verzen +bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de wetenschap, +dat zekere CLAES VAN HAERLEM, „VER BRECHTEN SONE", deze +vertaling vervaardigde<a href="#4.10">[10]</a>. De ons bewaard gebleven fragmenten +behelzen de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan +boven sprake was en eenige van zijne latere lotgevallen.<a name="93"></a> + +<p>Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote +vazallen geeft de roman van <i>Renaus de Montauban</i> ons een +voorbeeld<a href="#4.11">[11]</a>. Een der machtige vazallen des Konings, HAYMIJN +van Dordogne, is met dezen in strijd. Zijne zonen REINOUT, +ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten dezen strijd tegen +den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien strijd moeten +zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde koningen. +Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan +den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de +toovenaar MALEGIJS spelen een gewichtige rol in dit gedicht. +De roman draagt terecht den naam van den oudste der vier +Heemskinderen—zooals zij later te onzent genoemd werden—daar +REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans telkens +weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht +eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft +het mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige +wijze eenige der bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd. +Welk Fransch origineel door hem is gevolgd, weten +wij niet; wel dat het geen der ons overgebleven redactiën is +geweest. Misschien ook is de Nederlandsche bewerking eene +samensmelting van een paar oudere redactiën en heeft de bewerker, +evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke +Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste<a href="#4.12">[12]</a>. + +<p>De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen; +misschien slechts een zevende der gansche bewerking<a href="#4.13">[13]</a>. + +<p>Naast den <i>Reinout van Montalbaen</i> moet de <i>Geraert van Viane</i> +genoemd worden; ook deze roman immers bevat herinneringen +aan den strijd van CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen, +al zijn die herinneringen hier verbonden met heugenissen aan +den strijd tegen de Sarracenen in Zuid-Frankrijk. Slechts +een klein fragment van nog geen 200 verzen van dezen +roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Fransche<a name="94"></a> +roman van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld +van den Nederlandschen bewerker geweest, maar eene veel +oudere bewerking. + +<p>Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten +vinden wij in de <i>Chanson des Lorrains</i>. Door die geheele +grootsche epopee immers loopt als een roode draad: de bloedwraak; +alles draait om de „veede" tusschen het geslacht der +hertogen van Lotharingen en dat van FROMONT van Bordeaux. +Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens wordt de +vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit +weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed +tegen sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen +op de jacht overvallen en vermoord is en daarna ook GARIJN +zelf, het hoofd van het geslacht der Lorreinen, zetten hunne +zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT doodt FROMOND +van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de „veede" +over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling +bleven ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen +meer dan 10.000 verzen, misschien slechts een tiende deel van +het oorspronkelijk gedicht bevattend<a href="#4.14">[14]</a>. + +<p>Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten +de <i>Aiol</i> in. Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur +van den jongen ridder, die alleen naar des Konings hof trekt +om de zaak van zijn verongelijkten en verarmden vader te verdedigen. +In de verroeste wapenrusting van zijn vader, op een +armzalig paard, rijdt hij heen en wekt den spotlust van wie +hem op zijn weg ontmoeten—maar hij wint zijne zaak. Deze +roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide +bewerkingen zijn onderling onafhankelijk<a href="#4.15">[15]</a>. De eene, in Limburg +vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het +ons bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten, +ongeveer 600 verzen bedragend, omvatten vs. 2538–10092<a name="95"></a> +van het origineel. Eenige verzen der Middelnederlandsche bewerking +(vs. 58–73) vindt men in het Fransen niet terug. De +andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn overgebleven, +wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde. Of +wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene, +ons onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter +betwijfeld worden. De samensteller dezer bewerking volgt het +Fransche verhaal wel in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken +op eigen wijs. Hij heeft veel weggelaten (vs. 518–601 +komen overeen met vs. 8354–9061: 83 verzen in het Nederlandsch +voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801–1200 +dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat +deze bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook +met het oog op het feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk +Nederlandschen naam vinden voor AIOL'S zwaard, nl.: <i>Scaerdeline</i>, +terwijl in het Fransche gedicht geen zwaard van AIOL +een naam draagt<a href="#4.16">[16]</a>. Dat namen uit het origineel als <i>Elie, +Avisse</i> zijn weergegeven door <i>Helline</i> en <i>Anflisse</i>, doet denken +dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts kende van +„hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het +tweede fragment dezer bewerking (<i>Baselie, Mersaelien ende +Eggermort, Florette</i>, het wout van <i>Bonival, Godevert van +Brusewijc</i>) in het Fransch in het geheel niet voor. + +<p>Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman +van <i>Auberi le Bourgoing</i>. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten +en daden van een jong Bourgondisch ridder, die met zijn +neef en wapenbroeder GASCELIN, in Beieren de Russen en in +Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door een huwelijk +met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van +dat land wordt. + +<p>Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten, +die tot dusverre geacht worden ontleend te zijn aan<a name="96"></a> +den roman van <i>Doon de Mayence</i> en aan de <i>Chanson des +Saisnes</i> (Saxons). Het eerstgenoemd fragment verhaalt ons van +drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO (ROELANTS vader) +die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere, welke door +de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten +drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal +plaats hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar +Vauclere doen de ridders een inval in het kamp der heidenen +en een hevig gevecht vangt aan. In den Franschen roman van +dezen naam, waarin de stad Vauclere en de Sarraceensche +aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote rol +spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer +men in aanmerking neemt dat de roman van <i>Fierabras</i> hier +volgens MAERLANT'S mededeeling reeds vóór het eind der +13<sup>de</sup> eeuw vertaald was; dat in den <i>Geraert van Viane</i> de strijd +tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats heeft op een eiland +in een rivier<a href="#4.17">[17]</a>; dat ELEGAST hier, evenals in den roman van +<i>Karel en Elegast</i>, optreedt als toovenaar; dat de naam van +ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair +van CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden +zijn, dan moet men waarschijnlijk achten, dat wij hier eene +vrije bewerking van Fransche epische stoffen vóór ons hebben. + +<p>Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naam +<i>Gwidekijn van Sassen</i>, ook daarin blijft nog veel over dat +opheldering behoeft<a href="#4.18">[18]</a>. Met JEAN BODEL'S <i>Chanson des Saxons</i> +heeft ons fragment niets gemeen; dat het vertaald zou zijn naar +eene vroegere bewerking dezer stof die bewaard is gebleven in +de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik onwaarschijnlijk wegens +de gewichtige afwijkingen. Ons fragment verplaatst ons in de +volgende omstandigheden: Het Fransche leger, waarbij ROLAND +en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend), OLIVIER, +ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich be<a name="97"></a>vinden, +heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar +de reus FLEDRIC, GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een +nachtelijk gevecht heeft plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De +dichter der Nederlandsche bewerking kende het <i>Roelants-lied</i> +blijkbaar; met den ridder in de zwarte wapenrusting die tooveren +kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn<a href="#4.19">[19]</a>. Ook hier moeten +wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van epische +stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts +door mondelinge overlevering bekend waren geworden. + +<p>Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen +tijd vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien +door eene Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij, +spreekt van <i>Fierabras</i>. Waarschijnlijk heeft hij den naam van +dezen heidenschen reus, die in Spanje, na een gevecht met +OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt, leeren kennen +uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook Nederlandsche +bewerkingen der romans van <i>Foulque de Candie</i> en +van <i>Karel en Galie</i>, welke laatste ons in eene Nederduitsche +omwerking in den <i>Karlmeinet</i> is bekend gebleven. + +<p>Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans +en van de reeds behandelde: <i>Roelants-lied</i>, <i>Willem van Oringen</i>, +<i>Reinout van Montalbaen</i>, zal men wel mogen aannemen, dat +zij uit de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw, ten deele misschien (het +<i>Roelants-lied</i> b.v.) nog uit het laatst der 12<sup>de</sup> eeuw dagteekenen. +Ook van den <i>Flovent</i>, <i>Geraert van Viane</i>, de <i>Lorreinen</i>, den +<i>Aiol</i> (ten minste de Limburgsche redactie) en den <i>Aubri de +Borgengoen</i>, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de eerste +helft der 13<sup>de</sup> eeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking +van den <i>Aiol</i>, de <i>Doon de Mayence</i>, de <i>Gwidekijn van Sassen</i> +tot dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der +13<sup>de</sup> eeuw moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meer<a name="98"></a> +en beter gegevens hebben, zal dat bezwaarlijk zijn uit te +maken<a href="#4.20">[20]</a>. + +<p>Dat in vele dezer romans echte poëzie of tenminste poëtische +stof wordt gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die +poëzie echter was voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke +werken; er is hier gewag gemaakt van die poëzie alleen +om den smaak onzer voorouders in dezen te kenschetsen. De +Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben slechts eenig +aandeel in deze poëzie, voorzoover zij die hebben nagevoeld. +De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche +werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als +bewerking of navolging?<a href="#4.21">[21]</a> + +<p>Over het algemeen kan men zeggen, dat—met uitzondering +van het <i>Roelants-lied</i>—bij de bewerkers wel gevoel voor het +ridderwezen bestond. In de <i>Lorreinen</i> die vrij letterlijk vertaald +schijnen, worden de lange gevechten niet weggelaten of bekort, +ook in de <i>Geraert van Viane</i> zijn verzen als: + +<p class="quote">Wi sullen hem marghiin laten weten, +Of onse swerde connen sniden, +</p> + +<p>tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke +voorkomen. In den <i>Aubri</i> is sympathie voor het ridderwezen; +de bewerker heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros +Blanchaert dat zijn meester terugvindt. + +<p class="quote">Ende het begonde neyen<a title="[margin: hinneken.]"><sup>#</sup></a> zeere +Ende scrabbelde metten voete. +</p> + +<p>Ook in den <i>Renout</i> kan men nog vrij wat van de ruwe +grootschheid van het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking +beneden haar origineel. + +<p>Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt +die van het <i>Roelants-lied</i>. Niet zoozeer, doordat de bewerker<a name="99"></a> +slechts gebrekkig Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel +lager gestaan hebben dan de meeste overigen. Maar doordat +hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt ridderlijk epos, zoo +sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in zijn grootschen +eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel, +hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is +soldaat in zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht; +hij kent de wapenrustingen door en door: de blinkende, +met goud doorwerkte halsbergen, de met goud en gesteenten +versierde puntige helmen, de lansen met hunne kleine vaantjes, +de zwaarden van gebruineerd staal, de gouden sporen. Hij +volgt elken slag met het oog van een kenner en weet op een +prik of de den neus beschermende strook metaal (<i>le nasel</i>) al +dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan +wel het lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het +zadel wordt tegengehouden, of nog verder dringt en ook het +paard een diepe wonde toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne +ruwe eenvoudige wijze, maar hij weet dapperheid toch ook in +een Sarraceen te waardeeren; hij is een getrouw vazal: voor +zijnen Koning en voor „douce France" heeft hij alles over. De +woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens +worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend: +„halt sunt li pui e tenebrus li val"<a title="[margin: Hoog zijn de bergen en duister de dalen.]"><sup>#</sup></a>, verhoogt nog den indruk +van het geheel. + +<p>Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of +niets gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het +ridderwezen of die uitingen zijn van den feodalen geest, laat +hij weg. Voor ridderlijke mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid. +Waar hij een epitheton toevoegt, geschiedt het om +de Christenen dapperder en vromer, de heidenen lafhartiger +en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer OLIVIER zijn +aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk tus<a name="100"></a>schen +dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in +het Fransch: + +<p class="quote">Vus ne gerrez<a title="[margin: zult liggen.]"><sup>#</sup></a> jamais entre sa brace +</p> + +<p>in het Nederlandsch: + +<p class="quote">Nemmermeer en wert si u wijf. +</p> + +<p>Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke +in dit fatsoen ondergegaan. + +<p>Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg +ging, daar krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje +op den geest van zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de +Vlaamsche bewerking van den <i>Aiol</i>, waar de beschrijvingen +vooral van gevechten aanzienlijk bekort of geheel weggelaten +zijn, de episode van den visscher TIERIJN daarentegen met +blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met dat +krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze: + +<p class="quote">Ware Macharijs mijn oem hier, +Hi soud u, Ayoel, <i>selc een bier +Met vullen nappe scinken</i>, +Ghi souds langhe mogen dinken<a href="#4.22">[22]</a>. +</p> + +<p>Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654–700) +vinden wij in het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel +des bewerkers een vers als het derde van dit drietal: + +<p class="quote">De hermite starf cortelike, +Want hi voer te Gods rike: +<i>Daer moeten wi alle comen</i>! +</p> + +<p>De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de „maechscap" die +haar verhindert AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig +teeken des tijds<a href="#4.23">[23]</a>. + +<p>De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over +het algemeen gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd; +telkens komen verzen met drie heffingen al te lange verzen<a name="101"></a> +afwisselen. De rijmen zijn achteloos behandeld; het aantal +assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen is vrij +groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene eigenaardigheid +des bewerkers van <i>Reinout van Montalbaen</i> is, dat +hij in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woord <i>man</i> +moet <i>sente Jan</i> te hulp komen; bij <i>trouwe</i>: <i>onse Vrouwe</i>; bij +<i>huus</i>: <i>Jesus</i> enz.<a href="#4.24">[24]</a>. Niet alleen het <i>Roelants-lied</i>, maar ook +de <i>Lorreinen</i>, de <i>Reinout van Montalbaen</i> wemelen van stoplappen; +met <i>Flovent</i>, <i>Aubri den Borgengoen</i>, <i>Willen van Oringen</i> +schijnt het in dezen beter gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort +afgebroken perioden, wijst er ons op dat wij hier waarschijnlijk met +volksdichters, niet met geleerde dichters (<i>clercken</i>) te doen hebben. + +<p>Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij +in <i>Doon de Mayence</i>, <i>Gwidekijn van Sassen</i> en de Vlaamsche +redactie van <i>Aiol</i> eer vrije bewerkingen van, uit Frankrijk +afkomstige, epische stoffen te zien hebben dan vertalingen. Met +meer recht mag men dit aannemen van <i>Karel ende Elegast</i>. +Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden, dat +wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof +hebben<a href="#4.25">[25]</a>. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene +samenzwering, tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen +een door God gezonden engel hem waarschuwde. Die engel +gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen. Op zijn nachtelijken +tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden, die +hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden +ontmaskerd en gestraft. In de Latijnsche kroniek van +ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt de kern van dit verhaal +vermeld en ook gewag gemaakt van eene <i>cantilena</i> (lied) +waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige Oudfransche +gedichten, vooral den <i>Renaus de Montauban</i> en een werk +van lateren tijd, <i>le Restor du Paon</i>, wordt over dit verhaal<a name="102"></a> +gesproken. Dat er behalve het lied over deze stof nog een +episch gedicht van eenigen omvang zou hebben bestaan, is +niet bewezen. In allen gevalle is zulk een episch gedicht +niet bekend en kan men dus geen origineel van het Nederlandsch +gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat +zulk een Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog? +Moet dat dan noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons +verhaal? Kan de Nederlandsche dichter niet evengoed kennis +hebben gekregen van zijne stof langs den weg der mondelinge +overlevering? In tegenstelling met de meeste Middelnederlandsche +gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn naar een +uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt +van een bron, nergens eene uitdrukking als „die boec seit" of +iets dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons +gedicht vindt, deze verzen uit den aanhef: + +<p class="quote">Wat den coninc daer ghevel, +<i>Dat weten noch die menighe wel</i> +</p> + +<p>wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de +richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende +reden om reeds op grond van de bovenvermelde feiten de +oorspronkelijkheid van ons gedicht onwaarschijnlijk te achten +of te ontkennen<a href="#4.26">[26]</a>. Doch er is meer: de namen ELEGAST, +EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen, waarvan +de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel +van ons verhaal—anders dan in de Fransche vermeldingen—de +landstreek rondom KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats +Ingelheim. Bovendien schuilt in ELEGAST een wezen uit de Germaansche +mythologie en is hij blijkbaar verwant met ALVEGAST +(heer der elven), denzelfde die in Frankrijk AUBERON genoemd +werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken, het +vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en honden<a name="103"></a> +bassen; de kennis van een tooverspreuk (hier <i>bede</i> genoemd) +waardoor hij de bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn +dan ook trekken die men in Germaansche sprookjes terugvindt<a href="#4.27">[27]</a>. + +<p>Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel +en taal, een geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog +op bovenstaande uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te +denken; moet men al denken aan navolging, dan zeker aan +eene die van oorspronkelijkheid niet ver afstaat. + +<p>Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof +in God en vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in +uitdrukkingen als „een heilich enghel", „d'enghel die van Gode +quam", „d'enghel van den paradise"; in Gods vaderlijke zorg +voor den koning die het gezinde van Ingelheim in vasten +slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den nachtelijken +tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen riddereer +en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: „varen +stelen of God verwerken<a title="[margin: van zich afkeerig maken.]"><sup>#</sup></a>!" Hoe goed kent de dichter het +ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide gevechten +mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de „witte" +halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en +den wachter die „den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd. +Opmerkelijk is hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE, +„d'edel man" zooals hij telkens wordt genoemd; treffend de +onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST, door hem op +valsche aantijgingen verjaagd. + +<p>Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter +voor hem de sympathie die de „vogelvrije" te allen tijde +gevonden heeft; ook beantwoordt hij aan het ideale type +van den vogelvrijen roover: alleen den rijken ontneemt hij +het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken vooral zijn +hem een welkome prooi. Hij leeft van <i>roof</i>, maar dat verlaagde +hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek<a href="#4.28">[28]</a>. Dat<a name="104"></a> +publiek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid, +kracht en edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen +spot met KARELS talenten als dief en inbreker. + +<p>En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen, +met slechts een enkele reflexie over „vrouwenlist", zelden ontsierd +door stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang +op eenvoudige maar doeltreffende wijze voorbereid door des +konings overpeinzing over „ridders die op aventure" leven<a href="#4.29">[29]</a>; +dan zien wij den nachtelijken rit bij maanlicht door het bosch, +de ontmoeting met den dreigenden zwarten ridder, het tweegevecht, +de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in EGGHERIC'S +kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons +te boeien en met zich te voeren—zooals hij het ook ongetwijfeld +meer dan zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan. + +<h3>KELTISCHE, KLASSIEKE EN OOSTERSCHE ROMANS.</h3> + +<p>Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen +aard dan wat hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht +der Frankische romans. Met de personages uit die romans +voelden zij zich verwant; het leven daar afgebeeld was min of +meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar op grooter +schaal en in het licht der poëzie. De Keltische en daarop +gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels +vreemd was, maar die hen bekoorde, deels door al dat +vreemde en wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed +vonden wat zij begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde, +hoofsche beschaving, fijnheid van vormen en omgangstaal. + +<p>Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van +het hoofsche ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de +volmaakte ridder; koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en +edele schoonheid. Rondom hen eene glanzende schaar van ridders,<a name="105"></a> +getrouwe vazallen, bereid hun leven voor hun koning te wagen, +dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en jonkvrouwen, bekoorlijk, +dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en op +de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde +men dan een levendig spel van woord en weerwoord; van +dartele behaagzucht en schalke veinzerij tegen vurige liefde en +ootmoedige toewijding. + +<p>Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die +bleek worden van aandoening, die om genade smeeken, en +jonkvrouwen die zich houden alsof zij niets gehoord hebben, +die haar minnaar wijs maken, dat hij geslapen heeft. Welk +Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken gehoord +als dit van POLLIDAMAS en HELENE in den <i>Roman van Troye</i>: +HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.—Word +toch wakker, POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van +nacht kunt gij slapen zooveel gij wilt.—Vrouwe, zegt hij, wie +zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te zitten slapen?—Zoo +onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers in uw slaap +tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou +het u slecht bekomen.—Sliep ik dan?—Ja zeker.—Als +gij het zegt, moet het waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap +iets miszegd?—Ja gij, maar onwetend; daarom zal ik het +niet in ernst opnemen.—Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, +wat ik miszegd heb?—Ja gij: eerst zegt gij tot mij: „genade!"; +toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u, +wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief! +Toen ik die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij +droomde en maakte u wakker.—Ach, vrouwe, men heeft +wel eens meer gezegd: waar het hart vol van is, daar loopt +de mond van over.— + +<p>Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij +niet, want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtende<a name="106"></a> +jonkers gold: „vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur +van den hartstocht blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo +menige geschaakte jonkvrouw die hij op zijn weg ontmoet, die +hij verlost uit de macht van een of anderen rooden ridder of +afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne eenzaamheid +wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi te +zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van +FLORIS voor BLANCEFLOER, van PARTONOPEÜS voor MELIOR; +de liefde voor GALIENE doet wonderen aan den boerenzoon +FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt ridder. + +<p>Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden, +is reeds uit het voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt +het, indien men er op let, hoe de aandacht die vroeger alleen +of voornamelijk den man geschonken werd, nu in beslag wordt +genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS denkt, kan +BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPEÜS herinnert ons +MELIOR, TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt +door de verleidelijke VIVIANE in het bosch van Broceliande +verstrikt. En wie kan LANCELOT de bloem der ridderschap +noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne misdadige +liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE? + +<p>Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans +der poëzie; nergens misschien liefelijker dan in den roman van +<i>Lancelot</i>, waar ons verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen +lag in de woning der fee MORGUEYNE.—Uit zijne gevangenis, +door de ijzeren staven voor het venster, ziet hij in den bloeienden +tuin. Twee winters en een zomer zit hij nu reeds daar. Om +de verveling te verdrijven, heeft hij zijne wapenfeiten op de +muren geteekend. In die wemeling van figuren verschijnt +meermalen ééne vrouw—de koningin. Dikwijls gaat hij op +haar beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan +weent en klaagt hij. De Mei is gekomen; April heeft oorlof<a name="107"></a> +genomen. Weer ziet hij de boomen bloeien, de frissche rozen +opluiken, de roode rozen ... hij ziet haar rooden mond. +Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg +opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen; +ééne is er, pas ontloken—zóó was zij, toen hij haar zag ten +tournooi te Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt +hij zijn hand uit het venster, maar de ijzeren traliën houden +hem tegen. „Zouden traliën mij tegenhouden?—Neen!"—met +beide handen grijpt hij de twee staven aan; één ruk ... +zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht. Nu +verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar +en legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent +zich, kiest een goed ros, zit op en rijdt heen. + +<p>Waarheen? Op een der vele tochten („questen") die deze +dolende ridders ondernemen om iemand of iets te zoeken: +een gevangen wapenbroeder, een wonderbaarlijk zwaard of +schaakbord, een sluier of ander ridderteeken. Waar komen zij, +wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar kluizenaars +wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar +tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op +rust; zij geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen +naar ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen +en toovenaars. + +<p>Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier +fijner vormen aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst +van vroeger, maar eer een tournooi met scherpe wapenen. +Grootsche afmetingen neemt de strijd aan in het laatste deel +van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den strijd der +Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon +MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van +Salesbiere komt het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger +reeds gesneuveld; LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN,<a name="108"></a> +de ridder met den leeuw, ligt met gekloofden schedel neer; +van die gansche roemruchte Tafelronde staan nog slechts een +paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De Koning doodt +MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde. +Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders, +GRIFLET, zet hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt +zijne krachten bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S +goed zwaard Excalibur in een poel; een gewapende hand en +arm komt te voorschijn en vangt het zwaard op. GRIFLET verwijdert +zich op 's Konings bevel. Van een heuveltop ziet hij +uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn gezeten; +ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard +en wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe +dienaar verliest hem weldra uit het oog. + +<p>Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch +omstraald met hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo +menig dapper ridder der Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht; +niet weggelegd voor LANCELOT noch WALEWEIN, die besmet +zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de reine +GALAÄD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den +Graal zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche +godsdiensten geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen +heeft. Een tooverketel die drommen van ridders +kon spijzigen, kwam reeds in de Keltische mythologie voor; +het Christendom verving dien ketel door een schotel, later +een beker (<i>gradale, graäl</i> is een Romaansch woord voor <i>schotel</i>), +waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal. +De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de +Keltische mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van +LONGINUS. Ook de Graalburcht met den koninklijken visscher +(le Roi Peschéor) wordt in Keltische verhalen teruggevonden. +Geheimzinnig en wonderbaar is de graal reeds in CRESTIEN<a name="109"></a> +DE TROYE'S <i>Conte del Graal</i> (omstreeks 1175). PERCEVAL, in +den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page binnentreden +die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot de +hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters; +dan een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare +steenen sieren hem. Zóó verblindend een glans straalt van dien +schotel af, dat het licht aller kaarsen in de zaal verdoofd wordt. +Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk door MAERLANT vertaald +werd, is de Graal de Avondmaalsbeker<a href="#4.30">[30]</a>. En zoo blijft hij +het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met +het brood des levens. + +<p>Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk +tot ons gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen van +<i>Lancelot,</i>, <i>Percevael</i>, <i>Walewein</i>; de romans <i>van Ferguut</i>, <i>van +Torec</i>, <i>van den Graal</i> en <i>van Merlijn</i>; de roman <i>van Alexander</i> +en die <i>van Troje</i>; eindelijk de verhalen <i>van Floris en Blancefloer</i> +en <i>van Partonopeus en Melior</i>. + +<p>Over de romans <i>van Merlijn</i>, <i>van den Graal</i> en <i>van Torec</i>, +evenals de roman <i>van Alexander</i>, bewerkt door MAERLANT, +spreken wij later. + +<p>Onder den naam: <i>roman van Lancelot</i>, is tot ons gekomen +een groot werk dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene +zelfstandige werken door LODEWIJK VAN VELTHEM +was erkend, en welks deelen men langzamerhand beter leert kennen<a href="#4.31">[31]</a>. +Wij vinden hier 1<sup>o</sup> een groot werk waarvan LANCELOT +de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, +2<sup>o</sup> de <i>Graalqueste</i> en 3<sup>o</sup> <i>Artur's dood</i>. Voorts hebben wij, blijkens +deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN +DE TROIE'S <i>Percevael</i>, van de <i>Wrake van Ragisel</i>, een <i>Walewein-boek</i>, +een roman <i>van den Ridder metter mouwen</i> en de vertaling +van een paar Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen<a href="#4.32">[32]</a>.<a name="110"></a> + +<p>De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door +dit viertal verzen uit den proloog van den <i>Lancelot</i> (II, 11–14): + +<p class="quote">Ghi sult hier horen scone die jeesten<a title="[margin: verhalen.]"><sup>#</sup></a> +Bede van rouwen ende van feesten, +Van ridderscape groote daet, +Van selsieneheden<a title="[margin: vreemde dingen.]"><sup>#</sup></a> menich baraet<a title="[margin: bedrieglijk spel.]"><sup>#</sup></a>. +</p> + +<p>In den <i>Lancelot</i> vinden wij vele „wandele" of „dolende" +ridders. Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier +inneemt. Wij treffen hier o.a. reeds „'t wiel van avonturen" +aan. Ook vrouw VENUS, die „den boom der minnen" in het +harte der menschen plant; deze boom heeft twintig telgen: +de eerste telg draagt „melthede", de tweede „oetmoedechede", +de derde „sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde deel, +dat de vertaling bevat van de <i>Queste van den Grale</i>, vinden +wij veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de „hertheid van +ertrike" voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren; +zeven ridders zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de +wereld; de oude en de nieuwe wet worden voorgesteld door +eene vrouw op een serpent en eene op een leeuw gezeten<a href="#4.33">[33]</a>. + +<p>De roman <i>van Ferguut</i> heeft naar den inhoud iets eigens. +FERGUUT immers is de zoon van een rijken dorper, wiens +vrouw echter met den adel is vermaagschapt. Terwijl hij achter +den ploeg loopt, komen eenige gezellen der Ronde Tafel, die +op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te worden als +zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting +trekt hij naar ARTUR'S hof—evenals AIOL naar het hof te +Parijs. ARTUR geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op +avontuur, ziet de schoone GALIENE en wordt onder den invloed +van de liefde tot haar langzamerhand een volmaakt ridder. +Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door den +invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieu<a name="111"></a>wen +adel uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van +de gemoedsontwikkeling der moderne volken onder den invloed +der liefde. + +<p>Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige: +ridder KEYE, ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk +personage, bespot den boerenzoon; FERGUUT overwint +ridders, bevecht eene reuzin, neemt deel aan het beleg +van eene stad enz. + +<p>Iets eigens hebben ook de romans van <i>Floris en Blancefloer</i> +en van <i>Partonopeüs en Melior</i>. In beide staat de liefde op den +voorgrond, de avonturen—hoe talrijk en wonderbaarlijk ook—op +den achtergrond. Maar in den eersten roman zien wij die +liefde in een paar kinderen die samen opgroeien: een heidensch +prinsje en een christelijke gravendochter. Door de ouders van +FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde, met +naïeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS +wordt Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de +grootouders van KAREL DEN GROOTE. + +<p>In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene +dergelijke stof als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren +jong edelman, PARTONOPEÜS VAN BLOIS, op jacht verdwaald, +wordt door een tooverschip naar een geheimzinnig prachtig +kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend, gaat hij na +den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich +naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar +gelaat te zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt +zijne gelofte en daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding +van een paar jaren, waarin PARTONOPEÜS half waanzinnig +rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De geheimzinnige +minnares blijkt de dochter van den Keizer van Constantinopel +te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPEÜS Keizer van +Constantinopel wordt, spreekt vanzelf.<a name="112"></a> + +<p>Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide +romans een historischen achtergrond: de nauwe aanraking +tusschen Europa en het Oosten in den tijd der Kruistochten, +aanraking ook tusschen Christendom en Heidendom; zegepraal +van het eerste over het laatste, blijkbaar zoowel in de kerstening +van FLORIS als in de kroning van PARTONOPEÜS. Elkanders tegenbeeld +zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze waarop +de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld zijn. + +<p>Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere +werken van deze soort te onzent bekend geweest. MAERLANT +maakt nog melding van: <i>Tristan en Isoude, Octaviaan, Madocs +droom, Amadas en Ydoine</i><a href="#4.34">[34]</a>. Al zijn ons geene Nederlandsche +bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er bestaat toch +voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke +werken, hierbij te voegen. Want—wij stipten het reeds +aan—men mag ter wille van een beter overzicht wel spreken +van Keltische of Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche +romans; doch in waarheid zijn al deze werken voortbrengsels +van denzelfden geest. Ten deele zal dat reeds uit het +voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw, indien +men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen. +Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans? +Niets dan de namen van plaatsen en personen; voor het overige +gelijken zij volkomen op de andere romans. Grieken en Trojanen, +mannen zoowel als vrouwen, gevoelen, denken en spreken als +middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed en gewapend als zij. +Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans ligt +voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen +verschil tusschen PARTONOPEÜS en PARIS, tusschen BLANCEFLOER +en een of andere Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze +en GALIENE of dergelijke heldinnen uit een Keltischen roman.<a name="113"></a> + +<p>De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet +lang na het midden der 13<sup>de</sup> eeuw gedicht (tusschen 1257 en +1264), de overige worden door hem in onderscheidene zijner +werken genoemd en zullen dus wel tenminste zoo oud zijn als +die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten deele, nog wel tot +de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw behooren. + +<p>Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig +houden, deze: welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen +dezer oorspronkelijk Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers +dier bewerkingen hunne taak opgevat en uitgevoerd? + +<p>De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat +na te gaan; zoolang wij de onderscheiden werken, welke door +VELTHEM zijn vereenigd, niet in hun oorspronkelijken vorm +bezitten, kunnen wij bezwaarlijk uitmaken, wat van den oorspronkelijken +Nederlandschen bewerker, wat van den compilator +is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den eigenlijken +Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd<a href="#4.35">[35]</a>. Dat het +godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan +in den Franschen roman, moet misschien op rekening van +VELTHEM worden gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking +moet toeschrijven van een bloedenden ridder bij een +rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te maken<a href="#4.36">[36]</a>. Ook het +duizendtal verzen dat wij van den roman <i>van Percevael</i> in zijn +oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van nauwe +aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts +hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd +te hebben<a href="#4.37">[37]</a>. + +<p>Op vaster grond staan wij bij de bewerking van den <i>Ferguut</i>. +Het is mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking +te danken hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn +werk bij vs. 2593 zou hebben begonnen. Doch in allen gevalle<a name="114"></a> +bestaat er geen reden, om het eerste deel der bewerking tegenover +het tweede te stellen als het werk van een „hoofsch" +tegenover dat van een „dorper" dichter; beide deelen der +Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest +die zeker eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden<a href="#4.38">[38]</a>. +De dichter van den Franschen roman <i>Fergus</i> was blijkbaar een +bewonderaar van CRESTIENS DE TROIES. De Nederlandsche +bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het Fransche +oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier +niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE, +een naam dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen +uit CRESTIENS' <i>Ivain</i>, waar de kamenier van IVAIN'S minnares +denzelfden naam draagt<a href="#4.39">[39]</a>. + +<p>De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige +poëzie en de Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat +weten te behouden. Zoo zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van +GALIENE goed door hem weergegeven. Op een enkele plaats +heeft hij de levendigheid van het oorspronkelijke verhoogd +door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede is dan ook +gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden. +Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten +of ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling +van <i>vilain</i> door <i>vrient</i>; de zedigheid van den bewerker toont +zich, waar uit de opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden +de „mamelettes comme pumetes<a title="[margin: appeltjes.]"><sup>#</sup></a>" zijn verdwenen<a href="#4.40">[40]</a>. Had hij +maar niets gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de +beschrijving der jacht in het oorspronkelijke bij die in het +Nederlandsche verhaal. Duidelijk blijkt dan dat de bewerker, +anders dan de dichter, die hertenjacht in het bosch niet heeft +<i>gezien</i>; niet gezien „hoe de Koning gaat staan in de stijgbeugels +om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe „de +bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt<a name="115"></a> +„het hijgen en woelen" van het uitgeput hert en hoe het, +verdronken in de rivier, komt bovendrijven met „den gezwollen +buik, stijfstaand van het ingezwolgen water"<a href="#4.41">[41]</a>. Tal +van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker ingevoegd; +zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor +Koning ARTUR en zijne ridders: „Hi stont ende sweette als +een das"; iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand +iets „aen sijn cleet wriven" of iemand „sijn vel verwarmen". +FERGUUT blijft te lang weg van zijne minnares; „een vrouwenhart +is niet van staal", waarschuwt de Nederlandsche dichter, +en: „zijne rapen zouden wel eens kunnen aanbranden"<a href="#4.42">[42]</a>. + +<p>In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker +de grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het +doet voorkomen dat GENOVERE niets was in vergelijking van +GALIENE en waar hij Koning ARTUR tot GALIENE doet zeggen: +„ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw". + +<p>Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker +afkomstig is: eene uitweiding over het karakter der liefde en +een licht komisch glimpje hier en daar o.a. in een spottend +verkleinwoord<a href="#4.43">[43]</a>. Doch noodig is dat niet om op grond dezer +bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze bewerker een +zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat, doch +wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en +aan de gewenschte fijnheid van gevoel. + +<p>Meer talent dan uit de bewerking van den <i>Ferguut</i> blijkt ons +uit die van den <i>Partonopeüs</i>, waarvan groote fragmenten (meer +dan 8000 verzen) tot ons zijn gekomen<a href="#4.44">[44]</a>. Dat deze bewerker +onvoldoende kennis toont van ridderlijke kleeding en riddergebruik, +raakt de aesthetische waarde zijner bewerking niet van +nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch element heeft verzwakt, +daar het parallellisme van eenige mooie verzen heeft voorbijgezien +of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijken<a name="116"></a> +hartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming +daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt +en o.a. de vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft +weggelaten. Doch van meer gewicht dan dat alles is, dat hij +op verscheidene plaatsen zijner bewerking toont dichter te zijn. +Hij moge onbekend zijn met de namen van sommige kleedingstukken, +met sommige gebruiken bij het geven van den ridderslag +en het houden van een tournooi—aan <i>gevoel</i> voor deze +dingen ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van +den <i>Ferguut</i> heeft hij de jacht van PARTONOPEÜS op een wild +zwijn blijkbaar wel voor oogen; hij voegt er zelfs een paar +aardige trekjes aan toe: hij ziet den jachthond aan de „leise" +(zeel), ziet hoe de honden met de oogen den ever volgen. In een +troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij blijkbaar behagen: + +<p class="quote">scone gewapent quamen si echt<a title="[margin: achteraan.]"><sup>#</sup></a>, +scilt ane hals ende spere gerecht, +helm op 't hovet, baniere gebonden, +ende neder totter hant ontwonden. +</p> + +<p>Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat +menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij: + +<p class="quote">Dus souden wi die roede houwen +daer men ons soude mede blouwen<a title="[margin: slaan.]"><sup>#</sup></a>, +</p> + +<p>Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn +niet zelden door even fraaie Nederlandsche weergegeven<a href="#4.45">[45]</a>. + +<p>Hooger dan de <i>Partonopeüs</i>, het hoogst misschien van al +deze bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'S <i>Floris ende +Blancefloer</i>. Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en +schoon Fransch gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk +en mooi Nederlandsch berijmd verhaal, moet toegeschreven +worden vooral aan zijne idealistische opvatting der liefde. Het<a name="117"></a> +zaad der edele minne, afkomstig uit verhalen als <i>Tristram en +Isoude</i>, <i>Paris en Helena</i> en andere werken der hoofsche minne-epiek, +was bij hem in goede aarde gevallen: geen dorperlijk +gemoed—hij besefte het—kon de edele minne op den +rechten prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor +clercken, leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring +hebben leeren kennen<a href="#4.46">[46]</a>. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet; +zij viel hem zuur, zooals hij ons zelf zegt; met passen en +meten verdietschte hij het „walsch": + +<p class="quote">men moet corten ende lingen +die tale, salmen se te rime bringen. +</p> + +<p>en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne +worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan<a href="#4.47">[47]</a>. +Doch daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de +vergelijking met zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die +deelen van het werk welke door hem zijn uitgebreid of waarin +hij meer zelfstandig te werk gaat, beter zijn dan de overige; +dat over het algemeen de naïeve bevalligheid van het oorspronkelijk +gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke wijze +in zijn dietsch weergegeven. + +<p>Vermoedelijk eenigen tijd vóór DIEDERIC VAN ASSENEDE +(c. 1220) heeft een Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK), +hetzelfde Fransche gedicht in zijne moedertaal bewerkt. In +sommige opzichten, vooral in gemoedsontwikkeling, staat FLEKE +boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze de oorspronkelijke +stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000 Fransche +verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne wijdloopige +reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd<a href="#4.48">[48]</a>. + +<p>Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen +van de kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich +openbaart in het bouwen van verzen en het vinden van rijmen,<a name="118"></a> +dan wordt ons dat moeilijk gemaakt door den toestand waarin +o.a. de romans der Lancelot-compilatie tot ons zijn gekomen. +Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn wij geneigd +aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen +ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de +stoplappen minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men +o.a. in de romans <i>van Ferguut</i> en <i>van Partonopeüs</i>. Daar, +evenals in den <i>Walewein</i> en den <i>Moriaen</i>, treft men vrij wat +voorbeelden aan van het zoogenaamd <i>rime riche</i> (gelijke klank +bij verschil van beteekenis of van functie), zoowel waar het +geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het eigenaardig +soort van rijm, dat wij in den <i>Renout van Montalbaen</i> aantroffen, +waar steeds een of andere heilige in den rijmnood +moet voorzien, vinden wij in den <i>Ferguut</i> terug<a href="#4.49">[49]</a>. + +<p>Zooals onder de Frankische romans o.a. de <i>Aiol</i> den overgang +vormt van de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig +werk als <i>Karel en Elegast</i>, zoo staat hier de bewerking van <i>Floris +en Blancefloer</i> tusschen de vertaalde romans en een paar werken +die mij voorkomen zelfstandig te zijn: <i>Moriaen</i> en <i>Walewein</i>. + +<p>Ook de roman <i>van Moriaen</i> is ons bewaard gebleven in de +Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S +handen te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken +vorm tot ons te zijn gekomen<a href="#4.50">[50]</a>. Zelfstandig en eenigermate +oorspronkelijk mag deze roman heeten, aangezien er geen +origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon, een Moor, die voorgesteld +wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt oorspronkelijk<a href="#4.51">[51]</a>. +Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De +zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige, +uit andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft +vereenigd tot een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is +ten opzichte van taal en versbouw, doch overigens niets eigens<a name="119"></a> +noch veel kunstvaardigheid toont. Een overwonnen ridder die +door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt gezonden, +tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de +handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen +tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg +van een sterk kasteel—dat alles behoort tot het vaste materiaal +waaruit deze romans werden samengesteld. + +<p>Bovendien heeft de dichter gedurig den roman <i>van Karel en +Elegast</i> voor oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men +zelfs woordelijke navolging opmerken<a href="#4.52">[52]</a>. + +<p>Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere +romans had leeren kennen, schijnt ook de roman <i>van Walewein</i>, +waarvan door den dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen +werden gedicht en die met 3300 verzen door PIETER VOSTAERT +werd voltooid<a href="#4.53">[53]</a>. Hier wordt ons verteld van onderscheidene +„questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig schaakbord, +in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet +WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt +te behooren aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het +kleinood afstaan, indien hij daarvoor het wonderzwaard met de +twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN bezit. Een nieuwe +zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard slechts +geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S +dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot +van JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een +vos herschapen, wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht. +WALEWEIN wint IJSABELE, ook haar hart, en trekt terug naar +koning AMORAEN. Deze redt hem uit de moeilijkheid eener +keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te overlijden. +Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het +schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar +koning ARTUR die zijn schaakbord ontvangt.<a name="120"></a> + +<p>Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van +andere minder belangrijke, zooals ze in deze romans plegen +voor te komen. + +<p>Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste +wonden geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in +den lusthof van YSABELE en een gloeiende rivier rondom den +burcht van koning ASSENTYN, om van den betooverden prins +te zwijgen<a href="#4.54">[54]</a>. Zulke zaken vindt men eveneens in andere romans +van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien aard. +Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenis +<i>van Peredur (Perceval)</i>; daar ook de vermelding van het „Castle +of Wonders" of „van den wondere dat casteel" zooals het in +den roman <i>van Lancelot</i> genoemd wordt. Ook de bron der +jeugd, waarvan hier verhaald wordt; de smalle brug, scherp +als een scheermes; de onderscheidene tafels, waaraan verschillende +leden eener hofhouding middagmalen, zijn ons van +elders bekend<a href="#4.55">[55]</a>. + +<p>Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters +vereenigd tot een geheel; want eenheid is er, al is zij niet +van hooger orde dan die in het bekende sprookje: + +<p class="quote">Toen ging hij naar de Galg: +„Galg, wil jij Man hangen? +„Man wil niet Os dollen, +„Os wil niet water slobberen +... +... +Ja, zei Galg. +En Galg hing Man, +En Man dolde Os +En Os slobberde water + enz.<a name="121"></a> +</p> + +<p>Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van +deze soort, valt moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN +HEELU kennen blijkbaar wel verhalen over <i>Walewein</i>; of zij +echter het oog hebben juist op dezen roman<a href="#4.56">[56]</a>? Met het oog +op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij sterk is, op +het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die +over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt, +zou ik geneigd zijn dezen roman in allen gevalle tot de +13<sup>de</sup> eeuw, en eer tot de eerste helft daarvan dan tot de tweede +te brengen. Ook de taal en het vrij groot aantal assoneerende +rijmen schijnen ons daartoe recht te geven<a href="#4.57">[57]</a>. + +<p>De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar +macht en haar praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de +gemoederen van velen hier te lande aangetrokken, beheerscht +of bekoord. De poëzie, uit dat ridderwezen en ridderleven +geboren, heeft vooral den adel, maar waarschijnlijk ook de +aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan de indruk, +door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk +gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest. + +<p>Het feit alleen dat de ridderpoëzie zich te onzent ontwikkelde +onder den invloed der Fransche ridderpoëzie, kan niet volstaan +om die bewering te staven. Immers, ook in de overige landen +van West-Europa was dat het geval. Doch—en dat feit weegt +zwaarder—de volksziel nam hier te lande het ridderwezen +niet zóó gretig in zich op, werd daardoor niet zoo krachtig +bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale +ridderpoëzie werd geboren; eene <i>eigen</i> ridderpoëzie, gelijk de +Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON +STRASSBURG, HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH +en het nationaal-ridderlijk epos van <i>Nibelungen</i> en <i>Gudrun</i>. + +<p>Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de door<a name="122"></a> +hen vertaalde of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar +zien wij naast gevoel voor het ridderwezen in zijne onderscheidene +uitingen, ook vroomheid en zedigheid die slechts +matige sympathie koesteren voor de ridderidealen: die den +hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende +opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis +aan verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische +roman, dien wij voor een oorspronkelijk werk mogen houden, +hooger staat dan de twee zelfstandig bewerkte Keltische romans. +<i>Karel en Elegast</i> staat niet veel lager dan de beste "Chansons-de-geste" +uit den nationalen cyclus; <i>Moriaen</i> en <i>Walewein</i> veel +lager dan de beste Fransche romans van den uitheemschen +cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich afspiegelt +in de Frankische romans, heeft—zou men zeggen—sterker +indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer +sympathie gevonden, kon dus ook beter door hen vertolkt +worden, dan dat der volgende periode, toen liefde, maar +vooral zinnelijke liefde, hoofsche bevalligheid en fijne vormen +overheerschend waren. + +<p>Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling +van ons volk ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen +geboren poëzie heeft de ridderlijke idealen onder deze +volken helpen verbreiden. Die idealen en die poëzie hebben +er deels ingang gevonden, deels hebben zij afkeer gewekt en +verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder geestelijkheid en +gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al niet tegen +den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene andere +richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting +vragen nu onze aandacht.<a name="123"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.1">1</a>: De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE +DE SAINTE PALAYE, <i>Mémoire sur l'ancienne Chevalerie</i>; L. GAUTIER, +<i>La Chevalerie</i>; A. SCHULZ, <i>Das höfische Leben zur Zeit der Minnesinger</i>; +MOLL, a.w. II, 4, 235. + +<p class="footnote">De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland—aanlokkelijke +maar zware taak—moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL +gaf een vlijtig bewerkte studie: <i>Het kasteel in de XIIIe eeuw</i>, later +omgewerkt tot: <i>Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans</i>. +Maar het blijft de vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde, +ridderromans hier als bronnen mogen dienen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.2">2</a>: De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek +zijn hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om +de Nederlandsche ridder-poëzie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt, +zal verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van +dit overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON +PARIS (<i>Histoire poétique de Charlemagne</i>); L. GAUTIER, <i>Le Epopées +Françaises</i> (2e éd.); PIO RAJNA, <i>Le origini dell'epopea francese</i>; +K. NYROP, <i>Den oldfranske heltedigtning</i>. Ik volgde vooral NYROP +en de auteurs in PETIT DE JULEVILLE'S <i>Histoire</i>, I, 49–344. + +<p class="footnote">Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met +belangrijke aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De +oudere literatuur (tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL. +Daarbij moet gevoegd o.a.: <i>Studies on the Legend of the Holy +Grail</i> by ALFRED NUTT (1888) en de scherpe doch billijke en +opbouwende critiek op NUTT'S werk door Prof. H. ZIMMER in +<i>Gött. gel. Anzeigen</i> (1890); <i>Studies in the Arthurian Legend</i> by +JOHN. RHŶS. (1891). Zie voorts de literatuur bij PETIT DE JULEVILLE +a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W. FOERSTER'S <i>Der +Karrenritter</i> (LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.3">3</a>: Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368–9; JONCKBLOET, I, 113 (noot).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.4">4</a>: Vgl. TE WINKEL, p. 79–83 en J. STECHER, <i>Hist. de la Litt. +Néerl.</i>, p. 21 suivv.]<a name="124"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.5">5</a>: JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen +gevestigd. Vgl. o.a. zijne <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, I, 140 vlgg.; 289 vlgg. + +<p class="footnote">TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijn +<i>Maerlant's Werken</i>, (2e druk), bl. 402–408.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.6">6</a>: <i>Leven van Sinte Lutgart</i> (ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39–57. Vgl. +ook de plaats uit <i>Van den Levene ons Heren</i> die later vermeld zal worden.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.7">7</a>: <i>Acta Sanctorum Junii</i>, III, p. 242–3: „in quadraginta annis, +quibus postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici +addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit." +<i>Leven van Sinte Lutgart</i>, II, 461 vlgg. + +<p class="footnote">S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwières) in 1246.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.8">8</a>: De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER +in zijne voortreffelijke uitgave der <i>Chanson de Roland</i>, p. 30–31 +(in de aanteekeningen).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.9">9</a>: Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier +behandelde fragmenten naar mijne <i>Mnl. Epische Fragmenten</i>. Daar ook +vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.10">10</a>: <i>Spiegh. Hist.</i>, IV, 1, c. 29, vs. 73–76.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.11">11</a>: Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.12">12</a>: Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek, +p. XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.13">13</a>: Vergelijkt men de Mnl. bewerking met het <i>Volksboek</i> (ed. +MATTHES), dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van het <i>Volksboek</i> +overeenkomen met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening +zou het gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben +geteld, daar het <i>V.</i> 184 bladzijden telt.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.14">14</a>: Uitgegeven door Prof. J. VERDAM in <i>Tijdschrift voor Ned. T. +en Lett.</i>, II, 209 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.15">15</a>: Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen, +bemerkte ik, dat SUCHIER dat deel der <i>Lorreinen</i> hetwelk niet te +vinden is in het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt, +terwijl G. HUET het aan een verloren Fransch werk ontleend acht. + +<p class="footnote">De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten +geleerde over dit onderwerp zijn gepubliceerd: <i>Romania</i>, XXI, 361 +suivv. en XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijne +<i>Gesch. der Franz. Lit.</i> (1900), p. 45.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.16">16</a>: <i>Scaerdelijn</i> ziet er uit als eene afleiding van <i>scaert</i> (<i>scaerde</i>). Zie +o.a. <i>Karel ende Elegast</i>, vs. 413 de „scaerde ende vlegghen" in de helmen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.17">17</a>: Zulke duels komen in de Oudfransche epische poëzie meermalen +voor. Zie o.a. Pio RAJNA, <i>Le Origini</i>, p. 402.]<a name="125"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.18">18</a>: Eene collatie van het hs. gaf ik later in <i>Tijdschr. v. Ned. T. +en Lett.</i>, IXe jaarg., p. 166, 189. + +<p class="footnote">Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: „Winechkijn, der Sassen +here"; zie: <i>Spieghel Historiael</i>, III, 8, c. 86, vs. 3.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.19">19</a>: Met terugneming van hetgeen ik vroeger (<i>Tijdschr. v. N.T. en +L.</i>, IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat met <i>El'e</i> of <i>Es'e</i> in het hs. +Elegast bedoeld is.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.20">20</a>: Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen +als die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van +het oorspronkelijk gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking, +ook den geest van het gedicht en dien der bewerking. Overigens +verwijs ik voor dit deel van mijn verhaal naar mijne <i>Middelnederlandsche +Epische Fragmenten</i> en de vroeger aangehaalde werken over +de Fransche epische poëzie. Doch er valt ook in onze ridderpoëzie +nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de verhouding van den +<i>Karlmeinet</i> tot de Mnl. ridderpoëzie.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.21">21</a>: In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den +tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eene <i>vertaling</i> in onzen +zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer +een <i>bewerking</i> dan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat +BORMANS (<i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, p. 51) zegt: „traduire c'était imiter; +on retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes +manières." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking +in te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene +redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet +vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben +gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft +in zijn onderzoek van den <i>Partonopeus</i>, Dr. BOTERMANS in dat +van <i>die hystorie van die seven wyse mannen van romen</i>; ik meen +ook te mogen wijzen op mijne Inleiding tot de fragmenten van het +<i>Roelantslied</i>. + +<p class="footnote">Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor +eene vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men +den geest der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of +wijzigingen vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den +bewerker moeten zetten. + +<p class="footnote">Bij de vergelijking der bewerkingen van <i>Nibelungen</i>, <i>Roelantslied</i>, +<i>Reinaert</i>, <i>Rinclus</i> e.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen +van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende +afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker.]<a name="126"></a> +[Voetnoot <a name="4.22">22</a>: <i>Aiol</i> (ed. VERDAM), vs. 14–17.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.23">23</a>: T.a.p., vs. 390–405: + +<p class="footnotequote">„Verdoemt moete de maechscap sijn" +„Ay, maechscap, wat heb di mi gedaen!" + enz.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.24">24</a>: Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095, +1103 (pass.), 1147, 1248, 1515, 1774.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.25">25</a>: Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN +EN ZOON. 1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook: +BERGSMA'S <i>Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast</i>. +(Groningen. 1890).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.26">26</a>: Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan. +Maar JONCKBLOET was zóó bevangen door zijne studiën der Oudfransche +Chanson-de-geste—hoe uitnemende vruchten die studiën +ook hebben gedragen—en had daarbij zóó weinig geloof in het +dichterlijk vermogen van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde +hem reeds dadelijk afdoende voorkwamen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.27">27</a>: <i>Karel ende Elegast</i> (ed. KUIPER), vs. 768–9, 837–839, 923.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.28">28</a>: <i>Roof</i> was niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte +onderscheid tusschen „diefte ende roof" (<i>Limborch</i>, X, 505). MAERLANT +zegt in zijn <i>Rijmbijbel</i>, (I, p. 206): „Ne roof niet, hen si dijn"; in +den <i>Spiegh. Historiael</i>, III, p. 374: „onse aerme worden rike +met rove". Zie verder <i>Nederd. Regtsoudheden</i>, p. 282. De dichter +van <i>Van den Levene ons Heren</i> legt het zelfs Jezus in den mond, +(vs. 943).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.29">29</a>: Vs. 105 vlgg; 203 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.30">30</a>: Een overzicht van den <i>Oorsprong van den Graal</i> gaf TEN BRINK +in eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie. +Afzonderlijk uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.31">31</a>: Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van +deelen der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door +TE WINKEL, MOLTZER en FRANCK in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, X, +XIII, XIV, XIX, en door VAN VEERDEGHEM in de <i>Bulletins de +l'Acad. Royale de Belgique</i>, 3me série, tome XX, n<sup>o</sup>. 12.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.32">32</a>: TE WINKEL, <i>Geschiedenis,</i> p. 190.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.33">33</a>: Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.34">34</a>: Vgl. <i>Maerlant's Werken</i> door Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg. + +<p class="footnote">Ook in <i>Floris en Blancefloer</i>, (vs. 58–59) wordt melding gemaakt +van de geschiedenis <i>van Tristram en Ysoude</i>.]<a name="127"></a> + +<p class="footnote">In het gedicht <i>Van den Levene ons Heren</i>, vs. 15, wordt onder de +romans waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die + +<p class="footnotequote"><i>Van Pyramuse</i>, hoe hi sijn leven +Verloos.... +</p> + +<p class="footnote">In de Oudfransche literatuur bestond een roman van dien naam. +(Vgl. P. DE JULEVILLE'S, <i>Histoire</i> etc., I, 244).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.35">35</a>: Zie JONCKBLOET'S <i>Inleiding</i> op Deel II, p. CCVI.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.36">36</a>: Vgl. o.a. III, 22557 vlgg.; IV, 2149-'50.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.37">37</a>: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIII, 38.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.38">38</a>: VERWIJS geloofde aan twee dichters. Zie zijne Inleiding, p. XXIX. +Bij zijne argumenten moet nog gevoegd worden dat in het eerste +deel niet 19 assoneerende rijmen voorkomen, maar 28 (vgl. vs. +59–60, 121–122, 563–4, 605–6, 669-'70, 711-'12, 1029-'30, +1331–2, 1673–4). + +<p class="footnote">Deze voorstelling werd door JONCKBLOET bestreden. (Vgl. zijne +<i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, I, 310). Ik zou mij eer aan de zijde van J. +scharen; doch acht den strijd niet zoo heel gewichtig, omdat in allen +gevalle de geest der bewerking doorgaans dezelfde blijft.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.39">39</a>: Zie o.a. RHŶS, <i>Studies</i>, 93, 105 en PETIT DE JULEVILLE +a.w. I, 310.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.40">40</a>: Vgl. vs. 1360 vlgg. (liefdesoverpeinzingen); 1671-'6 (dialoog); +1658 en 1666; vs. 1182 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.41">41</a>: Vs. 75 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.42">42</a>: Vs. 319, 2057, 5328, 4984; andere dergelijke uitdrukkingen: +399–400, 402–4, 1170, 2099.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.43">43</a>: Vs. 5035, 5056; 2768-'84; 3500 vlgg. (waar de afschuwelijke +reuzin PANTASALE „scone wijf" wordt genoemd); 3365, 3524, 3533.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.44">44</a>: Vgl. het in menig opzicht uitnemend proefschrift van Dr. A. +VAN BERKUM: <i>De Middelnederlandsche bewerking van den Partonopeusroman</i>. +(Groningen, WOLTERS. 1897.)] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.45">45</a>: Zie VAN BERKUM a.w. LXIII, LXVII, LXXI; CXV; CIV; +CIII, CXXXIII; XLIV; CV, CVI, CVIII; XCVII, CXII-CXIII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.46">46</a>: Die opvatting in vs. 3–13, 53–75, 1012 (door MOLTZER +blijkens zijne aanteekening niet begrepen); vs. 1365 (waar met het +hs. <i>sot</i> moet worden gelezen).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.47">47</a>: Vgl. vs. 22, 86; vs. 19–20; al te lange verzen of zulke waarin +men geen rhythme hoort zijn b.v. vs. 1900, 1918, 2005, 2058, 2339, +2647, 2859, 3567, 3853.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.48">48</a>: Uit vs. 282–4 zou men opmaken, dat D.v.A. meer dan een<a name="128"></a> +redactie van het verhaal heeft gekend. Van de twee door ED. DU MÉRIL +uitgegeven redactie's van het Fransch gedicht, staat A dichter bij +DIEDERIC'S werk dan B; echter heeft DIEDERIC waarschijnlijk eene +ons onbekende redactie gevolgd. Die redactie zal wel dezelfde zijn +geweest als of dicht gestaan hebben bij de door FLEKE gebruikte: in +vs. 272-'82, 474-'95, 1562-'81, staat D.'s bewerking dichter bij die +van FLEKE dan bij version A. + +<p class="footnote">Vgl. over de verhouding der onderscheiden redacties: MOLTZER'S +Inleiding voor zijne uitgave; H. SUNDMACHER, <i>Die altfranzösische +und mhd. Bearbeitung der Sage von Flore und Blanscheflur</i>. (Göttingen. +1872) en H. HERZOG in <i>Germania</i>, 1884, 149. SUNDMACHER +overschat FLEKE'S bewerking, die hij bespreekt alsof ze een oorspronkelijk +werk ware; onderschat de Middelnederlandsche. HERZOG'S stuk is vol +geleerdheid, gewaagde onderstellingen en slotsommen. + +<p class="footnote">Op vele plaatsen is DIEDERIC'S bewerking veel uitvoeriger dan het +Fransch. B.v. in vs. 213-'30, 322-'48, 474-'95, 519-'34, 1562-'81, +1922-'31, 2148-'54, 2219-'22, 2224-'48, 2735-'50, 2750–2820, +2827-'31, 3173-'95, 3376-'81. + +<p class="footnote">Niet in het ons bekende Fransch komen voor: 272-'82, 378-'9, +410-'20, 570-'85, 714–831 (iets daarvan in version B), 2197–2204, +2841-'9, 2887-'9, 3139-'49, 3396–3415, 3482-'97. + +<p class="footnote">Van deze plaatsen vindt men voor een klein deel iets bij FLEKE; +maar DIEDERIC gaat ook daar doorgaans zijn eigen weg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.49">49</a>: Vgl. vs. 657–8, 2138, 2830, 2908, 3201, 3762, 3832, 4534, 4749, +4783, 4839, 5275, 5392. + +<p class="footnote">Ook in de Fransche epische poëzie was dit heiligen-rijm bekend. +Vgl. NYROP in de vertaling van <i>Gorra</i>, p. 383.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.50">50</a>: Vgl. FRANCK'S uiteenzetting in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIX, +45–46.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.51">51</a>: In den <i>Merlijn</i> wordt vs. 31706 zekere ridder <i>Morian</i> genoemd +(„Dander was Morian, als ic versta"). Waarschijnlijk hebben wij hier +echter te doen met een bedorven tekst; immers diezelfde ridder wordt, +verderop in dat hoofdstuk, tweemaal <i>Moriaval</i> genoemd (vs. 31942, +31989). Misschien had het hs. <i>Moriau'</i>; het is bekend hoe licht <i>u</i> en +<i>n</i> verwisseld werden.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.52">52</a>: Vgl. Dr. BERGSMA'S uitgave van <i>K.e.E.</i>, bl. 47–48. Bij de +daar opgegeven plaatsen moet nog gevoegd worden: vs. 112 (het +tooverkruid uit den <i>K.e.E.</i>) en <i>M.</i> 607–8 = <i>K.e.E.</i>, vs. 1205–6.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.53">53</a>: JONCKBLOET hield ook dezen roman voor vertaald; doch de +bewijsgronden, door hem aangevoerd, zijn zwak. Van een Fransch<a name="129"></a> +origineel is niets bekend; J. zelf houdt de aanwijzing bij ROQUEFORT +(II, 33) voor eene vergissing; de door R. aangehaalde plaatsen (II, 129), +meerendeels gemeenplaatsen, hebben weinig bewijskracht. Ook kan +men den proloog maar niet wraken of uitleggen, zooals J. doet. Er +zijn inderdaad vele verwijzingen naar een bron of bronnen (bij +VOSTAERT meer dan bij PENNINC); doch die geven nog geen recht +om aan te nemen, dat hier een voorbeeld werd nagevolgd.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.54">54</a>: Deze elementen aangewezen door JONCKBLOET in zijne uitgave +van den roman (II, 152–153).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.55">55</a>: Vgl. RHŶS, <i>Studies</i>, 105 en 55; <i>Lancelot</i>, II, 40393; <i>Walewein</i>, +vs. 1010 vlgg.; 3550 vlgg. en II, p. 153.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.56">56</a>: Vgl. JONCKBLOET'S uitgaaf II, 135.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="4.57">57</a>: Gevoel voor het ridderwezen in vs. 1846 vlgg.; 4333 vlgg.; de +beschrijving van het gevecht, vs. 10598–10635. VOSTAERT heeft eens +de platte vergelijking van een bloedenden ridder bij eene geslachte +koe. (8830–1). + +<p class="footnote">De godsdienstige tint in vs. 147–9, 236–8, 292–4, 378–9, 384, +460, 478-'81, 495 vlgg., 574–6, 666, 1154–6, 1326-'30, 2684, +2695, 2980–4, 3010, 3049-'51, 3360-'66, 3626-'33, 3649-'50, 3714, +3875-'7, 3946-'54, 4020-'1, 4064-'5, 4097 vlgg., 4268-'9, +4348-'52, 4436-'7, 4758 vlgg., 6138, 6142, 6683 vlgg., 7049-'55, +7198–7200, 7687-'8. + +<p class="footnote">Bij VOSTAERT: 8118-'9, 8133-'5, 8380-'5, 8478, 9272-'7, 9376-'7, +9531, 9866, 11088. + +<p class="footnote">De moralizeerende toespraak van den dichter tot zijn publiek +(4838–4845) zou ik dan ook niet met JONCKBLOET willen schrappen, +als van een afschrijver afkomstig. + +<p class="footnote">Over de taal vgl. JONCKBLOET II, 135. Verscheidene daar genoemde +woorden komen echter ook in later tijd voor.]<a name="130"></a> + +<hr> + +<h2>2. GEESTELIJKE POËZIE.</h2> + +<p class="intro">Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke poëzie. <i>Van den +Levene ons Heren</i>. Heiligenlevens. <i>Rinclus</i>. Ontstaan der mystiek. +Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schönau. Mechthild van Maagdeburg. +Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies, +Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van +Tongeren. <i>Leven van Sinte Lutgart</i>. De Minne. Hadewych. + +<p>Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken, +daar ging haar streven in dezelfde richting als dat +der geestelijkheid die de Christelijke idealen, voor een deel +althans, tot werkelijkheid trachtte te maken. En dat was niet +het eenige punt, waar deze beide standen elkander raakten. +Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel behoorden, +lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een Westvlaamsch +auteur der 14<sup>de</sup> eeuw gaat zelfs zóóver dat hij zegt: + +<p class="quote">Van vier moneken sijn die drie +Gheboren van groten maghen.<a href="#5.1">[1]</a> +</p> + +<p>In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige +maatschappij vereenigd. + +<p>Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een +scherp verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens. +Waar de adel, alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen +ontzag om zijn doel te bereiken, daar kwam hij in botsing met +die geestelijken welke, hunne roeping getrouw, den blik op +het eeuwige gevestigd hielden.<a name="131"></a> + +<p>De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde +zonder wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en +te lezen gaven, moest kwaad zijn in de oogen van vrome +geestelijken. Daartegen waarschuwen moesten zij plicht achten. +Doch dan mochten zij het niet laten bij waarschuwen; dan +moesten zij trachten den verkeerden invloed dier ridderromans +te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen +op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg +ontstond geestelijke poëzie als eene terugwerking der ridderpoëzie. +Wij hebben reeds vroeger eene plaats uit het <i>Leven van +Sinte Lutgart</i> leeren kennen, die ons dien gang van zaken +toont<a href="#5.2">[2]</a>. + +<p>Tegenover al die „sagen van wigen och van tavelronden",<a title="[margin: Verhalen van oorlogen en tournooien.]"><sup>#</sup></a> +van „minne" die niet tot de „gerechte minne", nl. de liefde +tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN AFFLIGHEM zijn leven +van de maagd LUTGARDE „dat vromelic es ende goet". Eene +tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedicht <i>Van +den levene ons Heren</i>. In den proloog van dat werk waarschuwt +de dichter zijn publiek tegen zoo menige „rime die ter zielen +luttel smaect"; hij heeft daarbij het oog op verhalen + +<p class="quote">Van battalien ende van minnen +Van meneghen die wi niet kinnen: +Van Roelande ende van Oliviere, +Van Alexandre ende van Ogiere, +Van Walewaine ende van siere macht, +Hoe hi jeghen sine viande vacht; +Van Digenen, hoe hi sijn lijf +Tormente omme een scone wijf; +Van Pyramuse hoe hi sijn leven +Omme minne verloos....<a href="#5.3">[3]</a> +</p> + +<p>Doch dat zijn alles „boerden", al zijn zij op schrift gebracht.<a name="132"></a> +Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarin <i>waarheid</i> +verkondigd wordt: van „waarheid" spreekt zijn werk, immers +van den heiligen Christus. + +<p>Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd +om de kern van het werk: de verlossing van het menschdom, +zijn hier door een echt dichter vereenigd tot een geheel dat +hooge waarde heeft<a href="#5.4">[4]</a>. + +<p>De ons onbekende maker, misschien een „clerc", heeft zijne +stof tusschen 1260–1270 bewerkt, zooals hij die had leeren +kennen uit den bijbel en uit andere bronnen<a href="#5.5">[5]</a>. Onder die +andere bronnen moeten de zoogenaamde apocriefe evangeliën +in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel kreeg de +christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei +uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch +behalve die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken, +vond men andere evangeliën over JEZUS, MARIA, JOZEF, +PILATUS, JOZEF van Arimathea en andere heilige personen, die +als een sterke onderstroom het godsdienstig gemoedsleven +onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke bijbelboeken +waren voor het grootste deel des volks te sober, te verheven; +de apocriefe evangeliën wisten hun allerlei te vertellen waarover +de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht +naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES +afliep; van JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar +aanwezige heilige mannen uit het Oude Testament, ondanks +het verzet der duivelen, verloste. Aan het gewoon-menschelijke, +het dagelijksche is in deze verhalen meer plaats vergund; maar +ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte. Dat alles +trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken +die één was met het volk waaronder hij stond, al stak hij +boven hen uit door zijne dichterlijke gaven. + +<p>Dat dit gedicht volkspoëzie bevat, zou men reeds vermoeden,<a name="133"></a> +wanneer men ziet welk een warme liefde tot de misdeelden +den dichter bezielde: + +<p class="quote">Selen wy dragen bont ende grau, +Ende ons sieren als enen pau, +Ende die arme sal sijn in selc bedwanc, +Dat hi ne sal hebben spel no sanc? +</p> + +<p>Maar niet alle vóór het volk geschreven poëzie is volkspoëzie. +Deze is het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de +wendingen der volkspoëzie, zooals wij die van elders kennen. +Zoo b.v. de rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIËL +Gods wil aan MARIA komt boodschappen: + +<p class="quote">Vant hi Marien ter venstren staen? +Vant hise achter<a title="[margin: langs.]"><sup>#</sup></a> straten gaen ? +Vant hise in plaetsen<a title="[margin: pleinen.]"><sup>#</sup></a>, vant hise int spel? +Neen hi, niet; die maecht pensde al el<a title="[margin: andere dingen.]"><sup>#</sup></a>. +</p> + +<p>Zoo ook wendingen der verhalende volkspoëzie als: „Doe +sprac een jode: Heren, hort na my"; het afgebrokene in den +zinbouw, den korten vleugelslag van des dichters gedachten<a href="#5.6">[6]</a>. + +<p>De naïeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige, +die wij later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken, +openbaren zich hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid +van toon, een doorvoelen van JEZUS' lijden, zooals +later MEMLINC het ons te zien zal geven. Telkens hooren wij +van „dat zoete kint", zijne heilige, zijne gebenedijde hand, zijn +zoete hart; God „van hemele", „d'alweldeghe God", de heilige +engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in verzen als: +„Kinder, seit hi, hoert na mi" of „Kinder, seit hi, lieve vrient"<a href="#5.7">[7]</a>. +De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat tegen +HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel +als een hond; hij is een „dief" (in de taal onzer voorouders:<a name="134"></a> +het inbegrip van alle kwaad), een „onreyne drake"; ten laatste +wordt hij krankzinnig, het helsche vuur gloeit uit zijne oogen<a href="#5.8">[8]</a>. +Geen woorden genoeg heeft de dichter om de Joden uit te +beelden in hunne felheid, die hen doet schuimbekken; in het +welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en martelen; +in hun schamperen spot<a href="#5.9">[9]</a>. Die haat en die liefde zijn beide +in hooge mate naïef. „God is een goed wreker", zegt de dichter, +„al spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: „Hart, kondt +gij spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden +klagen". Van GABRIËL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer +bracht en ter verklaring daarvan: „Hine dorst laten, want hi +was God". De duivel spreekt van „mijn hel"<a href="#5.10">[10]</a>. + +<p>Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden +verminderde den afstand tusschen God en de geloovigen, die +niet zich verhieven tot Hem maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen, +door latere geslachten in acht genomen, bestaan voor +dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt niet, de schamele +hut, het „huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt, met +zachte ironie „dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS +te zeggen, dat hij „zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende, +of ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij +onder stoelen en banken door kruipt om bij JEZUS te komen<a href="#5.11">[11]</a>. + +<p>Zooals de dichters der ridderpoëzie zich eene klassieke oudheid +schiepen naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde +deze volksdichter met de bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling +van het maatschappelijk en huiselijk leven in Palaestina, +geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving, zooals lang vóór +hem de dichter van den Oudsaksischen <i>Hêljand</i> had gedaan. +JEZUS deelt aan zijne twaalf „gezellen" mede, dat de smartelijke +kruisdood hem wacht; de „gezellen" zwijgen op dat bericht, +maar PETER „zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord +en wenscht dat JEZUS nog berouw moge krijgen over hetgeen<a name="135"></a> +hij gezegd heeft: „Ghi sijt een so scone man", zegt hij, „hoe +komt zoo iets dan in uwe gedachten?" + +<p>Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld +staand of zittend „in een rinc", zooals dat van ouds ook hier +te lande gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die +aan MAHOMED gelooven; zij komen „met manne ende maghe" +te samen; hun hoogepriester wordt „bisschop" genoemd, PILATUS +noemt zich zelven „meier". Hier en daar klinken tonen uit de +ridderpoëzie door deze geestelijke poëzie heen: wij treffen woorden +aan als stegereep<a title="[margin: stijgbeugel.]"><sup>#</sup></a>, ghereide en vorboech"<a title="[margin: borstriem.]"><sup>#</sup></a>, als „glaviën" +voor lansen; geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij +JEZUS' graf; van een slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande +uitdrukking gebezigd: „dat hi en horde no en sach"<a href="#5.12">[12]</a>. Het +wonder van het droogvoets trekken der Israëlieten door de +Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de Roode Zee +maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der elementen +herinnerend aan den baaierd vóór de schepping, ergens ver weg +in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op +zijne zwerftochten bezocht<a href="#5.13">[13]</a>. + +<p>Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen +dichter die het leven van JEZUS zóó medeleeft, welt poëzie op +telkens wanneer een deel van dat leven hem sterk ontroert. +Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S moederweelde schetst: + +<p class="quote">Sat Maria, ghinc se ochte stoet<a title="[margin: of stond zij.]"><sup>#</sup></a>, +Sie custe dicke<a title="[margin: dikwijls.]"><sup>#</sup></a> haers kindes voet, +Daer sijt in die wieghe leide ofte nam; +Soe lanc soe meer tkint haer bequam<a title="[margin: behaagde.]"><sup>#</sup></a>. +Als tkint weende, haer was onsachte, +Sie sweghet<a title="[margin: suste.]"><sup>#</sup></a> minlike, soete ende sachte; +Als tkint hadde honger ofte dorst, +Sie gaf hem haer ghebenedide borst;<a name="136"></a> +Sine cleder waren altoos wit, +Nieuwe gedweghen<a title="[margin: pas gewasschen.]"><sup>#</sup></a>, groot recht was dit; +Sijn bat ne was no heet no cout, +Met rechte was tkint sire moeder hout<a title="[margin: genegen.]"><sup>#</sup></a>. +Maria herde wel dies wachte, +Dat sine wieghe was scone ende sachte; +At sie, dranc sie, al dat sie dede, +Haer oghen volgden den kinde mede. +</p> + +<p>Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen, +lachend tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend +oogenblik zullen treffen: + +<p class="quote">Daer tkint sach blicken<a title="[margin: schitteren]"><sup>#</sup></a> tscarpe swert, +Tkint loech ten mordenare wert. +</p> + +<p>Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van +het rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat +zijn verhaal telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud +Driekoningen-lied te hooren in: + +<p class="quote">Drie coninge woenden in Oriënt, +D'een den anderen wel ghehent<a title="[margin: naburig.]"><sup>#</sup></a>. +. . . . . . . . . . . . . . . +Een werf<a title="[margin: eens]"><sup>#</sup></a> in ere avontstont +Een clare sterre an den hemel stont. +. . . . . . . . . . . . . . . . . . +Sie lasen op, (sie lasen) nedere, +Ter sterren si keerden wedere. +. . . . . . . . . . . . . . . +Een coninc vant ende las, +Wat dat scone boekijn<a title="[margin: voorteeken.]"><sup>#</sup></a> was. + Enz.<a name="137"></a> +</p> + +<p>Zóó dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen +gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan +van het epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier +bestaande liederen door den dichter tot een geheel zijn verenigd<a href="#5.14">[14]</a>. +Doch al acht ik dit niet waarschijnlijk, voor zeker +houd ik, dat het gedicht, ware het in beter toestand tot ons +gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het nu reeds doet. + +<p>Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere +van zijnen Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den +ombouw en het bijwerk waarmede een latere tijd haar heeft +ontsierd, dan zou eerst duidelijk blijken, hoe oorspronkelijk +van opvatting dit voortbrengsel van naïve kunst is en welk +een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert. + +<p>Niet van alle geestelijke poëzie, welke wij meenen te mogen +brengen tot de 13<sup>de</sup> eew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan +is uit eene terugwerking der ridderpoëzie. Trouwens, ook +werken als het <i>Leven van Sinte Lutgarde</i> en <i>Van den Levene +ons Heren</i> zijn natuurlijk niet voortgebracht louter uit begeerte +om tegenover de ridderromans geestelijke poëzie te plaatsen. +Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te verdiepen in het +eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te verdiepen +in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn +der christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere +werken ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen, +tegenovergesteld aan den geest en het karakter der +ridderpoëzie. + +<p>Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13<sup>de</sup> eeuw, dat ons +een fragment van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft, +bevat een aantal berijmde levensverhalen van heiligen: <i>van sente +Marie Egyptiake, van sente Eustaesse, van sente Aechte, van +sente Caterine, van sente Waerneer</i><a href="#5.15">[15]</a>.<a name="138"></a> + +<p>Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen. +De meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben +geteld en geven een eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen +der bovengenoemde heilige vrouwen en mannen. +Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit het Latijn; ook het +beroep op eene „scrifture" dat men in het leven <i>van sente +Eustaesse</i> vindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De +legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen +algemeen verbreid geloof aan een, jaarlijks door de Joden +gebracht, offer van een Christenkind „wit<a title="[margin: blank.]"><sup>#</sup></a>, blosende ende root." + +<p>Dat deze heiligenlevens van ééne hand zijn, is natuurlijk +mogelijk; doch het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij +van de meeste slechts betrekkelijk kleine fragmenten hebben. +Misschien moet men het onwaarschijnlijk achten, omdat b.v. +het leven <i>van sente Aechte</i> zooveel assoneerende rijmen vertoont, +terwijl die in de overige fragmenten schaarscher zijn of, +zooals in het leven <i>van sente Marie Egyptiake</i>, schijnen te +ontbreken<a href="#5.16">[16]</a>. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen +hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht: +dat het aanhooren van zulk een levensverhaal onder +hunne goede werken moge medegerekend worden<a href="#5.17">[17]</a>. + +<p>Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst +worden gerekend een klein fragment van <i>de boec der biechten</i>, +dat eveneens in het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT +gevonden wordt. Vermoedelijk is dit werk uit denzelfden tijd +als de bovengenoemde heiligenlevens. In allen gevalle is het +aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk vervaardigd zal +zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar reeds in +de 9<sup>de</sup> eeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die +aan de Denen het evangelie zouden verkondigen<a href="#5.18">[18]</a>. + +<p>Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het +middeleeuwsch Christendom de voorstelling van God als „een<a name="139"></a> +goed wreker", volgens de uitdrukking in <i>Van den Levene ons +Heren</i>. Het is niet geheel zeker maar toch m.i. waarschijnlijk, +dat er reeds vóór het midden der 13<sup>de</sup> eeuw te onzent een +gedicht <i>van onses Heren wrake</i> bekend was, vertaald of vervaardigd +door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht +zal waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting +van Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld +te worden als Gods wraak over het ter dood brengen +van JEZUS. In den proloog van zijn boek over den Graal +en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht „wyde becant"; +was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding +van het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd +vereischt, en moet het dus ten minste in de eerste helft der +13<sup>de</sup> eeuw ontstaan zijn<a href="#5.19">[19]</a>. + +<p>Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking +van een Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12<sup>de</sup> of den +aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoord +<i>Miserere</i> genoemd wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar) +van Moiliens werd gedicht<a href="#5.20">[20]</a>. In de geschiedverhalen onzer +letterkunde wordt het kortweg <i>Rinclus</i> genoemd<a href="#5.20">[20]</a>. Het Fransche +werk is in 12-regelige coupletten gedicht, een vorm die in de +Nederlandsche overzetting behouden bleef. De 97 eerste coupletten +werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp +van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren +HEINREC. Het gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de +vragen: wat de mensch geweest is, wat hij is en wat hij zijn +zal; het wekt op tot navolging der martelaren, tot het doen +van de rechte keuze tusschen God en de wereld, het betoonen +van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de dichter +zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft +zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van +weelde, ijdel zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch leven<a name="140"></a> +ontleend zijn. Ook de priesterschap en de kloosterlingen worden +niet gespaard. + +<p>De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts +de hoofdzaken van het origineel terug, of slechts het een en +ander daarvan<a href="#5.21">[21]</a>. Soms heeft de Nederlander zijn voorbeeld +niet begrepen en maakt hij er maar iets van; elders heeft hij +een beeld weggelaten dat hij misschien geen kans zag weer te +geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten, waaraan +die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid ontleent. +Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk +die op het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel; +in het Fransche verhaal <i>van Sint Maarten</i> die zijn +mantel doorsnijdt, krijgt men „het stalen zwaard" te zien—de +Nederlandsche bewerking spreekt slechts van de „snede die +den mantel deelde in tween". Elders is eene tegenstelling +grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene +realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het +Dietsch ingetogener dan het Fransch<a href="#5.22">[22]</a>. + +<p>Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun +voorbeeld schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar +voegen zij—GIELIJS meer dan HEINREC—iets van het +hunne in; onder die invoegsels of wijzigingen zijn er die +verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten. In n<sup>o</sup>. 33 is +sprake van priesters die—zooals HEINE zegt—„water preeken, +maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM +niet als kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke +„verlucht" met dit beeld: „eerst moet hij zelf +de donkere diepte bevaren; dan zal hij wind in zijn zeil +krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak „on veut bien +étain pour argent" door: „want hi neemt rogge daer hi leent +evene" (haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort +van den rijke, heet het bij GIELIJS: „men sant hem niet dan<a name="141"></a> +hontgebas". Van een begeerig man die verlangend voor een +gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch: „tant huka<a title="[margin: schreeuwde.]"><sup>#</sup></a> et +tant apela"; GIELIJS vertaalt: „Hi claterde der doren rinc". +Elders vinden wij in het origineele gedicht een hoovaardige +in dit vers: „orguieus va dou col coloiant"<a title="[margin: rek (reik)-halzend.]"><sup>#</sup></a>! Aardig geschetst; +maar GIELIJS overtreft zijn voorbeeld met: "'t Hoot op hals als +een hane die crait". Op een andere plaats weer heeft hij de +voorstelling verlevendigd door het invoegen van een dialoog<a href="#5.23">[23]</a>. + +<p>Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten +zoowel aan GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest; +hier en daar vindt men zelfs plaatsen die woordelijk overeenkomen<a href="#5.24">[24]</a>. +Maar alleen op grond van die bekendheid aan te +nemen, dat de bewerkers van den <i>Rinclus</i> en MAERLANT tijdgenooten +zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog +op den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is +om de Nederlandsche bewerking nog in de 13<sup>de</sup> eeuw te plaatsen. + +<h3>DE MYSTIEK.</h3> + +<p>De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde, +breidde hare macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich +zelve voor als de eenige bron van waarheid en recht. Doch +al te velen onder hare machthebbers logenstraften door hunne +daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid en kracht, wat zij +met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag eener kerk, +door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide +in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling. + +<p>Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten +voelden ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige +geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten +grond te herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden? + +<p>Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijn<a name="142"></a> +tusschen God en den mensch—dan afgedaald in de eigen +ziel, daar zelf den weg tot God gezocht. + +<p>Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig +gemoedsleven der middeleeuwen langzamerhand die strooming, +welke bekend staat onder den naam van: mystiek. Onder haar invloed +ontwikkelde zich het gemoedsleven met eene vroeger niet +gekende kracht; geen hoogte was meer te hoog, geen diepte te diep. + +<p>Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen, +geestelijken en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen +toestand der kerk. In de abdij van Molesme werd de geest van +SINT BENEDICTUS vaardig over Vader ROBERTUS en zijne +boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux het eerste +Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde zonen +van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren. +Eene eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de +grootsche en teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den „bruidegom +der armoede", die zijn kort maar rijk leven besteedde aan eene +poging om de kerk tot nieuw leven te wekken. + +<p>Omstreeks het midden der 12<sup>de</sup> eeuw zien wij een paar +abdissen van Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD +VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU zich met hare profetische +beden wenden tot keizer, paus, bisschoppen en abten. +Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese van Lyon tot paus +ALEXANDER III met het verzoek om de armen het evangelie +te mogen verkondigen. + +<p>Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen. +In de voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen +gesneuveld; hunne vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven, +zwierven bedelend rond, werden de prooi van ruw geweld of +leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier, gelijk zoo +menigmaal in de middeleeuwen, de individuën, machteloos op +zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingen<a name="143"></a> +der Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren, +in Leuven vindt men begijnhoven reeds in den aanvang +der 13<sup>de</sup> eeuw; Luik zag omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen +als in eene afzonderlijke kleine stad vereenigd; Keulen +telde er omstreeks het midden der 13<sup>de</sup> eeuw duizend; nog +vóór het einde dier eeuw waren er ten minste zestien plaatsen +in België die een begijnhof bezaten. + +<p>Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12<sup>de</sup> en +13<sup>de</sup> eeuw zijn eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij +hier in het bijzonder het oog moeten richten, omdat het ons +vergund is een blik te slaan in haar godsdienstig gemoedsleven. + +<p>Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD +VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU, beide draagsters +van beroemde namen in de geschiedenis der mystiek. + +<p>HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104–1178 +en stierf als abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook +hier te lande bekend. De bisschoppen: RUDOLF van Luik, +GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den Elzas, een +Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden +haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar +in het Roermondsche, een krans hebben gezonden. + +<p>Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften +door haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels +in het Latijn opgesteld; de Duitsche werken zullen later door +haar biechtvader GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht. +Haar voornaamste geschrift heet: <i>Scivias sive Visionum ac +Revelationum libri tres</i><a href="#5.25">[25]</a>. Zij zegt ons daarin o.a. dat zij alle +dingen ziet in een buitengewoon licht, dat als een vlam hare +ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt zij <i>visioen</i>. +In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg, ijzerkleurig; +daarop gezeten iemand van wien zulk een luister uitstraalt, dat +<a name="144"></a> +zij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem. Deze +berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van +Gods heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden +koningstroon en daarop gezeten een jongeling van zooveel +glans dat zij hem niet kan aanzien. Telkens ziet zij schitterend +licht, schitterende torens en kolommen. Ook wel een menschenhoofd +met zes vleugels. + +<p>Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van +ELISABETH, „magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S +antwoord. + +<p>Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders +geboren (1129). Van der jeugd af leidde zij een ascetisch leven, +droeg het haren kleed op het lichaam, was omgord met een +ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig voedsel; alles onder +veel weenens en biddens. In het klooster Schönau bij Bingen, +waar zij van 1141–1165 leefde, ontvangt zij, evenals HILDEGARDE, +last van God om de menschen op te wekken tot berouw +en bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last +te onttrekken door aan te voeren dat zij niet „wel ter tale" is +(„nescio loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften +berispt zij vooral de geestelijken om hunne hebzucht +en heerschzucht, hun hoogmoed, weelde en wellust. Ook den +paus spaart zij niet. + +<p>Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke +spanning. Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot +wiel van vuur; een kruis, oogverblindend in gouden glans; +een hoogen berg en op den top schitterend het Lam Gods; +op een wiel eene ladder welker top de hemelen schijnt te doorboren; +naast het wiel een man met goudglanzend hoofd, haar +als witte wol, schitterende oogen; vóór Gods troon vier dieren, +die vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn +vol oogen; een hoogen berg, welks top schittert van licht; +<a name="145"></a> +van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische +beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt +dikwijls mede op welken tijd, onder welke omstandigheden zij +in dien toestand van extaze geraakt en hoe lang die toestand +aanhoudt<a href="#5.26">[26]</a>. + +<p>Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls—geen wonder +bij zulk een lichaams- en gemoedstoestand—wordt zij overvallen +door droefheid en somberheid. Zelfs het gebed, anders +haar hoogste genot, staat haar dan tegen. Zij werpt haar psalmboek +van zich. Wel schrikt zij van die daad en grijpt het terstond +weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare somberheid. +De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den +Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven +is? Ook aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent +zij over zekere droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het +leven gaat haar walgen. „Maak er een eind aan" blaast de Booze +haar in. Doch God waakt over haar, ook in hare ellende. + +<p>Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw +in niet geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen +vooral vond men in de 13<sup>de</sup> eeuw een aantal vrouwen, daaronder +vele adellijke, die haar leven verdeelden tusschen mystieke +overpeinzing en het verplegen van zieken en melaatschen<a href="#5.27">[27]</a>. +Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG +(c. 1212–1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een aantal +liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar +innerlijk leven ten deele blootlegt. + +<p>Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen +over de zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging +berokkend te hebben. Doch gewichtiger dan zulke +uitingen zijn voor ons die over de gewijde liefde, de <i>minne</i> +als middelares tusschen God en de ziel. Evenzeer die over de +zondige begeerten, welke des menschen lichaam en zijne ziel<a name="146"></a> +in vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De geweldige +Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij aanschouwd +heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne +en de Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het +zijn telkens weer uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne. +Vrouw Minne heeft haar beroofd van vrienden en magen, van +wereldsche eer en rijkdom; heeft haar ziekte berokkend, heeft +haar vleesch en bloed verteerd—maar ook, welk een rijken +schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen. + +<p>Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen, +uit streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en +een ketterjager zou deze zorgeloos rondzwevende vogels licht +onder schot kunnen krijgen. MECHTHILD laat zich gaan, zooals +een dichteres dat doet. Want poëzie is hier in zoo menige +uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart met „een +kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij Suso +vindt". Poëzie is ook in beelden en vergelijkingen als deze: +wie van minne sterft, dien moet men in God begraven; van +het leven in God sprekend: zegt zij: de visch kan in het water +niet verdrinken; de genade komt van boven: dat de arend zoo +hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil te danken; de ziel moet +zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die in de val zit +en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige Drievuldigheid, +zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner +moeder en zich vlijt aan haar borst. + +<p>De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland +hebben waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen. +De eerste helft der 12<sup>de</sup> eeuw was nog maar even voorbij, +toen de abdij Klaarkamp in Friesland als het eerste Cisterciënser-klooster +verrees. Tal van andere kloosters kwamen uit dit +moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters: Syon en Nazareth<a name="147"></a> +in Friesland, Jesse bij Groningen, Mariënkamp bij Assen, +Mariënhorst bij Deventer, Mariëndaal bij Utrecht. In de meeste +dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende, +als de abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond +men addellijke jonkvrouwen en daaronder ettelijke die de namen +droegen van RENESSE, ALKEMADE, TEILINGEN, DUVENVOORDE. + +<p>Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen +van een hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het +Praemonstreiter klooster Mariëngaarde gold het als een bewijs +van innige vroomheid en tevens als eene groote genade-gave: +„totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het dankgebed +na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een toestand +verkeerde, werd „intus debriatus" genoemd. Ook van het +zoogenaamde „tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen +GERBRAND, tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar +Citeaux huiswaarts keerde, werd hij ziek en stierf te Vervins; +lang vóórdat de tijding van zijn dood in Friesland was ontvangen, +had eene non van het klooster Syon in een visioen +den abt zien sterven. + +<p>Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische +strooming in het Zuiden dezer landen. + +<p>Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam, +werd hij getroffen door de menigte extatische vrouwen in die +stad. Sommige konden in de zielen van anderen lezen; andere +waren zoo krachteloos door verlangen naar den hemelschen +bruidegom, dat zij in vele jaren slechts enkele malen van haar +bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de tong zoo +vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in +zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor +een steek met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos. + +<p>Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland +is ons nader bekend geworden, uit de verhalen daarvan<a name="148"></a> +in het Latijn opgesteld door THOMAS VAN CANTIMPRÉ en +JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN OIGNIES, in 1177 te +Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als bagijn +gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150–1224; +MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21<sup>ste</sup> jaar overleed +en LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige +CHRISTINA in het klooster te Sint Truyen leefde en van daar +naar het klooster Aquiria bij Kamerijk ging, waar zij in 1246 +stierf. + +<p>De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer +zusteren, een streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor +koude, al bevriest de wijn in de miskelk; voor pijn, voor +honger. MARIA en MARGARETHA waren begaafd met het „tweede +gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in Christus' lijden, +vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij in extaze +of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen +lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van +hare lippen dan: „ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer +al het zinnelijke als een wolk uit hare ziel was verdwenen door +de stralen van het goddelijk licht, dan ontving zij de vormen +der godheid in hare ziel als in een spiegel. CHRISTINA onderscheidt +zich van de overige door den sterken invloed dien het +natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht welke +hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke +van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige +begeerte naar mannen, die haar uit angst voor dien +hartstocht tot Christus doet vluchten; die er haar toe brengt +zich met doornen te geeselen, totdat zij de booze zinnen heeft +getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid is, gaat haar +dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van +mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet +meer kan verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden ver<a name="149"></a>zonken +blijft en dat haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt, +dat zij soms in diepen slaap viel wanneer zij zedelijk gekwetst +werd door iets dat zij hoorde of zag<a href="#5.28">[28]</a>. + +<h3>LEVEN VAN SINTE LUTGART.</h3> + +<p>Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN +TONGEREN te worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze +gelukt het ook haar, slechts door de liefde tot den hemelschen +bruidegom de zinnelijke liefde te overwinnen. In hare extazes +ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks de Moeder Gods, de +engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene rust voordat +zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met Hem +heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des +nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger +hadden gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en +anderen, wordt ons verhaald, dat zij door aanraking met hare +hand of door het strijken van speeksel wonderen verrichtte. + +<p>Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig +voor ons<a href="#5.29">[29]</a>. Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door +den bekenden Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk +geslacht van Bellenghem, die gewoonlijk genoemd wordt naar +de abdij van Cantimpré bij Kamerijk, waar hij een deel zijner +jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een vertrouwd +vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de eveneens +bij Kamerijk gelegen abdij van Aywières (Aquiria). Dankbaar +herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin—zij +was omstreeks 18 jaar ouder dan hij—hem had getroost +en opgebeurd, wanneer hij de moeilijke taak der biecht-afneming +had te vervullen. Voor hem was zij een heilige; de gedachte +dat hem, na haar scheiden uit dit leven, niets van haar zou +overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was hem blijk<a name="150"></a>baar +ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen +behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze +dan haar lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt +hare behoefte aan een tastbare heugenis van geliefde dooden +met een vlok haar—dit kind eener eeuw van forscher en grover +zinnelijkheid wenschte hoofd of hand zijner vriendin voor zich +om die, in zilver of goud beslagen, te bewaren<a href="#5.30">[30]</a>. Slechts haar +rechterpink, haar „minste vingerkijn", had LUTGART, wien het +ter oore was gekomen, hem half in ernst half in scherts toegezegd. +Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een +paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd +abdis van Aywières, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de +begeerde reliquie slechts, nadat hij de abdis beloofd had het +leven zijner gestorven vriendin te zullen beschrijven. + +<p>Ter vervulling van die belofte schreef hij zijne <i>Vita Lutgardis</i>; +dat werk moet voltooid zijn geweest vóór 1248, het sterfjaar +van HADEWYCH aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen. +De schrijver had het verdeeld in drie deelen volgens de drie +trappen van het ascetisch leven: het begin, den voortgang en +de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons LUTGART'S leven +in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het tweede omvat +de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de Cisterciënser-nonnen +van Aywières; het derde hare elf laatste levensjaren. + +<p>Deze <i>Vita Lutgardis</i> nu is als leiddraad gebruikt door een +Nederlandsch dichter bij het schrijven van zijn merkwaardig +<i>Leven van Sinte Lutgart</i>. De dichter van dat werk, WILLEM +genaamd, werd omstreeks 1210 te Mechelen geboren als een +onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk geslacht der Berthouts; +hij studeerde te Parijs, trad in de orde van Sint Benedictus, +werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van Sint Truyen +en stierf in 1297. Zijn <i>Leven van Sinte Lutgart</i> is door hem +waarschijnlijk tusschen 1262–1274 gedicht<a href="#5.31">[31]</a>.