summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:50:17 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:50:17 -0700
commit612c4445e6ce9950075175d43dd31edeedd0c51a (patch)
treeac8adbe647b3b78923f51444f4a22dced0f4e231
initial commit of ebook 17077HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--17077-8.txt13373
-rw-r--r--17077-8.zipbin0 -> 308309 bytes
-rw-r--r--17077-h.zipbin0 -> 326383 bytes
-rw-r--r--17077-h/17077-h.htm13532
-rw-r--r--17077.txt13373
-rw-r--r--17077.zipbin0 -> 305362 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
9 files changed, 40294 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/17077-8.txt b/17077-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ae56e27
--- /dev/null
+++ b/17077-8.txt
@@ -0,0 +1,13373 @@
+The Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Over literatuur
+ Critisch en didactisch
+
+Author: M.H. Van Campen
+
+Release Date: November 20, 2005 [EBook #17077]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+OVER LITERATUUR
+
+CRITISCH EN DIDACTISCH
+
+door
+
+M. H. VAN CAMPEN
+
+
+ * * * * *
+
+
+I CRITISCH
+
+
+ * * * * *
+
+
+BRIEVEN OVER LITERATUUR [p.7]
+
+
+I.
+
+ Sogar nun aber unter der kleinen Anzahl von Schriftstellern, die
+ wirklich, ernstlich und zum voraus denken, sind wieder nur äusserst
+ wenige, welche über _die Dinge selbst_ denken: die übrigen denken
+ bloss über _Bücher_, über das von Andern Gesagte. Sie bedürfen
+ nämlich, um zu denken, der nähern und stärkern Anregung durch
+ fremde, gegebene Gedanken.... Jene ersteren hingegen werden durch
+ _die Dinge selbst_ zum Denken angeregt.... Unter ihnen allein sind
+ Die zu finden, welche bleiben und unsterblich werden.
+
+ _Schopenhauer_.
+
+
+Gelijk alle menschen, die meenen behept te zijn met neiging tot
+zelfmoord (de heer Cornelis Veth had op te nadrukkelijke wijze haar
+aanwezigheid in mij aangetoond, dan dat ik hem niet zou geloofd hebben!)
+heb ik geruimen tijd met die allerluguberste idée, welke een mensch kan
+hebben, rondgeloopen, ja, zat ik zelfs een pooze--ik vermoed in
+Werther-houdingen--met dezen Schopenhauer'schen dolk te spelen, vóór ik
+hem mij in 't lichaam stootte. Maar nu het gebeurd is en ik niet dood
+ben--er zijn geen taaier wezens dan hollandsche literatoren--voel ik een
+ontspanning ingetreden, en onder het rustigjes verscheuren mijner
+gewaand-laatste beschikkingen, waaronder belangrijke literaire
+onthullingen, 'n chronique ... litéraire--haha, dat gaat alweer uw neus
+voorbij, m'n waarde lezer!--ben ik toch wel een beetje aan de juistheid
+van des heeren Veth's [p.8] observaties gaan twijfelen. Als het eens,
+overwoog ik, niet anders dan de verfijnde wreedheid ware, bij een
+décadent lettré èn l'art-pour-l'art-man toch van rechtswege behoorend,
+welke--afschuwelijk tegendeel van den edelen moed der groote
+wetenschapshelden, die met twijfelachtige geneesmiddelen op eigen
+lichaam experimenteeren!--mij ertoe gebracht had, de scherpte van dit
+wapen op mij-zelf te beproeven, vóór er mijne slachtoffers mee te
+kerven?... Maar ik griezelde van zooveel sadistische perversiteit en
+--bekeek mij eens in den spiegel. Nee, glimlachte ik met een oprechte
+zucht van verlichting, dat kan niet waar zijn, bij zóó'n gezicht!....
+Maar wàt was het dan?... En ik ... Doch de lezer gelieve hier wel te
+verstaan, dat ik niet uit louter zelfoverschatting mij hier te
+analyseeren zit, integendeel: een algemeen belang van de
+allergewichtigste soort, dat der toekomstige geslachten van literatoren,
+noopt mij ertoe, want: _indien_ Schopenhauer gelijk heeft--en ik twijfel
+daaraan niet!--dan rust op ons allen, letterkundigen van dezen tijd, de
+dure plicht, teneinde het meerendeel onzer literaire naneven voor
+verhongeren te behoeden, zooveel mogelijk te schrijven, te schrijven, te
+schrijven en, voor zoover we 't niet anderen doen, ons zelf te
+bepiekeren--want òns geschrijf over boeken, dat is een tè mágere erfenis
+... dat zou worden een aftreksel van het aftreksel van thee!...--en de
+resultaten daarvan te _boekstaven_, vóóral! Eéne behoorlijk uitgeplozen
+en gepubliceerde zelfmoord-neiging van mij wordt zoodoende voor mijn
+letterkundig kleinkind in het jaar 2000 een malsche beafstick; wellicht,
+o zalige gedachte, met een half fleschje wijn erbij en een Bockje na.
+Terwijl de gróóte schrijvers van dezen tijd, o, dàt ìs niet te zeggen
+... voorzeker zullen zij eens in het heerlijke bewustzijn kunnen
+sterven, dat aan hun "eêlste deel" zich gedurende onafzienbare jaren
+meer duizenden "artiesten" zullen zat eten dan tientallen kannibalische
+bourgeois het hadden gedaan, wanneer zij waren geslacht--'t geen in de
+jaren '80-'90 menigeen, dunkt mij, graag hadde gewild--en pondsgewijze
+waren verkocht. En dus.... ga ik getroost [p.9] verder: Ik vroeg me zelf
+af, zou het ook een soort amok-makerige baloorigheid kunnen zijn? En
+werkelijk, tenzij de scherpzinnige lezer, na lezing van dit opstel, een
+betere oplossing hebbe gevonden, acht ik deze de meest waarschijnlijke.
+Want _by Jove_, ik heb er alle reden toe. Maar hier beginne een nieuwe
+paragraaf. Dat is ordelijker.
+
+De heer Robbers heeft de betreurenswaardige gedachte gehad een
+uitstekend artikel in _Elzeviers' Maandschrift_ te schrijven over Frans
+Coenen's _Charles Dickens en de Romantiek._ Betreurenswaardig: want waar
+blijf ìk nou, mèt al mijn edelmoedigheid, die me reeds tot in de ziel
+verwarmde?! Toen ik namelijk het werkje des heeren Coenen gelezen en
+daaruit vernomen had, dat Dickens tot die "klassieken" behoort, "welke
+men kent en eert, doch maar weinig leest," toen dacht ik zoo bij me
+zelf: kijk nou eens aan, daar zit ik nou met verreweg het meerendeel
+mijner moderne mede-literatoren in glorie en rijkdom, onze boeken worden
+met wagenvrachten langs de straten gekrooien; elke maand ziet een nieuwe
+uitgaaf onzer werken; het volk verafgoodt ons--gelijk het Dickens deed
+in zijn tijd--; het dráágt ons, wij leven erùit, wij leven
+erméde--gelijk Dickens in zijn tijd--; het rukt onze werken uit de
+handen der boekverkoopers en loopt uren ver, om ons te lézen, te
+lézen--gelijk bij Dickens in zijn tijd--; daar zit ik nu, onder mijn
+medegelukkigen ... laat mìj dien armen klassieke, die bijna niet meer
+gelezen wordt--is zoo iemand niet als een rijkaard, die door een hevige
+kwaal niet van zijn rijkdom kan genieten?--eens een beetje in de hoogte
+werken, zooals ook Coenen, waarlijk met zooveel welwillendheid, heeft
+gedaan, èn laat mij 't doen naar aanleiding van dièns werkje. Dan kan ik
+ook hem meteen de hulde brengen die hij verdient.... En ziedaar, daar
+sla ik _Elsevier_ open, en daar hei je waarachtig dat artikel van
+Robbers....
+
+Maar kòm! Nu verveelt het mij en U verveelde het allang--weg nu met die
+verduivelde scherts--sarcasme _is_ verduivelde scherts--en in ernst: de
+heer Robbers heeft, in [p.10] zijn waarlijk uitstekend artikel, op zijn
+hoffelijke manier, den heer Coenen niet malsch te pakken genomen, 't Is
+waar, als Robbers schermt, dan schermt-ie met 'n dopje op z'n floret,
+maar wat doet 't ertoe: menigeen is een touche in een arena, midden
+duizenden toeschouwers, pijnlijker dan een snijdende, doorborende
+degenstoot op een afgelegen plek. En met al de hoogachting voor des
+heeren Coenens geacheveerd kunnen, zeg ik hier ronduit, dat het mij niet
+ongevallig zou zijn, indien hij tot die "menigeen" behoorde. Ziehier
+Robbers eersten stoot:
+
+ Somtijds meent men de beschouwing bij te wonen van een monumentaal
+ beeldhouwwerk door een liefhebbend verzamelaar van fijn-artistieke
+ bibelots, ziet men den snuffelaar om het reuzenwerk heensluipen,
+ loupe in de hand, zijn opgetogenheid over détails, zoowel als zijn
+ misprijzen--op delikaten schertstoon--van de brute ruwheid der
+ hakkerij, uitende met overvloedig 'gebruik van nu eens wat nuffig,
+ dan weer bedrukt, vaak vooral plagerig klinkende
+ bevestigingswoordjes als: "waarlijk," "heusch," "inderdaad"....
+
+Tweede stoot: (Maar denk aan het dopje!)
+
+ Er zijn pagina's in dit boekje bij de afzonderlijke lectuur waarvan
+ men zou kunnen meenen, dat de zeer ontwikkelde schrijver het werk
+ van een ouderen, maar veel minder vergevorderden broer onder handen
+ genomen had--zoo goedig beschermend of vriendschappelijk bespottend
+ is daar de toon.
+
+Derde stoot:
+
+ Als bij vele in dit eerste gedeelte van Coenens boekje, met voor
+ dezen schrijver ongewone stelligheid neergeschreven beweringen, zoo
+ vraagt men zich ook hierbij af: hoe weet hij dat toch allemaal zoo
+ precies? Hoe komt hij er eigenlijk aan? Statistische bevestiging
+ ontbreekt ten eenenmale, en ik voor mij heb gansch andere
+ informaties ontvangen. Ook nu nog bleek mij Dickens, althans in
+ zijn eigen taal, tot de meest gezochte schrijvers te behooren. Het
+ aantal edities, thans nog in den handel, van Copperfield en
+ Pickwick, Christmas Carol en Chimes is legio, en engelsche
+ uitgevers zijn onverdacht praktische menschen, zij bestendigen geen
+ uitgaven, waar geen gang in zit. En wat betreft de meening dat de
+ koopers dezer uitgaven vooral onder de "meer eenvoudigen van hart"
+ --en dan ook zeker wel "kleineren van beurs"--moeten worden
+ gezocht, vanwaar dan, vraag ik, al die, telkens opnieuw
+ verschijnende, dure [p.11] geïllustreerde en luxe-edities, voor
+ genoemde harten, en hun bijbehoorende beurzen, onbereikbaar? Mocht
+ Coenen bedoelen dat de groote volksschrijver nu juist niet meer tot
+ de lievelings-lectuur behoort van literaire fijnproevers, noch der
+ heeren literatoren zelf, zoo geef ik hem gelijk, doch ziet, al
+ ziet! welk een armzalig hoopje vertoont te midden van het lezende
+ menschdom deze in anderen gedachtengang zoo kostbare rubriek!
+
+De ironie is dubbel en dwars verdiend....
+
+Kent gij, lezers, Maeterlinck's "L'Oiseau bleu"?.... Daar gaat een
+jongetje met zijn lief zusje op weg, den blauwen vogel te zoeken, "welks
+bezit noodzakelijk is voor ons geluk." Na veel omzwervingen komen zij
+ook in het domein van den nacht. De poort van een wondren, maanlichten
+sprookjestuin gaat voor hun verrukte oogen open. Ze juichen: Voedend
+zich met manestralen, zweven millioenen en millioenen blauwe vogels
+daar. De kinderen grijpen er zooveel ze maar grijpen kunnen. Maar zoodra
+ze naar buiten zijn getreden in den dag, blijken de wondere vogels
+gestorven. De onnoozelen wisten niet dat de ware blauwe vogel, die ook
+onder 't zonlicht leven kan, zich schuil hield, onvindbaar, onder de
+millioenen anderen.... O lezers, sterven ook zoo niet onze blauwe
+vogels--die van de méésten onzer, moderne kunstenaars--die we zagen
+zweven, die we hoorden zingen in den schemernacht onzer ziel, zoodra we
+hen, toch omkoesterd met duizend zorgen, naar buiten brengen, naar den
+dag der menschen-maatschappij, den dag van het volk. En wij zouden
+hooghartig doen tegen dien Groote, die elk huis een zanger schonk,
+onsterfelijk, een levend lied met vreugde doorklinkend de dagen en dat
+de zoete ontroering de hunkerende harten inzingt. O, als dan door welke
+onontkoombare samenloop van omstandigheden, door welke dorheid van
+innerlijk ook, of ongunst van den tijd, het ons niet vergund is te
+geven, laat ons dan ten minste ontvangen met overgave en innige
+dankbaarheid. Ook dat is iets, en zelfs véél....
+
+Doch Robbers laakt niet alleen, maar prijst ook:
+
+ .... er zijn er ook, gelukkig, waarin op warme, uiterst gevoelige
+ en zeer juist omschrijvende wijze schitterende schoonheden [p.12]
+ worden aangeduid in een ontzaglijk oeuvre, dat met eerbied wordt
+ genoemd. En deze erkenningsvolle bladzijden, ze zijn op hun beurt
+ door ons, hun lezers, ten zeerste te waardeeren.
+
+En later:
+
+ Overigens, het mag wel eens herhaald worden, hulde aan Frans Coenen
+ voor zijn fijn opmerken en welsprekend aantoonen van zoovele
+ schoonheden in dit oude werk. Een nuttig boekje daarom, het zijne.
+ Want het is goed te leeren onderscheiden, en ook voor de literaire
+ fijnproevers blijkt nog menige schat te vinden in deze, door hen
+ althans, bijkans verlaten mijn.
+
+Dit artikel is ongetwijfeld een van de allerbeste kritieken, die Robbers
+ooit geschreven heeft. En nu: ik heb, niet zonder connaisseurigen
+glimlach de elegante bewegingen van Robber's floret beschouwend, zoo
+langzamerhand de overbodig geworden gevederde pijlen weggeworpen,
+waarmede ik, als een ongetwijfeld opzichtige held van Aimard zou hebben
+gestreden, en mij getooid--laat mij nu als een zeer kalm en bezadigd
+Hollander ook het mijne van Coenen's werk zeggen:
+
+Alle Schuld rächt sich auf Erde. De heer Coenen, die, indertijd
+Scharten's _Krachten der Toekomst_ besprekend, het sterk in deze prees,
+dat hij een _keur_ zijner kritieken had laten herdrukken en niet zooals
+anderen, "uit zelfoverschatting of onverschilligheid, die slechts op wat
+materieel voordeel belust is," alles gebundeld had--de heer Coenen werd
+thans door het wrekend Noodlot met dit ééne uit zijne honderdtallen
+kritische opstellen naar de boekpers geduwd, en terwijl hij niets kwaads
+vermoedend, genoeglijk de bladzijden zich tot een boek zag stapelen,
+grijnsde het Noodlot achter zijn rug en over zijn hoofd heen tot ons,
+zijn recensenten: "Vraag hem nou ereis, of dat nu op minachting van al
+zijn ander kritisch werk berust en zoo ja, waarom hij dan zoo
+"onverschillig is," toch maar altijd door te blijven recenseeren--òf
+dat het berust op het bewustzijn, dat de namen al dier andere, door hem
+behandelde auteurs, niet zulke betrouwbare en olie-opzuigende
+"drijvertjes" zijn, als die van den "klassieken, slechts weinig meer
+gelezen wordenden" Dickens?"
+
+[p.13] Maar ik zou geen mènsch moeten zijn, die altijd door het noodlot
+tot iets gedwongen wordt, om nu het mij iets verzòcht, dat niet lèkker
+te weigeren! Ik stel de vraag dus _niet_, doch alleen haar mogelijkheid,
+om even te laten gevoelen, dat het maken van _on_heusche gissingen
+alleen, door objectieve kritiek dient vermeden. Ik geloof: de vraag is
+malligheid. De heer Coenen heeft eenvoudig, zijn ander kritisch werk
+goed achtend, dit boek iets _beters_ geacht. Maar hier mag dan toch weer
+de recensent te voorschijn treden en beweren dat dit een dwaling is: het
+tegendeel is het geval. Want die andere opstellen staan voor het
+meerendeel in levensgevoel niet beneden, vaak zelfs boven hun onderwerp.
+Dit is ver beneden het zijne. Tegenover the gentlemen who write, die
+Coenen zoo vaak behandelt, mag hij zoo glimlacherig-cynisch, zoo
+nemerig-en-geverig zijn als hij wil, op enkele uitzonderingen na staat
+hij tegenover gelijken, meest tegenover minderen.... Maar nu tegenover
+Dickens!... Gewaden en versierselen af, menschenkind, _als bij de
+Multatuliaansche Gnomen, _ en hoe rouwiger uwe versierselen zijn des te
+eerder, want rouw past niet bij het kern-leven, bij het wàre, blijde
+leven.... Hij gaf zijn zièl, hij heeft recht op de uwe.... En wat tot de
+ziel is geraakt, dat weifelt niet meer, dat is fel, dat is sterk.... Hij
+heeft recht op uw _ziels_weerzin, op uw _ziels_liefde.... De kleine
+afkeertjes en genegenheidjes van uw gevoelig verstand en uw verstandig
+gevoel zijn véél te klein voor hem.... Kunt gij met geen andere dan deze
+tot hem treden, om uws zelfs wil, ga dan _niet_.... En hiermede ben ik
+meteen tot mijn gewichtigste bedenking tegen 's heeren Coenens werk
+genaderd: dat het bij al zijn groote deugden en geringe fouten, twee
+enorme tekortkomingen heeft. Doch tekortkomingen zijn niet
+_ontleedbaar_, maar _meetbaar_. Straks beschik ik over den maatstaf,
+daartoe noodig. Nu eerst de deugden etc. Daar hebt ge dan onmiddellijk
+de voortreffelijke _Inleiding_, waarin de schrijver den kultuurstroom
+van middeleeuwen, renaissance en laat-renaissance volgend en ten slotte
+in het Engeland van het begin der negentiende eeuw belandend, historisch
+de Dickens-figuur, zijn wording en zijn tijd verklaart. [p.14] In dat
+hoofdstuk treffen wij ook dat uitstekend-ontledend stukje over het wezen
+der "Weltschmerz" aan. Laat mij ronduit erkennen, dat ik tot dengeen,
+die zulk een gedegen, goed onderlegd en wijd-omvattend betoog kan
+schrijven, _zonder dat er klaarblijkelijk eenige andere geestelijke
+kracht in hem werkzaam is, dan zijn eigen doodgewoon, wetenschappelijk
+gevormd verstand_, jaloersch zit op te kijken, niet om de ten slotte
+weinig diepgaande historische kennis--daar is waarlijk makkelijk genoeg
+aan te komen--maar om de technische vaardigheid, de routine. Het
+"verraadt" namelijk den akademisch gevormde, in tegenstelling vooral met
+den autodidact; den _gedisciplineerden_ geest, in tegenstelling met den
+_ongedisciplineerden_. En de voortreffelijkheid van dit stuk schijnt mij
+dan ook al evenzeer de buitengewone geschiktheid van den auteur voor het
+kalme analytisch betoog, als het wenschelijke eener wetenschappelijke
+opleiding voor den aanstaanden homme de lettres te bewijzen. Ik zou den
+_niet breeden_, maar _fijnen_ psychologischen doorgronder en preciesen
+weergever, die Coenen is, onrecht doen, indien ik niet even het stukje
+aanhaalde, dat de historische beschouwing afsluit, over het Engeland,
+waarin Dickens leefde en beroemd werd:
+
+ Men kan het zich denken als een samenleving van brutale en
+ opzichtige menschen, die zich druk en aanstellerig gedroegen, ook
+ dwaasheden uithaalden, hun leven moedwillig vergooiden, het
+ onmogelijkste aandurfden en soms schitterend slaagden, die met
+ hartstochtelijken trots en hardheid hun medemenschen bejegenden,
+ maar soms in eens omsloegen in het weekste meegevoel, die in 't
+ algemeen de wereld door een vergrootglas beschouwden en het nuchter
+ gewone niet verdroegen ... maar, desondanks en alles saamgenomen,
+ toch zeer rustig en regelmatig leefden en arbeidden, als Britsche
+ burgers, die carrière willen maken en vóór alles op godsdienst en
+ fatsoen gesteld zijn.
+
+Ook in het tweede hoofdstuk _Dickens' Jeugd_ zal de lezer dezelfde
+eigenschap te waardeeren hebben. En hierbij denk ik vooral aan den
+daarin geboden schets van Dickens als parlementair verslaggever. In het
+derde, _De Pickwickpapers_, vallen als voortreffelijke bladzijden op die
+over de romantiek [p.15] met het diep begrip van wat haar oorsprong
+vooral in dien tijd was: Verlangen naar "zelfvergetelheid en
+eenheidsvoelen." Voorts dat stukje over de blague en den esprit, waarin
+deze in hun droge en hoogmoedige en vaak toch van zoo laag allooi zijnde
+verstandelijkheid worden vergeleken met Dickens' rijke, sappige,
+waarlijk comische geestigheid. Het vierde hoofdstuk _Dickens'
+Romanfiguren_ bevat tal van goed-critische opmerkingen zooals de
+volgende:
+
+ Zoo werden, als gezegd, ook Dickens' verhalen tot leerscholen van
+ Goed en Kwaad en zijn helden en heldinnen meerendeels niet anders
+ dan personificaties zijner zedelijke opvattingen. Men had de zeer
+ Engelsche ondeugden van Zelfzucht, Hoogmoed en Huichelarij en de
+ algemeene van Gierigheid, Haat, Nijd, Wankelmoedigheid,
+ Lichtzinnigheid, enz. Men had ook hun contrasten, de Deugden van
+ Toewijding, Zelfopoffering, Nederigheid, Eenvoud, Oprechtheid,
+ Vroomheid en wat dies meer zij. Van de eene en van de andere heeft
+ Dickens menschen gemaakt.
+
+Hoe hij dat laatste deed meent Coenen aldus te kunnen verklaren: hij
+bekleedde deze abstracties met "het uiterlijk--meest een zéér goed
+geobserveerd en realistisch uiterlijk--van menschen." Deze verklaring
+acht ik ernaast en vooral eronder. Heeft wellicht de geschiedenis met
+Leigh Hunt hier Coenen tot generaliseeren verleid?
+
+ Al deze personen blijven star onveranderd door het gansche boek
+ heen, als antieke maskers, of wel zij veranderen naar de behoefte
+ der intrige en zonder de minste waarschijnlijkheid plotseling
+ geheel.
+
+Deze opmerking is weliswaar niet nieuw, zij komt reeds voor in....
+Straks! Maar aan de zegging merkt men onmiddellijk, dat Coenen onbewust
+van haar bestaan elders, het zelf heeft gezien. Maar wat we vooral in
+dit hoofdstuk te waardeeren hebben is die ook door Robbers aangehaalde
+passage, waarin "deze snuffelaar-met-'n-loupe" zoo krachtig en
+ruim-geestelijk uit den hoek komt en het opneemt voor de groot-epische
+vertellers als "Balzac en Dickens" tegen degenen, die hen verwijten, dat
+zij niet nauwgezet hun taal verzorgd hebben. In het hoofdstuk _Dickens'
+Ontwikkeling en latere Romans_ is vooral interessant het aangeven der
+tegenstelling [p.16] tusschen de kunst der Naturalisten en de
+fantasievolle van Dickens; ook dat stuk over het "romantische gevoel" in
+Dickens, waarbij de lezer zich niet weerhouden kan smakelijk te
+glimlachen over het verschil tusschen deze en Coenens droge nuchterheid.
+Maar om van op te springen is, tusschen al dat vlakke en
+precies-voorzichtige, deze onbewust enthousiaste uiting:
+
+ Dit is Dickens' romantiek, die hij voor ons zoo _realistisch _ waar
+ maakt, dat wij kunnen meenen, hetzelfde eiken dag te zien gebeuren.
+ Ik weet geen anderen schrijver, die dit zoo sterk heeft gekund en
+ bewezen, dat voor het Realisme de realiteit zelve volkomen ontbeerd
+ kan worden, dat het al verbeeldings-werk is, hetzij men vertelt van
+ de feeënwereld of van de Londensche straat.
+
+Als men hieruit niets anders dan de zeer gewettigde en voor de hand
+liggende consequenties trekt, bemerkt men, dat Coenen eigenlijk niets
+meer of minder zegt,--in strijd met andere zijner uitingen--dan dat
+Dickens de grootste menschenschepper, de grootste werkelijkheidsmaker
+ter wereld is! Vooral als men deze regels in verband brengt met zijn
+meening, dat (blz. 86) het ontbreken der objektieve werkelijkheid er ten
+slotte niets op aankomt. Het laatste hoofdstuk behandelt _Dickens'
+Beteekenis voor ons_. Zien wij af van het feit, dat wij nu niet bepaald
+dáárover wenschen voorgelicht te worden door iemand, die geheel ten
+onrechte meent, dat Dickens slechts weinig meer door ontwikkelden
+gelezen wordt, dan brengen ons zoowel de zeer mooie wijsgeerig-
+psychologische beschouwing over het zich aanpassen van het
+kind, terwijl het opgroeit, aan de omringende wereld en over zijn
+geheelen ontwikkelingsgang wier eindpunt slechts de allergrootsten
+bereiken: dat hun Ik de wereld omsluit--als het verheerlijkende
+slotwoord, den wensch naar de lippen, dat het gevoel van den schrijver
+instede van bij het einde, reeds aan het begin van zijn werk op dit
+hoogtepunt gestaan hadde. Zijn boek zou er voornamer karakter door
+verkregen hebben. En hier raken wij wat ik de twee enorme tekortkomingen
+van dit werk noemde. Maar tevens herinner ik mij net bijtijds, dat een
+_overzicht_-schrijver vooral anderen aan het woord [p.17] moet laten, wat
+hij zeker uitstekend vindt, indien hij zijn meening door dien ander zoo
+voortreffelijk vindt geïllustreerd: In de Fortnightly Review van 1
+dezer[1] vond ik een stemmingsvol, mijmerend-wijsgeerig opstel van John
+Galsworthy: _Vague Thoughts on Art_. Ik moet U de lezing ten sterkste
+aanraden. De schrijver ligt op een zomerland, het zonnige leven van
+hemel, bloemen en dieren over hem, om hem, te peinzen. Gedachten en
+natuurbeschouwing wisselen elkaar nu telkens af, dringen in elkaar,
+steunen elkander. Voor mijn doel kan deze kleine aanhaling uit het
+wijsgeerig deel volstaan.
+
+ Art is that imaginative expression of human energy which through
+ technical concretion of feeling and perception, tends to reconcile
+ the individual with the universal, by exciting in him impersonal
+ emotion.
+
+Maar dan: wat is "impersonal emotion"? En ziehier het antwoord:
+
+ If I stand before it (voor een voorwerp) vibrating at sight of its
+ colour and form, if ever so little and for ever so short a time,
+ unhaunted by any definite practical thought or impulse--to that
+ extent and for that moment it has stolen me away out of myself and
+ put itself there instead, has linked me to the universal by making
+ me forget the individual in me....
+
+En de kracht, om dit te kunnen teweeg brengen, déze is het nu juist,
+welke het werkje van den heer Coenen ontbreekt. Geen oogenblik wordt de
+lezer aan zich-zelf ontrukt, bóven zich-zelf opgeheven. De heer Coenen
+kan dit den lezer niet doen, omdat Dickens het den heer Coenen niet
+heeft gedaan. Zijn boekje is--eerste tekortkoming--_geen kunst_,
+en--tweede tekortkoming--mist alle _overgave_, alle _enthousiasme_. Het
+is: een voortreffelijk betoog van een geleerd, distinctievol en
+buitengewoon literair-ontwikkeld docent. Maar zulke betoogen mogen
+uitstekend zijn, om chemie of welke wetenschap ge maar wilt te doen
+begrijpen, tot het vertolken van het hooger gevoelsbegrip van _kunst_
+zijn zij waardeloos. [p.18] Want evenals diamant slechts door diamant
+zóó gepolijst kan worden, dat zij een open, schitterend zonnetje wordt,
+zoo kan kunst slechts door kunst verklaard worden. Schrijf
+twintigduizend betoogende woorden en, zoo ge 't 'n beetje populair doet
+hebt ge alle kans dat de lezer U een genotlijk, een hoog te waardeeren
+schrijver zal vinden, maar--onderzoek eens wat hij heeft gewonnen door
+die lectuur.... Gij werktet met uw verstand en uw verstandelijk gevoel,
+en beiden hebben ook bij hem geprofiteerd: zij hebben wat feitenkennis
+en waardeerinkjes opgedaan, die hun gelukkigen bezitter allicht in de
+conversatie te pas zullen komen, maar diens _ziel_?... Doch schrijf nu,
+geen twintig duizend woorden, maar slechts één zin, waarin uw innigst
+doorvoelen van een auteur tot kunst gevonden is, en ziedaar: een _licht_
+springt uit uw ziel in die van uw lezer over. Zij wordt _ontroerd_,
+d.w.z. zij is door ù _gegroeid_.... Zulk een schrijver is G.K.
+Chesterton: een groot _kunstenaar_, die met _liefde_ en overgave over
+een grootere schrijft.
+
+Hij heeft, voor zoover ik weet, twee boeken over Dickens geschreven; het
+eerste: _Charles Dickens_, waarvan juist weder een nieuwe druk
+verschenen is, kan 't best ons tot het doel dienen, waarvan ik hierboven
+sprak: de maatstaf te zijn, om Coenens' tekortkomingen te meten, wijl
+het de _geheele_ Dickens-figuur behandelt; het tweede: _Appreciations
+and Critisisms of the Works of Ch. Dickens_ is--precies wat de titel het
+zegt te zijn. Ik zal alleen het eerste bespreken en wat het tweede
+betreft mij er toe beperken, u de lezing _ten zeerste_ aan te bevelen.
+Maar ge moet wel weten, lezer, dat ik mij op zeer pijnlijke wijze bewust
+ben, dezen grooten kunstenaar-kritikus, ook met die bespreking, in dit
+kort bestek, geen recht te kunnen doen: bij elk citaat, ik weet het, zal
+ik een zeer werkelijk smartgevoel hebben, omdat ik weer een andere
+schoone zegging, neen, tientallen andere zal zien opblinken, die ik u
+niet kan toonen. _Gij moet dit goedmaken voor mij, mijn beste lezer, gij
+moet, door die prachtwerken te lezen, zorgen, dat mijn tekortschieten
+althans geen_ [p.19] _slechte gevolgen heeft: dat gij die heerlijke
+aandoeningen niet mist, die ik heb ondergaan_.
+
+Het onderscheid dan tusschen Coenen en Chesterton ligt vooral in het
+feit, dat--afgezien ervan, dat het denken van den laatste zich op een
+veel hooger plan beweegt dan dat van den eerste--het denken van den
+Hollandschen criticus _denken blijft_ en dat van den Engelschen bijna
+overal zich _plastisch ver-beeldt_, d.i. _kunst_ wordt. Ziehier eerst
+één voorbeeld van Chesterton's metaforische macht, en vervolgens eenige
+vergelijkingen tusschen de beide schrijvers. Ver-beelding eener
+wijsgeerige gedachte bij Chesterton:
+
+ For religion all men are equal, as all pennies are equal, because
+ the only value in any of them is that they bear the image of the
+ king.
+
+En laat ons nu eens vergelijken. Lees Coenen:
+
+ (Dickens had als kind, de) instinktieve zekerheid, dat met goeden
+ wil en eenig nuchter beleid het leven nog wel iets beters kon
+ opleveren dan hun (zijn ouders) ten deel gevallen was.... Toen
+ _viel de slag_ van het bankroet, werd vader Dickens in de
+ Marshalsea gegijzeld en de jonge Charles in de schoensmeerfabriek
+ aan het werk gezet, om zijn eigen kost te verdienen. Het was in
+ zijn tiende jaar.
+
+En nu Chesterton:
+
+ He longed to go to school (a strange wish) to go to college, to
+ make a name, nor did he merely aspire to these things; the great
+ number of them he also expected. He regarded himself as a child of
+ good position just about to enter on a life of good luck. He
+ thought his home and family a very good spring-board or jumping-off
+ place from which to fling himself to the positions which he desired
+ to reach. And almost as he was about to spring _the whole structure
+ broke under him and he and all that belonged to him disappeared
+ into a darkness far below_.
+
+Dàt is _beelden_. Dat is _innerlijk zien_.--Beide auteurs vinden het
+tweede deel van Pickwick oneindig beter dan het eerste. Coenen zegt dit,
+ongetwijfeld zeer gevoelig, aldus:
+
+ Dickens, de handige journalist, heeft plaats gemaakt voor den
+ kunstenaar, wien alleen het leven interesseert en den gegriefden
+ mensch, die een van de schoonste idealen der menschheid, de
+ gerechtigheid, ziet verwrongen en bedorven.
+
+[p.20] Chesterton voelt 't even diep, máár _ver-beeldt_ tevens zijn diep
+gevoel:
+
+ Dickens went into the Pickwick Club to scoff, and Dickens remained
+ to pray.
+
+Hoor beiden over Dickens' fabelachtige populariteit. Coenen:
+
+ Al die duizenden lezers voelden blijkbaar de verbeeldingswereld van
+ den schrijver evenzeer als de hunne, en zich gerechtigd mee te
+ beslissen over het lot der boekpersonen, omdat die schepsels nu ook
+ voor hen zoo levend en eigen waren, als verwanten en vrienden, wie
+ men geenszins onverschillig aan kan zien.
+
+Dit is een mededeeling van feiten, die we allen kennen, met een te
+waardeeren psychologische verklaring, die ook wij-zelf ons konden geven
+of hebben gegeven. Maar hoeveel wijder, hoeveel dieper is de
+psychologie, hoe wordt ons door de treffende zegging de geest dier dagen
+open-geweerlicht in dit:
+
+ The modern "Shocker" at its very best is an _interlude in life._
+ But in the days when Dickens' work was coming out in serial, people
+ talked _as if real life were itself the interlude between one issue
+ of "Pickwick" and another_.
+
+Luister naar beiden als ze 't over den huiselijken haard in de
+_Christmas-Tales_ hebben:
+
+ Er zijn zoo gansche gedeelten in Dickens' boeken, die men als
+ doorgloeid gevoelt van het roode haard-vuur, dat voor de Engelschen
+ het gansche familiale leven schijnt te symboliseeren in veilige
+ rust en warmte en waar men de punch en het versche groen van
+ hulsttakken ruikt.
+
+En droomt ge u comfortabel weg in de _zeer geslaagde_ stemmingsweergave
+van den Hollander, ge wordt weer klaar wakker en wrijft u genoeglijk in
+de handen bij de raakheid en geestigheid van den Engelschman:
+
+ ... his Christmas sentiment. It has cosiness, _that is the comfort
+ that depends upon a discomfort surrounding it_. It has a sympathy
+ with the poor, and especially with the entravagance of the poor;
+ with what may be called the temporary wealth of the poor. It has
+ the sentiment of the hearth, that is _the sentiment of the open
+ fire being the red heart of the room_. That open fire is the
+ veritable flame of England, _still kept burning in the midst of a
+ mean civilisation of stoves_.
+
+[p.21] De typische uitbeelding door Dickens van den _fog_, door Coenen
+als "tegelijk grappig en eventjes beeldend" gewaardeerd, geeft
+Chesterton aanleiding tot deze m.i. _allerprachtigste_ fantasie:
+
+ ... But, considered poetically, fog is not undeserving, it has a
+ real significance. We have in our great cities abolished the clean
+ and sane darkness of the country. _We have outlawed night and sent
+ her wandering in wild meadows; we have lit eternal watchfires
+ against her return_. We have made a new cosmos, and as a
+ consequence our own sun and stars. And as a consequence also, and
+ most justly, we have made our own darkness. _Just as every lamp is
+ a warm human moon, so every fog is a rich human nightfall._ If it
+ were not for this mystic accident we should never see darkness, and
+ he who has never seen darkness has never seen the sun.
+
+Zal ik nu nog verder beide schrijvers vergelijken? Neen, schoon ik
+materiaal in overvloed heb. Zet gij, lezer, mijn werk voort door ze
+_beiden te lezen_. Doch tegen al diegenen, waaronder ook Coenen, die
+beweren, dat Dickens' werken weinig of niets met de weergave van het
+werkelijke leven hebben te maken, wil ik nog Chesterton's geniale woord
+hier laten klinken: (En ook Robbers, men leze zijn artikel, heeft deze
+waarheid gevoeld.)
+
+ This life of grey studies and half tones, the absence of which you
+ regret in Dickens, is only life as it is looked at. This life of
+ heroes and villains is life _as it is lived_. The life a man knows
+ best is exactly the life he finds most full of fierce certainties
+ and battles between good and ill--_his own_. O yes, the life we do
+ not care about may easily be a psychological comedy. Other people's
+ lives may easily be human documents. But a man's own life is always
+ a melodrama.
+
+Ten slotte: ik ben niet blind voor Chesterton's voorliefde voor het
+paradoxale òm het paradoxale, de geestigheid òm de geestigheid; ik voel
+wel heel duidelijk de aanwezigheid bijwijlen van het onweerhouden
+boordevolle en overloopende, zelfs van het opdringerige. Hierin staat
+hij ver onder Coenen, die van willen-behagen en praallust even ver
+verwijderd is als een nachtuil van zonnedienst. Maar men zou jegens
+beiden onrechtvaardig zijn, indien men in Chesterton's gezelschap,
+[p.22] zich niet het _il a les défauts de ses qualités_ te binnen bracht,
+en achter Coenen's rug zich niet een bescheiden maar veelbeteekenend
+knipoogje veroorloofde tegen het beroemde meisje, dat zoo deugdzaam was
+omdat ze zoo leelijk was.... Wie deze uiting jegens den voortreffelijken
+kunstenaar Coenen, dien ook ik hoogacht en waardeer, oneerbiedig mocht
+vinden--hij vergeet dat ik het alibi van.... den _kunstenaar_ Coenen
+bewezen heb en hem dus niet oneerbiedig heb _kunnen_ bejegenen: hij was
+niet aanwezig in dit boekje. Ik ontmoette er alleen den
+_kunstgevoelige_....
+
+Als tijdschriften, die zeer lezenswaardige Dickens-bijdragen hebben,
+noem ik de _Nineteenth Century_ met _Charles Dickens_ by Darrell Figgis;
+_Elsevier's Maandschrift_, waarin, nevens het reeds behandelde
+Robbers-opstel, Cornelis Veth in een artikel _De oudste prenten voor
+Dickens_ gelegenheid vindt de aardige opmerking te plaatsen, dat Dickens
+van lijfstraffelijke rechtspleging hield en zijn schurken liefst door de
+hand van een voormalig slachtoffer liet afrossen, en dat wel op een
+wijze, waar een ongezochte symboliek in stak:
+
+ Zoo krijgt Uriah Heep op die authentieke, kleffe, knokige en op den
+ koop toe lange vingers.... de femelaar Pecksniff, geveld door den
+ man, dien hij in zijn zak dacht te hebben, bezeert zich ferm aan
+ denzelfden schijnheiligen en arglistigen kop, waarin hij zooveel
+ kwaads uitbroedde.... enz.
+
+Dezelfde vangt in _De Ploeg_ een rijk geïllustreerd artikel over
+_Dickens en zijn voornaamste illustratoren_ aan, dat in Maart vervolgd
+zal worden.--Verder laat ik, trots alle beloften, dezen keer de mij ter
+hand gekomen tijdschriften, voor zoover ze geen Dickens-bijdragen
+hebben, onbesproken uit--collegiale égards: naast een Onsterfelijke
+schijnen de levenden dood....--
+
+19 Febr. 1912.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BRIEVEN OVER LITERATUUR
+
+
+II.[p.23]
+
+
+Over het algemeen lijkt het mij geen symptoom van zielsrijkdom en
+geestelijke aristokratie, genoodzaakt te zijn, zich van eigen tijd af te
+wenden, om heul en troost en inspiratie bij de verleden eeuwen te gaan
+zoeken, of in den vreemde pogen te winnen, wat het vaderland geweigerd
+heeft. Het volk weet wel wat het zegt, als 't beweert, dat de rijkdom
+het zich overal behaaglijk maken kan, al zegt het hiermede toch
+tegelijkertijd iets méér dan het weet, want zou het wel vermoed hebben,
+dat die waarheid vooral waarheid is in de sfeer van den geest?.... Ik
+herinner mij uit een vroegere incarnatie, toen ik hard bezig was, mij
+door het lezen van _shilling-shockers_ voor te bereiden op het ambt van
+literair criticus, dat ik nu bekleed--en zoo ge deze opleiding ietwat
+vreemd mocht vinden lezer, laat mij u dan zeggen: er voeren vreemder
+wegen naar dit Rome, dat langs alle wegen te bereiken is! Levendig
+schiet het mij te binnen, hoe sommige mijner huidige collega's, bij
+wijze van college-loopen, dienst namen bij de toenmalige stadsreiniging;
+weer anderen geloofden nimmer hun hoog doel te zullen bereiken, zoo ze
+zich niet den heelen dag oefenden in scheelkijken, en nòg anderen
+hovelingen werden, om de in ons "vak" zoo noodzakelijke hoofsche vormen
+te leeren. Hèt verwonderlijke is mijns inziens dan ook niet, dat we
+allen [p.24] trots die zeer ver uiteenloopende opleidingen toch tenslotte
+vaklui zijn geworden, ofschoon dit weliswaar bij geen enkel ander métier
+mogelijk zou zijn geweest, maar het verwonderlijke is, dat ge nu, na
+zoovele eeuwen, bij den een nog altijd iets van de stadsreiniging, bij
+den ander van het scheelkijken, en bij een derde eene waarlijk de
+broekspijpen uitloopende hoffelijkheid terug vindt.... Ja, den hemel zij
+dank: er gaat dan ook niets in 't heelal verloren!--nu, ik herinner mij
+dan uit zoo'n shilling-shocker, dat Westerlingen een pyramide bezoeken
+en een van 't gezelschap--het zal wel zoo'n magere, brutale miss zijn
+geweest--in een onbewaakt oogenblik een verschrompelde lotusbloem uit
+het borstfiligrain eener vorstelijke mummie trekt. Thuis gekomen krijgt
+zij den zonderlingen inval eenige druppelen water op de vierduizendjarige
+bloem te sprenkelen, en, mystisch wonder! waarvan zij-zelf griezelt en
+huivert, de bloem lééft, straalt op, bloeit op, met al haar kleuren en
+geuren.... Mijn lieve lezer, gij en ik, hebben wij niet zoovele
+kunstenaars de lotusbloemen van de schemerend-blinkende borsten der in
+hun koningsgraven verzonken Eeuwen zien rukken, hebben wij de
+verschrompelden niet weder zien opleven onder den dauw van hun talent,
+en vonden we dat niet een wonder, een mystisch wonder, tot--ik mij met
+een huivering tot u wendde en zei: "Maar vindt ge 't óók niet een ietwat
+griezelig wonder?" ... O vreemde bloemen, die de zon mijner dagen niet
+heeft doen bloeien, o, geuren aan een anderen tijd, een ander geslacht
+ontstolen, bloemen en geuren, waar ik geen recht op heb, ik wensch u
+niet, gij zijt mij niet lief als de bloemen mijner aarde, mijner zon,
+als de geuren mijner jaren. Mij levende behaagt het met door volte
+weerstreefde, streelende en plukkende handen te wandelen in lévenden
+bloementuin....
+
+Ook herinner ik mij--en ach, lezer, ik ben zeer loszinnig vanavond: als
+mijn ... woorden u wat verstrooid voor de voeten komen rollen, rijg gij
+ze dan, bid ik u, aan het zilversnoer van uw vernuft.... Rijgt men dan
+_woorden_ aan een _zilversnoer_? Ja zeker, als de bescheidenheid--gelijk
+hier--[p.25] en nog eenige van die maatschappelijke deugden het gebieden,
+is dat geoorloofd. Zij geven absolutie voor èlke kromspraak en voor vele
+onwaarheden--ik herinner mij dus, en ditmaal uit déze incarnatie, een
+zoogenaamden _Polk_, die, als hij in Antwerpen te bekend geworden was,
+ging bedelen in Amsterdam en, als men hem daar weer te goed kende, ging
+bedelen in Berlijn.... En ik herinner mij dat nú, omdat ik geloof, dat
+een schrijver, die bij den genius van een vreemd land om gaven bedelt,
+dat doet, omdat de genius van zijn vaderland hem te goed kent om hem
+geschenken waardig te keuren en dat die genius van dat vreemde land, àls
+hij wat geeft, dan heel òn-halfgoddelijk er ... in loopt!
+
+Want, lezer, dat hoog gebaar van verlangen naar de middeleeuwen, dat
+zich afwenden van eigen tijd, dat is _niet_ voornaam, en dat trekken van
+het eene land naar 't andere, nog eens: dat doe je niet uit weelde. Als
+gij tegenover een "afzichtelijken" bedelaar staat en ge rilt terug, denk
+dan niet, dat ge voornaam zijt, maar als ge zijn "afzichtelijk" wezen
+zoo diep begrijpt en doorvoelt, dat ge hem kunt naderen met liefde--dan
+moogt ge denken, dat ge voornaam zijt! Want afkeer en weerzin en
+leelijk-vinden zijn het deel van de geringen-van-geest en
+liefdevol-begrijpen en schoon-vinden het deel der voornamen. En zoo ook:
+als ge telkens nieuwe prikkels noodig hebt, om de macht tot
+schoonheid-doorvoelen en schoonheid-scheppen in u op te wekken, dan zijt
+gij betrekkelijk arm, en zoo ge die niet behoeft, weet dan, dat ge
+betrekkelijk rijk zijt.... Maar hier verdriet mij mijn wankele gang,
+allicht, dat de aanblik der voorbijglijdende mijlpalen mijner
+paragrafen,[2] mij wat sterker en veerkrachtiger maakt.
+
+[VAN OORDT: NAGELATEN WERK]
+
+Adriaan van Oordt was een groot en een rijk kunstenaar en--ik mag dit
+van een doode immers wel zeggen:--ge hadt zijn gelaat slechts behoeven
+aan te zien, om te weten, [p.26] dat hij ook een groot mènsch was. Als
+een man met zulk een gelaat in den kring van ons, gewone menschen,
+treedt, dan valt er eene schuchterheid over ons en aarzelen even onze
+sprekende stemmen, ja, het is alsof ons aller woorden, die op het punt
+stonden elkander in vroolijk-drukke en familiare begroeting te
+ontmoeten, haastig van weerszijden terug wijken, om een open ruimte van
+eerbied te vormen. Want zijn gelaat had die uiterste zachtmoedigheid,
+die _dreigend_ is, dreigend, omdat zij ontwapent en weerloos maakt,
+dreigend ook, omdat ge voelt, dat, indien ge langer naar dit gelaat
+staart, uw zelfbewustzijn, dat onweerhoudbaar aan vergelijkende studie
+verslaafd is, u leelijke dingen zal toefluisteren over--u-zelf. Het was
+ongetwijfeld geniaal, dat wil zeggen hoogst-natuurlijk, gezien van de
+Natuur, dien man een gelaat te geven, dat bijna uitsluitend zijn hoogste
+zielsessentie uitte, want, hadde zij dit niet gedaan, het werk van haar
+schepsel zou heer werk beschaamd hebben: Van Oordt's arbeid is overal
+_kunst_, dat is: weerspiegeling en uiting van het Onbewuste, goddelijk
+tronend in de zielsdiepten. En dit _Nagelaten Werk,_ dat nu voor mij
+ligt, is er een nieuw, een laatst, een diep ontroerend en volkomen
+zuiver getuigenis van: "En dit alles, niettegenstaande hij bijna
+uitsluitend historische kunst geschapen heeft?" vraagt gij mij
+hier.--Ja, niettegenstaande dat feit was Van Oordt een groot en een rijk
+kunstenaar. En ik zal u de schijnbare tegenspraak in mijn beweringen
+ophelderen. Maar rust even: ziehier een nieuwe mijlpaal.
+
+In een hoogst lezenswaardig, met liefdevolle en eerbiedige overgave
+geschreven opstel zegt de _Gids_-criticus, de heer Scharten, dat de heer
+Van Oordt een _middeleeuwsche ziel_ had en dat een, in het _Nagelaten
+Werk_ opgenomen, stuk als _Een Pleiziervaart_, dat fijntjes humoristisch
+het hoekig-linksche van een tusschen hedendaagsche Zondagsgangers
+verzeild, naïef kunstenaar in 't ootje neemt, wel eene zijde van Van
+Oordt's kunst blootlegt, die we nog niet kenden, maar dat de
+aanwezigheid daarvan ons toch niet kan bekeeren van de meening, dat zulk
+een stuk, bij langer leven van den [p.27] schrijver uitzondering zou
+gebleven zijn en historische kunst hoofdzaak. En zoo oppervlakkig
+beschouwd, schijnen de in dezen bundel opgenomen stukken _Roman-Begin_
+en _Fragment uit Floris de Zwarte_ dezen beoordeelaar gelijk te geven.
+Maar ook niet anders dan _oppervlakkig beschouwd_. Want zoo 't mij
+geoorloofd zij--en hier wensch ik u de beloofde opheldering te
+geven--tegenover de eene hypothese een andere te stellen: ik geloof niet
+dat Van Oordt's neiging tot de middeleeuwen voortsproot uit het
+middeleeuwsche--en dat zou, volgens mij, zijn: het voor indrukken van
+zijn eigen tijd minder ontvankelijke en dus ongetwijfeld bekrompene
+--zijner ziel; ik geloof, dat zij voortkwam uit zijn, helaas, behept
+zijn met een uiterst broos en ziekelijk lichaam: daardoor verhinderd het
+hedendaagsche leven in heel zijn stormigheid te ondergaan--gelijk wel,
+al ware 't alleen uit plichtsgevoel, een edelen geest als de zijne, het
+heerlijkst denkbare moet hebben toegeschenen--; dáárdoor verhinderd het
+leven der gezonden mede te leven, deel te hebben in hun hopen en
+vreezen, hunne vervoeringen en neerslachtigheden, hun uitbundigheid en
+zelf-inkeer, wendde hij zich tot eene voorbijgegane wereld, die door de
+zachte fluisterstemmen der boeken tot hem kon spreken in zijner
+werkkamer omveiliging, gelijk zijn zwakke lichaam die behoefde. Want--en
+moge dit mijne beweringen ondersteunen:--_een vurig sociaal-demokraat
+als Van Oordt was_, kan zeer wel een universeel-aangelegden geest
+bezitten, waardoor hij zoowel de ekonomische noodzakelijkheid en
+geestelijke schoonheid der sociaal-demokratie als de schoone
+noodwendigheid der middeleeuwen doorvoelt, maar zulk een _vurig
+sociaal-demokraat_ kan _onmogelijk_ een geest bezitten, die hem zich
+precieuslijk doet afwenden van de rumoerende en zweetende en zwoegende
+hedendaagsche maatschappij, om in eenzaamheid de fantomen van een
+begraven verleden te evoqueeren, _dat aan sociale rechtvaardigheid niet
+rijker was_. Neen! Ware hem door een zekere bekrompenheid van geest de
+schoonheid en het beteekenisvolle van het huidige leven gesloten en
+ondoorvoelbaar gebleven, ik zoude hem geen groot en rijk kunstenaar
+[p.28] hebben geacht, maar juist omdat het, mijns inziens, slechts de
+bijkomstige omstandigheid zijner zwakke lichaamsgesteldheid was, die hem
+verhinderde dat leven te ondergaan en te herscheppen, dáárom noem ik hem
+een rijke en groote. Toch--laat ons dezen edelen afgestorvene eeren door
+oprecht te zijn--niet alléén zijn ziekte, maar ook het bewustzijn, dat
+hij in slechts geringe mate de gave van dialogiseeren bezat, heeft er
+wellicht toe bijgedragen hem met des te meer vreugde een kunstsoort te
+doen beoefenen, die deze gave niet zoozeer vereischt, als de het
+hedendaagsche leven beeldende naturalistische romankunst dat doet. Want
+ik mag mij niet weerhouden te zeggen, dat even sterk als zijn
+verrukkelijk-beeldende beschrijvingskunst--zoowel van stoffelijke als
+geestelijke momenten--mij voorkomt te zijn, even zwak lijken mij zijn
+dialogen. Men behoeft maar het reeds zooeven genoemde _Een
+Pleiziervaart_ als _In de Kroeg_--het verhaal van een
+dronkemansruzie--en _Een Liefde in Limburg_ te lezen, om te merken, dat,
+wat vele zwakke dialogen-samenstellers doen, ook hij niet nalaat: het
+kruiden van hun niet zeer saprijk gerecht met een sterke en smakelijke
+specerij: de geijkte, hoekige, hollandsche volksuitdrukkingen. Wie Wolff
+en Deken kent, weet wat ik met dit kruiden bedoel, maar ziet hij 't daar
+in de hoogste vervolmaking en slechts om zich-zelfs wil, bij Van Oordt
+zal hij spoedig bemerken, dat die uitdrukkingen--niet bewust, maar
+instinctief--in de dialoog zijn gebracht, om dier levenszwakte te
+verbergen. Overigens, wij mogen onverdeeld dankbaar zijn voor dit
+_Nagelaten Werk_, dankbaar, omdat de jong-gestorven schrijver daarmede
+niet alleen zijn roem heeft bevestigd maar zelfs verhoogd.... Welk een
+allervoortreffelijkste zegging van een buitengewoon subtiel doorvoelen
+in dit:
+
+ En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de
+ koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar _tot een
+ burgerlijke versiering de zonnestralen_[3] langs mottige vitrage
+ gelen bij het weeë rood en bij het uitgebloeide blauw der
+ kameromgeving.
+
+[p.29] En welk een opperste genialiteit in deze beelding:
+
+ Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een
+ geestdriftige stijging, _en als hij op sprong staat zich over te
+ geven aan den val der gindsche daling_, glimt hij in de zon als een
+ lint van gele japansche zijde.
+
+Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in _Een Zeereis_. De verhaalgang
+zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn
+effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, lééft
+als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een
+koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk
+een gang en een leven in dat _Fragment uit Floris de Zwarte_. Hoe
+onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde
+ontbloeien in _Een Liefde in Limburg_....
+
+En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn
+taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het
+Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te
+vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was--en ik zeg 't u
+om uw-zelfswil--lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar vóór
+dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook dièr wereld
+schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde
+levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten,
+allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen één geheel met haar--zóó, in
+de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op
+haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden,
+allen zijn zij één met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen
+getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en
+vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die
+prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun
+omvangen en gedragen zijn door die ééne wereld van dien éénen geest....
+
+[SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.]
+
+Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen
+keer--en ge hebt 't uit den aanvang van dit [p.30] opstel reeds
+bemerkt--niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om
+dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp
+behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun
+lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats
+aan den roman _De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche
+Meren_, door C. en M. Scharten-Antink, _fournisseurs de la cour_. Dezen
+laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid
+der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden,
+maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande
+waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het--gij
+zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als éénheid
+te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit
+geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer
+vereend heeft, de recensent mag scheiden!--het echtpaar Scharten is het,
+niet voornamelijk wijl het _de_ erkende romanleverancier van _De Gids_
+is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere zéér
+voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche-
+woorden over hun étalagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene
+seizoen in _Soieries Françaises_, 'n ander in _Inverniciatura Italiana_
+handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in _High-life tailor-made
+Dressing-gowns,_ maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche
+katoentjes zal "doen"--neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't vóóral,
+omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven,
+absoluut _hoffähig_ te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af,
+tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n
+savante en kunstige manier, dat, als je gòed proeft, de boeren zoowel
+als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die
+zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een
+cocotte smaken![4] Maar ge weet zoo min wellicht [p.31] wie de Cavarner
+landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander
+ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee
+machtige vuurstroomen--die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten
+zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik zóó in de Italiaansche
+sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen
+droom!--Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land
+met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens
+[p.32] door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken.
+Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen
+verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren
+verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander
+daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt
+veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant
+de invasie der Duitschers in Italië, die met hun flair voor zaken-doen
+den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede
+konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het
+land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt.
+_Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust
+bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen_. En dat beeld
+wordt er des te volkomener door en _blijkt zelfs rijk aan een ongezochte
+symboliek_, als we erop letten dat _de roomsche priester Jacchini de
+handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is_! Op deze tendenzen
+der huidige samenleving de hand te hebben [p.33] gelegd, en ongetwijfeld
+een _in-kunst-herscheppende_ hand, dàt is de _machtige verdienste_ van
+de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds
+genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch
+vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt:
+tusschen de beide dorpspatriciërs-families _Muzzo_ en _Taddeï, in
+verband staande_ met de beide andere konflikten--en het dunkt mij goed,
+met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit
+werk m.i. miskend is, op dit _verband_ den nadruk te leggen--want de
+afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat
+de jonge Taddeï wèl uit Amerika naar het vaderland terugkeert--wat als
+eervol geldt--en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide
+hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe
+berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst
+tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een
+Taddeï met een Muzzo trouwt, maar--er is een vierde dramatische botsing,
+die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een
+brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat
+is de levenstragiek van den blinden _Zacharia Banfi_, een
+_prachtig-gebeelde_ figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven
+van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht
+moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandië, één idee in
+zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om ééns het vaderlijk
+erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt,
+sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar
+woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert
+in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het
+land terug te winnen.... Luister:
+
+ Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar
+ hem een zeemen zakje op de borst hing.
+
+ "Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire,
+ met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes
+ moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en
+ toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... [p.34] de
+ Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er één is, daar zijn
+ er honderd ... honderd...."
+
+ De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat
+ schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over
+ de binnenplaats....
+
+ De anderen, verschrikt, zaten stil.
+
+En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid
+houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in
+_Banfi_ op: een van die Duitschers, een broer van dien _Walther_, die op
+_Banfi's_ "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo
+in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar
+voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent _Banfi_ en hij geeft een
+deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen
+worden, om _Fulmignano_, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt
+het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij,
+waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan
+welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe
+kabelspoor en daar laat Walther het grootsche _Kulm_-hotel bouwen, daar
+zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo
+wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht
+zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:
+
+ "Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man,
+ _die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn
+ hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden_.
+
+Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:
+
+ Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok
+ voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat
+ hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke,
+ kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en
+ staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den
+ akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het
+ hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den
+ nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven
+ hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen,
+ die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht
+ verklaarde in een [p.35] zachte opgetogenheid. _Toen hij vóór noch
+ achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon
+ meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn
+ vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog
+ voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een
+ bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren_....
+
+ _Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog
+ de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag,
+ naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar
+ Noranco lag_,--_hij zag dat alles in één teeder gewemel van
+ honderden zacht-roze bloesemboomen, één broos gesprankel van roze,
+ glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het
+ azuur van den hemel en aan het versche gras der
+ wijngaard-glooiingen,_--_heel dit lente-land, dat hij kende plekje
+ bij plekje, en dat hij plekje bij plekje vóór zich kon tooveren in
+ den geest_.--_"Che bellezza," zei hij zacht_.
+
+Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en
+diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd
+zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat
+wij hem zien:
+
+ Onbeweeglijk bleef hij zitten.
+
+ Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn
+ starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.
+
+ Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede,
+ waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan
+ den dood....
+
+O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten
+en medelijden?
+
+Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld.
+Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen
+pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige
+kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio
+Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in
+wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Taddeï laat
+trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is òp. En
+die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het _Mayertje_, ofschoon
+uitstekend _doorvoeld_, is niet zóó goed _gebeeld_: de schrijvers hebben
+hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend,
+te spottend, [p.36] te humoristisch geworden. Met den _Zoppo_, den uit
+den treure preekenden vegetariër en theosoof vormt zij niettemin een
+aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische
+situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "_'t Mayertje_" te
+waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt.
+Zij blijkt dan, dunkt mij, _van zelf_ te symboliseeren het
+verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land
+binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer
+gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende,
+landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze
+minnehandels gebruikt _Madame Mayer_ een jong meisje uit het geslacht
+der _Muzzo's_ als "postillon d'amour," welk kind op een van die
+boodschaptochten door den "minnaar" van _het Mayertje_ wordt
+verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse
+tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer
+zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen--en is dit niet fraai
+en goed?--maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om,
+wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die
+balken er niet zijn!--En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en
+heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben
+geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n
+"ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb
+gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: _Wat
+dit boek zegt_, dat zegt het voortreffelijk--een enkele, in de sfeer
+van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd
+zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende
+verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor
+eigen vermogens bewijst--maar in _'t verzwijgen_, daar zit 'm het
+ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en
+de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze
+eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't
+kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren
+gehoord, [p.37] dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden
+verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit _niet_ voortkomt uit zekere
+zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor
+hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde
+zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen
+maakt, om tot scheppen te komen, dàn is het--en vindt men dit een
+"insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk
+en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar
+tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!--dàn is het: _wijl
+zij fournisseurs de la cour zijn!_
+
+[LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.]
+
+En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet
+praten.... Diens _Antiek Toerisme_ verplaatst ons zoowel naar vreemde
+landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari,
+een brok armoeïgheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je
+rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan.
+Een schatrijk Romeinsch patriciër gaat met zijn van hem afhankelijken
+oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij
+--eerste rangs tooneelmalligheid!--voor eene hem ontrouw geworden en met
+een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en
+inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij
+straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart.
+Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te
+trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als
+beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.--Kijk, als ge nu een
+boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk
+gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn
+geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te
+gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet
+en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een
+voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden--en welke gedachte
+zou, zóó kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?--hoe komt ge
+dan bij het betreden van dit Couperus-huis [p.38] bedrogen uit! De
+gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een
+onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen
+smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden,
+maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende
+gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins
+aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle
+duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen
+tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, ouë Romein, men ontmoet
+een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar
+pòe! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene....
+Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en
+die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al
+nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u
+vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou
+heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt ü dan uit
+Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk
+kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar
+is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname....
+Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat
+treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die
+dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte
+mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft;
+meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van
+een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn
+grooter tijd een ontzaglijk Magiër was, die machtige geesten opriep, hen
+bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door
+zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, léven!
+
+Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb,
+den gids, en van Catullus zijn gezèllig-goed. Dat gevalletje van het
+slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig [p.39] en lief. Die
+beschrijving van den Witten Nacht is _fraai_ en wij geraken wel in de
+stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch
+verleden ... jawel ... máár _de centrale fout van het werk is, dat de
+menschen er om het décor zijn en niet het décor om de menschen_. Er
+wordt _gespeeld_ met _menschelijkheid_. En de taal is verbijsterend
+slordig! Het woord _immens_ komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er
+minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is
+gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens
+deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord
+herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens
+_Nagelaten Werk_ voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te
+wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo _reuzig immens_ was"
+als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest
+opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van
+verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan,
+weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met
+een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen
+werkelijk verschil.... Doch wilt ge nòg een spel, maar althans een
+edeler spel van hem zien? Sla dan _Groot-Nederland_ van Maart[5] op.
+Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de
+Medici. Dat lijkt toch op scháákspel, nietwaar? Het bord is er daar, om
+de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te
+maken: _het décor is er om de menschen_.... Neen, zéker: de groote
+Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich
+voor op een schitterend heroptreden--de kleine Couperus houdt zoolang
+het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+BRIEVEN OVER LITERATUUR [p.40]
+
+
+III
+
+ Kinderen zijn, in der aard-smart koninkrijk
+ Prinsen van vreugde en van jeugd-schoon koninklijk....
+ _Willem Kloos_
+
+Dat zijn zij, ongetwijfeld, maar zij zijn nog veel meer dan dit. Doch
+volledig uit te zeggen de majesteit en den rijkdom, de statigheid en de
+bevalligheid, de wijsheid en de liefde van hun teere levens--dat is geen
+mensen gegeven, zoo min, en uit eenzelfde oorzaak, als het ooit een
+onzer gegeven was of zal zijn, het Godswezen te dóórvoelen. Want de
+bijbelsche leering, dat wij naar Gods beeld geschapen zijn, valt alleen
+te begrijpen, maar dan ook volledig, zóó dat zij straalt van waarheid,
+als we ons vooroverbuigen tot de menschen, die nog mensch_jes_ zijn, en
+van de tot ons omhooggeheven effen gezichtjes en klare oogjes de
+verrukkelijke zekerheid lezen, dat dóór en uit hun nog passief, hun nog
+sluimerend menschelijk bewustzijn, het Goddelijk Bewustzijn
+onvertroebeld glanst. Daarom was ik dan ook soms geneigd te beweren, dat
+men eigenlijk weinig van kinderen moet zeggen, daar alles wat men zeggen
+kan beneden hen blijft, en het een ijdel en ook heiligschennend bedrijf
+is te spreken van iets, waarover men niet waardig spreken kan. Maar
+later heb ik bevonden dat deze bewering een dwaasheid is, want, indien
+we niet meer over het Goddelijke en Kinderlijke mochten spreken, dan
+ware onze spraak van zijn diepste [p.41] accenten en schoonste geluiden beroofd
+en zou onze uitdrukkingsmacht zoo verzwakken en ontaarden, dat zij ten
+slotte geen enkele gedachte of gevoel waardiglijk meer zou weten te
+verwoorden. En reeds daarom ware het geen ijdel en heiligschennend
+bedrijf. Maar dat is het ook niet om een andere reden: Wie tot den
+_ziels_-geloovige, op wat wijze deze ook gelooft, van het Goddelijke
+eerbiedig spreekt, hij zal meevoelen en meedenken wekken, op hoe
+gebrekkige wijze hij zijn denk-voelen ook verwoordt, mits dat
+denk-voelen ècht-in-hem zij. Er voltrekt zich dan een
+gemeenschappelijk-zijn tusschen beiden, dat wel op hun wóórden rust als
+op aarde een bloemstruik, maar, evenals dat gebloemte die aarde, geurend
+en stralend en zon-weertintelend, de woorden te boven rijst. En niet
+minder: wie met een liefdevol hart over kinderen spreekt, hoe stamelend
+en hakkelend ook, hem lachen alle moeders tegen en de meest zorgenvolle
+vader heft van zijn werk het zware hoofd op, om hem even, als tot eene
+kracht-schenkende verpoozing, dankbaar aan te zien.
+
+[REYNEKE VAN STUWE: DE KINDEREN VAN HUIZE TER AAR.]
+
+Aldus gaat het hen, die van hen _spreken_. Die hen _beelden_, in een
+_kunstwerk_, gaat het anders! Elk niet àl te laag staand mensch wordt
+hier een voortreffelijk en nauwlettend criticus. Dezelfde omstandigheid,
+die het den gebrekkigsten spreker gemakkelijk maakt, begrepen te worden,
+maakt het den _beelder_ moeilijk bijval en lof te verwerven. Want die
+omstandigheid is: de liefde voor kinderen, die _ieder_ niet àl te laag
+staand mensch bezit. En schoon menigeen een kunstenaar moge vergeven,
+dat hij de zwarte en gluipend-strompelende gedaanten van Leed en Ziekte
+door een zonnige belichting iets van het vreeselijke hunner donkere
+geheimzinnigheid ontneemt, niemand vergeeft het hem, indien hij den
+stralenden engel van het geluk ontluistert en deze, door den mist van
+licht, waarin hij gaat, te dooven, iets van zijn even geheimzinnige maar
+daardoor alsnog onvatbare zaligheid verkondende schoonheid ontrooft....
+En kinderen zijn die engelen.... Daarom, wie kinderen beeldt, moet in
+zich hebben het vlugge naderen en het vlugge wijken, de bewegingen en
+aanrakingen van zijn geest moeten speelsch van vlug- en lichtheid zijn.
+[p.42] Zijn woord moet luchtig ademen als een wind, en zacht en
+streelend als een zàchte wind zijn, want er zullen veel vlinders en
+bloemen komen te leven op zijn land.... Vele der eigenschappen, die zulk
+een kunstenaar vooral dus bezitten moet, zijn wellicht in dit ééne woord
+te vatten: bevalligheid. Niet die der saletjonkers en modieuse dames,
+maar die der natuur: de bevalligheid der schoone verzen, der in de wei
+dravende jonge paarden, der neigende boomen; de bevalligheid, die alleen
+uit harmonieuse samenwerking van edele krachten ontstaat. En deze is het
+wier aanwezigheid ik telkens en telkens weer in het jongste boek van
+_Jeanne Reyneke van Stuwe_ heb gevoeld. Ge weet het waarschijnlijk al:
+het zieleleven van kinderen uit den zeer voornamen stand wordt daarin
+gebeeld. Door een voortreflijken vader en een stiefmoeder, die hen
+liefheeft, als waren zij haar eigen kinderen, opgevoed; door alles, wat
+een kinderleven rijk en gelukkig kan maken, omringd, komen er geen
+uitzonderlijk-hevige gebeurtenissen in hun leven voor, maar de
+schrijfster heeft met goed gevoel voor compositie, het sterven van een
+heel jong broertje erin gebracht, waarmede zij, binnen den grens der
+meest soliede waarschijnlijkheid blijvend, de gelegenheid heeft
+gekregen, de zieltjes der kinderen in de hoogste gevoelsspanning te
+laten zien. De drie gegeven kinderkarakters loopen zeer uiteen. Er zijn:
+de toekomstige superieure mensch: Adèle; de toekomstige intrigante en
+coquette, d.w.z. intrigant en coquet op een vrij onschadelijke en kleine
+wijze: Eva; de toekomstige egoïst, goedhartig en vrijgevig uit
+praallust, iemand met een tamelijk gering intellect en een zekere
+lichtzinnige grilligheid: Charles. Wat echter alle drie gemeen hebben,
+is wat men zou kunnen noemen: hun adels-, hun standsbewustzijn, in Adèle
+schijnbaar het sterkst, en dit getuigt van den subtielen psychologischen
+voelzin der schrijfster: in werkelijkheid namelijk voelt dit kind zich
+zoo voornaam door eigen, _onbewuste_ noblesse, maar _bewust_ wordt haar
+die voornaamheid slechts als een zich-voelen: kind van Huize ter Aar!
+Het boek vol levendige handeling is vlot en luchtig geschreven: een
+witte raaf in onze literatuur. De kinderdialoog [p.43] is uitstekend.
+En ik zou de onverbeterlijke, oude zondaar niet moeten zijn, die, schoon
+hij telkens te hooren krijgt, dat hij zich niet weet te beperken, toch
+onverstoorbaar z'n gangetje gaat, als ik u hier niet wat zou laten zien
+uit den overvloed van mooie dingen, die ik, al lezend, verheugd zat te
+bekijken. Is dit niet allerliefst:
+
+ Ik gun je de pret! zei Amélie. Mag ik 'n chocolaadje? Nemen jullie
+ die mee? En hoe doen we met de poppen? Het was lang een lieve
+ gewoonte geweest, om naar een spel "eerlijk" de poppen mee te
+ nemen. Zelfs Charles waren vaak, hoewel onder protest, _kleine
+ poppetjes in de zakken van zijn jasje gestopt, met de vergunning
+ deze gedurende de geheele reis verborgen te houden, als hij,
+ wanneer de vertooningen begonnen, de koppetjes er maar uit liet
+ steken_.[6]
+
+En hoe uitstekend is, vooral in de door mij gecursiveerde woorden, een
+scherpe psychologische observatie gezegd:
+
+ Eva presenteerde "odeur" uit haar flaconnetje, en kreeg nog rooder
+ wangen, maar nu van ingehouden verontwaardiging, toen Oom Carel
+ zei:
+
+ --Nee, maar, wat heb jij[7] 'n prachtige kanarie-gele handschoenen
+ aan! Want zij zag de ironie in zijn oogen, en _zij háátte hem op
+ dat oogenblik met een snellen haat_, maar vergat dien weer, omdat
+ Oom, bemerkende dat er niets dan water uit haar flaconnetje kwam,
+ haar "economie" prees, en ofschoon zij niet precies begreep, wat
+ hij bedoelde, glimlachte zij toch even complaisant, omdat hij iets
+ van haar in het openbaar goedkeurde.
+
+Maar dan ook, welk een humor zit in dit werk. Men lette eens op die
+prachtige condoleantie-scènes, als 'n tante is gestorven: eerst het
+condoleeren door Leentje, een der dienstmeisjes. "Wel gecondoleerd,"
+zegt zij deftig, en Evatje studeert gauw het vreemde woord in, om het
+straks tot de ooms en tantes te kunnen zeggen! Daarna Eva's genoegen als
+ze merkt, dat haar vrijertje _Piet Erckelens_ het woord ook zoo goed
+weet te gebruiken. Maar dan dit: Charles, die al het heele sterfgeval
+vergeten is, speelt met zijn vrienden roovertje, zij hebben zich verdekt
+achter boomen opgesteld, [p.44] om den "rijken reiziger in 't eenzame
+bosch" te overvallen, en Piet, die uit dat eigenaardige, toch
+touchant-eerzuchtige van kinderen en ... groote menschen, om vooral
+jegens "hooger geplaatsten" onberispelijke manieren te toonen, overal
+naar hem loopt te zoeken, om hem te "condoleeren," nadert:
+
+ De argelooze Piet naderde meer en meer. Hij zette zijn gezicht zoo
+ ernstig mogelijk. Ja, hij had het wel gedacht: de jongens speelden
+ nergens. Hij was al in den boomgaard geweest, èn bij de
+ vischplaats, èn bij de tuintjes, èn bij het achterhek ... nu zou
+ hij nog eens in den moestuin probeeren.
+
+ Hij naderde. Zijn hoofd was een beetje gebogen, en hij spande zich
+ in, de juiste, bij de gelegenheid passende gelaatsuitdrukking te
+ vinden. En ondertusschen loerde Rinaldo Rinaldini achter zijn boom,
+ gereed om zich met blikkerende oogen op z'n slachtoffer te werpen.
+
+ Piet hoorde iets. Tenminste hij bleef staan. En op dat oogenblik
+ sprong, tijgerwoest, zijn aanvaller achter een boom vandaan.
+
+ --Sta, of ik schiet!... was Charles van plan te schreeuwen. Maar de
+ woorden stokten hem in de keel. Roerloos bleef hij op de plek waar
+ hij stond. En het bloed steeg hem heet naar het hoofd van schaamte
+ en verwarring, want Piet had zijn hand vooruit gestoken, en op
+ somberen toon gezegd:
+
+ --Ik condoleer je wel, Arl.
+
+Is het niet voortreffelijk, dat plotselinge ondergaan van Charles'
+speellust in schaamte en verwarring? Maar vooral het komische van de
+situatie!... Humor en van de beste soort is er ook in de weergave van
+het "concert," dat de kinderen voor Juf en de meid geven, en waarop ze
+in de volle onschuld hunner hartjes, allerlei gemeene straatliedjes
+beginnen te zingen en er absoluut geen begrip van hebben, waarom Juf ze
+plots van het podium, een tuintafeltje, trekt en ze met dìt en dàt
+dreigt, als ze niet ophouden.... O, ik zou u nog zooveel fijngevoelde
+trekjes kunnen citeeren. Ik zou u wel willen laten zien, hoe
+voortreffelijk de kinderen in hun onderling zoo verschillenden aard zijn
+doorvoeld en weergegeven, bij die groote gebeurtenis: het sterven van
+broêrtje: Adèle's innige smart; Evatje's sluw pogen, bij anderen den
+indruk te wekken, dat ook zij zoo diep voelt; haar spijt, het maar niet
+tot schreien te kunnen brengen. Ik [p.45] zou u even willen toonen de
+houding van dat geraffineerde coquettetje-in-den-dop, op het kinderbal,
+als haar cavalier vergeet haar ten dans te komen halen, en vooral, o
+vooral Adèle's extatisch voelen, "dat er op de hééle wereld geen kind,
+neen, geen enkel kind bestond, zoo gelukkig als zij," en, na den dood
+van het door haar zoo hevig geliefde broertje, haar weerzin, als ze
+hoort, dat er een nieuw kindje komt, dat broertjes plaats zal innemen;
+haar vermeende haat tegen dat nieuwe kindje! Ik zoude ook wel nader
+mijne meening willen motiveeren, dat de volwassen menschen niet zóó goed
+als de kinderen zijn gebeeld, dat met name, hun dialoog niet zoo goed
+geslaagd is, dat zij te veel betoogen en te redevoeringachtig spreken,
+dat zij ook té zeer als personages van bijzondere gewichtigheid,
+bijzonder verstand, en bijzonder gevoel zijn voorgesteld. Het is alsof
+zij, _in plaats van door de schrijfster-zelf, door de_ HEN
+VERHEERLIJKENDE _kinderen zijn gezien_. En ofschoon deze omstandigheid
+de éénheid van het werk wel versterkt, 't is toch niet goed.... De
+oorzaak wordt ons klaar, indien we er op letten, dat de grove,
+zinnelijke _Oom Carel_ beter gebeeld is dan de hoogstaande _Alexander_
+en _Jeannette_, de beide ouders: de schrijfster zich eenmaal volledig
+ingevoeld hebbend in de levenssfeer der _kinderen,_ werd door de visie
+van de in reinheid aan kinderen verwante _Alexander_ en _Jeannette niet_
+uit de _kinderlijke_ levenssfeer gerukt, zij zag en beeldde hen dus _van
+uit die sfeer_; door de visie echter van _Carel_, die _niets_ met het
+kinderlijke gemeen heeft, werd zij _wel_ uit het kinderlijke denk-voelen
+gerukt. Zij zag en beeldde hem dus van uit de sfeer der kunstenares
+Reyneke van Stuwe. Maar nu zal ik over dit alles niet verder uitweiden,
+en liever de nog ter behandeling van dit werk beschikbare ruimte
+gebruiken, om op iets veel gewichtigers uwe aandacht te vestigen. Zooals
+ge u wel, m'n waarde lezer, uit eigen jeugdjaren herinneren zult: in een
+kinderleven behoort een sprookjesprins, en, gelùkkig, hij ontbreekt dan
+ook in het kinderleven van dit boek niet. Wilt ge hem van hier even zien
+verschijnen? Welnu, zie toe:
+
+ [p.46] Adèle stond wat verder dan de anderen stil te kijken. Het
+ tooneel, nu het duisterder werd, had een vreemde bekoring voor
+ haar. Tegen de klare schemerblauwte der lucht bewogen zich de
+ zwarte figuren der menschen, als de silhouetten van een door
+ ouderdom donkere plaat. Duidelijk teekende zich de kruisboog van
+ het net af tegen den effen hemel. En als het plotseling zwaar werd
+ neergelaten, dan was het opeens, als brak een glad kristal in
+ scherven, die heftig óp-vlogen, en in glinsterend gruis verstoven.
+ Zonder zich bewust te maken, wàt zij zag, en zonder het in
+ zichzelve detailleerend te beschrijven, stond Adèle, en keek,
+ gevangen in den ban van iets geheimzinnigs, iets ongewoons, dat
+ haar met onweerstaanbare macht hield geboeid. Alles was _anders_[8]
+ voor haar in deze oogenblikken ... al de menschen, die er bezig
+ waren, leken vreemde mannen, in een omgeving, die zij niet kende.
+ De atmosfeer was koel, en onbeweeglijk stonden de boomen en
+ planten-groepen tegen den donkerblauwen schijn van de lucht. En de
+ maan werd grooter en helderder, en wierp witte stralen op de
+ werkzame handen der mannen, en schampte zoo nu en dan een
+ fel-flitsend licht langs het stille, glanzende water.
+
+ Het was Adèle, alsof zij droomde. In den grooten prenten-bijbel
+ kende zij de plaat: De wonderbare vischvangst, en ook wonderbaar
+ scheen _deze_ vischvangst haar toe, en het was haar, alsof zij nog
+ nooit te voren het zóó had gezien: het ophalen van het net, met de
+ levende, spartelende massa der over elkaar glippende,
+ kwikzilver-vlugge en flikkerende visschen, waaruit door den Baas,
+ onbeschroomd-tastend, een keus werd gedaan.... En nooit had zij 't
+ nog gezien dat Ruitenburg zoo iets om den adem in te houden vreemds
+ over zich had, als nu hij, met een emmer visch in de hand, zich
+ naar de keuken begaf. Zijn voetstappen knerpten over het grint;
+ zijn breede schouders waren wat naar voren gebogen, en zijn donker,
+ doorgroefd gezicht was in het maanlicht van een strakken plechtigen
+ ernst.
+
+Dit is de Prins van het mystieke levensaanvoelen. Dit is de heilige
+sprookjes-Prins, die in zijn glorierijk en droome--vlug verschijnen en
+verdwijnen, de menschen- en de kinderzielen even stil, ademlóós-stil
+maakt van huiverend geluk, om de zijn oogen en gelaat ontstralende
+glansen.... Deze bladzij, op een _oneindig hooger_ plan dan het overige
+van dit werk levend, bevat--'k zeg het zonder "Oostersch-lyrische"
+overdrijving, in koelen bloede en mij sterk bewust van wat [p.47] ik
+zeg--een mystieke visie van een héél diep voelend schilder-visionnair.
+
+Van kind tot kunstenaar _il n'y a qu'un pas_. En zoo ge schalk genoeg
+zijt mij hier te vragen, of het diezelfde _pas_ is, welke van het
+sublieme naar het ridicule voert, ik zal u in vollen ernst antwoorden,
+dat dit wel en ook niet het geval kan zijn, maar dat het mij althans,
+_immer_ geviel in kind en kunstenaar een essentiëele gelijkaardigheid te
+erkennen. Want een kunstenaar, ziet ge, dat is eigenlijk zulk een
+zonderling en zeldzaam wezen, dat _het meest wezenlijke en
+karakteristieke van het kind-zijn tot zijn dood behoudt_. Dat meest
+wezenlijke en karakteristieke is het _vaak en grootendeels passief-zijn_
+van het _menschelijk_ bewustzijn en het zeer actief-zijn van het
+zoogenaamde _Onbewuste_, dat ik, elders, het _Natuurlijk_ of _Goddelijk
+Bewustzijn_ heb genoemd. Vandaar het in onze oogen onbeheerschte en
+onberekenbare in _kinderen_ en vandaar ook het onbeheerschte en
+onberekenbare in de handelingen van vele _groote kunstenaars_; vandaar
+het ademloos-staren in alleen door hen geziene droomwerelden en het,
+blind voor het ommeleven, òpgaan in voor hen opdoemende fantasieën door
+_kinderen_, èn het, tijdelijk, als werkelijkheid beleven van visioenen
+en verbeeldingen door _kunstenaars_.
+
+De parallel zou verder door te voeren zijn, maar ik geloof, dat hij
+thans ver genoeg getrokken is, om u ook de door mij niet genoemde punten
+van overeenkomst tusschen kind en kunstenaar te doen gevoelen, en te
+doen begrijpen, waarom in ònze nuchtere waarneming de verhouding
+tusschen de beiden _somtijds_ als van het sublieme tot het ridicule
+wordt: Een kind met houten sabel in de hand en papieren kroon op 't
+hoofd, zich in volle gemeendheid, zoolang de fantasie duurt, voor een
+koning of een veldheer te zien houden, ge geniet ervan, óók wijl ge 't
+sublieme en ongerepte voelt in zoo sterk een verbeeldingsmacht; ja, ik
+durf, indien ge geen al te saaie brompot zijt, er een lief ding om te
+verwedden, dat ge, na de eerste verontwaardiging, achter 't handje
+lacht, als [p.48] uw aardig zoontje uw ruit voor een vestingpoort heeft
+aangezien, en er met 'n katapult 'n gat in heeft geschoten, maar--ge
+behoeft géén brompot te zijn, om een groot kunstenaar, die zichzelf tot
+iets noch-nie-dagewesenes proclameert, of, om vermeende krenking, uw
+glazen ingooit, ridicuul en lastig te vinden. En toch--dat alles heeft
+een zelfde oorzaak: dat kinderen en groote kunstenaars in een oneindig
+losser verband dan anderen met de "werkelijke" wereld leven, en dat hun
+lagere persoonlijkheid telkens en telkens weer heftig en hartstochtelijk
+reageert op de influisteringen en 't voorgetoover van 't "Onbewuste,"
+dat nu eenmaal gewone menschen niets influistert of voortoovert, welke
+reacties--het zij herhaald--zoo zij zich voltrekken in de samenleving
+der volwassenen, daar vaak natuurlijk buiten alle redelijke proporties
+en uiterst zonderling lijken. Men heeft mij onlangs verweten, dat ik
+meedoe "aan het bijna misdadig werk, den leek te stijven in zijn
+dwaling, dat koelhoofdigheid, beradenheid en zelfbeheersching
+"onartistiek" zouden zijn, burgerlijk en nuchter." De schromelijk-onjuiste
+formuleering der beschuldiging daargelaten, wil ik wèl even zeggen, dat
+ik mij toen voelde--en dat zal nu ieder begrijpelijk zijn--als die
+ongelukkige barbier van zekeren Kalief, die dien vorst onder het scheren
+verteld hebbend, dat een veldslag door de Ottomaansche legers verloren
+was, onmiddellijk door den Grooten Heer over de kling werd gejaagd.
+Helaas--ik houd van Turken!--ook het verhaal van dien barbier was _geen_
+dwaling, maar de onschuldige verteller had den slag toch niet verloren
+en ik heb toch niet de groote kunstenaars in de wereld geschopt?...
+Intusschen, niet altijd lijken ons die reacties ridicuul, wij achten ze
+soms ook wel van grootschen aard, al kan onze nuchterheid zich ook dan
+niet weerhouden, tegelijkertijd iets als "Don Quichottisch" te mompelen.
+Men denke bijv., om ons tot een voorbeeld uit de literatuur te bepalen,
+aan de vrij zuiver uit zijn _kunstenaarsaard_ voortvloeiende weigering
+van _Cyrano de Bergerac_, om de gunst van den almachtigen kardinaal de
+Richelieu te winnen, door gehoorzaampjes de wijzigingen te aanvaarden,
+die deze in Cyrano's tragedie mocht [p.49] wenschen aan te brengen. Ook
+zulk een daad wordt natuurlijk door ieder braaf burger eene krankzinnige
+extravagantie geacht, maar hij is zoo genadig haar "mooi" te noemen, ten
+eerste, omdat _zijn_ glazen er nimmer door kunnen breken--want laat mij
+u verzekeren, dat dit mooi-vinden hem, achter zijn toonbank weergekeerd,
+niet zal verhinderen te gnuiven: "Wat die zich daar vergooit ... dat
+most mijn gebeuren!... gewóón stápel!"...--en ten tweede, omdat hij
+niet door het _leelijk_-vinden eener daad, die de materie aan de idée
+offert, de kans wil loopen te worden aangezien voor iemand, die tot een
+dergelijk offer niet in staat is....
+
+[VAN GOGH-KAULBACH: VOOR TWEE LEVENS.]
+
+Ik heb hier nu twee boeken over kunstenaars voor mij liggen: een van
+Anna van Gogh--Kaulbach, _Voor Twee Levens_, dat ons een daad laat zien,
+die, op de boven omschreven wijze, "mooi" gevonden wordt en een van
+Æg.W. Timmerman, _Leo en Gerda_, dat ons daden toont, die hinderlijk en
+ridicuul zijn. Als weerspiegeling van maatschappelijk gebeuren en in den
+psychischen oorsprong daarvan beschouwd, zal ik nu wel, vermoedelijk, in
+het voorafgaande over den inhoud van beide voldoende hebben uitgeweid,
+laat mij dus nu voornamelijk hun waarde als kunstschepping keuren. In
+_Voor twee Levens_ is in _Ada_ de groote artisten-natuur gebeeld, die,
+gedwongen door het haar beheerschende Scheppende Vermogen, alle
+gewoon-menschelijke gevoelens onder den voet loopt. Welnu, ofschoon
+ernstig in aanmerking nemend, dat niet al het bijwerk even goed gelukt
+is, dat vooral het boek rustiger had kunnen en moeten geschreven zijn,
+waardoor, naast de vele uitmuntende beeldende zinnen, enkele
+cliché-achtige en slordig-globale vermeden waren geworden--is en blijft
+deze arbeid een geslaagd _kunstwerk_, omdat een _uiterst moeilijke
+taak_: het beelden eener zeer zeldzame uitzonderingsfiguur, met behulp
+van het naturalistische, dramatisch-plastische werk-procédé er
+uitstekend in is gelukt. Niet genoeg kan ik de doorvoelings- en
+voorstellingsmacht roemen, waarmede in _Ada_, als bij stukjes en
+beetjes, als door een levende mozaïek-van-vele-kleine-handelingen, het
+bezeten-zijn van den drang tot scheppen wordt gebeeld. Hoe
+allervoortreffelijkst is, hoe innig heb ik [p.50] genoten van die, door
+treffende waarheid prachtige, uitbeelding van den angst eens kunstenaars
+voor storing op dat begenadigde oogenblik, dat de scheppingsdaad zich
+zal voltrekken.... Hoe leeft men daarin mee ... daar geluiden naderende
+stappen, daar gaat een stem opklinken ... o, even, éven nog ... breek de
+nervig-bevende en als zich wanhopig-instràlende aandacht niet, vóór zij
+de nimmer weer zóó terugkeerende visie, gelukkig, heerlijk, buiten zich
+heeft vertastbaard en vereeuwigd, en, van het zorgelijk-hoeden van zóó
+broozen schat ontslagen, in een zuchten van geluk zich ontspannen
+mag.... O, er is nog zooveel fraais in dit boek: de in zijn liefde door
+_Ada_ teleurgestelde _Ru_; het voelen van _Louise_, die als _Ada_, die
+alleen voor haar kunst kan leven, van _Ru_ is heengegaan, hem met haar
+liefde troost.... Maar dàt, de voortreffelijke beelding van den
+kunstenaarsaard, dàt is de kostbare kern van dit boek, dàt is het
+bijzondere, waarvoor, naar ik hoop, mèt mij vele lezers, der schrijfster
+dankbaar zullen zijn.
+
+[TIMMERMAN: LEO EN GERDA.]
+
+De figuur _Leo_ daarentegen in des heeren Timmermans' boek is van het
+bohémien-type, van dat type dus, dat gewoon is aan alle, ook de
+meest-buitensporige, verlangens toe te geven. Maar bij het lezen van al
+de door hem begane dolheden, bedenke men, dat, wanneer hij beweert, dat
+hij al die dwaasheden begaat om zich "uit te leven," om "zich frisch te
+houden," omdat, in een woord, z'n _kunstenaars_natuur daaraan behoefte
+heeft, dit soms weliswaar niet meer dan een voorwendsel van hem is, maar
+hij 't meestal wel heilig en waarachtig meent en intuïtief voelt.
+Afstammeling van een aristocratisch geslacht, móórdend-deftig opgevoed,
+geest-vermummiënd bewindseld door het kinderachtigst conventioneele in
+zijn jeugd, weet hij op later leeftijd niet veel anders met zijn
+vrijheid aan te vangen, dan zooveel mogelijk maatschappelijke ruiten in
+te gooien, met geen ander wezenlijk resultaat natuurlijk, dan dat hij
+eigen handen kwetst. Maar ofschoon we dus zijn bohémien-zijn voor een
+deel op de rekening zijner opvoeding moeten stellen, de schrijver laat
+ons toch geen oogenblik in onzekerheid, dat het voor het grootste [p.51]
+part noodwendig voortvloeit uit _Leo's_ aard, dat wil zeggen: een
+_kunstenaars_aard van _zekere soort_. En het is een verdienste van den
+schrijver, dat hij dit kunstenaarsschap zoo goed heeft doen uitkomen;
+dat hij ons _Leo's_ plots-ernstig streven, midden-in zijn chaotisch en
+dolzinnig leven, naar ernst en toewijding aan zijn kunst laat zien; dat
+hij deze figuur zekere fijnheden laat doen en uitspreken, die ons
+onverklaarbaar zouden schijnen in, wij mogen wel zeggen: een dergelijken
+woesteling, indien die woesteling niet tevens kunstenaar ware. _Gerda_,
+een boerenmeid, uit de omgeving van zijn vaders landhuis, kan zijn
+hooger kunstenaarsleven niet meeleven, maar des te heviger leeft ze zijn
+lager kunstenaarsleven, het bohémien-zijn, mede. Al in hun jeugd hebben
+ze wel eens begeerend naar elkander gekeken. Later, na zijn vaders dood,
+ontmoet hij haar als een dood-gewone demi-mondaine "op de baan," haalt
+haar uit een bordeel en trouwt haar ten slotte. Men kan zich
+ongetwijfeld levendig voorstellen, wat voor dol- en abjectheden er
+dagelijks uit het samenleven dier beide gedeséquilibreerden
+voortvloeien. De uitbeelding van dit samenleven is uitstekend gelukt en
+reeds als men daarop let, voelt men een jammerlijke spijt, dat het boek
+zoo schromelijk is bedorven door des schrijvers malle en jongensachtige
+van-leer-trekkerijen tegen dit en dat. Och, och, dat een toch zoo zeer
+talentvol schrijver als de heer Timmerman, die plastisch, dramatisch en
+psychologisch zooveel in zijn mars schijnt te hebben, maar niet heeft
+begrepen dat hij zijn kunst een brevet van onvermogen uitreikt, door
+telkens en telkens weer allerlei tendenz in ellenlange betoogen en
+onnatuurlijke dialoog in zijn werk te wringen, in stede van zijne
+beeldingen--gelijk het leven zelf--_door hun wijze van zijn, natuurlijk
+voortvloeiend uit hun aarden uit de omstandigheden_, vóór of tégen iets,
+al naar de lezersgeest hen opvangt en verwerkt, _van zelf_ en _zelf_ een
+of andere meening te laten suggereeren of bewijzen. Want welken anderen
+indruk kan iemand, die als een suppoosterige museum-gids bij eigen werk
+staat te oreeren, wekken, dan die, dat hij voelt, dat 't werk-zelf
+_niet_ sprékend-leeft?! Ook: hoe overladen is het daardoor geworden, hoe
+[p.52] bultig-gedisproportionneerd. Het is of al de ervaringen, of al de
+meeningen, al de haat en al de liefde, in een lang leven gegaard en
+gekoesterd, in dit eene boek chaotisch-ziedend-en-worstelend moesten
+worden uitgestort! Maar het samenleven van _Leo_ en _Gerda_, hoe goed
+ook, is nog niet eens het beste in het boek. Het beste is vervat in het
+eerste hoofdstuk.
+
+Er is daar in de schildering van de verhouding tusschen _Gerda_ en haar
+vader, wiens half-onbewust sexueel begeeren naar haar, zijn dochter,
+deze, uit haat tegen hem, aanwakkert, door hem telkens en telkens weer,
+op grof-zinnelijke wijze te prikkelen--er is daar een epische zwier en
+tegelijkertijd een meesterlijke ingetogenheid in het aanduiden der
+verhoudingen en van het innerlijk gebeuren, die een kunstenaarsmacht van
+héél hoogen rang aanduiden. Die voortreffelijkheid van het eerste
+hoofdstuk keert in het heele boek niet weer. En wie zou niet vermoeden,
+dat zelfs deze daling, van het uitstekende naar het goede, veroorzaakt
+wordt door den jongensachtigen strijdlust, die vaardig wordt over den
+schrijver. Even weldoend als het moet zijn, een mensch met zulk een
+jeugdig hart, zulk een oprechten en edelen geest, als de heer Timmerman
+klaarblijkelijk is, onder zijn vrienden te mogen rekenen, even
+bedroevend is het, zulk een mensch zich, met al zijn impulsen, trots
+dier noblesse, in het werk van het door hem zich uitende Scheppend
+Vermogen te zien dringen en dat zoodoende verminken, welk te bejammeren
+bedrijf dan ook ten slotte op het eind van het werk uitloopt in een
+soort fotografie-realisme, dat niet schroomt, in eene hen ten slotte
+weinig flatteerende apotheose sommigen van de mannen-van-'80 ten
+tooneele te voeren! Ik kan mij niet voorstellen, dat eenig lezer van
+smaak blijde is, hier gepromoveerd te worden tot den spreekwoordelijken
+_valet_, die nu eenmaal gedoemd is groote mannen in kamerjapon te
+zien....--En, nu ik, vóór te eindigen, nog even dralend en keurend
+terugzie over dit opstel, dat door bijzondere omstandigheden al te
+vluchtig moest worden geschreven maar waarin het mij toch tot mijn
+genoegen was gegeven, niet alleen over de kunstwaarde van drie ernstige
+werken te spreken, maar ook sommige [p.53] mijner lezers, naar ik mij
+vlei, naar aanleiding van die werken te hebben doen doorvoelen, dat het
+Scheppend Bewustzijn de lagere persoonlijkheid én van kinderen én van
+kunstenaars op vrijwel gelijksoortige wijze beïnvloedt--nu voel ik toch
+de behoefte, nog even mijne meeningen dááromtrent verduidelijkend saam
+te vatten: dat die beïnvloeding nml. beiden tot _buitensporigheden_
+brengt; dat het den eersten een aan volwassenen vreemde, verrukkelijke
+en liefde-wekkende bevalligheid verleent en aan de uitstameling hunner
+blonde droomen dezelfde bekoorlijkheid van menschelijk-onbewust-geschapen
+rijkdom, die ook kunst bezit, en de laatsten éénerzijds tot groote en
+lichtende daden van sterke wils- en gevoelsconcentratie, anderzijds tot
+uitspattingen drijft, _alle_ welke buitensporigheden echter de deugd
+bezitten van _de sleur te breken en den gewonen menschen de oogen te
+openen voor nauwelijks vermoede_ hoogere en lagere mogelijkheden, en dus
+hetzelfde te bewerken, _wat een ver afgedwaalde vogel doet, die
+uitheemsche zaden in een land laat vallen, en ongekende planten daar
+verwekt_....
+
+Maar dat ik juist het werk van den heer Timmerman omhoog moest heffen
+als een waarschuwing, wàt met _het kunstwerk_ gebeurt, als de lagere
+persoonlijkheid zich al te roekeloos met de schepping van het Hoogere
+Bewustzijn moeit, dàt was mij èn om des heeren Timmermans' groot talent
+èn om zijn klaarblijkelijk zóó edele menschelijkheid, tot een zéér diep
+leedwezen.--
+
+15 April 1912
+
+
+ * * * * *
+
+
+BRIEVEN OVER LITERATUUR
+
+
+IV.[p.54]
+
+
+Helaas, datgene, wat ik, schoon wellicht geheel ten onrechte, de
+noodwendigheid mijner uitingen zou willen noemen, dwingt mij nu, reeds
+bij den aanvang van dit schrijven den gemoedelijken en
+kalm-vriendelijken lezer te irriteeren en wellicht af te schrikken met
+een zoo paradoxaal-klinkende bewering als deze: _De alomtegenwoordigheid
+in de een of andere durende relatie, gesteld nu eens, dat een
+niet-bovenmenschelijk wezen alomtegenwoordig kòn zijn, zou dat wezen
+onverbiddelijk verhinderen, roem, waardeering of zelfs genegenheid te
+verwerven_.
+
+Gij, die dit mocht betwijfelen of ontkennen--terwijl ik spreek, keer tot
+u-zelf in. Luister naar mij en luister naar u-zèlf, te eigener ure....
+Ge zult zien dat u dit niet moeilijk vallen zal, want mijne woorden,
+vertrouw ik, zullen niet anders dan de bewust-makende _parafrase en
+verduidelijkende begeleiding ùwer gedachten_ zijn.
+
+Dus: _waarom_ dan zoude de alomtegenwoordigheid haren grooten, niet
+bovenmenschelijken bezitter verhinderen roem, waardeering en genegenheid
+te verwerven? Gij weifelt: omdat de nijd ... maar waarmee gij--en hier
+ziet gij oprecht vragend op--toch waarlijk _niet_ behept zijt?!... Och
+neen, en ge weet het nu zelf op dezen oogenblik: zijn wij niet _ook_
+liefdevoller dan wij-zelf meestal denken?... O, het is iets veel ergers
+dan de nijd! En voeldet ge niet al het weten, [p.55] wàt het is,
+naderen, toen ik zei, dat wij _ook_ liefdevoller zijn dan _wij-zelf_
+denken?... Het is: _omdat er zelfgeringschatting ligt op den grond onzer
+zielen_! Neen, dàt wisten we nooit of zelden, en hoe zouden wij ook? Wij
+_wilden_ het immers niet weten. Hadden ook onze moralisten ons niet
+altijd geleerd--ons daardoor steunend in het al meer ònbewust wordend
+zelfbedrog--dat hoogmoed en zelfoverschatting de vergiften zijn, die
+ons verwoesten? Hoe zouden wij dan het weten vermeesterd hebben, dat
+integendeel zelfgeringachting het lijkig-blauwende aardgas is, dat
+opstijgend de plantwortels in onze landen vermoordt, zoodat we van
+koren, bloemen noch geuren genieten! Want geen andere dan
+zelfgeringschatting is het, die ons twijfelend laat staan tegenover een
+groote van _onzen_ tijd, van _ons_ land, die ons de handen smachtend
+naar _andere_ tijden en _andere_ landen laat strekken. En geen andere
+dan diezelfde geringschatting ontneemt ons het heerlijke geloof, dat in
+_onzen_ tijd, in _ons_ geslacht, in _ons_ land, als een evenmensch met
+_ons_ verkeerend, een _Groote_ leven kan. _Daarom_ is het spreekwoord:
+Geen profeet wordt in zijn eigen land geëerd, een waarheid: De
+_zelfgeringschatting_ staat niet toe te gelooven, dat het _eigen_ land
+een profeet _kan_ voortbrengen! En _daarom_ zou een _alomtegenwoordige_
+Groote _nergens_ worden geëerd!
+
+Maar hier ziet gij op, schudt het hoofd en beduidt mij niet onduidelijk,
+dat _indien_ al de bijkomende overwegingen niet van eenige waarde
+ontbloot mochten zijn, mijne primaire bewering, schoon tevens
+beargumenteerde conclusie geworden, geenerlei _practisch_ belang heeft,
+want er bestaat geen niet-bovenmenschelijk wezen, dat alomtegenwoordig
+zou zijn!
+
+Maar ach, dit is 'n schromelijke vergissing van u, mijn waarde lezer! Is
+het u dan nooit opgevallen, dat het Joodsche Volk, dat een Groote is,
+tevens zulk een alomtegenwoordig wezen is? Trek alle landen door en
+overal zult ge het ontmoeten, en wat er ook verwaasd moge zijn, uit alle
+historische tijden zien u zijn zelfde zorgenvolle oogen en verweerde
+gelaat aan.... Israël is ieders tijd- en ieders landgenoot.... _Daarom_
+is het nergens en nooit geëerd en geliefd met de liefde en den [p.56]
+eerbied, die hem toekomen. En wat hem daarvan onthouden wordt, daar
+minder, ginds weer meer, wat iéderen Groote, in welken tijd en in welk
+land ook levend, daarvan in dien tijd en in dat land onthouden wordt--is
+_altijd evenredig aan het gebrek aan zelfachting en zelfvertrouwen van
+hen, die hem moesten eeren en liefhebben_. Want luister! Zooals de
+betrekkelijk schaarsche bewondering voor tijd- of landgenootelijke
+Grooten niets anders is, in zekeren zin, dan de veruiterlijking der
+innerlijke zelfhoogachting, het _kunnen-gelooven aan met hen verwante
+grootheid_ der schaarsche hoogstaanden, zoo is de cynische twijfel
+tegenover die Grooten niets anders dan de weerspiegeling van de
+zelfgeringschatting der middelmatigen, het _twijfelen aan de
+mogelijkheid van bestaan van aan hen verwante grootheid,_ en zóó, ten
+slotte, is de _haat_ tegen en _verachting_ van zulk een Groote--en ge
+ziet in het antisemitisme van het hooligan-type het zuiverst beeld van
+zulk een haat!--anders dan de uitgebraakte _zelfverachting_ der
+verdierlijkten, _het onmogelijk kunnen gelooven aan op eenigerlei wijze
+met hen in aanraking zijnde grootheid_, en het dáárom tegelijkertijd
+haten èn verachten als _gehuichelde en geüsurpeerde_ meerderheid, 't
+geen inderdaad _werkelijke_ en _rechtmatige_ meerderheid is, en die zij
+_als zoodanig_ doorvoeld, _alleen_ geháát zouden hebben.
+
+De Literatuur, we weten het, heeft wonderen van vlijm-hoonende ironie,
+van monsterlijk-groteske, in den snik-lach om zich-zelf zich
+schaamteloos-wentelende gedrochten voortgebracht, máár--het allerbeste
+behield de Natuur zich-zelf ten dienste harer onmiddellijke scheppingen
+voor: deze antisemieten van het hooligan-type vooral, maar niet alleen,
+zij zijn onovertrefbaar van gedrochtelijkheid, een charge lijken zij,
+een overdrijving, zij zijn onwaarschijnlijk en onwezenlijk van
+alleruitmuntendste wezenlijkheid! En die heele bende pogromhelden, deze
+Kischinewsche en Homelsche vrouwenwurgers en kinderverkrachters, met den
+allerchristelijksten Czaar-paus-vredestichter tot beschermheer, die hun
+slachtoffers _verachten_ en niet weten, dat zij niet anders dan
+_zelfverachting_ braken!... Dàt staat hoog boven alles uit, pràchtig
+[p.57] stinkend-van-walgelijkheid en oogenvonkelend, snoet-roodend en
+wijdmuilend van bestiaal-zinnelijke, hik-lachende belachelijkheid.
+
+Gij, _Hollander_, zult niet vragen, schaamteloos-onverschillig als de
+zonen van menig ander volk, waarom ik ú dit vertel; gij, die slechts aan
+zelfgeringschatting lijdt en geen zelfverachting voelt noch behoeft te
+voelen; gij, landgenoot van Surenhuys en Basnage en die bevallige
+Joffers en edele Heeren, die uit een zachte liefde jegens de oude
+cultuur eener groote natie, de Hebreeuwsche literatuur vereerden, o ik
+weet het en wensch hun sentiment te onder- noch te overschatten: zoo
+ongeveer wellicht op dezelfde wijze, waarop een Fransch edelman de
+verweeuwde vriendin zijner jeugd nog elken dag bezoekt en weemoediglijk
+zacht causeert en haar lieve en bevallige geschenkjes met bescheiden
+glimlach en hoofsche buiging biedt. Al weet ik óók: die tijd is lang
+voorbij, en al is het mij niet verholen, dat gij, hun nakomelingen, niet
+vrij zijt, hier en daar, van een zeker ras-antagonisme.... En bovendien:
+hoe ver staat gij in uw modern leven van al die speelsche
+bevalligheidjes af: een Tesselschade aardige klassiek-Hebreeuwsche
+briefjes aan hare vriendinnen over het huishouden en de edele kookkunst
+schrijvend!... Maar toch, wat ook gij wel weet en van welk weten gij u
+naar ik hoop niet ver zult houden, is: dat Spinoza uw grootste wijsgeer,
+Israëls een uwer grootste schilders, en Querido thans, onbetwijfelbaar,
+uw grootste epicus is en dus.... Neen, zeker ... ik ben overtuigd, gij
+hebt aandachtig geluisterd, terwijl ik u sprak van dat volk, dat u
+zooveel heeft geboden, en zult voortgaan met niet minder aandachtig te
+luisteren, al spreek ik dezen keer over niets anders dan over werk van
+zonen van dat volk.
+
+Het literaire genie der Joden schijnt mij tot voor betrekkelijk weinig
+decenniën overheerschend meditatief-lyrisch te zijn geweest; hun episch
+vermogen--de tijdvakken, die den Bijbel uit zich hebben omhoog gestuwd,
+buiten beschouwing gelaten--vrij wel latent; hun plastiek niet sterk,
+zelfs de plastiek [p.58] van Salomo's onvergelijkelijk _Lied der
+Liederen_ wordt geschaadt en ernstig verzwakt door de tendentieuse
+beeldvorming eener bedoelingsvolle allegoriek. En ik heb zoo'n stil
+vermoeden, voor 't eerst nu ruchtbaar gemaakt, dat Mozes, behalve een
+geniaal wetgever, ook een uitstekend kunst-beoordeelaar bleek te zijn,
+toen hij het gouden kalf verbrandde! Maar, helaas, welk een
+onvoorzichtigheid tevens beging hij daar mee. Het schijnt of men maar
+geen vrede met dit genadeloos afbrekend oordeel hebben kon! Men moest en
+zou bewijzen wel degelijk in staat te zijn gouden kalveren van de
+allerbeste kwaliteit en natuur-getrouwe allure voort te brengen.... En
+met welk een succes!... De Rotschilds en de Hirschen, wie zou het hoofd
+niet voor hen buigen, zelfs nadat ze door de Morgans, de Rockefellers en
+hoe al die andere onbaatzuchtige artiesten verder mogen heeten,
+overvleugeld zijn. En wat zeg ik: overvleugeld! Dat zit nog! Denk eens
+aan die prachtige groep: _Het Gouden Kalf bevuilend zijn eigen Stal_,
+eenige jaren geleden door een russophil, joodsch bankier, in vrije
+uurtjes van kunstlievigheid en inspiratie gewrocht.... O, dat was om op
+de knieën te vallen!... Och, of Mozes nog geleefd hadde! Zoude hij
+ditmaal instede van het kunstwerk niet den kunstenaar hebben verbrand,
+om voor goed te verhinderen, dat deze zich wellicht in de toekomst aan
+een noodzakelijk-mindere, hem-zelf en zijn werk schadende herhaling zou
+te buiten gaan? Inderdaad, ik mag zeggen, dat het antwoord zoo makkelijk
+te geven als de vraag te verstaan is! Maar Mozes leeft niet meer, en
+welbeschouwd is dat ook goed, want het moet niet aangenaam zijn, een
+groot man iets overbodigs te zien doen. Want nu in ernst, zoo blijde,
+als deze scherts bitter was: dat uitschot van mijn volk--maar ik wensch
+nu verstaan te hebben, dat ik hier alleen spreek van die tijdens de
+jodenvervolgingen en revolutie aan Rusland geldschietende Joodsche
+ellendelingen--deze verkoopers van hun broers, verloochenaars van hun
+ras, deze verzwijnden in den afval der vreemde maatschappijen, hoe zijn
+zij weggedrongen door de kinderen der Jesaja's en Jeremia's, door de
+nieuwe profeten zoowel van de vertroosting als het leed! Er is in de
+jonge Joden, [p.59] in deze geheele, nu opgebloeide generatie van jonge
+dichters en schrijvers, met de melancholie van het ghetto of de hoop op
+renaissance--meest met beiden!--in hun hart, geen eerbied meer voor het
+geld om het geld, geen eerbied ook meer voor autoritaire tradities: van
+een heilige aandacht vol, hebben zij zich diep gebogen over de natuur,
+hun volk en hun ziel, en zoo zij hun blikken wenden van deze trits, het
+is alleen om in een óver-huiverend gevoel van geluk te zien naar de
+wondere Aronsstaf in hun hand, die, voorlang tot 'n dor hout geworden,
+nu in geurende bloemen ontluikt. Want ze weten het, zij zijn het, die
+hem doen bloeien, daar de mystieke zegen der natuur èn van hun volk èn
+van hun eigen ziel, hem uit hun handen en gelaat bestraalt. Die
+Aronsstaf, mijn lezer--gij zoudt het reeds begrepen hebben, zoo ge het
+boek van _Dr. Slousch_, waarover ik nu ga spreken, gelezen hadt--die
+Aronsstaf is de verjongd-uitbottende _Hebreeuwsche taal_!
+
+[DR. SLOUSCH: LA POÉSIE LYRIQUE HÉBRAÏQUE.]
+
+Het, de nieuwe Hebreeuwsche lyriek (1882--1910) behandelende, boek van
+dezen geleerden, met een zeer fijne critische intuïtie begaafden
+Sorbonne-docent, waardeer ik niet zoozeer om eenige bijzondere kwaliteit
+der literaire analyse, die te zeer op het tweede plan teruggedrongen is,
+om een definitief oordeel over het analytisch vermogen van den auteur
+mogelijk te maken, maar voornamelijk om de volgende redenen: het
+meesterschap over de stof, het met strak en vast gebaar aangeven van de
+groote ontwikkelingslijn, en het aanwenden van meer moderne
+literair-critische methoden op eene literatuur, die zelden of nooit door
+een beoordeelaar zonder religieuzen bril bekeken is. Dat vooral maakt
+een alleraangenaamsten, buitengewoon prettigen indruk. Máár--volkomen
+geëmancipeerd van alle kerkelijke gedachten-dwang als Slousch mij lijkt,
+is hij dan ook aan de dezen geestestoestand soms begeleidende euvelen
+niet ontkomen. Een enkel maal is hij "erge" nieuwlichterlijkheid
+schromelijk onjuist en onrechtvaardig. Zoo, sprekend van den door hem
+als groot geprezen Saül Tchernikhovsky, zegt hij:
+
+ [p.60] Cette dernière allusion à un rite rabbinique peu esthétique
+ (het dragen der gebedsriemen, v.C.) auquel la tradition attache
+ beaucoup d'importance, doit accentuer le contraste entre la beauté
+ du culte grec et le manque de gout des rabbins.
+
+Ten eerste is deze ritus niet "rabbijnsch" maar vloeit onmiddellijk uit
+een bijbelsch gebod voort! Het ware de taak van den analytischen
+criticus hier geweest, op te merken, dat als Tchernikhovsky toornt:
+
+ Toutes ces belles choses, que des hommes sans vie, que des êtres
+ pourris, vils et rebelles à la vie (Men merkt: eenzelfde verwijt
+ als reeds zoo vaak het Christendom getroffen heeft, treft hier het
+ rabbijnsche Jodendom! v.C.) ont enlevées a Shadaï-Dieu-Roc (cette
+ divinité impénetrable du désert, qui présidait aux actes des
+ conquérants de Chanaan) et qu'_ils ont enchainées dans les cuirs
+ des philactères_,
+
+hij tegen den verkeerde toornt, want dat dit "ketenen in het leder der
+gebedsriemen" een gebod van "Shadaï-Dieu-Roc" zelf is. _Niet_ dus van
+"Adonaï, le Dieu pacifique et ritualiste des rabbins," maar wel degelijk
+van: "Jehova-Zebaoth, le dieu guerrier et vengeur des Hébreux." Instede
+van hem den dichter te doen bijvallen, hadde dus deze plaats Dr. Slousch
+tot een schoon voorbeeld kunnen dienen van wat hij-zelf het "souvent
+plus oratoire que sincère" in Tchernikhovsky's poëzie noemt! Maar ten
+tweede zal het wel iedereen, behalve Slousch, onmogelijk zijn in te
+zien, waarin het "onaestetische" van dezen ritus steekt! Integendeel, ik
+herinner mij levendig uit mijn jeugd, welke aan het extatische grenzende
+momenten ik doorleefd heb, door die "kroon op mijn hoofd" en dat "zegel
+op mijn arm" en ook--hoe rijk is een kind!--hoe ik midden in het
+ochtendgebed en mij alleen in de kamer wetend, plotseling, door de
+invallende gedachte opgewonden, nerveus maar toch glimlachend van
+voorvoeld genot voor den spiegel trad, om, terwijl ik het tallith--den
+gebedsmantel--op z'n schilderachtigst om mijn lijf drapeerde, te zien
+of mij de hoofdgebedsriem nu waarlijk als de vorstelijke diadeem stond,
+die ik mij altijd op 't hoofd droomde.... Helaas! hoe kan men zoo dalen:
+niet alleen dat ik niet meer taal naar een kroon, maar ik ben zelfs met
+een stoffigen hoed tevreden!... [p.61] Maar dus: "onaestetisch"!... ik
+begrijp er niets van! Een andere onjuistheid van dien aard is de
+volgende. Na een citaat uit denzelfden Tchernikhovsky, zegt onze auteur:
+
+ Allusion à un passage talmudique qui exècre celui qui s'arrête à
+ contempler "un bel arbre ou un beau champ."
+
+Men zou dus hieruit gevoegelijk de enormiteit kunnen afleiden, dat deze
+passus het bewonderen van natuurschoon verbiedt!! Daar is natuurlijk
+niets van aan! In werkelijkheid luidt bedoelde sententie, in getrouwe
+vertaling, aldus:
+
+ Die ten wege gaat _en over gewijde onderwerpen méditeert en zijn
+ meditatie afbreekt_, om te zeggen: hoe schoon is deze boom, hoe
+ schoon deze akker, hem beschouwt de Schrift als een die _zich
+ schuldig maakt jegens eigen ziel_.
+
+Ik zal dit niet nader behoeven te analyseeren, om den lezer, die op het
+door mij gecursiveerde let, te overtuigen, dat hier noch van een verbod
+om natuurschoon te bewonderen noch van iemand "verfoeien" sprake is!
+
+Maar--en spreekt dit trouwens niet van zelf?--het opmerken dezer kleine
+vlekjes kunnen de wijde en diepe dankbaarheid niet verminderen, die ik
+als een warme liefde in mij voel voor dit boek en zijn schrijver. Bij de
+geestelijke gestalten der daarin behandelde dichters, dezer vergeefs
+vervolgde, ontembare en van levenskracht stralende helden, wat zijn wij,
+Westersche Joden, daar Jood_jes_ bij. Van hen allen schijnt _Bialik_ mij
+de allergrootste. Men leze dit door Slousch aangehaalde kleine fragment
+uit het gedicht _Massa Nemirow,_ "une description réaliste du pogrome de
+Kichenev."
+
+ Fils de l'homme ... lève-toi et va vers la ville de la Tuerie. Tu
+ visiteras les maisons pour voir de tes yeux et pour palper de tes
+ mains le sang figé et les cervelles durcies sur les haies, sur les
+ arbres et sur le cement des cloisons.... Puis, tu iras voir les
+ ruines, en franchissant des brèches, en passant par des murs troués
+ et par les fours brisés, la où les entailles sont les plus larges,
+ où les trous sont les plus grands, où la pierre noire est denudée
+ et la brique arrachée.... Elles sont pareilles aux bouches beautés
+ des plaies sordides pour lesquelles aucun moyen, aucun remède n'est
+ plus efficace. Tes pieds s'enfonceront dans les plumes et buteront
+ contre les décombres des objets brisés, [p.62] contre les restes
+ des livres et des parchemins, biens perdus, produit des peines et
+ des labeurs surhumains....
+
+ Cependant, tu ne t'attarderas point sur ces ruines et tu
+ continueras droit ton chemin.... Et l'odeur des acacias viendra à
+ ta rencontre, et leur parfum pénétrera dans tes narines et leurs
+ fleurs qui sentent le sang....
+
+ Et comme pour te contrister, leur senteur étrange répandra dans ton
+ coeur la fraîcheur du printemps, et tu le supporteras! Et le soleil
+ te percera de myriades de flèches dorées qui refléteront sur chaque
+ fragment de vitre sept rayons joyeux de ton malheur....
+
+ _Car Jehova fit appel au printemps et à la tuerie à la fois. Le
+ soleil rayonnait, l'acacia s'épanouissait et le bourreau
+ abattait_....
+
+Door het cursiveeren van den laatsten zin, in zijn poignante
+tegenstellingen vol van een magistrale, zwaar dreunende zeggingskracht,
+toont _Slousch_ wel duidelijk, welk een bevoegd docent zijn discipelen
+in hem bezitten. Jammer, dat door de ontstentenis van den oorspronkelijken
+Hebreeuwschen tekst den lezer van dit boek de mogelijkheid wordt onthouden,
+ook zijn vertaal-talent te waardeeren. Een ander gedicht: _La Chose
+(Dabar)_ van denzelfden dichter ontlokt onzen auteur deze opmerking:
+
+ Dans ce sanglot de désespoir suprême d'une pensee qui s'obstine à
+ vivre, bien qu'elle soit hantée de l'idée de la Fin, s'affirme une
+ sensibilité vivante et sympathique, qui mérite d'être connue de
+ notre siècle d'égoïsme et de positivisme à outrance.
+
+En overtuig u hoezeer hij gelijk heeft: (Ik citeer slechts een klein
+gedeelte.)
+
+ Car _une chose_ s'est declarée chez nous et personne ne sait ce
+ qu'elle signifie.
+
+ Est-ce un Lever ou un Coucher de soleil? Si c'est un Coucher,
+ est-ce pour jamais?
+
+ Car le Chaos qui nous entoure est grand. Il est terrible ce chaos,
+ et n'offre aucun refuge.
+
+ Et alors même que nous voudrions implorer dans les ténèbres, nous
+ livrer aux prières, quelle oreille nous écouterait?
+
+ Même si nous blasphémions, sur quelle tête retomberaient nos
+ blasphèmes?
+
+ Et lors même que nous grincerions des dents, que nous lèverions le
+ poing de colère, quelle nuque en serait atteinte? Le Chaos, le vent
+ emporterait tout sans laisser des traces.
+
+ [p.63] Plus de point d'appuis, plus de soutien, plus de chemin. Les
+ cieux se sont tus!
+
+ Ils savent combien ils sont criminels envers nous, et combien leur
+ crime est infernal, et ils portent silencieusement le poids de leur
+ faute.
+
+ Ouvre donc ta bouche, ô Prophète de la Fin, et si tu as quelque
+ chose à dire, dis-le!
+
+ Dût ta parole être amère comme la mort, dût-elle être la mort
+ elle-même, parle, dis-la!
+
+ Pourquoi craindrions-nous la mort, puisque déjà son ange chevauche
+ sur notre dos et met le mors dans notre bouche?
+
+ _Et en plein hymne de Renaissance chantant sur nos lèvres, en plein
+ délire de joie de vivre, nous galopons vers la tombe_....
+
+En hoe val ik Slousch bij als hij van dien anderen groote,
+Tchernikhovsky, zegt:
+
+ (Wat hij in zijn verzen geeft) c'est la vie réelle, l'effort que le
+ poète prêche aux fils degénerés du ghetto.
+
+ Débordant lui-même de la joie de vivre et d'agir, il exerce une
+ action d'autant plus grande sur le lecteur, ses propres collègues.
+
+ Il a conscience de son rôle de régénérateur. Il est aussi large,
+ aussi prodigue que la nature l'est pour lui-même.
+
+Ja, inderdaad: "débordant de joie de vivre!" Luister slechts, ten slot,
+naar dit:
+
+ Mais non! Elle ne mourra pas la Poésie! Elle ne mourra jamais! Même
+ le jour où l'homme ver parviendra à étendre son règne sur les
+ domaines du Ciel et des abîmes, à dompter les tonnerres et le feu,
+ et à jeter des clartés sur les ténèbres de la nuit polaire, elle ne
+ mourra point.... Dans les cadres d'or pur, dans les colliers des
+ rimes, l'enthousiasme de l'âme du poète jaillira puissant comme le
+ grondement superbe de la mer. Aux souvenirs des actes accomplis par
+ les pères aux temps passés et dans la félicité sans bornes des
+ siècles à venir, elle ne mourra pas, elle ne mourra jamais!...
+
+Bialik en Tchernikhovsky! De een, de sterke, mannelijke drager en
+bepeinzer van het schrijnende leed van millioenen, de ander de bazuin
+van hun onverwoestbaar geloof in het leven en in de toekomst, beiden te
+zaam een beeld van die edele revolutionnaire kracht, in welke de felle
+en vernuftig-ondermijnende haat van het _intellect_ tegen het
+verfoeielijk maatschappelijk _systeem_, zich heeft gepaard aan de
+erbarmingsvolle [p.64] zachtheid van de _ziel_ jegens de _menschen_; een
+beeld in één woord der revolutionnaire kracht van het stam-volk van
+_Marx en Lassalle_!--Maar terwijl ik dit neerschrijf wordt weer het oude
+en schaamtevolle betreuren in mij wakker. Mijn liefde voor de Bialik's
+en Tchernikhovsky's, zij wijkt bleek en huiverend terug, gelijk een
+hooghartig geweigerde liefde. En het is mij of dat rechtvaardig is, en
+ik geen broederlijk deel aan noch recht op hen heb. Hoe bitter is dit:
+dat ik in de maatschappij, waarin _ik_ leef, niets van het leven, het
+denken, het voelen dier sterken en vurigen en in mijn eigen trekken noch
+in die mijner westersche en vooral hollandsche stamgenooten gelijkenis
+met hun geestelijk gelaat herken.
+
+[DR. KARPELES: HEINE-RELIQUIEN.]
+
+En dat kàn niet aan mijn blik liggen. Want denk ik daarentegen aan dat
+andere, door mij nu te behandelen boek, het nog niet sinds lang
+uitgegeven werk van Dr. Gustave Karpeles: _Heine Reliquien_, dan zie ik
+daarin niet één mensch, hij zij Ariër of Semiet, of ik vind het meest
+karakteristieke zijner wezenheid in de mij omringende menschen terug:
+_Salomon Heine_, de man van de quasi-luidruchtigheid en jovialiteit,
+welke zijn grimmig sarcasme moeten bedekken tot den tijd, dat het vlug
+de venijnige nagelklauwtjes uitschiet, de man wiens diepste wezensaard
+is: een onder zijn joodsch-bankiers-cynisme voortsmeulende en er
+lichtelijk door gedompteerde vettige zinnelijkheid; _Gustave Heine_, de
+gedistingeerde, veradellijkte cavallerie-officier, met zijn literaire
+aspiraties en talentjes, met een manusje-van-alles-achtigheid in zich,
+een aanpassingsvermogen, een abiliteit om zijn cocon op het juiste
+tijdstip als glanzend vlindertje, de vleugeltjes beladen met stofgoud,
+te kunnen verlaten, die buitengewoon zijn; de _Baron de Custine_, met
+zijn verliefdheid op den Heiniaanschen geest; Varnhagen en Immermann,
+"die hun best deden als ze aan Heine schreven, even geestig als hij te
+zijn." ("Hoe dat uitviel is een andere zaak," voegt Karpeles er schalk
+bij.) O, al die menschen ken ik empirisch èn intuïtief door en door!
+Doch hoe veel beter ware het mij, als ik de Bialik's aldus kende! Maar
+toch: niet alleen als vergelijkingsmateriaal [p.65] met het zoo oneindig
+belangrijker werk van _Slousch_, is het boek interessant. Het is het
+vooral om de figuur van den grooten Heinrich. Die blijkt ook hier weer
+enorm! Luister even, bid ik u: 1 Febr. 1846 schrijft hij:
+
+ Lesen kann ich gar nicht, schreiben nur wenig. Ein Auge ist seit
+ einem Jahr ganz geschlossen, das andre sehr matt, und 2/3 des
+ Gesichtes, inclusive den Mund sind gelähmt. Dabei bin ich
+ lebensmuthig geblieben, und habe gar kein Lust mich ruhig mit
+ Füssen treten zu lassen. Im Gegentheil mich jucken die Fuszspitzen
+ und Gott sei genädig dem Hintern, den sie nächstens treffen.
+
+Men ziet het: de verlamde en den dood zich nabij wetende Heine heeft
+niets van zijn trotsche en vreeslooze strijdvaardigheid ingeboet. Ook
+niets van zijn beroemde geestigheid! In die geestigheid had de
+_Jiddische Witz_ zijn culminatiepunt gevonden. Moest ik deze laatste
+karakteriseeren--en dit is wellicht tegenover den niet-joodschen lezer
+niet ongewenscht--ik zou willen beweren: het is de geestigheid van een
+gemoedelijken, uiterst _ervaringrijken_ en scherpzinnigen _grijsaard_,
+een grijsaard, die ook die meest gewone eigenaardigheid van den ouderdom
+vertoont, dat hij het innerlijk meer dan het uiterlijk zoowel van zijn
+persoon als zijne uitingen verzorgt. En wat is trouwens natuurlijker dan
+dat ook de geestigheid van 'n volk met een geschiedenis van 'n 4000
+jaren, het karakter van die eens over-ervaringrijken, een weinig
+sceptischen ouden drage?! Een aardig staaltje nu van dien geest, máár:
+ver-Heiniaand, d.i. dus culmineerend, is dit: (Gustave Heine bezocht
+zijn grooten broer aan diens ziekbed en vertelt ons daarvan het
+volgende):
+
+ Im Laufe des Gespraches nahm ich ein französiches Journal zur Hand,
+ und nachdem ich seinen Inhalt überflogen, fragte ich Heinrich, was
+ er von den öffentlichen Personen Frankreichs halte. "Ach," sagte
+ er, "da musz ich Dir dieselben Worte sagen, die der alte
+ Französische Wachtmeister äusserte als der Lieferant Lewi seine
+ Ochsen ablieferte. Dieses geschah auf dem Marktplatze eines kleinen
+ Städtchens wo der Etat-Major stationirte, vor dem jedesmal die
+ Ochsen vorbeidefiliren mussten, um gezahlt zu werden. Hr. von Lewi
+ hatte versprochen 300 Ochsen zu liefern, hatte aber nur 100 Ochsen
+ zu seiner disposition. [p.66] Er liess deshalb die Ochsen einzeln
+ vor dem Etat-Major voorbeitreiben, und richtete es so ein, dass die
+ gemusterten Ochsen von seinen Knechten schnell zu dem einen Thore
+ hinaus, um die Stadt herum zu dem anderen wieder herein
+ getrieben wurden, so zwar, dass endlich von dem Etat-Major die Zahl
+ von 300 Ochsen richtig bescheinigt wurde. Nur ein alter
+ Wachtmeister der dabei war, schüttelte den Kopf mit Verwunderung
+ und bemerkte: Es käme ihm vor, als seien es immer dieselben
+ Ochsen."--"Ja lieber Bruder," schloss Heinrich, "auch mir wil es
+ vorkommen, als seien es immer dieselben Ochsen."
+
+Maar Heine was wel voor een groot deel Jood, maar voor een ander deel
+had hij niet alleen het essentiëele der Westersche beschaving in zich
+opgenomen doch schijnt bovenal zijn elegant-amoureuse wezen doordrenkt
+te zijn geworden van de geuren harer wellicht schoonste bloem, inderdaad
+haar _fine fleur_: de frànsche cultuur. Want is in den volgenden bon-mot
+niet vooral de geest belichaamd van het ridderlijk volk, wien geen
+enkele omstandigheid, zij 't de ontzettendste ziekte of wreedst-
+aangluipende dood, de schoone geste, den Meester-lijken glimlach en de
+fijn-geslepen scherts zijner courtoisie kan verhinderen of doen tanen?
+Kort voor Heine's sterven, maakt hij aan zijn ziekbed kennis met zijn
+schoonzuster, Gustave's vrouw; hij licht, om haar te kunnen aanzien, met
+de eene hand zijn verlamde ooglid op, vat met de andere _haar hand_
+en zegt tot _Gustave_:
+
+ Bruder, Du warst klüger als ich, Du nahmst Dir von den Uebelen das
+ kleinste."
+
+Men begrijpe mij wèl: ik beweerde niet dat Heine's figuur ook in dit
+boek enorm blijkt, omdat ik dergelijke speelsche geestigheden als de
+hier geciteerde bij tientallen er in vind, neen, ik beweerde het, omdat
+hij, _lijdend aan tabes dorsalis, en gedurende een zevental jaren
+slechts eenmaal zijn kamer voor het balcon verlaten hebbend_, ze kon
+zeggen! Want Multatuli vergiste zich, toen hij de Gnomen, die een mensch
+uitkleeden tot op het bloote lijf, tot hij niets meer is dan hij _is_,
+ònder den grond meende te wonen, zij leven _daarboven_: zij heeten:
+_eenzaamheid, ziekte, gedwongen lediggang_!
+
+[BONN: EEN BONTE VLUCHT VAN VERZEN.]
+
+In 't algemeen zou het een studie overwaard zijn, eens na
+[p.67] te gaan, in welk een sterke mate Heine de moderne dichters en
+vooral die van joodschen stam beïnvloed heeft en nog ten huidigen dage
+beïnvloedt. Voor Nederland echter zou het resultaat vrij pover zijn. Om
+ons nu tot de joodsche auteurs te bepalen, lijkt mij _Josef Cohen_ wel
+de eenige, die aan het vervaardigen van Heiniaantjes doet, of deed; _van
+Collem_ is daar ongetwijfeld, blijkens zijn zeer raak typeerende
+wrang-joodsche schertsdichtjes te oorspronkelijk voor; _de Haan_ veel te
+zwaar, te onspeels-ernstig en vooral in zijn stijl-natuur te
+van-Deysseliaansch-afgemeten en niet-uit-de-plooi-komend. En de Haan
+heeft waarlijk ook wel iets beters te doen, dan een ander bewust na te
+volgen. Zijn joodsche _Liederen_, in _De Gids_ van 1910 verschenen, zijn
+van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van stemming en
+zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, in een
+diep-innerlijken droom verzonken en er zich niet van bewust dat hun
+droom uitspreken, en gehoord worden buiten zich. Het aan _Het Joodsch
+Nationaalfonds_ gewijde gedicht in _De Beweging_ van deze maand lijkt
+mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer
+cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven van nationalen trots en
+Zionistische toekomsthoop, _die niet in de dichterlijke conceptie en
+uiting verbijzonderd en verindividualiseerd zijn_. Is deze, mijns
+inziens beste onder de joodsch nederlandsche dichters, tegelijkertijd 't
+innigst joodsch-gevoelig, _Bonn_, wiens bundel _Een Bonte Vlucht van
+Verzen_ hier voor mij ligt, lijkt mij heelemaal geen Jood meer, maar op
+end' op een hollandsch-socialistisch dichter uit, het zij zonder zweem
+van geringschatting gezegd, de Nieuwe-Tijd-kweekerij, d.w.z. wat een
+groot deel van zijn onderwerpen-keus en gedachten-objecten betreft:
+_arbeiders en het socialisme_, en dan verder: hollandsche weidjes;
+hollandsche koetjes; huiselijk leven--heel innig!--. Maar zijn
+levend-rythmische zangerigheid is van hem-zelf en ook zijn buitengewone
+gedachten-ònbelangrijkheid. En--'t zal u zoo op het eerste gehoor wat
+vreemd lijken!--niet alleen de aanwezigheid van de eerste maar ook van
+de laatste _naast de eerste_, laat weten, dat hij een echt dichter is,
+al moet [p.68] ik hem tegelijkertijd den ernstigen raad geven niet met
+die onbelangrijkheid (= "eenvoud") te gaan coquetteeren, want dan zou
+dàt een maniertje, zijn werk rhetorisch en hij zelf een rijmelaar
+worden! Maar nú zij het volmondig gezegd: Wie zulke niemendalletjes tot
+zoo betrekkelijk schoone verzen--men weet, ik doe te dezer plaatse niet
+aan eigenlijke détailkritiek--weet om te vormen, dat is een dichter.
+
+Om nu echter nog even tot den stralenden lichttoren zelf onze aandacht
+te bepalen, nadat we wat vogels hebben nageöogd, die zich neerzetten op
+zijn transen of er in slaagden den invloed zijner glans te ontkomen en
+hem voorbij te varen in hun vlucht: Heine bedoelde ongetwijfeld iets
+dergelijks als dit laatste wat ik opmerkte omtrent Bonn, toen hij zei,
+dat ieder dichterlijk aangelegde wel 'ns een episch of andersoortig
+gedicht kon schrijven, maar dat _de_ toetssteen voor den dichter het
+_lied_ was; doch zoo men het al niet uit zijn geheele oeuvre wist, zijn
+inkleeding van die meening laat sterk voelen hoe door en door een
+lyricus ook hij was; neen, zeker, ook in Heine's genie was nagenoeg
+niets episch. En indien we nu zoowel naar _Bialik_ zien, die een poëem
+schrijft, waarin hij naar _Slousch's_ getuigenis, de Kischinewsche
+gruwelen haarfijn beschrijft, als naar Heine, die ten deele de kracht
+zijner felle satyre ontleende aan het scherp zien der realiteit, dan
+wordt het duidelijk, dat men ter verklaring waarom zich bij de Joden het
+naturalistisch-episch genie niet ontwikkeld heeft, zich niet van hetgeen
+_Slousch_ opmerkt bedienen kan. Deze zegt nml.: ... "les lettres hébreux
+aimèrent à se refugier dans la sensibilité romantique, qui écartait
+d'eux une perception trop nette de la réalité."
+
+Neen, de oorzaak moet elders gezocht worden! En mij lijkt zij geen
+andere dan dat de Joden, verdrukt en vervolgd of slechts geduld als zij
+worden en waren, niet langer _als heerschers_ tegenover het hen
+omringende leven konden staan, dat het _heerschersbewustzijn, ook in de
+besten hunner, door reeksen van vertrapte en duldende geslachten
+ondermijnd, niet leven kon_, en--de lezer herinnert zich wellicht dat ik
+in mijn opstel over _H. Roland Holst_ reeds zeer nadrukkelijk op dit
+[p.69] feit heb gewezen en er de oorzaak van heb verklaard:[9]--_dit
+heerschersbewustzijn is onontbeerlijk voor den objectieven menschschepper
+bij uitstek, die de naturalistische epicus moet zijn_, en het is, dunkt
+mij, dan ook door den meest botte niet langer een toeval te heeten--immers
+men noemt een toeval datgene waarvan men de gebeurenslogiek, de
+noodwendigheid _niet ziet_--dat juist in ons Holland niet alleen een
+van joodsche geboorte zijnde naturalistische dramaturg van enorme
+verdienste en productiviteit, _Heijermans_, is opgestaan, maar ook
+een groot naturalistisch epicus, voor de allereerste maal van joodschen
+stam en de evenknie in mensch-scheppend genie der groote epici van de
+andere natiën: _Is. Querido_.
+
+[IS. QUERIDO: DE JORDAAN.]
+
+Met Querido's jongste werk, mag men zonder vrees voor gegronde
+tegenspraak beweren, blijkt voor de allereerste maal een groot joodsch
+epicus te kunnen bestaan. Alle filosofische, lyrische en didactische
+bijmengsels, tot nu toe in zóó sterke mate in epiek van Joden aanwezig,
+dat zij hoofdbestanddeel werden en de epiek in hen verzonk, zijn hier
+weggevallen. Hier is door het Joodsche genie dan eindelijk de macht tot
+de naakte, pure en in geenerlei opzicht versierde of opgesmukte
+menschbeelding veroverd. En dit ten-slotte-bereiken na eeuwen
+worsteling, dit vermeesteren na het opstormen als een zee tegen een
+onwrikbare weer van rotsen, na het terugdeinzen dan weer èn opstormen
+opnieuw, en de ééuwen door, dag na dag en nacht na nacht, tot het
+onverwrikbare verwrikt, verpoeierd en vermolmd en een der, meestal
+onbewuste, levens-doelen bereikt is--dat is iets wat het Joodsche ras
+zeer eigen is, dit onverbrekelijke, nederige èn trotsche ras, dat ras
+van schuimende dondering en vleiïg gefluister, dat opgolft tot de
+hemelen en neerzinkt tot in den afgrond; een "halsstarrig volk"
+inderdaad, dat door alle vervolging en alle verdrukking heen--om
+_Slousch's_ woorden te gebruiken--: ne cessa d'évoluer, de se
+transformer et de s'impregner du génie de toutes les races, de toutes
+les civilisations, pour aboutir de nos jours à l'éclosion d'une
+littérature [p.70] moderne. Het kan lang duren vóór een der doelwitten
+van zijn onbewusten levenswil is bereikt; het kan middelerwijl
+tienduizenden zijner zonen door moordenaarshanden zien slachten, en
+millioenen zijner kinderen verliezen in de corrompeerende verlokkingen
+der vreemde maatschappijen; het kan neergeslagen, verjaagd, geminacht,
+bespot en bespogen worden; dat alles deert zijn kernwezen niet, ja het
+lijkt wel of het trotsche woord van zijn God voor hem-zelf was
+geschreven: "Zij kunnen mij vertragen noch verhaasten": onverzettelijk
+blijft het streven naar het vitale doel. Die stroom van menschelijke
+energie, hij holt langzaam maar onvermoeid,--zóó klaar zie ik geen
+ander beeld--den rots der weerstreving uit. Om zich sterk tot dien
+arbeid te maken en de geweldig aandonderende stuwkracht zijner golven te
+behouden, stroomt hij een langen, langen weg door vele wereldrijken. En
+hij heeft dan ook vele der schepen aangevoerd, die den volkeren het
+voedzaamst koren, de geurigste specerij en de stralendste kostbaarheden
+brachten.... Maar óók altijd door blijft het zijn bestemming, als
+tartend, door zijne kracht- en glanzingen-zelf te vragen: Wordt een
+wereldstroom verontreinigd, doordat er drek in wordt uitgestort?... Kan
+men hem afdammen en versmoren, zonder dat de dam vergruizeld wordt?...
+Kan men hem berooven van de zon-beglinstering, of hem afdekken opdat de
+regen, hem verrijkend, zich niet met hem vereene?... Kan men een volk of
+zelfs een enkeling afhouden van zijn vitale doel?... Zou men voor eeuwig
+het heerschersbewustzijn kunnen dooden in iets wat leeft, en dat toch
+òmdat het leeft, tot het bereiken van het goddelijk- en heerscher-zijn
+blijkt bestemd?...--Tot hij na de schemer-duistere seizoenen weer lente
+en zomer gemoet en de stralen der Scheppende Natuur zijn kracht en zijn
+glanzingen niet langer een tartende vraag laten zijn, maar tot een
+openfonkelend antwoord doen òpschitteren.... Dit boek van Querido is
+zulk een antwoord.
+
+In één scheppingsdrift, en meer ontbloot van alle bijoogmerken en
+bewuste tendenzen, dan sommige Zolaïstische [p.71] werken; naakter van
+romantiek en brillante combinaties in de compositie of geestige
+subtiliteitjes in de dialoog--men achte dit een fout dan wel een deugd,
+ik vermeld het hier als een natuurlijke, dat is dus logische eigenschap
+van het werk, en dus een deugd--dan de Balzac niet alleen, maar zelfs
+dan Zola, is dit boek één geweldige visie van het volksleven, in
+koortsende opwenteling en afdeinzing naar en van een onbegrepen doel, in
+de koude en de hitte, in het leed en de vreugde der aan- en weg-rollende
+dagen, zonder begin, en zonder einde, zooals er bij mijn weten nog niet
+bestond. Men voelt in dit werk een onstilbaar verlangen, een brandenden
+hartstocht, primitief-natuurlijk en vurig-dorstend als lijfelijke
+parensdrang, naar het herscheppen van de "doode" en de "levende" Natuur,
+een onverzadigbaar begeeren naar het doorvoelen en scheppen van
+menschen, aldoor meer en nooit genoeg, ménigten van menschen, de
+oogenglinsters van den een weg-duisterend achter de naar voren dringende
+lijven der anderen, een gaan en verdwijnen van aldoor nieuwe wezens,
+toch nóóit een verdwijnen, vóór, in een stralende doorlichting, het
+kernwezen zich heeft getoond. Deze roman is niet wat men een roman
+pleegt te noemen, het doet geen poging dan--helaas!--in den titel, iets
+dergelijks te schijnen[10]. Ook [p.72] wil dit werk niet geestig, niet
+vernuftig, niet humoristisch zijn; het wil alleen het essentiëele van
+een zeker levensonderdeel wezen, maar juist _omdat_ het dit alléén wil
+zijn en is, bezit het al de zooeven genoemde eigenschappen mede. _Want
+er is geen essentieel leven, dat niet geestig, vernuftig en humoristisch
+zou zijn_. Men vindt, compositorisch gesproken, geen begin of einde aan
+dit boek, schoon hier wel een zwakke daling en ginds weer een zwakke
+climax. _Aan weerszijden_ van het werk, tijdelijk en ruimtelijk, lijdt,
+zwoegt, overwint en wordt overwonnen hetzelfde leven. Hoe langer wij
+zien naar deze schepping, hoe meer wij er van worden bewust: dit is een
+brok uit het levensgeheel, waarop wij zoo dikwijls gestaard hebben met
+onze weenende en lachende, met onze moede en sterke oogen, dit is een
+land als een ander, midden de oneindige levensrijken, het leven hier is
+als het leven daar, [p.73] maar zie: _dit_ land met al zijn wezens
+straalt van één klaarheid en raadsellóósheid: _het licht eener
+verhelderende, scheppende genialiteit is erover opgegaan_, en terwijl we
+op de ermee verbonden levensrijken het leven in-duister-en-onbegrepen-zien,
+worden we hier verrukt door het begrijpen en doorvoelen, dat een groot
+kunstenaar voor zichzelf maar ook voor ons gedaan heeft. _Daarom_ is het
+zóó één met het leven, dat men nauwelijks te voelen waagt, dat het kùnst
+is, maar _daarom tevens_ straalt het zoo _verklaard_ en _verhelderd_ òp
+uit het leven, dat men aan niets anders dènken kàn, dan dat het kunst
+is, tot, ten slotte, het oog gewend en het verstand zich bezinnend, men
+in een hooger doorvoelen de beide gewaarwordingen vereent en begrijpt
+dat deze stralende top op den donkeren berg van geen ander graniet dan
+de berg-zelf is, dat dit hel-lichtende veld midden de naar den donkeren
+einder wegduisterende avondlanden geen ander land dan deze is, maar dat
+het 't stralende licht is dat _voor ons_ zoowel dien bergtop als dit
+veld iets anders doet zijn; dat het dit dóórlichtende licht is, dat dit
+boek, zoo één met het al-leven, _voor ons_ toch nog iets anders dan dat
+al-leven doet zijn, want òns nu _doorvoeld, verklaard_ leven is
+geworden.
+
+Men zal hier van mij geen detailleerend exposé van den inhoud verlangen.
+Niet alleen, dat dit bij een werk, dat in één week tijds, zijn tweeden
+druk en vijfde duizendtal bereikt en dus wel verondersteld mag worden,
+in de handen aller ontwikkelden te komen, wel een weinig overbodig
+heeten mag, maar het heeft ook nauwelijks zin bij een epos van de
+_massa_ als dit, al is het tevens--en dit is een zijner schoonste
+triomfen!--een epos van de _individuën_, die de massa samenstellen. Want
+het maatschappelijk leven der massa, die men gewoon is ter
+onderscheiding van burgerij en hoogere standen, het "volk" te noemen,
+verschilt hierin van dat dier burgerij en hoogere standen, dat het voor
+alle individuën in hoofdzaak vrijwel gelijk is. Jenever, krotten,
+ontbering en uitbuiting, ziehier het maatschappelijk beeld in ruwe
+trekken, van dat levensgeheel. En zoodra ge dit [p.74] kent, begrijpt
+ge, dat binnen de grenzen daarvan nagenoeg geen ruimte voor
+uitzonderlijke maatschappelijke stijgingen of dalingen van individuën
+is, geen ruimte ook voor "zaken," intrigues en sociale avontuurlijkheden,
+die gij het naproeven waard zoudt kunnen vinden. Met andere woorden: het
+verhaal van de levensomstandigheden eens ministers, eens bankiers kan
+zeer wel van een uiterste belangrijkheid zijn, óók al kent gij de
+levensomstandigheden van twintig andere ministers en bankiers en ook al
+_onthoudt het verhaal u alle wetenschap van de psychische reacties van
+dien minister of bankier op zijn levensomstandigheden_, maar zoodra ge
+de levensomstandigheden van één _Jordaner_ kent, kan alléén de
+benieuwdheid naar de _individueele_ psychische reacties u bewegen, ook
+van de, immers _niet-individueele_, levensomstandigheden van een twééden
+_Jordaner_ kennis te nemen. Want--ik herhaal het--de
+_levensomstandigheden-zelf_ van den tweeden lijken, als twee druppels
+water op elkaar, op die des eersten, en al zal er ongetwijfeld verschil
+bestaan, dat verschil is in ons _oog_--en op _ons_ oog komt het hier
+voornamelijk aan--even microscopisch als tusschen die twee druppelen
+water. _Dàt_ proletariërsleven ... dan een beetje méér, dan een beetje
+minder misère--wij huiveren èn van het meerdere èn van het mindere; het
+blijft voor ons hoogere-standsgevoel één pot viezig nat! En nu begrijpt
+ge meteen wel, waarom ik het ontbreken van zekere brillante combinaties
+en subtiliteiten een logische eigenschap en dus een deugd van dit werk
+noemde--immers dergelijke combinaties en vervlechtingen zouden hier niet
+meer of minder dan een soort levens-vervalsching zijn geweest!--zooals
+ge tevens begrijpt in hoe hooge mate het een proefsteen voor den
+menschschepper en psychologischen doorgronder is, daar het uitteraard
+alléén zijn blijvende belangwekkendheid ontleenen kon--gelijk we reeds
+gezien hebben--aan de weergave der _individueele psychische_ reacties
+naast die van de _psychologie_ der massa, al zal menigeen het zijn
+_begonnen_ te lezen uit nieuwsgierigheid--en nog wat!--naar dat hem
+onbekende, duister-broeiende leven....--En welk een belangrijkheid bezit
+het [p.75] door die weergave! Hoezeer kan het alle intrigue, en wat dies
+meer zij, missen!... Eén stróóm van lichtende menschelijkheid bestraalt
+ons en maakt ons tot verklaarden, en nimmer heeft het aanzien der
+_verscheidenheid_ mij zulk een _gevoels_-begrip van _eenheid_ geschonken
+als het beschouwen der machtige verscheidenheid in dit werk.
+
+Het is het _heerschersbewustzijn_ van den auteur, dat
+bestaansmogelijkheid scheppende oorzaak is--gelijk ik reeds aanduidde
+--van al het voortreffelijke in dezen arbeid en tevens zelf het
+voortreffelijkste kan worden genoemd, zóó als de aarde en het zonlicht
+het voortreffelijkste in een tuin van zelfs alleredelste bloemen zijn.
+Hoe langer ik dit werk, ook in verband met vroegeren arbeid van
+denzelfden auteur, overdenk, hoe duidelijker ik voel, dat hij
+vermoedelijk nog nooit iemand in zijn leven ontmoet heeft, of diep in
+z'n hart heeft hij zich psychisch diens meerdere geweten. Zijn
+subjectieve meerderheidsgevoel, dat hem tevens heerschersnatuur doet
+zijn, maakt zijn essentiëele grootheid uit. En het doet tot die
+grootheid weinig toe of af, of dat subjectieve gevoel al dan niet gehéél
+met een "objectieve" werkelijkheid overeenkomt.[11] Men zegge niet, dat
+het zich-meerdere-gevoelen door den auteur tegenover de "onontwikkelde"
+en "laag-staande" menschen van dit boek een zonderlinge grond is [p.76]
+voor de conclusie, dat hij zich meerdere van vrijwel iedereen zou
+gevoelen. Want: deze _verstandelijk_ onontwikkelden zijn dat _psychisch
+niet_, en _op dit laatste komt het aan_. Want wat het laagstaan dier
+menschen betreft: vraag, lezer, u zelf eens af, of gij u licht op dit
+oogenblik kunt voorstellen te leven een _psychisch_-frisschere en ook
+sterkere figuur dan _Neel Burk_; een _psychisch_-reinere, dan _Huib
+Kilometerboekje_--welk een prachtig mystisch-diep begrip van de waarde
+en de beteekenis der aangeboren, door het tijdelijk _persoons_-leven niet
+meer te deren zielseigenschappen toont hier de schrijver!--een
+_psychisch_ meer bijzondere en reinere dan de tooverkol en schijnbaar
+belachelijke Tante Antje met haar _aandoenlijke onbaatzuchtigheid_--en
+men heeft in het feit, dat de schrijver niets gedaan heeft om die
+uiterlijke belachelijkheid en abjectheid te verminderen, weer een
+prachtig bewijs van het passief blijven zijner lagere persoonlijkheid!
+--maar, vóór u zelf, lezer, deze vragen te stellen, zie toch nog eens
+duidelijk in, hoe weinig _psychische_ begaafdheid met _verstandelijke_
+ontwikkeling en begaafdheid _behoeft_ te maken te hebben. Onderscheid
+goed den _uiterlijken_ glans van den _innerlijken_ glans. En overweeg
+eens, waardoor het mogelijk wordt, dat bijvoorbeeld een analfabetische
+daglooner, iets in zijn blik, zijn gelaat, zijn stem kan hebben, dat een
+zeer voornaam, zeer geleerd, zeer wijs en zelfs zeer goed mensch plots,
+in een oogenblik van hèl-lucide erkenning, zijn minderheid kan doen
+gevoelen. Zou dat niet zijn, omdat in zulk een oogenblik voor het oog
+van de ziel, alle tijdelijke, geestelijke zoowel als stoffelijke,
+uiterlijkheid is weggevallen en _ziel_ slechts _ziel_ ziet?
+
+Indien men de aanwezigheid van het machtige heerschersbewustzijn in
+onzen auteur door ontleding van zijn werk wilde _bewijzen_, men zou dit
+reeds alleen door de analyse van de figuur _Stijn Burk_ afkunnen. Niet
+alleen, omdat het dan reeds voor ieder duidelijk zou worden, dat een
+dergelijke allerwonderlijkst gecompliceerde en in de diepte en hoogte
+zeer ver uitgegroeide persoonlijkheid niet te begrijpen is [p.77] zonder
+haar te beheerschen, maar vooral, omdat men zou inzien, dat met geen
+mogelijkheid zulk een mensch--allerteederste vader, schuchter man met
+sterk plichtsgevoel, vriend bij voorkeur van misdadigers en toch zelf
+niet bij machte ooit iets baatzuchtig-misdadigs te doen en daarmee weer
+schijnbaar contrasteerend: een dronkaard van duivelsch-kouden moordlust
+doorkild--zóó doorgrond, zóó in zijn componeerende elementen herleid en
+toch zoo intact, zoo fel-lévend kon gehouden worden als hij is, door
+observatie _van buiten af_, maar dat hiervoor onontbeerlijk was een
+_onderduiken_, beter wellicht een tijdelijk opgaan te noemen, van den
+auteursgeest in dien zijner figuur.[12] En dit nu, dit tijdelijk zich,
+zonder eigen bewustheid te verliezen, opgaan in het bewustzijn van een
+ander, is alleen den _heerscher_ ten opzichte van den
+_absoluut-beheerschte_ mogelijk, den veel grootere tegenover den
+kleinere--precies dus het tegenovergestelde van de analoge stoffelijke
+verhouding, waarbij slechts het kleinere het grootere kan
+binnengaan--nimmer echter den geringere ten opzichte van den machtiger.
+En, het zij hier terloops gezegd: ik geloof dat _de_ grond-oorzaak dier
+onmogelijkheid is de _psychische vrees voor het onbekende_, die, om zoo
+te zeggen, de acute vorm is van de chronische psychische schuchterheid
+van hen, die zich in den loop van hun leven vaak en van velen de mindere
+moeten voelen, en die het daarom bij al hun waarnemingen nooit verder
+dan tot _benaderen_ brengen, alles slechts van den _buitenkant_
+angstvallig betasten en nooit iets durven _binnentreden_.
+
+[p.78] Er is zelfs in dit werk een taalkundige eigenaardigheid aan te
+wijzen, die duidelijk belicht, dat dit "onderduiken" in het leven zijner
+figuren, bij wijle zoo sterk bij dezen schrijver was, dat hij zelfs
+eigen bewustheid tijdelijk verloor, d.w.z. zich dan niet duidelijk
+rekenschap van zijn artistieke handelingen kon geven. Ik bedoel met die
+eigenaardigheid het waarlijk overbluffend veelvuldig gebruik van het
+voorzetsel "ver" bij werkwoorden, ongetwijfeld een geniale vondst in
+zich-zelf, en als zoodanig ook vaak geniaal te pas, maar vaker grovelijk
+te onpas aangewend. Waarom dit echter, zooals ik zei, óók het opgaan van
+den auteur in het leven zijner figuren belicht, ziet men duidelijk op
+blz. 337, waar, onmiskenbaar, in de uitdrukking: "Sau f'rtrippele se 't
+op 't teneil nie...." die "ver"-spreek-wijze aan de taal der Jordaners
+zelf blijkt ontleend!
+
+Maar is Querido's machtig heerschersbewustzijn ten opzichte zijner
+scheppingen, zoowel als de onontbeerlijkheid daarvan voor het welslagen
+als episch auteur, aan _Stijn Burk_ en al de andere prachtig _geslaagde_
+figuren te demonstreeren, die onontbeerlijkheid alleen zou men ook
+vrijwel kunnen aantoonen, door de aandacht te vestigen op die ééne
+minder geslaagde in het geheele boek--ofschoon ook die zeer zeker een
+waarlijk-levend mensch is gebleven--jegens wien hem grootendeels het
+heerschersbewustzijn ontbroken heeft: _Karel Burk_, den begaafden _Don
+Juan_ van de _Jordaan_. Men merkt dit ontbreken aan het feit, dat,
+zoodra het Karel Burk geldt, _persoonlijke_ liefde, d.i. liefde jegens
+die figuur, in de plaats treedt van de onpersoonlijke
+_menschheids_liefde. Want waar dit _psychische_ heerschersbewustzijn
+is--het hoogste waarschijnlijk, dat een mensch bezitten kan, en dat men
+vooral niet moet verwarren met allerlei lagere verwante vormen, zooals
+heerschzucht, bazigheid, enz.!--daar is die _menschheids_liefde en
+omgekeerd, maar waar, daarentegen, genegenheid voor een _persoon_
+optreedt, daar wordt het heerschersbewustzijn ten opzichte dier persoon
+gebroken. _De heerscher laat den schepter vallen, wijl hij zijn
+onderdaan omhelzen wil_.
+
+[p.79] De reden, waarom dit juist bij deze figuur is gebeurd, ligt m.i.
+open en bloot. In _Karel Hurk_, den _buitengewoon-intuïtieven
+psychologischen doorgronder_; den _artistieken waaghals en bereiker_,
+die de moeielijkheden zoekt, om ze te overwinnen, in wiens, vooral om
+die halsbrekende moeilijkheden zoo zeer geliefde, en telkens
+prachtig-op-het-kantje-af, meesterlijk-gratieus uitgevoerde
+dans-bewegingen, zijn vermetele en rijk-begaafde ziel pas goed tot
+uiting komt; in _Karel Burk_, den muzikaal hevig gevoelige; de, kortom,
+_zéér artistieke heerschersfiguur_, ligt, op een veel lager plan, een
+flink brok van Querido's eigen kunstenaarsnatuur getransponeerd. En dit
+transponeeren moge bewust of onbewust geschied zijn, het feit was
+voldoende, om des schrijvers heerschersbewustzijn te verlammen, want
+Querido is een van de weinigen, wellicht de eenige, tegenover wien
+Querido--en dit spreekt m.i. van zelf--zich, in den boven aangegeven
+zin, geen heerscher voelt.
+
+Men lette er ook op, dat in dit boek--en wat ik nu zeggen ga, bied ik
+niet aan als een _bewijs_ mijner bewering, maar slechts als een
+_ondersteuning_ ervan--vol van allerprachtigste dialoog, vol van
+uitstekende beheersching en te-pas-brenging van het Jordaansche
+taaleigen ook in de meditatie der figuren (in zijn enormen rijkdom aan
+volksuitdrukkingen en de meesterlijke aanwending daarvan overtreft het
+zelfs _Wolf_ en _Deken_, en dàt wil wat zeggen!) dat in dit boek, juist
+bij _Karel Burk_ een uit-den-toon-vallen plaats vindt:
+
+ Wat was 't toch 'n fijn gezicht, zóó van het glinsterende en
+ vonkende water òver de dwarsbruggen de lucht in te _koekeloeren_,
+ tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als
+ een gloeiende, _trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel
+ in het starre blauw_.
+
+Uit het woord "koekeloeren" blijkt duidelijk, dat de bedoeling was de
+gewaarwordingen van _Burk_ in _Burksch_ dialect te geven en die dus niet
+in Queridoïaansche zegging om te zetten, maar uit het laatste door mij
+gecursiveerde zinsdeel blijkt even duidelijk, dat het Querido-brok in
+_Burk_, Querido, den schepper van _Burk_ hier de baas was!
+
+[p.80] Ik zei straks, dat, compositorisch gesproken, er begin noch einde
+aan het boek is. Voor wie meenen mocht, dat ik dit een fout in het werk
+acht, zij onmiddellijk verklaard, dat ik dit integendeel, _hier_, een
+schitterende deugd vind. Een lastig probleem en een zeer groote
+moeilijkheid werden hierdoor volkomen opgelost en overwonnen. Bedoeld
+was m.i. namelijk _niet_ in de _allereerste_ plaats een beeld te geven
+van het leven van zekere _individuën_, van een leven dus, welks
+eng-begrensde duur zijn vast en duidelijk begrip in onzen geest heeft,
+máár, in de _allereerste_ plaats, van een brok _volks_leven, d.w.z.: een
+leven, welks begin en einde ver buiten onze _onmiddellijke perceptie_
+liggen. Want is onze indruk van een _persoonlijk_ bestaan die van iets
+eindigs, onze _gevoels_indruk van het _maatschappelijk_, van het
+_massa_-leven is daarentegen die van iets _on_eindigs. Doch, een brok
+massa-leven, zóó meesterlijk, zóó boordevol vitaliteit te geven als in
+dit boek, is niet mogelijk, zonder de samenstellende deelen van dat
+leven: de individuën, alleruitstekendst te beelden, maar zoodra dit
+gebeurt--_en dit is de moeilijkheid, waarvan ik hierboven sprak_--dreigt
+de daardoor ontstaande indruk van het _begrensde_ en _eindige_, te
+verhinderen, dat zijn tegendeel: de gevoelsindruk van het
+_oneindige_--welke we immers van het _massa_-leven, _als geheel_,
+behooren te krijgen--bij ons ontstaat. Om de bovenstaande bedoeling dus
+te verwezenlijken; te zorgen dat de tegenstrijdige indrukken zóó worden
+te weeg gebracht, dat zij elkaar niet vernietigen en dus: ons het
+oneindige te laten voelen van een zeker levens_geheel_, naast de een
+_eindigheidsindruk_ verwekkende uitbeelding der _eindige deelen_, moest
+naar het hulpmiddel van een zekere wijze van componeeren worden
+gegrepen, ten eerste: het geven van een nagenoeg climaxloozen
+verhaalgang--_want stijging, daling en, in een woord, wisseling in een
+geheel, versterken den eindigheidsindruk_--en, ten tweede, het als 't
+ware doen voortloopen van het tafereel tot buiten het kader, waardoor we
+de gewaarwording krijgen, alsof de begrenzing is aangebracht, alleen ter
+tegemoetkoming aan òns niet oneindig ver dragend perceptievermogen, en
+_niet_ omdat het [p.81] gebeelde leven hierin werkelijk kon omraamd, en
+zoodat het ons is alsof ons wierd gezegd: zoo uwe oogen het toelaten,
+zie dàn verder, hoe eindeloos het leven blijft, blijft doorvloeien,
+ééuwig voort.--Door dit alles dus verkregen we een meesterstuk, welks
+felle uitbeelding van het eindige leven ons gevoel, dat wij hier ook het
+oneindige zagen, niet schaden kon.
+
+Maar ook in ander opzicht blijkt het compositorisch-geniale van onzen
+auteur: in zijn aanwending van nevens elkander gestelde contrasten. Men
+lette eens op de impressie, welke de prachtig geschreven terugblik op
+het leven van _Neel Burk_ met haar eersten man, den zachten _Gronjee_
+maakt, te midden van de beelding van haar leed-en-angst-bestaan, nu zij
+getrouwd is met den onberekenbaren _Stijn Bark_: of, en dat brengt mij
+meteen ertoe te spreken van de prachtige beschrijvingen in dit boek, men
+zie eens naar de neven-elkander-stelling van deze contrasteerende
+stad-en-land uitbeeldingen:
+
+ 't Had rauw geklonken door de buurt, al om vier uur vroeg.
+
+ --Luilèk ... biddesèk, stoat om neige ure op ... neige of
+ hèlleftien.... hep je de Luilèk nauit gesien?--Een donkere worp van
+ doode ratten en katten, weken lang al vooruit in de polders als
+ prooi beloerd, was dof néérgebonkt op ruiten en ramen van
+ beluilakte buurtgenooten, die woedend met bedreigingen losschoten,
+ zonder iets te durven doen.--Een paar dagen later hadden diezelfde
+ kinderen zich de morsige handen koel afgespoeld in de buitensche
+ slootjes en gezocht naar de rose-witte en hel-gele, stralende
+ pinksterbloemen en de zalm-roode klaproos.--Met land- en grasgeurig
+ doorzwoelde bouquetten, vol koekoek en gele lisch, met vetglanzende
+ boteren paardebloemen, waren zij komen aanzwalken bij troepjes van
+ Amstelveen, Ringdijk, Ouderkerk, Rietlanden en Watergraafsmeer. De
+ morsige handjes hadden bij duizenden rondgestrooid àl wat de gouden
+ zomer liet bloeien aan slootkanten, op wei en veld. _De kinderen
+ hadden in driftigen lente-roes, de kleurige en riet-bepluimde
+ oevertjes van Amsterdamsen buiten geplunderd, struiken en halmen
+ vertrapt en afgerukt, voor bemachtiging van ooievaarsblom en
+ waterranonkel. De handjes hadden wild gegraaid tusschen blonde
+ sterre-bloempjes fijnstraal, en plompen, soms terugschrikkend voor
+ een graspieper, ze langs 't gezicht fladderend, of weggelekt door
+ een flonkervleugels-vertrillende [p.82] libel, die dronken om het
+ vanielje-geurige zoet van witte orchideeën heen-kringde._[13]
+
+ Zoo hadden de kinderen geplukt, geplukt, en de verbrokkelde en
+ geknauwde armoe-buurten van de Jordaan, voor eenige uren òpgetooid
+ met 't geel-goud, purper en wit gebloemt van buiten.--_Uitgesleten,
+ kist-donkere en lood-rechte slingertrapjes, waren oversmakt van
+ stervende ruikertjes. Op vunzige stoepjes en in duister-verhulde
+ kelders, waar altijd de goot borrelde of stonk, was bloemsap
+ gedruppeld, rookten geuren nà van klaver en iris, waterbezie en
+ bitterzoet_.--Even maar hadden de kinderen, rondslenterend in hun
+ vacantie, in hun sjofele plunje meegedragen naar de gore stegen en
+ walmende straten, lucht van oevergras en versch hooi, _dadelijk
+ weer gedoofd door bak-stank van visch-stalletjes, die, in goedkoop
+ oliedrenksel, scholletjes en botjes in steen-glazuren kommen voor
+ de gulzige Pinkster-smakkers gereed hielden._--_Want dwars tusschen
+ het zomerig zoeken der kinderen naar de blank-blauwe lucht van het
+ wijde landschap, naar den koelenden watergeur, en 't loeren op 't
+ geheimzinnig stekeltjes- en torren-gekrioel in de
+ hemel-verspiegelende slootjes_,--_gierde het luidruchtig vertier
+ der volwassenen. In potwagens, bonte Jan Pleziers, open bakken en
+ hooge tent-karretjes, zwijmden dronken stelletjes van vier, zes,
+ acht en twaalf soms, bijeengeperst in de gloeihitte, verzweet en
+ opgewonden_.--_De keien hadden geschud van de ratelende en rollende
+ vigelant-wielen. Tot 's avonds bonkerden ze door, als de roode zon
+ al verwilderenden weerschijn op de zatte en afgestompte tronies
+ vlamde_.
+
+Vormen deze tegenstellingen niet een compositorisch schoon? En zijn de
+beschrijvingen-zelf niet van een verrukkelijke vorm-, geur- en
+atmosfeergeving? Maar toch, ware het niet geweest om daarmee mijne
+bewering betreffende de compositie te ondersteunen, ik zou verkeerd
+gedaan hebben met dit te citeeren, terwijl ik al dat andere minstens
+even mooie niet aanhalen kan: de prachtig-uitgebeelde dansen, de
+machtig-gegeven vechtpartijen, zooals die op de Aal-markt, in het
+magistrale eerste hoofdstuk, en het bijna-doodtrappen door _Stijn Burk_,
+in zijn dronkenschap en daardoor ontstanen koud-duivelschen moordlust,
+van zijn zwangere vrouw, met op het einde, als Stijn onder de macht der
+hem in bedwang houdende kerels in een algeheele ontreddering bewusteloos
+is neergezonken, dat _prachtig-bescheiden-nauwelijks-symbool [p.83] van
+Stijns eigen lijdensleven_, dat lijdensleven van hem die door zijn
+drinkhartstocht, welke hij toch zóó gaarne zou willen bedwingen, elken
+dag gekruisigd wordt:
+
+ Hij stortte als een bewustelooze ineen, met zijn gezicht op den
+ grond, de armen wijd uit, _gelijk een menschelijk kruis_.
+
+Of: heel die ruzie in de _Wijde Gang_ met die Danteske visie:
+
+ Traag, tegen de grauwe muren, _kroop de donkerende en grillige
+ middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim_, 't heele
+ Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering.
+
+Met zijn ook Danteske beeldingen van gedrochtelijke verwringingsstanden
+van de kijvende buurvrouwen uit de bovenvensters. Of: de tocht op de
+Zuiderzee; de Hartjesdag; het zwoegen van de sjouwers aan de
+Wester-Suikerraffinaderij, en vooral niet te vergeten dat juweeltje, dat
+prachtige, dof-avondlijke idylletje van de kanaries langs Gijs'
+kroeggevel. Maar jawel, zoo zou ik wel kunnen doorgaan!...
+
+Laat ons liever even de psychologie in het boek van nabij bekijken: In
+de analyse van Stijn Burk is waarlijk het onovertreffelijke gebeurd.
+Deze in zichzelf onwaarschijnlijk gecompliceerde mensch, is door de
+beelding tot een persoonlijkheid geworden, wier leven je niet alleen
+voelen en tasten _kan_, maar wier leven je voelen en tasten _moet_ en
+dat je obsedeert als een onwegduwbare, ontzettende _werkelijkheid_ van
+den allereersten rang; dat niets onberoerd in je laat; afgrijzen èn een
+wijd erbarmen, haat en liefde, alles, àlles in je òproept. Want men zie
+eens dezen woesteling, die bijna zijn zwangere vrouw doodtrapt, zijn
+kleine kindje naar bed brengen:
+
+ Reeds vroeg in den avond zat Sientje op zijn schoot, al zette hij
+ haar telkens op 't stoofstoeltje wanneer er volk inkwam. Met kleine
+ ronde slaapoogjes speelde ze, maar tuimelde telkens tegen de
+ uitgelegde koffiela van den molen, in slaap.
+
+ --Mot Siennetje soà ... pies goan?
+
+ --Nei ... nei ... drensde ze, terwijl ze weer knikkebolde.
+
+ Langzaam ontkleedde Stijn 't kind, nadat hij Koentje ook naar bed
+ had gedragen, met 'n verzoend bakkesje.--Hij was bang dat ze,
+ verveelderig, tusschen slapen en waken zou gaan drenzen. Heel
+ omzichtig moest hij te werk gaan.--Bij elk [p.84] kleedingstuk, dat
+ hij loshaakte of uittrok, verzong z'n zware stem een mal zinnetje.
+ (Ik sla hier een stukje over v.C.)--Nou ... 't jukkekie ... zong
+ Stijn, omzichtig half-slapende Sientje uit haar rokje werkend ...
+ en nou ... 't siemesetje.... Sau fraàfe de férkies ... de
+ snoetjes!... rrr!... rr!... nou ... 't hàlshempie ... toktoktok ...
+ hòat! sie!... wècht! stoute fliegie ... mô jèi bromme ... in 't
+ auretje fèn liefe Siennie!... Nou ... 't boaije rokkie ... mit 't
+ laàfie!... sss!... sss!... sòejessssse!!... sss ... sss!...
+ hoal-àufer!... nou 't witte rokkekie ... soe ... je ... soe ... je
+ hoal-àufer!... nou 't broekekie ... hoal-àufer!.... en Siennetje is
+ 'n soete schèt!...
+
+ --Fèn sau'n mèskeroade hep ikke nie terug ... lachte Neel om Stijns
+ kunstig zoethouden van Sien.--Bij Lien, Mien of Jansje griende ze
+ altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door
+ Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een
+ knorretje was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en
+ droeg hij haar de duffe achterkamer in. Muis-stil hipte Stijn in 't
+ alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet
+ meer tegen zich op voelde.
+
+Men peile ook de diepte van deze analyse van Neel's zuster, de perverse
+Dien:
+
+ Dien was niet alleen jaloersch op haar man, maar werd gepijnd van
+ afgunst op àlle voorspoedige en gelukkige dingen in 't leven van
+ anderen. Dit had ze van moeder Scheendert, hèt stuk chagrijn
+ vroeger van de buurt. Dien leek met gegiste moedermelk
+ grootgebracht. Het twistzieke, humeurig omkantelende van haar wezen
+ las ieder dadelijk van haar gezicht. En liegen, schel en roekeloos
+ liegen kon ze met strakke koon-effenheid, als de wijzerplaat van
+ een kaduuk weegtoestel. (_Welk een prachtig beeld is dit, en zoo
+ voortreffelijk passend in den toon van het beschrijvingsgeheel!
+ v.C._) Allerlei vurige en fantastische uitdenksels kon ze met zoo'n
+ hartstochtelijke, bijna boosaardige driftigheid vertellen, dat zij
+ ze zèlf gelooven ging en niet meer vermocht te leven zonder die
+ schielijke leugenarij; voor haar waàrder dan de nijpendste
+ werkelijkheid. Ze hield van 't liegen òm 't liegen. Het werd haar
+ een fel, brandend genoegen te jokken. _Ze kreeg zoo'n angstige
+ vreemdigheid over haar wezen als ze loog en later betrapt werd_.
+ (Ik oversla een klein stukje, v.C.) Ze kòn nooit iets vertellen,
+ zooals 't gebeurde. _En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als
+ 'n feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat 't dàn
+ te waar geworden was_.
+
+Zooals meermalen in het boek, doch veel minder dan in [p.85] des
+schrijvers vroegere werken, is er ook hier in het door mij overgeslagen
+gedeelte als een herhaling, een overtolligheid, maar het is en blijft
+voor mij de vraag, of die herhalingen en overtolligheden van een hooger
+plan dan het gewoon-zinsbouwkundige beschouwd, wel overtolligheden zijn.
+Men vergelijke hierover mijn artikel over de _Studies_ van dezen auteur,
+in _De Ploeg._[14] Maar bovendien: nimmer heb ik indringender analyse
+gelezen, vooral dat laatste door mij gecursiveerde....
+
+Wil men een staaltje van wat ik zou willen noemen: plastische
+psychologiek? Ziehier dan iets over het Jordaansche volk (de verklaring
+hunner saamhoorigheid, van het niet dulden van vreemde invloeden in hun
+kringen):
+
+ Ze waren van één ras, eene klasse, _door eenzelfden levensgolf
+ rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achter gekanteld op één
+ plek grond_.
+
+Of betreffende de waarzeggende "_Tante Antje_":
+
+ Ze waren waarlijk bang voor die vreemde, strak-starende, _meer
+ luisterende dan kijkende oogen_.
+
+Of wenscht men een enkel bewijs voor mijne bewering, zoowel dat de
+dialoog in dit boek zoo voortreffelijk is als dat het zulk een rijkdom
+aan kernige volksuitdrukkingen bevat? Laat mij dan even dit citeeren:
+
+ --Vijf van de tien ... vroeg kort-krachtig 'n lichtmatroos, even de
+ sabelbeenen uitgebogen.--
+
+ --As je blief Teun....
+
+ Vriendelijk hielp Neel nu en vroeg of hij weer honk had.
+
+ --Soo je siet moeder....
+
+ Zijn stem zong zwaar en vol in 't zonnige winkeltje.
+
+ Twee vrouwen loerden uit, bekeken den frisschen, kraakzindelijken
+ matroos-eerste-klas.
+
+ Sèl ik stikke.... d'r hei je Teun fèn de Hoarlemmerdaik,... seg
+ ouwe robbeklopper ... wèt bi jei grausig ... jei hep ereis auk wel
+ ereis slinger gefreite!... je laikt me wel 'n kesse-me-jeu....
+
+ De matroos keek beduusd, zocht naar naam en wijf in zijn
+ herinnering.
+
+ [p.86]--Nei,... dèt ken ik nie kroppe.... Wèt heb ik nou èn de
+ hènd!... kè je Annemie niet meir.... Annemie uyt de
+ Orènjestroat?... noù, diè kachel brent ... segge d'r seife stomme
+ te g'laàk!... kaàk saàn is kaàke!... goa ik 'r àn?
+
+ Plots schoot bezinning bij den matroos terug.
+
+ --Nou hep ik je mins!...
+
+ --Hou fèst ... spotte een uitdraagster met 'r handen op 'r heupen,
+ de armen als hengsels.
+
+ --Annemie van Arie-stront-an-'t-sweepie.... Nou hep ik je ...
+ f'rdikt ... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie
+ weg....
+
+ Met 'n gullen lach sprong hij bij en drukte zwaar haar handen.--
+
+ Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch
+ uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten
+ braniekraag.
+
+ Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk,
+ prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen
+ lach.--_Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in
+ een ziekenkamer_. Het was altemaal open leven, frisch en frank.--
+
+ --Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem
+ weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug
+ wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks
+ as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en
+ gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....
+
+ Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.
+
+ Annemie lachte mee en de andere wijven ook.--
+
+ Neel verknutterde zich in zijn warme, zangerige stem.--Nog 'n ander
+ slag man dan haar suffe Stijn.--Maar Annemie voelde haar buurt
+ bekeven.
+
+ --Alleminse ... wét bi jei grausig....
+
+ --Ja mins, as 'n roer goed is ken je teuge 'n raauw weertje ... ik
+ ben d'r lieferst op de oceaan as hier onder de walm.... Nou beste
+ siele ... ik licht me anker ... ajusies.... Annemie ... de vijf!...
+
+En heeft men ook op het fraaie door mij gecursiveerde beeld gelet? Munt
+het niet uit door een prachtige waarachtigheid?--
+
+Ongetwijfeld vormt de beelding van het moederschap van de diep-nobele
+_Neel Burk_, die de mogelijkheid van blind-worden trotseert, om haar
+kind te kunnen zoogen, en haar eindelijke, door een eigenaardige--met
+diep mystisch begrip [p.87] door den auteur doorvoelde--zekerheid in
+haar-zelf vóórzegde, triomf, een van de meest lichtende gedeelten van
+het boek, maar toch: grooter vreugde schonk mij het gemoeten van dat
+vrijwel nieuwe element in Querido's werk: het beelden van het
+kinderleven. En zoo er ooit sprake mocht zijn van een coup d'essai, die
+een coup de maître was, dan is het hier:
+
+ Siempie, die bij Mientje geslapen had, klom stiekem naar de
+ spelenden over. Maar Daantje duwde hem heftig bij zijn blond kopje
+ terug.--Zacht begonnen weer de stemmetjes òp te giebelen. Daantje
+ krabbelde Koentje in zijn hals; Pietje sprong dwars over Sientje en
+ Siempie pakte de beenen van Pietje, die in de lucht zwalkten, met
+ de, er los bij bengelende kousen vol gaten. Weer probeerde Siempie
+ in te klimmen.--
+
+ Nei!... hield hardnekkig Daantje vol ... jei, jei ... bin nie
+ trônke ... jei nie ... jei kè nie ... swaaije....
+
+ --Mò je eirst slokkies kaupe ... doar ... wees Pietje met haar
+ klein armpje langs Stijn heen, naar een hoek bij de tafel.
+
+ --Die heb nog nie aupe ... verdedigde zich Siempie, rillend van
+ kilte in zijn onderbroekje.
+
+ --Kaup se den bei maan ... slokkies?... hoefeul?... gierde Pietje,
+ doende alsof ze inschonk.
+
+ De zusjes en broertjes gilden en tierden weer als vóór Neels
+ waarschuwenden snauw, die ze even zoo plotseling had stil
+ gemaakt.--Jansie, éérst het bezonnen en bedillende kind-moedertje,
+ had langzamerhand al haar waardigheid ingeschoten, lachte en
+ stoeide nu zelf om 't hardst mee. Ze verdubbelde zelfs de rollen,
+ morrelde er een heele comedie omheen.
+
+ --Nou mot jei.... Siempie ... schobber uytjouwe ... hitste ze naar
+ Sien,... en jei ... leileke neitekles! roepe ... en den.... sèl
+ ikke.... sie je.... sèl ikke je arrestere.... bei Swèrte Jèns haur
+ ... ikke bin peliesies.... Enne ... enne ... jei bin auk peliesies
+ ... haur!... stookte ze Siempie op.
+
+Maar dan vooral dit (Pietje, het kleine dochtertje van Stijn en Neel,
+mist de jonge poesjes, die verdronken zijn):
+
+ Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.
+
+ Werendig moedertje,... suste Neel,... de poessies binne femorrege
+ gehoald, faàn!... mit sau'n hauge figelènte ... se wasse siek....
+ 0! sau siek! liefeling, en nou ... nou binne se ... in 't
+ kètte-gèsthuys....
+
+ --Enne ... enne ... vroeg blond Pietje met goddelijke
+ onschuld-oogjes er tegenin ... 'k hèp 't nie gehaurd?...
+
+ As jei sloap kè je ommers nie haure,... moedertje,... [p.88] se
+ legge àllegoar in faàne mandjes ... maor nie oks! deigelik woar ...
+ moedertje ... asse beiter binne ... mèg je se weir sien....
+
+ Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes
+ zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele
+ schouder-schokjes.--
+
+ --Enne poes ... dèn? vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich
+ omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren
+ slaap.--
+
+ Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw, die net
+ inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om
+ steun.
+
+ Niet tènte Truy?... binne de poesies femorrege nou niet afgehaold?
+
+ Achter Pietje draaiend, maakte ze naar buurvrouw een inlichtend
+ grimas....
+
+ --Nou!.... zei die, óver-geloofwaardig haar, "nou" beklemtonend,
+ zonder te weten, waarover 't eigenlijk ging.
+
+ --In 'n figelènte nie?...
+
+ --Sau mit raud fleweil!... pronkte buurvrouw erbij.
+
+ --En binne se niet naor 't kètte-gèsthuys gebracht?
+
+ --Sèlf meigereije!...
+
+ Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter 't toonbankje
+ staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goudglans van het
+ gas, dàn naar buurvrouw, dàn naar moeder op.
+
+ Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies ... waren ziek, lagen in
+ 't gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden.
+
+ --En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen
+ van de gejaagd rondsnuffelende kat hoorde, in 't gangetje, holde ze
+ op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met
+ troostend, fijn vlei-stemmetje:
+
+ --Stil poessie ... stil moar ... je kindertjes binne siek ... se
+ komme t'rug asse beiter binne....
+
+Neen, dit kan niet overtroffen worden, daar voel ik mij zoo zeker van
+als van het feit, dat wanneer geslacht na geslacht telkens en telkens
+weer dit onsterfelijke boek zal lezen, dit boek, dat zonder den
+geringsten opzettelijken tendenz van even groot sociaal als literair
+belang is, en een twijfel in zich mocht voelen opkomen aan de dan
+verdwenen werkelijkheid van die poel van ellende en verwording, waarin
+een groot deel van Amsterdams hardst-ploeterend volk aan het begin van
+de twintigste eeuw nog verzonken lag--dat dan zelfs één klein stukje als
+het zooeven door mij aangehaalde [p.89] voldoende zal zijn om elken
+twijfel te smoren: een klaar en zuiver gelaat gelijk, tot een duldenden,
+zekeren, wijzen glimlach bewogen, zal de diepe menschelijkheid van dit
+boek den twijfelaar aanzien, en deze, het hoofd buigend, zal, blijde en
+veilig in het geluk van dit visioen, zacht tot zichzelf zeggen, dat zulk
+een menschelijkheid niet anders dan wáárheid kan zijn....
+
+[ELSE JERUSALEM: HET ROODE HUIS.]
+
+Mag men ook het machtige boek van _Else Jerusalem_, Het Roode Huis, als
+een symptoom van het krachtig opgestane epische genie der Joden
+beschouwen? Wat mij betreft, aarzel ik geen oogenblik die vraag
+bevestigend te beantwoorden: het is bijna onmogelijk, dat de
+schrijfster, alles in aanmerking genomen, geen Jodin is! Ook in dit werk
+is het heerschersbewustzijn aanwezig, maar gedeeltelijk, niet zoo
+volkomen alles doorstralend als bij _Querido_. Deze bordeelroman, een
+aanklacht als nauwelijks een andere tegen onze samenleving en tevens zoo
+fel en scherp een beeld ervan, dat wij als plots met een schok van
+ontzetting doorvoelen, dat het gelaat harer misdadigheid, zooals wij,
+lichtgeloovigen, dat kenden, slechts een welgelukte grime is, die
+oneindig satanischer en meer verworden trekken moet verhullen--deze
+prachtig-zuiver geschreven, van alle pornografische effekten en lagere
+bedoelingen ver gehouden roman, kan ongetwijfeld, wat sociale
+belangrijkheid betreft, naast _De Jordaan_ worden gesteld. En ook wat
+_dramatisch_ inzicht betreft. Niet licht zal men de moeder vergeten, die
+in haar kind vrijwel niets anders ziet dan middel tot wraak op den
+vader, die haar en met haar, onwillens het kind verstooten heeft. Niet
+licht ook de duldende _Janka_--de nicht van den verleider, den "prins,"
+den schatrijken heereboer--die met de verstooten moeder en het kind is
+weggevlucht en zich met hen in een bordeel heeft laten opnemen, niet
+alleen uit liefde tot de verstootene, maar ook uit een soort van duister
+gevoel dat zóó, door zelf met de in het verderf gestorten te lijden, de
+schuld van haar verwant, den verderver en verleider, door haar gedelgd
+en van het geslacht kan worden afgewenteld. [p.90] Maar wat de
+psychologie betreft--schoon nu en dan de hoogste voortreffelijkheid
+rakend, soms ook rhetorisch-oppervlakkig en vaag--en wat de dialoog
+aangaat--vaak veel te redevoeringachtig-opzettelijk--en vóóral de
+beschrijvingskunst--heel vaak _vieux jeu_--staat het ònder Querido's
+werk. Compositorisch is het echter weer uitmuntend. Dat het
+_heerschersbewustzijn_, zooals ik reeds opmerkte, niet overal in
+voldoend-sterke mate aanwezig is, zou men kunnen demonstreeren o.a. aan
+de figuur van _Madame Goldscheider_, de gewikste waardin, tegen wie nu
+en dan, zeer ten onrechte, door de schrijfster wordt opgezien, en die
+door haar merkbaar wordt _overschat_. Doch dat alles neemt niet weg, dat
+het werk als geheel straalt van een groote epische genialiteit, een
+onverschrokken eerlijkheid, een ontembare kracht en een psychisch geluk
+om eigen vast en zeker kunnen. Het is als een geweldige kerel, die,
+opduikend uit een moerassig water, handen en gelaat beslijkt, de kleeren
+gescheurd, maar de oogen stralend van triomf, met een bijna-verdronkene
+in de armen, den oever bespringt. Mevrouw _Barentz-Schönberg_, die het
+prachtige boek op de haar eigen uitmuntende wijze vertaalde, heeft
+daarmee een goed werk gedaan, niet alleen, omdat zij daardoor den der
+duitsche taal onkundige de lezing van een sterken kunstarbeid mogelijk
+heeft gemaakt; niet alleen, omdat zij ons weer eens heeft doen gevoelen,
+dat de modderige stroom onzer maatschappij zijne groenende en reddende
+oevers der toekomst heeft, maar vóóral, omdat ons met dit
+maatschappelijk beeld van elders een waarschuwing bereikt, welke
+allerminst onder de aanstaande heerschappij onzer gebenedijde
+"Zedelijkheids"-wetten overbodig heeten mag!--En om dit alles nu kan ik
+dan ook dit boek mijnen lezers niet sterk genoeg aanbevelen.
+
+[L. SIMONS: STUDIES EN LEZINGEN.]
+
+En wat is nu naast zoo machtige werken de beteekenis van een schrijver
+als de heer _Simons_? Wat ook mijne bedoeling en rechtvaardiging met en
+van de opname zijner figuur in dit opstel over _joodsche_ schrijvers?
+
+[p.91] Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, behoeft, dunkt mij,
+niemand lang in het duister te tasten. Zijn werk heeft, im grossen
+ganzen, de beteekenis, die de arbeid van elk niet geniaal, maar
+talentvol en scherpzinnig commentator naast dat van geniale
+menschenscheppers en critici heeft: geringer doch onmisbaar wijl nuttig,
+maar toch ook dit niet alleen: óók aandoening van schoonheid gevend!
+Doch dit slechts ervan te zeggen, zou zijn het onrecht doen. Want er
+zijn drie dingen, die het tot nog iets beters en meer bijzonders maken,
+dan werk van een talentvol en scherpzinnig commentator. Die zijn: ten
+eerste: de stijl van zijn opstel over den _Gijsbreght van Aemstel_. Het
+archaïsch karakter daarvan, volgens des schrijvers eigen verklaring,
+door hem aangenomen, om zijn opstel in het kader der in 1893 door de
+_Erven Bohn_ uitgegeven foliant te doen passen, was dus geheel
+_willekeurig_, uit _wenschelijkheid_, en niet uit _innerlijke
+noodzakelijkheid_ geboren. Met andere woorden: ware het daarbij
+gebleven, dan zou dit geheele opstel geen _kunst_ maar _kunstenmakerij_
+zijn geworden. Maar het is daarbij _niet_ gebleven. Uitgegaan om een
+paar ezelinnen te zoeken, vond ook de heer Simons een, zij 't klein,
+koninkrijk. Het is n.l. duidelijk, dat, zoodra hij aan het schrijven was
+gegaan, het schrijven-in-dien-stijl, in den stijl des tijds van zijn
+groot onderwerp, wel degelijk een groeiende noodzakelijkheid, want een
+onvermoed en, eens gesmaakt, zelfs onontbeerlijk gelukgevend scheppen
+werd. _Het moet hem een zeker zoet genot van grooter eenheid met zijn
+verheven onderwerp hebben geschonken_. Hij moet ook iets als het
+_feestelijk_ gevoel gehad hebben--ik ga iets subtiels zeggen en het moet
+subtiel verstaan worden ook--_van een kind dat onder de oogen en den
+lieven glimlach van Vader, in het boek en met de pen van Vader schrijven
+mag_. Hij heeft namelijk de gewaarwording gehad, een liefhebbende,
+nederige en eerlijke _Vondel_-bewonderaar te zijn, schrijvend als onder
+de oogen en glimlach van _Vondel_, in de taal-nuance van _Vondel's_
+tijd. En daarom is het geen kunstenmakerij, maar een kunstwerkje van
+gewilde maar toch òngewilde stijlnabootsing, het product eener
+noodzakelijkheid, wier bijkomstige en overigens onbelangrijke [p.92]
+eigenschap het was parallel te loopen met eens menschen wil.
+
+Het tweede van den trits, waarvan ik sprak is dit: het werk is van een
+placide, bijna stugge, rimpellooze eerlijkheid. Het is alsof de
+schrijver, wijl hij niets te verbergen heeft, en als wilde hij je in de
+gelegenheid stellen, zijn gelaatstrekken zoo lang te doorvorschen als
+je-zelf het noodig vind, je klaar en vast aanziet en zijn blik niet
+neerslaat, vóór je de joue afwend; precies dus het tegenovergestelde van
+de glibberige, vèrvloèkte, slag-om-den-arm-houdende schrijfwijze van
+sommige andere critici. En, ten derde, is er het prachtig-bevoegde
+didactische van den geboren onschoolvossigen leeraar in.
+
+Wat nu het antwoord op mijn tweede vraag betreft: inderdaad, zelfs
+uitgezonderd zijn origine, en zelfs afgezien van het feit, dat _die
+origine voor mij het beslissende moment is_, bestaat er een zeer
+gewichtige reden hem in een opstel over _joodsche_ schrijvers op te
+nemen, want in de geheelheid zijner figuur vertoont hij juist eene
+persoonlijkheid, eene vereeniging van eigenschappen, zooals die vroeger
+zeer frequent was in en tot groot sieraad van het joodsche volk strekte:
+die van koopman of werkman, tevens kunstenaar en geleerde, wiens
+geleerdheid en kunstzinnigheid hem niet verhinderden een practisch en
+scherpzichtig koopman of deugdelijk arbeider, en wiens koopman- of
+arbeider-zijn hem niet verhinderde, een ijverig geleerde of gevoelig
+kunstenaar te zijn. Een levende herinnering dus aan een glorierijk
+verleden, herrezen in een samenleving, welke toonde deze gelukkige
+vereeniging van eigenschappen dankbaarder te waardeeren dan die van
+eertijds. En met de onbescheiden-geuite voldoening over dit alles,
+zij--om het slot niet te doen uitmunten boven het geheel!--dit
+alleronbescheidenst, mijn eigen ras verheerlijkend opstel besloten, een
+besluit, dat, althans voorloopig, tevens, tot mijn leedwezen, het einde
+mijner medewerking aan dit Maandschrift[15] moet zijn.
+
+Juni 1912.
+
+
+ * * * * *
+
+
+NOTEN:
+
+[1] 1 Febr. 1912.
+
+[2] Ter nadere opheldering van dezen thans wellicht minder
+begrijpelijken zin diene, dat bij de eerste publicatie dezer "Brieven"
+paragraaf-teekens werden gebruikt.
+
+[3] Cursiveering overal van mij.
+
+[4] "Ik mag zoo niet fratsen in mijne brieven," zeg ik met Abraham
+Blankaart, anders schrapte ik zoowel deze, zij 't ook goedmoedige,
+spotternijen, als de aan hen verwante, aan het eind dezer critiek
+voorkomende beweringen. Thans laat ik ze maar staan. Een
+criticus--iemand, die anderen steeds bedilt!--lijkt mij trouwens wel het
+allerminst gerechtigd, bij een herdruk van zijn werk vroegere _foutieve
+meeningen_ te verdonkeremanen. Maar wel moge ook hier thans de
+rectificatie volgen, die ik drie maanden na het verschijnen van dezen
+"Brief," in hetzelfde maandschrift--_De Boekzaal_--deed afdrukken. Men
+zal daaruit zien, dat ik mijne gevolgtrekkingen uit _zeer onjuiste_
+premissen had afgeleid:
+
+"Rectificatie.--Zoo heb ik dan nu tot mijn genoegen de gelegenheid een
+misslag te herstellen, waarvan het inzien mij weer eens heeft doen
+voelen, dat de criticus, hij moge pogen zoo conscientieus te zijn als
+hem mogelijk is, hierin de onfortuinlijke lotgenoot van den
+schoolmeester is, dat hem het onweersproken-blijven door degenen, die
+hij op de vingers tikt en bedilt, op den duur wat autoritair maakt en
+zijn gewaande rechtvaardigheid, door een soort van loszinnigen overmoed,
+in het tegendeel doet verkeeren! Men zal zich herinneren, dat ik, in
+mijn derden _Brief_ het door mij geprezen werk _De Vreemde Heerschers_
+besprekend, den heer en mevrouw Scharten-Antink meende te moeten
+verwijten, dat zij "fournisseurs de la cour" waren en dáárom moedwillig
+de ruwste zijden van het in hun werk uitgebeelde boerenleven zouden
+hebben verdoezeld, terwijl ik hen ook, na hun Parijsche en Italiaansche
+romans, geloofde te moeten rangschikken onder degenen, die den prikkel
+van het uitheemsche behoeven, om tot scheppen te kunnen komen. Welnu,
+kort daarna ontving ik een brief van den heer Scharten, waarin hij,
+sprekend op zóó objektieve wijze over de gebreken, die zijn eigen werk
+in zijn oog aankleven, als ik slechts zelden heb waargenomen en die hem
+tot eer verstrekt, tevens verklaarde van deze mijne beide beweringen
+gemakkelijk de onjuistheid te kunnen aantoonen. En ik betuig hier gaarne
+en openlijk, dat dit inderdaad op overtuigende wijze gebeurd is. Wat het
+vermeende verdoezelen van zekere ruwe levenszijden aangaat, werd mij
+door het helder voor oogen stellen van 't natuurlijke en ekonomische
+milieu, waarin de Italiaansche boeren _aan de meren_ leven--wel te
+onderscheiden van bijv. de Italianen uit Toscane en vooral de
+Napolitanen--benevens door de mededeeling van verschillende persoonlijke
+ervaringen van de auteurs onbetwijfelbaar aangetoond, dat _hier niets te
+verdoezelen viel_. Het leven dier boerenbevolking verschilt _inderdaad_
+hemelsbreed van dat der door Zola en Querido beschreven boeren. En
+ofschoon men kan zeggen, dat het boek zóó geschreven had moeten zijn,
+dat het niet-verdoezelen _daaruit_ bleek, het is duidelijk dat dit
+niet-blijken evenzeer aan den recensent als aan den schrijver liggen
+kan, en men hierbij het gebied der subjektieve kritiek betreedt, welke
+een heel ander iets is dan het vermeend-feitelijke waarop ik mijn
+beschuldiging grondde, en welke alleen dan ook nimmer uitgangspunt van
+zulk een beschuldiging mag zijn. Terwijl wat mijn bewering betreft, als
+zou uit een soort van artistieke onmacht, het vaderlandsche te
+doorvoelen, het uitheemsche door deze auteurs worden _opgezocht_, mij
+ter weerlegging de redenen van hun buitenslands vertoeven werden
+medegedeeld, die mij bleken _niets_ met eenig literair streven te maken
+hebben, zoodat men inderdaad in deze schrijvers een nog meer volslagen
+uitzondering dan, maar toch van dezelfde soort als Van Oordt, heeft te
+zien, die immers ook door omstandigheden, welke grootendeels van
+niet-artistieken aard waren, er toe geleid werd, zijn onderwerpen wel
+niet in een vreemd land maar vroegeren tijd te zoeken.--Ten slotte:
+indien ik met zooveel genóegen mijne vergissing hier herstel en zelfs
+den heer Scharten gaarne voor zijne opmerkingen mijn dank betuig, dan is
+dit omdat die opmerkingen geuit werden op dien toon van waardeering en
+onvertroebelde erkenning, welke een persoonlijk ongekwetst-zijn en
+daarmee tevens een persoonlijk-hoogstaan van den opmerker aan den dag
+legt." Juni, 1912.
+
+[5] 1912.
+
+[6] Alle cursiveeringen zijn van mij, indien niet het tegendeel wordt
+aangegeven.
+
+[7] Cursiveering van de schrijfster.
+
+[8] Cursiveering van de schrijfster.
+
+[9] Herdrukt in mijne _Schetsen en Critische Opstellen_, blz. 150.
+
+[10] Deze meening heb ik in _Het Jonge Leven_ van September 1912 aldus
+nader gemotiveerd:
+
+Het schijnt mij toe, dat de benaming _roman_ voor dit boek zeer ten
+onrechte is gekozen.
+
+Men kan namelijk een boek als dit, waarin een sterke concentratie
+ontbreekt; waarin levensbrokken van tallooze menschen, die weinig of
+niets met het leven der meest vooraanstaande figuren hebben uit te
+staan, zoo fel en zoo uitvoerig worden uitgebeeld, dat zij qua
+uitbeelding bijna dezelfde belangrijkheid hebben bereikt als die der
+meest vooraanstaande figuren, moeilijk een roman heeten, tenzij men het
+òf als zoodanig ondeugdelijk gecomponeerd wilde noemen, òf bereid was af
+te zien van alle compositorische eischen, die men tot heden gewend was
+aan een roman te stellen. Met zulke compositorische eischen bedoel ik:
+dat er een _kern van handeling_ en een _kern van persoonlijkheid_ zij,
+maar dat er _buiten die kern_ slechts handeling en persoonlijkheden
+aanwezig zijn, voor zoover zij de _hoofd_handeling en de
+_hoofd_persoonlijkheid moeten _belichten_, en in onverbrekelijk
+boek-organisch verband daarmee. Daarvan is hier echter geen sprake. Wij
+zouden ongetwijfeld geen der in het boek optredende figuren hebben
+willen missen, want met _elk_ zulk een figuur, ook de schijnbaar
+vluchtig-aangegevene, ook de minst belangrijke, zouden wij tevens een
+_rijk doorvoelde menschbeelding_ gemist hebben, maar allerminst kan men
+zeggen, dat ieders aanwezigheid ter belichting der _meer op den
+voorgrond tredende_ figuren _noodzakelijk_ is. Doch er is nog een andere
+eisch aan een roman te stellen, die door dit werk _niet_ vervuld wordt,
+te weten, dat er een zekere feitelijke of psychologische of dramatische
+_toestand_ in heersche, die _aanvange_, zich _ontwikkele_ en zijn
+_ontknooping_ of _eindpunt_ bereike, maar óók en vóóral, dat dit
+_eindpunt_ tevens een punt van _samenvloeiing_ is. Met dit laatste
+bedoel ik dit: een _roman_ zij in den aanvang eene _verscheidenheid_,
+welke bij het einde tot een _eenheid_ blijkt vervloeid, niet alleen in
+hooger-geestelijken maar ook in bloot-compositorischen zin. Een roman
+zij als het samenstroomen van vele beken die zich vereenen tot een
+machtige rivier, waarop al verder varende, de reiziger, genietend van de
+gezichten op haar oevers, van haar zonweertinteling en watergeur, weet,
+dat aan het eind der reize hem geen gering genot nog wacht: _het
+uitrustende verpoozen in de fraaie stad_, welke _zij_ rijk en groot
+heeft gemaakt, die inderdaad de _rivier_stad is, waarin alles van háár
+spreekt, alles van háár leeft en die daarom wel de _meest geëigende
+plek_ mag heeten, om zich nog eens herinnerend voor den geest te halen,
+al wat haar wateren en haar oevers hebben geboden op den tocht.--En nu
+is dit werk wel een machtige stroom en zelden of nooit heeft
+verscheidenheid mij zulk een gevoel van eenheid-der-dingen geschonken
+als die van dit boek, doch deze is de hierboven geschetste eenheid van
+een romangeheel niet, zij is de door geen _enkele_ grens gehinderde
+eenheid van het boek met het omringende leven, juist dus het
+_tegenovergestelde_ van de eenheid eener roman, die immers _een tot
+geheel geworden_ deel van, _gesneden uit_ het omringende leven is!
+
+[11] Het _essentiëele_, de respectieve waarden aanwijzend en belichtend
+onderscheid tusschen het niet geheel de objectieve werkelijkheid dekkend
+gevoel-van-eigenwaarde van een geniaal mensch en het eveneens niet de
+objectieve werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een maniak,
+is niet zoozeer van quantitatieven aard, niet zoozeer een kwestie van
+meer of minder.--Mij lijkt het te liggen in het feit, dat zulk een
+maniak het beeld der hem omringende werkelijkheid in zijn geest moest
+_vernietigen_, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen _redden_,
+terwijl zulk een geniale mensch het beeld dier werkelijkheid in zijn
+geest niet het geringste geweld behoeft aan te doen, om zijn gevoel van
+eigenwaarde te kunnen laten bestaan. De verhouding van het gevoel van
+eigenwaarde tot de werkelijkheid is bij den _eerste: die van iemand die
+zijn mededinger doodt, omdat hij voelt, dal deze machtiger is_, bij den
+_tweede_ echter: _die van iemand, die in het sterke bewustzijn van eigen
+kracht, niet alleen den mededinger naast zich dulden, maar zelfs
+liefhebben kan!_
+
+[12] Ik bedoel dit: (Balzac, Facino Cane,) "Chez moi, l'observation
+était déjà devenue intuïtive, elle pénétrait l'âme sans négliger le
+corps; ou plutöt elle saisissait si bien les détails extérieurs, qu'elle
+allait sur-le-champ au delà; _elle me donnait la faculté de vivre de la
+vie de l'individu sur laquelle elle s'exerçait, en me permettant de me
+substituer à lui comme le derviche des Mille et une Nuits prenait le
+corps et l'âme des personnes sur lesquelles il prononçait certaines
+paroles_." Interessant ter vergelijking met de wijze, waarop Querido
+zijn _Jordaan_-Studies maakte is het onmiddellijk aan het geciteerde
+voorafgaande stukje: "_Aussi mal vêtu que les ouvriers, indifférent au
+decorum, je ne les mettais point en garde contre moi; je pouvais me
+mêler à leurs groupes, les voir concluant leurs marchés et se querellant
+à l'heure où ils quittent le travail_."
+
+[13] Alle cursiveeringen zijn van mij. v.C.
+
+[14] Later herdrukt in mijn _Schetsen en Critische opstellen_.
+
+[15] _De Boekzaal_, waarin deze "Brieven" voor het eerst werden
+gepubliceerd.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VERTALINGEN BIJ "BRIEVEN OVER LITERATUUR'[p.93]
+
+
+Blz. 7 _Sogar_:
+
+Zelfs echter onder het kleine aantal schrijvers, die werkelijk, ernstig
+en vooraf denken, bevinden zich slechts uiterst weinige, die over de
+_dingen-zelf_ denken: de overige denken uitsluitend over _boeken_: over
+datgene wat reeds door anderen is gezegd. Zij hebben namelijk, om te
+kunnen denken, de meer nabijë en sterkere opwekking van anderer
+gedachten noodig.... De eerstgenoemden daarentegen worden door de
+_dingen-zelf_ tot denken geprikkeld.... En onder dezen zijn alleen zij
+te vinden, die beklijven en onsterfelijk worden.
+
+Blz. 17 _Vague Thoughts on art_: vage gedachten over kunst.
+
+Blz. 17 _Art is_:
+
+Kunst is de verbeeldingsvolle uitdrukking van menschelijke energie,
+welke ernaar streeft, door technische vertastbaring van gevoel en
+waarneming, het individu, doordat zij een onpersoonlijke ontroering in
+hem verwekt, in harmonie met het universeele te brengen.
+
+Blz. 17 _Impersonal emotion_: onpersoonlijke ontroering.
+
+Blz. 17 _If I stand_:
+
+Indien ik, een voorwerp beschouwend, word ontroerd door den aanblik
+zijner kleur en van zijn vorm, zij 't in nog zoo geringe mate en voor
+nog zoo korten duur en daarbij vrij blijf van eenige bepaalde,
+feitelijke gedachte--in die mate en gedurende dien tijd heeft het mij
+aan mij-zelf ontrukt en zich-zelf daarvoor in de plaats gesteld; heeft
+het mij aan het universeele verbonden, door mij het individueele in mij
+te doen vergeten....
+
+Blz. 19 _For religion_:
+
+Voor godsdienst zijn alle menschen gelijk, op dezelfde wijze als alle
+munten gelijk zijn: hun aller waarde bestaat uitsluitend daarin, dat zij
+het beeld des Konings dragen.
+
+Blz. 19 _He longed to go to school_:
+
+Hij verlangde hevig naar school te gaan (een zonderlinge wensch), de
+universiteit te bezoeken, zich een naam te maken, [p.94] en hij
+verlangde niet slechts deze dingen, maar van het meerendeel hunner
+verwachtte hij stellig, dat zij ook zouden gebeuren. Hij beschouwde
+zich-zelf als een kind van goeden stand, aan het begin van een
+voorspoedig leven. Hij beschouwde zijn tehuis en familie als een heel
+goede springplank, van waar hij zich omhoog kon zwaaien naar de
+posities, die hij wenschte te bereiken. En bijna juist toen hij op 't
+punt stond te springen, _brak de heele stellage onder hem in elkaar en
+hij en al de zijnen verdwenen in een duistere diepte_.
+
+Blz. 20 _Dickens went_:
+
+Dickens ging in de Pickwick-club om te spotten, maar bleef er ten slotte
+om te bidden.
+
+Blz. 20 _The modern Shocker_:
+
+De moderne sensatieroman is, op zijn allerbest, _een tusschenspel in 't
+leven_, maar in die dagen, dat Dickens' werk in afleveringen verscheen,
+spraken de menschen erover _alsof het werkelijke leven een tusschenspel
+tusschen een aflevering van "Pickwick" en de volgende was_.
+
+Blz. 20 ... _his Christmas sentiment_:
+
+... zijn kerstmis-sentiment. Het heeft die zich verkneuterende, warm
+beveiligde knusheid, dat zich op z'n gemak voelen, _die afhankelijk zijn
+van het bewustzijn, dat buiten hun begrenzing slechts ongemak is_. Het
+heeft sympathie met den arme, in 't bijzonder met de buitensporigheid
+van den arme, met datgene wat men zijn tijdelijke weelde noemen kan. Het
+heeft het sentiment van den haard, dat is: _het zien van het open
+haardvuur als het roode hart van de kamer_. Dat open haardvuur is het
+heilige vuur van Engeland, _nog brandend gebleven te midden eener
+slaafsche beschaving van kachels_.
+
+Blz. 21 _But considered poetically_:
+
+Maar uit een poëtisch oogpunt beschouwd is de Londensche mist niet
+onverdienstelijk. In onze groote steden hebben wij de zuivere en gezonde
+duisternis van het land voor goed onmogelijk gemaakt. _Wij hebben Nacht
+vogelvrij verklaard, haar in onbewoonde streken te zwerven gezonden, en
+ten afweer harer weerkomst eeuwig brandende wachtvuren ontstoken_. Een
+nieuw heelal hebben wij geschapen, bij gevolg ook onze eigen zon en
+sterren. En dus ook, en welverdiend, was het ons opgelegd, onze eigen
+duisternis te moeten scheppen. Precies zoo als elke lamp een warme,
+menschelijke maan is, zoo is iedere fabrieks-dampige mist een rijke,
+menschelijke avondval. Ware het niet door dit mystiek gebeuren, wij
+zouden nimmer de duisternis zien, en hij die nooit duisternis zag, zag
+nooit de zon.
+
+Blz. 21 _This life of grey studies_:
+
+Dat leven van grijze studies en halve tonen, welks afwezigheid in
+Dickens ge zoozeer betreurt, is slechts het leven zooals het [p.95]
+wordt _gezien_. Dit leven van helden en misdadigers is het leven, zooals
+het wordt _geleefd_. Het leven dat een mensch het innigst kent, is juist
+het leven, dat hij het volst van wreede zekerheden en gevechten tusschen
+goed en kwaad ziet--_zijn eigen leven._ O, zeker, het leven waarmee wij
+niets hebben te maken kan ons makkelijk een psychologische comedie
+lijken, het leven van andere menschen: menschelijk studie-materiaal;
+maar een mensch zijn eigen leven, dat is altijd een melodrama.
+
+Blz. 60 _Cette dernière allusion_:
+
+Deze laatste toespeling op een weinig aesthetischen rabbijnschen ritus
+(het dragen der gebedsriemen, v.C.) waaraan door de traditie veel
+gewicht wordt gehecht, bedoelt den nadruk te leggen op het contrast
+tusschen de schoonheid der Grieksche cultuur en het gebrek aan smaak der
+rabbijnen.
+
+Blz. 60 _Toutes ces belles choses_:
+
+Al deze schoone zaken, welke door krachtlooze mannen, verdorven, vuige
+en aan het leven vijandige wezens ontroofd zijn aan Shadai-God-Rots
+(Shadai, een hebreeuwsch woord, beteekent Almachtige, v.C.)--deze
+ondoordringbare godheid van de woestijn, die de daden van Kanaän's
+veroveraars bestuurde--en die door hen in het leder der gebedsriemen
+werden vastgesnoerd.
+
+Blz. 61 _Allusion à_:
+
+Toespeling op een talmudische passage, welke dengeen, die stilstaat om
+"een mooien boom of een schoon veld" te beschouwen, verfoeilijk acht.
+
+Blz. 61 _Fils de l'homme:_
+
+Menschenzoon.... Sta op en ga naar de stad der slachting. Treed er de
+huizen binnen, om met uw oogen te zien en te tasten met uwe handen, het
+bloed gestold, het hersenmerg hard geworden op de hagen, de boomen, en
+het cement der muren.... Daarna zult gij de ruïnen gaan zien, de bressen
+overspringen, u een weg banen door doorboorde muren en verbrijzelde
+ovens, daar waar de doorbraak het wijdst, de gaten het grootst zijn. Zij
+gelijken de gapende openingen van vervuilde wonden, waarvoor geen enkel
+middel, geen genezing meer bestaat. Uwe voeten zullen er verzinken in de
+veeren en stooten tegen de scherven van verbrijzelde voorwerpen, tegen
+de overblijfselen van boeken en perkamenten, te loor geganen rijkdom, de
+vrucht van bovenmenschelijke inspanning en arbeid.
+
+Maar houd u niet te lang bij die ruïnen op en vervolg uw weg.... En de
+geur der acacias zal u tegemoet komen, dringen in uwe neusgaten....
+
+En als ware 't om U nog dieper te bedroeven, zal hun vreemde geur, der
+lente frischheid spreiden in uw hart, en gij zult het verdragen! En de
+zon zal U raken met myriaden gouden pijlen, [p.96] die op elke
+ruitscherf de zeven blijde kleuren van uw ongeluk zullen spiegelen....
+
+Want Jehova riep de lente en de slachting tezelfder tijd. De zon
+straalde, de acacia ontlook en de beul sloeg neer....
+
+Blz. 62 _Dans ce sanglot_:
+
+In dezen oppersten wanhoopssnik van een denken, dat zich vastklemt aan
+het leven, schoon het begrip van het Einde het nimmer loslaat, komt een
+levende en sympathische gevoeligheid aan het licht, die door onze eeuw
+van tot het uiterste opgevoerd egoïsme en positivisme verdient te worden
+gekend.
+
+Blz. 61 _La chose_: Het Iets.
+
+Blz. 62 _Car une chose_:
+
+Want Iets heeft zich in ons midden geopenbaard, maar niemand weet wat
+het beduidt.
+
+Is het de Opgang of Ondergang eener zon? En zoo het een Ondergang is, is
+het er eene voor eeuwig?
+
+Want de Chaos die ons omringt is onafzienbaar. Hij is vreeselijk deze
+chaos, een toevlucht wordt niet in hem gevonden.
+
+En zoo wij al te midden der duisternissen wilden smeeken, ons overgeven
+aan het gebed, welk oor zou ons hooren?
+
+Of zelfs zoo wij uitbraken in Godslasteringen, op welk hoofd zouden zij
+neerkomen?
+
+Of indien wij tandenknarsend, in woede de vuist zouden heffen, welken
+nek zou zij treffen? De Chaos, de wind, zij zouden het alles meevoeren
+zonder een spoor achter te laten.
+
+Er is nergens een rustpunt, nergens een steun, nergens een weg. De
+hemelen zwijgen.
+
+Zij weten hoezeer misdadig zij jegens ons zijn; het helsche hunner
+misdaad kennen zij en in stilte dragen zij hun last.
+
+Open dan uw mond, o Propheet van het Einde, en zoo ge iets te zeggen
+hebt spreek!
+
+Ware uw woord zoo bitter als de dood, ware het dood-zelf, spreek, zeg
+het!
+
+Waarom zouden wij den dood vreezen, daar reeds zijn engel onzen rug
+berijdt en het gebit klemt in onzen mond?
+
+En terwijl de hymne der wedergeboorte op onze lippen zingt, in de
+hoogste extase der vreugd van te leven, snellen wij naar het graf.
+
+Blz. 63 ... _C'est la vie réelle_:
+
+... Het is het werkelijke leven, de krachtsinspanning, die de dichter
+den ontaarden zonen van het Ghetto predikt.
+
+Zelf overvloeiend van levens- en arbeidslust, oefent hij daardoor een
+des te grooter invloed op de lezers, zijn eigen lotgenooten uit.
+
+Hij is zich bewust van zijn rol als vernieuwer en herschepper. Hij is
+even mild, even gul als de natuur het voor hem-zelf is.
+
+[p.97] Blz. 63 _débordant de joie de vivre_: overvloeiend van de
+blijdschap van te leven.
+
+Blz. 63 _Mais non_:
+
+Maar neen! Zij sterft niet, de poëzie! Zij sterft nimmer. Zelfs ten dage
+dat de mensch-worm er in zal slagen zijn heerschappij over de domeinen
+van den hemel en den afgrond uit te strekken, den donder en bliksem te
+temmen, en met zijn klaarheden de duisternissen van den poolnacht te
+verjagen, sterft zij niet.... Midden de omlijstingen van zuiver goud en
+uit de halssnoeren der rijmen zal opgaan de geestdrift van de
+dichterziel, màchtig, als het trots gegrom van de zee. Verwijlend bij de
+heugenis der daden, in verleden tijden door de vaderen volbracht, en in
+de onmetelijke gelukzaligheid der komende eeuwen, sterft zij niet, zal
+zij nimmer sterven!...
+
+Blz. 65 _Lesen kann ich gar nicht_:
+
+Lezen kan ik heelemaal niet en schrijven maar weinig. Sedert een jaar is
+een oog geheel dicht, het andere zeer zwak en 2/3 van het gelaat, de
+mond daarbij inbegrepen, is verlamd. Daarbij komt, dat ik levenslustig
+ben gebleven en heelemaal geen trek heb mij kalmpjes onder de voet te
+laten loopen. Integendeel, de teenen jeuken mij en God zij het zitvlak
+genadig, dat zij eerstdaags zullen schoppen.
+
+Blz. 65 _Im Laufe des Gespraches_:
+
+In den loop van het gesprek nam ik een fransche krant op en nadat ik
+vluchtig den inhoud had doorgezien, vroeg ik Heinrich zijn meening over
+de publieke personen in Frankrijk, "Och," zei bij, "daar moet ik je 't
+zelfde op antwoorden, als wat die oude Fransche wachtmeester zei, toen
+de leverancier Lewi zijn ossen afleverde. Dit vond plaats op het
+marktplein van een klein stadje, waar de Staf, voor wie de ossen werden
+voorbijgedreven, om geteld te worden, stond opgesteld. De heer von Lewi
+had de verplichting op zich genomen 300 ossen te leveren, maar had er nu
+slechts 100 tot zijn beschikking. Hij liet daarom de ossen stuk voor
+stuk voorbijdrijven, en richtte het zoo in, dat de gekeurde ossen door
+zijn knechten vlug de eene poort uit, stadje om en door de andere poort
+weer naar binnen werden gedreven, zoodat ten slotte door den Staf een
+bewijs van ontvangst van 300 ossen werd afgegeven. Maar een oude
+wachtmeester, die erbij stond, schudde verwonderd 't hoofd en merkte op:
+het kwam hem voor, dat het voortdurend dezelfde ossen waren
+geweest.--Ja, beste broer," besloot Heinrich, "ook mij wil het
+voorkomen, dat 't nog altijd dezelfde ossen zijn."
+
+Blz. 66 _Bruder, du warst_:
+
+Broer, je was verstandiger dan ik, je koos je het kleinste der kwaden.
+
+[p.98] Blz. 68 ... _les lettres hébreux_:
+
+.... de hebreeuwsche letterkundigen hielden ervan hun toevlucht te nemen
+in de romantische gevoeligheid, die hen voor een scherpe waarneming der
+werkelijkheid vrijwaarde.
+
+Blz. 77 _Chez moi_:
+
+Bij mij was het opmerken intuïtief geworden, het drong door tot in de
+ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het
+doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook onmiddellijk hun
+keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen om zelf het leven van het
+individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven
+mij in zijn plaats te stellen, zooals de dervisch der Duizend en een
+Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn
+tooverformulier uitsprak.
+
+Blz. 77 _Aussi mal vêtu_:
+
+Even slecht gekleed als de werklieden, en mij gedragend als zij, zorgde
+ik ervoor dat zij niet voor mij op hun hoede waren; ik kon mij mengen in
+hun groepen, hen hun handeltjes zien bedisselen en met elkaar twisten,
+als ze het werk verlieten.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [1] [p.99]
+
+
+I.
+
+Mevr. Henriette Roland Holst, Studies over Socialistische Aestetica.
+--H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland.
+
+
+Voor zoo menige dichter-jeugd, gelijk voor elke menschheid in dien
+verbeelding-rijksten harer tijden, als de nog teere ziel, instinctief
+voor het harde licht bevreesd, naar schemer neigt, en al droomend, zich
+den niet-droom poogt bewust te maken, rijst het verleden als een
+geheimende nachtstad op. Beslagen van het blauwig zilver van de maan op
+spitsen en op daken, de muren opstanden van sneeuwig licht naast holle
+donkerten, staan op de leege, blind-begrensde, wijde pleinen en aan de
+eindelooze voortwindingen der holle straten, de monumenten en torens en
+paleizen. De menigten, die daar wemelden in 't zonlicht en hun roep en
+lach opschalden, juichten en werkten, vloekten en zongen, zijn ter rust
+gegaan.... De monumenten en torens en paleizen, die beklijvenden, zij
+zijn alleen gebleven....
+
+O, dichters, hoe heeft het Verleden u vaak vleiende gelokt,
+nomaden-vorsten van een volk, bezitters van een schat van droomen, die
+meendet, dat 't daar goed wonen voor uw volk was. Ge zaagt het zóó ruim,
+oneindig, zoo standvastig [p.100] beklijvend en toch zonder eenige
+weerstreving. Het docht u een land, dat om een volk vroèg. Niets
+hinderde u daar. Gij kondt u vlijen aan den voet der eeuwige monumenten
+en u wegdenken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het
+scheppingsgenot van wie die schiepen. Gij bevolktet de leege straten,
+de pleinen en paleizen met uwe droomen, deedt hen zitten op de tronen,
+gaaft hun den schepter in de teere handen; ook schonkt gij hun
+rijk-gekleede dienaren, een hof van pages, ridders en edelvrouwen.
+Gij maaktet het stijve goudbrocaat en weefdet de glanzende zijde. Gij
+schiept al het ontbrekende van uwe droomen en hèrschiept zelfs veel van
+het zijnde daarin. En alles werd één half maanlicht-blanke, half donkere
+sage, verrukkelijk zoet voor uwe oogen, die, nauwelijks uit 't onbewuste
+opengeloken, verblind zouden zijn geworden door 't volle licht. Maar,
+arme droomenvorsten, ge ondervindt 't altijd en altijd weer, de nacht
+duurt niet eeuwig, de opschrikkende schemer kort, en over het verleden
+blijft niet immer de sprokige maanglans gespreid! Als bij het groeiend
+licht de menigten der menschen en der levensfeiten ontwaken, drijven zij
+ruw uw droomen-volk uit. Dat is dan om te schreien. Al lijkt 't eerst
+een wrange clownerie, die een armen mensch even doet lachen, máár die
+hem dan ook later op zich-zelf doet vertoornen, omdat hij lachen kòn.
+Dan verraggen en verlompen de glanzende zijde en het stijve goudbrocaat,
+het goud en zilver der schepters en kronen wordt om niet geacht en de
+arme droomen sterven aan de hoeken aller straten, waarlijk van honger en
+dorst.--Het is dan op die kentering van uw leven, dat gij het heden haat
+èn vreest, gij vréést het als een scherpsnedig wapen, gij háát het als
+een ruwe en onberechtigde overheersching. Al naar uw aard verschrikt het
+u op andere wijs, want vele zijn zijne boden der verschrikking: vreest
+gij den een niet, zoo snelt ge toch vluchtend voor den ander uit. Och,
+droomers, eens zult ge leeren, dat ge niets van het heden kunt
+ontvluchten. Nù weet ge dit nog niet, en dan: uw oogen zijn juist sterk
+genoeg geworden, om zich te koesteren aan der toekomst bleeken
+ochtendgloor.
+
+[p.101] Zoo wendt ge u tot haar. O, het schoon gelaat dier wereld, van
+wie nauw de nacht is afgegleden en die in den vroegen ochtend openglanst
+... de velden dragen glinsterinkjes van dauw, de bloemen ademen naar hun
+geurige wijze, er is nog een lichte dampigheid, die haar trillende
+sluierflarden bij plekken over het zonvergulde waast, waar hoog in de
+verte de morgenstad op glooiende heuvels wacht.... Maar zaagt gij haar
+wel zoo?... Wellicht verscheen zij u wel als jonge vrouw, een half
+verloken belofte op het neerziend gelaat ... wellicht als Roem, Rijkdom
+... wie dan gij-zelf zou het kunnen zeggen, hòe zij ù verscheen.... Want
+zonder tal zijn de gestalten, waarin zij zich verhult. De goden hebben
+haar de gaaf der gedaanteverwisseling verleend. Een andere Mestra,
+verschijnt zij vaak als tot dienst gewillige slavin, verkoopt zich
+telkens opnieuw en ontsnapt weer telkenmale.... Onnoozele, die het niet
+wist: met de vrucht van ùw werk, door haar verworven, zònder u te
+dienen, voedt zij haar onverzadelijken vader, den wreeden heerscher,
+dien gij wildet ontvluchten.... Later begrijpt ge, dat dit alles zoo
+moest zijn: hoe weinigen zouden werken voor het heden, zoo ze 't niet,
+in hun gedacht, voor het bezit der toekomst deden!... Dàn, als ge dit
+begrijpt, glimlacht ge om 't schoon bedrog; ge zijt nu ook ouder
+geworden, ge leert u schikken in wat onvermijdelijk is en uw oogen zien
+moedig en sterk in het volle daglicht. Gij vreest niet meer de
+kletterende rumoeren, de plompe voeten, den aanblik der zwoegende en
+strijdende gestalten van het heden. Gij voelt dat alles niet meer als
+een vreemde en wreede overheersching, maar bloed van uw bloed nu. Niet
+van het hooge en ijle in u gemaakt, gelijk uw droomen waren, maar aan
+het hart-diepe en innige in u verwant. Ge leert, o verrukking, van het
+"leelijke" de schoonheid zien. Maar ge leert meer: hoe het verleden,
+maar ook de toekomst en het heden slechts verschijnselen-van-de-oppervlakte
+zijn: drie meren, elkaars inhoud onophoudelijk wisselend door en in een
+diep verborgen bron. De vergankelijkheid, die ge meendet te zien, is
+slechts eene van verhouding en vertoeven-in-zekere-sfeer, niet van
+wezen. Nu [p.102] erkent gij eerst goed de dwaling uwer voorkeuren, gij
+voelt u nu rijk en gelukkig met het heden, en zijt gij al een
+waterdruppel in dàt meer, in dieper werkelijkheid weet ge u ook een in
+de andere twee èn de diepverborgen bron. Maar nauwelijks hebt gij u
+verheugd om uw ontdekking of het valt uwer vrijgekomen aandacht op, dat
+ook deze "groote gewoonte der natuur": de schijnbare vergankelijkheid
+der dingen, door een andere gewoonte wordt verstoord. Iets, merkt ge, is
+er, dat zelfs niet onderworpen schijnt te zijn aan die tijdelijkheid van
+vertoeven en verhouding, waarin gij-zelf bestaat: de groote kunstwerken,
+die altijd blijven in het heden; zij stroomen niet weg naar verledens
+meer, zij schijnen de eigenschap der _hedenmatigheid_--mogen wij zóó
+haar even noemen?--onvervreemdbaar te bezitten en immer te kunnen passen
+en leven in de wisselende verhoudingen van het _heden_; de eigenschap
+dus, die men, los van de sfeer der hier opgeroepen denk-beelden, die der
+eeuwige jeugd zou kunnen noemen. En zijt ge een kunstenaar, nù levend in
+het heden, dan wordt dit wellicht een van uw sterkste begeerten: te
+vinden, wàt dit _uitzonderlijk_ eeuwigzijn in hen veroorzaakt, wat het
+_essentieele_ in hen is.
+
+Voorzeker, ik moet den nadruk leggen op: "nù levend in het heden": niet
+immer was de aanleiding tot het bestaan van zulk begeeren zoo groot als
+thans, een feit reeds gemakkelijk te verklaren uit de omstandigheid, dat
+juist in onzen tijd het aesthetisch-critisch denken zich in de richting
+der hel bewust makende analyse beweegt, en wat zou het analytisch denken
+wel belangrijker kunnen lijken dan de vraag, wat de kern van haar
+onderwerp uitmaakt? Maar deze verklaring laat de meest
+actueel-belangrijke aanleiding toch in het duister. En willen sommigen,
+niet immer zonder goed recht, beweren, dat het door haar genoemde feit
+op machteloosheid tot scheppen en zekere decadentie wijst, de andere
+verklaring daarentegen zou niet kunnen gegeven worden, ontkiemde er niet
+allerwegen een nieuw en sterk leven; zij immers noemt als oorzaak: het
+opkomen eener [p.103] marxistisch-socialistische aesthetiek, die het
+probleem wàt het eeuwige en essentieele in kunst zij, tot een der
+heftigst omstreden en dan ook strategisch niet onbelangrijke punten
+maakte. Tot in onzen tijd scheen dan ook vrijwel de vraag in de
+rustigste rust te slapen en iedereen het erover eens te zijn, waarin het
+bestond. Men achtte het te zijn het "algemeen-menschelijke" van de
+figuren, in die altijd jong blijvende werken gebeeld. Dat
+"algemeen-menschelijke," zoo meende men, bleef immers ook voor de verst
+verwijderde geslachten meevoelbaar, zoodat daardoor die werken nooit
+kònden den indruk wekken van verouderd en leeg van schoonheid en zin te
+zijn. Nu kan men ongetwijfeld wel in den arbeid van alle groote
+kunstbeschouwers, de duidelijke blijken vinden, dat zij iets anders dan
+dat "algemeen-menschelijke" als het eeuwige en essentieele van kunst
+zagen, maar 't geen ook duidelijk blijkt is: dat dit zien een vermogen
+van het Onbewuste in hen bleef: een intuïtief aanvaarden van een
+gevoelde maar niet _door_voelde en evenmin _begrepen_ waarheid, een
+aandrift en een roepstem die zij volgden, handelend uit onbewuste en
+aangeboren zekerheid, gelijk duiven die onder den wijden, wegloozen
+hemel de richting vinden naar het veilig nest. Ware het anders, waren
+zij bij machte geweest uit te zeggen _waarom_ dat andere als het
+vereeuwigend bestanddeel van kunst moest worden aanvaard, dan, dunkt
+mij, zou toch wel ten minste een hunner dat gedaan hebben, toen het
+historisch-materialisme, het marxistisch systeem van onderzoek en
+verklaring der herkomst van de sociale, geestelijke zoowel als
+stoffelijke, verschijnselen, ook in ons land, belichaamd in Mevr.
+Holst's _Studies over Socialistische Aesthetica_ en Gorter's _Kritiek op
+de Literaire Beweging van '80 in Holland_, zijn invloed begon uit te
+strekken tot de literaire aesthetiek en critiek. Immers Gorter vooral
+concentreerde een niet gering deel zijner aanvalsmacht juist tegen die
+algemeene-en-eeuwige-menschelijkheidstheorie. Hetgeen mij dan ook, zeer
+zeker van zijn standpunt, het meest logische lijkt. Het
+historisch-materialisme, dat de stelling tot basis heeft: "het
+bewustzijn der menschen is het niet dat hun zijn, maar, omgekeerd,
+[p.104] hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt," anders
+gezeid: "de materieele maatschappelijke veranderingen zijn de hefboom
+der geestelijke bewegingen," aanvaardt wel het bestaan van een physisch-
+en psychisch-functioneel zich altijd gelijk blijvende algemeene
+menschelijkheid--waarvan echter, zooals Gorter, ook m.i. terecht, zegt,
+_geen kunst te maken is_--maar het bestaan eener algemeene
+menschelijkheid, die eeuwig zou zijn en zich gelijk blijven in haar
+drijfveeren en hartstochten, kortom in alles, dat haar een waardevol
+onderwerp voor kunst doet zijn, kan het niet aanvaarden. Krachtens zijn
+grondstelling-zelf ziet het met en door de wisseling der
+productieverhoudingen ook den geheelen inhoud der menschelijke psyche
+zich wijzigen; elke tijd heeft dus zijn door de productieverhoudingen
+_gespecialiseerde_ menschelijkheid, waarvan _de kunst van dien tijd
+gemaakt wordt_, en van het bestaan eener algemeene en eeuwig levende
+menschelijkheid, die daartoe dienen kan, is dus geen sprake. Het eeuwige
+en essentieele der beklijvende werken van kunst is dan ook volgens
+Gorter, de eeuwig meevoelbaar blijvende _gespecialiseerde
+menschelijkheid_.--Ik mag den lezer niet in den waan laten, dat ik niet
+zie, hoe hij hier verbaasd-vragend zijn wenkbrauwen hóóg optrekt en met
+een haastig-gegrepen potlood een groot vraagteeken bij deze
+Gorteriaansche bewering plaatst, die inderdaad al op het eerste gezicht
+zwakheid verraadt. Maar hij vergunne mij te doen _alsof_ ik niets zie!
+Ik laat hem nu slechts de troepen-opstelling op het slagveld zien. De
+strategisch-zwakke punten mogen in den strijd aan het licht treden; dat
+is het zekerste, het vernuft van den toeschouwer kàn hier bedriegelijk
+werken. Mag ik hem dus ook de door mij ingenomen positie vertoonen?
+Ziehier: _Niet_ de "algemeene en eeuwige menschelijkheid," nog minder de
+"door de productieverhoudingen gespecialiseerde" is het eeuwige en
+essentieele in een kunstwerk, maar de ten eeuwigen dage zichtbaar en
+meevoelbaar blijvende _schoone beweging van het Scheppend Vermogen, dat
+dat werk voortbracht_.--Niet dus zijn de gedachten, de beelden, de
+hartstochten, de drijfveeren der in zulk een werk voorgestelde [p.105]
+wezens eeuwig, zij verouderen, hun stem dringt niet fel meer in onze
+ooren, wij beminnen niet als zij hebben bemind, wij haten niet als zij
+hebben gehaat; hoe ver staan zij van ons, van de stemmen en gezichten,
+van de begeerten en afkeeren van onzen tijd.... Maar wat fel midden-uit
+dat verouderende tot ons klinkt, wat wij als een ondoofbaar en eeuwig
+schoon zien stralen, dat is altijd nog het verrukkelijk bewegen der
+scheppende ziel, de _schoone daden_ der _kunst_-scheppende _Natuur_, die
+in alle tijden dezelfde is, in alle tijden voor menschen doorvoelbaar,
+in alle tijden aanbiddelijk.... Geen kunstenaar is of was er, wien de
+vergankelijke tijd niet doorstroomde--ja, hoe grooter hij is, des te
+opener staat hij voor dien tijd!--van diens vergankelijke beelden en
+neigingen maakt hij kunst, máár: het complex dier beelden en neigingen
+is dan ook in waarheid het lichaam niet, waarin zijn Scheppend Vermogen
+blijft leven. Hoe zou dat kunnen, daar het _vergankelijk_ is?
+
+Neen, het ònvergankelijk lichaam, waarin dàt zich blijft openbaren is:
+de _taal_: dáárin schittert voor immer de waarachtige logiek zijner
+beweging, de uit zich-zelf blijkende _noodzakelijkheid_ daarvan, in één
+woord: geheel de ontroerende schoonheid van het scheppend _gebaar_, van
+de scheppende _daad_. Diè voelen alle nageslachten mee, diè is het welke
+zij liefhebben, àlle. In dat ijl-doorzichtige, toch pantserharde, toch
+niet te deren lichaam, blìjft zij, voor onze oogen zichtbaar, levend,
+als 't spelend vuur in diamant bewaard, zoo spelend en zoo glippend, zoo
+vrij en toch gevangen.... Wat ik dus beweer _is: dat niets anders dan de
+in een kunstwerk bereikte tweeéénheid van Scheppend Vermogen en taal,
+dat kunstwerk zijn "eeuwige jeugd" verleent_. En wat nu de werking dier
+tweeëenheid op het complex der verleden beelden en neigingen in
+betrekking tot de aanschouwers betreft: als dezen háár wonderen glans
+zien en den klank harer taalstem hooren, gelóóven zij, gelóóven zij, en
+volmaakt, in de _herleving van dat doode_, èn--hebben gelijk! Want: op
+het ontroerend gebieden, op het onweerstaanbaar lokken van diè stem,
+hebben zij het _iets van hùn_ [p.106] _eigen menschelijkheid, onbewust,
+geleend_, _hebben zij 't met hùn menschelijkheid weer bezield_.
+
+Vastgesteld nu zijnde, dat deze de drie meeningen zijn, wier waarde of
+onwaarde in dit opstel aan het licht moet treden, gelieve de lezer wel
+te billijken, dat waar de bestrijding der eerste meening m.i. reeds
+afdoende door Gorter is geschied, ik die niet zelf voere maar de zijne
+citeere. Want overigens, al lijkt mij die meening wel onjuist, zij
+schijnt mij niet verderfelijk voor de literaire critiek als die der
+marxistische aesthetici. Bij deze is het dus voornamelijk, dat ik mijn
+aandacht wensch te bepalen. En waar het nu ook in de dingen van den
+geest waar is, dat men aan de vrucht den boom kan kennen en het ons al
+minstens evenzeer om de vrucht--de literaire critiek--als om den boom,
+waaraan zij groeit--de aesthetiek--te doen is, zij het mij vergund ook
+in de critische gedachten mijner tegenstanders de principieele
+denkfouten op te sporen en daarna hunne betrekking tot, of oorsprong uit
+de aesthetische overtuiging. Uitteraard is hier een eigenmachtig
+resumeeren door den bestrijder van den bestreden tekst van nul en geener
+waarde. Zoo ergens, dan schijnt hier wel _letterlijk_ citeeren plicht.
+En hieraan kan ik dus nu beginnen. Aldus dan Mevr. Holst:[2]
+
+ Voor den eersten[3] zijn alle menschen gelijk en is van alle
+ menschen het levensverloop even aesthetisch belangrijk, even waard
+ afgebeeld te worden in kunst. Er is voor hem niet meer grond, door
+ den eenen mensch meer getroffen te worden dan door den anderen, als
+ er grond is wezenlijk onderscheid te maken tusschen mensch en ding.
+ Vandaar, vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme,
+ de neiging tot het afbeelden van volslagen onbelangrijke, vaak in
+ de nietigste kleinigheden uitgeplozen levenssneden van volslagen
+ onbeduidende menschen--zij het geheel objectief of in een tint van
+ medegevoel of ironie.
+
+[p.107] Mògen wij wel aannemen, dat deze aesthetische overtuiging van
+den burgerlijken kunstenaar de oorzaak is van _de neiging tot_ het
+afbeelden van "volslagen onbelangrijke ... levenssneden"? Wijst dat
+tusschenzinnetje: "vooral bij den hedendaagschen nabloei van het
+naturalisme" niet op de m.i. ware oorzaak? Immers, kunstenaarsaanleg is
+zeer verscheiden: de een heeft de macht en den drang tot het scheppen
+van heroïsche wezens en omvangrijke, grootsche tooneelen, de ander
+slechts tot het uitpluizen van kleine levens-afsneden van volslagen
+onbelangrijke menschen. Der eersten aanleg is meestal machtig en groot,
+die der laatsten meestal zwak en klein. De oorzaak van het opkomen van
+het groote meerendeel der laatsten is dan ook: het gewekt zijn van hun
+kleine aanleg door voorafgaande grooten. Waren _die_ er niet geweest,
+misschien hadden _zij_ dan nooit geschreven; vandaar, dat hun werk bijna
+altijd bij een _nabloei_ hoort, nu van het naturalisme en in andere
+tijden van een ander isme. Altijd zijn die nabloeiers min of meer
+klein--zij behoeven niet geheel ontbloot van groote eigenschappen te
+zijn--hun werk is altijd min of meer het werk van uitpluizers,
+vergeleken bij de geweldige rotsklompenuithouwingen der voorafgaande
+grooten. De kleine uitpluizers van onzen tijd hebben dan ook niet als 't
+ware moed geschept, om hun werk te maken, uit, zijn daartoe niet gekomen
+door de door Mevr. Holst aangewezen aesthetische overtuiging van het
+burgerlijk kunstenaarschap, maar het is omgekeerd: omdat de burgerlijke
+kunstenaars inzagen, dat die kleine kunst toch ook _kunst_ is, kregen
+zij of werden zij versterkt in die aesthetische overtuiging. Zien wij
+verder:
+
+ Hoe meer de kunstenaar er in slaagt door zijn voorstelling het
+ gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te
+ wekken--dat is een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort te
+ brengen--des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker is in
+ haar soort zijn kunst.[4]
+
+De schrijfster vergeve mij: even zoovele woorden, even zoovele
+onjuistheden acht ik hier aanwezig. Een eigenschap [p.108] van kunst,
+ook van "kleine" kunst, is, dat zij ons door haar afbeelding van het
+"ònbeduidende," het beduidensvòlle laat zien. Hoè doet zij dat? Zij
+ont-dekt niet, zij doorlicht. Zij rukt het mom der onbeduidendheid niet
+weg, maar zij maakt het doorzichtig. Zoodat wij het zelfde ziende, wat
+wij in het dagelijksche leven om ons heen zien, toch niet het zelfde
+zien en inderdaad, en zonder begoocheling, iets oneindig schooners en
+veel meer beteekenends aanschouwen. Hoe meer de kunstenaar _daarin_
+slaagt, zeg ik tegenover Mevr. Holst, des te voortreffelijker is zijn
+kunst. Maar indien hij daarin niet gehéél slaagt--hetgeen vrijwel zeker
+is--indien hij het hóógtepunt van voortreffelijkheid niet bereikt, dan
+nog--tweede onjuistheid:--kan zijn voorstelling toch geen "gevoel van
+wrevelige neerslachtigheid" voortbrengen. Want immers nog altijd
+uitgaande van de premisse, dat die voorstelling _kunst_ en dus voor haar
+verreweg grootste deel _wel_ geslaagd is, zal het gevoel van
+neerslachtigheid, dat het niet geslaagde, het òndoorlichte bij ons zal
+opwekken, onmiddellijk overheerscht en verdrongen worden door het geluk,
+dat 't wèl-doorlichte, 't geluk dat diep gevoelen en begrijpen geeft. En
+wij kunnen des te zekerder zijn, dat het laatste het eerste zal
+overheerschen en verdringen, omdat het naast zijn kracht van het
+schoonere en meer juiste te zijn, nog beschikt over die van het
+verrassend-nieuwe. En niets is onweerstaanbaarder dan dat.
+
+ De socialistische kunstenaar kent deze neiging niet, zij is
+ onvereenigbaar met zijn aesthetische beginsel; niet alles van het
+ menschenleven wil hij beelden, maar die momenten in het leven van
+ die menschen, waarin een bepaalde schoonheid van wil en gezindheid
+ het helderst straalt.[5]
+
+Helaas, socialistisch of niet, geen ènkel kunstenaar kan àlles van het
+leven beelden; óók de grootste is geen universeel-aanvoelend wezen, en
+is hij verstandig genoeg, om deze eenvoudige waarheid te vatten, dan wil
+hij 't dus ook niet, maar zal zich bepalen tot wat het in hem werkend
+scheppend [p.109] vermogen wèl doorvoelen en beelden kan. Nu kan het
+ongetwijfeld wel te eeniger tijd geschieden--gelijk het óók gebeuren
+kan, dat een burgerlijk kunstenaar zich bijv. uitsluitend tot het
+beelden van zeer edele figuren aangetrokken voelt--dat een socialistisch
+kunstenaar opstaat, die zóó is geaard, dat hij niet anders beelden wil
+(kan) dan "die momenten in het leven van die menschen, waarin een
+bepaalde schoonheid ... het helderst straalt." Dat zal dan echter niet
+op eenige, door zijn socialisme gesterkte, breedheid en heroïsme van
+zijn aanleg wijzen, gelijk Mevr. Holst meent, maar integendeel op de
+_enge beperktheid_ daarvan. En, gelukkig, is die kunstenaar er dan ook
+nìet. Tot heden is hij een niet verwerkelijkt droombeeld van Mevr.
+Holst! De beide groote socialistische menschenscheppers--van dezulken
+moeten wij immers hier toch vooral spreken--van ons land: Querido en
+Heijermans, lijken evenveel op zulk een kunstenaar, als her en der hun
+prooi bemachtigende, stoutmoedige trekvogels, op 'n schuchter en
+zwakpootig ooilammetje, dat aldoor op 't zelfde plaatsje blatend grasjes
+mummelt! Integendeel: het breede en heroïeke is juist in hen, dat zij
+zulk een rijke verscheidenheid van menschelijke gevoelens in hun werk
+tot leven brengen, en hun _beste_ werk bestaat zelfs _uitsluitend_[6]
+uit beeldingen van menschen, in wie niets van "die bepaalde schoonheid
+van wil en gezindheid" straalt, maar die zich zelfs vijandig tot die
+gezindheid en wil verhouden![7] Nemen wij nu nog een laatste citaat:
+
+ De opvatting "de schoonheid der voorstelling onafhankelijk van den
+ zedelijken grondslag," in waarheid een grove miskenning van het
+ wezen der kunst, van haar zielvolle waardigheid--is hun (der
+ burgerlijke kunstenaars, v.C.) aesthetisch beginsel en zij kunnen
+ geen anderen lof begeeren of verwachten dan die hierin past. De
+ hoogste bewondering hun gebracht, kan niet [p.110] anders dan de
+ zuiverheid en schoonheid van de uitbeelding van het gevoel
+ betreffen. Instemming met den wortel der voorstellingswijze, met
+ het levensbegrip, ligt buiten de sfeer van het burgerlijk
+ aesthetisch bewustzijn; onverschilligheid voor, afkeer van het
+ levensbegrip van een kunstenaar kan in deze sfeer op de
+ aesthetische waardeering van geen invloed, en moet den kunstenaar
+ zelven onverschillig zijn. De lof hem gebracht voor de uitbeelding
+ der aandoening moet hem ten volle bevredigen. Vanaf een ander plan,
+ d.w.z. dat der weer gewonnen eenheid, de
+ proletarisch-socialistische aesthetica, lijkt dit of een moeder
+ ermee tevreden zou wezen, dat men in haar kind roemde zijn open
+ voorhoofd, zijn lachenden mond, den stralenden blik van zijn klare
+ oogen, en er bijvoegde dat die trekken de spiegel waren van een
+ terugstootende ziel.[8]
+
+Ik heb hierboven gezegd, dat kunst óók de doorlichter van het mom der
+dingen is. Ik zou hieraan nu verduidelijkend willen toevoegen, dat kunst
+het _zichtbaar worden der noodwendigheid in 't voorgesteld gebeuren_ ten
+gevolge heeft, en dat het blijken dier noodwendigheid de schóónheid van
+'t _voorgesteld gebeuren_ uitmaakt. Meenden wij van een zeker gebeuren,
+zoolang kunst dat niet had doorlicht, dat 't op een zedelijken grondslag
+rustte of die miste--zoodra kunst dat wel heeft doorlicht blijkt het te
+rusten op den grondslag der noodwendigheid, blijkt het dus te bestaan in
+een sfeer, die buiten-menschelijk-zedelijk is en dus geen
+menschelijk-zedelijken grondslag daar te kunnen hebben. Te zeggen dus,
+dat de schoonheid der voorstelling wèl afhankelijk is, in welken tijd
+ook, van den zedelijken grondslag, dàt is in waarheid een grove
+miskenning van het wezen der kunst, en dit niet alleen, maar het is ook
+het onmogelijke en ongerijmde beweren.[9] Doch hierbij blijft het niet.
+Mevr. Holst accentueert haar meening sterker, zij zegt: wie afkeer van
+de uitgebeelde aandoeningen heeft en desalniettemin de uitbeelding
+bewondert, [p.111] verkeert in de positie van iemand, die in de
+physionomie van een kind klaarblijkelijk alles aanwezig acht, wat tot de
+kenmerken eener schoone ziel behoort en er dan bijvoegt, dat die
+physionomie de spiegel eener terugstootende ziel is. Maar iemand, die
+dit zou beweren, zou immers toch niet alleen van het standpunt der
+socialistische aesthetiek, maar van af alle mogelijke standpunten ter
+wereld een zich-zelf-weersprekende ongerijmdheid zeggen! En welnu, ik
+ben verplicht te constateeren, dat onze schrijfster-zelf zich in een
+onbewaakt oogenblik in de positie van zulk een heeft bevonden. Immers
+zij zei: "Hoe meer de kunstenaar erin slaagt door zijn voorstelling het
+gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken
+... des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker in haar soort is
+zijn kunst." Zulk werk is dus _kùnst_, is dus _voortreffelijk_, ook in
+háár oogen. Maar tegelijkertijd heeft zij een afkeer van het
+levensbegrip van den kunstenaar, die het schiep en van de onbeduidende
+of lage aandoeningen en neigingen die erin gebeeld zijn. En daar zij
+deze alle gelooft het zelfde in een kunstwerk te zijn als de ziel is in
+een kind, gelijkt zij-zelf dengenen die de trekken van een kind edel
+vinden en desalniettemin zeggen, dat zij een terugstootende ziel
+weerspiegelen! Ware zij toen tot bezinning gekomen! Hadde zij zich
+afgevraagd: hoe kan ik deze ongerijmdheid zeggen? Zou dan toch waarlijk
+dat kind wèl een edele ziel hebben? _Zou wellicht datgene, wat ìk voor
+de ziel van een kunstwerk houd, toch nìet de ziel zijn,_ Zouden wellicht
+niet het levensbegrip, niet de afgebeelde gevoelens, niet de "zedelijke
+grondslag" de ziel zijn, maar iets anders? Waarom zij niet tot
+zelfbezinning kwam, zullen wij nu nog niet onderzoeken. Blijve dit tot
+straks bewaard. Wenden wij ons nu allereerst tot Herman Gorter. En dan
+zullen we tot ons niet gering genoegen allengskens merken, dat ook hij
+den bestrijdingsarbeid heeft verlicht, door onbewust zich-zelf te
+bestrijden! Tot ons genoegen, zeg ik: niet alleen omdat hij zelf
+daardoor zoo sterk bevestigd heeft wat wij voor waarheid houden, maar
+wijl juist door die onbewuste zelfbestrijding deze prachtige [p.112]
+dichters- en denkersfiguur opnieuw zoo gróót blijkt. Want niet hij is 't
+grootst, die in dogmatische dwalingen bevangen, door zijn
+niet-verstelselde intuïtie zoo weinig wordt beschermd, dat hij van zijn
+ònlogisch uitgangspunt af den redeneeringsdraad zonder hem te breken of
+verwarren verder spinnen kan, maar hij is groot, die in zulk een
+voortdurend verband met die intuïtie leeft, dat zij hem, in weerwil van
+zijn lager verdogmatiseerd bewustzijn, telkens bij schokken den weg ter
+waarheid opdringt en hem, onbewust, de waarheid spreken laat. Citeeren
+wij nu allereerst die gedeelten uit Gorter's betoog, welke zijn
+bestrijding van Kloos behelzen. Dit zal, naar ik vertrouw, het tweeledig
+nut hebben, van aan te toonen, 1°. dat de
+algemeene-en-eeuwige-menschelijkheids-theorie niet wel houdbaar is; 2°.
+dat hoewel Kloos en de schrijver van dit opstel beiden de
+proletarisch-socialistische aesthetica bestrijden, de wijze waarop deze
+bestrijding zich voltrekt geheel verschillend is. Kloos dan, in het
+algemeen menschelijke het vereeuwigend bestanddeel ziende, heeft deze
+meening aldus geformuleerd en verdedigd:
+
+ De Grieksche Literatuur ... was zeer zeker literatuur van een
+ bepaald volk, zooals iedere mogelijke literatuur dat steeds is.
+ Maar dit is even zeker, dat in geen enkele andere literatuur, _het
+ algemeen-menschelijke, dat van alle eeuwen is_, zóó voor den dag
+ komt, als juist in de Grieksche, en dat door datzelfde
+ algemeen-menschelijke, dat nergens zoo evident is als dáár, de
+ Grieksche literatuur reeds 3000 jaar vereerders en bewonderaars
+ onder alle andere volken heeft gevonden. Om bij de Antigone te
+ blijven, Antigone is een vrouw, niet alleen van een speciaal volk
+ van 2500 jaar geleden, maar een vrouw zooals men ze tegenwoordig
+ ook nog heeft--_die handelt en zich uit, zooals een levende
+ superieure vrouw in overeenkomende omstandigheden ook thans nog zal
+ kunnen en moeten spreken en doen._[10]
+
+Welnu, een klein citaat uit Gorters bestrijding zal, geloof ik,
+voldoende zijn, om de onhoudbaarheid der door Kloos verdedigde theorie
+aan te toonen:
+
+ [p.113] Het eeuwig menschelijke is een abstract begrip dat alleen
+ in het verstand voorkomt.
+
+ Dit eeuwig menschelijke, als men het in zijn geheel nagaat, en het
+ niet, zooals Kloos doet, slechts als frase gebruikt, blijkt
+ allersimpelst, allerkaalst, allerdorst en zoo kunsteloos als de
+ beginselen der rekenkunde te zijn, zoo kaal, simpel, dor en
+ kunsteloos, dat er nooit een kunst van gemaakt zou kunnen
+ worden....[11]
+
+ Wij zelve hebben boven gezegd, dat de drie groote onbewuste driften
+ tot zelfbehoud, voortplanting en maatschappelijk zijn
+ eeuwig-menschelijke driften zijn. Maar wie zou van deze dorre
+ waarheid, van dit, juist door zijn _algemeene eeuwige_
+ menschelijkheid beweginglooze leven, van dezen "onsterfelijken
+ dood" kunst kunnen maken?....[12]
+
+ In de telkens veranderende omstandigheden, in de andere
+ verhoudingen, waarin de menschen in de geschiedenis tot elkaar
+ komen, veranderen hun gedachten, woorden en daden. Die, door een
+ groot dichter voorgesteld, doen ons ontroeren. Het is niet de
+ platte algemeenheid, het algemeen menschelijke in zijn eeuwigheid,
+ dat ons ontroert, maar het gewijzigde, het speciale, het bijzonder
+ menschelijke.[13]
+
+ Er is dus in deze beschouwingen geenszins ontkend, dat er een
+ eeuwig of algemeen menschelijks zou bestaan. Er is slechts beweerd
+ en bewezen, dat het een abstractie is, op alles wat menschelijk is,
+ toepasselijk, en dus, als kunstbeginsel, waardeloos en
+ onbruikbaar.[14]
+
+Gorter betoogt dus, dat het niet van de algemeene menschelijkheid, de
+onveranderlijke, is waarvan kunst gemaakt is en wordt, maar van de
+menschelijkheid, zooals zij door de maatschappijvormen
+(productieverhoudingen) gespecialiseerd is. Hij bewijst dat verder
+zoowel aan het door Kloos aangehaalde voorbeeld der Antigone als aan
+zeer vele andere kunstwerken. Hij betoogt, dat die aldus
+gespecialiseerde menschelijkheid van bijv. den tijd der Antigone bijna
+niets doet, niets weet, niets zegt, zooals ònze menschelijkheid zoude
+voelen, doen, zeggen. Dit betoog, dat hier natuurlijk niet in zijn
+geheel kan worden overgenomen, schijnt mij toe, gelijk ik [p.114] reeds
+zei, waarheid te bevatten. Het is dus niet de algemeene menschelijkheid,
+die ons in een kunstwerk kan ontroeren en verheugen. Maar tot hiertoe
+samengaande met Gorter, scheiden zich nu onze wegen. Want dat de
+_gespecialiseerde_ menschelijkheid, een iets geboren uit zoo
+vergankelijke dingen als de invloeden van tijd en plaats, vergankelijk
+wezen _moet_ en zij het dus niet zijn kan, die ons na duizenden jaren
+nog ontroert--ik heb het den lezer reeds vroeger waarschijnlijk gemaakt.
+Zou hij-zelf zich trouwens niet zijn opgetrokken wenkbrauwen en haastig
+gegrepen potlood nog herinneren?... En op de vraag, die nu onontkoombaar
+rijst: wàt dàn dat eeuwig geluk- en genot-gevende in kunst is, ook
+daarop kent de lezer mijn antwoord reeds.--Maar ook Gorter moest
+natuurlijk een antwoord geven en hij doet dit dan ook op een manier,
+die--des lezers heftiglijk neergeschreven vraagteeken meer dan
+rechtvaardigt! Het "gespecialiseerd menschelijke," dat uitteraard van
+onbetwijfelbaar vergankelijke natuur is, blijkt nu pour le besoin de la
+cause, van ...ja hoe zal ik 't zeggen ... welnu: van _min of meer_
+ééuwige natuur te zijn:
+
+ De zaak, waarde lezer, is heel eenvoudig. Zij biedt ook u
+ waarschijnlijk niet de minste moeite. De simpele waarheid is: alle
+ menschelijke aandoeningen zijn eeuwig menschelijk. Niet in dien zin
+ dat de menschelijke aandoeningen eeuwig dezelfde blijven, maar in
+ dezen, dat er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een
+ ander mensch kan het, sterker of zwakker, ook wel voelen.[15]
+
+Dit stukje lezend voelde ik opnieuw de felle waarheid van Querido's
+Gorter-karakteristiek:--in een Handelsbladkroniek--dat hem in zijn
+_betoogend proza_ altijd een zoo bijzondere _schijnklaarheid_ eigen
+is[16]. Een sterke suggestie: "de zaak ... is _heel eenvoudig_," "biedt
+ook u waarschijnlijk _niet de minste moeite_," "de _simpele waarheid_
+is," wil hier den lezer iets, de aanwezigheid nml. eener klaarheid,
+opdringen, dat er niet is. Want neen, zóó gaat dat niet! De bewering:
+dat er "niets is, [p.115] wat door een mensch gevoeld wordt, of een
+ander mensch kàn het, _sterker of zwakker_, ook wel voelen"--overigens
+een zeer aanvechtbare stelling zooals wij zullen zien--zegt hier niets.
+Wat hier van Gorter's standpunt gezegd èn verklaard had moeten worden
+is: dat en waarom 'tgeen een ver en vreemd geslacht gevoeld en gedacht
+heeft, ons onder zekere omstandigheden--die van kunst--_enorm sterk,
+enorm fel_ ontroeren kan, feller en sterker dan vaak ònze werkelijkheid.
+Want het is niet zóó, dat wij tegen die oude werken zitten op te kijken
+en ons neusknijpertje recht zettend, om beter te zien, in ons-zelf
+mompelen: "Hé ja, daar kan ik ook toch wel in komen," maar het is zóó,
+dat wij machtig worden gegrepen, dat onze mond siddert, onze oogen
+glinsteren van de tranen, omdat daar iets voor ons leeft, zoo diep als
+een hemel en zóó lichtgedrenkt, zoo verrukkelijk, en trillende van
+jeùgdig schoon....--En als ik nu Gorter vraag: wat is dat, wat daar voor
+mij leeft met zoo fel, zoo diep en schoon een leven, als ik mij
+nauwelijks óóit iets menschelijks heb gedroomd? dan antwoordt hij mij,
+den in schemer gezetene, verblindend door klaarte: Hoè, weet ge dat
+niet?! Dat zijn die _half of heel vergane_ gevoelens van een lang
+verdwenen geslacht, die zoo goddelijk sterk voor u leven! Die
+gevoelens--herinnert ge 't u, dat ik 't u leerde?--zij werden gevormd,
+bepaald door een zoo geheel andere maatschappij dan de uwe, zij staan
+vér van u, zij zijn u vreemd. Welnu ... hokus pokus pas ... ziedaar,
+dáárom leven zij zoo fel voor u, daarom ontroeren zij u, hen ziende, nog
+meer soms dan die ùwer lévende maatschappij.--Intusschen: zelfs in
+gevallen, waar de invloed van oneindig-verschillende maatschappij-vormen
+en tijdsafstand _niet_ bestaat, is het niet waar, dat "er niets is, wat
+door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het sterker of
+zwakker, ook wel voelen;" is het niet waar, dat dáárdoor een kunstwerk
+voor ons leeft en ons ontroert. Door hen, die van "Les Chants de
+Maldoror" _aesthetisch_ hebben genoten, is er niet één, die iets van
+sommige daarin geheelde gevoelens, sterk of zwak maar wèrkelijk voelen
+kan, want in iemand, bij wien dit wel het geval ware, zou onder het
+[p.116] lezen van dàt werk de bestiaal- en pervers-zinnelijke lust het
+aesthetisch genot onmiddellijk hebben opgeheven.
+
+Ziehier dus een kunstwerk, waarvan het zelfs _gewenscht_ is, de erin
+gebeelde menschelijkheid niet te kunnen meevoelen, indien men er
+aesthetisch van genieten wil! Gelijk dan ook de ervaring leert, dat van
+sommige kunstwerken, in bijv. een revolutionnairen tijd ontstaan, en
+wier voorstellingen beeldingen waren van het revolutionnair voelen in
+dien tijd, wèl genoten werd door de menschen op de wijze van iemand
+wiens innigste meeningen en gevoelens door een ander worden goedgekeurd
+en toegejuicht, maar niet genoten werd datgene wat men _kunst_genot
+noemt. Dit laatste kon dan ook niet, juist omdat de menschen in dien
+tijd, de in dat werk gebeelde menschelijkheid _te sterk_ meevoelden!
+Eerst later kon men dan aesthetisch van zulk werk genieten.
+
+ "Keesje van Van Hulzen," zegt Kloos, "zal blijven leven, ook bij
+ menschen die heelemaal niets meer weten van dezen tijd. Dat komt
+ omdat hij het algemeen-menschelijke heeft vastgehouden." Een
+ onwaarheid. Niet daarvan zal het afhangen of de latere geslachten
+ "Keesje" zullen vasthouden. Het zal er integendeel van afhangen of
+ dit speciaal-menschelijke, dit _kleinburgerlijke_ Keesje den
+ lateren geslachten schoon genoeg zal lijken om vast te houden. En
+ dat hangt weer af, behalve van _de artistieke kracht_[17] van den
+ heer Van Hulzen, vooral van het speciaal-menschelijke dier lateren.
+ Het kon wel eens gebeuren dat die lateren zoo vrij en zoo gelukkig
+ waren, dat zij in het kleine Keesje niet zóó veel meer zagen, dat
+ zij hem vasthouden wilden.
+
+Dat schrijft Gorter op blz. 29, maar op blz. 27 vinden wij dit:[18]
+
+ Blijkbaar is valschheid, vuilheid etc. even eeuwig-menschelijk, en
+ kunnen zij, als zij maar door een _groot kunstenaar_[19] worden
+ beschreven, even eeuwig-mooi als reinheid en eerlijkheid zijn.
+
+Hoe! en komt het er nu niet op aan of de lateren zoo oprecht en helder
+zijn, dat zij maar liever die valschheid [p.117] en vuilheid niet willen
+vasthouden? Komt het er nu alleen op aan, of die vuilheid en valschheid
+door een _groot kunstenaar_ worden beschreven? Maar, veroorloof mij:
+zou het óók in het geval van "Keesje" van Van Hulzen, instede van
+_"behalve"_ van des heeren van Hulzen's _artistieke kracht_, niet
+_uitsluitend_ daarvan afhangen of "Keesje" zal blijven leven, al dan
+niet? En zouden wij dan maar niet meteen concludeeren--o, onbescheiden
+vrager, die ik ben!--dat dit leven-blijven niet bedreigd wordt: noch
+door het vaak "onbeteekenende" en "onbeduidende" der levensgevalletjes,
+die een werk beschrijft, zooals Boccaccio's _Decamerone_; noch door het
+zonderlinge en vreemde, het gedeeltelijk ver buiten onzen tijd liggende
+der voorstellingen, zooals bij de _Sakuntala_; noch door het niet
+medevoelbaar Uebermensch-sadistische zooals bij _Les Chants de
+Maldoror_, maar dat dit leven-blijven uitsluitend en alleen afhangt van
+de _artistieke macht_, die het werk schiep, het _Scheppend Vermogen_,
+dat erin straalt, en of men _diens_ schoone bewegingen daarin zoo
+onvertroebeld en duidelijk ziet, dat men het "vast wil houden"? Het
+antwoord kan, dunkt mij, niet langer twijfelachtig zijn. En evenmin of
+'t wel juist was, toen ik zei, dat Gorter, gelukkig, soms zichzelf
+bestrijdt! Ik zal straks gelegenheid hebben u een andere
+volstrekt-afdoende zelfbestrijding van onzen schrijver te toonen, laat
+ons nu echter even een terugblik werpen en onderzoeken hoe Mevr. Holst en
+hij ertoe gekomen zijn, de door ons bestreden onjuistheden te zeggen.
+Wij dan hebben aangetoond of waarschijnlijk gemaakt, at de neiging tot
+het uitpluizen van "volslagen onbelangrijke levenssneden" gevolg is van
+den betrokken _kunstenaarsaanleg_; wij hebben waarschijnlijk gemaakt,
+dat deze kunstenaars juist als nabloei van het naturalisme verschenen,
+omdat zij daardoor gewekt zijn, daardoor pas tot schrijven zijn gekomen.
+Mevr. Holst niet aldus, zij wijt het bestaan dezer kleine kunst aan de
+scheiding van zedelijk en aesthetisch ideaal--terwijl wij hebben
+aangetoond, dat een kunstenaar _als zoodanig_, d.i. een _ziener en
+ontdekker der noodwendigheid_ niet door het eerste kàn worden
+beïnvloed--"want [p.118] zulk een ideaal geeft aan het leven _een
+zin"_[20] en "voor de burgerlijke kunstenaars, die dit misten"[21] wordt
+de wereld een ding om afgebeeld te worden, het leven "in de eerste
+plaats een ding om kunst van te maken."[22] En daar er dus voor hen geen
+zedelijk-sociale reden bestaat, om het een boven het ander van dat leven
+de voorkeur te geven, beelden zij ook het heel kleine en onbelangrijke
+en zelfs perverse af. En, ten slotte, wat heeft de scheiding tusschen
+zedelijk en aesthetisch ideaal bewerkstelligd? Antwoord: de
+kapitalistische _productiewijze_. Ziehier dus als oorzaak van deze haar
+aesthetische redeneering: de _historisch-materialistische_
+gedachtegang.--Wij hebben aangetoond, dat kunst nimmer een gevoel van
+wrevelige neerslachtigheid voort kan brengen. Dat zij _immer_
+daarentegen het gevoel van geluk, bewondering, opgeheven-worden
+voortbrengt. Mevr. Holst daarentegen beweert, dat hoe sterker zekere
+"burgerlijke" kunst een gevoel van wrevelige neerslachtigheid
+veroorzaakt, des te voortreffelijker is zij! Hoe komt zij tot een
+dergelijke bewering? Omdat onze schrijfster slechts de keus had tusschen
+twee dingen: òf te zeggen, dat dergelijke werken[23] als die zij
+bedoelt, _geen kunst_ zijn, 't geen zij vermoedelijk zelf een
+ongerijmdheid vindt, òf te zeggen, dat zij bij den lezer sentimenten
+produceeren niet alleen minderwaardig aan maar het tegenovergestelde van
+wat, volgens haar, de kunst alleen dier samenlevingen te weeg brengt,
+waarin zedelijk en aesthetisch ideaal wèl konden samengaan, waarin de
+kapitalistische productiewijze de scheiding dier beide niet had
+voltrokken. "Wrevelige neerslachtigheid" dus tegenover: geluk,
+bewondering, opgeheven worden.--Zoo gebood 't het
+_historisch-materialisme._--
+
+Och, ik weet het, dit onderzoek naar de primaire oorzaak van de
+aesthetisch-critische meeningen onzer schrijfster mocht [p.119]
+eigenlijk overbodig heeten: weet niet ieder, die niet alleen de werken
+der dichteres maar ook der prozaïste Roland Holst gelezen heeft, dat zij
+niets schrijven kan of haar gedachtegang wordt door het
+historisch-materialisme bepaald en dus zeker, en in de allereerste
+plaats, haar socialistische aesthetiek? En wie trouwens zou zich
+daarover kunnen verwonderen? Het historisch-materialisme is nog
+betrekkelijk jong; als methode van verklaring der herkomst van den denk-
+en gevoels-inhoud is het in de handen dezer vurige socialiste een
+strijdbijl, waarvan zij van den ochtend tot den avond de snede beproeft.
+O erger--en verre zij 't van mij hiermede iets kwetsends te willen
+zeggen, ik wil slechts zonder schipperen de waarheid uiten zooals ik die
+zie--; zij als haar mederedacteur Gorter hanteeren de methode zoo
+er-op-verliefd, als een kind een zaag, die het pas gekregen heeft, die
+het niet één oogenblik uit de handen zou kunnen leggen: in de
+kostbaarste meubelen snijdt het krabben en krassen ... och de zaag is
+zoo mooi, hij is zóó scherp ... nu eens probeeren of je dit en dan weer
+of je dat ermee zagen kunt....--Maar wilt ge trots dit feit en
+niettegenstaande de historisch-materialistische premissen in de
+voorafgegane citaten uit Gorter open en bloot liggen, het toch ook bij
+hem, tenminste éénmaal, _aangetoond_ zien? Welnu dan: In zijn betoog,
+dat er 1° geen menschelijke aandoening in kunst gebeeld wordt of zij is
+door de productieverhoudingen gespecialiseerd--_waarin ik het volstrekt
+eens met hem ben_--en, 2°, dat die gespecialiseerde en door hem-zelf als
+half-verworden gekenschetste menschelijkheid de kern van kunst uitmaakt
+en onze bewondering, genot en opgeheven-worden veroorzaakt,--_'t geen
+ik een evidente ongerijmdheid acht_--slaat hij twee vliegen in een
+marxistischen klap. Want liet hij zijn laatstgenoemde stelling los, _dan
+liet hij daarmee de kunst uit de greep van het historisch-materialisme
+ontsnappen!_
+
+Doch nu zij hiervan genoeg gezegd. Laat mij thans liever scherper
+omlijnen en als tastbaar maken, wat ik onder _Scheppend Vermogen_ versta
+en ook wat de oorzaak is, dat et nimmer geheel onvertroebeld in een
+kunstwerk kan verschijnen. [p.120] Want dit alles mag geen abstractie
+voor u blijven, lezer, gij moet het voelen en zien, als ik. Doch hier
+ontmoet ik een moeilijkheid op mijn weg: in vroeger werk heb ik reeds
+hierover geschreven, en ik geloof dat ik nu, mij-zelf herhalend, het eer
+slechter dan beter dan toen zou formuleeren. Zoo moge ik het dan, met
+terzijdestelling van een zekeren schroom, hier als citaat doen volgen:
+
+ "De kunst-scheppende Macht heeft geen _menschelijken_ wil of
+ bewustzijn. Scheppend met het schitterendst vernuft, de diepste
+ teederheid of heftigsten hartstocht van het gevoel, met de
+ verrukkelijkste omvaming der intuïtie, verschijnt Zij den
+ onbedachtzamen als menschelijk vernuft, gevoel of intuïtie, maar
+ Zij is geen dezer, noch eene samensmelting van hen. Zij bevindt
+ zich tezelfder plaatse als dit drietal: den menschelijken geest,
+ máár--gelijk een meester onder zijne leerlingen. Haar bewustzijn,
+ oneindig ver verheven boven het hunne, wordt door hen niet gekend.
+ Uit de grondelooze diepten van haar Wezen doet zij de kleurrijke
+ visioenen, de heerlijke vergelijkingen, de melodieuse rhythmen en
+ de zoete saamklinkingen der harmonieën opwellen en deinen en
+ blinken voor hun luisterende, voor hun ziende verlangen. Dit zijn
+ Hare geschenken aan hen wier verheffing en geluk Zij beoogt. Van
+ Haar leeren zij, aan Haar richten zij zich op. En moge het verstand
+ haar vrijmoedigste, het gevoel haar schuchterste en aanhankelijkste
+ en de intuïtie haar meest zielvolle en begenadigde leerling zijn,
+ leerlingen zijn zij alle drie, en kunnen nimmer, wìjl zij 't zijn,
+ zelfstandig werkend, zóó pure, zóó heil-verleenende wijsheid
+ winnen, als die hun uit hare handen daalt. Want Zìj is de
+ absoluut-volmaakte, de voortbrengster van vlekkelooze werken, de
+ groote Vereenster, de Oneindige Liefde. Niet alleen in den
+ menschelijken geest bevindt Zij zich, en kan als zoodanig de kunst
+ en wijsheid voortbrengende Macht worden genoemd, maar in alles wat
+ is, is Zij, en wij allen noemen Haar dan Natuur of God. In den
+ aanvang, zoo ik met mijn armelijke woorden van haar werken mag
+ spreken, doet Zij de atomen tot een wereld samensnellen, dan,
+ wanneer zij verbonden zijn tot een aarde, [p.121] blijde tot 't
+ baren van schoonheid bereid, drijft Zij uit haar de wezens omhoog.
+ En is onder dezen de mensch verschenen dan doet Zij uit hem--die
+ geestelijke aarde--de kunstgewrochten, de wijze gedachten en alle
+ de geestelijke verheugingen opbloeien, 't Is dan of Zij, voor 't
+ eerst, hem wil inwijden in 't geheim van haar scheppend vermogen:
+ uit hem, mèt hem, baart Zij een nieuwe wereld, eene afschijning van
+ gene, die Zij alleen schiep; een nieuwe aarde vol geurende bloemen
+ en zingende vogels, vol wezens als dieren en menschen rijst in 't
+ licht.... Zóó ontstond al de waarachtige wijsheid, de waarachtige
+ kunst, àl dat onnoemelijk kostbare, dat de menschheid uit de handen
+ der menschheid ontving.
+
+ "En echter, hiermede treedt haar scheppen eene nieuwe phase in: _de
+ volkomenheid van haar werk verdwijnt_. Want hier ontmoet Zij voor
+ 't eerst een bewustzijn, buiten het hare, oneindig ver onder het
+ hare en toch genoegzaam ontwikkeld, niet alleen, om náár haar werk
+ te grijpen, maar storend te kunnen ingrijpen. Dat bewustzijn, welks
+ wanen Zij liefdevol duldt, opdat het eens tot hare goddelijkheid
+ zal kunnen stijgen en die deelachtig worden, gelooft zelfs vaak
+ haar arbeid de zijne en meenend die nog te verbeteren, verderft het
+ hem. Dàt is de reden, waarom elk kunstwerk, ook van den
+ voortreffelijksten kunstenaar, onvolmaakt is: hij is nimmer in die
+ mate voortreffelijk kunstenaar, dat hij er in zou kunnen slagen,
+ zijn _menschelijk_ bewustzijn te weerhouden, in te grijpen in het
+ werk van het _Natuurlijk Bewustzijn, dat in en door hem schept_. En
+ alles, wat zijn onvolmaakte geestelijke krachten kunnen vlechten
+ door de schepping der Natuur heen, _moet_, dáárbij vergeleken,
+ leelijk zijn, _omdat_ het uit ònvolmaakte krachten werd geboren,
+ terwijl daarentegen het werk der Natuur schoon _moet_ zijn, _omdat_
+ het uit volmaaktheid het aanzijn kreeg."[24]
+
+Maar wat nu de waarneming van de _bewegingen_ van het Scheppend Vermogen
+betreft, zoo fel, zoo duidelijk gezien, dat zij zich voor de oogen van
+den waarnemer verzinnelijkten [p.122] tot die van een mensch; van den
+mensch in wien het zich openbaarde; zóó gezien, dat ge niet langer kùnt
+denken, dat de mogelijkheid dier waarneming een cerebraal geconstrueerde
+abstractie van mij is; zóó, dat ge 't mee moèt voelen; dat ge zegt, met
+stralend-opziende oogen: ja nu doorvoel ik 't alles, nu zie ik
+'t--daarvan zou ik u tallooze voorbeelden uit 't werk van
+groot-visionnaire, zoowel als van scheppend-analytische critici kunnen
+toonen. Maar ik geloof, dat één voorbeeld, een schitterend, zal
+volstaan. Het is van den meester, voor wien, zoo hij weer wilde spreken,
+Scharten, zoo terecht, wel veertig anderen wilde doen zwijgen:
+
+ Drie uiterste belang-stellingen hebben zich in mij opgericht:
+
+ Ten eerste eene van algemeene en onvermengde emotie-oplettendheid,
+ verbeeld-verlichamelijkt: het roerloos en angstig-heerlijk staren
+ _naar de vreemde en hooge bewegingen, naar de sublime toeren van
+ deze nieuwe ziel; hoe hij staat, dit wondermensch_, en het leven
+ omhuivert hem met pijnlijk vervoerende vlagen....
+
+ ... zacht lichtend, bevend leven, dat een grond wordt, een zachtjes
+ en zoetjes kabbelende grond, een grond van zee _waar hij gaat hoog
+ op, waar hij gaat ongedeerd, en de golven liggen sluik neer, als
+ honden aan zijn voeten_....
+
+ ... _hoe hij gáát, en zacht-breed bewegen, als bol hangende
+ etherische goudene tapijten de luchten_....
+
+ ... _hoe hij het leven bewoont als een koning_, zijn rood-gouden
+ levenspaleis, waar alles wondert en hemelt....[25]
+
+Zéker, zóó zijn de bewegingen van die ziel der ziel, van het _Scheppend
+Vermogen_, wellicht door geen tweede gezien; zóó zèlf doorgloeid van
+geluk heeft geen ander die goddelijke bewegingslijn geteekend ... dat
+ook de teekening werd een lijnen-spel van parelend licht. Maar toch ...
+wil ik u even den weg wijzen en u een werk noemen van den allerlaatsten
+tijd? Ook Querido's _Geschreven Portretten_, zij zijn er pràchtig van,
+van dat _niet_ vóóral zien van het _werk_, maar van het _Scheppend
+Bewustzijn en zijn bewegingen_, waardoor het werk is ontstaan.--Maar ge
+vraagt mij wellicht, of [p.123] dan ieder mensch zekerlijk in kiem reeds
+iets in zich heeft wat met dat Bewustzijn is verwant en hem in staat
+stelt het te begrijpen, lief te hebben?--Och, zou er dan wel één mensch
+zijn, die geen schepper is, hoe klein ook, al droomde hij in zijn hééle
+leven maar één schoonen droom van verlangen? _Kent gij één kind, dat
+geen schepper is_?--Wat betreft de ontvankelijkheid voor inspiratie is
+er dan ook tusschen kunstenaar en niet-kunstenaar geen essentieel
+verschil, slechts een gradueel. Alleen wat de uitingsmacht betreft is er
+een essentieel onderscheid. Maar dit kan den niet-kunstenaar toch niet
+verhinderen te genieten van het geuite, of óók van wat hij wel niet
+uiten kan, maar in hem leeft: zijn èigen droomen? _There are many poets
+who have never penned_, welk een diep woord was dat!--Ongetwijfeld zijn
+er eigenschappen, die zekere menschen kunnen beletten, het Scheppend
+Vermogen lief te hebben en ervan te genieten, zooals verstomping, te
+geringe of te eenzijdige ontwikkeling, maar nimmer kan door
+maatschappij-wisseling en veranderde productieverhoudingen deze hoogste
+Natuurkracht-zelf, gelijk zij zich manifesteerde in vroeger tijd, in een
+lateren onmedevoelbaar worden, omdat ook zij verouderen zou. _Zij_ is
+niet als de menschelijke drijfveeren en gevoelens. Zij is
+onveranderlijk. Niet om niets noemden de bijbelsche dichters zich
+profeten, van God bezielden. Zij waren het, zóóals nog elk waarachtig
+kunstenaar het is en zijn zal, immer. En ook zij waren als mensch, in
+hun lagere persoonlijkheid, vaak zwak en zondig, zóóals de kunstenaars
+van elken tijd, omdat zij àllen wel begenàdigd door het Scheppend
+Vermogen maar daarom nog die Vlekkelooze-zelf niet zijn! O zie toch, zie
+toch, hoe dit alles juist en licht en klaar is, en hoe véél, hoe 't
+bijna àlles verheldert.... Maar indien ge nu ziet, wat de eeuwige kern
+der kunst is, hoe zoudt ge er dan vrede mee kùnnen hebben, dat het
+historisch-materialisme zich mengt in de critiek dier kunst. Luister
+even, hoe Gorter, de uitmuntende kenner ervan, het kenschetst:
+
+ Het historisch materialisme is geen filosofie, het spreekt niet als
+ het filosofisch Materialisme of Idealisme van het wezen [p.124] van
+ geest en stof, het spreekt _over den inhoud van_ het denken en het
+ toont aan, hoe het komt dat in een bepaalden tijd door bepaalde
+ menschen zóó en zóó gedacht wordt, de inhoud van het denken zoo en
+ zoo is en zoo en zoo verandert.[26]
+
+Welnu, vraag ik u, de hoogere literaire critiek zal toch wel de kritiek
+op, de beschouwing van het _hoogste_, het _meest essentieele_
+bestanddeel der kunst zijn. Háár taak zal het ongetwijfeld toch zijn aan
+te toonen, waar dàt in wáárheid en waar slechts in schijn aanwezig is.
+En over het wezen van dat hoogste, hebben wij gezien, verspreidt de
+kennis van de herkomst van den denk-_inhoud_ niet het minste licht, en
+ook de bewegingen van dat hoogste vertoont die kennis ons niet. Wat zou
+òns dan, die kunst-critiek niet met kunstgeschiedenis wenschen te
+verwarren, het historisch materialisme ter versterking der eerstgenoemde
+kunnen baten!
+
+"Dus," hoor ik Mevr. Holst nu spottend vragen:
+
+ Daar bij dat andere, hoogere begint pas het werk van den hoogeren
+ aestheticus...; daar waar het leven eindigt; achter, buiten, boven
+ de eigenschappen en omstandigheden die, meenen wij, het _geheele_
+ menschelijk zijn uitmaken, buiten of boven welke _het niet
+ bestaat_?[27]
+
+En, juist Mevrouw, antwoorden wij gelaten, zeer juist, daar begint het
+pas. Want niet _het_ leven eindigt daar, maar slechts 't leven, dat gij
+in uwe marxistische reageerbuizen, uw historisch-materialistische
+weegschalen en microscopen kunt oplossen, wegen en bespiedend ontleden.
+_Het_ leven kunnen wij niet ontleden, wij kunnen zijn wezen slechts
+synthetisch zien, met onze ziel, en daarna kunnen wij verhalen van hoe
+het bewoog, hoe het schitterde, hoe het scheen terug te wijken,
+wegdonkerde en verdween, en dàt verhaal kan een analyse zijn, maar het
+is er dan ook slechts eene van de bewegingen, de handelingen, niet van
+het wezen. O, Mevrouw, ook al hadde Mozes alle de boomen van het
+doornbosch omgehouwen, waarin de Godheid, hem verschijnend, brandde en
+elk takje doorsneden en onderzocht, hij had de [p.125] goddelijke
+essentie daardoor niet kunnen vinden, integendeel: verder dan ooit ware
+hij daarvan verwijderd geweest, omdat _zijn aandacht zich dan in 't
+bijkomstige en betrekkelijk onbelangrijke zou hebben verloren_. Hij deed
+beter: hij knielde neer in een vrees en liefde, die ook een zaligheid en
+een verrukking was; hij zag, zàg en dronk zich vol de ziel, en uit die
+rijke ziel kon hij zijn volk toen veel leeren en verhalen. En dat was
+voldoende.... Gij spreekt van het "buitenmaatschappelijke en
+ondoorgrondelijke".... Welnu, juist, daar ligt de grens, waar dat leven
+begint....
+
+Wijs mij één critiek, een eindelóósheid van historische en biographische
+bijzonderheden overhoop halend, die heller, neen even hel, u het
+Scheppend Vermogen eens kunstenaars laat verschijnen, dan deze
+_uitsluitend-literaire_ van Van Deyssel u den Gorter der
+sensitivistische verzen vertoont.... Gij kunt het niet!
+
+En wat is dan ook natuurlijker dan dit! Gij zoudt toch niet willen
+beweren, dat de zonnegloed op gindschen bergtop vulkanisch uit den
+aard-afgrond komt opgestegen?! Welnu, wat dringt ge mij het historisch
+materialisme dan op, deze _geologie_ der maatschappij, ter verklaring
+van het hemellicht op hare toppen!... Zou dáárom de
+historisch-materialistische literatuur-critiek de "hoogere" zijn, omdat
+zij zooveel overhoop haalt? O, ik begrijp, dat zij door haar
+"gedocumenteerdheid" en gewichtigheid op naïeve en jonge geesten dien
+indruk maakt! Maar _is_ zij het daarom? Slechts hij, dunkt me, kan
+hierop een bevestigend antwoord geven, die door den rijkdom en de
+veelheid harer middelen overbluft, niet ziet, dat zij trots al die
+middelen, ja daardoor, haar dòel mist.--Er _is_ één middel: de
+aangeboren gave van den scheppend-critischen kunstenaar. Die bestaat
+dáárin: iemand te zijn, wiens psychische inhoud en wiens uiting op hun
+beurt het doornbosch zijn, waarin brandend het Scheppend Vermogen
+verschijnt, zoodat ook dáár iets onvergankelijks staat en de ziel van
+den aanschouwer zich zelf ziet verlicht, en niet slechts gewaar wordt,
+dat haar wetens- en gevoels_inhoud_ is uitgebreid, maar in waarheid, zij
+'t voor nog zoo gering een [p.126] deel, haar _potentie_ om te voelen en
+te weten; dat niet slechts het bezit van haar wezen zich heeft vergroot,
+maar haar wezen-zelf openbladiger is ontloken. Door een kunst-critiek,
+die dit is en dit veroorzaakt, voelt de lezer dus niet vooral wàt en hòe
+het "behandelde" werk is, maar hij voelt in de alleréérste plaats wat en
+hoe het geluk is, dat het hem kan geven: hij voelt iets gelijk_soortigs_
+aan dat geluk.
+
+Welnu, zegt ge hier allicht, ik voel wel iets voor uwe beweringen, maar
+zie, indien ge nu zoudt doen wat ge beloofd hebt; als ge mij nu kondt
+laten zien, dat Gorter-zelf zijn meening afdoende heeft bestreden: dat
+de critische _kunstenaar_ in hem klaarblijkelijk zelf het
+historisch-materialistisch hulpmiddel overbodig en te ontberen acht,
+dan--ja dan zou het wellicht iets meer dan een ervoor-voelen
+worden.--Welnu, ik verlang niets liever, ziehier:
+
+ Niet minder dwaalt Kautsky als hij in zijn gedenkschrift over Marx
+ zegt dat de Duitsche kunst van Goethe en Schiller de Engelsche
+ overtrof. Zulk een oordeel bewijst hoe weinig groote poëzie wordt
+ verstaan. De groep Wordsworth, Coleridge, Keats, Shelley overtreft
+ de groep Lessing, Schiller, Goethe en,--daar in de poëzie de daad
+ geldt, niet de aanleg--Shelley staat als een toren boven Goethe.
+ Dat zegt niet alleen de _zekerheid van een hart, dat tegenover
+ poëzie nooit heeft gedwaald_, maar het _verstand dat van Marx
+ geleerd heeft waardoor poëzie groot wordt_[28].
+
+Gij ziet natuurlijk duidelijk, dat Gorter hier "het verstand dat van
+Marx geleerd heeft" best had kunnen thuislaten, indien hij dat, zonder
+vader Historisch-Materialisme in diens zoontje te beleedigen, maar had
+kunnen doen. Want dat verstand, dat van Marx geleerd heeft, is--Gorter
+zal wel de laatste zijn om het te ontkennen--in zulk een verreweg
+grooter mate van geschooldheid en kracht in den grooten internationalen
+theoreticus der sociaal-democratie Kautsky aanwezig dan bij hem, dat hij
+daaraan onmogelijk recht en [p.127] moed had kunnen ontleenen, om zich
+autoritair tegenover dien te stellen. Dat zou dan ook niet in hem
+opgekomen zijn. Maar er was iets anders: zijn groote Onbewustheid, de
+sterke kunstenaar, die in hem leeft, drong hem den weg naar de waarheid
+op. Hij voelde dat er iets ver boven "dat van Marx geleerd hebbende
+verstand" bestaat, dat wel in hem, maar niet in Kautsky is, en dat _dit_
+hier, in _kwesties van kunst den doorslag had te geven_. En in weerwil
+van zichzelf roept hij 't dan trotsch en triomfantelijk uit--en hoor de
+heerlijke aandoening beven in zijn woord:--"dat zegt de zekerheid van
+een hart, dat tegenover poëzie nooit heeft gedwaald."--O, dus dat is
+het, waardoor men in deze zaken, de kern, de waarheid, het wezen
+ziet.[29] O, Gorter en gij lezer, zijn wij het allen nu niet eens? En
+zouden wij hem niet evenzeer hièrvoor danken, als voor al het heerlijk
+werk van het Onbewuste, waarmede hij zoo ontelbare dagen van ons leven
+heeft doorzond, hij zoowel als zijn groote medestrijdster en
+medekunstenares, wie wij niet minder dankbaar mogen zijn, al is zij niet
+zoo Muziek als hij, niet zoo groot-naïef als hij, niet zoo "adamisch"
+dichter, in één woord: niet zoo geniaal als hij; want in één prachtige
+eigenschap althans zijn zij even machtig. Laat mij even zeggen, wat ik
+bedoel en daarvan denk. Het is mij zoo wèl, van hun groot
+kunstenaarsschap, ook in de door mij bestreden verhandelingen, te mogen
+[p.128] spreken, nadat ik zoo straf hunne meeningen daarin verwerpen
+moest.
+
+Geloof is _geprosterneerd_ denk-voelen, maar dat denkvoelen uit zijn
+knielhouding weer verrezen, is het _gesublimeerde_ boven al zijn
+broeders. Oòk over zijn wit verteerd gelaat, zijn emotief vermagerd en
+ingetrokken gelaat, maar in zijn groote als roerlooze vijvers
+dóórklaarde oogen het diepst, ligt de onwankelbare zelfgerustheid, de
+ondeerbare in-zich-zelf-vrede, zóó als over het gelaat en in de oogen
+van een mensch, die diep-verdroomd en in zijn God verloren, gebeden
+heeft en daarna opwaakte, om zijn dagtaak te hernemen. Aldus ook knielde
+het denk-voelen dezer beide dichters voor de Socialistische Idee, het
+verdroomde zich erin, het verloor zich erin.... O, lezer, het is niet de
+God, aan wien men zich overgaf, die den vrede en de zelfgerustheid
+schenkt, het is de _overgave_.... Het is het zich-verdroomen, het
+zich-zelfvergeten in Iets ... een Idee, een God, een Mensch... Toen het
+opstond was het gesublimeerd; over zijn gelaat en in elk zijner woorden
+en over zijn gebarende handen en over alles, àlles, lag dàt. Het
+dwaalde, maar hoe had dat zijn schoonheid, zijn noblesse kunnen deren!
+Het was immers de zelfgeruste, de in zich-zelf volmaakt-vredige en
+volgroeide _subjectieve_ waarheid. Toch uitte zich die op zeer ongelijke
+wijs, gelijk trouwens vanzelf spreekt, bij beide dichters. Slechts de
+zelfgerustheid, verkregen door de overgave aan dezelfde idee, diè
+eigenschap hadden zij gemeen. Overigens ... Mevrouw Holst's scheppingen
+zijn een woud gelijk, dat, zèker, zon vangt op zijn dichte looverkronen,
+maar de gronden schaduwig maakt. Gij loopt in halflicht; luister, daar
+floot een verre vogel ... een eenzaam geluid.... Ge hoort nog even na en
+weer staat ge stil en ziet schuw ter zijde en houdt uw adem in....
+Vluchtte daar geen bevallig wezentje, even gezien? kort ritselde het
+geblaarte... En weer is alles geluidloos.... Het is hier alles zoo stil,
+zoo roerloos ... het is in ten-hemel-streving verstijfd.... Het is één
+donkere in zich gekeerde ernst.... Gij zijt hier de eenige, die weet te
+[p.129] kunnen lachen en de oogen tintelend bewegen.... Wat ge op de
+gronden ziet en op den roerloozen voet der stammen, het zijn de
+fluweelzachte, effen mossen der zonlóóze vruchtbaarheid....
+
+Anders Gorter's levenswerk.
+
+Een lupine-veld, klaterend-geel, 't is zonnig, zonnig neerwaarts van den
+stralend-blauwen hemel naar het gele veld, opwaarts van het veld naar
+den hemel ... het klaterende veld juicht u de zon in het gelaat. O, welk
+een zomer, welk een hoogzomer, wat levenskracht om ende om, waar ge
+ziet, waar uw stralende oogen zien.... Zwermen van tierelierders en
+fluiters wieken uit het gele omhoog.... En meer nog, meer.... Hoevelen
+zitten daar wel verscholen in die bezonde bloemen....
+
+Gorter is een ééngewordenheid van fel zonlicht en muziek. Zijn licht
+schalt, zijn geluid straalt.
+
+Mevr. Holst's stem is die der vaste, maar stroef-, maar
+moeilijk-verworven zekerheden. Er zijn geen groote verheffingen, geen
+dalingen in, er is één effen hoogheid, maar vaak komt er toch ook iets
+héél innigs beven in die stem.... Zij kan dan de zachtheid van haar
+vrouw-zijn niet weerhouden.... Ingetogen slaat die hare sluiers even
+terug. Een streeling van de hand, een innige blik....
+
+Mevr. Holst: een vrome Zuster aan de sponde van het proletariaat, haar
+worstelingen zijn gestild ... zij kent het leed èn de uitkomst; zij is
+kalm omdat zij zèker is....--
+
+Gorter: een veldheer van den nieuwen kruistocht; hij haast, jacht voort,
+midden zijn glorieuse woordenstoeten. Ook hem lokt de rijke stad op de
+heuvelen, de ochtendstad in de dagende verte. Hij gunt zich geen
+respijt, hoor de hijging van de borsten zijner paarden, de klettering
+van den razenden galop. De vaandels stroomen in dien stormgang als
+amazonenhaar in het gouden licht. Hij gunt den vijand geen rust en geen
+herstel. Hij drijft hem voor zich uit, om hem ten doode toe te kneuzen
+en te pletten tusschen de heilige stad en zijn aanstormende cohorten. De
+lippen zijn opeengeklemd van energie-drift, de adem stokt, het is een
+ademloos [p.130] leven van voortijlende haast, en èven voor het
+bereiken, straalt al dat leven nog eens hooger op in de vast-starende,
+in de prooi-fixeerende oogen.... Dan is er de botsing, eindelijk, de
+omarming van den haat, de ontslaking al dier ingetoomde kracht in een
+uitstroomenden klankendonder, een verscheuren met wapens en met
+tanden....
+
+O, die geweldige, aangehouden polemische kracht van den grooten Gorter.
+Ik heb op manlijken leeftijd van zijn ónpersoonlijken, zijn prachtigen
+haat genoten als nauwelijks in mijn jeugd van zijn liefde en zijn
+Mei....
+
+Maar laat ons nu hier eindigen, doch niet dan na ons te hebben
+voorgenomen, in het volgende óók naar de volledige opheldering te
+streven van _hoe_ dit zijn kan, 't geen wij ook zooeven hebben gezien:
+dat men een werk hevig bestrijden én tegelijkertijd warm bewonderen,
+groot vinden en liefhebben kan.
+
+
+ * * * * *
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Voor de eerste maal gepubliceerd in _De Gids_, 1913--'14.
+
+[2] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
+
+[3] Den burgerlijken kunstenaar.
+
+[4] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
+
+[5] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
+
+[6] Waarom dit zoo is wordt later in dit opstel verklaard.
+
+[7] Of de schrijver met het beelden dier anti-socialistische gezindheden
+en personen een pro-socialistische "tendenz" had, doet _thans_
+natuurlijk niet ter zake. En trouwens bij Querido is behalve in
+"Levensgang" ook van zulk een tendenz geen sprake.
+
+[8] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 505.
+
+[9] Dit alles wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat kunst geen
+zedelijken invloed op den aanschouwer uitoefent! Integendeel: _alle_
+kunst, ook de "onzedelijke," heeft, indien zij _als kunst_ wordt
+genoten, een hoog-zedelijken invloed. Zij kweekt altruïsme: _De verrukte
+aanschouwer heeft de vermogens van den door hem bewonderden kunstenaar
+lief, en vergeet_, zij 't voor korten tijd, _zich-zelf voor hem en zijn
+werk_.
+
+[10] Ik citeer uit De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 16. Het is daar
+overgenomen uit Nieuwe Litt. Gesch. III blz. 44.
+
+[11] De Nieuwe Tijd, 1909, blz. 17--18.
+
+[12] Ibid. blz. 18.
+
+[13] Ibid. blz. 22.
+
+[14] Ibid. blz. 31.
+
+[15] De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 27.
+
+[16] Algem. Hbl., 9 januari 1913.--De schrijver voegt er nog, m. i. zeer
+terecht, aan toe: "Het is een gevolg van propagandistischen ijver."--
+
+[17] Deze cursiveering is van mij.
+
+[18] De Nieuwe Tijd, 1909.
+
+[19] Cursiveering van mij.
+
+[20] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 492.
+
+[21] ibid.
+
+[22] ibid.
+
+[23] Onder die rubriek valt zeker: Henri Hartog's _prachtig_ "Sjofelen";
+veel uitmuntend werk van Coenen; ongetwijfeld veel werk van Van Deyssel
+en, last not least, menig stuk van Van Looy!
+
+[24] Schetsen en Critische Opstellen, blz. 161--163.
+
+[25] L. van Deyssel, derde bundel Verzamelde Opstellen, blz. 61 e.v.
+(Over Gorter's Sensitivistische Verzen). De puntjes wijzen aan, waar ik
+hier niet ter zake doende gedeelten uit den tekst heb gelicht.
+Cursiveering van mij.
+
+[26] De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 408, e.v.
+
+[27] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 13.
+
+[28] De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 369, e.v.--Cursiveering van mij.
+
+[29] Er is overigens, in dat tusschenzinnetje "_daar In de poëzie de
+daad geldt, niet de aanleg_," nog een van die typische denk-fouten welke
+door het marxistisch-aesthetisch denken vooral veroorzaakt worden, de
+meening namelijk, dat de kunstdaad nog iets anders zou kunnen
+weerspiegelen dan de aanleg, dat de daad bijv. kleiner zou kunnen
+zijn--zeg bijv.: door neerdrukkende omstandigheden--dan de aanleg, die
+immers niets anders is dan de potentie van den _kunstenaars_geest.
+Gorter verwart hier weer de stof, waarin de daad zichtbaar is geworden
+met de daad-zelf, d.i. de beweging van den kunstenaarsgeest. Wat hij de
+daad noemt, is in waarheid het _product_ van de daad. Dit product
+weerspiegelt de daad èn de worsteling van de daad met de stof èn met de
+haar weerstrevende omstandigheden, maar die daarin dus névens al het
+andere zichtbaar geworden daad-zelf, in haar bewegen: hoe zij _worstelt,
+overwint of succombeert_, is alleen en uitsluitend de zuivere spiegel
+van de grootte, de macht of de zwakheid van den aanleg. Men kan dus niet
+zeggen, "dat in de poëzie de daad geldt, niet de aanleg," alsof uit
+beiden iets verschillends zou kunnen blijken!
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [p.131]
+
+
+II.
+
+Mevr. Holst's Rousseau.
+(_Literair_-critisch beschouwd).
+
+
+De _literaire_ critiek toetst _nimmer_ eens schrijvers _subjectieve
+waarheid_, gelijk die haar in een werk blijkt te bestaan, aan _eenige
+andere waarheid haar van elders bekend_, om daarna, al naar het
+resultaat dier toetsing, het werk goed of slecht te noemen. Neen, zij
+toetst--hetzij verstandelijk en meer koel-analytisch, hetzij
+emotioneel-omvattend en meer synthetisch--het _te beoordeelen werk_ aan
+die _subjectieve waarheid_, en onderzoekt _hoe_ deze zich daarin uit.
+Want zich uiten in een werk, dàt doet zij altijd. Het is alleen de vraag
+op welke wijze. Uit zij zich, ònbestreden, ònweerstreefd door het lager
+bewustzijn des schrijvers, èn voortgestuwd en bestraald door zijn
+Scheppend Vermogen, dan is het werk kunst. Uit zij zich daarentegen
+bestreden en weerstreefd door het lager bewustzijn, dat iets anders dan
+haar voor de subjectieve waarheid wilde doen doorgaan, dan is dat werk
+niet alleen geen kunst, maar 't is ook een vervalsching. Maar evenzeer
+geen kunst is zulk werk, of dat gedeelte van een werk, waarin het lager
+bewustzijn, volkomen te goeder trouw, en juist om de subjectieve
+waarheid, naar het meent beter te verwoorden, die uiting verminkt en
+veronecht. Doch zoo eenvoudig als dit alles nu in theorie er uit ziet en
+zoo simpel [p.132] 't zich zeggen laat in 't algemeene, zoo eenvoudig is
+'t niet in de praktijk en in zijn toepassing op 't bijzondere. Want er
+zijn wel ontelbare werken, die geheel en volstrekt niet-kunst zijn, doch
+er is niet een wellicht, gelijk wij reeds vroeger gezien hebben, dat
+volmaakt kunst is. En er is ten slotte wel slechts één oorzaak waaròm
+een werk geen of slechts gedeeltelijk kunst is: zijn niet of slechts
+gedeeltelijk voortgebracht zijn door het "Onbewuste," d.i. de Scheppende
+Natuurkracht, maar de redenen die deze dit hebben belet, kunnen vele en
+zeer uiteenloopende zijn. Laat mij u slechts nog een drietal van de
+allervoornaamste noemen:
+
+Het _van nature_ psychisch onvatbaar zijn voor de inwerking van dàt
+Scheppend Vermogen, noodig om diè zekere subjectieve waarheid in kunst
+te herscheppen. (Bijvoorbeeld: een lyricus, die van eene in hem levende
+voorstelling, tot wier ver-beelding het episch Scheppend Vermogen wordt
+vereischt, kunst maken wil).
+
+Het _verstelseld_ of _verdogmatiseerd_ zijn van het lager bewustzijn,
+zonder dat de voorstellingen enz. aan dat dogma of stelsel verbonden,
+geëigend zijn, door het in die persoonlijkheid werkend Scheppend
+Vermogen te worden ver-beeld.
+
+Een _te_ critische gesteldheid van het lager bewustzijn, waardoor de
+door- en uitvloeiing der inspiratie te zeer bemoeilijkt, soms volkomen
+en voortdurend verhinderd wordt.--
+
+Zoo verschijnt ons de taak der literaire critiek als een zeer
+verwikkelde en uitgebreide. Zoodra zij met een kunstwerk te doen heeft,
+vervalt die taak in twee groote deelen: kenbaar te maken aard en
+beweging van 't kunst-_scheppende_ Hooger Bewustzijn èn aard en beweging
+van het ingegrepen-hebbend kunst_bedervende_ lager bewustzijn. Wel
+beschouwd is dus de literaire critiek een bij uitstek mensch-beeldende
+kunst. Immers óók de synthetische aanvoeling van het Scheppend Vermogen,
+benevens zijne bewegingen, synthetisch of analytisch doorvoeld, kunnen
+meestal niet anders dan vermenschelijkt worden ver-beeld. Is het te
+beoordeelen werk-zelf van critischen aard, dan verandert dit niets aan
+de zaak--in theorie! In de praktijk blijkt dat wel anders: instede
+[p.133] van het werk uitsluitend aan des schrijvers subjectieve waarheid
+te toetsen, toetst menig criticus die waarheid weer aan een andere--ten
+slotte zijn eigen, óók louter subjectieve, want meestal _niet_ te
+_bewijzen_--waarheid. De literaire recensent, die zich hieraan schuldig
+maakt en aldus van den m.i. juisten weg afwijkt, doet te veel en maakt
+daardoor zijn arbeid minder betrouwbaar en minder waard. Want hij loopt
+alle kans, als de waarheid van den door hem beoordeelde en de zijne niet
+overeenkomen, dat ontstemming en toorn over het z.i. onjuiste oordeel,
+hem ook de zuiver-aesthetische waarde van het werk te laag zullen doen
+aanslaan. Ik zelf, die dit alles hier hekel, zou er nochtans niet voor
+kunnen instaan, niet in dezelfde fout te vervallen, indien er geen
+afdoend middel bestond, zich daartoe de gelegenheid te benemen. Want het
+is niet te ontkennen, dat een kunstwerk van _critischen_ aard daar veel
+meer aanleiding toe geeft dan een ander: van en betreffende de
+_bijzondere_ menschelijkheid eener in bijv. een roman geheelde figuur,
+heeft de criticus allicht geen vast-omlijnde apriorische voorstelling of
+oordeel, hij toetst daarom zonder vooringenomenheid het beeld-in-'t-boek
+aan des kunstenaars subjectieve visie, en zoo hem dan het een 't ander
+blijkt te dekken, d.i. zoo hem de _noodwendigheid_ in de _beelding_
+blijkt, noemt hij 't beeld goed en kunst. Maar van den aard en de waarde
+van een werk dat, of eener historische figuur, die in een kunstwerk van
+critischen aard wordt voorgesteld, hebben de meeste beoordeelaars wel
+degelijk eene apriorische opvatting, voor welke zij vaak niet kunnen
+nalaten te strijden. En dikwijls liggen hieraan de nobelste sentimenten
+ten grondslag, zooals de groote liefde voor een figuur, die zij onjuist
+beoordeeld achten, maar waar die sentimenten toch in _die_ sfeer
+misplaatst zijn, veroorzaken zij somtijds zeer ignobele gevolgen. Het is
+daarom wenschelijk, dat een kunstcriticus indachtig aan het feit, dat
+hij een--meest zeer impulsief--mensch is, zich-zelf de gelegenheid
+beneme, zich al te klein-menschelijk te gedragen. En hieraan is het mede
+toe te schrijven, dat ik, nu ik ook Mevr. Holst's _Rousseau_ in deze
+studie zal behandelen, mijn taak in twee scherp-gescheiden deelen zal
+splitsen. Ten [p.134] eerste: in dit hoofdstuk het toetsen van haar werk
+aan de in haar geest aanwezige beelden, het beoordeelen van haar essai
+dus als literair kunstwerk--den lezer zal het nu ongetwijfeld duidelijk
+zijn, _waarom_ men "een werk hevig bestrijden en tegelijkertijd warm
+bewonderen, groot vinden en liefhebben kan"--; ten tweede: het toetsen
+van _haar_ waarheid omtrent Rousseau aan _mijne_ en de mij van elders
+bekende en te bewijzen waarheid, het beoordeelen van haar essai dus als
+biographischen, critischen en psychologischen arbeid, in het vólgend
+hoofdstuk. Zoodoende zal, hoop ik, de bestrijder-in-mij der
+marxistisch-aesthetische theorie en der daaruit voortvloeiende
+meeningen, den literairen criticus niet interrompeeren, wanneer deze nu
+zal pogen zijne groote bewondering en luttele bedenkingen zuiver uit te
+spreken, en anderzijds de literaire criticus, tevreden, dat hij die
+bewondering heeft kunnen uiten, zijn tweelingbroer, den bestrijder, niet
+remmend beïnvloeden. Zeker, het had kunnen gebeuren, dat de literaire
+criticus tevens die bestrijder had moeten zijn, in het geval namelijk,
+dat _door den socialistisch-aesthetischen invloed_ wèrk en sùbjectieve
+waarheid elkaar niet zouden hebben gedekt. Dat is hier echter niet,
+althans niet bewijsbaar, het geval. _Onweerlegbaar aan te toonen_, dat
+er eenige waarheid aanwezig was in de schrijfster, welke het Hooger
+Bewustzijn niet kon uiten, ten gevolge van dien invloed of eene der
+reeds vroeger genoemde oorzaken, is m.i. niet mogelijk.
+
+ * * * * *
+
+Dit werk dan, allereerst voortreffelijk en van een zoete bekoring door
+het statig ruischen van den diepen psychischen ondertoon der
+schrijfster, die alle fijnere modulaties in de hoogste mate natuurlijk
+en ongedwongen uit zich laat opwellen--dit boek opent met een zeer
+eenvoudige en nog schetsmatige uiteenzetting van den kerkelijken,
+economischen en politieken toestand der stad Genève ten tijde dat
+Rousseau daar werd geboren. Maar in die uiteenzetting leeft al iets van
+de omglorieïng der dingen door den dichtergeest, en reeds op het einde
+dier weinige bladzijden bloeit die diepe [p.135] aandoening open, welke
+zich van dan af, nacht of dag der kunstenaarsziel mogen over het werk
+heerschen, niet meer sluiten zal: Een avondplein in Genève. Bij het
+uitschietend en weer krimpend tooverlicht van rood-gouden flambouwen,
+hebben de burgerwachten van het vrij en democratisch gemeenebest hun
+gemeenschappelijk avondmaal genoten. Een rijke vreugd rijst hoog in de
+harten, de vreugd van als broeders samen te zijn; vrouwen en kinderen
+komen hun deel van het feestgeluk halen en mengen zich onder de groepen.
+... Er wordt een reidans gedanst en liederen gezongen ... O, de
+beschrijving van dit tafereel is in haar soberte zóó voortreffelijk; de
+psychische onderstroom voert zoo zonder inspanning die visioenen voor
+mijn oogen.... Maar deze deinzen nu, er is een open ruimte, en zie nu,
+zie ...er komen woorden als voorzichtige en zegenende handen, hun
+aanraking sterk èn teer van liefde, ze toonen mij een kind, niets dan
+een kind, een "bruinoogig, sierlijk knaapje".... Maar een ontroerd
+vrouwegelaat zie ik boven zijn hoofd, oogen, die mij glanzend,
+trotsch-gelukkig en suggestief aanzien, en ik versta plots in vollen
+omvang, wat dit gelaat mij zegt: hoeveel dit kind voor de menschheid zal
+beteekenen. Mijn hart zwelt den kleinen uitverkorene tegemoet. Het is
+Jean-Jacques Rousseau.--
+
+En dan volgen de zes-en-dertig schoone bladzijden over zijn jeugd, één
+zoete, innige melodie, maar--als door een fluit een nachtegaal
+nagefloten. Voor wien de nachtegaal-zelf te voren heeft gehoord!... Want
+het beeld van Rousseau's jeugd, zooals het in _Les Confessions_, dat
+stylistisch wonderwerk van subtiele zelfbeluistering, tot ons is
+gekomen, is niet louter een brok autobiographie, dat _elk_ later
+dichter, die de voor de verwerking dier stof geschikte vermogens bezit,
+zou kunnen benuttigen, om er zijn eigen schoonen droom uit te
+_scheppen_, maar het is _zelf een subliem gedicht_, dat den lezer, en
+zeer zeker den bewerker, niet alleen materiaal aanbiedt, maar hem ook
+noodwendig beheerscht, door de artistiek-geniale doorlichting en
+verheerlijking van dat materiaal, zoodat tenzij die bewerker een
+Rousseau verre [p.136] overtreffend genie bezitte, dat dezelfde stof nòg
+heller doorlichten, nòg schoener en ànders gezien in kunst zou kunnen
+beelden--vrijwel ondenkbaar in dit geval--hij zich niet slechts niet zal
+kunnen vrijmaken van die overheersching, maar zich zelfs wel wachten zal
+voor eenige poging daartoe, wel overtuigd als hij zijn zal, daardoor te
+zullen komen tot het maken van werk, dat èn slechts quasi-zelfstandig èn
+sterk minderwaardig zou zijn aan het oorspronkelijk gedicht.... Een
+gedicht, waarin al de weemoed herfst van een oud gebroken man, die zijn
+zoete jeugd herdenkt; waarin menschengestalten, sinds lang in den dood
+verdwenen, herrijzen, van verre staande met de aureool zijner liefde om
+de slapen, en waar veel flonkerende kostbaarheden al geborgen staan in
+herinnerings-schrijn, om straks--o toch luttele vergaarde schatten van
+dit aardsche leven!--te worden meegevoerd naar dat eeuwig leven,
+waarnaar hij smacht.--Want wèl ter dege behoort men, om naar àlle zijden
+rechtvaardig te zijn, de _relatieve_ waarde der dingen niet uit 't oog
+te verliezen. "Wanneer zij Rousseau's jeugd herdenkt, wordt dit verhaal
+een gedicht onder hare handen," las ik in _De Ploeg!_[30] Wel waarlijk,
+dat staat er, alsof Mevr. Holst uit een of andere oude, bestoven en
+droge kroniek--zooals bijv. Shakespeare voor zijn drama's!--de stof had
+opgediept en daaromheen, daaruit _haar_ schoonen droom, _haar_ gedicht
+had geschapen, terwijl de waarheid is: dat zij wel hier en daar ook
+eigen doorvoeling heeft gegeven, maar overigens en grootendeels een van
+de schoonste en innigste gedichten der wereld, slechts "van verre
+volgend" en het _zeer verzwakkend_, heeft _na_gedicht en dit--een tweede
+oorzaak dier verzwakking naast het verschil in genialiteit tusschen haar
+en Rousseau--door de compositorische eischen van eigen werk gedwongen,
+hevig besnoeid heeft, waardoor dan ook helaas oneindig veel van het in
+'t oorspronkelijke poëem aanwezige schoone, bevallige en beteekenisvolle
+is verdwenen, zonder dat opmerkelijke, nieuwe, door haar geschapen
+aesthetische waarden, [p.137] in dit gedeelte eenige noemenswaardige
+vergoeding bieden voor dat gemis. Neen, de groote
+_oorspronkelijk_-scheppende kracht straalt dan ook eerst op in het werk,
+als zij, bevrijd uit den ban van dat zoet-schoone en vermaarde
+jeugdverhaal in de _Confessions_, haar oogst niet meer hoeft te maaien
+onder den drukkenden zonnegang van Rousseau's wereldgenie! Dàn huivert
+door het boek een medelijden met de armen en verdrukten, de hopeloos
+verloren geganen in de niet terug te roepen tijden, een medelijden, dat
+zijn tranen bedwingt, om fel te kunnen strijden. Dan proeft ge de
+verrukking van deze hooge vrouw, zelf eene van het geslacht te zijn,
+waarvan Rousseau een van de vorsten was; dan voelt ge haar genot, zich
+één met hem in het hooge willen te weten; zijn schildknaap, zijn
+verheerlijker, zijn zwaarddrager te zijn. Waar zijn oogenlicht op valt,
+dat is geheiligd voor haar, de felle wreekster en verdedigster ook van
+Thérèse Levasseur. Prachtig-innige bladzijden hebben wij dier
+verdediging te danken, een stroom van gevoel breekt hier uit dit nobel
+hart, die elke ruimte van der woorden bedding vult, en schuimend elke
+hindernis verbreekt, tot, eindelijk, vrij weer stroomend, zijn toorn
+valt en hij voortkabbelend van de oevers bloemen gaart en zonnevonkjes
+vangt op zijn ontschuimde vlakte; een omvlijende beek van liefde nu, een
+bloemenwater van geur en licht omwademd, komt hij aangewiegd tot aan de
+voeten van dat kleine menschje, ootmoedig aan de voeten dier "trouwe,
+lieve vrouw" en vlijt er alles neer, àl bloemen voor dat "eenvoudige
+plebejerskind," de "veelgesmade, veelgelasterde Thérèse Levasseur"....
+En stroomt dan vonkelend en ruischend weer voorbij....
+
+Dàn openbaart zich ook haar beeldend en metaphorisch vermogen in zijn
+volle kracht. Vermocht ik in het jeugdverhaal slechts ééne
+werkelijk-beeldende uitdrukking te vinden, die nog klaarblijkelijk een
+reminiscentie is[31] en slechts één vergelijking, 'n rhetorische, en nog
+wel eene van zeer geringe soort, welke [p.138] geheel uit het kader van
+haar werk valt en volstrekt vreemd is aan de hooge sfeer van haar
+stijl,[32] later verandert dit alles, ziet zij in dat Parijs, "_dat
+koortste van goudkoorts als een delverskamp_," het Parijsche volk
+lijden: "ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid,
+laag en onzichtbaar als in een andere wereld, _als in de verborgen
+stookruimte van een modern reuzenschip_"; ziet zij: de gedachten zich
+uit Rousseau's Onbewustheid losmaken en stijgen "tot 't bewuste, _met
+zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't diepste van 't
+woud_." Merk hoe verrukkelijk deze beelden zijn omdat zij, zoowel wat ik
+wensch te noemen: de _hoofdzakelijke_ als _additioneele_ schoonheid aan
+goede metaphoren eigen, bezitten, en rhetorisch noch reminiscenties
+zijn. Immers de _hoofdzakelijke_ schoonheid van een "beeld," bestaat
+daarin, dat het de verborgen eenheidsessentie van twee verschillende of
+zelfs schijnbaar tegenstrijdige begrippen, zaken of wezens aantoont. En
+hoe duidelijker en overtuigender ons die eenheid wordt aangetoond, hoe
+grooter onze verrukking is. Deze heeft dan een tweeledige oorzaak: een
+algemeen-menschelijke èn een artistieke. De eerste is: dat het
+doorvoelen, zij het slechts tot op zekere diepte, van de eenheid van dat
+wat men tot dan verschillend of tegenstrijdig heeft geloofd, het hoogste
+geluk is, dat een mensch, die op dien naam aanspraak maken mag, gebeuren
+kan. Want het hart van zulk een mensch haakt en verlangt naar eenheid,
+hij voelt het veroveren van het bewustzijn, dat alles en allen in
+diepste wezen één zijn als zijn hoogste levenstaak, en telkens als hij
+dus--om 't zoo eens te zeggen:--een stukje van dit bewustzijn heeft
+veroverd, voelt hij ook bevrediging en geluk. De tweede is: dat wij de
+beweging van het Scheppend Vermogen bewonderen, toen het dit een-zijn
+van het verschillende of tegenstrijdige uitbeeldde. Het zal den lezer
+uit deze beschouwing duidelijk zijn, dat het dus van het hoogste gewicht
+voor die zoo rijk [p.139] genot schenkende eigenschappen van een "beeld"
+is, dat het _niet rhetorisch en geen reminiscentie is_. Kent immers de
+lezer het reeds van vroeger, of voelt hij in de verwoording, dat het
+niet oorspronkelijk is, dan kan, in 't eerste geval, zijn bewustzijn van
+de eenheid der dingen nù niet meer dáárdoor verrijkt worden, en, in
+beide gevallen, kan hij dááraan het Scheppend Vermogen in dien auteur
+niet bewonderen. Hij weet immers of voelt dat deze zich dit "beeld"
+slechts bewust of onbewust herinnerd en 't niet geschapen heeft. Het is
+dus juist omdat de hierboven aangehaalde beelden, in tegenstelling met
+de ter voorafgaande bladzijden, in de noten, geciteerde, niet rhetorisch
+en geen reminiscenties zijn, dat zij mij in hun zoo prachtig aantoonen
+der verborgen "eenheidsessentie," dat rijke en tweeledige genot konden
+schenken,--een waarheid, die helaas nog niet algemeen door de literaire
+critiek wordt aanvaard.--En wat nu de _additioneele_ schoonheid betreft:
+deze bestaat in het passen van het "beeld" in de stemmingssfeer van het
+geheel, waarvan het een deel is. Dat is natuurlijk gewenscht voor elk
+deel van een kunstschepping, maar voor een vergelijking of metaphoor is
+het _meer_ gewenscht dan voor welk ander deel ook, omdat als zij de
+eenheid van het geheel verbreekt, ze iets doet, wat met _haar innigste
+wezen_ in strijd is. Haar wezen is immers: het eenheid-aantoonen, en
+nu--verbreekt zij een eenheid! Zij neemt dus dan op de eene wijze en
+tegelijkertijd terug wat zij op een andere gaf.--En zie nu eens, in hoe
+sterke mate deze beelden van Mevr. Holst ook die additioneele schoonheid
+bezitten. De beide eerste, die iets van het _maatschappelijk_ leven
+beelden: Parijs en het Parijsche volk, zijn beide aan de
+maatschappij-sfeer ontleend: een gouddelverskamp, een stookruimte; het
+derde daarentegen, dat de werking der Scheppende Natuurkracht in
+Rousseau beeldt, aan het natuurleven.
+
+En hoe prachtig is ook dit, als onze schrijfster het _Contrat Social_
+bespreekt: "De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen sissen,
+zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich
+tusschen hen." Even te voren [p.140] zegt zij: "Men voelt den gloed wel,
+maar de vlam brandt achter een muur," 't geen ons hier de gelegenheid
+biedt te zien, hoe het beeld zich volkomen natuurlijk ontwikkeld heeft
+uit het gevoel, waaruit de geheele context werd geboren.
+
+En dàn is het ook, dat zij, zooals ik eens van haar schreef, bij
+menigten "subtiele fijnheden in het door-raadselde levensgebeuren en in
+de verhouding tusschen de uiterlijke en innerlijke menschen ontdekt."
+Wilt ge een voorbeeld van het eerste zoowel als het laatste? Gun u-zelf
+dan het genot van haar diepe en meesterlijk neergeschreven inzicht te
+leeren kennen in de zedenverdorvenheid van het Parijs der XVIIIde eeuw,
+en vergun mij even dit kleine stukje voor u te citeeren:
+
+ Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de
+ gave der jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter
+ heeft gebruikt. Wie het heil zocht in de liefde voor schoone
+ lichamen en in de bevrediging van den hartstocht, voelt de
+ herinnering wrang in zijn mond en spijt om alles wat hij dit ééne
+ ter wille verzuimde, doet zijn hart samentrekken; hij treurt: hem
+ is alsof hij de kostbare wateren der jeugd verspilde. Wie andere
+ sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit eerzucht daden deed,
+ of door liefde voor een stralende Idee gedreven, voor een droom van
+ menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat hij wat nu 't
+ allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; ook hem is
+ het of hij de kroon des levens heeft gemist.
+
+Hoe trilt hier toch in de diepte hetzelfde sentiment, dat eens een
+Ander, in hòngerige oververzadigdheid, zijn smartelijk "IJdelheid der
+ijdelheden" als een weeroep over menschheid kreunen deed, zóó, dat zij
+het in dertig eeuwen niet vergat....--Maar is dit stukje
+fijn-doorvoelde psychologie niet even diep en innig:
+
+ Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van
+ Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige
+ waardeering, in de omstandigheid dat de vergode grijsaard toch
+ altoos het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is
+ grooter dan ik, in hem en zijn werk ligt iets diepers en
+ teederders, dat mij vreemd is"--terwijl Rousseau daarentegen
+ Voltaire wèl zijn roem en invloed benijdde, maar in zijn diepste
+ wezen een gevoel van artistieke [p.141] meerderheid omdroeg, dat
+ het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht en billijk te
+ oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft, naar ik meen, ook de
+ verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.
+
+Wie anders dan òf een heel groot, "objectief-indringend
+menschenschepper, die Mevr. Holst--ik heb het indertijd
+aangetoond--_niet_ is, òf een wel anders begaafd, maar in zijn sfeer
+toch ook heel groot en edel kunstenaar, die zelf in het bewustzijn van
+zijn zielsrijkdom zijn tegenstrevers en miskenners kan vergeven, gelijk
+deze groote lyrische dichteres er eene is--wie anders dan een dièr twee
+had dit vermogen te schrijven....
+
+Hoe diep heeft zij dan ook àlles doorvoeld, wat Rousseau's
+persoonlijkheid en de hare _gemeen_ hebben, hoezeer is zij erin
+geslaagd, ook _de leiddraad aanvaardend van Rousseau's
+zelfbeluisteringen in de Confessions en de Rêveries_, een beeld te
+scheppen dat _nagenoeg_ harmonieus is in _zichzelven_. Luistert ge
+slechts even naar het volgende kleine stukje, dan hoort ge bij beurten:
+Henriëtte Roland Holst, herkennend Rousseau in en beeldend hem uit háár
+innerlijkheid, èn Rousseau-zelf in de zelfbeluistering en beelding der
+_Confessions_:
+
+ Haar volgend (de roepstem der opkomende klassen, v.C.) moest hij
+ strijden tegen een stuk van zich-zelven, tegen zijn zwakheid, en
+ somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn hart.
+
+Hier beeldde Mevr. Holst Rousseau uit zich-zelf: de schrijfster van _De
+Vrouw in het Woud_, vóór zij "de Vrouw in het Woud" werd, maar reeds
+alles in zich had, dat 't haar zou doen worden. En ziehier voornamelijk
+weergave van de zelfbeluistering in de Confessions en de Rêveries:
+
+ Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn
+ liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn
+ contemplatieve neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van
+ stelselmatig denken. Hij overwon dit alles. Hij, de tuchtelooze,
+ legde zich de tucht op van onverpoosde inspanning, van omwerken en
+ nog eens omwerken en nog eens wat hij schreef, tot de meest klare
+ en doordachte uitdrukking van gevoel en gedachte die hij kon
+ vinden, bereikt was; hij de bandelooze, [p.142] lag zijn liefste
+ genieting, het drijven op droomen, aan band. .
+
+Zooals het volgende weer zuiver datgene is wat beiden gemeen hebben:
+
+ Hij was dikwijls zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in
+ alles wat zijn werk betrof. Twee krachten waren in hem die zijn
+ zwakheid overwonnen: de gloed van geestdrift voor zijn
+ idealen,--met een anderen naam: de liefde tot de menschheid,--èn
+ het artistiek geweten, de nauwgezetheid van den kunstenaar.
+
+Het schoonste en duidelijkste voorbeeld echter van dit
+Rousseau-hervinden in zichzelf, heeft Mevr. Holst wel gegeven in dit
+stukje, dat ik hoe bevreesd ook mij te zeer aan citeeren te bezondigen,
+den lezer niet mag onthouden:
+
+ Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit
+ de opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het
+ Gezicht opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de
+ afschuwelijkheid van de uitbuiting en de ellende van druk en
+ slaafschheid beseffen; gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de
+ verdrukkers en liefde voor de verdrukten, dat zij beven van hitte
+ en kou, liefde en haat in eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die
+ dichters en droomers dan het lichtverschiet openwaait van een ander
+ leven dan van willekeur der grooten en verdrukking der kleinen en
+ strijd van allen tegen allen, een leven van vrede en broederlijke
+ liefde en zachte aanhankelijkheid; en zij de armen uitstrekken
+ daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat 't blijve, sidderend
+ van verlangen--zoo deed hij.
+
+Evenmin zou ik echter de schoonheid van dit werk voldoende recht hebben
+gedaan, indien ik verzuimde u opmerkzaam te maken op het prachtig
+begrijpen, doorvoelen en uitbeelden van sommige invloeden, die het
+Scheppend Vermogen op de lagere persoonlijkheid van Rousseau gehad
+heeft. Ziehier, een kort stukje:
+
+ Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefdesbegeeren
+ slechts schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij
+ daardoor noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste
+ bekoorlijke vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't
+ anders; leefde, voor hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat
+ oogenblik de behoefte van den kunstenaar, door 't lichamelijk
+ ervaren der liefde-begeerte en verrukking [p.143] en liefde-smart
+ die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te voeren tot de hoogste
+ intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de andere?
+
+En dan met nog heller intuïtief doorvoelen van de verhouding van
+Scheppend Vermogen tot de lagere persoonlijkheid:
+
+ Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en
+ zijn zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan
+ wat asch van herinnering.
+
+ Maar _buiten hem groeide_,[33] schepsel van vuur en tranen, het
+ wonderbare boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als
+ 't zingen van de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle
+ Héloïse." In de vlammen van dat boek zou de ziel der vrouw van dien
+ tijd zich reinigen, in zijn wateren onderduiken om wedergeboren te
+ worden: dichter's smart maakt duizenden blij van bevende zaligheid.
+
+Hoe zuiver en diep-gegrift is met één trek in die paar door mij
+gecursiveerde woorden, het werken der Onbewustheid aangegeven. Hoe wordt
+door dat ééne beeld van de gaal den lezer fel de psychische oorzaak der
+Nouvelle Héloïse duidelijk: zooals de gaal zingt uit liefdesdrang zóó
+schreef Rousseau dit boek. Maar bijzonder dankbaar ben ik der
+schrijfster voor die erkenning, dat "dichter's smart duizenden blij
+maakt van bevende zaligheid." Want deze uitspraak wint nog aan
+beteekenis, wanneer zij bijv. lyrische poëzie betreft, waarin een
+dichter zijn smart-zelf heeft afgebeeld. En dus blijkt Mevr. Holst
+_hier_ wel duidelijk en diep te doorvoelen, dat de _kunstuitbeelding_
+van een sentiment zelfs precies het _tegenovergestelde_ sentiment in den
+beschouwer der uitbeelding kan wakker roepen, en _anders_ dan het in 't
+leven _buiten de kunst_ gebeurt; dáár zou smart wel aanleiding tot genot
+kunnen geven, maar tot _wreedheidsgenot_, hier wekt het iets goddelijks
+in den genietenden mensch: een blijdschap van "_bevende zaligheid_"! A
+bon entendeur demi-mot suffit. En overigens--de literaire criticus mag
+zich toch wel even zoover vergeten, dat hij hier naar het werk van zijn
+tweelingbroer _verwijst_--zie het eerste hoofdstuk [p.144] dezer studie:
+daar staan de hééle woorden! Maar zoo gij meent, dat hij dìt zelfs niet
+had mogen doen--welnu: het is een goed gebruik iemand dergelijke
+kleinigheden bij het afscheid-nemen te vergeven, en de
+literaire-criticus-in-deze-studie néémt hier afscheid. Eérlijk gezegd:
+ik meen te weten, dat hij daar blij om is. En geen wonder: gewend altijd
+zelfstandig te werken, ziet hij hier zijn arbeid als een bijkomstig
+onderdeel van een andersoortig geheel beschouwd, werkte hij hier onder
+toezicht en onder zekeren druk. Zoo ben ik er, bijvoorbeeld, zeker van,
+dat het niet zijn meening weergaf, toen ik zei, dat niet _hij_ hier den
+schadelijken socialistisch-aesthetischen invloed kon aantoonen en
+bestrijden, omdat het geval, waarin hij dat had kunnen doen, nml.: dat
+door dien invloed "subjectieve waarheid en werk elkaar niet dekken,"
+hier niet aanwezig was. Hij meende dat wel degelijk hier en daar te
+kunnen aantoonen. Hij geloofde zeker, dat de zeer tendentieuse lagere
+persoonlijkheid der schrijfster op eenige plaatsen, onwillens
+natuurlijk, de uiting der subjectieve waarheid door het Hooger
+Bewustzijn verminkt had. En hij geloofde al evenzeer demonstreerbaar,
+dat er subjectieve waarheid in het werk was, die het niet verder dan het
+_lager_ bewustzijn heeft gebracht, òndoorlichte subjectieve waarheid
+dus, en van een soort, die niet kòn doorlicht, verpuurd, vernoodwendigd
+worden door het lyrisch scheppend vermogen, terwijl de waarlijk epische
+kracht, daartoe benoodigd, niet of in niet voldoende mate in deze
+schrijfster aanwezig is. En als ik hem zei dat wat haar ontbrak toch kon
+aangevuld worden door de zelfbeluistering, de biecht van Rousseau, dan
+fluisterde hij ironisch: "Ook door zijn zelfbedrog, ook door zijn pose?"
+En ik glimlachte, maar wat zijne eerste bewering betreft leken mij zijn
+bewijzen niet afdoende, en wat het in de tweede genoemde aangaat,
+daarvan zijn noodwendigerwijze, gelijk later zal worden aangetoond, de
+gevolgen in dit werk zoo nietig, vergeleken bij die van den
+marxistisch-aesthetischen invloed, dat het geenerlei nut heeft hen te
+bespreken. En zoo legde ik hem het zwijgen op, een weinig onrechtvaardig
+[p.145] wellicht, gelijk geen enkel machthebber, die voor de juiste
+verhoudingen in een groot geheel verantwoordelijk is, altijd jegens den
+bewerker van een onderdeel kan vermijden te zijn. Maar daarom: wees gij
+lezer arbiter tusschen hem en mij! Gij zult in het volgend hoofdstuk
+ruimschoots stof tot vorming van uw oordeel vinden.
+
+
+NOTEN:
+
+[30] "Een studie over Rousseau" door Dirk Coster, _De Ploeg_ Febr. 1913.
+
+[31] "Hij eenvoudige burgerknaap, _zoo gesprongen uit het zwarte hol van
+zijn leertijd_." Zie Shelley's prachtig: "Then from the caverns of my
+dreary youth I sprang" etc.
+
+[32] "Een goede fee had aan zijn wieg gestaan.... Het was de
+fee: verbeelding." Kan het flauwer, onpersoonlijker en slapper?
+
+[33] Cursiveering van mij.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [p.146]
+
+
+III.
+
+
+Mevr. Holst's Rousseau.
+(Beschouwing der critische en psychologisch-biographische opvattingen.)
+
+
+Geen mijner lezers, die mij tot hiertoe gevolgd zijn en mijne leidende
+aesthetische gedachte nu kennen, zal het verwonderen, dat ik het niet
+eens kan zijn met hen, die zeggen, "dat wij uit eerbied voor den grooten
+geest den mensch moeten vergeten." Mij immers, wien de scheppende
+natuurkracht, die de aarden uit den chaos en de wezens uit de aarden
+omhoog drijft, de zelfde is, die de kunstwerken en de voortbrengselen
+van het hooge denken uit gene kleine werelden, die wij menschen zijn,
+doet geboren worden--mij lijkt die bewering even onjuist, als wanneer
+mij iemand zou zeggen, dat ik uit eerbied voor de natuur, de aard en
+gesteldheid van een kwalijk-riekend moeras niet zou mogen onderzoeken,
+dat zij zelf nochtans voortbracht en waarin zij zelf een rijke flora en
+fauna leven doet. Deze eerbied, zij hier entre parenthèse gezegd,
+schijnt mij dan ook bedenkelijk veel op een beleedigen te gelijken. Het
+is dan wel, of wij arme, kleine menschjes ons verbeelden, sommige daden
+en voortbrengselen der natuur "met den mantel der liefde te moeten
+bedekken"! De lezer ziet dus duidelijk, dat in iemand van _mijne_
+overtuiging die eerbied volstrekt geen eerbied, maar een belachelijke en
+verdwaasde hoogmoed [p.147] zou zijn. Maar overigens is er nog een
+andere reden, waarom _ik_ dat argument verwerpen moet. En ik kan
+slechts ernstig hopen, dat het bekend maken dier reden geen aanleiding tot
+misverstand tusschen den lezer en mij zal te weeg brengen. Uiten mòet ik
+haar. _Ik ken den eerbied niet en evenmin de keerzijde van dat begrip:
+de moraliseerende geringschatting of verachting_.
+
+Ik ken _slechts de liefde en den instinctmatigen afkeer._ Eerbied
+beteekent immer een min of meer op een afstand blijven--een
+_eerbiedigen_ afstand, zegt het spraakgebruik!--van, en een
+niet-indringen in het geëerbiedigde. Liefde beteekent: een naderen tot
+en een indringen in het geliefde. Waarom zouden wij op een afstand
+blijven van datgene, dat de Natuur ons toestond te naderen, toen zij ons
+de vermogens daartoe verleende? Zouden wij het beter willen weten dan
+Zij? Laat ons gerust zijn, waarvoor wij "eerbied" moeten hebben, dat
+_kunnen_ wij niet naderen, want Zij heeft den weg daarheen voor onze
+voeten opengebroken, toen Zij ons de vermogens onthield, gelijk Zij over
+andere wegen, die naar het lage leiden, waarvoor wij nog te onrijp en te
+zwak zijn om er het hooge in te herkennen, de versperring van onzen
+_afkeer_ sloeg.
+
+Eerbied, zeg ik u, is iets overtolligs; liefde, indringende liefde
+vraagt de wereld van ons. Eerbied is ook een slechte begeleider der
+waarheid. Uitteraard heeft hij dikwijls geen andere keus dan zelfmoord
+of het vermoorden der waarheid. Hij is als die reiziger in de woestijn,
+die zijn metgezel doodde omdat er voor beiden niet genoeg water meer
+was. Niet alzoo de liefde: zij is als dat vlugvoetige, zachtoogige,
+trouwe wezen, snel doorijlend elke woestijn: ook haar kan geen enkele
+deren; levend van de zuivere lafenis in eigen lijf bewaard, voert zij,
+niets vragend, alles dragend, den mensch naar het Doel.
+
+ * * * * *
+
+Men verwachte dus van mij, nu ik ter toetsing van Mevr. Holst's
+meeningen omtrent Rousseau en Thérèse Le Vasseur, veel, in dit
+hoofdstuk, van die beiden zal moeten spreken, [p.148] geen op een
+afstand blijvenden eerbied, maar liefde tot hun menschelijkheid, liefde
+tot de waarheid. Want daar ik er op zal moeten wijzen, dat zoowel in
+haar critische als psychologisch-biographische beschouwingen vele het
+essentieele rakende dwalingen--voornamelijk onder den
+historisch-materialistisch-aesthetischen invloed--binnengeslopen zijn,
+voel ik het als een plicht en deel van mijn taak, wat ik als de waarheid
+voel en vaak objectief zal kunnen aantoonen die te zijn, vreesloos
+daartegenover te stellen.
+
+"C'est le pardon à cause de la gloire." O, het is schoon gezegd, de
+wereld applaudisseert. Maar beter deed die wereld met te begrijpen, dat
+wij, zèlf geringen, nu eenmaal nìets te vergeven, nìet te vonnissen,
+maar alleen _alles_, voor zoover we dat dan kunnen, te onderzoeken, te
+doorvoelen en te begrijpen hebben.--
+
+Wenden we ons nu allereerst tot Mevr. Holst's meer _critische_
+beschouwingen:
+
+ Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij (de Fransche
+ revolutionnairen, v.C.) leefden, uitgingen boven den inhoud van hun
+ leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de vorm,
+ heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de
+ uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar
+ somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor
+ het theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid,
+ die niet anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning
+ van het gevoel.
+
+ Dit noodlot der revolutionnairen van 1789--92, was ook het noodlot
+ van Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als
+ bijv. bij Byron en Schiller, gelijk de zijne ontsprong uit hun
+ liefde voor de burgerlijke vrijheidsidealen, en wier werken den
+ strijd der bourgeoisie tegen de absolutistisch-feudale orde vierden
+ en verheerlijkten. Ook zij vervallen soms _in hol pathos,
+ opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë laffe sentimentaliteit._
+ Hun _gevoel was oprecht_, evenals dat der revolutionnairen, _hun
+ geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de
+ idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk
+ onwaar en voos_....
+
+ En Rousseau was een uiterst gevoelig kunstenaar, een van de
+ gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. Zoodoende zoog hij
+ de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en de huiselijke
+ innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar [p.149] _ook de
+ valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel_. Ook
+ deze gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. _Deze zijn
+ schuld_ aan het theatrale, gezwollene, geforceerde, dat zijn werken
+ ontsiert daar waar hij de moreele en sociale idealen der
+ burgerlijke klassen in beeld brengt, _nooit_, wanneer hij het zijn
+ persoonlijke ervaring doet.[34]
+
+Om te beginnen: het is niet juist, dat wanneer Rousseau zijn
+persoonlijke ervaring in beeld brengt, het holle pathos, de
+opgeschroefde gezwollenheid afwezig zouden zijn. Integendeel, ik beweer:
+in het autobiographisch werk zijn ze er pas goed, in gezelschap nog wel
+van hun valsch opgedirkte en geblankette zuster: de _pose_. Gij, die de
+schoone paden der _Confessions_ gegaan zijt, hoevele malen hebt ge er
+dit ongure, kermisachtige drietal, in den kleurigen opschik hunner
+klatergouden todden, niet ontmoet? Maar behoef ik dat wel te vragen,
+sterker: zij openden u het hek van den tuin!
+
+ Je me suis montré tel que je fus; méprisable et vil quand je l'ai
+ été; bon, généreux, sublime, quand je l'ai été: j'ai devoilé mon
+ intérieur tel que tu l'as vu toi-même, Être éternel. Rassemble
+ autour de moi l'innombrable foule de mes semblables; qu'ils
+ écoutent mes confessions, qu'ils gémissent de mes indignités,
+ qu'ils rougissent de mes misères. Que chacun d'eux découvre à son
+ tour son coeur au pied de ton trône avec la même sincérité, et puis
+ qu'un seul te dise s'il l'ose: _Je fus meilleur que cet
+ homme-là._[35]
+
+Deze toon, die toon van: "à tout prendre: je suis le meilleur des
+hommes," die telkens en telkens weer ons in de ooren klinken, het heele
+werk door, is niet die van de eerlijke zelfverheerlijking maar die van
+de in "_valsch pathos_" zich uitende "_geforceerde spanning van het
+gevoel_" van het zelfbedrog. En spreekt hij over het te-vondeling-leggen
+zijner kinderen, dan, zooals wij later zullen zien, klinken zijn
+redeneeringen als leeg vaatwerk met barsten, dan wordt 't alles bombast,
+dan dringen in al zijn uitingen "smakelooze liefde voor het theatrale"
+en "overdreven huilerige gevoeligheid." En daar heeft hij het toch wel
+over zijn "persoonlijke [p.150] ervaringen," zou ik zeggen! Mevr. Holst
+schijnt wel eens op weg te zijn geweest, om in deze de waarheid te zien.
+Blz. 203 zegt zij:
+
+ Het (zelfonderzoek, v.C.) was voor hem _de weg tot zijn apologie en
+ zijn apotheose, tot zelfbehagen, zelfvereering en zelfvergoding_.
+
+En blz. 204:
+
+ In de "Nouvelle Héloïse, het werk waarin hij zich het vrijst heeft
+ laten gaan--_veel vrijer dan in de "Confessions,"_ waar _de
+ achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der
+ herinnering in een bepaalde bedding stuurden_....
+
+Indien iemand zooveel psychologisch en hooger-critisch inzicht toont te
+hebben, dat hij in een werk de neiging tot, en het feit van
+zelfvergoding, etc., benevens en vooral de "_achtergedachten_ van
+zelf-apotheose" aanvoelt, hoe is het dan mogelijk, is men geneigd te
+vragen, dat hij de nòg meer aan de oppervlakte liggende _pose_, het
+_valsch pathos_ en al de _opgeschroefd-geuite_ verzekeringen van eigen
+voortreffelijkheid niet aanvoelt?! Of hoe is 't dan bestaanbaar, dat een
+dergelijke inzichtsvolle niet inzie, dat de neiging tot zelf-apotheose
+al die eigenaardigheden ten gevolge _moet_ hebben? Hoe is 't mogelijk,
+dat iemand, die ter eenre plaats schrijft, dat:
+
+ Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te
+ worden, de liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn
+ binnenste bevrozen, alles kil en doodsch. De liefde voor vrouwen
+ gelijk hij die meermalen gevoelde.... Slechts eenmaal in zijn leven
+ schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
+ moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid.
+ _Wat hij toen schreef werd hol en rhetorisch, van een gloed die
+ niet verwarmde_.[36]
+
+en dus de "ontsiering zijner stijl" wijt aan een hem eigen psychisch
+element, die op een andere plaats verklaart uit "de valsche elementen,
+het onwaarachtig bestanddeel" in het gevoel der burgerlijke klassen? Wat
+heeft hier haar blik beneveld, dat zij zich zulk een
+aantoonbaar-onjuiste subjectieve [p.151] waarheid vormde?[37] Wel lezer,
+sla één blik in mijn citaten op de vorige bladzijden en ge weet het: de
+idealen der burgerlijke klassen waren voos, de daardoor ontstane valsche
+elementen in hun gevoel zoog hij in, en die zijn schuld aan het
+theatrale, het valsch pathos en de opgeschroefde gezwollenheid.... Is
+dit niet het _historisch-materialisme_ pur sang? Vandaar, dat zìj al die
+leelijke eigenschappen, tegen alle helder als de dag blijkende
+feitelijkheid in, alleen in zijn _maatschappij_-beeldingen en _niet_ in
+zijn _autobiographische_ geschriften zag. _Haar perceptievermogen zat
+ingesponnen in de theorieën harer socialistische aesthetiek_!
+
+Maar welk een in-zich-zelf-onjuiste bewering deden haar het
+historisch-materialisme eenerzijds en de eerbied voor Byron, Schiller,
+en Rousseau vooral, anderzijds neerschrijven, toen zij ter nadere
+verklaring van wat naar hare meening, het pathos enz. in hun stijl
+veroorzaakte, dit zinnetje er aan toevoegde, dat ik gemakshalve hier nog
+eens citeeren zal:
+
+ Hun _gevoel was oprecht_, evenals dat der revolutionnairen, _hun
+ geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de
+ idealen die zij verheerlijkten_, maar _die idealen waren innerlijk
+ onwaar en voos_....
+
+Vluchtte eerst het onafhankelijk critisch inzicht, hier vlood de logica:
+indien "hun gevoel oprecht was," indien "zij van ganscher harte in de
+waarheid hunner idealen geloofden," dan kon dier innerlijke voosheid
+_hun niets_ doen. _Die bestond dan eenvoudig niet voor hen_. Iemand kan
+slechts uiten wat op eenigerlei wijze in hem is. Een ideaal is echter
+nooit in een mensch, maar zijn zien daarvan, zijn voelen daarvoor. Het
+echte of onechte van het ideaal kan dus niet in zijn uiting leven. Dat
+kan alleen [p.152] het echte of onechte van zijn gevoel ervoor. Òf Mevr.
+Holst had moeten zeggen: Zij voelden hun idealen als echt, zij geloofden
+vast erin, maar hun genie was niet groot genoeg om ze te
+ver-beelden--maar dan had de historisch-materialiste geen gelegenheid
+gehad om de tekortkomingen hunner schrifturen uit de "voosheid" der
+idealen van de burgerlijke klassen te verklaren!--òf zij had moeten
+zeggen: zij voelden de voosheid van hun idealen wel, maar zij bedrogen
+zich-zelf, doch daarvan weerhield haar natuurlijk behalve haar diepe
+gevoel voor die Grooten, ook dat van de tastbare onjuistheid eener
+dergelijke bewering. Over deze stellingen ware echter verder te
+redeneeren geweest, over de eerste vooral, zooals daar dadelijk blijken
+zal. Maar nu eerst iets anders, dat wellicht in staat is, Mevr. Holst
+zelf van het onjuiste harer zienswijze te overtuigen: is zij bereid te
+aanvaarden wat wij, naar mij dunkt, niet onberechtigd zijn als de
+consequentie harer stelling te beschouwen? Heijermans is een groot
+menschenschepper, en zijn _Raphaël_--in _Ghetto_--ver-beeldt te midden
+van een klein- en plat-bùrgerlijke omgeving het socialistisch _ideaal_,
+maar desalniettemin is, zoo zeker als twee maal twee vier is, zijn
+Raphaël één bonk hol pathos, één bonk opgeschroefde gezwollenheid.
+Moeten wij dit dus, _in aanmerking nemend de voortreffelijkheid zijner
+overige productie_, zijner _werkelijkheids_beeldingen, wijten aan de
+voosheid van het socialistisch ideaal?
+
+Querido is een groot menschenschepper en zijn _Heins_--in
+_Levensgang_--is een schepping, geïnspireerd door het proletarisch
+ideaal, maar desalniettemin leeft Heins op geen stukken na met de
+levenswaarheid van bijv. den ordinair-burgerlijken Bresser. Moeten wij
+dit dus wijten, gezien alweer de voortreffelijkheid der andere
+beeldingen, aan de voosheid van het proletarisch ideaal? Wat kàn Mevr.
+Holst hierop antwoorden? Ik vrees, niet veel anders dan dat ik, mijne
+gevolgtrekkingen makend, haar stelling heb omgekeerd, hetgeen echter,
+de zooeven genoemde voortreffelijkheid immers in aanmerking genomen,
+van geen werkelijk belang is.
+
+[p.153] Maar niettemin kan òns, om het ware antwoord te vinden, een
+uiting onzer schrijfster uitmuntenden dienst bewijzen. Over Rousseau,
+Byron en Schiller sprekend zegt zij dit, in een noot:
+
+ Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de
+ vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.
+
+Ongetwijfeld mag men Mevr. Holst hier vragen, hoe dat komt, dat Shelley
+wel vrij van valsch gevoel is en de anderen niet. Hoe ook de Engelsche
+bourgeoisie van Shelley's tijd moge verschild hebben van de Fransche van
+1789, de voosheid, die immers veroorzaakt werd volgens Mevr. Holst, door
+hetgeen de lezer hieronder vindt aangehaald,[38] kan dan ook niet aan
+hare idealen ontbroken hebben en die moeten dan dus ook hun nadeeligen
+invloed op Shelley's geschriften hebben uitgeoefend! Waarom deden zij
+dat niet? Hield _hij_ er misschien een apart-burgerlijk-ideaaltje-
+voor-eigen-gebruik op na? Wacht maar niet op het antwoord, lezer. Mevr.
+Holst gééft hier geen antwoord op! Wij echter, wien een historisch-
+materialistische aesthetica niet hare dorre hand op den mond
+leggen, allicht wel: de kunstenaar die een werkelijkheid beeldt in
+kunst, doet als 't ware een fata morgana spiegelen boven en naar het
+beeld eener stad; de kunstenaar, die een ideaal beelden wil in kunst,
+wil een stad bouwen onder en naar een fata morgana. Het eerste kunnen
+_alle_ kunstenaars, genieën en talenten, groote en kleine; zij maken dan
+kunst, groote of kleine, naar hun aanleg. Het laatste kan maar één
+wellicht in duizend jaren, één begenadigde onder geslachten en
+geslachten van kunstenaars, één vorst onder zijn broeders, een profeet
+onder de wáár-zeggers! En als de laatsten dat voor hen onmogelijke tòch
+beproeven, dan vernevelt de ideëele fata morgana voor hun oogen, en zij
+zien niet meer, zij zìen niet meer, maar maken zich diets dat zij nog
+zien, [p.154] en hun bouwsel wordt een verwarde doolhof; hun gevoel
+wordt valsch gevoel, hun uiting valsche pathos en opgeschroefde
+gezwollenheid. Zéker ligt het dus niet aan de "voosheid" van hun ideaal,
+maar ook evenmin kan hen de oprechtheid van hun gevoel ervoor redden;
+het hangt er alleen van af--och, het is zoo eenvoudig, zoo zonder
+diepzinnigheid--_of zij een Shelley zijn al dan niet_. En nu zal het u
+ook duidelijk zijn, waarom niet alleen in de beelding van het burgerlijk
+ideaal maar ook wel degelijk in de zelf-beelding der _Confessions_,
+zooveel pathos en gezwollenheid zit. Niet alleen, dat, zooals wij reeds
+hebben gezegd, "achtergedachten van zelf-apotheose" in een schrijver
+_altijd_ zijn stijl onzuiver _moeten_ maken, maar er was ook nog een
+andere oorzaak daarvan, een zelfde in de _Confessions_ als in de
+beeldingen van het burgerlijk ideaal: de unique, de alleredelste, de
+le-meilleur-des-hommes-persoonlijkheid van Rousseau--de _lagere_
+persoonlijkheid wel te verstaan!--_bestond niet._ De "schrijver der
+_Confessions_ moest hier dus wel geen stad maar een--_Rousseau
+scheppen_, onder en naar een luchtspiegeling, met natuurlijk hetzelfde
+gevolg, hier als daar! Och, als dat waar zou zijn: dat de voosheid van
+een ideaal de werken der daardoor geïnspireerden nadeelig beïnvloedt!
+Zou er dan wel één werk bestaan, dat daarvan vrijgebleven is? Want zijn
+_alle_ idealen niet voos in dien zin, dat zij in hun verwezenlijking,
+precies als het burgerlijk ideaal der groote Fransche revolutionnairen,
+niet geven wat zij beloofden en integendeel weer op hun beurt
+veroorzaken nieuwen strijd en nieuwe smart, maar ook nieuwe bevrediging
+en vreugde èn nieuwe--idealen!
+
+Wij hebben dus nu als oorzaak van Mevr. Holst's onjuiste critische
+verklaringen het feit gevonden, dat zij, door verreweg te veel gewicht
+aan den invloed der maatschappijverhoudingen te hechten, geheel of
+gedeeltelijk de psychische oorzaak der door haar te beoordeelen
+verschijnselen uit het oog verliest. _Welnu, dit is een euvel
+onafscheidelijk aan de gewoonte van het historisch-materialistisch
+denken verbonden_ [p.155] _en voortvloeiend uit zijn aard_. Onderzoeken
+wij nu haar psychologisch-biographische inzichten omtrent Rousseau. En
+dan valt onmiddellijk op, dat:
+
+1°. hare ontledingen volmaakt gaaf zijn, zoolang zij _niets
+minderwaardigs in hem_ te boekstaven hebben;
+
+2°. dat zij echter _een sterk verfraaiende tendenz krijgen_, zoodra dat
+wel zoo is;
+
+3°. dat wanneer zij, schijnbaar met deze bewering in strijd, ook in het
+laatstgenoemde geval zuiver zijn, dit veroorzaakt wordt doordat _de
+betreffende biecht in de Confessions zoo ondubbelzinnig is, dat alleen
+oneerlijkheid de oogen er voor zou kunnen sluiten_. Het bewijs van de
+juistheid mijner eerste bewering zal de lezer mij wel willen schenken.
+Ik, de _bestrijder_ van Mevr. Holst's analysen en der oorzaak van wat ik
+noem hun ondeugdelijkheid, heb er immers geen noemenswaardig belang bij
+te beweren, dat hare analysen onder zekere omstandigheden _wel_ zuiver
+zijn! Wat de beide laatste betreft, zij mij echter alvorens ik verder
+ga, het leveren van bewijs en het geven van voorbeelden toegestaan. Dus
+ad 2:
+
+ Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
+ zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en ontembaar,
+ zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
+ meegesleept worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met
+ zich-zelven en moest zoowel het genot als wijsheid derven.[39]
+
+Men kan hier het _streven_ naar objectiviteit zeer zeker waardeeren,
+maar, als men dit gedaan heeft, zich ook verplicht voelen op te merken
+dat van dat "dobberen tusschen deugd en meegesleept worden," als gevolg
+van een neiging en kracht in de lagere persoonlijkheid, niet veel te
+bespeuren valt: waar de verzoeking was, daar werd hij ook meegesleept,
+tenzij niet de deugd maar egoïstische ijdelheids- of utiliteitsredenen,
+of overwegingen voortvloeiend uit zijn latere waanvoorstellingen hem de
+overwinning op de verzoeking deden behalen. Men denke aan de walgelijke
+scène tusschen "la [p.156] papesse Jeanne," Grimm, Diderot en hem-zelf
+als gasten van baron Klupffel, maar vooral aan het naar de
+_Enfants-Trouvés_ brengen zijner _twee eerste kinderen_, zonder dat hij
+_één oogenblik "dobberde"_ tusschen wel en niet doen, zonder dat iets in
+hem zich daartegen verzette, _meegesleept_ als hij was--_dit alles naar
+zijn eigen getuigenis_--door de opvattingen en gesprekken zijner
+tafelgenooten elken dag. Als Mevr. Holst dan ook vervolgt:
+
+ In zijn jeugd liet hij zich geheel drijven op aandoeningen en
+ indrukken en wat omstandigheden en omgeving van hem maakten, dat
+ was hij.[40]
+
+en dus de scheidingslijn tusschen het tijdperk van meegesleept-worden en
+dat van 't "dobberen tusschen" laat samenvallen met die tusschen jeugd
+en mannelijken leeftijd, dan weerspreken de zooeven genoemde feiten
+haar--hij was toen respectievelijk _37 en 38 jaar_--. Neen, de
+scheidingslijn tusschen de twee eerstgenoemde tijdperken blijkt
+duidelijk te trekken precies ten tijde, dat zijn _genie zich openbaart._
+Dit feit te zien--waarmee ons trouwens Rousseau-zelf, gelijk men zoo
+dadelijk zal ontwaren, heeft bekend gemaakt--is van het hoogste gewicht
+voor de kennis zijner lagere persoonlijkheid, gelijk het ook boekdeelen
+spreekt _voor_ mijne bewering, dat het Scheppend Vermogen ook als een
+_heerscher, leeraar en opheffer_ in de lagere persoonlijkheid werkt!
+Waarom dit feit van zoo hoog gewicht is, laat mij het verklaren, na zijn
+bestaan-zelf te hebben bewezen: (Het _Discours_, waarvan Rousseau in het
+nu volgend citaat spreekt is _ook volgens Mevr. Holst_ het _eerste_ werk
+van zijn eigenlijk Genie.)
+
+ L'année suivante, 1750, comme je ne songeois plus à mon Discours,
+ j'appris, qu'il avoit remporté le prix à Dyon. _Cette nouvelle
+ réveilla toutes les idees qui me l'avoient dicté, les anima d'une
+ nouvelle force_....[41]
+
+En daarna:
+
+ Tandis que je philosophois sur les devoirs de l'homme, un [p.157]
+ événement vint me faire mieux réfléchir sur les miens. Thérèse
+ devint grosse pour la troisième fois. Trop sincère avec moi, _trop
+ fier en dedans pour vouloir démentir mes principes par mes
+ oeuvres_, je me mis _à examiner la destination de mes enfants_.[42]
+
+Men weet dat hier het "dobberen tusschen" niet eindigde in een omslaan
+naar de zijde van het goede; het scherpte alleen maar zijn verstand in
+het vinden van plausible uitvluchten, zooals wij later zullen zien,
+maar, waar het thans op aankomt: Zie nu eens den weg, waarlangs hij
+ertoe kwam, te gaan _nadenken ten minste_ over het lot zijner drie
+laatste kinderen: Als een profetisch gezicht, een onverwachte, helle
+openstraling van het genie, komt de visie van zijn Discours op den weg
+naar Vincennes over hem--hij zelf heeft ons dat treffelijk
+verhaald[43]--en de herinnering aan de scheppende gedachten, die toen
+uit het "onbewuste" op hem neerdaalden, die is het, welke nu zijn lagere
+persoonlijkheid schaamtevol tot zich-zelf inkeeren doet. Hij is zich
+trouwens daarvan wel bewust geweest, evenals van het feit, dat er in
+zijn lagere persoonlijkheid qualitatief-potentieel niets veranderd was:
+
+ D'ailleurs _les principes élévés_ que je m'étais faits _devoient me
+ rendre désormais bien supérieur à de telles bassesses_, et il est
+ certain que depuis lors je l'ai d'ordinaire été: _mais c'est moins
+ pour avoir appris à vaincre mes tentations que pour en avoir coupé
+ la racine_--d.w.z.: zichzelf _de gelegenheid, om meegesleept_ te
+ worden, te hebben _benomen_; zie maar verder:--et j'aurois
+ grand'peur de voler comme dans mon enfance si j'étois sujet aux mêmes
+ désirs. _J'eus la preuve de cela chez M. de Mably_.[44]
+
+En zoo is het ook met de andere neigingen zijner lagere persoonlijkheid
+gebleven. Men kan het reageeren van deze op den invloed van het
+Scheppend Vermogen aldus kenschetsen: _Zijn lagere persoonlijkheid
+schaamde zich voortdurend voor het op haar neerblikkend gelaat van zijn
+verheven genie_. Al ontstond deze schaamte niet uit louter zijn eigen
+innerlijkheid rakende overwegingen, maar voor een groot [p.158] deel ook
+uit bepeinzing van wat de menschen wel zeggen zouden van iemand die zóó
+leeraarde en zùs deed.--En wat is nu de beteekenis van dit thans door
+mij en ongetwijfeld ook door de lezers, die al het voorafgaande goed in
+zich opgenomen hebben, bewezen geachte feit? Geen andere dunkt mij, dan
+dat de klaarblijkelijke meening van Mevr. Holst als zou er in den loop
+der jaren een qualitatief-potentieele ontwikkeling ten goede in
+Rousseau's lagere persoonlijkheid hebben plaats gegrepen, door _de
+feiten_ en de door _hem-zelf bekend gemaakte_ overwegingen gelogenstraft
+wordt, en dat er slechts een _zich aanpassen_ in daden, strevingen en
+woorden--de beide laatste vooral!--van de lagere aan de Hoogere valt te
+constateeren, zonder dat er in de _neigingen_ dus iets veranderde,
+waaruit weer blijkt, dat sommige dier neigingen geen "reminiscenties uit
+zijn lakeientijd" waren, zooals Mevr. Holst meent, maar saamgegroeid
+met, inhaerent aan zijn geheele wezenscomplex.
+
+Thans ad 3:
+
+ Nu kwam hij in een omgeving, die _al de lagere aandriften en
+ neigingen in hem naar boven haalde_ en al het zachte en edele
+ verschrompelen deed. Zijn meester was ruw, lichtzinnig en
+ hardvochtig, hij sloeg het kind, gaf het niet genoeg te eten,
+ terroriseerde het op alle manieren. Al de ellende van het
+ leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van overgeleverd
+ te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren onder den
+ druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun liefdeloosheid,
+ maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, hij leed
+ altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als een
+ knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
+ van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
+ verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot
+ zich in verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte.
+ Eerst in later dagen werd hij zich pijnlijk-bewust hoe snel zijn
+ karakter in korten tijd was vervallen.[45]
+
+Voor dit stukje mogen wij der schrijfster onverdeeld-dankbaar zijn. Er
+is hier--men lette op den door mij gecursiveerden zin--niets verfraaid,
+niets uitgewischt. Maar [p.159] hier _scheen dan ook zulk een fel licht
+uit de Confessions-zelf,_ dat de schrijfster door haar onbewuste
+verfraaiïngs- en uitwisschings-tendenzen niet _kon_ verhinderd worden te
+zien. Want de geniale zelfbeluisteraar, die waarheid sprak als zijn
+_artisticiteit_ hem ertoe drong, d.w.z.: die _moest_ uiten wat zijn
+_Scheppend Psychologisch Vermogen_ in hem zelf _ontraadseld_ had--die
+groote zelfbeluisteraar heeft, van dien zelfden tijd sprekend, het veel
+vlijmender gezegd:
+
+ Il faut que, _malgré l'éducation la plus honnête_, j'eusse _un
+ grand penchant à dégénérer_, car cela se fit trés rapidement, _sans
+ la moindre peine_, et jamais César si précoce ne devint pi
+ promptement Laridon.[46]
+
+En het is dan ook ongetwijfeld op deze uiting, dat Mevr. Holst
+zinspeelt, als zij zegt, dat hij zich in later dagen daarvan pijnlijk
+bewust werd.
+
+Ik gewaagde daar van den "genialen zelfbeluisteraar, die waarheid sprak,
+als zijn _artisticiteit_ hem daartoe drong." Zeker, ik bedoelde: als dit
+niet het geval is, dan.... Want het blijkt wel duidelijk, dat hij
+betreffende die drijfveeren, die hij niet als _artist_ in zich-zelf
+_ontdekt_, maar die zoo zijn, dat hun aard voor zijn gewone
+menschelijkheid klaar open ligt, meestal de waarheid _niet_ zegt. Een
+treffend voorbeeld daarvan is alles wat hij beweert omtrent het
+te-vondeling-brengen zijner _drie laatste kinderen_.--Ook is er nog een
+groep daden, waarvan het twijfelachtig moet genoemd worden, of hun
+drijfveeren tot de laatstgenoemde soort behooren, of dat hij inderdaad
+de waarheid omtrent hen niet heeft gekend, omdat ook zijn
+artistiek-psychologisch vermogen erop is afgeketst. Van dezulken zegt
+hij dan soms, dat zij ontspringen uit zijn "délire inconcevable." Dat
+Mevr. Holst dit "délire" niet psychologisch doorlicht heeft, mag
+ongetwijfeld een ernstige leemte in haar werk worden geacht. Is zij ook
+daarvan instinktief en door haar verfraaiïngstendenzen geleid
+afgebleven? Ik waag het, die vraag bevestigend te beantwoorden. Want
+hebben wij nu [p.160] reeds gezien, dat die tendenzen in werking treden,
+zoodra er iets minderwaardigs in Rousseau valt te boekstaven en de
+Confessions-zelf hen niet krachteloos maakt, wij zullen allereerst bij
+het beschouwen der gebeurtenissen, voortspruitend uit, of in verband
+staande met het "délire," hun invloed op onze schrijfster als zoo
+sterk-beheerschend kunnen bewijzen, dat zij haar met een totaal gebrek
+aan psychologisch inzicht doen heenijlen in een paar onbeteekenende
+woorden over voorvallen, welke voor den objectieven psycholoog, die
+voortschrijdt, zonder de waarschuwende stompen van een hem bewakend en
+vervolgend dogma telkens in den rug te krijgen, van het hoogste belang
+zijn. Zoo geeft de ontzettende daad jegens het kamermeisje Marion, na
+den dood van Mad. de Vercelli--hij was toen ongeveer 19 jaar--Mevr.
+Holst slechts aanleiding te spreken van een "nietig voorval op
+zich-zelf." Wel, wel, als dat eens Voltaire, "die kleine, minne ziel,
+geel en uitgedroogd door afgunst", of Grimm, de "baron van het heilige
+Duitsche Rijk" gedaan hadde! Ge zegt: jawel, maar die zouden niet groot
+en edel genoeg zijn geweest om de daad te biechten. Maar ik antwoord:
+Rousseau evenmin, _indien hij niet in het schrijven der "Confessions"
+het vormen van een verpletterend wapen tegen het "Complot" zou hebben
+gezien_. Doch om de _Confessions_ tot dat wapen te maken mocht hij dan
+ook geen feit, dat hem in een ongunstig daglicht stelde, weglaten. Want
+kwam dan zoo'n feit later voor den dag, waar toch altijd kans op is,[47]
+dan ware de geheele _Confessions_ waarde- en krachteloos. Aan de
+drijfveeren mocht hier en daar een beetje gemorreld en gewrongen worden,
+de feiten moesten verhaald worden. Dáár was niets aan te verhelpen! Wat
+voor gevolgen overigens dit "nietige voorval" waarschijnlijk gehad
+heeft--en uiteraard _moest_ hebben--laat 't hem-zelf hier verhalen:
+
+ [p.161] Je ne regarde pas même la misère et l'abandon comme le plus
+ grand danger auquel je l'aie exposée. Qui sait, à son âge, où le
+ découragement de l'innocence avilie a pu la porter?
+
+Voor Mevr. Holst bewijst deze daad slechts, hoe klein de "zedelijke
+kracht is in den jongeling;" voor mij: hoe zij 't ook is gebleven in den
+man. Want had deze in zijn geheele leven geen poging moeten doen, Marion
+terug te vinden, om zooveel mogelijk goed te maken, wat hij bedorven
+had?--"Qui sait?" _Hij_ had moeten weten. Goed! èven aangenomen, dat
+hij, gelijk hij beweert, inderdaad de kracht miste, de daad ooit aan een
+vriend, zelfs aan Mad. de Warens te biechten, dan nog had hij kunnen en
+moeten pogen háár te vinden. _Daar_voor had hij de kracht en de deugd
+moeten hebben. Hij had ze _niet_. Dáár ligt de zedelijke depravatie van
+den _man_. Indien Mevr. Holst zegt, dat uit zijn katholiek worden
+blijkt, "dat de zedelijke gloeden van het kind zijn ondergegaan in den
+knaap" en er dan aan toevoegt: "eens zullen zij weer opleven: het kind
+is vader van den man," dan is dat wel een mooie psychologische ...
+gemeenplaats, maar de toepasselijkheid op het geval-Rousseau--let wel:
+wat de daden en vooral de _gevoelens_ der _lagere_ persoonlijkheid
+betreft!--laat zich zoeken en het meest in de zaak Marion. Deze man, die
+zègt nauwelijks een dag zonder wroeging te zijn geweest, schrijft aan
+Mad. d'Epinay: "Moi qui ne fis jamais de mal à personne." Deze man, die
+zegt nooit de daad te hebben durven biechten, _leest_ in ter auditie van
+de Confessions bijeengekomen gezelschappen van soms 'n twintigtal
+personen, _het relaas dier daad voor_, 't geen nog heel wat anders is
+dan het neerleggen ervan in een werk, dat men niet voor zijn dood
+wenscht gepubliceerd, en zelfs nog heel wat meer kracht vereischt dan
+het biechten aan een vriend.--"Als hij haar biecht in de _Confessions_
+schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn aanleg, bazuinen
+zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit," zegt Mevr. Holst. Welnu, zijn
+vijanden, beweer ik, al hadden zij ongelijk zijn vijanden te zijn,
+hadden _daarin_ gelijk, en zijn vrienden stonden klaarblijkelijk niet
+objectief-psychologisch voor de zaak, anders [p.162] hadden zij de
+oorzaak dier nuttelooze want te laat gekomen waarheidsliefde, in een
+man, die niet nobel genoeg was, om het kind, dat hij ongelukkig had
+gemaakt, te zoeken en te hulp te komen, anders begrepen dan zij deden.
+Dan hadden zij haar begrepen, gelijk ik haar begrijp.
+
+En dan het geval met den ongelukkigen Le Maître. Dit verhaalt Mevr.
+Holst aldus:
+
+ "... maar toen de arme musicus in Lyon op straat door een aanval
+ van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw een van die
+ plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd heeft
+ te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om
+ den zieken meester te bekommeren."[48]
+
+Wat gaat ons nu in 's hemelsnaam hier aan of "de jongeling niet geleerd
+heeft daartegen te strijden"?! Wanneer ik een kind van 'n jaar of tien,
+zijn vleesch-en-aardappelen in plaats van met vork en mes, met zijn
+vingers zie bewerken, dan vraag ik misschien: "Hé, heeft Pietje nu nog
+niet geleerd, hoe men behoort te eten?" Ik vraag dat dan zóó, omdat 't
+er wel iets, maar toch slechts heel weinig voor den psychischen aanleg
+van dat kind op aan komt, dat het niet _uit zich-zelf_ meer beschaafde
+manieren heeft; maar wanneer ik omtrent een _twintig jarigen_ man
+verneem, dat hij zijn leeraar, die hem belangeloos heeft onderwezen, die
+hem altijd vriendelijk en welwillend bejegend heeft, te midden van
+vreemden als een vod op straat heeft laten liggen en wegliep, toen die
+man, in zeer penibele omstandigheden verkeerend, door hem naar een
+vreemde stad begeleid, een epileptischen aanval kreeg--dan zeg ik
+allicht: "Dat is òf 'n verdorven òf een krankzinnig mensch." Het is dan
+uw goed recht, o psycholoog, mij te antwoorden: "Neen, die man is geen
+van beide," _mits gij mij dan maar verklaart, hoe hij dat_ niet zijn kan
+en _dit_ toch doen. Maar vertel mij alsjeblieft niet, dat de reden is,
+dat hij niet geleerd heeft er tegen te strijden. Dat zou mij iedere
+gevangenispredikant allicht vertellen. _Het vreeselijke is dat het in
+hem zit_. Waarom is dat niet zoo vreeselijk, als het er wel
+uitziet--gelijk gij klaarblijkelijk [p.163] meent. _Daarvoor_ heb ik _u_
+noodig, menschen-herscheppend psycholoog! Maar Mevr. Holst, _onze_
+psycholoog, antwoordt _niet_.... "Een plotselinge opwelling." O ja, dank
+u, nu weet ik 't wel!
+
+Doch een der meest teekenende omstandigheden vind ik, dat onze
+schrijfster bij het àl tè vluchtig behandelen van het feit, dat Rousseau
+zijn kinderen naar de Enfants-Trouvés liet brengen, niets zegt van de
+zeer onechte apologie in de Confessions. Hier ware een prachtige
+gelegenheid geweest, den mensch uit zijn werk zelfstandig op te bouwen;
+de waarheid aan het licht te brengen, die er tègen zijn wil uit blijkt,
+en hem dus niet na te beelden zooals hij zich-zelf gelieft voor te
+stellen, maar hem te beelden, zooals hij zich ondanks zich-zelf ten toon
+stelt, werk dus der inderdaad "hoogere" critiek!
+
+ "... cette horreur du mal en tout genre, cette impossibilité de
+ haïr, de nuire (Nu, nu, dat hebben we toch wel anders gezien! v.C.)
+ et même de le vouloir, cet attendrissement, cette vive et douce
+ émotion que je sens à l'aspect de tout ce qui est vertueux,
+ généreux, aimable: tout cela peut-il jamais s'accorder dans la même
+ âme avec la dépravation qui fait fouler aux pieds sans scrupule le
+ plus doux des devoirs? (Zeker, het _blijkt_ dat dit kan! Want bij
+ het te vondeling brengen der twee _eerste_ kinderen was er immers
+ _volgens zijn eigen getuigenis_, geen sprake van _eenige
+ overweging_ noch van _eenige scrupule_! v.C.) Non, je le sens, et
+ le dis hautement, cela n'est pas possible. Jamais un seul instant
+ de sa vie Jean-Jacques n'a pu être un homme sans sentiment, sans
+ entrailles, un père dénaturé. J'ai pu me tromper mais non
+ m'endurcir. _Si je disois mes raisons, j'en dirois trop.
+ Puisqu'elles ont pu me séduire, elles en séduiroient bien d'autres:
+ je ne veux pas exposer les jeunes gens qui pourroient me lire à se
+ laisser abuser par la même erreur_.[49]
+
+Het is duidelijk dat dit een _uitvlucht_ is. Zoo het waar is, dat het
+bekend maken dier redenen jonge menschen had kunnen verleiden, omdat zij
+hem hebben kunnen verleiden, dan is het ook waar, dat 't bekend-maken
+der overwegingen, die hem later die redenen als dwalingen hebben doen
+beschouwen, evenmin zijn uitwerking op die jonge lieden zou [p.164]
+hebben gemist. Hij _moet_ toch hebben ingezien, dat het verzwijgen èn
+van de redenen èn van datgene, dat hen in zijn eigen oordeel tot
+dwalingen stempelde, de zaak voor de jongeren pas recht gevaarlijk
+maakte: nu blééf hun alleen _een slecht voorbeeld_ gegeven door een
+_groot man_. En overigens zal men mij wel willen toegeven, dat deze
+bezorgdheid al zeer vreemd aandoet in den mond van iemand die wel zeer
+gemoedelijk spreekt over zekere sexueele hebbelijkheid, waaraan hij
+verslaafd was, 't geen niet alleen heel wat prikkelender op jonge
+gemoederen kan werken dan dit, maar ook heel wat gevaarlijker is, omdat
+het zooveel makkelijker kan worden nagevolgd. Waar bleef toen wel die
+bezorgdheid? Men begrijpe mij wèl: _ik acht er de Confessions en hun
+schrijver des te hooger om, dat toen die "bezorgdheid" er niet was_. Zij
+is geheel out of season in een werk, dat nu eenmaal, zonder zich om de
+meer verwijderde en bijkomstige gevolgen te bekommeren, een _biecht_ wil
+zijn en _niets dan dat_.--Máár--_waarom dan alleen bij deze gelegenheid
+van dat standpunt afgeweken_? Dàt geeft te denken--wat ìk heb
+gedacht!--Het is dan ook waarlijk wel volkomen te begrijpen, dat er
+onder de lezers van den _Emile_ waren, die lezend wat hij daar omtrent
+de plichten van den vader leert--en _niet wetend, dat de Hoogere
+Persoonlijkheid wel verwant met, maar toch een geheel andere dan de
+lagere is_--minachtend hun schouders optrokken over 't geen zij voor
+_huichelarij_ moesten houden, en de sarcastische noot daar ter plaatse,
+waarin de "petites bonnes gens" Cato en Augustus worden vergeleken met
+de "grands hommes de nos jours," die te gewichtige zaken aan het hoofd
+hebben, om hun ouderplichten na te komen, kortweg een onbeschaamdheid
+noemden.--Wat nu de werkelijke reden moge geweest zijn, 't geen wij
+thans niet zullen onderzoeken--hij-zelf heeft 't later voorgesteld alsof
+"les raisons déterminantes" voortsproten uit vrees voor en afkeer van
+Thérèse's familie--zeker is, dat hij, die hier terwille der jonge lieden
+zoo bezorgd was, in de _Rêveries_ die bezorgdheid geheel heeft verloren
+en daar weer zegt, dat zijn verstand hem geen [p.165] enkel verwijt
+doet, en dat indien hij er weer toe genoopt ware hij er nog met vrij wat
+minder aarzeling toe zou overgaan als destijds! Arme jeunes gens! Nu
+ziet ge dus, dat 't zelfs _geen dwaling_ was.... Ik vrees dan ook, dat
+indien gij in het gelukkig bezit van een intrigante schoonmoeder en
+diefachtigen zwager waart, ge uw kinderen wel hals over kop, na het
+lezen diér passage, naar de zoo aangeprezen Enfants-Trouvés zult hebben
+gebracht![50]
+
+ * * * * *
+
+Alvorens nu echter over te gaan tot het bespreken van het verband dat er
+tusschen de door mij thans aangetoonde verfraaiïngstendenzen in Mevr.
+Holst's psychologisch-biographische beschouwingen van de
+Rousseau-figuur, en den invloed van het marxistisch-aesthetisch systeem
+bestaat, zij het mij vergund ter aanvulling mijner voorafgaande, alle
+min of meer negatieve, opmerkingen, een zéér schetsmatig positief
+Rousseau-beeld te ontwerpen. Ik vertrouw dat daardoor de juistheid dier
+opmerkingen den lezer des te duidelijker blijken zal. Het aanbrengen van
+een paar trekjes slechts zal ik ook thans, ten einde niet in herhalingen
+te vervallen, moeten opschorten tot de bespreking van Thérèse Le
+Vasseur.
+
+Ik geloof dan, dat de grondaard van Rousseau's persoonlijkheid een
+_lichtelijk-pathologisch_-erotische is geweest en dat daarin nagenoeg
+het geheele complex van eigenschappen valt op te merken, dat vaak bij
+_zulk_ een erotischen aard behoort, zooals: actief-mystische aanleg, bij
+Rousseau wel is waar slechts ééns, maar zeer duidelijk en sterk
+blijkend, èn neiging tot mystiek gelooven; een hysterische behoefte de
+aandacht op zich te vestigen en--zeer typisch daarvoor!--altijd te
+klagen over zijn gezondheid, _ook wanneer daar geen reden voor was_; een
+onder-normale capaciteit om zich kennis eigen te maken, verergerend tot
+volslagen onmacht, zoodra hij onder leiding van anderen studeeren moet;
+onontvankelijkheid voor door anderen hem opgelegde discipline;
+_snoep_-[p.166] en vooral _daardoor dief_achtig; vaak grootmoedig en
+vrijgevig, zooals de meeste niet alleen-sensueele maar ook
+geestelijk-erotische naturen--het lichamelijk-eruptive weerspiegelt zich
+namelijk vaak en gemakkelijk in hun geestelijkheid--; vaak berouwvol,
+doch het berouw weer wegredeneerend met hooggestemde uitweidingen over
+eigen deugdzaamheid en deugd in 't algemeen--_sommige_ erotische
+neigingen en de laatstgenoemde eigenaardigheden vindt men in _zeer
+verhevigde_, maar daardoor ook zeer verduidelijkende projectie in Van
+Oordt's Warhold--dikwijls dus een mooiprater, die zich... met
+_schrijven_ moest behelpen, omdat, alweer zeer typisch, hij een verward
+en moeizaam denker en zoo zwak van geheugen was, dat hij elke gedachte
+bijna onmiddellijk na haar geboorte vergat. Uit dezen aard, zooals bijna
+altijd, vergezeld van een zwakken ethischen wil--geen zwak ethisch
+bewustzijn!--en welke, omdat hij in een kunstenaar voorkwam, die als
+alle kunstenaars onwillekeurig en voortdurend zich-zelf zag en
+doorschouwde, noodwendig gepaard moest gaan en dan ook ging met
+beschaamdheid, timiditeit en min of meer groote vrees voor omgang met
+menschen; uit dezen _vrij geringen_ aard dus, die eigen geringheid
+kende, maar óók eigen genie: die beïnvloed werd door het Scheppend
+Vermogen en, ook in de handelingen van het lager bewustzijn telkens
+reageerde op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar
+werkte--daaruit is, dunkt mij, alles en alles in Rousseau te verklaren.
+Dàn blijft hij niet langer een "vat vol tegenstrijdigheid"! Laat mij nu
+even deze beweringen, voor zoover zij bewijs behoeven en door het hun
+voorafgaande niet reeds bewezen zijn, aan sommige levensfeiten en daden
+van Rousseau toetsen. Indachtig aan het feit, dat deze
+psychologisch-biographische beschouwingen middel en geen doel in dit
+opstel zijn, zal de lezer mij wel de telegram- en horoscoopstijl in dit
+gedeelte willen vergeven, terwijl hij ook wel in het oog gelieve te
+houden, dat ook ik natuurlijk elke daad het gevolg acht van de
+wisselwerking _aller_ neigingen en krachten der persoonlijkheid, die de
+psychisch-oorzakelijke [p.167] sfeer dier daad _kunnen_ beïnvloeden, en
+dat ik dus door het op den voorgrond brengen van enkele dier neigingen,
+die m.i. de hoofdoorzaak van een zekere daad vormden, den invloed der
+andere allerminst wensch te ontkennen.
+
+Actief-mystische aanleg en neiging tot mystiek gelooven. Wat de eerste
+betreft: het visioen in Annecy. Hij zelf zegt daarvan: "Si jamais rêve
+d'un homme éveillé eut l'air _d'une vision prophétique_, ce fut
+assurément celui-la," en kenschetsend voor zijn luciditeit op dat
+oogenblik is 't geen hij er aan toevoegt: "et ce qui m'a frappé le plus
+dans le souvenir de cette rêverie, quand elle s'est réalisée, c'est
+d'avoir retrouvé _des objets tels exactement que je les avais
+imaginés._[51] (Het verhaal van dit visioen is dan ook van niet te
+overtreffen en als onstoffelijke en volmaakt-verpuurde taal-schoonheid).
+Wat de tweede betreft: men zie 't voorval van het steenen-werpen naar
+een boom om zekerheid te verkrijgen of hij, zoo hij dan mocht sterven,
+verdoemd of zalig-gesproken zou worden (hij is dan 24 jaar oud):
+
+... la peur de l'enfer m'agitois encore souvent. Je me demandois: En
+quel état suis je? Si je mourois à l'instant même, serois je damné?...
+Je me dis: Je m'en vais jeter cette pierre contre l'arbre qui est vis à
+vis de moi, si je le touche, signe de salut; si je le manque, signe de
+damnation. Tout en disant ainsi, je jette ma pierre _d'une main
+tremblante et avec un horrible battement de coeur.... Depuis lors je
+n'ai douté de mon salut...._[52] Men lette ook op het willen-neerleggen
+van het manuscript der "Dialogues" op het altaar der Nôtre-Dame.--Deze
+neiging, één of ten nauwste samenhangend in hem, met die van _immer iets
+te verwachten van het wonderlijke, van het
+nu-nog-niet-te-begrijpen-onverwachte, dat straks komen en helpen zal_,
+is ten _deele_ oorzaak van zijn, in sommige gevallen, uiterst
+luchthartig gods water over gods akker laten loopen: Madame de Warens
+gaat zienderoogen financieel achteruit, hij--wel is waar onder het
+zelf-accompagnement van veel Warholdiaansche [p.168] schoone
+plannenmakerij, betuigingen en speeches--blijft meeëten, pleizierreisjes
+maken en helpt zoodoende nog een beetje sneller den boel naar den
+kelder. Hij verklaart dan ook, nooit ongerust te zijn geweest, wanneer
+hij doodarm was. Ook zijn hierdoor ten deele een paar uitingen van zijn
+"délire inconcevable" te verklaren; zoo bijv. het kattenmuziek-concert
+bij de Treytorens: hij wéét, dat hij nagenoeg niets bezit van de
+technische kennis, vereischt om muziek te componeeren; hij wéét, dat 't
+dus voor iemand als hij aan het krankzinnige grenst, zoo iets te
+ondernemen; jawel, alles goed en wel, máár--de wonderbaarlijke hulp op
+het beslissende oogenblik, wenkt hem in de vage verte... alles zal wel
+terecht komen....--En zoo ook: het verlaten der Gouvons, zonder eenig
+bestaansmiddel dan: de goocheltoertjes met een fontaine de Hiéron! Toch
+worden deze buitensporigheden, zooals ik reeds zei, slechts ten deele
+door bovengenoemde neiging verklaard. Zij komt immers in tallooze
+personen voor, zonder hen zoover te brengen. Om dat wel te kunnen is het
+dan ook noodig, dat zij enorm en op een geheel eigenaardige wijze wordt
+versterkt door een haar bijna gelijke, maar uit geheel andere bron
+ontspringende eigenschap, welke alleen in hen wordt gevonden, door wie
+het Scheppend Vermogen werkt, of die psychisch voorbestemd zijn, dat het
+door hen werken zal: artisten. Kunstenaars zijn namelijk zulke menschen,
+die in hùn bewustzijn _voortdurend gaven ontvangen van het
+hun-Onbewuste_; die voortdurend in hùn bewustzijn tooneelen beleven,
+beelden zien oplichten, welke zij niet hebben samengesteld of gevormd;
+in 't kort: die allerlei onverwachts in zich-zelf zien gebeuren. In
+zulke menschen leeft daardoor de neiging, ook in 't dagelijksche leven
+hunner _lagere_ persoonlijkheid, allerlei dingen van het niet-ik te
+verwachten, welke een gewoon mensch er nimmer van verwachten zou.[53] En
+deze neiging bezit hun lagere persoonlijkheid reeds _voor_ het Scheppend
+Vermogen zich in haar openbaart. Zonder [p.169] die neiging zou de
+gewenschte verhouding van den lageren mensch tot zijn hem beheerschend
+genie niet mogelijk zijn. Zij maakt den eerste geschikt voor het
+nederig-receptieve, en voor de zelfvergetelheid-in-aanvaarding van de
+gaven van het laatste! Zulk een mensch, zulk een kunstenaar nu was
+Rousseau. En in de aanwijzing dier samenwerking van _beide_ genoemde
+neigingen in hem, ziet de lezer dus niet slechts zulke uit zijn "délire"
+voortkomende daden als de hier beschouwde, verklaard, maar hij heeft
+daardoor tevens gelegenheid gehad, in een paar voorbeelden op te merken,
+het reageeren der lagere persoonlijkheid, in hare handelingen, op het
+feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkt of werken zal.--
+
+Als ten dééle veroorzaakt door zijn moeizaam denken, of liever: door
+zijn nièt-kunnen-denken in sommige gevallen--alles wordt dan één
+chaotisch-warrelende zinneloosheid in zijn brein--blijkt ook het
+geval-Marion te moeten worden beschouwd: het vermiste lint wordt bij hem
+ontdekt; de schrik sláát zijn denkvermogen; het feit, dat hij 't haar
+ten geschenke wilde geven--dit heeft hij zelf verklaard--doet nog de
+reddende gedachte in hem opspringen, te zeggen, dat hij 't van haar
+gekregen heeft, maar dan is 't ook uit met denken in zijn verwilderd
+brein; dan treedt de chaos in: zelfs de angst voor de schande _bestaat_
+dan _niet meer_ in hem: hij is als een locomotief, die geen bestuurder
+meer heeft en door alle wissels heen rijdt en alles reddeloos vermorzelt
+op zijn weg, hij is een menschelijke machine, die alleen herhalen,
+zinneloos herhàlen kan wat hij eens heeft gezegd. Maar let wel: _zonder
+het ethisch defect ware de primaire gedachten-associatie niet in hem
+ontstaan en, indien al ontstaan, onmiddellijk neergeslagen,_ gelijk hij
+ook, daarzonder, een uur later tot bezinning gekomen, naar den Comte de
+la Roque ware gegaan, om dien alles te bekennen, of zooals ik reeds
+vroeger zei, later gepoogd zou hebben te herstellen wat nog te
+herstellen viel.--
+
+Het geval Le Maître kan ten dééle worden verklaard uit chronisch
+angstgevoel voor de menschen, dat niet anders [p.170] was dan _de vrees,
+zijn eigen lagere persoonlijkheid, wier betrekkelijke geringheid
+hij-zelf zoo wel kende, door de menschen te laten doorzien_; chronische
+angst ook voor geestelijke degenstooten, die hij te traag-denkend was,
+om bij tijds te kunnen pareeren. En op sommige oogenblikken,
+oogenblikken gelijk er toen een was, _werd die menschenvrees acuut._
+Toen hij die menigte daar zag, zich verdringend om hem en dien
+bezwijmden man, de vreemdheid van de gelaten, van de huizen, van àlles,
+hem, den hulpelooze en verwarde, koud-ondervragend aanstuurschend, moet
+hem die onredelijke angst adem-benemend in de keel gekropt hebbend,
+verwilderend in zijn denken gestegen zijn! Als bij een kind, dat
+verdwaald om moeder huilt, flitst dan, in die felle benauwing de
+reddingsvolle gedachte aan het zoo lieve en zachte tehuis bij "Maman" in
+hem op. Het wenken van de veiligheid, van het voor harde vreemden
+afgesloten intieme, is dan tè groot, tè verlokkend: hij _snelt_ weg.
+_Ten deele_, zei ik, is die daad uit dit alles te verklaren, want
+_zonder het zedelijk-defecte in hem, zou, in dit geval, de menschenvrees
+het plichtsgevoel niet hebben kunnen overwinnen_.--
+
+Wat nu de hysterische behoefte betreft, de aandacht op zich te vestigen:
+deze heeft niet alleen aanleiding gegeven tot allerlei onschuldige
+pueriliteiten, zooals hoogstwaarschijnlijk het dragen van Armenische
+kleeding, e.d., die nog met een weinig goeden wil kunnen worden geacht,
+uit ijdelheid voort te komen, maar ook tot ernstiger dingen, als het
+vragen om hulp, zonder die noodig te hebben--van uit Ermenonville--; het
+klagen over zijn kwaal, ook in een tijd, dat hij bergtoeren ondernam en
+niemand van zijn omgeving iets van ziekte of ongemak bij hem kon
+bespeuren;[54] het bekoesteren van het martelaarschap, zijn, volgens
+geloofwaardigen, sterk-overdrijven van de "lapidation" te [p.171]
+Motiers,[55] benevens, voor een goed deel tot die handelingen welke
+Dusaulx vlijmend-juist kenschetst met de woorden: "Il partit donc,
+_quittant celui dont il avoit fait la conquête_.--
+
+Alles samenvattend kan men zeggen, dat Rousseau's leven vooral tragisch
+is geweest door de worsteling van zijn betrekkelijk-geringe lagere
+persoonlijkheid met zijn geweldige Hoogere, zijn edel Genie. Een gering
+mensch, die telkens als hij iets doet of denkt wat tot die geringe
+natuur behoort, plotseling de diepe, treurige oogen van een Christus op
+zich voelt gevestigd, die hem overal begeleidt. Maar meest openbaarde
+het zich niet zoo in zìjn bewustzijn, hij voelde vaak slechts als een
+terughoudenden ruk, maar wist niet wie daar rukte; een verkillende tot
+bezinning brengende greep, en hij wist niet wie daar greep. Zoo heeft
+hij ook nooit de _grond_oorzaak van zijn zonderling gedrag bij de
+schoone Zulietta in Venetië doorvoeld. _Deze was die grondoorzaak_.
+Midden in een hartstocht-opwelling viel soms een ijzige kilte op hem
+neer... hij bezon zich en dacht dan koel, plotseling een ander mensch,
+aan allerlei dingen.... En hoe kwam dat nu toch in hem.... waarom moest
+hij nu zoo vreemd-koel denken?... zoo mijmerde hij dan, al het andere
+dáárvoor vergeten... maar hij wist het niet, en een vreemde schaamte
+kwam in hem, die toch nauwelijks schaamte was, en hoe hij ook wroette,
+hij kende niet, hij vond niet de oorzaak van dat alles.... Dan ontwaakte
+hij, zag iemand, die hem uitlachte, en werd dan eerst recht beschaamd en
+verward.--"Lascia le donne e studia matematica," voegt Zulietta hem
+verachtelijk toe. Ja, ja, zoo kon zich zelfs deze op dit punt zoo zeer
+ervaringrijke jonge dame vergissen! Want ik geloof, dat van nature
+Rousseau wel voor niets minder dan "matematica" en voor niets meer dan
+"le donne" geschikt was!
+
+Zeker, zijn gevoel van niet te passen in die koud-vernuftige, gevatte,
+geestige kringen der encyclopaedisten, der plutocraten en van den adel;
+zijn bewustzijn van daar niet tegen op te kunnen en een ongelukkig
+figuur te slaan; van [p.172] behept te zijn met den echten esprit de
+l'escalier, dat alles noopte hem de maatschappij te vlieden. Maar toch,
+het dient gezegd: wat hem verbitterde was niet alleen gekrenkte
+eigenliefde, maar ook _beleedigd rechtsgevoel_. Het was _onrecht_, zoo
+moet hij 't gevoeld hebben, dat hij, het _genie_, "balourdises" zei:
+niet alleen niet wist te schitteren in de salons, maar zelfs niet één
+woord bijna zeggen kon, of hij ontdekte later, een domheid te hebben
+gezegd; het was _onrecht_, dat die anderen, zijn minderen, aldus over
+hem heerschen konden, in stede van hij over hen. Arme Jean-Jacques! Hij
+geleek een koningszoon, die door een boozen toovenaar veroordeeld is, in
+de gestalte eens geringen door het leven te gaan. Slechts op die
+oogenblikken, zoo heeft de wreede gezegd, als het onbaatzuchtig genie
+van een waarachtig en goddelijk heerscher in u komt en ge dàt zult
+moeten uiten, hetzij in spreken of in schrijven, dàn zal het u gegeven
+zijn, uw verheven vorstelijkheid te doen schitteren; maar te anderen
+tijde.... waar de luister uwer princelijkheid u-zelf den omgang met
+medemenschen tot een rijke en zoete vreugde zou maken, dan zult ge een
+geringe zijn....--Maar o, lezer, was die booze toovenaar wel een
+toovenaar en boos? Was hij niet de alwijze Noodwendigheid, wier werken
+immer zijn te prijzen? Want indien de mènsch Rousseau, de ijdele en
+sensueele, ook de lagere geneugten zijner vorstelijkheid had kunnen
+genieten, zou hij dan daarin niet zijn ondergegaan? Of zoo hij al een
+groot kunstenaar ware gebleven, zou hij wel _Rousseau_, de Leeraar der
+groote revolutie, het zwaard, de ploeg en de zaadkorf der armen en
+verdrukten, het lichtbaken der volgende geslachten geworden zijn?....
+
+En nu: wàt heeft de verfraaiïngstendenzen ten opzichte der
+Rousseau-figuur in Mevr. Holst veroorzaakt? Wel, dunkt mij, niets is
+duidelijker: het pogen _de synthese tusschen hoogere en lagere
+persoonlijkheid langs den historisch-materialistischen weg te bereiken_.
+Indien men het kunstwerk in zijn geheel, maatschappelijk- en
+psychisch-geologisch, om 't nog eens weer zoo te noemen, uit de
+productieverhoudingen [p.173] en de lagere persoonlijkheid wil verklaren
+en daarbij tevens aanneemt, dat er in die lagere persoonlijkheid niets
+aan maatschappij- of natuur-invloed aanwezig is, dat niet zijn uiting
+vindt in de schepping der Hoogere, 't geen Mevr. Holst, de marxistische
+aestheticus, inderdaad meent; indien men wat wij den aanleg, het talent,
+het genie noemen, in zijn volle kracht en schoonheid der menschelijke,
+lagere persoonlijkheid acht te _ontstijgen_, en daarbij tevens aanneemt,
+dat er niets in die lagere persoonlijkheid aan neigingen, krachten en
+zwakheden aanwezig is, dat niet de een of andere wijziging in de
+_scheppings_beweging-zelf van het talent of genie te weeg brengt, 't
+geen Mevr. Holst inderdaad meent; indien men dan ziet, dat er in het
+werk van dat talent of genie, meeningen worden voorgestaan, theorieën
+verkondigd, die in de menschelijke keuringssfeer "goed" of "zedelijk" en
+dat wel in den hoogsten graad heeten, terwijl er daarentegen geen enkele
+theorie of meening in wordt verkondigd, welke in die sfeer "slecht" of
+"onzedelijk" wordt genoemd--dan wordt men er immers onweerstaanbaar en
+onbewust toe gebracht, de "onzedelijke" en de "niet goede" dingen der
+lagere persoonlijkheid niet, of zoo _microscopisch_-klein te zien, dat
+het dáárdoor verklaarbaar wordt, dat zij geen merkbaren invloed gehad
+hebben; dan wordt men er dus immers onbewust toe gebracht de lagere
+persoonlijkheid te _verfraaien_! In hoeveel vrijere positie komt men
+daarentegen ten opzichte van het kunstwerk en de lagere persoonlijkheid
+des kunstenaars te staan, indien men aanneemt zooals ik, dat door haar
+algemeene ontvankelijkheid voor bevruchting, de lagere persoonlijkheid
+eens kunstenaars het Scheppend Vermogen aantrekt, zooals aarde zaad, en
+de bloem den bestuivenden vlinder, maar met dien verstande en met die
+beperking, dat zij slechts die scheppende krachten kan aantrekken, wier
+aequivalenten in menschelijk-onvolmaakten staat, maar in voldoend-sterke
+mate, zij-zelf in zich heeft. Zoo was Rousseau's lagere persoonlijkheid
+grootmoedig en medelijdend; zoo was zij erotisch; zoo blaakte zij van
+een ontembare vrijheidsbegeerte en kon den geringsten dwang niet [p.174]
+dulden. En deze eigenschappen waren sterk genoeg in hem ontwikkeld, om
+de aequivalente krachten der Scheppende Natuur tot zich te roepen. En
+zoo verschenen deze dan ook, in-zichzelf-volmaakt, puur en eeuwig, in
+zijn werk. Zoo werd hij dus een edel revolutionnair denker en een
+erotisch-bewogen kunstenaar.--Waar nu, vraagt ge, is dan bijv. de
+geringheid van zijn zedelijke wilskracht gebleven? Maar, natuurlijk waar
+zij blijven moest: in zijn lagere persoonlijkheid; omdat zij iets louter
+negatiefs was: een _tekort_ aan zedelijke kracht, een zwakheid, die haar
+positieven vorm: "misdadigheid" niet kon zijn en dus niet krachtig
+genoeg was, om haar scheppend aequivalent tot zich te roepen. Ware dat
+wel het geval geweest, dan zou Rousseau inderdaad _kunstwerken_ hebben
+geschreven, gelijk zoo menig kunstenaar heeft gedaan, welke in de
+menschelijke ethische keuringssfeer onzedelijk of misdadig zouden zijn
+geheeten. Nù kon die zwakte van zijn zedelijk willen, uitsluitend
+eigenschap van de lagere persoonlijkheid blijvende, slechts
+kunstbedèrvend werken. Zij moèst dat niet doen, zij kòn het doen en
+hééft het gedaan, zooals wij bij de behandeling van
+Confessions-fragmenten hebben bemerkt. Voor Mevr. Holst echter, die in
+Rousseau's _Scheppend Vermogen_, evenmin als wie ook, iets van dat
+zedelijk-defecte zag of kon zien, bestond het dus, op grond van haar
+leerstellingen, ook in zijn _geheele_ persoonlijkheid slechts in niet
+noemenswaardige mate. Aldus neem ik aan, is nu voldoende aangetoond en
+ontleed, hoe nadeelig een invloed de marxistische aesthetiek op Mevr.
+Holst's psychologisch-biographische Rousseau-beschouwingen heeft
+geoefend en op welke wijze dit is gebeurd. Maar één twijfel, die te dien
+opzichte nog in mijn lezers kan bestaan, dien ik weg te nemen.
+
+Een feit is het, dat, zooals ik vroeger elders heb aangetoond,[56] Mevr.
+Holst wel in zeer hooge, wellicht de hoogste mate die kracht van
+liefdevolle overgave aan te beelden figuren bezit, welke een groot
+menschenschepper mòet bezitten, [p.175] maar dat iets anders, dat dezen
+even onontbeerlijk is, haar ontbreekt: het aangeboren bewustzijn van den
+heerscher, _dak_ zich zelf ongerept, in die overgave, bewaart. Zoowel de
+_heerscher_ als de _minnaar_ moeten _beiden_ in den grooten
+menschenschepper leven: de eerste mòet blijven keuren, overwegen en
+rechtvaardig beschikken, hoe hartstochtelijk ook des laatsten liefde
+zij. De lezer nu, die aan dit alles denkt, zou dus niet zonder schijn
+van recht kunnen vragen: moet veel van wat hier aan de
+historisch-materialistische aesthetiek werd verweten, eigenlijk niet
+worden toegeschreven aan het feit dier liefdevolle, _maar onbeheerschte_
+overgave; aan het feit, in één woord, dat Mevr. Holst een groote
+lyricus, maar volstrekt geen epicus, geen menschenschepper is? Maar
+indien hij slechts even let op het enorm verschil in eigenlijke
+mensch-beeldende kracht, zooals eenerzijds bijv.: de romanschrijver, die
+naar het òndoorlichte leven beeldt, van noode heeft, en anderzijds de
+psychologische biograaf, die kunstwerken, d.i. het doorlichte leven, en
+ander reeds bewerkt materiaal slechts opnieuw bewerkt, dan zal hij-zelf
+niet aarzelen die vraag ontkennend te beantwoorden.
+
+ * * * * *
+
+Beschouwen wij nu Mevr. Holst's Thérèse Le Vasseur. En ik durf bij
+voorbaat beweren, dat, zóóals hier den lezer het verderfelijke der
+marxistische aesthetiek zal blijken, het hem bezwaarlijk elders blijken
+kan. Hebben wij gezien hoe deze aesthetiek onze schrijfster er toe
+bracht den _mensch_ Rousseau te flatteeren, thans zullen wij zien hoe
+dit tot _noodzakelijk_ gevolg had, dat ook Thérèse Le Vasseur
+geflatteerd werd en wel in een nog zooveel sterker mate dan
+Rousseau-zelf, dat ik geen oogenblik aarzelen mag, de
+psychologisch-biographische beelding dier figuur volslagen onjuist en
+pueriel-goedgeloovig te noemen.
+
+Waarom of het eerste 't laatste tot _noodzakelijk_ gevolg had? vraagt
+ge. Och, gelieve maar even naar mij te luisteren: Mevr. Holst werd door
+haar proletarisch-voelen--waarvan ik de diepte en uitingsschoonheid in
+'t tweede hoofdstuk dezer studie zoozeer bewonderd heb--er
+onweerstaanbaar [p.176] toe gedreven Thérèse te verdedigen.[57] Haar
+intuïtie zei haar zeer te recht, dat die verdediging met vrucht te
+voeren is. Maar wat haar intuïtie haar niet zei--_omdat deze te dien
+opzichte verzwakt was door haar onbewuster tendenz, Rousseau te
+flatteeren_--is: dat die verdediging van Thérèse alleen te voeren is
+_ten koste van Rousseau_. Om haar nu desalniettemin toch door te zetten
+_werd het noodig ook Thérèse veel edeler voor te stellen dan zij
+was_.--Toetsen we dit alles nu aan Mevr. Holst's boek, de historische
+feiten en de gevolgtrekkingen, die daaruit redelijkerwijze kunnen worden
+afgeleid.
+
+Voor Mevr. Holst is Thérèse de nederig-dienende zorgzaamheid in
+Rousseau's leven geweest, heeft zij de materieele basis gevormd, waarop
+bijv. de "schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste
+geschrift" heeft kunnen bestaan. Er is hierin veel waars. Jawel, maar
+luister nu eens even naar wat onze schrijfster verder zegt:
+
+ Dit (dat Rousseau haar volkomen bleef vertrouwen en niet in het
+ "complot" betrokken zag. v.C.) kon natuurlijk alleen zoo zijn
+ doordat Thérèse niet inging tegen zijn waan, maar met hem
+ meepraatte; de biografen maken haar daarvan een verwijt, zij
+ beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche voorstellingen
+ gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, zoo zij
+ onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan?[58]
+
+De verfraaiing van Thérèse en de ontzenuwing van de beweringen der
+biographen is hier mogelijk geworden door het niet-vermelden van de veel
+zwaardere beschuldigingen, die tegen haar zijn ingebracht. Zulke als
+deze:
+
+ ... La maniere dont elle s'est conduite après sa mort suffiroit
+ pour mettre la chose hors de doute, si déjà la preuve n'en étoit
+ bien acquise par _le témoignage unanime de tous ceux qui ont
+ frequenté Rousseau à toutes les époques de sa vie_. Or il est
+ constant qu'à Motiers, à Wootton et partout où elle a suivi son
+ maître, jusqu'à ses derniers moments, elle a fait naître et
+ entretenu en [p.177] lui l'ombrage et la méfiance prompte à lui
+ rendre suspects tous ceux qui l'approchoient et qui parvenoient à
+ lui plaire, pour posséder seule sa confiance et le dominer avec
+ plus d'empire. Si cette femme, s'ennuyant à Motiers, ne négligea
+ rien pour en rendre le séjour insupportable à Rousseau, que ne dut
+ elle pas faire dans la solitude de Wootton où elle devoit n'avoir
+ rien plus à coeur que de le mettre dans la nécessité d'en sortir!
+ Or tout assure que, pour donner plus d'appui à ses suggestions
+ calomnieuses et perfides, elle brisoit les cachets des lettres
+ adressées à son maître, qui, dupe de cette manoeuvre, en tiroit
+ mille inductions, mille consequences plus étranges les unes que les
+ autres, mais dont il n'y a plus dès lors droit de s'étonner.[59]
+
+"Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, tous ceux qui ont écrit sur
+Rousseau, sont d'accord sur ce point," zegt dezelfde schrijver.--Hier
+blijken dus doodgewone _misdaden_, uit eigenbelang bedreven. Dat is niet
+meer: het niet-bestrijden van den waan, om van den waanzinnige het
+eenige schepsel niet te vervreemden, dat hij nog vertrouwt; dat is: het
+perfide _hevig-versterken_ van den waan, om maar niet langer op die
+vervelende landgoederen en kasteelen te moeten leven. Dat Thérèse daar
+telkens vandaan wilde, erkent ook Mevr. Holst:
+
+ Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biografen er Thérèse
+ een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame
+ kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een
+ zenuwzieken man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij
+ zich niet opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om
+ er vandaan te komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen,
+ met eigen neigingen en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in
+ haar in.[60]
+
+Zeker, dit alles zij grif toegegeven. Maar lang niet vermakelijk te
+lezen is, door _welke middelen zij dat doel_ poogde te bereiken.
+_Daarop_ komt het aan ter doorgronding van Thérèse's persoonlijkheid!
+
+"Dat zij kort voor het eind van zijn leven, als oude vrouw al, een gril
+zou gehad hebben voor een stalknecht moge min smakelijk zijn...."[61]
+Neen maar, zou ik tot Mevr.
+
+[p.178] Holst weer willen zeggen. Wat gaat ons nu de al of
+niet-smakelijkheid daarvan aan! We zijn toch geen aan ethiek verslaafde
+en moraliseerende preekers en rechters! Wij willen _een mensch leeren
+kennen_, dat is ons _eenig verlangen._ En bovendien--dat vertelt Mevr.
+Holst er weer niet bij: Zij heeft niet alleen kort voor het eind van
+Rousseau's leven een gril voor dien Ierschen stalknecht van den Markies
+de Girardin gehad, maar _zij heeft nog een geruimen tijd na Rousseau's
+dood met hem geleefd en een zeer aanzienlijk bedrag met hem er
+doorgejaagd_!
+
+_Wat is er nu in deze vrouw_, "die nederige goede vriendin," "dat
+eenvoudige plebejerskind," dat "liefhebbende hart," _omgegaan, dat zij
+zich zoo kon vergooien onmiddellijk na den dood van den man dien zij had
+"liefgehad," dien zij "verzorgd" had_, enz. enz.? _Dat_ wenschen wij te
+weten, _dat_ opgehelderd te zien, daarvoor luisteren wij gaarne naar een
+scheppend psycholoog! Dat het niet "smakelijk" was--nu ja, dat weten we
+waarachtig allemaal wel! _Heeft mevr. Holst niet gevoeld, dat hier de
+tragedie van een geheel leven te doorvoelen viel?_ Neen, klaarblijkelijk
+heeft zij er _niets_ van gevoeld; de scheppend-psychologische biograaf
+zweeg hier in haar; de proletarisch-voelende socialiste, die het kind
+uit het volk had te verdedigen en dat niet op de juiste wijze kon doen,
+omdat Rousseau zelf er dan bekaaid af zou komen, èn daarmee _de
+historisch-materialistisch-opgebouwde synthese tusschen zijn hoogere en
+lagere persoonlijkheid in den hoek zou liggen_, beheerschte hier de
+scheppende kunstenares en achtte alles genoegzaam verklaard door die
+mantel-der-liefde-achtige woordjes!
+
+Zelfs reeds het _ontstaan_ hunner verhouding wordt dan ook reeds--wat
+Rousseau betreft--door onze schrijfster verfraaid voorgesteld:
+
+ Geen lust was het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar
+ voornamelijk behoefte aan innigheid.[62]
+
+Dat is nu precies, inplaats van de waarheid in de armen [p.179] te
+loopen, haar rakelings voorbijschuiven. Immers, Rousseau-zelf zegt:
+
+ Je n'avois cherché d'abord qu'à me donner un _amusement_. Je _vis_
+ que j'avois plus fait et que je m'étois donné _une compagne. Un peu
+ d'habitude_ avec cette excellente fille, un peu de réflexion sur ma
+ situation, me firent sentir _qu'en ne songeant qu'à mes plaisirs_,
+ j'avois beaucoup fait pour mon bonheur.[63]
+
+Gij voelt nu wel al lezer, dat beteekenisvolle verschil in nuance
+tusschen Mevr. Holst's en zijn woorden: neen, zeker, geen lust was 't
+die hem dreef, maar evenmin eenige hoogere geestelijke behoefte aan
+innigheid. Dat hij ook die bij haar bevredigen kon, ontdekte hij immers
+pas later! Wat hem dreef was doodeenvoudig de prozaïsche,
+primair-natuurlijke behoefte aan sexueelen omgang. Nog al bang in dit
+opzicht uitgevallen--men herinnert zich uit de _Confessions_ zijn angst
+na zijn visite met Vitali bij de Padoana?--was hij heel blij--och ja,
+het is heel-laag-bij-den-grond, plat zoo ge wilt, maar het _is_ zoo--dat
+hij háár gevonden had! _Jubelkreten_ slaakt hij als hem blijkt, dat
+Thérèse's aanvankelijke aarzeling zich hem te geven, niet voortkomt uit
+dat door hem zoo gevreesde!
+
+En dan: weet Mevr. Holst wel, dat als zij aan Rousseau's vrienden
+verwijt, dat hun "klassegevoel en intellectueele hoogmoed" niets dan
+"een onbeschaafde waschvrouw" etc. in Thérèse zagen, zij met dat verwijt
+aan het verkeerde adres is? Helaas, het _kon_ alweer niet tot haar
+doordringen, dat zij hiermede bij _Rousseau-zelf_ moest zijn.
+
+ Autrefois j'avois fait un dictionnaire de ses phrases _pour amuser
+ Madame de Luxembourg_, et _ses quiproquo sont devenus célèbres dans
+ les sociétés où j'ai vécu_.[64]
+
+Arme Jean-Jacques! Zelf vertelt hij, dat hij altijd, bij de conversatie
+in de kringen zijner geleerde en adellijke vrienden met den mond vol
+tanden zat. Hij voelde dan ten leste eigen zwijgen zoo pijnlijk worden,
+dat hij er maar wat uitflapte, [p.180] om maar iets te zeggen, wat dan
+achteraf een "balourdise" bleek. Máár, heer-in-den-hemel! daar valt hem
+Thérèse met al haar onbewuste grappighedens in. Welk een mijn, welk een
+onuitputtelijke rijkdom aan stof. Nu niet langer op je stoel zitten
+draaien in 'n benauwing van verlegenheid, nu geen stommiteiten meer
+vertellen, om maar wàt te zeggen, nu ook eens geestig zijn, ook eens de
+vrienden laten lachen--ten koste van de vrouw, "wier engelhartig hart
+hij roemt." O, Mevrouw, het is te begrijpen: zeker, _alles is te
+begrijpen._ Maar welk een gebrek aan fijngevoeligheid--der _lagere_
+persoonlijkheid!--welk een grove ijdeltuiterij. Welk een gebrek aan
+eerbied ook voor--zich zelf! _Tenzij hij wist_--let wel!--dat die
+vrienden ook wel begrepen, dat zij voor hem _een vrouw slechts in den
+lageren zin_ was, maar wat blijft er dan van de "innigheid" en al dat
+fraais over? En wanneer Rousseau-zelf aldus Thérèse tot een
+"onbeschaafde waschvrouw" stempelt, kan men dan wel anderen kwalijk
+nemen, dat zij niets anders dan zulk een waschvrouw in haar zagen? Gaan
+wij er nu toe over, zelf Thérèse te beschouwen en toonen wij aan, dat op
+àndere gronden dan die van Mevr. Holst--_gronden, die echter voor
+le-meilleur-des-hommes-Rousseau geen standplaats bieden_!--haar
+verdediging met vrucht te voeren valt.
+
+ * * * * *
+
+Thérèse dan blijkt klaar een onbedorven, goed en gewetensvol meisje te
+zijn geweest, met iets zelfs van uitzonderlijke en aangeboren reinheid
+in zich, want men moet niet vergeten, dat van wat wij, in een anderen
+tijd levend, als iets min of meer van-zelf-sprekends beschouwen, juist
+het _tegendeel_ als het van-zelf-sprekende zou ik bijna zeggen, in het
+Parijs harer dagen werd beschouwd. Haar aarzeling, zich hem te geven,
+sproot uit iets anders dan het door hem gevreesde voort. Laat
+Rousseau-zelf u verhalen wat het was, en merk dan tevens uit zijn
+verwondering, _hoe uitzonderlijk in dien tijd haar scrupules waren_.
+
+ Enfin nous nous expliquâmes: elle me fit en pleurant l'aveu d'une
+ faute unique au sortir de l'enfance, fruit de son ignorance [p.181]
+ et de l'adresse d'un séducteur. Sitôt que je la compris, je fis un
+ cri de joie: Pucelage! m'écriai je: c'est bien à Paris, c'est bien
+ à vingt ans qu'on en cherche![65]
+
+Bovendien blijkt die kuische aard uit hare houding, als dienstmeisje in
+het hotel, onder de schunnige moppen der abbés, tegen wie Rousseau haar
+in bescherming neemt. Zóó was Thérèse Le Vasseur, rein te midden van een
+al groeiende zedenverdorvenheid, toen zij zich Rousseau gaf. Laat ons nu
+zien: Zij, het gevoelige dienstmeisje, met die sentimenten in zich,
+wèlke moet zij wel in den geliefde-zelf, dien zij zoo ver boven zich
+stelde, aanwezig hebben gemeend?! Zij, de bijna-analphabete--die niet
+wist, dat talent of genie soms niets met noblesse hebben te maken--welk
+een wereld van àl-soortige verhevenheid moet zij niet in Rousseau
+geloofd hebben te bestaan, in dien man, die haar nog bovendien tegen de
+gemeenheden der anderen verdedigd had! Als haar nu langzamerhand het
+tegendeel blijkt, is het dan niet onafwendbaar, dat zij niet alleen het
+geloof in hem, maar op de wijze aller onontwikkelden, die het bijzondere
+zoo gaarne veralgemeenen, ook het geloof in de _waarde van deugd-zelf_
+verliest? En dat zij dóórsláát, dóórhólt naar den anderen kant?
+
+Onderzoeken wij dus nu door wèlke feiten haar dat tegendeel kan zijn
+gebleken--voor zoover dan die feiten te onzer beschikking staan: er zijn
+natuurlijk nog tallooze kleinigheden, voor ons verloren, die ertoe
+hebben medegewerkt haar de waarheid duidelijk te maken.
+
+Daar is dan ten eerste het geval met "la papesse Jeanne," de maîtresse
+van Kluppfel. "Une faute," zegt Petitain, "qu'elle l'a généreusement
+pardonnée." Jawel, vergéven, maar kon ze 't ook vergéten? Liet het geen
+wrange nasmaak van beleedigde vrouwelijkheid in haar gemoed? Deed het
+bovendien niet de gedachte bij haar ontkiemen, dat de berisper van
+destijds al niet beter dan de berispten was, en dat zij met haar
+scrupules eigenlijk een onnoozel halsje, een onwetend mallootje was
+geweest?
+
+[p.182] Maar dàn... en hoe zinkt alles, wat zij hem, wat hij haar aan
+kwaads moge gedaan hebben in het niet bij die vreeselijke daad vijf maal
+betaald: het haar ontnemen van haar kinderen _tegen haar zin_.
+
+ Je m'y déterminai gaillardement sans le moindre scrupule; et le
+ seul que j'eus à vaincre fut celui de Thérèse, à qui _j'eus toutes
+ les peines du monde_ de faire adopter cet unique moyen de sauver
+ son honneur. (Sic!) L'année suivante, même inconvénient et même
+ expédient, au chiffre près qui fut négligé. Pas plus de réflexion
+ de ma part, _pas plus d'approbation_ de celle de la mère: _elle
+ obéit en gémissant._[66]
+
+Peilt nu, gij allen, die ooit een kind zaagt geboren worden en die
+ontzettende vertwijfelende worsteling met de smart hebt gezien; die dan
+bij de eerste geluidjes van het kleine schepsel, op het pijn-verwrongen
+gezicht der moeder, die plotselinge ontslaking, een glimlach als een
+licht zaagt schijnen; gij die dan de àlle-smàrt-vergételheid, de als
+overmoedige en jeugd-dronken vreugde, den zaligen trots zaagt stralen,
+tot die weer ebde, heel zacht, ter zoete zelf-inkeer, het zich-zelf tot
+rustig-zijn dwingen, om zóó groot heil niet te verbeuren; gij, die ooit
+beluisterd hebt die eerste moeder-woordjes, als kleine bloemen
+ontrankend de màchtig-sterke, de van zelfbedwang èn popelend verlangen
+bévend-vàste liefde; ontbloeiend de diepste diepten van de ziel en het
+hart, als òpen, rèikende kelken, naar het kindje toe--peilt gij,
+wétenden, de ontzettende en nooit te heelen wonde, het afgrondige leed
+van de moeder, die na zóó kort dien hemel te hebben genoten, met den
+vloek der kinderloosheid, _menschelijk-moedwillig_ wordt belast; peilt
+gij den haat, den wrok, het gevoel van verlatenheid, de wanhoop aan alle
+deugd, de verstarring tot egoïsme, die in die vrouw zullen gaan leven,
+leven hun bestaan van monsters, waar engelen hadden kunnen zijn.... En
+hèbt ge dit alles doorvoeld.... Och... ja.... Zàl ik u dan nog wel
+vragen of Thérèse Le Vasseur aan haar misdrijven, welke ze ook mogen
+geweest zijn, in waarheid schuldig staat, dan wel de man, die haar dàt
+aandeed?... Maar gij wendt u af, [p.183] ge ziet naar uw eigen kinderen,
+uw blikken gaan zegenend naar hen uit... en ik versta u: zonder mijn
+vraag te wachten en zonder te antwoorden, hèbt ge haar beantwoord....
+
+ * * * * *
+
+Want ook dit weten wij, nietwaar: één deugd voor alle moet door ons
+geleerd worden, het is zij, die alle bevat. Die haar in volkomenheid zou
+bezitten--maar geen mènsch kan dat--kan intreden tot alles wat waardevol
+is; de sleutel tot het hooger denkvoelen, de ingang tot de waarheid en
+het onschokbare geluk is zij: het altruïsme, in haar hoogsten vorm, voor
+ons onbereikbaar: de volkomen ik-vergetelheid. Maar de Natuur, de Al
+wijze, die geen haast kent, die van graad tot graad en van trede tot
+trede de wezens laat opwaarts klimmen, heeft drie groote Liefden in hun
+zielen opgericht, _drie onderrichters van het altruïsme_, die
+achtereenvolgens in hun bewustzijn verschijnen, met het wonder hunner
+gestalte en van hun stem. De eerste is nog geen straffe Leerares. Zij
+onderricht het altruïsme spelenderwijze. Hoe zou zij ook anders: even,
+slechts éven na het eerst ontwaken van het bewustzijn, verschijnt ook
+zij, een engeltje even klein en speelgenoot van het kindje, groeit zij
+daarmee op. Zij is de kinderliefde, de egoïstische, die veel vraagt en
+weinig schenken kan. Maar al opgroeiend komen er toch tijden, dat het
+kind zelfs zijn hartebloed voor zijn ouders zou willen geven.... En zie
+nu, zie: dat kleine speelgenootje heeft dan toch niet slechts met het
+kindje gespééld, het heeft, met hem opgroeiend en slechts weinige zijner
+egoïstische en levenshongerige nukken weerstrevend, klaarblijkelijk óók
+hem onderricht--in altruïsme.--Dan komt er een tijd.... Zij verlaat haar
+speelgenoot niet, maar treedt achteruit: de tweede groote Liefde
+verschijnt, een strenger Leerares: de liefde tusschen man en vrouw; veel
+egoïsme weerstreeft zij, veel opofferingen vraagt zij, veel ontzegging
+van de genoegens en verlangens van het ik; maar veel egoïsme duldt zij
+nog--de Alwijze gebood haar, niet tè streng in het onderricht te zijn.
+Ook is haar sfeer zuiver noch doorzichtig, vooral niet in den man. De
+driftige zinnen dringen om haar heen, hun [p.184] hoog opgeheven
+flambouwen werpen smokerige en roode gloeden, trekken misvormende
+schijnsels over haar Venusgelaat. Ja, soms zijn haar de zinnen
+voortrennende paarden: dàn leidster en meegevoerde, stralend in de
+overwinningen, de slapen omkranst, vaart zij, een grond-opwervelende
+storm, een lichtende davering voorbij.--Maar ten leste verschijnt der
+Drie hoogst tronende: uittreding van de Ziel der wereld op dier gelaat
+is zij, éénig beeld van de oneindigheid, want ook de grenzen van haar
+wezen zijn nimmer gevonden; ouders kennen haar zeeën van gevoel, doch
+hun diepte of breedte zijn niet te kennen; ouders zien haar hemel, hun
+kinderen zijn de gesternten daaraan, maar zijn hoogte is niet te
+weten.... Egoïsme wordt in haar niet gekend, het is een onverstaanbaar
+woord uit andere tijden, uit andere landen. Zij leeraart niet, zij _is_
+het altruïsme, zij is ook niet straf, niet streng, zij kàn het niet
+zijn: de opofferingen, die zij verlangt, worden niet als opofferingen
+gevoeld; de afstand, dien zij eischt van zooveel begeerten van het ik,
+worden een rìjker-worden bevonden! Voor het eerst dan van zijn leven
+wellicht, voelt een mensch het altruïsme nìet een bedwinging zijner
+begeerten, voor het eerst niet als een moeilijk te verkrijgen en lastig
+te volgen deugd, voor het eerst niet als een sfeer, waarin hij slechts
+bezwaarlijk leven kan. Integendeel: zijn begeerten _zijn_ altruïstisch,
+zònder die deugd _kan_ hij nu niet leven en in háár sfeer beweegt hij
+zich nu opperst gelukkig, natuurlijk en vrij als in den staat, die zijn
+meest ongerepte natuurlijkheid het best past. Gelukkig de man en de
+vrouw, die dit hebben gekend, voor zij sterven, zij hebben niet
+tevergeefs geleefd. Rijker aan eigen waarde keeren zij terug van waar
+zij werden gezonden. _Want kinderen leeren den ouders oneindig meer, dan
+ouders den kinderen_. Jonkheid ontlokt Ouderdom zijn schoonste
+gevoelens. Zij u de zon het stralend symbool daarvan, wier glanzende
+jeugd der oude en verkillende aarde alle de schoone gestalten der
+bloemen, dieren en menschen ontlokt....--
+
+ * * * * *
+
+Langs den weg van ons gevoel zijn wij van ons uitgangspunt [p.185]
+heengetrokken. En deze, die geen dwaalweg was, heeft ons, naar onzen
+wensch, daarheen teruggebracht. Zeg mij nu: van deze groote
+leering-in-altruïsme, van het onderricht in die deugd, welke alle
+deugden omsluit, van dit opperst geluk, deze blijde natuur werd Thérèse
+Le Vasseur menschelijk-moedwillig beroofd. Heeft men nu nog van noode,
+ten einde haar verdediging te voeren, hare ondeugden te bedekken, of is
+er eenige reden voor ons deze waarheden te verzwijgen, om de blaam,
+waarmede zij den man treffen, die haar dat aandeed?...
+
+ * * * * *
+
+Ik zie haar gaan door de dagen, alléén in haar onwetendheid, alléén met
+haar wrok, alléén met het schrijnende bewustzijn van haar gemis, naast
+den man, dien zij daarvan de oorzaak weet en die, verzonken, dàn in de
+droomen van zijn genie of van zijn eerzucht, dàn in die zijner liefde of
+zijner angst, vaak zelfs haar bestaan niet schijnt op te merken. Alléén
+weet zij zich, een eenzame huissloof, al het nederige werk doende;
+achter haar rug uitgelachen--hoe zal haar dit hebben gestoken!--door
+haar man, die grapjes op haar onwetendheid maakt, bij wiens voorname
+vrienden zij zelden komt, aan wiens tafel zij zelfs niet zit, wanneer
+hij een dier vrienden te gast heeft; in haar gezicht uitgelachen door de
+bedienden van Rousseau's gastheeren, die in haar een dienstmeid zagen en
+niets meer. Hoe vaak zal zij aan haar kinderen hebben gedacht, die haar
+steun hadden kunnen zijn, vleesch van haar vleesch, bloed van haar
+bloed; met wie zij had kunnen praten, die haar hadden begrepen en met
+haar zouden hebben meegeleefd in haar kleinheid en onwetendheid,
+wellicht; die, zéker, haar een vertroosting zouden zijn geweest voor
+veel. Hoe moet zij soms dien man hebben gehaat, toch zorgvuldig met haar
+boersche sluwheid, haar onovertrefbare slimheid van niet veel meer dan
+analphabete, wier verstandskracht door niets anders wordt verbruikt,
+haar voelen verbergend--en tòch daarin niet slagend bij _Rousseau's
+vrienden_! die zagen juist, Mevr. Holst!--in de eerste jaren daartoe
+gedwongen door, en onder leiding van haar megera van 'n moeder, in wier
+[p.186] karakter schraapzucht, valschheid en lust tot intrigeeren al het
+andere overheerschten; in de latere jaren, met veel behendigheid, uit
+eigen inzicht en zònder hulp alles doende, goed of slecht, wat
+verhinderen kon, dat Rousseau aan haar invloed ontsnapt; alles doende
+wat hem sterker aan haar binden kan. Waarom? Zie haar op het eind van
+haar leven, aan de deur van de _Comédie Française_ de hand ophouden voor
+een aalmoes, en ge weet het! Eénmaal gedurende de lange jaren van haar
+leven met hem, schijnt haar beleedigde vrouwelijkheid haar te sterk te
+zijn geworden. Rousseau spreekt namelijk van een "refroidissement dans
+Thérèse" en wijt deze aan de abstinentie waartoe hij zich verplicht
+voelde, zoowel met het oog op zijn wankelende gezondheid, als om niet in
+een herhaling van zijn vijfvoudig herhaald misdrijf te moeten vervallen.
+Dat was echter hoogstwaarschijnlijk de ware oorzaak niet. Die moet
+gezocht worden in zijn verhouding tot Mad. d'Houdetot: onder Thérèse's
+oogen hadden de maneschijn-wandelingen plaats gevonden, onder haar oogen
+was de geheele geschiedenis afgespeeld. Welke vrouw zou zich hier niet
+beleedigd hebben gevoeld, ten eerste, door het _feit-zelf_, maar dan, en
+wellicht vooral, door de minachting jegens haar, die uit de
+omstandigheid sprak, dat haar man niet de minste moeite deed, iets ervan
+voor haar te verbergen[67]. Zoo heeft zij, in hardnekkig zelfbedwang,
+zich vast aan hem gehecht, hem nimmer loslatend, hem overal volgend, hem
+met haar invloed omwikkelend als met een web, gehaat daarom en in haar
+drijfveeren door allen doorzien, die haar dan ook "_une cerbère
+odieuse_" noemden, door Rousseau alleen niet doorzien. Zij heeft met hem
+de jaren doorgebracht, wrokkend zonder twijfel, hatend zonder twijfel,
+toch soms ook weer, dunkt mij, neigend naar een zachte verteedering en
+liefde voor hem, bij het zien zijner ongelukken en hulpeloosheid. Maar
+dan kwam altijd weer die stekende gedachte aan haar verloren kinderen,
+die haar kracht moet hebben [p.187] gegeven te doen wat zij deed; die,
+dra na het ontluiken weer, al de zachtere gevoelens deed verwelken; die
+haar moet hebben ingefluisterd, dat zij het recht had, tegenover hem,
+die haar den natuurlijken steun van haar ouden dag had ontroofd, door
+èlk middel en trots alles te zorgen, dat het levensonderhoud, dat haar
+van hem, bij zijn leven en na zijn dood, kon geworden, haar niet
+ontging. Zoo hebben in dit hart--ik herhaal het: àl zijn vrienden hebben
+het gezien!--monsters gewoond, omdat--'t geen zijn vrienden en ook Mevr.
+Holst nièt hebben gezien--Rousseau de engelen had verdreven. Zoo heeft
+zij stil gewacht.... Dan sterft hij... de dwang is uit, al haar
+weggedrongen instinkten sprìngen nu op.... Nu, op haar ouden dag gaat
+zij zich uitleven.... Na het leven met dien man, dien zij niet meer
+liefhad; na het leven met hem, dien zij de wereld een Groote hoort
+noemen, maar die tegenover haar met dat al zijn simpelste plichten met
+voeten getreden had, wil zij nu een van haar soort, die dan wel niet die
+verhevenheid heeft, waarvan zij toch niets begrijpt, maar die haar, in
+zijn gewone menschelijkheid, wel niet zoo behandelen zal als hij heeft
+gedaan. De schuchterheid, de kuischheid, die ze in haar jeugd, gelijk we
+zagen, bezat, het geloof in de deugd, och kom, dat is nu alles gekheid
+voor haar geworden.... Ze heeft veel gezien en veel ondervonden.... Niet
+voor niets heeft zij de _handelingen_ van Rousseau jegens haar gezien,
+niet voor niets de groote wereld jaren lang bespied.... Ingetogenheid is
+goed voor zulke domme mallootjes uit het volk, als zij in haar jeugd er
+een was!... Genieten moet je, genieten, zooals allen om je heen! En met
+haar stalknecht jaagt ze er dan in een paar jaar een burgermanskapitaal
+doorheen, als vroolijke erfgenamen, die, in juichende brooddronkenheid,
+het geld van een gehaten of hun onverschillig geweest zijnden erflater
+verkwisten.... Neen, die Thérèse Le Vasseur's leven _kent, doorvoelt_,
+behoeft te harer verdediging haar figuur niet te verfraaien. Hare
+slechtheden waren geboet vóór zij ze beging, door de oorzaak, waaruit ze
+ontstonden. Arme vrouw, misleid door onwetendheid en door haar
+mishandelde instincten; [p.188] moeder, die hare kinderen niet heeft
+gekend, en zij had ze zoo gaarne gekoesterd; die nu, op hare beurt, hun
+steun missen moet: op tachtigjarigen leeftijd bedelt zij op straat haar
+dagelijksch brood!...
+
+ * * * * *
+
+Met het leven van twee vrouwen is dat van den mensch Rousseau langdurig
+vervlochten geweest. Het onderzoek van zijn gedrag zoowel jegens de eene
+als de andere, wijst op oneindig meer leelijks dan schoons in zijn
+karakter. Zijn uit alles blijkend neerzien op Thérèse verhinderde hem te
+begrijpen, wat hij háár had aangedaan. Wat Madame de Warens aangaat,
+jegens haar noemde hij zich-zelf "ingrat," al heeft hij ook daar
+allerlei schoonschijnende redenen bij de hand, om die zelfveroordeeling
+haar scherpte te ontnemen. Behaagden hem dan ook in Thérèse slechts de
+frisch-open zinnelijkheid, de gezonde kracht en de eenvoudige
+huiselijkheid van het volkskind, aan Madame de Warens verbonden hem een
+diep-gewortelde psychische overeenkomst èn een diep-geworteld
+--verschil. De overeenkomst bestond daarin, dat zij beiden uiterst
+impulsive menschen waren, wezens van _gevoel_ vóóral. Het verschil: bij
+Rousseau ging dat gevoel _denken_ vooraf. Het moeizaam-schrijdend volk
+zijner denkbegrippen trok nimmer op, vóór hen de lichtende wolk van een
+droom den weg wees. Beter is het wellicht te zeggen, dat Rousseau's
+denken zùlk een arbeider geleek, die immer ter verkwikking zijn weg
+neemt langs een dichtbegroeid land, wanneer hij zich in den vroegen
+ochtend naar de strenge en harde fabriek begeeft, om daar den loop der
+onverbiddelijk in elkaar grijpende raderen te bewaken, en die in het
+vrije middaguur wéér ter verpoozing naar dat land gaat en zich vlijt in
+het hooge gras.... Want naar zijn eigen getuigenis werd zijn denken ook
+telkens onderbroken door divageerend gedroom.... Bij Madame de Warens
+echter ging het gevoel _handelen_ vooraf; elke droom, elke fantasie
+veroorzaakte bij haar een hàndelen, dat, gelijk het denken bij hem,
+telkens door opnieuw-fantaseeren werd onderbroken. De psychologische
+verklaring van: de rust, de volkomen tevredenheid, de afwezigheid van al
+[p.189] ongedurigs en gejaagds, die Rousseau in tegenwoordigheid van
+Mad. de Warens gevoelde, ligt dan ook mijns inziens nergens anders dan
+in die overeenkomst en dat verschil: wat hèm ontbrak, waarom hij vaak
+zich-zelf minachtte en welk gemis hij, wellicht onbewust, weet aan het
+predomineeren van zijn gevòel: _het snel-doortasten, de moed tot de
+daad_, dat zag hij bij haar _juist uit het gevoel_ ontkiemen! Zoo,
+tegelijkertijd, verzoende het hem met den _grondslag_ van zijn wezen èn
+voelde hij dit, in de tweeëenheid van hun beider bestaan, bevredigend en
+berustigend _aangevuld_.--
+
+ * * * * *
+
+En wat nu zijn korte, maar voor de vrijmaking van zijn genie hoogst
+beteekenisvolle, verhouding tot Madame d'Houdetot betreft, dèze heeft
+Mevr. Holst, gelijk ik reeds vroeger zei, prachtig doorvoeld. Die
+verhouding bleef dan ook beiderzijds rein en edel, zoodat de uit Mevr.
+Holst's historisch-materialistische aesthetiek voorspruitende
+verfraaiïngstendenzen hier tot het vertroebelen harer visie geen
+aanleiding hadden.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+NOTEN:
+
+[34] Mevr. Holst, J.J. Rousseau. Blz. 158, 159, 160.--Cursiveering van
+mij.
+
+[35] _Les Confessions_, blz. 1. Cursiveering van Rousseau.
+
+[36] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 33. Cursiveering, ook in de
+beide voorafgaande citaten van mij.
+
+[37] Hier kunt ge nu, lezer, mocht ge er lust toe gevoelen, als arbiter
+tusschen mijn literairen criticus en mij optreden! _Hij_ meende, dat
+Mevr. Holst de klaarblijkelijk juiste subjectieve waarheid _wel_ bezeten
+heeft, maar dat haar tendentieuse lagere persoonlijkheid die verminkt
+heeft tot 't dan onechte, dat wij nu kennen. _Ik_ neem liever aan, dat
+zij _niet_ in haar was. Veel doet 't er niet toe, wie gelijk heeft, want
+in _beide_ gevallen, zooals wij zullen zien, valt _op den invloed der
+historisch-materialistische aesthetiek de schuld._
+
+[38]...maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos, want de
+overwinning der burgerlijke klassen bracht niet vrijheid en gelijkheid,
+niet vrede en recht, zooals zij geloofden, maar meer ellende, dan de
+aarde ooit gekend had; riep niet in den mensch de aandriften van
+broederlijkheid wakker, maar van hebzucht en heerschzucht en nijd." Blz.
+159.
+
+[39] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.
+
+[40] Zie noot vorige pagina.
+
+[41] Confessions. Cursiveering van mij.
+
+[42] zie noot 2 vorige pagina.
+
+[43] ibid.
+
+[44] _Zie Seconde lettre à M. de Malesherbes_.
+
+[45] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.
+
+[46] Confessions.
+
+[47] Hoe Rousseau inderdaad aan deze mogelijkheid gedacht heeft, moge de
+volgende uitlating bewijzen: De tout ce que j'ai dit jusqu'à présent, il
+en est resté quelque trace dans tous les lieux où j'ai vécu....--Einde
+Livre IV, Confessions. De voorvallen, waarvan hier sprake was en zijn
+zal, behooren dus alle tot die, die "een spoor hebben achtergelaten."--
+
+[48] H. Roland Holst, J.J. Rousseau. Blz. 36.
+
+[49] Confessions.--Cursiveering van mij.
+
+[50] Er is nog een andere en zeer _beteekenisvolle_ zijde aan de zaak,
+welke echter pas belicht kan worden bij de behandeling der Le
+Vasseur-figuur.
+
+[51] Confessions.
+
+[52] Confessions. Cursiveering van mij.--
+
+[53] Ik geloof, dat dit over 't algemeen het "wilde" leven van vele
+groote artisten verklaart. Men zie overigens mijn 3den "Brief over
+Literatuur."
+
+[54] Dans ces temps-la même où Rousseau entretenoit l'Europe de ses
+souffrances, _je ne l'ai jamais vu incommodé_; il cheminoit, gambadoit,
+atteignoit avant les autres le sommet des montagnes, et mangeoit de fort
+bon appetit" (d'Escherny, geciteerd bij Petitain.)
+
+[55] d'Escherny.
+
+[56] Schetsen en Critische opstellen, blz. 149--150.
+
+[57] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 87: "Het wordt tijd dat
+eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen minder
+bevooroordeeld door _klassegevoel_," enz. enz.
+
+[58] H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 82.
+
+[59] G. Petitain, Appendix aux Confessions.
+
+[60] H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 252.--
+
+[61] Ibid., blz. 83.--
+
+[62] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 83.
+
+[63] Confessions. Cursiveering van mij.--
+
+[64] Confessions. Cursiveering van mij.--
+
+[65] Confessions.--
+
+[66] Confessions.--
+
+[67] Men zie eens wat Petitain, in een noot bij de Confessions, van de
+d'Houdetot-geschiedenis met betrekking tot Thérèse zegt. En deze
+schrijver is waarlijk geen vriend van Thérèse.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [p.190]
+
+
+IV.
+
+Conclusiën.
+
+
+Enige overwegingen, verband houdend met den meer practischen kant van
+het leven onzer tijden, mogen dit opstel besluiten; overwegingen, die
+eensdeels de literaire onderrichter van het intelligent en talrijk in
+den Diamantbewerkersbond georganiseerd proletariaat, anderdeels de
+letterkundige criticus, het óók op ervaring steunend recht meent te
+hebben, hier zonder omwegen te uiten: Indien de marxistische aesthetiek
+verderfelijk is voor de kennis van de waarheid, zoowel betreffende den
+aard van het Scheppend Vermogen der kunstenaars als van hun werken, hòe
+verderfelijk zal zij dan wel niet zijn voor de opvoeding tot
+kunstgenieten van breede volkslagen, wier uitteraard blinde en
+strompelende oordeelskracht, het den bodem besnuffelende hondje dezer
+kunstleer cadeau krijgt, om haar te leiden!
+
+Dàt is wel het meest beteekenende aller dingen, die met dit geheele
+vraagstuk in verband staan. Dàt is wel de voornaamste vraag, die zich
+aan elken onderzoeker dier aesthetiek zal voordoen, de voornaamste ook
+die ik zag, maar niettemin het laatst te berde bracht, omdat ik wilde,
+dat mijn voorafgaand betoog, mij in de oogen van, ik twijfel er niet
+aan, ieder aandachtigen en onbevooroordeelden lezer het recht zou geven,
+de vraag _of_ deze aesthetiek verderfelijk is als beantwoord te
+beschouwen en slechts de _mate_, waarin [p.191] zij het is, nog voor
+discussie vatbaar te achten. Die mate!... Ik denk hier aan Francesca di
+Rimini in den _Inferno_. De wervelstorm, die haar meevoert en omvangt,
+laat haar met den geliefde even vrij, als Dante nadert; zij spreken tot
+elkander, het is een zoet oogenblik van troost voor haar, één oogenblik
+van rust.... Ik denk daar nù aan, omdat het de
+historisch-materialistische aesthetici zijn, die de Kunst verhinderen
+het omstormde proletariaat te naderen als een _verademing-brengende
+troost._ Ik denk daar nù aan, omdat zij het volk niet de kunst doen
+zien, als een machtig wezen, in zijn diepste essentie staande buiten de
+bewogenheid der tijden en hun wisseling, dat voor elken geluk en rust en
+verademing behoevenden mensch zijn armen open spreidt, maar omdat zij,
+in dwaling bevangen, haar het volk doen zien, als zèlf een macht van den
+storm, die hen omslingerend jaagt. En zóó doende--en dat is het
+jammerlijkste--laten zij het proletariaat het veredelende van den strijd
+alleen, het schokkend genot van de overwinning, het opvoedend leed van
+de nederlaag, maar ontnemen het de veredeling door de rust, de sereene
+en klare, die diepe bevrediging, welke _zuiver_ kunstgenot schenkt.--Het
+was dan ook geen kunstmaniak, geen verslaafde l'art-pour-l'art-lettré,
+die hier sprak; niet iemand, die buiten het leven staat, of wien de
+nooden en behoeften van het proletariaat vreemd zouden zijn, maar juist
+iemand, die door leven, werkkring en denken hen zeker even diep en innig
+kent als de door hem bestredenen; maar juist iemand, die vooral ter
+wille van het proletariaat, de kunst wil doen zijn, 't geen zij van
+_nature_ is, in _dezen_ tijd, gelijk in _alle_ tijden.
+
+Zoude dan voor mij: "de kunst de zin van het leven zijn," "de wereld een
+ding om afgebeeld te worden"?! Neen, neen, zóó is het niet. Maar elke
+mensch, die niet geheel van _algemeen_ inzicht is ontbloot, het leven en
+zijn broeders liefheeft en hen dienen wil, bepaalt zich er toe hen te
+dienen op die wijze als _met zijn aanleg het natuurlijkst strookt_. Dan
+_dient hij hen ook 't best_. De kunstenaar dus: door zonder bewuste
+bijoogmerken kunst te maken, en, indien hij tevens criticus is, door
+[p.192] kunstwerken in hun _essentie_ te doen begrijpen, niets meer. Het
+wijze exclusivisme van het l'art pour l'art beteekent dan ook _niet_: de
+kunst te dienen als ware zij het hoogste in het heelal en het einddoel
+van menschelijk streven, maar haar zoo te beoefenen als ieder scheppend
+werker zijn vak beoefenen moet: met volle toewijding aan, met volle
+concentratie zijner vermogens, terwijl hij werkt en schept, op het werk
+alleen; zijn aandacht zùiver houdend, opdat hij eens der wereld zijne
+schepping moge geven, bijna zóó schoon als hij haar van de Natuur
+ontving. Zóó verricht hij zijn werk het best en zóó dient hij _dus_ 't
+leven het best. Het is dan ook niet een pueriele opvatting van het
+leven, gelijk die aan de de-kunst-om-de-kunst-aanhangers
+caricaturiseerend-vervalschend wordt toegeschreven, maar het is juist
+het zien van 't leven als een oneindigheid, het is de deemoed tegenover
+het wijd-overkoepelende leven, dat hen leert zich te bepalen bij hun
+werk, klein of groot, waarvoor zij voelen geboren te zijn, en als een
+zijde worm, een kleine spin te zijn, die zijn draadje spant, zijn kleine
+webje weeft, nièts meer, dàt is genoeg ... en daarbij, zoo hun ook dat
+veroorloofd wordt, diep-tevreden, die als voltooiende gedachte te
+denken, die heerlijke zekerheid te voelen al hunne strevingen kronen:
+niet ik, zwakkeling, maar een Ander, zal eens, liefdevol, ook met mìjn
+web Menschheid's wonden stelpen, de Meesterwever ook mìjn draad in
+Menschheid's bruidskleed weven.... Wat zouden zij meer kunnen wenschen
+dan dat geluk?...
+
+ * * * * *
+
+Keeren wij nu nog èven na deze korte toelichting van het schijnbaar
+enge, maar inderdaad zeer ruime principe der m.i. meest inzichtsvolle,
+burgerlijke literaire aesthetiek, tot de diametraal daaraan
+tegenovergestelde, ons eigenlijk onderwerp, terug. Vestigen wij nog
+kortelijk op een andere, ontwijfelbaar ook gewichtige, zijde van het
+vraagstuk de aandacht. De waardeloosheid en de schadelijkheid der
+marxistisch-aesthetische begrippen voor de literaire critiek werd
+uitvoerig in dit opstel aan het werk der meest beteekenende aanhangers
+dier [p.193] begrippen, in ons land, aangetoond. Mij dunkt, dat men, na
+dàt gezien te hebben, het recht heeft te vragen: wàt zullen de mindere
+goden wel produceeren, als zij volgens deze methode gaan werken? En dat
+zullen zij! Want juist voor dezulken, die uit zich-zelf nièts over kunst
+kunnen voelen of denken, opent zij de welkome gelegenheid, om meters
+druks te vervaardigen over het _bijkomstige_ in een kunstwerk, _het
+eenige waar zij bij kunnen_, en dat niets ter zake doet! En daar ligt
+een tweede, een waarlijk niet te onderschatten gevaar van het stelsel.
+Dat gevaar, men begrijpe mij wel, ligt dus volstrekt niet daarin, dat
+deze critici de bas étage, deze phrasen-kooplui uit de literaire
+voddenkelders tendentieus zouden worden! Och neen, werden zij 't maar!
+Tendentieus zijn in den zin, waarin ik 't thans bedoel, gepossedeerd
+zijn door 't een of ander naar een hoog ideaal gericht streven, dat is
+toch après tout iets van een _voornamen_ geest.... En zij en een
+voorname geest!... Dàt zou 'n áárdige vooruitgang voor hen zijn, komaan!
+Ik heb eens hun, al zeg ik 't zelf, welgelijkend portret geteekend.
+Daardoor, gelukkig! behoef ik het thans niet meer te doen. Ik heb toen
+_aangetoond_ wat zij zijn en niet zijn. Maar wel beschouwd wàs voorheen
+iets dergelijks overbodig. Tot nu toe werd toch eigenlijk niemand hun
+dupe. Ten slotte voelde ook het botste publiek de phrase, het idiote
+volmaakt-niet-begrijpen in hun geschrijf. Want tusschen den waren, den
+kunstenaar-criticus, den eenige, die literaire critiek mag beoefenen,
+omdat alleen hij 't is, die _intuïtief_ een kunstwerk doorvoelen kan, en
+deze phraseurs was er een tè enorm verschil. Maar zoodra deze
+kunstenaar-critici zelf gaan doen alsof het literair-critisch doorvoelen
+toch eigenlijk meer een wetenschap dan een kunst is en minstens evenzeer
+een aanleerbare vaardigheid als een gave, dan ... ja, dan zullen er
+zooveel voddenkelders, zooveel broodwinningnerinkjes, zooveel muffe en
+duffe winkelhuizen vol walmende petroleumlampen en kleverige rollen drop
+en vliegenpapier voor de smoezelige ruiten verrijzen, een klit van
+voetklemmende en gordelende parasieten, rondom--o heiligschennis!--de
+kerken en [p.194] paleizen der literatuur, dat de latere dichters, de
+latere schoonheidsbegeerigen zich niet zullen kùnnen neerzetten aan hun
+voet, om zich vredig en niet-gestoord weg te denken in 't leed, in de
+vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie hen schiepen,
+tenzij dan dat er een opsta onder hen, die mokerend heel dien
+achterstegen-bouw weer tot puin verbrijzelt.
+
+Aug.--Sept. 1913.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VERTALINGEN BEHOOREND BIJ "HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITTERAIRE
+KRITIEK" [p.195]
+
+Blz. 101 _Mestra_:
+
+Dochter van den koning Erisychtheion. Men zie de _Metamorphosen_ van
+Ovidius Naso.
+
+Blz. 123 _There are_:
+
+Er zijn veel dichters, die nimmer hebben geschreven.
+
+Blz. 137 _Then from_:
+
+"Toen uit de spelonken van mijn droeve jeugd ik sprong," enz.
+
+Blz. 148 _C'est le pardon_:
+
+Het is de vergiffenis om der wille van de glorie.
+
+Blz. 149 _Je me suis montré_:
+
+Ik heb mijzelf getoond, gelijk ik werkelijk was, verachtelijk en laag,
+wanneer ik zoo ben geweest; goed, grootmoedig, indien ik aldus was. Ik
+heb mijn innerlijk ontsluierd, zóó als gij zelf het hebt gezien, Eeuwig
+Wezen. Vergader rondom mij de ontelbare menigte mijner medemenschen; dat
+zij luisteren naar mijne bekentenissen, zuchten over mijne laagheden,
+blozen over mijn ellende. Dat elk hunner op zijn beurt en in dezelfde
+oprechtheid zijn hart uitstorte aan den voet van uw troon, en dat dáárna
+één enkele het wage te zeggen: _Ik was beter dan deze_.
+
+Blz. 149 _à tout prendre_:
+
+Alles bij elkaar genomen, ben ik een uiterst goed mensch.
+
+Blz. 156 _L'Année suivante_:
+
+Het volgend jaar, 1750, toen ik heelemaal niet meer aan mijn
+verhandeling dacht, vernam ik, dat zij te Dyon bekroond was. _Deze
+tijding deed al de denkbeelden, die mij bij het schrijven hadden
+vervuld, opnieuw ontwaken en bezielde hen met nieuwe kracht...._
+
+Blz. 156 _Tandis que je philosophois_:
+
+Terwijl ik aldus philosopheerde over de plichten van den mensch, dwong
+een gebeurtenis mij beter na te denken over mijne eigene. Thérèse werd
+voor de derde maal zwanger. Te oprecht tegenover mij-zelf en innerlijk
+te fier om mijne principes [p.196] in mijn daden te verloochenen, zette
+ik mij er ernstig toe, over het lot mijner kinderen na te denken.
+
+Blz. 157 _D'ailleurs les principes élévés_:
+
+Bovendien moesten mij wel de hooge principes, die ik mij had eigen
+gemaakt, boven dergelijke laagheden verheven doen zijn, en het is dan
+ook zeker, dat ik dat sedert dien gewoonlijk wel geweest ben. Maar dit
+vond toch niet zoozeer zijn oorzaak daarin dat ik de verleiding zou
+hebben overwonnen, maar veeleer in het feit, dat ik de oorzaak der
+verleiding vermeed en ik zou zeer bevreesd zijn evenzoo te stelen als in
+mijn kindschheid, zoo ik weer aan dezelfde begeerten onderworpen werd.
+_Het bewijs daarvan had ik ten huize van den heer de Mably_.
+
+Blz. 159 _Il faut que_:
+
+Mij moet wel trots de meest eerbare opvoeding een sterke neiging tot
+ontaarden eigen zijn geweest, want dat voltrok zich heel snel en zonder
+eenigen innerlijken weerstand te ontmoeten, en nimmer verviel eenig
+vroegrijp Cesar zoo snel tot een Laridon.
+
+Blz. 159 _délire inconcevable_ = onbegrijpelijke razernij.
+
+Blz. 159 _délire_ = razernij, delirium.
+
+Blz. 160 _De tout ce que_:
+
+Van alles wat ik tot hiertoe gezegd heb is er in alle plaatsen, waar ik
+geleefd heb, eenig spoor achtergebleven.
+
+Blz. 161 _Je ne regarde_:
+
+De ellende en verlatenheid beschouw ik zelfs niet als de grootste
+gevaren waaraan ik haar heb blootgesteld. Wie weet hoever op haren
+leeftijd, de moedeloosheid der belasterde onschuld iemand brengen kan?
+
+Blz. 161 _Qui sait_: = wie weet.
+
+Blz. 161 _Moi qui ne fit_:
+
+Ik, die nooit iemand kwaad deed....
+
+Blz. 163 _cette horreur du mal_:
+
+... deze afschuw van het kwaad in elken vorm, deze onmacht om iemand te
+haten of te schaden en zelfs om dat te willen; deze verteedering, die
+levendige en zachte bewogenheid, die ik bij den aanblik van alles, wat
+deugdzaam, grootmoedig en beminnelijk is, gevoel--kan dat alles in een
+en dezelfde ziel bestaan naast de verdorvenheid, die zonder eenig
+gewetensbezwaar de lieflijkste der plichten met voeten treedt? Neen, ik
+voel het en spreek het luide uit: dat is niet mogelijk. Nooit heeft Jean
+Jacques één oogenblik van zijn leven een man zonder gevoel, zonder
+erbarmen, een ontaard vader kunnen zijn. Zeer zeker heb ik mij kunnen
+vergissen, maar mij verstokken niet. Zoo ik mijne redenen zeide, ik zei
+te veel. _Daar zij mij immers hebben kunnen verleiden zouden zij dat ook
+vele anderen kunnen doen; ik wil de jongeren, die mij eens zouden kunnen
+lezen, er [p.197] niet aan blootstellen, het slachtoffer van dezelfde
+dwaling te worden_.
+
+Blz. 164 _petites bonnes gens_ = goede luidjes.
+
+Blz. 164 _grand hommes de nos jours_ = groote mannen onzer dagen.
+
+Blz. 164 _les raisons déterminantes_ = de beslissende redenen.
+
+Blz. 164 _Out of season_ = misplaatst.
+
+Blz. 165 _jeunes gens_ = jonge lieden.
+
+Blz. _16$ Enfants-Trouvés_ = Vondelingenhuis.
+
+Blz. 167 _Si jamais rêve d'un homme eveillé_:
+
+Zoo ooit de droom van iemand in wakenden toestand een prophetisch
+visioen geleek, dan was het wel deze.
+
+Blz. 167 _et ce qui m'a frappé_:
+
+En wat mij het meest in de herinnering aan deze mijmering heeft
+getroffen, was, dat toen zij zich verwezenlijkt had, ik mij van precies
+dezelfde voorwerpen omringd vond als die ik mij destijds had verbeeld.
+
+Blz. 167 ... _la peur de l'enfer:_
+
+... de vrees voor de hel maakte mij nog dikwijls opgewonden. Ik vroeg
+mij af: In welken staat ben ik? Zoo ik op dit oogenblik-zelf stierf, zou
+ik verdoemd worden? Ik zei tot mij zelf: Ik zal dit steentje tegen dien
+boom daar vlak tegenover mij werpen, zoo ik hem raak, is dat een teeken
+van heil, mis ik hem, dan beduidt het verdoeming. Aldus sprekend werp ik
+mijn steentje _met bevende hand en terwijl mijn hart vreeselijk
+klopte.... Sedert dien heb ik niet meer aan mijn zaligheid getwijfeld_.
+
+Blz. 168 _Fontaine de Hiéron_: een instrumentje om goocheltoeren mee te
+doen.
+
+Blz. 170 _Lapidation_: steeniging.
+
+Blz. 170 _Dans ces temps-la:_
+
+In diezelfde tijden, waarin Rousseau Europa met klachten over zijn
+kwalen bezig hield, _heb ik hem nooit ongesteld gezien_; hij stapte
+voort, maakte luchtsprongen, bereikte vóór de anderen de bergtoppen en
+at met zeer goeden eetlust.
+
+Blz. 171 _Il partit donc_:
+
+Hij vertrok dan en verliet dengeen, wiens hart hij had gewonnen.
+
+Blz. 171 _Lascia le donne e studia matematica_ = Laat de vrouwen maar
+met rust en bepaal je ertoe wiskunde te studeeren.
+
+Blz. 176 _La manière dont elle s'est conduite_:
+
+De wijze, waarop zij zich na zijn dood heeft gedragen, zou voldoende
+zijn elken twijfel op te heffen, indien wij ons niet reeds volkomen
+zeker voelden door het eensgezinde getuigenis van allen, die Rousseau op
+verschillende tijdperken zijns levens hebben bezocht. Het staat dan
+vast, dat zoowel te Motiers als te Wootton en overal, waar zij haar
+meester heeft gevolgd, ze, tot in zijn laatste oogenblikken, haar best
+heeft gedaan, argwaan [p.198] en wantrouwen in hem te verwekken en te
+voeden en dat zij met het doel, met niemand zijn vertrouwen te moeten
+deelen en hem aldus beter te kunnen beheerschen, allen verdacht bij hem
+maakte, die in zijn nabijheid kwamen en erin slaagden, hem te behagen.
+Wat moet deze vrouw, die, toen zij zich te Motiers verveelde, niets
+verzuimde te doen wat er Rousseau het verblijf onverdragelijk kon maken,
+wel niet gedaan hebben in de eenzaamheid van Wootton, waar haar niets
+zoozeer na aan het hart moet hebben gelegen dan hem in de
+noodzakelijkheid te brengen, het te verlaten. Men kan dan ook verzekerd
+zijn, dat zij, om meer schijn van waarheid aan haar lasterlijke en
+valsche ingevingen te verleenen, de zegels van de aan haar meester
+gerichte brieven verbrak, die, dupe van dezen streek, er duizend
+gevolgtrekkingen uit afleidde, de eene nog vreemder dan de andere, over
+wier zonderlingheid zich echter niemand, die dit alles in aanmerking
+neemt, langer verwonderen kan.
+
+Blz. 177 _Hume, Mercier_:
+
+Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, allen, die over Rousseau hebben
+geschreven, zijn 't op dit punt eens.
+
+Blz. 179 _Je n'avois cherché d'abord:_
+
+Aanvankelijk had ik niets meer beoogd dan mij een _amusement_ te
+verschaffen. Ik _merkte_ echter, dat ik meer had gedaan en mij een
+gezellin had gegeven. Een weinig omgang met dit uitmuntende meisje, een
+weinig nadenken over mijn toestand, deden mij gevoelen dat ik, _slechts
+denkend aan mijn vermaak_, mijn geluk had gevonden.
+
+Blz. 179 _Autrefois j'avois fait_:
+
+Vroeger had ik van haar uitdrukkingen een woordenboek samengesteld, om
+Mevrouw de Luxembourg te amuseeren, en hare kluchtige vergissingen zijn
+dan ook beroemd geworden in de kringen, waarin ik heb geleefd.
+
+Blz. 180 _Enfin nous nous expliquâmes_:
+
+Eindelijk vond er een verklaring tusschen ons plaats: schreiend bekende
+zij mij een enkelen misstap, vrucht van hare onwetendheid en de sluwheid
+van een verleider, tegen het einde harer kindsheid gebeurd. Zoodra ik
+haar begreep, slaakte ik een vreugdekreet. Maagdelijkheid! riep ik uit,
+wie zou die dan in Parijs, bij een twintigjarig meisje nog denken te
+vinden!
+
+Blz. 181 "_Une faute_":
+
+"Een vergrijp," zegt Petitain, "dat zij hem grootmoediglijk heeft
+vergeven."
+
+Blz. 182 _Je m'y déterminai gaillardement_:
+
+Luchtig-weg nam ik het besluit, en zonder het minste gewetensbezwaar;
+het eenige, dat ik had te overwinnen, was dat van Thérèse, die ik al de
+moeite van de wereld had, dit eenige middel, om haar eer te redden
+(sic!) te doen aanvaarden. [p.199] Het volgend jaar dezelfde zwarigheid
+en dezelfde uitweg, slechts vergaten wij ditmaal een naamcijfer aan de
+kleertjes te hechten. (Met behulp van zulk een naamcijfer kon men dan
+later, als een kind door de ouders werd opgeëischt, dit onder de menigte
+der in de vondelingenhuizen verpleegden terugvinden, v.C.) Overigens
+niet meer nagedachten mijnerzijds _noch goedkeuring_ van den kant der
+moeder: _kermend gehoorzaamde zij._
+
+Blz. 186 _Refroidissement dans Thérèse_ = Verkoeling in Thérèse.
+
+Blz. 186 "_une cerbère odieuse_" = een afschuwelijke Cerberus.
+
+Blz. 188 _Ingrat_: ondankbaar.
+
+
+ * * * * *
+
+
+II DIDACTISCH [p.203]
+
+
+ * * * * *
+
+
+VOORWOORD
+
+
+Het woord _didactisch_, vóór dit gedeelte van den bundel geplaatst, moge
+veel van aard en bedoeling der navolgende opstellen benevens de
+uitvoerigheid der daarin voorkomende analysen en de lengte der citaten
+verklaren--zekere eigenaardigheden van stijl en inhoud: de gemeenzame
+toon en de, feitelijk buiten het gebied der literatuurcritiek liggende,
+min of meer moraliseerende uitweidingen, eischen, dunkt mij, willen zij
+niet ontstemmend op een algemeen lezerspubliek werken, nog korte
+toelichting. Deze opstellen, op een enkele uitzondering na, werden
+geschreven voor en verschenen in _Het Jonge Leven_, het onder redactie
+van den heer Henri Polak staande _ontwikkelingsblad_ van den A.N.D.B.
+Houdt de lezer dit in het oog, dan zal hij zich nu ongetwijfeld zoowel
+de aanwezigheid der bovengenoemde lichtelijk moraliseerende gedeelten
+kunnen verklaren--immers tot mijn lezerspubliek behoorden ook _zeer
+jonge lieden_, wien mijn gevoel mij drong het eene, dat zij al evenzeer
+van noode hebben als het andere, niet te onthouden, terwijl ik hun dat
+andere gaf--als den, hier en daar heerschenden, gemeenzamen toon, dien
+ik mij zeker niet zou hebben veroorloofd tegen een algemeen publiek aan
+te slaan, gesteld al, dat ik daartoe neiging zou hebben gevoeld, 't geen
+niet waarschijnlijk is. Hoe geheel anders echter lag hier het geval!
+Zelden heb ik bij het schrijven dezer opstellen het gevoel gemist, voor
+een _vriendenkring_ te schrijven, en allerminst toen ik de zekerheid
+kreeg, dat de _ouderen vooral_ [p.204] mijne artikelen met genegenheid
+en aandacht lazen, een omstandigheid die mij bevestigde in de
+overtuiging, dat zij ook buiten de grenzen van den A.N.D.B. een invloed
+konden uitoefenen, die het doorvoelen en begrijpen van literatuur in ons
+land, ten goede komen kan. En moge menigeen glimlachen bij de gedachte,
+dat deze "vriendenkring" van lezers zeker wel niet onder de
+twintigduizend menschen tellen zal, niet hij die de eensgezindheid in
+den A.N.D.B. kent, de georganiseerde verwerkelijking van het zoo
+moeilijk te verwezenlijken "Een voor allen en allen voor een", de
+onderlinge trouw en het ver boven materieel winstbejag uitgaande gevoel
+van saamhoorigheid; niet hij, die wel eens een "Bondsvergadering" heeft
+bijgewoond, waar al die duizenden wel elkaar schenen te kennen, en als
+vrienden zoo gemoedelijk-intiem, voor de opening der bijeenkomst in
+rustig vertrouwen met elkander praatten; waar bij alle soms hooggestegen
+verschil van meening, nooit de kalm-zekere genegenheid van de
+blijmoedige gelaten verdween, nooit ook de joviale toon van hartige
+volksboertigheid werd gemist, als wisten al die menschen wel, dat die
+ruzietjes best en waarachtig wel als kleurige verzetjes op den effen en
+diepen stroom hunner eensgezindheid mochten drijven en wat rook en roet
+uitpuffen ook, wel ja--wat hinderde dat die breede en klare rivier! Hoe
+vaak heb ik daar blijde van de naar het podium in den lichtglans
+omhooggeheven gezichten gelezen die wellicht soms nauwelijks bewust maar
+enorm sterk werkende zekerheid, hier schouder aan schouder met vrienden
+en niets dan vrienden te staan, hier veilig te staan in éénheid en door
+noest werken veroverde macht, hier heerlijk de menschen-waarde van
+zich-zelf en zijn lotgenooten te voelen, herwonnen op broodnijd, plat en
+bruut individualisme en concurrentie-haat.--Welnu, dit alles bedenkend,
+zal, vertrouw ik, de lezer zich door het gemeenzame in den toon der hier
+navolgende opstellen niet gekwetst voelen niet alleen, maar ook,
+begrijpend, hoe het voortsproot bij den schrijver niet uit een zich
+hooger voelen, doch uit een diepe en innige genegenheid, 't billijken,
+dat hij uit piëteit voor eigen gevoel--de [p.205] eerste plicht eens
+schrijvers!--het liet zoo het was.
+
+Is hiermede mijn inlichtend woord tot den lezer van dit deel van den
+bundel geëindigd, de overtuiging, dat "wie aan den weg timmert veel ...
+bekijks heeft" legt mij de verplichting op, hier nadrukkelijk het
+volgende te verklaren: zoo dit mijn werk een blijvend nut zal blijken te
+hebben gebracht; zoo er harten door zijn opengebloeid in liefde tot het
+schoone, geesten erdoor gebracht zijn tot het begrijpen en doorvoelen
+van kunst, dan prijze men hen vooral, die de gelegenheid ertoe schiepen:
+het Bestuur van den A.N.D.B. en in de allereerste plaats zijn
+voorzitter, den Redacteur van _Het Jonge Leven_, mijn waarden en
+geëerden vriend Polak, die door de ruime en hooge opvatting van zijn
+taak, het rijke genot, voor mij aan mijn arbeid verbonden, zéér heeft
+verhoogd en dus niet weinig tot het welslagen zal hebben bijgedragen;
+doch zoo het mocht blijken te hebben gefaald, dan prijze men hen niet
+minder, maar _lake uitsluitend mij_, die in volkomen onafhankelijkheid
+schrijvend wat ik wilde, een van de kostbaarste gelegenheden, zij het
+met de beste bedoelingen, zou hebben misbruikt.
+
+Maart 1914. DE SCHRIJVER
+
+
+ * * * * *
+
+
+HOE LITERAIRE KUNST GELEZEN EN GENOTEN MOET WORDEN[1] [p.206]
+
+
+Ik wil nu met u spreken over literatuur, haar wezen, haar verhouding tot
+eenige andere grootmachten van het geestelijk leven, het geluk en de
+veredeling, die zij geeft en hoe deze in u komen kunnen. Wat ik daardoor
+wellicht vermag, is: u haar te doen begrijpen met uw _verstand_. Het
+geluk en de veredeling, waarvan ik sprak, zult ge echter niet deelachtig
+worden voor gij haar zult begrepen hebben met uw _gevoel_. Is dat
+gebeurd--tegelijkertijd zijn zij in u. En gij zult een rijkdom, een
+troost, een toevlucht bezitten, wier weelde, wier innigheid, wier
+beveiliging aan niets geleken kan worden, dat ge vóór dien bezat. Maar
+ook het eerstgenoemd begrijpen is geen geringe winste, en zal voor
+sommigen uwer allicht het middel blijken te zijn, het laatstgenoemde te
+bereiken. Veel zal afhangen van uw aanleg, uw ernst, uw wil, uw al of
+niet inzien van de waarheid, dat op dat hooger levensplan, waarop wij
+allen toch wenschen, dat ge eens zult staan, dit begrijpen noodig is als
+bróód, als wèrk. De bibliotheek-statistiek van onzen Bond is niet
+bemoedigend. Ware die de steunstaf van mijn hoop, zij deed beter met
+niet op weg te tijgen; zinnelijkheid en lust tot grof romannetjes-
+geprikkel, verlangen naar verhit "geboeid"-zijn, deze, leert die
+statistiek, zitten bij de massa uwer voor, zijn haar raadgevers bij het
+boeken-kiezen. Maar mijn hoop [p.207] leunt op een anderen staf: de
+adeldom van uw strijd, de worsteling uwer klasse. Die strijd is ook de
+groote Drijver, die u drijft. Zelf edel, stoot hij u het edele van het
+leven tegemoet. Hij de hijgend zwoegende, bezweet en zwart, worstelt uw
+massa òp de hooge wegen, waar de blanke, lichte gedaanten staan:
+Wetenschap, Kunst, Vrijheid. Gij moogt weerstaan of niet, hij stóót u
+op. En telkens gaat zijn vorschersblik omhoog en zwaar ademend berekent
+hij den afstand, de terugwenteling stuitend op zijn reuzenborst; dan
+ziet hij weer naar ons, de medehoeders, mede-werkers, die in spanning
+wachten of zij mogen helpen.... Soms mogen wij dan, een enkel maal
+kunnen we.... Dit stuk wil zulk een hulp zijn.
+
+ * * * * *
+
+Begin met dit goed te begrijpen: een voorwerp is altijd min of meer voor
+_eenige_ doeleinden geschikt. Al naar uw inzicht, oogenblikkelijke
+behoefte, of door noodzakelijkheid gedreven, zult ge 't voor een dier
+doeleinden gebruiken, maar afgezien van waarvoor gij 't gebruikt zal het
+_uit zijn eigen aard_ voor een of eenige van die verschillende
+doeleinden _het meest_ geschikt zijn. En luister nu goed: wendt ge 't
+aan, waartoe 't _het meest_ geschikt is, dan _ge_bruikt ge 't, wendt ge
+'t echter voor iets anders aan, dan _mis_bruikt ge 't. Ten overvloede,
+zoo ik meen, zal ik u dit met een concreet voorbeeld verduidelijken: een
+tafel, niet waar, kunt ge als tafel, maar ook als stoel, maar ook als
+brandhout gebruiken! Behoef ik U nu te zeggen, dat ge hem alleen als
+tafel gebruiken, als stoel of als brandhout slechts misbruiken kunt?!
+Zoo is 't op stoffelijk, maar zóó ook op geestelijk gebied. Nemen we nu
+ook een concreet voorbeeld op geestelijk gebied en kiezen we daartoe een
+roman, _welke tevens een literair kunstwerk is_, Zoo'n roman dan is een
+geschiedenis van zekere menschen. Die menschen, die natuurlijk ook
+spreken in dien roman, verkondigen meeningen; het blijkt u, dat ge 't
+eens zijt met die meeningen, of dat ge 't oneens zijt, ja, ze zelfs
+verfoeit! Verder: de toestand, waarin de menschen in dien roman
+verkeeren, schijnt u te pleiten vóór uwe overtuiging of
+levensbeschouwing, [p.208] of wel daartégen; of: er worden door die
+roman-menschen sexueele handelingen gepleegd, waarvan het meer of minder
+uitvoerig relaas ùwe zinnelijkheid prikkelt. Waartoe moet die roman, die
+dit alles doet, vertelt en bevat, _maar ook een kunstwerk is_, u nu
+dienen? Moet ge blij zijn, omdat die roman-menschen meeningen
+verkondigen, die met de uwe strooken, of treurig zijn om het tegendeel?
+Moet ge verheugd zijn, omdat de toestand, waarin die roman-menschen
+verkeeren, vóór uw levensbeschouwing pleit, of verdrietig en toornig,
+wijl hij ertegen schijnt te bewijzen? Moet ge door 't relaas der
+sexueele handelingen uwe zinnelijkheid làten prikkelen? _Of wel, moet ge
+dien roman als_ KUNSTWERK _op u laten inwerken_ en dus ervan hebben:
+dat hooge geestelijke genot, die veredeling, die vèr van kleine
+blijdschap, vèr van toorn, vèr van verdrietelijkheid, vèr van
+innerlijken strijd zijn: een zoete effenheid, toch niet zóó effen of zij
+rimpelt heuveltjes van glinsterende verrukking op, als een deinend water
+onder zonlicht?
+
+Behoef ik U nog wel te zeggen, dat die roman, _die een kunstwerk is, het
+meest uit eigen aard_ geschikt is, om _als kunstwerk_ te worden genoten
+en dat ge hem dus _mis_bruikt en niet _ge_bruikt, zoo ge iets anders er
+mee doet! En hoedt u voor misbruik van geestelijken rijkdom! Ge kent wel
+het begin der schade, maar het verre einde niet: de algeheele verwarring
+van denkbeelden, het ongemerkt-langzaam maar zeker verergerend gebrek
+aan onderscheidingsvermogen, de verstomping en verblinding van het
+verstand en het gevoel door eenzijdige ontwikkeling. Misbruik is
+verspilling, en een opkomende en worstelende klasse heeft niets, geen
+splinter zelfs, te verspillen.
+
+ * * * * *
+
+"Maar," vraagt ge nu, "hoe bereiken we dit, zulk een roman als kunstwerk
+te genieten. Wij erkennen, we voelen ons verheugd als het verhaal en de
+toestand der menschen in het verhaal vóór onze levensbeschouwing, vóór
+onze politieke inzichten, vóór de juistheid van ons geloof of ongeloof
+pleiten, [p.209] toornig en verdrietig vaak bij het tegenovergestelde.
+Ja, wij erkennen, dat er onder ons menigeen is, die leest, om zijn
+zinnelijkheid te prikkelen. Zeg gij ons nu hoe we dit alles vermijden
+kunnen en hoe we kunnen geraken tot dat hooge genot, dat gij bedoelt.
+Want als gij zegt, dat deze onze blijdschap en onze toorn, dit ons leed
+en ons verdriet niets met kunstgenot te maken hebben, ja, dat we dit
+laatste zelfs kunnen hebben van een kunstwerk, welks geheele inhoud
+lijnrecht tegen onze inzichten schijnt in te druischen, dan begrijpen
+wij zelfs niet wàt kunstgenot is."
+
+Welnu, ik verlang niets liever dan u dit alles duidelijk uiteen te
+zetten. Juist met die bedoeling heb ik mij nu aan het werk gezet. En
+indien ge maar welwillend en met volle aandacht naar mij luisteren wilt,
+dan kàn ik 't ook. Want ik zeg niet quasi-bescheiden, dat ik 't méén te
+weten, maar ik zeg stellig en vast, omdat ik 't aldus vòèl, dat ik 't
+onwrikbaar zeker weet. Gij zult ook later inzien, dat de meening van
+velen voor wie gij hoogen eerbied hebt en die dien eerbied ten volle
+verdienen, met de mijne in strijd is. Maar daarom moogt ge nù niet aan
+mij twijfelen, doch daar ik uw raadsman ben, aannemen wat ik zeg, tot
+ge-zelf oordeelen kunt tusschen hen en mij. Bij eenigen uwer, begaafden,
+zullen mijn woorden als een voleindende verheldering zijn. Zij zullen
+plotseling veel in hun eigen voelen begrijpen, wat hun verstand tot nu
+toe niet verklaren kon. Dezen hebben met hun gevoel begrepen, vóór zij
+'t met hun intellect konden doen. Bij de anderen zal mijn betoog echter,
+gelijk reeds werd gezegd, slechts een begrijpen-met-het-verstand
+veroorzaken, vóór ook dezen zich-zelf tot een begrijpen-met-het-gevoel
+zullen gebracht hebben, zullen zij niet mogen oordeelen.
+
+ * * * * *
+
+Zie eerst het onderscheid tusschen wetenschap en kunst: Wetenschap is:
+het onderzoekende, betoogende en bewijzende. Kunst is: het
+intuïtief-ontvangende en het in-schoonheid-en-blijdschap-herscheppende.
+_Vraag daarom aan de kunst geen [p.210] onderzoek, geen betoog en geen
+bewijs. Vraag haar schoonheid en afspiegeling van scheppingsvreugde
+alleen_.
+
+Wetenschap is het keurende, schiftende, scheidende. Kunst echter is het
+alles-omvattende. _Verwonder u daarom niet, dat_ ALLES _wat bestaat in
+haar verheerlijking wordt opgenomen_. Wat bestaat in de stoffelijke en
+wat bestaat in haar eigen verbeeldingswereld. Zij herschept en
+verheerlijkt--want dit is één voor haar--zoowel het kleine leven der
+dieren. (_Maeterlinck_) als het supreme leven der onstoffelijke werelden
+(_Dante_). Zij herschept en verheerlijkt een rottend lijk (_Velasquez_)
+zoowel als het heerlijkst ontbloeien van jong leven (_Herman Gorter:
+Mei_, bijv. en ontelbare Anderen.) Zij herschept en verheerlijkt de
+diepste afgronden van het misdadige en zinnelijke denk-voelen (_Les
+Chants de Maldoror_) zoowel als het tegelijkertijd heerlijke en
+smartvolle zich verliezen in een ander, wat een zeer liefdevolle en
+hooggestegene bereikt heeft (_Epipsychidion_ van _Shelley_). Gij ziet,
+ik bewéér niet, dat zij dit alles doet, maar ik bewijs het u. Wat is
+haar dan "onderwerp," wat zijn haar "meeningen" en "overtuigingen"! En
+wat mogen zij u dan zijn, terwijl gij tot haar komt, gij, die haar wilt
+genieten! Zij herschept het alles in vreugde en die vreugde is om hare
+eigen scheppingskracht. _Die vreugde te hergenieten, dat is het
+kunstgenot_. Ik zal u ook van deze stelling, voor zoover dat kan, een
+verduidelijkend voorbeeld geven: In een vriendenkring, waartoe ik
+behoorde, las een voor uit Gorter's _Mei_--Balders afscheid van Mei.
+--De voorlezer was zoo door aandoening overmand, dat over zijn gelaat
+die eigenaardige huiveringen bleekten en om zijn lippen die glimlach
+van opperst en edel geluk was, welke aan de gelaatsuitdrukkingen van de
+Verklaarden der middeleeuwen, in religieuse extase, doen denken. Toen
+hij geëindigd had en vrijwel uitgeput en zwaar uitademend met gebogen
+hoofd voor zich staarde, de edele glimlach tot een trek van
+moeheid-door-geluk vervaagd, zei een der vrienden tot hem: "Jij had den
+glimlach van het genie van den maker op je gezicht." En zoo was 't ook:
+hij had 't opperst kunstgeluk gehad. Want, nog eens: Het opperst geluk,
+door kunst te [p.211] verkrijgen, is: _het hervoelen van de verrukking,
+die de schepper van het kunstwerk bij het scheppen had_.
+
+ * * * * *
+
+Noodwendig moet nu echter, na dit alles te hebben gelezen, een twijfel
+in u ontstaan. "Kunst verheerlijkt dus wat zij herschept," zoo zult ge
+vragen, "kunst maakt dus mooier wat zij ziet, zij siert dus op, wat is
+dat anders dan de dingen leugenachtig voorstellen?! Trouwens, zij moet
+wel alles in een begoocheling zien, hoe kan zij anders, een rottend lijk
+afbeeldend, een schoon kunstwerk maken!"
+
+Dien twijfel zal ik nu van u wegnemen: Het zien der kunst ont-dekt de
+hoogste door menschen te doorvoelen waarheid, maar ùw zien stelt u de
+dingen leugenachtig voor. Gij ziet ze oppervlakkig, kent ze niet in hun
+èchte, dièpe wezen, noch in hun samenhang met het andere; de kunst
+echter ziet ze in hun menschelijk-erkenbaar diepste wezen, kent ze bij
+intuïtie tot in dièn grond van hun aard èn in hun samenhang met het
+andere.[2] _En overal, waar die diepste aard van een ding gekend en
+allernauwkeurigst weergegeven wordt, is die_ WEERGAVE _en de_ DAAD
+_van het_ WEERGEVEN: _Schoonheid. En die schoonheid is de
+verheerlijking_.
+
+Weer een voorbeeld: waarom zijt gij, die dit leest, zoo vaak
+gedachteloos en zonder iets te voelen door uchtend- of avondschemering
+gegaan en waarom zijt ge dan zoo verrukt en voelt zoo vreemde raadsels
+in háár èn in u-zèlf, als een kunstenaar ze heeft herschapen? Omdat die
+kunstenaar haar diepste essentie heeft doorvoeld en dat diepe wezen
+heeft afgebeeld. Heeft hij die avondschemering nu vermooid en opgesierd?
+Neen, neen, dan zoudt gij die beelding als een leugen voelen. Maar
+integendeel, gij voelt, dat u nu eerst de oogen opengaan, dat ge pas nù
+de wáárheid ziet. En ge bekent u-zelf, [p.212] dat hij haar heeft
+gegeven, zooals zij wèrkelijk was, gij echter slechts, om eens zoo te
+spreken, haar altijd aan 'r oppervlakte hadt gezien en dus niet, zooals
+zij wèrkelijk was.
+
+ * * * * *
+
+"Maar," zoo zult ge nu vragen, "als dit alles zoo is, waarom komt het
+dan zoo dikwijls voor, dat één kunstenaar zich, bijvoorbeeld,
+uitsluitend aangetrokken voelt tot het afbeelden van bloemen, 'n ander
+tot het afbeelden van menschen, een derde weer zich alleen tot dieren
+bepaalt. Hun moest toch alles even lief zijn, daar zij van alles, het
+eigen, diepe wezen eens ontdekt, een kunstwerk scheppen kunnen? Maar dit
+niet alleen: als deze kunstenaar zich dus al afwendt van het eene en die
+van 't andere, hoe kunnen wij, niet-kunstenaars, dan in alles de
+schoonheid zien en de blijdschap erom voelen?!" En ziehier mijn
+antwoord: de gewoon-menschelijke neigingen van den kunstenaar, de graad
+van ontwikkeling zijner psychische gaven zullen bepalen, dat voor het
+verborgen, eigen, diepe wezen van het eene ding zijn oogen geopend, voor
+dat van een ander ding zijn oogen gesloten zullen zijn, dit laatste zal
+hij dus niet in kunst kunnen herscheppen. Met u is het echter anders
+gesteld: van u wordt niet geëischt, dat gij de omhulde diepte van de
+dingen in de natuur _ont_hullen zult. Van u wordt slechts geëischt, dat
+gij dat diepe wezen zien zult _zooals het, reeds door den kunstenaar
+onthuld, in een kunstwerk voor u staat_.
+
+Indien een kunstenaar niet tot het kernwezen van bijv. menschen kan
+doordringen, dan beteekent dit, dat de uiterlijke verschijningsvorm van
+die menschen iets in zich heeft, wat hèm dat belet. Indien gij echter
+een _kunst_afbeelding van menschen voor u krijgt, dan kan er in den
+uiterlijken verschijningsvorm van die menschen niets zijn, dat U dit
+belet, om de eenvoudige reden, dat--er geen alleen-uiterlijke
+verschijningsvorm meer is en de innerlijke met volle openbaring van
+kernwezen daarvoor in de plaats is getreden!
+
+[p.213] Zoo meen ik u dus, voor zoover het mij in dit korte bestek
+mogelijk was, te hebben aangetoond: het wezen van kunst; de aanwezigheid
+van scheppingsvreugde bij het scheppen van een kunstwerk; dat het
+hoogste kunstgenot het hervoelen van die scheppingsvreugde en het
+beschouwen van de scheppingsdaad in haar bewegingen is; dat men daartoe
+komt door de hooge waarheid van een kunstwerk in te zien; dat de
+heerlijkheid en schoonheid van iets in kunst gebeeld, bestaan uit de
+allernauwkeurigste, innigst-ware weergave van het meest eigene, diepe
+van dat iets. Hiermede heb ik de hoofdzaken gerecapituleerd. Maar nog
+niet heb ik u duidelijk genoeg gezegd, hoe ge u zelf opvoeden en
+op-leiden kunt tot dat zóó-zien van een kunstwerk, tot dat zóó-hervoelen
+der scheppingsvreugde. En dit zal ik nu doen.
+
+ * * * * *
+
+Er is zeer veel overeenkomst tusschen een kunstenaar en den waarlijk
+genietenden beschouwer van een kunstwerk: de kunstenaar beschouwt,
+doorgrondt, herschept en voelt vreugde en evenzeer de
+waarlijk-genietende beschouwer, ziet, doorgrondt, erkent ten slotte als
+waar en voelt vreugde. Waar de wegen dus zoo parallel loopen en ten
+slotte zelfs eindigen in hetzelfde punt, zal het ongetwijfeld groot nut
+hebben, zoo we nauwkeurig en van nabij den weg van den kunstenaar
+bezien. Ten eerste dus: hoe geraakt een kunstenaar ertoe den diepsten
+aard van een wezen te zien? Door op dien tijd zich-zelf af te sluiten
+voor het weten der begrippen, waarin de wetenschap: ethica, politieke
+economie, enz. enz. haar waardebepaling van dat wezen heeft neergelegd.
+Hij moet dieper zien dan de ethica, de politieke economie, enz. enz.,
+hij moet de opperste, innigste, onvervreemdbaar-eigen waarde van dat
+wezen zien, en de waarde-bepalingen van de ethica, de politieke
+economie, enz. enz. kunnen hem slechts misleiden en verblinden. Hoe zou
+zich die misleiding en verblinding, in hem, uiten? Hij zou zich afkeerig
+of bewonderend, toornig of welwillend voelen. Dus niet onpartijdig en
+objectief. [p.214] En hij moet wèl objectief zijn.[3] Ten tweede: wat
+gebeurt er nu in hem, terwijl hij door objectief aanschouwen den
+waarlijk-eigen aard van een wezen of ding erkend heeft? De drang
+ontstaat in hem, om alles wat hij gezien heeft, te herscheppen. Terwijl
+hij dit doet en, al doend, voelt te zullen slagen, is er een zeer hooge
+en groote vreugde in hem, èn om de schoonheid van zijn erkennen èn om
+die zijner macht, dat wat hij erkend heeft te herscheppen. _Het zijn
+deze: de schoonheid van des kunstenaars erkennings- en
+herscheppingsvermogen, en zijn vreugde daarover, die de eigenlijke
+schoonheid van de bovengenoemde "allernauwkeurigste, innigst-ware
+weergave" zijn en dus levens, nu ten diepsten grond gepeild, de eenige
+waarachtige schoonheid van een kunstwerk uitmaken._[4]
+
+Doet een kunstenaar dit willekeurig: zich-zelf sluiten voor al wat niet
+is het doorvoelen van den eigen, diepsten aard van een wezen of ding?
+Neen, dit is hem aangeboren, hij moèt dit doen. Het is hem aangeboren
+alles te vergeten voor dit eene, terwijl hij aanschouwt en herschept.
+Een opperst concentratievermogen van het denk-voelen wordt hier
+vereischt. Zoo ergens, dan is hier het woord waar: "Niemand kan twee
+heeren dienen." Geen mensch kan schrijven om den roem, geen om het geld,
+geen om te hervormen en tegelijkertijd een kunstwerk scheppen. Alleen,
+wanneer hij op het objectief aanschouwen van den diepsten, eigen aard
+van een wezen of ding zijn geheele denk-voelen concentreert, kan hij 't.
+En omdat dit concentratievermogen zoo uiterst sterk moet zijn, kan
+niemand het door den wil verwerven, maar het moet van zelf aanwezig zijn
+en integendeel den wil beheerschen. Dan is men kunstenaar.
+
+_L'art pour l'art--De kunst om de kunst, d.w.z., dat de kunst
+uitsluitend om haar-zelfs wille en zonder eenige bijgedachte of eenig
+bijoogmerk gediend moet worden, is daarom een volmaakt juiste stelling_.
+
+ * * * * *
+
+[p.215] Hoe moet gij nu, leerend uit het bovenstaande, handelen, om de
+schoonheid van een kunstwerk te zien en de vreugde van zijn maker te
+hervoelen?
+
+Gij moet, gelijk hij, u-zelf sluiten voor alle die begrippen, waarvoor
+hij zich sluit.
+
+Waarom kunt gij dit _willekeurig_, terwijl hij dat toch niet kan? Omdat
+er een ontzaglijk groot verschil is tusschen de benoodigde sterkte van
+uw concentratievermogen en die van het zijne. Het zijne moet sterk
+genoeg zijn, om door de misleidende omhulling, tot de kern van het te
+herscheppen wezen of ding door te dringen. Voor het uwe biedt die kern,
+door hèm onthuld, open en bloot zich aan. Het uwe volstaat dus met van
+slechts zoo zwakken aard te zijn, dat het zich door ieder normaal mensch
+willekeurig door oefening laat verwerven.
+
+Wat moet gij dus, nu in bijzonderheden herhaald, _laten_?
+
+Gij moet, bij het zien van een kunstwerk, _nalaten_ eraan te denken, wat
+de zedeleer van den inhoud der voorstelling zegt, wat uw politieke
+opvatting ervan zegt, wat uw economische ervan zegt. Gij moet u _niet_
+laten beïnvloeden door het feitelijke der voorstelling: niet toornig
+gestemd, niet welwillend gestemd en niet zinnelijk worden.
+
+En wat moet gij dan _wel_ doen?
+
+Gij moet u zoo volkomen mogelijk overgeven aan het denk-voelen, dat niet
+dralen zal bij u op te komen, indien gij het bovenstaande slechts laat.
+Wat is dit denk-voelen, in woorden uitgedrukt? Ongeveer dit: "Hoe
+heerlijk waar en echt is deze voorstelling, hoe schitterend mooi en
+juist heeft de kunstenaar dit gezien en weergegeven." Dan zult gij de
+hooge vreugde hervoelen, die ook hij gevoeld heeft. En gij zult die
+vreugde voelen om het vermogen van een ander! Want in u-zelf zult gij
+juichen: Hoe blij ben ik en hoe in-gelukkig dat er zulk een mensch, die
+dàt kan, bestaat, en hoe houd ik van dien mensch....
+
+Wat is meer altruïstisch, wat veredelender dan dit....
+
+Dàn zijt ge in wáárheid kunst-genieter.
+
+ * * * * *
+
+[p.216] "Maar," zoo zult ge nu vragen, "als die stelling: "De kunst om
+de kunst" juist is. Als wij door een kunstwerk bijvoorbeeld niet langer
+het ongeluk van het proletarisch bestaan des te vlijmender mogen voelen,
+niet langer ons laten aanvuren in onzen mooien strijd, doen wij dan wel
+goed ons aan kunstgenot over te geven? Wij voelen als eersten plicht
+onzen strijd te strijden, en alles wat ons daar niet in helpen kan
+moeten wij laten."
+
+En zeker, antwoord ik, met dit laatste hebt gij gelijk. Maar de zaak is,
+waaraan gij niet denkt, dat juist het genieten van kunstgenot u helpen
+zal in uw strijd. Telkens als gij zoo zult genoten hebben, zult gij een
+beter mensch zijn geworden, al weet en voelt gij dat zelf niet dadelijk;
+een beter mensch is een sterker mensch en hoe sterker hij is, hoe meer
+hij vermag.
+
+_Omdat uw strijd edel en goed is, helpt gij hem onwillekeurig strijden,
+telkens wanneer ge iets goeds doet, wanneer gij zelf edeler wordt_.
+
+_Als gij u rein houdt in woord en in daad, strijdt gij uw strijd! Als
+gij u goed voedt, als gij uw maatschappelijk inzicht scherpt, als gij
+eerlijk tegen vriend en vijand zijt, strijdt gij uw strijd. En als gij
+kunstgenot voelt, rein en diep en onvermengd, dan niet minder strijdt
+gij uw strijd_![5]
+
+30 Augustus 1909.
+
+
+ * * * * *
+
+
+OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE. [p.217]
+
+
+I.
+
+
+Na 't Hollandsch laagland met z'n gevaarlooze wegen, z'n kabbelende
+rivieren, zijn gecultiveerde bosschen, z'n heldre dorpen met kerk en
+torentje, z'n langzaam op-schemerenden ochtend en neerschemerenden
+avond; na de Hollandsche wei met de haasteloos-mummelende koetjes; na de
+Hollandsche binnenkamers met hun stoffage van begouwenaarde burgerheeren
+en, meest 'n weinig houterig, vrijende jongelingen en jonge dochters, na
+al dit gemoedelijke, zich-zelf gelijk blijvende en veilige--plots nu een
+tropisch bergland, met ravijnen en neerdonderende stroomen, met
+oerwouden, waar leeuw en tijger brullen, en gij, zoo ge u er waagt, de
+beet en omkronkeling van slangen zult hebben te vreezen; een land met
+rook-bepluimde vulkanen, wier inwendig vuur de wijngaarden en
+olijfbosschen op de hellingen eerst koesterend doet zwellen van olie en
+wijn, om dan, vroeg of laat den krater uitgebarsten, zijn eigen teelt te
+vernielen in één brandende giftuitstrooming, door één slag; met dorpen,
+des nachts vol zwoelheid van doffe geuren en zwaarmoedige deunen, waar,
+daags, een wijsgeer u als bedelaar nadert, en wien ge voor een Grande
+hieldt, een bedelaar blijkt; waar de liefde geen braaf-burgerlijke
+vrijage, maar hartstocht en heet begeeren is; een land waar nauwelijks
+afkeer zijn kan, of zij groeit tot haat. Een Indisch land, waar de
+ochtend bruusk [p.218] den nacht afwerpt, als een mensch zijn kleed, en
+de dag niet langzaam heengaat, maar zich snel het masker van den nacht
+voorbindt, als had hij zich verlaat en schoot het hem plòts te binnen,
+dat hij den wezens de rust moet gunnen, die onder de stralen van zijn
+gelaat niet mogelijk is.... Een land, waar alles grillig, uitbundig en
+snelwisselend is....
+
+In minder woorden: na het talentvolle, het geniale; na het afgepaste en
+zeer wel vermoedbare, het uitbruischend onberekenbare.... Ziedaar: na
+_Hildebrand: Multatuli_![6]
+
+ * * * * *
+
+Ik erken het volmondig: een geweldenaar als _Multatuli_, met zóó
+vrouwelijke zachtheid als zijn gemoed bezat; een hater mèt zóóveel
+liefde; een beeldstormer met dat ééne verlangen: plaats vrij te maken
+voor zijn reuzenbouw van rechtvaardigheid en menschenmin en schoonheid;
+zulk een met zóó groote fouten en ontzaglijke deugden, is voor de jeugd
+vol gevaars. Want zijn deugden trekken haar maar aan voor korten tijd:
+zóó deugdzaam te zijn is wel een tikje moeielijk! Maar zijn gebreken,
+wellicht, in zekeren zin, niet minder grootsch en schoon van sterke
+menschelijkheid, die zijn makkelijker en genoeglijker na te bootsen!
+Zoo denken ten minste de mannen en vrouwen in den dop. _En dìt is het
+gevaar._ Men moet het echter onder de oogen zien, men kan 't niet
+mijden, tenzij men een bedeesd en braaf moederskindje is, dat aan
+huiskamers en warme kachels, benevens beekjes, wolkjes en molentjes
+dicht bij honk, zat genoeg heeft en nooit naar bergen en bergstroomen,
+olijfbosschen en wijngaarden verlangt.
+
+_Multatuli_ heeft in onze kringen, lang vóór de stichting van onzen
+Bond, een geweldige rol gespeeld. En dit sproot nu juist niet voort uit
+de bijzondere beschaving in die kringen, uit ontvankelijkheid voor het
+subtiel-schoone en fijn-geestige--och och heere neen, ook hier heeft de
+Bond bijna àlles te doen [p.219] gehad....--maar uit twee geheel andere
+oorzaken. De eerste was, dat men in _Multatuli's_ werk zag een vrijbrief
+voor, een rechtvaardiging van 'n soort gêne-looze en zich op zich-zelf
+beroemende bandeloosheid; de tweede echter, van edele natuur: dat die
+onontwikkelde, maar daardoor wellicht des te frisscher menschen voelden,
+dat er iets nieuws, schoons, machtigs en van-kracht-heerlijks in hen
+openbrak, door hem. Wilt ge weten wàt dat was?... 't Was hun
+revolutionnair gevoel! Dat, vrienden, is misschien het mooiste in een
+mensch. Het is 't opstandsgevoel tegen rechtsverdraaiïng en leelijkheid
+in het leven. Dat wrokt en brandt in zoo'n jongen mensch. Toch brandt
+het maar met 'n heel klein vlammetje dikwijls, maar het leven vraagt
+daar niet naar, gooit elken dag weer nieuwe brandstof op, die door dat
+kleine vlammetje _niet_ verteerd wordt.... Dat geeft een teveel, dat
+geeft een drukking.... Zoo nu en dan schiet het vlammetje weer wat
+hooger op, maar er zijn nog dompers: "fatsoen," traditie en
+verkapitalistischt, vermaatschappelijkt, verwrongen kerkgeloof, en zoo
+waar, zoo'n jongmensch gebruikt die dompers zelf! Dat heeft men hem zoo
+geleerd. Tot daar plotseling zoo'n kerel, zoo'n reus bij hem binnenkomt,
+en die vraagt hèm niet of hij 't goed vindt en ook niet aan "de menschen
+die zooveel ouder en wijzer zijn dan hij," maar die slaat kort en goed
+voor zijn oogen al z'n dompers stuk. En daar schiet zijn vlam omhoog en
+gaat ze heerlijk branden.... En hij begrijpt dat die man een weldoener
+van hem is ... o God, wat heeft z'n jong hart hem dan lief ... hij zou
+hem om den hals wel willen vliegen.... Welnu, zulk een man was
+_Multatuli_, en daarom hadden die verachte diamantslijpers hem zoo lief
+en dwéépten met hem en omarmden hem.... Och neen, ze begrépen hem niet,
+wat je _begrijpen_ noemt, geen denken aan; wat kunnen hun zijn
+fijnheden, de rapheid zijner wendingen, het overdonderende zijner
+strijdhaftige geestigheid geweest zijn; máár zij begrepen, zij voelden,
+dat dit de stem was van hun eigen, gesmoorden haat; het ziende oog van
+hun hulploos, onbestemd en blind verlangen; de sterke hand, die hun
+tastende zwakke handen greep; zij zagen eindelijk eens [p.220] het
+ongekende wonder van een héérlijk mensch, die máling had aan de
+machtigen, aan de rijken; het wonder van een mensch, door wien een god
+had mogen spreken, en die nochtans niet anders dan der àrmen en
+verdrùkten mond wou zijn! Wat schatten van liefde en dankbaarheid heeft
+hun ziel zich door hem verworven. Hoe hebben zij toen, in hun donker
+leven, door hèm de hèilige geestdrift gekend. En wie weet, of niet hij
+'t was, die voor 't eerst dat mooi-menschelijke in hen wekte, welks
+prachtige opvaart hun eenheid in den Bond verrijzen deed....
+
+Maar met dat al: dwepers kunnen geen maat houden. En daarvoor wil ik u
+behoeden. En trouwens, wat hun 't noodigste was, is het nog daarom u
+niet. Gij behoeft niet meer gewekt te worden. Gij zijt wakker, daar ben
+ik zeker van. En die brandstof in u, die voedt geen
+persoonlijk-revolutionnair, geen klein-flikkerend vlammetje meer, maar
+hij helpt mede-voeden dat zekere en klare licht, dat socialisme heet.
+Daarom: gij zult en moet _Multatuli_ kalmer genieten, gij zult
+onderscheiden leeren. En o, vóóral, gij moogt niet in de fout vervallen,
+waarin zij vervielen:
+
+... Een ieder mensch, een _mensch_, die met een Groote verkeert, voelt
+vroeg of laat den drang, dien te gelijken. Die drang kan hem heilzaam,
+maar ook onheilbrengend zijn. Heilzaam is zij hem, wanneer hij denkt:
+Die groote mensch, dien ik zoo liefheb, is toch een mensch, hij moet dus
+gebreken hebben. Laat ik oppassen dat ik niet, door mijn overgroote
+liefde verblind, die gebreken overneem. Want die fouten, welke in 't
+geheel van zijn ontzaglijke persoonlijkheid zoo gering lijken, zouden
+mij, kleìne, verpletteren. Laat mij groeien en genieten van zijn
+voortreffelijkheden. Maar laat mij ook hierin wijs zijn: laat mij hem
+niet _nabootsen_ in zijn deugden, want naäpen, dat is het werk van apen;
+de plicht en het verlangen van menschen is: blijde te zijn met, te
+genieten van het goede; hun wijsheid: te weten dat dáárdoor hun wezen
+van zelf groeit en _natuurlijk_ en _geleidelijk_ beter wordt. Wat voor
+_uw_ wezen van _zijn_ voortreffelijkheid geschikt is, dat eigent het
+zich van zelf toe, mits gij u maar zoover opwerkt, dat ge [p.221] die
+voortreffelijkheid kunt begrijpen en beminnen. Maar nabootsen, _vooral
+niet_! Een mensch, die van de zon geniet, moet daarom niet voor zon
+willen gaan spelen, noch zich verbeelden, dat hij stralen schiet....
+Om u nu reeds in dit inleidend stuk het onderscheiden van Multatuli's
+deugden en gebreken makkelijker te maken, zeg ik dit: zijn deugden
+waren: een sterk ontwikkeld bewustzijn van eigen hooge waarde; een
+machtig revolutionnair sentiment; een onbegrensde menschenliefde: een
+heftig begeeren naar waarheid (welke hij echter nog minder vaak kon
+bereiken dan hij anders had gekund, wijl hij gehinderd werd, ten eerste:
+door de bitterheid van zijn geest, ontstaan door het ondervonden
+onrecht; ten tweede: door zijn groote menschelijke en
+kunstenaars-ijdelheid, waardoor hij niet nalaten kon te "poseeren"); een
+in-staat-zijn zich op te offeren en een onwrikbaar vasthouden aan wat
+hij goed en recht achtte.
+
+Zijn deugden, als kunstenaar, waren: een ontzaglijk doorvoelings-en
+uitbeeldings-vermogen (dat echter geschaad werd door een groot gebrek
+aan objectiviteit); een vlijmscherp taal-begrip; een buitengewoon
+geestig vernuft (dat m.i. slechts overtroffen wordt, maar dan ook ver,
+door den grooten _Heine_, van wien hij trouwens veel geleerd heeft); een
+rijke fantasie.
+
+Zijn gebreken, ik heb er reeds eenige genoemd, waren meest de keerzijden
+van zijn deugden: een anarchistische neerhalingswoede (keerzijde van
+zijn revolutionnair sentiment); een soms zeer lichtzinnig oordeelen over
+alles, wat hij maar gemoette (keerzijde van zijn
+uiterst-vlug-denken-kunnen); een soms enorme zelfoverschatting en
+minachtend neerzien op de allergrootsten (keerzijden van zijn
+hooggestemde zelfachting); een uittartende en pralerige opzichtigheid
+(keerzijde van zijn heldenmoed).--Gij moet dus, ik herhaal 't, zeer
+critisch tegenover hem staan, u voor kinderachtige naäperij, waartoe
+deze suggestieve persoonlijkheid iemand makkelijk verleidt, zorgvuldig
+bewaren en bovenal _dit_ goed begrijpen: dat de ontkennende, de
+_negatieve_ houding van zijn geest, die _hem_ schoon stond, wijl hij
+_groot_ was, en [p.222] _leefde in een tijd, die dat noodig had en 't
+als 't ware zelf deed geboren worden_, u leelijk zou staan, niet alleen
+wijl gij _niet groot_ zijt, maar omdat gij in een tijd leeft, die óók en
+bovenal een _positieve_, een _bevestigende_ geesteshouding noodig heeft:
+_het innig geloof in de waarachtigheid van het socialisme._ Vroeg _zijn_
+tijd een ongebreideld, een naar eigen begeerte kampend mensch, _deze_
+vraagt _gehoorzame soldaten_ voor het groote leger, dat strijdt in alle
+landen voor menschenrècht en menschengelùk, soldaten nièt gedrild tot
+tucht, maar uit eigen weten en eigen vrije keus de tucht verkiezend
+boven tuchtelóósheid. Houdt ge u aan dit alles, wat ik u heb gezegd, dan
+kunt ge zonder vrees dat oostersch-vreemde en prachtig land, dat
+_Multatuli's_ werk is, bereizen en moedig de hellingen van dien
+trotschen berg beklimmen, waarop bosschen vol van sappige vruchten
+staan. Wat mij betreft, ik zal het nu bij deze, naar mij dunkt niet
+ongemotiveerde, waarschuwing en uiteenzetting laten, en in de volgende
+artikelen de _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_, haar zooveel
+mogelijk los makend uit de _Ideeën_ waarvan ze een deel is, zuiver
+letterkundig behandelen, gelijk ik dat met Hildebrand's _Familie Kegge_
+heb gedaan.[7]
+
+
+ * * * * *
+
+
+OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE [p.223]
+
+
+II
+
+
+In de _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_, zooals die nu, helaas
+onvoleindigd, voor ons ligt, hebben wij in de allereerste plaats te zien
+een poging tot weergave der geleidelijk voortschrijdende geestelijke
+ontwikkeling van een geniaal kind--Woutertje-zelf--; in de tweede
+plaats een schets van: het Hollandsche volksleven:--_Femke_ en haar
+moeder, _Gerrit Sloos, Klaas Verlaan_, de joodsche familie _Roebens,_ de
+illuminatie-avond, enz.--; de klein-burgers:--de _Pietersen_, juffrouw
+_Laps_, e.d.--; de "deftige" burgerij:--de _Kopperlith's_: typen van het
+dwaze, opgeblazen parvenudom, met zijn sleep van kruiperige loonslaven,
+en de _Holsma's_: ietwat geïdealiseerde beelding eener verstandige,
+liefderijke, boven alle vooroordeelen hóógstaande doktersfamilie--; de
+geestelijken, vertegenwoordigd door de kluchtige, verachtelijke figuur
+van den _huisdominee_, en de heerlijk-gebeelde, kinderlijk-reine
+persoonlijkheid van _pastoor Jansen_; "allerhoogste" personages, zooals
+de groote _Napoléon_, op wien wij even in den schouwburg een vluchtig
+kijkje krijgen, de _Paltsgravin_, prinses _Erica_, enz.; in de derde
+plaats.... Maar nee, ik ga zóó niet verder, die zin werd veel te lang,
+te vermoeiend door zijn lengte, zelfs als jullie op al die "plaatsen"
+even waart gaan zitten, wat nog zoo gek niet zou zijn geweest, want,
+laat me je verzekeren, je hebt vandaar heerlijke inkijkjes en prachtige
+vergezichten....
+
+[p.224] Wat ik verder wou zeggen, kwam in 't kort hierop neer, dat het
+geheele werk één worsteling van het hooge met het gemeene, één
+_Multatuliaansch_-heftig-beukende, maatschappelijke meubelen, ruiten,
+hééle heilige huisjes stuk-rinkinkende pràchtige worsteling is.
+
+Men zou, wellicht interesseert jullie deze mededeeling, ons boek kunnen
+indeelen bij: _romantisch realisme_.... Maar hoe! ik zei: "_wellicht_
+interesseert 't jullie" ... het _moet_ je interesseeren, want het geldt
+hier niet, je 'n paar geleerde woorden naar 't hoofd te smijten, of je
+'n kruieniersachtig suiker-rijst-boonen-indeelingsgewoontetje in te
+stampen, maar het gaat erom, je de begrippen, de zeer veel verheldering
+veroorzakende begrippen, waarvan die termen namen zijn, bij te brengen,
+èn om de te behandelen stof, de letterkunde dus, door verdeeling meer
+overzichtelijk en begrijpelijk te maken.
+
+Wat ìs _Romantiek_?
+
+Nou, om 't 'ns erg kort en populair te zeggen: een kunstbeelding van,
+zeer wel bestaanbare, _uitzonderings_figuren, levend in zelden
+voorkomende omstandigheden; daardoor heel vaak verschijnend als een
+"overdrijving" van de _algemeene_ werkelijkheid, want die
+_uitzonderings_figuren maken, door hun levenswaarheid, op den
+gemiddelden lezer den indruk van vertegenwoordigers der _algemeene_
+werkelijkheid te zijn.[8]
+
+De romantiek nu, in dit romantisch-realistische werk, uit zich niet
+slechts in het feit der beelding van sommige personen van het tweede
+plan--prinses _Erica_ bijvoorbeeld--, ook niet alleen in het doen plaats
+hebben van gebeurtenissen, die, wanneer we ons het totaal-beeld voor
+oogen brengen, dat de werkelijkheid ons van den loop der dingen
+voorhoudt, een sterken bijsmaak van onwaarschijnlijkheid krijgen, maar
+[p.225] die romantiek uit zich al dadelijk heel principieel in den opzet
+en op het hoofdplan van het werk: _het beschrijven der zielsgeschiedenis
+van een geniaal mensch_. En nu ga ik verder en zeg dit: omdat een
+geniaal mensch zelf "een stuk romantiek" is, door de Natuur, te midden
+van Háár dag-dagelijksch "realisme" neergezet, botst hij daarmee,
+verstoort hij er in zekeren zin de harmonie van (zeer zeker: om tot een
+hoogere harmonie te geraken, en: de botsing is een heilzame, maar dat
+verandert voor 't oogenblik aan 't onaangename van de zaak niets.
+Multatuli-zelf is hier een uitstekend voorbeeld van) en zóó, en daarom
+verstoort de _afbeelding_ van een geniaal mensch in een werk als
+dit--voor driekwart een afbeelding der _algemeene_ werkelijkheid--de
+harmonie van dat werk. We voelen een onaangenaam aandoende
+ongelijksoortigheid en zelfs tegenstrijdigheid der deelen. (Multatuli
+heeft dat, geloof _ik_, zelf gevoeld, vandaar dat het klaarblijkelijk
+zijn plan was, zijn _Woutertje_, langzamerhand, naar den kant der
+romantische prinses Erica uittedringen. Ik voor mij ben er zeker van,
+dat, had hij het werk voleindigd, dit, _uit aan de Wouterfiguur
+ontsprongen noodzaak_, al meer en meer verromantiseerd zou zijn
+geworden. En verder ben ik van oordeel, dat het dit bewustzijn, met wat
+er verder aan vast zit, bij _Multatuli_-zelf, is geweest, dat hem den
+lust benomen heeft verder aan zijn verhaal te werken, en niet "ergernis
+over de _Van Vloten's_" enz.--Stel je voor, omdat de kleine menschjes je
+aftakelen, heb je geen lust meer aan de levende schoonheid in je ziel,
+die je-zelf zoo heerlijk weet! Terwijl toch juist het natuurlijk beloop
+is, dat die schoonheid je over alles troost en heenhelpt! Neen, geloove
+wie 't kan, ìk kan 't niet. _De zaak is mijns inziens, dat hij geen
+vreugde meer aan die schoonheid zelf had_--_om bovengenoemde redenen_.)
+
+ * * * * *
+
+Ik zeide u daar straks dat je van al die "plaatsen" zulke aardige
+inkijkjes en vergezichten zoudt kunnen hebben. Nu eerst een inkijkje.
+Zie toe: daar wriemelen, maken zich belachelijk, worden gegeeseld door
+hun eigen bespottelijkheid, [p.226] de Pietersen, de Lapsen, de Stoffels
+en hoe al dat tuig verder heeten mag, vlak onder je neus.... Maar hé,
+wat is dat? Je wijkt terug ... je denkt, daar zal wel 'n luchtje aan
+zitten. En je hebt gelijk, je denkt er nog te licht over: er is geen
+luchtje, er is een stànk aan. Maar, o wonder! hier hebt ge van dien
+stank geen last; let maar op: wat ge voelt, dat is genòt, blìjdschap; je
+trekt geen vies gezicht, maar je schatert. Wat is de oorzaak van dat
+wonder? Ah, éven wachten. Zie eerst, lach eerst en allicht vindt ge dan
+zelf die oorzaak.
+-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --[9]
+
+Ziezoo, klaar voor dezen keer. En nu maar aannemend, dat er wel enkelen
+uwer zullen zijn, die nog maar altijd niet weten, waarom zij niet
+gewalgd hebben bij het zien van al dat gedoe der Lapsen en Pietersen en
+integendeel hebben genoten, precies gelijk ik trouwens, die toch geen
+clown, gezwegen dan van een _Laps_ of 'n _Pieterse_, kan of kon zien,
+zonder 'n weerzin en 'n schaamte te gevoelen over zulk een vernedering
+van het _mensch-zijn_,--dat nu maar aannemend, geef ik u daarvan de
+volgende verklaring: dat wat gij bewonderd, waarvan je genoten hebt, is
+de _weergave_, de _afbeelding_ van het leven, _niet_ dat leven-zelf. Het
+doet er niet toe _wat_ afgebeeld wordt, maar steeds _hoe_ het afgebeeld
+wordt. Nòg eens: lees mijn artikel in den catalogus.[10]
+
+Zooals ik reeds zei: dit nu was een _inkijkje_, in het volgende
+hoofdstuk zet ik u op een plaats vanwaar ge een _vergezicht_ hebt.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE [p.227]
+
+
+III.
+
+
+In het vorig hoofdstuk beloofde ik, u op een plaats te zetten, van waar
+ge een vergezicht hebben zoudt. Welnu, ik hoop, dat ge na lezing van dit
+stuk zult moeten erkennen, dat ik mijn belofte gehouden heb. Want,
+jongere en oudere vrienden, zult ge het geen vergezicht noemen als ik
+hier voor u laat oprijzen dat mooie verleden van uw kindsheid, nu al min
+of meer ver verwijderd? Dat verleden, welks wellicht slechts vage
+herinneringen u nog doen glimlachen, als ge kinderen spelen ziet....
+
+O, natuurlijk, ge zult in het beeld, dat ik u zal toonen, niet uwe
+_feitelijke_ jeugd herkennen, met háár voorvalletjes, gevoelens,
+begeerten en schuchtere droomerijen, want gesteld dat gij tot diegenen
+behoort, die zich op later leeftijd dit alles duidelijk en klaar kunnen
+te binnen brengen, wat den meesten onzer waarlijk niet gegeven is, dàn
+zéker zoudt ge spoedig door vergelijking tot de erkentenis komen, dat
+kinderen evenzeer van elkaar verschillen als volwassenen.
+
+Toch, de jonkheid van ons allen heeft iets gemeen: door de jaren-gangen
+van ons later leven loopend, hooren we uit de verte blijde stemmen soms,
+zien we een plotse sprankeling van licht glànzen uit de feestzaal onzer
+jeugd, waarheen we nooit meer zullen keeren. 't Is dan of haar deur zich
+éven opende en snel weer sloot, uitlatend-en-afsnijdend klanken van
+feestgeroes, een helle straling van veel luchters. Maar duurde [p.228]
+dat kort, één oogenblik, het duurde toch lang genoeg om ons als de geur,
+het innigste onzer jonge jaren nog eenmaal te doen kennen; hoe benaderen
+we dan opnieuw hun blijdschap en verdrieten. We staan even stil en
+mijmeren in ons-zelf. Een glimlach ontstrakt zachtkens ons gezicht....
+Dan gaan we weer verder door de soms donkere gangen van ons later
+leven.... Het is ook die glimlach, waarvan ik u sprak, die ouderen
+hebben als ze kinderen spelen of stilletjes droomen zien. Dan ging die
+feestzaal, begrijpt ge, even open, het geluk der jonkheid heeft hun hart
+geraakt.... Maar rijker, maar voller wordt ons dat heerlijke geschonken,
+als een groot kunstenaar, zich verplaatsend in het kinderlijk denken en
+voelen, dit voor ons beeldt. Ja, dan is het waarlijk, of 't ons vergund
+werd te keeren op onze schreden, de wijde hal onzer jonge jaren nog
+eenmaal binnen te gaan, onze oogen vol te laten stralen van haar licht,
+de handjes der speelgenooten in de onze te houden en zelf weer de
+heilige kinderen te zijn, in wier nabijheid al het leven op zijn reinst
+en bevalligst en feestelijkst moet verschijnen. Ook dat nu heeft
+Multatuli voor ons gedaan. Het beeld, dat ik u wilde toonen, is een brok
+droomleven van zijn _Woutertje_. Toch--het schijnt mijn ietwat
+onaangenaam lot te zijn, nooit iets onverdeeld te kunnen prijzen!--moet
+ik u waarschuwen, dat dit schoone niet zoo volmaakt is geworden als we
+'t van 't genie van zijn schepper ongetwijfeld hadden mogen verwachten.
+De schrijver heeft zich namelijk weer eens niet genoegzaam kunnen
+bedwingen, zich niet, door zijn gebrek aan objectiviteit, kunnen
+onthouden, brokjes van zìjn wijsheid, zìjn wijsgeerig denken in het
+prachtig-gegeven droomleven van zijn _Woutertje_ te mengen. Ik zal u,
+ouder gewoonte, zoowel op de heerlijke schoonheid als de fouten
+opmerkzaam maken. En ge moet u nu maar, eens voor al, voornemen niet
+boos op mij te zijn, omdat ik, door dit laatste te doen, zoo'n beetje uw
+genot bederf. Want het is juist mijn doel, u er aan te wennen, geen
+genot en zeker geen kunstgenot te willen, dan wat de keur van uw
+allerzuiverst gevoel en rede kan doorstaan. Ook de hoogste verrukking,
+die kunstgenot geeft, heeft niets gemeen met een roes [p.229] en met een
+vertroebeling en verduistering der geestelijke, naar waarheid zoekende
+krachten in ons, maar zij maakt in wisselwerking die krachten
+integendeel sterker, edeler en meer doordringend.
+
+ * * * * *
+
+Ziehier het bedoelde stuk:
+
+ Na _Glorioso_ namelijk, (_Glorioso_ is de naam van den
+ roover-roman, dien Wouter "gehuurd" heeft voor het geld, dat hem
+ het verkwanselen van zijn "Nieuwe Testament met Gezangen" opbracht,
+ v.C.) en de onmogelijkheid om dat boek waardig te vervangen,
+ (_Multatuli_ geeft hier natuurlijk _Woutertje's_ meening weer. Dat
+ hij dit doet zonder er eenige schertsende of spottende aanmerking
+ van zich-zelf aan te verbinden is voortreffelijk. Er ontstaat
+ hierdoor, èn blijft ongerept, een zekere fijne humor. v.C.) was-i
+ in de namiddagen die hij vrij had, onwillekeurig weergekeerd naar
+ de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige roman-wereld, en
+ hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld uit die wereld
+ dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de grofheid van
+ die kleuren, hij voelde zich daardoor zóó aangetrokken, dat-i
+ zich-zelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hij
+ ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.
+
+ Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hij droomde van
+ dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter
+ ontevreden maakten met z'n werkelijken toestand. Hij wilde graag
+ alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't
+ bidden zou zooveel beter gaan, meende hij, in 'n grot met kaarsen.
+ En wat het eeren van zijn moeder betrof, waarop deze altijd zoo
+ aandrong ... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hij had
+ z'n bijbel niet moeten verkoopen ... dat is waar ... ook zou-i 't
+ nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd ... maar dan behoorde hij
+ toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer op z'n muts,
+ zooals in 't boek stond. (Merkt ge hier al niet, hoe uitstekend de
+ romantische neiging in den kindergeest, en vooral zooals zij moet
+ bestaan in dien van het nobele _Woutertje_, is weergegeven? v.C.)
+
+ Ook verveelde hem zijn broer Stoffel, en zijn zusters, en juffrouw
+ Laps, en huisdominee, en alles.
+
+ * * * * *
+
+Dit verveeld worden door zijn familie en zijn omgeving ontstaat
+_schijnbaar_ wel bij Woutertje naar aanleiding van [p.230] iets zeer
+kinderlijks, maar de diepere en ware oorzaak is zijn veel hooger en
+edeler beaanlegd zijn dan zijne omgeving, waardoor hij daarin niet op
+zijn plaats is. Het is een dezelfde botsing--in kinderlijke
+verhoudingen--als waarvan ik in het vorig hoofdstuk sprak: tusschen het
+hoogere en lagere, het bijzondere en het alledaagsche.
+
+ En hij begreep niet, waarom de heele familie niet naar Italië ging,
+ om daar 'n behoorlijke rooverij optezetten. Maar Pennewip (de
+ schoolmeester, v.C.) hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesje
+ (een medescholier v.C.) ook niet.
+
+ 't Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met zijn vers....
+
+ Alle Woensdagen namelijk leverden de leerlingen die 't minst
+ ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen
+ naar den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester
+ had opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot z'n deel
+ gekregen, niet zonder toespeling op z'n vroegtijdige verdorvenheid,
+ en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n
+ zedelijke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwijls op de deugd
+ gerijmd, en hij vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo
+ vervelend, dat-i de vrijheid had genomen iets anders te behandelen,
+ en wel wat hem 't naast aan 't hart lag, de rooverij.
+
+Dit gedicht en alles wat daardoor veroorzaakt wordt: de boosheid van
+meester Pennewip, de ontzetting van Woutertje's familie, het optreden
+van den dronken "huisdominee,"--dit betrekkelijk kleine deel van het
+boek zou het al tot iets prachtig-geestigs maken. Je giert van het
+lachen onder 't lezen, en tegelijkertijd ben je verrukt over de
+levenswaarheid--op 'n paar stukjes na--der weergave!
+
+ Hij-zelf was, als alle schrijvers--en menschen--zeer ingenomen met
+ z'n werk. Hij hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen
+ zou, en hem om den wille der voortreffelijke uitvoering de
+ afwijking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den
+ Burgemeester gezonden worden, die er kennis van geven zou aan den
+ Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als
+ hoofdroover.
+
+Hoe moet de schrijver niet doorgedrongen zijn geweest in het denk-voelen
+van zijn Woutertje, om zoo schitterend dit echt-kinderlijke,
+wild-fantastische luchtkasteelen-bouwen te hebben kunnen weergeven.
+Wellicht is dat laten denken aan [p.231] den _Paus_ door dit
+_protestantsche_ jongetje, dat _rilt_ als hij _Pater Jansen_ over
+_Jezuiten_ hoort spreken, een fout. Wellicht echter zou men kunnen
+zeggen, dat "Paus" voor het kind Woutertje niets meer dan een woord is
+waaraan zich een vage, romantische voorstelling verbindt. Maar dit
+laatste is, gezien de platte en bekrompen "godsdienstige" omgeving van
+Woutertje, nièt waarschijnlijk.
+
+ Zoo droomde hij, en wierp hij strootjes in het water. (Hij staat
+ bij 'n slootje. In de nabijheid zijn twee houtzaagmolens.--Het
+ stukje wat nu volgt is allervoortreffelijkst. Er wordt nu niet
+ langer _van_ Wouter _verhaald_, maar zijn denken en handelen
+ worden, in hun natuurlijk verband, _gebeeld_. Ik geloof niet, dat
+ ik grooter bewondering voor iets kan gevoelen, dan voor dit
+ onovertrefbaar zich-ingeleefd-hebben in den kindergeest! Lees maar
+ eens verder! v.C.) Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen
+ de groen-bemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter's verbeelding
+ verband te scheppen tusschen de richting der strootjes en zijn
+ indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan
+ den kant en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen
+ beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf:
+ (Wouter-zelf meegevoerd door zijn droomen, vereenzelvigt zich dus
+ ook met een strootje! Verrukkelijk van geniaal doorvoelen door den
+ schrijver, niet waar? v.C.) hij naderde Amalia's kroos, en juist
+ toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te
+ deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt door 'n eend. Die daaraan
+ zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's laatste strootje, en in
+ 't geklapper van den molen hoorde hij duidelijk Amalia's verwijtend
+ geklaag:
+
+ Warre, warre, warre, wou,
+ Waar is warre, warre, wou....
+ Wouter die me redden zou?
+
+ Dit maakte hem verdrietig, en hij kon zich niet weerhouden een
+ steen te werpen naar de eend die door z'n gulzigheid oorzaak was
+ van Amalia's twijfel aan zijn riddereer. (Al maar door is de
+ kinder-fantasie uitstekend volgehouden! v.C.) De eend koos de beste
+ partij, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hij
+ kon. Maar de molens schenen zich niet te storen aan de
+ gebeurtenissen van den middag en klapperden dapper voort. Wouter
+ hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra
+ Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem
+ deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er
+ iets bijzonders was [p.232] in de molens, haast ik mij te zeggen
+ dat ze knarden en knersden juist als andere houtzaagmolens, en dat
+ alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was
+ dan de weerklank der aandoeningen in zijn eigen gemoed.
+
+ 't Gebeurt meermalen dat we gelooven iets gewaar te worden van
+ buiten, wat voortkomt uit ons-zelf, en even dikwijls meenen wij
+ zelf iets te hebben uitgedacht, dat eigenlijk afkomstig is van 'n
+ ander.
+
+ Dit is 'n soort buikspraak die dikwijls aanleiding geeft tot
+ ongenoegen en vijandschap.
+
+Dat beeld van de buikspraak is aardig, maar ook niet meer dan dat. Het
+is nml. vrij onjuist. Men kan, een buikspreker hoorend, meenen dat een
+ander dan hij gesproken heeft, maar nimmer dat men-zelf heeft gesproken,
+noch, indien men het zelf heeft gedaan, meenen dat 'n ander, al of niet
+buikspreker, het deed! Multatuli heeft hier misschien aan het
+zoogenaamde "maagbrommen" gedacht, een nerveus verschijnsel naar ik
+meen. Hierbij is 't wel mogelijk, dat men, zelf de geluidvoortbrenger
+zijnde, meent dat een ander het is, en omgekeerd. In elk geval zou het
+beter geweest zijn, indièn hij dááraan gedacht èn het gezegd had, al
+ware het 'n tikje "onaesthetisch" geweest.
+
+ Wie 't snelste draait? Wel ... me dunkt ... neen ... gelijk
+ beginnen.... Zóó! Neen, de _Arend_ was vóór! Nogeens ... nu! Och,
+ weer verkeerd!
+
+Hoe voortreffelijk Multatuli het denken, _den toon_ van het
+_innerlijk-spreken_ kon beluisteren en weergeven!
+
+ Wie nu 't eerst boven is ... neen dat gaat niet ... nog eens ...
+ van die wolk af. _Morgenstond_, pas op ... (_Arend_ en
+ _Morgenstond_ zijn de namen van de houtzaagmolens, v.C.) mis weer!
+ Ik kan er geen oog op houden ... wat 'n gedraai!
+
+ Zoo, ben je moe? 'k Wil 't wel gelooven!
+
+ Als ik eens op zoo'n wiek zat ... ik zou me goed vasthouden ... wat
+ zou de molenaar gek kijken!
+
+ Waarom heet je _Morgenstond_? Heb je wat in den mond? En....
+ _Arend_ kun je vliegen? Wil je mij meenemen? _Ik_ zou wel willen
+ ... wat 'n ruimte daarboven ... en geen school!
+
+ Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst ... 'n
+ school of 'n meester?
+
+ Maar die eerste meester moest toch op school geweest zijn ...
+ [p.233] en die eerste school moest toch 'n meester gehad hebben....
+
+ Of zou de eerste meester vanzelf....
+
+ Vanzelf? Neen, dat kan niet.
+
+Met dat stukje over die "school" en dien "meester" begint onze schrijver
+eruit te raken. Hij begint zijn houvast op Woutertje te verliezen en zet
+daarom z'n eigen denken in de plaats van dat van Woutertje! Het is zijn
+eigen wijsgeerig peinzen over het _Begin_ van het _Heelal_. Ik ontken
+niet, dat Woutertje 't _kan_ gedacht hebben. Hij is 'n geniaal, 'n
+buitengewoon kind. Maar in verband met 't _zeer slechte_, wat nu bijna
+onmiddellijk volgt, waarin _niets_ van _Woutertje_ en _alles_ van
+_Multatuli_ is, vermoed ik dat deze hier al begon subjectief te worden.
+
+ Kenje draaien vanzelf? Door den wind? kunje omkeeren,
+ andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens, _Arend_ ... toe krijg den
+ _Morgenstond_ ... gauw, gauw ... pak 'm beet ... mooi!
+
+ Nu weer alléén, laat los ... los ... goed zoo.
+
+ Nu weer samen ... _karre, karre, kra, kra_ ... steek uit je armen
+ ... neem me mee ... wil je niet? Goed, _Arend_! Zet je hoed op ...
+ wat fladderen die linten ... hoe heetje? Warre, warre, warre, wou
+ ... ik kan 't niet helpen ... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? (En
+ nu komt dat zeer slechte, waarvan ik zooeven sprak en waarop ik ook
+ in den aanvang van mijn artikel doelde, v.C.): _Fanne, Fanne, fan
+ fan_ ... heetje _Fan_? en jij, _Morgenstond_, hoe is je naam?
+ _Sine, sine, sine, si_ ... wat is dat voor 'n naam, _si_? Nu
+ tegelijk, komaan ... samen ... zingt 'n liedje samen:
+
+ _Fanne, fanne, fan, fan_....
+ _Sine, sine, si, si_....
+ _Fanne, sine, fanne, sine,_
+ _Fanne sine.... Fan ... cy...._
+
+ _Fancy_ ... wat meen je daarmee? Heetje _Fancy_? En ... wat is dat
+ ... heb je vleugels?
+
+ Ja, "_d'Morgenstond_" en "_den Arend_" waren ineengesmolten, hadden
+ vleugels, en heetten _Fancy. Fancy_ nam Wouter op en voerde hem
+ mee.
+
+De fantasie-figuur _Fancy_--het woord zelf beteekent verbeelding--speelt
+een hoofdrol in Multatuli's werk. Soms is zij hem personificatie[11] van
+het _Al_, het _Zijnde_; soms de [p.234] _Muze_: degeen, die hem zijn
+werken influistert, hem inspireert; een ander maal: de
+_Causaliteit._[12] In hun diepste beteekenis dekken trouwens deze
+begrippen elkander, naar zijn meening. En de personificatie van déze
+hooge, wijsgeerige begrippen, _dragend den naam, die zij uitsluitend in
+zijn, Multatuli's, denken draagt_, laat hij nu verschijnen in het denken
+van _het kind Woutertje_!! Teugelloozer uit den-band-springen is wel
+niet mogelijk, ergerlijker knoeien met psychologie wel niet denkbaar. En
+ziet ge 't nu zelf dat ik gelijk had, met in mijn _inleidend_
+Multatuli-artikel te spreken van: "zijn ontzaglijk doorvoelings- en
+uitbeeldings-vermogen, dat echter geschaad wordt door een groot gebrek
+aan objectiviteit"? Want, hoe kon ik u zóó van dat vermogen doen
+genieten, indien het niet ontzaglijk ware, en daarentegen tevens in de
+gelegenheid zijn, op zùlke grove fouten te wijzen, als ik gedaan heb,
+zoo het niet geschaad werd door een groot gebrek aan objectiviteit?!
+
+Maar nu nog een ernstig woord, voor we voor ditmaal scheiden: de meeste
+lezers hebben een weerzinwekkend hebbelijkheidje: ze onthouden wat er
+voor leelijks over 'n schrijver door zijn bespreker is gezegd, maar wat
+deze heeft geprezen, dàt vergeten zij! _Past daarvoor op! dat is iets
+zeer leelijks, iets zeer gemeens_. Dat vindt z'n oorzaak in
+_leedvermaak_, [p.235] in de, vaak onbewuste, _afgunst van het kleine op
+het groote_, in het blij-zijn _omdat het groote toch ook smetten van
+kleinheid_ heeft.... Ik doe u de fouten in schrijvers zien,
+_uitsluitend_, om u _onderscheiden_ te leeren, en tot dat onderscheiden
+behoort óók: het begrijpen, dat onze _middelmatigheid_ gemakkelijk
+_kleine_ foutjes hebben kan, maar dat waar _groote_ gaven zijn, meestal
+uiteraard óók groote gebreken zijn. Dit begrijpen zal ons ingetogenheid
+leeren en ons van belachelijke waanwijsheid of leedvermaak verre doen
+zijn.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE [p.236]
+
+
+IV.
+
+
+De maatschappij waarin wij leven, die anarchistische dooreenstrengeling
+van ongebreidelde, niet-geleide of slecht geleide krachten--een kluwen
+zóó verward en zóó langzaam zich ontwarrend, dat we wel zeker weten, dat
+niet meer bij òns leven de Tijd een schoon weefsel ervan spinnen
+zal--die maatschappij van de mededinging, van de afgunst, van den haat
+maakt ons allen, in haar levenden, tot slechter menschen, dan we
+tengevolge van onzen natuurlijken aanleg, te midden eener betere
+samenleving, zouden zijn geweest. Want zij is 't, die de edelste
+neigingen ver doet terugkrimpen in 't meest verborgene van 't hart, om
+daar een kwijnend bestaan te leiden, ja, dikwijls, te sterven, wijl er
+voor hen in 't wijd-open, gemeenschappelijk menschen-leven geen
+voedingsbodem, geen ontwikkelingsruimte is. En zij is 't alweer, die de
+onedele driften oproept, hen laat treden en werken in der edele plaats,
+hun dier naam, gewaad en aanzien geeft--zoodat de waanzinnige
+angst-wreedheid van, het doodelijk gevaar tegemoet gejaagde, soldaten,
+na zich de trekken te hebben kalm-gehuicheld en zich de handen te hebben
+gewasschen van 't bij 't "neerleggen" vergoten bloed, den naam en de eer
+van den heldenmoed uit de handen van vrome regeerders ontvangt; zoodat
+de sluwheid, noodig, om in de hijgende jacht naar winst, anderen te doen
+vallen en hen dan voorbij te rennen, als wijsheid en schoone
+behendigheid wordt [p.237] geprezen; het huwen-om-geld liefde wordt
+genoemd en als zoodanig zalvend door geestelijken wordt be-zegend; de
+zucht tot uitbuiting van vreemde landen en volken zich kan vermommen als
+brengster van wetenschap en klaarder godsbegrip....
+
+En geen andere dan zij is 't dus, die ons gemoed, onze ziel aan een
+veronachtzaamd huis gelijk maakt, waaruit de meesters zijn vertrokken en
+waarin het brooddronken knechtenpak het bezit dier meesters in
+liederlijke moedwilligheid vervuilt en verbrast, zich op hun plaatsen
+zet en hun manieren grijnzend nabootst. Zoo komt het, dat wij aan het
+bestaan van een volkòmen eerlijk, volkomen deugdzaam mensch nauwelijks
+meer gelooven. Ja, wij _wenden voor_ aan zulk een nog zekerlijk te
+gelooven, doen zelfs soms, om onze eigen onschuldige braafheid maar te
+toonen, alsof we zoo iemand iets heel gewoons en "normaals" vinden, doch
+óók die veinzerij is--een van dat knechtenpak: zij is de lage naäapster
+van den sinds lang vertrokken meester: het geloof in elkaars goedheid,
+dat menschen hebben, die niet door de maatschappij tot elkanders
+roofzuchtige vijanden zijn gemaakt. En zoo gebeurt het, dat, ontmoeten
+wij een uitmuntend mensch in 't léven, we ons onmiddellijk afvragen:
+"Zou die man nou wel ècht zoo zijn; heeft-ie met al die goedheid niet de
+achterbaksche bedoeling zijn eigenbelang te dienen?" En allicht is onze
+conclusie: "nee die is mij te braaf, die is mij te fijn!" En ontmoeten
+we zulk een figuur, de beelding van zoo'n edel mensch, in een boèk, o
+dàn is 't heelemaal mis, dan áárzelen we zelfs niet, dan veroordeelen
+we, bijna immer, dadelijk. "Wat zoetig," meenen we, "wat overdreven
+braaf, hoe opgesierd, 'n echte boek-held." Ja, dit spreekt van zelf: wij
+zijn te zeer aan het onedele gewend, we zijn te zeer gewoon het onedele
+'t masker van 't edele te zien dragen, dan dat wij nu zouden kunnen
+gelooven dat edele in waarheid voor ons te zien. Toch, waar er echte,
+waar er gróóte kunst is, daar worden we gedwòngen te gelooven, want deze
+maakt haar beelding als ware 't doorzichtig, wij zien niet langer met
+ònze oogen, wij zien niet langer alleen het uitwendige van een [p.238]
+figuur noch behoeven ons dus met onze gissingen en twijfelingen te
+behelpen, máár wij zien met de oogen van dien grooten kunstenaar, wij
+zien het uiterlijk-en-innerlijk als één klare, geheimloos openliggende
+_waarheid_, en gissing noch twijfel kùnnen meer in ons opkomen. Zulk een
+kunstenaar nu was onze Multatuli, toen hij de _Pastoor-Jansen_-figuur
+schiep, en aan zulke groote en echte kunst had hij toen het
+overgelukkige voorrecht, het aanzijn te geven. Het kost mij moeite,
+mijne bewondering voor deze voortreffelijke schepping, en mijn diepe
+liefde voor haar schepper, niet zoo te uiten als ik ze gevoel. Maar dit
+moet nu eenmaal achterwege blijven, want hoofddoel blijft toch, die
+bewondering en liefde op _u_ te doen overgaan, en dat lijkt mij
+vooralsnog alleen te bereiken door kalme beschouwing en ontleding.
+
+Welnu dan: _waardoor_ is de auteur erin geslaagd, de in hèm levende en
+klaar-opene visie van dien nobelen mensch ook òns zoo overtuigend-waar
+voor oogen te stellen, voor ons zoo "doorzichtig" te maken? Heeft de
+schrijver dit bereikt door, in groote mate en zeer nauwkeurig, sommige
+middelen der realistische persoonsbeelding aan te wenden, d.w.z. heeft
+hij deze figuur zekere telkens terugkeerende gebaren, kleine
+eigenaardigheden en haar alleen eigen spreekwijzen--die alle dan
+natuurlijk in logisch verband staande met haar innerlijk--verleend,
+zoodat wij daardoor _verleid_ worden, óók den haar eigen buitengewonen
+adeldom van ziel als waar aan te nemen, ofschoon wij _dien_ eigenlijk
+_onwaarschijnlijk_ achten? Neen, dit is niet zoo, de trekjes van deze
+soort zijn nauwelijks aanwezig, bovendien, wij erkennen _juist dien
+adeldom_ als echt. Of zou 't dan wellicht komen, doordat wij de
+kinderlijkheid van _Pastoor Jansen_, die _kinderlijkheid_ in een
+_volwassen_ mensch, als een _gebrek_ beschouwen en dit _gebrek_ dezen
+mensch genoegzaam _on_volmaakt in onze oogen maakt, om ons
+zijn--volmaaktheid aannemelijk te maken? Neen, ook dit kan de oorzaak
+niet zijn, want een _gebrek_, en dan nog wel een geestelijk gebrek, kan
+nimmer zulk een _hart-veroverenden, behoorlijken_ indruk wekken als deze
+[p.239] kinderlijkheid van _Pastoor Jansen_ doet.[13] Máár de oorzaak
+is, dat de kinderlijkheid van dien mensch hem als met een glans van
+aandoenlijke en nederige heiligheid omgeeft, die ons stil maakt, zoodra
+we in zijn nabijheid komen, ons zacht doet treden, wijl we voelen op,
+door hem, geheiligden grond te staan en ons in die klare stemming van
+begrijpen-door-liefde brengt, die alles doorzichtig en hel-doorlicht
+maakt. _Die kinderlijkheid is 't, die al zijn woorden, al zijn daden,
+die dragers van zijn noblesse, als een phosphoresceerende, hen
+belichtende vloeistof drenkt_. Maar niet alleen aldus zien wij haar,
+doch--wel verre van haar als een gebrek te beschouwen!--zien we 'r
+integendeel ook als een heerlijke gave, dezen mensch verleend, om zijn
+blanke reinheid onbezoedeld door het leven te brengen, en zoo--terwijl
+zij ons de op zich-zelf schoone schrijn blijkt, die het juweel zijner
+goedheid behoedt--denken wij, aldoor dieper overtuigd wordend: hoe
+waardevol moet deze laatste zijn, dat de Natuur het noodig vond haar zoo
+sterk-beveiligend te omhullen! En ofschoon wellicht buiten het kader
+dezer beschouwingen vallend, wil ik niet nalaten, hier nog aan toe te
+voegen, dat uit die gedachte onmiddellijk bij mij deze voortkwam: hoe
+blijkt ook hier weer de wijsheid, dat alles vereenende, dat alles aan
+elkaar dienstbaar makende, dat met één middel véél bereikende der
+Natuur, want door die kinderlijkheid de prachtige ziel van dezen mensch
+_sluitend_ voor het _kwade, opent_ zij haar tevens voor het _goede_.
+(Immers, door die kinderlijkheid hebben wij haar volledig begrepen,
+daardoor zijn wij van haar waar- en echt-zijn overtuigd geworden,
+dáárdoor zijn we dus in staat gesteld, van haar te genieten en te
+[p.240] leeren. En dit is het goede. En zoo heeft dus de Natuur twéé
+groote doelen met één middel bereikt....)[14]
+
+En nu ga ik een stuk tekst afdrukken, dat, met mijn tusschengevoegde
+ontledingen, u veel van het zooeven gezegde ongetwijfeld duidelijker
+maken zal.
+
+_Pastoor Jansen_ en _Wouter_ zijn op weg naar Haarlem. _Pastoor Jansen_
+is aan 't woord:
+
+ "Maar ik zou je wat van die _kyrie_ (een katholiek gebed. v.C.)
+ zeggen. Als Koens hem zingt.... O! (_Koens_ is pastoor van dezelfde
+ kerk als _Jansen_ en woont naast deze. v.C.) In z'n kamer, meen ik,
+ want in de kerk doet-i 't niet graag. Stijn (_Jansen's_
+ huishoudster, v.C.) heeft ervan gehuild, want het is heel gehoorig
+ bij ons, we kunnen elkaar best hooren zuchten ... maar ik zucht
+ nooit. Waarom zou ik zuchten?
+
+Hierin ligt al, zoowel het maar naïef-weg babbelen, als de blijmoedigheid
+van 'n kind.
+
+ Nu, Stijn huilde, en ik kreeg kippevel. En weet je wat ik erbij
+ dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik 'n prul bij pastoor Koens!"
+
+ "Hé, m'nheer!"
+
+ "'t Is de waarheid! Maar ik van mijn kant ben weer veel sterker van
+ bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor
+ ondankbaarheid. Als m'n vader me op z'n smederij gedaan had, zou ik
+ net zoo sterk geworden zijn als m'n broer, maar de theologie maakt
+ 'n mensch 'n beetje lebberig, vind je niet?
+
+Prachtig! Iemand als Jansen houdt er geen bijzondere deftige of
+edel-klinkende termen op na, als hij over God of godsdienst spreekt:
+zijn reinheid maakt hem, onbewust, als 't ware met God gemeenzaam en
+vertrouwd.
+
+ En toch ... verbeeldje, ik heb thuis 'n _Vulgata_ (de door de
+ katholieke kerk aangenomen latijnsche bijbelvertaling, v.C.) Daar
+ staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in 't vierkant, en
+ in leer gebonden ... 'n heele vracht! En er zijn sloten aan, ook.
+ Stijn schuurt ze alle weken blank. (Merk nu die onschuldige [p.241]
+ en naïef geuite trots van het groote, lieve kind, omdat ie zoo
+ sterk is! v.C.) Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m'n
+ pink, en Stijn zegt _Paters_ (het _Pater Noster_ = 't _Onze Vader._
+ v. C.) op, en ik houd m'n _Vulgata_--altijd met die ééne pink, moet
+ je denken--tot quotidianum (= dagelijksch, voorkomend in den zin:
+ "geef ons heden ons dagelijksch brood." v.C.) van de derde. En
+ Stijn is niet eens heel vlug met 'r _Paters_. Als ik ze zelf zei,
+ bracht ik 't zeker tot _remitte_ (voorkomend in den zin: "en
+ vergeef ons onze schulden," v.C.) van de vierde, of misschien wel
+ tot _amen_. Maar ik moet je 'r bijzeggen, dat wij katholieken geen
+ kracht, macht en heerlijkheid hebben. (Het Katholieke _Onze Vader_
+ eindigt met: "Maar verlos ons van den booze." Het protestantsche
+ heeft nog dezen zin erbij: "Want U is het koninkrijk, en de kracht,
+ en de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen." _Jansen_ zou dus een
+ sterker krachttoer doen als-ie de _Vulgata_ aan z'n pink liet
+ hangen gedurende 4 protestantsche Pater Nosters dan nu hij 't doet
+ gedurende 4, kortere, katholieke! v.C.) Dat scheelt altijd 'n
+ beetje. En ... er is niets apocriefs in de _Vulgata_ (De z.g.
+ apocriefe boeken: toevoegingen van later datum aan het Oude, zoowel
+ als het Nieuwe Testament, die niet hetzelfde gezag als deze hebben
+ en er niet mee op een lijn worden gesteld. De Vulgata is dus minder
+ _zwaar_ dan een protestantsch bijbel-boek waarin die apocriefen wel
+ zijn af gedrukt. De goeie man vertelt dat allemaal, om zich niet
+ "grooter voor te doen dan hij is"! v.C.) Met een protestantschen
+ bijbel zou ik 't wel laten, dat vat je wel." Neen, Wouter vatte het
+ niet! of althans hij begreep niet _alles_. Maar de conclusie nam-i
+ goedig aan. Hij hield zich overtuigd dat pater Jansen bijzonder
+ sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood
+ gegaan zijn.
+
+ "Ja, 't is 'n heel ding niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer
+ niet. Zoo zieje dat God altijd ieder 't zijne geeft. _Maar ik heb
+ Stijn verboden 't hem te zeggen. Hij mocht eens verdrietig worden
+ omdat-i 't me niet na kan doen_, en dit hoeft niet, want _zulke
+ dingen komen toch in ons vak maar zelden te pas_.
+
+Uit het _eerste_, door mij gecursiveerde, deel van dezen zin blijkt u
+_Jansen's_ goedheid, maar het wekt tevens de hinderlijke gedachte bij u
+op: hij zelf vertelt het, hij pronkt ermee, en daardoor gaat ge
+twijfelen aan het echt-zijn dier goedheid I Maar het _tweede_ is van
+zulk een bekoorlijke naïefheid--vooral dat "vak"!--dat ge inziet, dat
+hij 't niet vertelt om ermee te pralen, maar uit louter onbewuste,
+kinderlijke openhartigheid! _Gij hebt hier dus voor u een sterk bewijs
+voor de [p.242] waarheid van wat ik hierboven zei: die kinderlijkheid
+drenkt en belicht zijn zedelijke schoonheid, en door de eerste erkent ge
+de laatste als echt_.
+
+ Maar eens toch heb ik er echt schik van gehad ... niet van die
+ _Vulgata_, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hij
+ doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeeldje,
+ ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n'n boer in de buurt, 'n
+ rijke boer. Hij heette Koremans, maar hij was heel rijk, en hij had
+ veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal
+ boerenmenschen, dat begrijp je wel. Een van de meiden heette
+ Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was, maar och, ik
+ heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. (Jelui zult later wel
+ merken waarom, v.C.) Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n'n
+ ander stukje, iets van hèm, van pastoor Koens. Dàt moet je hooren!"
+ 't Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen
+ eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n
+ boeremeisje. Hij was in de jaren que tout ce qui porte jupon
+ intéresse; (= dat alles wat 'n japon draagt, belang inboezemt,
+ v.C.) en in z'n verbeelding vertaalde hij elk onbekend
+ vrouwspersoon in "Femke" of ... iets als Femke, (het meisje, waarop
+ hij "verliefd" is. v.C.) Maar hij begreep toch dat-i den goeden
+ Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hij
+ luisterde zoo aandachtig mogelijk.... (Wij doen dit _niet_, om
+ --ruimte te winnen, en luisteren pas weer, als Wouter aandringt de
+ geschiedenis van Trineke te hooren. v.C.)
+
+ "Maar, m'nheer, wat was er met die Trineke?"
+
+ "Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten
+ noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood."
+
+ "Wat had-i gedaan met die Trineke?"
+
+Uit dat _gedaan_, blijkt dat het romantische Woutertje op zijn minst aan
+'n half dozijn onteeringen of iets dergelijks denkt!
+
+ "Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit
+ over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jij 't
+ vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist
+ niet minder dan andere boeren, en daarom zou 't me leelijk staan
+ z'n naam te bekladden, maar waar is waar! Hij was héél rijk, en
+ goed voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel
+ in 't Simmenarie--hing 'n geelkoperen _Sebastiaan_ ('n heiligbeeld.
+ v.C.) met z'n lijf vol pijlen, wel duizend pond zwaar ... nu, die
+ was van hèm. En opschepperig [p.243] was-i als we hem bezochten,
+ goedgeefs ... je hebt er geen begrip van! Aan brood of kaas of
+ karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n twintigen ... net
+ 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozijnen op brandewijn, en
+ daar dronken wij simmenaristen van dat het 'n aard had. Maar dat
+ kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of
+ zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t was al de
+ derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze hebben--en
+ wij kwamen gelukwenschen en werden best onthaald, maar de bruid
+ keek sip, (je zult later wel zien, waarom! v.C.) en we dronken
+ brandewijn op rozijnen, en er was 'n pret van belang ... op de
+ bruid na! Maar op eens ... och, jongeheer, ik had 't je eigenlijk
+ niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je er nooit
+ over spreken zult?"
+
+ "Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!"
+
+ "Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg."
+
+Dat "op m'n woord van eer" van Woutertje, die zich voortdurend een
+ridder of zoo iets droomt, is kostelijk. Maar nog kostelijker is Jansens
+verbaasde "Wat?" daarop, en allerbest dat hij in z'n eenvoud heelemaal
+niet begrijpt, dat Woutertje daar iets heel plechtigs mee bedoelt,
+integendeel, hij schijnt het iets minder dan een gewone, eenvoudige
+verzekering te achten, maar enfin, denkt hij, hoe gek ook, hij hééft 't
+beloofd, dat is genoeg!
+
+ Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult
+ hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens
+ terdeeg uitgegroeid. Je begrijpt, 'n jongen in _theologie-tweede_
+ is anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou
+ gedanst worden ook. Dit mocht eigenlijk niet, en als 't in 'n ander
+ huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar
+ _Rector_ zag wat door de vingers als 't bij Koremans gebeurde, om
+ dien _Sebastiaan_, weet-je, en ook omdat-i weleens in z'n wagen
+ naar stad reed en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen ... in dien
+ tijd. Nu zou 't niet meer staan! En ik zou dansen met de bruid, die
+ ik graag lijden mocht ... vroeger.
+
+Hier _schijnt_ onze groote kunstenaar "er even uit." Immers dat
+"vroeger" beteekent: nu ik priester ben, zou mij dat _niet_ geoorloofd
+zijn "haar graag te mogen lijden." Welnu als dit een soort liefde was,
+die hem als priester niet geoorloofd is, dan was het hem, den hoogreine,
+ook niet geoorloofd, terwijl hij zich van _die_ liefde _bewust_ was, met
+Lies te dansen. [p.244] Neen, hij was toen nog geen priester, máár: hij
+zou 't worden èn _zij was immers met een ander verloofd_. Jansen, mag,
+wil zijn figuur volmaakt gaaf blijven, niet geweten hebben dat zijn
+liefde een "zondige" was, en Multatuli laat het hem klaarblijkelijk wèl
+weten. Maar begrijpen we 't goed: _nu_ weet ie-'t, _toen_ wist hij 't
+_niet_. Men zie mijne ontleding van de geheele figuur aan 't eind van
+dit hoofdstuk.
+
+ En ze hield van mij ook wel, dat weet ik zeker.
+
+Dit is schitterend. Jansen blijkt hier duidelijk de naïef-reine, tot
+wien het heelemaal niet is doorgedrongen zelfs op dit oogenblik, dat
+Liesje niet alleen "van hem hield" maar dat zij hem liefhad als een
+vrouw een man.
+
+ Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik, dat Trineke er niet was
+ en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altijd bij,
+ net als de andere knechts en meiden, maar nu was zij er niet. En
+ dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans zelf.
+ Lies was de bruid, weet-je, die met me dansen zou, en wel 't
+ allereerst, omdat ik 'n weddingschap van haar vrijer had gewonnen
+ ... ook al over sterkte. "Trien is ziek," zei Koremans, "en ga nu
+ je gang maar met Lies." "Is Trineke ziek," vroeg ik, "en waar is ze
+ dan?" Want dàt wou ik weten. "En," zei ik, "ik ga nu me gang met
+ Lies niet, voor ik weet waar Trineke is."
+ ...................................................................
+ "Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed
+ doet...."
+
+ "Ik zal er heusch niet over spreken," beloofde Wouter, die meende
+ dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg en bang was dat
+ Jansen 't verhaal afbreken zou.
+
+ "O, _dit_ mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't
+ weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spijt me toch--dat de boeren
+ ... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...."
+
+ "Hé?"
+
+Wouter krijgt 'n slag op z'n hart, nu hij hoort, dat Trineke _oud_ was.
+Hij had van een of andere romantische geschiedenis van een jong,
+natuurlijk "beeldschoon" boerinnetje gedroomd. Prachtig is dat weer, hoe
+Multatuli _Woutertje_ doorvoeld heeft!
+
+ ... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had [p.245]
+ al meer gemerkt, dat men haar achteraf-zette en wegdeed als er wat
+ vroolijks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was,
+ en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want
+ toen ik den vorigen keer bij Koremans was, had ik al gemerkt dat ze
+ erg hoestte, en nog kaduker was dan gewoonlijk. Ze was 'n beetje
+ mank ook, maar ze had altijd braaf gewerkt.... O, bij Koremans z'n
+ ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was. "Ze is op 'r bed," zei
+ Lies, "en ik begrijp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe
+ mensch. Kom dans maar!" En ze wenkte den speelman dat-i beginnen
+ zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof
+ God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht behandeld werd. En
+ Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje
+ denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou dat ik
+ Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want ...ze lag in den
+ stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat
+ begrijp je wel--maar 't was of God 't me ingaf. En ik stond vóór
+ den stal, en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet
+ antwoorden, en Lies riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe
+ mensch?" Maar ik zei: "met jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen
+ vroeg ik aan Koremans of-i de deuren van den stal wou openen?
+ "Neen," zeid-i, "en ze is er niet!" En ik zei dat ze er wel was, en
+ vroeg 't hem nòg eens, want men moet 'n mensch altijd tijd laten om
+ zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hij zei weer neen, en Lies
+ wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m'n schouder
+ tegen de staldeur dat ze kraakte, en ... ik was erin, hoor! Vindt
+ je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.
+
+ "En Trineke, m'nheer?"
+
+ "Welzeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't
+ Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer
+ geleefd, maar ... ze is toch behoorlijk gestorven op 'n kristelijk
+ bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik
+ je!"
+
+ ...................................................................
+
+ "En Liesje, m'nheer?"
+
+ "Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen
+ Trineke op 'n bed lag, vroeg ze-n of ik nu met haar dansen wou?
+ Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineke een glas brandewijn met
+ rozijnen en krentenkoek, dat heel versterkend is bij de boeren, en
+ toen vroeg ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar
+ zonder veel pleizier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en
+ Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelijk uitstellen, maar
+ Koremans was er kwaad om, en haar vrijer ook. Ik geloof dat-i me
+ niet lijden mocht ... zeker om die weddenschap."
+
+[p.246] Let op de gedachtenverbinding bij _Jansen_. Hij vertelt dat
+Liesje's vrijer boos was, omdat zij het huwelijk wilde uitstellen, en
+dadelijk daarop zegt hij: "Ik geloof" enz. Daarmee verklapt hij
+onwillekeurig, zich ervan bewust te zijn, dat de vrijer Liesje's plan
+haar huwelijk uit te stellen, weet aan iets, dat in verband stond met
+Jansen's persoon, maar dat _niet_ de Trineke-geschiedenis was! Hij
+bemerkt echter onmiddellijk, dat hij zich verklapt heeft en om Wouter op
+een dwaalspoor te brengen, voegt hij er gauw bij: "zeker om die
+weddenschap."
+
+ Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten
+ minder vroolijk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze maar
+ zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier."
+
+Een toespeling op Jansen's verhaal van hoe hij met Liesje danste na de
+Trineke-geschiedenis. Deze toespeling heeft dus de waarde van een
+voortreffelijke vergelijking, een mooi "beeld," en geeft hetzelfde
+genot!
+
+ Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man
+ aantezetten tot wat gehuppel. Ja zelfs hij verwachtte een flinken
+ sprong, 'n _saut périlleux_ (= 'n gevaarlijke sprong, v.C.). De
+ onkunde der jeugd is wreed--_cet âge est sans pitié_, (= deze
+ leeftijd kent geen medelijden, v.C.) zei de fabeldichter--en Wouter
+ wist niet wat-i deed, toen hij vroeg: "En is Liesje met haar vrijer
+ getrouwd, m'nheer?"
+
+Immers deze vraag moet _Jansen_, die Liesje op 'n heel andere manier
+heeft liefgehad, dan hij zelf _indertijd_ wist, schrijnende pijn doen.
+
+ ...................................................................
+ "En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? (Nadat ze getrouwd was en
+ "bleek en verdrietig en ziek was geworden." Ze leefde ook niet lang
+ meer. v.C.) Neen, want haar man was niet heel vriendelijk als ik
+ naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou
+ brengen, dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje ... kijk de
+ zaak was zóó. (Jansen ziet in, dat hij tegenover Wouter zich niet
+ langer van het voorwendsel van die weddenschap kan bedienen! v.C.)
+ In 't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander had, als ze 't maar
+ had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander
+ van de kerk was. Ja, ja, ik weet wel wie 't was, ook!"
+
+ "Hé?" vroeg Wouter die 't ook meende te weten.
+
+[p.247] Wouter denkt, zeer terecht, dat 't Pater Jansen zelf was.
+Vandaar z'n verbaasd "Hé?" nu hij gaat inzien dat de Pater meent, dat 't
+een ander was.
+
+ "Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op
+ de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk
+ kwamen, stond zij aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra
+ we naderbij kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand, die niet
+ weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zijn de meisjes, en dit wist
+ ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als
+ op 'n Simmenarie."
+
+Dit is heerlijk.' Humor van de allerbeste soort. Op 't zelfde oogenblik,
+dat hij blijk geeft zoo onschuldig te zijn als 'n pasgeboren kind, zegt
+hij, zooveel menschenkennis op 't Simmenarie te hebben opgedaan!
+
+ Nu, dat ze-n-altijd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten,
+ besten jongen!
+
+O, hoe prachtig is dit: met dit "'n besten, besten jongen!" verdedigt
+Jansen zijn vriend tegen eigen innerlijk misprijzen, 't Beteekent zoo
+iets als: Neen, ik _wil_ geen kwaad van hem denken.
+
+ En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger
+ geweest zijn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat
+ zou ik ook misschien wel eens gedaan hebben, want Kruger was m'n
+ beste vrind, en hij hield _bijna net zooveel_ van Liesje als ik. O,
+ heel veel!
+
+In dat "bijna net zooveel" ligt een wereld! Pater Jansen moge zich-zelf
+onder bedwang hebben, hij moge z'n afkeurende gedachten over 'n vriend
+het zwijgen opleggen, hij make zich-zelf diets, dat pastoor Koens zoo'n
+beste jongen was--wij weten en hij weet o.a., dat jonge fatsoenlijke
+meisjes niet graag bij hem biechten gingen!--als hij denkt aan zijn
+eigen liefde voor Liesje, dan is het met dat zich-diets-maken uit. Hij
+ziet plots de smetteloos reine verschijning _zijner_ liefde, en
+daarnaast, daar ver onder: de waarschijnlijk zinnelijke, oppervlakkige
+van Pastoor Koens. En wilde hij ze al gelijk stellen, het woord besterft
+hem op de lippen. Hij voelt dat dat heiligschennis wezen zou en hij mòet
+'t zeggen, dat [p.248] heerlijke, ook ter wille van Liesje: dat zijn
+liefde grooter was. Maar in 'n laatste poging zich-zelf neer te buigen
+en z'n vriend omhoog te tillen, verkleint hij den afstand tusschen beide
+liefden: "_bijna net zooveel_." O, het is om te schreien en te juichen
+tegelijk....
+
+ Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelijkheden, toen 't
+ paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen
+ van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden
+ door een der hoofdpersonen zelf.
+
+Immers Liesje was op _Jansen_ verliefd en deze denkt dat ze 't op
+_Kruger_ was.
+
+ Hij voelde wel dat Jansen eigenlijk meer verteld had dan-i zich
+ veroorloofde te weten. Of _wist_ hij meer?
+
+Er zit hier een moeilijkheid. We moeten daar even bij stilstaan. Indien
+men zegt dat iemand meer vertelt dan hij zich veroorlooft te weten, dan
+beteekent dit ongetwijfeld, dat het juist heel zeker is dat die
+verteller het weet, maar dat hij eigenlijk zich-zelf of anderen niet
+bekennen wil dàt hij 't zéker weet. Daarna dan bij wijze van
+tegenstelling te vragen: "of wist hij meer?" heeft geen zin. Wij moeten
+dus aannemen, dat Multatuli tegen het gewone spraakgebruik in met dat
+"meer dan-i zich veroorloofde te weten," bedoelde: meer dan-i werkelijk
+_wist_. (Dus ironisch. In den zin van: meer dan-i zich de weelde
+veroorloofde te weten.) En dáárop volgt dan logisch: "Of wist hij meer?"
+Het antwoord wordt in het volgend stukje tekst te _gissen_ gegeven.
+
+ Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man
+ gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf
+ dreunde en 't spreken moeilijk maakte, was daarvan zeker de
+ oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen
+ over den vreeselijken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had.