<a name="151"></a> + +<p>Inderdaad, meer dan een leiddraad is de Latijnsche <i>Vita</i> +niet geweest voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere +verhaal van THOMAS in de gemakkelijk vloeiende verzen zijner +omstandige en genoegelijk breedvoerige bewerking liet uitdijen +tot een omvangrijk geheel; het tweede en het derde boek, die +alleen tot ons zijn gekomen, omvatten samen reeds meer dan +20.000 verzen<a href="#5.32">[32]</a>. WILLEM heeft slechts weinig weggelaten; wat +hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden naam +der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen. + +<p>Zoo vertelt THOMAS ons in zijne <i>Vita</i> van eene non, door +den duivel bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt, +dat zij zich meer dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven, +indien vurige gebeden haar niet weerhouden hadden<a href="#5.33">[33]</a>. +WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de non door den +Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er angstwekkend +uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons +daarop van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong, +het lichaam der bezetene te verlaten; van het gansche levendig +tooneel dier duivelbezwering vinden wij daarentegen in de <i>Vita</i> +weinig of niets<a href="#5.33">[33]</a>. + +<p>Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een +invoegsel. In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets +weg te laten, zijn voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens +en opmerkingen van zich zelven ingevoegd. Zoo b.v. waar een +paar van LUTGART'S visioenen beschreven worden en waar hij +zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen, de +dichters dwaas te noemen, omdat zij al die „fantasijen" van +oude vrouwen beschrijven<a href="#5.34">[34]</a>. Zoo is ook hoofdstuk XVI van +het Tweede Boek bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons +daar eene levendige schildering geeft van den strijd tusschen +LUTGART en de duivelen die haar voortdurend belagen; die +zij verjaagt, „zooals iemand zich de vliegen met een kwispel<a name="152"></a> +of een tak van het lijf houdt" en die haar zóó vreezen dat zij +zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te naderen. + +<p>Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat +genomen, om vermaningen te richten tot de „heren en vrouwen" +die zich onder zijn gehoor bevonden of die hij elders door de +lezing van zijn werk hoopte te bereiken. Hij waarschuwt de +prelaten die hun plicht verzaken en wien het slechts om +wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog, +hoe LUTGART slechts door de „sterke minne" tot God den +duivel en zijne trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen +de oude hebzuchtige huichelaars, de „papelarde metten grisen +langen barde", die den armen onder allerlei drogredenen het +hun toekomende willen onthouden; hij betreurt de verslapping +der kloostertucht en stelt de abdij van Afflighem aan andere +ten voorbeeld. + +<p>Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal +van bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen, +anderzijds dient erkend, dat hij even vaak onderhoudend en +levendig vertelt. Levendig en onderhoudend is b.v. de proloog +van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger eenige verzen aanhaalden. +En hoe aardig teekent hij in den proloog van het +Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft +bevangen onder de voordracht: + +<p class="quote">Dat heldekoppen<a title="[margin: knikkebollen.]"><sup>#</sup></a> ende nigen, +Dat metten hoofden neder sigen +Gaf mi litteeken<a title="[margin: blijk.]"><sup>#</sup></a> dat hem somen +Die vaec in d'ogen ware comen. +</p> + +<p>Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk; +daar wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den +beganen grond, maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk +dichter; heeft ten minste eenige der wezenlijke eigenschappen<a name="153"></a> +van een dichter. Men zou dat reeds vermoeden waar men hem +de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na een gebed +tot God, aldus vertelt WILLEM ons, zóó verheugd, + +<p class="quote">Meer dan u iemen soude mogen +Geseggen wel met didscher spraken<a title="[margin: in het dietsch (de volkstaal).]"><sup>#</sup></a>. +</p> + +<p>Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons +beschrijft hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat +gelaat van uitgelezen schoonheid, anders stralend van glans, +nu zoo bleek en verslagen ziet van hartzeer; hoe donker haar +gewaad, dat anders schittert heller dan het licht van een zomerschen +dag. Fraai is het 4<sup>de</sup> hoofdstuk van het Tweede Boek, +waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden +den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde +tot eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd +dien eene mystieke vrouw te strijden had, vóórdat zij rust in +God vond, is ons in het zesde hoofdstuk van dat boek +geschetst met de zachte gevoeligheid van omtrek die wij ook +in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier vooral de verhouding +eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er +is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVIË + +<p class="quote"> die har herte voeget +So simpellic an onsen Here, +Dat men ne can no min no mere +Vergronden noch genemen ware +Hoe 't tusschen hem stoet ende hare. +Si es so schamel<a title="[margin: bedeesd.]"><sup>#</sup></a> ende so blode, +Dat si mi soude ontdekken node +Des iwent<a title="[margin: iets.]"><sup>#</sup></a> ochte condech maken<a href="#5.35">[35]</a>. +</p> + +<p>Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook +in de zorgzaamheid voor den vorm van zijn werk: zijne verzen<a name="154"></a> +zijn gebouwd met eene regelmaat van stijging en daling, die +eenig is in onze middeleeuwsche literatuur en zijne rijmen zijn +zoo zuiver, dat men er te nauwernood eene enkele assonance +onder aantreft<a href="#5.36">[36]</a>. + +<p>Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van +WILLEM'S werk buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige +voorstelling van het streven der ziel naar vereeniging met God, +dat hij <i>minne</i> noemt. Als een stroom van wit licht doorgloeit +die „minne" het <i>Leven van Sinte Lutgart</i>; in de <i>Vita</i> van +THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een glimpje +te zien. + +<p>Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware „minne" is, +namelijk niet de wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de +liefde der ziel tot God, dan moet men al zijne krachten inspannen +om deze liefde deelachtig te worden. Maar lang is de weg +en moeilijk de strijd. Menigeen die zich gewennen wil de minne +te dienen en in haar school te gaan, streeft in den aanvang +al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten. In +den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar; +doch indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich +te nemen dan hij kan volbrengen, dan wachten hem schaamte +en vernedering. Daarom moet hij die „der minnen rade volger" +gestadig volharden in den goeden strijd. Want een strijd, eene +worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART dwong +met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer, +haar al hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het +haar niet weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij +haar geene „zeghe vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen, +krachtiglijk met gebeden worstelend tegen den hoogste des +hemels. Maar wie eenmaal de minne als middelares tot vereeniging +met God heeft leeren kennen, die blijft strijden. En<a name="155"></a> +dan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne geschonken, +zoodat hij in „orewoet"<a title="[margin: geestverrukking.]"><sup>#</sup></a> geraakt en verzwolgen wordt in der +minne grondelooze diepte. LUTGART was in de school der +minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar +zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat +geen geleerde met behulp van boeken en schrifturen verklaren +kan<a href="#5.37">[37]</a>. + +<p>Ook andere nonnen van Aywières waren de genade der +minne in meerdere of mindere mate deelachtig geworden; het +spreekt van zelf, dat verwante zielen, die eenigen tijd de minne +hadden gediend, behoefte hebben gevoeld, hare innerlijke +ervaringen ten minste ten deele te bespreken, of te luisteren +naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne het +zóó ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen +in de ziekenzaal van Aywières zitten, daarheen gekomen om +LUTGART te hooren „disputeren van der minnen". + +<p>Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de +eenige keer zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante +zusters in het klooster zich hebben onderhouden over +de hooge dingen die hare gansche ziel vervulden. + +<p>Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen +aan die gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar zóó na aan +'t hart lag, dat zij „het minste vingerkijn" der overledene niet +missen en slechts voor eene levensbeschrijving der betreurde +zuster wilde afstaan? + +<p>Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ +zijne <i>Vita Lutgardis</i> opdroeg, eene andere zijn geweest dan de +mystieke, en tot nog toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare +visioenen heeft geopenbaard en de minne verheerlijkt in zoo +menig fraai en innig gevoeld lied? + +<p>Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op +die vraag het antwoord geven.<a name="156"></a> + +<h3>HADEWYCH.</h3> + +<p>Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche +werken in proza en poëzie uit dezen tijd voor ons bewaard, +die in een paar handschriften van de 13<sup>de</sup> en den aanvang der +14<sup>de</sup> eeuw <i>visiones haywigis, epistole haywigis</i> en <i>ritmata +haywigis</i> genoemd worden<a href="#5.38">[38]</a>. + +<p>De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen +eene in extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen +veelal over de minne; ook de epistolae behandelen vooral dat +onderwerp, zooals reeds blijkt uit den aanvang: „God die de +clare Minne die onbekint was, verclaerde bi siere doghet"; van +de gedichten (<i>ritmata</i>) is de minne schering en inslag. Blijkbaar +hebben wij hier het werk vóór ons van ééne dichteres die den +naam HADEWYCH draagt; ook <i>in</i> haar werk wordt die naam +een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan +al deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde +sfeer, waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen +in ons land en in den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer +wij in een van HADEWYCH'S visioenen melding gemaakt vinden +van „Heldegaert die al de visione sach", dan zal het wel niet +gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis HILDEGARDE +VAN BINGEN bedoeld is<a href="#5.39">[39]</a>. + +<p>Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen +en Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder +krachtig ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele +bagijnen noemt, zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze +voorstelling nog aannemelijker. Op eene andere plaats in haar +werk maakt HADEWYCH gewag van de „vrouwe van Nazaret". +Waarschijnlijk hebben wij hier te denken aan BEATRIX VAN +THIENEN, abdisse van het Cisterciënser-klooster Nazareth (bij +Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had<a href="#5.40">[40]</a>.<a name="157"></a> + +<p>Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken +in een Cisterciënser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat +er in de abdij van Aywiéres of elders eene Cisterciënser-non +heeft geleefd, eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest +verwant met al de hierboven genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk +zal HADEWYCH, de dichteres, één zijn geweest met +de abdis van Aywières aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijne +<i>Vita Lutgardis</i> heeft opgedragen. + +<p>Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter +de zuiver lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene +jongere geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken +met „lieve kint". Deze „joncfrouwe" is nog „ongheproeft +van allen dinghen". HADEWYCH wekt haar op om zich in te +spannen als iemand die den weg der Minne nog van meet af +heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten ootmoed +betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken<a href="#5.41">[41]</a>. Door middel +van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen +uit ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere +SARA en EMME, wie zij verwijt dat zij zich te weinig bekommeren +om de minne, die haar zelve „zoo vreseleke omvaen +hevet in beroeringhen van onghecuster<a title="[margin: onbevredigd.]"><sup>#</sup></a> minnen". + +<p>Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw +tot wie HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen +over allen nood, goede daden verrichten, zieken verplegen. Zij +zelve heeft dat ook gedaan totdat het haar verboden werd<a href="#5.42">[42]</a>. + +<p>Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S +werken niet veel te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen, +is gedeeltelijk nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar +tiende jaar had de minne haar hart bedwongen; had God haar +niet gesterkt, zij ware onder dien dwang bezweken. De meeste +visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al kwamen +zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd af<a name="158"></a> +had zij haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden +van al wat niet betaamt; zóó was zij geworden tot eene reine +kolom in de kerk der heiligen<a href="#5.43">[43]</a>. Wel had zij reeds in hare jeugd +een sterk zielsverlangen naar het genot van één te zijn met +Gode; doch daartoe was zij toen nog te weinig volgroeid naar +den geest; zij had er zich nog te weinig voor ingespannen. Leed +en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot heiliging. + +<p>Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In +een visioen was haar door God dit gebod gegeven: zij moest +begeeren arm, ellendig en versmaad te zijn onder alle menschen; +alle verdriet moest haar behagelijk zijn boven alle aardsche +geneugten, ook al zou dat verdriet ondragelijk zijn voor een +mensch. Zij moest der wereld vreemd worden, klein geacht bij +de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten waar zij +des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden +haar begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren +nood en hare ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare +jeugdige vrienden: zij heeft niet onder de menschen gewandeld, +hunne gewoonten niet gevolgd, noch in hun eten noch in hun +drinken noch in hun slapen; niet zich gesierd met kleurige +kleederen, nooit genoten van blijdschap die een menschenhart +verblijden kan. Bedroef u—zegt zij tot het jonge meisje—zoo +weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga, +hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want +het is al der minnen werk, dat de „vreemden" niet kennen<a href="#5.44">[44]</a>. + +<p>Op die gevangenschap die haar bedreigde en die „vreemden" +komen wij terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling +te vormen van haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is +met behulp van het tot hiertoe medegedeelde. + +<p>Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne. +„Mint de minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken.<a name="159"></a> +Wie naar minne streeft, doch naar die stem niet luistert, +dien klinkt zij vreeselijker dan de donder. Dat woord is de +band daar de minne hare gevangenen mede bindt, het zwaard +waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede zij hare +kinderen kastijdt. + +<p>Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken +in het bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en „het +swaerste inder scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes: +„Du salt minnen dinen Here, dinen God, van al dijnre herten, +van al dijnre sielen, van al dijnren crachten"<a href="#5.45">[45]</a>. Die woorden +mag de minnende ziel nimmer vergeten, slapend noch wakend. +Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij, dan moet +zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet +dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid +te verwerven, noch om der wille van eenig genot in +den hemel of op aarde—maar alleen omdat het welbehagelijk +is aan den hoogwaardigen God, die de menschelijke natuur +daartoe geschapen heeft. + +<p>Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich +neemt. Met de minne komt ook de vreeze het hart des minnaars +binnen. Hij vreest, dat hij de minne niet zal kunnen voldoen; +dat al wat hij over minne zegt, te gering zal zijn voor haar. +En wel bestaat er reden tot zulke vreeze. Want wij willen allen +wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen mensch +zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan +het kruis hangen om de schuld van het menschdom te voldoen. +Elk klein verdriet trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid, +beliegt men ons, worden wij in onze eer getast of +in ons gemak of in ons genoegen—dan gaat het ons zoo +ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen +ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo +dolen wij arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijke<a name="160"></a> +wegen in een vreemd land. Want alleen de minne kan ons +voldoen; niets anders. Der minne loon blijft nimmer uit, al +komt het dikwijls spade. Wie haar zich zelven geeft geheel, +die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed. Dan hebben +zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne +brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen +in de diepte der minne. + +<p>Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de +dingen der menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo +wonderliefelijk gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich +goedertierenlijk tot de menschen kan richten in al wat zij wil<a href="#5.46">[46]</a>. + +<p>Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm +gelukkig. + +<p>Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in +het hart zijner vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid +in eene geestelijke dronkenschap „daer si in moet spelende sijn". +Telkens valt HADEWYCH zoo „buten den geest" en blijft zij +zóó verzwolgen in de minne, dat zij geene voorstelling of +begrip meer heeft van iets anders dan één te zijn met Hem +en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip +en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven. +Zij geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op +Pinksteren, op Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L. +Vrouwe Hemelvaart; de eene extaze duurt een half uur, eene +andere een halven dag, vaak blijft zij drie dagen en drie nachten +„in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een hoogen berg +met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende schijf +die de eeuwigheid verbeeldt, de drie „overste" hemelen met +de tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem +met al de zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus: +„Ende ic keerde mi van heme ende ic sach een cruce vore mi +staen ghelijc cristalle, claerre<a title="[margin: helderder.]"><sup>#</sup></a> ende witter dan cristal; daer<a name="161"></a> +mocht men dore sien een groote wijtheit. Ende vore dat cruce +sach ic staen enen setel ghelijc eener sciven ende<a title="[margin: die.]"><sup>#</sup></a> was claerre +ane te siene dan die sonne in haerre claerster macht ende onder +die scive stonden drie colommen.... Ende midden onder die +scive draeyde een wiel soo vreseleke omme ende die soo eyselike +was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike daer of verwonderen +mochte ende vervaren<a title="[margin: vreezen.]"><sup>#</sup></a>. De zetel beteekent de eeuwigheid; +de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H. +Geest. + +<p>Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug. +Doch terwijl zij bezig is met eene poging om mede te deelen +wat zij gezien heeft, op eene wijze die levendig herinnert aan +het beeld van „eenen den Zoon des menschen gelijk zijnde" +uit de Openbaring, wordt zij zóó overweldigd door Gods grootheid +en schoonheid, dat zij erkennen moet: „Daer ne magh +ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke<a title="[margin: onzegbaar.]"><sup>#</sup></a> grote +scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken wonderleken +aenscine, dat benam mi alle redene van hem in +ghelikenessen." + +<p>Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische +ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen +neemt en aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne +gevoelden naar haars harten begeeren; eene korte wijle heeft +zij kracht dat genot te verdragen, maar spoedig daarop verliest +zij den schoonen man in zijn zichtbaren vorm; zij ziet hem als +wegsmelten, totdat zij niets meer van hem gewaar wordt. Doch +op die ure was het haar alsof zij één waren „zonder differentie". +Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de zuivere vlam, +waarmede de minne doorgaans in haar brandt. + +<p>Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam +moesten aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet +haar te hooren vertellen, dat soms al hare leden schudden en<a name="162"></a> +beven van begeerte; dat zij, uit eene extaze tot zich zelve +komend, zich niet zelden neerslachtig of ellendig voelt<a href="#5.47">[47]</a>. + +<p>Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S +visioenen, de aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES; +de invloed van dat werk toch openbaart zich telkens in de +beschrijving van hare droomen en gezichten. Ook de schrijver +der Openbaring deelt ons een paar maal mede dat hij „in den +geest was", eens „op den dag des Heeren"; ook hij heeft +velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier +dieren, den arend, de sterke stem als die van den donder, de +zes vleugels met oogen bezet; het zevenvoudig bazuingeschal +vinden wij terug in de zeven vleugelslagen waarmede, bij +HADEWYCH, de engel „een ghestille" maakt. In de woorden +der Openbaring: „gij moet wederom profeteren voor vele volken +en natiën en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod +hebben gezien—zooals vóór haar HILDEGARDE VAN BINGEN +en ELISABETH VAN SCHÖNAU—haar dwingend hare visioenen +te openbaren<a href="#5.48">[48]</a>. + +<p>Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden +onder de bronnen waaraan deze volgster der minne haren +dorst naar het eeuwige stilde. Onder de boeken, toebehoorend +aan het Roode-Klooster in het Soniën-bosch waar HADEWYCH'S +poëzie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van „der +minnen boec dat men noempt cantica canticorum"<a href="#5.49">[49]</a>. Op meer +dan eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar +bekend was, dat de voorlezing van dat bijbelboek haar hart +ontroerde<a href="#5.50">[50]</a>. + +<p>Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S +gevoel en verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat +behalve haar gevoel ook haar verstand bevredigde. PAULUS +was haar niet onbekend, noch ORIGENES, noch AUGUSTINUS.<a name="163"></a> +De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX moesten +deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door +haar zoo geliefden tekst uit het Hooglied: „dilectus meus mihi +et ego illi" tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen; +weinigen hadden zich zoo als hij verdiept in de beschouwing +van de geestelijke liefde, van dien „amor sanctus et castus" +waardoor de ziel van den Christen moet worden gezuiverd; +ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een ijzer, +gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt; +zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd +wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in +het Hooglied en de Psalmen melding gemaakt vond, moet hij, +evenals HADEWYCH, hebben gevoeld vóórdat hij haar in een +zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer HADEWYCH in een +harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God dienen +uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide +soorten tegenover elkander stelt als „knechten" en „zonen", +dan schijnt haar daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S +brieven voor den geest te staan<a href="#5.51">[51]</a>. + +<p>Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt +zij, wie het Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben +gemaakt. Wanneer wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt +in <i>redene</i>, <i>wille</i> en <i>memorie</i>, dan worden wij herinnerd +aan ALBERTUS' indeeling: <i>ratio, voluntas, memoria</i><a href="#5.52">[52]</a>. + +<p>Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend +in hare visioenen, nooit de grenzen overschreden welke door de +R.K. Kerk aan het voelen en denken waren gesteld? Er bestaat +reden die vraag te doen, waar het mystieken geldt. Hoe licht +konden zij er toe komen zich te vergelijken met andere Christenen +en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in haar +proza en hare poëzie spreekt HADEWYCH van hen die zij<a name="164"></a> +„<i>vreemde</i>" noemt<a href="#5.53">[53]</a>. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde +personen die zij elders noemt: „valsche broederen die seinen +huusgenoote des geloofs". Tegenover deze plaatst zij de ware +broeders en zusters die zij met den naam van de „<i>nuwe</i>" +(nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet waarschijnlijk +voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche secte als +die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest, +doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om +licht moeten wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt +van het woord <i>nieuw</i> in geestelijken zin, in uitdrukkingen als: +En ik zag eenen <i>nieuwen</i> hemel en eene <i>nieuwe</i> aarde; het +<i>nieuwe</i> Jezuzalem; ziet ik maak alle dingen <i>nieuw</i><a href="#5.54">[54]</a>. + +<p>Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een +klein aantal geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men +tot haar opzag, dat zij daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing, +dat zij kwam tot uitspraken als deze: „ic en gheloefs +ooc niet, dat enich mensche levet daer God also sere af ghemint +es". Doch er is een groote afstand tusschen al of niet rechtmatige +zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar +proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v. +in een zin als deze: "Mer in ghebrukene<a title="[margin: genot]"><sup>#</sup></a> van minnen es men +God worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men +het anathema uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een +eigen weg naar God zoekt, eene kiem van ketterij in zich +omdraagt, en dat er naast eene kettersche ook eene kerkelijke +mystiek leefde: men heeft toch BERNARD VAN CLAIRVAUX niet +van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat „de diligendo +Deo" geschreven heeft: „sic affici deificari est"?<a href="#5.55">[55]</a> + +<p>In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare poëzie meer dan +eens getuigd van haren eerbied voor de „heilige kerk", en +tegen haar eigen getuigenis in mag men haar niet van ketterij +beschuldigen.<a name="165"></a> + +<p>Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande +HADEWYCH'S persoon zijn beantwoord. + +<p>Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert, +dat de menschen haar „soo langhe laten leven ende +datse enegen raet ochte enecb sparen ochte genade te mi hebben, +sine tormenten mi altoes met nuwen tormente", dan moet men +wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging om den geloove. +Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere over +ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan +komt men tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn +reizend en trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven +vereenigd). Onder hare geestverwanten noemt zij immers ook +„eene beghine die meester ROBBEERT doedde <i>om hare gherechte +Minne</i>"<a href="#5.56">[56]</a>. Eerst in lateren tijd zou zij dan eene toevlucht hebben +gezocht bij de Cisterciënser-nonnen van Aywières en abdis +zijn geworden. + +<p>Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben, +het vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster, +begijn, non of abdis, dankbaar moeten zijn. + +<p>Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch +naar het oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene +periode, aanvangend: „Nu verstaet die innecheit van uwer +zielen, wat dat es: ziele". Men zou het gevoelsleven dier +mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die periode +geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan +men toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in +het eerst van zijne vlucht: + +<p>„Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem +weder sienlec.... Siele es een wech van den dorevaerne Gods +in zine vriheit van sinen diepsten ende God es een wech van +den dorevaerne der zielen in hare vriheit.... Dat sien dat<a name="166"></a> +naturelec in de ziele ghescapen es, dat es caritate. Dat sien +hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene en +can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en +rust niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit +dan minne, mer minne hevet meer suetecheiden van +zalecheden dan redene. Doch hulpen hem dese twee herde zeer +onderlinghe, want redene leert minne ende minne verlicht +redene"<a href="#5.57">[57]</a>. + +<p>HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne +verhevenheid. Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij +den arend: zooals hij de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt +de ziel God; dan denkt zij niet meer aan heiligen of +menschen, zij vliegt alleen „in die hoechede Gods". Op andere +plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en zuiverheid +uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich +verlaten en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt +om Gods wil Hem behagelijk is. + +<p>„Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse +ochte ghi van hem begheven waert, daer omme en mestroest +u selven niet. Want ic segghe u waerleke, dat al de ellende +die men doeghet met goeden wille te Gode, die es bequame<a title="[margin: passend.]"><sup>#</sup></a> +in die ghehele nature Gods". + +<p>Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere +niet, want zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit +waar zij ons mededeelt, hoe God haar eerst het genot had +gegeven van Hem lief te hebben, doch haar dat ontnomen +had, toen zij zich zelve in hare onwaardigheid had leeren +kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens Hem te grijpen, +later ontweek Hij hare grijpende hand: „Nu gaat het mij", zegt +zij, „als iemand wien men iets aanbiedt „te spele" (uit de grap) +en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt: +vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eene<a name="167"></a> +uiteenzetting van haar „ongheval ter minne" uit vrees voor +verkeerde uitleggingen der „vreemden": „de vreemde souden +netelen planten daer de rosen staen zouden"<a href="#5.58">[58]</a>. + +<p>Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote +schoonheid is, heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S +proza. Men ziet het b.v. waar zij de kleinmoedigheid +van sommige minnende zielen schelst: „Inden daghe der gratien +sijn si coene ende inden nacht der tribulatien soe keren si den +rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte verheven +int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine gratie +doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy<a title="[margin: verdriet.]"><sup>#</sup></a> sere +verdroeven." + +<p>Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de +kerkvaders zoo veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij +HADEWYCH voor. + +<p>Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken +in het proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen +vaak gezien wordt<a href="#5.59">[59]</a>. Blijkbaar geschiedde dit met de +bedoeling aan de taal eenige verheffing en uiterlijk schoon bij +te zetten; doch het bloed kroop hier waar het niet gaan kon. + +<p>Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal +den harteklop der echte poëzie kunnen hooren. + +<p>HADEWYCH mocht al zeggen: + +<p class="quote">Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe +Ende mi selven mine quale linghe<a title="[margin: verleng.]"><sup>#</sup></a>. +</p> + +<p>Zij liet het daarom niet; zij wist te goed: + +<p class="quote">Maer dien ouden ende dien jonghen +Coelt sanc van minnen haren moet. +</p> + +<p>Wel ons, dat zij „van minne" gezongen heeft, want wij +hebben daaraan het bezit van geestelijke poëzie te danken, niet<a name="168"></a> +zelden duister, ook wel eens eentonig en onbeteekenend, maar +vaker in haar onbestuurde gangen voortzwevend met onbewuste +gratie en bijwijlen treffend door eene diepte en innigheid van +gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur niet +dikwijls zullen aantreffen. + +<p>Ook tot hare „vri edele sinne ende wel gheboren" was het +verholen woord gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan. +In hare jonge jaren had zij zich geheel aan de minne overgegeven; +zij beloofde zich niets dan zaligheid van de minne, +van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid, macht—lacy! +het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper: + +<p class="quote"> jeghen avont +Sal men loven den sconen dach. +</p> + +<p>Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie +wachtten haar, onnoozele; want: + +<p class="quote">Suer ende donker ende overwreet +Sijn der minnen weghe in haer beghin. +</p> + +<p>Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en +dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet: + +<p class="quote">Want ic sach eene lichte wolke opgaen +Over alle swerke, soo scone gedaen<a title="[margin: van gedaante.]"><sup>#</sup></a>, +Ic waende met volre weelden saen<a title="[margin: spoedig.]"><sup>#</sup></a> +Vri spelen in de zonne.... +Doe wert mijn hoge<a title="[margin: blijdschap.]"><sup>#</sup></a> maer een waen; +Al storve ic, wie es dies mi wanconne<a title="[margin: misgunnen zou.]"><sup>#</sup></a>? +</p> + +<p>Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te +komen leeren kennen: vreemden en vrienden had zij laten +varen, eer en rust opgegeven; hare ziel zooveel mogelijk ont<a name="169"></a>ledigd +van indrukken, door al het geschapene op haar gemaakt; +die ziel gemaakt tot een klaren spiegel, waarin het beeld der +Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de minnende +ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de +minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op +allerlei geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt +eerst dat redene den grond der minne moet doorglanzen. + +<p>Nu kan de ziel de onderscheidene trappen („graden" en +„staghen") der minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan +dat geschieden; men moet geduld oefenen. Menigeen wil wel +op gemakkelijke wijze de minne deelachtig worden en stelt +zich, dorper die hij is, tevreden met een klein genot dat voor +de hand ligt; doch minne kent dezulken niet: + +<p class="quote">Die gherne woude doghen tsuete ellende:<a title="[margin: ballingschap.]"><sup>#</sup></a> +Die weghe ter hogher mînnen lant, +Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende, +Des ghevet de trouwe seghel ende pant. +Nu es menech dorper soo truwant<a title="[margin: (schooierig) verachtelijk.]"><sup>#</sup></a>, +Hi nemt dat hem es naest ghehende<a title="[margin: nabij.]"><sup>#</sup></a> +Ende blivet vore minne die onbekende; +Metter truanciën cleet, +Soo en hevet hi vorme noch ere, +Daer minne dat haer bi versteet. +</p> + +<p>In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene +kracht, geen merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig +aan deze uitspraak der minne: hoe dieper gewond, hoe zachter +genezen! + +<p>Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als +een band, een licht, een kole vuurs, een dauw, een levende +bron; eene helle, die alles verslindt. Alleen hij zal haar geheel +bezitten, die zich geheel aan haar overgeeft. „Den middenweg<a name="170"></a> +houden, dat is zalig leven", zeggen de vroeden, die naar deze +wereld wijs geacht worden—maar HADEWYCH zegt: + +<p class="quote">Middelheit moet af, +Eer men in mach +Ten edelen goede. +</p> + +<p>Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en +klagen, maar daarin is toch zaligheid: + +<p class="quote">Bi wilen lief, bi wilen leet, +Bi wilen verre, bi wilen ghereet<a title="[margin: dicht bij.]"><sup>#</sup></a>, +Die dit met trouwe van minnen versteet, +Dat es jubileren: +Hoe minne versleet<a title="[margin: verslaat.]"><sup>#</sup></a> +Ende ommeveet<a title="[margin: omvangt.]"><sup>#</sup></a> +In één hanteren. + +Bi wilen licht, bi wilen swaer, +Bi wilen doncker, bi wilen claer, +In vriën troost, in bedwongen vaer<a title="[margin: vrees.]"><sup>#</sup></a>, +In nemen ende in gheven, +Moeten die sinne +Die dolen in minne +Altoos hier leven<a href="#5.60">[60]</a>. +</p> + +<p>Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot +den dood voor ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen +begrijpen, vóórdat MARIA door haren ootmoed de minne zelve +had gevangen: + +<p class="quote">Wat soo ons god ye onste<a title="[margin: ooit gunde.]"><sup>#</sup></a>, +Hen wert nie man <a title="[margin: er kwam nooit iemand.]"><sup>#</sup></a>, die conste +Gherechte minne verstaen, +Eer dat maria de goede<a name="171"></a> +Met diepen ootmoede +Die minne hadde gevaen<a title="[margin: gevangen.]"><sup>#</sup></a>. +T'ierst was si wilt, doe wert si tam, +Si gaf ons vore den leeuwe een lam: +Si maecte de demsterheit<a title="[margin: duisternis.]"><sup>#</sup></a> claer, +Die hadde geweest donker wel menech jaer<a href="#5.61">[61]</a>. +</p> + +<p>Is men onder strijd en storm van minne door het land van +ballingschap tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al +dat hooge gerucht (der wereld) de stilte der nederigheid over +de ziel; dan omvat de ziel wijde ruimten, dan doorwandelt zij +de diepten der minne („der minnen gewat"); zij geniet de +minne en geniet totdat zij in „orewoet" en geestelijke dronkenschap +zich zelve verliest. + +<p>Poëzie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als +deze, kan kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij +weten te weinig van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek +om met zekerheid te kunnen spreken over den samenhang van +HADEWYCH'S poëzie met de poëzie vóór haar. Dat er te onzent, +vóór of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen, eene lyrische +poëzie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen; doch +iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van +de poëzie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben +leeren kennen. + +<p>HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene +onmiskenbare verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals +die zich vóór haar in de aangrenzende landen en ook te +onzent had ontwikkeld. Onder al dit „zingen van minne" +verneemt men telkens klanken en motieven die ook in de +wereldsche minnepoëzie voorkomen. Dat om genade bidden, +die klachten over den band en den brand der minne, de<a name="172"></a> +ellende die de minnaar moet doorstaan, die betuigingen dat de +minne met haar aanlokkelijk gelaat hem van zinnen berooft—dat +alles hooren wij ook in de gewone minnepoëzie. Woorden +als <i>zeelde</i> (minneweelde), <i>merkaren</i> (kwaadwillige spionnen en +verklikkers), eene uitdrukking als: „de minne heeft de dagen +en ik de nachten", wijzen in diezelfde richting<a href="#5.62">[62]</a>. De aanvang +van een der grootere lyrische gedichten: + +<p class="quote">Viere meisteren seiden een coninc: +Welc ware de starcste dinc +</p> + +<p>is de gewone van zoovele <i>tenzonen</i> (strijdgedichten) welke, +in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken +gemaakt werden<a href="#5.63">[63]</a>. + +<p>Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van +HADEWYCH'S liederen aan met een schetsje of een greep uit +het natuurleven. Dat natuurleven moet dienen ter inleiding van +het gemoedsleven, hetzij door overeenkomst hetzij door tegenstelling. +Zoo b.v. in dit fraaie aanvangscouplet: + +<p class="quote">Tsaermeer<a title="[margin: thans.]"><sup>#</sup></a> sal in corten tide +Tsap van den wortelen opwaert slaen! +Daerbi sal, verre ende wide, +Beemt ende cruut sijn loof ontfaen; +Dies so hebben wi sekeren waen<a title="[margin: vast geloof.]"><sup>#</sup></a>, +Die voghele werden blide; +Die gheet in minnen te stride, +Hi sal verwinnen saen<a title="[margin: spoedig.]"><sup>#</sup></a>, +Opdat hi niet en mide<a title="[margin: zich niet spare.]"><sup>#</sup></a><a href="#5.64">[64]</a>. +</p> + +<p>Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan +het natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne +en alle verdriet te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd door<a name="173"></a> +den dauw, op den dorenstruik ontluikt; ook in de minne is +het: „na groten storme werdet dat weder scone"; waar 't gemoed +met den rijp van den waan is bedekt, daar kan geen loover +van minne groeien<a href="#5.65">[65]</a>. Andere vergelijkingen verplaatsen ons in +het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil bouwen, hoe +dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich zelve +bij een kind „dat na sprect dat het spreken hoort"; op de vervulling +van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals +een gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij +vergelijkingen of beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel; +op de grens van het platte staat zij met haar beeldspraak van +de taverne waarin Minne hare gasten bedient. Aan de volkspoëzie +en wel aan de oudste leugenliederen herinneren ons +deze verzen: + +<p class="quote">Want niet bat en can 't getoonen mijn sin, +Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin<a href="#5.66">[66]</a>. +</p> + +<p>Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden +wij door hare beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan +aan het ridderwezen. In het proza komt er een enkele maal +een voor, zoo b.v. waar zij spreekt van de „wijsheit" die „alle +die edele ridderen achemeert"<a title="[margin: uitrust.]"><sup>#</sup></a> in den strijd der minne; doch +in de poëzie wemelt het ridderleven ons telkens voor de oogen. +De gansche voorstelling van het zoeken der minne als een +strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft overigens waarschijnlijk +ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij hooren +van „doorhouwen schilden" en „schermen onder den scilt", van +„joesten", eenen „keer doen" (zich door den vijand heen +houwen en langs denzelfden weg terugkeeren), van „sinen +hoghen telt (draf) riden", van „heervaert", „kimpen" (kampvechters), +„vesten", muren en grachten; van koene ridders die +een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van „schachten<a name="174"></a> +die diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het ridderleven +kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en +het is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres +van het vers: + +<p class="quote">Fiere herte en was nie<a title="[margin: nooit.]"><sup>#</sup></a> bloode +</p> + +<p>gelijk zoovele Cisterciënser-nonnen van adellijke afkomst is +geweest<a href="#5.67">[67]</a>. + +<p>Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel +van haar geest en haar gemoed. + +<p>Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele +weet te vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen +die haar eenigszins kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt. +Haar gevoel is dikwijls onbestuurd en doet hare poëzie dan +vervloeien tot muzikale woord-arabesken, die uiting geven aan +hare gemoedsstemming, al kunnen wij daar het verband tusschen +gevoel en klank niet waarnemen. Op menige plaats geven hare +verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener ziel met +het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat +brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben +beseft. Voor het eerst—immers nog vóór WILLEM VAN +AFFLIGHEM—vinden wij in de geschiedenis onzer woordkunst +het besef uitgesproken van het onvermogen der taal om de +diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over de +Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: „van al dien dat in ertike es, +mach men redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe +en wetic gheen dietsch noch gheen redene". En elders lezen +wij over het zich oplossen van den mensch in God: „ay, ic +en dar<a title="[margin: durf.]"><sup>#</sup></a> hier af nemmeer scriven, ic moet emmer van den +besten meest swighen ... ende hier omme quetse ic mi, dat +ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, dat +<a name="175"></a> +der pinen<a title="[margin: moeite.]"><sup>#</sup></a> wert es, ochte woorde na<a title="[margin: volgens.]"><sup>#</sup></a> miere zielen gront." +Ook in hare poëzie vinden wij uitingen als: + +<p class="quote">Het mochte dat inneghe gedinken +De tonge verminken, +Sprake siere af meer<a href="#5.68">[68]</a>. +</p> + +<p>Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden +en smarten der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige +taal, telkens nieuwe rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend +met het lichte spel van rijmklanken, van staand +en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein. + +<p>Eentonig—heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig? +Ook de heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich +gelukkig voelen, omdat de blik er niet op grenzen stuit, noch +in het wijde rondom noch in het diepe omhoog; wier oog met +welbehagen rust op frissche wel en volle beek, op den dorren +grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn stemmig bruin, +en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der erica.<a name="176"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.1">1</a>: <i>Spiegel der Zonden</i> (ed. VERDAM), vs. 4852–3.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.2">2</a>: Zie bl. 124, 6.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.3">3</a>: Vs. 5–15. Den naam <i>Digenen</i> kan ik niet thuisbrengen. De +eenige mij bekende naam die op dezen gelijkt, is die van den ridder +<i>Degener</i> die door zijne minnares LUSSEWINE verraden wordt. Vgl. de +romance in H. v. FALLERSLEBEN'S <i>Horae Belgicae</i>, II, 29.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.4">4</a>: Uitgaven van het volledig gedicht en van eenige fragmenten +vermeld door TE WINKEL, <i>Gesch.</i>, bl. 266 en in PETIT'S <i>Bibliographie</i>, +n<sup>o</sup>. 478 en 1143. Zie verder het belangrijk artikel van VERDAM in: +<i>Versl. en Meded. der Kon. Akad. v. Wet.</i>, 4e Reeks, Deel IV.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.5">5</a>: In vs. 4055 wordt „die ewangeliste" genoemd; in vs. 4059 +„sinte Gregorijs"; in vs. 4067 „sinte Augustijn". Doch is dit deel van +het gedicht van den oorspronkelijken dichter, die de Roode Zee: de +<i>leverzee</i> noemt, (vs. 1130)?] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.6">6</a>: Vgl. vs. 165 vlgg.; 1100, 1292, 1310, 1342, 1584, 1752, 1760, +2076; vs. 217 vlgg.; 478, 930, 1352 en de telkens volgende verzen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.7">7</a>: Vgl. o.a.: 376, 660, 1837, 1843, 2857, 3678; vs. 345 vlgg.; +860 vlgg.; 644, 650, 1277, 666; 1775–8, 1802, 1910.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.8">8</a>: Vs. 517, 757 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.9">9</a>: Vs. 2154-'67, 2353-'62, 2788 vlgg.; 2860, 2885 vlgg.; 2923, +2950 vlgg.; 3039 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.10">10</a>: Vs. 754–5, 1634, 271–2, 4277.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.11">11</a>: Vs. 354–5 (het Ovidiaansch: „eodem argento" maar minder +fijn); 2251, 1402.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.12">12</a>: Vgl. vs. 1050 vlgg., 1382 vlgg.; 1685, 1864; 1179, 2394, 2396; +2376, 2720, 1539 vlgg.; 2054, 3903 vlgg.; 2340–1.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.13">13</a>: Vs. 1130.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.14">14</a>: Zulke plaatsen zijn vs. 478 vlgg.; 1417 vlgg.; 1626 vlgg.; +1986 vlgg.; 2088 vlgg.; 2440-'64; 2983 vlgg.; 3195 vlgg.; 3277 vlgg.; +3395 vlgg.; 3445 vlgg.; 3483 vlgg. + +<p class="footnote">Op menige plaats kan men zonder moeite een lied in vier- of +meerregelige coupletten, welker aanvang of slot door gelijke verzen +wordt aangegeven, herkennen. Door te letten op den bouw dier<a name="177"></a> +liederen kan men dan den blijkbaar sterk geïnterpoleerden tekst +zuiveren. In het door WILLEMS uitgegeven fragment naar een hs. der +14e eeuw vinden wij de coupletten, MARIA MAGDALENA in den mond +gelegd (vs. 1417 vlgg.) doch door den afschrijver verknoeid; het +volledige hs. (der 15e eeuw) geeft hier een zuiverder tekst. Echter +heeft ook deze eene critische zuivering hoognoodig. Opmerkelijk is +(VERDAM merkte het reeds op) hoe dikwijls van vier verzen met +gelijk rijm twee bij eenig nadenken al spoedig interpolaties blijken.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.15">15</a>: Het hs. is waarschijnlijk geschreven door zekeren MARTIJN +van Thorout in de abdij van EENAME bij Oudenaarde. Zie over +dat hs. <i>Belg. Museum</i>, III, 197 vlgg.; NAP. DE PAUW, <i>Mnl. Gedichten</i>, +II, Inleid.; PRIEBSCH, <i>Deutsche Handschriften</i> enz., n<sup>o</sup>. 177. + +<p class="footnote">In vs. 752 van het leven <i>van S. Aechte</i> wordt als jaar der vervaardiging +1286 genoemd; S. WERNER is volgens de A.S. gestorven +in 1287 en in vs. 13–15 van zijn leven lezen wij: „dat doet es +bleven <i>nu nichtinghe</i>"; in het leven <i>van S. Marie Egyptiake</i>, vs. +687–9: „dit was ghemaect.... MCC ende neghentech jaer."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.16">16</a>: Een tijdgenoot dezer dichters, de Fransche poëet RUTEBEUF +schreef eveneens eene <i>Vie sainte Marie l'Egyptianne</i>. De Mnl. bewerking, +die uitvoeriger is, heeft, voorzoover ik kan zien, niets met +deze bewerking gemeen dan natuurlijk de hoofdzaken, die men o.a. +vindt in de <i>Legenda Aurea</i> (ed. GRÄSSE), p. 247, c. LVI.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.17">17</a>: <i>Van sente Aechte</i>, vs. 668 vlgg. en vs. 762 vlgg.; <i>van sente +Waerneer</i>, vs. 5 vlgg.; ook het slot van <i>van sente Marie Egyptiake</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.18">18</a>: Vgl. PIRENNE'S <i>Gesch. Belgiëns</i>, I, 36. Het klooster Thorout +(Thor-hout ?) lag niet ver van Sluis.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.19">19</a>: Vgl. over de vraag of MAERLANT een Dietsch dan wel een +Fransch werk zal hebben bedoeld JONCKBLOET'S <i>Gesch. der Ned. +Lett.</i>, II, 88–90. + +<p class="footnote">FRANCK is van oordeel, dat M. ook wel een Fransch gedicht kan +hebben bedoeld; JONCKBLOET'S betoog komt mij echter overtuigend +voor. Zou MAERLANT trouwens wel van een <i>Fransch</i> werk hebben +kunnen zeggen, dat het „wyde becant" was? Kennis van het Fransch +was in de 13e eeuw geenszins algemeen in Vlaanderen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.20">20</a>: Zie de literatuur-opgaven bij TE WINKEL, (p. 408); daar ook +den titel van VAN HAMEL'S uitgave van het oorspronkelijk Fransch +werk. Ik verwijs hier steeds naar de nieuwste uitgaaf van Dr. P. +LEENDERTZ. (Amsterdam. 1893).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.21">21</a>: Vgl. b.v. n<sup>o</sup>. 15, 39, 44, 48, 51, 86, 114, 117 van den <i>Rinclus</i> +met de overeenkomstige coupletten van het oorspronkelijke.]<a name="178"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.22">22</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. 38 (v.d. <i>Rinclus</i>) met het origineel; vs. 936 (<i>Rinclus</i>) +met str. n<sup>o</sup>. 81, 11; voorts n<sup>o</sup>. 5, 12 v. <i>Mis.</i> met de bewerking; +n<sup>o</sup>. 104 (met 103 v.d. <i>Rinclus</i>) n<sup>o</sup>. 109 (met 108); in n<sup>o</sup>. 112 de +uitdrukking: <i>n'en leva pas le ventre vuit</i>, die niet in n<sup>o</sup>. 111 (<i>R.</i>) te +vinden is; n<sup>o</sup>. 120 (<i>Mis.</i>). De varianten van 29 door VAN HAMEL +medegedeelde hss. zijn hier zonder beteekenis.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.23">23</a>: Vgl. <i>Rinclus</i>, n<sup>o</sup>. 117; vs. 526 (<i>Mis.</i>, n<sup>o</sup>. 43, 5–8); vs. 691 +(<i>Mis.</i>, n<sup>o</sup>. LVII); vs. 1114 (<i>Mis.</i>, n<sup>o</sup>. 96, vs. 8); vs. 595 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.24">24</a>: Reeds JONCKBLOET had deze overeenkomst opgemerkt. Vgl. +zijne <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, I, 434. Meer punten van overeenkomst +zijn aangewezen in FRANCK en VERDAM'S uitgave van MAERLANT'S +<i>Stroph. Ged.</i>, Inl. LXXXVIII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.25">25</a>: <i>Scivias</i> i.e. <i>nosce vias Domini</i> (onderzoek (leer kennen) de +wegen des Heeren).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.26">26</a>: Vgl. <i>Acta Sanct.</i> (ord. S. BENED). Junii III, p. 612 („Deinde +cum inchoaretur Missa de beatissima Virgine Domina Nostra (sabbatum +enim erat), veni in extasim." „Et his dictis, ab extasi reversa sum", +p. 617: „In Exaltatione Sanctae Crucis saepe in extasi facta"; p. 619: +„Accidit in prima Dominica solennis Jejunii in primis Vesperis, ut +venirem in mentis excessum"; p. 620: „In die ad Missam, cum +inchoaretur Passio Domini, iterum in extasim veni."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.27">27</a>: In een brief der abdis van ANDERNACH aan HILDEGARDE +<i>Epistola</i> CXVI) vraagt eerstgenoemde of het waar is, dat H. alleen +adellijke jonkvrouwen in haar klooster opneemt.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.28">28</a>: Het hier beknopt samengevatte werd door mij ontleend vooral +aan: MOLL'S <i>Kerkgesch.</i>, (zie: <i>Alg. Reg.</i>, p. 181–2. Zonden heerschende +bij geestelijken en kloosterlingen), voorts pass. en o.a.: +II, 2, 1 vlgg. en 148 vlgg.; PREGER, <i>Gesch. der deutschen Mystik</i>, I; +SABATIER, <i>Vita di S. Francesco d'Assisi</i>; MIGNE, <i>Patrolog.</i>, T. 197; +<i>Acta Sanct.</i> (ord. S. BENED). Junii III, 604–643. <i>Offenbarungen +der Schwester Mechthild von Magdeburg....</i> herausgeg. von +P. GALL MOREL; WYBRANDS, <i>De Abdij Bloemhof</i>, p. 136–7. +AUGER'S <i>Etude sur les Mystiques des Pays-Bas</i> geeft weinig nieuws +van beteekenis.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.29">29</a>: Vgl. <i>Leven van Sinte Lutgart....</i> door F. VAN VEERDEGHEM. +Leiden, voorheen E.J. BRILL. 1899.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.30">30</a>: Vgl. ald. III, 4580-'84. De <i>Vita</i> schijnt slechts van <i>de hand</i> +te spreken. Zie <i>Inl.</i> XI.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.31">31</a>: Vgl. over dat alles VAN VEERDEGHEM'S <i>Inleiding</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.32">32</a>: Zie staaltjes dier breedvoerigheid t.a.p. XXXV-XXXVI.]<a name="179"></a> +[Voetnoot <a name="5.33">33</a>: <i>Vita</i> (in de <i>Acta Sanct.</i>, Junii, T. III), p. 246, c. 11; <i>Leven +van S. Lutgart</i>, IIe Boek, c. XII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.34">34</a>: II, vs. 1684 vlgg.; 2576 vlgg.; III, 956–979.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.35">35</a>: De bedoelde plaatsen, voorzoover niet reeds aangewezen, vindt +men II, 1297; 516–562; vgl. ook vs. 7479-'83 met het origineel, +waar men slechts deze woorden vindt: „cum Moniales alta voce cantarent."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.36">36</a>: De uitgever zegt: „assonances hebben wij er niet opgemerkt" +(<i>Inl.</i> LXIII). Ik vond er slechts één (II, 241–2: <i>talen</i> || <i>maken</i>).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.37">37</a>: De voornaamste plaatsen waar over de <i>minne</i> gesproken wordt, +zijn II, 81–88; 1220 vlgg.; 1339; 4625-'7; 5262-'7; 6283 vlgg.; +6388-'98; 6969-'88; 7787–7806; 7848-'52; 7906-'13; III, 1789-'91; +2008-'32; 3070-'84; 4564-'7. + +<p class="footnote"><i>Orewoet</i> genoemd: II, 6409, 7066, 7544, 7893, 13927. + +<p class="footnote">Al deze plaatsen worden in het Latijn niet aangetroffen. Slechts +van III, 3070-'84 vindt men iets in het Latijn terug („pia Lutgardis +in oratione cum Domino mira spiritus instantia luctabatur. Tandem +vero, ubi in ira Dominum misericordias continentem evincere non +valebat" etc.).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.38">38</a>: Uitgaven van haar werk: <i>Gedichten</i> in Maetschappij der +Vlaemsche Bibliophilen, 4e Reeks, n<sup>o</sup>. 2; <i>Proza</i>, id. n<sup>o</sup>. 11. De hss. +ter Bibl. Royale te Brussel Cat. Ned. hss., n<sup>o</sup>. 2877-'80 en ter +Univ.-Bibl. te Gent. Vgl. voorts over die hss. <i>Vaderl. Museum</i>, II, +136 vlgg. Een artikel van PAUL FRÉDÉRICQ over: <i>De geheimzinnige +ketterin Bloemaerdinne</i>. (Zuster HADEWYCH) in: <i>Versl. en Meded. der +Kon. Akad. v. Wet.</i>, 3e Reeks, Deel XII en het stuk daartegen van +E. VAN EVEN in <i>Dietsche War.</i> van 1896. Voorts: <i>Untersuchungen +über die Werken van Zuster Hadewych....</i> von M. JÖRIS. Strassburg. 1894. + +<p class="footnote">De voorstelling van RUELENS—FRÉDÉRICQ: Hadewych = Bloemaerdinne +is m.i. onaannemelijk. VAN EVEN heeft dat reeds ten deele +aangetoond. + +<p class="footnote">Tegen die voorstelling pleit vooral: + +<p class="footnote">1<sup>o</sup>. dat de namen der beide vrouwen verschillen; <i>Hadewijch</i> en +<i>Heilwijch</i> zijn namen van verschillende afkomst (zie o.a. POTT, <i>Die +Personennamen</i>, 110, 212, 641) en nergens blijkt, dat zij in dien +tijd ook wel verwisseld worden + +<p class="footnote">2<sup>o</sup>. de voorbeelden van kettersche leerstellingen, door F. uit +HADEWYCH'S werken aangehaald, bewijzen niet dat hier inderdaad +van ketterij sprake mag zijn; ook van die „allerschandelijkste seraphische +liefde" zijn in HADEWYCH'S werken geene sporen aan te wijzen. + +<p class="footnote">3<sup>o</sup>. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en<a name="180"></a> +haar invloed bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok +JAN VAN LEEUWEN, spreekt van „een overheylich wijf die hiet +hadewijch" en van hare „edel goddelike leringhe"; die „leringhe" +is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S geschrift: <i>die rolie der woedegher +minnen</i>. Zie daarover het artikel van Dr. C.G.N. DE VOOYS in: +<i>De XXe eeuw</i>, IX, 181.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.39">39</a>: <i>Proza</i>, bl. 187.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.40">40</a>: Vgl. <i>Quinque prudentes Virgines....</i> auctore P.F. CHRYSOSTOMO +HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de <i>Vita B. Beatricis</i>. Was +zij de Cisterciënser-non, „quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat +de se ipsa"? (<i>Vad. Museum</i>, II, 142), en wier werk door WILLEM +VAN AFFLIGHEM in het Latijn „satis eleganter" vertaald is? Of +moeten wij aan HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden +wij ook hier weer verplaatst onder de Cisterciënser-nonnen en zien +wij WILLEM VAN AFFLIGHEM in betrekking tot deze.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.41">41</a>: Vgl. o.a. <i>Proza</i>, blz. 5–6, 15, 20–21, den aanvang der +<i>Epistolae; Gedichten</i>, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5–10; +210, 25–28.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.42">42</a>: <i>Proza</i>, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij +sommige Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese?] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.43">43</a>: <i>Proza</i>, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van +PAUL FRÉDÉRICQ.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.44">44</a>: <i>Proza</i>, bl. 106–7, 128.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.45">45</a>: <i>Deuteronomium</i> VI, 5. (De tekst van het proza heeft „<i>diere</i> +herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik <i>dijnre</i>).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.46">46</a>: Vgl. <i>Proza</i>, bl. 72–3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.47">47</a>: <i>Proza</i>, bl. 104, 143, 179, 119, 126–7. (<i>Openb.</i> I, 13 vlgg.), +146, 144, 151. Vgl. ook FRÉDÉRICQ'S artikel, bl. 83.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.48">48</a>: Vgl. <i>Openb.</i> VIII, 6 en <i>Proza</i>, 135; VI, 1 en 135–6; VIII, +13 en 153–4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met +<i>Proza</i>, 135, 139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: „gij moet +wederom" enz. + +<p class="footnote">In <i>Openb.</i> II, 4 lezen wij: „Maar ik heb tegen u dat gij uwe +eerste liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: „maar ik heb eenige weinige +dingen tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: „Mer ic hebbe een +dinc te di, daer ic mi omme belghe" enz.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.49">49</a>: Vgl. <i>De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken....</i> +door W. DE VREESE, I, 427.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.50">50</a>: <i>Proza</i>, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: „ic di, wes mi" in hare +<i>Poëzie</i>, bl. 94, 131, 244.]<a name="181"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.51">51</a>: S. BERNARDI <i>Opera omnia....</i> D. JOANNIS MABILLON. +Mediolani. JAC. GNOCCHI, 1850, I, <i>Ep.</i>, XI te vergelijken met: +<i>Gedichten</i>, XI, 19–20: + +<p class="footnotequote">Want der knechten wet es vaer<a title="[margin: vrees.]"><sup>#</sup></a> +Maer minne es wet der sonen. +</p> + +<p class="footnote">„Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit +sibi: tertius filius et defert patri." + +<p class="footnote">Voorts: <i>Tract. de Conversione</i>; <i>de diligendo Deo</i>; <i>In cantica sermo 67</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.52">52</a>: Vgl. <i>Proza</i>, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK +GOETHALS van Gent, spreekt van: <i>nosse</i>, <i>velle</i> et <i>posse</i>. Vgl. <i>Heinrich +von Gent</i> von Dr. K. WERNER, S. 37.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.53">53</a>: B.v. <i>Proza</i>, p. 43, 93, 107. <i>Gedichten</i> o.a.: p. 5, 41; 26; 86, +41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2; +86, 27 en pass.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.54">54</a>: <i>Proza</i>, 14, 24; voorbeelden van <i>nuw</i>, <i>Mnl. Wdb.</i>, IV, 2422 +en pass. in HADEWYCH'S <i>Gedichten</i>. Tegenover de <i>nieuwe</i> plaatst H. +ook wel eens de <i>oude</i> en tegenover de <i>vreemde</i> de <i>bekende</i>. Zie b.v. +<i>Ged.</i>, bl. 224 (b.).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.55">55</a>: <i>Proza</i>, 35, 58.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.56">56</a>: <i>Gedichten</i>, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk +is 190, 1 vlgg. <i>Proza</i>, bl. 176. + +<p class="footnote">Met „broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der +13e eeuw bedoeld. Vgl. FRÉDÉRICQ t.a.p., bl. 90.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.57">57</a>: <i>Proza</i>, bl. 61–2. <i>Minne</i> en <i>Redene</i> als de twee voornaamste +zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S <i>voluntas</i> en <i>ratio</i>. + +<p class="footnote">Inderdaad vinden wij in de <i>Gedichten</i>, bl. 196, vs. 15 vlgg. <i>redene</i> +en <i>wille</i> in verband met <i>memorie</i> behandeld.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.58">58</a>: <i>Proza</i>, bl. 87, 5, 3, 68.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.59">59</a>: <i>Proza</i>, bl. 32; voorts 17, 96, 104. <i>Rijmklanken</i> o.a. op bl. 23, +42, 57, 89.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.60">60</a>: Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de <i>Gedichten</i>, p. 84, +69, 18, 56, 61, 66–7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne), +92, 93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der +minne), 242, 264, 21–22, 32; (de geestelijke „dorper"), 39, 42, 43, +46, 49, 105, 123, 235.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.61">61</a>: Vgl. <i>Ged.</i>, 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17–18; („hoech +gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; („gewat"), 9; +(„ghebruken"), <i>orewoet</i>, (28, 51, 69, 107, 30–31), 43.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.62">62</a>: <i>Ged.</i>, p. 69, 134, 142, 146, 156–7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93.]<a name="182"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.63">63</a>: Vgl. bl. 186.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.64">64</a>: Bl. 8. En voorts pass. b.v. n<sup>o</sup>. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23, +35, 41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.65">65</a>: <i>Ged.</i>, bl. 11, 15, 24.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.66">66</a>: <i>Ged.</i>, bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich +het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met +den aanvang: + +<p class="footnotequote">Een blinde zag een molensteen +Ronddrijven in den stroom.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.67">67</a>: Vgl. <i>Proza</i>, bl. 60–61; <i>Ged.</i> 14, 32, 36, 53, 55, 78, 79, 83, +124, 145, 151, 152, 154, 158, 165, 169, 178, 179, 269. Of het vers: +„Haddic mijn hoege geslachte bedacht" (XXIII, 50) eene zinspeling +is op haar adeldom (zooals JONCKBLOET meent), schijnt mij twijfelachtig. +In den mond van mystieken beteekent zulk eene uitdrukking +m.i. eer: dat men zich een schepsel Gods dan dat men zich van +adellijk geslacht voelt.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="5.68">68</a>: <i>Proza</i>, bl. 59, 77; <i>Ged.</i>, bl. 252, 254, 257.]<a name="183"></a> + +<hr> + +<h2>3. POËZIE DER GEMEENTEN.</h2> + +<p class="intro">De gemeenten tegenover adel en geestelijkheid. <i>Disticha Catonis</i>. +Dietsche <i>Ars Amandi</i>. <i>Bestiaris</i>. <i>Esopet</i>. De eerste boerde. Roman +<i>van den VII. Vroeden van Rome</i>. <i>Van den Vos Reinaerde</i>. + +<p>De ridderschap droeg een half nationaal half internationaal +karakter. De adel van eenig land mocht zich aan dat land verbonden +gevoelen door afkomst, taal, grondbezit en van tijd tot +tijd met zijne landgenooten tegenover andere volken staan—toch +had hij met den adel van andere West-europeesche volken +veel gemeen: dezelfde ridderplichten golden voor allen, hun +begeeren en streven, hunne leefwijze, zeden en gewoonten, +waren grootendeels van denzelfden aard. + +<p>Ook de geestelijkheid, dienaren eener zelfde kerk die het +Westen van Europa in haar greep omvatte, had vrij wat internationaals; +dezelfde klooster-orden vond men in onderscheiden +landen; overal droegen „gelijke monniken gelijke kappen" en +konden van gedachten wisselen in de gemeenschappelijke kerktaal. + +<p>Tegenover deze beide standen vertegenwoordigen de gemeenten +het zuiver-nationale element. Poorters en boeren, doorgaans +aan stad of dorp gebonden, kwamen zelden buiten hunne +streek of hunne gouw, veel minder in vreemde landen, tenzij +een bedevaart of een krijgstocht er hen toe dwong. In die talrijke +kleine kringen welker samenhang door onderling gesloten +huwelijken nog versterkt werd, bewaarde men het zuiverst het +oorspronkelijk volkskarakter in zijne voorname uitingen: taal, +recht, maatschappelijk en huiselijk leven. Daar sprak men slechts +Dietsch, gaf en ontving recht volgens voorvaderlijke instellingen,<a name="184"></a> +en bewaarde de eeuwen door een schat van instellingen, gebruiken, +zeden en gewoonten. + +<p>Het ideale streven van den adel en de geestelijke „minne" +waren voor hunne nuchterheid te hoog. Oorlog en hoofsche +minne, in de ridderromans verheerlijkt, konden nog niet veel +aantrekkelijks hebben voor harde werkers, tuk op winst die +slechts de vrede hun brengen kon; voor eenvoudige boeren +en poorters, die nog niet veel gaven om oorlogsroem, uiterlijke +beschaving en verfijning. Zeker, ook zij hadden behoefte aan +iets hoogers dan het dagelijksch werken om den broode. In +die behoefte voorzagen de kerk en het geloof voor een groot +deel; doch naarmate het geestelijk leven onder de gemeenten +zich ontwikkelde, begonnen ook zij smaak te krijgen in eenig +letterkundig werk dat hen kon vermaken, onderrichten of stichten. +Wat aan een of meer dezer drie voorwaarden voldeed, had +kans de gemeente te behagen—indien het niet te omvangrijk +was; want onder burgers en boeren had men niet zooveel vrijen +tijd als in kasteel of klooster. + +<p>Van dien aard was de Latijnsche verzameling van eenvoudige +zedelessen onder den naam <i>Disticha Catonis</i> uit de eerste +eeuwen onzer jaartelling, die in bijna ontelbare bewerkingen +of vertalingen onder de volken van West-Europa was verbreid<a href="#6.1">[1]</a>. + +<p>Dat „bouc van zeden" zooals MAERLANT het noemt, werd +reeds in 1253 zóó hoog geschat, dat men het op de scholen +van Yperen als leerboek gebruikte; toen DIEDERIC VAN ASSENEDE +zijn <i>Floris en Blancefloer</i> bewerkte, nam hij in zijn gedicht een +drietal verzen uit den „bouc van zeden" op, die hem blijkbaar +nog van de schoolbanken heugden. De korte, grootendeels +vierregelige stukjes, in eenvoudige taal en doorgaans paarsgewijze +rijmend, waren daartoe dan ook wel geschikt. Met hun +inhoud kon het middeleeuwsch geslacht zeker zijn voordeel +doen. Zij vonden hier enkele voorschriften in den geest van<a name="185"></a> +het Christendom, zooals: den dood niet vreezen, zich niet +schuldig maken aan overspel of vrekheid. Veel meer echter +zulke die gericht waren op algemeene zedelijke vorming, op de +praktijk des levens, het aankweeken van zachtheid en heuschheid, +het aanleeren van goede manieren: vroeg opstaan, niet +te veel eten en drinken, niet veel praten onder het eten, zijn +kinderen een ambacht laten leeren, spaarzaam zijn, weer goed +maken wat gij in dronkenschap misdreven hebt; ais gij ziek +zijt, kies dan iemand die verstand heeft van de geneeskunst; +let niet op droomen, beproef niet te doen wat uwe kracht te +boven gaat; maak u niet boos op uwe dienstbaren, geloof +uwe vrouw niet als zij te onrechte over hen klaagt, bedenk +dat zij menschen zijn als gij; aanvaard minzaam ook een kleine +gift, scheld niet die u liefhebben; bespot oude menschen niet; +tracht wijs te worden: onderricht in den landbouw kunt gij +vinden bij VIRGILIUS, in den oorlog bij LUCANUS, in de minne +bij OVIDIUS. Wacht u voor menschen die weinig spreken: + +<p class="quote">Men seit: die vloet die stille staet, +Soe<a title="[margin: zij.]"><sup>#</sup></a> es dieper dan die harde gaet. +</p> + +<p>Bemin het geld om zijn gebruik; bezit gij have en goed, +geniet er dan van. Gij moogt wel een spiering uitgooien om +een kabeljauw te vangen. + +<p>OVIDIUS' onderricht in de minne, waarvan de <i>Dietsche Catoen</i> +spreekt, was te vinden o.a. in een uit het Fransch vertaald +gedicht, dat waarschijnlijk tot dezen tijd behoort en de <i>Ars +Amandi</i> behandelde. Ook in een <i>bestiaire</i>—wij zouden +zeggen: een <i>beestenboek</i>—zooals een Fransch geestelijke van +hoogen rang, RICHARD DE FOURNIVALL, er in den aanvang +der 13<sup>de</sup> eeuw een schreef, dat toepasselijk was gemaakt op +de liefde. Zulk een „bestiaris van minnen", waarschijnlijk uit +dezen tijd, kwam gedeeltelijk tot ons.<a name="186"></a> + +<p>Veel meer in trek echter waren de echte „bestiaires" die een +overzicht van gesymboliseerde zoölogie behelsden. MAERLANT +verhaalt ons dat Heer WILLEM UTENHOVE, „priester van goeden +hove" te Aardenburch, zulk een <i>Bestiaris</i> had gemaakt. Doch +hij was van den rechten weg afgedwaald, doordat hij een +Fransch gedicht tot voorbeeld had gekozen. Misschien was dit +voorbeeld PHILIPPE DE THAON'S <i>Bestiaire</i> uit den aanvang der +12<sup>de</sup> eeuw, waarin o.a. de leeuw Jezus-Christus voorstelt; de +eenhoorn die zich laat vangen door eene maagd: God die afgedaald +is tot Maria; de krokodil den duivel; de sirenen die in +zee de schippers verlokken: de rijkdommen in de wereld de +menschen verleidend enz.<a href="#6.2">[2]</a>. + +<p>Doch hoe nuttig zulke zedelessen ook waren, zij zetten de +verbeelding niet aan het werk en vermochten dus niet, wat +men van een literair werk vooral verlangt: de toehoorders +(lezers) aan zich zelven te ontrukken. + +<p>Daartoe was het verhaal beter geschikt, het korte verhaal +dat tevens een nuttige les bevatte. Zulke verhalen zijn van de +oudste tijden af bij alle volken, beschaafd of onbeschaafd, in +zwang geweest en hebben zich langs de wegen van mondelinge +en schriftelijke overlevering, de eeuwen door, van het eene volk +tot het andere verbreid. In tijden toen de mensch zijne meerderheid +boven het dier nog niet zoo sterk gevoelde als later, verplaatste +de verteller zijne hoorders gaarne te midden der dierwereld. +Liet hij dieren handelen en spreken als menschen, dan +kon niemand zich ergeren als ware het op hem gemunt, en +het verhaal won aan zinrijkheid doordat het den geest der +hoorders aan het werk zette, en hen zelven de toepassing deed +maken. Niet zelden ook voerde de verteller de dieren in gezelschap +van een of meer menschen ten tooneele of vertelde hij +een verhaal waarin louter menschen voorkwamen onder verdichte +namen of aangeduid in algemeene bewoordingen.<a name="187"></a> + +<p>Die honderden verhalen in hunne verbreiding over de wereld +door den loop der eeuwen volgen, daartoe is de wetenschap +op verre na niet in staat. Slechts hier en daar kan zij ons een +kijkje geven op de veelheid hunner elkander kruisende kronkelwegen. +In het Oosten met name in Voor-Indië, zijn vele dezer +verhalen al vroeg opgeteekend en tot grootere werken vereenigd; +van het Oosten zijn er ettelijke, ten deele langs +schriftelijken ten deele langs mondelingen weg, naar het Westen +gekomen; vele andere moeten echter vanouds gemeen goed der +menschheid geweest en mondeling van het eene geslacht op het +andere zijn overgegaan, ook al kreeg men door vertalingen +eene schriftelijke overlevering naast die mondelinge<a href="#6.3">[3]</a>. + +<p>Waarschijnlijk waren er in de 13<sup>de</sup> eeuw ook hier te lande +verscheidene dierenfabels in omloop<a href="#6.4">[4]</a>. Echter berust de eenige +Nederlandsche fabelbundel van dezen tijd die tot ons is gekomen +niet op mondelinge overlevering, maar bevat zij eene vertaling +van een Latijnsch origineel dat bekend staat onder den +naam <i>Romulus</i>. Misschien had MAERLANT het oog op dezen bundel, +toen hij in zijn <i>Spieghel Historiael</i> verhaalde dat de „favele" +van ESOPUS door een paar dichters, CALFSTAF en NOYDEKIIN, +waren verdietscht „in rime scone ende fijn" en ze aanprees +om de „spellecheit<a title="[margin: vermakelijkheid.]"><sup>#</sup></a> ende wijsheit van zinne" die men er +in vond<a href="#6.5">[5]</a>. + +<p>De bedoeling ook van dezen fabelbundel, gewoonlijk <i>Esopet</i> +genoemd, was natuurlijk lessen van menschenkennis en levenswijsheid +mede te deelen. De schrijver van den proloog bereidde +zijne hoorders (lezers) daarop voor, toen hij aldus aanving: + +<p class="quote">Ic wille u, in die ere ons Heren, +Bi beesten ende bi vogelen leren, +Wisen ende wel bedieden +Die nature van den lieden.<a name="188"></a> +</p> + +<p>Aan het slot der fabels zijn die lessen dan ook doorgaans in +een paar regels of een spreekwoord samengevat. In die goede +lessen achtte de proloogschrijver de verdienste van het boek +gelegen. „Let op den inhoud, niet op den vorm", zegt hij; +in elk woord vindt gij „redene ende goeden sin"<a href="#6.6">[6]</a>. Toch mag +de bewerking over het algemeen verdienstelijk heeten, al is zij +onder de handen van een afschrijver er waarschijnlijk niet beter +op geworden. De 67 fabelen die hier uit den <i>Romulus</i> ter +bewerking zijn gekozen, behelzen de algemeen bekende verhalen +van vos en kraai, kikvorsch en os, wolf en kraanvogel +enz.; zij zijn meerendeels levendig verteld; hier en daar heeft +de bewerker de levendigheid verhoogd door zijne personages +sprekend op te voeren, zooals dat ook in de epische ridderpoëzie +gebruikelijk was<a href="#6.7">[7]</a>. Hier en daar heeft de volksaard aan +de vertaling een eigen kleur gegeven. Zoo b.v. waar de vertaler +de fabel van de muis en de kikvorsch besluit met: + +<p class="quote">Hets recht, dat valsche taverniere +Drinken van hars selfs biere<a href="#6.8">[8]</a>. +</p> + +<p>Elders komt de maagschap ons herinneren dat wij in middeleeuwsch +Nederland zijn. Op een andere plaats geeft de bewerker +ons een kijkje in de middeleeuwsche hel waar de rampzaligen in de +(met kokend sulfer en pik gevulde) ketels moeten ronddrijven<a href="#6.9">[9]</a>. + +<p>In een vijftiental dezer fabelen komen naast dieren ook +menschen ten tooneele, in een vijftal slechts menschen of goden; +zij handelen over de bruiloft van een dief, over Juno en Venus, +een jonkman en eene jonkvrouw, een vader met zijn onhandelbaren +zoon, een man die uit twee monden spreekt. Daar had +de dichter een greep gedaan in het algemeen menschelijke, +daar verplaatste hij zijne hoorders in wat ook nog voor hen +werkelijkheid was<a href="#6.10">[10]</a>.<a name="189"></a> + +<p>In hooger mate geldt dat van een der verhalen uit dezen +bundel dat ik tot nog toe ter zijde heb gelaten, omdat het +een karakter draagt, verschillend van dat der overige. Het is +het bekende verhaal van de ontroostbare weduwe die niet wil +scheiden van haar mans lijk. Niet ver van haar zit een soldaat +op wacht bij de galg, waaraan het lijk van een misdadiger +hangt. De wachter krijgt dorst, klopt aan bij de schoone weduwe, +stilt zijn dorst en troost haar. Terugkomend, ziet hij dat verwanten +van den gehangene het lijk gestolen hebben. Bevreesd +voor straf, roept hij de hulp der weduwe in; deze redt hem +uit den brand door het lijk van den betreurden echtgenoot in +de plaats van het misdadigerslijk te hangen. + +<p>Het middeleeuwsch woord <i>fabel</i> was, evenals het Oudfransche +<i>fabliau</i>, ruim genoeg om verhalen van dezen aard en verhalen +uit het dierenleven te omvatten; doch wanneer wij de Nederlandsche +bewerking vergelijken met het Latijnsche origineel, +dan zien wij duidelijk dat wij hier een voorlooper onzer latere +<i>boerden</i> voor ons hebben. Van het sober, bijna droog, vertelde +Latijnsche verhaal heeft de Nederlandsche dichter een klein +tafereel vol leven gemaakt, waarin de naïeve volkshumor van tijd +tot tijd op voortreffelijke wijze tot uiting komt. Men hoore b.v. +het eerste onderhoud tusschen de schijndroeve en den wachter: + +<p class="quote">„Vrouwe," seegt hi, „God houde u!" +„Ay mi!" seegt si, „wie es daer nu?" +„Vrouwe," seegt hi, „hier es een man." +„Ay mi!" seegt si, „nu vlie dan! +„Nemmermeer so ne wil ic comen, +„Of God wilt daer men <i>man</i> hort noemen. +„Ay mi!" seegt si, „hier leget doet +„Mijn soete vrient, mijn beddeghenoet +...<a name="190"></a> +</p> + +<p>Dan de leukheid waarmede de wachter haar troost: + +<p class="quote">„Bi Gode!" seegt hi, „lieve vrouwe, +„Mi es herde leet uw rouwe; +„Maer die levende ende die dode +„Moeten sceden, al doen sij 't node." +... +</p> + +<p>Verdraag wat gij niet verhelpen kunt; denk aan uw jonge +jeugd. Zoo'n mooie vrouw past vroolijkheid beter; en dan, uw +man mag flink zijn geweest ... daar zijn nog betere dan hij: + +<p class="quote">„Beter?" seegt si, „ay mi! ay mi! +„Wie soude dat sijn, segt mi, wie?"— +„Vrouwe," seegt hi, „dat ben ic, +„Die u ghemint hebbe een stic"<a title="[margin: eenigen tijd.]"><sup>#</sup></a>.— +„Ghi hout u scaren<a title="[margin: gij spot.]"><sup>#</sup></a>, ic wane," seegt soe. +„God weet, vrouwe," seegt hi, „in doe." +</p> + +<p>Met dezelfde losheid en levendigheid gaat het verhaal voort +tot het eind, al heeft de afschrijver op al te plompe wijze +getracht het slot te verknoeien<a href="#6.11">[11]</a>. + +<p>Een dergelijk verhaal van de ontroostbare weduwe vindt men +met verscheidene andere vereenigd in een der beroemdste verhalenbundels, +welke de wereldliteratuur kent, nl.: <i>van den VII. +vroeden binnen Rome</i>. + +<p>Van de vroegste tijden af vindt men bij tal van volken in +Azië en Europa deze en soortgelijke verhalen vereenigd tot +bundels, die onderling verschillen doordat, als in een kaleidoscoop, +telkens weer andere verhalen zich samenvoegen tot +een nieuw geheel. De lijst om die verhalen blijft dezelfde; +overal is het een stiefmoeder die haren schoonen voorzoon, +een JOZEF-HIPPOLYTUS, belastert bij zijn vader. Telkens wil de +vader den zoon ter dood laten brengen, doch wordt ook telkens<a name="191"></a> +daarvan afgebracht door een waarschuwend verhaal van een +der zeven vroede mannen die den jongeling hebben opgevoed. +Tegenover elk dier verhalen plaatst de stiefmoeder een verhaal met +tegenovergestelde strekking, totdat de vader de waarheid ervaart +en de booze stiefmoeder doet verbranden. In die lijst vindt men +telkens weer een verschillend samenstel van verhalen, al komen +ettelijke van dezelfde verhalen in vele bewerkingen voor<a href="#6.12">[12]</a>. + +<p>In den bovengenoemden Nederlandschen bundel hebben wij +waarschijnlijk de bewerking eener Fransche proza-redactie<a href="#6.13">[13]</a>. +MAERLANT zal wel het oog op dit gedicht hebben gehad, toen +hij in zijn <i>Spiegel Historiael</i> schreef: + +<p class="quote">Maer noit en vand ic, als ic ghome<a title="[margin: naar ik meen.]"><sup>#</sup></a>, +Ghene VII. vroede te Rome, +<i>Els dan die valsche faloerde<a title="[margin: Behalve dan dat logenverhaal.]"><sup>#</sup></a> +Veinset daer af eene boerde</i><a href="#6.14">[14]</a>. +</p> + +<p>Ook is het zeer wel mogelijk dat een paar regels uit één der +verhalen zijn overgenomen uit het verhaal van de weduwe in +<i>Esopet</i> of omgekeerd, zoodat beide werken niet zoo heel lang +na elkander zullen vervaardigd zijn<a href="#6.15">[15]</a>. + +<p>Deze Nederlandsche bewerking geeft ons een aantal der +meest bekende verhalen, waarvan ik slechts een paar noem om +eenig denkbeeld van het geheel te geven. Wij vinden hier o.a. +het verhaal van den trouwen hond die een kind in de wieg +verdedigt tegen een slang, de slang doodt en, met bloed bevlekt, +zich neervlijt bij de wieg die in het gevecht ondersteboven +is komen liggen. Als dan de vader van het kind thuiskomt, de +wieg ondersteboven doch niet zijn kind ziet, waant hij dat de +hond het kind heeft gedood en slaat den trouwen wachter den +kop af. Voorts het verhaal, reeds bij HERODOTUS voorkomend, +van de dieven die in des Konings schatkamer binnendringen, +waarin één hunner gevangen blijft; dat van de vrouw die het<a name="192"></a> +geduld van haar man op zware proeven stelt, door SHAKESPEARE +in zijn <i>Taming of the Shrew</i> gedramatizeerd; van de overspelige +vrouw die door een slimmen streek haar man 's nachts buiten +de deur weet te sluiten en de verdenking van ontrouw op hem +te laden. + +<p>Vergelijkt men de Nederlandsche bewerking met haar voorbeeld +dat zij over het algemeen vrij getrouw volgt, dan blijkt dat de +vertaler in menig opzicht te kort schiet: zelden treffen wij een +stuk aan dat mooi verteld is, al te vaak vinden wij noodelooze +herhalingen en stoplappen; de bouw zijner zinnen laat nogal +eens te wenschen over. Anderzijds is er in zijn werk zekere +frischheid en iets eigens dat aangenaam aandoet en de vele +teekenachtige woorden die hij gebruikt, versterken dien indruk +nog. Zelden of nooit laat hij in eene opmerking of overweging +iets van zijne persoonlijkheid zien, doch het karakter van +zijn volk en zijn tijd openbaart zich hier en daar duidelijk. +Op meer dan een plaats vinden wij een godsdienstig tintje, +waar dat in het Fransen ontbreekt; elders integendeel een +realistisch-erotisch element, dat in het Fransch niet gevonden +wordt. Soms geeft hij ons een kijkje in de rechtspraak dier +dagen, in het huiselijk leven en de gewoonte om met Kerstdag +zijne magen ten eten te noodigen, toont ons dat het verbod +om 's avonds na klokslag zonder lantaarn uit te gaan toen reeds +bestond of, verlevendigt zijn verhaal door het aardig weergeven +eener tevreden stemming in een regel als deze: + +<p class="quote">Dat halp den keyser in sijn merch<a href="#6.16">[16]</a>. +</p> + +<p>Zulke teekenachtige uitdrukkingen, in verband met den +ganschen geest der bewerking en de blijkbare onbedrevenheid +van den bewerker in het hanteeren der taal, doen mij eer aan +een volksdichter dan aan een ontwikkeld dichter denken, al +blijkt ons niet tot welk publiek hij zich bij voorkeur richt.<a name="193"></a> + +<p>Opmerkelijk blijft in allen gevalle dat de smaak in korte verhalen +van dezen aard—zij konden immers alle afzonderlijk +worden voorgedragen—zich in dezen tijd onder ons volk +openbaart. En begrijpelijk is het dat men hier nog meer moet +hebben genoten van een dichtwerk waarin een aantal dierfabels +waren verbonden tot een veel hechter en schooner geheel dan +dat der <i>VII. vroeden van Rome</i>. + +<p>Men zal beseffen dat ik het oog heb op het voortreffelijk +middeleeuwsch kunstwerk + +<h3>VAN DEN VOS REINAERDE<a href="#6.17">[17]</a>.</h3> + +<p>In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt +de fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit +volgt natuurlijk nog niet, dat de fabelbundel <i>Esopet</i> ouder +moet zijn dan het episch gedicht <i>Van den Vos Reinaerde</i>; doch +welke ook de ontstaans-orde dezer twee werken moge zijn, +veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet ontloopen. En, wat +gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier waarschijnlijk eene +mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of onder +de schriftelijke. + +<p>De bewerker der Latijnsche fabels uit den <i>Romulus</i> moet +ook andere fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de +hand, dan dat die hem uit den volksmond bekend, dat zij hem +door anderen verteld zijn geworden? Anders dan in den <i>Romulus</i> +draagt de vos bij hem reeds zijn naam <i>Reinaert</i>, kent hij den +ezel onder den naam <i>Boudewijn</i>, den aap onder dien van +<i>Martijn</i>; de vos spreekt den wolf aan met „soete here oom", +de ezel het everzwijn met „lieve broeder", de kleinere dieren +(muis, lam) spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met „here" +of „edel here"; wij vinden in den <i>Esopet</i> reeds de uitdrukking: +„van reinaerts spele spelen".<a name="194"></a> + +<p>Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels +kenden, zal de verdietsching van den <i>Romulus</i> bij hen +in goede aarde zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept +hebben in die korte verhalen, waarin allerlei menschelijk gebeuren, +denken en gevoelen was voorgesteld; te meer, omdat +de acteurs op dit klein tooneel te voorschijn kwamen in de +gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende dieren. Maar +in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve waren, +zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen: +den hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare, +den hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand; +hier konden zij „vroescap leren" in nuttige lessen als: +tevreden zijn met weinig, zich hoeden voor slechte raadgevers, +mooipraters wantrouwen, zich aan een ander spiegelen, om het +rad van avontuur denken, dat het met groote heeren kwaad +kersen eten is, „dat behendichede beter es dan sterchede". + +<p>En die „vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat +zij werd voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met +rustige vroolijkheid en zachte luim en leuke scherts die hier +en daar, als in de fabel over de vrouwen, tot goelijken +spot werd. + +<p>Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing +van het zooveel grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk +dierenleven, dat hun in het verhaal <i>Van den Vos Reinaerde</i> +geboden werd. Alles wat er in <i>Esopet</i> te genieten viel, was +ook hier aanwezig, maar in hoogere macht, en vereenigd +tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren +een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf<a href="#6.18">[18]</a>, vos, +das, ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met +uitheemsche als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij +gelijk aan de feodale, bestuurd door Koning Leeuw +die met zijne groote vazallen te rade gaat. In die maatschappij<a name="195"></a> +is er een die zich om recht noch wet bekommert, leeft naar +eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei misdaden zich +tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos +Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel, +onbarmhartig, telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna +ongenaakbaar Maupertuis verlatend. + +<p>Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van +klachten zijn tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings +rechterstoel vangt aan. Reinaerts grootste vijand, Isegrim de +wolf, opent de reeks der aanklagers. De Koning besluit dat +Reinaert driemaal zal worden ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens +naar Maupertuis gezonden, komen met schade en +schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het aan neef +Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld +tot de galg, weet de schelm zich te redden door den +Koning het uitzicht te openen op een ver weg begraven schat; +dit leugenverhaal heeft hij verbonden met zware beschuldigingen +tegen beer en wolf. Hij komt er af met eene bedevaart; beer +en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram Belijn vergezellen +hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met Cuwaerts kop +tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert +met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis. + +<p>In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een +paar lijnen aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen +indruk moesten wij hebben, voordat wij ons nu kunnen +wenden tot het beantwoorden van de vragen: van waar had de +dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar opgevat en uitgewerkt? +welke indrukken laat de beschouwing van zijn kunstwerk +bij ons achter? + +<p>Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een +of meer der Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft<a name="196"></a> +gekend, noch dat hij een zoogenaamde „branche" dier sage, +<i>Le Plaid</i>, eenigermate als voorbeeld heeft gevolgd. + +<p>Van de 12<sup>de</sup> tot de 14<sup>de</sup> eeuw hadden tal van Fransche +trouvères, meerendeels klerken, uit Normandië en Champagne, +maar vooral uit Picardië en Fransch-Vlaanderen, met liefde +deze verhalen behandeld, zooals zij zich die herinnerden uit +de klassieke fabelbundels, uit de in kloosters gedichte Latijnsche +verhalen als <i>Ecbasis Captivi</i>, <i>Sacerdos et Lupus</i>, <i>Gallus et +Vulpes</i>, of uit de mondelinge overlevering. Langzamerhand +ziet men in het werk der trouvères satire van kerk en kerkgebruiken +en parodie van ridderwezen en ridderroman op +den voorgrond komen. Bij de voortgaande ontwikkeling +van het literair kunstgevoel gingen sommige dichters er naar +streven eenheid te brengen in de veelheid dezer verhalen. In +den aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw (omstreeks 1204) zien wij dat +streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht +<i>Le Plaid</i>. + +<p>Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen +dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een +nieuw werk; tal van bekende verhalen en dichterlijke motieven, +met kunst verwerkt en met tact samengevoegd, zijn daarin door +hem met nieuw leven bezield. In het eerste deel van zijn werk +(ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele het Fransche +gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het verhaal +wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook +andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche +„branches" of uit de mondelinge overlevering bekend waren. +In het tweede deel ging hij nog meer zijn eigen weg, daar hij, +naar dichters welbehagen puttend uit de bronnen der schriftelijke +en waarschijnlijk ook der mondelinge overlevering, uit de +door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is er dus +wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar<a name="197"></a> +hun gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen, +scherp kan die tegenstelling niet genoemd worden. + +<p>Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch +gedicht en de Fransche „branches" zijn ons reeds +vroeger aangewezen; die overeenkomst heeft soms betrekking +op den toestand, soms ook, maar minder dikwijls, op de wijze +van voorstelling; woordelijke overeenkomst kan vooral in het +eerste deel hier en daar worden opgemerkt<a href="#6.19">[19]</a>. De tot dusver +gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd. + +<p>Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen, +terwijl hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat +te praten. Een tweede aanwijzing vinden wij in het volgende. +In het Nederlandsch gedicht moet Bruin de beer, op zijne +zending naar Maupertuis door Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld, +een zwaren tocht volbrengen om koning Nobel +alles te berichten; niet in <i>Le Plaid</i>, maar in een der andere +Fransche „branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde +omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen, +valt door Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren +mishandeld en sleept zich met moeite naar 's konings hof. De +weeklachten van vrouwe JULOCKE, de pastoorsche, vindt men +op de overeenkomstige plaats in <i>Le Plaid</i> slechts aangeduid; vrij +wat uitvoeriger zijn de klachten der „prestresse" uit eene andere +branche en het meest gelijken zij op het gejammer van Dame +Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar gemaal +Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als +de pastoor. Botsaert, de „clerc" des konings, schijnt van +WILLEM'S vinding; wij mogen echter niet vergeten, dat ook +koning Noble een „clerc" heeft in Baucent „le sanglier", al +komt deze niet op dezelfde plaats voor als in het Nederlandsch. +Het gat dat „onder dien spiker verholenlike gemaect" was, uit<a name="198"></a> +den <i>Reinaert</i>, vinden wij niet op de overeenkomstige plaats in +<i>Le Plaid</i>, wel in eene andere „branche" terug<a href="#6.20">[20]</a>. + +<p>In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden +gelegen; behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke +overeenkomst sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat +wij hier aan de schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering +moeten toeschrijven. Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM +onderscheidene, door trouvère's gedichte, verhalen van Renart +heeft gekend, maar toch waarschijnlijk niet met eene volledigheid +die slechts door hedendaagsche critische uitgaven bereikt wordt. +Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge overlevering +ook hier niet uit het oog te verliezen. + +<p>Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den <i>Reinaert</i> +als parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in +meer dan een der Fransche „branches", ook in <i>Le Plaid</i>, aanwezig. +Hier is het een verdienste van WILLEM, dat hij den +geest dier parodie zoo uitnemend heeft gevat en weergegeven +en dat hij getoond heeft dit wapen van den spot voortreffelijk +te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers vond. Hoe +duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het +gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door +parodiëering der genealogische herauten-wijsheid zulk een +komisch-grotesk aanzien weet te geven. + +<p>Doch ook op eigen hand parodiëert hij het ridderwezen, +zooals het hem uit Nederlandsche romans bekend was geworden. +Dat hij den <i>Karel en Elegast</i> voor dat doel gebruikt heeft, +wisten wij; op verscheidene plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming +aan te wijzen. Doch er is meer van dien aard +te noemen. + +<p>In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd +wordt: met snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten<a name="199"></a> +eik op LAMFROIT'S erf en bedreigd door een aansnellenden +troep dorpers, heeft WILLEM naar alle waarschijnlijkheid het +Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch niet alleen. +Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman +<i>van Lancelot</i> een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer +met vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men +oordeele: + +<table> +<tr><td><p class="quote"><i>Reinaert</i>, vs. 718 vlgg.<br> +<br> +Doe volchde hem een mekel here.<br> +Int dorp ne bleef man no wijf:<br> +Den bere te nemene sijn lijf<br> +Liep 't al dat lopen mochte.<br> +Sulc was die enen bessem brochte,<br> +Sulc enen vleghel, sulc een rake:<br> +Sulc quam ghelopen met enen stake,<br> +<i>So si quamen van haren werke</i></p></td> +<td><p><i>Lancelot</i>, II, 38377 vlgg.<br> +<br> +(Die meyer liep sere verbolgen:<br> +Die scepenen gingen hem volgen.<br> +Men geboet al ute daer,<br> +Wat elc conste vinden vorwaer,<br> +Waes 't riec, pike, vleghel, stocken,<br> +Hake, sceppen, swingen, rocken,<br> +Wat dat si gegripen conden,<br> +<i>Also alsi in haer ambacht stonden</i>,<br> +Nam elc dat ende volgede naer.<br> +Sulc nam enen timberbiel daer<br> +Ofte ene reke oft een gysarme;<br> +En si dattene God bescerme<br> +Soe es min here Walewein verloren.</p></td></tr></table> + +<p>De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in +<i>Le Plaid</i> eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit +den Franschen <i>Lancelot</i>; doch met het oog op de boven +gecursiveerde verzen, komt mij dat niet zoo waarschijnlijk voor. + +<p>Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der +<i>Lorreinen</i>. In het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert +lezen wij o.a. dit vers (1075): + +<p class="quote">wat cost Reinaerde scone tale?<a name="200"></a> +</p> + +<p>Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch +(vs. 782) lezen: + +<p class="quote">Mes sa parole que li coste? +</p> + +<p>dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder +de oogen heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman +der <i>Lorreinen</i> den verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode +(dus onder dezelfde omstandigheden) hooren zeggen: + +<p class="quote">Want mi cost niet hoefsce tale +</p> + +<p>dan gaan wij toch vermoeden, dat WILLEM ook dit vers moet +gekend hebben. En dat met meer reden, omdat er ook andere +plaatsen in de <i>Lorreinen</i> zijn, die ons aan het gedicht <i>van den +vos Reinaerde</i> doen denken. + +<p>In het Tweede Boek van dien roman vinden wij keizer +KAREL te Aken; hij zal uitspraak doen in „'t gedinge" +tusschen een paar zijner groote vazallen: koning OTTE en +koning YOEN; de laatste wordt namelijk beschuldigd van overspel +met OTTE'S gemalin (de verhouding tusschen Isegrim, +Reinaert en Hersent). + +<p>Ook elders in dezen roman vinden wij een paar voorname +vazallen met hunne magen voor 's Konings rechterstoel hunne +zaak bepleitend. GELLOEN, de verrader, die in dezen roman +eene gewichtige rol speelt, boos, sluw, dapper, doet ons meer +dan eens aan Reinaert denken: indertijd heeft hij in een strijd +tusschen zijn heer, koning KAREL, en koning ASPRIAEN, de +zijde van den laatste gekozen om der wille van ASPRIAEN'S +dochter; toen hij zag, dat de zaak verkeerd liep voor ASPRIAEN, +kwam hij koning KAREL „smeken ende lecken || Als die sine +quaetheit woude decken." Tot straf voor zijne misdaden wordt +hem eene „heilege bedevaert" opgelegd<a href="#6.21">[21]</a>. Het eerste geval +herinnert aan de houding van Reinaerts vader in den strijd<a name="201"></a> +tusschen leeuw en beer; de bedevaart wordt, zooals men weet, +ook Reinaert tot straf opgelegd. + +<p>Ook hier zou men van oordeel kunnen zijn, dat de overeenkomst +reeds kan bestaan hebben tusschen de <i>Chanson des +Lorrains</i> en den <i>Renart</i> en dus het Nederlandsch gedicht niet +of niet in de eerste plaats raakt. Doch zoo oordeelend zou men +geene rekening houden met een gewichtigen, tot dusver onopgemerkten +karaktertrek van het Nederlandsch gedicht: de groote +rol die <i>de maagschap</i> daarin speelt. + +<p>In WILLEM'S gedicht zien wij de dieren telkens met hunne +maagschap opkomen en vinden wij over het algemeen een +levendig besef van de beteekenis der maagschap; in de Fransche +gedichten over Renart vindt men op de overeenkomstige plaatsen +niets daarvan. Neemt men nu in aanmerking dat die maagschap +vooral in de tweede helft van WILLEM'S gedicht op den +voorgrond treedt en dat er zeker weinig Fransche riddergedichten +zijn, waarin de maagschap vaker genoemd wordt +dan juist in de <i>Lorreinen</i>, het verhaal der veete tusschen twee +voorname geslachten—dan geloof ik wel te mogen aannemen +dat WILLEM ook de Nederlandsche <i>Lorreinen</i> zelfstandig heeft +geparodieerd<a href="#6.22">[22]</a>. + +<p>Zelfstandige parodie van den ridderroman vinden wij ten +slotte niet het minst in den proloog, die juist om die reden +zoo uitnemend strookt met het gansche gedicht. Wie den proloog +van den <i>Reinaert</i> leest na die van <i>Walewein</i> en van <i>Floris +en Blancefloer</i>, zal in gelijke woorden, wendingen en rijmklanken +meer dan eens de parodie opmerken<a href="#6.23">[23]</a>. + +<p>WILLEM beweert zijn gedicht te hebben geschreven op verzoek +eener dame. Het is natuurlijk mogelijk, dat hij hier de +waarheid zegt; doch waarschijnlijk acht ik, dat de proloog ook +hier de ridderromans parodieert, waarin wel eens meer gewag +wordt gemaakt van zulk een verzoek.<a name="202"></a> + +<p>Zoo deelt MAERLANT ons mede dat hij zijn roman <i>van +Alexander</i> heeft ondernomen ter eere van haar die hem +„gevangen" houdt. En nu is het opmerkelijk dat wij juist in +den <i>Alexander</i> tal van plaatsen vinden die ons aan den <i>Reinaert</i> +herinneren en hoogstwaarschijnlijk maken, dat WILLEM ook +dezen roman heeft gekend<a href="#6.24">[24]</a>. + +<p>Elk dichter die menschen voorstelt in de gedaante van dieren, +loopt gevaar dat hij het gevoel voor harmonie van zijn publiek +te weinig zal ontzien; dierfabel en dierepos immers brengen in +hun wezen zekere tweeslachtigheid mede. Ongetwijfeld is elk +publiek gaarne bereid den dichter ook in zulke verbeeldingen +te volgen, en naarmate een publiek eenvoudiger is, zal het te +minder gestoord worden in zijn genot door het overschrijden +der grenzen in dezen. Van den bewusten of onbewusten tact +des dichters zal het afhangen, of en in hoever hij hier de juiste +maat weet in acht te nemen en, der menschen leven uitbeeldend, +ons toch binnen den kring van het dierenleven te houden. + +<p>De dichter WILLEM heeft, zoo min als eenig ander, dit +anthropomorphisme geheel kunnen vermijden. Wij vinden hier +immers eene voorstelling der feodale maatschappij: de koning +bestuurt den staat, zijne groote heeren zijn zijne raadslieden, +hij houdt een hofdag en behandelt gedingen, hij zendt gezanten +die brieven meekrijgen, wij hooren van een mis, een kapelaan, +van het zweren op heilige reliquieën; de dieren doen afstand +van iets met den symbolischen stroohalm, worden begraven +met eene lijkmis, hebben een graf met grafschrift, een kasteel, +schatten, gaan op een bedevaart met „palster ende scerpe", +worden terechtgesteld; de galg staat voor hen klaar, er wordt +bij de terechtstelling op een hoorn geblazen. De leden dezer +feodale maatschappij vertoonen onderscheidene menschelijke +aandoeningen: de beer lacht dat hij niet meer kan, Reinaert<a name="203"></a> +bespot den beer met allerlei aardigheden die op den priesterstand +betrekking hebben, Reinaert's vrouw Ermeline valt in +onmacht, Reinaert zelf loopen bij zekere gelegenheid de tranen +langs de knevels<a href="#6.25">[25]</a>. + +<p>Al dit menschelijk-dierlijke, of ten minste verreweg het meeste +daarvan, had de dichter reeds in zijn voorbeeld gevonden. +Nergens echter gaat hij de grenzen van den tact zoozeer te +buiten als de dichters van <i>Le Plaid</i> en der overige „branches". +Deze laten de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte, +de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger +steken, baden en aderlaten; hier werpt men eene in zwijm +gevallen kip water over den kop, om haar weer bij te brengen. +In den <i>Reinaert</i> vinden wij een enkelen keer eene uitdrukking, +aan het paardrijden ontleend, gebezigd van dieren: Reinaert en +Tibeert de kater loopen + +<p class="quote"> daer si lopen wilden, +dat si nie toghel uphilden<a href="#6.26">[26]</a>. +</p> + +<p>Daar echter nergens in dit of eenig ander deel van het verhaal +sprake is van rijpaarden, kan deze uitdrukking niet meer +beteekenen dan: <i>stilstaan</i>. + +<p>In de Fransche gedichten echter vinden wij, behalve deze +uitdrukking („onques n'i ot resne tenue") nog vrij wat andere +die ons de dieren werkelijk te paard zittend voorstellen, hoe +zij hun rijdier de sporen geven en door de vlakte draven. + +<p>WILLEM spreekt van Reinaert's kasteel en zelfs van een der +buitenwerken daarvan, de „barbecane". Doch daarbij blijft het. +In de Fransche gedichten krijgen wij het gansche kasteel voor +ons met zijne hooge muren, ophaalbruggen, het wiket in de +poort; in een der „branches" wordt zelfs een formeel beleg +beschreven; elders gewag gemaakt van het Grieksch vuur<a href="#6.27">[27]</a>. +Heeft WILLEM dus in de onvermijdelijke vermenschelijking der<a name="204"></a> +dieren de maat geëerbiedigd, anderzijds weet hij de dieren in +hun handel en wandel zoo telkens weer voor onze oogen te +brengen en te houden, dat wij het menschenleven maar +flauwtjes door dat dierenleven heen zien schemeren. + +<p>Nu eens zien wij Reinaert een haas bij de keel grijpen, dan +eens aan de kleine wolfjes zeker oogwater toedienen waardoor +zij stekeblind worden. Wij zien hem om een hoenderpark +sluipen; de honden gaan hem te lijf, dat de vlokken hem van +den pels stuiven. In zijn schuilplaats ligt hij zich te koesteren +op een zonnig plekje. Hij speelt met de jonge lammetjes, totdat +hij er een dood bijt en het opgelikte bloed den sluimerenden +moordlust voorgoed wekt. Onder varens verscholen, ligt hij +zijn vader te bespieden, den ouden vos die met den staart +zijn spoor uitwischt; hij zelf krabt met zijn pooten het +zand weg van den toegang tot een hol, pas door zijn vader +gestopt en kruipt naar binnen; bij het afscheid van den +koning en het hof gaat hij op zijne achterpooten staan. Hij +bijt Cuwaert de keel af en het vossengezin smult van den +„goeden vetten hase." + +<p>Daar is Isegrim de wolf die zich zoo dik gegeten heeft, dat +hij niet meer kan ontsnappen door het gat, waardoor hij eerst +is binnengekomen; die, als hij een kalf of ram heeft buitgemaakt, +onder het vreten tegen Reinaert gromt en hem de tanden laat +zien; Isegrim met zijne magen die ons zoo goed geschetst +worden in dat ééne vers: „met scerpen claeuwen, met diepen +monden." Bruin de beer, op zijn staart voor de „barbecane" +van Malpertuis gezeten, den honing verheerlijkend, met kop +en voorpooten gevangen in een halfgespleten eik; later zien +wij hem afgemat en bloedend op den oever liggen, „ende +sloech met beiden sinen lanken"<a title="[margin: zijden.]"><sup>#</sup></a>; daarna op weg naar des +konings hof, beurtelings voortschuivend op zijne achterdeelen +of zich over den grond wentelend. Tibert de kater, op de +<a name="205"></a> +muizenjacht in een strik gevangen, die in zijn doodsangst den +bijna naakten pastoor met klauwen en tanden te lijf gaat; die +zich uit den strik redt door het touw stuk te bijten. Daar is +voorts de haan Cantecleer met zijn kippenharem, die zoo lustig +en rustig leeft in dat mooie park, totdat de roode vijand hen +komt belagen; Cantecleer, klapwiekend gaande voor de lijkbaar, +waarop de door Reinaert vermoorde kip Coppe ligt; Coppe +„die so wale conste scraven<a title="[margin: (met de pooten) schrabbelen.]"><sup>#</sup></a>." Elders zien wij haan en kippen +op de hanebalken of losloopend bij een schuur, hond en kat +kijvend om een worst, de ooievaar die de kikkers opslokt en +tal van andere beesten die ons slechts terloops genoemd worden. + +<p>Dat rumoerig dierenleven in zijne bonte afwisseling wordt +grootendeels afgespeeld onder den blooten hemel in Gods +vrije natuur. + +<p>Het is Pinksteren in een heuvelachtig land, bosch en hagen +staan in het groene blad. Op een grasveld houdt Nobel hof; +een hooge steen is 's konings troon. Onbezorgd wandelt +Cantecleer met zijne kippen rond waar de groene velden vol +bloemen staan. Coppe wordt begraven onder de linde (rustplaats +van zoo menig minnend hart!) Bruin trekt naar Malpertuis +door een donker woud, door een wildernis, over een hoogen +breeden heuvelrug. Langs een krom pad bereiken Reinaert en +hij het erf van LAMFROIT, waar een eik ligt dien de boer uit +het bosch heeft gehaald om hem te splijten; een rivier stroomt +in de nabijheid. In die rivier ontkomt de mishandelde beer aan +zijne vervolgers. Op den oever van die rivier ligt hij uitgeput, +als Reinaert die op een heideheuvel een vet hoen heeft verorberd, +daarheen komt om zich wat op te frisschen. + +<p>Tibert ontmoet op zijn weg de kraai. „Al heil, edel voghel!" +roept hij, „vlieg aan mijne rechterhand voorbij!" Maar de vogel +vliegt in het kreupelhout, links van hem: een kwaad voorteeken! +'s Avonds laat bereikt hij Maupertuis; helder als de dag schijnt<a name="206"></a> +de maan over de heide; bij dat licht loopen hij en Reinaert +naar pastoors schuur. + +<p>Ver weg van deze streken, in de wildernis, bij een bosch ligt +de bron Kriekeput; alleen uilen nestelen in die eenzaamheid; +jonge berken staan in den bemosten grond om de put. Een +dergelijke wildernis moet het zijn, waarheen Reinaert ten slotte +met zijn gezin de wijk neemt, waar het op de heide en in het +kreupelhout krioelt van patrijzen en ander gevogelte. + +<p>Welk een meester toont deze middeleeuwsche dichter zich +reeds in de karakteristiek zijner personages? + +<p>Welk een brutale zinnelijkheid is er in dien Reinaert, den +echtbreker; die niet tevreden met de wolvin, ook de gemalin +van den koning, naar het schijnt, te na is gekomen; die voor +zich zelf weet te zorgen en tijdens het gevecht der dorpelingen +met Bruin een vet hoen wegkaapt; hoe grof uiten zich zijne +teleurstelling en zijne minachting voor LAMFROIT, als deze den +beer heeft laten ontsnappen; hij lacht dat hij kraakt bij de +weeklachten der pastoorsche. Hoe gruwzaam is zijn wraak op +Isegrim en Bruin en hoe bitter zijn spot over hun ongeluk. +Bij zijn afscheid weet hij den haas Cuwaert en den ram Belijn +met zich te lokken; den eerste vermoordt hij en zendt den +ander met den kop des vermoorden in een zak naar den Koning +terug; „er zitten brieven in", zegt hij, „waarvoor de Koning u +dankbaar zal zijn". Dat is zijn afscheidsgroet. Al zit hij in de +klem, hij verliest den moed niet. Aan 's Konings hof gekomen +na al zijne misdaden, krijgt hij het benauwd; toch houdt hij +het hoofd op, hij loopt als een prins bij den weg. Met de +galg voor oogen spot hij nog met Isegrim. Zijn zelfvertrouwen +begeeft hem ook nu niet, want reeds heeft zijn vindingrijke +geest een uitweg ontdekt: als terloops laat hij iets van een +schat verluiden; wanneer dan de hebzucht van Koning en<a name="207"></a> +Koningin gewekt is, doet hij een kunstig verzonnen verhaal +over eene samenzwering der dieren om Bruin op Nobels troon +te zetten. Dat verhaal besluit hij op voortreffelijke wijze met +de klacht: „ende arm man Reinaert es de blare<a title="[margin: zondebok.]"><sup>#</sup></a>"; langs dien +weg weet hij het verhaal weer op zich te wenden. Niets is +hem heilig: hij maakt grappen bij de biecht en begint Latijn +te koeteren; als Grimbaert hem berispt dat hij na de biecht +onmiddellijk een aanval doet op eenige kippen, zegt hij: stoor +mij niet in mijne vrome overpeinzingen! Onder het voorwendsel +van Cuwaert een gebed te leeren, grijpt hij hem bij de keel. +Hoe ootmoedig houdt hij zich tegenover den Koning; hoe +nederig tegenover den beer: ik moet wel honing eten uit nood, +een arm man is geen graaf! Maar des te bitterder en onbarmhartiger +is zijn spot later, als hij het spel gewonnen ziet. Want +hij kent geen genade; boven alles is hij <i>fel</i>: „de felle metten +roden baerde", het „felle dier", „die felle creature"—zoo +noemt de dichter hem bij voorkeur. Zijn eenige zwakke punt +is de liefde voor zijne zoons: Reinaerdijn, wien de knevels al +zoo aardig aan zijn muiltje staan en die een aardje naar zijn +vaârtje zal hebben; Rosseel, „den schonen dief", die hij zoo +lief heeft als eenig vader zijne kinderen. + +<p>Het meest op den voorgrond staan tegenover Reinaert Isegrim +en Bruin, naast Reinaert zijn neef Grimbaert de das, terwijl +Tibert de kater zich later ook tegenover Reinaert plaatst. + +<p>Van Isegrim wordt ons meer verhaald dan dat wij hem +zien handelen of hooren spreken. In den aanvang van het verhaal +staat hij met zijne vrouw Hersinde en zijne magen vóór +den Koning; hij is degeen die de reeks der klagers opent. Uit +onderscheiden verhalen blijkt ons, hoe vaak Reinaert en hij +als „gezellen" er op uit zijn geweest en hoe slecht Isegrim er +gewoonlijk is afgekomen. Bij de voorgenomen terechtstelling +van Reinaert is hij op dreef: hij vermaant zijne magen den<a name="208"></a> +schuldige stevig vast te houden, Hersinde moet den schelm bij +zijn baard grijpen, onderwijl zal hij met Bruin en Tibert de +galg in gereedheid brengen. In zijn triomf over den gehaten +vijand maakt hij bittere grappen in vossetrant. Als hij hoort +dat Reinaert zich heeft weten vrij te pleiten, snelt hij terug +naar 's konings hof en vaart zoo uit, dat de koning boos wordt +en hem met Bruin doet gevangen nemen. Terwijl zijne voorpooten +gevild worden, ligt hij stil; bij Reinaerts spotternijen +verkropt hij zwijgend zijne woede. + +<p>Met blijkbaar welbehagen heeft de dichter den beer geteekend +in zijn domme zelfgenoegzaamheid. „Maak u niet bezorgd +over mij" zegt hij tot den Koning, die hem waarschuwt tegen +Reinaerts bedriegelijken aard. Komisch is hij in zijn naieven +lofzang op den honing, niet minder in de deftigheid waarmede +hij een wijs spreekwoord te pas brengt; hij, de gulzigaard, +over het „maathouden"! Dan zien wij „arm man Brune" in +de knijp: met een bebloeden kop, zonder wangen, met slechts +één oor, drijft hij vloekend de rivier af; hijgend van inspanning, +steunend van pijn, ligt hij op den oever; liever dan Reinaerts +bittere grappen te verdragen, springt hij opnieuw in het water. +Welk een krachtig komische werking doet zijn droefheid over +de vermindering van zijn uiterlijk, het verlies van zijne „mooie +wangen". Wanneer de vos eindelijk als gedaagde aan het hof +verschijnt, springt hij met zijne verwanten op; gretig neemt hij +deel aan de toebereidselen tot de terechtstelling. + +<p>Grimbaert de das is de eenige trouwe vriend dien Reinaert +heeft, die hem van den aanvang af verdedigt, die hem trouw +blijft, ook nadat zijn oom hem droevig heeft gelogenstraft. Wanneer +hij ziet, dat Reinaert gevaar loopt door niet aan de indaging +gehoor te geven, brengt hij zelf hem aan 's Konings hof. Is +Reinaert veroordeeld, dan gaat hij met zijne magen heen, om +zijn ooms dood niet te moeten zien. Slecht wordt hij voor zijne<a name="209"></a> +trouw beloond; om zich van de galg te redden, beticht Reinaert +ook hem van deelname aan de samenzwering tegen den koning. + +<p>Voor Reinaert pleit, althans in den aanvang, ook kater Tibert. +Maar hij, „een arm wicht, een clene dier" heeft toch na Bruin's +mislukten tocht weinig trek zijn vriend Reinaert te gaan halen. +Onderweg is hij angstig, al tracht hij zich goed te houden. +Voorzichtig zal hij zijn, maar zijn snoepzucht is hem de baas; +voor de opening in pastoors schuurdeur aarzelt hij, maar +Reinaert weet op zijn eergevoel te werken, zooals ook koning +Nobel dat vroeger gedaan had. In beide gevallen geeft hij aan +dat beroep op zijn eergevoel gehoor; katten zijn immers ook +nu nog dieren „qui se respectent." Met welbehagen neemt hij +later de beulsrol op zich: „ic ne dede nie so lieve pine." Het +loopen met het zware stroptouw valt hem wat moeilijk, maar +hij doet het met goeden wille. In groote zorg zien wij hem +ten laatste op de galg blijven zitten, wanneer de raaf het +bericht brengt van Reinaerts vrijspraak. + +<p>Daar zijn verder de lichtgeloovige Cuwaert; de waardige +Cantecleer, zoo fier op zijn groot geslacht en zijn wijze echtgenoot; +de angstige en domme ram Belijn en andere dieren +die geheel op den achtergrond blijven. Boven deze staat +koning Leeuw, lichtgeloovig, lichtgeraakt, lichtgesust, een spotbeeld +van een koning, zooals CHARLEMAGNE in zoo menigen +ridderroman. + +<p class="quote">Dus siet men dat behendichede +Beter es dan sterchede. +</p> + +<p>Die slotverzen van een der fabels uit <i>Esopet</i> moeten wel den +voornamen indruk hebben weergegeven, op de Nederlandsche +gemeenten gemaakt door dit werk, het rechte epos der gemeentenaren. +Voor hen geen ridderidealen noch hooge minne. +Reinaert was een held naar hun hart: een sluwe vermetele boef,<a name="210"></a> +koel van hoofd, scherp van zinnen, tuk op zijn voordeel, die +spot met het gezag en zich weet te handhaven tegen zijne +meerderen; grappenmaker met een scherpe tong, die ook het +heilige niet spaart, die pleizier heeft in eigen schelmstukken; +wien gewetenloosheid en wreedheid werden vergeven, omdat +hij ten slotte zijne zaak wint, en omdat hij bovendien immers +maar een dier was. + +<p>Zulk een karakter moet aantrekkelijk zijn geweest voor poorters +en boeren, wier grove zinnelijkheid met moeite in band gehouden +werd door het geloof en de wet, wier nuchter verstand +gescherpt werd vooral door den lust naar voordeel en gewin; +wien hartige scherts en losse grappen zoo smaakten al liep er +wat van SINT ANNA onder; die zelf zoo onbarmhartig en +genadeloos wreed konden te werk gaan tegen hunne vijanden; +die hunne wassende zelfstandigheid hadden te verdedigen tegen +de hoogere standen. + +<p>Dat zij van dit dierenverhaal zulk een sterken indruk kregen, +hadden zij te danken aan den voortreffelijken dichter, van wien +wij slechts weten dat hij WILLEM heette, een roman van Madoc +(uit den Britschen sagenkring) had gedicht, en van wien wij +mogen vermoeden dat hij in Oost-Vlaanderen woonachtig was. + +<p>Die dichter toonde zijn meesterschap niet alleen in de karakteristiek, +maar ook in den bouw van zijn werk. Welk een +eenheid heerscht daar! Reinaert's figuur beheerscht het gansche +gedicht; hij vervult voortdurend onze gedachten; is hij niet ten +tooneele, dan spreekt men van hem. Doch niet minder voortreffelijk +is de wijze waarop WILLEM al deze, deels overgenomen +deels zelfgekozen, stoffen heeft verwerkt en vereenigd. Hoe is +hij <i>in</i> zijn verhaal, dat slechts hier en daar door eene reflexie +wordt afgebroken. Welk een pleizier heeft hij zelf in zijne stof; +zoo b.v. wanneer hij Reinaert in schoenen van Isegrim's huid +en met een reiszak van Bruin's vel op reis ziet gaan. Trouwens<a name="211"></a> +het gansche gedicht is geboren uit liefde, liefde tot het uitbeelden +van menschen, dieren, de natuur. + +<p>Wie zoo geestig kon vertellen, schertsen, parodiëeren, moet +een fijn man zijn geweest. + +<p>Van hoeveel takt getuigt het, dat hij Reinaert's overspel met +de wolvin, in het Fransch de spil waarom alles draait, naar +den achtergrond heeft geschoven. Hoe geestig weet hij den +hoofschen spreektrant na te volgen in dat half omsluieren van +het onkiesche, waar Reinaert zijn overspel aan Grimbaert biecht; +want Grimbaert, nog heden een nurksche potentaat maar een +rustig en, voor zijn doen, fatsoenlijk man, moet vooral op dat +oogenblik door Reinaert worden ontzien. + +<p>Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen +roman heeft bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in +den aanvang van zijn verhaal mede te deelen. + +<p>Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich één hebben gevoeld +met zijn volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den +dag, waar hij het juffershondje Cortois Fransch doet spreken; +en Grimbaert bij de biecht tot den Latijn brabbelenden Reinaert +zeggen: „oom, praat je Fransch? spreek asjeblieft Dietsch, dan +kan ik je verstaan". + +<p>Den hoofschen dichter van <i>Sinte Lutgarts Leven</i>, WILLEM +VAN AFFLIGHEM, smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die +opgesmukte leugenverhalen van ezels die dansen en springen, +van rammen die de mis bedienen<a href="#6.28">[28]</a>. + +<p>Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is +zijn Reinaert blijven genieten en het Nederlandsche volk is +gevolgd waar de Vlaming voorging. Eeuw in eeuw uit, in +omwerkingen van velen aard, in volksboek, volkslied, volkssprookje +kwam „'t looze Reintje" de geesten bekoren met zijne +vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of +scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot de<a name="212"></a> +kinderkamer. Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan +deze stof opnieuw de hand geslagen, om haar te verwerken +in den geest van het oude gedicht of om er zijn eigen +omgeving parodieerend in af te beelden. + +<p>Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft +het gedicht <i>van den vos Reinaerde</i> een kleinood der Dietsche +letterkunde, en de nagenoeg onbekende WILLEM een dichter +die onder de middeleeuwsche kunstenaars van het woord te +onzent geen meerdere en te nauwernood zijns gelijke heeft +gevonden.<a name="213"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.1">1</a>: Uitgave van Dr. A. BEETS. (Groningen. WOLTERS. 1885).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.2">2</a>: Fragmenten van een bestiaris van minnen (oorspronkelijk of +vertaald?) en van een gedicht getiteld „<i>Hier beghint Ovidius</i>", dat +uit het Fransch is vertaald, uitgeg. door BORMANS in: <i>Bulletins de +l'Acad. Roy. de Belgique</i>, T. XXVII, 488. + +<p class="footnote">MAERLANT'S mededeeling in <i>Der Naturen Bloeme</i>, (ed. VERWIJS), +bl. 5. Zie voorts over de <i>bestiaires</i>: PETIT DE JULEVILLE, a.w. II, +164 suivv. en: <i>Geschichte des Physiologus</i> von Dr. F. LAUCHERT. +Strassburg. 1889.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.3">3</a>: Ik volgde hier hoofdzakelijk de voorstelling van BÉDIER in zijn +bekend werk <i>Les Fabliaux</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.4">4</a>: Vgl. het artikel van Dr. J.W. MULLER in <i>Taal en Letteren</i>, +XIV, 490. + +<p class="footnote">De verzen uit <i>Sinte Lutgart's Leven</i> (II, 95–6): + +<p class="footnotequote">Daer doen si stomme beesten spreken +<i>Daer doen si simmen speren breken</i> +</p> + +<p class="footnote">wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men +opmaken, dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een +tournooi van apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns +wetens, niet tot ons gekomen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.5">5</a>: T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.6">6</a>: Aldus versta ik de verzen (vs. 19–20): + +<p class="footnotequote">Maer merket ende hoert +Meer die redene dan die woert.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.7">7</a>: Vgl. b.v. n<sup>o</sup>. 11, 1–2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.8">8</a>: De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.9">9</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. 3; n<sup>o</sup>. 50; n<sup>o</sup>. 30; n<sup>o</sup>. 66. Het Latijn heeft op deze +plaatsen niets van dien aard.]<a name="214"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.10">10</a>: n<sup>o</sup>. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd +tusschen den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de +dierenwereld (LXV).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.11">11</a>: De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte, +onmogelijk van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn. + +<p class="footnote">Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts +het volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille +videret feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et +tertio." Vgl. <i>Romulus</i> (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung), +p. 69, III, 9.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.12">12</a>: Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur +daarover gaf Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: <i>Die hystorie +van die seven wijse mannen, van romen.</i> 1898. De Erven F. BOHN. +Haarlem. Hoofdstuk I.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.13">13</a>: Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, <i>De Middelnederlandsche +bewerking van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome.</i> +(Utrecht. 1899).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.14">14</a>: I, p. 92.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.15">15</a>: Vgl. <i>Esopet</i>, vs. 51–2: + +<p class="footnotequote">Mi es te nacht een dief verstolen, +Die mi op thoeft was bevolen +</p> + +<p class="footnote">met <i>VII. Vroeden,</i> 3248–9: + +<p class="footnotequote">Ende hem van der galgen verstolen, +Die hem te wachten was bevolen. +</p> + +<p class="footnote">Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier +uitgave van Dr. STOETT in <i>Noord en Zuid</i>, X, 6.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.16">16</a>: Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg. + +<p class="footnote">Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "<i>Maer so +een meer maelt, so hi moeder es.</i>" (Vgl. mijn <i>Lied in de Midd.</i> over +de molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het +verbod van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur +van Antwerpen van 1438-'9: „dat nyement by nachte en ga achter +de straten na de diefclocke sonder lanteern ofte licht." (<i>Antw. Bibliophilen</i>, +n<sup>o</sup>. 3, bl. 134).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.17">17</a>: Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij +moet gevoegd worden vooral: <i>Les Sources du Roman de Renart</i> par +L. SUDRE, (Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof. +J.W. MULLER in <i>Taal en Letteren</i> van 1895; de nieuwe uitgave +<a name="215"></a> +„<i>van den Vos Reinaerde</i>" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER; +de artikelen dezer geleerden in <i>Taal en Letteren</i>, 14e jaargang. + +<p class="footnote">Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN; +voor de Fransche branches naar MARTIN'S <i>Roman de Renart</i>, ook +naar een uitnemend artikel van VORETZSCH in <i>Zeitschr. für roman. +Philol.</i>, XV en XVI.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.18">18</a>: Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en +trouwens in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl. <i>Siècle +des Artevelde</i>, p. 251 en <i>Mém. Cour. de l'Acad. Royale de Belg.</i>, +XXXII, 221.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.19">19</a>: Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN; +Prof. J.W. MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in +het genoemde artikel in <i>Taal en Letteren</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.20">20</a>: Vgl. <i>Reinaert</i>, vs. 623–6 met <i>Br.</i>, XIV, 302–6 (al is daar +geen „gepeins" maar „dire soef"); dit „binnensmonds spreken" ook +I, 2785, 2841. <i>Rein.</i>, 960-'81 met <i>Br.</i>, X, 687–716; <i>Rein.</i>, 1258 vlgg. +met <i>Br.</i>, I, 879–882; VI, 207–224; <i>Br.</i>, I b. 2702–2722; <i>Rein.</i>, +3368 vlgg. met <i>Br.</i>, I, 942–3; <i>Rein.</i>, 1510 vlgg. met <i>Br.</i>, I, 1050-'54 +en XIV, 258–9, 665 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.21">21</a>: Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (<i>Karel de +Groote en zijne XII. Pairs</i>), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.22">22</a>: De bedoelde plaatsen in den <i>Reinaert</i> zijn: vs. 62: „Isingrijn +ende sine maghe"; 1024: „te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084–5; +voorts: vs. 1666: „ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic +eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: „so arem no van so cranken +maghen"; vs. 1850: „Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884–5: +„Orlof nam Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen"; +1899–1900: „al es Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden +maech"; 2191: „som van minen liefsten maghen || die ic node soude +bedraghen" (ook vs. 2228, 2913); vs. 2463: „ser Isingrijns maghe"; +2720: „doe haddics rauwe als een sijn maech"; 3398–9: „hi was +een deel des coninx maech || hi mocht wel doen"; vs. 3449: „alle +sheren Belijns maghe"; 3456–7: „Reinaerde ... ende allen sinen +maghen".] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.23">23</a>: Vgl. <i>Rein.</i>, 11–17, 32–7 met <i>Flor. en Blanc.</i>, 1–13, 65–75; +<i>Rein.</i>, 1–9 met <i>Wal.</i>, 1–6; <i>Rein.</i>, 1–2 met <i>Wal.</i>, 23–24.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.24">24</a>: Vgl. FRANK'S uitgave van den <i>Alexander</i>, Inl. XVII-XVIII. +F. gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft. +Mij komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien: +bij de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensie<a name="216"></a> +van F.'s werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.: <i>Alex.</i>, VIII, 315 +te verg. met <i>Rein.</i>, 1589. + +<p class="footnote">VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard +geacht, dat de rijmen dier verzen: <i>oghen</i> || <i>ghedoghen</i> in datzelfde +boek nog tweemaal voorkomen: VIII, 251–2, 751–2. + +<p class="footnote">Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit den <i>Alexander</i>, +welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor +zijn blijven hangen, dan dat MAERLANT het ééne verspaar uit den +<i>Reinaert</i> zou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt +hebben. + +<p class="footnote">Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van +WILLEM'S proloog en dat der <i>Enfances Ogier</i> van ADENEZ LE ROI: +Li roi ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal +ber, soit corrompue, pour ce i veut penser etc.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.25">25</a>: Vgl. o.a. <i>Rein.</i> 83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713, +1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980, +2993, 3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.26">26</a>: 1159–1160.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.27">27</a>: Vgl. <i>Br.</i>, I, 271, 342; 134: „Hersent rogist, si ot vergoine"; +967: „au col li met andous les braz"; 1447-'59: „Renart mist l'anel +en son doi"; 1617: „baignier ... ventuser ... sener"; 344; 577 +(„onques n'i ot resne tenue"); 580: „Iloc s'arestent li destrer"; 705: +„tant a alé esporonant"; 744: „tant a sa mule esporonee" en voorts +1146, 1190, 1461–2. Het kasteel: vs. 953, 961, 1120; <i>Br.</i>, I a.; het +Grieksch vuur I, 282.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="6.28">28</a>: T.a.p. II, 89 vlgg.]<a name="217"></a> + +<hr> + +<h2>VROEGSTE LYRIEK.</h2> + +<p class="intro">Hoofsche lyriek. Geestelijke lyriek. Het volkslied. + +<p>VELDEKE'S minneliederen—wij zagen het in een vroeger +hoofdstuk—vertoonen den invloed der Oudfransche lyriek; +in hun Middelhoogduitsch gewaad staan zij volkomen op hunne +plaats tusschen de werken der Minnesinger, omdat immers ook +de Duitsche lyriek van minne zich had ontwikkeld onder den +invloed der Fransche. Of HADEWYCH Fransch en de Fransche +lyriek heeft gekend, weten wij niet; woorden als <i>zeelde</i> en +<i>merkaren</i> in hare poëzie wijzen eer naar de lyriek der Minnesinger; +doch dat zij de wereldlijke minnepoëzie moet gekend +hebben, kan nauwlijks betwijfeld worden<a href="#7.1">[1]</a>. + +<p>Het is geen toeval dat VELDEKE en waarschijnlijk ook HADEWYCH +tot den adel behoorden; de erotische lyriek immers, +waarop wij het oog hebben, was <i>hoofsche</i> lyriek, werd vooral +door den adel voor den adel gemaakt; tot den adel behoorden +zoowel de Zuidfransche troubadours als de Hoogduitsche Minnesinger. +Een aantal Zuidnederlandsche edelen uit Brabant, Vlaanderen, +het Doorniksche, Artois volgden hun voorbeeld; onder +hen HENDRIK III, hertog van Brabant (± 1260). De Fransche +minnepoëzie dezer Zuidnederlandsche dichters draagt in hoofdzaak +hetzelfde karakter als de overige „lyrique courtoise", die +wij reeds in VELDEKE'S werk leerden kennen; wij vinden hier +dezelfde opvatting en voorstelling der liefde, de geveinsde +wanhoop, dezelfde klachten, hetzelfde smachten, talrijke jeux-parti's<a name="218"></a> +(tenzonen) waarin twee tegenovergestelde meeningen door +een paar vrienden verdedigd worden, vele pastourellen; niet +zelden vangt een lied aan met een klein natuurschetsje, vele +dezer stukjes vertoonen een refrein. Zoo klaagt QUENES DE +BETHUNE die blijkbaar ter kruisvaart gereed staat: + +<p class="quote">Aï, amors, com dure departie, +Me covient faire à perdre la millor +Ki onkes fust amée ne servie; +Deus me ramainst à li, par sa douçor, +Si voirement com j'en part à dolor! +Deus, c'ai je dit! Jà ne m'en part je mie: +Se li cors vait servir Nostre Signor, +Tous li miens cuers remaint en sa baillie. +</p> + +<p>GUILLAUME DE BETHUNE begint een lied aldus: + +<p class="quote">Kant li boscage retentist +Dou chant des oisillons en mai +Et la rose el vergier florist, +En icel tens joious et gai, +Lors chanterai de cuer verai, +Car quant li maus d'amer me prist, +El plus haut lieu del mont me mist. +</p> + +<p>Verderop in dat lied lezen wij: + +<p class="quote">Douce Dame, quant je vos vi +A celle fois premièrement, +Ne cuidai pas il fust issi +De tout en tout à vo talent; +Por vos languis à esciant, +Et quant n'i puis merci trover, +Bien veul morir por bien amer<a href="#7.2">[2]</a>.<a name="219"></a> +</p> + +<p>Heeft er geen Dietsche minnepoëzie van dezen aard bestaan? +Men moet het wel gaan vermoeden, indien men ziet, dat er +meermalen gewag van wordt gemaakt. In den proloog der +<i>Disticha Catonis</i> lezen wij: + +<p class="quote">Dieghene die in haren sinne +Draghen waerlike<a title="[margin: wereldsche.]"><sup>#</sup></a> minne, +Si maker of riim ende liet. +</p> + +<p>Dat deze dichter het oog heeft op wereldsche, zinnelijke +liefde, blijkt wel uit hetgeen hij laat volgen: + +<p class="quote">Der minne so ne draghic niet<a href="#7.3">[3]</a> +</p> + +<p>ook uit zijne uitdrukking „ter minnen dienste staen" die immers +ontleend is aan de hoofsche lyriek. + +<p>Ook WILLEM VAN AFFLIGHEM klaagt over hen + +<p class="quote">Die loes baraet<a title="[margin: sluw bedrog.]"><sup>#</sup></a> ende arge treken +Bedekken metter minnen name +</p> + +<p>over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige +rijmen<a href="#7.4">[4]</a>. + +<p>Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld +die waar MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepoëzie +waarschuwt en haar tevens kenschetst. In zijn <i>Wapene Martijn</i> +zegt hij tot zijn vriend: + +<p class="quote">Martijn, ic ben wel berecht: +Het seghet al, heren ende knecht<a title="[margin: schildknaap.]"><sup>#</sup></a>, +Vrouwen ende joncfrouwen, +In sanghe ende in rime slecht, +Dat si met minnen sijn verplecht<a title="[margin: verstrikt.]"><sup>#</sup></a>, +Ende men cans niet bescouwen. +Mi dinke dat al die werelt vecht<a name="220"></a> +Jeghen der reenre minnen lecht +Ende volghen ontrouwen. +Menich seghet nu ende echt<a title="[margin: daarna.]"><sup>#</sup></a>: +„Mijn sin is ane u ghehecht +So sere, ic wane bedouwen"<a title="[margin: wegkwijnen.]"><sup>#</sup></a>; +Achtre maken si de mouwen<a title="[margin: steken zij er den draak mede.]"><sup>#</sup></a><a href="#7.5">[5]</a>. +</p> + +<p>MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters +en lezers van minnepoëzie. Dat echter ook geestelijken zulke +minnepoëzie maakten, blijkt ons uit den <i>Spieghel Historiael</i>. +In zijn voorbeeld, VINCENTIUS' <i>Speculum</i>, worden de wereldsche +geestelijken dier dagen berispt, wier gefriseerde lokken en geparfumeerde +kleederen eene andere dan „heilige minne" verraden +en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden: „dulces +literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT: + +<p class="quote"> noch laten gaen +Salute, subtijleke ghedicht +Ende met sconen rimen verlicht<a href="#7.6">[6]</a>. +</p> + +<p>Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde +plaatsen gedoeld wordt op Fransche minnepoëzie, doch het +kan niet waarschijnlijk worden geacht. Zoowel de dichter der +<i>Disticha Catonis</i> als MAERLANT richtten zich immers niet in +de eerste plaats tot edelen; onder de gemeenten was kennis +van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid, en het is de +vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het Fransch +zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden +maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden, +dat er omstreeks het midden der 13<sup>de</sup> eeuw vrij wat +Dietsche minnelyriek moet zijn geweest. Doch in ieder geval is +er maar zeer weinig van overgebleven. + +<p>Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde<a name="221"></a> +„clerken" zijner dagen die minnepoëzie dichtten, +herinnerde hij zich misschien niet dan met berouw, dat hij, +ook een „clerc", indertijd den roman <i>van Troje</i> had vertaald +waarin de minne zooveel plaats beslaat. Zou hij zelf nooit een +minneliedje hebben gedicht ter eere van de onbekende jonkvrouw +voor wie hij zijn <i>Alexander</i> heeft bewerkt? Het is licht +mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de +vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht +voor een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet: + +<p class="quote">Nye en droech vrouwe +Ghestadighen rouwe, +Noch nummer en doet; +Haer ketsen<a title="[margin: zich inspannen.]"><sup>#</sup></a>, haer jaghen, +Haer mynne draghen +Is saen te voet<a href="#7.7">[7]</a>. +</p> + +<p>Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN +BRABANT worden toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche +lyriek dier tijden is overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle, +aan Hertog JAN toegeschrevene, minneliederen die ons slechts +in Hoogduitsche overzetting bewaard bleven, inderdaad door +hem gedicht. Een vijftal dat zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch +laat terugbrengen, zullen wij aan hem mogen +toekennen; de overige zijn misschien door hem in het Middelhoogduitsch +gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld<a href="#7.8">[8]</a>. + +<p>In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar +zij zijn bevallig en welluidend. Zoo b.v.: + +<p class="quote">Eens meienmorgens vroe +Was ic opgestaen; +In een scoen boemgaerdekijn +Soudic spelen gaen.<a name="222"></a> +Daer vant ic drie joncfrouwen staen; +D'ene sanc voren, d'ander sanc na: +Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa. + +Doe ic versach dat scone cruut +In den boemgaerdekijn, +Ende ic verhoerde dat soete geluut +Van den mageden fijn, +Doe verblide dat herte mijn, +Dat ic moeste singen na: +Harba lori fa, enz. + +Doe groette ic die allerscoenste, +Die daer onder stont; +Ic liet mine arme al omme gaen; +Doe ter selver stont +Ic woude se cussen an haren mont; +Si sprac: „laet staen, laet staen, laet staen!" +Harba lori fa, enz. +</p> + +<p>Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men +ook in de overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men, +gelijk elders zoo vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur. +Overigens vinden wij hier de gewone klachten, verzuchtingen +en betuigingen. + +<p>Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan, +is ons overvloedig gebleken uit de poëzie van HADEWYCH. + +<p>Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest +die van „minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens +en behoeften des harten geuit in liederen of andere lyrische +vormen. Dat men in dezen tijd geestelijke liederen heeft gekend, +weten wij uit het <i>Leven van Sinte Lutgart</i>. In een visioen<a name="223"></a> +ziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA en CATHERINA naderen, +achter haar eene schare groote schoone maagden, in witte stolen +gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen +zingen zij „enen leec van minnen"<a href="#7.9">[9]</a>. Uit dit zeldzaam, slechts +hier voorkomend, woord <i>leec</i> blijkt in allen gevalle dat ook +WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe +bepaalt zich onze wetenschap in dezen. + +<p>Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons +slechts in latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen. +Zoo b.v. het lied: + +<p class="quote">Nu zijt wellecome, Heere Christ, +Want ghy onser alder Heere bist + enz. +</p> + +<p>dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds +vóór het jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid +is hier niets te zeggen<a href="#7.10">[10]</a>. + +<p>Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere +korte lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het +gansche volk of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds +op zich zelf moet dat in dezen tijd waarschijnlijk worden geacht; +doch ook hier zijn ons meer aanwijzingen dan teksten van +liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen kunnen de bewoners +dezer landen sterker hebben ontroerd dan de kruistochten? +Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat eene +herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet +geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken<a href="#7.11">[11]</a>. + +<p>Liederen, vóór of in den strijd aangeheven—men zou ze +in navolging van onze oostelijke buren: <i>wijchliederen</i> kunnen +noemen—waren bij de Germanen vanouds bekend<a href="#7.12">[12]</a>. Een +dezer liederen is, hoe zeer dan ook verminkt, door een Engelsch +<a name="224"></a> +kroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS PARISIENSIS +vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst van +ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173, +vóór den strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij +zongen: + +<p class="quote">Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin, +Engelond is min ant tin <a href="#7.13">[13]</a>. +</p> + +<p>Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen +zijn, het feit: dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk +heeten en niet minder: dat wij hier het van ouds bestaand +verband tusschen zang en dans nog vermeld vinden; dat verband +is misschien nog zichtbaar in het herhaalde <i>hoppe</i><a href="#7.13">[13]</a>. + +<p>Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel +vroeger eeuw de Friesche zanger BERNLEF er zong, werden +ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar nog altijd tot liederen verwerkt. + +<p>In zijn roman <i>van Alexander</i> zegt hij: +<p class="quote">Alse die liede seghe ghewinnen, +Spreectmen verre van haren daden +Ende singht er af in meneghen staden. +</p> + +<p>Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de +Latijnsche woorden: „toto radiaret in orbe" door: +<p class="quote">Men soude van siere doghet singhen +Al van daer die sonne up staet, +Tote daer soe weder neder gaet. +</p> + +<p>Ook de typische uitdrukking <i>een nieuw lied</i> waarmede de +liedjesdichters en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid +van het publiek hebben geprikkeld, is aan MAERLANT reeds +bekend, zooals blijkt uit het vers waarin hij van ALEXANDER zegt: +<p class="quote">Van joien sanc hi nuwen sanc<a href="#7.14">[14]</a>.<a name="225"></a> +</p> + +<p>Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen +de Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne +bondgenooten anderzijds, waren er blijkbaar spotdichten gemaakt, +waarin JAN VAN BRABANT en de zijnen vergeleken +werden bij een haan met zijne hennen, hunne tegenstanders +bij valken en blauwvoeten<a href="#7.15">[15]</a>. + +<p>Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien +reeds in de 12<sup>de</sup> eeuw in een lied werden bezongen, blijkt +ons uit eene mededeeling van den kroniekschrijver LAMBERT +VAN WATERLOOS. Niet lang vóór 1108 werd in de buurt van +Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders sneuvelden; +een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden door +liedjeszangers gezongen<a href="#7.16">[16]</a>. Deze liedjeszangers waren met de +pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders +en verbreiders, misschien ten deele ook de dichters +van zoovele liederen die toentertijd bestaan moeten hebben, +doch, naar het schijnt, voorgoed verdwenen zijn. + +<p>Omstreeks het midden der 13<sup>de</sup> eeuw moet er een aantal +vroolijke, dartele of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met +het oog op den volksaard zouden wij dat wel reeds mogen +vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt ons verschaft door +den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPRÉ in zijn +<i>Liber Apum</i> („der Biën Boeck") dat tusschen 1258–1261 geschreven +is. In menig verhaal, door den schrijver tot stichting +of waarschuwing verteld, vinden wij eene kostbare bijdrage tot +onze betere kennis van het leven onzer voorouders. + +<p>Zoo lezen wij b.v.: „Inder sceydinghe des landes van Vlanderen +ende Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes +ende inden dorpe was karcwijdinghe, ende daer waren vele +menschen verghadert te spelen, onder wien dat was een piper +als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS, die een +gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande.<a name="226"></a> +De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen +ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen. +Daer nae doe die hemel des avondes verdonckert was ende +alleman te huys ghinck, was alleen de piper noch niet ghesadet +van den spele ende ghinc over den weghe singhende mitten +pipen". Een onweer komt op en twee herdersjongens, die den +pijper vergezellen, zien dat hij, door den bliksem getroffen, +ineenzinkt. „Mercke hier", besluit de schrijver, „dat alle die +gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit +schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher +wraeken"<a href="#7.17">[17]</a>. + +<p>Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig +man, Heer GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: „hy hadde +eenen knechte, ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet, +die geset was des nachtes te waken. Dese selve voerghenoemde +knecht was seer ydel in allen doechden ende was oeck mede +des selve ghelijkes seer oncuus ende hi plach te pipen ende te +singhen ende vergaderde vele maechden ende jonghelinghen. +Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende +dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke +dat die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden +oghen voer den piper huppelde ende spranc, ende tot menigherhande +maniren zijnre beweghinghe hem menichsins verblidede. +Doe dat die here den knecht gheseyt hadde ende hi niet aflaten +en wolde vanden verdoemelijcken spele ende alremeest van den +oncuuschen lieden daer hi die magheden mede verweckede, +gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig +tijds later wordt ook deze knecht „van gode gheslaghen"<a href="#7.18">[18]</a>. + +<p>„Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPRÉ op +eene andere plaats van zijn boek, „dat door ontuchtige minneliederen +de harten ook van kloosterlingen en oprechte geloovigen +dikwijls verontrust worden?"<a href="#7.19">[19]</a>.<a name="227"></a> + +<p>Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke +Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den +jare 1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde, +zou ten aanhoore van het volk gezegd hebben: „dat vermaarde +lied van <i>Martijn</i> heb ik met een mijner gezellen vervaardigd +en in verscheidene deelen van Frankrijk en Duitschland verbreid." +De schrijver voegt er aan toe: „dit nu was een zeer +schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"<a href="#7.20">[20]</a>. + +<p>Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser +met zijne brandende oogen, die voor den pijper uit danste, +men zal kwalijk geloof kunnen weigeren aan het getuigenis van +CANTIMPRÉ dat er toentertijd vrij wat dartele of ontuchtige +minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die liederen meest +'s avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen; +opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid +door muziek en dans, waarmede het vanouds verbonden is +geweest. + +<p>Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven. +Zij zijn verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen +heeft op zomeravonden bij den reidans onder het spel van +den pijper. De zangers konden ze niet opschrijven al wilden +zij; wie schrijven konden, zullen het niet der moeite waard +hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der +burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken +die nuttige kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en +gemoed bevorderden. Die kennis en ontwikkeling werd hun +rijkelijk verschaft door den man die meer dan eenig ander zijner +tijdgenooten in zijne werken eene samenvatting en een beeld +geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT.<a name="228"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN.</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.1">1</a>: Over den vermoedelijken invloed van VELDEKE'S poëzie op de +hare vgl. MARTIN JÖRIS, <i>Untersuchungen</i> enz., bl. 81 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.2">2</a>: Vgl. hetgeen ik hierover vroeger heb geschreven in mijn <i>Lied +in de Middeleeuwen</i>, bl. 252 vlgg. + +<p class="footnote">De aangehaalde verzen zijn te vinden in: <i>Trouvères Belges du +XIIe au XIVe siècle....</i> par A. SCHELER, p. 2, 35, 36.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.3">3</a>: <i>Der</i> moet hier opgevat worden, gelijk niet zelden op andere +plaatsen, als aanwijzend voornaamwoord; vgl. ook den variant: <i>Diere +minne ne garic niet</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.4">4</a>: T.a.p. II, 63 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.5">5</a>: <i>Strophische Gedichten</i> (edd. FRANK en VERDAM), I, str. 35. + +<p class="footnote">Ik vestigde indertijd de aandacht op deze plaats in <i>Het Lied in de +Middeleeuwen</i>; vgl. ald. bl. 253.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.6">6</a>: A.w. II, bl. 82, vs. 40–42.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.7">7</a>: Vgl. <i>Historie van Troyen</i> (ed. DE PAUW en GAILLIARD) vs. 16055. +Het Fransche vers (13421) luidt: „One nule ne pot doel aveir." + +<p class="footnote">Eene lyrische ontboezeming ook in vs. 6666–6677 over den dood +van HECTOR, waar men in het origineel (vs. 16179-'81) slechts een +drietal verzen vindt.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.8">8</a>: Het vraagstuk van Hertog JAN'S liederen is grondig behandeld +door H. BOERMA in: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XV, 220 vlgg. Onder +de daar genoemde literatuur is vergeten hetgeen door VERDAM was +opgemerkt in hetzelfde Tijdschrift IX, 274.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.9">9</a>: A.w. II, 2673-'4. In het Latijn is hiervan niets te vinden; +vgl. <i>A. Sanct.</i> Junii III, p. 245, 9.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.10">10</a>: Vgl. <i>Kerstliederen en Leisen</i> door J.G.R. ACQUOY, Amsterdam, +JOH. MÜLLER, 1887, bl. 20; BÄUMKER, <i>Niederl. geistl. lieder</i> in: +<i>Vierteljahrsschrift für Musikw.</i>, 1888, bl. 157.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.11">11</a>: In R. HENNING'S <i>Nibelungen-Studiën</i> (<i>Quell. u. Forsch.</i>, 31, +p. 21) lees ik: ALBERT VON AACHEN schöpfte im Anfang des zwölften +Jahrhunderts seine Erzählung über den ersten Kreuzzug aus flandrischen<a name="229"></a> +und nordfranzösischen Liedern." Het is mij niet mogen gelukken in +het <i>Chronicon Hierosolymitanum</i> de plaatsen te vinden, welke die +bewering zouden kunnen staven.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.12">12</a>: Vgl. HOFFM. VON FALLERSLEBEN'S <i>Gesch. des deutschen Kirchenliedes</i>, +p. 44–5.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.13">13</a>: Vgl. <i>Onze historische Volksliederen</i> door PAUL FRÉDÉRICQ, +bl. 8 en <i>Middelnederlandsche Historieliederen</i> door Dr. C.C. v.d. GRAFT, +bl. 43.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.14">14</a>: Vgl. <i>Alexander</i> (ed. FRANCK), IV, 1450; V, 1226; III, 1338 en +de aanteekening op p. 435. Eene vergelijking met het Latijn toont +dat deze verzen van MAERLANT zijn. (Het „singhen ende lesen" in +X, 1254 b.v. is van GAUTIER DE CHATILLON).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.15">15</a>: Vgl. <i>Rymkronyk van Jan van Heeln</i> (ed. WILLEMS), p. 343, +DXX vlgg. JAN VAN HEELU zelf zinspeelt op die gedichten in +vs. 5184 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.16">16</a>: PAUL FRÉDÉRICQ in a.w. bl. 8.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.17">17</a>: Ik geef hier de Dietsche vertaling uit den druk van PETER +VAN OS, Swolle 1488 weer. Dit verhaal vindt men f<sup>o</sup> 169 v<sup>o</sup>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.18">18</a>: T.a.p. f<sup>o</sup> 140.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.19">19</a>: <i>Liber Apum</i> c. XLVIII: „obscenis et venereis cantibus corda +etiam religiosorum ac bonorum fidelium multotiens permoveri".] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="7.20">20</a>: A.w.c. XLVIII: „Cantum hunc celebrem de Martino ego +cum collega meo composui et per diversas partes gallie, theutonie +promulgavi. Erat autem turpissimus et plenus luxuriosis plausibus +cantus ille." + +<p class="footnote">Ik vond deze plaats niet in den door mij gebruikten druk der +Dietsche vertaling. + +<p class="footnote">Het, mij en anderen onduidelijk, „plenus luxuriosis plausibus" +heb ik gemeend op bovenstaande wijze te mogen vertalen.]<a name="230"></a> + +<hr> + +<h2>JACOB VAN MAERLANT.</h2> + +<p class="intro">Inleiding. Ridderpoëzie. Omkeer. Geestelijke poëzie. Poëzie der +Gemeenten. Der Kerken Claghe. Van den Lande van Overzee. +Besluit. + +<p>In MAERLANT'S persoon en werk vinden wij de drie standen +en hunne poëzie vereenigd. + +<p>Hij staat in betrekking tot den adel en dicht ridderromans; +hij behoort tot de lagere geestelijkheid en schrijft geestelijke +poëzie; hij zegt den adel en vooral den geestelijken de waarheid +en tracht door zijne latere werken aan de gemeentenaren die +kennis en ontwikkeling te verschaffen die zij begeerden en +noodig hadden. + +<p>Van zijn uiterlijk leven, vooral van zijn leven in verband +met zijne werken, is ons weinig bekend. Hij was een Vlaming, +in de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw, vermoedelijk in de buurt van +Brugge, geboren; misschien woonachtig te Damme. Later in +zijn leven vinden wij hem als koster te Oost-Voorne en in +betrekking tot de machtige edelen: Heer NICOLAAS VAN CATS, +wien hij zijn <i>Naturen Bloeme</i> ten geschenke gaf, en ALBRECHT, +Heer van Voorne, burggraaf van Zeeland en vertrouwd raadsman +van FLORIS V; aan dezen ALBRECHT van Voorne droeg +hij zijn roman <i>van Merlijn</i> op. + +<p>Ten deele misschien nog in Vlaanderen, ten deele op Voorne, +schreef hij zijne eerste werken: den roman <i>van Alexander</i> +(1257–1260), <i>van Merlijn</i> (c. 1261), <i>van Torec</i> (c. 1262) en +<i>van Troyen</i> (c. 1264)<a href="#8.1">[1]</a>; waarschijnlijk nog op Voorne de tweespraak<a name="231"></a> +die naar de aanvangswoorden <i>Wapene Martijn</i> (c. 1266) +genoemd wordt. Van Voorne verhuisde hij naar Damme, waar +hij, volgens de overlevering, „scepenclerc" (gemeentesecretaris) +zou zijn geweest. Die verhuizing heeft misschien omstreeks +1266 plaats gehad. + +<p>Na dien tijd schreef hij, behalve een aantal strophische gedichten, +nog eenige groote werken: <i>der Naturen Bloeme</i> +(1266–1269); <i>Rijmbijbel</i> (vóór 1271); <i>Sinte Franciscus Leven</i> +(c. 1271–1272?) en daarvóór het <i>Leven van Sinte Clara +Spieghel Historiael</i> (1282 of 1283 tot 1289 of 1290<a href="#8.2">[2]</a>). + +<p>In dat laatste werk is hij blijven steken; de dood heeft hem +belet het te voltooien. Aan het slot van het 3<sup>de</sup> boek der 4<sup>de</sup> +Partie van dat groote werk gekomen, schreef hij: + +<p class="quote">Ende verstaet dat Jacob moet +Van Maerlant rusten terre stede +Van der vierder paertyen mede, +Ende beiden tote dats hem God jan<a title="[margin: vergunt.]"><sup>#</sup></a>, +Dat hire weder coemet an, +Omme te dichtene in redene claer +Die dinghe diere volghen naer. +</p> + +<p>In die verzen meenen wij het doodsklokje te hooren luiden. + +<h3>RIDDERPOEZIE.</h3> + +<p>Wie MAERLANT door latere dichters „vader der Dietsche +dichteren algader" hoort noemen, zou kunnen vergeten dat +ook deze vader eens jong geweest is en de minne heeft gekend, +al was hij nog zoo degelijk. De zoete heugenis dier minne +overvalt hem later midden in de geleerdheid van <i>der Naturen +Bloeme</i>. Wanneer broeder THOMAS VAN CANTIMPRÉ aan eene +beschrijving van den kalander-leeuwerik eene uitweiding over<a name="232"></a> +de vreugde der contemplatie vastknoopt, gaat MAERLANT in +zijn vertaling een anderen weg. Dezen leeuwerik, die heerlijker +zingt dan eenige andere, wien in eene kooi de gevangenschap +weelde schijnt, vergelijkt hij bij + +<p class="quote">Hem die met minnen es bevaen, +<i>Dat een zwaer karker es ende soete</i>. +Cume<a title="[margin: nauwlijks.]"><sup>#</sup></a> hevet hi enighe moete<a title="[margin: tijd.]"><sup>#</sup></a> +Om yet te pensen dan omme sanc, +Ende om feeste ende om spel ghemanc<a title="[margin: samen.]"><sup>#</sup></a>, +<i>Der minnen karker geeft hi prijs<a title="[margin: lof.]"><sup>#</sup></a>, +Want et dinct hem een paradijs</i><a href="#8.3">[3]</a>. +</p> + +<p>In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen +hij de hand sloeg aan eene bewerking van den roman van +ALEXANDER, ter wille van eene schoone die hem gevangen +hield en peinzen deed<a href="#8.4">[4]</a>. Behalve den <i>Alexander</i> bewerkte hij +in deze eerste jaren nog drie andere romans. Het is begrijpelijk +dat twee daarvan: <i>Merlijn</i> en <i>Torec</i> behooren tot die Keltische +romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een +lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman +in MAERLANT'S omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk +ook, dat de twee overige: <i>Alexander</i> en <i>Troyen</i> behooren tot +die klassieke romans die naar den geest zoo verwant waren +met de Keltische. + +<p>De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere +beschouwing, voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT +niet. Hij noemt in zijn proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig +met en overtreffende die van zoovele andere helden: +de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen niet halen, +de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de +oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne +Hunnen kunnen hiermede niet vergeleken worden. Voor<a name="233"></a> +MAERLANT zijn blijkbaar alle gedichten die deze en dergelijke +stoffen behandelen, gelijksoortig als schilderingen van het +verleden. + +<p>Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen +over ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring +in het zoo even gezegde. Maar ook de groote roem van het +door hem verdietschte werk moet daartoe hebben bijgedragen. +De <i>Alexandreïs</i> waarmede de scholaster GAUTIER DE CHATILLON +andere onhistorische gedichten over ALEXANDER hoopte te verdringen, +maakte grooten opgang; zóó zelfs dat de Universiteit +van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke boeken +opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een +van deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen. +MENKO, abt van Wittewierum in den aanvang der +13<sup>de</sup> eeuw, noemt in de kroniek van zijn klooster de <i>Alexandreïs</i> +in één adem met de <i>Aeneïs</i>; een zijner tijdgenooten, de Christelijke +Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit werk zoozeer +in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat liggen<a href="#8.5">[5]</a>. +Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen +was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken. +Geest en gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden +wijd open als de bloemkelk gereed om zonnestralen en dauw +en regen op te vangen. Deze menschen luisterden naar verhalen +uit den voortijd als kinderen naar een sprookje; hun frissche +belangstelling, nog niet neergebogen onder den last eener +eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt, +zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden. + +<p>Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig +Oosten introk en den machtigen Perzischen heerscher +durfde aantasten, moest wel indruk maken op de verbeelding +van middeleeuwsche menschen. Wanneer MAERLANT de toebereidselen +tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij zich +<a name="234"></a> +dan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven<a href="#8.6">[6]</a>. +En wat al wonderen verhaalden de auteurs van de <i>Alexandreïs</i> +en dergelijke werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden +en zilveren bergen zijn; gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij +het Paradijs dat er uitziet als een schitterende burg; hij ziet +menschen zonder hoofd, arenden die van achteren leeuwen +zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de verbeelding in +werking te brengen behaagde de <i>Alexandreïs</i>; in de schets +eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping +en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en +klerken gericht wegens hunne simonie, tot de groote heeren +wegens hunne hebzucht, was veel wat den jongen MAERLANT +belangwekkend en aantrekkelijk moest voorkomen. Het verwondert +ons dan ook niet van hemzelven te vernemen, dat hij +dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet +zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een +half jaar heeft verdietscht<a href="#8.7">[7]</a>. + +<p>Gelijk zoo menig dichter vóór hem, geeft ook MAERLANT in +dit gedicht eer eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft +korte samenvattingen, ten einde grooter duidelijkheid of beter +samenhang te verkrijgen; lascht gepaste vergelijkingen of spreekwoorden +in of voegt scherper trekken toe aan de teekening van +zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van alle aardsche +grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den bombastischen, +bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk niet willen +noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde +Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een +enkelen keer door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op +sommige plaatsen bekort hij zijn voorbeeld en breidt dan niet +zelden uit hetgeen onmiddellijk volgt, als om eene vergoeding +te geven<a href="#8.8">[8]</a>. + +<p>Een der meest karakteristieke uitbreidingen is zeker die +<a name="235"></a> +waarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft; +in de teekening van „meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt +hij zooveel Vlaamsche werkelijkheid, dat men hier en daar +wanen zou verplaatst te zijn naar een Vlaamsche stad die feest +viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig jonkman zijn +geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid even +vroolijk te maken over de dwaze „warmoesdeernen" die zich +hoofsche namen hebben aangeschaft en beweren „vrouwe YMME" +en „vrouwe MARGRIETE" te heeten<a href="#8.9">[9]</a>. + +<p>Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de +hoofsche vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans +der minne blonk. Wanneer „meester WOUTER VAN CASTELLIOEN" +de schoonheid eener Scythische koningin heeft geprezen, neemt +MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde schoonheden uit +vroeger tijden op te sommen<a href="#8.10">[10]</a>. Hij heeft ze voor het kiezen: +behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee +van hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die +andere YSOUDE „met de blanke handen" en MELIOR VAN +CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en eene van WALEWEIN'S +vele minnaressen en LANCELOT'S „amie" en DEJANIRA, DIDO, +BRISEÏS en ABSALON'S zuster THAMAR ... waarlijk, men +behoeft niet te vragen met welke lectuur deze in der minnen +kerker gevangene zich tot nog toe bij voorkeur den tijd had +verdreven. + +<p>Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook de <i>Historie +van Troyen</i>. + +<p>Een geruimen tijd vóór MAERLANT, waarschijnlijk in den +aanvang der 13<sup>de</sup> eeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam: +DIEREGOTGAF, een paar gedeelten van den Franschen <i>Roman +de Troie</i> vertaald of bewerkt<a href="#8.11">[11]</a>. In het eene stuk, <i>tprieel van +Troyen</i> genaamd, is de liefde hoofdzaak; wij zijn daar in het +gezelschap van een aantal jongere ridders, met de koninginnen<a name="236"></a> +van hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend +in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons +in den oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot +tournooi met scherpe wapenen; de dames zitten er dan ook +naar te kijken. + +<p>MAERLANT heeft den ganschen <i>roman de Troie</i> van BENOÎT +DE ST. MORE vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen, +waarschijnlijk echter na het zóó te hebben gewijzigd dat het +met zijn eigen werk strookte<a href="#8.12">[12]</a>. + +<p>De <i>Roman van Troyen</i> is vol liefdelyriek. Het is dan ook +begrijpelijk, dat op ééne plaats dat lyrisch element ook den +uiterlijken vorm der lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt +met een minneliedje. Ook elders vinden wij dat lyrisch karakter: +een drietal verzen van BENOÎT over den dood van HECTOR +wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene elegische ontboezeming, +wel niet in coupletten, maar toch in eenige op gelijke wijze +aanvangende perioden afgedeeld<a href="#8.13">[13]</a>. + +<p>Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk +heeten; op menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de +bewerker vervuld was van zijn onderwerp, van die ridderwereld +en die liefdesgevallen. Waar hij b.v. MEDEA'S hartstocht +in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene fraaie navolging +van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking heeft +hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog +in het verhaal te brengen<a href="#8.14">[14]</a>. + +<p>Tusschen den roman <i>van Alexander</i> en dien <i>van Troye</i> +bewerkte hij een paar romans uit den Britschen sagenkring. +De <i>Historie van den Grale</i> en <i>Merlijns Boeck</i> vormen de +beide deelen van het eene werk, dat eene vertaling bevat van +een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON. + +<p>In de <i>Historie van den Grale</i> worden ons in hoofdzaak de +lotgevallen van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij van<a name="237"></a> +PILATUS een „nap" of „scotele" had ontvangen, „daer Jezus +die eerste misse in sanc"; hoe hij na de inneming van Jeruzalem +door de Romeinen met een groote schare naar verre landen +trok en hoe „die scotele die men heet den Grael" het vermogen +bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de +goeden de „gracie" te doen gewinnen. Later wordt de „heilige +Grael", „dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede +van JOZEF'S zwager BROEN, die „de rike visscher" geheeten +wordt omdat hij een visch moet vangen die naast den Graal +op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet worden gelegd. +BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier afdeelingen +van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten +verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen +wij verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling +een eind en wendt zich tot de geschiedenis van MERLIJN. + +<p>Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over +het recht op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN, +advocaat der duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen<a href="#8.15">[15]</a>. +Natuurlijk verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken, +doen zij door een hunner bij eene onschuldige maagd een +kind verwekken dat tot Antichrist bestemd is. Hun opzet mislukt, +doordat dit kind, MERLIJN, zijne bovennatuurlijke wijsheid +slechts tot heil der menschheid wil aanwenden. MERLIJN komt +later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens +broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische +indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking +tot YGERNE, „des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van +die overspelige liefde is ARTUR, die koning van Logres wordt +maar jaren lang strijd moet voeren tegen de weerbarstige +baronnen in zijn land. + +<p>Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door +LODEWIJK VAN VELTHEM zal worden voortgezet<a href="#8.16">[16]</a>.<a name="238"></a> + +<p>Noch in de <i>Historie van den Grale</i>, noch in <i>Merlijns boeck</i> +vind ik plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler +doen kennen. Wel mag men vermoeden, dat de beschrijving +der hoofsch-hartstochtelijke liefde van koning UTER voor de +schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal zijn gevallen<a href="#8.17">[17]</a>. +Had hij geen behagen geschept in zulke liefdesgeschiedenissen, +dan zou hij zeker den roman <i>van Torec</i> niet hebben bewerkt. +Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in de <i>Lancelot-compilatie</i> +is opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene verwerking +derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans, met +name in den <i>Lancelot</i>, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een +schoone maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan +verlaten; een dozijn ridders, achtereenvolgens uit een kasteel +komend, die door den held van het verhaal overwonnen moeten +worden; het „josteeren" tegen de gezellen van de Tafelronde; +bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen. + +<p>Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik +heeft gemaakt van Fransche romans, mag men reeds opmaken +uit een vrouwenaam als „TRISTOUSE" dien hij vertaalt door: +„met rouwe gedragen" (er is daar sprake van een kind); uit +riddernamen als „VAN DER BASSE RIVIERE" en „DE ORGELIOUS"; +de hier voorkomende „camere van wijsheden" herinnert ons +aan „la Chambre de Beauté" in den <i>Roman de Troie</i><a href="#8.18">[18]</a>. De +eenmaal voorkomende uitdrukking „also als ic 't int romans +hore" kan wel grond geven tot de onderstelling dat MAERLANT +zich bij die plaats van zijn werk een Fransch voorbeeld herinnerde; +doch op grond van dat vers alleen aan te nemen dat +de <i>Torec</i> vertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog op het +feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd +wordt. Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt, +de roman van MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan +men er toch niet in aanwijzen.<a name="239"></a> + +<p>Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook +in dezen roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als: + +<p class="quote">Dat hare doe een splinter stac +Van reinre minnen in haer herte +</p> + +<p>in eene lyrische ontboezeming over de minne, „die alle hovescheit +wiset"; in het „saluut van minnen" dat TOREC aan de +blanke MIRAUDE zendt<a href="#8.19">[19]</a>. + +<h3>OMKEER.</h3> + +<p>In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens +behalve liefde voor vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt +doch behoeft nadere verklaring. + +<p>Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag +men betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap +tot de zijne had gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken +koning PORUS hebben gezegd, dat hij „bloedde als een +rund" of uit den roman <i>van Troyen</i> juist beschrijvingen +van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag hebben +weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANT +<i>historie</i>. In zijn <i>Alexander</i> verklaart hij met nadruk dat hij +„die waerheit, meer no min" in het Dietsch wil uiteenzetten; +èn in dien roman èn in de overige vergenoegt hij zich niet +met zijn voorbeeld te volgen; doch hij vult het aan, wijzigt +of bestrijdt het, zooals hij meende dat de historische waarheid +het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige kennis, blijkt +duidelijk waar wij in den <i>Alexander</i> allerlei wetenschappelijke +invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de Babylonisch-Perzische +geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS, +XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering. +Naar het schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechts<a name="240"></a> +zijn geheugen geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken +gelezen moet hebben dan „der minnen boek". Zoo hoog stelt +MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES tot zijne geliefde +BRISEÏS laat zeggen: „wy lesen in ouden vyten", waar het Fransch +slechts van „hooren zeggen" spreekt<a href="#8.20">[20]</a>. + +<p>Niet zóó ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER +of hij blijft zich helder bewust dat deze toch een <i>heiden</i> was +en hij verzuimt niet DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel +zal komen<a href="#8.21">[21]</a>. Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone +en bewondering voor uitheemsche romanheldinnen, maar in +schoonheid konden die toch niet halen bij + +<p class="quote">... de vrouwe die noit en dede +Sonde no ooc dorperhede +</p> + +<p>met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit. +Dezelfde eerbiedige liefde voor „de moeder ons heren" vinden +wij aan het slot van den <i>Alexander</i> en in den roman <i>van Troyen</i>, +waar hij eene onbekende, door BENOÎT aangeduid als „riche dame +de riche roi", vervangt door haar die „moeder es ende maghet". + +<p>Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT +den indruk van dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben +meent hij, in den oorlog hunne eer verloren. En waarom—gaat +hij voort—laat men zich onder Christenmenschen nog +altijd voorlezen van die „overdaet"—Want aan weerszijden +waren het louter heidenen—? Het antwoord luidt: opdat + +<p class="quote">... elc man mercken sal, +Hoe onreene dat averal +Hoerdom es ende hoe groot quaet +Datter af te comene staet<a href="#8.22">[22]</a>. +</p> + +<p>Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst +doen als afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zal<a name="241"></a> +MAERLANT zijn geweten hebben gerust gesteld, indien dat ten +minste nu reeds in hem sprak, zooals het later zou spreken over +den verkeerden weg door hem als dichter gevolgd. + +<p>Gaf de <i>Alexander</i> ons den MAERLANT van later reeds te zien +in zijne neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet +hij dat, waar wij in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige +bewerking vinden van de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten +jegens papen en klerken over hunne symonie, jegens +groote heeren over hunne hebzucht. + +<p>Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT +zóó duidelijk wat hij later worden zal als in den <i>Torec</i>. In het +hoofdstuk, getiteld „hoe Torec in 't scep van aventuren was", +zien wij allerlei kiemen die later zich zullen ontwikkelen. In +een rijkversierd vertrek hooren wij daar vroede oude mannen +spreken over het nut der wijsheid, over dwazen die dat nut +niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de +minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen +rijk en arm, de onverdiende geringschatting van den arme. +Hier vinden wij ook reeds de drie soorten van liefde genoemd, +die wij later in den <i>Wapene Martijn</i> zullen terugvinden<a href="#8.23">[23]</a>. + +<p>Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt +boven alle vrouwen, die partij kiest voor den arme tegen de +grooten der aarde, die adel en geestelijkheid hunne hebzucht +verwijt, die wijsheid en nuttige kennis verheft en aanprijst—zal +het winnen van den verliefden bewerker van ridderromans. +Zal het winnen—langzamerhand. Want van eene bekeering +in den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken. +Immers onder zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch +geschrift over de gesteenten (<i>Lapidarijs</i>) en een werkje +over droomen (<i>Somniarijs</i>) dat een dergelijk karakter zal hebben +gedragen. Ook verloochent hij in latere jaren dat eerste werk +niet. Naar zijn <i>Troyen</i> en zijn <i>Alexander</i> verwijst hij de lezers<a name="242"></a> +ook nog in zijn <i>Rijmbijbel</i> en zijn <i>Spieghel Historiael</i> zonder +ze af te keuren; van den <i>Alexander</i> zegt hij alleen, dat er +fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil herhalen. Anders +is het met den <i>Merlijn</i> en de Britsche romans in het algemeen. +Zoowel in <i>Rijmbijbel</i> als in <i>Spieghel Historiael</i> laat hij zich +geringschattend uit over „die boerde van den Grale", over +„MADOCS droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"<a href="#8.24">[24]</a>. + +<p>Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en +meer komt hij tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken +van den rechten weg was afgedwaald. In den <i>Rijmbijbel</i> zien +wij die overtuiging zoo sterk geworden, dat zij zich moet uitspreken. +Hij bidt God: vergeef mij om der wille van dit werk + +<p class="quote"> dat ic mi besmet +Ebbe in logenliken saken, +Die mi de lichtheit dede maken +Van der herten ende van den zinne +Ende van der wereliker minne<a href="#8.25">[25]</a>. +</p> + +<p>Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT +toont besef te hebben van dien omkeer en van nu af zien wij +hem in de nieuwe richting voortgaan. Meer dan eens stelt hij +„der poëten fabelen", de „boerden ende favele" tegenover de +waarheid, tegenover het evangelie. Het duidelijkst in den aanvang +van <i>Sinte Franciscus Leven</i>: + +<p class="quote">Cume<a title="[margin: nauwlijks.]"><sup>#</sup></a> es hi van mi bekint, +Die nu leeft ende waerheit mint; +Maer Tristram ende Lanceloot, +Perchevael ende Galehoot, +Ghevensde<a title="[margin: verzonnen.]"><sup>#</sup></a> namen ende ongheboren, +Hier of willen de lieden horen; +Truffe van minnen ende van stride<a name="243"></a> +Leestmen dor de werelt wide. +Die ewangelie es ons te zwaer, +Omdat soe recht seit ende waer. +</p> + +<p>Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn +verhaal van dien „coninc van versen" + +<p class="quote">Die vinden conste ende maken +Veerse die ter werelt smaken +</p> + +<p>maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan +„pensde te betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk +uit te maken; doch zeker is, dat de stem der waarheid zich in +MAERLANT'S werk luider doet hooren, naarmate hij ouder wordt<a href="#8.26">[26]</a>. + +<p>Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche +romanliteratuur den rug toegekeerd; naïef doch begrijpelijk is +het, dat nu in het vervolg alle „Walsch" voor hem „valsch" +is, terwijl het Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig +heet. Dat onder de waarheid, die hij voortaan wil +verkondigen, tal van wonderen begrepen zijn, behoeft in +een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; „waerheit +ende menech wonder", „wonder ende waer" worden door hem, +evenals door andere middeleeuwsche auteurs, telkens in één +adem genoemd<a href="#8.27">[27]</a>. + +<p> +GEESTELIJKE POËZIE. + +<p>Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen +vinden dan in den bijbel? In die overtuiging heeft hij de +<i>Historia Scolastica</i> van PETRUS COMESTOR verdietscht, die +bekend staat onder den naam van <i>Rijmbijbel</i>. + +<p>In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven +der geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met dien +<a name="244"></a> +der Apocriefe Boeken en der Evangeliën. MAERLANT heeft weggelaten +wat hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en +daar stukken van den bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd; +menige mystieke uitlegging van het bijbelverhaal is door hem +uitgebreid, ook neemt hij niet zelden de gelegenheid waar om +MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te gispen<a href="#8.28">[28]</a>. + +<p>Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis +onder het bereik der leeken brengen. Van poëzie is +in dit werk geen sprake; van aandoening zelfs tenauwernood. +Slechts op een paar plaatsen, namelijk waar hij den dood van +JUDAS MACCABEÜS verhaalt, en eens waar van JEZUS sprake +is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen<a href="#8.29">[29]</a>. Blijkbaar was +de bewerking der <i>Scolastica</i> voor den auteur louter plicht. Hij +moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben, wij +kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de +voltooiing der bewerking van den <i>Pentateuch</i> slaakt hij dan +ook de verzuchting: +<p class="quote">God danc, ic heb se overleden<a title="[margin: achter den rug.]"><sup>#</sup></a>. +</p> + +<p>Minder zwaar zal hem de bewerking van <i>Sint Franciscus' +Leven</i> zijn gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging, +maar op verzoek van eenige belangstellenden te Utrecht, +inzonderheid van zekeren broeder ALAERD, waarschijnlijk, +evenals de overige vragers, lid der orde van SINT FRANCISCUS. +Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in de +persoonlijkheid van den „edelen vaendragher ons Heren" veel +moet zijn geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de +armen tegen de aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den +proloog immers herhaalt hij nog eens eene waarschuwing van +vroeger: + +<p class="quote">Dat minnen gaet vor alle ere; +<i>Want arem man heet emmer sot</i>.<a name="245"></a> +</p> + +<p>En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend, +wie haar op kostelijker altaar geheven, dan juist „il Poverello"? + +<p>Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven +weinig eigens, weinig ook dat ons spreekt van aandoening in +hem gewekt door de levensopvatting en den levenswandel van +„SINTE FRANSOYS". Waar wij hier en daar sporen van aandoening +meenen te zien, blijkt bij vergelijking met het origineel dat +MAERLANT niet veel meer geeft dan eene vertaling<a href="#8.30">[30]</a>. + +<p>Met <i>Rijmbijbel</i> en <i>Sinte Franciscus Leven</i> had MAERLANT +werken gegeven die zijns inziens beter lectuur waren dan de +door hem verworpen dwaasheden „van minnen ende van +stride". De kennismaking met Latijnsche kerkliederen en eigen +godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook nog andere +geestelijke poëzie uit hem voort, waarop wij nu het oog +moeten richten. + +<p>Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde +lyrische gedichten, waarvan een drietal: <i>Van den vijf Vrouden</i><a title="[margin: vreugden.]"><sup>#</sup></a>, +<i>Van ons Heren Wonden</i> en <i>Clausule van der Bible</i> misschien +nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is waarschijnlijk, +het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het +vierde gedicht <i>Van der Drievoudichede</i> bevat een zeer vrije +bewerking van een Latijnsch gedicht als dat <i>De Sancta Trinitate</i>; +<i>Clausule van der Bible</i> en <i>Disputatie van den Cruce</i> schijnen +zelfstandige bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten +en voorstellingen, die men ook elders in de middeleeuwsche +literatuur aantreft<a href="#8.31">[31]</a>. In het eerste stuk wordt telkens in een nieuw +couplet eene nieuwe vreugde van MARIA, in het tweede achtereenvolgens +de vijf wonden van JEZUS bezongen. <i>Clausule van der +Bible</i> bevat eene verheerlijking van MARIA in een toen veelvuldig +gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude +Testament, vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT +wordt niet moede, door een veertigtal strofen heen, de Moedermaagd<a name="246"></a> +telkens weer onder een andere gedaante te verheerlijken: +MARIA is de duive met den olijftak terugkeerend naar de ark; +de ladder waarlangs de engelen af- en opklommen; RACHEL, +des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind MOZES +schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels +dauw neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna, +de steen waaruit op MOZES' gebed een klare fontein ontsprong +... zoo volgt het eene beeld op het andere, totdat +de dichter het moet opgeven, want „volprisen" kan hij haar +niet, „de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht +scheen gelijk de zonneschijn. + +<p>In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan; +behoefte om JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden, +uit zich hier ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende +verzen. + +<p>Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten: +<i>Van der Drievoudichede</i> en <i>Disputatie van den Cruce</i>. Hier +kon hij niet volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele +vraagstukken als dat der Drieëenheid, een geschil als dat +tusschen MARIA en het Kruis, eischten inspanning van denkkracht +en voorstellingsvermogen om zelf te begrijpen en anderen +te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat wij MAERLANT +hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het lyrisch-dramatische +van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang gekomen +op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche +geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend +bij de samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de +rollen zoo verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt. +Die verdeeling gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van +moeilijke vraagstukken; de afwisseling van vraag en antwoord +of ook het verschil van opvatting tusschen twee sprekers +bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT, man van<a name="247"></a> +veelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de Latijnsche +literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch +zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven +van de „débats", „jeux-partis" en „tençons" die in de toenmalige +nationale Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden +en die ook door de Belgische trouvères gedicht werden<a href="#8.32">[32]</a>. + +<p>Zoo zien wij in de tweespraak <i>Van der Drievoudichede</i> JACOB +in gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe +kan ik God leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim +en Seraphim, antwoordt JACOB, nog zou ik u op die hooge +vraag niet kunnen antwoorden. Luister naar hetgeen mij de +bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil doorgronden +is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd +zullen worden als zij den Horeb beklimmen.—Ook ik ben +overtuigd, herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid +niet zouden kunnen omvatten; doch leer mij zooveel mijn +door de zonde verzwakt verstand kan bevatten. JACOB geeft +dien wensch gehoor: God is boven alles, onder alles, buiten +alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest. Den +Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vóór alle begin; +daarna den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider +vereeniging ontsproten Heiligen Geest; samen vormen zij eene +drie-eenheid van <i>macht</i>, <i>const</i> en <i>wille</i>, die aanwezig moet zijn +in elken mensch die iets wil voortbrengen. God rust zelf +en brengt alles in beweging; geene plaats omvangt Hem, Hij +omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde, Hij is +eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het +geloof draagt hier de kroon. + +<p>Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon +geeft MAERLANT eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer, +van den zondeval, van de verhouding tusschen het menschelijke +en het goddelijke in JEZUS, van het Laatste Oordeel. Hij is van<a name="248"></a> +ons heengegaan, doch Hij heeft zijn vleesch en bloed hier +gelaten om het te „sacreeren" in der priesters handen. Met +eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing +tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig +te mogen worden wordt het gedicht besloten<a href="#8.33">[33]</a>. + +<p>In <i>Disputatie van den Cruce</i> zien wij MARIA handenwringend +staan onder het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis: +moordenaars en dieven moet gij straffen, niet Hem die rein +van zonden is.—Niet alleen uwe zaak geldt het hier, antwoordt +het kruis, maar die „der wereld gemene"; toen ik uw zoon +ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch onsterfelijk zal Hij +terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op Hem en willen +van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet +met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis +waarheid heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren: +mensch, wat heb ik voor u gedaan en wat doet gij voor mij? +Gij moet de wereld verzaken of gij zult niet met mij leven. +Al uw pogen strekt om schatten te vergaderen. Doch het is +niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders voorgaan: al het +kwaad komt uit de „sacristie"<a title="[margin: de kerk.]"><sup>#</sup></a>; vleeschelijk leven, wellust, zich +trotsch gedragen—het vindt zijn oorsprong bij de geestelijkheid. +Om de armen bekommeren zij zich niet. Beginnen zij soms de +wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de vleeschpotten +van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en +vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der +kudde, maar wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en +ontrukt het heilige land aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en +het kruis zegt tot MARIA, dat het niets baat of men haar al +bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden heeft. Ten slotte +gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat door +Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van +Kruis noch Maagd kan ontberen.<a name="249"></a> + +<h3>POËZIE DER GEMEENTEN.</h3> + +<p>In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over +de hoogten der bespiegeling; in <i>Disputatie van den Cruce</i> zien +wij hem afdalen tot de vlakte beneden waar het werkelijk leven +wordt afgespeeld. Er was echter in dat werkelijk leven, behalve +het wangedrag der geestelijken, nog zooveel dat hem vervulde: +maatschappelijke misstanden die hem in twijfel en onrust hielden, +onrecht dat hem ergerde, gewichtige vraagstukken die hem niet +los lieten. In een paar tweespraken, <i>de eerste</i> en <i>d'ander +Martijn</i>, heeft hij getracht samen te vatten wat in hem omging. +Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen, gedachten +over maatschappij en kerk, over handel en wandel +der menschen, over de verhouding der standen, over de +liefde, de zonde, over God, ten deele reeds door anderen +uitgesproken, ten deele dus herinneringen den dichter bijgebleven +uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn eigendom—zijn +hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken +bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook +de meeste andere vervat zijn; in <i>de Eerste Martijn</i>, de omvangrijkste +tweespraak van alle die bijna 1000 verzen telt, is +op menige plaats een dichterlijke gloed waaruit ware poëzie +is voortgekomen; <i>d'ander Martijn</i>, van veel minder omvang, +geeft meer spel van vernuft dan poëzie al is deze niet geheel +afwezig. + +<p>De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de +hoofsche minnelyriek en de minachting van „truffen ende +poëtriën", het meesterschap over den vorm verbieden ons aan +te nemen dat zij uit des dichters jeugd zouden dagteekenen. +Maar anderzijds getuigt <i>de Eerste Martijn</i> van zooveel eerbiedige +liefde voor de vrouwen, zij het ook dat die evenals in den +<i>Roman van Troyen</i> bekroond wordt door een AVE MARIA, en<a name="250"></a> +toont <i>d'ander Martijn</i> zulk een welbehagen in het behandelen +van eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons +den dichter kwalijk als een bedaagd man kunnen denken. +Mag men eene gissing wagen, dan zal men geneigd zijn +aan te nemen, dat hier een man van tusschen de dertig en +veertig tot ons spreekt. + +<p>Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien +wij in <i>de Eerste Martijn</i> in de weemoedige stemming die op +eene ontgoocheling pleegt te volgen. Hij heeft de werkelijkheid +aan zijne idealen getoetst, de schellen zijn hem van de +oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet: „Wapene<a title="[margin: wee!]"><sup>#</sup></a>, +Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden bespot, verdrukt—de +slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere. Hoe anders +dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw +en deugd was, tot heer boven den „dorper"—nu spannen de +heeren samen, vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de +slechten de macht in handen. Dat komt van de kwade raadgevers. +Is er nog een God die regeert? Blijkbaar laat Hij alles +over aan het blinde toeval. + +<p>MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt +hij. Terug! God hoort en ziet alles. De priesters zullen het +gewaar worden; de brandstapel wacht u! Vertrouw op God: + +<p class="quote">God en was noit moede no mat; +In 't wout en es loof no blat +Buten siere hoede. +Al dat es in elke stat +Dat behoet hi ende besat +Met godliken goede<a title="[margin: voorziet Hij van goddelijken zegen.]"><sup>#</sup></a>. +Al ghehinghet hi dan dat, +Dat die quade ghewinnet scat +Ende menne heet den vroede:<a name="251"></a> +So hi hoghere sit up 't rat<a title="[margin: van Avontuur.]"><sup>#</sup></a>, +So hogher val, so meere plat<a title="[margin: zwaarder smak.]"><sup>#</sup></a> +In der helscher gloede +Onder der duvele roede. +</p> + +<p>JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de +slechten eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen +aan den harden MARTIJN.—Omdat de zondaar eeuwig zou +willen leven, klinkt het antwoord, moet hij ook eeuwige straf +ondergaan. + +<p>Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou +ik dan, indien ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig +verdoemd zijn, ook al ware ik milddadig en al had ik penitentie +gedaan? MARTIJN spreekt den vrager moed in: laat u niet van +allerlei door de priesters opdringen, er is „menich onbescheden<a title="[margin: onverstandig.]"><sup>#</sup></a> +swijn" onder; God is ook een God van genade, van liefde. +Maar de liefde is blind, naar men zegt—herneemt JACOB. +Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er zijn drie +soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de „caritate" die +God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar +van aard, strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de +„cracht die twee herten tsamen bint". Met een uitval tegen de +hoofsche minnepoëzie geeft JACOB zijne instemming te kennen. + +<p>Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn +pad gekomen, keert de dichter de rollen om. + +<p>MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer +op: van waar komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen, +edel en onedel? Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van +CAÏN; anderen: van CHAM; doch het is onwaar, de „Duutsche +loy"<a title="[margin: Het Duitsche wetboek: de Saksenspiegel.]"><sup>#</sup></a> weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van krijgsgevangenen. +En wat den adel betreft—wat gaat het mij aan, +wie iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugd<a name="252"></a>zaam +is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman<a href="#8.34">[34]</a>! +MARTIJN stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van +ADAM afstammen en dus bloedverwanten zijn, hoe is dan de +„maechscap" zoo verdwenen? Van waar dan al die afgunst en +strijd?—LUCIFER is daarmede in den hemel begonnen, antwoordt +JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn en Dijn +hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot +een ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar +neemt de liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het +hart of uit de oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB; +als een onbeschaafde Fries die niet weet wat liefde is. Luister! +Nu vangt een redetwist aan tusschen het hart en het oog, +tweespraak in de tweespraak, die door vrouwe Redene beslecht +wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met de liefde +tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De +priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf +volgen zij een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel +van uw goed aan de armen, neig uw hart tot hen; dan moge +God u in Zijne hoede nemen, u aan de macht der duivelen +onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op den oorsprong +van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de +vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor +de vrouwen die hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN +verklaart zich overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om +der wille van de „hooge vrouwe", aan wie ons behoud gelegen +is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de tweespraak een einde. + +<p><i>D'ander Martijn</i> is in zoover eene voortzetting van <i>den +Eersten Martijn</i>, dat wij hier in den aanvang een dergelijke +vraag gesteld zien als die over den strijd tusschen het hart en +het oog. Hier geldt het de vraag: twee vrouwen beminnen mij; +de eene heb ik lief, maar zij mij niet; de andere heeft mij lief, +maar ik haar niet—tot welke der twee moet ik mij wenden?<a name="253"></a> + +<p>Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der +„Cours d'amour" bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze +in „<i>het schip van aventuren</i>" had hooren behandelen. + +<p>In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander +nu met allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan +de Oudheid en den Bijbel. Redene moet zich in de liefde +doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan de voorbeelden van noodlottige +liefde uit den Bijbel moeten wij ons spiegelen. God zelf +wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft, wie Hem +wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken +aan haar die mij lief heeft. + +<p>In den <i>Verkeerden Martijn</i> hebben wij een aardig voortbrengsel +van middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S +redeneeringen uit den <i>Eersten Martijn</i> omgekeerd en tegen de +zijne overgesteld. Hier en daar, vooral in de drie eerste strofen, +meent men toch de bitterheid van den dichter in zijn scherts +te hooren doorklinken. In het laatste couplet is iets van voorname +levenswijsheid, die met een lichten glimlach spreekt over +de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel jammer, dat +slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In +zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten +vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid +krijgen aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene +vraag blijft: of MAERLANT inderdaad de maker is van dit +gedicht. Er bestaat misschien meer reden hier aan het werk +van een ander te denken dan aan een zelf-parodieerend sarcasme, +waarvan in de middeleeuwsche literatuur, naar ik meen, tenauwernood +een ander voorbeeld te vinden is<a href="#8.35">[35]</a>. + +<p>De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling +in het maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk +hart over de misstanden in dat leven en uit begeerte om in die<a name="254"></a> +misstanden verbetering te brengen. Verbetering door afbreken +en opbouwen. De <i>Martijn's</i>, vooral <i>de Eerste Martijn</i>, werkten vooral afbrekend; in een drietal andere gedichten trachtte de +dichter op te bouwen. + +<p>Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan +eens een vroeger motief hervatten, om het op nieuw te bewerken, +zoo keert ook MAERLANT terug tot vroeger bewerkte stoffen. +De schets eener middeleeuwsche vorstenschool uit den <i>Alexander</i> +wordt overtroffen door de handleiding voor vorsten in <i>Heimelijkheid +der Heimelijkheden; Lapidarijs</i> is uitgebreid tot het groote +werk <i>der Naturen Bloeme</i>; de historische overzichten uit +<i>Alexander</i> en <i>Merlijn</i> tot den <i>Spieghel Historiael</i>. + +<p>Het oorspronkelijke <i>Liber de Secretis Secretorum</i>, in dezen +vorm zeker niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag +van zijn naam wijd en zijd verbreid, bevatte eene soort van +overzicht der regeerkunst en, daar een vorst ook zich zelven +moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet onwaarschijnlijk +is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den +twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht +gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER +toch in menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent +kon heeten. <i>Heimelijkheid der Heimelijkheden</i> zou dan min of +meer als een correctief van den <i>Alexander</i> moeten worden +beschouwd, dat des te beter zou werken, omdat het ook hier +juist ALEXANDER is, wien door den zoo hoog vereerden +ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo was +b.v. de aansporing tot het bedwingen van den „grammen moet" +voor den <i>Alexander</i> van GAUTIER de CHÂTILLON zeker niet +overbodig<a href="#8.36">[36]</a>. + +<p><i>Der Naturen Bloeme</i> en <i>Spieghel Historiael</i> moesten, evenals +vroeger <i>Rijmbijbel</i> en <i>Sinte Franciscus Leven</i>, voorzien in de +behoefte aan degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching<a name="255"></a> +van THOMAS VAN CANTIMPRÉ'S groot werk <i>De Naturis Rerum</i> +kon elk die zijne bekomst had van fabelen en leugens, „nutscap +ende waer" vinden. Alles wat men toentertijd van de natuur, +van menschen en dieren wist, vond men hier bijeen. MAERLANT +heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten, in het overige +de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn +voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd +of er iets aan toegevoegd<a href="#8.37">[37]</a>. + +<p>In zijn <i>Spieghel Historiael</i> leverde hij populair-wetenschappelijk +werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden +was voor de leeken tot dusver één nevelachtig verschiet +van eentonig grijs geweest; deze <i>Spiegel</i> wierp er voor het +eerst krachtige lichtstralen in en doorheen. Nu eerst namen +enkele bekende figuren in dat verschiet vaste omtrekken aan, +nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver af, +nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin +men leefde. + +<p>Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT +VAN BEAUVAIS, bewerkte MAERLANT slechts een deel, het +<i>Speculum Historiale</i>; de twee voorgaande deelen: <i>Speculum +Naturale</i> dat over God, het heelal en den mensch handelde +en het <i>Speculum Doctrinale</i> dat een overzicht der menschelijke +wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van +het <i>Speculum Historiale</i> eer eene bewerking dan eene vertaling; +hij raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a. +den Hollandschen kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de +geschiedenis van Nederland en de levensbeschrijvingen van +Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk met een schat van +spreuken en lessen van levenswijsheid<a href="#8.38">[38]</a>. Hier ook had MAERLANT +gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns inziens, +de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of +vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over<a name="256"></a> +KAREL DEN GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende +KARELS hadden samengesmolten tot éénen; hij houdt +zich aan de <i>Historia Caroli Magni et Rolandi</i>; immers, dat +was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich tegen de vermenging +van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de +verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het +huis Bouillon<a href="#8.39">[39]</a>. + +<p>Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de +vermenging van verschillende historische KARELS eerst door +de hedendaagsche wetenschap opnieuw is gemaakt en met +evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid gestaafd, dan moet +men dezen middeleeuwschen „clerc" bewonderen om zijn helder +verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde +van zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan +eigenlijk geen sprake zijn, want de poëzie is in de drie laatstgenoemde +werken zoo goed als afwezig. Zelfs vertoonen zij in +de bewerking tenauwernood eenige aandoening, tenauwernood +iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk grapje maken +over de vlooien, de „clene wichten" die ons in dit aardsche +tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid +toonen waar hij het dier Furions ter sprake brengt—doorgaans +blijft hij in <i>der Naturen Bloeme</i> de ernstige leermeester<a href="#8.40">[40]</a>. + +<p>In den ganschen <i>Spieghel Historiael</i> vond ik slechts een paar +plaatsen waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op +MAERLANT zooveel indruk maakte, dat zijne bewerking er de +sporen van draagt. CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van +ROELAND heeft hem blijkbaar getroffen; in het Dietsch lezen +wij dat de groote keizer + +<p class="quote">... grongierde<a title="[margin: brulde.]"><sup>#</sup></a> in der gebare +Alse oft een leuwe ware +Die sine jonge vonde vermort.<a name="257"></a> +</p> + +<p>Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden +welp zal wel niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in +zijn voorbeeld niet te vinden<a href="#8.41">[41]</a>. + +<p>Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar +hij in bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid +zegt, een geestverwant herkent. Daar komt hem zijn <i>Eerste +Martijn</i> weer voor den geest, zoo levendig zelfs dat een paar +rijmen uit de eerste strophe hier weer opklinken<a href="#8.42">[42]</a>. + +<h3>DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE +VAN OVERSEE; BESLUIT.</h3> + +<p>Het tekort aan poëzie in de pas behandelde werken heeft +MAERLANT ons vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten. +Beide dagteekenen uit zijn ouderdom. <i>Van den Lande van +Oversee</i> moet gedicht zijn na den val van ST. JEAN D'ACRE +(1291) en in <i>der Kerken Claghe</i> hooren wij den dichter +zeggen: + +<p class="quote">Wat sagh ic in den spieghel claer? +Mijn oude leven, mijn graeuwe haer, +Hoe sterven es met mi gheboren! +</p> + +<p>Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap. +De klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud +uitmaakt van het eene, ruischt als ondertoon door de verzen +van het andere<a href="#8.43">[43]</a>. De dichter beeldt hier de kerk uit als eene +moeder, eene bedroefde vrouw van haar erf ontzet, wier verdediging +Christenridders plicht moet zijn. Het komt mij waarschijnlijk +voor, dat deze voorstelling eene herinnering is uit de +dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne verdiepte +in ridderromans. In den roman van <i>Lancelot</i> toch legt<a name="258"></a> +een abt aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die +ridder heeft gezien. Wij lezen daar: + +<p class="quote">Tot u quam op dien nacht besien +Die heilege kerke ende al om dien +In eens droefs wijfs gelike, +Die u clagede droeffelike, +Datmen hare onrecht dede +Ende nam hare ervechtechede. +Sine quam niet gecleet met siden, +None togede met den bliden; +Maer si quam in groter droefheden +Ende gecleet met swerten cleden +Om den toren die hare kinder +Daden mere ende minder; +Dat sijn besondechde kerstine +Dat haer kinder (sculdech) te sine, +Ende gelijc hare moder hare +Altoes sculdech te houdene waren<a href="#8.44">[44]</a>. +</p> + +<p>Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk +gewaarschuwd had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd +tegen de geestelijkheid. In zijn <i>Naturen Bloeme</i>, zijn <i>Rijmbijbel</i>, +zijn <i>Spieghel Historiael</i> had hij zich meer dan eens scherp +uitgelaten over hunne hebzucht, weelde, wellust; hun verweten, +dat zij waren + +<p class="quote">... vor mine ogen smeker<a title="[margin: vleiend.]"><sup>#</sup></a> +Ende achter valsch als de verrader. +</p> + +<p>De critiek, welke zijn bewerking van den <i>Rijmbijbel</i> hem +van de zijde der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn +<i>Spieghel Historiael</i> nog niet vergeten<a href="#8.45">[45]</a>. Doch, had hij daar +met de belgzucht van het „paepscap" rekening gehouden, in<a name="259"></a> +<i>der Kerken Claghe</i> spaart hij hen niet. Onversaagd springt +deze strijdbare „clerc", ridder naar geest en gemoed, zijne +moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken, dat +haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en +leiden. De wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken +de volle waarheid zou durven zeggen, hen met name +noemen—hoe zou hij bejegend worden! Met enkele trekken +schetst hij hen: korte rokken, breede zwaarden, lange baarden, +kostbare kleederen, hooge paarden; wat al fierheid—ten koste +der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de waarheid +zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig, +naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is +eene vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op +de loer. Hij behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen +onder zijn bereik. Wie de kwaden vleien, hebben de beste +plaatsen en eene vette keuken; zij drinken dat zij zweeten en +slapen er te beter op. Al maken de heeren zich aan roof +schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze geestelijken, +die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven. +En krachtig klinkt de oproep ten slotte: Zóó klaagt de +heilige Kerk! Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij +nieuwe wapenen dragen en deze wandaden te keer gaan en wreken. + +<p>Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard, +met zijne pen, tastte MAERLANT ook in het gedicht <i>Van den +Lande van Oversee</i> de Kerk van Rome aan, die hij scherp +onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier durft hij zeggen: + +<p class="quote">Die Kerke van Romen is dusdaen vraet, +Si is dronken ende al sonder raet, +Die hovet is van Kerstijnhede. +</p> + +<p>Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een +noodkreet, door den vromen Christen geslaakt, toen hem<a name="260"></a> +meer en meer zekerheid gewerd, dat het Heilige Land aan de +macht der Christenen ging ontglippen. In <i>Disputatie van den +Cruce</i> had hij reeds eenmaal een klacht daarover doen hooren, +maar nu Acre, het laatste bolwerk der Christenen, gevallen is, +slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de ontzetting, de +verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef: + +<p class="quote">Kersten man, wats di gheschiet? +Slaepstu? hoe ne dienstu niet +Jhesum Christum dinen here? +Peins, doghedi dor di enich verdriet, +Doe hi hem vanghen ende crucen liet, +Int herte steken metten spere? +Tlant, daer hi sijn bloet in sciet<a title="[margin: stortte.]"><sup>#</sup></a>, +Gaet al te quiste, als men siet: +Lacy, daer en is ghene were! +Daer houdt dat Sarracijnsche diet<a title="[margin: volk.]"><sup>#</sup></a> +Die Kerke onder sinen spiet +Daerneder, ende doet haer groot onnere +Ende di en dunkets min no mere<a title="[margin: gij geeft er niet om.]"><sup>#</sup></a>! +</p> + +<p>In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe +moeder, de Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt—gij +leeft in weelde; Gods vijanden hebben te Acre kloosters +en huizen vernield, het volk gedood. Christen! trek op, den +hemel kunt gij winnen, indien gij die schande wreekt. Dan +eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat er gebeurd +is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van +zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het +vlamt weer op in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen +... Kerk van Rome, trek het zwaard! Maar de voorname +geestelijken hebben wel wat anders te doen! Wat doet gij ter +wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette<a name="261"></a> +prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. „Reinaerdie" +speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee +uitrichten! En waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden +niet te na gesproken—de duivel hale hen met hunne trotsche +bijzitten! Maar het Heilig Graf vertoont zich weer aan zijn +geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de koningen, graven +en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd het schild +„van sabel en van goude", het „lazuren" schild met de leliën +op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat +en zijne moeder wreekt—hij zal er voor boeten! Overredend +klinkt het daarop: Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten +immers toch eens sterven? Denkt wat JEZUS heeft willen lijden! +Hoe anders was het ten tijde van CHARLEMAGNE en GODFRIED +VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter valkenjacht, gij +landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij u +van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een +bede tot God besluit de dichter zijn bezielden oproep. + +<p>Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val +van Acre is het Heilige Land geheel aan den greep van het +Westen ontglipt. Sedert de kruistochten een aanvang hadden +genomen, was de Europeesche Christenheid twee eeuwen ouder +geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift en +avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken; +andere idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne +toewijding, hunne kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan +gevoelde, zijne devotie verrichten bij het Heilig Graf dat in +zoo menige kerk ook te onzent was nagebootst. + +<p>MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht +opwekte, schijnt den veranderden koers der geesten niet +te hebben opgemerkt. En indien al, dan heeft hij dien zeker +betreurd. Want hij was een „prijzer van 't verleên" en zag in<a name="262"></a> +zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij dien bij vroeger +vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden en op +het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en +opbouwend heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor +te leiden, dat gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche +dichter die, sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging +en het plichtsverzuim van adel en geestelijkheid is +opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij heeft voor Vlamingen +en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na +hem een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk +leeren lezen. + +<p>Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op +eene plaats onder de groote mannen van ons volk; doch als +kunstenaar rijst hij daardoor niet in onze schatting. Zeker, hij +was dichter. Hij heeft dat getoond in den <i>Eersten Martijn</i>, +vooral in de eerste helft waar de aandoening door de strofen +golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt +afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat +getoond in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig +brok van zijn overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch +bevallig of aardig mag heeten. Den kunstenaar zien wij in den +dichter, waar hij, in navolging der Latijnsche en Romaansche +lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de afschrijvers bezweert +zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde hecht aan +de zuiverheid zijner rijmen. + +<p>Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden; +er is in zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel +dat berijmd proza moet heeten. De drang naar schoonheid in +zijn gemoed werd onderdrukt door het verlangen om de maatschappij +te verbeteren en zijn volk te onderwijzen. En nu kan +de invloed van een dichter op de zedelijke, geestelijke en +maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk wel strekken om<a name="263"></a> +de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen, niet +om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien +heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt +om op zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan. + +<p>Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk +zulk eene ruime plaats hebben gegeven in dit verhaal van de +geschiedenis onzer letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij, +beter dan eenig ander auteur zijner dagen, de eeuw en de +maatschappij waarin hij leefde in hunne onderscheiden stroomingen +vertegenwoordigt; omdat de geslachten die na hem +kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter +wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in +enkele zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat +onbeschrijfelijke dat wij poëzie noemen.<a name="264"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN.</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.1">1</a>: De romans <i>van Alexander, Merlijn</i> en <i>Troyen</i> zijn tot ons gekomen in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken, +in een dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig +Nederland gesproken werd <i>(Tijdschr. v. Ned. T. en L.</i>, XXIII, 156). De <i>Torec</i> schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den <i>Lancelot</i> (a.w. X, 173; XIX, 36).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.2">2</a>: Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk +boek van Prof. J. TE WINKEL: <i>Maerlant's Werken</i>, (2e druk, 1892), vgl.: Tweede Hoofdstuk.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.3">3</a>: Vgl. <i>Nat. Bloeme</i> (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en <i>Inleid</i>. XXIV. Over den kalander-leeuwrik: BREHM, <i>Het Leven der Dieren</i> (bewerking van HUIZINGA), II, 100.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.4">4</a>: De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen +heeft in zijn gedicht, heette waarschijnlijk <i>Gheile</i> en zal wel eene Vlaamsche geweest zijn. Vgl. FRANCK'S <i>Inl</i>. op den <i>Alexander</i>, XI-XII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.5">5</a>: WYBRANDS, <i>De Abdij Bloemhof</i>, bl. 134.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.6">6</a>: Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.7">7</a>: Vgl. X, 1530–1.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.8">8</a>: Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke <i>Inleiding</i>, inzonderheid naar het hoofdstuk: <i>Maerlants verhouding tot zijne bronnen.</i>] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.9">9</a>: Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.10">10</a>: T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.11">11</a>: Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een +<i>Simon die Godgaf</i> (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der +Vlaemsche Bibliophilen I, 6).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.12">12</a>: Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S <i>Inleiding</i> op zijne +<i>Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen</i>, met name p. 17, +154–5, 181. + +<p class="footnote">MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van +NAPOLEON DE PAUW.]<a name="265"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.13">13</a>: Vgl. VERDAM'S <i>Episodes</i>, vs. 6666–6711 met <i>Roman de Troie</i>, +vs. 16179–16181.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.14">14</a>: Vgl. <i>Episoden</i>, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOÎT vertelt, +op bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305, +9345; 327, 10166; 341, 10694.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.15">15</a>: FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk. +TE WINKEL beweert het tegendeel. Vgl. <i>Anzeiger f.d.A.</i>, IX, 367–8 +en TE WINKEL'S <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl. 168 noot.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.16">16</a>: Vgl. <i>Merlijn</i> (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S +uitgave kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen +van FRANCK'S vernietigende maar rechtvaardige critiek.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.17">17</a>: <i>Merlijn</i>, vs. 7639 vlgg. (7770–8, 8164, 8175-'80).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.18">18</a>: Vgl. <i>Torec</i> (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene +„Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S <i>Conte du Graal</i>; +zie de Aant. op FRANCK'S <i>Alexander</i>, bl. 481). Afbeelding der <i>Chambre +de Beauté</i> bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.19">19</a>: <i>Torec</i>, vs. 869–870; 1228-'49; 3231-'51.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.20">20</a>: Vgl. <i>Alex.</i>, IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd; +vgl. GAUTIER, <i>Alex.</i>, IX, 258–260. Of M. deze vergelijking +misschien uit den <i>Lancelot</i> heeft overgenomen, doet weinig ter zake. +<i>Episoden</i> enz. vs. 767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het +origineel; <i>Alex.</i>, I, 68; VERDAM'S <i>Inl.</i> op <i>Episoden</i> enz. bl. 21 vlgg.; +TE WINKEL in <i>Tijdschr. v. N.T. e. L.</i>, I, 332 vlgg.; <i>Merlijn</i>, vs. 33, +589, 621. FRANCK'S <i>Inl.</i> op den <i>Alex.</i>, L-LI; <i>Episoden</i>, bl. 163–4, +vs. 4159 en vs. 4219 in verg. met het oorspronkelijke.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.21">21</a>: <i>Alex.</i>, III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook <i>Troyen</i>, vs. 10736.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.22">22</a>: <i>Alex.</i>, VIII, 126–9; X, 1535 vlgg.; <i>Episoden</i> etc. bl. 159–160. +Over die <i>riche dame</i> te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197–8; +<i>Episod.</i>, bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht, +door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne +uitgaaf v.d. <i>Roman de Troie</i>: „Sur les manuscrits" in Deel I.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.23">23</a>: Vgl. <i>Alex.</i>, VIII, 637 vlgg.; <i>Torec, Inl.</i>, bl. XXII vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.24">24</a>: Vgl. o.a.: <i>Rijmb.</i>, I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; <i>Sp. +Hist.</i>, I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.25">25</a>: A.w. I, 64 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.26">26</a>: Vgl. o.a.: <i>Rijmb.</i>, I, 2755; <i>Sinte Franc.</i>, 9–10; 51–40. Het verhaal +van den „coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het ook +in het Latijn.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.27">27</a>: Vgl. o.a. den Proloog van <i>der Nat. Bloeme</i>, vs. 108–116; +TE WINKEL, <i>Maerlant's Werken</i>, p. 368; waai heidsliefde o.a.:<a name="266"></a> +<i>Rijmb.</i>, I, 25, 4885, 34830; waarheid en wonder: <i>Nat. Bl.</i>, I, 486-'93; +IV, 5 vlgg.; V, 413 vlgg.; <i>Sp. Hist.</i>, I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.28">28</a>: Vgl. TE WINKEL'S <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl. 337–9.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.29">29</a>: Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen: + +<p class="footnotequote">Want haer lyoen, hare lupaerd, +Haer troest, haer muur, haer casteel, +Ende hare hulpe algeheel +Starf met eren, die goede Judas. +</p> + +<p class="footnote">In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: „firmavit faciem suam +ut iret in Hierusalem" aldus weergegeven: + +<p class="footnotequote">Doe de tijd naken began +Vander Passiën, maecte vast +Sijn anscijn, <i>die lieve gast</i><a title="[margin: vreemdeling.]"><sup>#</sup></a>, +Te Jherusalem te gane.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.30">30</a>: Zoo b.v. vs. 7811-'14: + +<p class="footnotequote">Aldus in dien dorwitten vleesche +Die nagle zwart als iet vereesche +Entie wonde van der zide +Bloeide als ene rose blide. +</p> + +<p class="footnote">Het Latijn heeft hier (in de bewerking van <i>Bonaventura Vulcanius</i>): +„Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem +lateris rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione +reductum rosa quaedam pulcherrima videbatur."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.31">31</a>: Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen +op de uitgave der <i>Strophische Gedichten</i> door FRANCK en VERDAM.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.32">32</a>: Vgl. over den dialoog: Inleid. der <i>Stroph. Ged.</i>, LXXX; +EBERT, <i>Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt.</i>, II, 16; JEANROY, <i>Les +Origines de la poésie lyrique</i>, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk +van SCHELER, <i>Trouvères Belges</i> o.a. I, 6–7, 137, 139, 141.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.33">33</a>: In sommige handschriften heet dit gedicht <i>De derde Martijn</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.34">34</a>: Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij +den kerkvader HIERONYMUS. Zie <i>Inleiding</i>, p. LXXVIII. Naar het +schijnt, ook reeds in ARISTOTELES' <i>Ethica</i>. Vgl. BURCKHARDT, <i>Die +Cultur der Renaissance</i>, II, 90. Vgl. ook <i>Heim. der Heim</i> (ed. CLARISSE), +vs. 1831–2; in het Latijn: „quia Deus creavit aequales."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.35">35</a>: FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie<a name="267"></a> +<i>Inleiding</i>, p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik +twijfelen. + +<p class="footnote">Nagevolgd werd de <i>Eerste Martijn</i> door een dichter die in 1299 +den <i>Vierden Martijn</i> dichtte (uitgeg. door SERRURE in <i>Vad. Mus.</i>, +IV, 55 vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging +niet. HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE +is geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het +dichten „op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN +AKEN beter verzen dan deze dichter.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.36">36</a>: <i>Heim. der Heim.</i> (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft +vrij wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw +gevolgd. Zie de vergelijking in KAUSLER'S <i>Denkmäler</i>, III, 289 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.37">37</a>: Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg. + +<p class="footnote">Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts +een klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in +Boek IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens +de Inleiding in VERWIJS' uitgave.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.38">38</a>: Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis +van de ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke +inleiding van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den +<i>Sp. Hist.</i> en TE WINKEL t.a.p. het <i>Achtste Hoofdstuk</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.39">39</a>: Vgl. <i>Sp. Hist.</i>, III, p. 170, 204; TE WINKEL, <i>Maerlant's +Werken</i>, p. 422–5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II, +p. 383; II, p. 79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV<sup>3</sup>, c. 22, +vs. 83 vlgg.; c. 6, vs. 5–11.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.40">40</a>: Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.41">41</a>: Vgl. IV<sup>1</sup>, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624, +<i>Lib.</i> 24, c. 20): „Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem +eversum brachiis super pectus in modum crucis positis et super eum +ruens irrugit clamore magno."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.42">42</a>: Zie: <i>Inleiding</i>, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn: +<i>hove || verscrove</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.43">43</a>: Vgl. <i>v.d. L. v. O.</i>, vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.44">44</a>: Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige +verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de +laatste verzen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="8.45">45</a>: Vgl. <i>Nat. Bl.</i>, II, 469-'76; 680 vlgg.; <i>Rijmb.</i>, I, 78 vlgg.; +5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485–7; +<i>Sp. Hist.</i>, I, bl. 16, vs. 80 vlgg.]<a name="268"></a> + +<hr> + +<h2>DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK.</h2> + +<p>Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de +dichtwerken die gedurende de 12<sup>de</sup> en de 13<sup>de</sup> eeuw door deze +volken zijn voortgebracht; de personen der makers bleven op +den achtergrond. Op dien achtergrond moeten zij blijven, omdat, +ten minste in het verhaal van de ontwikkeling eener middeleeuwsche +literatuur, de persoon des dichters minder gewichtig +is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien +achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat +ons van die dichters met of zonder naam bekend is. Tevens +geeft ons dat gelegenheid mede te deelen, wat wij weten van +het publiek waartoe zij zich richtten, van de wijze waarop en +de omstandigheden waaronder literaire werken toen ter kennisse +van het publiek kwamen. + +<p>Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat +hij er roeping toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht. +Het spreekt vanzelf, dat beroep en roeping niet steeds +samengingen; doch ook dat door het beroep de roeping niet +noodwendig werd uitgesloten. + +<p>Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden +of omdat zij er behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken +of „clercken" mogen rekenen zooals WILLEM VAN +AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH, MAERLANT, +de dichters van <i>Rinclus</i>, <i>Van den Levene ons Heren</i>, +van den <i>Dietschen Catoen</i>, <i>Esopet</i> en dergelijke werken; ook<a name="269"></a> +JAN VAN BRABANT, de edelen en hoofsche „clercken" die +minneliedjes dichtten en de dichters van volksliederen. Het is +wel mogelijk dat sommige dezer dichters zich, evenals MAERLANT, +van het wereldsche tot het ernstige of stichtelijke hebben +gewend; wij kunnen het echter slechts van één hunner bewijzen. +De bewerker der <i>Disticha Catonis</i> namelijk verhaalt ons in +zijn proloog: + +<p class="quote">Als ic die minne sach, ic louch; +Nu haticse al in minen sinne +Die minne draghen entie minne +Ende hebbe ghekeert minen moet +An die ghenen die siin vroet. +</p> + +<p>Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en +WILLEM VAN AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over +andere dichters die zij <i>menestrelen</i> noemen. MAERLANT heeft +een afzonderlijk hoofdstuk van zijn <i>Spieghel Historiael</i> gewijd +aan „'t scelden jegen die borderers", d.i. romanschrijvers; aan +het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog heeft op +de „menestrele", die dus ook door hem als de dichters der +ridderromans werden beschouwd<a href="#9.1">[1]</a>. En WILLEM VAN AFFLIGHEM +spreekt van de menestrelen als van „logeneren". Blijkbaar gevoelen +zij zich door hunne geleerdheid en ontwikkeling, ook +door hun streven naar waarheid en vroomheid verheven boven +die verdichters van fabelen en luchtige verhalen van oorlog en +minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al te wereldschgezinde +„clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene +schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden: + +<p class="quote">Dit en sijn niet clerke, maar menestrele<a href="#9.2">[2]</a>. +</p> + +<p>Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales) +aanduidt, tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral,<a name="270"></a> +den heer en zijn „gezinde" met muziek en zang of voordracht +van poëzie te vermaken. Een dienaar van die soort hebben wij +reeds ontmoet in dien knecht van den Brabantschen ridder, +Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was „te pipen ende +te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der +maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en poëzie +vinden wij ook bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt +in <i>der Naturen Bloeme</i> naar aanleiding van den vogel <i>Garrulus</i><a href="#9.3">[3]</a>. +Het „pipen en mauwen" van den menestreel kan kwalijk iets +anders beteekenen dan het spelen op de pijpen ter begeleiding +van zang of voordracht. + +<p>Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem +de menestrelen; zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door +hun loftuitingen te prikkelen, in de hoop op geschenken +zijnerzijds. Lof en roem verwerven—MAERLANT zegt het +ons—daarnaar streefden de meeste ridders: + +<p class="quote">Want die ridder niet gheroet<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a>, +Hine verslijt vleesch ende bloet, +Updat sijn prijs mere. +</p> + +<p>En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen, +vernemen wij eveneens uit zijne woorden: + +<p class="quote">... der idelre gloriën cleet, +Daer menestraudië met omme gheet<a href="#9.4">[4]</a>. +</p> + +<p>In zijn <i>Spieghel Historiael</i> laat hij nog eens een waarschuwing +hooren tegen de „smekende" (vleiende) menestrele<a href="#9.5">[5]</a>. +Een klein staaltje van hunne praktijken zien wij in de bewerking +van den <i>Aiol</i>. In eene opsomming van edelen die AIOL +verwelkomen, worden in de Dietsche bewerking o.a. de graaf +van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de graaf van Artois +genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de overeenkomstige<a name="271"></a> +plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld. Waarschijnlijk +hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des +menestreels jegens zijn publiek te zien<a href="#9.6">[6]</a>. + +<p>Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld, +kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers +in de met hen eenigszins verwante „yrauden" (herauten). +Meer dan eens worden „menestrele ende yraude" of—wat +hetzelfde is—„yraude ende spelmanne" in één adem genoemd<a href="#9.7">[7]</a>. + +<p>In den roman <i>van Torec</i> zien wij den held in de wapenrusting +van een anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders +uit den zadel steken. De paarden der overwonnenen +geeft hij aan de aanwezige speellieden en yrauden, en deze +zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk: + +<p class="quote">Doe riepsi ende dyraude mede: +„Ha ha! Myduel, Myduel! +„Hi heeft den prijs ende niemen el; +„Hi es die beste van den velde: +„Hi es genindech<a title="[margin: dapper.]"><sup>#</sup></a>, coene ende melde"<a title="[margin: mild.]"