+ "Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben
+ moe ook."
+
+Jelui zult al wel begrepen hebben, dat hij geschreid en dáárom ook niet
+gesproken heeft.--En nu het antwoord op de vraag, _of hij meer wist_?
+Dit antwoord moet m.i. aldus [p.249] luiden: In zijn jeugd, _terwijl de
+geschiedenis met Liesje voorviel_, dacht hij, dat Liesje niet hem, maar
+Kruger liefhad. Zoowel zijn naïveteit als zijn zelf-geringschatting
+verklaren dit voldoende. Trouwens, ware het anders, dan zou deze
+smetteloos-reine toch onmiddellijk den omgang met Liesje afgebroken
+hebben om haar liefde niet aantewakkeren. Vandaar dan ook, dat hij zegt,
+dat hij _misschien_ Kruger wel eens zou meegenomen hebben. D.w.z. hij
+zou misschien toegegeven hebben aan den aandrang van den vriend, om hem
+mee te nemen, maar met zijn volle instemming zou hij dat niet gedaan
+hebben. Immers hij was natuurlijk van meening, dat Kruger haar liefde
+niet mocht aanwakkeren. En dit is dan ook de reden hier, waarom hij,
+zooals we merkten, innerlijk Kruger _geen_ "beste jongen" vindt. Daarna,
+bij 't klimmen der jaren echter, zijn hem, in zijn stil peinsleven, de
+oogen opengegaan. Hij heeft toen begrepen, dat Liesje _hem_ heeft
+liefgehad. Maar dan, om zijn gemoedsrust te bewaren en de nijpende smart
+om het verloren geluk tot zwijgen te brengen, is hij zich gaan _diets
+maken_, wat hij _eerst_ in wáárheid geloofde, nml. dat zij Kruger
+liefhad. Als men weet hoe gemakkelijk menschen langzamerhand in de
+waarheid van eigen vaak herhaalde onwaarheden gaan gelooven, dan
+begrijpt men zeker, hoe betrekkelijk licht dit ook dezen _priester van
+een suggestief wondergeloof_, in zijn _lang leven_ moet gelukt zijn. Op
+'t oogenblik dus, dat hij Wouter vertelt, dat Liesje Kruger liefhad,
+vertelt hij geen _bewuste_ onwaarheid. Maar dan weer, door de
+aandoenlijkheid van zijn verhaal--bij dat _bijna net zooveel_--uit zijn
+zelf-gesuggereerde denk-sleur geheven, staat plotseling één vreeselijk
+oogenblik, de lang weggeduwde, de diep verborgen waarheid, groot en
+ontzettend voor zijn oogen, en in de duisternis van de poort snikt hij
+zijn wee uit, om 't verloren heil ... de nutteloos uitgebloeide
+liefde....
+
+Hiermede zij de behandeling van _Woutertje Pieterse_ beëindigd.
+
+En nu een bekentenis: vóór het schrijven heb ik altijd een zekeren
+angst, dat ik mijn onderwerp niet voldoende recht [p.249] zal doen
+wedervaren, of, op deze plaats, te moeilijk zal zijn, daarnà--zelden het
+gevoel geslaagd te zijn....
+
+Wat zal jelui na het lezen hebben? Mag ik mij vleien, dat het de
+begeerte zal wezen, zelf het kunstwerk in z'n geheel te genieten?
+
+
+ * * * * *
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Voor 't eerst gepubliceerd als inleiding tot de literatuur-afdeeling
+van den boekerij-catalogus van den A.N.D.B.
+
+[2] Op dit laatste: het innig-doorvoeld hebben van de eenheid van het
+zijnde berust dit, wellicht edelste, vermogen van den literairen
+kunstenaar: het maken van treffende vergelijkingen (het "scheppen van
+beelden"). Want dit _is_ niet anders dan het weten der eigenschap, die
+overigens uiteenloopende dingen gemeen hebben.
+
+[3] Zie, _na dit geheele betoog ten einde te hebben gelezen_, de noot op
+blz. 216.
+
+[4] Zie hierin tevens het bewijs en de verklaring van de stelling (zie
+pag. 211) waarom noodzakelijk elke weergave-in-kunst schoonheid is.
+
+[5] Ik heb vermeden, 't geen ik nu zeggen ga, in het voorafgaande betoog
+op te nemen, om eenigen niet ervaren lezer het verstaan niet noodeloos
+te bemoeilijken en hem van den hoofdweg af te leiden. Nu moge het echter
+tot juister en vollediger begrip hier een plaats vinden. Overal, waar in
+het betoog sprake was van "objectiviteit" bij het waarnemen en
+weergeven, werd dit _nimmer in absoluten zin bedoeld_. Het is bijna
+onnoodig te zeggen, dat _onze subjectiviteit altijd waarneming en
+weergave kleurt_. "Objectieve waarneming en weergave" wil dus, zoo kort
+mogelijk gezegd, hier niet anders beteekenen dan die waarneming en
+weergave, waarin geen enkel ander element van subjectiviteit aanwezig
+is, dan hetgeen _onvermijdelijk_ voortvloeit uit den aard der
+_natuurlijke individualiteit_ van den waarnemer en weergever.
+
+[6] In _Het Jonge Leven_ was een Hildebrand-artikel aan dit opstel
+voorafgegaan.
+
+[7] De moeite van dit "losmaken" werd mij intusschen bespaard door de
+voortreffelijke uitgave van _Woutertje Pieterse_ der _UitgeversMij.
+Elsevier_.
+
+[8] Verwekt dus ook de _goede_ romantiek soms in den daarvoor
+ontvankelijken lezer, een overdreven voorstelling van de
+werkelijkheid,--de _slechte_ romantiek _is_ die "overdrijving" _in
+zich-zelf_. _Zij_ vervalscht den _gewonen middelslag-mensch_ tot een
+_grooten_ mensch, groot zoowel in het goede als in het kwade, doet hem
+leven in omstandigheden, waarin zulk een mensch _niet_ leeft en laat hem
+daden verrichten, die zulk een mensch _niet kan_ verrichten.--
+
+[9] Hier volgde in het oorspronkelijk artikel het schitterende "Avondje
+bij juffrouw Pieterse." Slechts één door mij bij het citeeren gemaakte
+opmerking--de andere zijn voor een algemeen publiek te weinig
+belangrijk--zij hier herhaald: De dialoog in dat gedeelte van ons boek,
+staat slechts _ten deele_ in _dialect. Multatuli_ achtte zich na het
+toonen van een staaltje daarvan, ontheven van den _kunstenaarsplicht_,
+den dialoog aldus weer te geven. _Zeer onjuist_ èn jammer ook, omdat nu
+iets van de _groeps_-karakteristiek verloren gaat.
+
+[10] Hier: blz. 211 en 214.
+
+[11] De voorstelling van een begrip, een zaak, als persoon.
+
+[12] Causaliteit = oorzakelijkheid, het verband tusschen oorzaak en
+gevolg. (Denk aan het fransche _cause_ = oorzaak). Het is hier
+natuurlijk de plaats niet om uitteweiden over alles wat hieraan vast
+zit. Genoeg zij 't, dat Multatuli tot die wijsgeerig-denkenden behoorde,
+die meenen, dat elke oorzaak _noodwendig_ het gevolg heeft, dat eruit
+voortspruit, m.a.w.: zij had nimmer een ander gevolg kunnen hebben.
+Waarom hij dan ook aan de causaliteit den naam _Fancy_ geeft, zal u nu
+wel duidelijk zijn. Immers: het kunstvoortbrengen, zegt hij, is niet
+iets willekeurigs, dat hij doen of laten kan wanneer het hem belieft,
+maar hij doet het slechts, wanneer hij door zijn innerlijken drang ertoe
+wordt gedwongen. Die drang is de resultante, het uitvloeisel van de
+factoren, die te zamen den mensch Multatuli vormen. Hij is dus een
+gevolg, een werking van de causaliteit, van al de _oorzaken_ namelijk,
+die den mensch Multatuli en zijn denken en doen tot noodwendig _gevolg_
+hadden. En, zegt hij óók, _Fancy_ inspireert, fluistert hem zijn
+scheppingen in. _Fancy_ is dus één met de causaliteit, een
+personificatie ervan.--
+
+[13] Multatuli-zelf ziet deze kinderlijkheid wel als een gebrek. Het
+eenige wat ik daarvan zeggen kan is--dat de vader hier zijn eigen kind
+niet goed gekend heeft! 't Geen niet behoeft te verwonderen. De
+verklaring ligt voor de hand, waarom dit verschijnsel juist bij gróóte
+schrijvers voorkomt. De voortreffelijke G.K. Chesterton geeft er in zijn
+onlangs verschenen _Criticisms and appreciations of Charles Dickens'
+Works_ eenige aardige bij Dickens voorkomende staaltjes van. Tusschen
+haakjes: ik kan den Engelsch-kennenden onder mijne lezers, dit luchtig
+en geestig geschreven en zooveel juist inzicht bevattend werk warm
+aanbevelen.--
+
+[14] Menigeen zal het gek vinden, dat ik zoo voortdurend van _Pastoor
+Jansen_ als van een werkelijk geleefd hebbende persoon spreek. Maar men
+bedenke, dat het 't _levensware_ is, dat iets geschikt maakt er
+_levenswaarheden_ aan te demonstreeren, en dat is evenzeer bij een door
+_de Kunst_ als door de Natuur _geschapen_ mensch aanwezig.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
+[p.251]
+
+I.
+
+
+Is het voor den lezer en bespreker van de _Historie van Mej. Sara
+Burgerhart_ ongetwijfeld immer een voorrecht dezen roman-in-brieven in
+de uitgave van de W.B. voor zich te hebben, in deze warmte vooral voelt
+men 't als een onschatbaar genot, dank zij den heer Prof. Knappert, die
+het werk van eene inleiding en verklarende aanteekeningen heeft
+voorzien, niet genoodzaakt te zijn, om, bibliotheek in, bibliotheek uit,
+naar de beteekenis van verouderde uitdrukkingen te speuren, of te
+beproeven zich zelfstandig in 't historisch milieu te orienteeren.
+Bedoelde inleiding en aanteekeningen maken al een zeer sympathieken
+indruk, niet alleen door den zoo duidelijk blijkenden ernst en de
+nauwgezetheid, waarmede zij zijn samengesteld, maar óók door het feit,
+dat de heer Knappert in een zeer gewichtige aangelegenheid zijn eigen
+weg is gegaan en zich niet door den beroemden _Busken Huet_ een dwaalweg
+heeft laten inloodsen. Anders dan deze, die eene der boezemvriendinnen,
+en wel Agatha Deken, het mede-auteurschap der, naar beider
+ondubbelzinnige verklaring, _gezamenlijk_ geschreven romans ontzegt,
+verklaart onze geleerde en scherpzinnige commentator: "Maar haren roem
+danken Betje en Aagje terecht aan haar _wezenlijk gezamenlijk_
+geschreven romans." Om met den gullen Abraham Blankaart, Saartje's voogd
+te spreken: "Dat klinkt je wat anders voor den snoet" dan de
+quàsie-vernuftige [p.252] critische bewering van Huet. 't Is waarlijk
+geen gering vergrijp op zoo wankele gronden[1] als door deze voor zijn
+meening kunnen worden aangevoerd, het niet alleen aan te durven, deze
+vrouw, die zich niet verdedigen kan, van haar roem bij het nageslacht te
+berooven, maar ook de moreele smet aan te wrijven, dat zij zich eer en
+lof heeft laten aanleunen, die haar niet toekwamen en letterlijk op de
+talenten van haar weldoenster en hartsvriendin zou hebben geparasiteerd.
+Want Huet moge daar luchtigjes overheen redeneeren en, de kool en de
+geit pogend te sparen, het als iets loffelijks in Aagje voorstellen, dat
+zij niet weigeren wilde, Betje's roem te deelen, in waarheid zou zulk
+een handelwijze niet anders gequalificeerd kunnen worden, dan ik heb
+gedaan. En het schenkt mij dan ook niet geringe voldoening en vreugde,
+dat de heer Knappert anders oordeelt. Intusschen, hoe gaarne ik langer
+over diens bijzonder [p.253] waardevollen arbeid zou uitweiden, we
+zullen nu maar eens aan den roman-zelf onze aandacht geven. Al lezend
+zullen wij gelegenheid te over hebben, door van de inlichtingen van
+onzen gids gebruik te maken, hem de beste hulde te brengen, die iemand
+gebracht worden kan.--
+
+Ziehier de zeer kort saamgevatte "inhoud": _Sara Burgerhart_, eene wees,
+'n zeer begaafd, zeer geestig en bevallig kind van 'n jaar of twintig,
+is bij een oude, kwezelachtige tante in huis, _Juffrouw Hofland_, die
+zich te goeder trouw bij de zoogenaamde "fijnen" aangesloten hebbend,
+hun dupe wordt. (Bij dat woord "fijnen" hièr moet ge niet denken aan een
+zeker soort van vrome menschen, die, ofschoon lastig en onverdraagzaam
+voor hunne omgeving, toch deugdzaam zijn en hunne godsdienstigheid
+oprecht meenen, neen, déze "fijnen" zijn integendeel doortrapte
+huichelaars, die, onder den schijn van streng godsdienstig te zijn, de
+meest schurkachtige daden bedrijven!) Het arme kind wordt echter zoo
+door die tante en haar verfoeilijk gezelschap, _"Broeder" Benjamin_ en
+_"Zuster" Slimpslamp_, benevens 'n dronken tobbe van 'n dienstmeid,
+_Brecht_, genegerd en geplaagd, dat ze met toestemming van haar
+uitmuntenden voogd, _Abraham Blankaart_, die haar vaders boezemvriend
+was, ontvlucht en haar intrek neemt bij een waarlijk verstandige en
+deugdzame vrouw, _de Wed. Buigzaam_. Daar wint zij niet alleen de
+vriendschap van haar hospita en, op één enkele uitzondering na, die van
+de bij deze inwonende jonge dames, maar zij leert er ook den man kennen,
+die haar echtgenoot wordt: _Hendrik Edeling._ Voor zij echter trouwt, is
+zij door haar sterken zin voor uithuizige vermaken en het argeloos
+vertrouwen van haar jong, rein hart, bijna het slachtoffer geworden van
+een adellijken losbol en gewetenloozen meisjesverleider, _den heer
+R_.[2]
+
+ * * * * *
+
+Ook deze roman is een _realistisch_ werk. En ik geloof [p.254] het
+daarom niet te onpas eens even vluchtigjes te onderzoeken in welke
+verhouding de innerlijkheid van dit werk en de fundamenteele geaardheid
+zijner auteurs staan tot die van de beide andere, in deze serie[3] reeds
+behandelde boeken en schrijvers: Hildebrand met zijn _De Familie Kegge_,
+Multatuli en zijn _Woutertje Pieterse._ Zou men aanvankelijk geneigd
+zijn te beweren, dat Wolff en Deken in hun Hollandsche degelijkheid en
+de geschiktheid van hun roman "voor den Meridiaan des Huiselijken
+levens," meer overeenkomst vertoonen met den kalmen aspirant-burger-
+huisvader Hildebrand, dan met den geweldigen Multatuli, den afbreker,
+den spotter en de schrik van alle brave huisvaders en afgebakende-
+levensweggetjes-bewandelenden--men komt al heel spoedig van die meening
+terug. Zooals Hildebrand wel schijnbaar, en ten deele met Multatuli
+overeenkomt in het gering achten van eigen [p.255] kunst en artistieke
+vermogens--de eerste, zooals wij indertijd gezien hebben, vindt zijn
+schetsen-schrijven een jeugdspel, dat den rijperen leeftijd niet meer
+voegt, terwijl de laatste voor niets grooter angst schijnt te hebben,
+dan om zijn schrijfkunst bewonderd te worden--maar inderdaad in de
+oorzaken dier geringschatting hemelsbreed van hem verschilt--want ten
+eerste mag men met grond beweren, dat Multatuli meestentijds niets van
+dit geringschatten meende, maar ten tweede: dat, ten tijde dat hij 't
+wèl meende, die meening in hem geboren werd _uit zijn ontzaglijk
+revolutionnair sentiment_, terwijl zij bij Hildebrand voortkwam juist
+uit het _tegenovergestelde_: het begrip van eigen waardigheid en fatsoen
+als dienaar van den godsdienst, d.i. van het overgeleverde, het, in zijn
+oogen, _vaststaande en blijvende_: een fundamenteel onderscheid
+dus!--zoo komen, oppervlakkig beschouwd, Betje en Aagje wel met
+Hildebrand overeen in den eerbied voor een werkelijk godsdienstig leven;
+in de voorkeur voor het beelden van echt vaderlandsche tooneelen, en
+zelfs in het verliefd zijn op enkele der door hen geschapen figuren,
+maar dat alles spruit bij hen uit geheel andere motieven voort dan bij
+hem. De eerbied voor den werkelijk godsdienstigen en braven mensen maakt
+zich bij Hildebrand zelden los van de wetenschap, dat ook hij zulk een
+mensch is, in één woord: hij blijkt soms saamgeweven met eene ergerlijke
+zelfverheerlijking en zelfverheffing, bij onze Wolff en Deken is daar
+geen sprake van. Beeldt Hildebrand zich in _De Familie Kegge_--herinnert
+ge 't u?--als den onfeilbaar-wijze en den reddenden engel, Betje
+daarentegen stelt zich-zelf ten toon--ongetwijfeld zich bewust, dat men
+dit zal begrijpen--als de zeer zeker begaafde, zeer zeker brave en
+sympathieke, maar niet minder lichtzinnige _Saartje Burgerhart_, die
+niet alleen geen anderen redt, maar er rond voor uit komt, dat ze 't
+alleen God heeft te danken, dat ze niet door een schurk voor haar
+geheele leven ongelukkig is gemaakt, terwijl Aagje er niets op tegen
+schijnt te hebben, zich-zelf als de bedilzieke en overijld naar den
+schijn oordeelende _Anna Willis_--vriendin van _Saartje_--te teekenen!
+[p.256] En ongetwijfeld: de liefde voor het schetsen van het
+vaderlandsche milieu is zoowel bij Hildebrand als bij onze schrijfsters
+zeer sterk, maar welk verschil in omvang en rijkdom hunner
+menschenwereld! Waardeert men bij Hildebrand een sterk _novellistisch_
+talent, in het werk van Wolff en Deken voelt men den adem der groote,
+heele menschengroepen omvattende epica. En welk een onderscheid ook in
+de weergave dier wereld! In hoeveel grootere mate dan bij Hildebrand
+spreken hier de struische Hollanders de stoere Hollandsche taal. Neen,
+men ziet het: dit is onovertrefbaar: deze menschen kunnen niet anders
+spreken, dit is het woord, waarin zij-zelf léven, het woord soms hoekig
+als hun vierkantig gezicht, hun zware lijf, soms rond als hun kaaskop,
+maar altijd helder-gewasschen als hun grijze en blauwe kijkers....
+
+Ook de verliefdheid op de eigen kunstfiguren is bij Hildebrand iets
+geheel anders dan bij Betje en Aagje. Bij den eerste wordt zij niet
+zelden door kleine en uiterlijk-maatschappelijke motie ven beheerscht,
+bij de laatsten is dit vrijwel nooit het geval: zij zijn op sommige
+hunner figuren verliefd, omdat die hun de personificaties zijn van
+_zekere kenmerkende en uitstekende eigenschappen van hun eigen ras en
+volk_, of van _het edele in 't algemeen_. Maar die soort van
+kruiperigheid jegens de "hoogere" standen, zooals die zich bij
+Hildebrand uit in de _Baron van Nagel_- en _Freule Constance_-
+beflikflooiïng, is in de _Sara Burgerhart_ al evenmin te vinden als zijn
+beschermheerachtige neerbuigendheid jegens de "lagere" assen. Meer
+wezenlijke overeenkomst vertoonen zij met Multatuli. Betje vooral is een
+allergeestigste spotvogel en wat 't glazeningooierig-kwajongensachtige
+en 't geestig-moedwillig op den hak nemen betreft, gaat--intrinsiek--de
+geest van Bekker dien van Dekker niet zooveel uit den weg. 't Verschil
+in dit opzicht lijkt grooter dan het is, omdat de eerste tot alles wat
+zij doet geïnspireerd wordt door haar onuitdoofbaren levenslust en
+blijmoedige guitigheid, de laatste daarentegen door zijn bitterheid,
+gekwetst rechtsgevoel, haat en teleurstelling. En is er al een
+onverevenbaar verschil tusschen [p.257] Multatuli en de beide vriendinnen
+op 't stuk van bijbel-geloof en godsdienstigheid, zij geven hem niets in
+heftigheid toe, als het geldt de huichelaars en valsche vromen te lijf te
+gaan, en--overtreffen hem daarbij in menschscheppend talent. Want kan men
+den dronken huisdominee in _Woutertje Pieterse_, trots al het vernuft--en
+wellicht juist òm dat vernuft--aan zijn uitbeelding ten koste gelegd,
+niet anders dan een charge[4] noemen, _Broeder Benjamin_ en _Cornelia
+Slimpslamp_, de twee huichelachtige "fijnen" en doortrapte schurken in
+onzen roman, léven, vòlmáákt, en daarmee is het allerbeste gezegd wat men
+van een literatuurbeeld zeggen kan. Dit leven, deze menschelijkheid-van-
+vleesch-en-bloed, zij zijn des te meer opmerkelijk, omdat hier niet maar
+bloot 'n paar huichelachtige menschen zijn geheeld, máár: personificaties
+van het allerinnigste wezen der huichelarij en valsche vroomheid. Men
+denkt geen oogenblik als bij Multatuli's _huisdominee_: "hoe geestig
+geschreven" en: "hemeltje lief wat moet ik daarom lachen," maar alleen:
+"hoe ontzagwekkend gebeeld, wat 'n brok innig doorschouwd leven, hoe waar
+en hoe echt is dit."
+
+Mijn lezers zullen waarschijnlijk nu al gemerkt hebben, dat ik onze
+Wolff en Deken grooter artisten acht dan èn Hildebrand èn Multatuli. En
+zeer zeker: _dat is mijn meening._ Ik aarzel ook niet te zeggen dat zij
+een veel juister _bewust_ begrip hadden van het _wezen_ van literaire
+kunst dan dezen hebben bezeten. De wetten der kunst zijn al evenzeer
+onwrikbaar en onveranderlijk als die der natuur, en dit spreekt ook van
+zelf, want al is natuur geen kunst, kunst is m.i. wel degelijk
+natuur.[5] Het kind dat niets van de wetten der laatste kent, verbrandt
+zich of valt, of iets dergelijks, en het groote kind, de niet voldoende
+inzichtsvolle mensen, die de wetten der kunst niet kent, schrijft een
+slecht boek, [p.258] of vindt, lezend, een slecht boek mooi en een mooi
+boek leelijk. Nu meen ik te mogen zeggen, dat voor den _scheppenden
+kunstenaar_ de _intuïtieve_ kennis dier wetten het ééne noodige is, want
+als _kunstenaar_ schrijft hij niet zonder "geïnspireerd" te zijn, en
+zoodra hij dit is, is ook die intuïtieve kennis in hem. Maar indien zulk
+een scheppend kunstenaar nu meent, dat hij op grond van dat _intuïtief
+vermogen_, ook spreken kan _over_ kunst, als hij _niet_ geïnspireerd is,
+dan vergist hij zich leelijk en dat blijkt zoowel bij Multatuli als bij
+Hildebrand. Daarvoor moet men voor altijd in zich bewust geworden kennis
+hebben, kennis dus, waarover men _beschikken kan wanneer men wil, welks
+omvang, en hoofdzakelijken inhoud men-zelf volkomen beheerscht_. En het
+is deze kennis, die Wolff en Deken bóven Hildebrand en Multatuli
+bezaten, en het gevolg daarvan is, dat als zij een eenvoudig stukje
+schrijven buiten hun scheppenden arbeid om, waarin zij sommige principes
+uiteenzetten, door welke zij zich bij het wrochten hunner romans lieten
+leiden, zij duidelijk blijken wáárheden omtrent kunst te kennen, die
+niet van hun tijd, en niet van dezen tijd alleen, maar 't spreekt van
+zelf, van alle tijden zijn! Een paar citaten uit de voorredenen van den
+eersten en tweeden druk zullen ongetwijfeld voldoende zijn, om dit mijn
+beweren te bewijzen. Ziehier:
+
+ Men heeft in bedenking gegeven, of de twee allerslegtse karakters
+ niet te sterk, te overdreven geschildert zijn; men heeft gevraagt:
+ _zijn_[6] er zulke menschen; ja, en dat gaat verder, _kunnen_[6b]
+ er zulke menschen zijn! Wij vonden het niet noodzaaklijk, de eerste
+ vraag duidelijk te beantwoorden, dewijl wij zeker gerechtvaardigt
+ zijn, zoo rasch men begrijpt, dat zij er _zijn kunnen_[6c]; méér
+ hebben wij in dit opzicht niet te bewijzen....
+
+ Wij bekennen ook gaarn, dat alles _zeer natuurlijk_[6d] afloopt,
+ maar begrijpen met een, dat dit, ten minsten de door ons
+ hoogst-geschatte Lezers, niet kan mishagen. 't Waar ons zeker geen
+ moeite geweest een Roman te verzinnen, zo samengestelt, zo
+ ingewikkelt, zo vol episoden, als de door een verwartste [p.259]
+ Comedie van eenen Spaanschen _Lopes de Vega_. Doch wie, in staat om
+ over het stuk in verschil te oordelen zal ontkennen, _dat een
+ karakter, eens gegeven zijnde, moet uitgewerkt worden naar vaste en
+ onveranderlijke regels_[7a]. Men wil, en dat met reden, dat men het
+ _ware waarschijnlijk_[7b] make, of men leest zeker niet met zeer
+ veel deelname....
+
+ Daar wordt in dit gehele werk geen Duël gevochten. Eens echter
+ wordt er een oorvijg uitgedeelt. Er wordt noch geschaakt, noch
+ vergif gedronken. Ons vernuft heeft niets wonderbaarlijks
+ uitgedagt. Alles blijft in het natuurlijke; _de uitvoering zal
+ alles moeten goed maken_[7c].
+
+Het zijn geen andere waarheden, zooals de trouwe lezer mijner artikelen
+wel bemerken zal, dan die ook door de moderne literatoren verkondigd
+worden. En ofschoon het begrijpen van het ware in alle tijden geschieden
+kan en we dus dwaas en kinderachtig zouden doen met ons erover te
+verwonderen, dat "reeds" Wolff en Deken dit alles zoo duidelijk voor den
+geest stond--hunne beteekenis en de eerbied, die wij hebben voor hunne
+persoonlijkheid en wijsheid, winnen er ontzaglijk door.--
+
+Ook het _genre_: de roman-in-brieven is een geheel ander, dan wij tot nu
+toe in deze kolommen hebben behandeld en dus wel een oogenblik bekijkens
+en besprekens waard. En als we dat zoo doen, dan blijkt ons toch wel,
+dat het gevleugeld woord: "alle genres, behalve het vervelende zijn
+goed" meer geestig dan waar is. Hoe uitmuntende en bewondering
+afdwingende resultaten onze schrijfsters, en waarlijk niet zij alleen,
+er ook mee bereikt hebben, er is en er blijft een zekere onnatuur aan
+verbonden èn het levert moeilijkheden op--althans in een werk van langen
+adem, waar allerlei soorten van situaties kunnen voorkomen--die het
+grootste epische en dramatische talent niet dan door kunstgreepjes
+overwinnen kan. Ten eerste schijnen alle in zulk 'n roman optredende
+personages min of meer aan schrijfwoede te lijden, en dit maakt al 'n
+vrij onnatuurlijken indruk, zij 't dan ook dat de roman, als in dit
+geval, [p.260] "speelt" en dus de correspondentie plaats vindt in 'n
+tijd, dat brieven-schrijven als 'n prettige en "fashionable" bezigheid
+werd beschouwd en de welopgevoede heeren en dames er een eer in stelden,
+het goed te doen. Toch, dit feit kan als niet meer dan een "verzachtende
+omstandigheid" worden aangemerkt, en zelfs die verzachtende
+omstandigheid valt weg in een geval als dat van _Hendrik Edeling_, die,
+wanneer _Saartje_, die hij zoo zielslief heeft, door den verleider _R._
+is meegetroond, en hij verteerd wordt van wanhoop, jalousie en
+ontzetting, een brief gaat zitten schrijven aan zijn broer over het
+geval! Waarlijk, men moet zonderling in elkaar zitten, om in zulke
+oogenblikken, zóó vol van afgrijzen en wanhoop, het vreeselijke te gaan
+zitten uitpluizen in een brief, _terwijl het schrijven daarvan toch
+geenerlei gunstige wending in de zaak zal kunnen brengen en dus niet uit
+een energisch willen ingrijpen kan worden verklaard_.
+
+Onnatuur is 't ook, dat al die lieden, op 'n enkele uitzondering na,
+zulk een welversneden pen hebben. Ja zeker, wij merken, al lezend, op,
+dat hoe minder ontwikkeld zij zijn, hoe meer zij schrijven precies
+zooals zij spreken. Maar juist dit is onnatuur, want de ervaring leert,
+dat hoe onontwikkelder een mensch, hoe eerder hij geneigd is, wanneer
+hij schrijft, zich in "boekentaal" en "hoogdravend" uit te drukken!
+Te schrijven, zooals men spreekt, is inderdaad voor iemand, die geen
+bijzonderen aanleg heeft, zéér moeilijk. En dit moet men in het oog
+houden: het is onnatuur, die _onafscheidelijk_ aan het genre is
+verbonden: de romancier, die in dat genre werkt, kan er niet buiten.
+Want liet hij de menschen niet schrijven zooals ze spreken, dan zouden
+we zelden of nooit de gebeelde figuur als echt kunnen voelen en
+dóórvoelen, tenzij zij in een brief aan een andere figuur sprekend wordt
+opgevoerd, 't geen natuurlijk niet altijd kan en wanneer het kan, ons
+meestal, weer op 'n andere wijs, op 't onnatuurlijke van het genre
+opmerkzaam maakt. Want, om een ander, waarlijk levend, in 'n brief te
+beelden, om diens dialoog waarlijk levend te doen zijn, moet
+noodzakelijkerwijs de briefschrijver _kunstenaar_ zijn! Is de
+briefschrijver [p.201] ons echter niet als zoodanig voorgesteld en
+bereikt hij dat alles toch in zijn brief, dan vinden we zijn figuur
+onecht, dan is deze niet meer dan een marionet, die door den
+romanschrijver in beweging wordt gezet. Bereikt de briefschrijver dat
+alles echter niet, dan vinden wij zijn figuur wèl echt, maar welke
+schade lijden we niet doordat we den levenden dialoog van de in zijn
+brieven ten tooneele gevoerde personen en dier levensechte,
+plastisch-goede uitbeelding moeten missen!--En ook z'n onafscheidelijke
+en onvermijdbare moeilijkheden heeft het genre: wanneer er een of ander
+gewichtig voorval plaats vindt, waarbij het door de compositie van den
+roman noodzakelijk wordt alle met elkaar in correspondentie zijnde
+hoofdpersonen _aanwezig_ te doen zijn, dan blijft er niemand over, aan
+wien een brief geschreven kan worden, die over dat voorval handelt! En
+die brief _moet_ toch geschreven, anders komt _de lezer van den roman_
+het voorval niet aan de weet! Zulk een moeilijkheid moet dus overwonnen
+worden en zij wordt het dan ook, maar--door een kunstgreep. Als _Hendrik
+Edeling_ ten slotte met zijn aangebeden _Saartje_ trouwt, dan laten onze
+schrijfsters de aanstaande schoonmoeder van _Cornelis Edeling_ ziek
+worden, opdat haar dochter niet op de bruiloft zal kunnen zijn _en dus
+die 'r aanstaande de gelegenheid zal hebben, haar een brief te
+schrijven, waarin hij over de bruiloft verslag uitbrengt!_
+
+Maar nu basta! We hebben genoeg getheoretiseerd. Mijn aangebrande soep,
+mijn belegen grutterswaar, mijn blauwige aardappels zijn op; nu komen de
+sappige vruchten van het werk zelf!--
+
+ * * * * *
+
+In den nu hier volgenden brief door _Sara Burgerhart_ geschreven aan
+_Aletta Brunier_, een schoolvriendin, die zij weer eens toevallig
+ontmoet heeft en op wier raad zij weldra bij de _Wed. Buigzaam_ in huis
+zal gaan, vertelt zij iets van haar leven bij haar lief tantetje
+_Hofland_. Het is een buitengewoon geestig en guitig stukje. En ge leert
+er niet alleen de drie fijnen en het schattige Brechtje--je weet wel die
+[p.202] dronken tobbe--in kennen, maar ook de schrijfster-zelve: onze
+_Saartje_. En als ge nu na het lezen den indruk krijgt: ja maar die
+Saartje moet dan toch iets van een kunstenaar in zich hebben, om zóó te
+kunnen schrijven, dan zult ge in dit geval _niet_ bedrogen uitkomen.
+_Saartje's_ figuur is allervoortreffelijkst gecomponeerd en alles wat
+zij doet, schrijft of zegt, vloeit volmaakt-zuiver uit haar eens gegeven
+persoonlijkheid voort. Men kan zonder bezwaar haar als een zeer begaafde
+beschouwen.
+
+Ziehier den brief:
+
+ Douce et tendre Amie![8]
+
+ Je suis enragé[9] op het oud wijf,--op mijne tante; ik wil geen
+ week langer blijven; 't is of ik in de hel woon. Mijn tante heeft
+ zeer veel van zijn Satansche Majesteits karakter; en Brecht
+ verdient wel een schoonen dienst in zijn onderaardsch rijk.... Ja!
+ bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen.
+ Sus! daar hompelt zij, al grommende, den trap weer af. Goeie reis
+ naar beneden! Ik moet, ma chère,[10] u eens een scène teekenen, die
+ u niet zal uit de hand vallen.
+
+ Woensdagvoormiddag raasde zij als een bezetene, omdat ik eenige
+ nieuwe aria's speelde (Dat's een wijf ook?). Zij werd geholpen door
+ haar hottentot van een meid, die mij dorst zeggen, dat zij ook
+ danig ontsticht was.
+
+ Dit trekje is goud waard! Men _ziet_ het gemeene vrouwmensch, die,
+ zoolang haar meesteres rijk is, haar naar den mond praat en haar
+ later, als ze arm is geworden, brutaliseert en in den steek laat,
+ hier met schijnheilig gezicht meepraten van dat ze "ontsticht" is.
+ Zij, die natuurlijk te dom, te ongevoelig en te beestachtig is, om
+ hetzij gesticht of ontsticht door muziek of door wat ook, te kunnen
+ worden. 't Is van een buitengemeen komische kracht!--Heb jelui ook
+ wel opgelet wat een uitstekend beeldend woord dat "hompelen" is?
+
+ Mét wordt er gebeld. Brecht, die volmaakt een zog van een
+ bollebuisjeswijf[11] gelijkt, waggelde naar voor, en tante gaf
+ [p.263] mij een verbruide[12] oorveeg, omdat ik bleef spelen.
+ "Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin." "Wel hede, laat broeder maar
+ achter komen." Daar kwam broeder, een luie zuipzak van een kerel,
+ in een paarschen japon;[13] (men zou wel zeggen, wie of zoo een
+ verloopen slagersknecht, toch een japon heeft leeren dragen.)
+ "Welkom, broertje, wel hoe is het nu nog al met je?"
+
+ --"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"
+
+ --"Wel dat is droevig, maar je vergt je ook wat veel."--"Ja, 't is
+ mijn ambtsbezigheid; en hoe vaart zuster? Je schijnt wel wat
+ onthutst."--"Ja, dat ben ik ook, 't is niet altijd het effen wegje,
+ broertje." (Tegen Brecht): "Ei meid, is er niet wat? dan zou
+ broeder hier maar familiaar blijven." (Tegen mij): "Toe lieve
+ Saartje" (was dat uit te staan, lieve Saartje, en mijn wang gloeide
+ nog van den slag) "bak jij nou eris schielijkjes wat dunne
+ pannekoekjes, broeder lust ze zoo graag."
+
+Dit stuk dialoog is alleruitmuntendst! Het is zóó voortreffelijk, dat
+men de woorden lezend, ook onmiddellijk de gebaren der sprekers, hun
+lichaamshouding, hun gelaatsuitdrukking erbij ziet en men dus de hier
+ontbrekende plastische uitbeelding van dit alles door de auteurs,
+heelemaal niet mist. Voelt ge het quasi-zachtmoedige, wee-zoetsappige
+van al die verkleinwoordjes: "broert_je_," "weg_je_," "schielijk_jes_."
+Je _ziet_ daardoor de "peulemondjes," de zalvend-vromig half
+neergeslagen oogleden, het dierbaar-goedige glimlachje!
+
+ Ik sloot mijn clavier en zei: 't is wel, tante. Ik ging naar de
+ keuken en bakte helder[14] door; maar-ik-at-die-al-bakkende-zelve-op.
+
+Die in den bouw van dit zinsdeel wel wat vreemd uitziende
+verbindingsstreepjes, hebben, naar ik vermoed, ten doel nadrukkelijk aan
+te geven, dat de beide handelingen van bakken en opeten, zoo haastig, en
+als 't ware ongescheiden, verricht werden, dat ze tot één handeling
+werden. Deze streepjes beoogen en bewerken dus een zuiver artistiek
+effect: _'t duidelijker aan den lezer voor oogen stellen van wat er
+gebeurt_, 't geen hier inderdaad het guitige en lachwekkende zeer
+verhoogt. En in zooverre is deze plaats dus als een voorloopster [p.204]
+te beschouwen van het gebruik van verbindingsstreepjes in de moderne
+literatuur, waar het ook vaak dient ter versterking of fijne nuanceering
+van gevoelsverwoording, plastische uitbeelding, enz.--
+
+ Dat is de eerste trek, dien ik haar speelde, hoe zelden ik mijn
+ genoegen krijg.
+
+ Ik moet hier alles doen, want Brecht is een lomp schepsel en snuift
+ sterk. Toen ging ik, terwijl Brecht in huis klungelde, de tafel
+ dekken. Brecht eet met ons, want het is zuster[15] Brechtje, moet
+ je weten, Letje. Tartuffe[16] zou een goed woord spreken, maar de
+ vent bad (zoo noemen zij dat gehuilebalk) wel een kwartier lang.
+ Hetgeen hij jankte, geleek veel meer naar het morrend gegnor van
+ ondankbaar vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 'tgeen
+ zijnen God looft.
+
+ Ik kreeg, à l'ordinaire[17] eten op mijn bord. Twee schepjes
+ groente met een flenter vleesch van daags te voren. Ik spelde mijn
+ servet voor: "als ik gelijk een kind eten krijg, moet ik ook zien,
+ dat ik mij niet bemors." "Och, of gij een kind waart!" zei de
+ smulpaap, die onderwijl met zijn duim en vinger de boter van de
+ robe de chambre eener cotelette aflikte. "Dat zou heuchelijk zijn!"
+ zei tante. "Ja wel heuchelijk!" zei zuster Bregitta.[18] Toen kreeg
+ ik nog wat bijeengeschraapte spinasi en een stuk cotelet. Zuster
+ Santje[19] en broeder namen onderwijl eens in. Ik krijg nooit wijn;
+ tante zegt, dat het niet goed is voor mij, en dat kan wel zijn,
+ want ik ben jong en gezond. "Kom, Saartje, neem nou maar af;
+ Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud." Ik deed zoo; zette
+ het dessertje op. "Waar bennen de flensjes, Saartje?"--"Die bennen
+ in mijn maag, tante." Snap, mijn servet neergegooid (bij ongeluk
+ tegen broeders palmhouten[20] pruik) en het onweer op mijn kamer
+ ontweken. [p.265] Gij weet ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te
+ pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de hottentot met een
+ stuk brood en een glas zuur bier, er bij voegende: "dat ik het
+ nooit kon verantwoorden, zooals ik een vroom mensch evel plaagde."
+ --"Scheer je van mijn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit.
+ Het brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide
+ ik weg, en dronk eens uit mijne caraffe: ging vroeg naar bed en
+ sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een
+ kom tee, dat wel omspoelsel lijkt. Tante gaat uit, en wil mij voor
+ hare oogen niet zien. Zoo zitten nu de zaken. Mogelijk geef ik u
+ dezen wel in eigen handen, mogelijk niet: 'k weet niet, hoe 't zal
+ uitkomen. Vast kom ik; de brief van de goede weduwe heeft mij in
+ mijn voornemen gesterkt. Ik zou al bij u geweest zijn[21], maar ik
+ wacht op een brief; die brief komt niet[22]. Ik zal, voor ik dit
+ huis verlaat, aan haar, die ik bedoel, nog eens schrijven ... doch
+ dat kan ik bij u even goed doen.
+
+ Ja, lieve meid, gij hebt wel kostelijk gelijk! Men moet maar wèl
+ doen en vroolijk leven. He wat? op die fijnen is toch geen staat te
+ maken; echter zijn er (of jij 't niet geloofde) zulke vrome zielen
+ onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zoo goed
+ georganiseerd als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zijn ...
+ enfin, kort gezeid, Letje, Salomon, de wijze koning, is mijn man:
+ _men moet het goede genieten van zijn leven ende van zijn
+ arbeid_;--maar daarmede is dat maar uit, en afgedaan....
+
+Heeft men in het eerste deel van dezen brief Saartje leeren kennen als
+een guit en 'n katje, dat niet zonder handschoenen is aan te pakken, dit
+laatste deel toont haar ons niet alleen als het gezond-levenslustige,
+maar ook het brave en gewetensvolle kind, dat de menschen, van wie zij
+niet houdt, toch niet ongunstiger wil voorstellen dan zij hen werkelijk
+gelooft te zijn. Voor dezen keer nu nog even 'n stukje uit den brief van
+_Saartje_ aan haar voogd, _Abraham Blankaart_, waarin zij hem-heel
+openhartig meldt, dat zij ontvlucht is:
+
+ [p.266] Gistermiddag ging tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak
+ wat linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb
+ vóór gij naar Frankrijk ging, doch die ik nooit heb aan gehad, met
+ een weinig gelds (want zij geeft mij niets,--geen duit). Brecht had
+ de stoutheid mij te vragen: "waar ga _jij_ heen?"--"Dat raakt
+ _jou_ niet."--"Dan zal _je_ ook thuis blijven."--"Heb _jij_ 't hart
+ en belet mij dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kijven;
+ en ziende dat Brecht haar talent te werk stelde, bedacht ik mij:
+ "Brecht," zei ik, "heeft tante je die orders gegeven, dan moet ik
+ haar de reden vragen als zij thuis komt; wat zullen wij
+ eten!"--"Kliekjes," zei zij.--"Goed ik heb honger, maar wij zullen
+ tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een flesch
+ wijn, jij hebt zeker den sleutel."--Ik doe niet, juffrouw Saartje
+ (nu 'k van putten[23] sprak, kreeg ik aanstonds dezen titel!") "Jij
+ jokt, Brecht; als tante er van spreekt, zal ik haar den wijn
+ betalen."--"Je tante heeft altoos den sleutel; maar als de juffrouw
+ mij niet beklappen zou, ik kan er toch wel bij."--"Ik je beklappen!
+ wel, dan moest ik wel gek zijn; krijg maar, toe, schielijk." Zij
+ ging. Ik had al lang gemerkt, dat zuster Brechtje aan de fep
+ was;[24] ik tastte haar dus van de zwakke zijde aan. Doch pasjes
+ was zij in den kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels
+ erop. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur achter mij
+ toe. Hoe het verder met de zuster gegaan is, weet ik niet....
+
+Allerbest en toch zoo eenvoudig verteld, hé; in dien laatsten zet van:
+"met de _zuster_", nog even een echtSaraBurgerhartsche guitige
+spotternij! Voor dezen keer stop ik en al geloof ik wel, dat na wat ik
+jelui nu van het werk heb laten zien, je al heel verlangend zult zijn
+het te lezen, ik ben mij bewust, je toch nog maar een tè klein deeltje
+van zijn groote schoonheid in karakter-uitbeelding, taalrijkdom,
+wijsheid en naïeve bekoorlijkheid te hebben getoond, dan dat ik mij
+daarop met volslagen zekerheid--ik ken immers mijn Pappenheimers--zou
+mogen verlaten. In het volgende hoofdstuk dus zullen wij enkele der
+figuren; met wie jelui nu reeds kennis hebt gemaakt, wat nader bekijken
+en eenige nieuwe aan jelui voorstellen, daarna.... Maar waarom zou ik
+zoo dwaas zijn om alles bij voorbaat uit de school te klappen!
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Men oordeele. Een der argumenten is dit: "In Sara Burgerhart wordt
+gezegd aan het slot van den 69sten brief: ""De uitgeefster heeft noodig
+gevonden dezen brief van Charlotte Rien du Tout, als ook dien van
+Pieternelletje Degelijk, van de taal- en schrijffouten eenigszins te
+zuiveren, opdat men die zoude kunnen lezen."" Deze noot kan niet
+afkomstig zijn van juffrouw Deken, zelve op de regels van taal en
+spelling zeer onvast. Alleen de beter onderleide juffrouw Wolff kon zoo
+spreken".... Ei zoo, was juffrouw Wolff beter onderleid?... Ziehier wat
+Prof. Knappert daaromtrent in een noot bij zijn inleiding citeert:
+""Ofschoon noch Loosjes, noch vader (Noordkerk) noch Houttuin in staat
+zijn geweest mij te doen begrijpen wat taalregelen zijn en ik altoos
+iemand noodig heb, die hen in haar, d in t, t in d of dt verandert""
+_Betje_ in een brief van 9 Juni 1772."
+
+Een andere "grond" is, dat in de voor- en naredenen van _Sara
+Burgerhart_ en _Wlllem Leevend_ voortdurend gesproken wordt van: _Ik,
+mij, mijn_, alsook van uitgeefster, inplaats van uitgeefsters. Maar ik
+moet zeggen, dat ik zelden een bewering heb gezien, van een meer
+averechts psychologisch inzicht blijk gevend dan deze! _Want juist het
+feit, dat de schrijfster dier voor- en naredenen zich verschreef, toont
+aan, dat er niets te verbergen was. Anders zou zij waarlijk wel op haar
+qui-vive zijn geweest_. Deze "grond" is mij dus juist een bewijs van het
+tegendeel van 't geen Huet beweert. Het is immers zeer natuurlijk, dat
+iemand, _die niets te verbergen heeft_, en ook namens een ander
+schrijft, zich nu en dan vergist en alleen van "Ik" spreekt. _Juist
+omdat het in zijn gedachtengang van zelf spreekt--en hij er geen
+oogenblik aan twijfelt, dat dit ook bij zijn lezers het geval zal
+zijn_--dat hij 't ook namens dien ander doet!
+
+[2] "Adellijke losbol," "gewetenlooze meisjesverleider," "slachtoffer,"
+dit alles klinkt melodramatisch. En ik laat het met voorbedachten rade
+zoo klinken, om mij even door u, o moderne jongelingschap, te laten
+uitlachen. Gij zijt er overigens in voortreffelijk gezelschap mede. Want
+Huet vindt, precies, geloof ik, om dezelfde reden, waarom jelui mij nu
+uitlacht, de beelding van deze figuur niet veel zaaks! Hij zegt: "De
+hooggeboren ligtmis R., die het op Saartje's bederf toelegt, is niet
+minder zwak van teekening dan van compositie _en heeft al de allures van
+een tooneelsnoodaard en professioneel belager der vrouwelijke
+onschuld_." Ik ben het daarmee echter volstrekt niet eens, ik vind _de
+figuur zelf_ goed gebeeld en goed gecomponeerd, al is _haar plaatsing in
+de compositie van den roman_ verre van onberispelijk. De zaak is echter,
+dat het in sommige tijden de mode is, op de dagdagelijksche en algemeene
+werkelijkheid neer te zien en alleen de uitzonderlijke gevallen en
+figuren aandacht waardig te keuren; in andere tijden echter, o moderne
+jongelingschap, acht men alleen het literatuurbeeld der algemeene
+werkelijkheid "echt" en alles wat naar den goeden of slechten kant
+uitsteekt "tooneel-matig" en "zwak," Geen van beide zienswijzen is de
+juiste. De juiste is: elke figuur aan de logiek van haar eigen zich
+blootleggenden aard te toetsen. Te vragen: is zij goed gesteld èn goed
+volgehouden? Maar vele critici en, vooral jeugdige, lezers worden
+verhinderd dit te doen en, doen zij het wel, de consequentie te
+aanvaarden, door een zeker verlangen, zich vooral koel-verstandelijk te
+toonen en niet licht-geloovig, zooals "de groote hoop." Nu, ik denk mijn
+meening omtrent de figuur van R. te "bewijzen," zoodra zij aan de beurt
+is. Maar lees in dien tusschentijd nog eens over wat ik schreef over
+goede en slechte romantiek. Blz. 224.
+
+[3] De serie artikelen over _Realisme en Naturalisme_ in _Het Jonge
+Leven_ is hier bedoeld.
+
+[4] Een overdrijving van de werkelijkheid.
+
+[5] Den lezer, die belang stelt in een uitvoerige motiveering dezer
+stelling, verwijs ik naar mijn opstel in "De Ploeg" van Augustus en
+September 1911, herdrukt in mijn _Schetsen en Critische opstellen_:
+"Over literaire critiek en Is. Querido's "Studiën."
+
+[6] De cursiveering is van de _schrijfsters_.
+
+[7] De cursiveering is van _mij_.
+
+[8] Zachte en teedere vriendin!
+
+[9] Ik ben woedend.
+
+[10] mijn lieve.
+
+[11] Zog staat voor zeug, een dik, schommelend vrouwspersoon.
+Bollebuisje is de naam voor een soort gebak, poffertje of appelbeignet
+(Knappert)
+
+[12] harde oorveeg.
+
+[13] soort van jas.
+
+[14] flink.
+
+[15] Zij wordt niet als dienstmeid beschouwd maar als "zuster in den
+Heere."
+
+[16] De hoofdpersoon in het vermaarde tooneelstuk van dien naam van den
+grooten Molière. _De_ personificatie van de schurkachtigheid, valsche
+vroomheid en huichelarij, waarom _Saartje_ dan ook Broeder Benjamin met
+dien naam aanduidt!
+
+[17] zooals gewoonlijk.
+
+[18] De ouwe zuiplap van een Brecht moet ook weer zalverig een duit in
+'t zakje gooien. _Saartje_ verhoogt in niet geringe mate het komisch
+effect van het meegedeelde, door haar "Zuster Bregitta" te noemen.
+
+[19] Tante Hofland.
+
+[20] De Heer Knappert zegt hier: "Aldus naar de kleur der pruik." Zeer
+zeker, maar ik geloof, dat het in de allereerste plaats bedoelt, de
+stijfheid, het als uit-hout-gesnedene van zoo'n pruik duidelijk voor
+oogen te stellen. Ik herinner mij voor eenige jaren iemand ontmoet te
+hebben met een roodbruine pruik en, ofschoon onzen roman toen niet
+kennende, viel mij toen onmiddellijk de uitdrukking uit den mond: "'n
+pruik van mahoniehout" En toevallig: 't was ook zoo'n soortement van
+zielsverzorger, en dat houterige van de pruik paste geheel bij zijne
+niet-uit-de-plooi-komende persoonlijkheid!
+
+[21] _Lelie Brunier_ is ook commensaal bij de _Wed. Buigzaam_.
+
+[22] Een brief van _Anna Willis_, over wie ik reeds in mijn inleiding
+sprak. Wij zullen hier ook met haar kennis maken.
+
+[23] Zuipen, sterken drank drinken. "Het is een ouwe putter" = een ouwe
+drinkebroer (van Dale).
+
+[24] Aan den drank (Knappert).
+
+
+ * * * * *
+
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
+[p.267]
+
+II
+
+
+Van de bedaagde personen, die in onzen roman voorkomen, vind ik het
+uitstekendst getypeerd _Jan Edeling_, den grimmige maar goedhartigen
+vader van _Hendrik Edeling_, met wien _Saartje_ trouwt. _Jan_ is het
+type van den patriarchalen huistyran. Zijn zoon zou 't in den kop
+krijgen een huwelijk te doen naar eigen zin?! Het meisje trouwen op wie
+hij verliefd is? Geen denken aan! Aan den vader hoort de beslissing. Wat
+weerga, ze zijn niet van een geloof. Hij, Jan Edeling, de afstammeling
+van den vriend van Martin Luther, hij, die nog den inktkoker in z'n
+bezit heeft, dien Luther "bij zekere gelegenheid den duivel naar den kop
+smeet, toen die 't al te grof maakte," zou een "arke Noachs" van zijn
+huis maken. Het mocht wat! Neen, daar komt niks van in! Toch wordt de
+man getemd door--_Abraham Blankaart_. Deze is door de schrijfsters met
+alle mogelijke deugden toegerust: een klaar verstand, een gevoelig hart,
+en een soort van weldadigheid, die, snoevend en blufferig als ze mag
+zijn, niettemin weldadigheid, ik zal niet zeggen: in den _besten_ zin
+des woords, maar dan toch in _heel goeden zin_ is. De verliefdheid der
+schrijfsters op deze figuur heeft hen, als ware 't op het beslissende
+oogenblik, verhinderd haar van even groote uitbeeldingsvoortreffelijkheid
+als die van den ouden _Jan Edeling_ te doen zijn. _En dit niet zoozeer,
+als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het organisch geheel
+van den roman_. [p.268] Dit laatste ziet er eenigszins raar en moeilijk
+uit. En ik weet op het oogenblik geen beter middel, 't heel gewoon en
+klaar voor u te maken, dan u mijn eigen gedachtengang daaromtrent bloot
+te leggen. Wij moeten, om te beginnen, wel onderscheiden, wàt eigenlijk
+in de _Blankaart_-figuur onzen wrevel opwekt en waarom wij na de keuring
+harer groote waarde een vleugje onvoldaanheid in ons merken. Is het niet
+in de allereerste plaats, vroeg ik mijzelf af, 's mans voortdurend
+uitweiden over eigen voortreffelijkheid, gulheid en verstandelijk
+inzicht, gemengd met quasi-bescheidenheidsvertoon? Maar neen, dat kan
+ons _kunstgenot_ toch niet bederven. Integendeel: hoe meer ons al die
+hebbelijkheden naast zijn groote deugden duidelijk worden, hoe inniger
+we toch van die voortreffelijke uitbeelding, die ons dat alles zoo
+hel-duidelijk voor oogen stelt, zouden moeten genieten, want juist
+immers het wegdoezelen der ondeugden in een roman-figuur en het
+partijdig uitsluitend-uitbeelden harer goede eigenschappen doet haar
+levenswaarheid te loor gaan. Het moet dus iets anders zijn. En ziehier:
+ik geloof, dat ik er ben. Wij merken duidelijk, dat de schrijfsters geen
+oog hebben voor 's mans quasi-bescheidenheid en snoeverij. Of anders
+gezegd: wij merken, dat zij voortdurend een eenigszins anderen
+_Blankaart_ innerlijk zien, dan dien zij uitgebeeld hebben. En daaruit
+volgt, dat het hun niet geheel gelukt is, de in hen levende voorstelling
+der figuur zoo te verwoorden, dat zij, precies zooals zij is, ook in den
+lezersgeest te leven komt. Zoodra we dit merken, krijgen we 't gevoel,
+dat er iets _niet-geslaagds_ is. En dàt is het alsemdeeltje in het zoet
+van ons kunstgenot! Maar nu: hoe merken wij, dat zij een andere
+voorstelling van de _Blankaart_-figuur hadden, dan die ze ons gegeven
+hebben? Wij zien dat aan het feit, dat al de andere, in den roman
+optredende menschen, ook die, welke klaarblijkelijk der schrijfsters
+achting hebben, die door hen voor verstandig, deugdzaam en gevoelvol
+worden gehouden, niets van _Blankaart's_ valsche bescheidenheid, z'n
+parvenuachtig gepoch, z'n eeuwigdurend rammelen-met-de-centen merken.
+Want hadden de schrijfsters deze hebbelijkheid niet over het hoofd
+gezien, hadden zij den _in hun [p.269] geest aanwezigen Blankaart niet
+daarzonder_ gezien, zij zouden toch wel de een of andere hunner daarvoor
+geschikte romanfiguren, eene afkeuring daarvan, eene opmerking, ja zij
+'t slechts eene onschuldige scherts erover in den mond gelegd hebben.
+Het is waar, dat soms in het boek gesproken wordt van 's mans
+"wonderlijkheden." Maar hiermede schijnen meer zijn ondeftige en
+origineele uitvallen, dan wel die bepaald stuitende eigenschappen zijner
+overigens in-goeiïge persoonlijkheid te worden bedoeld. En het is dan
+ook op die al te hooge plaats, die _Blankaart_ in de waardeering zijner
+mede-romanmenschen inneemt, dat ik doelde, toen ik zooeven zei, dat hij
+niet zoozeer als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het
+organisch geheel van den roman niet volkomen gaaf gebeeld is. Want als
+men _Blankaart_ afzonderlijk bekijkt, als men hem neemt, zooals hij nu
+eenmaal ten voeten uit in eigen brieven staat en men dus niet ziet naar
+den _Blankaart_, zooals die in de verbeelding der overige verstandige en
+menschkundige romanmenschen leeft en door de schrijfsters geconcipieerd
+werd; _indien men dus niet het hinderlijk verschil tusschen conceptie en
+uitvoering gewaar wordt_, dàn is de figuur uitstekend geslaagd,
+uitstekend volgehouden. Men ziet dan: een goedhartigen kerel, maar ook
+een snoever en een ijdeltuit, die weldoet, zeer zeker _deels_ om 't
+weldoen zelf, maar ook in zeer groote mate, om den dank ervoor te
+oogsten, zich te koesteren in de bewondering en de genegenheid der
+menschen en, in één woord, overal op de handen gedragen te worden. _In
+stilte wel te doen is hem vrijwel onmogelijk_. Hij mòet ermee te koop
+loopen. Is de door hem beweldadigde persoon in zijn oogen te gering en
+ligt hem aan háár dank en háár erkenning, dat hij zoo'n buitengewoon
+goed man is, niet veel gelegen, dan moet hij gauw de weldaad
+overbrieven--hier in letterlijken zin--aan een ander, terwijl hij dan
+sluwtjes-bijdehand een voorwendsel in zijn verhaal laat sluipen, dat de
+ware reden, waarom hij 't eruit flapt, verbergen moet. Een min of meer
+kluchtig, hem prachtig karakteriseerend voorbeeld daarvan is het
+volgende: Als de "fijnen" met _tante Hofland's_ geld er van door
+zijn--waarover [p.270] later meer--en zij haar nood heeft geklaagd aan
+de door haar zoo slecht behandelde nicht _Saartje_, verzoekt deze haar
+voogd _Blankaart_, tante eens te gaan bezoeken, om te zien of hij 'r
+helpen kan. _Blankaart_ doet dit natuurlijk, is verrukt over de
+vergevingsgezindheid zijner pupil en schrijft aan de _Wed. Willis_ o.m.
+het volgende over _tante Hofland_:
+
+ 't Is een malle kwezel, en zoo gierig als het graf; maar zij kan
+ zich nog bekeeren, _en ik zal haar ook al maar helpen_; zij zal in
+ haar ouden dag geen gebrek hebben, noch in fatsoen verminderen.
+ Haar lekkere tand zal nog niet eens uit moeten; want Abraham
+ Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. _Zoodat ik maar
+ zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen hoe of 't Christelijk of
+ mogelijk is, dat mijn kleuter zoo pront haar geloof verstaat_. Zij
+ vergeeft hare tante alles van harte, wil haar helpen, haar
+ bezoeken.
+
+In den eersten door mij gecursiveerden zin, wil _Blankaart_ laten
+voelen: "Och ik help er toch al zooveel, diè kan er ook nog wel bij; zeg
+nou 's, dat ik niet royaal ben!" In den tweeden wil hij 't laten
+voorkomen, alsof hij 't alleen maar vertelt, om _Saartjes_ braafheid te
+doen bewonderen.
+
+Kan men echter nog van het vorige aangehaalde stukje, met heel veel
+goeden wil, zeggen, dat hij zich laat verleiden, daarin van zijn
+weldaden te spreken, omdat hij der geadresseerde een huwelijksaanzoek
+doet en zich dus vooral van zijn gunstigste zijde wil doen kennen, het
+volgende is een àllerzuiverst voorbeeld van z'n quasi bescheiden op
+eigen goedheid pochen:
+
+ Zie, men moet de jongelui, als zij wel doen, ook wel doen; en ik
+ ben Goddank, geen vrekkige jakhals van een kerel. Ik zeg altijd:
+ "Abraham Blankaart, God heeft U zoo gezegend, je hebt kind noch
+ kraai; hoewel ik weet niet of dat zoo blijven zal; een mensch heeft
+ graag een eigen weerspraak. Kind noch kraai, wel deel mee, mijn
+ vriend; maak dat niemand op u ziet, _als een hond op een zieke
+ koe_; dat niemand wel eens wou zien, of jij ook een mooie doode
+ zijn zoudt. 't Moet hier toch allemaal blijven, en als jij brave
+ lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christenmensch
+ betaamt." _Nu dat overgeslagen_.
+
+Het eerste zinnetje is door mij gecursiveerd, om er uwe aandacht op te
+vestigen, dat dit een van die kernachtige echt-Hollandsche uitdrukkingen
+is, waarvan het werk van Wolff [p.271] en Deken wemelt en die zij,
+uitstekende romancières als ze zijn, altijd den juisten persoon bij de
+meest geschikte gelegenheid in den mond weten te leggen. Met den tweeden
+zin komen wij echter weer op ons eigenlijk chapitre terug, 't Is
+werkelijk valsche bescheidenheid van de naarste soort, nadat men eerst
+de voortreffelijkheid van eigen denk- en handelwijze in het licht heeft
+gesteld, daaraan toe te voegen: "_Nu dat overgeslagen_." Jawel denken
+we, maar je hebt 't tenminste maar gezegd!
+
+Ik sprak u zooeven van zijn gezond verstand. Ik had er moeten bijvoegen,
+dat hij het type van een gewiksten kerel is en zich in een
+benijdenswaardige mate van gevatheid en diplomatisch beleid mag
+verheugen. Ziehier een sterk staaltje ervan (de oude _Jan Edeling_ heeft
+hem geschreven, dat hij niet van zins is, tot het huwelijk tusschen zijn
+zoon en _Saartje_ zijn toestemming te geven. Hij hoopt dat Blankaart het
+met hem eens zal zijn, dat twee menschen van verschillende kerkelijke
+gezindte niet met elkander moeten trouwen. Maar _Blankaart's_ antwoord
+valt hem koel op de maag. Let op: het is een stukje vol schitterend
+beleid):
+
+ Ziedaar, ik heb het altoos zoo druk en volhandig gehad, dat het
+ trouwen er is ingetrokken; maar, selderdemostert, was ik vader over
+ een half dozijn jongens en meisjes, dan zou ik mijn geluk niet
+ kunnen overzien, als ik daar zoo al die kabouters hoorde snappen en
+ rabbelen. Of Abraham Blankaart ook meê zou doen. En als zij dan
+ zooverre heen waren, dat zij op 't geen ik zeide aanmerkingen
+ konden maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te
+ brengen, wel, dan zou ik God hartelijk danken, omdat ik zulke
+ snelle kinderen had, zooals billijk is. Begrepen zij in 't vervolg
+ eens iets beter dan ik, bestig, zou ik zeggen, en doen het zoo.
+
+ Daar heb je nu mijn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet
+ wel meer van de wereld en van de Schrift dan ik, en ik ben dertig
+ jaar ouder. Vóór ik naar Frankrijk ging, zei ik: kind, lees je jou
+ gebed 's avonds stipt uit Mell?[25] "Mijnheer," zei ze, "ik bid uit
+ mijn eigen hart; ik weet immers beter, wat ik nu noodig heb, dan
+ Mell voor vijftig jaar dat raden kon?" Wat denkt gij dat ik toen
+ zei? je zult, bij dit en dat, jouw gebed [p.272] uit Mell lezen,
+ omdat ik het doe? Mis mannetje! ik zei, dat 's waar, je hebt groot
+ gelijk; en anders zou zij denken dat ik haar vijand en niet haar
+ welmeenendste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gij hebt nu veel meer
+ verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op mijn woord, jij
+ hebt mis.
+
+ _God de Heer geeft ons, zijne kinderen, wel reden van zijne
+ bevelen: "doe dat, opdat het u welga," staat er dat niet in den
+ Bijbel? En zullen wij nu zoo misselijk en zoo boos zijn, dat wij
+ onze kinderen, in plaats van brood, slangen en schorpioenen in den
+ mond proppen? Had, bij gelijkenis, Luthers vader eens gaan zeggen:
+ "Luther, ik versta niet, dat je Luthersch wordt, jij zult paapsch
+ blijven, want wij zijn van 't begin van de wereld af allemaal
+ paapsch geweest; en zoo jij 't in den kop krijgt om van ons oud
+ geloof af te gaan, zullen wij eens wat anders bij de hand vatten."
+ En was Luthers vader evenwel zoowel de vader van Luther niet, als
+ Jan Edeling vader is van zijnen zoon Hendrik; en waar was dan je
+ heele geloof gebleven?_
+
+Enzoovoort, enzoovoort. Het is van a tot z, één behendig den
+tegenstander in z'n zwakste zij aanpakken. Hij begint, door er een
+tafreeltje van op te hangen, hoe gelukkig hij zou zijn geweest, indien
+hij "vader over een half dozijn jongens en meisjes ware," met in
+_Edeling_ de gedachte wakker te roepen: "Ja, zoo'n troep kaboutertjes om
+je heen, dat is inderdaad heerlijk, daar heeft die Blankaart wel gelijk
+mee, hoe 'n geluk zou 't zijn, als nu op m'n ouden dag, zoo'n troep
+lieve kleinkinderen aan m'n knieën kwam spelen.... Handel ik eigenlijk
+niet heel dwaas en zelfs slecht met mij langer tegen Hendrik's huwelijk
+te verzetten?..."--Na dit gedaan te hebben, verwijt hij Edeling
+bedektelijk, dat deze nimmer zijn kinderen "voor hun eigen kleine
+zaakjes" iets in 't midden liet brengen, noch, klaarblijkelijk, ooit God
+voor zijn "snelle kinderen" had gedankt en evenmin, ook al wist hij dat
+zijn kinderen iets beter inzagen dan hij, ooit naar hun inzicht heeft
+gehandeld. Door aldus in Edeling's geest eerst de voorstelling wakker te
+roepen van een gelukkige toekomst en daarna de herinnering aan een
+verleden, waarin zijn onbuigzaamheid en hardheid z'n vrouw en kinderen
+hebben verhinderd zoo gelukkig te zijn en man en vader zoo lief te
+hebben als bij toegevendheid en zachtheid van diens kant het geval ware
+geweest, geeft Blankaart hem de waarschuwing: [p.273] zie toe Edeling,
+hoe je ten deele het verleden bedorven hebt en pas op, dat je door je
+dwaze trots en eigengerechtigdheid ook de toekomst niet bederft.--En wel
+wetend, dat een bitter drankje makkelijker te slikken is, als het met
+suiker wordt vermengd, vlecht hij er dat vleiende zinnetje tusschen,
+waarin hij zegt, dat Edeling meer verstand heeft dan hij. 't Spreekt van
+zelf, dat Blankaart daar niets van meent. Niet alleen, dat hij werkelijk
+véél meer verstand dan de ander heeft, maar had hij 't niet, _dan ware
+juist hij de man, om er vast van overtuigd te zijn, dat hij 't wel
+heeft_.--Het door mij gecursiveerde gedeelte van het citaat echter spant
+de kroon. Behendig pakt hij onmiddellijk het zekerste middel aan,
+waarmee een eerlijk-godsdienstig mensch--en dat is Jan Edeling--klein te
+krijgen is: een bijbel-tekst, die met gevoelen, gedachte of handeling
+van dien mensch in strijd is. En ten slotte toont hij, door de prachtig
+gevonden vergelijking met Luther en Luther's vader, den ouden
+Edeling--_langs den eenigen weg waarop een gedachte dien harden kop kan
+binnengaan_ --hoe nadeelig het kan zijn, indien een vader zich maar
+altijd tegen den wensch van zijn zoon verzetten zou. Ongetwijfeld hebben
+hier en daar Blankaart's argumenten iets kinderlijks en naïefs en
+meesmuilen we bij de gedachte, hoe een beter onderlegd tegenstander dan
+Jan Edeling ze tusschen zijn vingers zou fijnwrijven. Maar, ziet ge--en
+hieraan merkt ge duidelijk, waarin de voortreffelijkheid van een
+menschbeelding eigenlijk bestaat!--juist omdat zijn argumenten zóó zijn
+als ze zijn, is dat stukje zoo uitstekend. Het _moeten_ argumenten zijn
+van, om 't eens aldus zeggen: een amateurdenken, van een rijkgeworden
+koopman, die genoeg natuurlijken aanleg heeft, om _aardige greepjes_ in
+dit of dat vak van het hoogere geestesleven te doen. Gaf hij argumenten
+van een veel hoogere soort, dan juist zou die passage zóó slecht zijn,
+dat ze niet leesbaar ware, omdat: _een man als Blankaart_ dergelijke
+argumenten niet geven _kan_.--
+
+Maar op z'n best, in zijn "bulderbastige" geestigheid en als de wielen
+van een locomotief donder-rollende rondheid, is hij in zijn antwoord op
+een brief van _tante Hofland_, waarin [p.274] deze op háár manier hem
+_Saartje's_ vlucht uit 'r huis vertelt; onder veel vroom gewauwel en
+zalverig gescheld ten slotte op de centenquaestie uitdraait en, op grond
+van het feit, dat _Saartje_ uit eigen beweging haar huis verlaten heeft,
+het volle geld eischt, wat zij tot dan als kostgeld heeft genoten, tot
+Saartje trouwt of vijfentwintig jaar wordt. Uit dat antwoord van
+Blankaart laat ik hier nu eenige gedeelten volgen:
+
+ Mejuffrouw!
+
+ Wel zeit het Hollandsche spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe
+ schooner volk."[26] Maar wat heb ik met uw gelol en uw heiligen
+ Sukkelaar[27] te doen? Wat geef ik om uw broer Benjamin? Weet gij
+ wat, juffrouw Hofland, uw heele oude voddenwinkel van kwezelarij
+ raakt mij niets, geen oogvol. Houdt uw brieven maar thuis, ik weet
+ alles in 't lang en in 't breed. Het kind heeft deugdelijk gedaan.
+ Zij moet meer gedulds hebben dan ik, anders had zij zoo lang niet
+ eens bij u gebleven, dat 's maar uit. Ware ik in Amsterdam geweest,
+ ik zou haar zelf uit uwe klauwen gehaald hebben en in mijn huis
+ gebracht; al hadt gij en uw volk mij braaf gelasterd, dat scheelt
+ mij weinig. Hoe, wat hamer! denkt gij, dat ik niet weet, hoe jij
+ haar gedaan hebt, en dat jij haar als eene zottin door de
+ godgansche stad hebt laten loopen in ouwe konkelige kleeren, en dat
+ voor een meisje, die geld heeft en altoos proper gekleed plach te
+ zijn, iets dat ik ook bijster graag zien mag. Wat wil je nu daarvan
+ hebben, he? Je meugt waarachtig nog wel spreken van omslag! Wat
+ heeft Saartje bij je gehad? overgeschoten klieken, en niet half
+ haar bekomst. Weet je wat? Jij hebt het geld van eene wees met uwe
+ smulbroers en fekelkousen verteerd, en het meisje nog gebruikt om
+ dat gespuis op te passen, dat heb je. Je meid is een dronken todde,
+ hoor! Zij komt er genadig af. Laat zij nooit onder mijne oogen
+ komen, want ik ben wat poestig,[28] ik mag geen onrecht zien, dat
+ om de hagel niet; er zullen konkels[29] zwaaien.
+
+ [p.275] Wel leg je ook te wauwelen over afgodisch Frankrijk; en van
+ menschen, die het teeken des beestes aan hunne voorhoofden dragen?
+ Ik weet niet veel van die nieuwe snofjes en modes, noch hoe die
+ duivelderage hiet, die de dames nu alweer opzetten; doch jij weet
+ er ook niet veel van. Maar zoo zijt gij allemaal: dat gonst en dat
+ bromt over zottigheden, en wezenlijke zaken laat men zooals zij
+ zijn. Jij slacht de dominees, die, als zij hunnen studeertijd
+ verkwanseld[30] hebben, zulk tuig op den preekstoel brengen, daar
+ het te pas komt als een oliekoek in een treurspel. En wat bruit het
+ mij, al droegen de Franschjes het zeven-gesternte op hun hoofd? Ik
+ ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om
+ mijne affaire te doen, en bemoei mij niet met het teeken des
+ beestes, of waar zij dat opplakken; doe ook zoo, en je zult wèl
+ doen.[31]
+
+ Wel, ik denk, dat ik zoowel in den Bijbel lees als jij, maar wie
+ duivel heeft daar ooit van heilige sukkelaars gelezen? Broer
+ Benjamin is een zotte vent, hoor! En ik zou mij doodschamen, dat
+ zou ik op mijne eer, indien ik zoo met Gods woord omsprong, en het
+ zoo Satans gek toepaste, zooals jij fijnen doet. Weetje wat? David
+ was een held, die de oorlogen des Heeren voerde, en een kerel als
+ een boom aandorst: den reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag
+ hij, en David ook niet lui, als de blis er op, flink maar, zijn
+ dikken kop afgeslagen: dat was zeker geen sukkelaarswerk, meen ik.
+ Hij was een Groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den
+ snoet. Paulus, van Paulus[32] moet je afblijven. Paulus was de
+ beste, de raisonnabelste man van de wereld; want hij zegt met ronde
+ Zeeuwsche woorden: "gierigheid is afgoderij."[33] O hel kwam de
+ vrome Apostel eens hier, ik verzeker je voor een kwart percent[34]
+ dat hij uw huis een afgodisch huis zou noemen.[35]
+ -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
+ Wat weet zoo een luie zuipzak[36]van Gods woord? Had hij liever
+ voor 't lieve vaderland (en alle zoete meisjes) ossen en schapen
+ geslacht, hij zou veel nuttiger werk gedaan hebben.
+
+ [p.276] Ik heb veel gereisd en getrokken, en heb veel in Roomsche
+ landen verkeerd, maar de papen zijn nog beter dan jijlui; en er
+ valt evel ook niet veel op te roemen. _Jij Saartje aan den Duivel
+ overgeven! Weet jij wel dat hij een kwaaie gek is, en dat, als gij
+ haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benauwd voor u zou
+ kunnen uitzien? mogelijk neemt hij tante, omdat hij nichtje toch
+ niet bekomen kan_.
+ -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
+ Ik kan 't niet knoopen, dat uwe lieve zuster besloot, u haar eenig
+ kind toe te betrouwen. Mogelijk hebt gij zoo lang aan haar zwak
+ hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zij 't moest opgeven. Alles
+ is jelui gading. En 't was nog eene zoetigheid, honderd halve
+ rijers voor haar kostgeld. En durf jij nog van geld kikken! Hoe,
+ wat hamer! denk je dat ik een schurk, of denk je dat ik razende dol
+ ben? Ik ben haar voogd; zij is met mijne goedkeuring heengegaan:
+ Jij hebt het haar moede gemaakt. _Trekken, zul je_,--_ja! al aan
+ een aschkar_. Wel, je bent eene overheerlijke tante! _Je bent nu
+ immers veel te oud om nog eens te trouwen_; wat zal je met jouw
+ geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak[37] het kind uw goed,
+ zij heeft genoeg. Procedeeren? Ei, spreek eerst den advocaat naast
+ den Gouden Ketting eens. Zoo die 't u aanraadt, hier is je man.
+
+Heb ik te veel gezegd van zijn gevatheid en z'n nimmer 'n blaadje voor
+den mond nemende, bijtende ironie? Let eens vooral op die door mij
+gecursiveerde zinnen.--Intusschen zou ik het gevoel hebben, den braven
+kerel te kort te hebben gedaan en dus de gegrondheid mijner aanklacht
+tegen de schrijfsters --dat, hoe mooi een mensch Blankaart ook werkelijk
+is, zij hem tè mooi hebben gezien--op oneerlijke wijze te hebben
+bewezen, indien ik hier niet die uitstekende passage over den lichtmis
+gaf, welke, ik zeg het niet zonder nadruk ("Ei, nòg meer na-druk?"
+vraagt hier allicht de uitgever!) vooral in 'n blad voor jongelui op z'n
+plaats is.
+
+ Ik heb wel gehoord, dat vele dames, bij de Twaalf geloofsartikelen,
+ --die gij immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende
+ maken: "Ik geloof, dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt."
+ Geloof het niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip van waar
+ aan, geen kriezel.
+
+ Hoe zou het mij bedroeven, als ik merkte, dat gij deze ketterij
+ toestemde? Gij, meisjes, praat (de wijste niet te na gesproken)
+ somwijlen alsof gij in uwe hersens gepikt waart. Wat weet gij
+ [p.277] toch van lichtmissen? Een losse malle jongen, die zijn goed
+ verbruid, en om peper moet,[38] omdat hij zijn korentje groen
+ at,[39] is geen lichtmis; hij is een gek, die men te Delft moest
+ gaan opsluiten.
+
+ Een lichtmis is een geraffineerde deugniet, die zijn roem en
+ vermaak stelt in eerlijke jonge meisjes en brave vrouwen te
+ bederven, die Gods geboden veracht, de wetten der vriendschap
+ schendt; met zijne eeden speelt; met één woord, een
+ allerverfoeilijkst man, die te gevaarlijker is, naarmate hij een
+ minnelijk figuur en een aardig vernuft heeft; die de
+ welvoeglijkheid in acht neemt, tot hij de onnoozele in slaap heeft
+ gewiegd, en die in staat is om schatten aan zijne huurlingen uit te
+ deelen. Gelooft gij, mijn kind, dat zoo een schepsel ooit de beste
+ echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overijling en in het
+ gestorm der driften begaan, maken geen deugniet uit, indien hij de
+ fouten, zoo ras hij die ziet, verfoeit en schuwt: maar een lichtmis
+ is zoo bedorven van smaak, zijne neigingen zijn tot hebbelijkheden
+ dermate opgegroeid, dat hij nimmer eene betere vrouw verdient, dan
+ de allerslechtste uit de bende, die hij bedorven heeft.
+
+Ongetwijfeld heeft den schrijfsters, toen zij _Blankaart_ dit stukje in
+den mond legden, de figuur van _R_. over wien ik het reeds in mijn
+inleiding had, voor den geest gestaan en _diens prototype uit Betje
+Wolff's leven, die gepoogd heeft haar te "bederven."_ Zij althans
+spreekt hier dus niet, door Blankaart's mond, als 'n vrouw, die maar een
+preekje houdt over iets wat ze zelf slechts van hooren-zeggen heeft.
+Neen, het is een in veel smart verworven ondervinding geweest, die zij
+hier ter waarschuwing aan anderen mededeelde.--En nu stappen wij van
+_Blankaart's_ brieven af, maar niet dan nadat ik u nog eens gewezen heb
+op wat het toch eigenlijk zeggen wil, dat twee vrouwen, waarvan de
+eene--Betje Wolff--een dame, en de andere--Aagje Deken--een dienstbode
+was, zich zoo hebben kunnen inleven in de vóór alles krachtig-mannelijke
+persoonlijkheid van een Blankaart en heel z'n ruw-goedige èn toch zoo
+zachte ziel uit de hunne [p.278] hebben te voorschijn gebracht.
+Overweegt eens wat voor kunstenaarsgenie daartoe noodig was. _Genie_,
+zeg ik. Denk niet aan vaardigheid, aan "menschenkennis," aan
+"levenservaring" bij zoo iets prachtigs. Zijzelf--ik wees u erop--hebben
+hun schepping niet eens goed gekend! Hier was dat kostbaarste aan het
+werk, dat grootendeels buiten het verstand van den kunstenaar-zelf om,
+zijn scheppenden arbeid verricht. Ja, 't is iets wonderlijks wat ik hier
+vertel en ge kunt dat nog zoo dadelijk niet begrijpen. Maar op een
+goeien dag, na veel overdenken en onderzoeken, gaan u de oogen open en
+bemerkt ge, dat wat ik hier zooeven zei, heel langzaam aan in u heeft
+doorgewerkt en in verband met veel andere levenservaringen u iets heeft
+doen begrijpen en inzien, waaraan ge vroeger zelfs niet dacht. Want met
+onbegrijpelijkheden is het precies als met zaadjes gesteld. Beiden zijn
+het _dichtgevouwen_ dingen, die niets van hunne innerlijkheid laten
+zien. Maar waar bleven de bloemen en de vruchten, als de aarde eens niet
+de gesloten korreltjes in zich liet begraven en langzaam in zich rijpen
+liet, tot ze in kleuren en geuren en gestalten openluiken. En hoe zoudt
+gij ooit, als mannen en vrouwen, mijn jongelui, de vrucht van het helder
+inzicht kunnen dragen, als het zaad van het _onbegrepene_ niet gedurende
+uw jeugd in uw geest geworpen was! Laat het u niet deren, dat ge nu iets
+niet dadelijk begrijpt. Wat ge te doen hebt is: het onbegrepene te
+_onthouden. Draag het in u om._ Want beproefde ik, het gewelddadig en
+vóór den tijd voor u te openen, ik zou het bederven! Doe er mee als de
+aarde met haar zaden. En als het dan zomer voor je wordt, dan is die
+zomer het aanzien waard want hij is niet zonder bloemen en vruchten. En
+jelui herinnert je dan wellicht even weinig, dat iets van dat mooie uit
+dichtgevouwen ondoorzichtbaarheidjes, die eens een hoopvol zaaier in je
+wierp, werd geboren, als--de aarde het doet.--
+
+
+NOTEN:
+
+[25] Schrijver van een gebedenboek. (Zie de aanteekeningen van Prof.
+Knappert.)
+
+[26] Daar begint de bijtende ironie al: _juffrouw Hofland_ is oud en
+leelijk, zooals je verderop zien zult.
+
+[27] "Broer" Benjamin, zoo had juffrouw Hofland in haar brief aan
+Blankaart verteld, was gewoon koning David "de Heilige Sukkelaar" te
+noemen! Het is een van de vele zotheden, die de "fijnen" over den bijbel
+ten beste gaven.
+
+[28] Poesten = blazen. Poestig-zijn zal dus wel zoo ongeveer beteekenen:
+in staat zijn uit boosheid iemand aan te blazen (als een nijdige kat.)
+
+[29] Konkels = oorvegen.
+
+[30] Verspild.
+
+[31] _Tante Hofland_ had namelijk in haar brief beweerd, dat de
+Franschen het "teeken des beestes" op het voorhoofd dragen!
+
+[32] "Paulus, moet je weten," zegt Blankaart elders, "is mijn man en
+Salomo die van Saartje." Hij kan dus allerminst dulden, dat _tante
+Hofland_ diens woorden citeert.
+
+[33] Weer een steek voor tante Hofland: ze is immers zoo bar gierig.
+
+[34] Een echte koopmansgeestigheid. Uitstekend van de schrijfsters!
+
+[35] Een _regel_ puntjes beteekent overal, dat er een stukje tekst is
+overgeslagen.
+
+[36] "Broer" Benjamin.
+
+[37] Ontmaak, enz. = onterf haar.
+
+[38] "Om peper moet," het land verlaten en dienst nemen b.v. bij de O.I.
+Compagnie (Knappert).
+
+[39] "Zijn korentje groen at," niet wachten tot het rijp is, gezegd van
+lichtmissen, die hun kapitaal opeten. In Zuid-Nederland nog: van de hand
+in de tand leven (Stoett, spreekwoordenboek, no. 1062) (Knappert.)
+
+
+ * * * * *
+
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
+[p.279]
+
+III
+
+
+_Jan Edeling_ wordt--in tegenstelling met _Abraham Blankaart_--door
+zijne mede-romanmenschen en dus ook door de schrijfsters precies voor
+den man versleten, dien ook wij, de lezers, in hem zien: een brompot,
+een koppige kerel, maar, alles in hem welbeschouwd, 'n goed mensch
+tevens en wel zulk een, die te duidelijk eigen gebreken ziet, om zich,
+gelijk _Blankaart_, op zijn deugden te laten voorstaan. Ziehier een
+zijner brieven, waarin hij tegelijkertijd een groote mate van
+zelfkennis, eerlijkheid en goedheid toont. (Edeling bericht daarin zijn
+zwager, den geestelijke _Everard Redelijk_, dat hij in het huwelijk van
+_Hendrik_ en _Saartje_ heeft toegestemd. Ook _Redelijk_, zeer verlicht
+en ruimvoelend mensch als hij is, heeft namelijk _Edeling_ daartoe pogen
+te overreden).
+
+ Waarde Broeder!
+
+ Lach me nu eens helder uit, Pastoorsche,[40] gij hebt gelijk: maar
+ ik zal uw man de heele zaak vertellen. Zoudt gij ooit geloofd
+ hebben, dat Jan Edeling, die, hetgeen hij ééns begreep, om lief
+ noch leed losliet; die van geen Christenmensch op de heele wereld
+ tegenspraak dulden wilde, dan van u; dat Jan Edeling, zeg ik, door
+ Blankaart zoodanig overhoop gegooid is, dat ik, met mijn hoed onder
+ den arm, zijne pupil voor onzen [p.280] Hendrik ten huwelijk
+ gevraagd heb? en 't geen nog meer zegt, dat ik zeer met dit door
+ mij gedaan verzoek in mijn schik ben? Die Bram! Zoo een man leeft
+ er niet meer. Hij heeft mij zoo vast gezet en zoo ouwerwetsch mijn
+ zaligheid gezegd, dat ik boos op mijzelf werd: want er is wat aan
+ Pastoor: ik ben nooit een vriendelijk man, of een minzaam vader
+ geweest: 't wil maar van hem gezegd worden; 't is een raar mensch!
+
+ Om de waarheid te zeggen, Pastoor, uwe rede en die van Hendrik
+ hadden mij al lang overtuigd, dat ik ongelijk had; doch ik kon niet
+ besluiten om te toonen, dat ik verkeerd gedaan had. Nu, het kost
+ wat voor een man, die zooveel jaren altoos zijn hoofd volgde, te
+ zeggen: ik heb ongelijk; en dat nog erger is, dit tegen zijn eigen
+ kinderen te zeggen.
+
+ Gij weet het immers, als mijn jongens mij iets vragen, en mij
+ beduiden wilden, dat zij 't noodig hadden, dat zij 't nooit, juist
+ omdat die lekkers[41] mij iets beduiden wilden, kregen; doch 's
+ dags daaraan, gaf ik hun, uit mijn eigen zin tienmaal zooveel. Dit
+ zijn evenwel satansche nukken; en uwe zuster, mijne zalige vrouw,
+ had, dat zie ik nu, maar al te veel reden om mij, schoon lachende,
+ _Meffert Luim_ te noemen. Had ik haar maar weer! Zij zou een beter
+ man aan mij hebben; maar dat is nu te laat.
+
+ Ik zou 't mogelijk nog niet opgegeven hebben: doch mijn arme jongen
+ zag er uit, of hij uit een gieter gedronken had: en toch, ik houd
+ veel van den knaap; hij heeft mij altoos zoo op mijne gedachten
+ gediend. Met Kees heb ik nog wel zoo eens een aardigheidje gehad;
+ maar Hendrik was altoos, zooals ik (tusschen ons) in zijne jaren
+ niet was. Hij is geheel zijns moeders kind; week gebakken! Hij kan
+ geene moeite verdragen; met een benauwd hart ging hij op reis (ik
+ kan op hem af) en heeft alles in zoo korten tijd afgedaan, dat het
+ zoo niet te zeggen is. Kort gezegd, het mannetje van binnen klopte
+ zoo verbruid bij mij aan, dat ik besloot om den jongen zijn zin te
+ geven; en nu is hij zoo dankbaar en luikt zoo op, dat mijne oogen
+ overloopen.
+
+ Nu, Pastoorsche, dat 's weer een ankertje Rijnsch in jou kelder! en
+ ik nooi u beide te bruiloft: ik zal eene partij geven, die klinkt
+ als een klok. Want gierig ben ik, Goddank! niet, ik durf wel wat
+ geven; _maar ik ben er niet achter om het met gratie te doen. Ik
+ tast in mijn zak en zeg, hou daar, en loop ten eerste weg._ Nu, ik
+ groet u van harte en blijf
+
+ Uw toegenegen Broeder, Jan Edeling.
+
+In deze laatste, door mij gecursiveerde zinnen teekent die [p.281] man
+zich uitstekend. Dit niet "met gratie" kunnen geven, dit "wegloopen"
+zoodra hij iets gegeven heeft, kenschetst een groot deel en wel het
+edelste, zijner persoonlijkheid. Want dat niet met gratie kunnen geven
+en dat wegloopen is heel vaak juist den besten menschen eigen. Het wordt
+bij hen geboren uit het onbewuste voelen, dat den gever geen dank voegt,
+want dat geven een grooter geluk is dan te ontvangen en dat daarom
+eigenlijk de gever den ontvanger danken moet, omdat deze hem in staat
+stelt zijn medemensch een genoegen, een weldaad te bewijzen, en dus
+zich-zelf in waarheid te verrijken door goed te doen. En omdat dit
+voelen nu zoo sterk in hen is, worden zij bedremmeld en links, zoodra
+zij iemand een genoegen of weldaad bewijzen: zij zien het aankomen, dat
+de begiftigde hen wil danken en ziedaar: nu gaat dat onbewuste voelen
+zich in hen openbaren als een weerzin tegen bedankt te worden; zij geven
+daarom hun gift haastig, bij het ruwe af, en maken zich gauw uit de
+voeten. Hiermee wil niet gezegd zijn, dat degeen, die hoffelijk geeft en
+vriendelijk den dank van den begiftigde aanvaardt, beneden iemand als
+Edeling zou staan. Het _kan_ zijn, dat hij beneden hem staat: indien hij
+namelijk zoo hoffelijk en vriendelijk is, omdat hij nooit dien weerzin
+tegen bedankt te worden gevoeld heeft. Maar het kan ook zijn, dat hij
+boven hem staat: hij heeft dien weerzin wel gevoeld, maar wijl hij de
+oorzaak weet--in tegenstelling met iemand als Edeling die deze niet
+kent--en er dus verder over kan nadenken en in ander verband bezien,
+heeft hij begrepen dat hij hem moet onderdrukken. Want: een weldoener te
+bedanken is een hoogstaand geestelijk genot, ja zelfs is dank de eenige
+betaling die een arme begiftigde zich veroorloven kan. Bedwingt de gever
+zijn weerzin dus niet, dan berooft hij den begiftigde niet alleen van
+een veredelend genot, maar ook van de mogelijkheid zich, zij 't een
+ietsje, minder zijn schuldenaar te voelen! Stappen wij nu van _Edeling_
+af en gaan we, zij 't alleen maar, om te bewijzen, dat de uitersten
+elkander--in dit artikel tenminste--raken, _Cootje Brunier_ bekijken.
+Immers, vertegenwoordigen _Edeling_ en _Blankaart_ het Hollandsch-stoere
+[p.282] element in den roman, _Cootje_ doet 't het opgeprikte
+saletjonkerschap van den pruikentijd. Hij is op-end' op een
+petit-maître, zooals men zoo iemand noemde, maar een van de fatsoenlijke
+soort. Als zijn hoogste levenstaak beschouwend: mooi gekleed te gaan,
+den dames hupsche lievigheidjes te zeggen, aardige dingsigheidjes voor
+ze te knutselen en boodschappen voor ze te bezorgen, verlaagt hij zich
+nimmer tot gemeene praktijken. Het ergste wat men van hem zeggen kan is
+dat hij een geestelijk-onbeteekenend mensch is, maar dat hij een "goed
+hart" en "goede gronden" heeft, zooals _Edeling_ en _Blankaart_ van hem
+getuigen, zal zelfs de grootste vijand van het fattendom moeten
+toegeven. _Cootje Brunier_ is de broer van _Letje_, de vriendin en het
+medecommensalesje van _Saartje_ bij _Mevrouw Buigzaam_. Als zoodanig
+komt hij daar dikwijls aan huis. En door de snakerijen van _Saartje_,
+die hem eeuwig en altijd, zonder dat hij dat merkt, op de hak neemt, in
+den waan gebracht, dat hij haar als echtgenoot niet ongevallig zou zijn,
+schrijft hij haar het volgend briefje:
+
+ Mon Ange![42]
+
+ 't Is wonderlijk, maar ik heb den moed niet, om u mondeling te
+ zeggen, dat ik u bemin: telkens als ik dit meende te doen,
+ weerhield mijn eerbied voor u mijn voornemen. Gij zijt zoo minzaam,
+ en tegelijk zoo spottig, dat ik waarlijk niet weet, hoe dit aan te
+ vangen; of hoe het na te laten. Hemel, ma chère[43], wat wilde ik
+ zeggen? Maak ik niet een zot figuur in uwe oogen? Ik bemin u! ik
+ adoreer[44] u! gij zijt nooit uit mijne gedachten, en zoo gij mij
+ niet te veel zult uitlachen, dan zal ik er bijvoegen, dat ik nooit
+ een eenig goudbeursje zal knoopen, dan voor u, chère âme de ma
+ vie![45] O, wij zouden een recht charmant paar zijn, en ik twijfel
+ niet, of mijnheer uw voogd zal onze teedere amour
+ applaudisseeren[46]. Ik ben wel geen man van vermogen, maar gij
+ denkt zeker te subliem[47] om u daaraan te bekreunen; en 't is
+ waarschijnlijk, dat ik eerlang een [p.283] beter ambt zal krijgen.
+ En vérité, mon amie,[48] men heeft bekwame jongelieden noodig, en
+ men kent mijne mérites.[49]
+
+ Op mijn persoon denk ik niet, dat gij iets te zeggen hebt: ik
+ coiffeer en kleede mij comme il faut.[50] _'t Is waar, dat uwe
+ conquête_[51] _vele schoone wangen zal doen gloeien van spijt. De
+ dames zijn mal met mij. Wat kan ik eraan doen?_ Mijn hart wil dat
+ ik u uitkies. Indien gij mij de gelukkigste der mannen maakt, kunt
+ gij verzekerd zijn van uw volstrekte vermogen over mij; uw wil zal
+ mijn wet zijn: ik zal uwe wenschen voorkomen, en wij zullen zoo ras
+ wij getrouwd zijn, een Brabantsch reisje doen. Enfin, ma chère,
+ alles zal naar uw zin gedaan en gelaten worden door uwen aanbidder,
+
+ J. Brunier.
+
+Dit briefje is weer een van die meesterstukjes onzer beide groote
+schrijfsters, waarin zij er op volmaakte wijze in geslaagd zijn, iemand,
+onbewust ervan dat hij 't doet en dus geheel natuurlijk, zijn wezen te
+doen blootleggen. Het dwaze fatje staat er, ten voeten uit, in. Men
+lette op het potsierlijke verwaandheidje en tevens domme slimmigheidje
+in den door mij gecursiveerden zin. Men lette op z'n stapel Fransche
+woordjes! Waarachtig: zoo iemand is toch nog lastig zelfs 'n honderd
+jaar na zijn dood! Hij heeft mij, wel geteld, de moeite van een tiental
+vertalende nootjes gekost. Maar neen, hij is niet dood, hij zal langer
+leven dan wij....
+
+Ik zou een zekere zijde van _Saartjes_ persoonlijkheid: haar zeer
+gerechtvaardigd gevoel van eigenwaarde en ook, en voornamelijk, een
+diep-indringend psychologisch vermogen welks zekerheidsbewustzijn zich
+aan haar stijl mededeelt, niet voldoende voor u belicht hebben, zoo ik
+hier niet ten minste een stukje van haar antwoord aan Brunier afdrukte.
+Als ge haar zoogenaamde "ontdekkende preeken" aan haar vriendin _Anna
+Willis_ leest--_want ik hoef er toch niet aan te twijfelen, dat ge het
+boek lezen zult, anders baat mijn geschrijf u niets_--moet ge eens op
+dat psychologisch vermogen acht slaan. Met een zekerheid van zich-zelf
+onfeilbaar weten, legt zij daarin haar vriendin dier ware innerlijkheid
+bloot. Ik [p.284] zei immers: Saartje heeft wel iets van een
+kunstenares. (Ongetwijfeld is dan ook ten deele in haar figuur de figuur
+van Betje Wolff zelf gebeeld.) Ziehier:
+
+ Vriend Jacob!
+
+ Gij durfdet mij dan nog met een half woord vragen "of gij u niet
+ mocht vleien met eenig antwoord op uwe _missive_?" Want zoo noemt
+ gij dat fraaie billet, dat gij mij deedt ter hand komen. Om uw
+ eigen fatsoens wille, wenschte ik wel, dat gij er geen woord van
+ gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de groote lijst uwer
+ overige beuzelarijen hebben aangeteekend, en, omdat ik niet
+ gemelijk van aard ben, het u gunstig vergeven hebben.
+ ....................................................................[52]
+ Ik zeg niet gaarne onaangename waarheden, en vooral niet aan
+ zulken, die ik, 't zij dan ook om wat reden, in zekeren zin wel
+ lijden mag. Zoolang ik u slechts voor een vrij geschikt en goed
+ soort van jongen hield, had uwe zuster weinig werks om mij te
+ beduiden, dat ik u als haar broeder behandelde, en in de
+ gelegenheid stelde om ons eenige uitspanningen te bezorgen; maar nu
+ ik merk, dat gij eenige oogmerken omtrent mij hebt, waarvan ik u
+ nooit verdacht hield, zoo moet ik u openhartig zeggen, dat gij mij
+ meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te
+ kunnen krijgen.
+
+ Hoe, mijnheer, heb ik u de minste aanleiding gegeven om zulke
+ gedachten in u te doen oprijzen? _Hoe weinig kent gij mij! Hoe dood
+ vreemd zijt gij omtrent u zelven! Ik moet of boos op u worden, en
+ dat bevalt mij niet; of ik moet u hartelijk uitlachen. Nooit zeker
+ las men zoo een ongevallige mengeling van zotteklap en dwaze
+ inbeelding, op zeer twijfelachtige verdiensten, dan dat geschriftje
+ bevat. Dit van stukje tot beetje aan te toonen, is beneden mijn
+ aandacht_. Ditmaal vergeef ik u alles, op deze voorwaarde: "dat gij
+ mij hierover nooit meer spreekt;--zelfs verbied ik u, mij voor deze
+ gekheden excuus te vragen; en dat gij, is 't mogelijk, door dit
+ geval poogt wijzer te worden, _en wat beter uw eigen waarde te
+ berekenen_."
+ ........................................................................
+ Uwe zuster is mijne lieve vriendin, maar zij zoowel als ik,
+ begrijpt, dat dit geen reden kan zijn, waarom ik zoude moeten
+ geplaagd worden door een borstje, dat geen geest genoeg heeft, om
+ mij met zijne missives ook slechts te diverteeren.[53] Spreek dus
+ nergens van, en ik zal alles vergeten: want, zoo gij in dit [p.285]
+ opzicht maar wijzer wordt, zijt gij een vrij draaglijk heertje; "ai
+ ik geef de hoop nog niet op om mij eens met meer reden te kunnen
+ noemen, uwe genegen vriendin,
+
+ S. B.
+
+Het is niet moeilijk iemand te zeggen: "ik ben veel meer, ik sta hooger
+dan gij!" Dat kan de eerste de beste. Moeilijker is--en weinigen kunnen
+dat--iemand verstandelijk-bewijzend op z'n plaats te zetten en _hem aan
+te toonen_ dat men meer is dan hij. (Ik spreek hier nu natuurlijk alleen
+van zulk een handelwijze als _geesteswerkzaamheid_ en laat haar
+_zedelijke_ waarde of onwaarde geheel buiten beschouwing). Maar oneindig
+meer dan ook zulk een verstandelijk-bewijzend betoog, is: de
+argument_looze_ bewering, die ons door toon en onbewuste
+woordenschikking de _absolute zekerheid_ van haar waarheid geeft! Is het
+bewijzend betoog een voortbrengsel van het verstand, _zulk_ eene
+bewering is het uitvloeisel van iets hoogers, van een zielszekerheid, om
+'t zóó eens te noemen. Deze zekerheid, in dit geval van psychologisch
+inzicht, proeven wij ook in _Saartjes_ woorden. O, ongetwijfeld naar
+aanleiding van een beuzeling, maar wat doet dàt er toe! Zij laat merken,
+dat ze zich verreweg Bruniers meerdere voelt. En zoodra we haar hooren
+weten we: dat hoogvoelen is niet voorgewend, maar het is in waarheid in
+haar. In een woord: wij worden overtuigd door dit briefje: hier is
+iemand, die dien ander heelemaal doorziet en dat niet met inspanning en
+door berekening, maar als vluchtig hem even bekijkend en dan in uiterste
+geringschatting weer onmiddellijk óver hem heenziend. En niet alleen de
+nietigheid van den een, maar ook de groote waarde van de ander is ons
+plotseling duidelijker, zekerder geworden, dan door het aanbrengen van
+honderd argumenten zou zijn gebeurd. Ik heb over dit alles even
+uitgeweid, om het volgende te kunnen zeggen: Wat hier plaats vond op een
+vrij laag en vrij klein plan _geschiedt altijd in een kunstwerk_. En
+kunst blijkt hier weer scherp tegengesteld aan wetenschap te zijn.
+Slaagt de wetenschap alleen door bewijzen en redeneeringen er in, u van
+de waarheid harer beweringen te overtuigen, de kunst kan [p.286]
+bewijzen en redeneeringen missen, zij overtuigt u van de waarheid harer
+voorstellingen reeds door ze te stellen alleen! Wie kan geloof weigeren
+aan de waarachtigheid van Shelley's liefde of wie vermag te twijfelen
+aan de levensechtheid der menschelijke monsters door Zola gebeeld?!
+Begrijpt ge dit, dan ziet ge ook nu wel in, dat kunst onder alle
+levensverschijnselen een van de meest verhevene is, want haar is de
+macht gegeven, het menschdom te overtuigen van de waarheid harer
+uitingen _zonder hen te bewijzen_. En zij is in dit opzicht met een van
+die zeldzame menschen te vergelijken, wier adeldom zoo sterk uit hun
+heele wezen en al hun daden en woorden spreekt, dat hen te hooren,
+tévens hen onwankelbaar gelooven is.
+
+ * * * * *
+
+Er zou nu nog veel over vele figuren in onzen roman geschreven kunnen
+worden. Over _Pieternelletje Degelijk_, dat prachttype van een
+ouderwetsche meid; over juffrouw _Hartog_, die kostelijk-typische en
+innerlijk verdorven blauwkous, met 'r venijnige lastertong en 'r malle
+inbeelding; over Cornelis Edeling den advocaat; over den geleerden en
+braven _Helmers_; over _Lotje Rien du Tout_[54], dat prachtbeeld van
+onbenulligheid; over _Stijntje Doorzicht_, die verpersoonlijking van
+aangeboren wijsheid en deugd; over _Anna Willis_, de min of meer
+verwaande, zurige, al te bedilzieke en soms sentimenteele vriendin van
+_Saartje_. Maar ik zal over al die schitterende mensch-beeldingen niet
+schrijven, zelfs niet over de laatste, al heb ik dat beloofd. (Gij zoudt
+niet gelooven, dat mijn belofte te houden regel bij mij is, zoo ik dien
+regel niet ereis door eene uitzondering bevestigde!) Want hoe zou ik
+eindigen, en aan wat nieuws zoudt gij beginnen, wanneer ge daar straks
+zelf den roman ter hand neemt. Ik had ook graag nog wat over _Mevr.
+Buigzaam_ en over het sentimenteele element, in dit werk, in het midden
+gebracht. Maar wat 't laatste betreft bepaal ik mij er nu alleen toe te
+zeggen, dat het mij onjuist toeschijnt een auteur, die een sentimenteel
+[p.287] tijdperk herschept, sentimentaliteit te verwijten, omdat hij
+sentimenteele menschen ten tooneele brengt.
+
+ * * * * *
+
+In het volgende hoofdstuk hoop ik met de behandeling der figuur van _R_.
+en der beide schurkachtige "fijnen," mijn Sara-Burgerhart-artikelen te
+beëindigen.--
+
+
+NOTEN:
+
+[40] Pastoorsche = vrouw van den pastoor, zooals chirurgijnsche = vrouw
+van den chirurgijn. Hier is pastoor natuurlijk niet den titel van een
+R.K. geestelijke, wat wij er alleen onder verstaan, maar een geestelijk
+herder in 't algemeen. (Deze "pastoor" is Luthersch).
+
+[41] lekker = 'n stoute jongen, 'n guit.
+
+[42] Mijn Engel.
+
+[43] mijn lieve.
+
+[44] ik aanbid u.
+
+[45] lieve ziel van mijn leven.
+
+[46] Onze teedere liefde goedkeuren.
+
+[47] verheven.
+
+[48] In waarheid, mijne vriendin.
+
+[49] mijne verdiensten.
+
+[50] zooals 't behoort.
+
+[51] verovering.
+
+[52] Een regel puntjes of streepjes beteekent, dat er een stukje tekst
+is overgeslagen.
+
+[53] Vermaken.
+
+[54] De naam beteekent: "heelemaal niets".
+
+
+ * * * * *
+
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR A. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
+[p.288]
+
+IV
+
+
+Men heeft dan deze figuur, zooals ik u reeds in het eerste hoofdstuk
+zei, een tooneelsnoodaard, onecht, niet-levend, in één woord: slecht
+gevonnden. Over sommige, in de geesteshouding van de critici liggende,
+oorzaken dier opinie sprak ik u toen. Rest mij nu, te speuren naar de
+andere elementen, welke tot het vormen van dit m.i. onjuiste oordeel
+hebben medegewerkt. Ten eerste vermoed ik als zoodanig het verschil
+tusschen den tijd waarin de critici leefden en dien der figuur. Veel wat
+toen voor een man van het aanzien en de middelen van R. mogelijk en
+zelfs gemakkelijk was, is nu je reinste onmogelijkheid. In onzen tijd
+van vlugge vervoermiddelen, van een letterlijk als de bliksem snelle
+telegraaf- en telefoondienst is het ondenkbaar, dat zulk een man zich
+eraan wagen zou, een meisje als _Sara Burgerhart_ te ontvoeren en te
+pogen haar geweld aan te doen; hij zou gesnapt en aangehouden zijn, voor
+hij zelfs de grenzen van ons kleine Holland had bereikt! Maar toen was
+zoo iets heel gemakkelijk, er waren geen spoortreinen, geen telefoon,
+geen telegraaf. De daad der gewelddadige ontvoering verliest daarom alle
+onwaarschijnlijkheid voor wie haar in het kader van haar tijd beschouwt.
+Er is echter meer, dat voor wie niet naar dien tijd ziet, de figuur
+misschien onwaarschijnlijk, en voor wie dit wel doet haar integendeel
+zeeer levenswaar maakt: _R._ leeft in de jaren onmiddellijk voorafgaand
+aan de groote [p.289] Fransche revolutie, een tijdstip, waarop de meest
+barre sexueele ontaarding in Fransche kringen heerschte, de tijd van
+o.a. den beruchten markies de Sade; de invloed van de Fransche cultuur
+deed zich toen zeer sterk gelden in ons land; _R_. wordt ons bovendien
+nog voorgesteld als een cosmopoliet.... Wij behoeven, dit alles wetend,
+hem maar aan te zien, om in zijn geestestoestand een van die fijn in
+elkander overgaande en nog aan den aanvang der helling liggende
+glooiingen te ontdekken, welke dalen naar den afgrond van sexueele
+misdaad-waanzin van de Sade. Er is een psychologisch-fijne passage in
+een brief van R. aan zijn vriend G. die dit feit m.i. belicht. Ziehier:
+
+ Waarlijk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat
+ ik het wicht, of ik ben razende zot naar haar; en wat denkt gij? ik
+ heb nog nooit haar hand gekust: 't is waarachtig, Jan.
+
+ Zij is onnoozel, dat is het, dat mij zoo ingetogen maakt: want
+ hoevele vrouwen ik ook bedierf, ik heb nogal regard voor brave
+ meisjes. _Een lichtvaardige is mijn pop niet, al was zij zoo schoon
+ als deze meid_.--
+
+R. heeft zeer sterk in zich het verlangen te verderven en geniet van het
+verderven. Dit nu is niet iets wat voornamelijk tooneelsnoodaards eigen
+zou zijn, maar het is niets anders dan een soort geestelijk sadisme. Het
+is hem niet zoozeer om het natuurlijk sexueel genot te doen, als wel om
+het perverse van het _verleiden_, van het _doen vallen. Daarom_ "is een
+lichtvaardige zijn pop niet," omdat n.l. aan zoo eene reeds te veel
+bedorven is en niet genoeg meer naar zijn zin te bederven valt, en niet
+omdat lichtvaardigheid iets afstootends in zijn oogen zou hebben! Want
+als hij, in eenigszins los verband daarmee, zegt, dat Saartjes
+onnoozelheid hem ingetogen maakt en hij nog al regard voor brave meisjes
+heeft, dan is dat in openlijken strijd met zijn daden en woorden, en,
+indien hij 't meent en 't geen half-sentimenteele, half-ironische
+meerderheidstirade tegenover G. is, 't geen ik eerder geloof, dan heeft
+hij eigen gevoel niet goed ontleed: _onnoozelheid_ maakt hem niet
+ingetogen, maar _haar_ onnoozelheid doet dat, _omdat hij haar
+liefheeft_. Op deze liefde kom ik straks [p.290] nog terug. Nu wil ik
+even een passage aanhalen, die zoowel zijn "regards voor brave meisjes,"
+als zijn eigenaardige perversiteit van decadenten rijkaard in bet juiste
+licht stelt:
+
+ Trouwen? zijt gij dan razend dol? Ik zal, denk ik, tot zulk een
+ desperaat uiterste nooit komen. _Vrijheid is de prikkel der
+ liefde:_ dit weet gij, is mijn spreuk. Als mijne maitres zal zij
+ Sultane favorite zijn; maar mijn wijf! Wel foei! Ziedaar, dat was
+ al reden genoeg, bij een homme de mon goût[55] om haar ondragelijk
+ te vinden. _Trouw gij haar over een maand of vier._ Zoolang, dunkt
+ mij, zal ik haar beminnen kunnen; _en gij zult mijne genietingen
+ nieuw leven bijzetten, door mij die dan wat moeilijk te maken_.
+
+Dit min of meer schertsend daarheen geworpen woord verbergt diepen
+ernst. De man mòet dupeeren, mòet verleiden, mòet anderen laten vallen
+van zonde in zonde; hij verlangt ook naar de angsthuiveringen van den
+misdadiger; hij begeert den prikkel te voelen van misschien betrapt te
+worden en in gevaar te komen. Oók dáárom is de makkelijke verleiding van
+de lichtvaardige niets voor hèm. Máár hij heeft alle deze neigingen in
+nog vrij geringe mate. Hij is, om 't zoo eens te noemen: een leerling in
+sadisme; hij bevindt zich op de helling, maar, zooals ik reeds zei, pas
+aan het begin. Een "tooneelsnoodaard"? 't Mocht wat! Vergeleken bij zijn
+werkelijk geleefd hebbende prototypen is hij een onnoozel wicht!
+
+Wellicht echter heeft Huet hem ook daarom een tooneelsnoodaard genoemd,
+omdat hij geen enkele deugd in hem vermocht te ontdekken. Maar dit zou
+dan aan hem en niet aan de schrijfsters liggen. Want niet alleen dat ons
+duidelijk blijkt, dat _R_. Saartje werkelijk liefheeft--ik zei u immers
+dat ik nog even op die liefde zou terugkomen--en ieder, die een ding of
+een mensch of een dier liefheeft, daardoor bewijst, een kiem van
+deugdzaamheid in zich te hebben, want het overheerscht worden der deugd
+door perverse neigingen, vernietigt het feit niet dat die deugd kon
+ontkiemen en bestaan!--maar, zelfs die liefde buiten beschouwing
+gelaten, kan alleen hìj der figuur van _R_. alle deugd ontzeggen, die
+niet begrijpt dat _intellectueele_ deugd, zooals _R_. dien zeer zeker
+bezit, [p.291] nimmer kan bestaan zonder den basis van een zekere
+_zedelijke_, zij 't dan latente en verholen deugdzaamheid. _R_. is dus,
+instede van één brok boosheid te zijn--wat wij immers onder een
+"tooneelsnoodaard" verstaan--wel degelijk een _menschelijke_ mengeling
+van deugd en ondeugd. En overheerscht de laatste in groote mate de
+eerste, die mate wordt, ik herhaal het, zeer ver overtroffen bij
+tallooze personen met wier karakter en geest de geschiedenis ons
+vertrouwd heeft gemaakt, en vergelijking tusschen dezen en R. kan den
+laatste alleen doen _winnen_ aan levenswaarheid.
+
+Dat de figuur niet goed in de roman-compositie verweven is, dat, met
+name, het vreemd is, hoe Mevrouw _Buigzaam_ niet van het losbol-zijn van
+_R_. afweet èn _Edeling_ haar pas komt waarschuwen, als _R_. Saartje
+ontvoerd heeft--ik zeide het u in mijn eerste artikel reeds, maar dat
+heeft met de levenswaarheid van de figuur op zich-zelf niets te maken,
+en 't is een fout, die in niet mindere mate, zooals ik reeds heb
+aangetoond, den ook door Huet _zeer levenswaar_ geachten _Blankaart_
+eigen is....
+
+En nu stappen we van _R_. af en gaan even nader kennismaken met de beide
+fijnen, _Broeder Benjamin_ en _Cornelia Slimpslamp_, die m.i. de
+prachtigst-gebeelde figuren in deze roman zijn en niet slechts, zooals
+ik reeds schreef, 'n paar huichelachtige menschen, máár:
+_personificaties_ van de _huichelarij_, alsof eerst de schrijfsters
+theoretisch voor zichzelf hadden vastgesteld, hoe nu eigenlijk een
+volmaakt, een, om 't zoo eens te zeggen: ideaal huichelaarskarakter is,
+en daarna, wonder boven wonder, erin geslaagd waren, overeenkomstig die
+theorieën twee lévende menschen te scheppen! _Mej. Suzanna Hofland_ is
+in haar hart nog zoo kwaad niet en streeft er althans oprecht naar
+deugdzaam te zijn, 't geen natuurlijk onze _Cornelia_, die haar wil
+overhalen tot niet meer of minder dan het afleggen van een valschen eed,
+niet naar den zin is. Zij poogt daarom juffr. Hofland's oordeel over wat
+goed of kwaad is door drogredenen te verwarren, zonder dat zij in de
+oogen van haar slachtoffer iets van haar godzaligheid en heiligheid
+inboet. Zie nu hoe doortrapt-sluw ze dit duivelswerk [p.292] aanvat. Met
+_religieuse_ argumenten poogt zij _Hofland_ zoo te bewerken, dat deze in
+de haar aangeraden schurkenstreek geen schurkenstreek meer ziet. Het
+doen van goede werken, leeraart de duivelin, en het voortdurend streven
+daarnaar, maakt de menschen maar hoovaardig op die goede daden; beter is
+het dus niet zoo ijverig daarnaar te streven ten einde des te
+makkelijker nederig in het bewustzijn van eigen slechtheid te kunnen
+zijn! Maar met al haar sluwheid, vermoedelijk wat al te ongeduldig
+hakend naar het resultaat, bruskeert zij de zaak en zegt de juffrouw te
+plomp, tè ronduit, dat deze een valschen eed moet doen, en--daar heb je
+de poppen aan het dansen. Als _Broer Benjamin_ bij _Hofland_ op visite
+is, merkt hij, dat haar eindelijk de oogen opengaan en zij op het punt
+staat hun schurkachtigheid te doorzien. De edele man is in doodsangst en
+schrijft zijn even nobele vriendin het volgend briefje:
+
+ Zusje Lief!
+
+ Ik ben tweemaal vergeefs aan uwe woning geweest. Ik ben
+ doodsverlegen. Daar ben ik bij haar geweest en heb haar zoo
+ dobbend, en in zulk een afgezakten staat gevonden, o Kea! Kéa! wij
+ zullen haar verliezen: en wij hebben haar zoo noodig; zij is rijk,
+ en geeft veel verkwikkinkjes aan ons, vromen in den lande. Wij
+ leven grootendeels van haar; de kruike is voor ons niet verzegeld
+ gebleven, en ons deel was een Azers[56] deel, vol vettigheid en vol
+ zoetigheid. O mij is bange, mij is zeer bange: wij, vrome
+ menschjes, zullen bekend worden. Die Blankaart! ik beef, als ik om
+ hem denk; 't is een Enaks[57] kind, groot van stature; ik ben een
+ stinkend niet bij hem.
+
+ Zij is danig ontsticht door jou brief: schrijf dan een briefje, dat
+ je berouw hebt, en geef den Engel Satanas de schuld, je weet, die
+ is onze wrijfpaal. Schik u wat naar heur zwak geloof. Overleg dit
+ alles nog eens; ik heb geen tijd. Denk, dat wij haar noodig hebben.
+
+ Zusje, zusje, 't zweet breekt mij uit. Ik zal al mijn achting, ik
+ zal mijn kostwinning verliezen; wie zal nu van mij 't geloof
+ leeren? Wij moeten ons haasten. De kwaaie is nabij! Wij zullen voor
+ Blankaart moeten bukken.--Overleg deze dingetjes zoo [p.293] eens
+ in uw harte. Ik heb rust noch duur. Stel mij gerust, dat je er iets
+ op weet. Gij zijt zeer wijs, dat weet ik. Je weet, Kéa, hoe de
+ zaakjes tusschen ons staan? dat mijne ziel aan uwe ziele kleeft;
+ dat heb je immers _bij bevinding_ hertje. Wij moeten haar houden,
+ kind. Ofschoon gij mij tot een gouden vat verstrekt, zij is echter
+ een aarden vat, dienstig tot ons gebruik. Is het zoo niet,
+ liefstetje! Wees toch nooit meer jaloersch. Och! jij hebt geen
+ reden daartoe: _ik heb mijn deeltje aan u_; dat heb ik, och ja! Ik
+ bezegel dit briefje met een geestelijken liefdekus, en ben uw
+ eigendom.
+
+De boef staat hier ten voeten uit in: zijn lafheid tegenover Blankaart;
+zijn doortrapte huichelachtigheid, waarvan hij zich zelfs, uit overmaat
+van doodsbenauwde voorzichtigheid, tegenover zijn medeplichtige bedient;
+(slechts met den zin: "en geef den Engel Satanas de schuld" enz., valt
+hij uit den toon!); zijn omfemelen van de platste verhoudingen--gij
+begrijpt immers wat hij met de beide gecursiveerde zinsdeelen
+bedoelt?--met "de tale Kanaäns".... Maar dan daarop als de vuistslag van
+een furie het antwoord van Cornelia! Benjamin is niets dan een
+huichelaar, overigens geen mensch, eerder een laf kruipend gedierte dat,
+voortsluipend uit het gezicht van z'n vijand, zich bevuilt van angst.
+Maar Cornelia is niet alleen groot als huichelaarster, maar heeft ook de
+vermetelheid, de energie van de groote misdadigersnatuur, die voor niets
+terugdeinst. Ziehier, het is of ze den laffen ellendeling bij den nek
+neemt en hem door elkaar rammelt, hem méésleùrt, om de misdaad te doen,
+waarvoor hij geen moed heeft.
+
+ Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan den broeder Benjamin.
+
+ Wie heeft ooit grooter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fop je
+ mij wat, of hoe weerga zit het? Voor mij veinzen, voor mij de fijne
+ Filebout uithangen? Laat naar je zien, zotte jongen. Wij moeten
+ haar bedriegen; dat is 't al. En daarom moeten wij de handen ineen
+ slaan. Zouden wij zoo een zot dier ooit gezocht hebben, was 't niet
+ om den smul? en gij houdt u van de mallen? Ja, Blankaart kent ons
+ zeer wel. Hoor, Ben, de fretterij[58] is uit: wij moeten haar nu
+ nog plukken, en dan--de heele [p.294] wereld is voor ons open. Zij
+ moet het gelag betalen: de jonge juffrouw B.(urgerhart) moet er
+ niet bij lijden. Blankaart is een duivel van een vent, hij liet u
+ publiek geeselen, en ik moest in 't spinhuis, zoo wij aan haar goed
+ ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en dat zij interest
+ moet ontvangen; alles mondeling. Toon nu, dat gij mij liefhebt; ik
+ zal 't briefje schrijven en morgen er gaan. Kom ook. 't Geweten? O
+ dat is een bullebak voor u en mij,
+
+ _Die gij kent_.
+
+Maar dàn verandert zij weer, die helsche kameleon, de
+oogen vonkelen niet meer van giftig vernuft, het rood van de
+energie-drift verbloeit tot een rose van religieuse vredigheid
+na strijd en overwinning van zonde. De oogleden dalen vroomingetogen
+neer, het gelaat glimlacht open als in 'n zielsbewustzijn
+van geringheid en omveiligend godsbetrouwen.
+Dàn schrijft zij aan _Hofland_ dit briefje, dit meesterstuk van
+huichelarij:
+
+ Lieve vriendinne!
+
+ Daar heb ik, als ik het nareken, zoo een twee dagen en drie uren in
+ de macht des satans geweest; hij gaf mij die goddeloosheid in. Hij
+ heeft mij verleid. Och, zusje, zusje ik ben gevallen: ik ben
+ wanhopig, ik ben ellendig. Die duizendkunstenaar was het, die mij
+ dien gruwelijken brief deed schrijven. Zoo heb ik te veel op eigen
+ krachtjes vertrouwd! Och ja! mocht ik er maar door geraakt zijn, en
+ nooit weer op mij zelf vertrouwen. O! het ging mij, zooals de
+ Eerwaarde van de Kwast placht te zeggen: _de conscientie is de
+ klapperman uit de hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den
+ brand van de hel_. Gelukkig, dat mijn oude mensch niet te diep was
+ ingeslapen; och! dat was recht dierbaar.
+
+ Verbrandt toch alles om der vromen wille. Gij kent de diepten des
+ Satans. Mag ik morgen bij je komen, en dan blijven op 't geen je
+ maar hebt? Schrijft mij dit, of ik verval tot wanhoop.
+
+ Uwe zwakke zuster, Cornelia Slimpslamp.
+
+O als dit geen groote kunst is, wat is het dan. Hier is de eenheid
+gevonden tusschen het groot-tragische en het groot-komische. Zij
+versmelten in elkaar. De lach schreit en het schreien is lachen. Als
+twee reuzige beelden staan beide misdaad-figuren daar eeuwig voor den
+hemel. En de nacht van een oud geslacht en de ochtend van een nieuw zien
+hen onveranderd en onverweerd in hun geweldigheid. O, als die hemel
+[p.295] niet achter hen ware met z'n oneindige diepte en wondere
+wisselingen van wolken en licht, als een symbool van onvatbare en
+onbegrensde mogelijkheden, men zou hen niet alleen het tot nu niet
+overtroffene, maar ook het nimmermeer te overtreffene achten. Wanneer ge
+nu dìt boek niet lezen zult, wàt zal u dan tot lezen brengen? Wanneer ge
+nu hièrvan niet genieten wilt, hoe zal kunst u dan van haar geluk ooit
+geven? Maar neen-----_Ik vertrouw, ik wéét, dat gij het lezen zult!_
+
+
+
+NOTEN:
+
+[55] een man van mijn smaak.
+
+[56] "een Azers deel." Vergel. _Genesis_ 49: 20: "Azer, zijn brood is
+vet en hij levert koninklijke lekkernijen." (Knappert).
+
+[57] "een Enakskind," een reus. Vergel. _Numeri_ 13: 28 en 33
+(Knappert.)
+
+[58] fretterij = jagen met de fret. Zij wil leggen: gevingen is onze
+prooi nu, enz.
+
+
+ * * * * *
+
+
+JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE" [p.296]
+
+
+I.
+
+
+Zoo gaat het alles en deint en toeft nog even en verdwijnt.... Maar ook
+waarvan men zei, dat het niet weer zou keeren, dat keert soms nog vaak
+terug en altijd met een diepere bedoeling, en immer rijper en immer
+sterker.... Want de plechtige dans als een ommegang, die de
+stil-glimlachende en bevallige en zekere, ja vóóral zékere Jaren met ons
+menschen volvoeren, is een zéér ingewikkelde figuur, zóó ingewikkeld....
+Och ik vrees: indien wij ons zelf konden waarnemen, zooals we staan en
+ons moeizaam bewegen tegenover onze partners, door hen worden meegevoerd
+en dan weer achtergelaten--zoodat degeen die voor ons stond, dàn
+terzijde, dan àchter ons henengaat--we zouden onze verlegenheidsglimlach,
+ons dwaas-behoedzaam en aarzelend bewegen zéér betreuren. Want
+inderdaad, het kan toch den Beschouwer geen fraai schouwspel lijken, bij
+zooveel weeldeglans en stralend licht en tegenover en naast zoo schoone
+en zeker-zich-bewegende gestalten als de Jaren, zóó houterig, zóó bang
+voor botsing, zóó angstig voor 'n verkeerd gebaar te treuzelen, als wij
+menschen doen: een glimlach, een buiging van uw partner, ach, ge meendet
+er een vriendelijkheidsbetuiging jegens u in te zien?... Neen, neen, die
+hoorden zoo bij het ceremonieel van den dans; bet geheel daarvan, dat we
+nog altijd niet in onze arme hoofden hebben, ware zeker niet zoo
+volmaakt-fraai zonder dien glimlach en die buiging [p.297] geweest,
+maar--voor u waren zij niet bestemd! Een hand wordt u toegestoken, ge
+meent haar te moeten grijpen, maar neen, met 'n stillen doch
+terechtwijzenden glimlach trekt haar de eigenaar terug: die handbeweging
+behoorde tot het zéér diepzinnig ceremonieel van den dans ... op den
+handdruk zult ge nog wat moeten wachten ... indien ge hem ooit krijgt!
+Maar waarom zoudt ge daar treurig om zijn? Is een glimlach van de Jaren
+dan niets, zelfs al was hij niet voor u bestemd? Maakt hij 't _geheel_
+van den dans, waaraan gij _deelneemt_, niet fraaier? Welnu dan! En nu
+spreek ik u nog niet eens van de schoonheid, het gratievolle, van 't
+zekere van hun _terugwijken_. Want daar ge jong zijt, lieve vrienden,
+hebt ge meer gelegenheid gehad, de schoonheid van den glimlach der Jaren
+dan die van hun wijken te zien. Maar waarvan ik u wel en vooral nog
+spreken wou, is, dat ge vooral niet uit dat zinnetje, wat ik straks
+schreef: "als ge hem ooit krijgt," moet afleiden, dat dit zoo zeldzaam
+is. Het is een eigenschap van dezen wonderbaarlijk ingewikkelden
+dans,--zooals ik reeds meende te zeggen--dat een zelfde figuur zònder
+maar ook mèt een kleine wijziging terugkeert en 't is dus zeer wel
+mogelijk, dat ge bij een volgende maal den handdruk krijgt, dien ge de
+eerste maal u zaagt ontgaan. Want, laat mij u zeggen: het feit, dat ik
+de Meester's prachtige _Geertje_ hier behandelen mag, dàt is zulk een
+handdruk van een van de kinderen van den Tijd, ééns gemist, maar nu
+gekregen. En mag ik u nu vertellen hoé dat gebeuren kon?...
+
+ * * * * *
+
+Welnu dan, luister: Het was betrekkelijk korten tijd voor Tak's dood--en
+ik vraag u meteen: kent gij, jonge vrienden, behalve zijn naam, ook zijn
+werk? Hoevelen uwer, die toch waarlijk wel wat geld kunt missen,
+bezitten die keur daaruit: _Herdrukken uit de Kroniek_?--dat hij mij
+opdroeg twee werken te recenseeren in _De Kroniek_. Een daarvan was
+_Geertje_.--"... en," zei hij, terwijl ik al bij de deur van zijn kamer
+was, het was bij hem thuis, "dat boek," op _Geertje_ wijzend, "en de
+schrijver zijn mij heel lief." Nu weet ik niet, of gij onmiddellijk
+begrijpt, dat ik toen voelde, dat de Tijd mij toelachte [p.298] èn dat
+die glimlach wel degelijk voor mij was bestèmd, misschien vindt ge dat
+gevoel wel "overdreven" en zeer zeker begrijpt ge niet, waarom ik toen
+zelfs meende Zijn hand te kunnen grijpen, waarvan de aanraking op
+wonderbaarlijke wijze voor langen tijd _zekerheid in 't gaan:
+zelfvertrouwen_ geeft. Toch was dit _niet_ overdreven. Als gij Tak hadt
+gekend--en daarvoor is het nog niet te laat, want is het werk van zóó'n
+man ten slotte niet zijn allerbeste kenbaar deel?--èn gij wist als ik
+dat _Geertje_ een van de allerbeste, innigst gevoelde en soberst gegeven
+werken der heele hollandsche literatuur is--en dit zult gij weldra
+inzien--dan zoudt gij begrijpen hoe gelukkig een jong auteur zich moest
+gevoelen die van dièn man diè opdracht kreeg. Dat was een verfrisschende
+opfleuring van den geest, een sterke aanmoediging, precies wat die
+waarlijk-zachtmoedige geboren-Leider van menschen er dan ook mee
+bedoelde, waar hij altijd en altijd mee bezig was: jonge menschen, die
+het geluk hadden zijn weg te kruisen en in wie hij, zij 't veel, zij 't
+weinig, talent vermoedde, te steunen, te sterken en vriendelijk tegen
+hen te zijn, met héél zijn hart ... ja, dat was nog eens een ménsch....
+Maar hij stierf.... Toen had de Tijd zijn hand teruggetrokken.. Ik las
+Geertje ten einde, maar maakte verder geen aanteekeningen; die welke ik
+gemaakt had, reikten niet verder dan tot over de helft van het eerste
+deel.... Ik zette het boek bij het andere werk, dat hij mij toen gegeven
+had, vooraan in mijn kast, dat het mij, o ja ik wist het wel: een
+weemoedige, maar vooral toch een heerlijke herinnering zou zijn, mijn
+heele leven. Erover schrijven en bij een andere redactie om opname
+vragen ... nee, wel bedankt, dat wilde ik niet.... Bovendien, ik voel
+heel diep de beteekenis van het stil en als-onaangedaan wachten in het
+leven.... Ik voelde ook wel, dat ook deze bewegingsfiguur eens zou
+terugkeeren in dien grooten en plechtigen ommegang van den Tijd, de
+Lotgevallen en de menschen en dat zij dan, zooals ik reeds zei,
+beteekenis-voller zou zijn en mìj rijper zou vinden. Het eerste en het
+tweede zijn nu gebeurd, want zou het inderdaad niet van veel grooter
+beteekenis zijn, dat ik nu het geluk mag hebben, duizenden [p.299] en
+duizenden ouderen en jongeren in dit voortreffelijke werk in te leiden,
+dan dat ik toen een opstel erover had geschreven in _De Kroniek_, d.w.z.
+voor een uitgelezen maar zeer kleine schare lezers, waarvan het
+meerendeel, vermoedelijk, literair even sterk voelde als ik-zelf?! En
+wat het derde betreft ... moge daarvan dit opstel getuigenis afleggen!
+Want doet het dit niet, neen dan zou het toch zijn, alsof de Tijd mij
+ook ditmaal de hand niet hadde gereikt, want sterkt hij door die
+aanraking een mensch, deze sterke dan ook hem, opdat hij weer anderen
+sterken kunne. Geeft hij dan de _gelegenheid_, de ander _geve hem_ de
+daardoor _mogelijk geworden, juist voltrokken daad_.... Doch hoe dàt nu
+verloope, dat de bespreking van _Geertje_ een innerlijke gebeurtenis
+voor mij is, hooger dan het bespreken of overdenken van welk ander
+gelijkwaardig boek ook zou zijn, dàt zult ge nu wel begrepen hebben.
+
+ * * * * *
+
+Het zou voor u allen, evenals voor mij, ongetwijfeld makkelijker zijn,
+indien ik nu even, vóór met mijn eigenlijke ontleding aan te vangen, u
+een verkort begrip van den "inhoud" van dit werk mocht geven. Maar dit
+kan niet, omdat het u op een dwaalspoor zou brengen en wel om de
+volgende redenen: Allereerst, omdat _Geertje_-zelf is: een
+_psychisch-romantische_ figuur. Maar laat mij geen vreemde woorden
+gebruiken, zonder ze even te verklaren: _psyche_ beteekent: _ziel,
+psychisch_ dus: _wat tot de ziel behoort, wat de ziel betreft_. Ik
+bedoel dus te zeggen, dat zij wat haar _ziels_eigenschappen betreft
+romantisch is. En ge herinnert u ongetwijfeld wat ik u onder
+"romantisch" heb leeren verstaan[1].
+
+We begrijpen dus nu, dat Geertje wat haar _zielsvermogens aangaat_ een
+_uitzonderings_figuur is. Echter wat haar lotgevallen betreft, is ze zoo
+gewoon als 't maar kan. En daarom zei ik dan ook nadrukkelijk, dat zij
+_psychisch_-romantisch is. En ge vermoedt nu al, waarom ik u niet
+dadelijk iets van haar [p.300] levensloop, dus van den "inhoud" van het
+boek vertelde. De jongeren onder u, die, wat zeer natuurlijk is, nog
+denken, dat eens menschen lotgevallen hem belangrijk of onbelangrijk
+maken en nog niet inzien, dat _alleen de wijze, waarop een mensch die
+lotgevallen ondergaat en erop reageert_ hem belangrijk of onbelangrijk
+maakt, hoe zouden zij een huishoudster-dienstmeisje, dat, onervaren en
+kerksch-opgevoed, uit een klein dorp naar een groote stad komend, daar
+"verleid" wordt door een ellendeling, iets "belangrijks," als verhaal,
+kunnen achten. Gebeurt iets dergelijks niet zóó vaak?... Behoort het ook
+niet tot die dingen, die als we ervan hooren, ons 't hart verscheuren en
+ons, al naar onderscheiden aard en aanleg, in machtelooze woede de vuist
+doen ballen, of vruchtelooze heerschers- en apostelsdroomen laten
+droomen? Ja, wenschen we ten slotte niet, om ons-zelf de smart en den
+haat te besparen, er maar zoo weinig mogelijk van te weten? En behoort
+dus een boek, dat deze dingen beschrijft niet tot diegene, welke wij
+maar liever ongelezen ter zijde leggen, óók omdat het toch, als verdicht
+verhaal zoo "gewoon," zoo "banaal," zoo "beneden onze aandacht" is? Och
+ik zeg u eerlijk: niet beneden _mijn_ aandacht. Voor mij is, in kunst,
+het onderwerp bijna niets en de behandeling van dat onderwerp alles.
+Maar voor u, weet ik, is dat niet zoo, en dat neem ik u ook volstrekt
+niet kwalijk: ik begrijp het best. En zoudt gij dan _Geertje_ niet voor
+zulk een boek gehouden hebben. Maar nu hebt ge natuurlijk al begrepen,
+dat het daar niet op lijkt. Hoe zoude ik in dat geval van een psychische
+_uitzonderings_figuur hebben kunnen spreken. Och, hoe ver is 't dan ook
+inderdaad daarvan verwijderd. Hoezeer is _Geertje_ in evolutionnair-
+biologischen zin verheven boven een "verleid meisje". Laten wij deze
+bewering reeds nu even aan de feiten toetsen. Dat, wat men _gewoonlijk_
+onder "verleiding" verstaat, is: op zoodanige wijze bij een argelooze op
+de sexueele driften inwerken, dat zij tenslotte uit eigen opgewekten
+hartstocht, aan de begeerte van den verleider voldoet. Het _meest
+kenmerkend gevolg_ van _verleiding_ is dan ook, dat zoodra bij de
+_verleide_, de opgewekte driften weer tot rust zijn gekomen en zij de
+[p.301] gevolgen te dragen heeft, het _berouw_ intreedt èn _haat_ tegen
+den _verleider_. Ten eerste wordt nu echter bij _Geertje niet_ door den
+man, die haar misbruikt, de lagere sensualiteit opgewekt, jawel, hij
+_beproeft_ het, en _hij_ meent, de plat-sluwe wellusteling, dat hij
+slaagt, doch hij vergist zich: wat door hem wordt opgewekt misschien,
+maar aangewakkerd zéker, is: hare _verliefdheid_ op hem--van wier
+hoogheid en duurzaamheid dat beest-mensch niet het flauwste begrip
+heeft!--en dit _verliefd-zijn_ maakt hare zinnelijkheid wakker. Tusschen
+het een en het ander nu is een enorm verschil--precies hetzelfde
+verschil, wat _men_ zegt (_ik_ weet het nièt) tusschen mensch en dier te
+bestaan.--In het eene geval, _bij Geertje_, brengt de _geëxalteerde
+geestelijkheid_ beroering en hartstocht _in de lichamelijkheid_; in het
+andere geval wordt de eene _lichamelijkheid_--van de verleide--door de
+andere _lichamelijkheid_--van den verleider--doordrift, en met hun
+beider _geestelijk-zijn_ heeft dat niets of weinig van doen. Het gevolg
+is dan ook, dat zoodra, in het laatste geval, ook slechts een klein deel
+van de geestelijkheid: het nuchter verstand, werkelijk ontwaakt, een
+vreeselijk berouw, zooals ik reeds zei, en een haat tegen den verleider
+intreden, en daarentegen in Geertje's geval, zoodra haar geest zelfs
+_voor goed_ is ontwaakt en _alles_ klaar ziet, zij van tevredenheid en
+geluk vervuld wordt, omdat zij voelt, niet zóó bewust als ik 't daar
+zeggen ga, maar toch zéér bewust: ik heb gedaan wat mijn hoogste
+geestelijkheid en de reinste kern van mijn wezen mij geboden, nu heb ik
+de zaligheid gekend en deze zal mijn heele leven blijven doorlichten; en
+instede dan ook van haat te voelen tegen den man die haar onverzorgd aan
+haar lot overlaat, blìjft zij hem, ook nadat zij weet, door hem
+gedupeerd te zijn, uit de volheid van haar groote ziel liefhebben,
+blijft zij hem innig dankbaar, voor de heerlijkheid, die haar, ten
+slotte, toch door hèm geworden is! En zooals de eene goede daad altijd
+ter een of andere keer, tot een tweede goede daad voert--want het is een
+goede daad aan het hoogste van zijn wezen te gehoorzamen, _maar dan moet
+men ook_ [p.302] _noodlottig-zeker voelen dat het 't hoogste van het
+wezen is!_--zoo brengt ook _Geertjes_ daad haar éérst tot het zuivere
+inzicht, dat te huwen of sexueelen omgang te hebben zonder liefde,
+minderwaardig is èn brengt haar daarna en daardoor tot de tweede goede
+daad: van liever haar heele leven ontbering en smaad te dragen, dan haar
+toevlucht te zoeken in een gemakkelijk huwelijk, met een braven, rijken
+boer, die haar grenzeloos liefheeft, om aldus voor de hardheid der
+wereld geborgen te zijn. Hoe zou het dan ook kùnnen dat Geertje zich
+schame voor haar daad, of iets van haren natuurlijken trots of fierheid
+inboete gelijk die vele schijnbare-lotgenooten! Na dit alles te hebben
+ingezien, voelen wij dan ook met zekerheid, dat wij in de persoon van
+_Geertje_ hebben te erkennen een van die hoog-nobele en in waarheid
+groote figuren, die tegelijk monumenten voor en incarnaties van de
+Liefde op aarde zijn.
+
+Maar hoe weinig zouden wij dat vermoed hebben, indien wij _Geertje_ in
+het leven hadden ontmoet, hoe weinig dus ook, dat wij eigenlijk heel
+diep en nederig voor haar moesten buigen, en dat "die geheimzinnige
+Macht, die de wereld regeert" veel sterker in haar leefde dan in vele in
+heerlijkheid gezeten vorsten en voornamen en geleerden, die roem en eer
+en geluk in overvloed oogsten! En met deze opmerking kom ik meteen tot
+de bespreking van een andere superieure eigenschap van dit werk, eene,
+die het gemeen heeft met alle werkelijk gróóte kunst: _dat het
+uitspreekt, wat geen andere mond dan die der kunst kan uitspreken, dat
+het stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen
+uiting had_. Want ziet eens en denkt het u goed in en doet eens flink uw
+best, mij ter dege te begrijpen: àls ge in het leven zulk een "verleid
+dienstmeisje," als ge eens diezelfde Geertje had ontmoet, armelijk,
+vervallen, gedwongen in uitersten nood een toevlucht te zoeken voor haar
+zwak, zwanger lijf, bij hondsche, gemeene, vervuilde familie; àls ge
+eens in het leven zulk een meisje had ontmoet, dat absoluut geen
+"berouw" over haar "misstap" toonde en nog den man, die haar verleid en
+gedupeerd heeft, in slaafsche gedweeheid achterna blijft loopen, [p.303]
+wàt zoudt gij anders voor haar hebben dan een weinig stuursch
+medelijden, vermengd met minachting, gij, die de grootheid van haar ziel
+niet zoudt kennen, gij, die haar drijfveeren: haar liefde, haar
+vertrouwen, haar hoop, hare grenzelooze toewijding niet bevroeden zoudt.
+En àls gij daarentegen dien verleider, dien _Heins_ in het werkelijke
+leven ontmoet hadt, wel, zoudt ge niet hoogstens eenige phrasen mompelen
+als: alles te weten is alles te vergeven: de man, lichamelijk een
+prachtkerel, is gehuwd met een ziekelijke vrouw ... de natuur zoekt een
+uitweg ... en die Geertje, nou die zal, op de keper beschouwd, ook wel
+niet zoo heel veel fijns zijn ... en hij is toch maar in z'n zaken een
+oppassende en gewikste kerel.... In een woord: een deel uwer sympathie,
+waarschijnlijk het grootste deel, zou bij den sterke, den
+man-van-het-welslagen zijn en niet bij de verongelukte, bij de zwakke,
+bij de als-bedelend-afhankelijke. Want niet alleen gij, jongeren, maar
+ook wij ouderen, zijn allen, vooral te dien opzichte, maar al te vaak
+"un petit être incomplet,"[2] zooals Loti het noemt. En intusschen, hoé
+verkeerd zouden wij hebben gedacht, want die _Heins_, wat is hij anders,
+dan een van die diep-ellendige schurken, die we alleen daarom niet
+verachten, omdat we begrijpen niets wat leeft te mógen verachten. Maar
+hoe zouden wij, arme, onvolmaakte wezens, ook beter kùnnen oordeelen
+over onze medemenschen. Worden wij niet door onzen twijfel verscheurd en
+heen en weer getrokken? We heffen de hand op om te straffen, maar we
+aarzelen: heeft die mensch wel straf verdiend? Had hij geen edele of
+onweerstaanbare drijfveeren, die wij niet kennen?... Wij willen
+beloonen.... Maar de gedachte komt in ons op: zie ik dien mensch niet te
+mooi; had hij innerlijk geen leelijk motief voor die mooie daad,
+bevoorrecht ik hem dus niet boven zijn gelijke? Wat wéten wij van
+elkanders ziel? Wie zìjn wij-zelf? Daarom kàn de ondeugd niet door
+[p.304] ons gestraft, de deugd niet beloond worden. Wij wankelen en wij
+tasten mis bij elke schrede, bij elk gebaar. Doch nu komt een kunstenaar
+... diè wéét, die vóelt weifelloos, diè tast, ten _tijde dat hij
+kunstenaar is_, nimmer mis, diè heeft "hart en nieren geproefd."[3].
+Nu krijgen de deugd en de ondeugd, het reine en het bezoedelde, het
+zelfopofferende en het baatzuchtige, allen, niet alleen de kracht tot
+uiting, maar zij worden gedwongen daartoe. Allen ontvangen nu een stem,
+waarmee zij in onze ooren hun innigste wezen uitzeggen. Nu is alle
+leugen en alle schijn verre en de meest doortrapte sluwheid staat
+machteloos.
+
+Dáárom zei ik--en nu zeker begrijp't ge mijn zeggen--_kunst uitspreekt
+wat geen andere mond kan uitspreken, dat zij stem en uiting geeft aan
+wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had!_ Hoe dikwijls, gelijk
+nu weer, heeft het mij dan ook niet toegeschenen, alsof, in hoog
+medelijden met die wrange machteloosheid der menschen, ter troost aan
+ons gekrenkt rechtsgevoel, en vooral ter tijdelijke hulp aan ons,
+bijna-blinden, die het eindpunt niet kunnen zien, waar al dat slechte en
+misdadige tot goedheid en rechtvaardigheid wordt--de Natuur de
+kunstenaars voortbracht, opdat die ons reeds nu het ware wezen der
+dingen zouden doen gevoelen, hun noodwendigheid en het verborgen geluk,
+en ook het verborgen onheil, dat zij in hun dichte dooreenvlechting
+dragen. Het uiterlijk-schamel edele, dat wij gering hadden geschat, de
+kunstenaar toont--en 't is als een ons hart goeddoend eerherstel!--de
+edele kern ervan. Het opgesierd-vooze, het is alweer de kunstenaar die
+met vaste hand het innerlijk rotten opendekt--zoodat wij althans het
+geluk der waarheid hebben! Zóó komt het dan ook, dat _Geertje_, het
+zuivere werk van zùlk een kunstenaar, bij al de grauwheid van het
+armoe-leven, die het ons niet spaart, bij al de ontzettende ellende en
+onverdienden smaad, die we de hoofdpersoon, het meisje zien treffen, ons
+nauwelijks bedroeft, en dat het ons evenmin na [p.305] voltooide lezing
+achterlaat met dien bitteren haat tegen het "wreede" leven, maar
+integendeel met het zoete en kalme gevoel van bevredigd- en
+vertroost-zijn, van nu toch ééns het Noodlot doorvoeld en begrepen te
+hebben. Want, zoo denken we, waarom zouden we de verstooten en versmade
+Geertje langer beklagen, haar, die met het volle gevoel en het
+alles-verzoetend en verheerlijkend bezit harer altijd-durende liefde
+naar haar dorpje terugkeert, om daar in de schoone richting, die het lot
+haar gewezen heeft en op haar eigen, eenvoudige wijs, haar prachtige en
+rein-menschelijke ziel te doen groeien en bloeien. Of waarom zou ons de
+haat jegens menschen als Heins nog op het hart branden! Is tot onze
+genoegdoening, in dezen ééne, niet aller afzichtelijkheid in den
+rechtvaardiglijk-erbarmingloozen dag geheven? Voelen we ook niet
+onvermijdelijk en ontzettend aandreigen, onzichtbaar voor zijn oogen, de
+begeleidsters der geestelijke en zedelijke geringheid: de zelfverachting
+en de verachting der menschen, die vroeg of laat, maar eens zeker, uit
+zulke misdrijven opschrijnen?... Ja, het is dan ook vóóral de
+gewaarwording, dat de godsstem van het Noodlot tot ons sprak uit dit
+boek, klaar en vast en met ware troost vertroostend, die het ons doet
+liefhebben als een machtig geheel van _ont-dekte, doorzichtig-gemaakte_
+menschelijkheid. Aan dit werk is het _tijdelijke_ vreemd: zoolang een
+deel der menschheid onze taal zal kennen, zoolang zal het in de figuur
+van het arme meisje _Geertje_ de verwezenlijking van ééne der gestalten
+der eeuwige en wereld-omvattende liefdesdroom herkennen; zal het opzien
+vol dankbaarheid en bewondering tot die onbewuste, nederige heldin, die
+niet alleen te eenvoudig-menschelijk, te rein-natuurlijk was om te
+zondigen, d.i. tegen haar diepst en hoogst gevoel te leven, toen dit
+haar genot en uitviering van hartstocht bracht, maar die ook te groot
+bleek, om tegen dat gevoel te leven, toen het haar niets anders dan
+verderf, vernedering en ontbering kon brengen!
+
+Laat mij nu nog, voor ik dit eerste hoofdstuk over _Geertje_ beëindig,
+even recapituleeren wat ik heb gezegd:
+
+[p.306] Het werk behoort ten deele, voor zoover het zijn hoofdpersoon
+betreft, tot de goéde romantiek, omdat het een uitzonderingsfiguur
+beeldt, op naturalistische, d.i. zooveel mogelijk objectieve wijze. Het
+behoort tot de groote en blijvende kunstwerken: omdat het 't leven voor
+ons ont-dekt en doorzichtig maakt; omdat het, in de opeenvolging zijner
+elkaar beïnvloedende hoofdgebeurtenissen, zuiver noodlottig is; omdat
+'t, wijl het kunstscheppend vermogen er puur in leeft, niet van één tijd
+maar van alle tijden is; omdat het, tenslotte, èn door zijn
+noodlottigheid èn door zijn evenwichtigheid én door zijn àf-zijn in
+begrepen-, doorvoeld- en weergegeven-hebben, zelf de rust en den vrede
+der klassieke mensch-beeldingen bezit en beide daarom ook aan de lezers
+schenkt.
+
+ * * * * *
+
+En ik voeg er met nadruk bij: het is ook in de hoogste mate zedelijk, en
+de lezing moet, vooral op jongelui, die nog hun leven kunnen beginnen,
+veredelend werken--ik zeg dit met zooveel nadruk, omdat 'n paar,
+overigens geheel onbevoegde, dwazen indertijd het tegendeel beweerd
+hebben--wijl het ten eerste, zooals ik reeds opmerkte, een stem geeft
+aan het bedrogene, verdrukte en gesmade, dat anders door de menschen
+niet wordt gehoord of geloofd; ten tweede, in _Geertje_-zelf een figuur
+beeldt, die dwars door alle conventie heenbrekend en boven alle
+eigenbaat uitrijzend, datgene poogt te doen, wat haar eigen diepste
+wezen haar als goed aanwijst en, ten derde, in Heins den verleider, een
+mensch heeft geschapen, wiens verpeste en afzichtelijke geest
+noodzakelijk even afschrikwekkend op den aanschouwer moet werken, als
+afbeeldingen van sommige ziekten dat doen.
+
+ * * * * *
+
+In de nu volgende hoofdstukken hoop ik u het gezegde door citaten en
+analysen nader uiteen te zetten en, voor zoover dat mij althans mogelijk
+is, te bewijzen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+JOHAN DE MEESTER'S GEERTJE.
+[p.307]
+
+II.
+
+
+Geertjes ouders zijn dood. Ze wordt door haar grootouders--grootvader is
+hoofd van de dorpsschool en koster--opgevoed. En in het eerste hoofdstuk
+reeds, waarin we Geertje uit 't dorpje zien vertrekken, om een dienst in
+Rotterdam te zoeken, laat de auteur ons op opmerkelijk-sobere, want van
+alle taaldrukte warse en aan elk psychologisch-ontledingsvertoon vreemde
+wijze, het innerlijk dier drie zeer uiteenloopende menschen gevoelen.
+Grootmoéder, één zachtheid, één innigheid, één opgaan-in-'t-kleinkind;
+grootvàder: een steil-orthodox Christen, die geen oogenblik weifelens
+omtrent zijn levensplichten en rechten kent, want beide staan duidelijk
+en zeker voor hem en zijn natuur neigt al evenmin ter verzaking van de
+eerste als ter opgave van de laatste. Zijn dogmatisch-kerksch geloof
+zegt hem in alles het _hoe_, laat hèm maar zelden onzeker omtrent het
+_waarom_, en heeft den heelen geestelijken inventaris, die bij een
+gewoon huis-, tuin- en keuken-mensch nog al een beetje door elkaar
+pleegt te slingeren, netjes voor hem opgeborgen in een "kast met
+laadjes," zooals _Maandag_, een nobele figuur in ons boek, den bijbel
+noemt in dit verband; een juist en gelukkig beeld, geloof ik, want zoo
+het ons fel het misbruik voelen laat, dat, bewust en onbewust, van
+bijbelteksten wordt gemaakt, het doet ons allicht ook bepeinzen, hoe
+wonderschoon beeldhouwwerk die "kast" versiert en hoe de
+beduimelend-liefkoozende vingers [p.308] der geslachten, de glanzingen
+van dat edele hout nog hebben verdiept in stede van het te
+verslijten....
+
+_Geertjes_ grootvader is een streng, naar lichaam en geest _rechtlijnig_
+man, hij is beslist, kort aangebonden en duldt geen tegenspraak, wat dan
+ook precies de eigenschappen van dat soort oprechte, maar bekrompen en
+ten deele verdorde vromen in het werkelijke leven zijn, eigenschappen
+die, het zij terloops gezegd, psychologisch uiterst makkelijk zijn te
+verklaren: het dogmatisch-godsdienstige, en dit vooral, maar niet
+alleen, doch ook àl het dogmatische, ziet de fijne nuances van het leven
+niet, het maakt, als 't ware, van den _kronkelenden_ levensgang iets
+_kinderlijk-rechtlijnigs,_ en de geest van zijn belijders ontkomt
+natuurlijk aan dien invloed wel het allerminst: ook hij wordt steil en
+hoekig, zijn levenskijk wordt vergroofd. Maar dit is niet alles: het
+dogmatisch-godsdienstige maakt den middelslag-mensch vaak streng en
+hard, want daar het in 't leven een betrekkelijk eenvoudig iets ziet,
+als slechts aan zekere voorschriften en leiddraden wordt vastgehouden,
+is het ook van oordeel, dat degeen die leeft, de mensch, een relatief
+gemakkelijke taak heeft en kàn het dus niet zóó medelijdend, zóó
+vergevingsgezind tegenover dien mensch en zijn fouten staan, als die
+andere denkrichtingen, welke integendeel het leven beschouwen als iets
+zeer moeilijks en onreglementeerbaars, en de levenstaak als een
+ontzettend-ingewikkelde, welks zwaarste gedeelten ieder gerijpt mensch
+slechts volgens zelfgevonden wetten kan volvoeren. In één woord: de
+dogmaticus heeft het _twijfelen en zoeken verleerd,_ een ontzettend
+nadeel! Hoe zal hij het twijfelen en zoeken van anderen nu kunnen
+meevoelen? De dogmaticus struikelt zelden: hij bewandelt de onbeschutte
+en slecht-onderhouden wegen niet. Maar àls hij struikelt, is dat naar
+zijn meening zijn _schuld_, dien hij moet _delgen_. Hoe zal hij dan hen
+begrijpen, bemeelijden en helpen, die, in sommige gevallen, niet alleen
+van schuld noch delgen willen weten, doch te recht of ten onrechte hun
+struikelen aan den weg wijten, ja wel eens--als Geertje!--hun trots en
+hun geluk in dat struikelen beweren te hebben gevonden! Aan de figuur
+van dezen grootvader, die [p.309] het wèl meent en eerlijk volgens zijn
+dogmatische kerkschheid handelt, zult ge dit alles, in verband
+natuurlijk met zijn menschelijke zwakheidjes--en niemand, maar
+allerminst een dogmaticus is daar zonder--zien waar worden! Wenden we
+ons nu van hem af en zien we naar _Geertje_. En ik durf een mooi ding te
+verwedden, dat gij dat liever doet! Wat mij betreft ... o, 't is waar,
+ik heb een voorrecht boven jelui allen, jongelui: ik _verander_, als ik
+naar haar zie, ik word _jonger_: de rimpels van mijn voorhoofd en mijn
+geest verdwijnen--jelui hadt er geen! Ik _krijg_ een glimlach op mijn
+verstroefd gezicht--bij jelui was hij er, geloof ik, nog bijna nimmer
+af, en ìk heb ook die eigenaardige vreugde, die ontstaat uit het even
+zien samensmelten van toekomst en verleden in één punt. Maar jelui
+Verleden ... och vrienden, je Heden draagt het nog op zijn rug, als
+Aeneas zijn vader: moge het reeds verzwakt zijn, het lééft toch nog, het
+is een wèrkelijkheid, het heeft in eenzaamheid de duistere reis nog niet
+begonnen en slechts een bleeke heugenis nagelaten. Herinner jelui je,
+wat ik eens schreef op deze plaats over dat plots weer oplichten van
+onze eigen jeugd in later jaren, door het genieten van een kunstwerk?...
+O, ook in _Geertje,_ bij dit haar eerste verschijnen lacht een lente
+open, alles is luchtig en onschuldig en bevallig en naar-het-komende-
+ziende in haar. Wij voelen haar een met 't om haar zijnde, eenvoudige en
+als van 't natuur-idyllische overbloemd dorpsleven. En wij voelen dit
+juist, wij leeren haar èn dat leven kennen, _op hetzelfde oogenblik, dat
+zij 't gaat verlaten, om naar de groote stad, naar Rotterdam te trekken,
+en daar 'n dienst te zoeken!_ Dat stempelt ons den indruk van dat leven
+des te dieper in het geheugen. _Want wij voelen ons met haar nu op een
+kentering van haar leven staan_. En als we straks met haar in Rotterdam
+zullen zijn, dan zal het contrast tusschen dit proper-eenvoudige,
+rustig-eerzame leven harer in het dorpsmilieu geachte grootouders, en
+het smerige armoe-bestaan der rommelige havenstad, waar de bittere
+strijd om een stuk brood, alle zachtheid, alle onderling
+willen-waardeeren heeft verdrongen, ons des te dieper treffen. Wanneer
+we haar [p.310] straks door dat groote-stadsleven zullen zien besluipen;
+als we dat, stukje voor stukje en beetje voor beetje, haar de
+beschermende uiterlijkheden van den geest zullen zien ontrooven,
+waarmede de kerksche opvoeding door de grootouders dien hebben bekleed,
+dan merken wij dat alles zóó goed op, dan voelen we dat alles zóó diep,
+omdat wij, vooral door dat eerste hoofdstuk, Geertje--om 't zoo eens uit
+te drukken:--in haar ongerepte en tegelijkertijd nog niet ontwikkelde
+gaafheid hebben gekend. Want we zien in dat eerste hoofdstuk reeds al de
+verhoudingen en menschen, die, in verband met haar natuurlijken aanleg,
+Geertje hebben gemaakt tot wat zij op dat oogenblik is. We zien
+ook--heel eventjes slechts aangegeven--zekere psychologische
+eigenaardigheid, die later van groote beteekenis voor haar uiterlijk en
+innerlijk lot zal blijken te zijn. Ik zal nu dit alles met eenige
+citaten trachten aan te toonen. Eerst de gezindheid van den grootvader:
+(_Geertje_ is bezig zich op 'r kamertje klaar te maken voor de reis.
+Beneden wachten de grootouders op haar, om aan den maaltijd te
+beginnen).
+
+ Ze hoorde Groo'va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig
+ ... daar was hij al in het gangetje! Nu kwamen de woorden, _kort,
+ met gezag_:[4]
+
+ --Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden....
+
+ Dan moest het maar.... Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen,
+ parapluie, 'er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep--zóó
+ maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.... Even
+ rondkijken.... Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien....
+
+ En het slecht gelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning
+ kraakte op elke tree, onder de _vlugge_ stap van het _lichte
+ meisje_.
+
+In de _eerste_ door mij gecursiveerde woorden, die Grootvaders manier
+van spreken aangeven, zóó dat wij hem hóóren, leeren wij hem reeds
+kennen, zooals hij intrinsiek is: hij is de man van de kortheid en
+vooral van het Gezag, met een bijzonder groote hoofdletter! Maar ook
+Geertje staat er al aardig in: Dat kinderlijk beredderingsdruktetje, dat
+schalk-vroolijk [p.311] afscheid van de kamer ... zou het aan mij
+liggen, dat ik 't ook _aandoenlijk_ vind?... Ik geloof het niet: de
+jeugd, de onschuld en de blijmoedigheid, zij zijn aandoenlijk, _omdat
+zij, vaak zwijgend en zonder het te weten, om bescherming vragen_. Als
+kinderen tegen ouders, vlijen zij zich tegen de ziel van den mensch aan,
+die hen met liefde beschouwt.
+
+De beide laatste, door mij in den tekst gecursiveerde woorden vormen
+daarneven van die beeldende trekjes, zooals er meerdere in dit hoofdstuk
+voorkomen, die ons onmiddellijk Geertje in heel haar luchtige en
+vroolijke jonkheid voor oogen brengen.
+
+ Groo'vas voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.
+
+ --Waar blijf je nou toch? zei Groo'moe. Op haar gezicht was enkel
+ droefheid.
+
+Men weet hier onmiddellijk, dat Groo'moe altijd de "bufferstaat" tusschen
+de beide anderen is! Zij tempert grootvaders strengheid en vergoelijkt
+Geertje's dartele jeugd.
+
+ Het eten stond er al.
+
+ --Aan tafel, zei Groo'va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem
+ kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.
+
+ Toen alle drie zaten, bad hij:
+
+ --O Heer, onze God! wij danken u voor de spijze, die Gij ons weder
+ mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig u loven en prijzen voor al
+ uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen
+ van hart, wij komen tot u in onze nooddruft, want ons hart is
+ bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe
+ goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw
+ uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die u
+ vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het
+ leven te houden in den honger. Wees gij dan, o Heer, met haar die
+ ons verlaten gaat. Wees gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer
+ vast huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren
+ mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover
+ haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat
+ haar geleiden, als zij nederligt, zal het over haar de wacht
+ houden, als zij wakker wordt, zal het zelve met haar spreken. Want
+ het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen
+ der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader, die in de Hemelen
+ zijt, Uw naam worde geheiligd; [p.312] uw Koninkrijk kome: Uw wil
+ geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons
+ dagelijksch brood geef ons heden, en vergeef ons onze schulden,
+ gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in
+ verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Uw is het
+ koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid,
+ Amen!
+
+ Geertje was gewoon aan Groo'va's lange gebeden, met teksten erin.
+
+Laat ons even stilstaan bij die gewoonte van Groo'va om gebeden te bidden
+"met teksten erin." Het kan zijn nut hebben, niet alleen voor het goed
+begrip van die figuur, maar van al de geestelijk aan haar verwanten.
+Want ten eerste moeten we ons wel hoeden, in onze "moderniteit" een
+vrijbrief te zien, om maar over alles en nog wat, waarvan wij niets
+weten, te mogen meespreken, en ten tweede zoudt gij allicht uit den
+aanhef van dit artikel meenen te mogen afleiden, dat ik ook dit _bidden_
+met teksten iets minderwaardigs of gerings acht. Dit is echter niet zoo,
+ik vindt het integendeel iets zeer schoons. Kijk eens aan. Als men
+iemand bijv. "een gevoelsmensch" noemt, dan wil men daarmee niet zeggen,
+dat die man uit louter gevoel bestaat en verstand zou missen. Men wil
+daarmee dan alleen aanduiden, dat het gevoel, het bij hem sterk
+overheerschende is. En als ik dezen grootvader een dogmatisch-geloovige
+noem, dan wil ik daarmee ook alleen beweren, dat het dogmatisch-geloovige
+in hem overheerscht. Want niemand is één ding geheel-en-al. Ieder mensch
+is een mengsel van _vele_ eigenschappen. En in dezen man zijn er al vast
+drie wijzen-van-zijn te herkennen: ten eerste: de man--de "belichaamde
+vermaning," zooals _Geertje_-zelf hem ziet--die door zijn dogmatisch
+denken, door zijn meenen _de waarheid in pacht te hebben_, van een
+ergerlijke eigengerechtigheid is; die zich als een "Verkondiger van Gods
+Woord" opwerpt en met zijn teksten niet alleen een grimmig hekwerk
+tusschen eigen braafheid en de snoodheid van den zondaar schijnt te
+willen oprichten, maar er zelfs een soort van kooi om de "gevallene" van
+wil smeden, waarin die in schuldbewustzijn tot "berouw" moge komen;
+maar, ten tweede: leeft ook in hem de eenvoudige vrome, de [p.313] warm-
+en innig-geloovige, die ten tijde van zijn hevigste bewogenheid, naar
+den Bijbel grijpt, om in diens taal te bidden, te danken, in één woord
+zijn gevoel in woorden uittestorten. Het behoorde tot de leege
+bluf-gebaren der "moderniteit" te beweren, dat degeen, die bad, dat in
+eigen woorden moest doen, en dat hij, die het in "andermans"
+bewoordingen deed, maar wat prevelde. Maar die moderne knaapjes vergaten
+iets: dat deze "andere man" vaak de Bijbel was, en dat als we alleen
+maar de Psalmen daaruit nader beschouwen, we weldra ontdekken, dat de
+Psalmist een dier ontzaglijke en allergrootste dichters is geweest, wien
+"niets menschelijks vreemd is gebleven." Wat wonder dan dat de
+geloovige, die toch al, dóór zijn geloof, meent, dat die geheiligde
+woorden Gode aangenamer dan zijne eigene zullen zijn, in uren van diepst
+doorleven naar den Bijbel grijpt, en, als in een gelukkige ontslaking,
+daar de zóó volledig zijn gevoel uitzeggende woorden vindt, gelijk hij
+ze nimmer had kunnen vormen. Zóó gebruikt ook Grootvader dan de teksten
+als hij _bidt_. Als hij _vermaant en bestraft_--let goed op het
+verschil!--liggen _hoogmoed_ en _bewustzijn van eigen bravigheid_ aan
+zijn tekstgebruik ten grondslag; als hij _bidt: nederigheid, liefdevolle
+overgave_, ja zelfs _onbewust bewonderen van het schoone._ Gij zult mij
+deze uitweiding wel willen vergeven, want ik zou graag willen, moet ge
+weten, dat wanneer ge straks, als flinke kerels in den trein van den
+Vooruitgang zit en uw vroolijk lied van de Internationale uit de ramen
+dondert, dat ge dan vooral niet uw manhaftigheid uit door als Yankees
+links en rechts over de waardevolle bagage uwer medereizigers heen te
+spuwen. _Revolutionnair gevoel èn eerbiediging van het echte en mooie,
+waar 't zich ook uit_, zijn in diepsten oorsprong hetzelfde en vertoonen
+zich alleen als iets tegenstrijdigs, bij den kinderlijken en
+onontwikkelden mensch.... Begrepen?... Ten derde leeft in Grootvader ook
+een man, die.... Maar dezen zin breek ik hier af, om hem later te
+vervolgen. Nu eerst ònzen tekst verder:
+
+ 's Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang
+ gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij [p.314] deed
+ haar best om mee te bidden, maar ze was er niet in. Al toen Groo'va
+ bad van "gebrokenen van hart" hoorde ze een snik van Groo'moe. En
+ toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn,
+ snoof en snikte Groo'moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes
+ trachtte te kijken....
+
+Een aardig trekje dit laatste, _beeldend_, zoowel Geertje's schalke
+kinderlijkheid, als haar op dat oogenblik buiten de gevoelssfeer der
+grootouders staan, haar innerlijk-alleen-naar-het-komende-kijken!
+
+ Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon--hij
+ kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand
+ het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo'va; zijn diepe
+ stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf--toen,
+ bij die bijna gemeenzame woorden, die ze als heel klein meisje van
+ Groo'moe geleerd had als Jezus' gebed, voelde ze dadelijk zich
+ anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep
+ gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar
+ neus; en na het amen stond ze op, en liep naar Grootvader om hem
+ een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo'moe's
+ stoel.
+
+ --Och kind, hikte Groo'moe.
+
+ --Heusch Groo'moe, Geer zal goed oppassen.
+
+ Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in
+ Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede,
+ alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.
+
+ --Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.
+
+ Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan
+ Grootmoeders borst; de kleine vleezige hand van Groo'moe streek
+ langs haar wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend,
+ zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens
+ heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve
+ kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte
+ behangsel en het eikenhouten harmonium....
+
+ Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo'moe gekozen als
+ Geertje's lievelingskost. Maar Groo'va had de ham niet zoo mooi dun
+ gesneden als anders.
+
+Ik heb daar straks de opmerking niet willen maken, om de stemming van
+dit overigens fraaie stuk niet te bederven, maar nu moet ik toch even
+zeggen, dat het mij spijt hier het woord "hikte" ter beelding van
+Groo'moe's manier van spreken gebruikt te zien. Het werkt
+ontegenzeggelijk storend. Hikken, [p.315] in de beteekenis van hakkelend
+spreken heeft te vaststaand en eigenaardig gebruik in den volksmond, dan
+dat het ook hier niet onmiddellijk de daaraan verbonden onsmakelijke
+gedachten-associaties zou doen opkomen.
+
+Maar nu geloof ik dat het toch tijd wordt mijn daar straks afgebroken
+zin te voltooien. Dus: Ten derde leeft in Grootvader ook een mensch,
+die, zij 't schaarsch, zij 't droog, zij 't kleintjes, zich toch ook op
+een andere dan Bijbelsch-gereglementeerde wijze uit. Want--en Grootvader
+moge mij het oneerbiedig vergelijk vergeven:--geen papegaai is er zoo
+aan verslaafd op het voorbeeld van anderen te vloeken en te zegenen, of
+hij krast er wel eens op zijn eigen manier, z'n toorn, verdriet of
+vreugde doorheen. Grootmoéder moge schreien, Geertje langs de wang
+aaien, haar laten uitweenen aan haar borst, de stugge, terughoudende,
+half-bevroren grootvader brengt het niet verder dan: _de ham niet zoo
+mooi dun te snijden als anders_. Maar met dat al is het laatste toch
+evenzeer een zuivere gevoelsuiting als de eerste. Wenschen we er den
+oude geluk mee!
+
+Ik sla nu een stukje tekst over en haal het eigenlijk afscheidnemen van
+Grootmoeder en Geertje aan:
+
+ Grootvaders _lange_ gestalte stond in de deuropening.
+
+ --... Nou Groo'moe....
+
+ --Nou kind...!
+
+ 't Was of Groo'moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan.
+ Maar ze hoorde Groo'va zeggen:
+
+ --'t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze
+ den trein niet zou halen.
+
+ --Goeie Groo'moe, zei ze troostend, _en wrong voorzichtig zich
+ los_.
+
+ --De Heer ... zij ... met je, beefde Groo'moe's stem.
+
+ --_Ja Groo'moe_, zei Geertje, _en zocht haar taschje_.
+
+ Toen ze het had, tasch, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een
+ vroolijker--"Dag Groo'moe, het beste Groo'moe," een lichte kus op
+ het grijze haar; en vlug voor Groo'va, die de voordeur had geopend,
+ heen, was ze in eenen kamer en huis uit.
+
+In den eersten zin van dit citaat heb ik het woord "lange" gecursiveerd,
+om te doen uitkomen hoe voortreffelijk zulke kleine
+beschrijvingswoordjes het niettegenstaande hun eenvoud [p.316] en alle
+afwezigheid van omhaal doen. Ik wees er u reeds aanstonds op bij de
+beschrijving van Geertje's naar beneden loopen. Met die kleine,
+voortreffelijk te pas gebruikte beeldende woordjes, bereikt deze
+schrijver evenveel, zoo niet meer als sommige anderen met uitgebreide en
+ingewikkelde beschrijvingen. Als met lichte, onmerkbare drukjes wordt
+ons eene ook-het-innerlijk-bevattende voorstelling van den uiterlijken
+persoon in den geest gedreven. De drie andere cursieven geven Geertjes
+gepréoccupeerdheid weer, haar er-niet-bij-zijn bij het afscheid, haar
+denken aan het komende. Haar "Ja Groo'moe" is zelfs min of meer comisch
+als antwoord op grootmoeders zegenwensch. En we glimlachen goedig, als
+we daaraan denken, en hebben het onschuldige, levendige, naar het nieuwe
+willende meiske er des te liever om.
+
+ --We komme d'er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje
+ dichtklapte.
+
+ --Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo'va. Zeg Groo'moe nog eens goeden
+ dag.
+
+ Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo'moe's
+ gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de
+ handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens.
+ Toen _hupte_ ze (beeldende uitdrukking, als boven. v.C.) Groo'va
+ na, die was doorgeloopen.
+
+ Bij den draai van den weg bleef ze even staan, en wuifde weer.
+
+ --'k Zie Groo'moe nie' meer, zei ze.
+
+ Stil dook, omhuifd door grauw-bruine takken, 't lage witte huisje,
+ met het zware, vooruitspringende puntdak, achter de lariksen en
+ conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de
+ school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was 't donkere
+ pleintje er voor....
+
+ -- Kom nu! riep Groo'va.
+
+ En Groo'moe, die in Geertje's kamertje door het zolder-raampje
+ keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.
+
+Hoe mooi is hier de stemming van dat oude dorpje getroffen, die kerk,
+die school, het eenzame pleintje. Stil blijven ze achter in hun
+onverstoorden, zuiveren eenvoud.... Het bij hen behoorende kind trekt
+naar de groote stad....--Is ze even droevig, dat ze grootmoe niet meer
+ziet? Of is ze eigenlijk niet integendeel blij, en voelt ze zich niet
+opgelucht, dat het afscheid nu eindelijk is afgeloopen, dat ze nu
+onverdeeld [p.317] aan het nieuwe, het komende behooren gaat, waarheen
+haar gulzig hartje hunkert? Maar de grootmoeder denkt aan niets anders
+dan aan haar. Het was haar strammen ouderdom niet te veel, de trappen
+naar het zolderkamertje op te klauteren, om haar kleinkind zoo lang
+mogelijk te kunnen naoogen....
+
+Maar bij dit laatste wil ik toch nog even stilstaan: Tot hiertoe, ook in
+de door mij niet geciteerde gedeelten van dit hoofdstuk, zien wij de
+personen, onmiddellijk _door de ziening van den auteur_. Tot hiertoe
+beweegt zich ook het verhaal in _òndoorbroken-voorwaartsche_ richting.
+Met dit laatste zinnetje wordt dit alles plotseling anders: De schrijver
+laat ons niet door zijn oogen Geertje zien--om 't zoo slordig-weg uit te
+drukken--maar door die van de grootmoeder, en om dit te kunnen doen
+plaats hebben, worden we plotseling met een ruk achteruitgetrokken--een
+ruk, dien ik, bij de eerste lezing _werkelijk gevoelde_!--: we bevinden
+ons met grootvader en Geertje reeds op weg naar het station, we hebben
+het meestershuisje en grootmoe achter ons gelaten en nu worden we
+plotseling daarheen weer verplaatst. Wat beteekent dit?... Het
+beteekent, dat hier eene van die onbewuste, zéér schoone stijgingen van
+gevoel in den kunstenaarsgeest heeft plaats gegrepen, die wellicht tot
+de innigste en teerste bestanddeelen van kunst behooren. Onbewust zeg
+ik: het zou zelfs kunnen zijn, dat de auteur het tot op den huidigen dag
+zelf niet weet en--toch _is_ het zoo, ja, het is niet onmogelijk, dat
+hij, nu ik het zeg, het niet juist zal vinden en--desalniettemin blijft
+het de waarheid! Voor die door hem gestadig in zóó liefdevolle
+beschouwing omkoesterde _Geertje_-figuur is, op dit oogenblik van
+afscheid van haar veilig dorpje, dat zij verlaat om zoo groote
+beproevingen in de angstig-groote en vreemde stad tegemoet te gaan, zóó
+groote teerheid in hem gerezen, dat hijzelf als in onbewuste kieschheid
+terugwijkt, om die laatste visie van hoe zij als onbezorgd kind in het
+grootouderlijk huis was, in de verbeelding der menschen te laten
+ontstaan en beklijven, gelijk zij gezien werd door de grootmoeder, die
+Geertje het best en het diepst heeft liefgehad....--
+
+Ik oversla nu een stukje tekst: Geertje op weg naar het [p.318] station,
+hoe zij van allerlei dorpsgenooten lieve attenties en hartelijke
+vaarwel-groeten krijgt. Een meisje staat haar op te wachten met 'n mand
+"bellevleurs": "Geertjen, hier heij 'n mand mit appels, lekkere
+bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege."
+
+Het teekent uitstekend het geëerd- en geliefd-zijn van haar grootouders
+en haar-zelf in het dorp. En dat alles zal later, zooals ik reeds zei,
+een wreed contrast met haar omgeving en positie in Rotterdam vormen.
+Maar het volgende haal ik nog even aan:
+
+ En aan het perron kwam opeens Jan Heukelman.
+
+ --Ik kom je even ge'dag zeggen, Geertje, zei hij.
+
+ --Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.
+
+ --Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek
+ bekend, en hij he't mien opgedroage je z'en groete te brengen. En
+ dat ie hoopte da'j altoos de Heere voor ooge zoudt houden.
+
+ Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap
+ aan Willem te geven.
+
+Willem is de rijke boerenzoon, die op Geertje verliefd is, maar omdat ze
+'m niet hebben wou, naar Amerika is vertrokken. Later als Geertje
+"gevallen" en hij in het vaderland is teruggekeerd, blijkt hij nog
+altijd dezelfde trouwe en liefhebbende minnaar te zijn. Hij verlangt
+niets liever dan haar als zijn geëerde vrouw in zijn huis te voeren.
+Maar Geertje weigert, zooals ik reeds in het eerste hoofdstuk zei, omdat
+zij den man, die haar gedupeerd heeft, _blijft liefhebben_! Overigens:
+Willem Heukelman is dezelfde soort Christen als Grootvader, m'n Hemel!
+'n minnaar, die het meisje zijner liefde geen andere boodschap weet te
+sturen, dan dat ze altoos de Heere voor oogen moet houden! 't _Is_ om
+tureluursch te worden.--En nu nog even dit: (Geertje staat aan een
+tusschen-station op den trein te wachten. Ze is ongerust over haar
+koffer. Een aardige meneer stelt haar gerust, en het voorvalletje
+verloopt dan aldus verder:)
+
+ Hij ging enkel naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen
+ reizen.
+
+ Geertje dacht aan wat Groo'va gezegd had, dat ze vrouwencoupé
+ [p.319] moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, _maar vond het
+ pijnlijk dat aan den heer te zeggen_. Hij was zoo vriendelijk tegen
+ haar!...
+
+ Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:
+
+ --Ja, nu moet ik een dames-coupe hebben.
+
+ Doch er was maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje
+ in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heen-drong.
+
+ --Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen
+ zitten, lachte de heer.
+
+ En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zich-zelf.
+ Misschien was er nog een coupé geweest; ze had daar niet verder
+ naar gezocht. Nu zat ze in een grooten wagen, met veel menschen
+ overal. De vriendelijke heer tegenover haar.
+
+ --Hebt u het hier niet goed bij me?
+
+ --Heel goed, lachte ze terug--toch een beetje pruilend.
+
+Het is deze _naïeve vriendelijkheid_ in Geertje, dat niet _kunnen hard_
+zijn, het is dat zachte gemoed in haar, zoo diep ontvankelijk ook voor
+medelijden, zoo bang voor te kwetsen, die wel de hoofdoorzaken van haar
+ongeluk, of wilt ge, van haar geluk zullen zijn. En het is over het
+_algemeen_ het medelijden, het zachtmoedig niet-kunnen-weigeren, en
+_niet_ de sensualiteit, waardoor het leven van zoovele vrouwen verdorven
+is....
+
+In het volgend hoofdstuk hoop ik u nu in hoofdlijnen te laten zien, hoe
+uit Geertje's goedgeloovige, naïeve, luchthartige en medelijdende
+innerlijkheid, in verband met invloeden en personen uit haar vroeger en
+later leven, zich de roman harer liefde en overgave ontwikkelt.
+
+
+ * * * * *
+
+
+JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"
+[p.320]
+
+
+III
+
+
+Geertje is dan naar Rotterdam'vertrokken, en zal, zoolang ze geen dienst
+heeft gevonden, bij haar oom Jan Niekerk logeeren. Die oom is een van
+die slungelige wezens, wien alles, van de kindsheid af tot de grijsheid,
+het heele leven door, mislukt. Niet alleen volkomen missend wat men in
+hoogeren zin geestelijke krachten kan noemen, maar ook geheel zonder die
+capaciteiten, welke in staat stellen, op den juisten tijd en de juiste
+wijze de zich voordoende gelegenheden tot het winnen van levensonderhoud
+aan te grijpen; geheel dus zonder die toch alledaagsche markt-gevatheid,
+die haar bezitter knap genoeg maakt, om op niet al te suffe manier het
+zakengesprek van elken dag met het pingelende leven te voeren--is deze
+man voorbestemd altijd een dupe, een verongelukte te zijn. Wàt hij doet,
+doet hij niet goed, doet hij onhandig en links: zijn ernst is _schijn_,
+is imitatie van anderer ernst; zijn scherts is _schijn_, zij is de
+mislukte maskerade zijner angst en vooral van zijn onmachtsbewustzijn.
+Zijn druktemaken, zijn geaffaireerd-doen, 't is alles nadoen van
+anderen. Hij is een dier rampzalige menschen, die _innerlijk_ al lang
+alle hoop hebben opgegeven iets te _zijn_ en nog alleen maar beproeven
+iets te _schijnen_, in het geheime bewustzijn, dat ook dit hen mislukken
+zal. Hij _leeft_ niet, hij _wordt_ geleefd, als dit heen en weer
+gesmeten worden door de omstandigheden, de kansen en de meeningen,
+wirwarrelend [p.321] om hem heen, zelfs geleefd-_worden_ heeten mag!...
+Want wat in een voorwerp is: zwaarte, gewicht,--dat is in een mensch
+geestelijkheid. Wat weinig gewicht heeft, een ademstoot dwarrelt het op
+en blaast het weer neer. Wie weinig geest heeft, hem blaast het leven
+omhoog, hem blaast het omlaag, hoe zou hij--bij zoo groote mate van
+lichtheid: bij zoo weinig geest--rust vinden midden de stormen der
+meeningen en wisselvalligheden? Maar wie veel geest bezit, staat vast op
+zijn plaats, de winden breken op hem, de omstandigheden smijdigen hun
+lijn van voortgang om hem, zij bespatten hem, maar brengen hem niet
+iets, waarbuiten hij niet kan, noch voeren iets _essentieels_ van hem
+mede, en hij weet wel, dat de kracht, die hèm verzetten zal, niet kan
+schuilen in armoede, ontbering, rampen, rijkdom en geluk. De man van
+weinig verstand staat in het leven als een bedronkene op den weg: zelfs
+doode voorwerpen schijnen levend te worden, om hèm te hinderen en te
+plagen, en wat anderen tot steun is, dat stóót en wèrpt hèm. In 't kort:
+hoe meer geest, hoe meer _macht tot roerloosheid_; hoe minder geest, hoe
+meer drukte en beweging. En ik geloof, dat _het 't doorvoelen dezer
+waarheid was_, die de oude Indiërs deed zeggen, dat de _Goden
+onbeweeglijke oogappels_ hebben.... Intusschen zou ik mij schamen, zoo
+zonderling te zijn afgedwaald van _Geertje's_ oom naar de Indische
+goden, indien diezelfde oom niet dichter in hun buurt stond, dan gij
+wellicht vermoedt! Hij is namelijk een--kunstschepping, uit diep
+levensinzicht geboren....
+
+ * * * * *
+
+Als Geertje bij haar oom arriveert, is hij juist weer wat lager gezakt.
+Zijn mooien winkel aan den Binnenweg, die haar nog heugt van toen ze de
+laatste maal bij hem logeerde, heeft hij niet meer. Hij woont nu in een
+krottig huisje in een zijstraat aan de Schie. De teleurstelling is
+pijnlijk voor Geertje, máár, en dit is teekenend voor haar
+geestestoestand, dat echte jonge in haar, dat niets zóó als de vrijheid
+liefheeft en tegen onnatuur een instinctieven weerzin heeft: zij blijft
+blij, "uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid [p.322]
+gaf aan Groo'va en Groo'moe, en aan de meeste menschen in 't dorp,"
+ontslagen te zijn. Ik sprak in het vorig hoofdstuk van dat groote
+stadsleven, dat we haar, stukje voor stukje, en beetje voor beetje, de
+_beschermende uiterlijkheden_ van den geest zullen zien ontrooven. En
+hier hebt ge daar één voorbeeld van: (Geertje denkt:)
+
+ (Groo'va) sprak altijd van "den wil des Heeren" maar over zijn
+ triestigheid heen kwam hij niet.
+
+ Misschien was dat toch wel méést om oom Jan--en nu wist Groo'va nog
+ niet eens alles!--ook niet, dat het bij oom heelemáál geen
+ Christelijke Boekhandel meer was. Op den Binnenweg was er nog een
+ aparte Bijbelkast. Maar hier!...
+
+ --Dank je! Die reuk van heiligheid het me niks as schaaj gedaan!
+ had oom den vorigen avond gespot, toen Geertje naar de bijbels
+ gevraagd had.
+
+ --Bidt jij nog? had hij 's middags geplaagd, toen ze aanzaten voor
+ het eten. Den eersten avond had ze 't gedaan, niet lettende op Oom
+ en Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.... Tante was
+ tusschen beide gekomen:--"Láát 'er toch!"--Maar zij had gelachen,
+ en oom had gelachen, en _voordat ze het wist, was de vork in d'er
+ mond geweest_....
+
+Zoo iets beteekent niet, dat Geertje nu inderdaad haar _geloof_ aan het
+verliezen is. Dat is volstrekt niet het geval. En de tijd moet nog
+komen, dat zij 't inniger zal bezitten, dan ze 't ooit bezeten heeft.
+Maar zij is bezig uit de _praktijk der godsdienstoefening_ te geraken.
+En dit is jammer, want _als_ bij iemand van de betrekkelijk geringe
+_verstandelijke_ beschaving van Geertje, zelfs een _groot godsgeloof_ in
+de _ziel_ ligt--gelijk hier inderdaad het geval is--dan kan toch, onder
+zekere omstandigheden, die ik nader zal aanduiden, dat _groote
+godsgeloof niet_ maar wèl die _praktijk der godsdienstoefening_ voor
+verkeerde en schadelijke dingen behoeden. Hij die dit vreemd mocht
+vinden, bedenke: dat bijna niemand de volle bewuste beschikking heeft
+over _al_ de in hem liggende geestelijke krachten. Hij krijgt
+_langzamerhand_ de beschikking over hen, indien hij _zeer hooge en diepe
+vreugden en smarten voelen kan_. Want deze beide zijn de dorpelwachters,
+die het in hun macht hebben, de poorten der geheime arsenalen en der
+juweelen-volle schatkamers in eens menschen innerlijk [p.323] te
+ontsluiten.... En ook voor Geertje zullen zéér vele ontsloten worden....
+Maar nu dit nog niet gebeurd is, en ook--en dit is de omstandigheid,
+waarop ik doelde--de schatkamer van het groote godsgeloof in haar nog is
+gesloten, kan zij voornamelijk slechts beschermd worden, door wat haar
+van _buiten_, door haar grootouders is bijgebracht: de praktijk, de
+routine, noem het de sleur der godsdienstoefening, en die verliest
+zij.... Ik noemde deze een _uiterlijkheid_, bedenk het, máár--ook een
+harnas is een uiterlijkheid!--Ik ga nu een stukje overschrijven,
+waardoor we weer wat meer van Geertje's innerlijk en het armelijk geplan
+en geïntrigeer van oom en tante, om aan geld te komen, te weten komen,
+èn tegelijkertijd met een nieuwe figuur kennis maken, die bestemd is een
+groote rol in het boek te spelen en evenals Geertje tot de psychische
+romantiek (zie het eerste hoofdstuk) behoort:
+
+ De voordeur ging open:--"Dag Geertje!" zei iemand. Zij kende hem
+ niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half
+ achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op
+ licht, lang-krullend warhaar.
+
+ --Dag.... Meneer," zei Geertje verwonderd.
+
+ --Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. 'k Heb je zien
+ laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.
+
+ --O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.
+
+ --Is je Aum d'er niet?... Roep jai je Tante n'es voor me.
+
+ De bult en Tante bleken gemeenzaam.
+
+ --Riek, vroeg hij, hait je man nou geschreive?
+
+ Geertje kreeg den indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte.
+ Tante meende--zoo zei ze--van wel, maar zeker weten dee' ze 't
+ niet, _'t was zoo'n moeilijke brief voor de'r man om te schrijven._
+
+ --_Wa's d'ar nou voor moeilijks an! Als de'n ouwe nie' wil, dan wil
+ ie niet. 't Vragen sou ik meenen, staat frai. Wat ze' jai Geer,
+ daar kan je Graufader toch nie' boos om worde_.
+
+ --Laat haar d'er buite, viel Tante haastig in, ongerust.
+
+ Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar
+ nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was
+ als onderwijzer aan een openbare school de kameraad van Tante's
+ broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en
+ hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo'n hekel an de
+ onderwijzersstand, net als Oom [p.324] vroeger had gehad, en daarom
+ was ie nou k'ruspendent van dagbladen geworden.
+
+ --Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.
+
+ --Nou, da'j berichte stuur an de krante. En he-'t-ie dáármee z'en
+ brood?
+
+ Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en
+ van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit, dat je
+ dat natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel
+ zóóveel te melden! Eén man kon het onmogelijk af. Daar zat ook
+ juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk
+ veel konkerentie. Sommige heeren werkten samen, d'en eene nam dit
+ en d'en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En
+ meneer Maandag was altijd alleen.... Maar nou kreeg-d-ie misschien
+ 'en eigen krant. Ja, 'en eigen krant voor hùm! Dat was het juist,
+ waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant
+ zijn.... Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar
+ nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader
+ te vragen, of die wat wou geven....
+
+Als men, in de door mij gecursiveerde zinnen, Tante over haar man hoort,
+spreken en, even daarna, Maandag zijn meening hoort zeggen, dan denkt de
+oppervlakkige beoordeelaar: die oom Niekerk heeft niet véél geweten,
+maar die Maandag is nog de ergste van de twee! Want men heeft al zoo'n
+vermoeden dat die heele krant-oprichting wel mislukken zal en Oom
+aarzelt nu ten minste nog voor hij zijn vader om geld vraagt, maar die
+Maandag!... Intusschen is precies het tegenovergestelde het geval.
+Maandag is een nobel en een niet onbegaafd mensch, die vertrouwen in
+zich-zelf heeft en _volkomen te goeder trouw_ om het geld vraagt, in het
+ernstig geloof, dat er althans een _zeer goede kans_ van slagen bestaat;
+Oom echter weet diep in zich heel zeker, dat ook dit wel weer een
+mislukking zal zijn, maar vraagt toch, d.w.z., gaat _oplichten_, en hij
+aarzelt niet omdat hij de daad slecht vindt--dáár is hij al lang over
+heen--maar omdat hij er bij zijn strengen vader, dien hij al zoo
+dikwijls geld uit den zak heeft geklopt, niet mee durft aan te komen!
+Maandag, in zijn opnieuw ontwaakte energie, zijn zelfvertrouwen en zijn
+optimistisch idealisme, begrijpt dat alles natuurlijk niet en is
+verwonderd!....
+
+[p.325]
+
+ --Groo'va, _riep Geertje met verborgen angst. Ze kreeg een gevoel,
+ of d'er iemand Groo'va te lijf wou. Die goeie Groo'va, hij had zoo
+ weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!_
+
+ --'t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.
+
+ --Hoe verschieten?
+
+ --Nou, z'en geld blaift z'en geld, en ieder jaar kraigt ie z'en
+ rente. Ze denke zellefs van 'en hooge rente, meer as je Groo'va van
+ z'en geld maak! Maandag is d'er zeker van, dat 'et 'en goeie zaak
+ zal weze.
+
+ --Wat heeft-ie dan Groo'va d'r in te hale! snuggerde Geertje vol
+ bezorgdheid.
+
+ --Da's te zegge! Et kan misgaan, 't Is 'en nieuwe ondernemink. Je
+ brengt d'er je geld niet as bij de spáárkas!
+
+ --Nou kijk 'is an! riep Geertje overtuigd.
+
+ Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was
+ genoeg voor haar drift.
+
+ Tante had haar aangezien, en plotseling op anderen toon:
+
+ --O ja, maar as jai ons no' ga tegewerke, geef je graufader zeker
+ niks.
+
+ --Ik? wat heb ik d'er mee te make!
+
+ --_Nou ... 'et is toch jou geld ook_.
+
+ Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze 't keukentje in.
+ Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu
+ niet schreien! Het was zoo naar, zoo anders hier alles, vijand was
+ ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.... Maar
+ die arme goeie Grootva.... Wacht....
+
+Ge denkt nu, na dat "Wacht," dat Geertje haar grootouders gaat
+waarschuwen. Mis! dat eigenaardig jeugdig-lichtzinnige en dat
+weifelend-bedeesde, 't laatste vooral tegenover menschen die in haar
+nabijheid zijn, verhinderen dat. Ze gaat nu een lieven brief naar huis
+schrijven en denkt daarmee genoeg gedaan te hebben. Ja zelfs laat ze
+Tante den brief lezen, om die maar te laten merken, dat Tante's
+wantrouwen ongegrond is. Och, ze heeft zoo graag met iedereen vrede en
+geeft zoo gaarne en zoo makkelijk toe; _nu nog haar hoogste en innigste
+wezen niet gewekt is_. En dan, moet ge denken, is er niets erger voor
+een grootmoedig-aangelegd jong menschje, dan dat iemand hem bedektelijk
+verwijt, dat hij uit eigenbelang iets doet of nalaat. En met het door
+mij gecursiveerde zinnetje van Tante gebeurt dat: Tante weet wel wat ze
+doet!--Uit den daarvóór door mij gecursiveerden zin, voelt ge, dat
+Geertje toch ook wel [p.326] heel veel van haar strengen grootvader
+houdt.--
+
+Maar schitterender, maar onovertreffelijk, worden Geertje's weifelingen,
+haar onbewuste zelfbedrog, haar zwakheid van rust te willen hebben en
+niet tusschen al dat geknoei te willen zitten, gebeeld in het volgende:
+(Oom zit haar te "bewerken" opdat ze hem maar geen spaak tusschen het
+wiel zal steken en zegt ten slotte:)
+
+ Ik zeg 'et mit de beste bedoelinge. Als jij de'r op tege heb, da 'k
+ 'et vraag ... dan doen ik 't niet....
+
+ Geertje voèlde 't in d'er ooren, aan de manier waarop Oom,
+ aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende,
+ dat-ie haar daar laf beloog. _Maar dan moest het ook maar, dan
+ moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden!_ Ze wist het, ze zat
+ daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d'er gezicht, tegenover
+ een plomp-grooten man, die wreede dingen zei; maar in haar flitste
+ ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om
+ heel hooghartig te doen en te spotten--om 'es hard terug te slaan,
+ zoo zwak als ze was.
+
+ --Wou u soms dat ik d'er om vroeg?
+
+ --Wat meen je dáármee? zei Oom op een drogen toon van halve
+ onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.
+
+ --Nou....
+
+ _Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opeens 'er
+ gedachten kwijt_. En bij haar beschaamdheid zakte haar boosheid, ze
+ werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte
+ om niet kwaad te wezen--HÈ, ALS ZIJ OOM EN GROO'VA EENS TOT MEKAAR
+ KON BRENGEN.
+
+ Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem
+ aan met 'en lieve lach....
+
+ --Tante heeft me dat ook al doen voele, dat ze m'anzag voor, zoo'n
+ soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo'va; niet om
+ z'en geld, maar om Groo'va zelf.
+
+Is het niet _prachtig_, hoe hier in die paar regeltjes niet alleen de
+_oogenblikkelijke_ gemoedstoestand van het jonge, zwakke, lieve meisje,
+maar ook heel haar _aard_ wordt blootgelegd, deels door het vermelden
+harer gedachten, maar deels ook door dramatische beelding: het scheppen
+van handeling. In den eersten door mij gecursiveerden zin vindt ge haar
+besluit, om koste wat het kost, nu eens flink te zijn, maar ach, na dat
+ééne uitstekende comedie-vertooninkje van Oom, is er van dat besluit al
+niets meer overgebleven. [p.327] De dáárop volgende door mij
+gecursiveerde zin beeldt uitmuntend in _handeling der gelaatstrekken_,
+om 't zoo eens te noemen, Geertjes verlegenheid, haar zich plots weer
+klein voelen. En dan volgt in de door mij gespatiëerde woorden het
+_onbewust zelfbedrog_ van dit nobele zieltje, dat zoo graag het goede
+wil en, nog te zwak om er bij te volharden, zich zelf voor den mal houdt
+en _met een surrogaat ervan zich behelpt_.
+
+ * * * * *
+
+Nu na eenige commis-voyageurshandigheidjes van Oom, heeft Geertje dan
+ten slotte een dienst gekregen bij den drukker _Heins_--en, vrienden,
+als je daar straks het boek zelf gaat lezen (of ben je al bezig? Dat zou
+heel wat prettiger zoowel voor jelui als voor mij zijn!) let dan eens op
+wat er voorvalt bij die visite van Oom en Tante met Geertje, bij den
+heer en mevrouw Heins: bijv. die scène met de kinderen is
+uitstekend!--"een van Oom's vertrouwdste vrienden, die een groote
+drukkerij voor den handel heeft," zooals Oom aan Groo'va heeft
+geschreven. Mevrouw Heins is een ongelukkig buitje, iemand met een
+"krates-lijf" en 'n bleek gezicht, waaruit een roode puntneus scherpt;
+Heins-zelf daarentegen: "een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op
+het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel."
+Ziehier de manier, waarop hij, al heel spoedig, met haar omgaat:
+
+ --Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een
+ glas pilsener had ingeschonken.
+
+ --Dank u.
+
+ --Wat dank u? Ben jij mal? Gauw 'en glas! En 'en stoel d'er bij.
+ Mot je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook!
+
+ Geert liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe--en het
+ bier smaakte. Hè, dat heerlijk-frissche bier! En zoo'n goddelijke
+ avond!
+
+ --Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor 'n uurtje, maar toe'
+ sliep ze.
+
+ Nee', gut, Geert was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur
+ thee had gebracht. Maar ze zou d'alijk even gaan....
+
+ Och, nee', drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte.
+ _'t Is toch al zoo ongezellig_....
+
+ [p.328] Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in
+ huis. Altijd herrie, of leeg-holle kamers, met maar 'en enkel
+ mensch er in, heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen
+ schreeuwend, omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d'er
+ keuken geloopen, òf naar de straat òf naar het gangetje van de
+ drukkerij.... _Aardig, dat Meneer die ongezelligheid ook akelig
+ vond_: zoo iemand, die òp scheen te gaan in z'en zaken!
+
+Ge merkt hier al, hoe een zeker intiem verband tusschen de twee _in
+wording_ is, doordat ze 't beide _ongezellig_ in huis vinden, tegenover
+de juffrouw, die de _oorzaak dier ongezelligheid is!_
+
+ * * * * *
+
+Langzamerhand zien we Geertjes geest door het beeld van dien man vervuld
+worden. Truusje, z'n dochtertje, is wat hangerig. Geertje kijkt haar aan
+en denkt onmiddellijk: "Krek toch d'r pa z'n oogen." Maar zie dan vooral
+eens dit: (Geertje zit het zieke kind voor te lezen. Meneer Heins komt
+de kamer binnen:)
+
+ --"Mejuffrouw G. Hendriks." Eén brief! Asjeblief.
+
+ --Gut Meneer!
+
+ --Zit Geer je prettig voor te lezen, Troelala?...
+
+ Da's 'en leve'tje, hé?... Zeg, 't is hier benauwd! Jij hebt et ook
+ warm!... _O got, doe maar niet! 'k weet toch wel da'j 'en mooie
+ hals heb_ ... krijgt Troelala 'et niet te warm?... Laat tenminste
+ de deur wat ope.... Zoo....
+
+ --As de Juffrouw dat maar goed vindt!
+
+ --Och jullie heb 'et hier veel te benauwd.... Zeg is, wat krij' je
+ daar voor 'en brief! Hei je femilie in Amerika?
+
+ --Van 'en kennis....
+
+ --O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit Amerika!...
+ Dàg.... Dag Truuzepop!
+
+ Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo opééns nou 'en
+ brief van Willem. _En dat Meneer dat net moest zien!_ Hoe kwam
+ Willem (Ge weet wel: Heukelman, de boerenzoon, die op haar verliefd
+ is. v.C.) an d'er adres! Ja, natuurlijk van Jan, en van thuis. Maar
+ wat hattie te schrijve! Ook 'en taaie.... Hé God, dat Meneer....
+
+Ik heb een paar zinnetjes gecursiveerd. Commentaar overbodig, niet waar?
+Nu oversla ik een uitmuntend stuk--met grooten spijt, vooral omdat gij
+het schalke, bijdehandte in Geer er aardigjes in had te zien gekregen!
+Maar enfin, [p.329] dat blijft weer bewaard voor jelui, als je het boek
+leest! Nu verder even Geertjes overpeinzingen:
+
+ Hé, wat vervelend toch, nou van die brief! Stòm ook, dat ze gezeid
+ had "van 'en kennis." O, wat had ze daar gruwelijk spijt van! Hoe
+ kwam ze't te zeggen ... ze wist het niet ... Laa's kijke.... O ja!
+ toen.... Meneer-keek zoo plaag'rig. Eerst al, met dat geplaag om
+ 'er boordje.... Toen, net of dat heel wat was, dat zij iemand kende
+ in Amerika.... Ja, daarom had ze gezeid, "van 'en kennis." Net zoo
+ ommers as et was.... _Maar ze zag dat Meneer et raar von_. Altijd,
+ dan werde _z'en ooge wat anders...._ Och maar malligheid! '_t Zou
+ um 'en zorg zijn, of zij 'en kennis in Amerika had_.... Hé nee, _ze
+ had et gezeid om te plage_.... Waarom had hij ook geplaagd met 'er
+ boordje....
+
+Aan de door mij gecursiveerde zinnen ziet ge duidelijk, dat Geer zich er
+wel van bewust is, dat er een _aardig verhoudinkje_ tusschen haar en
+meneer is, en dat ze gelooft, dat het meneer _èventjes hinderen zal als
+hij merkt dat ze een vrijer heeft._ Geertje denkt natuurlijk niet na
+over eenig gevolg dat dit alles hebben kan. _Zij is daarvoor te
+onschuldig_. Zij is te onschuldig om in dit alles iets anders dan 'n
+soort aardig-vinden-van-elkaar te zien. Ja, God, waarom zou meneer haar
+niet mooi vinden.... Zij weet wel dat ze mooi is.... Haar jonge
+ijdelheidjes worden gestreeld door de gedachte, dat zoo een knappe,
+flinke, rijke man als meneer Heins er over nadenkt of zij wel of niet
+een vrijer heeft. In 't kort: men voelt door wat er van haar gebeeld en
+gezegd wordt, hoe zij wegdroomt telkens _in allerlei niets met de
+werkelijkheid gemeen hebbende voorstellingen_, welke _niet_ gezegd of
+gebeeld worden. _Ze wordt door haar jeugd en opgewekt liefdesverlangen
+meegevoerd_, buiten de werkelijkheid.--Even later komt ze beneden,
+meneer staat daar weer:
+
+ ...--Hei je zóó'n haast!... Eerst effe vertelle: hoe was 't met die
+ meneer in Amerika!...--_Och!.... plaag!_...
+
+ * * * * *
+
+De tijd der kermis is aangebroken. Geer gaat met Oom en Tante en den
+gemeenen Gerrit Holkers, broer van tante, er heen. Deze kermis is een
+uitstekend brok beschrijving, [p.330] waarvan jelui "bij de lezing van
+het boek volop zult genieten. Laat mij 't hier slechts hebben over de
+_psychologie_ van Geertje, over haar liefde, en jelui aandacht vestigen
+op die momenten, welken den groei daarvan aanduiden. Eerst echter dit:
+(Geer heeft zich juist innerlijk geschaamd over een kunstenmaakster voor
+een der kermistenten, die veel op haar lijkt--een _zeer fijn_ stukje--en
+nu, plotseling, hoort ze:)
+
+ --Geer! die meid lijkt op jou!
+
+ In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots'ling heen
+ door het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom's
+ stemgeluid rauw haar ontstelde denken op, _en was haar nog
+ onaangenamer, daar het haar eigen gedachte uitsprak_. 't Was haar,
+ of 'er geheim opeens gehoord werd door de heele kermis. Zij wist
+ niet meer, wie was beleedigd, zij of het meisje; ze schaamde zich
+ vreeselijk over de vergelijking, en toch had ze ook diep medelijden
+ met het meisje, over wie Oom, met dronkemanstong, in zijn
+ afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw dorst spreken. O, ze haatte,
+ haatte Oom; _ze voelde opeens fel al de rampzalige schaamte over
+ die familie van de'r, ze snakte terug naar het Hang, waar ze beter
+ was, waar ze zich thuis voelde_; weg wou ze van zulke
+ liederlijkheid; en het was toch de _familie_.[5]
+
+Behalve de waarde eener voortreffelijke psychologische analyse, heeft
+dit stukje ook een ongemeene compositorische waarde, wijl het aantoont
+hoe alle omstandigheden ertoe medewerken, dat Geertje naar _Heins_ toe
+wordt gedreven: haar familie is haar niets meer, het huis van Heins
+voelt ze als haar tehuis, en ìn dat huis, is er nog een stilzwijgende
+verstandhouding _tusschen Heins en haar van elkander begrijpen_--zooals
+zij, onnoozele dupe van dien man, denkt--_tegenover_ de juffrouw, "die
+geen vrouw is voor Heins," en z'n leven "zoo ongezellig maakt!"--En nu
+die momenten, waarvan ik zooeven sprak: (Geertje zit met Oom en Tante in
+de tent van een liedjes-zanger. Ze denkt:)
+
+ Die twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van 'et meisje. 't Meisje
+ leek nog heel, heel jong. Hè, zóó same kermishoue!... knappe jonge,
+ d'er gelant, flink ... _gut, op wie leek nou die jonge?_ Zoo ie's
+ bekends had ie in z'n gezicht.... Toch niet thuisbrenge.... (Ik
+ oversla hier een stuk. v.C.) _Wat keek die
+
+ [p.331] jonge verliefd z'en meisje an ... knàppe jonge ... op wie
+ leek ie?_.... Leegte, nou die mensche weg.... Zou 't al laat
+ zijn.... O, vervélend, heel d'en avond.... Hè! zoo-as dat meisje
+ uitgaan. ... netjes, met moeder, en je galant....
+
+Ge ziet in dit stuk het _liefdesverlangen_ van Geertje, ge ziet hier ook
+_het aandoenlijk beroofd-zich-voelen van de wees,_ maar in de door mij
+gecursiveerde zinnen, zit dat andere. Hoe? Dat zult ge dadelijk
+zien....--Den volgenden morgen, 't is Zondag, is ze ofschoon ze vrij
+heeft, naar het Hang gegaan, om even wat geld te halen--Oom en Tante
+zitten zonder cent--en dan speelt zich daar het volgende prachtige
+tooneel af: (Maar o, lieve vrienden, 't geen hieraan voorafgaat: dat
+gedupeerd worden van de arme Geertje! hoe zij gelooft dat Heins uit
+_goedheid_ zoo vriendelijk, midden zijn eigen verdriet, jegens haar
+is.... neen als ge het boek-zelf niet leest, al die magnifieke dingen,
+die ik natuurlijk moet overslaan, dan zou het mij berouwen er iets over
+te hebben geschreven. Want dan zou ik het gevoel niet van mij kunnen
+afzetten, het te hebben verminkt!) Geertje is bij meneer op kantoor om
+geld te wisselen en hij vraagt haar of ze zich geamuseerd heeft op de
+kermis:
+
+ Zij wist niet of ze 't zeggen zou. Ze schaamde zich zoo over wat er
+ was gebeurd, ze zou ommers ook liever heelemáál niet meer over de
+ kermis hebben gesproken, maar ze had zoo'n behoefte om het te
+ zeggen, om vertrouwelijk te doen tegenover Meneer....
+
+ (Ik oversla weer 'n stukje tekst. v.C.)
+
+ --Holkers? Da's 'en zure jonge.
+
+ --'En geméénert.
+
+ --Zoo? dat ook?... Och jee!... Dus geen pret gehad?
+
+ --Pret? Nee niks!
+
+ --Wij ... moste-n-is same kermishoue'!... Zou je wille....
+
+ Ze voelde den lessenaar wankelen. Ze hoorde heel goed hoe Meneer
+ het meende, niks as 'en grapje, uit goejigheid, omdat ze zoo'n nare
+ avent gehad had; _en toch kreeg z' opeens 'en angst, of z'en droom
+ vervuld zag worden: Hij, Hij was et, gisteravent, in de tent, die
+ mooie jonge, die daar met 'en meisje zat!_... _Got!_... Meneer,
+ mocht toch niks merke....
+
+ --J..j ...a! stotterde ze, met gedwongen lachje, zooveel mogelijk
+ als-vroolijk. Gauw 'et geld nu, en dan weg.
+
+ [p.332]--Wat hei' j' de kinders blij gemaak', hoorde ze zijn
+ vriendelijke stem.
+
+ --Blij?... Mit niks!
+
+ --Nou ja, ze krijg 'et toch.
+
+ --Ik vin' 't zoo aardig van je, Geertje--streelde weer die lieve
+ stem--da'j zoo lief ben voor me kinders. Trúúsje heb-ie opgepast
+ ... as' en _moeder_[6]
+
+ Even dorst zij opzien. In die mooie oogen. Hij, zoo goéd, zoo'n
+ beste vader, en zóó vriendelijk voor haar....
+
+ --'t Snoesje! zei ze.
+
+ Truus, 'en engel!
+
+ Nam meteen het geld van tafel.
+
+ Toen opeens hield hij haar hand.
+
+ Klemde die, zacht, in de zijne.
+
+ --_'k Wou da' jij de moeder was_....
+
+ --O, Meneer!
+
+ De gulden viel. Maar zij holde weg, het huis uit.
+
+Nu heb ik wéér gecursiveerd. Ziet ge thans in, waarom ik het stràks
+deed?!--Overal vervolgt haar zijn beeld! Maar met die láátste door mij
+gecursiveerde woorden, heeft hij haar nu aan zichzelf ontdekt! Zij snelt
+in radeloosheid de straat op. Maar wie is in staat, zijn eigen ziel te
+ontsnellen? Als een obsessie hamert het in haar hoofd:
+
+ Dat _Hij_[6b] zeker nóóit us in z'en leve _gelukkig_[6c] erge's
+ gezete had, zooals die jonge gisteravent.--Met de _Juffrouw_[6d]
+ --_'k Wou da' jij_...."[6e]
+
+ Niet an denke....
+
+En ziet ge weer het gevaarlijke _medelijden_ in Geertje? Ze komt thuis
+en moét even rusten, maar kàn niet, kàn niet. Overal ziet ze hèm, overal
+voelt ze hèm. En als ze dan ten slotte, na bij menschen, christelijk als
+haar grootvader, te zijn gegaan en daar wat norsch te zijn bejegend, er
+berouw over gevoelt, dat niet geduldiger te hebben verdragen, voelt zij
+een onbedwingbaar verlangen naar het godshuis te gaan. Als zij er komt,
+in haar geëxalteerden toestand, voelt zij zich als "het hijgend hert der
+jacht ontkomen." En dan volgt dit prachtige, dit geloofssterke, dit
+liefdessterke, _dat Geertjes innerlijk is_, dat uiterst reine innerlijk,
+_welks poorten nu, de [p.333] een na de ander worden ontsloten_. (Zij
+poogt haar aandacht bij de preek te bepalen, maar denkt aan hèm, aan
+hèm:)
+
+ (De juffrouw) zei et ommers vaak:--"Pa's kindje," op 'en toon van
+ spot en hekel, net of Truus et helpen kon, dat ze pa z'en oogen
+ had. Kleine snoes, gelukkig ook! as ze de ooge had van de
+ moeder!... 't Wáre nét Meneer z'en oogen, 't zelfde bruin, zoo
+ strálend, gróót.... Jonge, op de kermis gisteravond zette'n-ook die
+ groote ooge, keek zoo stralend, naar z'en meisje.... Meisje lacht.
+ En Ooge lache.... Jonge, meisje staan nou op.... Hij haar hand, en
+ drukt de hand ... drukt nog weer ... de ooge ernstig.... Trekt haar
+ hand meer naar zich toe....--"'k Zal uw koffie late valle!"--"Koffie?
+ Nee, 't is maar 'en gulde, dáár, onder de lessenaar, 'k raap em op
+ of geef 'en ander ....Toe, Geer, hóór toch, 'k heb je lief, toe,
+ ik ben zoo ongelukkig ... 'k heb je lief, Geer, och, kom hier"....
+ Weg lessenaar, weg tabouret. _Hij_[7] naast haar, kijkt
+ bedroefd-vol-liefde.... Zalig! Zalig!--"Nog 'en zoen, zóó je
+ hoofd"....
+
+ Hé, haast gevalle----
+
+ ... Groote God! wat gebeurt er met 'er! Heeft ze.... Ja, ze heeft
+ geslapen. 't Vrouwtje naast haar kijkt ontstemd, z'is tegen die an
+ gevalle, in d'er slaap.... Wat vreeslijkheid! Ooge dicht! Ze durft
+ niet rondzien! Zoo iets droome ... en dan hier! In de kerk zoo
+ zondig droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt over Judas'
+ smarte.... Lang stuk heeft ze niet gehoord, zitte slape, was zóó
+ moe ook. Hé, d'er hoofd barst van de pijn en dat steke van de zon
+ daar, altoos met die-n-eene straal, daar vlak vóór d'er. Jee, ze
+ beeft, ze klappertandt. En zoo warm hier. He't ze koorts? O, ze is
+ zoo ongelukkig!
+
+In een wroeging van zich schuldig voelen, in een vrees voor zonden,
+herinnert ze zich nu tal van teksten, die _overspel_ verbieden. En dat
+stuk is pràchtig; en het spijt mij heel erg, dat ik het moet overslaan,
+al mag ik de opmerking niet weerhouden, dat ik wel gewenscht zou hebben,
+dat Geertje's meditatie niet zoo gerhythmeerd ware gegeven, want deze
+rhythmeering wordt veroorzaakt door de vroom-ontroerde psyche _van den
+auteur_, en kan _niet_ in 't _denken van Geertje_ aanwezig geweest zijn.
+
+Zij bidt God om vergeving, neemt zich nu voor, voortaan geen dag meer
+het bijbellezen te verzuimen. En ten slotte vindt zij voor dat uur
+vrede:
+
+ [p.334] Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde.... Bidde
+ mòcht zij ook voor _Hem_[8], dat God _Hem_[7b] verand're mocht, dat
+ ook _Hij_[7c] vond het geluk, nu was _Hij_[7d] toch zoo rampzalig,
+ arme man, zoo'n lieve man, o, as hij tot God mocht komen ... zou ze
+ durve? hem et zegge? Bidde mocht ze wel voor hem, en nu luist're,
+ nu goed luist're, dan zou ook 'er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de
+ preek wat hebbe....
+
+En nu wordt het mijn plicht, over _dit deel_ van het boek te zwijgen,
+een plicht zwaarder, voor mij, die zóó gaarne van mijn mooi-vinden
+anderen deelgenoot maak, dan mij wellicht ooit het spreken heeft
+geleken. Zwijgen moet ik over het schoone zelfbedwang, over het
+meesterschap, dat de kunstenaar moet hebben bezeten, toen hij vóór en nà
+die supreme beeldingen van Geertje's gevoel, den moed en de kracht had,
+om de kunstgrepen van den verleider en heel het alledaagsche leven te
+teekenen; dat dagdagelijksch leven met al zijn kleinheden, waarvan het
+Noodlot zijn onverbreekbare koraalrotsen bouwt, die de schepen doorboren
+en de schepelingen ten afgrond doen gaan. Zwijgen over dat prachtig-
+doorvoelde van Geertje's opstand tegen den Bijbel, tegen God, wijl de
+afgesmeekte, de afgebéden rust niet in haar komt. Zwijgen over haar
+drie-daagsch verblijf bij haar grootouders, die beelding èn van haar
+smart èn van 'r kinderlijk-onschuldige schalkheid; over dien maannacht
+in haar dorpje, waarin zij zich de Bruid voelt, die zich nimmer zal
+vertoonen aan haar Bruigom, maar heel 'r leven aan hem denken zal ...
+daar de vorstelijke verzen, vol van eene onmetelijke weelde, van
+Salomo's _Hooglied_, gelijk een godsstem openklinkend in haar ziel,
+zegenend de zang van haar groot-menschelijk gevoel begeleiden. Zwijgen
+ook over haar zich-geven aan hem, hun sexueele samenzijn, in volkomen
+reinheid en soberheid uitgebeeld. En zwijgen verder over heel dit
+opengaan van Liefde, dat bij een gelukkig menschenkind is, als het
+roepen van de zon naar het water en het wekken eener kleurige schoonheid
+van met glans-lachjes overblonken, sluimerende [p.335] vormen daarin, en
+dat bij haar was--arme!--een zonsverduistering gelijk, als de leden der
+lenigst-gevleugelden verstijven van angst en de keeltjes der tot zoet
+zingen geborenen, rauw gekrijsch uitsnerpen.... Want al dat schoone moet
+nu voor u bewaard blijven _in het boek_. Mij rest alleen nog te spreken
+over haar verlaten-worden, haar twijfel, haar leed, en haar
+heengaan-in-vrede.
+
+
+ * * * * *
+
+
+JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE" [p.336]
+
+
+IV.
+
+
+Heins zou de volkomen gewetenlooze erotomaan niet moeten zijn, die hij
+is, indien hij zich _Geertje_ niet van den hals wilde schuiven zoodra
+hij merkte, dat zij zwanger was en hem dus lastig kon worden. Voorwerp
+van pleizier voor hem, en geen mensch die leeft óók om eigen volmaking
+te benaderen, werpt hij haar weg, zooals men een oude jas wegwerpt. In
+dit gedeelte van het werk breekt wel de laagheid van dezen man ten volle
+open, als een etterende kanker, welks stank de lucht verpest, en welke
+ieder, die het woekergezwel onbeschermd zou willen aanraken, met
+infectie bedreigt. Maar evenals de wetenschap--meestentijds _niet_ door
+_menschen_liefde, maar door liefde tot het _weten_ gedreven,--het
+bereikt heeft, gevaarlijke smetstoffen te kunnen omvormen tot
+voorbehoedende en genezende substanties, zoo is het der kunst
+gegeven--haar, die evenmin door _menschen_liefde, maar liefde en drang
+tot _scheppen_ wordt bewogen--uit ziektestoffen voorbehoed- en
+geneesmiddelen te puren.
+
+Máár, m'n lieve vrienden en vriendinnen, vóór ik verder ga, even dit:
+begrijpt gij _mij_ wel, weet gij het wel goed, dat ik geen
+"zedeprediker" ben, gij die dit weten _kunt_, die immers nu reeds sedert
+eenige jaren mijne uiteenzettingen volgend, hebt kunnen verstaan, dat ik
+niet tot die soort van menschen behoor, wier eerzucht of eenig ander
+verlangen hen in de richting van het "zedepreeken" drijven kàn, maar tot
+die [p.337] soort, wier verlangen hen slechts er naar doet streven, zoo
+zuiver en schoon mogelijk de dingen te zeggen, die zij denken en zien,
+en wier begeerte alleen kan zijn, juiste en zelfgevonden of hèrvonden
+inzichten over kunst te verbreiden, opdat de menschen de waarde van
+zulke inzichten voelen en de macht tot juist-inzien en -genieten in
+zich-zelf aankweeken zullen? O, mocht ik in de overbodigheid dier vraag
+kunnen geloovenl Want ik zou het héél verdrietig vinden, zoo ge mij voor
+iemand hieldt, die zoo dwaas is, zich op een buitenmenschelijke
+standplaats te willen stellen en mal-hoogmoedig van sexueele driften als
+iets minderwaardigs te spreken. Evenals alles wat natuurlijk is, is ook
+sexueele hartstocht in zich-zelf iets moois, maar evenals al het
+schoone, dat buiten alle goede proportie staat tot het geheel, waartoe
+het behoort, iets of alles van de macht tot het uiten zijner schoonheid
+inboet, ja, iets hinderlijks en schadelijks wordt, zóó verliest ook de
+sexueele hartstocht de schoonheid harer verschijning en schaadt en
+hindert, indien zij buiten alle goede proportie in eens menschen ziel
+aanwezig is. Wat nu is het voornaamste kenmerk van iets, dat buiten
+goede verhouding tot zijn geheel staat? Dit: dat het niet _schijnbaar_
+een ander deel verdringt en verdrukt, door het te _veredelen_[9], maar
+het _werkelijk_ verdringt en verdrukt door het te _verlagen_ en te
+_verkleinen_. En dat zien we dan ook hier gebeuren. De sexueele
+hartstocht bij _Heins_ verlaagt het verantwoordelijkheidsgevoel, het
+medelijden en de meest primitieve menschelijkheid in hem. Maar hierbij
+blijft het niet. Want elkeen, in wiens ziel het eene deel het andere
+verlaagt, die wordt _zelf_ een _verlager_. Zijn _leven-in-de-menschelijke-
+samenleving wordt een beeld van het leven-in-zijn-ziel._ Zooals een deel
+van zijn [p.338] wezen de andere verdrukt en schaadt, zoo verdrukt en
+schaadt hij--een deel der menschelijke samenleving--de andere deelen.
+Zóó als het sexueele in _Heins_ àl het andere in hem schaadt, zóó
+schaadt Heins _Geertje_ en zooveel andere vrouwen. Gij ziet dus nu, dat
+ik niet uit zedeprekerigheid dit sexueele in _Heins_ bij een kanker
+vergeleek, maar alleen, omdat ik, droog en nuchter redeneerend, tot de
+logische slotsom kwam, dat de sexualiteit in _die_ verhouding, in een
+mensch, tot al het andere staande, bij een kanker, _die immers den
+organischen weefsels hun levenssappen onttrekt_, nu eenmaal te
+vergelijken ìs.
+
+Maar waarom beweerde ik ook, dat het der kunst evenals der geneeskunde
+gegeven is, uit ziektestoffen voorbehoedende geneesmiddelen te bereiden?
+Wel, dit kondt gij reeds begrepen hebben uit hetgeen ik in mijn eerste
+_Geertje_-artikel zeide: "dat kunst uitspreekt wat geen andere mond kan
+uitspreken," maar toch, laat mij 't hier nog maar even verduidelijkend
+uiteenzetten: Als gij het ongeluk hadt met een man als _Heins_ om te
+gaan, dan zoudt ge voornamelijk opmerken--omdat ge jong zijt--hoe hij
+"geniet." Maar veel vluchtiger zou het uw aandacht treffen, op hoe
+ontzettende wijze hij anderen ongelukkig maakt. Ten eerste omdat de
+eigen begeerten van uw jonge, krachtige lichaam, u onbewust ertoe zouden
+brengen, voor het laatste de oogen te sluiten en u-zelf op allerhande
+manieren te bepraten, dat 't "zoo erg niet is," ten tweede, omdat ge er
+prijs op zoudt stellen, den "succesvollen" _Heins_ binnen uw
+gezichtskring te houden, maar zijn slachtoffers niet alleen door den
+aard van hun leed, dat zich wil verbergen, uit uw gezichtskring
+verdwijnen zouden, doch ook zoo spoedig mogelijk door u _eruit
+verwijderd_ zouden worden, omdat gij zelfs minachting voor _hen_ hebben
+zoudt!!
+
+Dáárom is een mensch als _Heins_ in _het leven_ de _smetstof_.
+
+Maar nu komt de kunst en puurt daar het geneesmiddel uit: ge _wordt
+gedwongen_ Heins te zien in zijn weerzinwekkendheid, het helpt u niet
+dat ge de oogen sluit. Want ge ziet hem _nu_ niet met de oogen, ge ziet
+hem met uw _ziel_. Het _leven_ [p.339] wordt door de meesten slechts
+door de _oogen_ gezien, kunst _als zoodanig_ nooit anders dan door de
+_ziel_. En deze heeft geen leden die ge sluiten kunt, met handen kunt ge
+haar niet bedekken, en luiken noch duisternis sluiten iets voor haar af.
+
+Dáárom is een man als Heins in _kunst_ het voorbehoedend _geneesmiddel_,
+
+Want wat voor wezens zoudt gij moeten zijn, indien ge, ontroerd bij het
+lezen van dit boek, u-zelf niet eerlijk en vast de belofte deedt: zulk
+een misdaad zal ik nooit plegen, opdat, als ik zelf een huis zal hebben
+gesticht en kinderen zal hebben op te voeden en te waarschuwen voor het
+doen van zùlke daden, mijn toon niet onvast als die van een leugenaar
+zal zijn, bij het herinneren: maar ik deed het zelf.... Dit mijn flinke,
+gezonde jongens en meisjes uit het werkend volk zult gij ongetwijfeld
+bedenken bij het lezen van dit werk. Gij in de allereerste plaats, wier
+klasse opgaat uit het verleden als een ververschende waterstraal uit den
+grond, gij zijt gekomen om te laven àl de bloemengeslachten van het
+heerlijk-menschlijke, die dorgebrand en vertreden zijn. _Zie goed toe
+wat ge doet_: gij zijt geboren om _iets schooners dan het verleden_ te
+helpen stichten. En wat het verleden nu is en eens zal zijn, daartoe
+behooren: de middeleeuwsche Heer met zijn recht-van-den-eersten-nacht;
+de fabrieksheeren, die de meisjes in hun werkplaatsen dwingen tot hun
+wil; de bourgeoisie-heertjes, die vóór ze rijke huwelijken doen en
+"geachte burgers" worden, de kinderen der arme volkslagen tot publieke
+vrouwen maken. Hoon u-zelf niet, door niet beter te zijn dan zij en als
+zij te meenen dat armen de lustprooi der rijkeren zijn. Hun ondeugd is
+verachtelijk, omdat zij _ondeugd_ is, de uwe zou het niet alleen zijn
+omdat zij ondeugd, maar ook _belachelijk-van-dwaasheid_ ware. Gescheiden
+door verren maatschappelijken afstand en vaak enorme weelde, als _zij_
+waren van hun ondergeschikten, lijkt het te verklaren, hoe er iets als
+een nevelige voorstelling in hun gedemoraliseerde hoofden was, dat zij
+een hooger soort menschen dan die ondergeschikten waren en in hun recht,
+zoo ze die offerden aan hun lust; maar zoo gij proletariërs-zelf [p.340]
+zoudt meenen, dat uw dienstmeisje een geringer soort mensch dan uw
+zuster is--wat bleef er ons dan over dan het hoofd in onze handen te
+bergen om uw clownige bespottelijkheid, verdwazing en slechtheid niet te
+zien. Neen, dan zoudt ge niet _iets schooners dan het verleden_ kunnen
+stichten, om de eenvoudige reden, dat _gij-zelf helaas nog iets
+leelijkers dan het verleden zoudt zijn_. Als eens de ontwikkeling van
+het economische leven een betere maatschappij zal hebben doen groeien,
+dan zal tevens een hoogere moraal verrijzen, wier idée zal zichtbaar
+worden voor de oogen der besten, die dan leven, en die, ten slotte,
+vertastbaard zal staan, als een open hof waar rechters zitten, midden
+den geweldigen ringbouw van geheel het maatschappelijk zijn, en met zijn
+torenspitsen rijzend dat te boven--want de ethische _leer_ eener
+maatschappij rijst _altijd_ hooger dan haar ethische _werkelijkheid_--;
+_als een open hof_, verstaat ge: waarheen iedereen zal _kunnen_ gaan
+_die wil_, om geestesadeldom en goedheid te leeren. Of zij _willen_
+zùllen, dat hangt óók van _u_ af, lieve vrienden. Van de economische
+omstandigheden, van den _maatschappelijken ringbouw_, hangt slechts af
+of zij zullen _kunnen_: of die ringbouw hun den weg naar den hof niet
+_verspert_. Troost u niet met de gedachte: er zal dan minder verlokking
+tot slechtheid zijn. Zeker, _deze gedachte is waar_, maar er zal
+_genoeg_ verlokking overblijven, er zullen mogelijkheden ten goede en
+ten kwade ontstaan, waarvan wij nu geen begrip hebben, en het _zal van
+de harten en de zielen zelf afhangen, dan als in alle tijden, in hoe
+verre de ethische leer werkelijkheid zal zijn. Alles_ moet _geleidelijk_
+zich ontwikkelen, en gij moet nu met vasten wil, met jonge kracht, die
+ontwikkeling aanvangen en volhouden. _Neemt u in acht!_ Er was nooit
+heerlijker gelegenheid voor de menschheid, iets opperst-schoons te
+bereiken--nooit zullen de smaad en de rampen grooter zijn, als die
+gelegenheid wordt verzuimd. Uw klasse is het zaad, dat nog midden slijk
+en wormen in den grond verborgen ligt, waarop de voeten stampen en de
+monden spuwen. Neemt u in acht, opdat het niet verrot in den bodem, en
+of nimmer ontspruit, òf opkomt [p.341] met dorrende knoppen en
+verwelkend blad, daar de hemel en de zon en al de schepselen met
+verheerlijkte gelaten, naar de ontluiking van een nieuw levenswonder van
+schoonheid en van kracht uitzagen.... Opdat het dan niet in de wereld
+worde als in een huis waar een kind wordt verwacht, en de lucht
+trillende hangt van naderende vreugde, en de oogen der wachtenden zacht
+en gedempt glanzen van een blijdschap, die zich nog niet geven kan, maar
+straks, o, straks, uitstrálen zal en ... het kind wordt dood of misvormd
+geboren en vervult de harten en het huis met rouw en schrijnend leed, om
+de voor langen, langen tijd teleurgestelde verwachting....
+
+Alles _groeit geleidelijk_. En, lieve vrienden, wat ik nu ga zeggen, dat
+doe ik alweer niet uit zedeprekerigheid, maar omdat ik u beloofde in
+mijn allereerst artikel, dat wij "dat leven samen zouden zien."[10]
+Begrijpt het goed; het is niet voldoende, weerzin tegen een man als
+Heins te voelen, om niet zooals hij te worden. Zelfbedwang,
+menschenliefde, eerbied voor lot en levensgeluk van een medemensch, die
+alle komen niet, om zoo te zeggen, kant en klaar uit den hemel gevallen.
+Wie niet langzamerhand bij vele _kleine_ gelegen-heidjes gestreefd heeft
+naar het bezit dier deugden, maar integendeel bij die _kleine_
+gelegenheden het zelfbedwang, de menschenliefde en den eerbied voor het
+levensgeluk van anderen onder den voet geloopen heeft, hij moet niet
+denken, dat als de _groote_ gelegenheid komt, hij de verlokking daarvan
+zal kunnen weerstaan. Niemand kan zeggen: nu, dit is zoo erg niet, dàt
+doe ik, maar dáár is ook de grens, diè overschrijdt* ik nièt; hij moet
+zorgen, zoover van daan te blijven van die grens, dat het _niet bij hem
+kan opkomen_, haar te overschrijden. En iets dergelijks bedoelde
+ongetwijfeld ook Wells, met zijne indertijd bij mijne behandeling van
+_Het Voedsel der Goden_ geciteerde woorden: "_zooals gezonde gewoonten
+van geest en leven de troon zijn_." Zonder zulke gewoonten geen vaste en
+eervolle zetel in het leven, waarop men, veilig zittend, schouwen en
+werken kan. Want zooals degeen, die zich altijd voorneemt _morgen_ iets
+te doen, _nooit_ iets doet, [p.342] zóó laat degeen, die zich bij het
+plegen van _vele lichte vergrijpen_ voorneemt, de _zwaardere_ na te
+laten, ten slotte ook die zwaardere _niet_ na. En ge herinnert u wel uit
+mijn behandeling destijds: Wells is een geniaal, een geestig en
+fantasievol schrijver, maar toch geen--"zedepreeker"?
+
+ * * * * *
+
+_Heins_ wil zich dus _Geertje_ van den hals schuiven. De kentering in
+z'n manier van doen jegens haar wordt al wel voldoende door dit stukje
+aangegeven:
+
+ Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar de bakker
+ moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got, stond-ie
+ nou al op!...
+
+ --Wil je eerst nog niet een kòpje?... Toe ... blijf nog
+ effetjes....
+
+ En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij
+ weer zou gaan zitten.
+
+ --Wou je zoo graag dat ze-n-'t wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!
+
+ Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.
+
+ Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de
+ leuning; zoo blééf z' overeind, schoon de grond om haar zonk.
+
+ Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur
+ stond open--zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.
+
+ God, wat was dit!... Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd,
+ dat hij plots haar begaf, 't Kon toch niet in werklijkheid!?
+
+Toch zou hij daar niet zoo spoedig in geslaagd zijn, als niet het
+naïef-trotsche in _Geertje_ de onbewuste bondgenoot zijner laagheid ware
+geworden. Het geëxalteerd-zijn kan zoowel iemand volkomen blind maken
+voor de werkelijkheid, als zijn inzicht daarin tot een buitengewone
+hoogte en wijdte opvoeren. Bij _Geertje_ hebben telkens beide plaats.
+In 't onderhavige geval gebeurt het eerste: haar geëxalteerde toestand
+maakt haar niet alleen blind voor het feit, dat haar liefdevoelen wel
+edel in het complex van haar zielsvermogens is, maar uiterlijk als iets
+onedels verschijnt, doch ook voor de voor haar nadeelige gevolgen, die
+een bruusk openbaarmaken van haar liefdeleven hebben zal. En zoo werpt
+ze 't de "Juffrouw" in 't gezicht, dat _Jan_ haar, _Geertje_, lief
+heeft, dat ze [p.343] "zijn vrouw" is, en wordt zij het huis uitgezet.
+De lezer moet er zich wel voor hoeden, in dit optreden van _Geertje_ de
+onbeschaamdheid van het gemeene te zien. _Verre van daar:_ het is de
+trots der onschuld, die zich, _intuïtief_, rein voelt. _Verstandelijk_,
+als zij te rade gaat met wat haar van jongs af geleerd is, twijfelt
+_Geertje_ zelf vaak aan haar onschuld, ja, gelooft zij aan haar schuld,
+maar in haar hoogste oogenblikken, voelt haar _ziel_, dwars door de
+telkens weer aanklagende tegenwerpingen van haar verstand, dat zij het
+geluk en het heil der schuldeloosheid niet heeft verbeurd. Dit beweer ik
+niet slechts, ik zal het u bewijzen:
+
+ Zij een zoon, een zoon van Jan....
+
+ Zij was uitgekleed, en als iederen avond, knielde zij neer voor
+ haar bed.
+
+ _En opeens doorstroomde haar moed, moed om het aan God te vragen,
+ haar liefde, schoon zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zoo
+ innig liefhad; haar_ te vergeven, _zoo ze kwaad deed;_ en het haar
+ kind niet aan te rekenen--om Jezus' wil.
+
+Wat zegt ge wel hiervan?! Wat mij betreft: ik herinnerde mij plotseling
+Vondel's _Jozef in Dothan_: als de broeders Jozef in den put gesloten
+hebben, zingen de engelen voor hem en hen onhoorbaar:
+
+ Het lust ons om dees duisternissen
+ Des puts, al 't hemelsch licht te missen:
+ Want zulke duisternissen zijn
+ Ons schoener dan de zonneschijn.
+ Wij willen hier een hemel stichten,
+ Verzien met aengenamer lichten
+ Dan aen het blaeuw gewelfsel staen....
+
+Want, ook hier heb ik weer in de donkere diepte van _Geertjes_ leven de
+engelen hooren zingen, en uw gehoor, vrienden, zou al zeer vergroofd
+moeten zijn, zoo ge hun stem en ruischenden vleugelslag niet hoordet
+althans in dit: (Het is in Oom's huis. Nacht. _Geertje_ ligt te bed).
+
+ Zij voelde de tinteling van een verlangen om met haar hand te
+ strijken over haar buik, om te tasten of zij iets leven gewaar
+ werd, om hèm maar heel zacht te streelen. Maar zij bleef
+ bewegingloos, [p.344] wijd de oogleden open, wetende _dat haar
+ oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van den nacht._[11]
+
+ Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en
+ met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar
+ kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls
+ wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken
+ door het kraken van 't ledikant of dat zij den volgenden morgen
+ niet tijdig zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat
+ lekker vrij liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je
+ merkte niet, hoe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met
+ open oog in 't zwart zat te staren.... _En nu lag zij hier saâm met
+ haar kind! In haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde
+ daar met haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn_--_altijd met
+ het liefste dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij
+ was immers kindjes' wieg. Daar had ze nooit nog aan gedacht_. Ze
+ had er maar op los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en
+ gewreven, zonder één enkele maal te bedenken, dat die beweging hem
+ misschien pijn dee. Nu, voortaan zou ze anders leven! Tante moest
+ het werk maar doen....
+
+En ziet ge wel, hoe nu de een, na de ander, de poorten van _Geertjes_
+innerlijk worden ontsloten en hoe hier overal natuurlijk-schoons en
+-kostbaars ontluikt. Is het wonder, dat _zij_ in _dien_ geestlijken
+toestand levend nog altijd in haar afgod een god blijft zien. Bij haar
+ellendige oom en tante in huis zwerft zij telkens de straat op, om Jan
+te zoeken, eindelijk treft zij hem. En het volgend gesprek ontspint
+zich:
+
+ --Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.
+
+ --Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde
+ schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.
+
+ Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had,
+ zich verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de
+ linker vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en
+ toch, telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze
+ nieuwe dingen te zeggen--_want hij zweeg, keek haar aan en zweeg,
+ keek met oogen die ook niets zeiden_.
+
+ --Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.
+
+ --Ik?... Hoedat?... vroeg hij traag, bijna stuursch.
+
+In de door mij gecursiveerde woorden komt uit dat Heins _afwacht_, wàt
+_Geertje_ hem doén, zèggen kan. Ook weet hij, [p.345] dat hij haar
+hiermee uitput en ten derde wil hij haar, als in 'n vergetelheid van
+heel het verleden, laten voelen, dat het is _afgedaan_, dat hij
+feitelijk niets meer met haar te maken heeft.
+
+ Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.
+
+ --Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je
+ martel me zoo! Spréék nou te minste. Zeg hoe of wat...!
+
+ --Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn
+ tegegekomme....
+
+ Zij wist al. Toch zei ze:
+
+ --Je zou me schrijven.
+
+ --_Ik jou schrijve?_... aarzelde hij. Toen opeens rad:--_Ja! A'k
+ gekund had. Maar na wat je Oom me gebakke heit_.
+
+Bij de eerste door mij gecursiveerde woorden, weet Heins er nog geen
+verontschuldiging voor te vinden, dat hij zijn belofte haar te
+schrijven, niet gehouden heeft. Dus zal hij maar net doen, of hij zich
+van die belofte niets meer herinnert. Maar daarna valt hem een
+uitstekend voorwendsel in, waarvan hij gauw gebruik gaat maken. De
+dialoog is hier _prachtig_!
+
+ --Oóm?... Wàt he't die?
+
+ Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.
+
+ _Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van:
+ maak me niets wijs_.
+
+Hij voelt dat hij nu gewonnen spel heeft, dat hij met dat voorwendsel
+een prachtige vondst heeft gedaan!
+
+ --Hé't ie jou daar niks van verteld?
+
+ --'k Zwéér je ... angstigde ze hem tegemoet.
+
+ Doch ze bedacht: och meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die oom
+ gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. _En deze gedachte
+ verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:_
+
+ --Zie je! Je weet t'er wél van....
+
+ --Meen je, toen Oom me koffer gehaald he't?
+
+ --Je koffer? Wat? Och meid, je klèst.
+
+ --Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.
+
+ Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.
+
+ --Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte
+ komme?
+
+ --Jij bij de kommesaris! Waarvoor?
+
+ Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was [p.346]
+ haar blik vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had
+ en die haar gezegde van "de'n eenigsten weg."
+
+ --_Jok d'r toch niet om_! zei Jan fier.
+ * * * * *
+
+Hoe voortreffelijk is dit alles: in de eerste door mij gecursiveerde
+woorden komt uit, hoe een reine persoonlijkheid als die van Geertje,
+zich-zelf niet betrappen kan op een zelfs onbewust-geuite onwaarheid of
+zij wordt er verlegen om en verliest haar zekerheid; in de laatste door
+mij gecursiveerde woorden: hoe een doortrapt-sluwe misdadiger als Heins
+van dit aandoenlijke schuldbewustzijn gebruik maakt, om, zichzelf met
+het _mom_ der schuldelooze deugd bekleedend, de schuld-gevoelende, reine
+persoonlijkheid dieper in verwarring te brengen, te vernederen en te
+intimideeren.
+
+ --'k Jòk niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer
+ gehaald he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....
+
+ --Nou dan!
+
+ --Ja maar da's ook al!
+
+ --Maar je wist 'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging
+ volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar me
+ bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou
+ verschijne; de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak
+ heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was!" In me schrik
+ he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)--_Ja, da' was
+ stom. Ik weet et wel_. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En
+ dan ... 'k dàcht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me
+ vrouws moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat
+ dacht ik eig'luk ... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in
+ je dienst, sta je daaraan bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben
+ gegaan.... Jawel, of ik Geertje Hendriks kende.
+
+ --_Wist ie me naam_?
+
+ --De vent wist alles!... _Ja, dat dank je nou aan j' Oom! Van je
+ femielje mo' je 't hebbe_.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!... 'K
+ DOCH DADELEK AN DE MOGELEKHEID D A'K JE NOG US ZOU KUNNE TROUWE.
+ M'AR DE WET VERBIEDT 'EN HUWELIJK TUSSE MENSCHE DIE E ... OVERSPEL
+ HEBBE GEPLEEGD. BEKENDE-N-IK, NOU, 'T WAS VOOR EEUWIG NIE'
+ MOOG'LEK. OFFISJEELE BEKENTENIS!... 'k Heb alles geloochend, wat
+ j' Oom gezeid had....
+
+ --En?....
+
+ --[p.347] En niks. Toe kon ik gaan.
+
+ Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in
+ Geertje's brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:
+
+ --M'ar nou begrijp je wel, da'we voorlóópig niks motte beginne.
+ _Kan 'k je mit ie's helpe ... mit geld of zoo ...graag netuurlek._
+ DA' WEET JE WEL. MAAR WE MOTTE UIT MEKAARS BUURT BLIJVE. JUIST
+ VOOR LATER. OM NIKS TE BEDERVE. Want je begrijp, ze loere nou op
+ me.
+
+ Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen.
+
+De eerste door mij gecursiveerde woorden: van _Heins_ z'n standpunt was
+dat juist een slimme zet. _Geertje_ heeft voor hem afgedaan. En het
+beste wat hij nu doen kon, was bij z'n vrouw en schoonmoeder zoete
+broodjes te bakken, door ze "openhartig" alles te vertellen, enz. enz.
+Maar _Geertje_ moet hij 't doen voorkomen, alsof hij aan _haar_ zijde en
+_tegenover_ zijn vrouw staat. Vandaar dat hij zegt 't 'n stommiteit van
+zich-zelf te vinden.--In de door mij gecursiveerde woorden van Geertje,
+ziet ge 't arme schepsel in haar volle naïveteit en schaamtevolle
+bedeesdheid: hoe vreeselijk, dat die commissaris haar naam weet!! En de
+ander grijpt nu onmiddellijk--in het daarop volgende kursieve--slim de
+gelegenheid aan, om op Geertjes oom de schuld van hun elkaar niet kunnen
+zien te schuiven en tusschen dien en haar te stoken. Maar pas daarna in
+de door mij gespatiëerd [hier in hoofdletters, M.D.] gedrukte zinnen
+verschijnt hij in z'n volle gewetenlooze sluwheid. De gehééle door mij
+geciteerde dialoog is schitterend, maar hièrin is hij _allerprachtigst_
+getypeerd. Van het daaropvolgende, door mij gecursiveerde, meent hij
+natuurlijk niets; ten eerste rekent hij er op, dat _Geertje_ nu te
+verlegen is iets van hem te vragen en als ze 't later mocht doen per
+brief, welnu, dan antwoordt hij niet! Even later trouwens, als ze hem
+vraagt of hij haar niet wil schrijven, zegt hij, dat hij dat niet kan
+doen: "Oom kent ommers m'n handschrift!!" In de _laatste_ door mij
+gespatiëerd [hoofdletters, M.D.] gedrukte woorden buit hij verder zijn
+vondst van het "gevaar" eener "offisjeele bekentenis" uit!
+
+Als _Geertje_ nu, troosteloos, van hem heen gaat, komt wel [p.348]
+twijfel in haar op, maar ze slaagt er toch altijd weer in, dien weg te
+redeneeren en als haar edele oom, na eerst _Heins_ voor den "commesaris"
+te hebben gedaagd en 'n spiegelruit in z'n winkel te hebben
+stukgeslagen, ten slotte bij hem in dienst treedt en zelfs--hij de oom
+van de gedupeerde!--er op staat dat Geertje Heins "met rust zal late,"
+dan denkt _Geertje_, over die laagheid van oom maar heenglijdend, dat
+_Heins hem werk geeft, om zoodoende voor haar en hun nog ongeboren kind,
+"zijn Ismael" te zorgen!_... Een ziel als die van _Geertje_ doet, om zoo
+te zeggen, alles in 't groot, haar is het vermogen en de geaardheid der
+innige geloovigen: alles wat God doet is ten goede, en zóó: alles wat de
+man doet, in wien zij gelooft, dien zij liefheeft, is: om goed te doen,
+is ten goede.--Nadat _Geertje_ doodziek is geweest en helle-angsten
+heeft uitgestaan, omdat ze meende, dat de vrucht in haar lichaam is
+gestorven en God dit als vreeselijkste straf, die een aanstaande moeder
+kan treffen, over haar had beschikt, gebeurt er iets, dat haar
+onvermijdelijk Oom's huis uitdrijft. Zooals ik in mijn eerste artikel
+zei: indien wij _Geertje_ in het leven ontmoet hadden, wij zouden niet
+alleen het flauwste begrip van haar adeldom missen, maar haar zelfs voor
+een heel gewone "gemeene meid" houden. Maar zeer zeker is het te
+verklaren, dat de platzinnelijke _Gerrit Holkers_ haar daarvoor houdt.
+Hij wil haar geweld aandoen en nadat Tante haar broer hoonend en
+treiterend tegen _Geertje_ heeft verdedigd, loopt deze 't huis uit en
+vlucht naar _Maandag_.
+
+ * * * * *
+
+Niet onverdeeld is door de critiek deze _Maandag_ als mensch-schepping
+gunstig beoordeeld. Laat mij daarom onmiddellijk zeggen: _ik ben het met
+de afkeurende meeningen niet eens_: Deze figuur is die van een
+_uitzonderingsmensch_. Zij is dus: romantisch, maar zij is
+_goed_-romantisch, omdat zij op een enkel vlekje na--waarover ik later
+spreken zal--naturalistisch-zuiver gebeeld is. _Maandag_ is een
+uitzonderingsfiguur, omdat hij daden doet van zóó edele natuur, dat
+[p.349] een gewoon mensch ze zekerlijk niet zou doen, en hij is
+naturalistisch zuiver geheeld, omdat niet alleen het geheel zijner
+psyche van dien aard is, dat dergelijke daden er noodzakelijkerwijze uit
+moeten voortvloeien, maar ook zijn levensomstandigheden daartoe het
+hunne bijdragen. _Maandag_ is een kind uit een erfelijk belast gezin:
+'n paar van z'n broers zijn jong gestorven; hij is 'n bultenaar; zijn
+zuster, met wie hij samenwoont, een publieke vrouw, die telkens met 'n
+ander er van door gaat en hem dan de verpleging harer twee jonge
+bloedjes van kinderen overlaat. Zulke omstandigheden _kunnen_ iemand in
+alle opzichten tijdelijk ten gronde richten. Woede tegen het door hem
+onbegrepen Noodlot kan hem tot een ontkenner van alle bestaan in rein
+geluk, van het nut en de schoonheid der deugd, van alle menschelijke
+onbaatzuchtigheid en goedheid maken. Dat _kan_, zeer zeker, maar slechts
+in het geval, dat zulk een persoonlijkheid nog niet die ontwikkeling
+heeft bereikt, welke voor goed een zedelijk en geestelijk te gronde
+richten door levensomstandigheden buitensluit. Heeft hij die wel
+bereikt, dan werken juist ook zulke omstandigheden veredelend op hem. En
+dit zal ook wel de zin zijn van het woord: "Hij die heeft, dien zal
+gegeven worden, maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden zelfs
+hetgeen hij heeft." Men herinnere zich slechts wat ik in mijn vorig
+artikel bij de ontleding van Jan Niekerk's persoonlijkheid heb gezegd:
+dat alles hem hindert en niets hem tot nut is, en merke dan op, dat dit
+in tegengestelden zin voor _Maandag_ waar is. _Doordat_ Maandag zoo
+_ongelukkig_ is, krijgt hij des te spoediger en dieper medelijden met
+andere ongelukkigen, maar _geen_ haat tegen het "Noodlot" of het
+"leven." Hij weet nu eenmaal, dat het feestelijk luchterlicht der
+gelukkigen niet voor hem is, maar welaan, als de toch ook guldene schijn
+van de knetterende olielamp der nederigen zijn bleeke hoofd en zachte
+oogen komt bestreelen, zou hij dan niet dankbaar opzien en zijn oogen
+laten drinken van dien glans? Er zijn veel menschen, die groote plichten
+misvormen tot kleine, om ze des te gemakkelijker te
+kunnen--verwaarloozen. Hij [p.350] is een van de weinigen, die kleine
+plichten tot groote maakt, om maar van zijner liefde overvloed te kunnen
+geven! Zoo gij u over de edele daden van zulk een man verwondert,
+verwonder u ook erover, dat een zwangere baart, dat koren in halmen
+opschiet en kunstenaars kunstwerken scheppen. Maar beter is het, dat gij
+dit alles niet doet en uw leven besteedt aan het opvoeden van u-zelf.
+Misschien komt er dan een tijd, dat gij u over zulk een man niet meer
+verbaast, omdat gij hem terugvindt in--u-zelf!
+
+
+ * * * * *
+
+
+JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE" [p.351]
+
+V.
+
+
+Terwijl ik mij nu gereed maak, dit laatste _Geertje_-artikel te
+schrijven, weet ik mij weer vol van weifelend dralen. Want er zijn
+boeken, die ons zijn als een huis vol van herinneringen, vol van ons
+zelf. En zoo voel ook ik mij nu als iemand, die een hem lang vertrouwd
+en lief geworden huis verlaten gaat. Dat, wat het zijne is, maar toch
+ook--en hoe diep voelt hij dit!--van het huis, waarin het zóó lang zijn
+mijmerend leven leefde, waarmee het één was geworden, is nu bijeen
+gehaald uit alle kamers en hoeken, en tot den uittocht bereid. Hij-zelf
+staat vol weemoed stil: zóó als het licht door die ramen viel en tot
+iets eigens in zijn tintenschakeeringen en schaduwverdonkeringen, van
+het oude huis èn van hem werd, zal hij 't nooit meer zien; het leven,
+wat hij hier heeft doorleefd, is voor goed voorbij.... Schimmen van
+menschen en verre herluidingen als echo's van lang verklonken geween en
+gelach verbergen zich nu in dit huis voor eeuwig en voor goed in
+vergetelheid, vóór de vréémde komt.... Ze herklonken en leefden nog in
+een heel teer leven en onwezenlijk schemerbestaan, zoolang hij hier was,
+om ze te zien en te hooren. Zij herleefden op zijn zwijgend en
+nauw-bewust-willend gebod.... De vreemde, die na hem komt, zal hen niet
+hooren en zien.... Het mooie huis, het zal ook om dien staan, en diens
+leven zal erin lachen en weenen.... Van het verstorven gelach en geween
+zal hij niets voelen.... En de heengaande [p.352] man voelt zich
+onrustig en gejaagd: zou hij niets van het zijne hebben vergeten? Maar
+plots glimlacht hij weemoedig en knikt, in begrijpen, tot zich-zelf:
+ach, niet de _twijfel_, of hij iets van het zijne heeft _vergeten_,
+maakt hem zoo onrustig, maar de _zekerheid_, dat hij _moet_ achterlaten,
+wat hij _nooit vergeten_ zal, die maakt hem onrustig!... Want er zijn
+dingen, die men niet meenemen kàn....
+
+"Maar welaan, laat mij sterk zijn," denkt de heengaande man, "is het
+niet schoon, dat menschenwèrk langer duurt dan menschenléven, en een
+ander ervan zal genieten...."
+
+En welaan, mijn werk moèt nu toch spoedig gedaan zijn, denk ik ... is
+het niet schoon, dat zoovele anderen nog zullen leven en voelen mèt, ìn
+dit boek, ieder op eigen wijs; dat het wéér-klinken zal hun gelach en
+hun weenen, dat zij het bezit van hun ziel en de have van hun geest er
+in zullen bergen, ja vermeerderen en wijzigen, al naar de schoonheid van
+dit monumentale bouwwerk, van hun gevoel voor harmonie, van hun smaak en
+fijn gevoel zal vorderen?... Al weet ook ik, dat wat ik nu achterlaat
+van mij, gedoemd is, in vergetelheid te gaan.... Wat van mij saamgeweven
+is met de stemming van het boek, wat er niet van los te maken is, en in
+woorden geborgen, naar buiten te brengen; wat ik _te_
+subtiel-individueel heb doorvoeld; wat ik _niet_ heb _kunnen_ zeggen en
+wat ik niet _goed_ heb kunnen zeggen, dat alles blijft achter in
+vergetelheid.... Laat mij nu nog beproeven, het zoo weinig mogelijk te
+doen zijn.
+
+ * * * * *
+
+Ik zal nu ik spreken ga van het leven van _Geertje_ in Maandag's huis,
+natuurlijk veel ònbesproken moeten laten. Daartoe behoort o.a. de
+voortreffelijke uitbeelding van Buurvrouw Tabbe, die altijd, bij
+afwezigheid van zijn zuster, _Maandag's_ huishouden bereddert. Die
+uitstekende instantanée'tjes van het kinderlijk-goedhartige, van het
+naïef stuursche en heel dat klein-burgerlijk gedoente, mogen voor jelui
+bewaard blijven tot de lezing van het boek-zelf. Ik zal mij hier bepalen
+[p.353] tot het essentiëelst-karakteristieke der hoofdfiguren. _Geertje_
+heeft haar grootvader geschreven en nu, tengevolge van dien brief, komt
+hij bij haar, in _Maandag's_ huis:
+
+ --Groo'va!...
+
+ Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar
+ buurvrouw den vorigen dag met een--"Nou, ejuus dan," hoonend op
+ haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje
+ zag de lange, smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder
+ zijn doorborenden strafblik sloeg zij de oogen neer, de lach kroop
+ weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon,
+ tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten
+ had aangedaan, die er nog hing van Maandag's zuster. Schielijk de
+ linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij
+ met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en
+ _de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de
+ zwangere buik, als om weg te strijken._
+
+Dit laatste door mij gecursiveerde is een _zeer fijne opmerking_
+van den schrijver. Wij moeten namelijk begrijpen, dat
+dit den grootvader zelf niet alleen een beweging van schaamte
+toeschijnt, maar _Geertje-zelf_ hier voelt, dat die handbeweging
+haar grootvader en oom zal doen denken, dat zij zich schaamt
+voor haar zwangerschap; en dit kwetst haar fierheid. Zij
+immers, zooals we weten, schaamt zich daarvoor niet, omdat
+ze zich, in het diepst van haar wezen, schuldeloos voelt.
+
+ --Ben je alleen? bitste de vermaanstem.
+
+ --Ja Groo'va.
+
+ --_Het tocht hier_.
+
+Dit kurk-droge en als versteend-ordelijke aan-kleinigheden-denken, op
+dit oogenblik, karakteriseert weer den grootvader uitstekend!
+
+ Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging
+ zij sluiten.
+
+ --Gaat u niet zitten? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid.
+ In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch
+ onthutst-doen.
+
+ --_Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?_
+
+Hier komt weer het hoogst ergerlijke in zulk een dogmatisch-verstrakte,
+door eigen bravigheids-bewustzijn hoogmoedige en gevoellooze voor den
+dag: _Hij_ mag zóó weinig ontroerd [p.354] zijn door den aanblik van z'n
+mishandelde en vertrapte kleindochter; _hij_ mag zoo weinig fijn gevoel
+bezitten, zoo weinig onbewusten eerbied hebben voor het leed en voor dat
+hooge oogenblik van elkander weerzien, dat zijn eerste woord een
+bevelhebberige verklaring kan zijn, dat "het tocht!"--_Zij_ daarentegen
+moet zóó eerbied-geslagen door zijn tegenwoordigheid zijn, dat ze zelfs
+het benul niet behoort te hebben hem een stoel aan te bieden!! Hoogmoed
+en Trots, wel te onderscheiden van Ziele-hoogheid en Gevoel-van-
+eigenwaarde, worden altijd door Dwaasheid begeleid, opdat naar den wil der
+zachtmoedige en onophoudelijk-onderwijzende Natuur, deze beide plechtig-
+voortstappende, geharnaste ridders, meenend een helm te torsen, een
+zotskap dragen, gelijk Sancho Panza zijn scheerbekken, en aldus een
+schouwspel van weerzinwekkende en waarschuwende belachelijkheid zullen
+zijn....
+
+ Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die
+ hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met
+ zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom.
+
+ --Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem,
+ koel, strak.
+
+ -- Heb je Groo'va vergeving gevraagd?
+
+ Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!...
+
+ Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:
+
+ --Heb ù al om vergeving gevraagd?
+
+ --Ik? Ik heb me niet laten onteere!
+
+ --Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd!
+ Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou
+ gebruike....
+
+ Groo'va, die zich juist omgewend en de hand op een stoelleuning
+ gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:
+
+ --Stilte!
+
+ Juist als vroeger op school.
+
+ --Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel
+ vinden.
+
+ Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va:
+
+ --Ga daar zitten.
+
+ Het wás háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving
+ Groo'va in Maandag z'en woning. Hij deed net als thuis tegen stoute
+ jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De
+ meester, de berispende meester--anders was hij niet voor haar.
+
+[p.355] Men zal de uitbeeldingskunst van dit geheele stuk moeilijk te
+zeer kunnen prijzen. Het schoolmeesterlijke gedoe van Groo'va, Oom's
+vleiërige kruiperigheid,het staat er alles voortreffelijkin. Maar vooral
+opmerkelijk is Geer's koel, strak, snibbig en hard worden. Het lijkt mij
+gewenscht hier even van de eigenlijke oorzaak daarvan te spreken: omdat
+zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid goddelijk, d.i. schoon en goed
+zijn, wordt een mensch bij hun aanblik ontroerd en heeft hen
+onmiddellijk lief. Beproevend hen na te volgen om zelf schoon en goed te
+zijn, wendt hij zich tot hen en hoort, met een gelukkig gevoel in het
+hart en heerlijke overgave, aan, wat zij hem te zeggen hebben. Maar
+omdat hardheid en barschheid en wrok leelijk en gering-menschelijk zijn,
+wordt een mensch bij hun aanblik onmiddellijk afkeerig van hen en zegt
+meer of minder bewust in zichzelf: wat kunnen dezen, die zelf
+klaarblijkelijk nog niets geleerd hebben, mij leeren? En _welk recht_
+hebben zij, mij te leeren? Dan keert hij zich van hen af en sluit in
+zich-zelf zich op. In den grond is het dus dezelfde oorzaak, die de
+menschen een eerlijk man, als hij over eerlijkheid spreekt, aandachtig
+doet aanhooren, maar hen een dief, als hij 't zelfde beproeft, doet
+hoonen en nog dieper verachten.
+
+ Onverschillig schokte ze neer op den stoel en bleef, den rug naar
+ het raam, den linkerarm zwaar over den hoek van de tafel, den
+ rechter slap op den schoot, voorover gebogen zitten staroogen met
+ botte dofheid.
+
+ Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar.
+ Geduld had Groo'va niet kunnen leeren in al die jaren van jongens
+ bebrommen.
+
+ --Ik wácht, op wat je te zéggen hebt, Geertje!
+
+ Driftig met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de
+ lippen.--_Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va, net
+ iemand, die de soep te zout vindt_.
+
+Dit door mij gecursiveerde zinnetje is uitstekend. In een loome
+onverschilligheid, voor alles wat die dorre, niet-gevoelende, niet
+begrijpende oude haar verder zeggen zal, is _Geertje_ nu tot een
+toestand van koel-nuchter, minachtend-scherp observeeren gekomen. Een
+gewoon en algemeen verschijnsel: terwijl overgroote eerbied het
+waarnemingsververmogen [p.356] van den eerbiedige ten opzichte van den
+geëerbiedigde verzwakt of krachteloos maakt--men ziet dit bijvoorbeeld
+aan hen, die zóó eerbiedig tegenover de tradities onzer maatschappij
+staan, dat zij zelfs haar ten hemel schreiende misdaden niet zien--wordt
+bij afwezigheid van eerbied het waarnemingsvermogen zeer actief. In het
+bijzijn van een als-meerdere-erkende, _verdoft_ het waarnemingsvermogen
+vaak--en men ziet de weerspiegeling hiervan ook meestal onmiddellijk in
+het _doffer, gevoileerd_-worden van den blik!--in het bijzijn
+daarentegen van den als-mindere-geschatte, _verscherpt_ het
+waarnemingsvermogen niet alleen, maar wordt de geheele geest als in een
+vrij-wording en ontslaking verlevendigd. (Vandaar dan spot, scherts,
+enz.). Het omgaan met geestelijk-voornameren heeft zeer zeker veel nut,
+omdat 't het streven naar het goede, wat men _niet_ bezit, wakker maakt,
+maar het omgaan met geestelijk-geringeren en -gelijken heeft niet minder
+nut, omdat men in dien vrijeren omgang _zelf_ zich ontwikkelt, en
+ontplooit wat men _wèl_ bezit.
+
+ --Zul je nu spreken!? Hoog was hij vóór haar.
+
+ Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik,
+ als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:
+
+ --Ik heb et u ommers al geschreven.
+
+ --Geschreven!?... Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen
+ heb je me, en al zoo lang! Mij en oom, zelfs Groo'moe nog! Als die
+ dit had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en
+ leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij
+ dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. _Ons
+ kind onteerd op de schandelijkste wijs, in een zonde die God het
+ zwaarste straft_. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar
+ jij bent behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je
+ ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind
+ meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan
+ je vergrepen, maar....
+
+ --_Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten
+ eeuwigen dage, zal ik fan 'em houe, diè màn_!...
+
+Het zou van een ontzaglijk gebrek aan inzicht getuigen, het
+_subjectieve_ recht van den grootvader te ontkennen, om te spreken als
+hij doet, van zijn standpunt, met zijn gebrek aan [p.357]
+doorvoelingsvermogen, in zijn onwetendheid, maar van een minstens even
+groot gebrek aan inzicht zouden wij blijk geven, indien we èn dat
+standpunt, èn dat gemis van doorvoelingsvermogen èn die onwetendheid
+niet scherp zouden laken, _in iemand, die zoo hoogmoedig als rechter
+optreedt_. Ware hij niet geheel verkerkelijkt, verdogmatiseerd, de door
+mij gecursiveerde zin van Geertje, die uitbarsting van haar innigste en
+hoogste voelen zou hem tot inkeer gebracht en hem de oogen geopend
+hebben. Hij zou ingezien hebben, dat tegenover zóóveel zielssterkte en
+zóóveel zielsadeldom, wel het beste wat _hem_ paste, ware: te zwijgen,
+liefdevol te helpen, en aan den Hoogsten Rechter, in Wien hij immers
+gelooft, het oordeel en vonnis over te laten. Hadde hij al zijn teksten
+op dat oogenblik vergeten en zich slechts deze uit _Job_ herinnerd: "Leg
+uw hand op den mond, want God is in den hemel en gij op aarde, laten
+daarom uw woorden weinige zijn," het ware hem beter geweest! Zie ik hier
+_Geertje_ en haar grootvader tegenover elkaar staan, hoe herinner ik mij
+het woord der Joodsche Wijzen--ja ik ben zeer hebreeuwsch van
+avond!--"Er zijn _nieuwe_ kruiken, waarin _oude_ wijn is, en _oude_
+kruiken, waarin zelfs geen _nieuwe_ wijn is."--In die uiting van
+_Geertje_--ik kan er niet vaak genoeg uw aandacht op vestigen--vindt ge
+opnieuw de bevestiging van wat ik zei, _den sleutel tot het begrijpen
+van dit boek_: Geertje is _geen_ "verleid dienstmeisje," máár: een
+heldin der liefde, een van die _zeldzame menschen, die de zeer groote
+liefde kunnen voelen, en die door alle wisselingen van lot en jaren, die
+liefde trouw blijven,_ Wie die eigenschap bezit, _al bezit hij geen
+enkele andere van even hooge ontwikkeling_, behoort reeds _daardoor_ tot
+de _psychisch-heel-grooten_.--Laten we het verder verloop van het
+onderhoud overslaan, hoe uitstekend, hoe vol van dramatische spanning
+dit ook moge zijn. Het mooiste laat ik onaangehaald, dat moet voor u
+bewaard blijven in het boek. Zoo verhaal ik u ook niet, waarom Geertje
+niet met haar grootvader meegaat, die immers gekomen is, om haar te
+halen, en waarom zij, zich in afgrijzen van hem afwendend, bij Maandag
+achterblijft. Slechts wil ik even het zinnetje aanhalen, waarin de
+[p.358] schrijver vertelt, hoé de grootvader heengaat van Geertje, en
+Maandag, den bultenaar, die hem den uitgang verspert en hem smeekt
+Geertje niet zóó te verlaten, op zij duwt:
+
+ _Des_ langen ouden groote hand beroerde den schouder _des_
+ bultenaars, en zij opende met vastheid de deur.
+
+De ongewone harkerige deftigheid en statigheid van deze constructie met
+zijn "dessen" valt op, nietwaar? Wilt gij weten waarom zij hier zoo
+uitmuntend is? Herinner u dan wat ik schreef bij mijne behandeling van
+_De Familie Kegge._[12] Ik noemde daar het stukje, waarin Kegge's
+smartvoelen, zoo uitmuntend, omdat: "_de eigenschappen van Kegge's
+smartvoelen de afbeeldende woorden en zinsbouw (hebben) doordrongen,
+gedrenkt, en daarmee een zijn geworden."_ Welnu, iets dergelijks is ook
+hier het geval: het harkerig-stijve, het onvermurwbaar-harde der manier
+van doen van den grootvader heeft ook hier de afbeeldende woorden
+doordrongen en verhard. Ge _voelt_ en _hoort_ en _ziet_ daardoor alles
+onmiddellijk, terwijl, indien er een _andere_ zin stond, die u nochtans
+_hetzelfde_ zou _mededeelen_, ge er slechts een _verstandelijk begrip_
+van zoudt krijgen!--Maandag, bij wien zij dus achterblijft, dien naar
+het lichaam zoo wanstaltige en naar de ziel zoo rechtgeschapene--hoe
+aandoenlijk is zijn hulpvaardigheid, hoe aandoenlijk zijn verzwegen
+liefde voor haar. Een oogenblik, één oogenblik denkt hij, dat zij
+wellicht in de toekomst een troost en een licht in z'n arme leven zal
+kunnen zijn. Maar eens vraagt hij haar:
+
+ --Keu-je-n-um m'ar nie' fergaite?!
+
+ --Vergete!?!
+
+ Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nog dieper weg,
+ maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het
+ and're gevoel gaat.
+
+Dat wat dieper in hem wegzinkt, ge begrijpt het, is zijn liefde. Hij
+voelt, dat zij nooit iets voor hem kan zijn. Maar hij heeft dien trek
+van alle hoogere, edele naturen, dat al veroorzaakt [p.359] hun het
+goede en schoone zelf teleurstelling, hun bewonderingsvermogen voor dat
+schoone en goede daardoor niet wordt geschaad. Vandaar, ìn zijn leed,
+zijn geestdrift voor de prachtige liefde en persoonlijkheid van
+Geertje!--
+
+Bij het verhaal van Maandag's bezorgdheid over haar; zijn
+niet-kunnen-begrijpen, dat Geertje zoo opgeruimd is, en hem met zoo'n
+weldoende gezelligheid kan omringen; zijn angst dat zij dit alles maar
+voorwendt, om er een noodlottig plan achter te verbergen, geeft de
+auteur van die opgeruimdheid deze _prachtige_ psychologische
+verklaring--te mooi, om er niet nadrukkelijk uw aandacht op te vestigen:
+(De woorden waar het op aankomt, cursiveer ik.)
+
+ Nu Geer er was, hoefde hij den sleutel niet bij buurvrouw te
+ brengen, wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had z'n woning
+ deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis.
+ Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinderen ontbrak het
+ niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week
+ welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed
+ als een rouw, die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder
+ de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat
+ hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan
+ zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En
+ op haar vraag:--"Wil u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:--"Ik
+ kom."
+
+ Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer
+ aangegrepen door een vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar
+ _dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven
+ elders verliep_--en haar doen van den ganschen avond bleef hem een
+ raadsel, zoet ... máár angstig....
+
+Ge begrijpt dat dit "elders" is: bij Heins, bij den man, dien zij voor
+altijd liefheeft!--En nu datgene, wat ik, in het vorig hoofdstuk, een
+fout noemde in de beelding der Maandag-figuur: het is onverklaarbaar,
+althans mij is het niet gegeven geweest er een aannemelijke verklaring
+voor te vinden, dat een man van zulk een noblesse, Geertje niet bij
+tijds voor Heins waarschuwt, waarvoor hij ampel gelegenheid had.
+Onbekendheid met de "moreele principes" van dat heer kan het niet
+geweest zijn, schuchterheid evenmin; z'n verhaal o.a. dien avond, ten
+huize van Heins, van die voorname mevrouw, [p.360] die haar man heeft
+laten zitten en met een ander er van door is, bewijst het tegendeel. En
+dus blijft _mij_ niet anders over dan het een fout te achten, een
+barstje in de gaafheid van het' overigens zuivere beeld.
+
+ * * * * *
+
+Hiermede is voltooid mijn behandeling van dit boek dat, als van zelf
+ontstaan symbool van vertroosting, met de verheerlijking van het
+socialisme en zijn strijders eindigt--een waardig einde....
+
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Blz. 224.
+
+[2 = een klein onvolgroeid wezen.--Herinner ik mij wel, dan noemt deze
+groote Fransche romancier in zijn _Pêcheurs d'Islande_, 'n jongen
+ambtenaar, die uit gebrek aan fijn doorvoelen, op ruwe wijze een oud
+vrouwtje 'n verschrikkelijke tijding mededeelt] "un petit être
+incomplet."
+
+[3] Waardoor een kunstenaar die macht heeft: zie daarover mijn opstel:
+_Over literaire kunst en Is. Querido's Studiën_, of, in dèzen bundel:
+Het Hist.-Materialisrne in de Lit. Critiek.
+
+[4] Alle cursiveering is van mij.
+
+[5] Cursiveering van dit woord: door den schrijver.
+
+[6] Cursiveering van den auteur.
+
+[7] Cursiveering van den auteur.
+
+[8] Cursiveering van den schrijver.
+
+[9] Dit laatste: het _schijnbare_ verdringen door _veredeling_, ziet men
+bijv. in die groote figuren, welke zich niet meer kunnen hechten aan
+personen, omdat: hun _menschen_liefde _gegroeid_ en _veredeld is_ tot
+_menschheids_liefde.
+
+De menschenliefde is dus in hen niet verdrongen en verlaagd, maar leeft
+integendeel gegroeid en veredeld in hen voort! Precies zooals het
+_kind_, dat wij vroeger waren, _gegroeid_ en, laten wij hopen,
+_veredeld_ is tot den _volwassen mensch_, die wij nu zijn.
+
+[10] Dat artikel is in dezen bundel niet opgenomen.
+
+[11] Alle cursiveeringen zijn van mij, tenzij het tegendeel wordt
+gezegd.
+
+[12] Niet in dezen bundel opgenomen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+INHOUD
+
+I. CRITISCH.
+
+BRIEVEN OVER LITERATUUR.
+
+ I. Frans Coenen, _Dickens en de Romantiek_
+ G.K. Chesterton, _Charles Dickens_
+ G.K. Chesterton, _Appreciations and criticisms of the Works of Charles Dickens_
+ Dickens in de Hollandsche en Engelsche Maandschriften van Februari 1912
+
+ II. Adriaan van Oordt, _Nagelaten Werk_
+ C. en M. Scharten-Antink, _De Vreemde Heerschers_
+ L. Couperus, _Antiek Toerisme_
+ Couperus in _Groot-Nederland_ van Maart 1912
+
+III. Jeanne Reyneke van Stuwe, _Naar het levend Model_,
+ _De kinderen van Huize ter Aar_
+ Anna van Gogh-Kaulbach, _Voor twee Levens_
+ Æ.W. Timmerman, _Leo en Gerda_
+
+ IV. Dr. Nahum Slousch, _La Poësie lyrique Hébraïque contemporaine_
+ Dr. Gustave Karpeles, _Heine-Reliquien _
+ Josef Cohen
+ Van Collem
+ J.I. de Haan
+ S. Bonn, _Een Bonte vlucht van verzen_
+ Is. Querido, _De Jordaan_
+ Else Jerusalem, _Het Roode Huis_, vertaald door Mevr.
+ S.J. Barentz-Schönberg
+ L. Simons, _Studies en Lezingen_
+ Vertalingen, behoorend bij "Brieven over Literatuur"
+
+
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK
+
+ I. Mevr. Henriette Roland Holst, Studies over Socialistische
+ Aesthetica; H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van
+ '80 in Holland
+
+ II. Mevr. Holst's Rousseau (Literair-critisch beschouwd)
+
+III. Mevr. Holst's Rousseau. (Beschouwing der critische
+ en psychologisch-biographische opvattingen)
+
+ IV. Conclusies
+
+ Vertalingen, behoorend bij "Het Historisch-Materialisme in de Lit.
+ Critiek"
+
+
+II. DIDACTISCH.
+
+ I. _Voorwoord_
+ II. _Hoe Literaire kunst gelezen en genoten moet worden_
+III. Over Multatuli en zijn _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_
+ IV. _De Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart_ van Wolff en Deken
+ V. Johan de Meester's _Geertje_
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***
+
+***** This file should be named 17077-8.txt or 17077-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17077/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/17077-8.zip b/17077-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..eb620cc
--- /dev/null
+++ b/17077-8.zip
Binary files differ
diff --git a/17077-h.zip b/17077-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..1e810de
--- /dev/null
+++ b/17077-h.zip
Binary files differ
diff --git a/17077-h/17077-h.htm b/17077-h/17077-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..8e9bc3b
--- /dev/null
+++ b/17077-h/17077-h.htm
@@ -0,0 +1,13532 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Over Literatuur, by M.H. Van Campen.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ p { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+ }
+ h1,h2 {color: #800000;}
+ hr { width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+ }
+
+ table {margin-left: auto; margin-right: auto;}
+
+ body{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ background: #FAEBD7;
+ }
+
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;}
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right; color: #808080;} /* page numbers */
+ .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em;
+ padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em;
+ float: right; clear: right; margin-top: 1em;
+ font-size: smaller; background: #eeeeee; border: dashed 1px;}
+
+ .bb {border-bottom: solid 2px;}
+ .bl {border-left: solid 2px;}
+ .bt {border-top: solid 2px;}
+ .br {border-right: solid 2px;}
+ .bbox {border: solid 2px;}
+
+ .center {text-align: center;}
+ .smcap {font-variant: small-caps;}
+ .u {text-decoration: underline;}
+ .table {text-align: left;}
+
+ .caption {font-weight: bold;}
+ .spat {letter-spacing: 0.50ex; font-style: normal;}
+
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+ .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top:
+ 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .footnotes {border: dashed 1px;}
+ .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+ .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+ .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Over literatuur
+ Critisch en didactisch
+
+Author: M.H. Van Campen
+
+Release Date: November 20, 2005 [EBook #17077]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+<h1>OVER LITERATUUR</h1>
+
+<h3>CRITISCH EN DIDACTISCH</h3>
+
+<h4>door</h4>
+
+<h2>M.H. VAN CAMPEN</h2>
+
+
+<h4>EERSTE BUNDEL</h4>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p><a href="#INHOUD">Inhoud</a></p>
+<h3>I. CRITISCH</h3>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>BRIEVEN OVER LITERATUUR</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p7" id="p7"></a>[p.7]</span></p>
+
+<h3>I.</h3>
+
+<div class="blockquot"><p>Sogar nun aber unter der kleinen Anzahl von Schriftstellern, die
+wirklich, ernstlich und zum voraus denken, sind wieder nur &auml;usserst
+wenige, welche &uuml;ber <i>die Dinge selbst</i> denken: die &uuml;brigen denken
+bloss &uuml;ber <i>B&uuml;cher</i>, &uuml;ber das von Andern Gesagte. Sie bed&uuml;rfen
+n&auml;mlich, um zu denken, der n&auml;hern und st&auml;rkern Anregung durch
+fremde, gegebene Gedanken.... Jene ersteren hingegen werden durch
+<i>die Dinge selbst</i> zum Denken angeregt.... Unter ihnen allein sind
+Die zu finden, welche bleiben und unsterblich werden.</p>
+
+<p><i>Schopenhauer</i>.</p>
+</div>
+
+
+<p>Gelijk alle menschen, die meenen behept te zijn met neiging tot
+zelfmoord (de heer Cornelis Veth had op te nadrukkelijke wijze haar
+aanwezigheid in mij aangetoond, dan dat ik hem niet zou geloofd hebben!)
+heb ik geruimen tijd met die allerluguberste id&eacute;e, welke een mensch kan
+hebben, rondgeloopen, ja, zat ik zelfs een pooze&mdash;ik vermoed in
+Werther-houdingen&mdash;met dezen Schopenhauer'schen dolk te spelen, v&oacute;&oacute;r ik
+hem mij in 't lichaam stootte. Maar nu het gebeurd is en ik niet dood
+ben&mdash;er zijn geen taaier wezens dan hollandsche literatoren&mdash;voel ik een
+ontspanning ingetreden, en onder het rustigjes verscheuren mijner
+gewaand-laatste beschikkingen, waaronder belangrijke literaire
+onthullingen, 'n chronique ... lit&eacute;raire&mdash;haha, dat gaat alweer uw neus
+voorbij, m'n waarde lezer!&mdash;ben ik toch wel een beetje aan de juistheid
+van des heeren Veth's <span class="pagenum"><a name="p8" id="p8"></a>[p.8]</span> observaties gaan twijfelen. Als het eens,
+overwoog ik, niet anders dan de verfijnde wreedheid ware, bij een
+d&eacute;cadent lettr&eacute; &egrave;n l'art-pour-l'art-man toch van rechtswege behoorend,
+welke&mdash;afschuwelijk tegendeel van den edelen moed der groote
+wetenschapshelden, die met twijfelachtige geneesmiddelen op eigen
+lichaam experimenteeren!&mdash;mij ertoe gebracht had, de scherpte van dit
+wapen op mij-zelf te beproeven, v&oacute;&oacute;r er mijne slachtoffers mee te
+kerven?... Maar ik griezelde van zooveel sadistische perversiteit en
+&mdash;bekeek mij eens in den spiegel. Nee, glimlachte ik met een oprechte
+zucht van verlichting, dat kan niet waar zijn, bij z&oacute;&oacute;'n gezicht!....
+Maar w&agrave;t was het dan?... En ik ... Doch de lezer gelieve hier wel te
+verstaan, dat ik niet uit louter zelfoverschatting mij hier te
+analyseeren zit, integendeel: een algemeen belang van de
+allergewichtigste soort, dat der toekomstige geslachten van literatoren,
+noopt mij ertoe, want: <i>indien</i> Schopenhauer gelijk heeft&mdash;en ik twijfel
+daaraan niet!&mdash;dan rust op ons allen, letterkundigen van dezen tijd, de
+dure plicht, teneinde het meerendeel onzer literaire naneven voor
+verhongeren te behoeden, zooveel mogelijk te schrijven, te schrijven, te
+schrijven en, voor zoover we 't niet anderen doen, ons zelf te
+bepiekeren&mdash;want &ograve;ns geschrijf over boeken, dat is een t&egrave; m&aacute;gere erfenis
+... dat zou worden een aftreksel van het aftreksel van thee!...&mdash;en de
+resultaten daarvan te <i>boekstaven</i>, v&oacute;&oacute;ral! E&eacute;ne behoorlijk uitgeplozen
+en gepubliceerde zelfmoord-neiging van mij wordt zoodoende voor mijn
+letterkundig kleinkind in het jaar 2000 een malsche beafstick; wellicht,
+o zalige gedachte, met een half fleschje wijn erbij en een Bockje na.
+Terwijl de gr&oacute;&oacute;te schrijvers van dezen tijd, o, d&agrave;t &igrave;s niet te zeggen
+... voorzeker zullen zij eens in het heerlijke bewustzijn kunnen
+sterven, dat aan hun "e&ecirc;lste deel" zich gedurende onafzienbare jaren
+meer duizenden "artiesten" zullen zat eten dan tientallen kannibalische
+bourgeois het hadden gedaan, wanneer zij waren geslacht&mdash;'t geen in de
+jaren '80-'90 menigeen, dunkt mij, graag hadde gewild&mdash;en pondsgewijze
+waren verkocht. En dus.... ga ik getroost <span class="pagenum"><a name="p9" id="p9"></a>[p.9]</span> verder: Ik vroeg me zelf
+af, zou het ook een soort amok-makerige baloorigheid kunnen zijn? En
+werkelijk, tenzij de scherpzinnige lezer, na lezing van dit opstel, een
+betere oplossing hebbe gevonden, acht ik deze de meest waarschijnlijke.
+Want <i>by Jove</i>, ik heb er alle reden toe. Maar hier beginne een nieuwe
+paragraaf. Dat is ordelijker.</p>
+
+<p>De heer Robbers heeft de betreurenswaardige gedachte gehad een
+uitstekend artikel in <i>Elzeviers' Maandschrift</i> te schrijven over Frans
+Coenen's <i>Charles Dickens en de Romantiek.</i> Betreurenswaardig: want waar
+blijf &igrave;k nou, m&egrave;t al mijn edelmoedigheid, die me reeds tot in de ziel
+verwarmde?! Toen ik namelijk het werkje des heeren Coenen gelezen en
+daaruit vernomen had, dat Dickens tot die "klassieken" behoort, "welke
+men kent en eert, doch maar weinig leest," toen dacht ik zoo bij me
+zelf: kijk nou eens aan, daar zit ik nou met verreweg het meerendeel
+mijner moderne mede-literatoren in glorie en rijkdom, onze boeken worden
+met wagenvrachten langs de straten gekrooien; elke maand ziet een nieuwe
+uitgaaf onzer werken; het volk verafgoodt ons&mdash;gelijk het Dickens deed
+in zijn tijd&mdash;; het dr&aacute;&aacute;gt ons, wij leven er&ugrave;it, wij leven
+erm&eacute;de&mdash;gelijk Dickens in zijn tijd&mdash;; het rukt onze werken uit de
+handen der boekverkoopers en loopt uren ver, om ons te l&eacute;zen, te
+l&eacute;zen&mdash;gelijk bij Dickens in zijn tijd&mdash;; daar zit ik nu, onder mijn
+medegelukkigen ... laat m&igrave;j dien armen klassieke, die bijna niet meer
+gelezen wordt&mdash;is zoo iemand niet als een rijkaard, die door een hevige
+kwaal niet van zijn rijkdom kan genieten?&mdash;eens een beetje in de hoogte
+werken, zooals ook Coenen, waarlijk met zooveel welwillendheid, heeft
+gedaan, &egrave;n laat mij 't doen naar aanleiding van di&egrave;ns werkje. Dan kan ik
+ook hem meteen de hulde brengen die hij verdient.... En ziedaar, daar
+sla ik <i>Elsevier</i> open, en daar hei je waarachtig dat artikel van
+Robbers....</p>
+
+<p>Maar k&ograve;m! Nu verveelt het mij en U verveelde het allang&mdash;weg nu met die
+verduivelde scherts&mdash;sarcasme <i>is</i> verduivelde scherts&mdash;en in ernst: de
+heer Robbers heeft, in <span class="pagenum"><a name="p10" id="p10"></a>[p.10]</span> zijn waarlijk uitstekend artikel, op zijn
+hoffelijke manier, den heer Coenen niet malsch te pakken genomen, 't Is
+waar, als Robbers schermt, dan schermt-ie met 'n dopje op z'n floret,
+maar wat doet 't ertoe: menigeen is een touche in een arena, midden
+duizenden toeschouwers, pijnlijker dan een snijdende, doorborende
+degenstoot op een afgelegen plek. En met al de hoogachting voor des
+heeren Coenens geacheveerd kunnen, zeg ik hier ronduit, dat het mij niet
+ongevallig zou zijn, indien hij tot die "menigeen" behoorde. Ziehier
+Robbers eersten stoot:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Somtijds meent men de beschouwing bij te wonen van een monumentaal
+beeldhouwwerk door een liefhebbend verzamelaar van fijn-artistieke
+bibelots, ziet men den snuffelaar om het reuzenwerk heensluipen,
+loupe in de hand, zijn opgetogenheid over d&eacute;tails, zoowel als zijn
+misprijzen&mdash;op delikaten schertstoon&mdash;van de brute ruwheid der
+hakkerij, uitende met overvloedig 'gebruik van nu eens wat nuffig,
+dan weer bedrukt, vaak vooral plagerig klinkende
+bevestigingswoordjes als: "waarlijk," "heusch," "inderdaad"....</p></div>
+
+<p>Tweede stoot: (Maar denk aan het dopje!)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Er zijn pagina's in dit boekje bij de afzonderlijke lectuur waarvan
+men zou kunnen meenen, dat de zeer ontwikkelde schrijver het werk
+van een ouderen, maar veel minder vergevorderden broer onder handen
+genomen had&mdash;zoo goedig beschermend of vriendschappelijk bespottend
+is daar de toon.</p></div>
+
+<p>Derde stoot:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Als bij vele in dit eerste gedeelte van Coenens boekje, met voor
+dezen schrijver ongewone stelligheid neergeschreven beweringen, zoo
+vraagt men zich ook hierbij af: hoe weet hij dat toch allemaal zoo
+precies? Hoe komt hij er eigenlijk aan? Statistische bevestiging
+ontbreekt ten eenenmale, en ik voor mij heb gansch andere
+informaties ontvangen. Ook nu nog bleek mij Dickens, althans in
+zijn eigen taal, tot de meest gezochte schrijvers te behooren. Het
+aantal edities, thans nog in den handel, van Copperfield en
+Pickwick, Christmas Carol en Chimes is legio, en engelsche
+uitgevers zijn onverdacht praktische menschen, zij bestendigen geen
+uitgaven, waar geen gang in zit. En wat betreft de meening dat de
+koopers dezer uitgaven vooral onder de "meer eenvoudigen van hart"
+&mdash;en dan ook zeker wel "kleineren van beurs"&mdash;moeten worden
+gezocht, vanwaar dan, vraag ik, al die, telkens opnieuw
+verschijnende, dure <span class="pagenum"><a name="p11" id="p11"></a>[p.11]</span> ge&iuml;llustreerde en luxe-edities, voor
+genoemde harten, en hun bijbehoorende beurzen, onbereikbaar? Mocht
+Coenen bedoelen dat de groote volksschrijver nu juist niet meer tot
+de lievelings-lectuur behoort van literaire fijnproevers, noch der
+heeren literatoren zelf, zoo geef ik hem gelijk, doch ziet, al
+ziet! welk een armzalig hoopje vertoont te midden van het lezende
+menschdom deze in anderen gedachtengang zoo kostbare rubriek!</p></div>
+
+<p>De ironie is dubbel en dwars verdiend....</p>
+
+<p>Kent gij, lezers, Maeterlinck's "L'Oiseau bleu"?.... Daar gaat een
+jongetje met zijn lief zusje op weg, den blauwen vogel te zoeken, "welks
+bezit noodzakelijk is voor ons geluk." Na veel omzwervingen komen zij
+ook in het domein van den nacht. De poort van een wondren, maanlichten
+sprookjestuin gaat voor hun verrukte oogen open. Ze juichen: Voedend
+zich met manestralen, zweven millioenen en millioenen blauwe vogels
+daar. De kinderen grijpen er zooveel ze maar grijpen kunnen. Maar zoodra
+ze naar buiten zijn getreden in den dag, blijken de wondere vogels
+gestorven. De onnoozelen wisten niet dat de ware blauwe vogel, die ook
+onder 't zonlicht leven kan, zich schuil hield, onvindbaar, onder de
+millioenen anderen.... O lezers, sterven ook zoo niet onze blauwe
+vogels&mdash;die van de m&eacute;&eacute;sten onzer, moderne kunstenaars&mdash;die we zagen
+zweven, die we hoorden zingen in den schemernacht onzer ziel, zoodra we
+hen, toch omkoesterd met duizend zorgen, naar buiten brengen, naar den
+dag der menschen-maatschappij, den dag van het volk. En wij zouden
+hooghartig doen tegen dien Groote, die elk huis een zanger schonk,
+onsterfelijk, een levend lied met vreugde doorklinkend de dagen en dat
+de zoete ontroering de hunkerende harten inzingt. O, als dan door welke
+onontkoombare samenloop van omstandigheden, door welke dorheid van
+innerlijk ook, of ongunst van den tijd, het ons niet vergund is te
+geven, laat ons dan ten minste ontvangen met overgave en innige
+dankbaarheid. Ook dat is iets, en zelfs v&eacute;&eacute;l....</p>
+
+<p>Doch Robbers laakt niet alleen, maar prijst ook:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>.... er zijn er ook, gelukkig, waarin op warme, uiterst gevoelige
+en zeer juist omschrijvende wijze schitterende schoonheden <span class="pagenum"><a name="p12" id="p12"></a>[p.12]</span>
+worden aangeduid in een ontzaglijk oeuvre, dat met eerbied wordt
+genoemd. En deze erkenningsvolle bladzijden, ze zijn op hun beurt
+door ons, hun lezers, ten zeerste te waardeeren.</p></div>
+
+<p>En later:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Overigens, het mag wel eens herhaald worden, hulde aan Frans Coenen
+voor zijn fijn opmerken en welsprekend aantoonen van zoovele
+schoonheden in dit oude werk. Een nuttig boekje daarom, het zijne.
+Want het is goed te leeren onderscheiden, en ook voor de literaire
+fijnproevers blijkt nog menige schat te vinden in deze, door hen
+althans, bijkans verlaten mijn.</p></div>
+
+<p>Dit artikel is ongetwijfeld een van de allerbeste kritieken, die Robbers
+ooit geschreven heeft. En nu: ik heb, niet zonder connaisseurigen
+glimlach de elegante bewegingen van Robber's floret beschouwend, zoo
+langzamerhand de overbodig geworden gevederde pijlen weggeworpen,
+waarmede ik, als een ongetwijfeld opzichtige held van Aimard zou hebben
+gestreden, en mij getooid&mdash;laat mij nu als een zeer kalm en bezadigd
+Hollander ook het mijne van Coenen's werk zeggen:</p>
+
+<p>Alle Schuld r&auml;cht sich auf Erde. De heer Coenen, die, indertijd
+Scharten's <i>Krachten der Toekomst</i> besprekend, het sterk in deze prees,
+dat hij een <i>keur</i> zijner kritieken had laten herdrukken en niet zooals
+anderen, "uit zelfoverschatting of onverschilligheid, die slechts op wat
+materieel voordeel belust is," alles gebundeld had&mdash;de heer Coenen werd
+thans door het wrekend Noodlot met dit &eacute;&eacute;ne uit zijne honderdtallen
+kritische opstellen naar de boekpers geduwd, en terwijl hij niets kwaads
+vermoedend, genoeglijk de bladzijden zich tot een boek zag stapelen,
+grijnsde het Noodlot achter zijn rug en over zijn hoofd heen tot ons,
+zijn recensenten: "Vraag hem nou ereis, of dat nu op minachting van al
+zijn ander kritisch werk berust en zoo ja, waarom hij dan zoo
+"onverschillig is," toch maar altijd door te blijven recenseeren&mdash;&ograve;f
+dat het berust op het bewustzijn, dat de namen al dier andere, door hem
+behandelde auteurs, niet zulke betrouwbare en olie-opzuigende
+"drijvertjes" zijn, als die van den "klassieken, slechts weinig meer
+gelezen wordenden" Dickens?"</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p13" id="p13"></a>[p.13]</span> Maar ik zou geen m&egrave;nsch moeten zijn, die altijd door het noodlot
+tot iets gedwongen wordt, om nu het mij iets verz&ograve;cht, dat niet l&egrave;kker
+te weigeren! Ik stel de vraag dus <i>niet</i>, doch alleen haar mogelijkheid,
+om even te laten gevoelen, dat het maken van <i>on</i>heusche gissingen
+alleen, door objectieve kritiek dient vermeden. Ik geloof: de vraag is
+malligheid. De heer Coenen heeft eenvoudig, zijn ander kritisch werk
+goed achtend, dit boek iets <i>beters</i> geacht. Maar hier mag dan toch weer
+de recensent te voorschijn treden en beweren dat dit een dwaling is: het
+tegendeel is het geval. Want die andere opstellen staan voor het
+meerendeel in levensgevoel niet beneden, vaak zelfs boven hun onderwerp.
+Dit is ver beneden het zijne. Tegenover the gentlemen who write, die
+Coenen zoo vaak behandelt, mag hij zoo glimlacherig-cynisch, zoo
+nemerig-en-geverig zijn als hij wil, op enkele uitzonderingen na staat
+hij tegenover gelijken, meest tegenover minderen.... Maar nu tegenover
+Dickens!... Gewaden en versierselen af, menschenkind, <i>als bij de
+Multatuliaansche Gnomen, </i> en hoe rouwiger uwe versierselen zijn des te
+eerder, want rouw past niet bij het kern-leven, bij het w&agrave;re, blijde
+leven.... Hij gaf zijn zi&egrave;l, hij heeft recht op de uwe.... En wat tot de
+ziel is geraakt, dat weifelt niet meer, dat is fel, dat is sterk.... Hij
+heeft recht op uw <i>ziels</i>weerzin, op uw <i>ziels</i>liefde.... De kleine
+afkeertjes en genegenheidjes van uw gevoelig verstand en uw verstandig
+gevoel zijn v&eacute;&eacute;l te klein voor hem.... Kunt gij met geen andere dan deze
+tot hem treden, om uws zelfs wil, ga dan <i>niet</i>.... En hiermede ben ik
+meteen tot mijn gewichtigste bedenking tegen 's heeren Coenens werk
+genaderd: dat het bij al zijn groote deugden en geringe fouten, twee
+enorme tekortkomingen heeft. Doch tekortkomingen zijn niet
+<i>ontleedbaar</i>, maar <i>meetbaar</i>. Straks beschik ik over den maatstaf,
+daartoe noodig. Nu eerst de deugden etc. Daar hebt ge dan onmiddellijk
+de voortreffelijke <i>Inleiding</i>, waarin de schrijver den kultuurstroom
+van middeleeuwen, renaissance en laat-renaissance volgend en ten slotte
+in het Engeland van het begin der negentiende eeuw belandend, historisch
+de Dickens-figuur, zijn wording en zijn tijd verklaart. <span class="pagenum"><a name="p14" id="p14"></a>[p.14]</span> In dat
+hoofdstuk treffen wij ook dat uitstekend-ontledend stukje over het wezen
+der "Weltschmerz" aan. Laat mij ronduit erkennen, dat ik tot dengeen,
+die zulk een gedegen, goed onderlegd en wijd-omvattend betoog kan
+schrijven, <i>zonder dat er klaarblijkelijk eenige andere geestelijke
+kracht in hem werkzaam is, dan zijn eigen doodgewoon, wetenschappelijk
+gevormd verstand</i>, jaloersch zit op te kijken, niet om de ten slotte
+weinig diepgaande historische kennis&mdash;daar is waarlijk makkelijk genoeg
+aan te komen&mdash;maar om de technische vaardigheid, de routine. Het
+"verraadt" namelijk den akademisch gevormde, in tegenstelling vooral met
+den autodidact; den <i>gedisciplineerden</i> geest, in tegenstelling met den
+<i>ongedisciplineerden</i>. En de voortreffelijkheid van dit stuk schijnt mij
+dan ook al evenzeer de buitengewone geschiktheid van den auteur voor het
+kalme analytisch betoog, als het wenschelijke eener wetenschappelijke
+opleiding voor den aanstaanden homme de lettres te bewijzen. Ik zou den
+<i>niet breeden</i>, maar <i>fijnen</i> psychologischen doorgronder en preciesen
+weergever, die Coenen is, onrecht doen, indien ik niet even het stukje
+aanhaalde, dat de historische beschouwing afsluit, over het Engeland,
+waarin Dickens leefde en beroemd werd:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Men kan het zich denken als een samenleving van brutale en
+opzichtige menschen, die zich druk en aanstellerig gedroegen, ook
+dwaasheden uithaalden, hun leven moedwillig vergooiden, het
+onmogelijkste aandurfden en soms schitterend slaagden, die met
+hartstochtelijken trots en hardheid hun medemenschen bejegenden,
+maar soms in eens omsloegen in het weekste meegevoel, die in 't
+algemeen de wereld door een vergrootglas beschouwden en het nuchter
+gewone niet verdroegen ... maar, desondanks en alles saamgenomen,
+toch zeer rustig en regelmatig leefden en arbeidden, als Britsche
+burgers, die carri&egrave;re willen maken en v&oacute;&oacute;r alles op godsdienst en
+fatsoen gesteld zijn.</p></div>
+
+<p>Ook in het tweede hoofdstuk <i>Dickens' Jeugd</i> zal de lezer dezelfde
+eigenschap te waardeeren hebben. En hierbij denk ik vooral aan den
+daarin geboden schets van Dickens als parlementair verslaggever. In het
+derde, <i>De Pickwickpapers</i>, vallen als voortreffelijke bladzijden op die
+over de romantiek <span class="pagenum"><a name="p15" id="p15"></a>[p.15]</span> met het diep begrip van wat haar oorsprong
+vooral in dien tijd was: Verlangen naar "zelfvergetelheid en
+eenheidsvoelen." Voorts dat stukje over de blague en den esprit, waarin
+deze in hun droge en hoogmoedige en vaak toch van zoo laag allooi zijnde
+verstandelijkheid worden vergeleken met Dickens' rijke, sappige,
+waarlijk comische geestigheid. Het vierde hoofdstuk <i>Dickens'
+Romanfiguren</i> bevat tal van goed-critische opmerkingen zooals de
+volgende:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zoo werden, als gezegd, ook Dickens' verhalen tot leerscholen van
+Goed en Kwaad en zijn helden en heldinnen meerendeels niet anders
+dan personificaties zijner zedelijke opvattingen. Men had de zeer
+Engelsche ondeugden van Zelfzucht, Hoogmoed en Huichelarij en de
+algemeene van Gierigheid, Haat, Nijd, Wankelmoedigheid,
+Lichtzinnigheid, enz. Men had ook hun contrasten, de Deugden van
+Toewijding, Zelfopoffering, Nederigheid, Eenvoud, Oprechtheid,
+Vroomheid en wat dies meer zij. Van de eene en van de andere heeft
+Dickens menschen gemaakt.</p></div>
+
+<p>Hoe hij dat laatste deed meent Coenen aldus te kunnen verklaren: hij
+bekleedde deze abstracties met "het uiterlijk&mdash;meest een z&eacute;&eacute;r goed
+geobserveerd en realistisch uiterlijk&mdash;van menschen." Deze verklaring
+acht ik ernaast en vooral eronder. Heeft wellicht de geschiedenis met
+Leigh Hunt hier Coenen tot generaliseeren verleid?</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Al deze personen blijven star onveranderd door het gansche boek
+heen, als antieke maskers, of wel zij veranderen naar de behoefte
+der intrige en zonder de minste waarschijnlijkheid plotseling
+geheel.</p></div>
+
+<p>Deze opmerking is weliswaar niet nieuw, zij komt reeds voor in....
+Straks! Maar aan de zegging merkt men onmiddellijk, dat Coenen onbewust
+van haar bestaan elders, het zelf heeft gezien. Maar wat we vooral in
+dit hoofdstuk te waardeeren hebben is die ook door Robbers aangehaalde
+passage, waarin "deze snuffelaar-met-'n-loupe" zoo krachtig en
+ruim-geestelijk uit den hoek komt en het opneemt voor de groot-epische
+vertellers als "Balzac en Dickens" tegen degenen, die hen verwijten, dat
+zij niet nauwgezet hun taal verzorgd hebben. In het hoofdstuk <i>Dickens'
+Ontwikkeling en latere Romans</i> is vooral interessant het aangeven der
+tegenstelling <span class="pagenum"><a name="p16" id="p16"></a>[p.16]</span> tusschen de kunst der Naturalisten en de
+fantasievolle van Dickens; ook dat stuk over het "romantische gevoel" in
+Dickens, waarbij de lezer zich niet weerhouden kan smakelijk te
+glimlachen over het verschil tusschen deze en Coenens droge nuchterheid.
+Maar om van op te springen is, tusschen al dat vlakke en
+precies-voorzichtige, deze onbewust enthousiaste uiting:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Dit is Dickens' romantiek, die hij voor ons zoo <i>realistisch </i> waar
+maakt, dat wij kunnen meenen, hetzelfde eiken dag te zien gebeuren.
+Ik weet geen anderen schrijver, die dit zoo sterk heeft gekund en
+bewezen, dat voor het Realisme de realiteit zelve volkomen ontbeerd
+kan worden, dat het al verbeeldings-werk is, hetzij men vertelt van
+de fee&euml;nwereld of van de Londensche straat.</p></div>
+
+<p>Als men hieruit niets anders dan de zeer gewettigde en voor de hand
+liggende consequenties trekt, bemerkt men, dat Coenen eigenlijk niets
+meer of minder zegt,&mdash;in strijd met andere zijner uitingen&mdash;dan dat
+Dickens de grootste menschenschepper, de grootste werkelijkheidsmaker
+ter wereld is! Vooral als men deze regels in verband brengt met zijn
+meening, dat (blz. 86) het ontbreken der objektieve werkelijkheid er ten
+slotte niets op aankomt. Het laatste hoofdstuk behandelt <i>Dickens'
+Beteekenis voor ons</i>. Zien wij af van het feit, dat wij nu niet bepaald
+d&aacute;&aacute;rover wenschen voorgelicht te worden door iemand, die geheel ten
+onrechte meent, dat Dickens slechts weinig meer door ontwikkelden
+gelezen wordt, dan brengen ons zoowel de zeer mooie wijsgeerig-
+psychologische beschouwing over het zich aanpassen van het
+kind, terwijl het opgroeit, aan de omringende wereld en over zijn
+geheelen ontwikkelingsgang wier eindpunt slechts de allergrootsten
+bereiken: dat hun Ik de wereld omsluit&mdash;als het verheerlijkende
+slotwoord, den wensch naar de lippen, dat het gevoel van den schrijver
+instede van bij het einde, reeds aan het begin van zijn werk op dit
+hoogtepunt gestaan hadde. Zijn boek zou er voornamer karakter door
+verkregen hebben. En hier raken wij wat ik de twee enorme tekortkomingen
+van dit werk noemde. Maar tevens herinner ik mij net bijtijds, dat een
+<i>overzicht</i>-schrijver vooral anderen aan het woord <span class="pagenum"><a name="p17" id="p17"></a>[p.17]</span> moet laten, wat
+hij zeker uitstekend vindt, indien hij zijn meening door dien ander zoo
+voortreffelijk vindt ge&iuml;llustreerd: In de Fortnightly Review van 1
+dezer<a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a> vond ik een stemmingsvol, mijmerend-wijsgeerig opstel van John
+Galsworthy: <i>Vague Thoughts on Art</i>. Ik moet U de lezing ten sterkste
+aanraden. De schrijver ligt op een zomerland, het zonnige leven van
+hemel, bloemen en dieren over hem, om hem, te peinzen. Gedachten en
+natuurbeschouwing wisselen elkaar nu telkens af, dringen in elkaar,
+steunen elkander. Voor mijn doel kan deze kleine aanhaling uit het
+wijsgeerig deel volstaan.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Art is that imaginative expression of human energy which through
+technical concretion of feeling and perception, tends to reconcile
+the individual with the universal, by exciting in him impersonal
+emotion.</p></div>
+
+<p>Maar dan: wat is "impersonal emotion"? En ziehier het antwoord:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>If I stand before it (voor een voorwerp) vibrating at sight of its
+colour and form, if ever so little and for ever so short a time,
+unhaunted by any definite practical thought or impulse&mdash;to that
+extent and for that moment it has stolen me away out of myself and
+put itself there instead, has linked me to the universal by making
+me forget the individual in me....</p></div>
+
+<p>En de kracht, om dit te kunnen teweeg brengen, d&eacute;ze is het nu juist,
+welke het werkje van den heer Coenen ontbreekt. Geen oogenblik wordt de
+lezer aan zich-zelf ontrukt, b&oacute;ven zich-zelf opgeheven. De heer Coenen
+kan dit den lezer niet doen, omdat Dickens het den heer Coenen niet
+heeft gedaan. Zijn boekje is&mdash;eerste tekortkoming&mdash;<i>geen kunst</i>,
+en&mdash;tweede tekortkoming&mdash;mist alle <i>overgave</i>, alle <i>enthousiasme</i>. Het
+is: een voortreffelijk betoog van een geleerd, distinctievol en
+buitengewoon literair-ontwikkeld docent. Maar zulke betoogen mogen
+uitstekend zijn, om chemie of welke wetenschap ge maar wilt te doen
+begrijpen, tot het vertolken van het hooger gevoelsbegrip van <i>kunst</i>
+zijn zij waardeloos. <span class="pagenum"><a name="p18" id="p18"></a>[p.18]</span> Want evenals diamant slechts door diamant
+z&oacute;&oacute; gepolijst kan worden, dat zij een open, schitterend zonnetje wordt,
+zoo kan kunst slechts door kunst verklaard worden. Schrijf
+twintigduizend betoogende woorden en, zoo ge 't 'n beetje populair doet
+hebt ge alle kans dat de lezer U een genotlijk, een hoog te waardeeren
+schrijver zal vinden, maar&mdash;onderzoek eens wat hij heeft gewonnen door
+die lectuur.... Gij werktet met uw verstand en uw verstandelijk gevoel,
+en beiden hebben ook bij hem geprofiteerd: zij hebben wat feitenkennis
+en waardeerinkjes opgedaan, die hun gelukkigen bezitter allicht in de
+conversatie te pas zullen komen, maar diens <i>ziel</i>?... Doch schrijf nu,
+geen twintig duizend woorden, maar slechts &eacute;&eacute;n zin, waarin uw innigst
+doorvoelen van een auteur tot kunst gevonden is, en ziedaar: een <i>licht</i>
+springt uit uw ziel in die van uw lezer over. Zij wordt <i>ontroerd</i>,
+d.w.z. zij is door &ugrave; <i>gegroeid</i>.... Zulk een schrijver is G.K.
+Chesterton: een groot <i>kunstenaar</i>, die met <i>liefde</i> en overgave over
+een grootere schrijft.</p>
+
+<p>Hij heeft, voor zoover ik weet, twee boeken over Dickens geschreven; het
+eerste: <i>Charles Dickens</i>, waarvan juist weder een nieuwe druk
+verschenen is, kan 't best ons tot het doel dienen, waarvan ik hierboven
+sprak: de maatstaf te zijn, om Coenens' tekortkomingen te meten, wijl
+het de <i>geheele</i> Dickens-figuur behandelt; het tweede: <i>Appreciations
+and Critisisms of the Works of Ch. Dickens</i> is&mdash;precies wat de titel het
+zegt te zijn. Ik zal alleen het eerste bespreken en wat het tweede
+betreft mij er toe beperken, u de lezing <i>ten zeerste</i> aan te bevelen.
+Maar ge moet wel weten, lezer, dat ik mij op zeer pijnlijke wijze bewust
+ben, dezen grooten kunstenaar-kritikus, ook met die bespreking, in dit
+kort bestek, geen recht te kunnen doen: bij elk citaat, ik weet het, zal
+ik een zeer werkelijk smartgevoel hebben, omdat ik weer een andere
+schoone zegging, neen, tientallen andere zal zien opblinken, die ik u
+niet kan toonen. <i>Gij moet dit goedmaken voor mij, mijn beste lezer, gij
+moet, door die prachtwerken te lezen, zorgen, dat mijn tekortschieten
+althans geen</i> <span class="pagenum"><a name="p19" id="p19"></a>[p.19]</span> <i>slechte gevolgen heeft: dat gij die heerlijke
+aandoeningen niet mist, die ik heb ondergaan</i>.</p>
+
+<p>Het onderscheid dan tusschen Coenen en Chesterton ligt vooral in het
+feit, dat&mdash;afgezien ervan, dat het denken van den laatste zich op een
+veel hooger plan beweegt dan dat van den eerste&mdash;het denken van den
+Hollandschen criticus <i>denken blijft</i> en dat van den Engelschen bijna
+overal zich <i>plastisch ver-beeldt</i>, d.i. <i>kunst</i> wordt. Ziehier eerst
+&eacute;&eacute;n voorbeeld van Chesterton's metaforische macht, en vervolgens eenige
+vergelijkingen tusschen de beide schrijvers. Ver-beelding eener
+wijsgeerige gedachte bij Chesterton:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>For religion all men are equal, as all pennies are equal, because
+the only value in any of them is that they bear the image of the
+king.</p></div>
+
+<p>En laat ons nu eens vergelijken. Lees Coenen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>(Dickens had als kind, de) instinktieve zekerheid, dat met goeden
+wil en eenig nuchter beleid het leven nog wel iets beters kon
+opleveren dan hun (zijn ouders) ten deel gevallen was.... Toen
+<i>viel de slag</i> van het bankroet, werd vader Dickens in de
+Marshalsea gegijzeld en de jonge Charles in de schoensmeerfabriek
+aan het werk gezet, om zijn eigen kost te verdienen. Het was in
+zijn tiende jaar.</p></div>
+
+<p>En nu Chesterton:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>He longed to go to school (a strange wish) to go to college, to
+make a name, nor did he merely aspire to these things; the great
+number of them he also expected. He regarded himself as a child of
+good position just about to enter on a life of good luck. He
+thought his home and family a very good spring-board or jumping-off
+place from which to fling himself to the positions which he desired
+to reach. And almost as he was about to spring <i>the whole structure
+broke under him and he and all that belonged to him disappeared
+into a darkness far below</i>.</p></div>
+
+<p>D&agrave;t is <i>beelden</i>. Dat is <i>innerlijk zien</i>.&mdash;Beide auteurs vinden het
+tweede deel van Pickwick oneindig beter dan het eerste. Coenen zegt dit,
+ongetwijfeld zeer gevoelig, aldus:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Dickens, de handige journalist, heeft plaats gemaakt voor den
+kunstenaar, wien alleen het leven interesseert en den gegriefden
+mensch, die een van de schoonste idealen der menschheid, de
+gerechtigheid, ziet verwrongen en bedorven.</p></div>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p20" id="p20"></a>[p.20]</span> Chesterton voelt 't even diep, m&aacute;&aacute;r <i>ver-beeldt</i> tevens zijn diep
+gevoel:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Dickens went into the Pickwick Club to scoff, and Dickens remained
+to pray.</p></div>
+
+<p>Hoor beiden over Dickens' fabelachtige populariteit. Coenen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Al die duizenden lezers voelden blijkbaar de verbeeldingswereld van
+den schrijver evenzeer als de hunne, en zich gerechtigd mee te
+beslissen over het lot der boekpersonen, omdat die schepsels nu ook
+voor hen zoo levend en eigen waren, als verwanten en vrienden, wie
+men geenszins onverschillig aan kan zien.</p></div>
+
+<p>Dit is een mededeeling van feiten, die we allen kennen, met een te
+waardeeren psychologische verklaring, die ook wij-zelf ons konden geven
+of hebben gegeven. Maar hoeveel wijder, hoeveel dieper is de
+psychologie, hoe wordt ons door de treffende zegging de geest dier dagen
+open-geweerlicht in dit:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>The modern "Shocker" at its very best is an <i>interlude in life.</i>
+But in the days when Dickens' work was coming out in serial, people
+talked <i>as if real life were itself the interlude between one issue
+of "Pickwick" and another</i>.</p></div>
+
+<p>Luister naar beiden als ze 't over den huiselijken haard in de
+<i>Christmas-Tales</i> hebben:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Er zijn zoo gansche gedeelten in Dickens' boeken, die men als
+doorgloeid gevoelt van het roode haard-vuur, dat voor de Engelschen
+het gansche familiale leven schijnt te symboliseeren in veilige
+rust en warmte en waar men de punch en het versche groen van
+hulsttakken ruikt.</p></div>
+
+<p>En droomt ge u comfortabel weg in de <i>zeer geslaagde</i> stemmingsweergave
+van den Hollander, ge wordt weer klaar wakker en wrijft u genoeglijk in
+de handen bij de raakheid en geestigheid van den Engelschman:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>... his Christmas sentiment. It has cosiness, <i>that is the comfort
+that depends upon a discomfort surrounding it</i>. It has a sympathy
+with the poor, and especially with the entravagance of the poor;
+with what may be called the temporary wealth of the poor. It has
+the sentiment of the hearth, that is <i>the sentiment of the open
+fire being the red heart of the room</i>. That open fire is the
+veritable flame of England, <i>still kept burning in the midst of a
+mean civilisation of stoves</i>.</p></div>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p21" id="p21"></a>[p.21]</span> De typische uitbeelding door Dickens van den <i>fog</i>, door Coenen
+als "tegelijk grappig en eventjes beeldend" gewaardeerd, geeft
+Chesterton aanleiding tot deze m.i. <i>allerprachtigste</i> fantasie:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>... But, considered poetically, fog is not undeserving, it has a
+real significance. We have in our great cities abolished the clean
+and sane darkness of the country. <i>We have outlawed night and sent
+her wandering in wild meadows; we have lit eternal watchfires
+against her return</i>. We have made a new cosmos, and as a
+consequence our own sun and stars. And as a consequence also, and
+most justly, we have made our own darkness. <i>Just as every lamp is
+a warm human moon, so every fog is a rich human nightfall.</i> If it
+were not for this mystic accident we should never see darkness, and
+he who has never seen darkness has never seen the sun.</p></div>
+
+<p>Zal ik nu nog verder beide schrijvers vergelijken? Neen, schoon ik
+materiaal in overvloed heb. Zet gij, lezer, mijn werk voort door ze
+<i>beiden te lezen</i>. Doch tegen al diegenen, waaronder ook Coenen, die
+beweren, dat Dickens' werken weinig of niets met de weergave van het
+werkelijke leven hebben te maken, wil ik nog Chesterton's geniale woord
+hier laten klinken: (En ook Robbers, men leze zijn artikel, heeft deze
+waarheid gevoeld.)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>This life of grey studies and half tones, the absence of which you
+regret in Dickens, is only life as it is looked at. This life of
+heroes and villains is life <i>as it is lived</i>. The life a man knows
+best is exactly the life he finds most full of fierce certainties
+and battles between good and ill&mdash;<i>his own</i>. O yes, the life we do
+not care about may easily be a psychological comedy. Other people's
+lives may easily be human documents. But a man's own life is always
+a melodrama.</p></div>
+
+<p>Ten slotte: ik ben niet blind voor Chesterton's voorliefde voor het
+paradoxale &ograve;m het paradoxale, de geestigheid &ograve;m de geestigheid; ik voel
+wel heel duidelijk de aanwezigheid bijwijlen van het onweerhouden
+boordevolle en overloopende, zelfs van het opdringerige. Hierin staat
+hij ver onder Coenen, die van willen-behagen en praallust even ver
+verwijderd is als een nachtuil van zonnedienst. Maar men zou jegens
+beiden onrechtvaardig zijn, indien men in Chesterton's gezelschap,
+<span class="pagenum"><a name="p22" id="p22"></a>[p.22]</span> zich niet het <i>il a les d&eacute;fauts de ses qualit&eacute;s</i> te binnen bracht,
+en achter Coenen's rug zich niet een bescheiden maar veelbeteekenend
+knipoogje veroorloofde tegen het beroemde meisje, dat zoo deugdzaam was
+omdat ze zoo leelijk was.... Wie deze uiting jegens den voortreffelijken
+kunstenaar Coenen, dien ook ik hoogacht en waardeer, oneerbiedig mocht
+vinden&mdash;hij vergeet dat ik het alibi van.... den <i>kunstenaar</i> Coenen
+bewezen heb en hem dus niet oneerbiedig heb <i>kunnen</i> bejegenen: hij was
+niet aanwezig in dit boekje. Ik ontmoette er alleen den
+<i>kunstgevoelige</i>....</p>
+
+<p>Als tijdschriften, die zeer lezenswaardige Dickens-bijdragen hebben,
+noem ik de <i>Nineteenth Century</i> met <i>Charles Dickens</i> by Darrell Figgis;
+<i>Elsevier's Maandschrift</i>, waarin, nevens het reeds behandelde
+Robbers-opstel, Cornelis Veth in een artikel <i>De oudste prenten voor
+Dickens</i> gelegenheid vindt de aardige opmerking te plaatsen, dat Dickens
+van lijfstraffelijke rechtspleging hield en zijn schurken liefst door de
+hand van een voormalig slachtoffer liet afrossen, en dat wel op een
+wijze, waar een ongezochte symboliek in stak:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zoo krijgt Uriah Heep op die authentieke, kleffe, knokige en op den
+koop toe lange vingers.... de femelaar Pecksniff, geveld door den
+man, dien hij in zijn zak dacht te hebben, bezeert zich ferm aan
+denzelfden schijnheiligen en arglistigen kop, waarin hij zooveel
+kwaads uitbroedde.... enz.</p></div>
+
+<p>Dezelfde vangt in <i>De Ploeg</i> een rijk ge&iuml;llustreerd artikel over
+<i>Dickens en zijn voornaamste illustratoren</i> aan, dat in Maart vervolgd
+zal worden.&mdash;Verder laat ik, trots alle beloften, dezen keer de mij ter
+hand gekomen tijdschriften, voor zoover ze geen Dickens-bijdragen
+hebben, onbesproken uit&mdash;collegiale &eacute;gards: naast een Onsterfelijke
+schijnen de levenden dood....&mdash;</p>
+
+<p>19 Febr. 1912.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>BRIEVEN OVER LITERATUUR</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p23" id="p23"></a>[p.23]</span></p>
+
+<h3>II.</h3>
+
+
+<p>Over het algemeen lijkt het mij geen symptoom van zielsrijkdom en
+geestelijke aristokratie, genoodzaakt te zijn, zich van eigen tijd af te
+wenden, om heul en troost en inspiratie bij de verleden eeuwen te gaan
+zoeken, of in den vreemde pogen te winnen, wat het vaderland geweigerd
+heeft. Het volk weet wel wat het zegt, als 't beweert, dat de rijkdom
+het zich overal behaaglijk maken kan, al zegt het hiermede toch
+tegelijkertijd iets m&eacute;&eacute;r dan het weet, want zou het wel vermoed hebben,
+dat die waarheid vooral waarheid is in de sfeer van den geest?.... Ik
+herinner mij uit een vroegere incarnatie, toen ik hard bezig was, mij
+door het lezen van <i>shilling-shockers</i> voor te bereiden op het ambt van
+literair criticus, dat ik nu bekleed&mdash;en zoo ge deze opleiding ietwat
+vreemd mocht vinden lezer, laat mij u dan zeggen: er voeren vreemder
+wegen naar dit Rome, dat langs alle wegen te bereiken is! Levendig
+schiet het mij te binnen, hoe sommige mijner huidige collega's, bij
+wijze van college-loopen, dienst namen bij de toenmalige stadsreiniging;
+weer anderen geloofden nimmer hun hoog doel te zullen bereiken, zoo ze
+zich niet den heelen dag oefenden in scheelkijken, en n&ograve;g anderen
+hovelingen werden, om de in ons "vak" zoo noodzakelijke hoofsche vormen
+te leeren. H&egrave;t verwonderlijke is mijns inziens dan ook niet, dat we
+allen <span class="pagenum"><a name="p24" id="p24"></a>[p.24]</span> trots die zeer ver uiteenloopende opleidingen toch tenslotte
+vaklui zijn geworden, ofschoon dit weliswaar bij geen enkel ander m&eacute;tier
+mogelijk zou zijn geweest, maar het verwonderlijke is, dat ge nu, na
+zoovele eeuwen, bij den een nog altijd iets van de stadsreiniging, bij
+den ander van het scheelkijken, en bij een derde eene waarlijk de
+broekspijpen uitloopende hoffelijkheid terug vindt.... Ja, den hemel zij
+dank: er gaat dan ook niets in 't heelal verloren!&mdash;nu, ik herinner mij
+dan uit zoo'n shilling-shocker, dat Westerlingen een pyramide bezoeken
+en een van 't gezelschap&mdash;het zal wel zoo'n magere, brutale miss zijn
+geweest&mdash;in een onbewaakt oogenblik een verschrompelde lotusbloem uit
+het borstfiligrain eener vorstelijke mummie trekt. Thuis gekomen krijgt
+zij den zonderlingen inval eenige druppelen water op de vierduizendjarige
+bloem te sprenkelen, en, mystisch wonder! waarvan zij-zelf griezelt en
+huivert, de bloem l&eacute;&eacute;ft, straalt op, bloeit op, met al haar kleuren en
+geuren.... Mijn lieve lezer, gij en ik, hebben wij niet zoovele
+kunstenaars de lotusbloemen van de schemerend-blinkende borsten der in
+hun koningsgraven verzonken Eeuwen zien rukken, hebben wij de
+verschrompelden niet weder zien opleven onder den dauw van hun talent,
+en vonden we dat niet een wonder, een mystisch wonder, tot&mdash;ik mij met
+een huivering tot u wendde en zei: "Maar vindt ge 't &oacute;&oacute;k niet een ietwat
+griezelig wonder?" ... O vreemde bloemen, die de zon mijner dagen niet
+heeft doen bloeien, o, geuren aan een anderen tijd, een ander geslacht
+ontstolen, bloemen en geuren, waar ik geen recht op heb, ik wensch u
+niet, gij zijt mij niet lief als de bloemen mijner aarde, mijner zon,
+als de geuren mijner jaren. Mij levende behaagt het met door volte
+weerstreefde, streelende en plukkende handen te wandelen in l&eacute;venden
+bloementuin....</p>
+
+<p>Ook herinner ik mij&mdash;en ach, lezer, ik ben zeer loszinnig vanavond: als
+mijn ... woorden u wat verstrooid voor de voeten komen rollen, rijg gij
+ze dan, bid ik u, aan het zilversnoer van uw vernuft.... Rijgt men dan
+<i>woorden</i> aan een <i>zilversnoer</i>? Ja zeker, als de bescheidenheid&mdash;gelijk
+hier&mdash;<span class="pagenum"><a name="p25" id="p25"></a>[p.25]</span> en nog eenige van die maatschappelijke deugden het gebieden,
+is dat geoorloofd. Zij geven absolutie voor &egrave;lke kromspraak en voor vele
+onwaarheden&mdash;ik herinner mij dus, en ditmaal uit d&eacute;ze incarnatie, een
+zoogenaamden <i>Polk</i>, die, als hij in Antwerpen te bekend geworden was,
+ging bedelen in Amsterdam en, als men hem daar weer te goed kende, ging
+bedelen in Berlijn.... En ik herinner mij dat n&uacute;, omdat ik geloof, dat
+een schrijver, die bij den genius van een vreemd land om gaven bedelt,
+dat doet, omdat de genius van zijn vaderland hem te goed kent om hem
+geschenken waardig te keuren en dat die genius van dat vreemde land, &agrave;ls
+hij wat geeft, dan heel &ograve;n-halfgoddelijk er ... in loopt!</p>
+
+<p>Want, lezer, dat hoog gebaar van verlangen naar de middeleeuwen, dat
+zich afwenden van eigen tijd, dat is <i>niet</i> voornaam, en dat trekken van
+het eene land naar 't andere, nog eens: dat doe je niet uit weelde. Als
+gij tegenover een "afzichtelijken" bedelaar staat en ge rilt terug, denk
+dan niet, dat ge voornaam zijt, maar als ge zijn "afzichtelijk" wezen
+zoo diep begrijpt en doorvoelt, dat ge hem kunt naderen met liefde&mdash;dan
+moogt ge denken, dat ge voornaam zijt! Want afkeer en weerzin en
+leelijk-vinden zijn het deel van de geringen-van-geest en
+liefdevol-begrijpen en schoon-vinden het deel der voornamen. En zoo ook:
+als ge telkens nieuwe prikkels noodig hebt, om de macht tot
+schoonheid-doorvoelen en schoonheid-scheppen in u op te wekken, dan zijt
+gij betrekkelijk arm, en zoo ge die niet behoeft, weet dan, dat ge
+betrekkelijk rijk zijt.... Maar hier verdriet mij mijn wankele gang,
+allicht, dat de aanblik der voorbijglijdende mijlpalen mijner
+paragrafen,<a name="FNanchor_2_2" id="FNanchor_2_2"></a><a href="#Footnote_2_2" class="fnanchor">[2]</a> mij wat sterker en veerkrachtiger maakt.</p>
+
+<p class="sidenote">VAN OORDT: NAGELATEN WERK</p>
+
+<p>Adriaan van Oordt was een groot en een rijk kunstenaar en&mdash;ik mag dit
+van een doode immers wel zeggen:&mdash;ge hadt zijn gelaat slechts behoeven
+aan te zien, om te weten, <span class="pagenum"><a name="p26" id="p26"></a>[p.26]</span> dat hij ook een groot m&egrave;nsch was. Als
+een man met zulk een gelaat in den kring van ons, gewone menschen,
+treedt, dan valt er eene schuchterheid over ons en aarzelen even onze
+sprekende stemmen, ja, het is alsof ons aller woorden, die op het punt
+stonden elkander in vroolijk-drukke en familiare begroeting te
+ontmoeten, haastig van weerszijden terug wijken, om een open ruimte van
+eerbied te vormen. Want zijn gelaat had die uiterste zachtmoedigheid,
+die <i>dreigend</i> is, dreigend, omdat zij ontwapent en weerloos maakt,
+dreigend ook, omdat ge voelt, dat, indien ge langer naar dit gelaat
+staart, uw zelfbewustzijn, dat onweerhoudbaar aan vergelijkende studie
+verslaafd is, u leelijke dingen zal toefluisteren over&mdash;u-zelf. Het was
+ongetwijfeld geniaal, dat wil zeggen hoogst-natuurlijk, gezien van de
+Natuur, dien man een gelaat te geven, dat bijna uitsluitend zijn hoogste
+zielsessentie uitte, want, hadde zij dit niet gedaan, het werk van haar
+schepsel zou heer werk beschaamd hebben: Van Oordt's arbeid is overal
+<i>kunst</i>, dat is: weerspiegeling en uiting van het Onbewuste, goddelijk
+tronend in de zielsdiepten. En dit <i>Nagelaten Werk,</i> dat nu voor mij
+ligt, is er een nieuw, een laatst, een diep ontroerend en volkomen
+zuiver getuigenis van: "En dit alles, niettegenstaande hij bijna
+uitsluitend historische kunst geschapen heeft?" vraagt gij mij
+hier.&mdash;Ja, niettegenstaande dat feit was Van Oordt een groot en een rijk
+kunstenaar. En ik zal u de schijnbare tegenspraak in mijn beweringen
+ophelderen. Maar rust even: ziehier een nieuwe mijlpaal.</p>
+
+<p>In een hoogst lezenswaardig, met liefdevolle en eerbiedige overgave
+geschreven opstel zegt de <i>Gids</i>-criticus, de heer Scharten, dat de heer
+Van Oordt een <i>middeleeuwsche ziel</i> had en dat een, in het <i>Nagelaten
+Werk</i> opgenomen, stuk als <i>Een Pleiziervaart</i>, dat fijntjes humoristisch
+het hoekig-linksche van een tusschen hedendaagsche Zondagsgangers
+verzeild, na&iuml;ef kunstenaar in 't ootje neemt, wel eene zijde van Van
+Oordt's kunst blootlegt, die we nog niet kenden, maar dat de
+aanwezigheid daarvan ons toch niet kan bekeeren van de meening, dat zulk
+een stuk, bij langer leven van den <span class="pagenum"><a name="p27" id="p27"></a>[p.27]</span> schrijver uitzondering zou
+gebleven zijn en historische kunst hoofdzaak. En zoo oppervlakkig
+beschouwd, schijnen de in dezen bundel opgenomen stukken <i>Roman-Begin</i>
+en <i>Fragment uit Floris de Zwarte</i> dezen beoordeelaar gelijk te geven.
+Maar ook niet anders dan <i>oppervlakkig beschouwd</i>. Want zoo 't mij
+geoorloofd zij&mdash;en hier wensch ik u de beloofde opheldering te
+geven&mdash;tegenover de eene hypothese een andere te stellen: ik geloof niet
+dat Van Oordt's neiging tot de middeleeuwen voortsproot uit het
+middeleeuwsche&mdash;en dat zou, volgens mij, zijn: het voor indrukken van
+zijn eigen tijd minder ontvankelijke en dus ongetwijfeld bekrompene
+&mdash;zijner ziel; ik geloof, dat zij voortkwam uit zijn, helaas, behept
+zijn met een uiterst broos en ziekelijk lichaam: daardoor verhinderd het
+hedendaagsche leven in heel zijn stormigheid te ondergaan&mdash;gelijk wel,
+al ware 't alleen uit plichtsgevoel, een edelen geest als de zijne, het
+heerlijkst denkbare moet hebben toegeschenen&mdash;; d&aacute;&aacute;rdoor verhinderd het
+leven der gezonden mede te leven, deel te hebben in hun hopen en
+vreezen, hunne vervoeringen en neerslachtigheden, hun uitbundigheid en
+zelf-inkeer, wendde hij zich tot eene voorbijgegane wereld, die door de
+zachte fluisterstemmen der boeken tot hem kon spreken in zijner
+werkkamer omveiliging, gelijk zijn zwakke lichaam die behoefde. Want&mdash;en
+moge dit mijne beweringen ondersteunen:&mdash;<i>een vurig sociaal-demokraat
+als Van Oordt was</i>, kan zeer wel een universeel-aangelegden geest
+bezitten, waardoor hij zoowel de ekonomische noodzakelijkheid en
+geestelijke schoonheid der sociaal-demokratie als de schoone
+noodwendigheid der middeleeuwen doorvoelt, maar zulk een <i>vurig
+sociaal-demokraat</i> kan <i>onmogelijk</i> een geest bezitten, die hem zich
+precieuslijk doet afwenden van de rumoerende en zweetende en zwoegende
+hedendaagsche maatschappij, om in eenzaamheid de fantomen van een
+begraven verleden te evoqueeren, <i>dat aan sociale rechtvaardigheid niet
+rijker was</i>. Neen! Ware hem door een zekere bekrompenheid van geest de
+schoonheid en het beteekenisvolle van het huidige leven gesloten en
+ondoorvoelbaar gebleven, ik zoude hem geen groot en rijk kunstenaar
+<span class="pagenum"><a name="p28" id="p28"></a>[p.28]</span> hebben geacht, maar juist omdat het, mijns inziens, slechts de
+bijkomstige omstandigheid zijner zwakke lichaamsgesteldheid was, die hem
+verhinderde dat leven te ondergaan en te herscheppen, d&aacute;&aacute;rom noem ik hem
+een rijke en groote. Toch&mdash;laat ons dezen edelen afgestorvene eeren door
+oprecht te zijn&mdash;niet all&eacute;&eacute;n zijn ziekte, maar ook het bewustzijn, dat
+hij in slechts geringe mate de gave van dialogiseeren bezat, heeft er
+wellicht toe bijgedragen hem met des te meer vreugde een kunstsoort te
+doen beoefenen, die deze gave niet zoozeer vereischt, als de het
+hedendaagsche leven beeldende naturalistische romankunst dat doet. Want
+ik mag mij niet weerhouden te zeggen, dat even sterk als zijn
+verrukkelijk-beeldende beschrijvingskunst&mdash;zoowel van stoffelijke als
+geestelijke momenten&mdash;mij voorkomt te zijn, even zwak lijken mij zijn
+dialogen. Men behoeft maar het reeds zooeven genoemde <i>Een
+Pleiziervaart</i> als <i>In de Kroeg</i>&mdash;het verhaal van een
+dronkemansruzie&mdash;en <i>Een Liefde in Limburg</i> te lezen, om te merken, dat,
+wat vele zwakke dialogen-samenstellers doen, ook hij niet nalaat: het
+kruiden van hun niet zeer saprijk gerecht met een sterke en smakelijke
+specerij: de geijkte, hoekige, hollandsche volksuitdrukkingen. Wie Wolff
+en Deken kent, weet wat ik met dit kruiden bedoel, maar ziet hij 't daar
+in de hoogste vervolmaking en slechts om zich-zelfs wil, bij Van Oordt
+zal hij spoedig bemerken, dat die uitdrukkingen&mdash;niet bewust, maar
+instinctief&mdash;in de dialoog zijn gebracht, om dier levenszwakte te
+verbergen. Overigens, wij mogen onverdeeld dankbaar zijn voor dit
+<i>Nagelaten Werk</i>, dankbaar, omdat de jong-gestorven schrijver daarmede
+niet alleen zijn roem heeft bevestigd maar zelfs verhoogd.... Welk een
+allervoortreffelijkste zegging van een buitengewoon subtiel doorvoelen
+in dit:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de
+koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar <i>tot een
+burgerlijke versiering de zonnestralen</i><a name="FNanchor_3_3" id="FNanchor_3_3"></a><a href="#Footnote_3_3" class="fnanchor">[3]</a> langs mottige vitrage
+gelen bij het wee&euml; rood en bij het uitgebloeide blauw der
+kameromgeving.</p></div>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p29" id="p29"></a>[p.29]</span> En welk een opperste genialiteit in deze beelding:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een
+geestdriftige stijging, <i>en als hij op sprong staat zich over te
+geven aan den val der gindsche daling</i>, glimt hij in de zon als een
+lint van gele japansche zijde.</p></div>
+
+<p>Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in <i>Een Zeereis</i>. De verhaalgang
+zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn
+effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, l&eacute;&eacute;ft
+als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een
+koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk
+een gang en een leven in dat <i>Fragment uit Floris de Zwarte</i>. Hoe
+onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde
+ontbloeien in <i>Een Liefde in Limburg</i>....</p>
+
+<p>En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn
+taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het
+Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te
+vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was&mdash;en ik zeg 't u
+om uw-zelfswil&mdash;lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar v&oacute;&oacute;r
+dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook di&egrave;r wereld
+schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde
+levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten,
+allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen &eacute;&eacute;n geheel met haar&mdash;z&oacute;&oacute;, in
+de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op
+haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden,
+allen zijn zij &eacute;&eacute;n met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen
+getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en
+vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die
+prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun
+omvangen en gedragen zijn door die &eacute;&eacute;ne wereld van dien &eacute;&eacute;nen geest....</p>
+
+<p class="sidenote">SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.</p>
+
+<p>Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen
+keer&mdash;en ge hebt 't uit den aanvang van dit <span class="pagenum"><a name="p30" id="p30"></a>[p.30]</span> opstel reeds
+bemerkt&mdash;niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om
+dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp
+behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun
+lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats
+aan den roman <i>De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche
+Meren</i>, door C. en M. Scharten-Antink, <i>fournisseurs de la cour</i>. Dezen
+laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid
+der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden,
+maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande
+waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het&mdash;gij
+zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als &eacute;&eacute;nheid
+te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit
+geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer
+vereend heeft, de recensent mag scheiden!&mdash;het echtpaar Scharten is het,
+niet voornamelijk wijl het <i>de</i> erkende romanleverancier van <i>De Gids</i>
+is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere z&eacute;&eacute;r
+voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche-
+woorden over hun &eacute;talagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene
+seizoen in <i>Soieries Fran&ccedil;aises</i>, 'n ander in <i>Inverniciatura Italiana</i>
+handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in <i>High-life tailor-made
+Dressing-gowns,</i> maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche
+katoentjes zal "doen"&mdash;neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't v&oacute;&oacute;ral,
+omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven,
+absoluut <i>hoff&auml;hig</i> te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af,
+tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n
+savante en kunstige manier, dat, als je g&ograve;ed proeft, de boeren zoowel
+als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die
+zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een
+cocotte smaken!<a name="FNanchor_4_4" id="FNanchor_4_4"></a><a href="#Footnote_4_4" class="fnanchor">[4]</a> Maar ge weet zoo min wellicht <span class="pagenum"><a name="p31" id="p31"></a>[p.31]</span> wie de Cavarner
+landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander
+ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee
+machtige vuurstroomen&mdash;die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten
+zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik z&oacute;&oacute; in de Italiaansche
+sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen
+droom!&mdash;Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land
+met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens
+<span class="pagenum"><a name="p32" id="p32"></a>[p.32]</span> door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken.
+Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen
+verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren
+verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander
+daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt
+veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant
+de invasie der Duitschers in Itali&euml;, die met hun flair voor zaken-doen
+den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede
+konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het
+land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt.
+<i>Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust
+bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen</i>. En dat beeld
+wordt er des te volkomener door en <i>blijkt zelfs rijk aan een ongezochte
+symboliek</i>, als we erop letten dat <i>de roomsche priester Jacchini de
+handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is</i>! Op deze tendenzen
+der huidige samenleving de hand te hebben <span class="pagenum"><a name="p33" id="p33"></a>[p.33]</span> gelegd, en ongetwijfeld
+een <i>in-kunst-herscheppende</i> hand, d&agrave;t is de <i>machtige verdienste</i> van
+de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds
+genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch
+vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt:
+tusschen de beide dorpspatrici&euml;rs-families <i>Muzzo</i> en <i>Tadde&iuml;, in
+verband staande</i> met de beide andere konflikten&mdash;en het dunkt mij goed,
+met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit
+werk m.i. miskend is, op dit <i>verband</i> den nadruk te leggen&mdash;want de
+afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat
+de jonge Tadde&iuml; w&egrave;l uit Amerika naar het vaderland terugkeert&mdash;wat als
+eervol geldt&mdash;en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide
+hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe
+berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst
+tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een
+Tadde&iuml; met een Muzzo trouwt, maar&mdash;er is een vierde dramatische botsing,
+die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een
+brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat
+is de levenstragiek van den blinden <i>Zacharia Banfi</i>, een
+<i>prachtig-gebeelde</i> figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven
+van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht
+moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandi&euml;, &eacute;&eacute;n idee in
+zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om &eacute;&eacute;ns het vaderlijk
+erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt,
+sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar
+woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert
+in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het
+land terug te winnen.... Luister:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar
+hem een zeemen zakje op de borst hing.</p>
+
+<p>"Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire,
+met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes
+moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en
+toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... <span class="pagenum"><a name="p34" id="p34"></a>[p.34]</span> de
+Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er &eacute;&eacute;n is, daar zijn
+er honderd ... honderd...."</p>
+
+<p>De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat
+schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over
+de binnenplaats....</p>
+
+<p>De anderen, verschrikt, zaten stil.</p></div>
+
+<p>En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid
+houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in
+<i>Banfi</i> op: een van die Duitschers, een broer van dien <i>Walther</i>, die op
+<i>Banfi's</i> "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo
+in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar
+voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent <i>Banfi</i> en hij geeft een
+deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen
+worden, om <i>Fulmignano</i>, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt
+het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij,
+waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan
+welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe
+kabelspoor en daar laat Walther het grootsche <i>Kulm</i>-hotel bouwen, daar
+zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo
+wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht
+zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man,
+<i>die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn
+hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden</i>.</p></div>
+
+<p>Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok
+voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat
+hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke,
+kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en
+staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den
+akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het
+hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den
+nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven
+hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen,
+die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht
+verklaarde in een <span class="pagenum"><a name="p35" id="p35"></a>[p.35]</span> zachte opgetogenheid. <i>Toen hij v&oacute;&oacute;r noch
+achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon
+meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn
+vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog
+voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een
+bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren</i>....</p>
+
+<p><i>Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog
+de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag,
+naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar
+Noranco lag</i>,&mdash;<i>hij zag dat alles in &eacute;&eacute;n teeder gewemel van
+honderden zacht-roze bloesemboomen, &eacute;&eacute;n broos gesprankel van roze,
+glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het
+azuur van den hemel en aan het versche gras der
+wijngaard-glooiingen,</i>&mdash;<i>heel dit lente-land, dat hij kende plekje
+bij plekje, en dat hij plekje bij plekje v&oacute;&oacute;r zich kon tooveren in
+den geest</i>.&mdash;<i>"Che bellezza," zei hij zacht</i>.</p></div>
+
+<p>Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en
+diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd
+zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat
+wij hem zien:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Onbeweeglijk bleef hij zitten.</p>
+
+<p>Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn
+starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.</p>
+
+<p>Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede,
+waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan
+den dood....</p></div>
+
+<p>O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten
+en medelijden?</p>
+
+<p>Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld.
+Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen
+pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige
+kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio
+Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in
+wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Tadde&iuml; laat
+trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is &ograve;p. En
+die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het <i>Mayertje</i>, ofschoon
+uitstekend <i>doorvoeld</i>, is niet z&oacute;&oacute; goed <i>gebeeld</i>: de schrijvers hebben
+hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend,
+te spottend, <span class="pagenum"><a name="p36" id="p36"></a>[p.36]</span> te humoristisch geworden. Met den <i>Zoppo</i>, den uit
+den treure preekenden vegetari&euml;r en theosoof vormt zij niettemin een
+aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische
+situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "<i>'t Mayertje</i>" te
+waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt.
+Zij blijkt dan, dunkt mij, <i>van zelf</i> te symboliseeren het
+verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land
+binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer
+gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende,
+landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze
+minnehandels gebruikt <i>Madame Mayer</i> een jong meisje uit het geslacht
+der <i>Muzzo's</i> als "postillon d'amour," welk kind op een van die
+boodschaptochten door den "minnaar" van <i>het Mayertje</i> wordt
+verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse
+tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer
+zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen&mdash;en is dit niet fraai
+en goed?&mdash;maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om,
+wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die
+balken er niet zijn!&mdash;En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en
+heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben
+geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n
+"ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb
+gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: <i>Wat
+dit boek zegt</i>, dat zegt het voortreffelijk&mdash;een enkele, in de sfeer
+van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd
+zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende
+verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor
+eigen vermogens bewijst&mdash;maar in <i>'t verzwijgen</i>, daar zit 'm het
+ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en
+de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze
+eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't
+kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren
+gehoord, <span class="pagenum"><a name="p37" id="p37"></a>[p.37]</span> dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden
+verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit <i>niet</i> voortkomt uit zekere
+zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor
+hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde
+zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen
+maakt, om tot scheppen te komen, d&agrave;n is het&mdash;en vindt men dit een
+"insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk
+en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar
+tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!&mdash;d&agrave;n is het: <i>wijl
+zij fournisseurs de la cour zijn!</i></p>
+
+<p class="sidenote">LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.</p>
+
+<p>En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet
+praten.... Diens <i>Antiek Toerisme</i> verplaatst ons zoowel naar vreemde
+landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari,
+een brok armoe&iuml;gheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je
+rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan.
+Een schatrijk Romeinsch patrici&euml;r gaat met zijn van hem afhankelijken
+oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij
+&mdash;eerste rangs tooneelmalligheid!&mdash;voor eene hem ontrouw geworden en met
+een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en
+inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij
+straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart.
+Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te
+trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als
+beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.&mdash;Kijk, als ge nu een
+boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk
+gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn
+geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te
+gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet
+en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een
+voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden&mdash;en welke gedachte
+zou, z&oacute;&oacute; kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?&mdash;hoe komt ge
+dan bij het betreden van dit Couperus-huis <span class="pagenum"><a name="p38" id="p38"></a>[p.38]</span> bedrogen uit! De
+gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een
+onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen
+smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden,
+maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende
+gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins
+aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle
+duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen
+tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, ou&euml; Romein, men ontmoet
+een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar
+p&ograve;e! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene....
+Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en
+die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al
+nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u
+vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou
+heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt &uuml; dan uit
+Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk
+kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar
+is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname....
+Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat
+treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die
+dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte
+mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft;
+meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van
+een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn
+grooter tijd een ontzaglijk Magi&euml;r was, die machtige geesten opriep, hen
+bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door
+zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, l&eacute;ven!</p>
+
+<p>Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb,
+den gids, en van Catullus zijn gez&egrave;llig-goed. Dat gevalletje van het
+slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig <span class="pagenum"><a name="p39" id="p39"></a>[p.39]</span> en lief. Die
+beschrijving van den Witten Nacht is <i>fraai</i> en wij geraken wel in de
+stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch
+verleden ... jawel ... m&aacute;&aacute;r <i>de centrale fout van het werk is, dat de
+menschen er om het d&eacute;cor zijn en niet het d&eacute;cor om de menschen</i>. Er
+wordt <i>gespeeld</i> met <i>menschelijkheid</i>. En de taal is verbijsterend
+slordig! Het woord <i>immens</i> komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er
+minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is
+gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens
+deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord
+herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens
+<i>Nagelaten Werk</i> voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te
+wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo <i>reuzig immens</i> was"
+als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest
+opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van
+verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan,
+weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met
+een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen
+werkelijk verschil.... Doch wilt ge n&ograve;g een spel, maar althans een
+edeler spel van hem zien? Sla dan <i>Groot-Nederland</i> van Maart<a name="FNanchor_5_5" id="FNanchor_5_5"></a><a href="#Footnote_5_5" class="fnanchor">[5]</a> op.
+Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de
+Medici. Dat lijkt toch op sch&aacute;&aacute;kspel, nietwaar? Het bord is er daar, om
+de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te
+maken: <i>het d&eacute;cor is er om de menschen</i>.... Neen, z&eacute;ker: de groote
+Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich
+voor op een schitterend heroptreden&mdash;de kleine Couperus houdt zoolang
+het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.&mdash;</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>BRIEVEN OVER LITERATUUR</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p40" id="p40"></a>[p.40]</span></p>
+
+<h3>III</h3>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">Kinderen zijn, in der aard-smart koninkrijk</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">Prinsen van vreugde en van jeugd-schoon koninklijk....</span><br />
+<span style="margin-left: 20em;"><i>Willem Kloos</i></span>
+</p>
+
+<p>Dat zijn zij, ongetwijfeld, maar zij zijn nog veel meer dan dit. Doch
+volledig uit te zeggen de majesteit en den rijkdom, de statigheid en de
+bevalligheid, de wijsheid en de liefde van hun teere levens&mdash;dat is geen
+mensen gegeven, zoo min, en uit eenzelfde oorzaak, als het ooit een
+onzer gegeven was of zal zijn, het Godswezen te d&oacute;&oacute;rvoelen. Want de
+bijbelsche leering, dat wij naar Gods beeld geschapen zijn, valt alleen
+te begrijpen, maar dan ook volledig, z&oacute;&oacute; dat zij straalt van waarheid,
+als we ons vooroverbuigen tot de menschen, die nog mensch<i>jes</i> zijn, en
+van de tot ons omhooggeheven effen gezichtjes en klare oogjes de
+verrukkelijke zekerheid lezen, dat d&oacute;&oacute;r en uit hun nog passief, hun nog
+sluimerend menschelijk bewustzijn, het Goddelijk Bewustzijn
+onvertroebeld glanst. Daarom was ik dan ook soms geneigd te beweren, dat
+men eigenlijk weinig van kinderen moet zeggen, daar alles wat men zeggen
+kan beneden hen blijft, en het een ijdel en ook heiligschennend bedrijf
+is te spreken van iets, waarover men niet waardig spreken kan. Maar
+later heb ik bevonden dat deze bewering een dwaasheid is, want, indien
+we niet meer over het Goddelijke en Kinderlijke mochten spreken, dan
+ware onze spraak van zijn diepste <span class="pagenum"><a name="p41" id="p41"></a>[p.41]</span> accenten en schoonste geluiden beroofd
+en zou onze uitdrukkingsmacht zoo verzwakken en ontaarden, dat zij ten
+slotte geen enkele gedachte of gevoel waardiglijk meer zou weten te
+verwoorden. En reeds daarom ware het geen ijdel en heiligschennend
+bedrijf. Maar dat is het ook niet om een andere reden: Wie tot den
+<i>ziels</i>-geloovige, op wat wijze deze ook gelooft, van het Goddelijke
+eerbiedig spreekt, hij zal meevoelen en meedenken wekken, op hoe
+gebrekkige wijze hij zijn denk-voelen ook verwoordt, mits dat
+denk-voelen &egrave;cht-in-hem zij. Er voltrekt zich dan een
+gemeenschappelijk-zijn tusschen beiden, dat wel op hun w&oacute;&oacute;rden rust als
+op aarde een bloemstruik, maar, evenals dat gebloemte die aarde, geurend
+en stralend en zon-weertintelend, de woorden te boven rijst. En niet
+minder: wie met een liefdevol hart over kinderen spreekt, hoe stamelend
+en hakkelend ook, hem lachen alle moeders tegen en de meest zorgenvolle
+vader heft van zijn werk het zware hoofd op, om hem even, als tot eene
+kracht-schenkende verpoozing, dankbaar aan te zien.</p>
+
+<p class="sidenote">REYNEKE VAN STUWE: DE KINDEREN VAN HUIZE TER AAR.</p>
+
+<p>Aldus gaat het hen, die van hen <i>spreken</i>. Die hen <i>beelden</i>, in een
+<i>kunstwerk</i>, gaat het anders! Elk niet &agrave;l te laag staand mensch wordt
+hier een voortreffelijk en nauwlettend criticus. Dezelfde omstandigheid,
+die het den gebrekkigsten spreker gemakkelijk maakt, begrepen te worden,
+maakt het den <i>beelder</i> moeilijk bijval en lof te verwerven. Want die
+omstandigheid is: de liefde voor kinderen, die <i>ieder</i> niet &agrave;l te laag
+staand mensch bezit. En schoon menigeen een kunstenaar moge vergeven,
+dat hij de zwarte en gluipend-strompelende gedaanten van Leed en Ziekte
+door een zonnige belichting iets van het vreeselijke hunner donkere
+geheimzinnigheid ontneemt, niemand vergeeft het hem, indien hij den
+stralenden engel van het geluk ontluistert en deze, door den mist van
+licht, waarin hij gaat, te dooven, iets van zijn even geheimzinnige maar
+daardoor alsnog onvatbare zaligheid verkondende schoonheid ontrooft....
+En kinderen zijn die engelen.... Daarom, wie kinderen beeldt, moet in
+zich hebben het vlugge naderen en het vlugge wijken, de bewegingen en
+aanrakingen van zijn geest moeten speelsch van vlug- en lichtheid zijn.
+<span class="pagenum"><a name="p42" id="p42"></a>[p.42]</span> Zijn woord moet luchtig ademen als een wind, en zacht en
+streelend als een z&agrave;chte wind zijn, want er zullen veel vlinders en
+bloemen komen te leven op zijn land.... Vele der eigenschappen, die zulk
+een kunstenaar vooral dus bezitten moet, zijn wellicht in dit &eacute;&eacute;ne woord
+te vatten: bevalligheid. Niet die der saletjonkers en modieuse dames,
+maar die der natuur: de bevalligheid der schoone verzen, der in de wei
+dravende jonge paarden, der neigende boomen; de bevalligheid, die alleen
+uit harmonieuse samenwerking van edele krachten ontstaat. En deze is het
+wier aanwezigheid ik telkens en telkens weer in het jongste boek van
+<i>Jeanne Reyneke van Stuwe</i> heb gevoeld. Ge weet het waarschijnlijk al:
+het zieleleven van kinderen uit den zeer voornamen stand wordt daarin
+gebeeld. Door een voortreflijken vader en een stiefmoeder, die hen
+liefheeft, als waren zij haar eigen kinderen, opgevoed; door alles, wat
+een kinderleven rijk en gelukkig kan maken, omringd, komen er geen
+uitzonderlijk-hevige gebeurtenissen in hun leven voor, maar de
+schrijfster heeft met goed gevoel voor compositie, het sterven van een
+heel jong broertje erin gebracht, waarmede zij, binnen den grens der
+meest soliede waarschijnlijkheid blijvend, de gelegenheid heeft
+gekregen, de zieltjes der kinderen in de hoogste gevoelsspanning te
+laten zien. De drie gegeven kinderkarakters loopen zeer uiteen. Er zijn:
+de toekomstige superieure mensch: Ad&egrave;le; de toekomstige intrigante en
+coquette, d.w.z. intrigant en coquet op een vrij onschadelijke en kleine
+wijze: Eva; de toekomstige ego&iuml;st, goedhartig en vrijgevig uit
+praallust, iemand met een tamelijk gering intellect en een zekere
+lichtzinnige grilligheid: Charles. Wat echter alle drie gemeen hebben,
+is wat men zou kunnen noemen: hun adels-, hun standsbewustzijn, in Ad&egrave;le
+schijnbaar het sterkst, en dit getuigt van den subtielen psychologischen
+voelzin der schrijfster: in werkelijkheid namelijk voelt dit kind zich
+zoo voornaam door eigen, <i>onbewuste</i> noblesse, maar <i>bewust</i> wordt haar
+die voornaamheid slechts als een zich-voelen: kind van Huize ter Aar!
+Het boek vol levendige handeling is vlot en luchtig geschreven: een
+witte raaf in onze literatuur. De kinderdialoog <span class="pagenum"><a name="p43" id="p43"></a>[p.43]</span> is uitstekend.
+En ik zou de onverbeterlijke, oude zondaar niet moeten zijn, die, schoon
+hij telkens te hooren krijgt, dat hij zich niet weet te beperken, toch
+onverstoorbaar z'n gangetje gaat, als ik u hier niet wat zou laten zien
+uit den overvloed van mooie dingen, die ik, al lezend, verheugd zat te
+bekijken. Is dit niet allerliefst:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Ik gun je de pret! zei Am&eacute;lie. Mag ik 'n chocolaadje? Nemen jullie
+die mee? En hoe doen we met de poppen? Het was lang een lieve
+gewoonte geweest, om naar een spel "eerlijk" de poppen mee te
+nemen. Zelfs Charles waren vaak, hoewel onder protest, <i>kleine
+poppetjes in de zakken van zijn jasje gestopt, met de vergunning
+deze gedurende de geheele reis verborgen te houden, als hij,
+wanneer de vertooningen begonnen, de koppetjes er maar uit liet
+steken</i>.<a name="FNanchor_6_6" id="FNanchor_6_6"></a><a href="#Footnote_6_6" class="fnanchor">[6]</a></p></div>
+
+<p>En hoe uitstekend is, vooral in de door mij gecursiveerde woorden, een
+scherpe psychologische observatie gezegd:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Eva presenteerde "odeur" uit haar flaconnetje, en kreeg nog rooder
+wangen, maar nu van ingehouden verontwaardiging, toen Oom Carel
+zei:</p>
+
+<p>&mdash;Nee, maar, wat heb jij<a name="FNanchor_7_7" id="FNanchor_7_7"></a><a href="#Footnote_7_7" class="fnanchor">[7]</a> 'n prachtige kanarie-gele handschoenen
+aan! Want zij zag de ironie in zijn oogen, en <i>zij h&aacute;&aacute;tte hem op
+dat oogenblik met een snellen haat</i>, maar vergat dien weer, omdat
+Oom, bemerkende dat er niets dan water uit haar flaconnetje kwam,
+haar "economie" prees, en ofschoon zij niet precies begreep, wat
+hij bedoelde, glimlachte zij toch even complaisant, omdat hij iets
+van haar in het openbaar goedkeurde.</p></div>
+
+<p>Maar dan ook, welk een humor zit in dit werk. Men lette eens op die
+prachtige condoleantie-sc&egrave;nes, als 'n tante is gestorven: eerst het
+condoleeren door Leentje, een der dienstmeisjes. "Wel gecondoleerd,"
+zegt zij deftig, en Evatje studeert gauw het vreemde woord in, om het
+straks tot de ooms en tantes te kunnen zeggen! Daarna Eva's genoegen als
+ze merkt, dat haar vrijertje <i>Piet Erckelens</i> het woord ook zoo goed
+weet te gebruiken. Maar dan dit: Charles, die al het heele sterfgeval
+vergeten is, speelt met zijn vrienden roovertje, zij hebben zich verdekt
+achter boomen opgesteld, <span class="pagenum"><a name="p44" id="p44"></a>[p.44]</span> om den "rijken reiziger in 't eenzame
+bosch" te overvallen, en Piet, die uit dat eigenaardige, toch
+touchant-eerzuchtige van kinderen en ... groote menschen, om vooral
+jegens "hooger geplaatsten" onberispelijke manieren te toonen, overal
+naar hem loopt te zoeken, om hem te "condoleeren," nadert:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>De argelooze Piet naderde meer en meer. Hij zette zijn gezicht zoo
+ernstig mogelijk. Ja, hij had het wel gedacht: de jongens speelden
+nergens. Hij was al in den boomgaard geweest, &egrave;n bij de
+vischplaats, &egrave;n bij de tuintjes, &egrave;n bij het achterhek ... nu zou
+hij nog eens in den moestuin probeeren.</p>
+
+<p>Hij naderde. Zijn hoofd was een beetje gebogen, en hij spande zich
+in, de juiste, bij de gelegenheid passende gelaatsuitdrukking te
+vinden. En ondertusschen loerde Rinaldo Rinaldini achter zijn boom,
+gereed om zich met blikkerende oogen op z'n slachtoffer te werpen.</p>
+
+<p>Piet hoorde iets. Tenminste hij bleef staan. En op dat oogenblik
+sprong, tijgerwoest, zijn aanvaller achter een boom vandaan.</p>
+
+<p>&mdash;Sta, of ik schiet!... was Charles van plan te schreeuwen. Maar de
+woorden stokten hem in de keel. Roerloos bleef hij op de plek waar
+hij stond. En het bloed steeg hem heet naar het hoofd van schaamte
+en verwarring, want Piet had zijn hand vooruit gestoken, en op
+somberen toon gezegd:</p>
+
+<p>&mdash;Ik condoleer je wel, Arl.</p></div>
+
+<p>Is het niet voortreffelijk, dat plotselinge ondergaan van Charles'
+speellust in schaamte en verwarring? Maar vooral het komische van de
+situatie!... Humor en van de beste soort is er ook in de weergave van
+het "concert," dat de kinderen voor Juf en de meid geven, en waarop ze
+in de volle onschuld hunner hartjes, allerlei gemeene straatliedjes
+beginnen te zingen en er absoluut geen begrip van hebben, waarom Juf ze
+plots van het podium, een tuintafeltje, trekt en ze met d&igrave;t en d&agrave;t
+dreigt, als ze niet ophouden.... O, ik zou u nog zooveel fijngevoelde
+trekjes kunnen citeeren. Ik zou u wel willen laten zien, hoe
+voortreffelijk de kinderen in hun onderling zoo verschillenden aard zijn
+doorvoeld en weergegeven, bij die groote gebeurtenis: het sterven van
+bro&ecirc;rtje: Ad&egrave;le's innige smart; Evatje's sluw pogen, bij anderen den
+indruk te wekken, dat ook zij zoo diep voelt; haar spijt, het maar niet
+tot schreien te kunnen brengen. Ik <span class="pagenum"><a name="p45" id="p45"></a>[p.45]</span> zou u even willen toonen de
+houding van dat geraffineerde coquettetje-in-den-dop, op het kinderbal,
+als haar cavalier vergeet haar ten dans te komen halen, en vooral, o
+vooral Ad&egrave;le's extatisch voelen, "dat er op de h&eacute;&eacute;le wereld geen kind,
+neen, geen enkel kind bestond, zoo gelukkig als zij," en, na den dood
+van het door haar zoo hevig geliefde broertje, haar weerzin, als ze
+hoort, dat er een nieuw kindje komt, dat broertjes plaats zal innemen;
+haar vermeende haat tegen dat nieuwe kindje! Ik zoude ook wel nader
+mijne meening willen motiveeren, dat de volwassen menschen niet z&oacute;&oacute; goed
+als de kinderen zijn gebeeld, dat met name, hun dialoog niet zoo goed
+geslaagd is, dat zij te veel betoogen en te redevoeringachtig spreken,
+dat zij ook t&eacute; zeer als personages van bijzondere gewichtigheid,
+bijzonder verstand, en bijzonder gevoel zijn voorgesteld. Het is alsof
+zij, <i>in plaats van door de schrijfster-zelf, door de</i> <span class="spat">hen
+verheerlijkende</span> <i>kinderen zijn gezien</i>. En ofschoon deze omstandigheid
+de &eacute;&eacute;nheid van het werk wel versterkt, 't is toch niet goed.... De
+oorzaak wordt ons klaar, indien we er op letten, dat de grove,
+zinnelijke <i>Oom Carel</i> beter gebeeld is dan de hoogstaande <i>Alexander</i>
+en <i>Jeannette</i>, de beide ouders: de schrijfster zich eenmaal volledig
+ingevoeld hebbend in de levenssfeer der <i>kinderen,</i> werd door de visie
+van de in reinheid aan kinderen verwante <i>Alexander</i> en <i>Jeannette niet</i>
+uit de <i>kinderlijke</i> levenssfeer gerukt, zij zag en beeldde hen dus <i>van
+uit die sfeer</i>; door de visie echter van <i>Carel</i>, die <i>niets</i> met het
+kinderlijke gemeen heeft, werd zij <i>wel</i> uit het kinderlijke denk-voelen
+gerukt. Zij zag en beeldde hem dus van uit de sfeer der kunstenares
+Reyneke van Stuwe. Maar nu zal ik over dit alles niet verder uitweiden,
+en liever de nog ter behandeling van dit werk beschikbare ruimte
+gebruiken, om op iets veel gewichtigers uwe aandacht te vestigen. Zooals
+ge u wel, m'n waarde lezer, uit eigen jeugdjaren herinneren zult: in een
+kinderleven behoort een sprookjesprins, en, gel&ugrave;kkig, hij ontbreekt dan
+ook in het kinderleven van dit boek niet. Wilt ge hem van hier even zien
+verschijnen? Welnu, zie toe:</p>
+
+<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p46" id="p46"></a>[p.46]</span> Ad&egrave;le stond wat verder dan de anderen stil te kijken. Het
+tooneel, nu het duisterder werd, had een vreemde bekoring voor
+haar. Tegen de klare schemerblauwte der lucht bewogen zich de
+zwarte figuren der menschen, als de silhouetten van een door
+ouderdom donkere plaat. Duidelijk teekende zich de kruisboog van
+het net af tegen den effen hemel. En als het plotseling zwaar werd
+neergelaten, dan was het opeens, als brak een glad kristal in
+scherven, die heftig &oacute;p-vlogen, en in glinsterend gruis verstoven.
+Zonder zich bewust te maken, w&agrave;t zij zag, en zonder het in
+zichzelve detailleerend te beschrijven, stond Ad&egrave;le, en keek,
+gevangen in den ban van iets geheimzinnigs, iets ongewoons, dat
+haar met onweerstaanbare macht hield geboeid. Alles was <i>anders</i><a name="FNanchor_8_8" id="FNanchor_8_8"></a><a href="#Footnote_8_8" class="fnanchor">[8]</a>
+voor haar in deze oogenblikken ... al de menschen, die er bezig
+waren, leken vreemde mannen, in een omgeving, die zij niet kende.
+De atmosfeer was koel, en onbeweeglijk stonden de boomen en
+planten-groepen tegen den donkerblauwen schijn van de lucht. En de
+maan werd grooter en helderder, en wierp witte stralen op de
+werkzame handen der mannen, en schampte zoo nu en dan een
+fel-flitsend licht langs het stille, glanzende water.</p>
+
+<p>Het was Ad&egrave;le, alsof zij droomde. In den grooten prenten-bijbel
+kende zij de plaat: De wonderbare vischvangst, en ook wonderbaar
+scheen <i>deze</i> vischvangst haar toe, en het was haar, alsof zij nog
+nooit te voren het z&oacute;&oacute; had gezien: het ophalen van het net, met de
+levende, spartelende massa der over elkaar glippende,
+kwikzilver-vlugge en flikkerende visschen, waaruit door den Baas,
+onbeschroomd-tastend, een keus werd gedaan.... En nooit had zij 't
+nog gezien dat Ruitenburg zoo iets om den adem in te houden vreemds
+over zich had, als nu hij, met een emmer visch in de hand, zich
+naar de keuken begaf. Zijn voetstappen knerpten over het grint;
+zijn breede schouders waren wat naar voren gebogen, en zijn donker,
+doorgroefd gezicht was in het maanlicht van een strakken plechtigen
+ernst.</p></div>
+
+<p>Dit is de Prins van het mystieke levensaanvoelen. Dit is de heilige
+sprookjes-Prins, die in zijn glorierijk en droome&mdash;vlug verschijnen en
+verdwijnen, de menschen- en de kinderzielen even stil, ademl&oacute;&oacute;s-stil
+maakt van huiverend geluk, om de zijn oogen en gelaat ontstralende
+glansen.... Deze bladzij, op een <i>oneindig hooger</i> plan dan het overige
+van dit werk levend, bevat&mdash;'k zeg het zonder "Oostersch-lyrische"
+overdrijving, in koelen bloede en mij sterk bewust van wat <span class="pagenum"><a name="p47" id="p47"></a>[p.47]</span> ik
+zeg&mdash;een mystieke visie van een h&eacute;&eacute;l diep voelend schilder-visionnair.</p>
+
+<p>Van kind tot kunstenaar <i>il n'y a qu'un pas</i>. En zoo ge schalk genoeg
+zijt mij hier te vragen, of het diezelfde <i>pas</i> is, welke van het
+sublieme naar het ridicule voert, ik zal u in vollen ernst antwoorden,
+dat dit wel en ook niet het geval kan zijn, maar dat het mij althans,
+<i>immer</i> geviel in kind en kunstenaar een essenti&euml;ele gelijkaardigheid te
+erkennen. Want een kunstenaar, ziet ge, dat is eigenlijk zulk een
+zonderling en zeldzaam wezen, dat <i>het meest wezenlijke en
+karakteristieke van het kind-zijn tot zijn dood behoudt</i>. Dat meest
+wezenlijke en karakteristieke is het <i>vaak en grootendeels passief-zijn</i>
+van het <i>menschelijk</i> bewustzijn en het zeer actief-zijn van het
+zoogenaamde <i>Onbewuste</i>, dat ik, elders, het <i>Natuurlijk</i> of <i>Goddelijk
+Bewustzijn</i> heb genoemd. Vandaar het in onze oogen onbeheerschte en
+onberekenbare in <i>kinderen</i> en vandaar ook het onbeheerschte en
+onberekenbare in de handelingen van vele <i>groote kunstenaars</i>; vandaar
+het ademloos-staren in alleen door hen geziene droomwerelden en het,
+blind voor het ommeleven, &ograve;pgaan in voor hen opdoemende fantasie&euml;n door
+<i>kinderen</i>, &egrave;n het, tijdelijk, als werkelijkheid beleven van visioenen
+en verbeeldingen door <i>kunstenaars</i>.</p>
+
+<p>De parallel zou verder door te voeren zijn, maar ik geloof, dat hij
+thans ver genoeg getrokken is, om u ook de door mij niet genoemde punten
+van overeenkomst tusschen kind en kunstenaar te doen gevoelen, en te
+doen begrijpen, waarom in &ograve;nze nuchtere waarneming de verhouding
+tusschen de beiden <i>somtijds</i> als van het sublieme tot het ridicule
+wordt: Een kind met houten sabel in de hand en papieren kroon op 't
+hoofd, zich in volle gemeendheid, zoolang de fantasie duurt, voor een
+koning of een veldheer te zien houden, ge geniet ervan, &oacute;&oacute;k wijl ge 't
+sublieme en ongerepte voelt in zoo sterk een verbeeldingsmacht; ja, ik
+durf, indien ge geen al te saaie brompot zijt, er een lief ding om te
+verwedden, dat ge, na de eerste verontwaardiging, achter 't handje
+lacht, als <span class="pagenum"><a name="p48" id="p48"></a>[p.48]</span> uw aardig zoontje uw ruit voor een vestingpoort heeft
+aangezien, en er met 'n katapult 'n gat in heeft geschoten, maar&mdash;ge
+behoeft g&eacute;&eacute;n brompot te zijn, om een groot kunstenaar, die zichzelf tot
+iets noch-nie-dagewesenes proclameert, of, om vermeende krenking, uw
+glazen ingooit, ridicuul en lastig te vinden. En toch&mdash;dat alles heeft
+een zelfde oorzaak: dat kinderen en groote kunstenaars in een oneindig
+losser verband dan anderen met de "werkelijke" wereld leven, en dat hun
+lagere persoonlijkheid telkens en telkens weer heftig en hartstochtelijk
+reageert op de influisteringen en 't voorgetoover van 't "Onbewuste,"
+dat nu eenmaal gewone menschen niets influistert of voortoovert, welke
+reacties&mdash;het zij herhaald&mdash;zoo zij zich voltrekken in de samenleving
+der volwassenen, daar vaak natuurlijk buiten alle redelijke proporties
+en uiterst zonderling lijken. Men heeft mij onlangs verweten, dat ik
+meedoe "aan het bijna misdadig werk, den leek te stijven in zijn
+dwaling, dat koelhoofdigheid, beradenheid en zelfbeheersching
+"onartistiek" zouden zijn, burgerlijk en nuchter." De schromelijk-onjuiste
+formuleering der beschuldiging daargelaten, wil ik w&egrave;l even zeggen, dat
+ik mij toen voelde&mdash;en dat zal nu ieder begrijpelijk zijn&mdash;als die
+ongelukkige barbier van zekeren Kalief, die dien vorst onder het scheren
+verteld hebbend, dat een veldslag door de Ottomaansche legers verloren
+was, onmiddellijk door den Grooten Heer over de kling werd gejaagd.
+Helaas&mdash;ik houd van Turken!&mdash;ook het verhaal van dien barbier was <i>geen</i>
+dwaling, maar de onschuldige verteller had den slag toch niet verloren
+en ik heb toch niet de groote kunstenaars in de wereld geschopt?...
+Intusschen, niet altijd lijken ons die reacties ridicuul, wij achten ze
+soms ook wel van grootschen aard, al kan onze nuchterheid zich ook dan
+niet weerhouden, tegelijkertijd iets als "Don Quichottisch" te mompelen.
+Men denke bijv., om ons tot een voorbeeld uit de literatuur te bepalen,
+aan de vrij zuiver uit zijn <i>kunstenaarsaard</i> voortvloeiende weigering
+van <i>Cyrano de Bergerac</i>, om de gunst van den almachtigen kardinaal de
+Richelieu te winnen, door gehoorzaampjes de wijzigingen te aanvaarden,
+die deze in Cyrano's tragedie mocht <span class="pagenum"><a name="p49" id="p49"></a>[p.49]</span> wenschen aan te brengen. Ook
+zulk een daad wordt natuurlijk door ieder braaf burger eene krankzinnige
+extravagantie geacht, maar hij is zoo genadig haar "mooi" te noemen, ten
+eerste, omdat <i>zijn</i> glazen er nimmer door kunnen breken&mdash;want laat mij
+u verzekeren, dat dit mooi-vinden hem, achter zijn toonbank weergekeerd,
+niet zal verhinderen te gnuiven: "Wat die zich daar vergooit ... dat
+most mijn gebeuren!... gew&oacute;&oacute;n st&aacute;pel!"...&mdash;en ten tweede, omdat hij
+niet door het <i>leelijk</i>-vinden eener daad, die de materie aan de id&eacute;e
+offert, de kans wil loopen te worden aangezien voor iemand, die tot een
+dergelijk offer niet in staat is....</p>
+
+<p class="sidenote">VAN GOGH-KAULBACH: VOOR TWEE LEVENS.</p>
+
+<p>Ik heb hier nu twee boeken over kunstenaars voor mij liggen: een van
+Anna van Gogh&mdash;Kaulbach, <i>Voor Twee Levens</i>, dat ons een daad laat zien,
+die, op de boven omschreven wijze, "mooi" gevonden wordt en een van
+&AElig;g.W. Timmerman, <i>Leo en Gerda</i>, dat ons daden toont, die hinderlijk en
+ridicuul zijn. Als weerspiegeling van maatschappelijk gebeuren en in den
+psychischen oorsprong daarvan beschouwd, zal ik nu wel, vermoedelijk, in
+het voorafgaande over den inhoud van beide voldoende hebben uitgeweid,
+laat mij dus nu voornamelijk hun waarde als kunstschepping keuren. In
+<i>Voor twee Levens</i> is in <i>Ada</i> de groote artisten-natuur gebeeld, die,
+gedwongen door het haar beheerschende Scheppende Vermogen, alle
+gewoon-menschelijke gevoelens onder den voet loopt. Welnu, ofschoon
+ernstig in aanmerking nemend, dat niet al het bijwerk even goed gelukt
+is, dat vooral het boek rustiger had kunnen en moeten geschreven zijn,
+waardoor, naast de vele uitmuntende beeldende zinnen, enkele
+clich&eacute;-achtige en slordig-globale vermeden waren geworden&mdash;is en blijft
+deze arbeid een geslaagd <i>kunstwerk</i>, omdat een <i>uiterst moeilijke
+taak</i>: het beelden eener zeer zeldzame uitzonderingsfiguur, met behulp
+van het naturalistische, dramatisch-plastische werk-proc&eacute;d&eacute; er
+uitstekend in is gelukt. Niet genoeg kan ik de doorvoelings- en
+voorstellingsmacht roemen, waarmede in <i>Ada</i>, als bij stukjes en
+beetjes, als door een levende moza&iuml;ek-van-vele-kleine-handelingen, het
+bezeten-zijn van den drang tot scheppen wordt gebeeld. Hoe
+allervoortreffelijkst is, hoe innig heb ik <span class="pagenum"><a name="p50" id="p50"></a>[p.50]</span> genoten van die, door
+treffende waarheid prachtige, uitbeelding van den angst eens kunstenaars
+voor storing op dat begenadigde oogenblik, dat de scheppingsdaad zich
+zal voltrekken.... Hoe leeft men daarin mee ... daar geluiden naderende
+stappen, daar gaat een stem opklinken ... o, even, &eacute;ven nog ... breek de
+nervig-bevende en als zich wanhopig-instr&agrave;lende aandacht niet, v&oacute;&oacute;r zij
+de nimmer weer z&oacute;&oacute; terugkeerende visie, gelukkig, heerlijk, buiten zich
+heeft vertastbaard en vereeuwigd, en, van het zorgelijk-hoeden van z&oacute;&oacute;
+broozen schat ontslagen, in een zuchten van geluk zich ontspannen
+mag.... O, er is nog zooveel fraais in dit boek: de in zijn liefde door
+<i>Ada</i> teleurgestelde <i>Ru</i>; het voelen van <i>Louise</i>, die als <i>Ada</i>, die
+alleen voor haar kunst kan leven, van <i>Ru</i> is heengegaan, hem met haar
+liefde troost.... Maar d&agrave;t, de voortreffelijke beelding van den
+kunstenaarsaard, d&agrave;t is de kostbare kern van dit boek, d&agrave;t is het
+bijzondere, waarvoor, naar ik hoop, m&egrave;t mij vele lezers, der schrijfster
+dankbaar zullen zijn.</p>
+
+<p class="sidenote">TIMMERMAN: LEO EN GERDA.</p>
+
+<p>De figuur <i>Leo</i> daarentegen in des heeren Timmermans' boek is van het
+boh&eacute;mien-type, van dat type dus, dat gewoon is aan alle, ook de
+meest-buitensporige, verlangens toe te geven. Maar bij het lezen van al
+de door hem begane dolheden, bedenke men, dat, wanneer hij beweert, dat
+hij al die dwaasheden begaat om zich "uit te leven," om "zich frisch te
+houden," omdat, in een woord, z'n <i>kunstenaars</i>natuur daaraan behoefte
+heeft, dit soms weliswaar niet meer dan een voorwendsel van hem is, maar
+hij 't meestal wel heilig en waarachtig meent en intu&iuml;tief voelt.
+Afstammeling van een aristocratisch geslacht, m&oacute;&oacute;rdend-deftig opgevoed,
+geest-vermummi&euml;nd bewindseld door het kinderachtigst conventioneele in
+zijn jeugd, weet hij op later leeftijd niet veel anders met zijn
+vrijheid aan te vangen, dan zooveel mogelijk maatschappelijke ruiten in
+te gooien, met geen ander wezenlijk resultaat natuurlijk, dan dat hij
+eigen handen kwetst. Maar ofschoon we dus zijn boh&eacute;mien-zijn voor een
+deel op de rekening zijner opvoeding moeten stellen, de schrijver laat
+ons toch geen oogenblik in onzekerheid, dat het voor het grootste <span class="pagenum"><a name="p51" id="p51"></a>[p.51]</span>
+part noodwendig voortvloeit uit <i>Leo's</i> aard, dat wil zeggen: een
+<i>kunstenaars</i>aard van <i>zekere soort</i>. En het is een verdienste van den
+schrijver, dat hij dit kunstenaarsschap zoo goed heeft doen uitkomen;
+dat hij ons <i>Leo's</i> plots-ernstig streven, midden-in zijn chaotisch en
+dolzinnig leven, naar ernst en toewijding aan zijn kunst laat zien; dat
+hij deze figuur zekere fijnheden laat doen en uitspreken, die ons
+onverklaarbaar zouden schijnen in, wij mogen wel zeggen: een dergelijken
+woesteling, indien die woesteling niet tevens kunstenaar ware. <i>Gerda</i>,
+een boerenmeid, uit de omgeving van zijn vaders landhuis, kan zijn
+hooger kunstenaarsleven niet meeleven, maar des te heviger leeft ze zijn
+lager kunstenaarsleven, het boh&eacute;mien-zijn, mede. Al in hun jeugd hebben
+ze wel eens begeerend naar elkander gekeken. Later, na zijn vaders dood,
+ontmoet hij haar als een dood-gewone demi-mondaine "op de baan," haalt
+haar uit een bordeel en trouwt haar ten slotte. Men kan zich
+ongetwijfeld levendig voorstellen, wat voor dol- en abjectheden er
+dagelijks uit het samenleven dier beide gedes&eacute;quilibreerden
+voortvloeien. De uitbeelding van dit samenleven is uitstekend gelukt en
+reeds als men daarop let, voelt men een jammerlijke spijt, dat het boek
+zoo schromelijk is bedorven door des schrijvers malle en jongensachtige
+van-leer-trekkerijen tegen dit en dat. Och, och, dat een toch zoo zeer
+talentvol schrijver als de heer Timmerman, die plastisch, dramatisch en
+psychologisch zooveel in zijn mars schijnt te hebben, maar niet heeft
+begrepen dat hij zijn kunst een brevet van onvermogen uitreikt, door
+telkens en telkens weer allerlei tendenz in ellenlange betoogen en
+onnatuurlijke dialoog in zijn werk te wringen, in stede van zijne
+beeldingen&mdash;gelijk het leven zelf&mdash;<i>door hun wijze van zijn, natuurlijk
+voortvloeiend uit hun aarden uit de omstandigheden</i>, v&oacute;&oacute;r of t&eacute;gen iets,
+al naar de lezersgeest hen opvangt en verwerkt, <i>van zelf</i> en <i>zelf</i> een
+of andere meening te laten suggereeren of bewijzen. Want welken anderen
+indruk kan iemand, die als een suppoosterige museum-gids bij eigen werk
+staat te oreeren, wekken, dan die, dat hij voelt, dat 't werk-zelf
+<i>niet</i> spr&eacute;kend-leeft?! Ook: hoe overladen is het daardoor geworden, hoe
+<span class="pagenum"><a name="p52" id="p52"></a>[p.52]</span> bultig-gedisproportionneerd. Het is of al de ervaringen, of al de
+meeningen, al de haat en al de liefde, in een lang leven gegaard en
+gekoesterd, in dit eene boek chaotisch-ziedend-en-worstelend moesten
+worden uitgestort! Maar het samenleven van <i>Leo</i> en <i>Gerda</i>, hoe goed
+ook, is nog niet eens het beste in het boek. Het beste is vervat in het
+eerste hoofdstuk.</p>
+
+<p>Er is daar in de schildering van de verhouding tusschen <i>Gerda</i> en haar
+vader, wiens half-onbewust sexueel begeeren naar haar, zijn dochter,
+deze, uit haat tegen hem, aanwakkert, door hem telkens en telkens weer,
+op grof-zinnelijke wijze te prikkelen&mdash;er is daar een epische zwier en
+tegelijkertijd een meesterlijke ingetogenheid in het aanduiden der
+verhoudingen en van het innerlijk gebeuren, die een kunstenaarsmacht van
+h&eacute;&eacute;l hoogen rang aanduiden. Die voortreffelijkheid van het eerste
+hoofdstuk keert in het heele boek niet weer. En wie zou niet vermoeden,
+dat zelfs deze daling, van het uitstekende naar het goede, veroorzaakt
+wordt door den jongensachtigen strijdlust, die vaardig wordt over den
+schrijver. Even weldoend als het moet zijn, een mensch met zulk een
+jeugdig hart, zulk een oprechten en edelen geest, als de heer Timmerman
+klaarblijkelijk is, onder zijn vrienden te mogen rekenen, even
+bedroevend is het, zulk een mensch zich, met al zijn impulsen, trots
+dier noblesse, in het werk van het door hem zich uitende Scheppend
+Vermogen te zien dringen en dat zoodoende verminken, welk te bejammeren
+bedrijf dan ook ten slotte op het eind van het werk uitloopt in een
+soort fotografie-realisme, dat niet schroomt, in eene hen ten slotte
+weinig flatteerende apotheose sommigen van de mannen-van-'80 ten
+tooneele te voeren! Ik kan mij niet voorstellen, dat eenig lezer van
+smaak blijde is, hier gepromoveerd te worden tot den spreekwoordelijken
+<i>valet</i>, die nu eenmaal gedoemd is groote mannen in kamerjapon te
+zien....&mdash;En, nu ik, v&oacute;&oacute;r te eindigen, nog even dralend en keurend
+terugzie over dit opstel, dat door bijzondere omstandigheden al te
+vluchtig moest worden geschreven maar waarin het mij toch tot mijn
+genoegen was gegeven, niet alleen over de kunstwaarde van drie ernstige
+werken te spreken, maar ook sommige <span class="pagenum"><a name="p53" id="p53"></a>[p.53]</span> mijner lezers, naar ik mij
+vlei, naar aanleiding van die werken te hebben doen doorvoelen, dat het
+Scheppend Bewustzijn de lagere persoonlijkheid &eacute;n van kinderen &eacute;n van
+kunstenaars op vrijwel gelijksoortige wijze be&iuml;nvloedt&mdash;nu voel ik toch
+de behoefte, nog even mijne meeningen d&aacute;&aacute;romtrent verduidelijkend saam
+te vatten: dat die be&iuml;nvloeding nml. beiden tot <i>buitensporigheden</i>
+brengt; dat het den eersten een aan volwassenen vreemde, verrukkelijke
+en liefde-wekkende bevalligheid verleent en aan de uitstameling hunner
+blonde droomen dezelfde bekoorlijkheid van menschelijk-onbewust-geschapen
+rijkdom, die ook kunst bezit, en de laatsten &eacute;&eacute;nerzijds tot groote en
+lichtende daden van sterke wils- en gevoelsconcentratie, anderzijds tot
+uitspattingen drijft, <i>alle</i> welke buitensporigheden echter de deugd
+bezitten van <i>de sleur te breken en den gewonen menschen de oogen te
+openen voor nauwelijks vermoede</i> hoogere en lagere mogelijkheden, en dus
+hetzelfde te bewerken, <i>wat een ver afgedwaalde vogel doet, die
+uitheemsche zaden in een land laat vallen, en ongekende planten daar
+verwekt</i>....</p>
+
+<p>Maar dat ik juist het werk van den heer Timmerman omhoog moest heffen
+als een waarschuwing, w&agrave;t met <i>het kunstwerk</i> gebeurt, als de lagere
+persoonlijkheid zich al te roekeloos met de schepping van het Hoogere
+Bewustzijn moeit, d&agrave;t was mij &egrave;n om des heeren Timmermans' groot talent
+&egrave;n om zijn klaarblijkelijk z&oacute;&oacute; edele menschelijkheid, tot een z&eacute;&eacute;r diep
+leedwezen.&mdash;</p>
+
+<p>15 April 1912</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>BRIEVEN OVER LITERATUUR</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p54" id="p54"></a>[p.54]</span></p>
+
+<h3>IV.</h3>
+
+
+<p>Helaas, datgene, wat ik, schoon wellicht geheel ten onrechte, de
+noodwendigheid mijner uitingen zou willen noemen, dwingt mij nu, reeds
+bij den aanvang van dit schrijven den gemoedelijken en
+kalm-vriendelijken lezer te irriteeren en wellicht af te schrikken met
+een zoo paradoxaal-klinkende bewering als deze: <i>De alomtegenwoordigheid
+in de een of andere durende relatie, gesteld nu eens, dat een
+niet-bovenmenschelijk wezen alomtegenwoordig k&ograve;n zijn, zou dat wezen
+onverbiddelijk verhinderen, roem, waardeering of zelfs genegenheid te
+verwerven</i>.</p>
+
+<p>Gij, die dit mocht betwijfelen of ontkennen&mdash;terwijl ik spreek, keer tot
+u-zelf in. Luister naar mij en luister naar u-z&egrave;lf, te eigener ure....
+Ge zult zien dat u dit niet moeilijk vallen zal, want mijne woorden,
+vertrouw ik, zullen niet anders dan de bewust-makende <i>parafrase en
+verduidelijkende begeleiding &ugrave;wer gedachten</i> zijn.</p>
+
+<p>Dus: <i>waarom</i> dan zoude de alomtegenwoordigheid haren grooten, niet
+bovenmenschelijken bezitter verhinderen roem, waardeering en genegenheid
+te verwerven? Gij weifelt: omdat de nijd ... maar waarmee gij&mdash;en hier
+ziet gij oprecht vragend op&mdash;toch waarlijk <i>niet</i> behept zijt?!... Och
+neen, en ge weet het nu zelf op dezen oogenblik: zijn wij niet <i>ook</i>
+liefdevoller dan wij-zelf meestal denken?... O, het is iets veel ergers
+dan de nijd! En voeldet ge niet al het weten, <span class="pagenum"><a name="p55" id="p55"></a>[p.55]</span> w&agrave;t het is,
+naderen, toen ik zei, dat wij <i>ook</i> liefdevoller zijn dan <i>wij-zelf</i>
+denken?... Het is: <i>omdat er zelfgeringschatting ligt op den grond onzer
+zielen</i>! Neen, d&agrave;t wisten we nooit of zelden, en hoe zouden wij ook? Wij
+<i>wilden</i> het immers niet weten. Hadden ook onze moralisten ons niet
+altijd geleerd&mdash;ons daardoor steunend in het al meer &ograve;nbewust wordend
+zelfbedrog&mdash;dat hoogmoed en zelfoverschatting de vergiften zijn, die
+ons verwoesten? Hoe zouden wij dan het weten vermeesterd hebben, dat
+integendeel zelfgeringachting het lijkig-blauwende aardgas is, dat
+opstijgend de plantwortels in onze landen vermoordt, zoodat we van
+koren, bloemen noch geuren genieten! Want geen andere dan
+zelfgeringschatting is het, die ons twijfelend laat staan tegenover een
+groote van <i>onzen</i> tijd, van <i>ons</i> land, die ons de handen smachtend
+naar <i>andere</i> tijden en <i>andere</i> landen laat strekken. En geen andere
+dan diezelfde geringschatting ontneemt ons het heerlijke geloof, dat in
+<i>onzen</i> tijd, in <i>ons</i> geslacht, in <i>ons</i> land, als een evenmensch met
+<i>ons</i> verkeerend, een <i>Groote</i> leven kan. <i>Daarom</i> is het spreekwoord:
+Geen profeet wordt in zijn eigen land ge&euml;erd, een waarheid: De
+<i>zelfgeringschatting</i> staat niet toe te gelooven, dat het <i>eigen</i> land
+een profeet <i>kan</i> voortbrengen! En <i>daarom</i> zou een <i>alomtegenwoordige</i>
+Groote <i>nergens</i> worden ge&euml;erd!</p>
+
+<p>Maar hier ziet gij op, schudt het hoofd en beduidt mij niet onduidelijk,
+dat <i>indien</i> al de bijkomende overwegingen niet van eenige waarde
+ontbloot mochten zijn, mijne primaire bewering, schoon tevens
+beargumenteerde conclusie geworden, geenerlei <i>practisch</i> belang heeft,
+want er bestaat geen niet-bovenmenschelijk wezen, dat alomtegenwoordig
+zou zijn!</p>
+
+<p>Maar ach, dit is 'n schromelijke vergissing van u, mijn waarde lezer! Is
+het u dan nooit opgevallen, dat het Joodsche Volk, dat een Groote is,
+tevens zulk een alomtegenwoordig wezen is? Trek alle landen door en
+overal zult ge het ontmoeten, en wat er ook verwaasd moge zijn, uit alle
+historische tijden zien u zijn zelfde zorgenvolle oogen en verweerde
+gelaat aan.... Isra&euml;l is ieders tijd- en ieders landgenoot.... <i>Daarom</i>
+is het nergens en nooit ge&euml;erd en geliefd met de liefde en den <span class="pagenum"><a name="p56" id="p56"></a>[p.56]</span>
+eerbied, die hem toekomen. En wat hem daarvan onthouden wordt, daar
+minder, ginds weer meer, wat i&eacute;deren Groote, in welken tijd en in welk
+land ook levend, daarvan in dien tijd en in dat land onthouden wordt&mdash;is
+<i>altijd evenredig aan het gebrek aan zelfachting en zelfvertrouwen van
+hen, die hem moesten eeren en liefhebben</i>. Want luister! Zooals de
+betrekkelijk schaarsche bewondering voor tijd- of landgenootelijke
+Grooten niets anders is, in zekeren zin, dan de veruiterlijking der
+innerlijke zelfhoogachting, het <i>kunnen-gelooven aan met hen verwante
+grootheid</i> der schaarsche hoogstaanden, zoo is de cynische twijfel
+tegenover die Grooten niets anders dan de weerspiegeling van de
+zelfgeringschatting der middelmatigen, het <i>twijfelen aan de
+mogelijkheid van bestaan van aan hen verwante grootheid,</i> en z&oacute;&oacute;, ten
+slotte, is de <i>haat</i> tegen en <i>verachting</i> van zulk een Groote&mdash;en ge
+ziet in het antisemitisme van het hooligan-type het zuiverst beeld van
+zulk een haat!&mdash;anders dan de uitgebraakte <i>zelfverachting</i> der
+verdierlijkten, <i>het onmogelijk kunnen gelooven aan op eenigerlei wijze
+met hen in aanraking zijnde grootheid</i>, en het d&aacute;&aacute;rom tegelijkertijd
+haten &egrave;n verachten als <i>gehuichelde en ge&uuml;surpeerde</i> meerderheid, 't
+geen inderdaad <i>werkelijke</i> en <i>rechtmatige</i> meerderheid is, en die zij
+<i>als zoodanig</i> doorvoeld, <i>alleen</i> geh&aacute;&aacute;t zouden hebben.</p>
+
+<p>De Literatuur, we weten het, heeft wonderen van vlijm-hoonende ironie,
+van monsterlijk-groteske, in den snik-lach om zich-zelf zich
+schaamteloos-wentelende gedrochten voortgebracht, m&aacute;&aacute;r&mdash;het allerbeste
+behield de Natuur zich-zelf ten dienste harer onmiddellijke scheppingen
+voor: deze antisemieten van het hooligan-type vooral, maar niet alleen,
+zij zijn onovertrefbaar van gedrochtelijkheid, een charge lijken zij,
+een overdrijving, zij zijn onwaarschijnlijk en onwezenlijk van
+alleruitmuntendste wezenlijkheid! En die heele bende pogromhelden, deze
+Kischinewsche en Homelsche vrouwenwurgers en kinderverkrachters, met den
+allerchristelijksten Czaar-paus-vredestichter tot beschermheer, die hun
+slachtoffers <i>verachten</i> en niet weten, dat zij niet anders dan
+<i>zelfverachting</i> braken!... D&agrave;t staat hoog boven alles uit, pr&agrave;chtig
+<span class="pagenum"><a name="p57" id="p57"></a>[p.57]</span> stinkend-van-walgelijkheid en oogenvonkelend, snoet-roodend en
+wijdmuilend van bestiaal-zinnelijke, hik-lachende belachelijkheid.</p>
+
+<p>Gij, <i>Hollander</i>, zult niet vragen, schaamteloos-onverschillig als de
+zonen van menig ander volk, waarom ik &uacute; dit vertel; gij, die slechts aan
+zelfgeringschatting lijdt en geen zelfverachting voelt noch behoeft te
+voelen; gij, landgenoot van Surenhuys en Basnage en die bevallige
+Joffers en edele Heeren, die uit een zachte liefde jegens de oude
+cultuur eener groote natie, de Hebreeuwsche literatuur vereerden, o ik
+weet het en wensch hun sentiment te onder- noch te overschatten: zoo
+ongeveer wellicht op dezelfde wijze, waarop een Fransch edelman de
+verweeuwde vriendin zijner jeugd nog elken dag bezoekt en weemoediglijk
+zacht causeert en haar lieve en bevallige geschenkjes met bescheiden
+glimlach en hoofsche buiging biedt. Al weet ik &oacute;&oacute;k: die tijd is lang
+voorbij, en al is het mij niet verholen, dat gij, hun nakomelingen, niet
+vrij zijt, hier en daar, van een zeker ras-antagonisme.... En bovendien:
+hoe ver staat gij in uw modern leven van al die speelsche
+bevalligheidjes af: een Tesselschade aardige klassiek-Hebreeuwsche
+briefjes aan hare vriendinnen over het huishouden en de edele kookkunst
+schrijvend!... Maar toch, wat ook gij wel weet en van welk weten gij u
+naar ik hoop niet ver zult houden, is: dat Spinoza uw grootste wijsgeer,
+Isra&euml;ls een uwer grootste schilders, en Querido thans, onbetwijfelbaar,
+uw grootste epicus is en dus.... Neen, zeker ... ik ben overtuigd, gij
+hebt aandachtig geluisterd, terwijl ik u sprak van dat volk, dat u
+zooveel heeft geboden, en zult voortgaan met niet minder aandachtig te
+luisteren, al spreek ik dezen keer over niets anders dan over werk van
+zonen van dat volk.</p>
+
+<p>Het literaire genie der Joden schijnt mij tot voor betrekkelijk weinig
+decenni&euml;n overheerschend meditatief-lyrisch te zijn geweest; hun episch
+vermogen&mdash;de tijdvakken, die den Bijbel uit zich hebben omhoog gestuwd,
+buiten beschouwing gelaten&mdash;vrij wel latent; hun plastiek niet sterk,
+zelfs de plastiek <span class="pagenum"><a name="p58" id="p58"></a>[p.58]</span> van Salomo's onvergelijkelijk <i>Lied der
+Liederen</i> wordt geschaadt en ernstig verzwakt door de tendentieuse
+beeldvorming eener bedoelingsvolle allegoriek. En ik heb zoo'n stil
+vermoeden, voor 't eerst nu ruchtbaar gemaakt, dat Mozes, behalve een
+geniaal wetgever, ook een uitstekend kunst-beoordeelaar bleek te zijn,
+toen hij het gouden kalf verbrandde! Maar, helaas, welk een
+onvoorzichtigheid tevens beging hij daar mee. Het schijnt of men maar
+geen vrede met dit genadeloos afbrekend oordeel hebben kon! Men moest en
+zou bewijzen wel degelijk in staat te zijn gouden kalveren van de
+allerbeste kwaliteit en natuur-getrouwe allure voort te brengen.... En
+met welk een succes!... De Rotschilds en de Hirschen, wie zou het hoofd
+niet voor hen buigen, zelfs nadat ze door de Morgans, de Rockefellers en
+hoe al die andere onbaatzuchtige artiesten verder mogen heeten,
+overvleugeld zijn. En wat zeg ik: overvleugeld! Dat zit nog! Denk eens
+aan die prachtige groep: <i>Het Gouden Kalf bevuilend zijn eigen Stal</i>,
+eenige jaren geleden door een russophil, joodsch bankier, in vrije
+uurtjes van kunstlievigheid en inspiratie gewrocht.... O, dat was om op
+de knie&euml;n te vallen!... Och, of Mozes nog geleefd hadde! Zoude hij
+ditmaal instede van het kunstwerk niet den kunstenaar hebben verbrand,
+om voor goed te verhinderen, dat deze zich wellicht in de toekomst aan
+een noodzakelijk-mindere, hem-zelf en zijn werk schadende herhaling zou
+te buiten gaan? Inderdaad, ik mag zeggen, dat het antwoord zoo makkelijk
+te geven als de vraag te verstaan is! Maar Mozes leeft niet meer, en
+welbeschouwd is dat ook goed, want het moet niet aangenaam zijn, een
+groot man iets overbodigs te zien doen. Want nu in ernst, zoo blijde,
+als deze scherts bitter was: dat uitschot van mijn volk&mdash;maar ik wensch
+nu verstaan te hebben, dat ik hier alleen spreek van die tijdens de
+jodenvervolgingen en revolutie aan Rusland geldschietende Joodsche
+ellendelingen&mdash;deze verkoopers van hun broers, verloochenaars van hun
+ras, deze verzwijnden in den afval der vreemde maatschappijen, hoe zijn
+zij weggedrongen door de kinderen der Jesaja's en Jeremia's, door de
+nieuwe profeten zoowel van de vertroosting als het leed! Er is in de
+jonge Joden, <span class="pagenum"><a name="p59" id="p59"></a>[p.59]</span> in deze geheele, nu opgebloeide generatie van jonge
+dichters en schrijvers, met de melancholie van het ghetto of de hoop op
+renaissance&mdash;meest met beiden!&mdash;in hun hart, geen eerbied meer voor het
+geld om het geld, geen eerbied ook meer voor autoritaire tradities: van
+een heilige aandacht vol, hebben zij zich diep gebogen over de natuur,
+hun volk en hun ziel, en zoo zij hun blikken wenden van deze trits, het
+is alleen om in een &oacute;ver-huiverend gevoel van geluk te zien naar de
+wondere Aronsstaf in hun hand, die, voorlang tot 'n dor hout geworden,
+nu in geurende bloemen ontluikt. Want ze weten het, zij zijn het, die
+hem doen bloeien, daar de mystieke zegen der natuur &egrave;n van hun volk &egrave;n
+van hun eigen ziel, hem uit hun handen en gelaat bestraalt. Die
+Aronsstaf, mijn lezer&mdash;gij zoudt het reeds begrepen hebben, zoo ge het
+boek van <i>Dr. Slousch</i>, waarover ik nu ga spreken, gelezen hadt&mdash;die
+Aronsstaf is de verjongd-uitbottende <i>Hebreeuwsche taal</i>!</p>
+
+<p class="sidenote">DR. SLOUSCH: LA PO&Eacute;SIE LYRIQUE H&Eacute;BRA&Iuml;QUE.</p>
+
+<p>Het, de nieuwe Hebreeuwsche lyriek (1882&mdash;1910) behandelende, boek van
+dezen geleerden, met een zeer fijne critische intu&iuml;tie begaafden
+Sorbonne-docent, waardeer ik niet zoozeer om eenige bijzondere kwaliteit
+der literaire analyse, die te zeer op het tweede plan teruggedrongen is,
+om een definitief oordeel over het analytisch vermogen van den auteur
+mogelijk te maken, maar voornamelijk om de volgende redenen: het
+meesterschap over de stof, het met strak en vast gebaar aangeven van de
+groote ontwikkelingslijn, en het aanwenden van meer moderne
+literair-critische methoden op eene literatuur, die zelden of nooit door
+een beoordeelaar zonder religieuzen bril bekeken is. Dat vooral maakt
+een alleraangenaamsten, buitengewoon prettigen indruk. M&aacute;&aacute;r&mdash;volkomen
+ge&euml;mancipeerd van alle kerkelijke gedachten-dwang als Slousch mij lijkt,
+is hij dan ook aan de dezen geestestoestand soms begeleidende euvelen
+niet ontkomen. Een enkel maal is hij "erge" nieuwlichterlijkheid
+schromelijk onjuist en onrechtvaardig. Zoo, sprekend van den door hem
+als groot geprezen Sa&uuml;l Tchernikhovsky, zegt hij:</p>
+
+<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p60" id="p60"></a>[p.60]</span> Cette derni&egrave;re allusion &agrave; un rite rabbinique peu esth&eacute;tique
+(het dragen der gebedsriemen, v.C.) auquel la tradition attache
+beaucoup d'importance, doit accentuer le contraste entre la beaut&eacute;
+du culte grec et le manque de gout des rabbins.</p></div>
+
+<p>Ten eerste is deze ritus niet "rabbijnsch" maar vloeit onmiddellijk uit
+een bijbelsch gebod voort! Het ware de taak van den analytischen
+criticus hier geweest, op te merken, dat als Tchernikhovsky toornt:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Toutes ces belles choses, que des hommes sans vie, que des &ecirc;tres
+pourris, vils et rebelles &agrave; la vie (Men merkt: eenzelfde verwijt
+als reeds zoo vaak het Christendom getroffen heeft, treft hier het
+rabbijnsche Jodendom! v.C.) ont enlev&eacute;es a Shada&iuml;-Dieu-Roc (cette
+divinit&eacute; imp&eacute;netrable du d&eacute;sert, qui pr&eacute;sidait aux actes des
+conqu&eacute;rants de Chanaan) et qu'<i>ils ont enchain&eacute;es dans les cuirs
+des philact&egrave;res</i>,</p></div>
+
+<p>hij tegen den verkeerde toornt, want dat dit "ketenen in het leder der
+gebedsriemen" een gebod van "Shada&iuml;-Dieu-Roc" zelf is. <i>Niet</i> dus van
+"Adona&iuml;, le Dieu pacifique et ritualiste des rabbins," maar wel degelijk
+van: "Jehova-Zebaoth, le dieu guerrier et vengeur des H&eacute;breux." Instede
+van hem den dichter te doen bijvallen, hadde dus deze plaats Dr. Slousch
+tot een schoon voorbeeld kunnen dienen van wat hij-zelf het "souvent
+plus oratoire que sinc&egrave;re" in Tchernikhovsky's po&euml;zie noemt! Maar ten
+tweede zal het wel iedereen, behalve Slousch, onmogelijk zijn in te
+zien, waarin het "onaestetische" van dezen ritus steekt! Integendeel, ik
+herinner mij levendig uit mijn jeugd, welke aan het extatische grenzende
+momenten ik doorleefd heb, door die "kroon op mijn hoofd" en dat "zegel
+op mijn arm" en ook&mdash;hoe rijk is een kind!&mdash;hoe ik midden in het
+ochtendgebed en mij alleen in de kamer wetend, plotseling, door de
+invallende gedachte opgewonden, nerveus maar toch glimlachend van
+voorvoeld genot voor den spiegel trad, om, terwijl ik het tallith&mdash;den
+gebedsmantel&mdash;op z'n schilderachtigst om mijn lijf drapeerde, te zien
+of mij de hoofdgebedsriem nu waarlijk als de vorstelijke diadeem stond,
+die ik mij altijd op 't hoofd droomde.... Helaas! hoe kan men zoo dalen:
+niet alleen dat ik niet meer taal naar een kroon, maar ik ben zelfs met
+een stoffigen hoed tevreden!... <span class="pagenum"><a name="p61" id="p61"></a>[p.61]</span> Maar dus: "onaestetisch"!... ik
+begrijp er niets van! Een andere onjuistheid van dien aard is de
+volgende. Na een citaat uit denzelfden Tchernikhovsky, zegt onze auteur:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Allusion &agrave; un passage talmudique qui ex&egrave;cre celui qui s'arr&ecirc;te &agrave;
+contempler "un bel arbre ou un beau champ."</p></div>
+
+<p>Men zou dus hieruit gevoegelijk de enormiteit kunnen afleiden, dat deze
+passus het bewonderen van natuurschoon verbiedt!! Daar is natuurlijk
+niets van aan! In werkelijkheid luidt bedoelde sententie, in getrouwe
+vertaling, aldus:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Die ten wege gaat <i>en over gewijde onderwerpen m&eacute;diteert en zijn
+meditatie afbreekt</i>, om te zeggen: hoe schoon is deze boom, hoe
+schoon deze akker, hem beschouwt de Schrift als een die <i>zich
+schuldig maakt jegens eigen ziel</i>.</p></div>
+
+<p>Ik zal dit niet nader behoeven te analyseeren, om den lezer, die op het
+door mij gecursiveerde let, te overtuigen, dat hier noch van een verbod
+om natuurschoon te bewonderen noch van iemand "verfoeien" sprake is!</p>
+
+<p>Maar&mdash;en spreekt dit trouwens niet van zelf?&mdash;het opmerken dezer kleine
+vlekjes kunnen de wijde en diepe dankbaarheid niet verminderen, die ik
+als een warme liefde in mij voel voor dit boek en zijn schrijver. Bij de
+geestelijke gestalten der daarin behandelde dichters, dezer vergeefs
+vervolgde, ontembare en van levenskracht stralende helden, wat zijn wij,
+Westersche Joden, daar Jood<i>jes</i> bij. Van hen allen schijnt <i>Bialik</i> mij
+de allergrootste. Men leze dit door Slousch aangehaalde kleine fragment
+uit het gedicht <i>Massa Nemirow,</i> "une description r&eacute;aliste du pogrome de
+Kichenev."</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Fils de l'homme ... l&egrave;ve-toi et va vers la ville de la Tuerie. Tu
+visiteras les maisons pour voir de tes yeux et pour palper de tes
+mains le sang fig&eacute; et les cervelles durcies sur les haies, sur les
+arbres et sur le cement des cloisons.... Puis, tu iras voir les
+ruines, en franchissant des br&egrave;ches, en passant par des murs trou&eacute;s
+et par les fours bris&eacute;s, la o&ugrave; les entailles sont les plus larges,
+o&ugrave; les trous sont les plus grands, o&ugrave; la pierre noire est denud&eacute;e
+et la brique arrach&eacute;e.... Elles sont pareilles aux bouches beaut&eacute;s
+des plaies sordides pour lesquelles aucun moyen, aucun rem&egrave;de n'est
+plus efficace. Tes pieds s'enfonceront dans les plumes et buteront
+contre les d&eacute;combres des objets bris&eacute;s, <span class="pagenum"><a name="p62" id="p62"></a>[p.62]</span> contre les restes
+des livres et des parchemins, biens perdus, produit des peines et
+des labeurs surhumains....</p>
+
+<p>Cependant, tu ne t'attarderas point sur ces ruines et tu
+continueras droit ton chemin.... Et l'odeur des acacias viendra &agrave;
+ta rencontre, et leur parfum p&eacute;n&eacute;trera dans tes narines et leurs
+fleurs qui sentent le sang....</p>
+
+<p>Et comme pour te contrister, leur senteur &eacute;trange r&eacute;pandra dans ton
+coeur la fra&icirc;cheur du printemps, et tu le supporteras! Et le soleil
+te percera de myriades de fl&egrave;ches dor&eacute;es qui refl&eacute;teront sur chaque
+fragment de vitre sept rayons joyeux de ton malheur....</p>
+
+<p><i>Car Jehova fit appel au printemps et &agrave; la tuerie &agrave; la fois. Le
+soleil rayonnait, l'acacia s'&eacute;panouissait et le bourreau
+abattait</i>....</p></div>
+
+<p>Door het cursiveeren van den laatsten zin, in zijn poignante
+tegenstellingen vol van een magistrale, zwaar dreunende zeggingskracht,
+toont <i>Slousch</i> wel duidelijk, welk een bevoegd docent zijn discipelen
+in hem bezitten. Jammer, dat door de ontstentenis van den oorspronkelijken
+Hebreeuwschen tekst den lezer van dit boek de mogelijkheid wordt onthouden,
+ook zijn vertaal-talent te waardeeren. Een ander gedicht: <i>La Chose
+(Dabar)</i> van denzelfden dichter ontlokt onzen auteur deze opmerking:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Dans ce sanglot de d&eacute;sespoir supr&ecirc;me d'une pensee qui s'obstine &agrave;
+vivre, bien qu'elle soit hant&eacute;e de l'id&eacute;e de la Fin, s'affirme une
+sensibilit&eacute; vivante et sympathique, qui m&eacute;rite d'&ecirc;tre connue de
+notre si&egrave;cle d'&eacute;go&iuml;sme et de positivisme &agrave; outrance.</p></div>
+
+<p>En overtuig u hoezeer hij gelijk heeft: (Ik citeer slechts een klein
+gedeelte.)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Car <i>une chose</i> s'est declar&eacute;e chez nous et personne ne sait ce
+qu'elle signifie.</p>
+
+<p>Est-ce un Lever ou un Coucher de soleil? Si c'est un Coucher,
+est-ce pour jamais?</p>
+
+<p>Car le Chaos qui nous entoure est grand. Il est terrible ce chaos,
+et n'offre aucun refuge.</p>
+
+<p>Et alors m&ecirc;me que nous voudrions implorer dans les t&eacute;n&egrave;bres, nous
+livrer aux pri&egrave;res, quelle oreille nous &eacute;couterait?</p>
+
+<p>M&ecirc;me si nous blasph&eacute;mions, sur quelle t&ecirc;te retomberaient nos
+blasph&egrave;mes?</p>
+
+<p>Et lors m&ecirc;me que nous grincerions des dents, que nous l&egrave;verions le
+poing de col&egrave;re, quelle nuque en serait atteinte? Le Chaos, le vent
+emporterait tout sans laisser des traces.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p63" id="p63"></a>[p.63]</span> Plus de point d'appuis, plus de soutien, plus de chemin. Les
+cieux se sont tus!</p>
+
+<p>Ils savent combien ils sont criminels envers nous, et combien leur
+crime est infernal, et ils portent silencieusement le poids de leur
+faute.</p>
+
+<p>Ouvre donc ta bouche, &ocirc; Proph&egrave;te de la Fin, et si tu as quelque
+chose &agrave; dire, dis-le!</p>
+
+<p>D&ucirc;t ta parole &ecirc;tre am&egrave;re comme la mort, d&ucirc;t-elle &ecirc;tre la mort
+elle-m&ecirc;me, parle, dis-la!</p>
+
+<p>Pourquoi craindrions-nous la mort, puisque d&eacute;j&agrave; son ange chevauche
+sur notre dos et met le mors dans notre bouche?</p>
+
+<p><i>Et en plein hymne de Renaissance chantant sur nos l&egrave;vres, en plein
+d&eacute;lire de joie de vivre, nous galopons vers la tombe</i>....</p></div>
+
+<p>En hoe val ik Slousch bij als hij van dien anderen groote,
+Tchernikhovsky, zegt:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>(Wat hij in zijn verzen geeft) c'est la vie r&eacute;elle, l'effort que le
+po&egrave;te pr&ecirc;che aux fils deg&eacute;ner&eacute;s du ghetto.</p>
+
+<p>D&eacute;bordant lui-m&ecirc;me de la joie de vivre et d'agir, il exerce une
+action d'autant plus grande sur le lecteur, ses propres coll&egrave;gues.</p>
+
+<p>Il a conscience de son r&ocirc;le de r&eacute;g&eacute;n&eacute;rateur. Il est aussi large,
+aussi prodigue que la nature l'est pour lui-m&ecirc;me.</p></div>
+
+<p>Ja, inderdaad: "d&eacute;bordant de joie de vivre!" Luister slechts, ten slot,
+naar dit:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Mais non! Elle ne mourra pas la Po&eacute;sie! Elle ne mourra jamais! M&ecirc;me
+le jour o&ugrave; l'homme ver parviendra &agrave; &eacute;tendre son r&egrave;gne sur les
+domaines du Ciel et des ab&icirc;mes, &agrave; dompter les tonnerres et le feu,
+et &agrave; jeter des clart&eacute;s sur les t&eacute;n&egrave;bres de la nuit polaire, elle ne
+mourra point.... Dans les cadres d'or pur, dans les colliers des
+rimes, l'enthousiasme de l'&acirc;me du po&egrave;te jaillira puissant comme le
+grondement superbe de la mer. Aux souvenirs des actes accomplis par
+les p&egrave;res aux temps pass&eacute;s et dans la f&eacute;licit&eacute; sans bornes des
+si&egrave;cles &agrave; venir, elle ne mourra pas, elle ne mourra jamais!...</p></div>
+
+<p>Bialik en Tchernikhovsky! De een, de sterke, mannelijke drager en
+bepeinzer van het schrijnende leed van millioenen, de ander de bazuin
+van hun onverwoestbaar geloof in het leven en in de toekomst, beiden te
+zaam een beeld van die edele revolutionnaire kracht, in welke de felle
+en vernuftig-ondermijnende haat van het <i>intellect</i> tegen het
+verfoeielijk maatschappelijk <i>systeem</i>, zich heeft gepaard aan de
+erbarmingsvolle <span class="pagenum"><a name="p64" id="p64"></a>[p.64]</span> zachtheid van de <i>ziel</i> jegens de <i>menschen</i>; een
+beeld in &eacute;&eacute;n woord der revolutionnaire kracht van het stam-volk van
+<i>Marx en Lassalle</i>!&mdash;Maar terwijl ik dit neerschrijf wordt weer het oude
+en schaamtevolle betreuren in mij wakker. Mijn liefde voor de Bialik's
+en Tchernikhovsky's, zij wijkt bleek en huiverend terug, gelijk een
+hooghartig geweigerde liefde. En het is mij of dat rechtvaardig is, en
+ik geen broederlijk deel aan noch recht op hen heb. Hoe bitter is dit:
+dat ik in de maatschappij, waarin <i>ik</i> leef, niets van het leven, het
+denken, het voelen dier sterken en vurigen en in mijn eigen trekken noch
+in die mijner westersche en vooral hollandsche stamgenooten gelijkenis
+met hun geestelijk gelaat herken.</p>
+
+<p class="sidenote">DR. KARPELES: HEINE-RELIQUIEN.</p>
+
+<p>En dat k&agrave;n niet aan mijn blik liggen. Want denk ik daarentegen aan dat
+andere, door mij nu te behandelen boek, het nog niet sinds lang
+uitgegeven werk van Dr. Gustave Karpeles: <i>Heine Reliquien</i>, dan zie ik
+daarin niet &eacute;&eacute;n mensch, hij zij Ari&euml;r of Semiet, of ik vind het meest
+karakteristieke zijner wezenheid in de mij omringende menschen terug:
+<i>Salomon Heine</i>, de man van de quasi-luidruchtigheid en jovialiteit,
+welke zijn grimmig sarcasme moeten bedekken tot den tijd, dat het vlug
+de venijnige nagelklauwtjes uitschiet, de man wiens diepste wezensaard
+is: een onder zijn joodsch-bankiers-cynisme voortsmeulende en er
+lichtelijk door gedompteerde vettige zinnelijkheid; <i>Gustave Heine</i>, de
+gedistingeerde, veradellijkte cavallerie-officier, met zijn literaire
+aspiraties en talentjes, met een manusje-van-alles-achtigheid in zich,
+een aanpassingsvermogen, een abiliteit om zijn cocon op het juiste
+tijdstip als glanzend vlindertje, de vleugeltjes beladen met stofgoud,
+te kunnen verlaten, die buitengewoon zijn; de <i>Baron de Custine</i>, met
+zijn verliefdheid op den Heiniaanschen geest; Varnhagen en Immermann,
+"die hun best deden als ze aan Heine schreven, even geestig als hij te
+zijn." ("Hoe dat uitviel is een andere zaak," voegt Karpeles er schalk
+bij.) O, al die menschen ken ik empirisch &egrave;n intu&iuml;tief door en door!
+Doch hoe veel beter ware het mij, als ik de Bialik's aldus kende! Maar
+toch: niet alleen als vergelijkingsmateriaal <span class="pagenum"><a name="p65" id="p65"></a>[p.65]</span> met het zoo oneindig
+belangrijker werk van <i>Slousch</i>, is het boek interessant. Het is het
+vooral om de figuur van den grooten Heinrich. Die blijkt ook hier weer
+enorm! Luister even, bid ik u: 1 Febr. 1846 schrijft hij:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Lesen kann ich gar nicht, schreiben nur wenig. Ein Auge ist seit
+einem Jahr ganz geschlossen, das andre sehr matt, und 2/3 des
+Gesichtes, inclusive den Mund sind gel&auml;hmt. Dabei bin ich
+lebensmuthig geblieben, und habe gar kein Lust mich ruhig mit
+F&uuml;ssen treten zu lassen. Im Gegentheil mich jucken die Fuszspitzen
+und Gott sei gen&auml;dig dem Hintern, den sie n&auml;chstens treffen.</p></div>
+
+<p>Men ziet het: de verlamde en den dood zich nabij wetende Heine heeft
+niets van zijn trotsche en vreeslooze strijdvaardigheid ingeboet. Ook
+niets van zijn beroemde geestigheid! In die geestigheid had de
+<i>Jiddische Witz</i> zijn culminatiepunt gevonden. Moest ik deze laatste
+karakteriseeren&mdash;en dit is wellicht tegenover den niet-joodschen lezer
+niet ongewenscht&mdash;ik zou willen beweren: het is de geestigheid van een
+gemoedelijken, uiterst <i>ervaringrijken</i> en scherpzinnigen <i>grijsaard</i>,
+een grijsaard, die ook die meest gewone eigenaardigheid van den ouderdom
+vertoont, dat hij het innerlijk meer dan het uiterlijk zoowel van zijn
+persoon als zijne uitingen verzorgt. En wat is trouwens natuurlijker dan
+dat ook de geestigheid van 'n volk met een geschiedenis van 'n 4000
+jaren, het karakter van die eens over-ervaringrijken, een weinig
+sceptischen ouden drage?! Een aardig staaltje nu van dien geest, m&aacute;&aacute;r:
+ver-Heiniaand, d.i. dus culmineerend, is dit: (Gustave Heine bezocht
+zijn grooten broer aan diens ziekbed en vertelt ons daarvan het
+volgende):</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Im Laufe des Gespraches nahm ich ein franz&ouml;siches Journal zur Hand,
+und nachdem ich seinen Inhalt &uuml;berflogen, fragte ich Heinrich, was
+er von den &ouml;ffentlichen Personen Frankreichs halte. "Ach," sagte
+er, "da musz ich Dir dieselben Worte sagen, die der alte
+Franz&ouml;sische Wachtmeister &auml;usserte als der Lieferant Lewi seine
+Ochsen ablieferte. Dieses geschah auf dem Marktplatze eines kleinen
+St&auml;dtchens wo der Etat-Major stationirte, vor dem jedesmal die
+Ochsen vorbeidefiliren mussten, um gezahlt zu werden. Hr. von Lewi
+hatte versprochen 300 Ochsen zu liefern, hatte aber nur 100 Ochsen
+zu seiner disposition. <span class="pagenum"><a name="p66" id="p66"></a>[p.66]</span> Er liess deshalb die Ochsen einzeln
+vor dem Etat-Major voorbeitreiben, und richtete es so ein, dass die
+gemusterten Ochsen von seinen Knechten schnell zu dem einen Thore
+hinaus, um die Stadt herum zu dem anderen wieder herein
+getrieben wurden, so zwar, dass endlich von dem Etat-Major die Zahl
+von 300 Ochsen richtig bescheinigt wurde. Nur ein alter
+Wachtmeister der dabei war, sch&uuml;ttelte den Kopf mit Verwunderung
+und bemerkte: Es k&auml;me ihm vor, als seien es immer dieselben
+Ochsen."&mdash;"Ja lieber Bruder," schloss Heinrich, "auch mir wil es
+vorkommen, als seien es immer dieselben Ochsen."</p></div>
+
+<p>Maar Heine was wel voor een groot deel Jood, maar voor een ander deel
+had hij niet alleen het essenti&euml;ele der Westersche beschaving in zich
+opgenomen doch schijnt bovenal zijn elegant-amoureuse wezen doordrenkt
+te zijn geworden van de geuren harer wellicht schoonste bloem, inderdaad
+haar <i>fine fleur</i>: de fr&agrave;nsche cultuur. Want is in den volgenden bon-mot
+niet vooral de geest belichaamd van het ridderlijk volk, wien geen
+enkele omstandigheid, zij 't de ontzettendste ziekte of wreedst-
+aangluipende dood, de schoone geste, den Meester-lijken glimlach en de
+fijn-geslepen scherts zijner courtoisie kan verhinderen of doen tanen?
+Kort voor Heine's sterven, maakt hij aan zijn ziekbed kennis met zijn
+schoonzuster, Gustave's vrouw; hij licht, om haar te kunnen aanzien, met
+de eene hand zijn verlamde ooglid op, vat met de andere <i>haar hand</i>
+en zegt tot <i>Gustave</i>:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Bruder, Du warst kl&uuml;ger als ich, Du nahmst Dir von den Uebelen das
+kleinste."</p></div>
+
+<p>Men begrijpe mij w&egrave;l: ik beweerde niet dat Heine's figuur ook in dit
+boek enorm blijkt, omdat ik dergelijke speelsche geestigheden als de
+hier geciteerde bij tientallen er in vind, neen, ik beweerde het, omdat
+hij, <i>lijdend aan tabes dorsalis, en gedurende een zevental jaren
+slechts eenmaal zijn kamer voor het balcon verlaten hebbend</i>, ze kon
+zeggen! Want Multatuli vergiste zich, toen hij de Gnomen, die een mensch
+uitkleeden tot op het bloote lijf, tot hij niets meer is dan hij <i>is</i>,
+&ograve;nder den grond meende te wonen, zij leven <i>daarboven</i>: zij heeten:
+<i>eenzaamheid, ziekte, gedwongen lediggang</i>!</p>
+
+<p class="sidenote">BONN: EEN BONTE VLUCHT VAN VERZEN.</p>
+
+<p>In 't algemeen zou het een studie overwaard zijn, eens na
+<span class="pagenum"><a name="p67" id="p67"></a>[p.67]</span> te gaan, in welk een sterke mate Heine de moderne dichters en
+vooral die van joodschen stam be&iuml;nvloed heeft en nog ten huidigen dage
+be&iuml;nvloedt. Voor Nederland echter zou het resultaat vrij pover zijn. Om
+ons nu tot de joodsche auteurs te bepalen, lijkt mij <i>Josef Cohen</i> wel
+de eenige, die aan het vervaardigen van Heiniaantjes doet, of deed; <i>van
+Collem</i> is daar ongetwijfeld, blijkens zijn zeer raak typeerende
+wrang-joodsche schertsdichtjes te oorspronkelijk voor; <i>de Haan</i> veel te
+zwaar, te onspeels-ernstig en vooral in zijn stijl-natuur te
+van-Deysseliaansch-afgemeten en niet-uit-de-plooi-komend. En de Haan
+heeft waarlijk ook wel iets beters te doen, dan een ander bewust na te
+volgen. Zijn joodsche <i>Liederen</i>, in <i>De Gids</i> van 1910 verschenen, zijn
+van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van stemming en
+zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, in een
+diep-innerlijken droom verzonken en er zich niet van bewust dat hun
+droom uitspreken, en gehoord worden buiten zich. Het aan <i>Het Joodsch
+Nationaalfonds</i> gewijde gedicht in <i>De Beweging</i> van deze maand lijkt
+mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer
+cerebrale, bed&agrave;chte, alledaagsche motieven van nationalen trots en
+Zionistische toekomsthoop, <i>die niet in de dichterlijke conceptie en
+uiting verbijzonderd en verindividualiseerd zijn</i>. Is deze, mijns
+inziens beste onder de joodsch nederlandsche dichters, tegelijkertijd 't
+innigst joodsch-gevoelig, <i>Bonn</i>, wiens bundel <i>Een Bonte Vlucht van
+Verzen</i> hier voor mij ligt, lijkt mij heelemaal geen Jood meer, maar op
+end' op een hollandsch-socialistisch dichter uit, het zij zonder zweem
+van geringschatting gezegd, de Nieuwe-Tijd-kweekerij, d.w.z. wat een
+groot deel van zijn onderwerpen-keus en gedachten-objecten betreft:
+<i>arbeiders en het socialisme</i>, en dan verder: hollandsche weidjes;
+hollandsche koetjes; huiselijk leven&mdash;heel innig!&mdash;. Maar zijn
+levend-rythmische zangerigheid is van hem-zelf en ook zijn buitengewone
+gedachten-&ograve;nbelangrijkheid. En&mdash;'t zal u zoo op het eerste gehoor wat
+vreemd lijken!&mdash;niet alleen de aanwezigheid van de eerste maar ook van
+de laatste <i>naast de eerste</i>, laat weten, dat hij een echt dichter is,
+al moet <span class="pagenum"><a name="p68" id="p68"></a>[p.68]</span> ik hem tegelijkertijd den ernstigen raad geven niet met
+die onbelangrijkheid (= "eenvoud") te gaan coquetteeren, want dan zou
+d&agrave;t een maniertje, zijn werk rhetorisch en hij zelf een rijmelaar
+worden! Maar n&uacute; zij het volmondig gezegd: Wie zulke niemendalletjes tot
+zoo betrekkelijk schoone verzen&mdash;men weet, ik doe te dezer plaatse niet
+aan eigenlijke d&eacute;tailkritiek&mdash;weet om te vormen, dat is een dichter.</p>
+
+<p>Om nu echter nog even tot den stralenden lichttoren zelf onze aandacht
+te bepalen, nadat we wat vogels hebben nage&ouml;ogd, die zich neerzetten op
+zijn transen of er in slaagden den invloed zijner glans te ontkomen en
+hem voorbij te varen in hun vlucht: Heine bedoelde ongetwijfeld iets
+dergelijks als dit laatste wat ik opmerkte omtrent Bonn, toen hij zei,
+dat ieder dichterlijk aangelegde wel 'ns een episch of andersoortig
+gedicht kon schrijven, maar dat <i>de</i> toetssteen voor den dichter het
+<i>lied</i> was; doch zoo men het al niet uit zijn geheele oeuvre wist, zijn
+inkleeding van die meening laat sterk voelen hoe door en door een
+lyricus ook hij was; neen, zeker, ook in Heine's genie was nagenoeg
+niets episch. En indien we nu zoowel naar <i>Bialik</i> zien, die een po&euml;em
+schrijft, waarin hij naar <i>Slousch's</i> getuigenis, de Kischinewsche
+gruwelen haarfijn beschrijft, als naar Heine, die ten deele de kracht
+zijner felle satyre ontleende aan het scherp zien der realiteit, dan
+wordt het duidelijk, dat men ter verklaring waarom zich bij de Joden het
+naturalistisch-episch genie niet ontwikkeld heeft, zich niet van hetgeen
+<i>Slousch</i> opmerkt bedienen kan. Deze zegt nml.: ... "les lettres h&eacute;breux
+aim&egrave;rent &agrave; se refugier dans la sensibilit&eacute; romantique, qui &eacute;cartait
+d'eux une perception trop nette de la r&eacute;alit&eacute;."</p>
+
+<p>Neen, de oorzaak moet elders gezocht worden! En mij lijkt zij geen
+andere dan dat de Joden, verdrukt en vervolgd of slechts geduld als zij
+worden en waren, niet langer <i>als heerschers</i> tegenover het hen
+omringende leven konden staan, dat het <i>heerschersbewustzijn, ook in de
+besten hunner, door reeksen van vertrapte en duldende geslachten
+ondermijnd, niet leven kon</i>, en&mdash;de lezer herinnert zich wellicht dat ik
+in mijn opstel over <i>H. Roland Holst</i> reeds zeer nadrukkelijk op dit
+<span class="pagenum"><a name="p69" id="p69"></a>[p.69]</span> feit heb gewezen en er de oorzaak van heb verklaard:<a name="FNanchor_9_9" id="FNanchor_9_9"></a><a href="#Footnote_9_9" class="fnanchor">[9]</a>&mdash;<i>dit
+heerschersbewustzijn is onontbeerlijk voor den objectieven menschschepper
+bij uitstek, die de naturalistische epicus moet zijn</i>, en het is, dunkt
+mij, dan ook door den meest botte niet langer een toeval te heeten&mdash;immers
+men noemt een toeval datgene waarvan men de gebeurenslogiek, de
+noodwendigheid <i>niet ziet</i>&mdash;dat juist in ons Holland niet alleen een
+van joodsche geboorte zijnde naturalistische dramaturg van enorme
+verdienste en productiviteit, <i>Heijermans</i>, is opgestaan, maar ook
+een groot naturalistisch epicus, voor de allereerste maal van joodschen
+stam en de evenknie in mensch-scheppend genie der groote epici van de
+andere nati&euml;n: <i>Is. Querido</i>.</p>
+
+<p class="sidenote">IS. QUERIDO: DE JORDAAN.</p>
+
+<p>Met Querido's jongste werk, mag men zonder vrees voor gegronde
+tegenspraak beweren, blijkt voor de allereerste maal een groot joodsch
+epicus te kunnen bestaan. Alle filosofische, lyrische en didactische
+bijmengsels, tot nu toe in z&oacute;&oacute; sterke mate in epiek van Joden aanwezig,
+dat zij hoofdbestanddeel werden en de epiek in hen verzonk, zijn hier
+weggevallen. Hier is door het Joodsche genie dan eindelijk de macht tot
+de naakte, pure en in geenerlei opzicht versierde of opgesmukte
+menschbeelding veroverd. En dit ten-slotte-bereiken na eeuwen
+worsteling, dit vermeesteren na het opstormen als een zee tegen een
+onwrikbare weer van rotsen, na het terugdeinzen dan weer &egrave;n opstormen
+opnieuw, en de &eacute;&eacute;uwen door, dag na dag en nacht na nacht, tot het
+onverwrikbare verwrikt, verpoeierd en vermolmd en een der, meestal
+onbewuste, levens-doelen bereikt is&mdash;dat is iets wat het Joodsche ras
+zeer eigen is, dit onverbrekelijke, nederige &egrave;n trotsche ras, dat ras
+van schuimende dondering en vlei&iuml;g gefluister, dat opgolft tot de
+hemelen en neerzinkt tot in den afgrond; een "halsstarrig volk"
+inderdaad, dat door alle vervolging en alle verdrukking heen&mdash;om
+<i>Slousch's</i> woorden te gebruiken&mdash;: ne cessa d'&eacute;voluer, de se
+transformer et de s'impregner du g&eacute;nie de toutes les races, de toutes
+les civilisations, pour aboutir de nos jours &agrave; l'&eacute;closion d'une
+litt&eacute;rature <span class="pagenum"><a name="p70" id="p70"></a>[p.70]</span> moderne. Het kan lang duren v&oacute;&oacute;r een der doelwitten
+van zijn onbewusten levenswil is bereikt; het kan middelerwijl
+tienduizenden zijner zonen door moordenaarshanden zien slachten, en
+millioenen zijner kinderen verliezen in de corrompeerende verlokkingen
+der vreemde maatschappijen; het kan neergeslagen, verjaagd, geminacht,
+bespot en bespogen worden; dat alles deert zijn kernwezen niet, ja het
+lijkt wel of het trotsche woord van zijn God voor hem-zelf was
+geschreven: "Zij kunnen mij vertragen noch verhaasten": onverzettelijk
+blijft het streven naar het vitale doel. Die stroom van menschelijke
+energie, hij holt langzaam maar onvermoeid,&mdash;z&oacute;&oacute; klaar zie ik geen
+ander beeld&mdash;den rots der weerstreving uit. Om zich sterk tot dien
+arbeid te maken en de geweldig aandonderende stuwkracht zijner golven te
+behouden, stroomt hij een langen, langen weg door vele wereldrijken. En
+hij heeft dan ook vele der schepen aangevoerd, die den volkeren het
+voedzaamst koren, de geurigste specerij en de stralendste kostbaarheden
+brachten.... Maar &oacute;&oacute;k altijd door blijft het zijn bestemming, als
+tartend, door zijne kracht- en glanzingen-zelf te vragen: Wordt een
+wereldstroom verontreinigd, doordat er drek in wordt uitgestort?... Kan
+men hem afdammen en versmoren, zonder dat de dam vergruizeld wordt?...
+Kan men hem berooven van de zon-beglinstering, of hem afdekken opdat de
+regen, hem verrijkend, zich niet met hem vereene?... Kan men een volk of
+zelfs een enkeling afhouden van zijn vitale doel?... Zou men voor eeuwig
+het heerschersbewustzijn kunnen dooden in iets wat leeft, en dat toch
+&ograve;mdat het leeft, tot het bereiken van het goddelijk- en heerscher-zijn
+blijkt bestemd?...&mdash;Tot hij na de schemer-duistere seizoenen weer lente
+en zomer gemoet en de stralen der Scheppende Natuur zijn kracht en zijn
+glanzingen niet langer een tartende vraag laten zijn, maar tot een
+openfonkelend antwoord doen &ograve;pschitteren.... Dit boek van Querido is
+zulk een antwoord.</p>
+
+<p>In &eacute;&eacute;n scheppingsdrift, en meer ontbloot van alle bijoogmerken en
+bewuste tendenzen, dan sommige Zola&iuml;stische <span class="pagenum"><a name="p71" id="p71"></a>[p.71]</span> werken; naakter van
+romantiek en brillante combinaties in de compositie of geestige
+subtiliteitjes in de dialoog&mdash;men achte dit een fout dan wel een deugd,
+ik vermeld het hier als een natuurlijke, dat is dus logische eigenschap
+van het werk, en dus een deugd&mdash;dan de Balzac niet alleen, maar zelfs
+dan Zola, is dit boek &eacute;&eacute;n geweldige visie van het volksleven, in
+koortsende opwenteling en afdeinzing naar en van een onbegrepen doel, in
+de koude en de hitte, in het leed en de vreugde der aan- en weg-rollende
+dagen, zonder begin, en zonder einde, zooals er bij mijn weten nog niet
+bestond. Men voelt in dit werk een onstilbaar verlangen, een brandenden
+hartstocht, primitief-natuurlijk en vurig-dorstend als lijfelijke
+parensdrang, naar het herscheppen van de "doode" en de "levende" Natuur,
+een onverzadigbaar begeeren naar het doorvoelen en scheppen van
+menschen, aldoor meer en nooit genoeg, m&eacute;nigten van menschen, de
+oogenglinsters van den een weg-duisterend achter de naar voren dringende
+lijven der anderen, een gaan en verdwijnen van aldoor nieuwe wezens,
+toch n&oacute;&oacute;it een verdwijnen, v&oacute;&oacute;r, in een stralende doorlichting, het
+kernwezen zich heeft getoond. Deze roman is niet wat men een roman
+pleegt te noemen, het doet geen poging dan&mdash;helaas!&mdash;in den titel, iets
+dergelijks te schijnen<a name="FNanchor_10_10" id="FNanchor_10_10"></a><a href="#Footnote_10_10" class="fnanchor">[10]</a>. Ook <span class="pagenum"><a name="p72" id="p72"></a>[p.72]</span> wil dit werk niet geestig, niet
+vernuftig, niet humoristisch zijn; het wil alleen het essenti&euml;ele van
+een zeker levensonderdeel wezen, maar juist <i>omdat</i> het dit all&eacute;&eacute;n wil
+zijn en is, bezit het al de zooeven genoemde eigenschappen mede. <i>Want
+er is geen essentieel leven, dat niet geestig, vernuftig en humoristisch
+zou zijn</i>. Men vindt, compositorisch gesproken, geen begin of einde aan
+dit boek, schoon hier wel een zwakke daling en ginds weer een zwakke
+climax. <i>Aan weerszijden</i> van het werk, tijdelijk en ruimtelijk, lijdt,
+zwoegt, overwint en wordt overwonnen hetzelfde leven. Hoe langer wij
+zien naar deze schepping, hoe meer wij er van worden bewust: dit is een
+brok uit het levensgeheel, waarop wij zoo dikwijls gestaard hebben met
+onze weenende en lachende, met onze moede en sterke oogen, dit is een
+land als een ander, midden de oneindige levensrijken, het leven hier is
+als het leven daar, <span class="pagenum"><a name="p73" id="p73"></a>[p.73]</span> maar zie: <i>dit</i> land met al zijn wezens
+straalt van &eacute;&eacute;n klaarheid en raadsell&oacute;&oacute;sheid: <i>het licht eener
+verhelderende, scheppende genialiteit is erover opgegaan</i>, en terwijl we
+op de ermee verbonden levensrijken het leven in-duister-en-onbegrepen-zien,
+worden we hier verrukt door het begrijpen en doorvoelen, dat een groot
+kunstenaar voor zichzelf maar ook voor ons gedaan heeft. <i>Daarom</i> is het
+z&oacute;&oacute; &eacute;&eacute;n met het leven, dat men nauwelijks te voelen waagt, dat het k&ugrave;nst
+is, maar <i>daarom tevens</i> straalt het zoo <i>verklaard</i> en <i>verhelderd</i> &ograve;p
+uit het leven, dat men aan niets anders d&egrave;nken k&agrave;n, dan dat het kunst
+is, tot, ten slotte, het oog gewend en het verstand zich bezinnend, men
+in een hooger doorvoelen de beide gewaarwordingen vereent en begrijpt
+dat deze stralende top op den donkeren berg van geen ander graniet dan
+de berg-zelf is, dat dit hel-lichtende veld midden de naar den donkeren
+einder wegduisterende avondlanden geen ander land dan deze is, maar dat
+het 't stralende licht is dat <i>voor ons</i> zoowel dien bergtop als dit
+veld iets anders doet zijn; dat het dit d&oacute;&oacute;rlichtende licht is, dat dit
+boek, zoo &eacute;&eacute;n met het al-leven, <i>voor ons</i> toch nog iets anders dan dat
+al-leven doet zijn, want &ograve;ns nu <i>doorvoeld, verklaard</i> leven is
+geworden.</p>
+
+<p>Men zal hier van mij geen detailleerend expos&eacute; van den inhoud verlangen.
+Niet alleen, dat dit bij een werk, dat in &eacute;&eacute;n week tijds, zijn tweeden
+druk en vijfde duizendtal bereikt en dus wel verondersteld mag worden,
+in de handen aller ontwikkelden te komen, wel een weinig overbodig
+heeten mag, maar het heeft ook nauwelijks zin bij een epos van de
+<i>massa</i> als dit, al is het tevens&mdash;en dit is een zijner schoonste
+triomfen!&mdash;een epos van de <i>individu&euml;n</i>, die de massa samenstellen. Want
+het maatschappelijk leven der massa, die men gewoon is ter
+onderscheiding van burgerij en hoogere standen, het "volk" te noemen,
+verschilt hierin van dat dier burgerij en hoogere standen, dat het voor
+alle individu&euml;n in hoofdzaak vrijwel gelijk is. Jenever, krotten,
+ontbering en uitbuiting, ziehier het maatschappelijk beeld in ruwe
+trekken, van dat levensgeheel. En zoodra ge dit <span class="pagenum"><a name="p74" id="p74"></a>[p.74]</span> kent, begrijpt
+ge, dat binnen de grenzen daarvan nagenoeg geen ruimte voor
+uitzonderlijke maatschappelijke stijgingen of dalingen van individu&euml;n
+is, geen ruimte ook voor "zaken," intrigues en sociale avontuurlijkheden,
+die gij het naproeven waard zoudt kunnen vinden. Met andere woorden: het
+verhaal van de levensomstandigheden eens ministers, eens bankiers kan
+zeer wel van een uiterste belangrijkheid zijn, &oacute;&oacute;k al kent gij de
+levensomstandigheden van twintig andere ministers en bankiers en ook al
+<i>onthoudt het verhaal u alle wetenschap van de psychische reacties van
+dien minister of bankier op zijn levensomstandigheden</i>, maar zoodra ge
+de levensomstandigheden van &eacute;&eacute;n <i>Jordaner</i> kent, kan all&eacute;&eacute;n de
+benieuwdheid naar de <i>individueele</i> psychische reacties u bewegen, ook
+van de, immers <i>niet-individueele</i>, levensomstandigheden van een tw&eacute;&eacute;den
+<i>Jordaner</i> kennis te nemen. Want&mdash;ik herhaal het&mdash;de
+<i>levensomstandigheden-zelf</i> van den tweeden lijken, als twee druppels
+water op elkaar, op die des eersten, en al zal er ongetwijfeld verschil
+bestaan, dat verschil is in ons <i>oog</i>&mdash;en op <i>ons</i> oog komt het hier
+voornamelijk aan&mdash;even microscopisch als tusschen die twee druppelen
+water. <i>D&agrave;t</i> proletari&euml;rsleven ... dan een beetje m&eacute;&eacute;r, dan een beetje
+minder mis&egrave;re&mdash;wij huiveren &egrave;n van het meerdere &egrave;n van het mindere; het
+blijft voor ons hoogere-standsgevoel &eacute;&eacute;n pot viezig nat! En nu begrijpt
+ge meteen wel, waarom ik het ontbreken van zekere brillante combinaties
+en subtiliteiten een logische eigenschap en dus een deugd van dit werk
+noemde&mdash;immers dergelijke combinaties en vervlechtingen zouden hier niet
+meer of minder dan een soort levens-vervalsching zijn geweest!&mdash;zooals
+ge tevens begrijpt in hoe hooge mate het een proefsteen voor den
+menschschepper en psychologischen doorgronder is, daar het uitteraard
+all&eacute;&eacute;n zijn blijvende belangwekkendheid ontleenen kon&mdash;gelijk we reeds
+gezien hebben&mdash;aan de weergave der <i>individueele psychische</i> reacties
+naast die van de <i>psychologie</i> der massa, al zal menigeen het zijn
+<i>begonnen</i> te lezen uit nieuwsgierigheid&mdash;en nog wat!&mdash;naar dat hem
+onbekende, duister-broeiende leven....&mdash;En welk een belangrijkheid bezit
+het <span class="pagenum"><a name="p75" id="p75"></a>[p.75]</span> door die weergave! Hoezeer kan het alle intrigue, en wat dies
+meer zij, missen!... E&eacute;n str&oacute;&oacute;m van lichtende menschelijkheid bestraalt
+ons en maakt ons tot verklaarden, en nimmer heeft het aanzien der
+<i>verscheidenheid</i> mij zulk een <i>gevoels</i>-begrip van <i>eenheid</i> geschonken
+als het beschouwen der machtige verscheidenheid in dit werk.</p>
+
+<p>Het is het <i>heerschersbewustzijn</i> van den auteur, dat
+bestaansmogelijkheid scheppende oorzaak is&mdash;gelijk ik reeds aanduidde
+&mdash;van al het voortreffelijke in dezen arbeid en tevens zelf het
+voortreffelijkste kan worden genoemd, z&oacute;&oacute; als de aarde en het zonlicht
+het voortreffelijkste in een tuin van zelfs alleredelste bloemen zijn.
+Hoe langer ik dit werk, ook in verband met vroegeren arbeid van
+denzelfden auteur, overdenk, hoe duidelijker ik voel, dat hij
+vermoedelijk nog nooit iemand in zijn leven ontmoet heeft, of diep in
+z'n hart heeft hij zich psychisch diens meerdere geweten. Zijn
+subjectieve meerderheidsgevoel, dat hem tevens heerschersnatuur doet
+zijn, maakt zijn essenti&euml;ele grootheid uit. En het doet tot die
+grootheid weinig toe of af, of dat subjectieve gevoel al dan niet geh&eacute;&eacute;l
+met een "objectieve" werkelijkheid overeenkomt.<a name="FNanchor_11_11" id="FNanchor_11_11"></a><a href="#Footnote_11_11" class="fnanchor">[11]</a> Men zegge niet, dat
+het zich-meerdere-gevoelen door den auteur tegenover de "onontwikkelde"
+en "laag-staande" menschen van dit boek een zonderlinge grond is <span class="pagenum"><a name="p76" id="p76"></a>[p.76]</span>
+voor de conclusie, dat hij zich meerdere van vrijwel iedereen zou
+gevoelen. Want: deze <i>verstandelijk</i> onontwikkelden zijn dat <i>psychisch
+niet</i>, en <i>op dit laatste komt het aan</i>. Want wat het laagstaan dier
+menschen betreft: vraag, lezer, u zelf eens af, of gij u licht op dit
+oogenblik kunt voorstellen te leven een <i>psychisch</i>-frisschere en ook
+sterkere figuur dan <i>Neel Burk</i>; een <i>psychisch</i>-reinere, dan <i>Huib
+Kilometerboekje</i>&mdash;welk een prachtig mystisch-diep begrip van de waarde
+en de beteekenis der aangeboren, door het tijdelijk <i>persoons</i>-leven niet
+meer te deren zielseigenschappen toont hier de schrijver!&mdash;een
+<i>psychisch</i> meer bijzondere en reinere dan de tooverkol en schijnbaar
+belachelijke Tante Antje met haar <i>aandoenlijke onbaatzuchtigheid</i>&mdash;en
+men heeft in het feit, dat de schrijver niets gedaan heeft om die
+uiterlijke belachelijkheid en abjectheid te verminderen, weer een
+prachtig bewijs van het passief blijven zijner lagere persoonlijkheid!
+&mdash;maar, v&oacute;&oacute;r u zelf, lezer, deze vragen te stellen, zie toch nog eens
+duidelijk in, hoe weinig <i>psychische</i> begaafdheid met <i>verstandelijke</i>
+ontwikkeling en begaafdheid <i>behoeft</i> te maken te hebben. Onderscheid
+goed den <i>uiterlijken</i> glans van den <i>innerlijken</i> glans. En overweeg
+eens, waardoor het mogelijk wordt, dat bijvoorbeeld een analfabetische
+daglooner, iets in zijn blik, zijn gelaat, zijn stem kan hebben, dat een
+zeer voornaam, zeer geleerd, zeer wijs en zelfs zeer goed mensch plots,
+in een oogenblik van h&egrave;l-lucide erkenning, zijn minderheid kan doen
+gevoelen. Zou dat niet zijn, omdat in zulk een oogenblik voor het oog
+van de ziel, alle tijdelijke, geestelijke zoowel als stoffelijke,
+uiterlijkheid is weggevallen en <i>ziel</i> slechts <i>ziel</i> ziet?</p>
+
+<p>Indien men de aanwezigheid van het machtige heerschersbewustzijn in
+onzen auteur door ontleding van zijn werk wilde <i>bewijzen</i>, men zou dit
+reeds alleen door de analyse van de figuur <i>Stijn Burk</i> afkunnen. Niet
+alleen, omdat het dan reeds voor ieder duidelijk zou worden, dat een
+dergelijke allerwonderlijkst gecompliceerde en in de diepte en hoogte
+zeer ver uitgegroeide persoonlijkheid niet te begrijpen is <span class="pagenum"><a name="p77" id="p77"></a>[p.77]</span> zonder
+haar te beheerschen, maar vooral, omdat men zou inzien, dat met geen
+mogelijkheid zulk een mensch&mdash;allerteederste vader, schuchter man met
+sterk plichtsgevoel, vriend bij voorkeur van misdadigers en toch zelf
+niet bij machte ooit iets baatzuchtig-misdadigs te doen en daarmee weer
+schijnbaar contrasteerend: een dronkaard van duivelsch-kouden moordlust
+doorkild&mdash;z&oacute;&oacute; doorgrond, z&oacute;&oacute; in zijn componeerende elementen herleid en
+toch zoo intact, zoo fel-l&eacute;vend kon gehouden worden als hij is, door
+observatie <i>van buiten af</i>, maar dat hiervoor onontbeerlijk was een
+<i>onderduiken</i>, beter wellicht een tijdelijk opgaan te noemen, van den
+auteursgeest in dien zijner figuur.<a name="FNanchor_12_12" id="FNanchor_12_12"></a><a href="#Footnote_12_12" class="fnanchor">[12]</a> En dit nu, dit tijdelijk zich,
+zonder eigen bewustheid te verliezen, opgaan in het bewustzijn van een
+ander, is alleen den <i>heerscher</i> ten opzichte van den
+<i>absoluut-beheerschte</i> mogelijk, den veel grootere tegenover den
+kleinere&mdash;precies dus het tegenovergestelde van de analoge stoffelijke
+verhouding, waarbij slechts het kleinere het grootere kan
+binnengaan&mdash;nimmer echter den geringere ten opzichte van den machtiger.
+En, het zij hier terloops gezegd: ik geloof dat <i>de</i> grond-oorzaak dier
+onmogelijkheid is de <i>psychische vrees voor het onbekende</i>, die, om zoo
+te zeggen, de acute vorm is van de chronische psychische schuchterheid
+van hen, die zich in den loop van hun leven vaak en van velen de mindere
+moeten voelen, en die het daarom bij al hun waarnemingen nooit verder
+dan tot <i>benaderen</i> brengen, alles slechts van den <i>buitenkant</i>
+angstvallig betasten en nooit iets durven <i>binnentreden</i>.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p78" id="p78"></a>[p.78]</span> Er is zelfs in dit werk een taalkundige eigenaardigheid aan te
+wijzen, die duidelijk belicht, dat dit "onderduiken" in het leven zijner
+figuren, bij wijle zoo sterk bij dezen schrijver was, dat hij zelfs
+eigen bewustheid tijdelijk verloor, d.w.z. zich dan niet duidelijk
+rekenschap van zijn artistieke handelingen kon geven. Ik bedoel met die
+eigenaardigheid het waarlijk overbluffend veelvuldig gebruik van het
+voorzetsel "ver" bij werkwoorden, ongetwijfeld een geniale vondst in
+zich-zelf, en als zoodanig ook vaak geniaal te pas, maar vaker grovelijk
+te onpas aangewend. Waarom dit echter, zooals ik zei, &oacute;&oacute;k het opgaan van
+den auteur in het leven zijner figuren belicht, ziet men duidelijk op
+blz. 337, waar, onmiskenbaar, in de uitdrukking: "Sau f'rtrippele se 't
+op 't teneil nie...." die "ver"-spreek-wijze aan de taal der Jordaners
+zelf blijkt ontleend!</p>
+
+<p>Maar is Querido's machtig heerschersbewustzijn ten opzichte zijner
+scheppingen, zoowel als de onontbeerlijkheid daarvan voor het welslagen
+als episch auteur, aan <i>Stijn Burk</i> en al de andere prachtig <i>geslaagde</i>
+figuren te demonstreeren, die onontbeerlijkheid alleen zou men ook
+vrijwel kunnen aantoonen, door de aandacht te vestigen op die &eacute;&eacute;ne
+minder geslaagde in het geheele boek&mdash;ofschoon ook die zeer zeker een
+waarlijk-levend mensch is gebleven&mdash;jegens wien hem grootendeels het
+heerschersbewustzijn ontbroken heeft: <i>Karel Burk</i>, den begaafden <i>Don
+Juan</i> van de <i>Jordaan</i>. Men merkt dit ontbreken aan het feit, dat,
+zoodra het Karel Burk geldt, <i>persoonlijke</i> liefde, d.i. liefde jegens
+die figuur, in de plaats treedt van de onpersoonlijke
+<i>menschheids</i>liefde. Want waar dit <i>psychische</i> heerschersbewustzijn
+is&mdash;het hoogste waarschijnlijk, dat een mensch bezitten kan, en dat men
+vooral niet moet verwarren met allerlei lagere verwante vormen, zooals
+heerschzucht, bazigheid, enz.!&mdash;daar is die <i>menschheids</i>liefde en
+omgekeerd, maar waar, daarentegen, genegenheid voor een <i>persoon</i>
+optreedt, daar wordt het heerschersbewustzijn ten opzichte dier persoon
+gebroken. <i>De heerscher laat den schepter vallen, wijl hij zijn
+onderdaan omhelzen wil</i>.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p79" id="p79"></a>[p.79]</span> De reden, waarom dit juist bij deze figuur is gebeurd, ligt m.i.
+open en bloot. In <i>Karel Hurk</i>, den <i>buitengewoon-intu&iuml;tieven
+psychologischen doorgronder</i>; den <i>artistieken waaghals en bereiker</i>,
+die de moeielijkheden zoekt, om ze te overwinnen, in wiens, vooral om
+die halsbrekende moeilijkheden zoo zeer geliefde, en telkens
+prachtig-op-het-kantje-af, meesterlijk-gratieus uitgevoerde
+dans-bewegingen, zijn vermetele en rijk-begaafde ziel pas goed tot
+uiting komt; in <i>Karel Burk</i>, den muzikaal hevig gevoelige; de, kortom,
+<i>z&eacute;&eacute;r artistieke heerschersfiguur</i>, ligt, op een veel lager plan, een
+flink brok van Querido's eigen kunstenaarsnatuur getransponeerd. En dit
+transponeeren moge bewust of onbewust geschied zijn, het feit was
+voldoende, om des schrijvers heerschersbewustzijn te verlammen, want
+Querido is een van de weinigen, wellicht de eenige, tegenover wien
+Querido&mdash;en dit spreekt m.i. van zelf&mdash;zich, in den boven aangegeven
+zin, geen heerscher voelt.</p>
+
+<p>Men lette er ook op, dat in dit boek&mdash;en wat ik nu zeggen ga, bied ik
+niet aan als een <i>bewijs</i> mijner bewering, maar slechts als een
+<i>ondersteuning</i> ervan&mdash;vol van allerprachtigste dialoog, vol van
+uitstekende beheersching en te-pas-brenging van het Jordaansche
+taaleigen ook in de meditatie der figuren (in zijn enormen rijkdom aan
+volksuitdrukkingen en de meesterlijke aanwending daarvan overtreft het
+zelfs <i>Wolf</i> en <i>Deken</i>, en d&agrave;t wil wat zeggen!) dat in dit boek, juist
+bij <i>Karel Burk</i> een uit-den-toon-vallen plaats vindt:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Wat was 't toch 'n fijn gezicht, z&oacute;&oacute; van het glinsterende en
+vonkende water &ograve;ver de dwarsbruggen de lucht in te <i>koekeloeren</i>,
+tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als
+een gloeiende, <i>trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel
+in het starre blauw</i>.</p></div>
+
+<p>Uit het woord "koekeloeren" blijkt duidelijk, dat de bedoeling was de
+gewaarwordingen van <i>Burk</i> in <i>Burksch</i> dialect te geven en die dus niet
+in Querido&iuml;aansche zegging om te zetten, maar uit het laatste door mij
+gecursiveerde zinsdeel blijkt even duidelijk, dat het Querido-brok in
+<i>Burk</i>, Querido, den schepper van <i>Burk</i> hier de baas was!</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p80" id="p80"></a>[p.80]</span> Ik zei straks, dat, compositorisch gesproken, er begin noch einde
+aan het boek is. Voor wie meenen mocht, dat ik dit een fout in het werk
+acht, zij onmiddellijk verklaard, dat ik dit integendeel, <i>hier</i>, een
+schitterende deugd vind. Een lastig probleem en een zeer groote
+moeilijkheid werden hierdoor volkomen opgelost en overwonnen. Bedoeld
+was m.i. namelijk <i>niet</i> in de <i>allereerste</i> plaats een beeld te geven
+van het leven van zekere <i>individu&euml;n</i>, van een leven dus, welks
+eng-begrensde duur zijn vast en duidelijk begrip in onzen geest heeft,
+m&aacute;&aacute;r, in de <i>allereerste</i> plaats, van een brok <i>volks</i>leven, d.w.z.: een
+leven, welks begin en einde ver buiten onze <i>onmiddellijke perceptie</i>
+liggen. Want is onze indruk van een <i>persoonlijk</i> bestaan die van iets
+eindigs, onze <i>gevoels</i>indruk van het <i>maatschappelijk</i>, van het
+<i>massa</i>-leven is daarentegen die van iets <i>on</i>eindigs. Doch, een brok
+massa-leven, z&oacute;&oacute; meesterlijk, z&oacute;&oacute; boordevol vitaliteit te geven als in
+dit boek, is niet mogelijk, zonder de samenstellende deelen van dat
+leven: de individu&euml;n, alleruitstekendst te beelden, maar zoodra dit
+gebeurt&mdash;<i>en dit is de moeilijkheid, waarvan ik hierboven sprak</i>&mdash;dreigt
+de daardoor ontstaande indruk van het <i>begrensde</i> en <i>eindige</i>, te
+verhinderen, dat zijn tegendeel: de gevoelsindruk van het
+<i>oneindige</i>&mdash;welke we immers van het <i>massa</i>-leven, <i>als geheel</i>,
+behooren te krijgen&mdash;bij ons ontstaat. Om de bovenstaande bedoeling dus
+te verwezenlijken; te zorgen dat de tegenstrijdige indrukken z&oacute;&oacute; worden
+te weeg gebracht, dat zij elkaar niet vernietigen en dus: ons het
+oneindige te laten voelen van een zeker levens<i>geheel</i>, naast de een
+<i>eindigheidsindruk</i> verwekkende uitbeelding der <i>eindige deelen</i>, moest
+naar het hulpmiddel van een zekere wijze van componeeren worden
+gegrepen, ten eerste: het geven van een nagenoeg climaxloozen
+verhaalgang&mdash;<i>want stijging, daling en, in een woord, wisseling in een
+geheel, versterken den eindigheidsindruk</i>&mdash;en, ten tweede, het als 't
+ware doen voortloopen van het tafereel tot buiten het kader, waardoor we
+de gewaarwording krijgen, alsof de begrenzing is aangebracht, alleen ter
+tegemoetkoming aan &ograve;ns niet oneindig ver dragend perceptievermogen, en
+<i>niet</i> omdat het <span class="pagenum"><a name="p81" id="p81"></a>[p.81]</span> gebeelde leven hierin werkelijk kon omraamd, en
+zoodat het ons is alsof ons wierd gezegd: zoo uwe oogen het toelaten,
+zie d&agrave;n verder, hoe eindeloos het leven blijft, blijft doorvloeien,
+&eacute;&eacute;uwig voort.&mdash;Door dit alles dus verkregen we een meesterstuk, welks
+felle uitbeelding van het eindige leven ons gevoel, dat wij hier ook het
+oneindige zagen, niet schaden kon.</p>
+
+<p>Maar ook in ander opzicht blijkt het compositorisch-geniale van onzen
+auteur: in zijn aanwending van nevens elkander gestelde contrasten. Men
+lette eens op de impressie, welke de prachtig geschreven terugblik op
+het leven van <i>Neel Burk</i> met haar eersten man, den zachten <i>Gronjee</i>
+maakt, te midden van de beelding van haar leed-en-angst-bestaan, nu zij
+getrouwd is met den onberekenbaren <i>Stijn Bark</i>: of, en dat brengt mij
+meteen ertoe te spreken van de prachtige beschrijvingen in dit boek, men
+zie eens naar de neven-elkander-stelling van deze contrasteerende
+stad-en-land uitbeeldingen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>'t Had rauw geklonken door de buurt, al om vier uur vroeg.</p>
+
+<p>&mdash;Luil&egrave;k ... biddes&egrave;k, stoat om neige ure op ... neige of
+h&egrave;lleftien.... hep je de Luil&egrave;k nauit gesien?&mdash;Een donkere worp van
+doode ratten en katten, weken lang al vooruit in de polders als
+prooi beloerd, was dof n&eacute;&eacute;rgebonkt op ruiten en ramen van
+beluilakte buurtgenooten, die woedend met bedreigingen losschoten,
+zonder iets te durven doen.&mdash;Een paar dagen later hadden diezelfde
+kinderen zich de morsige handen koel afgespoeld in de buitensche
+slootjes en gezocht naar de rose-witte en hel-gele, stralende
+pinksterbloemen en de zalm-roode klaproos.&mdash;Met land- en grasgeurig
+doorzwoelde bouquetten, vol koekoek en gele lisch, met vetglanzende
+boteren paardebloemen, waren zij komen aanzwalken bij troepjes van
+Amstelveen, Ringdijk, Ouderkerk, Rietlanden en Watergraafsmeer. De
+morsige handjes hadden bij duizenden rondgestrooid &agrave;l wat de gouden
+zomer liet bloeien aan slootkanten, op wei en veld. <i>De kinderen
+hadden in driftigen lente-roes, de kleurige en riet-bepluimde
+oevertjes van Amsterdamsen buiten geplunderd, struiken en halmen
+vertrapt en afgerukt, voor bemachtiging van ooievaarsblom en
+waterranonkel. De handjes hadden wild gegraaid tusschen blonde
+sterre-bloempjes fijnstraal, en plompen, soms terugschrikkend voor
+een graspieper, ze langs 't gezicht fladderend, of weggelekt door
+een flonkervleugels-vertrillende</i> <span class="pagenum"><a name="p82" id="p82"></a>[p.82]</span> <i>libel, die dronken om het
+vanielje-geurige zoet van witte orchidee&euml;n heen-kringde.</i><a name="FNanchor_13_13" id="FNanchor_13_13"></a><a href="#Footnote_13_13" class="fnanchor">[13]</a></p>
+
+<p>Zoo hadden de kinderen geplukt, geplukt, en de verbrokkelde en
+geknauwde armoe-buurten van de Jordaan, voor eenige uren &ograve;pgetooid
+met 't geel-goud, purper en wit gebloemt van buiten.&mdash;<i>Uitgesleten,
+kist-donkere en lood-rechte slingertrapjes, waren oversmakt van
+stervende ruikertjes. Op vunzige stoepjes en in duister-verhulde
+kelders, waar altijd de goot borrelde of stonk, was bloemsap
+gedruppeld, rookten geuren n&agrave; van klaver en iris, waterbezie en
+bitterzoet</i>.&mdash;Even maar hadden de kinderen, rondslenterend in hun
+vacantie, in hun sjofele plunje meegedragen naar de gore stegen en
+walmende straten, lucht van oevergras en versch hooi, <i>dadelijk
+weer gedoofd door bak-stank van visch-stalletjes, die, in goedkoop
+oliedrenksel, scholletjes en botjes in steen-glazuren kommen voor
+de gulzige Pinkster-smakkers gereed hielden.</i>&mdash;<i>Want dwars tusschen
+het zomerig zoeken der kinderen naar de blank-blauwe lucht van het
+wijde landschap, naar den koelenden watergeur, en 't loeren op 't
+geheimzinnig stekeltjes- en torren-gekrioel in de
+hemel-verspiegelende slootjes</i>,&mdash;<i>gierde het luidruchtig vertier
+der volwassenen. In potwagens, bonte Jan Pleziers, open bakken en
+hooge tent-karretjes, zwijmden dronken stelletjes van vier, zes,
+acht en twaalf soms, bijeengeperst in de gloeihitte, verzweet en
+opgewonden</i>.&mdash;<i>De keien hadden geschud van de ratelende en rollende
+vigelant-wielen. Tot 's avonds bonkerden ze door, als de roode zon
+al verwilderenden weerschijn op de zatte en afgestompte tronies
+vlamde</i>.</p></div>
+
+<p>Vormen deze tegenstellingen niet een compositorisch schoon? En zijn de
+beschrijvingen-zelf niet van een verrukkelijke vorm-, geur- en
+atmosfeergeving? Maar toch, ware het niet geweest om daarmee mijne
+bewering betreffende de compositie te ondersteunen, ik zou verkeerd
+gedaan hebben met dit te citeeren, terwijl ik al dat andere minstens
+even mooie niet aanhalen kan: de prachtig-uitgebeelde dansen, de
+machtig-gegeven vechtpartijen, zooals die op de Aal-markt, in het
+magistrale eerste hoofdstuk, en het bijna-doodtrappen door <i>Stijn Burk</i>,
+in zijn dronkenschap en daardoor ontstanen koud-duivelschen moordlust,
+van zijn zwangere vrouw, met op het einde, als Stijn onder de macht der
+hem in bedwang houdende kerels in een algeheele ontreddering bewusteloos
+is neergezonken, dat <i>prachtig-bescheiden-nauwelijks-symbool</i> <span class="pagenum"><a name="p83" id="p83"></a>[p.83]</span> <i>van
+Stijns eigen lijdensleven</i>, dat lijdensleven van hem die door zijn
+drinkhartstocht, welke hij toch z&oacute;&oacute; gaarne zou willen bedwingen, elken
+dag gekruisigd wordt:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hij stortte als een bewustelooze ineen, met zijn gezicht op den
+grond, de armen wijd uit, <i>gelijk een menschelijk kruis</i>.</p></div>
+
+<p>Of: heel die ruzie in de <i>Wijde Gang</i> met die Danteske visie:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Traag, tegen de grauwe muren, <i>kroop de donkerende en grillige
+middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim</i>, 't heele
+Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering.</p></div>
+
+<p>Met zijn ook Danteske beeldingen van gedrochtelijke verwringingsstanden
+van de kijvende buurvrouwen uit de bovenvensters. Of: de tocht op de
+Zuiderzee; de Hartjesdag; het zwoegen van de sjouwers aan de
+Wester-Suikerraffinaderij, en vooral niet te vergeten dat juweeltje, dat
+prachtige, dof-avondlijke idylletje van de kanaries langs Gijs'
+kroeggevel. Maar jawel, zoo zou ik wel kunnen doorgaan!...</p>
+
+<p>Laat ons liever even de psychologie in het boek van nabij bekijken: In
+de analyse van Stijn Burk is waarlijk het onovertreffelijke gebeurd.
+Deze in zichzelf onwaarschijnlijk gecompliceerde mensch, is door de
+beelding tot een persoonlijkheid geworden, wier leven je niet alleen
+voelen en tasten <i>kan</i>, maar wier leven je voelen en tasten <i>moet</i> en
+dat je obsedeert als een onwegduwbare, ontzettende <i>werkelijkheid</i> van
+den allereersten rang; dat niets onberoerd in je laat; afgrijzen &egrave;n een
+wijd erbarmen, haat en liefde, alles, &agrave;lles in je &ograve;proept. Want men zie
+eens dezen woesteling, die bijna zijn zwangere vrouw doodtrapt, zijn
+kleine kindje naar bed brengen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Reeds vroeg in den avond zat Sientje op zijn schoot, al zette hij
+haar telkens op 't stoofstoeltje wanneer er volk inkwam. Met kleine
+ronde slaapoogjes speelde ze, maar tuimelde telkens tegen de
+uitgelegde koffiela van den molen, in slaap.</p>
+
+<p>&mdash;Mot Siennetje so&agrave; ... pies goan?</p>
+
+<p>&mdash;Nei ... nei ... drensde ze, terwijl ze weer knikkebolde.</p>
+
+<p>Langzaam ontkleedde Stijn 't kind, nadat hij Koentje ook naar bed
+had gedragen, met 'n verzoend bakkesje.&mdash;Hij was bang dat ze,
+verveelderig, tusschen slapen en waken zou gaan drenzen. Heel
+omzichtig moest hij te werk gaan.&mdash;Bij elk <span class="pagenum"><a name="p84" id="p84"></a>[p.84]</span> kleedingstuk, dat
+hij loshaakte of uittrok, verzong z'n zware stem een mal zinnetje.
+(Ik sla hier een stukje over v.C.)&mdash;Nou ... 't jukkekie ... zong
+Stijn, omzichtig half-slapende Sientje uit haar rokje werkend ...
+en nou ... 't siemesetje.... Sau fra&agrave;fe de f&eacute;rkies ... de
+snoetjes!... rrr!... rr!... nou ... 't h&agrave;lshempie ... toktoktok ...
+h&ograve;at! sie!... w&egrave;cht! stoute fliegie ... m&ocirc; j&egrave;i bromme ... in 't
+auretje f&egrave;n liefe Siennie!... Nou ... 't boaije rokkie ... mit 't
+la&agrave;fie!... sss!... sss!... s&ograve;ejessssse!!... sss ... sss!...
+hoal-&agrave;ufer!... nou 't witte rokkekie ... soe ... je ... soe ... je
+hoal-&agrave;ufer!... nou 't broekekie ... hoal-&agrave;ufer!.... en Siennetje is
+'n soete sch&egrave;t!...</p>
+
+<p>&mdash;F&egrave;n sau'n m&egrave;skeroade hep ikke nie terug ... lachte Neel om Stijns
+kunstig zoethouden van Sien.&mdash;Bij Lien, Mien of Jansje griende ze
+altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door
+Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een
+knorretje was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en
+droeg hij haar de duffe achterkamer in. Muis-stil hipte Stijn in 't
+alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet
+meer tegen zich op voelde.</p></div>
+
+<p>Men peile ook de diepte van deze analyse van Neel's zuster, de perverse
+Dien:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Dien was niet alleen jaloersch op haar man, maar werd gepijnd van
+afgunst op &agrave;lle voorspoedige en gelukkige dingen in 't leven van
+anderen. Dit had ze van moeder Scheendert, h&egrave;t stuk chagrijn
+vroeger van de buurt. Dien leek met gegiste moedermelk
+grootgebracht. Het twistzieke, humeurig omkantelende van haar wezen
+las ieder dadelijk van haar gezicht. En liegen, schel en roekeloos
+liegen kon ze met strakke koon-effenheid, als de wijzerplaat van
+een kaduuk weegtoestel. (<i>Welk een prachtig beeld is dit, en zoo
+voortreffelijk passend in den toon van het beschrijvingsgeheel!
+v.C.</i>) Allerlei vurige en fantastische uitdenksels kon ze met zoo'n
+hartstochtelijke, bijna boosaardige driftigheid vertellen, dat zij
+ze z&egrave;lf gelooven ging en niet meer vermocht te leven zonder die
+schielijke leugenarij; voor haar wa&agrave;rder dan de nijpendste
+werkelijkheid. Ze hield van 't liegen &ograve;m 't liegen. Het werd haar
+een fel, brandend genoegen te jokken. <i>Ze kreeg zoo'n angstige
+vreemdigheid over haar wezen als ze loog en later betrapt werd</i>.
+(Ik oversla een klein stukje, v.C.) Ze k&ograve;n nooit iets vertellen,
+zooals 't gebeurde. <i>En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als
+'n feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat 't d&agrave;n
+te waar geworden was</i>.</p></div>
+
+<p>Zooals meermalen in het boek, doch veel minder dan in <span class="pagenum"><a name="p85" id="p85"></a>[p.85]</span> des
+schrijvers vroegere werken, is er ook hier in het door mij overgeslagen
+gedeelte als een herhaling, een overtolligheid, maar het is en blijft
+voor mij de vraag, of die herhalingen en overtolligheden van een hooger
+plan dan het gewoon-zinsbouwkundige beschouwd, wel overtolligheden zijn.
+Men vergelijke hierover mijn artikel over de <i>Studies</i> van dezen auteur,
+in <i>De Ploeg.</i><a name="FNanchor_14_14" id="FNanchor_14_14"></a><a href="#Footnote_14_14" class="fnanchor">[14]</a> Maar bovendien: nimmer heb ik indringender analyse
+gelezen, vooral dat laatste door mij gecursiveerde....</p>
+
+<p>Wil men een staaltje van wat ik zou willen noemen: plastische
+psychologiek? Ziehier dan iets over het Jordaansche volk (de verklaring
+hunner saamhoorigheid, van het niet dulden van vreemde invloeden in hun
+kringen):</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Ze waren van &eacute;&eacute;n ras, eene klasse, <i>door eenzelfden levensgolf
+rondgezwabberd, naar v&oacute;&oacute;r gestooten, naar achter gekanteld op &eacute;&eacute;n
+plek grond</i>.</p></div>
+
+<p>Of betreffende de waarzeggende "<i>Tante Antje</i>":</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Ze waren waarlijk bang voor die vreemde, strak-starende, <i>meer
+luisterende dan kijkende oogen</i>.</p></div>
+
+<p>Of wenscht men een enkel bewijs voor mijne bewering, zoowel dat de
+dialoog in dit boek zoo voortreffelijk is als dat het zulk een rijkdom
+aan kernige volksuitdrukkingen bevat? Laat mij dan even dit citeeren:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;Vijf van de tien ... vroeg kort-krachtig 'n lichtmatroos, even de
+sabelbeenen uitgebogen.&mdash;</p>
+
+<p>&mdash;As je blief Teun....</p>
+
+<p>Vriendelijk hielp Neel nu en vroeg of hij weer honk had.</p>
+
+<p>&mdash;Soo je siet moeder....</p>
+
+<p>Zijn stem zong zwaar en vol in 't zonnige winkeltje.</p>
+
+<p>Twee vrouwen loerden uit, bekeken den frisschen, kraakzindelijken
+matroos-eerste-klas.</p>
+
+<p>S&egrave;l ik stikke.... d'r hei je Teun f&egrave;n de Hoarlemmerdaik,... seg
+ouwe robbeklopper ... w&egrave;t bi jei grausig ... jei hep ereis auk wel
+ereis slinger gefreite!... je laikt me wel 'n kesse-me-jeu....</p>
+
+<p>De matroos keek beduusd, zocht naar naam en wijf in zijn
+herinnering.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p86" id="p86"></a>[p.86]</span>&mdash;Nei,... d&egrave;t ken ik nie kroppe.... W&egrave;t heb ik nou &egrave;n de
+h&egrave;nd!... k&egrave; je Annemie niet meir.... Annemie uyt de
+Or&egrave;njestroat?... no&ugrave;, di&egrave; kachel brent ... segge d'r seife stomme
+te g'la&agrave;k!... ka&agrave;k sa&agrave;n is ka&agrave;ke!... goa ik 'r &agrave;n?</p>
+
+<p>Plots schoot bezinning bij den matroos terug.</p>
+
+<p>&mdash;Nou hep ik je mins!...</p>
+
+<p>&mdash;Hou f&egrave;st ... spotte een uitdraagster met 'r handen op 'r heupen,
+de armen als hengsels.</p>
+
+<p>&mdash;Annemie van Arie-stront-an-'t-sweepie.... Nou hep ik je ...
+f'rdikt ... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie
+weg....</p>
+
+<p>Met 'n gullen lach sprong hij bij en drukte zwaar haar handen.&mdash;</p>
+
+<p>Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch
+uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten
+braniekraag.</p>
+
+<p>Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk,
+prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen
+lach.&mdash;<i>Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in
+een ziekenkamer</i>. Het was altemaal open leven, frisch en frank.&mdash;</p>
+
+<p>&mdash;Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem
+weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug
+wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks
+as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en
+gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....</p>
+
+<p>Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.</p>
+
+<p>Annemie lachte mee en de andere wijven ook.&mdash;</p>
+
+<p>Neel verknutterde zich in zijn warme, zangerige stem.&mdash;Nog 'n ander
+slag man dan haar suffe Stijn.&mdash;Maar Annemie voelde haar buurt
+bekeven.</p>
+
+<p>&mdash;Alleminse ... w&eacute;t bi jei grausig....</p>
+
+<p>&mdash;Ja mins, as 'n roer goed is ken je teuge 'n raauw weertje ... ik
+ben d'r lieferst op de oceaan as hier onder de walm.... Nou beste
+siele ... ik licht me anker ... ajusies.... Annemie ... de vijf!...</p></div>
+
+<p>En heeft men ook op het fraaie door mij gecursiveerde beeld gelet? Munt
+het niet uit door een prachtige waarachtigheid?&mdash;</p>
+
+<p>Ongetwijfeld vormt de beelding van het moederschap van de diep-nobele
+<i>Neel Burk</i>, die de mogelijkheid van blind-worden trotseert, om haar
+kind te kunnen zoogen, en haar eindelijke, door een eigenaardige&mdash;met
+diep mystisch begrip <span class="pagenum"><a name="p87" id="p87"></a>[p.87]</span> door den auteur doorvoelde&mdash;zekerheid in
+haar-zelf v&oacute;&oacute;rzegde, triomf, een van de meest lichtende gedeelten van
+het boek, maar toch: grooter vreugde schonk mij het gemoeten van dat
+vrijwel nieuwe element in Querido's werk: het beelden van het
+kinderleven. En zoo er ooit sprake mocht zijn van een coup d'essai, die
+een coup de ma&icirc;tre was, dan is het hier:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Siempie, die bij Mientje geslapen had, klom stiekem naar de
+spelenden over. Maar Daantje duwde hem heftig bij zijn blond kopje
+terug.&mdash;Zacht begonnen weer de stemmetjes &ograve;p te giebelen. Daantje
+krabbelde Koentje in zijn hals; Pietje sprong dwars over Sientje en
+Siempie pakte de beenen van Pietje, die in de lucht zwalkten, met
+de, er los bij bengelende kousen vol gaten. Weer probeerde Siempie
+in te klimmen.&mdash;</p>
+
+<p>Nei!... hield hardnekkig Daantje vol ... jei, jei ... bin nie
+tr&ocirc;nke ... jei nie ... jei k&egrave; nie ... swaaije....</p>
+
+<p>&mdash;M&ograve; je eirst slokkies kaupe ... doar ... wees Pietje met haar
+klein armpje langs Stijn heen, naar een hoek bij de tafel.</p>
+
+<p>&mdash;Die heb nog nie aupe ... verdedigde zich Siempie, rillend van
+kilte in zijn onderbroekje.</p>
+
+<p>&mdash;Kaup se den bei maan ... slokkies?... hoefeul?... gierde Pietje,
+doende alsof ze inschonk.</p>
+
+<p>De zusjes en broertjes gilden en tierden weer als v&oacute;&oacute;r Neels
+waarschuwenden snauw, die ze even zoo plotseling had stil
+gemaakt.&mdash;Jansie, &eacute;&eacute;rst het bezonnen en bedillende kind-moedertje,
+had langzamerhand al haar waardigheid ingeschoten, lachte en
+stoeide nu zelf om 't hardst mee. Ze verdubbelde zelfs de rollen,
+morrelde er een heele comedie omheen.</p>
+
+<p>&mdash;Nou mot jei.... Siempie ... schobber uytjouwe ... hitste ze naar
+Sien,... en jei ... leileke neitekles! roepe ... en den.... s&egrave;l
+ikke.... sie je.... s&egrave;l ikke je arrestere.... bei Sw&egrave;rte J&egrave;ns haur
+... ikke bin peliesies.... Enne ... enne ... jei bin auk peliesies
+... haur!... stookte ze Siempie op.</p></div>
+
+<p>Maar dan vooral dit (Pietje, het kleine dochtertje van Stijn en Neel,
+mist de jonge poesjes, die verdronken zijn):</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.</p>
+
+<p>Werendig moedertje,... suste Neel,... de poessies binne femorrege
+gehoald, fa&agrave;n!... mit sau'n hauge figel&egrave;nte ... se wasse siek....
+0! sau siek! liefeling, en nou ... nou binne se ... in 't
+k&egrave;tte-g&egrave;sthuys....</p>
+
+<p>&mdash;Enne ... enne ... vroeg blond Pietje met goddelijke
+onschuld-oogjes er tegenin ... 'k h&egrave;p 't nie gehaurd?...</p>
+
+<p>As jei sloap k&egrave; je ommers nie haure,... moedertje,... <span class="pagenum"><a name="p88" id="p88"></a>[p.88]</span> se
+legge &agrave;llegoar in fa&agrave;ne mandjes ... maor nie oks! deigelik woar ...
+moedertje ... asse beiter binne ... m&egrave;g je se weir sien....</p>
+
+<p>Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes
+zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele
+schouder-schokjes.&mdash;</p>
+
+<p>&mdash;Enne poes ... d&egrave;n? vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich
+omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren
+slaap.&mdash;</p>
+
+<p>Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw, die net
+inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om
+steun.</p>
+
+<p>Niet t&egrave;nte Truy?... binne de poesies femorrege nou niet afgehaold?</p>
+
+<p>Achter Pietje draaiend, maakte ze naar buurvrouw een inlichtend
+grimas....</p>
+
+<p>&mdash;Nou!.... zei die, &oacute;ver-geloofwaardig haar, "nou" beklemtonend,
+zonder te weten, waarover 't eigenlijk ging.</p>
+
+<p>&mdash;In 'n figel&egrave;nte nie?...</p>
+
+<p>&mdash;Sau mit raud fleweil!... pronkte buurvrouw erbij.</p>
+
+<p>&mdash;En binne se niet naor 't k&egrave;tte-g&egrave;sthuys gebracht?</p>
+
+<p>&mdash;S&egrave;lf meigereije!...</p>
+
+<p>Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter 't toonbankje
+staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goudglans van het
+gas, d&agrave;n naar buurvrouw, d&agrave;n naar moeder op.</p>
+
+<p>Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies ... waren ziek, lagen in
+'t gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden.</p>
+
+<p>&mdash;En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen
+van de gejaagd rondsnuffelende kat hoorde, in 't gangetje, holde ze
+op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met
+troostend, fijn vlei-stemmetje:</p>
+
+<p>&mdash;Stil poessie ... stil moar ... je kindertjes binne siek ... se
+komme t'rug asse beiter binne....</p></div>
+
+<p>Neen, dit kan niet overtroffen worden, daar voel ik mij zoo zeker van
+als van het feit, dat wanneer geslacht na geslacht telkens en telkens
+weer dit onsterfelijke boek zal lezen, dit boek, dat zonder den
+geringsten opzettelijken tendenz van even groot sociaal als literair
+belang is, en een twijfel in zich mocht voelen opkomen aan de dan
+verdwenen werkelijkheid van die poel van ellende en verwording, waarin
+een groot deel van Amsterdams hardst-ploeterend volk aan het begin van
+de twintigste eeuw nog verzonken lag&mdash;dat dan zelfs &eacute;&eacute;n klein stukje als
+het zooeven door mij aangehaalde <span class="pagenum"><a name="p89" id="p89"></a>[p.89]</span> voldoende zal zijn om elken
+twijfel te smoren: een klaar en zuiver gelaat gelijk, tot een duldenden,
+zekeren, wijzen glimlach bewogen, zal de diepe menschelijkheid van dit
+boek den twijfelaar aanzien, en deze, het hoofd buigend, zal, blijde en
+veilig in het geluk van dit visioen, zacht tot zichzelf zeggen, dat zulk
+een menschelijkheid niet anders dan w&aacute;&aacute;rheid kan zijn....</p>
+
+<p class="sidenote">ELSE JERUSALEM: HET ROODE HUIS.</p>
+
+<p>Mag men ook het machtige boek van <i>Else Jerusalem</i>, Het Roode Huis, als
+een symptoom van het krachtig opgestane epische genie der Joden
+beschouwen? Wat mij betreft, aarzel ik geen oogenblik die vraag
+bevestigend te beantwoorden: het is bijna onmogelijk, dat de
+schrijfster, alles in aanmerking genomen, geen Jodin is! Ook in dit werk
+is het heerschersbewustzijn aanwezig, maar gedeeltelijk, niet zoo
+volkomen alles doorstralend als bij <i>Querido</i>. Deze bordeelroman, een
+aanklacht als nauwelijks een andere tegen onze samenleving en tevens zoo
+fel en scherp een beeld ervan, dat wij als plots met een schok van
+ontzetting doorvoelen, dat het gelaat harer misdadigheid, zooals wij,
+lichtgeloovigen, dat kenden, slechts een welgelukte grime is, die
+oneindig satanischer en meer verworden trekken moet verhullen&mdash;deze
+prachtig-zuiver geschreven, van alle pornografische effekten en lagere
+bedoelingen ver gehouden roman, kan ongetwijfeld, wat sociale
+belangrijkheid betreft, naast <i>De Jordaan</i> worden gesteld. En ook wat
+<i>dramatisch</i> inzicht betreft. Niet licht zal men de moeder vergeten, die
+in haar kind vrijwel niets anders ziet dan middel tot wraak op den
+vader, die haar en met haar, onwillens het kind verstooten heeft. Niet
+licht ook de duldende <i>Janka</i>&mdash;de nicht van den verleider, den "prins,"
+den schatrijken heereboer&mdash;die met de verstooten moeder en het kind is
+weggevlucht en zich met hen in een bordeel heeft laten opnemen, niet
+alleen uit liefde tot de verstootene, maar ook uit een soort van duister
+gevoel dat z&oacute;&oacute;, door zelf met de in het verderf gestorten te lijden, de
+schuld van haar verwant, den verderver en verleider, door haar gedelgd
+en van het geslacht kan worden afgewenteld. <span class="pagenum"><a name="p90" id="p90"></a>[p.90]</span> Maar wat de
+psychologie betreft&mdash;schoon nu en dan de hoogste voortreffelijkheid
+rakend, soms ook rhetorisch-oppervlakkig en vaag&mdash;en wat de dialoog
+aangaat&mdash;vaak veel te redevoeringachtig-opzettelijk&mdash;en v&oacute;&oacute;ral de
+beschrijvingskunst&mdash;heel vaak <i>vieux jeu</i>&mdash;staat het &ograve;nder Querido's
+werk. Compositorisch is het echter weer uitmuntend. Dat het
+<i>heerschersbewustzijn</i>, zooals ik reeds opmerkte, niet overal in
+voldoend-sterke mate aanwezig is, zou men kunnen demonstreeren o.a. aan
+de figuur van <i>Madame Goldscheider</i>, de gewikste waardin, tegen wie nu
+en dan, zeer ten onrechte, door de schrijfster wordt opgezien, en die
+door haar merkbaar wordt <i>overschat</i>. Doch dat alles neemt niet weg, dat
+het werk als geheel straalt van een groote epische genialiteit, een
+onverschrokken eerlijkheid, een ontembare kracht en een psychisch geluk
+om eigen vast en zeker kunnen. Het is als een geweldige kerel, die,
+opduikend uit een moerassig water, handen en gelaat beslijkt, de kleeren
+gescheurd, maar de oogen stralend van triomf, met een bijna-verdronkene
+in de armen, den oever bespringt. Mevrouw <i>Barentz-Sch&ouml;nberg</i>, die het
+prachtige boek op de haar eigen uitmuntende wijze vertaalde, heeft
+daarmee een goed werk gedaan, niet alleen, omdat zij daardoor den der
+duitsche taal onkundige de lezing van een sterken kunstarbeid mogelijk
+heeft gemaakt; niet alleen, omdat zij ons weer eens heeft doen gevoelen,
+dat de modderige stroom onzer maatschappij zijne groenende en reddende
+oevers der toekomst heeft, maar v&oacute;&oacute;ral, omdat ons met dit
+maatschappelijk beeld van elders een waarschuwing bereikt, welke
+allerminst onder de aanstaande heerschappij onzer gebenedijde
+"Zedelijkheids"-wetten overbodig heeten mag!&mdash;En om dit alles nu kan ik
+dan ook dit boek mijnen lezers niet sterk genoeg aanbevelen.</p>
+
+<p class="sidenote">L. SIMONS: STUDIES EN LEZINGEN.</p>
+
+<p>En wat is nu naast zoo machtige werken de beteekenis van een schrijver
+als de heer <i>Simons</i>? Wat ook mijne bedoeling en rechtvaardiging met en
+van de opname zijner figuur in dit opstel over <i>joodsche</i> schrijvers?</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p91" id="p91"></a>[p.91]</span> Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, behoeft, dunkt mij,
+niemand lang in het duister te tasten. Zijn werk heeft, im grossen
+ganzen, de beteekenis, die de arbeid van elk niet geniaal, maar
+talentvol en scherpzinnig commentator naast dat van geniale
+menschenscheppers en critici heeft: geringer doch onmisbaar wijl nuttig,
+maar toch ook dit niet alleen: &oacute;&oacute;k aandoening van schoonheid gevend!
+Doch dit slechts ervan te zeggen, zou zijn het onrecht doen. Want er
+zijn drie dingen, die het tot nog iets beters en meer bijzonders maken,
+dan werk van een talentvol en scherpzinnig commentator. Die zijn: ten
+eerste: de stijl van zijn opstel over den <i>Gijsbreght van Aemstel</i>. Het
+archa&iuml;sch karakter daarvan, volgens des schrijvers eigen verklaring,
+door hem aangenomen, om zijn opstel in het kader der in 1893 door de
+<i>Erven Bohn</i> uitgegeven foliant te doen passen, was dus geheel
+<i>willekeurig</i>, uit <i>wenschelijkheid</i>, en niet uit <i>innerlijke
+noodzakelijkheid</i> geboren. Met andere woorden: ware het daarbij
+gebleven, dan zou dit geheele opstel geen <i>kunst</i> maar <i>kunstenmakerij</i>
+zijn geworden. Maar het is daarbij <i>niet</i> gebleven. Uitgegaan om een
+paar ezelinnen te zoeken, vond ook de heer Simons een, zij 't klein,
+koninkrijk. Het is n.l. duidelijk, dat, zoodra hij aan het schrijven was
+gegaan, het schrijven-in-dien-stijl, in den stijl des tijds van zijn
+groot onderwerp, wel degelijk een groeiende noodzakelijkheid, want een
+onvermoed en, eens gesmaakt, zelfs onontbeerlijk gelukgevend scheppen
+werd. <i>Het moet hem een zeker zoet genot van grooter eenheid met zijn
+verheven onderwerp hebben geschonken</i>. Hij moet ook iets als het
+<i>feestelijk</i> gevoel gehad hebben&mdash;ik ga iets subtiels zeggen en het moet
+subtiel verstaan worden ook&mdash;<i>van een kind dat onder de oogen en den
+lieven glimlach van Vader, in het boek en met de pen van Vader schrijven
+mag</i>. Hij heeft namelijk de gewaarwording gehad, een liefhebbende,
+nederige en eerlijke <i>Vondel</i>-bewonderaar te zijn, schrijvend als onder
+de oogen en glimlach van <i>Vondel</i>, in de taal-nuance van <i>Vondel's</i>
+tijd. En daarom is het geen kunstenmakerij, maar een kunstwerkje van
+gewilde maar toch &ograve;ngewilde stijlnabootsing, het product eener
+noodzakelijkheid, wier bijkomstige en overigens onbelangrijke <span class="pagenum"><a name="p92" id="p92"></a>[p.92]</span>
+eigenschap het was parallel te loopen met eens menschen wil.</p>
+
+<p>Het tweede van den trits, waarvan ik sprak is dit: het werk is van een
+placide, bijna stugge, rimpellooze eerlijkheid. Het is alsof de
+schrijver, wijl hij niets te verbergen heeft, en als wilde hij je in de
+gelegenheid stellen, zijn gelaatstrekken zoo lang te doorvorschen als
+je-zelf het noodig vind, je klaar en vast aanziet en zijn blik niet
+neerslaat, v&oacute;&oacute;r je de joue afwend; precies dus het tegenovergestelde van
+de glibberige, v&egrave;rvlo&egrave;kte, slag-om-den-arm-houdende schrijfwijze van
+sommige andere critici. En, ten derde, is er het prachtig-bevoegde
+didactische van den geboren onschoolvossigen leeraar in.</p>
+
+<p>Wat nu het antwoord op mijn tweede vraag betreft: inderdaad, zelfs
+uitgezonderd zijn origine, en zelfs afgezien van het feit, dat <i>die
+origine voor mij het beslissende moment is</i>, bestaat er een zeer
+gewichtige reden hem in een opstel over <i>joodsche</i> schrijvers op te
+nemen, want in de geheelheid zijner figuur vertoont hij juist eene
+persoonlijkheid, eene vereeniging van eigenschappen, zooals die vroeger
+zeer frequent was in en tot groot sieraad van het joodsche volk strekte:
+die van koopman of werkman, tevens kunstenaar en geleerde, wiens
+geleerdheid en kunstzinnigheid hem niet verhinderden een practisch en
+scherpzichtig koopman of deugdelijk arbeider, en wiens koopman- of
+arbeider-zijn hem niet verhinderde, een ijverig geleerde of gevoelig
+kunstenaar te zijn. Een levende herinnering dus aan een glorierijk
+verleden, herrezen in een samenleving, welke toonde deze gelukkige
+vereeniging van eigenschappen dankbaarder te waardeeren dan die van
+eertijds. En met de onbescheiden-geuite voldoening over dit alles,
+zij&mdash;om het slot niet te doen uitmunten boven het geheel!&mdash;dit
+alleronbescheidenst, mijn eigen ras verheerlijkend opstel besloten, een
+besluit, dat, althans voorloopig, tevens, tot mijn leedwezen, het einde
+mijner medewerking aan dit Maandschrift<a name="FNanchor_15_15" id="FNanchor_15_15"></a><a href="#Footnote_15_15" class="fnanchor">[15]</a> moet zijn.</p>
+
+<p>Juni 1912.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<div class="footnotes"><h4>NOTEN:</h4>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> 1 Febr. 1912.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_2" id="Footnote_2_2"></a><a href="#FNanchor_2_2"><span class="label">[2]</span></a> Ter nadere opheldering van dezen thans wellicht minder
+begrijpelijken zin diene, dat bij de eerste publicatie dezer "Brieven"
+paragraaf-teekens werden gebruikt.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_3" id="Footnote_3_3"></a><a href="#FNanchor_3_3"><span class="label">[3]</span></a> Cursiveering overal van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_4" id="Footnote_4_4"></a><a href="#FNanchor_4_4"><span class="label">[4]</span></a> "Ik mag zoo niet fratsen in mijne brieven," zeg ik met
+Abraham Blankaart, anders schrapte ik zoowel deze, zij 't ook
+goedmoedige, spotternijen, als de aan hen verwante, aan het eind dezer
+critiek voorkomende beweringen. Thans laat ik ze maar staan. Een
+criticus&mdash;iemand, die anderen steeds bedilt!&mdash;lijkt mij trouwens wel het
+allerminst gerechtigd, bij een herdruk van zijn werk vroegere <i>foutieve
+meeningen</i> te verdonkeremanen. Maar wel moge ook hier thans de
+rectificatie volgen, die ik drie maanden na het verschijnen van dezen
+"Brief," in hetzelfde maandschrift&mdash;<i>De Boekzaal</i>&mdash;deed afdrukken. Men
+zal daaruit zien, dat ik mijne gevolgtrekkingen uit <i>zeer onjuiste</i>
+premissen had afgeleid:
+</p><p>
+"Rectificatie.&mdash;Zoo heb ik dan nu tot mijn genoegen de gelegenheid een
+misslag te herstellen, waarvan het inzien mij weer eens heeft doen
+voelen, dat de criticus, hij moge pogen zoo conscientieus te zijn als
+hem mogelijk is, hierin de onfortuinlijke lotgenoot van den
+schoolmeester is, dat hem het onweersproken-blijven door degenen, die
+hij op de vingers tikt en bedilt, op den duur wat autoritair maakt en
+zijn gewaande rechtvaardigheid, door een soort van loszinnigen overmoed,
+in het tegendeel doet verkeeren! Men zal zich herinneren, dat ik, in
+mijn derden <i>Brief</i> het door mij geprezen werk <i>De Vreemde Heerschers</i>
+besprekend, den heer en mevrouw Scharten-Antink meende te moeten
+verwijten, dat zij "fournisseurs de la cour" waren en d&aacute;&aacute;rom moedwillig
+de ruwste zijden van het in hun werk uitgebeelde boerenleven zouden
+hebben verdoezeld, terwijl ik hen ook, na hun Parijsche en Italiaansche
+romans, geloofde te moeten rangschikken onder degenen, die den prikkel
+van het uitheemsche behoeven, om tot scheppen te kunnen komen. Welnu,
+kort daarna ontving ik een brief van den heer Scharten, waarin hij,
+sprekend op z&oacute;&oacute; objektieve wijze over de gebreken, die zijn eigen werk
+in zijn oog aankleven, als ik slechts zelden heb waargenomen en die hem
+tot eer verstrekt, tevens verklaarde van deze mijne beide beweringen
+gemakkelijk de onjuistheid te kunnen aantoonen. En ik betuig hier gaarne
+en openlijk, dat dit inderdaad op overtuigende wijze gebeurd is. Wat het
+vermeende verdoezelen van zekere ruwe levenszijden aangaat, werd mij
+door het helder voor oogen stellen van 't natuurlijke en ekonomische
+milieu, waarin de Italiaansche boeren <i>aan de meren</i> leven&mdash;wel te
+onderscheiden van bijv. de Italianen uit Toscane en vooral de
+Napolitanen&mdash;benevens door de mededeeling van verschillende persoonlijke
+ervaringen van de auteurs onbetwijfelbaar aangetoond, dat <i>hier niets te
+verdoezelen viel</i>. Het leven dier boerenbevolking verschilt <i>inderdaad</i>
+hemelsbreed van dat der door Zola en Querido beschreven boeren. En
+ofschoon men kan zeggen, dat het boek z&oacute;&oacute; geschreven had moeten zijn,
+dat het niet-verdoezelen <i>daaruit</i> bleek, het is duidelijk dat dit
+niet-blijken evenzeer aan den recensent als aan den schrijver liggen
+kan, en men hierbij het gebied der subjektieve kritiek betreedt, welke
+een heel ander iets is dan het vermeend-feitelijke waarop ik mijn
+beschuldiging grondde, en welke alleen dan ook nimmer uitgangspunt van
+zulk een beschuldiging mag zijn. Terwijl wat mijn bewering betreft, als
+zou uit een soort van artistieke onmacht, het vaderlandsche te
+doorvoelen, het uitheemsche door deze auteurs worden <i>opgezocht</i>, mij
+ter weerlegging de redenen van hun buitenslands vertoeven werden
+medegedeeld, die mij bleken <i>niets</i> met eenig literair streven te maken
+hebben, zoodat men inderdaad in deze schrijvers een nog meer volslagen
+uitzondering dan, maar toch van dezelfde soort als Van Oordt, heeft te
+zien, die immers ook door omstandigheden, welke grootendeels van
+niet-artistieken aard waren, er toe geleid werd, zijn onderwerpen wel
+niet in een vreemd land maar vroegeren tijd te zoeken.&mdash;Ten slotte:
+indien ik met zooveel gen&oacute;egen mijne vergissing hier herstel en zelfs
+den heer Scharten gaarne voor zijne opmerkingen mijn dank betuig, dan is
+dit omdat die opmerkingen geuit werden op dien toon van waardeering en
+onvertroebelde erkenning, welke een persoonlijk ongekwetst-zijn en
+daarmee tevens een persoonlijk-hoogstaan van den opmerker aan den dag
+legt." Juni, 1912.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_5" id="Footnote_5_5"></a><a href="#FNanchor_5_5"><span class="label">[5]</span></a> 1912.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_6" id="Footnote_6_6"></a><a href="#FNanchor_6_6"><span class="label">[6]</span></a> Alle cursiveeringen zijn van mij, indien niet het tegendeel
+wordt aangegeven.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_7" id="Footnote_7_7"></a><a href="#FNanchor_7_7"><span class="label">[7]</span></a> Cursiveering van de schrijfster.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_8" id="Footnote_8_8"></a><a href="#FNanchor_8_8"><span class="label">[8]</span></a> Cursiveering van de schrijfster.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_9" id="Footnote_9_9"></a><a href="#FNanchor_9_9"><span class="label">[9]</span></a> Herdrukt in mijne <i>Schetsen en Critische Opstellen</i>, blz.
+150.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_10" id="Footnote_10_10"></a><a href="#FNanchor_10_10"><span class="label">[10]</span></a> Deze meening heb ik in <i>Het Jonge Leven</i> van September
+1912 aldus nader gemotiveerd:
+</p><p>
+Het schijnt mij toe, dat de benaming <i>roman</i> voor dit boek zeer ten
+onrechte is gekozen.
+</p><p>
+Men kan namelijk een boek als dit, waarin een sterke concentratie
+ontbreekt; waarin levensbrokken van tallooze menschen, die weinig of
+niets met het leven der meest vooraanstaande figuren hebben uit te
+staan, zoo fel en zoo uitvoerig worden uitgebeeld, dat zij qua
+uitbeelding bijna dezelfde belangrijkheid hebben bereikt als die der
+meest vooraanstaande figuren, moeilijk een roman heeten, tenzij men het
+&ograve;f als zoodanig ondeugdelijk gecomponeerd wilde noemen, &ograve;f bereid was af
+te zien van alle compositorische eischen, die men tot heden gewend was
+aan een roman te stellen. Met zulke compositorische eischen bedoel ik:
+dat er een <i>kern van handeling</i> en een <i>kern van persoonlijkheid</i> zij,
+maar dat er <i>buiten die kern</i> slechts handeling en persoonlijkheden
+aanwezig zijn, voor zoover zij de <i>hoofd</i>handeling en de
+<i>hoofd</i>persoonlijkheid moeten <i>belichten</i>, en in onverbrekelijk
+boek-organisch verband daarmee. Daarvan is hier echter geen sprake. Wij
+zouden ongetwijfeld geen der in het boek optredende figuren hebben
+willen missen, want met <i>elk</i> zulk een figuur, ook de schijnbaar
+vluchtig-aangegevene, ook de minst belangrijke, zouden wij tevens een
+<i>rijk doorvoelde menschbeelding</i> gemist hebben, maar allerminst kan men
+zeggen, dat ieders aanwezigheid ter belichting der <i>meer op den
+voorgrond tredende</i> figuren <i>noodzakelijk</i> is. Doch er is nog een andere
+eisch aan een roman te stellen, die door dit werk <i>niet</i> vervuld wordt,
+te weten, dat er een zekere feitelijke of psychologische of dramatische
+<i>toestand</i> in heersche, die <i>aanvange</i>, zich <i>ontwikkele</i> en zijn
+<i>ontknooping</i> of <i>eindpunt</i> bereike, maar &oacute;&oacute;k en v&oacute;&oacute;ral, dat dit
+<i>eindpunt</i> tevens een punt van <i>samenvloeiing</i> is. Met dit laatste
+bedoel ik dit: een <i>roman</i> zij in den aanvang eene <i>verscheidenheid</i>,
+welke bij het einde tot een <i>eenheid</i> blijkt vervloeid, niet alleen in
+hooger-geestelijken maar ook in bloot-compositorischen zin. Een roman
+zij als het samenstroomen van vele beken die zich vereenen tot een
+machtige rivier, waarop al verder varende, de reiziger, genietend van de
+gezichten op haar oevers, van haar zonweertinteling en watergeur, weet,
+dat aan het eind der reize hem geen gering genot nog wacht: <i>het
+uitrustende verpoozen in de fraaie stad</i>, welke <i>zij</i> rijk en groot
+heeft gemaakt, die inderdaad de <i>rivier</i>stad is, waarin alles van h&aacute;&aacute;r
+spreekt, alles van h&aacute;&aacute;r leeft en die daarom wel de <i>meest ge&euml;igende
+plek</i> mag heeten, om zich nog eens herinnerend voor den geest te halen,
+al wat haar wateren en haar oevers hebben geboden op den tocht.&mdash;En nu
+is dit werk wel een machtige stroom en zelden of nooit heeft
+verscheidenheid mij zulk een gevoel van eenheid-der-dingen geschonken
+als die van dit boek, doch deze is de hierboven geschetste eenheid van
+een romangeheel niet, zij is de door geen <i>enkele</i> grens gehinderde
+eenheid van het boek met het omringende leven, juist dus het
+<i>tegenovergestelde</i> van de eenheid eener roman, die immers <i>een tot
+geheel geworden</i> deel van, <i>gesneden uit</i> het omringende leven is!</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_11" id="Footnote_11_11"></a><a href="#FNanchor_11_11"><span class="label">[11]</span></a> Het <i>essenti&euml;ele</i>, de respectieve waarden aanwijzend en
+belichtend onderscheid tusschen het niet geheel de objectieve
+werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een geniaal mensch en
+het eveneens niet de objectieve werkelijkheid dekkend
+gevoel-van-eigenwaarde van een maniak, is niet zoozeer van
+quantitatieven aard, niet zoozeer een kwestie van meer of minder.&mdash;Mij
+lijkt het te liggen in het feit, dat zulk een maniak het beeld der hem
+omringende werkelijkheid in zijn geest moest <i>vernietigen</i>, om zijn
+gevoel van eigenwaarde te kunnen <i>redden</i>, terwijl zulk een geniale
+mensch het beeld dier werkelijkheid in zijn geest niet het geringste
+geweld behoeft aan te doen, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen
+laten bestaan. De verhouding van het gevoel van eigenwaarde tot de
+werkelijkheid is bij den <i>eerste: die van iemand die zijn mededinger
+doodt, omdat hij voelt, dal deze machtiger is</i>, bij den <i>tweede</i> echter:
+<i>die van iemand, die in het sterke bewustzijn van eigen kracht, niet
+alleen den mededinger naast zich dulden, maar zelfs liefhebben kan!</i></p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_12" id="Footnote_12_12"></a><a href="#FNanchor_12_12"><span class="label">[12]</span></a> Ik bedoel dit: (Balzac, Facino Cane,) "Chez moi,
+l'observation &eacute;tait d&eacute;j&agrave; devenue intu&iuml;tive, elle p&eacute;n&eacute;trait l'&acirc;me sans
+n&eacute;gliger le corps; ou plut&ouml;t elle saisissait si bien les d&eacute;tails
+ext&eacute;rieurs, qu'elle allait sur-le-champ au del&agrave;; <i>elle me donnait la
+facult&eacute; de vivre de la vie de l'individu sur laquelle elle s'exer&ccedil;ait,
+en me permettant de me substituer &agrave; lui comme le derviche des Mille et
+une Nuits prenait le corps et l'&acirc;me des personnes sur lesquelles il
+pronon&ccedil;ait certaines paroles</i>." Interessant ter vergelijking met de
+wijze, waarop Querido zijn <i>Jordaan</i>-Studies maakte is het onmiddellijk
+aan het geciteerde voorafgaande stukje: "<i>Aussi mal v&ecirc;tu que les
+ouvriers, indiff&eacute;rent au decorum, je ne les mettais point en garde
+contre moi; je pouvais me m&ecirc;ler &agrave; leurs groupes, les voir concluant
+leurs march&eacute;s et se querellant &agrave; l'heure o&ugrave; ils quittent le travail</i>."</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_13_13" id="Footnote_13_13"></a><a href="#FNanchor_13_13"><span class="label">[13]</span></a> Alle cursiveeringen zijn van mij. v.C.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_14_14" id="Footnote_14_14"></a><a href="#FNanchor_14_14"><span class="label">[14]</span></a> Later herdrukt in mijn <i>Schetsen en Critische opstellen</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_15_15" id="Footnote_15_15"></a><a href="#FNanchor_15_15"><span class="label">[15]</span></a> <i>De Boekzaal</i>, waarin deze "Brieven" voor het eerst werden
+gepubliceerd.</p></div></div>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h4>VERTALINGEN BIJ "BRIEVEN OVER LITERATUUR'</h4>
+<p><span class="pagenum"><a name="p93" id="p93"></a>[p.93]</span></p>
+
+<p>Blz. <a href="#p7">7</a> <i>Sogar</i>:</p>
+
+<p>Zelfs echter onder het kleine aantal schrijvers, die werkelijk, ernstig
+en vooraf denken, bevinden zich slechts uiterst weinige, die over de
+<i>dingen-zelf</i> denken: de overige denken uitsluitend over <i>boeken</i>: over
+datgene wat reeds door anderen is gezegd. Zij hebben namelijk, om te
+kunnen denken, de meer nabij&euml; en sterkere opwekking van anderer
+gedachten noodig.... De eerstgenoemden daarentegen worden door de
+<i>dingen-zelf</i> tot denken geprikkeld.... En onder dezen zijn alleen zij
+te vinden, die beklijven en onsterfelijk worden.</p>
+
+<p>Blz. 17 <i>Vague Thoughts on art</i>: vage gedachten over kunst.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p17">17</a> <i>Art is</i>:</p>
+
+<p>Kunst is de verbeeldingsvolle uitdrukking van menschelijke energie,
+welke ernaar streeft, door technische vertastbaring van gevoel en
+waarneming, het individu, doordat zij een onpersoonlijke ontroering in
+hem verwekt, in harmonie met het universeele te brengen.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p17">17</a> <i>Impersonal emotion</i>: onpersoonlijke ontroering.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p17">17</a> <i>If I stand</i>:</p>
+
+<p>Indien ik, een voorwerp beschouwend, word ontroerd door den aanblik
+zijner kleur en van zijn vorm, zij 't in nog zoo geringe mate en voor
+nog zoo korten duur en daarbij vrij blijf van eenige bepaalde,
+feitelijke gedachte&mdash;in die mate en gedurende dien tijd heeft het mij
+aan mij-zelf ontrukt en zich-zelf daarvoor in de plaats gesteld; heeft
+het mij aan het universeele verbonden, door mij het individueele in mij
+te doen vergeten....</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p19">19</a> <i>For religion</i>:</p>
+
+<p>Voor godsdienst zijn alle menschen gelijk, op dezelfde wijze als alle
+munten gelijk zijn: hun aller waarde bestaat uitsluitend daarin, dat zij
+het beeld des Konings dragen.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p19">19</a> <i>He longed to go to school</i>:</p>
+
+<p>Hij verlangde hevig naar school te gaan (een zonderlinge wensch), de
+universiteit te bezoeken, zich een naam te maken, <span class="pagenum"><a name="p94" id="p94"></a>[p.94]</span> en hij
+verlangde niet slechts deze dingen, maar van het meerendeel hunner
+verwachtte hij stellig, dat zij ook zouden gebeuren. Hij beschouwde
+zich-zelf als een kind van goeden stand, aan het begin van een
+voorspoedig leven. Hij beschouwde zijn tehuis en familie als een heel
+goede springplank, van waar hij zich omhoog kon zwaaien naar de
+posities, die hij wenschte te bereiken. En bijna juist toen hij op 't
+punt stond te springen, <i>brak de heele stellage onder hem in elkaar en
+hij en al de zijnen verdwenen in een duistere diepte</i>.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p20">20</a> <i>Dickens went</i>:</p>
+
+<p>Dickens ging in de Pickwick-club om te spotten, maar bleef er ten slotte
+om te bidden.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p20">20</a> <i>The modern Shocker</i>:</p>
+
+<p>De moderne sensatieroman is, op zijn allerbest, <i>een tusschenspel in 't
+leven</i>, maar in die dagen, dat Dickens' werk in afleveringen verscheen,
+spraken de menschen erover <i>alsof het werkelijke leven een tusschenspel
+tusschen een aflevering van "Pickwick" en de volgende was</i>.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p20">20</a> ... <i>his Christmas sentiment</i>:</p>
+
+<p>... zijn kerstmis-sentiment. Het heeft die zich verkneuterende, warm
+beveiligde knusheid, dat zich op z'n gemak voelen, <i>die afhankelijk zijn
+van het bewustzijn, dat buiten hun begrenzing slechts ongemak is</i>. Het
+heeft sympathie met den arme, in 't bijzonder met de buitensporigheid
+van den arme, met datgene wat men zijn tijdelijke weelde noemen kan. Het
+heeft het sentiment van den haard, dat is: <i>het zien van het open
+haardvuur als het roode hart van de kamer</i>. Dat open haardvuur is het
+heilige vuur van Engeland, <i>nog brandend gebleven te midden eener
+slaafsche beschaving van kachels</i>.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p21">21</a> <i>But considered poetically</i>:</p>
+
+<p>Maar uit een po&euml;tisch oogpunt beschouwd is de Londensche mist niet
+onverdienstelijk. In onze groote steden hebben wij de zuivere en gezonde
+duisternis van het land voor goed onmogelijk gemaakt. <i>Wij hebben Nacht
+vogelvrij verklaard, haar in onbewoonde streken te zwerven gezonden, en
+ten afweer harer weerkomst eeuwig brandende wachtvuren ontstoken</i>. Een
+nieuw heelal hebben wij geschapen, bij gevolg ook onze eigen zon en
+sterren. En dus ook, en welverdiend, was het ons opgelegd, onze eigen
+duisternis te moeten scheppen. Precies zoo als elke lamp een warme,
+menschelijke maan is, zoo is iedere fabrieks-dampige mist een rijke,
+menschelijke avondval. Ware het niet door dit mystiek gebeuren, wij
+zouden nimmer de duisternis zien, en hij die nooit duisternis zag, zag
+nooit de zon.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p21">21</a> <i>This life of grey studies</i>:</p>
+
+<p>Dat leven van grijze studies en halve tonen, welks afwezigheid in
+Dickens ge zoozeer betreurt, is slechts het leven zooals het <span class="pagenum"><a name="p95" id="p95"></a>[p.95]</span>
+wordt <i>gezien</i>. Dit leven van helden en misdadigers is het leven, zooals
+het wordt <i>geleefd</i>. Het leven dat een mensch het innigst kent, is juist
+het leven, dat hij het volst van wreede zekerheden en gevechten tusschen
+goed en kwaad ziet&mdash;<i>zijn eigen leven.</i> O, zeker, het leven waarmee wij
+niets hebben te maken kan ons makkelijk een psychologische comedie
+lijken, het leven van andere menschen: menschelijk studie-materiaal;
+maar een mensch zijn eigen leven, dat is altijd een melodrama.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p60">60</a> <i>Cette derni&egrave;re allusion</i>:</p>
+
+<p>Deze laatste toespeling op een weinig aesthetischen rabbijnschen ritus
+(het dragen der gebedsriemen, v.C.) waaraan door de traditie veel
+gewicht wordt gehecht, bedoelt den nadruk te leggen op het contrast
+tusschen de schoonheid der Grieksche cultuur en het gebrek aan smaak der
+rabbijnen.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p60">60</a> <i>Toutes ces belles choses</i>:</p>
+
+<p>Al deze schoone zaken, welke door krachtlooze mannen, verdorven, vuige
+en aan het leven vijandige wezens ontroofd zijn aan Shadai-God-Rots
+(Shadai, een hebreeuwsch woord, beteekent Almachtige, v.C.)&mdash;deze
+ondoordringbare godheid van de woestijn, die de daden van Kana&auml;n's
+veroveraars bestuurde&mdash;en die door hen in het leder der gebedsriemen
+werden vastgesnoerd.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p61">61</a> <i>Allusion &agrave;</i>:</p>
+
+<p>Toespeling op een talmudische passage, welke dengeen, die stilstaat om
+"een mooien boom of een schoon veld" te beschouwen, verfoeilijk acht.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p61">61</a> <i>Fils de l'homme:</i></p>
+
+<p>Menschenzoon.... Sta op en ga naar de stad der slachting. Treed er de
+huizen binnen, om met uw oogen te zien en te tasten met uwe handen, het
+bloed gestold, het hersenmerg hard geworden op de hagen, de boomen, en
+het cement der muren.... Daarna zult gij de ru&iuml;nen gaan zien, de bressen
+overspringen, u een weg banen door doorboorde muren en verbrijzelde
+ovens, daar waar de doorbraak het wijdst, de gaten het grootst zijn. Zij
+gelijken de gapende openingen van vervuilde wonden, waarvoor geen enkel
+middel, geen genezing meer bestaat. Uwe voeten zullen er verzinken in de
+veeren en stooten tegen de scherven van verbrijzelde voorwerpen, tegen
+de overblijfselen van boeken en perkamenten, te loor geganen rijkdom, de
+vrucht van bovenmenschelijke inspanning en arbeid.</p>
+
+<p>Maar houd u niet te lang bij die ru&iuml;nen op en vervolg uw weg.... En de
+geur der acacias zal u tegemoet komen, dringen in uwe neusgaten....</p>
+
+<p>En als ware 't om U nog dieper te bedroeven, zal hun vreemde geur, der
+lente frischheid spreiden in uw hart, en gij zult het verdragen! En de
+zon zal U raken met myriaden gouden pijlen, <span class="pagenum"><a name="p96" id="p96"></a>[p.96]</span> die op elke
+ruitscherf de zeven blijde kleuren van uw ongeluk zullen spiegelen....</p>
+
+<p>Want Jehova riep de lente en de slachting tezelfder tijd. De zon
+straalde, de acacia ontlook en de beul sloeg neer....</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p62">62</a> <i>Dans ce sanglot</i>:</p>
+
+<p>In dezen oppersten wanhoopssnik van een denken, dat zich vastklemt aan
+het leven, schoon het begrip van het Einde het nimmer loslaat, komt een
+levende en sympathische gevoeligheid aan het licht, die door onze eeuw
+van tot het uiterste opgevoerd ego&iuml;sme en positivisme verdient te worden
+gekend.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p61">61</a> <i>La chose</i>: Het Iets.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p62">62</a> <i>Car une chose</i>:</p>
+
+<p>Want Iets heeft zich in ons midden geopenbaard, maar niemand weet wat
+het beduidt.</p>
+
+<p>Is het de Opgang of Ondergang eener zon? En zoo het een Ondergang is, is
+het er eene voor eeuwig?</p>
+
+<p>Want de Chaos die ons omringt is onafzienbaar. Hij is vreeselijk deze
+chaos, een toevlucht wordt niet in hem gevonden.</p>
+
+<p>En zoo wij al te midden der duisternissen wilden smeeken, ons overgeven
+aan het gebed, welk oor zou ons hooren?</p>
+
+<p>Of zelfs zoo wij uitbraken in Godslasteringen, op welk hoofd zouden zij
+neerkomen?</p>
+
+<p>Of indien wij tandenknarsend, in woede de vuist zouden heffen, welken
+nek zou zij treffen? De Chaos, de wind, zij zouden het alles meevoeren
+zonder een spoor achter te laten.</p>
+
+<p>Er is nergens een rustpunt, nergens een steun, nergens een weg. De
+hemelen zwijgen.</p>
+
+<p>Zij weten hoezeer misdadig zij jegens ons zijn; het helsche hunner
+misdaad kennen zij en in stilte dragen zij hun last.</p>
+
+<p>Open dan uw mond, o Propheet van het Einde, en zoo ge iets te zeggen
+hebt spreek!</p>
+
+<p>Ware uw woord zoo bitter als de dood, ware het dood-zelf, spreek, zeg
+het!</p>
+
+<p>Waarom zouden wij den dood vreezen, daar reeds zijn engel onzen rug
+berijdt en het gebit klemt in onzen mond?</p>
+
+<p>En terwijl de hymne der wedergeboorte op onze lippen zingt, in de
+hoogste extase der vreugd van te leven, snellen wij naar het graf.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p63">63</a> ... <i>C'est la vie r&eacute;elle</i>:</p>
+
+<p>... Het is het werkelijke leven, de krachtsinspanning, die de dichter
+den ontaarden zonen van het Ghetto predikt.</p>
+
+<p>Zelf overvloeiend van levens- en arbeidslust, oefent hij daardoor een
+des te grooter invloed op de lezers, zijn eigen lotgenooten uit.</p>
+
+<p>Hij is zich bewust van zijn rol als vernieuwer en herschepper. Hij is
+even mild, even gul als de natuur het voor hem-zelf is.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p97" id="p97"></a>[p.97]</span> Blz. 63 <i>d&eacute;bordant de joie de vivre</i>: overvloeiend van de
+blijdschap van te leven.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p63">63</a> <i>Mais non</i>:</p>
+
+<p>Maar neen! Zij sterft niet, de po&euml;zie! Zij sterft nimmer. Zelfs ten dage
+dat de mensch-worm er in zal slagen zijn heerschappij over de domeinen
+van den hemel en den afgrond uit te strekken, den donder en bliksem te
+temmen, en met zijn klaarheden de duisternissen van den poolnacht te
+verjagen, sterft zij niet.... Midden de omlijstingen van zuiver goud en
+uit de halssnoeren der rijmen zal opgaan de geestdrift van de
+dichterziel, m&agrave;chtig, als het trots gegrom van de zee. Verwijlend bij de
+heugenis der daden, in verleden tijden door de vaderen volbracht, en in
+de onmetelijke gelukzaligheid der komende eeuwen, sterft zij niet, zal
+zij nimmer sterven!...</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p65">65</a> <i>Lesen kann ich gar nicht</i>:</p>
+
+<p>Lezen kan ik heelemaal niet en schrijven maar weinig. Sedert een jaar is
+een oog geheel dicht, het andere zeer zwak en 2/3 van het gelaat, de
+mond daarbij inbegrepen, is verlamd. Daarbij komt, dat ik levenslustig
+ben gebleven en heelemaal geen trek heb mij kalmpjes onder de voet te
+laten loopen. Integendeel, de teenen jeuken mij en God zij het zitvlak
+genadig, dat zij eerstdaags zullen schoppen.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p65">65</a> <i>Im Laufe des Gespraches</i>:</p>
+
+<p>In den loop van het gesprek nam ik een fransche krant op en nadat ik
+vluchtig den inhoud had doorgezien, vroeg ik Heinrich zijn meening over
+de publieke personen in Frankrijk, "Och," zei bij, "daar moet ik je 't
+zelfde op antwoorden, als wat die oude Fransche wachtmeester zei, toen
+de leverancier Lewi zijn ossen afleverde. Dit vond plaats op het
+marktplein van een klein stadje, waar de Staf, voor wie de ossen werden
+voorbijgedreven, om geteld te worden, stond opgesteld. De heer von Lewi
+had de verplichting op zich genomen 300 ossen te leveren, maar had er nu
+slechts 100 tot zijn beschikking. Hij liet daarom de ossen stuk voor
+stuk voorbijdrijven, en richtte het zoo in, dat de gekeurde ossen door
+zijn knechten vlug de eene poort uit, stadje om en door de andere poort
+weer naar binnen werden gedreven, zoodat ten slotte door den Staf een
+bewijs van ontvangst van 300 ossen werd afgegeven. Maar een oude
+wachtmeester, die erbij stond, schudde verwonderd 't hoofd en merkte op:
+het kwam hem voor, dat het voortdurend dezelfde ossen waren
+geweest.&mdash;Ja, beste broer," besloot Heinrich, "ook mij wil het
+voorkomen, dat 't nog altijd dezelfde ossen zijn."</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p66">66</a> <i>Bruder, du warst</i>:</p>
+
+<p>Broer, je was verstandiger dan ik, je koos je het kleinste der kwaden.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p98" id="p98"></a>[p.98]</span> Blz. <a href="#p68">68</a> ... <i>les lettres h&eacute;breux</i>:</p>
+
+<p>.... de hebreeuwsche letterkundigen hielden ervan hun toevlucht te nemen
+in de romantische gevoeligheid, die hen voor een scherpe waarneming der
+werkelijkheid vrijwaarde.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p77">77</a> <i>Chez moi</i>:</p>
+
+<p>Bij mij was het opmerken intu&iuml;tief geworden, het drong door tot in de
+ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het
+doorgrondde zoo goed de uiterlijke d&eacute;tails, dat het ook onmiddellijk hun
+keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen om zelf het leven van het
+individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven
+mij in zijn plaats te stellen, zooals de dervisch der Duizend en een
+Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn
+tooverformulier uitsprak.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p77">77</a> <i>Aussi mal v&ecirc;tu</i>:</p>
+
+<p>Even slecht gekleed als de werklieden, en mij gedragend als zij, zorgde
+ik ervoor dat zij niet voor mij op hun hoede waren; ik kon mij mengen in
+hun groepen, hen hun handeltjes zien bedisselen en met elkaar twisten,
+als ze het werk verlieten.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK</h2>
+<p><a name="FNanchor_1_16" id="FNanchor_1_16"></a><a href="#Footnote_1_16" class="fnanchor">[1]</a>
+<span class="pagenum"><a name="p99" id="p99"></a>[p.99]</span></p>
+<h3>I.</h3>
+
+<p class="sidenote">
+Mevr. Henriette Roland Holst, Studies<br />
+over Socialistische Aestetica.&mdash;<br />
+H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging
+van '80 in Holland.
+</p>
+
+
+<p>Voor zoo menige dichter-jeugd, gelijk voor elke menschheid in dien
+verbeelding-rijksten harer tijden, als de nog teere ziel, instinctief
+voor het harde licht bevreesd, naar schemer neigt, en al droomend, zich
+den niet-droom poogt bewust te maken, rijst het verleden als een
+geheimende nachtstad op. Beslagen van het blauwig zilver van de maan op
+spitsen en op daken, de muren opstanden van sneeuwig licht naast holle
+donkerten, staan op de leege, blind-begrensde, wijde pleinen en aan de
+eindelooze voortwindingen der holle straten, de monumenten en torens en
+paleizen. De menigten, die daar wemelden in 't zonlicht en hun roep en
+lach opschalden, juichten en werkten, vloekten en zongen, zijn ter rust
+gegaan.... De monumenten en torens en paleizen, die beklijvenden, zij
+zijn alleen gebleven....</p>
+
+<p>O, dichters, hoe heeft het Verleden u vaak vleiende gelokt,
+nomaden-vorsten van een volk, bezitters van een schat van droomen, die
+meendet, dat 't daar goed wonen voor uw volk was. Ge zaagt het z&oacute;&oacute; ruim,
+oneindig, zoo standvastig <span class="pagenum"><a name="p100" id="p100"></a>[p.100]</span> beklijvend en toch zonder eenige
+weerstreving. Het docht u een land, dat om een volk vro&egrave;g. Niets
+hinderde u daar. Gij kondt u vlijen aan den voet der eeuwige monumenten
+en u wegdenken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het
+scheppingsgenot van wie die schiepen. Gij bevolktet de leege straten, de
+pleinen en paleizen met uwe droomen, deedt hen zitten op de tronen,
+gaaft hun den schepter in de teere handen; ook schonkt gij hun
+rijk-gekleede dienaren, een hof van pages, ridders en edelvrouwen. Gij
+maaktet het stijve goudbrocaat en weefdet de glanzende zijde. Gij
+schiept al het ontbrekende van uwe droomen en h&egrave;rschiept zelfs veel van
+het zijnde daarin. En alles werd &eacute;&eacute;n half maanlicht-blanke, half donkere
+sage, verrukkelijk zoet voor uwe oogen, die, nauwelijks uit 't onbewuste
+opengeloken, verblind zouden zijn geworden door 't volle licht. Maar,
+arme droomenvorsten, ge ondervindt 't altijd en altijd weer, de nacht
+duurt niet eeuwig, de opschrikkende schemer kort, en over het verleden
+blijft niet immer de sprokige maanglans gespreid! Als bij het groeiend
+licht de menigten der menschen en der levensfeiten ontwaken, drijven zij
+ruw uw droomen-volk uit. Dat is dan om te schreien. Al lijkt 't eerst
+een wrange clownerie, die een armen mensch even doet lachen, m&aacute;&aacute;r die
+hem dan ook later op zich-zelf doet vertoornen, omdat hij lachen k&ograve;n.
+Dan verraggen en verlompen de glanzende zijde en het stijve goudbrocaat,
+het goud en zilver der schepters en kronen wordt om niet geacht en de
+arme droomen sterven aan de hoeken aller straten, waarlijk van honger en
+dorst.&mdash;Het is dan op die kentering van uw leven, dat gij het heden haat
+&egrave;n vreest, gij vr&eacute;&eacute;st het als een scherpsnedig wapen, gij h&aacute;&aacute;t het als
+een ruwe en onberechtigde overheersching. Al naar uw aard verschrikt het
+u op andere wijs, want vele zijn zijne boden der verschrikking: vreest
+gij den een niet, zoo snelt ge toch vluchtend voor den ander uit. Och,
+droomers, eens zult ge leeren, dat ge niets van het heden kunt
+ontvluchten. N&ugrave; weet ge dit nog niet, en dan: uw oogen zijn juist sterk
+genoeg geworden, om zich te koesteren aan der toekomst bleeken
+ochtendgloor.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p101" id="p101"></a>[p.101]</span> Zoo wendt ge u tot haar. O, het schoon gelaat dier wereld, van
+wie nauw de nacht is afgegleden en die in den vroegen ochtend openglanst
+... de velden dragen glinsterinkjes van dauw, de bloemen ademen naar hun
+geurige wijze, er is nog een lichte dampigheid, die haar trillende
+sluierflarden bij plekken over het zonvergulde waast, waar hoog in de
+verte de morgenstad op glooiende heuvels wacht.... Maar zaagt gij haar
+wel zoo?... Wellicht verscheen zij u wel als jonge vrouw, een half
+verloken belofte op het neerziend gelaat ... wellicht als Roem, Rijkdom
+... wie dan gij-zelf zou het kunnen zeggen, h&ograve;e zij &ugrave; verscheen.... Want
+zonder tal zijn de gestalten, waarin zij zich verhult. De goden hebben
+haar de gaaf der gedaanteverwisseling verleend. Een andere Mestra,
+verschijnt zij vaak als tot dienst gewillige slavin, verkoopt zich
+telkens opnieuw en ontsnapt weer telkenmale.... Onnoozele, die het niet
+wist: met de vrucht van &ugrave;w werk, door haar verworven, z&ograve;nder u te
+dienen, voedt zij haar onverzadelijken vader, den wreeden heerscher,
+dien gij wildet ontvluchten.... Later begrijpt ge, dat dit alles zoo
+moest zijn: hoe weinigen zouden werken voor het heden, zoo ze 't niet,
+in hun gedacht, voor het bezit der toekomst deden!... D&agrave;n, als ge dit
+begrijpt, glimlacht ge om 't schoon bedrog; ge zijt nu ook ouder
+geworden, ge leert u schikken in wat onvermijdelijk is en uw oogen zien
+moedig en sterk in het volle daglicht. Gij vreest niet meer de
+kletterende rumoeren, de plompe voeten, den aanblik der zwoegende en
+strijdende gestalten van het heden. Gij voelt dat alles niet meer als
+een vreemde en wreede overheersching, maar bloed van uw bloed nu. Niet
+van het hooge en ijle in u gemaakt, gelijk uw droomen waren, maar aan
+het hart-diepe en innige in u verwant. Ge leert, o verrukking, van het
+"leelijke" de schoonheid zien. Maar ge leert meer: hoe het verleden,
+maar ook de toekomst en het heden slechts
+verschijnselen-van-de-oppervlakte zijn: drie meren, elkaars inhoud
+onophoudelijk wisselend door en in een diep verborgen bron. De
+vergankelijkheid, die ge meendet te zien, is slechts eene van verhouding
+en vertoeven-in-zekere-sfeer, niet van wezen. Nu <span class="pagenum"><a name="p102" id="p102"></a>[p.102]</span> erkent gij
+eerst goed de dwaling uwer voorkeuren, gij voelt u nu rijk en gelukkig
+met het heden, en zijt gij al een waterdruppel in d&agrave;t meer, in dieper
+werkelijkheid weet ge u ook een in de andere twee &egrave;n de diepverborgen
+bron. Maar nauwelijks hebt gij u verheugd om uw ontdekking of het valt
+uwer vrijgekomen aandacht op, dat ook deze "groote gewoonte der natuur":
+de schijnbare vergankelijkheid der dingen, door een andere gewoonte
+wordt verstoord. Iets, merkt ge, is er, dat zelfs niet onderworpen
+schijnt te zijn aan die tijdelijkheid van vertoeven en verhouding,
+waarin gij-zelf bestaat: de groote kunstwerken, die altijd blijven in
+het heden; zij stroomen niet weg naar verledens meer, zij schijnen de
+eigenschap der <i>hedenmatigheid</i>&mdash;mogen wij z&oacute;&oacute; haar even
+noemen?&mdash;onvervreemdbaar te bezitten en immer te kunnen passen en leven
+in de wisselende verhoudingen van het <i>heden</i>; de eigenschap dus, die
+men, los van de sfeer der hier opgeroepen denk-beelden, die der eeuwige
+jeugd zou kunnen noemen. En zijt ge een kunstenaar, n&ugrave; levend in het
+heden, dan wordt dit wellicht een van uw sterkste begeerten: te vinden,
+w&agrave;t dit <i>uitzonderlijk</i> eeuwigzijn in hen veroorzaakt, wat het
+<i>essentieele</i> in hen is.</p>
+
+<p>Voorzeker, ik moet den nadruk leggen op: "n&ugrave; levend in het heden": niet
+immer was de aanleiding tot het bestaan van zulk begeeren zoo groot als
+thans, een feit reeds gemakkelijk te verklaren uit de omstandigheid, dat
+juist in onzen tijd het aesthetisch-critisch denken zich in de richting
+der hel bewust makende analyse beweegt, en wat zou het analytisch denken
+wel belangrijker kunnen lijken dan de vraag, wat de kern van haar
+onderwerp uitmaakt? Maar deze verklaring laat de meest
+actueel-belangrijke aanleiding toch in het duister. En willen sommigen,
+niet immer zonder goed recht, beweren, dat het door haar genoemde feit
+op machteloosheid tot scheppen en zekere decadentie wijst, de andere
+verklaring daarentegen zou niet kunnen gegeven worden, ontkiemde er niet
+allerwegen een nieuw en sterk leven; zij immers noemt als oorzaak: het
+opkomen eener <span class="pagenum"><a name="p103" id="p103"></a>[p.103]</span> marxistisch-socialistische aesthetiek, die het
+probleem w&agrave;t het eeuwige en essentieele in kunst zij, tot een der
+heftigst omstreden en dan ook strategisch niet onbelangrijke punten
+maakte. Tot in onzen tijd scheen dan ook vrijwel de vraag in de
+rustigste rust te slapen en iedereen het erover eens te zijn, waarin het
+bestond. Men achtte het te zijn het "algemeen-menschelijke" van de
+figuren, in die altijd jong blijvende werken gebeeld. Dat
+"algemeen-menschelijke," zoo meende men, bleef immers ook voor de verst
+verwijderde geslachten meevoelbaar, zoodat daardoor die werken nooit
+k&ograve;nden den indruk wekken van verouderd en leeg van schoonheid en zin te
+zijn. Nu kan men ongetwijfeld wel in den arbeid van alle groote
+kunstbeschouwers, de duidelijke blijken vinden, dat zij iets anders dan
+dat "algemeen-menschelijke" als het eeuwige en essentieele van kunst
+zagen, maar 't geen ook duidelijk blijkt is: dat dit zien een vermogen
+van het Onbewuste in hen bleef: een intu&iuml;tief aanvaarden van een
+gevoelde maar niet <i>door</i>voelde en evenmin <i>begrepen</i> waarheid, een
+aandrift en een roepstem die zij volgden, handelend uit onbewuste en
+aangeboren zekerheid, gelijk duiven die onder den wijden, wegloozen
+hemel de richting vinden naar het veilig nest. Ware het anders, waren
+zij bij machte geweest uit te zeggen <i>waarom</i> dat andere als het
+vereeuwigend bestanddeel van kunst moest worden aanvaard, dan, dunkt
+mij, zou toch wel ten minste een hunner dat gedaan hebben, toen het
+historisch-materialisme, het marxistisch systeem van onderzoek en
+verklaring der herkomst van de sociale, geestelijke zoowel als
+stoffelijke, verschijnselen, ook in ons land, belichaamd in Mevr.
+Holst's <i>Studies over Socialistische Aesthetica</i> en Gorter's <i>Kritiek op
+de Literaire Beweging van '80 in Holland</i>, zijn invloed begon uit te
+strekken tot de literaire aesthetiek en critiek. Immers Gorter vooral
+concentreerde een niet gering deel zijner aanvalsmacht juist tegen die
+algemeene-en-eeuwige-menschelijkheidstheorie. Hetgeen mij dan ook, zeer
+zeker van zijn standpunt, het meest logische lijkt. Het
+historisch-materialisme, dat de stelling tot basis heeft: "het
+bewustzijn der menschen is het niet dat hun zijn, maar, omgekeerd,
+<span class="pagenum"><a name="p104" id="p104"></a>[p.104]</span> hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt," anders
+gezeid: "de materieele maatschappelijke veranderingen zijn de hefboom
+der geestelijke bewegingen," aanvaardt wel het bestaan van een physisch-
+en psychisch-functioneel zich altijd gelijk blijvende algemeene
+menschelijkheid&mdash;waarvan echter, zooals Gorter, ook m.i. terecht, zegt,
+<i>geen kunst te maken is</i>&mdash;maar het bestaan eener algemeene
+menschelijkheid, die eeuwig zou zijn en zich gelijk blijven in haar
+drijfveeren en hartstochten, kortom in alles, dat haar een waardevol
+onderwerp voor kunst doet zijn, kan het niet aanvaarden. Krachtens zijn
+grondstelling-zelf ziet het met en door de wisseling der
+productieverhoudingen ook den geheelen inhoud der menschelijke psyche
+zich wijzigen; elke tijd heeft dus zijn door de productieverhoudingen
+<i>gespecialiseerde</i> menschelijkheid, waarvan <i>de kunst van dien tijd
+gemaakt wordt</i>, en van het bestaan eener algemeene en eeuwig levende
+menschelijkheid, die daartoe dienen kan, is dus geen sprake. Het eeuwige
+en essentieele der beklijvende werken van kunst is dan ook volgens
+Gorter, de eeuwig meevoelbaar blijvende <i>gespecialiseerde
+menschelijkheid</i>.&mdash;Ik mag den lezer niet in den waan laten, dat ik niet
+zie, hoe hij hier verbaasd-vragend zijn wenkbrauwen h&oacute;&oacute;g optrekt en met
+een haastig-gegrepen potlood een groot vraagteeken bij deze
+Gorteriaansche bewering plaatst, die inderdaad al op het eerste gezicht
+zwakheid verraadt. Maar hij vergunne mij te doen <i>alsof</i> ik niets zie!
+Ik laat hem nu slechts de troepen-opstelling op het slagveld zien. De
+strategisch-zwakke punten mogen in den strijd aan het licht treden; dat
+is het zekerste, het vernuft van den toeschouwer k&agrave;n hier bedriegelijk
+werken. Mag ik hem dus ook de door mij ingenomen positie vertoonen?
+Ziehier: <i>Niet</i> de "algemeene en eeuwige menschelijkheid," nog minder de
+"door de productieverhoudingen gespecialiseerde" is het eeuwige en
+essentieele in een kunstwerk, maar de ten eeuwigen dage zichtbaar en
+meevoelbaar blijvende <i>schoone beweging van het Scheppend Vermogen, dat
+dat werk voortbracht</i>.&mdash;Niet dus zijn de gedachten, de beelden, de
+hartstochten, de drijfveeren der in zulk een werk voorgestelde <span class="pagenum"><a name="p105" id="p105"></a>[p.105]</span>
+wezens eeuwig, zij verouderen, hun stem dringt niet fel meer in onze
+ooren, wij beminnen niet als zij hebben bemind, wij haten niet als zij
+hebben gehaat; hoe ver staan zij van ons, van de stemmen en gezichten,
+van de begeerten en afkeeren van onzen tijd.... Maar wat fel midden-uit
+dat verouderende tot ons klinkt, wat wij als een ondoofbaar en eeuwig
+schoon zien stralen, dat is altijd nog het verrukkelijk bewegen der
+scheppende ziel, de <i>schoone daden</i> der <i>kunst</i>-scheppende <i>Natuur</i>, die
+in alle tijden dezelfde is, in alle tijden voor menschen doorvoelbaar,
+in alle tijden aanbiddelijk.... Geen kunstenaar is of was er, wien de
+vergankelijke tijd niet doorstroomde&mdash;ja, hoe grooter hij is, des te
+opener staat hij voor dien tijd!&mdash;van diens vergankelijke beelden en
+neigingen maakt hij kunst, m&aacute;&aacute;r: het complex dier beelden en neigingen
+is dan ook in waarheid het lichaam niet, waarin zijn Scheppend Vermogen
+blijft leven. Hoe zou dat kunnen, daar het <i>vergankelijk</i> is?</p>
+
+<p>Neen, het &ograve;nvergankelijk lichaam, waarin d&agrave;t zich blijft openbaren is:
+de <i>taal</i>: d&aacute;&aacute;rin schittert voor immer de waarachtige logiek zijner
+beweging, de uit zich-zelf blijkende <i>noodzakelijkheid</i> daarvan, in &eacute;&eacute;n
+woord: geheel de ontroerende schoonheid van het scheppend <i>gebaar</i>, van
+de scheppende <i>daad</i>. Di&egrave; voelen alle nageslachten mee, di&egrave; is het welke
+zij liefhebben, &agrave;lle. In dat ijl-doorzichtige, toch pantserharde, toch
+niet te deren lichaam, bl&igrave;jft zij, voor onze oogen zichtbaar, levend,
+als 't spelend vuur in diamant bewaard, zoo spelend en zoo glippend, zoo
+vrij en toch gevangen.... Wat ik dus beweer <i>is: dat niets anders dan de
+in een kunstwerk bereikte twee&eacute;&eacute;nheid van Scheppend Vermogen en taal,
+dat kunstwerk zijn "eeuwige jeugd" verleent</i>. En wat nu de werking dier
+twee&euml;enheid op het complex der verleden beelden en neigingen in
+betrekking tot de aanschouwers betreft: als dezen h&aacute;&aacute;r wonderen glans
+zien en den klank harer taalstem hooren, gel&oacute;&oacute;ven zij, gel&oacute;&oacute;ven zij, en
+volmaakt, in de <i>herleving van dat doode</i>, &egrave;n&mdash;hebben gelijk! Want: op
+het ontroerend gebieden, op het onweerstaanbaar lokken van di&egrave; stem,
+hebben zij het <i>iets van h&ugrave;n</i> <span class="pagenum"><a name="p106" id="p106"></a>[p.106]</span> <i>eigen menschelijkheid, onbewust,
+geleend</i>, <i>hebben zij 't met h&ugrave;n menschelijkheid weer bezield</i>.</p>
+
+<p>Vastgesteld nu zijnde, dat deze de drie meeningen zijn, wier waarde of
+onwaarde in dit opstel aan het licht moet treden, gelieve de lezer wel
+te billijken, dat waar de bestrijding der eerste meening m.i. reeds
+afdoende door Gorter is geschied, ik die niet zelf voere maar de zijne
+citeere. Want overigens, al lijkt mij die meening wel onjuist, zij
+schijnt mij niet verderfelijk voor de literaire critiek als die der
+marxistische aesthetici. Bij deze is het dus voornamelijk, dat ik mijn
+aandacht wensch te bepalen. En waar het nu ook in de dingen van den
+geest waar is, dat men aan de vrucht den boom kan kennen en het ons al
+minstens evenzeer om de vrucht&mdash;de literaire critiek&mdash;als om den boom,
+waaraan zij groeit&mdash;de aesthetiek&mdash;te doen is, zij het mij vergund ook
+in de critische gedachten mijner tegenstanders de principieele
+denkfouten op te sporen en daarna hunne betrekking tot, of oorsprong uit
+de aesthetische overtuiging. Uitteraard is hier een eigenmachtig
+resumeeren door den bestrijder van den bestreden tekst van nul en geener
+waarde. Zoo ergens, dan schijnt hier wel <i>letterlijk</i> citeeren plicht.
+En hieraan kan ik dus nu beginnen. Aldus dan Mevr. Holst:<a name="FNanchor_2_17" id="FNanchor_2_17"></a><a href="#Footnote_2_17" class="fnanchor">[2]</a></p>
+
+<div class="blockquot"><p>Voor den eersten<a name="FNanchor_3_18" id="FNanchor_3_18"></a><a href="#Footnote_3_18" class="fnanchor">[3]</a> zijn alle menschen gelijk en is van alle
+menschen het levensverloop even aesthetisch belangrijk, even waard
+afgebeeld te worden in kunst. Er is voor hem niet meer grond, door
+den eenen mensch meer getroffen te worden dan door den anderen, als
+er grond is wezenlijk onderscheid te maken tusschen mensch en ding.
+Vandaar, vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme,
+de neiging tot het afbeelden van volslagen onbelangrijke, vaak in
+de nietigste kleinigheden uitgeplozen levenssneden van volslagen
+onbeduidende menschen&mdash;zij het geheel objectief of in een tint van
+medegevoel of ironie.</p></div>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p107" id="p107"></a>[p.107]</span> M&ograve;gen wij wel aannemen, dat deze aesthetische overtuiging van
+den burgerlijken kunstenaar de oorzaak is van <i>de neiging tot</i> het
+afbeelden van "volslagen onbelangrijke ... levenssneden"? Wijst dat
+tusschenzinnetje: "vooral bij den hedendaagschen nabloei van het
+naturalisme" niet op de m.i. ware oorzaak? Immers, kunstenaarsaanleg is
+zeer verscheiden: de een heeft de macht en den drang tot het scheppen
+van hero&iuml;sche wezens en omvangrijke, grootsche tooneelen, de ander
+slechts tot het uitpluizen van kleine levens-afsneden van volslagen
+onbelangrijke menschen. Der eersten aanleg is meestal machtig en groot,
+die der laatsten meestal zwak en klein. De oorzaak van het opkomen van
+het groote meerendeel der laatsten is dan ook: het gewekt zijn van hun
+kleine aanleg door voorafgaande grooten. Waren <i>die</i> er niet geweest,
+misschien hadden <i>zij</i> dan nooit geschreven; vandaar, dat hun werk bijna
+altijd bij een <i>nabloei</i> hoort, nu van het naturalisme en in andere
+tijden van een ander isme. Altijd zijn die nabloeiers min of meer
+klein&mdash;zij behoeven niet geheel ontbloot van groote eigenschappen te
+zijn&mdash;hun werk is altijd min of meer het werk van uitpluizers,
+vergeleken bij de geweldige rotsklompenuithouwingen der voorafgaande
+grooten. De kleine uitpluizers van onzen tijd hebben dan ook niet als 't
+ware moed geschept, om hun werk te maken, uit, zijn daartoe niet gekomen
+door de door Mevr. Holst aangewezen aesthetische overtuiging van het
+burgerlijk kunstenaarschap, maar het is omgekeerd: omdat de burgerlijke
+kunstenaars inzagen, dat die kleine kunst toch ook <i>kunst</i> is, kregen
+zij of werden zij versterkt in die aesthetische overtuiging. Zien wij
+verder:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hoe meer de kunstenaar er in slaagt door zijn voorstelling het
+gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te
+wekken&mdash;dat is een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort te
+brengen&mdash;des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker is in
+haar soort zijn kunst.<a name="FNanchor_4_19" id="FNanchor_4_19"></a><a href="#Footnote_4_19" class="fnanchor">[4]</a></p></div>
+
+<p>De schrijfster vergeve mij: even zoovele woorden, even zoovele
+onjuistheden acht ik hier aanwezig. Een eigenschap <span class="pagenum"><a name="p108" id="p108"></a>[p.108]</span> van kunst,
+ook van "kleine" kunst, is, dat zij ons door haar afbeelding van het
+"&ograve;nbeduidende," het beduidensv&ograve;lle laat zien. Ho&egrave; doet zij dat? Zij
+ont-dekt niet, zij doorlicht. Zij rukt het mom der onbeduidendheid niet
+weg, maar zij maakt het doorzichtig. Zoodat wij het zelfde ziende, wat
+wij in het dagelijksche leven om ons heen zien, toch niet het zelfde
+zien en inderdaad, en zonder begoocheling, iets oneindig schooners en
+veel meer beteekenends aanschouwen. Hoe meer de kunstenaar <i>daarin</i>
+slaagt, zeg ik tegenover Mevr. Holst, des te voortreffelijker is zijn
+kunst. Maar indien hij daarin niet geh&eacute;&eacute;l slaagt&mdash;hetgeen vrijwel zeker
+is&mdash;indien hij het h&oacute;&oacute;gtepunt van voortreffelijkheid niet bereikt, dan
+nog&mdash;tweede onjuistheid:&mdash;kan zijn voorstelling toch geen "gevoel van
+wrevelige neerslachtigheid" voortbrengen. Want immers nog altijd
+uitgaande van de premisse, dat die voorstelling <i>kunst</i> en dus voor haar
+verreweg grootste deel <i>wel</i> geslaagd is, zal het gevoel van
+neerslachtigheid, dat het niet geslaagde, het &ograve;ndoorlichte bij ons zal
+opwekken, onmiddellijk overheerscht en verdrongen worden door het geluk,
+dat 't w&egrave;l-doorlichte, 't geluk dat diep gevoelen en begrijpen geeft. En
+wij kunnen des te zekerder zijn, dat het laatste het eerste zal
+overheerschen en verdringen, omdat het naast zijn kracht van het
+schoonere en meer juiste te zijn, nog beschikt over die van het
+verrassend-nieuwe. En niets is onweerstaanbaarder dan dat.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>De socialistische kunstenaar kent deze neiging niet, zij is
+onvereenigbaar met zijn aesthetische beginsel; niet alles van het
+menschenleven wil hij beelden, maar die momenten in het leven van
+die menschen, waarin een bepaalde schoonheid van wil en gezindheid
+het helderst straalt.<a name="FNanchor_5_20" id="FNanchor_5_20"></a><a href="#Footnote_5_20" class="fnanchor">[5]</a></p></div>
+
+<p>Helaas, socialistisch of niet, geen &egrave;nkel kunstenaar kan &agrave;lles van het
+leven beelden; &oacute;&oacute;k de grootste is geen universeel-aanvoelend wezen, en
+is hij verstandig genoeg, om deze eenvoudige waarheid te vatten, dan wil
+hij 't dus ook niet, maar zal zich bepalen tot wat het in hem werkend
+scheppend <span class="pagenum"><a name="p109" id="p109"></a>[p.109]</span> vermogen w&egrave;l doorvoelen en beelden kan. Nu kan het
+ongetwijfeld wel te eeniger tijd geschieden&mdash;gelijk het &oacute;&oacute;k gebeuren
+kan, dat een burgerlijk kunstenaar zich bijv. uitsluitend tot het
+beelden van zeer edele figuren aangetrokken voelt&mdash;dat een socialistisch
+kunstenaar opstaat, die z&oacute;&oacute; is geaard, dat hij niet anders beelden wil
+(kan) dan "die momenten in het leven van die menschen, waarin een
+bepaalde schoonheid ... het helderst straalt." Dat zal dan echter niet
+op eenige, door zijn socialisme gesterkte, breedheid en hero&iuml;sme van
+zijn aanleg wijzen, gelijk Mevr. Holst meent, maar integendeel op de
+<i>enge beperktheid</i> daarvan. En, gelukkig, is die kunstenaar er dan ook
+n&igrave;et. Tot heden is hij een niet verwerkelijkt droombeeld van Mevr.
+Holst! De beide groote socialistische menschenscheppers&mdash;van dezulken
+moeten wij immers hier toch vooral spreken&mdash;van ons land: Querido en
+Heijermans, lijken evenveel op zulk een kunstenaar, als her en der hun
+prooi bemachtigende, stoutmoedige trekvogels, op 'n schuchter en
+zwakpootig ooilammetje, dat aldoor op 't zelfde plaatsje blatend grasjes
+mummelt! Integendeel: het breede en hero&iuml;eke is juist in hen, dat zij
+zulk een rijke verscheidenheid van menschelijke gevoelens in hun werk
+tot leven brengen, en hun <i>beste</i> werk bestaat zelfs <i>uitsluitend</i><a name="FNanchor_6_21" id="FNanchor_6_21"></a><a href="#Footnote_6_21" class="fnanchor">[6]</a>
+uit beeldingen van menschen, in wie niets van "die bepaalde schoonheid
+van wil en gezindheid" straalt, maar die zich zelfs vijandig tot die
+gezindheid en wil verhouden!<a name="FNanchor_7_22" id="FNanchor_7_22"></a><a href="#Footnote_7_22" class="fnanchor">[7]</a> Nemen wij nu nog een laatste citaat:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>De opvatting "de schoonheid der voorstelling onafhankelijk van den
+zedelijken grondslag," in waarheid een grove miskenning van het
+wezen der kunst, van haar zielvolle waardigheid&mdash;is hun (der
+burgerlijke kunstenaars, v.C.) aesthetisch beginsel en zij kunnen
+geen anderen lof begeeren of verwachten dan die hierin past. De
+hoogste bewondering hun gebracht, kan niet <span class="pagenum"><a name="p110" id="p110"></a>[p.110]</span> anders dan de
+zuiverheid en schoonheid van de uitbeelding van het gevoel
+betreffen. Instemming met den wortel der voorstellingswijze, met
+het levensbegrip, ligt buiten de sfeer van het burgerlijk
+aesthetisch bewustzijn; onverschilligheid voor, afkeer van het
+levensbegrip van een kunstenaar kan in deze sfeer op de
+aesthetische waardeering van geen invloed, en moet den kunstenaar
+zelven onverschillig zijn. De lof hem gebracht voor de uitbeelding
+der aandoening moet hem ten volle bevredigen. Vanaf een ander plan,
+d.w.z. dat der weer gewonnen eenheid, de
+proletarisch-socialistische aesthetica, lijkt dit of een moeder
+ermee tevreden zou wezen, dat men in haar kind roemde zijn open
+voorhoofd, zijn lachenden mond, den stralenden blik van zijn klare
+oogen, en er bijvoegde dat die trekken de spiegel waren van een
+terugstootende ziel.<a name="FNanchor_8_23" id="FNanchor_8_23"></a><a href="#Footnote_8_23" class="fnanchor">[8]</a></p></div>
+
+<p>Ik heb hierboven gezegd, dat kunst &oacute;&oacute;k de doorlichter van het mom der
+dingen is. Ik zou hieraan nu verduidelijkend willen toevoegen, dat kunst
+het <i>zichtbaar worden der noodwendigheid in 't voorgesteld gebeuren</i> ten
+gevolge heeft, en dat het blijken dier noodwendigheid de sch&oacute;&oacute;nheid van
+'t <i>voorgesteld gebeuren</i> uitmaakt. Meenden wij van een zeker gebeuren,
+zoolang kunst dat niet had doorlicht, dat 't op een zedelijken grondslag
+rustte of die miste&mdash;zoodra kunst dat wel heeft doorlicht blijkt het te
+rusten op den grondslag der noodwendigheid, blijkt het dus te bestaan in
+een sfeer, die buiten-menschelijk-zedelijk is en dus geen
+menschelijk-zedelijken grondslag daar te kunnen hebben. Te zeggen dus,
+dat de schoonheid der voorstelling w&egrave;l afhankelijk is, in welken tijd
+ook, van den zedelijken grondslag, d&agrave;t is in waarheid een grove
+miskenning van het wezen der kunst, en dit niet alleen, maar het is ook
+het onmogelijke en ongerijmde beweren.<a name="FNanchor_9_24" id="FNanchor_9_24"></a><a href="#Footnote_9_24" class="fnanchor">[9]</a> Doch hierbij blijft het niet.
+Mevr. Holst accentueert haar meening sterker, zij zegt: wie afkeer van
+de uitgebeelde aandoeningen heeft en desalniettemin de uitbeelding
+bewondert, <span class="pagenum"><a name="p111" id="p111"></a>[p.111]</span> verkeert in de positie van iemand, die in de
+physionomie van een kind klaarblijkelijk alles aanwezig acht, wat tot de
+kenmerken eener schoone ziel behoort en er dan bijvoegt, dat die
+physionomie de spiegel eener terugstootende ziel is. Maar iemand, die
+dit zou beweren, zou immers toch niet alleen van het standpunt der
+socialistische aesthetiek, maar van af alle mogelijke standpunten ter
+wereld een zich-zelf-weersprekende ongerijmdheid zeggen! En welnu, ik
+ben verplicht te constateeren, dat onze schrijfster-zelf zich in een
+onbewaakt oogenblik in de positie van zulk een heeft bevonden. Immers
+zij zei: "Hoe meer de kunstenaar erin slaagt door zijn voorstelling het
+gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken
+... des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker in haar soort is
+zijn kunst." Zulk werk is dus <i>k&ugrave;nst</i>, is dus <i>voortreffelijk</i>, ook in
+h&aacute;&aacute;r oogen. Maar tegelijkertijd heeft zij een afkeer van het
+levensbegrip van den kunstenaar, die het schiep en van de onbeduidende
+of lage aandoeningen en neigingen die erin gebeeld zijn. En daar zij
+deze alle gelooft het zelfde in een kunstwerk te zijn als de ziel is in
+een kind, gelijkt zij-zelf dengenen die de trekken van een kind edel
+vinden en desalniettemin zeggen, dat zij een terugstootende ziel
+weerspiegelen! Ware zij toen tot bezinning gekomen! Hadde zij zich
+afgevraagd: hoe kan ik deze ongerijmdheid zeggen? Zou dan toch waarlijk
+dat kind w&egrave;l een edele ziel hebben? <i>Zou wellicht datgene, wat &igrave;k voor
+de ziel van een kunstwerk houd, toch n&igrave;et de ziel zijn,</i> Zouden wellicht
+niet het levensbegrip, niet de afgebeelde gevoelens, niet de "zedelijke
+grondslag" de ziel zijn, maar iets anders? Waarom zij niet tot
+zelfbezinning kwam, zullen wij nu nog niet onderzoeken. Blijve dit tot
+straks bewaard. Wenden wij ons nu allereerst tot Herman Gorter. En dan
+zullen we tot ons niet gering genoegen allengskens merken, dat ook hij
+den bestrijdingsarbeid heeft verlicht, door onbewust zich-zelf te
+bestrijden! Tot ons genoegen, zeg ik: niet alleen omdat hij zelf
+daardoor zoo sterk bevestigd heeft wat wij voor waarheid houden, maar
+wijl juist door die onbewuste zelfbestrijding deze prachtige <span class="pagenum"><a name="p112" id="p112"></a>[p.112]</span>
+dichters- en denkersfiguur opnieuw zoo gr&oacute;&oacute;t blijkt. Want niet hij is 't
+grootst, die in dogmatische dwalingen bevangen, door zijn
+niet-verstelselde intu&iuml;tie zoo weinig wordt beschermd, dat hij van zijn
+&ograve;nlogisch uitgangspunt af den redeneeringsdraad zonder hem te breken of
+verwarren verder spinnen kan, maar hij is groot, die in zulk een
+voortdurend verband met die intu&iuml;tie leeft, dat zij hem, in weerwil van
+zijn lager verdogmatiseerd bewustzijn, telkens bij schokken den weg ter
+waarheid opdringt en hem, onbewust, de waarheid spreken laat. Citeeren
+wij nu allereerst die gedeelten uit Gorter's betoog, welke zijn
+bestrijding van Kloos behelzen. Dit zal, naar ik vertrouw, het tweeledig
+nut hebben, van aan te toonen, 1&deg;. dat de
+algemeene-en-eeuwige-menschelijkheids-theorie niet wel houdbaar is; 2&deg;.
+dat hoewel Kloos en de schrijver van dit opstel beiden de
+proletarisch-socialistische aesthetica bestrijden, de wijze waarop deze
+bestrijding zich voltrekt geheel verschillend is. Kloos dan, in het
+algemeen menschelijke het vereeuwigend bestanddeel ziende, heeft deze
+meening aldus geformuleerd en verdedigd:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>De Grieksche Literatuur ... was zeer zeker literatuur van een
+bepaald volk, zooals iedere mogelijke literatuur dat steeds is.
+Maar dit is even zeker, dat in geen enkele andere literatuur, <i>het
+algemeen-menschelijke, dat van alle eeuwen is</i>, z&oacute;&oacute; voor den dag
+komt, als juist in de Grieksche, en dat door datzelfde
+algemeen-menschelijke, dat nergens zoo evident is als d&aacute;&aacute;r, de
+Grieksche literatuur reeds 3000 jaar vereerders en bewonderaars
+onder alle andere volken heeft gevonden. Om bij de Antigone te
+blijven, Antigone is een vrouw, niet alleen van een speciaal volk
+van 2500 jaar geleden, maar een vrouw zooals men ze tegenwoordig
+ook nog heeft&mdash;<i>die handelt en zich uit, zooals een levende
+superieure vrouw in overeenkomende omstandigheden ook thans nog zal
+kunnen en moeten spreken en doen.</i><a name="FNanchor_10_25" id="FNanchor_10_25"></a><a href="#Footnote_10_25" class="fnanchor">[10]</a></p></div>
+
+<p>Welnu, een klein citaat uit Gorters bestrijding zal, geloof ik,
+voldoende zijn, om de onhoudbaarheid der door Kloos verdedigde theorie
+aan te toonen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p113" id="p113"></a>[p.113]</span> Het eeuwig menschelijke is een abstract begrip dat alleen
+in het verstand voorkomt.</p>
+
+<p>Dit eeuwig menschelijke, als men het in zijn geheel nagaat, en het
+niet, zooals Kloos doet, slechts als frase gebruikt, blijkt
+allersimpelst, allerkaalst, allerdorst en zoo kunsteloos als de
+beginselen der rekenkunde te zijn, zoo kaal, simpel, dor en
+kunsteloos, dat er nooit een kunst van gemaakt zou kunnen
+worden....<a name="FNanchor_11_26" id="FNanchor_11_26"></a><a href="#Footnote_11_26" class="fnanchor">[11]</a></p>
+
+<p>Wij zelve hebben boven gezegd, dat de drie groote onbewuste driften
+tot zelfbehoud, voortplanting en maatschappelijk zijn
+eeuwig-menschelijke driften zijn. Maar wie zou van deze dorre
+waarheid, van dit, juist door zijn <i>algemeene eeuwige</i>
+menschelijkheid beweginglooze leven, van dezen "onsterfelijken
+dood" kunst kunnen maken?....<a name="FNanchor_12_27" id="FNanchor_12_27"></a><a href="#Footnote_12_27" class="fnanchor">[12]</a></p>
+
+<p>In de telkens veranderende omstandigheden, in de andere
+verhoudingen, waarin de menschen in de geschiedenis tot elkaar
+komen, veranderen hun gedachten, woorden en daden. Die, door een
+groot dichter voorgesteld, doen ons ontroeren. Het is niet de
+platte algemeenheid, het algemeen menschelijke in zijn eeuwigheid,
+dat ons ontroert, maar het gewijzigde, het speciale, het bijzonder
+menschelijke.<a name="FNanchor_13_28" id="FNanchor_13_28"></a><a href="#Footnote_13_28" class="fnanchor">[13]</a></p>
+
+<p>Er is dus in deze beschouwingen geenszins ontkend, dat er een
+eeuwig of algemeen menschelijks zou bestaan. Er is slechts beweerd
+en bewezen, dat het een abstractie is, op alles wat menschelijk is,
+toepasselijk, en dus, als kunstbeginsel, waardeloos en
+onbruikbaar.<a name="FNanchor_14_29" id="FNanchor_14_29"></a><a href="#Footnote_14_29" class="fnanchor">[14]</a></p></div>
+
+<p>Gorter betoogt dus, dat het niet van de algemeene menschelijkheid, de
+onveranderlijke, is waarvan kunst gemaakt is en wordt, maar van de
+menschelijkheid, zooals zij door de maatschappijvormen
+(productieverhoudingen) gespecialiseerd is. Hij bewijst dat verder
+zoowel aan het door Kloos aangehaalde voorbeeld der Antigone als aan
+zeer vele andere kunstwerken. Hij betoogt, dat die aldus
+gespecialiseerde menschelijkheid van bijv. den tijd der Antigone bijna
+niets doet, niets weet, niets zegt, zooals &ograve;nze menschelijkheid zoude
+voelen, doen, zeggen. Dit betoog, dat hier natuurlijk niet in zijn
+geheel kan worden overgenomen, schijnt mij toe, gelijk ik <span class="pagenum"><a name="p114" id="p114"></a>[p.114]</span> reeds
+zei, waarheid te bevatten. Het is dus niet de algemeene menschelijkheid,
+die ons in een kunstwerk kan ontroeren en verheugen. Maar tot hiertoe
+samengaande met Gorter, scheiden zich nu onze wegen. Want dat de
+<i>gespecialiseerde</i> menschelijkheid, een iets geboren uit zoo
+vergankelijke dingen als de invloeden van tijd en plaats, vergankelijk
+wezen <i>moet</i> en zij het dus niet zijn kan, die ons na duizenden jaren
+nog ontroert&mdash;ik heb het den lezer reeds vroeger waarschijnlijk gemaakt.