><sup>#</sup></a><a href="#9.8">[8]</a>. +</p> + +<p>Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren, +maar ook bij die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig +van die der ridders verschilde, zouden wij wel reeds mogen +vermoeden. MAERLANT verzekert het ons ten overvloede in +zijn <i>Rijmbijbel</i><a href="#9.9">[9]</a>. Omgekeerd werd de plaats van den menestreel, +naar het schijnt, wel eens ingenomen door een „scriver", die +doorgaans wel een „clerc" zal zijn geweest. In de <i>Heimelycheit +der Heimelychede</i> lezen wij: + +<p class="quote">Nu betaemt wel elken heere +Die bewaren wille sine eere, +Dat hi scrivers met hem houde, +Vroede liede, jonghe ende oude,<a name="272"></a> +Die scone ende wel connen dichten, +Ende met sconen worden verlichten +Connen dat sijn heere wille. +... +Want ghelijc dat smenscen lede +Scoonre sijn ghecleedt dan naect, +Also eist dat men een dicht maect, +Daer men der wareit niet ut en gheet +Ende ment met scone worden cleet. +</p> + +<p>MAERLANT spreekt hier over poëzie, terwijl in zijn voorbeeld, +naar het schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op +te stellen gesproken wordt<a href="#9.10">[10]</a>. Doch wat hiervan zij, zeker is +meer dan een dichtwerk door een „clerc" op verzoek van een +edelvrouw of edelman vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den +proloog van zijn Graal-roman mede: + +<p class="quote">Dese historie van den Grale +Dichte ick ter eren Heren Alabrechte, +Den Heer van Vorne, wael met rechte; +Want hoge liede met hoger historie +Menechfouden zoecken hoer glorie +Ende korten daer mede hoer tijt. +</p> + +<p>En in de opdracht van zijn <i>Spieghel Historiael</i> lezen wij: + +<p class="quote">Grave Florens, coninc Willems sone, +Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone +Die mi dit dede anevaen. +</p> + +<p>Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige +ridderromans, bij den voortgang onzer wetenschap, bleken +bewerkt te zijn door „clercken". De godsdienstige, hier en<a name="273"></a> +daar zelfs kerkelijke, tint, die over de bewerking van het +<i>Roelandslied</i> en over den roman <i>van Walewein</i> ligt, die misschien +ook in de <i>Lorreinen</i> te zien valt, geeft tot dit vermoeden +wel eenigen grond<a href="#9.11">[11]</a>. + +<p>In ontwikkeling zullen de „clercken" over het algemeen wel +boven de menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men +daarom aan deze laatsten niet alle ontwikkeling te ontzeggen. +De bewerker van den <i>Partonopeüs</i> b.v. was blijkbaar een man +van zekere ontwikkeling en beschaving; hij zal wel niet de +eenige zijn geweest<a href="#9.12">[12]</a>. Dat mogen wij vermoeden ook met het +oog op eene reeds vermelde plaats uit den <i>Spieghel Historiael</i>. +MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing +over tegen de wereldsche „clercken" die een wit voetje bij +vrouwen en jonkvrouwen trachten te verkrijgen. VINCENTIUS' +schets van het uiterlijk dezer „petits abbés" geeft hij in zijn +Dietsch aldus terug: + +<p class="quote">Dese setten al haer doen +(Om) haer surcoet<a title="[margin: tabbaard.]"><sup>#</sup></a> ende haer caproen, +Hoe hare gescoyte<a title="[margin: schoeisel.]"><sup>#</sup></a> ten besten staet; +Om specie ende mossceliaet<a title="[margin: parfums.]"><sup>#</sup></a>, +Dat si wel rieken van den crude; +Nuwe scoen met behagelen hude, +T'haer gelu enten crooc<a title="[margin: krullende lokken.]"><sup>#</sup></a>, +Met vingerlinen verciert ooc: +Si gaen rechts of si pleyen<a title="[margin: dansen.]"><sup>#</sup></a> souden. +</p> + +<p>Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld, +over wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze +beschrijving met het vers: + +<p class="quote">Dit en sijn niet clerke, maer menestrele. +</p> + +<p>Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van +sommige menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven.<a name="274"></a> +Blijkbaar trachtten dezulken hunne adellijke meesters te evenaren +in voornaamheid van kleeding, voorkomen en gang. Zijn er +te onzent, behalve HEINRIC VAN VELDEKE, adellijke menestrelen +geweest? Dat de bewerker van den <i>Willem van Oringen</i> door +MAERLANT: „Claes <i>ver</i> Brechten zone" wordt genoemd, geeft +ons daarvan geen voorbeeld, want <i>ver</i> wordt in de 13<sup>de</sup> eeuw +reeds van burgervrouwen gebezigd<a href="#9.13">[13]</a>. + +<p>Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en +onedel—zeker is er wel onderscheid geweest tusschen de +menestrelen onderling: in maatschappelijke positie, in uiterlijke +en innerlijke beschaving; onderscheid ook tusschen hen die, +verbonden aan den dienst van één heer, als gezeten menestrelen +gesteld mogen worden tegenover hunne rondzwervende kunst-broeders. +Ook die „gezeten" menestrelen zullen wel eens van +heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand +in den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor; +onze bronnen vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te +kunnen spreken. Op die rondzwervende menestrelen moet +VELDEKE het oog hebben, waar hij, afwijkend van zijn voorbeeld, +ter bruiloft van ENEAS en LAVINE „die speleman end +die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk beloonen<a href="#9.14">[14]</a>. Op +hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: „menestrele || Die +altoes zijn onghestade"<a href="#9.15">[15]</a>. + +<p>Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de „speelman" +en het „speelwijf", waarvan de bewerker van den <i>Partonopeus</i> +(niet zijn voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook +„alle die singen broet om Gode", die door HEYN VAN AKEN +in zijne vertaling der <i>Rose</i> genoemd worden, waar het Fransch +ze niet noemt<a href="#9.16">[16]</a>. + +<p>Dat onze voorouders bij het woord <i>menestreel</i> in de eerste +plaats dachten aan een <i>muzikant</i>, een „<i>speelman</i>" zooals zij +zeiden, blijkt ook uit eene plaats in MAERLANT'S <i>Alexander</i>.<a name="275"></a> +Een paar verzen der <i>Alexandreïs</i> waarin over <i>mimi</i> gesproken +wordt, geeft hij aldus weer: + +<p class="quote">Die menestrele quamer mede +Vor dien coninc in die stede +Ende loofdene met haren sanghe. +Daer was menich trompe langhe, +Vedelen, haerpen ende sijmphonien, +Cystolen die wel leren vrien, +Salterien, orghelen ende sciven<a href="#9.17">[17]</a>. +</p> + +<p>Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen: + +<p class="quote">Men speelder met sweerden ende met kniven +</p> + +<p>dan zien wij hoe rekbaar het begrip <i>speelman</i> was en dat het +in de middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens +zien wij dat zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche +compilatie <i>Karlmeinet</i> die omstreeks 1300 uit Nederlandsche +romans is samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven +van de kunst en de kunsten van + +<p class="quote">Hundert mynistrere +De wir nennen speleman. +</p> + +<p>Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den +hoorn, de harp, het salterie; genen kunnen spreken van +wapenen, van avonturen en van minne; anderen goochelen +onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar draaiende) met +stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten +vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw<a href="#9.18">[18]</a>. + +<p>Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk, +die paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving. +Trouwens hunne middeleeuwsche voorgangers stamden weer<a name="276"></a> +rechtstreeks af van de Romeinsche „mimi." In deze kringen, +waarin ook niet zelden zwervende klerken (goliarden, vaganten) +werden opgenomen, zullen wij waarschijnlijk de dichters hebben +te zoeken die onzen <i>Bere Wisselau</i>, misschien ook de reize +<i>van Sente Brandaen</i> hebben vervaardigd. + +<p>Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk +aan het publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle poëzie, +en zeker het grootste deel van het proza der middeleeuwen, +was in de eerste plaats bestemd, te worden voorgedragen en +aangehoord. Tallooze plaatsen ook in onze middeleeuwsche +literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog op uitdrukkingen +als: „Nu hoort....", „dat u te hoorne dunket +zoete", „hoort er naer", „nu hoort vort van deser dinge" enz.<a href="#9.19">[19]</a>. +Bij de voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste +aanvankelijk, wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken +hebben bestaan. Het publiek wordt daar gewoonlijk +aangesproken met: „gi heren ende gi vrouwen"; de hoofsche +WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: „gi vrouwen ende +heren"<a href="#9.20">[20]</a>. Soms wordt deze benaming afgewisseld met: „gi +goede liede"; doch men moet hierbij in aanmerking nemen dat +deze uitdrukking eene beleefdheidsformule was: „een goet man" +is wat wij noemen: een fatsoenlijk man, een man van eer. De +dichter van <i>Floris ende Blancefloer</i> spreekt bepaaldelijk niet +tot dorpers, maar tot lieden van stand en ontwikkeling<a href="#9.21">[21]</a>. Het +<i>Leven van Sinte Lutgart</i> richt zich nu eens tot „heren ende +vrouwen", dan weer tot „closterliede", „grote ende clene", „man +noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: „die hier te ringe +sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring +om den voordrager heen zat. + +<p>Iets gemoedelijks ligt er in het „kinder" of „lieve kinder", +waarmede MAERLANT in zijn <i>Merlijn</i> en de bewerkers van het<a name="277"></a> +<i>Roelands-lied</i> en van het gedicht <i>Van den Levene ons Heren</i> +soms hun publiek aanspreken<a href="#9.22">[22]</a>. + +<p>Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden +mag, tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT, +dan paste die wijze van aanspraak in hun mond wel; minder +in dien van niet-geestelijken die later hun werk voordroegen. + +<p>Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding +van dichter tot voordrager. In menig geval zal de dichter tevens +de eerste voordrager van zijn werk zijn geweest; immers de +meeste dichters zullen hunne kans hebben waargenomen om +met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch zoodra het +oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd was, +konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de +prologen van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt, +dunkt mij, dat de dichters op latere voordragers gerekend +hebben<a href="#9.23">[23]</a>. Het vermelden van des dichters naam in den proloog +moest waarschijnlijk denzelfden dienst doen als in onzen tijd +de naam van den schrijver op het titelblad. In sommige gedichten +(<i>Moriaen</i>, <i>Carel en Elegast</i>, <i>Levene ons Heren</i>, <i>Seven +Vroeden</i>) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde +persoon te zijn geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot +zijne hoorders in den eersten persoon; die prologen zijn zoodanig, +dat ook een later voordrager dat <i>ic</i> kon behouden. In +andere werken (<i>Floris en Blancefloer</i>, <i>S. Frandscus</i>, <i>Walewein</i>, +<i>Troyen</i>, <i>Merlijn</i>) begint de dichter wel met <i>ic</i>, doch gaat later +over tot het noemen van zijn naam en spreekt van zich zelven +in den 3<sup>en</sup> persoon. Op die wijze bleek bij eene voordracht +door een ander toch, wie de dichter was. Ook het omgekeerde +komt voor: de dichter van den <i>Reinaert</i> begint met: „WILLEM, +die ... hem ... hi" en spreekt later van zich zelven met +<i>ic</i>; hetzelfde geval treffen wij aan in <i>der Naturen Bloeme</i> en +den <i>Rinclus</i>. Hier zullen wij moeten denken aan den overgang<a name="278"></a> +van <i>oratio indirecta</i> tot <i>directa</i>, dien wij vroeger in een ander +verband hebben besproken. + +<p>Werden voordrachten van poëzie vooral des zomers gehouden? +Indien men MAERLANT'S uiting dienaangaande in <i>Heimelijcheid +der Heimelijcheden</i> gewicht mag toekennen, dan: ja. In den +zomer, zegt hij, pleegt men zich op allerlei wijze te vermaken: + +<p class="quote">Ende men brinct soeten sanc te voren, +Ende men moet dan geesten<a title="[margin: geschiedenissen.]"><sup>#</sup></a> horen +Die ghenouchlijc sijn int vertellen +Ende lachen dan met goeden ghesellen<a href="#9.24">[24]</a>. +</p> + +<p>Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den +adel, juist des winters en in den herfst meer behoefte hebben +gehad aan zulke voordrachten dan in de andere seizoenen. + +<p>Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager +geschaard, dan verzocht hij een „ghestille" en de voordracht +ving aan. Begon hij dadelijk met spreken? Indien wij ons +herinneren, dat de menestrelen tevens muzikanten waren, dan +is het niet onwaarschijnlijk dat zij begonnen zijn met een klein +voorspel. Zoo lezen wij in den roman <i>van Lancelot</i>: + +<p class="quote">Hi tymperde die harpe eer iet lanc, +Ende begonste harpen enen sanc<a href="#9.25">[25]</a>. +</p> + +<p>Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht +begeleid heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten +zelfs niet, of de verzen in den toon van het recitatief of slechts +rhythmeerend voorgedragen werden. + +<p>Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig +zeggen der verzen, of streefden zij er ook naar, de personen +in hun verhaal ten minste met de stem, misschien ook in +houding en gebaar, te verbeelden? Verwonderlijk zou dat niet +zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners van Provence<a name="279"></a> +een speelman: <i>contrafazedor</i>, d.i.: conterfeiter, nabootser. Het +voordragen van een stuk door één persoon met verschillende +stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en +waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste, +ook niet een menschenstem nabootsen?<a href="#9.26">[26]</a> + +<p>Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke +speellieden pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren +nafluiten en nabootsen (wie hoorde zulke kunstenaars nooit +ten platten lande of in kleine steden?) dacht aan den vogel +Garrulus, de gaai, die ook bij de hedendaagsche vogelkenners +geroemd wordt om zijn nabootsingstalent. Vooral de +Vlaamsche gaai moet „een der meest begaafde en onderhoudende +inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen +hinneken als een veulen, anderen hebben zich geoefend in het +kraaien als een haan en het kakelen als een hen. Een hedendaagsch +natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij eens in het +bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster +hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van +de ekster, de stem van den spreeuw ... en eindelijk, opkijkend, +een Vlaamsche gaai boven zich zag<a href="#9.27">[27]</a>. + +<p>Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van <i>der Naturen +Bloeme</i> nu lezen wij van de gaai: + +<p class="quote">Wat so bi hem lijt<a title="[margin: hem voorbijgaat.]"><sup>#</sup></a> ooc mede, +Ist man, ist voghel, ist enich dier, +Bespot dit voghelkijn al hier, +Ende conterfaet alrehande luut +... +... +Gheplumt ist van menigher ghedane +... +...<a name="280"></a> +Garrulus dit dinct mi vele +Bedieden some menestrele, +Die altoes sijn onghestade, +Ende callende vroe ende spade +Vele boerden, vele lueghen, +Ende conterfeiten dien si moeghen, +Bede riddere ende papen, +Porters, vrouwen ende knapen, +Daer si scone sijn omme gheplumet. +</p> + +<p>Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande +mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen, +dat de bedoelde menestrelen inderdaad door stem, +houding en gebaar de personen in hun verhaal trachtten uit +te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog op het laatste vers, +waarschijnlijk, dat de menestrelen soms gekostumeerd zijn +opgetreden. + +<p>Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een +handschrift. Op zulk eene voordracht immers doelen de talrijke +plaatsen waar van <i>lesen</i> sprake is in den zin van <i>voorlezen</i><a href="#9.28">[28]</a>. +In verband daarmede wordt, ten minste in <i>Sinte Lutgarts Leven</i>, +de voordracht zelve <i>lesse</i> genoemd<a href="#9.29">[29]</a>. Opmerkelijk is ook de +niet zeldzame uitdrukking „singen no lesen" of „lesen ende +singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend is, maar +ons toch ook aan het Oudgermaansche <i>singen und sagen</i> +herinnert<a href="#9.30">[30]</a>. + +<p>Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten +uit het hoofd opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk +kunnen maken, zijn er ook nu nog. Zij zullen in die vroegere +tijden, toen het geheugen zooveel minder beladen en overladen +werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men zal dit te eer +aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen zich<a name="281"></a> +gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht +oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken +zullen doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn. + +<p>Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben +gegolden, indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te +hebben. Wij lezen op eene vroeger vermelde plaats van den +<i>Karlmeinet</i>, dat er menestrelen waren + +<p class="quote">De van mynnen ind leve<a title="[margin: liefde.]"><sup>#</sup></a> +Sprachen <i>sunder breve</i><a href="#9.31">[31]</a>. +</p> + +<p>Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij +las, hij kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner +hoorders had grenzen. Zeker, het publiek dier dagen, niet +verwend en luistergraag, zal niet spoedig te veel hebben +gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op bedacht, aan +het dreigend „te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij hier +en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen +als: „Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze +uit <i>Floris en Blancefloer</i>: + +<p class="quote">Het soude u allen dinken te lanc, +Noemdic u die gherechten alle<a href="#9.32">[32]</a>. +</p> + +<p>Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen +op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen, +maar ook door bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor +hetgeen onmiddellijk zal volgen. Het zijn wendingen als: „Hoort +hier wonder groot!", „Hoort hier ontfermelike dinc!" of: + +<p class="quote">Nu alre irst so mogedi horen +Utenemende aventuren. +</p> + +<p>Ook klinkt het wel overredend: + +<p class="quote">Maer wildi vort met lesen duren, +Ghi sult hier horen scone die jeeste<a href="#9.33">[33]</a>.<a name="282"></a> +</p> + +<p>Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders +wel eens verveeld hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen +over zijn publiek verdienen stellig niet alle letterlijk +te worden geloofd; doch de aardige verzen waarin hij de verveling +zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor een +deel werkelijkheid bevatten<a href="#9.34">[34]</a>. Een zoo omvangrijk gedicht als +het <i>Leven van Sinte Lutgart</i> zal wel in verscheidene „lessen" +en op achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het +spreekt vanzelf dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd +moesten pauzeeren. Met de groote ridderromans zal het wel +niet anders zijn gegaan. Doch men behoefde natuurlijk niet +steeds een werk in zijn geheel voor te dragen; het karakter +van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed +juist tot gedeeltelijke voordracht. + +<p>De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men +gewoonlijk in ééne „lesse" voor? Zou men ook te onzent, +evenals misschien in Frankrijk, niet meer dan twee of drie +duizend verzen tegelijk hebben gelezen of gezegd<a href="#9.35">[35]</a>? + +<p>Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is +in dezen nog niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk. +Wij kunnen slechts door een paar voorbeelden de richting +aangeven, waarin met eenige kans op vinden kan worden gezocht. + +<p>In den grooten roman der <i>Lorreinen</i> die waarschijnlijk uit +een honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk +in zijn geheel kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan +een plaats verzen die het begin, andere die het eind eener „lesse" +schijnen aan te wijzen; niet zelden geeft de voordrager daar eene +korte samenvatting van hetgeen te voren verhaald was, om +daarna den draad van zijn verhaal weer op te vatten. Zulke literaire +pleisterplaatsen vindt men ook in den <i>Walewein</i> en den <i>Reinaert</i>. +In de <i>Lorreinen</i> leest men b.v. (na de gewone opwekking tot +aandacht: „Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze samenvatting:<a name="283"></a> + +<p class="quote">Gi hebt hier voren wel gehort, +Hoe van Bordeas der port +Was gereden her Garijn + enz. +</p> + +<p>Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van +den inhoud der drie groote deelen van het gedicht, en iets +later deze samenvatting van het voorafgaande: + +<p class="quote">Gi hebt hier voren verstaen wel, +Hoe Gelloen die ridder fel + enz. +</p> + +<p>Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke +recapitulatie vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven +door een groote geschilderde hoofdletter<a href="#9.36">[36]</a>. + +<p>Zoo ook in den <i>Walewein</i>: + +<p class="quote">Nu latic hier of die tale, +Ic salre weder toe keren wale. +Ghi hebt wel ghehort hier voren +Hoe Walewein die ridder uutvercoren +Jeghen den roden ridder vacht +Die.... +</p> + +<p>Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: „Ic +wille corten mine tale" misschien het eind eener voordracht<a href="#9.37">[37]</a>. +Dat men het gedicht <i>Van den Vos Reinaerde</i>, bijna 3500 verzen, +in ééne „zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk; +doch waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt +gekozen zal hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8: + +<p class="quote">nu moet hi pleghen siere sele +Reinaert bi Grimbeerts rade, +ende ghinc te hove up ghenade.<a name="284"></a> +</p> + +<p>om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende +vs. 1689: + +<p class="quote">Nu es die biechte ghedaen. +</p> + +<p>Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder +na vs. 1962. Wij lezen daar: + +<p class="quote">Nu waren die drie heren gereet, +die Reinaerde waren te wreet. +dat was de wulf ende Tibeert +ende her Bruun die hadde gheleert +honich stelen te sinen scaden. +</p> + +<p>Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan +zijne „lesse" midden in het verhaal der voltrekking van het +vonnis aan Reinaert die tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord: +waarom zou hij de aandacht zijner hoorders niet gespannen +hebben met dezelfde kinderlijke kunstgreep, waarvan zich in +onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs bedienen, wanneer zij +een hoofdstuk besluiten met: „Eensklaps weergalmde een schot!" +of: „De doodstraf nam een aanvang"? + +<p>Behalve de mogelijkheid dat men den <i>Reinaert</i> in zijn geheel +of in twee deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze +andere: dat men telkens slechts één of meer der afzonderlijke +verhalen hebbe gekozen waaruit het gedicht bestaat. Men zal +b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als deze: Inleiding +(vs. 1–464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs. 465(518)-1014); +zending van Tibert (vs. 1043–1356); zending van Grimbaert +(vs. 1357–1750); Reinaert ten hove (1751–3018; misschien +met een rust vóór vs. 2551: „Doe Reinaert quite was ghelaten"); +Reinaert's wraak (3019–3476). In allen gevalle is het wel +opmerkelijk, dat de Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld +is in een aantal hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen +met de bovenvermelde, door mij afgedeelde, „lessen".<a name="285"></a> + +<p>Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch +gedicht geeft ons o.a. de roman <i>van Limborch</i>. Dit verhaal +is verdeeld in een aantal boeken, welke—evenals in de +<i>Lorreinen</i>—door eene groote gebloemde letter zijn onderscheiden<a href="#9.38">[38]</a>. +Sommige dezer boeken die van 1000–1400 verzen +tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In de +overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot +van eenig onderdeel een „amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt<a href="#9.39">[39]</a>. + +<p>Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden +pad moeten wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op +de in den aanvang gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal +voortgezet onderzoek ons dat brengen? Voorloopig meen ik +het te moeten betwijfelen. Voor den omvang dier middeleeuwsche +voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij uiterst +moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk +zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene +regelmaat van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en +op een anderen keer 1000 en bij weer een andere gelegenheid +2000 verzen hebben voorgedragen? Of welk ander aantal ook, +afhankelijk slechts van de omstandigheden, den aard der stof +in verband met de aandacht van het publiek en de persoonlijkheid +van den voordrager? + +<p>Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel +van ons verhaal kunnen besluiten. + +<p>Alle poëzie—zeiden wij vroeger—en het grootste deel +van het proza der middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd +te worden voorgedragen en aangehoord. In die uitspraak ligt +opgesloten, dat verzen en proza ook langs een anderen weg +ter kennisse van het publiek konden komen; men begrijpt, dat +ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen. + +<p>Er zijn in de tweede helft der 13<sup>de</sup> eeuw wel reeds lezers,<a name="286"></a> +in onzen zin des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat +wij die in de eerste plaats onder de geestelijkheid en daarna +onder den adel zullen vinden. Zoo zegt MAERLANT'S vriend +MARTIJN aan het slot van het strophisch gedicht <i>Van der +Drievoudecheide</i>: + +<p class="quote">Als ic dit lese ende spelle +Maghic leren, als ic vertelle, +Mijn ghelove al bloot. +</p> + +<p>In den proloog van <i>Sinte Lutgarts Leven</i> lezen wij: + +<p class="quote">Mar wonder hevet mi van desen +Warumme si so gerne lesen +Van ouden sagen dat gedichte, +Ende oc geloeven also lichte +Din logeneren die se tellen<a href="#9.40">[40]</a>. +</p> + +<p>En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die +hem niet gelooft aan: + +<p class="quote">Dat hi die vite van der maget +... +Of selve lese, ochte imene el +Hem lesen doe<a href="#9.41">[41]</a>. +</p> + +<p>In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking +der <i>Historie van Troyen</i> voorspelt de dichter, sprekend van +HECTOR'S dood: + +<p class="quote">Oec alle heren ende vrouwen +Diet lesen, sullen maken rouwe<a href="#9.42">[42]</a>. +</p> + +<p>En in <i>der Naturen Bloeme</i> zegt hij tot Heer NICLAES VAN CATS: + +<p class="quote">Ghebiedijt, here, dit suldi lesen, +Die wile dat ghi ledich sout wesen<a href="#9.43">[43]</a>.<a name="287"></a> +</p> + +<p>Misschien heeft MAERLANT in zijn <i>Rijmbijbel</i>, die toch +tenminste evenzeer voor de gemeenten als voor den adel bestemd +was, het oog op zelf lezen, als hij schrijft: + +<p class="quote">Nu merct ghi die hier in zult lesen, +Wat nutscap hier an zal wesen. +</p> + +<p>Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal +niet geweest zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen? +Het mag betwijfeld worden. Ook had de adel tal van vermaken +en ontspanningen die hij hooger stelde dan deze vermoeienis +des geestes. De geestelijken konden wel lezen, doch Latijnsche +geschriften genoten bij hen de voorkeur. In de kloosters werd +bovendien onder de maaltijden veel voorgelezen. Voorzoover +de monniken zelven lazen, beperkte zich hunne lectuur waarschijnlijk +tot liturgische of stichtelijke geschriften. Onder de +gemeentenaren werd de leeskunst zeker weinig beoefend. Het +lager onderwijs was uiterst gebrekkig. Indien een poorter al +kon lezen, dan eischte het koopen van een handschrift toch +eene vrij hooge mate van stoffelijke welvaart, want een handschrift +bleef vooreerst nog een voorwerp van weelde; het lezen +eischte smaak in geestelijke ontspanning, vrijen tijd en niet +minder zekere zelfstandigheid van gevoelen en denken, zich +openbarend in het kiezen van eigen lectuur, die verre van +algemeen verbreid was. + +<p>Eer de Dietsche laaglanders tot die zelfstandigheid van +gevoelen en denken konden komen, hadden zij nog menig +stadium van ontwikkeling te doorloopen. In het eerstvolgende +dier stadiën zullen wij hen nu gadeslaan.<a name="288"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN.</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.1">1</a>: <i>Sp. Hist.</i>, IV, 1, cap. XXIX.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.2">2</a>: A.w. Deel II, p. 85, vs. 20. In het Latijn leest men daarvoor: +„<i>sponsos</i> magis estimatos quam clericos."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.3">3</a>: T.a.p. III, 2146: + +<p class="footnotequote">„Als hi dus pipet ende mauwet." +</p> + +<p class="footnote">Vgl. ook XI, 149: „blasen ende pipen" in verband met het woord +„noten" in vs. 151.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.4">4</a>: <i>Eerste Martijn</i>, vs. 371–388.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.5">5</a>: A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.6">6</a>: <i>Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk</i>., II, 230, vs. 493–4.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.7">7</a>: Vgl. b.v. <i>Moriaen</i> 4641–2: „Menestrele ende yraude mede || Ward +daer gegeven grote rijchede"; <i>Lorr.</i> (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs. 1342. <i>Torec</i>, vs. 2714-'5: „Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi +alle gichte danne". Dat <i>menestreel</i> verdietscht werd met <i>speelman</i>, +zien wij in <i>Karlmeinet</i>, A. 287, vs. 12–13: + +<p class="footnotequote">Hundert mynistrere, +De wir nennen speleman.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.8">8</a>: A.w. vs. 2753-'7. Eene eeuw later vermeldt WILLEM VAN +HILDEGAERTSBERCH nog hetzelfde gebruik. In het stuk getiteld <i>Van +Feeste van Heren</i> lezen wij (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 195: +<p class="footnotequote">Dan roepen die eerauden voort +Den danc als die vrouwen ramen, +Ende noemen overluut bi namen +Wyet verdient nae wapen recht.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.9">9</a>: Vs. 15259 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.10">10</a>: A.w. vs. 2087 vlgg. en KAUSLER'S mededeeling over den inhoud +van het capittel: <i>De Electione notarii</i>.]<a name="289"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.11">11</a>: Vgl. mijne aanwijzingen daaromtrent in mijne <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>, +bl. 52, 55. Over den roman <i>van Walewein</i> vgl. het vroeger +medegedeelde en vs. 19–21 van den proloog. Wat de <i>Lorreinen</i> +betreft, verwijs ik naar de door MATTHES uitgegeven fragmenten, +p. 17, vs. 371–2; 28, 637–9; 30, 661; 32, 730-'4.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.12">12</a>: Vgl. Dr. VAN BERKUM'S opmerkingen dienaangaande t.a.p. +bl. LI vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.13">13</a>: In de <i>Oudste Stadsrekeningen van Dordrecht</i> (ed. Mr. CH. +M. DOZY), p. 7 vindt men op het jaar 1284-'85: „Symoen vern +Anesoeten sone van wine" etc. Ik dank deze mededeeling aan mijn +vriend VERDAM. Bij nader onderzoek bleek mij dat er in de voorafgaande +posten nog tal van dergelijke benamingen voorkomen, die +duidelijk maken dat <i>ver</i> in het laatst der 13e eeuw geene adellijke +dame aanduidde. Zoo b.v.: „Thout Jan ver Haedwien sone"; „Van +den mele Jan ver Diewien sone"; „Ysere Heyne ver Lisbetten +sone" enz.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.14">14</a>: <i>Eneide</i>, vs. 13107, 13159, 13196. VELDEKE gaat hier zijn eigen +weg, zooals uit eene vergelijking met het Fransch (ed. SALVERDA DE +GRAVE) blijkt.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.15">15</a>: <i>Nat. Bloeme</i>, III, 2135. In afwijking van het <i>Mnl. Wdb.</i> vat +ik hier <i>onghestade</i> op als <i>ongedurig, zwervend</i>. Immers dan alleen +gaat de vergelijking op met den gaai „die van bome te bome vliecht +ende sprinct.... Noch gheduert in ghere stede."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.16">16</a>: A.w. vs. 10514–6.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.17">17</a>: <i>Alex.</i>, V, 1041–7. In de <i>Alexandreïs</i> op de overeenkomstige +plaats, (V, 483): + +<p class="footnotequote">Occurrunt lyricis modulantes cantibus odas +Cum cytharis mimi:] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.18">18</a>: <i>Karlmeinet</i> (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog +296<i>b</i>, vs. 48 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.19">19</a>: Vgl. o.a. <i>Mnl. Wdb.</i> i.v. III, kol. 592.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.20">20</a>: A.w. II, vs. 5089, 6271.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.21">21</a>: Proloog, vs. 3 vlgg.; 72–5.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.22">22</a>: Eenige bewijsplaatsen uit vele: <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, bl. 124; +<i>Flor. en Blanc.</i>, 16; <i>S. Lutgart</i>, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047, +11393, 13817; III; 68, 2737; <i>Roel.</i>, 210; <i>Merlijn</i>, vs. 545; <i>L.o.H.</i>, +vs. 17.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.23">23</a>: Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag +of de proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier<a name="290"></a> +niet dieper treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk +onderzoek verdienen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.24">24</a>: A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.25">25</a>: II, 29408.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.26">26</a>: Vgl. CREIZENACH, <i>Gesch. des neueren Dramas</i>, I, 380. Over +het voordragen met „Stimmenwechsel" ald. 34, 160.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.27">27</a>: Vgl. BREHM'S <i>Leven der Dieren</i> (bewerking van HUIZINGA), +II, 227–8.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.28">28</a>: <i>Sp. Hist.</i>, I, 280 (2e kol.):„,Maer die scone bispele || Diemen +gerne lesen hort"; <i>Bere Wiss.</i>, 391: „daer ic vormaels ave las"; +<i>Ferg.</i>, 4509: „dus gedaen dinc hordic noit lesen"; <i>Rijmb.</i>, 27099: +„Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment +leest bi sullen wesen" (de toehoorders).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.29">29</a>: II, 168. Vgl. voorts <i>Mnl. Wdb.</i>, IV, kol. 403–4.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.30">30</a>: <i>Moriaen</i>, 2506–7: „Van soo vreseliken dinghen || En horde +noit man lesen no singhen"; <i>Walewein</i>, 4994; <i>Troyen</i> (Epis. ed. +VERDAM), 4687, waar in het origineel staat: „Jamès hom <i>n'orra</i> tel +esforz"; <i>Leven v. S. Lutgart</i>, II, 3157, 5580, 7631. + +<p class="footnote">Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den <i>Reinaert</i>, +I, 2981 en <i>Mnl. Wdb.</i>, IV, p. 392, 394, 395, 396.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.31">31</a>: D.i.: zonder beschreven papier vóór zich, uit het hoofd. + +<p class="footnote">Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in <i>Mnl. Wdb.</i>, I, +kol. 1337.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.32">32</a>: Vs. 2197–8.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.33">33</a>: Vgl. o.a.: <i>Reinaert</i>, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425, +2848 en pass.; <i>Aiol</i>, 25, 602, 615, 983; <i>Van Sente Brandane</i>, +C. vs. 1, 5, 30, 1702; H. vs. 2014, 2026; <i>Moriaen</i>, 1688–90; +<i>Lancelot</i>, II, 10–11. + +<p class="footnote">Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd, +die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn +<i>Leven van S. Lutgart</i> ten onrechte stoplappen noemt.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.34">34</a>: Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over +WILLEM VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: <i>Neue Jahrbücher für das +klassische Altertum</i> etc., XIII Bd., 6. Heft.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.35">35</a>: Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de +Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.36">36</a>: Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (<i>Kar. de Groote en +zijne XII. Pairs</i>), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs. +1354 vlgg.; bl. 74–75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in +<i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog<a name="291"></a> +Fragm. JONCKBLOET, bl. 131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES, +bl. 31, vs. 95 vlgg. + +<p class="footnote">Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere <i>rubricae</i> is het +misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.37">37</a>: Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener „lesse" in vs. 1867 +en vs. 2842?] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.38">38</a>: Inleiding, p. XXXV.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.39">39</a>: I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal +„amen's"; in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden; +V, 1738; ook aan het slot; VI, 2234.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.40">40</a>: II, 47–51.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.41">41</a>: A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165–7.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.42">42</a>: <i>Epis.</i>, vs. 6676–7.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="9.43">43</a>: <i>Nat. Bl.</i>, bl. 169, vs. 4029–4030.]<a name="292"></a> + +<hr> + +<h2>TUSSCHENSPEL.</h2> + +<h3>ONTKIEMING VAN HET NATIONALITEITSGEVOEL.</h3> + +<p class="intro">Maerlant. Ridderpoëzie. Heyn van Aken. <i>Hughe van Tabarien</i>; +<i>Roman van de Roos</i>; <i>Roman van Limborch</i>. Jan van Heelu. <i>Slag +bij Woeronc</i>. Lodewijk van Velthem. <i>Flandrijs</i>. <i>Vlaamsche Rijmkroniek</i>. +<i>Brabantsche Yeesten</i>. Melis Stoke. + +<p>Op onzen weg door het verleden hebben wij tot dusver +meermalen iets aangetroffen, dat, uit deze volken oorspronkelijk +voortgekomen of onder hen opnieuw geboren, als het +inheemsche tegenover het uitheemsche mocht worden gesteld. + +<p>In de bewerkingen der ridderromans zagen wij hier en daar +wel gevoel voor het ridderwezen in zijn heroïek idealisme, +zijn hoofschheid en fijnheid, doch vaker het burgerlijke tegenover +het ridderlijke, het dorperlijke tegenover het hoofsche; +uit gemis aan aesthetischen zin het aanschouwelijke en beeldende +opgeofferd aan de eischen van fatsoen en zedigheid. + +<p>In den <i>Karel en Elegast</i> bewonderden wij eenvoudig en zuiver +gevoel, sober en met naïeve kunst verwerkt. Het gedicht <i>Van +den Levene ons Heren</i>, de poëzie van WILLEM VAN AFFLIGHEM, +vooral die van HADEWIJCH, toonden ons innigheid van godsdienstig +gevoel in bevallige vormen en de hooge vlucht der +ziel op sterke wieken des geloofs. Uit het verhaal <i>van den vos +Reinaerde</i> sprak brutale zinnelijkheid naast scherpe waarneming +der werkelijkheid; daar vonden wij schalksche scherts en bitteren +spot in dienst der hekeling van maatschappelijke toestanden.<a name="293"></a> + +<p>Bij MAERLANT zagen wij onverschrokken waarheidszin en sterk +rechtsgevoel; schoonheidszin onderdrukt door het verlangen +om te onderwijzen en te stichten, doch bijwijlen zich uitend +krachtig en bezield. + +<p>Men zou zulke eigenaardigheden en eigenschappen als het +nationale tegenover het uitheemsche of het internationale kunnen +stellen. Doch men zou zoo doende uit het oog verliezen, +dat er in dezen tijd van het nationale in den vollen zin des +woords eigenlijk niet gesproken kan worden, omdat uit de bewoners +dezer landen nog niet eene natie, ééne natie, was ontstaan. + +<p>De eigenaardigheden en eigenschappen waarop wij het oog +hebben, behoorden echter tot de elementen waaruit zich het +Nederlandsch volkskarakter mettertijd zou vormen. Eer het +zoover kon komen, moesten de onderscheiden volksgroepen +hier te lande zich nauwer aaneensluiten. Dat kon weer niet +geschieden, voordat in elk dier groepen een inniger samenhang +ontstaan en het besef ontwaakt was van dien samenhang. Elke +groep moest zich bewust worden, dat zij, tegenover de andere, +eene eenheid vormde, eenheid van tongval, recht, zeden en +gewoonten, kleeding; eenheid ook ten opzichte van den grond, +waaraan zij allen eenig deel hadden, dien zij wilden verdedigen +tegen indringers, waaraan zij gehecht waren door de kracht +der gewoonte en doordat zij er zich thuis gevoelden. + +<p>MAERLANT is ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn +volk, dat hij onder de eersten zich bewust wordt van die +gehechtheid aan den geboortegrond, die zulk een voornaam +bestanddeel vormt van het nationaliteitsgevoel. Tot die bewustheid +is hij niet uit zich zelven gekomen. GAUTIER DE CHATILLON +heeft hem door zijne <i>Alexandreïs</i> op die gehechtheid aan den +geboortegrond opmerkzaam gemaakt; doch GAUTIER'S warme +ontboezeming is door MAERLANT nagevoeld en op zelfstandige +wijze weergegeven in deze verzen:<a name="294"></a> + +<p class="quote">Owi, here God, hoe macht sijn +Dat elken minsce int herte sijn +So soete dunct sijns selves lant? +Die Brabantsoen prijst Brabant +Ende die Fransois Vrankerike, +Die Duutsce dat Keyserrike, +Die Baertoene<a title="[margin: Bretagners.]"><sup>#</sup></a> prisen Baertaniën, +Die Tsampanoise Tsampaniën, +Also mint die vogel dwout, +Daer hi in hevet grote ghewout<a title="[margin: vrijheid.]"><sup>#</sup></a>. +Al dademene in een waerme mute<a title="[margin: kooi.]"><sup>#</sup></a>, +Mach hi, hi vlieghet ute. +Dus priset elckerlijc sijn lant. +Maerlant seide dat hi noit en vant +Also goet lant alse Bruxambocht<a title="[margin: het Vrije van Brugge.]"><sup>#</sup></a>. +Ic waens hem daerbi heeft ghedocht, +Omdat hiere in was gheboren<a href="#10.1">[1]</a>. +</p> + +<p>Zooals men hier ziet, toont MAERLANT eene ruime opvatting +van het begrip <i>geboortegrond</i>, waar hij over Frankrijk en +Duitschland als het land van <i>de</i> Franschen, <i>de</i> Duitschers +spreekt. Doch daarnaast zien wij eene beperkter opvatting, +waar hij Champagne en Bretagne in één adem met zulke landen +noemt. Met die beperkter opvatting strookt, dat hij Brabant +als een land op zich zelf en het Vrije van Brugge als zijn +geboortegrond voorstelt. + +<p>MAERLANT zal hier wel de opvatting van de meeste zijner +tijdgenooten hebben weergegeven. + +<p>De dichter van den <i>Reinaert</i> moge een enkele maal den +blik laten weiden over het groote laagland „tusschen de Elbe +en de Somme", HADEWYCH hare geestverwanten hebben gehad +in Thuringen en Saksen, geestelijken en clercken als MAERLANT<a name="295"></a> +een deel van Europa hebben omvat met hun blik—de groote +meerderheid des volks bleef naar lichaam en geest gevangen +binnen den kring van de eigen stad of de streek, waar zij +geboren waren. De blik der meesten werd beperkt door de +grenzen van het graafschap of hertogdom, waartoe zij behoorden, +en richtte zich betrekkelijk zelden op naburige landen +en volken. + +<p>Het gevoel van gehechtheid aan den geboortegrond, zoo +licht zich uitzettend tot trots op dien grond, dat wij omstreeks +het midden der 13<sup>de</sup> eeuw in MAERLANT aantreffen, kunnen +wij in het laatst dier eeuw en in den aanvang der volgende +ook elders in deze landen waarnemen. In Limburg, Brabant, +Vlaanderen, die landschappen dus, waar het letterkundig leven tot +nog toe hoofdzakelijk zich had ontwikkeld, zien wij het volksgevoel +ontwaken en zich uiten in den roman <i>van Limborch</i> en den +<i>Flandrijs</i>, in JAN VAN HEELU'S verhaal van den <i>slag bij Woeringen</i>, +in het werk van VELTHEM en de Kroniek van MELIS STOKE. + +<p>Opmerkelijk, doch niet onverklaarbaar, is, dat wij in de +meeste dezer werken het volksgevoel—of beter: het stamgevoel—verbonden +zien met de verheerlijking van den adel, +dat de vorm dier werken ons herinnert aan dien der ridderromans, +dat de dichters dezer werken grootendeels in vrij +nauwe betrekking staan tot den adel. Het zelfbesef der edelen, +de ingenomenheid met eigen geslacht en de zucht om den +roem van dat geslacht te verhoogen, vinden wij op groote +schaal terug bij een ganschen stam. Zoo kwam een dichter er +toe, de verheerlijking van een geslacht uit te breiden tot den +stam, waarover dat geslacht regeerde. + +<p>Een staaltje van dergelijke uitbreiding vinden wij in een +14<sup>de</sup>-eeuwsch dichtwerk over den Grimbergschen oorlog, een +strijd tusschen de machtige heeren van Grimbergen en de +hertogen van Brabant. De bedoeling van den dichter was<a name="296"></a> +natuurlijk: eene verheerlijking van het geslacht van Grimbergen. +Doch in die verheerlijking krijgt ook de gansche adel en het +gansche Brabantsche volk deel, zoodat wij reeds in den aanvang +vernemen, dat „die van Brabant" gekomen zijn „uut +dien van Troyen<a href="#10.2">[2]</a>." Langs dien, ook later niet zelden gevolgden, +weg verhief men een gansch volk tot den adelstand. + +<p>Wij worden in onze overtuiging van de juistheid dezer +voorstelling versterkt, wanneer wij er op letten, hoe in de +oorspronkelijke ridderpoëzie de liefde tot het eigen land zich +reeds openbaart. Toont de onbekende dichter der <i>Chanson de +Roland</i> niet eene sterke liefde voor „dulce France"? Het zou +geen wonder zijn, dat menig hoorder der Nederlandsche +bewerking zich bewust is geworden van de liefde tot zijn +geboorteland, waar hij ROELANT hoorde zeggen: + +<p class="quote">Dan wille God niet, dat ghesciet, +Dat soete Vrankrike bi mi +Sijn eere verliese, hets soe vri! +</p> + +<p>of waar hij dergelijke uitingen elders hoorde terugkeeren<a href="#10.3">[3]</a>. + +<p>In geen, te onzent vertaalden of bewerkten, ridderroman +echter vond ik de liefde tot een bepaald land en zijne inwoners +zoo diep gevoeld, zoo uitvoerig in wezen en werking beschreven, +als in den roman <i>van Lancelot</i>, in deze verzen: + +<p class="quote">Alsi ter zee quamen mettien, +Begonste Lancelot dat lant besien, +Daer hem in was menege ere +Gedaen ende oec vele mere +Dan oit daer vore was, sonder waen, +Enegen riddere allene gedaen. +Hem begonste lopen sere +Die trane op sirie lire<a title="[margin: wangen.]"><sup>#</sup></a>, +Ende hi versuchte doe sware<a name="297"></a> +Ende weende sere daernare. +Alsi aldus hadde gewesen +Ene wile, hi sprac na desen +Stillekine, so dat dese word +Nieman en verstont dan Bohort: +„Ay soete lant ende godertire +„Ende mergelijc<a title="[margin: vreugdevol.]"><sup>#</sup></a> in alre manire, +„Wel sittende ende blide mede, +„Vol van alre geluckechede, +„Daer min geest in blivet geellike<a title="[margin: geheel en al.]"><sup>#</sup></a> +„Ende mine ziele dier gelike, +„Gebenedijt moetstu talle stonde +„Wesen van Jhesus Kerst monde, +„Ende gebenediet soe sijn si +„Dire in bliven selen na mi +„Ende wonen selen in desen lande! +„Sijn si mi vriende oft viande, +„God mote hen pays geven +„Ende met rasten<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a> doen leven!" +... +... +Dit waren sine worde die hi sprac, +Alsi uten lande van Logres trac. +Hi sach ten landewaerd nadien, +Alse lange als hijt conde gesien<a href="#10.4">[4]</a>. +</p> + +<p>Hoe modern reeds schijnt ons dit afscheid van een land dat +ons lief geworden is: die tranen langs de wangen, die zuchten, +die gefluisterde zegenwensch, dat staren naar de wijkende kust! +Hoe modern reeds, al hooren wij hier slechts een flauw voorspel +van dergelijke poëzie in lateren tijd, wanneer CHILDE +HAROLD zijn „native shore" vaarwel zal zeggen.<a name="298"></a> + +<p>Den samenhang nu tusschen ridderlijke romantiek en een +kiem van nationaliteitsgevoel, dien wij in het <i>Roelants-lied</i> en +den roman <i>van Lancelot</i> kunnen opmerken, vinden wij ook in +de meeste bovengenoemde Dietsche dichtwerken en dichters. +De <i>Limborch</i> en de <i>Flandrijs</i> zijn ridderromans; HEYN VAN +AKEN, dichter van den <i>Limborch</i>, toont ook elders sympathie +voor het ridderwezen; de <i>Slag van Woeringen</i> is half ridderroman +half kroniek, de dichter van dat werk, JAN VAN HEELU, +zal wel tot het gevolg van JAN I, hertog van Brabant, behoord +hebben; de edelman LODEWIJK VAN VELTHEM zet wel MAERLANT'S +<i>Spieghel Historiael</i> voort, doch is tevens de samensteller +van de Lancelot-compilatie. De <i>Vlaamsche Rijm-Kroniek</i>, +de <i>Brabantsche Yeesten</i> en MELIS STOKE'S <i>Rijmkroniek van +Holland</i> zijn zuiver-historische werken; doch men vergete niet, +dat deze werken ten deele strekken moesten om de aanzienlijke +afkomst der over die landen regeerende vorstenhuizen te betoogen, +en dat de adel zelf grootendeels aan de historie zijn +recht van bestaan ontleende. + +<p>De dichter van den <i>roman van Limborch</i>, HEYN VAN AKEN, +was vermoedelijk in Brussel geboren en tijdens zijn leven +pastoor van Corbeke bij Leuven. Wij kennen drie werken van +hem; twee vertaalde: <i>Hughe van Tabarien</i> en den roman <i>van +de Roos</i>; een oorspronkelijk: den <i>roman van Limborch</i>. Het +laatste is door hem waarschijnlijk geschreven tusschen 1291–1318; +het middelste misschien omstreeks 1300 terwijl hij de bewerking +van den <i>Limborch</i> eenigen tijd liet rusten; de dagteekening van +het eerste is onzeker. De dichter moet vóór 1330 gestorven +zijn; zeker niet zoo heel lang na de voleindiging van den +<i>Limborch</i><a href="#10.5">[5]</a>. In den aanvang van het Tiende Boek immers stelt +hij zich aan zijn publiek voor als een oud man: hij is versleten, +het vesperklokje gaat voor hem luiden, zijn eenig<a name="299"></a> +genoegen „leit in de scotele ende in den nap"; voor de minne +deugt hij niet langer, erover praten is al wat hij kan. Hij +moge dan pastoor geweest zijn, aan het slot van zijn <i>Hughe +van Tabaryen</i> schreef hij: + +<p class="quote">Dit hevet ghedicht, te love ende theeren<a title="[margin: ter eer.]"><sup>#</sup></a> +Allen rudderen, Heyne van Haken<a href="#10.6">[6]</a>. +</p> + +<p>Daaruit blijkt wel, dat hij met den adel op goeden voet stond +of wenschte te staan. Het oorspronkelijk gedicht <i>De l'Ordene +de Chevalerie</i> in 36 achtregelige strofen, bevat eene uiteenzetting +van het ridderwezen en van de symbolische beteekenis der +plechtigheden bij de ridderwijding. Evenzoo behelst de roman +<i>van de Roos</i>, vooral in zijn eerste deel, eene uiteenzetting van +het wezen der hoofsche liefde. Daarom is de tweede titel van +dezen roman, dien wij in het werk zelf vinden: nl. <i>Spieghel +der minne</i>, zooveel juister, omdat hij het wezen van het boek +beter aanwijst. Naspeuren en uiteenzetten van het wezen der +dingen—dat was de geest der burgerij, die misschien ook +over een deel der edelen vaardig werd. Het kenschetst echter +dit tijdvak van overgang, dat die geest zich hier richtte op de +instelling van het ridderwezen en op den hartstocht die vooral +door den ridderstand tot eene soort van eeredienst was verheven. +Trouwens den ganschen opzet van den <i>Roman de la Rose</i>: +een minnaar die eene roos (symbool der geliefde) wil machtig +worden, maar daarin door zijne gevangenschap verhinderd +wordt, vindt men reeds in den roman <i>van Lancelot</i><a href="#10.7">[7]</a>. + +<p>Doch er is in dit werk behalve den opzet nog meer gewichtigs, +waarvan wij hier het een en ander moeten mededeelen. + +<p>Het oorspronkelijk gedicht dankt zijn ontstaan aan twee +dichters: GUILLAUME DE LORRIS en JEAN DE MEUNG; het werk +van den eerste dagteekent van omstreeks 1225–1230, en is +omstreeks 1270 door den tweede voortgezet. Tusschen die beide<a name="300"></a> +dichters bestaat een groot verschil. GUILLAUME DE LORRIS, uit +de school van CRESTIENS DE TROIES, is een elegant prediker +der hoofsche liefde, een vereerder der vrouwen, een bevallig +kiesch dichter, die voor edele heeren en hoofsche vrouwen +schrijft—JEAN DE MEUNG is een geleerde met een scherp +verstand, een open oog voor de werkelijkheid in al hare naaktheid, +onbevangen, sceptisch, niet zelden cynisch, die de vrouwen +minacht. GUILLAUME leert hoe men de vrouwen moet winnen, +JEAN hoe men ze moet bedriegen. Ook JEAN is een begaafd +dichter, maar zonder zelfbedwang of kieschheid. Geeft het eerste +deel van den roman ons vooral eene „minnekonst"; in het +tweede vinden wij de minne verbonden met allerlei anderslachtigs: +wijsbegeerte, godgeleerdheid, natuurwetenschap, satire tegen +de vrouwen, de geestelijke orden, de grooten, de koningen +zoodat wij aan onzen MAERLANT gaan denken<a href="#10.8">[8]</a>. + +<p>Van dien aard is het werk dat door HEYN VAN AKEN half +bewerkt half vertaald is. Hij heeft vrij wat bekort, vrij wat weggelaten; +bekort zijn de wijdloopige redeneeringen hier en daar, +zoo ook eene beschrijving der kunstmiddelen van het vrouwelijk +toilet, eene opsomming van voorschriften aangaande de wellevendheid. +Weggelaten is de uitweiding waarin JEAN DE MEUNG +zich verontschuldigt dat hij de vrouwen harde waarheden heeft +moeten zeggen, de uitweiding over den strijd tusschen de +Natuur en den Dood, vooral de 4000 verzen lange biecht der +Natuur „de omni scibili", de mededeelingen over de kracht +van het Medusa-hoofd, de uitval tegen de Dominicaner-orde<a href="#10.9">[9]</a>. +Hier en daar vinden wij een eenigszins karakteristieke afwijking; +zoo b.v. waar de bewerker spreekt van „al 't goet van Sassen", +waar hij den Rijn in de plaats stelt van de Seine, of Poitou en +Engeland in zijn gedicht brengt<a href="#10.10">[10]</a>. Doch overigens vertoonen +zijne vrij goede en vloeiende verzen weinig dat het karakter +van den bewerker of dat van zijn volk kenschetst.<a name="301"></a> + +<p>Meer van hem zelven vinden wij in den <i>Limborch</i>, al kan +dat werk slechts met aanzienlijke beperkingen oorspronkelijk +worden genoemd. Dat tekort aan oorspronkelijkheid blijkt niet +uit het telkens herhaald beroep op het Walsch. „Als ict in den +Walsche las" en dergelijke uitdrukkingen dienden slechts om +achtbaarheid aan zijn werk te geven of om hem aan een slot +te helpen: „want dWalsch en seges mi nemmeer". + +<p>Er was hier een historische kern in de persoon van Hertog +HENDRIK IV van Limburg die in 1227 keizer FREDERIK vergezelde +op een tocht naar het Heilige Land. De dichter heeft dezen +hertog echter verward met HENDRIK I die in 1206 te Constantinopel +tot keizer werd gekroond en bovendien de geschiedenis +zoodanig met sagen of eigen verdichtselen omhuld dat het geheel +niet meer dan eene fabel kan geacht worden<a href="#10.11">[11]</a>. Hoofdzaak +was voor den dichter de verheerlijking van het huis van Limburg +door middel van een rijmwerk. Om dat rijmwerk te kunnen +samenstellen, had hij stof noodig; die stof heeft hij uit zijne +herinneringen aan vroegere werken samengebracht en op de +gebruikelijke wijze verwerkt. + +<p>Zoo ontstond, niet uit het leven, maar uit boeken, dit +doodgeboren kind van belezenheid en gunstbejag. + +<p>Menig dichter vóór hem had zijn werk vervaardigd ter eere +eener jonkvrouw die hij liefhad, HEYN VAN AKEN blijft in +dezen niet in gebreke. Doch hij weet zich niet te hoeden voor +het gevaar, dat navolgers dreigt: hij tracht zijne voorgangers +te evenaren, doch overschreeuwt hen. Hadden zij een enkelen +keer gewag gemaakt van de schoone, ter wille van wie zij +hun werk ondernamen, hij herhaalt zulke betuigingen door +acht boeken heen<a href="#10.12">[12]</a>. Kwam zijne „joncfrouwe ongheveinst" +misschien uit hetzelfde Walsch, waaruit hij zijn roman vertaalde? +DIEDERIC VAN ASSENEDE had gezegd, dat de liefde slechts +voor hoofsche lieden is weggelegd—HEYN VAN AKEN praat<a name="302"></a> +het hem na. Waar hij elders eene omschrijving der minne wil +geven, bedient hij zich van een paar verzen uit MAERLANT'S +<i>Eerste Martijn</i> <a href="#10.13">[13]</a>. + +<p>Allerlei motieven, toestanden, namen in zijn werk zijn aan +vroegere werken ontleend; namen als SIBILLE, MORANT, JONET, +EVAX, FROMOND vinden wij terug in het verhaal <i>van koningin +Sibille</i>, in den <i>Lancelot</i> en den <i>Merlijn</i>, in de <i>Lorreinen</i>, den +<i>Lapidarius</i> van bisschop MARBODEUS van Rennes. De verhouding +tusschen den gravenzoon ECHITES en de gewaande dienstmaagd +MARGRIETE VAN LIMBORCH is geheel dezelfde als die +tusschen den koningszoon FLORIS en BLANCEFLOER, de dochter +der Spaansche edelvrouw, die kameniersdienst moet doen; ook +de toorn der moeder over die verhouding, de list, aangewend +om een eind te maken aan die liefde, de redding van +het meisje door haren minnaar op het hachelijkst oogenblik, +zijn in beide werken gelijk. Trouwens ook in den <i>Lancelot</i> +vinden wij eene jonkvrouw „al naect in haer hemde gedaen" +te midden eener menigte, die de „justitie" wil zien, totdat +LANCELOT het meisje bevrijdt<a href="#10.14">[14]</a>. ECHITES werpt zijn vaders +kok op het vuur, omdat deze niet doet wat hij gelast—iets +dergelijks doet REINOUT in den roman der <i>Vier Heemskinderen</i> <a href="#10.15">[15]</a>. +Het gevecht met den draak herinnert aan dat met den vogel +grijp in de <i>Lorreinen</i><a href="#10.16">[16]</a>. Het koningspel hier doet denken aan +iets dergelijks in SEGHER'S <i>Prieel van Troyen</i><a href="#10.17">[17]</a>. Van dien +aard zou meer te noemen zijn, doch het is onnoodig. + +<p>Dat in een gedicht, bestemd voor een Limburgsch publiek, +niet alleen Fransche, maar ook Duitsche dichtwerken op cijns +gesteld werden, is licht verklaarbaar. Zoo vinden wij hier dan +ook de namen van het zwaard Mimminc, van den smid WILANT, +van den koenen held WEDEGE (WITTICH); eene herinnering +aan de Nibelungen (de „drie meerwiven"), misschien ook aan +TANNHÄUSER en zijn verblijf in den Venusberg<a href="#10.18">[18]</a>.<a name="303"></a> + +<p>HEYN VAN AKEN mocht al beweren, dat zijn held ECHITES +ROELANT en OLIVIER overtrof en aan zijne reuzen ongeloofelijke +afmetingen geven—zijn werk kreeg daardoor niets van +het heroïeke of ideale, dat echte ridderpoëzie toch altijd eenigermate +bezit. Een ridder, die uitgedaagd wordt tot een tweegevecht, +vraagt uitstel, om in dien tijd schermen te leeren! Is +dit bedoeld als een grap? Dan nog blijft die grap kenschetsend. +MARGRIETE VAN LIMBORCH vergelijkt den jongen graaf ECHITES +bij een ouden hond, en dat nog wel terwijl zij van minne +spreken. Wanneer ECHITES in een tournooi de overige ridders +voor zich uitdrijft, wordt HEYN VAN AKEN warm; een beeld +ontstaat uit dien gloed: ECHITES is gelijk den stroom, die turven +stroomafwaarts voert<a href="#10.19">[19]</a>. + +<p>In de lange gebeden zijner ridders kon de samensteller van +den <i>Limborch</i> andere romandichters wel navolgen, doch hij +vermocht niet die te bezielen met de naïeve vroomheid die +den <i>Karel en Elegast</i> zoo aantrekkelijk maakt. Maar in geleerdheid +overtrof hij de meeste zijner voorgangers; de lauweren van +JEAN DE MEUNG lieten hem blijkbaar geen rust. Hij kent VENUS, +JUNO, PALLAS, de drie Parcen, CUPIDO met fakkel en speer; +hij is ver in aardrijkskunde, hij weet van Narcissus, van Ulysses +en Penelope, hij onthaalt ons op een staaltje van de allegorie +waarmede de <i>Roman van de Roos</i> zoo vervuld is<a href="#10.20">[20]</a>. + +<p>Ja, indien geleerdheid de waarde van poëzie verhoogde en +andermans veeren zoo goed waren als eigene, dan zou HEYN +VAN AKEN met zijn <i>Limborg</i> eer hebben ingelegd. Echter, niet +zoozeer dat hij zijne stof van anderen ontleende, komt in zijn +nadeel; doch dat hij die ontleende stof niet tot zijne eigene heeft +weten te maken, dat zijn rijmwerk weinig of niets eigens vertoont. + +<p>Dat geldt ook van den <i>Slag bij Woeringen</i>. + +<p>De strijd tusschen JAN I VAN BRABANT en REINOUT VAN +GELRE om het bezit van Limburg, in 1288 beslist door eene<a name="304"></a> +overwinning der Brabanders, werd omstreeks 1291 verheerlijkt +door een rijmer die misschien JAN VAN HEELU heette en wel +een van hertog JAN'S menestreelen kan zijn geweest<a href="#10.21">[21]</a>. + +<p>Meer nog dan de <i>Limborch</i> was dit gedicht er op berekend, +de roemzucht van den adel te streelen en te prikkelen. Voortdurend +deelt de schrijver ons mede, dat hij gewag maakt van +deze of gene ridders, opdat men „hare daden ewelike gedincken +sal." Elders heet het: „zoo groote condicheit" (stoutheid) werd +nooit gezien als voor Woeronc; meer dan eens verontschuldigt +hij zich dat hij niet alle ridders bij name kan noemen; ook +van dappere vijanden verzwijgt hij de namen niet. Geen wonder +dat het aantal namen hier legio is en nog—zegt de auteur—verzwijg +ik de namen van velen die even dapper in den strijd +waren of nog dapperder dan de genoemden<a href="#10.22">[22]</a>. + +<p>Wat HOMERUS niet kon: poëzie maken van een catalogus, +kon ook deze schrijver niet. Wat HEYN VAN AKEN kon: slaafs +overnemen van anderen, dat kon ook hij. Dat hij bij de samenstelling +van zijn werk onder den invloed was zijner lectuur, +blijkt o.a. in den aanvang van het Tweede Boek, waar hij +zegt dat de daden der Maccabeën, van „Roelant ende sine +gesellen", van WALEWEIN, PERCHEVAEL en ALEXANDER niet +zoo grootsch en indrukwekkend zijn geweest als de daden in +den slag bij Woeronc bedreven. De wijze waarop de schrijver +van dit rijmwerk den aartsbisschop van Keulen doet optreden, +herinnert hier en daar levendig aan het gedrag van bisschop +TULPIJN in het <i>Roelands-lied</i>; op een andere plaats blijkt dat +bisschop TULPIJN hem onder het schrijven inderdaad voor den +geest stond<a href="#10.23">[23]</a>. Poëzie is in dit verhaal nergens te vinden, wel +herhaalde uitingen waaruit blijkt dat de stof den rijmer overweldigde. +Tevergeefs heeft hij getracht aan zijne verzen hier en +daar door een vergelijking meer verheffing te geven<a href="#10.24">[24]</a>. + +<p>Het verhaal van den <i>Slag bij Woeringen</i>, schreven wij<a name="305"></a> +hierboven, is half ridderroman half rijmkroniek. Die beide +dichtsoorten vinden wij eveneens, doch onvermengd, in +LODEWIJK VAN VELTHEM'S werk. VELTHEM zette MAERLANT'S +<i>Spiegel Historiael</i> voort op verzoek eener aanzienlijke Antwerpsche +edelvrouw, MARIA VAN BERLAER, en voor loon. Wij +vinden in zijne kroniek de geschiedenis van Holland, Brabant, +Vlaanderen, ook die van zijn eigen tijd, ten deele volgens +hetgeen hij zelf gezien of van ooggetuigen vernomen had. Voor +de kennis van de ontwikkeling onzer literatuur is dit geschiedwerk +van geringe beteekenis. Slechts een paar maal, zooals +b.v. in het verhaal van den Leuvenschen kampvechter en in +dat van een mirakel dat te Velthem gebeurd zou zijn, vinden +wij in de levendigheid en natuurlijken eenvoud van stijl +iets dat naar literaire kunst zweemt. Een paar andere groene +plekjes zijn die waar hij, den lof der Heilige Maagd zingend, +verzen schrijft die voortvloeien met zekere natuurlijke +bevalligheid<a href="#10.25">[25]</a>. + +<p>Tien jaar later, in 1326 namelijk, voltooide VELTHEM, in +MAERLANT'S voetspoor tredend, een ander werk: het <i>boek van +koning Artur</i>, dat zich bij den <i>Merlijn</i> aansluit. Vertaling +van een Fransch <i>Livre du roi Artus</i>, bevat het de verdere +geschiedenis van ARTUR en MERLIJN en hoe de machtige +toovenaar ten slotte, verstrikt in zijne liefde tot de fee VIVIANE, +door haar met zijn eigen tooverkunsten gebannen wordt binnen +een toovercirkel in het woud van Broceliande<a href="#10.26">[26]</a>. + +<p>Het eenige dat opmerking verdient in deze vertaling, is de +indruk dien MERLIJN'S geschiedenis op VELTHEM ten slotte +heeft gemaakt; indruk dien hij weergeeft in deze regels: + +<p class="quote">Wat mach men daer meer af seegen dan? +Negeen dinc, so help mi God, +Dan dat hi was een fijn sot;<a name="306"></a> +Al heet hi vroet ende conde vele, +Nochtan heeften een wijf bij horen spele +Datsi hem toende menechfoude, +Bracht in 't nette daer si woude. +</p> + +<p>Wat zou DIEDERIK VAN ASSENEDE wel gezegd hebben van +zulk eene opvatting der liefde? + +<p>Over VELTHEM als compilator van de in den <i>Lancelot</i> vereenigde +ridderromans spraken wij vroeger reeds. Zoolang wij +de samengevoegde werken niet in hunnen oorspronkelijken +vorm kunnen vergelijken met dien waarin zij hier voorkomen, +kan over VELTHEM'S werk in dezen geen afdoend oordeel +worden geveld. Doch zóóveel kunnen wij ook nu reeds zien: +dat de onderscheidene verhalen zijn aaneengeschakeld zonder +eenige kunst met een: „nu doet d' aventure verstaen," d' avonture +seget hier ter steden" of dergelijk tusschenvoegsel. Ook +dat de compilator weinig op den samenhang van zijn werk +gelet schijnt te hebben, daar hij in het Derde Boek PERCHEVAL +doet optreden, nadat deze in het Tweede Boek overleden was. +Op een paar plaatsen blijkt, dat de „clerc" VELTHEM zich +bezwaard gevoelde over het berijmen van „alle dese wereltlike +daden", waarvoor hij God en MARIA om vergeving bidt<a href="#10.27">[27]</a>. +Geen werk eindelijk is er in dezen tijd aan te wijzen, dat zoo +krioelt van stoplappen als deze compilatie; in dat opzicht wordt +VELTHEM misschien door niemand onder de Dietsche rijmers +der middeleeuwen overtroffen. + +<p>Wat HEYN VAN AKEN voor de Limburgers had gedaan, +werd in het eerste kwart der 14<sup>de</sup> eeuw door een onbekend +auteur voor de Vlamingen verricht met de bewerking van den +ridderroman <i>Flandrijs</i>. Indien men ten minste, wat mij hoogst +waarschijnlijk voorkomt, dezen naam moet vertalen met <i>Vlaming</i> +en dat werk als eene, zij het ook zwakke, uiting beschouwen<a name="307"></a> +van het Vlaamsch nationaliteitsgevoel<a href="#10.28">[28]</a>. Evenals de <i>Limborch</i> +is ook de <i>Flandrijs</i> een gebrekkig samenstel van allerlei bestanddeelen, +grootendeels ontleend aan vroegere ridderromans: +<i>Ferguut</i>, <i>Walewein</i>, <i>Moriaen</i>, <i>Torec</i>, <i>Historie van Troyen</i>. +Ook hier vinden wij bedreigde en verloste jonkvrouwen, den +zoon van een gastheer gedood, gevechten met roofridders en +reuzen enz. Het godsdienstig gevoel in den <i>Flandrijs</i> schijnt +sterker dan het gevoel voor het ridderwezen. Een ridder, +doormidden gehouwen „zooals men het een varken doet," +brengt ons naar den slagerswinkel; de aanprijzing van het +Christendom hier en daar en een lang gebed geven het werk +iets stichtelijks, wat men niet kan zeggen van FLANDRIJS, die +door het teeken des kruises een gebraden kapoen van de tafel +doet opvliegen. + +<p>Van Vlaanderen is sprake in een rijmkroniek, die ongeveer +ter zelfder tijd als de <i>Flandrijs</i> werd vervaardigd en hier slechts +om dat nationale element even vermeld kan worden<a href="#10.29">[29]</a>. + +<p>Gewichtiger is MELIS STOKE'S <i>Rijmkroniek van Holland</i>, +aangevangen waarschijnlijk in het laatste twintigtal jaren der +13<sup>de</sup> eeuw, voortgezet en voltooid in het jaar 1305. + +<p>STOKE'S werk ontstond uit dezelfde beweegredenen als de +andere in dit hoofdstuk behandelde werken, doch die beweegredenen +zijn hier samengesteld op eigenaardige wijze. +Verheerlijking van het regeerend gravenhuis was een dier +beweegredenen. Vandaar dat het eerste deel zijner kroniek is +opgedragen aan Floris V, het voltooide werk aan graaf +Willem III, wiens „armen clerc" (secretaris) hij zich noemt. +Vandaar dat hij aantoont en met nadruk verzekert, dat het +Hollandsche gravenhuis „van edelen tronke begonde". Maar, +in tegenstelling met JAN VAN HEELU, onthoudt hij er zich +van, de roemzucht des adels te prikkelen, door hen bij name +te noemen. Daar zien wij misschien weer het verschil tusschen<a name="308"></a> +„menestreelen" en „clercken". Hij verklaart openlijk, dat hij +niet bij name wil noemen: + +<p class="quote">Die van den stride was de bloeme +Of de quaetste of de beste +</p> + +<p>uit vrees dat men hem mocht beschuldigen van afgunst, van +winzucht; uit vrees ook—het kenschetst den tijd—dat hij +vervolgd en doodgeslagen zou worden<a href="#10.30">[30]</a>. Liefde voor zijn +land dat hij verdedigt tegen de aanmatiging der Henegouwers, +belangstelling in de geschiedenis van dat land en zijne bewoners +behooren evenzeer tot zijne beweegredenen<a href="#10.31">[31]</a>. + +<p>De beide eerste boeken en misschien een deel van het derde +bevatten weinig meer dan eene vertaling van het <i>Chronicum +Egmundanum</i>; het overige deel van het werk berust, naar +het schijnt, hoofdzakelijk op mondelinge overlevering en op +hetgeen hij zelf had bijgewoond. Van poëzie is ook bij STOKE +weinig sprake, maar toch meer dan bij HEYN VAN AKEN of +HEELU. Waar STOKE warm wordt, vergelijkt hij ten minste +geene ridders bij turven. Eerbiedige bewondering voor SOPHIA, +gravin van Holland, en voor JAN VAN BRABANT ontlokt hem +verdienstelijke verzen als deze: + +<p class="quote">Haer herte was een grondeloos wael<a title="[margin: bron.]"><sup>#</sup></a> +Van miltheit ende van ontfarme, +Van soeticheit op de Gods arme, +Van wakene, van pinen in ghebede +</p> + +<p>en: + +<p class="quote">Ja! hoech man was hi, weet men wale, +Beide in der daet ende in de tale<a href="#10.32">[32]</a>. +</p> + +<p>Maar het beste brok van zijn werk is zeker het verhaal van +FLORIS DE VIJFDE'S gevangenneming en dood. Daar hooren<a name="309"></a> +wij oprecht gevoel zich met naïeve warmte uiten in eenvoudig-zuivere +taal. Treffend is b.v. de ontzetting van des graven +„arme clerc" over het feit, dat men de hand heeft durven +slaan aan een zoo hoog heer: + +<p class="quote">Deus, here God, wat hi dochte, +De des eerst ghewaghen durste, +Dat men also groot een vurste +Soude vanghen of verslaen! +</p> + +<p>Ook zijne klachten en verwijten tot de samengezworenen: + +<p class="quote">Ay Herman! bi wat zaken +Wilstu der quader name ontfaen? +Was di niet ghenoech ghedaen? +... +Ende du Gheraert, felle man, +Droeghes oec sine cleder an, +Du hads van kinde met hem ghewesen. +</p> + +<p>Zijn medelijden met den graaf die al te goed van vertrouwen, +was: + +<p class="quote">Hi waende, hem sijn volc ghemene +Ghetrouwe waren, groot ende clene. +Ay lasi! hi ne mocht niet weten, +Dat hi van binnen was beseten. +... +</p> + +<p>Zijne naïeve bewondering van de trouw, door FLORIS' jachthonden +betoond aan het lijk van hunnen meester<a href="#10.33">[33]</a>. + +<p>Deze en dergelijke verzen maken AMELIS STOKE niet tot een +dichter van beteekenis, neen zeker! Maar zij vermogen toch in +den nacht der vergetelheid een flauw lichtglansje te verbreiden<a name="310"></a> +om den naam van den eersten Hollander die zich met bewustheid +Hollander heeft gevoeld, den eersten ook die in de +geschiedenis onzer letterkunde den naam van Holland heeft +doen opklinken. + +<p>Hollander gevoelde STOKE zich, doch vooral Hollander die +min of meer vijandig gezind was jegens de bewoners van andere +graafschappen of hertogdommen in het Dietsche land. Hoe stelt +hij zijn volk reeds tegenover het Vlaamsche volk, waar hij +beweert dat de Vlamingen, anders dan de Hollanders, nooit +hun verlies willen erkennen: + +<p class="quote">Verliesen wi, wi gheliën<a title="[margin: ten volle erkennen.]"><sup>#</sup></a> wale; +Die Vlaminc hevet ander tale: +Verliest hi, hi ne liëts<a title="[margin: erkent.]"><sup>#</sup></a> niet +... +... +Het is der Hollanders maniere: +Verliesen si drie manne ofte viere, +Si seggen liever meer dan min— +Die Vlaminc messaect<a title="[margin: loochent.]"><sup>#</sup></a> int beghin<a href="#10.34">[34]</a>. +</p> + +<p>Zijn afkeer van de Vlamingen is zeker niet verminderd door +hun inval in Holland die eerst bij het Manpad gestuit werd. + +<p>Niet veel vriendelijker is STOKE gezind jegens de Friezen +en Saksen, voor hem één volk (immers „die Nederzassen heten +nu Vriesen"). In den aanvang zijner Kroniek spreekt hij minachtend +over het „onbeschaamde Friesche volk dat niets van +historie weet"<a href="#10.35">[35]</a>. STOKE'S tijdgenoot, MAERLANT, denkt evenzoo +over de „wilde Saksen" en „ruwe Friezen"<a href="#10.36">[36]</a>. Een eeuw later +zal de Hollander WILLEM VAN HILLEGAERSBERCH nog in denzelfden +geest spreken<a href="#10.37">[37]</a>. En hoeveel wrok en minachting open<a name="311"></a>baren +zich in deze woorden van den „clerc uten lagen landen" +waar hij in zijne Kroniek gewaagt van de Friezen bij het lijk +van den gesneuvelden Roomsch-Koning WILLEM II van Holland: +„dese Vriesche honden en wisten niet dathet coninc WILLEM +die edel man was ... ende liepen over hoop daeromme +staen als beesten." + +<p>Maar hoe geminacht ook door de Hollanders, de Friezen +verdedigden hun vrij land daarom niet minder krachtig tegen +elken indringer. Telkens doen de Hollandsche graven pogingen +zich van Friesland meester te maken, doch gewoonlijk trekken +zij aan het kortste eind. WILLEM IV sneuvelt met de bloem +van zijn edelen bij Stavoren. Een halve eeuw later komt Graaf +ALBRECHT die nederlaag wreken: bij Schoterzijl worden de +Friezen overwonnen. Zonder genade woedt het gevecht, geen +losprijs wordt geboden, geen lijfsbehoud gegeven: alles wat +den Hollanders in handen valt, wordt meedoogenloos over +de kling gejaagd; in het heetst van den strijd valt ook de +dappere Friesche aanvoerder, de vermaarde edelman JUWINGA, +die, als koning SAUL weleer, een hoofd boven de anderen +uitstak<a href="#10.38">[38]</a>. + +<p>Toch was de uitslag van dien tocht gering; de Friezen +werden niet tot gehoorzaamheid gebracht. Zij bleven naijverig op +hunne zelfstandigheid en ongezind vreemde machthebbers van +welken aard ook te erkennen. Getuigenis daarvan gaven reeds +vroeger (1327) die parochianen van Bolsward, die weigerden +een hun uit Utrecht gezonden rector der Kerk te ontvangen +en te erkennen, omdat hij geen Fries was<a href="#10.39">[39]</a>. + +<p>Eene verdeeldheid als die tusschen Brabanders en Gelderschen, +Vlamingen en Hollanders, Hollanders en Friezen zag men ook +elders in deze „lage landen". Het meervoud in dezen bekenden +naam verdient aandacht, want inderdaad bestond er nog niet +één land dat <i>Nederland</i> heette. In naam bestond het wel. In<a name="312"></a> +een allegorisch gedicht uit de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw wordt +gezegd, dat de knapen van zekeren HER ERENTRIJC waren + +<p class="quote">... al van eenen gheslachte +Gheboren al ut Nederlant. +</p> + +<p>Ook als strijdleus vinden wij dien naam daar gebezigd: + +<p class="quote">Daer mochtmen die tyene horen +Lude roepen: „Nederlant!"<a href="#10.40">[40]</a> +</p> + +<p>Doch het was slechts een naam. Landseenheid berustend op +volkseenheid, lag nog ver af, als een kust die men over de +wateren ziet blauwen. Maar toch niet zóó ver, of men kon er +een paar vooruitstekende punten van onderscheiden: wordende +eenheid van taal en wordende betrekking tusschen volk en +landsheer. + +<p>De verdeeldheid tusschen de onderscheidene volksdeelen hier +te lande spiegelde zich af in het verschil van tongvallen of +„tongen", zooals men toen zeide. Men voelde zich Vlaming, +Brabander, Hollander, Zeeuw; een enkele besefte ook dat er +verschil was tusschen de talen in die onderscheidene deelen +des lands gesproken. In zijn <i>Leven van Sint Franciscus</i> zegt +MAERLANT: + +<p class="quote">Men moet om de rime souken +Misselike<a title="[margin: onderscheidene.]"><sup>#</sup></a> tonghe in bouken: +Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus<a href="#10.41">[41]</a>. +</p> + +<p>Met <i>Duuts</i> zal hier wel <i>Hollandsch</i> bedoeld zijn in den +eigenlijken zin des woords. + +<p>In den <i>Spieghel Historiael</i> lezen wij: + +<p class="quote">Int ander jaer dat Karel de jonge, +Die grouf<a title="[margin: (grof) dik.]"><sup>#</sup></a> hiet in somege tonge. +...<a name="313"></a> +</p> + +<p>Echter, indien MAERLANT het verschil van tongvallen besefte, +hij was er zich tevens van bewust, dat er tegenover of boven +die tongvallen een algemeen Dietsch bestond. In zijn <i>Naturen +Bloeme</i> stelt hij op meer dan een plaats het Vlaamsch of „<i>ons</i> +Dietsch" tegenover <i>het</i> Dietsch<a href="#10.42">[42]</a>. Een tijdgenoot van RUUSBROEC, +Heer GERAERT, prior van een Karthuizer-klooster spreekt van +„brabantsch dietsch" en zelfs van „brusselsch dietsch" in deze +opmerkelijke woorden: „Oec is te merken dat dese boeken +(van RUUSBROEC) ghemaect sijn in onvermingheden bruesselschen +dietsche, soe datter luttel latijnscher ofte walscer woerden ofte +van enighen anderen tale in sijn ghesaeit. Ende oec is dat selve +brueselsche dietsche volcomenre hier in gheset dant daer die +lieden ghemeinlic spreken, in dien dat si dicwile in hare tale +vernieuten ofte minderen haer pronominael artikelen bi desen +exempelen: Als si souden seggen <i>dat ierste, dat anderde, dat +derde, dat vierde</i>, soe laten si ghemeinlic after die twie letteren +van dien artikele <i>dat</i>, ende segghen: <i>dierste, dandere, derde, +tfierde</i>, ende des ghelijcs in noch anderen silleben ende +woerden"<a href="#10.43">[43]</a>. Opmerkelijk noemde ik deze woorden, omdat +men er tevens uit ziet, dat men eenig verschil ging waarnemen +tusschen de gesproken en de geschreven taal. + +<p>MAERLANT en de prior GHERAERT waren niet de eenigen +die de eenheid van het Dietsch beseften, al of niet in tegenstelling +met het Walsch. JAN VAN HEELU spreekt van: + +<p class="quote">Alle die yeesten<a title="[margin: geschiedenissen.]"><sup>#</sup></a> die nu sijn +In dietsche, in walsche, in latijn<a href="#10.44">[44]</a>. +</p> + +<p>In BOENDALE'S rijmwerk <i>Van den derden Edewaert</i> lezen wij: + +<p class="quote">Want tkerstenheit es gedeelt in tween: +Die Walsche tongen die es een, +Dandre die Dietsche al geheel<a href="#10.45">[45]</a>.<a name="314"></a> +</p> + +<p>En er zweeft reeds een adem van volksgevoel en volkseenheid +door deze regels van BOENDALE over den zeeslag bij Sluis (1340): + +<p class="quote">Van deser hoger victoriën +Die eeuwig blijft in memoriën, +Werden blide ten selven male +Alle die spreken Dietsche tale<a href="#10.46">[46]</a>. +</p> + +<p>Naarmate er meer letterkundige werken van beteekenis in +het Dietsch geschreven werden, rees die taal in de achting +dergenen die haar spraken. Een blijk van die achting voor de +taal zien wij in het feit dat JAN VAN HEELU zijne rijmkroniek +zond aan MARGRIETE VAN ENGELAND, verloofd met den zoon +van Hertog JAN VAN BRABANT, opdat zij er „dietsch in leeren" +mocht. Langzamerhand ontwikkelde zich dit gevoel van zelfstandigheid, +zich openbarend in eerbied voor de moedertaal. +Eerst nadat het, vooral langs den weg der literaire kunst, bij +de individuën zich had ontwikkeld, kon het zóó krachtig +worden, dat Overheid en Regeering volgden waar de onderdanen +waren voorgegaan. Het oudste ons bekende charter in +de landstaal dagteekent van 1249 en is opgesteld door de +schepenen van Bochoute (tusschen Gent en Oudenaarde). +Daarna komen er tal van charters en keuren in de landstaal in +Vlaanderen, Brabant, Holland. + +<p>De Hollandsche graven zijn de eersten die in hunne staatsstukken +het Latijn door het Dietsch vervangen. Hun voorbeeld +wordt langzamerhand door de andere landsheeren gevolgd, al +kunnen de graven van Vlaanderen in de 14<sup>de</sup> eeuw en later +hunne voorliefde voor het Fransch niet geheel opgeven. Gelderland +komt achteraan; het Latijn handhaaft zich daar nog in de +staatsstukken der 14<sup>de</sup> eeuw, maar wordt toch ook reeds in die +eeuw door het Dietsch overvleugeld<a href="#10.47">[47]</a>. Ook in de rechtsbediening +zien wij dat streven naar eerbiediging der moedertaal.<a name="315"></a> + +<p>Paus ALEXANDER IV stond den burgers van Gent hun verzoek +toe, dat zij niet gedwongen zouden worden recht te gaan +zoeken bij de geestelijke rechtbanken van Doornik of, in tweede +instantie, te Reims, omdat dan tot hen gesproken zou worden +in een taal die zij niet verstonden<a href="#10.48">[48]</a>. In 1290 werd bepaald, +dat in Vlaanderen alle burgerlijke rechtsgedingen in het Vlaamsch +zouden behandeld worden<a href="#10.49">[49]</a>. Die maatregel was zeker niet +naar den zin van den Franschen koning FILIPS DE SCHOONE, +die omstreeks dienzelfden tijd het gerechtshof te Gent had +gedwongen, een door hem gezonden prevôt toe te laten. Telkens, +wanneer die koninklijke prevôt aanwezig was, moest er +Fransch gesproken worden<a href="#10.50">[50]</a>. + +<p>Op heel wat lager toon zong zijn opvolger KAREL VI, die +in 1385 in eene vredes-onderhandeling voor 150 Gentenaren +een geleide-brief in het Vlaamsch deed opstellen<a href="#10.51">[51]</a>. + +<p>Maar tusschen 1290 en 1385 liggen dan ook de Sporenslag +en de leus: „Schild ende Vriend." + +<p>Daar klonk voor het eerst de stem van den Vlaamschen Leeuw! + +<p>Toen de Franschen in 1301 Vlaanderen binnenrukten, scheen +de nationale zaak geene verdedigers meer te hebben; de adel +en de rijke burgers verwelkomden de indringers, maar de +gemeenten waakten. In Kortrijks velden werd het Vlaamsche +volk zich voor het eerst van zijne kracht bewust; daar werden +hun zelfgevoel en hun volksgevoel verhoogd, toen zij in den +strijd voor vrijheid en voor recht, onder eigen leiders, eene +roemrijke overwinning behaalden op een buitenlandschen vijand, +die hun volksbestaan bedreigde. + +<p>Doch al was die vijand overwonnen, hij was niet machteloos +gemaakt. De gansche 14<sup>de</sup> eeuw door moet Vlaanderen zijne +onafhankelijkheid tegenover Frankrijk blijven handhaven; het is +daarin geslaagd, maar ten koste van de Waalsche deelen des +lands. Voortaan is Vlaanderen, dat vroeger tweetalig was, een<a name="316"></a> +zuiver Dietsch land. Voortaan zijn de Nederlanden onafhankelijk +van Frankrijk, zooals zij het inderdaad reeds van Duitschland +waren. Toen de graven van Henegouwen ook het graafschap +Holland verwierven, werd het Dietsche element in de Zuidelijke +Nederlanden versterkt en een eerste, nog zwakke, band +geknoopt tusschen Noord en Zuid. + +<p>De graven van Vlaanderen hadden niet zelden gemeene zaak +gemaakt met de gemeenten. Deze begrepen niet, dat het den +graaf slechts te doen was om de patriciërs te kortwieken; doch +toen de patriciërs steun zochten bij Frankrijk, ontwaakte onder +de gemeentenaren het nationaliteitsgevoel en verdedigden zij +hun eigen onafhankelijkheid en die van hun graaf tevens. +Die gelijkheid van belangen versterkte den band tusschen volk +en landsheer<a href="#10.52">[52]</a>. Iets dergelijks was vroeger gezien in Holland. +Graaf FLORIS V, „der keerlen god", lag overhoop met den +adel. Toen eenige samengezworen edelen den graaf hadden +opgelicht en gevangen gezet, ontstond er eene algemeene verbijstering +in het land. Geen der edelen snelde toe om den +graaf te bevrijden. Maar in dreigende drommen komt het volk +opzetten: Kennemers, Friezen, Waterlanders, „tghemene diet" +van Noord-Holland, de poorters uit Zuid-Holland—alles trekt +naar het kasteel aan de Vecht + +<p class="quote">Ende segghen, dat si verliesen +Willen beide lijf ende have, +Of si wreken haren grave<a href="#10.53">[53]</a>. +</p> + +<p>Den moord op den graaf hebben zij niet kunnen verhinderen, +maar met des te meer liefde hebben zij zijne nagedachtenis +in eere gehouden. Dat bleek, toen acht jaar later de +Vlamingen Holland binnendrongen, overstroomden, aan zich +onderwierpen. Slechts achter de muren van een drietal steden: +Zierikzee, Dordrecht, Haarlem, werd nog tegenweer geboden;<a name="317"></a> +het scheen gedaan met Hollands onafhankelijkheid. Maar hoe +herleefde de moed des volks, toen WITTE VAN HAEMSTEDE, +onechte zoon van FLORIS V, te Zandvoort geland, op den +Blinkert de banier van Holland liet wapperen en de poorters +uit Haarlem en van elders toestroomden om hem te verwelkomen. +In hem immers zagen zij den zoon van FLORIS en hij +verzuimde dan ook niet partij te trekken van zijne afkomst. +MELIS STOKE heeft ons de heugenis bewaard van dat tooneeltje +op den Blinkert, van die ontmoeting, ook van dat woord en +weerwoord: + +<p class="quote">Wie sidi dan? Ic hete Witte +Ende was 's graven Florens kint, +Ende her Willem heeft mi ghesint +Alhier van Zirixe +U te troostene. +</p> + +<p>Op dien Zondag in de Zandvoortsche duinen, in de schaduw +der banier met den rooden leeuw, heeft een der kiemen van +nationaliteitsgevoel zich in Holland ontsloten, heeft de betrekking +tusschen volk en landsheer iets in hechtheid gewonnen. Zoolang +vreemde landsheeren hier regeerden, kon die gehechtheid bezwaarlijk +sterk worden. Voor een vorst, hier te lande geboren, +zooals KAREL V, kon men reeds iets meer gevoelen, ook al +was hij uit het Oostenrijksch stamhuis. + +<p>Maar zoover zijn wij nog lang niet. Wij moeten vooreerst +trachten, ons ten minste eenigermate eene voorstelling te vormen +van sommige toestanden hier te lande, zooals zij zich aan ons +oog vertoonen in het nieuwe tijdvak dat ingeluid is door de +geboorteklok van het nationaliteitsgevoel.<a name="318"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.1">1</a>: A.w. I, 1081-'97. De overeenkomstige plaats in de <i>Alexandreïs</i>, +I, 365 seqq. luidt: + +<p class="footnotequote">O patriae natalis amor, sic allicis omnes +O quantum dulcoris habes! fugitiva per altum +Classis dum patriae raptim furatur alumnos, +Sponte licet properent Persarum invadere fines, +Nec trahit invitos ad praedae praemia ductor, +Sola tamen revocat patriae dulcedo volentes, +Nec sinit a patria divelli mentis acumen, +Sed dulces oculos animumque retorquet ad Argos, +Donec ab intuitu longe decrescere visus +Europae defecit apex portusque recessit.] +</p> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.2">2</a>: I, vs. 59–62.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.3">3</a>: Vgl. de uitgaaf in mijne <i>Mnl. Ep. Fragmenten</i>, p. 57 vlgg., +vs. 103–4, 110–112, 267–9, 316–7, 340, 547–550; bovendien +hebben wij slechts een deel der vertaling over.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.4">4</a>: A.w. IV, 7325 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.5">5</a>: Over dat alles is uitvoerig gehandeld door JONCKBLOET in zijne +<i>Geschiedenis</i>, II, 218 vgg.; TE WINKEL in zijne <i>Geschiedenis</i>, +bl. 218–229; voorts door VAN DEN BERGH en VERWIJS in hunne +inleidingen. Ten opzichte der dateering van den roman <i>van de Roos</i> deel +ik TE WINKEL'S zienswijze. Was de roman <i>van Olivier van Spaengen</i> +(<i>Limb.</i>, III, 800–807) misschien ook door HEYN VAN AKEN gedicht?] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.6">6</a>: KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 93.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.7">7</a>: A.w. vs. 23394–23553.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.8">8</a>: Vgl. over den <i>Roman de la Rose</i>, PETIT DE JULEVILLE a.w. +II, 105–161.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.9">9</a>: Vgl. de Inleiding van VERWIJS, XVI vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.10">10</a>: Vgl. vs. 2992 (voor: „por nule riens vivant"); 4916; 7044 +(„mainte terre sauvage"). Paep Jans lant in vs. 1013–4, waar in het +Fransch: „trestous li ors de Romme".] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.11">11</a>: Vgl. VAN DEN BERGH'S <i>Inleiding</i>, IV.]<a name="319"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.12">12</a>: Vgl. den aanvang van boek II-IX.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.13">13</a>: Vgl. <i>Limb.</i>, VII, 1683–5 met <i>Flor. en Blanc.</i>, Proloog, vs. 1–12, +65–75; <i>Limb.</i>, XI, 642–5 met <i>Eerste Martijn</i>, vs. 430–1.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.14">14</a>: <i>Limb.</i>, I, 1316 vlgg.; het tooneel der „justicie" alleen in de +2e bewerking van <i>Flor. en Blanc.</i> (het Fransche gedicht nl.), vs. 359–902. +<i>Lanc.</i>, I, vs. 19208 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.15">15</a>: <i>Limb.</i>, IV, 248–250 te verg. met <i>De Vier Heemsk.</i> (ed. +MATTHES), p. 26.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.16">16</a>: <i>Limb.</i>, X, 1013 vlgg. te verg. met <i>Lorr.</i> in <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, +bl. 132–3.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.17">17</a>: <i>Limb.</i>, XI, 67 vlgg. te verg. met BLOMMAERT, <i>Oudvl. Ged.</i>, +I, 6 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.18">18</a>: <i>Limb.</i>, IV, 1057-'69; 1298 vlgg.; III, 1159 vlgg. (1374–6).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.19">19</a>: <i>Limb.</i>, V, 374; VIII, 149 (een reus van 30 voet lang en 10 +voet breed); III, 1009; IV, 328; IV, 546–7; zie ook nog VIII, 574–5.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.20">20</a>: <i>Limb.</i>, III, 1248 vlgg.; V, 2105 vlgg.; VI, 59; VIII, 822 vlgg.; +X, 279 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.21">21</a>: Vgl. de uitgave van WILLEMS, <i>Introd.</i>, VIII. Misschien was de +berijmer ooggetuige. (<i>Introd.</i>, VII; vgl. echter vs. 8221).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.22">22</a>: Vgl. vs. 3372–3; 4084–5; 4178 vlgg.; 4640 vlgg., 4746, 5627, +7808 vlgg., 8184, 8346 vlgg., 8410–12, 8537 vlgg. en tal van andere +plaatsen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.23">23</a>: Vgl. Tweede Boek vs. 1 vlgg.; 5786 vlgg., 5851 (een paard +dat „Baiaert ghenoot" was), 8559 vlgg.; 4271 vlgg., 6025–8.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.24">24</a>: Ik heb het oog op de dozijnen van uitingen gelijk die welke +men vindt o.a. in vs. 2679, 2954, 3102, 3155, 3418, 7652 vlgg., +8073 vlgg. Vergelijkingen in vs. 1037, 1044, 3253, 3944, 5185, 5651.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.25">25</a>: Uitvoerig en nauwkeurig is over VELTHEM'S kroniek gehandeld +door Dr. TE WINKEL in zijne <i>Geschiedenis der Ned. Lett.</i>, bl. 355–367. +De bovengenoemde verhalen vindt men: <i>Sp. Hist.</i>, V, 1, 28–30, en +VI, 4. Over de H. Maagd VI, 32 en VIII, 34.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.26">26</a>: Vgl. TE WINKEL a.w. bl. 170–171.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.27">27</a>: Vgl. het slot van den proloog van Boek IV en het slot van dat Boek.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.28">28</a>: Ik volg hier de uitgave en de inleiding van FRANCK.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.29">29</a>: Vgl. TE WINKEL'S <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl. 381–3. Het eerste +deel schijnt in het laatst der 13e of den aanvang der 14e eeuw opgesteld.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.30">30</a>: Vgl. Ed. BRILL, Boek X, 40–151 in verband met eene plaats +uit Boek IV. (I, p. 224): „God moet mi sijnre hulpen jonnen" enz.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.31">31</a>: III, 1473-'78; Opdracht van Boek I.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.32">32</a>: II, 644-'7; IV, 263 enz.]<a name="320"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.33">33</a>: Boek IV, vs. 1086 vlgg. en V, 96 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.34">34</a>: In twee der drie hss. van STOKE'S Kroniek lezen wij deze +verzen in plaats van VIII, 791–2.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.35">35</a>: I, 76, 531.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.36">36</a>: <i>Eerste Martijn,</i> vs. 109–110, 665; <i>Sp. Hist.</i>, III, 8, c. 93, 185.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.37">37</a>: <i>Gedichten</i>, bl. 3, 180; 125, 174.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.38">38</a>: <i>Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen</i> +door E. VERWIJS. (Utrecht. 1869). CXLVIII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.39">39</a>: <i>Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht</i> door Mr. +S. MULLER FZ., I, 165.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.40">40</a>: <i>Dietsche Warande</i>, IX, 147, 150. De naam <i>Nederland</i> in de +vertaling van het <i>Nibelungenlied</i> (II, vs. 11) heeft hier geen bewijskracht, +daar hij ook reeds in het origineel voorkomt.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.41">41</a>: Vs. 131-'3.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.42">42</a>: <i>Inl.</i> XXXVI-XXXVII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.43">43</a>: W.L. DE VREESE, <i>Bijdragen tot de kennis van het leven en +de werken van Jan van Ruusbroec</i>, bl. 10, 19.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.44">44</a>: Vs. 3175–6.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.45">45</a>: Vs. 1585–7.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.46">46</a>: Ik dank de aanwijzing van deze plaats aan mijn vriend, Prof. +PAUL FRÉDÉRICQ te Gent.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.47">47</a>: Ik deed hier mijn voordeel met de opsomming, door Dr. +TE WINKEL gegeven in zijne <i>Geschiedenis der Ned. Lett.</i>, bl. 541–544. + +<p class="footnote">Vergeten is daar het, voor de geschiedenis onzer taal zoo merkwaardig, +reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op +het Zwin, afgedrukt in <i>Bijdragen tot de Oudheidkunde en geschiedenis +inzonderheid van Zeeuwsch Vlaanderen</i>, V, 1 vlgg. + +<p class="footnote">Opmerkelijk is ook, dat de oudste Cameraars-rekening in het +Dietsch eerst van 1361 dagteekent, terwijl er reeds eene Dordrechtsche +stadsrekening in de moedertaal is van 1284-'85. Ook hier zien wij +het Oosten des lands achteraankomen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.48">48</a>: WARNKÖNIG, <i>Hist. de la Flandre</i>, III, 171.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.49">49</a>: <i>Belg. Museum</i>, II, 387.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.50">50</a>: WARNKÖNIG a.w.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.51">51</a>: <i>Belg. Mus.</i>, II, 388–9.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.52">52</a>: Vgl. VANDERKINDERE, <i>Siècle des Artevelde</i>, p. 31; PIRENNE +a.w. I, 104; II, 7; I, 408 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="10.53">53</a>: Vgl. het artikel van POLS over Graaf JAN I in: <i>Bijdr. voor +Vad. Gesch. en Oudh.</i> en STOKE V, 222-'30.]<a name="321"></a> + +<hr> + +<h1>BOEK II.</h1> + +<h1>STANDENPOËZIE. DE STEM DER +GEMEENTEN.</h1><p><a name="322"></a><a name="323"></a> + +<h2>STANDENPOËZIE. DE STEM DER +GEMEENTEN.</h2> + +<h3>INLEIDING.</h3> + +<p>De drie stemmen die wij in het Eerste Boek hoorden: eerst +achtereenvolgend, toen in de lyriek vereenigd en daarna in +MAERLANT'S werk versmolten, vallen ook in het Tweede Boek +te onderscheiden; doch in andere orde en verhouding. + +<p>De Stem der Gemeenten krijgt den boventoon en behoudt +dien. Handel, nijverheid, landbouw, de maatschappelijke toestanden +hebben zich ontwikkeld en die ontwikkeling is vooral +ten goede gekomen aan de gemeenten, is zichtbaar vooral in +de door hen gestichte steden. + +<p>De adel is er nog en zet het oude leven gedeeltelijk voort, +den oorlog afwisselend met feesten, tournooien, jacht en galanten +omgang. Vooral de Geldersche adel onderscheidt zich in dit +opzicht. WILLEM VAN GULIK, hertog van Gelderland, wordt +door FROISSARD telkens met lof vermeld. Hij doet, evenals +vóór hem graaf WILLEM IV van Holland, een krijgstocht tegen +de ongeloovigen in het Oosten van Duitschland, wordt gevangen +gehouden op een slot in Pommeren, doet een inval in Brabant, +voert een bloedigen strijd om Grave en wordt eerst door een +Fransch leger tot staan gebracht. Maar de uitvinding der vuurwapenen +en de instelling van huurtroepen bedreigen den adel +in zijn bestaan<a href="#11.1">[1]</a>. Feestvieren kunnen zij nog wel; de hoogsten +gaan hun daarin voor. De graven van Holland komen niet<a name="324"></a> +zelden in de hoog-adellijke en rijke abdij van Rijnsburg, hetzij +met een sleep van baronnen, hetzij met klein „gezinde" om er +te ontbijten of het noenmaal te houden. Aan spijs en drank +behoefde het niet te ontbreken: soms werden 18 kapoenen en +een aam rijnwijn vooruitgezonden. Daarna ging men „haar +met haar en veer met veer" jagen in den Haarlemmerhout en +'s avonds dansen met de edele jonkvrouwen<a href="#11.2">[2]</a>. In den Haarlemmerhout +kon men ook wel eens een ander machtig edelman +vinden, graaf JAN VAN BLOIS, ter jacht met de gravinne van +Holland. Ook in Brabant kon men hem vinden aan het „jagen +en vliegen" met een groot aantal edelen en edelvrouwen of +aan een grooten avondmaaltijd in het Katrijnen-klooster te +Utrecht, waar meer dan honderd edele gasten aanzaten<a href="#11.3">[3]</a>. + +<p>Een edelman die in botsing kwam met de steden kreeg soms +een gevoelige les: ZWEDER VAN VOORST ondervond het in zijn +strijd tegen de steden van het Oversticht en hun heer den +Bisschop, al zat hij ook achter muren die tachtig voet hoog +en twaalf voet dik waren. Het sterke kasteel Gaesbeek in +Brabant, toebehoorend aan Heer ZWEDER VAN ABCOUDE, +werd door de Brabantsche en Luiksche burgerijen ingenomen +en geslecht<a href="#11.4">[4]</a>. + +<p>Zijne verwoeste kasteelen kon de adel wel opbouwen, niet +zijne verloren idealen herwinnen. En vooral daardoor, meer +dan door vuurwapenen en huurtroepen, is de adel gedaald +van het vroegere standpunt. JAN BOENDALE, de schrandere +schepenklerk van Antwerpen, zag het wel, toen hij in zijn +<i>Lekenspieghel</i> zeide: „vroeger, toen de edelen ouder gewoonte +nog buiten woonden en onderling huwelijken sloten, hielden +zij den adel hoog en waren edelen met eere; doch sedert zij +om der wille van het geld naar de steden zijn getrokken, +heeft hebzucht de schuldelooze edelheid onder de voet geworpen. +Zal zij ooit weer opstaan? Vroeger was het edele wapen<a name="325"></a>spel +in zwang en gang, hetzij in het Heilige Land, hetzij in de +grenslanden—nu heeft het afgedaan: schatten, weelde, gemak, +dat is wat de adel begeert. Het edele, ingetogen leven wordt +in den lande niet meer gezien<a href="#11.5">[5]</a>." + +<p>Anders dan met den adel stond het met de geestelijkheid. +Ja, ook daar zag men ten deele de toestanden van vroeger. +Te Rijnsburg kwamen niet alleen de Hollandsche graven, maar +ook de abten van Egmond, die er met hun gevolg eenige +dagen „joleuslyck" werden onthaald. Strijdbare geestelijken vinden +wij ook nu: in dien bisschop van Luik, ADOLF VAN DER +MARCK, die, omzwermd van pijlen en steenen, zijne troepen +leidt tot een stormaanval op sterke burchten; in dien geestelijke +uit het Groningsche klooster Aduard, die, gereed de mis op +te dragen, bij een aanval op het klooster zijn priesterkleed +afwerpt, naar buiten stormt en in den strijd sneuvelt<a href="#11.6">[6]</a>. + +<p>Doch naast of liever tegenover zulke geestelijken stonden +andere, die, zonder zich met de wereld in te laten meer dan +noodig was, eenvoudig hun plicht deden, of, de wegen der +mystiek volgend, ingekeerd tot zich zelven, de diepten der +eigen ziel trachtten te peilen en te verkennen. + +<p>Het zelfgevoel der burgerijen, dat zich zoo krachtig deed +gelden tegenover den adel, verloochent zich ook niet tegenover +de geestelijken. Niemand heeft dat deel van het aangroeiend +zelfgevoel beter vertolkt dan diezelfde BOENDALE, dien wij +zoo even over den adel hoorden spreken. In zijne <i>Teestye</i><a title="[margin: Overtuiging.]"><sup>#</sup></a> +durft hij zeggen: + +<p class="quote">Du leec man en ontsie di niet, +Dat paepscap en es sekerre<a title="[margin: zekerder.]"><sup>#</sup></a> niet +Hemelrijx dan du bes: +Die best leeft, best es. +Al predect tpaepscap Gods woert,<a name="326"></a> +Ende haer theologie bringt voert, +Ende du sits daer voer hare voete, +Du best lichte also soete +Ende also weert voer d' anscijn Ons Heren +Als si sijn die di leren; +Want clergye sonder goet leven +En can ghene salecheyt gheven. +Hets beter een doghet allene +Dan alle phylosophye ghemene<a title="[margin: samen.]"><sup>#</sup></a>. +Al eest oec dat si di biechten +Ende dine ziele verlichten +Ende van dinen sonden ontladen daer, +Du best lichte also claer +Oft claerre<a title="[margin: zuiverder.]"><sup>#</sup></a> voer Gode dan hi, +Die daer absolveert di<a href="#11.7">[7]</a>. +</p> + +<p>En hierbij laat deze wakkere „scepenclerc" het niet. Een volgend +hoofdstuk brengt: „van den papen noch meer". Kwam +Gods Zoon nu op aarde en dorst hij den priesters de waarheid +zeggen, hunne gebreken onder het oog brengen, het +volk tot zich en van hen af trekken—zij zouden „te zamen +raad tegen hem houden, hoe zij hem dooden mochten", gelijk +de Farizeën weleer. Zij verkoopen het volk aflaat van zonden; +zelf koopen zij dien niet, al hebben zij hem evenzeer noodig. +In het sermoen zoekt men hen te vergeefs, al zou het voor +hen evenveel vrucht dragen als voor de leeken. BOENDALE +zegt later, dat hij der papen vriend is + +<p class="quote">Maer dat si mesdoen, dats mi leet; +</p> + +<p>hij zal in die uitspraak zeker oprecht zijn geweest, doch van +zulke vrienden was de meerderheid der priesters niet gediend. +Al te welig schoot hier het zaad op, met volle hand gestrooid<a name="327"></a> +door „JACOB, die dichter hoghe", wiens beeld zijn navolger +hier blijkbaar voor den geest stond. En het zou nog erger +worden voor de priesters, geloofde BOENDALE. Uit oude profetieën +had hij vernomen: + +<p class="quote">Dat men noch zal die papen jaghen +Ende die Kerke doghen<a title="[margin: lijden.]"><sup>#</sup></a> sal, +Ende bider papen ghebreke al, +... +... +Maer en sal niet dueren langhe +Si en selen te payse comen weder +Ende haer ghierecheit<a title="[margin: hebzucht.]"><sup>#</sup></a> legghen neder +Ende andre onnutte seden +Ende hem bat hoeden dan si deden +Ende men sal hem meer eeren doen +Dan noyt te voren was gheploen<a title="[margin: gepleegd.]"><sup>#</sup></a>. +</p> + +<p>Hoe zullen in latere dagen Hervorming en Tegenhervorming, +en ook de geschiedenis van onzen tijd, deze profetieën op +ongedachte wijze vervullen! Dat heeft BOENDALE niet kunnen +voorzien, doch de fakkel der waarheid, hem door MAERLANT'S +hand toegereikt, heeft hij op zijne beurt overgegeven aan wie +na hem kwamen. + +<p>Oefende de geestelijkheid aldus door doen en laten invloed +op de ontwikkeling der geestelijke zelfstandigheid van deze +volken, ook de adel, al geraakte hij in de minderheid, deed +zijn invloed op de gemeenten gelden. Doch deze invloed was +van anderen aard. Het beginsel der navolging dat zich ook in +het maatschappelijk leven zoo krachtig openbaart, had langzamerhand +uit de bovenste lagen der gemeentenaren een patriciaat +gevormd, verwant met den adel, naar den bloede door +huwelijken, naar den geest, door leefwijze en levensopvatting.<a name="328"></a> +Dat waren de oude geslachten der vermogende kooplieden en +grondbezitters, de stedelijke aristocratieën, die nog in het laatst +der 13<sup>de</sup> eeuw de leiders of meesters der gemeenten waren. +Zij zochten den adel te evenaren in uiterlijken glans, in vertoon +van pracht en praal, in beschaving en fijnheid van vormen. +Zij streefden naar hetgeen de adel nooit had kunnen bereiken: +heerschende stand te zijn. Een tijd lang gelukte hun dat, doch +reeds de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw bracht een omkeer in hun +toestand. De handwerkslieden, in Noord en Zuid vereenigd +tot gilden die al machtiger werden, stelden zich onder hunne +Dekens tegenover de „geslachten" en eischten deel aan de +regeering van stad en land. Overal zien wij deze democratische +woeling en strijd der partijen. Doch de zege blijft aan de gilden. +JACOB VAN ARTEVELDE bezorgt hun in Gent de overwinning; +ook elders in Zuid-Nederland en in het Noorden, in steden +als Dordt, Leiden, Utrecht, Zwolle zien wij deze verplaatsing +van het overwicht<a href="#11.8">[8]</a>. Eene nieuwe laag der bevolking komt op +ruimer schaal dan vroeger deelnemen aan en invloed oefenen +op het volksleven in al zijne uitingen. + +<p>Ook onder de lagere standen ontwaken het zelfgevoel en de +begeerte om hoogerop te komen: + +<p class="quote">Die huusman<a title="[margin: boer.]"><sup>#</sup></a> volcht den heren naer, +Om schout te wesen ofte baeliu, +</p> + +<p>zegt WlLLEM VAN HlLLEGAERTSBERCH<a href="#11.9">[9]</a>. + +<p>In een stuk van een onbekend dichter uit dezen tijd zien +wij, hoe de titelzucht ook toen reeds de burgerij had bevangen. + +<p>De neiging tot een titel, door MAERLANT in zijn <i>Alexander</i> +terloops gehekeld bij de meisjes uit het volk, is blijkbaar zoo +sterk geworden dat een ander dichter er een gansch gedicht +aan wijdt, getiteld <i>Van dat die liede sijn gherne geheten joncfrou</i>. +Wij lezen daar o.a.:<a name="329"></a> + +<p class="quote">Heile, Griete, Lise oft Calle, +heten nu joncfrou alle! +Al hadde haer moeder warmoes vercocht, +oft liede gebeden ter bruloft, +oft te like gebeden<a title="[margin: ter begrafenis genoodigd.]"><sup>#</sup></a> vrouwen, +oft ael<a title="[margin: bier (met minder hop).]"><sup>#</sup></a> oft bier gebrouwen, +natten geknocht<a title="[margin: biezen gevlochten.]"><sup>#</sup></a> oft huven, +hoenre vercocht ende duven—, +Si souden joncfrou willen sijn. +</p> + +<p>Een van deze dames, die door den dichter wordt begroet +met <i>vrouwe</i>, kijkt op hem neer zoo trotsch + +<p class="quote">Als ene hinne op enen pier!<a href="#11.10">[10]</a> +</p> + +<p>BOENDALE keurde deze gansche volksbeweging af; dat de +„heeren" moesten wijken voor schoenmakers, volders, wevers, +slagers en dergelijken—het was voor hem „de verkeerde +wereld"<a href="#11.11">[11]</a>. Doch vruchteloos heeft hij zich met deze nabetrachting +tegen den stroom gekant; hij heeft dien niet kunnen +keeren. + +<p>Al gelooft men niet dat het toentertijd in de Nederlanden +de verkeerde wereld was, men kan daarom toch wel erkennen +dat er in die wereld veel verkeerds was. De vroegere onkunde +begon weliswaar te wijken voor den invloed, die uitging van +kapittel- en kloosterscholen, van parochie- en bijzondere scholen; +de kunsten van lezen, schrijven en rekenen begonnen zich +langzamerhand te verbreiden; de volslagen onwetendheid van +vroeger ziet men nog vooral onder de boeren, die zelfs niet +weten hoe oud zij en hunne kinderen zijn. Maar de wilde +zinnelijkheid van deze krachtige jonge volken laat zich even +bezwaarlijk teugelen als in een vroeger tijdvak. Dat zij behagen +schepten in lichaamsoefeningen: naar den papegaai schieten,<a name="330"></a> +kaatsen en andere spelen, dat kon men slechts loven; minder +prijselijk was hun lust tot dobbelen met teerlingen, hun dansen, +reien en springen in de kroegen op heilige dagen. + +<p>Welk een ruwheid overal! Lieden, die in de kerken nog +wel een vrijplaats gevonden hadden, ontzien zich niet de banken +af te breken om er vuren van te stoken, er te dobbelen, +te twisten en ontucht te plegen. Het schenden van heiligenbeelden +en van het plaveisel in de Lievevrouwen-kerk te Dordrecht +was niet zeldzaam. In de kerken wordt ook onder den +dienst getwist en gekeven; ook soms tusschen priesters en +leeken, zoodat de vuist en de wijkwast te werk gesteld worden. +De leden van den Raad te Kampen gaan elkander in het +Rechthuis te lijf. + +<p>De strafregisters van dezen tijd zijn rijk voorzien, ook rijk +aan afwisseling. CLAES MEYNSEN ZOON wordt gestraft, omdat +hij de sluis van NANNE MODDE heeft opengezet, zoodat NANNE'S +land is ondergeloopen. LAMMEKIJN DE WEVER, omdat hij een +stomme heeft mishandeld en willen dwingen tot spreken. NANNE +LUTART, omdat hij een brouwsel bier van JACOB, ALIDE'S ZOON, +heeft bedorven, door er een dood varken in te gooien. GERRIT +DE DUIVEL en tal van anderen, omdat zij een mes hebben +getrokken. Zekere CAMERMAN wegens het toebrengen van een +vuistslag bij nacht (die waren tweemaal duurder dan de overdagsche)<a href="#11.12">[12]</a>. +Talrijk zijn de boeten, opgelegd aan gehuwde +mannen en vrouwen, die leven met andere vrouwen en mannen. +Vrouwenschennis en schaking waren niet zeldzaam. De +rekeningen van het bisdom Utrecht bevatten talrijke posten „de +fornicacione", „de adulterio" en „de duplici adulterio"<a href="#11.13">[13]</a>. + +<p>Al deze ruwheid van zeden en grofheid van uitspattingen +mogen niet vooral op rekening der opkomende democratie +worden geschoven. De hoogere standen bezaten meer uiterlijke +verfijning, dan de lagere; doch vaak was die slechts een ver<a name="331"></a>nisje, +waar de oorspronkelijke ruwheid op menige plek doorheen +schemerde. Wanneer eene aanzienlijke edelvrouw als +YOLENTE COURTROISIN, uit het geslacht der kasteleinen van +Kortrijk, zich zóó ver vergeten kon, dat zij een baljuw in de +uitoefening zijner bediening grovelijk beleedigde en met een +stok mishandelde; wanneer de kanonniken der hofkapel te +'s-Gravenhage elkaar niet zelden in het koor bespotten, scholden, +stootten en sloegen—dan kan de beschaving onder den +adel over het algemeen geen hoogen trap hebben bereikt<a href="#11.14">[14]</a>. + +<p>De Overheid trachtte de brooddronkenheid, bandeloosheid +en ontucht met wetten te keeren en te betoomen. In Vlaanderen +en Brabant werden wetten uitgevaardigd tegen de weelde. Brussel +bezat reeds in de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw tuchthuizen, +„goede vaste ghyoelen", „omme de wilde joncheit te bat in +bedwange te houden". De straffen blijven nog altijd zwaar en +ten deele barbaarsch. In Deventer worden in 1344 vrouwen +levend begraven. Een valsche wijbisschop wordt in 1392 te +Utrecht veroordeeld om levend gekookt te worden in een onder +het schavot geplaatsten ketel. Bij wijze van gratie wordt hij uit +den ketel getild en onthoofd<a href="#11.15">[15]</a>. Naar het schijnt, werd deze +laatste straf slechts zelden toegepast; doch er waren zoovele +andere gruwzame straffen, dat onze algemeene indruk daardoor +weinig gewijzigd wordt. + +<p>Die straffen strookten met die tijden: tijden van groote +ruwheid ja, maar ook van groote, van ontzagwekkende kracht. +Welk een taaie kracht was er in die Friezen, die telkens de +aanvallen der machtige Hollandsche graven afslaan en onder wier +slagen de bloem van den Hollandschen en Henegouwschen +adel bezwijkt; in die Vlamingen ook die den slag bij Kortrijk +wonnen; in al die weerbare burgerijen, verplicht en gereed +hunne stad te bewaken en te verdedigen. + +<p>Welk eene volksweerbaarheid, welk eene volkskracht!<a name="332"></a> + +<p>Die volkskracht gaat zich openbaren in eene aanwassende +verscheidenheid van vormen en gestalten. Er komt werking in +de massa's; hier en daar gaat zich het bijzondere losmaken +van het algemeene, de enkeling zich onderscheiden van den +stand waartoe hij behoort. Bij adel en geestelijkheid was dat +reeds vroeger eenigermate het geval geweest; nu ziet men dat +verschijnsel ook onder de gemeentenaren. Het is geen toeval +dat wij juist uit dezen tijd verscheidene hunner leiders of aanvoerders +bij name kennen: NICOLAAS ZANNEKIJN, JAN BREYDEL +en PIETER DE CONINC; JACOB VAN ARTEVELDE met zijne beide +medestanders: PIETER VAN DEN BOSSCHE en FRANS ACKERMAN; +JOHAN YOENS; PETER COUTEREEL, „de Brabantsche +ARTEVELDE"<a href="#11.16">[16]</a>. In de Noordelijke landen, die in algemeene +ontwikkeling bij de Zuidelijke achterstonden, kunnen wij niet +zulk een aantal namen van beteekenis aanwijzen. + +<p>Het bijzondere zich losmakend van het algemeene, dat verschijnsel +meenen wij te kunnen opmerken ook op kleiner schaal: +de verhouding van den eenling tot de maagschap. Niet alsof +de maagschap hare beteekenis geheel zou hebben verloren! In +eene oude vertaling van FROISSART'S kroniek lezen wij van eene +bloedveete tusschen een paar geslachten van rijke „schippers" +(reeders) te Damme uit het laatst der 14<sup>de</sup> eeuw in deze +woorden: „Wair was dat, voir dien tijt van oudts, binnen der +stede van den Damme, een dootlijc oirloge gestaen hadde +twischen twee rijke mannen, scipperen aldair, met horen magen +an beyden sijden, dairaf die een geheten was JAN PIER ende +die ander JAN BAIRDE, bij welken oirloge onderlinge van horen +magen doit gebleven wairen wail tot CXVIII pereonen toe, van +welker eenre pertije GIJSBERT MAHIEU ende sine bruederen +mage waren, ende JAN LIJON was maech van der ander zijde. +Welken hate ende nijde aldus bedect gedragen wert ende van +langen tijt opgevoet twischen desen JAN ende GIJSBERT, hoewail<a name="333"></a> +sij te samen spraken, aten ende dronken, alst so diende te +samen of te punte quam, mer altijt lach desen hate den +Mahijewelingeren veel felre ende duenre<a title="[margin: vaster]"><sup>#</sup></a> int herte dan dat JAN +LIJON dede"<a href="#11.17">[17]</a>. + +<p>In een gedicht uit dezen tijd wordt gesproken van „buten +maghen in ellenden" te wonen<a href="#11.18">[18]</a>; daar loopt een der wegen, +waarlangs het woord <i>ellende</i> dat oorspronkelijk: <i>ander land</i> +beteekende, aan zijne overdrachtelijke beteekenis gekomen is. + +<p>Maar er zijn toch teekenen die op eene aanstaande kentering +in dezen schijnen te wijzen. Sprekend over de moordenaars van +Graaf FLORIS, zegt MELIS STOKE: + +<p class="quote">Dat dese verraders hebben ghelaten +Den maghen verwijt: si moghense haten. +</p> + +<p>Hier wordt de verantwoordelijkheid der magen voor de daden +van één hunner erkend. Doch onmiddellijk daarop lezen wij: + +<p class="quote">Nochtan so nes niement vroeder<a title="[margin: geen verstandig man.]"><sup>#</sup></a>, +De dat verwijt iement goeder, +Dat sijn maech hevet misdaen<a href="#11.19">[19]</a>. +</p> + +<p>De Antwerpsche stadssecretaris JAN BOENDALE stelt in zijn +<i>Lekenspieghel</i> de vraag: of men magen en vrienden moet +helpen en ondersteunen. Een wijs meester antwoordt daarop: +ja, indien uwe magen arm zijn, in het ongeluk geraakt en +brave menschen. Doch zijn zij dwaas en slecht, doorbrengers +of deugnieten, laat ze dan links liggen; 't is toch boter aan +de galg gesmeerd<a href="#11.20">[20]</a>. + +<p>Deze Zuidnederlander durft al heel wat verder gaan dan de +Hollander STOKE; maar ook hier zal het Noorden het Zuiden +volgen. + +<p>In een merkwaardig stuk <i>Van drierehande lyden</i> heeft de +Noordnederlandsche dichter WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH<a name="334"></a> +ons een man geschetst, wien het slecht vergaat, omdat hij zich +van zijne magen afzondert. Hij is trotsch als een baron, hoewel +hij slechts „maet van goede" is. Zijne magen ergeren zich +daaraan, maar hij geeft niet om hun raad. Nu moet hij alleen +zijn weg gaan en dat bekomt hem slecht: + +<p class="quote">Misdede ic yet, ic wort ghesleghen, +Ic most den menighen verdreghen +Entaer toe lyden mit hem allen. +Soe wye sijn maghen worden tieghen, +Die moet van des ghelijcke pleghen, +Hem sel veel te lyden vallen<a href="#11.21">[21]</a>. +</p> + +<p>Het is waar dat HILLEGAERTSBERCH hier waarschuwt tegen +het losmaken van den band der maagschap, doch uit die waarschuwing +zelve blijkt, dat de dichter dezen nieuwen trek in +het volksleven had opgemerkt en gewichtig genoeg achtte om +er de aandacht van zijn publiek op te vestigen. + +<p>Verwant met dezen trek is het individualisme, dat zich, zij +het slechts op een paar plaatsen, in de keuze der kleeding +openbaart. De hekeldichter JAN DE WEERT deelt ons in zijn +<i>Nieuwe Doctrinael</i> mede: + +<p class="quote">Elc wil draghen of hebben dat niemen +En heeft of draghet, can hijt gheraken<a href="#11.22">[22]</a>. +</p> + +<p>en de auteur van een ander 14<sup>de</sup>-eeuwsch leerdicht <i>Spiegel der +Zonden</i> zegt evenzoo: + +<p class="quote">Elk zoect om vremde ghedane +In zinen clederen....<a href="#11.23">[23]</a>. +</p> + +<p>Dit individualisme, zich nu nog maar openbarend in iets +uiterlijks, zullen wij gaandeweg, doch uiterst langzaam, zich +zien ontwikkelen in een later tijdvak.<a name="335"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.1">1</a>: Vgl. BLOK, <i>Gesch. v.h. Ned. Volk</i>, II, 24 vlgg., 222.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.2">2</a>: SCHOTEL, <i>Abdij van Rijnsburg</i>, bl. 90–92.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.3">3</a>: DE LANGE VAN WIJNGAARDEN, <i>Gesch. van Gouda</i>, I, 137, +141, 154. BUSKEN HUET geeft een aardig beeld van Graaf JAN in +zijn handel en wandel in Deel I van <i>Het Land van Rembrand</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.4">4</a>: BLOK a.w. II, 42–3, 165–6.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.5">5</a>: A.w.B. III, c. 26.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.6">6</a>: SCHOTEL, <i>Abdij van Rijnsburg</i>, bl. 76; PIRENNE a.w. II, 20; +<i>Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Gen.</i>, XXIII, 60.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.7">7</a>: A.w. (ed. SNELLAERT in <i>Nederl. Gedichten uit de veertiende +eeuw</i>), bl. 252.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.8">8</a>: Vgl. hierover VANDERKINDERE'S <i>Siècle des Artevelde</i> o.a. p. 185, +112, 126–130; BLOK a.w. II, 8 vlgg.; PlRENNE a.w. II, 407; +S. MULLER FZ. in <i>De Gids</i> van 1897 (Juni).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.9">9</a>: <i>Ged.</i>, bl. 211, vs. 344–5.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.10">10</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 76.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.11">11</a>: In zijne <i>Brabantsche Yeesten</i>, V, 415 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.12">12</a>: Vgl. <i>Siècle des Artevelde</i>; het „papegoy schieten" a<sup>o</sup> 1361 in +de <i>Cameraars-Rek.</i>, III<sup>1</sup>, p. 15; <i>Nieuwe Doctrinael</i>, 793–5, 1720–4; +EBBINGE WUBBEN, <i>Over Mnl. Vertalingen van het O.T.</i>, p. 105 +(a<sup>o</sup> 1360). Mr. S. MULLER FZ., <i>Registers en Rekeningen van het +Bisdom Utrecht</i>, I, 481, 488, 467 vlgg., 474–5.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.13">13</a>: <i>Siècle des Art.</i> p. 404; ROBERT FRUIN'S <i>Verspr. Geschr.</i>, I, +155; MULLER, <i>Reg. en Rek.</i>, I, 480; 527 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.14">14</a>: Vgl. <i>Siècle des Art.</i>, p. 260; CANNAERT, <i>Bijdragen tot +de kennis van het oude strafrecht</i>, bl. 69; MOLL a.w. II, 4, +bl. 146–7.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.15">15</a>: <i>Belg. Mus.</i>, X, 104 vlgg.; <i>Cam.-Rek.</i>, I, 134, 199; <i>Oud-Utrechtsche +Vertellingen</i> door Mr. S. MULLER FZ., bl. 43.]<a name="336"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.16">16</a>: PlRENNE a.w. II, 33.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.17">17</a>: <i>Jehan Froissarts Cronycke van Vlaenderen</i> in de vertaling van +GERRIT POTTER VAN DER LOO (ed. N. DE PAUW), p. 5.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.18">18</a>: <i>Cyromanchie van den pape van den Hamme</i> in N. DE PAUW'S +<i>Mnl. Ged.</i>, I, 270.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.19">19</a>: IV, 1305-'9.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.20">20</a>: A.w.B. III, c. 22.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.21">21</a>: <i>Gedichten</i>, bl. 127, n<sup>o</sup>. 66.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.22">22</a>: Vs. 859–860.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="11.23">23</a>: Vs. 11605 vlgg.]<a name="337"></a> + +<hr> + +<h2>RIDDERPOËZIE IN VERVAL[*]</h2> + +<p class="footnote">[Voetnoot *: Voor de tijdsbepaling vgl. de Aanteekeningen achter dit hoofdstuk.] + +<p class="intro">1. Baerte metten breden voeten, Ridder metten Zwane, Cassamus, +Loyhier ende Malaert, Borchgravinne van Vergy. + +<p class="intro">2. Ogier, Malegijs, Huge van Bordeeus, Valentijn en Nameloos. + +<p class="intro">3. Borchgrave van Couchi. Seghelijn van Jerusalem. + +<p>De ontwikkeling van het ridderwezen spiegelt zich af in die +der ridderpoëzie. Voor een deel wordt het oude leven ook +hier voortgezet: er wordt, als vroeger, vertaald uit het Fransch; +als vroeger zelfstandige bewerkingen van in het Fransch bewerkte +stoffen gegeven; als vroeger oorspronkelijke romans—voorzoover +daarvan hier sprake kan zijn—samengesteld. Er is +echter verschil op te merken in dit opzicht: de aanwas van +zelfstandigheid onder deze volken openbaart zich hierin, dat +het aantal vertaalde werken geringer is dan dat der zelfstandig +bewerkte. + +<p>Vertaald werden de romans: <i>van Baerte metten breden voeten</i>, +<i>de Ridder metten Zwane</i>, <i>Cassamus</i>, <i>Loyhier ende Malaert</i> en +<i>de Borchgravinne van Vergy</i>; de laatste zelfs in twee bewerkingen. +Van den <i>Loyhier ende Malaert</i>, die waarschijnlijk uit +het Fransch vertaald is, kan kan men echter geen Fransch +origineel aanwijzen. Van de twee eerstgenoemde werken hebben +wij slechts onbeteekenende, van de twee volgende grootere +fragmenten over; het laatstgenoemde werk is tot ons gekomen +in eene volledige en eene onvolledige bewerking<a href="#12.1">[1]</a>.