+Zou hij-zelf zich trouwens niet zijn opgetrokken wenkbrauwen en haastig
+gegrepen potlood nog herinneren?... En op de vraag, die nu onontkoombaar
+rijst: w&agrave;t d&agrave;n dat eeuwig geluk- en genot-gevende in kunst is, ook
+daarop kent de lezer mijn antwoord reeds.&mdash;Maar ook Gorter moest
+natuurlijk een antwoord geven en hij doet dit dan ook op een manier,
+die&mdash;des lezers heftiglijk neergeschreven vraagteeken meer dan
+rechtvaardigt! Het "gespecialiseerd menschelijke," dat uitteraard van
+onbetwijfelbaar vergankelijke natuur is, blijkt nu pour le besoin de la
+cause, van ...ja hoe zal ik 't zeggen ... welnu: van <i>min of meer</i>
+&eacute;&eacute;uwige natuur te zijn:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>De zaak, waarde lezer, is heel eenvoudig. Zij biedt ook u
+waarschijnlijk niet de minste moeite. De simpele waarheid is: alle
+menschelijke aandoeningen zijn eeuwig menschelijk. Niet in dien zin
+dat de menschelijke aandoeningen eeuwig dezelfde blijven, maar in
+dezen, dat er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een
+ander mensch kan het, sterker of zwakker, ook wel voelen.<a name="FNanchor_15_30" id="FNanchor_15_30"></a><a href="#Footnote_15_30" class="fnanchor">[15]</a></p></div>
+
+<p>Dit stukje lezend voelde ik opnieuw de felle waarheid van Querido's
+Gorter-karakteristiek:&mdash;in een Handelsbladkroniek&mdash;dat hem in zijn
+<i>betoogend proza</i> altijd een zoo bijzondere <i>schijnklaarheid</i> eigen
+is<a name="FNanchor_16_31" id="FNanchor_16_31"></a><a href="#Footnote_16_31" class="fnanchor">[16]</a>. Een sterke suggestie: "de zaak ... is <i>heel eenvoudig</i>," "biedt
+ook u waarschijnlijk <i>niet de minste moeite</i>," "de <i>simpele waarheid</i>
+is," wil hier den lezer iets, de aanwezigheid nml. eener klaarheid,
+opdringen, dat er niet is. Want neen, z&oacute;&oacute; gaat dat niet! De bewering:
+dat er "niets is, <span class="pagenum"><a name="p115" id="p115"></a>[p.115]</span> wat door een mensch gevoeld wordt, of een
+ander mensch k&agrave;n het, <i>sterker of zwakker</i>, ook wel voelen"&mdash;overigens
+een zeer aanvechtbare stelling zooals wij zullen zien&mdash;zegt hier niets.
+Wat hier van Gorter's standpunt gezegd &egrave;n verklaard had moeten worden
+is: dat en waarom 'tgeen een ver en vreemd geslacht gevoeld en gedacht
+heeft, ons onder zekere omstandigheden&mdash;die van kunst&mdash;<i>enorm sterk,
+enorm fel</i> ontroeren kan, feller en sterker dan vaak &ograve;nze werkelijkheid.
+Want het is niet z&oacute;&oacute;, dat wij tegen die oude werken zitten op te kijken
+en ons neusknijpertje recht zettend, om beter te zien, in ons-zelf
+mompelen: "H&eacute; ja, daar kan ik ook toch wel in komen," maar het is z&oacute;&oacute;,
+dat wij machtig worden gegrepen, dat onze mond siddert, onze oogen
+glinsteren van de tranen, omdat daar iets voor ons leeft, zoo diep als
+een hemel en z&oacute;&oacute; lichtgedrenkt, zoo verrukkelijk, en trillende van
+je&ugrave;gdig schoon....&mdash;En als ik nu Gorter vraag: wat is dat, wat daar voor
+mij leeft met zoo fel, zoo diep en schoon een leven, als ik mij
+nauwelijks &oacute;&oacute;it iets menschelijks heb gedroomd? dan antwoordt hij mij,
+den in schemer gezetene, verblindend door klaarte: Ho&egrave;, weet ge dat
+niet?! Dat zijn die <i>half of heel vergane</i> gevoelens van een lang
+verdwenen geslacht, die zoo goddelijk sterk voor u leven! Die
+gevoelens&mdash;herinnert ge 't u, dat ik 't u leerde?&mdash;zij werden gevormd,
+bepaald door een zoo geheel andere maatschappij dan de uwe, zij staan
+v&eacute;r van u, zij zijn u vreemd. Welnu ... hokus pokus pas ... ziedaar,
+d&aacute;&aacute;rom leven zij zoo fel voor u, daarom ontroeren zij u, hen ziende, nog
+meer soms dan die &ugrave;wer l&eacute;vende maatschappij.&mdash;Intusschen: zelfs in
+gevallen, waar de invloed van oneindig-verschillende maatschappij-vormen
+en tijdsafstand <i>niet</i> bestaat, is het niet waar, dat "er niets is, wat
+door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het sterker of
+zwakker, ook wel voelen;" is het niet waar, dat d&aacute;&aacute;rdoor een kunstwerk
+voor ons leeft en ons ontroert. Door hen, die van "Les Chants de
+Maldoror" <i>aesthetisch</i> hebben genoten, is er niet &eacute;&eacute;n, die iets van
+sommige daarin geheelde gevoelens, sterk of zwak maar w&egrave;rkelijk voelen
+kan, want in iemand, bij wien dit wel het geval ware, zou onder het
+<span class="pagenum"><a name="p116" id="p116"></a>[p.116]</span> lezen van d&agrave;t werk de bestiaal- en pervers-zinnelijke lust het
+aesthetisch genot onmiddellijk hebben opgeheven.</p>
+
+<p>Ziehier dus een kunstwerk, waarvan het zelfs <i>gewenscht</i> is, de erin
+gebeelde menschelijkheid niet te kunnen meevoelen, indien men er
+aesthetisch van genieten wil! Gelijk dan ook de ervaring leert, dat van
+sommige kunstwerken, in bijv. een revolutionnairen tijd ontstaan, en
+wier voorstellingen beeldingen waren van het revolutionnair voelen in
+dien tijd, w&egrave;l genoten werd door de menschen op de wijze van iemand
+wiens innigste meeningen en gevoelens door een ander worden goedgekeurd
+en toegejuicht, maar niet genoten werd datgene wat men <i>kunst</i>genot
+noemt. Dit laatste kon dan ook niet, juist omdat de menschen in dien
+tijd, de in dat werk gebeelde menschelijkheid <i>te sterk</i> meevoelden!
+Eerst later kon men dan aesthetisch van zulk werk genieten.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"Keesje van Van Hulzen," zegt Kloos, "zal blijven leven, ook bij
+menschen die heelemaal niets meer weten van dezen tijd. Dat komt
+omdat hij het algemeen-menschelijke heeft vastgehouden." Een
+onwaarheid. Niet daarvan zal het afhangen of de latere geslachten
+"Keesje" zullen vasthouden. Het zal er integendeel van afhangen of
+dit speciaal-menschelijke, dit <i>kleinburgerlijke</i> Keesje den
+lateren geslachten schoon genoeg zal lijken om vast te houden. En
+dat hangt weer af, behalve van <i>de artistieke kracht</i><a name="FNanchor_17_32" id="FNanchor_17_32"></a><a href="#Footnote_17_32" class="fnanchor">[17]</a> van den
+heer Van Hulzen, vooral van het speciaal-menschelijke dier lateren.
+Het kon wel eens gebeuren dat die lateren zoo vrij en zoo gelukkig
+waren, dat zij in het kleine Keesje niet z&oacute;&oacute; veel meer zagen, dat
+zij hem vasthouden wilden.</p></div>
+
+<p>Dat schrijft Gorter op blz. 29, maar op blz. 27 vinden wij dit:<a name="FNanchor_18_33" id="FNanchor_18_33"></a><a href="#Footnote_18_33" class="fnanchor">[18]</a></p>
+
+<div class="blockquot"><p>Blijkbaar is valschheid, vuilheid etc. even eeuwig-menschelijk, en
+kunnen zij, als zij maar door een <i>groot kunstenaar</i><a name="FNanchor_19_34" id="FNanchor_19_34"></a><a href="#Footnote_19_34" class="fnanchor">[19]</a> worden
+beschreven, even eeuwig-mooi als reinheid en eerlijkheid zijn.</p></div>
+
+<p>Hoe! en komt het er nu niet op aan of de lateren zoo oprecht en helder
+zijn, dat zij maar liever die valschheid <span class="pagenum"><a name="p117" id="p117"></a>[p.117]</span> en vuilheid niet willen
+vasthouden? Komt het er nu alleen op aan, of die vuilheid en valschheid
+door een <i>groot kunstenaar</i> worden beschreven? Maar, veroorloof mij:
+zou het &oacute;&oacute;k in het geval van "Keesje" van Van Hulzen, instede van
+<i>"behalve"</i> van des heeren van Hulzen's <i>artistieke kracht</i>, niet
+<i>uitsluitend</i> daarvan afhangen of "Keesje" zal blijven leven, al dan
+niet? En zouden wij dan maar niet meteen concludeeren&mdash;o, onbescheiden
+vrager, die ik ben!&mdash;dat dit leven-blijven niet bedreigd wordt: noch
+door het vaak "onbeteekenende" en "onbeduidende" der levensgevalletjes,
+die een werk beschrijft, zooals Boccaccio's <i>Decamerone</i>; noch door het
+zonderlinge en vreemde, het gedeeltelijk ver buiten onzen tijd liggende
+der voorstellingen, zooals bij de <i>Sakuntala</i>; noch door het niet
+medevoelbaar Uebermensch-sadistische zooals bij <i>Les Chants de
+Maldoror</i>, maar dat dit leven-blijven uitsluitend en alleen afhangt van
+de <i>artistieke macht</i>, die het werk schiep, het <i>Scheppend Vermogen</i>,
+dat erin straalt, en of men <i>diens</i> schoone bewegingen daarin zoo
+onvertroebeld en duidelijk ziet, dat men het "vast wil houden"? Het
+antwoord kan, dunkt mij, niet langer twijfelachtig zijn. En evenmin of
+'t wel juist was, toen ik zei, dat Gorter, gelukkig, soms zichzelf
+bestrijdt! Ik zal straks gelegenheid hebben u een andere
+volstrekt-afdoende zelfbestrijding van onzen schrijver te toonen, laat
+ons nu echter even een terugblik werpen en onderzoeken hoe Mevr. Holst en
+hij ertoe gekomen zijn, de door ons bestreden onjuistheden te zeggen.
+Wij dan hebben aangetoond of waarschijnlijk gemaakt, at de neiging tot
+het uitpluizen van "volslagen onbelangrijke levenssneden" gevolg is van
+den betrokken <i>kunstenaarsaanleg</i>; wij hebben waarschijnlijk gemaakt,
+dat deze kunstenaars juist als nabloei van het naturalisme verschenen,
+omdat zij daardoor gewekt zijn, daardoor pas tot schrijven zijn gekomen.
+Mevr. Holst niet aldus, zij wijt het bestaan dezer kleine kunst aan de
+scheiding van zedelijk en aesthetisch ideaal&mdash;terwijl wij hebben
+aangetoond, dat een kunstenaar <i>als zoodanig</i>, d.i. een <i>ziener en
+ontdekker der noodwendigheid</i> niet door het eerste k&agrave;n worden
+be&iuml;nvloed&mdash;"want <span class="pagenum"><a name="p118" id="p118"></a>[p.118]</span> zulk een ideaal geeft aan het leven <i>een
+zin"</i><a name="FNanchor_20_35" id="FNanchor_20_35"></a><a href="#Footnote_20_35" class="fnanchor">[20]</a> en "voor de burgerlijke kunstenaars, die dit misten"<a name="FNanchor_21_36" id="FNanchor_21_36"></a><a href="#Footnote_21_36" class="fnanchor">[21]</a> wordt
+de wereld een ding om afgebeeld te worden, het leven "in de eerste
+plaats een ding om kunst van te maken."<a name="FNanchor_22_37" id="FNanchor_22_37"></a><a href="#Footnote_22_37" class="fnanchor">[22]</a> En daar er dus voor hen geen
+zedelijk-sociale reden bestaat, om het een boven het ander van dat leven
+de voorkeur te geven, beelden zij ook het heel kleine en onbelangrijke
+en zelfs perverse af. En, ten slotte, wat heeft de scheiding tusschen
+zedelijk en aesthetisch ideaal bewerkstelligd? Antwoord: de
+kapitalistische <i>productiewijze</i>. Ziehier dus als oorzaak van deze haar
+aesthetische redeneering: de <i>historisch-materialistische</i>
+gedachtegang.&mdash;Wij hebben aangetoond, dat kunst nimmer een gevoel van
+wrevelige neerslachtigheid voort kan brengen. Dat zij <i>immer</i>
+daarentegen het gevoel van geluk, bewondering, opgeheven-worden
+voortbrengt. Mevr. Holst daarentegen beweert, dat hoe sterker zekere
+"burgerlijke" kunst een gevoel van wrevelige neerslachtigheid
+veroorzaakt, des te voortreffelijker is zij! Hoe komt zij tot een
+dergelijke bewering? Omdat onze schrijfster slechts de keus had tusschen
+twee dingen: &ograve;f te zeggen, dat dergelijke werken<a name="FNanchor_23_38" id="FNanchor_23_38"></a><a href="#Footnote_23_38" class="fnanchor">[23]</a> als die zij
+bedoelt, <i>geen kunst</i> zijn, 't geen zij vermoedelijk zelf een
+ongerijmdheid vindt, &ograve;f te zeggen, dat zij bij den lezer sentimenten
+produceeren niet alleen minderwaardig aan maar het tegenovergestelde van
+wat, volgens haar, de kunst alleen dier samenlevingen te weeg brengt,
+waarin zedelijk en aesthetisch ideaal w&egrave;l konden samengaan, waarin de
+kapitalistische productiewijze de scheiding dier beide niet had
+voltrokken. "Wrevelige neerslachtigheid" dus tegenover: geluk,
+bewondering, opgeheven worden.&mdash;Zoo gebood 't het
+<i>historisch-materialisme.</i>&mdash;</p>
+
+<p>Och, ik weet het, dit onderzoek naar de primaire oorzaak van de
+aesthetisch-critische meeningen onzer schrijfster mocht <span class="pagenum"><a name="p119" id="p119"></a>[p.119]</span>
+eigenlijk overbodig heeten: weet niet ieder, die niet alleen de werken
+der dichteres maar ook der proza&iuml;ste Roland Holst gelezen heeft, dat zij
+niets schrijven kan of haar gedachtegang wordt door het
+historisch-materialisme bepaald en dus zeker, en in de allereerste
+plaats, haar socialistische aesthetiek? En wie trouwens zou zich
+daarover kunnen verwonderen? Het historisch-materialisme is nog
+betrekkelijk jong; als methode van verklaring der herkomst van den denk-
+en gevoels-inhoud is het in de handen dezer vurige socialiste een
+strijdbijl, waarvan zij van den ochtend tot den avond de snede beproeft.
+O erger&mdash;en verre zij 't van mij hiermede iets kwetsends te willen
+zeggen, ik wil slechts zonder schipperen de waarheid uiten zooals ik die
+zie&mdash;; zij als haar mederedacteur Gorter hanteeren de methode zoo
+er-op-verliefd, als een kind een zaag, die het pas gekregen heeft, die
+het niet &eacute;&eacute;n oogenblik uit de handen zou kunnen leggen: in de
+kostbaarste meubelen snijdt het krabben en krassen ... och de zaag is
+zoo mooi, hij is z&oacute;&oacute; scherp ... nu eens probeeren of je dit en dan weer
+of je dat ermee zagen kunt....&mdash;Maar wilt ge trots dit feit en
+niettegenstaande de historisch-materialistische premissen in de
+voorafgegane citaten uit Gorter open en bloot liggen, het toch ook bij
+hem, tenminste &eacute;&eacute;nmaal, <i>aangetoond</i> zien? Welnu dan: In zijn betoog,
+dat er 1&deg; geen menschelijke aandoening in kunst gebeeld wordt of zij is
+door de productieverhoudingen gespecialiseerd&mdash;<i>waarin ik het volstrekt
+eens met hem ben</i>&mdash;en, 2&deg;, dat die gespecialiseerde en door hem-zelf als
+half-verworden gekenschetste menschelijkheid de kern van kunst uitmaakt
+en onze bewondering, genot en opgeheven-worden veroorzaakt,&mdash;<i>'t geen
+ik een evidente ongerijmdheid acht</i>&mdash;slaat hij twee vliegen in een
+marxistischen klap. Want liet hij zijn laatstgenoemde stelling los, <i>dan
+liet hij daarmee de kunst uit de greep van het historisch-materialisme
+ontsnappen!</i></p>
+
+<p>Doch nu zij hiervan genoeg gezegd. Laat mij thans liever scherper
+omlijnen en als tastbaar maken, wat ik onder <i>Scheppend Vermogen</i> versta
+en ook wat de oorzaak is, dat et nimmer geheel onvertroebeld in een
+kunstwerk kan verschijnen. <span class="pagenum"><a name="p120" id="p120"></a>[p.120]</span> Want dit alles mag geen abstractie
+voor u blijven, lezer, gij moet het voelen en zien, als ik. Doch hier
+ontmoet ik een moeilijkheid op mijn weg: in vroeger werk heb ik reeds
+hierover geschreven, en ik geloof dat ik nu, mij-zelf herhalend, het eer
+slechter dan beter dan toen zou formuleeren. Zoo moge ik het dan, met
+terzijdestelling van een zekeren schroom, hier als citaat doen volgen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"De kunst-scheppende Macht heeft geen <i>menschelijken</i> wil of
+bewustzijn. Scheppend met het schitterendst vernuft, de diepste
+teederheid of heftigsten hartstocht van het gevoel, met de
+verrukkelijkste omvaming der intu&iuml;tie, verschijnt Zij den
+onbedachtzamen als menschelijk vernuft, gevoel of intu&iuml;tie, maar
+Zij is geen dezer, noch eene samensmelting van hen. Zij bevindt
+zich tezelfder plaatse als dit drietal: den menschelijken geest,
+m&aacute;&aacute;r&mdash;gelijk een meester onder zijne leerlingen. Haar bewustzijn,
+oneindig ver verheven boven het hunne, wordt door hen niet gekend.
+Uit de grondelooze diepten van haar Wezen doet zij de kleurrijke
+visioenen, de heerlijke vergelijkingen, de melodieuse rhythmen en
+de zoete saamklinkingen der harmonie&euml;n opwellen en deinen en
+blinken voor hun luisterende, voor hun ziende verlangen. Dit zijn
+Hare geschenken aan hen wier verheffing en geluk Zij beoogt. Van
+Haar leeren zij, aan Haar richten zij zich op. En moge het verstand
+haar vrijmoedigste, het gevoel haar schuchterste en aanhankelijkste
+en de intu&iuml;tie haar meest zielvolle en begenadigde leerling zijn,
+leerlingen zijn zij alle drie, en kunnen nimmer, w&igrave;jl zij 't zijn,
+zelfstandig werkend, z&oacute;&oacute; pure, z&oacute;&oacute; heil-verleenende wijsheid
+winnen, als die hun uit hare handen daalt. Want Z&igrave;j is de
+absoluut-volmaakte, de voortbrengster van vlekkelooze werken, de
+groote Vereenster, de Oneindige Liefde. Niet alleen in den
+menschelijken geest bevindt Zij zich, en kan als zoodanig de kunst
+en wijsheid voortbrengende Macht worden genoemd, maar in alles wat
+is, is Zij, en wij allen noemen Haar dan Natuur of God. In den
+aanvang, zoo ik met mijn armelijke woorden van haar werken mag
+spreken, doet Zij de atomen tot een wereld samensnellen, dan,
+wanneer zij verbonden zijn tot een aarde, <span class="pagenum"><a name="p121" id="p121"></a>[p.121]</span> blijde tot 't
+baren van schoonheid bereid, drijft Zij uit haar de wezens omhoog.
+En is onder dezen de mensch verschenen dan doet Zij uit hem&mdash;die
+geestelijke aarde&mdash;de kunstgewrochten, de wijze gedachten en alle
+de geestelijke verheugingen opbloeien, 't Is dan of Zij, voor 't
+eerst, hem wil inwijden in 't geheim van haar scheppend vermogen:
+uit hem, m&egrave;t hem, baart Zij een nieuwe wereld, eene afschijning van
+gene, die Zij alleen schiep; een nieuwe aarde vol geurende bloemen
+en zingende vogels, vol wezens als dieren en menschen rijst in 't
+licht.... Z&oacute;&oacute; ontstond al de waarachtige wijsheid, de waarachtige
+kunst, &agrave;l dat onnoemelijk kostbare, dat de menschheid uit de handen
+der menschheid ontving.</p>
+
+<p>"En echter, hiermede treedt haar scheppen eene nieuwe phase in: <i>de
+volkomenheid van haar werk verdwijnt</i>. Want hier ontmoet Zij voor
+'t eerst een bewustzijn, buiten het hare, oneindig ver onder het
+hare en toch genoegzaam ontwikkeld, niet alleen, om n&aacute;&aacute;r haar werk
+te grijpen, maar storend te kunnen ingrijpen. Dat bewustzijn, welks
+wanen Zij liefdevol duldt, opdat het eens tot hare goddelijkheid
+zal kunnen stijgen en die deelachtig worden, gelooft zelfs vaak
+haar arbeid de zijne en meenend die nog te verbeteren, verderft het
+hem. D&agrave;t is de reden, waarom elk kunstwerk, ook van den
+voortreffelijksten kunstenaar, onvolmaakt is: hij is nimmer in die
+mate voortreffelijk kunstenaar, dat hij er in zou kunnen slagen,
+zijn <i>menschelijk</i> bewustzijn te weerhouden, in te grijpen in het
+werk van het <i>Natuurlijk Bewustzijn, dat in en door hem schept</i>. En
+alles, wat zijn onvolmaakte geestelijke krachten kunnen vlechten
+door de schepping der Natuur heen, <i>moet</i>, d&aacute;&aacute;rbij vergeleken,
+leelijk zijn, <i>omdat</i> het uit &ograve;nvolmaakte krachten werd geboren,
+terwijl daarentegen het werk der Natuur schoon <i>moet</i> zijn, <i>omdat</i>
+het uit volmaaktheid het aanzijn kreeg."<a name="FNanchor_24_39" id="FNanchor_24_39"></a><a href="#Footnote_24_39" class="fnanchor">[24]</a></p></div>
+
+<p>Maar wat nu de waarneming van de <i>bewegingen</i> van het Scheppend Vermogen
+betreft, zoo fel, zoo duidelijk gezien, dat zij zich voor de oogen van
+den waarnemer verzinnelijkten <span class="pagenum"><a name="p122" id="p122"></a>[p.122]</span> tot die van een mensch; van den
+mensch in wien het zich openbaarde; z&oacute;&oacute; gezien, dat ge niet langer k&ugrave;nt
+denken, dat de mogelijkheid dier waarneming een cerebraal geconstrueerde
+abstractie van mij is; z&oacute;&oacute;, dat ge 't mee mo&egrave;t voelen; dat ge zegt, met
+stralend-opziende oogen: ja nu doorvoel ik 't alles, nu zie ik
+'t&mdash;daarvan zou ik u tallooze voorbeelden uit 't werk van
+groot-visionnaire, zoowel als van scheppend-analytische critici kunnen
+toonen. Maar ik geloof, dat &eacute;&eacute;n voorbeeld, een schitterend, zal
+volstaan. Het is van den meester, voor wien, zoo hij weer wilde spreken,
+Scharten, zoo terecht, wel veertig anderen wilde doen zwijgen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Drie uiterste belang-stellingen hebben zich in mij opgericht:</p>
+
+<p>Ten eerste eene van algemeene en onvermengde emotie-oplettendheid,
+verbeeld-verlichamelijkt: het roerloos en angstig-heerlijk staren
+<i>naar de vreemde en hooge bewegingen, naar de sublime toeren van
+deze nieuwe ziel; hoe hij staat, dit wondermensch</i>, en het leven
+omhuivert hem met pijnlijk vervoerende vlagen....</p>
+
+<p>... zacht lichtend, bevend leven, dat een grond wordt, een zachtjes
+en zoetjes kabbelende grond, een grond van zee <i>waar hij gaat hoog
+op, waar hij gaat ongedeerd, en de golven liggen sluik neer, als
+honden aan zijn voeten</i>....</p>
+
+<p>... <i>hoe hij g&aacute;&aacute;t, en zacht-breed bewegen, als bol hangende
+etherische goudene tapijten de luchten</i>....</p>
+
+<p>... <i>hoe hij het leven bewoont als een koning</i>, zijn rood-gouden
+levenspaleis, waar alles wondert en hemelt....<a name="FNanchor_25_40" id="FNanchor_25_40"></a><a href="#Footnote_25_40" class="fnanchor">[25]</a></p></div>
+
+<p>Z&eacute;ker, z&oacute;&oacute; zijn de bewegingen van die ziel der ziel, van het <i>Scheppend
+Vermogen</i>, wellicht door geen tweede gezien; z&oacute;&oacute; z&egrave;lf doorgloeid van
+geluk heeft geen ander die goddelijke bewegingslijn geteekend ... dat
+ook de teekening werd een lijnen-spel van parelend licht. Maar toch ...
+wil ik u even den weg wijzen en u een werk noemen van den allerlaatsten
+tijd? Ook Querido's <i>Geschreven Portretten</i>, zij zijn er pr&agrave;chtig van,
+van dat <i>niet</i> v&oacute;&oacute;ral zien van het <i>werk</i>, maar van het <i>Scheppend
+Bewustzijn en zijn bewegingen</i>, waardoor het werk is ontstaan.&mdash;Maar ge
+vraagt mij wellicht, of <span class="pagenum"><a name="p123" id="p123"></a>[p.123]</span> dan ieder mensch zekerlijk in kiem reeds
+iets in zich heeft wat met dat Bewustzijn is verwant en hem in staat
+stelt het te begrijpen, lief te hebben?&mdash;Och, zou er dan wel &eacute;&eacute;n mensch
+zijn, die geen schepper is, hoe klein ook, al droomde hij in zijn h&eacute;&eacute;le
+leven maar &eacute;&eacute;n schoonen droom van verlangen? <i>Kent gij &eacute;&eacute;n kind, dat
+geen schepper is</i>?&mdash;Wat betreft de ontvankelijkheid voor inspiratie is
+er dan ook tusschen kunstenaar en niet-kunstenaar geen essentieel
+verschil, slechts een gradueel. Alleen wat de uitingsmacht betreft is er
+een essentieel onderscheid. Maar dit kan den niet-kunstenaar toch niet
+verhinderen te genieten van het geuite, of &oacute;&oacute;k van wat hij wel niet
+uiten kan, maar in hem leeft: zijn &egrave;igen droomen? <i>There are many poets
+who have never penned</i>, welk een diep woord was dat!&mdash;Ongetwijfeld zijn
+er eigenschappen, die zekere menschen kunnen beletten, het Scheppend
+Vermogen lief te hebben en ervan te genieten, zooals verstomping, te
+geringe of te eenzijdige ontwikkeling, maar nimmer kan door
+maatschappij-wisseling en veranderde productieverhoudingen deze hoogste
+Natuurkracht-zelf, gelijk zij zich manifesteerde in vroeger tijd, in een
+lateren onmedevoelbaar worden, omdat ook zij verouderen zou. <i>Zij</i> is
+niet als de menschelijke drijfveeren en gevoelens. Zij is
+onveranderlijk. Niet om niets noemden de bijbelsche dichters zich
+profeten, van God bezielden. Zij waren het, z&oacute;&oacute;als nog elk waarachtig
+kunstenaar het is en zijn zal, immer. En ook zij waren als mensch, in
+hun lagere persoonlijkheid, vaak zwak en zondig, z&oacute;&oacute;als de kunstenaars
+van elken tijd, omdat zij &agrave;llen wel begen&agrave;digd door het Scheppend
+Vermogen maar daarom nog die Vlekkelooze-zelf niet zijn! O zie toch, zie
+toch, hoe dit alles juist en licht en klaar is, en hoe v&eacute;&eacute;l, hoe 't
+bijna &agrave;lles verheldert.... Maar indien ge nu ziet, wat de eeuwige kern
+der kunst is, hoe zoudt ge er dan vrede mee k&ugrave;nnen hebben, dat het
+historisch-materialisme zich mengt in de critiek dier kunst. Luister
+even, hoe Gorter, de uitmuntende kenner ervan, het kenschetst:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Het historisch materialisme is geen filosofie, het spreekt niet als
+het filosofisch Materialisme of Idealisme van het wezen <span class="pagenum"><a name="p124" id="p124"></a>[p.124]</span> van
+geest en stof, het spreekt <i>over den inhoud van</i> het denken en het
+toont aan, hoe het komt dat in een bepaalden tijd door bepaalde
+menschen z&oacute;&oacute; en z&oacute;&oacute; gedacht wordt, de inhoud van het denken zoo en
+zoo is en zoo en zoo verandert.<a name="FNanchor_26_41" id="FNanchor_26_41"></a><a href="#Footnote_26_41" class="fnanchor">[26]</a></p></div>
+
+<p>Welnu, vraag ik u, de hoogere literaire critiek zal toch wel de kritiek
+op, de beschouwing van het <i>hoogste</i>, het <i>meest essentieele</i>
+bestanddeel der kunst zijn. H&aacute;&aacute;r taak zal het ongetwijfeld toch zijn aan
+te toonen, waar d&agrave;t in w&aacute;&aacute;rheid en waar slechts in schijn aanwezig is.
+En over het wezen van dat hoogste, hebben wij gezien, verspreidt de
+kennis van de herkomst van den denk-<i>inhoud</i> niet het minste licht, en
+ook de bewegingen van dat hoogste vertoont die kennis ons niet. Wat zou
+&ograve;ns dan, die kunst-critiek niet met kunstgeschiedenis wenschen te
+verwarren, het historisch materialisme ter versterking der eerstgenoemde
+kunnen baten!</p>
+
+<p>"Dus," hoor ik Mevr. Holst nu spottend vragen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Daar bij dat andere, hoogere begint pas het werk van den hoogeren
+aestheticus...; daar waar het leven eindigt; achter, buiten, boven
+de eigenschappen en omstandigheden die, meenen wij, het <i>geheele</i>
+menschelijk zijn uitmaken, buiten of boven welke <i>het niet
+bestaat</i>?<a name="FNanchor_27_42" id="FNanchor_27_42"></a><a href="#Footnote_27_42" class="fnanchor">[27]</a></p></div>
+
+<p>En, juist Mevrouw, antwoorden wij gelaten, zeer juist, daar begint het
+pas. Want niet <i>het</i> leven eindigt daar, maar slechts 't leven, dat gij
+in uwe marxistische reageerbuizen, uw historisch-materialistische
+weegschalen en microscopen kunt oplossen, wegen en bespiedend ontleden.
+<i>Het</i> leven kunnen wij niet ontleden, wij kunnen zijn wezen slechts
+synthetisch zien, met onze ziel, en daarna kunnen wij verhalen van hoe
+het bewoog, hoe het schitterde, hoe het scheen terug te wijken,
+wegdonkerde en verdween, en d&agrave;t verhaal kan een analyse zijn, maar het
+is er dan ook slechts eene van de bewegingen, de handelingen, niet van
+het wezen. O, Mevrouw, ook al hadde Mozes alle de boomen van het
+doornbosch omgehouwen, waarin de Godheid, hem verschijnend, brandde en
+elk takje doorsneden en onderzocht, hij had de <span class="pagenum"><a name="p125" id="p125"></a>[p.125]</span> goddelijke
+essentie daardoor niet kunnen vinden, integendeel: verder dan ooit ware
+hij daarvan verwijderd geweest, omdat <i>zijn aandacht zich dan in 't
+bijkomstige en betrekkelijk onbelangrijke zou hebben verloren</i>. Hij deed
+beter: hij knielde neer in een vrees en liefde, die ook een zaligheid en
+een verrukking was; hij zag, z&agrave;g en dronk zich vol de ziel, en uit die
+rijke ziel kon hij zijn volk toen veel leeren en verhalen. En dat was
+voldoende.... Gij spreekt van het "buitenmaatschappelijke en
+ondoorgrondelijke".... Welnu, juist, daar ligt de grens, waar dat leven
+begint....</p>
+
+<p>Wijs mij &eacute;&eacute;n critiek, een eindel&oacute;&oacute;sheid van historische en biographische
+bijzonderheden overhoop halend, die heller, neen even hel, u het
+Scheppend Vermogen eens kunstenaars laat verschijnen, dan deze
+<i>uitsluitend-literaire</i> van Van Deyssel u den Gorter der
+sensitivistische verzen vertoont.... Gij kunt het niet!</p>
+
+<p>En wat is dan ook natuurlijker dan dit! Gij zoudt toch niet willen
+beweren, dat de zonnegloed op gindschen bergtop vulkanisch uit den
+aard-afgrond komt opgestegen?! Welnu, wat dringt ge mij het historisch
+materialisme dan op, deze <i>geologie</i> der maatschappij, ter verklaring
+van het hemellicht op hare toppen!... Zou d&aacute;&aacute;rom de
+historisch-materialistische literatuur-critiek de "hoogere" zijn, omdat
+zij zooveel overhoop haalt? O, ik begrijp, dat zij door haar
+"gedocumenteerdheid" en gewichtigheid op na&iuml;eve en jonge geesten dien
+indruk maakt! Maar <i>is</i> zij het daarom? Slechts hij, dunkt me, kan
+hierop een bevestigend antwoord geven, die door den rijkdom en de
+veelheid harer middelen overbluft, niet ziet, dat zij trots al die
+middelen, ja daardoor, haar d&ograve;el mist.&mdash;Er <i>is</i> &eacute;&eacute;n middel: de
+aangeboren gave van den scheppend-critischen kunstenaar. Die bestaat
+d&aacute;&aacute;rin: iemand te zijn, wiens psychische inhoud en wiens uiting op hun
+beurt het doornbosch zijn, waarin brandend het Scheppend Vermogen
+verschijnt, zoodat ook d&aacute;&aacute;r iets onvergankelijks staat en de ziel van
+den aanschouwer zich zelf ziet verlicht, en niet slechts gewaar wordt,
+dat haar wetens- en gevoels<i>inhoud</i> is uitgebreid, maar in waarheid, zij
+'t voor nog zoo gering een <span class="pagenum"><a name="p126" id="p126"></a>[p.126]</span> deel, haar <i>potentie</i> om te voelen en
+te weten; dat niet slechts het bezit van haar wezen zich heeft vergroot,
+maar haar wezen-zelf openbladiger is ontloken. Door een kunst-critiek,
+die dit is en dit veroorzaakt, voelt de lezer dus niet vooral w&agrave;t en h&ograve;e
+het "behandelde" werk is, maar hij voelt in de aller&eacute;&eacute;rste plaats wat en
+hoe het geluk is, dat het hem kan geven: hij voelt iets gelijk<i>soortigs</i>
+aan dat geluk.</p>
+
+<p>Welnu, zegt ge hier allicht, ik voel wel iets voor uwe beweringen, maar
+zie, indien ge nu zoudt doen wat ge beloofd hebt; als ge mij nu kondt
+laten zien, dat Gorter-zelf zijn meening afdoende heeft bestreden: dat
+de critische <i>kunstenaar</i> in hem klaarblijkelijk zelf het
+historisch-materialistisch hulpmiddel overbodig en te ontberen acht,
+dan&mdash;ja dan zou het wellicht iets meer dan een ervoor-voelen
+worden.&mdash;Welnu, ik verlang niets liever, ziehier:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Niet minder dwaalt Kautsky als hij in zijn gedenkschrift over Marx
+zegt dat de Duitsche kunst van Goethe en Schiller de Engelsche
+overtrof. Zulk een oordeel bewijst hoe weinig groote po&euml;zie wordt
+verstaan. De groep Wordsworth, Coleridge, Keats, Shelley overtreft
+de groep Lessing, Schiller, Goethe en,&mdash;daar in de po&euml;zie de daad
+geldt, niet de aanleg&mdash;Shelley staat als een toren boven Goethe.
+Dat zegt niet alleen de <i>zekerheid van een hart, dat tegenover
+po&euml;zie nooit heeft gedwaald</i>, maar het <i>verstand dat van Marx
+geleerd heeft waardoor po&euml;zie groot wordt</i><a name="FNanchor_28_43" id="FNanchor_28_43"></a><a href="#Footnote_28_43" class="fnanchor">[28]</a>.</p></div>
+
+<p>Gij ziet natuurlijk duidelijk, dat Gorter hier "het verstand dat van
+Marx geleerd heeft" best had kunnen thuislaten, indien hij dat, zonder
+vader Historisch-Materialisme in diens zoontje te beleedigen, maar had
+kunnen doen. Want dat verstand, dat van Marx geleerd heeft, is&mdash;Gorter
+zal wel de laatste zijn om het te ontkennen&mdash;in zulk een verreweg
+grooter mate van geschooldheid en kracht in den grooten internationalen
+theoreticus der sociaal-democratie Kautsky aanwezig dan bij hem, dat hij
+daaraan onmogelijk recht en <span class="pagenum"><a name="p127" id="p127"></a>[p.127]</span> moed had kunnen ontleenen, om zich
+autoritair tegenover dien te stellen. Dat zou dan ook niet in hem
+opgekomen zijn. Maar er was iets anders: zijn groote Onbewustheid, de
+sterke kunstenaar, die in hem leeft, drong hem den weg naar de waarheid
+op. Hij voelde dat er iets ver boven "dat van Marx geleerd hebbende
+verstand" bestaat, dat wel in hem, maar niet in Kautsky is, en dat <i>dit</i>
+hier, in <i>kwesties van kunst den doorslag had te geven</i>. En in weerwil
+van zichzelf roept hij 't dan trotsch en triomfantelijk uit&mdash;en hoor de
+heerlijke aandoening beven in zijn woord:&mdash;"dat zegt de zekerheid van
+een hart, dat tegenover po&euml;zie nooit heeft gedwaald."&mdash;O, dus dat is
+het, waardoor men in deze zaken, de kern, de waarheid, het wezen
+ziet.<a name="FNanchor_29_44" id="FNanchor_29_44"></a><a href="#Footnote_29_44" class="fnanchor">[29]</a> O, Gorter en gij lezer, zijn wij het allen nu niet eens? En
+zouden wij hem niet evenzeer hi&egrave;rvoor danken, als voor al het heerlijk
+werk van het Onbewuste, waarmede hij zoo ontelbare dagen van ons leven
+heeft doorzond, hij zoowel als zijn groote medestrijdster en
+medekunstenares, wie wij niet minder dankbaar mogen zijn, al is zij niet
+zoo Muziek als hij, niet zoo groot-na&iuml;ef als hij, niet zoo "adamisch"
+dichter, in &eacute;&eacute;n woord: niet zoo geniaal als hij; want in &eacute;&eacute;n prachtige
+eigenschap althans zijn zij even machtig. Laat mij even zeggen, wat ik
+bedoel en daarvan denk. Het is mij zoo w&egrave;l, van hun groot
+kunstenaarsschap, ook in de door mij bestreden verhandelingen, te mogen
+<span class="pagenum"><a name="p128" id="p128"></a>[p.128]</span> spreken, nadat ik zoo straf hunne meeningen daarin verwerpen
+moest.</p>
+
+<p>Geloof is <i>geprosterneerd</i> denk-voelen, maar dat denkvoelen uit zijn
+knielhouding weer verrezen, is het <i>gesublimeerde</i> boven al zijn
+broeders. O&ograve;k over zijn wit verteerd gelaat, zijn emotief vermagerd en
+ingetrokken gelaat, maar in zijn groote als roerlooze vijvers
+d&oacute;&oacute;rklaarde oogen het diepst, ligt de onwankelbare zelfgerustheid, de
+ondeerbare in-zich-zelf-vrede, z&oacute;&oacute; als over het gelaat en in de oogen
+van een mensch, die diep-verdroomd en in zijn God verloren, gebeden
+heeft en daarna opwaakte, om zijn dagtaak te hernemen. Aldus ook knielde
+het denk-voelen dezer beide dichters voor de Socialistische Idee, het
+verdroomde zich erin, het verloor zich erin.... O, lezer, het is niet de
+God, aan wien men zich overgaf, die den vrede en de zelfgerustheid
+schenkt, het is de <i>overgave</i>.... Het is het zich-verdroomen, het
+zich-zelfvergeten in Iets ... een Idee, een God, een Mensch... Toen het
+opstond was het gesublimeerd; over zijn gelaat en in elk zijner woorden
+en over zijn gebarende handen en over alles, &agrave;lles, lag d&agrave;t. Het
+dwaalde, maar hoe had dat zijn schoonheid, zijn noblesse kunnen deren!
+Het was immers de zelfgeruste, de in zich-zelf volmaakt-vredige en
+volgroeide <i>subjectieve</i> waarheid. Toch uitte zich die op zeer ongelijke
+wijs, gelijk trouwens vanzelf spreekt, bij beide dichters. Slechts de
+zelfgerustheid, verkregen door de overgave aan dezelfde idee, di&egrave;
+eigenschap hadden zij gemeen. Overigens ... Mevrouw Holst's scheppingen
+zijn een woud gelijk, dat, z&egrave;ker, zon vangt op zijn dichte looverkronen,
+maar de gronden schaduwig maakt. Gij loopt in halflicht; luister, daar
+floot een verre vogel ... een eenzaam geluid.... Ge hoort nog even na en
+weer staat ge stil en ziet schuw ter zijde en houdt uw adem in....
+Vluchtte daar geen bevallig wezentje, even gezien? kort ritselde het
+geblaarte... En weer is alles geluidloos.... Het is hier alles zoo stil,
+zoo roerloos ... het is in ten-hemel-streving verstijfd.... Het is &eacute;&eacute;n
+donkere in zich gekeerde ernst.... Gij zijt hier de eenige, die weet te
+<span class="pagenum"><a name="p129" id="p129"></a>[p.129]</span> kunnen lachen en de oogen tintelend bewegen.... Wat ge op de
+gronden ziet en op den roerloozen voet der stammen, het zijn de
+fluweelzachte, effen mossen der zonl&oacute;&oacute;ze vruchtbaarheid....</p>
+
+<p>Anders Gorter's levenswerk.</p>
+
+<p>Een lupine-veld, klaterend-geel, 't is zonnig, zonnig neerwaarts van den
+stralend-blauwen hemel naar het gele veld, opwaarts van het veld naar
+den hemel ... het klaterende veld juicht u de zon in het gelaat. O, welk
+een zomer, welk een hoogzomer, wat levenskracht om ende om, waar ge
+ziet, waar uw stralende oogen zien.... Zwermen van tierelierders en
+fluiters wieken uit het gele omhoog.... En meer nog, meer.... Hoevelen
+zitten daar wel verscholen in die bezonde bloemen....</p>
+
+<p>Gorter is een &eacute;&eacute;ngewordenheid van fel zonlicht en muziek. Zijn licht
+schalt, zijn geluid straalt.</p>
+
+<p>Mevr. Holst's stem is die der vaste, maar stroef-, maar
+moeilijk-verworven zekerheden. Er zijn geen groote verheffingen, geen
+dalingen in, er is &eacute;&eacute;n effen hoogheid, maar vaak komt er toch ook iets
+h&eacute;&eacute;l innigs beven in die stem.... Zij kan dan de zachtheid van haar
+vrouw-zijn niet weerhouden.... Ingetogen slaat die hare sluiers even
+terug. Een streeling van de hand, een innige blik....</p>
+
+<p>Mevr. Holst: een vrome Zuster aan de sponde van het proletariaat, haar
+worstelingen zijn gestild ... zij kent het leed &egrave;n de uitkomst; zij is
+kalm omdat zij z&egrave;ker is....&mdash;</p>
+
+<p>Gorter: een veldheer van den nieuwen kruistocht; hij haast, jacht voort,
+midden zijn glorieuse woordenstoeten. Ook hem lokt de rijke stad op de
+heuvelen, de ochtendstad in de dagende verte. Hij gunt zich geen
+respijt, hoor de hijging van de borsten zijner paarden, de klettering
+van den razenden galop. De vaandels stroomen in dien stormgang als
+amazonenhaar in het gouden licht. Hij gunt den vijand geen rust en geen
+herstel. Hij drijft hem voor zich uit, om hem ten doode toe te kneuzen
+en te pletten tusschen de heilige stad en zijn aanstormende cohorten. De
+lippen zijn opeengeklemd van energie-drift, de adem stokt, het is een
+ademloos <span class="pagenum"><a name="p130" id="p130"></a>[p.130]</span> leven van voortijlende haast, en &egrave;ven voor het
+bereiken, straalt al dat leven nog eens hooger op in de vast-starende,
+in de prooi-fixeerende oogen.... Dan is er de botsing, eindelijk, de
+omarming van den haat, de ontslaking al dier ingetoomde kracht in een
+uitstroomenden klankendonder, een verscheuren met wapens en met
+tanden....</p>
+
+<p>O, die geweldige, aangehouden polemische kracht van den grooten Gorter.
+Ik heb op manlijken leeftijd van zijn &oacute;npersoonlijken, zijn prachtigen
+haat genoten als nauwelijks in mijn jeugd van zijn liefde en zijn
+Mei....</p>
+
+<p>Maar laat ons nu hier eindigen, doch niet dan na ons te hebben
+voorgenomen, in het volgende &oacute;&oacute;k naar de volledige opheldering te
+streven van <i>hoe</i> dit zijn kan, 't geen wij ook zooeven hebben gezien:
+dat men een werk hevig bestrijden &eacute;n tegelijkertijd warm bewonderen,
+groot vinden en liefhebben kan.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<div class="footnotes"><h4>NOTEN:</h4>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_16" id="Footnote_1_16"></a><a href="#FNanchor_1_16"><span class="label">[1]</span></a> Voor de eerste maal gepubliceerd in <i>De Gids</i>, 1913&mdash;'14.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_17" id="Footnote_2_17"></a><a href="#FNanchor_2_17"><span class="label">[2]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_18" id="Footnote_3_18"></a><a href="#FNanchor_3_18"><span class="label">[3]</span></a> Den burgerlijken kunstenaar.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_19" id="Footnote_4_19"></a><a href="#FNanchor_4_19"><span class="label">[4]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_20" id="Footnote_5_20"></a><a href="#FNanchor_5_20"><span class="label">[5]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_21" id="Footnote_6_21"></a><a href="#FNanchor_6_21"><span class="label">[6]</span></a> Waarom dit zoo is wordt later in dit opstel verklaard.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_22" id="Footnote_7_22"></a><a href="#FNanchor_7_22"><span class="label">[7]</span></a> Of de schrijver met het beelden dier anti-socialistische
+gezindheden en personen een pro-socialistische "tendenz" had, doet
+<i>thans</i> natuurlijk niet ter zake. En trouwens bij Querido is behalve in
+"Levensgang" ook van zulk een tendenz geen sprake.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_23" id="Footnote_8_23"></a><a href="#FNanchor_8_23"><span class="label">[8]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 505.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_24" id="Footnote_9_24"></a><a href="#FNanchor_9_24"><span class="label">[9]</span></a> Dit alles wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat kunst
+geen zedelijken invloed op den aanschouwer uitoefent! Integendeel:
+<i>alle</i> kunst, ook de "onzedelijke," heeft, indien zij <i>als kunst</i> wordt
+genoten, een hoog-zedelijken invloed. Zij kweekt altru&iuml;sme: <i>De verrukte
+aanschouwer heeft de vermogens van den door hem bewonderden kunstenaar
+lief, en vergeet</i>, zij 't voor korten tijd, <i>zich-zelf voor hem en zijn
+werk</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_25" id="Footnote_10_25"></a><a href="#FNanchor_10_25"><span class="label">[10]</span></a> Ik citeer uit De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 16. Het is daar
+overgenomen uit Nieuwe Litt. Gesch. III blz. 44.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_26" id="Footnote_11_26"></a><a href="#FNanchor_11_26"><span class="label">[11]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1909, blz. 17&mdash;18.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_27" id="Footnote_12_27"></a><a href="#FNanchor_12_27"><span class="label">[12]</span></a> Ibid. blz. 18.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_13_28" id="Footnote_13_28"></a><a href="#FNanchor_13_28"><span class="label">[13]</span></a> Ibid. blz. 22.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_14_29" id="Footnote_14_29"></a><a href="#FNanchor_14_29"><span class="label">[14]</span></a> Ibid. blz. 31.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_15_30" id="Footnote_15_30"></a><a href="#FNanchor_15_30"><span class="label">[15]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 27.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_16_31" id="Footnote_16_31"></a><a href="#FNanchor_16_31"><span class="label">[16]</span></a> Algem. Hbl., 9 januari 1913.&mdash;De schrijver voegt er nog,
+m. i. zeer terecht, aan toe: "Het is een gevolg van propagandistischen
+ijver."&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_17_32" id="Footnote_17_32"></a><a href="#FNanchor_17_32"><span class="label">[17]</span></a> Deze cursiveering is van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_18_33" id="Footnote_18_33"></a><a href="#FNanchor_18_33"><span class="label">[18]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1909.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_19_34" id="Footnote_19_34"></a><a href="#FNanchor_19_34"><span class="label">[19]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_20_35" id="Footnote_20_35"></a><a href="#FNanchor_20_35"><span class="label">[20]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 492.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_21_36" id="Footnote_21_36"></a><a href="#FNanchor_21_36"><span class="label">[21]</span></a> ibid.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_22_37" id="Footnote_22_37"></a><a href="#FNanchor_22_37"><span class="label">[22]</span></a> ibid.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_23_38" id="Footnote_23_38"></a><a href="#FNanchor_23_38"><span class="label">[23]</span></a> Onder die rubriek valt zeker: Henri Hartog's <i>prachtig</i>
+"Sjofelen"; veel uitmuntend werk van Coenen; ongetwijfeld veel werk van
+Van Deyssel en, last not least, menig stuk van Van Looy!</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_24_39" id="Footnote_24_39"></a><a href="#FNanchor_24_39"><span class="label">[24]</span></a> Schetsen en Critische Opstellen, blz. 161&mdash;163.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_25_40" id="Footnote_25_40"></a><a href="#FNanchor_25_40"><span class="label">[25]</span></a> L. van Deyssel, derde bundel Verzamelde Opstellen, blz. 61
+e.v. (Over Gorter's Sensitivistische Verzen). De puntjes wijzen aan,
+waar ik hier niet ter zake doende gedeelten uit den tekst heb gelicht.
+Cursiveering van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_26_41" id="Footnote_26_41"></a><a href="#FNanchor_26_41"><span class="label">[26]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 408, e.v.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_27_42" id="Footnote_27_42"></a><a href="#FNanchor_27_42"><span class="label">[27]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 13.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_28_43" id="Footnote_28_43"></a><a href="#FNanchor_28_43"><span class="label">[28]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 369, e.v.&mdash;Cursiveering van
+mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_29_44" id="Footnote_29_44"></a><a href="#FNanchor_29_44"><span class="label">[29]</span></a> Er is overigens, in dat tusschenzinnetje "<i>daar In de
+po&euml;zie de daad geldt, niet de aanleg</i>," nog een van die typische
+denk-fouten welke door het marxistisch-aesthetisch denken vooral
+veroorzaakt worden, de meening namelijk, dat de kunstdaad nog iets
+anders zou kunnen weerspiegelen dan de aanleg, dat de daad bijv. kleiner
+zou kunnen zijn&mdash;zeg bijv.: door neerdrukkende omstandigheden&mdash;dan de
+aanleg, die immers niets anders is dan de potentie van den
+<i>kunstenaars</i>geest. Gorter verwart hier weer de stof, waarin de daad
+zichtbaar is geworden met de daad-zelf, d.i. de beweging van den
+kunstenaarsgeest. Wat hij de daad noemt, is in waarheid het <i>product</i>
+van de daad. Dit product weerspiegelt de daad &egrave;n de worsteling van de
+daad met de stof &egrave;n met de haar weerstrevende omstandigheden, maar die
+daarin dus n&eacute;vens al het andere zichtbaar geworden daad-zelf, in haar
+bewegen: hoe zij <i>worstelt, overwint of succombeert</i>, is alleen en
+uitsluitend de zuivere spiegel van de grootte, de macht of de zwakheid
+van den aanleg. Men kan dus niet zeggen, "dat in de po&euml;zie de daad
+geldt, niet de aanleg," alsof uit beiden iets verschillends zou kunnen
+blijken!</p></div></div>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p131" id="p131"></a>[p.131]</span></p>
+
+<h3>II.</h3>
+
+<p class="sidenote">
+Mevr. Holst's Rousseau.<br />
+(<i>Literair</i>-critisch beschouwd).<br />
+</p>
+
+
+<p>De <i>literaire</i> critiek toetst <i>nimmer</i> eens schrijvers <i>subjectieve
+waarheid</i>, gelijk die haar in een werk blijkt te bestaan, aan <i>eenige
+andere waarheid haar van elders bekend</i>, om daarna, al naar het
+resultaat dier toetsing, het werk goed of slecht te noemen. Neen, zij
+toetst&mdash;hetzij verstandelijk en meer koel-analytisch, hetzij
+emotioneel-omvattend en meer synthetisch&mdash;het <i>te beoordeelen werk</i> aan
+die <i>subjectieve waarheid</i>, en onderzoekt <i>hoe</i> deze zich daarin uit.
+Want zich uiten in een werk, d&agrave;t doet zij altijd. Het is alleen de vraag
+op welke wijze. Uit zij zich, &ograve;nbestreden, &ograve;nweerstreefd door het lager
+bewustzijn des schrijvers, &egrave;n voortgestuwd en bestraald door zijn
+Scheppend Vermogen, dan is het werk kunst. Uit zij zich daarentegen
+bestreden en weerstreefd door het lager bewustzijn, dat iets anders dan
+haar voor de subjectieve waarheid wilde doen doorgaan, dan is dat werk
+niet alleen geen kunst, maar 't is ook een vervalsching. Maar evenzeer
+geen kunst is zulk werk, of dat gedeelte van een werk, waarin het lager
+bewustzijn, volkomen te goeder trouw, en juist om de subjectieve
+waarheid, naar het meent beter te verwoorden, die uiting verminkt en
+veronecht. Doch zoo eenvoudig als dit alles nu in theorie er uit ziet en
+zoo simpel <span class="pagenum"><a name="p132" id="p132"></a>[p.132]</span> 't zich zeggen laat in 't algemeene, zoo eenvoudig is
+'t niet in de praktijk en in zijn toepassing op 't bijzondere. Want er
+zijn wel ontelbare werken, die geheel en volstrekt niet-kunst zijn, doch
+er is niet een wellicht, gelijk wij reeds vroeger gezien hebben, dat
+volmaakt kunst is. En er is ten slotte wel slechts &eacute;&eacute;n oorzaak waar&ograve;m
+een werk geen of slechts gedeeltelijk kunst is: zijn niet of slechts
+gedeeltelijk voortgebracht zijn door het "Onbewuste," d.i. de Scheppende
+Natuurkracht, maar de redenen die deze dit hebben belet, kunnen vele en
+zeer uiteenloopende zijn. Laat mij u slechts nog een drietal van de
+allervoornaamste noemen:</p>
+
+<p>Het <i>van nature</i> psychisch onvatbaar zijn voor de inwerking van d&agrave;t
+Scheppend Vermogen, noodig om di&egrave; zekere subjectieve waarheid in kunst
+te herscheppen. (Bijvoorbeeld: een lyricus, die van eene in hem levende
+voorstelling, tot wier ver-beelding het episch Scheppend Vermogen wordt
+vereischt, kunst maken wil).</p>
+
+<p>Het <i>verstelseld</i> of <i>verdogmatiseerd</i> zijn van het lager bewustzijn,
+zonder dat de voorstellingen enz. aan dat dogma of stelsel verbonden,
+ge&euml;igend zijn, door het in die persoonlijkheid werkend Scheppend
+Vermogen te worden ver-beeld.</p>
+
+<p>Een <i>te</i> critische gesteldheid van het lager bewustzijn, waardoor de
+door- en uitvloeiing der inspiratie te zeer bemoeilijkt, soms volkomen
+en voortdurend verhinderd wordt.&mdash;</p>
+
+<p>Zoo verschijnt ons de taak der literaire critiek als een zeer
+verwikkelde en uitgebreide. Zoodra zij met een kunstwerk te doen heeft,
+vervalt die taak in twee groote deelen: kenbaar te maken aard en
+beweging van 't kunst-<i>scheppende</i> Hooger Bewustzijn &egrave;n aard en beweging
+van het ingegrepen-hebbend kunst<i>bedervende</i> lager bewustzijn. Wel
+beschouwd is dus de literaire critiek een bij uitstek mensch-beeldende
+kunst. Immers &oacute;&oacute;k de synthetische aanvoeling van het Scheppend Vermogen,
+benevens zijne bewegingen, synthetisch of analytisch doorvoeld, kunnen
+meestal niet anders dan vermenschelijkt worden ver-beeld. Is het te
+beoordeelen werk-zelf van critischen aard, dan verandert dit niets aan
+de zaak&mdash;in theorie! In de praktijk blijkt dat wel anders: instede
+<span class="pagenum"><a name="p133" id="p133"></a>[p.133]</span> van het werk uitsluitend aan des schrijvers subjectieve waarheid
+te toetsen, toetst menig criticus die waarheid weer aan een andere&mdash;ten
+slotte zijn eigen, &oacute;&oacute;k louter subjectieve, want meestal <i>niet</i> te
+<i>bewijzen</i>&mdash;waarheid. De literaire recensent, die zich hieraan schuldig
+maakt en aldus van den m.i. juisten weg afwijkt, doet te veel en maakt
+daardoor zijn arbeid minder betrouwbaar en minder waard. Want hij loopt
+alle kans, als de waarheid van den door hem beoordeelde en de zijne niet
+overeenkomen, dat ontstemming en toorn over het z.i. onjuiste oordeel,
+hem ook de zuiver-aesthetische waarde van het werk te laag zullen doen
+aanslaan. Ik zelf, die dit alles hier hekel, zou er nochtans niet voor
+kunnen instaan, niet in dezelfde fout te vervallen, indien er geen
+afdoend middel bestond, zich daartoe de gelegenheid te benemen. Want het
+is niet te ontkennen, dat een kunstwerk van <i>critischen</i> aard daar veel
+meer aanleiding toe geeft dan een ander: van en betreffende de
+<i>bijzondere</i> menschelijkheid eener in bijv. een roman geheelde figuur,
+heeft de criticus allicht geen vast-omlijnde apriorische voorstelling of
+oordeel, hij toetst daarom zonder vooringenomenheid het beeld-in-'t-boek
+aan des kunstenaars subjectieve visie, en zoo hem dan het een 't ander
+blijkt te dekken, d.i. zoo hem de <i>noodwendigheid</i> in de <i>beelding</i>
+blijkt, noemt hij 't beeld goed en kunst. Maar van den aard en de waarde
+van een werk dat, of eener historische figuur, die in een kunstwerk van
+critischen aard wordt voorgesteld, hebben de meeste beoordeelaars wel
+degelijk eene apriorische opvatting, voor welke zij vaak niet kunnen
+nalaten te strijden. En dikwijls liggen hieraan de nobelste sentimenten
+ten grondslag, zooals de groote liefde voor een figuur, die zij onjuist
+beoordeeld achten, maar waar die sentimenten toch in <i>die</i> sfeer
+misplaatst zijn, veroorzaken zij somtijds zeer ignobele gevolgen. Het is
+daarom wenschelijk, dat een kunstcriticus indachtig aan het feit, dat
+hij een&mdash;meest zeer impulsief&mdash;mensch is, zich-zelf de gelegenheid
+beneme, zich al te klein-menschelijk te gedragen. En hieraan is het mede
+toe te schrijven, dat ik, nu ik ook Mevr. Holst's <i>Rousseau</i> in deze
+studie zal behandelen, mijn taak in twee scherp-gescheiden deelen zal
+splitsen. Ten <a name="p134" id="p134"></a><span class="pagenum">[p.134]</span> eerste: in dit hoofdstuk het toetsen van haar werk
+aan de in haar geest aanwezige beelden, het beoordeelen van haar essai
+dus als literair kunstwerk&mdash;den lezer zal het nu ongetwijfeld duidelijk
+zijn, <i>waarom</i> men "een werk hevig bestrijden en tegelijkertijd warm
+bewonderen, groot vinden en liefhebben kan"&mdash;; ten tweede: het toetsen
+van <i>haar</i> waarheid omtrent Rousseau aan <i>mijne</i> en de mij van elders
+bekende en te bewijzen waarheid, het beoordeelen van haar essai dus als
+biographischen, critischen en psychologischen arbeid, in het v&oacute;lgend
+hoofdstuk. Zoodoende zal, hoop ik, de bestrijder-in-mij der
+marxistisch-aesthetische theorie en der daaruit voortvloeiende
+meeningen, den literairen criticus niet interrompeeren, wanneer deze nu
+zal pogen zijne groote bewondering en luttele bedenkingen zuiver uit te
+spreken, en anderzijds de literaire criticus, tevreden, dat hij die
+bewondering heeft kunnen uiten, zijn tweelingbroer, den bestrijder, niet
+remmend be&iuml;nvloeden. Zeker, het had kunnen gebeuren, dat de literaire
+criticus tevens die bestrijder had moeten zijn, in het geval namelijk,
+dat <i>door den socialistisch-aesthetischen invloed</i> w&egrave;rk en s&ugrave;bjectieve
+waarheid elkaar niet zouden hebben gedekt. Dat is hier echter niet,
+althans niet bewijsbaar, het geval. <i>Onweerlegbaar aan te toonen</i>, dat
+er eenige waarheid aanwezig was in de schrijfster, welke het Hooger
+Bewustzijn niet kon uiten, ten gevolge van dien invloed of eene der
+reeds vroeger genoemde oorzaken, is m.i. niet mogelijk.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Dit werk dan, allereerst voortreffelijk en van een zoete bekoring door
+het statig ruischen van den diepen psychischen ondertoon der
+schrijfster, die alle fijnere modulaties in de hoogste mate natuurlijk
+en ongedwongen uit zich laat opwellen&mdash;dit boek opent met een zeer
+eenvoudige en nog schetsmatige uiteenzetting van den kerkelijken,
+economischen en politieken toestand der stad Gen&egrave;ve ten tijde dat
+Rousseau daar werd geboren. Maar in die uiteenzetting leeft al iets van
+de omglorie&iuml;ng der dingen door den dichtergeest, en reeds op het einde
+dier weinige bladzijden bloeit die diepe <span class="pagenum"><a name="p135" id="p135"></a>[p.135]</span> aandoening open, welke
+zich van dan af, nacht of dag der kunstenaarsziel mogen over het werk
+heerschen, niet meer sluiten zal: Een avondplein in Gen&egrave;ve. Bij het
+uitschietend en weer krimpend tooverlicht van rood-gouden flambouwen,
+hebben de burgerwachten van het vrij en democratisch gemeenebest hun
+gemeenschappelijk avondmaal genoten. Een rijke vreugd rijst hoog in de
+harten, de vreugd van als broeders samen te zijn; vrouwen en kinderen
+komen hun deel van het feestgeluk halen en mengen zich onder de groepen.
+... Er wordt een reidans gedanst en liederen gezongen ... O, de
+beschrijving van dit tafereel is in haar soberte z&oacute;&oacute; voortreffelijk; de
+psychische onderstroom voert zoo zonder inspanning die visioenen voor
+mijn oogen.... Maar deze deinzen nu, er is een open ruimte, en zie nu,
+zie ...er komen woorden als voorzichtige en zegenende handen, hun
+aanraking sterk &egrave;n teer van liefde, ze toonen mij een kind, niets dan
+een kind, een "bruinoogig, sierlijk knaapje".... Maar een ontroerd
+vrouwegelaat zie ik boven zijn hoofd, oogen, die mij glanzend,
+trotsch-gelukkig en suggestief aanzien, en ik versta plots in vollen
+omvang, wat dit gelaat mij zegt: hoeveel dit kind voor de menschheid zal
+beteekenen. Mijn hart zwelt den kleinen uitverkorene tegemoet. Het is
+Jean-Jacques Rousseau.&mdash;</p>
+
+<p>En dan volgen de zes-en-dertig schoone bladzijden over zijn jeugd, &eacute;&eacute;n
+zoete, innige melodie, maar&mdash;als door een fluit een nachtegaal
+nagefloten. Voor wien de nachtegaal-zelf te voren heeft gehoord!... Want
+het beeld van Rousseau's jeugd, zooals het in <i>Les Confessions</i>, dat
+stylistisch wonderwerk van subtiele zelfbeluistering, tot ons is
+gekomen, is niet louter een brok autobiographie, dat <i>elk</i> later
+dichter, die de voor de verwerking dier stof geschikte vermogens bezit,
+zou kunnen benuttigen, om er zijn eigen schoonen droom uit te
+<i>scheppen</i>, maar het is <i>zelf een subliem gedicht</i>, dat den lezer, en
+zeer zeker den bewerker, niet alleen materiaal aanbiedt, maar hem ook
+noodwendig beheerscht, door de artistiek-geniale doorlichting en
+verheerlijking van dat materiaal, zoodat tenzij die bewerker een
+Rousseau verre <span class="pagenum"><a name="p136" id="p136"></a>[p.136]</span> overtreffend genie bezitte, dat dezelfde stof n&ograve;g
+heller doorlichten, n&ograve;g schoener en &agrave;nders gezien in kunst zou kunnen
+beelden&mdash;vrijwel ondenkbaar in dit geval&mdash;hij zich niet slechts niet zal
+kunnen vrijmaken van die overheersching, maar zich zelfs wel wachten zal
+voor eenige poging daartoe, wel overtuigd als hij zijn zal, daardoor te
+zullen komen tot het maken van werk, dat &egrave;n slechts quasi-zelfstandig &egrave;n
+sterk minderwaardig zou zijn aan het oorspronkelijk gedicht.... Een
+gedicht, waarin al de weemoed herfst van een oud gebroken man, die zijn
+zoete jeugd herdenkt; waarin menschengestalten, sinds lang in den dood
+verdwenen, herrijzen, van verre staande met de aureool zijner liefde om
+de slapen, en waar veel flonkerende kostbaarheden al geborgen staan in
+herinnerings-schrijn, om straks&mdash;o toch luttele vergaarde schatten van
+dit aardsche leven!&mdash;te worden meegevoerd naar dat eeuwig leven,
+waarnaar hij smacht.&mdash;Want w&egrave;l ter dege behoort men, om naar &agrave;lle zijden
+rechtvaardig te zijn, de <i>relatieve</i> waarde der dingen niet uit 't oog
+te verliezen. "Wanneer zij Rousseau's jeugd herdenkt, wordt dit verhaal
+een gedicht onder hare handen," las ik in <i>De Ploeg!</i><a name="FNanchor_30_45" id="FNanchor_30_45"></a><a href="#Footnote_30_45" class="fnanchor">[30]</a> Wel waarlijk,
+dat staat er, alsof Mevr. Holst uit een of andere oude, bestoven en
+droge kroniek&mdash;zooals bijv. Shakespeare voor zijn drama's!&mdash;de stof had
+opgediept en daaromheen, daaruit <i>haar</i> schoonen droom, <i>haar</i> gedicht
+had geschapen, terwijl de waarheid is: dat zij wel hier en daar ook
+eigen doorvoeling heeft gegeven, maar overigens en grootendeels een van
+de schoonste en innigste gedichten der wereld, slechts "van verre
+volgend" en het <i>zeer verzwakkend</i>, heeft <i>na</i>gedicht en dit&mdash;een tweede
+oorzaak dier verzwakking naast het verschil in genialiteit tusschen haar
+en Rousseau&mdash;door de compositorische eischen van eigen werk gedwongen,
+hevig besnoeid heeft, waardoor dan ook helaas oneindig veel van het in
+'t oorspronkelijke po&euml;em aanwezige schoone, bevallige en beteekenisvolle
+is verdwenen, zonder dat opmerkelijke, nieuwe, door haar geschapen
+aesthetische waarden, <span class="pagenum"><a name="p137" id="p137"></a>[p.137]</span> in dit gedeelte eenige noemenswaardige
+vergoeding bieden voor dat gemis. Neen, de groote
+<i>oorspronkelijk</i>-scheppende kracht straalt dan ook eerst op in het werk,
+als zij, bevrijd uit den ban van dat zoet-schoone en vermaarde
+jeugdverhaal in de <i>Confessions</i>, haar oogst niet meer hoeft te maaien
+onder den drukkenden zonnegang van Rousseau's wereldgenie! D&agrave;n huivert
+door het boek een medelijden met de armen en verdrukten, de hopeloos
+verloren geganen in de niet terug te roepen tijden, een medelijden, dat
+zijn tranen bedwingt, om fel te kunnen strijden. Dan proeft ge de
+verrukking van deze hooge vrouw, zelf eene van het geslacht te zijn,
+waarvan Rousseau een van de vorsten was; dan voelt ge haar genot, zich
+&eacute;&eacute;n met hem in het hooge willen te weten; zijn schildknaap, zijn
+verheerlijker, zijn zwaarddrager te zijn. Waar zijn oogenlicht op valt,
+dat is geheiligd voor haar, de felle wreekster en verdedigster ook van
+Th&eacute;r&egrave;se Levasseur. Prachtig-innige bladzijden hebben wij dier
+verdediging te danken, een stroom van gevoel breekt hier uit dit nobel
+hart, die elke ruimte van der woorden bedding vult, en schuimend elke
+hindernis verbreekt, tot, eindelijk, vrij weer stroomend, zijn toorn
+valt en hij voortkabbelend van de oevers bloemen gaart en zonnevonkjes
+vangt op zijn ontschuimde vlakte; een omvlijende beek van liefde nu, een
+bloemenwater van geur en licht omwademd, komt hij aangewiegd tot aan de
+voeten van dat kleine menschje, ootmoedig aan de voeten dier "trouwe,
+lieve vrouw" en vlijt er alles neer, &agrave;l bloemen voor dat "eenvoudige
+plebejerskind," de "veelgesmade, veelgelasterde Th&eacute;r&egrave;se Levasseur"....
+En stroomt dan vonkelend en ruischend weer voorbij....</p>
+
+<p>D&agrave;n openbaart zich ook haar beeldend en metaphorisch vermogen in zijn
+volle kracht. Vermocht ik in het jeugdverhaal slechts &eacute;&eacute;ne
+werkelijk-beeldende uitdrukking te vinden, die nog klaarblijkelijk een
+reminiscentie is<a name="FNanchor_31_46" id="FNanchor_31_46"></a><a href="#Footnote_31_46" class="fnanchor">[31]</a> en slechts &eacute;&eacute;n vergelijking, 'n rhetorische, en nog
+wel eene van zeer geringe soort, welke <span class="pagenum"><a name="p138" id="p138"></a>[p.138]</span> geheel uit het kader van
+haar werk valt en volstrekt vreemd is aan de hooge sfeer van haar
+stijl,<a name="FNanchor_32_47" id="FNanchor_32_47"></a><a href="#Footnote_32_47" class="fnanchor">[32]</a> later verandert dit alles, ziet zij in dat Parijs, "<i>dat
+koortste van goudkoorts als een delverskamp</i>," het Parijsche volk
+lijden: "ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid,
+laag en onzichtbaar als in een andere wereld, <i>als in de verborgen
+stookruimte van een modern reuzenschip</i>"; ziet zij: de gedachten zich
+uit Rousseau's Onbewustheid losmaken en stijgen "tot 't bewuste, <i>met
+zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't diepste van 't
+woud</i>." Merk hoe verrukkelijk deze beelden zijn omdat zij, zoowel wat ik
+wensch te noemen: de <i>hoofdzakelijke</i> als <i>additioneele</i> schoonheid aan
+goede metaphoren eigen, bezitten, en rhetorisch noch reminiscenties
+zijn. Immers de <i>hoofdzakelijke</i> schoonheid van een "beeld," bestaat
+daarin, dat het de verborgen eenheidsessentie van twee verschillende of
+zelfs schijnbaar tegenstrijdige begrippen, zaken of wezens aantoont. En
+hoe duidelijker en overtuigender ons die eenheid wordt aangetoond, hoe
+grooter onze verrukking is. Deze heeft dan een tweeledige oorzaak: een
+algemeen-menschelijke &egrave;n een artistieke. De eerste is: dat het
+doorvoelen, zij het slechts tot op zekere diepte, van de eenheid van dat
+wat men tot dan verschillend of tegenstrijdig heeft geloofd, het hoogste
+geluk is, dat een mensch, die op dien naam aanspraak maken mag, gebeuren
+kan. Want het hart van zulk een mensch haakt en verlangt naar eenheid,
+hij voelt het veroveren van het bewustzijn, dat alles en allen in
+diepste wezen &eacute;&eacute;n zijn als zijn hoogste levenstaak, en telkens als hij
+dus&mdash;om 't zoo eens te zeggen:&mdash;een stukje van dit bewustzijn heeft
+veroverd, voelt hij ook bevrediging en geluk. De tweede is: dat wij de
+beweging van het Scheppend Vermogen bewonderen, toen het dit een-zijn
+van het verschillende of tegenstrijdige uitbeeldde. Het zal den lezer
+uit deze beschouwing duidelijk zijn, dat het dus van het hoogste gewicht
+voor die zoo rijk <span class="pagenum"><a name="p139" id="p139"></a>[p.139]</span> genot schenkende eigenschappen van een "beeld"
+is, dat het <i>niet rhetorisch en geen reminiscentie is</i>. Kent immers de
+lezer het reeds van vroeger, of voelt hij in de verwoording, dat het
+niet oorspronkelijk is, dan kan, in 't eerste geval, zijn bewustzijn van
+de eenheid der dingen n&ugrave; niet meer d&aacute;&aacute;rdoor verrijkt worden, en, in
+beide gevallen, kan hij d&aacute;&aacute;raan het Scheppend Vermogen in dien auteur
+niet bewonderen. Hij weet immers of voelt dat deze zich dit "beeld"
+slechts bewust of onbewust herinnerd en 't niet geschapen heeft. Het is
+dus juist omdat de hierboven aangehaalde beelden, in tegenstelling met
+de ter voorafgaande bladzijden, in de noten, geciteerde, niet rhetorisch
+en geen reminiscenties zijn, dat zij mij in hun zoo prachtig aantoonen
+der verborgen "eenheidsessentie," dat rijke en tweeledige genot konden
+schenken,&mdash;een waarheid, die helaas nog niet algemeen door de literaire
+critiek wordt aanvaard.&mdash;En wat nu de <i>additioneele</i> schoonheid betreft:
+deze bestaat in het passen van het "beeld" in de stemmingssfeer van het
+geheel, waarvan het een deel is. Dat is natuurlijk gewenscht voor elk
+deel van een kunstschepping, maar voor een vergelijking of metaphoor is
+het <i>meer</i> gewenscht dan voor welk ander deel ook, omdat als zij de
+eenheid van het geheel verbreekt, ze iets doet, wat met <i>haar innigste
+wezen</i> in strijd is. Haar wezen is immers: het eenheid-aantoonen, en
+nu&mdash;verbreekt zij een eenheid! Zij neemt dus dan op de eene wijze en
+tegelijkertijd terug wat zij op een andere gaf.&mdash;En zie nu eens, in hoe
+sterke mate deze beelden van Mevr. Holst ook die additioneele schoonheid
+bezitten. De beide eerste, die iets van het <i>maatschappelijk</i> leven
+beelden: Parijs en het Parijsche volk, zijn beide aan de
+maatschappij-sfeer ontleend: een gouddelverskamp, een stookruimte; het
+derde daarentegen, dat de werking der Scheppende Natuurkracht in
+Rousseau beeldt, aan het natuurleven.</p>
+
+<p>En hoe prachtig is ook dit, als onze schrijfster het <i>Contrat Social</i>
+bespreekt: "De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen sissen,
+zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich
+tusschen hen." Even te voren <span class="pagenum"><a name="p140" id="p140"></a>[p.140]</span> zegt zij: "Men voelt den gloed wel,
+maar de vlam brandt achter een muur," 't geen ons hier de gelegenheid
+biedt te zien, hoe het beeld zich volkomen natuurlijk ontwikkeld heeft
+uit het gevoel, waaruit de geheele context werd geboren.</p>
+
+<p>En d&agrave;n is het ook, dat zij, zooals ik eens van haar schreef, bij
+menigten "subtiele fijnheden in het door-raadselde levensgebeuren en in
+de verhouding tusschen de uiterlijke en innerlijke menschen ontdekt."
+Wilt ge een voorbeeld van het eerste zoowel als het laatste? Gun u-zelf
+dan het genot van haar diepe en meesterlijk neergeschreven inzicht te
+leeren kennen in de zedenverdorvenheid van het Parijs der XVIIIde eeuw,
+en vergun mij even dit kleine stukje voor u te citeeren:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de
+gave der jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter
+heeft gebruikt. Wie het heil zocht in de liefde voor schoone
+lichamen en in de bevrediging van den hartstocht, voelt de
+herinnering wrang in zijn mond en spijt om alles wat hij dit &eacute;&eacute;ne
+ter wille verzuimde, doet zijn hart samentrekken; hij treurt: hem
+is alsof hij de kostbare wateren der jeugd verspilde. Wie andere
+sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit eerzucht daden deed,
+of door liefde voor een stralende Idee gedreven, voor een droom van
+menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat hij wat nu 't
+allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; ook hem is
+het of hij de kroon des levens heeft gemist.</p></div>
+
+<p>Hoe trilt hier toch in de diepte hetzelfde sentiment, dat eens een
+Ander, in h&ograve;ngerige oververzadigdheid, zijn smartelijk "IJdelheid der
+ijdelheden" als een weeroep over menschheid kreunen deed, z&oacute;&oacute;, dat zij
+het in dertig eeuwen niet vergat....&mdash;Maar is dit stukje
+fijn-doorvoelde psychologie niet even diep en innig:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van
+Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige
+waardeering, in de omstandigheid dat de vergode grijsaard toch
+altoos het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is
+grooter dan ik, in hem en zijn werk ligt iets diepers en
+teederders, dat mij vreemd is"&mdash;terwijl Rousseau daarentegen
+Voltaire w&egrave;l zijn roem en invloed benijdde, maar in zijn diepste
+wezen een gevoel van artistieke <span class="pagenum"><a name="p141" id="p141"></a>[p.141]</span> meerderheid omdroeg, dat
+het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht en billijk te
+oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft, naar ik meen, ook de
+verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.</p></div>
+
+<p>Wie anders dan &ograve;f een heel groot, "objectief-indringend
+menschenschepper, die Mevr. Holst&mdash;ik heb het indertijd
+aangetoond&mdash;<i>niet</i> is, &ograve;f een wel anders begaafd, maar in zijn sfeer
+toch ook heel groot en edel kunstenaar, die zelf in het bewustzijn van
+zijn zielsrijkdom zijn tegenstrevers en miskenners kan vergeven, gelijk
+deze groote lyrische dichteres er eene is&mdash;wie anders dan een di&egrave;r twee
+had dit vermogen te schrijven....</p>
+
+<p>Hoe diep heeft zij dan ook &agrave;lles doorvoeld, wat Rousseau's
+persoonlijkheid en de hare <i>gemeen</i> hebben, hoezeer is zij erin
+geslaagd, ook <i>de leiddraad aanvaardend van Rousseau's
+zelfbeluisteringen in de Confessions en de R&ecirc;veries</i>, een beeld te
+scheppen dat <i>nagenoeg</i> harmonieus is in <i>zichzelven</i>. Luistert ge
+slechts even naar het volgende kleine stukje, dan hoort ge bij beurten:
+Henri&euml;tte Roland Holst, herkennend Rousseau in en beeldend hem uit h&aacute;&aacute;r
+innerlijkheid, &egrave;n Rousseau-zelf in de zelfbeluistering en beelding der
+<i>Confessions</i>:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Haar volgend (de roepstem der opkomende klassen, v.C.) moest hij
+strijden tegen een stuk van zich-zelven, tegen zijn zwakheid, en
+somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn hart.</p></div>
+
+<p>Hier beeldde Mevr. Holst Rousseau uit zich-zelf: de schrijfster van <i>De
+Vrouw in het Woud</i>, v&oacute;&oacute;r zij "de Vrouw in het Woud" werd, maar reeds
+alles in zich had, dat 't haar zou doen worden. En ziehier voornamelijk
+weergave van de zelfbeluistering in de Confessions en de R&ecirc;veries:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn
+liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn
+contemplatieve neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van
+stelselmatig denken. Hij overwon dit alles. Hij, de tuchtelooze,
+legde zich de tucht op van onverpoosde inspanning, van omwerken en
+nog eens omwerken en nog eens wat hij schreef, tot de meest klare
+en doordachte uitdrukking van gevoel en gedachte die hij kon
+vinden, bereikt was; hij de bandelooze, <span class="pagenum"><a name="p142" id="p142"></a>[p.142]</span> lag zijn liefste
+genieting, het drijven op droomen, aan band. .</p></div>
+
+<p>Zooals het volgende weer zuiver datgene is wat beiden gemeen hebben:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hij was dikwijls zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in
+alles wat zijn werk betrof. Twee krachten waren in hem die zijn
+zwakheid overwonnen: de gloed van geestdrift voor zijn
+idealen,&mdash;met een anderen naam: de liefde tot de menschheid,&mdash;&egrave;n
+het artistiek geweten, de nauwgezetheid van den kunstenaar.</p></div>
+
+<p>Het schoonste en duidelijkste voorbeeld echter van dit
+Rousseau-hervinden in zichzelf, heeft Mevr. Holst wel gegeven in dit
+stukje, dat ik hoe bevreesd ook mij te zeer aan citeeren te bezondigen,
+den lezer niet mag onthouden:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit
+de opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het
+Gezicht opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de
+afschuwelijkheid van de uitbuiting en de ellende van druk en
+slaafschheid beseffen; gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de
+verdrukkers en liefde voor de verdrukten, dat zij beven van hitte
+en kou, liefde en haat in eenen,&mdash;zoo was hij. En gelijk voor die
+dichters en droomers dan het lichtverschiet openwaait van een ander
+leven dan van willekeur der grooten en verdrukking der kleinen en
+strijd van allen tegen allen, een leven van vrede en broederlijke
+liefde en zachte aanhankelijkheid; en zij de armen uitstrekken
+daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat 't blijve, sidderend
+van verlangen&mdash;zoo deed hij.</p></div>
+
+<p>Evenmin zou ik echter de schoonheid van dit werk voldoende recht hebben
+gedaan, indien ik verzuimde u opmerkzaam te maken op het prachtig
+begrijpen, doorvoelen en uitbeelden van sommige invloeden, die het
+Scheppend Vermogen op de lagere persoonlijkheid van Rousseau gehad
+heeft. Ziehier, een kort stukje:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefdesbegeeren
+slechts schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij
+daardoor noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste
+bekoorlijke vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't
+anders; leefde, voor hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat
+oogenblik de behoefte van den kunstenaar, door 't lichamelijk
+ervaren der liefde-begeerte en verrukking <span class="pagenum"><a name="p143" id="p143"></a>[p.143]</span> en liefde-smart
+die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te voeren tot de hoogste
+intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de andere?</p></div>
+
+<p>En dan met nog heller intu&iuml;tief doorvoelen van de verhouding van
+Scheppend Vermogen tot de lagere persoonlijkheid:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en
+zijn zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan
+wat asch van herinnering.</p>
+
+<p>Maar <i>buiten hem groeide</i>,<a name="FNanchor_33_48" id="FNanchor_33_48"></a><a href="#Footnote_33_48" class="fnanchor">[33]</a> schepsel van vuur en tranen, het
+wonderbare boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als
+'t zingen van de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle
+H&eacute;lo&iuml;se." In de vlammen van dat boek zou de ziel der vrouw van dien
+tijd zich reinigen, in zijn wateren onderduiken om wedergeboren te
+worden: dichter's smart maakt duizenden blij van bevende zaligheid.</p></div>
+
+<p>Hoe zuiver en diep-gegrift is met &eacute;&eacute;n trek in die paar door mij
+gecursiveerde woorden, het werken der Onbewustheid aangegeven. Hoe wordt
+door dat &eacute;&eacute;ne beeld van de gaal den lezer fel de psychische oorzaak der
+Nouvelle H&eacute;lo&iuml;se duidelijk: zooals de gaal zingt uit liefdesdrang z&oacute;&oacute;
+schreef Rousseau dit boek. Maar bijzonder dankbaar ben ik der
+schrijfster voor die erkenning, dat "dichter's smart duizenden blij
+maakt van bevende zaligheid." Want deze uitspraak wint nog aan
+beteekenis, wanneer zij bijv. lyrische po&euml;zie betreft, waarin een
+dichter zijn smart-zelf heeft afgebeeld. En dus blijkt Mevr. Holst
+<i>hier</i> wel duidelijk en diep te doorvoelen, dat de <i>kunstuitbeelding</i>
+van een sentiment zelfs precies het <i>tegenovergestelde</i> sentiment in den
+beschouwer der uitbeelding kan wakker roepen, en <i>anders</i> dan het in 't
+leven <i>buiten de kunst</i> gebeurt; d&aacute;&aacute;r zou smart wel aanleiding tot genot
+kunnen geven, maar tot <i>wreedheidsgenot</i>, hier wekt het iets goddelijks
+in den genietenden mensch: een blijdschap van "<i>bevende zaligheid</i>"! A
+bon entendeur demi-mot suffit. En overigens&mdash;de literaire criticus mag
+zich toch wel even zoover vergeten, dat hij hier naar het werk van zijn
+tweelingbroer <i>verwijst</i>&mdash;zie het eerste hoofdstuk <span class="pagenum"><a name="p144" id="p144"></a>[p.144]</span> dezer studie:
+daar staan de h&eacute;&eacute;le woorden! Maar zoo gij meent, dat hij d&igrave;t zelfs niet
+had mogen doen&mdash;welnu: het is een goed gebruik iemand dergelijke
+kleinigheden bij het afscheid-nemen te vergeven, en de
+literaire-criticus-in-deze-studie n&eacute;&eacute;mt hier afscheid. E&eacute;rlijk gezegd:
+ik meen te weten, dat hij daar blij om is. En geen wonder: gewend altijd
+zelfstandig te werken, ziet hij hier zijn arbeid als een bijkomstig
+onderdeel van een andersoortig geheel beschouwd, werkte hij hier onder
+toezicht en onder zekeren druk. Zoo ben ik er, bijvoorbeeld, zeker van,
+dat het niet zijn meening weergaf, toen ik zei, dat niet <i>hij</i> hier den
+schadelijken socialistisch-aesthetischen invloed kon aantoonen en
+bestrijden, omdat het geval, waarin hij dat had kunnen doen, nml.: dat
+door dien invloed "subjectieve waarheid en werk elkaar niet dekken,"
+hier niet aanwezig was. Hij meende dat wel degelijk hier en daar te
+kunnen aantoonen. Hij geloofde zeker, dat de zeer tendentieuse lagere
+persoonlijkheid der schrijfster op eenige plaatsen, onwillens
+natuurlijk, de uiting der subjectieve waarheid door het Hooger
+Bewustzijn verminkt had. En hij geloofde al evenzeer demonstreerbaar,
+dat er subjectieve waarheid in het werk was, die het niet verder dan het
+<i>lager</i> bewustzijn heeft gebracht, &ograve;ndoorlichte subjectieve waarheid
+dus, en van een soort, die niet k&ograve;n doorlicht, verpuurd, vernoodwendigd
+worden door het lyrisch scheppend vermogen, terwijl de waarlijk epische
+kracht, daartoe benoodigd, niet of in niet voldoende mate in deze
+schrijfster aanwezig is. En als ik hem zei dat wat haar ontbrak toch kon
+aangevuld worden door de zelfbeluistering, de biecht van Rousseau, dan
+fluisterde hij ironisch: "Ook door zijn zelfbedrog, ook door zijn pose?"
+En ik glimlachte, maar wat zijne eerste bewering betreft leken mij zijn
+bewijzen niet afdoende, en wat het in de tweede genoemde aangaat,
+daarvan zijn noodwendigerwijze, gelijk later zal worden aangetoond, de
+gevolgen in dit werk zoo nietig, vergeleken bij die van den
+marxistisch-aesthetischen invloed, dat het geenerlei nut heeft hen te
+bespreken. En zoo legde ik hem het zwijgen op, een weinig onrechtvaardig
+<span class="pagenum"><a name="p145" id="p145"></a>[p.145]</span> wellicht, gelijk geen enkel machthebber, die voor de juiste
+verhoudingen in een groot geheel verantwoordelijk is, altijd jegens den
+bewerker van een onderdeel kan vermijden te zijn. Maar daarom: wees gij
+lezer arbiter tusschen hem en mij! Gij zult in het volgend hoofdstuk
+ruimschoots stof tot vorming van uw oordeel vinden.</p>
+
+
+<div class="footnotes"><h4>NOTEN:</h4>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_30_45" id="Footnote_30_45"></a><a href="#FNanchor_30_45"><span class="label">[30]</span></a> "Een studie over Rousseau" door Dirk Coster, <i>De Ploeg</i>
+Febr. 1913.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_31_46" id="Footnote_31_46"></a><a href="#FNanchor_31_46"><span class="label">[31]</span></a> "Hij eenvoudige burgerknaap, <i>zoo gesprongen uit het zwarte
+hol van zijn leertijd</i>." Zie Shelley's prachtig: "Then from the caverns
+of my dreary youth I sprang" etc.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_32_47" id="Footnote_32_47"></a><a href="#FNanchor_32_47"><span class="label">[32]</span></a>"Een goede fee had aan zijn wieg gestaan.... Het was de
+fee: verbeelding." Kan het flauwer, onpersoonlijker en slapper?</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_33_48" id="Footnote_33_48"></a><a href="#FNanchor_33_48"><span class="label">[33]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div>
+</div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p146" id="p146"></a>[p.146]</span></p>
+
+<h3>III. </h3>
+
+
+<p class="sidenote">
+Mevr. Holst's Rousseau.<br />
+(Beschouwing der critische en psychologisch-biographische opvattingen.)
+</p>
+
+
+<p>Geen mijner lezers, die mij tot hiertoe gevolgd zijn en mijne leidende
+aesthetische gedachte nu kennen, zal het verwonderen, dat ik het niet
+eens kan zijn met hen, die zeggen, "dat wij uit eerbied voor den grooten
+geest den mensch moeten vergeten." Mij immers, wien de scheppende
+natuurkracht, die de aarden uit den chaos en de wezens uit de aarden
+omhoog drijft, de zelfde is, die de kunstwerken en de voortbrengselen
+van het hooge denken uit gene kleine werelden, die wij menschen zijn,
+doet geboren worden&mdash;mij lijkt die bewering even onjuist, als wanneer
+mij iemand zou zeggen, dat ik uit eerbied voor de natuur, de aard en
+gesteldheid van een kwalijk-riekend moeras niet zou mogen onderzoeken,
+dat zij zelf nochtans voortbracht en waarin zij zelf een rijke flora en
+fauna leven doet. Deze eerbied, zij hier entre parenth&egrave;se gezegd,
+schijnt mij dan ook bedenkelijk veel op een beleedigen te gelijken. Het
+is dan wel, of wij arme, kleine menschjes ons verbeelden, sommige daden
+en voortbrengselen der natuur "met den mantel der liefde te moeten
+bedekken"! De lezer ziet dus duidelijk, dat in iemand van <i>mijne</i>
+overtuiging die eerbied volstrekt geen eerbied, maar een belachelijke en
+verdwaasde hoogmoed <span class="pagenum"><a name="p147" id="p147"></a>[p.147]</span> zou zijn. Maar overigens is er nog een
+andere reden, waarom <i>ik</i> dat argument verwerpen moet. En ik kan
+slechts ernstig hopen, dat het bekend maken dier reden geen aanleiding tot
+misverstand tusschen den lezer en mij zal te weeg brengen. Uiten m&ograve;et ik
+haar. <i>Ik ken den eerbied niet en evenmin de keerzijde van dat begrip:
+de moraliseerende geringschatting of verachting</i>.</p>
+
+<p>Ik ken <i>slechts de liefde en den instinctmatigen afkeer.</i> Eerbied
+beteekent immer een min of meer op een afstand blijven&mdash;een
+<i>eerbiedigen</i> afstand, zegt het spraakgebruik!&mdash;van, en een
+niet-indringen in het ge&euml;erbiedigde. Liefde beteekent: een naderen tot
+en een indringen in het geliefde. Waarom zouden wij op een afstand
+blijven van datgene, dat de Natuur ons toestond te naderen, toen zij ons
+de vermogens daartoe verleende? Zouden wij het beter willen weten dan
+Zij? Laat ons gerust zijn, waarvoor wij "eerbied" moeten hebben, dat
+<i>kunnen</i> wij niet naderen, want Zij heeft den weg daarheen voor onze
+voeten opengebroken, toen Zij ons de vermogens onthield, gelijk Zij over
+andere wegen, die naar het lage leiden, waarvoor wij nog te onrijp en te
+zwak zijn om er het hooge in te herkennen, de versperring van onzen
+<i>afkeer</i> sloeg.</p>
+
+<p>Eerbied, zeg ik u, is iets overtolligs; liefde, indringende liefde
+vraagt de wereld van ons. Eerbied is ook een slechte begeleider der
+waarheid. Uitteraard heeft hij dikwijls geen andere keus dan zelfmoord
+of het vermoorden der waarheid. Hij is als die reiziger in de woestijn,
+die zijn metgezel doodde omdat er voor beiden niet genoeg water meer
+was. Niet alzoo de liefde: zij is als dat vlugvoetige, zachtoogige,
+trouwe wezen, snel doorijlend elke woestijn: ook haar kan geen enkele
+deren; levend van de zuivere lafenis in eigen lijf bewaard, voert zij,
+niets vragend, alles dragend, den mensch naar het Doel.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Men verwachte dus van mij, nu ik ter toetsing van Mevr. Holst's
+meeningen omtrent Rousseau en Th&eacute;r&egrave;se Le Vasseur, veel, in dit
+hoofdstuk, van die beiden zal moeten spreken, <span class="pagenum"><a name="p148" id="p148"></a>[p.148]</span> geen op een
+afstand blijvenden eerbied, maar liefde tot hun menschelijkheid, liefde
+tot de waarheid. Want daar ik er op zal moeten wijzen, dat zoowel in
+haar critische als psychologisch-biographische beschouwingen vele het
+essentieele rakende dwalingen&mdash;voornamelijk onder den
+historisch-materialistisch-aesthetischen invloed&mdash;binnengeslopen zijn,
+voel ik het als een plicht en deel van mijn taak, wat ik als de waarheid
+voel en vaak objectief zal kunnen aantoonen die te zijn, vreesloos
+daartegenover te stellen.</p>
+
+<p>"C'est le pardon &agrave; cause de la gloire." O, het is schoon gezegd, de
+wereld applaudisseert. Maar beter deed die wereld met te begrijpen, dat
+wij, z&egrave;lf geringen, nu eenmaal n&igrave;ets te vergeven, n&igrave;et te vonnissen,
+maar alleen <i>alles</i>, voor zoover we dat dan kunnen, te onderzoeken, te
+doorvoelen en te begrijpen hebben.&mdash;</p>
+
+<p>Wenden we ons nu allereerst tot Mevr. Holst's meer <i>critische</i>
+beschouwingen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij (de Fransche
+revolutionnairen, v.C.) leefden, uitgingen boven den inhoud van hun
+leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de vorm,
+hero&iuml;scher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de
+uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar
+somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor
+het theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid,
+die niet anders is dan de keerzij der geforceerd-hero&iuml;sche spanning
+van het gevoel.</p>
+
+<p>Dit noodlot der revolutionnairen van 1789&mdash;92, was ook het noodlot
+van Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als
+bijv. bij Byron en Schiller, gelijk de zijne ontsprong uit hun
+liefde voor de burgerlijke vrijheidsidealen, en wier werken den
+strijd der bourgeoisie tegen de absolutistisch-feudale orde vierden
+en verheerlijkten. Ook zij vervallen soms <i>in hol pathos,
+opgeschroefde gezwollenheid, soms in wee&euml; laffe sentimentaliteit.</i>
+Hun <i>gevoel was oprecht</i>, evenals dat der revolutionnairen, <i>hun
+geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de
+idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk
+onwaar en voos</i>....</p>
+
+<p>En Rousseau was een uiterst gevoelig kunstenaar, een van de
+gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. Zoodoende zoog hij
+de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en de huiselijke
+innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar <span class="pagenum"><a name="p149" id="p149"></a>[p.149]</span> <i>ook de
+valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel</i>. Ook
+deze gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. <i>Deze zijn
+schuld</i> aan het theatrale, gezwollene, geforceerde, dat zijn werken
+ontsiert daar waar hij de moreele en sociale idealen der
+burgerlijke klassen in beeld brengt, <i>nooit</i>, wanneer hij het zijn
+persoonlijke ervaring doet.<a name="FNanchor_34_49" id="FNanchor_34_49"></a><a href="#Footnote_34_49" class="fnanchor">[34]</a></p></div>
+
+<p>Om te beginnen: het is niet juist, dat wanneer Rousseau zijn
+persoonlijke ervaring in beeld brengt, het holle pathos, de
+opgeschroefde gezwollenheid afwezig zouden zijn. Integendeel, ik beweer:
+in het autobiographisch werk zijn ze er pas goed, in gezelschap nog wel
+van hun valsch opgedirkte en geblankette zuster: de <i>pose</i>. Gij, die de
+schoone paden der <i>Confessions</i> gegaan zijt, hoevele malen hebt ge er
+dit ongure, kermisachtige drietal, in den kleurigen opschik hunner
+klatergouden todden, niet ontmoet? Maar behoef ik dat wel te vragen,
+sterker: zij openden u het hek van den tuin!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Je me suis montr&eacute; tel que je fus; m&eacute;prisable et vil quand je l'ai
+&eacute;t&eacute;; bon, g&eacute;n&eacute;reux, sublime, quand je l'ai &eacute;t&eacute;: j'ai devoil&eacute; mon
+int&eacute;rieur tel que tu l'as vu toi-m&ecirc;me, &Ecirc;tre &eacute;ternel. Rassemble
+autour de moi l'innombrable foule de mes semblables; qu'ils
+&eacute;coutent mes confessions, qu'ils g&eacute;missent de mes indignit&eacute;s,
+qu'ils rougissent de mes mis&egrave;res. Que chacun d'eux d&eacute;couvre &agrave; son
+tour son coeur au pied de ton tr&ocirc;ne avec la m&ecirc;me sinc&eacute;rit&eacute;, et puis
+qu'un seul te dise s'il l'ose: <i>Je fus meilleur que cet
+homme-l&agrave;.</i><a name="FNanchor_35_50" id="FNanchor_35_50"></a><a href="#Footnote_35_50" class="fnanchor">[35]</a></p></div>
+
+<p>Deze toon, die toon van: "&agrave; tout prendre: je suis le meilleur des
+hommes," die telkens en telkens weer ons in de ooren klinken, het heele
+werk door, is niet die van de eerlijke zelfverheerlijking maar die van
+de in "<i>valsch pathos</i>" zich uitende "<i>geforceerde spanning van het
+gevoel</i>" van het zelfbedrog. En spreekt hij over het te-vondeling-leggen
+zijner kinderen, dan, zooals wij later zullen zien, klinken zijn
+redeneeringen als leeg vaatwerk met barsten, dan wordt 't alles bombast,
+dan dringen in al zijn uitingen "smakelooze liefde voor het theatrale"
+en "overdreven huilerige gevoeligheid." En daar heeft hij het toch wel
+over zijn "persoonlijke <span class="pagenum"><a name="p150" id="p150"></a>[p.150]</span> ervaringen," zou ik zeggen! Mevr. Holst
+schijnt wel eens op weg te zijn geweest, om in deze de waarheid te zien.
+Blz. 203 zegt zij:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Het (zelfonderzoek, v.C.) was voor hem <i>de weg tot zijn apologie en
+zijn apotheose, tot zelfbehagen, zelfvereering en zelfvergoding</i>.</p></div>
+
+<p>En blz. 204:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>In de "Nouvelle H&eacute;lo&iuml;se, het werk waarin hij zich het vrijst heeft
+laten gaan&mdash;<i>veel vrijer dan in de "Confessions,"</i> waar <i>de
+achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der
+herinnering in een bepaalde bedding stuurden</i>....</p></div>
+
+<p>Indien iemand zooveel psychologisch en hooger-critisch inzicht toont te
+hebben, dat hij in een werk de neiging tot, en het feit van
+zelfvergoding, etc., benevens en vooral de "<i>achtergedachten</i> van
+zelf-apotheose" aanvoelt, hoe is het dan mogelijk, is men geneigd te
+vragen, dat hij de n&ograve;g meer aan de oppervlakte liggende <i>pose</i>, het
+<i>valsch pathos</i> en al de <i>opgeschroefd-geuite</i> verzekeringen van eigen
+voortreffelijkheid niet aanvoelt?! Of hoe is 't dan bestaanbaar, dat een
+dergelijke inzichtsvolle niet inzie, dat de neiging tot zelf-apotheose
+al die eigenaardigheden ten gevolge <i>moet</i> hebben? Hoe is 't mogelijk,
+dat iemand, die ter eenre plaats schrijft, dat:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te
+worden, de liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn
+binnenste bevrozen, alles kil en doodsch. De liefde voor vrouwen
+gelijk hij die meermalen gevoelde.... Slechts eenmaal in zijn leven
+schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
+moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid.
+<i>Wat hij toen schreef werd hol en rhetorisch, van een gloed die
+niet verwarmde</i>.<a name="FNanchor_36_51" id="FNanchor_36_51"></a><a href="#Footnote_36_51" class="fnanchor">[36]</a></p></div>
+
+<p>en dus de "ontsiering zijner stijl" wijt aan een hem eigen psychisch
+element, die op een andere plaats verklaart uit "de valsche elementen,
+het onwaarachtig bestanddeel" in het gevoel der burgerlijke klassen? Wat
+heeft hier haar blik beneveld, dat zij zich zulk een
+aantoonbaar-onjuiste subjectieve <span class="pagenum"><a name="p151" id="p151"></a>[p.151]</span> waarheid vormde?<a name="FNanchor_37_52" id="FNanchor_37_52"></a><a href="#Footnote_37_52" class="fnanchor">[37]</a> Wel lezer,
+sla &eacute;&eacute;n blik in mijn citaten op de vorige bladzijden en ge weet het: de
+idealen der burgerlijke klassen waren voos, de daardoor ontstane valsche
+elementen in hun gevoel zoog hij in, en die zijn schuld aan het
+theatrale, het valsch pathos en de opgeschroefde gezwollenheid.... Is
+dit niet het <i>historisch-materialisme</i> pur sang? Vandaar, dat z&igrave;j al die
+leelijke eigenschappen, tegen alle helder als de dag blijkende
+feitelijkheid in, alleen in zijn <i>maatschappij</i>-beeldingen en <i>niet</i> in
+zijn <i>autobiographische</i> geschriften zag. <i>Haar perceptievermogen zat
+ingesponnen in de theorie&euml;n harer socialistische aesthetiek</i>!</p>
+
+<p>Maar welk een in-zich-zelf-onjuiste bewering deden haar het
+historisch-materialisme eenerzijds en de eerbied voor Byron, Schiller,
+en Rousseau vooral, anderzijds neerschrijven, toen zij ter nadere
+verklaring van wat naar hare meening, het pathos enz. in hun stijl
+veroorzaakte, dit zinnetje er aan toevoegde, dat ik gemakshalve hier nog
+eens citeeren zal:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hun <i>gevoel was oprecht</i>, evenals dat der revolutionnairen, <i>hun
+geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de
+idealen die zij verheerlijkten</i>, maar <i>die idealen waren innerlijk
+onwaar en voos</i>....</p></div>
+
+<p>Vluchtte eerst het onafhankelijk critisch inzicht, hier vlood de logica:
+indien "hun gevoel oprecht was," indien "zij van ganscher harte in de
+waarheid hunner idealen geloofden," dan kon dier innerlijke voosheid
+<i>hun niets</i> doen. <i>Die bestond dan eenvoudig niet voor hen</i>. Iemand kan
+slechts uiten wat op eenigerlei wijze in hem is. Een ideaal is echter
+nooit in een mensch, maar zijn zien daarvan, zijn voelen daarvoor. Het
+echte of onechte van het ideaal kan dus niet in zijn uiting leven. Dat
+kan alleen <span class="pagenum"><a name="p152" id="p152"></a>[p.152]</span> het echte of onechte van zijn gevoel ervoor. &Ograve;f Mevr.
+Holst had moeten zeggen: Zij voelden hun idealen als echt, zij geloofden
+vast erin, maar hun genie was niet groot genoeg om ze te
+ver-beelden&mdash;maar dan had de historisch-materialiste geen gelegenheid
+gehad om de tekortkomingen hunner schrifturen uit de "voosheid" der
+idealen van de burgerlijke klassen te verklaren!&mdash;&ograve;f zij had moeten
+zeggen: zij voelden de voosheid van hun idealen wel, maar zij bedrogen
+zich-zelf, doch daarvan weerhield haar natuurlijk behalve haar diepe
+gevoel voor die Grooten, ook dat van de tastbare onjuistheid eener
+dergelijke bewering. Over deze stellingen ware echter verder te
+redeneeren geweest, over de eerste vooral, zooals daar dadelijk blijken
+zal. Maar nu eerst iets anders, dat wellicht in staat is, Mevr. Holst
+zelf van het onjuiste harer zienswijze te overtuigen: is zij bereid te
+aanvaarden wat wij, naar mij dunkt, niet onberechtigd zijn als de
+consequentie harer stelling te beschouwen? Heijermans is een groot
+menschenschepper, en zijn <i>Rapha&euml;l</i>&mdash;in <i>Ghetto</i>&mdash;ver-beeldt te midden
+van een klein- en plat-b&ugrave;rgerlijke omgeving het socialistisch <i>ideaal</i>,
+maar desalniettemin is, zoo zeker als twee maal twee vier is, zijn
+Rapha&euml;l &eacute;&eacute;n bonk hol pathos, &eacute;&eacute;n bonk opgeschroefde gezwollenheid.
+Moeten wij dit dus, <i>in aanmerking nemend de voortreffelijkheid zijner
+overige productie</i>, zijner <i>werkelijkheids</i>beeldingen, wijten aan de
+voosheid van het socialistisch ideaal?</p>
+
+<p>Querido is een groot menschenschepper en zijn <i>Heins</i>&mdash;in
+<i>Levensgang</i>&mdash;is een schepping, ge&iuml;nspireerd door het proletarisch
+ideaal, maar desalniettemin leeft Heins op geen stukken na met de
+levenswaarheid van bijv. den ordinair-burgerlijken Bresser. Moeten wij
+dit dus wijten, gezien alweer de voortreffelijkheid der andere
+beeldingen, aan de voosheid van het proletarisch ideaal? Wat k&agrave;n Mevr.
+Holst hierop antwoorden? Ik vrees, niet veel anders dan dat ik, mijne
+gevolgtrekkingen makend, haar stelling heb omgekeerd, hetgeen echter, de
+zooeven genoemde voortreffelijkheid immers in aanmerking genomen, van
+geen werkelijk belang is.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p153" id="p153"></a>[p.153]</span> Maar niettemin kan &ograve;ns, om het ware antwoord te vinden, een
+uiting onzer schrijfster uitmuntenden dienst bewijzen. Over Rousseau,
+Byron en Schiller sprekend zegt zij dit, in een noot:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de
+vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.</p></div>
+
+<p>Ongetwijfeld mag men Mevr. Holst hier vragen, hoe dat komt, dat Shelley
+wel vrij van valsch gevoel is en de anderen niet. Hoe ook de Engelsche
+bourgeoisie van Shelley's tijd moge verschild hebben van de Fransche van
+1789, de voosheid, die immers veroorzaakt werd volgens Mevr. Holst, door
+hetgeen de lezer hieronder vindt aangehaald,<a name="FNanchor_38_53" id="FNanchor_38_53"></a><a href="#Footnote_38_53" class="fnanchor">[38]</a> kan dan ook niet aan
+hare idealen ontbroken hebben en die moeten dan dus ook hun nadeeligen
+invloed op Shelley's geschriften hebben uitgeoefend! Waarom deden zij
+dat niet? Hield <i>hij</i> er misschien een apart-burgerlijk-ideaaltje-
+voor-eigen-gebruik op na? Wacht maar niet op het antwoord, lezer. Mevr.
+Holst g&eacute;&eacute;ft hier geen antwoord op! Wij echter, wien een historisch-
+materialistische aesthetica niet hare dorre hand op den mond
+leggen, allicht wel: de kunstenaar die een werkelijkheid beeldt in
+kunst, doet als 't ware een fata morgana spiegelen boven en naar het
+beeld eener stad; de kunstenaar, die een ideaal beelden wil in kunst,
+wil een stad bouwen onder en naar een fata morgana. Het eerste kunnen
+<i>alle</i> kunstenaars, genie&euml;n en talenten, groote en kleine; zij maken dan
+kunst, groote of kleine, naar hun aanleg. Het laatste kan maar &eacute;&eacute;n
+wellicht in duizend jaren, &eacute;&eacute;n begenadigde onder geslachten en
+geslachten van kunstenaars, &eacute;&eacute;n vorst onder zijn broeders, een profeet
+onder de w&aacute;&aacute;r-zeggers! En als de laatsten dat voor hen onmogelijke t&ograve;ch
+beproeven, dan vernevelt de ide&euml;ele fata morgana voor hun oogen, en zij
+zien niet meer, zij z&igrave;en niet meer, maar maken zich diets dat zij nog
+zien, <span class="pagenum"><a name="p154" id="p154"></a>[p.154]</span> en hun bouwsel wordt een verwarde doolhof; hun gevoel
+wordt valsch gevoel, hun uiting valsche pathos en opgeschroefde
+gezwollenheid. Z&eacute;ker ligt het dus niet aan de "voosheid" van hun ideaal,
+maar ook evenmin kan hen de oprechtheid van hun gevoel ervoor redden;
+het hangt er alleen van af&mdash;och, het is zoo eenvoudig, zoo zonder
+diepzinnigheid&mdash;<i>of zij een Shelley zijn al dan niet</i>. En nu zal het u
+ook duidelijk zijn, waarom niet alleen in de beelding van het burgerlijk
+ideaal maar ook wel degelijk in de zelf-beelding der <i>Confessions</i>,
+zooveel pathos en gezwollenheid zit. Niet alleen, dat, zooals wij reeds
+hebben gezegd, "achtergedachten van zelf-apotheose" in een schrijver
+<i>altijd</i> zijn stijl onzuiver <i>moeten</i> maken, maar er was ook nog een
+andere oorzaak daarvan, een zelfde in de <i>Confessions</i> als in de
+beeldingen van het burgerlijk ideaal: de unique, de alleredelste, de
+le-meilleur-des-hommes-persoonlijkheid van Rousseau&mdash;de <i>lagere</i>
+persoonlijkheid wel te verstaan!&mdash;<i>bestond niet.</i> De "schrijver der
+<i>Confessions</i> moest hier dus wel geen stad maar een&mdash;<i>Rousseau
+scheppen</i>, onder en naar een luchtspiegeling, met natuurlijk hetzelfde
+gevolg, hier als daar! Och, als dat waar zou zijn: dat de voosheid van
+een ideaal de werken der daardoor ge&iuml;nspireerden nadeelig be&iuml;nvloedt!
+Zou er dan wel &eacute;&eacute;n werk bestaan, dat daarvan vrijgebleven is? Want zijn
+<i>alle</i> idealen niet voos in dien zin, dat zij in hun verwezenlijking,
+precies als het burgerlijk ideaal der groote Fransche revolutionnairen,
+niet geven wat zij beloofden en integendeel weer op hun beurt
+veroorzaken nieuwen strijd en nieuwe smart, maar ook nieuwe bevrediging
+en vreugde &egrave;n nieuwe&mdash;idealen!</p>
+
+<p>Wij hebben dus nu als oorzaak van Mevr. Holst's onjuiste critische
+verklaringen het feit gevonden, dat zij, door verreweg te veel gewicht
+aan den invloed der maatschappijverhoudingen te hechten, geheel of
+gedeeltelijk de psychische oorzaak der door haar te beoordeelen
+verschijnselen uit het oog verliest. <i>Welnu, dit is een euvel
+onafscheidelijk aan de gewoonte van het historisch-materialistisch
+denken verbonden</i> <span class="pagenum"><a name="p155" id="p155"></a>[p.155]</span> <i>en voortvloeiend uit zijn aard</i>. Onderzoeken
+wij nu haar psychologisch-biographische inzichten omtrent Rousseau. En
+dan valt onmiddellijk op, dat:</p>
+
+<p>1&deg;. hare ontledingen volmaakt gaaf zijn, zoolang zij <i>niets
+minderwaardigs in hem</i> te boekstaven hebben;</p>
+
+<p>2&deg;. dat zij echter <i>een sterk verfraaiende tendenz krijgen</i>, zoodra dat
+wel zoo is;</p>
+
+<p>3&deg;. dat wanneer zij, schijnbaar met deze bewering in strijd, ook in het
+laatstgenoemde geval zuiver zijn, dit veroorzaakt wordt doordat <i>de
+betreffende biecht in de Confessions zoo ondubbelzinnig is, dat alleen
+oneerlijkheid de oogen er voor zou kunnen sluiten</i>. Het bewijs van de
+juistheid mijner eerste bewering zal de lezer mij wel willen schenken.
+Ik, de <i>bestrijder</i> van Mevr. Holst's analysen en der oorzaak van wat ik
+noem hun ondeugdelijkheid, heb er immers geen noemenswaardig belang bij
+te beweren, dat hare analysen onder zekere omstandigheden <i>wel</i> zuiver
+zijn! Wat de beide laatste betreft, zij mij echter alvorens ik verder
+ga, het leveren van bewijs en het geven van voorbeelden toegestaan. Dus
+ad 2:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zijn aard was niet uit &eacute;&eacute;n stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
+zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en ontembaar,
+zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
+meegesleept worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met
+zich-zelven en moest zoowel het genot als wijsheid derven.<a name="FNanchor_39_54" id="FNanchor_39_54"></a><a href="#Footnote_39_54" class="fnanchor">[39]</a></p></div>
+
+<p>Men kan hier het <i>streven</i> naar objectiviteit zeer zeker waardeeren,
+maar, als men dit gedaan heeft, zich ook verplicht voelen op te merken
+dat van dat "dobberen tusschen deugd en meegesleept worden," als gevolg
+van een neiging en kracht in de lagere persoonlijkheid, niet veel te
+bespeuren valt: waar de verzoeking was, daar werd hij ook meegesleept,
+tenzij niet de deugd maar ego&iuml;stische ijdelheids- of utiliteitsredenen,
+of overwegingen voortvloeiend uit zijn latere waanvoorstellingen hem de
+overwinning op de verzoeking deden behalen. Men denke aan de walgelijke
+sc&egrave;ne tusschen <a name="p156" id="p156"></a>[p.156] "la papesse Jeanne," Grimm, Diderot en hem-zelf
+als gasten van baron Klupffel, maar vooral aan het naar de
+<i>Enfants-Trouv&eacute;s</i> brengen zijner <i>twee eerste kinderen</i>, zonder dat hij
+<i>&eacute;&eacute;n oogenblik "dobberde"</i> tusschen wel en niet doen, zonder dat iets in
+hem zich daartegen verzette, <i>meegesleept</i> als hij was&mdash;<i>dit alles naar
+zijn eigen getuigenis</i>&mdash;door de opvattingen en gesprekken zijner
+tafelgenooten elken dag. Als Mevr. Holst dan ook vervolgt:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>In zijn jeugd liet hij zich geheel drijven op aandoeningen en
+indrukken en wat omstandigheden en omgeving van hem maakten, dat
+was hij.<a name="FNanchor_40_55" id="FNanchor_40_55"></a><a href="#Footnote_40_55" class="fnanchor">[40]</a></p></div>
+
+<p>en dus de scheidingslijn tusschen het tijdperk van meegesleept-worden en
+dat van 't "dobberen tusschen" laat samenvallen met die tusschen jeugd
+en mannelijken leeftijd, dan weerspreken de zooeven genoemde feiten
+haar&mdash;hij was toen respectievelijk <i>37 en 38 jaar</i>&mdash;. Neen, de
+scheidingslijn tusschen de twee eerstgenoemde tijdperken blijkt
+duidelijk te trekken precies ten tijde, dat zijn <i>genie zich openbaart.</i>
+Dit feit te zien&mdash;waarmee ons trouwens Rousseau-zelf, gelijk men zoo
+dadelijk zal ontwaren, heeft bekend gemaakt&mdash;is van het hoogste gewicht
+voor de kennis zijner lagere persoonlijkheid, gelijk het ook boekdeelen
+spreekt <i>voor</i> mijne bewering, dat het Scheppend Vermogen ook als een
+<i>heerscher, leeraar en opheffer</i> in de lagere persoonlijkheid werkt!
+Waarom dit feit van zoo hoog gewicht is, laat mij het verklaren, na zijn
+bestaan-zelf te hebben bewezen: (Het <i>Discours</i>, waarvan Rousseau in het
+nu volgend citaat spreekt is <i>ook volgens Mevr. Holst</i> het <i>eerste</i> werk
+van zijn eigenlijk Genie.)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>L'ann&eacute;e suivante, 1750, comme je ne songeois plus &agrave; mon Discours,
+j'appris, qu'il avoit remport&eacute; le prix &agrave; Dyon. <i>Cette nouvelle
+r&eacute;veilla toutes les idees qui me l'avoient dict&eacute;, les anima d'une
+nouvelle force</i>....<a name="FNanchor_41_56" id="FNanchor_41_56"></a><a href="#Footnote_41_56" class="fnanchor">[41]</a></p></div>
+
+<p>En daarna:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Tandis que je philosophois sur les devoirs de l'homme, un <span class="pagenum"><a name="p157" id="p157"></a>[p.157]</span>
+&eacute;v&eacute;nement vint me faire mieux r&eacute;fl&eacute;chir sur les miens. Th&eacute;r&egrave;se
+devint grosse pour la troisi&egrave;me fois. Trop sinc&egrave;re avec moi, <i>trop
+fier en dedans pour vouloir d&eacute;mentir mes principes par mes
+oeuvres</i>, je me mis <i>&agrave; examiner la destination de mes enfants</i>.<a name="FNanchor_42_57" id="FNanchor_42_57"></a><a href="#Footnote_42_57" class="fnanchor">[42]</a></p></div>
+
+<p>Men weet dat hier het "dobberen tusschen" niet eindigde in een omslaan
+naar de zijde van het goede; het scherpte alleen maar zijn verstand in
+het vinden van plausible uitvluchten, zooals wij later zullen zien,
+maar, waar het thans op aankomt: Zie nu eens den weg, waarlangs hij
+ertoe kwam, te gaan <i>nadenken ten minste</i> over het lot zijner drie
+laatste kinderen: Als een profetisch gezicht, een onverwachte, helle
+openstraling van het genie, komt de visie van zijn Discours op den weg
+naar Vincennes over hem&mdash;hij zelf heeft ons dat treffelijk
+verhaald<a name="FNanchor_43_58" id="FNanchor_43_58"></a><a href="#Footnote_43_58" class="fnanchor">[43]</a>&mdash;en de herinnering aan de scheppende gedachten, die toen
+uit het "onbewuste" op hem neerdaalden, die is het, welke nu zijn lagere
+persoonlijkheid schaamtevol tot zich-zelf inkeeren doet. Hij is zich
+trouwens daarvan wel bewust geweest, evenals van het feit, dat er in
+zijn lagere persoonlijkheid qualitatief-potentieel niets veranderd was:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>D'ailleurs <i>les principes &eacute;l&eacute;v&eacute;s</i> que je m'&eacute;tais faits <i>devoient me
+rendre d&eacute;sormais bien sup&eacute;rieur &agrave; de telles bassesses</i>, et il est
+certain que depuis lors je l'ai d'ordinaire &eacute;t&eacute;: <i>mais c'est moins
+pour avoir appris &agrave; vaincre mes tentations que pour en avoir coup&eacute;
+la racine</i>&mdash;d.w.z.: zichzelf <i>de gelegenheid, om meegesleept</i> te
+worden, te hebben <i>benomen</i>; zie maar verder:&mdash;et j'aurois
+grand'peur de voler comme dans mon enfance si j'&eacute;tois sujet aux m&ecirc;mes
+d&eacute;sirs. <i>J'eus la preuve de cela chez M. de Mably</i>.<a name="FNanchor_44_59" id="FNanchor_44_59"></a><a href="#Footnote_44_59" class="fnanchor">[44]</a></p></div>
+
+<p>En zoo is het ook met de andere neigingen zijner lagere persoonlijkheid
+gebleven. Men kan het reageeren van deze op den invloed van het
+Scheppend Vermogen aldus kenschetsen: <i>Zijn lagere persoonlijkheid
+schaamde zich voortdurend voor het op haar neerblikkend gelaat van zijn
+verheven genie</i>. Al ontstond deze schaamte niet uit louter zijn eigen
+innerlijkheid rakende overwegingen, maar voor een groot <span class="pagenum"><a name="p158" id="p158"></a>[p.158]</span> deel ook
+uit bepeinzing van wat de menschen wel zeggen zouden van iemand die z&oacute;&oacute;
+leeraarde en z&ugrave;s deed.&mdash;En wat is nu de beteekenis van dit thans door
+mij en ongetwijfeld ook door de lezers, die al het voorafgaande goed in
+zich opgenomen hebben, bewezen geachte feit? Geen andere dunkt mij, dan
+dat de klaarblijkelijke meening van Mevr. Holst als zou er in den loop
+der jaren een qualitatief-potentieele ontwikkeling ten goede in
+Rousseau's lagere persoonlijkheid hebben plaats gegrepen, door <i>de
+feiten</i> en de door <i>hem-zelf bekend gemaakte</i> overwegingen gelogenstraft
+wordt, en dat er slechts een <i>zich aanpassen</i> in daden, strevingen en
+woorden&mdash;de beide laatste vooral!&mdash;van de lagere aan de Hoogere valt te
+constateeren, zonder dat er in de <i>neigingen</i> dus iets veranderde,
+waaruit weer blijkt, dat sommige dier neigingen geen "reminiscenties uit
+zijn lakeientijd" waren, zooals Mevr. Holst meent, maar saamgegroeid
+met, inhaerent aan zijn geheele wezenscomplex.</p>
+
+<p>Thans ad 3:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Nu kwam hij in een omgeving, die <i>al de lagere aandriften en
+neigingen in hem naar boven haalde</i> en al het zachte en edele
+verschrompelen deed. Zijn meester was ruw, lichtzinnig en
+hardvochtig, hij sloeg het kind, gaf het niet genoeg te eten,
+terroriseerde het op alle manieren. Al de ellende van het
+leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van overgeleverd
+te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren onder den
+druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun liefdeloosheid,
+maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, hij leed
+altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als een
+knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
+van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
+verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot
+zich in verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte.
+Eerst in later dagen werd hij zich pijnlijk-bewust hoe snel zijn
+karakter in korten tijd was vervallen.<a name="FNanchor_45_60" id="FNanchor_45_60"></a><a href="#Footnote_45_60" class="fnanchor">[45]</a></p></div>
+
+<p>Voor dit stukje mogen wij der schrijfster onverdeeld-dankbaar zijn. Er
+is hier&mdash;men lette op den door mij gecursiveerden zin&mdash;niets verfraaid,
+niets uitgewischt. Maar <span class="pagenum"><a name="p159" id="p159"></a>[p.159]</span> hier <i>scheen dan ook zulk een fel licht
+uit de Confessions-zelf,</i> dat de schrijfster door haar onbewuste
+verfraai&iuml;ngs- en uitwisschings-tendenzen niet <i>kon</i> verhinderd worden te
+zien. Want de geniale zelfbeluisteraar, die waarheid sprak als zijn
+<i>artisticiteit</i> hem ertoe drong, d.w.z.: die <i>moest</i> uiten wat zijn
+<i>Scheppend Psychologisch Vermogen</i> in hem zelf <i>ontraadseld</i> had&mdash;die
+groote zelfbeluisteraar heeft, van dien zelfden tijd sprekend, het veel
+vlijmender gezegd:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Il faut que, <i>malgr&eacute; l'&eacute;ducation la plus honn&ecirc;te</i>, j'eusse <i>un
+grand penchant &agrave; d&eacute;g&eacute;n&eacute;rer</i>, car cela se fit tr&eacute;s rapidement, <i>sans
+la moindre peine</i>, et jamais C&eacute;sar si pr&eacute;coce ne devint pi
+promptement Laridon.<a name="FNanchor_46_61" id="FNanchor_46_61"></a><a href="#Footnote_46_61" class="fnanchor">[46]</a></p></div>
+
+<p>En het is dan ook ongetwijfeld op deze uiting, dat Mevr. Holst
+zinspeelt, als zij zegt, dat hij zich in later dagen daarvan pijnlijk
+bewust werd.</p>
+
+<p>Ik gewaagde daar van den "genialen zelfbeluisteraar, die waarheid sprak,
+als zijn <i>artisticiteit</i> hem daartoe drong." Zeker, ik bedoelde: als dit
+niet het geval is, dan.... Want het blijkt wel duidelijk, dat hij
+betreffende die drijfveeren, die hij niet als <i>artist</i> in zich-zelf
+<i>ontdekt</i>, maar die zoo zijn, dat hun aard voor zijn gewone
+menschelijkheid klaar open ligt, meestal de waarheid <i>niet</i> zegt. Een
+treffend voorbeeld daarvan is alles wat hij beweert omtrent het
+te-vondeling-brengen zijner <i>drie laatste kinderen</i>.&mdash;Ook is er nog een
+groep daden, waarvan het twijfelachtig moet genoemd worden, of hun
+drijfveeren tot de laatstgenoemde soort behooren, of dat hij inderdaad
+de waarheid omtrent hen niet heeft gekend, omdat ook zijn
+artistiek-psychologisch vermogen erop is afgeketst. Van dezulken zegt
+hij dan soms, dat zij ontspringen uit zijn "d&eacute;lire inconcevable." Dat
+Mevr. Holst dit "d&eacute;lire" niet psychologisch doorlicht heeft, mag
+ongetwijfeld een ernstige leemte in haar werk worden geacht. Is zij ook
+daarvan instinktief en door haar verfraai&iuml;ngstendenzen geleid
+afgebleven? Ik waag het, die vraag bevestigend te beantwoorden. Want
+hebben wij nu <span class="pagenum"><a name="p160" id="p160"></a>[p.160]</span> reeds gezien, dat die tendenzen in werking treden,
+zoodra er iets minderwaardigs in Rousseau valt te boekstaven en de
+Confessions-zelf hen niet krachteloos maakt, wij zullen allereerst bij
+het beschouwen der gebeurtenissen, voortspruitend uit, of in verband
+staande met het "d&eacute;lire," hun invloed op onze schrijfster als zoo
+sterk-beheerschend kunnen bewijzen, dat zij haar met een totaal gebrek
+aan psychologisch inzicht doen heenijlen in een paar onbeteekenende
+woorden over voorvallen, welke voor den objectieven psycholoog, die
+voortschrijdt, zonder de waarschuwende stompen van een hem bewakend en
+vervolgend dogma telkens in den rug te krijgen, van het hoogste belang
+zijn. Zoo geeft de ontzettende daad jegens het kamermeisje Marion, na
+den dood van Mad. de Vercelli&mdash;hij was toen ongeveer 19 jaar&mdash;Mevr.
+Holst slechts aanleiding te spreken van een "nietig voorval op
+zich-zelf." Wel, wel, als dat eens Voltaire, "die kleine, minne ziel,
+geel en uitgedroogd door afgunst", of Grimm, de "baron van het heilige
+Duitsche Rijk" gedaan hadde! Ge zegt: jawel, maar die zouden niet groot
+en edel genoeg zijn geweest om de daad te biechten. Maar ik antwoord:
+Rousseau evenmin, <i>indien hij niet in het schrijven der "Confessions"
+het vormen van een verpletterend wapen tegen het "Complot" zou hebben
+gezien</i>. Doch om de <i>Confessions</i> tot dat wapen te maken mocht hij dan
+ook geen feit, dat hem in een ongunstig daglicht stelde, weglaten. Want
+kwam dan zoo'n feit later voor den dag, waar toch altijd kans op is,<a name="FNanchor_47_62" id="FNanchor_47_62"></a><a href="#Footnote_47_62" class="fnanchor">[47]</a>
+dan ware de geheele <i>Confessions</i> waarde- en krachteloos. Aan de
+drijfveeren mocht hier en daar een beetje gemorreld en gewrongen worden,
+de feiten moesten verhaald worden. D&aacute;&aacute;r was niets aan te verhelpen! Wat
+voor gevolgen overigens dit "nietige voorval" waarschijnlijk gehad
+heeft&mdash;en uiteraard <i>moest</i> hebben&mdash;laat 't hem-zelf hier verhalen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p161" id="p161"></a>[p.161]</span> Je ne regarde pas m&ecirc;me la mis&egrave;re et l'abandon comme le plus
+grand danger auquel je l'aie expos&eacute;e. Qui sait, &agrave; son &acirc;ge, o&ugrave; le
+d&eacute;couragement de l'innocence avilie a pu la porter?</p></div>
+
+<p>Voor Mevr. Holst bewijst deze daad slechts, hoe klein de "zedelijke
+kracht is in den jongeling;" voor mij: hoe zij 't ook is gebleven in den
+man. Want had deze in zijn geheele leven geen poging moeten doen, Marion
+terug te vinden, om zooveel mogelijk goed te maken, wat hij bedorven
+had?&mdash;"Qui sait?" <i>Hij</i> had moeten weten. Goed! &egrave;ven aangenomen, dat
+hij, gelijk hij beweert, inderdaad de kracht miste, de daad ooit aan een
+vriend, zelfs aan Mad. de Warens te biechten, dan nog had hij kunnen en
+moeten pogen h&aacute;&aacute;r te vinden. <i>Daar</i>voor had hij de kracht en de deugd
+moeten hebben. Hij had ze <i>niet</i>. D&aacute;&aacute;r ligt de zedelijke depravatie van
+den <i>man</i>. Indien Mevr. Holst zegt, dat uit zijn katholiek worden
+blijkt, "dat de zedelijke gloeden van het kind zijn ondergegaan in den
+knaap" en er dan aan toevoegt: "eens zullen zij weer opleven: het kind
+is vader van den man," dan is dat wel een mooie psychologische ...
+gemeenplaats, maar de toepasselijkheid op het geval-Rousseau&mdash;let wel:
+wat de daden en vooral de <i>gevoelens</i> der <i>lagere</i> persoonlijkheid
+betreft!&mdash;laat zich zoeken en het meest in de zaak Marion. Deze man, die
+z&egrave;gt nauwelijks een dag zonder wroeging te zijn geweest, schrijft aan
+Mad. d'Epinay: "Moi qui ne fis jamais de mal &agrave; personne." Deze man, die
+zegt nooit de daad te hebben durven biechten, <i>leest</i> in ter auditie van
+de Confessions bijeengekomen gezelschappen van soms 'n twintigtal
+personen, <i>het relaas dier daad voor</i>, 't geen nog heel wat anders is
+dan het neerleggen ervan in een werk, dat men niet voor zijn dood
+wenscht gepubliceerd, en zelfs nog heel wat meer kracht vereischt dan
+het biechten aan een vriend.&mdash;"Als hij haar biecht in de <i>Confessions</i>
+schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn aanleg, bazuinen
+zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit," zegt Mevr. Holst. Welnu, zijn
+vijanden, beweer ik, al hadden zij ongelijk zijn vijanden te zijn,
+hadden <i>daarin</i> gelijk, en zijn vrienden stonden klaarblijkelijk niet
+objectief-psychologisch voor de zaak, anders <span class="pagenum"><a name="p162" id="p162"></a>[p.162]</span> hadden zij de
+oorzaak dier nuttelooze want te laat gekomen waarheidsliefde, in een
+man, die niet nobel genoeg was, om het kind, dat hij ongelukkig had
+gemaakt, te zoeken en te hulp te komen, anders begrepen dan zij deden.
+Dan hadden zij haar begrepen, gelijk ik haar begrijp.</p>
+
+<p>En dan het geval met den ongelukkigen Le Ma&icirc;tre. Dit verhaalt Mevr.
+Holst aldus:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"... maar toen de arme musicus in Lyon op straat door een aanval
+van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw een van die
+plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd heeft
+te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om
+den zieken meester te bekommeren."<a name="FNanchor_48_63" id="FNanchor_48_63"></a><a href="#Footnote_48_63" class="fnanchor">[48]</a></p></div>
+
+<p>Wat gaat ons nu in 's hemelsnaam hier aan of "de jongeling niet geleerd
+heeft daartegen te strijden"?! Wanneer ik een kind van 'n jaar of tien,
+zijn vleesch-en-aardappelen in plaats van met vork en mes, met zijn
+vingers zie bewerken, dan vraag ik misschien: "H&eacute;, heeft Pietje nu nog
+niet geleerd, hoe men behoort te eten?" Ik vraag dat dan z&oacute;&oacute;, omdat 't
+er wel iets, maar toch slechts heel weinig voor den psychischen aanleg
+van dat kind op aan komt, dat het niet <i>uit zich-zelf</i> meer beschaafde
+manieren heeft; maar wanneer ik omtrent een <i>twintig jarigen</i> man
+verneem, dat hij zijn leeraar, die hem belangeloos heeft onderwezen, die
+hem altijd vriendelijk en welwillend bejegend heeft, te midden van
+vreemden als een vod op straat heeft laten liggen en wegliep, toen die
+man, in zeer penibele omstandigheden verkeerend, door hem naar een
+vreemde stad begeleid, een epileptischen aanval kreeg&mdash;dan zeg ik
+allicht: "Dat is &ograve;f 'n verdorven &ograve;f een krankzinnig mensch." Het is dan
+uw goed recht, o psycholoog, mij te antwoorden: "Neen, die man is geen
+van beide," <i>mits gij mij dan maar verklaart, hoe hij dat</i> niet zijn kan
+en <i>dit</i> toch doen. Maar vertel mij alsjeblieft niet, dat de reden is,
+dat hij niet geleerd heeft er tegen te strijden. Dat zou mij iedere
+gevangenispredikant allicht vertellen. <i>Het vreeselijke is dat het in
+hem zit</i>. Waarom is dat niet zoo vreeselijk, als het er wel
+uitziet&mdash;gelijk gij klaarblijkelijk <span class="pagenum"><a name="p163" id="p163"></a>[p.163]</span> meent. <i>Daarvoor</i> heb ik <i>u</i>
+noodig, menschen-herscheppend psycholoog! Maar Mevr. Holst, <i>onze</i>
+psycholoog, antwoordt <i>niet</i>.... "Een plotselinge opwelling." O ja, dank
+u, nu weet ik 't wel!</p>
+
+<p>Doch een der meest teekenende omstandigheden vind ik, dat onze
+schrijfster bij het &agrave;l t&egrave; vluchtig behandelen van het feit, dat Rousseau
+zijn kinderen naar de Enfants-Trouv&eacute;s liet brengen, niets zegt van de
+zeer onechte apologie in de Confessions. Hier ware een prachtige
+gelegenheid geweest, den mensch uit zijn werk zelfstandig op te bouwen;
+de waarheid aan het licht te brengen, die er t&egrave;gen zijn wil uit blijkt,
+en hem dus niet na te beelden zooals hij zich-zelf gelieft voor te
+stellen, maar hem te beelden, zooals hij zich ondanks zich-zelf ten toon
+stelt, werk dus der inderdaad "hoogere" critiek!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"... cette horreur du mal en tout genre, cette impossibilit&eacute; de
+ha&iuml;r, de nuire (Nu, nu, dat hebben we toch wel anders gezien! v.C.)
+et m&ecirc;me de le vouloir, cet attendrissement, cette vive et douce
+&eacute;motion que je sens &agrave; l'aspect de tout ce qui est vertueux,
+g&eacute;n&eacute;reux, aimable: tout cela peut-il jamais s'accorder dans la m&ecirc;me
+&acirc;me avec la d&eacute;pravation qui fait fouler aux pieds sans scrupule le
+plus doux des devoirs? (Zeker, het <i>blijkt</i> dat dit kan! Want bij
+het te vondeling brengen der twee <i>eerste</i> kinderen was er immers
+<i>volgens zijn eigen getuigenis</i>, geen sprake van <i>eenige
+overweging</i> noch van <i>eenige scrupule</i>! v.C.) Non, je le sens, et
+le dis hautement, cela n'est pas possible. Jamais un seul instant
+de sa vie Jean-Jacques n'a pu &ecirc;tre un homme sans sentiment, sans
+entrailles, un p&egrave;re d&eacute;natur&eacute;. J'ai pu me tromper mais non
+m'endurcir. <i>Si je disois mes raisons, j'en dirois trop.
+Puisqu'elles ont pu me s&eacute;duire, elles en s&eacute;duiroient bien d'autres:
+je ne veux pas exposer les jeunes gens qui pourroient me lire &agrave; se
+laisser abuser par la m&ecirc;me erreur</i>.<a name="FNanchor_49_64" id="FNanchor_49_64"></a><a href="#Footnote_49_64" class="fnanchor">[49]</a></p></div>
+
+<p>Het is duidelijk dat dit een <i>uitvlucht</i> is. Zoo het waar is, dat het
+bekend maken dier redenen jonge menschen had kunnen verleiden, omdat zij
+hem hebben kunnen verleiden, dan is het ook waar, dat 't bekend-maken
+der overwegingen, die hem later die redenen als dwalingen hebben doen
+beschouwen, evenmin zijn uitwerking op die jonge lieden zou <span class="pagenum"><a name="p164" id="p164"></a>[p.164]</span>
+hebben gemist. Hij <i>moet</i> toch hebben ingezien, dat het verzwijgen &egrave;n
+van de redenen &egrave;n van datgene, dat hen in zijn eigen oordeel tot
+dwalingen stempelde, de zaak voor de jongeren pas recht gevaarlijk
+maakte: nu bl&eacute;&eacute;f hun alleen <i>een slecht voorbeeld</i> gegeven door een
+<i>groot man</i>. En overigens zal men mij wel willen toegeven, dat deze
+bezorgdheid al zeer vreemd aandoet in den mond van iemand die wel zeer
+gemoedelijk spreekt over zekere sexueele hebbelijkheid, waaraan hij
+verslaafd was, 't geen niet alleen heel wat prikkelender op jonge
+gemoederen kan werken dan dit, maar ook heel wat gevaarlijker is, omdat
+het zooveel makkelijker kan worden nagevolgd. Waar bleef toen wel die
+bezorgdheid? Men begrijpe mij w&egrave;l: <i>ik acht er de Confessions en hun
+schrijver des te hooger om, dat toen die "bezorgdheid" er niet was</i>. Zij
+is geheel out of season in een werk, dat nu eenmaal, zonder zich om de
+meer verwijderde en bijkomstige gevolgen te bekommeren, een <i>biecht</i> wil
+zijn en <i>niets dan dat</i>.&mdash;M&aacute;&aacute;r&mdash;<i>waarom dan alleen bij deze gelegenheid
+van dat standpunt afgeweken</i>? D&agrave;t geeft te denken&mdash;wat &igrave;k heb
+gedacht!&mdash;Het is dan ook waarlijk wel volkomen te begrijpen, dat er
+onder de lezers van den <i>Emile</i> waren, die lezend wat hij daar omtrent
+de plichten van den vader leert&mdash;en <i>niet wetend, dat de Hoogere
+Persoonlijkheid wel verwant met, maar toch een geheel andere dan de
+lagere is</i>&mdash;minachtend hun schouders optrokken over 't geen zij voor
+<i>huichelarij</i> moesten houden, en de sarcastische noot daar ter plaatse,
+waarin de "petites bonnes gens" Cato en Augustus worden vergeleken met
+de "grands hommes de nos jours," die te gewichtige zaken aan het hoofd
+hebben, om hun ouderplichten na te komen, kortweg een onbeschaamdheid
+noemden.&mdash;Wat nu de werkelijke reden moge geweest zijn, 't geen wij
+thans niet zullen onderzoeken&mdash;hij-zelf heeft 't later voorgesteld alsof
+"les raisons d&eacute;terminantes" voortsproten uit vrees voor en afkeer van
+Th&eacute;r&egrave;se's familie&mdash;zeker is, dat hij, die hier terwille der jonge lieden
+zoo bezorgd was, in de <i>R&ecirc;veries</i> die bezorgdheid geheel heeft verloren
+en daar weer zegt, dat zijn verstand hem geen <span class="pagenum"><a name="p165" id="p165"></a>[p.165]</span> enkel verwijt
+doet, en dat indien hij er weer toe genoopt ware hij er nog met vrij wat
+minder aarzeling toe zou overgaan als destijds! Arme jeunes gens! Nu
+ziet ge dus, dat 't zelfs <i>geen dwaling</i> was.... Ik vrees dan ook, dat
+indien gij in het gelukkig bezit van een intrigante schoonmoeder en
+diefachtigen zwager waart, ge uw kinderen wel hals over kop, na het
+lezen di&eacute;r passage, naar de zoo aangeprezen Enfants-Trouv&eacute;s zult hebben
+gebracht!<a name="FNanchor_50_65" id="FNanchor_50_65"></a><a href="#Footnote_50_65" class="fnanchor">[50]</a></p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Alvorens nu echter over te gaan tot het bespreken van het verband dat er
+tusschen de door mij thans aangetoonde verfraai&iuml;ngstendenzen in Mevr.
+Holst's psychologisch-biographische beschouwingen van de
+Rousseau-figuur, en den invloed van het marxistisch-aesthetisch systeem
+bestaat, zij het mij vergund ter aanvulling mijner voorafgaande, alle
+min of meer negatieve, opmerkingen, een z&eacute;&eacute;r schetsmatig positief
+Rousseau-beeld te ontwerpen. Ik vertrouw dat daardoor de juistheid dier
+opmerkingen den lezer des te duidelijker blijken zal. Het aanbrengen van
+een paar trekjes slechts zal ik ook thans, ten einde niet in herhalingen
+te vervallen, moeten opschorten tot de bespreking van Th&eacute;r&egrave;se Le
+Vasseur.</p>
+
+<p>Ik geloof dan, dat de grondaard van Rousseau's persoonlijkheid een
+<i>lichtelijk-pathologisch</i>-erotische is geweest en dat daarin nagenoeg
+het geheele complex van eigenschappen valt op te merken, dat vaak bij
+<i>zulk</i> een erotischen aard behoort, zooals: actief-mystische aanleg, bij
+Rousseau wel is waar slechts &eacute;&eacute;ns, maar zeer duidelijk en sterk
+blijkend, &egrave;n neiging tot mystiek gelooven; een hysterische behoefte de
+aandacht op zich te vestigen en&mdash;zeer typisch daarvoor!&mdash;altijd te
+klagen over zijn gezondheid, <i>ook wanneer daar geen reden voor was</i>; een
+onder-normale capaciteit om zich kennis eigen te maken, verergerend tot
+volslagen onmacht, zoodra hij onder leiding van anderen studeeren moet;
+onontvankelijkheid voor door anderen hem opgelegde discipline;
+<i>snoep</i>-<span class="pagenum"><a name="p166" id="p166"></a>[p.166]</span> en vooral <i>daardoor dief</i>achtig; vaak grootmoedig en
+vrijgevig, zooals de meeste niet alleen-sensueele maar ook
+geestelijk-erotische naturen&mdash;het lichamelijk-eruptive weerspiegelt zich
+namelijk vaak en gemakkelijk in hun geestelijkheid&mdash;; vaak berouwvol,
+doch het berouw weer wegredeneerend met hooggestemde uitweidingen over
+eigen deugdzaamheid en deugd in 't algemeen&mdash;<i>sommige</i> erotische
+neigingen en de laatstgenoemde eigenaardigheden vindt men in <i>zeer
+verhevigde</i>, maar daardoor ook zeer verduidelijkende projectie in Van
+Oordt's Warhold&mdash;dikwijls dus een mooiprater, die zich... met
+<i>schrijven</i> moest behelpen, omdat, alweer zeer typisch, hij een verward
+en moeizaam denker en zoo zwak van geheugen was, dat hij elke gedachte
+bijna onmiddellijk na haar geboorte vergat. Uit dezen aard, zooals bijna
+altijd, vergezeld van een zwakken ethischen wil&mdash;geen zwak ethisch
+bewustzijn!&mdash;en welke, omdat hij in een kunstenaar voorkwam, die als
+alle kunstenaars onwillekeurig en voortdurend zich-zelf zag en
+doorschouwde, noodwendig gepaard moest gaan en dan ook ging met
+beschaamdheid, timiditeit en min of meer groote vrees voor omgang met
+menschen; uit dezen <i>vrij geringen</i> aard dus, die eigen geringheid
+kende, maar &oacute;&oacute;k eigen genie: die be&iuml;nvloed werd door het Scheppend
+Vermogen en, ook in de handelingen van het lager bewustzijn telkens
+reageerde op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar
+werkte&mdash;daaruit is, dunkt mij, alles en alles in Rousseau te verklaren.
+D&agrave;n blijft hij niet langer een "vat vol tegenstrijdigheid"! Laat mij nu
+even deze beweringen, voor zoover zij bewijs behoeven en door het hun
+voorafgaande niet reeds bewezen zijn, aan sommige levensfeiten en daden
+van Rousseau toetsen. Indachtig aan het feit, dat deze
+psychologisch-biographische beschouwingen middel en geen doel in dit
+opstel zijn, zal de lezer mij wel de telegram- en horoscoopstijl in dit
+gedeelte willen vergeven, terwijl hij ook wel in het oog gelieve te
+houden, dat ook ik natuurlijk elke daad het gevolg acht van de
+wisselwerking <i>aller</i> neigingen en krachten der persoonlijkheid, die de
+psychisch-oorzakelijke <span class="pagenum"><a name="p167" id="p167"></a>[p.167]</span> sfeer dier daad <i>kunnen</i> be&iuml;nvloeden, en
+dat ik dus door het op den voorgrond brengen van enkele dier neigingen,
+die m.i. de hoofdoorzaak van een zekere daad vormden, den invloed der
+andere allerminst wensch te ontkennen.</p>
+
+<p>Actief-mystische aanleg en neiging tot mystiek gelooven. Wat de eerste
+betreft: het visioen in Annecy. Hij zelf zegt daarvan: "Si jamais r&ecirc;ve
+d'un homme &eacute;veill&eacute; eut l'air <i>d'une vision proph&eacute;tique</i>, ce fut
+assur&eacute;ment celui-la," en kenschetsend voor zijn luciditeit op dat
+oogenblik is 't geen hij er aan toevoegt: "et ce qui m'a frapp&eacute; le plus
+dans le souvenir de cette r&ecirc;verie, quand elle s'est r&eacute;alis&eacute;e, c'est
+d'avoir retrouv&eacute; <i>des objets tels exactement que je les avais
+imagin&eacute;s.</i><a name="FNanchor_51_66" id="FNanchor_51_66"></a><a href="#Footnote_51_66" class="fnanchor">[51]</a> (Het verhaal van dit visioen is dan ook van niet te
+overtreffen en als onstoffelijke en volmaakt-verpuurde taal-schoonheid).
+Wat de tweede betreft: men zie 't voorval van het steenen-werpen naar
+een boom om zekerheid te verkrijgen of hij, zoo hij dan mocht sterven,
+verdoemd of zalig-gesproken zou worden (hij is dan 24 jaar oud):</p>
+
+<p>... la peur de l'enfer m'agitois encore souvent. Je me demandois: En
+quel &eacute;tat suis je? Si je mourois &agrave; l'instant m&ecirc;me, serois je damn&eacute;?...
+Je me dis: Je m'en vais jeter cette pierre contre l'arbre qui est vis &agrave;
+vis de moi, si je le touche, signe de salut; si je le manque, signe de
+damnation. Tout en disant ainsi, je jette ma pierre <i>d'une main
+tremblante et avec un horrible battement de coeur.... Depuis lors je
+n'ai dout&eacute; de mon salut....</i><a name="FNanchor_52_67" id="FNanchor_52_67"></a><a href="#Footnote_52_67" class="fnanchor">[52]</a> Men lette ook op het willen-neerleggen
+van het manuscript der "Dialogues" op het altaar der N&ocirc;tre-Dame.&mdash;Deze
+neiging, &eacute;&eacute;n of ten nauwste samenhangend in hem, met die van <i>immer iets
+te verwachten van het wonderlijke, van het
+nu-nog-niet-te-begrijpen-onverwachte, dat straks komen en helpen zal</i>,
+is ten <i>deele</i> oorzaak van zijn, in sommige gevallen, uiterst
+luchthartig gods water over gods akker laten loopen: Madame de Warens
+gaat zienderoogen financieel achteruit, hij&mdash;wel is waar onder het
+zelf-accompagnement van veel Warholdiaansche <span class="pagenum"><a name="p168" id="p168"></a>[p.168]</span> schoone
+plannenmakerij, betuigingen en speeches&mdash;blijft mee&euml;ten, pleizierreisjes
+maken en helpt zoodoende nog een beetje sneller den boel naar den
+kelder. Hij verklaart dan ook, nooit ongerust te zijn geweest, wanneer
+hij doodarm was. Ook zijn hierdoor ten deele een paar uitingen van zijn
+"d&eacute;lire inconcevable" te verklaren; zoo bijv. het kattenmuziek-concert
+bij de Treytorens: hij w&eacute;&eacute;t, dat hij nagenoeg niets bezit van de
+technische kennis, vereischt om muziek te componeeren; hij w&eacute;&eacute;t, dat 't
+dus voor iemand als hij aan het krankzinnige grenst, zoo iets te
+ondernemen; jawel, alles goed en wel, m&aacute;&aacute;r&mdash;de wonderbaarlijke hulp op
+het beslissende oogenblik, wenkt hem in de vage verte... alles zal wel
+terecht komen....&mdash;En zoo ook: het verlaten der Gouvons, zonder eenig
+bestaansmiddel dan: de goocheltoertjes met een fontaine de Hi&eacute;ron! Toch
+worden deze buitensporigheden, zooals ik reeds zei, slechts ten deele
+door bovengenoemde neiging verklaard. Zij komt immers in tallooze
+personen voor, zonder hen zoover te brengen. Om dat wel te kunnen is het
+dan ook noodig, dat zij enorm en op een geheel eigenaardige wijze wordt
+versterkt door een haar bijna gelijke, maar uit geheel andere bron
+ontspringende eigenschap, welke alleen in hen wordt gevonden, door wie
+het Scheppend Vermogen werkt, of die psychisch voorbestemd zijn, dat het
+door hen werken zal: artisten. Kunstenaars zijn namelijk zulke menschen,
+die in h&ugrave;n bewustzijn <i>voortdurend gaven ontvangen van het
+hun-Onbewuste</i>; die voortdurend in h&ugrave;n bewustzijn tooneelen beleven,
+beelden zien oplichten, welke zij niet hebben samengesteld of gevormd;
+in 't kort: die allerlei onverwachts in zich-zelf zien gebeuren. In
+zulke menschen leeft daardoor de neiging, ook in 't dagelijksche leven
+hunner <i>lagere</i> persoonlijkheid, allerlei dingen van het niet-ik te
+verwachten, welke een gewoon mensch er nimmer van verwachten zou.<a name="FNanchor_53_68" id="FNanchor_53_68"></a><a href="#Footnote_53_68" class="fnanchor">[53]</a> En
+deze neiging bezit hun lagere persoonlijkheid reeds <i>voor</i> het Scheppend
+Vermogen zich in haar openbaart. Zonder <span class="pagenum"><a name="p169" id="p169"></a>[p.169]</span> die neiging zou de
+gewenschte verhouding van den lageren mensch tot zijn hem beheerschend
+genie niet mogelijk zijn. Zij maakt den eerste geschikt voor het
+nederig-receptieve, en voor de zelfvergetelheid-in-aanvaarding van de
+gaven van het laatste! Zulk een mensch, zulk een kunstenaar nu was
+Rousseau. En in de aanwijzing dier samenwerking van <i>beide</i> genoemde
+neigingen in hem, ziet de lezer dus niet slechts zulke uit zijn "d&eacute;lire"
+voortkomende daden als de hier beschouwde, verklaard, maar hij heeft
+daardoor tevens gelegenheid gehad, in een paar voorbeelden op te merken,
+het reageeren der lagere persoonlijkheid, in hare handelingen, op het
+feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkt of werken zal.&mdash;</p>
+
+<p>Als ten d&eacute;&eacute;le veroorzaakt door zijn moeizaam denken, of liever: door
+zijn ni&egrave;t-kunnen-denken in sommige gevallen&mdash;alles wordt dan &eacute;&eacute;n
+chaotisch-warrelende zinneloosheid in zijn brein&mdash;blijkt ook het
+geval-Marion te moeten worden beschouwd: het vermiste lint wordt bij hem
+ontdekt; de schrik sl&aacute;&aacute;t zijn denkvermogen; het feit, dat hij 't haar
+ten geschenke wilde geven&mdash;dit heeft hij zelf verklaard&mdash;doet nog de
+reddende gedachte in hem opspringen, te zeggen, dat hij 't van haar
+gekregen heeft, maar dan is 't ook uit met denken in zijn verwilderd
+brein; dan treedt de chaos in: zelfs de angst voor de schande <i>bestaat</i>
+dan <i>niet meer</i> in hem: hij is als een locomotief, die geen bestuurder
+meer heeft en door alle wissels heen rijdt en alles reddeloos vermorzelt
+op zijn weg, hij is een menschelijke machine, die alleen herhalen,
+zinneloos herh&agrave;len kan wat hij eens heeft gezegd. Maar let wel: <i>zonder
+het ethisch defect ware de primaire gedachten-associatie niet in hem
+ontstaan en, indien al ontstaan, onmiddellijk neergeslagen,</i> gelijk hij
+ook, daarzonder, een uur later tot bezinning gekomen, naar den Comte de
+la Roque ware gegaan, om dien alles te bekennen, of zooals ik reeds
+vroeger zei, later gepoogd zou hebben te herstellen wat nog te
+herstellen viel.&mdash;</p>
+
+<p>Het geval Le Ma&icirc;tre kan ten d&eacute;&eacute;le worden verklaard uit chronisch
+angstgevoel voor de menschen, dat niet anders <span class="pagenum"><a name="p170" id="p170"></a>[p.170]</span> was dan <i>de vrees,
+zijn eigen lagere persoonlijkheid, wier betrekkelijke geringheid
+hij-zelf zoo wel kende, door de menschen te laten doorzien</i>; chronische
+angst ook voor geestelijke degenstooten, die hij te traag-denkend was,
+om bij tijds te kunnen pareeren. En op sommige oogenblikken,
+oogenblikken gelijk er toen een was, <i>werd die menschenvrees acuut.</i>
+Toen hij die menigte daar zag, zich verdringend om hem en dien
+bezwijmden man, de vreemdheid van de gelaten, van de huizen, van &agrave;lles,
+hem, den hulpelooze en verwarde, koud-ondervragend aanstuurschend, moet
+hem die onredelijke angst adem-benemend in de keel gekropt hebbend,
+verwilderend in zijn denken gestegen zijn! Als bij een kind, dat
+verdwaald om moeder huilt, flitst dan, in die felle benauwing de
+reddingsvolle gedachte aan het zoo lieve en zachte tehuis bij "Maman" in
+hem op. Het wenken van de veiligheid, van het voor harde vreemden
+afgesloten intieme, is dan t&egrave; groot, t&egrave; verlokkend: hij <i>snelt</i> weg.
+<i>Ten deele</i>, zei ik, is die daad uit dit alles te verklaren, want
+<i>zonder het zedelijk-defecte in hem, zou, in dit geval, de menschenvrees
+het plichtsgevoel niet hebben kunnen overwinnen</i>.&mdash;</p>
+
+<p>Wat nu de hysterische behoefte betreft, de aandacht op zich te vestigen:
+deze heeft niet alleen aanleiding gegeven tot allerlei onschuldige
+pueriliteiten, zooals hoogstwaarschijnlijk het dragen van Armenische
+kleeding, e.d., die nog met een weinig goeden wil kunnen worden geacht,
+uit ijdelheid voort te komen, maar ook tot ernstiger dingen, als het
+vragen om hulp, zonder die noodig te hebben&mdash;van uit Ermenonville&mdash;; het
+klagen over zijn kwaal, ook in een tijd, dat hij bergtoeren ondernam en
+niemand van zijn omgeving iets van ziekte of ongemak bij hem kon
+bespeuren;<a name="FNanchor_54_69" id="FNanchor_54_69"></a><a href="#Footnote_54_69" class="fnanchor">[54]</a> het bekoesteren van het martelaarschap, zijn, volgens
+geloofwaardigen, sterk-overdrijven van de "lapidation" te <span class="pagenum"><a name="p171" id="p171"></a>[p.171]</span>
+Motiers,<a name="FNanchor_55_70" id="FNanchor_55_70"></a><a href="#Footnote_55_70" class="fnanchor">[55]</a> benevens, voor een goed deel tot die handelingen welke
+Dusaulx vlijmend-juist kenschetst met de woorden: "Il partit donc,
+<i>quittant celui dont il avoit fait la conqu&ecirc;te</i>.&mdash;</p>
+
+<p>Alles samenvattend kan men zeggen, dat Rousseau's leven vooral tragisch
+is geweest door de worsteling van zijn betrekkelijk-geringe lagere
+persoonlijkheid met zijn geweldige Hoogere, zijn edel Genie. Een gering
+mensch, die telkens als hij iets doet of denkt wat tot die geringe
+natuur behoort, plotseling de diepe, treurige oogen van een Christus op
+zich voelt gevestigd, die hem overal begeleidt. Maar meest openbaarde
+het zich niet zoo in z&igrave;jn bewustzijn, hij voelde vaak slechts als een
+terughoudenden ruk, maar wist niet wie daar rukte; een verkillende tot
+bezinning brengende greep, en hij wist niet wie daar greep. Zoo heeft
+hij ook nooit de <i>grond</i>oorzaak van zijn zonderling gedrag bij de
+schoone Zulietta in Veneti&euml; doorvoeld. <i>Deze was die grondoorzaak</i>.
+Midden in een hartstocht-opwelling viel soms een ijzige kilte op hem
+neer... hij bezon zich en dacht dan koel, plotseling een ander mensch,
+aan allerlei dingen.... En hoe kwam dat nu toch in hem.... waarom moest
+hij nu zoo vreemd-koel denken?... zoo mijmerde hij dan, al het andere
+d&aacute;&aacute;rvoor vergeten... maar hij wist het niet, en een vreemde schaamte
+kwam in hem, die toch nauwelijks schaamte was, en hoe hij ook wroette,
+hij kende niet, hij vond niet de oorzaak van dat alles.... Dan ontwaakte
+hij, zag iemand, die hem uitlachte, en werd dan eerst recht beschaamd en
+verward.&mdash;"Lascia le donne e studia matematica," voegt Zulietta hem
+verachtelijk toe. Ja, ja, zoo kon zich zelfs deze op dit punt zoo zeer
+ervaringrijke jonge dame vergissen! Want ik geloof, dat van nature
+Rousseau wel voor niets minder dan "matematica" en voor niets meer dan
+"le donne" geschikt was!</p>
+
+<p>Zeker, zijn gevoel van niet te passen in die koud-vernuftige, gevatte,
+geestige kringen der encyclopaedisten, der plutocraten en van den adel;
+zijn bewustzijn van daar niet tegen op te kunnen en een ongelukkig
+figuur te slaan; van <span class="pagenum"><a name="p172" id="p172"></a>[p.172]</span> behept te zijn met den echten esprit de
+l'escalier, dat alles noopte hem de maatschappij te vlieden. Maar toch,
+het dient gezegd: wat hem verbitterde was niet alleen gekrenkte
+eigenliefde, maar ook <i>beleedigd rechtsgevoel</i>. Het was <i>onrecht</i>, zoo
+moet hij 't gevoeld hebben, dat hij, het <i>genie</i>, "balourdises" zei:
+niet alleen niet wist te schitteren in de salons, maar zelfs niet &eacute;&eacute;n
+woord bijna zeggen kon, of hij ontdekte later, een domheid te hebben
+gezegd; het was <i>onrecht</i>, dat die anderen, zijn minderen, aldus over
+hem heerschen konden, in stede van hij over hen. Arme Jean-Jacques! Hij
+geleek een koningszoon, die door een boozen toovenaar veroordeeld is, in
+de gestalte eens geringen door het leven te gaan. Slechts op die
+oogenblikken, zoo heeft de wreede gezegd, als het onbaatzuchtig genie
+van een waarachtig en goddelijk heerscher in u komt en ge d&agrave;t zult
+moeten uiten, hetzij in spreken of in schrijven, d&agrave;n zal het u gegeven
+zijn, uw verheven vorstelijkheid te doen schitteren; maar te anderen
+tijde.... waar de luister uwer princelijkheid u-zelf den omgang met
+medemenschen tot een rijke en zoete vreugde zou maken, dan zult ge een
+geringe zijn....&mdash;Maar o, lezer, was die booze toovenaar wel een
+toovenaar en boos? Was hij niet de alwijze Noodwendigheid, wier werken
+immer zijn te prijzen? Want indien de m&egrave;nsch Rousseau, de ijdele en
+sensueele, ook de lagere geneugten zijner vorstelijkheid had kunnen
+genieten, zou hij dan daarin niet zijn ondergegaan? Of zoo hij al een
+groot kunstenaar ware gebleven, zou hij wel <i>Rousseau</i>, de Leeraar der
+groote revolutie, het zwaard, de ploeg en de zaadkorf der armen en
+verdrukten, het lichtbaken der volgende geslachten geworden zijn?....</p>
+
+<p>En nu: w&agrave;t heeft de verfraai&iuml;ngstendenzen ten opzichte der
+Rousseau-figuur in Mevr. Holst veroorzaakt? Wel, dunkt mij, niets is
+duidelijker: het pogen <i>de synthese tusschen hoogere en lagere
+persoonlijkheid langs den historisch-materialistischen weg te bereiken</i>.
+Indien men het kunstwerk in zijn geheel, maatschappelijk- en
+psychisch-geologisch, om 't nog eens weer zoo te noemen, uit de
+productieverhoudingen <span class="pagenum"><a name="p173" id="p173"></a>[p.173]</span> en de lagere persoonlijkheid wil verklaren
+en daarbij tevens aanneemt, dat er in die lagere persoonlijkheid niets
+aan maatschappij- of natuur-invloed aanwezig is, dat niet zijn uiting
+vindt in de schepping der Hoogere, 't geen Mevr. Holst, de marxistische
+aestheticus, inderdaad meent; indien men wat wij den aanleg, het talent,
+het genie noemen, in zijn volle kracht en schoonheid der menschelijke,
+lagere persoonlijkheid acht te <i>ontstijgen</i>, en daarbij tevens aanneemt,
+dat er niets in die lagere persoonlijkheid aan neigingen, krachten en
+zwakheden aanwezig is, dat niet de een of andere wijziging in de
+<i>scheppings</i>beweging-zelf van het talent of genie te weeg brengt, 't
+geen Mevr. Holst inderdaad meent; indien men dan ziet, dat er in het
+werk van dat talent of genie, meeningen worden voorgestaan, theorie&euml;n
+verkondigd, die in de menschelijke keuringssfeer "goed" of "zedelijk" en
+dat wel in den hoogsten graad heeten, terwijl er daarentegen geen enkele
+theorie of meening in wordt verkondigd, welke in die sfeer "slecht" of
+"onzedelijk" wordt genoemd&mdash;dan wordt men er immers onweerstaanbaar en
+onbewust toe gebracht, de "onzedelijke" en de "niet goede" dingen der
+lagere persoonlijkheid niet, of zoo <i>microscopisch</i>-klein te zien, dat
+het d&aacute;&aacute;rdoor verklaarbaar wordt, dat zij geen merkbaren invloed gehad
+hebben; dan wordt men er dus immers onbewust toe gebracht de lagere
+persoonlijkheid te <i>verfraaien</i>! In hoeveel vrijere positie komt men
+daarentegen ten opzichte van het kunstwerk en de lagere persoonlijkheid
+des kunstenaars te staan, indien men aanneemt zooals ik, dat door haar
+algemeene ontvankelijkheid voor bevruchting, de lagere persoonlijkheid
+eens kunstenaars het Scheppend Vermogen aantrekt, zooals aarde zaad, en
+de bloem den bestuivenden vlinder, maar met dien verstande en met die
+beperking, dat zij slechts die scheppende krachten kan aantrekken, wier
+aequivalenten in menschelijk-onvolmaakten staat, maar in voldoend-sterke
+mate, zij-zelf in zich heeft. Zoo was Rousseau's lagere persoonlijkheid
+grootmoedig en medelijdend; zoo was zij erotisch; zoo blaakte zij van
+een ontembare vrijheidsbegeerte en kon den geringsten dwang niet <span class="pagenum"><a name="p174" id="p174"></a>[p.174]</span>
+dulden. En deze eigenschappen waren sterk genoeg in hem ontwikkeld, om
+de aequivalente krachten der Scheppende Natuur tot zich te roepen. En
+zoo verschenen deze dan ook, in-zichzelf-volmaakt, puur en eeuwig, in
+zijn werk. Zoo werd hij dus een edel revolutionnair denker en een
+erotisch-bewogen kunstenaar.&mdash;Waar nu, vraagt ge, is dan bijv. de
+geringheid van zijn zedelijke wilskracht gebleven? Maar, natuurlijk waar
+zij blijven moest: in zijn lagere persoonlijkheid; omdat zij iets louter
+negatiefs was: een <i>tekort</i> aan zedelijke kracht, een zwakheid, die haar
+positieven vorm: "misdadigheid" niet kon zijn en dus niet krachtig
+genoeg was, om haar scheppend aequivalent tot zich te roepen. Ware dat
+wel het geval geweest, dan zou Rousseau inderdaad <i>kunstwerken</i> hebben
+geschreven, gelijk zoo menig kunstenaar heeft gedaan, welke in de
+menschelijke ethische keuringssfeer onzedelijk of misdadig zouden zijn
+geheeten. N&ugrave; kon die zwakte van zijn zedelijk willen, uitsluitend
+eigenschap van de lagere persoonlijkheid blijvende, slechts
+kunstbed&egrave;rvend werken. Zij mo&egrave;st dat niet doen, zij k&ograve;n het doen en
+h&eacute;&eacute;ft het gedaan, zooals wij bij de behandeling van
+Confessions-fragmenten hebben bemerkt. Voor Mevr. Holst echter, die in
+Rousseau's <i>Scheppend Vermogen</i>, evenmin als wie ook, iets van dat
+zedelijk-defecte zag of kon zien, bestond het dus, op grond van haar
+leerstellingen, ook in zijn <i>geheele</i> persoonlijkheid slechts in niet
+noemenswaardige mate. Aldus neem ik aan, is nu voldoende aangetoond en
+ontleed, hoe nadeelig een invloed de marxistische aesthetiek op Mevr.
+Holst's psychologisch-biographische Rousseau-beschouwingen heeft
+geoefend en op welke wijze dit is gebeurd. Maar &eacute;&eacute;n twijfel, die te dien
+opzichte nog in mijn lezers kan bestaan, dien ik weg te nemen.</p>
+
+<p>Een feit is het, dat, zooals ik vroeger elders heb aangetoond,<a name="FNanchor_56_71" id="FNanchor_56_71"></a><a href="#Footnote_56_71" class="fnanchor">[56]</a> Mevr.
+Holst wel in zeer hooge, wellicht de hoogste mate die kracht van
+liefdevolle overgave aan te beelden figuren bezit, welke een groot
+menschenschepper m&ograve;et bezitten, <span class="pagenum"><a name="p175" id="p175"></a>[p.175]</span> maar dat iets anders, dat dezen
+even onontbeerlijk is, haar ontbreekt: het aangeboren bewustzijn van den
+heerscher, <i>dak</i> zich zelf ongerept, in die overgave, bewaart. Zoowel de
+<i>heerscher</i> als de <i>minnaar</i> moeten <i>beiden</i> in den grooten
+menschenschepper leven: de eerste m&ograve;et blijven keuren, overwegen en
+rechtvaardig beschikken, hoe hartstochtelijk ook des laatsten liefde
+zij. De lezer nu, die aan dit alles denkt, zou dus niet zonder schijn
+van recht kunnen vragen: moet veel van wat hier aan de
+historisch-materialistische aesthetiek werd verweten, eigenlijk niet
+worden toegeschreven aan het feit dier liefdevolle, <i>maar onbeheerschte</i>
+overgave; aan het feit, in &eacute;&eacute;n woord, dat Mevr. Holst een groote
+lyricus, maar volstrekt geen epicus, geen menschenschepper is? Maar
+indien hij slechts even let op het enorm verschil in eigenlijke
+mensch-beeldende kracht, zooals eenerzijds bijv.: de romanschrijver, die
+naar het &ograve;ndoorlichte leven beeldt, van noode heeft, en anderzijds de
+psychologische biograaf, die kunstwerken, d.i. het doorlichte leven, en
+ander reeds bewerkt materiaal slechts opnieuw bewerkt, dan zal hij-zelf
+niet aarzelen die vraag ontkennend te beantwoorden.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Beschouwen wij nu Mevr. Holst's Th&eacute;r&egrave;se Le Vasseur. En ik durf bij
+voorbaat beweren, dat, z&oacute;&oacute;als hier den lezer het verderfelijke der
+marxistische aesthetiek zal blijken, het hem bezwaarlijk elders blijken
+kan. Hebben wij gezien hoe deze aesthetiek onze schrijfster er toe
+bracht den <i>mensch</i> Rousseau te flatteeren, thans zullen wij zien hoe
+dit tot <i>noodzakelijk</i> gevolg had, dat ook Th&eacute;r&egrave;se Le Vasseur
+geflatteerd werd en wel in een nog zooveel sterker mate dan
+Rousseau-zelf, dat ik geen oogenblik aarzelen mag, de
+psychologisch-biographische beelding dier figuur volslagen onjuist en
+pueriel-goedgeloovig te noemen.</p>
+
+<p>Waarom of het eerste 't laatste tot <i>noodzakelijk</i> gevolg had? vraagt
+ge. Och, gelieve maar even naar mij te luisteren: Mevr. Holst werd door
+haar proletarisch-voelen&mdash;waarvan ik de diepte en uitingsschoonheid in
+'t tweede hoofdstuk dezer studie zoozeer bewonderd heb&mdash;er
+onweerstaanbaar <span class="pagenum"><a name="p176" id="p176"></a>[p.176]</span> toe gedreven Th&eacute;r&egrave;se te verdedigen.<a name="FNanchor_57_72" id="FNanchor_57_72"></a><a href="#Footnote_57_72" class="fnanchor">[57]</a> Haar
+intu&iuml;tie zei haar zeer te recht, dat die verdediging met vrucht te
+voeren is. Maar wat haar intu&iuml;tie haar niet zei&mdash;<i>omdat deze te dien
+opzichte verzwakt was door haar onbewuster tendenz, Rousseau te
+flatteeren</i>&mdash;is: dat die verdediging van Th&eacute;r&egrave;se alleen te voeren is
+<i>ten koste van Rousseau</i>. Om haar nu desalniettemin toch door te zetten
+<i>werd het noodig ook Th&eacute;r&egrave;se veel edeler voor te stellen dan zij
+was</i>.&mdash;Toetsen we dit alles nu aan Mevr. Holst's boek, de historische
+feiten en de gevolgtrekkingen, die daaruit redelijkerwijze kunnen worden
+afgeleid.</p>
+
+<p>Voor Mevr. Holst is Th&eacute;r&egrave;se de nederig-dienende zorgzaamheid in
+Rousseau's leven geweest, heeft zij de materieele basis gevormd, waarop
+bijv. de "schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste
+geschrift" heeft kunnen bestaan. Er is hierin veel waars. Jawel, maar
+luister nu eens even naar wat onze schrijfster verder zegt:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Dit (dat Rousseau haar volkomen bleef vertrouwen en niet in het
+"complot" betrokken zag. v.C.) kon natuurlijk alleen zoo zijn
+doordat Th&eacute;r&egrave;se niet inging tegen zijn waan, maar met hem
+meepraatte; de biografen maken haar daarvan een verwijt, zij
+beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche voorstellingen
+gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, zoo zij
+onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan?<a name="FNanchor_58_73" id="FNanchor_58_73"></a><a href="#Footnote_58_73" class="fnanchor">[58]</a></p></div>
+
+<p>De verfraaiing van Th&eacute;r&egrave;se en de ontzenuwing van de beweringen der
+biographen is hier mogelijk geworden door het niet-vermelden van de veel
+zwaardere beschuldigingen, die tegen haar zijn ingebracht. Zulke als
+deze:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>... La maniere dont elle s'est conduite apr&egrave;s sa mort suffiroit
+pour mettre la chose hors de doute, si d&eacute;j&agrave; la preuve n'en &eacute;toit
+bien acquise par <i>le t&eacute;moignage unanime de tous ceux qui ont
+frequent&eacute; Rousseau &agrave; toutes les &eacute;poques de sa vie</i>. Or il est
+constant qu'&agrave; Motiers, &agrave; Wootton et partout o&ugrave; elle a suivi son
+ma&icirc;tre, jusqu'&agrave; ses derniers moments, elle a fait na&icirc;tre et
+entretenu en <span class="pagenum"><a name="p177" id="p177"></a>[p.177]</span> lui l'ombrage et la m&eacute;fiance prompte &agrave; lui
+rendre suspects tous ceux qui l'approchoient et qui parvenoient &agrave;
+lui plaire, pour poss&eacute;der seule sa confiance et le dominer avec
+plus d'empire. Si cette femme, s'ennuyant &agrave; Motiers, ne n&eacute;gligea
+rien pour en rendre le s&eacute;jour insupportable &agrave; Rousseau, que ne dut
+elle pas faire dans la solitude de Wootton o&ugrave; elle devoit n'avoir
+rien plus &agrave; coeur que de le mettre dans la n&eacute;cessit&eacute; d'en sortir!
+Or tout assure que, pour donner plus d'appui &agrave; ses suggestions
+calomnieuses et perfides, elle brisoit les cachets des lettres
+adress&eacute;es &agrave; son ma&icirc;tre, qui, dupe de cette manoeuvre, en tiroit
+mille inductions, mille consequences plus &eacute;tranges les unes que les
+autres, mais dont il n'y a plus d&egrave;s lors droit de s'&eacute;tonner.<a name="FNanchor_59_74" id="FNanchor_59_74"></a><a href="#Footnote_59_74" class="fnanchor">[59]</a></p></div>
+
+<p>"Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, tous ceux qui ont &eacute;crit sur
+Rousseau, sont d'accord sur ce point," zegt dezelfde schrijver.&mdash;Hier
+blijken dus doodgewone <i>misdaden</i>, uit eigenbelang bedreven. Dat is niet
+meer: het niet-bestrijden van den waan, om van den waanzinnige het
+eenige schepsel niet te vervreemden, dat hij nog vertrouwt; dat is: het
+perfide <i>hevig-versterken</i> van den waan, om maar niet langer op die
+vervelende landgoederen en kasteelen te moeten leven. Dat Th&eacute;r&egrave;se daar
+telkens vandaan wilde, erkent ook Mevr. Holst:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biografen er Th&eacute;r&egrave;se
+een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame
+kasteelen&mdash;eerst in Engeland, later in Frankrijk&mdash;met een
+zenuwzieken man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij
+zich niet opgewassen voelde&mdash;alleronaangenaamst vond en hunkerde om
+er vandaan te komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen,
+met eigen neigingen en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in
+haar in.<a name="FNanchor_60_75" id="FNanchor_60_75"></a><a href="#Footnote_60_75" class="fnanchor">[60]</a></p></div>
+
+<p>Zeker, dit alles zij grif toegegeven. Maar lang niet vermakelijk te
+lezen is, door <i>welke middelen zij dat doel</i> poogde te bereiken.
+<i>Daarop</i> komt het aan ter doorgronding van Th&eacute;r&egrave;se's persoonlijkheid!</p>
+
+<p>"Dat zij kort voor het eind van zijn leven, als oude vrouw al, een gril
+zou gehad hebben voor een stalknecht moge min smakelijk zijn...."<a name="FNanchor_61_76" id="FNanchor_61_76"></a><a href="#Footnote_61_76" class="fnanchor">[61]</a>
+Neen maar, zou ik tot Mevr.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p178" id="p178"></a>[p.178]</span> Holst weer willen zeggen. Wat gaat ons nu de al of
+niet-smakelijkheid daarvan aan! We zijn toch geen aan ethiek verslaafde
+en moraliseerende preekers en rechters! Wij willen <i>een mensch leeren
+kennen</i>, dat is ons <i>eenig verlangen.</i> En bovendien&mdash;dat vertelt Mevr.
+Holst er weer niet bij: Zij heeft niet alleen kort voor het eind van
+Rousseau's leven een gril voor dien Ierschen stalknecht van den Markies
+de Girardin gehad, maar <i>zij heeft nog een geruimen tijd na Rousseau's
+dood met hem geleefd en een zeer aanzienlijk bedrag met hem er
+doorgejaagd</i>!</p>
+
+<p><i>Wat is er nu in deze vrouw</i>, "die nederige goede vriendin," "dat
+eenvoudige plebejerskind," dat "liefhebbende hart," <i>omgegaan, dat zij
+zich zoo kon vergooien onmiddellijk na den dood van den man dien zij had
+"liefgehad," dien zij "verzorgd" had</i>, enz. enz.? <i>Dat</i> wenschen wij te
+weten, <i>dat</i> opgehelderd te zien, daarvoor luisteren wij gaarne naar een
+scheppend psycholoog! Dat het niet "smakelijk" was&mdash;nu ja, dat weten we
+waarachtig allemaal wel! <i>Heeft mevr. Holst niet gevoeld, dat hier de
+tragedie van een geheel leven te doorvoelen viel?</i> Neen, klaarblijkelijk
+heeft zij er <i>niets</i> van gevoeld; de scheppend-psychologische biograaf
+zweeg hier in haar; de proletarisch-voelende socialiste, die het kind
+uit het volk had te verdedigen en dat niet op de juiste wijze kon doen,
+omdat Rousseau zelf er dan bekaaid af zou komen, &egrave;n daarmee <i>de
+historisch-materialistisch-opgebouwde synthese tusschen zijn hoogere en
+lagere persoonlijkheid in den hoek zou liggen</i>, beheerschte hier de
+scheppende kunstenares en achtte alles genoegzaam verklaard door die
+mantel-der-liefde-achtige woordjes!</p>
+
+<p>Zelfs reeds het <i>ontstaan</i> hunner verhouding wordt dan ook reeds&mdash;wat
+Rousseau betreft&mdash;door onze schrijfster verfraaid voorgesteld:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Geen lust was het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar
+voornamelijk behoefte aan innigheid.<a name="FNanchor_62_77" id="FNanchor_62_77"></a><a href="#Footnote_62_77" class="fnanchor">[62]</a></p></div>
+
+<p>Dat is nu precies, inplaats van de waarheid in de armen <span class="pagenum"><a name="p179" id="p179"></a>[p.179]</span> te
+loopen, haar rakelings voorbijschuiven. Immers, Rousseau-zelf zegt:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Je n'avois cherch&eacute; d'abord qu'&agrave; me donner un <i>amusement</i>. Je <i>vis</i>
+que j'avois plus fait et que je m'&eacute;tois donn&eacute; <i>une compagne. Un peu
+d'habitude</i> avec cette excellente fille, un peu de r&eacute;flexion sur ma
+situation, me firent sentir <i>qu'en ne songeant qu'&agrave; mes plaisirs</i>,
+j'avois beaucoup fait pour mon bonheur.<a name="FNanchor_63_78" id="FNanchor_63_78"></a><a href="#Footnote_63_78" class="fnanchor">[63]</a></p></div>
+
+<p>Gij voelt nu wel al lezer, dat beteekenisvolle verschil in nuance
+tusschen Mevr. Holst's en zijn woorden: neen, zeker, geen lust was 't
+die hem dreef, maar evenmin eenige hoogere geestelijke behoefte aan
+innigheid. Dat hij ook die bij haar bevredigen kon, ontdekte hij immers
+pas later! Wat hem dreef was doodeenvoudig de proza&iuml;sche,
+primair-natuurlijke behoefte aan sexueelen omgang. Nog al bang in dit
+opzicht uitgevallen&mdash;men herinnert zich uit de <i>Confessions</i> zijn angst
+na zijn visite met Vitali bij de Padoana?&mdash;was hij heel blij&mdash;och ja,
+het is heel-laag-bij-den-grond, plat zoo ge wilt, maar het <i>is</i> zoo&mdash;dat
+hij h&aacute;&aacute;r gevonden had! <i>Jubelkreten</i> slaakt hij als hem blijkt, dat
+Th&eacute;r&egrave;se's aanvankelijke aarzeling zich hem te geven, niet voortkomt uit
+dat door hem zoo gevreesde!</p>
+
+<p>En dan: weet Mevr. Holst wel, dat als zij aan Rousseau's vrienden
+verwijt, dat hun "klassegevoel en intellectueele hoogmoed" niets dan
+"een onbeschaafde waschvrouw" etc. in Th&eacute;r&egrave;se zagen, zij met dat verwijt
+aan het verkeerde adres is? Helaas, het <i>kon</i> alweer niet tot haar
+doordringen, dat zij hiermede bij <i>Rousseau-zelf</i> moest zijn.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Autrefois j'avois fait un dictionnaire de ses phrases <i>pour amuser
+Madame de Luxembourg</i>, et <i>ses quiproquo sont devenus c&eacute;l&egrave;bres dans
+les soci&eacute;t&eacute;s o&ugrave; j'ai v&eacute;cu</i>.<a name="FNanchor_64_79" id="FNanchor_64_79"></a><a href="#Footnote_64_79" class="fnanchor">[64]</a></p></div>
+
+<p>Arme Jean-Jacques! Zelf vertelt hij, dat hij altijd, bij de conversatie
+in de kringen zijner geleerde en adellijke vrienden met den mond vol
+tanden zat. Hij voelde dan ten leste eigen zwijgen zoo pijnlijk worden,
+dat hij er maar wat uitflapte, <span class="pagenum"><a name="p180" id="p180"></a>[p.180]</span> om maar iets te zeggen, wat dan
+achteraf een "balourdise" bleek. M&aacute;&aacute;r, heer-in-den-hemel! daar valt hem
+Th&eacute;r&egrave;se met al haar onbewuste grappighedens in. Welk een mijn, welk een
+onuitputtelijke rijkdom aan stof. Nu niet langer op je stoel zitten
+draaien in 'n benauwing van verlegenheid, nu geen stommiteiten meer
+vertellen, om maar w&agrave;t te zeggen, nu ook eens geestig zijn, ook eens de
+vrienden laten lachen&mdash;ten koste van de vrouw, "wier engelhartig hart
+hij roemt." O, Mevrouw, het is te begrijpen: zeker, <i>alles is te
+begrijpen.</i> Maar welk een gebrek aan fijngevoeligheid&mdash;der <i>lagere</i>
+persoonlijkheid!&mdash;welk een grove ijdeltuiterij. Welk een gebrek aan
+eerbied ook voor&mdash;zich zelf! <i>Tenzij hij wist</i>&mdash;let wel!&mdash;dat die
+vrienden ook wel begrepen, dat zij voor hem <i>een vrouw slechts in den
+lageren zin</i> was, maar wat blijft er dan van de "innigheid" en al dat
+fraais over? En wanneer Rousseau-zelf aldus Th&eacute;r&egrave;se tot een
+"onbeschaafde waschvrouw" stempelt, kan men dan wel anderen kwalijk
+nemen, dat zij niets anders dan zulk een waschvrouw in haar zagen? Gaan
+wij er nu toe over, zelf Th&eacute;r&egrave;se te beschouwen en toonen wij aan, dat op
+&agrave;ndere gronden dan die van Mevr. Holst&mdash;<i>gronden, die echter voor
+le-meilleur-des-hommes-Rousseau geen standplaats bieden</i>!&mdash;haar
+verdediging met vrucht te voeren valt.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Th&eacute;r&egrave;se dan blijkt klaar een onbedorven, goed en gewetensvol meisje te
+zijn geweest, met iets zelfs van uitzonderlijke en aangeboren reinheid
+in zich, want men moet niet vergeten, dat van wat wij, in een anderen
+tijd levend, als iets min of meer van-zelf-sprekends beschouwen, juist
+het <i>tegendeel</i> als het van-zelf-sprekende zou ik bijna zeggen, in het
+Parijs harer dagen werd beschouwd. Haar aarzeling, zich hem te geven,
+sproot uit iets anders dan het door hem gevreesde voort. Laat
+Rousseau-zelf u verhalen wat het was, en merk dan tevens uit zijn
+verwondering, <i>hoe uitzonderlijk in dien tijd haar scrupules waren</i>.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Enfin nous nous expliqu&acirc;mes: elle me fit en pleurant l'aveu d'une
+faute unique au sortir de l'enfance, fruit de son ignorance <span class="pagenum"><a name="p181" id="p181"></a>[p.181]</span>
+et de l'adresse d'un s&eacute;ducteur. Sit&ocirc;t que je la compris, je fis un
+cri de joie: Pucelage! m'&eacute;criai je: c'est bien &agrave; Paris, c'est bien
+&agrave; vingt ans qu'on en cherche!<a name="FNanchor_65_80" id="FNanchor_65_80"></a><a href="#Footnote_65_80" class="fnanchor">[65]</a></p></div>
+
+<p>Bovendien blijkt die kuische aard uit hare houding, als dienstmeisje in
+het hotel, onder de schunnige moppen der abb&eacute;s, tegen wie Rousseau haar
+in bescherming neemt. Z&oacute;&oacute; was Th&eacute;r&egrave;se Le Vasseur, rein te midden van een
+al groeiende zedenverdorvenheid, toen zij zich Rousseau gaf. Laat ons nu
+zien: Zij, het gevoelige dienstmeisje, met die sentimenten in zich,
+w&egrave;lke moet zij wel in den geliefde-zelf, dien zij zoo ver boven zich
+stelde, aanwezig hebben gemeend?! Zij, de bijna-analphabete&mdash;die niet
+wist, dat talent of genie soms niets met noblesse hebben te maken&mdash;welk
+een wereld van &agrave;l-soortige verhevenheid moet zij niet in Rousseau
+geloofd hebben te bestaan, in dien man, die haar nog bovendien tegen de
+gemeenheden der anderen verdedigd had! Als haar nu langzamerhand het
+tegendeel blijkt, is het dan niet onafwendbaar, dat zij niet alleen het
+geloof in hem, maar op de wijze aller onontwikkelden, die het bijzondere
+zoo gaarne veralgemeenen, ook het geloof in de <i>waarde van deugd-zelf</i>
+verliest? En dat zij d&oacute;&oacute;rsl&aacute;&aacute;t, d&oacute;&oacute;rh&oacute;lt naar den anderen kant?</p>
+
+<p>Onderzoeken wij dus nu door w&egrave;lke feiten haar dat tegendeel kan zijn
+gebleken&mdash;voor zoover dan die feiten te onzer beschikking staan: er zijn
+natuurlijk nog tallooze kleinigheden, voor ons verloren, die ertoe
+hebben medegewerkt haar de waarheid duidelijk te maken.</p>
+
+<p>Daar is dan ten eerste het geval met "la papesse Jeanne," de ma&icirc;tresse
+van Kluppfel. "Une faute," zegt Petitain, "qu'elle l'a g&eacute;n&eacute;reusement
+pardonn&eacute;e." Jawel, verg&eacute;ven, maar kon ze 't ook verg&eacute;ten? Liet het geen
+wrange nasmaak van beleedigde vrouwelijkheid in haar gemoed? Deed het
+bovendien niet de gedachte bij haar ontkiemen, dat de berisper van
+destijds al niet beter dan de berispten was, en dat zij met haar
+scrupules eigenlijk een onnoozel halsje, een onwetend mallootje was
+geweest?</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p182" id="p182"></a>[p.182]</span> Maar d&agrave;n... en hoe zinkt alles, wat zij hem, wat hij haar aan
+kwaads moge gedaan hebben in het niet bij die vreeselijke daad vijf maal
+betaald: het haar ontnemen van haar kinderen <i>tegen haar zin</i>.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Je m'y d&eacute;terminai gaillardement sans le moindre scrupule; et le
+seul que j'eus &agrave; vaincre fut celui de Th&eacute;r&egrave;se, &agrave; qui <i>j'eus toutes
+les peines du monde</i> de faire adopter cet unique moyen de sauver
+son honneur. (Sic!) L'ann&eacute;e suivante, m&ecirc;me inconv&eacute;nient et m&ecirc;me
+exp&eacute;dient, au chiffre pr&egrave;s qui fut n&eacute;glig&eacute;. Pas plus de r&eacute;flexion
+de ma part, <i>pas plus d'approbation</i> de celle de la m&egrave;re: <i>elle
+ob&eacute;it en g&eacute;missant.</i><a name="FNanchor_66_81" id="FNanchor_66_81"></a><a href="#Footnote_66_81" class="fnanchor">[66]</a></p></div>
+
+<p>Peilt nu, gij allen, die ooit een kind zaagt geboren worden en die
+ontzettende vertwijfelende worsteling met de smart hebt gezien; die dan
+bij de eerste geluidjes van het kleine schepsel, op het pijn-verwrongen
+gezicht der moeder, die plotselinge ontslaking, een glimlach als een
+licht zaagt schijnen; gij die dan de &agrave;lle-sm&agrave;rt-verg&eacute;telheid, de als
+overmoedige en jeugd-dronken vreugde, den zaligen trots zaagt stralen,
+tot die weer ebde, heel zacht, ter zoete zelf-inkeer, het zich-zelf tot
+rustig-zijn dwingen, om z&oacute;&oacute; groot heil niet te verbeuren; gij, die ooit
+beluisterd hebt die eerste moeder-woordjes, als kleine bloemen
+ontrankend de m&agrave;chtig-sterke, de van zelfbedwang &egrave;n popelend verlangen
+b&eacute;vend-v&agrave;ste liefde; ontbloeiend de diepste diepten van de ziel en het
+hart, als &ograve;pen, r&egrave;ikende kelken, naar het kindje toe&mdash;peilt gij,
+w&eacute;tenden, de ontzettende en nooit te heelen wonde, het afgrondige leed
+van de moeder, die na z&oacute;&oacute; kort dien hemel te hebben genoten, met den
+vloek der kinderloosheid, <i>menschelijk-moedwillig</i> wordt belast; peilt
+gij den haat, den wrok, het gevoel van verlatenheid, de wanhoop aan alle
+deugd, de verstarring tot ego&iuml;sme, die in die vrouw zullen gaan leven,
+leven hun bestaan van monsters, waar engelen hadden kunnen zijn.... En
+h&egrave;bt ge dit alles doorvoeld.... Och... ja.... Z&agrave;l ik u dan nog wel
+vragen of Th&eacute;r&egrave;se Le Vasseur aan haar misdrijven, welke ze ook mogen
+geweest zijn, in waarheid schuldig staat, dan wel de man, die haar d&agrave;t
+aandeed?... Maar gij wendt u af, <span class="pagenum"><a name="p183" id="p183"></a>[p.183]</span> ge ziet naar uw eigen kinderen,
+uw blikken gaan zegenend naar hen uit... en ik versta u: zonder mijn
+vraag te wachten en zonder te antwoorden, h&egrave;bt ge haar beantwoord....</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Want ook dit weten wij, nietwaar: &eacute;&eacute;n deugd voor alle moet door ons
+geleerd worden, het is zij, die alle bevat. Die haar in volkomenheid zou
+bezitten&mdash;maar geen m&egrave;nsch kan dat&mdash;kan intreden tot alles wat waardevol
+is; de sleutel tot het hooger denkvoelen, de ingang tot de waarheid en
+het onschokbare geluk is zij: het altru&iuml;sme, in haar hoogsten vorm, voor
+ons onbereikbaar: de volkomen ik-vergetelheid. Maar de Natuur, de Al
+wijze, die geen haast kent, die van graad tot graad en van trede tot
+trede de wezens laat opwaarts klimmen, heeft drie groote Liefden in hun
+zielen opgericht, <i>drie onderrichters van het altru&iuml;sme</i>, die
+achtereenvolgens in hun bewustzijn verschijnen, met het wonder hunner
+gestalte en van hun stem. De eerste is nog geen straffe Leerares. Zij
+onderricht het altru&iuml;sme spelenderwijze. Hoe zou zij ook anders: even,
+slechts &eacute;ven na het eerst ontwaken van het bewustzijn, verschijnt ook
+zij, een engeltje even klein en speelgenoot van het kindje, groeit zij
+daarmee op. Zij is de kinderliefde, de ego&iuml;stische, die veel vraagt en
+weinig schenken kan. Maar al opgroeiend komen er toch tijden, dat het
+kind zelfs zijn hartebloed voor zijn ouders zou willen geven.... En zie
+nu, zie: dat kleine speelgenootje heeft dan toch niet slechts met het
+kindje gesp&eacute;&eacute;ld, het heeft, met hem opgroeiend en slechts weinige zijner
+ego&iuml;stische en levenshongerige nukken weerstrevend, klaarblijkelijk &oacute;&oacute;k
+hem onderricht&mdash;in altru&iuml;sme.&mdash;Dan komt er een tijd.... Zij verlaat haar
+speelgenoot niet, maar treedt achteruit: de tweede groote Liefde
+verschijnt, een strenger Leerares: de liefde tusschen man en vrouw; veel
+ego&iuml;sme weerstreeft zij, veel opofferingen vraagt zij, veel ontzegging
+van de genoegens en verlangens van het ik; maar veel ego&iuml;sme duldt zij
+nog&mdash;de Alwijze gebood haar, niet t&egrave; streng in het onderricht te zijn.
+Ook is haar sfeer zuiver noch doorzichtig, vooral niet in den man. De
+driftige zinnen dringen om haar heen, hun <span class="pagenum"><a name="p184" id="p184"></a>[p.184]</span> hoog opgeheven
+flambouwen werpen smokerige en roode gloeden, trekken misvormende
+schijnsels over haar Venusgelaat. Ja, soms zijn haar de zinnen
+voortrennende paarden: d&agrave;n leidster en meegevoerde, stralend in de
+overwinningen, de slapen omkranst, vaart zij, een grond-opwervelende
+storm, een lichtende davering voorbij.&mdash;Maar ten leste verschijnt der
+Drie hoogst tronende: uittreding van de Ziel der wereld op dier gelaat
+is zij, &eacute;&eacute;nig beeld van de oneindigheid, want ook de grenzen van haar
+wezen zijn nimmer gevonden; ouders kennen haar zee&euml;n van gevoel, doch
+hun diepte of breedte zijn niet te kennen; ouders zien haar hemel, hun
+kinderen zijn de gesternten daaraan, maar zijn hoogte is niet te
+weten.... Ego&iuml;sme wordt in haar niet gekend, het is een onverstaanbaar
+woord uit andere tijden, uit andere landen. Zij leeraart niet, zij <i>is</i>
+het altru&iuml;sme, zij is ook niet straf, niet streng, zij k&agrave;n het niet
+zijn: de opofferingen, die zij verlangt, worden niet als opofferingen
+gevoeld; de afstand, dien zij eischt van zooveel begeerten van het ik,
+worden een r&igrave;jker-worden bevonden! Voor het eerst dan van zijn leven
+wellicht, voelt een mensch het altru&iuml;sme n&igrave;et een bedwinging zijner
+begeerten, voor het eerst niet als een moeilijk te verkrijgen en lastig
+te volgen deugd, voor het eerst niet als een sfeer, waarin hij slechts
+bezwaarlijk leven kan. Integendeel: zijn begeerten <i>zijn</i> altru&iuml;stisch,
+z&ograve;nder die deugd <i>kan</i> hij nu niet leven en in h&aacute;&aacute;r sfeer beweegt hij
+zich nu opperst gelukkig, natuurlijk en vrij als in den staat, die zijn
+meest ongerepte natuurlijkheid het best past. Gelukkig de man en de
+vrouw, die dit hebben gekend, voor zij sterven, zij hebben niet
+tevergeefs geleefd. Rijker aan eigen waarde keeren zij terug van waar
+zij werden gezonden. <i>Want kinderen leeren den ouders oneindig meer, dan
+ouders den kinderen</i>. Jonkheid ontlokt Ouderdom zijn schoonste
+gevoelens. Zij u de zon het stralend symbool daarvan, wier glanzende
+jeugd der oude en verkillende aarde alle de schoone gestalten der
+bloemen, dieren en menschen ontlokt....&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Langs den weg van ons gevoel zijn wij van ons uitgangspunt <span class="pagenum"><a name="p185" id="p185"></a>[p.185]</span>
+heengetrokken. En deze, die geen dwaalweg was, heeft ons, naar onzen
+wensch, daarheen teruggebracht. Zeg mij nu: van deze groote
+leering-in-altru&iuml;sme, van het onderricht in die deugd, welke alle
+deugden omsluit, van dit opperst geluk, deze blijde natuur werd Th&eacute;r&egrave;se
+Le Vasseur menschelijk-moedwillig beroofd. Heeft men nu nog van noode,
+ten einde haar verdediging te voeren, hare ondeugden te bedekken, of is
+er eenige reden voor ons deze waarheden te verzwijgen, om de blaam,
+waarmede zij den man treffen, die haar dat aandeed?...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Ik zie haar gaan door de dagen, all&eacute;&eacute;n in haar onwetendheid, all&eacute;&eacute;n met
+haar wrok, all&eacute;&eacute;n met het schrijnende bewustzijn van haar gemis, naast
+den man, dien zij daarvan de oorzaak weet en die, verzonken, d&agrave;n in de
+droomen van zijn genie of van zijn eerzucht, d&agrave;n in die zijner liefde of
+zijner angst, vaak zelfs haar bestaan niet schijnt op te merken. All&eacute;&eacute;n
+weet zij zich, een eenzame huissloof, al het nederige werk doende;
+achter haar rug uitgelachen&mdash;hoe zal haar dit hebben gestoken!&mdash;door
+haar man, die grapjes op haar onwetendheid maakt, bij wiens voorname
+vrienden zij zelden komt, aan wiens tafel zij zelfs niet zit, wanneer
+hij een dier vrienden te gast heeft; in haar gezicht uitgelachen door de
+bedienden van Rousseau's gastheeren, die in haar een dienstmeid zagen en
+niets meer. Hoe vaak zal zij aan haar kinderen hebben gedacht, die haar
+steun hadden kunnen zijn, vleesch van haar vleesch, bloed van haar
+bloed; met wie zij had kunnen praten, die haar hadden begrepen en met
+haar zouden hebben meegeleefd in haar kleinheid en onwetendheid,
+wellicht; die, z&eacute;ker, haar een vertroosting zouden zijn geweest voor
+veel. Hoe moet zij soms dien man hebben gehaat, toch zorgvuldig met haar
+boersche sluwheid, haar onovertrefbare slimheid van niet veel meer dan
+analphabete, wier verstandskracht door niets anders wordt verbruikt,
+haar voelen verbergend&mdash;en t&ograve;ch daarin niet slagend bij <i>Rousseau's
+vrienden</i>! die zagen juist, Mevr. Holst!&mdash;in de eerste jaren daartoe
+gedwongen door, en onder leiding van haar megera van 'n moeder, in wier
+<span class="pagenum"><a name="p186" id="p186"></a>[p.186]</span> karakter schraapzucht, valschheid en lust tot intrigeeren al het
+andere overheerschten; in de latere jaren, met veel behendigheid, uit
+eigen inzicht en z&ograve;nder hulp alles doende, goed of slecht, wat
+verhinderen kon, dat Rousseau aan haar invloed ontsnapt; alles doende
+wat hem sterker aan haar binden kan. Waarom? Zie haar op het eind van
+haar leven, aan de deur van de <i>Com&eacute;die Fran&ccedil;aise</i> de hand ophouden voor
+een aalmoes, en ge weet het! E&eacute;nmaal gedurende de lange jaren van haar
+leven met hem, schijnt haar beleedigde vrouwelijkheid haar te sterk te
+zijn geworden. Rousseau spreekt namelijk van een "refroidissement dans
+Th&eacute;r&egrave;se" en wijt deze aan de abstinentie waartoe hij zich verplicht
+voelde, zoowel met het oog op zijn wankelende gezondheid, als om niet in
+een herhaling van zijn vijfvoudig herhaald misdrijf te moeten vervallen.
+Dat was echter hoogstwaarschijnlijk de ware oorzaak niet. Die moet
+gezocht worden in zijn verhouding tot Mad. d'Houdetot: onder Th&eacute;r&egrave;se's
+oogen hadden de maneschijn-wandelingen plaats gevonden, onder haar oogen
+was de geheele geschiedenis afgespeeld. Welke vrouw zou zich hier niet
+beleedigd hebben gevoeld, ten eerste, door het <i>feit-zelf</i>, maar dan, en
+wellicht vooral, door de minachting jegens haar, die uit de
+omstandigheid sprak, dat haar man niet de minste moeite deed, iets ervan
+voor haar te verbergen<a name="FNanchor_67_82" id="FNanchor_67_82"></a><a href="#Footnote_67_82" class="fnanchor">[67]</a>. Zoo heeft zij, in hardnekkig zelfbedwang,
+zich vast aan hem gehecht, hem nimmer loslatend, hem overal volgend, hem
+met haar invloed omwikkelend als met een web, gehaat daarom en in haar
+drijfveeren door allen doorzien, die haar dan ook "<i>une cerb&egrave;re
+odieuse</i>" noemden, door Rousseau alleen niet doorzien. Zij heeft met hem
+de jaren doorgebracht, wrokkend zonder twijfel, hatend zonder twijfel,
+toch soms ook weer, dunkt mij, neigend naar een zachte verteedering en
+liefde voor hem, bij het zien zijner ongelukken en hulpeloosheid. Maar
+dan kwam altijd weer die stekende gedachte aan haar verloren kinderen,
+die haar kracht moet hebben <span class="pagenum"><a name="p187" id="p187"></a>[p.187]</span> gegeven te doen wat zij deed; die,
+dra na het ontluiken weer, al de zachtere gevoelens deed verwelken; die
+haar moet hebben ingefluisterd, dat zij het recht had, tegenover hem,
+die haar den natuurlijken steun van haar ouden dag had ontroofd, door
+&egrave;lk middel en trots alles te zorgen, dat het levensonderhoud, dat haar
+van hem, bij zijn leven en na zijn dood, kon geworden, haar niet
+ontging. Zoo hebben in dit hart&mdash;ik herhaal het: &agrave;l zijn vrienden hebben
+het gezien!&mdash;monsters gewoond, omdat&mdash;'t geen zijn vrienden en ook Mevr.
+Holst ni&egrave;t hebben gezien&mdash;Rousseau de engelen had verdreven. Zoo heeft
+zij stil gewacht.... Dan sterft hij... de dwang is uit, al haar
+weggedrongen instinkten spr&igrave;ngen nu op.... Nu, op haar ouden dag gaat
+zij zich uitleven.... Na het leven met dien man, dien zij niet meer
+liefhad; na het leven met hem, dien zij de wereld een Groote hoort
+noemen, maar die tegenover haar met dat al zijn simpelste plichten met
+voeten getreden had, wil zij nu een van haar soort, die dan wel niet die
+verhevenheid heeft, waarvan zij toch niets begrijpt, maar die haar, in
+zijn gewone menschelijkheid, wel niet zoo behandelen zal als hij heeft
+gedaan. De schuchterheid, de kuischheid, die ze in haar jeugd, gelijk we
+zagen, bezat, het geloof in de deugd, och kom, dat is nu alles gekheid
+voor haar geworden.... Ze heeft veel gezien en veel ondervonden.... Niet
+voor niets heeft zij de <i>handelingen</i> van Rousseau jegens haar gezien,
+niet voor niets de groote wereld jaren lang bespied.... Ingetogenheid is
+goed voor zulke domme mallootjes uit het volk, als zij in haar jeugd er
+een was!... Genieten moet je, genieten, zooals allen om je heen! En met
+haar stalknecht jaagt ze er dan in een paar jaar een burgermanskapitaal
+doorheen, als vroolijke erfgenamen, die, in juichende brooddronkenheid,
+het geld van een gehaten of hun onverschillig geweest zijnden erflater
+verkwisten.... Neen, die Th&eacute;r&egrave;se Le Vasseur's leven <i>kent, doorvoelt</i>,
+behoeft te harer verdediging haar figuur niet te verfraaien. Hare
+slechtheden waren geboet v&oacute;&oacute;r zij ze beging, door de oorzaak, waaruit ze
+ontstonden. Arme vrouw, misleid door onwetendheid en door haar
+mishandelde instincten; <span class="pagenum"><a name="p188" id="p188"></a>[p.188]</span> moeder, die hare kinderen niet heeft
+gekend, en zij had ze zoo gaarne gekoesterd; die nu, op hare beurt, hun
+steun missen moet: op tachtigjarigen leeftijd bedelt zij op straat haar
+dagelijksch brood!...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Met het leven van twee vrouwen is dat van den mensch Rousseau langdurig
+vervlochten geweest. Het onderzoek van zijn gedrag zoowel jegens de eene
+als de andere, wijst op oneindig meer leelijks dan schoons in zijn
+karakter. Zijn uit alles blijkend neerzien op Th&eacute;r&egrave;se verhinderde hem te
+begrijpen, wat hij h&aacute;&aacute;r had aangedaan. Wat Madame de Warens aangaat,
+jegens haar noemde hij zich-zelf "ingrat," al heeft hij ook daar
+allerlei schoonschijnende redenen bij de hand, om die zelfveroordeeling
+haar scherpte te ontnemen. Behaagden hem dan ook in Th&eacute;r&egrave;se slechts de
+frisch-open zinnelijkheid, de gezonde kracht en de eenvoudige
+huiselijkheid van het volkskind, aan Madame de Warens verbonden hem een
+diep-gewortelde psychische overeenkomst &egrave;n een diep-geworteld
+&mdash;verschil. De overeenkomst bestond daarin, dat zij beiden uiterst
+impulsive menschen waren, wezens van <i>gevoel</i> v&oacute;&oacute;ral. Het verschil: bij
+Rousseau ging dat gevoel <i>denken</i> vooraf. Het moeizaam-schrijdend volk
+zijner denkbegrippen trok nimmer op, v&oacute;&oacute;r hen de lichtende wolk van een
+droom den weg wees. Beter is het wellicht te zeggen, dat Rousseau's
+denken z&ugrave;lk een arbeider geleek, die immer ter verkwikking zijn weg
+neemt langs een dichtbegroeid land, wanneer hij zich in den vroegen
+ochtend naar de strenge en harde fabriek begeeft, om daar den loop der
+onverbiddelijk in elkaar grijpende raderen te bewaken, en die in het
+vrije middaguur w&eacute;&eacute;r ter verpoozing naar dat land gaat en zich vlijt in
+het hooge gras.... Want naar zijn eigen getuigenis werd zijn denken ook
+telkens onderbroken door divageerend gedroom.... Bij Madame de Warens
+echter ging het gevoel <i>handelen</i> vooraf; elke droom, elke fantasie
+veroorzaakte bij haar een h&agrave;ndelen, dat, gelijk het denken bij hem,
+telkens door opnieuw-fantaseeren werd onderbroken. De psychologische
+verklaring van: de rust, de volkomen tevredenheid, de afwezigheid van al
+<span class="pagenum"><a name="p189" id="p189"></a>[p.189]</span> ongedurigs en gejaagds, die Rousseau in tegenwoordigheid van
+Mad. de Warens gevoelde, ligt dan ook mijns inziens nergens anders dan
+in die overeenkomst en dat verschil: wat h&egrave;m ontbrak, waarom hij vaak
+zich-zelf minachtte en welk gemis hij, wellicht onbewust, weet aan het
+predomineeren van zijn gev&ograve;el: <i>het snel-doortasten, de moed tot de
+daad</i>, dat zag hij bij haar <i>juist uit het gevoel</i> ontkiemen! Zoo,
+tegelijkertijd, verzoende het hem met den <i>grondslag</i> van zijn wezen &egrave;n
+voelde hij dit, in de twee&euml;enheid van hun beider bestaan, bevredigend en
+berustigend <i>aangevuld</i>.&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>En wat nu zijn korte, maar voor de vrijmaking van zijn genie hoogst
+beteekenisvolle, verhouding tot Madame d'Houdetot betreft, d&egrave;ze heeft
+Mevr. Holst, gelijk ik reeds vroeger zei, prachtig doorvoeld. Die
+verhouding bleef dan ook beiderzijds rein en edel, zoodat de uit Mevr.
+Holst's historisch-materialistische aesthetiek voorspruitende
+verfraai&iuml;ngstendenzen hier tot het vertroebelen harer visie geen
+aanleiding hadden.&mdash;</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<div class="footnotes"><h4>NOTEN:</h4>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_34_49" id="Footnote_34_49"></a><a href="#FNanchor_34_49"><span class="label">[34]</span></a> Mevr. Holst, J.J. Rousseau. Blz. 158, 159,
+160.&mdash;Cursiveering van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_35_50" id="Footnote_35_50"></a><a href="#FNanchor_35_50"><span class="label">[35]</span></a> <i>Les Confessions</i>, blz. 1. Cursiveering van Rousseau.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_36_51" id="Footnote_36_51"></a><a href="#FNanchor_36_51"><span class="label">[36]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 33. Cursiveering, ook
+in de beide voorafgaande citaten van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_37_52" id="Footnote_37_52"></a><a href="#FNanchor_37_52"><span class="label">[37]</span></a> Hier kunt ge nu, lezer, mocht ge er lust toe gevoelen, als
+arbiter tusschen mijn literairen criticus en mij optreden! <i>Hij</i> meende,
+dat Mevr. Holst de klaarblijkelijk juiste subjectieve waarheid <i>wel</i>
+bezeten heeft, maar dat haar tendentieuse lagere persoonlijkheid die
+verminkt heeft tot 't dan onechte, dat wij nu kennen. <i>Ik</i> neem liever
+aan, dat zij <i>niet</i> in haar was. Veel doet 't er niet toe, wie gelijk
+heeft, want in <i>beide</i> gevallen, zooals wij zullen zien, valt <i>op den
+invloed der historisch-materialistische aesthetiek de schuld.</i></p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_38_53" id="Footnote_38_53"></a><a href="#FNanchor_38_53"><span class="label">[38]</span></a>...maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos, want de
+overwinning der burgerlijke klassen bracht niet vrijheid en gelijkheid,
+niet vrede en recht, zooals zij geloofden, maar meer ellende, dan de
+aarde ooit gekend had; riep niet in den mensch de aandriften van
+broederlijkheid wakker, maar van hebzucht en heerschzucht en nijd." Blz.
+159.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_39_54" id="Footnote_39_54"></a><a href="#FNanchor_39_54"><span class="label">[39]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_40_55" id="Footnote_40_55"></a><a href="#FNanchor_40_55"><span class="label">[40]</span></a> Zie noot vorige pagina. ([39])</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_41_56" id="Footnote_41_56"></a><a href="#FNanchor_41_56"><span class="label">[41]</span></a> Confessions. Cursiveering van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_42_57" id="Footnote_42_57"></a><a href="#FNanchor_42_57"><span class="label">[42]</span></a> zie noot 2 vorige pagina. ([41])</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_43_58" id="Footnote_43_58"></a><a href="#FNanchor_43_58"><span class="label">[43]</span></a> ibid.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_44_59" id="Footnote_44_59"></a><a href="#FNanchor_44_59"><span class="label">[44]</span></a> <i>Zie Seconde lettre &agrave; M. de Malesherbes</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_45_60" id="Footnote_45_60"></a><a href="#FNanchor_45_60"><span class="label">[45]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_46_61" id="Footnote_46_61"></a><a href="#FNanchor_46_61"><span class="label">[46]</span></a> Confessions.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_47_62" id="Footnote_47_62"></a><a href="#FNanchor_47_62"><span class="label">[47]</span></a> Hoe Rousseau inderdaad aan deze mogelijkheid gedacht
+heeft, moge de volgende uitlating bewijzen: De tout ce que j'ai dit
+jusqu'&agrave; pr&eacute;sent, il en est rest&eacute; quelque trace dans tous les lieux o&ugrave;
+j'ai v&eacute;cu....&mdash;Einde Livre IV, Confessions. De voorvallen, waarvan hier
+sprake was en zijn zal, behooren dus alle tot die, die "een spoor hebben
+achtergelaten."&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_48_63" id="Footnote_48_63"></a><a href="#FNanchor_48_63"><span class="label">[48]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau. Blz. 36.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_49_64" id="Footnote_49_64"></a><a href="#FNanchor_49_64"><span class="label">[49]</span></a> Confessions.&mdash;Cursiveering van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_50_65" id="Footnote_50_65"></a><a href="#FNanchor_50_65"><span class="label">[50]</span></a> Er is nog een andere en zeer <i>beteekenisvolle</i> zijde aan
+de zaak, welke echter pas belicht kan worden bij de behandeling der Le
+Vasseur-figuur.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_51_66" id="Footnote_51_66"></a><a href="#FNanchor_51_66"><span class="label">[51]</span></a> Confessions.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_52_67" id="Footnote_52_67"></a><a href="#FNanchor_52_67"><span class="label">[52]</span></a> Confessions. Cursiveering van mij.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_53_68" id="Footnote_53_68"></a><a href="#FNanchor_53_68"><span class="label">[53]</span></a> Ik geloof, dat dit over 't algemeen het "wilde" leven van
+vele groote artisten verklaart. Men zie overigens mijn 3den "Brief over
+Literatuur."</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_54_69" id="Footnote_54_69"></a><a href="#FNanchor_54_69"><span class="label">[54]</span></a> Dans ces temps-la m&ecirc;me o&ugrave; Rousseau entretenoit l'Europe de
+ses souffrances, <i>je ne l'ai jamais vu incommod&eacute;</i>; il cheminoit,
+gambadoit, atteignoit avant les autres le sommet des montagnes, et
+mangeoit de fort bon appetit" (d'Escherny, geciteerd bij Petitain.)</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_55_70" id="Footnote_55_70"></a><a href="#FNanchor_55_70"><span class="label">[55]</span></a> d'Escherny.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_56_71" id="Footnote_56_71"></a><a href="#FNanchor_56_71"><span class="label">[56]</span></a> Schetsen en Critische opstellen, blz. 149&mdash;150.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_57_72" id="Footnote_57_72"></a><a href="#FNanchor_57_72"><span class="label">[57]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 87: "Het wordt tijd
+dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen minder
+bevooroordeeld door <i>klassegevoel</i>," enz. enz.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_58_73" id="Footnote_58_73"></a><a href="#FNanchor_58_73"><span class="label">[58]</span></a> H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 82.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_59_74" id="Footnote_59_74"></a><a href="#FNanchor_59_74"><span class="label">[59]</span></a> G. Petitain, Appendix aux Confessions.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_60_75" id="Footnote_60_75"></a><a href="#FNanchor_60_75"><span class="label">[60]</span></a> H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 252.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_61_76" id="Footnote_61_76"></a><a href="#FNanchor_61_76"><span class="label">[61]</span></a> Ibid., blz. 83.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_62_77" id="Footnote_62_77"></a><a href="#FNanchor_62_77"><span class="label">[62]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 83.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_63_78" id="Footnote_63_78"></a><a href="#FNanchor_63_78"><span class="label">[63]</span></a> Confessions. Cursiveering van mij.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_64_79" id="Footnote_64_79"></a><a href="#FNanchor_64_79"><span class="label">[64]</span></a> Confessions. Cursiveering van mij.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_65_80" id="Footnote_65_80"></a><a href="#FNanchor_65_80"><span class="label">[65]</span></a> Confessions.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_66_81" id="Footnote_66_81"></a><a href="#FNanchor_66_81"><span class="label">[66]</span></a> Confessions.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_67_82" id="Footnote_67_82"></a><a href="#FNanchor_67_82"><span class="label">[67]</span></a> Men zie eens wat Petitain, in een noot bij de Confessions,
+van de d'Houdetot-geschiedenis met betrekking tot Th&eacute;r&egrave;se zegt. En deze schrijver is waarlijk geen vriend van Th&eacute;r&egrave;se.&mdash;
+</p></div></div>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p190" id="p190"></a>[p.190]</span></p>
+
+<h3>IV.</h3>
+
+<p class="sidenote">
+Conclusi&euml;n.
+</p>
+
+
+<p>Enige overwegingen, verband houdend met den meer practischen kant van
+het leven onzer tijden, mogen dit opstel besluiten; overwegingen, die
+eensdeels de literaire onderrichter van het intelligent en talrijk in
+den Diamantbewerkersbond georganiseerd proletariaat, anderdeels de
+letterkundige criticus, het &oacute;&oacute;k op ervaring steunend recht meent te
+hebben, hier zonder omwegen te uiten: Indien de marxistische aesthetiek
+verderfelijk is voor de kennis van de waarheid, zoowel betreffende den
+aard van het Scheppend Vermogen der kunstenaars als van hun werken, h&ograve;e
+verderfelijk zal zij dan wel niet zijn voor de opvoeding tot
+kunstgenieten van breede volkslagen, wier uitteraard blinde en
+strompelende oordeelskracht, het den bodem besnuffelende hondje dezer
+kunstleer cadeau krijgt, om haar te leiden!</p>
+
+<p>D&agrave;t is wel het meest beteekenende aller dingen, die met dit geheele
+vraagstuk in verband staan. D&agrave;t is wel de voornaamste vraag, die zich
+aan elken onderzoeker dier aesthetiek zal voordoen, de voornaamste ook
+die ik zag, maar niettemin het laatst te berde bracht, omdat ik wilde,
+dat mijn voorafgaand betoog, mij in de oogen van, ik twijfel er niet
+aan, ieder aandachtigen en onbevooroordeelden lezer het recht zou geven,
+de vraag <i>of</i> deze aesthetiek verderfelijk is als beantwoord te
+beschouwen en slechts de <i>mate</i>, waarin <span class="pagenum"><a name="p191" id="p191"></a>[p.191]</span> zij het is, nog voor
+discussie vatbaar te achten. Die mate!... Ik denk hier aan Francesca di
+Rimini in den <i>Inferno</i>. De wervelstorm, die haar meevoert en omvangt,
+laat haar met den geliefde even vrij, als Dante nadert; zij spreken tot
+elkander, het is een zoet oogenblik van troost voor haar, &eacute;&eacute;n oogenblik
+van rust.... Ik denk daar n&ugrave; aan, omdat het de
+historisch-materialistische aesthetici zijn, die de Kunst verhinderen
+het omstormde proletariaat te naderen als een <i>verademing-brengende
+troost.</i> Ik denk daar n&ugrave; aan, omdat zij het volk niet de kunst doen
+zien, als een machtig wezen, in zijn diepste essentie staande buiten de
+bewogenheid der tijden en hun wisseling, dat voor elken geluk en rust en
+verademing behoevenden mensch zijn armen open spreidt, maar omdat zij,
+in dwaling bevangen, haar het volk doen zien, als z&egrave;lf een macht van den
+storm, die hen omslingerend jaagt. En z&oacute;&oacute; doende&mdash;en dat is het
+jammerlijkste&mdash;laten zij het proletariaat het veredelende van den strijd
+alleen, het schokkend genot van de overwinning, het opvoedend leed van
+de nederlaag, maar ontnemen het de veredeling door de rust, de sereene
+en klare, die diepe bevrediging, welke <i>zuiver</i> kunstgenot schenkt.&mdash;Het
+was dan ook geen kunstmaniak, geen verslaafde l'art-pour-l'art-lettr&eacute;,
+die hier sprak; niet iemand, die buiten het leven staat, of wien de
+nooden en behoeften van het proletariaat vreemd zouden zijn, maar juist
+iemand, die door leven, werkkring en denken hen zeker even diep en innig
+kent als de door hem bestredenen; maar juist iemand, die vooral ter
+wille van het proletariaat, de kunst wil doen zijn, 't geen zij van
+<i>nature</i> is, in <i>dezen</i> tijd, gelijk in <i>alle</i> tijden.</p>
+
+<p>Zoude dan voor mij: "de kunst de zin van het leven zijn," "de wereld een
+ding om afgebeeld te worden"?! Neen, neen, z&oacute;&oacute; is het niet. Maar elke
+mensch, die niet geheel van <i>algemeen</i> inzicht is ontbloot, het leven en
+zijn broeders liefheeft en hen dienen wil, bepaalt zich er toe hen te
+dienen op die wijze als <i>met zijn aanleg het natuurlijkst strookt</i>. Dan
+<i>dient hij hen ook 't best</i>. De kunstenaar dus: door zonder bewuste
+bijoogmerken kunst te maken, en, indien hij tevens criticus is, door
+<span class="pagenum"><a name="p192" id="p192"></a>[p.192]</span> kunstwerken in hun <i>essentie</i> te doen begrijpen, niets meer. Het
+wijze exclusivisme van het l'art pour l'art beteekent dan ook <i>niet</i>: de
+kunst te dienen als ware zij het hoogste in het heelal en het einddoel
+van menschelijk streven, maar haar zoo te beoefenen als ieder scheppend
+werker zijn vak beoefenen moet: met volle toewijding aan, met volle
+concentratie zijner vermogens, terwijl hij werkt en schept, op het werk
+alleen; zijn aandacht z&ugrave;iver houdend, opdat hij eens der wereld zijne
+schepping moge geven, bijna z&oacute;&oacute; schoon als hij haar van de Natuur
+ontving. Z&oacute;&oacute; verricht hij zijn werk het best en z&oacute;&oacute; dient hij <i>dus</i> 't
+leven het best. Het is dan ook niet een pueriele opvatting van het
+leven, gelijk die aan de de-kunst-om-de-kunst-aanhangers
+caricaturiseerend-vervalschend wordt toegeschreven, maar het is juist
+het zien van 't leven als een oneindigheid, het is de deemoed tegenover
+het wijd-overkoepelende leven, dat hen leert zich te bepalen bij hun
+werk, klein of groot, waarvoor zij voelen geboren te zijn, en als een
+zijde worm, een kleine spin te zijn, die zijn draadje spant, zijn kleine
+webje weeft, ni&egrave;ts meer, d&agrave;t is genoeg ... en daarbij, zoo hun ook dat
+veroorloofd wordt, diep-tevreden, die als voltooiende gedachte te
+denken, die heerlijke zekerheid te voelen al hunne strevingen kronen:
+niet ik, zwakkeling, maar een Ander, zal eens, liefdevol, ook met m&igrave;jn
+web Menschheid's wonden stelpen, de Meesterwever ook m&igrave;jn draad in
+Menschheid's bruidskleed weven.... Wat zouden zij meer kunnen wenschen
+dan dat geluk?...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Keeren wij nu nog &egrave;ven na deze korte toelichting van het schijnbaar
+enge, maar inderdaad zeer ruime principe der m.i. meest inzichtsvolle,
+burgerlijke literaire aesthetiek, tot de diametraal daaraan
+tegenovergestelde, ons eigenlijk onderwerp, terug. Vestigen wij nog
+kortelijk op een andere, ontwijfelbaar ook gewichtige, zijde van het
+vraagstuk de aandacht. De waardeloosheid en de schadelijkheid der
+marxistisch-aesthetische begrippen voor de literaire critiek werd
+uitvoerig in dit opstel aan het werk der meest beteekenende aanhangers
+dier <span class="pagenum"><a name="p193" id="p193"></a>[p.193]</span> begrippen, in ons land, aangetoond. Mij dunkt, dat men, na
+d&agrave;t gezien te hebben, het recht heeft te vragen: w&agrave;t zullen de mindere
+goden wel produceeren, als zij volgens deze methode gaan werken? En dat
+zullen zij! Want juist voor dezulken, die uit zich-zelf ni&egrave;ts over kunst
+kunnen voelen of denken, opent zij de welkome gelegenheid, om meters
+druks te vervaardigen over het <i>bijkomstige</i> in een kunstwerk, <i>het
+eenige waar zij bij kunnen</i>, en dat niets ter zake doet! En daar ligt
+een tweede, een waarlijk niet te onderschatten gevaar van het stelsel.
+Dat gevaar, men begrijpe mij wel, ligt dus volstrekt niet daarin, dat
+deze critici de bas &eacute;tage, deze phrasen-kooplui uit de literaire
+voddenkelders tendentieus zouden worden! Och neen, werden zij 't maar!
+Tendentieus zijn in den zin, waarin ik 't thans bedoel, gepossedeerd
+zijn door 't een of ander naar een hoog ideaal gericht streven, dat is
+toch apr&egrave;s tout iets van een <i>voornamen</i> geest.... En zij en een
+voorname geest!... D&agrave;t zou 'n &aacute;&aacute;rdige vooruitgang voor hen zijn, komaan!
+Ik heb eens hun, al zeg ik 't zelf, welgelijkend portret geteekend.
+Daardoor, gelukkig! behoef ik het thans niet meer te doen. Ik heb toen
+<i>aangetoond</i> wat zij zijn en niet zijn. Maar wel beschouwd w&agrave;s voorheen
+iets dergelijks overbodig. Tot nu toe werd toch eigenlijk niemand hun
+dupe. Ten slotte voelde ook het botste publiek de phrase, het idiote
+volmaakt-niet-begrijpen in hun geschrijf. Want tusschen den waren, den
+kunstenaar-criticus, den eenige, die literaire critiek mag beoefenen,
+omdat alleen hij 't is, die <i>intu&iuml;tief</i> een kunstwerk doorvoelen kan, en
+deze phraseurs was er een t&egrave; enorm verschil. Maar zoodra deze
+kunstenaar-critici zelf gaan doen alsof het literair-critisch doorvoelen
+toch eigenlijk meer een wetenschap dan een kunst is en minstens evenzeer
+een aanleerbare vaardigheid als een gave, dan ... ja, dan zullen er
+zooveel voddenkelders, zooveel broodwinningnerinkjes, zooveel muffe en
+duffe winkelhuizen vol walmende petroleumlampen en kleverige rollen drop
+en vliegenpapier voor de smoezelige ruiten verrijzen, een klit van
+voetklemmende en gordelende parasieten, rondom&mdash;o heiligschennis!&mdash;de
+kerken en <span class="pagenum"><a name="p194" id="p194"></a>[p.194]</span> paleizen der literatuur, dat de latere dichters, de
+latere schoonheidsbegeerigen zich niet zullen k&ugrave;nnen neerzetten aan hun
+voet, om zich vredig en niet-gestoord weg te denken in 't leed, in de
+vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie hen schiepen,
+tenzij dan dat er een opsta onder hen, die mokerend heel dien
+achterstegen-bouw weer tot puin verbrijzelt.</p>
+
+<p>Aug.&mdash;Sept. 1913.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h4>VERTALINGEN BEHOOREND BIJ "HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITTERAIRE KRITIEK"</h4>
+<p><span class="pagenum"><a name="p195" id="p195"></a>[p.195]</span></p>
+
+<p>Blz. <a href="#p101">101</a> <i>Mestra</i>:</p>
+
+<p>Dochter van den koning Erisychtheion. Men zie de <i>Metamorphosen</i> van
+Ovidius Naso.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p123">123</a> <i>There are</i>:</p>
+
+<p>Er zijn veel dichters, die nimmer hebben geschreven.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p137">137</a> <i>Then from</i>:</p>
+
+<p>"Toen uit de spelonken van mijn droeve jeugd ik sprong," enz.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p148">148</a> <i>C'est le pardon</i>:</p>
+
+<p>Het is de vergiffenis om der wille van de glorie.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p149">149</a> <i>Je me suis montr&eacute;</i>:</p>
+
+<p>Ik heb mijzelf getoond, gelijk ik werkelijk was, verachtelijk en laag,
+wanneer ik zoo ben geweest; goed, grootmoedig, indien ik aldus was. Ik
+heb mijn innerlijk ontsluierd, z&oacute;&oacute; als gij zelf het hebt gezien, Eeuwig
+Wezen. Vergader rondom mij de ontelbare menigte mijner medemenschen; dat
+zij luisteren naar mijne bekentenissen, zuchten over mijne laagheden,
+blozen over mijn ellende. Dat elk hunner op zijn beurt en in dezelfde
+oprechtheid zijn hart uitstorte aan den voet van uw troon, en dat d&aacute;&aacute;rna
+&eacute;&eacute;n enkele het wage te zeggen: <i>Ik was beter dan deze</i>.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p149">149</a> <i>&agrave; tout prendre</i>:</p>
+
+<p>Alles bij elkaar genomen, ben ik een uiterst goed mensch.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p156">156</a> <i>L'Ann&eacute;e suivante</i>:</p>
+
+<p>Het volgend jaar, 1750, toen ik heelemaal niet meer aan mijn
+verhandeling dacht, vernam ik, dat zij te Dyon bekroond was. <i>Deze
+tijding deed al de denkbeelden, die mij bij het schrijven hadden
+vervuld, opnieuw ontwaken en bezielde hen met nieuwe kracht....</i></p>
+
+<p>Blz. <a href="#p156">156</a> <i>Tandis que je philosophois</i>:</p>
+
+<p>Terwijl ik aldus philosopheerde over de plichten van den mensch, dwong
+een gebeurtenis mij beter na te denken over mijne eigene. Th&eacute;r&egrave;se werd
+voor de derde maal zwanger. Te oprecht tegenover mij-zelf en innerlijk
+te fier om mijne principes <span class="pagenum"><a name="p196" id="p196"></a>[p.196]</span> in mijn daden te verloochenen, zette
+ik mij er ernstig toe, over het lot mijner kinderen na te denken.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p157">157</a> <i>D'ailleurs les principes &eacute;l&eacute;v&eacute;s</i>:</p>
+
+<p>Bovendien moesten mij wel de hooge principes, die ik mij had eigen
+gemaakt, boven dergelijke laagheden verheven doen zijn, en het is dan
+ook zeker, dat ik dat sedert dien gewoonlijk wel geweest ben. Maar dit
+vond toch niet zoozeer zijn oorzaak daarin dat ik de verleiding zou
+hebben overwonnen, maar veeleer in het feit, dat ik de oorzaak der
+verleiding vermeed en ik zou zeer bevreesd zijn evenzoo te stelen als in
+mijn kindschheid, zoo ik weer aan dezelfde begeerten onderworpen werd.
+<i>Het bewijs daarvan had ik ten huize van den heer de Mably</i>.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p159">159</a> <i>Il faut que</i>:</p>
+
+<p>Mij moet wel trots de meest eerbare opvoeding een sterke neiging tot
+ontaarden eigen zijn geweest, want dat voltrok zich heel snel en zonder
+eenigen innerlijken weerstand te ontmoeten, en nimmer verviel eenig
+vroegrijp Cesar zoo snel tot een Laridon.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p159">159</a> <i>d&eacute;lire inconcevable</i> = onbegrijpelijke razernij.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p159">159</a> <i>d&eacute;lire</i> = razernij, delirium.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p160">160</a> <i>De tout ce que</i>:</p>
+
+<p>Van alles wat ik tot hiertoe gezegd heb is er in alle plaatsen, waar ik
+geleefd heb, eenig spoor achtergebleven.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p161">161</a> <i>Je ne regarde</i>:</p>
+
+<p>De ellende en verlatenheid beschouw ik zelfs niet als de grootste
+gevaren waaraan ik haar heb blootgesteld. Wie weet hoever op haren
+leeftijd, de moedeloosheid der belasterde onschuld iemand brengen kan?</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p161">161</a> <i>Qui sait</i>: = wie weet.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p161">161</a> <i>Moi qui ne fit</i>:</p>
+
+<p>Ik, die nooit iemand kwaad deed....</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p163">163</a> <i>cette horreur du mal</i>:</p>
+
+<p>... deze afschuw van het kwaad in elken vorm, deze onmacht om iemand te
+haten of te schaden en zelfs om dat te willen; deze verteedering, die
+levendige en zachte bewogenheid, die ik bij den aanblik van alles, wat
+deugdzaam, grootmoedig en beminnelijk is, gevoel&mdash;kan dat alles in een
+en dezelfde ziel bestaan naast de verdorvenheid, die zonder eenig
+gewetensbezwaar de lieflijkste der plichten met voeten treedt? Neen, ik
+voel het en spreek het luide uit: dat is niet mogelijk. Nooit heeft Jean
+Jacques &eacute;&eacute;n oogenblik van zijn leven een man zonder gevoel, zonder
+erbarmen, een ontaard vader kunnen zijn. Zeer zeker heb ik mij kunnen
+vergissen, maar mij verstokken niet. Zoo ik mijne redenen zeide, ik zei
+te veel. <i>Daar zij mij immers hebben kunnen verleiden zouden zij dat ook
+vele anderen kunnen doen; ik wil de jongeren, die mij eens zouden kunnen
+lezen, er</i> <span class="pagenum"><a name="p197" id="p197"></a>[p.197]</span> <i>niet aan blootstellen, het slachtoffer van dezelfde
+dwaling te worden</i>.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p164">164</a> <i>petites bonnes gens</i> = goede luidjes.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p164">164</a> <i>grand hommes de nos jours</i> = groote mannen onzer dagen.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p164">164</a> <i>les raisons d&eacute;terminantes</i> = de beslissende redenen.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p164">164</a> <i>Out of season</i> = misplaatst.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p165">165</a> <i>jeunes gens</i> = jonge lieden.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p165">165</a> <i>Enfants-Trouv&eacute;s</i> = Vondelingenhuis.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p167">167</a> <i>Si jamais r&ecirc;ve d'un homme eveill&eacute;</i>:</p>
+
+<p>Zoo ooit de droom van iemand in wakenden toestand een prophetisch
+visioen geleek, dan was het wel deze.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p167">167</a> <i>et ce qui m'a frapp&eacute;</i>:</p>
+
+<p>En wat mij het meest in de herinnering aan deze mijmering heeft
+getroffen, was, dat toen zij zich verwezenlijkt had, ik mij van precies
+dezelfde voorwerpen omringd vond als die ik mij destijds had verbeeld.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p167">167</a> ... <i>la peur de l'enfer:</i></p>
+
+<p>... de vrees voor de hel maakte mij nog dikwijls opgewonden. Ik vroeg
+mij af: In welken staat ben ik? Zoo ik op dit oogenblik-zelf stierf, zou
+ik verdoemd worden? Ik zei tot mij zelf: Ik zal dit steentje tegen dien
+boom daar vlak tegenover mij werpen, zoo ik hem raak, is dat een teeken
+van heil, mis ik hem, dan beduidt het verdoeming. Aldus sprekend werp ik
+mijn steentje <i>met bevende hand en terwijl mijn hart vreeselijk
+klopte.... Sedert dien heb ik niet meer aan mijn zaligheid getwijfeld</i>.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p168">168</a> <i>Fontaine de Hi&eacute;ron</i>: een instrumentje om goocheltoeren mee te
+doen.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p170">170</a> <i>Lapidation</i>: steeniging.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p170">170</a> <i>Dans ces temps-la:</i></p>
+
+<p>In diezelfde tijden, waarin Rousseau Europa met klachten over zijn
+kwalen bezig hield, <i>heb ik hem nooit ongesteld gezien</i>; hij stapte
+voort, maakte luchtsprongen, bereikte v&oacute;&oacute;r de anderen de bergtoppen en
+at met zeer goeden eetlust.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p171">171</a> <i>Il partit donc</i>:</p>
+
+<p>Hij vertrok dan en verliet dengeen, wiens hart hij had gewonnen.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p171">171</a> <i>Lascia le donne e studia matematica</i> = Laat de vrouwen maar
+met rust en bepaal je ertoe wiskunde te studeeren.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p176">176</a> <i>La mani&egrave;re dont elle s'est conduite</i>:</p>
+
+<p>De wijze, waarop zij zich na zijn dood heeft gedragen, zou voldoende
+zijn elken twijfel op te heffen, indien wij ons niet reeds volkomen
+zeker voelden door het eensgezinde getuigenis van allen, die Rousseau op
+verschillende tijdperken zijns levens hebben bezocht. Het staat dan
+vast, dat zoowel te Motiers als te Wootton en overal, waar zij haar
+meester heeft gevolgd, ze, tot in zijn laatste oogenblikken, haar best
+heeft gedaan, argwaan <span class="pagenum"><a name="p198" id="p198"></a>[p.198]</span> en wantrouwen in hem te verwekken en te
+voeden en dat zij met het doel, met niemand zijn vertrouwen te moeten
+deelen en hem aldus beter te kunnen beheerschen, allen verdacht bij hem
+maakte, die in zijn nabijheid kwamen en erin slaagden, hem te behagen.
+Wat moet deze vrouw, die, toen zij zich te Motiers verveelde, niets
+verzuimde te doen wat er Rousseau het verblijf onverdragelijk kon maken,
+wel niet gedaan hebben in de eenzaamheid van Wootton, waar haar niets
+zoozeer na aan het hart moet hebben gelegen dan hem in de
+noodzakelijkheid te brengen, het te verlaten. Men kan dan ook verzekerd
+zijn, dat zij, om meer schijn van waarheid aan haar lasterlijke en
+valsche ingevingen te verleenen, de zegels van de aan haar meester
+gerichte brieven verbrak, die, dupe van dezen streek, er duizend
+gevolgtrekkingen uit afleidde, de eene nog vreemder dan de andere, over
+wier zonderlingheid zich echter niemand, die dit alles in aanmerking
+neemt, langer verwonderen kan.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p177">177</a> <i>Hume, Mercier</i>:</p>
+
+<p>Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, allen, die over Rousseau hebben
+geschreven, zijn 't op dit punt eens.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p179">179</a> <i>Je n'avois cherch&eacute; d'abord:</i></p>
+
+<p>Aanvankelijk had ik niets meer beoogd dan mij een <i>amusement</i> te
+verschaffen. Ik <i>merkte</i> echter, dat ik meer had gedaan en mij een
+gezellin had gegeven. Een weinig omgang met dit uitmuntende meisje, een
+weinig nadenken over mijn toestand, deden mij gevoelen dat ik, <i>slechts
+denkend aan mijn vermaak</i>, mijn geluk had gevonden.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p179">179</a> <i>Autrefois j'avois fait</i>:</p>
+
+<p>Vroeger had ik van haar uitdrukkingen een woordenboek samengesteld, om
+Mevrouw de Luxembourg te amuseeren, en hare kluchtige vergissingen zijn
+dan ook beroemd geworden in de kringen, waarin ik heb geleefd.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p180">180</a> <i>Enfin nous nous expliqu&acirc;mes</i>:</p>
+
+<p>Eindelijk vond er een verklaring tusschen ons plaats: schreiend bekende
+zij mij een enkelen misstap, vrucht van hare onwetendheid en de sluwheid
+van een verleider, tegen het einde harer kindsheid gebeurd. Zoodra ik
+haar begreep, slaakte ik een vreugdekreet. Maagdelijkheid! riep ik uit,
+wie zou die dan in Parijs, bij een twintigjarig meisje nog denken te
+vinden!</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p181">181</a> "<i>Une faute</i>":</p>
+
+<p>"Een vergrijp," zegt Petitain, "dat zij hem grootmoediglijk heeft
+vergeven."</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p182">182</a> <i>Je m'y d&eacute;terminai gaillardement</i>:</p>
+
+<p>Luchtig-weg nam ik het besluit, en zonder het minste gewetensbezwaar;
+het eenige, dat ik had te overwinnen, was dat van Th&eacute;r&egrave;se, die ik al de
+moeite van de wereld had, dit eenige middel, om haar eer te redden
+(sic!) te doen aanvaarden. <span class="pagenum"><a name="p199" id="p199"></a>[p.199]</span> Het volgend jaar dezelfde zwarigheid
+en dezelfde uitweg, slechts vergaten wij ditmaal een naamcijfer aan de
+kleertjes te hechten. (Met behulp van zulk een naamcijfer kon men dan
+later, als een kind door de ouders werd opge&euml;ischt, dit onder de menigte
+der in de vondelingenhuizen verpleegden terugvinden, v.C.) Overigens
+niet meer nagedachten mijnerzijds <i>noch goedkeuring</i> van den kant der
+moeder: <i>kermend gehoorzaamde zij.</i></p>
+
+<p>Blz. <a href="#p186">186</a> <i>Refroidissement dans Th&eacute;r&egrave;se</i> = Verkoeling in Th&eacute;r&egrave;se.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p186">186</a> "<i>une cerb&egrave;re odieuse</i>" = een afschuwelijke Cerberus.</p>
+
+<p>Blz. <a href="#p188">188</a> <i>Ingrat</i>: ondankbaar.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>II. DIDACTISCH</h3>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h3>VOORWOORD</h3>
+<p><span class="pagenum"><a name="p203" id="p203"></a>[p.203]</span></p>
+
+<p>Het woord <i>didactisch</i>, v&oacute;&oacute;r dit gedeelte van den bundel geplaatst, moge
+veel van aard en bedoeling der navolgende opstellen benevens de
+uitvoerigheid der daarin voorkomende analysen en de lengte der citaten
+verklaren&mdash;zekere eigenaardigheden van stijl en inhoud: de gemeenzame
+toon en de, feitelijk buiten het gebied der literatuurcritiek liggende,
+min of meer moraliseerende uitweidingen, eischen, dunkt mij, willen zij
+niet ontstemmend op een algemeen lezerspubliek werken, nog korte
+toelichting. Deze opstellen, op een enkele uitzondering na, werden
+geschreven voor en verschenen in <i>Het Jonge Leven</i>, het onder redactie
+van den heer Henri Polak staande <i>ontwikkelingsblad</i> van den A.N.D.B.
+Houdt de lezer dit in het oog, dan zal hij zich nu ongetwijfeld zoowel
+de aanwezigheid der bovengenoemde lichtelijk moraliseerende gedeelten
+kunnen verklaren&mdash;immers tot mijn lezerspubliek behoorden ook <i>zeer
+jonge lieden</i>, wien mijn gevoel mij drong het eene, dat zij al evenzeer
+van noode hebben als het andere, niet te onthouden, terwijl ik hun dat
+andere gaf&mdash;als den, hier en daar heerschenden, gemeenzamen toon, dien
+ik mij zeker niet zou hebben veroorloofd tegen een algemeen publiek aan
+te slaan, gesteld al, dat ik daartoe neiging zou hebben gevoeld, 't geen
+niet waarschijnlijk is. Hoe geheel anders echter lag hier het geval!
+Zelden heb ik bij het schrijven dezer opstellen het gevoel gemist, voor
+een <i>vriendenkring</i> te schrijven, en allerminst toen ik de zekerheid
+kreeg, dat de <i>ouderen vooral</i> <span class="pagenum"><a name="p204" id="p204"></a>[p.204]</span> mijne artikelen met genegenheid
+en aandacht lazen, een omstandigheid die mij bevestigde in de
+overtuiging, dat zij ook buiten de grenzen van den A.N.D.B. een invloed
+konden uitoefenen, die het doorvoelen en begrijpen van literatuur in ons
+land, ten goede komen kan. En moge menigeen glimlachen bij de gedachte,
+dat deze "vriendenkring" van lezers zeker wel niet onder de
+twintigduizend menschen tellen zal, niet hij die de eensgezindheid in
+den A.N.D.B. kent, de georganiseerde verwerkelijking van het zoo
+moeilijk te verwezenlijken "Een voor allen en allen voor een", de
+onderlinge trouw en het ver boven materieel winstbejag uitgaande gevoel
+van saamhoorigheid; niet hij, die wel eens een "Bondsvergadering" heeft
+bijgewoond, waar al die duizenden wel elkaar schenen te kennen, en als
+vrienden zoo gemoedelijk-intiem, voor de opening der bijeenkomst in
+rustig vertrouwen met elkander praatten; waar bij alle soms hooggestegen
+verschil van meening, nooit de kalm-zekere genegenheid van de
+blijmoedige gelaten verdween, nooit ook de joviale toon van hartige
+volksboertigheid werd gemist, als wisten al die menschen wel, dat die
+ruzietjes best en waarachtig wel als kleurige verzetjes op den effen en
+diepen stroom hunner eensgezindheid mochten drijven en wat rook en roet
+uitpuffen ook, wel ja&mdash;wat hinderde dat die breede en klare rivier! Hoe
+vaak heb ik daar blijde van de naar het podium in den lichtglans
+omhooggeheven gezichten gelezen die wellicht soms nauwelijks bewust maar
+enorm sterk werkende zekerheid, hier schouder aan schouder met vrienden
+en niets dan vrienden te staan, hier veilig te staan in &eacute;&eacute;nheid en door
+noest werken veroverde macht, hier heerlijk de menschen-waarde van
+zich-zelf en zijn lotgenooten te voelen, herwonnen op broodnijd, plat en
+bruut individualisme en concurrentie-haat.&mdash;Welnu, dit alles bedenkend,
+zal, vertrouw ik, de lezer zich door het gemeenzame in den toon der hier
+navolgende opstellen niet gekwetst voelen niet alleen, maar ook,
+begrijpend, hoe het voortsproot bij den schrijver niet uit een zich
+hooger voelen, doch uit een diepe en innige genegenheid, 't billijken,
+dat hij uit pi&euml;teit voor eigen gevoel&mdash;de <span class="pagenum"><a name="p205" id="p205"></a>[p.205]</span> eerste plicht eens
+schrijvers!&mdash;het liet zoo het was.</p>
+
+<p>Is hiermede mijn inlichtend woord tot den lezer van dit deel van den
+bundel ge&euml;indigd, de overtuiging, dat "wie aan den weg timmert veel ...
+bekijks heeft" legt mij de verplichting op, hier nadrukkelijk het
+volgende te verklaren: zoo dit mijn werk een blijvend nut zal blijken te
+hebben gebracht; zoo er harten door zijn opengebloeid in liefde tot het
+schoone, geesten erdoor gebracht zijn tot het begrijpen en doorvoelen
+van kunst, dan prijze men hen vooral, die de gelegenheid ertoe schiepen:
+het Bestuur van den A.N.D.B. en in de allereerste plaats zijn
+voorzitter, den Redacteur van <i>Het Jonge Leven</i>, mijn waarden en
+ge&euml;erden vriend Polak, die door de ruime en hooge opvatting van zijn
+taak, het rijke genot, voor mij aan mijn arbeid verbonden, z&eacute;&eacute;r heeft
+verhoogd en dus niet weinig tot het welslagen zal hebben bijgedragen;
+doch zoo het mocht blijken te hebben gefaald, dan prijze men hen niet
+minder, maar <i>lake uitsluitend mij</i>, die in volkomen onafhankelijkheid
+schrijvend wat ik wilde, een van de kostbaarste gelegenheden, zij het
+met de beste bedoelingen, zou hebben misbruikt.</p>
+
+<p>Maart 1914. DE SCHRIJVER</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p206" id="p206"></a>[p.206]</span></p>
+<h2>HOE LITERAIRE KUNST GELEZEN EN GENOTEN MOET WORDEN</h2>
+<p><a name="FNanchor_1_83" id="FNanchor_1_83"></a><a href="#Footnote_1_83" class="fnanchor">[1]</a></p>
+
+<p>Ik wil nu met u spreken over literatuur, haar wezen, haar verhouding tot
+eenige andere grootmachten van het geestelijk leven, het geluk en de
+veredeling, die zij geeft en hoe deze in u komen kunnen. Wat ik daardoor
+wellicht vermag, is: u haar te doen begrijpen met uw <i>verstand</i>. Het
+geluk en de veredeling, waarvan ik sprak, zult ge echter niet deelachtig
+worden voor gij haar zult begrepen hebben met uw <i>gevoel</i>. Is dat
+gebeurd&mdash;tegelijkertijd zijn zij in u. En gij zult een rijkdom, een
+troost, een toevlucht bezitten, wier weelde, wier innigheid, wier
+beveiliging aan niets geleken kan worden, dat ge v&oacute;&oacute;r dien bezat. Maar
+ook het eerstgenoemd begrijpen is geen geringe winste, en zal voor
+sommigen uwer allicht het middel blijken te zijn, het laatstgenoemde te
+bereiken. Veel zal afhangen van uw aanleg, uw ernst, uw wil, uw al of
+niet inzien van de waarheid, dat op dat hooger levensplan, waarop wij
+allen toch wenschen, dat ge eens zult staan, dit begrijpen noodig is als
+br&oacute;&oacute;d, als w&egrave;rk. De bibliotheek-statistiek van onzen Bond is niet
+bemoedigend. Ware die de steunstaf van mijn hoop, zij deed beter met
+niet op weg te tijgen; zinnelijkheid en lust tot grof
+romannetjes-geprikkel, verlangen naar verhit "geboeid"-zijn, deze, leert
+die statistiek, zitten bij de massa uwer voor, zijn haar raadgevers bij
+het boeken-kiezen. Maar mijn hoop <span class="pagenum"><a name="p207" id="p207"></a>[p.207]</span> leunt op een anderen staf: de
+adeldom van uw strijd, de worsteling uwer klasse. Die strijd is ook de
+groote Drijver, die u drijft. Zelf edel, stoot hij u het edele van het
+leven tegemoet. Hij de hijgend zwoegende, bezweet en zwart, worstelt uw
+massa &ograve;p de hooge wegen, waar de blanke, lichte gedaanten staan:
+Wetenschap, Kunst, Vrijheid. Gij moogt weerstaan of niet, hij st&oacute;&oacute;t u
+op. En telkens gaat zijn vorschersblik omhoog en zwaar ademend berekent
+hij den afstand, de terugwenteling stuitend op zijn reuzenborst; dan
+ziet hij weer naar ons, de medehoeders, mede-werkers, die in spanning
+wachten of zij mogen helpen.... Soms mogen wij dan, een enkel maal
+kunnen we.... Dit stuk wil zulk een hulp zijn.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Begin met dit goed te begrijpen: een voorwerp is altijd min of meer voor
+<i>eenige</i> doeleinden geschikt. Al naar uw inzicht, oogenblikkelijke
+behoefte, of door noodzakelijkheid gedreven, zult ge 't voor een dier
+doeleinden gebruiken, maar afgezien van waarvoor gij 't gebruikt zal het
+<i>uit zijn eigen aard</i> voor een of eenige van die verschillende
+doeleinden <i>het meest</i> geschikt zijn. En luister nu goed: wendt ge 't
+aan, waartoe 't <i>het meest</i> geschikt is, dan <i>ge</i>bruikt ge 't, wendt ge
+'t echter voor iets anders aan, dan <i>mis</i>bruikt ge 't. Ten overvloede,
+zoo ik meen, zal ik u dit met een concreet voorbeeld verduidelijken: een
+tafel, niet waar, kunt ge als tafel, maar ook als stoel, maar ook als
+brandhout gebruiken! Behoef ik U nu te zeggen, dat ge hem alleen als
+tafel gebruiken, als stoel of als brandhout slechts misbruiken kunt?!
+Zoo is 't op stoffelijk, maar z&oacute;&oacute; ook op geestelijk gebied. Nemen we nu
+ook een concreet voorbeeld op geestelijk gebied en kiezen we daartoe een
+roman, <i>welke tevens een literair kunstwerk is</i>, Zoo'n roman dan is een
+geschiedenis van zekere menschen. Die menschen, die natuurlijk ook
+spreken in dien roman, verkondigen meeningen; het blijkt u, dat ge 't
+eens zijt met die meeningen, of dat ge 't oneens zijt, ja, ze zelfs
+verfoeit! Verder: de toestand, waarin de menschen in dien roman
+verkeeren, schijnt u te pleiten v&oacute;&oacute;r uwe overtuiging of
+levensbeschouwing, <span class="pagenum"><a name="p208" id="p208"></a>[p.208]</span> of wel daart&eacute;gen; of: er worden door die
+roman-menschen sexueele handelingen gepleegd, waarvan het meer of minder
+uitvoerig relaas &ugrave;we zinnelijkheid prikkelt. Waartoe moet die roman, die
+dit alles doet, vertelt en bevat, <i>maar ook een kunstwerk is</i>, u nu
+dienen? Moet ge blij zijn, omdat die roman-menschen meeningen
+verkondigen, die met de uwe strooken, of treurig zijn om het tegendeel?
+Moet ge verheugd zijn, omdat de toestand, waarin die roman-menschen
+verkeeren, v&oacute;&oacute;r uw levensbeschouwing pleit, of verdrietig en toornig,
+wijl hij ertegen schijnt te bewijzen? Moet ge door 't relaas der
+sexueele handelingen uwe zinnelijkheid l&agrave;ten prikkelen? <i>Of wel, moet ge
+dien roman als</i> <span class="spat">kunstwerk</span> <i>op u laten inwerken</i> en dus ervan hebben:
+dat hooge geestelijke genot, die veredeling, die v&egrave;r van kleine
+blijdschap, v&egrave;r van toorn, v&egrave;r van verdrietelijkheid, v&egrave;r van
+innerlijken strijd zijn: een zoete effenheid, toch niet z&oacute;&oacute; effen of zij
+rimpelt heuveltjes van glinsterende verrukking op, als een deinend water
+onder zonlicht?</p>
+
+<p>Behoef ik U nog wel te zeggen, dat die roman, <i>die een kunstwerk is, het
+meest uit eigen aard</i> geschikt is, om <i>als kunstwerk</i> te worden genoten
+en dat ge hem dus <i>mis</i>bruikt en niet <i>ge</i>bruikt, zoo ge iets anders er
+mee doet! En hoedt u voor misbruik van geestelijken rijkdom! Ge kent wel
+het begin der schade, maar het verre einde niet: de algeheele verwarring
+van denkbeelden, het ongemerkt-langzaam maar zeker verergerend gebrek
+aan onderscheidingsvermogen, de verstomping en verblinding van het
+verstand en het gevoel door eenzijdige ontwikkeling. Misbruik is
+verspilling, en een opkomende en worstelende klasse heeft niets, geen
+splinter zelfs, te verspillen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>"Maar," vraagt ge nu, "hoe bereiken we dit, zulk een roman als kunstwerk
+te genieten. Wij erkennen, we voelen ons verheugd als het verhaal en de
+toestand der menschen in het verhaal v&oacute;&oacute;r onze levensbeschouwing, v&oacute;&oacute;r
+onze politieke inzichten, v&oacute;&oacute;r de juistheid van ons geloof of ongeloof
+pleiten, <span class="pagenum"><a name="p209" id="p209"></a>[p.209]</span> toornig en verdrietig vaak bij het tegenovergestelde.
+Ja, wij erkennen, dat er onder ons menigeen is, die leest, om zijn
+zinnelijkheid te prikkelen. Zeg gij ons nu hoe we dit alles vermijden
+kunnen en hoe we kunnen geraken tot dat hooge genot, dat gij bedoelt.
+Want als gij zegt, dat deze onze blijdschap en onze toorn, dit ons leed
+en ons verdriet niets met kunstgenot te maken hebben, ja, dat we dit
+laatste zelfs kunnen hebben van een kunstwerk, welks geheele inhoud
+lijnrecht tegen onze inzichten schijnt in te druischen, dan begrijpen
+wij zelfs niet w&agrave;t kunstgenot is."</p>
+
+<p>Welnu, ik verlang niets liever dan u dit alles duidelijk uiteen te
+zetten. Juist met die bedoeling heb ik mij nu aan het werk gezet. En
+indien ge maar welwillend en met volle aandacht naar mij luisteren wilt,
+dan k&agrave;n ik 't ook. Want ik zeg niet quasi-bescheiden, dat ik 't m&eacute;&eacute;n te
+weten, maar ik zeg stellig en vast, omdat ik 't aldus v&ograve;&egrave;l, dat ik 't
+onwrikbaar zeker weet. Gij zult ook later inzien, dat de meening van
+velen voor wie gij hoogen eerbied hebt en die dien eerbied ten volle
+verdienen, met de mijne in strijd is. Maar daarom moogt ge n&ugrave; niet aan
+mij twijfelen, doch daar ik uw raadsman ben, aannemen wat ik zeg, tot
+ge-zelf oordeelen kunt tusschen hen en mij. Bij eenigen uwer, begaafden,
+zullen mijn woorden als een voleindende verheldering zijn. Zij zullen
+plotseling veel in hun eigen voelen begrijpen, wat hun verstand tot nu
+toe niet verklaren kon. Dezen hebben met hun gevoel begrepen, v&oacute;&oacute;r zij
+'t met hun intellect konden doen. Bij de anderen zal mijn betoog echter,
+gelijk reeds werd gezegd, slechts een begrijpen-met-het-verstand
+veroorzaken, v&oacute;&oacute;r ook dezen zich-zelf tot een begrijpen-met-het-gevoel
+zullen gebracht hebben, zullen zij niet mogen oordeelen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Zie eerst het onderscheid tusschen wetenschap en kunst: Wetenschap is:
+het onderzoekende, betoogende en bewijzende. Kunst is: het
+intu&iuml;tief-ontvangende en het in-schoonheid-en-blijdschap-herscheppende.
+<i>Vraag daarom aan de kunst geen</i> <span class="pagenum"><a name="p210" id="p210"></a>[p.210]</span> <i>onderzoek, geen betoog en geen
+bewijs. Vraag haar schoonheid en afspiegeling van scheppingsvreugde
+alleen</i>.</p>
+
+<p>Wetenschap is het keurende, schiftende, scheidende. Kunst echter is het
+alles-omvattende. <i>Verwonder u daarom niet, dat</i> <span class="spat">alles</span> <i>wat bestaat in
+haar verheerlijking wordt opgenomen</i>. Wat bestaat in de stoffelijke en
+wat bestaat in haar eigen verbeeldingswereld. Zij herschept en
+verheerlijkt&mdash;want dit is &eacute;&eacute;n voor haar&mdash;zoowel het kleine leven der
+dieren. (<i>Maeterlinck</i>) als het supreme leven der onstoffelijke werelden
+(<i>Dante</i>). Zij herschept en verheerlijkt een rottend lijk (<i>Velasquez</i>)
+zoowel als het heerlijkst ontbloeien van jong leven (<i>Herman Gorter:
+Mei</i>, bijv. en ontelbare Anderen.) Zij herschept en verheerlijkt de
+diepste afgronden van het misdadige en zinnelijke denk-voelen (<i>Les
+Chants de Maldoror</i>) zoowel als het tegelijkertijd heerlijke en
+smartvolle zich verliezen in een ander, wat een zeer liefdevolle en
+hooggestegene bereikt heeft (<i>Epipsychidion</i> van <i>Shelley</i>). Gij ziet,
+ik bew&eacute;&eacute;r niet, dat zij dit alles doet, maar ik bewijs het u. Wat is
+haar dan "onderwerp," wat zijn haar "meeningen" en "overtuigingen"! En
+wat mogen zij u dan zijn, terwijl gij tot haar komt, gij, die haar wilt
+genieten! Zij herschept het alles in vreugde en die vreugde is om hare
+eigen scheppingskracht. <i>Die vreugde te hergenieten, dat is het
+kunstgenot</i>. Ik zal u ook van deze stelling, voor zoover dat kan, een
+verduidelijkend voorbeeld geven: In een vriendenkring, waartoe ik
+behoorde, las een voor uit Gorter's <i>Mei</i>&mdash;Balders afscheid van Mei.&mdash;De
+voorlezer was zoo door aandoening overmand, dat over zijn gelaat die
+eigenaardige huiveringen bleekten en om zijn lippen die glimlach van
+opperst en edel geluk was, welke aan de gelaatsuitdrukkingen van de
+Verklaarden der middeleeuwen, in religieuse extase, doen denken. Toen
+hij ge&euml;indigd had en vrijwel uitgeput en zwaar uitademend met gebogen
+hoofd voor zich staarde, de edele glimlach tot een trek van
+moeheid-door-geluk vervaagd, zei een der vrienden tot hem: "Jij had den
+glimlach van het genie van den maker op je gezicht." En zoo was 't ook:
+hij had 't opperst kunstgeluk gehad. Want, nog eens: Het opperst geluk,
+door kunst te <span class="pagenum"><a name="p211" id="p211"></a>[p.211]</span> verkrijgen, is: <i>het hervoelen van de verrukking,
+die de schepper van het kunstwerk bij het scheppen had</i>.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Noodwendig moet nu echter, na dit alles te hebben gelezen, een twijfel
+in u ontstaan. "Kunst verheerlijkt dus wat zij herschept," zoo zult ge
+vragen, "kunst maakt dus mooier wat zij ziet, zij siert dus op, wat is
+dat anders dan de dingen leugenachtig voorstellen?! Trouwens, zij moet
+wel alles in een begoocheling zien, hoe kan zij anders, een rottend lijk
+afbeeldend, een schoon kunstwerk maken!"</p>
+
+<p>Dien twijfel zal ik nu van u wegnemen: Het zien der kunst ont-dekt de
+hoogste door menschen te doorvoelen waarheid, maar &ugrave;w zien stelt u de
+dingen leugenachtig voor. Gij ziet ze oppervlakkig, kent ze niet in hun
+&egrave;chte, di&egrave;pe wezen, noch in hun samenhang met het andere; de kunst
+echter ziet ze in hun menschelijk-erkenbaar diepste wezen, kent ze bij
+intu&iuml;tie tot in di&egrave;n grond van hun aard &egrave;n in hun samenhang met het
+andere.<a name="FNanchor_2_84" id="FNanchor_2_84"></a><a href="#Footnote_2_84" class="fnanchor">[2]</a> <i>En overal, waar die diepste aard van een ding gekend en
+allernauwkeurigst weergegeven wordt, is die</i> <span class="spat">weergave</span> <i>en de</i> <span class="spat">daad</span>
+<i>van het</i> <span class="spat">weergeven</span>: <i>Schoonheid. En die schoonheid is de
+verheerlijking</i>.</p>
+
+<p>Weer een voorbeeld: waarom zijt gij, die dit leest, zoo vaak
+gedachteloos en zonder iets te voelen door uchtend- of avondschemering
+gegaan en waarom zijt ge dan zoo verrukt en voelt zoo vreemde raadsels
+in h&aacute;&aacute;r &egrave;n in u-z&egrave;lf, als een kunstenaar ze heeft herschapen? Omdat die
+kunstenaar haar diepste essentie heeft doorvoeld en dat diepe wezen
+heeft afgebeeld. Heeft hij die avondschemering nu vermooid en opgesierd?
+Neen, neen, dan zoudt gij die beelding als een leugen voelen. Maar
+integendeel, gij voelt, dat u nu eerst de oogen opengaan, dat ge pas n&ugrave;
+de w&aacute;&aacute;rheid ziet. En ge bekent u-zelf, <span class="pagenum"><a name="p212" id="p212"></a>[p.212]</span> dat hij haar heeft
+gegeven, zooals zij w&egrave;rkelijk was, gij echter slechts, om eens zoo te
+spreken, haar altijd aan 'r oppervlakte hadt gezien en dus niet, zooals
+zij w&egrave;rkelijk was.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>"Maar," zoo zult ge nu vragen, "als dit alles zoo is, waarom komt het
+dan zoo dikwijls voor, dat &eacute;&eacute;n kunstenaar zich, bijvoorbeeld,
+uitsluitend aangetrokken voelt tot het afbeelden van bloemen, 'n ander
+tot het afbeelden van menschen, een derde weer zich alleen tot dieren
+bepaalt. Hun moest toch alles even lief zijn, daar zij van alles, het
+eigen, diepe wezen eens ontdekt, een kunstwerk scheppen kunnen? Maar dit
+niet alleen: als deze kunstenaar zich dus al afwendt van het eene en die
+van 't andere, hoe kunnen wij, niet-kunstenaars, dan in alles de
+schoonheid zien en de blijdschap erom voelen?!" En ziehier mijn
+antwoord: de gewoon-menschelijke neigingen van den kunstenaar, de graad
+van ontwikkeling zijner psychische gaven zullen bepalen, dat voor het
+verborgen, eigen, diepe wezen van het eene ding zijn oogen geopend, voor
+dat van een ander ding zijn oogen gesloten zullen zijn, dit laatste zal
+hij dus niet in kunst kunnen herscheppen. Met u is het echter anders
+gesteld: van u wordt niet ge&euml;ischt, dat gij de omhulde diepte van de
+dingen in de natuur <i>ont</i>hullen zult. Van u wordt slechts ge&euml;ischt, dat
+gij dat diepe wezen zien zult <i>zooals het, reeds door den kunstenaar
+onthuld, in een kunstwerk voor u staat</i>.</p>
+
+<p>Indien een kunstenaar niet tot het kernwezen van bijv. menschen kan
+doordringen, dan beteekent dit, dat de uiterlijke verschijningsvorm van
+die menschen iets in zich heeft, wat h&egrave;m dat belet. Indien gij echter
+een <i>kunst</i>afbeelding van menschen voor u krijgt, dan kan er in den
+uiterlijken verschijningsvorm van die menschen niets zijn, dat U dit
+belet, om de eenvoudige reden, dat&mdash;er geen alleen-uiterlijke
+verschijningsvorm meer is en de innerlijke met volle openbaring van
+kernwezen daarvoor in de plaats is getreden!</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p213" id="p213"></a>[p.213]</span> Zoo meen ik u dus, voor zoover het mij in dit korte bestek
+mogelijk was, te hebben aangetoond: het wezen van kunst; de aanwezigheid
+van scheppingsvreugde bij het scheppen van een kunstwerk; dat het
+hoogste kunstgenot het hervoelen van die scheppingsvreugde en het
+beschouwen van de scheppingsdaad in haar bewegingen is; dat men daartoe
+komt door de hooge waarheid van een kunstwerk in te zien; dat de
+heerlijkheid en schoonheid van iets in kunst gebeeld, bestaan uit de
+allernauwkeurigste, innigst-ware weergave van het meest eigene, diepe
+van dat iets. Hiermede heb ik de hoofdzaken gerecapituleerd. Maar nog
+niet heb ik u duidelijk genoeg gezegd, hoe ge u zelf opvoeden en
+op-leiden kunt tot dat z&oacute;&oacute;-zien van een kunstwerk, tot dat z&oacute;&oacute;-hervoelen
+der scheppingsvreugde. En dit zal ik nu doen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Er is zeer veel overeenkomst tusschen een kunstenaar en den waarlijk
+genietenden beschouwer van een kunstwerk: de kunstenaar beschouwt,
+doorgrondt, herschept en voelt vreugde en evenzeer de
+waarlijk-genietende beschouwer, ziet, doorgrondt, erkent ten slotte als
+waar en voelt vreugde. Waar de wegen dus zoo parallel loopen en ten
+slotte zelfs eindigen in hetzelfde punt, zal het ongetwijfeld groot nut
+hebben, zoo we nauwkeurig en van nabij den weg van den kunstenaar
+bezien. Ten eerste dus: hoe geraakt een kunstenaar ertoe den diepsten
+aard van een wezen te zien? Door op dien tijd zich-zelf af te sluiten
+voor het weten der begrippen, waarin de wetenschap: ethica, politieke
+economie, enz. enz. haar waardebepaling van dat wezen heeft neergelegd.
+Hij moet dieper zien dan de ethica, de politieke economie, enz. enz.,
+hij moet de opperste, innigste, onvervreemdbaar-eigen waarde van dat
+wezen zien, en de waarde-bepalingen van de ethica, de politieke
+economie, enz. enz. kunnen hem slechts misleiden en verblinden. Hoe zou
+zich die misleiding en verblinding, in hem, uiten? Hij zou zich afkeerig
+of bewonderend, toornig of welwillend voelen. Dus niet onpartijdig en
+objectief. <span class="pagenum"><a name="p214" id="p214"></a>[p.214]</span> En hij moet w&egrave;l objectief zijn.<a name="FNanchor_3_85" id="FNanchor_3_85"></a><a href="#Footnote_3_85" class="fnanchor">[3]</a> Ten tweede: wat
+gebeurt er nu in hem, terwijl hij door objectief aanschouwen den
+waarlijk-eigen aard van een wezen of ding erkend heeft? De drang
+ontstaat in hem, om alles wat hij gezien heeft, te herscheppen. Terwijl
+hij dit doet en, al doend, voelt te zullen slagen, is er een zeer hooge
+en groote vreugde in hem, &egrave;n om de schoonheid van zijn erkennen &egrave;n om
+die zijner macht, dat wat hij erkend heeft te herscheppen. <i>Het zijn
+deze: de schoonheid van des kunstenaars erkennings- en
+herscheppingsvermogen, en zijn vreugde daarover, die de eigenlijke
+schoonheid van de bovengenoemde "allernauwkeurigste, innigst-ware
+weergave" zijn en dus levens, nu ten diepsten grond gepeild, de eenige
+waarachtige schoonheid van een kunstwerk uitmaken.</i><a name="FNanchor_4_86" id="FNanchor_4_86"></a><a href="#Footnote_4_86" class="fnanchor">[4]</a></p>
+
+<p>Doet een kunstenaar dit willekeurig: zich-zelf sluiten voor al wat niet
+is het doorvoelen van den eigen, diepsten aard van een wezen of ding?
+Neen, dit is hem aangeboren, hij mo&egrave;t dit doen. Het is hem aangeboren
+alles te vergeten voor dit eene, terwijl hij aanschouwt en herschept.
+Een opperst concentratievermogen van het denk-voelen wordt hier
+vereischt. Zoo ergens, dan is hier het woord waar: "Niemand kan twee
+heeren dienen." Geen mensch kan schrijven om den roem, geen om het geld,
+geen om te hervormen en tegelijkertijd een kunstwerk scheppen. Alleen,
+wanneer hij op het objectief aanschouwen van den diepsten, eigen aard
+van een wezen of ding zijn geheele denk-voelen concentreert, kan hij 't.
+En omdat dit concentratievermogen zoo uiterst sterk moet zijn, kan
+niemand het door den wil verwerven, maar het moet van zelf aanwezig zijn
+en integendeel den wil beheerschen. Dan is men kunstenaar.</p>
+
+<p><i>L'art pour l'art&mdash;De kunst om de kunst, d.w.z., dat de kunst
+uitsluitend om haar-zelfs wille en zonder eenige bijgedachte of eenig
+bijoogmerk gediend moet worden, is daarom een volmaakt juiste stelling</i>.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p215" id="p215"></a>[p.215]</span> Hoe moet gij nu, leerend uit het bovenstaande, handelen, om de
+schoonheid van een kunstwerk te zien en de vreugde van zijn maker te
+hervoelen?</p>
+
+<p>Gij moet, gelijk hij, u-zelf sluiten voor alle die begrippen, waarvoor
+hij zich sluit.</p>
+
+<p>Waarom kunt gij dit <i>willekeurig</i>, terwijl hij dat toch niet kan? Omdat
+er een ontzaglijk groot verschil is tusschen de benoodigde sterkte van
+uw concentratievermogen en die van het zijne. Het zijne moet sterk
+genoeg zijn, om door de misleidende omhulling, tot de kern van het te
+herscheppen wezen of ding door te dringen. Voor het uwe biedt die kern,
+door h&egrave;m onthuld, open en bloot zich aan. Het uwe volstaat dus met van
+slechts zoo zwakken aard te zijn, dat het zich door ieder normaal mensch
+willekeurig door oefening laat verwerven.</p>
+
+<p>Wat moet gij dus, nu in bijzonderheden herhaald, <i>laten</i>?</p>
+
+<p>Gij moet, bij het zien van een kunstwerk, <i>nalaten</i> eraan te denken, wat
+de zedeleer van den inhoud der voorstelling zegt, wat uw politieke
+opvatting ervan zegt, wat uw economische ervan zegt. Gij moet u <i>niet</i>
+laten be&iuml;nvloeden door het feitelijke der voorstelling: niet toornig
+gestemd, niet welwillend gestemd en niet zinnelijk worden.</p>
+
+<p>En wat moet gij dan <i>wel</i> doen?</p>
+
+<p>Gij moet u zoo volkomen mogelijk overgeven aan het denk-voelen, dat niet
+dralen zal bij u op te komen, indien gij het bovenstaande slechts laat.
+Wat is dit denk-voelen, in woorden uitgedrukt? Ongeveer dit: "Hoe
+heerlijk waar en echt is deze voorstelling, hoe schitterend mooi en
+juist heeft de kunstenaar dit gezien en weergegeven." Dan zult gij de
+hooge vreugde hervoelen, die ook hij gevoeld heeft. En gij zult die
+vreugde voelen om het vermogen van een ander! Want in u-zelf zult gij
+juichen: Hoe blij ben ik en hoe in-gelukkig dat er zulk een mensch, die
+d&agrave;t kan, bestaat, en hoe houd ik van dien mensch....</p>
+
+<p>Wat is meer altru&iuml;stisch, wat veredelender dan dit....</p>
+
+<p>D&agrave;n zijt ge in w&aacute;&aacute;rheid kunst-genieter.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p216" id="p216"></a>[p.216]</span> "Maar," zoo zult ge nu vragen, "als die stelling: "De kunst om
+de kunst" juist is. Als wij door een kunstwerk bijvoorbeeld niet langer
+het ongeluk van het proletarisch bestaan des te vlijmender mogen voelen,
+niet langer ons laten aanvuren in onzen mooien strijd, doen wij dan wel
+goed ons aan kunstgenot over te geven? Wij voelen als eersten plicht
+onzen strijd te strijden, en alles wat ons daar niet in helpen kan
+moeten wij laten."</p>
+
+<p>En zeker, antwoord ik, met dit laatste hebt gij gelijk. Maar de zaak is,
+waaraan gij niet denkt, dat juist het genieten van kunstgenot u helpen
+zal in uw strijd. Telkens als gij zoo zult genoten hebben, zult gij een
+beter mensch zijn geworden, al weet en voelt gij dat zelf niet dadelijk;
+een beter mensch is een sterker mensch en hoe sterker hij is, hoe meer
+hij vermag.</p>
+
+<p><i>Omdat uw strijd edel en goed is, helpt gij hem onwillekeurig strijden,
+telkens wanneer ge iets goeds doet, wanneer gij zelf edeler wordt</i>.</p>
+
+<p><i>Als gij u rein houdt in woord en in daad, strijdt gij uw strijd! Als
+gij u goed voedt, als gij uw maatschappelijk inzicht scherpt, als gij
+eerlijk tegen vriend en vijand zijt, strijdt gij uw strijd. En als gij
+kunstgenot voelt, rein en diep en onvermengd, dan niet minder strijdt
+gij uw strijd</i>!<a name="FNanchor_5_87" id="FNanchor_5_87"></a><a href="#Footnote_5_87" class="fnanchor">[5]</a></p>
+
+<p>30 Augustus 1909.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE.</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p217" id="p217"></a>[p.217]</span></p>
+
+<h3>I.</h3>
+
+
+<p>Na 't Hollandsch laagland met z'n gevaarlooze wegen, z'n kabbelende
+rivieren, zijn gecultiveerde bosschen, z'n heldre dorpen met kerk en
+torentje, z'n langzaam op-schemerenden ochtend en neerschemerenden
+avond; na de Hollandsche wei met de haasteloos-mummelende koetjes; na de
+Hollandsche binnenkamers met hun stoffage van begouwenaarde burgerheeren
+en, meest 'n weinig houterig, vrijende jongelingen en jonge dochters, na
+al dit gemoedelijke, zich-zelf gelijk blijvende en veilige&mdash;plots nu een
+tropisch bergland, met ravijnen en neerdonderende stroomen, met
+oerwouden, waar leeuw en tijger brullen, en gij, zoo ge u er waagt, de
+beet en omkronkeling van slangen zult hebben te vreezen; een land met
+rook-bepluimde vulkanen, wier inwendig vuur de wijngaarden en
+olijfbosschen op de hellingen eerst koesterend doet zwellen van olie en
+wijn, om dan, vroeg of laat den krater uitgebarsten, zijn eigen teelt te
+vernielen in &eacute;&eacute;n brandende giftuitstrooming, door &eacute;&eacute;n slag; met dorpen,
+des nachts vol zwoelheid van doffe geuren en zwaarmoedige deunen, waar,
+daags, een wijsgeer u als bedelaar nadert, en wien ge voor een Grande
+hieldt, een bedelaar blijkt; waar de liefde geen braaf-burgerlijke
+vrijage, maar hartstocht en heet begeeren is; een land waar nauwelijks
+afkeer zijn kan, of zij groeit tot haat. Een Indisch land, waar de
+ochtend bruusk <span class="pagenum"><a name="p218" id="p218"></a>[p.218]</span> den nacht afwerpt, als een mensch zijn kleed, en
+de dag niet langzaam heengaat, maar zich snel het masker van den nacht
+voorbindt, als had hij zich verlaat en schoot het hem pl&ograve;ts te binnen,
+dat hij den wezens de rust moet gunnen, die onder de stralen van zijn
+gelaat niet mogelijk is.... Een land, waar alles grillig, uitbundig en
+snelwisselend is....</p>
+
+<p>In minder woorden: na het talentvolle, het geniale; na het afgepaste en
+zeer wel vermoedbare, het uitbruischend onberekenbare.... Ziedaar: na
+<i>Hildebrand: Multatuli</i>!<a name="FNanchor_6_88" id="FNanchor_6_88"></a><a href="#Footnote_6_88" class="fnanchor">[6]</a></p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Ik erken het volmondig: een geweldenaar als <i>Multatuli</i>, met z&oacute;&oacute;
+vrouwelijke zachtheid als zijn gemoed bezat; een hater m&egrave;t z&oacute;&oacute;veel
+liefde; een beeldstormer met dat &eacute;&eacute;ne verlangen: plaats vrij te maken
+voor zijn reuzenbouw van rechtvaardigheid en menschenmin en schoonheid;
+zulk een met z&oacute;&oacute; groote fouten en ontzaglijke deugden, is voor de jeugd
+vol gevaars. Want zijn deugden trekken haar maar aan voor korten tijd:
+z&oacute;&oacute; deugdzaam te zijn is wel een tikje moeielijk! Maar zijn gebreken,
+wellicht, in zekeren zin, niet minder grootsch en schoon van sterke
+menschelijkheid, die zijn makkelijker en genoeglijker na te bootsen! Zoo
+denken ten minste de mannen en vrouwen in den dop. <i>En d&igrave;t is het
+gevaar.</i> Men moet het echter onder de oogen zien, men kan 't niet
+mijden, tenzij men een bedeesd en braaf moederskindje is, dat aan
+huiskamers en warme kachels, benevens beekjes, wolkjes en molentjes
+dicht bij honk, zat genoeg heeft en nooit naar bergen en bergstroomen,
+olijfbosschen en wijngaarden verlangt.</p>
+
+<p><i>Multatuli</i> heeft in onze kringen, lang v&oacute;&oacute;r de stichting van onzen
+Bond, een geweldige rol gespeeld. En dit sproot nu juist niet voort uit
+de bijzondere beschaving in die kringen, uit ontvankelijkheid voor het
+subtiel-schoone en fijn-geestige&mdash;och och heere neen, ook hier heeft de
+Bond bijna &agrave;lles te doen <span class="pagenum"><a name="p219" id="p219"></a>[p.219]</span> gehad....&mdash;maar uit twee geheel andere
+oorzaken. De eerste was, dat men in <i>Multatuli's</i> werk zag een vrijbrief
+voor, een rechtvaardiging van 'n soort g&ecirc;ne-looze en zich op zich-zelf
+beroemende bandeloosheid; de tweede echter, van edele natuur: dat die
+onontwikkelde, maar daardoor wellicht des te frisscher menschen voelden,
+dat er iets nieuws, schoons, machtigs en van-kracht-heerlijks in hen
+openbrak, door hem. Wilt ge weten w&agrave;t dat was?... 't Was hun
+revolutionnair gevoel! Dat, vrienden, is misschien het mooiste in een
+mensch. Het is 't opstandsgevoel tegen rechtsverdraai&iuml;ng en leelijkheid
+in het leven. Dat wrokt en brandt in zoo'n jongen mensch. Toch brandt
+het maar met 'n heel klein vlammetje dikwijls, maar het leven vraagt
+daar niet naar, gooit elken dag weer nieuwe brandstof op, die door dat
+kleine vlammetje <i>niet</i> verteerd wordt.... Dat geeft een teveel, dat
+geeft een drukking.... Zoo nu en dan schiet het vlammetje weer wat
+hooger op, maar er zijn nog dompers: "fatsoen," traditie en
+verkapitalistischt, vermaatschappelijkt, verwrongen kerkgeloof, en zoo
+waar, zoo'n jongmensch gebruikt die dompers zelf! Dat heeft men hem zoo
+geleerd. Tot daar plotseling zoo'n kerel, zoo'n reus bij hem binnenkomt,
+en die vraagt h&egrave;m niet of hij 't goed vindt en ook niet aan "de menschen
+die zooveel ouder en wijzer zijn dan hij," maar die slaat kort en goed
+voor zijn oogen al z'n dompers stuk. En daar schiet zijn vlam omhoog en
+gaat ze heerlijk branden.... En hij begrijpt dat die man een weldoener
+van hem is ... o God, wat heeft z'n jong hart hem dan lief ... hij zou
+hem om den hals wel willen vliegen.... Welnu, zulk een man was
+<i>Multatuli</i>, en daarom hadden die verachte diamantslijpers hem zoo lief
+en dw&eacute;&eacute;pten met hem en omarmden hem.... Och neen, ze begr&eacute;pen hem niet,
+wat je <i>begrijpen</i> noemt, geen denken aan; wat kunnen hun zijn
+fijnheden, de rapheid zijner wendingen, het overdonderende zijner
+strijdhaftige geestigheid geweest zijn; m&aacute;&aacute;r zij begrepen, zij voelden,
+dat dit de stem was van hun eigen, gesmoorden haat; het ziende oog van
+hun hulploos, onbestemd en blind verlangen; de sterke hand, die hun
+tastende zwakke handen greep; zij zagen eindelijk eens <span class="pagenum"><a name="p220" id="p220"></a>[p.220]</span> het
+ongekende wonder van een h&eacute;&eacute;rlijk mensch, die m&aacute;ling had aan de
+machtigen, aan de rijken; het wonder van een mensch, door wien een god
+had mogen spreken, en die nochtans niet anders dan der &agrave;rmen en
+verdr&ugrave;kten mond wou zijn! Wat schatten van liefde en dankbaarheid heeft
+hun ziel zich door hem verworven. Hoe hebben zij toen, in hun donker
+leven, door h&egrave;m de h&egrave;ilige geestdrift gekend. En wie weet, of niet hij
+'t was, die voor 't eerst dat mooi-menschelijke in hen wekte, welks
+prachtige opvaart hun eenheid in den Bond verrijzen deed....</p>
+
+<p>Maar met dat al: dwepers kunnen geen maat houden. En daarvoor wil ik u
+behoeden. En trouwens, wat hun 't noodigste was, is het nog daarom u
+niet. Gij behoeft niet meer gewekt te worden. Gij zijt wakker, daar ben
+ik zeker van. En die brandstof in u, die voedt geen
+persoonlijk-revolutionnair, geen klein-flikkerend vlammetje meer, maar
+hij helpt mede-voeden dat zekere en klare licht, dat socialisme heet.