<a name="338"></a> + +<p>Zelfstandige bewerkingen van poëtische stoffen, ook door +Fransche dichters behandeld, doch kwalijk als vertalingen te +beschouwen, brengen ons de romans <i>van Ogier</i>, <i>van Malegijs</i>, +<i>van Huge van Bordeeus</i> en <i>van Valentijn en Nameloos</i>, alle +in fragmentarischen toestand tot ons gekomen. In hoever ook +de <i>Loyhier en Malaert</i> tot deze groep kan worden gebracht, is +moeilijk uit te maken, zoolang wij het Fransch origineel niet +bezitten<a href="#12.2">[2]</a>. + +<p>De romans <i>Van den borchgrave van Couchi</i> en <i>van Seghelijn +van Jerusalem</i> eindelijk mag men onder voorbehoud oorspronkelijke +werken noemen<a href="#12.3">[3]</a>. + +<p>Het eerste der hier genoemde werken geeft reeds dadelijk +een denkbeeld van hetgeen ons in de overige wacht. + +<p>BERTE „metten breden voeten" is de dochter van FLORIS en +BLANCEFLEUR en huwt koning PEPIJN van Frankrijk. Eene +dienstmaagd MARGISTE doet hare dochter ALISTE BERTE'S plaats +in het bruiloftsbed innemen. BERTE wordt na eene valsche +beschuldiging ter dood veroordeeld. Zij brengt er het leven af, +zwerft rond in de bosschen, komt bij den „foreestier" SYMON +en blijft daar, totdat zij door den koning wordt teruggevonden +en in eere hersteld. Later wordt zij moeder van KAREL DEN +GROOTE. Door dit werk toont ADENET LE ROI zich in zijn +karakter van „remanieur"; aanknoopend bij een vroeger literair +werk eenerzijds, bij de persoonlijkheid van CHARLEMAGNE +anderzijds, tracht hij door eene verwarrende veelheid van +avonturen de aandacht te prikkelen. + +<p>LOYHIER, in den roman van dien naam, wordt ons voorgesteld +als een zoon van CHARLEMAGNE. Hij is een middeleeuwsche +Don Juan. Op aandringen der hooge edelen van het hof verbannen, +trekt hij met zijn trouwen vriend MALAERT naar het +Oosten, wordt keizer van Constantinopel en beleeft nog tal van +avonturen. De roman van <i>den Ridder met den Zwaan</i> is eene<a name="339"></a> +poging om de eigenlijke geschiedenis van den Zwaanridder HELIAS +te verbinden met die van GODFRIED VAN BOUILLON. De onbeduidende +fragmenten, die wij van de Dietsche bewerking over +hebben, verplaatsen ons naar een schitterende wapenschouwing +over GODFRIED'S vazallen, die indruk moest maken op de +toehoorders als op den Sarraceenschen koning CORNUBRANT, +die haar vermomd bijwoont. De <i>Cassamus</i> behelst eene der +bewerkingen van de <i>Alexander-sage</i> en spreekt vooral van +hoofschheid en van minne. De <i>Borchgravinne van Vergy</i> is +een bevallig maar droef verhaal van de liefdesbetrekking tusschen +deze edelvrouw en een Bourgondisch ridder, op wien +ook de hertogin van Bourgondië verliefd is. De ijverzuchtige +hertogin brengt eerst de burggravin, daarna den ridder tot +zelfmoord en wordt zelve met den dood gestraft door haren +gemaal, die dan als Tempelridder naar Palestina trekt. Deze +berijmde novelle vormt den overgang tusschen den ridderroman +en de riddersproke. + +<p>De sage van OGIER, een der dappere „genooten" van KAREL +DEN GROOTE, was hier te lande waarschijnlijk reeds vroeg +behandeld. Men mag dat vermoeden op grond eener vermelding +in <i>Van den Levene ons Heren</i> (vs. 10). Doch het is +weinig waarschijnlijk dat daar gedoeld wordt op deze Dietsche +bewerking, die niet terug te brengen is tot een der bekende +Fransche bewerkingen. Zoo hebben ook de <i>Malegijs</i>, de <i>Huge +van Bordeeus</i> en de <i>Valentyn en Nameloos</i> met de Fransche +bewerkingen dier stoffen weinig meer gemeen dan eenige namen +en voorname feiten. MALEGIJS is de uit den roman van <i>de +Heemskinderen</i> bekende toovenaar; HUGE VAN BORDEEUS: een +leenman van CHARLEMAGNE, die onwetend des keizers zoon +doodt, daarvoor gestraft wordt met de opdracht om den baard +en vier tanden van den soudaan van Babyion te gaan halen +en allerlei avonturen gelukkig te boven komt door hulp van<a name="340"></a> +den tooverkoning OBERON. <i>Valentyn en Nameloos</i> behelst eene +bewerking der zelfde sage, die in het latere Fransche volksboek +van VALENTIJN en OURSON wordt gevonden: de talrijke bonte +avonturen van een broederpaar, jong gescheiden, waarvan de +een door eene berin (wolvin) gezoogd is en door den ander, +een volmaakt ridder, overwonnen wordt, waarna zij als wapenbroeders +de wereld rondtrekken. VALENTIJN wordt ten slotte +koning van Frankrijk, NAMELOOS koning van Hongarije. + +<p>Het verhaal <i>van den Borchgrave van Couchi</i> behandelt voornamelijk +COUCHI'S liefde tot BEATRIJS, echtgenoote van den +Heer van Famweel en zijn strijd met den bastaard MASEBROUC +om het land van Ardennen. Meer dan eens ook worden wij +verplaatst aan het hof van koning KAREL DEN KALE, tot wiens +vazallen COUCHI behoort. + +<p>SEGHELIJN van Jeruzalem eindelijk is de zoon van een heidensch +vorst; zijne moeder heet BLANSEFLEUR. Hij wordt opgevoed +door een visscher, helpt CONSTANTIJN DEN GROOTE +de overwinning behalen, huwt diens dochter FLORETTE, wordt +keizer van Rome en later paus. Vóór dien tijd heeft hij de +gelegenheid waargenomen bij zeven koninginnen de latere zeven +vroeden van Rome te verwekken; op deze wijze—natuurlijker +en eenvoudiger kon het niet!—heeft de dichter, zekere LOY +LATEWAERT, zijn werk verbonden met den naar de Zeven +Vroeden genoemden roman. + +<p>Vergelijken wij deze ridderpoëzie met die uit ons Eerste Boek, +dan blijkt wel dat wij van verval mogen spreken. + +<p>Daar was nog gevoel voor het ridderwezen in zijn idealisme, +zijn heroïsme, zijne fijnheid van omgangsvormen; hier is daarvan +weinig of niets over. Zeker, ook het dorperlijke en onaesthetische +vertoont zich daar, doch tegenover die schaduw is er +vrij wat licht. Maar hier? Wat is er geworden van het gevoel<a name="341"></a> +voor het ridderwezen, van de ridderlijke idealen? Ja, er wordt +nog gestreden ook tegen de heidenen, maar de bezieling is +verdwenen. Avonturen en nog eens avonturen, wonderen het +een nog wonderbaarlijker dan het andere, moeten dat gemis +vergoeden. De <i>Limborch</i> en de <i>Flandrijs</i>, die wij in het Tusschenspel +leerden kennen, mogen in dit opzicht beschouwd worden +als schakels tusschen de oudere en de jongere ridderpoëzie. + +<p>Staaltjes van gemis aan ridderlijk gevoel, dorperlijke opvatting, +die wij vroeger slechts hier en daar vonden, zijn hier maar al +te rijkelijk aanwezig. In geen der vroegere werken wordt het +ridderwezen door lage boert en platte grappen zoo naar beneden +gehaald en onteerd als hier niet zelden geschiedt. In het gedicht +<i>van den Grimbergschen Oorlog</i> dat wij in het <i>Tusschenspel</i> +even vermeldden, moedigt Heer ARNOUT VAN OYENBRUGGE +de zijnen aan door hen indachtig te maken dat zij in hun eigen +land zijn, de vijand daarentegen op vreemd gebied moet strijden. +Hij bedient zich daarbij van deze vergelijking: een hond durft +op zijn eigen mesthoop veel beter dan een vreemde. Elders in +dat gedicht lezen wij, dat een schild wordt gekloofd als een +raap<a href="#12.4">[4]</a>. Den dapperen OGIER laat men struikelen over erwten, +om hem zoo ten val te brengen<a href="#12.5">[5]</a>. In de <i>Couchi</i> wordt eene +veete bij een zwerende puist vergeleken. Ridder SEGHELIJN zegt +van zich zelven: + +<p class="quote">Ende so ic ben een quade sprute, +So moet die pust breken ute. +</p> + +<p>Zijn ros Glorifier eet gebraden kapoenen. Als het dan staat +te likkebaarden, zegt zijn meester lachend tot het ros: dat is +uwe ouders nooit gebeurd, maar gij verdient het wel!" Nadat +SEGHELIJN vijftien jaar lang gevangen heeft gezeten op water +en brood in een donker hol, doet God een wonder aan hem:<a name="342"></a> +nu ziet hij er weer zoo goed uit, „alsof hij zich had liggen +mesten"<a href="#12.6">[6]</a>. + +<p>Maar de <i>Malegijs</i> spant hier de kroon. + +<p>MALEGIJS doet door zijne tooverkunsten een aantal ridders +naakt een rondedans uitvoeren en later onder groot gelach der +omstanders op den grond tuimelen; de dwerg SPYËT vermaakt +zich daar kostelijk mede en geeft den raad om ze als vogelverschrikkers +in het koren te zetten. MALEGIJS' oom, meester +YVERT, lacht als REINAERT: „mi dochte dat ic spleet". Beyaert, +het edele ros der Heemskinderen, wordt door MALEGIJS voor +een kar met wijn gespannen. Dat was erger dan, met molensteenen +aan de pooten, in de Oise verdronken te worden! +ROELANT spreekt smalend tot CHARLEMAGNE over diens „grote +coenheide"; gaat gij ons voor in het gevecht, zegt ROELANT, +dan vechten wij mee; maar vlucht gij, dan vluchten wij ook<a href="#12.7">[7]</a>. + +<p>Evenals de <i>Limborch</i> en de <i>Flandrijs</i> zijn ook deze werken +slechts voor een gering deel uit het leven ontstaan, doch +grootendeels uit herinneringen aan wat de vervaardigers elders +gehoord of gelezen hadden. + +<p>De <i>Seghelijn</i> is op-en-top een compilatie; vele bewijzen +daarvan zijn reeds vroeger bekend gemaakt en zij kunnen nog +vermeerderd worden; ook met den <i>Huge van Bordeeus</i> en den +<i>Valentijn en Nameloos</i> is dat het geval. In de overige werken +kunnen wij eveneens telkens namen of toestanden aantreffen +die reeds in vroegere werken worden gevonden en het beroep op +„ouden jeesten" in den roman van <i>Couchi</i> begrijpelijk maken<a href="#12.8">[8]</a>. + +<p>Doch waarin ook de ridderpoëzie van dezen tijd moge +achterstaan bij die van een vroeger tijdperk, niet in stichtelijkheid. +In de onderscheidene fragmenten van <i>Valentijn en Nameloos</i> +en in den <i>Malegijs</i> vertoonen zich telkens godsdienstige +of op godsdienstigheid gelijkende invoegsels. De voltooier van +het gedicht op den Grimbergschen Oorlog betreurt het zelfs,<a name="343"></a> +dat deze strijd gevoerd is tusschen Christenridders: hadden zij +gezamenlijk de Sarracenen bestreden, zegt hij, dan zouden wij +hen mogen prijzen. Aan het slot van zijn werk richt hij tot +den edelman, voor wien het werk bestemd was, een bespiegeling +over de broosheid des levens en een waarschuwing, +dat hij rekenschap zal moeten afleggen van zijn doen en laten<a href="#12.9">[9]</a>. +Maar eerst in den <i>Seghelijn</i> viert de stichtelijkheid hoogtij! +Allerlei wonderen worden verricht door onderscheidene reliquieën +van CHRISTUS: den geesel, het „vergulde vat", waar +JEZUS azijn met gal gemengd uit dronk, de doornenkroon en +de spijkers van het kruis. De gebeden zijn hier uitermate lang; +andere stichtelijke passages niet zeldzaam. Als SEGHELIJN honger +heeft, daalt een soort manna voor hem uit den hemel. Op +zijn wensch krijgt dat brood daarna den smaak van een kapoen +en later zelfs van wijn. De stichtelijkheid komt hier gevaarlijk +dicht bij het sprookje van „tafeltje dek je"! SEGHELIJN zelf +wordt als een soort van Graalridder voorgesteld: als hij nadert +laat een geesel met vijf knoopen, waarmede JEZUS gegeeseld is, +droppels bloed vallen; zelfs de speer uit de Graal-sage wordt +hij waardig gekeurd<a href="#12.10">[10]</a>. + +<p>Wel strooken met deze begeerte tot stichten de vermaningen +en moralisaties, die in den <i>Ogier</i> zijn gevlochten, en het didactisch +element in dat werk en den <i>Seghelijn</i>. In den laatsten +roman vinden wij een tooneel, waar de held door zijne +moeder BLENSEFLUER gekust wordt. Verraders, die de verhouding +der koningin tot den jongeling niet kennen, beschuldigen +SEGHELIJN in des konings tegenwoordigheid van ongeoorloofde +verstandhouding met de koningin. „Schurk," zegt +SEGHELIJN, „men omhelst en kust elkander dikwijls in eer +en deugd. Wat overigens de kussen betreft, er zijn vier soorten: +„van moeder, van lieve, van peise en van grieve." Deze +scholastieke indeeling en de elders voorkomende „questiën"<a name="344"></a> +met de daarbij behoorende antwoorden verplaatsen ons naar +het trivium en het onderwijs in de dialectiek. + +<p>Het geringe gevoel voor de ridderlijke idealen, de neiging +tot stichtelijkheid en didactiek hebben reeds het vermoeden +kunnen wekken, dat de literaire waarde dezer werken niet +groot zal zijn. Het compilatorisch karakter alleen zou voor dat +vermoeden te weinig grond geven; want ook al heeft men dat +vastgesteld, dan blijft altijd nog ter beantwoording deze vraag: +Wat hebben de dichters van de door hen ontleende stoffen +gemaakt? + +<p>Maar ook op die vraag kan men bezwaarlijk anders antwoorden +dan: weinig moois of verdienstelijks. De <i>Cassamus</i> +en vooral de <i>Borchgravinne van Vergy</i> zijn vloeiend, hier en +daar bevallig, vertaald; doch naar het schijnt hebben deze +vertalingen overigens weinig eigens. De meer zelfstandige werken +verheffen zich soms tenauwernood boven het middelmatige en +blijven niet zelden daarbeneden. In den <i>Couchi</i> vindt men wel +eens aardige verzen; zoo b.v. deze: + +<p class="quote">Daer so hadde een worm ghebeten +Diepe in ziere rosen blat, +So dat nemmermeer dat gat +Conde heelen noch genezen. +</p> + +<p>In den <i>Malegijs</i>, die overigens vooral in den versbouw een +ongeoefende hand verraadt, vindt men hier en daar niet onverdienstelijke +minne-lyriek<a href="#12.11">[11]</a>. Doch over het algemeen is de oogst +van het goede of verdienstelijke uiterst schraal. Hoe zou dat +ook anders kunnen zijn, waar de dichters van de beide minst +afhankelijke werken telkens toonen hoe weinig zij <i>in</i> hun verhaal +zijn. Den vervaardiger van den <i>Seghelijn</i> zien wij telkens +het oog afwenden van zijn verhaal en zijne personages, om het +op zijn eigen tijd te richten; gewoonlijk wordt hij daartoe<a name="345"></a> +gedreven door het verlangen om te waarschuwen, te vermanen +of te berispen. Hij handelt dan over de trouweloosheid en de +kijfzucht der vrouwen, de wellustigheid der mannen; ontraadt +zijn publiek, een dief van de galg te bevrijden; hij wekt den +dommen mensch op, God te erkennen in Zijne kracht en +Hem steeds te dienen<a href="#12.12">[12]</a>. In den roman <i>van Couchi</i> vinden +wij evenzoo b.v. een uitval tegen het ridder worden zonder +den ridderslag; over den ootmoed, die de vrouwen past; eene +bespiegeling over „een crudekijn, heet nijt", in den geest, waarin +later WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH zal spreken „van enen +cruut ende hiet selve". + +<p>Niet bij toeval komt, aan het eind van dit overzicht der +ridderpoëzie in verval, de naam van een Hollandschen spreker, +die de gemeenten vertegenwoordigt. Die naam is een vingerwijzing +naar de dingen die komen. De ridderschap als instelling +had uitgeleefd, maar niet vergeefs geleefd. Trouw aan +den heer; eergevoel, dat geen smet op het blazoen duldde; +vereering der vrouw; toewijding, die met mannenmoed desnoods +het leven op het spel zette, waar een der ridderlijke +idealen te verdedigen viel; begeerte om het leven ook door +de kunst schooner en aangenamer te maken—naar zulke +dingen had de ridderschap gestreefd. En al heeft zij die slechts +gedeeltelijk bereikt, al waren hare handelingen dikwijls in +openbaren strijd met hare beginselen, desniettemin hebben die +idealen, door haar voor het eerst verkondigd en voorgestaan, +als een zuurdeesem ook in het leven dezer volken gewerkt en +zijn zij dat blijven doen.<a name="346"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<h4>TIJDSBEPALING.</h4> + +<p class="footnote">De Fransche roman van <i>Berte aus grans piés</i> is door ADENET LE +ROI omstreeks 1275 gedicht, de Mnl. bewerking kan dus hoogstens +uit het laatst der 13de eeuw dagteekenen. (Vgl. <i>Les Epopées françaises</i> +III, 7). De Fransche roman van <i>Le Chevalier au Cygne</i>, waarop wij +hier het oog hebben, dagteekent uit de 14de eeuw. Zie <i>Mnl. Ep. +Fragm.</i>, bl. 253. Onze vertaling dus ten minste evenzeer. Over den +tijd der vervaardiging van <i>Cassamus</i> vgl. ed. VERWIJS, Inl. XXVIII; +het Fransche gedicht dagteekent van omstreeks 1312; zie: HOOGSTRA, +<i>Proza-bewerking van het Leven van Alexander den Groote</i>, Inl. p. XX; +de volledige bewerking der <i>Borchgravinne van Vergy</i> is van 1315; +zie vs. 1119 vlgg; de Fransche <i>Lohier et Mallart</i> moet uit de 14de +eeuw zijn: zie <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, bl. 266; de overige werken: <i>Ogier</i>, +<i>Malegijs (Maugis d'Aigremont)</i>, <i>Huon de Bordeaux</i> behooren in de +Fransche literatuur tot het tijdvak der décadence van de ridderpoëzie +(laatst der 13de en aanvang der 14de eeuw) en moeten dus in hun +Dietschen vorm ook tot de 14de eeuw gebracht worden; trouwens de +geest der bewerkingen zelve wijst ons ook naar dien tijd. Het is ook +opmerkelijk, dat b.v. in den <i>Malegijs</i> verscheidene vreemde woorden +voorkomen, die men uitsluitend of vooral in werken der 14e eeuw +aantreft, zooals: athoer, bolle, calant, tfaliant, fardeel, rabat, respons, +mastijn en andere op p. 193, 201, 203, 205, 207. De <i>Seghelijn van +Jeruzalem</i> dagteekent van omstreeks 1333–1350 (zie: Inleiding ed. +VERDAM, IV). <i>Van den Borchgrave van Couchi</i> wordt door DE VRIES +m.i. terecht in het tweede vierdedeel der 14de eeuw geplaatst; zie +<i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, VII, 129–131). De roman <i>van Valentijn +en Nameloos</i> vertoont in opzet, samenstelling en bewerking zooveel +overeenkomst met de hierboven genoemde, dat ik meen hem tegelijk +met de overige hier te moeten behandelen. + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.1">1</a>: n<sup>o</sup>. 1 afgedrukt achter MOLTZER'S <i>Floris ende Blancefloer</i>, +bl. 131 vlgg., n<sup>o</sup>. 2 in <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, XIII; n<sup>o</sup>. 3 uitg. VERWIJS<a name="347"></a> +in: <i>Bibl. van Mnl. Lett.</i>, 2e afl.; n<sup>o</sup>. 4 <i>Mnl. Ep. Fragm.</i> en <i>Tijdschr. +v. N.T. en L.</i>, XII, 241 vlgg.; n<sup>o</sup>. 5 uitg. STOETT in: <i>Klassiek +Lett. Pantheon</i>. (Zutphen. W.J. THIEME EN Co).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.2">2</a>: Ik bediende mij voor n<sup>o</sup>. 1 van de uitgave door MATTHES in +<i>Taal- en Letterbode</i>, VI, 241 vlgg.; n<sup>o</sup>. 2: <i>Madelghijs' Kintsheit</i> +ed. N. DE PAUW; nieuwe fragmenten in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, +XV en XX en <i>Romania</i>, 1897; n<sup>o</sup>. 3–4 in <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, +XI-XII; nieuwe fragmenten in <i>Tijdschr.</i>, XVII en XI (daarbij te +verg. XI, 229 vlgg.).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.3">3</a>: De <i>Couchi</i> is uitgeg. door DE VRIES in: <i>Tijdschr. v. N.T. +en L.</i>, VII, 97–250. DE VRIES hield dit werk voor eene vertaling +uit het Fransch en meende zelfs dat dit „nauwelijks aanwijzing behoefde." +Wat hij aanvoert als grond voor zijne meening, is echter +zwak (<i>Tijdschr.</i>, VII, 124). Alleen de vele hier voorkomende Fransche +woorden schijnen grond te geven; inderdaad kunnen zij dat niet +doen; in den <i>Limborch</i>, <i>Flandrijs</i>, <i>Seghelijn</i>, <i>Leven van Sint Amand</i> +en menig ander, <i>niet</i> uit het Fransch vertaald werk van dezen tijd, +komen eveneens vele Fransche woorden voor. Daarentegen wijzen de +naam <i>Masebrouc</i> en de verklaring van dien naam door den dichter +(II, 371–374) er op, dat wij hier een oorspronkelijk Dietsch werk +hebben. Ons verhaal behelst eene gansch andere geschiedenis dan die +van den <i>Châtelain de Coucy</i> en nergens blijkt dat er nog eene andere +Fransche bewerking is geweest. Indien men let op de meerdere zelfstandigheid +bij de bewerkers van ridderromans uit dezen tijd, die +blijkt o.a. uit <i>Limborch</i>, <i>Flandrijs</i> en <i>Seghelijn</i>, ook uit de andere +in den tekst genoemde romans; op de vermenging van verdichting +en quasi-historische werkelijkheid, die ook in den <i>Limborch</i> wordt +aangetroffen, en op het didactisch karakter van het bewuste werk—dan +zal men het met voldoenden grond voor een Nederlandsch werk +mogen houden. + +<p class="footnote">Bovendien schijnen nog tot de 14e eeuw te moeten worden gebracht: +1<sup>o</sup>. een roman <i>van Cesar</i>, uitgeg. door N. DE PAUW in <i>Mnl. Ged.</i>, +III, 530 vlgg., naar het schijnt uit het Fransch vertaald; 2<sup>o</sup>. een +roman <i>van Octaviane</i>, door BOENDALE vermeld in <i>Der Leken Spieghel</i>, +III, c. 15, vs. 125.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.4">4</a>: II, 1681–5; 3017-'9.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.5">5</a>: <i>Taal- en Letterbode</i>, VI, 261.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.6">6</a>: <i>Couchi</i>, II, 248–250; <i>Seghelijn</i>, vs. 640–2; 3134 vlgg.; 5934.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.7">7</a>: <i>Fragmenten</i> (ed. DE PAUW), bl. 69, 71, 75, 81, 85, 129, 133.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.8">8</a>: In den <i>Seghelijn</i> personages uit de Karel-sage (GAURES en<a name="348"></a> +ROHAERT); vooral de <i>Flandrijs</i> is nagevolgd, zie <i>Inl.</i>, VI. Den reus +GRAPAERT vinden wij terug in AGRAPART uit den <i>Huge van Bordeeus</i>; +een visscher die een hooggeboren kind bij zich neemt, komt voor +ook in <i>Aiol</i>; SEGHELIJN leeft in het bosch van vruchten en kruiden +(2885-'9) gelijk PARTONOPEUS; zijn paard wordt hem, terwijl hij +ligt te slapen, ontstolen, zooals Beiaert aan REINOUT. De naam +FLORETTE ook in <i>Karlmeinet</i>. De paardenaam Blankaert uit <i>Loyhier +en Malaert</i> ook reeds in <i>Aubri de Borgengoen</i>; de naam van het +zwaard Scaerdelijn in <i>Val. en Nam.</i> ook reeds in <i>Aiol</i>; de dans van +betooverde ridders in den <i>Malegijs</i> ook reeds in den <i>Lancelot</i>, I, +bl. 109, vs. 122–3; NAMELOOS heeft een onzichtbaar makenden ring +en knots evenals de dwerg SPYËT; de auteur v.d. <i>Malegijs</i> heeft +geput uit <i>Patricius' Vagevuur</i> en den <i>Brandaen</i> (<i>Romania</i>, p. 504). +Vgl. voorts <i>Mnl. Ep. Fragm.</i>, bl. 206, 210, 228. En nog noem ik +niet alles.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.9">9</a>: II, 5203 vlgg. en 6167-'73.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.10">10</a>: Vgl. vs. 1311 vlgg.; 2100 vlgg.; 2124-'47, 2742–2882; +5837–5903; 3318 vlgg.; 6200 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.11">11</a>: <i>Couchi</i>, II, 195–198; <i>Mal.</i> (fragm. DE PAUW), bl. 77, vs. 130 +vlgg.; 79, vs. 141 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="12.12">12</a>: Vgl. vs. 182-'5, 202-'5, 4641-'3, 5472-'8, 9792-'4, 10476-'81.]<a name="349"></a> + +<hr> + +<h2>GEESTELIJKE EPISCHE POËZIE +EN PROZA.</h2> + +<h3>1. POËZIE.</h3> + +<p class="intro">1. Der Ystoriën Bloeme. Leven van S. Lutgart. Leven van S. Kerstine. +Leven van S. Amand. Leven van S. Kunera van Rhenen. + +<p class="intro">2. Vaghevier van S. Patricius. Boec van den Houte. Legende van +het H. Kruis. Theophilus. Beatrijs. Jonitas en Rosafiere. + +<p>Evenals de ridderpoëzie is de geestelijke poëzie van dezen +tijd ten deele eene voortzetting der vroegere. Dat geldt +in de eerste plaats van een aantal heiligenlevens, waarvan +enkele misschien uit het laatst der 13<sup>de</sup> eeuw zijn, andere waarschijnlijk +tot de 14<sup>de</sup> eeuw behooren; een er van, <i>het Leven +van Sint Amand</i> is van 1366. + +<p>In <i>Der Ystoriën Bloeme</i> hebben wij aanzienlijke fragmenten +over van een groot werk, dat volgens den proloog de levens +der apostelen, der martelaren en confessoren en die van heilige +vrouwen en maagden zou bevatten. Slechts de levens der +apostelen zijn tot ons gekomen. Om den afgebroken zinbouw, +de vrij talrijke assoneerende rijmen en een zeker waas van +oudheid dat over dit werk ligt, zou het mij niet verwonderen, +indien latere vondsten ons toonden dat het nog in de 13<sup>de</sup> eeuw +is ontstaan; doeh zekerheid daaromtrent is voorloopig niet te +verkrijgen. Ook niet omtrent de vraag of een kleine 500 verzen +van een dergelijk werk over apostelen en martelaren, als „Sinte +Pouwels jonghers", „Sinte Tecla", „Sinte Nasarius en Celsus"<a name="350"></a> +deel van <i>Der Ystoriën Bloeme</i> heeft uitgemaakt. Men zou +geneigd zijn, de vraag ontkennend te beantwoorden, omdat de +assoneerende rijmen, daar vrij talrijk, hier ontbreken. Het eerste +werk is zeker uit het Latijn vertaald, het tweede waarschijnlijk +ook, daar het verwijst naar een martyrologium<a href="#13.1">[1]</a>. Uit het Latijn +vertaald zijn ook het <i>Leven van Sinte Lutgart</i> door zekeren +„broeder GERAERT" en dat <i>van Sinte Kerstine</i>. Voorts het +<i>Leven van Sinte Amand</i> dat vervaardigd is door zekeren GILLIS +DE WEVEL, vertaald uit het Latijn, onder gebruikmaking van +geschriften als UTENBROEKE'S <i>Spieghel Historiael</i>; en ten slotte +mag misschien een gedicht <i>van Sinte Kunera van Rhenen</i>, +„hare gheboerte, hare passie en die verheffinge", ook nog tot +de 14<sup>de</sup> eeuw gebracht worden<a href="#13.2">[2]</a>. De vijf eerstgenoemde werken +zullen wel alle uit Zuidnederland afkomstig zijn; het laatste +schijnt, naar het dialect te oordeelen, in Gelderland te zijn +ontstaan; is dat zoo, dan ligt het vermoeden voor de hand, +dat het in Rhenen zelf of de omstreken van dat stadje zal zijn +vervaardigd. + +<p>Voor de geschiedenis der Roomsche kerk mogen deze heiligenlevens +van niet geringe beteekenis zijn—in die der Nederlandsche +literatuur kunnen zij slechts een bescheiden plaatsje +innemen. In geen dezer werken vindt men iets dat op poëzie +ook maar gelijkt en weinig of niets karakteristieks. <i>Der Ystoriën +Bloeme</i> bevat slechts gebrekkig berijmd proza, de levens <i>van +S. Christina</i> en <i>S. Lutgart</i> zijn beide letterlijk vertaald uit het +Latijn van THOMAS VAN CANTIMPRÉ en toonen weinig of niets +eigens; de verzen in deze beide werken, ten minste in +<i>S. Lutgart's Leven</i> zijn beter dan die in de twee eerstgenoemde<a href="#13.3">[3]</a>. +Ook de beide andere heiligenlevens, vooral dat <i>van Sinte +Kunera</i> hebben voor de geschiedenis der literaire kunst weinig +te beteekenen. Van eene reactie tegen de ridderpoëzie, zooals +in de geestelijke poëzie van een vroeger tijdvak, is hier weinig<a name="351"></a> +te bespeuren. Het eenige van dien aard waarop men zou +kunnen wijzen is deze in het <i>Leven van Sinte Christina</i> gevoegde +opwekking: + +<p class="quote">En neemt meer bispel aen de papen +Dan aen riddre ocht aen knapen<a href="#13.4">[4]</a>. +</p> + +<p>Ook zou men hiertoe kunnen rekenen eene vergeestelijking +van het koningspel die men vindt in het <i>Leven van Sint Amand</i>. +De samensteller van dat laatste rijmwerk richt zich niet zelden +tot zijne hoorders om hen te vermanen, te waarschuwen of +te berispen<a href="#13.5">[5]</a>. In die, trouwens weinig beteekenende, deelen +van zijn werk vinden wij dus iets eigens. Zoo geeft ook de +vertaler der <i>Vita</i> van de H. CHRISTINA op een enkele plaats +een bewijs zijner kieschheid<a href="#13.6">[6]</a>. Daarmede hebben wij alles +genoemd, wat hier vermelding verdient; eene schrale oogst, +zooals men ziet. + +<p>Naast deze vertaalde heiligenlevens staan, evenals in de +ridderpoëzie van dezen tijd, eenige andere werken, die van +meer zelfstandigheid getuigen of inderdaad oorspronkelijk mogen +heeten. Een overgang tusschen beide soorten vormt het, waarschijnlijk +uit het Latijn vertaalde, gedicht <i>Van den Vaghevier +dat sente Patricius vertoghet was</i><a href="#13.7">[7]</a>. Wij vinden hier eene +beschrijving van een tocht naar het Vagevier, die volbracht +werd door zekeren ridder, en van al de geheimenissen, door +hem in de grot van den H. PATRICIUS op het eiland Ulton +gezien. Het verhaal had diepen indruk gemaakt op den bewerker, +die ons mededeelt: + +<p class="quote">... noit en quam mi dicht soe na +</p> + +<p>doch hij is er niet in geslaagd zijne indrukken te verwerken +tot een letterkundig voortbrengsel van eenige beteekenis. Wij<a name="352"></a> +mogen de oorzaak der zwakheid van het werk niet zoeken in +de opvatting van den dichter, voor wien het Vagevier iets +stoffelijks was („materelic"), evenals de pijnen, die de zielen +er te doorstaan hadden. Dat was immers de algemeene opvatting +dier dagen, die men terugvindt o.a. in een 13<sup>de</sup>-eeuwsch +gedicht <i>Le Purgatoire Seint Patriz</i> van MARIE DE FRANCE, +en zelfs bij DANTE. Maar de bewerker of vertaler was blijkbaar +iemand van geringe poëtische vermogens. Niet veel hooger +stond de bewerker van <i>dboec vanden houte</i>, een der talrijke +middeleeuwsche verhalen over de voorgeschiedenis van JEZUS' +kruis. Volgens dit verhaal ontving ADAM'S zoon SETH van den +hemelschen wachter bij het Paradijs drie pitten van de vrucht, +aan den boom der kennis gegroeid. SETH legde deze pitten in +den mond van zijn stervenden vader en begroef ze met het lijk. +Uit de drie pitten schoten drie loten op: ceder, cypres en +pijnboom, zinnebeelden van Vader, Zoon en H. Geest. DAVID +plantte ze over naar Jeruzalem, waar zij opwiessen en samengroeiden +tot één boom. SALOMO liet den boom ombouwen +om hem bij zijn tempelbouw te gebruiken. Na allerlei lotgevallen +wordt deze stam later gebezigd om er een kruis voor +CHRISTUS uit te maken. + +<p>Naar het schijnt, heeft de bewerker der Nederlandsche legende +zijne stof aan het Latijn ontleend en haar vrij zelfstandig +bewerkt<a href="#13.8">[8]</a>. + +<p>Een zwak dichter was ook de man, die eene legende <i>van +het Heilige Kruis</i>, verbonden met een verhaal van Denen in +Brabant, heeft berijmd<a href="#13.9">[9]</a>. Blijkbaar kende de auteur dezer +legende de vroegere speelmanspoëzie: een koning (hier DAVID +BRUCE, koning van Schotland) die wenscht te huwen, die +boden zendt tot een anderen koning (MAGNUS van Denemarken) +„over mere" om de hand zijner dochter, het uitrusten +van een schip—dat zijn, gelijk wij vroeger hebben gezien<a name="353"></a> +gewone motieven uit de speelmanspoëzie<a href="#13.10">[10]</a>. De prinses, die +met dat schip overgevoerd zal worden, sterft onderweg; de +Denen durven zonder haar niet in Schotland komen, maar +besluiten te landen aan de Brabantsche (Zeeuwsche?) kust en +zich daar te vestigen. Op een verkenningstocht komen zij in +de buurt van Breda, waar zij eene burcht bouwen, die den +naam van Brunensteen krijgt en weldra een roofnest wordt. +De roovers maken het ten laatste zoo bont, dat zij op bevel +van den hertog van Brabant door den Heer VAN WESEMAELE +worden verslagen; hun burcht wordt geslecht. + +<p>Deze Denen zijn door den bewerker voorgesteld als Christenen, +wat kwalijk past bij hun gansche bedrijf, maar noodig +was om verband te kunnen brengen tusschen hunne geschiedenis +en die van het Heilig Kruis. In hunne kapel hadden de +Denen namelijk een kruis gemaakt, dat na de slechting van +den burcht in de kerk van Breda geplaatst werd en daar menig +wonder deed. + +<p>Misschien is in dit verhaal een nagalm van de rooftochten +der Noormannen blijven hangen; zeker is, dat noch in +de wijze waarop de beide deelen zijn verbonden, noch in de +bewerking van het geheel eenige kunstvaardigheid of iets literair +karakteristieks valt op te merken. + +<p>Meer van dien aard is er in twee van de drie Maria-legenden, +welke uit deze eeuw dagteekenen: de geschiedenis <i>van Theophilus</i>, +<i>van Beatrijs</i> en <i>van Jonitas en Rosafiere</i><a href="#13.11">[11]</a>. Dit vers +uit <i>Beatrijs</i>: + +<p class="quote">Goet berou mach als ghewouden<a title="[margin: alles goedmaken.]"><sup>#</sup></a> +</p> + +<p>en deze andere waar sprake is van MARIA: + +<p class="quote">Wie aen u soect ghenade, +Hi vint se, al comt hi spade.<a name="354"></a> +</p> + +<p>behelzen de kern der beide eerstgenoemde werken. THEOPHILUS +komt ten val door eerzucht, BEATRIJS door onkuischheid; beiden +krijgen om hun oprecht berouw genade door tusschenkomst +van de Heilige Maagd. + +<p>THEOPHILUS, een weldadig en aanzienlijk man, om zijne +vroomheid geliefd door den bisschop zijner woonplaats, wordt +door dezen tot zijn opvolger gekozen. Uit bescheidenheid +weigert hij; een ander krijgt de hem toegedachte plaats. Kwaadstokers +zetten den nieuwen bisschop tegen THEOPHILUS op; +hij wordt van het bisschoppelijk hof verbannen; niemand +ziet meer naar hem om. Nu begint zijn strijd; hij vergelijkt +zijn vroeger aanzien bij zijne tegenwoordige versmaadheid. +Een driftig verlangen naar herstel in zijn vroegeren staat +maakt zich van hem meester; elk middel daartoe is hem +goed genoeg. De Booze sluipt zijn ziel binnen. Heimelijk +onderzoekt THEOPHILUS of er ook iemand in de stad is, die +zich bezig houdt met tooverij of gemeenschap houdt met den +duivel. Ten laatste verneemt hij, dat er een Jood is die zijne +ziel heeft overgegeven aan den Booze en die menig ander +daartoe heeft gebracht op hoop van gewin. Te middernacht +staat hij stilletjes op en spoedt zich naar het huis van den Jood. +Op zijn herhaald aandringen opent deze de deur en verneemt +de reden van zijn komst. Indien gij uwen God en uw geloof +wilt afzweren, zegt de Jood, dan zal ik u helpen. Den volgenden +nacht neemt hij THEOPHILUS met zich naar een „dwerse +strate"; daar zien zij zwarte gedaanten die, kandelaars dragend, +loopen te zingen. Een hunner aanbidden zij: dat is hun heer +LUCIFER. Vóór hem gebracht, kust THEOPHILUS Satans voeten +en verloochent God. De Booze belooft hem zijn vroeger aanzien +te zullen wedergeven. Dat geschiedt. Maar na eenigen tijd +ontwaakt het berouw. Hij zoekt troost en vergeving bij MARIA. + +<p>In de tweede helft van het verhaal vinden wij zijne wee<a name="355"></a>klachten +tot de Heilige Maagd, eene verheerlijking van hare +goedheid, hare samenkomsten met den berouwvollen zondaar +en de vergiffenis, die zij voor hem weet te verwerven. Ten +slotte biecht THEOPHILUS wat er met hem gebeurd is aan den +bisschop en sterft kort daarna. + +<p>Deze geschiedenis bemoedigde BEATRIJS, toen zij, op hare +beurt in zonde gevallen, berouwvol haar hart voor de Heilige +Maagd uitstortte. Zij was eene hoofsche schoone non, die in +een klooster den dienst van kosteres getrouwelijk waarnam. +Maar de duivel, die ons dag en nacht belaagt, doet het vuur +van den wellust in haar hart ontgloeien, zóó dat zij meent te +zullen bezwijken. Met vasten en bidden gaat zij den Booze te +keer; vergeefsch is haar strijd. Zij weet, dat zij moet vallen. +Een brief van hare hand aan een minnaar, een vriend harer +jeugd, brengt dezen in het klooster. Nog acht dagen, dan zal +hij wederkomen met mooie kleeren voor haar en geld voor +hen beiden. 's Nachts vindt zij haar vriend in den kloostertuin. +Zij verkleedt zich onder eene wilde roos, hij tilt haar vóór +zich in den zadel; nu begint het te dagen in den oosten; onder +het zingen der vogels rijden zij het bosch in. + +<p>Zeven jaren lang leven zij in een vreemd land en krijgen twee +kinderen. Dan blijkt het geld verteerd, zij vervallen tot armoede, +de armoede verjaagt de liefde—bij den man. Heimelijk verlaat +hij haar en hunne kinderen. BEATRIJS kent geen ambacht; hoe +zal zij voor hare kinderen zorgen? Zich zelve geeft zij prijs. +Zeven andere jaren worstelt zij zóó door, in schande en kommer. +Dan doet het berouw zijne stem luider en luider hooren. Zij +walgt van hare kostwinning. Bedelend trekt zij met hare kinderen +terug naar haar land en haar klooster en wordt uit +barmhartigheid opgenomen door eene weduwe, die bij het +klooster woont. Op hare vraag naar de kosteres BEATRIJS verneemt +zij, dat deze nog altijd in het klooster haren dienst<a name="356"></a> +getrouwelijk verricht. Een wonder is geschied: MARIA zelve +heeft den dienst waargenomen voor de zondige non, die altoos, +ook in de dagen van zonde en schande, haar <i>Ave Maria</i> is +blijven bidden. Diep ontroert dat bericht de zondares. In tranen +en gebeden brengt zij nu hare nachten door. Is er vergeving +voor haar? „Maria, vrouwe, in een vurigen oven zou ik +kruipen, mocht ik daardoor vergiffenis verwerven." Eene stem +in den nacht verkondigt haar, dat MARIA zich haars ontfermt; +zij moet zich heimelijk naar het klooster begeven; de deur, +waardoor zij eens is ontvlucht, zal open staan. Zij treedt de +kerk binnen; daar ligt haar kloostergewaad op het altaar en +hangen de sleutels der sacristie waar zij die had opgehangen +dien laatsten keer vóór hare vlucht. Het uurwerk slaat middernacht; +als vanzelf grijpt zij het klokketouw en begint te luiden +voor de metten; daar komen de nonnen afgedaald van den +dormter en alles gaat als vroeger. De abdis heeft zich, op +verzoek der weduwe, die waant dat de moeder heimelijk gevlucht +is, met het onderhoud der kinderen belast. Maar altijd +blijft BEATRIJS bezwaard met het geheim van haar zondig leven. +Een visioen in den slaap brengt haar eindelijk tot volledige biecht +aan een abt bij zijn jaarlijksch bezoek aan het klooster. Evenals +de bisschop in het verhaal van THEOPHILUS, maakt ook de +abt de geschiedenis openbaar; doch anders dan de bisschop, +verzwijgt hij den naam van haar, wie deze dingen gebeurd zijn. + +<p>Zooals reeds uit het overzicht dezer twee verhalen kan zijn +gebleken, wint de <i>Beatrijs</i> het van den <i>Theophilus</i> in belangwekkendheid +en volheid van leven. THEOPHILUS is een der +velen van wie in de middeleeuwen het verhaal ging, dat zij +zich aan den duivel verkocht hadden; in de middeleeuwsche +literatuur is dat niets bijzonders; met het oog op dat punt +van overeenkomst de figuur van THEOPHILUS naast die van +FAUST te plaatsen, heeft weinig zin. Alles hangt ook hier af<a name="357"></a> +van de wijze, waarop een dichter eene dergelijke stof behandelt. +Wat heeft deze, ons onbekende, dichter van zijne stof gemaakt? +Naar het schijnt heeft hij andere bewerkingen der Theophilus-sage, +die in de <i>Acta Sanctorum</i>, de Latijnsche metrische bewerking +van MARBODUS, bisschop van Rennes, en eene Fransche +van GAUTHIER DE COINSY, gekend en gebruikt. Daardoor +wordt de oorspronkelijkheid van zijn werk binnen vrij enge +grenzen beperkt. Echter heeft hij binnen die grenzen toch +werk geleverd, dat, hoe ongelijk ook, hier en daar verdienstelijk +mag heeten. Niet zelden schrijft hij passages waar gang +en warmte in zijn, zoo b.v. THEOPHILUS' bede om verschoond +te mogen blijven van het bisschopsambt en zijne berouwvolle +weeklachten; levendig is het eerste onderhoud met den Jood +en belangwekkend naar den inhoud dat nachtelijk „manscap +doen" aan den Booze. Maar daartegenover staan te veel +andere deelen van het verhaal, waar onze belangstelling niet +gaande wordt gehouden, de wijdloopigheid ons verveelt, de +dichter beneden zijn onderwerp blijft. + +<p>Voor een deel moet de zwakheid van zulke deelen natuurlijk +worden toegeschreven aan het middelmatig talent van den dichter; +voor een ander deel waarschijnlijk ook hieraan, dat hij niet +zóózeer in zijne stof verdiept was als een kunstenaar zijn moet +om iets goeds voort te brengen. Meer dan eens laat hij zijn +verhaal in den steek om zich te richten tot zijne tijdgenooten, +om hen te berispen of te vermanen; zoo o.a. waar hij klaagt over +het gebrek aan nederigheid, waar hij zich keert tegen de +huichelaars, waar hij uitweidt over het onheil, door booze +tongen aangericht<a href="#13.12">[12]</a>. + +<p>Anders dan de auteur van <i>Theophilus</i>, was de, eveneens +onbekende, dichter van <i>Beatrijs</i> geheel <i>in</i> zijn verhaal. Hij +moge in den aanvang terloops een blik slaan op de hedendaagsche +nonnen, en elders—begrijpelijk in eene Maria-legende—<a name="358"></a> +met een paar woorden opwekken tot het bidden van een „Ave" +wanneer men MARIA'S beeld voorbijgaat—doorgaans toont hij +zich geheel vervuld van zijn verhaal en weet ons daarvan vervuld +te houden. + +<p>Blijkbaar was de stof den dichter bekend geworden door mondelinge +overlevering, geen voorbeeld bond of belemmerde hem en +die vrijheid van beweging is aan zijn werk ten goede gekomen. + +<p>Welk een gevoelige ingetogen kunst valt hier te bewonderen +in de wijze waarop de schoone non is uitgebeeld in haar strijd +met den vleeschelijken hartstocht, met „Venus die duivelinne" +zooals het lied <i>van Heer Daniëlken</i> het uitdrukt. Zij heeft +gevast en gebeden, zich gekastijd—alles tevergeefs; zij meent +te zullen sterven in dien strijd. Voor MARIA'S beeld stort zij +nacht en dag hare klachten uit; wat baat het? Zij vreest krankzinnig +te zullen worden. + +<p>Echter hield des dichters vroomheid zijne verbeelding hier +gestadig in toom. De schoonheid der non beschrijven, acht hij +niet oorbaar; haar leven als „ghemene wijf" gaat hij voorbij. +Op één plaats vlamt de hartstocht op: wanneer de gelieven +onder vogelgezang in het heldere licht door de groene velden +en de bosschen rijden en de jonkman BEATRIJS verlokken wil +om af te stijgen en zich minnelijk naast hem neer te vlijen in +het gras, vaart zij, beleedigd in hare kieschheid, tegen hem +uit: een dorper alleen zou zoo iets voorstellen! Maar, toorn +van gelieven is hernieuwing van liefde; bedwongen hartstocht +doet haar zeggen: + +<p class="quote">Waric in hemelrike gheseten, +Ende ghi hier in ertrike, +Ic quame tot u sekerlike. +</p> + +<p>Zelf schrikt zij van die opvlamming en bidt God om vergiffenis; +zij haast zich erbij te voegen dat de minste vreugde<a name="359"></a> +van den hemel verre staat boven alle aardsche genot. Wijs zijn +zij, die daarnaar streven; „maar desniettemin moet ik in zonde +vervallen om der wille van u, schoone lieve vriend." Duidelijker +nog zal deze strijd tusschen vroomheid en hartstocht worden +voor wie in de allerbevalligste Fransche novelle <i>Aucassin +et Nicolette</i> eene dergelijke uiting, hier van een minnaar, vergelijkt +met die van BEATRIJS en ziet hoe teugelloos de hartstocht +daar voortschiet<a href="#13.13">[13]</a>. Met naïef-teedere intuïtie heeft de +dichter ons het gevoel van beklemdheid getoond, dat BEATRIJS +bevangt onder het rijden, als de dag gaat doorbreken en hare +gedachten terugvliegen naar het klooster, waar zij anders +„priemtijt" zou hebben geluid. Welke bevallige miniaturen zien +wij in dat tooneeltje der beide gelieven aan weerszijden van +het getraliede venster en later in den boomgaard! Hoe goed +zijn ook de bouw en de evenredigheden dezer novelle, die +door hare zachte bevalligheid de forscher schoonheid van den +<i>Karel en Elegast</i> naar de kroon steekt. + +<p>Geen wonder dat zulk een verhaal indruk maakte, dat men +den invloed er van gewaar wordt in het derde bovengenoemde +Maria-verhaal: van <i>Jonitas en Rosafiere</i>. JONITAS, een jong en +vroom ridder, tevens vurig vereerder van MARIA, is verloofd +met de schoone ROSAFIERE. Op last van MARIA zegt hij haar +echter vaarwel; ROSAFIERE, onder een ongunstig gesternte geboren, +moet haren vader een kind baren en zeven jaren lang +een zondig leven leiden. JONITAS trouwt nu „t'Oriënten" ROSAFIERE'S +zuster EGLENTINE. In den bruidsnacht neemt ROSAFIERE, +met toestemming harer zuster, EGLENTINE'S plaats in. Zij weet +hare kuischheid te bewaren en JONITAS het geheim van hare +toekomst te ontlokken. Op haar verzoek brengt hij haar in +een klooster van Grauwe Nonnen, waar zij portierster wordt. +Haar vader keert terug uit den oorlog tegen de Sarracenen, +verneemt waar zij is, verkoopt zijne ziel aan den duivel, dringt<a name="360"></a> +met Satan's hulp het klooster binnen en maakt de voorspelling +tot waarheid. JONITAS brengt ROSAFIERE naar een ander land, +waar zij zeven jaren lang een zondig leven leidt. Nadat die +zeven jaren verloopen zijn, brengt hij haar terug in haar +klooster en verneemt, dat MARIA al dien tijd ROSAFIERE'S +dienst heeft waargenomen. ROSAFIERE zal abdis worden, +JONITAS met zijne echtgenoote spoedig in het hemelrijk worden +opgenomen. + +<p>Reeds uit dit overzicht zal gebleken zijn, dat dit verhaal op +een paar punten overeenkomst vertoont met dat van <i>Beatrijs</i><a href="#13.14">[14]</a>. +Andere deelen er van vindt men in andere middeleeuwsche +dichtwerken terug. Zoo is het b.v. opmerkelijk, dat wij het +motief der dochter, die haren vader ontvlucht om bloedschande +te ontgaan, aantreffen juist in een paar Fransche Maria-mirakelen +van dezen tijd<a href="#13.15">[15]</a>. Een ander motief: het verwisselen eener +bruid in den bruidsnacht, treffen wij aan o.a. in de geschiedenis +<i>van Tristan</i>, in die <i>van Baerte metten breden voeten</i> en +een Fransch „conte dévot"<a href="#13.16">[16]</a>. Ook de roman <i>van Limborch</i> +schijnt den vervaardiger van dit Nederlandsch werk niet onbekend +te zijn geweest<a href="#13.17">[17]</a>. + +<p>De wijze, waarop deze en andere bestanddeelen van dit +verhaal zijn verbonden, getuigt evenmin van eenig letterkundig +talent als de bewerking van het geheel. + +<p>Zoolang wij omtrent dit rijmwerk niet meer gegevens hebben +dan nu, is niet met voldoende zekerheid te zeggen of het +inderdaad nog tot de 14<sup>de</sup> eeuw behoort, evenals de twee +overige Maria-verhalen; inhoud, taal en dichttrant maken het +m.i. wel waarschijnlijk, doch het zou ook wel uit den aanvang +der 15<sup>de</sup> eeuw kunnen dagteekenen. Al ware dit bewezen, +dan nog zoude het hier niet misplaatst zijn als een +half-geestelijke, half-ridderlijke, onaanzienlijke nabloeier der +vroegere poëzie.<a name="361"></a> + +<h3>2. PROZA.</h3> + +<p class="intro">Heiligenlevens en Wonderverhalen. Leven van Alexander den Groote. +Reisverhaal van Joannes Witte de Hese. + +<p class="intro">Stemmen uit den Voortijd. Kerkvaders. Betrekkingen tusschen Nederlandsche +en Duitsche mystiek: Eckhart en Suso. Limburgsche Sermoenen. +Geschriften van den onbekenden leek en Jan van Leeuwen. + +<p class="intro">Ruusbroeck. + +<p class="intro">Eerste bijbelvertaling. + +<p>In de dertiende eeuw kon men zich de kunst van het woord +tenauwernood denken zonder maat en rijm; begrippen als +<i>poëzie</i> en <i>literatuur</i> omvatten bijna uitsluitend verzen of wat +daarop geleek. HADEWYCH'S proza alleen kwam dat wanbegrip +bestrijden; doch het mag betwijfeld worden of het door +velen is opgemerkt en in allen gevalle staat dat proza in dien +tijd alleen. + +<p>De veertiende eeuw geeft ons eene andere verhouding tusschen +epische geestelijke poëzie en geestelijk proza te zien. In omvang +reeds overtreft nu het proza de poëzie. Doch ook in beteekenis; +want hoog moge de poëzie stijgen in het liefelijk verhaal <i>van +Beatrijs</i>—die bevallige kleine kapel kan toch niet worden gelijk +gesteld met de statige kathedraal van RUUSBROECK'S mystiek. + +<p>Van menig hierboven behandeld geestelijk gedicht vinden +wij hier de weergade in proza. Zoo hebben wij een prozaverhaal +<i>van Sinte Kunera</i>, van <i>dBoec vanden Houte</i> en <i>van +Theophilus</i>, alle drie zonder literaire beteekenis<a href="#13.18">[18]</a>. Van het +verhaal <i>van Sinte Patricius' Vagevier</i> bezitten wij een tegenbeeld +in proza: het <i>Visioen van Tondalus</i>. + +<p>Opmerkelijk is hier, dat de vertaler zelf ons verzekert dat +het oorspronkelijk Latijn door hem „van woorde te woorde" +verdietscht is. Opmerkelijk is ook wat hij er bijvoegt om zijn +standpunt in dezen aan te geven: „Maer men sal weten dat ic +desen bouc niet en begheere te rimene, omdat icker no af no<a name="362"></a> +toedoen ne wille van den ghenen dat ic vand in lattine; ende +ooc so en es men gheen helighe scriftuere sculdich te rimene, +want in den rijm en es gheen ander voordeel dan dat den +hooren gheeft soeten luut, ende metten rimene so wert alle +helighe scriftuere gheconfondeert"<a href="#13.19">[19]</a>. + +<p>Misschien hebben wij hier de verklaring van het feit, dat +wij, naast sommige rijmwerken over geestelijke stoffen, prozabewerkingen +dierzelfde stoffen aantreffen. Waarschijnlijk echter +zal men hier rekening moeten houden ook met den aanwassenden +lust tot literaire werkzaamheid onder menschen die toch niet +allen de kunst van verzenmaken meester zullen zijn geweest. +Tot de wonderverhalen van dezen tijd behooren waarschijnlijk +ook een paar geschiedenissen van mirakelen, door SINT JAN +BAPTIST verricht<a href="#13.20">[20]</a>. Van den bekenden bundel <i>Vitae patrum</i> +waren de beide eerste boeken waarschijnlijk reeds in de 14<sup>de</sup> +eeuw in het Nederlandsch vertaald<a href="#13.21">[21]</a>. + +<p>Van heiligenlevens en wonderverhalen op het <i>Leven van +Alexander den Groote</i> schijnt naar de hedendaagsche opvatting +een groote sprong. Voor de middeleeuwsche denkwijze bestond +die sprong niet. Immers men vindt de historie van ALEXANDER +gewoonlijk ingevoegd tusschen de boeken van het Oude Testament, +geheel in overeenstemming met de toenmalige opvatting, +volgens welke de geschiedenis van het Joodsche volk de kern der +wereldgeschiedenis vormde. Wij kennen twee proza-bewerkingen +der Alexander-sage, die beide waarschijnlijk omstreeks het midden +of in de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw zijn ontstaan. De eerste, +die eenigszins vrij en grillig maar beknopt is, berust vooral +op Latijnsche bewerkingen: het zoogenaamd <i>Epitome</i> uit den +tijd van KAREL DEN GROOTE en de <i>Historia de praeliis</i> uit +de 10<sup>de</sup> eeuw. De tweede, die ordelijker en geregelder is, bevat +eene verdienstelijke paraphrase van Boek IV van MAERLANT'S +<i>Spieghel Historiael</i>, aangevuld met eenige hoofdstukken uit de<a name="363"></a> +<i>Historia Scholastica</i> en MAERLANT'S <i>Alexander</i>. De literaire +waarde van beide bewerkingen is gering<a href="#13.22">[22]</a>. + +<p>Verwantschap met legenden en mirakelverhalen heeft de +Alexander-sage bovendien door de wonderen waarvan wij reeds +bij eene vroegere gelegenheid melding maakten. Men verbaasde +zich over die wonderen van het verleden trouwens weinig in +een tijd, toen geloofwaardige priesters thuis kwamen met verhalen +van de wonderen die zij in het Oosten hadden gezien +of voor zeker hooren vertellen. De paleizen en kasteelen der +Keltische romans waren niet zooveel wonderbaarlijker dan „paep +JOHANS woninghe ende palaes" in Edessa, waarvan de Utrechtsche +priester JOANNES WITTE DE HESE ons vertelt in een Latijnsch +reisverhaal dat misschien in 1398 in het Nederlandsch is +vertaald<a href="#13.23">[23]</a>. + +<p>Bijzondere literaire verdiensten heeft het verhaal noch de +vertaling, maar beide zijn van belang voor wie den geest des +tijds er uit wil leeren kennen. Hoe is Palestina voor de +menschen van toen met recht „het <i>heilige</i> land"; hoe leeft het +bijbelsch verleden daar voor hen op! In Hermopolis ziet DE HESE +„een hof daer hadde onse lieve vrouwe in ghewoent" en eene +fontein waar zij „haer dinghen in plach te wasschen"; den +steen waaruit MOZES water deed springen, den bitteren stroom +dien MOZES door een roedeslag zoet maakte, eene fontein +waaraan S. PAULUS en S. ANTONIUS gezeten hadden. DE HESE +moge vrij wat ontleend hebben aan andere reisverhalen, zijne +mededeelingen vonden daarom niet minder gretig geloof. Vooral +het paleis van „PAEP JAN" (naar het schijnt, een tot het +Nestorianisme bekeerde Mongoolsche Khan) zal toentertijd indruk +gemaakt hebben. Dat paleis rust op negenhonderd pilaren; alle +nachten wordt het door duizend gewapende mannen bewaakt; +men gaat vijfhonderd treden eener trap op, voordat men aan +de eerste verdieping komt; op elke trede staan levende leeuwen<a name="364"></a> +die elken ongeloovige of heiden die er op komt verscheuren; +op de eerste verdieping wonen de profeten, op de tweede +de patriarchen, op de derde de heilige jonkvrouwen enz. In de +eetzaal van „paep JOHAN" is eene tafel van zoodanigen aard, +dat indien er vergiftige spijs op wordt gezet, die spijs niemand +zou hinderen. Er is een klok die, wanneer zij geluid wordt, +alle booze geesten doet vluchten, zoodat bezetenen indien zij +haar hooren, hun verstand herkrijgen; er zijn vaten waarin de +spijs altijd zuiver blijft en haren smaak behoudt. Het gansche +paleis kan omgedraaid worden als een rad en het is rond +gewelfd gelijk de hemel. In de zoldering van het gewelf staan +kostbare steenen die het paleis des nachts verlichten „recht of +die sonne daer in scheen des middaghes". In paep JOHANS +slaapkamer eindelijk is o.a. een reus die zwaargewapend is +„ende men seghet, ginghe enich quaet mensche of viant daer +in na der sonnen onderghanc, soe soude hem die roese ter +stont doet sclaen". Die reus is gegoten van metaal en versierd +met edel gesteente. + +<p>Daar kon zelfs het paleis van koning WONDER niet tegen op! + +<p>De tot dusver behandelde proza-werken worden in belangrijkheid +en schoonheid overtroffen door het proza, dat, meer +dan het overige, diende tot uitstorting van eigen en opbouw +van anderer gemoedsleven. Evenals in de overige landen der +Westersche Christenheid, ontwikkelde het godsdienstig gemoedsleven +zich te onzent onder den invloed van de geschriften der +kerkvaders. Hoe zou het ook anders? In de werken van +AUGUSTINUS, zijne tijdgenooten en hunne opvolgers was zooveel +diepe gedachte en fijn gevoel, zooveel vernuftige allegorie +en verheven symboliek, zooveel schoonheid ook van vorm, +dat de Nederlandsche geestelijken dier dagen wel kortzichtig +zouden zijn geweest, indien zij met dat alles niet hun voordeel<a name="365"></a> +hadden gedaan. Bewondering leidde ook hier tot overneming +en navolging. Vele preeken en andere stichtelijke geschriften +der 14<sup>de</sup> eeuw bestaan, naar het schijnt, hoofdzakelijk uit +aaneengeregen gezegden der kerkvaders, oudere en jongere, +onder wie vooral S. BERNARDUS op den voorgrond komt<a href="#13.24">[24]</a>. + +<p>Maar naast den invloed der kerkvaders moet die der Duitsche +mystiek worden genoemd, waar sprake is van de ontwikkeling +van het Dietsche proza als uiting van het godsdienstig +gemoedsleven. Echter is hier niet alleen sprake van geven, +doch ook van nemen. Het is vooral Meester ECKHART op +wien wij hier het oog moeten richten, want de twee andere +groote mystieken der 14<sup>de</sup> eeuw, SUSO en TAULER, waren +beiden zijne leerlingen, al gingen zij ook eigen wegen. + +<p>Meester ECKHART, „wien God niets verborg," zooals een +schrijver van lateren tijd het uitdrukt, was in menig opzicht +de grootste en zeker de diepzinnigste der Duitsche mystieken. +Zijne opvatting, beschouwing en uiteenzetting van het wezen +Gods en het wezen der ziel, die twee assen, waarom zijn +stelsel draait, zijn even stout als verheven en goeddeels +oorspronkelijk, al dankt ook hij veel aan de geschriften der +kerkvaders. Waar ECKHART spreekt van het <i>wezen</i> bedoelt hij +datgene, dat alle dingen nog ongedeeld in zich omsloten houdt, +waarin alle dingen nog eene stille kracht zijn; de duisternis, +waaruit het licht nog niet geboren is; den baaierd, rijke bron +van alle kracht en macht, onbewegelijk, niets voortbrengend. +God heeft zich geopenbaard in den Zoon, als uitstraling van +Zijn Wezen, die voortdurend zich hernieuwt en eeuwig zal +blijven bestaan. Het eerst, wat de engelen zagen, nadat zij +geschapen waren, was het Wezen des Vaders en hoe de Zoon +uit het hart des Vaders te voorschijn brak als een groene loot +uit een boom. In den Heiligen Geest erkennen beiden hun +wezen; „Vader en Zoon hebben éénen wil, dat is de Heilige<a name="366"></a> +Geest". De mensch, door God geschapen, is bestemd ééns +boven de engelen te stijgen, daar de menschelijke ziel met +God één zal worden. Daarom moet de ziel streven naar eene +volslagen ledigheid en lijdelijkheid; immers eerst wanneer zij +die bereikt heeft kan zij van God vervuld worden. Om dat +hooge doel te treffen moet de mensch alle vleeschelijke lusten +en begeerten in zich dooden; dan eerst wordt de mensch +waarlijk mensch. In overeenstemming met die beschouwing is, +dat wij in ECKHART'S werk overal het innerlijke tegenover en +boven het uiterlijke geplaatst zien, dat hij met instemming het +woord van DIONYSIUS AREOPAGITA aanhaalt „de hel dat is: +gescheiden zijn van God, en het hemelrijk: Gods aangezicht"; +voor ECKHART is er eene opstanding slechts der ziel en het +Laatste Oordeel zal slechts hierin bestaan, dat het eigenlijk +wezen van ieder mensch wordt onthuld. + +<p>Maar hoe ook geneigd tot afdalen in de diepten zijner rijke +ziel om van daar het edel erts zijner mystiek opwaarts te +brengen, toch stelt hij het werkende leven boven het schouwende +leven. „Want al ware de mensch ook in eene geestesverrukking +als die van PAULUS en wist hij ergens een zieke +wien hij met een soepje kon helpen, dan zou hij veel beter +doen door uit liefde te scheiden uit zijne verrukking en den +behoeftige te dienen uit meerder liefde"<a href="#13.25">[25]</a>. + +<p>Toen ECKHART deze en dergelijke dingen begon te schrijven, +was RUUSBROEC nog maar een knaap; met zijne geschriften +konden onze voorouders hun godsdienstig gemoedsleven nog +niet opbouwen. HADEWYCH'S werk was blijkbaar niet geheel +onbekend en werd ook in de 14<sup>de</sup> eeuw nog wel gelezen, maar +was toch niet toereikend om de behoefte aan mystieke lectuur +te bevredigen<a href="#13.26">[26]</a>. Het is dus begrijpelijk, dat ECKHART'S werken +hier opgang maakten. In handschriften, deels uit de eerste deels +uit de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw, vinden wij verscheidene<a name="367"></a> +zijner tractaten, sermoenen en exempelen vertaald; zijne eigenaardige +terminologie treffen wij voor een deel ook in Middelnederlandsche +werken van dien tijd aan. Al ontbreekt het in +die vertaalde werken niet aan bespiegelingen zooals b.v. in het +tractaat <i>Diu zeichen eines warhaften grundes</i>, zoo schijnen toch +vooral de exempelen en verhalen met practische strekking hier +in den smaak te zijn gevallen. Ik heb het oog op verhalen als +dat van S. BERNARD en „een bruer in sinte bernardus clooster +die altoos gheerne in syn celle alleen was" en die op S. BERNARD'S +vraag naar zijne bezigheden antwoordt: „In den eersten heb ic +een wilde beeste te temmen ... die wilde beeste zijn myn +vyf wilde sinnen, die costen my groote arbeydt te temmen." +Op het stichtelijk exempel „van eenen devooten vraukin" dat +vertelt van haar werk op Dinsdag: „als ic mijne voghelen +antiere"<a title="[margin: zich bezig houden met.]"><sup>#</sup></a>. Die vogels zijn namelijk hare vijf zinnen en zij +bepeinst dan: „dat ic se meer ter werelt ghekeert hebbe dan +tot Gode ende dat ic myne ooghen so qualic bewaert<a title="[margin: gepast heb op.]"><sup>#</sup></a> hebbe." + +<p>Ook bespiegelingen over de „godlike mynne" zullen wel in +den smaak zijn gevallen der geestverwanten van WILLEM VAN +AFFLIGHEM en HADEWYCH. + +<p>Het is er echter verre van, dat ECKHART'S geschriften hier +te lande louter instemming zouden hebben gevonden. Immers +ook in Duitschland waren vooral onder de geestelijkheid velen, +wien zijne leer aanstoot gaf omdat zij haar in strijd achtten met +de leer der Kerk. Meer dan eens heeft hij dan ook terecht +moeten staan voor de Inquisiteurs en al heeft hij zich kunnen +vrijpleiten, zoo blijkt toch wel dat zijne leer naar den mutsaard +rook. Het karakter der mystiek in het algemeen en dat van +ECKHART'S mystiek in het bijzonder die den mensch ten slotte +tot God liet worden, maakt die beschuldiging van ketterij licht +verklaarbaar. Doch bovendien werd ook door deze mystiek +het middelaarschap der priesters tusschen God en den mensch<a name="368"></a> +in den wortel aangetast en heeft menig geschrift, van hem of +aan hem toegeschreven, de strekking om te doen zien, hoeveel +hooger geestelijke volkomenheid kon bereikt worden door leeken +dan door geestelijken. Van dien aard is b.v. een verhaal van +eene ontmoeting tusschen een doctor in de godgeleerdheid en +een arm man, die, gekwetst, „sonder cousen ende baervoets" +vóór de kerk zit. De doctor staat verbaasd over de diepe +gedachten, godsvrucht en vroomheid van den armen man en +vraagt hem ten slotte: Wat creature sijdij ende van wat gheslachte? +De man seyde: Ic ben een conync.—Conync, seyde +die meester, hoe muecht ghij een conync ghesijn, anghesien +u aermoede ende waer es u conyncrijcke? De man seide: Mijn +siele, dats mijn rijcke, als ic die dueren sluute van mijnen vyf +sinnen ende soucke mijnen alder liefsten Jhesum Christum duer +'t ghelove, alle eertsche saken achter latende. Oec vyndic Gode +int diepe van mijnre sielen duer sijn gracie, ende also, mijn +vrient, ic segghe hu inder waerheit, dit conincrycke passeert +ende gaet te boven alle de rijcken die up eerderijc sijn; want +tes een conyncrijcke dat nemmermeer hende nemen en sal. + +<p>Zoo is het dan niet vreemd dat in zeker tractaat de leeken +gewaarschuwd worden tegen „eggardus sermone"; noch dat +ECKHART bij sommigen doorging voor den vader van de kettersche +secte der Vrije Geesten; noch dat JAN VAN LEEUWEN, +de kok van RUUSBROEC'S klooster Groenendaal, vóór 1355 +„een boecxken van meester ECKAERT'S leere" schreef om den +meester van dwaling te overtuigen. Indien men weet dat dit +„boecxken" aanvangt met: „Het was een duvelijc mensche, hiet +meester ECKAERT", dan verwondert men zich niet over uitdrukkingen +als: „meester ECKAERT hadde alsoe vele ghewaregher +oeffeninghen alse die padde steert heeft ende ooc +alsoo vele als die duvel in caritaten ende in minnen leeft." +Wel heeft de kok zijne beschuldigingen in een later geschrift<a name="369"></a> +herroepen, doch zijne eerste indrukken blijven er even merkwaardig +om<a href="#13.27">[27]</a>. + +<p>Leerling van ECKHART, toonde HEINRICH SUSO, een tijdgenoot +van RUYSBROECK, zich vooral in zijn eene hoofdwerk: +<i>het Boek der Waarheid</i>, waarin de speculatieve mystiek tot de +erkentenis van Gods wezen tracht door te dringen. Het is +opmerkelijk, dat, naar het schijnt, niet dit werk van SUSO, +maar slechts zijn andere voorname geschrift: <i>Horologium aeternae +sapientiae</i> (c. 1337), op het eind der 14<sup>de</sup> eeuw in het +Nederlandsch is overgebracht. Dit werk namelijk is een voortbrengsel +der practische mystiek. Geboren uit een oneindig +verlangen naar een hoogste goed, dat de ledigheid der ziel +zal vervullen met duurzamen vrede, behandelt het vooral het +lijden van CHRISTUS. De idealen der eeuwige waarheid, goedheid +en schoonheid zijn door SUSO samengevat in het begrip +der eeuwige wijsheid. In den vorm van een gesprek tusschen +CHRISTUS, die de eeuwige wijsheid is, en een dienaar, ontvangen +wij hier schilderingen van de heerlijkheid dier wijsheid, +van de goddelijke minne, de hemelweelden, het lijden van +CHRISTUS en MARIA. De weg tot een leven met en in CHRISTUS +wordt dan aangewezen en het geschrift besloten met eene verheerlijking +van God. + +<p>Vooral in dit werk toont deze „Minnesinger in Prosa" eene +innigheid en diepte van gevoel en eene hooge opvatting der +geestelijke minne, die wel indruk moesten maken op een +Nederlandsch publiek, dat de lyriek van HADEWYCH en MAERLANT +en een werk als dat van WILLEM VAN AFFLIGHEM +geheel of ten deele kende. Het kan kwalijk anders of ook +onze landgenooten moeten onder den indruk zijn gekomen +van het verhaal van SUSO'S bekeering, van eene wonderfraaie +passage daaruit als deze: „Doen gheviel op enen dach +dat ic ongheduerich was van moede, ende sach al omme ende<a name="370"></a> +sochte een stat om mi te rustene in die scaduwe, want ic +scuwen woude die middach hitte; daer sach ic op enen hogen +berch alse ene scone edele veltbloeme, die lusteleken was aen +te siene ende scoen sceen sonder ghelike allen den bloemen +die ic ghesien hadde. Doen ic mi haeste dese bloeme te siene, +doen wert si verwandelt<a title="[margin: veranderd.]"><sup>#</sup></a> ende en sceen niet meer bloeme, +maer si scheen ene godinne alre scoenheit voir mi staende. +Si roedde<a title="[margin: bloosde.]"><sup>#</sup></a> alse ene roede rose; si blicte<a title="[margin: schitterde.]"><sup>#</sup></a> alse snee ende si +scheen claerre dan die sonne ende hair sprake was vol scoenheden. +Dese godinne hadde in hare alle dat men begheren +mochte, ende van hair soe ghinc zoeten roke verre ende wide, +daer si mede toech<a title="[margin: trok.]"><sup>#</sup></a> tot hare minnen alle die ghene die den +roke ghevoelden." + +<p>Deze godin blijkt de „moeder der scoenre minnen" te zijn; +zij bemoedigt hem en hij spreekt haar toe. + +<p>Anderzijds verwondert het ons niet, bij een kenner der mystiek +de onderstelling te vinden, dat SUSO de geschriften van +THOMAS VAN CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY heeft gekend. +De levensgeschiedenissen der ecstatische vrouwen, ons door +JACOB VAN VITRY verhaald, komen ons weer in de gedachte, +als wij hooren van SUSO'S bijna bovenmenschelijke zelfpijnigingen +tusschen zijn 18<sup>de</sup> en 40<sup>ste</sup> jaar: het haren onderkleed +met ijzeren nagels, die in zijn vleesch drongen; zijne handen +geboeid, opdat het ongedierte vrij spel zou hebben op zijn +lichaam; het kruis met spijkers, waar hij op lag; de deur, +waarop hij sliep; honger, koude, dorst, geeselingen ten bloede—totdat +zijn lichaam gezwollen, vol zweren en litteekens, en zijne +sidderende handen hem waarschuwen, dat zijn leven gevaar loopt. + +<p>Misschien ook heeft SUSO persoonlijke betrekkingen aangeknoopt +met Nederlandsche geestverwanten, toen hij, evenals +ECKHART, van ketterij beschuldigd, in 1335 voor het Provinciaal +Kapittel van 's-Hertogenbosch moest terechtstaan<a href="#13.28">[28]</a>.<a name="371"></a> + +<p>Meer zekerheid dan omtrent SUSO'S betrekking tot de Nederlandsche +mystiek geeft ons een bericht aangaande den derden +der groote Duitsche mystieken: JOHANNES TAULER, evenals +SUSO een tijdgenoot van RUYSBROEC, doch met dezen bekend +en zelfs een zijner bewonderaars. In een geschrift van dezen +tijd lezen wij: „Dese Tauweler hadde den prior Jan van Ruysbroeck +in groter ende sonderlingher reverenciën. Daer om dat +hi en oec dick te visiteren plach ... navolghende, als een +oetmoedich discipel des prioers, syns meesters voetstappen, +welcke leere hi oec te menighen steden heeft doen vloyen als +een rivier, comende ut Ruysbroecs boecken<a href="#13.29">[29]</a>." + +<p>Het mag alweer eene bijdrage heeten tot kenschetsing der +Nederlandsche mystiek, dat wij haar in nauwe betrekking zien +juist tot dien Duitschen mysticus, bij wien het zedelijk godsdienstige +en de praktijk van het zedelijk leven op den voorgrond +stonden. RUYSBROECK'S invloed bepaalt zich niet tot TAULER. +Wij weten, dat zijn werk hooggeschat werd ook onder de +zoogenaamde „Gottesfreunde" van Straatsburg en dat hun hoofd, +RULMAN MERSWIN, nog in zijne laatste levensdagen RUYSBROECK'S +<i>Chierheit der geestelijker Brulocht</i> voor de broeders vertaalde. + +<p>In RUYSBROECK'S verhouding tot de Duitsche mystiek kunnen +wij hier niet dieper treden; wij moeten dat uitstellen, totdat +wij hem zelven en zijn werk gaan beschouwen. Eerst hebben +wij nog te spreken over andere mystieke geschriften. Ik heb +hier het oog vooral op de zoogenaamde <i>Limburgsche Sermoenen</i> +waarin zich de invloed der Duitsche mystiek op de Nederlandsche +vertoont. Deze bundel bevat 48 preeken, waarvan +twee derde stellig en de overige vermoedelijk vertaald zijn uit +het Hoogduitsch. De vertaler was waarschijnlijk afkomstig uit +de buurt van Maastricht of Tongeren; zijn werk schijnt te dagteekenen +uit de jaren tusschen 1320 en 1350. Verscheidene dezer +preeken zouden, ook al waren zij oorspronkelijk, van geringe<a name="372"></a> +beteekenis voor de literatuurgeschiedenis zijn, omdat zij, evenals +andere vroeger aangeduide, bestaan hoofdzakelijk uit aaneengeregen +citaten. Doch andere zijn van meer beteekenis<a href="#13.30">[30]</a>. +Dat deze preeken uit de kringen der mystiek afkomstig zijn, +mag men aannemen op grond van den inhoud, die in menig +opzicht verwant is met dien van andere mystieke preeken der +14<sup>de</sup> eeuw<a href="#13.31">[31]</a>. Zoo b.v. de opvatting der „minne" in de preek +van „negenrehande minne", die zich onder den invloed van +SINT BERNARD schijnt te hebben gevormd<a href="#13.32">[32]</a>. In „dboec vanden +boegarde" vinden wij de allegorie en het niet zelden spitsvondig +vernuft waarvan de mystieke predikers van dezen tijd zich +gaarne bedienen<a href="#13.33">[33]</a>. Op menige plaats in dezen bundel worden +wij getroffen door eene innigheid van gevoel en eene hoogte +van vlucht, zooals wij ze slechts bij de mystieken vinden. + +<p>Ik wijs op de plaats waar van een God minnende ziele gezegd +wordt: „Susdans<a title="[margin: zoodanig.]"><sup>#</sup></a> menschen wort ende werc ende al sin leven +es onder anderen liden<a title="[margin: lieden.]"><sup>#</sup></a> een bloyende paradis van dogeden +ende van lichten levene"<a href="#13.33">[33]</a>. In de preek „van seven maniren van +minnen" lezen wij: „Sulke stont<a title="[margin: soms.]"><sup>#</sup></a> geschiet dat die minne sutliken +in der sielen verweckert<a title="[margin: aangewakkerd.]"><sup>#</sup></a> wert ende blidelike op versteet ende +har selver berurt int herte sonder enech tuduen<a title="[margin: toedoen.]"><sup>#</sup></a> van menscheliken +werken. Ende wert dan therte so morweliken gerenen<a title="[margin: inniglijk beroerd.]"><sup>#</sup></a> in minnen +ende so begerliken getrect, so hertelic bevaen in minnen, so +liflic behelst in minnen, dasse altemalen verwonnen wert metter +minnen. Hirin gevulse eenre groter naheit te Gode ende ene +gestelike clarheit ende wonderlike verwentheit<a title="[margin: weelde.]"><sup>#</sup></a> ende ene edele +vriheit ende een groet bedwanc van starker minnen ende ene +overvludege volheit van groter genugden; ende dan gevultse +dat al har sinne sin<a title="[margin: zijn.]"><sup>#</sup></a> in der minnen ende al har wille es +worden minne, ende dasse so dipe es versonken ende verswolgen +in minnen ende selver al es worden minne. Die schonheit +des minnen hefse geschoent, die cragt der minnen hefse<a name="373"></a> +vertert, die sutheid der minnen hefse versonken, die geregtheid +der minnen hefse verswolgen, die edelheit der minnen hefse +behelst, die purheit der minnen hefse geschirt<a title="[margin: gezuiverd.]"><sup>#</sup></a>, die hogheit der +minnen hefse boven getrect, ende in hare geënget<a title="[margin: vereenigd.]"><sup>#</sup></a>, soe dasse +altemale mut sin der minnen ende anders nit en mach plegen." + +<p>Een eind verder in diezelfde preek is sprake van de ziel +voor wie het leven op aarde „groote ellende en zware gevangenis +en hevige kwelling" is, die verlangt naar het „zoete +gezelschap van de geesten daarboven, die overvloeien van +minne"; de prediker vervolgt dan aldus: „Har wille es dar +boven onder die geste<a title="[margin: geesten.]"><sup>#</sup></a> ende har begerlike wandelinge, ende +meest onder die bernende seraphine; ende in die grote Gotheit +ende in die hoge Drivuldecheit es har liflicste rastinge<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a> ende +har genuglicste woninge. Si suctene in sinre majesteit, si volgt +hem dar ende siten ane<a title="[margin: ziet hem aan.]"><sup>#</sup></a> met herten ende met geste. Si kenten, +si minten, si begerten, soe dasse en can gagten<a title="[margin: achten.]"><sup>#</sup></a> heilgen noch +engle, menschen noch creaturen dan met gemeinre<a title="[margin: gemeenschappelijk.]"><sup>#</sup></a> minnen +in heme, darse al mede mint; ende heme allene hefse verkoren +in minnen boven al ende onder al ende binnen al." + +<p>Hier en daar toont dit proza in het werken met tegenstelling +en parallellisme, ook in het bouwen van lange zinnen, eene +kunstvaardigheid zooals die tot dusver in ons proza niet gezien +was. Door de samenspraak weten de schrijvers dezer preeken +soms eene hooge mate van levendigheid te bereiken. Zoo b.v. +in <i>Dbuec van Heren Selfarts<a title="[margin: egöist.]"><sup>#</sup></a> regelen</i> in passages als deze: +„Wie<a title="[margin: hoe.]"><sup>#</sup></a> sal ic mi selver bekennen?—Ic segt di. Met vif dengen. +Dirste es daste arm best; dander daste cranc best; terde daste +quaet best; tfirde daste vel sculdech best; tfifde daste onscoen +best.—Du hefs mi seer gescouden<a title="[margin: berispt.]"><sup>#</sup></a>; es dit waer, so bennic +sere bedrogen an mi selver. Want ic waende ric ende scoen +wesen, starc ende dogentlic. Nu berigt mi: war ombe ben ic +arm?—Die nit guts en heft, es di arm?—Ja er<a title="[margin: hij.]"><sup>#</sup></a>.—So<a name="374"></a> +beste arm. Dun hefs<a title="[margin: gij hebt niet.]"><sup>#</sup></a> cleder noch spise, penninch noch penwert<a title="[margin: ter waarde van een penning.]"><sup>#</sup></a> +van di selver. Pruve<a title="[margin: overweeg.]"><sup>#</sup></a>: wat brechste here<a title="[margin: bracht gij hier.]"><sup>#</sup></a>, ende wat sauste +hen vuren? Alt gut daste hefs, dat hefste van Gode: sin est<a title="[margin: het is van Hem.]"><sup>#</sup></a>, +hi gevet, hi nemet. Nu seg ochte<a title="[margin: of gij.]"><sup>#</sup></a> arm sis.—Dat weet God, +ja ic! ic ben arm. Nu sege mi: war ombe ben ic cranc?" enz. + +<p>Wij weten niet of dit proza in ruimen kring verbreid is +geweest; maar ook binnen een beperkten kring van hoorders +en lezers kan het allicht eenigen invloed ten goede hebben +geoefend op de ontwikkeling van het Dietsche proza. + +<p>De betrekking tusschen de Duitsche en de Nederlandsche +mystiek wordt gekenschetst niet alleen door wederzijdsch +geven en nemen maar ook door het voorkomen van gelijke +of gelijksoortige uitingen en vormen. In de Opperduitsche +Dominicaner-nonnenkloosters van de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw +wordt het mystieke leven, zooals wij dat vroeger onder de +Cisterciënser-nonnen leerden kennen, voortgezet. Tal van adellijke +vrouwen en meisjes laten zich in die kloosters opnemen +om daar de wereld en zich zelve te leeren verloochenen. Al +deze nonnen, onder wie ELISABETH STAGEL, SUSO'S vriendin, +en CHRISTINA EBNER tot de meest bekende behooren, streven +onder ontbering en zelfkastijding naar éénheid met JEZUS. +Extatische toestanden en visioenen zijn dagelijksch brood voor +haar; de meesten zijn ontwikkeld, eenige hebben mededeelingen +uit haar eigen en anderer leven te boek gesteld. + +<p>Naar het schijnt, hebben wij een, met die geschriften verwant, +Nederlandsch werk in het boek <i>van machteldis visioenen</i>. +Voorzoover ik heb kunnen nagaan, bevat dit geschrift geene +vertaling der werken van de begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG, +die wij vroeger leerden kennen<a href="#13.34">[34]</a>. + +<p>Zeker hebben wij met zelfstandige Nederlandsche uitingen te +doen in het merkwaardig geschrift van een onbekenden leek<a name="375"></a> +dat omstreeks 1333 schijnt te zijn ontstaan en in de werken +van „den goeden coc van Groenendaal" JAN VAN LEEUWEN, +over wien wij reeds spraken<a href="#13.35">[35]</a>. + +<p>Het geschrift van den onbekenden leek, die misschien in +Noord-Nederland leefde, heeft den gewonen vorm van een +samenspraak tusschen den auteur (die ook wel een vrouw kan +zijn geweest) en Meester EGGAERT, die in den aanvang „een +uutgenomen licht van hemelscher wijsheit" wordt genoemd. + +<p>Wat ons in deze samenspraak al dadelijk treft, is het gevoel +van zelfstandigheid tegenover de priesters. Niet tegenover de +priesterschap op zich zelve; hij zou wel eerbied voor hen +hebben, indien zij waren wat zij moesten zijn: „lichtdraghers +der heiligher kerken." Maar dezulken schijnt hij niet te kennen. +Over het algemeen heeft hij van priesters en kloosterlingen +geen hoogen dunk. Hun geestelijk „habijt" boezemt hem weinig +eerbied in, omdat hij er door heen zooveel wereldschgezindheid +ziet, zooveel hoogmoed, eerzucht, zinnelijkheid en laagheid. +Een goed mensch is meer monnik voor de oogen Gods +dan die het „habijt" draagt en ongeestelijk leeft. Wee allen, +die zijn „apostelen in die tonge ende rabaude in die oefeninghe<a title="[margin: schurken in de practijk.]"><sup>#</sup></a>" +roept hij uit. Hij oefent critiek op beweringen van +priesters, „meesters in de vrië consten," die hij gehoord heeft; +hij stelt hunne laatdunkendheid tegenover de leeken aan de kaak. + +<p>Zijn gevoel van zelfstandigheid openbaart zich niet minder +in zijne opvatting van geloof en kerkleer. Welk eene stoutheid +van denken vinden wij in dezen middeleeuwer, die durft +schrijven: „Die salighe minnende siele is godliker op haer +bedde dan in die kerc!" Soms vervoert die stoutheid van +denken hem tot vragen, waarvoor hij zelf terugschrikt. Een +oogenblik twijfelt hij aan de Drie-eenheid. Hij schroomt niet, +Meester EGGAERT de vraag voor te leggen: „Plach God te +lieghen, dat Hij Moyses niet en liet dat lant, dat Hij hem<a name="376"></a> +belooft hadde?" Doch als hij vraagt: „Meester Eggaert, hemel +en aarde hadden een begin, en God is eeuwig. Waar was +God dan vóór de schepping?" dan is het antwoord: „Al daer +en betaemt geen leec na te vraghen, noch om te peysen." + +<p>Ook tegenover ECKHART weet hij zijne zelfstandigheid te +bewaren, want visioenen stelt hij lager dan deze; hij gelooft, +dat ze meerendeels het werk zijn van booze geesten. Met de +overdreven MARIA-vereering kan hij zich niet vereenigen, +evenmin met die van apostelen en heiligen; allen zijn zij +Gods schepselen, „God es die fonteyne van alre doecht." +Dat sterke besef van God als de bron van alle goed brengt +hem tot de schijnbaar ongerijmde, maar juist daardoor zoo +sterk sprekende uiting: „Ik zou liever met God in den afgrond +van de hel zijn, dan met Maria en alle heiligen en alle engelen +in den hemel zonder God." Ook voor mirakelen en het aanbidden +van beelden gevoelt hij weinig. De goede „verlichte" +menschen zoeken geen mirakelen. Slechts onverlichte menschen, +zwak van geloof, aanbidden heiligenbeelden. Hij gaat zelfs +zoover van te zeggen: „Eer ik één goed mensch van honger +liet sterven, zou ik een vuur maken van alle beelden te Aken, +te Aardenberg en te Katwijk en er voor hem eten op koken." + +<p>Hier hoort men ander vuur knappen dan dat van den +mutsaard, waarop de ketters verbrand werden! Hier gloeit +reeds een sprank van het vuur dat later zal uitslaan in de +Hervorming. Een anderen sprank van dat vuur zien wij in +zijne ergernis over de vervolging, waaraan beggaarden en begijnen +toentertijd blootstonden vanwege de geestelijke inquisiteurs. +Levendig is reeds in hem het besef: God moet men +gehoorzamen boven alle menschen en boven alle prelaten. +Ook de paus, al is hij een aardsch god, heeft geen recht iets +te bevelen, dat in botsing komt met wat God geboden en +verboden heeft.<a name="377"></a> + +<p>Hier is reeds de godsvrucht die geen menschenvrees kent +en zich afhankelijk gevoelt van God alleen; nu nog maar +aanwezig in een enkele, doch die gaandeweg zal aanwassen +en zich uitbreiden over duizenden bij duizenden. + +<p>Het verrast ons niet, bij een man, zoo onafhankelijk van +geest als deze leek, de opvatting van <i>adel</i> en <i>dorper</i> terug te +vinden, die wij vroeger door MAERLANT hoorden verkondigen. +Zijn oog blijft dan ook niet gesloten voor zoovele maatschappelijke +misstanden, voor het onrecht in de verhouding tusschen +rijken en armen; en zoo hij aan boeren en ambachtslieden +onderwerping predikt, het is in bitterheid des harten. + +<p>Toch is het niet vooral op deze wereld, dat hij den blik gericht +houdt; als elk waarachtig christen, heeft hij een heimwee +naar hooger, reiner leven: „Siet, wij sijn al pelgrims ... ende wij +gherne waren tot ons vaders lande, daer wij toe ghemaect sijn." + +<p>Datzelfde heimwee vinden wij in de geschriften van den +goeden kok van Groenendaal, waar hij verzucht: „Rechts<a title="[margin: volkomenlijk.]"><sup>#</sup></a> es +hier mijn leven ende mijn daghelijcsche ghevoelen, als een +armen ghevanghenen te moede es, die droeve ende serich +leghet, ya al vol rouwes in eenen aleyndeghen<a title="[margin: ellendig.]"><sup>#</sup></a> kerkere des +lichamen bevaen<a title="[margin: omvangen.]"><sup>#</sup></a> ende besloten." + +<p>En dit is—begrijpelijkerwijze—niet het eenig punt van +overeenkomst tusschen deze twee tijdgenooten. Ook JAN VAN +LEEUWEN ergerde zich aan het schreeuwend verschil tusschen +leer en leven van zoovele geestelijken, aan de hebzucht, gulzigheid +en wellust van vele prelaten; „die duvel regneert nu onder +dat gheestelijke volc"—aldus vat hij ergens zijne indrukken +van hun handel en wandel samen. Ook bij hem vinden wij +die neiging tot terugkeer naar den apostolischen eenvoud en +het christelijk communisme. Ook bij hem een ruimer en hooger +opvatting van vroomheid dan in die dagen het deel der meesten +was. Hier en daar weet hij die opvatting weer te geven met<a name="378"></a> +treffende levendigheid en gezonde luim. Zoo b.v. waar hij +spreekt over de trouwe kerkgangers die telkens weer in zonden +vallen, maar genoeg wanen te doen door eens in het jaar ter +biecht te gaan. „Soe seggen si: „Here, ic hebbe gheloghen +ende ghesworen. Ic en weet niemeer. Vraecht mij voert.... Ende +dan seit die pape<a title="[margin: priester.]"><sup>#</sup></a> ter selver stont—ende es also droncken +als een hont—„Absolvo te!" dats in dietsche: „Ic ontbinde +oft ic absolvere di." Ende dan seit die pape: „Joffrouwe, gaet +thuuswert; sijt onverveert. Vallen ende opstaen es menschelijc." +JAN VAN LEEUWEN heeft ook dien waarheidszin die hem +doet schrijven: „Want ic bin der waerheyt meer sculdech dan +alre menschen of oec enechs menschen hulde<a title="[margin: genegenheid.]"><sup>#</sup></a> te houdene, +daer ic de waerheyt yet verswighen soude. Omme sterven of +oec omme leven en sal men der waerheyt niet afgaen, maer +wy selen rechte doerliden<a title="[margin: doorgaan.]"><sup>#</sup></a> voor de oghen Gods, sonder +yemene<a title="[margin: iemand.]"><sup>#</sup></a> te spaerne om gheniets<a title="[margin: voordeel.]"><sup>#</sup></a> wille, noch arme noch +rike, noch vriende noch maghe." + +<p>Echter blijft hij zich wel bewust van de grenzen die hij hier +moet in acht nemen: „van den alder quaetsten willic swighen". +Hij heeft niet de onafhankelijkheid van geest, waarmede de +onbekende leek zich tegenover kerk en priesters durft plaatsen; +hij wil of durft zich niet zoo uitlaten als deze over Mariadienst, +mirakelen, heiligenbeelden, vervolging om den geloove. Visioenen +zullen wel in eere zijn geweest bij hem, die zich bevoorrecht +gevoelde door de „gracie Gods" die hem het „scouwende leven" +deelachtig had gemaakt. + +<p>In dat alles was „de goede kok" een man van zijn tijd, een +middeleeuwsch Katholiek; den onbekenden leek mag men „een +middeleeuwsch Protestant" noemen. + +<p>Dat JAN VAN LEEUWEN was zooals hij was, moet zeker +goeddeels worden toegeschreven aan den invloed van zijn +prior, van den man dien hij vereerde meer dan een heilige,<a name="379"></a> +die voor hem was „een seraphin in hemelrike, den hoechsten +enghelen ghelike", die zijne „edele gloriose leringhe al eertrike +dore ghesaeit ende ghespraeit" had—van JOHANNES RUYSBROECK, +wiens werk hier reeds meer dan eens even zichtbaar +is geworden, zooals een kerktoren bij eene nieuwe kromming +van den weg. + +<p>Zijn leven maar vooral zijn werk gaan wij nu beschouwen. + +<h3>RUYSBROECK<a href="#13.36">[36]</a>.</h3> + +<p>Het verhaal van zijn uiterlijk leven is ras gedaan. Hij werd +in 1294 geboren in het dorp Ruysbroeck, dat ten zuiden van +Brussel aan de Senne ligt. Zijn vrome moeder wilde hem +gaarne bij zich houden, maar zucht naar kennis en ontwikkeling +dreef den knaap op zijn elfde jaar uit haar huis. +Heimelijk gaat hij naar Brussel en wordt opgenomen bij een +bloedverwant die kanunnik was aan de kerk van Sinte Goedele. +Hij wijdt zich nu met grooten ijver aan de studie, vooral aan +de theologie; de begeerte om tot een schouwend leven te komen +wast steeds in hem. Zelfs het genot van zijne moeder te zien +en te spreken ontzegt hij zich. Op zijn 24<sup>ste</sup> jaar wordt hij +priester, daarna kapelaan aan de kerk van St. Goedele. Meer +en meer trekt hij zich terug in eigen zieleleven. + +<p>Met het klimmen zijner jaren moet het verlangen naar +bevrijding van ambtsbezigheden en stadsleven sterker in hem +zijn geworden. Op zijn 60<sup>ste</sup> jaar legt hij zijn ambt neer en +gaat met Heer FRANK VAN COUDENBERGHE, kapelaan van +St. Goedele als hij, in het Soniën-bosch wonen. Daar stichten +zij in een dal dat Groenendaal genoemd werd, voor hen beiden +„eene matelycke habitacie", op de plek waar vroeger de kluis +van een kluizenaar gestaan had. + +<p>RUYSBROECK ware wel gaarne met Heer FRANK alleen gebleven; +maar deze „begheerde die minne Gods te vermeeren<a name="380"></a> +in vele personen." Zoo voegden zich dan eenige leeken en +religieusen bij hen. Allen namen daarna den regel en het +„habijt" der regulieren van SINT AUGUSTINUS aan. Onder +Heer FRANK als proost werd RUYSBROECK prior. In dit klooster +heeft hij, zijn ambt waarnemend en overigens ook het geringste +werk niet versmadend, zich eerst recht aan de oefening in het +werkend en schouwend leven kunnen wijden. De roep van +heiligheid, uitgaand van zijn leven en zijne werken, bracht +talrijke bezoekers uit Dietsche en Duitsche landen, ook wel +eens uit Parijs, naar Groenendaal. TAULER en GEERT DE +GROOTE behooren tot de beroemdsten onder hen. Zijnerzijds +gaat RUYSBROECK soms te voet, al viel het hem moeilijk, naar +bevriende kloosters, waar men aanstoot had genomen aan eenig +geschrift van zijne hand en voorlichting van hem begeerde. De +Karthuizer-broeder GERAERT, die hem bij zulk eene gelegenheid +heeft gezien en gesproken, weet ons te vertellen „van sinen +ripen ende bliden aensiene, van sinen goedertieren ende oetmoedighen +spreken." Zoo vloeit zijn leven rustig voort. Dan gaan +zijne gezellen hem begeven o.a.: zijn leerling, de kanunnik +WILLEM JORDAENS, en de goede kok JAN VAN LEEUWEN. + +<p>RUYSBROECK'S oogen beginnen te verduisteren; als hij de +mis opdraagt, kan hij de hostie niet goed meer onderscheiden. +Steeds heeft hij den psalm op de lippen: „mijn ziele dorst naar +God, de levende bron; wanneer zal ik komen en verschijnen +voor het aangezicht van mijn God." Heugenissen der kindsheid +komen op in zijn geest; het beeld zijner moeder verschijnt +hem, zij onderricht hem van zijn sterfdag. Die dag kwam in +December 1381. Met den blos des levens op het gelaat, scheidt +hij uit dit leven<a href="#13.37">[37]</a>. + +<p>Op een miniatuur, kort na RUYSBROECK'S overlijden vervaardigd, +zien wij hem in het Soniën-bosch bezig met het<a name="381"></a> +opstellen van een geschrift. De grijze prior zit onder een +boom op den grond; op zijn knie rust een met groen was +bestreken schrijftafeltje, zijne rechterhand grift letters in het +was; boven zijn hoofd zweeft een duif, symbool van den +Heiligen Geest, onder wiens inspiratie hij werkt. Tegenover +hem zit een jonge kloosterbroeder, met bruin haar en blozende +wangen, aan een schrijflessenaartje; links van hem ligt een +beschreven was-tafeltje, vóór hem een vel perkament; den +wijsvinger der linkerhand houdt hij bij het in was gegrifte +woord, dat hij juist bezig is op perkament over te brengen. +Dat is de jonge priester, die Heer JAN als „notarius" diende, +gelijk Broeder GHERAERT ons heeft verhaald<a href="#13.38">[38]</a>. + +<p>Naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier eene betrouwbare +voorstelling van de wijze, waarop menig werk van +RUYSBROECK is ontstaan. De mystieken hadden behoefte aan +afzondering, om zich ongestoord in eigen zieleleven te kunnen +verdiepen. Waar konden zij die behoefte beter bevredigen dan +op een eenzame plaats buiten? Gedurig buiten vertoevend in +bosschen en velden of aan het werk in den kloostertuin, leerden +zij de natuur kennen en liefhebben als openbaring Gods. +Welk een innige verhouding tot de natuur zien wij in Sint +FRANCISCUS, die alle schepselen Gods als zijne broeders en +zusters beschouwt en in zijn <i>Cantico del Sole</i> blijk geeft van +een innig samenleven met de gansche natuur, zooals wij dat +eeuwen daarna bij dichters als GOETHE en SHELLEY, maar +ontkerstend, zullen terugvinden. Ook in HADEWYCH'S poëzie +merkten wij een levendig natuurgevoel op. Zoo is dus de +voorstelling van RUYSBROECK, zijne werken dichtend in het +Soniën-bosch, geheel overeenkomstig de algemeene verhouding +tusschen mystiek en natuurleven. + +<p>Waarschijnlijk is een groot deel zijner werken ontstaan in +en bij het klooster Groenendael. Maar niet alle werken. Immers<a name="382"></a> +broeder GHERAERT vertelt ons, dat RUYSBROECK te Brussel +begon eenige zijner boeken te maken, en zijn voornaamste +werk, de <i>Chierheit der geesteleker Brulocht</i>, was reeds in +1350 voltooid, vier jaar voordat hij de „habitacie" ten +Groenendale betrok. Van de chronologie zijner werken is +ons overigens tot dusver weinig bekend; slechts weten wij, +dat zijn <i>Spieghel der ewigher Salicheit</i> in 1359 geschreven is +en dat het tractaat <i>vanden Rike der Ghelieven</i> zijn eerste +werk was<a href="#13.39">[39]</a>. + +<p>De oude „verluchter", die op zoo naïeve wijze RUYSBROECK'S +werk voorstelde als ontstaan door „ingheestinghe", toonde +daardoor wel de juistheid van zijn inzicht. Toch mag men +niet voorbijzien, dat de in den vromen prior schuilende +scheppingskracht meer dan eens te werk is gesteld door een +oorzaak buiten hem. Zoo werd de <i>Spieghel der ewigher Salicheit</i> +geschreven op verzoek eener non van St. Clara, „die hem +langhe daerom ghebeden hadde". <i>Dat Boec vander hoechster +Waerheit</i> werd geschreven ter verklaring van zijn eerste werk +en op verzoek van broeder GHERAERT en de zijnen. Een derde +geschrift: <i>Vingherlinc<a title="[margin: vingerring.]"><sup>#</sup></a> of het blickende steentje</i>, vloeide voort +uit een gesprek met een kluizenaar „van gheesteliker materien" +en werd op verzoek van dezen te boek gesteld. Ook het +<i>Tractaet van Seven sloten</i> is waarschijnlijk geschreven op verzoek +eener Clarisse<a href="#13.40">[40]</a>. + +<p>Behalve de reeds genoemde werken schreef RUYSBROECK nog: +<i>Van den gheestelijken Tabernacule</i>, het omvangrijkste van alle; +<i>Van den Twaelf Dogheden<a title="[margin: deugden.]"><sup>#</sup></a></i>, dat, zoo al niet door hem, dan +toch zeker geheel in zijn geest is geschreven; <i>Van seven Trappen</i>; +<i>Van den Kerstenen Ghelove</i>; <i>Van den vier Becoringhen</i>; <i>Van +den twaelf beghinen</i>. + +<p>Zijn deze titels alle van RUYSBROECK zelf afkomstig? Van +een viertal, reeds door broeder GHERAERT genoemde, (<i>Rike</i><a name="383"></a> +<i>der Ghelieven, Van der hoechster Waerheit, Brulocht</i> en <i>Tabernakel</i>) +acht ik dat wel waarschijnlijk; de overige zouden ook +van afschrijvers kunnen zijn. Al deze titels houden natuurlijk +in meerdere of mindere mate verband met den inhoud der +werken, doch in bijna al deze werken vinden wij, behalve +hetgeen door den titel wordt aangewezen, ook deelen van +RUYSBROECK'S mystieke levensbeschouwing, telkens in ander +verband en met meerdere of mindere volledigheid, terug. Daarom +moet men bij eene beschouwing van RUYSBROECK'S werk niet +zoozeer letten op de, door verschillende titels onderscheiden, +deelen ervan, als wel op het geheel dat zij samen vormen. + +<p>Een kort overzicht van de <i>Chierheit der gheesteleker Brulocht</i> +kan ons eenigermate een denkbeeld geven van den bouwtrant +van RUYSBROECK'S werk. De <i>Brulocht</i> bestaat uit drie +deelen, overeenkomend met de drie trappen, welke de mysticus +in zijn streven naar volmaaktheid heeft te bestijgen: +het werkende, het innige en het schouwende leven. Aan het +geheel is ten grondslag gelegd deze tekst: „Ziet, de bruidegom +komt, gaat uit, hem te gemoet." De vier deelen van dezen +tekst worden nu achtereenvolgens op elk der trappen toepepast, +telkens in dieper zin. <i>Ziet</i>, d.i.: de mensch moet zich telkens +weer richten op God; <i>de bruidegom komt</i>: God komt den op +Hem ziende tegemoet; <i>gaat uit</i>: de mensch handelend in zijne +betrekking tot God; <i>Hem tegemoet</i>: de ontmoeting van God +en mensch<a href="#13.41">[41]</a>. + +<p>Weinig werken van RUYSBROECK vertoonen in hun bouw +eene zoo strenge symmetrie als dit; toch kunnen wij in de +meeste wel iets daarvan terugvinden. Het <i>Boek van den Tabernakel</i> +geeft eene voorstelling van het mystieke leven of van +„den loop der minnen", gesymbolizeerd in den Tabernakel +en zijne talrijke onderdeelen. <i>Van den twaelf Dogheden</i>, +eer eene zedekundig dan een mystiek geschrift, geeft eene<a name="384"></a> +beschouwing der Christelijke deugd, welker grondslag de +ootmoed wordt genoemd. In <i>Spieghel der ewigher Salicheit</i> ontvangen +wij beschouwingen over het kloosterleven, het Avondmaal +en de soorten van avondmaalgangers. In het <i>Tractaet van +seven Sloten</i> worden de kloosterplichten uiteengezet; doch, +evenals in de bovengenoemde en nog te noemen geschriften, +telkens weer in verband met het gansche mystieke leven en +hier inzonderheid met het schouwende leven. De <i>Vier Becoringhen</i><a title="[margin: verzoekingen.]"><sup>#</sup></a>, +bedoeld in het geschrift van dien naam, zijn: +onbedwongen natuur waaruit zinnelijkheid en wellust voortkomen; +schijnheiligheid; begeerte om met het natuurlijk verstand +alle dingen te willen verstaan, hetwelk tot geestelijken hoogmoed +leidt; bij de vierde „becoringhe" had RUYSBROECK het oog op +de kettersche secte der Broeders en Zusters van den vrijen +geest, die, innerlijke en uiterlijke goede werken versmadend, +hunne ziel ontledigd van alle andere dingen en slechts met +God vervuld achtend, waanden geene zonde te kunnen doen, +omdat God immers alles in hen werkte. Het <i>boek van den +twaelf beghinen</i> is gewijd vooral aan de Beschouwing. Aanvangend +met eene samenspraak tusschen twaalf begijnen over +de liefde tot JEZUS, handelt het voorts over het Avondmaal, +de vereischten voor de beschouwing, de dwalingen der ketters, +de schepping der wereld, de bedorven natuur van den mensch +enz. De stof moge hier rijk zijn, de samenhang der deelen +laat veel te wenschen over. In <i>Vingherlinc</i> wordt, aanknoopend +bij een bijbeltekst uit <i>de Openbaring</i> waar gesproken wordt +van een „blickend<a title="[margin: schitterend.]"><sup>#</sup></a> steenken", met kunstige symboliek aangetoond +dat met dit in een ring gevat steentje CHRISTUS +bedoeld is. + +<p>Bestaat er dus wel verband tusschen de titels en den inhoud +van RUYSBROECK'S werken, anderzijds zal gebleken zijn hoe +telkens naast en boven dit bijzondere het algemeene zich ver<a name="385"></a>toont. +Dat algemeene zullen wij trachten beknopt samen te +vatten. + +<p>Uitgaande van het Wezen Gods, daalt ook RUYSBROECK'S +mystiek af tot den mensch en klimt weer op tot God. + +<p>God is het absolute praedicaatlooze Zijn, het „overwesen", +de „onghebeelde blootheit"<a title="[margin: ledigheid zonder beelden (vormen).]"><sup>#</sup></a>. <i>Wat</i> God is, gaat boven het +begrip aller schepselen; doch <i>dat</i> Hij is, getuigt Natuur en +Schriftuur en alle Creatuur. Uit Gods eenheid vloeit Zijne +drieheid voort; de geboorte van den Zoon heeft voortdurend +plaats, Gods wijsheid weerspiegelt zich in den <i>Zoon</i>; uit beider +ontmoeting ontspringt hunne minne: de Heilige Geest. Ook +deze wordt voortdurend herboren: steeds is er een nieuw +„uutgheesten", een nieuwe vloed van eeuwige minne. Al kunnen +wij God niet volnoemen noch volspreken, toch kunnen wij als +zijne voorname eigenschappen onderscheiden: almacht, wijsheid +en liefde, overeenkomend met Vader, Zoon en H. Geest. +Tegenover de eeuwige schepping: het ideëel vóórbestaan der +dingen in God, staat de schepping in den tijd, die eene vrijwillige +daad van Gods liefde is. In zijne voorstelling dier +tijdelijke schepping neemt RUYSBROECK PTOLEMAEUS' wereldstelsel +over, volgens hetwelk de aarde middelpunt des heelals is. +Tegenover de stoffelijke schepping staat de geestelijke: engelen +en menschen. De mensch, kroon der schepping, geschapen +niet uit Gods wezen doch uit niets, is bestemd de plaats in te +nemen die de engelen verloren hebben, terug te vloeien tot +zijn oorsprong: God. Doch eerst langzamerhand zal het hoogere +in hem het lagere kunnen overwinnen, onderwerpen, beheerschen. +De krachten der menschelijke ziel zijn te verdeelen in vier +lagere „vee-gelijke", en drie hoogere; de lagere zijn: toorn, +begeerte („beestelicke" krachten), redelijkheid die mensch van +dier scheidt, en vrijheid van wil. De drie hoogere: memorie,<a name="386"></a> +verstand en wil; met deze drie krachten komen overeen deze +eigenschappen: „onghebeelde blootheit", „overste redene" en +„vonke der ziele", d.i. de aangeboren neiging der ziel tot +haren oorsprong. Door deze eigenschappen staat de ziel in +betrekking tot God en kan zij tot Hem opklimmen. De mogelijkheid +tot vereeniging met God is van eeuwigheid af in onze +ziel gelegd, doch de werkelijke vereeniging met God komt tot +stand eerst in het mystieke leven. In zijn streven naar die verwerkelijking +wordt de mensch belemmerd door de zonde. Zonde +is niet: geneigdheid tot het kwade, doch afwezigheid van strijd +tegen het kwade. In zijne leer aangaande den zondeval, de +zegepraal over dood en duivel en onze loskooping staat +RUYSBROECK op het standpunt der Roomsch-Katholieke kerk. +Echter beslaat CHRISTUS' verlossende werkzaamheid weinig +plaats in zijn stelsel. CHRISTUS, de mensch, is hem vooral, +toonbeeld van het mystieke leven. + +<p>Zoo wordt uit het Goddelijk Wezen alles afgeleid, met dien +verstande dat het Goddelijk beeld overal bewaard blijft. Tegenover +en naast het, uit opeenvolgende momenten bestaande, menschenleven +wordt het transcendente begrip van tijdeloosheid, het +„ewigh nu" in God en Gods werken gehandhaafd. Worden en +bestaan, komen en vergaan zijn slechts vluchtige vormen van +het eenige, eeuwige Zijn; de altijd wisselende eb en vloed van +de diepe en eeuwig ruischende zee der Godheid. De eeuwige +bestaansvorm der Godheid vertoont zich overal in dit grootsche +stelsel als de spitsboog in een kathedraal. + +<p>Op dezen grondslag van speculatieve mystiek heeft RUYSBROECK +het gebouw zijner practische mystiek opgetrokken. In die vereeniging +van theorie en practijk ligt voor een deel het eigenaardige +en de verdienste zijner mystiek. + +<p>RUYSBROECK neemt drie trappen („staten" of „ordenen") aan +als evenzooveel stadiën op den heilsweg. Wie tot een hoogeren<a name="387"></a> +trap opklimt, moet toch altijd de plichten van den vorigen trap +blijven beoefenen. In het <i>Boec van seven Trappen</i> noemt hij +b.v. als de zeven treden waarlangs de vrome opklimt tot de +zaligheid der beschouwing: 1<sup>o</sup>. eendrachtich ende eenwillich +sijn met den wil ons Heren; 2<sup>o</sup>. willich armoede; 3<sup>o</sup>. reynicheit +der sielen ende suverheit van lichame; 4<sup>o</sup>. ghewarighe<a title="[margin: waarachtige.]"><sup>#</sup></a> oetmoedicheit; +5<sup>o</sup>. edelheit alre doechde ende alre goeder werke d.i.: +begeeren de eere Gods bovenal; 6<sup>o</sup>. een claer insien puer van +gheeste ende van ghedachten; 7<sup>o</sup>. een grondeloos niet weten +van God, „een versterven ende overliden<a title="[margin: overgaan.]"><sup>#</sup></a> in ene ewighe +onghenoemtheid daer wi ons verliesen". De verdeeling in drieën, +die in het middeleeuwsch leven zoo veelvuldig voorkomt, +schemert ook hier weer door. Want de drie eerste graden +behooren tot het <i>Werkende</i>, de twee volgende tot het <i>Innige</i>, +de beide laatste tot het <i>Schouwende</i> leven. + +<p>Tot het Werkend Leven moet de mensch voorbereid worden +door tweeërlei gratie: 1<sup>o</sup>. de „voirlopende" die den mensch +beweegt, van buiten: door ziekte, leed, goede voorbeelden; +van binnen: door overdenking van Gods lijden, de vergankelijkheid +van het aardsche; 2<sup>o</sup>. de gratie die is „een heymelic +inwerken Gods" in de ziel. Door Gods inwerking ontstaat dan +de „caritate", d.i. een minneband tusschen God en de minnende +ziele. Wie deze „caritate" bezit, heeft volkomen rouw +van zonden, en wie deze heeft, zal trachten zich van zonde +te reinigen om te komen tot een onbesmette conscientie. + +<p>Nog is de mensch niet waardig een <i>zoon</i> Gods te heeten; +in afwachting daarvan moet hij trachten zooveel mogelijk een +getrouwe <i>knecht</i> te zijn. Abstinentie, penitentie, eerzame zeden +en heilige werken van buiten—dat is ongeveer wat door het +werkende leven wordt omvat. Op „caritate", rechtvaardigheid +en ootmoed, berust het „gestichte alre doghede ende alre +edelheit". In al die onderscheiden deugden: ootmoed, gehoor<a name="388"></a>zaamheid, +zelfverloochening, lijdzaamheid, zachtmoedigheid, +medelijden, zachtheid, reinheid van ziel en lichaam, moet de +mensch zich aldoor oefenen. Drie machtige vijanden heeft hij +daarbij te weerstaan: de Booze, de wereld, zijn eigen vleesch. +Bijgestaan door de genade Gods moet de mensch in dien strijd +zich staande houden en zijne ziel ordenen als een koninkrijk, +waarin de vrije wil koning is. Deze geheele deugdsbetrachting +wordt aangewezen als navolging van CHRISTUS. + +<p>Het Innige Leven staat hoog boven het Werkende, als +„overlant"<a title="[margin: Hoogland.]"><sup>#</sup></a> boven „nederlant"<a title="[margin: Laagland.]"><sup>#</sup></a>. Wie in het Innige Leven +wil komen, moet op de bergen wonen waar de Zonne der +Gerechtigheid schijnt. In tegenstelling met het Werkende Leven, +waar voornamelijk de mensch werkt, werken hier God en +mensch gelijkelijk en komen elkander tegemoet. + +<p>In het Innige Leven vallen drie stadia te onderscheiden: 1<sup>o</sup> het +kenvermogen des menschen wordt doorschenen met bovennatuurlijke +klaarheid; 2<sup>o</sup> daardoor voorgelicht, moet de mensch uitgaan +in inwendige oefeningen naar gerechtigheid; 3<sup>o</sup> hij moet opklimmen +tot het genieten van de eenheid met God. In het eerste +stadium, waarin RUYSBROECK den invloed der bovennatuurlijke +klaarheid vergelijkt bij den loop der zon, worden weer tal van +deugden beschouwd in de wijze, waarop telkens eene nieuwe +zich uit eene voorgaande ontwikkelt. Het hart wordt door het +inwendig vuur van den H. Geest steeds op en neer gedreven, +opbruisend en neervallend als water waaronder vuur wordt +gestookt. Het hart, gewond door minne, wil telkens zich sluiten, +doch telkens schijnt de zon, CHRISTUS, er in en wordt de +wonde vernieuwd. Vandaar dat een hevige ijver des menschen +hart verteert. Uit dezen ijver wordt hij van tijd tot tijd opwaarts +getrokken in den geest. Dan ontstaan visioenen en revelatiën, +die hij soms wel, soms niet onder woorden kan brengen. +Evenals de hitte afneemt, wanneer de zon het eind van haar<a name="389"></a> +loop nadert, zoo gaat nu ook CHRISTUS zich voor den mensch +verbergen. Droefheid, gevoel van verlatenheid, van twijfel aan +zich zelven maken zich nu van den mensch meester; doch uit +zijn lijden moet hij vreugde scheppen. Vooral moet hij waken +tegen al te groote vreugde over hetgeen hij tot dusver bereikt +heeft; daardoor toch zou hij minder toegankelijk worden voor +het invloeien der genade Gods. + +<p>De genade-instorting van het tweede stadium wordt vergeleken +bij eene levende fontein, die uitvloeit in drie rivieren: +1<sup>o</sup> enkelvoudigheid, die alle zielekrachten doordringt; hierdoor +richt de mensch zich op <i>blootheit</i>, d.i. de waarheid, ontdaan +van alle beeld en kleed, vorm en gelijkenis; 2<sup>o</sup> geestelijke +klaarheid, die geene visioenen en revelatiën noodig heeft. Nu +moet de mensch den blik richten op de Godheid; die aanblik +wekt in hem inwendige vreugd, waaruit de derde rivier ontspringt, +nl. „inghegeeste hitte", die in den wil vloeit, dezen +doet gloeien en branden en hem vervult met minne. Nu moet +de mensch uitgaan met overvloedige liefde tot God en alle +heiligen, tot de zondaren en verkeerde menschen, tot hen +die in het Vagevuur zijn, tot zich zelven en alle goede +menschen. + +<p>In het derde stadium is de genade-instorting gelijk aan de +levende ader in de fontein. De mensch ondervindt het „gherinen" +d.i. het beroeren Gods. De door de genade verlichte rede +tracht nu dat beroeren Gods in het innigste zijns geestes te +beschouwen, doch bespeurt alras dat zij te kort schiet; zij +„faelgiert in 't voirtgaen". Echter wil de minnende kracht niet +rusten. Van nu af begint een eeuwig verlangen: de ziel ontbrandt +in steeds gloeiender begeerte, maar is nog niet rijp voor +de zaligheid; „het geschapen vat en can geen onghescapen +goet ghevaten"<a title="[margin: bevatten.]"><sup>#</sup></a><a href="#13.42">[42]</a>. + +<p>In het Innige Leven zijn de <i>knechten</i> van het Werkende<a name="390"></a> +Leven tot <i>zonen</i> Gods geworden, doch den eindpaal hebben +ook zij niet bereikt. + +<p>In den staat van „blootheit" kan Gods geest onmiddellijk op +hen werken. Nu eerst kan de mensch geheel opgaan in God, +zooals de rivier die zonder ophouden en wederkeeren altijd +uitstroomt in de zee. In het Schouwende Leven wordt de +mensch geheel lijdelijk; hij rust en gevoelt slechts wat hem +door God wordt aangedaan. Het leven wordt een leven Gods +in den mensch. Op den duur gevoelt de mensch echter dat +hij niet louter lijdelijk kan blijven. Hij wil werken; „minne en +mach niet ledich sijn". Ook het leven der Godheid is tweeledig: +naar binnen eeuwig rustend, naar buiten eeuwig werkend. +Zoo keert dan de mensch weer terug tot de practijk des levens. +Vol van de zaligheid der Beschouwing, moet hij tevens de +deugden van het Innige en het Werkende Leven betrachten. +Door aldus, in God rustend, onder de menschen te werken, +wordt het leven van den vrome een goddelijk leven dat toch +menschelijk blijft. Zoolang de mensch op deze aarde vertoeft, +zal zijn leven steeds een „crighen in ontbliven" (streven zonder +volledig verkrijgen) zijn. Zal de schouwer door zijn terugkeer +in de wereld niet veel van zijne innigheid moeten verliezen? +Daarvoor behoeft geen vrees te bestaan. De ziel kan wel alleen +zijn, ook al vertoeft zij in de buitenwereld. Het komt er slechts +op aan, God steeds voor oogen te houden. Door voortdurende +oefening moet de inkeer van den schouwenden mensch een +onbewuste daad worden, evenals b.v. het vormen van letters +voor iemand die schrijft. + +<p>RUYSBROECK zelf had het in die kunst ver gebracht. Zijn levensbeschrijver +deelt ons mede, dat het hem, volgens zijn eigen getuigenis, +minder moeite kostte, door contemplatie zijn ziel tot God +omhoog te heffen, dan zijn hand aan zijn hoofd te brengen<a href="#13.43">[43]</a>. + +<p>De schouwer moet dus blijven werken; ja, zelfs de zaligheid<a name="391"></a> +der extaze moet hij opgeven, indien hij een medemensen kan +helpen: „want ware die mensche in also groter jubilaciën of +contemplaciën als Sinte Peter of Sinte Pauwels ye ghewaren, +ende wiste hi enen sieken mensche die noetorftich<a title="[margin: behoeftig.]"><sup>#</sup></a> ware eens +supens<a title="[margin: soep.]"><sup>#</sup></a> oft anders yet, het waer veel beter dat hi liete sine +oefeninghe van jubilaciën ende van contemplaciën, ende diende +dien noetorftighen mensche in meerre<a title="[margin: vermeerdering.]"><sup>#</sup></a> van minnen." + +<p>Wij konden hier slechts beproeven een beeld van RUYSBROECK'S +mystiek te geven in eenige groote lijnen en binnen +die omtrekken eenige voorname punten aanwijzen. Veel van het +minder gewichtige moesten wij achterwege laten. Zoo b.v. de +vraag naar de consequentie van RUYSBROECK'S stelsel. Naar het +schijnt, is het niet moeilijk den auteur van zoovele en omvangrijke +geschriften op meer dan eene plaats in tegenspraak te brengen +met zich zelf. Wij willen het wel gelooven, doch achten het bij +de beschouwing van een mystiek auteur van gering belang. + +<p>Van meer gewicht is de vraag, in hoever RUYSBROECK'S +werk oorspronkelijk mag heeten. Het slot onzer uiteenzetting +van zijn stelsel zal sommige lezers reeds getroffen hebben +als volkomen overeenstemmend met eene vroeger medegedeelde +uiting van ECKHART. En dat is niet het eenige punt van +overeenkomst tusschen deze twee meesters. In de grondbeginselen +zijner speculatieve mystiek toont RUYSBROECK nauwe +verwantschap met ECKHART, met name in de onderlinge verhouding +van God, den Zoon en den H. Geest. Beiden stellen +visioenen niet hoog. De terminologie van ECKHART vindt men +voor een deel bij RUYSBROECK terug<a href="#13.44">[44]</a>. + +<p>Het is zeer wel mogelijk dat de jonge kanunnik van Sinte +Goedele de lessen van den Duitschen meester te Keulen heeft +gevolgd; en in allen gevalle wel waarschijnlijk, dat diens geschriften +invloed hebben gehad op zijne theologische vorming.<a name="392"></a> + +<p>Anderzijds heeft, gelijk wij reeds zagen, RUYSBROECK'S persoonlijkheid +invloed geoefend op die van TAULER. + +<p>In een zijner oudere preeken zegt TAULER van de broeders +en zusters van den vrijen geest, die volslagen werkeloos willen +blijven om God ongestoord te laten inwerken op hunne zielen, +dat zij niets doen „recht wie ein Werkzeug ledig ist und auf +seinen Meister wartet wenn er arbeiten will." In een van RUYSBROECK'S +werken wordt van zulke menschen gezegd: „rechte +alse dat ghetouwe, dat selve ledich es ende sijns meesters beidet, +wanneer hi werken wilt"<a href="#13.45">[45]</a>. De overeenkomst is te treffend om +aan toeval te mogen worden toegeschreven; met het oog op +eene vroeger medegedeelde uiting van een tijdgenoot, zou men +geneigd zijn aan te nemen dat TAULER hier RUYSBROECK heeft +nagevolgd; doch ook het omgekeerde is mogelijk. + +<p>Men moet bij dergelijke vraagstukken bovendien steeds rekening +houden met de mogelijkheid eener gemeenschappelijke +bron. Ook hier blijkt de noodzakelijkheid daarvan. Het beeld +van Gods natuur dat der menschelijke ziel ingedrukt is, noemt +ECKHART den <i>Funken der Seele</i> en RUYSBROECK gebruikt, zij +het ook in eenigszins andere beteekenis, de uitdrukking <i>vonke +der siele</i>. Doch ook BONAVENTURA bedient zich in dien zin +gaarne van het woord <i>scintilla</i>. De indeeling der zielekrachten +bij RUYSBROECK gelijkt op die bij ECKHART; doch beiden +kunnen die hebben ontleend aan AUGUSTINUS. De indeeling +der zielekrachten in hoogere en lagere komt bij TAULER zoowel +als bij RUYSBROECK voor; TAULER legt den nadruk vooral op +de <i>begeerte</i> en den <i>toorn</i>, die eveneens bij RUYSBROECK genoemd +worden. Maar ook THOMAS AQUINAS geeft deze indeeling. + +<p>Zeker heeft RUYSBROECK de geschriften der kerkvaders wel +gekend en er zijn voordeel mede gedaan. De werken van +S. BERNARD worden meer dan eens door hem aangehaald en +hun invloed vertoont zich o.a. waar RUYSBROECK het Werkende<a name="393"></a> +Leven uiteenzet. Naar de verschillende trappen van godsdienstige +ontwikkeling had S. BERNARD de menschen verdeeld in <i>mercenarii</i>, +<i>servi</i> en <i>filii Dei</i>; RUYSBROECK spreekt evenzoo van +<i>huurlingen</i>, <i>getrouwe knechten</i> en <i>zonen Gods</i>; echter heeft hij +tusschen de tweede en de derde soort die der <i>vrienden Gods</i> +gevoegd. + +<p>Voor zijn geschrift <i>Van den Tabernacule</i> heeft RUYSBROECK +gebruik gemaakt van de werken der Fransche mystieken HUGO +en RICHARD van St. Victor<a href="#13.46">[46]</a>. + +<p>Heeft RUYSBROECK, onder den invloed van andere mystieken +doch vooral van ECKHART, nooit de geloofsgrenzen overschreden, +welke de Roomsche Kerk geëerbiedigd wilde zien? De beteekenis +van dien mogelijken invloed is moeilijk te bepalen; doch +het schijnt wel dat de vrome prior, in oogenblikken van contemplatie, +soms meer heeft gezegd dan hij voor de Inquisitie +zou kunnen verantwoorden. De vurige drang van zijn gemoed +doet hem meer dan eens den afstand tusschen God en den +mensch vergeten; maar telkens doet de rede hem dan later die +kloof duidelijk zien en brengt zij hem tot de besliste verklaring, +dat de creatuur niet God kan worden en dat men de eenheid +tusschen God en den mensch, waarvan hij spreekt, verstaan +moet slechts „in minnen", niet „in naturen". + +<p>Na al hetgeen wij vroeger hebben opgemerkt over de kiem van +ketterij welke alle mystiek in zich omdraagt, is er overigens niets +verwonderlijks in, dat wij die kiem ook in RUYSBROECK'S werk +aantreffen. Reeds na zijn eerste werk immers, hadden broeder +GHERAERT en zijne mede-kloosterlingen aanstoot genomen aan +sommige uitingen daarin; om dien aanstoot verder te voorkomen, +schreef RUYSBROECK toen <i>dat Boec der hoechster Waerheit</i>. Misschien +is dat niet overbodig geweest, want in menig later werk +heeft hij de slechte priesters en monniken, en zelfs de „princen +der heilegher Kerken" niet gespaard<a href="#13.47">[47]</a>. Persoonlijke wrok had zich<a name="394"></a> +licht kunnen verbinden met geloofsijver om den geestverwant +van ECKHART voor de rechtbank der Inquisiteurs te brengen. +Zeker zal het ook in zijn voordeel zijn geweest, dat hij in +zijne werken de Broeders van den vrijen geest zoo fel bestrijdt +en „hare quade secte ende beestelike costume"<a href="#13.48">[48]</a>. Tot die secte +behoorde waarschijnlijk HEYLWIG, de dochter van den Brusselschen +patriciër BLOEMAERTS, wier verdorven geloof door +RUYSBROECK openlijk bestreden is. + +<p>De vraag naar RUYSBROECK'S orthodoxie moge belangrijk +zijn geweest voor zijne tijdgenooten, voor de meesten onzer +is zij van ondergeschikt belang. Gewichtiger is voor ons de +vraag: hoe heeft hij zijn stelsel van mystiek uitgewerkt? Het +is vooral in de uiteenzetting zijner practische mystiek, dat +hij zich vertoont als den grootsten prozaschrijver dien wij in +de middeleeuwen bezeten hebben. Zijne eigen indeeling van +Werkend, Innig en Schouwend Leven zooveel mogelijk in het +oog houdend, zullen wij trachten eenig denkbeeld te geven +van de wijze waarop hij zijne taak heeft volbracht. + +<p>In zijne beschouwing van het Werkend Leven treft ons de +hoogheid van gevoel waarmede hij spreekt over de „veelike" +krachten en lusten in den mensch; de geringschatting van zulke +dingen als spijs en drank, welke de mensch wel moet nuttigen—maar +zooals de zieke een geneesmiddel. De onafhankelijkheid +van geest waarmede hij spreekt over de waarde van de wetenschap +in vergelijking met het leven; het moet ons, zegt +RUYSBROECK, meer te doen zijn „om leven dan om weten, +want die vele weet ende niet en leeft, hi verliest den tijt." Zijne +menschenkennis, zijn talent van karakterizeeren en uitbeelding +van het gemoedsleven. Hoe scherp is de blik van dezen man, +die zich toch zoo gaarne aan de wereld en het gewone +menschenleven onttrok, voor de geveinsdheid dergenen die<a name="395"></a> +afkeerig zijn van onthouding en nu zeggen, dat zij „cranc +ende teder ende edel van complexiën sijn, ende daerom +behoeven si vele gheriefs ende vele ghemacs." Hoe goed heeft +hij de menschen geschetst die lijden aan zelfverheffing, eigenzinnigheid, +die dadelijk kregel worden indien men hun iets in +den weg legt: „Si en sijn niemene ghevolchsam van gronde, +maer si begheren dat alle menschen haren goetdunkene ghevolchsam +sijn; want si sijn krighelijc ende eenwillich; altoes +dunct hem dat si recht hebben jeghen yeghewelken die hem +contrarie es. Si werden lichte gherenen<a title="[margin: lichtgeraakt.]"><sup>#</sup></a>, ghestoert, toernich, +haestich, scalc, slaghelijc ende onweerdich in woerden, in +werken, in ghelate"<a title="[margin: gedrag, houding.]"><sup>#</sup></a>. + +<p>Gevoelig en fraai is dit schetsje der gemengde aandoeningen +die PETRUS vervulden, nadat hij zijn Meester had verloochend: +„In sinen elendighen doghene keerde hi hem omme ende sach +Petren ane met groter ghenadicheit ende Peter hem weder met +groter bitterheit van herten. Ende inden onderlinghen siene +vernuwede die liefde tusschen hem beiden mere dan si te voren +was, want gracie ende liefde, inwendich rouwe, groet betruwen<a title="[margin: vertrouwen.]"><sup>#</sup></a>, +scande ende sceemte<a title="[margin: schaamte.]"><sup>#</sup></a> dese dingen vervulden sine herte ende +alle sine binnenste; ende sine siele smalt als die snee voir die +sonne ende als was voir een berrende vier. Ende met sijnre +sielen vloyden tranen bitter ende suete, bitter omme sine +sonden, soete ende vol bliscapen omme die trouwe die hi in +Christo ghevoelde: ende aldus was hi vol droefheden ende vol +bliscapen. Hoe dat sijn mach, dat en weet niemen dan dies +ghevoelt heeft."<a href="#13.49">[49]</a>. + +<p>Het uitgaan met overvloedige liefde ook tot de zondaren en +verkeerde menschen, waarvan in het Innig Leven sprake is +geweest, zien wij in RUYSBROECK'S hartelijk medelijden met de +menschen die hun eigen geluk niet zien: „Daer af comt in +den mensche een geestelike compassie, dat hi proeft ende merct<a name="396"></a> +die scade der menschen dat si soe elendich sijn ende soe grote +rijcheit ende ere ende weldicheit besitten mochten ofte si wouden +ende sire hem toe voechden ende Gode soe eerlic ende soe +minlic dienen mochten ende dit al gader verloren blijft. Dit +maect alsoe groten wee, dat nieman vremders<a title="[margin: geen vreemde.]"><sup>#</sup></a> bekennen +en mach." + +<p>Maar zelf genoot hij volop van de weelde God te mogen +dienen. Wel is hij zich bewust zijn Schepper nimmer genoeg +te kunnen eeren, doch dat onvermogen, een bewijs van Gods +grootheid, is hem eene reden tot nieuw genot: „dat is herde +lustelic, dat onse Here ende onse God soe groot is, dat wi +hem nemmermeer ghenoech reverenciën ende waerdicheden en +sellen moghen doen." Hooger rijst zijn vlucht, waar hij den +geestelijken liefdebrand, den hartstocht der minnende ziel onder +woorden tracht te brengen; zoo b.v. in eene passage als deze: +„dit verberren es ene volmaectheit in alre dogede, want et es een +gebreken<a title="[margin: te kort schieten.]"><sup>#</sup></a> des geestes in minnen, daer hi hem lidende houdet, +ende wert verberret ende verteert in den onbegripeleken ommevange +der eenheit Gods, die met ewegen hongere ende met +ghelosteger niedecheit<a title="[margin: gretigheid.]"><sup>#</sup></a> al dat mint begaept ende verslint ende +verteert in haers selves eenheit." Welk een kracht van gevoel +en wat een durf in dat „begapen en verslinden", terwijl van +God sprake is. + +<p>RUYSBROECK zal, wanneer „al der sielen crachte in storme +ende in woede" verkeerden, wel zelden of nooit zijn vervallen +tot het loopen, springen en handgeklap, waarin andere mystieken +hunne verrukking lucht gaven; eer zal hij hebben behoord tot +hen die „zwighen ende smelten van weelden in allen sinnen." +Maar ook voor hem zal op zulke verrukkingen dikwijls de +neerslachtigheid en het gevoel van geestelijke ellende zijn gevolgd, +dat hij zoo goed moet hebben gekend om er anderen +op zoo teedere wijze in te kunnen troosten: „Voirtmeere, eest<a name="397"></a> +dat gi traecheit, zwaerheit ende droefheit ghevoelt inder naturen, +ende dat ghi sijt sonder smake ende lost, ende sonder drift +te gheesteliken dinghen, arm, ellendich, begheven<a title="[margin: eenzaam.]"><sup>#</sup></a> ende ghelaten +in allen troeste van Gode, in verdriete, sonder smake +ende lust tot enigher oefeninghen van buten ofte van binnen, +ende alsoe zwaer ofte ghi doer die erde sinken sout: en ontsiet +u niet, maer gheeft u over in die handen Gods ende begheert +dat sijn wille ende sijn eere ghescie. Die donkere bedroefde +wolkene die sal sciere overliden, ende dat licht der claer sonnen +ons Heren Jhesu Christi sal u bescinen in meere troest ende +gracien dan ghi noyt te voren ghevoelet<a title="[margin: ghevoeldet.]"><sup>#</sup></a>." + +<p>Hij heeft wel geweten hoe zulk een van God verlaten mensch +verlangt, ontbonden te worden van den kerker zijns lichaams, +hoe de balling het „vaderland daarboven zoekt" (VONDEL): Soe +slaet hi sijn inwendighe oghen op ende scouwet die hemelsche +sale vol glorien ende vrouden ende sijn lief ghecroent daer +binnen, uytvloyende in sine heilighen in riker weelden ende<a title="[margin: en dat.]"><sup>#</sup></a> +hi des derven moet. Hier comen bi wilen in selke menscen +uutwendighe tranen ende groet verlanghen. Soe siet hi neder +ende merket dit ellende daer hi in ghekerkert es ende dies hi +niet ontgaen en mach: soe vloyen tranen van droefheden ende +van jammere"<a href="#13.50">[50]</a>. + +<p>Toen RUYSBROECK zelf door kracht van geestelijke oefening +en bespiegeling erin geslaagd was, zijne ziel te ontledigen van +het lagere, haar te maken tot „een levende spieghel" waar het +goddelijk licht in scheen, toen kon hij, van het Schouwende +Leven getuigend, schrijven: „Ende hier omme heeft ons God +ghegheven een leven boven ons ende dat is een godlic leven. +Dat en is anders niet dan scouwen ende staren ende in bloter +minnen cleven ane Gode, smaken ende ghebruken<a title="[margin: genieten.]"><sup>#</sup></a> ende versmelten +in minnen ende altoes vernuwen in dat selve. Want +daer wi verhaven sijn boven redene ende boven al onse werke,<a name="398"></a> +in bloet ghesichte, daer werden wi ghewracht vanden gheeste +ons Heren; ende daer ghedoghen wi dat inwerken Gods ende +werden verclaert in godliker claerheit, ghelikerwijs dat die locht +verclaert wert met den lichte der sonnen ende alse dat yser +doergaen wert met crachte ende met hitten des viers, alsoe +werden wi ghetransformeert ende doerdraghen<a title="[margin: doortrokken.]"><sup>#</sup></a> van clairheiden +in claerheiden, in dat selve beelde der heyligher Drivoldicheit." + +<p>Maar altijd bleef het een „crighen in ontbliven"; want de +hoogste klaarheid die de mensch hier op aarde bereiken kon, +hoe ver bleef zij toch steeds van de klaarheid der heiligen! +„Want die scaduwe Gods verlicht onse inwendighe woestine; +mer op die hoghe berghe inden lande der gheloeften daer en +is gheen scaduwe: nochtan eest al één sonne ende éne clairheit +die onse woestine verlicht ende oec die hoghe berghe; mer die +staet der heilighen is doerschinich ende glorioes ende hierom +ontfaen si die claerheit onghemiddelt; mer onse staet is noch +sterfelic ende grof ende dit is dat middel daer die scaduwe ave +comt die onse verstandicheit alsoe bescaduwet, dat wi Gode +noch hemelsche dinghen niet bekennen en moghen also clairlic +als die heylighen doen"<a href="#13.51">[51]</a>. + +<p>In meer dan een der hier aangehaalde stukken zal de lezer +reeds zelf de zachte welluidendheid of de kracht, de hooge +vlucht en den breeden zwaai van RUYSBROECK'S proza bewonderend +hebben opgemerkt. Toch schijnt het mij wenschelijk +een blik te slaan ook op eenige deelen en op het samenstel +van zijn werk om daardoor den kunstenaar in zijne wijze van +werken iets beter te leeren kennen. + +<p>Een gewone karaktertrek van het middeleeuwsch proza, het +veelvuldig zinsverband met „ende", zooals men het nog kan +opmerken bij elk kind dat iets vertelt, vertoont zich ook in +dit proza. Niet zelden ook bedient RUYSBROECK zich van de, +hiermede verwante, eenvoudige opsomming; zoo b.v. in:<a name="399"></a> +„Want willen wi verduldich sijn ghewaerlic, soe en sal ons +gheen dinc moghen ontsaten<a title="[margin: onrustig maken.]"