+Daarom: gij zult en moet <i>Multatuli</i> kalmer genieten, gij zult
+onderscheiden leeren. En o, v&oacute;&oacute;ral, gij moogt niet in de fout vervallen,
+waarin zij vervielen:</p>
+
+<p>... Een ieder mensch, een <i>mensch</i>, die met een Groote verkeert, voelt
+vroeg of laat den drang, dien te gelijken. Die drang kan hem heilzaam,
+maar ook onheilbrengend zijn. Heilzaam is zij hem, wanneer hij denkt:
+Die groote mensch, dien ik zoo liefheb, is toch een mensch, hij moet dus
+gebreken hebben. Laat ik oppassen dat ik niet, door mijn overgroote
+liefde verblind, die gebreken overneem. Want die fouten, welke in 't
+geheel van zijn ontzaglijke persoonlijkheid zoo gering lijken, zouden
+mij, kle&igrave;ne, verpletteren. Laat mij groeien en genieten van zijn
+voortreffelijkheden. Maar laat mij ook hierin wijs zijn: laat mij hem
+niet <i>nabootsen</i> in zijn deugden, want na&auml;pen, dat is het werk van apen;
+de plicht en het verlangen van menschen is: blijde te zijn met, te
+genieten van het goede; hun wijsheid: te weten dat d&aacute;&aacute;rdoor hun wezen
+van zelf groeit en <i>natuurlijk</i> en <i>geleidelijk</i> beter wordt. Wat voor
+<i>uw</i> wezen van <i>zijn</i> voortreffelijkheid geschikt is, dat eigent het
+zich van zelf toe, mits gij u maar zoover opwerkt, dat ge <span class="pagenum"><a name="p221" id="p221"></a>[p.221]</span> die
+voortreffelijkheid kunt begrijpen en beminnen. Maar nabootsen, <i>vooral
+niet</i>! Een mensch, die van de zon geniet, moet daarom niet voor zon
+willen gaan spelen, noch zich verbeelden, dat hij stralen schiet.... Om
+u nu reeds in dit inleidend stuk het onderscheiden van Multatuli's
+deugden en gebreken makkelijker te maken, zeg ik dit: zijn deugden
+waren: een sterk ontwikkeld bewustzijn van eigen hooge waarde; een
+machtig revolutionnair sentiment; een onbegrensde menschenliefde: een
+heftig begeeren naar waarheid (welke hij echter nog minder vaak kon
+bereiken dan hij anders had gekund, wijl hij gehinderd werd, ten eerste:
+door de bitterheid van zijn geest, ontstaan door het ondervonden
+onrecht; ten tweede: door zijn groote menschelijke en
+kunstenaars-ijdelheid, waardoor hij niet nalaten kon te "poseeren"); een
+in-staat-zijn zich op te offeren en een onwrikbaar vasthouden aan wat
+hij goed en recht achtte.</p>
+
+<p>Zijn deugden, als kunstenaar, waren: een ontzaglijk doorvoelings-en
+uitbeeldings-vermogen (dat echter geschaad werd door een groot gebrek
+aan objectiviteit); een vlijmscherp taal-begrip; een buitengewoon
+geestig vernuft (dat m.i. slechts overtroffen wordt, maar dan ook ver,
+door den grooten <i>Heine</i>, van wien hij trouwens veel geleerd heeft); een
+rijke fantasie.</p>
+
+<p>Zijn gebreken, ik heb er reeds eenige genoemd, waren meest de keerzijden
+van zijn deugden: een anarchistische neerhalingswoede (keerzijde van
+zijn revolutionnair sentiment); een soms zeer lichtzinnig oordeelen over
+alles, wat hij maar gemoette (keerzijde van zijn
+uiterst-vlug-denken-kunnen); een soms enorme zelfoverschatting en
+minachtend neerzien op de allergrootsten (keerzijden van zijn
+hooggestemde zelfachting); een uittartende en pralerige opzichtigheid
+(keerzijde van zijn heldenmoed).&mdash;Gij moet dus, ik herhaal 't, zeer
+critisch tegenover hem staan, u voor kinderachtige na&auml;perij, waartoe
+deze suggestieve persoonlijkheid iemand makkelijk verleidt, zorgvuldig
+bewaren en bovenal <i>dit</i> goed begrijpen: dat de ontkennende, de
+<i>negatieve</i> houding van zijn geest, die <i>hem</i> schoon stond, wijl hij
+<i>groot</i> was, en <span class="pagenum"><a name="p222" id="p222"></a>[p.222]</span> <i>leefde in een tijd, die dat noodig had en 't
+als 't ware zelf deed geboren worden</i>, u leelijk zou staan, niet alleen
+wijl gij <i>niet groot</i> zijt, maar omdat gij in een tijd leeft, die &oacute;&oacute;k en
+bovenal een <i>positieve</i>, een <i>bevestigende</i> geesteshouding noodig heeft:
+<i>het innig geloof in de waarachtigheid van het socialisme.</i> Vroeg <i>zijn</i>
+tijd een ongebreideld, een naar eigen begeerte kampend mensch, <i>deze</i>
+vraagt <i>gehoorzame soldaten</i> voor het groote leger, dat strijdt in alle
+landen voor menschenr&egrave;cht en menschengel&ugrave;k, soldaten ni&egrave;t gedrild tot
+tucht, maar uit eigen weten en eigen vrije keus de tucht verkiezend
+boven tuchtel&oacute;&oacute;sheid. Houdt ge u aan dit alles, wat ik u heb gezegd, dan
+kunt ge zonder vrees dat oostersch-vreemde en prachtig land, dat
+<i>Multatuli's</i> werk is, bereizen en moedig de hellingen van dien
+trotschen berg beklimmen, waarop bosschen vol van sappige vruchten
+staan. Wat mij betreft, ik zal het nu bij deze, naar mij dunkt niet
+ongemotiveerde, waarschuwing en uiteenzetting laten, en in de volgende
+artikelen de <i>Geschiedenis van Woutertje Pieterse</i>, haar zooveel
+mogelijk los makend uit de <i>Idee&euml;n</i> waarvan ze een deel is, zuiver
+letterkundig behandelen, gelijk ik dat met Hildebrand's <i>Familie Kegge</i>
+heb gedaan.<a name="FNanchor_7_89" id="FNanchor_7_89"></a><a href="#Footnote_7_89" class="fnanchor">[7]</a></p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p223" id="p223"></a>[p.223]</span></p>
+
+<h3>II</h3>
+
+
+<p>In de <i>Geschiedenis van Woutertje Pieterse</i>, zooals die nu, helaas
+onvoleindigd, voor ons ligt, hebben wij in de allereerste plaats te zien
+een poging tot weergave der geleidelijk voortschrijdende geestelijke
+ontwikkeling van een geniaal kind&mdash;Woutertje-zelf&mdash;; in de tweede
+plaats een schets van: het Hollandsche volksleven:&mdash;<i>Femke</i> en haar
+moeder, <i>Gerrit Sloos, Klaas Verlaan</i>, de joodsche familie <i>Roebens,</i> de
+illuminatie-avond, enz.&mdash;; de klein-burgers:&mdash;de <i>Pietersen</i>, juffrouw
+<i>Laps</i>, e.d.&mdash;; de "deftige" burgerij:&mdash;de <i>Kopperlith's</i>: typen van het
+dwaze, opgeblazen parvenudom, met zijn sleep van kruiperige loonslaven,
+en de <i>Holsma's</i>: ietwat ge&iuml;dealiseerde beelding eener verstandige,
+liefderijke, boven alle vooroordeelen h&oacute;&oacute;gstaande doktersfamilie&mdash;; de
+geestelijken, vertegenwoordigd door de kluchtige, verachtelijke figuur
+van den <i>huisdominee</i>, en de heerlijk-gebeelde, kinderlijk-reine
+persoonlijkheid van <i>pastoor Jansen</i>; "allerhoogste" personages, zooals
+de groote <i>Napol&eacute;on</i>, op wien wij even in den schouwburg een vluchtig
+kijkje krijgen, de <i>Paltsgravin</i>, prinses <i>Erica</i>, enz.; in de derde
+plaats.... Maar nee, ik ga z&oacute;&oacute; niet verder, die zin werd veel te lang,
+te vermoeiend door zijn lengte, zelfs als jullie op al die "plaatsen"
+even waart gaan zitten, wat nog zoo gek niet zou zijn geweest, want,
+laat me je verzekeren, je hebt vandaar heerlijke inkijkjes en prachtige
+vergezichten....</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p224" id="p224"></a>[p.224]</span> Wat ik verder wou zeggen, kwam in 't kort hierop neer, dat het
+geheele werk &eacute;&eacute;n worsteling van het hooge met het gemeene, &eacute;&eacute;n
+<i>Multatuliaansch</i>-heftig-beukende, maatschappelijke meubelen, ruiten,
+h&eacute;&eacute;le heilige huisjes stuk-rinkinkende pr&agrave;chtige worsteling is.</p>
+
+<p>Men zou, wellicht interesseert jullie deze mededeeling, ons boek kunnen
+indeelen bij: <i>romantisch realisme</i>.... Maar hoe! ik zei: "<i>wellicht</i>
+interesseert 't jullie" ... het <i>moet</i> je interesseeren, want het geldt
+hier niet, je 'n paar geleerde woorden naar 't hoofd te smijten, of je
+'n kruieniersachtig suiker-rijst-boonen-indeelingsgewoontetje in te
+stampen, maar het gaat erom, je de begrippen, de zeer veel verheldering
+veroorzakende begrippen, waarvan die termen namen zijn, bij te brengen,
+&egrave;n om de te behandelen stof, de letterkunde dus, door verdeeling meer
+overzichtelijk en begrijpelijk te maken.</p>
+
+<p>Wat &igrave;s <i>Romantiek</i>?</p>
+
+<p>Nou, om 't 'ns erg kort en populair te zeggen: een kunstbeelding van,
+zeer wel bestaanbare, <i>uitzonderings</i>figuren, levend in zelden
+voorkomende omstandigheden; daardoor heel vaak verschijnend als een
+"overdrijving" van de <i>algemeene</i> werkelijkheid, want die
+<i>uitzonderings</i>figuren maken, door hun levenswaarheid, op den
+gemiddelden lezer den indruk van vertegenwoordigers der <i>algemeene</i>
+werkelijkheid te zijn.<a name="FNanchor_8_90" id="FNanchor_8_90"></a><a href="#Footnote_8_90" class="fnanchor">[8]</a></p>
+
+<p>De romantiek nu, in dit romantisch-realistische werk, uit zich niet
+slechts in het feit der beelding van sommige personen van het tweede
+plan&mdash;prinses <i>Erica</i> bijvoorbeeld&mdash;, ook niet alleen in het doen plaats
+hebben van gebeurtenissen, die, wanneer we ons het totaal-beeld voor
+oogen brengen, dat de werkelijkheid ons van den loop der dingen
+voorhoudt, een sterken bijsmaak van onwaarschijnlijkheid krijgen, maar
+<span class="pagenum"><a name="p225" id="p225"></a>[p.225]</span> die romantiek uit zich al dadelijk heel principieel in den opzet
+en op het hoofdplan van het werk: <i>het beschrijven der zielsgeschiedenis
+van een geniaal mensch</i>. En nu ga ik verder en zeg dit: omdat een
+geniaal mensch zelf "een stuk romantiek" is, door de Natuur, te midden
+van H&aacute;&aacute;r dag-dagelijksch "realisme" neergezet, botst hij daarmee,
+verstoort hij er in zekeren zin de harmonie van (zeer zeker: om tot een
+hoogere harmonie te geraken, en: de botsing is een heilzame, maar dat
+verandert voor 't oogenblik aan 't onaangename van de zaak niets.
+Multatuli-zelf is hier een uitstekend voorbeeld van) en z&oacute;&oacute;, en daarom
+verstoort de <i>afbeelding</i> van een geniaal mensch in een werk als
+dit&mdash;voor driekwart een afbeelding der <i>algemeene</i> werkelijkheid&mdash;de
+harmonie van dat werk. We voelen een onaangenaam aandoende
+ongelijksoortigheid en zelfs tegenstrijdigheid der deelen. (Multatuli
+heeft dat, geloof <i>ik</i>, zelf gevoeld, vandaar dat het klaarblijkelijk
+zijn plan was, zijn <i>Woutertje</i>, langzamerhand, naar den kant der
+romantische prinses Erica uittedringen. Ik voor mij ben er zeker van,
+dat, had hij het werk voleindigd, dit, <i>uit aan de Wouterfiguur
+ontsprongen noodzaak</i>, al meer en meer verromantiseerd zou zijn
+geworden. En verder ben ik van oordeel, dat het dit bewustzijn, met wat
+er verder aan vast zit, bij <i>Multatuli</i>-zelf, is geweest, dat hem den
+lust benomen heeft verder aan zijn verhaal te werken, en niet "ergernis
+over de <i>Van Vloten's</i>" enz.&mdash;Stel je voor, omdat de kleine menschjes je
+aftakelen, heb je geen lust meer aan de levende schoonheid in je ziel,
+die je-zelf zoo heerlijk weet! Terwijl toch juist het natuurlijk beloop
+is, dat die schoonheid je over alles troost en heenhelpt! Neen, geloove
+wie 't kan, &igrave;k kan 't niet. <i>De zaak is mijns inziens, dat hij geen
+vreugde meer aan die schoonheid zelf had</i>&mdash;<i>om bovengenoemde redenen</i>.)</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Ik zeide u daar straks dat je van al die "plaatsen" zulke aardige
+inkijkjes en vergezichten zoudt kunnen hebben. Nu eerst een inkijkje.
+Zie toe: daar wriemelen, maken zich belachelijk, worden gegeeseld door
+hun eigen bespottelijkheid, <span class="pagenum"><a name="p226" id="p226"></a>[p.226]</span> de Pietersen, de Lapsen, de Stoffels
+en hoe al dat tuig verder heeten mag, vlak onder je neus.... Maar h&eacute;,
+wat is dat? Je wijkt terug ... je denkt, daar zal wel 'n luchtje aan
+zitten. En je hebt gelijk, je denkt er nog te licht over: er is geen
+luchtje, er is een st&agrave;nk aan. Maar, o wonder! hier hebt ge van dien
+stank geen last; let maar op: wat ge voelt, dat is gen&ograve;t, bl&igrave;jdschap; je
+trekt geen vies gezicht, maar je schatert. Wat is de oorzaak van dat
+wonder? Ah, &eacute;ven wachten. Zie eerst, lach eerst en allicht vindt ge dan
+zelf die oorzaak.<br />
+&mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;
+ &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;
+ &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;<a name="FNanchor_9_91" id="FNanchor_9_91"></a><a href="#Footnote_9_91" class="fnanchor">[9]</a></p>
+
+<p>Ziezoo, klaar voor dezen keer. En nu maar aannemend, dat er wel enkelen
+uwer zullen zijn, die nog maar altijd niet weten, waarom zij niet
+gewalgd hebben bij het zien van al dat gedoe der Lapsen en Pietersen en
+integendeel hebben genoten, precies gelijk ik trouwens, die toch geen
+clown, gezwegen dan van een <i>Laps</i> of 'n <i>Pieterse</i>, kan of kon zien,
+zonder 'n weerzin en 'n schaamte te gevoelen over zulk een vernedering
+van het <i>mensch-zijn</i>,&mdash;dat nu maar aannemend, geef ik u daarvan de
+volgende verklaring: dat wat gij bewonderd, waarvan je genoten hebt, is
+de <i>weergave</i>, de <i>afbeelding</i> van het leven, <i>niet</i> dat leven-zelf. Het
+doet er niet toe <i>wat</i> afgebeeld wordt, maar steeds <i>hoe</i> het afgebeeld
+wordt. N&ograve;g eens: lees mijn artikel in den catalogus.<a name="FNanchor_10_92" id="FNanchor_10_92"></a><a href="#Footnote_10_92" class="fnanchor">[10]</a></p>
+
+<p>Zooals ik reeds zei: dit nu was een <i>inkijkje</i>, in het volgende
+hoofdstuk zet ik u op een plaats vanwaar ge een <i>vergezicht</i> hebt.&mdash;</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE</h2>
+<p><a name="p227" id="p227"></a><span class="pagenum">[p.227]</span></p>
+
+<h3>III.</h3>
+
+
+<p>In het vorig hoofdstuk beloofde ik, u op een plaats te zetten, van waar
+ge een vergezicht hebben zoudt. Welnu, ik hoop, dat ge na lezing van dit
+stuk zult moeten erkennen, dat ik mijn belofte gehouden heb. Want,
+jongere en oudere vrienden, zult ge het geen vergezicht noemen als ik
+hier voor u laat oprijzen dat mooie verleden van uw kindsheid, nu al min
+of meer ver verwijderd? Dat verleden, welks wellicht slechts vage
+herinneringen u nog doen glimlachen, als ge kinderen spelen ziet....</p>
+
+<p>O, natuurlijk, ge zult in het beeld, dat ik u zal toonen, niet uwe
+<i>feitelijke</i> jeugd herkennen, met h&aacute;&aacute;r voorvalletjes, gevoelens,
+begeerten en schuchtere droomerijen, want gesteld dat gij tot diegenen
+behoort, die zich op later leeftijd dit alles duidelijk en klaar kunnen
+te binnen brengen, wat den meesten onzer waarlijk niet gegeven is, d&agrave;n
+z&eacute;ker zoudt ge spoedig door vergelijking tot de erkentenis komen, dat
+kinderen evenzeer van elkaar verschillen als volwassenen.</p>
+
+<p>Toch, de jonkheid van ons allen heeft iets gemeen: door de jaren-gangen
+van ons later leven loopend, hooren we uit de verte blijde stemmen soms,
+zien we een plotse sprankeling van licht gl&agrave;nzen uit de feestzaal onzer
+jeugd, waarheen we nooit meer zullen keeren. 't Is dan of haar deur zich
+&eacute;ven opende en snel weer sloot, uitlatend-en-afsnijdend klanken van
+feestgeroes, een helle straling van veel luchters. Maar duurde <span class="pagenum"><a name="p228" id="p228"></a>[p.228]</span>
+dat kort, &eacute;&eacute;n oogenblik, het duurde toch lang genoeg om ons als de geur,
+het innigste onzer jonge jaren nog eenmaal te doen kennen; hoe benaderen
+we dan opnieuw hun blijdschap en verdrieten. We staan even stil en
+mijmeren in ons-zelf. Een glimlach ontstrakt zachtkens ons gezicht....
+Dan gaan we weer verder door de soms donkere gangen van ons later
+leven.... Het is ook die glimlach, waarvan ik u sprak, die ouderen
+hebben als ze kinderen spelen of stilletjes droomen zien. Dan ging die
+feestzaal, begrijpt ge, even open, het geluk der jonkheid heeft hun hart
+geraakt.... Maar rijker, maar voller wordt ons dat heerlijke geschonken,
+als een groot kunstenaar, zich verplaatsend in het kinderlijk denken en
+voelen, dit voor ons beeldt. Ja, dan is het waarlijk, of 't ons vergund
+werd te keeren op onze schreden, de wijde hal onzer jonge jaren nog
+eenmaal binnen te gaan, onze oogen vol te laten stralen van haar licht,
+de handjes der speelgenooten in de onze te houden en zelf weer de
+heilige kinderen te zijn, in wier nabijheid al het leven op zijn reinst
+en bevalligst en feestelijkst moet verschijnen. Ook dat nu heeft
+Multatuli voor ons gedaan. Het beeld, dat ik u wilde toonen, is een brok
+droomleven van zijn <i>Woutertje</i>. Toch&mdash;het schijnt mijn ietwat
+onaangenaam lot te zijn, nooit iets onverdeeld te kunnen prijzen!&mdash;moet
+ik u waarschuwen, dat dit schoone niet zoo volmaakt is geworden als we
+'t van 't genie van zijn schepper ongetwijfeld hadden mogen verwachten.
+De schrijver heeft zich namelijk weer eens niet genoegzaam kunnen
+bedwingen, zich niet, door zijn gebrek aan objectiviteit, kunnen
+onthouden, brokjes van z&igrave;jn wijsheid, z&igrave;jn wijsgeerig denken in het
+prachtig-gegeven droomleven van zijn <i>Woutertje</i> te mengen. Ik zal u,
+ouder gewoonte, zoowel op de heerlijke schoonheid als de fouten
+opmerkzaam maken. En ge moet u nu maar, eens voor al, voornemen niet
+boos op mij te zijn, omdat ik, door dit laatste te doen, zoo'n beetje uw
+genot bederf. Want het is juist mijn doel, u er aan te wennen, geen
+genot en zeker geen kunstgenot te willen, dan wat de keur van uw
+allerzuiverst gevoel en rede kan doorstaan. Ook de hoogste verrukking,
+die kunstgenot geeft, heeft niets gemeen met een roes <span class="pagenum"><a name="p229" id="p229"></a>[p.229]</span> en met een
+vertroebeling en verduistering der geestelijke, naar waarheid zoekende
+krachten in ons, maar zij maakt in wisselwerking die krachten
+integendeel sterker, edeler en meer doordringend.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Ziehier het bedoelde stuk:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Na <i>Glorioso</i> namelijk, (<i>Glorioso</i> is de naam van den
+roover-roman, dien Wouter "gehuurd" heeft voor het geld, dat hem
+het verkwanselen van zijn "Nieuwe Testament met Gezangen" opbracht,
+v.C.) en de onmogelijkheid om dat boek waardig te vervangen,
+(<i>Multatuli</i> geeft hier natuurlijk <i>Woutertje's</i> meening weer. Dat
+hij dit doet zonder er eenige schertsende of spottende aanmerking
+van zich-zelf aan te verbinden is voortreffelijk. Er ontstaat
+hierdoor, &egrave;n blijft ongerept, een zekere fijne humor. v.C.) was-i
+in de namiddagen die hij vrij had, onwillekeurig weergekeerd naar
+de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige roman-wereld, en
+hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld uit die wereld
+dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist &ograve;m de grofheid van
+die kleuren, hij voelde zich daardoor z&oacute;&oacute; aangetrokken, dat-i
+zich-zelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hij
+ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.</p>
+
+<p>Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hij droomde van
+dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter
+ontevreden maakten met z'n werkelijken toestand. Hij wilde graag
+alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't
+bidden zou zooveel beter gaan, meende hij, in 'n grot met kaarsen.
+En wat het eeren van zijn moeder betrof, waarop deze altijd zoo
+aandrong ... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hij had
+z'n bijbel niet moeten verkoopen ... dat is waar ... ook zou-i 't
+nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd ... maar dan behoorde hij
+toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer op z'n muts,
+zooals in 't boek stond. (Merkt ge hier al niet, hoe uitstekend de
+romantische neiging in den kindergeest, en vooral zooals zij moet
+bestaan in dien van het nobele <i>Woutertje</i>, is weergegeven? v.C.)</p>
+
+<p>Ook verveelde hem zijn broer Stoffel, en zijn zusters, en juffrouw
+Laps, en huisdominee, en alles.</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Dit verveeld worden door zijn familie en zijn omgeving ontstaat
+<i>schijnbaar</i> wel bij Woutertje naar aanleiding van <span class="pagenum"><a name="p230" id="p230"></a>[p.230]</span> iets zeer
+kinderlijks, maar de diepere en ware oorzaak is zijn veel hooger en
+edeler beaanlegd zijn dan zijne omgeving, waardoor hij daarin niet op
+zijn plaats is. Het is een dezelfde botsing&mdash;in kinderlijke
+verhoudingen&mdash;als waarvan ik in het vorig hoofdstuk sprak: tusschen het
+hoogere en lagere, het bijzondere en het alledaagsche.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>En hij begreep niet, waarom de heele familie niet naar Itali&euml; ging,
+om daar 'n behoorlijke rooverij optezetten. Maar Pennewip (de
+schoolmeester, v.C.) hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesje
+(een medescholier v.C.) ook niet.</p>
+
+<p>'t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met zijn vers....</p>
+
+<p>Alle Woensdagen namelijk leverden de leerlingen die 't minst
+ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen
+naar den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester
+had opgegeven. Wouter had ditmaal "<i>de deugd</i>" tot z'n deel
+gekregen, niet zonder toespeling op z'n vroegtijdige verdorvenheid,
+en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n
+zedelijke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwijls op de deugd
+gerijmd, en hij vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo
+vervelend, dat-i de vrijheid had genomen iets anders te behandelen,
+en wel wat hem 't naast aan 't hart lag, de rooverij.</p></div>
+
+<p>Dit gedicht en alles wat daardoor veroorzaakt wordt: de boosheid van
+meester Pennewip, de ontzetting van Woutertje's familie, het optreden
+van den dronken "huisdominee,"&mdash;dit betrekkelijk kleine deel van het
+boek zou het al tot iets prachtig-geestigs maken. Je giert van het
+lachen onder 't lezen, en tegelijkertijd ben je verrukt over de
+levenswaarheid&mdash;op 'n paar stukjes na&mdash;der weergave!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hij-zelf was, als alle schrijvers&mdash;en menschen&mdash;zeer ingenomen met
+z'n werk. Hij hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen
+zou, en hem om den wille der voortreffelijke uitvoering de
+afwijking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den
+Burgemeester gezonden worden, die er kennis van geven zou aan den
+Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als
+hoofdroover.</p></div>
+
+<p>Hoe moet de schrijver niet doorgedrongen zijn geweest in het denk-voelen
+van zijn Woutertje, om zoo schitterend dit echt-kinderlijke,
+wild-fantastische luchtkasteelen-bouwen te hebben kunnen weergeven.
+Wellicht is dat laten denken aan <span class="pagenum"><a name="p231" id="p231"></a>[p.231]</span> den <i>Paus</i> door dit
+<i>protestantsche</i> jongetje, dat <i>rilt</i> als hij <i>Pater Jansen</i> over
+<i>Jezuiten</i> hoort spreken, een fout. Wellicht echter zou men kunnen
+zeggen, dat "Paus" voor het kind Woutertje niets meer dan een woord is
+waaraan zich een vage, romantische voorstelling verbindt. Maar dit
+laatste is, gezien de platte en bekrompen "godsdienstige" omgeving van
+Woutertje, ni&egrave;t waarschijnlijk.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zoo droomde hij, en wierp hij strootjes in het water. (Hij staat
+bij 'n slootje. In de nabijheid zijn twee houtzaagmolens.&mdash;Het
+stukje wat nu volgt is allervoortreffelijkst. Er wordt nu niet
+langer <i>van</i> Wouter <i>verhaald</i>, maar zijn denken en handelen
+worden, in hun natuurlijk verband, <i>gebeeld</i>. Ik geloof niet, dat
+ik grooter bewondering voor iets kan gevoelen, dan voor dit
+onovertrefbaar zich-ingeleefd-hebben in den kindergeest! Lees maar
+eens verder! v.C.) Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen
+de groen-bemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter's verbeelding
+verband te scheppen tusschen de richting der strootjes en zijn
+indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan
+den kant en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen
+beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf:
+(Wouter-zelf meegevoerd door zijn droomen, vereenzelvigt zich dus
+ook met een strootje! Verrukkelijk van geniaal doorvoelen door den
+schrijver, niet waar? v.C.) hij naderde Amalia's kroos, en juist
+toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te
+deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt door 'n eend. Die daaraan
+zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's laatste strootje, en in
+'t geklapper van den molen hoorde hij duidelijk Amalia's verwijtend
+geklaag:</p>
+
+<p>
+Warre, warre, warre, wou,<br />
+Waar is warre, warre, wou....<br />
+Wouter die me redden zou?<br />
+</p>
+
+<p>Dit maakte hem verdrietig, en hij kon zich niet weerhouden een
+steen te werpen naar de eend die door z'n gulzigheid oorzaak was
+van Amalia's twijfel aan zijn riddereer. (Al maar door is de
+kinder-fantasie uitstekend volgehouden! v.C.) De eend koos de beste
+partij, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hij
+kon. Maar de molens schenen zich niet te storen aan de
+gebeurtenissen van den middag en klapperden dapper voort. Wouter
+hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra
+Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem
+deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er
+iets bijzonders was <span class="pagenum"><a name="p232" id="p232"></a>[p.232]</span> in de molens, haast ik mij te zeggen
+dat ze knarden en knersden juist als andere houtzaagmolens, en dat
+alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was
+dan de weerklank der aandoeningen in zijn eigen gemoed.</p>
+
+<p>'t Gebeurt meermalen dat we gelooven iets gewaar te worden van
+buiten, wat voortkomt uit ons-zelf, en even dikwijls meenen wij
+zelf iets te hebben uitgedacht, dat eigenlijk afkomstig is van 'n
+ander.</p>
+
+<p>Dit is 'n soort buikspraak die dikwijls aanleiding geeft tot
+ongenoegen en vijandschap.</p></div>
+
+<p>Dat beeld van de buikspraak is aardig, maar ook niet meer dan dat. Het
+is nml. vrij onjuist. Men kan, een buikspreker hoorend, meenen dat een
+ander dan hij gesproken heeft, maar nimmer dat men-zelf heeft gesproken,
+noch, indien men het zelf heeft gedaan, meenen dat 'n ander, al of niet
+buikspreker, het deed! Multatuli heeft hier misschien aan het
+zoogenaamde "maagbrommen" gedacht, een nerveus verschijnsel naar ik
+meen. Hierbij is 't wel mogelijk, dat men, zelf de geluidvoortbrenger
+zijnde, meent dat een ander het is, en omgekeerd. In elk geval zou het
+beter geweest zijn, indi&egrave;n hij d&aacute;&aacute;raan gedacht &egrave;n het gezegd had, al
+ware het 'n tikje "onaesthetisch" geweest.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Wie 't snelste draait? Wel ... me dunkt ... neen ... gelijk
+beginnen.... Z&oacute;&oacute;! Neen, de <i>Arend</i> was v&oacute;&oacute;r! Nogeens ... nu! Och,
+weer verkeerd!</p></div>
+
+<p>Hoe voortreffelijk Multatuli het denken, <i>den toon</i> van het
+<i>innerlijk-spreken</i> kon beluisteren en weergeven!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Wie nu 't eerst boven is ... neen dat gaat niet ... nog eens ...
+van die wolk af. <i>Morgenstond</i>, pas op ... (<i>Arend</i> en
+<i>Morgenstond</i> zijn de namen van de houtzaagmolens, v.C.) mis weer!
+Ik kan er geen oog op houden ... wat 'n gedraai!</p>
+
+<p>Zoo, ben je moe? 'k Wil 't wel gelooven!</p>
+
+<p>Als ik eens op zoo'n wiek zat ... ik zou me goed vasthouden ... wat
+zou de molenaar gek kijken!</p>
+
+<p>Waarom heet je <i>Morgenstond</i>? Heb je wat in den mond? En....
+<i>Arend</i> kun je vliegen? Wil je mij meenemen? <i>Ik</i> zou wel willen
+... wat 'n ruimte daarboven ... en geen school!</p>
+
+<p>Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst ... 'n
+school of 'n meester?</p>
+
+<p>Maar die eerste meester moest toch op school geweest zijn ...
+<span class="pagenum"><a name="p233" id="p233"></a>[p.233]</span> en die eerste school moest toch 'n meester gehad hebben....</p>
+
+<p>Of zou de eerste meester vanzelf....</p>
+
+<p>Vanzelf? Neen, dat kan niet.</p></div>
+
+<p>Met dat stukje over die "school" en dien "meester" begint onze schrijver
+eruit te raken. Hij begint zijn houvast op Woutertje te verliezen en zet
+daarom z'n eigen denken in de plaats van dat van Woutertje! Het is zijn
+eigen wijsgeerig peinzen over het <i>Begin</i> van het <i>Heelal</i>. Ik ontken
+niet, dat Woutertje 't <i>kan</i> gedacht hebben. Hij is 'n geniaal, 'n
+buitengewoon kind. Maar in verband met 't <i>zeer slechte</i>, wat nu bijna
+onmiddellijk volgt, waarin <i>niets</i> van <i>Woutertje</i> en <i>alles</i> van
+<i>Multatuli</i> is, vermoed ik dat deze hier al begon subjectief te worden.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Kenje draaien vanzelf? Door den wind? kunje omkeeren,
+andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens, <i>Arend</i> ... toe krijg den
+<i>Morgenstond</i> ... gauw, gauw ... pak 'm beet ... mooi!</p>
+
+<p>Nu weer all&eacute;&eacute;n, laat los ... los ... goed zoo.</p>
+
+<p>Nu weer samen ... <i>karre, karre, kra, kra</i> ... steek uit je armen
+... neem me mee ... wil je niet? Goed, <i>Arend</i>! Zet je hoed op ...
+wat fladderen die linten ... hoe heetje? Warre, warre, warre, wou
+... ik kan 't niet helpen ... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? (En
+nu komt dat zeer slechte, waarvan ik zooeven sprak en waarop ik ook
+in den aanvang van mijn artikel doelde, v.C.): <i>Fanne, Fanne, fan
+fan</i> ... heetje <i>Fan</i>? en jij, <i>Morgenstond</i>, hoe is je naam?
+<i>Sine, sine, sine, si</i> ... wat is dat voor 'n naam, <i>si</i>? Nu
+tegelijk, komaan ... samen ... zingt 'n liedje samen:</p>
+
+<p>
+<i>Fanne, fanne, fan, fan</i>....<br />
+<i>Sine, sine, si, si</i>....<br />
+<i>Fanne, sine, fanne, sine,</i><br />
+<i>Fanne sine.... Fan ... cy....</i><br />
+</p>
+
+<p><i>Fancy</i> ... wat meen je daarmee? Heetje <i>Fancy</i>? En ... wat is dat
+... heb je vleugels?</p>
+
+<p>Ja, "<i>d'Morgenstond</i>" en "<i>den Arend</i>" waren ineengesmolten, hadden
+vleugels, en heetten <i>Fancy. Fancy</i> nam Wouter op en voerde hem
+mee.</p></div>
+
+<p>De fantasie-figuur <i>Fancy</i>&mdash;het woord zelf beteekent verbeelding&mdash;speelt
+een hoofdrol in Multatuli's werk. Soms is zij hem personificatie<a name="FNanchor_11_93" id="FNanchor_11_93"></a><a href="#Footnote_11_93" class="fnanchor">[11]</a> van
+het <i>Al</i>, het <i>Zijnde</i>; soms de <span class="pagenum"><a name="p234" id="p234"></a>[p.234]</span> <i>Muze</i>: degeen, die hem zijn
+werken influistert, hem inspireert; een ander maal: de
+<i>Causaliteit.</i><a name="FNanchor_12_94" id="FNanchor_12_94"></a><a href="#Footnote_12_94" class="fnanchor">[12]</a> In hun diepste beteekenis dekken trouwens deze
+begrippen elkander, naar zijn meening. En de personificatie van d&eacute;ze
+hooge, wijsgeerige begrippen, <i>dragend den naam, die zij uitsluitend in
+zijn, Multatuli's, denken draagt</i>, laat hij nu verschijnen in het denken
+van <i>het kind Woutertje</i>!! Teugelloozer uit den-band-springen is wel
+niet mogelijk, ergerlijker knoeien met psychologie wel niet denkbaar. En
+ziet ge 't nu zelf dat ik gelijk had, met in mijn <i>inleidend</i>
+Multatuli-artikel te spreken van: "zijn ontzaglijk doorvoelings- en
+uitbeeldings-vermogen, dat echter geschaad wordt door een groot gebrek
+aan objectiviteit"? Want, hoe kon ik u z&oacute;&oacute; van dat vermogen doen
+genieten, indien het niet ontzaglijk ware, en daarentegen tevens in de
+gelegenheid zijn, op z&ugrave;lke grove fouten te wijzen, als ik gedaan heb,
+zoo het niet geschaad werd door een groot gebrek aan objectiviteit?!</p>
+
+<p>Maar nu nog een ernstig woord, voor we voor ditmaal scheiden: de meeste
+lezers hebben een weerzinwekkend hebbelijkheidje: ze onthouden wat er
+voor leelijks over 'n schrijver door zijn bespreker is gezegd, maar wat
+deze heeft geprezen, d&agrave;t vergeten zij! <i>Past daarvoor op! dat is iets
+zeer leelijks, iets zeer gemeens</i>. Dat vindt z'n oorzaak in
+<i>leedvermaak</i>, <span class="pagenum"><a name="p235" id="p235"></a>[p.235]</span> in de, vaak onbewuste, <i>afgunst van het kleine op
+het groote</i>, in het blij-zijn <i>omdat het groote toch ook smetten van
+kleinheid</i> heeft.... Ik doe u de fouten in schrijvers zien,
+<i>uitsluitend</i>, om u <i>onderscheiden</i> te leeren, en tot dat onderscheiden
+behoort &oacute;&oacute;k: het begrijpen, dat onze <i>middelmatigheid</i> gemakkelijk
+<i>kleine</i> foutjes hebben kan, maar dat waar <i>groote</i> gaven zijn, meestal
+uiteraard &oacute;&oacute;k groote gebreken zijn. Dit begrijpen zal ons ingetogenheid
+leeren en ons van belachelijke waanwijsheid of leedvermaak verre doen
+zijn.&mdash;</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE</h2>
+<p class="pagenum"><a name="p236" id="p236"></a>[p.236]</p>
+
+<h3>IV.</h3>
+
+
+<p>De maatschappij waarin wij leven, die anarchistische dooreenstrengeling
+van ongebreidelde, niet-geleide of slecht geleide krachten&mdash;een kluwen
+z&oacute;&oacute; verward en z&oacute;&oacute; langzaam zich ontwarrend, dat we wel zeker weten, dat
+niet meer bij &ograve;ns leven de Tijd een schoon weefsel ervan spinnen
+zal&mdash;die maatschappij van de mededinging, van de afgunst, van den haat
+maakt ons allen, in haar levenden, tot slechter menschen, dan we
+tengevolge van onzen natuurlijken aanleg, te midden eener betere
+samenleving, zouden zijn geweest. Want zij is 't, die de edelste
+neigingen ver doet terugkrimpen in 't meest verborgene van 't hart, om
+daar een kwijnend bestaan te leiden, ja, dikwijls, te sterven, wijl er
+voor hen in 't wijd-open, gemeenschappelijk menschen-leven geen
+voedingsbodem, geen ontwikkelingsruimte is. En zij is 't alweer, die de
+onedele driften oproept, hen laat treden en werken in der edele plaats,
+hun dier naam, gewaad en aanzien geeft&mdash;zoodat de waanzinnige
+angst-wreedheid van, het doodelijk gevaar tegemoet gejaagde, soldaten,
+na zich de trekken te hebben kalm-gehuicheld en zich de handen te hebben
+gewasschen van 't bij 't "neerleggen" vergoten bloed, den naam en de eer
+van den heldenmoed uit de handen van vrome regeerders ontvangt; zoodat
+de sluwheid, noodig, om in de hijgende jacht naar winst, anderen te doen
+vallen en hen dan voorbij te rennen, als wijsheid en schoone
+behendigheid wordt <span class="pagenum"><a name="p237" id="p237"></a>[p.237]</span> geprezen; het huwen-om-geld liefde wordt
+genoemd en als zoodanig zalvend door geestelijken wordt be-zegend; de
+zucht tot uitbuiting van vreemde landen en volken zich kan vermommen als
+brengster van wetenschap en klaarder godsbegrip....</p>
+
+<p>En geen andere dan zij is 't dus, die ons gemoed, onze ziel aan een
+veronachtzaamd huis gelijk maakt, waaruit de meesters zijn vertrokken en
+waarin het brooddronken knechtenpak het bezit dier meesters in
+liederlijke moedwilligheid vervuilt en verbrast, zich op hun plaatsen
+zet en hun manieren grijnzend nabootst. Zoo komt het, dat wij aan het
+bestaan van een volk&ograve;men eerlijk, volkomen deugdzaam mensch nauwelijks
+meer gelooven. Ja, wij <i>wenden voor</i> aan zulk een nog zekerlijk te
+gelooven, doen zelfs soms, om onze eigen onschuldige braafheid maar te
+toonen, alsof we zoo iemand iets heel gewoons en "normaals" vinden, doch
+&oacute;&oacute;k die veinzerij is&mdash;een van dat knechtenpak: zij is de lage na&auml;apster
+van den sinds lang vertrokken meester: het geloof in elkaars goedheid,
+dat menschen hebben, die niet door de maatschappij tot elkanders
+roofzuchtige vijanden zijn gemaakt. En zoo gebeurt het, dat, ontmoeten
+wij een uitmuntend mensch in 't l&eacute;ven, we ons onmiddellijk afvragen:
+"Zou die man nou wel &egrave;cht zoo zijn; heeft-ie met al die goedheid niet de
+achterbaksche bedoeling zijn eigenbelang te dienen?" En allicht is onze
+conclusie: "nee die is mij te braaf, die is mij te fijn!" En ontmoeten
+we zulk een figuur, de beelding van zoo'n edel mensch, in een bo&egrave;k, o
+d&agrave;n is 't heelemaal mis, dan &aacute;&aacute;rzelen we zelfs niet, dan veroordeelen
+we, bijna immer, dadelijk. "Wat zoetig," meenen we, "wat overdreven
+braaf, hoe opgesierd, 'n echte boek-held." Ja, dit spreekt van zelf: wij
+zijn te zeer aan het onedele gewend, we zijn te zeer gewoon het onedele
+'t masker van 't edele te zien dragen, dan dat wij nu zouden kunnen
+gelooven dat edele in waarheid voor ons te zien. Toch, waar er echte,
+waar er gr&oacute;&oacute;te kunst is, daar worden we gedw&ograve;ngen te gelooven, want deze
+maakt haar beelding als ware 't doorzichtig, wij zien niet langer met
+&ograve;nze oogen, wij zien niet langer alleen het uitwendige van een <span class="pagenum"><a name="p238" id="p238"></a>[p.238]</span>
+figuur noch behoeven ons dus met onze gissingen en twijfelingen te
+behelpen, m&aacute;&aacute;r wij zien met de oogen van dien grooten kunstenaar, wij
+zien het uiterlijk-en-innerlijk als &eacute;&eacute;n klare, geheimloos openliggende
+<i>waarheid</i>, en gissing noch twijfel k&ugrave;nnen meer in ons opkomen. Zulk een
+kunstenaar nu was onze Multatuli, toen hij de <i>Pastoor-Jansen</i>-figuur
+schiep, en aan zulke groote en echte kunst had hij toen het
+overgelukkige voorrecht, het aanzijn te geven. Het kost mij moeite,
+mijne bewondering voor deze voortreffelijke schepping, en mijn diepe
+liefde voor haar schepper, niet zoo te uiten als ik ze gevoel. Maar dit
+moet nu eenmaal achterwege blijven, want hoofddoel blijft toch, die
+bewondering en liefde op <i>u</i> te doen overgaan, en dat lijkt mij
+vooralsnog alleen te bereiken door kalme beschouwing en ontleding.</p>
+
+<p>Welnu dan: <i>waardoor</i> is de auteur erin geslaagd, de in h&egrave;m levende en
+klaar-opene visie van dien nobelen mensch ook &ograve;ns zoo overtuigend-waar
+voor oogen te stellen, voor ons zoo "doorzichtig" te maken? Heeft de
+schrijver dit bereikt door, in groote mate en zeer nauwkeurig, sommige
+middelen der realistische persoonsbeelding aan te wenden, d.w.z. heeft
+hij deze figuur zekere telkens terugkeerende gebaren, kleine
+eigenaardigheden en haar alleen eigen spreekwijzen&mdash;die alle dan
+natuurlijk in logisch verband staande met haar innerlijk&mdash;verleend,
+zoodat wij daardoor <i>verleid</i> worden, &oacute;&oacute;k den haar eigen buitengewonen
+adeldom van ziel als waar aan te nemen, ofschoon wij <i>dien</i> eigenlijk
+<i>onwaarschijnlijk</i> achten? Neen, dit is niet zoo, de trekjes van deze
+soort zijn nauwelijks aanwezig, bovendien, wij erkennen <i>juist dien
+adeldom</i> als echt. Of zou 't dan wellicht komen, doordat wij de
+kinderlijkheid van <i>Pastoor Jansen</i>, die <i>kinderlijkheid</i> in een
+<i>volwassen</i> mensch, als een <i>gebrek</i> beschouwen en dit <i>gebrek</i> dezen
+mensch genoegzaam <i>on</i>volmaakt in onze oogen maakt, om ons
+zijn&mdash;volmaaktheid aannemelijk te maken? Neen, ook dit kan de oorzaak
+niet zijn, want een <i>gebrek</i>, en dan nog wel een geestelijk gebrek, kan
+nimmer zulk een <i>hart-veroverenden, behoorlijken</i> indruk wekken als deze
+<span class="pagenum"><a name="p239" id="p239"></a>[p.239]</span> kinderlijkheid van <i>Pastoor Jansen</i> doet.<a name="FNanchor_13_95" id="FNanchor_13_95"></a><a href="#Footnote_13_95" class="fnanchor">[13]</a> M&aacute;&aacute;r de oorzaak
+is, dat de kinderlijkheid van dien mensch hem als met een glans van
+aandoenlijke en nederige heiligheid omgeeft, die ons stil maakt, zoodra
+we in zijn nabijheid komen, ons zacht doet treden, wijl we voelen op,
+door hem, geheiligden grond te staan en ons in die klare stemming van
+begrijpen-door-liefde brengt, die alles doorzichtig en hel-doorlicht
+maakt. <i>Die kinderlijkheid is 't, die al zijn woorden, al zijn daden,
+die dragers van zijn noblesse, als een phosphoresceerende, hen
+belichtende vloeistof drenkt</i>. Maar niet alleen aldus zien wij haar,
+doch&mdash;wel verre van haar als een gebrek te beschouwen!&mdash;zien we 'r
+integendeel ook als een heerlijke gave, dezen mensch verleend, om zijn
+blanke reinheid onbezoedeld door het leven te brengen, en zoo&mdash;terwijl
+zij ons de op zich-zelf schoone schrijn blijkt, die het juweel zijner
+goedheid behoedt&mdash;denken wij, aldoor dieper overtuigd wordend: hoe
+waardevol moet deze laatste zijn, dat de Natuur het noodig vond haar zoo
+sterk-beveiligend te omhullen! En ofschoon wellicht buiten het kader
+dezer beschouwingen vallend, wil ik niet nalaten, hier nog aan toe te
+voegen, dat uit die gedachte onmiddellijk bij mij deze voortkwam: hoe
+blijkt ook hier weer de wijsheid, dat alles vereenende, dat alles aan
+elkaar dienstbaar makende, dat met &eacute;&eacute;n middel v&eacute;&eacute;l bereikende der
+Natuur, want door die kinderlijkheid de prachtige ziel van dezen mensch
+<i>sluitend</i> voor het <i>kwade, opent</i> zij haar tevens voor het <i>goede</i>.
+(Immers, door die kinderlijkheid hebben wij haar volledig begrepen,
+daardoor zijn wij van haar waar- en echt-zijn overtuigd geworden,
+d&aacute;&aacute;rdoor zijn we dus in staat gesteld, van haar te genieten en te
+<span class="pagenum"><a name="p240" id="p240"></a>[p.240]</span> leeren. En dit is het goede. En zoo heeft dus de Natuur tw&eacute;&eacute;
+groote doelen met &eacute;&eacute;n middel bereikt....)<a name="FNanchor_14_96" id="FNanchor_14_96"></a><a href="#Footnote_14_96" class="fnanchor">[14]</a></p>
+
+<p>En nu ga ik een stuk tekst afdrukken, dat, met mijn tusschengevoegde
+ontledingen, u veel van het zooeven gezegde ongetwijfeld duidelijker
+maken zal.</p>
+
+<p><i>Pastoor Jansen</i> en <i>Wouter</i> zijn op weg naar Haarlem. <i>Pastoor Jansen</i>
+is aan 't woord:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"Maar ik zou je wat van die <i>kyrie</i> (een katholiek gebed. v.C.)
+zeggen. Als Koens hem zingt.... O! (<i>Koens</i> is pastoor van dezelfde
+kerk als <i>Jansen</i> en woont naast deze. v.C.) In z'n kamer, meen ik,
+want in de kerk doet-i 't niet graag. Stijn (<i>Jansen's</i>
+huishoudster, v.C.) heeft ervan gehuild, want het is heel gehoorig
+bij ons, we kunnen elkaar best hooren zuchten ... maar ik zucht
+nooit. Waarom zou ik zuchten?</p></div>
+
+<p>Hierin ligt al, zoowel het maar na&iuml;ef-weg babbelen, als de blijmoedigheid
+van 'n kind.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Nu, Stijn huilde, en ik kreeg kippevel. En weet je wat ik erbij
+dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik 'n prul bij pastoor Koens!"</p>
+
+<p>"H&eacute;, m'nheer!"</p>
+
+<p>"'t Is de waarheid! Maar ik van mijn kant ben weer veel sterker van
+bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor
+ondankbaarheid. Als m'n vader me op z'n smederij gedaan had, zou ik
+net zoo sterk geworden zijn als m'n broer, maar de theologie maakt
+'n mensch 'n beetje lebberig, vind je niet?</p></div>
+
+<p>Prachtig! Iemand als Jansen houdt er geen bijzondere deftige of
+edel-klinkende termen op na, als hij over God of godsdienst spreekt:
+zijn reinheid maakt hem, onbewust, als 't ware met God gemeenzaam en
+vertrouwd.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>En toch ... verbeeldje, ik heb thuis 'n <i>Vulgata</i> (de door de
+katholieke kerk aangenomen latijnsche bijbelvertaling, v.C.) Daar
+staat wat in! Ze is in kwarto, z&oacute;&oacute; dik, en dat in 't vierkant, en
+in leer gebonden ... 'n heele vracht! En er zijn sloten aan, ook.
+Stijn schuurt ze alle weken blank. (Merk nu die onschuldige <span class="pagenum"><a name="p241" id="p241"></a>[p.241]</span>
+en na&iuml;ef geuite trots van het groote, lieve kind, omdat ie zoo
+sterk is! v.C.) Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m'n
+pink, en Stijn zegt <i>Paters</i> (het <i>Pater Noster</i> = 't <i>Onze Vader.</i>
+v. C.) op, en ik houd m'n <i>Vulgata</i>&mdash;altijd met die &eacute;&eacute;ne pink, moet
+je denken&mdash;tot quotidianum (= dagelijksch, voorkomend in den zin:
+"geef ons heden ons dagelijksch brood." v.C.) van de derde. En
+Stijn is niet eens heel vlug met 'r <i>Paters</i>. Als ik ze zelf zei,
+bracht ik 't zeker tot <i>remitte</i> (voorkomend in den zin: "en
+vergeef ons onze schulden," v.C.) van de vierde, of misschien wel
+tot <i>amen</i>. Maar ik moet je 'r bijzeggen, dat wij katholieken geen
+kracht, macht en heerlijkheid hebben. (Het Katholieke <i>Onze Vader</i>
+eindigt met: "Maar verlos ons van den booze." Het protestantsche
+heeft nog dezen zin erbij: "Want U is het koninkrijk, en de kracht,
+en de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen." <i>Jansen</i> zou dus een
+sterker krachttoer doen als-ie de <i>Vulgata</i> aan z'n pink liet
+hangen gedurende 4 protestantsche Pater Nosters dan nu hij 't doet
+gedurende 4, kortere, katholieke! v.C.) Dat scheelt altijd 'n
+beetje. En ... er is niets apocriefs in de <i>Vulgata</i> (De z.g.
+apocriefe boeken: toevoegingen van later datum aan het Oude, zoowel
+als het Nieuwe Testament, die niet hetzelfde gezag als deze hebben
+en er niet mee op een lijn worden gesteld. De Vulgata is dus minder
+<i>zwaar</i> dan een protestantsch bijbel-boek waarin die apocriefen wel
+zijn af gedrukt. De goeie man vertelt dat allemaal, om zich niet
+"grooter voor te doen dan hij is"! v.C.) Met een protestantschen
+bijbel zou ik 't wel laten, dat vat je wel." Neen, Wouter vatte het
+niet! of althans hij begreep niet <i>alles</i>. Maar de conclusie nam-i
+goedig aan. Hij hield zich overtuigd dat pater Jansen bijzonder
+sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood
+gegaan zijn.</p>
+
+<p>"Ja, 't is 'n heel ding niet waar? En d&agrave;t kan nu pastoor Koens weer
+niet. Zoo zieje dat God altijd ieder 't zijne geeft. <i>Maar ik heb
+Stijn verboden 't hem te zeggen. Hij mocht eens verdrietig worden
+omdat-i 't me niet na kan doen</i>, en dit hoeft niet, want <i>zulke
+dingen komen toch in ons vak maar zelden te pas</i>.</p></div>
+
+<p>Uit het <i>eerste</i>, door mij gecursiveerde, deel van dezen zin blijkt u
+<i>Jansen's</i> goedheid, maar het wekt tevens de hinderlijke gedachte bij u
+op: hij zelf vertelt het, hij pronkt ermee, en daardoor gaat ge
+twijfelen aan het echt-zijn dier goedheid I Maar het <i>tweede</i> is van
+zulk een bekoorlijke na&iuml;efheid&mdash;vooral dat "vak"!&mdash;dat ge inziet, dat
+hij 't niet vertelt om ermee te pralen, maar uit louter onbewuste,
+kinderlijke openhartigheid! <i>Gij hebt hier dus voor u een sterk bewijs
+voor de</i> <span class="pagenum"><a name="p242" id="p242"></a>[p.242]</span> <i>waarheid van wat ik hierboven zei: die kinderlijkheid
+drenkt en belicht zijn zedelijke schoonheid, en door de eerste erkent ge
+de laatste als echt</i>.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Maar eens toch heb ik er echt schik van gehad ... niet van die
+<i>Vulgata</i>, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hij
+doet niets voor niemendal, houd je d&aacute;&aacute;r maar aan vast! Verbeeldje,
+ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n'n boer in de buurt, 'n
+rijke boer. Hij heette Koremans, maar hij was heel rijk, en hij had
+veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal
+boerenmenschen, dat begrijp je wel. Een van de meiden heette
+Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was, maar och, ik
+heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. (Jelui zult later wel
+merken waarom, v.C.) Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n'n
+ander stukje, iets van h&egrave;m, van pastoor Koens. D&agrave;t moet je hooren!"
+'t Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen
+eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n
+boeremeisje. Hij was in de jaren que tout ce qui porte jupon
+int&eacute;resse; (= dat alles wat 'n japon draagt, belang inboezemt,
+v.C.) en in z'n verbeelding vertaalde hij elk onbekend
+vrouwspersoon in "Femke" of ... iets als Femke, (het meisje, waarop
+hij "verliefd" is. v.C.) Maar hij begreep toch dat-i den goeden
+Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hij
+luisterde zoo aandachtig mogelijk.... (Wij doen dit <i>niet</i>, om
+&mdash;ruimte te winnen, en luisteren pas weer, als Wouter aandringt de
+geschiedenis van Trineke te hooren. v.C.)</p>
+
+<p>"Maar, m'nheer, wat was er met die Trineke?"</p>
+
+<p>"Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten
+noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood."</p>
+
+<p>"Wat had-i gedaan met die Trineke?"</p></div>
+
+<p>Uit dat <i>gedaan</i>, blijkt dat het romantische Woutertje op zijn minst aan
+'n half dozijn onteeringen of iets dergelijks denkt!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit
+over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jij 't
+vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist
+niet minder dan andere boeren, en daarom zou 't me leelijk staan
+z'n naam te bekladden, maar waar is waar! Hij was h&eacute;&eacute;l rijk, en
+goed voor de kerk, o best! In onze kapel&mdash;want we hadden 'n kapel
+in 't Simmenarie&mdash;hing 'n geelkoperen <i>Sebastiaan</i> ('n heiligbeeld.
+v.C.) met z'n lijf vol pijlen, wel duizend pond zwaar ... nu, die
+was van h&egrave;m. En opschepperig <span class="pagenum"><a name="p243" id="p243"></a>[p.243]</span> was-i als we hem bezochten,
+goedgeefs ... je hebt er geen begrip van! Aan brood of kaas of
+karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n twintigen ... net
+'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozijnen op brandewijn, en
+daar dronken wij simmenaristen van dat het 'n aard had. Maar dat
+kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of
+zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen&mdash;'t was al de
+derde, want daar de m&acirc;skes veel meekregen, wou ieder ze hebben&mdash;en
+wij kwamen gelukwenschen en werden best onthaald, maar de bruid
+keek sip, (je zult later wel zien, waarom! v.C.) en we dronken
+brandewijn op rozijnen, en er was 'n pret van belang ... op de
+bruid na! Maar op eens ... och, jongeheer, ik had 't je eigenlijk
+niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je er nooit
+over spreken zult?"</p>
+
+<p>"Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!"</p>
+
+<p>"W&agrave;t? Nu, je belooft het, dat 's genoeg."</p></div>
+
+<p>Dat "op m'n woord van eer" van Woutertje, die zich voortdurend een
+ridder of zoo iets droomt, is kostelijk. Maar nog kostelijker is Jansens
+verbaasde "Wat?" daarop, en allerbest dat hij in z'n eenvoud heelemaal
+niet begrijpt, dat Woutertje daar iets heel plechtigs mee bedoelt,
+integendeel, hij schijnt het iets minder dan een gewone, eenvoudige
+verzekering te achten, maar enfin, denkt hij, hoe gek ook, hij h&eacute;&eacute;ft 't
+beloofd, dat is genoeg!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en n&ograve;g! Want je zult
+hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens
+terdeeg uitgegroeid. Je begrijpt, 'n jongen in <i>theologie-tweede</i>
+is anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou
+gedanst worden ook. Dit mocht eigenlijk niet, en als 't in 'n ander
+huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar
+<i>Rector</i> zag wat door de vingers als 't bij Koremans gebeurde, om
+dien <i>Sebastiaan</i>, weet-je, en ook omdat-i weleens in z'n wagen
+naar stad reed en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen ... in dien
+tijd. Nu zou 't niet meer staan! En ik zou dansen met de bruid, die
+ik graag lijden mocht ... vroeger.</p></div>
+
+<p>Hier <i>schijnt</i> onze groote kunstenaar "er even uit." Immers dat
+"vroeger" beteekent: nu ik priester ben, zou mij dat <i>niet</i> geoorloofd
+zijn "haar graag te mogen lijden." Welnu als dit een soort liefde was,
+die hem als priester niet geoorloofd is, dan was het hem, den hoogreine,
+ook niet geoorloofd, terwijl hij zich van <i>die</i> liefde <i>bewust</i> was, met
+Lies te dansen. <span class="pagenum"><a name="p244" id="p244"></a>[p.244]</span> Neen, hij was toen nog geen priester, m&aacute;&aacute;r: hij
+zou 't worden &egrave;n <i>zij was immers met een ander verloofd</i>. Jansen, mag,
+wil zijn figuur volmaakt gaaf blijven, niet geweten hebben dat zijn
+liefde een "zondige" was, en Multatuli laat het hem klaarblijkelijk w&egrave;l
+weten. Maar begrijpen we 't goed: <i>nu</i> weet ie-'t, <i>toen</i> wist hij 't
+<i>niet</i>. Men zie mijne ontleding van de geheele figuur aan 't eind van
+dit hoofdstuk.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>En ze hield van mij ook wel, dat weet ik zeker.</p></div>
+
+<p>Dit is schitterend. Jansen blijkt hier duidelijk de na&iuml;ef-reine, tot
+wien het heelemaal niet is doorgedrongen zelfs op dit oogenblik, dat
+Liesje niet alleen "van hem hield" maar dat zij hem liefhad als een
+vrouw een man.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik, dat Trineke er niet was
+en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altijd bij,
+net als de andere knechts en meiden, maar nu was zij er niet. En
+dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans zelf.
+Lies was de bruid, weet-je, die met me dansen zou, en wel 't
+allereerst, omdat ik 'n weddingschap van haar vrijer had gewonnen
+... ook al over sterkte. "Trien is ziek," zei Koremans, "en ga nu
+je gang maar met Lies." "Is Trineke ziek," vroeg ik, "en waar is ze
+dan?" Want d&agrave;t wou ik weten. "En," zei ik, "ik ga nu me gang met
+Lies niet, voor ik weet waar Trineke is."</p>
+
+<p>.........................................................................................................................................................................</p>
+
+<p>"Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed
+doet...."</p>
+
+<p>"Ik zal er heusch niet over spreken," beloofde Wouter, die meende
+dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg en bang was dat
+Jansen 't verhaal afbreken zou.</p>
+
+<p>"O, <i>dit</i> mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't
+weet. Ik wou je dan zeggen&mdash;maar 't spijt me toch&mdash;dat de boeren
+... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...."</p>
+
+<p>"H&eacute;?"</p></div>
+
+<p>Wouter krijgt 'n slag op z'n hart, nu hij hoort, dat Trineke <i>oud</i> was.
+Hij had van een of andere romantische geschiedenis van een jong,
+natuurlijk "beeldschoon" boerinnetje gedroomd. Prachtig is dat weer, hoe
+Multatuli <i>Woutertje</i> doorvoeld heeft!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had <span class="pagenum"><a name="p245" id="p245"></a>[p.245]</span>
+al meer gemerkt, dat men haar achteraf-zette en wegdeed als er wat
+vroolijks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was,
+en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want
+toen ik den vorigen keer bij Koremans was, had ik al gemerkt dat ze
+erg hoestte, en nog kaduker was dan gewoonlijk. Ze was 'n beetje
+mank ook, maar ze had altijd braaf gewerkt.... O, bij Koremans z'n
+ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was. "Ze is op 'r bed," zei
+Lies, "en ik begrijp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe
+mensch. Kom dans maar!" En ze wenkte den speelman dat-i beginnen
+zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof
+God me ingaf&mdash;dit gebeurt soms&mdash;dat ze slecht behandeld werd. En
+Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje
+denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou dat ik
+Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want ...ze lag in den
+stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet&mdash;dat
+begrijp je wel&mdash;maar 't was of God 't me ingaf. En ik stond v&oacute;&oacute;r
+den stal, en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet
+antwoorden, en Lies riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe
+mensch?" Maar ik zei: "met jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen
+vroeg ik aan Koremans of-i de deuren van den stal wou openen?
+"Neen," zeid-i, "en ze is er niet!" En ik zei dat ze er wel was, en
+vroeg 't hem n&ograve;g eens, want men moet 'n mensch altijd tijd laten om
+zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hij zei weer neen, en Lies
+wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m'n schouder
+tegen de staldeur dat ze kraakte, en ... ik was erin, hoor! Vindt
+je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.</p>
+
+<p>"En Trineke, m'nheer?"</p>
+
+<p>"Welzeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't
+Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer
+geleefd, maar ... ze is toch behoorlijk gestorven op 'n kristelijk
+bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik
+je!"</p>
+
+<p>.........................................................................................................................................................................</p>
+
+<p>"En Liesje, m'nheer?"</p>
+
+<p>"Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen
+Trineke op 'n bed lag, vroeg ze-n of ik nu met haar dansen wou?
+Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineke een glas brandewijn met
+rozijnen en krentenkoek, dat heel versterkend is bij de boeren, en
+toen vroeg ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar
+zonder veel pleizier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en
+Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelijk uitstellen, maar
+Koremans was er kwaad om, en haar vrijer ook. Ik geloof dat-i me
+niet lijden mocht ... zeker om die weddenschap."</p></div>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p246" id="p246"></a>[p.246]</span> Let op de gedachtenverbinding bij <i>Jansen</i>. Hij vertelt dat
+Liesje's vrijer boos was, omdat zij het huwelijk wilde uitstellen, en
+dadelijk daarop zegt hij: "Ik geloof" enz. Daarmee verklapt hij
+onwillekeurig, zich ervan bewust te zijn, dat de vrijer Liesje's plan
+haar huwelijk uit te stellen, weet aan iets, dat in verband stond met
+Jansen's persoon, maar dat <i>niet</i> de Trineke-geschiedenis was! Hij
+bemerkt echter onmiddellijk, dat hij zich verklapt heeft en om Wouter op
+een dwaalspoor te brengen, voegt hij er gauw bij: "zeker om die
+weddenschap."</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten
+minder vroolijk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze maar
+zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier."</p></div>
+
+<p>Een toespeling op Jansen's verhaal van hoe hij met Liesje danste na de
+Trineke-geschiedenis. Deze toespeling heeft dus de waarde van een
+voortreffelijke vergelijking, een mooi "beeld," en geeft hetzelfde
+genot!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man
+aantezetten tot wat gehuppel. Ja zelfs hij verwachtte een flinken
+sprong, 'n <i>saut p&eacute;rilleux</i> (= 'n gevaarlijke sprong, v.C.). De
+onkunde der jeugd is wreed&mdash;<i>cet &acirc;ge est sans piti&eacute;</i>, (= deze
+leeftijd kent geen medelijden, v.C.) zei de fabeldichter&mdash;en Wouter
+wist niet wat-i deed, toen hij vroeg: "En is Liesje met haar vrijer
+getrouwd, m'nheer?"</p></div>
+
+<p>Immers deze vraag moet <i>Jansen</i>, die Liesje op 'n heel andere manier
+heeft liefgehad, dan hij zelf <i>indertijd</i> wist, schrijnende pijn doen.</p>
+
+<div class="blockquot">
+<p>.........................................................................................................................................................................</p>
+
+<p>"En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? (Nadat ze getrouwd was en
+"bleek en verdrietig en ziek was geworden." Ze leefde ook niet lang
+meer. v.C.) Neen, want haar man was niet heel vriendelijk als ik
+naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou
+brengen, dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje ... kijk de
+zaak was z&oacute;&oacute;. (Jansen ziet in, dat hij tegenover Wouter zich niet
+langer van het voorwendsel van die weddenschap kan bedienen! v.C.)
+In 't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander had, als ze 't maar
+had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander
+van de kerk was. Ja, ja, ik weet wel wie 't was, ook!"</p>
+
+<p>"H&eacute;?" vroeg Wouter die 't ook meende te weten.</p></div>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p247" id="p247"></a>[p.247]</span> Wouter denkt, zeer terecht, dat 't Pater Jansen zelf was.
+Vandaar z'n verbaasd "H&eacute;?" nu hij gaat inzien dat de Pater meent, dat 't
+een ander was.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>"Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op
+de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk
+kwamen, stond zij aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra
+we naderbij kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand, die niet
+weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zijn de meisjes, en dit wist
+ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als
+op 'n Simmenarie."</p></div>
+
+<p>Dit is heerlijk.' Humor van de allerbeste soort. Op 't zelfde oogenblik,
+dat hij blijk geeft zoo onschuldig te zijn als 'n pasgeboren kind, zegt
+hij, zooveel menschenkennis op 't Simmenarie te hebben opgedaan!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Nu, dat ze-n-altijd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten,
+besten jongen!</p></div>
+
+<p>O, hoe prachtig is dit: met dit "'n besten, besten jongen!" verdedigt
+Jansen zijn vriend tegen eigen innerlijk misprijzen, 't Beteekent zoo
+iets als: Neen, ik <i>wil</i> geen kwaad van hem denken.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger
+geweest zijn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat
+zou ik ook misschien wel eens gedaan hebben, want Kruger was m'n
+beste vrind, en hij hield <i>bijna net zooveel</i> van Liesje als ik. O,
+heel veel!</p></div>
+
+<p>In dat "bijna net zooveel" ligt een wereld! Pater Jansen moge zich-zelf
+onder bedwang hebben, hij moge z'n afkeurende gedachten over 'n vriend
+het zwijgen opleggen, hij make zich-zelf diets, dat pastoor Koens zoo'n
+beste jongen was&mdash;wij weten en hij weet o.a., dat jonge fatsoenlijke
+meisjes niet graag bij hem biechten gingen!&mdash;als hij denkt aan zijn
+eigen liefde voor Liesje, dan is het met dat zich-diets-maken uit. Hij
+ziet plots de smetteloos reine verschijning <i>zijner</i> liefde, en
+daarnaast, daar ver onder: de waarschijnlijk zinnelijke, oppervlakkige
+van Pastoor Koens. En wilde hij ze al gelijk stellen, het woord besterft
+hem op de lippen. Hij voelt dat dat heiligschennis wezen zou en hij m&ograve;et
+'t zeggen, dat <span class="pagenum"><a name="p248" id="p248"></a>[p.248]</span> heerlijke, ook ter wille van Liesje: dat zijn
+liefde grooter was. Maar in 'n laatste poging zich-zelf neer te buigen
+en z'n vriend omhoog te tillen, verkleint hij den afstand tusschen beide
+liefden: "<i>bijna net zooveel</i>." O, het is om te schreien en te juichen
+tegelijk....</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelijkheden, toen 't
+paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen
+van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden
+door een der hoofdpersonen zelf.</p></div>
+
+<p>Immers Liesje was op <i>Jansen</i> verliefd en deze denkt dat ze 't op
+<i>Kruger</i> was.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hij voelde wel dat Jansen eigenlijk meer verteld had dan-i zich
+veroorloofde te weten. Of <i>wist</i> hij meer?</p></div>
+
+<p>Er zit hier een moeilijkheid. We moeten daar even bij stilstaan. Indien
+men zegt dat iemand meer vertelt dan hij zich veroorlooft te weten, dan
+beteekent dit ongetwijfeld, dat het juist heel zeker is dat die
+verteller het weet, maar dat hij eigenlijk zich-zelf of anderen niet
+bekennen wil d&agrave;t hij 't z&eacute;ker weet. Daarna dan bij wijze van
+tegenstelling te vragen: "of wist hij meer?" heeft geen zin. Wij moeten
+dus aannemen, dat Multatuli tegen het gewone spraakgebruik in met dat
+"meer dan-i zich veroorloofde te weten," bedoelde: meer dan-i werkelijk
+<i>wist</i>. (Dus ironisch. In den zin van: meer dan-i zich de weelde
+veroorloofde te weten.) En d&aacute;&aacute;rop volgt dan logisch: "Of wist hij meer?"
+Het antwoord wordt in het volgend stukje tekst te <i>gissen</i> gegeven.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man
+gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf
+dreunde en 't spreken moeilijk maakte, was daarvan zeker de
+oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen
+over den vreeselijken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had.
+"Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben
+moe ook."</p></div>
+
+<p>Jelui zult al wel begrepen hebben, dat hij geschreid en d&aacute;&aacute;rom ook niet
+gesproken heeft.&mdash;En nu het antwoord op de vraag, <i>of hij meer wist</i>?
+Dit antwoord moet m.i. aldus <span class="pagenum"><a name="p249" id="p249"></a>[p.249]</span> luiden: In zijn jeugd, <i>terwijl de
+geschiedenis met Liesje voorviel</i>, dacht hij, dat Liesje niet hem, maar
+Kruger liefhad. Zoowel zijn na&iuml;veteit als zijn zelf-geringschatting
+verklaren dit voldoende. Trouwens, ware het anders, dan zou deze
+smetteloos-reine toch onmiddellijk den omgang met Liesje afgebroken
+hebben om haar liefde niet aantewakkeren. Vandaar dan ook, dat hij zegt,
+dat hij <i>misschien</i> Kruger wel eens zou meegenomen hebben. D.w.z. hij
+zou misschien toegegeven hebben aan den aandrang van den vriend, om hem
+mee te nemen, maar met zijn volle instemming zou hij dat niet gedaan
+hebben. Immers hij was natuurlijk van meening, dat Kruger haar liefde
+niet mocht aanwakkeren. En dit is dan ook de reden hier, waarom hij,
+zooals we merkten, innerlijk Kruger <i>geen</i> "beste jongen" vindt. Daarna,
+bij 't klimmen der jaren echter, zijn hem, in zijn stil peinsleven, de
+oogen opengegaan. Hij heeft toen begrepen, dat Liesje <i>hem</i> heeft
+liefgehad. Maar dan, om zijn gemoedsrust te bewaren en de nijpende smart
+om het verloren geluk tot zwijgen te brengen, is hij zich gaan <i>diets
+maken</i>, wat hij <i>eerst</i> in w&aacute;&aacute;rheid geloofde, nml. dat zij Kruger
+liefhad. Als men weet hoe gemakkelijk menschen langzamerhand in de
+waarheid van eigen vaak herhaalde onwaarheden gaan gelooven, dan
+begrijpt men zeker, hoe betrekkelijk licht dit ook dezen <i>priester van
+een suggestief wondergeloof</i>, in zijn <i>lang leven</i> moet gelukt zijn. Op
+'t oogenblik dus, dat hij Wouter vertelt, dat Liesje Kruger liefhad,
+vertelt hij geen <i>bewuste</i> onwaarheid. Maar dan weer, door de
+aandoenlijkheid van zijn verhaal&mdash;bij dat <i>bijna net zooveel</i>&mdash;uit zijn
+zelf-gesuggereerde denk-sleur geheven, staat plotseling &eacute;&eacute;n vreeselijk
+oogenblik, de lang weggeduwde, de diep verborgen waarheid, groot en
+ontzettend voor zijn oogen, en in de duisternis van de poort snikt hij
+zijn wee uit, om 't verloren heil ... de nutteloos uitgebloeide
+liefde....</p>
+
+<p>Hiermede zij de behandeling van <i>Woutertje Pieterse</i> be&euml;indigd.</p>
+
+<p>En nu een bekentenis: v&oacute;&oacute;r het schrijven heb ik altijd een zekeren
+angst, dat ik mijn onderwerp niet voldoende recht <span class="pagenum"><a name="p250" id="p250"></a>[p.250]</span> zal doen
+wedervaren, of, op deze plaats, te moeilijk zal zijn, daarn&agrave;&mdash;zelden het
+gevoel geslaagd te zijn....</p>
+
+<p>Wat zal jelui na het lezen hebben? Mag ik mij vleien, dat het de
+begeerte zal wezen, zelf het kunstwerk in z'n geheel te genieten?</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<div class="footnotes"><h4>NOTEN:</h4>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_83" id="Footnote_1_83"></a><a href="#FNanchor_1_83"><span class="label">[1]</span></a> Voor 't eerst gepubliceerd als inleiding tot de
+literatuur-afdeeling van den boekerij-catalogus van den A.N.D.B.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_84" id="Footnote_2_84"></a><a href="#FNanchor_2_84"><span class="label">[2]</span></a> Op dit laatste: het innig-doorvoeld hebben van de eenheid
+van het zijnde berust dit, wellicht edelste, vermogen van den literairen
+kunstenaar: het maken van treffende vergelijkingen (het "scheppen van
+beelden"). Want dit <i>is</i> niet anders dan het weten der eigenschap, die
+overigens uiteenloopende dingen gemeen hebben.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_85" id="Footnote_3_85"></a><a href="#FNanchor_3_85"><span class="label">[3]</span></a> Zie, <i>na dit geheele betoog ten einde te hebben gelezen</i>,
+de noot op blz. 216. (zie noot [5] hieronder)</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_86" id="Footnote_4_86"></a><a href="#FNanchor_4_86"><span class="label">[4]</span></a> Zie hierin tevens het bewijs en de verklaring van de
+stelling (zie pag. <a href="#p211">211</a>) waarom noodzakelijk elke weergave-in-kunst
+schoonheid is.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_87" id="Footnote_5_87"></a><a href="#FNanchor_5_87"><span class="label">[5]</span></a> Ik heb vermeden, 't geen ik nu zeggen ga, in het
+voorafgaande betoog op te nemen, om eenigen niet ervaren lezer het
+verstaan niet noodeloos te bemoeilijken en hem van den hoofdweg af te
+leiden. Nu moge het echter tot juister en vollediger begrip hier een
+plaats vinden. Overal, waar in het betoog sprake was van "objectiviteit"
+bij het waarnemen en weergeven, werd dit <i>nimmer in absoluten zin
+bedoeld</i>. Het is bijna onnoodig te zeggen, dat <i>onze subjectiviteit
+altijd waarneming en weergave kleurt</i>. "Objectieve waarneming en
+weergave" wil dus, zoo kort mogelijk gezegd, hier niet anders beteekenen
+dan die waarneming en weergave, waarin geen enkel ander element van
+subjectiviteit aanwezig is, dan hetgeen <i>onvermijdelijk</i> voortvloeit uit
+den aard der <i>natuurlijke individualiteit</i> van den waarnemer en
+weergever.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_88" id="Footnote_6_88"></a><a href="#FNanchor_6_88"><span class="label">[6]</span></a> In <i>Het Jonge Leven</i> was een Hildebrand-artikel aan dit
+opstel voorafgegaan.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_89" id="Footnote_7_89"></a><a href="#FNanchor_7_89"><span class="label">[7]</span></a> De moeite van dit "losmaken" werd mij intusschen bespaard
+door de voortreffelijke uitgave van <i>Woutertje Pieterse</i> der
+<i>UitgeversMij. Elsevier</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_90" id="Footnote_8_90"></a><a href="#FNanchor_8_90"><span class="label">[8]</span></a> Verwekt dus ook de <i>goede</i> romantiek soms in den daarvoor
+ontvankelijken lezer, een overdreven voorstelling van de
+werkelijkheid,&mdash;de <i>slechte</i> romantiek <i>is</i> die "overdrijving" <i>in
+zich-zelf</i>. <i>Zij</i> vervalscht den <i>gewonen middelslag-mensch</i> tot een
+<i>grooten</i> mensch, groot zoowel in het goede als in het kwade, doet hem
+leven in omstandigheden, waarin zulk een mensch <i>niet</i> leeft en laat hem
+daden verrichten, die zulk een mensch <i>niet kan</i> verrichten.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_91" id="Footnote_9_91"></a><a href="#FNanchor_9_91"><span class="label">[9]</span></a> Hier volgde in het oorspronkelijk artikel het schitterende
+"Avondje bij juffrouw Pieterse." Slechts &eacute;&eacute;n door mij bij het citeeren
+gemaakte opmerking&mdash;de andere zijn voor een algemeen publiek te weinig
+belangrijk&mdash;zij hier herhaald: De dialoog in dat gedeelte van ons boek,
+staat slechts <i>ten deele</i> in <i>dialect. Multatuli</i> achtte zich na het
+toonen van een staaltje daarvan, ontheven van den <i>kunstenaarsplicht</i>,
+den dialoog aldus weer te geven. <i>Zeer onjuist</i> &egrave;n jammer ook, omdat nu
+iets van de <i>groeps</i>-karakteristiek verloren gaat.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_92" id="Footnote_10_92"></a><a href="#FNanchor_10_92"><span class="label">[10]</span></a> Hier: blz. <a href="#p211">211</a> en <a href="#p214">214</a>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_93" id="Footnote_11_93"></a><a href="#FNanchor_11_93"><span class="label">[11]</span></a> De voorstelling van een begrip, een zaak, als persoon.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_94" id="Footnote_12_94"></a><a href="#FNanchor_12_94"><span class="label">[12]</span></a> Causaliteit = oorzakelijkheid, het verband tusschen
+oorzaak en gevolg. (Denk aan het fransche <i>cause</i> = oorzaak). Het is
+hier natuurlijk de plaats niet om uitteweiden over alles wat hieraan
+vast zit. Genoeg zij 't, dat Multatuli tot die wijsgeerig-denkenden
+behoorde, die meenen, dat elke oorzaak <i>noodwendig</i> het gevolg heeft,
+dat eruit voortspruit, m.a.w.: zij had nimmer een ander gevolg kunnen
+hebben. Waarom hij dan ook aan de causaliteit den naam <i>Fancy</i> geeft,
+zal u nu wel duidelijk zijn. Immers: het kunstvoortbrengen, zegt hij, is
+niet iets willekeurigs, dat hij doen of laten kan wanneer het hem
+belieft, maar hij doet het slechts, wanneer hij door zijn innerlijken
+drang ertoe wordt gedwongen. Die drang is de resultante, het uitvloeisel
+van de factoren, die te zamen den mensch Multatuli vormen. Hij is dus
+een gevolg, een werking van de causaliteit, van al de <i>oorzaken</i>
+namelijk, die den mensch Multatuli en zijn denken en doen tot noodwendig
+<i>gevolg</i> hadden. En, zegt hij &oacute;&oacute;k, <i>Fancy</i> inspireert, fluistert hem
+zijn scheppingen in. <i>Fancy</i> is dus &eacute;&eacute;n met de causaliteit, een
+personificatie ervan.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_13_95" id="Footnote_13_95"></a><a href="#FNanchor_13_95"><span class="label">[13]</span></a> Multatuli-zelf ziet deze kinderlijkheid wel als een
+gebrek. Het eenige wat ik daarvan zeggen kan is&mdash;dat de vader hier zijn
+eigen kind niet goed gekend heeft! 't Geen niet behoeft te verwonderen.
+De verklaring ligt voor de hand, waarom dit verschijnsel juist bij
+gr&oacute;&oacute;te schrijvers voorkomt. De voortreffelijke G.K. Chesterton geeft er
+in zijn onlangs verschenen <i>Criticisms and appreciations of Charles
+Dickens' Works</i> eenige aardige bij Dickens voorkomende staaltjes van.
+Tusschen haakjes: ik kan den Engelsch-kennenden onder mijne lezers, dit
+luchtig en geestig geschreven en zooveel juist inzicht bevattend werk
+warm aanbevelen.&mdash;</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_14_96" id="Footnote_14_96"></a><a href="#FNanchor_14_96"><span class="label">[14]</span></a> Menigeen zal het gek vinden, dat ik zoo voortdurend van
+<i>Pastoor Jansen</i> als van een werkelijk geleefd hebbende persoon spreek.
+Maar men bedenke, dat het 't <i>levensware</i> is, dat iets geschikt maakt er
+<i>levenswaarheden</i> aan te demonstreeren, en dat is evenzeer bij een door
+<i>de Kunst</i> als door de Natuur <i>geschapen</i> mensch aanwezig.&mdash;
+</p></div></div>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART,<br /> DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p251" id="p251"></a>[p.251]</span></p>
+<h3>I.</h3>
+
+
+<p>Is het voor den lezer en bespreker van de <i>Historie van Mej. Sara
+Burgerhart</i> ongetwijfeld immer een voorrecht dezen roman-in-brieven in
+de uitgave van de W.B. voor zich te hebben, in deze warmte vooral voelt
+men 't als een onschatbaar genot, dank zij den heer Prof. Knappert, die
+het werk van eene inleiding en verklarende aanteekeningen heeft
+voorzien, niet genoodzaakt te zijn, om, bibliotheek in, bibliotheek uit,
+naar de beteekenis van verouderde uitdrukkingen te speuren, of te
+beproeven zich zelfstandig in 't historisch milieu te orienteeren.
+Bedoelde inleiding en aanteekeningen maken al een zeer sympathieken
+indruk, niet alleen door den zoo duidelijk blijkenden ernst en de
+nauwgezetheid, waarmede zij zijn samengesteld, maar &oacute;&oacute;k door het feit,
+dat de heer Knappert in een zeer gewichtige aangelegenheid zijn eigen
+weg is gegaan en zich niet door den beroemden <i>Busken Huet</i> een dwaalweg
+heeft laten inloodsen. Anders dan deze, die eene der boezemvriendinnen,
+en wel Agatha Deken, het mede-auteurschap der, naar beider
+ondubbelzinnige verklaring, <i>gezamenlijk</i> geschreven romans ontzegt,
+verklaart onze geleerde en scherpzinnige commentator: "Maar haren roem
+danken Betje en Aagje terecht aan haar <i>wezenlijk gezamenlijk</i>
+geschreven romans." Om met den gullen Abraham Blankaart, Saartje's voogd
+te spreken: "Dat klinkt je wat anders voor den snoet" dan de
+qu&agrave;sie-vernuftige <span class="pagenum"><a name="p252" id="p252"></a>[p.252]</span> critische bewering van Huet. 't Is waarlijk
+geen gering vergrijp op zoo wankele gronden<a name="FNanchor_1_97" id="FNanchor_1_97"></a><a href="#Footnote_1_97" class="fnanchor">[1]</a> als door deze voor zijn
+meening kunnen worden aangevoerd, het niet alleen aan te durven, deze
+vrouw, die zich niet verdedigen kan, van haar roem bij het nageslacht te
+berooven, maar ook de moreele smet aan te wrijven, dat zij zich eer en
+lof heeft laten aanleunen, die haar niet toekwamen en letterlijk op de
+talenten van haar weldoenster en hartsvriendin zou hebben geparasiteerd.
+Want Huet moge daar luchtigjes overheen redeneeren en, de kool en de
+geit pogend te sparen, het als iets loffelijks in Aagje voorstellen, dat
+zij niet weigeren wilde, Betje's roem te deelen, in waarheid zou zulk
+een handelwijze niet anders gequalificeerd kunnen worden, dan ik heb
+gedaan. En het schenkt mij dan ook niet geringe voldoening en vreugde,
+dat de heer Knappert anders oordeelt. Intusschen, hoe gaarne ik langer
+over diens bijzonder <span class="pagenum"><a name="p253" id="p253"></a>[p.253]</span> waardevollen arbeid zou uitweiden, we
+zullen nu maar eens aan den roman-zelf onze aandacht geven. Al lezend
+zullen wij gelegenheid te over hebben, door van de inlichtingen van
+onzen gids gebruik te maken, hem de beste hulde te brengen, die iemand
+gebracht worden kan.&mdash;</p>
+
+<p>Ziehier de zeer kort saamgevatte "inhoud": <i>Sara Burgerhart</i>, eene wees,
+'n zeer begaafd, zeer geestig en bevallig kind van 'n jaar of twintig,
+is bij een oude, kwezelachtige tante in huis, <i>Juffrouw Hofland</i>, die
+zich te goeder trouw bij de zoogenaamde "fijnen" aangesloten hebbend,
+hun dupe wordt. (Bij dat woord "fijnen" hi&egrave;r moet ge niet denken aan een
+zeker soort van vrome menschen, die, ofschoon lastig en onverdraagzaam
+voor hunne omgeving, toch deugdzaam zijn en hunne godsdienstigheid
+oprecht meenen, neen, d&eacute;ze "fijnen" zijn integendeel doortrapte
+huichelaars, die, onder den schijn van streng godsdienstig te zijn, de
+meest schurkachtige daden bedrijven!) Het arme kind wordt echter zoo
+door die tante en haar verfoeilijk gezelschap, <i>"Broeder" Benjamin</i> en
+<i>"Zuster" Slimpslamp</i>, benevens 'n dronken tobbe van 'n dienstmeid,
+<i>Brecht</i>, genegerd en geplaagd, dat ze met toestemming van haar
+uitmuntenden voogd, <i>Abraham Blankaart</i>, die haar vaders boezemvriend
+was, ontvlucht en haar intrek neemt bij een waarlijk verstandige en
+deugdzame vrouw, <i>de Wed. Buigzaam</i>. Daar wint zij niet alleen de
+vriendschap van haar hospita en, op &eacute;&eacute;n enkele uitzondering na, die van
+de bij deze inwonende jonge dames, maar zij leert er ook den man kennen,
+die haar echtgenoot wordt: <i>Hendrik Edeling.</i> Voor zij echter trouwt, is
+zij door haar sterken zin voor uithuizige vermaken en het argeloos
+vertrouwen van haar jong, rein hart, bijna het slachtoffer geworden van
+een adellijken losbol en gewetenloozen meisjesverleider, <i>den heer
+R</i>.<a name="FNanchor_2_98" id="FNanchor_2_98"></a><a href="#Footnote_2_98" class="fnanchor">[2]</a></p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Ook deze roman is een <i>realistisch</i> werk. En ik geloof <span class="pagenum"><a name="p254" id="p254"></a>[p.254]</span> het
+daarom niet te onpas eens even vluchtigjes te onderzoeken in welke
+verhouding de innerlijkheid van dit werk en de fundamenteele geaardheid
+zijner auteurs staan tot die van de beide andere, in deze serie<a name="FNanchor_3_99" id="FNanchor_3_99"></a><a href="#Footnote_3_99" class="fnanchor">[3]</a> reeds
+behandelde boeken en schrijvers: Hildebrand met zijn <i>De Familie Kegge</i>,
+Multatuli en zijn <i>Woutertje Pieterse.</i> Zou men aanvankelijk geneigd
+zijn te beweren, dat Wolff en Deken in hun Hollandsche degelijkheid en
+de geschiktheid van hun roman "voor den Meridiaan des Huiselijken
+levens," meer overeenkomst vertoonen met den kalmen aspirant-burger-
+huisvader Hildebrand, dan met den geweldigen Multatuli, den afbreker,
+den spotter en de schrik van alle brave huisvaders en afgebakende-
+levensweggetjes-bewandelenden&mdash;men komt al heel spoedig van die meening
+terug. Zooals Hildebrand wel schijnbaar, en ten deele met Multatuli
+overeenkomt in het gering achten van eigen <span class="pagenum"><a name="p255" id="p255"></a>[p.255]</span> kunst en artistieke
+vermogens&mdash;de eerste, zooals wij indertijd gezien hebben, vindt zijn
+schetsen-schrijven een jeugdspel, dat den rijperen leeftijd niet meer
+voegt, terwijl de laatste voor niets grooter angst schijnt te hebben,
+dan om zijn schrijfkunst bewonderd te worden&mdash;maar inderdaad in de
+oorzaken dier geringschatting hemelsbreed van hem verschilt&mdash;want ten
+eerste mag men met grond beweren, dat Multatuli meestentijds niets van
+dit geringschatten meende, maar ten tweede: dat, ten tijde dat hij 't
+w&egrave;l meende, die meening in hem geboren werd <i>uit zijn ontzaglijk
+revolutionnair sentiment</i>, terwijl zij bij Hildebrand voortkwam juist
+uit het <i>tegenovergestelde</i>: het begrip van eigen waardigheid en fatsoen
+als dienaar van den godsdienst, d.i. van het overgeleverde, het, in zijn
+oogen, <i>vaststaande en blijvende</i>: een fundamenteel onderscheid
+dus!&mdash;zoo komen, oppervlakkig beschouwd, Betje en Aagje wel met
+Hildebrand overeen in den eerbied voor een werkelijk godsdienstig leven;
+in de voorkeur voor het beelden van echt vaderlandsche tooneelen, en
+zelfs in het verliefd zijn op enkele der door hen geschapen figuren,
+maar dat alles spruit bij hen uit geheel andere motieven voort dan bij
+hem. De eerbied voor den werkelijk godsdienstigen en braven mensen maakt
+zich bij Hildebrand zelden los van de wetenschap, dat ook hij zulk een
+mensch is, in &eacute;&eacute;n woord: hij blijkt soms saamgeweven met eene ergerlijke
+zelfverheerlijking en zelfverheffing, bij onze Wolff en Deken is daar
+geen sprake van. Beeldt Hildebrand zich in <i>De Familie Kegge</i>&mdash;herinnert
+ge 't u?&mdash;als den onfeilbaar-wijze en den reddenden engel, Betje
+daarentegen stelt zich-zelf ten toon&mdash;ongetwijfeld zich bewust, dat men
+dit zal begrijpen&mdash;als de zeer zeker begaafde, zeer zeker brave en
+sympathieke, maar niet minder lichtzinnige <i>Saartje Burgerhart</i>, die
+niet alleen geen anderen redt, maar er rond voor uit komt, dat ze 't
+alleen God heeft te danken, dat ze niet door een schurk voor haar
+geheele leven ongelukkig is gemaakt, terwijl Aagje er niets op tegen
+schijnt te hebben, zich-zelf als de bedilzieke en overijld naar den
+schijn oordeelende <i>Anna Willis</i>&mdash;vriendin van <i>Saartje</i>&mdash;te teekenen!
+<span class="pagenum"><a name="p256" id="p256"></a>[p.256]</span> En ongetwijfeld: de liefde voor het schetsen van het
+vaderlandsche milieu is zoowel bij Hildebrand als bij onze schrijfsters
+zeer sterk, maar welk verschil in omvang en rijkdom hunner
+menschenwereld! Waardeert men bij Hildebrand een sterk <i>novellistisch</i>
+talent, in het werk van Wolff en Deken voelt men den adem der groote,
+heele menschengroepen omvattende epica. En welk een onderscheid ook in
+de weergave dier wereld! In hoeveel grootere mate dan bij Hildebrand
+spreken hier de struische Hollanders de stoere Hollandsche taal. Neen,
+men ziet het: dit is onovertrefbaar: deze menschen kunnen niet anders
+spreken, dit is het woord, waarin zij-zelf l&eacute;ven, het woord soms hoekig
+als hun vierkantig gezicht, hun zware lijf, soms rond als hun kaaskop,
+maar altijd helder-gewasschen als hun grijze en blauwe kijkers....</p>
+
+<p>Ook de verliefdheid op de eigen kunstfiguren is bij Hildebrand iets
+geheel anders dan bij Betje en Aagje. Bij den eerste wordt zij niet
+zelden door kleine en uiterlijk-maatschappelijke motie ven beheerscht,
+bij de laatsten is dit vrijwel nooit het geval: zij zijn op sommige
+hunner figuren verliefd, omdat die hun de personificaties zijn van
+<i>zekere kenmerkende en uitstekende eigenschappen van hun eigen ras en
+volk</i>, of van <i>het edele in 't algemeen</i>. Maar die soort van
+kruiperigheid jegens de "hoogere" standen, zooals die zich bij
+Hildebrand uit in de <i>Baron van Nagel</i>- en <i>Freule
+Constance</i>-beflikflooi&iuml;ng, is in de <i>Sara Burgerhart</i> al evenmin te
+vinden als zijn beschermheerachtige neerbuigendheid jegens de "lagere"
+klassen. Meer wezenlijke overeenkomst vertoonen zij met Multatuli. Betje
+vooral is een allergeestigste spotvogel en wat 't
+glazeningooierig-kwajongensachtige en 't geestig-moedwillig op den hak
+nemen betreft, gaat&mdash;intrinsiek&mdash;de geest van Bekker dien van Dekker
+niet zooveel uit den weg. 't Verschil in dit opzicht lijkt grooter dan
+het is, omdat de eerste tot alles wat zij doet ge&iuml;nspireerd wordt door
+haar onuitdoofbaren levenslust en blijmoedige guitigheid, de laatste
+daarentegen door zijn bitterheid, gekwetst rechtsgevoel, haat en
+teleurstelling. En is er al een onverevenbaar verschil tusschen <span class="pagenum"><a name="p257" id="p257"></a>[p.257]</span>
+Multatuli en de beide vriendinnen op 't stuk van bijbel-geloof en
+godsdienstigheid, zij geven hem niets in heftigheid toe, als het geldt
+de huichelaars en valsche vromen te lijf te gaan, en&mdash;overtreffen hem
+daarbij in menschscheppend talent. Want kan men den dronken huisdominee
+in <i>Woutertje Pieterse</i>, trots al het vernuft&mdash;en wellicht juist &ograve;m dat
+vernuft&mdash;aan zijn uitbeelding ten koste gelegd, niet anders dan een
+charge<a name="FNanchor_4_100" id="FNanchor_4_100"></a><a href="#Footnote_4_100" class="fnanchor">[4]</a> noemen, <i>Broeder Benjamin</i> en <i>Cornelia Slimpslamp</i>, de twee
+huichelachtige "fijnen" en doortrapte schurken in onzen roman, l&eacute;ven,
+v&ograve;lm&aacute;&aacute;kt, en daarmee is het allerbeste gezegd wat men van een
+literatuurbeeld zeggen kan. Dit leven, deze menschelijkheid-van-vleesch-
+en-bloed, zij zijn des te meer opmerkelijk, omdat hier niet maar bloot
+'n paar huichelachtige menschen zijn geheeld, m&aacute;&aacute;r: personificaties van
+het allerinnigste wezen der huichelarij en valsche vroomheid. Men denkt
+geen oogenblik als bij Multatuli's <i>huisdominee</i>: "hoe geestig
+geschreven" en: "hemeltje lief wat moet ik daarom lachen," maar alleen:
+"hoe ontzagwekkend gebeeld, wat 'n brok innig doorschouwd leven, hoe
+waar en hoe echt is dit."</p>
+
+<p>Mijn lezers zullen waarschijnlijk nu al gemerkt hebben, dat ik onze
+Wolff en Deken grooter artisten acht dan &egrave;n Hildebrand &egrave;n Multatuli. En
+zeer zeker: <i>dat is mijn meening.</i> Ik aarzel ook niet te zeggen dat zij
+een veel juister <i>bewust</i> begrip hadden van het <i>wezen</i> van literaire
+kunst dan dezen hebben bezeten. De wetten der kunst zijn al evenzeer
+onwrikbaar en onveranderlijk als die der natuur, en dit spreekt ook van
+zelf, want al is natuur geen kunst, kunst is m.i. wel degelijk
+natuur.<a name="FNanchor_5_101" id="FNanchor_5_101"></a><a href="#Footnote_5_101" class="fnanchor">[5]</a> Het kind dat niets van de wetten der laatste kent, verbrandt
+zich of valt, of iets dergelijks, en het groote kind, de niet voldoende
+inzichtsvolle mensen, die de wetten der kunst niet kent, schrijft een
+slecht boek, <span class="pagenum"><a name="p258" id="p258"></a>[p.258]</span> of vindt, lezend, een slecht boek mooi en een mooi
+boek leelijk. Nu meen ik te mogen zeggen, dat voor den <i>scheppenden
+kunstenaar</i> de <i>intu&iuml;tieve</i> kennis dier wetten het &eacute;&eacute;ne noodige is, want
+als <i>kunstenaar</i> schrijft hij niet zonder "ge&iuml;nspireerd" te zijn, en
+zoodra hij dit is, is ook die intu&iuml;tieve kennis in hem. Maar indien zulk
+een scheppend kunstenaar nu meent, dat hij op grond van dat <i>intu&iuml;tief
+vermogen</i>, ook spreken kan <i>over</i> kunst, als hij <i>niet</i> ge&iuml;nspireerd is,
+dan vergist hij zich leelijk en dat blijkt zoowel bij Multatuli als bij
+Hildebrand. Daarvoor moet men voor altijd in zich bewust geworden kennis
+hebben, kennis dus, waarover men <i>beschikken kan wanneer men wil, welks
+omvang, en hoofdzakelijken inhoud men-zelf volkomen beheerscht</i>. En het
+is deze kennis, die Wolff en Deken b&oacute;ven Hildebrand en Multatuli
+bezaten, en het gevolg daarvan is, dat als zij een eenvoudig stukje
+schrijven buiten hun scheppenden arbeid om, waarin zij sommige principes
+uiteenzetten, door welke zij zich bij het wrochten hunner romans lieten
+leiden, zij duidelijk blijken w&aacute;&aacute;rheden omtrent kunst te kennen, die
+niet van hun tijd, en niet van dezen tijd alleen, maar 't spreekt van
+zelf, van alle tijden zijn! Een paar citaten uit de voorredenen van den
+eersten en tweeden druk zullen ongetwijfeld voldoende zijn, om dit mijn
+beweren te bewijzen. Ziehier:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Men heeft in bedenking gegeven, of de twee allerslegtse karakters
+niet te sterk, te overdreven geschildert zijn; men heeft gevraagt:
+<i>zijn</i><a name="FNanchor_6_102" id="FNanchor_6_102"></a><a href="#Footnote_6_102" class="fnanchor">[6]</a> er zulke menschen; ja, en dat gaat verder, <i>kunnen</i>[6b]
+er zulke menschen zijn! Wij vonden het niet noodzaaklijk, de eerste
+vraag duidelijk te beantwoorden, dewijl wij zeker gerechtvaardigt
+zijn, zoo rasch men begrijpt, dat zij er <i>zijn kunnen</i>[6c]; m&eacute;&eacute;r
+hebben wij in dit opzicht niet te bewijzen....</p>
+
+<p>Wij bekennen ook gaarn, dat alles <i>zeer natuurlijk</i>[6d] afloopt,
+maar begrijpen met een, dat dit, ten minsten de door ons
+hoogst-geschatte Lezers, niet kan mishagen. 't Waar ons zeker geen
+moeite geweest een Roman te verzinnen, zo samengestelt, zo
+ingewikkelt, zo vol episoden, als de door een verwartste <span class="pagenum"><a name="p259" id="p259"></a>[p.259]</span>
+Comedie van eenen Spaanschen <i>Lopes de Vega</i>. Doch wie, in staat om
+over het stuk in verschil te oordelen zal ontkennen, <i>dat een
+karakter, eens gegeven zijnde, moet uitgewerkt worden naar vaste en
+onveranderlijke regels</i><a name="FNanchor_7_103" id="FNanchor_7_103"></a><a href="#Footnote_7_103" class="fnanchor">[7a]. Men wil, en dat met reden, dat men het
+<i>ware waarschijnlijk</i>[7b] make, of men leest zeker niet met zeer
+veel deelname....</p>
+
+<p>Daar wordt in dit gehele werk geen Du&euml;l gevochten. Eens echter
+wordt er een oorvijg uitgedeelt. Er wordt noch geschaakt, noch
+vergif gedronken. Ons vernuft heeft niets wonderbaarlijks
+uitgedagt. Alles blijft in het natuurlijke; <i>de uitvoering zal
+alles moeten goed maken</i>[7c].</p></div>
+
+<p>Het zijn geen andere waarheden, zooals de trouwe lezer mijner artikelen
+wel bemerken zal, dan die ook door de moderne literatoren verkondigd
+worden. En ofschoon het begrijpen van het ware in alle tijden geschieden
+kan en we dus dwaas en kinderachtig zouden doen met ons erover te
+verwonderen, dat "reeds" Wolff en Deken dit alles zoo duidelijk voor den
+geest stond&mdash;hunne beteekenis en de eerbied, die wij hebben voor hunne
+persoonlijkheid en wijsheid, winnen er ontzaglijk door.&mdash;</p>
+
+<p>Ook het <i>genre</i>: de roman-in-brieven is een geheel ander, dan wij tot nu
+toe in deze kolommen hebben behandeld en dus wel een oogenblik bekijkens
+en besprekens waard. En als we dat zoo doen, dan blijkt ons toch wel,
+dat het gevleugeld woord: "alle genres, behalve het vervelende zijn
+goed" meer geestig dan waar is. Hoe uitmuntende en bewondering
+afdwingende resultaten onze schrijfsters, en waarlijk niet zij alleen,
+er ook mee bereikt hebben, er is en er blijft een zekere onnatuur aan
+verbonden &egrave;n het levert moeilijkheden op&mdash;althans in een werk van langen
+adem, waar allerlei soorten van situaties kunnen voorkomen&mdash;die het
+grootste epische en dramatische talent niet dan door kunstgreepjes
+overwinnen kan. Ten eerste schijnen alle in zulk 'n roman optredende
+personages min of meer aan schrijfwoede te lijden, en dit maakt al 'n
+vrij onnatuurlijken indruk, zij 't dan ook dat de roman, als in dit
+geval, <span class="pagenum"><a name="p260" id="p260"></a>[p.260]</span> "speelt" en dus de correspondentie plaats vindt in 'n
+tijd, dat brieven-schrijven als 'n prettige en "fashionable" bezigheid
+werd beschouwd en de welopgevoede heeren en dames er een eer in stelden,
+het goed te doen. Toch, dit feit kan als niet meer dan een "verzachtende
+omstandigheid" worden aangemerkt, en zelfs die verzachtende
+omstandigheid valt weg in een geval als dat van <i>Hendrik Edeling</i>, die,
+wanneer <i>Saartje</i>, die hij zoo zielslief heeft, door den verleider <i>R.</i>
+is meegetroond, en hij verteerd wordt van wanhoop, jalousie en
+ontzetting, een brief gaat zitten schrijven aan zijn broer over het
+geval! Waarlijk, men moet zonderling in elkaar zitten, om in zulke
+oogenblikken, z&oacute;&oacute; vol van afgrijzen en wanhoop, het vreeselijke te gaan
+zitten uitpluizen in een brief, <i>terwijl het schrijven daarvan toch
+geenerlei gunstige wending in de zaak zal kunnen brengen en dus niet uit
+een energisch willen ingrijpen kan worden verklaard</i>.</p>
+
+<p>Onnatuur is 't ook, dat al die lieden, op 'n enkele uitzondering na,
+zulk een welversneden pen hebben. Ja zeker, wij merken, al lezend, op,
+dat hoe minder ontwikkeld zij zijn, hoe meer zij schrijven precies
+zooals zij spreken. Maar juist dit is onnatuur, want de ervaring leert,
+dat hoe onontwikkelder een mensch, hoe eerder hij geneigd is, wanneer
+hij schrijft, zich in "boekentaal" en "hoogdravend" uit te drukken! Te
+schrijven, zooals men spreekt, is inderdaad voor iemand, die geen
+bijzonderen aanleg heeft, z&eacute;&eacute;r moeilijk. En dit moet men in het oog
+houden: het is onnatuur, die <i>onafscheidelijk</i> aan het genre is
+verbonden: de romancier, die in dat genre werkt, kan er niet buiten.
+Want liet hij de menschen niet schrijven zooals ze spreken, dan zouden
+we zelden of nooit de gebeelde figuur als echt kunnen voelen en
+d&oacute;&oacute;rvoelen, tenzij zij in een brief aan een andere figuur sprekend wordt
+opgevoerd, 't geen natuurlijk niet altijd kan en wanneer het kan, ons
+meestal, weer op 'n andere wijs, op 't onnatuurlijke van het genre
+opmerkzaam maakt. Want, om een ander, waarlijk levend, in 'n brief te
+beelden, om diens dialoog waarlijk levend te doen zijn, moet
+noodzakelijkerwijs de briefschrijver <i>kunstenaar</i> zijn! Is de
+briefschrijver <span class="pagenum"><a name="p201" id="p201"></a>[p.201]</span> ons echter niet als zoodanig voorgesteld en
+bereikt hij dat alles toch in zijn brief, dan vinden we zijn figuur
+onecht, dan is deze niet meer dan een marionet, die door den
+romanschrijver in beweging wordt gezet. Bereikt de briefschrijver dat
+alles echter niet, dan vinden wij zijn figuur w&egrave;l echt, maar welke
+schade lijden we niet doordat we den levenden dialoog van de in zijn
+brieven ten tooneele gevoerde personen en dier levensechte,
+plastisch-goede uitbeelding moeten missen!&mdash;En ook z'n onafscheidelijke
+en onvermijdbare moeilijkheden heeft het genre: wanneer er een of ander
+gewichtig voorval plaats vindt, waarbij het door de compositie van den
+roman noodzakelijk wordt alle met elkaar in correspondentie zijnde
+hoofdpersonen <i>aanwezig</i> te doen zijn, dan blijft er niemand over, aan
+wien een brief geschreven kan worden, die over dat voorval handelt! En
+die brief <i>moet</i> toch geschreven, anders komt <i>de lezer van den roman</i>
+het voorval niet aan de weet! Zulk een moeilijkheid moet dus overwonnen
+worden en zij wordt het dan ook, maar&mdash;door een kunstgreep. Als <i>Hendrik
+Edeling</i> ten slotte met zijn aangebeden <i>Saartje</i> trouwt, dan laten onze
+schrijfsters de aanstaande schoonmoeder van <i>Cornelis Edeling</i> ziek
+worden, opdat haar dochter niet op de bruiloft zal kunnen zijn <i>en dus
+die 'r aanstaande de gelegenheid zal hebben, haar een brief te
+schrijven, waarin hij over de bruiloft verslag uitbrengt!</i></p>
+
+<p>Maar nu basta! We hebben genoeg getheoretiseerd. Mijn aangebrande soep,
+mijn belegen grutterswaar, mijn blauwige aardappels zijn op; nu komen de
+sappige vruchten van het werk zelf!&mdash;</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>In den nu hier volgenden brief door <i>Sara Burgerhart</i> geschreven aan
+<i>Aletta Brunier</i>, een schoolvriendin, die zij weer eens toevallig
+ontmoet heeft en op wier raad zij weldra bij de <i>Wed. Buigzaam</i> in huis
+zal gaan, vertelt zij iets van haar leven bij haar lief tantetje
+<i>Hofland</i>. Het is een buitengewoon geestig en guitig stukje. En ge leert
+er niet alleen de drie fijnen en het schattige Brechtje&mdash;je weet wel die
+<span class="pagenum"><a name="p202" id="p202"></a>[p.202]</span> dronken tobbe&mdash;in kennen, maar ook de schrijfster-zelve: onze
+<i>Saartje</i>. En als ge nu na het lezen den indruk krijgt: ja maar die
+Saartje moet dan toch iets van een kunstenaar in zich hebben, om z&oacute;&oacute; te
+kunnen schrijven, dan zult ge in dit geval <i>niet</i> bedrogen uitkomen.
+<i>Saartje's</i> figuur is allervoortreffelijkst gecomponeerd en alles wat
+zij doet, schrijft of zegt, vloeit volmaakt-zuiver uit haar eens gegeven
+persoonlijkheid voort. Men kan zonder bezwaar haar als een zeer begaafde
+beschouwen.</p>
+
+<p>Ziehier den brief:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Douce et tendre Amie!<a name="FNanchor_8_104" id="FNanchor_8_104"></a><a href="#Footnote_8_104" class="fnanchor">[8]</a></p>
+
+<p>Je suis enrag&eacute;<a name="FNanchor_9_105" id="FNanchor_9_105"></a><a href="#Footnote_9_105" class="fnanchor">[9]</a> op het oud wijf,&mdash;op mijne tante; ik wil geen
+week langer blijven; 't is of ik in de hel woon. Mijn tante heeft
+zeer veel van zijn Satansche Majesteits karakter; en Brecht
+verdient wel een schoonen dienst in zijn onderaardsch rijk.... Ja!
+bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen.
+Sus! daar hompelt zij, al grommende, den trap weer af. Goeie reis
+naar beneden! Ik moet, ma ch&egrave;re,<a name="FNanchor_10_106" id="FNanchor_10_106"></a><a href="#Footnote_10_106" class="fnanchor">[10]</a> u eens een sc&egrave;ne teekenen, die
+u niet zal uit de hand vallen.</p>
+
+<p>Woensdagvoormiddag raasde zij als een bezetene, omdat ik eenige
+nieuwe aria's speelde (Dat's een wijf ook?). Zij werd geholpen door
+haar hottentot van een meid, die mij dorst zeggen, dat zij ook
+danig ontsticht was.</p>
+
+<p>Dit trekje is goud waard! Men <i>ziet</i> het gemeene vrouwmensch, die,
+zoolang haar meesteres rijk is, haar naar den mond praat en haar
+later, als ze arm is geworden, brutaliseert en in den steek laat,
+hier met schijnheilig gezicht meepraten van dat ze "ontsticht" is.
+Zij, die natuurlijk te dom, te ongevoelig en te beestachtig is, om
+hetzij gesticht of ontsticht door muziek of door wat ook, te kunnen
+worden. 't Is van een buitengemeen komische kracht!&mdash;Heb jelui ook
+wel opgelet wat een uitstekend beeldend woord dat "hompelen" is?</p>
+
+<p>M&eacute;t wordt er gebeld. Brecht, die volmaakt een zog van een
+bollebuisjeswijf<a name="FNanchor_11_107" id="FNanchor_11_107"></a><a href="#Footnote_11_107" class="fnanchor">[11]</a> gelijkt, waggelde naar voor, en tante gaf
+<span class="pagenum"><a name="p263" id="p263"></a>[p.263]</span> mij een verbruide<a name="FNanchor_12_108" id="FNanchor_12_108"></a><a href="#Footnote_12_108" class="fnanchor">[12]</a> oorveeg, omdat ik bleef spelen.
+"Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin." "Wel hede, laat broeder maar
+achter komen." Daar kwam broeder, een luie zuipzak van een kerel,
+in een paarschen japon;<a name="FNanchor_13_109" id="FNanchor_13_109"></a><a href="#Footnote_13_109" class="fnanchor">[13]</a> (men zou wel zeggen, wie of zoo een
+verloopen slagersknecht, toch een japon heeft leeren dragen.)
+"Welkom, broertje, wel hoe is het nu nog al met je?"</p>
+
+<p>&mdash;"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"</p>
+
+<p>&mdash;"Wel dat is droevig, maar je vergt je ook wat veel."&mdash;"Ja, 't is
+mijn ambtsbezigheid; en hoe vaart zuster? Je schijnt wel wat
+onthutst."&mdash;"Ja, dat ben ik ook, 't is niet altijd het effen wegje,
+broertje." (Tegen Brecht): "Ei meid, is er niet wat? dan zou
+broeder hier maar familiaar blijven." (Tegen mij): "Toe lieve
+Saartje" (was dat uit te staan, lieve Saartje, en mijn wang gloeide
+nog van den slag) "bak jij nou eris schielijkjes wat dunne
+pannekoekjes, broeder lust ze zoo graag."</p></div>
+
+<p>Dit stuk dialoog is alleruitmuntendst! Het is z&oacute;&oacute; voortreffelijk, dat
+men de woorden lezend, ook onmiddellijk de gebaren der sprekers, hun
+lichaamshouding, hun gelaatsuitdrukking erbij ziet en men dus de hier
+ontbrekende plastische uitbeelding van dit alles door de auteurs,
+heelemaal niet mist. Voelt ge het quasi-zachtmoedige, wee-zoetsappige
+van al die verkleinwoordjes: "broert<i>je</i>," "weg<i>je</i>," "schielijk<i>jes</i>."
+Je <i>ziet</i> daardoor de "peulemondjes," de zalvend-vromig half
+neergeslagen oogleden, het dierbaar-goedige glimlachje!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Ik sloot mijn clavier en zei: 't is wel, tante. Ik ging naar de
+keuken en bakte helder<a name="FNanchor_14_110" id="FNanchor_14_110"></a><a href="#Footnote_14_110" class="fnanchor">[14]</a> door; maar-ik-at-die-al-bakkende-zelve-op.</p></div>
+
+<p>Die in den bouw van dit zinsdeel wel wat vreemd uitziende
+verbindingsstreepjes, hebben, naar ik vermoed, ten doel nadrukkelijk aan
+te geven, dat de beide handelingen van bakken en opeten, zoo haastig, en
+als 't ware ongescheiden, verricht werden, dat ze tot &eacute;&eacute;n handeling
+werden. Deze streepjes beoogen en bewerken dus een zuiver artistiek
+effect: <i>'t duidelijker aan den lezer voor oogen stellen van wat er
+gebeurt</i>, 't geen hier inderdaad het guitige en lachwekkende zeer
+verhoogt. En in zooverre is deze plaats dus als een voorloopster <span class="pagenum"><a name="p264" id="p264"></a>[p.264]</span>
+te beschouwen van het gebruik van verbindingsstreepjes in de moderne
+literatuur, waar het ook vaak dient ter versterking of fijne nuanceering
+van gevoelsverwoording, plastische uitbeelding, enz.&mdash;</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Dat is de eerste trek, dien ik haar speelde, hoe zelden ik mijn
+genoegen krijg.</p>
+
+<p>Ik moet hier alles doen, want Brecht is een lomp schepsel en snuift
+sterk. Toen ging ik, terwijl Brecht in huis klungelde, de tafel
+dekken. Brecht eet met ons, want het is zuster<a name="FNanchor_15_111" id="FNanchor_15_111"></a><a href="#Footnote_15_111" class="fnanchor">[15]</a> Brechtje, moet
+je weten, Letje. Tartuffe<a name="FNanchor_16_112" id="FNanchor_16_112"></a><a href="#Footnote_16_112" class="fnanchor">[16]</a> zou een goed woord spreken, maar de
+vent bad (zoo noemen zij dat gehuilebalk) wel een kwartier lang.
+Hetgeen hij jankte, geleek veel meer naar het morrend gegnor van
+ondankbaar vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 'tgeen
+zijnen God looft.</p>
+
+<p>Ik kreeg, &agrave; l'ordinaire<a name="FNanchor_17_113" id="FNanchor_17_113"></a><a href="#Footnote_17_113" class="fnanchor">[17]</a> eten op mijn bord. Twee schepjes
+groente met een flenter vleesch van daags te voren. Ik spelde mijn
+servet voor: "als ik gelijk een kind eten krijg, moet ik ook zien,
+dat ik mij niet bemors." "Och, of gij een kind waart!" zei de
+smulpaap, die onderwijl met zijn duim en vinger de boter van de
+robe de chambre eener cotelette aflikte. "Dat zou heuchelijk zijn!"
+zei tante. "Ja wel heuchelijk!" zei zuster Bregitta.<a name="FNanchor_18_114" id="FNanchor_18_114"></a><a href="#Footnote_18_114" class="fnanchor">[18]</a> Toen kreeg
+ik nog wat bijeengeschraapte spinasi en een stuk cotelet. Zuster
+Santje<a name="FNanchor_19_115" id="FNanchor_19_115"></a><a href="#Footnote_19_115" class="fnanchor">[19]</a> en broeder namen onderwijl eens in. Ik krijg nooit wijn;
+tante zegt, dat het niet goed is voor mij, en dat kan wel zijn,
+want ik ben jong en gezond. "Kom, Saartje, neem nou maar af;
+Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud." Ik deed zoo; zette
+het dessertje op. "Waar bennen de flensjes, Saartje?"&mdash;"Die bennen
+in mijn maag, tante." Snap, mijn servet neergegooid (bij ongeluk
+tegen broeders palmhouten<a name="FNanchor_20_116" id="FNanchor_20_116"></a><a href="#Footnote_20_116" class="fnanchor">[20]</a> pruik) en het onweer op mijn kamer
+ontweken. <span class="pagenum"><a name="p265" id="p265"></a>[p.265]</span> Gij weet ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te
+pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de hottentot met een
+stuk brood en een glas zuur bier, er bij voegende: "dat ik het
+nooit kon verantwoorden, zooals ik een vroom mensch evel plaagde."
+&mdash;"Scheer je van mijn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit.
+Het brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide
+ik weg, en dronk eens uit mijne caraffe: ging vroeg naar bed en
+sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een
+kom tee, dat wel omspoelsel lijkt. Tante gaat uit, en wil mij voor
+hare oogen niet zien. Zoo zitten nu de zaken. Mogelijk geef ik u
+dezen wel in eigen handen, mogelijk niet: 'k weet niet, hoe 't zal
+uitkomen. Vast kom ik; de brief van de goede weduwe heeft mij in
+mijn voornemen gesterkt. Ik zou al bij u geweest zijn<a name="FNanchor_21_117" id="FNanchor_21_117"></a><a href="#Footnote_21_117" class="fnanchor">[21]</a>, maar ik
+wacht op een brief; die brief komt niet<a name="FNanchor_22_118" id="FNanchor_22_118"></a><a href="#Footnote_22_118" class="fnanchor">[22]</a>. Ik zal, voor ik dit
+huis verlaat, aan haar, die ik bedoel, nog eens schrijven ... doch
+dat kan ik bij u even goed doen.</p>
+
+<p>Ja, lieve meid, gij hebt wel kostelijk gelijk! Men moet maar w&egrave;l
+doen en vroolijk leven. He wat? op die fijnen is toch geen staat te
+maken; echter zijn er (of jij 't niet geloofde) zulke vrome zielen
+onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zoo goed
+georganiseerd als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zijn ...
+enfin, kort gezeid, Letje, Salomon, de wijze koning, is mijn man:
+<i>men moet het goede genieten van zijn leven ende van zijn
+arbeid</i>;&mdash;maar daarmede is dat maar uit, en afgedaan....</p></div>
+
+<p>Heeft men in het eerste deel van dezen brief Saartje leeren kennen als
+een guit en 'n katje, dat niet zonder handschoenen is aan te pakken, dit
+laatste deel toont haar ons niet alleen als het gezond-levenslustige,
+maar ook het brave en gewetensvolle kind, dat de menschen, van wie zij
+niet houdt, toch niet ongunstiger wil voorstellen dan zij hen werkelijk
+gelooft te zijn. Voor dezen keer nu nog even 'n stukje uit den brief van
+<i>Saartje</i> aan haar voogd, <i>Abraham Blankaart</i>, waarin zij hem-heel
+openhartig meldt, dat zij ontvlucht is:</p>
+
+<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p266" id="p266"></a>[p.266]</span> Gistermiddag ging tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak
+wat linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb
+v&oacute;&oacute;r gij naar Frankrijk ging, doch die ik nooit heb aan gehad, met
+een weinig gelds (want zij geeft mij niets,&mdash;geen duit). Brecht had
+de stoutheid mij te vragen: "waar ga <i>jij</i> heen?"&mdash;"Dat raakt
+<i>jou</i> niet."&mdash;"Dan zal <i>je</i> ook thuis blijven."&mdash;"Heb <i>jij</i> 't hart
+en belet mij dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kijven;
+en ziende dat Brecht haar talent te werk stelde, bedacht ik mij:
+"Brecht," zei ik, "heeft tante je die orders gegeven, dan moet ik
+haar de reden vragen als zij thuis komt; wat zullen wij
+eten!"&mdash;"Kliekjes," zei zij.&mdash;"Goed ik heb honger, maar wij zullen
+tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een flesch
+wijn, jij hebt zeker den sleutel."&mdash;Ik doe niet, juffrouw Saartje
+(nu 'k van putten<a name="FNanchor_23_119" id="FNanchor_23_119"></a><a href="#Footnote_23_119" class="fnanchor">[23]</a> sprak, kreeg ik aanstonds dezen titel!") "Jij
+jokt, Brecht; als tante er van spreekt, zal ik haar den wijn
+betalen."&mdash;"Je tante heeft altoos den sleutel; maar als de juffrouw
+mij niet beklappen zou, ik kan er toch wel bij."&mdash;"Ik je beklappen!
+wel, dan moest ik wel gek zijn; krijg maar, toe, schielijk." Zij
+ging. Ik had al lang gemerkt, dat zuster Brechtje aan de fep
+was;<a name="FNanchor_24_120" id="FNanchor_24_120"></a><a href="#Footnote_24_120" class="fnanchor">[24]</a> ik tastte haar dus van de zwakke zijde aan. Doch pasjes
+was zij in den kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels
+erop. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur achter mij
+toe. Hoe het verder met de zuster gegaan is, weet ik niet....</p></div>
+
+<p>Allerbest en toch zoo eenvoudig verteld, h&eacute;; in dien laatsten zet van:
+"met de <i>zuster</i>", nog even een echtSaraBurgerhartsche guitige
+spotternij! Voor dezen keer stop ik en al geloof ik wel, dat na wat ik
+jelui nu van het werk heb laten zien, je al heel verlangend zult zijn
+het te lezen, ik ben mij bewust, je toch nog maar een t&egrave; klein deeltje
+van zijn groote schoonheid in karakter-uitbeelding, taalrijkdom,
+wijsheid en na&iuml;eve bekoorlijkheid te hebben getoond, dan dat ik mij
+daarop met volslagen zekerheid&mdash;ik ken immers mijn Pappenheimers&mdash;zou
+mogen verlaten. In het volgende hoofdstuk dus zullen wij enkele der
+figuren; met wie jelui nu reeds kennis hebt gemaakt, wat nader bekijken
+en eenige nieuwe aan jelui voorstellen, daarna.... Maar waarom zou ik
+zoo dwaas zijn om alles bij voorbaat uit de school te klappen!</p>
+
+<div class="footnotes">
+<h4>NOTEN:</h4>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_97" id="Footnote_1_97"></a><a href="#FNanchor_1_97"><span class="label">[1]</span></a> Men oordeele. Een der argumenten is dit: "In Sara
+Burgerhart wordt gezegd aan het slot van den 69sten brief: ""De
+uitgeefster heeft noodig gevonden dezen brief van Charlotte Rien du
+Tout, als ook dien van Pieternelletje Degelijk, van de taal- en
+schrijffouten eenigszins te zuiveren, opdat men die zoude kunnen
+lezen."" Deze noot kan niet afkomstig zijn van juffrouw Deken, zelve op
+de regels van taal en spelling zeer onvast. Alleen de beter onderleide
+juffrouw Wolff kon zoo spreken".... Ei zoo, was juffrouw Wolff beter
+onderleid?... Ziehier wat Prof. Knappert daaromtrent in een noot bij
+zijn inleiding citeert: ""Ofschoon noch Loosjes, noch vader (Noordkerk)
+noch Houttuin in staat zijn geweest mij te doen begrijpen wat
+taalregelen zijn en ik altoos iemand noodig heb, die hen in haar, d in
+t, t in d of dt verandert"" <i>Betje</i> in een brief van 9 Juni 1772."
+</p><p>
+Een andere "grond" is, dat in de voor- en naredenen van <i>Sara
+Burgerhart</i> en <i>Wlllem Leevend</i> voortdurend gesproken wordt van: <i>Ik,
+mij, mijn</i>, alsook van uitgeefster, inplaats van uitgeefsters. Maar ik
+moet zeggen, dat ik zelden een bewering heb gezien, van een meer
+averechts psychologisch inzicht blijk gevend dan deze! <i>Want juist het
+feit, dat de schrijfster dier voor- en naredenen zich verschreef, toont
+aan, dat er niets te verbergen was. Anders zou zij waarlijk wel op haar
+qui-vive zijn geweest</i>. Deze "grond" is mij dus juist een bewijs van het
+tegendeel van 't geen Huet beweert. Het is immers zeer natuurlijk, dat
+iemand, <i>die niets te verbergen heeft</i>, en ook namens een ander
+schrijft, zich nu en dan vergist en alleen van "Ik" spreekt. <i>Juist
+omdat het in zijn gedachtengang van zelf spreekt&mdash;en hij er geen
+oogenblik aan twijfelt, dat dit ook bij zijn lezers het geval zal
+zijn</i>&mdash;dat hij 't ook namens dien ander doet!</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_98" id="Footnote_2_98"></a><a href="#FNanchor_2_98"><span class="label">[2]</span></a> "Adellijke losbol," "gewetenlooze meisjesverleider,"
+"slachtoffer," dit alles klinkt melodramatisch. En ik laat het met
+voorbedachten rade zoo klinken, om mij even door u, o moderne
+jongelingschap, te laten uitlachen. Gij zijt er overigens in
+voortreffelijk gezelschap mede. Want Huet vindt, precies, geloof ik, om
+dezelfde reden, waarom jelui mij nu uitlacht, de beelding van deze
+figuur niet veel zaaks! Hij zegt: "De hooggeboren ligtmis R., die het op
+Saartje's bederf toelegt, is niet minder zwak van teekening dan van
+compositie <i>en heeft al de allures van een tooneelsnoodaard en
+professioneel belager der vrouwelijke onschuld</i>." Ik ben het daarmee
+echter volstrekt niet eens, ik vind <i>de figuur zelf</i> goed gebeeld en
+goed gecomponeerd, al is <i>haar plaatsing in de compositie van den roman</i>
+verre van onberispelijk. De zaak is echter, dat het in sommige tijden de
+mode is, op de dagdagelijksche en algemeene werkelijkheid neer te zien
+en alleen de uitzonderlijke gevallen en figuren aandacht waardig te
+keuren; in andere tijden echter, o moderne jongelingschap, acht men
+alleen het literatuurbeeld der algemeene werkelijkheid "echt" en alles
+wat naar den goeden of slechten kant uitsteekt "tooneel-matig" en
+"zwak," Geen van beide zienswijzen is de juiste. De juiste is: elke
+figuur aan de logiek van haar eigen zich blootleggenden aard te toetsen.
+Te vragen: is zij goed gesteld &egrave;n goed volgehouden? Maar vele critici
+en, vooral jeugdige, lezers worden verhinderd dit te doen en, doen zij
+het wel, de consequentie te aanvaarden, door een zeker verlangen, zich
+vooral koel-verstandelijk te toonen en niet licht-geloovig, zooals "de
+groote hoop." Nu, ik denk mijn meening omtrent de figuur van R. te
+"bewijzen," zoodra zij aan de beurt is. Maar lees in dien tusschentijd
+nog eens over wat ik schreef over goede en slechte romantiek. Blz. 224.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_99" id="Footnote_3_99"></a><a href="#FNanchor_3_99"><span class="label">[3]</span></a> De serie artikelen over <i>Realisme en Naturalisme</i> in <i>Het
+Jonge Leven</i> is hier bedoeld.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_100" id="Footnote_4_100"></a><a href="#FNanchor_4_100"><span class="label">[4]</span></a> Een overdrijving van de werkelijkheid.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_101" id="Footnote_5_101"></a><a href="#FNanchor_5_101"><span class="label">[5]</span></a> Den lezer, die belang stelt in een uitvoerige motiveering
+dezer stelling, verwijs ik naar mijn opstel in "De Ploeg" van Augustus
+en September 1911, herdrukt in mijn <i>Schetsen en Critische opstellen</i>:
+"Over literaire critiek en Is. Querido's "Studi&euml;n."</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_102" id="Footnote_6_102"></a><a href="#FNanchor_6_102"><span class="label">[6]</span></a> De cursiveering is van de <i>schrijfsters</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_103" id="Footnote_7_103"></a><a href="#FNanchor_7_103"><span class="label">[7]</span></a> De cursiveering is van <i>mij</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_104" id="Footnote_8_104"></a><a href="#FNanchor_8_104"><span class="label">[8]</span></a> Zachte en teedere vriendin!</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_105" id="Footnote_9_105"></a><a href="#FNanchor_9_105"><span class="label">[9]</span></a> Ik ben woedend.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_106" id="Footnote_10_106"></a><a href="#FNanchor_10_106"><span class="label">[10]</span></a> mijn lieve.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_107" id="Footnote_11_107"></a><a href="#FNanchor_11_107"><span class="label">[11]</span></a> Zog staat voor zeug, een dik, schommelend vrouwspersoon.
+Bollebuisje is de naam voor een soort gebak, poffertje of appelbeignet
+(Knappert)</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_108" id="Footnote_12_108"></a><a href="#FNanchor_12_108"><span class="label">[12]</span></a> harde oorveeg.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_13_109" id="Footnote_13_109"></a><a href="#FNanchor_13_109"><span class="label">[13]</span></a> soort van jas.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_14_110" id="Footnote_14_110"></a><a href="#FNanchor_14_110"><span class="label">[14]</span></a> flink.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_15_111" id="Footnote_15_111"></a><a href="#FNanchor_15_111"><span class="label">[15]</span></a> Zij wordt niet als dienstmeid beschouwd maar als "zuster
+in den Heere."</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_16_112" id="Footnote_16_112"></a><a href="#FNanchor_16_112"><span class="label">[16]</span></a> De hoofdpersoon in het vermaarde tooneelstuk van dien naam
+van den grooten Moli&egrave;re. <i>De</i> personificatie van de schurkachtigheid,
+valsche vroomheid en huichelarij, waarom <i>Saartje</i> dan ook Broeder
+Benjamin met dien naam aanduidt!</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_17_113" id="Footnote_17_113"></a><a href="#FNanchor_17_113"><span class="label">[17]</span></a> zooals gewoonlijk.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_18_114" id="Footnote_18_114"></a><a href="#FNanchor_18_114"><span class="label">[18]</span></a> De ouwe zuiplap van een Brecht moet ook weer zalverig een
+duit in 't zakje gooien. <i>Saartje</i> verhoogt in niet geringe mate het
+komisch effect van het meegedeelde, door haar "Zuster Bregitta" te
+noemen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_19_115" id="Footnote_19_115"></a><a href="#FNanchor_19_115"><span class="label">[19]</span></a> Tante Hofland.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_20_116" id="Footnote_20_116"></a><a href="#FNanchor_20_116"><span class="label">[20]</span></a> De Heer Knappert zegt hier: "Aldus naar de kleur der
+pruik." Zeer zeker, maar ik geloof, dat het in de allereerste plaats
+bedoelt, de stijfheid, het als uit-hout-gesnedene van zoo'n pruik
+duidelijk voor oogen te stellen. Ik herinner mij voor eenige jaren
+iemand ontmoet te hebben met een roodbruine pruik en, ofschoon onzen
+roman toen niet kennende, viel mij toen onmiddellijk de uitdrukking uit
+den mond: "'n pruik van mahoniehout" En toevallig: 't was ook zoo'n
+soortement van zielsverzorger, en dat houterige van de pruik paste
+geheel bij zijne niet-uit-de-plooi-komende persoonlijkheid!</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_21_117" id="Footnote_21_117"></a><a href="#FNanchor_21_117"><span class="label">[21]</span></a> <i>Lelie Brunier</i> is ook commensaal bij de <i>Wed. Buigzaam</i>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_22_118" id="Footnote_22_118"></a><a href="#FNanchor_22_118"><span class="label">[22]</span></a> Een brief van <i>Anna Willis</i>, over wie ik reeds in mijn
+inleiding sprak. Wij zullen hier ook met haar kennis maken.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_23_119" id="Footnote_23_119"></a><a href="#FNanchor_23_119"><span class="label">[23]</span></a> Zuipen, sterken drank drinken. "Het is een ouwe putter" =
+een ouwe drinkebroer (van Dale).</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_24_120" id="Footnote_24_120"></a><a href="#FNanchor_24_120"><span class="label">[24]</span></a> Aan den drank (Knappert).</p></div>
+</div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART,<br /> DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p267" id="p267"></a>[p.267]</span></p>
+<h3>II</h3>
+
+
+<p>Van de bedaagde personen, die in onzen roman voorkomen, vind ik het
+uitstekendst getypeerd <i>Jan Edeling</i>, den grimmige maar goedhartigen
+vader van <i>Hendrik Edeling</i>, met wien <i>Saartje</i> trouwt. <i>Jan</i> is het
+type van den patriarchalen huistyran. Zijn zoon zou 't in den kop
+krijgen een huwelijk te doen naar eigen zin?! Het meisje trouwen op wie
+hij verliefd is? Geen denken aan! Aan den vader hoort de beslissing. Wat
+weerga, ze zijn niet van een geloof. Hij, Jan Edeling, de afstammeling
+van den vriend van Martin Luther, hij, die nog den inktkoker in z'n
+bezit heeft, dien Luther "bij zekere gelegenheid den duivel naar den kop
+smeet, toen die 't al te grof maakte," zou een "arke Noachs" van zijn
+huis maken. Het mocht wat! Neen, daar komt niks van in! Toch wordt de
+man getemd door&mdash;<i>Abraham Blankaart</i>. Deze is door de schrijfsters met
+alle mogelijke deugden toegerust: een klaar verstand, een gevoelig hart,
+en een soort van weldadigheid, die, snoevend en blufferig als ze mag
+zijn, niettemin weldadigheid, ik zal niet zeggen: in den <i>besten</i> zin
+des woords, maar dan toch in <i>heel goeden zin</i> is. De verliefdheid der
+schrijfsters op deze figuur heeft hen, als ware 't op het beslissende
+oogenblik, verhinderd haar van even groote uitbeeldingsvoortreffelijkheid
+als die van den ouden <i>Jan Edeling</i> te doen zijn. <i>En dit niet zoozeer,
+als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het organisch geheel
+van den roman</i>. <span class="pagenum"><a name="p268" id="p268"></a>[p.268]</span> Dit laatste ziet er eenigszins raar en moeilijk
+uit. En ik weet op het oogenblik geen beter middel, 't heel gewoon en
+klaar voor u te maken, dan u mijn eigen gedachtengang daaromtrent bloot
+te leggen. Wij moeten, om te beginnen, wel onderscheiden, w&agrave;t eigenlijk
+in de <i>Blankaart</i>-figuur onzen wrevel opwekt en waarom wij na de keuring
+harer groote waarde een vleugje onvoldaanheid in ons merken. Is het niet
+in de allereerste plaats, vroeg ik mijzelf af, 's mans voortdurend
+uitweiden over eigen voortreffelijkheid, gulheid en verstandelijk
+inzicht, gemengd met quasi-bescheidenheidsvertoon? Maar neen, dat kan
+ons <i>kunstgenot</i> toch niet bederven. Integendeel: hoe meer ons al die
+hebbelijkheden naast zijn groote deugden duidelijk worden, hoe inniger
+we toch van die voortreffelijke uitbeelding, die ons dat alles zoo
+hel-duidelijk voor oogen stelt, zouden moeten genieten, want juist
+immers het wegdoezelen der ondeugden in een roman-figuur en het
+partijdig uitsluitend-uitbeelden harer goede eigenschappen doet haar
+levenswaarheid te loor gaan. Het moet dus iets anders zijn. En ziehier:
+ik geloof, dat ik er ben. Wij merken duidelijk, dat de schrijfsters geen
+oog hebben voor 's mans quasi-bescheidenheid en snoeverij. Of anders
+gezegd: wij merken, dat zij voortdurend een eenigszins anderen
+<i>Blankaart</i> innerlijk zien, dan dien zij uitgebeeld hebben. En daaruit
+volgt, dat het hun niet geheel gelukt is, de in hen levende voorstelling
+der figuur zoo te verwoorden, dat zij, precies zooals zij is, ook in den
+lezersgeest te leven komt. Zoodra we dit merken, krijgen we 't gevoel,
+dat er iets <i>niet-geslaagds</i> is. En d&agrave;t is het alsemdeeltje in het zoet
+van ons kunstgenot! Maar nu: hoe merken wij, dat zij een andere
+voorstelling van de <i>Blankaart</i>-figuur hadden, dan die ze ons gegeven
+hebben? Wij zien dat aan het feit, dat al de andere, in den roman
+optredende menschen, ook die, welke klaarblijkelijk der schrijfsters
+achting hebben, die door hen voor verstandig, deugdzaam en gevoelvol
+worden gehouden, niets van <i>Blankaart's</i> valsche bescheidenheid, z'n
+parvenuachtig gepoch, z'n eeuwigdurend rammelen-met-de-centen merken.
+Want hadden de schrijfsters deze hebbelijkheid niet over het hoofd
+gezien, hadden zij den <i>in hun</i> <span class="pagenum"><a name="p269" id="p269"></a>[p.269]</span> <i>geest aanwezigen Blankaart niet
+daarzonder</i> gezien, zij zouden toch wel de een of andere hunner daarvoor
+geschikte romanfiguren, eene afkeuring daarvan, eene opmerking, ja zij
+'t slechts eene onschuldige scherts erover in den mond gelegd hebben.
+Het is waar, dat soms in het boek gesproken wordt van 's mans
+"wonderlijkheden." Maar hiermede schijnen meer zijn ondeftige en
+origineele uitvallen, dan wel die bepaald stuitende eigenschappen zijner
+overigens in-goei&iuml;ge persoonlijkheid te worden bedoeld. En het is dan
+ook op die al te hooge plaats, die <i>Blankaart</i> in de waardeering zijner
+mede-romanmenschen inneemt, dat ik doelde, toen ik zooeven zei, dat hij
+niet zoozeer als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het
+organisch geheel van den roman niet volkomen gaaf gebeeld is. Want als
+men <i>Blankaart</i> afzonderlijk bekijkt, als men hem neemt, zooals hij nu
+eenmaal ten voeten uit in eigen brieven staat en men dus niet ziet naar
+den <i>Blankaart</i>, zooals die in de verbeelding der overige verstandige en
+menschkundige romanmenschen leeft en door de schrijfsters geconcipieerd
+werd; <i>indien men dus niet het hinderlijk verschil tusschen conceptie en
+uitvoering gewaar wordt</i>, d&agrave;n is de figuur uitstekend geslaagd,
+uitstekend volgehouden. Men ziet dan: een goedhartigen kerel, maar ook
+een snoever en een ijdeltuit, die weldoet, zeer zeker <i>deels</i> om 't
+weldoen zelf, maar ook in zeer groote mate, om den dank ervoor te
+oogsten, zich te koesteren in de bewondering en de genegenheid der
+menschen en, in &eacute;&eacute;n woord, overal op de handen gedragen te worden. <i>In
+stilte wel te doen is hem vrijwel onmogelijk</i>. Hij m&ograve;et ermee te koop
+loopen. Is de door hem beweldadigde persoon in zijn oogen te gering en
+ligt hem aan h&aacute;&aacute;r dank en h&aacute;&aacute;r erkenning, dat hij zoo'n buitengewoon
+goed man is, niet veel gelegen, dan moet hij gauw de weldaad
+overbrieven&mdash;hier in letterlijken zin&mdash;aan een ander, terwijl hij dan
+sluwtjes-bijdehand een voorwendsel in zijn verhaal laat sluipen, dat de
+ware reden, waarom hij 't eruit flapt, verbergen moet. Een min of meer
+kluchtig, hem prachtig karakteriseerend voorbeeld daarvan is het
+volgende: Als de "fijnen" met <i>tante Hofland's</i> geld er van door
+zijn&mdash;waarover <span class="pagenum"><a name="p270" id="p270"></a>[p.270]</span> later meer&mdash;en zij haar nood heeft geklaagd aan
+de door haar zoo slecht behandelde nicht <i>Saartje</i>, verzoekt deze haar
+voogd <i>Blankaart</i>, tante eens te gaan bezoeken, om te zien of hij 'r
+helpen kan. <i>Blankaart</i> doet dit natuurlijk, is verrukt over de
+vergevingsgezindheid zijner pupil en schrijft aan de <i>Wed. Willis</i> o.m.
+het volgende over <i>tante Hofland</i>:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>'t Is een malle kwezel, en zoo gierig als het graf; maar zij kan
+zich nog bekeeren, <i>en ik zal haar ook al maar helpen</i>; zij zal in
+haar ouden dag geen gebrek hebben, noch in fatsoen verminderen.
+Haar lekkere tand zal nog niet eens uit moeten; want Abraham
+Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. <i>Zoodat ik maar
+zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen hoe of 't Christelijk of
+mogelijk is, dat mijn kleuter zoo pront haar geloof verstaat</i>. Zij
+vergeeft hare tante alles van harte, wil haar helpen, haar
+bezoeken.</p></div>
+
+<p>In den eersten door mij gecursiveerden zin, wil <i>Blankaart</i> laten
+voelen: "Och ik help er toch al zooveel, di&egrave; kan er ook nog wel bij; zeg
+nou 's, dat ik niet royaal ben!" In den tweeden wil hij 't laten
+voorkomen, alsof hij 't alleen maar vertelt, om <i>Saartjes</i> braafheid te
+doen bewonderen.</p>
+
+<p>Kan men echter nog van het vorige aangehaalde stukje, met heel veel
+goeden wil, zeggen, dat hij zich laat verleiden, daarin van zijn
+weldaden te spreken, omdat hij der geadresseerde een huwelijksaanzoek
+doet en zich dus vooral van zijn gunstigste zijde wil doen kennen, het
+volgende is een &agrave;llerzuiverst voorbeeld van z'n quasi bescheiden op
+eigen goedheid pochen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zie, men moet de jongelui, als zij wel doen, ook wel doen; en ik
+ben Goddank, geen vrekkige jakhals van een kerel. Ik zeg altijd:
+"Abraham Blankaart, God heeft U zoo gezegend, je hebt kind noch
+kraai; hoewel ik weet niet of dat zoo blijven zal; een mensch heeft
+graag een eigen weerspraak. Kind noch kraai, wel deel mee, mijn
+vriend; maak dat niemand op u ziet, <i>als een hond op een zieke
+koe</i>; dat niemand wel eens wou zien, of jij ook een mooie doode
+zijn zoudt. 't Moet hier toch allemaal blijven, en als jij brave
+lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christenmensch
+betaamt." <i>Nu dat overgeslagen</i>.</p></div>
+
+<p>Het eerste zinnetje is door mij gecursiveerd, om er uwe aandacht op te
+vestigen, dat dit een van die kernachtige echt-Hollandsche uitdrukkingen
+is, waarvan het werk van Wolff <span class="pagenum"><a name="p271" id="p271"></a>[p.271]</span> en Deken wemelt en die zij,
+uitstekende romanci&egrave;res als ze zijn, altijd den juisten persoon bij de
+meest geschikte gelegenheid in den mond weten te leggen. Met den tweeden
+zin komen wij echter weer op ons eigenlijk chapitre terug, 't Is
+werkelijk valsche bescheidenheid van de naarste soort, nadat men eerst
+de voortreffelijkheid van eigen denk- en handelwijze in het licht heeft
+gesteld, daaraan toe te voegen: "<i>Nu dat overgeslagen</i>." Jawel denken
+we, maar je hebt 't tenminste maar gezegd!</p>
+
+<p>Ik sprak u zooeven van zijn gezond verstand. Ik had er moeten bijvoegen,
+dat hij het type van een gewiksten kerel is en zich in een
+benijdenswaardige mate van gevatheid en diplomatisch beleid mag
+verheugen. Ziehier een sterk staaltje ervan (de oude <i>Jan Edeling</i> heeft
+hem geschreven, dat hij niet van zins is, tot het huwelijk tusschen zijn
+zoon en <i>Saartje</i> zijn toestemming te geven. Hij hoopt dat Blankaart het
+met hem eens zal zijn, dat twee menschen van verschillende kerkelijke
+gezindte niet met elkander moeten trouwen. Maar <i>Blankaart's</i> antwoord
+valt hem koel op de maag. Let op: het is een stukje vol schitterend
+beleid):</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Ziedaar, ik heb het altoos zoo druk en volhandig gehad, dat het
+trouwen er is ingetrokken; maar, selderdemostert, was ik vader over
+een half dozijn jongens en meisjes, dan zou ik mijn geluk niet
+kunnen overzien, als ik daar zoo al die kabouters hoorde snappen en
+rabbelen. Of Abraham Blankaart ook me&ecirc; zou doen. En als zij dan
+zooverre heen waren, dat zij op 't geen ik zeide aanmerkingen
+konden maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te
+brengen, wel, dan zou ik God hartelijk danken, omdat ik zulke
+snelle kinderen had, zooals billijk is. Begrepen zij in 't vervolg
+eens iets beter dan ik, bestig, zou ik zeggen, en doen het zoo.</p>
+
+<p>Daar heb je nu mijn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet
+wel meer van de wereld en van de Schrift dan ik, en ik ben dertig
+jaar ouder. V&oacute;&oacute;r ik naar Frankrijk ging, zei ik: kind, lees je jou
+gebed 's avonds stipt uit Mell?<a name="FNanchor_25_121" id="FNanchor_25_121"></a><a href="#Footnote_25_121" class="fnanchor">[25]</a> "Mijnheer," zei ze, "ik bid uit
+mijn eigen hart; ik weet immers beter, wat ik nu noodig heb, dan
+Mell voor vijftig jaar dat raden kon?" Wat denkt gij dat ik toen
+zei? je zult, bij dit en dat, jouw gebed <span class="pagenum"><a name="p272" id="p272"></a>[p.272]</span> uit Mell lezen,
+omdat ik het doe? Mis mannetje! ik zei, dat 's waar, je hebt groot
+gelijk; en anders zou zij denken dat ik haar vijand en niet haar
+welmeenendste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gij hebt nu veel meer
+verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op mijn woord, jij
+hebt mis.</p>
+
+<p><i>God de Heer geeft ons, zijne kinderen, wel reden van zijne
+bevelen: "doe dat, opdat het u welga," staat er dat niet in den
+Bijbel? En zullen wij nu zoo misselijk en zoo boos zijn, dat wij
+onze kinderen, in plaats van brood, slangen en schorpioenen in den
+mond proppen? Had, bij gelijkenis, Luthers vader eens gaan zeggen:
+"Luther, ik versta niet, dat je Luthersch wordt, jij zult paapsch
+blijven, want wij zijn van 't begin van de wereld af allemaal
+paapsch geweest; en zoo jij 't in den kop krijgt om van ons oud
+geloof af te gaan, zullen wij eens wat anders bij de hand vatten."
+En was Luthers vader evenwel zoowel de vader van Luther niet, als
+Jan Edeling vader is van zijnen zoon Hendrik; en waar was dan je
+heele geloof gebleven?</i></p></div>
+
+<p>Enzoovoort, enzoovoort. Het is van a tot z, &eacute;&eacute;n behendig den
+tegenstander in z'n zwakste zij aanpakken. Hij begint, door er een
+tafreeltje van op te hangen, hoe gelukkig hij zou zijn geweest, indien
+hij "vader over een half dozijn jongens en meisjes ware," met in
+<i>Edeling</i> de gedachte wakker te roepen: "Ja, zoo'n troep kaboutertjes om
+je heen, dat is inderdaad heerlijk, daar heeft die Blankaart wel gelijk
+mee, hoe 'n geluk zou 't zijn, als nu op m'n ouden dag, zoo'n troep
+lieve kleinkinderen aan m'n knie&euml;n kwam spelen.... Handel ik eigenlijk
+niet heel dwaas en zelfs slecht met mij langer tegen Hendrik's huwelijk
+te verzetten?..."&mdash;Na dit gedaan te hebben, verwijt hij Edeling
+bedektelijk, dat deze nimmer zijn kinderen "voor hun eigen kleine
+zaakjes" iets in 't midden liet brengen, noch, klaarblijkelijk, ooit God
+voor zijn "snelle kinderen" had gedankt en evenmin, ook al wist hij dat
+zijn kinderen iets beter inzagen dan hij, ooit naar hun inzicht heeft
+gehandeld. Door aldus in Edeling's geest eerst de voorstelling wakker te
+roepen van een gelukkige toekomst en daarna de herinnering aan een
+verleden, waarin zijn onbuigzaamheid en hardheid z'n vrouw en kinderen
+hebben verhinderd zoo gelukkig te zijn en man en vader zoo lief te
+hebben als bij toegevendheid en zachtheid van diens kant het geval ware
+geweest, geeft Blankaart hem de waarschuwing: <span class="pagenum"><a name="p273" id="p273"></a>[p.273]</span> zie toe Edeling,
+hoe je ten deele het verleden bedorven hebt en pas op, dat je door je
+dwaze trots en eigengerechtigdheid ook de toekomst niet bederft.&mdash;En wel
+wetend, dat een bitter drankje makkelijker te slikken is, als het met
+suiker wordt vermengd, vlecht hij er dat vleiende zinnetje tusschen,
+waarin hij zegt, dat Edeling meer verstand heeft dan hij. 't Spreekt van
+zelf, dat Blankaart daar niets van meent. Niet alleen, dat hij werkelijk
+v&eacute;&eacute;l meer verstand dan de ander heeft, maar had hij 't niet, <i>dan ware
+juist hij de man, om er vast van overtuigd te zijn, dat hij 't wel
+heeft</i>.&mdash;Het door mij gecursiveerde gedeelte van het citaat echter spant
+de kroon. Behendig pakt hij onmiddellijk het zekerste middel aan,
+waarmee een eerlijk-godsdienstig mensch&mdash;en dat is Jan Edeling&mdash;klein te
+krijgen is: een bijbel-tekst, die met gevoelen, gedachte of handeling
+van dien mensch in strijd is. En ten slotte toont hij, door de prachtig
+gevonden vergelijking met Luther en Luther's vader, den ouden
+Edeling&mdash;<i>langs den eenigen weg waarop een gedachte dien harden kop kan
+binnengaan</i> &mdash;hoe nadeelig het kan zijn, indien een vader zich maar
+altijd tegen den wensch van zijn zoon verzetten zou. Ongetwijfeld hebben
+hier en daar Blankaart's argumenten iets kinderlijks en na&iuml;efs en
+meesmuilen we bij de gedachte, hoe een beter onderlegd tegenstander dan
+Jan Edeling ze tusschen zijn vingers zou fijnwrijven. Maar, ziet ge&mdash;en
+hieraan merkt ge duidelijk, waarin de voortreffelijkheid van een
+menschbeelding eigenlijk bestaat!&mdash;juist omdat zijn argumenten z&oacute;&oacute; zijn
+als ze zijn, is dat stukje zoo uitstekend. Het <i>moeten</i> argumenten zijn
+van, om 't eens aldus zeggen: een amateurdenken, van een rijkgeworden
+koopman, die genoeg natuurlijken aanleg heeft, om <i>aardige greepjes</i> in
+dit of dat vak van het hoogere geestesleven te doen. Gaf hij argumenten
+van een veel hoogere soort, dan juist zou die passage z&oacute;&oacute; slecht zijn,
+dat ze niet leesbaar ware, omdat: <i>een man als Blankaart</i> dergelijke
+argumenten niet geven <i>kan</i>.&mdash;</p>
+
+<p>Maar op z'n best, in zijn "bulderbastige" geestigheid en als de wielen
+van een locomotief donder-rollende rondheid, is hij in zijn antwoord op
+een brief van <i>tante Hofland</i>, waarin <span class="pagenum"><a name="p274" id="p274"></a>[p.274]</span> deze op h&aacute;&aacute;r manier hem
+<i>Saartje's</i> vlucht uit 'r huis vertelt; onder veel vroom gewauwel en
+zalverig gescheld ten slotte op de centenquaestie uitdraait en, op grond
+van het feit, dat <i>Saartje</i> uit eigen beweging haar huis verlaten heeft,
+het volle geld eischt, wat zij tot dan als kostgeld heeft genoten, tot
+Saartje trouwt of vijfentwintig jaar wordt. Uit dat antwoord van
+Blankaart laat ik hier nu eenige gedeelten volgen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Mejuffrouw!</p>
+
+<p>Wel zeit het Hollandsche spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe
+schooner volk."<a name="FNanchor_26_122" id="FNanchor_26_122"></a><a href="#Footnote_26_122" class="fnanchor">[26]</a> Maar wat heb ik met uw gelol en uw heiligen
+Sukkelaar<a name="FNanchor_27_123" id="FNanchor_27_123"></a><a href="#Footnote_27_123" class="fnanchor">[27]</a> te doen? Wat geef ik om uw broer Benjamin? Weet gij
+wat, juffrouw Hofland, uw heele oude voddenwinkel van kwezelarij
+raakt mij niets, geen oogvol. Houdt uw brieven maar thuis, ik weet
+alles in 't lang en in 't breed. Het kind heeft deugdelijk gedaan.
+Zij moet meer gedulds hebben dan ik, anders had zij zoo lang niet
+eens bij u gebleven, dat 's maar uit. Ware ik in Amsterdam geweest,
+ik zou haar zelf uit uwe klauwen gehaald hebben en in mijn huis
+gebracht; al hadt gij en uw volk mij braaf gelasterd, dat scheelt
+mij weinig. Hoe, wat hamer! denkt gij, dat ik niet weet, hoe jij
+haar gedaan hebt, en dat jij haar als eene zottin door de
+godgansche stad hebt laten loopen in ouwe konkelige kleeren, en dat
+voor een meisje, die geld heeft en altoos proper gekleed plach te
+zijn, iets dat ik ook bijster graag zien mag. Wat wil je nu daarvan
+hebben, he? Je meugt waarachtig nog wel spreken van omslag! Wat
+heeft Saartje bij je gehad? overgeschoten klieken, en niet half
+haar bekomst. Weet je wat? Jij hebt het geld van eene wees met uwe
+smulbroers en fekelkousen verteerd, en het meisje nog gebruikt om
+dat gespuis op te passen, dat heb je. Je meid is een dronken todde,
+hoor! Zij komt er genadig af. Laat zij nooit onder mijne oogen
+komen, want ik ben wat poestig,<a name="FNanchor_28_124" id="FNanchor_28_124"></a><a href="#Footnote_28_124" class="fnanchor">[28]</a> ik mag geen onrecht zien, dat
+om de hagel niet; er zullen konkels<a name="FNanchor_29_125" id="FNanchor_29_125"></a><a href="#Footnote_29_125" class="fnanchor">[29]</a> zwaaien.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p275" id="p275"></a>[p.275]</span> Wel leg je ook te wauwelen over afgodisch Frankrijk; en van
+menschen, die het teeken des beestes aan hunne voorhoofden dragen?
+Ik weet niet veel van die nieuwe snofjes en modes, noch hoe die
+duivelderage hiet, die de dames nu alweer opzetten; doch jij weet
+er ook niet veel van. Maar zoo zijt gij allemaal: dat gonst en dat
+bromt over zottigheden, en wezenlijke zaken laat men zooals zij
+zijn. Jij slacht de dominees, die, als zij hunnen studeertijd
+verkwanseld<a name="FNanchor_30_126" id="FNanchor_30_126"></a><a href="#Footnote_30_126" class="fnanchor">[30]</a> hebben, zulk tuig op den preekstoel brengen, daar
+het te pas komt als een oliekoek in een treurspel. En wat bruit het
+mij, al droegen de Franschjes het zeven-gesternte op hun hoofd? Ik
+ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om
+mijne affaire te doen, en bemoei mij niet met het teeken des
+beestes, of waar zij dat opplakken; doe ook zoo, en je zult w&egrave;l
+doen.<a name="FNanchor_31_127" id="FNanchor_31_127"></a><a href="#Footnote_31_127" class="fnanchor">[31]</a></p>
+
+<p>Wel, ik denk, dat ik zoowel in den Bijbel lees als jij, maar wie
+duivel heeft daar ooit van heilige sukkelaars gelezen? Broer
+Benjamin is een zotte vent, hoor! En ik zou mij doodschamen, dat
+zou ik op mijne eer, indien ik zoo met Gods woord omsprong, en het
+zoo Satans gek toepaste, zooals jij fijnen doet. Weetje wat? David
+was een held, die de oorlogen des Heeren voerde, en een kerel als
+een boom aandorst: den reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag
+hij, en David ook niet lui, als de blis er op, flink maar, zijn
+dikken kop afgeslagen: dat was zeker geen sukkelaarswerk, meen ik.
+Hij was een Groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den
+snoet. Paulus, van Paulus<a name="FNanchor_32_128" id="FNanchor_32_128"></a><a href="#Footnote_32_128" class="fnanchor">[32]</a> moet je afblijven. Paulus was de
+beste, de raisonnabelste man van de wereld; want hij zegt met ronde
+Zeeuwsche woorden: "gierigheid is afgoderij."<a name="FNanchor_33_129" id="FNanchor_33_129"></a><a href="#Footnote_33_129" class="fnanchor">[33]</a> O hel kwam de
+vrome Apostel eens hier, ik verzeker je voor een kwart percent<a name="FNanchor_34_130" id="FNanchor_34_130"></a><a href="#Footnote_34_130" class="fnanchor">[34]</a>
+dat hij uw huis een afgodisch huis zou noemen.<a name="FNanchor_35_131" id="FNanchor_35_131"></a><a href="#Footnote_35_131" class="fnanchor">[35]</a></p>
+
+<p>&mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;
+ &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;
+&mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;</p>
+
+<p>Wat weet zoo een luie zuipzak<a name="FNanchor_36_132" id="FNanchor_36_132"></a><a href="#Footnote_36_132" class="fnanchor">[36]</a>van Gods woord? Had hij liever
+voor 't lieve vaderland (en alle zoete meisjes) ossen en schapen
+geslacht, hij zou veel nuttiger werk gedaan hebben.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p276" id="p276"></a>[p.276]</span> Ik heb veel gereisd en getrokken, en heb veel in Roomsche
+landen verkeerd, maar de papen zijn nog beter dan jijlui; en er
+valt evel ook niet veel op te roemen. <i>Jij Saartje aan den Duivel
+overgeven! Weet jij wel dat hij een kwaaie gek is, en dat, als gij
+haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benauwd voor u zou
+kunnen uitzien? mogelijk neemt hij tante, omdat hij nichtje toch
+niet bekomen kan</i>.</p>
+
+<p>&mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;
+ &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;
+&mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash; &mdash;</p>
+
+<p>Ik kan 't niet knoopen, dat uwe lieve zuster besloot, u haar eenig
+kind toe te betrouwen. Mogelijk hebt gij zoo lang aan haar zwak
+hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zij 't moest opgeven. Alles
+is jelui gading. En 't was nog eene zoetigheid, honderd halve
+rijers voor haar kostgeld. En durf jij nog van geld kikken! Hoe,
+wat hamer! denk je dat ik een schurk, of denk je dat ik razende dol
+ben? Ik ben haar voogd; zij is met mijne goedkeuring heengegaan:
+Jij hebt het haar moede gemaakt. <i>Trekken, zul je</i>,&mdash;<i>ja! al aan
+een aschkar</i>. Wel, je bent eene overheerlijke tante! <i>Je bent nu
+immers veel te oud om nog eens te trouwen</i>; wat zal je met jouw
+geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak<a name="FNanchor_37_133" id="FNanchor_37_133"></a><a href="#Footnote_37_133" class="fnanchor">[37]</a> het kind uw goed,
+zij heeft genoeg. Procedeeren? Ei, spreek eerst den advocaat naast
+den Gouden Ketting eens. Zoo die 't u aanraadt, hier is je man.</p></div>
+
+<p>Heb ik te veel gezegd van zijn gevatheid en z'n nimmer 'n blaadje voor
+den mond nemende, bijtende ironie? Let eens vooral op die door mij
+gecursiveerde zinnen.&mdash;Intusschen zou ik het gevoel hebben, den braven
+kerel te kort te hebben gedaan en dus de gegrondheid mijner aanklacht
+tegen de schrijfsters &mdash;dat, hoe mooi een mensch Blankaart ook werkelijk
+is, zij hem t&egrave; mooi hebben gezien&mdash;op oneerlijke wijze te hebben
+bewezen, indien ik hier niet die uitstekende passage over den lichtmis
+gaf, welke, ik zeg het niet zonder nadruk ("Ei, n&ograve;g meer na-druk?"
+vraagt hier allicht de uitgever!) vooral in 'n blad voor jongelui op z'n
+plaats is.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Ik heb wel gehoord, dat vele dames, bij de Twaalf geloofsartikelen,
+&mdash;die gij immers wel pront kent, hoop ik?&mdash;dit tot het dertiende
+maken: "Ik geloof, dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt."
+Geloof het niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip van waar
+aan, geen kriezel.</p>
+
+<p>Hoe zou het mij bedroeven, als ik merkte, dat gij deze ketterij
+toestemde? Gij, meisjes, praat (de wijste niet te na gesproken)
+somwijlen alsof gij in uwe hersens gepikt waart. Wat weet gij
+<span class="pagenum"><a name="p277" id="p277"></a>[p.277]</span> toch van lichtmissen? Een losse malle jongen, die zijn goed
+verbruid, en om peper moet,<a name="FNanchor_38_134" id="FNanchor_38_134"></a><a href="#Footnote_38_134" class="fnanchor">[38]</a> omdat hij zijn korentje groen
+at,<a name="FNanchor_39_135" id="FNanchor_39_135"></a><a href="#Footnote_39_135" class="fnanchor">[39]</a> is geen lichtmis; hij is een gek, die men te Delft moest
+gaan opsluiten.</p>
+
+<p>Een lichtmis is een geraffineerde deugniet, die zijn roem en
+vermaak stelt in eerlijke jonge meisjes en brave vrouwen te
+bederven, die Gods geboden veracht, de wetten der vriendschap
+schendt; met zijne eeden speelt; met &eacute;&eacute;n woord, een
+allerverfoeilijkst man, die te gevaarlijker is, naarmate hij een
+minnelijk figuur en een aardig vernuft heeft; die de
+welvoeglijkheid in acht neemt, tot hij de onnoozele in slaap heeft
+gewiegd, en die in staat is om schatten aan zijne huurlingen uit te
+deelen. Gelooft gij, mijn kind, dat zoo een schepsel ooit de beste
+echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overijling en in het
+gestorm der driften begaan, maken geen deugniet uit, indien hij de
+fouten, zoo ras hij die ziet, verfoeit en schuwt: maar een lichtmis
+is zoo bedorven van smaak, zijne neigingen zijn tot hebbelijkheden
+dermate opgegroeid, dat hij nimmer eene betere vrouw verdient, dan
+de allerslechtste uit de bende, die hij bedorven heeft.</p></div>
+
+<p>Ongetwijfeld heeft den schrijfsters, toen zij <i>Blankaart</i> dit stukje in
+den mond legden, de figuur van <i>R</i>. over wien ik het reeds in mijn
+inleiding had, voor den geest gestaan en <i>diens prototype uit Betje
+Wolff's leven, die gepoogd heeft haar te "bederven."</i> Zij althans
+spreekt hier dus niet, door Blankaart's mond, als 'n vrouw, die maar een
+preekje houdt over iets wat ze zelf slechts van hooren-zeggen heeft.
+Neen, het is een in veel smart verworven ondervinding geweest, die zij
+hier ter waarschuwing aan anderen mededeelde.&mdash;En nu stappen wij van
+<i>Blankaart's</i> brieven af, maar niet dan nadat ik u nog eens gewezen heb
+op wat het toch eigenlijk zeggen wil, dat twee vrouwen, waarvan de
+eene&mdash;Betje Wolff&mdash;een dame, en de andere&mdash;Aagje Deken&mdash;een dienstbode
+was, zich zoo hebben kunnen inleven in de v&oacute;&oacute;r alles krachtig-mannelijke
+persoonlijkheid van een Blankaart en heel z'n ruw-goedige &egrave;n toch zoo
+zachte ziel uit de hunne <span class="pagenum"><a name="p278" id="p278"></a>[p.278]</span> hebben te voorschijn gebracht.
+Overweegt eens wat voor kunstenaarsgenie daartoe noodig was. <i>Genie</i>,
+zeg ik. Denk niet aan vaardigheid, aan "menschenkennis," aan
+"levenservaring" bij zoo iets prachtigs. Zijzelf&mdash;ik wees u erop&mdash;hebben
+hun schepping niet eens goed gekend! Hier was dat kostbaarste aan het
+werk, dat grootendeels buiten het verstand van den kunstenaar-zelf om,
+zijn scheppenden arbeid verricht. Ja, 't is iets wonderlijks wat ik hier
+vertel en ge kunt dat nog zoo dadelijk niet begrijpen. Maar op een
+goeien dag, na veel overdenken en onderzoeken, gaan u de oogen open en
+bemerkt ge, dat wat ik hier zooeven zei, heel langzaam aan in u heeft
+doorgewerkt en in verband met veel andere levenservaringen u iets heeft
+doen begrijpen en inzien, waaraan ge vroeger zelfs niet dacht. Want met
+onbegrijpelijkheden is het precies als met zaadjes gesteld. Beiden zijn
+het <i>dichtgevouwen</i> dingen, die niets van hunne innerlijkheid laten
+zien. Maar waar bleven de bloemen en de vruchten, als de aarde eens niet
+de gesloten korreltjes in zich liet begraven en langzaam in zich rijpen
+liet, tot ze in kleuren en geuren en gestalten openluiken. En hoe zoudt
+gij ooit, als mannen en vrouwen, mijn jongelui, de vrucht van het helder
+inzicht kunnen dragen, als het zaad van het <i>onbegrepene</i> niet gedurende
+uw jeugd in uw geest geworpen was! Laat het u niet deren, dat ge nu iets
+niet dadelijk begrijpt. Wat ge te doen hebt is: het onbegrepene te
+<i>onthouden. Draag het in u om.</i> Want beproefde ik, het gewelddadig en
+v&oacute;&oacute;r den tijd voor u te openen, ik zou het bederven! Doe er mee als de
+aarde met haar zaden. En als het dan zomer voor je wordt, dan is die
+zomer het aanzien waard want hij is niet zonder bloemen en vruchten. En
+jelui herinnert je dan wellicht even weinig, dat iets van dat mooie uit
+dichtgevouwen ondoorzichtbaarheidjes, die eens een hoopvol zaaier in je
+wierp, werd geboren, als&mdash;de aarde het doet.&mdash;</p>
+
+<div class="footnotes">
+<h3>NOTEN:</h3>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_25_121" id="Footnote_25_121"></a><a href="#FNanchor_25_121"><span class="label">[25]</span></a> Schrijver van een gebedenboek. (Zie de aanteekeningen van
+Prof. Knappert.)</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_26_122" id="Footnote_26_122"></a><a href="#FNanchor_26_122"><span class="label">[26]</span></a> Daar begint de bijtende ironie al: <i>juffrouw Hofland</i> is
+oud en leelijk, zooals je verderop zien zult.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_27_123" id="Footnote_27_123"></a><a href="#FNanchor_27_123"><span class="label">[27]</span></a> "Broer" Benjamin, zoo had juffrouw Hofland in haar brief
+aan Blankaart verteld, was gewoon koning David "de Heilige Sukkelaar" te
+noemen! Het is een van de vele zotheden, die de "fijnen" over den bijbel
+ten beste gaven.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_28_124" id="Footnote_28_124"></a><a href="#FNanchor_28_124"><span class="label">[28]</span></a> Poesten = blazen. Poestig-zijn zal dus wel zoo ongeveer
+beteekenen: in staat zijn uit boosheid iemand aan te blazen (als een
+nijdige kat.)</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_29_125" id="Footnote_29_125"></a><a href="#FNanchor_29_125"><span class="label">[29]</span></a> Konkels = oorvegen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_30_126" id="Footnote_30_126"></a><a href="#FNanchor_30_126"><span class="label">[30]</span></a> Verspild.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_31_127" id="Footnote_31_127"></a><a href="#FNanchor_31_127"><span class="label">[31]</span></a> <i>Tante Hofland</i> had namelijk in haar brief beweerd, dat de
+Franschen het "teeken des beestes" op het voorhoofd dragen!</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_32_128" id="Footnote_32_128"></a><a href="#FNanchor_32_128"><span class="label">[32]</span></a> "Paulus, moet je weten," zegt Blankaart elders, "is mijn
+man en Salomo die van Saartje." Hij kan dus allerminst dulden, dat
+<i>tante Hofland</i> diens woorden citeert.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_33_129" id="Footnote_33_129"></a><a href="#FNanchor_33_129"><span class="label">[33]</span></a> Weer een steek voor tante Hofland: ze is immers zoo bar
+gierig.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_34_130" id="Footnote_34_130"></a><a href="#FNanchor_34_130"><span class="label">[34]</span></a> Een echte koopmansgeestigheid. Uitstekend van de
+schrijfsters!</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_35_131" id="Footnote_35_131"></a><a href="#FNanchor_35_131"><span class="label">[35]</span></a> Een <i>regel</i> puntjes beteekent overal, dat er een stukje
+tekst is overgeslagen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_36_132" id="Footnote_36_132"></a><a href="#FNanchor_36_132"><span class="label">[36]</span></a> "Broer" Benjamin.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_37_133" id="Footnote_37_133"></a><a href="#FNanchor_37_133"><span class="label">[37]</span></a> Ontmaak, enz. = onterf haar.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_38_134" id="Footnote_38_134"></a><a href="#FNanchor_38_134"><span class="label">[38]</span></a> "Om peper moet," het land verlaten en dienst nemen b.v.
+bij de O.I. Compagnie (Knappert).</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_39_135" id="Footnote_39_135"></a><a href="#FNanchor_39_135"><span class="label">[39]</span></a> "Zijn korentje groen at," niet wachten tot het rijp is,
+gezegd van lichtmissen, die hun kapitaal opeten. In Zuid-Nederland nog:
+van de hand in de tand leven (Stoett, spreekwoordenboek, no. 1062)
+(Knappert.)</p></div></div>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART,<br /> DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p279" id="p279"></a>[p.279]</span></p>
+<h3>III</h3>
+
+
+<p><i>Jan Edeling</i> wordt&mdash;in tegenstelling met <i>Abraham Blankaart</i>&mdash;door
+zijne mede-romanmenschen en dus ook door de schrijfsters precies voor
+den man versleten, dien ook wij, de lezers, in hem zien: een brompot,
+een koppige kerel, maar, alles in hem welbeschouwd, 'n goed mensch
+tevens en wel zulk een, die te duidelijk eigen gebreken ziet, om zich,
+gelijk <i>Blankaart</i>, op zijn deugden te laten voorstaan. Ziehier een
+zijner brieven, waarin hij tegelijkertijd een groote mate van
+zelfkennis, eerlijkheid en goedheid toont. (Edeling bericht daarin zijn
+zwager, den geestelijke <i>Everard Redelijk</i>, dat hij in het huwelijk van
+<i>Hendrik</i> en <i>Saartje</i> heeft toegestemd. Ook <i>Redelijk</i>, zeer verlicht
+en ruimvoelend mensch als hij is, heeft namelijk <i>Edeling</i> daartoe pogen
+te overreden).</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Waarde Broeder!</p>
+
+<p>Lach me nu eens helder uit, Pastoorsche,<a name="FNanchor_40_136" id="FNanchor_40_136"></a><a href="#Footnote_40_136" class="fnanchor">[40]</a> gij hebt gelijk: maar
+ik zal uw man de heele zaak vertellen. Zoudt gij ooit geloofd
+hebben, dat Jan Edeling, die, hetgeen hij &eacute;&eacute;ns begreep, om lief
+noch leed losliet; die van geen Christenmensch op de heele wereld
+tegenspraak dulden wilde, dan van u; dat Jan Edeling, zeg ik, door
+Blankaart zoodanig overhoop gegooid is, dat ik, met mijn hoed onder
+den arm, zijne pupil voor onzen <span class="pagenum"><a name="p280" id="p280"></a>[p.280]</span> Hendrik ten huwelijk
+gevraagd heb? en 't geen nog meer zegt, dat ik zeer met dit door
+mij gedaan verzoek in mijn schik ben? Die Bram! Zoo een man leeft
+er niet meer. Hij heeft mij zoo vast gezet en zoo ouwerwetsch mijn
+zaligheid gezegd, dat ik boos op mijzelf werd: want er is wat aan
+Pastoor: ik ben nooit een vriendelijk man, of een minzaam vader
+geweest: 't wil maar van hem gezegd worden; 't is een raar mensch!</p>
+
+<p>Om de waarheid te zeggen, Pastoor, uwe rede en die van Hendrik
+hadden mij al lang overtuigd, dat ik ongelijk had; doch ik kon niet
+besluiten om te toonen, dat ik verkeerd gedaan had. Nu, het kost
+wat voor een man, die zooveel jaren altoos zijn hoofd volgde, te
+zeggen: ik heb ongelijk; en dat nog erger is, dit tegen zijn eigen
+kinderen te zeggen.</p>
+
+<p>Gij weet het immers, als mijn jongens mij iets vragen, en mij
+beduiden wilden, dat zij 't noodig hadden, dat zij 't nooit, juist
+omdat die lekkers<a name="FNanchor_41_137" id="FNanchor_41_137"></a><a href="#Footnote_41_137" class="fnanchor">[41]</a> mij iets beduiden wilden, kregen; doch 's
+dags daaraan, gaf ik hun, uit mijn eigen zin tienmaal zooveel. Dit
+zijn evenwel satansche nukken; en uwe zuster, mijne zalige vrouw,
+had, dat zie ik nu, maar al te veel reden om mij, schoon lachende,
+<i>Meffert Luim</i> te noemen. Had ik haar maar weer! Zij zou een beter
+man aan mij hebben; maar dat is nu te laat.</p>
+
+<p>Ik zou 't mogelijk nog niet opgegeven hebben: doch mijn arme jongen
+zag er uit, of hij uit een gieter gedronken had: en toch, ik houd
+veel van den knaap; hij heeft mij altoos zoo op mijne gedachten
+gediend. Met Kees heb ik nog wel zoo eens een aardigheidje gehad;
+maar Hendrik was altoos, zooals ik (tusschen ons) in zijne jaren
+niet was. Hij is geheel zijns moeders kind; week gebakken! Hij kan
+geene moeite verdragen; met een benauwd hart ging hij op reis (ik
+kan op hem af) en heeft alles in zoo korten tijd afgedaan, dat het
+zoo niet te zeggen is. Kort gezegd, het mannetje van binnen klopte
+zoo verbruid bij mij aan, dat ik besloot om den jongen zijn zin te
+geven; en nu is hij zoo dankbaar en luikt zoo op, dat mijne oogen
+overloopen.</p>
+
+<p>Nu, Pastoorsche, dat 's weer een ankertje Rijnsch in jou kelder! en
+ik nooi u beide te bruiloft: ik zal eene partij geven, die klinkt
+als een klok. Want gierig ben ik, Goddank! niet, ik durf wel wat
+geven; <i>maar ik ben er niet achter om het met gratie te doen. Ik
+tast in mijn zak en zeg, hou daar, en loop ten eerste weg.</i> Nu, ik
+groet u van harte en blijf</p>
+
+<p>Uw toegenegen Broeder, Jan Edeling.</p></div>
+
+<p>In deze laatste, door mij gecursiveerde zinnen teekent die <span class="pagenum"><a name="p281" id="p281"></a>[p.281]</span> man
+zich uitstekend. Dit niet "met gratie" kunnen geven, dit "wegloopen"
+zoodra hij iets gegeven heeft, kenschetst een groot deel en wel het
+edelste, zijner persoonlijkheid. Want dat niet met gratie kunnen geven
+en dat wegloopen is heel vaak juist den besten menschen eigen. Het wordt
+bij hen geboren uit het onbewuste voelen, dat den gever geen dank voegt,
+want dat geven een grooter geluk is dan te ontvangen en dat daarom
+eigenlijk de gever den ontvanger danken moet, omdat deze hem in staat
+stelt zijn medemensch een genoegen, een weldaad te bewijzen, en dus
+zich-zelf in waarheid te verrijken door goed te doen. En omdat dit
+voelen nu zoo sterk in hen is, worden zij bedremmeld en links, zoodra
+zij iemand een genoegen of weldaad bewijzen: zij zien het aankomen, dat
+de begiftigde hen wil danken en ziedaar: nu gaat dat onbewuste voelen
+zich in hen openbaren als een weerzin tegen bedankt te worden; zij geven
+daarom hun gift haastig, bij het ruwe af, en maken zich gauw uit de
+voeten. Hiermee wil niet gezegd zijn, dat degeen, die hoffelijk geeft en
+vriendelijk den dank van den begiftigde aanvaardt, beneden iemand als
+Edeling zou staan. Het <i>kan</i> zijn, dat hij beneden hem staat: indien hij
+namelijk zoo hoffelijk en vriendelijk is, omdat hij nooit dien weerzin
+tegen bedankt te worden gevoeld heeft. Maar het kan ook zijn, dat hij
+boven hem staat: hij heeft dien weerzin wel gevoeld, maar wijl hij de
+oorzaak weet&mdash;in tegenstelling met iemand als Edeling die deze niet
+kent&mdash;en er dus verder over kan nadenken en in ander verband bezien,
+heeft hij begrepen dat hij hem moet onderdrukken. Want: een weldoener te
+bedanken is een hoogstaand geestelijk genot, ja zelfs is dank de eenige
+betaling die een arme begiftigde zich veroorloven kan. Bedwingt de gever
+zijn weerzin dus niet, dan berooft hij den begiftigde niet alleen van
+een veredelend genot, maar ook van de mogelijkheid zich, zij 't een
+ietsje, minder zijn schuldenaar te voelen! Stappen wij nu van <i>Edeling</i>
+af en gaan we, zij 't alleen maar, om te bewijzen, dat de uitersten
+elkander&mdash;in dit artikel tenminste&mdash;raken, <i>Cootje Brunier</i> bekijken.
+Immers, vertegenwoordigen <i>Edeling</i> en <i>Blankaart</i> het Hollandsch-stoere
+<span class="pagenum"><a name="p282" id="p282"></a>[p.282]</span> element in den roman, <i>Cootje</i> doet 't het opgeprikte
+saletjonkerschap van den pruikentijd. Hij is op-end' op een
+petit-ma&icirc;tre, zooals men zoo iemand noemde, maar een van de fatsoenlijke
+soort. Als zijn hoogste levenstaak beschouwend: mooi gekleed te gaan,
+den dames hupsche lievigheidjes te zeggen, aardige dingsigheidjes voor
+ze te knutselen en boodschappen voor ze te bezorgen, verlaagt hij zich
+nimmer tot gemeene praktijken. Het ergste wat men van hem zeggen kan is
+dat hij een geestelijk-onbeteekenend mensch is, maar dat hij een "goed
+hart" en "goede gronden" heeft, zooals <i>Edeling</i> en <i>Blankaart</i> van hem
+getuigen, zal zelfs de grootste vijand van het fattendom moeten
+toegeven. <i>Cootje Brunier</i> is de broer van <i>Letje</i>, de vriendin en het
+medecommensalesje van <i>Saartje</i> bij <i>Mevrouw Buigzaam</i>. Als zoodanig
+komt hij daar dikwijls aan huis. En door de snakerijen van <i>Saartje</i>,
+die hem eeuwig en altijd, zonder dat hij dat merkt, op de hak neemt, in
+den waan gebracht, dat hij haar als echtgenoot niet ongevallig zou zijn,
+schrijft hij haar het volgend briefje:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Mon Ange!<a name="FNanchor_42_138" id="FNanchor_42_138"></a><a href="#Footnote_42_138" class="fnanchor">[42]</a></p>
+
+<p>'t Is wonderlijk, maar ik heb den moed niet, om u mondeling te
+zeggen, dat ik u bemin: telkens als ik dit meende te doen,
+weerhield mijn eerbied voor u mijn voornemen. Gij zijt zoo minzaam,
+en tegelijk zoo spottig, dat ik waarlijk niet weet, hoe dit aan te
+vangen; of hoe het na te laten. Hemel, ma ch&egrave;re<a name="FNanchor_43_139" id="FNanchor_43_139"></a><a href="#Footnote_43_139" class="fnanchor">[43]</a>, wat wilde ik
+zeggen? Maak ik niet een zot figuur in uwe oogen? Ik bemin u! ik
+adoreer<a name="FNanchor_44_140" id="FNanchor_44_140"></a><a href="#Footnote_44_140" class="fnanchor">[44]</a> u! gij zijt nooit uit mijne gedachten, en zoo gij mij
+niet te veel zult uitlachen, dan zal ik er bijvoegen, dat ik nooit
+een eenig goudbeursje zal knoopen, dan voor u, ch&egrave;re &acirc;me de ma
+vie!<a name="FNanchor_45_141" id="FNanchor_45_141"></a><a href="#Footnote_45_141" class="fnanchor">[45]</a> O, wij zouden een recht charmant paar zijn, en ik twijfel
+niet, of mijnheer uw voogd zal onze teedere amour
+applaudisseeren<a name="FNanchor_46_142" id="FNanchor_46_142"></a><a href="#Footnote_46_142" class="fnanchor">[46]</a>. Ik ben wel geen man van vermogen, maar gij
+denkt zeker te subliem<a name="FNanchor_47_143" id="FNanchor_47_143"></a><a href="#Footnote_47_143" class="fnanchor">[47]</a> om u daaraan te bekreunen; en 't is
+waarschijnlijk, dat ik eerlang een <span class="pagenum"><a name="p283" id="p283"></a>[p.283]</span> beter ambt zal krijgen.
+En v&eacute;rit&eacute;, mon amie,<a name="FNanchor_48_144" id="FNanchor_48_144"></a><a href="#Footnote_48_144" class="fnanchor">[48]</a> men heeft bekwame jongelieden noodig, en
+men kent mijne m&eacute;rites.<a name="FNanchor_49_145" id="FNanchor_49_145"></a><a href="#Footnote_49_145" class="fnanchor">[49]</a></p>
+
+<p>Op mijn persoon denk ik niet, dat gij iets te zeggen hebt: ik
+coiffeer en kleede mij comme il faut.<a name="FNanchor_50_146" id="FNanchor_50_146"></a><a href="#Footnote_50_146" class="fnanchor">[50]</a> <i>'t Is waar, dat uwe
+conqu&ecirc;te</i><a name="FNanchor_51_147" id="FNanchor_51_147"></a><a href="#Footnote_51_147" class="fnanchor">[51]</a> <i>vele schoone wangen zal doen gloeien van spijt. De
+dames zijn mal met mij. Wat kan ik eraan doen?</i> Mijn hart wil dat
+ik u uitkies. Indien gij mij de gelukkigste der mannen maakt, kunt
+gij verzekerd zijn van uw volstrekte vermogen over mij; uw wil zal
+mijn wet zijn: ik zal uwe wenschen voorkomen, en wij zullen zoo ras
+wij getrouwd zijn, een Brabantsch reisje doen. Enfin, ma ch&egrave;re,
+alles zal naar uw zin gedaan en gelaten worden door uwen aanbidder,</p>
+
+<p>J. Brunier.</p></div>
+
+<p>Dit briefje is weer een van die meesterstukjes onzer beide groote
+schrijfsters, waarin zij er op volmaakte wijze in geslaagd zijn, iemand,
+onbewust ervan dat hij 't doet en dus geheel natuurlijk, zijn wezen te
+doen blootleggen. Het dwaze fatje staat er, ten voeten uit, in. Men
+lette op het potsierlijke verwaandheidje en tevens domme slimmigheidje
+in den door mij gecursiveerden zin. Men lette op z'n stapel Fransche
+woordjes! Waarachtig: zoo iemand is toch nog lastig zelfs 'n honderd
+jaar na zijn dood! Hij heeft mij, wel geteld, de moeite van een tiental
+vertalende nootjes gekost. Maar neen, hij is niet dood, hij zal langer
+leven dan wij....</p>
+
+<p>Ik zou een zekere zijde van <i>Saartjes</i> persoonlijkheid: haar zeer
+gerechtvaardigd gevoel van eigenwaarde en ook, en voornamelijk, een
+diep-indringend psychologisch vermogen welks zekerheidsbewustzijn zich
+aan haar stijl mededeelt, niet voldoende voor u belicht hebben, zoo ik
+hier niet ten minste een stukje van haar antwoord aan Brunier afdrukte.
+Als ge haar zoogenaamde "ontdekkende preeken" aan haar vriendin <i>Anna
+Willis</i> leest&mdash;<i>want ik hoef er toch niet aan te twijfelen, dat ge het
+boek lezen zult, anders baat mijn geschrijf u niets</i>&mdash;moet ge eens op
+dat psychologisch vermogen acht slaan. Met een zekerheid van zich-zelf
+onfeilbaar weten, legt zij daarin haar vriendin dier ware innerlijkheid
+bloot. Ik <span class="pagenum"><a name="p284" id="p284"></a>[p.284]</span> zei immers: Saartje heeft wel iets van een
+kunstenares. (Ongetwijfeld is dan ook ten deele in haar figuur de figuur
+van Betje Wolff zelf gebeeld.) Ziehier:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Vriend Jacob!</p>
+
+<p>Gij durfdet mij dan nog met een half woord vragen "of gij u niet
+mocht vleien met eenig antwoord op uwe <i>missive</i>?" Want zoo noemt
+gij dat fraaie billet, dat gij mij deedt ter hand komen. Om uw
+eigen fatsoens wille, wenschte ik wel, dat gij er geen woord van
+gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de groote lijst uwer
+overige beuzelarijen hebben aangeteekend, en, omdat ik niet
+gemelijk van aard ben, het u gunstig vergeven hebben.</p>
+
+<p>.....................................................................................................................................................................<a name="FNanchor_52_148" id="FNanchor_52_148"></a><a href="#Footnote_52_148" class="fnanchor">[52]</a></p>
+
+<p>Ik zeg niet gaarne onaangename waarheden, en vooral niet aan
+zulken, die ik, 't zij dan ook om wat reden, in zekeren zin wel
+lijden mag. Zoolang ik u slechts voor een vrij geschikt en goed
+soort van jongen hield, had uwe zuster weinig werks om mij te
+beduiden, dat ik u als haar broeder behandelde, en in de
+gelegenheid stelde om ons eenige uitspanningen te bezorgen; maar nu
+ik merk, dat gij eenige oogmerken omtrent mij hebt, waarvan ik u
+nooit verdacht hield, zoo moet ik u openhartig zeggen, dat gij mij
+meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te
+kunnen krijgen.</p>
+
+<p>Hoe, mijnheer, heb ik u de minste aanleiding gegeven om zulke
+gedachten in u te doen oprijzen? <i>Hoe weinig kent gij mij! Hoe dood
+vreemd zijt gij omtrent u zelven! Ik moet of boos op u worden, en
+dat bevalt mij niet; of ik moet u hartelijk uitlachen. Nooit zeker
+las men zoo een ongevallige mengeling van zotteklap en dwaze
+inbeelding, op zeer twijfelachtige verdiensten, dan dat geschriftje
+bevat. Dit van stukje tot beetje aan te toonen, is beneden mijn
+aandacht</i>. Ditmaal vergeef ik u alles, op deze voorwaarde: "dat gij
+mij hierover nooit meer spreekt;&mdash;zelfs verbied ik u, mij voor deze
+gekheden excuus te vragen; en dat gij, is 't mogelijk, door dit
+geval poogt wijzer te worden, <i>en wat beter uw eigen waarde te
+berekenen</i>."</p>
+
+<p>.........................................................................................................................................................................</p>
+
+<p>Uwe zuster is mijne lieve vriendin, maar zij zoowel als ik,
+begrijpt, dat dit geen reden kan zijn, waarom ik zoude moeten
+geplaagd worden door een borstje, dat geen geest genoeg heeft, om
+mij met zijne missives ook slechts te diverteeren.<a name="FNanchor_53_149" id="FNanchor_53_149"></a><a href="#Footnote_53_149" class="fnanchor">[53]</a> Spreek dus
+nergens van, en ik zal alles vergeten: want, zoo gij in dit <span class="pagenum"><a name="p285" id="p285"></a>[p.285]</span>
+opzicht maar wijzer wordt, zijt gij een vrij draaglijk heertje; "ai
+ik geef de hoop nog niet op om mij eens met meer reden te kunnen
+noemen, uwe genegen vriendin,</p>
+
+<p>S. B.</p></div>
+
+<p>Het is niet moeilijk iemand te zeggen: "ik ben veel meer, ik sta hooger
+dan gij!" Dat kan de eerste de beste. Moeilijker is&mdash;en weinigen kunnen
+dat&mdash;iemand verstandelijk-bewijzend op z'n plaats te zetten en <i>hem aan
+te toonen</i> dat men meer is dan hij. (Ik spreek hier nu natuurlijk alleen
+van zulk een handelwijze als <i>geesteswerkzaamheid</i> en laat haar
+<i>zedelijke</i> waarde of onwaarde geheel buiten beschouwing). Maar oneindig
+meer dan ook zulk een verstandelijk-bewijzend betoog, is: de
+argument<i>looze</i> bewering, die ons door toon en onbewuste
+woordenschikking de <i>absolute zekerheid</i> van haar waarheid geeft! Is het
+bewijzend betoog een voortbrengsel van het verstand, <i>zulk</i> eene
+bewering is het uitvloeisel van iets hoogers, van een zielszekerheid, om
+'t z&oacute;&oacute; eens te noemen. Deze zekerheid, in dit geval van psychologisch
+inzicht, proeven wij ook in <i>Saartjes</i> woorden. O, ongetwijfeld naar
+aanleiding van een beuzeling, maar wat doet d&agrave;t er toe! Zij laat merken,
+dat ze zich verreweg Bruniers meerdere voelt. En zoodra we haar hooren
+weten we: dat hoogvoelen is niet voorgewend, maar het is in waarheid in
+haar. In een woord: wij worden overtuigd door dit briefje: hier is
+iemand, die dien ander heelemaal doorziet en dat niet met inspanning en
+door berekening, maar als vluchtig hem even bekijkend en dan in uiterste
+geringschatting weer onmiddellijk &oacute;ver hem heenziend. En niet alleen de
+nietigheid van den een, maar ook de groote waarde van de ander is ons
+plotseling duidelijker, zekerder geworden, dan door het aanbrengen van
+honderd argumenten zou zijn gebeurd. Ik heb over dit alles even
+uitgeweid, om het volgende te kunnen zeggen: Wat hier plaats vond op een
+vrij laag en vrij klein plan <i>geschiedt altijd in een kunstwerk</i>. En
+kunst blijkt hier weer scherp tegengesteld aan wetenschap te zijn.
+Slaagt de wetenschap alleen door bewijzen en redeneeringen er in, u van
+de waarheid harer beweringen te overtuigen, de kunst kan <span class="pagenum"><a name="p286" id="p286"></a>[p.286]</span>
+bewijzen en redeneeringen missen, zij overtuigt u van de waarheid harer
+voorstellingen reeds door ze te stellen alleen! Wie kan geloof weigeren
+aan de waarachtigheid van Shelley's liefde of wie vermag te twijfelen
+aan de levensechtheid der menschelijke monsters door Zola gebeeld?!
+Begrijpt ge dit, dan ziet ge ook nu wel in, dat kunst onder alle
+levensverschijnselen een van de meest verhevene is, want haar is de
+macht gegeven, het menschdom te overtuigen van de waarheid harer
+uitingen <i>zonder hen te bewijzen</i>. En zij is in dit opzicht met een van
+die zeldzame menschen te vergelijken, wier adeldom zoo sterk uit hun
+heele wezen en al hun daden en woorden spreekt, dat hen te hooren,
+t&eacute;vens hen onwankelbaar gelooven is.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Er zou nu nog veel over vele figuren in onzen roman geschreven kunnen
+worden. Over <i>Pieternelletje Degelijk</i>, dat prachttype van een
+ouderwetsche meid; over juffrouw <i>Hartog</i>, die kostelijk-typische en
+innerlijk verdorven blauwkous, met 'r venijnige lastertong en 'r malle
+inbeelding; over Cornelis Edeling den advocaat; over den geleerden en
+braven <i>Helmers</i>; over <i>Lotje Rien du Tout</i><a name="FNanchor_54_150" id="FNanchor_54_150"></a><a href="#Footnote_54_150" class="fnanchor">[54]</a>, dat prachtbeeld van
+onbenulligheid; over <i>Stijntje Doorzicht</i>, die verpersoonlijking van
+aangeboren wijsheid en deugd; over <i>Anna Willis</i>, de min of meer
+verwaande, zurige, al te bedilzieke en soms sentimenteele vriendin van
+<i>Saartje</i>. Maar ik zal over al die schitterende mensch-beeldingen niet
+schrijven, zelfs niet over de laatste, al heb ik dat beloofd. (Gij zoudt
+niet gelooven, dat mijn belofte te houden regel bij mij is, zoo ik dien
+regel niet ereis door eene uitzondering bevestigde!) Want hoe zou ik
+eindigen, en aan wat nieuws zoudt gij beginnen, wanneer ge daar straks
+zelf den roman ter hand neemt. Ik had ook graag nog wat over <i>Mevr.
+Buigzaam</i> en over het sentimenteele element, in dit werk, in het midden
+gebracht. Maar wat 't laatste betreft bepaal ik mij er nu alleen toe te
+zeggen, dat het mij onjuist toeschijnt een auteur, die een sentimenteel
+<span class="pagenum"><a name="p287" id="p287"></a>[p.287]</span> tijdperk herschept, sentimentaliteit te verwijten, omdat hij
+sentimenteele menschen ten tooneele brengt.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>In het volgende hoofdstuk hoop ik met de behandeling der figuur van <i>R</i>.
+en der beide schurkachtige "fijnen," mijn Sara-Burgerhart-artikelen te
+be&euml;indigen.&mdash;</p>
+
+<div class="footnotes">
+<h4>NOTEN:</h4>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_40_136" id="Footnote_40_136"></a><a href="#FNanchor_40_136"><span class="label">[40]</span></a> Pastoorsche = vrouw van den pastoor, zooals chirurgijnsche
+= vrouw van den chirurgijn. Hier is pastoor natuurlijk niet den titel
+van een R.K. geestelijke, wat wij er alleen onder verstaan, maar een
+geestelijk herder in 't algemeen. (Deze "pastoor" is Luthersch).</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_41_137" id="Footnote_41_137"></a><a href="#FNanchor_41_137"><span class="label">[41]</span></a> lekker = 'n stoute jongen, 'n guit.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_42_138" id="Footnote_42_138"></a><a href="#FNanchor_42_138"><span class="label">[42]</span></a> Mijn Engel.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_43_139" id="Footnote_43_139"></a><a href="#FNanchor_43_139"><span class="label">[43]</span></a> mijn lieve.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_44_140" id="Footnote_44_140"></a><a href="#FNanchor_44_140"><span class="label">[44]</span></a> ik aanbid u.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_45_141" id="Footnote_45_141"></a><a href="#FNanchor_45_141"><span class="label">[45]</span></a> lieve ziel van mijn leven.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_46_142" id="Footnote_46_142"></a><a href="#FNanchor_46_142"><span class="label">[46]</span></a> Onze teedere liefde goedkeuren.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_47_143" id="Footnote_47_143"></a><a href="#FNanchor_47_143"><span class="label">[47]</span></a> verheven.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_48_144" id="Footnote_48_144"></a><a href="#FNanchor_48_144"><span class="label">[48]</span></a> In waarheid, mijne vriendin.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_49_145" id="Footnote_49_145"></a><a href="#FNanchor_49_145"><span class="label">[49]</span></a> mijne verdiensten.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_50_146" id="Footnote_50_146"></a><a href="#FNanchor_50_146"><span class="label">[50]</span></a> zooals 't behoort.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_51_147" id="Footnote_51_147"></a><a href="#FNanchor_51_147"><span class="label">[51]</span></a> verovering.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_52_148" id="Footnote_52_148"></a><a href="#FNanchor_52_148"><span class="label">[52]</span></a> Een regel puntjes of streepjes beteekent, dat er een
+stukje tekst is overgeslagen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_53_149" id="Footnote_53_149"></a><a href="#FNanchor_53_149"><span class="label">[53]</span></a> Vermaken.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_54_150" id="Footnote_54_150"></a><a href="#FNanchor_54_150"><span class="label">[54]</span></a> De naam beteekent: "heelemaal niets".</p></div>
+</div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART,<br /> DOOR A. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p288" id="p288"></a>[p.288]</span></p>
+<h3>IV</h3>
+
+
+<p>Men heeft dan deze figuur, zooals ik u reeds in het eerste hoofdstuk
+zei, een tooneelsnoodaard, onecht, niet-levend, in &eacute;&eacute;n woord: slecht
+gevonnden. Over sommige, in de geesteshouding van de critici liggende,
+oorzaken dier opinie sprak ik u toen. Rest mij nu, te speuren naar de
+andere elementen, welke tot het vormen van dit m.i. onjuiste oordeel
+hebben medegewerkt. Ten eerste vermoed ik als zoodanig het verschil
+tusschen den tijd waarin de critici leefden en dien der figuur. Veel wat
+toen voor een man van het aanzien en de middelen van R. mogelijk en
+zelfs gemakkelijk was, is nu je reinste onmogelijkheid. In onzen tijd
+van vlugge vervoermiddelen, van een letterlijk als de bliksem snelle
+telegraaf- en telefoondienst is het ondenkbaar, dat zulk een man zich
+eraan wagen zou, een meisje als <i>Sara Burgerhart</i> te ontvoeren en te
+pogen haar geweld aan te doen; hij zou gesnapt en aangehouden zijn, voor
+hij zelfs de grenzen van ons kleine Holland had bereikt! Maar toen was
+zoo iets heel gemakkelijk, er waren geen spoortreinen, geen telefoon,
+geen telegraaf. De daad der gewelddadige ontvoering verliest daarom alle
+onwaarschijnlijkheid voor wie haar in het kader van haar tijd beschouwt.
+Er is echter meer, dat voor wie niet naar dien tijd ziet, de figuur
+misschien onwaarschijnlijk, en voor wie dit wel doet haar integendeel
+zeeer levenswaar maakt: <i>R.</i> leeft in de jaren onmiddellijk voorafgaand
+aan de groote <span class="pagenum"><a name="p289" id="p289"></a>[p.289]</span> Fransche revolutie, een tijdstip, waarop de meest
+barre sexueele ontaarding in Fransche kringen heerschte, de tijd van
+o.a. den beruchten markies de Sade; de invloed van de Fransche cultuur
+deed zich toen zeer sterk gelden in ons land; <i>R</i>. wordt ons bovendien
+nog voorgesteld als een cosmopoliet.... Wij behoeven, dit alles wetend,
+hem maar aan te zien, om in zijn geestestoestand een van die fijn in
+elkander overgaande en nog aan den aanvang der helling liggende
+glooiingen te ontdekken, welke dalen naar den afgrond van sexueele
+misdaad-waanzin van de Sade. Er is een psychologisch-fijne passage in
+een brief van R. aan zijn vriend G. die dit feit m.i. belicht. Ziehier:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Waarlijk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat
+ik het wicht, of ik ben razende zot naar haar; en wat denkt gij? ik
+heb nog nooit haar hand gekust: 't is waarachtig, Jan.</p>
+
+<p>Zij is onnoozel, dat is het, dat mij zoo ingetogen maakt: want
+hoevele vrouwen ik ook bedierf, ik heb nogal regard voor brave
+meisjes. <i>Een lichtvaardige is mijn pop niet, al was zij zoo schoon
+als deze meid</i>.&mdash;</p></div>
+
+<p>R. heeft zeer sterk in zich het verlangen te verderven en geniet van het
+verderven. Dit nu is niet iets wat voornamelijk tooneelsnoodaards eigen
+zou zijn, maar het is niets anders dan een soort geestelijk sadisme. Het
+is hem niet zoozeer om het natuurlijk sexueel genot te doen, als wel om
+het perverse van het <i>verleiden</i>, van het <i>doen vallen. Daarom</i> "is een
+lichtvaardige zijn pop niet," omdat n.l. aan zoo eene reeds te veel
+bedorven is en niet genoeg meer naar zijn zin te bederven valt, en niet
+omdat lichtvaardigheid iets afstootends in zijn oogen zou hebben! Want
+als hij, in eenigszins los verband daarmee, zegt, dat Saartjes
+onnoozelheid hem ingetogen maakt en hij nog al regard voor brave meisjes
+heeft, dan is dat in openlijken strijd met zijn daden en woorden, en,
+indien hij 't meent en 't geen half-sentimenteele, half-ironische
+meerderheidstirade tegenover G. is, 't geen ik eerder geloof, dan heeft
+hij eigen gevoel niet goed ontleed: <i>onnoozelheid</i> maakt hem niet
+ingetogen, maar <i>haar</i> onnoozelheid doet dat, <i>omdat hij haar
+liefheeft</i>. Op deze liefde kom ik straks <span class="pagenum"><a name="p290" id="p290"></a>[p.290]</span> nog terug. Nu wil ik
+even een passage aanhalen, die zoowel zijn "regards voor brave meisjes,"
+als zijn eigenaardige perversiteit van decadenten rijkaard in bet juiste
+licht stelt:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Trouwen? zijt gij dan razend dol? Ik zal, denk ik, tot zulk een
+desperaat uiterste nooit komen. <i>Vrijheid is de prikkel der
+liefde:</i> dit weet gij, is mijn spreuk. Als mijne maitres zal zij
+Sultane favorite zijn; maar mijn wijf! Wel foei! Ziedaar, dat was
+al reden genoeg, bij een homme de mon go&ucirc;t<a name="FNanchor_55_151" id="FNanchor_55_151"></a><a href="#Footnote_55_151" class="fnanchor">[55]</a> om haar ondragelijk
+te vinden. <i>Trouw gij haar over een maand of vier.</i> Zoolang, dunkt
+mij, zal ik haar beminnen kunnen; <i>en gij zult mijne genietingen
+nieuw leven bijzetten, door mij die dan wat moeilijk te maken</i>.</p></div>
+
+<p>Dit min of meer schertsend daarheen geworpen woord verbergt diepen
+ernst. De man m&ograve;et dupeeren, m&ograve;et verleiden, m&ograve;et anderen laten vallen
+van zonde in zonde; hij verlangt ook naar de angsthuiveringen van den
+misdadiger; hij begeert den prikkel te voelen van misschien betrapt te
+worden en in gevaar te komen. O&oacute;k d&aacute;&aacute;rom is de makkelijke verleiding van
+de lichtvaardige niets voor h&egrave;m. M&aacute;&aacute;r hij heeft alle deze neigingen in
+nog vrij geringe mate. Hij is, om 't zoo eens te noemen: een leerling in
+sadisme; hij bevindt zich op de helling, maar, zooals ik reeds zei, pas
+aan het begin. Een "tooneelsnoodaard"? 't Mocht wat! Vergeleken bij zijn
+werkelijk geleefd hebbende prototypen is hij een onnoozel wicht!</p>
+
+<p>Wellicht echter heeft Huet hem ook daarom een tooneelsnoodaard genoemd,
+omdat hij geen enkele deugd in hem vermocht te ontdekken. Maar dit zou
+dan aan hem en niet aan de schrijfsters liggen. Want niet alleen dat ons
+duidelijk blijkt, dat <i>R</i>. Saartje werkelijk liefheeft&mdash;ik zei u immers
+dat ik nog even op die liefde zou terugkomen&mdash;en ieder, die een ding of
+een mensch of een dier liefheeft, daardoor bewijst, een kiem van
+deugdzaamheid in zich te hebben, want het overheerscht worden der deugd
+door perverse neigingen, vernietigt het feit niet dat die deugd kon
+ontkiemen en bestaan!&mdash;maar, zelfs die liefde buiten beschouwing
+gelaten, kan alleen h&igrave;j der figuur van <i>R</i>. alle deugd ontzeggen, die
+niet begrijpt dat <i>intellectueele</i> deugd, zooals <i>R</i>. dien zeer zeker
+bezit, <span class="pagenum"><a name="p291" id="p291"></a>[p.291]</span> nimmer kan bestaan zonder den basis van een zekere
+<i>zedelijke</i>, zij 't dan latente en verholen deugdzaamheid. <i>R</i>. is dus,
+instede van &eacute;&eacute;n brok boosheid te zijn&mdash;wat wij immers onder een
+"tooneelsnoodaard" verstaan&mdash;wel degelijk een <i>menschelijke</i> mengeling
+van deugd en ondeugd. En overheerscht de laatste in groote mate de
+eerste, die mate wordt, ik herhaal het, zeer ver overtroffen bij
+tallooze personen met wier karakter en geest de geschiedenis ons
+vertrouwd heeft gemaakt, en vergelijking tusschen dezen en R. kan den
+laatste alleen doen <i>winnen</i> aan levenswaarheid.</p>
+
+<p>Dat de figuur niet goed in de roman-compositie verweven is, dat, met
+name, het vreemd is, hoe Mevrouw <i>Buigzaam</i> niet van het losbol-zijn van
+<i>R</i>. afweet &egrave;n <i>Edeling</i> haar pas komt waarschuwen, als <i>R</i>. Saartje
+ontvoerd heeft&mdash;ik zeide het u in mijn eerste artikel reeds, maar dat
+heeft met de levenswaarheid van de figuur op zich-zelf niets te maken,
+en 't is een fout, die in niet mindere mate, zooals ik reeds heb
+aangetoond, den ook door Huet <i>zeer levenswaar</i> geachten <i>Blankaart</i>
+eigen is....</p>
+
+<p>En nu stappen we van <i>R</i>. af en gaan even nader kennismaken met de beide
+fijnen, <i>Broeder Benjamin</i> en <i>Cornelia Slimpslamp</i>, die m.i. de
+prachtigst-gebeelde figuren in deze roman zijn en niet slechts, zooals
+ik reeds schreef, 'n paar huichelachtige menschen, m&aacute;&aacute;r:
+<i>personificaties</i> van de <i>huichelarij</i>, alsof eerst de schrijfsters
+theoretisch voor zichzelf hadden vastgesteld, hoe nu eigenlijk een
+volmaakt, een, om 't zoo eens te zeggen: ideaal huichelaarskarakter is,
+en daarna, wonder boven wonder, erin geslaagd waren, overeenkomstig die
+theorie&euml;n twee l&eacute;vende menschen te scheppen! <i>Mej. Suzanna Hofland</i> is
+in haar hart nog zoo kwaad niet en streeft er althans oprecht naar
+deugdzaam te zijn, 't geen natuurlijk onze <i>Cornelia</i>, die haar wil
+overhalen tot niet meer of minder dan het afleggen van een valschen eed,
+niet naar den zin is. Zij poogt daarom juffr. Hofland's oordeel over wat
+goed of kwaad is door drogredenen te verwarren, zonder dat zij in de
+oogen van haar slachtoffer iets van haar godzaligheid en heiligheid
+inboet. Zie nu hoe doortrapt-sluw ze dit duivelswerk <span class="pagenum"><a name="p292" id="p292"></a>[p.292]</span> aanvat. Met
+<i>religieuse</i> argumenten poogt zij <i>Hofland</i> zoo te bewerken, dat deze in
+de haar aangeraden schurkenstreek geen schurkenstreek meer ziet. Het
+doen van goede werken, leeraart de duivelin, en het voortdurend streven
+daarnaar, maakt de menschen maar hoovaardig op die goede daden; beter is
+het dus niet zoo ijverig daarnaar te streven ten einde des te
+makkelijker nederig in het bewustzijn van eigen slechtheid te kunnen
+zijn! Maar met al haar sluwheid, vermoedelijk wat al te ongeduldig
+hakend naar het resultaat, bruskeert zij de zaak en zegt de juffrouw te
+plomp, t&egrave; ronduit, dat deze een valschen eed moet doen, en&mdash;daar heb je
+de poppen aan het dansen. Als <i>Broer Benjamin</i> bij <i>Hofland</i> op visite
+is, merkt hij, dat haar eindelijk de oogen opengaan en zij op het punt
+staat hun schurkachtigheid te doorzien. De edele man is in doodsangst en
+schrijft zijn even nobele vriendin het volgend briefje:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zusje Lief!</p>
+
+<p>Ik ben tweemaal vergeefs aan uwe woning geweest. Ik ben
+doodsverlegen. Daar ben ik bij haar geweest en heb haar zoo
+dobbend, en in zulk een afgezakten staat gevonden, o Kea! K&eacute;a! wij
+zullen haar verliezen: en wij hebben haar zoo noodig; zij is rijk,
+en geeft veel verkwikkinkjes aan ons, vromen in den lande. Wij
+leven grootendeels van haar; de kruike is voor ons niet verzegeld
+gebleven, en ons deel was een Azers<a name="FNanchor_56_152" id="FNanchor_56_152"></a><a href="#Footnote_56_152" class="fnanchor">[56]</a> deel, vol vettigheid en vol
+zoetigheid. O mij is bange, mij is zeer bange: wij, vrome
+menschjes, zullen bekend worden. Die Blankaart! ik beef, als ik om
+hem denk; 't is een Enaks<a name="FNanchor_57_153" id="FNanchor_57_153"></a><a href="#Footnote_57_153" class="fnanchor">[57]</a> kind, groot van stature; ik ben een
+stinkend niet bij hem.</p>
+
+<p>Zij is danig ontsticht door jou brief: schrijf dan een briefje, dat
+je berouw hebt, en geef den Engel Satanas de schuld, je weet, die
+is onze wrijfpaal. Schik u wat naar heur zwak geloof. Overleg dit
+alles nog eens; ik heb geen tijd. Denk, dat wij haar noodig hebben.</p>
+
+<p>Zusje, zusje, 't zweet breekt mij uit. Ik zal al mijn achting, ik
+zal mijn kostwinning verliezen; wie zal nu van mij 't geloof
+leeren? Wij moeten ons haasten. De kwaaie is nabij! Wij zullen voor
+Blankaart moeten bukken.&mdash;Overleg deze dingetjes zoo <span class="pagenum"><a name="p293" id="p293"></a>[p.293]</span> eens
+in uw harte. Ik heb rust noch duur. Stel mij gerust, dat je er iets
+op weet. Gij zijt zeer wijs, dat weet ik. Je weet, K&eacute;a, hoe de
+zaakjes tusschen ons staan? dat mijne ziel aan uwe ziele kleeft;
+dat heb je immers <i>bij bevinding</i> hertje. Wij moeten haar houden,
+kind. Ofschoon gij mij tot een gouden vat verstrekt, zij is echter
+een aarden vat, dienstig tot ons gebruik. Is het zoo niet,
+liefstetje! Wees toch nooit meer jaloersch. Och! jij hebt geen
+reden daartoe: <i>ik heb mijn deeltje aan u</i>; dat heb ik, och ja! Ik
+bezegel dit briefje met een geestelijken liefdekus, en ben uw
+eigendom.</p></div>
+
+<p>De boef staat hier ten voeten uit in: zijn lafheid tegenover Blankaart;
+zijn doortrapte huichelachtigheid, waarvan hij zich zelfs, uit overmaat
+van doodsbenauwde voorzichtigheid, tegenover zijn medeplichtige bedient;
+(slechts met den zin: "en geef den Engel Satanas de schuld" enz., valt
+hij uit den toon!); zijn omfemelen van de platste verhoudingen&mdash;gij
+begrijpt immers wat hij met de beide gecursiveerde zinsdeelen
+bedoelt?&mdash;met "de tale Kana&auml;ns".... Maar dan daarop als de vuistslag van
+een furie het antwoord van Cornelia! Benjamin is niets dan een
+huichelaar, overigens geen mensch, eerder een laf kruipend gedierte dat,
+voortsluipend uit het gezicht van z'n vijand, zich bevuilt van angst.
+Maar Cornelia is niet alleen groot als huichelaarster, maar heeft ook de
+vermetelheid, de energie van de groote misdadigersnatuur, die voor niets
+terugdeinst. Ziehier, het is of ze den laffen ellendeling bij den nek
+neemt en hem door elkaar rammelt, hem m&eacute;&eacute;sle&ugrave;rt, om de misdaad te doen,
+waarvoor hij geen moed heeft.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan den broeder Benjamin.</p>
+
+<p>Wie heeft ooit grooter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fop je
+mij wat, of hoe weerga zit het? Voor mij veinzen, voor mij de fijne
+Filebout uithangen? Laat naar je zien, zotte jongen. Wij moeten
+haar bedriegen; dat is 't al. En daarom moeten wij de handen ineen
+slaan. Zouden wij zoo een zot dier ooit gezocht hebben, was 't niet
+om den smul? en gij houdt u van de mallen? Ja, Blankaart kent ons
+zeer wel. Hoor, Ben, de fretterij<a name="FNanchor_58_154" id="FNanchor_58_154"></a><a href="#Footnote_58_154" class="fnanchor">[58]</a> is uit: wij moeten haar nu
+nog plukken, en dan&mdash;de heele <span class="pagenum"><a name="p294" id="p294"></a>[p.294]</span> wereld is voor ons open. Zij
+moet het gelag betalen: de jonge juffrouw B.(urgerhart) moet er
+niet bij lijden. Blankaart is een duivel van een vent, hij liet u
+publiek geeselen, en ik moest in 't spinhuis, zoo wij aan haar goed
+ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en dat zij interest
+moet ontvangen; alles mondeling. Toon nu, dat gij mij liefhebt; ik
+zal 't briefje schrijven en morgen er gaan. Kom ook. 't Geweten? O
+dat is een bullebak voor u en mij,</p>
+
+<p><i>Die gij kent</i>.</p></div>
+
+<p>Maar d&agrave;n verandert zij weer, die helsche kameleon, de
+oogen vonkelen niet meer van giftig vernuft, het rood van de
+energie-drift verbloeit tot een rose van religieuse vredigheid
+na strijd en overwinning van zonde. De oogleden dalen vroomingetogen
+neer, het gelaat glimlacht open als in 'n zielsbewustzijn
+van geringheid en omveiligend godsbetrouwen.
+D&agrave;n schrijft zij aan <i>Hofland</i> dit briefje, dit meesterstuk van
+huichelarij:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Lieve vriendinne!</p>
+
+<p>Daar heb ik, als ik het nareken, zoo een twee dagen en drie uren in
+de macht des satans geweest; hij gaf mij die goddeloosheid in. Hij
+heeft mij verleid. Och, zusje, zusje ik ben gevallen: ik ben
+wanhopig, ik ben ellendig. Die duizendkunstenaar was het, die mij
+dien gruwelijken brief deed schrijven. Zoo heb ik te veel op eigen
+krachtjes vertrouwd! Och ja! mocht ik er maar door geraakt zijn, en
+nooit weer op mij zelf vertrouwen. O! het ging mij, zooals de
+Eerwaarde van de Kwast placht te zeggen: <i>de conscientie is de
+klapperman uit de hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den
+brand van de hel</i>. Gelukkig, dat mijn oude mensch niet te diep was
+ingeslapen; och! dat was recht dierbaar.</p>
+
+<p>Verbrandt toch alles om der vromen wille. Gij kent de diepten des
+Satans. Mag ik morgen bij je komen, en dan blijven op 't geen je
+maar hebt? Schrijft mij dit, of ik verval tot wanhoop.</p>
+
+<p>Uwe zwakke zuster, Cornelia Slimpslamp.</p></div>
+
+<p>O als dit geen groote kunst is, wat is het dan. Hier is de eenheid
+gevonden tusschen het groot-tragische en het groot-komische. Zij
+versmelten in elkaar. De lach schreit en het schreien is lachen. Als
+twee reuzige beelden staan beide misdaad-figuren daar eeuwig voor den
+hemel. En de nacht van een oud geslacht en de ochtend van een nieuw zien
+hen onveranderd en onverweerd in hun geweldigheid. O, als die hemel
+<span class="pagenum"><a name="p295" id="p295"></a>[p.295]</span> niet achter hen ware met z'n oneindige diepte en wondere
+wisselingen van wolken en licht, als een symbool van onvatbare en
+onbegrensde mogelijkheden, men zou hen niet alleen het tot nu niet
+overtroffene, maar ook het nimmermeer te overtreffene achten. Wanneer ge
+nu d&igrave;t boek niet lezen zult, w&agrave;t zal u dan tot lezen brengen? Wanneer ge
+nu hi&egrave;rvan niet genieten wilt, hoe zal kunst u dan van haar geluk ooit
+geven? Maar neen.... <i>Ik vertrouw, ik w&eacute;&eacute;t, dat gij het lezen zult!</i></p>
+
+
+<div class="footnotes">
+<h4>NOTEN:</h4>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_55_151" id="Footnote_55_151"></a><a href="#FNanchor_55_151"><span class="label">[55]</span></a> een man van mijn smaak.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_56_152" id="Footnote_56_152"></a><a href="#FNanchor_56_152"><span class="label">[56]</span></a> "een Azers deel." Vergel. <i>Genesis</i> 49: 20: "Azer, zijn
+brood is vet en hij levert koninklijke lekkernijen." (Knappert).</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_57_153" id="Footnote_57_153"></a><a href="#FNanchor_57_153"><span class="label">[57]</span></a> "een Enakskind," een reus. Vergel. <i>Numeri</i> 13: 28 en 33
+(Knappert.)</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_58_154" id="Footnote_58_154"></a><a href="#FNanchor_58_154"><span class="label">[58]</span></a> fretterij = jagen met de fret. Zij wil leggen: gevingen is
+onze prooi nu, enz.</p></div>
+</div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p296" id="p296"></a>[p.296]</span></p>
+
+<h3>I.</h3>
+
+
+<p>Zoo gaat het alles en deint en toeft nog even en verdwijnt.... Maar ook
+waarvan men zei, dat het niet weer zou keeren, dat keert soms nog vaak
+terug en altijd met een diepere bedoeling, en immer rijper en immer
+sterker.... Want de plechtige dans als een ommegang, die de
+stil-glimlachende en bevallige en zekere, ja v&oacute;&oacute;ral z&eacute;kere Jaren met ons
+menschen volvoeren, is een z&eacute;&eacute;r ingewikkelde figuur, z&oacute;&oacute; ingewikkeld....
+Och ik vrees: indien wij ons zelf konden waarnemen, zooals we staan en
+ons moeizaam bewegen tegenover onze partners, door hen worden meegevoerd
+en dan weer achtergelaten&mdash;zoodat degeen die voor ons stond, d&agrave;n
+terzijde, dan &agrave;chter ons henengaat&mdash;we zouden onze
+verlegenheidsglimlach, ons dwaas-behoedzaam en aarzelend bewegen z&eacute;&eacute;r
+betreuren. Want inderdaad, het kan toch den Beschouwer geen fraai
+schouwspel lijken, bij zooveel weeldeglans en stralend licht en
+tegenover en naast zoo schoone en zeker-zich-bewegende gestalten als de
+Jaren, z&oacute;&oacute; houterig, z&oacute;&oacute; bang voor botsing, z&oacute;&oacute; angstig voor 'n verkeerd
+gebaar te treuzelen, als wij menschen doen: een glimlach, een buiging
+van uw partner, ach, ge meendet er een vriendelijkheidsbetuiging jegens
+u in te zien?... Neen, neen, die hoorden zoo bij het ceremonieel van den
+dans; bet geheel daarvan, dat we nog altijd niet in onze arme hoofden
+hebben, ware zeker niet zoo volmaakt-fraai zonder dien glimlach en die
+buiging <span class="pagenum"><a name="p297" id="p297"></a>[p.297]</span> geweest, maar&mdash;voor u waren zij niet bestemd! Een hand
+wordt u toegestoken, ge meent haar te moeten grijpen, maar neen, met 'n
+stillen doch terechtwijzenden glimlach trekt haar de eigenaar terug: die
+handbeweging behoorde tot het z&eacute;&eacute;r diepzinnig ceremonieel van den dans
+... op den handdruk zult ge nog wat moeten wachten ... indien ge hem
+ooit krijgt! Maar waarom zoudt ge daar treurig om zijn? Is een glimlach
+van de Jaren dan niets, zelfs al was hij niet voor u bestemd? Maakt hij
+'t <i>geheel</i> van den dans, waaraan gij <i>deelneemt</i>, niet fraaier? Welnu
+dan! En nu spreek ik u nog niet eens van de schoonheid, het gratievolle,
+van 't zekere van hun <i>terugwijken</i>. Want daar ge jong zijt, lieve
+vrienden, hebt ge meer gelegenheid gehad, de schoonheid van den glimlach
+der Jaren dan die van hun wijken te zien. Maar waarvan ik u wel en
+vooral nog spreken wou, is, dat ge vooral niet uit dat zinnetje, wat ik
+straks schreef: "als ge hem ooit krijgt," moet afleiden, dat dit zoo
+zeldzaam is. Het is een eigenschap van dezen wonderbaarlijk
+ingewikkelden dans,&mdash;zooals ik reeds meende te zeggen&mdash;dat een zelfde
+figuur z&ograve;nder maar ook m&egrave;t een kleine wijziging terugkeert en 't is dus
+zeer wel mogelijk, dat ge bij een volgende maal den handdruk krijgt,
+dien ge de eerste maal u zaagt ontgaan. Want, laat mij u zeggen: het
+feit, dat ik de Meester's prachtige <i>Geertje</i> hier behandelen mag, d&agrave;t
+is zulk een handdruk van een van de kinderen van den Tijd, &eacute;&eacute;ns gemist,
+maar nu gekregen. En mag ik u nu vertellen ho&eacute; dat gebeuren kon?...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Welnu dan, luister: Het was betrekkelijk korten tijd voor Tak's dood&mdash;en
+ik vraag u meteen: kent gij, jonge vrienden, behalve zijn naam, ook zijn
+werk? Hoevelen uwer, die toch waarlijk wel wat geld kunt missen,
+bezitten die keur daaruit: <i>Herdrukken uit de Kroniek</i>?&mdash;dat hij mij
+opdroeg twee werken te recenseeren in <i>De Kroniek</i>. Een daarvan was
+<i>Geertje</i>.&mdash;"... en," zei hij, terwijl ik al bij de deur van zijn kamer
+was, het was bij hem thuis, "dat boek," op <i>Geertje</i> wijzend, "en de
+schrijver zijn mij heel lief." Nu weet ik niet, of gij onmiddellijk
+begrijpt, dat ik toen voelde, dat de Tijd mij toelachte <span class="pagenum"><a name="p298" id="p298"></a>[p.298]</span> &egrave;n dat
+die glimlach wel degelijk voor mij was best&egrave;md, misschien vindt ge dat
+gevoel wel "overdreven" en zeer zeker begrijpt ge niet, waarom ik toen
+zelfs meende Zijn hand te kunnen grijpen, waarvan de aanraking op
+wonderbaarlijke wijze voor langen tijd <i>zekerheid in 't gaan:
+zelfvertrouwen</i> geeft. Toch was dit <i>niet</i> overdreven. Als gij Tak hadt
+gekend&mdash;en daarvoor is het nog niet te laat, want is het werk van z&oacute;&oacute;'n
+man ten slotte niet zijn allerbeste kenbaar deel?&mdash;&egrave;n gij wist als ik
+dat <i>Geertje</i> een van de allerbeste, innigst gevoelde en soberst gegeven
+werken der heele hollandsche literatuur is&mdash;en dit zult gij weldra
+inzien&mdash;dan zoudt gij begrijpen hoe gelukkig een jong auteur zich moest
+gevoelen die van di&egrave;n man di&egrave; opdracht kreeg. Dat was een verfrisschende
+opfleuring van den geest, een sterke aanmoediging, precies wat die
+waarlijk-zachtmoedige geboren-Leider van menschen er dan ook mee
+bedoelde, waar hij altijd en altijd mee bezig was: jonge menschen, die
+het geluk hadden zijn weg te kruisen en in wie hij, zij 't veel, zij 't
+weinig, talent vermoedde, te steunen, te sterken en vriendelijk tegen
+hen te zijn, met h&eacute;&eacute;l zijn hart ... ja, dat was nog eens een m&eacute;nsch....
+Maar hij stierf.... Toen had de Tijd zijn hand teruggetrokken.. Ik las
+Geertje ten einde, maar maakte verder geen aanteekeningen; die welke ik
+gemaakt had, reikten niet verder dan tot over de helft van het eerste
+deel.... Ik zette het boek bij het andere werk, dat hij mij toen gegeven
+had, vooraan in mijn kast, dat het mij, o ja ik wist het wel: een
+weemoedige, maar vooral toch een heerlijke herinnering zou zijn, mijn
+heele leven. Erover schrijven en bij een andere redactie om opname
+vragen ... nee, wel bedankt, dat wilde ik niet.... Bovendien, ik voel
+heel diep de beteekenis van het stil en als-onaangedaan wachten in het
+leven.... Ik voelde ook wel, dat ook deze bewegingsfiguur eens zou
+terugkeeren in dien grooten en plechtigen ommegang van den Tijd, de
+Lotgevallen en de menschen en dat zij dan, zooals ik reeds zei,
+beteekenis-voller zou zijn en m&igrave;j rijper zou vinden. Het eerste en het
+tweede zijn nu gebeurd, want zou het inderdaad niet van veel grooter
+beteekenis zijn, dat ik nu het geluk mag hebben, duizenden <span class="pagenum"><a name="p299" id="p299"></a>[p.299]</span> en
+duizenden ouderen en jongeren in dit voortreffelijke werk in te leiden,
+dan dat ik toen een opstel erover had geschreven in <i>De Kroniek</i>, d.w.z.
+voor een uitgelezen maar zeer kleine schare lezers, waarvan het
+meerendeel, vermoedelijk, literair even sterk voelde als ik-zelf?! En
+wat het derde betreft ... moge daarvan dit opstel getuigenis afleggen!
+Want doet het dit niet, neen dan zou het toch zijn, alsof de Tijd mij
+ook ditmaal de hand niet hadde gereikt, want sterkt hij door die
+aanraking een mensch, deze sterke dan ook hem, opdat hij weer anderen
+sterken kunne. Geeft hij dan de <i>gelegenheid</i>, de ander <i>geve hem</i> de
+daardoor <i>mogelijk geworden, juist voltrokken daad</i>.... Doch hoe d&agrave;t nu
+verloope, dat de bespreking van <i>Geertje</i> een innerlijke gebeurtenis
+voor mij is, hooger dan het bespreken of overdenken van welk ander
+gelijkwaardig boek ook zou zijn, d&agrave;t zult ge nu wel begrepen hebben.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het zou voor u allen, evenals voor mij, ongetwijfeld makkelijker zijn,
+indien ik nu even, v&oacute;&oacute;r met mijn eigenlijke ontleding aan te vangen, u
+een verkort begrip van den "inhoud" van dit werk mocht geven. Maar dit
+kan niet, omdat het u op een dwaalspoor zou brengen en wel om de
+volgende redenen: Allereerst, omdat <i>Geertje</i>-zelf is: een
+<i>psychisch-romantische</i> figuur. Maar laat mij geen vreemde woorden
+gebruiken, zonder ze even te verklaren: <i>psyche</i> beteekent: <i>ziel,
+psychisch</i> dus: <i>wat tot de ziel behoort, wat de ziel betreft</i>. Ik
+bedoel dus te zeggen, dat zij wat haar <i>ziels</i>eigenschappen betreft
+romantisch is. En ge herinnert u ongetwijfeld wat ik u onder
+"romantisch" heb leeren verstaan<a name="FNanchor_1_155" id="FNanchor_1_155"></a><a href="#Footnote_1_155" class="fnanchor">[1]</a>.</p>
+
+<p>We begrijpen dus nu, dat Geertje wat haar <i>zielsvermogens aangaat</i> een
+<i>uitzonderings</i>figuur is. Echter wat haar lotgevallen betreft, is ze zoo
+gewoon als 't maar kan. En daarom zei ik dan ook nadrukkelijk, dat zij
+<i>psychisch</i>-romantisch is. En ge vermoedt nu al, waarom ik u niet
+dadelijk iets van haar <span class="pagenum"><a name="p300" id="p300"></a>[p.300]</span> levensloop, dus van den "inhoud" van het
+boek vertelde. De jongeren onder u, die, wat zeer natuurlijk is, nog
+denken, dat eens menschen lotgevallen hem belangrijk of onbelangrijk
+maken en nog niet inzien, dat <i>alleen de wijze, waarop een mensch die
+lotgevallen ondergaat en erop reageert</i> hem belangrijk of onbelangrijk
+maakt, hoe zouden zij een huishoudster-dienstmeisje, dat, onervaren en
+kerksch-opgevoed, uit een klein dorp naar een groote stad komend, daar
+"verleid" wordt door een ellendeling, iets "belangrijks," als verhaal,
+kunnen achten. Gebeurt iets dergelijks niet z&oacute;&oacute; vaak?... Behoort het ook
+niet tot die dingen, die als we ervan hooren, ons 't hart verscheuren en
+ons, al naar onderscheiden aard en aanleg, in machtelooze woede de vuist
+doen ballen, of vruchtelooze heerschers- en apostelsdroomen laten
+droomen? Ja, wenschen we ten slotte niet, om ons-zelf de smart en den
+haat te besparen, er maar zoo weinig mogelijk van te weten? En behoort
+dus een boek, dat deze dingen beschrijft niet tot diegene, welke wij
+maar liever ongelezen ter zijde leggen, &oacute;&oacute;k omdat het toch, als verdicht
+verhaal zoo "gewoon," zoo "banaal," zoo "beneden onze aandacht" is? Och
+ik zeg u eerlijk: niet beneden <i>mijn</i> aandacht. Voor mij is, in kunst,
+het onderwerp bijna niets en de behandeling van dat onderwerp alles.
+Maar voor u, weet ik, is dat niet zoo, en dat neem ik u ook volstrekt
+niet kwalijk: ik begrijp het best. En zoudt gij dan <i>Geertje</i> niet voor
+zulk een boek gehouden hebben. Maar nu hebt ge natuurlijk al begrepen,
+dat het daar niet op lijkt. Hoe zoude ik in dat geval van een psychische
+<i>uitzonderings</i>figuur hebben kunnen spreken. Och, hoe ver is 't dan ook
+inderdaad daarvan verwijderd. Hoezeer is <i>Geertje</i> in
+evolutionnair-biologischen zin verheven boven een "verleid meisje".
+Laten wij deze bewering reeds nu even aan de feiten toetsen. Dat, wat
+men <i>gewoonlijk</i> onder "verleiding" verstaat, is: op zoodanige wijze bij
+een argelooze op de sexueele driften inwerken, dat zij tenslotte uit
+eigen opgewekten hartstocht, aan de begeerte van den verleider voldoet.
+Het <i>meest kenmerkend gevolg</i> van <i>verleiding</i> is dan ook, dat zoodra
+bij de <i>verleide</i>, de opgewekte driften weer tot rust zijn gekomen en
+zij de <span class="pagenum"><a name="p301" id="p301"></a>[p.301]</span> gevolgen te dragen heeft, het <i>berouw</i> intreedt &egrave;n <i>haat</i>
+tegen den <i>verleider</i>. Ten eerste wordt nu echter bij <i>Geertje niet</i>
+door den man, die haar misbruikt, de lagere sensualiteit opgewekt,
+jawel, hij <i>beproeft</i> het, en <i>hij</i> meent, de plat-sluwe wellusteling,
+dat hij slaagt, doch hij vergist zich: wat door hem wordt opgewekt
+misschien, maar aangewakkerd z&eacute;ker, is: hare <i>verliefdheid</i> op hem&mdash;van
+wier hoogheid en duurzaamheid dat beest-mensch niet het flauwste begrip
+heeft!&mdash;en dit <i>verliefd-zijn</i> maakt hare zinnelijkheid wakker. Tusschen
+het een en het ander nu is een enorm verschil&mdash;precies hetzelfde
+verschil, wat <i>men</i> zegt (<i>ik</i> weet het ni&egrave;t) tusschen mensch en dier te
+bestaan.&mdash;In het eene geval, <i>bij Geertje</i>, brengt de <i>ge&euml;xalteerde
+geestelijkheid</i> beroering en hartstocht <i>in de lichamelijkheid</i>; in het
+andere geval wordt de eene <i>lichamelijkheid</i>&mdash;van de verleide&mdash;door de
+andere <i>lichamelijkheid</i>&mdash;van den verleider&mdash;doordrift, en met hun
+beider <i>geestelijk-zijn</i> heeft dat niets of weinig van doen. Het gevolg
+is dan ook, dat zoodra, in het laatste geval, ook slechts een klein deel
+van de geestelijkheid: het nuchter verstand, werkelijk ontwaakt, een
+vreeselijk berouw, zooals ik reeds zei, en een haat tegen den verleider
+intreden, en daarentegen in Geertje's geval, zoodra haar geest zelfs
+<i>voor goed</i> is ontwaakt en <i>alles</i> klaar ziet, zij van tevredenheid en
+geluk vervuld wordt, omdat zij voelt, niet z&oacute;&oacute; bewust als ik 't daar
+zeggen ga, maar toch z&eacute;&eacute;r bewust: ik heb gedaan wat mijn hoogste
+geestelijkheid en de reinste kern van mijn wezen mij geboden, nu heb ik
+de zaligheid gekend en deze zal mijn heele leven blijven doorlichten; en
+instede dan ook van haat te voelen tegen den man die haar onverzorgd aan
+haar lot overlaat, bl&igrave;jft zij hem, ook nadat zij weet, door hem
+gedupeerd te zijn, uit de volheid van haar groote ziel liefhebben,
+blijft zij hem innig dankbaar, voor de heerlijkheid, die haar, ten
+slotte, toch door h&egrave;m geworden is! En zooals de eene goede daad altijd
+ter een of andere keer, tot een tweede goede daad voert&mdash;want het is een
+goede daad aan het hoogste van zijn wezen te gehoorzamen, <i>maar dan moet
+men ook</i> <span class="pagenum"><a name="p302" id="p302"></a>[p.302]</span> <i>noodlottig-zeker voelen dat het 't hoogste van het
+wezen is!</i>&mdash;zoo brengt ook <i>Geertjes</i> daad haar &eacute;&eacute;rst tot het zuivere
+inzicht, dat te huwen of sexueelen omgang te hebben zonder liefde,
+minderwaardig is &egrave;n brengt haar daarna en daardoor tot de tweede goede
+daad: van liever haar heele leven ontbering en smaad te dragen, dan haar
+toevlucht te zoeken in een gemakkelijk huwelijk, met een braven, rijken
+boer, die haar grenzeloos liefheeft, om aldus voor de hardheid der
+wereld geborgen te zijn. Hoe zou het dan ook k&ugrave;nnen dat Geertje zich
+schame voor haar daad, of iets van haren natuurlijken trots of fierheid
+inboete gelijk die vele schijnbare-lotgenooten! Na dit alles te hebben
+ingezien, voelen wij dan ook met zekerheid, dat wij in de persoon van
+<i>Geertje</i> hebben te erkennen een van die hoog-nobele en in waarheid
+groote figuren, die tegelijk monumenten voor en incarnaties van de
+Liefde op aarde zijn.</p>
+
+<p>Maar hoe weinig zouden wij dat vermoed hebben, indien wij <i>Geertje</i> in
+het leven hadden ontmoet, hoe weinig dus ook, dat wij eigenlijk heel
+diep en nederig voor haar moesten buigen, en dat "die geheimzinnige
+Macht, die de wereld regeert" veel sterker in haar leefde dan in vele in
+heerlijkheid gezeten vorsten en voornamen en geleerden, die roem en eer
+en geluk in overvloed oogsten! En met deze opmerking kom ik meteen tot
+de bespreking van een andere superieure eigenschap van dit werk, eene,
+die het gemeen heeft met alle werkelijk gr&oacute;&oacute;te kunst: <i>dat het
+uitspreekt, wat geen andere mond dan die der kunst kan uitspreken, dat
+het stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen
+uiting had</i>. Want ziet eens en denkt het u goed in en doet eens flink uw
+best, mij ter dege te begrijpen: &agrave;ls ge in het leven zulk een "verleid
+dienstmeisje," als ge eens diezelfde Geertje had ontmoet, armelijk,
+vervallen, gedwongen in uitersten nood een toevlucht te zoeken voor haar
+zwak, zwanger lijf, bij hondsche, gemeene, vervuilde familie; &agrave;ls ge
+eens in het leven zulk een meisje had ontmoet, dat absoluut geen
+"berouw" over haar "misstap" toonde en nog den man, die haar verleid en
+gedupeerd heeft, in slaafsche gedweeheid achterna blijft loopen, <span class="pagenum"><a name="p303" id="p303"></a>[p.303]</span>
+w&agrave;t zoudt gij anders voor haar hebben dan een weinig stuursch
+medelijden, vermengd met minachting, gij, die de grootheid van haar ziel
+niet zoudt kennen, gij, die haar drijfveeren: haar liefde, haar
+vertrouwen, haar hoop, hare grenzelooze toewijding niet bevroeden zoudt.
+En &agrave;ls gij daarentegen dien verleider, dien <i>Heins</i> in het werkelijke
+leven ontmoet hadt, wel, zoudt ge niet hoogstens eenige phrasen mompelen
+als: alles te weten is alles te vergeven: de man, lichamelijk een
+prachtkerel, is gehuwd met een ziekelijke vrouw ... de natuur zoekt een
+uitweg ... en die Geertje, nou die zal, op de keper beschouwd, ook wel
+niet zoo heel veel fijns zijn ... en hij is toch maar in z'n zaken een
+oppassende en gewikste kerel.... In een woord: een deel uwer sympathie,
+waarschijnlijk het grootste deel, zou bij den sterke, den
+man-van-het-welslagen zijn en niet bij de verongelukte, bij de zwakke,
+bij de als-bedelend-afhankelijke. Want niet alleen gij, jongeren, maar
+ook wij ouderen, zijn allen, vooral te dien opzichte, maar al te vaak
+"un petit &ecirc;tre incomplet,"<a name="FNanchor_2_156" id="FNanchor_2_156"></a><a href="#Footnote_2_156" class="fnanchor">[2]</a> zooals Loti het noemt. En intusschen, ho&eacute;
+verkeerd zouden wij hebben gedacht, want die <i>Heins</i>, wat is hij anders,
+dan een van die diep-ellendige schurken, die we alleen daarom niet
+verachten, omdat we begrijpen niets wat leeft te m&oacute;gen verachten. Maar
+hoe zouden wij, arme, onvolmaakte wezens, ook beter k&ugrave;nnen oordeelen
+over onze medemenschen. Worden wij niet door onzen twijfel verscheurd en
+heen en weer getrokken? We heffen de hand op om te straffen, maar we
+aarzelen: heeft die mensch wel straf verdiend? Had hij geen edele of
+onweerstaanbare drijfveeren, die wij niet kennen?... Wij willen
+beloonen.... Maar de gedachte komt in ons op: zie ik dien mensch niet te
+mooi; had hij innerlijk geen leelijk motief voor die mooie daad,
+bevoorrecht ik hem dus niet boven zijn gelijke? Wat w&eacute;ten wij van
+elkanders ziel? Wie z&igrave;jn wij-zelf? Daarom k&agrave;n de ondeugd niet door
+<span class="pagenum"><a name="p304" id="p304"></a>[p.304]</span> ons gestraft, de deugd niet beloond worden. Wij wankelen en wij
+tasten mis bij elke schrede, bij elk gebaar. Doch nu komt een kunstenaar
+... di&egrave; w&eacute;&eacute;t, die v&oacute;elt weifelloos, di&egrave; tast, ten <i>tijde dat hij
+kunstenaar is</i>, nimmer mis, di&egrave; heeft "hart en nieren geproefd."<a name="FNanchor_3_157" id="FNanchor_3_157"></a><a href="#Footnote_3_157" class="fnanchor">[3]</a>. Nu
+krijgen de deugd en de ondeugd, het reine en het bezoedelde, het
+zelfopofferende en het baatzuchtige, allen, niet alleen de kracht tot
+uiting, maar zij worden gedwongen daartoe. Allen ontvangen nu een stem,
+waarmee zij in onze ooren hun innigste wezen uitzeggen. Nu is alle
+leugen en alle schijn verre en de meest doortrapte sluwheid staat
+machteloos.</p>
+
+<p>D&aacute;&aacute;rom zei ik&mdash;en nu zeker begrijp't ge mijn zeggen&mdash;<i>kunst uitspreekt
+wat geen andere mond kan uitspreken, dat zij stem en uiting geeft aan
+wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had!</i> Hoe dikwijls, gelijk
+nu weer, heeft het mij dan ook niet toegeschenen, alsof, in hoog
+medelijden met die wrange machteloosheid der menschen, ter troost aan
+ons gekrenkt rechtsgevoel, en vooral ter tijdelijke hulp aan ons,
+bijna-blinden, die het eindpunt niet kunnen zien, waar al dat slechte en
+misdadige tot goedheid en rechtvaardigheid wordt&mdash;de Natuur de
+kunstenaars voortbracht, opdat die ons reeds nu het ware wezen der
+dingen zouden doen gevoelen, hun noodwendigheid en het verborgen geluk,
+en ook het verborgen onheil, dat zij in hun dichte dooreenvlechting
+dragen. Het uiterlijk-schamel edele, dat wij gering hadden geschat, de
+kunstenaar toont&mdash;en 't is als een ons hart goeddoend eerherstel!&mdash;de
+edele kern ervan. Het opgesierd-vooze, het is alweer de kunstenaar die
+met vaste hand het innerlijk rotten opendekt&mdash;zoodat wij althans het
+geluk der waarheid hebben! Z&oacute;&oacute; komt het dan ook, dat <i>Geertje</i>, het
+zuivere werk van z&ugrave;lk een kunstenaar, bij al de grauwheid van het
+armoe-leven, die het ons niet spaart, bij al de ontzettende ellende en
+onverdienden smaad, die we de hoofdpersoon, het meisje zien treffen, ons
+nauwelijks bedroeft, en dat het ons evenmin na <span class="pagenum"><a name="p305" id="p305"></a>[p.305]</span> voltooide lezing
+achterlaat met dien bitteren haat tegen het "wreede" leven, maar
+integendeel met het zoete en kalme gevoel van bevredigd- en
+vertroost-zijn, van nu toch &eacute;&eacute;ns het Noodlot doorvoeld en begrepen te
+hebben. Want, zoo denken we, waarom zouden we de verstooten en versmade
+Geertje langer beklagen, haar, die met het volle gevoel en het
+alles-verzoetend en verheerlijkend bezit harer altijd-durende liefde
+naar haar dorpje terugkeert, om daar in de schoone richting, die het lot
+haar gewezen heeft en op haar eigen, eenvoudige wijs, haar prachtige en
+rein-menschelijke ziel te doen groeien en bloeien. Of waarom zou ons de
+haat jegens menschen als Heins nog op het hart branden! Is tot onze
+genoegdoening, in dezen &eacute;&eacute;ne, niet aller afzichtelijkheid in den
+rechtvaardiglijk-erbarmingloozen dag geheven? Voelen we ook niet
+onvermijdelijk en ontzettend aandreigen, onzichtbaar voor zijn oogen, de
+begeleidsters der geestelijke en zedelijke geringheid: de zelfverachting
+en de verachting der menschen, die vroeg of laat, maar eens zeker, uit
+zulke misdrijven opschrijnen?... Ja, het is dan ook v&oacute;&oacute;ral de
+gewaarwording, dat de godsstem van het Noodlot tot ons sprak uit dit
+boek, klaar en vast en met ware troost vertroostend, die het ons doet
+liefhebben als een machtig geheel van <i>ont-dekte, doorzichtig-gemaakte</i>
+menschelijkheid. Aan dit werk is het <i>tijdelijke</i> vreemd: zoolang een
+deel der menschheid onze taal zal kennen, zoolang zal het in de figuur
+van het arme meisje <i>Geertje</i> de verwezenlijking van &eacute;&eacute;ne der gestalten
+der eeuwige en wereld-omvattende liefdesdroom herkennen; zal het opzien
+vol dankbaarheid en bewondering tot die onbewuste, nederige heldin, die
+niet alleen te eenvoudig-menschelijk, te rein-natuurlijk was om te
+zondigen, d.i. tegen haar diepst en hoogst gevoel te leven, toen dit
+haar genot en uitviering van hartstocht bracht, maar die ook te groot
+bleek, om tegen dat gevoel te leven, toen het haar niets anders dan
+verderf, vernedering en ontbering kon brengen!</p>
+
+<p>Laat mij nu nog, voor ik dit eerste hoofdstuk over <i>Geertje</i> be&euml;indig,
+even recapituleeren wat ik heb gezegd:</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p306" id="p306"></a>[p.306]</span> Het werk behoort ten deele, voor zoover het zijn hoofdpersoon
+betreft, tot de go&eacute;de romantiek, omdat het een uitzonderingsfiguur
+beeldt, op naturalistische, d.i. zooveel mogelijk objectieve wijze. Het
+behoort tot de groote en blijvende kunstwerken: omdat het 't leven voor
+ons ont-dekt en doorzichtig maakt; omdat het, in de opeenvolging zijner
+elkaar be&iuml;nvloedende hoofdgebeurtenissen, zuiver noodlottig is; omdat
+'t, wijl het kunstscheppend vermogen er puur in leeft, niet van &eacute;&eacute;n tijd
+maar van alle tijden is; omdat het, tenslotte, &egrave;n door zijn
+noodlottigheid &egrave;n door zijn evenwichtigheid &eacute;n door zijn &agrave;f-zijn in
+begrepen-, doorvoeld- en weergegeven-hebben, zelf de rust en den vrede
+der klassieke mensch-beeldingen bezit en beide daarom ook aan de lezers
+schenkt.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>En ik voeg er met nadruk bij: het is ook in de hoogste mate zedelijk, en
+de lezing moet, vooral op jongelui, die nog hun leven kunnen beginnen,
+veredelend werken&mdash;ik zeg dit met zooveel nadruk, omdat 'n paar,
+overigens geheel onbevoegde, dwazen indertijd het tegendeel beweerd
+hebben&mdash;wijl het ten eerste, zooals ik reeds opmerkte, een stem geeft
+aan het bedrogene, verdrukte en gesmade, dat anders door de menschen
+niet wordt gehoord of geloofd; ten tweede, in <i>Geertje</i>-zelf een figuur
+beeldt, die dwars door alle conventie heenbrekend en boven alle
+eigenbaat uitrijzend, datgene poogt te doen, wat haar eigen diepste
+wezen haar als goed aanwijst en, ten derde, in Heins den verleider, een
+mensch heeft geschapen, wiens verpeste en afzichtelijke geest
+noodzakelijk even afschrikwekkend op den aanschouwer moet werken, als
+afbeeldingen van sommige ziekten dat doen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>In de nu volgende hoofdstukken hoop ik u het gezegde door citaten en
+analysen nader uiteen te zetten en, voor zoover dat mij althans mogelijk
+is, te bewijzen.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>JOHAN DE MEESTER'S GEERTJE.</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p307" id="p307"></a>[p.307]</span></p>
+
+<h3>II.</h3>
+
+
+<p>Geertjes ouders zijn dood. Ze wordt door haar grootouders&mdash;grootvader is
+hoofd van de dorpsschool en koster&mdash;opgevoed. En in het eerste hoofdstuk
+reeds, waarin we Geertje uit 't dorpje zien vertrekken, om een dienst in
+Rotterdam te zoeken, laat de auteur ons op opmerkelijk-sobere, want van
+alle taaldrukte warse en aan elk psychologisch-ontledingsvertoon vreemde
+wijze, het innerlijk dier drie zeer uiteenloopende menschen gevoelen.
+Grootmo&eacute;der, &eacute;&eacute;n zachtheid, &eacute;&eacute;n innigheid, &eacute;&eacute;n opgaan-in-'t-kleinkind;
+grootv&agrave;der: een steil-orthodox Christen, die geen oogenblik weifelens
+omtrent zijn levensplichten en rechten kent, want beide staan duidelijk
+en zeker voor hem en zijn natuur neigt al evenmin ter verzaking van de
+eerste als ter opgave van de laatste. Zijn dogmatisch-kerksch geloof
+zegt hem in alles het <i>hoe</i>, laat h&egrave;m maar zelden onzeker omtrent het
+<i>waarom</i>, en heeft den heelen geestelijken inventaris, die bij een
+gewoon huis-, tuin- en keuken-mensch nog al een beetje door elkaar
+pleegt te slingeren, netjes voor hem opgeborgen in een "kast met
+laadjes," zooals <i>Maandag</i>, een nobele figuur in ons boek, den bijbel
+noemt in dit verband; een juist en gelukkig beeld, geloof ik, want zoo
+het ons fel het misbruik voelen laat, dat, bewust en onbewust, van
+bijbelteksten wordt gemaakt, het doet ons allicht ook bepeinzen, hoe
+wonderschoon beeldhouwwerk die "kast" versiert en hoe de
+beduimelend-liefkoozende vingers <span class="pagenum"><a name="p308" id="p308"></a>[p.308]</span> der geslachten, de glanzingen
+van dat edele hout nog hebben verdiept in stede van het te
+verslijten....</p>
+
+<p><i>Geertjes</i> grootvader is een streng, naar lichaam en geest <i>rechtlijnig</i>
+man, hij is beslist, kort aangebonden en duldt geen tegenspraak, wat dan
+ook precies de eigenschappen van dat soort oprechte, maar bekrompen en
+ten deele verdorde vromen in het werkelijke leven zijn, eigenschappen
+die, het zij terloops gezegd, psychologisch uiterst makkelijk zijn te
+verklaren: het dogmatisch-godsdienstige, en dit vooral, maar niet
+alleen, doch ook &agrave;l het dogmatische, ziet de fijne nuances van het leven
+niet, het maakt, als 't ware, van den <i>kronkelenden</i> levensgang iets
+<i>kinderlijk-rechtlijnigs,</i> en de geest van zijn belijders ontkomt
+natuurlijk aan dien invloed wel het allerminst: ook hij wordt steil en
+hoekig, zijn levenskijk wordt vergroofd. Maar dit is niet alles: het
+dogmatisch-godsdienstige maakt den middelslag-mensch vaak streng en
+hard, want daar het in 't leven een betrekkelijk eenvoudig iets ziet,
+als slechts aan zekere voorschriften en leiddraden wordt vastgehouden,
+is het ook van oordeel, dat degeen die leeft, de mensch, een relatief
+gemakkelijke taak heeft en k&agrave;n het dus niet z&oacute;&oacute; medelijdend, z&oacute;&oacute;
+vergevingsgezind tegenover dien mensch en zijn fouten staan, als die
+andere denkrichtingen, welke integendeel het leven beschouwen als iets
+zeer moeilijks en onreglementeerbaars, en de levenstaak als een
+ontzettend-ingewikkelde, welks zwaarste gedeelten ieder gerijpt mensch
+slechts volgens zelfgevonden wetten kan volvoeren. In &eacute;&eacute;n woord: de
+dogmaticus heeft het <i>twijfelen en zoeken verleerd,</i> een ontzettend
+nadeel! Hoe zal hij het twijfelen en zoeken van anderen nu kunnen
+meevoelen? De dogmaticus struikelt zelden: hij bewandelt de onbeschutte
+en slecht-onderhouden wegen niet. Maar &agrave;ls hij struikelt, is dat naar
+zijn meening zijn <i>schuld</i>, dien hij moet <i>delgen</i>. Hoe zal hij dan hen
+begrijpen, bemeelijden en helpen, die, in sommige gevallen, niet alleen
+van schuld noch delgen willen weten, doch te recht of ten onrechte hun
+struikelen aan den weg wijten, ja wel eens&mdash;als Geertje!&mdash;hun trots en
+hun geluk in dat struikelen beweren te hebben gevonden! Aan de figuur
+van dezen grootvader, die <span class="pagenum"><a name="p309" id="p309"></a>[p.309]</span> het w&egrave;l meent en eerlijk volgens zijn
+dogmatische kerkschheid handelt, zult ge dit alles, in verband
+natuurlijk met zijn menschelijke zwakheidjes&mdash;en niemand, maar
+allerminst een dogmaticus is daar zonder&mdash;zien waar worden! Wenden we
+ons nu van hem af en zien we naar <i>Geertje</i>. En ik durf een mooi ding te
+verwedden, dat gij dat liever doet! Wat mij betreft ... o, 't is waar,
+ik heb een voorrecht boven jelui allen, jongelui: ik <i>verander</i>, als ik
+naar haar zie, ik word <i>jonger</i>: de rimpels van mijn voorhoofd en mijn
+geest verdwijnen&mdash;jelui hadt er geen! Ik <i>krijg</i> een glimlach op mijn
+verstroefd gezicht&mdash;bij jelui was hij er, geloof ik, nog bijna nimmer
+af, en &igrave;k heb ook die eigenaardige vreugde, die ontstaat uit het even
+zien samensmelten van toekomst en verleden in &eacute;&eacute;n punt. Maar jelui
+Verleden ... och vrienden, je Heden draagt het nog op zijn rug, als
+Aeneas zijn vader: moge het reeds verzwakt zijn, het l&eacute;&eacute;ft toch nog, het
+is een w&egrave;rkelijkheid, het heeft in eenzaamheid de duistere reis nog niet
+begonnen en slechts een bleeke heugenis nagelaten. Herinner jelui je,
+wat ik eens schreef op deze plaats over dat plots weer oplichten van
+onze eigen jeugd in later jaren, door het genieten van een kunstwerk?...
+O, ook in <i>Geertje,</i> bij dit haar eerste verschijnen lacht een lente
+open, alles is luchtig en onschuldig en bevallig en naar-het-komende-
+ziende in haar. Wij voelen haar een met 't om haar zijnde, eenvoudige en
+als van 't natuur-idyllische overbloemd dorpsleven. En wij voelen dit
+juist, wij leeren haar &egrave;n dat leven kennen, <i>op hetzelfde oogenblik, dat
+zij 't gaat verlaten, om naar de groote stad, naar Rotterdam te trekken,
+en daar 'n dienst te zoeken!</i> Dat stempelt ons den indruk van dat leven
+des te dieper in het geheugen. <i>Want wij voelen ons met haar nu op een
+kentering van haar leven staan</i>. En als we straks met haar in Rotterdam
+zullen zijn, dan zal het contrast tusschen dit proper-eenvoudige,
+rustig-eerzame leven harer in het dorpsmilieu geachte grootouders, en
+het smerige armoe-bestaan der rommelige havenstad, waar de bittere
+strijd om een stuk brood, alle zachtheid, alle onderling
+willen-waardeeren heeft verdrongen, ons des te dieper treffen. Wanneer
+we haar <span class="pagenum"><a name="p310" id="p310"></a>[p.310]</span> straks door dat groote-stadsleven zullen zien besluipen;
+als we dat, stukje voor stukje en beetje voor beetje, haar de
+beschermende uiterlijkheden van den geest zullen zien ontrooven,
+waarmede de kerksche opvoeding door de grootouders dien hebben bekleed,
+dan merken wij dat alles z&oacute;&oacute; goed op, dan voelen we dat alles z&oacute;&oacute; diep,
+omdat wij, vooral door dat eerste hoofdstuk, Geertje&mdash;om 't zoo eens uit
+te drukken:&mdash;in haar ongerepte en tegelijkertijd nog niet ontwikkelde
+gaafheid hebben gekend. Want we zien in dat eerste hoofdstuk reeds al de
+verhoudingen en menschen, die, in verband met haar natuurlijken aanleg,
+Geertje hebben gemaakt tot wat zij op dat oogenblik is. We zien
+ook&mdash;heel eventjes slechts aangegeven&mdash;zekere psychologische
+eigenaardigheid, die later van groote beteekenis voor haar uiterlijk en
+innerlijk lot zal blijken te zijn. Ik zal nu dit alles met eenige
+citaten trachten aan te toonen. Eerst de gezindheid van den grootvader:
+(<i>Geertje</i> is bezig zich op 'r kamertje klaar te maken voor de reis.
+Beneden wachten de grootouders op haar, om aan den maaltijd te
+beginnen).</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Ze hoorde Groo'va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig
+... daar was hij al in het gangetje! Nu kwamen de woorden, <i>kort,
+met gezag</i>:<a name="FNanchor_4_158" id="FNanchor_4_158"></a><a href="#Footnote_4_158" class="fnanchor">[4]</a></p>
+
+<p>&mdash;Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden....</p>
+
+<p>Dan moest het maar.... Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen,
+parapluie, 'er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep&mdash;z&oacute;&oacute;
+maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.... Even
+rondkijken.... Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien....</p>
+
+<p>En het slecht gelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning
+kraakte op elke tree, onder de <i>vlugge</i> stap van het <i>lichte
+meisje</i>.</p></div>
+
+<p>In de <i>eerste</i> door mij gecursiveerde woorden, die Grootvaders manier
+van spreken aangeven, z&oacute;&oacute; dat wij hem h&oacute;&oacute;ren, leeren wij hem reeds
+kennen, zooals hij intrinsiek is: hij is de man van de kortheid en
+vooral van het Gezag, met een bijzonder groote hoofdletter! Maar ook
+Geertje staat er al aardig in: Dat kinderlijk beredderingsdruktetje, dat
+schalk-vroolijk <span class="pagenum"><a name="p311" id="p311"></a>[p.311]</span> afscheid van de kamer ... zou het aan mij
+liggen, dat ik 't ook <i>aandoenlijk</i> vind?... Ik geloof het niet: de
+jeugd, de onschuld en de blijmoedigheid, zij zijn aandoenlijk, <i>omdat
+zij, vaak zwijgend en zonder het te weten, om bescherming vragen</i>. Als
+kinderen tegen ouders, vlijen zij zich tegen de ziel van den mensch aan,
+die hen met liefde beschouwt.</p>
+
+<p>De beide laatste, door mij in den tekst gecursiveerde woorden vormen
+daarneven van die beeldende trekjes, zooals er meerdere in dit hoofdstuk
+voorkomen, die ons onmiddellijk Geertje in heel haar luchtige en
+vroolijke jonkheid voor oogen brengen.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Groo'vas voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.</p>
+
+<p>&mdash;Waar blijf je nou toch? zei Groo'moe. Op haar gezicht was enkel
+droefheid.</p></div>
+
+<p>Men weet hier onmiddellijk, dat Groo'moe altijd de "bufferstaat" tusschen
+de beide anderen is! Zij tempert grootvaders strengheid en vergoelijkt
+Geertje's dartele jeugd.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Het eten stond er al.</p>
+
+<p>&mdash;Aan tafel, zei Groo'va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem
+kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.</p>
+
+<p>Toen alle drie zaten, bad hij:</p>
+
+<p>&mdash;O Heer, onze God! wij danken u voor de spijze, die Gij ons weder
+mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig u loven en prijzen voor al
+uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen
+van hart, wij komen tot u in onze nooddruft, want ons hart is
+bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe
+goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw
+uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die u
+vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het
+leven te houden in den honger. Wees gij dan, o Heer, met haar die
+ons verlaten gaat. Wees gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer
+vast huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren
+mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover
+haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat
+haar geleiden, als zij nederligt, zal het over haar de wacht
+houden, als zij wakker wordt, zal het zelve met haar spreken. Want
+het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen
+der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader, die in de Hemelen
+zijt, Uw naam worde geheiligd; <span class="pagenum"><a name="p312" id="p312"></a>[p.312]</span> uw Koninkrijk kome: Uw wil
+geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons
+dagelijksch brood geef ons heden, en vergeef ons onze schulden,
+gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in
+verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Uw is het
+koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid,
+Amen!</p>
+
+<p>Geertje was gewoon aan Groo'va's lange gebeden, met teksten erin.</p></div>
+
+<p>Laat ons even stilstaan bij die gewoonte van Groo'va om gebeden te bidden
+"met teksten erin." Het kan zijn nut hebben, niet alleen voor het goed
+begrip van die figuur, maar van al de geestelijk aan haar verwanten.
+Want ten eerste moeten we ons wel hoeden, in onze "moderniteit" een
+vrijbrief te zien, om maar over alles en nog wat, waarvan wij niets
+weten, te mogen meespreken, en ten tweede zoudt gij allicht uit den
+aanhef van dit artikel meenen te mogen afleiden, dat ik ook dit <i>bidden</i>
+met teksten iets minderwaardigs of gerings acht. Dit is echter niet zoo,
+ik vindt het integendeel iets zeer schoons. Kijk eens aan. Als men
+iemand bijv. "een gevoelsmensch" noemt, dan wil men daarmee niet zeggen,
+dat die man uit louter gevoel bestaat en verstand zou missen. Men wil
+daarmee dan alleen aanduiden, dat het gevoel, het bij hem sterk
+overheerschende is. En als ik dezen grootvader een dogmatisch-geloovige
+noem, dan wil ik daarmee ook alleen beweren, dat het dogmatisch-geloovige
+in hem overheerscht. Want niemand is &eacute;&eacute;n ding geheel-en-al. Ieder mensch
+is een mengsel van <i>vele</i> eigenschappen. En in dezen man zijn er al vast
+drie wijzen-van-zijn te herkennen: ten eerste: de man&mdash;de "belichaamde
+vermaning," zooals <i>Geertje</i>-zelf hem ziet&mdash;die door zijn dogmatisch
+denken, door zijn meenen <i>de waarheid in pacht te hebben</i>, van een
+ergerlijke eigengerechtigheid is; die zich als een "Verkondiger van Gods
+Woord" opwerpt en met zijn teksten niet alleen een grimmig hekwerk
+tusschen eigen braafheid en de snoodheid van den zondaar schijnt te
+willen oprichten, maar er zelfs een soort van kooi om de "gevallene" van
+wil smeden, waarin die in schuldbewustzijn tot "berouw" moge komen;
+maar, ten tweede: leeft ook in hem de eenvoudige vrome, de <span class="pagenum"><a name="p313" id="p313"></a>[p.313]</span> warm-
+en innig-geloovige, die ten tijde van zijn hevigste bewogenheid, naar
+den Bijbel grijpt, om in diens taal te bidden, te danken, in &eacute;&eacute;n woord
+zijn gevoel in woorden uittestorten. Het behoorde tot de leege
+bluf-gebaren der "moderniteit" te beweren, dat degeen, die bad, dat in
+eigen woorden moest doen, en dat hij, die het in "andermans"
+bewoordingen deed, maar wat prevelde. Maar die moderne knaapjes vergaten
+iets: dat deze "andere man" vaak de Bijbel was, en dat als we alleen
+maar de Psalmen daaruit nader beschouwen, we weldra ontdekken, dat de
+Psalmist een dier ontzaglijke en allergrootste dichters is geweest, wien
+"niets menschelijks vreemd is gebleven." Wat wonder dan dat de
+geloovige, die toch al, d&oacute;&oacute;r zijn geloof, meent, dat die geheiligde
+woorden Gode aangenamer dan zijne eigene zullen zijn, in uren van diepst
+doorleven naar den Bijbel grijpt, en, als in een gelukkige ontslaking,
+daar de z&oacute;&oacute; volledig zijn gevoel uitzeggende woorden vindt, gelijk hij
+ze nimmer had kunnen vormen. Z&oacute;&oacute; gebruikt ook Grootvader dan de teksten
+als hij <i>bidt</i>. Als hij <i>vermaant en bestraft</i>&mdash;let goed op het
+verschil!&mdash;liggen <i>hoogmoed</i> en <i>bewustzijn van eigen bravigheid</i> aan
+zijn tekstgebruik ten grondslag; als hij <i>bidt: nederigheid, liefdevolle
+overgave</i>, ja zelfs <i>onbewust bewonderen van het schoone.</i> Gij zult mij
+deze uitweiding wel willen vergeven, want ik zou graag willen, moet ge
+weten, dat wanneer ge straks, als flinke kerels in den trein van den
+Vooruitgang zit en uw vroolijk lied van de Internationale uit de ramen
+dondert, dat ge dan vooral niet uw manhaftigheid uit door als Yankees
+links en rechts over de waardevolle bagage uwer medereizigers heen te
+spuwen. <i>Revolutionnair gevoel &egrave;n eerbiediging van het echte en mooie,
+waar 't zich ook uit</i>, zijn in diepsten oorsprong hetzelfde en vertoonen
+zich alleen als iets tegenstrijdigs, bij den kinderlijken en
+onontwikkelden mensch.... Begrepen?... Ten derde leeft in Grootvader ook
+een man, die.... Maar dezen zin breek ik hier af, om hem later te
+vervolgen. Nu eerst &ograve;nzen tekst verder:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>'s Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang
+gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij <span class="pagenum"><a name="p314" id="p314"></a>[p.314]</span> deed
+haar best om mee te bidden, maar ze was er niet in. Al toen Groo'va
+bad van "gebrokenen van hart" hoorde ze een snik van Groo'moe. En
+toen Grootvader bad, dat God h&aacute;&aacute;r tot een Rotssteen mocht zijn,
+snoof en snikte Groo'moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes
+trachtte te kijken....</p></div>
+
+<p>Een aardig trekje dit laatste, <i>beeldend</i>, zoowel Geertje's schalke
+kinderlijkheid, als haar op dat oogenblik buiten de gevoelssfeer der
+grootouders staan, haar innerlijk-alleen-naar-het-komende-kijken!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon&mdash;hij
+kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand
+het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo'va; zijn diepe
+stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf&mdash;toen,
+bij die bijna gemeenzame woorden, die ze als heel klein meisje van
+Groo'moe geleerd had als Jezus' gebed, voelde ze dadelijk zich
+anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep
+gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar
+neus; en na het amen stond ze op, en liep naar Grootvader om hem
+een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo'moe's
+stoel.</p>
+
+<p>&mdash;Och kind, hikte Groo'moe.</p>
+
+<p>&mdash;Heusch Groo'moe, Geer zal goed oppassen.</p>
+
+<p>Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in
+Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede,
+alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.</p>
+
+<p>&mdash;Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.</p>
+
+<p>Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan
+Grootmoeders borst; de kleine vleezige hand van Groo'moe streek
+langs haar wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend,
+zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens
+heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve
+kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte
+behangsel en het eikenhouten harmonium....</p>
+
+<p>Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo'moe gekozen als
+Geertje's lievelingskost. Maar Groo'va had de ham niet zoo mooi dun
+gesneden als anders.</p></div>
+
+<p>Ik heb daar straks de opmerking niet willen maken, om de stemming van
+dit overigens fraaie stuk niet te bederven, maar nu moet ik toch even
+zeggen, dat het mij spijt hier het woord "hikte" ter beelding van
+Groo'moe's manier van spreken gebruikt te zien. Het werkt
+ontegenzeggelijk storend. Hikken, <span class="pagenum"><a name="p315" id="p315"></a>[p.315]</span> in de beteekenis van hakkelend
+spreken heeft te vaststaand en eigenaardig gebruik in den volksmond, dan
+dat het ook hier niet onmiddellijk de daaraan verbonden onsmakelijke
+gedachten-associaties zou doen opkomen.</p>
+
+<p>Maar nu geloof ik dat het toch tijd wordt mijn daar straks afgebroken
+zin te voltooien. Dus: Ten derde leeft in Grootvader ook een mensch,
+die, zij 't schaarsch, zij 't droog, zij 't kleintjes, zich toch ook op
+een andere dan Bijbelsch-gereglementeerde wijze uit. Want&mdash;en Grootvader
+moge mij het oneerbiedig vergelijk vergeven:&mdash;geen papegaai is er zoo
+aan verslaafd op het voorbeeld van anderen te vloeken en te zegenen, of
+hij krast er wel eens op zijn eigen manier, z'n toorn, verdriet of
+vreugde doorheen. Grootmo&eacute;der moge schreien, Geertje langs de wang
+aaien, haar laten uitweenen aan haar borst, de stugge, terughoudende,
+half-bevroren grootvader brengt het niet verder dan: <i>de ham niet zoo
+mooi dun te snijden als anders</i>. Maar met dat al is het laatste toch
+evenzeer een zuivere gevoelsuiting als de eerste. Wenschen we er den
+oude geluk mee!</p>
+
+<p>Ik sla nu een stukje tekst over en haal het eigenlijk afscheidnemen van
+Grootmoeder en Geertje aan:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Grootvaders <i>lange</i> gestalte stond in de deuropening.</p>
+
+<p>&mdash;... Nou Groo'moe....</p>
+
+<p>&mdash;Nou kind...!</p>
+
+<p>'t Was of Groo'moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan.
+Maar ze hoorde Groo'va zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;'t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze
+den trein niet zou halen.</p>
+
+<p>&mdash;Goeie Groo'moe, zei ze troostend, <i>en wrong voorzichtig zich
+los</i>.</p>
+
+<p>&mdash;De Heer ... zij ... met je, beefde Groo'moe's stem.</p>
+
+<p>&mdash;<i>Ja Groo'moe</i>, zei Geertje, <i>en zocht haar taschje</i>.</p>
+
+<p>Toen ze het had, tasch, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een
+vroolijker&mdash;"Dag Groo'moe, het beste Groo'moe," een lichte kus op
+het grijze haar; en vlug voor Groo'va, die de voordeur had geopend,
+heen, was ze in eenen kamer en huis uit.</p></div>
+
+<p>In den eersten zin van dit citaat heb ik het woord "lange" gecursiveerd,
+om te doen uitkomen hoe voortreffelijk zulke kleine
+beschrijvingswoordjes het niettegenstaande hun eenvoud <span class="pagenum"><a name="p316" id="p316"></a>[p.316]</span> en alle
+afwezigheid van omhaal doen. Ik wees er u reeds aanstonds op bij de
+beschrijving van Geertje's naar beneden loopen. Met die kleine,
+voortreffelijk te pas gebruikte beeldende woordjes, bereikt deze
+schrijver evenveel, zoo niet meer als sommige anderen met uitgebreide en
+ingewikkelde beschrijvingen. Als met lichte, onmerkbare drukjes wordt
+ons eene ook-het-innerlijk-bevattende voorstelling van den uiterlijken
+persoon in den geest gedreven. De drie andere cursieven geven Geertjes
+gepr&eacute;occupeerdheid weer, haar er-niet-bij-zijn bij het afscheid, haar
+denken aan het komende. Haar "Ja Groo'moe" is zelfs min of meer comisch
+als antwoord op grootmoeders zegenwensch. En we glimlachen goedig, als
+we daaraan denken, en hebben het onschuldige, levendige, naar het nieuwe
+willende meiske er des te liever om.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;We komme d'er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje
+dichtklapte.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo'va. Zeg Groo'moe nog eens goeden
+dag.</p>
+
+<p>Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo'moe's
+gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de
+handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens.
+Toen <i>hupte</i> ze (beeldende uitdrukking, als boven. v.C.) Groo'va
+na, die was doorgeloopen.</p>
+
+<p>Bij den draai van den weg bleef ze even staan, en wuifde weer.</p>
+
+<p>&mdash;'k Zie Groo'moe nie' meer, zei ze.</p>
+
+<p>Stil dook, omhuifd door grauw-bruine takken, 't lage witte huisje,
+met het zware, vooruitspringende puntdak, achter de lariksen en
+conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de
+school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was 't donkere
+pleintje er voor....</p>
+
+<p>&mdash; Kom nu! riep Groo'va.</p>
+
+<p>En Groo'moe, die in Geertje's kamertje door het zolder-raampje
+keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.</p></div>
+
+<p>Hoe mooi is hier de stemming van dat oude dorpje getroffen, die kerk,
+die school, het eenzame pleintje. Stil blijven ze achter in hun
+onverstoorden, zuiveren eenvoud.... Het bij hen behoorende kind trekt
+naar de groote stad....&mdash;Is ze even droevig, dat ze grootmoe niet meer
+ziet? Of is ze eigenlijk niet integendeel blij, en voelt ze zich niet
+opgelucht, dat het afscheid nu eindelijk is afgeloopen, dat ze nu
+onverdeeld <span class="pagenum"><a name="p317" id="p317"></a>[p.317]</span> aan het nieuwe, het komende behooren gaat, waarheen
+haar gulzig hartje hunkert? Maar de grootmoeder denkt aan niets anders
+dan aan haar. Het was haar strammen ouderdom niet te veel, de trappen
+naar het zolderkamertje op te klauteren, om haar kleinkind zoo lang
+mogelijk te kunnen naoogen....</p>
+
+<p>Maar bij dit laatste wil ik toch nog even stilstaan: Tot hiertoe, ook in
+de door mij niet geciteerde gedeelten van dit hoofdstuk, zien wij de
+personen, onmiddellijk <i>door de ziening van den auteur</i>. Tot hiertoe
+beweegt zich ook het verhaal in <i>&ograve;ndoorbroken-voorwaartsche</i> richting.
+Met dit laatste zinnetje wordt dit alles plotseling anders: De schrijver
+laat ons niet door zijn oogen Geertje zien&mdash;om 't zoo slordig-weg uit te
+drukken&mdash;maar door die van de grootmoeder, en om dit te kunnen doen
+plaats hebben, worden we plotseling met een ruk achteruitgetrokken&mdash;een
+ruk, dien ik, bij de eerste lezing <i>werkelijk gevoelde</i>!&mdash;: we bevinden
+ons met grootvader en Geertje reeds op weg naar het station, we hebben
+het meestershuisje en grootmoe achter ons gelaten en nu worden we
+plotseling daarheen weer verplaatst. Wat beteekent dit?... Het
+beteekent, dat hier eene van die onbewuste, z&eacute;&eacute;r schoone stijgingen van
+gevoel in den kunstenaarsgeest heeft plaats gegrepen, die wellicht tot
+de innigste en teerste bestanddeelen van kunst behooren. Onbewust zeg
+ik: het zou zelfs kunnen zijn, dat de auteur het tot op den huidigen dag
+zelf niet weet en&mdash;toch <i>is</i> het zoo, ja, het is niet onmogelijk, dat
+hij, nu ik het zeg, het niet juist zal vinden en&mdash;desalniettemin blijft
+het de waarheid! Voor die door hem gestadig in z&oacute;&oacute; liefdevolle
+beschouwing omkoesterde <i>Geertje</i>-figuur is, op dit oogenblik van
+afscheid van haar veilig dorpje, dat zij verlaat om zoo groote
+beproevingen in de angstig-groote en vreemde stad tegemoet te gaan, z&oacute;&oacute;
+groote teerheid in hem gerezen, dat hijzelf als in onbewuste kieschheid
+terugwijkt, om die laatste visie van hoe zij als onbezorgd kind in het
+grootouderlijk huis was, in de verbeelding der menschen te laten
+ontstaan en beklijven, gelijk zij gezien werd door de grootmoeder, die
+Geertje het best en het diepst heeft liefgehad....&mdash;</p>
+
+<p>Ik oversla nu een stukje tekst: Geertje op weg naar het <span class="pagenum"><a name="p318" id="p318"></a>[p.318]</span> station,
+hoe zij van allerlei dorpsgenooten lieve attenties en hartelijke
+vaarwel-groeten krijgt. Een meisje staat haar op te wachten met 'n mand
+"bellevleurs": "Geertjen, hier heij 'n mand mit appels, lekkere
+bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege."</p>
+
+<p>Het teekent uitstekend het ge&euml;erd- en geliefd-zijn van haar grootouders
+en haar-zelf in het dorp. En dat alles zal later, zooals ik reeds zei,
+een wreed contrast met haar omgeving en positie in Rotterdam vormen.
+Maar het volgende haal ik nog even aan:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>En aan het perron kwam opeens Jan Heukelman.</p>
+
+<p>&mdash;Ik kom je even ge'dag zeggen, Geertje, zei hij.</p>
+
+<p>&mdash;Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.</p>
+
+<p>&mdash;Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek
+bekend, en hij he't mien opgedroage je z'en groete te brengen. En
+dat ie hoopte da'j altoos de Heere voor ooge zoudt houden.</p>
+
+<p>Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap
+aan Willem te geven.</p></div>
+
+<p>Willem is de rijke boerenzoon, die op Geertje verliefd is, maar omdat ze
+'m niet hebben wou, naar Amerika is vertrokken. Later als Geertje
+"gevallen" en hij in het vaderland is teruggekeerd, blijkt hij nog
+altijd dezelfde trouwe en liefhebbende minnaar te zijn. Hij verlangt
+niets liever dan haar als zijn ge&euml;erde vrouw in zijn huis te voeren.
+Maar Geertje weigert, zooals ik reeds in het eerste hoofdstuk zei, omdat
+zij den man, die haar gedupeerd heeft, <i>blijft liefhebben</i>! Overigens:
+Willem Heukelman is dezelfde soort Christen als Grootvader, m'n Hemel!
+'n minnaar, die het meisje zijner liefde geen andere boodschap weet te
+sturen, dan dat ze altoos de Heere voor oogen moet houden! 't <i>Is</i> om
+tureluursch te worden.&mdash;En nu nog even dit: (Geertje staat aan een
+tusschen-station op den trein te wachten. Ze is ongerust over haar
+koffer. Een aardige meneer stelt haar gerust, en het voorvalletje
+verloopt dan aldus verder:)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Hij ging enkel naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen
+reizen.</p>
+
+<p>Geertje dacht aan wat Groo'va gezegd had, dat ze vrouwencoup&eacute;
+<span class="pagenum"><a name="p319" id="p319"></a>[p.319]</span> moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, <i>maar vond het
+pijnlijk dat aan den heer te zeggen</i>. Hij was zoo vriendelijk tegen
+haar!...</p>
+
+<p>Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:</p>
+
+<p>&mdash;Ja, nu moet ik een dames-coupe hebben.</p>
+
+<p>Doch er was maar een, en die zat vol. Er was nog net &eacute;&eacute;n plaatsje
+in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heen-drong.</p>
+
+<p>&mdash;Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen
+zitten, lachte de heer.</p>
+
+<p>En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zich-zelf.
+Misschien was er nog een coup&eacute; geweest; ze had daar niet verder
+naar gezocht. Nu zat ze in een grooten wagen, met veel menschen
+overal. De vriendelijke heer tegenover haar.</p>
+
+<p>&mdash;Hebt u het hier niet goed bij me?</p>
+
+<p>&mdash;Heel goed, lachte ze terug&mdash;toch een beetje pruilend.</p></div>
+
+<p>Het is deze <i>na&iuml;eve vriendelijkheid</i> in Geertje, dat niet <i>kunnen hard</i>
+zijn, het is dat zachte gemoed in haar, zoo diep ontvankelijk ook voor
+medelijden, zoo bang voor te kwetsen, die wel de hoofdoorzaken van haar
+ongeluk, of wilt ge, van haar geluk zullen zijn. En het is over het
+<i>algemeen</i> het medelijden, het zachtmoedig niet-kunnen-weigeren, en
+<i>niet</i> de sensualiteit, waardoor het leven van zoovele vrouwen verdorven
+is....</p>
+
+<p>In het volgend hoofdstuk hoop ik u nu in hoofdlijnen te laten zien, hoe
+uit Geertje's goedgeloovige, na&iuml;eve, luchthartige en medelijdende
+innerlijkheid, in verband met invloeden en personen uit haar vroeger en
+later leven, zich de roman harer liefde en overgave ontwikkelt.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p320" id="p320"></a>[p.320]</span></p>
+
+
+<h3>III</h3>
+
+
+<p>Geertje is dan naar Rotterdam'vertrokken, en zal, zoolang ze geen dienst
+heeft gevonden, bij haar oom Jan Niekerk logeeren. Die oom is een van
+die slungelige wezens, wien alles, van de kindsheid af tot de grijsheid,
+het heele leven door, mislukt. Niet alleen volkomen missend wat men in
+hoogeren zin geestelijke krachten kan noemen, maar ook geheel zonder die
+capaciteiten, welke in staat stellen, op den juisten tijd en de juiste
+wijze de zich voordoende gelegenheden tot het winnen van levensonderhoud
+aan te grijpen; geheel dus zonder die toch alledaagsche markt-gevatheid,
+die haar bezitter knap genoeg maakt, om op niet al te suffe manier het
+zakengesprek van elken dag met het pingelende leven te voeren&mdash;is deze
+man voorbestemd altijd een dupe, een verongelukte te zijn. W&agrave;t hij doet,
+doet hij niet goed, doet hij onhandig en links: zijn ernst is <i>schijn</i>,
+is imitatie van anderer ernst; zijn scherts is <i>schijn</i>, zij is de
+mislukte maskerade zijner angst en vooral van zijn onmachtsbewustzijn.
+Zijn druktemaken, zijn geaffaireerd-doen, 't is alles nadoen van
+anderen. Hij is een dier rampzalige menschen, die <i>innerlijk</i> al lang
+alle hoop hebben opgegeven iets te <i>zijn</i> en nog alleen maar beproeven
+iets te <i>schijnen</i>, in het geheime bewustzijn, dat ook dit hen mislukken
+zal. Hij <i>leeft</i> niet, hij <i>wordt</i> geleefd, als dit heen en weer
+gesmeten worden door de omstandigheden, de kansen en de meeningen,
+wirwarrelend <span class="pagenum"><a name="p321" id="p321"></a>[p.321]</span> om hem heen, zelfs geleefd-<i>worden</i> heeten mag!...
+Want wat in een voorwerp is: zwaarte, gewicht,&mdash;dat is in een mensch
+geestelijkheid. Wat weinig gewicht heeft, een ademstoot dwarrelt het op
+en blaast het weer neer. Wie weinig geest heeft, hem blaast het leven
+omhoog, hem blaast het omlaag, hoe zou hij&mdash;bij zoo groote mate van
+lichtheid: bij zoo weinig geest&mdash;rust vinden midden de stormen der
+meeningen en wisselvalligheden? Maar wie veel geest bezit, staat vast op
+zijn plaats, de winden breken op hem, de omstandigheden smijdigen hun
+lijn van voortgang om hem, zij bespatten hem, maar brengen hem niet
+iets, waarbuiten hij niet kan, noch voeren iets <i>essentieels</i> van hem
+mede, en hij weet wel, dat de kracht, die h&egrave;m verzetten zal, niet kan
+schuilen in armoede, ontbering, rampen, rijkdom en geluk. De man van
+weinig verstand staat in het leven als een bedronkene op den weg: zelfs
+doode voorwerpen schijnen levend te worden, om h&egrave;m te hinderen en te
+plagen, en wat anderen tot steun is, dat st&oacute;&oacute;t en w&egrave;rpt h&egrave;m. In 't kort:
+hoe meer geest, hoe meer <i>macht tot roerloosheid</i>; hoe minder geest, hoe
+meer drukte en beweging. En ik geloof, dat <i>het 't doorvoelen dezer
+waarheid was</i>, die de oude Indi&euml;rs deed zeggen, dat de <i>Goden
+onbeweeglijke oogappels</i> hebben.... Intusschen zou ik mij schamen, zoo
+zonderling te zijn afgedwaald van <i>Geertje's</i> oom naar de Indische
+goden, indien diezelfde oom niet dichter in hun buurt stond, dan gij
+wellicht vermoedt! Hij is namelijk een&mdash;kunstschepping, uit diep
+levensinzicht geboren....</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Als Geertje bij haar oom arriveert, is hij juist weer wat lager gezakt.
+Zijn mooien winkel aan den Binnenweg, die haar nog heugt van toen ze de
+laatste maal bij hem logeerde, heeft hij niet meer. Hij woont nu in een
+krottig huisje in een zijstraat aan de Schie. De teleurstelling is
+pijnlijk voor Geertje, m&aacute;&aacute;r, en dit is teekenend voor haar
+geestestoestand, dat echte jonge in haar, dat niets z&oacute;&oacute; als de vrijheid
+liefheeft en tegen onnatuur een instinctieven weerzin heeft: zij blijft
+blij, "uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid <span class="pagenum"><a name="p322" id="p322"></a>[p.322]</span>
+gaf aan Groo'va en Groo'moe, en aan de meeste menschen in 't dorp,"
+ontslagen te zijn. Ik sprak in het vorig hoofdstuk van dat groote
+stadsleven, dat we haar, stukje voor stukje, en beetje voor beetje, de
+<i>beschermende uiterlijkheden</i> van den geest zullen zien ontrooven. En
+hier hebt ge daar &eacute;&eacute;n voorbeeld van: (Geertje denkt:)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>(Groo'va) sprak altijd van "den wil des Heeren" maar over zijn
+triestigheid heen kwam hij niet.</p>
+
+<p>Misschien was dat toch wel m&eacute;&eacute;st om oom Jan&mdash;en nu wist Groo'va nog
+niet eens alles!&mdash;ook niet, dat het bij oom heelem&aacute;&aacute;l geen
+Christelijke Boekhandel meer was. Op den Binnenweg was er nog een
+aparte Bijbelkast. Maar hier!...</p>
+
+<p>&mdash;Dank je! Die reuk van heiligheid het me niks as schaaj gedaan!
+had oom den vorigen avond gespot, toen Geertje naar de bijbels
+gevraagd had.</p>
+
+<p>&mdash;Bidt jij nog? had hij 's middags geplaagd, toen ze aanzaten voor
+het eten. Den eersten avond had ze 't gedaan, niet lettende op Oom
+en Tante. Vanzelf had ze nu w&eacute;&eacute;r de handen gevouwen.... Tante was
+tusschen beide gekomen:&mdash;"L&aacute;&aacute;t 'er toch!"&mdash;Maar zij had gelachen,
+en oom had gelachen, en <i>voordat ze het wist, was de vork in d'er
+mond geweest</i>....</p></div>
+
+<p>Zoo iets beteekent niet, dat Geertje nu inderdaad haar <i>geloof</i> aan het
+verliezen is. Dat is volstrekt niet het geval. En de tijd moet nog
+komen, dat zij 't inniger zal bezitten, dan ze 't ooit bezeten heeft.
+Maar zij is bezig uit de <i>praktijk der godsdienstoefening</i> te geraken.
+En dit is jammer, want <i>als</i> bij iemand van de betrekkelijk geringe
+<i>verstandelijke</i> beschaving van Geertje, zelfs een <i>groot godsgeloof</i> in
+de <i>ziel</i> ligt&mdash;gelijk hier inderdaad het geval is&mdash;dan kan toch, onder
+zekere omstandigheden, die ik nader zal aanduiden, dat <i>groote
+godsgeloof niet</i> maar w&egrave;l die <i>praktijk der godsdienstoefening</i> voor
+verkeerde en schadelijke dingen behoeden. Hij die dit vreemd mocht
+vinden, bedenke: dat bijna niemand de volle bewuste beschikking heeft
+over <i>al</i> de in hem liggende geestelijke krachten. Hij krijgt
+<i>langzamerhand</i> de beschikking over hen, indien hij <i>zeer hooge en diepe
+vreugden en smarten voelen kan</i>. Want deze beide zijn de dorpelwachters,
+die het in hun macht hebben, de poorten der geheime arsenalen en der
+juweelen-volle schatkamers in eens menschen innerlijk <span class="pagenum"><a name="p323" id="p323"></a>[p.323]</span> te
+ontsluiten.... En ook voor Geertje zullen z&eacute;&eacute;r vele ontsloten worden....
+Maar nu dit nog niet gebeurd is, en ook&mdash;en dit is de omstandigheid,
+waarop ik doelde&mdash;de schatkamer van het groote godsgeloof in haar nog is
+gesloten, kan zij voornamelijk slechts beschermd worden, door wat haar
+van <i>buiten</i>, door haar grootouders is bijgebracht: de praktijk, de
+routine, noem het de sleur der godsdienstoefening, en die verliest
+zij.... Ik noemde deze een <i>uiterlijkheid</i>, bedenk het, m&aacute;&aacute;r&mdash;ook een
+harnas is een uiterlijkheid!&mdash;Ik ga nu een stukje overschrijven,
+waardoor we weer wat meer van Geertje's innerlijk en het armelijk geplan
+en ge&iuml;ntrigeer van oom en tante, om aan geld te komen, te weten komen,
+&egrave;n tegelijkertijd met een nieuwe figuur kennis maken, die bestemd is een
+groote rol in het boek te spelen en evenals Geertje tot de psychische
+romantiek (zie het eerste hoofdstuk) behoort:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>De voordeur ging open:&mdash;"Dag Geertje!" zei iemand. Zij kende hem
+niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half
+achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op
+licht, lang-krullend warhaar.</p>
+
+<p>&mdash;Dag.... Meneer," zei Geertje verwonderd.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. 'k Heb je zien
+laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.</p>
+
+<p>&mdash;O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.</p>
+
+<p>&mdash;Is je Aum d'er niet?... Roep jai je Tante n'es voor me.</p>
+
+<p>De bult en Tante bleken gemeenzaam.</p>
+
+<p>&mdash;Riek, vroeg hij, hait je man nou geschreive?</p>
+
+<p>Geertje kreeg den indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte.
+Tante meende&mdash;zoo zei ze&mdash;van wel, maar zeker weten dee' ze 't
+niet, <i>'t was zoo'n moeilijke brief voor de'r man om te schrijven.</i></p>
+
+<p>&mdash;<i>Wa's d'ar nou voor moeilijks an! Als de'n ouwe nie' wil, dan wil
+ie niet. 't Vragen sou ik meenen, staat frai. Wat ze' jai Geer,
+daar kan je Graufader toch nie' boos om worde</i>.</p>
+
+<p>&mdash;Laat haar d'er buite, viel Tante haastig in, ongerust.</p>
+
+<p>Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar
+nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was
+als onderwijzer aan een openbare school de kameraad van Tante's
+broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en
+hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo'n hekel an de
+onderwijzersstand, net als Oom <span class="pagenum"><a name="p324" id="p324"></a>[p.324]</span> vroeger had gehad, en daarom
+was ie nou k'ruspendent van dagbladen geworden.</p>
+
+<p>&mdash;W&agrave;t is-t-ie? vroeg Geertje.</p>
+
+<p>&mdash;Nou, da'j berichte stuur an de krante. En he-'t-ie d&aacute;&aacute;rmee z'en
+brood?</p>
+
+<p>Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en
+van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit, dat je
+dat natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel
+z&oacute;&oacute;veel te melden! E&eacute;n man kon het onmogelijk af. Daar zat ook
+juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk
+veel konkerentie. Sommige heeren werkten samen, d'en eene nam dit
+en d'en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En
+meneer Maandag was altijd alleen.... Maar nou kreeg-d-ie misschien
+'en eigen krant. Ja, 'en eigen krant voor h&ugrave;m! Dat was het juist,
+waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou &oacute;&oacute;k mee aan die krant
+zijn.... Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar
+nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader
+te vragen, of die wat wou geven....</p></div>
+
+<p>Als men, in de door mij gecursiveerde zinnen, Tante over haar man hoort,
+spreken en, even daarna, Maandag zijn meening hoort zeggen, dan denkt de
+oppervlakkige beoordeelaar: die oom Niekerk heeft niet v&eacute;&eacute;l geweten,
+maar die Maandag is nog de ergste van de twee! Want men heeft al zoo'n
+vermoeden dat die heele krant-oprichting wel mislukken zal en Oom
+aarzelt nu ten minste nog voor hij zijn vader om geld vraagt, maar die
+Maandag!... Intusschen is precies het tegenovergestelde het geval.
+Maandag is een nobel en een niet onbegaafd mensch, die vertrouwen in
+zich-zelf heeft en <i>volkomen te goeder trouw</i> om het geld vraagt, in het
+ernstig geloof, dat er althans een <i>zeer goede kans</i> van slagen bestaat;
+Oom echter weet diep in zich heel zeker, dat ook dit wel weer een
+mislukking zal zijn, maar vraagt toch, d.w.z., gaat <i>oplichten</i>, en hij
+aarzelt niet omdat hij de daad slecht vindt&mdash;d&aacute;&aacute;r is hij al lang over
+heen&mdash;maar omdat hij er bij zijn strengen vader, dien hij al zoo
+dikwijls geld uit den zak heeft geklopt, niet mee durft aan te komen!
+Maandag, in zijn opnieuw ontwaakte energie, zijn zelfvertrouwen en zijn
+optimistisch idealisme, begrijpt dat alles natuurlijk niet en is
+verwonderd!....</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p325" id="p325"></a>[p.325]</span></p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;Groo'va, <i>riep Geertje met verborgen angst. Ze kreeg een gevoel,
+of d'er iemand Groo'va te lijf wou. Die goeie Groo'va, hij had zoo
+weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!</i></p>
+
+<p>&mdash;'t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe verschieten?</p>
+
+<p>&mdash;Nou, z'en geld blaift z'en geld, en ieder jaar kraigt ie z'en
+rente. Ze denke zellefs van 'en hooge rente, meer as je Groo'va van
+z'en geld maak! Maandag is d'er zeker van, dat 'et 'en goeie zaak
+zal weze.</p>
+
+<p>&mdash;Wat heeft-ie dan Groo'va d'r in te hale! snuggerde Geertje vol
+bezorgdheid.</p>
+
+<p>&mdash;Da's te zegge! Et kan misgaan, 't Is 'en nieuwe ondernemink. Je
+brengt d'er je geld niet as bij de sp&aacute;&aacute;rkas!</p>
+
+<p>&mdash;Nou kijk 'is an! riep Geertje overtuigd.</p>
+
+<p>Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was
+genoeg voor haar drift.</p>
+
+<p>Tante had haar aangezien, en plotseling op anderen toon:</p>
+
+<p>&mdash;O ja, maar as jai ons no' ga tegewerke, geef je graufader zeker
+niks.</p>
+
+<p>&mdash;Ik? wat heb ik d'er mee te make!</p>
+
+<p>&mdash;<i>Nou ... 'et is toch jou geld ook</i>.</p>
+
+<p>Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze 't keukentje in.
+Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu
+niet schreien! Het was zoo naar, zoo anders hier alles, vijand was
+ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.... Maar
+die arme goeie Grootva.... Wacht....</p></div>
+
+<p>Ge denkt nu, na dat "Wacht," dat Geertje haar grootouders gaat
+waarschuwen. Mis! dat eigenaardig jeugdig-lichtzinnige en dat
+weifelend-bedeesde, 't laatste vooral tegenover menschen die in haar
+nabijheid zijn, verhinderen dat. Ze gaat nu een lieven brief naar huis
+schrijven en denkt daarmee genoeg gedaan te hebben. Ja zelfs laat ze
+Tante den brief lezen, om die maar te laten merken, dat Tante's
+wantrouwen ongegrond is. Och, ze heeft zoo graag met iedereen vrede en
+geeft zoo gaarne en zoo makkelijk toe; <i>nu nog haar hoogste en innigste
+wezen niet gewekt is</i>. En dan, moet ge denken, is er niets erger voor
+een grootmoedig-aangelegd jong menschje, dan dat iemand hem bedektelijk
+verwijt, dat hij uit eigenbelang iets doet of nalaat. En met het door
+mij gecursiveerde zinnetje van Tante gebeurt dat: Tante weet wel wat ze
+doet!&mdash;Uit den daarv&oacute;&oacute;r door mij gecursiveerden zin, voelt ge, dat
+Geertje toch ook wel <span class="pagenum"><a name="p326" id="p326"></a>[p.326]</span> heel veel van haar strengen grootvader
+houdt.&mdash;</p>
+
+<p>Maar schitterender, maar onovertreffelijk, worden Geertje's weifelingen,
+haar onbewuste zelfbedrog, haar zwakheid van rust te willen hebben en
+niet tusschen al dat geknoei te willen zitten, gebeeld in het volgende:
+(Oom zit haar te "bewerken" opdat ze hem maar geen spaak tusschen het
+wiel zal steken en zegt ten slotte:)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Ik zeg 'et mit de beste bedoelinge. Als jij de'r op tege heb, da 'k
+'et vraag ... dan doen ik 't niet....</p>
+
+<p>Geertje vo&egrave;lde 't in d'er ooren, aan de manier waarop Oom,
+aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende,
+dat-ie haar daar laf beloog. <i>Maar dan moest het ook maar, dan
+moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden!</i> Ze wist het, ze zat
+daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d'er gezicht, tegenover
+een plomp-grooten man, die wreede dingen zei; maar in haar flitste
+ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om
+heel hooghartig te doen en te spotten&mdash;om 'es hard terug te slaan,
+zoo zwak als ze was.</p>
+
+<p>&mdash;Wou u soms dat ik d'er om vroeg?</p>
+
+<p>&mdash;Wat meen je d&aacute;&aacute;rmee? zei Oom op een drogen toon van halve
+onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.</p>
+
+<p>&mdash;Nou....</p>
+
+<p><i>Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opeens 'er
+gedachten kwijt</i>. En bij haar beschaamdheid zakte haar boosheid, ze
+werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte
+om niet kwaad te wezen&mdash;<span class="spat">h&egrave;, als zij Oom en Groo'va eens tot mekaar
+kon brengen</span>.</p>
+
+<p>Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem
+aan met 'en lieve lach....</p>
+
+<p>&mdash;Tante heeft me dat ook al doen voele, dat ze m'anzag voor, zoo'n
+soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo'va; niet om
+z'en geld, maar om Groo'va zelf.</p></div>
+
+<p>Is het niet <i>prachtig</i>, hoe hier in die paar regeltjes niet alleen de
+<i>oogenblikkelijke</i> gemoedstoestand van het jonge, zwakke, lieve meisje,
+maar ook heel haar <i>aard</i> wordt blootgelegd, deels door het vermelden
+harer gedachten, maar deels ook door dramatische beelding: het scheppen
+van handeling. In den eersten door mij gecursiveerden zin vindt ge haar
+besluit, om koste wat het kost, nu eens flink te zijn, maar ach, na dat
+&eacute;&eacute;ne uitstekende comedie-vertooninkje van Oom, is er van dat besluit al
+niets meer overgebleven. <span class="pagenum"><a name="p327" id="p327"></a>[p.327]</span> De d&aacute;&aacute;rop volgende door mij
+gecursiveerde zin beeldt uitmuntend in <i>handeling der gelaatstrekken</i>,
+om 't zoo eens te noemen, Geertjes verlegenheid, haar zich plots weer
+klein voelen. En dan volgt in de door mij gespati&euml;erde woorden het
+<i>onbewust zelfbedrog</i> van dit nobele zieltje, dat zoo graag het goede
+wil en, nog te zwak om er bij te volharden, zich zelf voor den mal houdt
+en <i>met een surrogaat ervan zich behelpt</i>.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Nu na eenige commis-voyageurshandigheidjes van Oom, heeft Geertje dan
+ten slotte een dienst gekregen bij den drukker <i>Heins</i>&mdash;en, vrienden,
+als je daar straks het boek zelf gaat lezen (of ben je al bezig? Dat zou
+heel wat prettiger zoowel voor jelui als voor mij zijn!) let dan eens op
+wat er voorvalt bij die visite van Oom en Tante met Geertje, bij den
+heer en mevrouw Heins: bijv. die sc&egrave;ne met de kinderen is
+uitstekend!&mdash;"een van Oom's vertrouwdste vrienden, die een groote
+drukkerij voor den handel heeft," zooals Oom aan Groo'va heeft
+geschreven. Mevrouw Heins is een ongelukkig buitje, iemand met een
+"krates-lijf" en 'n bleek gezicht, waaruit een roode puntneus scherpt;
+Heins-zelf daarentegen: "een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op
+het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel."
+Ziehier de manier, waarop hij, al heel spoedig, met haar omgaat:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een
+glas pilsener had ingeschonken.</p>
+
+<p>&mdash;Dank u.</p>
+
+<p>&mdash;Wat dank u? Ben jij mal? Gauw 'en glas! En 'en stoel d'er bij.
+Mot je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook!</p>
+
+<p>Geert liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe&mdash;en het
+bier smaakte. H&egrave;, dat heerlijk-frissche bier! En zoo'n goddelijke
+avond!</p>
+
+<p>&mdash;Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor 'n uurtje, maar toe'
+sliep ze.</p>
+
+<p>Nee', gut, Geert was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur
+thee had gebracht. Maar ze zou d'alijk even gaan....</p>
+
+<p>Och, nee', drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte.
+<i>'t Is toch al zoo ongezellig</i>....</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p328" id="p328"></a>[p.328]</span> Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in
+huis. Altijd herrie, of leeg-holle kamers, met maar 'en enkel
+mensch er in, heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen
+schreeuwend, omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d'er
+keuken geloopen, &ograve;f naar de straat &ograve;f naar het gangetje van de
+drukkerij.... <i>Aardig, dat Meneer die ongezelligheid ook akelig
+vond</i>: zoo iemand, die &ograve;p scheen te gaan in z'en zaken!</p></div>
+
+<p>Ge merkt hier al, hoe een zeker intiem verband tusschen de twee <i>in
+wording</i> is, doordat ze 't beide <i>ongezellig</i> in huis vinden, tegenover
+de juffrouw, die de <i>oorzaak dier ongezelligheid is!</i></p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Langzamerhand zien we Geertjes geest door het beeld van dien man vervuld
+worden. Truusje, z'n dochtertje, is wat hangerig. Geertje kijkt haar aan
+en denkt onmiddellijk: "Krek toch d'r pa z'n oogen." Maar zie dan vooral
+eens dit: (Geertje zit het zieke kind voor te lezen. Meneer Heins komt
+de kamer binnen:)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;"Mejuffrouw G. Hendriks." E&eacute;n brief! Asjeblief.</p>
+
+<p>&mdash;Gut Meneer!</p>
+
+<p>&mdash;Zit Geer je prettig voor te lezen, Troelala?...</p>
+
+<p>Da's 'en leve'tje, h&eacute;?... Zeg, 't is hier benauwd! Jij hebt et ook
+warm!... <i>O got, doe maar niet! 'k weet toch wel da'j 'en mooie
+hals heb</i> ... krijgt Troelala 'et niet te warm?... Laat tenminste
+de deur wat ope.... Zoo....</p>
+
+<p>&mdash;As de Juffrouw dat maar goed vindt!</p>
+
+<p>&mdash;Och jullie heb 'et hier veel te benauwd.... Zeg is, wat krij' je
+daar voor 'en brief! Hei je femilie in Amerika?</p>
+
+<p>&mdash;Van 'en kennis....</p>
+
+<p>&mdash;O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit Amerika!...
+D&agrave;g.... Dag Truuzepop!</p>
+
+<p>Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo op&eacute;&eacute;ns nou 'en
+brief van Willem. <i>En dat Meneer dat net moest zien!</i> Hoe kwam
+Willem (Ge weet wel: Heukelman, de boerenzoon, die op haar verliefd
+is. v.C.) an d'er adres! Ja, natuurlijk van Jan, en van thuis. Maar
+wat hattie te schrijve! Ook 'en taaie.... H&eacute; God, dat Meneer....</p></div>
+
+<p>Ik heb een paar zinnetjes gecursiveerd. Commentaar overbodig, niet waar?
+Nu oversla ik een uitmuntend stuk&mdash;met grooten spijt, vooral omdat gij
+het schalke, bijdehandte in Geer er aardigjes in had te zien gekregen!
+Maar enfin, <span class="pagenum"><a name="p329" id="p329"></a>[p.329]</span> dat blijft weer bewaard voor jelui, als je het boek
+leest! Nu verder even Geertjes overpeinzingen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>H&eacute;, wat vervelend toch, nou van die brief! St&ograve;m ook, dat ze gezeid
+had "van 'en kennis." O, wat had ze daar gruwelijk spijt van! Hoe
+kwam ze't te zeggen ... ze wist het niet ... Laa's kijke.... O ja!
+toen.... Meneer-keek zoo plaag'rig. Eerst al, met dat geplaag om
+'er boordje.... Toen, net of dat heel wat was, dat zij iemand kende
+in Amerika.... Ja, daarom had ze gezeid, "van 'en kennis." Net zoo
+ommers as et was.... <i>Maar ze zag dat Meneer et raar von</i>. Altijd,
+dan werde <i>z'en ooge wat anders....</i> Och maar malligheid! '<i>t Zou
+um 'en zorg zijn, of zij 'en kennis in Amerika had</i>.... H&eacute; nee, <i>ze
+had et gezeid om te plage</i>.... Waarom had hij ook geplaagd met 'er
+boordje....</p></div>
+
+<p>Aan de door mij gecursiveerde zinnen ziet ge duidelijk, dat Geer zich er
+wel van bewust is, dat er een <i>aardig verhoudinkje</i> tusschen haar en
+meneer is, en dat ze gelooft, dat het meneer <i>&egrave;ventjes hinderen zal als
+hij merkt dat ze een vrijer heeft.</i> Geertje denkt natuurlijk niet na
+over eenig gevolg dat dit alles hebben kan. <i>Zij is daarvoor te
+onschuldig</i>. Zij is te onschuldig om in dit alles iets anders dan 'n
+soort aardig-vinden-van-elkaar te zien. Ja, God, waarom zou meneer haar
+niet mooi vinden.... Zij weet wel dat ze mooi is.... Haar jonge
+ijdelheidjes worden gestreeld door de gedachte, dat zoo een knappe,
+flinke, rijke man als meneer Heins er over nadenkt of zij wel of niet
+een vrijer heeft. In 't kort: men voelt door wat er van haar gebeeld en
+gezegd wordt, hoe zij wegdroomt telkens <i>in allerlei niets met de
+werkelijkheid gemeen hebbende voorstellingen</i>, welke <i>niet</i> gezegd of
+gebeeld worden. <i>Ze wordt door haar jeugd en opgewekt liefdesverlangen
+meegevoerd</i>, buiten de werkelijkheid.&mdash;Even later komt ze beneden,
+meneer staat daar weer:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>...&mdash;Hei je z&oacute;&oacute;'n haast!... Eerst effe vertelle: hoe was 't met die
+meneer in Amerika!...&mdash;<i>Och!.... plaag!</i>...</p></div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>De tijd der kermis is aangebroken. Geer gaat met Oom en Tante en den
+gemeenen Gerrit Holkers, broer van tante, er heen. Deze kermis is een
+uitstekend brok beschrijving, <span class="pagenum"><a name="p330" id="p330"></a>[p.330]</span> waarvan jelui "bij de lezing van
+het boek volop zult genieten. Laat mij 't hier slechts hebben over de
+<i>psychologie</i> van Geertje, over haar liefde, en jelui aandacht vestigen
+op die momenten, welken den groei daarvan aanduiden. Eerst echter dit:
+(Geer heeft zich juist innerlijk geschaamd over een kunstenmaakster voor
+een der kermistenten, die veel op haar lijkt&mdash;een <i>zeer fijn</i> stukje&mdash;en
+nu, plotseling, hoort ze:)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;Geer! die meid lijkt op jou!</p>
+
+<p>In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots'ling heen
+door het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom's
+stemgeluid rauw haar ontstelde denken op, <i>en was haar nog
+onaangenamer, daar het haar eigen gedachte uitsprak</i>. 't Was haar,
+of 'er geheim opeens gehoord werd door de heele kermis. Zij wist
+niet meer, wie was beleedigd, zij of het meisje; ze schaamde zich
+vreeselijk over de vergelijking, en toch had ze ook diep medelijden
+met het meisje, over wie Oom, met dronkemanstong, in zijn
+afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw dorst spreken. O, ze haatte,
+haatte Oom; <i>ze voelde opeens fel al de rampzalige schaamte over
+die familie van de'r, ze snakte terug naar het Hang, waar ze beter
+was, waar ze zich thuis voelde</i>; weg wou ze van zulke
+liederlijkheid; en het was toch de <i>familie</i>.<a name="FNanchor_5_159" id="FNanchor_5_159"></a><a href="#Footnote_5_159" class="fnanchor">[5]</a></p></div>
+
+<p>Behalve de waarde eener voortreffelijke psychologische analyse, heeft
+dit stukje ook een ongemeene compositorische waarde, wijl het aantoont
+hoe alle omstandigheden ertoe medewerken, dat Geertje naar <i>Heins</i> toe
+wordt gedreven: haar familie is haar niets meer, het huis van Heins
+voelt ze als haar tehuis, en &igrave;n dat huis, is er nog een stilzwijgende
+verstandhouding <i>tusschen Heins en haar van elkander begrijpen</i>&mdash;zooals
+zij, onnoozele dupe van dien man, denkt&mdash;<i>tegenover</i> de juffrouw, "die
+geen vrouw is voor Heins," en z'n leven "zoo ongezellig maakt!"&mdash;En nu
+die momenten, waarvan ik zooeven sprak: (Geertje zit met Oom en Tante in
+de tent van een liedjes-zanger. Ze denkt:)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Die twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van 'et meisje. 't Meisje
+leek nog heel, heel jong. H&egrave;, z&oacute;&oacute; same kermishoue!... knappe jonge,
+d'er gelant, flink ... <i>gut, op wie leek nou die jonge?</i> Zoo ie's
+bekends had ie in z'n gezicht.... Toch niet thuisbrenge.... (Ik
+oversla hier een stuk. v.C.) <i>Wat keek die</i>
+<span class="pagenum"><a name="p331" id="p331"></a>[p.331]</span> <i>jonge verliefd z'en meisje an ... kn&agrave;ppe jonge ... op wie
+leek ie?</i>.... Leegte, nou die mensche weg.... Zou 't al laat
+zijn.... O, verv&eacute;lend, heel d'en avond.... H&egrave;! zoo-as dat meisje
+uitgaan. ... netjes, met moeder, en je galant....</p></div>
+
+<p>Ge ziet in dit stuk het <i>liefdesverlangen</i> van Geertje, ge ziet hier ook
+<i>het aandoenlijk beroofd-zich-voelen van de wees,</i> maar in de door mij
+gecursiveerde zinnen, zit dat andere. Hoe? Dat zult ge dadelijk
+zien....&mdash;Den volgenden morgen, 't is Zondag, is ze ofschoon ze vrij
+heeft, naar het Hang gegaan, om even wat geld te halen&mdash;Oom en Tante
+zitten zonder cent&mdash;en dan speelt zich daar het volgende prachtige
+tooneel af: (Maar o, lieve vrienden, 't geen hieraan voorafgaat: dat
+gedupeerd worden van de arme Geertje! hoe zij gelooft dat Heins uit
+<i>goedheid</i> zoo vriendelijk, midden zijn eigen verdriet, jegens haar
+is.... neen als ge het boek-zelf niet leest, al die magnifieke dingen,
+die ik natuurlijk moet overslaan, dan zou het mij berouwen er iets over
+te hebben geschreven. Want dan zou ik het gevoel niet van mij kunnen
+afzetten, het te hebben verminkt!) Geertje is bij meneer op kantoor om
+geld te wisselen en hij vraagt haar of ze zich geamuseerd heeft op de
+kermis:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zij wist niet of ze 't zeggen zou. Ze schaamde zich zoo over wat er
+was gebeurd, ze zou ommers ook liever heelem&aacute;&aacute;l niet meer over de
+kermis hebben gesproken, maar ze had zoo'n behoefte om het te
+zeggen, om vertrouwelijk te doen tegenover Meneer....</p>
+
+<p>(Ik oversla weer 'n stukje tekst. v.C.)</p>
+
+<p>&mdash;Holkers? Da's 'en zure jonge.</p>
+
+<p>&mdash;'En gem&eacute;&eacute;nert.</p>
+
+<p>&mdash;Zoo? dat ook?... Och jee!... Dus geen pret gehad?</p>
+
+<p>&mdash;Pret? Nee niks!</p>
+
+<p>&mdash;Wij ... moste-n-is same kermishoue'!... Zou je wille....</p>
+
+<p>Ze voelde den lessenaar wankelen. Ze hoorde heel goed hoe Meneer
+het meende, niks as 'en grapje, uit goejigheid, omdat ze zoo'n nare
+avent gehad had; <i>en toch kreeg z' opeens 'en angst, of z'en droom
+vervuld zag worden: Hij, Hij was et, gisteravent, in de tent, die
+mooie jonge, die daar met 'en meisje zat!</i>... <i>Got!</i>... Meneer,
+mocht toch niks merke....</p>
+
+<p>&mdash;J..j ...a! stotterde ze, met gedwongen lachje, zooveel mogelijk
+als-vroolijk. Gauw 'et geld nu, en dan weg.</p>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p332" id="p332"></a>[p.332]</span>&mdash;Wat hei' j' de kinders blij gemaak', hoorde ze zijn
+vriendelijke stem.</p>
+
+<p>&mdash;Blij?... Mit niks!</p>
+
+<p>&mdash;Nou ja, ze krijg 'et toch.</p>
+
+<p>&mdash;Ik vin' 't zoo aardig van je, Geertje&mdash;streelde weer die lieve
+stem&mdash;da'j zoo lief ben voor me kinders. Tr&uacute;&uacute;sje heb-ie opgepast
+... as' en <i>moeder</i><a name="FNanchor_6_160" id="FNanchor_6_160"></a><a href="#Footnote_6_160" class="fnanchor">[6]</a></p>
+
+<p>Even dorst zij opzien. In die mooie oogen. Hij, zoo go&eacute;d, zoo'n
+beste vader, en z&oacute;&oacute; vriendelijk voor haar....</p>
+
+<p>&mdash;'t Snoesje! zei ze.</p>
+
+<p>Truus, 'en engel!</p>
+
+<p>Nam meteen het geld van tafel.</p>
+
+<p>Toen opeens hield hij haar hand.</p>
+
+<p>Klemde die, zacht, in de zijne.</p>
+
+<p>&mdash;<i>'k Wou da' jij de moeder was</i>....</p>
+
+<p>&mdash;O, Meneer!</p>
+
+<p>De gulden viel. Maar zij holde weg, het huis uit.</p></div>
+
+<p>Nu heb ik w&eacute;&eacute;r gecursiveerd. Ziet ge thans in, waarom ik het str&agrave;ks
+deed?!&mdash;Overal vervolgt haar zijn beeld! Maar met die l&aacute;&aacute;tste door mij
+gecursiveerde woorden, heeft hij haar nu aan zichzelf ontdekt! Zij snelt
+in radeloosheid de straat op. Maar wie is in staat, zijn eigen ziel te
+ontsnellen? Als een obsessie hamert het in haar hoofd:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Dat <i>Hij</i>[6b] zeker n&oacute;&oacute;it us in z'en leve <i>gelukkig</i>[6c] erge's
+gezete had, zooals die jonge gisteravent.&mdash;Met de <i>Juffrouw</i>[6d]
+&mdash;<i>'k Wou da' jij</i>...."[6e]</p>
+
+<p>Niet an denke....</p></div>
+
+<p>En ziet ge weer het gevaarlijke <i>medelijden</i> in Geertje? Ze komt thuis
+en mo&eacute;t even rusten, maar k&agrave;n niet, k&agrave;n niet. Overal ziet ze h&egrave;m, overal
+voelt ze h&egrave;m. En als ze dan ten slotte, na bij menschen, christelijk als
+haar grootvader, te zijn gegaan en daar wat norsch te zijn bejegend, er
+berouw over gevoelt, dat niet geduldiger te hebben verdragen, voelt zij
+een onbedwingbaar verlangen naar het godshuis te gaan. Als zij er komt,
+in haar ge&euml;xalteerden toestand, voelt zij zich als "het hijgend hert der
+jacht ontkomen." En dan volgt dit prachtige, dit geloofssterke, dit
+liefdessterke, <i>dat Geertjes innerlijk is</i>, dat uiterst reine innerlijk,
+<i>welks poorten nu, de</i> <span class="pagenum"><a name="p333" id="p333"></a>[p.333]</span> <i>een na de ander worden ontsloten</i>. (Zij
+poogt haar aandacht bij de preek te bepalen, maar denkt aan h&egrave;m, aan
+h&egrave;m:)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>(De juffrouw) zei et ommers vaak:&mdash;"Pa's kindje," op 'en toon van
+spot en hekel, net of Truus et helpen kon, dat ze pa z'en oogen
+had. Kleine snoes, gelukkig ook! as ze de ooge had van de
+moeder!... 't W&aacute;re n&eacute;t Meneer z'en oogen, 't zelfde bruin, zoo
+str&aacute;lend, gr&oacute;&oacute;t.... Jonge, op de kermis gisteravond zette'n-ook die
+groote ooge, keek zoo stralend, naar z'en meisje.... Meisje lacht.
+En Ooge lache.... Jonge, meisje staan nou op.... Hij haar hand, en
+drukt de hand ... drukt nog weer ... de ooge ernstig.... Trekt haar
+hand meer naar zich toe....&mdash;"'k Zal uw koffie late valle!"&mdash;"Koffie?
+Nee, 't is maar 'en gulde, d&aacute;&aacute;r, onder de lessenaar, 'k raap em op
+of geef 'en ander ....Toe, Geer, h&oacute;&oacute;r toch, 'k heb je lief, toe,
+ik ben zoo ongelukkig ... 'k heb je lief, Geer, och, kom hier"....
+Weg lessenaar, weg tabouret. <i>Hij</i><a name="FNanchor_7_161" id="FNanchor_7_161"></a><a href="#Footnote_7_161" class="fnanchor">[7]</a> naast haar, kijkt
+bedroefd-vol-liefde.... Zalig! Zalig!&mdash;"Nog 'en zoen, z&oacute;&oacute; je
+hoofd"....</p>
+
+<p>H&eacute;, haast gevalle&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>... Groote God! wat gebeurt er met 'er! Heeft ze.... Ja, ze heeft
+geslapen. 't Vrouwtje naast haar kijkt ontstemd, z'is tegen die an
+gevalle, in d'er slaap.... Wat vreeslijkheid! Ooge dicht! Ze durft
+niet rondzien! Zoo iets droome ... en dan hier! In de kerk zoo
+zondig droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt over Judas'
+smarte.... Lang stuk heeft ze niet gehoord, zitte slape, was z&oacute;&oacute;
+moe ook. H&eacute;, d'er hoofd barst van de pijn en dat steke van de zon
+daar, altoos met die-n-eene straal, daar vlak v&oacute;&oacute;r d'er. Jee, ze
+beeft, ze klappertandt. En zoo warm hier. He't ze koorts? O, ze is
+zoo ongelukkig!</p></div>
+
+<p>In een wroeging van zich schuldig voelen, in een vrees voor zonden,
+herinnert ze zich nu tal van teksten, die <i>overspel</i> verbieden. En dat
+stuk is pr&agrave;chtig; en het spijt mij heel erg, dat ik het moet overslaan,
+al mag ik de opmerking niet weerhouden, dat ik wel gewenscht zou hebben,
+dat Geertje's meditatie niet zoo gerhythmeerd ware gegeven, want deze
+rhythmeering wordt veroorzaakt door de vroom-ontroerde psyche <i>van den
+auteur</i>, en kan <i>niet</i> in 't <i>denken van Geertje</i> aanwezig geweest zijn.</p>
+
+<p>Zij bidt God om vergeving, neemt zich nu voor, voortaan geen dag meer
+het bijbellezen te verzuimen. En ten slotte vindt zij voor dat uur
+vrede:</p>
+
+<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p334" id="p334"></a>[p.334]</span> Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde.... Bidde
+m&ograve;cht zij ook voor <i>Hem</i><a name="FNanchor_8_162" id="FNanchor_8_162"></a><a href="#Footnote_8_162" class="fnanchor">[8]</a>, dat God <i>Hem</i>[7b] verand're mocht, dat
+ook <i>Hij</i>[7c] vond het geluk, nu was <i>Hij</i>[7d] toch zoo rampzalig,
+arme man, zoo'n lieve man, o, as hij tot God mocht komen ... zou ze
+durve? hem et zegge? Bidde mocht ze wel voor hem, en nu luist're,
+nu goed luist're, dan zou ook 'er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de
+preek wat hebbe....</p></div>
+
+<p>En nu wordt het mijn plicht, over <i>dit deel</i> van het boek te zwijgen,
+een plicht zwaarder, voor mij, die z&oacute;&oacute; gaarne van mijn mooi-vinden
+anderen deelgenoot maak, dan mij wellicht ooit het spreken heeft
+geleken. Zwijgen moet ik over het schoone zelfbedwang, over het
+meesterschap, dat de kunstenaar moet hebben bezeten, toen hij v&oacute;&oacute;r en n&agrave;
+die supreme beeldingen van Geertje's gevoel, den moed en de kracht had,
+om de kunstgrepen van den verleider en heel het alledaagsche leven te
+teekenen; dat dagdagelijksch leven met al zijn kleinheden, waarvan het
+Noodlot zijn onverbreekbare koraalrotsen bouwt, die de schepen doorboren
+en de schepelingen ten afgrond doen gaan. Zwijgen over dat
+prachtig-doorvoelde van Geertje's opstand tegen den Bijbel, tegen God,
+wijl de afgesmeekte, de afgeb&eacute;den rust niet in haar komt. Zwijgen over
+haar drie-daagsch verblijf bij haar grootouders, die beelding &egrave;n van
+haar smart &egrave;n van 'r kinderlijk-onschuldige schalkheid; over dien
+maannacht in haar dorpje, waarin zij zich de Bruid voelt, die zich
+nimmer zal vertoonen aan haar Bruigom, maar heel 'r leven aan hem denken
+zal ... daar de vorstelijke verzen, vol van eene onmetelijke weelde, van
+Salomo's <i>Hooglied</i>, gelijk een godsstem openklinkend in haar ziel,
+zegenend de zang van haar groot-menschelijk gevoel begeleiden. Zwijgen
+ook over haar zich-geven aan hem, hun sexueele samenzijn, in volkomen
+reinheid en soberheid uitgebeeld. En zwijgen verder over heel dit
+opengaan van Liefde, dat bij een gelukkig menschenkind is, als het
+roepen van de zon naar het water en het wekken eener kleurige schoonheid
+van met glans-lachjes overblonken, sluimerende <span class="pagenum"><a name="p335" id="p335"></a>[p.335]</span> vormen daarin, en
+dat bij haar was&mdash;arme!&mdash;een zonsverduistering gelijk, als de leden der
+lenigst-gevleugelden verstijven van angst en de keeltjes der tot zoet
+zingen geborenen, rauw gekrijsch uitsnerpen.... Want al dat schoone moet
+nu voor u bewaard blijven <i>in het boek</i>. Mij rest alleen nog te spreken
+over haar verlaten-worden, haar twijfel, haar leed, en haar
+heengaan-in-vrede.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p336" id="p336"></a>[p.336]</span></p>
+
+<h3>IV.</h3>
+
+
+<p>Heins zou de volkomen gewetenlooze erotomaan niet moeten zijn, die hij
+is, indien hij zich <i>Geertje</i> niet van den hals wilde schuiven zoodra
+hij merkte, dat zij zwanger was en hem dus lastig kon worden. Voorwerp
+van pleizier voor hem, en geen mensch die leeft &oacute;&oacute;k om eigen volmaking
+te benaderen, werpt hij haar weg, zooals men een oude jas wegwerpt. In
+dit gedeelte van het werk breekt wel de laagheid van dezen man ten volle
+open, als een etterende kanker, welks stank de lucht verpest, en welke
+ieder, die het woekergezwel onbeschermd zou willen aanraken, met
+infectie bedreigt. Maar evenals de wetenschap&mdash;meestentijds <i>niet</i> door
+<i>menschen</i>liefde, maar door liefde tot het <i>weten</i> gedreven,&mdash;het
+bereikt heeft, gevaarlijke smetstoffen te kunnen omvormen tot
+voorbehoedende en genezende substanties, zoo is het der kunst
+gegeven&mdash;haar, die evenmin door <i>menschen</i>liefde, maar liefde en drang
+tot <i>scheppen</i> wordt bewogen&mdash;uit ziektestoffen voorbehoed- en
+geneesmiddelen te puren.</p>
+
+<p>M&aacute;&aacute;r, m'n lieve vrienden en vriendinnen, v&oacute;&oacute;r ik verder ga, even dit:
+begrijpt gij <i>mij</i> wel, weet gij het wel goed, dat ik geen
+"zedeprediker" ben, gij die dit weten <i>kunt</i>, die immers nu reeds sedert
+eenige jaren mijne uiteenzettingen volgend, hebt kunnen verstaan, dat ik
+niet tot die soort van menschen behoor, wier eerzucht of eenig ander
+verlangen hen in de richting van het "zedepreeken" drijven k&agrave;n, maar tot
+die <span class="pagenum"><a name="p337" id="p337"></a>[p.337]</span> soort, wier verlangen hen slechts er naar doet streven, zoo
+zuiver en schoon mogelijk de dingen te zeggen, die zij denken en zien,
+en wier begeerte alleen kan zijn, juiste en zelfgevonden of h&egrave;rvonden
+inzichten over kunst te verbreiden, opdat de menschen de waarde van
+zulke inzichten voelen en de macht tot juist-inzien en -genieten in
+zich-zelf aankweeken zullen? O, mocht ik in de overbodigheid dier vraag
+kunnen geloovenl Want ik zou het h&eacute;&eacute;l verdrietig vinden, zoo ge mij voor
+iemand hieldt, die zoo dwaas is, zich op een buitenmenschelijke
+standplaats te willen stellen en mal-hoogmoedig van sexueele driften als
+iets minderwaardigs te spreken. Evenals alles wat natuurlijk is, is ook
+sexueele hartstocht in zich-zelf iets moois, maar evenals al het
+schoone, dat buiten alle goede proportie staat tot het geheel, waartoe
+het behoort, iets of alles van de macht tot het uiten zijner schoonheid
+inboet, ja, iets hinderlijks en schadelijks wordt, z&oacute;&oacute; verliest ook de
+sexueele hartstocht de schoonheid harer verschijning en schaadt en
+hindert, indien zij buiten alle goede proportie in eens menschen ziel
+aanwezig is. Wat nu is het voornaamste kenmerk van iets, dat buiten
+goede verhouding tot zijn geheel staat? Dit: dat het niet <i>schijnbaar</i>
+een ander deel verdringt en verdrukt, door het te <i>veredelen</i><a name="FNanchor_9_163" id="FNanchor_9_163"></a><a href="#Footnote_9_163" class="fnanchor">[9]</a>, maar
+het <i>werkelijk</i> verdringt en verdrukt door het te <i>verlagen</i> en te
+<i>verkleinen</i>. En dat zien we dan ook hier gebeuren. De sexueele
+hartstocht bij <i>Heins</i> verlaagt het verantwoordelijkheidsgevoel, het
+medelijden en de meest primitieve menschelijkheid in hem. Maar hierbij
+blijft het niet. Want elkeen, in wiens ziel het eene deel het andere
+verlaagt, die wordt <i>zelf</i> een <i>verlager</i>. Zijn
+<i>leven-in-de-menschelijke-samenleving wordt een beeld van het
+leven-in-zijn-ziel.</i> Zooals een deel van zijn <span class="pagenum"><a name="p338" id="p338"></a>[p.338]</span> wezen de andere
+verdrukt en schaadt, zoo verdrukt en schaadt hij&mdash;een deel der
+menschelijke samenleving&mdash;de andere deelen. Z&oacute;&oacute; als het sexueele in
+<i>Heins</i> &agrave;l het andere in hem schaadt, z&oacute;&oacute; schaadt Heins <i>Geertje</i> en
+zooveel andere vrouwen. Gij ziet dus nu, dat ik niet uit
+zedeprekerigheid dit sexueele in <i>Heins</i> bij een kanker vergeleek, maar
+alleen, omdat ik, droog en nuchter redeneerend, tot de logische slotsom
+kwam, dat de sexualiteit in <i>die</i> verhouding, in een mensch, tot al het
+andere staande, bij een kanker, <i>die immers den organischen weefsels hun
+levenssappen onttrekt</i>, nu eenmaal te vergelijken &igrave;s.</p>
+
+<p>Maar waarom beweerde ik ook, dat het der kunst evenals der geneeskunde
+gegeven is, uit ziektestoffen voorbehoedende geneesmiddelen te bereiden?
+Wel, dit kondt gij reeds begrepen hebben uit hetgeen ik in mijn eerste
+<i>Geertje</i>-artikel zeide: "dat kunst uitspreekt wat geen andere mond kan
+uitspreken," maar toch, laat mij 't hier nog maar even verduidelijkend
+uiteenzetten: Als gij het ongeluk hadt met een man als <i>Heins</i> om te
+gaan, dan zoudt ge voornamelijk opmerken&mdash;omdat ge jong zijt&mdash;hoe hij
+"geniet." Maar veel vluchtiger zou het uw aandacht treffen, op hoe
+ontzettende wijze hij anderen ongelukkig maakt. Ten eerste omdat de
+eigen begeerten van uw jonge, krachtige lichaam, u onbewust ertoe zouden
+brengen, voor het laatste de oogen te sluiten en u-zelf op allerhande
+manieren te bepraten, dat 't "zoo erg niet is," ten tweede, omdat ge er
+prijs op zoudt stellen, den "succesvollen" <i>Heins</i> binnen uw
+gezichtskring te houden, maar zijn slachtoffers niet alleen door den
+aard van hun leed, dat zich wil verbergen, uit uw gezichtskring
+verdwijnen zouden, doch ook zoo spoedig mogelijk door u <i>eruit
+verwijderd</i> zouden worden, omdat gij zelfs minachting voor <i>hen</i> hebben
+zoudt!!</p>
+
+<p>D&aacute;&aacute;rom is een mensch als <i>Heins</i> in <i>het leven</i> de <i>smetstof</i>.</p>
+
+<p>Maar nu komt de kunst en puurt daar het geneesmiddel uit: ge <i>wordt
+gedwongen</i> Heins te zien in zijn weerzinwekkendheid, het helpt u niet
+dat ge de oogen sluit. Want ge ziet hem <i>nu</i> niet met de oogen, ge ziet
+hem met uw <i>ziel</i>. Het <i>leven</i> <span class="pagenum"><a name="p339" id="p339"></a>[p.339]</span> wordt door de meesten slechts
+door de <i>oogen</i> gezien, kunst <i>als zoodanig</i> nooit anders dan door de
+<i>ziel</i>. En deze heeft geen leden die ge sluiten kunt, met handen kunt ge
+haar niet bedekken, en luiken noch duisternis sluiten iets voor haar af.</p>
+
+<p>D&aacute;&aacute;rom is een man als Heins in <i>kunst</i> het voorbehoedend <i>geneesmiddel</i>,</p>
+
+<p>Want wat voor wezens zoudt gij moeten zijn, indien ge, ontroerd bij het
+lezen van dit boek, u-zelf niet eerlijk en vast de belofte deedt: zulk
+een misdaad zal ik nooit plegen, opdat, als ik zelf een huis zal hebben
+gesticht en kinderen zal hebben op te voeden en te waarschuwen voor het
+doen van z&ugrave;lke daden, mijn toon niet onvast als die van een leugenaar
+zal zijn, bij het herinneren: maar ik deed het zelf.... Dit mijn flinke,
+gezonde jongens en meisjes uit het werkend volk zult gij ongetwijfeld
+bedenken bij het lezen van dit werk. Gij in de allereerste plaats, wier
+klasse opgaat uit het verleden als een ververschende waterstraal uit den
+grond, gij zijt gekomen om te laven &agrave;l de bloemengeslachten van het
+heerlijk-menschlijke, die dorgebrand en vertreden zijn. <i>Zie goed toe
+wat ge doet</i>: gij zijt geboren om <i>iets schooners dan het verleden</i> te
+helpen stichten. En wat het verleden nu is en eens zal zijn, daartoe
+behooren: de middeleeuwsche Heer met zijn recht-van-den-eersten-nacht;
+de fabrieksheeren, die de meisjes in hun werkplaatsen dwingen tot hun
+wil; de bourgeoisie-heertjes, die v&oacute;&oacute;r ze rijke huwelijken doen en
+"geachte burgers" worden, de kinderen der arme volkslagen tot publieke
+vrouwen maken. Hoon u-zelf niet, door niet beter te zijn dan zij en als
+zij te meenen dat armen de lustprooi der rijkeren zijn. Hun ondeugd is
+verachtelijk, omdat zij <i>ondeugd</i> is, de uwe zou het niet alleen zijn
+omdat zij ondeugd, maar ook <i>belachelijk-van-dwaasheid</i> ware. Gescheiden
+door verren maatschappelijken afstand en vaak enorme weelde, als <i>zij</i>
+waren van hun ondergeschikten, lijkt het te verklaren, hoe er iets als
+een nevelige voorstelling in hun gedemoraliseerde hoofden was, dat zij
+een hooger soort menschen dan die ondergeschikten waren en in hun recht,
+zoo ze die offerden aan hun lust; maar zoo gij proletari&euml;rs-zelf <span class="pagenum"><a name="p340" id="p340"></a>[p.340]</span>
+zoudt meenen, dat uw dienstmeisje een geringer soort mensch dan uw
+zuster is&mdash;wat bleef er ons dan over dan het hoofd in onze handen te
+bergen om uw clownige bespottelijkheid, verdwazing en slechtheid niet te
+zien. Neen, dan zoudt ge niet <i>iets schooners dan het verleden</i> kunnen
+stichten, om de eenvoudige reden, dat <i>gij-zelf helaas nog iets
+leelijkers dan het verleden zoudt zijn</i>. Als eens de ontwikkeling van
+het economische leven een betere maatschappij zal hebben doen groeien,
+dan zal tevens een hoogere moraal verrijzen, wier id&eacute;e zal zichtbaar
+worden voor de oogen der besten, die dan leven, en die, ten slotte,
+vertastbaard zal staan, als een open hof waar rechters zitten, midden
+den geweldigen ringbouw van geheel het maatschappelijk zijn, en met zijn
+torenspitsen rijzend dat te boven&mdash;want de ethische <i>leer</i> eener
+maatschappij rijst <i>altijd</i> hooger dan haar ethische <i>werkelijkheid</i>&mdash;;
+<i>als een open hof</i>, verstaat ge: waarheen iedereen zal <i>kunnen</i> gaan
+<i>die wil</i>, om geestesadeldom en goedheid te leeren. Of zij <i>willen</i>
+z&ugrave;llen, dat hangt &oacute;&oacute;k van <i>u</i> af, lieve vrienden. Van de economische
+omstandigheden, van den <i>maatschappelijken ringbouw</i>, hangt slechts af
+of zij zullen <i>kunnen</i>: of die ringbouw hun den weg naar den hof niet
+<i>verspert</i>. Troost u niet met de gedachte: er zal dan minder verlokking
+tot slechtheid zijn. Zeker, <i>deze gedachte is waar</i>, maar er zal
+<i>genoeg</i> verlokking overblijven, er zullen mogelijkheden ten goede en
+ten kwade ontstaan, waarvan wij nu geen begrip hebben, en het <i>zal van
+de harten en de zielen zelf afhangen, dan als in alle tijden, in hoe
+verre de ethische leer werkelijkheid zal zijn. Alles</i> moet <i>geleidelijk</i>
+zich ontwikkelen, en gij moet nu met vasten wil, met jonge kracht, die
+ontwikkeling aanvangen en volhouden. <i>Neemt u in acht!</i> Er was nooit
+heerlijker gelegenheid voor de menschheid, iets opperst-schoons te
+bereiken&mdash;nooit zullen de smaad en de rampen grooter zijn, als die
+gelegenheid wordt verzuimd. Uw klasse is het zaad, dat nog midden slijk
+en wormen in den grond verborgen ligt, waarop de voeten stampen en de
+monden spuwen. Neemt u in acht, opdat het niet verrot in den bodem, en
+of nimmer ontspruit, &ograve;f opkomt <span class="pagenum"><a name="p341" id="p341"></a>[p.341]</span> met dorrende knoppen en
+verwelkend blad, daar de hemel en de zon en al de schepselen met
+verheerlijkte gelaten, naar de ontluiking van een nieuw levenswonder van
+schoonheid en van kracht uitzagen.... Opdat het dan niet in de wereld
+worde als in een huis waar een kind wordt verwacht, en de lucht
+trillende hangt van naderende vreugde, en de oogen der wachtenden zacht
+en gedempt glanzen van een blijdschap, die zich nog niet geven kan, maar
+straks, o, straks, uitstr&aacute;len zal en ... het kind wordt dood of misvormd
+geboren en vervult de harten en het huis met rouw en schrijnend leed, om
+de voor langen, langen tijd teleurgestelde verwachting....</p>
+
+<p>Alles <i>groeit geleidelijk</i>. En, lieve vrienden, wat ik nu ga zeggen, dat
+doe ik alweer niet uit zedeprekerigheid, maar omdat ik u beloofde in
+mijn allereerst artikel, dat wij "dat leven samen zouden zien."<a name="FNanchor_10_164" id="FNanchor_10_164"></a><a href="#Footnote_10_164" class="fnanchor">[10]</a>
+Begrijpt het goed; het is niet voldoende, weerzin tegen een man als
+Heins te voelen, om niet zooals hij te worden. Zelfbedwang,
+menschenliefde, eerbied voor lot en levensgeluk van een medemensch, die
+alle komen niet, om zoo te zeggen, kant en klaar uit den hemel gevallen.
+Wie niet langzamerhand bij vele <i>kleine</i> gelegen-heidjes gestreefd heeft
+naar het bezit dier deugden, maar integendeel bij die <i>kleine</i>
+gelegenheden het zelfbedwang, de menschenliefde en den eerbied voor het
+levensgeluk van anderen onder den voet geloopen heeft, hij moet niet
+denken, dat als de <i>groote</i> gelegenheid komt, hij de verlokking daarvan
+zal kunnen weerstaan. Niemand kan zeggen: nu, dit is zoo erg niet, d&agrave;t
+doe ik, maar d&aacute;&aacute;r is ook de grens, di&egrave; overschrijdt* ik ni&egrave;t; hij moet
+zorgen, zoover van daan te blijven van die grens, dat het <i>niet bij hem
+kan opkomen</i>, haar te overschrijden. En iets dergelijks bedoelde
+ongetwijfeld ook Wells, met zijne indertijd bij mijne behandeling van
+<i>Het Voedsel der Goden</i> geciteerde woorden: "<i>zooals gezonde gewoonten
+van geest en leven de troon zijn</i>." Zonder zulke gewoonten geen vaste en
+eervolle zetel in het leven, waarop men, veilig zittend, schouwen en
+werken kan. Want zooals degeen, die zich altijd voorneemt <i>morgen</i> iets
+te doen, <i>nooit</i> iets doet, <span class="pagenum"><a name="p342" id="p342"></a>[p.342]</span> z&oacute;&oacute; laat degeen, die zich bij het
+plegen van <i>vele lichte vergrijpen</i> voorneemt, de <i>zwaardere</i> na te
+laten, ten slotte ook die zwaardere <i>niet</i> na. En ge herinnert u wel uit
+mijn behandeling destijds: Wells is een geniaal, een geestig en
+fantasievol schrijver, maar toch geen&mdash;"zedepreeker"?</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p><i>Heins</i> wil zich dus <i>Geertje</i> van den hals schuiven. De kentering in
+z'n manier van doen jegens haar wordt al wel voldoende door dit stukje
+aangegeven:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar de bakker
+moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got, stond-ie
+nou al op!...</p>
+
+<p>&mdash;Wil je eerst nog niet een k&ograve;pje?... Toe ... blijf nog
+effetjes....</p>
+
+<p>En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij
+weer zou gaan zitten.</p>
+
+<p>&mdash;Wou je zoo graag dat ze-n-'t wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!</p>
+
+<p>Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.</p>
+
+<p>Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de
+leuning; zoo bl&eacute;&eacute;f z' overeind, schoon de grond om haar zonk.</p>
+
+<p>Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur
+stond open&mdash;zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.</p>
+
+<p>God, wat was dit!... Had zij Hem verl&oacute;ren?! Eens had zij gedroomd,
+dat hij plots haar begaf, 't Kon toch niet in werklijkheid!?</p></div>
+
+<p>Toch zou hij daar niet zoo spoedig in geslaagd zijn, als niet het
+na&iuml;ef-trotsche in <i>Geertje</i> de onbewuste bondgenoot zijner laagheid ware
+geworden. Het ge&euml;xalteerd-zijn kan zoowel iemand volkomen blind maken
+voor de werkelijkheid, als zijn inzicht daarin tot een buitengewone
+hoogte en wijdte opvoeren. Bij <i>Geertje</i> hebben telkens beide plaats. In
+'t onderhavige geval gebeurt het eerste: haar ge&euml;xalteerde toestand
+maakt haar niet alleen blind voor het feit, dat haar liefdevoelen wel
+edel in het complex van haar zielsvermogens is, maar uiterlijk als iets
+onedels verschijnt, doch ook voor de voor haar nadeelige gevolgen, die
+een bruusk openbaarmaken van haar liefdeleven hebben zal. En zoo werpt
+ze 't de "Juffrouw" in 't gezicht, dat <i>Jan</i> haar, <i>Geertje</i>, lief
+heeft, dat ze <span class="pagenum"><a name="p343" id="p343"></a>[p.343]</span> "zijn vrouw" is, en wordt zij het huis uitgezet.
+De lezer moet er zich wel voor hoeden, in dit optreden van <i>Geertje</i> de
+onbeschaamdheid van het gemeene te zien. <i>Verre van daar:</i> het is de
+trots der onschuld, die zich, <i>intu&iuml;tief</i>, rein voelt. <i>Verstandelijk</i>,
+als zij te rade gaat met wat haar van jongs af geleerd is, twijfelt
+<i>Geertje</i> zelf vaak aan haar onschuld, ja, gelooft zij aan haar schuld,
+maar in haar hoogste oogenblikken, voelt haar <i>ziel</i>, dwars door de
+telkens weer aanklagende tegenwerpingen van haar verstand, dat zij het
+geluk en het heil der schuldeloosheid niet heeft verbeurd. Dit beweer ik
+niet slechts, ik zal het u bewijzen:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zij een zoon, een zoon van Jan....</p>
+
+<p>Zij was uitgekleed, en als iederen avond, knielde zij neer voor
+haar bed.</p>
+
+<p><i>En opeens doorstroomde haar moed, moed om het aan God te vragen,
+haar liefde, schoon zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zoo
+innig liefhad; haar</i> te vergeven, <i>zoo ze kwaad deed;</i> en het haar
+kind niet aan te rekenen&mdash;om Jezus' wil.</p></div>
+
+<p>Wat zegt ge wel hiervan?! Wat mij betreft: ik herinnerde mij plotseling
+Vondel's <i>Jozef in Dothan</i>: als de broeders Jozef in den put gesloten
+hebben, zingen de engelen voor hem en hen onhoorbaar:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2.5em;">Het lust ons om dees duisternissen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Des puts, al 't hemelsch licht te missen:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Want zulke duisternissen zijn</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ons schoener dan de zonneschijn.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Wij willen hier een hemel stichten,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Verzien met aengenamer lichten</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dan aen het blaeuw gewelfsel staen....</span><br />
+</p>
+
+<p>Want, ook hier heb ik weer in de donkere diepte van <i>Geertjes</i> leven de
+engelen hooren zingen, en uw gehoor, vrienden, zou al zeer vergroofd
+moeten zijn, zoo ge hun stem en ruischenden vleugelslag niet hoordet
+althans in dit: (Het is in Oom's huis. Nacht. <i>Geertje</i> ligt te bed).</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Zij voelde de tinteling van een verlangen om met haar hand te
+strijken over haar buik, om te tasten of zij iets leven gewaar
+werd, om h&egrave;m maar heel zacht te streelen. Maar zij bleef
+bewegingloos, <span class="pagenum"><a name="p344" id="p344"></a>[p.344]</span> wijd de oogleden open, wetende <i>dat haar
+oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van den nacht.</i><a name="FNanchor_11_165" id="FNanchor_11_165"></a><a href="#Footnote_11_165" class="fnanchor">[11]</a></p>
+
+<p>Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en
+met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar
+kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls
+wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken
+door het kraken van 't ledikant of dat zij den volgenden morgen
+niet tijdig zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat
+lekker vrij liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je
+merkte niet, hoe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met
+open oog in 't zwart zat te staren.... <i>En nu lag zij hier sa&acirc;m met
+haar kind! In haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde
+daar met haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn</i>&mdash;<i>altijd met
+het liefste dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij
+was immers kindjes' wieg. Daar had ze nooit nog aan gedacht</i>. Ze
+had er maar op los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en
+gewreven, zonder &eacute;&eacute;n enkele maal te bedenken, dat die beweging hem
+misschien pijn dee. Nu, voortaan zou ze anders leven! Tante moest
+het werk maar doen....</p></div>
+
+<p>En ziet ge wel, hoe nu de een, na de ander, de poorten van <i>Geertjes</i>
+innerlijk worden ontsloten en hoe hier overal natuurlijk-schoons en
+-kostbaars ontluikt. Is het wonder, dat <i>zij</i> in <i>dien</i> geestlijken
+toestand levend nog altijd in haar afgod een god blijft zien. Bij haar
+ellendige oom en tante in huis zwerft zij telkens de straat op, om Jan
+te zoeken, eindelijk treft zij hem. En het volgend gesprek ontspint
+zich:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.</p>
+
+<p>&mdash;Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde
+schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.</p>
+
+<p>Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had,
+zich verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de
+linker vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en
+toch, telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze
+nieuwe dingen te zeggen&mdash;<i>want hij zweeg, keek haar aan en zweeg,
+keek met oogen die ook niets zeiden</i>.</p>
+
+<p>&mdash;Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.</p>
+
+<p>&mdash;Ik?... Hoedat?... vroeg hij traag, bijna stuursch.</p></div>
+
+<p>In de door mij gecursiveerde woorden komt uit dat Heins <i>afwacht</i>, w&agrave;t
+<i>Geertje</i> hem do&eacute;n, z&egrave;ggen kan. Ook weet hij, <span class="pagenum"><a name="p345" id="p345"></a>[p.345]</span> dat hij haar
+hiermee uitput en ten derde wil hij haar, als in 'n vergetelheid van
+heel het verleden, laten voelen, dat het is <i>afgedaan</i>, dat hij
+feitelijk niets meer met haar te maken heeft.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.</p>
+
+<p>&mdash;Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je
+martel me zoo! Spr&eacute;&eacute;k nou te minste. Zeg hoe of wat...!</p>
+
+<p>&mdash;Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn
+tegegekomme....</p>
+
+<p>Zij wist al. Toch zei ze:</p>
+
+<p>&mdash;Je zou me schrijven.</p>
+
+<p>&mdash;<i>Ik jou schrijve?</i>... aarzelde hij. Toen opeens rad:&mdash;<i>Ja! A'k
+gekund had. Maar na wat je Oom me gebakke heit</i>.</p></div>
+
+<p>Bij de eerste door mij gecursiveerde woorden, weet Heins er nog geen
+verontschuldiging voor te vinden, dat hij zijn belofte haar te
+schrijven, niet gehouden heeft. Dus zal hij maar net doen, of hij zich
+van die belofte niets meer herinnert. Maar daarna valt hem een
+uitstekend voorwendsel in, waarvan hij gauw gebruik gaat maken. De
+dialoog is hier <i>prachtig</i>!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;O&oacute;m?... W&agrave;t he't die?</p>
+
+<p>Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.</p>
+
+<p><i>Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van:
+maak me niets wijs</i>.</p></div>
+
+<p>Hij voelt dat hij nu gewonnen spel heeft, dat hij met dat voorwendsel
+een prachtige vondst heeft gedaan!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;H&eacute;'t ie jou daar niks van verteld?</p>
+
+<p>&mdash;'k Zw&eacute;&eacute;r je ... angstigde ze hem tegemoet.</p>
+
+<p>Doch ze bedacht: och meent ie d&agrave;t? denkend aan de ruzie, die oom
+gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. <i>En deze gedachte
+verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:</i></p>
+
+<p>&mdash;Zie je! Je weet t'er w&eacute;l van....</p>
+
+<p>&mdash;Meen je, toen Oom me koffer gehaald he't?</p>
+
+<p>&mdash;Je koffer? Wat? Och meid, je kl&egrave;st.</p>
+
+<p>&mdash;Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.</p>
+
+<p>Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.</p>
+
+<p>&mdash;Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte
+komme?</p>
+
+<p>&mdash;Jij bij de kommesaris! Waarvoor?</p>
+
+<p>Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was <span class="pagenum"><a name="p346" id="p346"></a>[p.346]</span>
+haar blik vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had
+en die haar gezegde van "de'n eenigsten weg."</p>
+
+<p>&mdash;<i>Jok d'r toch niet om!</i> zei Jan fier.</p></div>
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Hoe voortreffelijk is dit alles: in de eerste door mij gecursiveerde
+woorden komt uit, hoe een reine persoonlijkheid als die van Geertje,
+zich-zelf niet betrappen kan op een zelfs onbewust-geuite onwaarheid of
+zij wordt er verlegen om en verliest haar zekerheid; in de laatste door
+mij gecursiveerde woorden: hoe een doortrapt-sluwe misdadiger als Heins
+van dit aandoenlijke schuldbewustzijn gebruik maakt, om, zichzelf met
+het <i>mom</i> der schuldelooze deugd bekleedend, de schuld-gevoelende, reine
+persoonlijkheid dieper in verwarring te brengen, te vernederen en te
+intimideeren.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;'k J&ograve;k niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer
+gehaald he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....</p>
+
+<p>&mdash;Nou dan!</p>
+
+<p>&mdash;Ja maar da's ook al!</p>
+
+<p>&mdash;Maar je wist 'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging
+volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar me
+bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou
+verschijne; de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak
+heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was!" In me schrik
+he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)&mdash;<i>Ja, da' was
+stom. Ik weet et wel</i>. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En
+dan ... 'k d&agrave;cht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me
+vrouws moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat
+dacht ik eig'luk ... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in
+je dienst, sta je daaraan bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben
+gegaan.... Jawel, of ik Geertje Hendriks kende.</p>
+
+<p>&mdash;<i>Wist ie me naam</i>?</p>
+
+<p>&mdash;De vent wist alles!... <i>Ja, dat dank je nou aan j' Oom! Van je
+femielje mo' je 't hebbe</i>.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!... <span class="spat">'k
+Doch dadelek an de mogelekheid da'k je nog us zou kunne trouwe.
+M'ar de wet verbiedt 'en huwelijk tusse mensche die e ... overspel
+hebbe gepleegd. Bekende-n-ik, nou, 't was voor eeuwig nie'
+moog'lek. Offisjeele bekentenis!</span>... 'k Heb alles geloochend, wat
+j' Oom gezeid had....</p>
+
+<p>&mdash;En?....</p>
+
+<p>&mdash;<span class="pagenum"><a name="p347" id="p347"></a>[p.347]</span> En niks. Toe kon ik gaan.</p>
+
+<p>Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in
+Geertje's brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:</p>
+
+<p>&mdash;M'ar nou begrijp je wel, da'we voorl&oacute;&oacute;pig niks motte beginne.
+<i>Kan 'k je mit ie's helpe ... mit geld of zoo ...graag netuurlek.</i>
+<span class="spat">Da' weet je wel. Maar we motte uit mekaars buurt blijve. Juist
+voor later. Om niks te bederve</span>. Want je begrijp, ze loere nou op
+me.</p>
+
+<p>Geertje wist niet meer w&agrave;t ze had begrepen.</p></div>
+
+<p>De eerste door mij gecursiveerde woorden: van <i>Heins</i> z'n standpunt was
+dat juist een slimme zet. <i>Geertje</i> heeft voor hem afgedaan. En het
+beste wat hij nu doen kon, was bij z'n vrouw en schoonmoeder zoete
+broodjes te bakken, door ze "openhartig" alles te vertellen, enz. enz.
+Maar <i>Geertje</i> moet hij 't doen voorkomen, alsof hij aan <i>haar</i> zijde en
+<i>tegenover</i> zijn vrouw staat. Vandaar dat hij zegt 't 'n stommiteit van
+zich-zelf te vinden.&mdash;In de door mij gecursiveerde woorden van Geertje,
+ziet ge 't arme schepsel in haar volle na&iuml;veteit en schaamtevolle
+bedeesdheid: hoe vreeselijk, dat die commissaris haar naam weet!! En de
+ander grijpt nu onmiddellijk&mdash;in het daarop volgende kursieve&mdash;slim de
+gelegenheid aan, om op Geertjes oom de schuld van hun elkaar niet kunnen
+zien te schuiven en tusschen dien en haar te stoken. Maar pas daarna in
+de door mij gespati&euml;erd gedrukte zinnen verschijnt hij in z'n
+volle gewetenlooze sluwheid. De geh&eacute;&eacute;le door mij geciteerde dialoog is
+schitterend, maar hi&egrave;rin is hij <i>allerprachtigst</i> getypeerd. Van het
+daaropvolgende, door mij gecursiveerde, meent hij natuurlijk niets; ten
+eerste rekent hij er op, dat <i>Geertje</i> nu te verlegen is iets van hem te
+vragen en als ze 't later mocht doen per brief, welnu, dan antwoordt hij
+niet! Even later trouwens, als ze hem vraagt of hij haar niet wil
+schrijven, zegt hij, dat hij dat niet kan doen: "Oom kent ommers m'n
+handschrift!!" In de <i>laatste</i> door mij gespati&euml;erd gedrukte
+woorden buit hij verder zijn vondst van het "gevaar" eener "offisjeele
+bekentenis" uit!</p>
+
+<p>Als <i>Geertje</i> nu, troosteloos, van hem heen gaat, komt wel <span class="pagenum"><a name="p348" id="p348"></a>[p.348]</span>
+twijfel in haar op, maar ze slaagt er toch altijd weer in, dien weg te
+redeneeren en als haar edele oom, na eerst <i>Heins</i> voor den "commesaris"
+te hebben gedaagd en 'n spiegelruit in z'n winkel te hebben
+stukgeslagen, ten slotte bij hem in dienst treedt en zelfs&mdash;hij de oom
+van de gedupeerde!&mdash;er op staat dat Geertje Heins "met rust zal late,"
+dan denkt <i>Geertje</i>, over die laagheid van oom maar heenglijdend, dat
+<i>Heins hem werk geeft, om zoodoende voor haar en hun nog ongeboren kind,
+"zijn Ismael" te zorgen!</i>... Een ziel als die van <i>Geertje</i> doet, om zoo
+te zeggen, alles in 't groot, haar is het vermogen en de geaardheid der
+innige geloovigen: alles wat God doet is ten goede, en z&oacute;&oacute;: alles wat de
+man doet, in wien zij gelooft, dien zij liefheeft, is: om goed te doen,
+is ten goede.&mdash;Nadat <i>Geertje</i> doodziek is geweest en helle-angsten
+heeft uitgestaan, omdat ze meende, dat de vrucht in haar lichaam is
+gestorven en God dit als vreeselijkste straf, die een aanstaande moeder
+kan treffen, over haar had beschikt, gebeurt er iets, dat haar
+onvermijdelijk Oom's huis uitdrijft. Zooals ik in mijn eerste artikel
+zei: indien wij <i>Geertje</i> in het leven ontmoet hadden, wij zouden niet
+alleen het flauwste begrip van haar adeldom missen, maar haar zelfs voor
+een heel gewone "gemeene meid" houden. Maar zeer zeker is het te
+verklaren, dat de platzinnelijke <i>Gerrit Holkers</i> haar daarvoor houdt.
+Hij wil haar geweld aandoen en nadat Tante haar broer hoonend en
+treiterend tegen <i>Geertje</i> heeft verdedigd, loopt deze 't huis uit en
+vlucht naar <i>Maandag</i>.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Niet onverdeeld is door de critiek deze <i>Maandag</i> als mensch-schepping
+gunstig beoordeeld. Laat mij daarom onmiddellijk zeggen: <i>ik ben het met
+de afkeurende meeningen niet eens</i>: Deze figuur is die van een
+<i>uitzonderingsmensch</i>. Zij is dus: romantisch, maar zij is
+<i>goed</i>-romantisch, omdat zij op een enkel vlekje na&mdash;waarover ik later
+spreken zal&mdash;naturalistisch-zuiver gebeeld is. <i>Maandag</i> is een
+uitzonderingsfiguur, omdat hij daden doet van z&oacute;&oacute; edele natuur, dat
+<span class="pagenum"><a name="p349" id="p349"></a>[p.349]</span> een gewoon mensch ze zekerlijk niet zou doen, en hij is
+naturalistisch zuiver geheeld, omdat niet alleen het geheel zijner
+psyche van dien aard is, dat dergelijke daden er noodzakelijkerwijze uit
+moeten voortvloeien, maar ook zijn levensomstandigheden daartoe het
+hunne bijdragen. <i>Maandag</i> is een kind uit een erfelijk belast gezin:
+'n paar van z'n broers zijn jong gestorven; hij is 'n bultenaar; zijn
+zuster, met wie hij samenwoont, een publieke vrouw, die telkens met 'n
+ander er van door gaat en hem dan de verpleging harer twee jonge
+bloedjes van kinderen overlaat. Zulke omstandigheden <i>kunnen</i> iemand in
+alle opzichten tijdelijk ten gronde richten. Woede tegen het door hem
+onbegrepen Noodlot kan hem tot een ontkenner van alle bestaan in rein
+geluk, van het nut en de schoonheid der deugd, van alle menschelijke
+onbaatzuchtigheid en goedheid maken. Dat <i>kan</i>, zeer zeker, maar slechts
+in het geval, dat zulk een persoonlijkheid nog niet die ontwikkeling
+heeft bereikt, welke voor goed een zedelijk en geestelijk te gronde
+richten door levensomstandigheden buitensluit. Heeft hij die wel
+bereikt, dan werken juist ook zulke omstandigheden veredelend op hem. En
+dit zal ook wel de zin zijn van het woord: "Hij die heeft, dien zal
+gegeven worden, maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden zelfs
+hetgeen hij heeft." Men herinnere zich slechts wat ik in mijn vorig
+artikel bij de ontleding van Jan Niekerk's persoonlijkheid heb gezegd:
+dat alles hem hindert en niets hem tot nut is, en merke dan op, dat dit
+in tegengestelden zin voor <i>Maandag</i> waar is. <i>Doordat</i> Maandag zoo
+<i>ongelukkig</i> is, krijgt hij des te spoediger en dieper medelijden met
+andere ongelukkigen, maar <i>geen</i> haat tegen het "Noodlot" of het
+"leven." Hij weet nu eenmaal, dat het feestelijk luchterlicht der
+gelukkigen niet voor hem is, maar welaan, als de toch ook guldene schijn
+van de knetterende olielamp der nederigen zijn bleeke hoofd en zachte
+oogen komt bestreelen, zou hij dan niet dankbaar opzien en zijn oogen
+laten drinken van dien glans? Er zijn veel menschen, die groote plichten
+misvormen tot kleine, om ze des te gemakkelijker te
+kunnen&mdash;verwaarloozen. Hij <span class="pagenum"><a name="p350" id="p350"></a>[p.350]</span> is een van de weinigen, die kleine
+plichten tot groote maakt, om maar van zijner liefde overvloed te kunnen
+geven! Zoo gij u over de edele daden van zulk een man verwondert,
+verwonder u ook erover, dat een zwangere baart, dat koren in halmen
+opschiet en kunstenaars kunstwerken scheppen. Maar beter is het, dat gij
+dit alles niet doet en uw leven besteedt aan het opvoeden van u-zelf.
+Misschien komt er dan een tijd, dat gij u over zulk een man niet meer
+verbaast, omdat gij hem terugvindt in&mdash;u-zelf!</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<h2>JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"</h2>
+<p><span class="pagenum"><a name="p351" id="p351"></a>[p.351]</span></p>
+
+<h3>V.</h3>
+
+
+<p>Terwijl ik mij nu gereed maak, dit laatste <i>Geertje</i>-artikel te
+schrijven, weet ik mij weer vol van weifelend dralen. Want er zijn
+boeken, die ons zijn als een huis vol van herinneringen, vol van ons
+zelf. En zoo voel ook ik mij nu als iemand, die een hem lang vertrouwd
+en lief geworden huis verlaten gaat. Dat, wat het zijne is, maar toch
+ook&mdash;en hoe diep voelt hij dit!&mdash;van het huis, waarin het z&oacute;&oacute; lang zijn
+mijmerend leven leefde, waarmee het &eacute;&eacute;n was geworden, is nu bijeen
+gehaald uit alle kamers en hoeken, en tot den uittocht bereid. Hij-zelf
+staat vol weemoed stil: z&oacute;&oacute; als het licht door die ramen viel en tot
+iets eigens in zijn tintenschakeeringen en schaduwverdonkeringen, van
+het oude huis &egrave;n van hem werd, zal hij 't nooit meer zien; het leven,
+wat hij hier heeft doorleefd, is voor goed voorbij.... Schimmen van
+menschen en verre herluidingen als echo's van lang verklonken geween en
+gelach verbergen zich nu in dit huis voor eeuwig en voor goed in
+vergetelheid, v&oacute;&oacute;r de vr&eacute;&eacute;mde komt.... Ze herklonken en leefden nog in
+een heel teer leven en onwezenlijk schemerbestaan, zoolang hij hier was,
+om ze te zien en te hooren. Zij herleefden op zijn zwijgend en
+nauw-bewust-willend gebod.... De vreemde, die na hem komt, zal hen niet
+hooren en zien.... Het mooie huis, het zal ook om dien staan, en diens
+leven zal erin lachen en weenen.... Van het verstorven gelach en geween
+zal hij niets voelen.... En de heengaande <span class="pagenum"><a name="p352" id="p352"></a>[p.352]</span> man voelt zich
+onrustig en gejaagd: zou hij niets van het zijne hebben vergeten? Maar
+plots glimlacht hij weemoedig en knikt, in begrijpen, tot zich-zelf:
+ach, niet de <i>twijfel</i>, of hij iets van het zijne heeft <i>vergeten</i>,
+maakt hem zoo onrustig, maar de <i>zekerheid</i>, dat hij <i>moet</i> achterlaten,
+wat hij <i>nooit vergeten</i> zal, die maakt hem onrustig!... Want er zijn
+dingen, die men niet meenemen k&agrave;n....</p>
+
+<p>"Maar welaan, laat mij sterk zijn," denkt de heengaande man, "is het
+niet schoon, dat menschenw&egrave;rk langer duurt dan menschenl&eacute;ven, en een
+ander ervan zal genieten...."</p>
+
+<p>En welaan, mijn werk mo&egrave;t nu toch spoedig gedaan zijn, denk ik ... is
+het niet schoon, dat zoovele anderen nog zullen leven en voelen m&egrave;t, &igrave;n
+dit boek, ieder op eigen wijs; dat het w&eacute;&eacute;r-klinken zal hun gelach en
+hun weenen, dat zij het bezit van hun ziel en de have van hun geest er
+in zullen bergen, ja vermeerderen en wijzigen, al naar de schoonheid van
+dit monumentale bouwwerk, van hun gevoel voor harmonie, van hun smaak en
+fijn gevoel zal vorderen?... Al weet ook ik, dat wat ik nu achterlaat
+van mij, gedoemd is, in vergetelheid te gaan.... Wat van mij saamgeweven
+is met de stemming van het boek, wat er niet van los te maken is, en in
+woorden geborgen, naar buiten te brengen; wat ik <i>te</i>
+subtiel-individueel heb doorvoeld; wat ik <i>niet</i> heb <i>kunnen</i> zeggen en
+wat ik niet <i>goed</i> heb kunnen zeggen, dat alles blijft achter in
+vergetelheid.... Laat mij nu nog beproeven, het zoo weinig mogelijk te
+doen zijn.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Ik zal nu ik spreken ga van het leven van <i>Geertje</i> in Maandag's huis,
+natuurlijk veel &ograve;nbesproken moeten laten. Daartoe behoort o.a. de
+voortreffelijke uitbeelding van Buurvrouw Tabbe, die altijd, bij
+afwezigheid van zijn zuster, <i>Maandag's</i> huishouden bereddert. Die
+uitstekende instantan&eacute;e'tjes van het kinderlijk-goedhartige, van het
+na&iuml;ef stuursche en heel dat klein-burgerlijk gedoente, mogen voor jelui
+bewaard blijven tot de lezing van het boek-zelf. Ik zal mij hier bepalen
+<span class="pagenum"><a name="p353" id="p353"></a>[p.353]</span> tot het essenti&euml;elst-karakteristieke der hoofdfiguren. <i>Geertje</i>
+heeft haar grootvader geschreven en nu, tengevolge van dien brief, komt
+hij bij haar, in <i>Maandag's</i> huis:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;Groo'va!...</p>
+
+<p>Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar
+buurvrouw den vorigen dag met een&mdash;"Nou, ejuus dan," hoonend op
+haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje
+zag de lange, smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder
+zijn doorborenden strafblik sloeg zij de oogen neer, de lach kroop
+weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon,
+tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten
+had aangedaan, die er nog hing van Maandag's zuster. Schielijk de
+linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij
+met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en
+<i>de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de
+zwangere buik, als om weg te strijken.</i></p></div>
+
+<p>Dit laatste door mij gecursiveerde is een <i>zeer fijne opmerking</i>
+van den schrijver. Wij moeten namelijk begrijpen, dat
+dit den grootvader zelf niet alleen een beweging van schaamte
+toeschijnt, maar <i>Geertje-zelf</i> hier voelt, dat die handbeweging
+haar grootvader en oom zal doen denken, dat zij zich schaamt
+voor haar zwangerschap; en dit kwetst haar fierheid. Zij
+immers, zooals we weten, schaamt zich daarvoor niet, omdat
+ze zich, in het diepst van haar wezen, schuldeloos voelt.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;Ben je alleen? bitste de vermaanstem.</p>
+
+<p>&mdash;Ja Groo'va.</p>
+
+<p>&mdash;<i>Het tocht hier</i>.</p></div>
+
+<p>Dit kurk-droge en als versteend-ordelijke aan-kleinigheden-denken, op
+dit oogenblik, karakteriseert weer den grootvader uitstekend!</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging
+zij sluiten.</p>
+
+<p>&mdash;Gaat u niet zitten? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid.
+In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich t&ograve;ch
+onthutst-doen.</p>
+
+<p>&mdash;<i>Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?</i></p></div>
+
+<p>Hier komt weer het hoogst ergerlijke in zulk een dogmatisch-verstrakte,
+door eigen bravigheids-bewustzijn hoogmoedige en gevoellooze voor den
+dag: <i>Hij</i> mag z&oacute;&oacute; weinig ontroerd <span class="pagenum"><a name="p354" id="p354"></a>[p.354]</span> zijn door den aanblik van z'n
+mishandelde en vertrapte kleindochter; <i>hij</i> mag zoo weinig fijn gevoel
+bezitten, zoo weinig onbewusten eerbied hebben voor het leed en voor dat
+hooge oogenblik van elkander weerzien, dat zijn eerste woord een
+bevelhebberige verklaring kan zijn, dat "het tocht!"&mdash;<i>Zij</i> daarentegen
+moet z&oacute;&oacute; eerbied-geslagen door zijn tegenwoordigheid zijn, dat ze zelfs
+het benul niet behoort te hebben hem een stoel aan te bieden!! Hoogmoed
+en Trots, wel te onderscheiden van Ziele-hoogheid en Gevoel-van-
+eigenwaarde, worden altijd door Dwaasheid begeleid, opdat naar den wil der
+zachtmoedige en onophoudelijk-onderwijzende Natuur, deze beide plechtig-
+voortstappende, geharnaste ridders, meenend een helm te torsen, een
+zotskap dragen, gelijk Sancho Panza zijn scheerbekken, en aldus een
+schouwspel van weerzinwekkende en waarschuwende belachelijkheid zullen
+zijn....</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die
+hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met
+zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom.</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem,
+koel, strak.</p>
+
+<p>&mdash; Heb je Groo'va vergeving gevraagd?</p>
+
+<p>Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!...</p>
+
+<p>Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:</p>
+
+<p>&mdash;Heb &ugrave; al om vergeving gevraagd?</p>
+
+<p>&mdash;Ik? Ik heb me niet laten onteere!</p>
+
+<p>&mdash;Nee, &ugrave; heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd!
+Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou
+gebruike....</p>
+
+<p>Groo'va, die zich juist omgewend en de hand op een stoelleuning
+gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:</p>
+
+<p>&mdash;Stilte!</p>
+
+<p>Juist als vroeger op school.</p>
+
+<p>&mdash;Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel
+vinden.</p>
+
+<p>Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va:</p>
+
+<p>&mdash;Ga daar zitten.</p>
+
+<p>Het w&aacute;s h&aacute;&aacute;r stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving
+Groo'va in Maandag z'en woning. Hij deed net als thuis tegen stoute
+jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De
+meester, de berispende meester&mdash;anders was hij niet voor haar.</p></div>
+
+<p><span class="pagenum"><a name="p355" id="p355"></a>[p.355]</span> Men zal de uitbeeldingskunst van dit geheele stuk moeilijk te
+zeer kunnen prijzen. Het schoolmeesterlijke gedoe van Groo'va, Oom's
+vlei&euml;rige kruiperigheid,het staat er alles voortreffelijkin. Maar vooral
+opmerkelijk is Geer's koel, strak, snibbig en hard worden. Het lijkt mij
+gewenscht hier even van de eigenlijke oorzaak daarvan te spreken: omdat
+zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid goddelijk, d.i. schoon en goed
+zijn, wordt een mensch bij hun aanblik ontroerd en heeft hen
+onmiddellijk lief. Beproevend hen na te volgen om zelf schoon en goed te
+zijn, wendt hij zich tot hen en hoort, met een gelukkig gevoel in het
+hart en heerlijke overgave, aan, wat zij hem te zeggen hebben. Maar
+omdat hardheid en barschheid en wrok leelijk en gering-menschelijk zijn,
+wordt een mensch bij hun aanblik onmiddellijk afkeerig van hen en zegt
+meer of minder bewust in zichzelf: wat kunnen dezen, die zelf
+klaarblijkelijk nog niets geleerd hebben, mij leeren? En <i>welk recht</i>
+hebben zij, mij te leeren? Dan keert hij zich van hen af en sluit in
+zich-zelf zich op. In den grond is het dus dezelfde oorzaak, die de
+menschen een eerlijk man, als hij over eerlijkheid spreekt, aandachtig
+doet aanhooren, maar hen een dief, als hij 't zelfde beproeft, doet
+hoonen en nog dieper verachten.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Onverschillig schokte ze neer op den stoel en bleef, den rug naar
+het raam, den linkerarm zwaar over den hoek van de tafel, den
+rechter slap op den schoot, voorover gebogen zitten staroogen met
+botte dofheid.</p>
+
+<p>Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar.
+Geduld had Groo'va niet kunnen leeren in al die jaren van jongens
+bebrommen.</p>
+
+<p>&mdash;Ik w&aacute;cht, op wat je te z&eacute;ggen hebt, Geertje!</p>
+
+<p>Driftig met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de
+lippen.&mdash;<i>Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va, net
+iemand, die de soep te zout vindt</i>.</p></div>
+
+<p>Dit door mij gecursiveerde zinnetje is uitstekend. In een loome
+onverschilligheid, voor alles wat die dorre, niet-gevoelende, niet
+begrijpende oude haar verder zeggen zal, is <i>Geertje</i> nu tot een
+toestand van koel-nuchter, minachtend-scherp observeeren gekomen. Een
+gewoon en algemeen verschijnsel: terwijl overgroote eerbied het
+waarnemingsververmogen <span class="pagenum"><a name="p356" id="p356"></a>[p.356]</span> van den eerbiedige ten opzichte van den
+ge&euml;erbiedigde verzwakt of krachteloos maakt&mdash;men ziet dit bijvoorbeeld
+aan hen, die z&oacute;&oacute; eerbiedig tegenover de tradities onzer maatschappij
+staan, dat zij zelfs haar ten hemel schreiende misdaden niet zien&mdash;wordt
+bij afwezigheid van eerbied het waarnemingsvermogen zeer actief. In het
+bijzijn van een als-meerdere-erkende, <i>verdoft</i> het waarnemingsvermogen
+vaak&mdash;en men ziet de weerspiegeling hiervan ook meestal onmiddellijk in
+het <i>doffer, gevoileerd</i>-worden van den blik!&mdash;in het bijzijn
+daarentegen van den als-mindere-geschatte, <i>verscherpt</i> het
+waarnemingsvermogen niet alleen, maar wordt de geheele geest als in een
+vrij-wording en ontslaking verlevendigd. (Vandaar dan spot, scherts,
+enz.). Het omgaan met geestelijk-voornameren heeft zeer zeker veel nut,
+omdat 't het streven naar het goede, wat men <i>niet</i> bezit, wakker maakt,
+maar het omgaan met geestelijk-geringeren en -gelijken heeft niet minder
+nut, omdat men in dien vrijeren omgang <i>zelf</i> zich ontwikkelt, en
+ontplooit wat men <i>w&egrave;l</i> bezit.</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;Zul je nu spreken!? Hoog was hij v&oacute;&oacute;r haar.</p>
+
+<p>Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik,
+als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb et u ommers al geschreven.</p>
+
+<p>&mdash;Geschreven!?... Je brief was &eacute;&eacute;n weefsel van leugens. Bedrogen
+heb je me, en al zoo lang! Mij en oom, zelfs Groo'moe nog! Als die
+dit had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en
+leugen. En dat een kind van z&oacute;&oacute;veel gebed. Ongelukkige! hebben wij
+dat aan je verdiend!? Het loon voor z&oacute;&oacute;veel zorg en liefde. <i>Ons
+kind onteerd op de schandelijkste wijs, in een zonde die God het
+zwaarste straft</i>. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar
+jij bent behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je
+ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, m&aacute;&aacute;r je was geen kind
+meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan
+je vergrepen, maar....</p>
+
+<p>&mdash;<i>Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten
+eeuwigen dage, zal ik fan 'em houe, di&egrave; m&agrave;n</i>!...</p></div>
+
+<p>Het zou van een ontzaglijk gebrek aan inzicht getuigen, het
+<i>subjectieve</i> recht van den grootvader te ontkennen, om te spreken als
+hij doet, van zijn standpunt, met zijn gebrek aan <span class="pagenum"><a name="p357" id="p357"></a>[p.357]</span>
+doorvoelingsvermogen, in zijn onwetendheid, maar van een minstens even
+groot gebrek aan inzicht zouden wij blijk geven, indien we &egrave;n dat
+standpunt, &egrave;n dat gemis van doorvoelingsvermogen &egrave;n die onwetendheid
+niet scherp zouden laken, <i>in iemand, die zoo hoogmoedig als rechter
+optreedt</i>. Ware hij niet geheel verkerkelijkt, verdogmatiseerd, de door
+mij gecursiveerde zin van Geertje, die uitbarsting van haar innigste en
+hoogste voelen zou hem tot inkeer gebracht en hem de oogen geopend
+hebben. Hij zou ingezien hebben, dat tegenover z&oacute;&oacute;veel zielssterkte en
+z&oacute;&oacute;veel zielsadeldom, wel het beste wat <i>hem</i> paste, ware: te zwijgen,
+liefdevol te helpen, en aan den Hoogsten Rechter, in Wien hij immers
+gelooft, het oordeel en vonnis over te laten. Hadde hij al zijn teksten
+op dat oogenblik vergeten en zich slechts deze uit <i>Job</i> herinnerd: "Leg
+uw hand op den mond, want God is in den hemel en gij op aarde, laten
+daarom uw woorden weinige zijn," het ware hem beter geweest! Zie ik hier
+<i>Geertje</i> en haar grootvader tegenover elkaar staan, hoe herinner ik mij
+het woord der Joodsche Wijzen&mdash;ja ik ben zeer hebreeuwsch van
+avond!&mdash;"Er zijn <i>nieuwe</i> kruiken, waarin <i>oude</i> wijn is, en <i>oude</i>
+kruiken, waarin zelfs geen <i>nieuwe</i> wijn is."&mdash;In die uiting van
+<i>Geertje</i>&mdash;ik kan er niet vaak genoeg uw aandacht op vestigen&mdash;vindt ge
+opnieuw de bevestiging van wat ik zei, <i>den sleutel tot het begrijpen
+van dit boek</i>: Geertje is <i>geen</i> "verleid dienstmeisje," m&aacute;&aacute;r: een
+heldin der liefde, een van die <i>zeldzame menschen, die de zeer groote
+liefde kunnen voelen, en die door alle wisselingen van lot en jaren, die
+liefde trouw blijven,</i> Wie die eigenschap bezit, <i>al bezit hij geen
+enkele andere van even hooge ontwikkeling</i>, behoort reeds <i>daardoor</i> tot
+de <i>psychisch-heel-grooten</i>.&mdash;Laten we het verder verloop van het
+onderhoud overslaan, hoe uitstekend, hoe vol van dramatische spanning
+dit ook moge zijn. Het mooiste laat ik onaangehaald, dat moet voor u
+bewaard blijven in het boek. Zoo verhaal ik u ook niet, waarom Geertje
+niet met haar grootvader meegaat, die immers gekomen is, om haar te
+halen, en waarom zij, zich in afgrijzen van hem afwendend, bij Maandag
+achterblijft. Slechts wil ik even het zinnetje aanhalen, waarin de
+<span class="pagenum"><a name="p358" id="p358"></a>[p.358]</span> schrijver vertelt, ho&eacute; de grootvader heengaat van Geertje, en
+Maandag, den bultenaar, die hem den uitgang verspert en hem smeekt
+Geertje niet z&oacute;&oacute; te verlaten, op zij duwt:</p>
+
+<div class="blockquot"><p><i>Des</i> langen ouden groote hand beroerde den schouder <i>des</i>
+bultenaars, en zij opende met vastheid de deur.</p></div>
+
+<p>De ongewone harkerige deftigheid en statigheid van deze constructie met
+zijn "dessen" valt op, nietwaar? Wilt gij weten waarom zij hier zoo
+uitmuntend is? Herinner u dan wat ik schreef bij mijne behandeling van
+<i>De Familie Kegge.</i><a name="FNanchor_12_166" id="FNanchor_12_166"></a><a href="#Footnote_12_166" class="fnanchor">[12]</a> Ik noemde daar het stukje, waarin Kegge's
+smartvoelen, zoo uitmuntend, omdat: "<i>de eigenschappen van Kegge's
+smartvoelen de afbeeldende woorden en zinsbouw (hebben) doordrongen,
+gedrenkt, en daarmee een zijn geworden."</i> Welnu, iets dergelijks is ook
+hier het geval: het harkerig-stijve, het onvermurwbaar-harde der manier
+van doen van den grootvader heeft ook hier de afbeeldende woorden
+doordrongen en verhard. Ge <i>voelt</i> en <i>hoort</i> en <i>ziet</i> daardoor alles
+onmiddellijk, terwijl, indien er een <i>andere</i> zin stond, die u nochtans
+<i>hetzelfde</i> zou <i>mededeelen</i>, ge er slechts een <i>verstandelijk begrip</i>
+van zoudt krijgen!&mdash;Maandag, bij wien zij dus achterblijft, dien naar
+het lichaam zoo wanstaltige en naar de ziel zoo rechtgeschapene&mdash;hoe
+aandoenlijk is zijn hulpvaardigheid, hoe aandoenlijk zijn verzwegen
+liefde voor haar. Een oogenblik, &eacute;&eacute;n oogenblik denkt hij, dat zij
+wellicht in de toekomst een troost en een licht in z'n arme leven zal
+kunnen zijn. Maar eens vraagt hij haar:</p>
+
+<div class="blockquot"><p>&mdash;Keu-je-n-um m'ar nie' fergaite?!</p>
+
+<p>&mdash;Vergete!?!</p>
+
+<p>Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nog dieper weg,
+maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het
+and're gevoel gaat.</p></div>
+
+<p>Dat wat dieper in hem wegzinkt, ge begrijpt het, is zijn liefde. Hij
+voelt, dat zij nooit iets voor hem kan zijn. Maar hij heeft dien trek
+van alle hoogere, edele naturen, dat al veroorzaakt <span class="pagenum"><a name="p359" id="p359"></a>[p.359]</span> hun het
+goede en schoone zelf teleurstelling, hun bewonderingsvermogen voor dat
+schoone en goede daardoor niet wordt geschaad. Vandaar, &igrave;n zijn leed,
+zijn geestdrift voor de prachtige liefde en persoonlijkheid van
+Geertje!&mdash;</p>
+
+<p>Bij het verhaal van Maandag's bezorgdheid over haar; zijn
+niet-kunnen-begrijpen, dat Geertje zoo opgeruimd is, en hem met zoo'n
+weldoende gezelligheid kan omringen; zijn angst dat zij dit alles maar
+voorwendt, om er een noodlottig plan achter te verbergen, geeft de
+auteur van die opgeruimdheid deze <i>prachtige</i> psychologische
+verklaring&mdash;te mooi, om er niet nadrukkelijk uw aandacht op te vestigen:
+(De woorden waar het op aankomt, cursiveer ik.)</p>
+
+<div class="blockquot"><p>Nu Geer er was, hoefde hij den sleutel niet bij buurvrouw te
+brengen, wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had z'n woning
+deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis.
+Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinderen ontbrak het
+niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week
+welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed
+als een rouw, die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder
+de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat
+hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan
+zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En
+op haar vraag:&mdash;"Wil u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:&mdash;"Ik
+kom."</p>
+
+<p>Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer
+aangegrepen door een vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar
+<i>dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven
+elders verliep</i>&mdash;en haar doen van den ganschen avond bleef hem een
+raadsel, zoet ... m&aacute;&aacute;r angstig....</p></div>
+
+<p>Ge begrijpt dat dit "elders" is: bij Heins, bij den man, dien zij voor
+altijd liefheeft!&mdash;En nu datgene, wat ik, in het vorig hoofdstuk, een
+fout noemde in de beelding der Maandag-figuur: het is onverklaarbaar,
+althans mij is het niet gegeven geweest er een aannemelijke verklaring
+voor te vinden, dat een man van zulk een noblesse, Geertje niet bij
+tijds voor Heins waarschuwt, waarvoor hij ampel gelegenheid had.
+Onbekendheid met de "moreele principes" van dat heer kan het niet
+geweest zijn, schuchterheid evenmin; z'n verhaal o.a. dien avond, ten
+huize van Heins, van die voorname mevrouw, <span class="pagenum"><a name="p360" id="p360"></a>[p.360]</span> die haar man heeft
+laten zitten en met een ander er van door is, bewijst het tegendeel. En
+dus blijft <i>mij</i> niet anders over dan het een fout te achten, een
+barstje in de gaafheid van het' overigens zuivere beeld.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Hiermede is voltooid mijn behandeling van dit boek dat, als van zelf
+ontstaan symbool van vertroosting, met de verheerlijking van het
+socialisme en zijn strijders eindigt&mdash;een waardig einde....</p>
+
+
+<div class="footnotes">
+<h4>NOTEN:</h4>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_155" id="Footnote_1_155"></a><a href="#FNanchor_1_155"><span class="label">[1]</span></a> Blz. <a href="#p224">224</a>.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_156" id="Footnote_2_156"></a><a href="#FNanchor_2_156"><span class="label">[2]</span></a>= een klein onvolgroeid wezen.&mdash;Herinner ik mij wel, dan
+noemt deze groote Fransche romancier in zijn <i>P&ecirc;cheurs d'Islande</i>, 'n
+jongen ambtenaar, die uit gebrek aan fijn doorvoelen, op ruwe wijze een
+oud vrouwtje 'n verschrikkelijke tijding mededeelt: "un petit &ecirc;tre
+incomplet."</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_157" id="Footnote_3_157"></a><a href="#FNanchor_3_157"><span class="label">[3]</span></a> Waardoor een kunstenaar die macht heeft: zie daarover mijn
+opstel: <i>Over literaire kunst en Is. Querido's Studi&euml;n</i>, of, in d&egrave;zen
+bundel: Het Hist.-Materialisrne in de Lit. Critiek.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_158" id="Footnote_4_158"></a><a href="#FNanchor_4_158"><span class="label">[4]</span></a> Alle cursiveering is van mij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_159" id="Footnote_5_159"></a><a href="#FNanchor_5_159"><span class="label">[5]</span></a> Cursiveering van dit woord: door den schrijver.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_160" id="Footnote_6_160"></a><a href="#FNanchor_6_160"><span class="label">[6]</span></a> Cursiveering van den auteur.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_161" id="Footnote_7_161"></a><a href="#FNanchor_7_161"><span class="label">[7]</span></a> Cursiveering van den auteur.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_162" id="Footnote_8_162"></a><a href="#FNanchor_8_162"><span class="label">[8]</span></a> Cursiveering van den schrijver.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_163" id="Footnote_9_163"></a><a href="#FNanchor_9_163"><span class="label">[9]</span></a> Dit laatste: het <i>schijnbare</i> verdringen door <i>veredeling</i>,
+ziet men bijv. in die groote figuren, welke zich niet meer kunnen
+hechten aan personen, omdat: hun <i>menschen</i>liefde <i>gegroeid</i> en
+<i>veredeld is</i> tot <i>menschheids</i>liefde.
+</p><p>
+De menschenliefde is dus in hen niet verdrongen en verlaagd, maar leeft
+integendeel gegroeid en veredeld in hen voort! Precies zooals het
+<i>kind</i>, dat wij vroeger waren, <i>gegroeid</i> en, laten wij hopen,
+<i>veredeld</i> is tot den <i>volwassen mensch</i>, die wij nu zijn.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_164" id="Footnote_10_164"></a><a href="#FNanchor_10_164"><span class="label">[10]</span></a> Dat artikel is in dezen bundel niet opgenomen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_165" id="Footnote_11_165"></a><a href="#FNanchor_11_165"><span class="label">[11]</span></a> Alle cursiveeringen zijn van mij, tenzij het tegendeel
+wordt gezegd.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_166" id="Footnote_12_166"></a><a href="#FNanchor_12_166"><span class="label">[12]</span></a> Niet in dezen bundel opgenomen.</p></div>
+</div>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+
+<p class="caption"><a name="INHOUD" id="INHOUD"></a>INHOUD</p>
+
+<p>
+I. CRITISCH.<br />
+<br />
+BRIEVEN OVER LITERATUUR.<br />
+<br />
+<span style="margin-left: 1em;">I. Frans Coenen, <i>Dickens en de Romantiek</i>&mdash;pag. <a href="#p7">7</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">G.K. Chesterton, <i>Charles Dickens</i>&mdash;pag. <a href="#p18">18</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">G.K. Chesterton, <i>Appreciations and criticisms of the Works of Charles Dickens</i>&mdash;pag. <a href="#p18">18</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dickens in de Hollandsche en Engelsche Maandschriften van Februari 1912&mdash;pag. <a href="#p22">22</a></span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 0.75em;">II. Adriaan van Oordt, <i>Nagelaten Werk</i>&mdash;pag. <a href="#p23">23</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">C. en M. Scharten-Antink, <i>De Vreemde Heerschers</i>&mdash;pag. <a href="#p29">29</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">L. Couperus, <i>Antiek Toerisme</i>&mdash;pag. <a href="#p37">37</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Couperus in <i>Groot-Nederland</i> van Maart 1912&mdash;pag. <a href="#p39">39</a></span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 0.5em;">III. Jeanne Reyneke van Stuwe, <i>Naar het levend Model</i>,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;"><i>De kinderen van Huize ter Aar</i>&mdash;pag. <a href="#p40">40</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Anna van Gogh-Kaulbach, <i>Voor twee Levens</i>&mdash;pag. <a href="#p49">49</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&AElig;.W. Timmerman, <i>Leo en Gerda</i>&mdash;pag. <a href="#p50">50</a></span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 0.5em;">IV. Dr. Nahum Slousch, <i>La Po&euml;sie lyrique H&eacute;bra&iuml;que contemporaine</i>&mdash;pag. <a href="#p54">54</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dr. Gustave Karpeles, <i>Heine-Reliquien</i>&mdash;pag. <a href="#p64">64</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Josef Cohen&mdash;pag. <a href="#p67">67</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Van Collem&mdash;pag. <a href="#p67">67</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">J.I. de Haan&mdash;pag. <a href="#p67">67</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">S. Bonn, <i>Een Bonte vlucht van verzen</i>&mdash;pag. <a href="#p67">67</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Is. Querido, <i>De Jordaan</i>&mdash;pag. <a href="#p69">69</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Else Jerusalem, <i>Het Roode Huis</i>, vertaald door Mevr.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">S.J. Barentz-Sch&ouml;nberg&mdash;pag. <a href="#p89">89</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">L. Simons, <i>Studies en Lezingen</i>&mdash;pag. <a href="#p90">90</a></span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Vertalingen, behoorend bij "Brieven over Literatuur"&mdash;pag. <a href="#p93">93</a></span><br />
+<br />
+<br />
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK<br />
+<br />
+<span style="margin-left: 1em;">I. Mevr. Henriette Roland Holst, Studies over Socialistische</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Aesthetica; H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">'80 in Holland&mdash;pag. <a href="#p99">99</a></span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 0.75em;">II. Mevr. Holst's Rousseau (Literair-critisch beschouwd)&mdash;pag. <a href="#p131">131</a></span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 0.5em;">III. Mevr. Holst's Rousseau. (Beschouwing der critische</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">en psychologisch-biographische opvattingen)&mdash;pag. <a href="#p146">146</a></span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 0.5em;">IV. Conclusies&mdash;pag. <a href="#p190">190</a></span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Vertalingen, behoorend bij "Het Historisch-Materialisme in de Lit. Critiek"&mdash;pag. <a href="#p195">195</a></span><br />
+<br />
+<br />
+II. DIDACTISCH.<br />
+<br />
+<span style="margin-left: 1em;">I. <i>Voorwoord</i>&mdash;pag. <a href="#p203">203</a></span><br />
+<span style="margin-left: 0.75em;">II. <i>Hoe Literaire kunst gelezen en genoten moet worden</i>&mdash;pag. <a href="#p206">206</a></span><br />
+<span style="margin-left: 0.5em;">III. Over Multatuli en zijn <i>Geschiedenis van Woutertje Pieterse</i>&mdash;pag. <a href="#p217">217</a></span><br />
+<span style="margin-left: 0.25em;">IV. <i>De Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart</i> van Wolff en Deken&mdash;pag. <a href="#p251">251</a></span><br />
+<span style="margin-left: 0.50em;">V. Johan de Meester's <i>Geertje</i>&mdash;pag. <a href="#p296">296</a></span><br />
+</p>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***
+
+***** This file should be named 17077-h.htm or 17077-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17077/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/17077.txt b/17077.txt
new file mode 100644
index 0000000..f7d60b6
--- /dev/null
+++ b/17077.txt
@@ -0,0 +1,13373 @@
+The Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Over literatuur
+ Critisch en didactisch
+
+Author: M.H. Van Campen
+
+Release Date: November 20, 2005 [EBook #17077]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+OVER LITERATUUR
+
+CRITISCH EN DIDACTISCH
+
+door
+
+M. H. VAN CAMPEN
+
+
+ * * * * *
+
+
+I CRITISCH
+
+
+ * * * * *
+
+
+BRIEVEN OVER LITERATUUR [p.7]
+
+
+I.
+
+ Sogar nun aber unter der kleinen Anzahl von Schriftstellern, die
+ wirklich, ernstlich und zum voraus denken, sind wieder nur aeusserst
+ wenige, welche ueber _die Dinge selbst_ denken: die uebrigen denken
+ bloss ueber _Buecher_, ueber das von Andern Gesagte. Sie beduerfen
+ naemlich, um zu denken, der naehern und staerkern Anregung durch
+ fremde, gegebene Gedanken.... Jene ersteren hingegen werden durch
+ _die Dinge selbst_ zum Denken angeregt.... Unter ihnen allein sind
+ Die zu finden, welche bleiben und unsterblich werden.
+
+ _Schopenhauer_.
+
+
+Gelijk alle menschen, die meenen behept te zijn met neiging tot
+zelfmoord (de heer Cornelis Veth had op te nadrukkelijke wijze haar
+aanwezigheid in mij aangetoond, dan dat ik hem niet zou geloofd hebben!)
+heb ik geruimen tijd met die allerluguberste idee, welke een mensch kan
+hebben, rondgeloopen, ja, zat ik zelfs een pooze--ik vermoed in
+Werther-houdingen--met dezen Schopenhauer'schen dolk te spelen, voor ik
+hem mij in 't lichaam stootte. Maar nu het gebeurd is en ik niet dood
+ben--er zijn geen taaier wezens dan hollandsche literatoren--voel ik een
+ontspanning ingetreden, en onder het rustigjes verscheuren mijner
+gewaand-laatste beschikkingen, waaronder belangrijke literaire
+onthullingen, 'n chronique ... literaire--haha, dat gaat alweer uw neus
+voorbij, m'n waarde lezer!--ben ik toch wel een beetje aan de juistheid
+van des heeren Veth's [p.8] observaties gaan twijfelen. Als het eens,
+overwoog ik, niet anders dan de verfijnde wreedheid ware, bij een
+decadent lettre en l'art-pour-l'art-man toch van rechtswege behoorend,
+welke--afschuwelijk tegendeel van den edelen moed der groote
+wetenschapshelden, die met twijfelachtige geneesmiddelen op eigen
+lichaam experimenteeren!--mij ertoe gebracht had, de scherpte van dit
+wapen op mij-zelf te beproeven, voor er mijne slachtoffers mee te
+kerven?... Maar ik griezelde van zooveel sadistische perversiteit en
+--bekeek mij eens in den spiegel. Nee, glimlachte ik met een oprechte
+zucht van verlichting, dat kan niet waar zijn, bij zoo'n gezicht!....
+Maar wat was het dan?... En ik ... Doch de lezer gelieve hier wel te
+verstaan, dat ik niet uit louter zelfoverschatting mij hier te
+analyseeren zit, integendeel: een algemeen belang van de
+allergewichtigste soort, dat der toekomstige geslachten van literatoren,
+noopt mij ertoe, want: _indien_ Schopenhauer gelijk heeft--en ik twijfel
+daaraan niet!--dan rust op ons allen, letterkundigen van dezen tijd, de
+dure plicht, teneinde het meerendeel onzer literaire naneven voor
+verhongeren te behoeden, zooveel mogelijk te schrijven, te schrijven, te
+schrijven en, voor zoover we 't niet anderen doen, ons zelf te
+bepiekeren--want ons geschrijf over boeken, dat is een te magere erfenis
+... dat zou worden een aftreksel van het aftreksel van thee!...--en de
+resultaten daarvan te _boekstaven_, vooral! Eene behoorlijk uitgeplozen
+en gepubliceerde zelfmoord-neiging van mij wordt zoodoende voor mijn
+letterkundig kleinkind in het jaar 2000 een malsche beafstick; wellicht,
+o zalige gedachte, met een half fleschje wijn erbij en een Bockje na.
+Terwijl de groote schrijvers van dezen tijd, o, dat is niet te zeggen
+... voorzeker zullen zij eens in het heerlijke bewustzijn kunnen
+sterven, dat aan hun "eelste deel" zich gedurende onafzienbare jaren
+meer duizenden "artiesten" zullen zat eten dan tientallen kannibalische
+bourgeois het hadden gedaan, wanneer zij waren geslacht--'t geen in de
+jaren '80-'90 menigeen, dunkt mij, graag hadde gewild--en pondsgewijze
+waren verkocht. En dus.... ga ik getroost [p.9] verder: Ik vroeg me zelf
+af, zou het ook een soort amok-makerige baloorigheid kunnen zijn? En
+werkelijk, tenzij de scherpzinnige lezer, na lezing van dit opstel, een
+betere oplossing hebbe gevonden, acht ik deze de meest waarschijnlijke.
+Want _by Jove_, ik heb er alle reden toe. Maar hier beginne een nieuwe
+paragraaf. Dat is ordelijker.
+
+De heer Robbers heeft de betreurenswaardige gedachte gehad een
+uitstekend artikel in _Elzeviers' Maandschrift_ te schrijven over Frans
+Coenen's _Charles Dickens en de Romantiek._ Betreurenswaardig: want waar
+blijf ik nou, met al mijn edelmoedigheid, die me reeds tot in de ziel
+verwarmde?! Toen ik namelijk het werkje des heeren Coenen gelezen en
+daaruit vernomen had, dat Dickens tot die "klassieken" behoort, "welke
+men kent en eert, doch maar weinig leest," toen dacht ik zoo bij me
+zelf: kijk nou eens aan, daar zit ik nou met verreweg het meerendeel
+mijner moderne mede-literatoren in glorie en rijkdom, onze boeken worden
+met wagenvrachten langs de straten gekrooien; elke maand ziet een nieuwe
+uitgaaf onzer werken; het volk verafgoodt ons--gelijk het Dickens deed
+in zijn tijd--; het draagt ons, wij leven eruit, wij leven
+ermede--gelijk Dickens in zijn tijd--; het rukt onze werken uit de
+handen der boekverkoopers en loopt uren ver, om ons te lezen, te
+lezen--gelijk bij Dickens in zijn tijd--; daar zit ik nu, onder mijn
+medegelukkigen ... laat mij dien armen klassieke, die bijna niet meer
+gelezen wordt--is zoo iemand niet als een rijkaard, die door een hevige
+kwaal niet van zijn rijkdom kan genieten?--eens een beetje in de hoogte
+werken, zooals ook Coenen, waarlijk met zooveel welwillendheid, heeft
+gedaan, en laat mij 't doen naar aanleiding van diens werkje. Dan kan ik
+ook hem meteen de hulde brengen die hij verdient.... En ziedaar, daar
+sla ik _Elsevier_ open, en daar hei je waarachtig dat artikel van
+Robbers....
+
+Maar kom! Nu verveelt het mij en U verveelde het allang--weg nu met die
+verduivelde scherts--sarcasme _is_ verduivelde scherts--en in ernst: de
+heer Robbers heeft, in [p.10] zijn waarlijk uitstekend artikel, op zijn
+hoffelijke manier, den heer Coenen niet malsch te pakken genomen, 't Is
+waar, als Robbers schermt, dan schermt-ie met 'n dopje op z'n floret,
+maar wat doet 't ertoe: menigeen is een touche in een arena, midden
+duizenden toeschouwers, pijnlijker dan een snijdende, doorborende
+degenstoot op een afgelegen plek. En met al de hoogachting voor des
+heeren Coenens geacheveerd kunnen, zeg ik hier ronduit, dat het mij niet
+ongevallig zou zijn, indien hij tot die "menigeen" behoorde. Ziehier
+Robbers eersten stoot:
+
+ Somtijds meent men de beschouwing bij te wonen van een monumentaal
+ beeldhouwwerk door een liefhebbend verzamelaar van fijn-artistieke
+ bibelots, ziet men den snuffelaar om het reuzenwerk heensluipen,
+ loupe in de hand, zijn opgetogenheid over details, zoowel als zijn
+ misprijzen--op delikaten schertstoon--van de brute ruwheid der
+ hakkerij, uitende met overvloedig 'gebruik van nu eens wat nuffig,
+ dan weer bedrukt, vaak vooral plagerig klinkende
+ bevestigingswoordjes als: "waarlijk," "heusch," "inderdaad"....
+
+Tweede stoot: (Maar denk aan het dopje!)
+
+ Er zijn pagina's in dit boekje bij de afzonderlijke lectuur waarvan
+ men zou kunnen meenen, dat de zeer ontwikkelde schrijver het werk
+ van een ouderen, maar veel minder vergevorderden broer onder handen
+ genomen had--zoo goedig beschermend of vriendschappelijk bespottend
+ is daar de toon.
+
+Derde stoot:
+
+ Als bij vele in dit eerste gedeelte van Coenens boekje, met voor
+ dezen schrijver ongewone stelligheid neergeschreven beweringen, zoo
+ vraagt men zich ook hierbij af: hoe weet hij dat toch allemaal zoo
+ precies? Hoe komt hij er eigenlijk aan? Statistische bevestiging
+ ontbreekt ten eenenmale, en ik voor mij heb gansch andere
+ informaties ontvangen. Ook nu nog bleek mij Dickens, althans in
+ zijn eigen taal, tot de meest gezochte schrijvers te behooren. Het
+ aantal edities, thans nog in den handel, van Copperfield en
+ Pickwick, Christmas Carol en Chimes is legio, en engelsche
+ uitgevers zijn onverdacht praktische menschen, zij bestendigen geen
+ uitgaven, waar geen gang in zit. En wat betreft de meening dat de
+ koopers dezer uitgaven vooral onder de "meer eenvoudigen van hart"
+ --en dan ook zeker wel "kleineren van beurs"--moeten worden
+ gezocht, vanwaar dan, vraag ik, al die, telkens opnieuw
+ verschijnende, dure [p.11] geillustreerde en luxe-edities, voor
+ genoemde harten, en hun bijbehoorende beurzen, onbereikbaar? Mocht
+ Coenen bedoelen dat de groote volksschrijver nu juist niet meer tot
+ de lievelings-lectuur behoort van literaire fijnproevers, noch der
+ heeren literatoren zelf, zoo geef ik hem gelijk, doch ziet, al
+ ziet! welk een armzalig hoopje vertoont te midden van het lezende
+ menschdom deze in anderen gedachtengang zoo kostbare rubriek!
+
+De ironie is dubbel en dwars verdiend....
+
+Kent gij, lezers, Maeterlinck's "L'Oiseau bleu"?.... Daar gaat een
+jongetje met zijn lief zusje op weg, den blauwen vogel te zoeken, "welks
+bezit noodzakelijk is voor ons geluk." Na veel omzwervingen komen zij
+ook in het domein van den nacht. De poort van een wondren, maanlichten
+sprookjestuin gaat voor hun verrukte oogen open. Ze juichen: Voedend
+zich met manestralen, zweven millioenen en millioenen blauwe vogels
+daar. De kinderen grijpen er zooveel ze maar grijpen kunnen. Maar zoodra
+ze naar buiten zijn getreden in den dag, blijken de wondere vogels
+gestorven. De onnoozelen wisten niet dat de ware blauwe vogel, die ook
+onder 't zonlicht leven kan, zich schuil hield, onvindbaar, onder de
+millioenen anderen.... O lezers, sterven ook zoo niet onze blauwe
+vogels--die van de meesten onzer, moderne kunstenaars--die we zagen
+zweven, die we hoorden zingen in den schemernacht onzer ziel, zoodra we
+hen, toch omkoesterd met duizend zorgen, naar buiten brengen, naar den
+dag der menschen-maatschappij, den dag van het volk. En wij zouden
+hooghartig doen tegen dien Groote, die elk huis een zanger schonk,
+onsterfelijk, een levend lied met vreugde doorklinkend de dagen en dat
+de zoete ontroering de hunkerende harten inzingt. O, als dan door welke
+onontkoombare samenloop van omstandigheden, door welke dorheid van
+innerlijk ook, of ongunst van den tijd, het ons niet vergund is te
+geven, laat ons dan ten minste ontvangen met overgave en innige
+dankbaarheid. Ook dat is iets, en zelfs veel....
+
+Doch Robbers laakt niet alleen, maar prijst ook:
+
+ .... er zijn er ook, gelukkig, waarin op warme, uiterst gevoelige
+ en zeer juist omschrijvende wijze schitterende schoonheden [p.12]
+ worden aangeduid in een ontzaglijk oeuvre, dat met eerbied wordt
+ genoemd. En deze erkenningsvolle bladzijden, ze zijn op hun beurt
+ door ons, hun lezers, ten zeerste te waardeeren.
+
+En later:
+
+ Overigens, het mag wel eens herhaald worden, hulde aan Frans Coenen
+ voor zijn fijn opmerken en welsprekend aantoonen van zoovele
+ schoonheden in dit oude werk. Een nuttig boekje daarom, het zijne.
+ Want het is goed te leeren onderscheiden, en ook voor de literaire
+ fijnproevers blijkt nog menige schat te vinden in deze, door hen
+ althans, bijkans verlaten mijn.
+
+Dit artikel is ongetwijfeld een van de allerbeste kritieken, die Robbers
+ooit geschreven heeft. En nu: ik heb, niet zonder connaisseurigen
+glimlach de elegante bewegingen van Robber's floret beschouwend, zoo
+langzamerhand de overbodig geworden gevederde pijlen weggeworpen,
+waarmede ik, als een ongetwijfeld opzichtige held van Aimard zou hebben
+gestreden, en mij getooid--laat mij nu als een zeer kalm en bezadigd
+Hollander ook het mijne van Coenen's werk zeggen:
+
+Alle Schuld raecht sich auf Erde. De heer Coenen, die, indertijd
+Scharten's _Krachten der Toekomst_ besprekend, het sterk in deze prees,
+dat hij een _keur_ zijner kritieken had laten herdrukken en niet zooals
+anderen, "uit zelfoverschatting of onverschilligheid, die slechts op wat
+materieel voordeel belust is," alles gebundeld had--de heer Coenen werd
+thans door het wrekend Noodlot met dit eene uit zijne honderdtallen
+kritische opstellen naar de boekpers geduwd, en terwijl hij niets kwaads
+vermoedend, genoeglijk de bladzijden zich tot een boek zag stapelen,
+grijnsde het Noodlot achter zijn rug en over zijn hoofd heen tot ons,
+zijn recensenten: "Vraag hem nou ereis, of dat nu op minachting van al
+zijn ander kritisch werk berust en zoo ja, waarom hij dan zoo
+"onverschillig is," toch maar altijd door te blijven recenseeren--of
+dat het berust op het bewustzijn, dat de namen al dier andere, door hem
+behandelde auteurs, niet zulke betrouwbare en olie-opzuigende
+"drijvertjes" zijn, als die van den "klassieken, slechts weinig meer
+gelezen wordenden" Dickens?"
+
+[p.13] Maar ik zou geen mensch moeten zijn, die altijd door het noodlot
+tot iets gedwongen wordt, om nu het mij iets verzocht, dat niet lekker
+te weigeren! Ik stel de vraag dus _niet_, doch alleen haar mogelijkheid,
+om even te laten gevoelen, dat het maken van _on_heusche gissingen
+alleen, door objectieve kritiek dient vermeden. Ik geloof: de vraag is
+malligheid. De heer Coenen heeft eenvoudig, zijn ander kritisch werk
+goed achtend, dit boek iets _beters_ geacht. Maar hier mag dan toch weer
+de recensent te voorschijn treden en beweren dat dit een dwaling is: het
+tegendeel is het geval. Want die andere opstellen staan voor het
+meerendeel in levensgevoel niet beneden, vaak zelfs boven hun onderwerp.
+Dit is ver beneden het zijne. Tegenover the gentlemen who write, die
+Coenen zoo vaak behandelt, mag hij zoo glimlacherig-cynisch, zoo
+nemerig-en-geverig zijn als hij wil, op enkele uitzonderingen na staat
+hij tegenover gelijken, meest tegenover minderen.... Maar nu tegenover
+Dickens!... Gewaden en versierselen af, menschenkind, _als bij de
+Multatuliaansche Gnomen, _ en hoe rouwiger uwe versierselen zijn des te
+eerder, want rouw past niet bij het kern-leven, bij het ware, blijde
+leven.... Hij gaf zijn ziel, hij heeft recht op de uwe.... En wat tot de
+ziel is geraakt, dat weifelt niet meer, dat is fel, dat is sterk.... Hij
+heeft recht op uw _ziels_weerzin, op uw _ziels_liefde.... De kleine
+afkeertjes en genegenheidjes van uw gevoelig verstand en uw verstandig
+gevoel zijn veel te klein voor hem.... Kunt gij met geen andere dan deze
+tot hem treden, om uws zelfs wil, ga dan _niet_.... En hiermede ben ik
+meteen tot mijn gewichtigste bedenking tegen 's heeren Coenens werk
+genaderd: dat het bij al zijn groote deugden en geringe fouten, twee
+enorme tekortkomingen heeft. Doch tekortkomingen zijn niet
+_ontleedbaar_, maar _meetbaar_. Straks beschik ik over den maatstaf,
+daartoe noodig. Nu eerst de deugden etc. Daar hebt ge dan onmiddellijk
+de voortreffelijke _Inleiding_, waarin de schrijver den kultuurstroom
+van middeleeuwen, renaissance en laat-renaissance volgend en ten slotte
+in het Engeland van het begin der negentiende eeuw belandend, historisch
+de Dickens-figuur, zijn wording en zijn tijd verklaart. [p.14] In dat
+hoofdstuk treffen wij ook dat uitstekend-ontledend stukje over het wezen
+der "Weltschmerz" aan. Laat mij ronduit erkennen, dat ik tot dengeen,
+die zulk een gedegen, goed onderlegd en wijd-omvattend betoog kan
+schrijven, _zonder dat er klaarblijkelijk eenige andere geestelijke
+kracht in hem werkzaam is, dan zijn eigen doodgewoon, wetenschappelijk
+gevormd verstand_, jaloersch zit op te kijken, niet om de ten slotte
+weinig diepgaande historische kennis--daar is waarlijk makkelijk genoeg
+aan te komen--maar om de technische vaardigheid, de routine. Het
+"verraadt" namelijk den akademisch gevormde, in tegenstelling vooral met
+den autodidact; den _gedisciplineerden_ geest, in tegenstelling met den
+_ongedisciplineerden_. En de voortreffelijkheid van dit stuk schijnt mij
+dan ook al evenzeer de buitengewone geschiktheid van den auteur voor het
+kalme analytisch betoog, als het wenschelijke eener wetenschappelijke
+opleiding voor den aanstaanden homme de lettres te bewijzen. Ik zou den
+_niet breeden_, maar _fijnen_ psychologischen doorgronder en preciesen
+weergever, die Coenen is, onrecht doen, indien ik niet even het stukje
+aanhaalde, dat de historische beschouwing afsluit, over het Engeland,
+waarin Dickens leefde en beroemd werd:
+
+ Men kan het zich denken als een samenleving van brutale en
+ opzichtige menschen, die zich druk en aanstellerig gedroegen, ook
+ dwaasheden uithaalden, hun leven moedwillig vergooiden, het
+ onmogelijkste aandurfden en soms schitterend slaagden, die met
+ hartstochtelijken trots en hardheid hun medemenschen bejegenden,
+ maar soms in eens omsloegen in het weekste meegevoel, die in 't
+ algemeen de wereld door een vergrootglas beschouwden en het nuchter
+ gewone niet verdroegen ... maar, desondanks en alles saamgenomen,
+ toch zeer rustig en regelmatig leefden en arbeidden, als Britsche
+ burgers, die carriere willen maken en voor alles op godsdienst en
+ fatsoen gesteld zijn.
+
+Ook in het tweede hoofdstuk _Dickens' Jeugd_ zal de lezer dezelfde
+eigenschap te waardeeren hebben. En hierbij denk ik vooral aan den
+daarin geboden schets van Dickens als parlementair verslaggever. In het
+derde, _De Pickwickpapers_, vallen als voortreffelijke bladzijden op die
+over de romantiek [p.15] met het diep begrip van wat haar oorsprong
+vooral in dien tijd was: Verlangen naar "zelfvergetelheid en
+eenheidsvoelen." Voorts dat stukje over de blague en den esprit, waarin
+deze in hun droge en hoogmoedige en vaak toch van zoo laag allooi zijnde
+verstandelijkheid worden vergeleken met Dickens' rijke, sappige,
+waarlijk comische geestigheid. Het vierde hoofdstuk _Dickens'
+Romanfiguren_ bevat tal van goed-critische opmerkingen zooals de
+volgende:
+
+ Zoo werden, als gezegd, ook Dickens' verhalen tot leerscholen van
+ Goed en Kwaad en zijn helden en heldinnen meerendeels niet anders
+ dan personificaties zijner zedelijke opvattingen. Men had de zeer
+ Engelsche ondeugden van Zelfzucht, Hoogmoed en Huichelarij en de
+ algemeene van Gierigheid, Haat, Nijd, Wankelmoedigheid,
+ Lichtzinnigheid, enz. Men had ook hun contrasten, de Deugden van
+ Toewijding, Zelfopoffering, Nederigheid, Eenvoud, Oprechtheid,
+ Vroomheid en wat dies meer zij. Van de eene en van de andere heeft
+ Dickens menschen gemaakt.
+
+Hoe hij dat laatste deed meent Coenen aldus te kunnen verklaren: hij
+bekleedde deze abstracties met "het uiterlijk--meest een zeer goed
+geobserveerd en realistisch uiterlijk--van menschen." Deze verklaring
+acht ik ernaast en vooral eronder. Heeft wellicht de geschiedenis met
+Leigh Hunt hier Coenen tot generaliseeren verleid?
+
+ Al deze personen blijven star onveranderd door het gansche boek
+ heen, als antieke maskers, of wel zij veranderen naar de behoefte
+ der intrige en zonder de minste waarschijnlijkheid plotseling
+ geheel.
+
+Deze opmerking is weliswaar niet nieuw, zij komt reeds voor in....
+Straks! Maar aan de zegging merkt men onmiddellijk, dat Coenen onbewust
+van haar bestaan elders, het zelf heeft gezien. Maar wat we vooral in
+dit hoofdstuk te waardeeren hebben is die ook door Robbers aangehaalde
+passage, waarin "deze snuffelaar-met-'n-loupe" zoo krachtig en
+ruim-geestelijk uit den hoek komt en het opneemt voor de groot-epische
+vertellers als "Balzac en Dickens" tegen degenen, die hen verwijten, dat
+zij niet nauwgezet hun taal verzorgd hebben. In het hoofdstuk _Dickens'
+Ontwikkeling en latere Romans_ is vooral interessant het aangeven der
+tegenstelling [p.16] tusschen de kunst der Naturalisten en de
+fantasievolle van Dickens; ook dat stuk over het "romantische gevoel" in
+Dickens, waarbij de lezer zich niet weerhouden kan smakelijk te
+glimlachen over het verschil tusschen deze en Coenens droge nuchterheid.
+Maar om van op te springen is, tusschen al dat vlakke en
+precies-voorzichtige, deze onbewust enthousiaste uiting:
+
+ Dit is Dickens' romantiek, die hij voor ons zoo _realistisch _ waar
+ maakt, dat wij kunnen meenen, hetzelfde eiken dag te zien gebeuren.
+ Ik weet geen anderen schrijver, die dit zoo sterk heeft gekund en
+ bewezen, dat voor het Realisme de realiteit zelve volkomen ontbeerd
+ kan worden, dat het al verbeeldings-werk is, hetzij men vertelt van
+ de feeenwereld of van de Londensche straat.
+
+Als men hieruit niets anders dan de zeer gewettigde en voor de hand
+liggende consequenties trekt, bemerkt men, dat Coenen eigenlijk niets
+meer of minder zegt,--in strijd met andere zijner uitingen--dan dat
+Dickens de grootste menschenschepper, de grootste werkelijkheidsmaker
+ter wereld is! Vooral als men deze regels in verband brengt met zijn
+meening, dat (blz. 86) het ontbreken der objektieve werkelijkheid er ten
+slotte niets op aankomt. Het laatste hoofdstuk behandelt _Dickens'
+Beteekenis voor ons_. Zien wij af van het feit, dat wij nu niet bepaald
+daarover wenschen voorgelicht te worden door iemand, die geheel ten
+onrechte meent, dat Dickens slechts weinig meer door ontwikkelden
+gelezen wordt, dan brengen ons zoowel de zeer mooie wijsgeerig-
+psychologische beschouwing over het zich aanpassen van het
+kind, terwijl het opgroeit, aan de omringende wereld en over zijn
+geheelen ontwikkelingsgang wier eindpunt slechts de allergrootsten
+bereiken: dat hun Ik de wereld omsluit--als het verheerlijkende
+slotwoord, den wensch naar de lippen, dat het gevoel van den schrijver
+instede van bij het einde, reeds aan het begin van zijn werk op dit
+hoogtepunt gestaan hadde. Zijn boek zou er voornamer karakter door
+verkregen hebben. En hier raken wij wat ik de twee enorme tekortkomingen
+van dit werk noemde. Maar tevens herinner ik mij net bijtijds, dat een
+_overzicht_-schrijver vooral anderen aan het woord [p.17] moet laten, wat
+hij zeker uitstekend vindt, indien hij zijn meening door dien ander zoo
+voortreffelijk vindt geillustreerd: In de Fortnightly Review van 1
+dezer[1] vond ik een stemmingsvol, mijmerend-wijsgeerig opstel van John
+Galsworthy: _Vague Thoughts on Art_. Ik moet U de lezing ten sterkste
+aanraden. De schrijver ligt op een zomerland, het zonnige leven van
+hemel, bloemen en dieren over hem, om hem, te peinzen. Gedachten en
+natuurbeschouwing wisselen elkaar nu telkens af, dringen in elkaar,
+steunen elkander. Voor mijn doel kan deze kleine aanhaling uit het
+wijsgeerig deel volstaan.
+
+ Art is that imaginative expression of human energy which through
+ technical concretion of feeling and perception, tends to reconcile
+ the individual with the universal, by exciting in him impersonal
+ emotion.
+
+Maar dan: wat is "impersonal emotion"? En ziehier het antwoord:
+
+ If I stand before it (voor een voorwerp) vibrating at sight of its
+ colour and form, if ever so little and for ever so short a time,
+ unhaunted by any definite practical thought or impulse--to that
+ extent and for that moment it has stolen me away out of myself and
+ put itself there instead, has linked me to the universal by making
+ me forget the individual in me....
+
+En de kracht, om dit te kunnen teweeg brengen, deze is het nu juist,
+welke het werkje van den heer Coenen ontbreekt. Geen oogenblik wordt de
+lezer aan zich-zelf ontrukt, boven zich-zelf opgeheven. De heer Coenen
+kan dit den lezer niet doen, omdat Dickens het den heer Coenen niet
+heeft gedaan. Zijn boekje is--eerste tekortkoming--_geen kunst_,
+en--tweede tekortkoming--mist alle _overgave_, alle _enthousiasme_. Het
+is: een voortreffelijk betoog van een geleerd, distinctievol en
+buitengewoon literair-ontwikkeld docent. Maar zulke betoogen mogen
+uitstekend zijn, om chemie of welke wetenschap ge maar wilt te doen
+begrijpen, tot het vertolken van het hooger gevoelsbegrip van _kunst_
+zijn zij waardeloos. [p.18] Want evenals diamant slechts door diamant
+zoo gepolijst kan worden, dat zij een open, schitterend zonnetje wordt,
+zoo kan kunst slechts door kunst verklaard worden. Schrijf
+twintigduizend betoogende woorden en, zoo ge 't 'n beetje populair doet
+hebt ge alle kans dat de lezer U een genotlijk, een hoog te waardeeren
+schrijver zal vinden, maar--onderzoek eens wat hij heeft gewonnen door
+die lectuur.... Gij werktet met uw verstand en uw verstandelijk gevoel,
+en beiden hebben ook bij hem geprofiteerd: zij hebben wat feitenkennis
+en waardeerinkjes opgedaan, die hun gelukkigen bezitter allicht in de
+conversatie te pas zullen komen, maar diens _ziel_?... Doch schrijf nu,
+geen twintig duizend woorden, maar slechts een zin, waarin uw innigst
+doorvoelen van een auteur tot kunst gevonden is, en ziedaar: een _licht_
+springt uit uw ziel in die van uw lezer over. Zij wordt _ontroerd_,
+d.w.z. zij is door u _gegroeid_.... Zulk een schrijver is G.K.
+Chesterton: een groot _kunstenaar_, die met _liefde_ en overgave over
+een grootere schrijft.
+
+Hij heeft, voor zoover ik weet, twee boeken over Dickens geschreven; het
+eerste: _Charles Dickens_, waarvan juist weder een nieuwe druk
+verschenen is, kan 't best ons tot het doel dienen, waarvan ik hierboven
+sprak: de maatstaf te zijn, om Coenens' tekortkomingen te meten, wijl
+het de _geheele_ Dickens-figuur behandelt; het tweede: _Appreciations
+and Critisisms of the Works of Ch. Dickens_ is--precies wat de titel het
+zegt te zijn. Ik zal alleen het eerste bespreken en wat het tweede
+betreft mij er toe beperken, u de lezing _ten zeerste_ aan te bevelen.
+Maar ge moet wel weten, lezer, dat ik mij op zeer pijnlijke wijze bewust
+ben, dezen grooten kunstenaar-kritikus, ook met die bespreking, in dit
+kort bestek, geen recht te kunnen doen: bij elk citaat, ik weet het, zal
+ik een zeer werkelijk smartgevoel hebben, omdat ik weer een andere
+schoone zegging, neen, tientallen andere zal zien opblinken, die ik u
+niet kan toonen. _Gij moet dit goedmaken voor mij, mijn beste lezer, gij
+moet, door die prachtwerken te lezen, zorgen, dat mijn tekortschieten
+althans geen_ [p.19] _slechte gevolgen heeft: dat gij die heerlijke
+aandoeningen niet mist, die ik heb ondergaan_.
+
+Het onderscheid dan tusschen Coenen en Chesterton ligt vooral in het
+feit, dat--afgezien ervan, dat het denken van den laatste zich op een
+veel hooger plan beweegt dan dat van den eerste--het denken van den
+Hollandschen criticus _denken blijft_ en dat van den Engelschen bijna
+overal zich _plastisch ver-beeldt_, d.i. _kunst_ wordt. Ziehier eerst
+een voorbeeld van Chesterton's metaforische macht, en vervolgens eenige
+vergelijkingen tusschen de beide schrijvers. Ver-beelding eener
+wijsgeerige gedachte bij Chesterton:
+
+ For religion all men are equal, as all pennies are equal, because
+ the only value in any of them is that they bear the image of the
+ king.
+
+En laat ons nu eens vergelijken. Lees Coenen:
+
+ (Dickens had als kind, de) instinktieve zekerheid, dat met goeden
+ wil en eenig nuchter beleid het leven nog wel iets beters kon
+ opleveren dan hun (zijn ouders) ten deel gevallen was.... Toen
+ _viel de slag_ van het bankroet, werd vader Dickens in de
+ Marshalsea gegijzeld en de jonge Charles in de schoensmeerfabriek
+ aan het werk gezet, om zijn eigen kost te verdienen. Het was in
+ zijn tiende jaar.
+
+En nu Chesterton:
+
+ He longed to go to school (a strange wish) to go to college, to
+ make a name, nor did he merely aspire to these things; the great
+ number of them he also expected. He regarded himself as a child of
+ good position just about to enter on a life of good luck. He
+ thought his home and family a very good spring-board or jumping-off
+ place from which to fling himself to the positions which he desired
+ to reach. And almost as he was about to spring _the whole structure
+ broke under him and he and all that belonged to him disappeared
+ into a darkness far below_.
+
+Dat is _beelden_. Dat is _innerlijk zien_.--Beide auteurs vinden het
+tweede deel van Pickwick oneindig beter dan het eerste. Coenen zegt dit,
+ongetwijfeld zeer gevoelig, aldus:
+
+ Dickens, de handige journalist, heeft plaats gemaakt voor den
+ kunstenaar, wien alleen het leven interesseert en den gegriefden
+ mensch, die een van de schoonste idealen der menschheid, de
+ gerechtigheid, ziet verwrongen en bedorven.
+
+[p.20] Chesterton voelt 't even diep, maar _ver-beeldt_ tevens zijn diep
+gevoel:
+
+ Dickens went into the Pickwick Club to scoff, and Dickens remained
+ to pray.
+
+Hoor beiden over Dickens' fabelachtige populariteit. Coenen:
+
+ Al die duizenden lezers voelden blijkbaar de verbeeldingswereld van
+ den schrijver evenzeer als de hunne, en zich gerechtigd mee te
+ beslissen over het lot der boekpersonen, omdat die schepsels nu ook
+ voor hen zoo levend en eigen waren, als verwanten en vrienden, wie
+ men geenszins onverschillig aan kan zien.
+
+Dit is een mededeeling van feiten, die we allen kennen, met een te
+waardeeren psychologische verklaring, die ook wij-zelf ons konden geven
+of hebben gegeven. Maar hoeveel wijder, hoeveel dieper is de
+psychologie, hoe wordt ons door de treffende zegging de geest dier dagen
+open-geweerlicht in dit:
+
+ The modern "Shocker" at its very best is an _interlude in life._
+ But in the days when Dickens' work was coming out in serial, people
+ talked _as if real life were itself the interlude between one issue
+ of "Pickwick" and another_.
+
+Luister naar beiden als ze 't over den huiselijken haard in de
+_Christmas-Tales_ hebben:
+
+ Er zijn zoo gansche gedeelten in Dickens' boeken, die men als
+ doorgloeid gevoelt van het roode haard-vuur, dat voor de Engelschen
+ het gansche familiale leven schijnt te symboliseeren in veilige
+ rust en warmte en waar men de punch en het versche groen van
+ hulsttakken ruikt.
+
+En droomt ge u comfortabel weg in de _zeer geslaagde_ stemmingsweergave
+van den Hollander, ge wordt weer klaar wakker en wrijft u genoeglijk in
+de handen bij de raakheid en geestigheid van den Engelschman:
+
+ ... his Christmas sentiment. It has cosiness, _that is the comfort
+ that depends upon a discomfort surrounding it_. It has a sympathy
+ with the poor, and especially with the entravagance of the poor;
+ with what may be called the temporary wealth of the poor. It has
+ the sentiment of the hearth, that is _the sentiment of the open
+ fire being the red heart of the room_. That open fire is the
+ veritable flame of England, _still kept burning in the midst of a
+ mean civilisation of stoves_.
+
+[p.21] De typische uitbeelding door Dickens van den _fog_, door Coenen
+als "tegelijk grappig en eventjes beeldend" gewaardeerd, geeft
+Chesterton aanleiding tot deze m.i. _allerprachtigste_ fantasie:
+
+ ... But, considered poetically, fog is not undeserving, it has a
+ real significance. We have in our great cities abolished the clean
+ and sane darkness of the country. _We have outlawed night and sent
+ her wandering in wild meadows; we have lit eternal watchfires
+ against her return_. We have made a new cosmos, and as a
+ consequence our own sun and stars. And as a consequence also, and
+ most justly, we have made our own darkness. _Just as every lamp is
+ a warm human moon, so every fog is a rich human nightfall._ If it
+ were not for this mystic accident we should never see darkness, and
+ he who has never seen darkness has never seen the sun.
+
+Zal ik nu nog verder beide schrijvers vergelijken? Neen, schoon ik
+materiaal in overvloed heb. Zet gij, lezer, mijn werk voort door ze
+_beiden te lezen_. Doch tegen al diegenen, waaronder ook Coenen, die
+beweren, dat Dickens' werken weinig of niets met de weergave van het
+werkelijke leven hebben te maken, wil ik nog Chesterton's geniale woord
+hier laten klinken: (En ook Robbers, men leze zijn artikel, heeft deze
+waarheid gevoeld.)
+
+ This life of grey studies and half tones, the absence of which you
+ regret in Dickens, is only life as it is looked at. This life of
+ heroes and villains is life _as it is lived_. The life a man knows
+ best is exactly the life he finds most full of fierce certainties
+ and battles between good and ill--_his own_. O yes, the life we do
+ not care about may easily be a psychological comedy. Other people's
+ lives may easily be human documents. But a man's own life is always
+ a melodrama.
+
+Ten slotte: ik ben niet blind voor Chesterton's voorliefde voor het
+paradoxale om het paradoxale, de geestigheid om de geestigheid; ik voel
+wel heel duidelijk de aanwezigheid bijwijlen van het onweerhouden
+boordevolle en overloopende, zelfs van het opdringerige. Hierin staat
+hij ver onder Coenen, die van willen-behagen en praallust even ver
+verwijderd is als een nachtuil van zonnedienst. Maar men zou jegens
+beiden onrechtvaardig zijn, indien men in Chesterton's gezelschap,
+[p.22] zich niet het _il a les defauts de ses qualites_ te binnen bracht,
+en achter Coenen's rug zich niet een bescheiden maar veelbeteekenend
+knipoogje veroorloofde tegen het beroemde meisje, dat zoo deugdzaam was
+omdat ze zoo leelijk was.... Wie deze uiting jegens den voortreffelijken
+kunstenaar Coenen, dien ook ik hoogacht en waardeer, oneerbiedig mocht
+vinden--hij vergeet dat ik het alibi van.... den _kunstenaar_ Coenen
+bewezen heb en hem dus niet oneerbiedig heb _kunnen_ bejegenen: hij was
+niet aanwezig in dit boekje. Ik ontmoette er alleen den
+_kunstgevoelige_....
+
+Als tijdschriften, die zeer lezenswaardige Dickens-bijdragen hebben,
+noem ik de _Nineteenth Century_ met _Charles Dickens_ by Darrell Figgis;
+_Elsevier's Maandschrift_, waarin, nevens het reeds behandelde
+Robbers-opstel, Cornelis Veth in een artikel _De oudste prenten voor
+Dickens_ gelegenheid vindt de aardige opmerking te plaatsen, dat Dickens
+van lijfstraffelijke rechtspleging hield en zijn schurken liefst door de
+hand van een voormalig slachtoffer liet afrossen, en dat wel op een
+wijze, waar een ongezochte symboliek in stak:
+
+ Zoo krijgt Uriah Heep op die authentieke, kleffe, knokige en op den
+ koop toe lange vingers.... de femelaar Pecksniff, geveld door den
+ man, dien hij in zijn zak dacht te hebben, bezeert zich ferm aan
+ denzelfden schijnheiligen en arglistigen kop, waarin hij zooveel
+ kwaads uitbroedde.... enz.
+
+Dezelfde vangt in _De Ploeg_ een rijk geillustreerd artikel over
+_Dickens en zijn voornaamste illustratoren_ aan, dat in Maart vervolgd
+zal worden.--Verder laat ik, trots alle beloften, dezen keer de mij ter
+hand gekomen tijdschriften, voor zoover ze geen Dickens-bijdragen
+hebben, onbesproken uit--collegiale egards: naast een Onsterfelijke
+schijnen de levenden dood....--
+
+19 Febr. 1912.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BRIEVEN OVER LITERATUUR
+
+
+II.[p.23]
+
+
+Over het algemeen lijkt het mij geen symptoom van zielsrijkdom en
+geestelijke aristokratie, genoodzaakt te zijn, zich van eigen tijd af te
+wenden, om heul en troost en inspiratie bij de verleden eeuwen te gaan
+zoeken, of in den vreemde pogen te winnen, wat het vaderland geweigerd
+heeft. Het volk weet wel wat het zegt, als 't beweert, dat de rijkdom
+het zich overal behaaglijk maken kan, al zegt het hiermede toch
+tegelijkertijd iets meer dan het weet, want zou het wel vermoed hebben,
+dat die waarheid vooral waarheid is in de sfeer van den geest?.... Ik
+herinner mij uit een vroegere incarnatie, toen ik hard bezig was, mij
+door het lezen van _shilling-shockers_ voor te bereiden op het ambt van
+literair criticus, dat ik nu bekleed--en zoo ge deze opleiding ietwat
+vreemd mocht vinden lezer, laat mij u dan zeggen: er voeren vreemder
+wegen naar dit Rome, dat langs alle wegen te bereiken is! Levendig
+schiet het mij te binnen, hoe sommige mijner huidige collega's, bij
+wijze van college-loopen, dienst namen bij de toenmalige stadsreiniging;
+weer anderen geloofden nimmer hun hoog doel te zullen bereiken, zoo ze
+zich niet den heelen dag oefenden in scheelkijken, en nog anderen
+hovelingen werden, om de in ons "vak" zoo noodzakelijke hoofsche vormen
+te leeren. Het verwonderlijke is mijns inziens dan ook niet, dat we
+allen [p.24] trots die zeer ver uiteenloopende opleidingen toch tenslotte
+vaklui zijn geworden, ofschoon dit weliswaar bij geen enkel ander metier
+mogelijk zou zijn geweest, maar het verwonderlijke is, dat ge nu, na
+zoovele eeuwen, bij den een nog altijd iets van de stadsreiniging, bij
+den ander van het scheelkijken, en bij een derde eene waarlijk de
+broekspijpen uitloopende hoffelijkheid terug vindt.... Ja, den hemel zij
+dank: er gaat dan ook niets in 't heelal verloren!--nu, ik herinner mij
+dan uit zoo'n shilling-shocker, dat Westerlingen een pyramide bezoeken
+en een van 't gezelschap--het zal wel zoo'n magere, brutale miss zijn
+geweest--in een onbewaakt oogenblik een verschrompelde lotusbloem uit
+het borstfiligrain eener vorstelijke mummie trekt. Thuis gekomen krijgt
+zij den zonderlingen inval eenige druppelen water op de vierduizendjarige
+bloem te sprenkelen, en, mystisch wonder! waarvan zij-zelf griezelt en
+huivert, de bloem leeft, straalt op, bloeit op, met al haar kleuren en
+geuren.... Mijn lieve lezer, gij en ik, hebben wij niet zoovele
+kunstenaars de lotusbloemen van de schemerend-blinkende borsten der in
+hun koningsgraven verzonken Eeuwen zien rukken, hebben wij de
+verschrompelden niet weder zien opleven onder den dauw van hun talent,
+en vonden we dat niet een wonder, een mystisch wonder, tot--ik mij met
+een huivering tot u wendde en zei: "Maar vindt ge 't ook niet een ietwat
+griezelig wonder?" ... O vreemde bloemen, die de zon mijner dagen niet
+heeft doen bloeien, o, geuren aan een anderen tijd, een ander geslacht
+ontstolen, bloemen en geuren, waar ik geen recht op heb, ik wensch u
+niet, gij zijt mij niet lief als de bloemen mijner aarde, mijner zon,
+als de geuren mijner jaren. Mij levende behaagt het met door volte
+weerstreefde, streelende en plukkende handen te wandelen in levenden
+bloementuin....
+
+Ook herinner ik mij--en ach, lezer, ik ben zeer loszinnig vanavond: als
+mijn ... woorden u wat verstrooid voor de voeten komen rollen, rijg gij
+ze dan, bid ik u, aan het zilversnoer van uw vernuft.... Rijgt men dan
+_woorden_ aan een _zilversnoer_? Ja zeker, als de bescheidenheid--gelijk
+hier--[p.25] en nog eenige van die maatschappelijke deugden het gebieden,
+is dat geoorloofd. Zij geven absolutie voor elke kromspraak en voor vele
+onwaarheden--ik herinner mij dus, en ditmaal uit deze incarnatie, een
+zoogenaamden _Polk_, die, als hij in Antwerpen te bekend geworden was,
+ging bedelen in Amsterdam en, als men hem daar weer te goed kende, ging
+bedelen in Berlijn.... En ik herinner mij dat nu, omdat ik geloof, dat
+een schrijver, die bij den genius van een vreemd land om gaven bedelt,
+dat doet, omdat de genius van zijn vaderland hem te goed kent om hem
+geschenken waardig te keuren en dat die genius van dat vreemde land, als
+hij wat geeft, dan heel on-halfgoddelijk er ... in loopt!
+
+Want, lezer, dat hoog gebaar van verlangen naar de middeleeuwen, dat
+zich afwenden van eigen tijd, dat is _niet_ voornaam, en dat trekken van
+het eene land naar 't andere, nog eens: dat doe je niet uit weelde. Als
+gij tegenover een "afzichtelijken" bedelaar staat en ge rilt terug, denk
+dan niet, dat ge voornaam zijt, maar als ge zijn "afzichtelijk" wezen
+zoo diep begrijpt en doorvoelt, dat ge hem kunt naderen met liefde--dan
+moogt ge denken, dat ge voornaam zijt! Want afkeer en weerzin en
+leelijk-vinden zijn het deel van de geringen-van-geest en
+liefdevol-begrijpen en schoon-vinden het deel der voornamen. En zoo ook:
+als ge telkens nieuwe prikkels noodig hebt, om de macht tot
+schoonheid-doorvoelen en schoonheid-scheppen in u op te wekken, dan zijt
+gij betrekkelijk arm, en zoo ge die niet behoeft, weet dan, dat ge
+betrekkelijk rijk zijt.... Maar hier verdriet mij mijn wankele gang,
+allicht, dat de aanblik der voorbijglijdende mijlpalen mijner
+paragrafen,[2] mij wat sterker en veerkrachtiger maakt.
+
+[VAN OORDT: NAGELATEN WERK]
+
+Adriaan van Oordt was een groot en een rijk kunstenaar en--ik mag dit
+van een doode immers wel zeggen:--ge hadt zijn gelaat slechts behoeven
+aan te zien, om te weten, [p.26] dat hij ook een groot mensch was. Als
+een man met zulk een gelaat in den kring van ons, gewone menschen,
+treedt, dan valt er eene schuchterheid over ons en aarzelen even onze
+sprekende stemmen, ja, het is alsof ons aller woorden, die op het punt
+stonden elkander in vroolijk-drukke en familiare begroeting te
+ontmoeten, haastig van weerszijden terug wijken, om een open ruimte van
+eerbied te vormen. Want zijn gelaat had die uiterste zachtmoedigheid,
+die _dreigend_ is, dreigend, omdat zij ontwapent en weerloos maakt,
+dreigend ook, omdat ge voelt, dat, indien ge langer naar dit gelaat
+staart, uw zelfbewustzijn, dat onweerhoudbaar aan vergelijkende studie
+verslaafd is, u leelijke dingen zal toefluisteren over--u-zelf. Het was
+ongetwijfeld geniaal, dat wil zeggen hoogst-natuurlijk, gezien van de
+Natuur, dien man een gelaat te geven, dat bijna uitsluitend zijn hoogste
+zielsessentie uitte, want, hadde zij dit niet gedaan, het werk van haar
+schepsel zou heer werk beschaamd hebben: Van Oordt's arbeid is overal
+_kunst_, dat is: weerspiegeling en uiting van het Onbewuste, goddelijk
+tronend in de zielsdiepten. En dit _Nagelaten Werk,_ dat nu voor mij
+ligt, is er een nieuw, een laatst, een diep ontroerend en volkomen
+zuiver getuigenis van: "En dit alles, niettegenstaande hij bijna
+uitsluitend historische kunst geschapen heeft?" vraagt gij mij
+hier.--Ja, niettegenstaande dat feit was Van Oordt een groot en een rijk
+kunstenaar. En ik zal u de schijnbare tegenspraak in mijn beweringen
+ophelderen. Maar rust even: ziehier een nieuwe mijlpaal.
+
+In een hoogst lezenswaardig, met liefdevolle en eerbiedige overgave
+geschreven opstel zegt de _Gids_-criticus, de heer Scharten, dat de heer
+Van Oordt een _middeleeuwsche ziel_ had en dat een, in het _Nagelaten
+Werk_ opgenomen, stuk als _Een Pleiziervaart_, dat fijntjes humoristisch
+het hoekig-linksche van een tusschen hedendaagsche Zondagsgangers
+verzeild, naief kunstenaar in 't ootje neemt, wel eene zijde van Van
+Oordt's kunst blootlegt, die we nog niet kenden, maar dat de
+aanwezigheid daarvan ons toch niet kan bekeeren van de meening, dat zulk
+een stuk, bij langer leven van den [p.27] schrijver uitzondering zou
+gebleven zijn en historische kunst hoofdzaak. En zoo oppervlakkig
+beschouwd, schijnen de in dezen bundel opgenomen stukken _Roman-Begin_
+en _Fragment uit Floris de Zwarte_ dezen beoordeelaar gelijk te geven.
+Maar ook niet anders dan _oppervlakkig beschouwd_. Want zoo 't mij
+geoorloofd zij--en hier wensch ik u de beloofde opheldering te
+geven--tegenover de eene hypothese een andere te stellen: ik geloof niet
+dat Van Oordt's neiging tot de middeleeuwen voortsproot uit het
+middeleeuwsche--en dat zou, volgens mij, zijn: het voor indrukken van
+zijn eigen tijd minder ontvankelijke en dus ongetwijfeld bekrompene
+--zijner ziel; ik geloof, dat zij voortkwam uit zijn, helaas, behept
+zijn met een uiterst broos en ziekelijk lichaam: daardoor verhinderd het
+hedendaagsche leven in heel zijn stormigheid te ondergaan--gelijk wel,
+al ware 't alleen uit plichtsgevoel, een edelen geest als de zijne, het
+heerlijkst denkbare moet hebben toegeschenen--; daardoor verhinderd het
+leven der gezonden mede te leven, deel te hebben in hun hopen en
+vreezen, hunne vervoeringen en neerslachtigheden, hun uitbundigheid en
+zelf-inkeer, wendde hij zich tot eene voorbijgegane wereld, die door de
+zachte fluisterstemmen der boeken tot hem kon spreken in zijner
+werkkamer omveiliging, gelijk zijn zwakke lichaam die behoefde. Want--en
+moge dit mijne beweringen ondersteunen:--_een vurig sociaal-demokraat
+als Van Oordt was_, kan zeer wel een universeel-aangelegden geest
+bezitten, waardoor hij zoowel de ekonomische noodzakelijkheid en
+geestelijke schoonheid der sociaal-demokratie als de schoone
+noodwendigheid der middeleeuwen doorvoelt, maar zulk een _vurig
+sociaal-demokraat_ kan _onmogelijk_ een geest bezitten, die hem zich
+precieuslijk doet afwenden van de rumoerende en zweetende en zwoegende
+hedendaagsche maatschappij, om in eenzaamheid de fantomen van een
+begraven verleden te evoqueeren, _dat aan sociale rechtvaardigheid niet
+rijker was_. Neen! Ware hem door een zekere bekrompenheid van geest de
+schoonheid en het beteekenisvolle van het huidige leven gesloten en
+ondoorvoelbaar gebleven, ik zoude hem geen groot en rijk kunstenaar
+[p.28] hebben geacht, maar juist omdat het, mijns inziens, slechts de
+bijkomstige omstandigheid zijner zwakke lichaamsgesteldheid was, die hem
+verhinderde dat leven te ondergaan en te herscheppen, daarom noem ik hem
+een rijke en groote. Toch--laat ons dezen edelen afgestorvene eeren door
+oprecht te zijn--niet alleen zijn ziekte, maar ook het bewustzijn, dat
+hij in slechts geringe mate de gave van dialogiseeren bezat, heeft er
+wellicht toe bijgedragen hem met des te meer vreugde een kunstsoort te
+doen beoefenen, die deze gave niet zoozeer vereischt, als de het
+hedendaagsche leven beeldende naturalistische romankunst dat doet. Want
+ik mag mij niet weerhouden te zeggen, dat even sterk als zijn
+verrukkelijk-beeldende beschrijvingskunst--zoowel van stoffelijke als
+geestelijke momenten--mij voorkomt te zijn, even zwak lijken mij zijn
+dialogen. Men behoeft maar het reeds zooeven genoemde _Een
+Pleiziervaart_ als _In de Kroeg_--het verhaal van een
+dronkemansruzie--en _Een Liefde in Limburg_ te lezen, om te merken, dat,
+wat vele zwakke dialogen-samenstellers doen, ook hij niet nalaat: het
+kruiden van hun niet zeer saprijk gerecht met een sterke en smakelijke
+specerij: de geijkte, hoekige, hollandsche volksuitdrukkingen. Wie Wolff
+en Deken kent, weet wat ik met dit kruiden bedoel, maar ziet hij 't daar
+in de hoogste vervolmaking en slechts om zich-zelfs wil, bij Van Oordt
+zal hij spoedig bemerken, dat die uitdrukkingen--niet bewust, maar
+instinctief--in de dialoog zijn gebracht, om dier levenszwakte te
+verbergen. Overigens, wij mogen onverdeeld dankbaar zijn voor dit
+_Nagelaten Werk_, dankbaar, omdat de jong-gestorven schrijver daarmede
+niet alleen zijn roem heeft bevestigd maar zelfs verhoogd.... Welk een
+allervoortreffelijkste zegging van een buitengewoon subtiel doorvoelen
+in dit:
+
+ En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de
+ koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar _tot een
+ burgerlijke versiering de zonnestralen_[3] langs mottige vitrage
+ gelen bij het weee rood en bij het uitgebloeide blauw der
+ kameromgeving.
+
+[p.29] En welk een opperste genialiteit in deze beelding:
+
+ Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een
+ geestdriftige stijging, _en als hij op sprong staat zich over te
+ geven aan den val der gindsche daling_, glimt hij in de zon als een
+ lint van gele japansche zijde.
+
+Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in _Een Zeereis_. De verhaalgang
+zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn
+effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, leeft
+als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een
+koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk
+een gang en een leven in dat _Fragment uit Floris de Zwarte_. Hoe
+onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde
+ontbloeien in _Een Liefde in Limburg_....
+
+En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn
+taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het
+Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te
+vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was--en ik zeg 't u
+om uw-zelfswil--lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar voor
+dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook dier wereld
+schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde
+levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten,
+allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen een geheel met haar--zoo, in
+de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op
+haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden,
+allen zijn zij een met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen
+getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en
+vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die
+prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun
+omvangen en gedragen zijn door die eene wereld van dien eenen geest....
+
+[SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.]
+
+Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen
+keer--en ge hebt 't uit den aanvang van dit [p.30] opstel reeds
+bemerkt--niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om
+dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp
+behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun
+lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats
+aan den roman _De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche
+Meren_, door C. en M. Scharten-Antink, _fournisseurs de la cour_. Dezen
+laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid
+der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden,
+maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande
+waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het--gij
+zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als eenheid
+te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit
+geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer
+vereend heeft, de recensent mag scheiden!--het echtpaar Scharten is het,
+niet voornamelijk wijl het _de_ erkende romanleverancier van _De Gids_
+is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere zeer
+voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche-
+woorden over hun etalagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene
+seizoen in _Soieries Francaises_, 'n ander in _Inverniciatura Italiana_
+handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in _High-life tailor-made
+Dressing-gowns,_ maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche
+katoentjes zal "doen"--neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't vooral,
+omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven,
+absoluut _hoffaehig_ te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af,
+tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n
+savante en kunstige manier, dat, als je goed proeft, de boeren zoowel
+als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die
+zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een
+cocotte smaken![4] Maar ge weet zoo min wellicht [p.31] wie de Cavarner
+landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander
+ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee
+machtige vuurstroomen--die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten
+zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik zoo in de Italiaansche
+sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen
+droom!--Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land
+met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens
+[p.32] door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken.
+Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen
+verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren
+verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander
+daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt
+veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant
+de invasie der Duitschers in Italie, die met hun flair voor zaken-doen
+den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede
+konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het
+land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt.
+_Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust
+bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen_. En dat beeld
+wordt er des te volkomener door en _blijkt zelfs rijk aan een ongezochte
+symboliek_, als we erop letten dat _de roomsche priester Jacchini de
+handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is_! Op deze tendenzen
+der huidige samenleving de hand te hebben [p.33] gelegd, en ongetwijfeld
+een _in-kunst-herscheppende_ hand, dat is de _machtige verdienste_ van
+de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds
+genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch
+vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt:
+tusschen de beide dorpspatriciers-families _Muzzo_ en _Taddei, in
+verband staande_ met de beide andere konflikten--en het dunkt mij goed,
+met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit
+werk m.i. miskend is, op dit _verband_ den nadruk te leggen--want de
+afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat
+de jonge Taddei wel uit Amerika naar het vaderland terugkeert--wat als
+eervol geldt--en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide
+hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe
+berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst
+tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een
+Taddei met een Muzzo trouwt, maar--er is een vierde dramatische botsing,
+die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een
+brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat
+is de levenstragiek van den blinden _Zacharia Banfi_, een
+_prachtig-gebeelde_ figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven
+van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht
+moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandie, een idee in
+zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om eens het vaderlijk
+erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt,
+sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar
+woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert
+in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het
+land terug te winnen.... Luister:
+
+ Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar
+ hem een zeemen zakje op de borst hing.
+
+ "Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire,
+ met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes
+ moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en
+ toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... [p.34] de
+ Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er een is, daar zijn
+ er honderd ... honderd...."
+
+ De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat
+ schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over
+ de binnenplaats....
+
+ De anderen, verschrikt, zaten stil.
+
+En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid
+houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in
+_Banfi_ op: een van die Duitschers, een broer van dien _Walther_, die op
+_Banfi's_ "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo
+in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar
+voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent _Banfi_ en hij geeft een
+deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen
+worden, om _Fulmignano_, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt
+het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij,
+waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan
+welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe
+kabelspoor en daar laat Walther het grootsche _Kulm_-hotel bouwen, daar
+zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo
+wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht
+zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:
+
+ "Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man,
+ _die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn
+ hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden_.
+
+Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:
+
+ Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok
+ voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat
+ hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke,
+ kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en
+ staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den
+ akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het
+ hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den
+ nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven
+ hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen,
+ die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht
+ verklaarde in een [p.35] zachte opgetogenheid. _Toen hij voor noch
+ achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon
+ meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn
+ vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog
+ voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een
+ bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren_....
+
+ _Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog
+ de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag,
+ naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar
+ Noranco lag_,--_hij zag dat alles in een teeder gewemel van
+ honderden zacht-roze bloesemboomen, een broos gesprankel van roze,
+ glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het
+ azuur van den hemel en aan het versche gras der
+ wijngaard-glooiingen,_--_heel dit lente-land, dat hij kende plekje
+ bij plekje, en dat hij plekje bij plekje voor zich kon tooveren in
+ den geest_.--_"Che bellezza," zei hij zacht_.
+
+Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en
+diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd
+zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat
+wij hem zien:
+
+ Onbeweeglijk bleef hij zitten.
+
+ Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn
+ starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.
+
+ Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede,
+ waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan
+ den dood....
+
+O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten
+en medelijden?
+
+Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld.
+Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen
+pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige
+kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio
+Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in
+wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Taddei laat
+trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is op. En
+die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het _Mayertje_, ofschoon
+uitstekend _doorvoeld_, is niet zoo goed _gebeeld_: de schrijvers hebben
+hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend,
+te spottend, [p.36] te humoristisch geworden. Met den _Zoppo_, den uit
+den treure preekenden vegetarier en theosoof vormt zij niettemin een
+aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische
+situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "_'t Mayertje_" te
+waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt.
+Zij blijkt dan, dunkt mij, _van zelf_ te symboliseeren het
+verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land
+binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer
+gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende,
+landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze
+minnehandels gebruikt _Madame Mayer_ een jong meisje uit het geslacht
+der _Muzzo's_ als "postillon d'amour," welk kind op een van die
+boodschaptochten door den "minnaar" van _het Mayertje_ wordt
+verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse
+tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer
+zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen--en is dit niet fraai
+en goed?--maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om,
+wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die
+balken er niet zijn!--En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en
+heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben
+geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n
+"ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb
+gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: _Wat
+dit boek zegt_, dat zegt het voortreffelijk--een enkele, in de sfeer
+van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd
+zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende
+verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor
+eigen vermogens bewijst--maar in _'t verzwijgen_, daar zit 'm het
+ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en
+de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze
+eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't
+kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren
+gehoord, [p.37] dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden
+verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit _niet_ voortkomt uit zekere
+zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor
+hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde
+zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen
+maakt, om tot scheppen te komen, dan is het--en vindt men dit een
+"insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk
+en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar
+tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!--dan is het: _wijl
+zij fournisseurs de la cour zijn!_
+
+[LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.]
+
+En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet
+praten.... Diens _Antiek Toerisme_ verplaatst ons zoowel naar vreemde
+landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari,
+een brok armoeigheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je
+rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan.
+Een schatrijk Romeinsch patricier gaat met zijn van hem afhankelijken
+oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij
+--eerste rangs tooneelmalligheid!--voor eene hem ontrouw geworden en met
+een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en
+inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij
+straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart.
+Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te
+trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als
+beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.--Kijk, als ge nu een
+boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk
+gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn
+geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te
+gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet
+en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een
+voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden--en welke gedachte
+zou, zoo kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?--hoe komt ge
+dan bij het betreden van dit Couperus-huis [p.38] bedrogen uit! De
+gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een
+onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen
+smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden,
+maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende
+gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins
+aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle
+duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen
+tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, oue Romein, men ontmoet
+een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar
+poe! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene....
+Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en
+die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al
+nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u
+vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou
+heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt ue dan uit
+Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk
+kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar
+is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname....
+Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat
+treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die
+dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte
+mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft;
+meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van
+een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn
+grooter tijd een ontzaglijk Magier was, die machtige geesten opriep, hen
+bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door
+zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, leven!
+
+Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb,
+den gids, en van Catullus zijn gezellig-goed. Dat gevalletje van het
+slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig [p.39] en lief. Die
+beschrijving van den Witten Nacht is _fraai_ en wij geraken wel in de
+stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch
+verleden ... jawel ... maar _de centrale fout van het werk is, dat de
+menschen er om het decor zijn en niet het decor om de menschen_. Er
+wordt _gespeeld_ met _menschelijkheid_. En de taal is verbijsterend
+slordig! Het woord _immens_ komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er
+minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is
+gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens
+deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord
+herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens
+_Nagelaten Werk_ voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te
+wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo _reuzig immens_ was"
+als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest
+opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van
+verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan,
+weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met
+een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen
+werkelijk verschil.... Doch wilt ge nog een spel, maar althans een
+edeler spel van hem zien? Sla dan _Groot-Nederland_ van Maart[5] op.
+Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de
+Medici. Dat lijkt toch op schaakspel, nietwaar? Het bord is er daar, om
+de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te
+maken: _het decor is er om de menschen_.... Neen, zeker: de groote
+Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich
+voor op een schitterend heroptreden--de kleine Couperus houdt zoolang
+het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+BRIEVEN OVER LITERATUUR [p.40]
+
+
+III
+
+ Kinderen zijn, in der aard-smart koninkrijk
+ Prinsen van vreugde en van jeugd-schoon koninklijk....
+ _Willem Kloos_
+
+Dat zijn zij, ongetwijfeld, maar zij zijn nog veel meer dan dit. Doch
+volledig uit te zeggen de majesteit en den rijkdom, de statigheid en de
+bevalligheid, de wijsheid en de liefde van hun teere levens--dat is geen
+mensen gegeven, zoo min, en uit eenzelfde oorzaak, als het ooit een
+onzer gegeven was of zal zijn, het Godswezen te doorvoelen. Want de
+bijbelsche leering, dat wij naar Gods beeld geschapen zijn, valt alleen
+te begrijpen, maar dan ook volledig, zoo dat zij straalt van waarheid,
+als we ons vooroverbuigen tot de menschen, die nog mensch_jes_ zijn, en
+van de tot ons omhooggeheven effen gezichtjes en klare oogjes de
+verrukkelijke zekerheid lezen, dat door en uit hun nog passief, hun nog
+sluimerend menschelijk bewustzijn, het Goddelijk Bewustzijn
+onvertroebeld glanst. Daarom was ik dan ook soms geneigd te beweren, dat
+men eigenlijk weinig van kinderen moet zeggen, daar alles wat men zeggen
+kan beneden hen blijft, en het een ijdel en ook heiligschennend bedrijf
+is te spreken van iets, waarover men niet waardig spreken kan. Maar
+later heb ik bevonden dat deze bewering een dwaasheid is, want, indien
+we niet meer over het Goddelijke en Kinderlijke mochten spreken, dan
+ware onze spraak van zijn diepste [p.41] accenten en schoonste geluiden beroofd
+en zou onze uitdrukkingsmacht zoo verzwakken en ontaarden, dat zij ten
+slotte geen enkele gedachte of gevoel waardiglijk meer zou weten te
+verwoorden. En reeds daarom ware het geen ijdel en heiligschennend
+bedrijf. Maar dat is het ook niet om een andere reden: Wie tot den
+_ziels_-geloovige, op wat wijze deze ook gelooft, van het Goddelijke
+eerbiedig spreekt, hij zal meevoelen en meedenken wekken, op hoe
+gebrekkige wijze hij zijn denk-voelen ook verwoordt, mits dat
+denk-voelen echt-in-hem zij. Er voltrekt zich dan een
+gemeenschappelijk-zijn tusschen beiden, dat wel op hun woorden rust als
+op aarde een bloemstruik, maar, evenals dat gebloemte die aarde, geurend
+en stralend en zon-weertintelend, de woorden te boven rijst. En niet
+minder: wie met een liefdevol hart over kinderen spreekt, hoe stamelend
+en hakkelend ook, hem lachen alle moeders tegen en de meest zorgenvolle
+vader heft van zijn werk het zware hoofd op, om hem even, als tot eene
+kracht-schenkende verpoozing, dankbaar aan te zien.
+
+[REYNEKE VAN STUWE: DE KINDEREN VAN HUIZE TER AAR.]
+
+Aldus gaat het hen, die van hen _spreken_. Die hen _beelden_, in een
+_kunstwerk_, gaat het anders! Elk niet al te laag staand mensch wordt
+hier een voortreffelijk en nauwlettend criticus. Dezelfde omstandigheid,
+die het den gebrekkigsten spreker gemakkelijk maakt, begrepen te worden,
+maakt het den _beelder_ moeilijk bijval en lof te verwerven. Want die
+omstandigheid is: de liefde voor kinderen, die _ieder_ niet al te laag
+staand mensch bezit. En schoon menigeen een kunstenaar moge vergeven,
+dat hij de zwarte en gluipend-strompelende gedaanten van Leed en Ziekte
+door een zonnige belichting iets van het vreeselijke hunner donkere
+geheimzinnigheid ontneemt, niemand vergeeft het hem, indien hij den
+stralenden engel van het geluk ontluistert en deze, door den mist van
+licht, waarin hij gaat, te dooven, iets van zijn even geheimzinnige maar
+daardoor alsnog onvatbare zaligheid verkondende schoonheid ontrooft....
+En kinderen zijn die engelen.... Daarom, wie kinderen beeldt, moet in
+zich hebben het vlugge naderen en het vlugge wijken, de bewegingen en
+aanrakingen van zijn geest moeten speelsch van vlug- en lichtheid zijn.
+[p.42] Zijn woord moet luchtig ademen als een wind, en zacht en
+streelend als een zachte wind zijn, want er zullen veel vlinders en
+bloemen komen te leven op zijn land.... Vele der eigenschappen, die zulk
+een kunstenaar vooral dus bezitten moet, zijn wellicht in dit eene woord
+te vatten: bevalligheid. Niet die der saletjonkers en modieuse dames,
+maar die der natuur: de bevalligheid der schoone verzen, der in de wei
+dravende jonge paarden, der neigende boomen; de bevalligheid, die alleen
+uit harmonieuse samenwerking van edele krachten ontstaat. En deze is het
+wier aanwezigheid ik telkens en telkens weer in het jongste boek van
+_Jeanne Reyneke van Stuwe_ heb gevoeld. Ge weet het waarschijnlijk al:
+het zieleleven van kinderen uit den zeer voornamen stand wordt daarin
+gebeeld. Door een voortreflijken vader en een stiefmoeder, die hen
+liefheeft, als waren zij haar eigen kinderen, opgevoed; door alles, wat
+een kinderleven rijk en gelukkig kan maken, omringd, komen er geen
+uitzonderlijk-hevige gebeurtenissen in hun leven voor, maar de
+schrijfster heeft met goed gevoel voor compositie, het sterven van een
+heel jong broertje erin gebracht, waarmede zij, binnen den grens der
+meest soliede waarschijnlijkheid blijvend, de gelegenheid heeft
+gekregen, de zieltjes der kinderen in de hoogste gevoelsspanning te
+laten zien. De drie gegeven kinderkarakters loopen zeer uiteen. Er zijn:
+de toekomstige superieure mensch: Adele; de toekomstige intrigante en
+coquette, d.w.z. intrigant en coquet op een vrij onschadelijke en kleine
+wijze: Eva; de toekomstige egoist, goedhartig en vrijgevig uit
+praallust, iemand met een tamelijk gering intellect en een zekere
+lichtzinnige grilligheid: Charles. Wat echter alle drie gemeen hebben,
+is wat men zou kunnen noemen: hun adels-, hun standsbewustzijn, in Adele
+schijnbaar het sterkst, en dit getuigt van den subtielen psychologischen
+voelzin der schrijfster: in werkelijkheid namelijk voelt dit kind zich
+zoo voornaam door eigen, _onbewuste_ noblesse, maar _bewust_ wordt haar
+die voornaamheid slechts als een zich-voelen: kind van Huize ter Aar!
+Het boek vol levendige handeling is vlot en luchtig geschreven: een
+witte raaf in onze literatuur. De kinderdialoog [p.43] is uitstekend.
+En ik zou de onverbeterlijke, oude zondaar niet moeten zijn, die, schoon
+hij telkens te hooren krijgt, dat hij zich niet weet te beperken, toch
+onverstoorbaar z'n gangetje gaat, als ik u hier niet wat zou laten zien
+uit den overvloed van mooie dingen, die ik, al lezend, verheugd zat te
+bekijken. Is dit niet allerliefst:
+
+ Ik gun je de pret! zei Amelie. Mag ik 'n chocolaadje? Nemen jullie
+ die mee? En hoe doen we met de poppen? Het was lang een lieve
+ gewoonte geweest, om naar een spel "eerlijk" de poppen mee te
+ nemen. Zelfs Charles waren vaak, hoewel onder protest, _kleine
+ poppetjes in de zakken van zijn jasje gestopt, met de vergunning
+ deze gedurende de geheele reis verborgen te houden, als hij,
+ wanneer de vertooningen begonnen, de koppetjes er maar uit liet
+ steken_.[6]
+
+En hoe uitstekend is, vooral in de door mij gecursiveerde woorden, een
+scherpe psychologische observatie gezegd:
+
+ Eva presenteerde "odeur" uit haar flaconnetje, en kreeg nog rooder
+ wangen, maar nu van ingehouden verontwaardiging, toen Oom Carel
+ zei:
+
+ --Nee, maar, wat heb jij[7] 'n prachtige kanarie-gele handschoenen
+ aan! Want zij zag de ironie in zijn oogen, en _zij haatte hem op
+ dat oogenblik met een snellen haat_, maar vergat dien weer, omdat
+ Oom, bemerkende dat er niets dan water uit haar flaconnetje kwam,
+ haar "economie" prees, en ofschoon zij niet precies begreep, wat
+ hij bedoelde, glimlachte zij toch even complaisant, omdat hij iets
+ van haar in het openbaar goedkeurde.
+
+Maar dan ook, welk een humor zit in dit werk. Men lette eens op die
+prachtige condoleantie-scenes, als 'n tante is gestorven: eerst het
+condoleeren door Leentje, een der dienstmeisjes. "Wel gecondoleerd,"
+zegt zij deftig, en Evatje studeert gauw het vreemde woord in, om het
+straks tot de ooms en tantes te kunnen zeggen! Daarna Eva's genoegen als
+ze merkt, dat haar vrijertje _Piet Erckelens_ het woord ook zoo goed
+weet te gebruiken. Maar dan dit: Charles, die al het heele sterfgeval
+vergeten is, speelt met zijn vrienden roovertje, zij hebben zich verdekt
+achter boomen opgesteld, [p.44] om den "rijken reiziger in 't eenzame
+bosch" te overvallen, en Piet, die uit dat eigenaardige, toch
+touchant-eerzuchtige van kinderen en ... groote menschen, om vooral
+jegens "hooger geplaatsten" onberispelijke manieren te toonen, overal
+naar hem loopt te zoeken, om hem te "condoleeren," nadert:
+
+ De argelooze Piet naderde meer en meer. Hij zette zijn gezicht zoo
+ ernstig mogelijk. Ja, hij had het wel gedacht: de jongens speelden
+ nergens. Hij was al in den boomgaard geweest, en bij de
+ vischplaats, en bij de tuintjes, en bij het achterhek ... nu zou
+ hij nog eens in den moestuin probeeren.
+
+ Hij naderde. Zijn hoofd was een beetje gebogen, en hij spande zich
+ in, de juiste, bij de gelegenheid passende gelaatsuitdrukking te
+ vinden. En ondertusschen loerde Rinaldo Rinaldini achter zijn boom,
+ gereed om zich met blikkerende oogen op z'n slachtoffer te werpen.
+
+ Piet hoorde iets. Tenminste hij bleef staan. En op dat oogenblik
+ sprong, tijgerwoest, zijn aanvaller achter een boom vandaan.
+
+ --Sta, of ik schiet!... was Charles van plan te schreeuwen. Maar de
+ woorden stokten hem in de keel. Roerloos bleef hij op de plek waar
+ hij stond. En het bloed steeg hem heet naar het hoofd van schaamte
+ en verwarring, want Piet had zijn hand vooruit gestoken, en op
+ somberen toon gezegd:
+
+ --Ik condoleer je wel, Arl.
+
+Is het niet voortreffelijk, dat plotselinge ondergaan van Charles'
+speellust in schaamte en verwarring? Maar vooral het komische van de
+situatie!... Humor en van de beste soort is er ook in de weergave van
+het "concert," dat de kinderen voor Juf en de meid geven, en waarop ze
+in de volle onschuld hunner hartjes, allerlei gemeene straatliedjes
+beginnen te zingen en er absoluut geen begrip van hebben, waarom Juf ze
+plots van het podium, een tuintafeltje, trekt en ze met dit en dat
+dreigt, als ze niet ophouden.... O, ik zou u nog zooveel fijngevoelde
+trekjes kunnen citeeren. Ik zou u wel willen laten zien, hoe
+voortreffelijk de kinderen in hun onderling zoo verschillenden aard zijn
+doorvoeld en weergegeven, bij die groote gebeurtenis: het sterven van
+broertje: Adele's innige smart; Evatje's sluw pogen, bij anderen den
+indruk te wekken, dat ook zij zoo diep voelt; haar spijt, het maar niet
+tot schreien te kunnen brengen. Ik [p.45] zou u even willen toonen de
+houding van dat geraffineerde coquettetje-in-den-dop, op het kinderbal,
+als haar cavalier vergeet haar ten dans te komen halen, en vooral, o
+vooral Adele's extatisch voelen, "dat er op de heele wereld geen kind,
+neen, geen enkel kind bestond, zoo gelukkig als zij," en, na den dood
+van het door haar zoo hevig geliefde broertje, haar weerzin, als ze
+hoort, dat er een nieuw kindje komt, dat broertjes plaats zal innemen;
+haar vermeende haat tegen dat nieuwe kindje! Ik zoude ook wel nader
+mijne meening willen motiveeren, dat de volwassen menschen niet zoo goed
+als de kinderen zijn gebeeld, dat met name, hun dialoog niet zoo goed
+geslaagd is, dat zij te veel betoogen en te redevoeringachtig spreken,
+dat zij ook te zeer als personages van bijzondere gewichtigheid,
+bijzonder verstand, en bijzonder gevoel zijn voorgesteld. Het is alsof
+zij, _in plaats van door de schrijfster-zelf, door de_ HEN
+VERHEERLIJKENDE _kinderen zijn gezien_. En ofschoon deze omstandigheid
+de eenheid van het werk wel versterkt, 't is toch niet goed.... De
+oorzaak wordt ons klaar, indien we er op letten, dat de grove,
+zinnelijke _Oom Carel_ beter gebeeld is dan de hoogstaande _Alexander_
+en _Jeannette_, de beide ouders: de schrijfster zich eenmaal volledig
+ingevoeld hebbend in de levenssfeer der _kinderen,_ werd door de visie
+van de in reinheid aan kinderen verwante _Alexander_ en _Jeannette niet_
+uit de _kinderlijke_ levenssfeer gerukt, zij zag en beeldde hen dus _van
+uit die sfeer_; door de visie echter van _Carel_, die _niets_ met het
+kinderlijke gemeen heeft, werd zij _wel_ uit het kinderlijke denk-voelen
+gerukt. Zij zag en beeldde hem dus van uit de sfeer der kunstenares
+Reyneke van Stuwe. Maar nu zal ik over dit alles niet verder uitweiden,
+en liever de nog ter behandeling van dit werk beschikbare ruimte
+gebruiken, om op iets veel gewichtigers uwe aandacht te vestigen. Zooals
+ge u wel, m'n waarde lezer, uit eigen jeugdjaren herinneren zult: in een
+kinderleven behoort een sprookjesprins, en, gelukkig, hij ontbreekt dan
+ook in het kinderleven van dit boek niet. Wilt ge hem van hier even zien
+verschijnen? Welnu, zie toe:
+
+ [p.46] Adele stond wat verder dan de anderen stil te kijken. Het
+ tooneel, nu het duisterder werd, had een vreemde bekoring voor
+ haar. Tegen de klare schemerblauwte der lucht bewogen zich de
+ zwarte figuren der menschen, als de silhouetten van een door
+ ouderdom donkere plaat. Duidelijk teekende zich de kruisboog van
+ het net af tegen den effen hemel. En als het plotseling zwaar werd
+ neergelaten, dan was het opeens, als brak een glad kristal in
+ scherven, die heftig op-vlogen, en in glinsterend gruis verstoven.
+ Zonder zich bewust te maken, wat zij zag, en zonder het in
+ zichzelve detailleerend te beschrijven, stond Adele, en keek,
+ gevangen in den ban van iets geheimzinnigs, iets ongewoons, dat
+ haar met onweerstaanbare macht hield geboeid. Alles was _anders_[8]
+ voor haar in deze oogenblikken ... al de menschen, die er bezig
+ waren, leken vreemde mannen, in een omgeving, die zij niet kende.
+ De atmosfeer was koel, en onbeweeglijk stonden de boomen en
+ planten-groepen tegen den donkerblauwen schijn van de lucht. En de
+ maan werd grooter en helderder, en wierp witte stralen op de
+ werkzame handen der mannen, en schampte zoo nu en dan een
+ fel-flitsend licht langs het stille, glanzende water.
+
+ Het was Adele, alsof zij droomde. In den grooten prenten-bijbel
+ kende zij de plaat: De wonderbare vischvangst, en ook wonderbaar
+ scheen _deze_ vischvangst haar toe, en het was haar, alsof zij nog
+ nooit te voren het zoo had gezien: het ophalen van het net, met de
+ levende, spartelende massa der over elkaar glippende,
+ kwikzilver-vlugge en flikkerende visschen, waaruit door den Baas,
+ onbeschroomd-tastend, een keus werd gedaan.... En nooit had zij 't
+ nog gezien dat Ruitenburg zoo iets om den adem in te houden vreemds
+ over zich had, als nu hij, met een emmer visch in de hand, zich
+ naar de keuken begaf. Zijn voetstappen knerpten over het grint;
+ zijn breede schouders waren wat naar voren gebogen, en zijn donker,
+ doorgroefd gezicht was in het maanlicht van een strakken plechtigen
+ ernst.
+
+Dit is de Prins van het mystieke levensaanvoelen. Dit is de heilige
+sprookjes-Prins, die in zijn glorierijk en droome--vlug verschijnen en
+verdwijnen, de menschen- en de kinderzielen even stil, ademloos-stil
+maakt van huiverend geluk, om de zijn oogen en gelaat ontstralende
+glansen.... Deze bladzij, op een _oneindig hooger_ plan dan het overige
+van dit werk levend, bevat--'k zeg het zonder "Oostersch-lyrische"
+overdrijving, in koelen bloede en mij sterk bewust van wat [p.47] ik
+zeg--een mystieke visie van een heel diep voelend schilder-visionnair.
+
+Van kind tot kunstenaar _il n'y a qu'un pas_. En zoo ge schalk genoeg
+zijt mij hier te vragen, of het diezelfde _pas_ is, welke van het
+sublieme naar het ridicule voert, ik zal u in vollen ernst antwoorden,
+dat dit wel en ook niet het geval kan zijn, maar dat het mij althans,
+_immer_ geviel in kind en kunstenaar een essentieele gelijkaardigheid te
+erkennen. Want een kunstenaar, ziet ge, dat is eigenlijk zulk een
+zonderling en zeldzaam wezen, dat _het meest wezenlijke en
+karakteristieke van het kind-zijn tot zijn dood behoudt_. Dat meest
+wezenlijke en karakteristieke is het _vaak en grootendeels passief-zijn_
+van het _menschelijk_ bewustzijn en het zeer actief-zijn van het
+zoogenaamde _Onbewuste_, dat ik, elders, het _Natuurlijk_ of _Goddelijk
+Bewustzijn_ heb genoemd. Vandaar het in onze oogen onbeheerschte en
+onberekenbare in _kinderen_ en vandaar ook het onbeheerschte en
+onberekenbare in de handelingen van vele _groote kunstenaars_; vandaar
+het ademloos-staren in alleen door hen geziene droomwerelden en het,
+blind voor het ommeleven, opgaan in voor hen opdoemende fantasieen door
+_kinderen_, en het, tijdelijk, als werkelijkheid beleven van visioenen
+en verbeeldingen door _kunstenaars_.
+
+De parallel zou verder door te voeren zijn, maar ik geloof, dat hij
+thans ver genoeg getrokken is, om u ook de door mij niet genoemde punten
+van overeenkomst tusschen kind en kunstenaar te doen gevoelen, en te
+doen begrijpen, waarom in onze nuchtere waarneming de verhouding
+tusschen de beiden _somtijds_ als van het sublieme tot het ridicule
+wordt: Een kind met houten sabel in de hand en papieren kroon op 't
+hoofd, zich in volle gemeendheid, zoolang de fantasie duurt, voor een
+koning of een veldheer te zien houden, ge geniet ervan, ook wijl ge 't
+sublieme en ongerepte voelt in zoo sterk een verbeeldingsmacht; ja, ik
+durf, indien ge geen al te saaie brompot zijt, er een lief ding om te
+verwedden, dat ge, na de eerste verontwaardiging, achter 't handje
+lacht, als [p.48] uw aardig zoontje uw ruit voor een vestingpoort heeft
+aangezien, en er met 'n katapult 'n gat in heeft geschoten, maar--ge
+behoeft geen brompot te zijn, om een groot kunstenaar, die zichzelf tot
+iets noch-nie-dagewesenes proclameert, of, om vermeende krenking, uw
+glazen ingooit, ridicuul en lastig te vinden. En toch--dat alles heeft
+een zelfde oorzaak: dat kinderen en groote kunstenaars in een oneindig
+losser verband dan anderen met de "werkelijke" wereld leven, en dat hun
+lagere persoonlijkheid telkens en telkens weer heftig en hartstochtelijk
+reageert op de influisteringen en 't voorgetoover van 't "Onbewuste,"
+dat nu eenmaal gewone menschen niets influistert of voortoovert, welke
+reacties--het zij herhaald--zoo zij zich voltrekken in de samenleving
+der volwassenen, daar vaak natuurlijk buiten alle redelijke proporties
+en uiterst zonderling lijken. Men heeft mij onlangs verweten, dat ik
+meedoe "aan het bijna misdadig werk, den leek te stijven in zijn
+dwaling, dat koelhoofdigheid, beradenheid en zelfbeheersching
+"onartistiek" zouden zijn, burgerlijk en nuchter." De schromelijk-onjuiste
+formuleering der beschuldiging daargelaten, wil ik wel even zeggen, dat
+ik mij toen voelde--en dat zal nu ieder begrijpelijk zijn--als die
+ongelukkige barbier van zekeren Kalief, die dien vorst onder het scheren
+verteld hebbend, dat een veldslag door de Ottomaansche legers verloren
+was, onmiddellijk door den Grooten Heer over de kling werd gejaagd.
+Helaas--ik houd van Turken!--ook het verhaal van dien barbier was _geen_
+dwaling, maar de onschuldige verteller had den slag toch niet verloren
+en ik heb toch niet de groote kunstenaars in de wereld geschopt?...
+Intusschen, niet altijd lijken ons die reacties ridicuul, wij achten ze
+soms ook wel van grootschen aard, al kan onze nuchterheid zich ook dan
+niet weerhouden, tegelijkertijd iets als "Don Quichottisch" te mompelen.
+Men denke bijv., om ons tot een voorbeeld uit de literatuur te bepalen,
+aan de vrij zuiver uit zijn _kunstenaarsaard_ voortvloeiende weigering
+van _Cyrano de Bergerac_, om de gunst van den almachtigen kardinaal de
+Richelieu te winnen, door gehoorzaampjes de wijzigingen te aanvaarden,
+die deze in Cyrano's tragedie mocht [p.49] wenschen aan te brengen. Ook
+zulk een daad wordt natuurlijk door ieder braaf burger eene krankzinnige
+extravagantie geacht, maar hij is zoo genadig haar "mooi" te noemen, ten
+eerste, omdat _zijn_ glazen er nimmer door kunnen breken--want laat mij
+u verzekeren, dat dit mooi-vinden hem, achter zijn toonbank weergekeerd,
+niet zal verhinderen te gnuiven: "Wat die zich daar vergooit ... dat
+most mijn gebeuren!... gewoon stapel!"...--en ten tweede, omdat hij
+niet door het _leelijk_-vinden eener daad, die de materie aan de idee
+offert, de kans wil loopen te worden aangezien voor iemand, die tot een
+dergelijk offer niet in staat is....
+
+[VAN GOGH-KAULBACH: VOOR TWEE LEVENS.]
+
+Ik heb hier nu twee boeken over kunstenaars voor mij liggen: een van
+Anna van Gogh--Kaulbach, _Voor Twee Levens_, dat ons een daad laat zien,
+die, op de boven omschreven wijze, "mooi" gevonden wordt en een van
+AEg.W. Timmerman, _Leo en Gerda_, dat ons daden toont, die hinderlijk en
+ridicuul zijn. Als weerspiegeling van maatschappelijk gebeuren en in den
+psychischen oorsprong daarvan beschouwd, zal ik nu wel, vermoedelijk, in
+het voorafgaande over den inhoud van beide voldoende hebben uitgeweid,
+laat mij dus nu voornamelijk hun waarde als kunstschepping keuren. In
+_Voor twee Levens_ is in _Ada_ de groote artisten-natuur gebeeld, die,
+gedwongen door het haar beheerschende Scheppende Vermogen, alle
+gewoon-menschelijke gevoelens onder den voet loopt. Welnu, ofschoon
+ernstig in aanmerking nemend, dat niet al het bijwerk even goed gelukt
+is, dat vooral het boek rustiger had kunnen en moeten geschreven zijn,
+waardoor, naast de vele uitmuntende beeldende zinnen, enkele
+cliche-achtige en slordig-globale vermeden waren geworden--is en blijft
+deze arbeid een geslaagd _kunstwerk_, omdat een _uiterst moeilijke
+taak_: het beelden eener zeer zeldzame uitzonderingsfiguur, met behulp
+van het naturalistische, dramatisch-plastische werk-procede er
+uitstekend in is gelukt. Niet genoeg kan ik de doorvoelings- en
+voorstellingsmacht roemen, waarmede in _Ada_, als bij stukjes en
+beetjes, als door een levende mozaiek-van-vele-kleine-handelingen, het
+bezeten-zijn van den drang tot scheppen wordt gebeeld. Hoe
+allervoortreffelijkst is, hoe innig heb ik [p.50] genoten van die, door
+treffende waarheid prachtige, uitbeelding van den angst eens kunstenaars
+voor storing op dat begenadigde oogenblik, dat de scheppingsdaad zich
+zal voltrekken.... Hoe leeft men daarin mee ... daar geluiden naderende
+stappen, daar gaat een stem opklinken ... o, even, even nog ... breek de
+nervig-bevende en als zich wanhopig-instralende aandacht niet, voor zij
+de nimmer weer zoo terugkeerende visie, gelukkig, heerlijk, buiten zich
+heeft vertastbaard en vereeuwigd, en, van het zorgelijk-hoeden van zoo
+broozen schat ontslagen, in een zuchten van geluk zich ontspannen
+mag.... O, er is nog zooveel fraais in dit boek: de in zijn liefde door
+_Ada_ teleurgestelde _Ru_; het voelen van _Louise_, die als _Ada_, die
+alleen voor haar kunst kan leven, van _Ru_ is heengegaan, hem met haar
+liefde troost.... Maar dat, de voortreffelijke beelding van den
+kunstenaarsaard, dat is de kostbare kern van dit boek, dat is het
+bijzondere, waarvoor, naar ik hoop, met mij vele lezers, der schrijfster
+dankbaar zullen zijn.
+
+[TIMMERMAN: LEO EN GERDA.]
+
+De figuur _Leo_ daarentegen in des heeren Timmermans' boek is van het
+bohemien-type, van dat type dus, dat gewoon is aan alle, ook de
+meest-buitensporige, verlangens toe te geven. Maar bij het lezen van al
+de door hem begane dolheden, bedenke men, dat, wanneer hij beweert, dat
+hij al die dwaasheden begaat om zich "uit te leven," om "zich frisch te
+houden," omdat, in een woord, z'n _kunstenaars_natuur daaraan behoefte
+heeft, dit soms weliswaar niet meer dan een voorwendsel van hem is, maar
+hij 't meestal wel heilig en waarachtig meent en intuitief voelt.
+Afstammeling van een aristocratisch geslacht, moordend-deftig opgevoed,
+geest-vermummiend bewindseld door het kinderachtigst conventioneele in
+zijn jeugd, weet hij op later leeftijd niet veel anders met zijn
+vrijheid aan te vangen, dan zooveel mogelijk maatschappelijke ruiten in
+te gooien, met geen ander wezenlijk resultaat natuurlijk, dan dat hij
+eigen handen kwetst. Maar ofschoon we dus zijn bohemien-zijn voor een
+deel op de rekening zijner opvoeding moeten stellen, de schrijver laat
+ons toch geen oogenblik in onzekerheid, dat het voor het grootste [p.51]
+part noodwendig voortvloeit uit _Leo's_ aard, dat wil zeggen: een
+_kunstenaars_aard van _zekere soort_. En het is een verdienste van den
+schrijver, dat hij dit kunstenaarsschap zoo goed heeft doen uitkomen;
+dat hij ons _Leo's_ plots-ernstig streven, midden-in zijn chaotisch en
+dolzinnig leven, naar ernst en toewijding aan zijn kunst laat zien; dat
+hij deze figuur zekere fijnheden laat doen en uitspreken, die ons
+onverklaarbaar zouden schijnen in, wij mogen wel zeggen: een dergelijken
+woesteling, indien die woesteling niet tevens kunstenaar ware. _Gerda_,
+een boerenmeid, uit de omgeving van zijn vaders landhuis, kan zijn
+hooger kunstenaarsleven niet meeleven, maar des te heviger leeft ze zijn
+lager kunstenaarsleven, het bohemien-zijn, mede. Al in hun jeugd hebben
+ze wel eens begeerend naar elkander gekeken. Later, na zijn vaders dood,
+ontmoet hij haar als een dood-gewone demi-mondaine "op de baan," haalt
+haar uit een bordeel en trouwt haar ten slotte. Men kan zich
+ongetwijfeld levendig voorstellen, wat voor dol- en abjectheden er
+dagelijks uit het samenleven dier beide gedesequilibreerden
+voortvloeien. De uitbeelding van dit samenleven is uitstekend gelukt en
+reeds als men daarop let, voelt men een jammerlijke spijt, dat het boek
+zoo schromelijk is bedorven door des schrijvers malle en jongensachtige
+van-leer-trekkerijen tegen dit en dat. Och, och, dat een toch zoo zeer
+talentvol schrijver als de heer Timmerman, die plastisch, dramatisch en
+psychologisch zooveel in zijn mars schijnt te hebben, maar niet heeft
+begrepen dat hij zijn kunst een brevet van onvermogen uitreikt, door
+telkens en telkens weer allerlei tendenz in ellenlange betoogen en
+onnatuurlijke dialoog in zijn werk te wringen, in stede van zijne
+beeldingen--gelijk het leven zelf--_door hun wijze van zijn, natuurlijk
+voortvloeiend uit hun aarden uit de omstandigheden_, voor of tegen iets,
+al naar de lezersgeest hen opvangt en verwerkt, _van zelf_ en _zelf_ een
+of andere meening te laten suggereeren of bewijzen. Want welken anderen
+indruk kan iemand, die als een suppoosterige museum-gids bij eigen werk
+staat te oreeren, wekken, dan die, dat hij voelt, dat 't werk-zelf
+_niet_ sprekend-leeft?! Ook: hoe overladen is het daardoor geworden, hoe
+[p.52] bultig-gedisproportionneerd. Het is of al de ervaringen, of al de
+meeningen, al de haat en al de liefde, in een lang leven gegaard en
+gekoesterd, in dit eene boek chaotisch-ziedend-en-worstelend moesten
+worden uitgestort! Maar het samenleven van _Leo_ en _Gerda_, hoe goed
+ook, is nog niet eens het beste in het boek. Het beste is vervat in het
+eerste hoofdstuk.
+
+Er is daar in de schildering van de verhouding tusschen _Gerda_ en haar
+vader, wiens half-onbewust sexueel begeeren naar haar, zijn dochter,
+deze, uit haat tegen hem, aanwakkert, door hem telkens en telkens weer,
+op grof-zinnelijke wijze te prikkelen--er is daar een epische zwier en
+tegelijkertijd een meesterlijke ingetogenheid in het aanduiden der
+verhoudingen en van het innerlijk gebeuren, die een kunstenaarsmacht van
+heel hoogen rang aanduiden. Die voortreffelijkheid van het eerste
+hoofdstuk keert in het heele boek niet weer. En wie zou niet vermoeden,
+dat zelfs deze daling, van het uitstekende naar het goede, veroorzaakt
+wordt door den jongensachtigen strijdlust, die vaardig wordt over den
+schrijver. Even weldoend als het moet zijn, een mensch met zulk een
+jeugdig hart, zulk een oprechten en edelen geest, als de heer Timmerman
+klaarblijkelijk is, onder zijn vrienden te mogen rekenen, even
+bedroevend is het, zulk een mensch zich, met al zijn impulsen, trots
+dier noblesse, in het werk van het door hem zich uitende Scheppend
+Vermogen te zien dringen en dat zoodoende verminken, welk te bejammeren
+bedrijf dan ook ten slotte op het eind van het werk uitloopt in een
+soort fotografie-realisme, dat niet schroomt, in eene hen ten slotte
+weinig flatteerende apotheose sommigen van de mannen-van-'80 ten
+tooneele te voeren! Ik kan mij niet voorstellen, dat eenig lezer van
+smaak blijde is, hier gepromoveerd te worden tot den spreekwoordelijken
+_valet_, die nu eenmaal gedoemd is groote mannen in kamerjapon te
+zien....--En, nu ik, voor te eindigen, nog even dralend en keurend
+terugzie over dit opstel, dat door bijzondere omstandigheden al te
+vluchtig moest worden geschreven maar waarin het mij toch tot mijn
+genoegen was gegeven, niet alleen over de kunstwaarde van drie ernstige
+werken te spreken, maar ook sommige [p.53] mijner lezers, naar ik mij
+vlei, naar aanleiding van die werken te hebben doen doorvoelen, dat het
+Scheppend Bewustzijn de lagere persoonlijkheid en van kinderen en van
+kunstenaars op vrijwel gelijksoortige wijze beinvloedt--nu voel ik toch
+de behoefte, nog even mijne meeningen daaromtrent verduidelijkend saam
+te vatten: dat die beinvloeding nml. beiden tot _buitensporigheden_
+brengt; dat het den eersten een aan volwassenen vreemde, verrukkelijke
+en liefde-wekkende bevalligheid verleent en aan de uitstameling hunner
+blonde droomen dezelfde bekoorlijkheid van menschelijk-onbewust-geschapen
+rijkdom, die ook kunst bezit, en de laatsten eenerzijds tot groote en
+lichtende daden van sterke wils- en gevoelsconcentratie, anderzijds tot
+uitspattingen drijft, _alle_ welke buitensporigheden echter de deugd
+bezitten van _de sleur te breken en den gewonen menschen de oogen te
+openen voor nauwelijks vermoede_ hoogere en lagere mogelijkheden, en dus
+hetzelfde te bewerken, _wat een ver afgedwaalde vogel doet, die
+uitheemsche zaden in een land laat vallen, en ongekende planten daar
+verwekt_....
+
+Maar dat ik juist het werk van den heer Timmerman omhoog moest heffen
+als een waarschuwing, wat met _het kunstwerk_ gebeurt, als de lagere
+persoonlijkheid zich al te roekeloos met de schepping van het Hoogere
+Bewustzijn moeit, dat was mij en om des heeren Timmermans' groot talent
+en om zijn klaarblijkelijk zoo edele menschelijkheid, tot een zeer diep
+leedwezen.--
+
+15 April 1912
+
+
+ * * * * *
+
+
+BRIEVEN OVER LITERATUUR
+
+
+IV.[p.54]
+
+
+Helaas, datgene, wat ik, schoon wellicht geheel ten onrechte, de
+noodwendigheid mijner uitingen zou willen noemen, dwingt mij nu, reeds
+bij den aanvang van dit schrijven den gemoedelijken en
+kalm-vriendelijken lezer te irriteeren en wellicht af te schrikken met
+een zoo paradoxaal-klinkende bewering als deze: _De alomtegenwoordigheid
+in de een of andere durende relatie, gesteld nu eens, dat een
+niet-bovenmenschelijk wezen alomtegenwoordig kon zijn, zou dat wezen
+onverbiddelijk verhinderen, roem, waardeering of zelfs genegenheid te
+verwerven_.
+
+Gij, die dit mocht betwijfelen of ontkennen--terwijl ik spreek, keer tot
+u-zelf in. Luister naar mij en luister naar u-zelf, te eigener ure....
+Ge zult zien dat u dit niet moeilijk vallen zal, want mijne woorden,
+vertrouw ik, zullen niet anders dan de bewust-makende _parafrase en
+verduidelijkende begeleiding uwer gedachten_ zijn.
+
+Dus: _waarom_ dan zoude de alomtegenwoordigheid haren grooten, niet
+bovenmenschelijken bezitter verhinderen roem, waardeering en genegenheid
+te verwerven? Gij weifelt: omdat de nijd ... maar waarmee gij--en hier
+ziet gij oprecht vragend op--toch waarlijk _niet_ behept zijt?!... Och
+neen, en ge weet het nu zelf op dezen oogenblik: zijn wij niet _ook_
+liefdevoller dan wij-zelf meestal denken?... O, het is iets veel ergers
+dan de nijd! En voeldet ge niet al het weten, [p.55] wat het is,
+naderen, toen ik zei, dat wij _ook_ liefdevoller zijn dan _wij-zelf_
+denken?... Het is: _omdat er zelfgeringschatting ligt op den grond onzer
+zielen_! Neen, dat wisten we nooit of zelden, en hoe zouden wij ook? Wij
+_wilden_ het immers niet weten. Hadden ook onze moralisten ons niet
+altijd geleerd--ons daardoor steunend in het al meer onbewust wordend
+zelfbedrog--dat hoogmoed en zelfoverschatting de vergiften zijn, die
+ons verwoesten? Hoe zouden wij dan het weten vermeesterd hebben, dat
+integendeel zelfgeringachting het lijkig-blauwende aardgas is, dat
+opstijgend de plantwortels in onze landen vermoordt, zoodat we van
+koren, bloemen noch geuren genieten! Want geen andere dan
+zelfgeringschatting is het, die ons twijfelend laat staan tegenover een
+groote van _onzen_ tijd, van _ons_ land, die ons de handen smachtend
+naar _andere_ tijden en _andere_ landen laat strekken. En geen andere
+dan diezelfde geringschatting ontneemt ons het heerlijke geloof, dat in
+_onzen_ tijd, in _ons_ geslacht, in _ons_ land, als een evenmensch met
+_ons_ verkeerend, een _Groote_ leven kan. _Daarom_ is het spreekwoord:
+Geen profeet wordt in zijn eigen land geeerd, een waarheid: De
+_zelfgeringschatting_ staat niet toe te gelooven, dat het _eigen_ land
+een profeet _kan_ voortbrengen! En _daarom_ zou een _alomtegenwoordige_
+Groote _nergens_ worden geeerd!
+
+Maar hier ziet gij op, schudt het hoofd en beduidt mij niet onduidelijk,
+dat _indien_ al de bijkomende overwegingen niet van eenige waarde
+ontbloot mochten zijn, mijne primaire bewering, schoon tevens
+beargumenteerde conclusie geworden, geenerlei _practisch_ belang heeft,
+want er bestaat geen niet-bovenmenschelijk wezen, dat alomtegenwoordig
+zou zijn!
+
+Maar ach, dit is 'n schromelijke vergissing van u, mijn waarde lezer! Is
+het u dan nooit opgevallen, dat het Joodsche Volk, dat een Groote is,
+tevens zulk een alomtegenwoordig wezen is? Trek alle landen door en
+overal zult ge het ontmoeten, en wat er ook verwaasd moge zijn, uit alle
+historische tijden zien u zijn zelfde zorgenvolle oogen en verweerde
+gelaat aan.... Israel is ieders tijd- en ieders landgenoot.... _Daarom_
+is het nergens en nooit geeerd en geliefd met de liefde en den [p.56]
+eerbied, die hem toekomen. En wat hem daarvan onthouden wordt, daar
+minder, ginds weer meer, wat iederen Groote, in welken tijd en in welk
+land ook levend, daarvan in dien tijd en in dat land onthouden wordt--is
+_altijd evenredig aan het gebrek aan zelfachting en zelfvertrouwen van
+hen, die hem moesten eeren en liefhebben_. Want luister! Zooals de
+betrekkelijk schaarsche bewondering voor tijd- of landgenootelijke
+Grooten niets anders is, in zekeren zin, dan de veruiterlijking der
+innerlijke zelfhoogachting, het _kunnen-gelooven aan met hen verwante
+grootheid_ der schaarsche hoogstaanden, zoo is de cynische twijfel
+tegenover die Grooten niets anders dan de weerspiegeling van de
+zelfgeringschatting der middelmatigen, het _twijfelen aan de
+mogelijkheid van bestaan van aan hen verwante grootheid,_ en zoo, ten
+slotte, is de _haat_ tegen en _verachting_ van zulk een Groote--en ge
+ziet in het antisemitisme van het hooligan-type het zuiverst beeld van
+zulk een haat!--anders dan de uitgebraakte _zelfverachting_ der
+verdierlijkten, _het onmogelijk kunnen gelooven aan op eenigerlei wijze
+met hen in aanraking zijnde grootheid_, en het daarom tegelijkertijd
+haten en verachten als _gehuichelde en geuesurpeerde_ meerderheid, 't
+geen inderdaad _werkelijke_ en _rechtmatige_ meerderheid is, en die zij
+_als zoodanig_ doorvoeld, _alleen_ gehaat zouden hebben.
+
+De Literatuur, we weten het, heeft wonderen van vlijm-hoonende ironie,
+van monsterlijk-groteske, in den snik-lach om zich-zelf zich
+schaamteloos-wentelende gedrochten voortgebracht, maar--het allerbeste
+behield de Natuur zich-zelf ten dienste harer onmiddellijke scheppingen
+voor: deze antisemieten van het hooligan-type vooral, maar niet alleen,
+zij zijn onovertrefbaar van gedrochtelijkheid, een charge lijken zij,
+een overdrijving, zij zijn onwaarschijnlijk en onwezenlijk van
+alleruitmuntendste wezenlijkheid! En die heele bende pogromhelden, deze
+Kischinewsche en Homelsche vrouwenwurgers en kinderverkrachters, met den
+allerchristelijksten Czaar-paus-vredestichter tot beschermheer, die hun
+slachtoffers _verachten_ en niet weten, dat zij niet anders dan
+_zelfverachting_ braken!... Dat staat hoog boven alles uit, prachtig
+[p.57] stinkend-van-walgelijkheid en oogenvonkelend, snoet-roodend en
+wijdmuilend van bestiaal-zinnelijke, hik-lachende belachelijkheid.
+
+Gij, _Hollander_, zult niet vragen, schaamteloos-onverschillig als de
+zonen van menig ander volk, waarom ik u dit vertel; gij, die slechts aan
+zelfgeringschatting lijdt en geen zelfverachting voelt noch behoeft te
+voelen; gij, landgenoot van Surenhuys en Basnage en die bevallige
+Joffers en edele Heeren, die uit een zachte liefde jegens de oude
+cultuur eener groote natie, de Hebreeuwsche literatuur vereerden, o ik
+weet het en wensch hun sentiment te onder- noch te overschatten: zoo
+ongeveer wellicht op dezelfde wijze, waarop een Fransch edelman de
+verweeuwde vriendin zijner jeugd nog elken dag bezoekt en weemoediglijk
+zacht causeert en haar lieve en bevallige geschenkjes met bescheiden
+glimlach en hoofsche buiging biedt. Al weet ik ook: die tijd is lang
+voorbij, en al is het mij niet verholen, dat gij, hun nakomelingen, niet
+vrij zijt, hier en daar, van een zeker ras-antagonisme.... En bovendien:
+hoe ver staat gij in uw modern leven van al die speelsche
+bevalligheidjes af: een Tesselschade aardige klassiek-Hebreeuwsche
+briefjes aan hare vriendinnen over het huishouden en de edele kookkunst
+schrijvend!... Maar toch, wat ook gij wel weet en van welk weten gij u
+naar ik hoop niet ver zult houden, is: dat Spinoza uw grootste wijsgeer,
+Israels een uwer grootste schilders, en Querido thans, onbetwijfelbaar,
+uw grootste epicus is en dus.... Neen, zeker ... ik ben overtuigd, gij
+hebt aandachtig geluisterd, terwijl ik u sprak van dat volk, dat u
+zooveel heeft geboden, en zult voortgaan met niet minder aandachtig te
+luisteren, al spreek ik dezen keer over niets anders dan over werk van
+zonen van dat volk.
+
+Het literaire genie der Joden schijnt mij tot voor betrekkelijk weinig
+decennien overheerschend meditatief-lyrisch te zijn geweest; hun episch
+vermogen--de tijdvakken, die den Bijbel uit zich hebben omhoog gestuwd,
+buiten beschouwing gelaten--vrij wel latent; hun plastiek niet sterk,
+zelfs de plastiek [p.58] van Salomo's onvergelijkelijk _Lied der
+Liederen_ wordt geschaadt en ernstig verzwakt door de tendentieuse
+beeldvorming eener bedoelingsvolle allegoriek. En ik heb zoo'n stil
+vermoeden, voor 't eerst nu ruchtbaar gemaakt, dat Mozes, behalve een
+geniaal wetgever, ook een uitstekend kunst-beoordeelaar bleek te zijn,
+toen hij het gouden kalf verbrandde! Maar, helaas, welk een
+onvoorzichtigheid tevens beging hij daar mee. Het schijnt of men maar
+geen vrede met dit genadeloos afbrekend oordeel hebben kon! Men moest en
+zou bewijzen wel degelijk in staat te zijn gouden kalveren van de
+allerbeste kwaliteit en natuur-getrouwe allure voort te brengen.... En
+met welk een succes!... De Rotschilds en de Hirschen, wie zou het hoofd
+niet voor hen buigen, zelfs nadat ze door de Morgans, de Rockefellers en
+hoe al die andere onbaatzuchtige artiesten verder mogen heeten,
+overvleugeld zijn. En wat zeg ik: overvleugeld! Dat zit nog! Denk eens
+aan die prachtige groep: _Het Gouden Kalf bevuilend zijn eigen Stal_,
+eenige jaren geleden door een russophil, joodsch bankier, in vrije
+uurtjes van kunstlievigheid en inspiratie gewrocht.... O, dat was om op
+de knieen te vallen!... Och, of Mozes nog geleefd hadde! Zoude hij
+ditmaal instede van het kunstwerk niet den kunstenaar hebben verbrand,
+om voor goed te verhinderen, dat deze zich wellicht in de toekomst aan
+een noodzakelijk-mindere, hem-zelf en zijn werk schadende herhaling zou
+te buiten gaan? Inderdaad, ik mag zeggen, dat het antwoord zoo makkelijk
+te geven als de vraag te verstaan is! Maar Mozes leeft niet meer, en
+welbeschouwd is dat ook goed, want het moet niet aangenaam zijn, een
+groot man iets overbodigs te zien doen. Want nu in ernst, zoo blijde,
+als deze scherts bitter was: dat uitschot van mijn volk--maar ik wensch
+nu verstaan te hebben, dat ik hier alleen spreek van die tijdens de
+jodenvervolgingen en revolutie aan Rusland geldschietende Joodsche
+ellendelingen--deze verkoopers van hun broers, verloochenaars van hun
+ras, deze verzwijnden in den afval der vreemde maatschappijen, hoe zijn
+zij weggedrongen door de kinderen der Jesaja's en Jeremia's, door de
+nieuwe profeten zoowel van de vertroosting als het leed! Er is in de
+jonge Joden, [p.59] in deze geheele, nu opgebloeide generatie van jonge
+dichters en schrijvers, met de melancholie van het ghetto of de hoop op
+renaissance--meest met beiden!--in hun hart, geen eerbied meer voor het
+geld om het geld, geen eerbied ook meer voor autoritaire tradities: van
+een heilige aandacht vol, hebben zij zich diep gebogen over de natuur,
+hun volk en hun ziel, en zoo zij hun blikken wenden van deze trits, het
+is alleen om in een over-huiverend gevoel van geluk te zien naar de
+wondere Aronsstaf in hun hand, die, voorlang tot 'n dor hout geworden,
+nu in geurende bloemen ontluikt. Want ze weten het, zij zijn het, die
+hem doen bloeien, daar de mystieke zegen der natuur en van hun volk en
+van hun eigen ziel, hem uit hun handen en gelaat bestraalt. Die
+Aronsstaf, mijn lezer--gij zoudt het reeds begrepen hebben, zoo ge het
+boek van _Dr. Slousch_, waarover ik nu ga spreken, gelezen hadt--die
+Aronsstaf is de verjongd-uitbottende _Hebreeuwsche taal_!
+
+[DR. SLOUSCH: LA POESIE LYRIQUE HEBRAIQUE.]
+
+Het, de nieuwe Hebreeuwsche lyriek (1882--1910) behandelende, boek van
+dezen geleerden, met een zeer fijne critische intuitie begaafden
+Sorbonne-docent, waardeer ik niet zoozeer om eenige bijzondere kwaliteit
+der literaire analyse, die te zeer op het tweede plan teruggedrongen is,
+om een definitief oordeel over het analytisch vermogen van den auteur
+mogelijk te maken, maar voornamelijk om de volgende redenen: het
+meesterschap over de stof, het met strak en vast gebaar aangeven van de
+groote ontwikkelingslijn, en het aanwenden van meer moderne
+literair-critische methoden op eene literatuur, die zelden of nooit door
+een beoordeelaar zonder religieuzen bril bekeken is. Dat vooral maakt
+een alleraangenaamsten, buitengewoon prettigen indruk. Maar--volkomen
+geemancipeerd van alle kerkelijke gedachten-dwang als Slousch mij lijkt,
+is hij dan ook aan de dezen geestestoestand soms begeleidende euvelen
+niet ontkomen. Een enkel maal is hij "erge" nieuwlichterlijkheid
+schromelijk onjuist en onrechtvaardig. Zoo, sprekend van den door hem
+als groot geprezen Sauel Tchernikhovsky, zegt hij:
+
+ [p.60] Cette derniere allusion a un rite rabbinique peu esthetique
+ (het dragen der gebedsriemen, v.C.) auquel la tradition attache
+ beaucoup d'importance, doit accentuer le contraste entre la beaute
+ du culte grec et le manque de gout des rabbins.
+
+Ten eerste is deze ritus niet "rabbijnsch" maar vloeit onmiddellijk uit
+een bijbelsch gebod voort! Het ware de taak van den analytischen
+criticus hier geweest, op te merken, dat als Tchernikhovsky toornt:
+
+ Toutes ces belles choses, que des hommes sans vie, que des etres
+ pourris, vils et rebelles a la vie (Men merkt: eenzelfde verwijt
+ als reeds zoo vaak het Christendom getroffen heeft, treft hier het
+ rabbijnsche Jodendom! v.C.) ont enlevees a Shadai-Dieu-Roc (cette
+ divinite impenetrable du desert, qui presidait aux actes des
+ conquerants de Chanaan) et qu'_ils ont enchainees dans les cuirs
+ des philacteres_,
+
+hij tegen den verkeerde toornt, want dat dit "ketenen in het leder der
+gebedsriemen" een gebod van "Shadai-Dieu-Roc" zelf is. _Niet_ dus van
+"Adonai, le Dieu pacifique et ritualiste des rabbins," maar wel degelijk
+van: "Jehova-Zebaoth, le dieu guerrier et vengeur des Hebreux." Instede
+van hem den dichter te doen bijvallen, hadde dus deze plaats Dr. Slousch
+tot een schoon voorbeeld kunnen dienen van wat hij-zelf het "souvent
+plus oratoire que sincere" in Tchernikhovsky's poezie noemt! Maar ten
+tweede zal het wel iedereen, behalve Slousch, onmogelijk zijn in te
+zien, waarin het "onaestetische" van dezen ritus steekt! Integendeel, ik
+herinner mij levendig uit mijn jeugd, welke aan het extatische grenzende
+momenten ik doorleefd heb, door die "kroon op mijn hoofd" en dat "zegel
+op mijn arm" en ook--hoe rijk is een kind!--hoe ik midden in het
+ochtendgebed en mij alleen in de kamer wetend, plotseling, door de
+invallende gedachte opgewonden, nerveus maar toch glimlachend van
+voorvoeld genot voor den spiegel trad, om, terwijl ik het tallith--den
+gebedsmantel--op z'n schilderachtigst om mijn lijf drapeerde, te zien
+of mij de hoofdgebedsriem nu waarlijk als de vorstelijke diadeem stond,
+die ik mij altijd op 't hoofd droomde.... Helaas! hoe kan men zoo dalen:
+niet alleen dat ik niet meer taal naar een kroon, maar ik ben zelfs met
+een stoffigen hoed tevreden!... [p.61] Maar dus: "onaestetisch"!... ik
+begrijp er niets van! Een andere onjuistheid van dien aard is de
+volgende. Na een citaat uit denzelfden Tchernikhovsky, zegt onze auteur:
+
+ Allusion a un passage talmudique qui execre celui qui s'arrete a
+ contempler "un bel arbre ou un beau champ."
+
+Men zou dus hieruit gevoegelijk de enormiteit kunnen afleiden, dat deze
+passus het bewonderen van natuurschoon verbiedt!! Daar is natuurlijk
+niets van aan! In werkelijkheid luidt bedoelde sententie, in getrouwe
+vertaling, aldus:
+
+ Die ten wege gaat _en over gewijde onderwerpen mediteert en zijn
+ meditatie afbreekt_, om te zeggen: hoe schoon is deze boom, hoe
+ schoon deze akker, hem beschouwt de Schrift als een die _zich
+ schuldig maakt jegens eigen ziel_.
+
+Ik zal dit niet nader behoeven te analyseeren, om den lezer, die op het
+door mij gecursiveerde let, te overtuigen, dat hier noch van een verbod
+om natuurschoon te bewonderen noch van iemand "verfoeien" sprake is!
+
+Maar--en spreekt dit trouwens niet van zelf?--het opmerken dezer kleine
+vlekjes kunnen de wijde en diepe dankbaarheid niet verminderen, die ik
+als een warme liefde in mij voel voor dit boek en zijn schrijver. Bij de
+geestelijke gestalten der daarin behandelde dichters, dezer vergeefs
+vervolgde, ontembare en van levenskracht stralende helden, wat zijn wij,
+Westersche Joden, daar Jood_jes_ bij. Van hen allen schijnt _Bialik_ mij
+de allergrootste. Men leze dit door Slousch aangehaalde kleine fragment
+uit het gedicht _Massa Nemirow,_ "une description realiste du pogrome de
+Kichenev."
+
+ Fils de l'homme ... leve-toi et va vers la ville de la Tuerie. Tu
+ visiteras les maisons pour voir de tes yeux et pour palper de tes
+ mains le sang fige et les cervelles durcies sur les haies, sur les
+ arbres et sur le cement des cloisons.... Puis, tu iras voir les
+ ruines, en franchissant des breches, en passant par des murs troues
+ et par les fours brises, la ou les entailles sont les plus larges,
+ ou les trous sont les plus grands, ou la pierre noire est denudee
+ et la brique arrachee.... Elles sont pareilles aux bouches beautes
+ des plaies sordides pour lesquelles aucun moyen, aucun remede n'est
+ plus efficace. Tes pieds s'enfonceront dans les plumes et buteront
+ contre les decombres des objets brises, [p.62] contre les restes
+ des livres et des parchemins, biens perdus, produit des peines et
+ des labeurs surhumains....
+
+ Cependant, tu ne t'attarderas point sur ces ruines et tu
+ continueras droit ton chemin.... Et l'odeur des acacias viendra a
+ ta rencontre, et leur parfum penetrera dans tes narines et leurs
+ fleurs qui sentent le sang....
+
+ Et comme pour te contrister, leur senteur etrange repandra dans ton
+ coeur la fraicheur du printemps, et tu le supporteras! Et le soleil
+ te percera de myriades de fleches dorees qui refleteront sur chaque
+ fragment de vitre sept rayons joyeux de ton malheur....
+
+ _Car Jehova fit appel au printemps et a la tuerie a la fois. Le
+ soleil rayonnait, l'acacia s'epanouissait et le bourreau
+ abattait_....
+
+Door het cursiveeren van den laatsten zin, in zijn poignante
+tegenstellingen vol van een magistrale, zwaar dreunende zeggingskracht,
+toont _Slousch_ wel duidelijk, welk een bevoegd docent zijn discipelen
+in hem bezitten. Jammer, dat door de ontstentenis van den oorspronkelijken
+Hebreeuwschen tekst den lezer van dit boek de mogelijkheid wordt onthouden,
+ook zijn vertaal-talent te waardeeren. Een ander gedicht: _La Chose
+(Dabar)_ van denzelfden dichter ontlokt onzen auteur deze opmerking:
+
+ Dans ce sanglot de desespoir supreme d'une pensee qui s'obstine a
+ vivre, bien qu'elle soit hantee de l'idee de la Fin, s'affirme une
+ sensibilite vivante et sympathique, qui merite d'etre connue de
+ notre siecle d'egoisme et de positivisme a outrance.
+
+En overtuig u hoezeer hij gelijk heeft: (Ik citeer slechts een klein
+gedeelte.)
+
+ Car _une chose_ s'est declaree chez nous et personne ne sait ce
+ qu'elle signifie.
+
+ Est-ce un Lever ou un Coucher de soleil? Si c'est un Coucher,
+ est-ce pour jamais?
+
+ Car le Chaos qui nous entoure est grand. Il est terrible ce chaos,
+ et n'offre aucun refuge.
+
+ Et alors meme que nous voudrions implorer dans les tenebres, nous
+ livrer aux prieres, quelle oreille nous ecouterait?
+
+ Meme si nous blasphemions, sur quelle tete retomberaient nos
+ blasphemes?
+
+ Et lors meme que nous grincerions des dents, que nous leverions le
+ poing de colere, quelle nuque en serait atteinte? Le Chaos, le vent
+ emporterait tout sans laisser des traces.
+
+ [p.63] Plus de point d'appuis, plus de soutien, plus de chemin. Les
+ cieux se sont tus!
+
+ Ils savent combien ils sont criminels envers nous, et combien leur
+ crime est infernal, et ils portent silencieusement le poids de leur
+ faute.
+
+ Ouvre donc ta bouche, o Prophete de la Fin, et si tu as quelque
+ chose a dire, dis-le!
+
+ Dut ta parole etre amere comme la mort, dut-elle etre la mort
+ elle-meme, parle, dis-la!
+
+ Pourquoi craindrions-nous la mort, puisque deja son ange chevauche
+ sur notre dos et met le mors dans notre bouche?
+
+ _Et en plein hymne de Renaissance chantant sur nos levres, en plein
+ delire de joie de vivre, nous galopons vers la tombe_....
+
+En hoe val ik Slousch bij als hij van dien anderen groote,
+Tchernikhovsky, zegt:
+
+ (Wat hij in zijn verzen geeft) c'est la vie reelle, l'effort que le
+ poete preche aux fils degeneres du ghetto.
+
+ Debordant lui-meme de la joie de vivre et d'agir, il exerce une
+ action d'autant plus grande sur le lecteur, ses propres collegues.
+
+ Il a conscience de son role de regenerateur. Il est aussi large,
+ aussi prodigue que la nature l'est pour lui-meme.
+
+Ja, inderdaad: "debordant de joie de vivre!" Luister slechts, ten slot,
+naar dit:
+
+ Mais non! Elle ne mourra pas la Poesie! Elle ne mourra jamais! Meme
+ le jour ou l'homme ver parviendra a etendre son regne sur les
+ domaines du Ciel et des abimes, a dompter les tonnerres et le feu,
+ et a jeter des clartes sur les tenebres de la nuit polaire, elle ne
+ mourra point.... Dans les cadres d'or pur, dans les colliers des
+ rimes, l'enthousiasme de l'ame du poete jaillira puissant comme le
+ grondement superbe de la mer. Aux souvenirs des actes accomplis par
+ les peres aux temps passes et dans la felicite sans bornes des
+ siecles a venir, elle ne mourra pas, elle ne mourra jamais!...
+
+Bialik en Tchernikhovsky! De een, de sterke, mannelijke drager en
+bepeinzer van het schrijnende leed van millioenen, de ander de bazuin
+van hun onverwoestbaar geloof in het leven en in de toekomst, beiden te
+zaam een beeld van die edele revolutionnaire kracht, in welke de felle
+en vernuftig-ondermijnende haat van het _intellect_ tegen het
+verfoeielijk maatschappelijk _systeem_, zich heeft gepaard aan de
+erbarmingsvolle [p.64] zachtheid van de _ziel_ jegens de _menschen_; een
+beeld in een woord der revolutionnaire kracht van het stam-volk van
+_Marx en Lassalle_!--Maar terwijl ik dit neerschrijf wordt weer het oude
+en schaamtevolle betreuren in mij wakker. Mijn liefde voor de Bialik's
+en Tchernikhovsky's, zij wijkt bleek en huiverend terug, gelijk een
+hooghartig geweigerde liefde. En het is mij of dat rechtvaardig is, en
+ik geen broederlijk deel aan noch recht op hen heb. Hoe bitter is dit:
+dat ik in de maatschappij, waarin _ik_ leef, niets van het leven, het
+denken, het voelen dier sterken en vurigen en in mijn eigen trekken noch
+in die mijner westersche en vooral hollandsche stamgenooten gelijkenis
+met hun geestelijk gelaat herken.
+
+[DR. KARPELES: HEINE-RELIQUIEN.]
+
+En dat kan niet aan mijn blik liggen. Want denk ik daarentegen aan dat
+andere, door mij nu te behandelen boek, het nog niet sinds lang
+uitgegeven werk van Dr. Gustave Karpeles: _Heine Reliquien_, dan zie ik
+daarin niet een mensch, hij zij Arier of Semiet, of ik vind het meest
+karakteristieke zijner wezenheid in de mij omringende menschen terug:
+_Salomon Heine_, de man van de quasi-luidruchtigheid en jovialiteit,
+welke zijn grimmig sarcasme moeten bedekken tot den tijd, dat het vlug
+de venijnige nagelklauwtjes uitschiet, de man wiens diepste wezensaard
+is: een onder zijn joodsch-bankiers-cynisme voortsmeulende en er
+lichtelijk door gedompteerde vettige zinnelijkheid; _Gustave Heine_, de
+gedistingeerde, veradellijkte cavallerie-officier, met zijn literaire
+aspiraties en talentjes, met een manusje-van-alles-achtigheid in zich,
+een aanpassingsvermogen, een abiliteit om zijn cocon op het juiste
+tijdstip als glanzend vlindertje, de vleugeltjes beladen met stofgoud,
+te kunnen verlaten, die buitengewoon zijn; de _Baron de Custine_, met
+zijn verliefdheid op den Heiniaanschen geest; Varnhagen en Immermann,
+"die hun best deden als ze aan Heine schreven, even geestig als hij te
+zijn." ("Hoe dat uitviel is een andere zaak," voegt Karpeles er schalk
+bij.) O, al die menschen ken ik empirisch en intuitief door en door!
+Doch hoe veel beter ware het mij, als ik de Bialik's aldus kende! Maar
+toch: niet alleen als vergelijkingsmateriaal [p.65] met het zoo oneindig
+belangrijker werk van _Slousch_, is het boek interessant. Het is het
+vooral om de figuur van den grooten Heinrich. Die blijkt ook hier weer
+enorm! Luister even, bid ik u: 1 Febr. 1846 schrijft hij:
+
+ Lesen kann ich gar nicht, schreiben nur wenig. Ein Auge ist seit
+ einem Jahr ganz geschlossen, das andre sehr matt, und 2/3 des
+ Gesichtes, inclusive den Mund sind gelaehmt. Dabei bin ich
+ lebensmuthig geblieben, und habe gar kein Lust mich ruhig mit
+ Fuessen treten zu lassen. Im Gegentheil mich jucken die Fuszspitzen
+ und Gott sei genaedig dem Hintern, den sie naechstens treffen.
+
+Men ziet het: de verlamde en den dood zich nabij wetende Heine heeft
+niets van zijn trotsche en vreeslooze strijdvaardigheid ingeboet. Ook
+niets van zijn beroemde geestigheid! In die geestigheid had de
+_Jiddische Witz_ zijn culminatiepunt gevonden. Moest ik deze laatste
+karakteriseeren--en dit is wellicht tegenover den niet-joodschen lezer
+niet ongewenscht--ik zou willen beweren: het is de geestigheid van een
+gemoedelijken, uiterst _ervaringrijken_ en scherpzinnigen _grijsaard_,
+een grijsaard, die ook die meest gewone eigenaardigheid van den ouderdom
+vertoont, dat hij het innerlijk meer dan het uiterlijk zoowel van zijn
+persoon als zijne uitingen verzorgt. En wat is trouwens natuurlijker dan
+dat ook de geestigheid van 'n volk met een geschiedenis van 'n 4000
+jaren, het karakter van die eens over-ervaringrijken, een weinig
+sceptischen ouden drage?! Een aardig staaltje nu van dien geest, maar:
+ver-Heiniaand, d.i. dus culmineerend, is dit: (Gustave Heine bezocht
+zijn grooten broer aan diens ziekbed en vertelt ons daarvan het
+volgende):
+
+ Im Laufe des Gespraches nahm ich ein franzoesiches Journal zur Hand,
+ und nachdem ich seinen Inhalt ueberflogen, fragte ich Heinrich, was
+ er von den oeffentlichen Personen Frankreichs halte. "Ach," sagte
+ er, "da musz ich Dir dieselben Worte sagen, die der alte
+ Franzoesische Wachtmeister aeusserte als der Lieferant Lewi seine
+ Ochsen ablieferte. Dieses geschah auf dem Marktplatze eines kleinen
+ Staedtchens wo der Etat-Major stationirte, vor dem jedesmal die
+ Ochsen vorbeidefiliren mussten, um gezahlt zu werden. Hr. von Lewi
+ hatte versprochen 300 Ochsen zu liefern, hatte aber nur 100 Ochsen
+ zu seiner disposition. [p.66] Er liess deshalb die Ochsen einzeln
+ vor dem Etat-Major voorbeitreiben, und richtete es so ein, dass die
+ gemusterten Ochsen von seinen Knechten schnell zu dem einen Thore
+ hinaus, um die Stadt herum zu dem anderen wieder herein
+ getrieben wurden, so zwar, dass endlich von dem Etat-Major die Zahl
+ von 300 Ochsen richtig bescheinigt wurde. Nur ein alter
+ Wachtmeister der dabei war, schuettelte den Kopf mit Verwunderung
+ und bemerkte: Es kaeme ihm vor, als seien es immer dieselben
+ Ochsen."--"Ja lieber Bruder," schloss Heinrich, "auch mir wil es
+ vorkommen, als seien es immer dieselben Ochsen."
+
+Maar Heine was wel voor een groot deel Jood, maar voor een ander deel
+had hij niet alleen het essentieele der Westersche beschaving in zich
+opgenomen doch schijnt bovenal zijn elegant-amoureuse wezen doordrenkt
+te zijn geworden van de geuren harer wellicht schoonste bloem, inderdaad
+haar _fine fleur_: de fransche cultuur. Want is in den volgenden bon-mot
+niet vooral de geest belichaamd van het ridderlijk volk, wien geen
+enkele omstandigheid, zij 't de ontzettendste ziekte of wreedst-
+aangluipende dood, de schoone geste, den Meester-lijken glimlach en de
+fijn-geslepen scherts zijner courtoisie kan verhinderen of doen tanen?
+Kort voor Heine's sterven, maakt hij aan zijn ziekbed kennis met zijn
+schoonzuster, Gustave's vrouw; hij licht, om haar te kunnen aanzien, met
+de eene hand zijn verlamde ooglid op, vat met de andere _haar hand_
+en zegt tot _Gustave_:
+
+ Bruder, Du warst klueger als ich, Du nahmst Dir von den Uebelen das
+ kleinste."
+
+Men begrijpe mij wel: ik beweerde niet dat Heine's figuur ook in dit
+boek enorm blijkt, omdat ik dergelijke speelsche geestigheden als de
+hier geciteerde bij tientallen er in vind, neen, ik beweerde het, omdat
+hij, _lijdend aan tabes dorsalis, en gedurende een zevental jaren
+slechts eenmaal zijn kamer voor het balcon verlaten hebbend_, ze kon
+zeggen! Want Multatuli vergiste zich, toen hij de Gnomen, die een mensch
+uitkleeden tot op het bloote lijf, tot hij niets meer is dan hij _is_,
+onder den grond meende te wonen, zij leven _daarboven_: zij heeten:
+_eenzaamheid, ziekte, gedwongen lediggang_!
+
+[BONN: EEN BONTE VLUCHT VAN VERZEN.]
+
+In 't algemeen zou het een studie overwaard zijn, eens na
+[p.67] te gaan, in welk een sterke mate Heine de moderne dichters en
+vooral die van joodschen stam beinvloed heeft en nog ten huidigen dage
+beinvloedt. Voor Nederland echter zou het resultaat vrij pover zijn. Om
+ons nu tot de joodsche auteurs te bepalen, lijkt mij _Josef Cohen_ wel
+de eenige, die aan het vervaardigen van Heiniaantjes doet, of deed; _van
+Collem_ is daar ongetwijfeld, blijkens zijn zeer raak typeerende
+wrang-joodsche schertsdichtjes te oorspronkelijk voor; _de Haan_ veel te
+zwaar, te onspeels-ernstig en vooral in zijn stijl-natuur te
+van-Deysseliaansch-afgemeten en niet-uit-de-plooi-komend. En de Haan
+heeft waarlijk ook wel iets beters te doen, dan een ander bewust na te
+volgen. Zijn joodsche _Liederen_, in _De Gids_ van 1910 verschenen, zijn
+van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van stemming en
+zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, in een
+diep-innerlijken droom verzonken en er zich niet van bewust dat hun
+droom uitspreken, en gehoord worden buiten zich. Het aan _Het Joodsch
+Nationaalfonds_ gewijde gedicht in _De Beweging_ van deze maand lijkt
+mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer
+cerebrale, bedachte, alledaagsche motieven van nationalen trots en
+Zionistische toekomsthoop, _die niet in de dichterlijke conceptie en
+uiting verbijzonderd en verindividualiseerd zijn_. Is deze, mijns
+inziens beste onder de joodsch nederlandsche dichters, tegelijkertijd 't
+innigst joodsch-gevoelig, _Bonn_, wiens bundel _Een Bonte Vlucht van
+Verzen_ hier voor mij ligt, lijkt mij heelemaal geen Jood meer, maar op
+end' op een hollandsch-socialistisch dichter uit, het zij zonder zweem
+van geringschatting gezegd, de Nieuwe-Tijd-kweekerij, d.w.z. wat een
+groot deel van zijn onderwerpen-keus en gedachten-objecten betreft:
+_arbeiders en het socialisme_, en dan verder: hollandsche weidjes;
+hollandsche koetjes; huiselijk leven--heel innig!--. Maar zijn
+levend-rythmische zangerigheid is van hem-zelf en ook zijn buitengewone
+gedachten-onbelangrijkheid. En--'t zal u zoo op het eerste gehoor wat
+vreemd lijken!--niet alleen de aanwezigheid van de eerste maar ook van
+de laatste _naast de eerste_, laat weten, dat hij een echt dichter is,
+al moet [p.68] ik hem tegelijkertijd den ernstigen raad geven niet met
+die onbelangrijkheid (= "eenvoud") te gaan coquetteeren, want dan zou
+dat een maniertje, zijn werk rhetorisch en hij zelf een rijmelaar
+worden! Maar nu zij het volmondig gezegd: Wie zulke niemendalletjes tot
+zoo betrekkelijk schoone verzen--men weet, ik doe te dezer plaatse niet
+aan eigenlijke detailkritiek--weet om te vormen, dat is een dichter.
+
+Om nu echter nog even tot den stralenden lichttoren zelf onze aandacht
+te bepalen, nadat we wat vogels hebben nageoeogd, die zich neerzetten op
+zijn transen of er in slaagden den invloed zijner glans te ontkomen en
+hem voorbij te varen in hun vlucht: Heine bedoelde ongetwijfeld iets
+dergelijks als dit laatste wat ik opmerkte omtrent Bonn, toen hij zei,
+dat ieder dichterlijk aangelegde wel 'ns een episch of andersoortig
+gedicht kon schrijven, maar dat _de_ toetssteen voor den dichter het
+_lied_ was; doch zoo men het al niet uit zijn geheele oeuvre wist, zijn
+inkleeding van die meening laat sterk voelen hoe door en door een
+lyricus ook hij was; neen, zeker, ook in Heine's genie was nagenoeg
+niets episch. En indien we nu zoowel naar _Bialik_ zien, die een poeem
+schrijft, waarin hij naar _Slousch's_ getuigenis, de Kischinewsche
+gruwelen haarfijn beschrijft, als naar Heine, die ten deele de kracht
+zijner felle satyre ontleende aan het scherp zien der realiteit, dan
+wordt het duidelijk, dat men ter verklaring waarom zich bij de Joden het
+naturalistisch-episch genie niet ontwikkeld heeft, zich niet van hetgeen
+_Slousch_ opmerkt bedienen kan. Deze zegt nml.: ... "les lettres hebreux
+aimerent a se refugier dans la sensibilite romantique, qui ecartait
+d'eux une perception trop nette de la realite."
+
+Neen, de oorzaak moet elders gezocht worden! En mij lijkt zij geen
+andere dan dat de Joden, verdrukt en vervolgd of slechts geduld als zij
+worden en waren, niet langer _als heerschers_ tegenover het hen
+omringende leven konden staan, dat het _heerschersbewustzijn, ook in de
+besten hunner, door reeksen van vertrapte en duldende geslachten
+ondermijnd, niet leven kon_, en--de lezer herinnert zich wellicht dat ik
+in mijn opstel over _H. Roland Holst_ reeds zeer nadrukkelijk op dit
+[p.69] feit heb gewezen en er de oorzaak van heb verklaard:[9]--_dit
+heerschersbewustzijn is onontbeerlijk voor den objectieven menschschepper
+bij uitstek, die de naturalistische epicus moet zijn_, en het is, dunkt
+mij, dan ook door den meest botte niet langer een toeval te heeten--immers
+men noemt een toeval datgene waarvan men de gebeurenslogiek, de
+noodwendigheid _niet ziet_--dat juist in ons Holland niet alleen een
+van joodsche geboorte zijnde naturalistische dramaturg van enorme
+verdienste en productiviteit, _Heijermans_, is opgestaan, maar ook
+een groot naturalistisch epicus, voor de allereerste maal van joodschen
+stam en de evenknie in mensch-scheppend genie der groote epici van de
+andere natien: _Is. Querido_.
+
+[IS. QUERIDO: DE JORDAAN.]
+
+Met Querido's jongste werk, mag men zonder vrees voor gegronde
+tegenspraak beweren, blijkt voor de allereerste maal een groot joodsch
+epicus te kunnen bestaan. Alle filosofische, lyrische en didactische
+bijmengsels, tot nu toe in zoo sterke mate in epiek van Joden aanwezig,
+dat zij hoofdbestanddeel werden en de epiek in hen verzonk, zijn hier
+weggevallen. Hier is door het Joodsche genie dan eindelijk de macht tot
+de naakte, pure en in geenerlei opzicht versierde of opgesmukte
+menschbeelding veroverd. En dit ten-slotte-bereiken na eeuwen
+worsteling, dit vermeesteren na het opstormen als een zee tegen een
+onwrikbare weer van rotsen, na het terugdeinzen dan weer en opstormen
+opnieuw, en de eeuwen door, dag na dag en nacht na nacht, tot het
+onverwrikbare verwrikt, verpoeierd en vermolmd en een der, meestal
+onbewuste, levens-doelen bereikt is--dat is iets wat het Joodsche ras
+zeer eigen is, dit onverbrekelijke, nederige en trotsche ras, dat ras
+van schuimende dondering en vleiig gefluister, dat opgolft tot de
+hemelen en neerzinkt tot in den afgrond; een "halsstarrig volk"
+inderdaad, dat door alle vervolging en alle verdrukking heen--om
+_Slousch's_ woorden te gebruiken--: ne cessa d'evoluer, de se
+transformer et de s'impregner du genie de toutes les races, de toutes
+les civilisations, pour aboutir de nos jours a l'eclosion d'une
+litterature [p.70] moderne. Het kan lang duren voor een der doelwitten
+van zijn onbewusten levenswil is bereikt; het kan middelerwijl
+tienduizenden zijner zonen door moordenaarshanden zien slachten, en
+millioenen zijner kinderen verliezen in de corrompeerende verlokkingen
+der vreemde maatschappijen; het kan neergeslagen, verjaagd, geminacht,
+bespot en bespogen worden; dat alles deert zijn kernwezen niet, ja het
+lijkt wel of het trotsche woord van zijn God voor hem-zelf was
+geschreven: "Zij kunnen mij vertragen noch verhaasten": onverzettelijk
+blijft het streven naar het vitale doel. Die stroom van menschelijke
+energie, hij holt langzaam maar onvermoeid,--zoo klaar zie ik geen
+ander beeld--den rots der weerstreving uit. Om zich sterk tot dien
+arbeid te maken en de geweldig aandonderende stuwkracht zijner golven te
+behouden, stroomt hij een langen, langen weg door vele wereldrijken. En
+hij heeft dan ook vele der schepen aangevoerd, die den volkeren het
+voedzaamst koren, de geurigste specerij en de stralendste kostbaarheden
+brachten.... Maar ook altijd door blijft het zijn bestemming, als
+tartend, door zijne kracht- en glanzingen-zelf te vragen: Wordt een
+wereldstroom verontreinigd, doordat er drek in wordt uitgestort?... Kan
+men hem afdammen en versmoren, zonder dat de dam vergruizeld wordt?...
+Kan men hem berooven van de zon-beglinstering, of hem afdekken opdat de
+regen, hem verrijkend, zich niet met hem vereene?... Kan men een volk of
+zelfs een enkeling afhouden van zijn vitale doel?... Zou men voor eeuwig
+het heerschersbewustzijn kunnen dooden in iets wat leeft, en dat toch
+omdat het leeft, tot het bereiken van het goddelijk- en heerscher-zijn
+blijkt bestemd?...--Tot hij na de schemer-duistere seizoenen weer lente
+en zomer gemoet en de stralen der Scheppende Natuur zijn kracht en zijn
+glanzingen niet langer een tartende vraag laten zijn, maar tot een
+openfonkelend antwoord doen opschitteren.... Dit boek van Querido is
+zulk een antwoord.
+
+In een scheppingsdrift, en meer ontbloot van alle bijoogmerken en
+bewuste tendenzen, dan sommige Zolaistische [p.71] werken; naakter van
+romantiek en brillante combinaties in de compositie of geestige
+subtiliteitjes in de dialoog--men achte dit een fout dan wel een deugd,
+ik vermeld het hier als een natuurlijke, dat is dus logische eigenschap
+van het werk, en dus een deugd--dan de Balzac niet alleen, maar zelfs
+dan Zola, is dit boek een geweldige visie van het volksleven, in
+koortsende opwenteling en afdeinzing naar en van een onbegrepen doel, in
+de koude en de hitte, in het leed en de vreugde der aan- en weg-rollende
+dagen, zonder begin, en zonder einde, zooals er bij mijn weten nog niet
+bestond. Men voelt in dit werk een onstilbaar verlangen, een brandenden
+hartstocht, primitief-natuurlijk en vurig-dorstend als lijfelijke
+parensdrang, naar het herscheppen van de "doode" en de "levende" Natuur,
+een onverzadigbaar begeeren naar het doorvoelen en scheppen van
+menschen, aldoor meer en nooit genoeg, menigten van menschen, de
+oogenglinsters van den een weg-duisterend achter de naar voren dringende
+lijven der anderen, een gaan en verdwijnen van aldoor nieuwe wezens,
+toch nooit een verdwijnen, voor, in een stralende doorlichting, het
+kernwezen zich heeft getoond. Deze roman is niet wat men een roman
+pleegt te noemen, het doet geen poging dan--helaas!--in den titel, iets
+dergelijks te schijnen[10]. Ook [p.72] wil dit werk niet geestig, niet
+vernuftig, niet humoristisch zijn; het wil alleen het essentieele van
+een zeker levensonderdeel wezen, maar juist _omdat_ het dit alleen wil
+zijn en is, bezit het al de zooeven genoemde eigenschappen mede. _Want
+er is geen essentieel leven, dat niet geestig, vernuftig en humoristisch
+zou zijn_. Men vindt, compositorisch gesproken, geen begin of einde aan
+dit boek, schoon hier wel een zwakke daling en ginds weer een zwakke
+climax. _Aan weerszijden_ van het werk, tijdelijk en ruimtelijk, lijdt,
+zwoegt, overwint en wordt overwonnen hetzelfde leven. Hoe langer wij
+zien naar deze schepping, hoe meer wij er van worden bewust: dit is een
+brok uit het levensgeheel, waarop wij zoo dikwijls gestaard hebben met
+onze weenende en lachende, met onze moede en sterke oogen, dit is een
+land als een ander, midden de oneindige levensrijken, het leven hier is
+als het leven daar, [p.73] maar zie: _dit_ land met al zijn wezens
+straalt van een klaarheid en raadselloosheid: _het licht eener
+verhelderende, scheppende genialiteit is erover opgegaan_, en terwijl we
+op de ermee verbonden levensrijken het leven in-duister-en-onbegrepen-zien,
+worden we hier verrukt door het begrijpen en doorvoelen, dat een groot
+kunstenaar voor zichzelf maar ook voor ons gedaan heeft. _Daarom_ is het
+zoo een met het leven, dat men nauwelijks te voelen waagt, dat het kunst
+is, maar _daarom tevens_ straalt het zoo _verklaard_ en _verhelderd_ op
+uit het leven, dat men aan niets anders denken kan, dan dat het kunst
+is, tot, ten slotte, het oog gewend en het verstand zich bezinnend, men
+in een hooger doorvoelen de beide gewaarwordingen vereent en begrijpt
+dat deze stralende top op den donkeren berg van geen ander graniet dan
+de berg-zelf is, dat dit hel-lichtende veld midden de naar den donkeren
+einder wegduisterende avondlanden geen ander land dan deze is, maar dat
+het 't stralende licht is dat _voor ons_ zoowel dien bergtop als dit
+veld iets anders doet zijn; dat het dit doorlichtende licht is, dat dit
+boek, zoo een met het al-leven, _voor ons_ toch nog iets anders dan dat
+al-leven doet zijn, want ons nu _doorvoeld, verklaard_ leven is
+geworden.
+
+Men zal hier van mij geen detailleerend expose van den inhoud verlangen.
+Niet alleen, dat dit bij een werk, dat in een week tijds, zijn tweeden
+druk en vijfde duizendtal bereikt en dus wel verondersteld mag worden,
+in de handen aller ontwikkelden te komen, wel een weinig overbodig
+heeten mag, maar het heeft ook nauwelijks zin bij een epos van de
+_massa_ als dit, al is het tevens--en dit is een zijner schoonste
+triomfen!--een epos van de _individuen_, die de massa samenstellen. Want
+het maatschappelijk leven der massa, die men gewoon is ter
+onderscheiding van burgerij en hoogere standen, het "volk" te noemen,
+verschilt hierin van dat dier burgerij en hoogere standen, dat het voor
+alle individuen in hoofdzaak vrijwel gelijk is. Jenever, krotten,
+ontbering en uitbuiting, ziehier het maatschappelijk beeld in ruwe
+trekken, van dat levensgeheel. En zoodra ge dit [p.74] kent, begrijpt
+ge, dat binnen de grenzen daarvan nagenoeg geen ruimte voor
+uitzonderlijke maatschappelijke stijgingen of dalingen van individuen
+is, geen ruimte ook voor "zaken," intrigues en sociale avontuurlijkheden,
+die gij het naproeven waard zoudt kunnen vinden. Met andere woorden: het
+verhaal van de levensomstandigheden eens ministers, eens bankiers kan
+zeer wel van een uiterste belangrijkheid zijn, ook al kent gij de
+levensomstandigheden van twintig andere ministers en bankiers en ook al
+_onthoudt het verhaal u alle wetenschap van de psychische reacties van
+dien minister of bankier op zijn levensomstandigheden_, maar zoodra ge
+de levensomstandigheden van een _Jordaner_ kent, kan alleen de
+benieuwdheid naar de _individueele_ psychische reacties u bewegen, ook
+van de, immers _niet-individueele_, levensomstandigheden van een tweeden
+_Jordaner_ kennis te nemen. Want--ik herhaal het--de
+_levensomstandigheden-zelf_ van den tweeden lijken, als twee druppels
+water op elkaar, op die des eersten, en al zal er ongetwijfeld verschil
+bestaan, dat verschil is in ons _oog_--en op _ons_ oog komt het hier
+voornamelijk aan--even microscopisch als tusschen die twee druppelen
+water. _Dat_ proletariersleven ... dan een beetje meer, dan een beetje
+minder misere--wij huiveren en van het meerdere en van het mindere; het
+blijft voor ons hoogere-standsgevoel een pot viezig nat! En nu begrijpt
+ge meteen wel, waarom ik het ontbreken van zekere brillante combinaties
+en subtiliteiten een logische eigenschap en dus een deugd van dit werk
+noemde--immers dergelijke combinaties en vervlechtingen zouden hier niet
+meer of minder dan een soort levens-vervalsching zijn geweest!--zooals
+ge tevens begrijpt in hoe hooge mate het een proefsteen voor den
+menschschepper en psychologischen doorgronder is, daar het uitteraard
+alleen zijn blijvende belangwekkendheid ontleenen kon--gelijk we reeds
+gezien hebben--aan de weergave der _individueele psychische_ reacties
+naast die van de _psychologie_ der massa, al zal menigeen het zijn
+_begonnen_ te lezen uit nieuwsgierigheid--en nog wat!--naar dat hem
+onbekende, duister-broeiende leven....--En welk een belangrijkheid bezit
+het [p.75] door die weergave! Hoezeer kan het alle intrigue, en wat dies
+meer zij, missen!... Een stroom van lichtende menschelijkheid bestraalt
+ons en maakt ons tot verklaarden, en nimmer heeft het aanzien der
+_verscheidenheid_ mij zulk een _gevoels_-begrip van _eenheid_ geschonken
+als het beschouwen der machtige verscheidenheid in dit werk.
+
+Het is het _heerschersbewustzijn_ van den auteur, dat
+bestaansmogelijkheid scheppende oorzaak is--gelijk ik reeds aanduidde
+--van al het voortreffelijke in dezen arbeid en tevens zelf het
+voortreffelijkste kan worden genoemd, zoo als de aarde en het zonlicht
+het voortreffelijkste in een tuin van zelfs alleredelste bloemen zijn.
+Hoe langer ik dit werk, ook in verband met vroegeren arbeid van
+denzelfden auteur, overdenk, hoe duidelijker ik voel, dat hij
+vermoedelijk nog nooit iemand in zijn leven ontmoet heeft, of diep in
+z'n hart heeft hij zich psychisch diens meerdere geweten. Zijn
+subjectieve meerderheidsgevoel, dat hem tevens heerschersnatuur doet
+zijn, maakt zijn essentieele grootheid uit. En het doet tot die
+grootheid weinig toe of af, of dat subjectieve gevoel al dan niet geheel
+met een "objectieve" werkelijkheid overeenkomt.[11] Men zegge niet, dat
+het zich-meerdere-gevoelen door den auteur tegenover de "onontwikkelde"
+en "laag-staande" menschen van dit boek een zonderlinge grond is [p.76]
+voor de conclusie, dat hij zich meerdere van vrijwel iedereen zou
+gevoelen. Want: deze _verstandelijk_ onontwikkelden zijn dat _psychisch
+niet_, en _op dit laatste komt het aan_. Want wat het laagstaan dier
+menschen betreft: vraag, lezer, u zelf eens af, of gij u licht op dit
+oogenblik kunt voorstellen te leven een _psychisch_-frisschere en ook
+sterkere figuur dan _Neel Burk_; een _psychisch_-reinere, dan _Huib
+Kilometerboekje_--welk een prachtig mystisch-diep begrip van de waarde
+en de beteekenis der aangeboren, door het tijdelijk _persoons_-leven niet
+meer te deren zielseigenschappen toont hier de schrijver!--een
+_psychisch_ meer bijzondere en reinere dan de tooverkol en schijnbaar
+belachelijke Tante Antje met haar _aandoenlijke onbaatzuchtigheid_--en
+men heeft in het feit, dat de schrijver niets gedaan heeft om die
+uiterlijke belachelijkheid en abjectheid te verminderen, weer een
+prachtig bewijs van het passief blijven zijner lagere persoonlijkheid!
+--maar, voor u zelf, lezer, deze vragen te stellen, zie toch nog eens
+duidelijk in, hoe weinig _psychische_ begaafdheid met _verstandelijke_
+ontwikkeling en begaafdheid _behoeft_ te maken te hebben. Onderscheid
+goed den _uiterlijken_ glans van den _innerlijken_ glans. En overweeg
+eens, waardoor het mogelijk wordt, dat bijvoorbeeld een analfabetische
+daglooner, iets in zijn blik, zijn gelaat, zijn stem kan hebben, dat een
+zeer voornaam, zeer geleerd, zeer wijs en zelfs zeer goed mensch plots,
+in een oogenblik van hel-lucide erkenning, zijn minderheid kan doen
+gevoelen. Zou dat niet zijn, omdat in zulk een oogenblik voor het oog
+van de ziel, alle tijdelijke, geestelijke zoowel als stoffelijke,
+uiterlijkheid is weggevallen en _ziel_ slechts _ziel_ ziet?
+
+Indien men de aanwezigheid van het machtige heerschersbewustzijn in
+onzen auteur door ontleding van zijn werk wilde _bewijzen_, men zou dit
+reeds alleen door de analyse van de figuur _Stijn Burk_ afkunnen. Niet
+alleen, omdat het dan reeds voor ieder duidelijk zou worden, dat een
+dergelijke allerwonderlijkst gecompliceerde en in de diepte en hoogte
+zeer ver uitgegroeide persoonlijkheid niet te begrijpen is [p.77] zonder
+haar te beheerschen, maar vooral, omdat men zou inzien, dat met geen
+mogelijkheid zulk een mensch--allerteederste vader, schuchter man met
+sterk plichtsgevoel, vriend bij voorkeur van misdadigers en toch zelf
+niet bij machte ooit iets baatzuchtig-misdadigs te doen en daarmee weer
+schijnbaar contrasteerend: een dronkaard van duivelsch-kouden moordlust
+doorkild--zoo doorgrond, zoo in zijn componeerende elementen herleid en
+toch zoo intact, zoo fel-levend kon gehouden worden als hij is, door
+observatie _van buiten af_, maar dat hiervoor onontbeerlijk was een
+_onderduiken_, beter wellicht een tijdelijk opgaan te noemen, van den
+auteursgeest in dien zijner figuur.[12] En dit nu, dit tijdelijk zich,
+zonder eigen bewustheid te verliezen, opgaan in het bewustzijn van een
+ander, is alleen den _heerscher_ ten opzichte van den
+_absoluut-beheerschte_ mogelijk, den veel grootere tegenover den
+kleinere--precies dus het tegenovergestelde van de analoge stoffelijke
+verhouding, waarbij slechts het kleinere het grootere kan
+binnengaan--nimmer echter den geringere ten opzichte van den machtiger.
+En, het zij hier terloops gezegd: ik geloof dat _de_ grond-oorzaak dier
+onmogelijkheid is de _psychische vrees voor het onbekende_, die, om zoo
+te zeggen, de acute vorm is van de chronische psychische schuchterheid
+van hen, die zich in den loop van hun leven vaak en van velen de mindere
+moeten voelen, en die het daarom bij al hun waarnemingen nooit verder
+dan tot _benaderen_ brengen, alles slechts van den _buitenkant_
+angstvallig betasten en nooit iets durven _binnentreden_.
+
+[p.78] Er is zelfs in dit werk een taalkundige eigenaardigheid aan te
+wijzen, die duidelijk belicht, dat dit "onderduiken" in het leven zijner
+figuren, bij wijle zoo sterk bij dezen schrijver was, dat hij zelfs
+eigen bewustheid tijdelijk verloor, d.w.z. zich dan niet duidelijk
+rekenschap van zijn artistieke handelingen kon geven. Ik bedoel met die
+eigenaardigheid het waarlijk overbluffend veelvuldig gebruik van het
+voorzetsel "ver" bij werkwoorden, ongetwijfeld een geniale vondst in
+zich-zelf, en als zoodanig ook vaak geniaal te pas, maar vaker grovelijk
+te onpas aangewend. Waarom dit echter, zooals ik zei, ook het opgaan van
+den auteur in het leven zijner figuren belicht, ziet men duidelijk op
+blz. 337, waar, onmiskenbaar, in de uitdrukking: "Sau f'rtrippele se 't
+op 't teneil nie...." die "ver"-spreek-wijze aan de taal der Jordaners
+zelf blijkt ontleend!
+
+Maar is Querido's machtig heerschersbewustzijn ten opzichte zijner
+scheppingen, zoowel als de onontbeerlijkheid daarvan voor het welslagen
+als episch auteur, aan _Stijn Burk_ en al de andere prachtig _geslaagde_
+figuren te demonstreeren, die onontbeerlijkheid alleen zou men ook
+vrijwel kunnen aantoonen, door de aandacht te vestigen op die eene
+minder geslaagde in het geheele boek--ofschoon ook die zeer zeker een
+waarlijk-levend mensch is gebleven--jegens wien hem grootendeels het
+heerschersbewustzijn ontbroken heeft: _Karel Burk_, den begaafden _Don
+Juan_ van de _Jordaan_. Men merkt dit ontbreken aan het feit, dat,
+zoodra het Karel Burk geldt, _persoonlijke_ liefde, d.i. liefde jegens
+die figuur, in de plaats treedt van de onpersoonlijke
+_menschheids_liefde. Want waar dit _psychische_ heerschersbewustzijn
+is--het hoogste waarschijnlijk, dat een mensch bezitten kan, en dat men
+vooral niet moet verwarren met allerlei lagere verwante vormen, zooals
+heerschzucht, bazigheid, enz.!--daar is die _menschheids_liefde en
+omgekeerd, maar waar, daarentegen, genegenheid voor een _persoon_
+optreedt, daar wordt het heerschersbewustzijn ten opzichte dier persoon
+gebroken. _De heerscher laat den schepter vallen, wijl hij zijn
+onderdaan omhelzen wil_.
+
+[p.79] De reden, waarom dit juist bij deze figuur is gebeurd, ligt m.i.
+open en bloot. In _Karel Hurk_, den _buitengewoon-intuitieven
+psychologischen doorgronder_; den _artistieken waaghals en bereiker_,
+die de moeielijkheden zoekt, om ze te overwinnen, in wiens, vooral om
+die halsbrekende moeilijkheden zoo zeer geliefde, en telkens
+prachtig-op-het-kantje-af, meesterlijk-gratieus uitgevoerde
+dans-bewegingen, zijn vermetele en rijk-begaafde ziel pas goed tot
+uiting komt; in _Karel Burk_, den muzikaal hevig gevoelige; de, kortom,
+_zeer artistieke heerschersfiguur_, ligt, op een veel lager plan, een
+flink brok van Querido's eigen kunstenaarsnatuur getransponeerd. En dit
+transponeeren moge bewust of onbewust geschied zijn, het feit was
+voldoende, om des schrijvers heerschersbewustzijn te verlammen, want
+Querido is een van de weinigen, wellicht de eenige, tegenover wien
+Querido--en dit spreekt m.i. van zelf--zich, in den boven aangegeven
+zin, geen heerscher voelt.
+
+Men lette er ook op, dat in dit boek--en wat ik nu zeggen ga, bied ik
+niet aan als een _bewijs_ mijner bewering, maar slechts als een
+_ondersteuning_ ervan--vol van allerprachtigste dialoog, vol van
+uitstekende beheersching en te-pas-brenging van het Jordaansche
+taaleigen ook in de meditatie der figuren (in zijn enormen rijkdom aan
+volksuitdrukkingen en de meesterlijke aanwending daarvan overtreft het
+zelfs _Wolf_ en _Deken_, en dat wil wat zeggen!) dat in dit boek, juist
+bij _Karel Burk_ een uit-den-toon-vallen plaats vindt:
+
+ Wat was 't toch 'n fijn gezicht, zoo van het glinsterende en
+ vonkende water over de dwarsbruggen de lucht in te _koekeloeren_,
+ tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als
+ een gloeiende, _trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel
+ in het starre blauw_.
+
+Uit het woord "koekeloeren" blijkt duidelijk, dat de bedoeling was de
+gewaarwordingen van _Burk_ in _Burksch_ dialect te geven en die dus niet
+in Queridoiaansche zegging om te zetten, maar uit het laatste door mij
+gecursiveerde zinsdeel blijkt even duidelijk, dat het Querido-brok in
+_Burk_, Querido, den schepper van _Burk_ hier de baas was!
+
+[p.80] Ik zei straks, dat, compositorisch gesproken, er begin noch einde
+aan het boek is. Voor wie meenen mocht, dat ik dit een fout in het werk
+acht, zij onmiddellijk verklaard, dat ik dit integendeel, _hier_, een
+schitterende deugd vind. Een lastig probleem en een zeer groote
+moeilijkheid werden hierdoor volkomen opgelost en overwonnen. Bedoeld
+was m.i. namelijk _niet_ in de _allereerste_ plaats een beeld te geven
+van het leven van zekere _individuen_, van een leven dus, welks
+eng-begrensde duur zijn vast en duidelijk begrip in onzen geest heeft,
+maar, in de _allereerste_ plaats, van een brok _volks_leven, d.w.z.: een
+leven, welks begin en einde ver buiten onze _onmiddellijke perceptie_
+liggen. Want is onze indruk van een _persoonlijk_ bestaan die van iets
+eindigs, onze _gevoels_indruk van het _maatschappelijk_, van het
+_massa_-leven is daarentegen die van iets _on_eindigs. Doch, een brok
+massa-leven, zoo meesterlijk, zoo boordevol vitaliteit te geven als in
+dit boek, is niet mogelijk, zonder de samenstellende deelen van dat
+leven: de individuen, alleruitstekendst te beelden, maar zoodra dit
+gebeurt--_en dit is de moeilijkheid, waarvan ik hierboven sprak_--dreigt
+de daardoor ontstaande indruk van het _begrensde_ en _eindige_, te
+verhinderen, dat zijn tegendeel: de gevoelsindruk van het
+_oneindige_--welke we immers van het _massa_-leven, _als geheel_,
+behooren te krijgen--bij ons ontstaat. Om de bovenstaande bedoeling dus
+te verwezenlijken; te zorgen dat de tegenstrijdige indrukken zoo worden
+te weeg gebracht, dat zij elkaar niet vernietigen en dus: ons het
+oneindige te laten voelen van een zeker levens_geheel_, naast de een
+_eindigheidsindruk_ verwekkende uitbeelding der _eindige deelen_, moest
+naar het hulpmiddel van een zekere wijze van componeeren worden
+gegrepen, ten eerste: het geven van een nagenoeg climaxloozen
+verhaalgang--_want stijging, daling en, in een woord, wisseling in een
+geheel, versterken den eindigheidsindruk_--en, ten tweede, het als 't
+ware doen voortloopen van het tafereel tot buiten het kader, waardoor we
+de gewaarwording krijgen, alsof de begrenzing is aangebracht, alleen ter
+tegemoetkoming aan ons niet oneindig ver dragend perceptievermogen, en
+_niet_ omdat het [p.81] gebeelde leven hierin werkelijk kon omraamd, en
+zoodat het ons is alsof ons wierd gezegd: zoo uwe oogen het toelaten,
+zie dan verder, hoe eindeloos het leven blijft, blijft doorvloeien,
+eeuwig voort.--Door dit alles dus verkregen we een meesterstuk, welks
+felle uitbeelding van het eindige leven ons gevoel, dat wij hier ook het
+oneindige zagen, niet schaden kon.
+
+Maar ook in ander opzicht blijkt het compositorisch-geniale van onzen
+auteur: in zijn aanwending van nevens elkander gestelde contrasten. Men
+lette eens op de impressie, welke de prachtig geschreven terugblik op
+het leven van _Neel Burk_ met haar eersten man, den zachten _Gronjee_
+maakt, te midden van de beelding van haar leed-en-angst-bestaan, nu zij
+getrouwd is met den onberekenbaren _Stijn Bark_: of, en dat brengt mij
+meteen ertoe te spreken van de prachtige beschrijvingen in dit boek, men
+zie eens naar de neven-elkander-stelling van deze contrasteerende
+stad-en-land uitbeeldingen:
+
+ 't Had rauw geklonken door de buurt, al om vier uur vroeg.
+
+ --Luilek ... biddesek, stoat om neige ure op ... neige of
+ helleftien.... hep je de Luilek nauit gesien?--Een donkere worp van
+ doode ratten en katten, weken lang al vooruit in de polders als
+ prooi beloerd, was dof neergebonkt op ruiten en ramen van
+ beluilakte buurtgenooten, die woedend met bedreigingen losschoten,
+ zonder iets te durven doen.--Een paar dagen later hadden diezelfde
+ kinderen zich de morsige handen koel afgespoeld in de buitensche
+ slootjes en gezocht naar de rose-witte en hel-gele, stralende
+ pinksterbloemen en de zalm-roode klaproos.--Met land- en grasgeurig
+ doorzwoelde bouquetten, vol koekoek en gele lisch, met vetglanzende
+ boteren paardebloemen, waren zij komen aanzwalken bij troepjes van
+ Amstelveen, Ringdijk, Ouderkerk, Rietlanden en Watergraafsmeer. De
+ morsige handjes hadden bij duizenden rondgestrooid al wat de gouden
+ zomer liet bloeien aan slootkanten, op wei en veld. _De kinderen
+ hadden in driftigen lente-roes, de kleurige en riet-bepluimde
+ oevertjes van Amsterdamsen buiten geplunderd, struiken en halmen
+ vertrapt en afgerukt, voor bemachtiging van ooievaarsblom en
+ waterranonkel. De handjes hadden wild gegraaid tusschen blonde
+ sterre-bloempjes fijnstraal, en plompen, soms terugschrikkend voor
+ een graspieper, ze langs 't gezicht fladderend, of weggelekt door
+ een flonkervleugels-vertrillende [p.82] libel, die dronken om het
+ vanielje-geurige zoet van witte orchideeen heen-kringde._[13]
+
+ Zoo hadden de kinderen geplukt, geplukt, en de verbrokkelde en
+ geknauwde armoe-buurten van de Jordaan, voor eenige uren opgetooid
+ met 't geel-goud, purper en wit gebloemt van buiten.--_Uitgesleten,
+ kist-donkere en lood-rechte slingertrapjes, waren oversmakt van
+ stervende ruikertjes. Op vunzige stoepjes en in duister-verhulde
+ kelders, waar altijd de goot borrelde of stonk, was bloemsap
+ gedruppeld, rookten geuren na van klaver en iris, waterbezie en
+ bitterzoet_.--Even maar hadden de kinderen, rondslenterend in hun
+ vacantie, in hun sjofele plunje meegedragen naar de gore stegen en
+ walmende straten, lucht van oevergras en versch hooi, _dadelijk
+ weer gedoofd door bak-stank van visch-stalletjes, die, in goedkoop
+ oliedrenksel, scholletjes en botjes in steen-glazuren kommen voor
+ de gulzige Pinkster-smakkers gereed hielden._--_Want dwars tusschen
+ het zomerig zoeken der kinderen naar de blank-blauwe lucht van het
+ wijde landschap, naar den koelenden watergeur, en 't loeren op 't
+ geheimzinnig stekeltjes- en torren-gekrioel in de
+ hemel-verspiegelende slootjes_,--_gierde het luidruchtig vertier
+ der volwassenen. In potwagens, bonte Jan Pleziers, open bakken en
+ hooge tent-karretjes, zwijmden dronken stelletjes van vier, zes,
+ acht en twaalf soms, bijeengeperst in de gloeihitte, verzweet en
+ opgewonden_.--_De keien hadden geschud van de ratelende en rollende
+ vigelant-wielen. Tot 's avonds bonkerden ze door, als de roode zon
+ al verwilderenden weerschijn op de zatte en afgestompte tronies
+ vlamde_.