><sup>#</sup></a>, noch verlies van den ertschen +goede, noch van vrienden, noch van maghen, noch van siecte, +noch scande, noch doot, noch leven, noch vaghevier, noch +duvel, noch helle<a href="#13.52">[52]</a>." Soms geeft hij regelmaat aan zijn proza +door een deductieven schrijftrant, als in: „aldaer verliesen wi +ons selven in die woeste idelheit<a title="[margin: leegte.]"><sup>#</sup></a>, ende al verliesende ons +selven vinden wi die salecheit, ende al vindende verkiesen wi, +ende al verkiesende werden wi vercoren" enz.<a href="#13.53">[53]</a>. Elders zien +wij hem parallellisme en tegenstelling aanwenden om meer +kracht en scherpte te bereiken: „Hi arbeit sere in minnen, +want hi siet sine raste. Hi is pelgrim ende hi siet sijn lanscap. +Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine crone." +Sprekend van het afkoopen der zonden voor geld zegt RUYSBROECK: +„Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel +de siele, de bisscop dat ghelt, de dore<a title="[margin: dwaze]"><sup>#</sup></a> mensche sine corte +ghenoechte." Tegenstelling vinden wij b.v. in: „Hi heeft hem +ghenedert ende ons ghehoecht, hem ghearmt ende ons gherijct, +hi heeft hem versmaet ende ons gheëert. Maer al heeft hi hem +ghenedert, hi en heeft hem niet ontedelt<a href="#13.54">[54]</a>." + +<p>Zoo leerde RUYSBROECK, waar sterke aandoening hem dreef +tot schrijven, die aandoening beheerschen en haar verklanken +tot breedgolvende zinnen als deze over JEZUS' dood: „doen +verdonkerde die locht, want die roedekene worden te broken<a title="[margin: verbroken.]"><sup>#</sup></a>, +die edele speciboem wart ontwe<a title="[margin: doormidden.]"><sup>#</sup></a> ghescoert, die overste crachten +sijnre zielen worden ghesceden van den nedersten, sine sinne +verghinghen, sine ziele sciet van den live, die doet bevinc dat +leven, dat leven verwan die doet, die Apostelen hadden hare +licht verloren, die oude wet<a title="[margin: geloof (der Joden).]"><sup>#</sup></a> verloes oec hare licht, die sonne +liet hare scinen ende die locht was vol nevels der onbekinnessen<a title="[margin: onverstand.]"><sup>#</sup></a>—maer +onse dach ginc op daer wi eweleke inne +ghesien<a href="#13.55">[55]</a>."<a name="400"></a> + +<p>Welk een indruk maakt hier, na die opsomming der verschijnselen +van duisternis en vernietiging, dat juichende slot. + +<p>Onder de eigenaardigheden van RUYSBROECK'S stijl moet ook +het rijmend proza genoemd worden. + +<p>Het beginrijm of de alliteratie schijnt in zijn werk niet vaker +voor te komen dan de aard onzer taal met zich brengt; doch het +eindrijm is zoo veelvuldig, dat wij hier wel aan opzet moeten +denken. Het eindrijm vertoont zich zoowel aan het slot van +opeenvolgende zinnen als van opeenvolgende woorden, zoowel +in: „ende soe hi hem selven naerre <i>bekint</i>, so hi hem in der +waerheit meer te versmadene <i>vint</i>," als in: „kinneloos ende +minneloos," „verstout ende verout". Op menige plaats (vooral +in <i>Spieghel der Salicheit</i> en <i>Rike der Ghelieven</i>) vinden wij +rijmende verzen tusschen het proza in, doch hunne aanwezigheid +kan bezwaarlijk verklaard worden uit eene verheffing van +stemming, uit meer innigheid of gloed. Soms zelfs wordt de +neiging tot rijmen RUYSBROECK tot last; aan het slot van een +berijmd gedeelte van zijn werk immers zegt hij: + +<p class="quote">Nu moet ic rimen laten bliven +Sal ic scouwen clare bescriven<a href="#13.56">[56]</a>. +</p> + +<p>In dit aanwenden van parallellisme, tegenstelling en rijmklanken +zal RUYSBROECK waarschijnlijk ten deele het voorbeeld +hebben gevolgd, hem gegeven door de kerkvaders, wier werken +hij kende. Immers in het proza b.v. van S. BERNARD, +van BONAVENTURA, van de beide VICTORS vinden wij die +eigenaardigheden evenzeer; waarschijnlijk ook wel in dat der +oudere kerkvaders, die hun stijl hadden gevormd onder den +invloed der klassieke schrijvers<a href="#13.57">[57]</a>. + +<p>Zijn RUYSBROECK'S verzen ook meerendeels zwak, in zijn +proza toont hij zich een waarachtig dichter. Zijn levendig en<a name="401"></a> +fijn gevoel, zijn vlugge en sterke verbeelding, zijn gave +van waarneming en voorstelling, de schoonheid zijner +taal geven hem alleszins recht op dien eerenaam. Het is +niet vreemd, dat hij, die in het lagere slechts een verschijningsvorm +van het hoogere ziet, gedurig van het lagere +tot het hoogere opklimt, of dat lagere verheft door eene +gelijkenis. + +<p>Een enkele maal doet hij daartoe een greep in den R.-K. +eeredienst, liefst ontleent hij zijne voorbeelden aan de natuur +of aan het dagelijksch leven. De tabernakel, die in middeleeuwsche +kerken op het altaar placht te staan en diende +ter bewaring van de hostie, gaf RUYSBROECK aanleiding tot +eene breed uitgewerkte symbolische voorstelling. Met een onuitputtelijk +geduld en een liefdevolle uitvoerigheid, die aan +de miniatuurschilders herinneren, met eene hooge mate ook +van subtiel vernuft, heeft hij alle deelen en onderdeelen, alle +onderdeeltjes en deelen van onderdeeltjes van het sacramentshuis +geestelijk verklaard: de tabernakel moet staan „in een +kerckhof", „dat es een sedelec leven van buten met al dien +dat daer toe behoort"; om dat kerkhof moeten staan zestig +kolommen: „bi den colummen verstaet men starke begerte tot +allen den gheboden Gods ende tot allen den seden ende der +oefeninghen diere<a title="[margin: welke.]"><sup>#</sup></a> men pleghet in der heileger kercken". +Deze kolommen moeten bedekt worden met zilveren platen, +„dat es met goeden levene ende met eersamer wandelingen" +enz. enz. Het behoeft geen betoog, dat deze voortgezette symboliek +op den duur voor een hedendaagsch lezer vermoeiend +eentonig en daardoor vervelend wordt; doch voor RUYSBROECK'S +tijdgenooten zal de beschrijving en verklaring van een zoo +kostelijk sacramentshuis zeker onderhoudend en aantrekkelijk +zijn geweest. + +<p>Kostelijke tabernakels zooals de hier beschrevene gaf de<a name="402"></a> +werkelijkheid tenauwernood, gaf het eenvoudig klooster te Groenendale +zeker niet te zien; doch een stap buiten de muren +bracht den prior in den kloosterhof, waar hij zoo menigmaal aan +het wieden was, al trok hij in verstrooidheid de heilzame kruiden +wel eens mede uit, en rondom het klooster lag Gods vrije +natuur in rijke verscheidenheid en stille pracht. In den boogaard +en op de mossige glooiingen, onder de wuivende kruinen van +het Soniën-bosch, zal wel menigmaal een bloem, een plant of +een dier RUYSBROECK'S verbeelding gaande hebben gemaakt. +Zoo heeft hem de zonnebloem getroffen in haar volgen van +de zon: „Alse die sonne opgeet in oriënten, soe ontpluct hare<a title="[margin: ontsluit zich.]"><sup>#</sup></a> +de goutbloeme jegen die raeien<a title="[margin: stralen.]"><sup>#</sup></a> der sonnen, ende keret hare +altoes omme al neighende jegen de hitte der sonnen, tote in +occidenten. Ende in der nacht luuct si hare toe, ende verberget +hare varuwe ende ontbeidet weder der sonnen opganc. Alsoe +gelikerwijs sele wi, overmids ghehoersamheit, onse herte ontpluken +jegen dat inscinen der gracien Goeds, ende oetmoedichlike +al nigende sele wi der gracien Goeds volgen, alsoe +lange als wi die hitte der minnen ghevoelen. Ende alse dat +inscinen der gracien sijn nuwe beroeren ophoudet ende wi +hitte van minnen lettel ochte niet gevoelen: dat es die nacht, +dat wi onse herte selen toe luken jegen al dat ons becoeren<a title="[margin: in verzoeking leiden.]"><sup>#</sup></a> +mach; ende alsoe sele wi die goutvarwe der minnen in ons +beluken ende ontbeiden enen nuwen opganc der sonnen, met +nuwen lichte in nuwen beroerne<a href="#13.58">[58]</a>." + +<p>Elders vergelijkt hij CHRISTUS' deugden bij de leliën van +dale; de natuur die den geest volgt, is vrij, gelijk de vogel in +het woud en dartelt in de minne als de visch in het water. +God is „uutstortende ende vloeyende ghelijc der wilder see, +met onbegripeliker weelden in alle die ghene die sijns ontfanclijc +sijn ende weder ebbende is ende intreckende in die wilde see +sijner enicheit." Als een heete bron „alsoe ghelikerwijs werct<a name="403"></a> +dat inwendighe vier des heylichs Gheests. Het drivet, ende +stoket ende jaghet dat herte ende alle die crachte der sielen +tot den walle<a title="[margin: koken.]"><sup>#</sup></a> dat is Gode te dankene ende te lovene." Een +mensch die zich „wel regeeren" wil, moet doen als de wijze +bij: „si woent in der enicheit, met vergaderinghen haerre +gheselscap, en vaert ute, niet in storme, mer in stillen ghesaten +wedere, in schinen der sonnen, op alle die bloemen daer men +soeticheit in vinden mach. Si en rust niet op ghene blome +noch op ghene scoenheit ofte soeticheit; mer si trect daer ute +honich en was, dat is soeticheit en materie der claerheit, en +voeret in die vergaderde enicheit, op dat sy vruchtbaer werde +tot groter nutticheit." Zoo moet ook de wijze mensch doen en +„niet rusten op ghene bloemen der gaven, maer al gheladen +met danke en met love weder vlieghen in die enicheit, daer si +met Gode rusten en wonen wilt"<a href="#13.59">[59]</a>. + +<p>Menigmaal ook vindt RUYSBROECK stof voor zijne gelijkenissen +in eigen omgeving en het dagelijksch leven. + +<p>De oefening in deugd vergelijkt hij bij een penning van fijn +goud; doch ieder moge onderzoeken of zijn goud van goed +allooi is en het volle gewicht heeft en aan weerszijden wel +gemunt. In ons deugdzaam leven moeten wij allerhande sier +van deugden weven, zooals vogelen en bloemen en gulden +sterren geweven staan in de gordijnen van den tabernakel. De +reinheid des harten „ghelijct men der lampten bernender oliën, +die hare vlamme gheeft opwert te hemele: alsoe doet die suvere +herte die beneden besloten is yeghen die werelt ende boven +open die gracie Gods t'ontfane." + +<p>CHRISTUS' beeld moeten wij drukken in ons hart en onze +zinnen, in ons lichaam en onze ziel, zooals men een zegel +drukt en vormt in het was. De gratie Gods in de ziele is gelijk +eene kaars in een lantaarn of glazen vat, want zij verlicht en +verklaart en doorschijnt het vat, nl. den goeden mensch. Als<a name="404"></a> +God zich van ons afwendt, dan doet hij met ons: „recht alsof +een mure stonde ghemaect tusschen hem ende ons." + +<p>Welk eene kracht ontwikkelt RUYSBROECK'S beeldende zinnelijkheid, +waar hij zijn hoorders voor oogen wil brengen, +hoe groot Gods genadevolle vergevensgezindheid is: „al waer +alle die werelt een gloet van viere ende dat midden in dat +vier een vese<a title="[margin: vezel.]"><sup>#</sup></a> van een linen cleet laghe, soe en ware die +vese niet alsoe bereet te aensteken, als God bereet is den +sondaer sijn sonden te vergheven, als hem sijn sonden ghewaerachtich +leet sijn<a href="#13.60">[60]</a>." + +<p>Het valt bezwaarlijk te ontkennen, dat deze prozadichter, waar +hij zijne gelijkenissen aan het dagelijksch leven ontleent, voor ons +gevoel soms de grenzen der kieschheid te buiten gaat, doch +men moet daarbij in het oog houden dat tusschen het hoogere +en het lagere, vooral tusschen het hemelsche en het aardsche, +in de middeleeuwen niet zulk een afstand lag als thans. RUYSBROECK +vergelijkt iemand die waant één te zijn met CHRISTUS +bij een slapenden hond „dien droomt dat hi heeft een stucke +vleeschs in sinen mont" en „alse hy ontwaket, soe en heeft hi +niet." Die vergelijking zou men desnoods ook met ons gevoel +van kieschheid in overeenstemming kunnen brengen door te +wijzen op het minderwaardige van hem die slechts <i>waant</i> met +CHRISTUS één te zijn. Doch tenauwernood zal nog één hedendaagsch +lezer behagen scheppen in die talrijke andere beelden +en gelijkenissen die ons naar de keuken en den refter (eetzaal) +verplaatsen. De tekst: „dit is mijn vleesch en mijn bloed" en +de hostie als symbool van CHRISTUS gaven, trouwens niet aan +RUYSBROECK alleen, gereede aanleiding tot het vormen van +beelden en gelijkenissen. Zoo zegt JEZUS tot den mensen: + +<p class="quote">Myn vleysch is wel gebraden +Aent cruce om uwe ghenaden.<a name="405"></a> +</p> + +<p>„De edele tarwebloem, d.i. JEZUS, is ons gegeven door +MARIA; God heeft de olie zijner barmhartigheid in MARIA +uitgestort; de Heilige Geest heeft dat tarwemeel en die olie +samengekneed en voor ons gemaakt en gebakken het zoetste +brood dat ooit bestond, spijze der engelen en der menschen. +Dit brood is gebakken in den oven, dat is in het lichaam +der zuivere maagd MARIA, die wel doorheet was met het vuur +der caritate." De zachtmoedige lijdzaamheid van CHRISTUS vergelijkt +RUYSBROECK bij „den cleinen oesteren die in sculpen +ligghen also cleine als eens menschen naghel". CHRISTUS wil ons +geheel in zich opnemen, zijn honger is onmatig groot, „want +hi is een ghierich slockaert<a title="[margin: begeerige schrokker.]"><sup>#</sup></a> ende heeft den mengherael"<a title="[margin: geeuwhonger.]"><sup>#</sup></a> + +<p>Konden wij slechts zien, welk een gretige begeerte CHRISTUS +heeft naar onze zaligheid, „wi en mochten ons niet onthouden<a title="[margin: weerhouden.]"><sup>#</sup></a>, +wi en souden hem in die kele vlieghen." Hier schijnt de auteur +zelf beseft te hebben dat hij de grens der kieschheid ook voor +dien tijd had overschreden, want hij verontschuldigt zich +eenigszins door te zeggen: „al luden mine worde wonderlike, +die mynnende die verstaen my wel"<a href="#13.61">[61]</a>. + +<p>Gelijkenissen als deze zijn in verhouding tot alle overige +niet talrijk; zoo is ook de toon van RUYSBROECK over het +algemeen zacht en waardig, doch een enkele maal klinken er +forscher klanken: „arme rasende mensche", „verscoven<a title="[margin: verstooten.]"><sup>#</sup></a> ende +verblinde mensce", „onwaerdich boeve", „onverstandich esel"<a href="#13.62">[62]</a>. + +<p>Wij zouden noch het een noch het ander willen missen, +want wij krijgen daardoor RUYSBROECK'S beeld vollediger te +zien. En ook, doordat hij zich van tijd tot tijd laat gaan, toont +deze Nederlander die zich zoo gaarne uit de wereld in het +innerlijk zieleleven terugtrok, toch niet misdeeld te zijn van +dien volkshumor dien wij in den <i>Reinaert</i> en andere Dietsche +werken genieten. + +<p>Hoe aardig drijft hij den spot met de hoovaardij der rijke<a name="406"></a> +vrouwen: „si maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn +des duvels neste daer si in sculen. Maer dunct hen dat si edel +sijn van gheboerte, so moeten se hebben ane hare anschine +cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel mede gheliken. +Ende dan gaense hen spieghelen ochte si scoen ghenoech sijn +den duvel ende der werelt te behaghene"<a href="#13.63">[63]</a>. De geveinsden +en hoovaardigen vergelijkt hij bij de blaas „die vol is van losen +winde; als men se duwet ende perst, so gheeft si enen luud +die ongracelic is te hoirne"<a href="#13.64">[64]</a>. Nonnen die zich opsieren met +zilveren gordels en allerlei rinkeltuig doen hem denken aan +„ene hinne<a title="[margin: hen.]"><sup>#</sup></a> met bellen"<a href="#13.65">[65]</a>. + +<p>Uit denzelfden volksgeest die dezen lichten spot voortbracht, +werd echter ook eene vergelijking geboren als deze: „wanneer +een groot coninc oft een wijs lantshere varen wilt in pelgrimagien, +in verren lande, soe roept hi sine ghenoten<a title="[margin: pairs.]"><sup>#</sup></a> te gader, ende +beveelt hem sine lant, sijn volc, sijn kynder ende sine familie, +dat si al dat regeren ende bewaren in payse ende in vreden +tote dier tijt dat hi weder comt in sijn lant. Alsoe ghelikerwijs +Christus, die ewighe wysheit Gods, coninc der coninghen ende +heer alre heren, doen hi sine pelgrimagie gedaen hadde in +dese ellendighe werelt, doen woude hi varen in sijns Vaders +lant ende ten lesten daghe weder comen ten ordele. Ende hier +omme, voir dien dach dat hi sterven woude, doe stichte hi +ene grote feeste dat was een avonteten. Ende daer toe node hi +die meeste princen der werelt, dat waren sine Apostelen...."<a href="#13.66">[66]</a>. + +<p>Dat is dezelfde geest waaruit vijf eeuwen vroeger het Oud-saksisch +heldendicht <i>Hêliand</i> was voortgekomen. + +<p>Wat ons dan ten slotte in RUYSBROECK het sterkst treft, dat +is het ruime van zijne persoonlijkheid en zijn werk. In beide +is „nederlant" en „overlant", al woont hij liefst op de tergen, +waar de zonne der gerechtigheid schijnt. Hij ziet de huurlingen<a name="407"></a> +en knechten, maar ook de vrienden en zonen Gods. Zijn blik +omvat de zonnebloem, den slapenden hond die van vleesch +droomt, de bij die beladen van bloem tot bloem vliegt, +maar ook een groot koning en de wilde zee en de zon in +haar loop door de ongemeten ruimten. Hij schuwt de menschen, +doch blijft ze liefhebben; zijne menschenkennis heeft zijne +menschenliefde niet uitgedoofd, al openbaart die liefde zich +op eigenaardig-middeleeuwsche wijze. Hij kent het gevoel van +geestelijke ellende, maar ook het zwijgend wegsmelten van +innerlijke weelde. + +<p>RUYSBROECK is de eerste Nederlander, die in de volkstaal +een ideaal levensgeheel heeft ontworpen, dat slechts paste voor +kloosterlingen, doch dat ook voor hen, die in de wereld bleven, +veel goeds, edels en schoons bevatte. Tegenover den toenemenden +drang naar verlichting des verstands heeft hij de ontwikkeling +van het zedelijk en godsdienstig gemoedsleven gesteld; +tegenover het „kennen" het „minnen", zooals reeds kort na +zijn dood door een zijner vereerders werd getuigd; tegenover +het „mate is goet t' allen spele"—het „wiselose", het bovenmatige, +den hartstocht, zij het ook slechts in het streven der +ziel naar éénheid met God. Hij heeft zijn levens-ideaal niet +opgetrokken tot één grootsch gebouw, doch het verwerkt tot +een aantal grootere en kleinere taalmonumenten, die ons niet +zelden treffen door schoonheid van lijn en fijnheid van uitvoering. +Ook in dat taalwerk is „nederlant" en „overlant": +het vlakke, dat wel eens plat wordt; de liefelijk opwaarts +glooiende landen; de hooge toppen, waar de auteur zich in +de nevelen verliest: de „hoge materiën", waarvan hij beseft +dat een schrijver ze slechts kan „voirt bringhen met woorden +also verre als ment woorden mach"<a href="#13.67">[67]</a>. + +<p>Dozijnen bij dozijnen handschriften zijner werken bewijzen +welk een invloed zijne mystiek moet hebben geoefend. Die<a name="408"></a> +invloed beperkte zich niet tot de grenzen van het Dietsche +taalgebied, noch tot des schrijvers taalgenooten, maar strekte +zich uit tot Neder- en Opper-Duitschland en was krachtig nog +in de 16<sup>de</sup> eeuw, toen zijne werken veelvuldig in de kloosters +werden gelezen en in eene Latijnsche vertaling toegankelijk +gemaakt ook voor hen, die geen Dietsch verstonden. + +<p>In RUYSBROECK heeft de Dietsche mystiek haar voornaamsten +vertegenwoordiger gevonden. Ja, HADEWYCH is hem vóór +geweest. Maar, is HADEWYCH de leeuwrik, de „hemellawerke" +opwaarts wiekend op de vleugelen van haar lied en vaak zich +verliezend in het blauwe—RUYSBROECK is de nachtegaal, immers +ook een zanger van „minne", zijn smeltend lied, zijn storm +van geluid orgelend in de stilte van het Soniën-bosch. + +<p>Het werk van RUYSBROECK is een der hooge toppen in het +land onzer literatuur en dus zou het begrijpelijk zijn, indien +wij daarmede dit deel van ons werk besloten. Wij hebben echter +goede reden het niet te doen, want: meer dan RUYSBROECK is hier. + +<p>Omstreeks 1360 werd een groot deel van het Oude Testament +in de volkstaal te boek gesteld<a href="#13.68">[68]</a>. + +<p>De vertaler was blijkbaar een niet-geordend geestelijke, +misschien een Vlaming, zeker een vroom man; ook een ontwikkeld +man, wien de brieven van PAULUS, eenige kerkvaders, +MAERLANT'S <i>Spieghel</i> en <i>Rijmbijbel</i> bekend waren, en die zijne +vertaling kon toelichten met behulp der <i>Scolastica</i> en van andere +werken. Vroeger had hij reeds eene Dietsche overzetting geleverd +van het <i>Passionael</i> (de „Legenda aurea"). + +<p>Van het karakter zijner vertaling valt weinig te zeggen, +zoolang wij niet weten, welke redactie der <i>Biblia Vulgata</i> door +hem gebruikt werd. Echter deelt de vertaler zelf in den +proloog ons mede dat hij voornemens is, het Latijn „ghetrouwelic +te dietschen ... die lettere houdende van woorde te<a name="409"></a> +woorde ofte van zinne te zinne of van beyden onderminghet, +so dattet die liede verstaen moghen na den sede van onsen +lande"<a href="#13.69">[69]</a>. Bovendien vallen er in of naar aanleiding van zijn +werk andere dingen op te merken die vermeldenswaard schijnen. + +<p>De vertaler was een man van orthodoxe vroomheid die meer +dan eens verklaart, dat hij niet van zins is iets te doen „dat +jeghen Gode ofte jeghen die heilighe kerke zi." Maar juist +daarom vervulde hem het onbetamelijk en onzedelijk gedrag +van vele priesters en leeken met des te meer droefheid. Hij +ergert zich aan de leeken die, op feestdagen nog wel, in de +taveernen spelen, dansen en reien; aan de priesters die in plaats +van het volk te leeren, ook door hun voorbeeld, het volk +door hun kwaad voorbeeld verderven, die „amiën" houden en +argelooze vrouwen ten val brengen. Daarom was het hem +„langhe in 't herte geweest", het „fundament van der scrifture" +te verdietschen, in de hoop dat menig ongeleerde er zijn +voordeel mede zou doen. En ook, hij acht zich niet gerechtigd +het talent dat God hem geschonken heeft ongebruikt te laten. +Zoo heeft hij dan het werk ondernomen met vreezen en beven, +in het diepe besef van de zwaarheid der taak; en hij zou haar +misschien niet voleindigd hebben, indien zijn vriend JAN TAY +er niet op had aangedrongen<a href="#13.70">[70]</a>. + +<p>Onder de mystieken van dien tijd zal men dezen vertaler +wel niet moeten zoeken. Ware het zoo, dan zou dat toch uit +zijn spraakgebruik moeten blijken, en dat is niet het geval. +Toch moet er wel eenige geestverwantschap tusschen hen en +hem hebben bestaan. Het Hooglied en de Openbaring, twee +Bijbelboeken, bij de mystieken in eere, worden ook door hem +hoog gesteld<a href="#13.71">[71]</a>. Tegenover de priesters toont hij dezelfde +onbeschroomde vrijmoedigheid als JAN VAN LEEUWEN en +RUYSBROECK. Zijn wantrouwen in de geestelijke leiding der +priesters brengt hem tot het verdietschen van het Oude Testa<a name="410"></a>ment, +dat hij den leeken in handen wil geven, opdat zij daar +mogen vinden wat de priesters hun onthouden<a href="#13.72">[72]</a>. Een streven +naar ontwikkeling van een zelfstandig godsdienstig gemoedsleven +ziet men immers ook bij de mystieken, al mag het de +vraag heeten of RUYSBROECK den Bijbel in de handen der +leeken zou hebben gewenscht. + +<p>Wat ons in dezen vertaler ten slotte treft, is het rustig zelfvertrouwen, +waarmede hij spreekt over de ontvangst, die hem +en zijn werk wacht van de zijde der geestelijkheid. Hij beseft +zeer wel, dat het sommige „clercken" zal ergeren „dat men +die heymelicheit der scrifturen den ghemenen volc ontbynden +soude"; dat zijn werk zal worden „benijd en beknaagd door +dolle honden"—maar God kent de bedoelingen, waarmede +dit werk ondernomen is, en daarom zal hij met DAVID hopen +op God en niet ontzien wat de menschen hem aandoen<a href="#13.73">[73]</a>. +Hier spreekt een dergelijk vertrouwen op God en het eigen +geweten, als wij vroeger opmerkten bij den onbekenden leek +en als later in de dagen der Kerkhervorming zoo menigmaal +zal gehoord worden. + +<p>Het is wel opmerkelijk, dat van deze Bijbelvertaling, naar +het schijnt, geen enkel afschrift der 14<sup>de</sup> eeuw is overgebleven, +terwijl er dozijnen afschriften der 15<sup>de</sup> eeuw bestaan. Mag men +aannemen, dat de geestelijkheid het werk onderdrukt heeft? +Zoolang daarvoor geen enkel bewijs bestaat, natuurlijk niet. +Doch in allen gevalle blijkt uit de afschriften, dat deze Bijbelvertaling +ter kennisse van anderen is gekomen, zij het waarschijnlijk +van slechts weinigen. Daarmede was een edele kiem +in de ziel van ons volk gelegd, die er zich zou ontwikkelen +met de langzaamheid die groote zaken past.<a name="411"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN.</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.1">1</a>: <i>Der Ystoriën Bloeme</i> in de uitgave van A.C. OUDEMANS SR. +Het tweede werk is als <i>Fragment van een oud berymd passionael</i> +uitgegeven door WILLEMS in <i>Belg. Museum</i>, IX, 418 vlgg. + +<p class="footnote">Vgl. <i>Der Ystoriën Bloeme</i>, vs. 2229-'30, 3554; <i>Belg. Mus.</i>, IX, +424, vs. 184.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.2">2</a>: <i>Van Sinte Lutgart</i> uitgeg. door BORMANS in <i>Dietsche Warande</i>, +III—IV. <i>Van Sinte Christina</i> eveneens door BORMANS. Vgl. over de +hss. ook: <i>Tijdschr. v. N. T. en L.</i>, IX, 161 vlgg. <i>Leven van Sint +Amand</i> uitgeg. door BLOMMAERT. Over de bronnen van dat werk +TE WINKEL a. w. bl. 279. Over het hs. nog <i>Tijdschr. v. N. T. en L.</i>, +X, 158. Het <i>Leven van S. Kunera</i> in <i>Middeln. Ged.</i> (ed. DE PAUW), +I, 247 vlgg.; het hs. schijnt uit de 15e eeuw, de taal en de rijmen +wijzen naar de 14e eeuw.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.3">3</a>: Over broeder GERAERT'S werk vgl. <i>Willem van Afflighem's +Leven van Sinte Lutgart</i> (ed. VAN VEERDEGHEM), Inl., XVII, +XXXVIII-XXXIX.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.4">4</a>: Vs. 1341 2.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.5">5</a>: I, 5135 vlgg. Wereldlijke koningspelen (waarin vooral „questiën +van minne" behandeld werden) vindt men o.a. in den <i>Limborch</i>, +XI, 67 vlgg. en <i>Cassamus</i>, vs. 1368 vlgg. (Aant., bl. 80). Vgl. voorts +II, 1331 vlgg.; 1709; 1903 vlgg.; 4809.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.6">6</a>: In vs. 630 wordt gesproken van S. KERSTINE'S „lenden ende +ander haer lede", waar het Latijn <i>nates</i> heeft.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.7">7</a>: Vgl. over de vermoedelijke bron van dit werk TE WINKEL a. w. +bl. 283.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.8">8</a>: <i>Dboec van den Houte</i> is uitgeg. door J. TIDEMAN. (Leiden. 1844). +Hs. H. door TIDEMAN tot grondslag gelegd voor zijne uitgave, staat +volgens een later onderzoeker W. MEIJER niet zoo dicht bij het vermoedelijk +origineel als Hs. S. (Vgl. Inl., XX—XXI; en: <i>Abh. der Kön. +Bayer. Akad. der Wiss.</i>, I, Cl. XVI B. II Abth. (1881). Een uitvoerig +stuk over de Kruis-sage van J. KOOPMANS in <i>Taal en Letteren</i>, VII,<a name="412"></a> +321 vlgg. Een fragment uit de 14e eeuw met eenigszins afwijkende +lezingen uitgegeven in <i>Germania</i>, XV, 360 flgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.9">9</a>: Uitgeg. door Dr. L. WIRTH in: <i>Bibl. van Mnl. Lett.</i> (Groningen. +WOLTERS). Afl. 49. Vgl. de critiek dezer uitgave door Dr. STOETT in +<i>Museum</i>, 1893, 104.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.10">10</a>: Vgl. daarover Inl., bl. 14 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.11">11</a>: <i>Theophilus</i> uitgeg. door BLOMMAERT, (Gent, 1858) en later +door VERDAM; <i>Beatrijs</i> door JONCKBLOET (met <i>Carel en Elegast</i>); +Over het, eerst eenige jaren geleden ontdekte, verhaal <i>van Jonitas en +Rosafiere</i> zie: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, IX, 170 vlgg.; het geheele +werk later uitgeg. door N. DE PAUW in zijne <i>Mnl. Ged.</i>, afl. 3, +bl. 487 vlgg. + +<p class="footnote">VERDAM heeft in zijne Theophilus-uitgave ongeveer 260 verzen van +den door BLOMMAERT gepubliceerden tekst geschrapt als geïnterpoleerd. +Ik kan mij met deze handelwijze niet vereenigen. + +<p class="footnote">1<sup>o</sup>. Omdat het onbeholpene of gebrekkige van vele verzen voor +mij niet bewijst dat zij geïnterpoleerd moeten zijn. + +<p class="footnote">2<sup>o</sup>. Allerlei uitweidingen, die door V. beschouwd worden als +interpolaties, vindt men ook in de door hem als echt erkende deelen. + +<p class="footnote">3<sup>o</sup>. Eigenaardigheden van den bewerker, als het herhalen der slotwoorden +van een vers in den aanvang van een volgend vers, vindt +men zoowel in de verworpene als in de voor echt erkende deelen. + +<p class="footnote">4<sup>o</sup>. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen +van het gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog +veel meer geschrapt worden.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.12">12</a>: Ed. VERDAM, vs. 74–6, 95–116, 319–340.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.13">13</a>: Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.14">14</a>: Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA +bidden.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.15">15</a>: Vgl. CREIZENACH, <i>Gesch. des neuern Dramas</i>, I, 147. Ook +in de geschiedenis der „verduldige Helena van Constantinopel".] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.16">16</a>: Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY, +IV, 121.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.17">17</a>: In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar +SINT JACOB wordt gebracht en vlucht naar Venetië.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.18">18</a>: De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige +dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van +S. KUNERA in KIST'S <i>Kerkhist. Archief</i>, II, 1–48; door STALLAERT +vergeleken met het rijmwerk in <i>D. Warande</i>, 1891, 28–36.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.19">19</a>: Uitgeg. in BLOMMAERT'S <i>Oudvlaemsche Ged.</i>, II, 31 vlgg.<a name="413"></a> +Zie ook: <i>de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken</i> door +W. DE VREESE, I, 145. Voorts: <i>Visio Tnugdali....</i> A. WAGNER, +Erlangen, 1882. MUSSAFIA zegt van de Nederl. bewerking o.a.: „con +una certa inclinazione a dilavare alquanto il dettato" (<i>Sitzungsber. +der Wiener Akad. phil.-hist.</i>, Cl. Bd. 67, 157–206). Met het oog op +de verklaring van den Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk +voor. + +<p class="footnote">Eene uitvoerige en goede karakteristiek van <i>Tondalus Visioen</i>, uit +een algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in het <i>Tweem. +Tijdschrift</i> van 1901.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.20">20</a>: <i>Rumbeeksche Avondstonden</i>, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is +gedagteekend: 28 Sept. 1399.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.21">21</a>: DE VOOYS, <i>Mnl. Legenden</i>, p. 15.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.22">22</a>: Vgl. <i>Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den +Groote....</i> door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een +enkel aardig trekje in de eene bewerking vermeld op p. LVII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.23">23</a>: Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES in <i>Versl. en Meded. der Vereen. +voor oude Ned. Lett.</i>, II, 5–32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w., +bl. 569–572. + +<p class="footnote">Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing in <i>Feestbundel +aan M. de Vries opgedragen</i>, p. 103. Over „PAEP JAN" vgl. <i>Zeitschr. +f.d. Alt.</i>, N.F. XXI.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.24">24</a>: Vgl. <i>Stemmen uit den Voortijd....</i> door F.H.G. VAN ITERSON, +p. 140 vlgg., 162, 164–5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss. +door VAN ITERSON als 14e eeuwsche genoemd).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.25">25</a>: Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'S <i>Gesch. der deutschen +Mystik</i>, I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier +geboden beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel +te geven; daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan +aangeduid.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.26">26</a>: ECKHART leefde van 1260–1327; zijn eerste werk volgens +PFEIFFER van c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen. + +<p class="footnote">Een paar uittreksels uit de <i>Epistolae Haywigis</i> in een hs. van +1360-'70; vgl. <i>Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken</i>, I, 425.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.27">27</a>: Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche +mystiek berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS in <i>Ned. +Archief voor Kerkgesch.</i>, N.S., 3e deel en in <i>De XXe Eeuw</i>, +IX Jaarg. Vgl. voorts: <i>De Handschr. v. J. v. Ruusbroec</i>, II, 642. + +<p class="footnote">Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor +theologen dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijn<a name="414"></a> +met de teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld. +Vgl. daarover de Inleiding op: <i>Meister Eckhart und seine jünger....</i> +herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.28">28</a>: Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w. +<i>Einl.</i>, XIV. DE VOOYS, <i>Mnl. Leg.</i> p. 325.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.29">29</a>: <i>Ned. Archief voor Kerkgesch.</i>, N. Serie, III, 54. Over TAULER +vgl. PREGER a.w. III, 90 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.30">30</a>: <i>De Limburgsche Sermoenen</i> (uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig +of geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII, +XXIX, XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over +het verschil tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK in <i>Taal en +Letteren</i>, Jaargang VIII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.31">31</a>: Vgl. PREGER a.w. II, 3–246. Het in de <i>Limb. Sermoenen</i> +voorkomend <i>buec vanden Palmboeme</i> is blijkbaar hetzelfde als het +door PREGER, p. 52–53 vermelde <i>der Palmbaum; Dboec vanden +boegarde</i> doet denken aan <i>den Baumgarten</i> waarover vgl. PREGER, +p. 48 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.32">32</a>: Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.33">33</a>: Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.34">34</a>: Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt, +der 14e eeuw, dat aanvangt: „Hier beghint die prologus van desen +boke als der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste +boec van haren visioenen." + +<p class="footnote">In den aanvang der 15e eeuw waren „Machteldis revelacien" te +onzent nog in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze +in een dubbel exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw +bevattend een groot aantal „stichtige woorde genomen uut den boeck +der revelacien der heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan +„die susteren van der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in +N.-Brabant. MOLL, <i>Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster</i>, p. 32–33. + +<p class="footnote">In diezelfde boekerij vond men een boek <i>van Maria van Ogines</i> +(t.a.p. bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar +levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijn +geweest. + +<p class="footnote">Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek +bleef. Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk +onderzoek.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.35">35</a>: Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van +Dr. DE VOOYS (in: <i>De XXe Eeuw</i>, 9e Jaargang) die o.a. over den +„goeden kok van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan.]<a name="415"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.36">36</a>: Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche +Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A. +V. OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave +daarvan is bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding +verdienen voorts: de <i>Bijdragen tot de kennis van het leven en de +werken van Jan van Ruusbroec....</i> door Dr. W.L. DE VREESE, +(Gent, A. SIFFER, 1896); <i>Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl</i> door +Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER, 1894); wat over R. gezegd +wordt in BÖHRINGER'S <i>Deutsche Mystiker</i>, II, 3; over RUYSBROEK'S +verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.: PRIEBSCH, <i>Deutsche +Hands.</i>, I, 66; <i>Jahrbuch des Vereins f. niederd. Spr.</i> 1884. + +<p class="footnote">Eene vertaling van <i>De Chierheit der geesteleker Brulocht</i> gaf MAURICE +MAETERLINCK (<i>L'Ornement des noces spirituelles</i>); eene bloemlezing +van in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO: <i>Rusbrock +l'Admirable</i>, (Paris, 1902).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.37">37</a>: Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen +van „broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.38">38</a>: Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur in <i>Oud-Holland</i>, +XIIe Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.39">39</a>: VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168–9; DE VREESE'S +<i>Bijdragen</i>, bl. 8, 13.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.40">40</a>: Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te +maken; evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname +vrouw was, „die RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten +kwam bezoeken" en te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN +OTTERLOO, bl. 136). Vgl. overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16; +VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en Editie DAVID, III, 235.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.41">41</a>: Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd, +over. Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S +stelsel is hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.42">42</a>: Eene andere voorstelling van het <i>Innige Leven</i> bij RUYSBROECK +wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265–269.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.43">43</a>: VAN OTTERLOO, bl. 128.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.44">44</a>: ECKHART spreekt van <i>istigkeit, entgeisten, weiselos</i>; RUYSBROECK +van: <i>istegheit, ontgeesten, wiseloos</i>. Beiden gebruiken de uitdrukking +<i>Funken der Seele, vonke der sielen</i>, zij het misschien niet in geheel +dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God +sprake is) ais: <i>die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze +zee</i> doen aan dergelijke van ECKHART denken.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.45">45</a>: Uitgave DAVID, VI, 173.]<a name="416"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.46">46</a>: Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2. +VAN OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat +RUYSBROECK'S werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1<sup>o</sup>. heeft +RUYSBROECK voor de beschrijving des tabernakels het een en ander +ontleend aan RICHARD'S <i>Expositio tabernaculi foederis</i> (MIGNE, <i>Patrol.</i>, +T. 196, p. 211 seqq.); 2<sup>o</sup>. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'S +<i>de Archa Morali</i> (MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de +hoofdstukken: de ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de +charadrio (p. 77); de upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek +zou hier noodig zijn.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.47">47</a>: Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121–2, 178–9; IV, +83–4, 108 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.48">48</a>: A.w. I, 2, p. 146; III, 198.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.49">49</a>: Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167–8.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.50">50</a>: A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256–7 +(geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.51">51</a>: A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208–9; IV, 104); VI, 230.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.52">52</a>: Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met „ende" verbonden); +IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57–8; 250.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.53">53</a>: Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.54">54</a>: VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48, 116.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.55">55</a>: I, 248–9. Vgl. ook III, 59–60: „En daer an en leghet niet +allene" enz.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.56">56</a>: Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie +III, 121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246; +I, 49, 50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240–1. Vgl. andere +voorbeelden in <i>Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl</i> door Dr. H. CLAEYS, pr. +(Gent, A. SIFFER, 1894) en in <i>Ned. Museum</i>, 1891, (H. MEERT). +Rijmende verzen o.a.: III, 201; IV, 4.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.57">57</a>: Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk: +<i>Die antike Kunstprosa</i> (van de 6e eeuw vóór Chr.—Renaissance), +vgl. <i>Museum</i>, 1899, n<sup>o</sup>. 9.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.58">58</a>: I, 67.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.59">59</a>: Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38–9; <i>Werken</i>, I, 136; IV, 190; VI, +71; vgl. ook nog V, 71 (fontein).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.60">60</a>: <i>Werken</i>, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14; +<i>Werken</i>, VI, 61; III, 61; 104.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.61">61</a>: Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156–7.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.62">62</a>: V, 57–9.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.63">63</a>: CLAEYS a.w. bl. 33.]<a name="417"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.64">64</a>: Vgl. IV, 15. + +<p>Het is opmerkelijk dat VOLTAIRE, die wel niet veel in RUYSBROECK +zal hebben gelezen, zegt: „L'amour-propre est un ballon gonflé de +vent, dont il sort des tempêtes quand on lui a fait une piqûre".] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.65">65</a>: IV, 111.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.66">66</a>: III, 151.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.67">67</a>: VI, 82.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.68">68</a>: Vgl. over deze vertaling het degelijk bewerkt proefschrift van +Dr. C.H. EBBINGE WUBBEN: <i>Over Middelnederlandsche Vertalingen +van het Oude Testament</i>. ('s-Grav. NIJHOFF. 1903).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.69">69</a>: A.w. bl. 73.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.70">70</a>: Vgl. over dat alles de prologen en de hoofdstukken in de +Eerste Afdeeling II, 1 en 3, bl. 127.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.71">71</a>: Zie bl. 87–88.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.72">72</a>: Bl. 70; ook bl. 75: „Nu bidde ic elken die hierin lezen sel +ende tijtcortinghe doen"; bl. 85: „meniger zaliger zielen, diere in +lesen moeten".] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="13.73">73</a>: Bl. 127.]<a name="418"></a> + +<hr> + +<h2>POËZIE DER GEMEENTEN.</h2> + +<h3>(VERVOLG).</h3> + +<p class="intro">1. Het Leerdicht.—Reinaert II. + +<p class="intro">2. Verhalende en lyrische poëzie. + +<p>Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het +lied—dat waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop +wij de gemeentenaren in de 13<sup>de</sup> eeuw hebben aangetroffen. +Op die wegen vinden wij hen ook in deze volgende eeuw, +doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd. + +<p>De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen +van dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan +den omgang met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid. +Den invloed dier beide standen zullen wij dan ook op meer +dan één plaats in de poëzie der gemeenten aantreffen. Doch +tevens zal blijken, dat de burgerij, in den omgang met de +beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend, ontwikkelend +en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker +tegenover die beide standen kwam te staan. + +<p>Dien gang van zaken zullen wij al dadelijk waarnemen in + +<h3>1. HET LEERDICHT.</h3> + +<p>In hun streven om de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling +des volks te bevorderen, trekken de leerdichters ééne lijn met +de geestelijkheid. Onder de makers van leerdichten zien wij +burgers, ons bij name bekend: den chirurgijn JAN DE WEERT,<a name="419"></a> +den schepenklerk JAN BOENDALE, naast ongenoemden uit den +geestelijken stand: den „simpelen clerc", die den <i>Spiegel der +Zonden</i> samenstelde; den „armen pape", die de <i>Bediedenis der +Misse</i> berijmde. + +<p>Evenals vroeger geestelijke dichters met bewustheid hunne +poëzie stelden tegenover de door hen gelaakte ridderpoëzie, +zoo zien wij nu den samensteller van het didactisch werk <i>Sidrac</i>, +dat in 1329 werd voltooid, in zijn proloog te velde trekken +tegen de verhalen daar weinig nut in steekt en die slechts van +„vechten en vrouwen minnen, van het veroveren van landen +en steden" weten te spreken<a href="#14.1">[1]</a>. + +<p>Men mag wel aannemen dat de leerdichters bij de samenstelling +van hun werk het oog hadden vooral op de niet-geleerden, +wier grootste deel uit gemeentenaren bestond. +Echter vindt men slechts bij een enkele hunner het bewijs, +dat hij zich daarvan bewust was. In den proloog van zijn +<i>Lekenspiegel</i> zegt BOENDALE: + +<p class="quote">... want dat leke is die sake<a title="[margin: oorzaak.]"><sup>#</sup></a> +Daer omme ic dit boecskijn make. +</p> + +<p>In overeenstemming met het onderwijzend karakter dier +werken is de vorm van een gesprek tusschen „Meester" en +„Clerc", zooals wij dat in den <i>Lucidarius</i>, tusschen vader en +zoon, zooals wij het in <i>Seneka leren</i> aantreffen; ook het dialogisch +karakter van werken als de <i>disputacie van Rogier ende +Janne</i> en de <i>Melibeüs</i>. Dat deze dichters hunne lezers of +hoorders van tijd tot tijd aanspreken met „lieve kindre" of +„lieve liede" was dan ook in hun mond alleszins gepast<a href="#14.2">[2]</a>. + +<p>Op vrijwillige medewerkers aan de volksontwikkeling als deze +leerdichters schijnen de priesters weinig gesteld te zijn geweest, +even weinig als op den Bijbelvertaler van 1360. Blijkbaar beschouwden +zij zulke geschriften als pijlen, waarmede onder<a name="420"></a> +hunne duiven geschoten werd, en de schrijvers als stroopers +in een veld, waar de Kerk „eigen jacht" had. Een dezer leerdichters +eerbiedigt de grenzen, waarbuiten men voor leeken +niet gaan mag: omtrent God zal de meester zijn leerling +onderrichten + +<p class="quote">Also verre voirt als den leeken lieden +Gheoorloft is te bedieden<a href="#14.3">[3]</a>. +</p> + +<p>Een ander is dat met hem eens, doch voegt er bij: + +<p class="quote">Ende oec ontsie ic der papen treken +Dat sijs mi mochten spreken lachter<a title="[margin: schande.]"><sup>#</sup></a><a href="#14.4">[4]</a>. +</p> + +<p>Een derde zegt: Zou ik de gansche waarheid bekennen, de +priesterschap zou mij vervloeken<a href="#14.5">[5]</a>. Dat BOENDALE het met +zulke uitingen eens was, spreekt vanzelf voor wie zich zijne +beschouwing van leeken en geestelijken uit een vroeger hoofdstuk +herinnert<a href="#14.6">[6]</a>. In zijn <i>Lekenspiegel</i> stelt hij zich nog eens +tegenover de priesters, waar hij den ongehuwden staat en het +huwelijk vergelijkt. Ongehuwden staat en maagdelijkheid acht +hij hoog—wanneer zij gepaard gaan met een rein hart „van +ghepeinse ongeknaecht"; doch dat komt maar al te zelden voor. +Als hij daarna den lof van een goed huwelijk heeft verkondigd, +voegt hij er aan toe: Ik weet wel, dat „liede van gheesteliken +abite" zich aan dezen lof zullen ergeren en mijne woorden +berispen ... maar hoe zouden zij aan kost en kleeren komen, +indien de gehuwde lieden niet voor hen zorgden<a href="#14.7">[7]</a>? + +<p>Tegenover dit drietal kiest slechts een dezer leerdichters de +partij der geestelijken. Het is begrijpelijk dat hij zelf tot hen +behoorde. De „simpele clerc", die den <i>Spieghel der Zonden</i> +samenstelde, tracht de schuld van de simonie van de geestelijken +op de leeken te schuiven: „Si sijn soekers eerst daervan."<a name="421"></a> +Dat er priesters zijn die een slecht leven leiden, geeft hij toe; +maar nochtans moeten wij ze eeren, omdat God Almachtig +hen gezonden heeft<a href="#14.8">[8]</a>. + +<p>Vergelijken wij het leerdicht van dit tijdvak bij dat van het +voorafgaande, dan treft ons dat het godsdienstig en vooral +het zedelijk element veld hebben gewonnen op het zuiver +wetenschappelijke. Met groote werken als die van MAERLANT +en VELTHEM kon men vooreerst zijn begeerte naar kennis der +geschiedenis bevredigen; BOENDALE moge in zijne <i>Brabantsche +Yeesten</i> deels MAERLANT'S werk overnemen, deels de geschiedenis +van zijn eigen tijd verhalen—meer en meer kiest de +historiographie den vorm der proza-kroniek. Algemeene natuurkennis +vond men voldoende in <i>der Naturen Bloeme</i>; doch +voor sommige onderdeelen viel wel iets te doen, vooral voor +een betere kennis van den mensch. + +<p>Dat verklaart het ontstaan van rijmwerkjes als: <i>Die Cracht der +Mane</i> van zekeren HEINREC VAN HOLLANT, <i>Der Vrouwen Heimelicheit</i>, +<i>Der Mannen ende der Vrouwen Heimelicheit</i> en eenige +fragmenten van een leerdicht dat, voorzoover men kan zien, +over de physiologie en de psychologie van den mensch handelt. +Van literaire kunst is in deze populair-wetenschappelijke werkjes +nog minder sprake dan in de meeste overige leerdichten. Opmerkelijk +is slechts, hoe zich in het tweede en het vierde werk op +zonderlinge wijze de invloed der hoofsche poëzie vertoont. Zoo +goed als de menestrelen van vroeger, heeft ook de bewerker +van het laatste physio-psychologische werkje eene „jonkvrouw, +die (z)ijn herte heeft ghewont." Het tweede werk, eene handleiding +voor vroedvrouwen, was door den bewerker vertaald uit het +Latijn van ALBERTUS MAGNUS ter wille zijner „lieve joncfrouwe", +waarschijnlijk eene vroedvrouw wier hart hij door deze obstetrische +hulde hoopte te winnen. Doch zijne hoofsche verzuch<a name="422"></a>tingen +passen bij zijne practische wetenschap als riddersporen +aan de hielen van een dorpsbarbier<a href="#14.9">[9]</a>. + +<p>Voor het godsdienst-onderwijs werd op de in aantal toenemende +scholen langzamerhand beter gezorgd. Toch voelden eenige +leerdichters zich geroepen om dat onderwijs aan te vullen en +uit te breiden. Zoo ontstonden werken als <i>die Bediedenisse der +Missen</i> en de berijmde zoowel als de proza-bewerking van den +<i>Dietschen Lucidarius</i>. De inhoud van het eerste werk wordt +voldoende door den titel aangewezen. De berijmde <i>Lucidarius</i> +was een vrije bewerking, hier bekort daar uitgebreid, van het +<i>Elucidarium</i>, door HONORIUS AUGUSTODUNENSIS in het begin +der 12<sup>de</sup> eeuw samengesteld als een dogmatisch handboek ten +dienste van theologen. De <i>Lucidarius</i> in proza, voorzien van een +berijmde voorrede, was een getrouwe vertaling van een Duitschen +catechismus van het geloof en de wetenschap dier dagen, bestemd +tot onderricht der leeken. Het Duitsche origineel dagteekent uit +het eind der 12<sup>de</sup> eeuw; de Dietsche bewerking, naar het +schijnt, uit den aanvang der 14<sup>de</sup>. Het Nederlandsch rijmwerk +schijnt vóór 1353 reeds verbreid te zijn geweest<a href="#14.10">[10]</a>. + +<p>Dicht bij deze catechetische werkjes staat het <i>Boec van der +Wraken</i>, omstreeks het midden der 14<sup>de</sup> eeuw gedicht; dit geschrift +bevat een aantal voorbeelden van Gods wrekende gerechtigheid, +zichtbaar in allerlei gebeurtenissen uit vroeger en later tijd. +Opmerkelijk is hier vooral de voorstelling dat Gods hardheid +en haastigheid zijn afgenomen, sinds Hij mensch geworden was: + +<p class="quote">Aldus haestich ende dus hart +Was God eer hi mensche wart; +Maer sint dat hi die menscheyt kinde, +Ende God die menscheyt minde, +En heeft hi so haestelike +Niet ghewroken op aertrike<a href="#14.11">[11]</a>.<a name="423"></a> +</p> + +<p>Ook het sterk Duitsch getinte rijmwerk van <i>Die X Plaghen +ende die X. Ghebode</i>, dat een allegorischen uitleg der Tien +Plagen van Egypte geeft. Egypte is b.v. de duisternis der zonde, +die der ziel schade doet en de zinnen des menschen verblindt. +Overigens vindt men hier een groot aantal aaneengeregen uitspraken, +aan den Bijbel, de apocriefe boeken en de kerkvaders +ontleend<a href="#14.12">[12]</a>. + +<p>Tegenover dit achttal geschriften van wetenschappelijken of +van theologischen aard plaatsen wij een dozijn andere, die een +opvoedkundig-zedelijk karakter dragen. In aantal, maar meer +nog in omvang en beteekenis, overtreffen de laatstgenoemde +die der eerste soort. + +<p>Het algemeen karakter van deze werken der tweede soort leeren +wij al dadelijk kennen uit dit drietal: <i>Dietsche Doctrinael</i>, in +1345 door een onbekend dichter te Antwerpen voltooid; <i>Nieuwe +Doctrinael</i>, samengesteld, misschien in 1351, door JAN DE WEERT, +chirurgijn te Yperen; <i>Spiegel der Zonden</i>, het werk van een +Westvlaamsch dichter der 14<sup>de</sup> eeuw<a href="#14.13">[13]</a>. Alle drie zijn leerboeken +van practische zedekunde; zij geven eene uiteenzetting +der onderscheidene deugden en ondeugden, van de middelen +waardoor men de deugden kan aankweeken en de ondeugden +tegengaan; de twee laatste lichten dat alles gaarne toe met +voorbeelden, zij wijden zich zoowel aan den opbouw van het +persoonlijk zedelijk leven als aan dien van het huiselijk en +burgerlijk leven. Dit karakter spreekt zich uit ook in de titels +dezer werken: een <i>doctrinael</i> is een leerboek, inzonderheid +van practische moraal; <i>Spiegel der Zonden</i> spreekt voor zich +zelf. JAN DE WEERT noemde zijn werk in den tekst: „<i>Spieghel +der Zonden of Doctrinael</i>", en de middeleeuwsche titel vóór +den aanvang luidt: „Hier beghint een goet boec van den VII. +doetsonden ende van den X gheboden."<a name="424"></a> + +<p>Van denzelfden aard als dit drietal moet het verloren werk +zijn geweest van den dichter der <i>Dietsche Doctrinale</i>, dat +getiteld was <i>Exemplaer</i> en handelde over de „IIII. doeghden +cardinale." + +<p>Wat deze werken gemeen hebben is, dat zij, evenals verreweg +de meeste dezer leerdichten, uit het Latijn vertaald of +althans naar het Latijn bewerkt zijn; voor een deel bestaan zij +„uit los aaneengeregen aanhalingen uit gewijde schrijvers, +apocriefe zoowel als canonieke, uit kerkvaders en voor een +klein deel ongewijde schrijvers" <a href="#14.14">[14]</a>. Echter moet men hier eene +uitzondering maken voor al die plaatsen, waar de auteurs over +hun eigen tijd spreken en waar zij, zooals vooral JAN DE WEERT +doet, hunne uiteenzetting of hun betoog toelichten met voorbeelden, +door hen aan de werkelijkheid ontleend. + +<p>De <i>Dietsche Doctrinale</i> beperkt zich in hoofdzaak tot eene +uiteenzetting van deugden en ondeugden; de <i>Nieuwe Doctrinael</i> +verbindt met zijne beschouwing van doodzonden en +geboden eene scherpe zedenhekeling van alle standen; de +<i>Spiegel der Zonden</i> staat dichter bij den <i>Nieuwen</i> dan bij +den <i>Dietschen Doctrinael</i>, doordat hij waarschijnlijk berust op +eene Latijnsche verhandeling over de zeven doodzonden en +met die stof zedenhekeling verbindt; anders echter dan JAN +DE WEERT heeft de „simpele clerc" zijne waarschuwingen en +raadgevingen toegelicht door tal van „exempelen", „ware of +verdichte verhalen, waaruit iets te leeren viel," die in de +geschiedenis der wereldliteratuur zulk eene belangrijke rol +hebben gespeeld <a href="#14.15">[15]</a>. Echter richt ook de bewerker van den +<i>Spiegel der Sonden</i> zijn blik niet zelden op zijne omgeving +en op misbruiken, die hij zelf moet hebben waargenomen. +Zoo b.v. waar hij te velde trekt tegen de weelde, tegen den +adel die de boeren verdrukt, tegen de drankzucht en de +kwartjesvinders dier dagen:<a name="425"></a> + +<p class="quote"> die schanienisse +Vanden speelre<a title="[margin: spelers.]"><sup>#</sup></a> ende die verradenisse, +Als si noden om drinken of eten +Den ghenen dien si bi ghelde weten, +Ende vake maken si onder hem drien +Of vieren verbond te rovene dien<a href="#14.16">[16]</a>. +</p> + +<p>Voor een betere kennis van het maatschappelijk leven dier +dagen zijn deze leerdichten van veel belang. Echter zal men +bij een werk als <i>de Spiegel der Zonden</i> nimmer uit het oog +mogen verliezen dat het de bedoeling van den samensteller was: +<i>slechts</i> de zonden te doen zien en dat JAN DE WEERT vooral +een hekeldichter is. Wij mogen hem geen geloof weigeren, +waar hij ons vertelt van den vraat die zijn vinger in de keel +placht te steken om daardoor zijn volle maag te ontledigen en +opnieuw aan het schrokken te kunnen slaan. Belangrijk voor +de kennis van het bijgeloof zijn ook zijne mededeelingen over +het „werken met toverringhen" om daarmede vrouwen of iets +anders machtig te worden, over het betooveren van koeien en +andere beesten. Doch men moet zich wachten voor het vormen +van een algemeen oordeel, louter op grond van zulke plaatsen. + +<p>Zoo zal ook JAN DE WEERT'S oordeel over de dartelheid der +toenmalige meisjes: „waren zij niet bang voor de gevolgen, +men zou er tenauwernood ééne maagd onder vinden", zeker +wel waarheid maar niet de waarheid bevatten. + +<p>Niet alleen het zedelijk en maatschappelijk leven, ook het +godsdienstig gemoedsleven van de Nederlanders der 14<sup>de</sup> eeuw, +kan men door deze leerdichten beter leeren kennen. Zoo vindt +men in den <i>Nieuwen Doctrinael</i> dezelfde verlichte opvatting +omtrent de beteekenis van beelden die wij reeds vroeger hebben +aangewezen en eene uitvoerige beschouwing van de verhouding +tusschen den berouwvollen, boetaardigen zondaar en God<a href="#14.17">[17]</a>.<a name="426"></a> + +<p>In den <i>Dietschen Doctrinael</i> en den <i>Spiegel der Zonden</i> +wordt gehandeld over de „caritate" en de verdere verhouding +tusschen God en den mensch. Toch houden deze leerdichters +den blik niet bij voorkeur op het godsdienstig gemoedsleven +gericht. Hoofdzaak is voor hen, wat RUYSBROECK samenvatte +onder den naam van het <i>Werkende Leven</i>. Waar een hunner +een enkele maal over het <i>Schouwende Leven</i> spreekt, daar is +hij er blijkbaar mee verlegen, hoe hij het zal plaatsen tegenover +het Werkende Leven. Er is veel over getwist, schrijft de +samensteller van den <i>Dietschen Doctrinael</i>, welk dier twee het +best zou zijn. Zelf is hij blijkbaar geneigd het Werkend Leven +hooger te stellen; immers dat is „vele meerre arbeit"; de schouwer +doet niets anders dan dat hij „zijnen Schepper liefheeft". +Wat hem echter weerhoudt aan het Werkend Leven den voorrang +te geven is, dat degelijke geleerden het Schouwende Leven +hooger gesteld hebben; bovendien, CHRISTUS zeide immers van +MARIA, dat zij het beste deel gekozen had; zoo komt de auteur +van den <i>Doctrinael</i> niet tot eene slotsom. In overeenstemming met +de geringe plaats, door het Schouwende Leven ingenomen, is +ook, dat deze leerdichters slechts zelden over Gods wezen en +het wezen der ziel spreken. In den <i>Dietschen Doctrinael</i> vinden +wij een hoofdstuk „Van der Godheit" en „noch subtijlre van +Gode", in <i>der Leken Spieghel</i> een paar hoofdstukken „van +Gods wesene" en „van den wesene der zielen", doch wat beteekent +dat viertal tegenover de honderde hoofdstukken van +anderen aard? + +<p>De rijkdom aan gegevens, dien deze leerdichten bieden aan +den onderzoeker van de zedelijke ontwikkeling onzer voorouders, +mag ons oog niet verblinden voor hunne doorgaans geringe +waarde als literaire kunstwerken. JAN DE WEERT moge wel +eens zekere levendigheid en gloed vertoonen, de samensteller +van den <i>Spiegel der Zonden</i> aardige woorden maken of althans<a name="427"></a> +gebruiken als „slaeplief" (concubine), „die beeste-mensche" of +„die mensche-beeste" (la bête humaine), over het algemeen +kan hier van schoonheid zelden sprake zijn. Noch in den +bouw der werken, noch in het verband der deelen, noch in +de uitwerking der onderdeelen valt doorgaans—want er zijn +uitzonderingen—eenige kunst te bespeuren. Het mag de +vraag heeten of deze dichters in staat waren tot het voortbrengen +van belangrijke literaire kunst, maar zeker hebben zij er +niet naar gestreefd. + +<p>Het leerdicht der 14<sup>de</sup> eeuw vindt zijn meest typischen vertegenwoordiger +in den Antwerpschen „scepenclerc" JAN BOENDALE, +die waarschijnlijk in het laatste kwart der 13<sup>de</sup> eeuw +geboren is. Onder den invloed van MAERLANT begint hij met +een paar geschiedkundige werken: de <i>Brabantsche Yeesten</i> en +<i>Van den derden Edewaert</i>, dat den krijgstocht van den Engelschen +koning EDUARD III tegen Frankrijk behandelt is<a href="#14.18">[18]</a>. Maar +verreweg zijn gewichtigste werk levert hij daarna in <i>der Leken +Spieghel</i>, een leerdicht dat tusschen 1325 en 1330 is samengesteld<a href="#14.19">[19]</a>. +In dit volksboek vond de leek ongeveer alles bijeen +wat hij noodig had om zich als christen, mensch en burger te +ontwikkelen. Het werk sprak eerst over God, den hemel, de +goede en kwade engelen, het heelal, de planeten, de aarde, de +hel. Daarna kwam het op den mensch, op zijne geschiedenis en +op die van het Joodsche volk, Gods uitverkorenen; als aanhangsel +der Joodsche geschiedenis werd ook iets van de geschiedenis +der Romeinen medegedeeld. Na zoo, evenals de mystiek, van +God tot den mensch te zijn afgedaald, maakt de dichter zich +gereed weer tot God op te klimmen; maar lang is de weg. +De mensch kan slechts tot hooger ontwikkeling komen doordat +God op aarde is afgedaald. Gods menschwording wordt dus +medegedeeld, het leven van JOZEF en MARIA, JEZUS' kindsheid<a name="428"></a> +en geschiedenis; een overzicht van de geschiedenis der door +Hem gestichte kerk sluit zich daarbij aan. Nu plaatst de schrijver +den mensch in zijne verhouding tegenover God, leert hem +hoe hij zijn persoonlijk zedelijk leven kan ontwikkelen, hoe hij +zich te gedragen heeft in het huwelijk en bij de opvoeding +zijner kinderen; wat de plichten zijn van een goed landsheer, +van een rechter; wat men te denken hebbe over de waarde en +het wezen van kunst en wetenschap, over minne, vriendschap, +mildheid, maagschap, voeding en dergelijke belangen. Hij besluit +zijn werk met een groot toekomstbeeld: de Antikrist zal +op aarde komen en het volk verleiden; de Heer zal zijne twee +getrouwe knechten HENOCH en ELIA tegen hem uitzenden, de +Antikrist zal hen dooden, doch de „gadoot"<a title="[margin: plotselinge dood.]"><sup>#</sup></a> zal hem zelven +van Gods hand treffen. Dan zullen er teekenen geschieden: +de zee zal zich verheffen, zeegedrochten zich vertoonen en +angstwekkend huilen, dan aardbeving, opstanding der dooden; +hemel en aarde zullen in brand staan—zóó zal de Dag des +Oordeels worden aangekondigd. Op de wolken zal dan de +rechter komen, die in het dal van Josaphat de menschen zal +oordeelen, de goeden met zich voeren, doch de boozen ter +helle verwijzen. + +<p>Dat is de kern der omvangrijke stof die in bijna 22000 +verzen, nochtans beknopt en zaakrijk, behandeld is. Zeker was +daarin veel waarmede de leeken hun voordeel konden doen. +Zij vonden er nuttige kennis en dingen die hunne algemeene +ontwikkeling konden bevorderen naast lessen voor de practijk +des levens; zoo wekt BOENDALE de landsheeren op tot zorg +voor het algemeen welzijn; de poorters tot onderlinge eendracht, +te waken tegen zelfverheffing, hunne kinderen op hun zevende +jaar naar school te zenden om lezen en schrijven te leeren<a href="#14.20">[20]</a>. +Doch sterker invloed nog zal hij geoefend hebben door zijne +verheffing van het geestelijke boven het stoffelijke. Hoe forsch<a name="429"></a> +pakt hij de overmoedige zinnelijkheid dier opkomende burgerij +aan, waar hij haar voor oogen houdt dat de „arme menschelichede" +het zwakste en onreinste zou zijn dat bestaat—ten +ware dat de ziel haar door hare gratie bestierde en sierde. +Onder een geslacht dat afzonderlijke woorden bezigde voor te +veel eten en drinken („overate" en „overdranc") is BOENDALE +een matigheids-apostel geweest die hun voorhield, dat éénmaal +eten: geestelijk is, twéémaal: menschelijk, driemaal: beestelijk. +Hij komt op tegen de voorstelling van God als een mensch: +„God is altemale gheest; tegen afbeeldingen van engelen met +menschenlichaam en vleugels; tegen de voorstelling van de +kerk als een huis, zooals RUYSBROECK dat evenzeer had gedaan<a href="#14.21">[21]</a>. + +<p>De vraagstukken van maatschappelijken aard die hier behandeld +zijn, vindt men, met eenige andere vermeerderd, terug in een +tweede, veel kleiner, leerdicht van BOENDALE, dat getiteld is +<i>Jan's Teesteye</i><a title="[margin: overtuiging.]"><sup>#</sup></a><a href="#14.22">[22]</a>. Nieuw is hier o.a. BOENDALE'S overtuiging: +dat de menschen, vergeleken bij de vroegere, eer vooruit dan +achteruit zijn gegaan, al heeft de adel onder den invloed der +boozen geleden; dat de boeren en kooplieden zulke nuttige +leden der maatschappij zijn; dat de vrouwen zoo vele en zoo +groote gebreken hebben. Ook over dichters vinden wij hier +eenige uitlatingen die niet zonder belang zijn, doch die wij +liever elders zullen behandelen. + +<p>Vooral in de <i>Teesteye</i> zien wij, welk een sterken invloed +MAERLANT op BOENDALE heeft geoefend. Zijne beschouwing +van de „edelhede" is geheel die van MAERLANT, soms vinden +wij zelfs woordelijke overeenkomst. MAERLANT'S <i>Martijn's</i>, zijn +<i>Spieghel</i>, zijn <i>Rijmbijbel</i>, zijn roman <i>van Troyen</i> zijn door +BOENDALE blijkbaar gelezen; gelezen en bewonderd, want meer +dan eens verkondigt hij den lof van „JACOB, die dichter hoghe"; +in zijn <i>Lekenspiegel</i> noemt hij hem zelfs „'t hooft van alle +Dietsche poëten"<a href="#14.23">[23]</a>. MAERLANT heeft in BOENDALE die liefde<a name="430"></a> +tot de waarheid gewekt of versterkt, die hem den moed gaf +zich zoo onbeschroomd tegenover de priesters te uiten, die +hem ook aan een dichter den eisch deed stellen, „dat hi uter +waerheit niet en kere"; doet hij dat, dan is hij den naam van +dichter onwaardig<a href="#14.24">[24]</a>. + +<p>Toch is er tusschen den meester en zijn bewonderenden +leerling een aanmerkelijk verschil. + +<p>MAERLANT was een idealist. In zijn jonge jaren hadden de +idealen van het ridderwezen zijn hart wel niet onverdeeld bezeten, +maar er toch weerklank gevonden; de vereering der +vrouwen had het in gloed gezet, die gloed was langzamerhand +gezuiverd van rook en walm, de moedermaagd had al die +romanheldinnen verdreven, den stralenden afglans van het +vuur zijner jeugd zien wij in zijn <i>Land van Overzee</i> en zijn +<i>Kerken Claghe</i>; daar heeft de lezer en vertaler van ridderromans +zich ontwikkeld tot een „miles Christianus". + +<p>BOENDALE heeft ook wel eens van dien eerbied voor de +vrouwen gehoord. De „edelhede", zegt hij in zijn <i>Teesteye</i>, gebiedt +dat men over vrouwen en jonkvrouwen slechts hoofsche +dingen spreke. Maar zich zelven acht hij blijkbaar aan dat +gebod niet gebonden. Een paar hoofdstukken verder in datzelfde +gedicht geeft hij eene karakteristiek van de vrouwen die aan +duidelijkheid niets, aan hoofschheid alles te wenschen overlaat; +hij zal er maar „een luttel" van zeggen: vrouwen zijn van +nature loos, vrekkig, begeerig, twistziek, ongestadig, wraakzuchtig, +zonder genade voor wien zij haten, hoovaardig, kinderachtig, +onwetend, lichtgeloovig ... men zou zeggen dat +het zóó wel kon, doch het hoofdstuk geeft nog meer van dezen +aard, er volgt een ander dergelijk dat getiteld is „noch van +den wiven" en daarop nog een „exempel". Een geluk is er +echter: „dat de vrouwe des mans dienstwijf is", wat men hieruit +kan zien dat de vrouw het kind, door den man gewonnen,<a name="431"></a> +moet dragen en groot brengen; een taak waarvan de man +terecht is vrijgesteld, omdat hij „heer en voogd van het aardrijk" is. + +<p>Men zou BOENDALE onrecht doen, indien men verzweeg +dat hij zelf zijn best heeft gedaan om niet misverstaan te worden; +op deze hoofdstukken heeft hij een ander laten volgen dat +handelt „van den goeden wiven"; daarin maakt hij onderscheid +tusschen „vrouwen" en „wiven": al het kwade geldt slechts +van de „wiven", zegt hij; van de „vrouwen" weet hij allerlei +liefelijke en goede dingen te vertellen: een goede vrouw is +haar mans schat, zij draagt zorg voor haar mans eer, voor +zijn leven, zijn goed; zij is hem trouw tot in den dood; zij +is dikwijls wijs, geeft goeden raad, houdt vrede met haar man, +zij troost hem als hij verdriet heeft; een goede vrouw gaat +zilver en goud te boven en purperen staatsiekleederen en saffieren + ... aldus stelt BOENDALE het goede tegenover het kwade. + +<p>Het feit dat drie hoofdstukken aan de „wiven" gewijd zijn +en slechts één aan de „vrouwen" behoeft hier niet zwaar te +wegen. Doch ook al ware hij even uitvoerig geweest over +de goede als over de kwade vrouwen, dan nog zou men terecht +mogen beweren, dat een dichter die de fouten en zonden der +vrouwen zóó breed kon uitmeten, weinig sympathie kan hebben +gevoeld voor het hoog en zuiver idealisme, dat, vermengd met +elementen van minder waarde, in den middeleeuwschen vrouwendienst +gevonden werd. Ja, ook MAERLANT heeft in zijn roman +<i>van Troyen</i> wel eenige verzen vertaald waarin gebreken der +vrouwen worden opgesomd, doch wie het <i>vóór</i> en het <i>tegen</i> +de vrouwen in MAERLANT'S werken onderling vergelijkt, zal +toch moeten instemmen met de slotsom van MAERLANT'S +vriend MARTIJN: + +<p class="quote">Jakob, du best den vrouwen hout <a title="[margin: genegen.]"><sup>#</sup></a>, +Du gheves den mannen al de scout <a title="[margin: schuld.]"><sup>#</sup></a>.<a name="432"></a> +</p> + +<p>Ook elders toont BOENDALE zekere nuchterheid en bezadigdheid, +die hem afkeerig maakt van wat buiten de middelmaat +valt; „middelheit houden over al", dat moet iemand doen die +zich zelven mint. Een ander minnen is goed, maar ieder minne +een ander zóó, „dat hi sijns selfs scade niet en doe", want doet +hij dat niet, dan heeft hij een ander liever dan zich zelven— +en, wie zóó liefheeft, leeft „onwijslijc". Zoo moet men arme +brave bloedverwanten wel helpen, doch zóó dat men er zelf +de minste schade bij lijdt <a href="#14.25">[25]</a>. + +<p>MAERLANT'S idealisme maakte hem pessimist, gelijk zoovele +idealisten vóór en nà hem. De werkelijkheid ontstemt, bedroeft, +ergert hem; om zijn geloof aan de menschheid te kunnen +behouden, vlucht hij ermee naar een droomland in een ver +verleden waar alles rein en goed was; bij de toestanden uit die +gouden eeuw vergeleken, is al wat hem op deze aarde omringt, +gebrekkig, leelijk, zondig. + +<p>BOENDALE is het hier geenszins met zijn voorganger eens. +In zijn <i>Lekenspiegel</i> sprak hij de overtuiging uit, dat de menschen +tegenwoordig even goed zijn als vroeger. In zijn <i>Teesteye</i> neemt +hij die stelling in het eerste hoofdstuk reeds weer op, gaat na +hoe het komt dat wij het voorgeslacht zoo prijzen, betoogt de +waarheid zijner stelling met voorbeelden uit het Oude en het +Nieuwe Testament, en hangt daarna een zóó verlokkend tafereel +op van de braafheid en vroomheid zijner tijdgenooten dat men +een oogenblik aan ironie denkt; doch uit het gansche werk +blijkt dat men den dichter ook hier moet houden aan zijn +woord. Deze verheerlijking van zijn tijd komt in een eigenaardig +licht te staan, indien men haar naast den proloog van +het werk plaatst. BOENDALE heeft zijn <i>Teesteye</i> opgedragen aan +een machtig en invloedrijk edelman, ROGIER VAN LEEFDALE, +kanselier van Brabant en burggraaf van Brussel. Heer ROGIER +was blijkbaar een MAECENAS voor BOENDALE. De dichter<a name="433"></a> +verzekert dat hij zijne dichtkunst wil stellen ten dienste en ter +eere van zijn hoogen beschermer en diens gemalin AGNES VAN +CLEVE. Hoog verheft hij beider lof, zelfs hunne namen deelen +daarin: wie kan mooier namen bedenken dan: ROGIER EN +ANGENEESE? Één ding hoopt hij nu slechts: dat Heer ROGIER +in dit werk niets vinden moge dat hem mishaagt. Vroeger is +hij vaak in vreeze geweest, wanneer hij zijn beschermer eenig +dichtwerk zond, of het hem wel bevallen zou; daarom is hij +nu voortaan op zijn hoede, want Heer ROGIER ziet scherp en +heeft hem wel eens berispt over zijne poëzie. + +<p>Blijkbaar had BOENDALE in een vorig gedicht (welk?) te +stout en te scherp gesproken, waarschijnlijk over maatschappelijke +misstanden en moest de aanvang der <i>Teesteye</i> Heer ROGIER +weer in een goed humeur brengen. Maar een idealist, een +echte, doet zulke dingen toch niet. + +<p>MAERLANT sprak een stout woord voor dien tijd, toen hij, +het eerst in de volkstaal, neerschreef dat de ware adel in de +deugd gelegen is. BOENDALE volgt hem daarin slechts na. +MAERLANT zwijgt over de democratische beweging zijner dagen, +die opkwam toen hij reeds bejaard was; doch hij heeft er zich +toch niet vierkant tegenover geplaatst zooals BOENDALE. + +<p>MAERLANT bewerkte den <i>Rijmbijbel</i>; BOENDALE voegde bij +het werk van zijn voorganger slechts het een en ander uit de +apocriefe evangeliën<a href="#14.26">[26]</a>. + +<p>MAERLANT was geen hervormer maar toch een vernieuwer +en een voorganger; BOENDALE een verdienstelijk volger en +behouder. + +<p>MAERLANT eindelijk was een dichter die, ja, ter wille van +zijn volk veel berijmd proza heeft geschreven, maar in wiens +werk toch op menige plaats echte poëzie te zien valt als groene +loten tusschen het dorre hout. BOENDALE'S poëtisch vermogen +was blijkbaar gering. In zijne voorstelling van den naderenden +<a name="434"></a> +Oordeelsdag zijn hier en daar elementen van grootsche verhevenheid +die doen denken aan het Oudhoogduitsche <i>Muspilli</i>; +doch waarschijnlijk heeft hij ook deze aan een of andere +Latijnsche bron ontleend; indien hij al iets van deze verhevenheid +hebbe beseft, dan is hij er toch niet in geslaagd het ons te +doen zien. + +<p>In zijn beste werk, <i>der Leken Spieghel</i>, kan men slechts op +een paar plaatsen wijzen die zich boven het gelijkvloersche +verheffen. De eene is die waar hij spreekt over de roeping +van den dichter; de andere, eene uiting van verlangen naar +de paradijsweelde van JEZUS' liefde, bevat misschien de beste +verzen die hij geschreven heeft: + +<p class="quote">O edele minne, wanneer seldi +Volkomenlike comen in mi? +Of dat ic uwes ghesmake iet! +Had ic u, mine ghebrake niet<a title="[margin: mij zou niets ontbreken]"><sup>#</sup></a>, +Al mijn vernoy<a title="[margin: verdriet]"><sup>#</sup></a> ware verdreven. +Ay heere! wilt mi gheven +U vaderlike minne daer toe: +So blivic eeuwelike vroe<a title="[margin: blijde]"><sup>#</sup></a> <a href="#14.27">[27]</a>. +</p> + +<p><i>Jans Teesteye</i>, het werk van BOENDALE, waarin MAERLANT'S +invloed zich het duidelijkst vertoont, is geschreven in den vorm +eener samenspraak tusschen een paar vrienden, WOUTER en +JAN; echter niet in regelmatige afwisseling van vraag en antwoord +verdeeld over afzonderlijke coupletten, maar zóó dat verreweg +de meeste hoofdstukken aanvangen met een vraag van WOUTER +die door JAN wordt beantwoord. Misschien moeten wij dit +dialogisch karakter toeschrijven aan den invloed van MAERLANT'S +<i>Martijns</i>, doch, zooals wij reeds in den aanvang van dit +hoofdstuk zagen, het leerdicht koos gaarne dezen vorm.<a name="435"></a> + +<p>Wij vinden den dialoogvorm nog in een drietal leerdichten +die wij nu zullen behandelen. + +<p><i>Meliboeus</i> een „boec van troeste ende van rade" is eene vertaling +uit het Latijn van ALBERTANUS VAN BRESCIA en werd +in 1342 door een te Antwerpen wonend dichter voltooid. Het +zou worden opgedragen aan den hertog van Brabant en de +hier aangeboden troost en raad waren dan ook voornamelijk +gericht tot landsheeren, zooals ons in den proloog wordt medegedeeld. +In een onregelmatig dialogischen vorm geeft het gedicht +allerlei opmerkingen ten beste over de wijze waarop een man +zich heeft te gedragen in den strijd o.a. met het vleesch, de +wereld en den duivel; verreweg de meeste plaats wordt echter +ingenomen door een breedvoerige behandeling van vragen als: +of en wanneer een man rekening moet houden met den raad +zijner vrouw, wat men schuwen moet in het raadplegen, hoe +men zal onderzoeken of een raad nuttig is, dat men aan jongere +menschen geen raad moet vragen enz. + +<p>Mogelijk is ook dit werk van BOENDALE'S hand, al zal eerst +voortgezet onderzoek deze mogelijkheid tot zekerheid of hooge +waarschijnlijkheid kunnen brengen<a href="#14.28">[28]</a>. + +<p>Den invloed van MAERLANT'S <i>Martijns</i> dien wij in BOENDALE'S +<i>Teesteye</i> opmerkten, zien wij eveneens in <i>Eene disputacie van +Rogiere ende van Janne</i>, door den Yperschen chirurgijn JAN +DE WEERT gedicht, nadat hij den <i>Spiegel van Zonden</i> had +voltooid. Evenals in den <i>Meliboeus</i> wordt ook hier de strijd +van den mensch met zijne drie vijanden: het vleesch, de wereld +en den Booze behandeld. Wij hebben deze voorstelling reeds +leeren kennen uit RUYSBROECK'S <i>Werkende Leven</i>; ook andere +deelen daarvan vinden wij in deze <i>Disputacie</i> terug, zoo b.v. +de rol die Gods gratie vervult in dezen strijd van den mensch +met zijne vijanden; de vergelijking van den mensch bij eene +stad waarin de vrije wil koning is<a href="#14.29">[29]</a>.<a name="436"></a> + +<p>Toen JAN DE WEERT dit werk schreef, stond MAERLANT'S +beeld hem voor oogen; MAERLANT'S naam wordt door hem +dan ook meer dan eens genoemd, de <i>Martijns</i> vermeld en de +trant dier werken nagevolgd. Maar het talent van den navolger +schoot te kort; de dwang van MAERLANT'S kunstig gebouwde +strophe belemmert hem voortdurend in het voorwaartsgaan en +hij was zich daarvan wel bewust, toen hij schreef: + +<p class="quote">Mijn conste en es niet also groot +Als Jacops hier te voren. +</p> + +<p>Toch is hier nog in het kiezen van dien vorm een streven +naar kunst. + +<p>Dat streven valt tenauwernood te ontdekken en is bijna +schuil gegaan achter het nuttigheidsbeginsel in de samenspraak +tusschen vader en zoon, die onder den titel <i>Seneka leren</i> eene +vertaling bevat van een aan SENECA terecht of te onrechte +toegeschreven werkje <i>De Remediis Fortuitorum</i><a href="#14.30">[30]</a>. De Dietsche +vertaling bevatte een menigte welgemeende terechtwijzigingen, +verstandige voorschriften en lessen van levenswijsheid, in zuivere +taal uitgedrukt. Door dat karakter sluit dit werkje zich aan +eenerzijds bij den <i>Dietschen Catoen</i> uit vroegeren tijd en bij +eenige andere gelijktijdige: het <i>Doctrinael savage</i>, <i>die Bouc +van Zeden</i> en <i>Van Zeden</i><a href="#14.31">[31]</a>. + +<p>Evenals de meeste overige leerdichten, zijn ook deze werkjes +wel niet zonder belang voor de geschiedenis der literatuur—immers, +zooals men de literatuur toen beschouwde—maar +toch belangrijker voor de zedengeschiedenis. De twee laatste +werkjes vooral zijn gewijd aan de verfijning van manieren en +gedrag in het dagelijksch leven. Men ziet eruit dat ook de burgerij +prijs gaat stellen op uiterlijke beschaving en tevens dat die +beschaving nog geen hoogen trap had bereikt. Dat laatste blijkt +wel, wanneer men in het oog houdt wat de Dietsche vertaler<a name="437"></a> +van het laatstgenoemde geschrift zijnen lezers en hoorders al +zoo voorhoudt: eet en drink niet tegelijk; soppen in een nap +gaat aan, in den mond niet; bijt niet in een stuk dat gij (daarna) +in den schotel wilt leggen; gebruik het tafellaken niet om er +uwe tanden, tranende oogen of uw neus mede te vegen; vat +den beker niet bij den rand aan; wijs niet met den vinger naar +iemand over wien gij spreekt; komt gij voor iemands deur, +val dan niet met de deur in huis, maar geef een of ander +teeken door kloppen, hoesten of spreken. Andere voorschriften +echter waren berekend niet zoozeer op het te keer gaan der +oorspronkelijke ruwheid als wel op het verhoogen der reeds +aanwezige beschaving. Zoo b.v.: lach niet te veel; lach ook niet +in u zelven, want dat is een teeken van boosheid en geveinsdheid; +spreek niet minachtend over vrouwen; zit gij in gezelschap +van uwen meerdere, sla dan het eene been niet over het ander; +moet gij slapen in één bed met uw gelijke of uw meerdere, +vraag hem dan aan welken kant hij wil liggen. + +<p>Door raadgevingen als die over de drie vijanden van den +mensch houdt het bundeltje <i>Van Zeden</i> verband met <i>Meliboeus</i> +en JAN DE WEERT'S <i>Disputacie</i>, anderzijds beseft de bewerker +wel dat hij iets geeft dat in den <i>Dietschen Catoen</i> niet gevonden +werd<a href="#14.32">[32]</a>. + +<p> +De hier behandelde tweespraken en dialogische gedichten, +de korte coupletten, waaruit het bundeltje <i>Van Zeden</i> bestaat, +kunnen dienen als voorbereiding op de didactische lyriek, die +wij in een volgend hoofdstuk zullen leeren kennen. Zij zijn +als schakels, die de leerdichten in epischen vorm verbinden +met de didactische lyriek. Geen der in deze laatste bladzijden +behandelde werken is daartoe zóó geschikt als het tot nu niet +genoemde werk van zekeren JAN PRAET, dat men op grond +van eene aanwijzing in den tekst <i>Leeringhe der Zalichede</i> heeft<a name="438"></a> +genoemd<a href="#14.33">[33]</a>. Gedicht nu eens in verzen met overslaand rijm, +dan weer in paarsgewijze rijmende verzen, die onderbroken +worden door vier- en zesregelige coupletten, afgewisseld op +hunne beurt door twaalfregelige „motetten", geeft dit rijmwerk +ons een vermoeiend bonte afwisseling van dichtvormen te zien. +Harmonie heerscht hier in zóóver, dat ook de inhoud een +bonte verscheidenheid toont; doch die harmonie beperkt zich +tot de oppervlakte, want de wisselingen van vorm beantwoorden +niet aan wisselingen van inhoud of stemming, maar schijnen +slechts voort te komen uit zekere onrust, misschien ook +uit de zucht van den auteur om met zijne kunstvaardigheid te +pronken. + +<p>Daar de aanvang en het slot van het werk ontbreken, kunnen +wij ons uit de ongeveer 5000 overgebleven verzen geene +volkomen voorstelling vormen van het plan des dichters. De +aanvang van het fragment verplaatst ons in een lofzang op de +H. Maagd. Hare deugden worden opgenoemd in verband met +de letters van haar naam. Telkens begeeft de auteur zich in +eene uitweiding, zoo b.v. over de wanhoop en de geschiedenis +van THEOPHILUS. De voorstelling van het leven als een gevaarlijke +zeereis wordt breed uitgewerkt: het lichaam is het +schip, het hart de schipper, het gepeins het anker; het kompas, +bestaande uit naald, zeilsteen en water, geeft een voorstelling +van Verstand, Zin en Geheugen. Hoogmoed wordt gelaakt; +zelfkennis aangeprezen; de verachtelijkheid van het lichaam met +nadruk betoogd. Daarna wordt het beeld van het schip weer +op den voorgrond gebracht. De auteur, die zich hier wel in +de plaats zal stellen van den gewonen mensch, belijdt dat hij +schuldig staat aan de zeven hoofdzonden; deze worden dan +op de bekende middeleeuwsche wijze voorgesteld als een boom +(hoovaardij) met zes takken (<i>arbor vitiorum</i>). Staaltjes van de +wijze, waarop de hoofdzonden zich in het leven openbaren,<a name="439"></a> +worden medegedeeld; vooral de priesters moeten het hier +ontgelden in hun wellust, luiheid en hebzucht. Een lang +dispuut tusschen Hoovaardij en Ootmoed volgt; daarna een +beschrijving van een strijd tusschen de deugden en de ondeugden +(bekend uit PRUDENTIUS' <i>Psychomachia</i>); ten slotte wordt +Hoovaardij berispt door Vrouwe Sapientia en JEZUS' leven uitvoerig +verhaald. + +<p>Hoewel nergens blijkt dat een bepaald werk of een auteur +door JAN PRAET gevolgd is, knoopt hij toch telkens nieuwe +beschouwingen vast aan Latijnsche teksten of korte Latijnsche +verzen, die niet zelden door hem worden uitgebreid. In die +uitbreidingen, vooral in de lyrische gedeelten daarvan, toont +deze auteur zich op zijn best. Zijn smaak was niet fijn—getuige +zijne vergelijking van God, die zich van sommige +priesters afkeert, bij een haas die de honden ontvlucht<a href="#14.34">[34]</a>—hij +weet zich niet te beheerschen noch te beperken, toont zich niet +zelden een gelijkvloerschen rijmelaar; doch, waar hij op zijn +best is, weet hij ook aardige, gemakkelijk voortloopende coupletten +te dichten, die zekere natuurlijke bevalligheid vertoonen. +Zoo b.v. het „motet" dat aanvangt: + +<p class="quote">Bi rimes zucht<a title="[margin: nadeelige invloed van de rijp.]"><sup>#</sup></a> +Verlieset vrucht +Saen hare baten +</p> + +<p>of: + +<p class="quote">Hooren, peinsen, +Zwighen, veinsen +Ende wel voorsien, +Dat zijn seden +Van wijsheden +Dies willen plien<a title="[margin: plegen.]"><sup>#</sup></a>.<a name="440"></a> +</p> + +<p>Ook de aanvang der lange passage, waar Vrouwe Hoovaardij +aan het woord is, mag hier genoemd worden: + +<p class="quote">Ic doe tornieren, +Ridders verfieren<a title="[margin: stouter worden.]"><sup>#</sup></a> +Van haren zinne, +Vrouwen pareren, +Zinghen, baleren<a title="[margin: dansen.]"><sup>#</sup></a> +Om ridders minne; +Knapen<a title="[margin: schildknapen.]"><sup>#</sup></a> josteren<a title="[margin: strijden te paard in tweegevecht.]"><sup>#</sup></a> +Ende breken speren +Om roeme saken; +Joncfrouwen vermoyen, +Wempelen ployen +Ende horne<a title="[margin: de horens van het middeleeuwsch kapsel.]"><sup>#</sup></a> maken. +</p> + +<p>Zulke stukken herinneren ons, dat er in de 14<sup>de</sup> eeuw eene +bloeiende lyriek wordt aangetroffen. Met die lyriek zullen wij +ons spoedig hebben bezig te houden. Eerst echter wacht ons +een andere taak: na te gaan, wat er van den <i>Reinaert</i> geworden +is onder den invloed van de sterke didactische neigingen +der burgerijen. + +<p> +REINAERT II. + +<p>Een eeuw en het vierde eener volgende eeuw waren voorbijgegaan, +sinds een Vlaamsch dichter de geschiedenis <i>van den +vos Reinaerde</i> aan zijn volk had verhaald. + +<p>Welken indruk dit dichtwerk op het publiek heeft gemaakt, +kunnen wij wel vermoeden doch niet in bijzonderheden aantoonen. +Moesten wij afgaan alleen op het ontbreken van +handschriften uit de 13<sup>de</sup> en 14<sup>de</sup> eeuw, waarin het gedicht is +bewaard, dan zou men moeten aannemen dat het weinig of +niet bekend is geworden. Maar de afkeurende critiek van ernstige<a name="441"></a> +mannen als WILLEM VAN AFFLIGHEM en MAERLANT bewijst +wel, dat de roodbaard in ruimer kring sympathie vond dan +hun lief was. Duidelijk openbaarde zich die sympathie bij zekeren +BALDWINUS, die omstreeks of eenigen tijd vóór 1280 aan ons +gedicht de zeldzame eer eener vertaling in het Latijn bewees. +Maar indien de <i>Reinaert</i> daardoor al in de schatting ook der +ernstige mannen gerezen is, dan toch waarschijnlijk alleen +omdat hij ook nuttige lessen bevatte. Dat standpunt zien wij +ten minste JAN BOENDALE innemen ongeveer een halve eeuw +nadat de Latijnsche vertaling vervaardigd is. In zijn <i>Lekenspiegel</i> +zegt hij, sprekend „van Reynaerde ende Ysegrime, Brunen den +bere ende den das": + +<p class="quote">Dat dese dinc vonden was, +Was al om lere ende wijsheit<a href="#14.35">[35]</a>. +</p> + +<p>Die opvatting bleef gelden ook bij anderen die na hem +kwamen. Indien BOENDALE—wat niet waarschijnlijk is—nog +heeft geleefd omstreeks 1375, dan heeft hij zijn hart kunnen +ophalen aan een verhaal <i>van den vos Reinaerde</i>, dat waarschijnlijk +wel genade zal hebben gevonden in de oogen der ernstige +mannen van dien tijd. In dat jaar toch heeft een onbekend, +geletterd dichter het oude verhaal opnieuw bewerkt in den geest +der didactische dichters. WILLEM'S gedicht is door hem tot +grondslag genomen eener nieuwe bewerking, bestaande uit: +1<sup>o</sup> het oude gedicht, doch met allerlei wijzigingen, invoegsels, +toevoegsels en weglatingen; 2<sup>o</sup> eene voortzetting van het oude +gedicht in den geest zijner bewerking van WILLEM'S gedicht. +In zijn werk heeft hij tal van nieuwe dierfabels gelascht: wolf +en merrie, man en slang, paard en hert, ezel en hond, wolf +en kraanvogel, zieke leeuw en Reinaert als arts; deze zijn +ontleend deels aan den <i>Esopet</i> deels waarschijnlijk aan de +Latijnsche fabelverzameling <i>Romulus</i>. Aan de voortzetting van<a name="442"></a> +het oude gedicht ligt waarschijnlijk eene Fransche bewerking +van een deel der Reinaert-sage ten grondslag, doch de Nederlandsche +bewerker heeft op dien grondslag zelf voortgebouwd. + +<p>De dichter van 1375 heeft uit den ouden <i>Reinaert</i> vrij wat +weggelaten doch er ook vrij wat aan toegevoegd; zijne bewerking +van WILLEM'S gedicht heeft denzelfden omvang als dat +gedicht zelf. Door de voortzetting die meer dan 4000 verzen +bedraagt, verkreeg <i>Reinaert II</i>, zooals men het 14<sup>de</sup>-eeuwsch +gedicht gewoonlijk noemt, echter meer dan den dubbelen +omvang van <i>Reinaert I</i>. + +<p>Willen wij trachten <i>Reinaert II</i> te leeren kennen en te +kenschetsen, dan zullen wij dat werk voortdurend naast <i>Reinaert I</i> +moeten houden om de overeenkomst en het verschil tusschen +beide te beter te zien<a href="#14.36">[36]</a>. + +<p> + +<p>Evenals in de 13<sup>de</sup> eeuw zien wij ook nu na de ridderpoëzie +eene bewerking der Reinaert-sage verschijnen, doch verschillend +in wezen van die der 13<sup>de</sup> eeuw en onder andere omstandigheden. + +<p>Het oude gedicht <i>Van den vos Reinaerde</i> was, evenals het +Fransche gedicht <i>Le Plaid</i>, ontstaan ten deele uit lust tot +parodieering van ridderwezen en ridderpoëzie; de Vlaamsche +dichter heeft die parodie op zelfstandige wijze met onmiskenbaar +talent uitgewerkt en voortgezet. De parodie die in <i>Reinaert I</i> +reeds aanwezig was, is door den lateren dichter grootendeels +behouden, doch, behalve de beschrijving van een tweekamp +tusschen vos en wolf, heeft hij daaraan niets toegevoegd waaruit +lust tot zulke parodie ook in hem blijkt. Wel zien wij op een +enkele plaats dat hij het ridderwezen niet hoog stelt; hij zegt +immers dat hij den strijd tusschen Reinaert en Isegrim liever +zou zien dan dien „van twee riddren in een perc"<a href="#14.37">[37]</a>. Overigens +moeten wij niet vergeten dat er voor zulk eene parodie omstreeks +1375 weinig reden meer bestond; het ridderwezen was niet<a name="443"></a> +meer wat het nog in de eerste helft der 13<sup>de</sup> eeuw was en de +ridderpoëzie van de eerste helft der 14<sup>de</sup> eeuw was grootendeels +namaak van de vroegere. + +<p>Voor een ander gedeelte was het oude gedicht geboren uit +natuurliefde, welbehagen, in het wezen en leven der dieren, +lust om het leven der dieren in de natuur met het menschenleven +in- en buitenshuis te vereenigen en te verwerken tot een +groot tafereel. Wat is daarvan in de bewerking der 14<sup>de</sup> eeuw +overgebleven? Het natuurleven en dierenleven is er natuurlijk +nog; doch als een tafereel, hier verbleekt daar overschilderd, +dat menigen fijnen trek heeft verloren en nieuwe trekken vertoont +die kwalijk passen bij den geest van het geheel. Wij zien +in de latere bewerking niet de menigvuldige kromme paden in +Reinaert's jachtveld; wij hooren den beer niet meer luid steunen +en zuchten, wanneer hij, van zijn rampspoedigen tocht naar +Malpertuis teruggekomen, vóór koning Nobel staat. Verdwenen +zijn uit <i>Reinaert II</i> de kinderen die den wolf een blinddoek +voorbinden, verdwenen ook het aardige tooneel van Reinaert's +vijanden bij de galg waaraan zij hem aanstonds hopen te +hangen<a href="#14.38">[38]</a>. + +<p>Het onvermijdelijk anthropomorphisme, door den ouden +dichter, met natuurlijken takt binnen de grenzen gehouden, +vertoont zich hier op hinderlijke wijze: koning Leeuw zegt: +nimmer zal ik meer een zwaard aangorden of een kroon +dragen; Reinaert vertelt den koning, dat vrouwe Hermeline +heeft moeten zweren in den naam der drie koningen; de dieren +dansen hofdansen op trompen en schalmeien, zelfs dragen zij +„sproken ende stampiën"<a title="[margin: danslied.]"><sup>#</sup></a> voor; bij het beleg van Malpertuis +bedienen zij zich van „donrebussen en bombaerden"<a title="[margin: kanonnen.]"><sup>#</sup></a><a href="#14.39">[39]</a>. + +<p>Zoo weinig schijnt de omwerker de dieren in hun wezen en +gedrag te kennen, misschien ook geeft hij zoo weinig acht op +zijne eigen voorstelling van het dierenleven, dat hij den leeuw +<a name="444"></a> +laat „brieschen als een stier" en den vos zijne voetstappen +dekken(?) met den mond <a href="#14.40">[40]</a>. + +<p>Dat de omwerker op deze wijze door schrappen en toevoegen +het oorspronkelijk werk in waarde deed dalen, behoeft ons +niet te bevreemden. Zijn voorganger stond <i>in</i>, hij <i>buiten</i> de +dierenwereld. Duidelijk zien wij dat, waar hij, sprekend van +eene woordenwisseling tusschen Reinaert en zijne vijanden, +zegt: „nooit hoorde men feller aanklacht en beter verdediging +dan daar, <i>ten minste van zulke wilde dieren</i>"<a href="#14.41">[41]</a>. Een dergelijke +uitdrukking zou WILLEM nooit gebruikt hebben; die voelde +zich daarvoor te zeer één met de dieren die hij voor ons doet +optreden. De veertiend'eeuwer kent niet meer of gunt zich niet +meer dat genot van zorgeloos gaan door een droomwereld, +met de dieren te zwerven door bosschen en over heiden, ze +na te gaan in hunne gangen, te beluisteren en te bespieden in +hun omgang. Hij is een ontwikkeld man, een „clerc" die zijne +geleerdheid gaarne lucht, die de wereld slecht vindt, haar wil +waarschuwen, verbeteren, stichten. Het verhaal van Reinaert +moet hem dienen als middel om dat doel te treffen. Reeds in +den aanvang van zijn werk vestigt hij de aandacht op de +„wijsheit" die hier besloten ligt; en als hij aan het eind gekomen +is, klinkt het op nieuw: + +<p class="quote">so wie dit wel verstaet in 't lesen, +al ist som boert, hi vinter in +vroede leer ende goeden sin <a href="#14.42">[42]</a>. +</p> + +<p>Om die „vroede leer" en „goeden zin" was het den auteur te +doen; dat was de pit, de boert slechts de bolster. Telkens blijkt +het dan ook, hoe weinig de auteur leeft in die fantastische dierenwereld; +hoe zeer hij vervuld is van het heden. Over dat heden is +hij slecht te spreken. Er loopen maar al te veel Reinaerts rond, al +<a name="445"></a> +dragen zij geen rooden baard; trouw en waarheid zijn verdreven; +hebzucht, loosheid en afgunst met koningin Hoovaardij +zitten nu op het kussen. De geestelijkheid moet menige veer +laten: Losevont de prior, bisschop Prendeloor, Rapiamus de +deken, de kardinaal Valoot met zijne concubine. + +<p>Op die wijs had vroeger ook JAN DE WEERT het mes gezet +in de booze zweren van zijn tijd. Verwantschap met de leerdichters +toont de omwerker van den <i>Reinaert</i> ook, waar hij +veel gewicht hecht aan „raet", „subtilen raet" en den invloed +daarvan aan een hof; waar hij nu eens de vrouwen in een +ongunstig licht stelt dan weer een zweempje van vrouwendienst +laat blijken. Doch ook maar een zweempje; de lof der vrouwen +wordt verkondigd door vrouw Venus „die duvelinne". Voor +den rechten vrouwendienst zal deze auteur te kalm en nuchter-verstandelijk +zijn geweest. Juist door die eigenschappen kon +het hem gelukken, den mysticus te parodiëeren waar hij uit +Reinaert's mond sprak van „een bloot niet", van „bescouwender +contemplaciën" en „sonderlinghe graciën."<a href="#14.43">[43]</a>. + +<p>Geen bedwelmenden nectar van mystiek maar het voedzame +brood van practische levenswijsheid—dat was wat volgens +hem de burgerij noodig had! Wijze lessen, kernspreuken deelt +onze omwerker dan ook gaarne uit: zonder dwang gaat het +niet goed met eene gemeente; de geleerdsten zijn dikwijls niet de +wijsten; een trouw vriend is een sterke hulp; misdoen en zich +beteren is menschelijk, zonder dat is het duivelswerk; soms +komen de spreuken in een vlaag achtereen: het zwaarste moet het +zwaarst wegen; in voor- en tegenspoed moet men maat houden; +karaktervastheid voegt den heer, het lot is wisselvallig; prijs den +dag niet eer het avond is; goede raad kan dikwijls baten<a href="#14.44">[44]</a>. + +<p>Onze voorstelling zou eenzijdig, onze beschouwing onbillijk +worden, indien wij slechts op deze karaktertrekken van Reinaert<a name="446"></a> +den Tweeden de aandacht vestigden; indien wij het deden +voorkomen alsof het dezen auteur geheel ontbrak aan medegevoel +voor het dierenleven. Dat gevoel was er wel, doch hij onderdrukte +het ter wille van andere gevoelens; het bloed kroop, +waar het niet gaan kon. + +<p>Op verscheidene plaatsen vinden wij toevoegsels van zijne +hand, die wel in den geest van <i>Reinaert I</i> zijn; zoo b.v. waar +hij van de vermoorde kip Coppe zegt: „de beste, die ie<a title="[margin: ooit.]"><sup>#</sup></a> eier +leide op neste."—„Kon de koning geen minderen bode vinden +dan u?" laat hij Reinaert tot den dom-trotschen afgezant +Bruin zeggen; en later, als deze, bebloed en bek-af na de +mishandeling op LAMFROIT'S erf, op den oever eener rivier +ligt te hijgen: „hebt gij iets vergeten daarginds? ik zal gaarne +een boodschap voor u meenemen; smaakte de honing? ik weet +er nog meer voor u tegen denzelfden prijs." Hoe goed ook +zijn de kapriolen beschreven van de kleine vossen, die zoo'n +pleizier hebben in de weerkaatsing van hun beeld in een spiegel, +waar zij: + +<p class="quote">in plaghen te spieghelen ende voor te springhen, +ende saghen hoe haer steertjens hinghen, +ende hoe hem haer muulken stont<a href="#14.45">[45]</a>. +</p> + +<p>Op meer dan eene plaats blijkt, dat de omwerker, waar hij +voortzetter is van het oude gedicht, een levendigen stijl heeft, +dat hij wel kan vertellen en beschrijven<a href="#14.46">[46]</a>. Vooral blijkt dat in +het verhaal van Reinaert's bezoek bij de meerkat. „Tante," +zegt Reinaert, „wat heb je mooie jongen! deus, hoe wel behaghen +si mi!" En zij: „Reinaert, lieve neve, weest wellecome!" +Zoo'n vriendelijke ontvangst, vertelt de vos later, verdiende ik +al dadelijk door dat „tante". Toch verlaat hij het hol der apin +zoo snel mogelijk, „omdattet na die wieghe daer rooc". + +<p>Zoo is er dus wel geestverwantschap tusschen den ouden<a name="447"></a> +dichter en den lateren; doch anderzijds dit groote verschil +dat voor den oudere de schepping van zijn werk haar doel +vond in zich zelve, terwijl voor den jongere het dichtwerk +vooral een middel was tot verbetering zijner tijdgenooten. +Was WILLEM een beeldend kunstenaar, die schiep uit scheppingslust +en drang, zijn opvolger was een verstandelijk dichter, +die de behandeling der behagelijke stof gewettigd achtte slechts +door de nuttige leering die zij bevatte. + +<p>Dat verstandelijk element heeft er hem toe gebracht, het oude +gedicht op menige plaats te wijzigen, met de bedoeling natuurlijk +het te verbeteren en voor het logisch denkend verstand juister of +aannemelijker te maken. <i>Reinaert I</i> vertelt ons, dat Bruin, bij +Reinaert's kasteel Malpertuis gekomen, de poort waarneemt waar +Reinaert gewoonlijk uitgaat en dan vóór de „barbecane"<a title="[margin: ronden verdedigingstoren bij een kasteel.]"><sup>#</sup></a> op +zijn staart gaat zitten. Let wel, zegt de omwerker, de poort was +gesloten.—Alsof dat bij een middeleeuwsch kasteel niet vanzelf +sprak!—Bruin, mishandeld door de dorpelingen, is in de rivier +gesprongen, laat zich met den stroom afdrijven en kruipt eindelijk +vermoeid op den oever.—Op den <i>anderen</i> oever, zegt de +omwerker. Hij heeft misschien gelijk, misschien niet; maar wat +kan het ons schelen? „Ik liep uit een schuur," vertelt Reinaert +ergens. „Door het gat waar ik wilde zijn"—wordt ons verduidelijkt. +Koning Nobel en zijne gemalin gaan de terechtstelling +van Reinaert bijwonen, vertelt WILLEM ons.—Het hof +ging ook meê, haast zijn opvolger zich er bij te voegen. + +<p>Op die wijze voortgaand, heeft hij de bekoorlijk-vrije poëzie van +het oude gedicht onder de plak van den schoolmeester gebracht<a href="#14.47">[47]</a>. +Ordelijker heeft hij haar gemaakt, hier en daar ook ordentelijker. +Van „verhoerd" maakt hij „verdoord"<a title="[margin: het hoofd op hol gebracht.]"><sup>#</sup></a>, al past dat niet in +het verband; „achterste" wordt „lijf", al gaat daardoor eene +aardige tegenstelling verloren<a href="#14.48">[48]</a>. Op sommige plaatsen heeft +de omwerker door zijne zucht om duidelijk, vooral duidelijk<a name="448"></a> +te zijn, het oude gedicht ernstiger beschadigd dan door bovengenoemde +toevoegsels of wijzigingen. + +<p>De vos is ingebroken bij den pastoor en heeft een haan +meegepakt; Martinet, pastoors zoon, heeft een strik voor het +gat gespannen in de hoop den kippendief bij een volgend bezoek +te vangen. De rampzalige Tibeert, gekomen om Reinaert +met zich ten hove te voeren, wordt door Reinaert in den strik +gelokt en staat droefelijk te miauwen. Martinet wordt wakker, +vliegt op, steekt een stroowisch aan en schreeuwt tot de huisgenooten: +„Er op af, hij is gevangen!" Dat „<i>hij</i>" zonder meer +zal door zijn waarheid ieder treffen die weet wat men onder +zulke omstandigheden pleegt te roepen. Den omwerker heeft +het ook getroffen, echter niet door zijne waarheid; blijkbaar +acht hij zijn voorganger ook ditmaal niet duidelijk genoeg en +dus laat hij Martinet roepen: „Staat op, de dief is gevangen!" +Doch welk een aardig trekje ging hier verloren<a href="#14.49">[49]</a>. + +<p>Elders hooren wij den braven haan Cantecleer roemen op zijne +vijftien kinderen die zijne echtgenoot, de wijze Rode, hem had geschonken +„in één broedsel"; de omwerker maakt daarvan: die mijne +echtgenoot, de wijze Rode, „zeer verstandig opvoedde". Ook al +neemt men aan dat dit ironisch bedoeld is, wat is dan toch het +warme leven van het oude gedicht door deze wijziging verkild<a href="#14.50">[50]</a>. + +<p>Zit de omwerker eens op zijn praatstoel dan raakt hij er niet +gemakkelijk af; zijne personages redeneeren en redeneeren ... +dat men soms niet meer weet wie aan het woord is. Vrouw +Rukenau, de apin, houdt een pleidooi door 400 regels heen; +een ingevoegd verhaal over eenige kostbaarheden heeft een +omvang van niet minder dan 900 verzen. + +<p>Dat zulke uitweidingen de belangstelling verdeelen en verzwakken, +behoeft evenmin betoog, als dat de eenheid van het +geheel er door wordt verbroken<a href="#14.51">[51]</a>. + +<p>Reinaert de Eerste heeft bij al zijne brutaliteit iets onbe<a name="449"></a>vangens; +boef die hij is, heeft hij toch iets naïefs. Reinaert de +Tweede toont zekere zelfverheffing in uitingen als: „ic weet +so menighen loosen vont"<a href="#14.52">[52]</a>. + +<p>Kortom, het is WILLEM'S dichtwerk onder de handen van +den omwerker gegaan, zooals Reinaert onder die van tante +Rukenau, de apin. + +<p>Reinaert moet in het krijt komen tegen zijn ouden vijand, +den sterken Isegrim. Zonder list zal hij dezen niet kunnen +overwinnen. Moei Rukenau weet raad. Zij scheert neef Reinaert +glad tusschen hoofd en staart en smeert daarna zijn romp met +olie in. Zóó zal de vijand geen vat op hem kunnen krijgen, +want „hij was vet en wel gevoed." Bovendien moet hij dien +avond veel drinken, doch den natuurlijken aandrang die daarvan +het gevolg zal zijn, bedwingen. Komt hij onder het gevecht in +nood, dan zich niet langer bedwongen; met zijn ruigen druipenden +staart kan hij dan zijn vijands oogen verblinden. Met +behulp van deze en andere listen gelukt het hem inderdaad de +zege te behalen. + +<p>Maar hoe ziet hij er dan ook uit! + +<p>Ja, het is de vos nog; nog fonkelen de wilde oogen in den +fijnen kop, nog heeft hij klauwen en tanden. Maar zijn sieraad, +de ruige dichte pels, waarvan de vlokken zoo afstoven toen de +honden hem te lijf gingen, is verdwenen. Ja, hij is welgevoed; +zijn lijf staat bol van nuttige leering en zedelijke verbetering—maar +hoe is de natuurlijke schoonheid van den prachtigen +struikroover verdwenen. Nog bezit hij den zwaren fraai gevormden +staart, doch die hangt neer, druipend ... er is een luchtje aan. + +<p>Zoo uitgerust, was hij ongetwijfeld sterker in den strijd met +den wolf der menschelijke ondeugd, doch wie ziet niet hoe hier +de moraal de kunst heeft geschaad. Uit liefde, ongetwijfeld; +maar, apenliefde.<a name="450"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN.</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.1">1</a>: Vgl. <i>Sp. der. Z.</i>, vs. 16958 en <i>Bed. der M.</i> aan het slot; en +VERWIJS, <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, XIV.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.2">2</a>: <i>Lekensp.</i>, I, c. 24, 57; c. 37, 127; II, c. 7, 102. <i>Dietsche +Doctrinael</i>, III, 831; 1763; II, 2278. <i>Boec van der Wraken</i>, I, 262, +294, 1142 enz.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.3">3</a>: <i>Dietsche Lucidarius</i>, vs. 38–40; ook vs. 335–6: „Van hem +(God) en dorren wi niet bedieden || Te verre voor die leke lieden.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.4">4</a>: <i>Der Mannen ende der Vrouwen Heimelijcheit</i> (in: <i>Mnl. Ged.</i> +ed. DE PAUW), I, 121.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.5">5</a>: <i>Boec van der Wraken</i> (ed. SNELLAERT), I, 1102–3; zijn betuiging +van eerbied voor de priesters in het algemeen (II, 1222 vlgg.) +is daarmede niet in strijd.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.6">6</a>: Bl. 288.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.7">7</a>: I, c. 25, vs. 79 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.8">8</a>: Vgl. de inleiding van VERDAM, XLIII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.9">9</a>: Over de uitgaaf van <i>Die cracht der Mane</i> zie TE WINKEL en +PETIT. Daarbij komen nu een paar andere uitgaven in DE PAUW'S +<i>Mnl. Ged.</i>, I, 203 vlgg. en 219 vlgg. naar hss. der 14e eeuw. De +uitgaven van n<sup>o</sup>. 2 en n<sup>o</sup>. 3 bij TE WINKEL en PETIT; de klacht +over „die onghetrouwe merkaren" in n<sup>o</sup>. 2 (vs. 360) wijst ook op de +14e eeuw. n<sup>o</sup>. 4 is uitgegeven door W. DE VREESE in <i>Tijdschr. v. +N.T. en L.</i>, XI, 63 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.10">10</a>: Over de uitgaven van beide werken vgl. TE WINKEL i.v. Voorts +en vooral: <i>Studiën über das deutsche Volksbuch Lucidarius....</i> van +KARL SCHORBACH. Strassburg. TRÜBNER. 1894. Aankondiging van +dat werk door TE WINKEL in <i>Museum</i>, 1895, bl. 17.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.11">11</a>: Uitgeg. door SNELLAERT in: <i>Nederlandsche Gedichten uit de +veertiende eeuw</i>. De hier aangehaalde verzen I, 648 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.12">12</a>: Over de uitgave vgl. TE WINKEL i.v.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.13">13</a>: Over de twee eerste vgl. TE WINKEL i.v. Van den <i>Nieuwen</i><a name="451"></a> +<i>Doctrinael</i> gaf J. KOOPMANS een boeiend overzicht en goede karakteristiek +in <i>Tweem. Tijdschr.</i> van Jan. 1901.] + +<p class="footnote">Voor den <i>Spiegel der Zonden</i> verwijs ik naar de uitgave van VERDAM, +(BRILL, Leiden, 1900) die voorzien is van eene voortreffelijke Inleiding.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.14">14</a>: VERDAM a.w. II, XLV.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.15">15</a>: Een degelijk overzicht daarvan danken wij aan VERDAM; vgl. +a.w. II, LI vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.16">16</a>: Vgl. vs. 5645 vlgg.; 11563 vlgg., 11683, 11964; 12159 en voorts +de plaatsen door VERDAM aangewezen in zijne Inleiding, bl. XLIX.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.17">17</a>: Vs. 1614 vlgg. en 1996 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.18">18</a>: Vgl. de uitvoerige mededeelingen daaromtrent bij TE WINKEL, +bl. 387 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.19">19</a>: Ed. DE VRIES. Bij de opgave der hss. van TE WINKEL, bl. 392 +moeten gevoegd de <i>Baseler Fragmente</i> waarover zie: <i>Germania</i>, +XXXVII, 410. Karakteristiek van den inhoud door J. KOOPMANS in: +<i>Tweem. Tijdschr.</i>, 1899. + +<p class="footnote">Over den, in den <i>Lekenspiegel</i> opgenomen, <i>Sidrac</i> vgl. TE WINKEL +a.w. bl. 396. Bij de daar vermelde literatuur-opgave is te voegen +eene mededeeling van W. DE VREESE in <i>Tijdschr. voor N.T. en L.</i>, +X, 33 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.20">20</a>: Vgl. I, c. 40, vs. 50 vlgg.; I, c. 44; I, c. 16; III, c. 10.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.21">21</a>: Vgl. I, c. 16, c. 15, c. 2, c. 5; II, c. 39, 251 vlgg. te verg. +met RUYSBROECK I, 41: „Dese heilege Kerke, dat sijn alle goede +minschen met Gode verenecht, ende te gadere geroepen iegewelc met +al den anderen."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.22">22</a>: Met DE VRIES en TE WINKEL geloof ik, dat de <i>Teesteye</i> nà +den <i>Lekenspiegel</i> is bewerkt. Zie de plaatsen pro en contra vermeld +bij TE WINKEL, bl. 397. De <i>Teesteye</i> werd uitgegeven door SNELLAERT +in zijne: <i>Ned. Ged. uit de 14e eeuw</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.23">23</a>: Vgl. <i>Teesteye</i>, 393, 812; <i>Lekensp.</i> B. II, c. 35, 17–18; vooral +ook de Inleiding op MAERLANT'S <i>Strophische Gedichten</i> (edd. FRANCK +en VERDAM), bl. LXXXVII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.24">24</a>: <i>Lekensp.</i>, II, c. 38, vs. 103 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.25">25</a>: <i>Lekensp.</i>, B. III, c. 20–22.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.26">26</a>: <i>Lekensp.</i>, B. II, c. 35, vs. 109 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.27">27</a>: B. I, c. 21, vs. 93–100.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.28">28</a>: Wat SNELLAERT in de Inleiding zijner <i>Ned. Ged. uit de 14de eeuw</i>, +bl. XXV heeft medegedeeld over de gelijkenis tusschen <i>Teesteye</i>, +<i>Boec van der Wraken</i> en <i>Melibeus</i>, is zeker niet voldoende om ons +te overtuigen dat deze drie werken van één maker moeten zijn; doch<a name="452"></a> +geeft voldoende reden om een afzonderlijk onderzoek in te stellen. +Daarbij zou ook het overige werk van BOENDALE moeten geraadpleegd +worden. Immers bij de door S. medegedeelde plaatsen kan men alvast +een paar verzen uit den <i>Lekenspiegel</i> voegen (III, c. 3, vs. 237–8) +die teruggevonden worden in <i>Meliboeus</i>, vs. 2266–7. + +<p class="footnote">Een nauwkeurig onderzoek van de taal zou de vraag heel wat verder +kunnen brengen. + +<p class="footnote">Opmerkelijk is voorts, dat ook CHAUCER eene proza-bewerking gaf +van <i>The tale of Melibeus</i>. Staat deze bewerking in verband tot het +Mnl. gedicht?] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.29">29</a>: Uitgeg. in KAUSLER'S <i>Altniederl. Gedichte</i>, II, 14 vlgg. Vgl. +o.a. vs. 210 vlgg.; 482 vlgg.; 522 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.30">30</a>: Nieuwe uitgaaf van Dr. W.H.D. SURINGAR. Leiden. Gebr. +V.D. HOEK. 1895.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.31">31</a>: Uitgeg. in KAUSLER'S <i>Altn. Ged.</i>, III, 177–181. Het is vertaald +uit het Fransche „<i>Doctrinal d'un rimeur nommé Sauvage</i>"; vgl. PETIT +DE JULEVILLE'S <i>Hist. de la Litt. Franç.</i>, II, 185, waar het „banal +et confus" wordt genoemd. n<sup>o</sup>. 2 en n<sup>o</sup>. 3 eveneens uitgeg. door +Dr. SURINGAR (Leiden, V.D. HOEK, 1891 en 1892); n<sup>o</sup>. 2 ontleend +aan drie Latijnsche werkjes waarvan één door den bewerker op den +voet is gevolgd (vgl. bl. XXII vlgg.). n<sup>o</sup>. 3 eene vertaling van den +Latijnschen <i>Facetus</i>, echter geen woordelijke vertaling. Vgl. ook <i>Ned. +Spect.</i>, 1891, n<sup>o</sup>. 41; 1893, n<sup>o</sup>. 1. Over andere derg. geschriften vgl. +TE WINKEL, bl. 405.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.32">32</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. 28, n<sup>o</sup>. 2. <i>Die Bouc van Zeden</i> behelst dergelijke +gegevens als <i>Van Zeden</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.33">33</a>: Uitgave van J.H. BORMANS (<i>Speghel der Wijsheit of Leeringhe +der Zalichede</i>). Brussel. 1872.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.34">34</a>: Vs. 2065–6.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.35">35</a>: B. III, c. 15, vs. 190–3.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.36">36</a>: Ook <i>Reinaert II</i> is voortreffelijk uitgegeven door MARTIN. In +M's <i>Einleitung</i>, XLIX-LI vinden wij eene parallel als boven bedoeld +wordt, in hoofdzaken aangegeven. Eene uitvoerige vergelijking van +beide bewerkingen gaf Dr. J.W. MULLER in <i>De oude en de jongere +bewerking van den Reinaert</i>. (Amsterdam. 1884).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.37">37</a>: Vs. 7068-'71. Vindt men in vs. 3181: „Ic heb minen dume +uut sinen monde" misschien eene herinnering aan een tooneel uit +den roman der Heemskinderen? (Vgl. <i>Volksboek</i> ed. MATTHES, bl. 141).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.38">38</a>: Vgl. I, 505 en II, 530–1; I, 990 en II, 1013; I, 1582-'98 +met II, 1611; I, 1947-'60 en II, 1977 vlgg.]<a name="453"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.39">39</a>: Vgl. II, 1022-'3; 2314-'5; 3486-'7 (ook in het Fransch; +vgl. MARTIN, <i>Einl.</i>, XLI); 3499; 3745 vlgg.; 4827-'9. Van dat alles +is in <i>Reinaert I</i> niets te vinden.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.40">40</a>: II, 3622 en II, 2417 verg. met I, 2393-'5. (Het mogelijk verkeerd +lezen van <i>moude</i> (stof) voor <i>monde</i> doet hier niets af).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.41">41</a>: <i>Reinaert II</i>, vs. 1899.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.42">42</a>: Vgl. vs. 40–44, 7769 vlgg. Over het vertoon van geleerdheid +vgl. MARTIN, <i>Einl.</i>, XLIX-L.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.43">43</a>: Vgl. <i>Reinaert II</i>, vs. 7654 vlgg.; 2959 vlgg.; 4534 vlgg.; +4595; 1413-'29; 3821 vlgg.; over de vrouwen vgl. MULLER'S +dissertatie, bl. 122, 187, doch ook hier vs. 5541-'5; de mystiek +vs. 4130 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.44">44</a>: II, 2335, 3613, 4098, 4422, 4770, 4848, 7393, 7408 en de op +deze volgende verzen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.45">45</a>: Zie deze en andere plaatsen in <i>Reinaert II</i>, vs. 488, 604-'8. +961 vlgg., 2228-'9, 2916, 3030, 3210, 3842-'3, 4450-'9, 5896–5901, +6581 (in vergelijking met de overeenkomstige plaatsen van <i>Reinaert I</i>).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.46">46</a>: Vgl. MULLER a.w. bl. 191–2.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.47">47</a>: Vgl. deze en andere plaatsen I, 520 vlgg. met II, 544 vlgg.; +I, 842 en II, 881; I, 960 en II, 985; II, 1047; I, 1550 en II, +1587-'8; II, 1595 (ingevoegd); II, 2027-'30; I, 2064 en II, 2076; +II, 2307-'13; I, 2829 en II, 2820.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.48">48</a>: I, 73 en II, 83 (in verband met vs. 105); I, 1929 en II, 1961.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.49">49</a>: Vgl. I, 1235 met II, 1259.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.50">50</a>: Vgl. I, 331–2 met II, 359–360. Vgl. voorts het echt epische +in I, 643 vervangen door het didactische in II, 692–3; het ironische +in I, 1663 door het rechtstreeksche in II, 1677; de mindere levendigheid +in II, 616 vlgg. vergeleken bij I, 562 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.51">51</a>: MULLER a.w. bl. 161–163, 166.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="14.52">52</a>: Vgl. vs. 2053, 3182 en 2053.]<a name="454"></a> + +<hr> + +<h2>2. VERHALENDE EN LYRISCHE POËZIE.</h2> + +<p class="intro"><i>a</i>. Boerden en sproken, <i>b</i>. Liederen. Muziek en zang. Geestelijke +liederen. Minneliederen en drinkliederen. Historische Liederen, <i>c</i>. Geestelijke, +stichtelijke en didactische lyriek, <i>d</i>. Minnepoëzie. + +<p>Vonden wij in de 13<sup>de</sup> eeuw nog maar weinige berijmde +novellen, hoorden wij het lied slechts hier en daar als schuchter +kweelen der vogels bij den komenden morgen—nu zien wij +ons geplaatst voor eene menigte van verhalende en lyrische +gedichten, zoo rijk in verscheidenheid, dat het moeilijk valt in +die warreling het gelijke of verwante te onderkennen en te +groepeeren. Die moeilijkheid ontslaat ons echter niet van de +taak om te pogen, ook deze stof te beheerschen door haar te +verdeelen. + +<p>Wij zijn gewoon verhalende gedichten van komischen aard +<i>boerden</i> en van ernstigen aard <i>sproken</i> te noemen; doch wij +mogen niet voorbijzien, dat het hedendaagsch en het vroeger +spraakgebruik elkander hier niet volkomen dekken. Een komisch +gedicht wordt ook wel „ene boerde" genoemd, al bevat het niet +juist wat wij een verhaal noemen en een verdicht verhaal wordt +wel met „boerde" betiteld, al heeft het niets komisch<a href="#15.1">[1]</a>. + +<p>Het woord <i>sproke</i> heeft een zeer ruime beteekenis; zoo wordt +een „bedinghe" <i>van onser Vrouwen</i> aan het slot genoemd: +„desen <i>sproke</i>", en dat is niet het eenige voorbeeld van dien +aard; elders treffen wij eene „sproke up den wijn" aan<a href="#15.2">[2]</a>. +Daarentegen heet menig verhalend gedicht, met min of meer<a name="455"></a> +stichtelijke of didactische strekking, niet <i>sproke</i>, maar <i>exempel</i> +of <i>bispel</i><a href="#15.2">[2]</a>. + +<p>Doch anderzijds blijft het waar, dat de meeste korte verhalende +gedichten <i>boerde</i> worden genoemd, indien zij van komischen, +<i>sproke</i> indien zij van ernstigen inhoud zijn. Wij mogen +ons dus gerechtigd achten deze gedichten tot eene afzonderlijke +groep te vereenigen. Een tweede groep valt te onderscheiden +in de muzikale lyriek: de liederen, in tegenstelling met de +boerden en sproken, bestemd te worden gezongen niet gezegd; +doch evenals deze ontstaan uit zuiverder lust tot dichterlijke +uiting des harten en beelding der stof, dan wij over het algemeen +in een derde groep waarnemen. Die derde groep omvat +uitingen van het godsdienstig gemoedsleven, zoowel als stichtelijke +en didactische stukken, bestemd tot vermaning, waarschuwing, +opwekking en leering; het karakter van vele dezer +stukken blijkt reeds ten deele uit vooral hier voorkomende +benamingen als <i>bedinghe</i>, <i>disputacie</i>, <i>questie</i>, <i>notabel</i>. Het +spreekt vanzelf, dat ook tegen deze groepeering bezwaren bestaan; +ook hier ontsnapt het leven op meer dan een plaats +aan de banden eener altijd min of meer schoolsche indeeling. +Doch mogen de groepen hier en daar ineenvloeien, wat nood, +indien daardoor het besef harer onderlinge eenheid wordt +versterkt? + +<h3><i>a</i>. BOERDEN EN SPROKEN.</h3> + +<p>De honderden korte verhalen, welke wij vroeger leerden +kennen, waren nog springlevend. Zij zwierven nog van mond +tot mond en van het eene handschrift in het ander. Hen volgen +op al hunne gangen is ons onmogelijk; wel kunnen wij +zien: dat verscheidene hunner op hunne omzwervingen trekken +van elkander overnemen, dat zij zich wijzigen naar het volk<a name="456"></a> +waaronder zij vertoeven, en dat de verhalen uit het menschenleven +den voorrang krijgen op de dierfabels. + +<p>Ook bij de Nederlanders der 14<sup>de</sup> eeuw vonden zij een +gunstig onthaal. Tal van stoffen, die ook in andere middeleeuwsche +literaturen verwerkt zijn, werden hier geboetseerd +tot berijmde verhalen van komischen of ernstigen aard, die +gewoonlijk van twee- tot driehonderd verzen tellen, doch ook +wel eens grooter of kleiner omvang hebben. De komische +stoffen, hier tot <i>boerden</i> verwerkt, vindt men bijna alle terug +in de Fransche literatuur; doch, hoewel de wijze van bewerking +niet zelden gelijk is, zijn er weinig of geen sporen van +navolging aan te wijzen. Onze boerden maken in hoofdzaak +den indruk, dat zij oorspronkelijke bewerkingen zijn van +mondeling overgeleverde stoffen. Sommige zullen uit Frankrijk +hierheen, andere uit Brabant of Vlaanderen naar Frankrijk +gekomen zijn. Om te zwijgen van onze literaire betrekkingen +in dit opzicht tot Duitschland, Engeland en andere landen. + +<p>De sproken zijn zeker voor een deel, voor het grootste deel +misschien, afkomstig uit middeleeuwsche bronnen als <i>Vitae +Patrum</i>, <i>Gesta Romanorum</i>, <i>Dialogus Miraculorum</i>, <i>Liber +Apum</i>, <i>Legenda aurea</i>; voor een ander deel zeker ook door +mondelinge overlevering verbreid. Met den invloed der Fransche +literatuur zal men ook hier rekening moeten houden<a href="#15.3">[3]</a>. + +<p>Hier en daar vinden wij in deze boerden en sproken aanwijzingen +omtrent den weg, waarlangs het verhaal den verteller +had bereikt; uitdrukkingen als b.v.: „Ic quam eens daer men +mi sede" of: „Ic vant ghescreven ende las"; doch zulke aanwijzingen +zijn schaarsch en niet alle duidelijk<a href="#15.4">[4]</a>. Duidelijk is +daarentegen het streven van sommige dichters de verhalen te +localiseeren; de stukken heeten te spelen, zijn misschien soms +ook werkelijk zóó of ten naastebij zóó gebeurd, „in 't lant van +Loon," „te Hasselt in die goede stede," „te Dordrecht in de<a name="457"></a> +poort," „Tantwerpen in die coperstrate"<a href="#15.5">[5]</a>. Zooals men kon +verwachten, worden wij hier vaker naar het Zuiden dan naar +het Noorden dezer landen verplaatst. + +<p>Waarvan vertellen ons de boerden? In welke wereld verplaatsen +zij ons? Op een paar uitzonderingen na behandelen +zij gevallen van minne, van zinnelijken lust, van overspel; zij +vertellen ons van overspelige mannen of vrouwen, die gefopt +of gestraft worden, van minzieke vrouwen of meisjes, clerken +of nonnen, een enkelen keer ook van mannen die in de kroeg +zitten of boeven die een vroegeren kameraad bestelen. Maar +de lusten des vleesches vormen toch het hoofdmotief, dat voor +de middeleeuwsche dichters en niet voor de Dietsche alleen, +blijkbaar een komisch karakter had<a href="#15.6">[6]</a>. + +<p>Wij worden verplaatst naar de kroeg, onder de „goede gezellen +die lange in 't drinchuus duren" en vrouwen die hare mans +uit de kroeg halen; wij komen in gezelschap van een waard, +die bedrogen wordt door de waardin en haar minnaar; van +reizende „clercken", die het hun verleend nachtlogies aan de +vrouw en de dochter des huizes vergoeden in liefde, aan den +huisheer in kostelooze vuistslagen bij nacht; van een kostelijk +gekleeden, langharigen Don Juan te Dordrecht; van een koopman, +die zijne al te dartele vrouw voor den gek houdt. + +<p>Slechts een paar malen verkeeren wij, zooals in de laatstgenoemde +gevallen, in de huizen van rijke burgers. Gewoonlijk +zijn wij onder de kleine burgerij, waar men slaapt in één vertrek, +meelpap eet en „stoppelen sonder hout" brandt of groen elzen +hout; waar het 's nachts donker is of een vetpotje („lichtvat met +smoute") een flauw schijnsel geeft. De koe staat dicht achter de +woonkamer, ook in een burgerhuis; in de boerde „van de gestolen +zijde spek" zijn wij op het land ten huize van een voormaligen +boef, die zich bekeerd heeft en eene boerendochter getrouwd.<a name="458"></a> +Elders komen wij op het erf van een visscher, aan de oevers der +Seine. Ook de koopman, die ons wordt voorgesteld als een rijk +man—hij heeft mooie kleeren en juweelen en speelt schaak +met zijne vrouw—, toont in zijne manieren een buitengewone +grofheid; zijne vrouw, die een handelsman uit de Oostzee-provinciën +te gast heeft en waant door dezen bedrogen te zijn, +wreekt zich op dien gast door hem spijs op zijne kleeren te +storten, tegen hem te vloeken en hem heimelijk tegen de +schenen te schoppen. + +<p>Dat zijn de maatschappelijke kringen, dat de levensomstandigheden, +welke de stoffen leverden tot de dichterlijke verhalen +die onder en naast het verhalend ridderdicht opgekomen en +bestemd waren die ridderpoëzie te verdringen. De rijke koopman +uit een dezer boerden, die „gheleerst, ghespoort, ghegort +wel vaste" zijn huis binnenkomt, toont ons dat het zwaartepunt +in de maatschappij dier dagen zich had verplaatst. + +<p>In de boerde, getiteld <i>Wisen raet van vrouwen</i>, worden wij +in een „huys met hoghe mure" gebracht; blijkbaar een dier +huizingen zooals de rijke burgers ze in navolging van den adel +bouwden. De eigenaar van het huis houdt daar achter slot en +grendel zijne dochter die hij hoopt uit te huwelijken aan een +ridder of jonkheer, maar wat kan hij tegen de Min? + +<p class="quote">Al sluiten +Hem buiten +Met grendel en boom +Benagelde poorten +... +</p> + +<p>hij raakt er binnen in de gedaante van een jonkman, blijkbaar +een burger, tot wien zij haar goedgeloovigen biechtvader +als liefdebode weet te zenden. + +<p>Komt deze burger die blijkbaar hoogerop wil, er bekaaid<a name="459"></a> +af, op meer dan een plaats wordt in deze boerden op spottenden +toon gesproken over het ridderwezen. De vrouw van +een drinkebroer die thuis grimmend en grommend haar man +zit af te wachten, zegt: + +<p class="quote">Ic woude ic met hem op een pleyn +Mijn leven mochte setten in waechscalen<a href="#15.7">[7]</a>. +</p> + +<p>Zooals de brave ELEGAST vroeger tegen den schelmschen +EGGHERIC VAN EGGHERMONDE! + +<p>Van heer GOBERT die 's nachts aan het vechten raakt met +een der „clercken" wien hij nachtlogies heeft verstrekt, heet het: + +<p class="quote">Men sach noit so wel tornieren +Sonder wapene ende sonder corieren<a title="[margin: maliënkolders.]"><sup>#</sup></a><a href="#15.8">[8]</a>. +</p> + +<p>De dichter die ons met blijkbaar welgevallen de onbeschaamd-dartele +boerde <i>Van den tanden</i> verhaalt, stelt ons zich zelven +voor, op zijn paard Morele buiten Brussel rijdend. Dien naam +<i>Morele</i> droeg eertijds het ros van ridder AMELANT in den +roman <i>van Lancelot</i>; dien naam ook het ros van den dapperen +TOREC, dat meer waard was dan eene stad<a href="#15.9">[9]</a>. + +<p>In gansch andere kringen der maatschappij leiden ons de +sproken binnen. + +<p>Hier verkeeren wij onder „verweende"<a title="[margin: hoovaardig.]"><sup>#</sup></a> keizers en koningen, +heeren „van groten bloede", prinsen, graven, ridders, edele +vrouwen en jonkvrouwen. Het is waar, dat het ridderlijk tweegevecht +ook hier wordt afgekeurd en zelfs min of meer belachelijk +gemaakt. Zeker keizer die den vrede lief had en wijs +en rechtvaardig zijn land regeerde, maakte korte metten met +de veete tusschen een paar zijner voornaamste edelen. Hij +ontbood de beide „helden" en trachtte ze te verzoenen. +Te vergeefs! Toen deed hij ze beiden ontkleeden „totter brouc",<a name="460"></a> +bracht ze in een vertrek, gaf elk een dolk en zeide: gaat nu +maar dapper aan 't werk; gij krijgt geen eten of drinken, +vóórdat een van beiden gedood is. Onmiddellijk waren zij het +eens. Zóó moesten meer vorsten doen, zegt de dichter, dan zou +er heel wat minder onschuldig bloed vergoten worden <a href="#15.10">[10]</a>. De +ernstige toon en het beroep op den Almachtigen Rechter aan +het slot toonen wel dat, indien sproke en boerde hier al één +lijn trekken, hun punt van uitgang toch verschillend is. In een +ander verhaal wordt een rijk en gierig ridder op onzachte wijs +voor den gek gehouden door zijn medeminnaar, een dapper +maar arm edelman. De wijze waarop de gierigaard 's nachts +door zijn medeminnaar bewerkt wordt met een hazelaarstwijg, +is weinig hoofsch, en ook de verdere inkleeding doet hier en +daar denken aan de boerden; doch dit verhaal is dan ook het +eenige waar men twijfelt of men het tot de sproken dan wel +tot de boerden zal rekenen <a href="#15.11">[11]</a>. + +<p>Overigens echter wordt in de sproken het ridderwezen met +eerbied bejegend en er is nog gevoel voor de ridderlijke +idealen. Zoo zien wij in een sproke een hooggeboren rijke +maagd aan een dapper arm oud ridder de voorkeur geven +boven een jongen „mooyaert" <a title="[margin: fat.]"><sup>#</sup></a>, die den ouden krijger bespot +wiens gelaat met zwaarden geteekend is <a href="#15.12">[12]</a>. Het fraaie verhaal: +<i>de mantel van eren</i>, wil toonen, hoe verkeerd het is, goud +hooger te stellen dan riddereer <a href="#15.13">[13]</a>. + +<p>Zijn wij niet aan hoven of in ridderlijke huizingen, dan +brengen de sproken ons in klooster of kluis, in gezelschap +van monniken en kluizenaars, nonnen en bagijnen. Van dien +aard is o.a. het verhaal van het <i>Baghijnken van Parijs</i>, een +aanzienlijk meisje dat in een bagijnhof wenscht te worden +opgenomen; dat van de non die met haren meester haar +klooster ontvlucht; van het jonge monnikje dat telkens een +deel van zijn eten aan het beeld van MARIA brengt; van de<a name="461"></a> +edelvrouw die terwijl zij haar minnaar afwacht, door de geesten +der afgestorvenen voor wie zij placht te bidden, wordt bekeerd +en in een klooster gaat. + +<p>Verwant met deze sproken van geestelijken inhoud zijn andere, +die ons verhalen van eene jodin die bekeerd wordt tot het +Christendom, een jodenmeisje dat Christin wil worden en door +haar vader vermoord wordt; weer andere behelzen algemeen +bekende korte verhalen die men overal terugvindt, zooals dat +van Hansken met de ganzen; het ouderpaar, dat door hun +kind teruggebracht wordt van de slechte behandeling van hun +ouden vader; de rechtgeaarde zoon, die niet op het lijk van +zijn vader wil schieten. In eene enkele sproke treedt de koopmansstand +op: het verhaal van een paar trouwe vrienden, een +koopman uit Brugge en een uit Baldac (Bagdad), die zich +voor elkander willen opofferen. Het verhaal van Pyramus en +Thisbe, „twee kinderen die droeghen eene sterke minne," +leende zich natuurlijk beter tot een sproke dan tot een boerde; +de oudheid zette aan deze stof eene achtbaarheid bij, die het +verhaal wel doet passen bij de ridderverhalen en die uit het +leven der geestelijken, beide toch nog altijd op hooger plan +gelegen dan het leven van burgers en plattelanders<a href="#15.14">[14]</a>. + +<p>Dat de sproken alle een zedelijk karakter vertoonen, kan +ons niet verwonderen. Een dezer sprookdichters blijkt zelfs +zoo nauw van geweten, dat hij het noodig acht zijne toehoorders +gerust te stellen omtrent zeker gemis aan waarheid dezer +verdichte verhalen. De sproke <i>van eenen verwaenden coninc</i> +vangt aan met deze regels: + +<p class="quote">Exempel vertrect<a title="[margin: vertelt.]"><sup>#</sup></a> men hier ende daer, +Niet om dat si alle zijn waer, +Maer om dat mer bi verstaet +Ondersceet tusschen goet ende quaet<a href="#15.15">[15]</a>.<a name="462"></a> +</p> + +<p> +In een enkel geval is de moralisatie bijna even groot als het +verhaal zelf. Elders is in een sprookdichter de lust tot het +mededeelen van zedekundige waarheden of bespiegelingen zóó +sterk, dat hij ook de personages, die in zijn verhaal optreden, +met dien lust bezielt. Een paar ridders „van quaden levene" +komen tot hun meester om hem te zeggen, dat zij berouw +gevoelen over hunne misdaden en hun leven willen veranderen. +Op eene vraag van hun meester, op welke wijs zij dat denken +te doen, antwoorden zij: + +<p class="quote">.... Wi merkent bi Alexanderen +Die grote coninc, dat hem en mochte +Die daet ghehulpen die hi wrochte, +.... +Hine moeste der doot doen een ghemoet<a href="#15.16">[16]</a>. +</p> + +<p>In overeenstemming met dezen lust tot moraliseeren is dan +ook, dat wij zelden eene sproke aantreffen zonder een nuttige +les of stichtelijke opwekking: trouw gaat boven al; hovaardij is +zonde boven al; hooren, zwijgen en ziende blind // dat's dat +nu de wereld mint, enz. Elders worden de hoorders opgewekt, +onzer Vrouwe getijde en vigiliën voor de dooden te lezen; +hoovaardij, hebzucht en afgunst te schuwen<a href="#15.17">[17]</a>. + +<p>Opmerkelijker dan dit stichtelijk karakter der sproken is, dat +ook in de meeste boerden een zedelijke of didactische strekking +niet te miskennen valt. De boerde van de dartele koopmansvrouw +met den „Oosterlinc" vangt aan met een paar spreukmatige +regels, die in het daaropvolgend verhaal worden toegelicht: + +<p class="quote">Tgoede wijf maect den goeden man +Ende de goede man maect tgoede wijf. +</p> + +<p>Aan het slot dezer boerde lezen wij dan ook: „Elc vrouwe +neme hier exempel an." In den aanvang der boerde van de<a name="463"></a> +twee „clercken" en heer GOBERT wordt ons gezegd, dat men +uit sommige gedichten „vroedschap en dwaasheid" te weten +komt<a href="#15.18">[18]</a>. + +<p>Ook in andere boerden vinden wij dergelijke uitdrukkingen. +In eene boerde, zóó plat-realistisch als die <i>van den visscher +van Parijs</i>, wordt, wat de middeleeuwsche dichters huichelarij +achtten in minzieke vrouwen, op onbarmhartige wijze bespot +en de moraal der boerde <i>van Heile van Berseele</i> is samengevat +in eene waarschuwing tegen den omgang met lichte vrouwen. +Waar geen eigenlijke zedeles of wat daarop gelijkt, in het +verhaal voorkomt, voelen de boerdendichters zich toch verplicht +iets in dien geest te geven door een zegenwensch als: „God +gheve ons ter zielen bate" of: „God bringhe ons ten eweghen +paradise"<a href="#15.19">[19]</a>. + +<p>Het is waar dat de vrouwen en meisjes, vooral de getrouwde +vrouwen, in deze boerden voorgesteld worden als in hooge +mate weelderig en onkuisch. Doch men moet niet vergeten dat +deze voorstelling rust op theologischen grondslag en dat de +middeleeuwsche dichters, voorzoover zij geen aanhangers van +den vrouwendienst waren, er steeds op uit zijn de vrouwen +als EVA'S dochters te doen zien. EVA'S val immers was de bron +van zoo groote rampen voor het menschelijk geslacht geworden +niet alleen hier op aarde maar ook nog in een later leven<a href="#15.20">[20]</a>. +Ook dragen de boerdendichters er zorg voor dat men hen +goed begrijpe: niet op „hoofsche vrouwen" hebben wij het +gemunt, zeggen zij; en, bij een andere gelegenheid: geen goede +vrouw behoeft dezen schoen aan te trekken<a href="#15.21">[21]</a>. + +<p>Die goede en hoofsche vrouwen vinden wij in de sproken: een +jong rijk meisje dat bagijn wordt; eene edelvrouw die zich bekeert +en in een klooster gaat; een jonge non die zich neus en +lippen laat afsnijden om hare kuischheid te redden; eene adellijke +dame die zich nieuwe kleeren en sieraden ontzegt om haar +<a name="464"></a> +man te kunnen bijstaan in zijn strijd tegen de ongeloovigen; +THISBE die den dood van haren minnaar niet overleven wil. + +<p>Een dezer sprookdichters is zijn tijdgenooten zelfs zóóver +vooruit, dat hij in de bres durft springen voor vrouwen die +een misstap begaan hebben. Een adellijk meisje heeft eene +liefdesbetrekking aangeknoopt met een jonkman van geringen +stand. Hare magen zijn vergramd, want, al was de jonkman +haar knecht niet, zulk een misstap was erger dan overspel. +Haar broeder, een groot heer, heeft medelijden met haar en +verdedigt haar in een gesprek met eene hooge bloedverwante +die hem zijne zachtmoedigheid in dezen verwijt.—Ik zelf heb +vijf onechte kinderen, antwoordt de edelman; zal ik een ander +dan dingen verwijten die ik zelf heb begaan?—De hooge +vrouwe herneemt: zoudt gij mannen en vrouwen in zoo iets +willen gelijkstellen? Men zal u voor onwijs houden.—Hij +weer: de schande der mannen zal in Gods oogen duizendmaal +grooter zijn, want zij zijn de aanleggers, het is alles +hun schuld. + +<p>Deze opvatting, zooveel rechtvaardiger en menschelijker dan +de gewone middeleeuwsche, zullen wij eerst in veel later +eeuwen en in onzen tijd opnieuw aantreffen<a href="#15.22">[22]</a>. + +<p>Tot dusver hebben wij, boerden en sproken karakterizeerend +in hun onderling verschil, gelet vooral op inhoud en geest +dezer beide genres. Wij kunnen er nu bijvoegen dat dit verschil +zich slechts ten deele in den uiterlijken vorm openbaart. +De sproken zijn, op <i>het Baghijnken van Parijs</i> na, gedicht in +doorloopende verzen, paarsgewijze rijmend of met overslaande +rijmen; de boerden, luchtiger van karakter en stemming, +hebben in een paar gevallen den luchtiger gang van het verhalend +in coupletten afgedeeld lied. Verscheidene dezer ernstige +of komische verhalen zijn in allen eenvoud goed verteld, +<a name="465"></a> +onderscheiden zich door zuiver zacht gevoel en naïeve kunst, +door vluggen lossen gang en eene soms onweerstaanbare +komische kracht. Zoo hoog als sommige Oudfransche fabliaux +staan onze boerden niet, maar op zich zelf beschouwd staan +zij hoog. Een gevoelig en mooi stuk is de sproke <i>van het +Baghijnken van Parijs</i> dat ons in zijn dialogisch karakter en +zijne wendingen telkens aan de oudere epische volkspoëzie +herinnert. Zoo b.v.: + +<p class="quote">Sy ghinck voor haer moeder staen +Ende badt haer door (haer) houde<a title="[margin: om der wille harer genegenheid.]"><sup>#</sup></a>, +Dat syse door haer edelheyt +Baghyne maken woude. + +Sy seyde: lieve dochter mijn, +Soo ghinck aen<a title="[margin: begon.]"><sup>#</sup></a> mijnen rouwe; +Ghy zijt van haven<a title="[margin: bezittingen.]"><sup>#</sup></a> alsoo rijck, +Ghy meucht wel sijn een vrouwe. +</p> + +<p>De moeder tracht hare dochter te behouden voor de wereld, +doch te vergeefs: + +<p class="quote">Die dochter keerde haer omme +Ende ghinck al te hant +Totten Baghijnkens hove, +Daer sij de meestersse vant. + +Sy viel neder op haer kniën, +Ootmoedelyck dat syse booch +Ende werp den rooden mantel +Ter aerden dat hy vlooch. +</p> + +<p>Dat afvliegen van den rooden mantel is in zijn suggestieve +kracht voortreffelijk.<a name="466"></a> + +<p>Naïeve volkskunst vinden wij ook in de sproke <i>van Pyramus +en Thisbe</i>. Te vergeefs zou men hier zoeken naar de fijnheid +en berekende juistheid van uitdrukking, den tact, de smaakvolle +zelfbeperking, ook de beeldende kracht van het Ovidiaansch +verhaal, welks omvang nog geen vierde der Dietsche +bewerking bedraagt. Maar deze wint het in natuurlijkheid en +eenvoud; hare waarheid van gevoel onderscheidt zich gunstig +van het hier en daar opgeschroefde der Latijnsche bewerking. +Zij weet hare gemoedelijke breedheid aardig af te wisselen +door levendigheid van alleenspraak en tweespraak, te nationalizeeren +o.a. door het beeld van den vermoeiden pelgrim + +<p class="quote">Die lange moede heeft ghesijn, +Ende dan een luttel rasten<a title="[margin: rust.]"><sup>#</sup></a> heeft, +Ende<a title="[margin: wanneer.]"><sup>#</sup></a> hi weder gaens dan pleecht, +Es hi moeder dan hi was eer. +</p> + +<p>door de vermelding dat THISBE sliep met andere jonkvrouwen + +<p class="quote">Die se van scake souden hoeden +Also als noch doen die vroeden. +</p> + +<p>Hoe aardig is b.v. ook dat trekje, waarin ons geteekend wordt +hoe de aandoening PYRAMUS overmeestert: + +<p class="quote">Daer hi Tysbee roepen soude, +Tusschen „Tys" ende tusschen „bee" +Versuchti vijfwerf ofte mee<a title="[margin: meer.]"><sup>#</sup></a>. +</p> + +<p>Zoo zou er meer zijn te noemen, o.a. uit de sproke <i>van +den ouden ridder ende den jonghen</i>, waar wij een staaltje vinden +van de in onze middeleeuwsche literatuur schaarsche ironie, +hier omschreven met de uitdrukking „ghevensde<a title="[margin: geveinsd.]"><sup>#</sup></a> tale". Doch<a name="467"></a> +wij kunnen noch willen alles noemen, en ook in de boerden +is zooveel dat verdient even naar voren gebracht te worden. + +<p>Hoe vlot en aardig wordt het verhaal van heer GOBERT en +de beide „clercken" verteld en hoe herinnert GOBERT'S vrouw, +in hare bezorgheid over haar naakt-vechtenden man, aan vrouw +JULOCKE uit <i>Reinaert I</i>. Hier als elders openbaart eene krachtige +zinnelijkheid zich gaarne in schertsende beeldspraak, in +half-omsluierde uitdrukkingen, ontleend aan het dorschen, het +bespelen van een snaren-instrument, het ambacht van den kuiper. +De monnik en de non, die, midden in de vreugd, op één +bed door den duivel in het koor worden gebracht, waar alle +nonnen vergaderd zijn, herinneren ons HEPHAISTOS' wraak, +zooals zij ons in de Odyssee door dien meester-verteller voor +oogen is gebracht. In het verhaal van de gestolen zijde spek +worden wij op meer dan een plaats herinnerd aan de grappen +en dubbelzinnigheden uit <i>Uilenspiegel</i> en dergelijke volksboeken; +ik heb het oog o.a. op den boef, die, opkijkend naar een bij +de schouw hangende zijde spek, langs zijne wang wrijft en tot +zijn gezel zegt: vóór morgen moet hij er af; ook de wijze, +waarop zij elkander telkens het stuk spek ontstelen, doet hier +en daar aan de kluchtboeken denken. + +<p>Voortreffelijk is het tooneeltje, waar de domme oude LACARIJS, +wien zijne vrouw en een verliefde priester hebben wijsgemaakt +dat hij dood is, onder een lijkkleed toegedekt, den +amoureuzen paap in zijn bedrijf waarneemt. „Loop liever naar het +bordeel!" roept hij toornig; „als ik maar leefde, zooals gisteren, +dan zoudt gij het duur betalen."—„Lacarijs!" zegt de paap, +„houd je oogen maar stijf dicht, lig stil als een molensteen; zóó +doet men als men op de baar ligt; je zou ons nog bang maken." + +<p>En niet minder voortreffelijk is een tooneel uit de boerde +<i>van Heile van Berseele</i>. HEILE, een lichte vrouw, heeft afspraak +gemaakt met een drietal minnaars, die achtereenvolgens bij<a name="468"></a> +haar zullen komen; maar de afspraak loopt in de war, en zoo +is een hunner, WILLEM HOOFT, nog bij haar, als zijn medeminnaar, +ook weer een priester, komt aankloppen. WILLEM +wordt inderhaast in een ruimen bak gestopt, daarin opgeheschen +tot aan de zoldering en het touw vastgemaakt. Uit zijn +kraaiennest is hij nu getuige van het onderhoud tusschen HEILE +en den pape. HEILE heeft den priester stilletjes beduid, wie +daarboven te luisteren zit. Deze begint nu een verhaal van +den Zondvloed; zóó plastisch weet hij het stijgen van het +water voor te stellen, dat WILLEM het al benauwder krijgt; +nog steeds hoort hij van het stijgende water ... de angst +wordt hem te machtig, hij snijdt het touw door en roept: + +<p class="quote">Nu wouds God ende goed gheval<a title="[margin: Nu zij het aan God en het geluk bevolen.]"><sup>#</sup></a> +Of Willem Hooft iet<a title="[margin: ook (soms).]"><sup>#</sup></a> zeilen zal. +</p> + +<p>Zóó gaat deze Noach in zijn ark onder zeil. + +<h3><i>b</i>. LIEDEREN.</h3> + +<p>De kruistochten hadden ook het Dietsch sprekend volk in +het Zuiden van Europa en in Oostersche landen gebracht. +Een der gevolgen van die reizen was een krachtige ontwikkeling +der muziek. De Grafelijkheids- en Cameraars-rekeningen +der 14<sup>de</sup> eeuw weergalmen „van sanghe ende van vedelspele." +Ook naar de lage landen bij de zee komt Orfeus om er de +onbeteugelde krachten en lusten te bedwingen en te temmen. + +<p>Wij vinden hier allerlei zangers en zangeressen, die liederen zingen +soms alleen, soms in koor, onder of zonder muzikale begeleiding. + +<p>Tot de reizende volksdichters en volkszangers, hetzelfde volkje +dat ook met gedresseerde beren, geiten en apen rondtrok, +behooren blijkbaar zangers en zangeressen, als de man die +den teekenachtigen naam van „die wilde vos" droeg, „die sanc +ende dichte voir minen here" (nl. den graaf van Holland);<a name="469"></a> +„te Berghen in Henegouwen eenen man die vedelde, sinen wive +diere op sanc ende eene gokelaer," „'t Scoenhoven eenen menestreel +die op een harpe speelde, daer een wyf op sanc," „te +Nyerborch enen wive, die op de liere speelde ende sanc," +„Heerkin die mitten cornemusekin speelde ende daerop sanc." + +<p>Andere zangers behooren blijkbaar tot de menestrelen die in +vasten dienst waren bij een of ander edelman; tot deze zou ik +rekenen: het „sangherkin dat bi hertoghe Aelbrecht was", +„Hansel tshertogen sanger van Gelre", „Hannekin die zangher +van Apcoude", „Herman den sangher die miins heren (van +Blois) paedse plach te wesen", misschien ook „Jacop vander +Lucht, den zangher" en „Willem den zanger" die van den +Graaf van Blois „twee ellen groens en twee ellen roods" krijgt, +blijkbaar ter voorziening in zijne kleedij. + +<p>Wij zagen uit de bovenstaande rekening-posten dat een +menestreel soms alleen zingt, soms met een vrouw. Wij vinden +ook wel zangers en zangeressen die met of zonder begeleiding, +éénstemmig of met hooge en lage stem, zingen. Uit de schrale +aanwijzingen is natuurlijk niet altijd met zekerheid op te maken +of wij hier al dan niet reizende beroepszangers vóór ons hebben. +Genoemd worden ons o.a.: „een wijf die op die ghisterne +speelde ende twee ghesellen diere op songhen", „twee zanghers +die een dicht zonghen van mevrouwen doot van Hollant"; +„vier wiven die voir minen here speelden op een psalterie +ende op ene quinterne ende daerop songhen", „drie sanghers +die voer minen here gesongen hadden alst kermiss in den +Haghe was". Soms zou men meenen een hedendaagsch a-capella +koor aan te treffen, als men gewag gemaakt vindt van zangers +of zangers en zangeressen die onder een met name genoemden +leider zich laten hooren: „Wigant ende sine ghesellen die (te +Mechelen) songhen voor minen jonchere Jan", „Meeu sijn ghesellen +ende haer ghesellinnen die mit hem pleghen te singhen".<a name="470"></a> +In dit laatste geval hooren wij, evenals hiervoor een enkelen +keer, <i>wat</i> er gezongen werd; want op dien post aangaande +MEEU volgt deze andere: „Item den selven noch ghegheven +opten Jaersdach, want si dat nuwe jaer songhen in der sale +voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden." +Tot de concurrenten van WIGANT en MEEU behoorde ook +„HEYN VAN CALES de sangher mit sinen ghesellen." + +<p>Dit zingen in koor toont dat de wereldlijke muziek zich naast +de kerkelijke moet hebben ontwikkeld. Voor een deel was die +ontwikkeling zeker te danken aan de meistreel-scholen waarvan +wij in het Noorden en het Zuiden dezer landen melding zien +gemaakt. Zoo treffen wij in eene Cameraars-rekening van 1364 +de „meysteryels van der vedelen" aan, „die do haer schole to +Deventer ghehoelden hadden". Dat zij er welkom waren blijkt +wel uit het feit, dat Raad en Schepenen hen op een gastmaal +onthaald en nog een geschenk in geld gegeven hadden. In een +rekening van 1388 wordt een som gelds geboekt, die gegeven +is aan den „coninc van de pipers van Oestervant, om mede te +riden tot Berghen daer hi scoel soude houden van pipen." + +<p>Waarschijnlijk zullen ook in de 14<sup>de</sup> eeuw, zij het eerst in +de tweede helft, de menestrelen van eene stad zich wel tot +een gilde vereenigd hebben. Daar elk gilde een patroon of +patrones had en gewoon was den dag van dien patroon +feestelijk te vieren, zullen ook zulke muziekgilden wel tenminste +eenmaal 's jaars een feestelijke samenkomst hebben gehouden. +Op zulk eene samenkomst brengen ons, naar ik vermoed, +een paar liederen van dezen tijd: eenige leden van een +gezelschap, dat, naar 't schijnt, <i>het Maria-roosken</i> heet, zijn +bijeen; een hunner zingt eene opwekking tot feestvreugd, +den lof der muziek en dien van MARIA; de overigen „die +van muziken geerne horen", zingen blijkbaar in koor een +refrein<a href="#15.23">[23]</a>.<a name="471"></a> + +<p>Naast of tegenover zulke wereldlijke muziek-vereenigingen +zou men de scholieren kunnen plaatsen, die op Allerkinderen-dag +een bisschop uit hun midden plachten te kiezen en met +dezen aan het hoofd naar het koor kwamen om daar te figureeren +en mede te zingen<a href="#15.24">[24]</a>. + +<p>Een wijder strekkend en dieper doordringend onderzoek van +muziek en zang te onzent in de middeleeuwen blijve de taak +der beoefenaars onzer middeleeuwsche muziekgeschiedenis. Hier +moge dit weinige volstaan als inleiding tot hetgeen onze taak +is: een overzicht en eene voorstelling van de liederen, die in +de 14<sup>de</sup> eeuw in deze landen werden gezongen. + +<h4>GEESTELIJKE LIEDEREN.</h4> + +<p>Niet talrijk zijn de liederen van dezen aard, welke met +voldoende zekerheid tot de 14<sup>de</sup> eeuw gebracht kunnen worden. + +<p>Het half Latijnsche half Dietsche lied: „In dulci jubilo singhet +ende weset vro" uit dezen tijd is vooral van belang, omdat wij +er door herinnerd worden aan den samenhang der geestelijke +Dietsche lyriek met de Latijnsche hymnen en kerkliederen<a href="#15.25">[25]</a>. +Opmerkelijker om zijn inhoud is „eyn devoet lietgen van den +heilighen kerste", een kerstliedje, kinderliedje, dat aanvangt: + +<p class="quote">Sy namen dat kindekyn metten teenen<a title="[margin: bij de toonen.]"><sup>#</sup></a> +Sussoe nynnoe +Der heylighe kerst wil onser ghedencken +Sussoe nynnoe +Als wy suelen van ertrijc sceiden +Sussoe nynnoe. +</p> + +<p>Op dezelfde wijze worden dan de „verssen"<a title="[margin: hielen.]"><sup>#</sup></a> daarna de +„enckelen" in het lied gebracht en zoo beurtelings alle ledematen +van het Christus-kind als met vroom-eerbiedige hand aangeraakt.<a name="472"></a> + +<p>Het zou mij niet verwonderen indien wij hier een geestelijke +omwerking van een wereldlijk lied vóór ons hadden; immers +dergelijke kinderliedjes in den trant van ons „kinne-, kinnewipje", +aanbrengers van vroegste zelfkennis voor het kind, zooals zij +nog te onzent en in andere landen van West-Europa in den +volksmond leven, zullen wel overoud zijn<a href="#15.26">[26]</a>. + +<p>Twee andere liederen hebben naar alle waarschijnlijkheid +betrekking op een bedevaart. Het eene verplaatst ons bij zonsopgang +naar bergen en bosschen, smeekt de bescherming van +het heilig kruis af op dezen tocht, roept de hulp der heiligen +in tot het vinden van een goede herberg en beveiliging tegen +roovers en moordenaars te land en te water<a href="#15.27">[27]</a>. + +<p>Het andere is een geestelijke romance ter eere van SANTE +GHEERTRUUT, de patronesse der reizigers. Een volksdichter +heeft waarschijnlijk op dien tocht voor het overig „gezelschap" +dat „tot onsen here god voer" het verhaal gezongen van den +ridder die, ter wille van de schoone heilige al zijn goed had +verteerd, die zijn ziel aan den duivel verkocht om weer rijk te +worden en op het beslissend oogenblik door SANTE GHEERTRUUT +wordt verlost uit de klauwen van den Booze. Er is poëzie in +dit lied, hoe weinig geoefend ook de hand was die haar verwerkte: +de eenvoudige droefheid bij het afscheid van den ridder +en zijne geliefde; de naïeve verzuchting: had ik het maar geweten +van te voren! het dwalen op een duisteren avond langs +de wilde heide, de plotselinge verschijning van den Vijand, +het „roode bloed" waarmee het contract wordt geschreven, de +plastiek bij het drinken van den beker van SINT-GEERTEMINNE: + +<p class="quote">Hi nam den nap op sijnre hant, +Hi sette hem voor sinen mont, +Hi en hadde den wijn ooc niet gespaert, +Hi dranc hem uut al tot den gront<a href="#15.28">[28]</a>.<a name="473"></a> +</p> + +<p>Deze en dergelijke trekken maken het wel begrijpelijk, dat +een sprookspreker als Meester WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG +geen weerstand heeft geboden aan den lust om de stof dezer +geestelijke romance op zijne wijze te bewerken. + +<h4>MINNELIEDEREN.</h4> + +<p>Zoo schaarsch als de geestelijke liederen zoo talrijk zijn de +minneliederen van dezen tijd. In een handschrift van het laatst +der 14<sup>de</sup> eeuw, dat misschien was aangelegd voor een edelman +uit het Brugsch geslacht Van Gruythuyse, zijn ons bijna +anderhalfhonderd liederen bewaard die ons een beeld geven +van het minnelied dezer tijden. Voor een deel zijn die liederen +misschien gedicht door zekeren jonker JAN VAN HULST, doch +het komt mij voor dat ook andere handen in deze liederen +vallen te onderscheiden<a href="#15.29">[29]</a>. Misschien hebben Duitsche dichters +tot het ontstaan van dit handschrift medegewerkt; in allen +gevalle worden wij al dadelijk getroffen door de Duitsch-getinte +taal of het mengsel van Duitsch en Nederlandsch waarin +ettelijke dezer liederen zijn geschreven. Het Beiersche gravenhuis +had het Duitsch hier te lande in zwang gebracht, Duitsche +dichters en zangers kwamen in het gevolg der graven en edelen +in deze landen; het is begrijpelijk dat velen hunner getracht +hebben aan hunne taal een Nederlandsche kleur te geven zooals +de Fransche trouvères der 13<sup>de</sup> en 14<sup>de</sup> eeuw, in het Noorden +van Italië rondtrekkend, de Fransche ridderpoëzie in veritaliaanscht +Fransch voordroegen. + +<p>Misschien zijn er ook Nederlandsche dichters geweest, die +getracht hebben aan hunne taal een Duitsche tint te geven; +het is niet gemakkelijk uit te maken welke der beide mogelijkheden +men in bepaalde gevallen vóór zich heeft<a href="#15.30">[30]</a>. + +<p>Herinneren vele dezer liederen ons door hun vorm aan<a name="474"></a> +Duitschland, hun inhoud toont in menig opzicht verwantschap +met de hoofsche Duitsche minnepoëzie dier dagen. De opvatting +van de liefde als een dienst, die wij reeds vroeger in dit +verhaal hebben leeren kennen, treffen wij ook hier aan; ook +hier zijn de rollen omgekeerd: het sterke geslacht zucht, treurt, +klaagt en weent of vleit—het zwakke is mannelijk en fier; zij +is de „princesse", de „keyserinne"—hij de „dienaer" of de +„lijfeigene". De liefde is hier eerbiedig, bescheiden, het zinnelijke +wordt onderdrukt; heimelijk smachten naar haar bijzijn, dat +staat hoog; wordt de „stedicheit" van den minnaar ook niet +beantwoord, toch blijft hij trouw. Hoofsch is deze opvatting +der liefde in hooge mate; een dorper kan zich dan ook niet +daartoe verheffen: „een kerel ghert der vreughden gheyn." Het +is niet vreemd dat wij in dezen zelfden bundel een fraai lied +aantreffen, dat van diepe minachting voor de „kerels" vervuld is. + +<p>Een tegenstelling met deze liederen, gedicht onder den invloed +eener internationale opvatting der liefde, vormt een veertigtal +andere die in taal, gevoel en voorstelling zuiver nationaal +mogen worden genoemd. + +<p>Hier geen hoofschheid, neen waarlijk niet! Hier krachtig +realisme en onbedwongen zinnelijkheid; maar ook welk een +dartele levenslust en onbezorgde vroolijkheid, welk een helder +opklinkende lach! + +<p>Niet zóó scherp noch zóó volstrekt echter moet men zich +deze tegenstelling denken, alsof alle Duitsch-getinte liederen +tegenover de zuiver-Vlaamsche konden worden geplaatst als +idealisme tegenover realisme. Want eenerzijds komen er onder +die Duitsch-getinte liederen een paar voor die in dubbelzinnig +schertsende beeldspraak over het minnespel denzelfden trant +houden als sommige zuiver-Vlaamsche liederen<a href="#15.31">[31]</a>. Anderzijds +zijn sommige zuiver-Vlaamsche stukken gedicht in den geest +der hoofsche minnepoëzie; doch opmerkelijk is, hoe het<a name="475"></a> +nationaal realisme dan op sommige plaatsen door het idealistisch +vernis heen komt kijken<a href="#15.32">[32]</a>. Overigens vindt men hier verscheidene +genre's vertegenwoordigd: liederen over de droefheid +van het scheiden, waarvan er een doet denken aan de later +uitvoeriger te behandelen „wachterliederen"; nieuwjaarsliederen +die waarschijnlijk bestemd waren om aan de liefste gezonden +te worden, evenals andere die ter begeleiding van een bloeienden +meitak zullen hebben gediend; weer andere hebben een meer +verstandelijk karakter en handelen over de „stede" (trouw), over +vriendschap, afgunst en nijd. Een enkel behelst klachten over +de „niders"<a href="#15.33">[33]</a>. + +<p>Aan de verscheidenheid van inhoud beantwoordt een rijke +verscheidenheid van vorm; sommige liederen bestaan uit slechts +een enkel couplet, de meeste uit meer coupletten; de gewone +vierregelige strophe komt maar een enkelen keer voor en dan +nog met een kunstiger rijmstelsel dan de gewone overslaande +rijmen (n<sup>o</sup>. 136); de omvang der coupletten zwelt soms, misschien +onder den invloed eener bestaande melodie, aan tot het +buitensporige. Maar ook, hoe menig fraai lied is hier te vinden! +Daar is dit lied op het scheiden: + +<p class="quote">Sceiden, onverwinlic leit, +Onvreuchdelyc es dijn beghin, +Dat nemic waerlic up myn heit<a title="[margin: eed.]"><sup>#</sup></a>: +Ten brinct gheen dinc meer lidens in. +Sceiden, du dwinx herte ende zin, +So langher tyt, so meer verdriet, +Sceiden, du ne ghenouchs<a title="[margin: behaagt.]"><sup>#</sup></a> mi niet. +</p> + +<p>Het aardige lied op den leeuwrik, dat aanvangt: + +<p class="quote">Aloëtte, voghel clein! +Dyn nature es zoete ende rein,<a name="476"></a> +So es dyn edel zanc; +Daer dienstu met den here allein +Te love om sinen danc. +</p> + +<p>Het lied tegen de kwellende gepeinzen, die den minnaar rust +noch duur laten, en het klaaglied over het lot van den ongelukkigen +minnaar, met dit aardig couplet: + +<p class="quote">Trueren, waken, +Magher caken, +Selden sonder toren<a title="[margin: verdriet.]"><sup>#</sup></a>, +Breken, maken, +Niet gheraken, +Achter meer dan voren— +Dit moeter al toe horen +Ende al den tijt verloren<a href="#15.34">[34]</a>. +</p> + +<p>Wij vinden hier ook meer dan een mooien beurtzang, hetzij +tusschen ridder en jonkvrouw, minnaar en meisje, hetzij tusschen +twee gezellen of twee speelnootjes. Als proeve kunnen +hier slechts een paar coupletten worden medegedeeld van den +beurtzang tusschen een paar gezellinnen, waarvan de eene aan +de andere een droeve bekentenis doet: + +<p class="quote">Ghespele, in caent gheswighen niet, +Nu wilt mijn overzwaer verdriet +In trauwen helpen helen. +Doe ic lesten van u sciet<a title="[margin: laatst afscheid van u nam.]"><sup>#</sup></a>, +Doe addi mi allein bespiet +Ende ic ginc mettem spelen. +Ghespele, wilt beraden mi, +So dat mijn ere behouden zi +Bi wizen rade; +Ic wane in comme hem nemmer bi.<a name="477"></a> +Wat sal ic doen! o wach, o wi! +Het es te spade! + +Die ander sprac: op minen heit<a title="[margin: eed.]"><sup>#</sup></a>, +Dat es mi waerlic alzo leit, +Ghespele, ic wil u claghen. +Waer es dijn zuver ommecleit<a title="[margin: de reinheid waarin gij gekleed waart.]"><sup>#</sup></a>? +Nu moestu dinen aerbeit<a title="[margin: zwangerschap.]"><sup>#</sup></a> +Lange alleine draghen. +Waer es dijns hertzen toeverlaet? +In can di, leider! genen raet +Ghegheven— +Wint up dijn haer<a title="[margin: maagden lieten het haar los hangen.]"><sup>#</sup></a>, dijn guldin draet, +Waer es dijn vruechdenrijc ghelaet +Ghebleven! +</p> + +<p>De realistische minneliedjes en beeldjes uit het volksleven +zijn niet minder fraai. Het manke liefje met één oor en zwarte +handen, dat knort als een varken, bereidt ons reeds voor op +de groteske figuren van Breughel, en hoe gaarne zou men +weten hoe het afloopt met den kapelaan van Hoedelem, dien +wij 's morgens met den koster achter hem ter mis zien gaan. +Maar slechts de aanvang van dat lied is ons overgebleven. +Dan is er TUTEBIER, de marskramer, met zijn vroolijken +straatroep: + +<p class="quote">Naelden, spellen, trompen, bellen, +Ic wil mijn merse hier nederstellen, +Laet zien of ic vercopen can! +</p> + +<p>die aangeroepen wordt door een lachend mooi meisje, dat +zoo'n moeite heeft om een speld van het juiste formaat te +vinden:<a name="478"></a> + +<p class="quote">„Merseman," seidesi, „lieve geselle, +„Ic hebbe een cleine cokerkijn, +„In vinde hier in no naelde no spelle<a title="[margin: speld.]"><sup>#</sup></a>, +„Die wel voughen soude daer in. +„Hier sijn grote ende daer so cleine, +„Maer ic ne vinde niet dat ic meine." +—„„Joncfrauwe, wat spellen wildi dan? +„„Naelden, spellen, trompen, bellen, +„„Ic wil mijn merse"" enz. + +„Joncfrauwe, ic hebbe een spellekijn, +„Dan es niet aldus cleine." +—„„Cnape, wel moeti comen sijn, +„„Ghi weit wel wattic meine. +„„Wildi de spelle vercopen niet, +„„So leen se mi of ghijt ghebiet<a title="[margin: indien gij wilt.]"><sup>#</sup></a>, +„„Ic salt u lonen, bi sinte Jan— +„Naelden, spellen, trompen, bellen, +„Ic wil mijn merse hier neder stellen, +„Laet zien of ic vercopen can!" +</p> + +<p>Daar is verder de „maecht in vrueghden rijck" die zoo gaarne +op de „bonghe"<a title="[margin: trom?]"><sup>#</sup></a> wil leeren spelen; Heer WOUTER, oud en +koud, die LYSKEN te na komt en op zijne kaken geslagen +wordt; het avondfeestje in de schuur tusschen zuster LUTE en +broeder LOLLAERT, waaraan zulk een onverwacht eind komt—altemaal +uitingen eener krachtige zinnelijkheid die wel eens uit +den band springt en grof wordt, doch die in zijn dartelen +moedwil ook zulk een volheid van leven toont, zulk een +natuurlijke bevalligheid en lossen zwier<a href="#15.35">[35]</a>. + +<p>De hierboven genoemde „bonghe" was een der vele muziekinstrumenten +die na onze kennismaking met het Zuiden en het +Oosten ook hier werden ingevoerd en gebruikt.<a name="479"></a> + +<p>Naar het schijnt, werd de „bonghe" ook wel „bom" genoemd +en bediende men er zich van ter begeleiding van een zanger +of zangeres<a href="#15.36">[36]</a>. Het <i>rondeel</i>, een der lyrische dichtvormen die +in de 14<sup>de</sup> eeuw in zwang kwamen, werd toen ook wel gezongen +met muzikale begeleiding. Een rondeel van amoureuzen +inhoud vinden wij in een gedicht „<i>van den wilden man</i>" dat +uit deze eeuw dagteekent; begrijpelijker wijze wordt het rondeel, +als voor den zang bestemd, hier „liedekijn" genoemd: + +<p class="quote">Nu hoert hier dliedekijn, dat hi sanc +met luder stemmen eer iet lanc: +„Ic was wilt, ic ben ghevaen +„ende bracht in mintliken bande; +„dat heeft ene maghet ghedaen. +„Ic was wilt, ic ben ghevaen; +„Al mochtic, in woude haer niet ontgaen, +„des settic mine trouwe te pande. +„Ic was wilt, ic ben ghevaen +„ende bracht in mintliken bande"<a href="#15.36">[36]</a>. +</p> + +<p>Ook elders bleven ons nog minneliederen bewaard in eene +Brabantsch-Limburgsch gekleurde taal, doch in zóó gebrekkigen +toestand, dat men er zich geen juist oordeel over kan vormen. +Zooveel is echter wel zeker, dat zij tot de hoofsche poëzie +moeten worden gebracht. Op meer dan een plaats immers +wordt gesproken over <i>dienst</i> en <i>vrouwe</i>, b.v. in eene uiting +als deze: + +<p class="quote">Lijfs ende sins is hi versaeght, +Die dlijf<a title="[margin: het lief(je).]"><sup>#</sup></a> mint die sijn dienst meshaeght. +</p> + +<p>Elders herkennen wij in „dier verreder ghevensde tale" de +klachten over de „niders" waarvan de hoofsche minnepoëzie<a name="480"></a> +vol is. Hier en daar hooren wij een couplet of een paar verzen +die ons een goeden dunk van het geheel geven. Zoo b.v.: + +<p class="quote">En mach verberghen in gheen hol +Hem lief vor lief, die liefs es vol. +</p> + +<p>of: + +<p class="quote">Liefs troest eest beter niet ghenieten, +Dan na liefs troest liefs troest mesnieten<a title="[margin: ontgelden, boeten.]"><sup>#</sup></a>, +</p> + +<p>of dit deel van een couplet: + +<p class="quote">dat hem verdrote +'s Levens sere, +Die uyt sire vrouwen +Herte dor trouwen +Ghesloten were<a href="#15.37">[37]</a>. +</p> + +<p>Doch wij zouden er meer van over moeten hebben en vooral +in een beter overgeleverden tekst, vóórdat wij ons een algemeen +oordeel zouden kunnen vormen. + +<p>Onder de minneliederen uit het handschrift der Gruythuysens +vindt men ook—de nabuurschap dagteekent reeds van +Anakreon—een aardig drinklied dat aanvangt: + +<p class="quote">Scinc her den wijn, +Gheselle mijn, +Wi willen vroilic leven; +Het mach sulc<a title="[margin: deze of gene.]"><sup>#</sup></a> zijn +Noch up den Rijn, +Die ons gheluc mach geven, +Al moeten wi nu sneven. +</p> + +<p>Andere, met dit lied verwante, liederen brengen ons in +gezelschap van berooide minnaars die hunne versmade liefde<a name="481"></a> +zoeken te vergeten en als een voorspel vormen van de latere +liederen der „gildekens"<a title="[margin: doorbrengers.]"><sup>#</sup></a><a href="#15.38">[38]</a>. + +<h4>HISTORISCHE LIEDEREN.</h4> + +<p>Gebeurtenissen of toestanden en verhoudingen die in ruimen +kring indruk maakten, ontroering verwekten onder een aanzienlijk +deel van het Dietsch-sprekende volk, waren, zooals wij +zagen, ook in een vorige eeuw waarschijnlijk wel tot uiting +gekomen in het lied. Voorbeelden van zulke uitingen zijn echter +niet tot ons gekomen. Gelukkiger zijn wij wat de 14<sup>de</sup> eeuw +betreft. De wassende beteekenis en invloed der burgerijen schijnt +zich te openbaren ook in het feit, dat ten minste eenige historische +liederen uit dezen tijd tot ons zijn gekomen. + +<p>Indien wij ons herinneren welk een diepen indruk de moord +op graaf FLORIS DEN VIJFDE in Holland maakte, dan verwondert +het ons niet dat deze gebeurtenis tot een lied is verwerkt, noch +dat dit lied eeuwen lang in den volksmond is blijven leven. +Hoogst opmerkelijk is de wijze waarop de uit de geschiedenis +bekende feiten hier door een ons onbekenden volksdichter verwerkt +zijn. Spreekt de historie van een strijd tusschen den op +zijne voorrechten naijverigen adel en den graaf dien zij smadelijk +„der keerlen god" noemden, het lied vindt den sleutel tot de +verklaring der gebeurtenissen in persoonlijke motieven. + +<p>Graaf FLORIS, zóó wordt ons hier verteld, is zijne bijzit +moede en wil haar als echtgenoote aan GERARD VAN VELZEN +opdringen. Deze weigert; „uw versleten schoenen en wil ic niet", +zegt hij in hoonende beeldspraak. FLORIS zint op wraak; het +huwelijk van VELZEN met MACHTELD VAN WOERDEN biedt +hem daartoe gelegenheid. Hij ontbiedt GERARD aan zijn hof; +terwijl deze onderweg is, gaat FLORIS tot de jonge vrouwe van +VELZEN en onteert haar. Die schennis wreekt GERARD op den<a name="482"></a> +schender. Verhaalt de historie ons dat de moordenaars van den +graaf ontsnappen—de volksdichter laat GERAERT VAN VELSEN +gevangen nemen; drie dagen lang wordt hij om en om gerold +in een vat waarin spijkers geslagen zijn. Die marteling vermag +hem te breken noch te buigen. Op de vraag „hoe hem nu te +moede is?" antwoordt hij: + +<p class="quote">Ic ben noch al de selve man, +Die graef Floris sijn jonc leven nam. +</p> + +<p>Wij mogen wel als zeker aannemen, dat deze voorstelling +van zaken niet door den volksdichter is verzonnen, doch dat +hij haar ontleend heeft aan een Nederduitsche sage. + +<p>Van den Gotenkoning ERMANARIK en een zijner voorname +heeren wordt ons bijna volkomen dezelfde geschiedenis verhaald; +ook in Deensche liederen treden koning ERIK GLIPPING en zijn +maarschalk, ridder STIG, in dezelfde verhouding op. + +<p>Met dat al blijft het opmerkelijk, dat een volksdichter te onzent +eene dergelijke voorstelling van den moord op graaf FLORIS +heeft gegeven, waarin „der keerlen god" nu juist niet de mooiste +rol heeft; zelfs kan men zeggen dat de sympathie des volksdichters +eerder aan de zijde van den onbuigzamen edelman is, +den wreker der bevlekte huwelijkseer en aan die der schoone +jonge vrouw die den smaad zoo diep gevoelt. Heeft graaf +FLORIS door een liefdesbetrekking tot eene jonkvrouw of edelvrouw +inderdaad eenige aanleiding gegeven tot het in verbinding +brengen zijner geschiedenis met de Nederduitsche sage? +Immers, ook LODEWIJC VAN VELTHEM die zich overigens in +dezen welingelicht toont, schrijft over de redenen tot den moord: + +<p class="quote">Ander secgen: dat om een Vrouwe quam, +Dat men hem sijn leven nam,<a name="483"></a> +Daer hi met soude hebben te doene, +Die wyf was een van sinen baroene, +Ende datten diegene daerom lagen +Leiden vander stont alle dagen<a href="#15.39">[39]</a>. +</p> + +<p>Vóór 1316 was derhalve dit gerucht aangaande de schennis +eener adellijke dame, niet juist MACHTELD VAN VELZEN, als +reden tot den moord reeds verbreid. Heeft VELTHEM dit gerucht +leeren kennen uit het Dietsche lied of langs anderen weg? +Tot het geven van een afdoend antwoord op die vragen zijn +wij niet in staat. Doch hetzij den volksdichter de ware toedracht +der zaak bekend is geweest of niet, in beide gevallen is het +begrijpelijk dat gekrenkte huwelijkseer voor hem een aantrekkelijker +motief was dan gekrenkte adeltrots; dat algemeen menschelijk +gevoel hem sterker aandeed dan het belang van een +bijzonderen stand, waartoe hij blijkbaar niet behoorde. Die +aandoening zou zich ongetwijfeld duidelijker openbaren, indien +wij het oude lied in zijn oorspronkelijken vorm bezaten; het +moet heel wat geleden hebben in het drietal eeuwen, waarin +het van mond tot mond ging, vóórdat wij het in 1591 achter +de <i>Rijm-Kroniek van Melis Stoke</i> aantreffen. Doch ook in +dezen verminkten vorm treffen ons nog de levendigheid van +het verhaal in zijn vluggen gang, de teekenachtige beeldspraak +van VELZEN tot zijn heer, de aanschouwelijkheid der voorstelling, +de dramatische kracht; ook de vinding om den moordenaar, +volgens een uit de sprookjes bekend motief, in een met +spijkers doorboorde ton te rollen<a href="#15.40">[40]</a>. + +<p>Een landsheer in strijd met een zijner voorname edelen vinden +wij ook in een ander lied van dezen tijd. Dat ook dit lied +ons gebrekkig is overgeleverd, blijkt reeds uit den titel: <i>Van +cort Rozijn</i>; immers de naam van den edelman die hier de +hoofdrol speelt, ZEGER VAN KORTRIJK, „Segher de <i>Curtroysijn</i>"<a name="484"></a> +(d.i. van Courtroy), is hier verbasterd door een Vlaming, +die blijkbaar geen Fransch kende. + +<p>Wij zijn in Vlaanderen tijdens den oorlog tusschen Frankrijk +en Engeland. De graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN +NEVERS, heeft de partij van Frankrijk gekozen; een deel +van zijn volk, en daaronder twee invloedrijke Gentenaars, +houden de zijde van Engeland. Die twee zijn JACOB VAN +ARTEVELDE en ZEGHER VAN KORTRIJK. Vertoornd over hunne +tegenkanting laat de Graaf ZEGHER gevangen nemen en onthoofden +(1337). + +<p>Opmerkelijk is ook hier de wijze, waarop deze historische +kern door de volkspoëzie is verwerkt. + +<p>In het lied biedt de Graaf zijn „lieven neve" den Cortrosijn +het ruwaardschap over Vlaanderen aan; doch deze, weinig +minder hooghartig dan VELZEN tegenover den Graaf van Holland, +weigert in smadelijke bewoordingen: „ick leve so noode +bi quaden ase"<a title="[margin: voedsel.]"><sup>#</sup></a>. Die „spitighe woorden" zullen u berouwen, +herneemt de ander; met uw hoofd zult gij ervoor boeten. +Onvervaard door dat vooruitzicht beweert de Cortrosijn, dat +hij nog een nacht bij des Graven dochter zal slapen. Toornig +wendt Vlaanderens heer zich van hem af, en niet lang daarna +wordt de weerspannige gevangen genomen. Genade bidt hij te +vergeefs; voor het huis te Rupelmonde valt zijn hoofd onder +de bijl. Maar op Sint-Laurensdag komt de koning van Engeland +zijn aanhanger wreken; toen de dag ten avond kwam, lag +Brugge in het roode bloed. + +<p>Evenals in het lied <i>van Gerard van Velzen</i> is ook hier het +bijzondere: de strijd der partijen, tenauwernood zichtbaar; het +algemeen menschelijke: gekrenkt eergevoel en liefde, staat op +den voorgrond<a href="#15.41">[41]</a>. + +<p>Heeft de volksdichter zijne voorstelling geheel verzonnen? +Wie zal dat uitmaken? Dat de historische stukken van dezen<a name="485"></a> +tijd niets van zoodanige verhouding weten, is wel van gewicht, +maar levert geen afdoend bewijs. Doch ook al hebben +wij hier louter verdichting, dan blijkt daaruit nog eens te +meer het eigenaardig wezen der volkspoëzie, die het algemeen +menschelijke gaarne op den voorgrond brengt, ook +daar, waar het niet door de gebeurtenissen ten tooneele wordt +gebracht. + +<p>Het lied <i>van den Cortrosijn</i> herinnerde ons den grooten +patriot JACOB VAN ARTEVELDE. Indien de historische overlevering +te werk ging volgens onze verwachtingen, wat zouden wij +dan eer verwacht hebben, dan dat niet één, maar verscheidene +liederen de heugenis aan ARTEVELDE'S krachtige persoonlijkheid +en zijn tragischen dood zouden hebben bewaard? Toch bezitten +wij niets over hem, dan een onbeteekenend fragment +van een naar allen schijn onbeteekenend lied, dat bovendien +nog van twijfelachtige herkomst is. Maar zijne partij, de nationale +partij der „Clauwaerts", die de klauwen van den Vlaamschen +leeuw op hunne mouwen geborduurd droegen, bleef +leven in een kort spotliedje, uitgegaan van de Franschgezinde +„Leliaerts", op wier mouwen de „fleur de lis" prijkte: + +<p class="quote">Clauwaert, Clauwaert, +Hoet u wel van den Lelyaert + enz.<a href="#15.42">[42]</a>. +</p> + +<p>Dat liedje was niet de eenige uiting van de minachting en +den haat der voorname „Leliaerts" jegens de nationale partij. +In een vierregelig gedichtje wordt gewezen op den overmoed +van de rijk wordende „kerels". Uitvoeriger worden de „kerels" +ons geteekend in een veel grooter gedicht van dezen tijd, dat +van niet geringe technische vaardigheid getuigt en waarschijnlijk +is vervaardigd door een edelman of aanhanger van den adel<a name="486"></a> +die door de „kerels" was gevangen genomen en in den „stoc"<a title="[margin: gevangenisblok.]"><sup>#</sup></a> +gezet. Met onverholen minachting, met verdienstelijke plastiek +en scherpen spot is de „kerel" hier afgebeeld in zijne ruwheid +en grofheid: hij vreet look met koolstronken, met zijne handen +klopt hij eieren door zijn heete melkpap en slaat ze naar binnen +tot hij er scharlaken van ziet; achter het vleesch en spek zit hij +heen, dat hem het vet langs de vingers druipt. Hoort hem +kallen tegen zijn soort: mijn landheer vroeg mij onlangs ten +eten, ik schrokte en vrat mij boordevol!—„Hei", roept een +andere kornuit, „hoort nou ereis een vreemde klucht: ik heb +mijn bles-merrie verruild, nu zal zij voor de schuit van Pieter +Gerrits loopen! Heb ik hem zijn neus niet gesnoten?—Hadden +de „kerels" de macht in handen, het zou spoedig klinken: +slaat de heeren dood! De „kerels" van Gent kunnen het +getuigen. Boven op een paard speelt hij ook wel voor ridder; +de dorschvlegel is zijn speer, de wan zijn schild; „ja, zeker!" +zeggen dan de overige rekels, „Roelof weet van steekspel +houden!" + +<p>Denzelfden vijandigen geest, dezelfde minachting ademt een +lied „van de kerels" waarvan wij, sprekend over de minneliederen, +reeds gewag maakten. In kleiner bestek doch met +niet minder talent en met vaster hand is hier een beeld van +den „kerel" omgetrokken, dat bovendien niet zóó door den +tijd geleden heeft als het voorgaande. Hier zien wij hem: „vijand +van de ruiters, langgebaard, in gescheurde kleeren, met gelapte +kousen en schoenen, de kaproen scheef op het hoofd, altijd +vol wrongel en wei, brood en kaas. Met een homp roggebrood +in de hand gaat hij naar de ploeg; dan komt zijn vuil wijf +er bij, de flarden hangen haar bij de muilen neer. Gaat hij +ter kermis, dan beeldt hij zich in dat hij een graaf is; alles +wil hij neerslaan met zijn knuppel" ... in dien trant gaat +het lied voort, om te eindigen met het grimmig dreigende:<a name="487"></a> + +<p class="quote">Wi willen de kerels doen greinsen, +Al dravende over 't velt, +Hets al quaet dat zi peinsen; +Ic weet ze wel bestelt<a title="[margin: ik weet goed raad voor hen.]"><sup>#</sup></a>: +Men sal ze slepen<a title="[margin: nl. op eene horde (naar de galg).]"><sup>#</sup></a> ende hanghen, +Haer baert es al te lanc; +Sine connens niet ontganghen, +Sine dochten<a title="[margin: zouden niet deugen.]"><sup>#</sup></a> niet sonder bedwanc. +Wrongle ende wey, broot ende caes, +Dat heit<a title="[margin: eet.]"><sup>#</sup></a> hi al den dach; +Daer omme es de kerel so daes<a title="[margin: dwaas.]"><sup>#</sup></a>, +Hi etes meer dan hi mach. +</p> + +<p>Ook al voegt men bij deze weinige historische liederen eenige +politieke gedichten van dezen tijd, zooals de <i>Jammerliche Clage</i> +over den dood van graaf WILLEM IV in Friesland, een onbeteekenend +gedicht op JAN III, hertog van Brabant, een stuk +van WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH over het ontstaan der +Hoeksche en Kabeljauwsche twisten en een paar andere—welk +een onvolledigen en zwakken indruk krijgen wij dan nog +van die gewichtige 14<sup>de</sup> eeuw! + +<p>Doch men mag hier niet vergeten dat, vooral in de middeleeuwen, +de poëzie zich slechts ten deele openbaart door de +kunst van het woord; dat zij voor een aanzienlijk deel latent +bleef in het leven. Hoeveel poëzie schuilt er in de werkelijkheid +dier dagen, ook al richt men het oog in het bijzonder op de +geschiedenis van land en volk. Een goed voorbeeld daarvan +levert ons de Latijnsche kroniek, door WILLEM, kapelaan te +Brederode, opgesteld in het eerste vierdedeel der 14<sup>de</sup> eeuw. +De auteur verhaalt ons daar, hoe WILLEM I, graaf van Holland, +op een reis naar Duitschland door Gelderland trekt. Uit +vrees voor hinderlagen van zijn vijand OTTO, graaf van Gelre,<a name="488"></a> +heeft hij zich in geringe kleeren gestoken; met slechts een +enkelen dienaar wandelt hij blootsvoets door Gelderland. Zijn +weg leidt hem langs het kasteel van zijn vijand. De gravin +staat voor het raam en ziet hem; aan zijne beenen en overige +ledematen herkent zij den man van edel bloed en begrijpt dat het +graaf WILLEM moet zijn. Een bode noodt hem binnen te komen. +WILLEM aarzelt maar geeft aan de noodiging gehoor. De gravin +laat hem in een kamer brengen en betere kleeren uit haar mans +garderobe geven; zij begroet hem als graaf van Holland en +laat niet af, al loochent hij het; op slimme wijs weet zij hem +tot erkenning der waarheid te brengen. Bij het vallen van den +avond komt graaf OTTO thuis. Zijn gemalin gaat hem tegemoet; +hand in hand komen zij de zaal binnen. De verstandige vrouw +vraagt of hij haar een belofte wil doen; de graaf stemt toe en +doet er een eed op dat hij zijne belofte zal houden. Daarop +zegt zij: huw dan onze dochter ALEID uit aan WILLEM, graaf +van Holland.—„Droomt gij?" zegt de graaf; „maar mijn eed +zal ik houden." Nu gaat de gravin de kamer binnen waar +WILLEM zich bevindt, begroet hem als schoonzoon en brengt +hem voor haar gemaal. Allen zijn verwonderd; doch sommigen +zeggen: geen wijsheid, geen raad kan bestaan tegenover God. +Lag hier niet de stof voor eene romance te wachten op +de beeldende hand van een dichter? Die barrevoeter-graaf +in slechte kleeren vermomd door Gelderland trekkend, die +gravin voor het venster—typische houding eener middeleeuwsche +edelvrouw—die bode, dat verwisselen van kleeding, +die belofte van den graaf en die ontknooping—het +is alles ongeboren poëzie. Had deze kapelaan Dietsch durven +schrijven, wie weet? Doch zijn eerbied voor HORATIUS, +OVIDIUS en SENECA verbood hem dat en deed hem in zijn +Latijn vertellen wat een mooi lied in de volkstaal had kunnen +worden<a href="#15.43">[43]</a>.<a name="489"></a> + +<h3><i>c</i>. GEESTELIJKE, STICHTELIJKE EN DIDACTISCHE LYRIEK.</h3> + +<p class="quote">Al waren alle gherse<a title="[margin: grasjes.]"><sup>#</sup></a> tonghen, +Die te meye oit ontspronghen, +Ende si alle van u songhen, +Si en gaven u niet te vollen prijs. +</p> + +<p>Deze verzen uit een gedicht <i>van onser Vrouwen</i> wijzen aan, +waar het zwaartepunt ligt in de geestelijke lyriek van dien tijd: +MARIA neemt de voornaamste plaats in. Het is haar „opvaert", +hare „vijf pinen", hare „claghe"; wij vinden „bedinghen" tot +haar, een „lof van Maria", „Ave Maria," „Salve Regina" en hoe +die stukken verder heeten mogen. Vele daarvan toonen meer +vroomheid dan eigenaardig karakter of talent van den dichter. +Sommige andere verdienen op den voorgrond gebracht te worden. + +<p>Zoo vinden wij drie meesters: ALBRECHT VAN KEULEN, +HEYNRIC FROMATOR en JACOB VAN MERLANT, „een edel clerc +ende wide becant" in een soort van wedstrijd bezig met den +lof der Moedermaagd te zingen; MAERLANT'S lofspraak wordt +de schoonste geoordeeld. Een enkelen keer treffen ons onder +de gebeden tot MARIA fraaie stukken; zoo b.v. dit couplet: + +<p class="quote">O maghet, o moeder, o godlijc wijf, +O zoete, o reyne, o leytsverdrijf, +O lieve, o werde, o zalighe vrouwe, +O advocate der zonden kijf<a title="[margin: op wie de zonden kwaadaardig zijn.]"><sup>#</sup></a>, +O onser, ellendigher, biblijf<a title="[margin: toeverlaat.]"><sup>#</sup></a>; +O roze, vul van 's hemels dauwe, +O troost in node, o heils beclijf, +O wech der dolender, even stijf<a title="[margin: zeer betrouwbaar.]"><sup>#</sup></a>, +O bloeyende minne, o vloeyende trouwe, +O moederlic herte, o maechdelic lijf, +O licht voor thelsche ongherijf, +Com, los mijn herte uut allen rauwe<a href="#15.44">[44]</a>.<a name="490"></a> +</p> + +<p>Opmerkelijk is een stuk getiteld <i>Onser Vrouwen Claghe</i> om +den geest der vroegere volkspoëzie, dien het ademt. Zoo vinden +wij hier meer dan eens dat spreken der personen zonder +aankondiging: + +<p class="quote">Tote Adame dat hi quam: +„Adam, du ne wet min no mee +... +</p> + +<p>Ook de epische herhaling van vraag en antwoord en de +deelneming van den dichter, die zich lucht moet geven midden +in zijn verhaal met een: „Ay, hoe node dat hi (Adam) +'t dede!"<a href="#15.45">[45]</a>. + +<p>Naast deze gedichten op MARIA vinden wij andere <i>Op het +lyden Christi</i>, <i>ons liefs Heren passie</i>, <i>de seven ghetide van +onsen here</i>. Hindert ons hier soms dezelfde platheid, die wij +vroeger in de ridderpoëzie aantroffen, waar een dichter zich +niet ontziet te schrijven + +<p class="quote">Dat Jhezus naect hinc als een rent<a title="[margin: rund.]"><sup>#</sup></a> +An den cruce moedernaect<a href="#15.46">[46]</a>. +</p> + +<p>Anderzijds treffen wij hier een fraai staaltje van geestelijke +volkspoëzie aan in een stuk, dat den naam draagt <i>Van Jhesus +Mynnen, een scoen ryme</i>. Men oordeele zelf: + +<p class="quote">O edele ziele mijn, en was die trouwe niet groot, +Dat Jhesus Christus, Marien Sone, om u vercoes di doot? + +O edele ziele mijn, nu sijt hem onderdaen, +Want hi wilt noch anders met u spelen gaen. + +O edele ziele mijn, staet op, maect u ghereet, +Doet uwen mantel ane, der hogher minnen cleet.<a name="491"></a> +O edele ziele mijn, doet ane u scone juweel, +U brugom wilt gaen meyen met u in sijn prieel. + +O edele ziele mijn, hets daer zuete meyen gaen: +Den wijn der melodiën wort u daer opgedaen<a href="#15.47">[47]</a>. + enz. +</p> + +<p>Voorts vinden wij nog lofdichten op S. JAN BAPTIST, eene +paraphrase van het <i>Miserere</i>, van het <i>Pater Noster</i>. Het oude +geloof, dat voor het Christendom had moeten wijken, openbaart +zich in een tooverformulier, dat wel gekerstend is, doch +waar het oude geloof nog uit opduikt als een duiveltje uit een +verlucht getijdenboek. Want dit is wel het oud-nationaal geloof: + +<p class="quote">... +... dat my gheen dinghen en moghen vellen +Noch gheen tonghe en moge quellen, +Noch yser noch stael my sniden noch slaen. +</p> + +<p>Maar onmiddellijk daaraan vooraf gaat een bede tot „den heyligen +kerst" en op den laatsten hier medegedeelden regel volgt: + +<p class="quote">Dat seder ghesmeedt waert +Dat Christus gheboren waert. +</p> + +<p>Opmerkelijk is ook, hoe de onharmonische vermenging van +oud-nationaal en Christelijk geloof zich hier openbaart in het +gemis aan samenhang en harmonie van het gansche stuk<a href="#15.48">[48]</a>. + +<p>Vonden wij hier den mensch vooral tegenover MARIA en +JEZUS, een enkelen keer tegenover God, in andere gedichten +staat niet het godsdienstige, maar het zedelijke op den voorgrond. +Die gedichten zijn veel en veel talrijker dan de weinige +eigenlijk gezegde geestelijke gedichten. Meer en meer zien wij<a name="492"></a> +ook in de poëzie, dat de burgerij zelf de ontwikkeling van +haar zedelijk leven ter hand neemt, al blijft zij de priesters +nog erkennen als middelaars tusschen haar en God. + +<p>De burgerlijke dichters, die zich hier als woordvoerders der +gemeente tot de gemeente richten, kiezen daartoe gaarne den +weg van het verstandelijk betoog, de redeneering, de uiteenzetting, +de waarschuwing. + +<p>Het verwondert ons niet, bij deze neiging tot didactiek ook +hier een paar maal het vaderlijk „lieve kindre" aan te treffen, +dat wij vroeger in de leerdichten aanwezen, noch dat het <i>debat</i> +en daarmede verwante vormen hier vaak voorkomen. Juist die +dichtvorm immers gaf gelegenheid, eene zaak door onderscheidene +sprekers van verschillenden kant te doen beschouwen, +vragen te stellen tot de hoorders om hen langs dien weg te +brengen tot het vinden van de waarheid of ten minste van +eene overtuiging. Vandaar dat men aan het slot van sommige +dezer stukken uitdrukkingen leest als: „Nu mach elc vroet +man merken" of „Nu gheraet hier naer"<a href="#15.49">[49]</a>. + +<p>Met het verstandelijk karakter dezer poëzie strookt ook wel +de lust tot allegorie, die hier zich zoo krachtig openbaart. De +roman <i>van de Roos</i> moge invloed geoefend hebben op de +ontwikkeling der allegorie ook te onzent, eene dergelijke neiging +van den menschelijken geest kan toch niet alleen uit een boek worden +afgeleid. Allerlei menschelijke eigenschappen en hoedanigheden, +gevoelens, neigingen, toestanden, worden door de +dichters belichaamd, treden voor ons op om, redeneerend en +disputeerend, te leeren, te vermanen of te stichten. Het zijn +Vrouw Ere, Vrouw Minne, Trouw, Milde; meester Baraet<a title="[margin: bedrog.]"><sup>#</sup></a> +van Lozane en zijn vennoot Visevase; de edele vrouwe Gerechtigheid, +op jacht met hare honden Hope en Troost, komt den +jager Onrecht tegen met zijne honden Wankelmoed, Loosheid +en Logenaar. In een gedicht van Heer ERENTRYCK treden o.a.<a name="493"></a> +Heer Hoeffscaert en Heer Mildriaen op<a href="#15.50">[50]</a>. Ootmoedigheid +disputeert tegen Wereldsche Eer, Rijkdom tegen Armoede, +Solaes tegen Penitentie. + +<p>Een der oudste stukken van dezen aard, dat nog uit het +laatst der 13<sup>de</sup> eeuw dagteekent, is „een abel dinc ende een +edel leere: <i>van der Zielen ende van den Lichame</i>. Het is eene +bewerking van den Bijbeltekst: <i>de geest strijdt tegen het vleesch +en het vleesch strijdt tegen den geest</i>, die in zijne aangrijpende +kernachtigheid het zedelijk leven der meeste menschen samenvat<a href="#15.51">[51]</a>. +Verwant met dit stuk zijn andere als „een edel exempel", +waarin een gestorven mensch, in zijn graf liggend, waarschuwend +en vermanend, spreekt tot hen, die over zijn graf gaan: +ik was jong, schoon, bloeiend—nu ben ik zwart, verrot, de +wormen eten mij; wat ik ben, zult gij worden; let dan op het +eeuwige, geef aalmoezen enz. Ook „een figure" van een zondaar, +die in de hel zijne zonden beweent en zijne medemenschen +waarschuwt, en een drietal tweespraken tusschen een +levenden en een dooden koning<a href="#15.52">[52]</a>. + +<p>Verder vinden wij een A.B.C. gedicht ter gelegenheid van +het nieuwe jaar, vol allerlei zedelijke opwekking; een uitleg +van het woord <i>liden</i> volgens de onderscheidene letters, die +elk weer een afzonderlijke beteekenis hebben; eenige droomen +en visioenen. De allegorie ontbreekt ook hier niet; zoo wordt +ons b.v. verhaald van het paard dat „de menschelijke nature" +voorstelt; dat paard wordt geregeerd met den breidel van „redelic +verstaen"; in dien trant is de allegorie verder uitgewerkt<a href="#15.53">[53]</a>. + +<p>Wat al deze stukken gemeen hebben, is eene stichtelijke of +zedelijke strekking; doch de dichters bedienen zich tot den +opbouw van het zedelijk gemoedsleven hunner tijdgenooten +van allerlei materiaal. De tweespraak is geliefd; behalve de +bovengenoemde, vinden wij er een tusschen den Zomer en +den Winter over elks meerdere voortreffelijkheid; een andere<a name="494"></a> +over de vraag, wat beter en machtiger is: geluk of geld? +weer een ander maakt er eene „questie" van: of iemand zijn +lam zal hoeden tegen een wolf dan wel zijne vrouw tegen een +belager. Andere stukken geven rechtstreeksche opwekkingen tot +zelfkennis, het bewaren zijner eer, bescheidenheid jegens zijne +meerderen; zij waarschuwen tegen „baraet en reinaerdie", +hoovaardij, afgunst, boosheid. Zij houden ons het beeld voor +„van den IX besten", de beste vorsten die geleefd hebben: +HECTOR, ALEXANDER, CESAR, ARTUR en anderen; zij vertellen +ons van „een geestelijken boomgaard"; van den hemel, +voorgesteld als een schoone zaal met vele woningen, waarin +God de waard is; van een ridder die zijn zoon de eigenlijke +beteekenis van het woord <i>wapen</i> leert; van de raadslieden +die een vorst tot zich moet roepen; van twaalf soorten van +dienaren. + +<p>Het is begrijpelijk dat dichters die er op uit waren hunnen +hoorders of lezers praktische levenswijsheid mede te deelen, +zich gaarne bedienden van spreuken of spreukachtige verzen. +Hunne gedichten zijn dan ook vol spreukenwijsheid, die men +vindt samengevat in een refrein, in een slotregel of aan het +begin van een stuk als tekst; verzen als: + +<p class="quote">Gherne soud se visschen, die catte, +Maer node steec se den poot in 't natte. + +Die wel doet, darf gheenen wisch ute steken<a title="[margin: goede wijn +behoeft geen +krans.]"><sup>#</sup></a>. + +Vele onderwinden en was noit goet. + +Swigen brinct vele rusten in. +</p> + +<p>Doch daarmede niet tevreden, brengt men spreuken in bundels +samen en alzoo onder de menigte. Sommige daarvan zijn +in onbruik geraakt; ik heb het oog op een aardige spreuk als:<a name="495"></a> + +<p class="quote">Boven macht piint men dicke om haven<a title="[margin: geeft men zich moeite om rijkdom.]"><sup>#</sup></a>, +Want noot doet oude quenen<a title="[margin: vrouwen.]"><sup>#</sup></a> draven. +</p> + +<p>Andere herkennen wij ook in dezen vroegeren vorm: + +<p class="quote">Hi en dunct mi niet te sere riesen<a title="[margin: dwaas zijn.]"><sup>#</sup></a>, +Die van tween quaden dminste can kiesen. +</p> + +<p>Of: + +<p class="quote">Met dommen dom, met wisen wijs, +Want het es nu der werelt prijs. +</p> + +<p>Verscheidene dier spreuken worden ook in een Hoogduitschen +vorm teruggevonden, o.a. in den bundel die bekend staat +onder den naam <i>Fridankes Bescheidenheit</i>. + +<p>Gaarne ook liet men menschenwijsheid vertolken door vogels. +Soms houden deze „voghel sproexkene" verband met het +karakter dat men een of anderen vogel toekende. De raaf, een +onheilsvogel, zegt b.v.: + +<p class="quote">Here, dune machs niet genesen<a title="[margin: behouden blijven.]"><sup>#</sup></a> +Du en wilt<a title="[margin: tenzij gij wilt.]"><sup>#</sup></a> scalc und ontrou wesen. +</p> + +<p>De koekoek, een „beroemech" vogel volgens onze voorouders, +omdat hij altijd van zich zelven spreekt, zegt: + +<p class="quote">Oetmoedecheit salmen miden, +Want hoverde geet voren tallen tiden. +</p> + +<p>Doch vaker is dit verband tusschen vogelkarakter en spreukwijsheid +niet aanwezig en kan men het ontstaan dezer vogelspreuken +slechts verklaren uit hetzelfde samenleven met de +natuur, dat ook vroeger het lied of den roep van zoo menigen +vogel vertolkte met menschenwoorden die er eenigszins op +leken<a href="#15.54">[54]</a>. + +<p>Al dat opvoeden door middel van de poëzie ging langzamerhand<a name="496"></a> +vrucht dragen: het zedelijk onderscheidingsvermogen gaat zich +ontwikkelen; men begint scherper oog te krijgen voor eigen +feilen en gebreken, en vooral—het waren ook toen immers +maar menschen?—voor die van anderen. De critiek begint +zich te doen gelden en invloed te oefenen, voorshands vooral +op het zedelijk leven. De mannen die zoo gereed waren bij +elk geschil naar zwaard of mes te grijpen, beginnen in te zien +dat geen zwaard zoo scherp is als de menschelijke tong: + +<p class="quote">Ten snijt gheen zwert so grievelijc zeere +Als tonghe, die rovet des menschen eere. +</p> + +<p>Menigeen moet zich onbehagelijk gevoeld hebben onder het +besef dezer toenemende critiek. Als tolk van dezulken treedt +zekere EGIDIUS op met een naïeve klacht over het eeuwige +„begrijpen"<a title="[margin: aanmerkingen maken.]"><sup>#</sup></a> der menschen, waaraan men niet ontkomen kan: +ga ik dikwijls naar de kerk—ik ben een schijnheilige; laat ik +het—ik ben erger dan een hond; draag ik een wapen—ik +ben een vechtersbaas; laat ik het thuis—ik heet een lafaard; +praat ik veel—zijn mond gaat als een Lazarusklep; zeg ik +weinig—hij speelt stommetje; loop ik veel in de taveerne—de +hel is zijn voorland, hij zal er nog alles doorbrengen; kom +ik er weinig—'t is een saaie Piet! „Jeghen quade tonghen +helpt geen weeren"; EGIDIUS ziet er niets anders op dan de +tien geboden houden en de heilige kerk volgen; zóó alleen kan +men rust vinden in „dit ellendighe erdsche dal." + +<p>Anderen zijn niet zoo zachtmoedig tegenover de „begripers" +gestemd. Dat voorbeeld willen zij niet volgen, zij willen liever +op zich zelven letten: + +<p class="quote">Mijns selfs ghebrec cleeft an mi vast. +Dat anderen weecht, es mi gheen last. +Ic hebbe te draghene ghenouch an tmijn, +Twi<a title="[margin: waartoe.]"><sup>#</sup></a> soudic yemens begripere zijn?<a name="497"></a> +</p> + +<p>En tot den „begriper" zeggen zij: + +<p class="quote">So wie dat spreken wille up mi, +Bezye hem selven, wie hi zi. +Es hi goet ende al de zine, +So eist mi te mindre pine<a href="#15.55">[55]</a>. +</p> + +<p>Doch wie zich ook aan de critiek ergeren mocht, zij zweeg +daarom niet. Het zaad, door MAERLANT uitgestrooid, dat wij +reeds zagen opkomen in de leerdichten, droeg ook hier vrucht +bij genoemden en ongenoemden. Ongenoemde dichters hekelden +in hunne verzen het bandeloos leven in sommige kloosters en +het kroegloopen; een ander geeft ons een aardig zedentafreeltje +van vrouwen en meisjes die vóór het avondeten buitenshuis +op de straat komen zitten en het zoo vermoeiend vinden op +te staan en te nijgen wanneer een kennis voorbijkomt en den +kaproen licht; weer een ander zingt ironisch den lof van de +„plaesteraers"<a title="[margin: vleiers.]"><sup>#</sup></a> en besluit telkens een couplet met het refrein: +„ic moet emmer<a title="[margin: volstrekt.]"><sup>#</sup></a> plaestren leeren"<a href="#15.56">[56]</a>. + +<p>Onder de ons bij name bekenden vinden wij een paar +„sprekers", die wij spoedig als dichters van beroep nader zullen +leeren kennen: BOUDEWIJN VAN DER LOREN, waarschijnlijk een +Gentenaar en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT. Hunne niet talrijke +werken geven ons eenigszins een beeld van de in dit hoofdstuk +behandelde poëzie. + +<p>BOUDEWIJN'S <i>Maghet van Ghend</i> (omstreeks 1381) geeft een +kijkje in de vijandige verhouding tusschen die stad en den +graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS. AUGUSTIJNKEN'S +gedicht „van (den) Sceepkene" is eene allegorische voorstelling +van den droevigen toestand waarin de Hoeksche en Kabeljauwsche +twisten deze landen gebracht hadden. Allegorie vindt +men ook in zijn <i>Borch van Vroudenrijc</i>, eene voorstelling van +het lichaam en de vijf zinnen Hekelt BOUDEWIJN personen en<a name="498"></a> +toestanden zijner dagen op scherpe wijze in de „edele sproke": +<i>Dits Tijt's verlies</i>, AUGUSTIJNKEN schroomt niet, zich zelfs tot +de pausen te richten: + +<p>Petrus leyde oetmoedich leven, +Daden die pausen diere gelike, +Dat soude schinen in Kerstenrike. + +<p>Ook het stichtelijk element der hiervoor behandelde poëzie +vinden wij terug in zijn gedichten over <i>de Schepping, Sinte +Jans Ewangelium, van der Rycheit ende van der Doot</i><a href="#15.57">[57]</a>. + +<p>Beide „sprekers", doch vooral AUGUSTIJNKEN, bezaten wel +eenig talent. In BOUDEWIJN'S <i>Tijt's verlies</i>, in het laatstgenoemde +stukje van AUGUSTIJNKEN, tevens zijn laatste werk, zijn hier +en daar wel aardige verzen. Ook is er iets aantrekkelijks in +zijn „<i>Sceepken</i>": dat bootje, drijvend in de Merwede, waar de +dichter „in 't risen van der sonnen" instapt, waarin hij zich +laat drijven op goed geluk, totdat hij eindelijk de riemen ter +hand neemt—geeft ons eene aardige verzinnelijking der verbeelding +die „vaart spelen daar draaiboom sluit noch hek." + +<p>Beter dan hun werk echter is dat van hun kunstbroeder +WILLEM VAN HILLEGAERSBERGH geschikt om ons de verhalende +en lyrische poëzie, in een kort bestek samengevat, op +nieuw te doen zien. Vóórdat wij daartoe overgaan hebben +wij echter nog die minnepoëzie te beschouwen, die naar den +geest wel verwant is met het minnelied, doch in vorm van +deze verschilt en vooral eenige nieuwe trekken zal toevoegen +aan de daar gegeven voorstelling. + +<h3><i>d</i>. MINNEPOËZIE.</h3> + +<p>Duidelijk is ook in de minnelyriek, die niet tot het lied +behoort, de invloed der hoofsch-ridderlijke opvatting van de<a name="499"></a> +liefde te zien. De vrouwendienst, zooals wij dien vroeger +hebben leeren kennen, komt in al deze stukken op den voorgrond, +gewoonlijk in verband met allerlei herinneringen aan +het ridderwezen. Het bijna 900 verzen tellend gedicht <i>Van der +feesten</i> bevat een uitvoerig overzicht van de leer der minne, +op scholastieke wijze verdeeld in deelen en „poenten". Wij +vinden hier antwoorden op de vragen: wat minne is? waardoor +men minne kan verwerven en weer verliezen? wie gestadiger +zijn in de liefde: vrouwen of mannen? eene uiteenzetting +wordt gegeven van de wijze, waarop de vier onderscheidene +temperamenten zich in de minne openbaren. Waarschuwingen +tegen het roem dragen op vrouwengunst, aansporingen tot het +„helen" van den naam zijner liefste of „vrouwe" zijn niet +zeldzaam. Telkens en telkens wijzen de dichters op de voortreffelijkheid +der vrouwen. + +<p>Duidelijk zien wij dat vooral in een stukje, dat getiteld is: +<i>van XII cnechten<a title="[margin: schildknapen.]"><sup>#</sup></a> die ruddren worden van heeren</i><a title="[margin: eere.]"><sup>#</sup></a>. Twaalf +dappere schildknapen hebben, zonder van elkander te weten, +een edele vrouw om minne aangezocht. Aan elk hunner geeft +zij ten antwoord: eerst moet gij met de wapenen eere verwerven; +dan zult gij uw loon ontvangen. Allen trekken de +wereld in en worden ridders met eere. Teruggekeerd vragen +zij om hun loon. Gij hebt het reeds ontvangen, zegt zij, in +uw met eere verworven ridderschap. + +<p>Deze voorstelling, volgens welke de vrouw de belichaming +is van de ridderlijke idealen, vindt men ook in andere dezer +gedichten, schoon nergens zoo duidelijk. + +<p>Het is wel mogelijk dat een deel dezer werken voor een +ridderlijk publiek zijn bestemd geweest; doch andere waren +zeker voor de burgerij bestemd, ook al bevatten zij ridderlijke +voorstellingen. Zoo ziet men ook in deze poëzie den invloed +door den eenen stand op den anderen geoefend.<a name="500"></a> + +<p>Midden in een verzameling spreuken van didactisch-burgerlijk +karakter treft ons deze spreuk: + +<p class="quote">Spere, schilt, helm ende sweert +<i>Hebben</i> gode ridders weert<a href="#15.58">[58]</a>. +</p> + +<p>Het Recht wordt voorgesteld als eene edelvrouwe met hare +honden op jacht; uitdrukkingen, ontleend aan het ridderwezen, +worden ook in de burgerlijke poëzie al talrijker. Meer dan +eens vinden wij herinneringen aan de ridderromans; in het +gedicht <i>Van der Feesten</i> worden er ettelijke genoemd; het +Koningspel uit den roman <i>van Limborch</i> is verwerkt tot een +afzonderlijk stuk; de „vijf heren" en „vijf vrouwen", wier +„wenschen" ons worden medegedeeld in een paar stukken, +die waarschijnlijk afkomstig zijn van een of anderen spreker, +behooren thuis in Troje; de „vier heeren", die wij voor het +vuur zien zitten in een ruime zaal en die zich met „wenschen" +den tijd korten, zijn helden uit het <i>Nibelungen-lied</i>. Opmerkelijk +is, dat in BOUDEN VAN DER LORE'S <i>Achte Persone +Wenschen</i> een ridder en een edele jonkvrouw met geestelijken +en nonnen en eene getrouwde burgervrouw zitten te drinken +om het gelag<a href="#15.59">[59]</a>. + +<p>De lust tot allegorie, dien wij in de stichtelijke en didactische +poëzie opmerkten, vertoont zich ook hier. Hier openbaart zich +de invloed van den roman <i>van de Roos</i> zelfs in eene rechtstreeksche +navolging. Wij bezitten nl. een gedicht van dezen +tijd van meer dan 2000 verzen, dat blijkbaar in navolging van +dat beroemde werk is gedicht en dat bovendien ook verwantschap +toont met een deel der hier behandelde stichtelijke, +didactische en minnepoëzie. Wij vinden ook hier den droom +als inkleeding, de wandeling buiten, het zien van een kasteel, +de ontmoeting met allegorische personages als Vrouw Hope +en Twifel; later komen de vijf zintuigen: Heer Nouwe-zien,<a name="501"></a> +Heer Smakelijn, Rieke-lucht, Licht-gevoel en Hoor-na. Zij +komen voor den zetel van Vrouwe Zuverheit, waar Jonkheer +Lust en Jonkvrouwe Jeucht ook tegenwoordig zijn, met de +heeren Melancholie, Collorijn en de overige temperamenten<a href="#15.60">[60]</a>. + +<p>Het verstandelijk element, zichtbaar in deze allegorische +minnepoëzie, openbaart zich ook in de overige lyriek van +minne, die van burgerlijke dichters afkomstig was. De liefde +wordt in de poëzie aangewend als een verstandsspel tot scherping +van het vernuft. Een reeks van raadsels en vragen aangaande +de minne, onder den titel <i>Der Minnen Guet</i>, was +blijkbaar bestemd om door een spreker te worden gebruikt bij +zijne voordrachten. Ook de dialogen en „twistspraken" over +de minne hadden de strekking om in gezelschappen de wellicht +eenigszins trage geesten gaande en de tongen los te maken. +De spreker vertelde b.v. van twee gezellen, die uitgenoodigd +worden mede te trekken naar het land van Overzee en die +hunne liefjes vragen wat zij moeten doen; het eene meisje +stemt toe, het andere weigert. „Nu, welc harer hadde den +besten wille?" luidt de vraag aan het slot van het gedicht. +Elders zijn wij tegenwoordig bij een „strijd van minne" tusschen +een ridder en eene jonkvrouw, tusschen „Vrouw Venus +en een gheselle". Ook de bovenvermelde „wenschdichten", al +handelen zij niet uitsluitend over de minne, zijn met deze +gedichten verwant. Een volledig pleidooi vinden wij in het +<i>Jugement van Vrouw Venus</i>, al is dat gewichtiger als voorstelling +der middeleeuwsche procesvoering dan om zijne literaire +waarde<a href="#15.61">[61]</a>. + +<p>Daalt het minnedicht hier af tot het gezelschapsspel, het +moet ook dienst doen als huwelijksmakelaar. Het conventioneel +genre van den berijmden minnebrief, dat men in de Oudfransche +en Middelhoogduitsche literatuur aantreft, werd in de 14<sup>de</sup> eeuw +ook in de Nederlanden beoefend. Een vijftal Dietsche stukken<a name="502"></a> +van dezen aard zijn volgens het gewone model vervaardigd +en hebben dus weinig eigens; titels als „ene vriendelike +groete van enen lieve ten anderen" en „noch een vriendelike +saluut van minnen" wijzen eer op invloed der Oudfransche +„saluts d'amour" dan op dien van Middelhoogduitsche „liebesbriefe." +In zulk een „saluut" zong een verliefd jonkman den +lof eener schoone, verklaarde haar zijne liefde, verzocht om +antwoord, hetzij een „brief" hetzij „eene tafele"<a title="[margin: gewast schrijftafeltje.]"><sup>#</sup></a>, sloot ook +wel eens eene roos in die hij dan als antwoord terugverzocht<a href="#15.62">[62]</a> + +<p>Poëzie die zulke diensten moet doen, kan kwalijk hare eer +ophouden. Dat blijkt uit deze stukken. Wat is er geworden van +den trotschen GUNTHER, den edelen RÜDEGER, den grimmigen +HAGEN, die in de 13<sup>de</sup> eeuw toch nog indruk maakten? Het +is hun vooral te doen om te lachen, met mooie vrouwen uit +visschen te gaan, te eten en drinken, reien en dansen. Bij +BOUDEN VAN DER LORE zit een aanzienlijk ridder met eene +maagd van hoogen geslachte met monniken en nonnen te +drinken—om het gelag! Het kan ons niet verwonderen dat +wij een kindergrap onzer dagen als die van GRIET die men +door een komma ten hemel of ter helle doet varen, reeds +onder deze minnepoëzie aantreffen: + +<p class="quote">Ic minne een wijf die scande geert +Nemmermeer si pijnt na ere; +Wijflijcheit hat hare onweert<a title="[margin: minacht haar.]"><sup>#</sup></a> +Nicht<a title="[margin: niet.]"><sup>#</sup></a> haren prijs kan si meerren. + enz.<a href="#15.63">[63]</a>. +</p> + +<p>Slechts bij uitzondering vinden wij onder de minnepoëzie +van den hierboven behandelden aard iets goeds, zooals b.v. +in deze verzen: + +<p class="quote">Ende of ic troest sochte an hare +Ende sijt ontseide, wat lagher an?<a name="503"></a> +Ic sal haer claghen mijn mesvaren; +In sal<a title="[margin: ik zal het niet doen.]"><sup>#</sup></a>; ic sal; in sal nochtan! +Ic ware een verloren man, +Ghelijc den snee in sonnenschine, +Hope ende troest dies ben ic van<a title="[margin: mis ik.]"><sup>#</sup></a>! +Ay lacen, die scouden<a title="[margin: schul(en).]"><sup>#</sup></a> die sijn mine!<a href="#15.64">[64]</a> +</p> + +<p>Waar wij verder iets aardigs aantreffen, daar is het spot met +de hoofsche sentimentaliteit. Van dien aard is eene sterk Duitsch-getinte +klacht van minnewee, die besloten wordt met deze regels: + +<p class="quote">Doe ich har clagede minen noot, +Vragede zi mi: „is Brugge groot?"<a href="#15.65">[65]</a> +</p> + +<p>Recht op hun dreef komen sommige minnedichters van dezen +tijd eerst in dartel of grof-zinnelijke stukken als de monorimes, +aanvangend: + +<p class="quote">Ic quam gegaen met liste, +Daer ic mijn suete lief wiste, +Ic sprac: „lief, waer biste,?" +</p> + +<p>en wat daar meer volgt. + +<p>Zoo ook in de „goede boerde" van de bagijn en haar minnaar +die op een laken door den zolder komen vallen te midden +der andere bewoonsters van het bagijnhof; alle bagijnen slaan +de handen voor de oogen, maar meer dan eene gluurt door +de vingers. Zoo eindelijk ook in dat dartele stukje <i>Dmeisken +metten sconen vlechtken</i> dat aan zijne naïeve zinnelijkheid zooveel +verleidelijke bekoring paart dat de dichter of een later lezer er +onder schreef: „Desen sproke doet mi al te sere verlanghen"<a href="#15.66">[66]</a>.<a name="504"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.1">1</a>: Vgl. <i>Vad. Mus</i>., I, 369 (ook <i>Mnl. Ged</i>., ed. DE PAUW, III, +667). VERWIJS, <i>X Goede Boerden</i>, n<sup>o</sup>. VIII: „ene boerde" en <i>Mnl. +Wdb.</i> i.v. b.v. „die boerde van den Grale".] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.2">2</a>: Vgl. <i>Mnl. Ged</i>. (ed. DE PAUW), I, II, 37; <i>Rumbeeksche Avondstonden</i>, +p. 23: „eene sproke van de drie koningen": 3 achtregelige +coupletten, elk bestemd door een der drie koningen te worden uitgesproken; +KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 204, 222, 131, 114, 109 („dese +miracle"). <i>Goede Boerden</i>, p. 11 (ook vs. 222: „dit exempel"); +<i>Belg. Mus</i>., I, 326.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.3">3</a>: In den tekst van ons verhaal dieper in dit vraagstuk treden, +zou ons in de vergelijkende literatuurgeschiedenis brengen. De mogelijkheid +bestaat echter, dat voortgezet onderzoek de kennis onzer +boerden en sproken zou kunnen bevorderen. Daarom voeg ik bij de +aanwijzingen, in dezen door Dr. TE WINKEL gegeven; 1<sup>o</sup> eene verwijzing +naar de <i>Hist. Littéraire de la France</i>, T. XXIII, 143, 201. +2<sup>o</sup>. De stof <i>van den cnape van Dordrecht</i> vindt men terug in het +fabliau <i>du fotéor (Recueil général et complet des Fabliaux</i> van +MONTAIGLON en RAYNAUD, I, 304). 3<sup>o</sup>. De stof der tot nog toe +onuitgegeven boerde <i>van Heile van Berseele</i> vindt men, naar het +schijnt, niet in de Fransche fabliaux, doch wel bij CHAUCER in <i>The +Miller's Tale (Canterbury Tales)</i>. De vraag mag gesteld worden, of +CHAUCER onze boerde heeft gekend? Vgl. met het oog daarop ook +in <i>The Pardonere's Tale</i> de passage aanvangend: „In Flandres whilom +was a compagnie." Vgl. overigens over deze stof: <i>Anglia</i>, I, 38, 186; +II, 135. (R. KÖHLER). 4<sup>o</sup>. Aan het slot van het fabliau <i>De le vescle +a prestre</i> (MONTAIGLON et RAYNAUD, III, 106) lezen wij: + +<p class="footnotequote">Jakes de Baisiu, sans dotance, +L'a de Tieus (tyois = Dietsch) en Romanc rimée. +</p> + +<p class="footnote">Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van +een paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikking<a name="505"></a> +zijne blaas te vermaken. 5<sup>o</sup>. Dezelfde stof die in de sproke „Van eenen +verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 204–212) +vinden wij in „<i>Li dis dou Magnificat</i>" van den Henegouwschen +menestreel JEAN DE CONDÉ, die schreef in de eerste helft der XIVe +eeuw. Vgl. <i>Dits et Contes de Baudouin de Condé</i> par A. SCHELER, +II, 355 suivv.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.4">4</a>: Vgl. <i>Goede Boerden</i>, p. 11, vs. 4; KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, +101; voorts: ald. III, 111, vs. 4–5; III, 186; <i>Vad. Mus.</i>, I, 50, +vs. 6–8; <i>Belg. Mus.</i>, I, 326, vs. 12–17; 328, vs. 64–5; 336, +vs. 354–5.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.5">5</a>: <i>Goede Boerden</i>, bl. 1, 4, 19; <i>Belg. Mus.</i>, III, 108–114; KAUSLER, +<i>Denkmäler</i>, III, 165. In de boerde <i>van Heile van Berseele</i> behalve +Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.6">6</a>: In de <i>Chansons du XVe siècle</i> (ed. G. PARIS) leest men +(n<sup>o</sup>. LXXIX) de uitdrukking: „faire la follie" of „faire la sottise" in +dezen zin. Vgl. ook: <i>Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged.</i>, n<sup>o</sup>. LXXI: „dat +sotte dinc doen". Ook de Oudfransche „gabs" in de <i>Pélérinage à +Jérusalem</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.7">7</a>: <i>Belg. Mus.</i>, X, 52.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.8">8</a>: <i>Goede Boerden</i>, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is +verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.9">9</a>: Vgl. <i>Lancelot</i>, III, 16040 en <i>Torec</i>, vs. 276. + +<p class="footnote">De hier bedoelde boerden zijn: <i>Van enen man die lach gheborghen +in ene scrine</i>; <i>van den cnape van Dordrecht</i>; <i>een bispel van II. clerken; +van Lacarise den katijf</i> (<i>Goede Boerden</i>, ed. VERWIJS, I-IV); <i>Belg. +Mus.</i>, X, bl. 51 vlgg.: <i>van den man die gherne dranc</i>; <i>tghoede wijf +maect den goeden man</i>; <i>van III. ghesellen die den bake stalen</i>; +<i>Belg. Mus.</i>, III, 108: <i>Wisen raet van Vrouwen</i>, vollediger in VERWIJS' +<i>Bloemlezing uit Mnl. Dichters</i>, III; <i>Van Vrouwen ende van Minne</i> +(ed. VERWIJS), n<sup>o</sup>. II; KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 111 <i>van der weldaet +die de duvele dede</i>. Drie onuitgegeven boerden vindt men in het +Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te Brussel, n<sup>o</sup>. 1171, 2e serie: <i>van den +visscher van Parijs</i> (<i>Recueil Gén. des Fabl.</i>, III, 68: „Du péschéor +de pont seur Saine"); <i>van Heile van Bersele</i> (zie boven) en <i>Van der +vrouwen die boven haren man minde</i> (<i>Rec. Général</i>, V, 132–142: „De +la dame qui fist entendant son mari qu'il sonjoit"). Ik heb de +kennismaking met deze drie stukken te danken aan Dr. H.P.B. +PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger vermeld +Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt medegedeeld +in de Inleiding tot zijn bundel <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, zal wel<a name="506"></a> +eene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die ook behandeld +wordt in het fabliau <i>de Trois aveugles de Compiègne</i> (<i>Rec. +Général</i>, I, p. 70).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.10">10</a>: KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 118–120.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.11">11</a>: <i>Van Vrouw. e.v. M.</i>, n<sup>o</sup>. VIII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.12">12</a>: <i>Belg. Mus.</i>, VIII, 96.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.13">13</a>: <i>Id.</i>, X, 64.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.14">14</a>: Het <i>Baghynken van Parijs</i> uitgeg. door de Maetschappij der +Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, n<sup>o</sup>. VII, volgens eene Antwerpsche +uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk in <i>Konst- en Letterbode</i> +van 1853, II, 50–55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in +zijne <i>Annales</i>, n<sup>o</sup>. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling +(<i>Geistliche Gedichte des XIV. u. XV. Jahrh.</i>, O. SCHADE) dagteekent +echter reeds uit de eerste helft der 15e eeuw. Vgl. ook: <i>Jahrb. des +Ver. für niederd. Sprachforschung</i>, XXIII, 114. Taal en vorm van +het gedicht leidden er mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen. + +<p class="footnote">De overige sproken vindt men: <i>Belg. Mus.</i>, I, 326: <i>Een scone +exempel van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester</i>; <i>Belg. +Mus.</i>, X, 57 vlgg.: <i>van den verwenden keyser</i>; <i>de mantel van eren</i>; +<i>van enen here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen +brueder</i>. (Ook in KAUSLER'S <i>Denkmäler</i>, III, 131: <i>een goet exemple</i>); +<i>van tween kinderen die droeghen ene starcke minne</i>. (Ook in: <i>Taalk. +Bijdr.</i>, I, 244, een andere bewerking); <i>Belg. Mus.</i>, X, 339: <i>van +enre nonnen verduldechede</i>; <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, n<sup>o</sup>. VIII; +KAUSLER, <i>Denkm.</i>, III, p. 101, 118, 165, 186; <i>Tijdschr. v. N.T. +en L.</i>, XXIII, 46; <i>Belg. Mus.</i>, VIII, 96: <i>Van den ouden ridder ende +den jonghen</i>; <i>Vad. Mus.</i>, I, 50: <i>Van enen ridder die God sine sonden +vergaf</i>; 57: <i>vanden goeden Brueder</i>; de exempelen in den <i>Spieghel +der Sonden</i> opgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding, +bl. LI vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.15">15</a>: KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 204.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.16">16</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 51.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.17">17</a>: KAUSLER, <i>Denkm.</i>, III, 165, 109; <i>Belg. Mus.</i>, X, 76, vs. 1; +58, vs. 11; <i>Vad. Mus.</i>, I, 57, 66; p. 49–50; p. 98, vs. 34–5.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.18">18</a>: <i>Goede Boerden</i>, bl. 11, vs. 3. (<i>Depllijcheit</i> zal wel eene verschrijving +zijn voor <i>Spellycheit</i>.)] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.19">19</a>: Vgl. <i>Goede Boerden</i>, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166; +22, 104; <i>Belg. Mus.</i>, X, 218 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.20">20</a>: PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.21">21</a>: <i>Goede Boerden</i>, 22, vs. 93 en 1, vs. 11.]<a name="507"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.22">22</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing +eerst in <i>Manon Lescaut</i>; in HOOD'S <i>Bridge of Sighs</i>, b.v. in: + +<p class="footnotequote">Still, for all slips of hers, +One of Eve's family. +</p> + +<p class="footnote">De rechtvaardigheid op den voorgrond o.a. in BJÖRNSON'S <i>Handske</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.23">23</a>: <i>Oudvlaemsche Liederen en andere Gedichten</i>, n<sup>o</sup>. 99, 101.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.24">24</a>: De plaatsen waarop deze en de daarvoor gegeven mededeelingen +berusten, vindt men in de uittreksels der Grafelijkheids-rekeningen +achter JONCKBLOET'S <i>Gesch. der Middennederl. Dichtkunst</i>, III en +verder in de <i>Cameraars-Rekeningen</i>, III, 349; DE LANGE VAN +WIJNGAERDEN'S <i>Gesch. van Gouda</i>, I, 656; Oudste rekening der +stad Antwerpen a<sup>o</sup> 1324 (in: <i>Codex Diplom. Neerland. Hist. Gen.</i>, +IV, 114); <i>Het Lied in de Middeleeuwen</i>, hoofdstuk VII. Over muziekscholen +der meistreels Deel XX der „<i>Annales de la Société d'Emul. +pour l'Etude de l'histoire et des antiquités de la Flandre</i>", p. 53. +<i>Préludes historiques sur la ghilde des Ménestrels de Bruges</i> door +DÉS. VAN DE CASTEELE.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.25">25</a>: BÄUMKER'S <i>Niederl. geist. lieder</i> etc. in: <i>Vierteljahrschrift für +Musikwissenschaft</i>, Leipzig, 1888, n<sup>o</sup>. 63.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.26">26</a>: Medegedeeld door ACQUOY in <i>Archief voor Ned. Kerkgesch.</i>, +IV, 334–6. Vgl. overigens tal van Duitsche varianten van „Kinne +Wippchen" in: <i>Das deutsche Kinderbuch</i> von KARL SIMROCK, S. 5. +Een Engelsch voorbeeld: „Here sits the Lord Mayor" in HALLIWELL'S +<i>Nursery Rhymes</i>, p. 205. Het Fransch heeft evenzoo zijn: „<i>Menton +d'or, bouche d'argent</i>" etc.; vgl. SCHEFFLER'S <i>Französische Volksdichtung</i>, +I, 239. + +<p class="footnote">De vroegste opteekening die ik te onzent van dergelijke liedjes +vond is van 1680 in het liedboekje <i>Amsterdamse-Spinhuys</i>, bl. 76: +„Een aerdig Lied van een Wagenaer en sijn lief Hille": + +<p class="footnotequote">De Wagenaer die vatte sijn Lief al bij haer hoofje. +Hey, wat is dat, Hille? +Dat is mijnen krullebol, +Och vader enz. +</p> + +<p class="footnote">Achtereenvolgens komen dan de <i>oogjes</i> (kijck-uyt), <i>neusje</i> (snuyt-uyt), +<i>montje</i> (slock-op), <i>kinnetje</i> (kinne-klap) enz. Dat dit lied eene amoureuze +omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak niet af.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.27">27</a>: Vgl. bl. 199 van: <i>Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten +der XIVe en XVe eeuwen</i>. Volgens het Voorwoord is het hs. van het<a name="508"></a> +laatst der 14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord +nergens gewag gemaakt en de liederen geven daartoe m.i. ook geen +aanleiding. + +<p class="footnote">De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen +wier namen zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.28">28</a>: Vgl. <i>Horae Belgicae</i>, X, n<sup>o</sup>. 39 en <i>Het Lied in de Midd.</i>, +bl. 605 vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie +overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens „overslaghend" +dan paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.29">29</a>: Uitgeg. in den bovengenoemden bundel <i>Oudvlaemsche Liederen</i> +enz.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.30">30</a>: De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht +worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage +geleverd in: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, IX, 273 vlgg. Vgl. voorts: +<i>Het Lied in de Midd.</i>, bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, <i>Les Epop. Franç.</i> +(2e éd.), III, 555 en A. DARMESTETER, <i>De Floovante</i>, p. 78: „Hodie +demonstratum est" etc. Dr. A. NIJLAND, <i>Gedichten uit het Haagsche +Liederhandschrift</i> en de critiek van Dr. FRANTZEN in <i>Taal en +Letteren</i>, 1896, afl. 3.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.31">31</a>: Vgl. n<sup>o</sup>. XXXVIII en CXXI.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.32">32</a>: Vgl. b.v. n<sup>o</sup>. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: „Woude mi +de vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard +gezet: „In 't scade van tween witten dien" enz.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.33">33</a>: Scheidliederen zijn n<sup>o</sup>. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen +doet n<sup>o</sup>. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn n<sup>o</sup>. 59, 60, 75, 76: in +n<sup>o</sup>. 45: „den Mey die ic u minlic gheve"; voorts n<sup>o</sup>. 2, 15, 33, 35, +51; de „niders" in n<sup>o</sup>. 84.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.34">34</a>: n<sup>o</sup>. 96, 125, 140 (opgenomen in <i>Het Lied in de Midd.</i>, +bl. 269–270), 58. Beurtzangen in n<sup>o</sup>. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.35">35</a>: n<sup>o</sup>. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.36">36</a>: <i>Vad. Mus.</i>, II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het +bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men: +„Dits een rondeel.... Vrou met eren ... nacht. Ene ander maniere +den bom" geschreven boven muzieknoten (<i>Vad. Mus.</i>, III, 141). +<i>Bonghe</i>, <i>bom</i> wordt in het <i>Mnl. Wdb.</i> verklaard met <i>trom</i>; maar in +de <i>Oudvl. Lied.</i>, n<sup>o</sup>. 38 wordt van de <i>snaren</i> der <i>bonghe</i> gesproken.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.37">37</a>: Vgl. <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIV, 260 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.38">38</a>: Vgl. <i>Oudvl. Lied.</i>, n<sup>o</sup>. 56, 41, 45, 49.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.39">39</a>: Boek III, c. 43.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.40">40</a>: Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied<a name="509"></a> +hebben wij te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C. +BOER. (<i>De Gids</i> van Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: <i>Hor. +Belg.</i>, II, n<sup>o</sup>. 3. Vgl. voorts <i>Het Lied in de Midd.</i>, bl. 117 vlgg. +en <i>Middelned. Historieliederen</i> door Dr. C.C. VAN DE GRAFT, +bl. 48 vlgg. Ook nog VAN LENNEP'S <i>Vondel</i>, III, 350 noot op +vs. 113–114. Over de bekendheid van het lied in lateren tijd +vgl. <i>Het Lied in de Midd.</i>, bl. 694, 708, 714, 715, 729, 734. + +<p class="footnote">Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk +in de 16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene +treffende overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl. +HOOFT'S <i>Henrik de Groote</i> (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis +van <i>Antonis Nantoillet du Prat</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.41">41</a>: De tekst o.a. <i>Hor. Belg.</i>, XI, n<sup>o</sup>. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL +FRÉDÉRICQ, <i>Onze Historische Volksliederen</i>, bl. 16. (F. zag het eerst +de beteekenis van den zonderlingen titel <i>van cort Rozijn</i>). Dr. V.D. GRAFT +a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, <i>Gesch. der Ned. Lett.</i>, bl 453. De +beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van +Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk +voor; vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een „fier +ghelaet" toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste +reden was om de stad Gent te onteeren.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.42">42</a>: Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRÉDÉRICQ en Dr. +V.D. GRAFT in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook +in VAN VLOTEN'S <i>Ned. Geschiedzangen</i>, bl. 44 en 56.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.43">43</a>: <i>Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon</i> (ed. C. PYNACKER +HORDIJK), p. 1–3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI). +Dat dit eerste deel „krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS +Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met +ALEID VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze +beschouwing van weinig gewicht. Van belang voor ons is, <i>dat</i> de +kapelaan deze geschiedenis in 1322 zóó voorstelt.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.44">44</a>: VERDAM in: <i>Versl. en Meded. Kon. Akad.</i>, 4e Reeks, Dl. II, 156.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.45">45</a>: <i>Mnl. Gedichten</i> (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar +bestaat <i>Onser Vrouwen Claghe</i> uit twee afzonderlijke gedichten, +duidelijk genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het +tweede gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af +paarsgewijze loopen, terwijl vs. 1–185 vier aan vier zijn gerijmd, al +is de tekst slordig overgeleverd.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.46">46</a>: A.w. I, 56, 332-'4.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.47">47</a>: A.w. I, 245.]<a name="510"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.48">48</a>: VERDAM t.a.p. bl. 170. + +<p class="footnote">Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar +de genoemde werken en de <i>Oudvlaemsche Lied. en Ged.</i>, bl. 1 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.49">49</a>: Vgl. <i>Mnl. Ged.</i> (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243; +BLOMMAERT, <i>Oudvl. Ged.</i>, II, 116, vs. 175–6; 119, vs. 179–182; +120, vs. 137–140.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.50">50</a>: Ook in de Hoogduitsche poëzie dier dagen zulke personages; +vgl. de bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.51">51</a>: Vgl. BLOMMAERT, <i>Theophilus</i>, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en +PETIT'S <i>Bibliographie</i> i.v. In het Fransch bestaat eene „Desputaison +du corps et de l'âme" die naar den inhoud overeenkomst toont met +ons gedicht. Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209–210. Voorts +<i>Romania</i>, IX, 311; XX, 1–55, 513–578 en <i>Zeitschr. f. rom. phil.</i>, +IV, 74–80. Een afzonderlijk onderzoek zal misschien de verhouding +der beide gedichten kunnen bepalen.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.52">52</a>: Vgl. <i>D. War.</i>, II, 352; III, 242; <i>Belg. Mus.</i>, II, 237. Indien +men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten +van 8, 12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken, +drie variatie's op één thema waaruit een sprookspreker kon kiezen, +dan aan ééne).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.53">53</a>: De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: <i>D. War</i>, +VII, 377; IX, 6, 142; <i>Vad. Mus.</i>, II, 151; <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>, +bl. 380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; <i>Versl. en Meded. der Kon. +Akad.</i>, 3e Reeks, Deel XII.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.54">54</a>: De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt +men in <i>Vad. Mus.</i>, I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van +Dr. A. NIJLAND, p. 185; KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 94 vlgg.; +<i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.; +XII, 97 vlgg.; XVI, 306 vlgg. + +<p class="footnote">Vogel-spreuken vindt men behalve <i>Vad. Mus.</i>, I, 319–321, ook +nog in het Haagsche hs. n<sup>o</sup>. 721, f<sup>o</sup> 3, v<sup>o</sup> en achter een ter Kon. Bibl. +aanwezig bundeltje, getiteld: „Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc. + +<p class="footnote">Vgl. voorts nog: <i>Jahrbuch des Vereins für niederd. Sprachforschung</i>, +n<sup>o</sup>. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn +vriend VERDAM).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.55">55</a>: Zie deze stukken in <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XI, 210, 289 en +<i>D. War.</i>, I, 134.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.56">56</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 82, 86, 322, 324.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.57">57</a>: Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S <i>Oudvl. Ged.</i>, II en III.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.58">58</a>: <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XII, 103.]<a name="511"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.59">59</a>: Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' <i>Van Vrouwen +ende van Minne</i>, p. 1, 8, 40, 42; <i>Vad. Mus.</i>, I, bl. 80, 318; KAUSLER, +<i>Denkm.</i>, III, 162; BLOMMAERT, <i>Oudvl. Ged.</i>, II, 111–120; <i>Tijdschr. +v. N.T. en L.</i>, XI, 286, vs. 15; XII, 103. + +<p class="footnote">In <i>Achte Persone Wenschen</i>, vs. 20 te lezen <i>'t Gelach</i> in plaats +van <i>'t Gelaet</i> dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is +met vs. 179–180.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.60">60</a>: In de <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>, bl. 233 vlgg. De invloed van den +roman <i>van de Roos</i> op onze letterkunde werd nog versterkt door +Fransche navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET +DE COUVIN er een, getiteld <i>Li Mireoirs as Dames</i> (eerste helft der +14e eeuw). Vgl. <i>Dits de Watriquet de Couvin....</i> par A. SCHELER, +p. 1 suivv.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.61">61</a>: Vgl. o.a.: <i>Van Vrouw. e.v. Minne</i>, bl. 37 vlgg.; <i>Belg. +Mus.</i>, VII, 229; X, 84; <i>Vad. Mus.</i>, I, 373, 377; Dissertatie van +Dr. A. NIJLAND, bl. 152 vlgg.; <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XIX, +269 vlgg. (misschien aanvang der 15e eeuw); <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>, +bl. 314 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.62">62</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 366–369, 387–391. Voorts: <i>Die gereimten +Liebesbriefe des deutschen Mittelalters....</i> von ERNST MEYER. +(Marburg. 1899). Op bl. 88–92 behandelt de S. in „<i>Die niederländischen +Liebesbriefe</i>", een paar voorbeelden van dit genre uit de +15e eeuw; het is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden +niet gekend heeft.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.63">63</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 369.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.64">64</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 393.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.65">65</a>: Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="15.66">66</a>: <i>Goede Boerden</i>, n<sup>o</sup>. VIII en n<sup>o</sup>. VII.]<a name="512"></a> + +<hr> + +<h2>ONTWIKKELING VAN HET LITERAIR +LEVEN.</h2> + +<p class="intro"><i>a</i>. Meistreels. Sprekers en andere dichters. + +<p class="intro"><i>b</i>. Publiek. Voordragen en Lezen. Het Boek. + +<p class="intro"><i>c</i>. Critiek en Theorie. Invloed der Literatuur. Letterroem. + +<h3><i>a</i>. MEISTREELS. SPREKERS EN ANDERE DICHTERS.</h3> + +<p>Nog altijd trekken meistreels en herauten door deze landen +met vedel, trompet en beltrom. Wij ontmoeten hen als boden +b.v. der Heeren VAN ARNHEM, VAN ARKEL, BRONKHORST +met eene kennisgeving aan de schepenen van Deventer van +huns heeren huwelijk of met een andere opdracht. Van een +enkele hunner kennen wij den welluidenden naam: in het jaar +1365 vinden wij den heraut HOPEZOMER in de <i>Cameraars-rekeningen</i> +vermeld<a href="#16.1">[1]</a>. Nog altijd beoefenen zij naast de muziek +de kunst van het woord. Meester JAN VAN VLAERDINGHEN, +die genoemd wordt onder de „menistreylen" die in 1364 te +Middelburg „vor 't sacrament ghenghen", wiens vrouw en dochter +ook tot de meistreelen behoorden, treedt elders op als dichter. +In het toenmalig woord <i>vedelsage</i><a title="[margin: praatjes voor de vaak.]"><sup>#</sup></a> zien wij dat verband tusschen +muziek en woordkunst uitgedrukt en in overeenstemming +daarmede het woord <i>vedelaar</i> gebruikt om een <i>dichter</i> (misschien +een liederdichter) aan te duiden<a href="#16.2">[2]</a>. + +<p>Naast de menestrelen vinden wij ook nu nog de herauten. +Ook zij zijn werkzaam als dichters. Zoo wordt melding gemaakt +van „des heren hyraut ende sengher van Gaesbeke";<a name="513"></a> +een „mynstreel", maar ook van „Jan Dyllen den yraut, +die voer mijns heren tafel sprac". Doch de meistreels hadden +als dichters hunne beste dagen gehad en gaan het tooneel +ruimen voor anderen. Hebben de herauten hen ook hier te +lande op den achtergrond gedrongen? In Frankrijk was dat, +naar het schijnt, het geval. Naarmate de heraldiek zich ontwikkelde +en steeds meer aandacht vroeg en verkreeg, steeg het +aanzien der herauten en nam dat der meistreels af. Misschien +heeft de dichter eener merkwaardige samenspraak tusschen een +paar menestreelen uit dezen tijd het oog op de herauten, +wanneer hij een meistreel tot den ander doet zeggen: + +<p class="quote">En condi geen reinaerdie, +Smeken<a title="[margin: vleien.]"><sup>#</sup></a>, no leckeberden<a title="[margin: flikflooien?]"><sup>#</sup></a>, +Men sal segghen: „gaet uwer verden<a title="[margin: gaat heen.]"><sup>#</sup></a>, +Hier en es u nu niet te doene<a title="[margin: heeft men u niet noodig.]"><sup>#</sup></a>."<a href="#16.3">[3]</a> +</p> + +<p>Doch in allen gevalle is het wel opmerkelijk dat de dichters, die +vanouds de banierdragers der ridderlijke idealen waren geweest, +niet die idealen zelve op den achtergrond raken. Verreweg +de meesten hunner gaan zich uitsluitend aan de muziek wijden. +Sommigen hunner laten het beroep varen en vestigen zich +onder de burgerij; anderen zetten het zwervende dichtersleven +voort. Een paar vertegenwoordigers dier beide soorten zijn het +die wij in de bovenvermelde samenspraak tegenover elkander +vinden. De een, die zich „ter neringhe geset" heeft, ontraadt +den ander het voortzetten van het zwervend leven: vroeger +ging het goed, toen de heeren mild waren en goedgeefsch +jegens de meistreels; toen kon men van zijne kunst leven—maar +nu? menigeen sterft van gebrek en armoede. De ander +erkent de waarheid dier woorden ten deele; maar—zegt hij—ik +eet zoo menigen brok, ik drink zoo menigen beker in de +taverne, waar ik met weinig moeite aan kom, dat ik de<a name="514"></a> +„wandelinghe" niet kan laten.—Met hoevele zwervers is het +slecht afgeloopen, herneemt de eerste; denk eens aan GIELIJS VAN +TRECHT, aan JAN VAN LIER, aan meester JAN METTER HUVEN<a title="[Margin: muts, kapje.]"><sup>#</sup></a>, +die allen op hunne tochten het leven hebben verloren. Welnu—is +het antwoord—die kregen hun verdiende loon, en dan, ik +kan eenmaal mijn vrijheid niet opgeven; word ik eens zóó oud +dat ik op krukken moet gaan, kom mij dan nog eens vermanen<a href="#16.4">[4]</a>! + +<p>Zóó scheiden zij. Deze zwerver, die zijn zwerversleven lief +heeft, is een type dier dagen. De gansche 14<sup>de</sup> eeuw door +blijven wij hem aantreffen. Nog in 1396 worden „piperen, +heralden, ministrelen" in één adem genoemd met de „varende +lude"; onder deze "varende lude" vond men de reizende dichters +in gezelschap van blinde guitaarspelers, meesters „van +suptilen drachten"<a title="[Margin: behendige kunstgrepen.]"><sup>#</sup></a>, gasten die een levend „hoofd van Jut" +op hunne schouders droegen, zooals zekere Brabander, „die +hem up sijn hooft liet slaan hoe seere<a title="[Margin: hard.]"><sup>#</sup></a> men woude"; onder +hen ook de mislukte studenten, zooals die, aan wien wij de +gewilde dwaasheid van „de frenesie" te danken hebben<a href="#16.5">[5]</a>. + +<p>Niet alle meistreels geven hun beroep op of blijven zwerven. +Sommigen hunner blijven de kunst getrouw, doch laten, naar +het schijnt, de muziek varen om zich uitsluitend aan de +woordkunst te wijden. Dezen zien wij gedurende de tweede +helft der 14<sup>de</sup> eeuw in deze landen optreden onder den naam +van <i>sprekers</i> of <i>zeggers</i>. Velen hunner zijn, evenals vroeger de +menestreelen, verbonden aan den dienst van bijzondere heeren: +zoo vinden wij gewag gemaakt van "des heren spreker van +Zevenberghen", "des hertoghen spreker van Gulic", van "meester +JAN, een spreker die bi den here van Abcoude is", "eenen +seggher uut Zeelant, die seide dat hi heren Vranken knecht +van Borssel was"; "enen spreker die bi den here van Wassenaer +placht te wesen", "des heren spreker van Gaesbeke",<a name="515"></a> +„enen spreker die den here van Lymburch toebehoorde", „enen +spreker toebehorende den here van Gistel". Dat deze dienstmannen +van adellijke heeren het wapen van hun heer droegen +op hunne kleedij, mag men vermoeden uit een rekeningpost, +die spreekt van „enen vreemden spreker sonder wapen". + +<p>De burgerij volgde ook hier den adel na en nam „stadssprekers" +aan; zoo vinden wij BOUDEWIJN VAN DER LORE +als stadsspreker van Gent; „Meyster PETER VREUGDEGAER, +den seggher van Breda", „den spreker van Monickedam". +Misschien waren ook meester JAN VAN VLAERDINGHE, AUGUSTIJNKEN +en MEEUS VAN DORDT, „Meester JAN, de dichter van +Sente Gheerdenberghe", „GODEKIJN, de spreker van Tricht", +„meester JAN VAN MACHELEN", „DAEM, de seggher van IJsselsteyn" +en BERTELMEEUS VAN DELF stadssprekers; zij kunnen echter ook, +evenals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH genoemd zijn naar +hunne woonplaats en als vrije sprekers hebben rondgereisd. + +<p>Onder de sprekers zal natuurlijk, evenals vroeger onder +de menestrelen, verschil van ontwikkeling en aanzien hebben +bestaan. Sommigen spraken „voor mijnen here den grave" en +konden als AUGUSTIJNKEN VAN DORDT van zich zelven zeggen: + +<p class="quote">Want ghi bi heren, bi hoghen vrouwen +Te sijn pleecht. +</p> + +<p>Anderen die zonder naam worden vermeld als b.v. „twee +segghers ut Brabant", „twee duytsche segghers" zullen van +minder aanzien geweest zijn. Doch bij gemis aan gegevens is +het moeilijk hier scheidingslijnen te trekken en eene plaats te +wijzen b.v. aan: Meester HERMAN den spreker, SNELRYEM den +spreker, „den Jonchere van der minnen", „JANNES DEN COSTER" +en zoo menig ander. + +<p>Een paar sprekers, AUGUSTIJNKEN en zekere COLPAERT—indien +deze tot de sprekers gerekend mag worden—kenden<a name="516"></a> +Latijn; WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH daarentegen, toch een +aanzienlijk spreker, kent het niet. + +<p>Dat wij naast deze Dietsche sprekers verscheidene Duitschers +vinden, kan ons in het Beiersch tijdvak niet verwonderen; in +het gevolg der Beiersche graven of Duitsche edelen of althans +in hunne omgeving zullen wij een „blinden dichter van Mens" +moeten zoeken, sprekers van „Beem" (Bohemen), Trier, Keulen, +Westfalen; een spreker „die men hiet Ghetuose" en „enen +jonghen spreker van Holsten, gheheten HOPEZOMER." Tegenover +deze Duitschers vinden wij slechts een enkelen Franschman: +„CUDELIER, des conincs spreker van Vrancrike"<a href="#16.6">[6]</a>. + +<p>Opmerkelijk echter mag heeten dat de Noordnederlanders zoo +talrijk zijn, zoowel onder de ons bekende sprekers als onder +de overige dichters van dezen tijd, die wij niet met zekerheid +onder de sprekers kunnen rangschikken. Tegenover eenige weinige +sprekers en dichters van Gent, Mechelen, Brussel staan vele +uit Noord-Nederland. Misschien zijn vele sprekers uit het Zuiden +ons in hunne werkzaamheid vooralsnog onbekend; doch in elk +geval blijkt wel, dat de bewoners der Noordelijke gewesten in +de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw meer dan vroeger gaan deelnemen +aan de beoefening der literaire kunst. Evenals hunne +voorgangers, de meistreels, doen ook deze beroepsdichters niets +voor niets: geschenken in geld of kleeren zijn het loon waarvoor +zij hunne kunst ten gehoore brengen. AUGUSTIJNKEN VAN +DORDT, die een el wit laken krijgt voor een paar kousen, een +paar laarzen met sporen om er „mijns heren zomer<a title="[margin: lastpaard.]"><sup>#</sup></a> mede te +riden", mag ook hier als type zijner soort gelden. + +<p>Ook elders vertoonen zich in de literatuur van dezen tijd +dichters, die voor geld verzen leveren, al weten wij niet of +wij daar met eigenlijke <i>sprekers</i> te doen hebben. Zoo begint +een stichtelijke opwekking tot menschen van allerlei nering of +bedrijf met deze regels:<a name="517"></a> + +<p class="quote">Omme 't ghebrec van goeden lone +Blijft menich rijm te makene scone +Van den dichters openbaer +Die lustelic te hoorne waer<a href="#16.7">[7]</a>. +</p> + +<p>In een allegorisch gedicht over een burcht, die <i>Vaste Hoede</i> +heet, deelt de auteur ons mede, dat hij aan de burchtvrouw +verzocht had hem een onderwerp voor een gedicht te geven, +„want ic met dichtene mi ghenerde". Met het voordragen van +<i>boerden</i> vielen kostelijke kleeren te verdienen; „constenaers", +die in een herberg een „nieuwen zanc" ten gehoore brachten, +werden daarvoor beloond<a href="#16.8">[8]</a>. Dat de berijmde minnebrieven +en minne-naamdichten van dezen tijd op verzoek en +voor geld gemaakt zijn, valt niet te bewijzen; doch hunne +volslagen kleurloosheid zou doen vermoeden, dat zij gemaakt +zijn door anderen dan door de minnaars zelven en dan zeker +niet voor niet<a href="#16.9">[9]</a>. + +<p>Verzen maken voor geld of ander loon, de dichtkunst opgevat +als een beroep—dat scheidt deze dichters van andere, +die andere beweegredenen hadden tot dichten. + +<p>Die anderen waren zich wel bewust dat zij tegenover de +beroepsdichters stonden; immers niet zelden laken zij dezen in +hunne geschriften. De auteur van <i>den Grimbergschen Oorlog</i> +berispt de „consteneren die hem met dichten generen", omdat +zij verzonnen en onware zaken vertellen; in den <i>Spieghel der +Sonden</i> worden speellieden en goochelaars genoemd in één +adem met degenen, die „valsche rime visieren"<a title="[margin: verzinnen.]"><sup>#</sup></a>; in een ander +didactisch werk vinden wij een waarschuwing tegen de „smekende<a title="[margin: vleiende.]"><sup>#</sup></a> +menestrelen". JAN BOENDALE volgt zijn meester ook in +diens afkeer en afkeuring van de meistreelen; in zijne <i>Teestije</i> +laat hij zich minachtend uit over hen:<a name="518"></a> + +<p class="quote">Die asaghen<a title="[margin: sprookjes.]"><sup>#</sup></a> ende tureluren<a title="[margin: beuzelpraatjes.]"><sup>#</sup></a> +Dichten vander avonturen. +</p> + +<p>Scherp laakt hij het in de edelen, dat zij hun goed geven aan +rabouwen, meistreels en herauten, opdat deze hen zullen prijzen +en hun lof overal verkondigen; een mooie lof, voegt hij +er aan toe, die door „knechten en boeven" gegeven wordt! +En in zijn <i>Lekenspieghel</i> klinkt het nog eens schamper: zoo +zijn de „yrauden": noode komen zij thuis eten, als zij het +elders gratis kunnen krijgen<a href="#16.10">[10]</a>. + +<p>Behalve JAN BOENDALE zijn ons slechts enkele dichters, die +tot deze groep behooren, bij name bekend. Hunne beweegredenen +tot dichten mogen onderling verschillen, alle wortelen +zij toch in het godsdienstig of zedelijk gemoedsleven. De Ypersche +chirurgijn JAN DE WEERT b.v. had vrij wat wereldsche +poëzie gedicht vóórdat hij zijn <i>Nieuwen Doctrinael</i> schreef, +om daarmede de dichterzonden zijner jeugd te boeten. Als +dichter van <i>Sinte Amands Leven</i> kennen wij den jongen geestelijke +GILLIS DE WEVELE van Brugge. Deze legt er den +nadruk op, dat hij met zijn werk geen „winninghe van gelde" +of ander loon beoogt; zijn loon wacht hij slechts van God. +Een andere beweegreden, door hem genoemd, is angst voor +de „ledicheit", immers ook heden nog des duivels oorkussen. +Een lofdicht op MARIA werd geschreven uit „groote vreeze", +blijkbaar voor de vergelding die den zondaar wacht. Het +<i>Vagevier van Sinte Patricius</i> dankte zijn ontstaan aan het verlangen +des dichters om den boozen afkeer van hunne boosheid +in te boezemen. Andere geestelijke dichters vragen: bid voor mij +die dit schreef, of beloven den lezers kwijtschelding van zonden<a href="#16.11">[11]</a>. + +<p>Is ook de liefelijke sproke <i>van Beatrijs</i> te beschouwen als +een soort van boetedoening? Zekerheid hebben wij hier niet. +De dichter (dichteres?) vangt zijn werk aan met:<a name="519"></a> + +<p class="quote">Van dichten comt mi cleine bate; +Die liede raden mi dat ict late +Ende minen sin niet en vertare +</p> + +<p>Doch het is bezwaarlijk uit te maken of met deze „bate" al +dan niet geldelijk voordeel bedoeld is; of wij hier een beroepsdichter +vóór ons hebben die zijn beroep vaarwel zegt, of een +leek, die vroeger wereldsche poëzie had gedicht en nu iets +beters wil geven. + +<p>Dit is trouwens niet het eenige geval, waar wij in onzekerheid +blijven omtrent de personen der dichters van de 14<sup>de</sup> eeuw. +Van sommige kennen wij de namen, doch ook weinig meer; +van andere weten wij zelfs den naam niet en naar hunne persoonlijkheid +kunnen wij slechts gissen. Wij weten dat LODEWIJK +VAN VAELBEKE een bekend menestreel is geweest, die in den +aanvang der 14<sup>de</sup> eeuw stierf en zich naam had gemaakt o.a. +door zijne „stampiën" (misschien eene soort van dansliederen). +OTTO VAN ORLEIEN schreef eene „bedinghe van onsen Here", +die niets karakteristieks heeft; de samensteller van <i>die Cracht +der Mane</i> heette HEINRIC VAN HOLLANT. Als dichter van den +<i>Seghelyn van Jeruzalem</i> noemt zich LOY LATEWAERT, dien wij +om zijne literaire kennis en aanhalingen van door hem zelven +vertaald Latijn voor een eenigermate ontwikkeld man moeten +houden. Was hij misschien een „clerck", verbonden aan den +dienst van een edelman? Diezelfde gissing zou men willen +wagen ten opzichte van den man, die ons het verhaal <i>Van den +borchgrave van Couchi</i> naliet; bij den <i>Malegijs</i> en de overige +ridderromans van dezen tijd zal men over het algemeen misschien +eer aan meistreelen dan aan „clercken" moeten denken. + +<p>In een aantal vierregelige wapendichten op de edelen, die +met WILLEM IV in Friesland sneuvelden, meen ik de hand +van een heraut te herkennen. Elders kunnen wij zelfs geen<a name="520"></a> +gissing wagen. Wie schreef b.v. den geestelijken roman <i>Van +Jonitas en Rosafiere</i>? BOUDEWIJN VAN DER LORE noemt zich +als auteur van <i>Achte Persone Wenschen</i>; doch wie schreef de +overige wenschliederen? Hier staan wij in een duisternis, die +bij voortgezet onderzoek misschien zal verdunnen tot den nevel, +waarin wij een dichter als JAN VAN HULST zien, een zanger +als die EGIDIUS, wiens dood ons gemeld wordt in dat roerend +klaaglied dat aanvangt: + +<p class="quote">Egidius, waer bestu bleven? +Mi lanct na di, gheselle mijn! +Du coors<a title="[margin: verkoost.]"><sup>#</sup></a> die doot, du liets mi tleven. +Dat was gheselscap goed ende fijn, +Het sceen, 't een moeste ghestorven sijn<a href="#16.12">[12]</a>. +</p> + +<h3><i>b</i>. PUBLIEK. VOORDRAGEN EN LEZEN. HET BOEK.</h3> + +<p>Het publiek waarvoor deze dichters optraden, wisselde af +evenals vroeger naar gelang van de poëzie en van den voordrager. + +<p>Voorname sprekers, zooals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG +en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, zullen zich vooral tot de aanzienlijken +hebben begeven om hun werk voortedragen. Dat +blijkt wel uit het „heren en cnapen", waarmede zij hunne +hoorders niet zelden toespreken. Menige sproke zal ook wel +in de eerste plaats voor den adel bestemd zijn geweest. Zoo +wordt in <i>de Mantel van eren</i> het wapenschild beschreven +van den edelen ridder, wiens lof hier was verkondigd: „van +lazure // met twee ramshorne van goude"<a href="#16.13">[13]</a>. In een andere +sproke echter, van het Jodenmeisje dat Christin wordt, spreekt +de dichter zijn publiek aan met: „gi goede liede"; diezelfde +uitdrukking vindt men in het heiligenleven <i>van Sint Amand</i>, +doch afgewisseld door: „ghi lieden alle ghemeene ...<a name="521"></a> +knapen, joncwive, vrouwen ende heeren." Dat de boerden +vooral voor de burgerij bestemd waren zou men op zich zelf +reeds vermoeden; dat vermoeden krijgt meer zekerheid door +een aanvang als: „Alle swighet ende hoert," of: + +<p class="quote">Ghi goede liede, hoort na mi! +Selke boerde en hoerdi nie +Als ic u hier sal vertellen. +</p> + +<p>Maar ook sproken en andere ernstige stukken zullen zeker +wel eens voor de mindergegoede standen zijn voorgedragen. +De sproke van de edelvrouw, die „vigilyen" voor de dooden +placht te lezen, richt zich niet tot edele heeren of vrouwen, +doch tot „alle ... eist wijf of man", en aan het slot van +een notabel lezen wij: „Secht „amen" die hier zijn omtrent<a href="#16.14">[14]</a>." + +<p>Nog altijd was de literatuur bestemd in de eerste plaats om +te worden voorgedragen en gehoord; ook zelfs een populair-wetenschappelijk +werkje als <i>die Cracht der Mane</i>; ook een +prozawerk als het <i>Leven van Jezus</i> richt zich tot degenen „die +dit lesen (voorlezen) selen ende hoeren lesen". Het verzoek om +stilte en aandacht blijkt ook in deze tijden nog niet overbodig. +Evenals in de 13<sup>de</sup> eeuw werd de voordracht van poëzie +nog wel door muziek begeleid. In den aanvang der boerde +<i>van Heile van Berseele</i> ten minste wordt het vertellen van +schoone avonturen genoemd in verband met „vedelen en +singhen" en „somtijd spelen metter harpen". De taverne zal +wel—wij hoorden het reeds van den zwervenden meistreel—de +plaats zijn geweest waar men de meeste kans had een rondreizend +dichter aan te treffen en zijne voordrachten bij te wonen. +Een jonkman die gaarne met goede gezellen uitgaat, gaarne +een rooden mond ziet en lachende vrouwenoogen, vertelt ons +hoe hij „te wine" of „te biere" zit: + +<p class="quote">Ende hoor daer singen ende boerden spreken.<a name="522"></a> +</p> + +<p>Voor een droge keel wist de voordrager zich te wachten; +aan het slot der zedenschets <i>van den man die gherne dranc</i>—een +dorstige stof—klinkt het: + +<p class="quote">Nu, gheeft mi drincken metter vaert +Want drincken dat es al mijn aert<a href="#16.15">[15]</a>. +</p> + +<p>Tusschen de overgroote meerderheid der hoorders van eenig +literair werk zagen wij in een vroeger tijdperk hier en daar +ook eenige lezers. Die lezers zullen langzamerhand talrijker +worden, al blijven zij nog lang tevens hoorders. + +<p>Onder een zich ontwikkelend volk, onder eene zich ontwikkelende +burgerij vooral, neemt de vraag naar literatuur in dezen +tijd steeds toe. De literatuur van een vroeger tijdvak vindt nog +altijd aftrek; de werken der 13<sup>de</sup> eeuw immers zijn ons bewaard +gebleven vooral in afschriften der 14<sup>de</sup> eeuw. Doch ook de +geschriften van tijdgenooten worden door afschrijvers vermenigvuldigd. +De bescheiden RUUSBROECK was er niet op gesteld +dat men zijne werken langs dezen weg onder de menschen +bracht. Slechts heimelijk durfde een priester, die zijn „notarius" +geweest was, Heer JAN'S werk aan eenige bewonderaars toevertrouwen +tot het nemen van een afschrift<a href="#16.16">[16]</a>. + +<p>Adellijke heeren en vrouwen wekken schrijvers op tot het +samenstellen van een of ander letterkundig werk. Zij wenschen +een stuk dat men hun waarschijnlijk eerst voorgedragen heeft, +in bezit te hebben. Zoo schenkt in 1360 de Graaf VAN BLOYS +19 schellingen en 4 stuivers aan JAN BOT den „segger", „want +hi ene sproke gemaect hadde, ende in gescrifte overgaf, van +minen here van Byamont, des God ghedenke"; in 1398 krijgt +de spreker van Monickedam „die mynen here een sproke van +de Vriezen overgaf" twee „nye gulden"<a href="#16.17">[17]</a>. Men begint een +boek als een geschenk te beschouwen: jonkvrouw JOHANNA VAN +BLOIS krijgt voor haar Paschen „enen nuwen boexkine" ten<a name="523"></a> +geschenke, „daer in stont onser Vrouwen legende"<a href="#16.18">[18]</a>. Ook +uit andere feiten blijkt ons, dat de adel prijs stelt op boeken: +de Vlaamsche graaf ROBRECHT VAN BETHUNE bezit een boek +van <i>Godefroi de Bullion</i>, van <i>Merlin</i> en de <i>contes du Barisiel</i>; +een Henegouwsch edelman, GODEVAERD VAN NAAST (± 1337), +bezit reeds eene kleine boekenverzameling: <i>le message Carlemaigne</i>, +de geschiedenissen <i>d'Aëlis et l'Empereur et du roy +Ingres</i>, van <i>Atis et Prophelias</i>, van <i>Sidraach</i>, van <i>Mainnet</i>, +de <i>Aventures d'Oultremer</i> en den <i>Veus dou Paon</i>. + +<p>Lezen de Leliaerts Fransch—de Clauwaerts houden zich +aan hun Vlaamsch. + +<p>Welk een belangstelling in literatuur en wetenschap spreekt +er uit de boeken, die wij in de tweede helft der 14<sup>de</sup> eeuw in +het bezit vinden van aanzienlijke en eenvoudige Gentsche +burgers. De handschoenmaker JAN DE BEERE heeft een <i>Bestiaris</i>, +een <i>Lucidarius</i>, een <i>(Wapene) Martin</i>, een boek <i>van den Landsheren</i> +en <i>Evangeliën in vlaems</i>. WILLEM VAN DEN PITTE, +lakensnijder en eerste schepen, is eigenaar van den „<i>Spieghel +Ystoriaelle</i> in twee bouken ghescreven". Meester SYMOEN +ELYAES, waarschijnlijk een chirurgijn, bezit een <i>Barlaäm</i>, een +„cleennen" <i>Spieghel</i>" en „een deel van der Biblen". De Clauwaert +JAN WASSELINS heeft een heele bibliotheek. Evenals de +twee eerstgenoemde Gentenaars heeft ook hij een „Bibele in +vlaemsche"; maar wat heeft hij al niet meer! Zijne boekerij is +bijna een kort begrip onzer middeleeuwsche literatuur, voorzoover +daarin de voorname genres behalve het lied en het +drama vertegenwoordigd zijn. Wij vinden onder zijne boeken +geestelijke werken over <i>de Passie</i>, over <i>Adam en Eva</i>, <i>van +der Zielen</i> en <i>van der ghuldene baghe</i>; ridderromans <i>van +Ogier, Seghelijn, Isenbaert</i><a href="#16.19">[19]</a>; zedekundige werken en leerdichten: +van SENECA, „<i>Pietagoras bloume</i>", <i>Jans Testye</i>, een +paar „doctrinaelen", een <i>Bestiaris</i>, <i>Melibeus</i>, een <i>Wapene</i> +<a name="524"></a> +<i>Martijn</i>; een historisch werk over de Pausen en een Kroniek +van Vlaanderen, Brabant en Frankrijk; wetenschappelijke geschriften +over astronomie en medicijnen. Ook "<i>een bouc van +Reynaerde</i>" ontbreekt niet<a href="#16.20">[20]</a>. + +<p>Zouden deze Vlamingen de eenige bezitters van boeken +geweest zijn? Met het oog op het groote aantal handschriften +der 14<sup>de</sup> eeuw, zal men wel mogen aannemen +dat er verscheidene andere boekenliefhebbers waren. De lust +tot lezen bracht meer boeken te voorschijn; die boeken +brachten op hunne beurt meer menschen aan het lezen. +JAN BOENDALE waarschuwt wel tegen de lezing van ijdele +boeken, maar toch: + +<p class="quote">Alse ghi den tijt corten wilt, +In u camere ghi u sluten silt +Ende roepen uwen sceppre an; +Oft ghi selt boeke hebben dan +Van Gode oft van goeden zeden +Ende niet van idelheden +Ende selse lesen oft doen lesen<a href="#16.21">[21]</a>. +</p> + +<p>De <i>Melibeus</i> spreekt niet alleen van <i>lezen</i> maar ook van +<i>overlezen</i> en broeder GHERAERT, de Karthuizer-prior, neemt +in zijn afschrift van RUUSBROECK'S <i>Tabernakel</i> ook meeningen +van anderen op, opdat "een subtijl ende verlicht lesere yet +orberlics<a title="[margin: nuttigs.]"><sup>#</sup></a> daer uut moghe <i>mediteren</i>"<a href="#16.22">[22]</a>. + +<p>Naast de voordracht van proza of poëzie, die zoo gemakkelijk +ten ooren invloeide en geen tijd liet tot overpeinzen van wat +men niet onmiddellijk begreep, komt nu langzamerhand het +nadenken over het gelezene, het worstelen met een stuk dat +men niet dadelijk vat. In een vroeger door ons genoemd allegorisch +gedicht zien wij vier personages, die elk een der +<a name="525"></a> +temperamenten voorstellen, bezig met een lied waarvan zij den +zin niet kunnen vatten. Nu spreken zij af: + +<p class="quote">Dat si souden al ghemeen +Studeren, peinsen, nacht ende dach, +Bezien wiet eerst ghevinden mach<a href="#16.23">[23]</a>. +</p> + +<p>Dit critisch lezen vindt een tegenhanger in het critisch vergelijken +der onderscheiden handschriften van één werk om +daaruit een goeden tekst samentestellen. Devote bewondering +van RUUSBROECK'S geschriften bracht een lateren bewoner van +Groenendaal tot het verzoek aan alle minnaars der waarheid, +om onderscheiden exemplaren van een werk des meesters te +vergaderen „op dat sy doch uut enighen, of nu uut den eenen, +dan uut den anderen, den gherechten sinne vinden ende setten +moghen."<a href="#16.24">[24]</a>. + +<h3><i>c</i>. CRITIEK EN THEORIE. INVLOED DER LITERATUUR. +LETTERROEM.</h3> + +<p>Langs deze en dergelijke wegen ging zich de literaire critiek +langzamerhand ontwikkelen. + +<p>De vorige eeuw had hare geboorte gezien uit het verschil +in aard, temperament en smaak der menschen. MAERLANT had +zich ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn tijd getoond, +want in zijn werk vooral vinden wij die klachten over het +„beniden", de „niders" en de „nidechede" onder degenen voor +wie zijn werk bestemd was<a href="#16.25">[25]</a>. Doch in de 14<sup>de</sup> eeuw zien wij +de critiek toenemen. BOENDALE en de auteur van <i>Der Mannen +ende der Vrouwen Heimelycheit</i> klagen over de „beniders" evenals +hunne voorgangers in dezen; doch in een didactisch stukje van +een hunner tijdgenooten, zien wij de critiek zich uitbreiden ook +tot hen die in wetenschap of muziek zich onderscheiden, en +daardoor de ijverzucht van anderen opwekken. Want zóó laag<a name="526"></a> +is de opvatting van critiek in 't algemeen nog, dat men haar +toeschrijft in de eerste plaats aan ijverzucht of afgunst. + +<p>In het bovenbedoeld stukje lezen wij: + +<p class="quote">Predict een cleerc die waerheit +Of toecht een zijn meesterie, +Pijpt hi, zyncht hi, of dichte seit, +Of spel toecht of melodye, +Ezels ende rude saeftiere<a title="[margin: broddelaars, knoeiers.]"><sup>#</sup></a> +Die der consten niet en weten een haer, +Sullen bi ombekender maniere<a title="[margin: uit gemis aan ontwikkeling.]"><sup>#</sup></a> +Haestelic vinden daer an een „maer"<a href="#16.26">[26]</a>. +</p> + +<p>Doch niet alleen op andermans werk ook op eigen werk en +talent gaat de literaire critiek zich richten. + +<p>De samenstellers van <i>Sinte Amands Leven</i> en van <i>de Tien +Plaghen</i> beseffen wel dat zij geene „meesters" in de kunst +zijn, dat „diepheit van dichtene" en „sproken van cunsten +fijn" hunne zaak niet is. De bewerker van den <i>Spieghel der +Sonden</i> is zich ook wel van iets dergelijks bewust; doch hij +acht dat van geringe beteekenis: „de rime" moge van minder +allooi zijn, wat schaadt dat, indien de <i>Spiegel</i> maar helder is<a href="#16.27">[27]</a>? + +<p>En dan, de critiek was niet louter afkeuring. MAERLANT +brengt zijns ondanks hulde aan de bevalligheid der ridderpoëzie +waartegen hij in later tijd te velde trok en BOENDALE volgt +hem ook in die hulde. MAERLANT zelf werd bewonderd en +geprezen door wie na hem kwamen en AUGUSTIJNKEN VAN +DORDT na zijn dood geroemd als „een constenare fijn." + +<p>Zelfs zouden wij een oogenblik kunnen meenen, dat men +toentertijd te onzent reeds beroeps-critici gekend heeft, wanneer +wij gewag hooren maken van + +<p class="quote">Die meerkeren ende de wijsen +Die de grote cunste prisen<a href="#16.28">[28]</a>.<a name="527"></a> +</p> + +<p>Doch ook al laten wij deze plaats uit een sterk Duitsch-getint +gedicht ter zijde, dan nog blijkt uit al het voorafgaande +wel, dat men aan poëzie en alles wat haar raakt meer gewicht +gaat hechten dan vroeger. + +<p>Reeds het veelvuldig gebruik van den droom als poëtischen +vorm wijst op een hooger opvatting van poëzie. De dichters +wilden hierdoor op naïeve wijze te kennen geven dat poëzie +iets buitengewoons is, iets dat buiten of boven de gewone +werkelijkheid staat. Het visioen der mystieken breidt zich +in steeds breeder en flauwer wordende kringen over ons +volk uit. + +<p>Dichtkunst en poëzie worden opgenomen onder de stoffen +van het dagelijksch gesprek, zij het dat wij daarvan vooralsnog +slechts één bewijs kunnen bijbrengen: HILLEGAERTSBERCH +laat „een leeck dichter" en een „clerck" zich onderhouden +over „dichten ende const". JAN VAN HULST (of welke andere +Vlaamsche dichter ook) acht het der moeite waard, ons het +dichten, componeeren en opschrijven van een lied tamelijk uitvoerig +te beschrijven. + +<p>Geen auteur van dezen tijd leert ons de toenmalige opvatting +en beschouwing van dichters en dichtkunst beter kennen dan +JAN BOENDALE. + +<p>In den proloog van zijne <i>Teestye</i> doet hij ons reeds eenige +bekentenissen over zijne neiging tot en zijne beschouwing van +poëzie. Hoog is die beschouwing niet; de neiging tot poëzie +komt bij hem voort uit afkeer van ledigheid, doch tevens uit +zijne natuur; poëzie is vermoeienis des geestes, doch daarom +verzaakt hij haar niet. Hij hoopt zich met deze „reyne onlede"<a title="[margin: bezigheid.]"><sup>#</sup></a> +bezig te houden, zoolang God hem het leven gunt, en zijn +talent aan te wenden ten dienste van zijn beschermer, Heer +ROGIER VAN LEEFDALE<a href="#16.29">[29]</a>.<a name="528"></a> + +<p>Veel gewichtiger echter voor ons doel is het bekende hoofdstuk +uit het derde Boek van <i>der Leken Spieghel</i>. + +<p>Het heeft BOENDALE getroffen, dat in zijn tijd zooveel leeken +naast de „clercken" optreden als dichters; daarom acht hij +wenschelijk uiteen te zetten, wat noodig is om een recht +dichter te zijn. Wenschelijk, want: „dichten en is geen spel." +Drie dingen zijn noodig: een dichter moet de taalkunde en +de kunst van schrijven verstaan; waarheidlievend moet hij zijn +en eerzaam van leven. Hij moet zich toeleggen op schoone +taal en de woorden te voegen „elc na sinen scoonsten accoorde", +hij moet juist schrijven en spellen, begrip hebben hoe men +een stuk moet opzetten, voltooien, en stevigen door kracht +van voorbeelden. Leeken, die van dit alles, de kunst der +„gramarie", geen verstand hebben, deugen niet voor dichter; +zij missen den onontbeerlijken grondslag. + +<p>Een poëet moet de waarheid liefhebben. Want hij wenscht +toch, dat men zijne geschriften leze en blijve lezen. Wordt hij +nu op onwaarheid betrapt, dan zal men hem niet meer gelooven +en zijn dichternaam is verloren. Er zijn bovenal twee dingen, +waarin hij niet mag liegen: historische feiten en de Bijbel. +„Eere wien eere toekomt", dat zij de leus van den rechten +geschiedschrijver; onwetendheid, gunst en afgunst doen de +waarheid vaak verzwijgen—maar men bedenke, dat leugen +de ziele doodt en dat wij rekenschap moeten geven van elk +ijdel woord. Terecht is JACOB VAN MAERLANT, „die vader is +der Dietsche dichtren algader", zoo uitgevaren tegen de leugendichters, +die met vernuft en in mooie taal allerlei onwaarheid +verteld hebben van historische personages als KAREL DE GROOTE +en OCTAVIANUS. Zoo vertelt men van KAREL dat hij indertijd +uit stelen gegaan is, dat hij door zijn vader op een kar bij +een dienstmaagd verwekt is; van OCTAVIANUS dat hij bij Leuven +geboren is „ten Zeven Tommen"<a title="[margin: bij de zeven graven.]"><sup>#</sup></a>. Alles leugens! Zulken<a name="529"></a> +leugenaars moest men het dichten verbieden! 't Is waar, zij +willen de menschen iets nieuws opdisschen om er geld of eer +mede te winnen. Ja, men vertelt wel eens verzonnen dingen, +zoo b.v. van Reynaert en Izegrim en Bruin den beer; +maar daar is het te doen om leering en wijsheid. God zelf +sprak immers ook in parabelen! + +<p>Het tweede, waarin men geen onwaarheid spreken mag, dat +zijn heilige boeken, levens der heiligen en alles wat tot de +heilige Kerk behoort; want die heeft haar grondslag in JEZUS +CHRISTUS, die alleen de waarheid is. + +<p>Wil hij in zijn werk de menschen op het rechte pad brengen, +priesters en ridders deugd en wijsheid leeren, vaak hen berispen, +dan moet hij zelf een deugdzaam man zijn. Leeringen +wekken, voorbeelden trekken. Let eens op de dichters die +er vroeger waren: MOZES, (FLAVIUS) JOSEPHUS, ARISTOTELES, +CATO, SENECA, PLATO, HORATIUS, OVIDIUS, HIERONYMUS +die den Bijbel vertaald heeft—allen dichters in eere en +deugd. Niemand heeft ooit JACOB VAN MAERLANT op een +leugen betrapt, want zijn leven was eerzaam, zooals een +dichter past. + +<p>Dichter moet men zijn van nature; zijt gij door de natuur +niet tot dichter gemaakt, dan zal niemand u kunnen leeren +hoe gij het worden zult. Rechte dichters moet men op hoogen +prijs stellen. Zij zijn onmisbaar; want de Bijbel, alle recht en +wet, ons geloof, onze handvesten en onze geschiedenis—alles +zou verloren zijn gegaan, hadden de dichters het niet in +hunne geschriften bewaard. + +<p>Ten slotte wil ik u zeggen, wie dichters geboren zijn. + +<p>De een dicht om een liefje, de ander om roem te winnen, +weer een ander om geld—maar dat is de rechte poëzie niet; +zulke menschen dichten uit winstbejag, zonder natuurlijke +aandrift<a name="530"></a> + +<p class="quote">Een rechte dichtere, God weet, +Al waer hi in enen woude, +Dat hi nemmermeer en soude +Van dichtene hebben danc, +Nochtan soude hi herde onlanc<a title="[margin: zeer korten tijd.]"><sup>#</sup></a> +Sonder dichten daer gheduren, +Want het hoort te sire naturen: +Hi en mochts niet laten, al woude hi. +Dichten moet uut herten vri +Comen ende uut claren zinne, +Daer God behoude inne +Elken dichter die waerheit mint. +</p> + +<p>Aldus eindigt de eerste Nederlandsche poëtiek. Misschien +mogen wij zeggen: de eerste Europeesche poëtiek die in eene +moderne volkstaal geschreven is; mij althans is in geen der +moderne literaturen een vroeger of gelijktijdig geschrift bekend +dat met dit hoofdstuk van JAN BOENDALE vergeleken kan +worden. Reeds om die reden acht ik deze verhandeling van +groote beteekenis; doch ook om andere redenen. + +<p>Het had BOENDALE getroffen dat de poëzie langzamerhand +uit de handen der meistreelen en „clercken" overging in die +der burgerij; en daar de dichters voor hem blijkbaar de dragers +van het ideaal zijn, tracht hij de komende dichters in het +rechte spoor te brengen. Vandaar zijne omschrijving der eischen +waaraan een dichter behoort te voldoen. Zij moeten ontwikkelde +mannen zijn, wier leven in overeenstemming is met hunne +poëzie. De waarheid moeten zij voorstaan, al wordt het begrip +<i>waarheid</i> hier nog in zeer beperkten zin opgevat. Het gewicht +van het nieuwe in de literatuur heeft BOENDALE reeds gevoeld; +hij heeft ook beseft dat ware poëzie geboren kan worden slechts +uit belangelooze aandoening en aandrift, en niets gemeen kan<a name="531"></a> +hebben met eenige zelfzucht. Waar hij er op wijst, hoeveel de +menschheid aan de poëten te danken heeft, herinnert hij even +aan niemand minder dan SHELLEY die in zijne <i>Defence of +Poetry</i> deze gedachte heeft uiteengezet met een rijkdom van +gevoel en wetenschap en bekleed met een heerlijkheid van +taal, waarvan de Antwerpsche schepenklerk zich geene voorstelling +heeft kunnen vormen. + +<p>Doch hoe onvolkomen en gebrekkig in menig opzicht de +berijmde verhandeling van dezen ook moge zijn, zij blijft een +merkwaardig literair-historisch stuk. Al ware zij ook onvolkomener +dan zij is, dan nog zouden wij BOENDALE dankbaar +moeten blijven voor dezen eersten stap op een onbetreden weg; +niet het minst voor die fraaie slotregels, waarin voor de eerste +maal in deze lage landen bij de zee verkondigd is, dat men +dichter geboren moet zijn en dat een recht dichter zingt, „al +zong hij zichzelve' alleen"<a href="#16.30">[30]</a>. + +<p>BOENDALE'S uiteenzetting van den invloed der literatuur op +de ontwikkeling der maatschappij kan worden aangevuld met +een paar staaltjes van dien invloed, ontleend aan zijn eigen tijd. + +<p>MAERLANT, vervolgd door de geestelijkheid wegens zijn +Rijmbijbel, heeft ons reeds vroeger getoond dat men de macht +der literatuur in de volkstaal ging beseffen. MELIS STOKE maakt +zich ongerust over de wraakzucht van het publiek; bij de +beschrijving van een gevecht acht hij het veiliger dappere +strijders en lafaards niet bij name te noemen; hij kent zijne +tijdgenooten als hardhandig en geen vrienden van halve maatregelen<a href="#16.31">[31]</a>. +In het verhaal <i>van den borchgrave van Couchi</i> +wordt een page die een verboden lied zingt, opgehangen aan +een boom<a href="#16.32">[32]</a>. + +<p>Begon de literatuur zoo eenerzijds invloed te oefenen, anderzijds +bracht zij soms roem aan de schrijvers. De dichters van<a name="532"></a> +<i>Sinte Amands Leven</i> en van <i>Theophilus</i> vreezen dat hun naam +zal bekend worden en dat men dan hun werk zal toeschrijven +aan roemzucht; Broeder GHERAERT, de Karthuizer, verbaast er +zich over dat RUUSBROECK zoo volslagen vrij is van „ydelre +gloriën"<a href="#16.33">[33]</a>. + +<p>Die afwezigheid van roemzucht in den prior van Groenendale +verhoogde zijn roem, versterkte en verbreidde zijn invloed ook +op de auteurs die na hem kwamen. Zoo werden ook MAERLANT'S +aanzien en invloed op latere schrijvers verhoogd door +de vervolging waaraan hij bloot stond. + +<p>In VELDEKE'S invloed op de Hoogduitsche literatuur, in den +invloed door MAERLANT en RUUSBROECK geoefend op de +schrijvers die na hen kwamen, hebben wij in onze literatuur +de eerste voorbeelden van de literaire vorming welke een +volgend geslacht van het voorgaande ontvangt.<a name="533"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.1">1</a>: Vgl. Mr. S. MULLER FZ., <i>De Registers en Rekeningen van het +bisdom Utrecht</i> (a<sup>o</sup> 1325, 1329, 1332), I, 567, 383; <i>Rekeningen der +Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis</i> (ed. HAMAKER), +III, p. 49, 92 vlgg.; <i>Cameraars-rekeningen</i> (ed. VAN DOORNINCK), +I, 47, 84; II, 20, 308, 783; III<sup>1</sup>, 498, 518 (a<sup>o</sup> 1339, 1340, 1360, 1365).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.2">2</a>: Vgl. <i>Oudste Burgemeesters rekening van Middelburg</i> (a<sup>o</sup> 1364), +uitgeg. door het Historisch Genootschap in <i>Codex Diplom. Neerl.</i>, +1853, II, p. 5, 6. <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>, p. 267 en <i>Versl. en Med. +Kon. Akad.</i>, 3e Reeks, XII, 164, vs. 144.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.3">3</a>: Vgl. <i>Dits et Contes de Baudouin de Condé....</i> par AUG. SCHELER, +I, 153: <i>Li Contes des Hiraus</i>; I, 448 een citaat uit de <i>Hist. Litt. +de la France</i>, XXIII, 272; „A la fin du XIIIe siècle la profession +des hérauts etc." + +<p class="footnote">In het tweede der vier boven aangehaalde verzen staat in den tekst +<i>lecken berden</i>. VERDAM wil hiervoor lezen: <i>leckeberden</i> in den zin van +<i>flikflooien</i>. Doch op andere plaatsen schijnt dat w.w. niet voor te +komen (<i>Mnl. Wdb.</i> i.v.). De emendatie blijft dus twijfelachtig voor +mij. Wat beteekent <i>bert</i> hier? In de beteekenis <i>schotel</i> schijnt het niet +voor te komen. Kan het misschien <i>(wapen)bord</i> beteekenen? Zoo ja, +dan zouden wij daarin een duidelijker toespeling op de herauten +hebben.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.4">4</a>: <i>Belg. Mus.</i>, VII, 318.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.5">5</a>: <i>Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen</i>, +bl. 63; <i>Cam. Reken.</i>, III, 1, p. 624 (a<sup>o</sup> 1366); III, 2, p. 239 (a<sup>o</sup> 1369); +<i>Reken. der Graf. v. Holland onder het Heneg. huis</i>, III, 385; <i>Goede +Boerden</i>, p. 37 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.6">6</a>: Al deze sprekers worden vermeld in de excerpten der <i>Grafelijkheids-rekeningen</i> +achter JONCKBLOET'S <i>Mnl. Dichtk.</i>, Deel III. +COLPAERT in <i>Vad. Mus.</i>, I, 50. De Holsteinsche <i>Hopezomer</i> wordt +a<sup>o</sup> 1392-'3 <i>jong</i> genoemd en kan dus niet dezelfde zijn als zijn +naamgenoot de heraut.]<a name="534"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.7">7</a>: KAUSLER, <i>Denkmäler</i>, III, 114.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.8">8</a>: <i>Vad. Mus.</i>, I, 335, vs. 44 vlgg.; <i>Vierde Martijn</i>, vs. 789–791; +<i>Van den Borchgrave van Couchi</i>, I, 94 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.9">9</a>: Die naamdichten (voor <i>Marie, Liegaert, Lauwerette, Violette +Calle</i> e.a. volgens aanwijzing van ARNOLD in <i>D. War.</i>, I, 542) in +<i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.10">10</a>: <i>Grimb. Oorlog</i>, I, 12–21; <i>Sp. der Zonden</i>, vs. 7739-'40; +<i>Oudvl. Ged.</i> (ed. BLOMMAERT), III, 115; <i>Teestije</i>, vs. 1615 vlgg.; +922 vlgg.; <i>Lekensp.</i>, III, c. 4, 190–2. Misschien zouden wij in dit +verband ook de zonderlinge <i>Tweespraak van Scalc ende Clerc</i> moeten +behandelen (vgl. TE WINKEL, bl. 310; ook m.i. is zij stellig niet +van MAERLANT). Doch zoolang wij dit gedicht slechts in zoo gebrekkigen +tekst kennen, is het beter zich van een oordeel te onthouden.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.11">11</a>: Vgl. <i>N. Doct.</i>, vs. 19 vlgg.; <i>Leven Van S. Amand</i>, 1379 vlgg.; +<i>Theoph.</i>, 28–29; <i>Mnl. Ged.</i> (ed. DE PAUW), I, 12; <i>Vaghevier van +S. Patr.</i>, 24–26; <i>Bed. der Missen</i> aan het slot; <i>Mnl. Ged.</i> (ed. +DE PAUW), I, 41 vlgg.; <i>S. Kerstine's Leven</i>, vs. 151–3; <i>Der Ystor. +Bloeme</i>, 36–40, 725 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.12">12</a>: Over LOD. VAN VAELBEKE vgl. <i>Lied in de Midd.</i>, bl. 587; maar +vooral: VANDER STRAETEN'S <i>Les Ménestrels aux Pays-Bas</i>, p. 88 suivv. +OTTE VAN ORLEIEN, <i>Vad. Mus.</i>, II, 394; de hand van een geestelijke +of clerck meen ik te zien in <i>Couchi</i>, II, 1628 vlgg., 1746-'7, +2171 vlgg.; de bedoelde wapendichten in <i>Belg. Mus.</i>, V, 104 vlgg.; +het groot aantal assoneerende rijmen in <i>Jonitas en Rosafiere</i> (zeker +een 40-tal op 1200 verzen) zou aan een volksdichter doen denken; +de rijmen van BOUDEN VAN DER LOREN zijn over het algemeen +zuiver, terwijl men in de overige wenschliederen nog al wat assoneerende +rijmen aantreft. Over JAN VAN HULST vgl. een artikel van +ARNOLD in <i>D. Warande</i>, (N. Reeks), I, 542 en de Inleiding tot de +<i>Oudvlaemsche Lied. en Ged.</i> Een nauwkeurig onderzoek der onderscheiden +liederen en gedichten van dezen bundel zal misschien meer +zekerheid brengen aangaande de makers of den maker; het komt mij +voor dat althans de twee groote allegorische gedichten op bl. 233 vlgg. +en 314 vlgg. van dezelfde hand zijn die vele der liederen schreef: +op bl. 266 vindt men een viertal verzen die hier en daar letterlijk +herinneren aan eenige uit het lied op de „kerels". Vgl. ook bl. 311–312 +met n<sup>o</sup>. 36, n<sup>o</sup>. 103, n<sup>o</sup>. 140 (de kleuren). De liederen op bl. 247, 261, +276, 279, 280, 294, 303, 311 herinneren door vorm en inhoud aan +vele der 145 die den bundel openen. + +<p class="footnote">Op bl. 459 wordt Brugge genoemd als woonplaats van den dichter; +<a name="535"></a> +juist dat gedicht vertoont in de aanvangsletters zijner laatste verzen +den naam JAN MORITOEN; dezelfde als JAN VAN HULST? Over den +zanger EGIDIUS te verg. n<sup>o</sup>. 98 en n<sup>o</sup>. 100 der <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>; +op p. 470 van dien bundel eene klacht die aan hem doet denken; +voorts <i>Tijdschr. v. Ned. T. en L.</i>, XI, bl. 286–7, 289–292.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.13">13</a>: <i>Belg. Mus.</i>, X, 69.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.14">14</a>: Vgl. <i>Tijdschr. v. N.T. en L.</i>, XXIII, 46; <i>Leven van S. Amand</i>, +I, 676, 2807, 3920; <i>Goede Boerden</i>, p. 4; <i>Belg. Mus.</i>, X, 69; +KAUSLER, <i>Denkm.</i>, III, 109, 203.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.15">15</a>: De plaatsen over het <i>hooren</i> van poëzie zijn, na de vroeger +vermelde, te talrijk om mede te deelen; ieder kan ze gemakkelijk +vinden. Vgl. overigens: <i>Vad. Mus.</i>, I, 337; <i>Belg. Mus.</i>, X, 57.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.16">16</a>: Vgl. <i>Werken</i> (ed. DAVID), I, bl. IX.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.17">17</a>: <i>Het Leven van S. Kerstine</i> ondernomen op verzoek der geestelijke +jonkvrouw FEMINE VAN HOYE; VELTHEM berijmde voor loon +zijne voortzetting van den <i>Sp. Hist.</i> op verzoek van de Vrouwe +VAN BERLAER; de <i>Brabantsche Yeesten</i> werden gemaakt in opdracht +van Heer WILLEM BORNECOLVE, een aanzienlijk Antwerpenaar; de +<i>Grimb. Oorlog</i> werd „beschreven en gedicht" op verzoek waarschijnlijk +van een edelman (zie vs. 6167 vlgg. en 6600-'2 van het tweede deel); +<i>Tondalus Visioen</i> voor een „edele Jonfer". + +<p class="footnote">De beide rekeningposten in JONCKBLOET'S <i>Gesch. der Mnl. Dichtkunst</i>, +III, 618, 611.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.18">18</a>: DE LANGE VAN WIJNGAERDEN, <i>Geschied. van Gouda</i>, I, 187 +(omstreeks 1387).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.19">19</a>: Vgl. over dien roman <i>Middelned. Ep. Fragmenten</i>, bl. 263–4; +voorts <i>Das Epos von Isembard und Gormond....</i> von Dr. R. ZENKER, +Halle a.S. 1896; THEODOR FLURI, <i>Isembart et Gormond</i> (Züricher +Diss., 1895); <i>Romania</i>, Avril, 1897, Janv. 1898.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.20">20</a>: Vgl. het merkwaardig stuk van NAP. DE PAUW in <i>Ned. +Museum</i>, 1879.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.21">21</a>: <i>Lekensp.</i>, B. III, c. 3, vs. 969 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.22">22</a>: <i>Melib.</i>, 55–58. (Ook al komt deze plaats reeds in het origineel +voor, dan blijft zij nog van gewicht); DE VREESE'S <i>Bijdragen</i>, bl. 15. +Andere plaatsen waar m.i. gewag wordt gemaakt van <i>lezen</i> in onze +beteekenis, zijn: <i>Jans Teesteye</i>, vs. 812-'4; <i>Vlaamsche Rijmkroniek</i> +(in KAUSLER'S <i>Denkmäler</i>), vs. 4124-'5; <i>Tondalus Visioen</i> in den +aanvang (ed. BLOMMAERT, II, 31: „So wie datter neerenstelic in +wille lesen ende de woorden merken, hi sal" enz.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.23">23</a>: <i>Oudvl. Lied. en andere Ged.</i>, bl. 268.]<a name="536"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.24">24</a>: DE VREESE, a.w. bl. 24.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.25">25</a>: <i>Alex.</i>, vs. 6, 29; <i>Merlijn</i>, 6 vlgg.; <i>Troyen</i>, 24–26; <i>Rijmb.</i>, +I, 73 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.26">26</a>: Proloog v.d. <i>Lekensp.</i>; <i>M.e.V. Heim.</i>, vs. 25 vlgg.; KAUSLER, +<i>Denkm.</i>, III, bl. 215.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.27">27</a>: <i>S. Amand</i>, II, 5333 vlgg.; <i>Tien Plaghen</i>, 30–33; <i>Sp. der +Zond.</i> I, p. 218.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.28">28</a>: <i>Oudvl. Ged.</i>, III, 105; <i>Tien Plaghen</i>, vs. 43–44.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.29">29</a>: A.w. vs. 64 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.30">30</a>: <i>Licht en Schaduw</i> door SOERA RANA (I. ESSER JR.), bl. 6.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.31">31</a>: A.w. (ed. BRILL), I, bl. 224; Boek X, vs. 40–151.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.32">32</a>: A.w. I, 113 vlgg., 312 vlgg. Daarbij: <i>Oudvl. Lied. en Ged.</i>, +bl. 270 en <i>Brab. Yeesten</i>, V, 3181 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="16.33">33</a>: DE VREESE, t.a.p. bl. 13.]<a name="537"></a> + +<hr> + +<h2>WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH.</h2> + +<p>Een goed voorbeeld van dien invloed vinden wij in de +persoonlijkheid en het werk van den dichter wiens naam hierboven +staat. + +<p>Die persoonlijkheid en dat werk vereenigen in zich zooveel +trekken van veertiend'eeuwsche dichters en dichtkunst, zij toonen +ons den invloed der vroegere literatuur zooveel beter dan die +der meeste anderen uit dezen tijd, zij voegen bij dat gemeenschappelijke +en ontleende zooveel eigens—dat WILLEM VAN +HILDEGAERSBERCH wel aanspraak mag maken op een afzonderlijke +plaats in dit verhaal<a href="#17.1">[1]</a>. + +<p>Hij was een spreker gelijk er zoovelen waren, doch die, naar +het schijnt, de overigen in talent overtrof; in allen gevalle is +hij de eenige van wiens werken ons zooveel is overgebleven +en van wien wij ons daardoor eene betrekkelijk zoo volledige +voorstelling kunnen vormen. + +<p>Misschien is hij omstreeks het midden der 14<sup>de</sup> eeuw geboren, +en gestorven niet lang na 1408. Vóór 1375 moet hij reeds als +spreker zijn opgetreden. Heeft broodsgebrek hem gedrongen tot +het aanvaarden van dat beroep? Het is licht mogelijk. Mij ten +minste komt het niet onwaarschijnlijk voor dat hij in één zijner +gedichten over zich zelven spreekt waar hij een jonkman over +zijne jeugd laat verhalen: hoewel van matigen rijkdom, leefde +hij als een prins; zijne magen ergerden zich aan zijn gedrag +en rieden hem aan dat leven te laten varen; maar hij stoorde<a name="538"></a> +zich niet aan hen; toen trokken zij de handen van hem af +en het liep mis met hem<a href="#17.2">[2]</a>. + +<p>Eerst in 1382 vinden wij in de rekeningen der Grafelijkheid +van Holland gewag van hem gemaakt; uit de wijze waarop hij +daar genoemd wordt: „WILLEM VAN HILGAERTSBERGHE, <i>enen</i> +spreker" zou men opmaken, dat hij toen nog niet zeer bekend was +aan des graven hof. In het volgend jaar echter schijnt „Meester +WILLEM de spreker" reeds meer bekend te zijn geworden. +Behalve voor mijn Heer den Grave spreekt hij niet zelden voor +andere „hoghe heren", maar hij is, zoomin als zijne kunstbroeders, +te grootsch om zes „nieuwe schilden" aan te nemen +voor een rok en een paar „Henegouwsche kronen" als drinkgeld. +Met spijs en drank als loon voor kunst is hij niet +zooals zijne mindere gildebroeders tevreden en waar hij geen +kans ziet een zwanepluim rijker te worden, zooals ten huize +van Heer DIRC den Commandeur der Duitsche Orde te Leiden, +daar licht hij zijne hielen. + +<p>Evenals andere sprekers en zeggers wacht hij niet altijd op +eigen aandrift, maar vervaardigt ook wel een gedicht over een +opgegeven onderwerp. Zoo schrijft hij op verzoek der abdisse +van Rijnsburg iets over de Tien Geboden<a href="#17.3">[3]</a>. + +<p>HILDEGAERSBERCH'S werken geven een kort begrip van een +groot deel der toenmalige literatuur: men vindt er tal van +stichtelijke of zedekundige stukken, een paar dierfabels, een +paar boerden, ook historische gedichten aan de tijdsomstandigheden +ontleend. In zijn werk is de invloed van vroegere auteurs +duidelijk zichtbaar en wij vinden er onderscheidene trekken der +gelijktijdige literatuur in terug. Een geleerd dichter als MAERLANT +of BOENDALE was hij allerminst; Latijn kende hij niet en +zijne boekenkennis zal zich in hoofdzaak wel bepaald hebben +tot den bijbel<a href="#17.4">[4]</a>. Destemeer zal hij zijn voordeel hebben gedaan +met wat de geleerde „clercken" vóór hem hadden gedicht.<a name="539"></a> +MAERLANT'S werken, o.a. zijne strophische gedichten, zijn +hem niet onbekend gebleven; doch meer had hij te danken +aan het werk van BOENDALE die een paar geslachten ouder +moet zijn geweest dan de Hollandsche spreker. Stukken van +<i>der Leken Spieghel</i> zijn door WILLEM in zijne werken opgenomen. +Zijn verzet tegen de materiëele voorstelling dat „God +is als een mensch gedaen", zijne eigene voorstelling dat God +„altemale een gheest" is, herinneren ons ook aan den <i>Lekenspieghel</i>. +BOENDALE'S beschouwing der literaire kunst is door +HILDEGAERSBERCH overgenomen; de verzen: + +<p class="quote">Const is die alrehoochste schat +Die men ter werelt ye besat. +</p> + +<p>zijn een weerklank van BOENDALE'S hoofdstuk <i>Hoe dichters +dichten sullen</i><a href="#17.5">[5]</a>. + +<p>Evenals voor BOENDALE heeft ook voor WILLEM de dierfabel +slechts waarde als voertuig van nuttige leering: „Zoo +sprac Reynaert, ende hi was vroet"—daarmede besluit hij +een zijner dierfabels en in een andere waar hij een hond doet +spreken, acht hij zich verplicht den lezer te waarschuwen: + +<p class="quote">Niet dat honden yet spreken moghen, +Mar in 't ghelijcke wert vertoghen +Menighe leer tot onser bate<a href="#17.6">[6]</a>. +</p> + +<p>Den invloed van MAERLANT meer dan dien van BOENDALE +zien wij in WILLEM'S beschouwing der vrouwen. Bij hem als +bij MAERLANT vinden wij vooral den hoofschen vrouwendienst +die zich vertoont o.a. in regels als deze uit een stuk <i>Vanden +goeden vrouwen</i>: + +<p class="quote">Twaer een kaerl onwijs te weten +Off by maten dat uut te meten, +Wat loff den vrouwen toebehoort.<a name="540"></a> +</p> + +<p>„Wat een reyn wijff waerdich is", heeft hij uiteengezet en +ook in andere stukken zijn eerbied voor het vrouwelijk geslacht +betuigd. Die eerbied is zóó groot dat hij eervergeten vrouwen +die zich onder de eerzame mengen, bellen zou willen aanhangen +„die lude cloncken waer si ghinghen"; op die wijze zou men +zich voor haar kunnen wachten<a href="#17.7">[7]</a>. + +<p>Niet alleen door den inhoud, ook door den uiterlijken en +innerlijken vorm zijner poëzie toont WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH +zich een kind van zijn tijd. Allegorische personages +als Trouw en Gerechtigheid, Rede als portier, Trouwe +als kastelein, Eer als raadsman en dergelijke komen ook bij +hem voor. Hij bedient zich van tweespraak en „disputacie", +hij speelt met woorden als <i>beschermen</i> dat tot <i>bescheren</i> wordt, +met <i>vaer</i><a title="[margin: vrees.]"><sup>#</sup></a> en <i>varen</i><a href="#17.8">[8]</a>. Zijne stukken zijn, gelijk zoovele +andere didactisch-lyrische, niet zelden in coupletten verdeeld +en vangen nog al eens aan met eene natuurschildering. De +stof is er op de gewone schoolsche wijze verdeeld in punten, +die achtereenvolgens nauwgezet en degelijk worden behandeld; +reeksen los aaneengeregen sententie's zijn ook bij hem niet +zeldzaam. + +<p>Bijna alle gedichten van HILDEGAERSBERCH hebben, de strekking: +invloed ten goede te oefenen op de menschen en de +maatschappij. Wij weten te weinig van de poëzie der overige +sprekers om te kunnen beslissen of hij ook hier als type zijner +soort mag gelden; doch indien de stichtelijke en didactische +lyriek dier dagen grootendeels aan sprekers mag worden toegeschreven—en +ik zie daartegen geen bezwaar—dan bevat +WILLEM'S werk ook hier het meest wezenlijke van dat zijner +tijdgenooten. + +<p>Overal vinden wij in zijne gedichten die opwekkingen en +waarschuwingen om wel te leven, ten einde zalig te kunnen<a name="541"></a> +sterven; te geven „metter wermer hant"<a title="[margin: nog bij iemands leven.]"><sup>#</sup></a>, niet gierig te zijn, +de goede keuze te doen tusschen het tijdelijke en het eeuwige, +indachtig te blijven dat wij „geen <i>morgen</i> hebben", dat wij +allen „op de lange vaart" moeten. Hij wendt zich tot de hooge +heeren met de bede om recht en billijkheid te betrachten, +klaagt over het onrecht dat zij laten geschieden, waarschuwt +anderen zich niet al te veel met de groote heeren in te laten. +Den rechters houdt hij het ideaal voor oogen van den waarachtigen +rechter: God „die elken man ghelike recht". Den steden +wijst hij den weg om tot voorspoed te komen: onderling eendrachtig +zijn, geld verdienen, vreemde kooplieden aanmoedigen<a href="#17.9">[9]</a>. + +<p>Evenals bij MAERLANT, anders dan bij BOENDALE, is bij +WILLEM het verleden de lichte achtergrond waartegen de gebreken +van het heden scherp uitkomen. Het heden ligt voor +hem in het booze: Reinaert staat aan het roer en Simon<a title="[margin: verpersoonlijking der simonie.]"><sup>#</sup></a> op +de voorplecht. Vroeger was alles zooveel beter; toen werden +Trouw en Gerechtigheid geëerd; nu denkt ieder er slechts aan +zijn eigen kist te vullen. Midden in een of ander verhaal uit +het verre verleden zien wij hem soms plotseling terugkeeren +tot zijn eigen tijd, om dien tegenover het betere verleden te +plaatsen<a href="#17.10">[10]</a>. + +<p>Doch het sterke idealisme dat den onafhankelijken MAERLANT +zóó forsch deed spreken, missen wij in HILDEGAERSBERCH +die leven moest van het publiek. De zorg voor het +dagelijksch brood hing den armen spreker als een kluister aan +het been. Hij moet oppassen niet te veel te zeggen, of hij zal +het voelen in zijne beurs, ja in zijn maag: + +<p class="quote">Want een dichter moet hem hoeden +Voer den ghenen diet sullen horen, +Dat sijs<a title="[margin: zij het.]"><sup>#</sup></a> in nide noch in toren +Niet en nemen dat hi maect.<a name="542"></a> +</p> + +<p>Hoe nederig vraagt hij de heeren om wat geduld; het moge +hun toch niet te lang vallen als zij goede leering hooren! +Zijnerzijds belooft hij maat te houden: + +<p class="quote">Een dichter die hem wel verstaet, +Dien dicht niet al sijns selfs begheren. +</p> + +<p>Niet te lang, „dat heeft men gaern ter heren hove," en daaraan +zal hij zich ook maar houden<a href="#17.11">[11]</a>. Vandaar in zijne gansche +houding tegenover zijn publiek iets slaps en zwaks. Het +hoogste waartoe hij het in dezen brengt, is zachte ironie die +in haar soort vooral voor dien tijd verdienstelijk is: + +<p class="quote">Waerom souden wy trueren yet? +Sint God die werelt werden liet, +So ne was sy nye so wel te vreden. +Die paeus die leeft by goeden reden +Om te dienen onsen Heer +</p> + +<p>al het volk leeft deugdzaam, in de omgeving van den paus +kent men geen afgunst en hebzucht, bisschoppen en prelaten +zijn rechtschapen waar men komt—meer zal ik er niet van +zeggen. + +<p>Doch ironie is bij WILLEM, en over het algemeen in de +middeleeuwsche literatuur, betrekkelijk schaarsch. Gewoonlijk +tracht ook deze leerdichter zijn publiek rechtstreeks te overtuigen; +doch van hoe weinig idealisme getuigen doorgaans zijne gelijkvloersche +argumenten. De tien geboden moet men houden. +Waarom? Men leeft langer en heeft veel minder te doorstaan +dan zij, die ze overtreden; die overtreders immers worden zelden +oud, hunne zorgeloosheid kost hun het leven of maakt hen +jichtig en lam. Met „wychelinge"<a title="[margin: de zwarte kunst.]"><sup>#</sup></a> moet men zich niet afgeven: +zij brengt geen voordeel aan. Één God moet men aanbidden; +men kan immers „met minre arbeide" één God aanbidden<a name="543"></a> +dan vele? God moet men „te vriend houden" en eenvoudig +weg gelooven dat Hij, onze Heer van den hemel, is één God +en drie personen—„daer comt men by ten hoghen loon." +Hebt gij verdriet, toon dat dan niet in uw uiterlijk: uwe vijanden +zouden er in groeien. De heeren mogen hunne onderdanige +schapen wel scheren, maar het vel moeten zij hun laten; +dan kan er immers nieuwe wol op groeien! Wat overigens +het onrecht betreft, dat moet men verdragen en zachtkens +terecht trachten te brengen. Al deed de heer nog zooveel +kwaad, zijne onderdanen moeten steeds + +<p class="quote"> smeken ende nygen<a title="[margin: vleien en buigen.]"><sup>#</sup></a> +Om hoers heren hulde<a title="[margin: gunst, genegenheid.]"><sup>#</sup></a> te crigen. +</p> + +<p>WILLEM ziet wel dat de Kerk in zijne dagen van den rechten +weg is afgedwaald en dat vele priesters niet deugen; doch +de leeken moeten er zich maar niet te zeer aan ergeren en +slechts letten op wat de priesters hun <i>leeren</i>; er kan wel goed +zaad gestrooid worden uit een slechten korf<a href="#17.12">[12]</a>. + +<p>Dat de roeping van den dichter is vóór alles: priester der +waarheid te zijn, hadden MAERLANT en BOENDALE WILLEM +VAN HILDEGAERSBERCH geleerd; hij heeft getracht die leer in +praktijk te brengen, doch zijn beroep kwam telkens met zijne +roeping in strijd. „De waarheid wil niet gehoord zijn" dat +was meer dan eens zijn droeve ervaring, en de omstandigheden +dwongen hem daarin te berusten. Echter bracht die +berusting hem niet tot lijdelijk stroomaf drijven; hij bleef roeien +met de riemen die hij had. Ik zal leeren dicht bij het wit te +schieten, niet het wit zelf te treffen, zegt hij in het gedicht +<i>van den coninc van Poertegael</i>. Maar zijn eerlijk eenvoudig +hart, verdeeld tusschen ideaal en werkelijkheid, blijft droevig +gestemd:<a name="544"></a> + +<p class="quote">Hoe sal ic dan, arme oude, +Die gaerne die waerheit spreken soude, +Der heren gunst of hulde verwerven? +</p> + +<p>In die verdeeldheid, in die droevige stemming is hij waarschijnlijk +blijven verkeeren tot zijn dood. + +<p>Hij had de Fortuin gezocht oost en west, maar nooit gevonden. +Doch al was zijn voorspoed naar de wereld gering, +hij wilde zijn loon verwachten van God, zijn lijden geduldig +dragen. Had het sprekerswerk hem geen stoffelijke winst gebracht, +ook den invloed, door hem als dichter geoefend, +schatte hij gering. Wat werkt al ons dichten en verzinnen uit? +vraagt hij ergens, en met lichten spot antwoordt hij zelf: de +menschen worden tegenwoordig zóó deugdzaam, dat matiging +en billijkheid in hen blijven als in bodemlooze vaten. Elders +klinkt het zonder spot en mismoedig: + +<p class="quote">Oft al om niet is dat ic doe, +Wat sel dan arbeit onderstaen?<a title="[margin: Waartoe mij dan moeite gegeven?]"><sup>#</sup></a> +</p> + +<p>Hij gaat zijn leven als spreker nog eens na: hoeveel schoone +„exempelen" heeft hij voor de heeren gesproken; al zijn verzen +spraken van rechtvaardigheid en eer te betrachten; hoe liefelijk +men treedt op het pad naar den hemel—hoe vuil het pad is +dat ter helle voert. Maar weinig hebben de menschen er zich +om bekommerd; zij hebben den achterkant naar voren gekeerd + +<p class="quote">Dus clop ic veel an doofmans deur; +Al roep ic lude, en mach niet in. +</p> + +<p>Zijne tijdgenooten zijn gestorven of verdwenen, hij zelf wordt +vergeten, zijne ledematen gaan hem begeven, hij hoort het +vesperklokje luiden. Zelf is hij moede en verlangt naar rust. +Eindelijk komt de man "met het witte kleed",.die niemand +spaart, ook hem halen. In April 1409 kocht graaf WILLEM VI<a name="545"></a> +een boek „dairin stonden vele schoonre sproken, die Willem +van Hillegairtsberge gemaeckt hadde"; dat zal wel de voornaamste +nalatenschap van onzen spreker geweest zijn<a href="#17.13">[13]</a>. + +<p>Die nalatenschap zou er misschien anders hebben uitgezien, +indien zijn talent zich onder gunstiger omstandigheden had +kunnen ontwikkelen. Want eenig talent had WILLEM VAN +HILDEGAERSBERCH wel. Zijne vergelijkingen zijn niet zelden +aardig gevonden; zoo b.v. die van de stichtelijke woorden, +die langs de meeste kerkgangers afglijden als hagelsteenen +langs de kleeren. Hoe goed van waarneming is dat huiselijk +tooneeltje, waar wij middeleeuwsche huisvrouwen aan het +spinrokken zien, terwijl de jonge kuikens met de klokhen om +haar heen in de zon loopen. De vergelijking van het leven bij +een zeereis is ook verdienstelijk uitgewerkt<a href="#17.14">[14]</a>. + +<p>Vertellen kan WILLEM ook wel; dat blijkt ten deele uit zijne +fabels en de sproke <i>van Sinte Gheertruden min</i>, maar vooral +uit de twee boerden <i>van het gestolen varken</i> en <i>van den Monnik</i><a href="#17.15">[15]</a>. +Welk een levendigheid en gang is in die verhalen, al worden +zij hier en daar vertraagd door de zucht tot leering en vermaning; +welk een talent van waarnemen en voorstellen; welk een +blijkbaar welbehagen ook in de behandelde stof! De door den +duivel bedrogen monnik vooral is kostelijk! Aan zin voor +echten volkshumor paarde deze spreker een loffelijk vermogen +van waarneming. Dat vermogen toonde hij in zijne verhalen; +hij toont het ook waar hij anderer of eigen gemoedsleven afbeeldt. +Hoe juist heeft hij die zwakke en zorgelooze menschen gezien, +die zich geene behagelijke zonden willen ontzeggen en denken: +als wij ouder worden zal onze zinnelijkheid vanzelf wel afnemen +en onze „nature vercouden". HILDEGAERSBERCH heeft het eerst +de verveling van den traag voortkruipenden tijd beseft en in +woorden gebracht:<a name="546"></a> + +<p class="quote">Als my die tijt verlanghen dede, +So had ic ziecte ende onghevoech, +Ic hoorde wat die clocke sloech, +Die tijt, die ghinc van ure tot uren<a href="#17.16">[16]</a>. +</p> + +<p>Meer dan een zijner kleinere stukken mag bevallig worden +genoemd. Zoo b.v. dat gedicht op het scheiden, dat aanvangt: + +<p class="quote">Ic heb op<a title="[margin: tegen.]"><sup>#</sup></a> scheyden horen spreken, +Dattet vroechde mochte breken +Onder tfolc, verre off naer, +Die uut dier nature beke +Mit ghenoechten soude leken, +En dede<a title="[margin: indien er niet was.]"><sup>#</sup></a> der argher nyders schaer, +Die menichwerve binnen der weken +Goet gheselscap doen versteken, +Die liever bleven tsamen daer, +Al moeten si scheiden ane vaer<a title="[margin: zonder vrees.]"><sup>#</sup></a><a href="#17.17">[17]</a>. +</p> + +<p>Ook is er in zijne poëzie hier en daer iets persoonlijks, dat +ons in een middeleeuwsch dichter door zijne zeldzaamheid treft +en dat wij vóór dezen slechts een enkelen keer hebben aangetroffen +bij MAERLANT, waar hij zijne grijze haren in den spiegel +ziet. Ik heb het oog o.a. op een reeds vroeger vermeld stuk, +dat wel een van des dichters laatste zal zijn: + +<p class="quote">Ic bin al moede, ic wil gaen rusten; +Van des mi wilen<a title="[margin: vroeger.]"><sup>#</sup></a> plach te lusten +Des wordic sat, en weet niet hoe. + enz.<a href="#17.18">[18]</a> +</p> + +<p>Ook op de inleiding van het gedicht <i>Van Ghilden</i>, waar hij +op zoo naïeve wijze getuigt hoe onzeker en schroomvallig hij +zich gevoelt door zijn gemis aan kennis en ontwikkeling. Altijd<a name="547"></a> +is hij bang in strijd te komen met „die scrifture", wanneer hij +iets gemaakt heeft. Die „anxte zwaer" voor de wijsheid, die in +geschriften ligt opgetast, benauwt hem, drukt op zijn denken +en zijn verbeelding, als het net op een vogel. Denkt hij over +iets na, dan schiet hem tevens te binnen dat dit alles misschien +lang en breed in een of ander geschrift te vinden is: + +<p class="quote">Want die clergie<a title="[margin: de geleerden.]"><sup>#</sup></a> is so subtijl: +Daer ic om peynse lange wijl, +Dat vinden sy varinc<a title="[margin: schielijk.]"><sup>#</sup></a> inder scrift; +Dit doet dat ic met anxten dicht. +Anxte die heeft my veel becoort, +Als ic dichte of brenghe voort +Enigherhande hoghe sake<a href="#17.19">[19]</a>. +</p> + +<p>In die stemming moet hij dikwijls verkeerd hebben en het +behoeft geen betoog dat zijne poëzie daaronder geleden heeft. +De boerde <i>van den Monnik</i> en, in mindere mate, die <i>van het +gestolen varken</i> toonen ons wat hij kan, indien hij zich durft +laten gaan; doch vermoedelijk zal hij zelf deze stukken niet +hoog hebben gesteld. Opmerkelijk is het, wat er onder +zijne handen wordt van de fraaie geestelijke romance <i>van +Sinte Gheertruut</i><a href="#17.20">[20]</a>. WILLEM'S bewerking heeft meer dan +driemaal den omvang van de romance; in dichterlijke waarde +echter overtreft het lied van den volksdichter de sproke van +den spreker: de eerste is een werk van verbeelding, de +laatste hoofdzakelijk verstandswerk. Het is er HILDEGAERSBERCH +van den aanvang af om te doen, zijnen hoorders de +beteekenis van de Sint-Geerteminne uit te leggen; ook andere +deelen der stof wenscht hij voor het verstand zijner hoorders +aannemelijker te maken, zoo b.v. de reden waarom SINTE +GHEERTRUUT juist tot SINT JAN zich zoozeer aangetrokken voelde. +Het gansche verhaal trouwens geeft hij aan zijn publiek ter leering:<a name="548"></a> + +<p class="quote">By desen <i>exempel</i> moochdi leren, +Dat hem nyemant en laet bedrieghen. +</p> + +<p>en hij verzuimt niet zich meer dan eens tot zijne hoorders te +richten met een stichtelijke waarschuwing of opwekking. + +<p>De ridder in de sproke is, evenals zijn maker, iemand in +wien het verstand overheerscht, die redeneert, en, waar hij +eens onverstandig handelt, daarover door den dichter berispt +wordt: „Doe en dede hi niet als die vroede." Hij gevoelt wel +liefde voor SINTE GHEERTRUUT, doch het is hoofsche liefde: + +<p class="quote">Ghestade te bliven in horen dienst +Sonder enich dorperheit; +</p> + +<p>De ridder in het volkslied is een type van gewone menschelijkheid; +hij houdt van eten en drinken en tournooien en ledigt +den beker tot den bodem; hij kan zijn hartstocht voor de schoone +non tenauwernood bedwingen: als hij haar in het klooster eens +niet mag zien of spreken, vreest hij dat zijn hart breken zal. + +<p>Uit verbeelding en hartstocht ontstond in het lied de poëzie +die uit de sproke geweerd is door zucht tot leering en stichting. +Nergens blijkt dat zoo duidelijk als bij het eerste afscheid van +den ridder, wanneer hij al zijn goed in den dienst van SINTE +GHEERTRUUT heeft verteerd. De overeenkomstige deelen van +beide gedichten volgen hieronder: + +<table> +<tr><td><p class="quote"> <i>Lied</i> (c. 10–14). + +Drie jaer lanc heeft die ridder dit + [ghepleghen, +Des so en heeft hi niet behouden: +Sijn schat ende sijn goet heeft hem + [altemael begheven, +Des hadde die ridder also groten rouwe. +„Adieu, goet lief ende blijft ghesont, +„Adieu, ende ic moet immer van u + [scheiden! +„Die wech en is mi niet becant, +„Te dwalen aen gheenre wilder heiden. + +„Och, lacy, god, het is altemael verloren: +„Wat coste dat ic daaraen hebbe geleit! +„Hadde ic dat so wel gheweten te voren, +„Ic woude van der joncfrouwen hebben + [ghescheiden." + +Dus is die ridder uutghestreken +In eenre duustre avontstont, +Hi is gaen dwalen aen gheenre wilder + [heiden, +Die wech en was hem onbecant. + +Doe dat quam omtrent der middernacht, +Druc ende liden so ghinc den ridder an, +Die viant<a title="[margin: de duivel.]"><sup>#</sup></a> die hadde + [hem also schier verwracht, +Hi stont gheschapen of dat waer een man.</p></td> +<td><p class="quote"> <i>Sproke</i> (vs. 148–170). + +Daer nae wart hi des ghevens mat, +Want sinen staet die quam ten + [ende. +Doe was die ridder in ellende, +Ende hi en wiste hem ghenen raet: +Dat dede, hi most sijn hoghe staet<a name="549"></a> +Dalen laten aen sinen danck. +Doe wort sijn hope al te cranck, +Ende hi dochte in sijn moet: +„Al creghe ic dese joncfrou goet, +„Ic en mochtse niet in eren + [houden, +„Waer op so willic mi verhouden +„Off verstroyen tenighen tijden?" +Doe most die ridder sorghe lyden, +Des hi onghewone was +Daer te voren, als ic las. +Ende als hi stont in dit ghepeyns +Ende dochte harwaert ende + [gheyns, +Doe quam die bose tot hem + [ghegaen +Ende was recht als een man + [ghedaen. +So wye dat in wanhope sy, +Daer is die vyant gheerne by; +Want hy en<a title="[margin: hem.]"><sup>#</sup></a> dan best + [becoren mach, +So poecht hire om nacht ende dach.</p></td></tr></table> + +<p>Maar ook elders in de beide gedichten: het sluiten van het +contract met den Booze, het drinken van den beker van Sint-Geerteminne, +de tweede samenkomst van den ridder met den +duivel zien wij dergelijke tegenstellingen als in de boven +medegedeelde stukken. Opmerkelijk is ook, dat bij die tweede +samenkomst in het volkslied SINTE GHEERTRUUT, blijkbaar +onzichtbaar voor den ridder achter hem te paard gezeten, +den Booze ontzag inboezemt. HILDEGAERSBERCH die dit voor<a name="550"></a> +eene heilige minder passend zal hebben gevonden, maakt er +geen gewag van. + +<p>De indruk, dien WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH'S persoon +en werk ten slotte bij ons achterlaten, heeft iets droevigs: een +dichter van eenig talent die gaarne zijne roeping als dichter +zoo goed mogelijk zou vervullen, daarin belemmerd of verhinderd +door den dwang van zijn beroep; dien de ontwakende +wetenschap schroomvallig maakt, zoodat hij zich niet durft laten +gaan; die zich verplicht acht, echte poëzie waar hij die bij een +ander vindt, weg te werken voor leering en stichting; die +scheidt uit dit leven in de neerdrukkende overtuiging dat hij +tevergeefs heeft geleefd. + +<p>Echter, ook zóó is hij den geschiedschrijver lief als een +merkwaardig type van de dichters der 14<sup>de</sup> eeuw; merkwaardig +ook als vertegenwoordiger der kleine Hollandsche volkseenheid +waartoe hij behoorde. Stond MELIS STOKE nog vijandig tegenover +de Vlamingen—deze Hollander vond zijne voorname leermeesters +in den Vlaming MAERLANT en den Brabander BOENDALE. +In HILDEGAERSBERCH'S werk zien wij voor het eerst +dien ontwikkelenden invloed, door het Zuiden op het Noorden +geoefend, waarvan wij ook in het vervolg van dit werk meermalen +zullen gewagen.<a name="551"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.1">1</a>: Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken +door BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts +naar hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk +overzicht van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld +in <i>jahrbuch d.V.f.N. Sprachf.</i>, XII, 106; XV, 39 flgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.2">2</a>: <i>Ged.</i>, bl. 127.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.3">3</a>: Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op de <i>Gedichten</i>, +bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot +de <i>heren</i> o.a. bl. 16, 23–24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127–8; +109, 167; 111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14–18; 166, 224; 183, 115; +216, 257. <i>Van den X Gheboeden</i> op bl. 12 der <i>Gedichten</i>.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.4">4</a>: <i>Ged.</i>, bl. 45, 32–34; 71, vs. 14–17; 155, 153–4.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.5">5</a>: <i>Ged.</i>, bl. 173, 131–2.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.6">6</a>: <i>Ged.</i>, bl. 21, 82; 90, 68 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.7">7</a>: <i>Ged.</i>, p. 73, n<sup>o</sup>. 34; 195, 38–42; p. 240 (n<sup>o</sup>. 114). Over den +invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot de <i>Stroph. Ged.</i> (edd. +FRANCK en VERDAM), p. LXXXIX.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.8">8</a>: <i>Ged.</i>, bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65–7; 71, 25 vlgg.; +149, vs. 46.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.9">9</a>: Vgl. o.a. <i>Ged.</i>, 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61, +5–8; 107, 18; 156, 77–78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139, +61; 96, 104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139–141.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.10">10</a>: <i>Ged.</i>, 25, 8; 36, 12–25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123; +55, 190; 146, 290–2.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.11">11</a>: <i>Ged.</i>, 164, 26; 109, 149 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.12">12</a>: <i>Ged.</i>, bl. 40 (n<sup>o</sup>. XIX <i>Van Mer.</i>); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101, +73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.13">13</a>: Opvatting zijner taak als dichter vgl. <i>Ged.</i>, 16, 1; 45, 18–20; +53, 1; 66, 9–10; 169, 10–23; 247, 5–7. Over zijn zwerven en zijn +tegenspoeden, bl. 183 (<i>Van der Avontuer</i>); invloed zijner poëzie:<a name="552"></a> +<i>Ged.</i>, 226, 17–21; 236, n<sup>o</sup>. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66, +vs. 9–10; 183, 1–8; 236, n<sup>o</sup>. 111; 239, n<sup>o</sup>. 113; 249, n<sup>o</sup>. 119. +Voorstelling van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201, +121-'2; 202, 213-'6. Nalatenschap <i>Inleid.</i> tot de <i>Ged.</i>, IX.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.14">14</a>: <i>Ged.</i>, 2, 116–117; 31, 109–132; 245, 137–150.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.15">15</a>: De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche +fabliau <i>du Boucher d'Abbeville</i> (Recueil de Fab. van Montaiglon et +Raynaud, III, 227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.16">16</a>: <i>Ged.</i>, 242, 36.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.17">17</a>: <i>Ged.</i>, bl. 116.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.18">18</a>: <i>Ged.</i>, bl. 236.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.19">19</a>: <i>Ged.</i>, bl. 117; vgl. ook vs. 16 „mit anxten zeer bevaen" en +vs. 20, 23.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="17.20">20</a>: In <i>Het Lied in de Middeleeuwen</i>, bl. 605 vlgg. is door mij +aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide +gedichten (vgl. bl. 616–617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat +het volkslied het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH +is omgewerkt. Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht +van H. de vermelding van eene bron vinden in vs. 162: „als ic las."]<a name="553"></a> + +<hr> + +<h2>DIRC POTTER.</h2> + +<p>Naast het werk van HILDEGAERSBERCH plaatsen wij dat van +DIRC POTTER als een ander type van veertiend'eeuwsche +dichtkunst. + +<p>POTTER, een Hollandsch edelman, diende eerst graaf ALBRECHT, +later WILLEM VI, daarna Vrouwe JACOBA als secretaris. +In die hoedanigheid vergezelt hij zijne meesters op reis en +wordt ook wel met zendingen belast; een tijd lang vervult hij +den post van baljuw van den Haag. Voor zijne getrouwe diensten +wordt hij door Graaf WILLEM beloond met de hofstede ter Loo +in het ambacht van Voorburg, waar een paar eeuwen later een +andere secretaris van Hollandsche vorsten zich een buitenverblijf +zou stichten. + +<p>Toen hij in 1428 gestorven was, bleef JACOBA zijne goede +diensten in dankbare gedachtenis houden; de zoon van den +trouwen dienaar, GERRIT POTTER VAN DER LOO, zag het erf, +hem door zijn vader nagelaten, met nog vijftien morgen lands +vergroot<a href="#18.1">[1]</a>. + +<p>In zijne jonge jaren, aldus vertelt POTTER zelf ons, werd +hij met een geheime zending naar Rome belast. Hij bleef er +langer dan een jaar. Overviel hem bij wijlen de melancolie—zou +het geen heimwee zijn geweest?—dan ging hij wandelen +langs een stroomend water. Daar verschijnt hem vrouw Venus +die hem opwekt in een gedicht „den loop der minne" te beschrijven, +opdat ridders, edele vrouwen en schildknapen daaruit +mogen leeren wat liefde en minne is. Aan die opwekking gaf<a name="554"></a> +hij gehoor en schreef het werk, dat door hem zelven <i>der +Minnen Loop</i> is genoemd<a href="#18.2">[2]</a>. Mogen wij POTTER'S voorstelling +van zaken naar de letter opvatten, dan had hij, toen hij zijn +gedicht schreef, met de liefde afgerekend. Zelf had hij meer +last dan lust van haar gehad: „wat hij jaagde, bleef ongevangen"; +den zoeten drank had hij nooit gedronken<a href="#18.3">[3]</a>. Nu wilde hij +jongeren met zijne ervaring van dienst zijn, hun het rechte +pad wijzen, hen waarschuwen voor het kwade. + +<p>Doch van welken aard zijne beweegredenen ook mogen geweest +zijn, in allen gevalle moet zijn werk worden aangeduid +als een <i>leerdicht</i>. De woorden <i>leer</i> en <i>leeren</i> vloeien hem telkens +uit de pen: „had hij maar gedacht aan zijne leer!" zegt +hij van een ongelukkigen minnaar, die niet op zijne hoede is +geweest en ten gevolge daarvan met een hamer „opten cop" +werd geslagen, zoodat hij nooit meer een minnebrief schreef. +„Denkt maar aan deze leer!" zegt hij tot de minnenden, „dan +dwaalt gij niet van het rechte pad af." Een minnaar moet <i>leeren</i>; +vóór alles moet hij geduld leeren: vrouwen zijn veranderlijk, +haastigheid is nooit goed, en dan: de boom valt immers niet +met den eersten slag? + +<p>In overeenstemming met het karakter van het leerdicht heeft +POTTER zijn werk verdeeld in vier boeken, die achtereenvolgens +handelen over dwaze, goede, ongeoorloofde en geoorloofde +liefde. In de goede reine liefde onderscheidt hij weer vier +graden, zooals de mystieken die in de goddelijke liefde +aannamen. De inhoud dier boeken bestaat in tal van meer of +minder bekende liefdesgeschiedenissen, telkens besloten met een +les of eene waarschuwing; niet zelden ook gaat een of andere +algemeene zedekundige stelregel vooraf en dient het dan volgend +verhaal als „exempel". Tusschen <i>der Minnen Loop</i> en +een leerdicht als <i>De Spiegel der Zonden</i> is dus alleen dit verschil, +dat de liefde hier de plaats der hoofdzonden inneemt en dat<a name="555"></a> +de „exempelen" in het eerste werk meer plaats beslaan dan in +het laatste. Ook de neiging tot spreuken en spreekwoorden en +wendingen als: „kinder mijn", „salighe wiven", „lieve vrienden" +ontbreken hier niet. Dat deze leerdichter slecht te spreken is +over den „scalken vos Reynaert", kan ons niet verwonderen<a href="#18.4">[4]</a>. + +<p>Evenals de overige leerdichten is ook <i>der Minnen Loop</i> een +vrucht vooral van lectuur. De secretaris der Beiersche graven +van Holland was een groot lezer, zooals hij zelf ons meer dan +eens vertelt. De Godheid contempleeren, dat liet hij den theologen, +de medici mochten zich moeien met hetgeen den zieken +te pas komt, de wetgeleerden met hunne codices en digesten—„poëten +ende historiën zanck" dat was wat hem smaakte. +Vrouw Venus zelve wekt hem dan ook op, allerlei liefdesgeschiedenissen +in zijn geheugen terug te roepen om ze aan +anderen opnieuw te vertellen. + +<p>Tal van verhalen, aan OVIDIUS' <i>Heroïdes</i> en <i>Metamorphosen</i> +of aan den Bijbel ontleend, zijn door POTTER in zijn werk +gevlochten: <i>Pyramus en Thisbe</i>, <i>Hero en Leander</i>, <i>Phoedra en +Hippolytus</i>, <i>Ahasverus en Vasthi</i>, <i>David en Michol</i>, <i>Jacob's +dochter Dina</i> zijn eenige der meest bekende. Ook van elders +heeft hij zijne stoffen ontleend; hij kent blijkbaar het werk van +den Duitschen „minnesinger" NEIDHART VON REUENTAL („Heer +Nytert van Ruwendael"), den roman <i>van Tristan en Isolde</i> en +WOLFRAM VON ESCHENBACH'S <i>Titurel</i>; ook de romans <i>van +Malegijs</i> en <i>van Parcival</i> en eene novelle als die <i>van Griseldis</i>, +hier onder den naam <i>van Orphaen en Lympiose</i><a href="#18.5">[5]</a>). POTTER +is zoozeer vervuld van zijne literaire herinneringen, dat hij +soms een beroep doet op de lectuur van zijn publiek. In het +verhaal <i>der Borchgravinne van Vergi</i> dat ook door hem in zijn +werk is opgenomen, zegt hij tot zijn lezers of hoorders: + +<p class="quote">Dat hebdi lichte ghelesen mee.<a name="556"></a> +</p> + +<p>De heldin van een zijner verhalen, PERNELLA, leest in een +of ander geschrift dat men in een liefdesbetrekking goeden +dienst kan hebben van een vertrouweling; eerst die mededeeling +brengt haar op de gedachte zich te verzekeren van de hulp +eener kamenier. Aan het slot van zijn werk verzuimt POTTER +niet, de eerbare vrouwen eraan te herinneren dat de dichters, +zooveel over haar geschreven hebben<a href="#18.6">[6]</a>. + +<p>Het is begrijpelijk, dat in het werk van een auteur die +zooveel las, zich de invloed der vroegere literatuur vertoont; +dat denkbeelden en opvattingen, langzamerhand door de +literatuur tot gemeen goed geworden, in zijn werk worden +aangetroffen. + +<p>De kleurensymboliek die wij hier en daar in <i>der Minnen +Loop</i> vinden; het ontstaan van een dichtwerk uit eene „fantasie" +waarin de dichter eene verschijning ziet; eene „vraghe" door +den auteur aan zijn publiek gesteld, en die hij zelf niet kan +„solveren"; het noemen van zijn naam in de aanvangsletters +der slotregels van zijn gedicht—dat zijn altemaal trekken die +wij ons uit de poëzie vóór POTTER herinneren<a href="#18.7">[7]</a>. + +<p>De gansche voorstelling der liefde als een „verband der +herten" herinneren wij ons reeds uit den <i>Wapene Martijn</i>. En +waar wij POTTER met nadruk hooren beweren dat alle verschil +van stand voor de liefde moet wijken en met blijkbare instemming +vermelden dat de gemaal van LYMPIOSE deugd boven +afkomst stelde, zouden wij ook daar niet aan MAERLANT'S +invloed moeten denken? + +<p>Eene herinnering aan HILDEGAERSBERCH vinden wij misschien +in POTTER'S klacht over zijn vijand „die avontuyer", die hem +in de minne altijd ongunstig was geweest. BOENDALE'S invloed +zien wij in de gelijkstelling van leeken en geestelijken; die wij +aantreffen in deze regels:<a name="557"></a> + +<p class="quote">Elck dient bijsonder sinen God: +Soe wael dient Gode Hein ende Han<a title="[margin: Jan, Piet en Klaas.]"><sup>#</sup></a>, +Ghelijck doet een begheven man<a title="[margin: kloosterling.]"><sup>#</sup></a>, +Al staet die een in hogher scouwe. +</p> + +<p>Ook in POTTER'S verheffing van het huwelijk boven den +ongehuwden staat en in zijn onderscheiding van <i>vrouwen</i> en +<i>wiven</i> mogen wij staaltjes van BOENDALE'S invloed vermoeden<a href="#18.8">[8]</a>. + +<p>Het spreekt vanzelf, dat in het laatste geval behalve met +BOENDALE'S invloed rekening moet gehouden worden met den +ganschen tijdgeest; immers ook in dit onderscheid openbaarde +zich die vrouwendienst die zulk een gewichtig aandeel heeft +gehad in de gemoedsontwikkeling der moderne volken. + +<p>Het loont de moeite na te gaan, hoe die vrouwendienst door +dezen Hollandschen edelman is opgevat, wat hij daaruit heeft +overgenomen en in hoever zijn oorspronkelijk wezen daardoor +ongewijzigd is gebleven. + +<p>Met DIEDERIC VAN ASSENEDE en zoo menig ander hoofsch +dichter van vroegeren tijd is POTTER het eens, dat geen recht +begrip van liefde kan wonen in „rude menschen van grover +aert": boeren, visschers, slagers, smeden, spitters en delvers, +monniken, schippers en allerlei ambachtslui zijn nooit door de +liefde ten verderve gevoerd. Toch maakt hij ééne uitzondering +en wel voor hen „die van naturen edel sijn" en die hij plaatst +nevens de lieden „van goeder gheboort". Hij kan zich wel +voorstellen dat een minnend paar waant in het bezit te zijn +van „een graal van zaligheid". Minachtend laat hij zich uit +over huisbakken jongens die te dikhuidig zijn om de liefde te +begrijpen. Overal houdt hij in zijn werk de eer hoog. Zijn +kieschheidsgevoel is reeds vrij ontwikkeld: bij verhalen als dat +van PASIPHAË en van VIRGILIUS' wraak op een meisje dat hem +in een mand ten toon had gesteld, schaamt hij zich voor zijne<a name="558"></a> +hoorderessen of lezeressen en verontschuldigt zich over zulke +mededeelingen. Ook heeft hij een goeden dunk van de vrouwen +zijner dagen; hij twijfelt er niet aan dat men er onder de +eerbare goede vrouwen nog wel zou vinden die voor hare +mans zouden willen sterven<a href="#18.9">[9]</a>. Maar niet zoozeer is hij in +bewondering voor de vrouwen of hij blijft indachtig dat zij +toch menschen zijn en veranderlijke menschen, die wel eens +„neen" zeggen als zij „ja" meenen. De vrouw moet „heer" zijn +en de man „knecht"—ja, zegt POTTER, dat geldt voor de +rechtbank der liefde, maar in het huwelijk is het iets anders: +„daer sal die man een voocht<a title="[margin: de baas.]"><sup>#</sup></a> wesen". + +<p>Al die liefde en vrouwendienst is heel mooi, maar ten slotte +staat toch de huwelijksliefde het hoogst. In overeenstemming +daarmede handelt het tweede boek dat verreweg het omvangrijkst +is, over de „goede reine minne"; het derde, verreweg het +kleinste, over de ongeoorloofde liefde<a href="#18.10">[10]</a>. + +<p>In zulk eene beschouwing van vrouwen en vrouwendienst +kon bezwaarlijk plaats zijn voor eenig medegevoel met den +hartstocht. Eene liefde als die van MEDEA, DIDO, HELENA, +ARIADNE, rangschikt POTTER dan ook onder de „gecke minne". +Hartstocht die aan een minnaar of eene minnares het leven +kost, daar kan hij niet bij: + +<p class="quote">Om sulc wee te bliven doot, +Dat en docht mi sijn gheen noot. +</p> + +<p>HERO zou hem bijna verteederd hebben. Wanneer hij de +droeve geschiedenis dezer twee koningskinderen die elkander +zoo lief hadden, verteld heeft en hoe HERO met LEANDER'S +lijk in zee springt, dan geraakt hij zelf onder den indruk en +stemt een lofzang aan voor de trouwe liefde: + +<p class="quote">O edel vrouwe ende goede man, +Hier sal men truwelic deyncken an.<a name="559"></a> +Hier liet truwe<a title="[margin: trouwe.]"><sup>#</sup></a> truwe bliken. +Der truwen en woude sy niet bezwiken. +Die wile si leefden waren sy +Onverscheiden ende wandels vry: +Dus sijn sy in der lesten noot +Onghescheiden ghebleven doot. +Daer wrocht Venus den rechten aert. +</p> + +<p>Maar te rechter tijd komt hij nog tot bezinning en besluit +zijn lofzang met: + +<p class="quote">Nochtan waer beter tlijff[het leven.] ghespaert, +Also als ic voer hebbe bescreven. +</p> + +<p>Liefde is goed, maar—getemperd: + +<p class="quote">Minne sal sijn te maten heet, +Te maten cout ende wail ghesmeet +.... +Vrou mate is een edel vorstinne. +</p> + +<p>Hollandsche bezadigdheid kwam hier in botsing met uitheemschen +hartstocht, Hollandsche zedelijkheid met geïdealizeerde +zinnelijkheid. Toch is POTTER'S gevoel van zedelijkheid niet +bijzonder hoog ontwikkeld. Kan een minnend paar zich volstrekt +niet bedwingen, dan moeten zij hun gang maar gaan—indien +het dan slechts heimelijk gebeurt, zoodat de eer naar de wereld +ongeschonden blijft. De wagenmenner MIRTHOÜS helpt door +bedrog zijn meester PELOPS aan het bezit der schoone +HIPPODAMIA; PELOPS heeft MIRTHOÜS zijn deel in dat bezit +beloofd; als MIRTHOÜS zijn meester nu komt manen om de +vervulling der belofte, werpt PELOPS hem in zee waar hij verdrinkt. +POTTER vindt dit volmaakt billijk: aan een onredelijken +eisch moet op onredelijke wijze voldaan worden; deze boef +kreeg loon naar werken.<a name="560"></a> + +<p>Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk, +dat gaat niet aan, zegt POTTER. De eer van den man +lijdt er naar de wereld niet onder of hij al eenige bastaarden +heeft; bij de vrouw is dat heel wat anders. Ook heeft men +dikwijls gehoord dat heidensche vorsten en andere mannen +twintig, veertig of honderd vrouwen hadden, doch ééne vrouw +twee mannen—nooit! Kortom, het is een verschil als van +dag en nacht<a href="#18.11">[11]</a>. + +<p>POTTER moge kennis gemaakt hebben met het werk van +GODFRIED VON STRASSBURG en van WOLFRAM VON ESCHENBACH, +hij moge OVIDIUS' <i>Heroïdes</i> en <i>Metamorphosen</i> hebben +gelezen—een dichter als zij is hij niet geweest. Het licht en +liefelijk spel van GODFRIED'S verbeelding, WOLFRAM'S diepte +en innigheid, de fijnheid en bevalligheid van OVIDIUS, men +zoekt ze in zijn werk tevergeefs. + +<p>Dat POTTER'S smaak nog niet zeer ontwikkeld was, gaat +men reeds vermoeden wanneer men eene vermelding van +PARCIVAL'S zoeken naar den Graal aantreft op bedenkelijk +korten afstand van de jacht op een wilden witten haas, die +door een vijftal gezellen drie jaar lang werd voortgezet. Dat +vermoeden wordt versterkt, waar wij hier en daar slordige of +lamme rijmen aantreffen en platte beeldspraak. In het eerste +boek, van de „gecke" minne, zegt hij tot de vrouwen: hebt +gij last van de liefde, weest dan voorzichtig in de keus van +uw minnaar of zooals hij het uitdrukt: kookt uw spek in goed +rivierwater! Van minnende paren heet het elders: + +<p class="quote">Sijn zij in kercken of in clusen, +Die cat siet altoos na den musen. +</p> + +<p>Een minnaar kan veel dienst hebben van een vertrouwden +vriend, maar laat hij oppassen dat uit den vriend geen medeminnaar<a name="561"></a> +worde, die de „potage met het spek" naar zich toe +haalt<a href="#18.12">[12]</a>. Doch tegenover zulke plaatsen die bovendien niet +talrijk zijn, staan vrij wat andere die getuigen dat POTTER, +al was hij geen groot dichter, toch niet van talent ontbloot was. +Verdienstelijk is b.v. zijn lofzang op de + +<p class="quote">Rechte mynnentlike minne, +Die den menschen in den zinne +Verwerret lecht ende ghestricket. +</p> + +<p>Hoe aardig is in het eerste boek de schets van den jeugdigen +zot, die door een meisje voor de grap als minnaar is +aangenomen, slechts voor deze Meimaand en niet langer. Wat +is dat zomergekje dan opgewonden! Hij brengt zijn liefste een +meitak, hij vertelt aan een van zijne vrienden uit Zotteghem—soort +zoekt immers soort?—dat hij een liefje heeft die doet +wat hij wil; samen gaan zij er op uit om haar ergens te zien. +Gebeurt hem dat, dan is het al te mooi, dan moet er een +dronk op staan: + +<p class="quote">So sal hi dan sijn gheselle gaen slepen +In den wijn; daer gaen si sitten. +Die wile hi zweeft in deser hitten, +So werpt hi sijn arm in die lucht +Ende maect een heerlic gherucht<a title="[margin: geroep.]"><sup>#</sup></a>: +„Wy hou! ic heb minen boel ghesien! +„Huden<a title="[margin: heden.]"><sup>#</sup></a> en mach mi niet misschien<a title="[margin: niets kwaads overkomen.]"><sup>#</sup></a>!" +Vrolic is hi mit ghesanghe. +So vraghen die ander also langhe, +Dattet die heelghesel al seit, +Wair dat Hannen sin op steit. +Des wondert den ghesellen dan +Ende segghen: „Is Hannen alsulken man?"<a name="562"></a> +Ende dat hoert Hannen al te gaern, +Dat die ghesellen van der tavaern +Weten van sire minnen staet<a href="#18.13">[13]</a>. +</p> + +<p>Kon POTTER de kunst van OVIDIUS al niet navolgen, veel +min evenaren, men kan toch zien dat het verhaal van HERO +en LEANDER, zooals het in de <i>Heroïdes</i> voorkomt, indruk op +hem heeft gemaakt; zijne bewerking treft ons hier en daar +door een zachte bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt door +den welluidenden klank onzer middeleeuwsche taal. Zoo in +dat deel van het verhaal, waar HERO beschrijft hoe zij op +LEANDER zit te wachten: + +<p class="quote">Als my die vake dan bestaet +Ende twater an die mure slaet, +Soe waen ic alle weghe<a title="[margin: telkens.]"><sup>#</sup></a> dan +Dattu daer biste, mijn liefste man. +Wat ic lope, en vinde niet. +O wy! wat is my gheschiet! +Ic wachte, ic wake, twort my zuyr; +Ic sitte dromende by den vuyr; +My donct dan dattu by mi bist, +Dat alle gader niet en ist. +Als ic dan weder wakende werde, +So sitte ic noch bij den haerde +Ende droghe die schone sachte doecken. +O wy! ic mach dat water vloeken, +Dat so onstuyr<a title="[margin: onstuimig.]"><sup>#</sup></a> heeft gheweest +Van groten storme ende tempeest<a href="#18.14">[14]</a>. +</p> + +<p>En waar POTTER zich eens durft overgeven aan zijn gevoel, +omdat hij immers „van goede reine minne" spreekt, hoe verrast<a name="563"></a> +hij ons daar met dit liefelijk miniatuurtje van een paar +gelieven: + +<p class="quote">Daer legghen sy in groter lust: +Menichwerff wart dair ghecust, +Die lipkijns werden gheconreydet<a title="[margin: uitgestoken.]"><sup>#</sup></a>, +Vroechde meret, trueren beydet, +Menich guetlic, lieflic woert +Wort van beyden daer ghehoert, +Vriendelick drucken sy die armen, +In gueder vroechden sy hem warmen, +Lachende blencken dair die oghen, +Elck anderen troest van allen doghen<a title="[margin: verdriet.]"><sup>#</sup></a>: +Al waer hi sieck ende onghesont, +Elck ghenase in sulker stont. +Die witte kele ende wancskijn root +Mach men handelen daer al bloot. +Die borstkijns mach men wel anstoten, +Sijn sy niet te vast besloten, +Ende byeden hem gueden dach<a href="#18.15">[15]</a>. +</p> + +<p>In de beschrijving is POTTER sterker dan in het verhaal; +toch heeft hij ook als verteller zijne verdiensten. Een meester +in die kunst, zooals zijne oudere tijdgenooten BOCCACCIO en +CHAUCER, was hij niet, doch er is in zijn zestigtal sproken +van minne menig goed of aardig brok aan te wijzen, dat eene +plaats verdient nevens de beste der hiervoor behandelde sproken +van onbekende dichters. + +<p>Houden wij <i>der Minnen Loop</i> ten slotte naast een vroeger +leerdicht over dezelfde stof: <i>den Spiegel der Minnen</i> of den +<i>roman van de Roos</i>, dan merken wij vrij wat verschil op. +Het voornaamste punt van verschil is zeker, dat tegenover een +vertaald werk nu een werk is gekomen dat oorspronkelijk mag<a name="564"></a> +heeten, al heeft het—gelijk zoo menig ander oorspronkelijk +werk—een deel zijner stof van elders ontleend. Dat feit toont +reeds dat de Dietsche geest aan zelfstandigheid had gewonnen; +doch er is meer. Van de elementen, waaruit de <i>roman van de +Roos</i> bestaat, vinden wij er hier eenige terug, doch op andere +wijze dan daar verbonden. In <i>der Minnen Loop</i> is geen plaats +voor de minachting der vrouw, noch voor het scepticisme, +noch voor het cynisme, dat JEAN DE MEUNG kenmerkt, wel +voor een deel van den hoofschen eerbied, dien GUILLAUME +DE LORRIS de vrouwen toedroeg. Het zinnelijk element dier +hoofsche liefde is in het Hollandsch dichtwerk zwakker dan in +het Fransche; bij de goede reine liefde staat de Hollander het +langst stil; de huwelijksliefde staat voor hem het hoogst; jegens +den hartstocht is hij op zijne hoede. Die liefde, zóó opgevat, +is verwerkt door een didactischen geest die weer aan JEAN +DE MEUNG doet denken, tot een eenigszins schoolsch geheel, +waarin theorie en practijk des levens nog niet zijn versmolten, +doch onderling verbonden naast elkander staan als leering en +voorbeeld. + +<p>Menig lezer zal misschien van meening zijn, dat een Christelijk +Hollandsch dichter als POTTER tevreden kon blijven over +zijn werk. Hij had immers willen waarschuwen en leeren, en +aan het nuttige gemakkelijker ingang verschaft door het aangename? +Verhalen van minne, zelfs al waren zij verdicht, vonden +immers genade ook bij kunstrechters, die van de kunst bevordering +der zedelijkheid eischten? Zoo zou men meenen, doch +te onrechte. POTTER is gebeurd, wat menig dichter of verzenmaker +vóór hem was gebeurd: in zijn later leven kreeg hij +berouw over de literaire zonden zijner jeugd en trachtte die +met ander werk te boeten. + +<p>In zijn ouderdom schreef hij een werk, door hem zelven +<a name="565"></a> +<i>Blome der Doechden</i><a title="[margin: Bloem der Deugden.]"><sup>#</sup></a> genoemd, waarin hij <i>der Minnen Loop</i> +wel niet verloochent, maar toch scherp laakt<a href="#18.16">[16]</a>. + +<p>Op een vóór zijn werk geplaatst miniatuur zien wij op zinrijke +wijze den auteur van <i>der Minnen Loop</i> tegenover dien +van de <i>Bloem der Deugden</i> gesteld; die tegenstelling is door +POTTER zelf in den aanvang van zijn laatste werk bovendien +toegelicht. Die miniatuur toont ons in een lusthof een +„out simpel man" met een grauwen tabbaard, die met een +mestvork veel mooie, welriekende bloemen uit den grond haalt +en tevens vele leelijke bloemen en onreine, bitter smakende +kruiden. Die had hij alle te zamen in zijne onwetendheid en +onnoozelheid in één korf geworpen. Zóó, dat hij de goede niet +van de kwade had gescheiden, wat hem ook niet mogelijk was. + +<p>Tegenover hem zien wij een schoon jonkman, prachtig +gekleed, die een paar mooie bloemen uit den korf neemt. +Deze stelt den ouderen POTTER voor, die tot beter inzicht +gekomen is; want dat de auteur van <i>der Minnen Loop</i> voorgesteld +wordt als „van grover erde ende onghemaect van lijflijker +scoenheit" is slechts symboliek en daarom ook is de +oudere POTTER bekleed met uitwendige schoonheid en pracht. +Deze immers heeft de onwetendheid van dien groven mensen +bemerkt en de heilige goddelijke Drievuldigheid aangeroepen, +hem wijsheid te verleenen, opdat hij de goede, reine bloemen, +waar deugd in bloeide, mocht onderkennen van de overige. +Die bloemen der deugd heeft hij dus uitgelezen en bijeengebracht +in een zuiver vat. De overige heeft hij onachtzaam ter +zijde geworpen; laat niemand ze ter hand nemen, want steekt +iemand zijn hand in het pik, zij zal er in blijven steken. + +<p>Deze <i>Bloeme der Deugden</i> zou misschien kunnen goedmaken, +wat hij eertijds had misdreven met een ander boek „van +wer(l)tlijker mijnnen ende van menschelijker ijdel liefde die ut +vleyschelijker becoringhen hoeren oerspronck nemt" dat hij in<a name="566"></a> +zijne jonge jaren te Rome had gemaakt; over die liefde had +hij daarin veel geschreven en, naar hij vreesde, „meer dan +gode behagelijk was". Hij hoopt dat God hem dat zal vergeven, +omdat hij het had gedaan met een goede bedoeling. +In zijn tweede boek zal hij van die ijdele minne geen gewag +meer maken. + +<p>Wij vinden hier dan ook wel verhalen uit <i>Der Minnen Loop</i> +terug, doch alleen zulke die de auteur bij zijn strenger opvatting +van de zedelijke verplichtingen der kunst oorbaar achtte. +De neiging tot kleurensymboliek komt ook hier nog wel eens +voor den dag en de «bose Hecuba" die het in <i>Der Minnen +Loop</i> zoo moest ontgelden, wordt ook hier nog eens onder +handen genomen<a href="#18.17">[17]</a>. + +<p>Doch overigens heeft POTTER hier een werk geleverd zeer +verschillend van het werk zijner jonge jaren. De verdichte +verhalen zijn naar den achtergrond gedrongen of van het +tooneel verdwenen. De schrijver laat zich afkeurend uit over +„woerde in boerden voertgebracht om ghenoechte of corttinghe +des tijts sonder ernste"; over leugens van poëten die schoone +woorden schrijven, van „veel dichters ende sproeken sprekers +ende sonderlinghen<a title="[margin: in 't bijzonder.]"><sup>#</sup></a> in valsschen hystoriën"<a href="#18.18">[18]</a>. Sprak hij vroeger +luchtigjes over zijn onvoldoende kennis, liet hij de wetenschap +aan wie er lust in had om zich alleen aan „poetryen ende +oude gesten" te wijden—nu heeft hij zijne schade ingehaald. +De <i>Bloem der Deugden</i> is samengesteld uit den bijbel en de +werken van ARISTOTELES, SENECA, de Kerkvaders en menig +ander geleerd auteur. Deze, zijns inziens deugdelijker, stof +heeft hij scherp gescheiden in voorbeelden van deugd en van +ondeugd; want ook de ondeugd heeft hij in zijn boek opgenomen: +op elk hoofdstuk waarin een deugd behandeld en +toegelicht is, volgt een ander over de ondeugd die ertegenover +staat; immers: „witte verwe onderscheidt haer selven van der<a name="567"></a> +swertter, soe doet die ondoecht als die doecht daer bij +ghestelt wort"<a href="#18.19">[19]</a>. + +<p><i>Der Minnen Loop</i> is in verzen geschreven, de <i>Bloem der +Deugden</i> in proza. Ook dat verschil is in overeenstemming +met den aanwas van strakken ernst dien de ouder wordende +POTTER te zien geeft. „Soeticheit van sanghe van melodiën +ende die genoechten van instrumenten, van dansen ende +desghelijcs", het was nu alles uit den Booze. Had PYTHAGORAS +niet geleerd, dat de „luxurie" wast door instrumenten en melodieën +zooals de kruiden bij de oevers der rivieren?<a href="#18.20">[20]</a> + +<p>Wie zóó over poëzie en melodie dacht, zal het zich waarschijnlijk +tot plicht hebben gerekend, de schoonheidsontroering +waar zij in hem mocht opkomen te onderdrukken. De aesthetische +waarde van dit prozawerk in zijn geheel is dan ook niet +groot. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: waar +POTTER het fraaigebouwd gevoelig proza van SINTE BERNARDUS +onder de oogen krijgt, kan hij toch niet anders dan er mooi +Hollandsch proza van maken. Ook elders toont hij bij de +omschrijving van een deugd of een ondeugd de taal wel +meester te zijn, al moet ook hier natuurlijk de vraag naar de +oorspronkelijkheid veel gewicht in de schaal leggen<a href="#18.21">[21]</a>. + +<p>DIRC POTTER behoorde evenals WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH +tot de poëten van lager orde. Hij zelf is zich daarvan +wel bewust geweest<a href="#18.22">[22]</a>. Doch schoonheid is niet het eenige +wat een literair werk van vroegeren tijd belangrijk maakt voor +den geschiedschrijver. Naast de schoonheid staat het karakter. +Dat POTTER'S werk karakteristiek is als type van de poëzie +zijner eeuw, zagen wij reeds vroeger. En er is meer te noemen. +Een Hollandsch edelman die voor zijn pleizier, zij het ook met +de bijbedoeling om nuttige leering te geven, verzen schrijft +over wereldsche minne, is een type dat wij tot dusver niet<a name="568"></a> +ontmoet hebben; als zoodanig staat hij tegenover den beroepsdichter +HILDEGAERSBERCH en kondigt hij, ook als verteller, den +Zeeuw CATS aan<a href="#18.23">[23]</a>. + +<p>Opmerkelijk is in dezen Hollandschen edelman die wel gevoel +blijkt te hebben voor hoofschen vrouwendienst, de democratische +gezindheid waarin hij kunsten en wetenschappen verheft als het +middel waardoor de arme den rijke kan evenaren en overtreffen. +Opmerkelijk ook het gevoel van onafhankelijkheid tegenover +zijn publiek—zoo geheel anders dan bij HILDEGAERSBERCH +en andere sprekers en dichters—dat hem in den aanvang +van zijn Derde Boek doet zeggen: wie wil pogen in zijne +geschriften allen te behagen, die moet vroeg opstaan! Hij is +niet van plan zich daarover druk te maken, hij wil dichten +naar zijn eigen zin, en, zoo vervolgt hij: + +<p class="quote">Ist dat ic yet scrive hier in, +Dat den enen of oec den anderen +Niet en ghenoecht, die mach gaen wanderen +Ende latent anderen luden lezen<a href="#18.24">[24]</a>. +</p> + +<p>Die zelfbewuste onafhankelijkheid van geest is in dezen +vertegenwoordiger der veertiende eeuw eene flauwe voorafschaduwing +van later tijden. Dienzelfden indruk geven ons een +paar andere trekken van zijn werk en zijne persoonlijkheid. +Flauwtjes klinkt ons uit de verte het bellengerinkel van STULTITIA'S +narrenkap in het oor, waar wij in <i>De Bloem der Deugden</i> +lezen: „Mer, god betert, ic duchte die ghecheit vele meer +scolieren ende naevolgers heeft dan die wijsheit"<a href="#18.25">[25]</a>. + +<p>ERASMUS, de schrijver der <i>Laus Stultitiae</i>, doet ons denken aan +Italië. POTTER is, voorzoover wij weten, de eerste Nederlandsche +dichter die Italië heeft bezocht. Langer dan een jaar is hij er +gebleven, doch dat verblijf schijnt weinig of geen invloed te +hebben geoefend op zijne ontwikkeling. Of hij Italiaansch heeft<a name="569"></a> +gekend, mag betwijfeld worden. In allen gevalle maakt hij met +geen enkel woord gewag van de Italiaansche literatuur, en toch +waren DANTE, PETRARCA en BOCCACCIO reeds eenigen tijd +geleden gestorven en verbreidde hun roem zich al verder. Ook +van den invloed der Renaissance, wier profeet PETRARCA was +geweest, is in POTTER'S werk niets te bespeuren. Of wil men +als zoodanig de vermelding van een paar groote oude steenen +laten gelden<a href="#18.26">[26]</a>? Maar wat dan nog? + +<p>De ongunstige indruk dien POTTER van de Italianen kreeg, +zal hem niet hebben opgewekt, nader kennis te maken met +hun taal en hun kunst. „Ter wereld is geen vuiler volk", +zegt hij in zijn <i>Minnen Loop</i>; die vuile honden leven in allerlei +zonde; vrouwen slaan, daar stellen zij eene eer in; schelden +kunnen zij, „maer sy en willen niet ten zwaerde"; hebzuchtig, +onbetrouwbaar, verraderlijke gifmengers, leugenaars, roovers—dat +zijn zij. Maar de vrouwen zijn de „schoonste creaturen die +men kan vinden". Ook hun aangeboren spotlust heeft POTTER +blijkbaar geërgerd. Het zou mij niet verwonderen, indien de +Italianen met wie hij in kennis is gekomen, zich vroolijk hebben +gemaakt over zijn Hollandsch. Immers nog in de <i>Bloem der +Deugden</i> acht hij het noodig te verdedigen dat „een yeghelijc +sprect nae sijns lants taele"; en „daerom so sijnt in den iersten +dwase ende ongheleert die eenen anderen bespotten om sijnre +talen die hem van sijns lants weghen aengheboeren is"<a href="#18.27">[27]</a>. + +<p>Trouwens, ook de Henegouwers, Franschen of Vlamingen +onder wie zijne zendingen als grafelijk secretaris hem brachten, +kunnen zich over zijn Hollandsch vroolijk hebben gemaakt. +En ook dezen kan zijne ergernis gelden; want, overtuigd van +de voortreffelijkheid van eigen volk, heeft hij het op andere +volken niet begrepen. De goeden in het Duutsche land hebben +volgens POTTER het monopolie van de goede reine minne; +Lombarden, Engelschen en Walen hebben daar over het<a name="570"></a> +algemeen geen begrip van; enkelen mogen er zijn, maar dan +zeker niet over de bergen. Ook in zijn later leven was hij er +nog steeds van overtuigd, dat men de meeste ijdelheid en +„onnutte glorie" vindt in de Waalsche landen<a href="#18.28">[28]</a>. + +<p>POTTER'S gevoel en smaak waren nog niet zóó ontwikkeld, +dat de kunst der Oudheid een indruk op hem kon maken, +sterk genoeg om hem te dwingen tot eene uiting van eenige +beteekenis. Zijne eenzijdige en benepen beschouwing van het +Italiaansche volk zal hem hebben weerhouden van eene kennismaking +met hun taal en hun literatuur. CHAUCER die, eveneens +met eene zending naar Italië belast, een jaar te Genua +en Florence vertoefde, deed anders: hij kocht handschriften +der werken van DANTE, PETRARCA, BOCCACCIO, bestudeerde +die en bracht langs die nieuwe baan zijn eigen kunst tot hooger +ontwikkeling. + +<p>POTTER'S nationaliteitsgevoel was nog van dat enghartige +soort, dat zich openbaart vooral in overmatige verheffing van +het eigen volk en in vijandige gezindheid tegenover andere +volken. In beide opzichten was hij een type van zijn volk<a href="#18.29">[29]</a>. +Dat volk moest nog een aanzienlijk deel van de baan zijner +ontwikkeling afleggen, eer de herboren Oudheid haar invloed +ook in deze landen kon doen gevoelen, eer het nationaliteitsgevoel +ruimer en sterker kon worden. Op dat deel harer baan +zullen wij de ontwikkeling dezer volken nu gaan volgen.<a name="571"></a> + +<hr> + +<h3>AANTEEKENINGEN</h3> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.1">1</a>: Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel +aan het onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken +hebben, medegedeeld in LEENDERTZ' uitgave van <i>Der Minnen Loep</i>. +Vgl. ook het degelijk overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg. +BUSKEN HUET heeft in <i>Het Land van Rembrand</i> menige aardige of +geestige opmerking over POTTER en <i>der Minnen Loop</i> ten beste +gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel over HUET'S tekortkomingen +in dezen te hard—wie het om historische waarheid, +om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog verliezen, +dat ook in <i>Het Land van Rembrand</i> de schrijver der <i>Literaire +Fantasieën</i> aan het woord is.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.2">2</a>: Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is +niet gemakkelijk. Uit <i>Der Minnen Loop</i> zou men opmaken, dat POTTER +reeds een man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef. +Vgl. plaatsen als I, 73: „vesper is over langhe gheluut"; I, 949; +II, 2465; II, 4137. Maar in zijn tweede werk <i>Bloeme der Deugden</i>, +spreekt P. van <i>Der Minnen Loop</i> als van „een boec dat ic in jongen +tijden maecte te Rome."] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.3">3</a>: I, 169; II, 2394.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.4">4</a>: Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246; +I, 2091, 2372, 3025; III, 1104; I, 1841.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.5">5</a>: De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335. +De opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij +TE WINKEL, bl. 508 vlgg. + +<p class="footnote">De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men in <i>Der +Minnen Loop</i>, II, 705–6. De stof van het verhaal van den Spaanschen +schildknaap, die TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die +der boerde opgenomen in <i>Van Vrouwen ende van Minne</i>, n<sup>o</sup>. II (Inl. XVI).] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.6">6</a>: II, 560, 1430; IV, 2276.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.7">7</a>: II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.8">8</a>: I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18; +IV, 38 vlgg.; 1839-'42.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.9">9</a>: II, 665–704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621–2; III, 191; +IV, 1089 vlgg.]<a name="572"></a> + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.10">10</a>: I, 1225-'30; 2700 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.11">11</a>: I, 459–460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.; +I, 3116-'7, 3129-'30; II, 1798–1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV, +365–386, 612 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.12">12</a>: I, 1280 vlgg.; 585–6, 613–614, 1379-'80; IV, 1005-'6; +I, 3207-'9; II, 815-'6; 3894-'6.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.13">13</a>: I, 736 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.14">14</a>: II, 297 vlgg.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.15">15</a>: II, 1299–1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9; +ik geef slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.16">16</a>: Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige +wijze, uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder, +onder den titel <i>Dat Bouck der Bloemen</i> (Hoogstraten, +L. VAN HOOF—ROELANS, 1904). Dat dit werk van POTTER is, kan +niet betwijfeld worden door iemand die met een weinig kennis van +zaken de eerste bladzijden (7–12) leest en dan let o.a. op de vermelding +van het ambt door den auteur bekleed (de „yseren roede" +vgl. <i>M. Loop</i>, I, 78–79), op het „boec van wer(l)tlijker minnen" +dat hij „in jonghen tijden maecte te rome", op alle in <i>Der Minnen +Loop</i> voorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek +worden genoemd. De „lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt, +zal misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien +wij reeds spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der +kroniek van Froissard.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.17">17</a>: Vgl. bl. 9, 54, 97.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.18">18</a>: Bl. 35–36.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.19">19</a>: Bl. 9.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.20">20</a>: Bl. 79.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.21">21</a>: Vgl. b.v. bl. 10, 31 (<i>wreetheit</i>), bl. 85 (<i>gierigheid</i>) en passim.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.22">22</a>: Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.23">23</a>: I, 66; II, 636.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.24">24</a>: I, 1–25; III, 1–17.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.25">25</a>: Bl. 44.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.26">26</a>: I, 2613; II, 3207.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.27">27</a>: <i>Der Minnen Loop</i>, III, 98 vlgg.; <i>Bl. der Deugden</i>, bl. 43.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.28">28</a>: <i>M. Loop</i>, II, 721 vlgg.; <i>Bl. der Deugden</i>, bl. 101.] + +<p class="footnote">[Voetnoot <a name="18.29">29</a>: Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen +tijd <i>Giotto</i> schijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet +ontzenuwen.]<a name="573"></a> + +<hr> + +<h2>ALPHABETISCH REGISTER[*].</h2> + +<p class="footnote">[Voetnoot *: Alle namen van dicht- en prozawerken zijn cursief gedrukt.] + +<h3>A.</h3> + +<p><i>Aechte (Van Sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>–138.<br> +<i>Aiol</i>, I, <a href="#94">94</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#100">100</a>.<br> +<i>Alexander den Groote (Leven van)</i>, I, <a href="#362">362</a>.<br> +<i>Alexander</i>, I, <a href="#230">230</a>–235, <a href="#239">239</a>.<br> +Alpertus' <i>De diversitate temporum</i>, I, <a href="#22">22</a>.<br> +<i>Amadas en IJdoine</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br> +<i>Amand (Leven van Sint)</i>, I, <a href="#349">349</a>–351.<br> +<i>Amand (Leven van S.)</i> Latijn, I, <a href="#17">17</a>.<br> +<i>Anno-lied</i>, I, <a href="#21">21</a>.<br> +<i>Ansfried (Loflied op bisschop)</i> Latijn, I, <a href="#20">20</a>.<br> +<i>Artur's dood</i>, I, <a href="#109">109</a>.<br> +<i>Aubri de Borgengoen</i>, I, <a href="#95">95</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br> +Augustijnken van Dordt, I, <a href="#497">497</a>, <a href="#515">515</a>, <a href="#516">516</a>. + +<h3>B.</h3> + +<p><i>Baerte metten breden voeten</i>, I, <a href="#337">337</a>–8.<br> +<i>Beatrijs (Van)</i>, I, <a href="#353">353 vlgg.</a> <a href="#518">518</a>.<br> +<i>Becoringhen (Van den vier)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +<i>Beghinen (Van den twaelf)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +<i>Beovulf</i>, I, <a href="#10">10</a>.<br> +Bernlef, I, <a href="#5">5</a>.<br> +Bertelmeeus van Delf, I, <a href="#515">515</a>.<br> +<i>Bestiaris</i>, I, <a href="#186">186</a>.<br> +<i>Bestiaris (van minnen)</i>, I, <a href="#185">185</a>.<br> +<i>Biechten (Boec der)</i>, I, <a href="#138">138</a>.<br> +<i>Biën Boeck (der)</i>, <a href="#225">225 vlgg.</a><br> +<i>Bloeme der Doechden</i>, I, <a href="#565">565 vlgg.</a><br> +Boendale (Jan), I, <a href="#427">427 vlgg.</a> <a href="#517">517</a>–518, <a href="#524">524</a>, <a href="#527">527</a>-'31.<br> +<i>Boerde (de eerste)</i>, I, <a href="#189">189</a>.<br> +<i>Boerden</i>, I, <a href="#455">455 vlgg.</a><br> +<i>Boerden en Sproken</i>, I, <a href="#504">504 vlgg.</a><br> +<i>Bonifacius (Leven van S.)</i> Latijn, I, <a href="#18">18</a>.<br> +Boudewijn van der Loren, I, <a href="#497">497</a>, <a href="#515">515</a>, <a href="#520">520</a>.<br> +<i>Brandaen (Van Sinte)</i>, I, <a href="#53">53</a>. + +<h3>C.</h3> + +<p>Chaucer, I, <a href="#504">504</a>, <a href="#570">570</a>.<br> +<i>Chierheit der geesteleker Brulocht</i>, I, <a href="#382">382</a>–3. + +<h3>D.</h3> + +<p>Daem van IJsselsteyn, I, <a href="#515">515</a>.<br> +<i>Disputatie van den Cruce</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a><br> +<i>Disticha Catonis</i>, I, <a href="#184">184</a>.<br> +<i>Doctrinael (Dietsche)</i>, I, <a href="#423">423 vlgg.</a><br> +<i>Doctrinael (Nieuwe)</i>, I, <a href="#334">334</a>; <a href="#423">423 vlgg.</a><br> +<i>Doctrinael savage</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br> +<i>Dogheden (Van den twaelf)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +<i>Doon de Mayence</i>, I, <a href="#96">96</a>, <a href="#97">97</a>.<br> +<i>Drievoudichede (Van der)</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a> + +<h3>E.</h3> + +<p>Eckhart, I, <a href="#365">365 vlgg.</a><br> +<i>Edewaert (Van den derden)</i>, I, <a href="#313">313</a>, <a href="#427">427</a>.<br> +<a name="574"></a> +Egidius, I <a href="#520">520</a>.<br> +<i>Eneïde</i>, I <a href="#38">38</a>.<br> +Erasmus, I, <a href="#568">568</a>.<br> +<i>Esopet</i> („favele" van Esopus), I, <a href="#187">187</a>, <a href="#193">193</a>.<br> +<i>Eustaesse (van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>–138. + +<h3>F.</h3> + +<p><i>Fierabras</i>, I, <a href="#97">97</a>.<br> +<i>Flandrijs</i>, I, <a href="#306">306</a>–7.<br> +<i>Floris en Blancefloer</i> (Limburgsche bewerking), I, <a href="#34">34</a>.<br> +<i>Floris en Blancefloer (van Diederic van Assenede)</i>, I, <a href="#111">111</a>–112, <a href="#116">116</a>, <a href="#117">117</a>.<br> +<i>Flovent</i>, I, <a href="#91">91</a>, <a href="#97">97</a>.<br> +<i>Foulque de Candie</i>, I, <a href="#97">97</a>.<br> +<i>Franciscus Leven (Sinte)</i>, I, <a href="#231">231</a>, <a href="#244">244</a>.<br> +Froissart (Vertaling van Kroniek), I, <a href="#332">332</a>.<br> +<i>Ferguut</i>, I, <a href="#110">110</a>–111, <a href="#113">113</a>–115, <a href="#118">118</a>. + +<h3>G.</h3> + +<p><i>Galbertus (Kroniek van)</i>, I, <a href="#23">23</a>.<br> +Geraert (Heer), I, <a href="#313">313</a>.<br> +<i>Geraert van Viane</i>, I, <a href="#93">93</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br> +<i>Ghelove (Van den Kerstenen)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +Gielys van Molhem, I, <a href="#139">139</a>.<br> +Gielijs van Trecht, I, <a href="#514">514</a>.<br> +Godekijn van Tricht, I, <a href="#515">515</a>.<br> +Gillis de Wevel, I, <a href="#305">305</a>, <a href="#518">518</a>.<br> +Graal (de heilige), I, <a href="#108">108</a>–109.<br> +<i>Graalqueste</i>, I, <a href="#109">109</a>, <a href="#110">110</a>.<br> +<i>Grale (Historie van den)</i>, I, <a href="#236">236</a>.<br> +<i>Grimbergsche Oorlog</i>, I, <a href="#295">295</a>, <a href="#341">341</a>–2.<br> +<i>Gudrun</i>, I, <a href="#10">10</a>.<br> +<i>Gwidekijn van Sassen</i>, I, <a href="#96">96</a>, <a href="#97">97</a>. + +<h3>H.</h3> + +<p>Hadewych, I, <a href="#150">150</a>, <a href="#155">155</a>, <a href="#156">156 vlgg.</a><br> +Heelu (Jan van), I, <a href="#304">304</a>.<br> +<i>Heemskinderen</i>, I, <a href="#89">89</a>, <a href="#91">91</a>, <a href="#93">93</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br> +<i>Heimelijkheid der Heimelijkheden</i>, I, <a href="#254">254</a>.<br> +<i>Heimelicheit (Der Vrouwen)</i>, I, <a href="#421">421</a>.<br> +<i>Heimelicheit (Der Mannen ende der Vrouwen)</i>, I, <a href="#421">421</a>.<br> +Heyn van Aken, I, <a href="#298">298</a>.<br> +Heinrec, I, <a href="#139">139</a> (vgl. <i>Rinclus</i>).<br> +Heinric van Hollant, I, <a href="#519">519</a>.<br> +Herman de Spreker, I, <a href="#515">515</a>.<br> +Hese (Reisverhaal van Joannes Witte de), I, <a href="#363">363</a>.<br> +Hillegaertsberch (Willem van), I, <a href="#328">328</a>, <a href="#333">333</a>, <a href="#345">345</a>.<br> +Hopezomer, I, <a href="#512">512</a>, <a href="#516">516</a>, <a href="#533">533</a>.<br> +<i>Horologium aeternae sapientiae</i>, I, <a href="#369">369</a>.<br> +<i>Houte (Dboec van den)</i>, I, <a href="#352">352</a>, <a href="#361">361</a>.<br> +<i>Huge van Bordeeus</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br> +<i>Hughe van Tabaryen</i>, I, <a href="#299">299</a>. + +<h3>I. J.</h3> + +<p>Jan I van Brabant, I, <a href="#221">221</a>.<br> +Jan Bot, I, <a href="#522">522</a>.<br> +Jan Dyllen, I, <a href="#513">513</a>.<br> +Jan van Sente Gheerdenberghe, I, <a href="#515">515</a>.<br> +Jan van Hulst, I, <a href="#520">520</a>.<br> +Jan metter Huven, I, <a href="#514">514</a>.<br> +Jan van Lier, I, <a href="#514">514</a>.<br> +Jan van Machelen, I, <a href="#515">515</a>.<br> +Jan Praet, I, <a href="#437">437 vlgg.</a><br> +Jan van Vlaerdinghen, I, <a href="#512">512</a>, <a href="#515">515</a>.<br> +Jan de Weert, I, <a href="#334">334</a>, <a href="#423">423</a>, <a href="#435">435</a>, <a href="#518">518</a>.<br> +Jannes den Coster, I, <a href="#515">515</a>.<br> +<i>Jonitas en Rosafiere (Van)</i>, I, <a href="#353">353 vlgg.</a><br> +Jonchere van der Minnen, I, <a href="#515">515</a>. + +<h3>K.</h3> + +<p>Calfstaf, I, <a href="#187">187</a>.<br> +<i>Karel en Elegast</i>, I, <a href="#101">101</a>.<br> +<i>Karel en Galie</i>, I, <a href="#97">97</a>.<br> +<i>Carmen allegoricum (S. Suitbert)</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br> +<i>Cassamus</i>, I, <a href="#337">337</a>–9, <a href="#344">344</a>.<br> +<a name="575"></a> +<i>Caterine (Van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>–138.<br> +<i>Kerstine (Leven van Sinte)</i>, I, <a href="#350">350</a>–1.<br> +<i>Claghe (der Kerken)</i>, I, <a href="#257">257</a>.<br> +<i>Clara (Leven van Sinte)</i>, I, <a href="#231">231</a>.<br> +<i>Clausule van der Bible</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a><br> +Colpaert, I, <a href="#515">515</a>.<br> +<i>Couchi (Van den borchgrave van)</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a> <a href="#347">347</a>.<br> +<i>Cracht der Mane</i>, I, <a href="#421">421</a>.<br> +<i>Kruis (Van het heilige)</i>, I, <a href="#13">13</a>, <a href="#352">352</a>–3.<br> +<i>Kunera (Van Sinte)</i>, I, <a href="#350">350</a>, <a href="#361">361</a>. + +<h3>L.</h3> + +<p>Lambert van Waterloos, I, <a href="#225">225</a>.<br> +<i>Lancelot</i>, I, <a href="#106">106</a>, <a href="#109">109</a>, <a href="#110">110</a>, <a href="#113">113</a>, <a href="#296">296</a>, <a href="#306">306</a>.<br> +<i>Lande van Overzee (Van den)</i>, I, <a href="#259">259</a>.<br> +<i>Lebuïnus (Ecloga op S.)</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br> +<i>Leec</i> (geestelijk lied), I, <a href="#223">223</a>.<br> +<i>Leek (Geschrift van den onbekenden)</i>, I, <a href="#375">375</a>.<br> +<i>Levene ons Heren (Van den)</i>, I, <a href="#132">132</a>–137.<br> +Leeuwen (Jan van), I, <a href="#368">368</a>, <a href="#377">377</a>.<br> +<i>Limborch (Roman van)</i>, I, <a href="#301">301</a>.<br> +<i>Lorreinen</i>, I, <a href="#89">89</a>, <a href="#94">94</a>, <a href="#97">97</a>, <a href="#98">98</a>.<br> +Lodewijk van Vaelbeke, I, <a href="#519">519</a>, <a href="#534">534</a>.<br> +Loy Latewaert, I, <a href="#519">519</a>.<br> +<i>Loyhier ende Malaert</i>, I, <a href="#337">337</a>–8.<br> +<i>Lucidarius (Dietsche)</i>, I, <a href="#422">422</a>.<br> +<i>Leven van Ludger</i> (Latijn), I, <a href="#18">18</a>.<br> +<i>Lutgart (Leven van Sinte)</i> door broeder Gheraert, I, <a href="#350">350</a>.<br> +<i>Lutgart (Leven van Sinte)</i> door Willem van Afflighem, I, <a href="#149">149</a>–155. + +<h3>M.</h3> + +<p><i>Machteldis visioenen (Van)</i> I, <a href="#374">374</a>, <a href="#441">441</a>.<br> +<i>Madocs droom</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br> +<i>Malegijs</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br> +<i>Marie Egyptiake (Van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>–138.<br> +<i>Maartensliedjes (Sint)</i>, I, <a href="#227">227</a>.<br> +<i>Martijn (Vierde)</i>, I, <a href="#267">267</a>.<br> +<i>Martijns-zangen</i>, I, <a href="#249">249 vlgg.</a>; <a href="#267">267</a>.<br> +Meeus van Dordt, I, <a href="#515">515</a>.<br> +<i>Meliboeus</i>, I, <a href="#435">435</a>, <a href="#451">451</a>.<br> +<i>Merlijn</i>, I, <a href="#230">230</a>, <a href="#236">236</a>–238.<br> +<i>Minnen Loop (Der)</i>, I, <a href="#553">553 vlgg.</a><br> +<i>Missen (Bediedenisse der)</i>, I, <a href="#422">422</a>.<br> +<i>Moriaen</i>, I, <a href="#118">118</a>–119. + +<h3>N.</h3> + +<p><i>Naturen Bloeme (der)</i>, I, <a href="#231">231</a>, <a href="#254">254</a>–6.<br> +Nederlant, I, <a href="#311">311</a>–2.<br> +Neidhart von Reuental, I, <a href="#555">555</a>, <a href="#571">571</a>.<br> +<i>Nibelungen-lied</i> (Dietsche vertaling), I, <a href="#45">45</a>.<br> +Noydekijn, I, <a href="#187">187</a>.<br> +„<i>Nu zijt wellecome</i>", I, <a href="#223">223</a>. + +<h3>O.</h3> + +<p><i>Octaviaan</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br> +<i>Ogier</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br> +<i>Oranje (Willem van)</i>, I, <a href="#90">90</a>, <a href="#92">92</a>, <a href="#97">97</a>.<br> +Otto van Orleien, I, <a href="#519">519</a>. + +<h3>P.</h3> + +<p><i>Partonopeüs en Melior</i>, I, <a href="#111">111</a>–112, <a href="#115">115</a>–116, <a href="#118">118</a>.<br> +<i>Passionael</i>, I, <a href="#408">408</a>.<br> +Peter Vreugdegaer, I, <a href="#515">515</a>.<br> +<i>Plaghen (Die X)</i>, I, <a href="#423">423</a>.<br> +<i>Percevael</i>, I, <a href="#109">109</a>, <a href="#113">113</a>. + +<h3>R.</h3> + +<p><i>Ragisel (Wrake van)</i>, I, <a href="#109">109</a>.<br> +<i>Reinaerde (Van den Vos)</i>, I, <a href="#193">193</a>.<br> +<i>Reinaert II</i>, I, <a href="#440">440</a>–449.<br> +<i>Ridder metter mouwen</i>, I, <a href="#109">109</a>.<br> +<i>Ridder metten Zwane</i>, I, <a href="#337">337</a>–9.<br> +<i>Rike der Ghelieven</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +<i>Rinclus</i>, I, <a href="#139">139</a>–141.<br> +<i>Roelants-lied</i>, I, <a href="#89">89</a>, <a href="#90">90</a>, <a href="#92">92</a>, <a href="#97">97</a>.<a name="576"></a><br> +<i>Rogiere (Disputacie van—ende van Janne)</i>, I, <a href="#435">435</a>.<br> +<i>Roos (Roman van de)</i>, I, <a href="#299">299</a>.<br> +Ruusbroec, I, <a href="#371">371</a>, <a href="#379">379</a>.<br> +<i>Rijmbijbel</i> (Maerlant's), I, <a href="#231">231</a>, <a href="#243">243</a>. + +<h3>S.</h3> + +<p><i>Scivias</i>, I, <a href="#143">143</a>.<br> +<i>Seghelijn van Jerusalem</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br> +<i>Seneka leren</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br> +<i>Sermoenen (Limburgsche)</i>, I, <a href="#371">371</a>.<br> +<i>Sinte Servatius' Legende</i>, I, <a href="#36">36</a>.<br> +Snelryem de spreker, I, <a href="#515">515</a>.<br> +<i>Sobrietate (De)</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br> +<i>Spaengen (Olivier van)</i>, I, <a href="#318">318</a>, noot 5.<br> +<i>Spieghel Historiael</i>, I, <a href="#231">231</a>, <a href="#255">255</a>–6.<br> +<i>Spiegel (der Leken)</i>, I, <a href="#427">427</a>.<br> +<i>Spieghel der ewigher Salicheit</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +<i>Spiegel der Zonden</i>, I, <a href="#334">334</a>, <a href="#423">423 vlgg.</a><br> +<i>Sproken</i>, I, <a href="#456">456 vlgg.</a><br> +Stoke (Melis), I, <a href="#307">307</a>–310, <a href="#317">317</a>.<br> +Suso, I, <a href="#369">369</a>. + +<h3>T.</h3> + +<p><i>Tabernacule (Van den gheestelijken)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +Tauler, I, <a href="#371">371</a>.<br> +<i>Oude Testament (Eerste vertaling van het)</i>, I, <a href="#408">408</a>.<br> +<i>Teestye</i> (Jans), I, <a href="#325">325</a>–327, <a href="#429">429</a>.<br> +<i>Theophilus (Van)</i>, I, <a href="#353">353 vlgg.</a>; <a href="#361">361</a>.<br> +Thomas van Cantimpré, I, <a href="#149">149</a>.<br> +<i>Tondalus (Visioen van)</i>, I, <a href="#361">361</a>.<br> +<i>Torec</i>, I, <a href="#230">230</a>, <a href="#238">238</a>–239.<br> +<i>Tractaet van seven sloten</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +<i>Trappen (Van Seven)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +<i>Tristan en Isolde</i>, I, <a href="#112">112</a>.<br> +<i>Troyen</i>, I, <a href="#105">105</a>, <a href="#230">230</a>, <a href="#235">235</a>–236, <a href="#240">240</a>. + +<h3>U.</h3> + +<p>Willem Utenhove, I, <a href="#186">186</a>. + +<h3>V.</h3> + +<p><i>Vaghevier (Van S. Patricius')</i>, I, <a href="#351">351</a>–2.<br> +<i>Valentijn en Nameloos</i>, I, <a href="#338">338 vlgg.</a><br> +Heinric van Veldeke, I, <a href="#34">34</a>.<br> +Veldeke's <i>Minneliederen</i>, I, <a href="#41">41</a>.<br> +Velthem (Lodewijk van), I, <a href="#305">305</a>–6.<br> +<i>Vergy (Borchgravinne van)</i>, I, <a href="#337">337</a>–9, <a href="#344">344</a>.<br> +<i>Versus de hirundine</i>, I, <a href="#18">18</a>.<br> +<i>Vingherlinc</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +<i>Vitae patrum</i>, I, <a href="#362">362</a>.<br> +<i>Vroeden (Van den VII ... binnen Rome)</i> (gedicht), I, <a href="#190">190</a>.<br> +<i>Vrouden (Van den vijf)</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a> + +<h3>W.</h3> + +<p><i>Walewein</i>, I, <a href="#119">119</a>–121.<br> +<i>Walewein-boek,</i> I, <a href="#109">109</a>.<br> +<i>Boek der Waarheid</i> (Suso), I, <a href="#369">369</a>.<br> +<i>Waerheit (Boec vander hoechster)</i>, I, <a href="#382">382 vlgg.</a><br> +<i>Waerneer (Van sente)</i>, I, <a href="#137">137</a>–138.<br> +Willem van Afflighem, I, <a href="#150">150</a>.<br> +<i>Wraken (Boec van der)</i>, I, <a href="#422">422</a>, <a href="#451">451</a>.<br> +<i>Wrake (Van onses Heren)</i>, I, <a href="#139">139</a>.<br> +<i>Wisselau (Van den bere)</i>, I, <a href="#48">48</a>.<br> +<i>Woeringen (Slag bij)</i>, I, <a href="#303">303</a>.<br> +<i>Wonden (Van ons Heren)</i>, I, <a href="#245">245 vlgg.</a><br> +<i>Wychliederen</i>, I, <a href="#223">223</a>–224. + +<h3>Y.</h3> + +<p><i>Yeesten (Brabantsche)</i>, I, <a href="#427">427</a>.<br> +<i>Ysengrimus</i>, I, <a href="#24">24</a>.<br> +<i>Ystoriën (Der—Bloeme)</i>, I, <a href="#349">349</a>. + +<h3>Z.</h3> + +<p><i>Zalichede (Leeringhe der)</i>, I, <a href="#437">437 vlgg.</a><br> +<i>Zeden (Bouc van)</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br> +<i>Zeden (Van)</i>, I, <a href="#436">436</a>.<br> +<i>Zwaanridder-sage</i>, I, <a href="#11">11</a>.<a name="577"></a> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche +letterkunde, Deel I, by Gerrit Kalff + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE *** + +***** This file should be named 23812-h.htm or 23812-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/3/8/1/23812/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> |