+
+Vormen deze tegenstellingen niet een compositorisch schoon? En zijn de
+beschrijvingen-zelf niet van een verrukkelijke vorm-, geur- en
+atmosfeergeving? Maar toch, ware het niet geweest om daarmee mijne
+bewering betreffende de compositie te ondersteunen, ik zou verkeerd
+gedaan hebben met dit te citeeren, terwijl ik al dat andere minstens
+even mooie niet aanhalen kan: de prachtig-uitgebeelde dansen, de
+machtig-gegeven vechtpartijen, zooals die op de Aal-markt, in het
+magistrale eerste hoofdstuk, en het bijna-doodtrappen door _Stijn Burk_,
+in zijn dronkenschap en daardoor ontstanen koud-duivelschen moordlust,
+van zijn zwangere vrouw, met op het einde, als Stijn onder de macht der
+hem in bedwang houdende kerels in een algeheele ontreddering bewusteloos
+is neergezonken, dat _prachtig-bescheiden-nauwelijks-symbool [p.83] van
+Stijns eigen lijdensleven_, dat lijdensleven van hem die door zijn
+drinkhartstocht, welke hij toch zoo gaarne zou willen bedwingen, elken
+dag gekruisigd wordt:
+
+ Hij stortte als een bewustelooze ineen, met zijn gezicht op den
+ grond, de armen wijd uit, _gelijk een menschelijk kruis_.
+
+Of: heel die ruzie in de _Wijde Gang_ met die Danteske visie:
+
+ Traag, tegen de grauwe muren, _kroop de donkerende en grillige
+ middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim_, 't heele
+ Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering.
+
+Met zijn ook Danteske beeldingen van gedrochtelijke verwringingsstanden
+van de kijvende buurvrouwen uit de bovenvensters. Of: de tocht op de
+Zuiderzee; de Hartjesdag; het zwoegen van de sjouwers aan de
+Wester-Suikerraffinaderij, en vooral niet te vergeten dat juweeltje, dat
+prachtige, dof-avondlijke idylletje van de kanaries langs Gijs'
+kroeggevel. Maar jawel, zoo zou ik wel kunnen doorgaan!...
+
+Laat ons liever even de psychologie in het boek van nabij bekijken: In
+de analyse van Stijn Burk is waarlijk het onovertreffelijke gebeurd.
+Deze in zichzelf onwaarschijnlijk gecompliceerde mensch, is door de
+beelding tot een persoonlijkheid geworden, wier leven je niet alleen
+voelen en tasten _kan_, maar wier leven je voelen en tasten _moet_ en
+dat je obsedeert als een onwegduwbare, ontzettende _werkelijkheid_ van
+den allereersten rang; dat niets onberoerd in je laat; afgrijzen en een
+wijd erbarmen, haat en liefde, alles, alles in je oproept. Want men zie
+eens dezen woesteling, die bijna zijn zwangere vrouw doodtrapt, zijn
+kleine kindje naar bed brengen:
+
+ Reeds vroeg in den avond zat Sientje op zijn schoot, al zette hij
+ haar telkens op 't stoofstoeltje wanneer er volk inkwam. Met kleine
+ ronde slaapoogjes speelde ze, maar tuimelde telkens tegen de
+ uitgelegde koffiela van den molen, in slaap.
+
+ --Mot Siennetje soa ... pies goan?
+
+ --Nei ... nei ... drensde ze, terwijl ze weer knikkebolde.
+
+ Langzaam ontkleedde Stijn 't kind, nadat hij Koentje ook naar bed
+ had gedragen, met 'n verzoend bakkesje.--Hij was bang dat ze,
+ verveelderig, tusschen slapen en waken zou gaan drenzen. Heel
+ omzichtig moest hij te werk gaan.--Bij elk [p.84] kleedingstuk, dat
+ hij loshaakte of uittrok, verzong z'n zware stem een mal zinnetje.
+ (Ik sla hier een stukje over v.C.)--Nou ... 't jukkekie ... zong
+ Stijn, omzichtig half-slapende Sientje uit haar rokje werkend ...
+ en nou ... 't siemesetje.... Sau fraafe de ferkies ... de
+ snoetjes!... rrr!... rr!... nou ... 't halshempie ... toktoktok ...
+ hoat! sie!... wecht! stoute fliegie ... mo jei bromme ... in 't
+ auretje fen liefe Siennie!... Nou ... 't boaije rokkie ... mit 't
+ laafie!... sss!... sss!... soejessssse!!... sss ... sss!...
+ hoal-aufer!... nou 't witte rokkekie ... soe ... je ... soe ... je
+ hoal-aufer!... nou 't broekekie ... hoal-aufer!.... en Siennetje is
+ 'n soete schet!...
+
+ --Fen sau'n meskeroade hep ikke nie terug ... lachte Neel om Stijns
+ kunstig zoethouden van Sien.--Bij Lien, Mien of Jansje griende ze
+ altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door
+ Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een
+ knorretje was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en
+ droeg hij haar de duffe achterkamer in. Muis-stil hipte Stijn in 't
+ alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet
+ meer tegen zich op voelde.
+
+Men peile ook de diepte van deze analyse van Neel's zuster, de perverse
+Dien:
+
+ Dien was niet alleen jaloersch op haar man, maar werd gepijnd van
+ afgunst op alle voorspoedige en gelukkige dingen in 't leven van
+ anderen. Dit had ze van moeder Scheendert, het stuk chagrijn
+ vroeger van de buurt. Dien leek met gegiste moedermelk
+ grootgebracht. Het twistzieke, humeurig omkantelende van haar wezen
+ las ieder dadelijk van haar gezicht. En liegen, schel en roekeloos
+ liegen kon ze met strakke koon-effenheid, als de wijzerplaat van
+ een kaduuk weegtoestel. (_Welk een prachtig beeld is dit, en zoo
+ voortreffelijk passend in den toon van het beschrijvingsgeheel!
+ v.C._) Allerlei vurige en fantastische uitdenksels kon ze met zoo'n
+ hartstochtelijke, bijna boosaardige driftigheid vertellen, dat zij
+ ze zelf gelooven ging en niet meer vermocht te leven zonder die
+ schielijke leugenarij; voor haar waarder dan de nijpendste
+ werkelijkheid. Ze hield van 't liegen om 't liegen. Het werd haar
+ een fel, brandend genoegen te jokken. _Ze kreeg zoo'n angstige
+ vreemdigheid over haar wezen als ze loog en later betrapt werd_.
+ (Ik oversla een klein stukje, v.C.) Ze kon nooit iets vertellen,
+ zooals 't gebeurde. _En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als
+ 'n feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat 't dan
+ te waar geworden was_.
+
+Zooals meermalen in het boek, doch veel minder dan in [p.85] des
+schrijvers vroegere werken, is er ook hier in het door mij overgeslagen
+gedeelte als een herhaling, een overtolligheid, maar het is en blijft
+voor mij de vraag, of die herhalingen en overtolligheden van een hooger
+plan dan het gewoon-zinsbouwkundige beschouwd, wel overtolligheden zijn.
+Men vergelijke hierover mijn artikel over de _Studies_ van dezen auteur,
+in _De Ploeg._[14] Maar bovendien: nimmer heb ik indringender analyse
+gelezen, vooral dat laatste door mij gecursiveerde....
+
+Wil men een staaltje van wat ik zou willen noemen: plastische
+psychologiek? Ziehier dan iets over het Jordaansche volk (de verklaring
+hunner saamhoorigheid, van het niet dulden van vreemde invloeden in hun
+kringen):
+
+ Ze waren van een ras, eene klasse, _door eenzelfden levensgolf
+ rondgezwabberd, naar voor gestooten, naar achter gekanteld op een
+ plek grond_.
+
+Of betreffende de waarzeggende "_Tante Antje_":
+
+ Ze waren waarlijk bang voor die vreemde, strak-starende, _meer
+ luisterende dan kijkende oogen_.
+
+Of wenscht men een enkel bewijs voor mijne bewering, zoowel dat de
+dialoog in dit boek zoo voortreffelijk is als dat het zulk een rijkdom
+aan kernige volksuitdrukkingen bevat? Laat mij dan even dit citeeren:
+
+ --Vijf van de tien ... vroeg kort-krachtig 'n lichtmatroos, even de
+ sabelbeenen uitgebogen.--
+
+ --As je blief Teun....
+
+ Vriendelijk hielp Neel nu en vroeg of hij weer honk had.
+
+ --Soo je siet moeder....
+
+ Zijn stem zong zwaar en vol in 't zonnige winkeltje.
+
+ Twee vrouwen loerden uit, bekeken den frisschen, kraakzindelijken
+ matroos-eerste-klas.
+
+ Sel ik stikke.... d'r hei je Teun fen de Hoarlemmerdaik,... seg
+ ouwe robbeklopper ... wet bi jei grausig ... jei hep ereis auk wel
+ ereis slinger gefreite!... je laikt me wel 'n kesse-me-jeu....
+
+ De matroos keek beduusd, zocht naar naam en wijf in zijn
+ herinnering.
+
+ [p.86]--Nei,... det ken ik nie kroppe.... Wet heb ik nou en de
+ hend!... ke je Annemie niet meir.... Annemie uyt de
+ Orenjestroat?... nou, die kachel brent ... segge d'r seife stomme
+ te g'laak!... kaak saan is kaake!... goa ik 'r an?
+
+ Plots schoot bezinning bij den matroos terug.
+
+ --Nou hep ik je mins!...
+
+ --Hou fest ... spotte een uitdraagster met 'r handen op 'r heupen,
+ de armen als hengsels.
+
+ --Annemie van Arie-stront-an-'t-sweepie.... Nou hep ik je ...
+ f'rdikt ... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie
+ weg....
+
+ Met 'n gullen lach sprong hij bij en drukte zwaar haar handen.--
+
+ Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch
+ uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten
+ braniekraag.
+
+ Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk,
+ prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen
+ lach.--_Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in
+ een ziekenkamer_. Het was altemaal open leven, frisch en frank.--
+
+ --Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem
+ weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug
+ wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks
+ as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en
+ gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....
+
+ Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.
+
+ Annemie lachte mee en de andere wijven ook.--
+
+ Neel verknutterde zich in zijn warme, zangerige stem.--Nog 'n ander
+ slag man dan haar suffe Stijn.--Maar Annemie voelde haar buurt
+ bekeven.
+
+ --Alleminse ... wet bi jei grausig....
+
+ --Ja mins, as 'n roer goed is ken je teuge 'n raauw weertje ... ik
+ ben d'r lieferst op de oceaan as hier onder de walm.... Nou beste
+ siele ... ik licht me anker ... ajusies.... Annemie ... de vijf!...
+
+En heeft men ook op het fraaie door mij gecursiveerde beeld gelet? Munt
+het niet uit door een prachtige waarachtigheid?--
+
+Ongetwijfeld vormt de beelding van het moederschap van de diep-nobele
+_Neel Burk_, die de mogelijkheid van blind-worden trotseert, om haar
+kind te kunnen zoogen, en haar eindelijke, door een eigenaardige--met
+diep mystisch begrip [p.87] door den auteur doorvoelde--zekerheid in
+haar-zelf voorzegde, triomf, een van de meest lichtende gedeelten van
+het boek, maar toch: grooter vreugde schonk mij het gemoeten van dat
+vrijwel nieuwe element in Querido's werk: het beelden van het
+kinderleven. En zoo er ooit sprake mocht zijn van een coup d'essai, die
+een coup de maitre was, dan is het hier:
+
+ Siempie, die bij Mientje geslapen had, klom stiekem naar de
+ spelenden over. Maar Daantje duwde hem heftig bij zijn blond kopje
+ terug.--Zacht begonnen weer de stemmetjes op te giebelen. Daantje
+ krabbelde Koentje in zijn hals; Pietje sprong dwars over Sientje en
+ Siempie pakte de beenen van Pietje, die in de lucht zwalkten, met
+ de, er los bij bengelende kousen vol gaten. Weer probeerde Siempie
+ in te klimmen.--
+
+ Nei!... hield hardnekkig Daantje vol ... jei, jei ... bin nie
+ tronke ... jei nie ... jei ke nie ... swaaije....
+
+ --Mo je eirst slokkies kaupe ... doar ... wees Pietje met haar
+ klein armpje langs Stijn heen, naar een hoek bij de tafel.
+
+ --Die heb nog nie aupe ... verdedigde zich Siempie, rillend van
+ kilte in zijn onderbroekje.
+
+ --Kaup se den bei maan ... slokkies?... hoefeul?... gierde Pietje,
+ doende alsof ze inschonk.
+
+ De zusjes en broertjes gilden en tierden weer als voor Neels
+ waarschuwenden snauw, die ze even zoo plotseling had stil
+ gemaakt.--Jansie, eerst het bezonnen en bedillende kind-moedertje,
+ had langzamerhand al haar waardigheid ingeschoten, lachte en
+ stoeide nu zelf om 't hardst mee. Ze verdubbelde zelfs de rollen,
+ morrelde er een heele comedie omheen.
+
+ --Nou mot jei.... Siempie ... schobber uytjouwe ... hitste ze naar
+ Sien,... en jei ... leileke neitekles! roepe ... en den.... sel
+ ikke.... sie je.... sel ikke je arrestere.... bei Swerte Jens haur
+ ... ikke bin peliesies.... Enne ... enne ... jei bin auk peliesies
+ ... haur!... stookte ze Siempie op.
+
+Maar dan vooral dit (Pietje, het kleine dochtertje van Stijn en Neel,
+mist de jonge poesjes, die verdronken zijn):
+
+ Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.
+
+ Werendig moedertje,... suste Neel,... de poessies binne femorrege
+ gehoald, faan!... mit sau'n hauge figelente ... se wasse siek....
+ 0! sau siek! liefeling, en nou ... nou binne se ... in 't
+ kette-gesthuys....
+
+ --Enne ... enne ... vroeg blond Pietje met goddelijke
+ onschuld-oogjes er tegenin ... 'k hep 't nie gehaurd?...
+
+ As jei sloap ke je ommers nie haure,... moedertje,... [p.88] se
+ legge allegoar in faane mandjes ... maor nie oks! deigelik woar ...
+ moedertje ... asse beiter binne ... meg je se weir sien....
+
+ Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes
+ zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele
+ schouder-schokjes.--
+
+ --Enne poes ... den? vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich
+ omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren
+ slaap.--
+
+ Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw, die net
+ inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om
+ steun.
+
+ Niet tente Truy?... binne de poesies femorrege nou niet afgehaold?
+
+ Achter Pietje draaiend, maakte ze naar buurvrouw een inlichtend
+ grimas....
+
+ --Nou!.... zei die, over-geloofwaardig haar, "nou" beklemtonend,
+ zonder te weten, waarover 't eigenlijk ging.
+
+ --In 'n figelente nie?...
+
+ --Sau mit raud fleweil!... pronkte buurvrouw erbij.
+
+ --En binne se niet naor 't kette-gesthuys gebracht?
+
+ --Self meigereije!...
+
+ Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter 't toonbankje
+ staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goudglans van het
+ gas, dan naar buurvrouw, dan naar moeder op.
+
+ Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies ... waren ziek, lagen in
+ 't gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden.
+
+ --En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen
+ van de gejaagd rondsnuffelende kat hoorde, in 't gangetje, holde ze
+ op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met
+ troostend, fijn vlei-stemmetje:
+
+ --Stil poessie ... stil moar ... je kindertjes binne siek ... se
+ komme t'rug asse beiter binne....
+
+Neen, dit kan niet overtroffen worden, daar voel ik mij zoo zeker van
+als van het feit, dat wanneer geslacht na geslacht telkens en telkens
+weer dit onsterfelijke boek zal lezen, dit boek, dat zonder den
+geringsten opzettelijken tendenz van even groot sociaal als literair
+belang is, en een twijfel in zich mocht voelen opkomen aan de dan
+verdwenen werkelijkheid van die poel van ellende en verwording, waarin
+een groot deel van Amsterdams hardst-ploeterend volk aan het begin van
+de twintigste eeuw nog verzonken lag--dat dan zelfs een klein stukje als
+het zooeven door mij aangehaalde [p.89] voldoende zal zijn om elken
+twijfel te smoren: een klaar en zuiver gelaat gelijk, tot een duldenden,
+zekeren, wijzen glimlach bewogen, zal de diepe menschelijkheid van dit
+boek den twijfelaar aanzien, en deze, het hoofd buigend, zal, blijde en
+veilig in het geluk van dit visioen, zacht tot zichzelf zeggen, dat zulk
+een menschelijkheid niet anders dan waarheid kan zijn....
+
+[ELSE JERUSALEM: HET ROODE HUIS.]
+
+Mag men ook het machtige boek van _Else Jerusalem_, Het Roode Huis, als
+een symptoom van het krachtig opgestane epische genie der Joden
+beschouwen? Wat mij betreft, aarzel ik geen oogenblik die vraag
+bevestigend te beantwoorden: het is bijna onmogelijk, dat de
+schrijfster, alles in aanmerking genomen, geen Jodin is! Ook in dit werk
+is het heerschersbewustzijn aanwezig, maar gedeeltelijk, niet zoo
+volkomen alles doorstralend als bij _Querido_. Deze bordeelroman, een
+aanklacht als nauwelijks een andere tegen onze samenleving en tevens zoo
+fel en scherp een beeld ervan, dat wij als plots met een schok van
+ontzetting doorvoelen, dat het gelaat harer misdadigheid, zooals wij,
+lichtgeloovigen, dat kenden, slechts een welgelukte grime is, die
+oneindig satanischer en meer verworden trekken moet verhullen--deze
+prachtig-zuiver geschreven, van alle pornografische effekten en lagere
+bedoelingen ver gehouden roman, kan ongetwijfeld, wat sociale
+belangrijkheid betreft, naast _De Jordaan_ worden gesteld. En ook wat
+_dramatisch_ inzicht betreft. Niet licht zal men de moeder vergeten, die
+in haar kind vrijwel niets anders ziet dan middel tot wraak op den
+vader, die haar en met haar, onwillens het kind verstooten heeft. Niet
+licht ook de duldende _Janka_--de nicht van den verleider, den "prins,"
+den schatrijken heereboer--die met de verstooten moeder en het kind is
+weggevlucht en zich met hen in een bordeel heeft laten opnemen, niet
+alleen uit liefde tot de verstootene, maar ook uit een soort van duister
+gevoel dat zoo, door zelf met de in het verderf gestorten te lijden, de
+schuld van haar verwant, den verderver en verleider, door haar gedelgd
+en van het geslacht kan worden afgewenteld. [p.90] Maar wat de
+psychologie betreft--schoon nu en dan de hoogste voortreffelijkheid
+rakend, soms ook rhetorisch-oppervlakkig en vaag--en wat de dialoog
+aangaat--vaak veel te redevoeringachtig-opzettelijk--en vooral de
+beschrijvingskunst--heel vaak _vieux jeu_--staat het onder Querido's
+werk. Compositorisch is het echter weer uitmuntend. Dat het
+_heerschersbewustzijn_, zooals ik reeds opmerkte, niet overal in
+voldoend-sterke mate aanwezig is, zou men kunnen demonstreeren o.a. aan
+de figuur van _Madame Goldscheider_, de gewikste waardin, tegen wie nu
+en dan, zeer ten onrechte, door de schrijfster wordt opgezien, en die
+door haar merkbaar wordt _overschat_. Doch dat alles neemt niet weg, dat
+het werk als geheel straalt van een groote epische genialiteit, een
+onverschrokken eerlijkheid, een ontembare kracht en een psychisch geluk
+om eigen vast en zeker kunnen. Het is als een geweldige kerel, die,
+opduikend uit een moerassig water, handen en gelaat beslijkt, de kleeren
+gescheurd, maar de oogen stralend van triomf, met een bijna-verdronkene
+in de armen, den oever bespringt. Mevrouw _Barentz-Schoenberg_, die het
+prachtige boek op de haar eigen uitmuntende wijze vertaalde, heeft
+daarmee een goed werk gedaan, niet alleen, omdat zij daardoor den der
+duitsche taal onkundige de lezing van een sterken kunstarbeid mogelijk
+heeft gemaakt; niet alleen, omdat zij ons weer eens heeft doen gevoelen,
+dat de modderige stroom onzer maatschappij zijne groenende en reddende
+oevers der toekomst heeft, maar vooral, omdat ons met dit
+maatschappelijk beeld van elders een waarschuwing bereikt, welke
+allerminst onder de aanstaande heerschappij onzer gebenedijde
+"Zedelijkheids"-wetten overbodig heeten mag!--En om dit alles nu kan ik
+dan ook dit boek mijnen lezers niet sterk genoeg aanbevelen.
+
+[L. SIMONS: STUDIES EN LEZINGEN.]
+
+En wat is nu naast zoo machtige werken de beteekenis van een schrijver
+als de heer _Simons_? Wat ook mijne bedoeling en rechtvaardiging met en
+van de opname zijner figuur in dit opstel over _joodsche_ schrijvers?
+
+[p.91] Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, behoeft, dunkt mij,
+niemand lang in het duister te tasten. Zijn werk heeft, im grossen
+ganzen, de beteekenis, die de arbeid van elk niet geniaal, maar
+talentvol en scherpzinnig commentator naast dat van geniale
+menschenscheppers en critici heeft: geringer doch onmisbaar wijl nuttig,
+maar toch ook dit niet alleen: ook aandoening van schoonheid gevend!
+Doch dit slechts ervan te zeggen, zou zijn het onrecht doen. Want er
+zijn drie dingen, die het tot nog iets beters en meer bijzonders maken,
+dan werk van een talentvol en scherpzinnig commentator. Die zijn: ten
+eerste: de stijl van zijn opstel over den _Gijsbreght van Aemstel_. Het
+archaisch karakter daarvan, volgens des schrijvers eigen verklaring,
+door hem aangenomen, om zijn opstel in het kader der in 1893 door de
+_Erven Bohn_ uitgegeven foliant te doen passen, was dus geheel
+_willekeurig_, uit _wenschelijkheid_, en niet uit _innerlijke
+noodzakelijkheid_ geboren. Met andere woorden: ware het daarbij
+gebleven, dan zou dit geheele opstel geen _kunst_ maar _kunstenmakerij_
+zijn geworden. Maar het is daarbij _niet_ gebleven. Uitgegaan om een
+paar ezelinnen te zoeken, vond ook de heer Simons een, zij 't klein,
+koninkrijk. Het is n.l. duidelijk, dat, zoodra hij aan het schrijven was
+gegaan, het schrijven-in-dien-stijl, in den stijl des tijds van zijn
+groot onderwerp, wel degelijk een groeiende noodzakelijkheid, want een
+onvermoed en, eens gesmaakt, zelfs onontbeerlijk gelukgevend scheppen
+werd. _Het moet hem een zeker zoet genot van grooter eenheid met zijn
+verheven onderwerp hebben geschonken_. Hij moet ook iets als het
+_feestelijk_ gevoel gehad hebben--ik ga iets subtiels zeggen en het moet
+subtiel verstaan worden ook--_van een kind dat onder de oogen en den
+lieven glimlach van Vader, in het boek en met de pen van Vader schrijven
+mag_. Hij heeft namelijk de gewaarwording gehad, een liefhebbende,
+nederige en eerlijke _Vondel_-bewonderaar te zijn, schrijvend als onder
+de oogen en glimlach van _Vondel_, in de taal-nuance van _Vondel's_
+tijd. En daarom is het geen kunstenmakerij, maar een kunstwerkje van
+gewilde maar toch ongewilde stijlnabootsing, het product eener
+noodzakelijkheid, wier bijkomstige en overigens onbelangrijke [p.92]
+eigenschap het was parallel te loopen met eens menschen wil.
+
+Het tweede van den trits, waarvan ik sprak is dit: het werk is van een
+placide, bijna stugge, rimpellooze eerlijkheid. Het is alsof de
+schrijver, wijl hij niets te verbergen heeft, en als wilde hij je in de
+gelegenheid stellen, zijn gelaatstrekken zoo lang te doorvorschen als
+je-zelf het noodig vind, je klaar en vast aanziet en zijn blik niet
+neerslaat, voor je de joue afwend; precies dus het tegenovergestelde van
+de glibberige, vervloekte, slag-om-den-arm-houdende schrijfwijze van
+sommige andere critici. En, ten derde, is er het prachtig-bevoegde
+didactische van den geboren onschoolvossigen leeraar in.
+
+Wat nu het antwoord op mijn tweede vraag betreft: inderdaad, zelfs
+uitgezonderd zijn origine, en zelfs afgezien van het feit, dat _die
+origine voor mij het beslissende moment is_, bestaat er een zeer
+gewichtige reden hem in een opstel over _joodsche_ schrijvers op te
+nemen, want in de geheelheid zijner figuur vertoont hij juist eene
+persoonlijkheid, eene vereeniging van eigenschappen, zooals die vroeger
+zeer frequent was in en tot groot sieraad van het joodsche volk strekte:
+die van koopman of werkman, tevens kunstenaar en geleerde, wiens
+geleerdheid en kunstzinnigheid hem niet verhinderden een practisch en
+scherpzichtig koopman of deugdelijk arbeider, en wiens koopman- of
+arbeider-zijn hem niet verhinderde, een ijverig geleerde of gevoelig
+kunstenaar te zijn. Een levende herinnering dus aan een glorierijk
+verleden, herrezen in een samenleving, welke toonde deze gelukkige
+vereeniging van eigenschappen dankbaarder te waardeeren dan die van
+eertijds. En met de onbescheiden-geuite voldoening over dit alles,
+zij--om het slot niet te doen uitmunten boven het geheel!--dit
+alleronbescheidenst, mijn eigen ras verheerlijkend opstel besloten, een
+besluit, dat, althans voorloopig, tevens, tot mijn leedwezen, het einde
+mijner medewerking aan dit Maandschrift[15] moet zijn.
+
+Juni 1912.
+
+
+ * * * * *
+
+
+NOTEN:
+
+[1] 1 Febr. 1912.
+
+[2] Ter nadere opheldering van dezen thans wellicht minder
+begrijpelijken zin diene, dat bij de eerste publicatie dezer "Brieven"
+paragraaf-teekens werden gebruikt.
+
+[3] Cursiveering overal van mij.
+
+[4] "Ik mag zoo niet fratsen in mijne brieven," zeg ik met Abraham
+Blankaart, anders schrapte ik zoowel deze, zij 't ook goedmoedige,
+spotternijen, als de aan hen verwante, aan het eind dezer critiek
+voorkomende beweringen. Thans laat ik ze maar staan. Een
+criticus--iemand, die anderen steeds bedilt!--lijkt mij trouwens wel het
+allerminst gerechtigd, bij een herdruk van zijn werk vroegere _foutieve
+meeningen_ te verdonkeremanen. Maar wel moge ook hier thans de
+rectificatie volgen, die ik drie maanden na het verschijnen van dezen
+"Brief," in hetzelfde maandschrift--_De Boekzaal_--deed afdrukken. Men
+zal daaruit zien, dat ik mijne gevolgtrekkingen uit _zeer onjuiste_
+premissen had afgeleid:
+
+"Rectificatie.--Zoo heb ik dan nu tot mijn genoegen de gelegenheid een
+misslag te herstellen, waarvan het inzien mij weer eens heeft doen
+voelen, dat de criticus, hij moge pogen zoo conscientieus te zijn als
+hem mogelijk is, hierin de onfortuinlijke lotgenoot van den
+schoolmeester is, dat hem het onweersproken-blijven door degenen, die
+hij op de vingers tikt en bedilt, op den duur wat autoritair maakt en
+zijn gewaande rechtvaardigheid, door een soort van loszinnigen overmoed,
+in het tegendeel doet verkeeren! Men zal zich herinneren, dat ik, in
+mijn derden _Brief_ het door mij geprezen werk _De Vreemde Heerschers_
+besprekend, den heer en mevrouw Scharten-Antink meende te moeten
+verwijten, dat zij "fournisseurs de la cour" waren en daarom moedwillig
+de ruwste zijden van het in hun werk uitgebeelde boerenleven zouden
+hebben verdoezeld, terwijl ik hen ook, na hun Parijsche en Italiaansche
+romans, geloofde te moeten rangschikken onder degenen, die den prikkel
+van het uitheemsche behoeven, om tot scheppen te kunnen komen. Welnu,
+kort daarna ontving ik een brief van den heer Scharten, waarin hij,
+sprekend op zoo objektieve wijze over de gebreken, die zijn eigen werk
+in zijn oog aankleven, als ik slechts zelden heb waargenomen en die hem
+tot eer verstrekt, tevens verklaarde van deze mijne beide beweringen
+gemakkelijk de onjuistheid te kunnen aantoonen. En ik betuig hier gaarne
+en openlijk, dat dit inderdaad op overtuigende wijze gebeurd is. Wat het
+vermeende verdoezelen van zekere ruwe levenszijden aangaat, werd mij
+door het helder voor oogen stellen van 't natuurlijke en ekonomische
+milieu, waarin de Italiaansche boeren _aan de meren_ leven--wel te
+onderscheiden van bijv. de Italianen uit Toscane en vooral de
+Napolitanen--benevens door de mededeeling van verschillende persoonlijke
+ervaringen van de auteurs onbetwijfelbaar aangetoond, dat _hier niets te
+verdoezelen viel_. Het leven dier boerenbevolking verschilt _inderdaad_
+hemelsbreed van dat der door Zola en Querido beschreven boeren. En
+ofschoon men kan zeggen, dat het boek zoo geschreven had moeten zijn,
+dat het niet-verdoezelen _daaruit_ bleek, het is duidelijk dat dit
+niet-blijken evenzeer aan den recensent als aan den schrijver liggen
+kan, en men hierbij het gebied der subjektieve kritiek betreedt, welke
+een heel ander iets is dan het vermeend-feitelijke waarop ik mijn
+beschuldiging grondde, en welke alleen dan ook nimmer uitgangspunt van
+zulk een beschuldiging mag zijn. Terwijl wat mijn bewering betreft, als
+zou uit een soort van artistieke onmacht, het vaderlandsche te
+doorvoelen, het uitheemsche door deze auteurs worden _opgezocht_, mij
+ter weerlegging de redenen van hun buitenslands vertoeven werden
+medegedeeld, die mij bleken _niets_ met eenig literair streven te maken
+hebben, zoodat men inderdaad in deze schrijvers een nog meer volslagen
+uitzondering dan, maar toch van dezelfde soort als Van Oordt, heeft te
+zien, die immers ook door omstandigheden, welke grootendeels van
+niet-artistieken aard waren, er toe geleid werd, zijn onderwerpen wel
+niet in een vreemd land maar vroegeren tijd te zoeken.--Ten slotte:
+indien ik met zooveel genoegen mijne vergissing hier herstel en zelfs
+den heer Scharten gaarne voor zijne opmerkingen mijn dank betuig, dan is
+dit omdat die opmerkingen geuit werden op dien toon van waardeering en
+onvertroebelde erkenning, welke een persoonlijk ongekwetst-zijn en
+daarmee tevens een persoonlijk-hoogstaan van den opmerker aan den dag
+legt." Juni, 1912.
+
+[5] 1912.
+
+[6] Alle cursiveeringen zijn van mij, indien niet het tegendeel wordt
+aangegeven.
+
+[7] Cursiveering van de schrijfster.
+
+[8] Cursiveering van de schrijfster.
+
+[9] Herdrukt in mijne _Schetsen en Critische Opstellen_, blz. 150.
+
+[10] Deze meening heb ik in _Het Jonge Leven_ van September 1912 aldus
+nader gemotiveerd:
+
+Het schijnt mij toe, dat de benaming _roman_ voor dit boek zeer ten
+onrechte is gekozen.
+
+Men kan namelijk een boek als dit, waarin een sterke concentratie
+ontbreekt; waarin levensbrokken van tallooze menschen, die weinig of
+niets met het leven der meest vooraanstaande figuren hebben uit te
+staan, zoo fel en zoo uitvoerig worden uitgebeeld, dat zij qua
+uitbeelding bijna dezelfde belangrijkheid hebben bereikt als die der
+meest vooraanstaande figuren, moeilijk een roman heeten, tenzij men het
+of als zoodanig ondeugdelijk gecomponeerd wilde noemen, of bereid was af
+te zien van alle compositorische eischen, die men tot heden gewend was
+aan een roman te stellen. Met zulke compositorische eischen bedoel ik:
+dat er een _kern van handeling_ en een _kern van persoonlijkheid_ zij,
+maar dat er _buiten die kern_ slechts handeling en persoonlijkheden
+aanwezig zijn, voor zoover zij de _hoofd_handeling en de
+_hoofd_persoonlijkheid moeten _belichten_, en in onverbrekelijk
+boek-organisch verband daarmee. Daarvan is hier echter geen sprake. Wij
+zouden ongetwijfeld geen der in het boek optredende figuren hebben
+willen missen, want met _elk_ zulk een figuur, ook de schijnbaar
+vluchtig-aangegevene, ook de minst belangrijke, zouden wij tevens een
+_rijk doorvoelde menschbeelding_ gemist hebben, maar allerminst kan men
+zeggen, dat ieders aanwezigheid ter belichting der _meer op den
+voorgrond tredende_ figuren _noodzakelijk_ is. Doch er is nog een andere
+eisch aan een roman te stellen, die door dit werk _niet_ vervuld wordt,
+te weten, dat er een zekere feitelijke of psychologische of dramatische
+_toestand_ in heersche, die _aanvange_, zich _ontwikkele_ en zijn
+_ontknooping_ of _eindpunt_ bereike, maar ook en vooral, dat dit
+_eindpunt_ tevens een punt van _samenvloeiing_ is. Met dit laatste
+bedoel ik dit: een _roman_ zij in den aanvang eene _verscheidenheid_,
+welke bij het einde tot een _eenheid_ blijkt vervloeid, niet alleen in
+hooger-geestelijken maar ook in bloot-compositorischen zin. Een roman
+zij als het samenstroomen van vele beken die zich vereenen tot een
+machtige rivier, waarop al verder varende, de reiziger, genietend van de
+gezichten op haar oevers, van haar zonweertinteling en watergeur, weet,
+dat aan het eind der reize hem geen gering genot nog wacht: _het
+uitrustende verpoozen in de fraaie stad_, welke _zij_ rijk en groot
+heeft gemaakt, die inderdaad de _rivier_stad is, waarin alles van haar
+spreekt, alles van haar leeft en die daarom wel de _meest geeigende
+plek_ mag heeten, om zich nog eens herinnerend voor den geest te halen,
+al wat haar wateren en haar oevers hebben geboden op den tocht.--En nu
+is dit werk wel een machtige stroom en zelden of nooit heeft
+verscheidenheid mij zulk een gevoel van eenheid-der-dingen geschonken
+als die van dit boek, doch deze is de hierboven geschetste eenheid van
+een romangeheel niet, zij is de door geen _enkele_ grens gehinderde
+eenheid van het boek met het omringende leven, juist dus het
+_tegenovergestelde_ van de eenheid eener roman, die immers _een tot
+geheel geworden_ deel van, _gesneden uit_ het omringende leven is!
+
+[11] Het _essentieele_, de respectieve waarden aanwijzend en belichtend
+onderscheid tusschen het niet geheel de objectieve werkelijkheid dekkend
+gevoel-van-eigenwaarde van een geniaal mensch en het eveneens niet de
+objectieve werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een maniak,
+is niet zoozeer van quantitatieven aard, niet zoozeer een kwestie van
+meer of minder.--Mij lijkt het te liggen in het feit, dat zulk een
+maniak het beeld der hem omringende werkelijkheid in zijn geest moest
+_vernietigen_, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen _redden_,
+terwijl zulk een geniale mensch het beeld dier werkelijkheid in zijn
+geest niet het geringste geweld behoeft aan te doen, om zijn gevoel van
+eigenwaarde te kunnen laten bestaan. De verhouding van het gevoel van
+eigenwaarde tot de werkelijkheid is bij den _eerste: die van iemand die
+zijn mededinger doodt, omdat hij voelt, dal deze machtiger is_, bij den
+_tweede_ echter: _die van iemand, die in het sterke bewustzijn van eigen
+kracht, niet alleen den mededinger naast zich dulden, maar zelfs
+liefhebben kan!_
+
+[12] Ik bedoel dit: (Balzac, Facino Cane,) "Chez moi, l'observation
+etait deja devenue intuitive, elle penetrait l'ame sans negliger le
+corps; ou plutoet elle saisissait si bien les details exterieurs, qu'elle
+allait sur-le-champ au dela; _elle me donnait la faculte de vivre de la
+vie de l'individu sur laquelle elle s'exercait, en me permettant de me
+substituer a lui comme le derviche des Mille et une Nuits prenait le
+corps et l'ame des personnes sur lesquelles il prononcait certaines
+paroles_." Interessant ter vergelijking met de wijze, waarop Querido
+zijn _Jordaan_-Studies maakte is het onmiddellijk aan het geciteerde
+voorafgaande stukje: "_Aussi mal vetu que les ouvriers, indifferent au
+decorum, je ne les mettais point en garde contre moi; je pouvais me
+meler a leurs groupes, les voir concluant leurs marches et se querellant
+a l'heure ou ils quittent le travail_."
+
+[13] Alle cursiveeringen zijn van mij. v.C.
+
+[14] Later herdrukt in mijn _Schetsen en Critische opstellen_.
+
+[15] _De Boekzaal_, waarin deze "Brieven" voor het eerst werden
+gepubliceerd.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VERTALINGEN BIJ "BRIEVEN OVER LITERATUUR'[p.93]
+
+
+Blz. 7 _Sogar_:
+
+Zelfs echter onder het kleine aantal schrijvers, die werkelijk, ernstig
+en vooraf denken, bevinden zich slechts uiterst weinige, die over de
+_dingen-zelf_ denken: de overige denken uitsluitend over _boeken_: over
+datgene wat reeds door anderen is gezegd. Zij hebben namelijk, om te
+kunnen denken, de meer nabije en sterkere opwekking van anderer
+gedachten noodig.... De eerstgenoemden daarentegen worden door de
+_dingen-zelf_ tot denken geprikkeld.... En onder dezen zijn alleen zij
+te vinden, die beklijven en onsterfelijk worden.
+
+Blz. 17 _Vague Thoughts on art_: vage gedachten over kunst.
+
+Blz. 17 _Art is_:
+
+Kunst is de verbeeldingsvolle uitdrukking van menschelijke energie,
+welke ernaar streeft, door technische vertastbaring van gevoel en
+waarneming, het individu, doordat zij een onpersoonlijke ontroering in
+hem verwekt, in harmonie met het universeele te brengen.
+
+Blz. 17 _Impersonal emotion_: onpersoonlijke ontroering.
+
+Blz. 17 _If I stand_:
+
+Indien ik, een voorwerp beschouwend, word ontroerd door den aanblik
+zijner kleur en van zijn vorm, zij 't in nog zoo geringe mate en voor
+nog zoo korten duur en daarbij vrij blijf van eenige bepaalde,
+feitelijke gedachte--in die mate en gedurende dien tijd heeft het mij
+aan mij-zelf ontrukt en zich-zelf daarvoor in de plaats gesteld; heeft
+het mij aan het universeele verbonden, door mij het individueele in mij
+te doen vergeten....
+
+Blz. 19 _For religion_:
+
+Voor godsdienst zijn alle menschen gelijk, op dezelfde wijze als alle
+munten gelijk zijn: hun aller waarde bestaat uitsluitend daarin, dat zij
+het beeld des Konings dragen.
+
+Blz. 19 _He longed to go to school_:
+
+Hij verlangde hevig naar school te gaan (een zonderlinge wensch), de
+universiteit te bezoeken, zich een naam te maken, [p.94] en hij
+verlangde niet slechts deze dingen, maar van het meerendeel hunner
+verwachtte hij stellig, dat zij ook zouden gebeuren. Hij beschouwde
+zich-zelf als een kind van goeden stand, aan het begin van een
+voorspoedig leven. Hij beschouwde zijn tehuis en familie als een heel
+goede springplank, van waar hij zich omhoog kon zwaaien naar de
+posities, die hij wenschte te bereiken. En bijna juist toen hij op 't
+punt stond te springen, _brak de heele stellage onder hem in elkaar en
+hij en al de zijnen verdwenen in een duistere diepte_.
+
+Blz. 20 _Dickens went_:
+
+Dickens ging in de Pickwick-club om te spotten, maar bleef er ten slotte
+om te bidden.
+
+Blz. 20 _The modern Shocker_:
+
+De moderne sensatieroman is, op zijn allerbest, _een tusschenspel in 't
+leven_, maar in die dagen, dat Dickens' werk in afleveringen verscheen,
+spraken de menschen erover _alsof het werkelijke leven een tusschenspel
+tusschen een aflevering van "Pickwick" en de volgende was_.
+
+Blz. 20 ... _his Christmas sentiment_:
+
+... zijn kerstmis-sentiment. Het heeft die zich verkneuterende, warm
+beveiligde knusheid, dat zich op z'n gemak voelen, _die afhankelijk zijn
+van het bewustzijn, dat buiten hun begrenzing slechts ongemak is_. Het
+heeft sympathie met den arme, in 't bijzonder met de buitensporigheid
+van den arme, met datgene wat men zijn tijdelijke weelde noemen kan. Het
+heeft het sentiment van den haard, dat is: _het zien van het open
+haardvuur als het roode hart van de kamer_. Dat open haardvuur is het
+heilige vuur van Engeland, _nog brandend gebleven te midden eener
+slaafsche beschaving van kachels_.
+
+Blz. 21 _But considered poetically_:
+
+Maar uit een poetisch oogpunt beschouwd is de Londensche mist niet
+onverdienstelijk. In onze groote steden hebben wij de zuivere en gezonde
+duisternis van het land voor goed onmogelijk gemaakt. _Wij hebben Nacht
+vogelvrij verklaard, haar in onbewoonde streken te zwerven gezonden, en
+ten afweer harer weerkomst eeuwig brandende wachtvuren ontstoken_. Een
+nieuw heelal hebben wij geschapen, bij gevolg ook onze eigen zon en
+sterren. En dus ook, en welverdiend, was het ons opgelegd, onze eigen
+duisternis te moeten scheppen. Precies zoo als elke lamp een warme,
+menschelijke maan is, zoo is iedere fabrieks-dampige mist een rijke,
+menschelijke avondval. Ware het niet door dit mystiek gebeuren, wij
+zouden nimmer de duisternis zien, en hij die nooit duisternis zag, zag
+nooit de zon.
+
+Blz. 21 _This life of grey studies_:
+
+Dat leven van grijze studies en halve tonen, welks afwezigheid in
+Dickens ge zoozeer betreurt, is slechts het leven zooals het [p.95]
+wordt _gezien_. Dit leven van helden en misdadigers is het leven, zooals
+het wordt _geleefd_. Het leven dat een mensch het innigst kent, is juist
+het leven, dat hij het volst van wreede zekerheden en gevechten tusschen
+goed en kwaad ziet--_zijn eigen leven._ O, zeker, het leven waarmee wij
+niets hebben te maken kan ons makkelijk een psychologische comedie
+lijken, het leven van andere menschen: menschelijk studie-materiaal;
+maar een mensch zijn eigen leven, dat is altijd een melodrama.
+
+Blz. 60 _Cette derniere allusion_:
+
+Deze laatste toespeling op een weinig aesthetischen rabbijnschen ritus
+(het dragen der gebedsriemen, v.C.) waaraan door de traditie veel
+gewicht wordt gehecht, bedoelt den nadruk te leggen op het contrast
+tusschen de schoonheid der Grieksche cultuur en het gebrek aan smaak der
+rabbijnen.
+
+Blz. 60 _Toutes ces belles choses_:
+
+Al deze schoone zaken, welke door krachtlooze mannen, verdorven, vuige
+en aan het leven vijandige wezens ontroofd zijn aan Shadai-God-Rots
+(Shadai, een hebreeuwsch woord, beteekent Almachtige, v.C.)--deze
+ondoordringbare godheid van de woestijn, die de daden van Kanaaen's
+veroveraars bestuurde--en die door hen in het leder der gebedsriemen
+werden vastgesnoerd.
+
+Blz. 61 _Allusion a_:
+
+Toespeling op een talmudische passage, welke dengeen, die stilstaat om
+"een mooien boom of een schoon veld" te beschouwen, verfoeilijk acht.
+
+Blz. 61 _Fils de l'homme:_
+
+Menschenzoon.... Sta op en ga naar de stad der slachting. Treed er de
+huizen binnen, om met uw oogen te zien en te tasten met uwe handen, het
+bloed gestold, het hersenmerg hard geworden op de hagen, de boomen, en
+het cement der muren.... Daarna zult gij de ruinen gaan zien, de bressen
+overspringen, u een weg banen door doorboorde muren en verbrijzelde
+ovens, daar waar de doorbraak het wijdst, de gaten het grootst zijn. Zij
+gelijken de gapende openingen van vervuilde wonden, waarvoor geen enkel
+middel, geen genezing meer bestaat. Uwe voeten zullen er verzinken in de
+veeren en stooten tegen de scherven van verbrijzelde voorwerpen, tegen
+de overblijfselen van boeken en perkamenten, te loor geganen rijkdom, de
+vrucht van bovenmenschelijke inspanning en arbeid.
+
+Maar houd u niet te lang bij die ruinen op en vervolg uw weg.... En de
+geur der acacias zal u tegemoet komen, dringen in uwe neusgaten....
+
+En als ware 't om U nog dieper te bedroeven, zal hun vreemde geur, der
+lente frischheid spreiden in uw hart, en gij zult het verdragen! En de
+zon zal U raken met myriaden gouden pijlen, [p.96] die op elke
+ruitscherf de zeven blijde kleuren van uw ongeluk zullen spiegelen....
+
+Want Jehova riep de lente en de slachting tezelfder tijd. De zon
+straalde, de acacia ontlook en de beul sloeg neer....
+
+Blz. 62 _Dans ce sanglot_:
+
+In dezen oppersten wanhoopssnik van een denken, dat zich vastklemt aan
+het leven, schoon het begrip van het Einde het nimmer loslaat, komt een
+levende en sympathische gevoeligheid aan het licht, die door onze eeuw
+van tot het uiterste opgevoerd egoisme en positivisme verdient te worden
+gekend.
+
+Blz. 61 _La chose_: Het Iets.
+
+Blz. 62 _Car une chose_:
+
+Want Iets heeft zich in ons midden geopenbaard, maar niemand weet wat
+het beduidt.
+
+Is het de Opgang of Ondergang eener zon? En zoo het een Ondergang is, is
+het er eene voor eeuwig?
+
+Want de Chaos die ons omringt is onafzienbaar. Hij is vreeselijk deze
+chaos, een toevlucht wordt niet in hem gevonden.
+
+En zoo wij al te midden der duisternissen wilden smeeken, ons overgeven
+aan het gebed, welk oor zou ons hooren?
+
+Of zelfs zoo wij uitbraken in Godslasteringen, op welk hoofd zouden zij
+neerkomen?
+
+Of indien wij tandenknarsend, in woede de vuist zouden heffen, welken
+nek zou zij treffen? De Chaos, de wind, zij zouden het alles meevoeren
+zonder een spoor achter te laten.
+
+Er is nergens een rustpunt, nergens een steun, nergens een weg. De
+hemelen zwijgen.
+
+Zij weten hoezeer misdadig zij jegens ons zijn; het helsche hunner
+misdaad kennen zij en in stilte dragen zij hun last.
+
+Open dan uw mond, o Propheet van het Einde, en zoo ge iets te zeggen
+hebt spreek!
+
+Ware uw woord zoo bitter als de dood, ware het dood-zelf, spreek, zeg
+het!
+
+Waarom zouden wij den dood vreezen, daar reeds zijn engel onzen rug
+berijdt en het gebit klemt in onzen mond?
+
+En terwijl de hymne der wedergeboorte op onze lippen zingt, in de
+hoogste extase der vreugd van te leven, snellen wij naar het graf.
+
+Blz. 63 ... _C'est la vie reelle_:
+
+... Het is het werkelijke leven, de krachtsinspanning, die de dichter
+den ontaarden zonen van het Ghetto predikt.
+
+Zelf overvloeiend van levens- en arbeidslust, oefent hij daardoor een
+des te grooter invloed op de lezers, zijn eigen lotgenooten uit.
+
+Hij is zich bewust van zijn rol als vernieuwer en herschepper. Hij is
+even mild, even gul als de natuur het voor hem-zelf is.
+
+[p.97] Blz. 63 _debordant de joie de vivre_: overvloeiend van de
+blijdschap van te leven.
+
+Blz. 63 _Mais non_:
+
+Maar neen! Zij sterft niet, de poezie! Zij sterft nimmer. Zelfs ten dage
+dat de mensch-worm er in zal slagen zijn heerschappij over de domeinen
+van den hemel en den afgrond uit te strekken, den donder en bliksem te
+temmen, en met zijn klaarheden de duisternissen van den poolnacht te
+verjagen, sterft zij niet.... Midden de omlijstingen van zuiver goud en
+uit de halssnoeren der rijmen zal opgaan de geestdrift van de
+dichterziel, machtig, als het trots gegrom van de zee. Verwijlend bij de
+heugenis der daden, in verleden tijden door de vaderen volbracht, en in
+de onmetelijke gelukzaligheid der komende eeuwen, sterft zij niet, zal
+zij nimmer sterven!...
+
+Blz. 65 _Lesen kann ich gar nicht_:
+
+Lezen kan ik heelemaal niet en schrijven maar weinig. Sedert een jaar is
+een oog geheel dicht, het andere zeer zwak en 2/3 van het gelaat, de
+mond daarbij inbegrepen, is verlamd. Daarbij komt, dat ik levenslustig
+ben gebleven en heelemaal geen trek heb mij kalmpjes onder de voet te
+laten loopen. Integendeel, de teenen jeuken mij en God zij het zitvlak
+genadig, dat zij eerstdaags zullen schoppen.
+
+Blz. 65 _Im Laufe des Gespraches_:
+
+In den loop van het gesprek nam ik een fransche krant op en nadat ik
+vluchtig den inhoud had doorgezien, vroeg ik Heinrich zijn meening over
+de publieke personen in Frankrijk, "Och," zei bij, "daar moet ik je 't
+zelfde op antwoorden, als wat die oude Fransche wachtmeester zei, toen
+de leverancier Lewi zijn ossen afleverde. Dit vond plaats op het
+marktplein van een klein stadje, waar de Staf, voor wie de ossen werden
+voorbijgedreven, om geteld te worden, stond opgesteld. De heer von Lewi
+had de verplichting op zich genomen 300 ossen te leveren, maar had er nu
+slechts 100 tot zijn beschikking. Hij liet daarom de ossen stuk voor
+stuk voorbijdrijven, en richtte het zoo in, dat de gekeurde ossen door
+zijn knechten vlug de eene poort uit, stadje om en door de andere poort
+weer naar binnen werden gedreven, zoodat ten slotte door den Staf een
+bewijs van ontvangst van 300 ossen werd afgegeven. Maar een oude
+wachtmeester, die erbij stond, schudde verwonderd 't hoofd en merkte op:
+het kwam hem voor, dat het voortdurend dezelfde ossen waren
+geweest.--Ja, beste broer," besloot Heinrich, "ook mij wil het
+voorkomen, dat 't nog altijd dezelfde ossen zijn."
+
+Blz. 66 _Bruder, du warst_:
+
+Broer, je was verstandiger dan ik, je koos je het kleinste der kwaden.
+
+[p.98] Blz. 68 ... _les lettres hebreux_:
+
+.... de hebreeuwsche letterkundigen hielden ervan hun toevlucht te nemen
+in de romantische gevoeligheid, die hen voor een scherpe waarneming der
+werkelijkheid vrijwaarde.
+
+Blz. 77 _Chez moi_:
+
+Bij mij was het opmerken intuitief geworden, het drong door tot in de
+ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het
+doorgrondde zoo goed de uiterlijke details, dat het ook onmiddellijk hun
+keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen om zelf het leven van het
+individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven
+mij in zijn plaats te stellen, zooals de dervisch der Duizend en een
+Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn
+tooverformulier uitsprak.
+
+Blz. 77 _Aussi mal vetu_:
+
+Even slecht gekleed als de werklieden, en mij gedragend als zij, zorgde
+ik ervoor dat zij niet voor mij op hun hoede waren; ik kon mij mengen in
+hun groepen, hen hun handeltjes zien bedisselen en met elkaar twisten,
+als ze het werk verlieten.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [1] [p.99]
+
+
+I.
+
+Mevr. Henriette Roland Holst, Studies over Socialistische Aestetica.
+--H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland.
+
+
+Voor zoo menige dichter-jeugd, gelijk voor elke menschheid in dien
+verbeelding-rijksten harer tijden, als de nog teere ziel, instinctief
+voor het harde licht bevreesd, naar schemer neigt, en al droomend, zich
+den niet-droom poogt bewust te maken, rijst het verleden als een
+geheimende nachtstad op. Beslagen van het blauwig zilver van de maan op
+spitsen en op daken, de muren opstanden van sneeuwig licht naast holle
+donkerten, staan op de leege, blind-begrensde, wijde pleinen en aan de
+eindelooze voortwindingen der holle straten, de monumenten en torens en
+paleizen. De menigten, die daar wemelden in 't zonlicht en hun roep en
+lach opschalden, juichten en werkten, vloekten en zongen, zijn ter rust
+gegaan.... De monumenten en torens en paleizen, die beklijvenden, zij
+zijn alleen gebleven....
+
+O, dichters, hoe heeft het Verleden u vaak vleiende gelokt,
+nomaden-vorsten van een volk, bezitters van een schat van droomen, die
+meendet, dat 't daar goed wonen voor uw volk was. Ge zaagt het zoo ruim,
+oneindig, zoo standvastig [p.100] beklijvend en toch zonder eenige
+weerstreving. Het docht u een land, dat om een volk vroeg. Niets
+hinderde u daar. Gij kondt u vlijen aan den voet der eeuwige monumenten
+en u wegdenken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het
+scheppingsgenot van wie die schiepen. Gij bevolktet de leege straten,
+de pleinen en paleizen met uwe droomen, deedt hen zitten op de tronen,
+gaaft hun den schepter in de teere handen; ook schonkt gij hun
+rijk-gekleede dienaren, een hof van pages, ridders en edelvrouwen.
+Gij maaktet het stijve goudbrocaat en weefdet de glanzende zijde. Gij
+schiept al het ontbrekende van uwe droomen en herschiept zelfs veel van
+het zijnde daarin. En alles werd een half maanlicht-blanke, half donkere
+sage, verrukkelijk zoet voor uwe oogen, die, nauwelijks uit 't onbewuste
+opengeloken, verblind zouden zijn geworden door 't volle licht. Maar,
+arme droomenvorsten, ge ondervindt 't altijd en altijd weer, de nacht
+duurt niet eeuwig, de opschrikkende schemer kort, en over het verleden
+blijft niet immer de sprokige maanglans gespreid! Als bij het groeiend
+licht de menigten der menschen en der levensfeiten ontwaken, drijven zij
+ruw uw droomen-volk uit. Dat is dan om te schreien. Al lijkt 't eerst
+een wrange clownerie, die een armen mensch even doet lachen, maar die
+hem dan ook later op zich-zelf doet vertoornen, omdat hij lachen kon.
+Dan verraggen en verlompen de glanzende zijde en het stijve goudbrocaat,
+het goud en zilver der schepters en kronen wordt om niet geacht en de
+arme droomen sterven aan de hoeken aller straten, waarlijk van honger en
+dorst.--Het is dan op die kentering van uw leven, dat gij het heden haat
+en vreest, gij vreest het als een scherpsnedig wapen, gij haat het als
+een ruwe en onberechtigde overheersching. Al naar uw aard verschrikt het
+u op andere wijs, want vele zijn zijne boden der verschrikking: vreest
+gij den een niet, zoo snelt ge toch vluchtend voor den ander uit. Och,
+droomers, eens zult ge leeren, dat ge niets van het heden kunt
+ontvluchten. Nu weet ge dit nog niet, en dan: uw oogen zijn juist sterk
+genoeg geworden, om zich te koesteren aan der toekomst bleeken
+ochtendgloor.
+
+[p.101] Zoo wendt ge u tot haar. O, het schoon gelaat dier wereld, van
+wie nauw de nacht is afgegleden en die in den vroegen ochtend openglanst
+... de velden dragen glinsterinkjes van dauw, de bloemen ademen naar hun
+geurige wijze, er is nog een lichte dampigheid, die haar trillende
+sluierflarden bij plekken over het zonvergulde waast, waar hoog in de
+verte de morgenstad op glooiende heuvels wacht.... Maar zaagt gij haar
+wel zoo?... Wellicht verscheen zij u wel als jonge vrouw, een half
+verloken belofte op het neerziend gelaat ... wellicht als Roem, Rijkdom
+... wie dan gij-zelf zou het kunnen zeggen, hoe zij u verscheen.... Want
+zonder tal zijn de gestalten, waarin zij zich verhult. De goden hebben
+haar de gaaf der gedaanteverwisseling verleend. Een andere Mestra,
+verschijnt zij vaak als tot dienst gewillige slavin, verkoopt zich
+telkens opnieuw en ontsnapt weer telkenmale.... Onnoozele, die het niet
+wist: met de vrucht van uw werk, door haar verworven, zonder u te
+dienen, voedt zij haar onverzadelijken vader, den wreeden heerscher,
+dien gij wildet ontvluchten.... Later begrijpt ge, dat dit alles zoo
+moest zijn: hoe weinigen zouden werken voor het heden, zoo ze 't niet,
+in hun gedacht, voor het bezit der toekomst deden!... Dan, als ge dit
+begrijpt, glimlacht ge om 't schoon bedrog; ge zijt nu ook ouder
+geworden, ge leert u schikken in wat onvermijdelijk is en uw oogen zien
+moedig en sterk in het volle daglicht. Gij vreest niet meer de
+kletterende rumoeren, de plompe voeten, den aanblik der zwoegende en
+strijdende gestalten van het heden. Gij voelt dat alles niet meer als
+een vreemde en wreede overheersching, maar bloed van uw bloed nu. Niet
+van het hooge en ijle in u gemaakt, gelijk uw droomen waren, maar aan
+het hart-diepe en innige in u verwant. Ge leert, o verrukking, van het
+"leelijke" de schoonheid zien. Maar ge leert meer: hoe het verleden,
+maar ook de toekomst en het heden slechts verschijnselen-van-de-oppervlakte
+zijn: drie meren, elkaars inhoud onophoudelijk wisselend door en in een
+diep verborgen bron. De vergankelijkheid, die ge meendet te zien, is
+slechts eene van verhouding en vertoeven-in-zekere-sfeer, niet van
+wezen. Nu [p.102] erkent gij eerst goed de dwaling uwer voorkeuren, gij
+voelt u nu rijk en gelukkig met het heden, en zijt gij al een
+waterdruppel in dat meer, in dieper werkelijkheid weet ge u ook een in
+de andere twee en de diepverborgen bron. Maar nauwelijks hebt gij u
+verheugd om uw ontdekking of het valt uwer vrijgekomen aandacht op, dat
+ook deze "groote gewoonte der natuur": de schijnbare vergankelijkheid
+der dingen, door een andere gewoonte wordt verstoord. Iets, merkt ge, is
+er, dat zelfs niet onderworpen schijnt te zijn aan die tijdelijkheid van
+vertoeven en verhouding, waarin gij-zelf bestaat: de groote kunstwerken,
+die altijd blijven in het heden; zij stroomen niet weg naar verledens
+meer, zij schijnen de eigenschap der _hedenmatigheid_--mogen wij zoo
+haar even noemen?--onvervreemdbaar te bezitten en immer te kunnen passen
+en leven in de wisselende verhoudingen van het _heden_; de eigenschap
+dus, die men, los van de sfeer der hier opgeroepen denk-beelden, die der
+eeuwige jeugd zou kunnen noemen. En zijt ge een kunstenaar, nu levend in
+het heden, dan wordt dit wellicht een van uw sterkste begeerten: te
+vinden, wat dit _uitzonderlijk_ eeuwigzijn in hen veroorzaakt, wat het
+_essentieele_ in hen is.
+
+Voorzeker, ik moet den nadruk leggen op: "nu levend in het heden": niet
+immer was de aanleiding tot het bestaan van zulk begeeren zoo groot als
+thans, een feit reeds gemakkelijk te verklaren uit de omstandigheid, dat
+juist in onzen tijd het aesthetisch-critisch denken zich in de richting
+der hel bewust makende analyse beweegt, en wat zou het analytisch denken
+wel belangrijker kunnen lijken dan de vraag, wat de kern van haar
+onderwerp uitmaakt? Maar deze verklaring laat de meest
+actueel-belangrijke aanleiding toch in het duister. En willen sommigen,
+niet immer zonder goed recht, beweren, dat het door haar genoemde feit
+op machteloosheid tot scheppen en zekere decadentie wijst, de andere
+verklaring daarentegen zou niet kunnen gegeven worden, ontkiemde er niet
+allerwegen een nieuw en sterk leven; zij immers noemt als oorzaak: het
+opkomen eener [p.103] marxistisch-socialistische aesthetiek, die het
+probleem wat het eeuwige en essentieele in kunst zij, tot een der
+heftigst omstreden en dan ook strategisch niet onbelangrijke punten
+maakte. Tot in onzen tijd scheen dan ook vrijwel de vraag in de
+rustigste rust te slapen en iedereen het erover eens te zijn, waarin het
+bestond. Men achtte het te zijn het "algemeen-menschelijke" van de
+figuren, in die altijd jong blijvende werken gebeeld. Dat
+"algemeen-menschelijke," zoo meende men, bleef immers ook voor de verst
+verwijderde geslachten meevoelbaar, zoodat daardoor die werken nooit
+konden den indruk wekken van verouderd en leeg van schoonheid en zin te
+zijn. Nu kan men ongetwijfeld wel in den arbeid van alle groote
+kunstbeschouwers, de duidelijke blijken vinden, dat zij iets anders dan
+dat "algemeen-menschelijke" als het eeuwige en essentieele van kunst
+zagen, maar 't geen ook duidelijk blijkt is: dat dit zien een vermogen
+van het Onbewuste in hen bleef: een intuitief aanvaarden van een
+gevoelde maar niet _door_voelde en evenmin _begrepen_ waarheid, een
+aandrift en een roepstem die zij volgden, handelend uit onbewuste en
+aangeboren zekerheid, gelijk duiven die onder den wijden, wegloozen
+hemel de richting vinden naar het veilig nest. Ware het anders, waren
+zij bij machte geweest uit te zeggen _waarom_ dat andere als het
+vereeuwigend bestanddeel van kunst moest worden aanvaard, dan, dunkt
+mij, zou toch wel ten minste een hunner dat gedaan hebben, toen het
+historisch-materialisme, het marxistisch systeem van onderzoek en
+verklaring der herkomst van de sociale, geestelijke zoowel als
+stoffelijke, verschijnselen, ook in ons land, belichaamd in Mevr.
+Holst's _Studies over Socialistische Aesthetica_ en Gorter's _Kritiek op
+de Literaire Beweging van '80 in Holland_, zijn invloed begon uit te
+strekken tot de literaire aesthetiek en critiek. Immers Gorter vooral
+concentreerde een niet gering deel zijner aanvalsmacht juist tegen die
+algemeene-en-eeuwige-menschelijkheidstheorie. Hetgeen mij dan ook, zeer
+zeker van zijn standpunt, het meest logische lijkt. Het
+historisch-materialisme, dat de stelling tot basis heeft: "het
+bewustzijn der menschen is het niet dat hun zijn, maar, omgekeerd,
+[p.104] hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt," anders
+gezeid: "de materieele maatschappelijke veranderingen zijn de hefboom
+der geestelijke bewegingen," aanvaardt wel het bestaan van een physisch-
+en psychisch-functioneel zich altijd gelijk blijvende algemeene
+menschelijkheid--waarvan echter, zooals Gorter, ook m.i. terecht, zegt,
+_geen kunst te maken is_--maar het bestaan eener algemeene
+menschelijkheid, die eeuwig zou zijn en zich gelijk blijven in haar
+drijfveeren en hartstochten, kortom in alles, dat haar een waardevol
+onderwerp voor kunst doet zijn, kan het niet aanvaarden. Krachtens zijn
+grondstelling-zelf ziet het met en door de wisseling der
+productieverhoudingen ook den geheelen inhoud der menschelijke psyche
+zich wijzigen; elke tijd heeft dus zijn door de productieverhoudingen
+_gespecialiseerde_ menschelijkheid, waarvan _de kunst van dien tijd
+gemaakt wordt_, en van het bestaan eener algemeene en eeuwig levende
+menschelijkheid, die daartoe dienen kan, is dus geen sprake. Het eeuwige
+en essentieele der beklijvende werken van kunst is dan ook volgens
+Gorter, de eeuwig meevoelbaar blijvende _gespecialiseerde
+menschelijkheid_.--Ik mag den lezer niet in den waan laten, dat ik niet
+zie, hoe hij hier verbaasd-vragend zijn wenkbrauwen hoog optrekt en met
+een haastig-gegrepen potlood een groot vraagteeken bij deze
+Gorteriaansche bewering plaatst, die inderdaad al op het eerste gezicht
+zwakheid verraadt. Maar hij vergunne mij te doen _alsof_ ik niets zie!
+Ik laat hem nu slechts de troepen-opstelling op het slagveld zien. De
+strategisch-zwakke punten mogen in den strijd aan het licht treden; dat
+is het zekerste, het vernuft van den toeschouwer kan hier bedriegelijk
+werken. Mag ik hem dus ook de door mij ingenomen positie vertoonen?
+Ziehier: _Niet_ de "algemeene en eeuwige menschelijkheid," nog minder de
+"door de productieverhoudingen gespecialiseerde" is het eeuwige en
+essentieele in een kunstwerk, maar de ten eeuwigen dage zichtbaar en
+meevoelbaar blijvende _schoone beweging van het Scheppend Vermogen, dat
+dat werk voortbracht_.--Niet dus zijn de gedachten, de beelden, de
+hartstochten, de drijfveeren der in zulk een werk voorgestelde [p.105]
+wezens eeuwig, zij verouderen, hun stem dringt niet fel meer in onze
+ooren, wij beminnen niet als zij hebben bemind, wij haten niet als zij
+hebben gehaat; hoe ver staan zij van ons, van de stemmen en gezichten,
+van de begeerten en afkeeren van onzen tijd.... Maar wat fel midden-uit
+dat verouderende tot ons klinkt, wat wij als een ondoofbaar en eeuwig
+schoon zien stralen, dat is altijd nog het verrukkelijk bewegen der
+scheppende ziel, de _schoone daden_ der _kunst_-scheppende _Natuur_, die
+in alle tijden dezelfde is, in alle tijden voor menschen doorvoelbaar,
+in alle tijden aanbiddelijk.... Geen kunstenaar is of was er, wien de
+vergankelijke tijd niet doorstroomde--ja, hoe grooter hij is, des te
+opener staat hij voor dien tijd!--van diens vergankelijke beelden en
+neigingen maakt hij kunst, maar: het complex dier beelden en neigingen
+is dan ook in waarheid het lichaam niet, waarin zijn Scheppend Vermogen
+blijft leven. Hoe zou dat kunnen, daar het _vergankelijk_ is?
+
+Neen, het onvergankelijk lichaam, waarin dat zich blijft openbaren is:
+de _taal_: daarin schittert voor immer de waarachtige logiek zijner
+beweging, de uit zich-zelf blijkende _noodzakelijkheid_ daarvan, in een
+woord: geheel de ontroerende schoonheid van het scheppend _gebaar_, van
+de scheppende _daad_. Die voelen alle nageslachten mee, die is het welke
+zij liefhebben, alle. In dat ijl-doorzichtige, toch pantserharde, toch
+niet te deren lichaam, blijft zij, voor onze oogen zichtbaar, levend,
+als 't spelend vuur in diamant bewaard, zoo spelend en zoo glippend, zoo
+vrij en toch gevangen.... Wat ik dus beweer _is: dat niets anders dan de
+in een kunstwerk bereikte tweeeenheid van Scheppend Vermogen en taal,
+dat kunstwerk zijn "eeuwige jeugd" verleent_. En wat nu de werking dier
+tweeeenheid op het complex der verleden beelden en neigingen in
+betrekking tot de aanschouwers betreft: als dezen haar wonderen glans
+zien en den klank harer taalstem hooren, gelooven zij, gelooven zij, en
+volmaakt, in de _herleving van dat doode_, en--hebben gelijk! Want: op
+het ontroerend gebieden, op het onweerstaanbaar lokken van die stem,
+hebben zij het _iets van hun_ [p.106] _eigen menschelijkheid, onbewust,
+geleend_, _hebben zij 't met hun menschelijkheid weer bezield_.
+
+Vastgesteld nu zijnde, dat deze de drie meeningen zijn, wier waarde of
+onwaarde in dit opstel aan het licht moet treden, gelieve de lezer wel
+te billijken, dat waar de bestrijding der eerste meening m.i. reeds
+afdoende door Gorter is geschied, ik die niet zelf voere maar de zijne
+citeere. Want overigens, al lijkt mij die meening wel onjuist, zij
+schijnt mij niet verderfelijk voor de literaire critiek als die der
+marxistische aesthetici. Bij deze is het dus voornamelijk, dat ik mijn
+aandacht wensch te bepalen. En waar het nu ook in de dingen van den
+geest waar is, dat men aan de vrucht den boom kan kennen en het ons al
+minstens evenzeer om de vrucht--de literaire critiek--als om den boom,
+waaraan zij groeit--de aesthetiek--te doen is, zij het mij vergund ook
+in de critische gedachten mijner tegenstanders de principieele
+denkfouten op te sporen en daarna hunne betrekking tot, of oorsprong uit
+de aesthetische overtuiging. Uitteraard is hier een eigenmachtig
+resumeeren door den bestrijder van den bestreden tekst van nul en geener
+waarde. Zoo ergens, dan schijnt hier wel _letterlijk_ citeeren plicht.
+En hieraan kan ik dus nu beginnen. Aldus dan Mevr. Holst:[2]
+
+ Voor den eersten[3] zijn alle menschen gelijk en is van alle
+ menschen het levensverloop even aesthetisch belangrijk, even waard
+ afgebeeld te worden in kunst. Er is voor hem niet meer grond, door
+ den eenen mensch meer getroffen te worden dan door den anderen, als
+ er grond is wezenlijk onderscheid te maken tusschen mensch en ding.
+ Vandaar, vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme,
+ de neiging tot het afbeelden van volslagen onbelangrijke, vaak in
+ de nietigste kleinigheden uitgeplozen levenssneden van volslagen
+ onbeduidende menschen--zij het geheel objectief of in een tint van
+ medegevoel of ironie.
+
+[p.107] Mogen wij wel aannemen, dat deze aesthetische overtuiging van
+den burgerlijken kunstenaar de oorzaak is van _de neiging tot_ het
+afbeelden van "volslagen onbelangrijke ... levenssneden"? Wijst dat
+tusschenzinnetje: "vooral bij den hedendaagschen nabloei van het
+naturalisme" niet op de m.i. ware oorzaak? Immers, kunstenaarsaanleg is
+zeer verscheiden: de een heeft de macht en den drang tot het scheppen
+van heroische wezens en omvangrijke, grootsche tooneelen, de ander
+slechts tot het uitpluizen van kleine levens-afsneden van volslagen
+onbelangrijke menschen. Der eersten aanleg is meestal machtig en groot,
+die der laatsten meestal zwak en klein. De oorzaak van het opkomen van
+het groote meerendeel der laatsten is dan ook: het gewekt zijn van hun
+kleine aanleg door voorafgaande grooten. Waren _die_ er niet geweest,
+misschien hadden _zij_ dan nooit geschreven; vandaar, dat hun werk bijna
+altijd bij een _nabloei_ hoort, nu van het naturalisme en in andere
+tijden van een ander isme. Altijd zijn die nabloeiers min of meer
+klein--zij behoeven niet geheel ontbloot van groote eigenschappen te
+zijn--hun werk is altijd min of meer het werk van uitpluizers,
+vergeleken bij de geweldige rotsklompenuithouwingen der voorafgaande
+grooten. De kleine uitpluizers van onzen tijd hebben dan ook niet als 't
+ware moed geschept, om hun werk te maken, uit, zijn daartoe niet gekomen
+door de door Mevr. Holst aangewezen aesthetische overtuiging van het
+burgerlijk kunstenaarschap, maar het is omgekeerd: omdat de burgerlijke
+kunstenaars inzagen, dat die kleine kunst toch ook _kunst_ is, kregen
+zij of werden zij versterkt in die aesthetische overtuiging. Zien wij
+verder:
+
+ Hoe meer de kunstenaar er in slaagt door zijn voorstelling het
+ gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te
+ wekken--dat is een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort te
+ brengen--des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker is in
+ haar soort zijn kunst.[4]
+
+De schrijfster vergeve mij: even zoovele woorden, even zoovele
+onjuistheden acht ik hier aanwezig. Een eigenschap [p.108] van kunst,
+ook van "kleine" kunst, is, dat zij ons door haar afbeelding van het
+"onbeduidende," het beduidensvolle laat zien. Hoe doet zij dat? Zij
+ont-dekt niet, zij doorlicht. Zij rukt het mom der onbeduidendheid niet
+weg, maar zij maakt het doorzichtig. Zoodat wij het zelfde ziende, wat
+wij in het dagelijksche leven om ons heen zien, toch niet het zelfde
+zien en inderdaad, en zonder begoocheling, iets oneindig schooners en
+veel meer beteekenends aanschouwen. Hoe meer de kunstenaar _daarin_
+slaagt, zeg ik tegenover Mevr. Holst, des te voortreffelijker is zijn
+kunst. Maar indien hij daarin niet geheel slaagt--hetgeen vrijwel zeker
+is--indien hij het hoogtepunt van voortreffelijkheid niet bereikt, dan
+nog--tweede onjuistheid:--kan zijn voorstelling toch geen "gevoel van
+wrevelige neerslachtigheid" voortbrengen. Want immers nog altijd
+uitgaande van de premisse, dat die voorstelling _kunst_ en dus voor haar
+verreweg grootste deel _wel_ geslaagd is, zal het gevoel van
+neerslachtigheid, dat het niet geslaagde, het ondoorlichte bij ons zal
+opwekken, onmiddellijk overheerscht en verdrongen worden door het geluk,
+dat 't wel-doorlichte, 't geluk dat diep gevoelen en begrijpen geeft. En
+wij kunnen des te zekerder zijn, dat het laatste het eerste zal
+overheerschen en verdringen, omdat het naast zijn kracht van het
+schoonere en meer juiste te zijn, nog beschikt over die van het
+verrassend-nieuwe. En niets is onweerstaanbaarder dan dat.
+
+ De socialistische kunstenaar kent deze neiging niet, zij is
+ onvereenigbaar met zijn aesthetische beginsel; niet alles van het
+ menschenleven wil hij beelden, maar die momenten in het leven van
+ die menschen, waarin een bepaalde schoonheid van wil en gezindheid
+ het helderst straalt.[5]
+
+Helaas, socialistisch of niet, geen enkel kunstenaar kan alles van het
+leven beelden; ook de grootste is geen universeel-aanvoelend wezen, en
+is hij verstandig genoeg, om deze eenvoudige waarheid te vatten, dan wil
+hij 't dus ook niet, maar zal zich bepalen tot wat het in hem werkend
+scheppend [p.109] vermogen wel doorvoelen en beelden kan. Nu kan het
+ongetwijfeld wel te eeniger tijd geschieden--gelijk het ook gebeuren
+kan, dat een burgerlijk kunstenaar zich bijv. uitsluitend tot het
+beelden van zeer edele figuren aangetrokken voelt--dat een socialistisch
+kunstenaar opstaat, die zoo is geaard, dat hij niet anders beelden wil
+(kan) dan "die momenten in het leven van die menschen, waarin een
+bepaalde schoonheid ... het helderst straalt." Dat zal dan echter niet
+op eenige, door zijn socialisme gesterkte, breedheid en heroisme van
+zijn aanleg wijzen, gelijk Mevr. Holst meent, maar integendeel op de
+_enge beperktheid_ daarvan. En, gelukkig, is die kunstenaar er dan ook
+niet. Tot heden is hij een niet verwerkelijkt droombeeld van Mevr.
+Holst! De beide groote socialistische menschenscheppers--van dezulken
+moeten wij immers hier toch vooral spreken--van ons land: Querido en
+Heijermans, lijken evenveel op zulk een kunstenaar, als her en der hun
+prooi bemachtigende, stoutmoedige trekvogels, op 'n schuchter en
+zwakpootig ooilammetje, dat aldoor op 't zelfde plaatsje blatend grasjes
+mummelt! Integendeel: het breede en heroieke is juist in hen, dat zij
+zulk een rijke verscheidenheid van menschelijke gevoelens in hun werk
+tot leven brengen, en hun _beste_ werk bestaat zelfs _uitsluitend_[6]
+uit beeldingen van menschen, in wie niets van "die bepaalde schoonheid
+van wil en gezindheid" straalt, maar die zich zelfs vijandig tot die
+gezindheid en wil verhouden![7] Nemen wij nu nog een laatste citaat:
+
+ De opvatting "de schoonheid der voorstelling onafhankelijk van den
+ zedelijken grondslag," in waarheid een grove miskenning van het
+ wezen der kunst, van haar zielvolle waardigheid--is hun (der
+ burgerlijke kunstenaars, v.C.) aesthetisch beginsel en zij kunnen
+ geen anderen lof begeeren of verwachten dan die hierin past. De
+ hoogste bewondering hun gebracht, kan niet [p.110] anders dan de
+ zuiverheid en schoonheid van de uitbeelding van het gevoel
+ betreffen. Instemming met den wortel der voorstellingswijze, met
+ het levensbegrip, ligt buiten de sfeer van het burgerlijk
+ aesthetisch bewustzijn; onverschilligheid voor, afkeer van het
+ levensbegrip van een kunstenaar kan in deze sfeer op de
+ aesthetische waardeering van geen invloed, en moet den kunstenaar
+ zelven onverschillig zijn. De lof hem gebracht voor de uitbeelding
+ der aandoening moet hem ten volle bevredigen. Vanaf een ander plan,
+ d.w.z. dat der weer gewonnen eenheid, de
+ proletarisch-socialistische aesthetica, lijkt dit of een moeder
+ ermee tevreden zou wezen, dat men in haar kind roemde zijn open
+ voorhoofd, zijn lachenden mond, den stralenden blik van zijn klare
+ oogen, en er bijvoegde dat die trekken de spiegel waren van een
+ terugstootende ziel.[8]
+
+Ik heb hierboven gezegd, dat kunst ook de doorlichter van het mom der
+dingen is. Ik zou hieraan nu verduidelijkend willen toevoegen, dat kunst
+het _zichtbaar worden der noodwendigheid in 't voorgesteld gebeuren_ ten
+gevolge heeft, en dat het blijken dier noodwendigheid de schoonheid van
+'t _voorgesteld gebeuren_ uitmaakt. Meenden wij van een zeker gebeuren,
+zoolang kunst dat niet had doorlicht, dat 't op een zedelijken grondslag
+rustte of die miste--zoodra kunst dat wel heeft doorlicht blijkt het te
+rusten op den grondslag der noodwendigheid, blijkt het dus te bestaan in
+een sfeer, die buiten-menschelijk-zedelijk is en dus geen
+menschelijk-zedelijken grondslag daar te kunnen hebben. Te zeggen dus,
+dat de schoonheid der voorstelling wel afhankelijk is, in welken tijd
+ook, van den zedelijken grondslag, dat is in waarheid een grove
+miskenning van het wezen der kunst, en dit niet alleen, maar het is ook
+het onmogelijke en ongerijmde beweren.[9] Doch hierbij blijft het niet.
+Mevr. Holst accentueert haar meening sterker, zij zegt: wie afkeer van
+de uitgebeelde aandoeningen heeft en desalniettemin de uitbeelding
+bewondert, [p.111] verkeert in de positie van iemand, die in de
+physionomie van een kind klaarblijkelijk alles aanwezig acht, wat tot de
+kenmerken eener schoone ziel behoort en er dan bijvoegt, dat die
+physionomie de spiegel eener terugstootende ziel is. Maar iemand, die
+dit zou beweren, zou immers toch niet alleen van het standpunt der
+socialistische aesthetiek, maar van af alle mogelijke standpunten ter
+wereld een zich-zelf-weersprekende ongerijmdheid zeggen! En welnu, ik
+ben verplicht te constateeren, dat onze schrijfster-zelf zich in een
+onbewaakt oogenblik in de positie van zulk een heeft bevonden. Immers
+zij zei: "Hoe meer de kunstenaar erin slaagt door zijn voorstelling het
+gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken
+... des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker in haar soort is
+zijn kunst." Zulk werk is dus _kunst_, is dus _voortreffelijk_, ook in
+haar oogen. Maar tegelijkertijd heeft zij een afkeer van het
+levensbegrip van den kunstenaar, die het schiep en van de onbeduidende
+of lage aandoeningen en neigingen die erin gebeeld zijn. En daar zij
+deze alle gelooft het zelfde in een kunstwerk te zijn als de ziel is in
+een kind, gelijkt zij-zelf dengenen die de trekken van een kind edel
+vinden en desalniettemin zeggen, dat zij een terugstootende ziel
+weerspiegelen! Ware zij toen tot bezinning gekomen! Hadde zij zich
+afgevraagd: hoe kan ik deze ongerijmdheid zeggen? Zou dan toch waarlijk
+dat kind wel een edele ziel hebben? _Zou wellicht datgene, wat ik voor
+de ziel van een kunstwerk houd, toch niet de ziel zijn,_ Zouden wellicht
+niet het levensbegrip, niet de afgebeelde gevoelens, niet de "zedelijke
+grondslag" de ziel zijn, maar iets anders? Waarom zij niet tot
+zelfbezinning kwam, zullen wij nu nog niet onderzoeken. Blijve dit tot
+straks bewaard. Wenden wij ons nu allereerst tot Herman Gorter. En dan
+zullen we tot ons niet gering genoegen allengskens merken, dat ook hij
+den bestrijdingsarbeid heeft verlicht, door onbewust zich-zelf te
+bestrijden! Tot ons genoegen, zeg ik: niet alleen omdat hij zelf
+daardoor zoo sterk bevestigd heeft wat wij voor waarheid houden, maar
+wijl juist door die onbewuste zelfbestrijding deze prachtige [p.112]
+dichters- en denkersfiguur opnieuw zoo groot blijkt. Want niet hij is 't
+grootst, die in dogmatische dwalingen bevangen, door zijn
+niet-verstelselde intuitie zoo weinig wordt beschermd, dat hij van zijn
+onlogisch uitgangspunt af den redeneeringsdraad zonder hem te breken of
+verwarren verder spinnen kan, maar hij is groot, die in zulk een
+voortdurend verband met die intuitie leeft, dat zij hem, in weerwil van
+zijn lager verdogmatiseerd bewustzijn, telkens bij schokken den weg ter
+waarheid opdringt en hem, onbewust, de waarheid spreken laat. Citeeren
+wij nu allereerst die gedeelten uit Gorter's betoog, welke zijn
+bestrijding van Kloos behelzen. Dit zal, naar ik vertrouw, het tweeledig
+nut hebben, van aan te toonen, 1 deg.. dat de
+algemeene-en-eeuwige-menschelijkheids-theorie niet wel houdbaar is; 2 deg..
+dat hoewel Kloos en de schrijver van dit opstel beiden de
+proletarisch-socialistische aesthetica bestrijden, de wijze waarop deze
+bestrijding zich voltrekt geheel verschillend is. Kloos dan, in het
+algemeen menschelijke het vereeuwigend bestanddeel ziende, heeft deze
+meening aldus geformuleerd en verdedigd:
+
+ De Grieksche Literatuur ... was zeer zeker literatuur van een
+ bepaald volk, zooals iedere mogelijke literatuur dat steeds is.
+ Maar dit is even zeker, dat in geen enkele andere literatuur, _het
+ algemeen-menschelijke, dat van alle eeuwen is_, zoo voor den dag
+ komt, als juist in de Grieksche, en dat door datzelfde
+ algemeen-menschelijke, dat nergens zoo evident is als daar, de
+ Grieksche literatuur reeds 3000 jaar vereerders en bewonderaars
+ onder alle andere volken heeft gevonden. Om bij de Antigone te
+ blijven, Antigone is een vrouw, niet alleen van een speciaal volk
+ van 2500 jaar geleden, maar een vrouw zooals men ze tegenwoordig
+ ook nog heeft--_die handelt en zich uit, zooals een levende
+ superieure vrouw in overeenkomende omstandigheden ook thans nog zal
+ kunnen en moeten spreken en doen._[10]
+
+Welnu, een klein citaat uit Gorters bestrijding zal, geloof ik,
+voldoende zijn, om de onhoudbaarheid der door Kloos verdedigde theorie
+aan te toonen:
+
+ [p.113] Het eeuwig menschelijke is een abstract begrip dat alleen
+ in het verstand voorkomt.
+
+ Dit eeuwig menschelijke, als men het in zijn geheel nagaat, en het
+ niet, zooals Kloos doet, slechts als frase gebruikt, blijkt
+ allersimpelst, allerkaalst, allerdorst en zoo kunsteloos als de
+ beginselen der rekenkunde te zijn, zoo kaal, simpel, dor en
+ kunsteloos, dat er nooit een kunst van gemaakt zou kunnen
+ worden....[11]
+
+ Wij zelve hebben boven gezegd, dat de drie groote onbewuste driften
+ tot zelfbehoud, voortplanting en maatschappelijk zijn
+ eeuwig-menschelijke driften zijn. Maar wie zou van deze dorre
+ waarheid, van dit, juist door zijn _algemeene eeuwige_
+ menschelijkheid beweginglooze leven, van dezen "onsterfelijken
+ dood" kunst kunnen maken?....[12]
+
+ In de telkens veranderende omstandigheden, in de andere
+ verhoudingen, waarin de menschen in de geschiedenis tot elkaar
+ komen, veranderen hun gedachten, woorden en daden. Die, door een
+ groot dichter voorgesteld, doen ons ontroeren. Het is niet de
+ platte algemeenheid, het algemeen menschelijke in zijn eeuwigheid,
+ dat ons ontroert, maar het gewijzigde, het speciale, het bijzonder
+ menschelijke.[13]
+
+ Er is dus in deze beschouwingen geenszins ontkend, dat er een
+ eeuwig of algemeen menschelijks zou bestaan. Er is slechts beweerd
+ en bewezen, dat het een abstractie is, op alles wat menschelijk is,
+ toepasselijk, en dus, als kunstbeginsel, waardeloos en
+ onbruikbaar.[14]
+
+Gorter betoogt dus, dat het niet van de algemeene menschelijkheid, de
+onveranderlijke, is waarvan kunst gemaakt is en wordt, maar van de
+menschelijkheid, zooals zij door de maatschappijvormen
+(productieverhoudingen) gespecialiseerd is. Hij bewijst dat verder
+zoowel aan het door Kloos aangehaalde voorbeeld der Antigone als aan
+zeer vele andere kunstwerken. Hij betoogt, dat die aldus
+gespecialiseerde menschelijkheid van bijv. den tijd der Antigone bijna
+niets doet, niets weet, niets zegt, zooals onze menschelijkheid zoude
+voelen, doen, zeggen. Dit betoog, dat hier natuurlijk niet in zijn
+geheel kan worden overgenomen, schijnt mij toe, gelijk ik [p.114] reeds
+zei, waarheid te bevatten. Het is dus niet de algemeene menschelijkheid,
+die ons in een kunstwerk kan ontroeren en verheugen. Maar tot hiertoe
+samengaande met Gorter, scheiden zich nu onze wegen. Want dat de
+_gespecialiseerde_ menschelijkheid, een iets geboren uit zoo
+vergankelijke dingen als de invloeden van tijd en plaats, vergankelijk
+wezen _moet_ en zij het dus niet zijn kan, die ons na duizenden jaren
+nog ontroert--ik heb het den lezer reeds vroeger waarschijnlijk gemaakt.
+Zou hij-zelf zich trouwens niet zijn opgetrokken wenkbrauwen en haastig
+gegrepen potlood nog herinneren?... En op de vraag, die nu onontkoombaar
+rijst: wat dan dat eeuwig geluk- en genot-gevende in kunst is, ook
+daarop kent de lezer mijn antwoord reeds.--Maar ook Gorter moest
+natuurlijk een antwoord geven en hij doet dit dan ook op een manier,
+die--des lezers heftiglijk neergeschreven vraagteeken meer dan
+rechtvaardigt! Het "gespecialiseerd menschelijke," dat uitteraard van
+onbetwijfelbaar vergankelijke natuur is, blijkt nu pour le besoin de la
+cause, van ...ja hoe zal ik 't zeggen ... welnu: van _min of meer_
+eeuwige natuur te zijn:
+
+ De zaak, waarde lezer, is heel eenvoudig. Zij biedt ook u
+ waarschijnlijk niet de minste moeite. De simpele waarheid is: alle
+ menschelijke aandoeningen zijn eeuwig menschelijk. Niet in dien zin
+ dat de menschelijke aandoeningen eeuwig dezelfde blijven, maar in
+ dezen, dat er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een
+ ander mensch kan het, sterker of zwakker, ook wel voelen.[15]
+
+Dit stukje lezend voelde ik opnieuw de felle waarheid van Querido's
+Gorter-karakteristiek:--in een Handelsbladkroniek--dat hem in zijn
+_betoogend proza_ altijd een zoo bijzondere _schijnklaarheid_ eigen
+is[16]. Een sterke suggestie: "de zaak ... is _heel eenvoudig_," "biedt
+ook u waarschijnlijk _niet de minste moeite_," "de _simpele waarheid_
+is," wil hier den lezer iets, de aanwezigheid nml. eener klaarheid,
+opdringen, dat er niet is. Want neen, zoo gaat dat niet! De bewering:
+dat er "niets is, [p.115] wat door een mensch gevoeld wordt, of een
+ander mensch kan het, _sterker of zwakker_, ook wel voelen"--overigens
+een zeer aanvechtbare stelling zooals wij zullen zien--zegt hier niets.
+Wat hier van Gorter's standpunt gezegd en verklaard had moeten worden
+is: dat en waarom 'tgeen een ver en vreemd geslacht gevoeld en gedacht
+heeft, ons onder zekere omstandigheden--die van kunst--_enorm sterk,
+enorm fel_ ontroeren kan, feller en sterker dan vaak onze werkelijkheid.
+Want het is niet zoo, dat wij tegen die oude werken zitten op te kijken
+en ons neusknijpertje recht zettend, om beter te zien, in ons-zelf
+mompelen: "He ja, daar kan ik ook toch wel in komen," maar het is zoo,
+dat wij machtig worden gegrepen, dat onze mond siddert, onze oogen
+glinsteren van de tranen, omdat daar iets voor ons leeft, zoo diep als
+een hemel en zoo lichtgedrenkt, zoo verrukkelijk, en trillende van
+jeugdig schoon....--En als ik nu Gorter vraag: wat is dat, wat daar voor
+mij leeft met zoo fel, zoo diep en schoon een leven, als ik mij
+nauwelijks ooit iets menschelijks heb gedroomd? dan antwoordt hij mij,
+den in schemer gezetene, verblindend door klaarte: Hoe, weet ge dat
+niet?! Dat zijn die _half of heel vergane_ gevoelens van een lang
+verdwenen geslacht, die zoo goddelijk sterk voor u leven! Die
+gevoelens--herinnert ge 't u, dat ik 't u leerde?--zij werden gevormd,
+bepaald door een zoo geheel andere maatschappij dan de uwe, zij staan
+ver van u, zij zijn u vreemd. Welnu ... hokus pokus pas ... ziedaar,
+daarom leven zij zoo fel voor u, daarom ontroeren zij u, hen ziende, nog
+meer soms dan die uwer levende maatschappij.--Intusschen: zelfs in
+gevallen, waar de invloed van oneindig-verschillende maatschappij-vormen
+en tijdsafstand _niet_ bestaat, is het niet waar, dat "er niets is, wat
+door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het sterker of
+zwakker, ook wel voelen;" is het niet waar, dat daardoor een kunstwerk
+voor ons leeft en ons ontroert. Door hen, die van "Les Chants de
+Maldoror" _aesthetisch_ hebben genoten, is er niet een, die iets van
+sommige daarin geheelde gevoelens, sterk of zwak maar werkelijk voelen
+kan, want in iemand, bij wien dit wel het geval ware, zou onder het
+[p.116] lezen van dat werk de bestiaal- en pervers-zinnelijke lust het
+aesthetisch genot onmiddellijk hebben opgeheven.
+
+Ziehier dus een kunstwerk, waarvan het zelfs _gewenscht_ is, de erin
+gebeelde menschelijkheid niet te kunnen meevoelen, indien men er
+aesthetisch van genieten wil! Gelijk dan ook de ervaring leert, dat van
+sommige kunstwerken, in bijv. een revolutionnairen tijd ontstaan, en
+wier voorstellingen beeldingen waren van het revolutionnair voelen in
+dien tijd, wel genoten werd door de menschen op de wijze van iemand
+wiens innigste meeningen en gevoelens door een ander worden goedgekeurd
+en toegejuicht, maar niet genoten werd datgene wat men _kunst_genot
+noemt. Dit laatste kon dan ook niet, juist omdat de menschen in dien
+tijd, de in dat werk gebeelde menschelijkheid _te sterk_ meevoelden!
+Eerst later kon men dan aesthetisch van zulk werk genieten.
+
+ "Keesje van Van Hulzen," zegt Kloos, "zal blijven leven, ook bij
+ menschen die heelemaal niets meer weten van dezen tijd. Dat komt
+ omdat hij het algemeen-menschelijke heeft vastgehouden." Een
+ onwaarheid. Niet daarvan zal het afhangen of de latere geslachten
+ "Keesje" zullen vasthouden. Het zal er integendeel van afhangen of
+ dit speciaal-menschelijke, dit _kleinburgerlijke_ Keesje den
+ lateren geslachten schoon genoeg zal lijken om vast te houden. En
+ dat hangt weer af, behalve van _de artistieke kracht_[17] van den
+ heer Van Hulzen, vooral van het speciaal-menschelijke dier lateren.
+ Het kon wel eens gebeuren dat die lateren zoo vrij en zoo gelukkig
+ waren, dat zij in het kleine Keesje niet zoo veel meer zagen, dat
+ zij hem vasthouden wilden.
+
+Dat schrijft Gorter op blz. 29, maar op blz. 27 vinden wij dit:[18]
+
+ Blijkbaar is valschheid, vuilheid etc. even eeuwig-menschelijk, en
+ kunnen zij, als zij maar door een _groot kunstenaar_[19] worden
+ beschreven, even eeuwig-mooi als reinheid en eerlijkheid zijn.
+
+Hoe! en komt het er nu niet op aan of de lateren zoo oprecht en helder
+zijn, dat zij maar liever die valschheid [p.117] en vuilheid niet willen
+vasthouden? Komt het er nu alleen op aan, of die vuilheid en valschheid
+door een _groot kunstenaar_ worden beschreven? Maar, veroorloof mij:
+zou het ook in het geval van "Keesje" van Van Hulzen, instede van
+_"behalve"_ van des heeren van Hulzen's _artistieke kracht_, niet
+_uitsluitend_ daarvan afhangen of "Keesje" zal blijven leven, al dan
+niet? En zouden wij dan maar niet meteen concludeeren--o, onbescheiden
+vrager, die ik ben!--dat dit leven-blijven niet bedreigd wordt: noch
+door het vaak "onbeteekenende" en "onbeduidende" der levensgevalletjes,
+die een werk beschrijft, zooals Boccaccio's _Decamerone_; noch door het
+zonderlinge en vreemde, het gedeeltelijk ver buiten onzen tijd liggende
+der voorstellingen, zooals bij de _Sakuntala_; noch door het niet
+medevoelbaar Uebermensch-sadistische zooals bij _Les Chants de
+Maldoror_, maar dat dit leven-blijven uitsluitend en alleen afhangt van
+de _artistieke macht_, die het werk schiep, het _Scheppend Vermogen_,
+dat erin straalt, en of men _diens_ schoone bewegingen daarin zoo
+onvertroebeld en duidelijk ziet, dat men het "vast wil houden"? Het
+antwoord kan, dunkt mij, niet langer twijfelachtig zijn. En evenmin of
+'t wel juist was, toen ik zei, dat Gorter, gelukkig, soms zichzelf
+bestrijdt! Ik zal straks gelegenheid hebben u een andere
+volstrekt-afdoende zelfbestrijding van onzen schrijver te toonen, laat
+ons nu echter even een terugblik werpen en onderzoeken hoe Mevr. Holst en
+hij ertoe gekomen zijn, de door ons bestreden onjuistheden te zeggen.
+Wij dan hebben aangetoond of waarschijnlijk gemaakt, at de neiging tot
+het uitpluizen van "volslagen onbelangrijke levenssneden" gevolg is van
+den betrokken _kunstenaarsaanleg_; wij hebben waarschijnlijk gemaakt,
+dat deze kunstenaars juist als nabloei van het naturalisme verschenen,
+omdat zij daardoor gewekt zijn, daardoor pas tot schrijven zijn gekomen.
+Mevr. Holst niet aldus, zij wijt het bestaan dezer kleine kunst aan de
+scheiding van zedelijk en aesthetisch ideaal--terwijl wij hebben
+aangetoond, dat een kunstenaar _als zoodanig_, d.i. een _ziener en
+ontdekker der noodwendigheid_ niet door het eerste kan worden
+beinvloed--"want [p.118] zulk een ideaal geeft aan het leven _een
+zin"_[20] en "voor de burgerlijke kunstenaars, die dit misten"[21] wordt
+de wereld een ding om afgebeeld te worden, het leven "in de eerste
+plaats een ding om kunst van te maken."[22] En daar er dus voor hen geen
+zedelijk-sociale reden bestaat, om het een boven het ander van dat leven
+de voorkeur te geven, beelden zij ook het heel kleine en onbelangrijke
+en zelfs perverse af. En, ten slotte, wat heeft de scheiding tusschen
+zedelijk en aesthetisch ideaal bewerkstelligd? Antwoord: de
+kapitalistische _productiewijze_. Ziehier dus als oorzaak van deze haar
+aesthetische redeneering: de _historisch-materialistische_
+gedachtegang.--Wij hebben aangetoond, dat kunst nimmer een gevoel van
+wrevelige neerslachtigheid voort kan brengen. Dat zij _immer_
+daarentegen het gevoel van geluk, bewondering, opgeheven-worden
+voortbrengt. Mevr. Holst daarentegen beweert, dat hoe sterker zekere
+"burgerlijke" kunst een gevoel van wrevelige neerslachtigheid
+veroorzaakt, des te voortreffelijker is zij! Hoe komt zij tot een
+dergelijke bewering? Omdat onze schrijfster slechts de keus had tusschen
+twee dingen: of te zeggen, dat dergelijke werken[23] als die zij
+bedoelt, _geen kunst_ zijn, 't geen zij vermoedelijk zelf een
+ongerijmdheid vindt, of te zeggen, dat zij bij den lezer sentimenten
+produceeren niet alleen minderwaardig aan maar het tegenovergestelde van
+wat, volgens haar, de kunst alleen dier samenlevingen te weeg brengt,
+waarin zedelijk en aesthetisch ideaal wel konden samengaan, waarin de
+kapitalistische productiewijze de scheiding dier beide niet had
+voltrokken. "Wrevelige neerslachtigheid" dus tegenover: geluk,
+bewondering, opgeheven worden.--Zoo gebood 't het
+_historisch-materialisme._--
+
+Och, ik weet het, dit onderzoek naar de primaire oorzaak van de
+aesthetisch-critische meeningen onzer schrijfster mocht [p.119]
+eigenlijk overbodig heeten: weet niet ieder, die niet alleen de werken
+der dichteres maar ook der prozaiste Roland Holst gelezen heeft, dat zij
+niets schrijven kan of haar gedachtegang wordt door het
+historisch-materialisme bepaald en dus zeker, en in de allereerste
+plaats, haar socialistische aesthetiek? En wie trouwens zou zich
+daarover kunnen verwonderen? Het historisch-materialisme is nog
+betrekkelijk jong; als methode van verklaring der herkomst van den denk-
+en gevoels-inhoud is het in de handen dezer vurige socialiste een
+strijdbijl, waarvan zij van den ochtend tot den avond de snede beproeft.
+O erger--en verre zij 't van mij hiermede iets kwetsends te willen
+zeggen, ik wil slechts zonder schipperen de waarheid uiten zooals ik die
+zie--; zij als haar mederedacteur Gorter hanteeren de methode zoo
+er-op-verliefd, als een kind een zaag, die het pas gekregen heeft, die
+het niet een oogenblik uit de handen zou kunnen leggen: in de
+kostbaarste meubelen snijdt het krabben en krassen ... och de zaag is
+zoo mooi, hij is zoo scherp ... nu eens probeeren of je dit en dan weer
+of je dat ermee zagen kunt....--Maar wilt ge trots dit feit en
+niettegenstaande de historisch-materialistische premissen in de
+voorafgegane citaten uit Gorter open en bloot liggen, het toch ook bij
+hem, tenminste eenmaal, _aangetoond_ zien? Welnu dan: In zijn betoog,
+dat er 1 deg. geen menschelijke aandoening in kunst gebeeld wordt of zij is
+door de productieverhoudingen gespecialiseerd--_waarin ik het volstrekt
+eens met hem ben_--en, 2 deg., dat die gespecialiseerde en door hem-zelf als
+half-verworden gekenschetste menschelijkheid de kern van kunst uitmaakt
+en onze bewondering, genot en opgeheven-worden veroorzaakt,--_'t geen
+ik een evidente ongerijmdheid acht_--slaat hij twee vliegen in een
+marxistischen klap. Want liet hij zijn laatstgenoemde stelling los, _dan
+liet hij daarmee de kunst uit de greep van het historisch-materialisme
+ontsnappen!_
+
+Doch nu zij hiervan genoeg gezegd. Laat mij thans liever scherper
+omlijnen en als tastbaar maken, wat ik onder _Scheppend Vermogen_ versta
+en ook wat de oorzaak is, dat et nimmer geheel onvertroebeld in een
+kunstwerk kan verschijnen. [p.120] Want dit alles mag geen abstractie
+voor u blijven, lezer, gij moet het voelen en zien, als ik. Doch hier
+ontmoet ik een moeilijkheid op mijn weg: in vroeger werk heb ik reeds
+hierover geschreven, en ik geloof dat ik nu, mij-zelf herhalend, het eer
+slechter dan beter dan toen zou formuleeren. Zoo moge ik het dan, met
+terzijdestelling van een zekeren schroom, hier als citaat doen volgen:
+
+ "De kunst-scheppende Macht heeft geen _menschelijken_ wil of
+ bewustzijn. Scheppend met het schitterendst vernuft, de diepste
+ teederheid of heftigsten hartstocht van het gevoel, met de
+ verrukkelijkste omvaming der intuitie, verschijnt Zij den
+ onbedachtzamen als menschelijk vernuft, gevoel of intuitie, maar
+ Zij is geen dezer, noch eene samensmelting van hen. Zij bevindt
+ zich tezelfder plaatse als dit drietal: den menschelijken geest,
+ maar--gelijk een meester onder zijne leerlingen. Haar bewustzijn,
+ oneindig ver verheven boven het hunne, wordt door hen niet gekend.
+ Uit de grondelooze diepten van haar Wezen doet zij de kleurrijke
+ visioenen, de heerlijke vergelijkingen, de melodieuse rhythmen en
+ de zoete saamklinkingen der harmonieen opwellen en deinen en
+ blinken voor hun luisterende, voor hun ziende verlangen. Dit zijn
+ Hare geschenken aan hen wier verheffing en geluk Zij beoogt. Van
+ Haar leeren zij, aan Haar richten zij zich op. En moge het verstand
+ haar vrijmoedigste, het gevoel haar schuchterste en aanhankelijkste
+ en de intuitie haar meest zielvolle en begenadigde leerling zijn,
+ leerlingen zijn zij alle drie, en kunnen nimmer, wijl zij 't zijn,
+ zelfstandig werkend, zoo pure, zoo heil-verleenende wijsheid
+ winnen, als die hun uit hare handen daalt. Want Zij is de
+ absoluut-volmaakte, de voortbrengster van vlekkelooze werken, de
+ groote Vereenster, de Oneindige Liefde. Niet alleen in den
+ menschelijken geest bevindt Zij zich, en kan als zoodanig de kunst
+ en wijsheid voortbrengende Macht worden genoemd, maar in alles wat
+ is, is Zij, en wij allen noemen Haar dan Natuur of God. In den
+ aanvang, zoo ik met mijn armelijke woorden van haar werken mag
+ spreken, doet Zij de atomen tot een wereld samensnellen, dan,
+ wanneer zij verbonden zijn tot een aarde, [p.121] blijde tot 't
+ baren van schoonheid bereid, drijft Zij uit haar de wezens omhoog.
+ En is onder dezen de mensch verschenen dan doet Zij uit hem--die
+ geestelijke aarde--de kunstgewrochten, de wijze gedachten en alle
+ de geestelijke verheugingen opbloeien, 't Is dan of Zij, voor 't
+ eerst, hem wil inwijden in 't geheim van haar scheppend vermogen:
+ uit hem, met hem, baart Zij een nieuwe wereld, eene afschijning van
+ gene, die Zij alleen schiep; een nieuwe aarde vol geurende bloemen
+ en zingende vogels, vol wezens als dieren en menschen rijst in 't
+ licht.... Zoo ontstond al de waarachtige wijsheid, de waarachtige
+ kunst, al dat onnoemelijk kostbare, dat de menschheid uit de handen
+ der menschheid ontving.
+
+ "En echter, hiermede treedt haar scheppen eene nieuwe phase in: _de
+ volkomenheid van haar werk verdwijnt_. Want hier ontmoet Zij voor
+ 't eerst een bewustzijn, buiten het hare, oneindig ver onder het
+ hare en toch genoegzaam ontwikkeld, niet alleen, om naar haar werk
+ te grijpen, maar storend te kunnen ingrijpen. Dat bewustzijn, welks
+ wanen Zij liefdevol duldt, opdat het eens tot hare goddelijkheid
+ zal kunnen stijgen en die deelachtig worden, gelooft zelfs vaak
+ haar arbeid de zijne en meenend die nog te verbeteren, verderft het
+ hem. Dat is de reden, waarom elk kunstwerk, ook van den
+ voortreffelijksten kunstenaar, onvolmaakt is: hij is nimmer in die
+ mate voortreffelijk kunstenaar, dat hij er in zou kunnen slagen,
+ zijn _menschelijk_ bewustzijn te weerhouden, in te grijpen in het
+ werk van het _Natuurlijk Bewustzijn, dat in en door hem schept_. En
+ alles, wat zijn onvolmaakte geestelijke krachten kunnen vlechten
+ door de schepping der Natuur heen, _moet_, daarbij vergeleken,
+ leelijk zijn, _omdat_ het uit onvolmaakte krachten werd geboren,
+ terwijl daarentegen het werk der Natuur schoon _moet_ zijn, _omdat_
+ het uit volmaaktheid het aanzijn kreeg."[24]
+
+Maar wat nu de waarneming van de _bewegingen_ van het Scheppend Vermogen
+betreft, zoo fel, zoo duidelijk gezien, dat zij zich voor de oogen van
+den waarnemer verzinnelijkten [p.122] tot die van een mensch; van den
+mensch in wien het zich openbaarde; zoo gezien, dat ge niet langer kunt
+denken, dat de mogelijkheid dier waarneming een cerebraal geconstrueerde
+abstractie van mij is; zoo, dat ge 't mee moet voelen; dat ge zegt, met
+stralend-opziende oogen: ja nu doorvoel ik 't alles, nu zie ik
+'t--daarvan zou ik u tallooze voorbeelden uit 't werk van
+groot-visionnaire, zoowel als van scheppend-analytische critici kunnen
+toonen. Maar ik geloof, dat een voorbeeld, een schitterend, zal
+volstaan. Het is van den meester, voor wien, zoo hij weer wilde spreken,
+Scharten, zoo terecht, wel veertig anderen wilde doen zwijgen:
+
+ Drie uiterste belang-stellingen hebben zich in mij opgericht:
+
+ Ten eerste eene van algemeene en onvermengde emotie-oplettendheid,
+ verbeeld-verlichamelijkt: het roerloos en angstig-heerlijk staren
+ _naar de vreemde en hooge bewegingen, naar de sublime toeren van
+ deze nieuwe ziel; hoe hij staat, dit wondermensch_, en het leven
+ omhuivert hem met pijnlijk vervoerende vlagen....
+
+ ... zacht lichtend, bevend leven, dat een grond wordt, een zachtjes
+ en zoetjes kabbelende grond, een grond van zee _waar hij gaat hoog
+ op, waar hij gaat ongedeerd, en de golven liggen sluik neer, als
+ honden aan zijn voeten_....
+
+ ... _hoe hij gaat, en zacht-breed bewegen, als bol hangende
+ etherische goudene tapijten de luchten_....
+
+ ... _hoe hij het leven bewoont als een koning_, zijn rood-gouden
+ levenspaleis, waar alles wondert en hemelt....[25]
+
+Zeker, zoo zijn de bewegingen van die ziel der ziel, van het _Scheppend
+Vermogen_, wellicht door geen tweede gezien; zoo zelf doorgloeid van
+geluk heeft geen ander die goddelijke bewegingslijn geteekend ... dat
+ook de teekening werd een lijnen-spel van parelend licht. Maar toch ...
+wil ik u even den weg wijzen en u een werk noemen van den allerlaatsten
+tijd? Ook Querido's _Geschreven Portretten_, zij zijn er prachtig van,
+van dat _niet_ vooral zien van het _werk_, maar van het _Scheppend
+Bewustzijn en zijn bewegingen_, waardoor het werk is ontstaan.--Maar ge
+vraagt mij wellicht, of [p.123] dan ieder mensch zekerlijk in kiem reeds
+iets in zich heeft wat met dat Bewustzijn is verwant en hem in staat
+stelt het te begrijpen, lief te hebben?--Och, zou er dan wel een mensch
+zijn, die geen schepper is, hoe klein ook, al droomde hij in zijn heele
+leven maar een schoonen droom van verlangen? _Kent gij een kind, dat
+geen schepper is_?--Wat betreft de ontvankelijkheid voor inspiratie is
+er dan ook tusschen kunstenaar en niet-kunstenaar geen essentieel
+verschil, slechts een gradueel. Alleen wat de uitingsmacht betreft is er
+een essentieel onderscheid. Maar dit kan den niet-kunstenaar toch niet
+verhinderen te genieten van het geuite, of ook van wat hij wel niet
+uiten kan, maar in hem leeft: zijn eigen droomen? _There are many poets
+who have never penned_, welk een diep woord was dat!--Ongetwijfeld zijn
+er eigenschappen, die zekere menschen kunnen beletten, het Scheppend
+Vermogen lief te hebben en ervan te genieten, zooals verstomping, te
+geringe of te eenzijdige ontwikkeling, maar nimmer kan door
+maatschappij-wisseling en veranderde productieverhoudingen deze hoogste
+Natuurkracht-zelf, gelijk zij zich manifesteerde in vroeger tijd, in een
+lateren onmedevoelbaar worden, omdat ook zij verouderen zou. _Zij_ is
+niet als de menschelijke drijfveeren en gevoelens. Zij is
+onveranderlijk. Niet om niets noemden de bijbelsche dichters zich
+profeten, van God bezielden. Zij waren het, zooals nog elk waarachtig
+kunstenaar het is en zijn zal, immer. En ook zij waren als mensch, in
+hun lagere persoonlijkheid, vaak zwak en zondig, zooals de kunstenaars
+van elken tijd, omdat zij allen wel begenadigd door het Scheppend
+Vermogen maar daarom nog die Vlekkelooze-zelf niet zijn! O zie toch, zie
+toch, hoe dit alles juist en licht en klaar is, en hoe veel, hoe 't
+bijna alles verheldert.... Maar indien ge nu ziet, wat de eeuwige kern
+der kunst is, hoe zoudt ge er dan vrede mee kunnen hebben, dat het
+historisch-materialisme zich mengt in de critiek dier kunst. Luister
+even, hoe Gorter, de uitmuntende kenner ervan, het kenschetst:
+
+ Het historisch materialisme is geen filosofie, het spreekt niet als
+ het filosofisch Materialisme of Idealisme van het wezen [p.124] van
+ geest en stof, het spreekt _over den inhoud van_ het denken en het
+ toont aan, hoe het komt dat in een bepaalden tijd door bepaalde
+ menschen zoo en zoo gedacht wordt, de inhoud van het denken zoo en
+ zoo is en zoo en zoo verandert.[26]
+
+Welnu, vraag ik u, de hoogere literaire critiek zal toch wel de kritiek
+op, de beschouwing van het _hoogste_, het _meest essentieele_
+bestanddeel der kunst zijn. Haar taak zal het ongetwijfeld toch zijn aan
+te toonen, waar dat in waarheid en waar slechts in schijn aanwezig is.
+En over het wezen van dat hoogste, hebben wij gezien, verspreidt de
+kennis van de herkomst van den denk-_inhoud_ niet het minste licht, en
+ook de bewegingen van dat hoogste vertoont die kennis ons niet. Wat zou
+ons dan, die kunst-critiek niet met kunstgeschiedenis wenschen te
+verwarren, het historisch materialisme ter versterking der eerstgenoemde
+kunnen baten!
+
+"Dus," hoor ik Mevr. Holst nu spottend vragen:
+
+ Daar bij dat andere, hoogere begint pas het werk van den hoogeren
+ aestheticus...; daar waar het leven eindigt; achter, buiten, boven
+ de eigenschappen en omstandigheden die, meenen wij, het _geheele_
+ menschelijk zijn uitmaken, buiten of boven welke _het niet
+ bestaat_?[27]
+
+En, juist Mevrouw, antwoorden wij gelaten, zeer juist, daar begint het
+pas. Want niet _het_ leven eindigt daar, maar slechts 't leven, dat gij
+in uwe marxistische reageerbuizen, uw historisch-materialistische
+weegschalen en microscopen kunt oplossen, wegen en bespiedend ontleden.
+_Het_ leven kunnen wij niet ontleden, wij kunnen zijn wezen slechts
+synthetisch zien, met onze ziel, en daarna kunnen wij verhalen van hoe
+het bewoog, hoe het schitterde, hoe het scheen terug te wijken,
+wegdonkerde en verdween, en dat verhaal kan een analyse zijn, maar het
+is er dan ook slechts eene van de bewegingen, de handelingen, niet van
+het wezen. O, Mevrouw, ook al hadde Mozes alle de boomen van het
+doornbosch omgehouwen, waarin de Godheid, hem verschijnend, brandde en
+elk takje doorsneden en onderzocht, hij had de [p.125] goddelijke
+essentie daardoor niet kunnen vinden, integendeel: verder dan ooit ware
+hij daarvan verwijderd geweest, omdat _zijn aandacht zich dan in 't
+bijkomstige en betrekkelijk onbelangrijke zou hebben verloren_. Hij deed
+beter: hij knielde neer in een vrees en liefde, die ook een zaligheid en
+een verrukking was; hij zag, zag en dronk zich vol de ziel, en uit die
+rijke ziel kon hij zijn volk toen veel leeren en verhalen. En dat was
+voldoende.... Gij spreekt van het "buitenmaatschappelijke en
+ondoorgrondelijke".... Welnu, juist, daar ligt de grens, waar dat leven
+begint....
+
+Wijs mij een critiek, een eindeloosheid van historische en biographische
+bijzonderheden overhoop halend, die heller, neen even hel, u het
+Scheppend Vermogen eens kunstenaars laat verschijnen, dan deze
+_uitsluitend-literaire_ van Van Deyssel u den Gorter der
+sensitivistische verzen vertoont.... Gij kunt het niet!
+
+En wat is dan ook natuurlijker dan dit! Gij zoudt toch niet willen
+beweren, dat de zonnegloed op gindschen bergtop vulkanisch uit den
+aard-afgrond komt opgestegen?! Welnu, wat dringt ge mij het historisch
+materialisme dan op, deze _geologie_ der maatschappij, ter verklaring
+van het hemellicht op hare toppen!... Zou daarom de
+historisch-materialistische literatuur-critiek de "hoogere" zijn, omdat
+zij zooveel overhoop haalt? O, ik begrijp, dat zij door haar
+"gedocumenteerdheid" en gewichtigheid op naieve en jonge geesten dien
+indruk maakt! Maar _is_ zij het daarom? Slechts hij, dunkt me, kan
+hierop een bevestigend antwoord geven, die door den rijkdom en de
+veelheid harer middelen overbluft, niet ziet, dat zij trots al die
+middelen, ja daardoor, haar doel mist.--Er _is_ een middel: de
+aangeboren gave van den scheppend-critischen kunstenaar. Die bestaat
+daarin: iemand te zijn, wiens psychische inhoud en wiens uiting op hun
+beurt het doornbosch zijn, waarin brandend het Scheppend Vermogen
+verschijnt, zoodat ook daar iets onvergankelijks staat en de ziel van
+den aanschouwer zich zelf ziet verlicht, en niet slechts gewaar wordt,
+dat haar wetens- en gevoels_inhoud_ is uitgebreid, maar in waarheid, zij
+'t voor nog zoo gering een [p.126] deel, haar _potentie_ om te voelen en
+te weten; dat niet slechts het bezit van haar wezen zich heeft vergroot,
+maar haar wezen-zelf openbladiger is ontloken. Door een kunst-critiek,
+die dit is en dit veroorzaakt, voelt de lezer dus niet vooral wat en hoe
+het "behandelde" werk is, maar hij voelt in de allereerste plaats wat en
+hoe het geluk is, dat het hem kan geven: hij voelt iets gelijk_soortigs_
+aan dat geluk.
+
+Welnu, zegt ge hier allicht, ik voel wel iets voor uwe beweringen, maar
+zie, indien ge nu zoudt doen wat ge beloofd hebt; als ge mij nu kondt
+laten zien, dat Gorter-zelf zijn meening afdoende heeft bestreden: dat
+de critische _kunstenaar_ in hem klaarblijkelijk zelf het
+historisch-materialistisch hulpmiddel overbodig en te ontberen acht,
+dan--ja dan zou het wellicht iets meer dan een ervoor-voelen
+worden.--Welnu, ik verlang niets liever, ziehier:
+
+ Niet minder dwaalt Kautsky als hij in zijn gedenkschrift over Marx
+ zegt dat de Duitsche kunst van Goethe en Schiller de Engelsche
+ overtrof. Zulk een oordeel bewijst hoe weinig groote poezie wordt
+ verstaan. De groep Wordsworth, Coleridge, Keats, Shelley overtreft
+ de groep Lessing, Schiller, Goethe en,--daar in de poezie de daad
+ geldt, niet de aanleg--Shelley staat als een toren boven Goethe.
+ Dat zegt niet alleen de _zekerheid van een hart, dat tegenover
+ poezie nooit heeft gedwaald_, maar het _verstand dat van Marx
+ geleerd heeft waardoor poezie groot wordt_[28].
+
+Gij ziet natuurlijk duidelijk, dat Gorter hier "het verstand dat van
+Marx geleerd heeft" best had kunnen thuislaten, indien hij dat, zonder
+vader Historisch-Materialisme in diens zoontje te beleedigen, maar had
+kunnen doen. Want dat verstand, dat van Marx geleerd heeft, is--Gorter
+zal wel de laatste zijn om het te ontkennen--in zulk een verreweg
+grooter mate van geschooldheid en kracht in den grooten internationalen
+theoreticus der sociaal-democratie Kautsky aanwezig dan bij hem, dat hij
+daaraan onmogelijk recht en [p.127] moed had kunnen ontleenen, om zich
+autoritair tegenover dien te stellen. Dat zou dan ook niet in hem
+opgekomen zijn. Maar er was iets anders: zijn groote Onbewustheid, de
+sterke kunstenaar, die in hem leeft, drong hem den weg naar de waarheid
+op. Hij voelde dat er iets ver boven "dat van Marx geleerd hebbende
+verstand" bestaat, dat wel in hem, maar niet in Kautsky is, en dat _dit_
+hier, in _kwesties van kunst den doorslag had te geven_. En in weerwil
+van zichzelf roept hij 't dan trotsch en triomfantelijk uit--en hoor de
+heerlijke aandoening beven in zijn woord:--"dat zegt de zekerheid van
+een hart, dat tegenover poezie nooit heeft gedwaald."--O, dus dat is
+het, waardoor men in deze zaken, de kern, de waarheid, het wezen
+ziet.[29] O, Gorter en gij lezer, zijn wij het allen nu niet eens? En
+zouden wij hem niet evenzeer hiervoor danken, als voor al het heerlijk
+werk van het Onbewuste, waarmede hij zoo ontelbare dagen van ons leven
+heeft doorzond, hij zoowel als zijn groote medestrijdster en
+medekunstenares, wie wij niet minder dankbaar mogen zijn, al is zij niet
+zoo Muziek als hij, niet zoo groot-naief als hij, niet zoo "adamisch"
+dichter, in een woord: niet zoo geniaal als hij; want in een prachtige
+eigenschap althans zijn zij even machtig. Laat mij even zeggen, wat ik
+bedoel en daarvan denk. Het is mij zoo wel, van hun groot
+kunstenaarsschap, ook in de door mij bestreden verhandelingen, te mogen
+[p.128] spreken, nadat ik zoo straf hunne meeningen daarin verwerpen
+moest.
+
+Geloof is _geprosterneerd_ denk-voelen, maar dat denkvoelen uit zijn
+knielhouding weer verrezen, is het _gesublimeerde_ boven al zijn
+broeders. Ook over zijn wit verteerd gelaat, zijn emotief vermagerd en
+ingetrokken gelaat, maar in zijn groote als roerlooze vijvers
+doorklaarde oogen het diepst, ligt de onwankelbare zelfgerustheid, de
+ondeerbare in-zich-zelf-vrede, zoo als over het gelaat en in de oogen
+van een mensch, die diep-verdroomd en in zijn God verloren, gebeden
+heeft en daarna opwaakte, om zijn dagtaak te hernemen. Aldus ook knielde
+het denk-voelen dezer beide dichters voor de Socialistische Idee, het
+verdroomde zich erin, het verloor zich erin.... O, lezer, het is niet de
+God, aan wien men zich overgaf, die den vrede en de zelfgerustheid
+schenkt, het is de _overgave_.... Het is het zich-verdroomen, het
+zich-zelfvergeten in Iets ... een Idee, een God, een Mensch... Toen het
+opstond was het gesublimeerd; over zijn gelaat en in elk zijner woorden
+en over zijn gebarende handen en over alles, alles, lag dat. Het
+dwaalde, maar hoe had dat zijn schoonheid, zijn noblesse kunnen deren!
+Het was immers de zelfgeruste, de in zich-zelf volmaakt-vredige en
+volgroeide _subjectieve_ waarheid. Toch uitte zich die op zeer ongelijke
+wijs, gelijk trouwens vanzelf spreekt, bij beide dichters. Slechts de
+zelfgerustheid, verkregen door de overgave aan dezelfde idee, die
+eigenschap hadden zij gemeen. Overigens ... Mevrouw Holst's scheppingen
+zijn een woud gelijk, dat, zeker, zon vangt op zijn dichte looverkronen,
+maar de gronden schaduwig maakt. Gij loopt in halflicht; luister, daar
+floot een verre vogel ... een eenzaam geluid.... Ge hoort nog even na en
+weer staat ge stil en ziet schuw ter zijde en houdt uw adem in....
+Vluchtte daar geen bevallig wezentje, even gezien? kort ritselde het
+geblaarte... En weer is alles geluidloos.... Het is hier alles zoo stil,
+zoo roerloos ... het is in ten-hemel-streving verstijfd.... Het is een
+donkere in zich gekeerde ernst.... Gij zijt hier de eenige, die weet te
+[p.129] kunnen lachen en de oogen tintelend bewegen.... Wat ge op de
+gronden ziet en op den roerloozen voet der stammen, het zijn de
+fluweelzachte, effen mossen der zonlooze vruchtbaarheid....
+
+Anders Gorter's levenswerk.
+
+Een lupine-veld, klaterend-geel, 't is zonnig, zonnig neerwaarts van den
+stralend-blauwen hemel naar het gele veld, opwaarts van het veld naar
+den hemel ... het klaterende veld juicht u de zon in het gelaat. O, welk
+een zomer, welk een hoogzomer, wat levenskracht om ende om, waar ge
+ziet, waar uw stralende oogen zien.... Zwermen van tierelierders en
+fluiters wieken uit het gele omhoog.... En meer nog, meer.... Hoevelen
+zitten daar wel verscholen in die bezonde bloemen....
+
+Gorter is een eengewordenheid van fel zonlicht en muziek. Zijn licht
+schalt, zijn geluid straalt.
+
+Mevr. Holst's stem is die der vaste, maar stroef-, maar
+moeilijk-verworven zekerheden. Er zijn geen groote verheffingen, geen
+dalingen in, er is een effen hoogheid, maar vaak komt er toch ook iets
+heel innigs beven in die stem.... Zij kan dan de zachtheid van haar
+vrouw-zijn niet weerhouden.... Ingetogen slaat die hare sluiers even
+terug. Een streeling van de hand, een innige blik....
+
+Mevr. Holst: een vrome Zuster aan de sponde van het proletariaat, haar
+worstelingen zijn gestild ... zij kent het leed en de uitkomst; zij is
+kalm omdat zij zeker is....--
+
+Gorter: een veldheer van den nieuwen kruistocht; hij haast, jacht voort,
+midden zijn glorieuse woordenstoeten. Ook hem lokt de rijke stad op de
+heuvelen, de ochtendstad in de dagende verte. Hij gunt zich geen
+respijt, hoor de hijging van de borsten zijner paarden, de klettering
+van den razenden galop. De vaandels stroomen in dien stormgang als
+amazonenhaar in het gouden licht. Hij gunt den vijand geen rust en geen
+herstel. Hij drijft hem voor zich uit, om hem ten doode toe te kneuzen
+en te pletten tusschen de heilige stad en zijn aanstormende cohorten. De
+lippen zijn opeengeklemd van energie-drift, de adem stokt, het is een
+ademloos [p.130] leven van voortijlende haast, en even voor het
+bereiken, straalt al dat leven nog eens hooger op in de vast-starende,
+in de prooi-fixeerende oogen.... Dan is er de botsing, eindelijk, de
+omarming van den haat, de ontslaking al dier ingetoomde kracht in een
+uitstroomenden klankendonder, een verscheuren met wapens en met
+tanden....
+
+O, die geweldige, aangehouden polemische kracht van den grooten Gorter.
+Ik heb op manlijken leeftijd van zijn onpersoonlijken, zijn prachtigen
+haat genoten als nauwelijks in mijn jeugd van zijn liefde en zijn
+Mei....
+
+Maar laat ons nu hier eindigen, doch niet dan na ons te hebben
+voorgenomen, in het volgende ook naar de volledige opheldering te
+streven van _hoe_ dit zijn kan, 't geen wij ook zooeven hebben gezien:
+dat men een werk hevig bestrijden en tegelijkertijd warm bewonderen,
+groot vinden en liefhebben kan.
+
+
+ * * * * *
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Voor de eerste maal gepubliceerd in _De Gids_, 1913--'14.
+
+[2] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
+
+[3] Den burgerlijken kunstenaar.
+
+[4] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
+
+[5] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
+
+[6] Waarom dit zoo is wordt later in dit opstel verklaard.
+
+[7] Of de schrijver met het beelden dier anti-socialistische gezindheden
+en personen een pro-socialistische "tendenz" had, doet _thans_
+natuurlijk niet ter zake. En trouwens bij Querido is behalve in
+"Levensgang" ook van zulk een tendenz geen sprake.
+
+[8] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 505.
+
+[9] Dit alles wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat kunst geen
+zedelijken invloed op den aanschouwer uitoefent! Integendeel: _alle_
+kunst, ook de "onzedelijke," heeft, indien zij _als kunst_ wordt
+genoten, een hoog-zedelijken invloed. Zij kweekt altruisme: _De verrukte
+aanschouwer heeft de vermogens van den door hem bewonderden kunstenaar
+lief, en vergeet_, zij 't voor korten tijd, _zich-zelf voor hem en zijn
+werk_.
+
+[10] Ik citeer uit De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 16. Het is daar
+overgenomen uit Nieuwe Litt. Gesch. III blz. 44.
+
+[11] De Nieuwe Tijd, 1909, blz. 17--18.
+
+[12] Ibid. blz. 18.
+
+[13] Ibid. blz. 22.
+
+[14] Ibid. blz. 31.
+
+[15] De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 27.
+
+[16] Algem. Hbl., 9 januari 1913.--De schrijver voegt er nog, m. i. zeer
+terecht, aan toe: "Het is een gevolg van propagandistischen ijver."--
+
+[17] Deze cursiveering is van mij.
+
+[18] De Nieuwe Tijd, 1909.
+
+[19] Cursiveering van mij.
+
+[20] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 492.
+
+[21] ibid.
+
+[22] ibid.
+
+[23] Onder die rubriek valt zeker: Henri Hartog's _prachtig_ "Sjofelen";
+veel uitmuntend werk van Coenen; ongetwijfeld veel werk van Van Deyssel
+en, last not least, menig stuk van Van Looy!
+
+[24] Schetsen en Critische Opstellen, blz. 161--163.
+
+[25] L. van Deyssel, derde bundel Verzamelde Opstellen, blz. 61 e.v.
+(Over Gorter's Sensitivistische Verzen). De puntjes wijzen aan, waar ik
+hier niet ter zake doende gedeelten uit den tekst heb gelicht.
+Cursiveering van mij.
+
+[26] De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 408, e.v.
+
+[27] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 13.
+
+[28] De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 369, e.v.--Cursiveering van mij.
+
+[29] Er is overigens, in dat tusschenzinnetje "_daar In de poezie de
+daad geldt, niet de aanleg_," nog een van die typische denk-fouten welke
+door het marxistisch-aesthetisch denken vooral veroorzaakt worden, de
+meening namelijk, dat de kunstdaad nog iets anders zou kunnen
+weerspiegelen dan de aanleg, dat de daad bijv. kleiner zou kunnen
+zijn--zeg bijv.: door neerdrukkende omstandigheden--dan de aanleg, die
+immers niets anders is dan de potentie van den _kunstenaars_geest.
+Gorter verwart hier weer de stof, waarin de daad zichtbaar is geworden
+met de daad-zelf, d.i. de beweging van den kunstenaarsgeest. Wat hij de
+daad noemt, is in waarheid het _product_ van de daad. Dit product
+weerspiegelt de daad en de worsteling van de daad met de stof en met de
+haar weerstrevende omstandigheden, maar die daarin dus nevens al het
+andere zichtbaar geworden daad-zelf, in haar bewegen: hoe zij _worstelt,
+overwint of succombeert_, is alleen en uitsluitend de zuivere spiegel
+van de grootte, de macht of de zwakheid van den aanleg. Men kan dus niet
+zeggen, "dat in de poezie de daad geldt, niet de aanleg," alsof uit
+beiden iets verschillends zou kunnen blijken!
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [p.131]
+
+
+II.
+
+Mevr. Holst's Rousseau.
+(_Literair_-critisch beschouwd).
+
+
+De _literaire_ critiek toetst _nimmer_ eens schrijvers _subjectieve
+waarheid_, gelijk die haar in een werk blijkt te bestaan, aan _eenige
+andere waarheid haar van elders bekend_, om daarna, al naar het
+resultaat dier toetsing, het werk goed of slecht te noemen. Neen, zij
+toetst--hetzij verstandelijk en meer koel-analytisch, hetzij
+emotioneel-omvattend en meer synthetisch--het _te beoordeelen werk_ aan
+die _subjectieve waarheid_, en onderzoekt _hoe_ deze zich daarin uit.
+Want zich uiten in een werk, dat doet zij altijd. Het is alleen de vraag
+op welke wijze. Uit zij zich, onbestreden, onweerstreefd door het lager
+bewustzijn des schrijvers, en voortgestuwd en bestraald door zijn
+Scheppend Vermogen, dan is het werk kunst. Uit zij zich daarentegen
+bestreden en weerstreefd door het lager bewustzijn, dat iets anders dan
+haar voor de subjectieve waarheid wilde doen doorgaan, dan is dat werk
+niet alleen geen kunst, maar 't is ook een vervalsching. Maar evenzeer
+geen kunst is zulk werk, of dat gedeelte van een werk, waarin het lager
+bewustzijn, volkomen te goeder trouw, en juist om de subjectieve
+waarheid, naar het meent beter te verwoorden, die uiting verminkt en
+veronecht. Doch zoo eenvoudig als dit alles nu in theorie er uit ziet en
+zoo simpel [p.132] 't zich zeggen laat in 't algemeene, zoo eenvoudig is
+'t niet in de praktijk en in zijn toepassing op 't bijzondere. Want er
+zijn wel ontelbare werken, die geheel en volstrekt niet-kunst zijn, doch
+er is niet een wellicht, gelijk wij reeds vroeger gezien hebben, dat
+volmaakt kunst is. En er is ten slotte wel slechts een oorzaak waarom
+een werk geen of slechts gedeeltelijk kunst is: zijn niet of slechts
+gedeeltelijk voortgebracht zijn door het "Onbewuste," d.i. de Scheppende
+Natuurkracht, maar de redenen die deze dit hebben belet, kunnen vele en
+zeer uiteenloopende zijn. Laat mij u slechts nog een drietal van de
+allervoornaamste noemen:
+
+Het _van nature_ psychisch onvatbaar zijn voor de inwerking van dat
+Scheppend Vermogen, noodig om die zekere subjectieve waarheid in kunst
+te herscheppen. (Bijvoorbeeld: een lyricus, die van eene in hem levende
+voorstelling, tot wier ver-beelding het episch Scheppend Vermogen wordt
+vereischt, kunst maken wil).
+
+Het _verstelseld_ of _verdogmatiseerd_ zijn van het lager bewustzijn,
+zonder dat de voorstellingen enz. aan dat dogma of stelsel verbonden,
+geeigend zijn, door het in die persoonlijkheid werkend Scheppend
+Vermogen te worden ver-beeld.
+
+Een _te_ critische gesteldheid van het lager bewustzijn, waardoor de
+door- en uitvloeiing der inspiratie te zeer bemoeilijkt, soms volkomen
+en voortdurend verhinderd wordt.--
+
+Zoo verschijnt ons de taak der literaire critiek als een zeer
+verwikkelde en uitgebreide. Zoodra zij met een kunstwerk te doen heeft,
+vervalt die taak in twee groote deelen: kenbaar te maken aard en
+beweging van 't kunst-_scheppende_ Hooger Bewustzijn en aard en beweging
+van het ingegrepen-hebbend kunst_bedervende_ lager bewustzijn. Wel
+beschouwd is dus de literaire critiek een bij uitstek mensch-beeldende
+kunst. Immers ook de synthetische aanvoeling van het Scheppend Vermogen,
+benevens zijne bewegingen, synthetisch of analytisch doorvoeld, kunnen
+meestal niet anders dan vermenschelijkt worden ver-beeld. Is het te
+beoordeelen werk-zelf van critischen aard, dan verandert dit niets aan
+de zaak--in theorie! In de praktijk blijkt dat wel anders: instede
+[p.133] van het werk uitsluitend aan des schrijvers subjectieve waarheid
+te toetsen, toetst menig criticus die waarheid weer aan een andere--ten
+slotte zijn eigen, ook louter subjectieve, want meestal _niet_ te
+_bewijzen_--waarheid. De literaire recensent, die zich hieraan schuldig
+maakt en aldus van den m.i. juisten weg afwijkt, doet te veel en maakt
+daardoor zijn arbeid minder betrouwbaar en minder waard. Want hij loopt
+alle kans, als de waarheid van den door hem beoordeelde en de zijne niet
+overeenkomen, dat ontstemming en toorn over het z.i. onjuiste oordeel,
+hem ook de zuiver-aesthetische waarde van het werk te laag zullen doen
+aanslaan. Ik zelf, die dit alles hier hekel, zou er nochtans niet voor
+kunnen instaan, niet in dezelfde fout te vervallen, indien er geen
+afdoend middel bestond, zich daartoe de gelegenheid te benemen. Want het
+is niet te ontkennen, dat een kunstwerk van _critischen_ aard daar veel
+meer aanleiding toe geeft dan een ander: van en betreffende de
+_bijzondere_ menschelijkheid eener in bijv. een roman geheelde figuur,
+heeft de criticus allicht geen vast-omlijnde apriorische voorstelling of
+oordeel, hij toetst daarom zonder vooringenomenheid het beeld-in-'t-boek
+aan des kunstenaars subjectieve visie, en zoo hem dan het een 't ander
+blijkt te dekken, d.i. zoo hem de _noodwendigheid_ in de _beelding_
+blijkt, noemt hij 't beeld goed en kunst. Maar van den aard en de waarde
+van een werk dat, of eener historische figuur, die in een kunstwerk van
+critischen aard wordt voorgesteld, hebben de meeste beoordeelaars wel
+degelijk eene apriorische opvatting, voor welke zij vaak niet kunnen
+nalaten te strijden. En dikwijls liggen hieraan de nobelste sentimenten
+ten grondslag, zooals de groote liefde voor een figuur, die zij onjuist
+beoordeeld achten, maar waar die sentimenten toch in _die_ sfeer
+misplaatst zijn, veroorzaken zij somtijds zeer ignobele gevolgen. Het is
+daarom wenschelijk, dat een kunstcriticus indachtig aan het feit, dat
+hij een--meest zeer impulsief--mensch is, zich-zelf de gelegenheid
+beneme, zich al te klein-menschelijk te gedragen. En hieraan is het mede
+toe te schrijven, dat ik, nu ik ook Mevr. Holst's _Rousseau_ in deze
+studie zal behandelen, mijn taak in twee scherp-gescheiden deelen zal
+splitsen. Ten [p.134] eerste: in dit hoofdstuk het toetsen van haar werk
+aan de in haar geest aanwezige beelden, het beoordeelen van haar essai
+dus als literair kunstwerk--den lezer zal het nu ongetwijfeld duidelijk
+zijn, _waarom_ men "een werk hevig bestrijden en tegelijkertijd warm
+bewonderen, groot vinden en liefhebben kan"--; ten tweede: het toetsen
+van _haar_ waarheid omtrent Rousseau aan _mijne_ en de mij van elders
+bekende en te bewijzen waarheid, het beoordeelen van haar essai dus als
+biographischen, critischen en psychologischen arbeid, in het volgend
+hoofdstuk. Zoodoende zal, hoop ik, de bestrijder-in-mij der
+marxistisch-aesthetische theorie en der daaruit voortvloeiende
+meeningen, den literairen criticus niet interrompeeren, wanneer deze nu
+zal pogen zijne groote bewondering en luttele bedenkingen zuiver uit te
+spreken, en anderzijds de literaire criticus, tevreden, dat hij die
+bewondering heeft kunnen uiten, zijn tweelingbroer, den bestrijder, niet
+remmend beinvloeden. Zeker, het had kunnen gebeuren, dat de literaire
+criticus tevens die bestrijder had moeten zijn, in het geval namelijk,
+dat _door den socialistisch-aesthetischen invloed_ werk en subjectieve
+waarheid elkaar niet zouden hebben gedekt. Dat is hier echter niet,
+althans niet bewijsbaar, het geval. _Onweerlegbaar aan te toonen_, dat
+er eenige waarheid aanwezig was in de schrijfster, welke het Hooger
+Bewustzijn niet kon uiten, ten gevolge van dien invloed of eene der
+reeds vroeger genoemde oorzaken, is m.i. niet mogelijk.
+
+ * * * * *
+
+Dit werk dan, allereerst voortreffelijk en van een zoete bekoring door
+het statig ruischen van den diepen psychischen ondertoon der
+schrijfster, die alle fijnere modulaties in de hoogste mate natuurlijk
+en ongedwongen uit zich laat opwellen--dit boek opent met een zeer
+eenvoudige en nog schetsmatige uiteenzetting van den kerkelijken,
+economischen en politieken toestand der stad Geneve ten tijde dat
+Rousseau daar werd geboren. Maar in die uiteenzetting leeft al iets van
+de omglorieing der dingen door den dichtergeest, en reeds op het einde
+dier weinige bladzijden bloeit die diepe [p.135] aandoening open, welke
+zich van dan af, nacht of dag der kunstenaarsziel mogen over het werk
+heerschen, niet meer sluiten zal: Een avondplein in Geneve. Bij het
+uitschietend en weer krimpend tooverlicht van rood-gouden flambouwen,
+hebben de burgerwachten van het vrij en democratisch gemeenebest hun
+gemeenschappelijk avondmaal genoten. Een rijke vreugd rijst hoog in de
+harten, de vreugd van als broeders samen te zijn; vrouwen en kinderen
+komen hun deel van het feestgeluk halen en mengen zich onder de groepen.
+... Er wordt een reidans gedanst en liederen gezongen ... O, de
+beschrijving van dit tafereel is in haar soberte zoo voortreffelijk; de
+psychische onderstroom voert zoo zonder inspanning die visioenen voor
+mijn oogen.... Maar deze deinzen nu, er is een open ruimte, en zie nu,
+zie ...er komen woorden als voorzichtige en zegenende handen, hun
+aanraking sterk en teer van liefde, ze toonen mij een kind, niets dan
+een kind, een "bruinoogig, sierlijk knaapje".... Maar een ontroerd
+vrouwegelaat zie ik boven zijn hoofd, oogen, die mij glanzend,
+trotsch-gelukkig en suggestief aanzien, en ik versta plots in vollen
+omvang, wat dit gelaat mij zegt: hoeveel dit kind voor de menschheid zal
+beteekenen. Mijn hart zwelt den kleinen uitverkorene tegemoet. Het is
+Jean-Jacques Rousseau.--
+
+En dan volgen de zes-en-dertig schoone bladzijden over zijn jeugd, een
+zoete, innige melodie, maar--als door een fluit een nachtegaal
+nagefloten. Voor wien de nachtegaal-zelf te voren heeft gehoord!... Want
+het beeld van Rousseau's jeugd, zooals het in _Les Confessions_, dat
+stylistisch wonderwerk van subtiele zelfbeluistering, tot ons is
+gekomen, is niet louter een brok autobiographie, dat _elk_ later
+dichter, die de voor de verwerking dier stof geschikte vermogens bezit,
+zou kunnen benuttigen, om er zijn eigen schoonen droom uit te
+_scheppen_, maar het is _zelf een subliem gedicht_, dat den lezer, en
+zeer zeker den bewerker, niet alleen materiaal aanbiedt, maar hem ook
+noodwendig beheerscht, door de artistiek-geniale doorlichting en
+verheerlijking van dat materiaal, zoodat tenzij die bewerker een
+Rousseau verre [p.136] overtreffend genie bezitte, dat dezelfde stof nog
+heller doorlichten, nog schoener en anders gezien in kunst zou kunnen
+beelden--vrijwel ondenkbaar in dit geval--hij zich niet slechts niet zal
+kunnen vrijmaken van die overheersching, maar zich zelfs wel wachten zal
+voor eenige poging daartoe, wel overtuigd als hij zijn zal, daardoor te
+zullen komen tot het maken van werk, dat en slechts quasi-zelfstandig en
+sterk minderwaardig zou zijn aan het oorspronkelijk gedicht.... Een
+gedicht, waarin al de weemoed herfst van een oud gebroken man, die zijn
+zoete jeugd herdenkt; waarin menschengestalten, sinds lang in den dood
+verdwenen, herrijzen, van verre staande met de aureool zijner liefde om
+de slapen, en waar veel flonkerende kostbaarheden al geborgen staan in
+herinnerings-schrijn, om straks--o toch luttele vergaarde schatten van
+dit aardsche leven!--te worden meegevoerd naar dat eeuwig leven,
+waarnaar hij smacht.--Want wel ter dege behoort men, om naar alle zijden
+rechtvaardig te zijn, de _relatieve_ waarde der dingen niet uit 't oog
+te verliezen. "Wanneer zij Rousseau's jeugd herdenkt, wordt dit verhaal
+een gedicht onder hare handen," las ik in _De Ploeg!_[30] Wel waarlijk,
+dat staat er, alsof Mevr. Holst uit een of andere oude, bestoven en
+droge kroniek--zooals bijv. Shakespeare voor zijn drama's!--de stof had
+opgediept en daaromheen, daaruit _haar_ schoonen droom, _haar_ gedicht
+had geschapen, terwijl de waarheid is: dat zij wel hier en daar ook
+eigen doorvoeling heeft gegeven, maar overigens en grootendeels een van
+de schoonste en innigste gedichten der wereld, slechts "van verre
+volgend" en het _zeer verzwakkend_, heeft _na_gedicht en dit--een tweede
+oorzaak dier verzwakking naast het verschil in genialiteit tusschen haar
+en Rousseau--door de compositorische eischen van eigen werk gedwongen,
+hevig besnoeid heeft, waardoor dan ook helaas oneindig veel van het in
+'t oorspronkelijke poeem aanwezige schoone, bevallige en beteekenisvolle
+is verdwenen, zonder dat opmerkelijke, nieuwe, door haar geschapen
+aesthetische waarden, [p.137] in dit gedeelte eenige noemenswaardige
+vergoeding bieden voor dat gemis. Neen, de groote
+_oorspronkelijk_-scheppende kracht straalt dan ook eerst op in het werk,
+als zij, bevrijd uit den ban van dat zoet-schoone en vermaarde
+jeugdverhaal in de _Confessions_, haar oogst niet meer hoeft te maaien
+onder den drukkenden zonnegang van Rousseau's wereldgenie! Dan huivert
+door het boek een medelijden met de armen en verdrukten, de hopeloos
+verloren geganen in de niet terug te roepen tijden, een medelijden, dat
+zijn tranen bedwingt, om fel te kunnen strijden. Dan proeft ge de
+verrukking van deze hooge vrouw, zelf eene van het geslacht te zijn,
+waarvan Rousseau een van de vorsten was; dan voelt ge haar genot, zich
+een met hem in het hooge willen te weten; zijn schildknaap, zijn
+verheerlijker, zijn zwaarddrager te zijn. Waar zijn oogenlicht op valt,
+dat is geheiligd voor haar, de felle wreekster en verdedigster ook van
+Therese Levasseur. Prachtig-innige bladzijden hebben wij dier
+verdediging te danken, een stroom van gevoel breekt hier uit dit nobel
+hart, die elke ruimte van der woorden bedding vult, en schuimend elke
+hindernis verbreekt, tot, eindelijk, vrij weer stroomend, zijn toorn
+valt en hij voortkabbelend van de oevers bloemen gaart en zonnevonkjes
+vangt op zijn ontschuimde vlakte; een omvlijende beek van liefde nu, een
+bloemenwater van geur en licht omwademd, komt hij aangewiegd tot aan de
+voeten van dat kleine menschje, ootmoedig aan de voeten dier "trouwe,
+lieve vrouw" en vlijt er alles neer, al bloemen voor dat "eenvoudige
+plebejerskind," de "veelgesmade, veelgelasterde Therese Levasseur"....
+En stroomt dan vonkelend en ruischend weer voorbij....
+
+Dan openbaart zich ook haar beeldend en metaphorisch vermogen in zijn
+volle kracht. Vermocht ik in het jeugdverhaal slechts eene
+werkelijk-beeldende uitdrukking te vinden, die nog klaarblijkelijk een
+reminiscentie is[31] en slechts een vergelijking, 'n rhetorische, en nog
+wel eene van zeer geringe soort, welke [p.138] geheel uit het kader van
+haar werk valt en volstrekt vreemd is aan de hooge sfeer van haar
+stijl,[32] later verandert dit alles, ziet zij in dat Parijs, "_dat
+koortste van goudkoorts als een delverskamp_," het Parijsche volk
+lijden: "ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid,
+laag en onzichtbaar als in een andere wereld, _als in de verborgen
+stookruimte van een modern reuzenschip_"; ziet zij: de gedachten zich
+uit Rousseau's Onbewustheid losmaken en stijgen "tot 't bewuste, _met
+zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't diepste van 't
+woud_." Merk hoe verrukkelijk deze beelden zijn omdat zij, zoowel wat ik
+wensch te noemen: de _hoofdzakelijke_ als _additioneele_ schoonheid aan
+goede metaphoren eigen, bezitten, en rhetorisch noch reminiscenties
+zijn. Immers de _hoofdzakelijke_ schoonheid van een "beeld," bestaat
+daarin, dat het de verborgen eenheidsessentie van twee verschillende of
+zelfs schijnbaar tegenstrijdige begrippen, zaken of wezens aantoont. En
+hoe duidelijker en overtuigender ons die eenheid wordt aangetoond, hoe
+grooter onze verrukking is. Deze heeft dan een tweeledige oorzaak: een
+algemeen-menschelijke en een artistieke. De eerste is: dat het
+doorvoelen, zij het slechts tot op zekere diepte, van de eenheid van dat
+wat men tot dan verschillend of tegenstrijdig heeft geloofd, het hoogste
+geluk is, dat een mensch, die op dien naam aanspraak maken mag, gebeuren
+kan. Want het hart van zulk een mensch haakt en verlangt naar eenheid,
+hij voelt het veroveren van het bewustzijn, dat alles en allen in
+diepste wezen een zijn als zijn hoogste levenstaak, en telkens als hij
+dus--om 't zoo eens te zeggen:--een stukje van dit bewustzijn heeft
+veroverd, voelt hij ook bevrediging en geluk. De tweede is: dat wij de
+beweging van het Scheppend Vermogen bewonderen, toen het dit een-zijn
+van het verschillende of tegenstrijdige uitbeeldde. Het zal den lezer
+uit deze beschouwing duidelijk zijn, dat het dus van het hoogste gewicht
+voor die zoo rijk [p.139] genot schenkende eigenschappen van een "beeld"
+is, dat het _niet rhetorisch en geen reminiscentie is_. Kent immers de
+lezer het reeds van vroeger, of voelt hij in de verwoording, dat het
+niet oorspronkelijk is, dan kan, in 't eerste geval, zijn bewustzijn van
+de eenheid der dingen nu niet meer daardoor verrijkt worden, en, in
+beide gevallen, kan hij daaraan het Scheppend Vermogen in dien auteur
+niet bewonderen. Hij weet immers of voelt dat deze zich dit "beeld"
+slechts bewust of onbewust herinnerd en 't niet geschapen heeft. Het is
+dus juist omdat de hierboven aangehaalde beelden, in tegenstelling met
+de ter voorafgaande bladzijden, in de noten, geciteerde, niet rhetorisch
+en geen reminiscenties zijn, dat zij mij in hun zoo prachtig aantoonen
+der verborgen "eenheidsessentie," dat rijke en tweeledige genot konden
+schenken,--een waarheid, die helaas nog niet algemeen door de literaire
+critiek wordt aanvaard.--En wat nu de _additioneele_ schoonheid betreft:
+deze bestaat in het passen van het "beeld" in de stemmingssfeer van het
+geheel, waarvan het een deel is. Dat is natuurlijk gewenscht voor elk
+deel van een kunstschepping, maar voor een vergelijking of metaphoor is
+het _meer_ gewenscht dan voor welk ander deel ook, omdat als zij de
+eenheid van het geheel verbreekt, ze iets doet, wat met _haar innigste
+wezen_ in strijd is. Haar wezen is immers: het eenheid-aantoonen, en
+nu--verbreekt zij een eenheid! Zij neemt dus dan op de eene wijze en
+tegelijkertijd terug wat zij op een andere gaf.--En zie nu eens, in hoe
+sterke mate deze beelden van Mevr. Holst ook die additioneele schoonheid
+bezitten. De beide eerste, die iets van het _maatschappelijk_ leven
+beelden: Parijs en het Parijsche volk, zijn beide aan de
+maatschappij-sfeer ontleend: een gouddelverskamp, een stookruimte; het
+derde daarentegen, dat de werking der Scheppende Natuurkracht in
+Rousseau beeldt, aan het natuurleven.
+
+En hoe prachtig is ook dit, als onze schrijfster het _Contrat Social_
+bespreekt: "De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen sissen,
+zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich
+tusschen hen." Even te voren [p.140] zegt zij: "Men voelt den gloed wel,
+maar de vlam brandt achter een muur," 't geen ons hier de gelegenheid
+biedt te zien, hoe het beeld zich volkomen natuurlijk ontwikkeld heeft
+uit het gevoel, waaruit de geheele context werd geboren.
+
+En dan is het ook, dat zij, zooals ik eens van haar schreef, bij
+menigten "subtiele fijnheden in het door-raadselde levensgebeuren en in
+de verhouding tusschen de uiterlijke en innerlijke menschen ontdekt."
+Wilt ge een voorbeeld van het eerste zoowel als het laatste? Gun u-zelf
+dan het genot van haar diepe en meesterlijk neergeschreven inzicht te
+leeren kennen in de zedenverdorvenheid van het Parijs der XVIIIde eeuw,
+en vergun mij even dit kleine stukje voor u te citeeren:
+
+ Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de
+ gave der jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter
+ heeft gebruikt. Wie het heil zocht in de liefde voor schoone
+ lichamen en in de bevrediging van den hartstocht, voelt de
+ herinnering wrang in zijn mond en spijt om alles wat hij dit eene
+ ter wille verzuimde, doet zijn hart samentrekken; hij treurt: hem
+ is alsof hij de kostbare wateren der jeugd verspilde. Wie andere
+ sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit eerzucht daden deed,
+ of door liefde voor een stralende Idee gedreven, voor een droom van
+ menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat hij wat nu 't
+ allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; ook hem is
+ het of hij de kroon des levens heeft gemist.
+
+Hoe trilt hier toch in de diepte hetzelfde sentiment, dat eens een
+Ander, in hongerige oververzadigdheid, zijn smartelijk "IJdelheid der
+ijdelheden" als een weeroep over menschheid kreunen deed, zoo, dat zij
+het in dertig eeuwen niet vergat....--Maar is dit stukje
+fijn-doorvoelde psychologie niet even diep en innig:
+
+ Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van
+ Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige
+ waardeering, in de omstandigheid dat de vergode grijsaard toch
+ altoos het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is
+ grooter dan ik, in hem en zijn werk ligt iets diepers en
+ teederders, dat mij vreemd is"--terwijl Rousseau daarentegen
+ Voltaire wel zijn roem en invloed benijdde, maar in zijn diepste
+ wezen een gevoel van artistieke [p.141] meerderheid omdroeg, dat
+ het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht en billijk te
+ oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft, naar ik meen, ook de
+ verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.
+
+Wie anders dan of een heel groot, "objectief-indringend
+menschenschepper, die Mevr. Holst--ik heb het indertijd
+aangetoond--_niet_ is, of een wel anders begaafd, maar in zijn sfeer
+toch ook heel groot en edel kunstenaar, die zelf in het bewustzijn van
+zijn zielsrijkdom zijn tegenstrevers en miskenners kan vergeven, gelijk
+deze groote lyrische dichteres er eene is--wie anders dan een dier twee
+had dit vermogen te schrijven....
+
+Hoe diep heeft zij dan ook alles doorvoeld, wat Rousseau's
+persoonlijkheid en de hare _gemeen_ hebben, hoezeer is zij erin
+geslaagd, ook _de leiddraad aanvaardend van Rousseau's
+zelfbeluisteringen in de Confessions en de Reveries_, een beeld te
+scheppen dat _nagenoeg_ harmonieus is in _zichzelven_. Luistert ge
+slechts even naar het volgende kleine stukje, dan hoort ge bij beurten:
+Henriette Roland Holst, herkennend Rousseau in en beeldend hem uit haar
+innerlijkheid, en Rousseau-zelf in de zelfbeluistering en beelding der
+_Confessions_:
+
+ Haar volgend (de roepstem der opkomende klassen, v.C.) moest hij
+ strijden tegen een stuk van zich-zelven, tegen zijn zwakheid, en
+ somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn hart.
+
+Hier beeldde Mevr. Holst Rousseau uit zich-zelf: de schrijfster van _De
+Vrouw in het Woud_, voor zij "de Vrouw in het Woud" werd, maar reeds
+alles in zich had, dat 't haar zou doen worden. En ziehier voornamelijk
+weergave van de zelfbeluistering in de Confessions en de Reveries:
+
+ Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn
+ liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn
+ contemplatieve neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van
+ stelselmatig denken. Hij overwon dit alles. Hij, de tuchtelooze,
+ legde zich de tucht op van onverpoosde inspanning, van omwerken en
+ nog eens omwerken en nog eens wat hij schreef, tot de meest klare
+ en doordachte uitdrukking van gevoel en gedachte die hij kon
+ vinden, bereikt was; hij de bandelooze, [p.142] lag zijn liefste
+ genieting, het drijven op droomen, aan band. .
+
+Zooals het volgende weer zuiver datgene is wat beiden gemeen hebben:
+
+ Hij was dikwijls zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in
+ alles wat zijn werk betrof. Twee krachten waren in hem die zijn
+ zwakheid overwonnen: de gloed van geestdrift voor zijn
+ idealen,--met een anderen naam: de liefde tot de menschheid,--en
+ het artistiek geweten, de nauwgezetheid van den kunstenaar.
+
+Het schoonste en duidelijkste voorbeeld echter van dit
+Rousseau-hervinden in zichzelf, heeft Mevr. Holst wel gegeven in dit
+stukje, dat ik hoe bevreesd ook mij te zeer aan citeeren te bezondigen,
+den lezer niet mag onthouden:
+
+ Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit
+ de opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het
+ Gezicht opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de
+ afschuwelijkheid van de uitbuiting en de ellende van druk en
+ slaafschheid beseffen; gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de
+ verdrukkers en liefde voor de verdrukten, dat zij beven van hitte
+ en kou, liefde en haat in eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die
+ dichters en droomers dan het lichtverschiet openwaait van een ander
+ leven dan van willekeur der grooten en verdrukking der kleinen en
+ strijd van allen tegen allen, een leven van vrede en broederlijke
+ liefde en zachte aanhankelijkheid; en zij de armen uitstrekken
+ daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat 't blijve, sidderend
+ van verlangen--zoo deed hij.
+
+Evenmin zou ik echter de schoonheid van dit werk voldoende recht hebben
+gedaan, indien ik verzuimde u opmerkzaam te maken op het prachtig
+begrijpen, doorvoelen en uitbeelden van sommige invloeden, die het
+Scheppend Vermogen op de lagere persoonlijkheid van Rousseau gehad
+heeft. Ziehier, een kort stukje:
+
+ Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefdesbegeeren
+ slechts schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij
+ daardoor noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste
+ bekoorlijke vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't
+ anders; leefde, voor hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat
+ oogenblik de behoefte van den kunstenaar, door 't lichamelijk
+ ervaren der liefde-begeerte en verrukking [p.143] en liefde-smart
+ die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te voeren tot de hoogste
+ intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de andere?
+
+En dan met nog heller intuitief doorvoelen van de verhouding van
+Scheppend Vermogen tot de lagere persoonlijkheid:
+
+ Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en
+ zijn zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan
+ wat asch van herinnering.
+
+ Maar _buiten hem groeide_,[33] schepsel van vuur en tranen, het
+ wonderbare boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als
+ 't zingen van de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle
+ Heloise." In de vlammen van dat boek zou de ziel der vrouw van dien
+ tijd zich reinigen, in zijn wateren onderduiken om wedergeboren te
+ worden: dichter's smart maakt duizenden blij van bevende zaligheid.
+
+Hoe zuiver en diep-gegrift is met een trek in die paar door mij
+gecursiveerde woorden, het werken der Onbewustheid aangegeven. Hoe wordt
+door dat eene beeld van de gaal den lezer fel de psychische oorzaak der
+Nouvelle Heloise duidelijk: zooals de gaal zingt uit liefdesdrang zoo
+schreef Rousseau dit boek. Maar bijzonder dankbaar ben ik der
+schrijfster voor die erkenning, dat "dichter's smart duizenden blij
+maakt van bevende zaligheid." Want deze uitspraak wint nog aan
+beteekenis, wanneer zij bijv. lyrische poezie betreft, waarin een
+dichter zijn smart-zelf heeft afgebeeld. En dus blijkt Mevr. Holst
+_hier_ wel duidelijk en diep te doorvoelen, dat de _kunstuitbeelding_
+van een sentiment zelfs precies het _tegenovergestelde_ sentiment in den
+beschouwer der uitbeelding kan wakker roepen, en _anders_ dan het in 't
+leven _buiten de kunst_ gebeurt; daar zou smart wel aanleiding tot genot
+kunnen geven, maar tot _wreedheidsgenot_, hier wekt het iets goddelijks
+in den genietenden mensch: een blijdschap van "_bevende zaligheid_"! A
+bon entendeur demi-mot suffit. En overigens--de literaire criticus mag
+zich toch wel even zoover vergeten, dat hij hier naar het werk van zijn
+tweelingbroer _verwijst_--zie het eerste hoofdstuk [p.144] dezer studie:
+daar staan de heele woorden! Maar zoo gij meent, dat hij dit zelfs niet
+had mogen doen--welnu: het is een goed gebruik iemand dergelijke
+kleinigheden bij het afscheid-nemen te vergeven, en de
+literaire-criticus-in-deze-studie neemt hier afscheid. Eerlijk gezegd:
+ik meen te weten, dat hij daar blij om is. En geen wonder: gewend altijd
+zelfstandig te werken, ziet hij hier zijn arbeid als een bijkomstig
+onderdeel van een andersoortig geheel beschouwd, werkte hij hier onder
+toezicht en onder zekeren druk. Zoo ben ik er, bijvoorbeeld, zeker van,
+dat het niet zijn meening weergaf, toen ik zei, dat niet _hij_ hier den
+schadelijken socialistisch-aesthetischen invloed kon aantoonen en
+bestrijden, omdat het geval, waarin hij dat had kunnen doen, nml.: dat
+door dien invloed "subjectieve waarheid en werk elkaar niet dekken,"
+hier niet aanwezig was. Hij meende dat wel degelijk hier en daar te
+kunnen aantoonen. Hij geloofde zeker, dat de zeer tendentieuse lagere
+persoonlijkheid der schrijfster op eenige plaatsen, onwillens
+natuurlijk, de uiting der subjectieve waarheid door het Hooger
+Bewustzijn verminkt had. En hij geloofde al evenzeer demonstreerbaar,
+dat er subjectieve waarheid in het werk was, die het niet verder dan het
+_lager_ bewustzijn heeft gebracht, ondoorlichte subjectieve waarheid
+dus, en van een soort, die niet kon doorlicht, verpuurd, vernoodwendigd
+worden door het lyrisch scheppend vermogen, terwijl de waarlijk epische
+kracht, daartoe benoodigd, niet of in niet voldoende mate in deze
+schrijfster aanwezig is. En als ik hem zei dat wat haar ontbrak toch kon
+aangevuld worden door de zelfbeluistering, de biecht van Rousseau, dan
+fluisterde hij ironisch: "Ook door zijn zelfbedrog, ook door zijn pose?"
+En ik glimlachte, maar wat zijne eerste bewering betreft leken mij zijn
+bewijzen niet afdoende, en wat het in de tweede genoemde aangaat,
+daarvan zijn noodwendigerwijze, gelijk later zal worden aangetoond, de
+gevolgen in dit werk zoo nietig, vergeleken bij die van den
+marxistisch-aesthetischen invloed, dat het geenerlei nut heeft hen te
+bespreken. En zoo legde ik hem het zwijgen op, een weinig onrechtvaardig
+[p.145] wellicht, gelijk geen enkel machthebber, die voor de juiste
+verhoudingen in een groot geheel verantwoordelijk is, altijd jegens den
+bewerker van een onderdeel kan vermijden te zijn. Maar daarom: wees gij
+lezer arbiter tusschen hem en mij! Gij zult in het volgend hoofdstuk
+ruimschoots stof tot vorming van uw oordeel vinden.
+
+
+NOTEN:
+
+[30] "Een studie over Rousseau" door Dirk Coster, _De Ploeg_ Febr. 1913.
+
+[31] "Hij eenvoudige burgerknaap, _zoo gesprongen uit het zwarte hol van
+zijn leertijd_." Zie Shelley's prachtig: "Then from the caverns of my
+dreary youth I sprang" etc.
+
+[32] "Een goede fee had aan zijn wieg gestaan.... Het was de
+fee: verbeelding." Kan het flauwer, onpersoonlijker en slapper?
+
+[33] Cursiveering van mij.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [p.146]
+
+
+III.
+
+
+Mevr. Holst's Rousseau.
+(Beschouwing der critische en psychologisch-biographische opvattingen.)
+
+
+Geen mijner lezers, die mij tot hiertoe gevolgd zijn en mijne leidende
+aesthetische gedachte nu kennen, zal het verwonderen, dat ik het niet
+eens kan zijn met hen, die zeggen, "dat wij uit eerbied voor den grooten
+geest den mensch moeten vergeten." Mij immers, wien de scheppende
+natuurkracht, die de aarden uit den chaos en de wezens uit de aarden
+omhoog drijft, de zelfde is, die de kunstwerken en de voortbrengselen
+van het hooge denken uit gene kleine werelden, die wij menschen zijn,
+doet geboren worden--mij lijkt die bewering even onjuist, als wanneer
+mij iemand zou zeggen, dat ik uit eerbied voor de natuur, de aard en
+gesteldheid van een kwalijk-riekend moeras niet zou mogen onderzoeken,
+dat zij zelf nochtans voortbracht en waarin zij zelf een rijke flora en
+fauna leven doet. Deze eerbied, zij hier entre parenthese gezegd,
+schijnt mij dan ook bedenkelijk veel op een beleedigen te gelijken. Het
+is dan wel, of wij arme, kleine menschjes ons verbeelden, sommige daden
+en voortbrengselen der natuur "met den mantel der liefde te moeten
+bedekken"! De lezer ziet dus duidelijk, dat in iemand van _mijne_
+overtuiging die eerbied volstrekt geen eerbied, maar een belachelijke en
+verdwaasde hoogmoed [p.147] zou zijn. Maar overigens is er nog een
+andere reden, waarom _ik_ dat argument verwerpen moet. En ik kan
+slechts ernstig hopen, dat het bekend maken dier reden geen aanleiding tot
+misverstand tusschen den lezer en mij zal te weeg brengen. Uiten moet ik
+haar. _Ik ken den eerbied niet en evenmin de keerzijde van dat begrip:
+de moraliseerende geringschatting of verachting_.
+
+Ik ken _slechts de liefde en den instinctmatigen afkeer._ Eerbied
+beteekent immer een min of meer op een afstand blijven--een
+_eerbiedigen_ afstand, zegt het spraakgebruik!--van, en een
+niet-indringen in het geeerbiedigde. Liefde beteekent: een naderen tot
+en een indringen in het geliefde. Waarom zouden wij op een afstand
+blijven van datgene, dat de Natuur ons toestond te naderen, toen zij ons
+de vermogens daartoe verleende? Zouden wij het beter willen weten dan
+Zij? Laat ons gerust zijn, waarvoor wij "eerbied" moeten hebben, dat
+_kunnen_ wij niet naderen, want Zij heeft den weg daarheen voor onze
+voeten opengebroken, toen Zij ons de vermogens onthield, gelijk Zij over
+andere wegen, die naar het lage leiden, waarvoor wij nog te onrijp en te
+zwak zijn om er het hooge in te herkennen, de versperring van onzen
+_afkeer_ sloeg.
+
+Eerbied, zeg ik u, is iets overtolligs; liefde, indringende liefde
+vraagt de wereld van ons. Eerbied is ook een slechte begeleider der
+waarheid. Uitteraard heeft hij dikwijls geen andere keus dan zelfmoord
+of het vermoorden der waarheid. Hij is als die reiziger in de woestijn,
+die zijn metgezel doodde omdat er voor beiden niet genoeg water meer
+was. Niet alzoo de liefde: zij is als dat vlugvoetige, zachtoogige,
+trouwe wezen, snel doorijlend elke woestijn: ook haar kan geen enkele
+deren; levend van de zuivere lafenis in eigen lijf bewaard, voert zij,
+niets vragend, alles dragend, den mensch naar het Doel.
+
+ * * * * *
+
+Men verwachte dus van mij, nu ik ter toetsing van Mevr. Holst's
+meeningen omtrent Rousseau en Therese Le Vasseur, veel, in dit
+hoofdstuk, van die beiden zal moeten spreken, [p.148] geen op een
+afstand blijvenden eerbied, maar liefde tot hun menschelijkheid, liefde
+tot de waarheid. Want daar ik er op zal moeten wijzen, dat zoowel in
+haar critische als psychologisch-biographische beschouwingen vele het
+essentieele rakende dwalingen--voornamelijk onder den
+historisch-materialistisch-aesthetischen invloed--binnengeslopen zijn,
+voel ik het als een plicht en deel van mijn taak, wat ik als de waarheid
+voel en vaak objectief zal kunnen aantoonen die te zijn, vreesloos
+daartegenover te stellen.
+
+"C'est le pardon a cause de la gloire." O, het is schoon gezegd, de
+wereld applaudisseert. Maar beter deed die wereld met te begrijpen, dat
+wij, zelf geringen, nu eenmaal niets te vergeven, niet te vonnissen,
+maar alleen _alles_, voor zoover we dat dan kunnen, te onderzoeken, te
+doorvoelen en te begrijpen hebben.--
+
+Wenden we ons nu allereerst tot Mevr. Holst's meer _critische_
+beschouwingen:
+
+ Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij (de Fransche
+ revolutionnairen, v.C.) leefden, uitgingen boven den inhoud van hun
+ leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de vorm,
+ heroischer was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de
+ uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar
+ somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor
+ het theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid,
+ die niet anders is dan de keerzij der geforceerd-heroische spanning
+ van het gevoel.
+
+ Dit noodlot der revolutionnairen van 1789--92, was ook het noodlot
+ van Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als
+ bijv. bij Byron en Schiller, gelijk de zijne ontsprong uit hun
+ liefde voor de burgerlijke vrijheidsidealen, en wier werken den
+ strijd der bourgeoisie tegen de absolutistisch-feudale orde vierden
+ en verheerlijkten. Ook zij vervallen soms _in hol pathos,
+ opgeschroefde gezwollenheid, soms in weee laffe sentimentaliteit._
+ Hun _gevoel was oprecht_, evenals dat der revolutionnairen, _hun
+ geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de
+ idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk
+ onwaar en voos_....
+
+ En Rousseau was een uiterst gevoelig kunstenaar, een van de
+ gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. Zoodoende zoog hij
+ de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en de huiselijke
+ innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar [p.149] _ook de
+ valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel_. Ook
+ deze gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. _Deze zijn
+ schuld_ aan het theatrale, gezwollene, geforceerde, dat zijn werken
+ ontsiert daar waar hij de moreele en sociale idealen der
+ burgerlijke klassen in beeld brengt, _nooit_, wanneer hij het zijn
+ persoonlijke ervaring doet.[34]
+
+Om te beginnen: het is niet juist, dat wanneer Rousseau zijn
+persoonlijke ervaring in beeld brengt, het holle pathos, de
+opgeschroefde gezwollenheid afwezig zouden zijn. Integendeel, ik beweer:
+in het autobiographisch werk zijn ze er pas goed, in gezelschap nog wel
+van hun valsch opgedirkte en geblankette zuster: de _pose_. Gij, die de
+schoone paden der _Confessions_ gegaan zijt, hoevele malen hebt ge er
+dit ongure, kermisachtige drietal, in den kleurigen opschik hunner
+klatergouden todden, niet ontmoet? Maar behoef ik dat wel te vragen,
+sterker: zij openden u het hek van den tuin!
+
+ Je me suis montre tel que je fus; meprisable et vil quand je l'ai
+ ete; bon, genereux, sublime, quand je l'ai ete: j'ai devoile mon
+ interieur tel que tu l'as vu toi-meme, Etre eternel. Rassemble
+ autour de moi l'innombrable foule de mes semblables; qu'ils
+ ecoutent mes confessions, qu'ils gemissent de mes indignites,
+ qu'ils rougissent de mes miseres. Que chacun d'eux decouvre a son
+ tour son coeur au pied de ton trone avec la meme sincerite, et puis
+ qu'un seul te dise s'il l'ose: _Je fus meilleur que cet
+ homme-la._[35]
+
+Deze toon, die toon van: "a tout prendre: je suis le meilleur des
+hommes," die telkens en telkens weer ons in de ooren klinken, het heele
+werk door, is niet die van de eerlijke zelfverheerlijking maar die van
+de in "_valsch pathos_" zich uitende "_geforceerde spanning van het
+gevoel_" van het zelfbedrog. En spreekt hij over het te-vondeling-leggen
+zijner kinderen, dan, zooals wij later zullen zien, klinken zijn
+redeneeringen als leeg vaatwerk met barsten, dan wordt 't alles bombast,
+dan dringen in al zijn uitingen "smakelooze liefde voor het theatrale"
+en "overdreven huilerige gevoeligheid." En daar heeft hij het toch wel
+over zijn "persoonlijke [p.150] ervaringen," zou ik zeggen! Mevr. Holst
+schijnt wel eens op weg te zijn geweest, om in deze de waarheid te zien.
+Blz. 203 zegt zij:
+
+ Het (zelfonderzoek, v.C.) was voor hem _de weg tot zijn apologie en
+ zijn apotheose, tot zelfbehagen, zelfvereering en zelfvergoding_.
+
+En blz. 204:
+
+ In de "Nouvelle Heloise, het werk waarin hij zich het vrijst heeft
+ laten gaan--_veel vrijer dan in de "Confessions,"_ waar _de
+ achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der
+ herinnering in een bepaalde bedding stuurden_....
+
+Indien iemand zooveel psychologisch en hooger-critisch inzicht toont te
+hebben, dat hij in een werk de neiging tot, en het feit van
+zelfvergoding, etc., benevens en vooral de "_achtergedachten_ van
+zelf-apotheose" aanvoelt, hoe is het dan mogelijk, is men geneigd te
+vragen, dat hij de nog meer aan de oppervlakte liggende _pose_, het
+_valsch pathos_ en al de _opgeschroefd-geuite_ verzekeringen van eigen
+voortreffelijkheid niet aanvoelt?! Of hoe is 't dan bestaanbaar, dat een
+dergelijke inzichtsvolle niet inzie, dat de neiging tot zelf-apotheose
+al die eigenaardigheden ten gevolge _moet_ hebben? Hoe is 't mogelijk,
+dat iemand, die ter eenre plaats schrijft, dat:
+
+ Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te
+ worden, de liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn
+ binnenste bevrozen, alles kil en doodsch. De liefde voor vrouwen
+ gelijk hij die meermalen gevoelde.... Slechts eenmaal in zijn leven
+ schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
+ moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid.
+ _Wat hij toen schreef werd hol en rhetorisch, van een gloed die
+ niet verwarmde_.[36]
+
+en dus de "ontsiering zijner stijl" wijt aan een hem eigen psychisch
+element, die op een andere plaats verklaart uit "de valsche elementen,
+het onwaarachtig bestanddeel" in het gevoel der burgerlijke klassen? Wat
+heeft hier haar blik beneveld, dat zij zich zulk een
+aantoonbaar-onjuiste subjectieve [p.151] waarheid vormde?[37] Wel lezer,
+sla een blik in mijn citaten op de vorige bladzijden en ge weet het: de
+idealen der burgerlijke klassen waren voos, de daardoor ontstane valsche
+elementen in hun gevoel zoog hij in, en die zijn schuld aan het
+theatrale, het valsch pathos en de opgeschroefde gezwollenheid.... Is
+dit niet het _historisch-materialisme_ pur sang? Vandaar, dat zij al die
+leelijke eigenschappen, tegen alle helder als de dag blijkende
+feitelijkheid in, alleen in zijn _maatschappij_-beeldingen en _niet_ in
+zijn _autobiographische_ geschriften zag. _Haar perceptievermogen zat
+ingesponnen in de theorieen harer socialistische aesthetiek_!
+
+Maar welk een in-zich-zelf-onjuiste bewering deden haar het
+historisch-materialisme eenerzijds en de eerbied voor Byron, Schiller,
+en Rousseau vooral, anderzijds neerschrijven, toen zij ter nadere
+verklaring van wat naar hare meening, het pathos enz. in hun stijl
+veroorzaakte, dit zinnetje er aan toevoegde, dat ik gemakshalve hier nog
+eens citeeren zal:
+
+ Hun _gevoel was oprecht_, evenals dat der revolutionnairen, _hun
+ geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de
+ idealen die zij verheerlijkten_, maar _die idealen waren innerlijk
+ onwaar en voos_....
+
+Vluchtte eerst het onafhankelijk critisch inzicht, hier vlood de logica:
+indien "hun gevoel oprecht was," indien "zij van ganscher harte in de
+waarheid hunner idealen geloofden," dan kon dier innerlijke voosheid
+_hun niets_ doen. _Die bestond dan eenvoudig niet voor hen_. Iemand kan
+slechts uiten wat op eenigerlei wijze in hem is. Een ideaal is echter
+nooit in een mensch, maar zijn zien daarvan, zijn voelen daarvoor. Het
+echte of onechte van het ideaal kan dus niet in zijn uiting leven. Dat
+kan alleen [p.152] het echte of onechte van zijn gevoel ervoor. Of Mevr.
+Holst had moeten zeggen: Zij voelden hun idealen als echt, zij geloofden
+vast erin, maar hun genie was niet groot genoeg om ze te
+ver-beelden--maar dan had de historisch-materialiste geen gelegenheid
+gehad om de tekortkomingen hunner schrifturen uit de "voosheid" der
+idealen van de burgerlijke klassen te verklaren!--of zij had moeten
+zeggen: zij voelden de voosheid van hun idealen wel, maar zij bedrogen
+zich-zelf, doch daarvan weerhield haar natuurlijk behalve haar diepe
+gevoel voor die Grooten, ook dat van de tastbare onjuistheid eener
+dergelijke bewering. Over deze stellingen ware echter verder te
+redeneeren geweest, over de eerste vooral, zooals daar dadelijk blijken
+zal. Maar nu eerst iets anders, dat wellicht in staat is, Mevr. Holst
+zelf van het onjuiste harer zienswijze te overtuigen: is zij bereid te
+aanvaarden wat wij, naar mij dunkt, niet onberechtigd zijn als de
+consequentie harer stelling te beschouwen? Heijermans is een groot
+menschenschepper, en zijn _Raphael_--in _Ghetto_--ver-beeldt te midden
+van een klein- en plat-burgerlijke omgeving het socialistisch _ideaal_,
+maar desalniettemin is, zoo zeker als twee maal twee vier is, zijn
+Raphael een bonk hol pathos, een bonk opgeschroefde gezwollenheid.
+Moeten wij dit dus, _in aanmerking nemend de voortreffelijkheid zijner
+overige productie_, zijner _werkelijkheids_beeldingen, wijten aan de
+voosheid van het socialistisch ideaal?
+
+Querido is een groot menschenschepper en zijn _Heins_--in
+_Levensgang_--is een schepping, geinspireerd door het proletarisch
+ideaal, maar desalniettemin leeft Heins op geen stukken na met de
+levenswaarheid van bijv. den ordinair-burgerlijken Bresser. Moeten wij
+dit dus wijten, gezien alweer de voortreffelijkheid der andere
+beeldingen, aan de voosheid van het proletarisch ideaal? Wat kan Mevr.
+Holst hierop antwoorden? Ik vrees, niet veel anders dan dat ik, mijne
+gevolgtrekkingen makend, haar stelling heb omgekeerd, hetgeen echter,
+de zooeven genoemde voortreffelijkheid immers in aanmerking genomen,
+van geen werkelijk belang is.
+
+[p.153] Maar niettemin kan ons, om het ware antwoord te vinden, een
+uiting onzer schrijfster uitmuntenden dienst bewijzen. Over Rousseau,
+Byron en Schiller sprekend zegt zij dit, in een noot:
+
+ Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de
+ vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.
+
+Ongetwijfeld mag men Mevr. Holst hier vragen, hoe dat komt, dat Shelley
+wel vrij van valsch gevoel is en de anderen niet. Hoe ook de Engelsche
+bourgeoisie van Shelley's tijd moge verschild hebben van de Fransche van
+1789, de voosheid, die immers veroorzaakt werd volgens Mevr. Holst, door
+hetgeen de lezer hieronder vindt aangehaald,[38] kan dan ook niet aan
+hare idealen ontbroken hebben en die moeten dan dus ook hun nadeeligen
+invloed op Shelley's geschriften hebben uitgeoefend! Waarom deden zij
+dat niet? Hield _hij_ er misschien een apart-burgerlijk-ideaaltje-
+voor-eigen-gebruik op na? Wacht maar niet op het antwoord, lezer. Mevr.
+Holst geeft hier geen antwoord op! Wij echter, wien een historisch-
+materialistische aesthetica niet hare dorre hand op den mond
+leggen, allicht wel: de kunstenaar die een werkelijkheid beeldt in
+kunst, doet als 't ware een fata morgana spiegelen boven en naar het
+beeld eener stad; de kunstenaar, die een ideaal beelden wil in kunst,
+wil een stad bouwen onder en naar een fata morgana. Het eerste kunnen
+_alle_ kunstenaars, genieen en talenten, groote en kleine; zij maken dan
+kunst, groote of kleine, naar hun aanleg. Het laatste kan maar een
+wellicht in duizend jaren, een begenadigde onder geslachten en
+geslachten van kunstenaars, een vorst onder zijn broeders, een profeet
+onder de waar-zeggers! En als de laatsten dat voor hen onmogelijke toch
+beproeven, dan vernevelt de ideeele fata morgana voor hun oogen, en zij
+zien niet meer, zij zien niet meer, maar maken zich diets dat zij nog
+zien, [p.154] en hun bouwsel wordt een verwarde doolhof; hun gevoel
+wordt valsch gevoel, hun uiting valsche pathos en opgeschroefde
+gezwollenheid. Zeker ligt het dus niet aan de "voosheid" van hun ideaal,
+maar ook evenmin kan hen de oprechtheid van hun gevoel ervoor redden;
+het hangt er alleen van af--och, het is zoo eenvoudig, zoo zonder
+diepzinnigheid--_of zij een Shelley zijn al dan niet_. En nu zal het u
+ook duidelijk zijn, waarom niet alleen in de beelding van het burgerlijk
+ideaal maar ook wel degelijk in de zelf-beelding der _Confessions_,
+zooveel pathos en gezwollenheid zit. Niet alleen, dat, zooals wij reeds
+hebben gezegd, "achtergedachten van zelf-apotheose" in een schrijver
+_altijd_ zijn stijl onzuiver _moeten_ maken, maar er was ook nog een
+andere oorzaak daarvan, een zelfde in de _Confessions_ als in de
+beeldingen van het burgerlijk ideaal: de unique, de alleredelste, de
+le-meilleur-des-hommes-persoonlijkheid van Rousseau--de _lagere_
+persoonlijkheid wel te verstaan!--_bestond niet._ De "schrijver der
+_Confessions_ moest hier dus wel geen stad maar een--_Rousseau
+scheppen_, onder en naar een luchtspiegeling, met natuurlijk hetzelfde
+gevolg, hier als daar! Och, als dat waar zou zijn: dat de voosheid van
+een ideaal de werken der daardoor geinspireerden nadeelig beinvloedt!
+Zou er dan wel een werk bestaan, dat daarvan vrijgebleven is? Want zijn
+_alle_ idealen niet voos in dien zin, dat zij in hun verwezenlijking,
+precies als het burgerlijk ideaal der groote Fransche revolutionnairen,
+niet geven wat zij beloofden en integendeel weer op hun beurt
+veroorzaken nieuwen strijd en nieuwe smart, maar ook nieuwe bevrediging
+en vreugde en nieuwe--idealen!
+
+Wij hebben dus nu als oorzaak van Mevr. Holst's onjuiste critische
+verklaringen het feit gevonden, dat zij, door verreweg te veel gewicht
+aan den invloed der maatschappijverhoudingen te hechten, geheel of
+gedeeltelijk de psychische oorzaak der door haar te beoordeelen
+verschijnselen uit het oog verliest. _Welnu, dit is een euvel
+onafscheidelijk aan de gewoonte van het historisch-materialistisch
+denken verbonden_ [p.155] _en voortvloeiend uit zijn aard_. Onderzoeken
+wij nu haar psychologisch-biographische inzichten omtrent Rousseau. En
+dan valt onmiddellijk op, dat:
+
+1 deg.. hare ontledingen volmaakt gaaf zijn, zoolang zij _niets
+minderwaardigs in hem_ te boekstaven hebben;
+
+2 deg.. dat zij echter _een sterk verfraaiende tendenz krijgen_, zoodra dat
+wel zoo is;
+
+3 deg.. dat wanneer zij, schijnbaar met deze bewering in strijd, ook in het
+laatstgenoemde geval zuiver zijn, dit veroorzaakt wordt doordat _de
+betreffende biecht in de Confessions zoo ondubbelzinnig is, dat alleen
+oneerlijkheid de oogen er voor zou kunnen sluiten_. Het bewijs van de
+juistheid mijner eerste bewering zal de lezer mij wel willen schenken.
+Ik, de _bestrijder_ van Mevr. Holst's analysen en der oorzaak van wat ik
+noem hun ondeugdelijkheid, heb er immers geen noemenswaardig belang bij
+te beweren, dat hare analysen onder zekere omstandigheden _wel_ zuiver
+zijn! Wat de beide laatste betreft, zij mij echter alvorens ik verder
+ga, het leveren van bewijs en het geven van voorbeelden toegestaan. Dus
+ad 2:
+
+ Zijn aard was niet uit een stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
+ zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en ontembaar,
+ zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
+ meegesleept worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met
+ zich-zelven en moest zoowel het genot als wijsheid derven.[39]
+
+Men kan hier het _streven_ naar objectiviteit zeer zeker waardeeren,
+maar, als men dit gedaan heeft, zich ook verplicht voelen op te merken
+dat van dat "dobberen tusschen deugd en meegesleept worden," als gevolg
+van een neiging en kracht in de lagere persoonlijkheid, niet veel te
+bespeuren valt: waar de verzoeking was, daar werd hij ook meegesleept,
+tenzij niet de deugd maar egoistische ijdelheids- of utiliteitsredenen,
+of overwegingen voortvloeiend uit zijn latere waanvoorstellingen hem de
+overwinning op de verzoeking deden behalen. Men denke aan de walgelijke
+scene tusschen "la [p.156] papesse Jeanne," Grimm, Diderot en hem-zelf
+als gasten van baron Klupffel, maar vooral aan het naar de
+_Enfants-Trouves_ brengen zijner _twee eerste kinderen_, zonder dat hij
+_een oogenblik "dobberde"_ tusschen wel en niet doen, zonder dat iets in
+hem zich daartegen verzette, _meegesleept_ als hij was--_dit alles naar
+zijn eigen getuigenis_--door de opvattingen en gesprekken zijner
+tafelgenooten elken dag. Als Mevr. Holst dan ook vervolgt:
+
+ In zijn jeugd liet hij zich geheel drijven op aandoeningen en
+ indrukken en wat omstandigheden en omgeving van hem maakten, dat
+ was hij.[40]
+
+en dus de scheidingslijn tusschen het tijdperk van meegesleept-worden en
+dat van 't "dobberen tusschen" laat samenvallen met die tusschen jeugd
+en mannelijken leeftijd, dan weerspreken de zooeven genoemde feiten
+haar--hij was toen respectievelijk _37 en 38 jaar_--. Neen, de
+scheidingslijn tusschen de twee eerstgenoemde tijdperken blijkt
+duidelijk te trekken precies ten tijde, dat zijn _genie zich openbaart._
+Dit feit te zien--waarmee ons trouwens Rousseau-zelf, gelijk men zoo
+dadelijk zal ontwaren, heeft bekend gemaakt--is van het hoogste gewicht
+voor de kennis zijner lagere persoonlijkheid, gelijk het ook boekdeelen
+spreekt _voor_ mijne bewering, dat het Scheppend Vermogen ook als een
+_heerscher, leeraar en opheffer_ in de lagere persoonlijkheid werkt!
+Waarom dit feit van zoo hoog gewicht is, laat mij het verklaren, na zijn
+bestaan-zelf te hebben bewezen: (Het _Discours_, waarvan Rousseau in het
+nu volgend citaat spreekt is _ook volgens Mevr. Holst_ het _eerste_ werk
+van zijn eigenlijk Genie.)
+
+ L'annee suivante, 1750, comme je ne songeois plus a mon Discours,
+ j'appris, qu'il avoit remporte le prix a Dyon. _Cette nouvelle
+ reveilla toutes les idees qui me l'avoient dicte, les anima d'une
+ nouvelle force_....[41]
+
+En daarna:
+
+ Tandis que je philosophois sur les devoirs de l'homme, un [p.157]
+ evenement vint me faire mieux reflechir sur les miens. Therese
+ devint grosse pour la troisieme fois. Trop sincere avec moi, _trop
+ fier en dedans pour vouloir dementir mes principes par mes
+ oeuvres_, je me mis _a examiner la destination de mes enfants_.[42]
+
+Men weet dat hier het "dobberen tusschen" niet eindigde in een omslaan
+naar de zijde van het goede; het scherpte alleen maar zijn verstand in
+het vinden van plausible uitvluchten, zooals wij later zullen zien,
+maar, waar het thans op aankomt: Zie nu eens den weg, waarlangs hij
+ertoe kwam, te gaan _nadenken ten minste_ over het lot zijner drie
+laatste kinderen: Als een profetisch gezicht, een onverwachte, helle
+openstraling van het genie, komt de visie van zijn Discours op den weg
+naar Vincennes over hem--hij zelf heeft ons dat treffelijk
+verhaald[43]--en de herinnering aan de scheppende gedachten, die toen
+uit het "onbewuste" op hem neerdaalden, die is het, welke nu zijn lagere
+persoonlijkheid schaamtevol tot zich-zelf inkeeren doet. Hij is zich
+trouwens daarvan wel bewust geweest, evenals van het feit, dat er in
+zijn lagere persoonlijkheid qualitatief-potentieel niets veranderd was:
+
+ D'ailleurs _les principes eleves_ que je m'etais faits _devoient me
+ rendre desormais bien superieur a de telles bassesses_, et il est
+ certain que depuis lors je l'ai d'ordinaire ete: _mais c'est moins
+ pour avoir appris a vaincre mes tentations que pour en avoir coupe
+ la racine_--d.w.z.: zichzelf _de gelegenheid, om meegesleept_ te
+ worden, te hebben _benomen_; zie maar verder:--et j'aurois
+ grand'peur de voler comme dans mon enfance si j'etois sujet aux memes
+ desirs. _J'eus la preuve de cela chez M. de Mably_.[44]
+
+En zoo is het ook met de andere neigingen zijner lagere persoonlijkheid
+gebleven. Men kan het reageeren van deze op den invloed van het
+Scheppend Vermogen aldus kenschetsen: _Zijn lagere persoonlijkheid
+schaamde zich voortdurend voor het op haar neerblikkend gelaat van zijn
+verheven genie_. Al ontstond deze schaamte niet uit louter zijn eigen
+innerlijkheid rakende overwegingen, maar voor een groot [p.158] deel ook
+uit bepeinzing van wat de menschen wel zeggen zouden van iemand die zoo
+leeraarde en zus deed.--En wat is nu de beteekenis van dit thans door
+mij en ongetwijfeld ook door de lezers, die al het voorafgaande goed in
+zich opgenomen hebben, bewezen geachte feit? Geen andere dunkt mij, dan
+dat de klaarblijkelijke meening van Mevr. Holst als zou er in den loop
+der jaren een qualitatief-potentieele ontwikkeling ten goede in
+Rousseau's lagere persoonlijkheid hebben plaats gegrepen, door _de
+feiten_ en de door _hem-zelf bekend gemaakte_ overwegingen gelogenstraft
+wordt, en dat er slechts een _zich aanpassen_ in daden, strevingen en
+woorden--de beide laatste vooral!--van de lagere aan de Hoogere valt te
+constateeren, zonder dat er in de _neigingen_ dus iets veranderde,
+waaruit weer blijkt, dat sommige dier neigingen geen "reminiscenties uit
+zijn lakeientijd" waren, zooals Mevr. Holst meent, maar saamgegroeid
+met, inhaerent aan zijn geheele wezenscomplex.
+
+Thans ad 3:
+
+ Nu kwam hij in een omgeving, die _al de lagere aandriften en
+ neigingen in hem naar boven haalde_ en al het zachte en edele
+ verschrompelen deed. Zijn meester was ruw, lichtzinnig en
+ hardvochtig, hij sloeg het kind, gaf het niet genoeg te eten,
+ terroriseerde het op alle manieren. Al de ellende van het
+ leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van overgeleverd
+ te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren onder den
+ druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun liefdeloosheid,
+ maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, hij leed
+ altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als een
+ knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
+ van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
+ verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot
+ zich in verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte.
+ Eerst in later dagen werd hij zich pijnlijk-bewust hoe snel zijn
+ karakter in korten tijd was vervallen.[45]
+
+Voor dit stukje mogen wij der schrijfster onverdeeld-dankbaar zijn. Er
+is hier--men lette op den door mij gecursiveerden zin--niets verfraaid,
+niets uitgewischt. Maar [p.159] hier _scheen dan ook zulk een fel licht
+uit de Confessions-zelf,_ dat de schrijfster door haar onbewuste
+verfraaiings- en uitwisschings-tendenzen niet _kon_ verhinderd worden te
+zien. Want de geniale zelfbeluisteraar, die waarheid sprak als zijn
+_artisticiteit_ hem ertoe drong, d.w.z.: die _moest_ uiten wat zijn
+_Scheppend Psychologisch Vermogen_ in hem zelf _ontraadseld_ had--die
+groote zelfbeluisteraar heeft, van dien zelfden tijd sprekend, het veel
+vlijmender gezegd:
+
+ Il faut que, _malgre l'education la plus honnete_, j'eusse _un
+ grand penchant a degenerer_, car cela se fit tres rapidement, _sans
+ la moindre peine_, et jamais Cesar si precoce ne devint pi
+ promptement Laridon.[46]
+
+En het is dan ook ongetwijfeld op deze uiting, dat Mevr. Holst
+zinspeelt, als zij zegt, dat hij zich in later dagen daarvan pijnlijk
+bewust werd.
+
+Ik gewaagde daar van den "genialen zelfbeluisteraar, die waarheid sprak,
+als zijn _artisticiteit_ hem daartoe drong." Zeker, ik bedoelde: als dit
+niet het geval is, dan.... Want het blijkt wel duidelijk, dat hij
+betreffende die drijfveeren, die hij niet als _artist_ in zich-zelf
+_ontdekt_, maar die zoo zijn, dat hun aard voor zijn gewone
+menschelijkheid klaar open ligt, meestal de waarheid _niet_ zegt. Een
+treffend voorbeeld daarvan is alles wat hij beweert omtrent het
+te-vondeling-brengen zijner _drie laatste kinderen_.--Ook is er nog een
+groep daden, waarvan het twijfelachtig moet genoemd worden, of hun
+drijfveeren tot de laatstgenoemde soort behooren, of dat hij inderdaad
+de waarheid omtrent hen niet heeft gekend, omdat ook zijn
+artistiek-psychologisch vermogen erop is afgeketst. Van dezulken zegt
+hij dan soms, dat zij ontspringen uit zijn "delire inconcevable." Dat
+Mevr. Holst dit "delire" niet psychologisch doorlicht heeft, mag
+ongetwijfeld een ernstige leemte in haar werk worden geacht. Is zij ook
+daarvan instinktief en door haar verfraaiingstendenzen geleid
+afgebleven? Ik waag het, die vraag bevestigend te beantwoorden. Want
+hebben wij nu [p.160] reeds gezien, dat die tendenzen in werking treden,
+zoodra er iets minderwaardigs in Rousseau valt te boekstaven en de
+Confessions-zelf hen niet krachteloos maakt, wij zullen allereerst bij
+het beschouwen der gebeurtenissen, voortspruitend uit, of in verband
+staande met het "delire," hun invloed op onze schrijfster als zoo
+sterk-beheerschend kunnen bewijzen, dat zij haar met een totaal gebrek
+aan psychologisch inzicht doen heenijlen in een paar onbeteekenende
+woorden over voorvallen, welke voor den objectieven psycholoog, die
+voortschrijdt, zonder de waarschuwende stompen van een hem bewakend en
+vervolgend dogma telkens in den rug te krijgen, van het hoogste belang
+zijn. Zoo geeft de ontzettende daad jegens het kamermeisje Marion, na
+den dood van Mad. de Vercelli--hij was toen ongeveer 19 jaar--Mevr.
+Holst slechts aanleiding te spreken van een "nietig voorval op
+zich-zelf." Wel, wel, als dat eens Voltaire, "die kleine, minne ziel,
+geel en uitgedroogd door afgunst", of Grimm, de "baron van het heilige
+Duitsche Rijk" gedaan hadde! Ge zegt: jawel, maar die zouden niet groot
+en edel genoeg zijn geweest om de daad te biechten. Maar ik antwoord:
+Rousseau evenmin, _indien hij niet in het schrijven der "Confessions"
+het vormen van een verpletterend wapen tegen het "Complot" zou hebben
+gezien_. Doch om de _Confessions_ tot dat wapen te maken mocht hij dan
+ook geen feit, dat hem in een ongunstig daglicht stelde, weglaten. Want
+kwam dan zoo'n feit later voor den dag, waar toch altijd kans op is,[47]
+dan ware de geheele _Confessions_ waarde- en krachteloos. Aan de
+drijfveeren mocht hier en daar een beetje gemorreld en gewrongen worden,
+de feiten moesten verhaald worden. Daar was niets aan te verhelpen! Wat
+voor gevolgen overigens dit "nietige voorval" waarschijnlijk gehad
+heeft--en uiteraard _moest_ hebben--laat 't hem-zelf hier verhalen:
+
+ [p.161] Je ne regarde pas meme la misere et l'abandon comme le plus
+ grand danger auquel je l'aie exposee. Qui sait, a son age, ou le
+ decouragement de l'innocence avilie a pu la porter?
+
+Voor Mevr. Holst bewijst deze daad slechts, hoe klein de "zedelijke
+kracht is in den jongeling;" voor mij: hoe zij 't ook is gebleven in den
+man. Want had deze in zijn geheele leven geen poging moeten doen, Marion
+terug te vinden, om zooveel mogelijk goed te maken, wat hij bedorven
+had?--"Qui sait?" _Hij_ had moeten weten. Goed! even aangenomen, dat
+hij, gelijk hij beweert, inderdaad de kracht miste, de daad ooit aan een
+vriend, zelfs aan Mad. de Warens te biechten, dan nog had hij kunnen en
+moeten pogen haar te vinden. _Daar_voor had hij de kracht en de deugd
+moeten hebben. Hij had ze _niet_. Daar ligt de zedelijke depravatie van
+den _man_. Indien Mevr. Holst zegt, dat uit zijn katholiek worden
+blijkt, "dat de zedelijke gloeden van het kind zijn ondergegaan in den
+knaap" en er dan aan toevoegt: "eens zullen zij weer opleven: het kind
+is vader van den man," dan is dat wel een mooie psychologische ...
+gemeenplaats, maar de toepasselijkheid op het geval-Rousseau--let wel:
+wat de daden en vooral de _gevoelens_ der _lagere_ persoonlijkheid
+betreft!--laat zich zoeken en het meest in de zaak Marion. Deze man, die
+zegt nauwelijks een dag zonder wroeging te zijn geweest, schrijft aan
+Mad. d'Epinay: "Moi qui ne fis jamais de mal a personne." Deze man, die
+zegt nooit de daad te hebben durven biechten, _leest_ in ter auditie van
+de Confessions bijeengekomen gezelschappen van soms 'n twintigtal
+personen, _het relaas dier daad voor_, 't geen nog heel wat anders is
+dan het neerleggen ervan in een werk, dat men niet voor zijn dood
+wenscht gepubliceerd, en zelfs nog heel wat meer kracht vereischt dan
+het biechten aan een vriend.--"Als hij haar biecht in de _Confessions_
+schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn aanleg, bazuinen
+zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit," zegt Mevr. Holst. Welnu, zijn
+vijanden, beweer ik, al hadden zij ongelijk zijn vijanden te zijn,
+hadden _daarin_ gelijk, en zijn vrienden stonden klaarblijkelijk niet
+objectief-psychologisch voor de zaak, anders [p.162] hadden zij de
+oorzaak dier nuttelooze want te laat gekomen waarheidsliefde, in een
+man, die niet nobel genoeg was, om het kind, dat hij ongelukkig had
+gemaakt, te zoeken en te hulp te komen, anders begrepen dan zij deden.
+Dan hadden zij haar begrepen, gelijk ik haar begrijp.
+
+En dan het geval met den ongelukkigen Le Maitre. Dit verhaalt Mevr.
+Holst aldus:
+
+ "... maar toen de arme musicus in Lyon op straat door een aanval
+ van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw een van die
+ plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd heeft
+ te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om
+ den zieken meester te bekommeren."[48]
+
+Wat gaat ons nu in 's hemelsnaam hier aan of "de jongeling niet geleerd
+heeft daartegen te strijden"?! Wanneer ik een kind van 'n jaar of tien,
+zijn vleesch-en-aardappelen in plaats van met vork en mes, met zijn
+vingers zie bewerken, dan vraag ik misschien: "He, heeft Pietje nu nog
+niet geleerd, hoe men behoort te eten?" Ik vraag dat dan zoo, omdat 't
+er wel iets, maar toch slechts heel weinig voor den psychischen aanleg
+van dat kind op aan komt, dat het niet _uit zich-zelf_ meer beschaafde
+manieren heeft; maar wanneer ik omtrent een _twintig jarigen_ man
+verneem, dat hij zijn leeraar, die hem belangeloos heeft onderwezen, die
+hem altijd vriendelijk en welwillend bejegend heeft, te midden van
+vreemden als een vod op straat heeft laten liggen en wegliep, toen die
+man, in zeer penibele omstandigheden verkeerend, door hem naar een
+vreemde stad begeleid, een epileptischen aanval kreeg--dan zeg ik
+allicht: "Dat is of 'n verdorven of een krankzinnig mensch." Het is dan
+uw goed recht, o psycholoog, mij te antwoorden: "Neen, die man is geen
+van beide," _mits gij mij dan maar verklaart, hoe hij dat_ niet zijn kan
+en _dit_ toch doen. Maar vertel mij alsjeblieft niet, dat de reden is,
+dat hij niet geleerd heeft er tegen te strijden. Dat zou mij iedere
+gevangenispredikant allicht vertellen. _Het vreeselijke is dat het in
+hem zit_. Waarom is dat niet zoo vreeselijk, als het er wel
+uitziet--gelijk gij klaarblijkelijk [p.163] meent. _Daarvoor_ heb ik _u_
+noodig, menschen-herscheppend psycholoog! Maar Mevr. Holst, _onze_
+psycholoog, antwoordt _niet_.... "Een plotselinge opwelling." O ja, dank
+u, nu weet ik 't wel!
+
+Doch een der meest teekenende omstandigheden vind ik, dat onze
+schrijfster bij het al te vluchtig behandelen van het feit, dat Rousseau
+zijn kinderen naar de Enfants-Trouves liet brengen, niets zegt van de
+zeer onechte apologie in de Confessions. Hier ware een prachtige
+gelegenheid geweest, den mensch uit zijn werk zelfstandig op te bouwen;
+de waarheid aan het licht te brengen, die er tegen zijn wil uit blijkt,
+en hem dus niet na te beelden zooals hij zich-zelf gelieft voor te
+stellen, maar hem te beelden, zooals hij zich ondanks zich-zelf ten toon
+stelt, werk dus der inderdaad "hoogere" critiek!
+
+ "... cette horreur du mal en tout genre, cette impossibilite de
+ hair, de nuire (Nu, nu, dat hebben we toch wel anders gezien! v.C.)
+ et meme de le vouloir, cet attendrissement, cette vive et douce
+ emotion que je sens a l'aspect de tout ce qui est vertueux,
+ genereux, aimable: tout cela peut-il jamais s'accorder dans la meme
+ ame avec la depravation qui fait fouler aux pieds sans scrupule le
+ plus doux des devoirs? (Zeker, het _blijkt_ dat dit kan! Want bij
+ het te vondeling brengen der twee _eerste_ kinderen was er immers
+ _volgens zijn eigen getuigenis_, geen sprake van _eenige
+ overweging_ noch van _eenige scrupule_! v.C.) Non, je le sens, et
+ le dis hautement, cela n'est pas possible. Jamais un seul instant
+ de sa vie Jean-Jacques n'a pu etre un homme sans sentiment, sans
+ entrailles, un pere denature. J'ai pu me tromper mais non
+ m'endurcir. _Si je disois mes raisons, j'en dirois trop.
+ Puisqu'elles ont pu me seduire, elles en seduiroient bien d'autres:
+ je ne veux pas exposer les jeunes gens qui pourroient me lire a se
+ laisser abuser par la meme erreur_.[49]
+
+Het is duidelijk dat dit een _uitvlucht_ is. Zoo het waar is, dat het
+bekend maken dier redenen jonge menschen had kunnen verleiden, omdat zij
+hem hebben kunnen verleiden, dan is het ook waar, dat 't bekend-maken
+der overwegingen, die hem later die redenen als dwalingen hebben doen
+beschouwen, evenmin zijn uitwerking op die jonge lieden zou [p.164]
+hebben gemist. Hij _moet_ toch hebben ingezien, dat het verzwijgen en
+van de redenen en van datgene, dat hen in zijn eigen oordeel tot
+dwalingen stempelde, de zaak voor de jongeren pas recht gevaarlijk
+maakte: nu bleef hun alleen _een slecht voorbeeld_ gegeven door een
+_groot man_. En overigens zal men mij wel willen toegeven, dat deze
+bezorgdheid al zeer vreemd aandoet in den mond van iemand die wel zeer
+gemoedelijk spreekt over zekere sexueele hebbelijkheid, waaraan hij
+verslaafd was, 't geen niet alleen heel wat prikkelender op jonge
+gemoederen kan werken dan dit, maar ook heel wat gevaarlijker is, omdat
+het zooveel makkelijker kan worden nagevolgd. Waar bleef toen wel die
+bezorgdheid? Men begrijpe mij wel: _ik acht er de Confessions en hun
+schrijver des te hooger om, dat toen die "bezorgdheid" er niet was_. Zij
+is geheel out of season in een werk, dat nu eenmaal, zonder zich om de
+meer verwijderde en bijkomstige gevolgen te bekommeren, een _biecht_ wil
+zijn en _niets dan dat_.--Maar--_waarom dan alleen bij deze gelegenheid
+van dat standpunt afgeweken_? Dat geeft te denken--wat ik heb
+gedacht!--Het is dan ook waarlijk wel volkomen te begrijpen, dat er
+onder de lezers van den _Emile_ waren, die lezend wat hij daar omtrent
+de plichten van den vader leert--en _niet wetend, dat de Hoogere
+Persoonlijkheid wel verwant met, maar toch een geheel andere dan de
+lagere is_--minachtend hun schouders optrokken over 't geen zij voor
+_huichelarij_ moesten houden, en de sarcastische noot daar ter plaatse,
+waarin de "petites bonnes gens" Cato en Augustus worden vergeleken met
+de "grands hommes de nos jours," die te gewichtige zaken aan het hoofd
+hebben, om hun ouderplichten na te komen, kortweg een onbeschaamdheid
+noemden.--Wat nu de werkelijke reden moge geweest zijn, 't geen wij
+thans niet zullen onderzoeken--hij-zelf heeft 't later voorgesteld alsof
+"les raisons determinantes" voortsproten uit vrees voor en afkeer van
+Therese's familie--zeker is, dat hij, die hier terwille der jonge lieden
+zoo bezorgd was, in de _Reveries_ die bezorgdheid geheel heeft verloren
+en daar weer zegt, dat zijn verstand hem geen [p.165] enkel verwijt
+doet, en dat indien hij er weer toe genoopt ware hij er nog met vrij wat
+minder aarzeling toe zou overgaan als destijds! Arme jeunes gens! Nu
+ziet ge dus, dat 't zelfs _geen dwaling_ was.... Ik vrees dan ook, dat
+indien gij in het gelukkig bezit van een intrigante schoonmoeder en
+diefachtigen zwager waart, ge uw kinderen wel hals over kop, na het
+lezen dier passage, naar de zoo aangeprezen Enfants-Trouves zult hebben
+gebracht![50]
+
+ * * * * *
+
+Alvorens nu echter over te gaan tot het bespreken van het verband dat er
+tusschen de door mij thans aangetoonde verfraaiingstendenzen in Mevr.
+Holst's psychologisch-biographische beschouwingen van de
+Rousseau-figuur, en den invloed van het marxistisch-aesthetisch systeem
+bestaat, zij het mij vergund ter aanvulling mijner voorafgaande, alle
+min of meer negatieve, opmerkingen, een zeer schetsmatig positief
+Rousseau-beeld te ontwerpen. Ik vertrouw dat daardoor de juistheid dier
+opmerkingen den lezer des te duidelijker blijken zal. Het aanbrengen van
+een paar trekjes slechts zal ik ook thans, ten einde niet in herhalingen
+te vervallen, moeten opschorten tot de bespreking van Therese Le
+Vasseur.
+
+Ik geloof dan, dat de grondaard van Rousseau's persoonlijkheid een
+_lichtelijk-pathologisch_-erotische is geweest en dat daarin nagenoeg
+het geheele complex van eigenschappen valt op te merken, dat vaak bij
+_zulk_ een erotischen aard behoort, zooals: actief-mystische aanleg, bij
+Rousseau wel is waar slechts eens, maar zeer duidelijk en sterk
+blijkend, en neiging tot mystiek gelooven; een hysterische behoefte de
+aandacht op zich te vestigen en--zeer typisch daarvoor!--altijd te
+klagen over zijn gezondheid, _ook wanneer daar geen reden voor was_; een
+onder-normale capaciteit om zich kennis eigen te maken, verergerend tot
+volslagen onmacht, zoodra hij onder leiding van anderen studeeren moet;
+onontvankelijkheid voor door anderen hem opgelegde discipline;
+_snoep_-[p.166] en vooral _daardoor dief_achtig; vaak grootmoedig en
+vrijgevig, zooals de meeste niet alleen-sensueele maar ook
+geestelijk-erotische naturen--het lichamelijk-eruptive weerspiegelt zich
+namelijk vaak en gemakkelijk in hun geestelijkheid--; vaak berouwvol,
+doch het berouw weer wegredeneerend met hooggestemde uitweidingen over
+eigen deugdzaamheid en deugd in 't algemeen--_sommige_ erotische
+neigingen en de laatstgenoemde eigenaardigheden vindt men in _zeer
+verhevigde_, maar daardoor ook zeer verduidelijkende projectie in Van
+Oordt's Warhold--dikwijls dus een mooiprater, die zich... met
+_schrijven_ moest behelpen, omdat, alweer zeer typisch, hij een verward
+en moeizaam denker en zoo zwak van geheugen was, dat hij elke gedachte
+bijna onmiddellijk na haar geboorte vergat. Uit dezen aard, zooals bijna
+altijd, vergezeld van een zwakken ethischen wil--geen zwak ethisch
+bewustzijn!--en welke, omdat hij in een kunstenaar voorkwam, die als
+alle kunstenaars onwillekeurig en voortdurend zich-zelf zag en
+doorschouwde, noodwendig gepaard moest gaan en dan ook ging met
+beschaamdheid, timiditeit en min of meer groote vrees voor omgang met
+menschen; uit dezen _vrij geringen_ aard dus, die eigen geringheid
+kende, maar ook eigen genie: die beinvloed werd door het Scheppend
+Vermogen en, ook in de handelingen van het lager bewustzijn telkens
+reageerde op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar
+werkte--daaruit is, dunkt mij, alles en alles in Rousseau te verklaren.
+Dan blijft hij niet langer een "vat vol tegenstrijdigheid"! Laat mij nu
+even deze beweringen, voor zoover zij bewijs behoeven en door het hun
+voorafgaande niet reeds bewezen zijn, aan sommige levensfeiten en daden
+van Rousseau toetsen. Indachtig aan het feit, dat deze
+psychologisch-biographische beschouwingen middel en geen doel in dit
+opstel zijn, zal de lezer mij wel de telegram- en horoscoopstijl in dit
+gedeelte willen vergeven, terwijl hij ook wel in het oog gelieve te
+houden, dat ook ik natuurlijk elke daad het gevolg acht van de
+wisselwerking _aller_ neigingen en krachten der persoonlijkheid, die de
+psychisch-oorzakelijke [p.167] sfeer dier daad _kunnen_ beinvloeden, en
+dat ik dus door het op den voorgrond brengen van enkele dier neigingen,
+die m.i. de hoofdoorzaak van een zekere daad vormden, den invloed der
+andere allerminst wensch te ontkennen.
+
+Actief-mystische aanleg en neiging tot mystiek gelooven. Wat de eerste
+betreft: het visioen in Annecy. Hij zelf zegt daarvan: "Si jamais reve
+d'un homme eveille eut l'air _d'une vision prophetique_, ce fut
+assurement celui-la," en kenschetsend voor zijn luciditeit op dat
+oogenblik is 't geen hij er aan toevoegt: "et ce qui m'a frappe le plus
+dans le souvenir de cette reverie, quand elle s'est realisee, c'est
+d'avoir retrouve _des objets tels exactement que je les avais
+imagines._[51] (Het verhaal van dit visioen is dan ook van niet te
+overtreffen en als onstoffelijke en volmaakt-verpuurde taal-schoonheid).
+Wat de tweede betreft: men zie 't voorval van het steenen-werpen naar
+een boom om zekerheid te verkrijgen of hij, zoo hij dan mocht sterven,
+verdoemd of zalig-gesproken zou worden (hij is dan 24 jaar oud):
+
+... la peur de l'enfer m'agitois encore souvent. Je me demandois: En
+quel etat suis je? Si je mourois a l'instant meme, serois je damne?...
+Je me dis: Je m'en vais jeter cette pierre contre l'arbre qui est vis a
+vis de moi, si je le touche, signe de salut; si je le manque, signe de
+damnation. Tout en disant ainsi, je jette ma pierre _d'une main
+tremblante et avec un horrible battement de coeur.... Depuis lors je
+n'ai doute de mon salut...._[52] Men lette ook op het willen-neerleggen
+van het manuscript der "Dialogues" op het altaar der Notre-Dame.--Deze
+neiging, een of ten nauwste samenhangend in hem, met die van _immer iets
+te verwachten van het wonderlijke, van het
+nu-nog-niet-te-begrijpen-onverwachte, dat straks komen en helpen zal_,
+is ten _deele_ oorzaak van zijn, in sommige gevallen, uiterst
+luchthartig gods water over gods akker laten loopen: Madame de Warens
+gaat zienderoogen financieel achteruit, hij--wel is waar onder het
+zelf-accompagnement van veel Warholdiaansche [p.168] schoone
+plannenmakerij, betuigingen en speeches--blijft meeeten, pleizierreisjes
+maken en helpt zoodoende nog een beetje sneller den boel naar den
+kelder. Hij verklaart dan ook, nooit ongerust te zijn geweest, wanneer
+hij doodarm was. Ook zijn hierdoor ten deele een paar uitingen van zijn
+"delire inconcevable" te verklaren; zoo bijv. het kattenmuziek-concert
+bij de Treytorens: hij weet, dat hij nagenoeg niets bezit van de
+technische kennis, vereischt om muziek te componeeren; hij weet, dat 't
+dus voor iemand als hij aan het krankzinnige grenst, zoo iets te
+ondernemen; jawel, alles goed en wel, maar--de wonderbaarlijke hulp op
+het beslissende oogenblik, wenkt hem in de vage verte... alles zal wel
+terecht komen....--En zoo ook: het verlaten der Gouvons, zonder eenig
+bestaansmiddel dan: de goocheltoertjes met een fontaine de Hieron! Toch
+worden deze buitensporigheden, zooals ik reeds zei, slechts ten deele
+door bovengenoemde neiging verklaard. Zij komt immers in tallooze
+personen voor, zonder hen zoover te brengen. Om dat wel te kunnen is het
+dan ook noodig, dat zij enorm en op een geheel eigenaardige wijze wordt
+versterkt door een haar bijna gelijke, maar uit geheel andere bron
+ontspringende eigenschap, welke alleen in hen wordt gevonden, door wie
+het Scheppend Vermogen werkt, of die psychisch voorbestemd zijn, dat het
+door hen werken zal: artisten. Kunstenaars zijn namelijk zulke menschen,
+die in hun bewustzijn _voortdurend gaven ontvangen van het
+hun-Onbewuste_; die voortdurend in hun bewustzijn tooneelen beleven,
+beelden zien oplichten, welke zij niet hebben samengesteld of gevormd;
+in 't kort: die allerlei onverwachts in zich-zelf zien gebeuren. In
+zulke menschen leeft daardoor de neiging, ook in 't dagelijksche leven
+hunner _lagere_ persoonlijkheid, allerlei dingen van het niet-ik te
+verwachten, welke een gewoon mensch er nimmer van verwachten zou.[53] En
+deze neiging bezit hun lagere persoonlijkheid reeds _voor_ het Scheppend
+Vermogen zich in haar openbaart. Zonder [p.169] die neiging zou de
+gewenschte verhouding van den lageren mensch tot zijn hem beheerschend
+genie niet mogelijk zijn. Zij maakt den eerste geschikt voor het
+nederig-receptieve, en voor de zelfvergetelheid-in-aanvaarding van de
+gaven van het laatste! Zulk een mensch, zulk een kunstenaar nu was
+Rousseau. En in de aanwijzing dier samenwerking van _beide_ genoemde
+neigingen in hem, ziet de lezer dus niet slechts zulke uit zijn "delire"
+voortkomende daden als de hier beschouwde, verklaard, maar hij heeft
+daardoor tevens gelegenheid gehad, in een paar voorbeelden op te merken,
+het reageeren der lagere persoonlijkheid, in hare handelingen, op het
+feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkt of werken zal.--
+
+Als ten deele veroorzaakt door zijn moeizaam denken, of liever: door
+zijn niet-kunnen-denken in sommige gevallen--alles wordt dan een
+chaotisch-warrelende zinneloosheid in zijn brein--blijkt ook het
+geval-Marion te moeten worden beschouwd: het vermiste lint wordt bij hem
+ontdekt; de schrik slaat zijn denkvermogen; het feit, dat hij 't haar
+ten geschenke wilde geven--dit heeft hij zelf verklaard--doet nog de
+reddende gedachte in hem opspringen, te zeggen, dat hij 't van haar
+gekregen heeft, maar dan is 't ook uit met denken in zijn verwilderd
+brein; dan treedt de chaos in: zelfs de angst voor de schande _bestaat_
+dan _niet meer_ in hem: hij is als een locomotief, die geen bestuurder
+meer heeft en door alle wissels heen rijdt en alles reddeloos vermorzelt
+op zijn weg, hij is een menschelijke machine, die alleen herhalen,
+zinneloos herhalen kan wat hij eens heeft gezegd. Maar let wel: _zonder
+het ethisch defect ware de primaire gedachten-associatie niet in hem
+ontstaan en, indien al ontstaan, onmiddellijk neergeslagen,_ gelijk hij
+ook, daarzonder, een uur later tot bezinning gekomen, naar den Comte de
+la Roque ware gegaan, om dien alles te bekennen, of zooals ik reeds
+vroeger zei, later gepoogd zou hebben te herstellen wat nog te
+herstellen viel.--
+
+Het geval Le Maitre kan ten deele worden verklaard uit chronisch
+angstgevoel voor de menschen, dat niet anders [p.170] was dan _de vrees,
+zijn eigen lagere persoonlijkheid, wier betrekkelijke geringheid
+hij-zelf zoo wel kende, door de menschen te laten doorzien_; chronische
+angst ook voor geestelijke degenstooten, die hij te traag-denkend was,
+om bij tijds te kunnen pareeren. En op sommige oogenblikken,
+oogenblikken gelijk er toen een was, _werd die menschenvrees acuut._
+Toen hij die menigte daar zag, zich verdringend om hem en dien
+bezwijmden man, de vreemdheid van de gelaten, van de huizen, van alles,
+hem, den hulpelooze en verwarde, koud-ondervragend aanstuurschend, moet
+hem die onredelijke angst adem-benemend in de keel gekropt hebbend,
+verwilderend in zijn denken gestegen zijn! Als bij een kind, dat
+verdwaald om moeder huilt, flitst dan, in die felle benauwing de
+reddingsvolle gedachte aan het zoo lieve en zachte tehuis bij "Maman" in
+hem op. Het wenken van de veiligheid, van het voor harde vreemden
+afgesloten intieme, is dan te groot, te verlokkend: hij _snelt_ weg.
+_Ten deele_, zei ik, is die daad uit dit alles te verklaren, want
+_zonder het zedelijk-defecte in hem, zou, in dit geval, de menschenvrees
+het plichtsgevoel niet hebben kunnen overwinnen_.--
+
+Wat nu de hysterische behoefte betreft, de aandacht op zich te vestigen:
+deze heeft niet alleen aanleiding gegeven tot allerlei onschuldige
+pueriliteiten, zooals hoogstwaarschijnlijk het dragen van Armenische
+kleeding, e.d., die nog met een weinig goeden wil kunnen worden geacht,
+uit ijdelheid voort te komen, maar ook tot ernstiger dingen, als het
+vragen om hulp, zonder die noodig te hebben--van uit Ermenonville--; het
+klagen over zijn kwaal, ook in een tijd, dat hij bergtoeren ondernam en
+niemand van zijn omgeving iets van ziekte of ongemak bij hem kon
+bespeuren;[54] het bekoesteren van het martelaarschap, zijn, volgens
+geloofwaardigen, sterk-overdrijven van de "lapidation" te [p.171]
+Motiers,[55] benevens, voor een goed deel tot die handelingen welke
+Dusaulx vlijmend-juist kenschetst met de woorden: "Il partit donc,
+_quittant celui dont il avoit fait la conquete_.--
+
+Alles samenvattend kan men zeggen, dat Rousseau's leven vooral tragisch
+is geweest door de worsteling van zijn betrekkelijk-geringe lagere
+persoonlijkheid met zijn geweldige Hoogere, zijn edel Genie. Een gering
+mensch, die telkens als hij iets doet of denkt wat tot die geringe
+natuur behoort, plotseling de diepe, treurige oogen van een Christus op
+zich voelt gevestigd, die hem overal begeleidt. Maar meest openbaarde
+het zich niet zoo in zijn bewustzijn, hij voelde vaak slechts als een
+terughoudenden ruk, maar wist niet wie daar rukte; een verkillende tot
+bezinning brengende greep, en hij wist niet wie daar greep. Zoo heeft
+hij ook nooit de _grond_oorzaak van zijn zonderling gedrag bij de
+schoone Zulietta in Venetie doorvoeld. _Deze was die grondoorzaak_.
+Midden in een hartstocht-opwelling viel soms een ijzige kilte op hem
+neer... hij bezon zich en dacht dan koel, plotseling een ander mensch,
+aan allerlei dingen.... En hoe kwam dat nu toch in hem.... waarom moest
+hij nu zoo vreemd-koel denken?... zoo mijmerde hij dan, al het andere
+daarvoor vergeten... maar hij wist het niet, en een vreemde schaamte
+kwam in hem, die toch nauwelijks schaamte was, en hoe hij ook wroette,
+hij kende niet, hij vond niet de oorzaak van dat alles.... Dan ontwaakte
+hij, zag iemand, die hem uitlachte, en werd dan eerst recht beschaamd en
+verward.--"Lascia le donne e studia matematica," voegt Zulietta hem
+verachtelijk toe. Ja, ja, zoo kon zich zelfs deze op dit punt zoo zeer
+ervaringrijke jonge dame vergissen! Want ik geloof, dat van nature
+Rousseau wel voor niets minder dan "matematica" en voor niets meer dan
+"le donne" geschikt was!
+
+Zeker, zijn gevoel van niet te passen in die koud-vernuftige, gevatte,
+geestige kringen der encyclopaedisten, der plutocraten en van den adel;
+zijn bewustzijn van daar niet tegen op te kunnen en een ongelukkig
+figuur te slaan; van [p.172] behept te zijn met den echten esprit de
+l'escalier, dat alles noopte hem de maatschappij te vlieden. Maar toch,
+het dient gezegd: wat hem verbitterde was niet alleen gekrenkte
+eigenliefde, maar ook _beleedigd rechtsgevoel_. Het was _onrecht_, zoo
+moet hij 't gevoeld hebben, dat hij, het _genie_, "balourdises" zei:
+niet alleen niet wist te schitteren in de salons, maar zelfs niet een
+woord bijna zeggen kon, of hij ontdekte later, een domheid te hebben
+gezegd; het was _onrecht_, dat die anderen, zijn minderen, aldus over
+hem heerschen konden, in stede van hij over hen. Arme Jean-Jacques! Hij
+geleek een koningszoon, die door een boozen toovenaar veroordeeld is, in
+de gestalte eens geringen door het leven te gaan. Slechts op die
+oogenblikken, zoo heeft de wreede gezegd, als het onbaatzuchtig genie
+van een waarachtig en goddelijk heerscher in u komt en ge dat zult
+moeten uiten, hetzij in spreken of in schrijven, dan zal het u gegeven
+zijn, uw verheven vorstelijkheid te doen schitteren; maar te anderen
+tijde.... waar de luister uwer princelijkheid u-zelf den omgang met
+medemenschen tot een rijke en zoete vreugde zou maken, dan zult ge een
+geringe zijn....--Maar o, lezer, was die booze toovenaar wel een
+toovenaar en boos? Was hij niet de alwijze Noodwendigheid, wier werken
+immer zijn te prijzen? Want indien de mensch Rousseau, de ijdele en
+sensueele, ook de lagere geneugten zijner vorstelijkheid had kunnen
+genieten, zou hij dan daarin niet zijn ondergegaan? Of zoo hij al een
+groot kunstenaar ware gebleven, zou hij wel _Rousseau_, de Leeraar der
+groote revolutie, het zwaard, de ploeg en de zaadkorf der armen en
+verdrukten, het lichtbaken der volgende geslachten geworden zijn?....
+
+En nu: wat heeft de verfraaiingstendenzen ten opzichte der
+Rousseau-figuur in Mevr. Holst veroorzaakt? Wel, dunkt mij, niets is
+duidelijker: het pogen _de synthese tusschen hoogere en lagere
+persoonlijkheid langs den historisch-materialistischen weg te bereiken_.
+Indien men het kunstwerk in zijn geheel, maatschappelijk- en
+psychisch-geologisch, om 't nog eens weer zoo te noemen, uit de
+productieverhoudingen [p.173] en de lagere persoonlijkheid wil verklaren
+en daarbij tevens aanneemt, dat er in die lagere persoonlijkheid niets
+aan maatschappij- of natuur-invloed aanwezig is, dat niet zijn uiting
+vindt in de schepping der Hoogere, 't geen Mevr. Holst, de marxistische
+aestheticus, inderdaad meent; indien men wat wij den aanleg, het talent,
+het genie noemen, in zijn volle kracht en schoonheid der menschelijke,
+lagere persoonlijkheid acht te _ontstijgen_, en daarbij tevens aanneemt,
+dat er niets in die lagere persoonlijkheid aan neigingen, krachten en
+zwakheden aanwezig is, dat niet de een of andere wijziging in de
+_scheppings_beweging-zelf van het talent of genie te weeg brengt, 't
+geen Mevr. Holst inderdaad meent; indien men dan ziet, dat er in het
+werk van dat talent of genie, meeningen worden voorgestaan, theorieen
+verkondigd, die in de menschelijke keuringssfeer "goed" of "zedelijk" en
+dat wel in den hoogsten graad heeten, terwijl er daarentegen geen enkele
+theorie of meening in wordt verkondigd, welke in die sfeer "slecht" of
+"onzedelijk" wordt genoemd--dan wordt men er immers onweerstaanbaar en
+onbewust toe gebracht, de "onzedelijke" en de "niet goede" dingen der
+lagere persoonlijkheid niet, of zoo _microscopisch_-klein te zien, dat
+het daardoor verklaarbaar wordt, dat zij geen merkbaren invloed gehad
+hebben; dan wordt men er dus immers onbewust toe gebracht de lagere
+persoonlijkheid te _verfraaien_! In hoeveel vrijere positie komt men
+daarentegen ten opzichte van het kunstwerk en de lagere persoonlijkheid
+des kunstenaars te staan, indien men aanneemt zooals ik, dat door haar
+algemeene ontvankelijkheid voor bevruchting, de lagere persoonlijkheid
+eens kunstenaars het Scheppend Vermogen aantrekt, zooals aarde zaad, en
+de bloem den bestuivenden vlinder, maar met dien verstande en met die
+beperking, dat zij slechts die scheppende krachten kan aantrekken, wier
+aequivalenten in menschelijk-onvolmaakten staat, maar in voldoend-sterke
+mate, zij-zelf in zich heeft. Zoo was Rousseau's lagere persoonlijkheid
+grootmoedig en medelijdend; zoo was zij erotisch; zoo blaakte zij van
+een ontembare vrijheidsbegeerte en kon den geringsten dwang niet [p.174]
+dulden. En deze eigenschappen waren sterk genoeg in hem ontwikkeld, om
+de aequivalente krachten der Scheppende Natuur tot zich te roepen. En
+zoo verschenen deze dan ook, in-zichzelf-volmaakt, puur en eeuwig, in
+zijn werk. Zoo werd hij dus een edel revolutionnair denker en een
+erotisch-bewogen kunstenaar.--Waar nu, vraagt ge, is dan bijv. de
+geringheid van zijn zedelijke wilskracht gebleven? Maar, natuurlijk waar
+zij blijven moest: in zijn lagere persoonlijkheid; omdat zij iets louter
+negatiefs was: een _tekort_ aan zedelijke kracht, een zwakheid, die haar
+positieven vorm: "misdadigheid" niet kon zijn en dus niet krachtig
+genoeg was, om haar scheppend aequivalent tot zich te roepen. Ware dat
+wel het geval geweest, dan zou Rousseau inderdaad _kunstwerken_ hebben
+geschreven, gelijk zoo menig kunstenaar heeft gedaan, welke in de
+menschelijke ethische keuringssfeer onzedelijk of misdadig zouden zijn
+geheeten. Nu kon die zwakte van zijn zedelijk willen, uitsluitend
+eigenschap van de lagere persoonlijkheid blijvende, slechts
+kunstbedervend werken. Zij moest dat niet doen, zij kon het doen en
+heeft het gedaan, zooals wij bij de behandeling van
+Confessions-fragmenten hebben bemerkt. Voor Mevr. Holst echter, die in
+Rousseau's _Scheppend Vermogen_, evenmin als wie ook, iets van dat
+zedelijk-defecte zag of kon zien, bestond het dus, op grond van haar
+leerstellingen, ook in zijn _geheele_ persoonlijkheid slechts in niet
+noemenswaardige mate. Aldus neem ik aan, is nu voldoende aangetoond en
+ontleed, hoe nadeelig een invloed de marxistische aesthetiek op Mevr.
+Holst's psychologisch-biographische Rousseau-beschouwingen heeft
+geoefend en op welke wijze dit is gebeurd. Maar een twijfel, die te dien
+opzichte nog in mijn lezers kan bestaan, dien ik weg te nemen.
+
+Een feit is het, dat, zooals ik vroeger elders heb aangetoond,[56] Mevr.
+Holst wel in zeer hooge, wellicht de hoogste mate die kracht van
+liefdevolle overgave aan te beelden figuren bezit, welke een groot
+menschenschepper moet bezitten, [p.175] maar dat iets anders, dat dezen
+even onontbeerlijk is, haar ontbreekt: het aangeboren bewustzijn van den
+heerscher, _dak_ zich zelf ongerept, in die overgave, bewaart. Zoowel de
+_heerscher_ als de _minnaar_ moeten _beiden_ in den grooten
+menschenschepper leven: de eerste moet blijven keuren, overwegen en
+rechtvaardig beschikken, hoe hartstochtelijk ook des laatsten liefde
+zij. De lezer nu, die aan dit alles denkt, zou dus niet zonder schijn
+van recht kunnen vragen: moet veel van wat hier aan de
+historisch-materialistische aesthetiek werd verweten, eigenlijk niet
+worden toegeschreven aan het feit dier liefdevolle, _maar onbeheerschte_
+overgave; aan het feit, in een woord, dat Mevr. Holst een groote
+lyricus, maar volstrekt geen epicus, geen menschenschepper is? Maar
+indien hij slechts even let op het enorm verschil in eigenlijke
+mensch-beeldende kracht, zooals eenerzijds bijv.: de romanschrijver, die
+naar het ondoorlichte leven beeldt, van noode heeft, en anderzijds de
+psychologische biograaf, die kunstwerken, d.i. het doorlichte leven, en
+ander reeds bewerkt materiaal slechts opnieuw bewerkt, dan zal hij-zelf
+niet aarzelen die vraag ontkennend te beantwoorden.
+
+ * * * * *
+
+Beschouwen wij nu Mevr. Holst's Therese Le Vasseur. En ik durf bij
+voorbaat beweren, dat, zooals hier den lezer het verderfelijke der
+marxistische aesthetiek zal blijken, het hem bezwaarlijk elders blijken
+kan. Hebben wij gezien hoe deze aesthetiek onze schrijfster er toe
+bracht den _mensch_ Rousseau te flatteeren, thans zullen wij zien hoe
+dit tot _noodzakelijk_ gevolg had, dat ook Therese Le Vasseur
+geflatteerd werd en wel in een nog zooveel sterker mate dan
+Rousseau-zelf, dat ik geen oogenblik aarzelen mag, de
+psychologisch-biographische beelding dier figuur volslagen onjuist en
+pueriel-goedgeloovig te noemen.
+
+Waarom of het eerste 't laatste tot _noodzakelijk_ gevolg had? vraagt
+ge. Och, gelieve maar even naar mij te luisteren: Mevr. Holst werd door
+haar proletarisch-voelen--waarvan ik de diepte en uitingsschoonheid in
+'t tweede hoofdstuk dezer studie zoozeer bewonderd heb--er
+onweerstaanbaar [p.176] toe gedreven Therese te verdedigen.[57] Haar
+intuitie zei haar zeer te recht, dat die verdediging met vrucht te
+voeren is. Maar wat haar intuitie haar niet zei--_omdat deze te dien
+opzichte verzwakt was door haar onbewuster tendenz, Rousseau te
+flatteeren_--is: dat die verdediging van Therese alleen te voeren is
+_ten koste van Rousseau_. Om haar nu desalniettemin toch door te zetten
+_werd het noodig ook Therese veel edeler voor te stellen dan zij
+was_.--Toetsen we dit alles nu aan Mevr. Holst's boek, de historische
+feiten en de gevolgtrekkingen, die daaruit redelijkerwijze kunnen worden
+afgeleid.
+
+Voor Mevr. Holst is Therese de nederig-dienende zorgzaamheid in
+Rousseau's leven geweest, heeft zij de materieele basis gevormd, waarop
+bijv. de "schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste
+geschrift" heeft kunnen bestaan. Er is hierin veel waars. Jawel, maar
+luister nu eens even naar wat onze schrijfster verder zegt:
+
+ Dit (dat Rousseau haar volkomen bleef vertrouwen en niet in het
+ "complot" betrokken zag. v.C.) kon natuurlijk alleen zoo zijn
+ doordat Therese niet inging tegen zijn waan, maar met hem
+ meepraatte; de biografen maken haar daarvan een verwijt, zij
+ beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche voorstellingen
+ gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, zoo zij
+ onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan?[58]
+
+De verfraaiing van Therese en de ontzenuwing van de beweringen der
+biographen is hier mogelijk geworden door het niet-vermelden van de veel
+zwaardere beschuldigingen, die tegen haar zijn ingebracht. Zulke als
+deze:
+
+ ... La maniere dont elle s'est conduite apres sa mort suffiroit
+ pour mettre la chose hors de doute, si deja la preuve n'en etoit
+ bien acquise par _le temoignage unanime de tous ceux qui ont
+ frequente Rousseau a toutes les epoques de sa vie_. Or il est
+ constant qu'a Motiers, a Wootton et partout ou elle a suivi son
+ maitre, jusqu'a ses derniers moments, elle a fait naitre et
+ entretenu en [p.177] lui l'ombrage et la mefiance prompte a lui
+ rendre suspects tous ceux qui l'approchoient et qui parvenoient a
+ lui plaire, pour posseder seule sa confiance et le dominer avec
+ plus d'empire. Si cette femme, s'ennuyant a Motiers, ne negligea
+ rien pour en rendre le sejour insupportable a Rousseau, que ne dut
+ elle pas faire dans la solitude de Wootton ou elle devoit n'avoir
+ rien plus a coeur que de le mettre dans la necessite d'en sortir!
+ Or tout assure que, pour donner plus d'appui a ses suggestions
+ calomnieuses et perfides, elle brisoit les cachets des lettres
+ adressees a son maitre, qui, dupe de cette manoeuvre, en tiroit
+ mille inductions, mille consequences plus etranges les unes que les
+ autres, mais dont il n'y a plus des lors droit de s'etonner.[59]
+
+"Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, tous ceux qui ont ecrit sur
+Rousseau, sont d'accord sur ce point," zegt dezelfde schrijver.--Hier
+blijken dus doodgewone _misdaden_, uit eigenbelang bedreven. Dat is niet
+meer: het niet-bestrijden van den waan, om van den waanzinnige het
+eenige schepsel niet te vervreemden, dat hij nog vertrouwt; dat is: het
+perfide _hevig-versterken_ van den waan, om maar niet langer op die
+vervelende landgoederen en kasteelen te moeten leven. Dat Therese daar
+telkens vandaan wilde, erkent ook Mevr. Holst:
+
+ Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biografen er Therese
+ een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame
+ kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een
+ zenuwzieken man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij
+ zich niet opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om
+ er vandaan te komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen,
+ met eigen neigingen en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in
+ haar in.[60]
+
+Zeker, dit alles zij grif toegegeven. Maar lang niet vermakelijk te
+lezen is, door _welke middelen zij dat doel_ poogde te bereiken.
+_Daarop_ komt het aan ter doorgronding van Therese's persoonlijkheid!
+
+"Dat zij kort voor het eind van zijn leven, als oude vrouw al, een gril
+zou gehad hebben voor een stalknecht moge min smakelijk zijn...."[61]
+Neen maar, zou ik tot Mevr.
+
+[p.178] Holst weer willen zeggen. Wat gaat ons nu de al of
+niet-smakelijkheid daarvan aan! We zijn toch geen aan ethiek verslaafde
+en moraliseerende preekers en rechters! Wij willen _een mensch leeren
+kennen_, dat is ons _eenig verlangen._ En bovendien--dat vertelt Mevr.
+Holst er weer niet bij: Zij heeft niet alleen kort voor het eind van
+Rousseau's leven een gril voor dien Ierschen stalknecht van den Markies
+de Girardin gehad, maar _zij heeft nog een geruimen tijd na Rousseau's
+dood met hem geleefd en een zeer aanzienlijk bedrag met hem er
+doorgejaagd_!
+
+_Wat is er nu in deze vrouw_, "die nederige goede vriendin," "dat
+eenvoudige plebejerskind," dat "liefhebbende hart," _omgegaan, dat zij
+zich zoo kon vergooien onmiddellijk na den dood van den man dien zij had
+"liefgehad," dien zij "verzorgd" had_, enz. enz.? _Dat_ wenschen wij te
+weten, _dat_ opgehelderd te zien, daarvoor luisteren wij gaarne naar een
+scheppend psycholoog! Dat het niet "smakelijk" was--nu ja, dat weten we
+waarachtig allemaal wel! _Heeft mevr. Holst niet gevoeld, dat hier de
+tragedie van een geheel leven te doorvoelen viel?_ Neen, klaarblijkelijk
+heeft zij er _niets_ van gevoeld; de scheppend-psychologische biograaf
+zweeg hier in haar; de proletarisch-voelende socialiste, die het kind
+uit het volk had te verdedigen en dat niet op de juiste wijze kon doen,
+omdat Rousseau zelf er dan bekaaid af zou komen, en daarmee _de
+historisch-materialistisch-opgebouwde synthese tusschen zijn hoogere en
+lagere persoonlijkheid in den hoek zou liggen_, beheerschte hier de
+scheppende kunstenares en achtte alles genoegzaam verklaard door die
+mantel-der-liefde-achtige woordjes!
+
+Zelfs reeds het _ontstaan_ hunner verhouding wordt dan ook reeds--wat
+Rousseau betreft--door onze schrijfster verfraaid voorgesteld:
+
+ Geen lust was het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar
+ voornamelijk behoefte aan innigheid.[62]
+
+Dat is nu precies, inplaats van de waarheid in de armen [p.179] te
+loopen, haar rakelings voorbijschuiven. Immers, Rousseau-zelf zegt:
+
+ Je n'avois cherche d'abord qu'a me donner un _amusement_. Je _vis_
+ que j'avois plus fait et que je m'etois donne _une compagne. Un peu
+ d'habitude_ avec cette excellente fille, un peu de reflexion sur ma
+ situation, me firent sentir _qu'en ne songeant qu'a mes plaisirs_,
+ j'avois beaucoup fait pour mon bonheur.[63]
+
+Gij voelt nu wel al lezer, dat beteekenisvolle verschil in nuance
+tusschen Mevr. Holst's en zijn woorden: neen, zeker, geen lust was 't
+die hem dreef, maar evenmin eenige hoogere geestelijke behoefte aan
+innigheid. Dat hij ook die bij haar bevredigen kon, ontdekte hij immers
+pas later! Wat hem dreef was doodeenvoudig de prozaische,
+primair-natuurlijke behoefte aan sexueelen omgang. Nog al bang in dit
+opzicht uitgevallen--men herinnert zich uit de _Confessions_ zijn angst
+na zijn visite met Vitali bij de Padoana?--was hij heel blij--och ja,
+het is heel-laag-bij-den-grond, plat zoo ge wilt, maar het _is_ zoo--dat
+hij haar gevonden had! _Jubelkreten_ slaakt hij als hem blijkt, dat
+Therese's aanvankelijke aarzeling zich hem te geven, niet voortkomt uit
+dat door hem zoo gevreesde!
+
+En dan: weet Mevr. Holst wel, dat als zij aan Rousseau's vrienden
+verwijt, dat hun "klassegevoel en intellectueele hoogmoed" niets dan
+"een onbeschaafde waschvrouw" etc. in Therese zagen, zij met dat verwijt
+aan het verkeerde adres is? Helaas, het _kon_ alweer niet tot haar
+doordringen, dat zij hiermede bij _Rousseau-zelf_ moest zijn.
+
+ Autrefois j'avois fait un dictionnaire de ses phrases _pour amuser
+ Madame de Luxembourg_, et _ses quiproquo sont devenus celebres dans
+ les societes ou j'ai vecu_.[64]
+
+Arme Jean-Jacques! Zelf vertelt hij, dat hij altijd, bij de conversatie
+in de kringen zijner geleerde en adellijke vrienden met den mond vol
+tanden zat. Hij voelde dan ten leste eigen zwijgen zoo pijnlijk worden,
+dat hij er maar wat uitflapte, [p.180] om maar iets te zeggen, wat dan
+achteraf een "balourdise" bleek. Maar, heer-in-den-hemel! daar valt hem
+Therese met al haar onbewuste grappighedens in. Welk een mijn, welk een
+onuitputtelijke rijkdom aan stof. Nu niet langer op je stoel zitten
+draaien in 'n benauwing van verlegenheid, nu geen stommiteiten meer
+vertellen, om maar wat te zeggen, nu ook eens geestig zijn, ook eens de
+vrienden laten lachen--ten koste van de vrouw, "wier engelhartig hart
+hij roemt." O, Mevrouw, het is te begrijpen: zeker, _alles is te
+begrijpen._ Maar welk een gebrek aan fijngevoeligheid--der _lagere_
+persoonlijkheid!--welk een grove ijdeltuiterij. Welk een gebrek aan
+eerbied ook voor--zich zelf! _Tenzij hij wist_--let wel!--dat die
+vrienden ook wel begrepen, dat zij voor hem _een vrouw slechts in den
+lageren zin_ was, maar wat blijft er dan van de "innigheid" en al dat
+fraais over? En wanneer Rousseau-zelf aldus Therese tot een
+"onbeschaafde waschvrouw" stempelt, kan men dan wel anderen kwalijk
+nemen, dat zij niets anders dan zulk een waschvrouw in haar zagen? Gaan
+wij er nu toe over, zelf Therese te beschouwen en toonen wij aan, dat op
+andere gronden dan die van Mevr. Holst--_gronden, die echter voor
+le-meilleur-des-hommes-Rousseau geen standplaats bieden_!--haar
+verdediging met vrucht te voeren valt.
+
+ * * * * *
+
+Therese dan blijkt klaar een onbedorven, goed en gewetensvol meisje te
+zijn geweest, met iets zelfs van uitzonderlijke en aangeboren reinheid
+in zich, want men moet niet vergeten, dat van wat wij, in een anderen
+tijd levend, als iets min of meer van-zelf-sprekends beschouwen, juist
+het _tegendeel_ als het van-zelf-sprekende zou ik bijna zeggen, in het
+Parijs harer dagen werd beschouwd. Haar aarzeling, zich hem te geven,
+sproot uit iets anders dan het door hem gevreesde voort. Laat
+Rousseau-zelf u verhalen wat het was, en merk dan tevens uit zijn
+verwondering, _hoe uitzonderlijk in dien tijd haar scrupules waren_.
+
+ Enfin nous nous expliquames: elle me fit en pleurant l'aveu d'une
+ faute unique au sortir de l'enfance, fruit de son ignorance [p.181]
+ et de l'adresse d'un seducteur. Sitot que je la compris, je fis un
+ cri de joie: Pucelage! m'ecriai je: c'est bien a Paris, c'est bien
+ a vingt ans qu'on en cherche![65]
+
+Bovendien blijkt die kuische aard uit hare houding, als dienstmeisje in
+het hotel, onder de schunnige moppen der abbes, tegen wie Rousseau haar
+in bescherming neemt. Zoo was Therese Le Vasseur, rein te midden van een
+al groeiende zedenverdorvenheid, toen zij zich Rousseau gaf. Laat ons nu
+zien: Zij, het gevoelige dienstmeisje, met die sentimenten in zich,
+welke moet zij wel in den geliefde-zelf, dien zij zoo ver boven zich
+stelde, aanwezig hebben gemeend?! Zij, de bijna-analphabete--die niet
+wist, dat talent of genie soms niets met noblesse hebben te maken--welk
+een wereld van al-soortige verhevenheid moet zij niet in Rousseau
+geloofd hebben te bestaan, in dien man, die haar nog bovendien tegen de
+gemeenheden der anderen verdedigd had! Als haar nu langzamerhand het
+tegendeel blijkt, is het dan niet onafwendbaar, dat zij niet alleen het
+geloof in hem, maar op de wijze aller onontwikkelden, die het bijzondere
+zoo gaarne veralgemeenen, ook het geloof in de _waarde van deugd-zelf_
+verliest? En dat zij doorslaat, doorholt naar den anderen kant?
+
+Onderzoeken wij dus nu door welke feiten haar dat tegendeel kan zijn
+gebleken--voor zoover dan die feiten te onzer beschikking staan: er zijn
+natuurlijk nog tallooze kleinigheden, voor ons verloren, die ertoe
+hebben medegewerkt haar de waarheid duidelijk te maken.
+
+Daar is dan ten eerste het geval met "la papesse Jeanne," de maitresse
+van Kluppfel. "Une faute," zegt Petitain, "qu'elle l'a genereusement
+pardonnee." Jawel, vergeven, maar kon ze 't ook vergeten? Liet het geen
+wrange nasmaak van beleedigde vrouwelijkheid in haar gemoed? Deed het
+bovendien niet de gedachte bij haar ontkiemen, dat de berisper van
+destijds al niet beter dan de berispten was, en dat zij met haar
+scrupules eigenlijk een onnoozel halsje, een onwetend mallootje was
+geweest?
+
+[p.182] Maar dan... en hoe zinkt alles, wat zij hem, wat hij haar aan
+kwaads moge gedaan hebben in het niet bij die vreeselijke daad vijf maal
+betaald: het haar ontnemen van haar kinderen _tegen haar zin_.
+
+ Je m'y determinai gaillardement sans le moindre scrupule; et le
+ seul que j'eus a vaincre fut celui de Therese, a qui _j'eus toutes
+ les peines du monde_ de faire adopter cet unique moyen de sauver
+ son honneur. (Sic!) L'annee suivante, meme inconvenient et meme
+ expedient, au chiffre pres qui fut neglige. Pas plus de reflexion
+ de ma part, _pas plus d'approbation_ de celle de la mere: _elle
+ obeit en gemissant._[66]
+
+Peilt nu, gij allen, die ooit een kind zaagt geboren worden en die
+ontzettende vertwijfelende worsteling met de smart hebt gezien; die dan
+bij de eerste geluidjes van het kleine schepsel, op het pijn-verwrongen
+gezicht der moeder, die plotselinge ontslaking, een glimlach als een
+licht zaagt schijnen; gij die dan de alle-smart-vergetelheid, de als
+overmoedige en jeugd-dronken vreugde, den zaligen trots zaagt stralen,
+tot die weer ebde, heel zacht, ter zoete zelf-inkeer, het zich-zelf tot
+rustig-zijn dwingen, om zoo groot heil niet te verbeuren; gij, die ooit
+beluisterd hebt die eerste moeder-woordjes, als kleine bloemen
+ontrankend de machtig-sterke, de van zelfbedwang en popelend verlangen
+bevend-vaste liefde; ontbloeiend de diepste diepten van de ziel en het
+hart, als open, reikende kelken, naar het kindje toe--peilt gij,
+wetenden, de ontzettende en nooit te heelen wonde, het afgrondige leed
+van de moeder, die na zoo kort dien hemel te hebben genoten, met den
+vloek der kinderloosheid, _menschelijk-moedwillig_ wordt belast; peilt
+gij den haat, den wrok, het gevoel van verlatenheid, de wanhoop aan alle
+deugd, de verstarring tot egoisme, die in die vrouw zullen gaan leven,
+leven hun bestaan van monsters, waar engelen hadden kunnen zijn.... En
+hebt ge dit alles doorvoeld.... Och... ja.... Zal ik u dan nog wel
+vragen of Therese Le Vasseur aan haar misdrijven, welke ze ook mogen
+geweest zijn, in waarheid schuldig staat, dan wel de man, die haar dat
+aandeed?... Maar gij wendt u af, [p.183] ge ziet naar uw eigen kinderen,
+uw blikken gaan zegenend naar hen uit... en ik versta u: zonder mijn
+vraag te wachten en zonder te antwoorden, hebt ge haar beantwoord....
+
+ * * * * *
+
+Want ook dit weten wij, nietwaar: een deugd voor alle moet door ons
+geleerd worden, het is zij, die alle bevat. Die haar in volkomenheid zou
+bezitten--maar geen mensch kan dat--kan intreden tot alles wat waardevol
+is; de sleutel tot het hooger denkvoelen, de ingang tot de waarheid en
+het onschokbare geluk is zij: het altruisme, in haar hoogsten vorm, voor
+ons onbereikbaar: de volkomen ik-vergetelheid. Maar de Natuur, de Al
+wijze, die geen haast kent, die van graad tot graad en van trede tot
+trede de wezens laat opwaarts klimmen, heeft drie groote Liefden in hun
+zielen opgericht, _drie onderrichters van het altruisme_, die
+achtereenvolgens in hun bewustzijn verschijnen, met het wonder hunner
+gestalte en van hun stem. De eerste is nog geen straffe Leerares. Zij
+onderricht het altruisme spelenderwijze. Hoe zou zij ook anders: even,
+slechts even na het eerst ontwaken van het bewustzijn, verschijnt ook
+zij, een engeltje even klein en speelgenoot van het kindje, groeit zij
+daarmee op. Zij is de kinderliefde, de egoistische, die veel vraagt en
+weinig schenken kan. Maar al opgroeiend komen er toch tijden, dat het
+kind zelfs zijn hartebloed voor zijn ouders zou willen geven.... En zie
+nu, zie: dat kleine speelgenootje heeft dan toch niet slechts met het
+kindje gespeeld, het heeft, met hem opgroeiend en slechts weinige zijner
+egoistische en levenshongerige nukken weerstrevend, klaarblijkelijk ook
+hem onderricht--in altruisme.--Dan komt er een tijd.... Zij verlaat haar
+speelgenoot niet, maar treedt achteruit: de tweede groote Liefde
+verschijnt, een strenger Leerares: de liefde tusschen man en vrouw; veel
+egoisme weerstreeft zij, veel opofferingen vraagt zij, veel ontzegging
+van de genoegens en verlangens van het ik; maar veel egoisme duldt zij
+nog--de Alwijze gebood haar, niet te streng in het onderricht te zijn.
+Ook is haar sfeer zuiver noch doorzichtig, vooral niet in den man. De
+driftige zinnen dringen om haar heen, hun [p.184] hoog opgeheven
+flambouwen werpen smokerige en roode gloeden, trekken misvormende
+schijnsels over haar Venusgelaat. Ja, soms zijn haar de zinnen
+voortrennende paarden: dan leidster en meegevoerde, stralend in de
+overwinningen, de slapen omkranst, vaart zij, een grond-opwervelende
+storm, een lichtende davering voorbij.--Maar ten leste verschijnt der
+Drie hoogst tronende: uittreding van de Ziel der wereld op dier gelaat
+is zij, eenig beeld van de oneindigheid, want ook de grenzen van haar
+wezen zijn nimmer gevonden; ouders kennen haar zeeen van gevoel, doch
+hun diepte of breedte zijn niet te kennen; ouders zien haar hemel, hun
+kinderen zijn de gesternten daaraan, maar zijn hoogte is niet te
+weten.... Egoisme wordt in haar niet gekend, het is een onverstaanbaar
+woord uit andere tijden, uit andere landen. Zij leeraart niet, zij _is_
+het altruisme, zij is ook niet straf, niet streng, zij kan het niet
+zijn: de opofferingen, die zij verlangt, worden niet als opofferingen
+gevoeld; de afstand, dien zij eischt van zooveel begeerten van het ik,
+worden een rijker-worden bevonden! Voor het eerst dan van zijn leven
+wellicht, voelt een mensch het altruisme niet een bedwinging zijner
+begeerten, voor het eerst niet als een moeilijk te verkrijgen en lastig
+te volgen deugd, voor het eerst niet als een sfeer, waarin hij slechts
+bezwaarlijk leven kan. Integendeel: zijn begeerten _zijn_ altruistisch,
+zonder die deugd _kan_ hij nu niet leven en in haar sfeer beweegt hij
+zich nu opperst gelukkig, natuurlijk en vrij als in den staat, die zijn
+meest ongerepte natuurlijkheid het best past. Gelukkig de man en de
+vrouw, die dit hebben gekend, voor zij sterven, zij hebben niet
+tevergeefs geleefd. Rijker aan eigen waarde keeren zij terug van waar
+zij werden gezonden. _Want kinderen leeren den ouders oneindig meer, dan
+ouders den kinderen_. Jonkheid ontlokt Ouderdom zijn schoonste
+gevoelens. Zij u de zon het stralend symbool daarvan, wier glanzende
+jeugd der oude en verkillende aarde alle de schoone gestalten der
+bloemen, dieren en menschen ontlokt....--
+
+ * * * * *
+
+Langs den weg van ons gevoel zijn wij van ons uitgangspunt [p.185]
+heengetrokken. En deze, die geen dwaalweg was, heeft ons, naar onzen
+wensch, daarheen teruggebracht. Zeg mij nu: van deze groote
+leering-in-altruisme, van het onderricht in die deugd, welke alle
+deugden omsluit, van dit opperst geluk, deze blijde natuur werd Therese
+Le Vasseur menschelijk-moedwillig beroofd. Heeft men nu nog van noode,
+ten einde haar verdediging te voeren, hare ondeugden te bedekken, of is
+er eenige reden voor ons deze waarheden te verzwijgen, om de blaam,
+waarmede zij den man treffen, die haar dat aandeed?...
+
+ * * * * *
+
+Ik zie haar gaan door de dagen, alleen in haar onwetendheid, alleen met
+haar wrok, alleen met het schrijnende bewustzijn van haar gemis, naast
+den man, dien zij daarvan de oorzaak weet en die, verzonken, dan in de
+droomen van zijn genie of van zijn eerzucht, dan in die zijner liefde of
+zijner angst, vaak zelfs haar bestaan niet schijnt op te merken. Alleen
+weet zij zich, een eenzame huissloof, al het nederige werk doende;
+achter haar rug uitgelachen--hoe zal haar dit hebben gestoken!--door
+haar man, die grapjes op haar onwetendheid maakt, bij wiens voorname
+vrienden zij zelden komt, aan wiens tafel zij zelfs niet zit, wanneer
+hij een dier vrienden te gast heeft; in haar gezicht uitgelachen door de
+bedienden van Rousseau's gastheeren, die in haar een dienstmeid zagen en
+niets meer. Hoe vaak zal zij aan haar kinderen hebben gedacht, die haar
+steun hadden kunnen zijn, vleesch van haar vleesch, bloed van haar
+bloed; met wie zij had kunnen praten, die haar hadden begrepen en met
+haar zouden hebben meegeleefd in haar kleinheid en onwetendheid,
+wellicht; die, zeker, haar een vertroosting zouden zijn geweest voor
+veel. Hoe moet zij soms dien man hebben gehaat, toch zorgvuldig met haar
+boersche sluwheid, haar onovertrefbare slimheid van niet veel meer dan
+analphabete, wier verstandskracht door niets anders wordt verbruikt,
+haar voelen verbergend--en toch daarin niet slagend bij _Rousseau's
+vrienden_! die zagen juist, Mevr. Holst!--in de eerste jaren daartoe
+gedwongen door, en onder leiding van haar megera van 'n moeder, in wier
+[p.186] karakter schraapzucht, valschheid en lust tot intrigeeren al het
+andere overheerschten; in de latere jaren, met veel behendigheid, uit
+eigen inzicht en zonder hulp alles doende, goed of slecht, wat
+verhinderen kon, dat Rousseau aan haar invloed ontsnapt; alles doende
+wat hem sterker aan haar binden kan. Waarom? Zie haar op het eind van
+haar leven, aan de deur van de _Comedie Francaise_ de hand ophouden voor
+een aalmoes, en ge weet het! Eenmaal gedurende de lange jaren van haar
+leven met hem, schijnt haar beleedigde vrouwelijkheid haar te sterk te
+zijn geworden. Rousseau spreekt namelijk van een "refroidissement dans
+Therese" en wijt deze aan de abstinentie waartoe hij zich verplicht
+voelde, zoowel met het oog op zijn wankelende gezondheid, als om niet in
+een herhaling van zijn vijfvoudig herhaald misdrijf te moeten vervallen.
+Dat was echter hoogstwaarschijnlijk de ware oorzaak niet. Die moet
+gezocht worden in zijn verhouding tot Mad. d'Houdetot: onder Therese's
+oogen hadden de maneschijn-wandelingen plaats gevonden, onder haar oogen
+was de geheele geschiedenis afgespeeld. Welke vrouw zou zich hier niet
+beleedigd hebben gevoeld, ten eerste, door het _feit-zelf_, maar dan, en
+wellicht vooral, door de minachting jegens haar, die uit de
+omstandigheid sprak, dat haar man niet de minste moeite deed, iets ervan
+voor haar te verbergen[67]. Zoo heeft zij, in hardnekkig zelfbedwang,
+zich vast aan hem gehecht, hem nimmer loslatend, hem overal volgend, hem
+met haar invloed omwikkelend als met een web, gehaat daarom en in haar
+drijfveeren door allen doorzien, die haar dan ook "_une cerbere
+odieuse_" noemden, door Rousseau alleen niet doorzien. Zij heeft met hem
+de jaren doorgebracht, wrokkend zonder twijfel, hatend zonder twijfel,
+toch soms ook weer, dunkt mij, neigend naar een zachte verteedering en
+liefde voor hem, bij het zien zijner ongelukken en hulpeloosheid. Maar
+dan kwam altijd weer die stekende gedachte aan haar verloren kinderen,
+die haar kracht moet hebben [p.187] gegeven te doen wat zij deed; die,
+dra na het ontluiken weer, al de zachtere gevoelens deed verwelken; die
+haar moet hebben ingefluisterd, dat zij het recht had, tegenover hem,
+die haar den natuurlijken steun van haar ouden dag had ontroofd, door
+elk middel en trots alles te zorgen, dat het levensonderhoud, dat haar
+van hem, bij zijn leven en na zijn dood, kon geworden, haar niet
+ontging. Zoo hebben in dit hart--ik herhaal het: al zijn vrienden hebben
+het gezien!--monsters gewoond, omdat--'t geen zijn vrienden en ook Mevr.
+Holst niet hebben gezien--Rousseau de engelen had verdreven. Zoo heeft
+zij stil gewacht.... Dan sterft hij... de dwang is uit, al haar
+weggedrongen instinkten springen nu op.... Nu, op haar ouden dag gaat
+zij zich uitleven.... Na het leven met dien man, dien zij niet meer
+liefhad; na het leven met hem, dien zij de wereld een Groote hoort
+noemen, maar die tegenover haar met dat al zijn simpelste plichten met
+voeten getreden had, wil zij nu een van haar soort, die dan wel niet die
+verhevenheid heeft, waarvan zij toch niets begrijpt, maar die haar, in
+zijn gewone menschelijkheid, wel niet zoo behandelen zal als hij heeft
+gedaan. De schuchterheid, de kuischheid, die ze in haar jeugd, gelijk we
+zagen, bezat, het geloof in de deugd, och kom, dat is nu alles gekheid
+voor haar geworden.... Ze heeft veel gezien en veel ondervonden.... Niet
+voor niets heeft zij de _handelingen_ van Rousseau jegens haar gezien,
+niet voor niets de groote wereld jaren lang bespied.... Ingetogenheid is
+goed voor zulke domme mallootjes uit het volk, als zij in haar jeugd er
+een was!... Genieten moet je, genieten, zooals allen om je heen! En met
+haar stalknecht jaagt ze er dan in een paar jaar een burgermanskapitaal
+doorheen, als vroolijke erfgenamen, die, in juichende brooddronkenheid,
+het geld van een gehaten of hun onverschillig geweest zijnden erflater
+verkwisten.... Neen, die Therese Le Vasseur's leven _kent, doorvoelt_,
+behoeft te harer verdediging haar figuur niet te verfraaien. Hare
+slechtheden waren geboet voor zij ze beging, door de oorzaak, waaruit ze
+ontstonden. Arme vrouw, misleid door onwetendheid en door haar
+mishandelde instincten; [p.188] moeder, die hare kinderen niet heeft
+gekend, en zij had ze zoo gaarne gekoesterd; die nu, op hare beurt, hun
+steun missen moet: op tachtigjarigen leeftijd bedelt zij op straat haar
+dagelijksch brood!...
+
+ * * * * *
+
+Met het leven van twee vrouwen is dat van den mensch Rousseau langdurig
+vervlochten geweest. Het onderzoek van zijn gedrag zoowel jegens de eene
+als de andere, wijst op oneindig meer leelijks dan schoons in zijn
+karakter. Zijn uit alles blijkend neerzien op Therese verhinderde hem te
+begrijpen, wat hij haar had aangedaan. Wat Madame de Warens aangaat,
+jegens haar noemde hij zich-zelf "ingrat," al heeft hij ook daar
+allerlei schoonschijnende redenen bij de hand, om die zelfveroordeeling
+haar scherpte te ontnemen. Behaagden hem dan ook in Therese slechts de
+frisch-open zinnelijkheid, de gezonde kracht en de eenvoudige
+huiselijkheid van het volkskind, aan Madame de Warens verbonden hem een
+diep-gewortelde psychische overeenkomst en een diep-geworteld
+--verschil. De overeenkomst bestond daarin, dat zij beiden uiterst
+impulsive menschen waren, wezens van _gevoel_ vooral. Het verschil: bij
+Rousseau ging dat gevoel _denken_ vooraf. Het moeizaam-schrijdend volk
+zijner denkbegrippen trok nimmer op, voor hen de lichtende wolk van een
+droom den weg wees. Beter is het wellicht te zeggen, dat Rousseau's
+denken zulk een arbeider geleek, die immer ter verkwikking zijn weg
+neemt langs een dichtbegroeid land, wanneer hij zich in den vroegen
+ochtend naar de strenge en harde fabriek begeeft, om daar den loop der
+onverbiddelijk in elkaar grijpende raderen te bewaken, en die in het
+vrije middaguur weer ter verpoozing naar dat land gaat en zich vlijt in
+het hooge gras.... Want naar zijn eigen getuigenis werd zijn denken ook
+telkens onderbroken door divageerend gedroom.... Bij Madame de Warens
+echter ging het gevoel _handelen_ vooraf; elke droom, elke fantasie
+veroorzaakte bij haar een handelen, dat, gelijk het denken bij hem,
+telkens door opnieuw-fantaseeren werd onderbroken. De psychologische
+verklaring van: de rust, de volkomen tevredenheid, de afwezigheid van al
+[p.189] ongedurigs en gejaagds, die Rousseau in tegenwoordigheid van
+Mad. de Warens gevoelde, ligt dan ook mijns inziens nergens anders dan
+in die overeenkomst en dat verschil: wat hem ontbrak, waarom hij vaak
+zich-zelf minachtte en welk gemis hij, wellicht onbewust, weet aan het
+predomineeren van zijn gevoel: _het snel-doortasten, de moed tot de
+daad_, dat zag hij bij haar _juist uit het gevoel_ ontkiemen! Zoo,
+tegelijkertijd, verzoende het hem met den _grondslag_ van zijn wezen en
+voelde hij dit, in de tweeeenheid van hun beider bestaan, bevredigend en
+berustigend _aangevuld_.--
+
+ * * * * *
+
+En wat nu zijn korte, maar voor de vrijmaking van zijn genie hoogst
+beteekenisvolle, verhouding tot Madame d'Houdetot betreft, deze heeft
+Mevr. Holst, gelijk ik reeds vroeger zei, prachtig doorvoeld. Die
+verhouding bleef dan ook beiderzijds rein en edel, zoodat de uit Mevr.
+Holst's historisch-materialistische aesthetiek voorspruitende
+verfraaiingstendenzen hier tot het vertroebelen harer visie geen
+aanleiding hadden.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+NOTEN:
+
+[34] Mevr. Holst, J.J. Rousseau. Blz. 158, 159, 160.--Cursiveering van
+mij.
+
+[35] _Les Confessions_, blz. 1. Cursiveering van Rousseau.
+
+[36] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 33. Cursiveering, ook in de
+beide voorafgaande citaten van mij.
+
+[37] Hier kunt ge nu, lezer, mocht ge er lust toe gevoelen, als arbiter
+tusschen mijn literairen criticus en mij optreden! _Hij_ meende, dat
+Mevr. Holst de klaarblijkelijk juiste subjectieve waarheid _wel_ bezeten
+heeft, maar dat haar tendentieuse lagere persoonlijkheid die verminkt
+heeft tot 't dan onechte, dat wij nu kennen. _Ik_ neem liever aan, dat
+zij _niet_ in haar was. Veel doet 't er niet toe, wie gelijk heeft, want
+in _beide_ gevallen, zooals wij zullen zien, valt _op den invloed der
+historisch-materialistische aesthetiek de schuld._
+
+[38]...maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos, want de
+overwinning der burgerlijke klassen bracht niet vrijheid en gelijkheid,
+niet vrede en recht, zooals zij geloofden, maar meer ellende, dan de
+aarde ooit gekend had; riep niet in den mensch de aandriften van
+broederlijkheid wakker, maar van hebzucht en heerschzucht en nijd." Blz.
+159.
+
+[39] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.
+
+[40] Zie noot vorige pagina.
+
+[41] Confessions. Cursiveering van mij.
+
+[42] zie noot 2 vorige pagina.
+
+[43] ibid.
+
+[44] _Zie Seconde lettre a M. de Malesherbes_.
+
+[45] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.
+
+[46] Confessions.
+
+[47] Hoe Rousseau inderdaad aan deze mogelijkheid gedacht heeft, moge de
+volgende uitlating bewijzen: De tout ce que j'ai dit jusqu'a present, il
+en est reste quelque trace dans tous les lieux ou j'ai vecu....--Einde
+Livre IV, Confessions. De voorvallen, waarvan hier sprake was en zijn
+zal, behooren dus alle tot die, die "een spoor hebben achtergelaten."--
+
+[48] H. Roland Holst, J.J. Rousseau. Blz. 36.
+
+[49] Confessions.--Cursiveering van mij.
+
+[50] Er is nog een andere en zeer _beteekenisvolle_ zijde aan de zaak,
+welke echter pas belicht kan worden bij de behandeling der Le
+Vasseur-figuur.
+
+[51] Confessions.
+
+[52] Confessions. Cursiveering van mij.--
+
+[53] Ik geloof, dat dit over 't algemeen het "wilde" leven van vele
+groote artisten verklaart. Men zie overigens mijn 3den "Brief over
+Literatuur."
+
+[54] Dans ces temps-la meme ou Rousseau entretenoit l'Europe de ses
+souffrances, _je ne l'ai jamais vu incommode_; il cheminoit, gambadoit,
+atteignoit avant les autres le sommet des montagnes, et mangeoit de fort
+bon appetit" (d'Escherny, geciteerd bij Petitain.)
+
+[55] d'Escherny.
+
+[56] Schetsen en Critische opstellen, blz. 149--150.
+
+[57] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 87: "Het wordt tijd dat
+eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen minder
+bevooroordeeld door _klassegevoel_," enz. enz.
+
+[58] H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 82.
+
+[59] G. Petitain, Appendix aux Confessions.
+
+[60] H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 252.--
+
+[61] Ibid., blz. 83.--
+
+[62] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 83.
+
+[63] Confessions. Cursiveering van mij.--
+
+[64] Confessions. Cursiveering van mij.--
+
+[65] Confessions.--
+
+[66] Confessions.--
+
+[67] Men zie eens wat Petitain, in een noot bij de Confessions, van de
+d'Houdetot-geschiedenis met betrekking tot Therese zegt. En deze
+schrijver is waarlijk geen vriend van Therese.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [p.190]
+
+
+IV.
+
+Conclusien.
+
+
+Enige overwegingen, verband houdend met den meer practischen kant van
+het leven onzer tijden, mogen dit opstel besluiten; overwegingen, die
+eensdeels de literaire onderrichter van het intelligent en talrijk in
+den Diamantbewerkersbond georganiseerd proletariaat, anderdeels de
+letterkundige criticus, het ook op ervaring steunend recht meent te
+hebben, hier zonder omwegen te uiten: Indien de marxistische aesthetiek
+verderfelijk is voor de kennis van de waarheid, zoowel betreffende den
+aard van het Scheppend Vermogen der kunstenaars als van hun werken, hoe
+verderfelijk zal zij dan wel niet zijn voor de opvoeding tot
+kunstgenieten van breede volkslagen, wier uitteraard blinde en
+strompelende oordeelskracht, het den bodem besnuffelende hondje dezer
+kunstleer cadeau krijgt, om haar te leiden!
+
+Dat is wel het meest beteekenende aller dingen, die met dit geheele
+vraagstuk in verband staan. Dat is wel de voornaamste vraag, die zich
+aan elken onderzoeker dier aesthetiek zal voordoen, de voornaamste ook
+die ik zag, maar niettemin het laatst te berde bracht, omdat ik wilde,
+dat mijn voorafgaand betoog, mij in de oogen van, ik twijfel er niet
+aan, ieder aandachtigen en onbevooroordeelden lezer het recht zou geven,
+de vraag _of_ deze aesthetiek verderfelijk is als beantwoord te
+beschouwen en slechts de _mate_, waarin [p.191] zij het is, nog voor
+discussie vatbaar te achten. Die mate!... Ik denk hier aan Francesca di
+Rimini in den _Inferno_. De wervelstorm, die haar meevoert en omvangt,
+laat haar met den geliefde even vrij, als Dante nadert; zij spreken tot
+elkander, het is een zoet oogenblik van troost voor haar, een oogenblik
+van rust.... Ik denk daar nu aan, omdat het de
+historisch-materialistische aesthetici zijn, die de Kunst verhinderen
+het omstormde proletariaat te naderen als een _verademing-brengende
+troost._ Ik denk daar nu aan, omdat zij het volk niet de kunst doen
+zien, als een machtig wezen, in zijn diepste essentie staande buiten de
+bewogenheid der tijden en hun wisseling, dat voor elken geluk en rust en
+verademing behoevenden mensch zijn armen open spreidt, maar omdat zij,
+in dwaling bevangen, haar het volk doen zien, als zelf een macht van den
+storm, die hen omslingerend jaagt. En zoo doende--en dat is het
+jammerlijkste--laten zij het proletariaat het veredelende van den strijd
+alleen, het schokkend genot van de overwinning, het opvoedend leed van
+de nederlaag, maar ontnemen het de veredeling door de rust, de sereene
+en klare, die diepe bevrediging, welke _zuiver_ kunstgenot schenkt.--Het
+was dan ook geen kunstmaniak, geen verslaafde l'art-pour-l'art-lettre,
+die hier sprak; niet iemand, die buiten het leven staat, of wien de
+nooden en behoeften van het proletariaat vreemd zouden zijn, maar juist
+iemand, die door leven, werkkring en denken hen zeker even diep en innig
+kent als de door hem bestredenen; maar juist iemand, die vooral ter
+wille van het proletariaat, de kunst wil doen zijn, 't geen zij van
+_nature_ is, in _dezen_ tijd, gelijk in _alle_ tijden.
+
+Zoude dan voor mij: "de kunst de zin van het leven zijn," "de wereld een
+ding om afgebeeld te worden"?! Neen, neen, zoo is het niet. Maar elke
+mensch, die niet geheel van _algemeen_ inzicht is ontbloot, het leven en
+zijn broeders liefheeft en hen dienen wil, bepaalt zich er toe hen te
+dienen op die wijze als _met zijn aanleg het natuurlijkst strookt_. Dan
+_dient hij hen ook 't best_. De kunstenaar dus: door zonder bewuste
+bijoogmerken kunst te maken, en, indien hij tevens criticus is, door
+[p.192] kunstwerken in hun _essentie_ te doen begrijpen, niets meer. Het
+wijze exclusivisme van het l'art pour l'art beteekent dan ook _niet_: de
+kunst te dienen als ware zij het hoogste in het heelal en het einddoel
+van menschelijk streven, maar haar zoo te beoefenen als ieder scheppend
+werker zijn vak beoefenen moet: met volle toewijding aan, met volle
+concentratie zijner vermogens, terwijl hij werkt en schept, op het werk
+alleen; zijn aandacht zuiver houdend, opdat hij eens der wereld zijne
+schepping moge geven, bijna zoo schoon als hij haar van de Natuur
+ontving. Zoo verricht hij zijn werk het best en zoo dient hij _dus_ 't
+leven het best. Het is dan ook niet een pueriele opvatting van het
+leven, gelijk die aan de de-kunst-om-de-kunst-aanhangers
+caricaturiseerend-vervalschend wordt toegeschreven, maar het is juist
+het zien van 't leven als een oneindigheid, het is de deemoed tegenover
+het wijd-overkoepelende leven, dat hen leert zich te bepalen bij hun
+werk, klein of groot, waarvoor zij voelen geboren te zijn, en als een
+zijde worm, een kleine spin te zijn, die zijn draadje spant, zijn kleine
+webje weeft, niets meer, dat is genoeg ... en daarbij, zoo hun ook dat
+veroorloofd wordt, diep-tevreden, die als voltooiende gedachte te
+denken, die heerlijke zekerheid te voelen al hunne strevingen kronen:
+niet ik, zwakkeling, maar een Ander, zal eens, liefdevol, ook met mijn
+web Menschheid's wonden stelpen, de Meesterwever ook mijn draad in
+Menschheid's bruidskleed weven.... Wat zouden zij meer kunnen wenschen
+dan dat geluk?...
+
+ * * * * *
+
+Keeren wij nu nog even na deze korte toelichting van het schijnbaar
+enge, maar inderdaad zeer ruime principe der m.i. meest inzichtsvolle,
+burgerlijke literaire aesthetiek, tot de diametraal daaraan
+tegenovergestelde, ons eigenlijk onderwerp, terug. Vestigen wij nog
+kortelijk op een andere, ontwijfelbaar ook gewichtige, zijde van het
+vraagstuk de aandacht. De waardeloosheid en de schadelijkheid der
+marxistisch-aesthetische begrippen voor de literaire critiek werd
+uitvoerig in dit opstel aan het werk der meest beteekenende aanhangers
+dier [p.193] begrippen, in ons land, aangetoond. Mij dunkt, dat men, na
+dat gezien te hebben, het recht heeft te vragen: wat zullen de mindere
+goden wel produceeren, als zij volgens deze methode gaan werken? En dat
+zullen zij! Want juist voor dezulken, die uit zich-zelf niets over kunst
+kunnen voelen of denken, opent zij de welkome gelegenheid, om meters
+druks te vervaardigen over het _bijkomstige_ in een kunstwerk, _het
+eenige waar zij bij kunnen_, en dat niets ter zake doet! En daar ligt
+een tweede, een waarlijk niet te onderschatten gevaar van het stelsel.
+Dat gevaar, men begrijpe mij wel, ligt dus volstrekt niet daarin, dat
+deze critici de bas etage, deze phrasen-kooplui uit de literaire
+voddenkelders tendentieus zouden worden! Och neen, werden zij 't maar!
+Tendentieus zijn in den zin, waarin ik 't thans bedoel, gepossedeerd
+zijn door 't een of ander naar een hoog ideaal gericht streven, dat is
+toch apres tout iets van een _voornamen_ geest.... En zij en een
+voorname geest!... Dat zou 'n aardige vooruitgang voor hen zijn, komaan!
+Ik heb eens hun, al zeg ik 't zelf, welgelijkend portret geteekend.
+Daardoor, gelukkig! behoef ik het thans niet meer te doen. Ik heb toen
+_aangetoond_ wat zij zijn en niet zijn. Maar wel beschouwd was voorheen
+iets dergelijks overbodig. Tot nu toe werd toch eigenlijk niemand hun
+dupe. Ten slotte voelde ook het botste publiek de phrase, het idiote
+volmaakt-niet-begrijpen in hun geschrijf. Want tusschen den waren, den
+kunstenaar-criticus, den eenige, die literaire critiek mag beoefenen,
+omdat alleen hij 't is, die _intuitief_ een kunstwerk doorvoelen kan, en
+deze phraseurs was er een te enorm verschil. Maar zoodra deze
+kunstenaar-critici zelf gaan doen alsof het literair-critisch doorvoelen
+toch eigenlijk meer een wetenschap dan een kunst is en minstens evenzeer
+een aanleerbare vaardigheid als een gave, dan ... ja, dan zullen er
+zooveel voddenkelders, zooveel broodwinningnerinkjes, zooveel muffe en
+duffe winkelhuizen vol walmende petroleumlampen en kleverige rollen drop
+en vliegenpapier voor de smoezelige ruiten verrijzen, een klit van
+voetklemmende en gordelende parasieten, rondom--o heiligschennis!--de
+kerken en [p.194] paleizen der literatuur, dat de latere dichters, de
+latere schoonheidsbegeerigen zich niet zullen kunnen neerzetten aan hun
+voet, om zich vredig en niet-gestoord weg te denken in 't leed, in de
+vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie hen schiepen,
+tenzij dan dat er een opsta onder hen, die mokerend heel dien
+achterstegen-bouw weer tot puin verbrijzelt.
+
+Aug.--Sept. 1913.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VERTALINGEN BEHOOREND BIJ "HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITTERAIRE
+KRITIEK" [p.195]
+
+Blz. 101 _Mestra_:
+
+Dochter van den koning Erisychtheion. Men zie de _Metamorphosen_ van
+Ovidius Naso.
+
+Blz. 123 _There are_:
+
+Er zijn veel dichters, die nimmer hebben geschreven.
+
+Blz. 137 _Then from_:
+
+"Toen uit de spelonken van mijn droeve jeugd ik sprong," enz.
+
+Blz. 148 _C'est le pardon_:
+
+Het is de vergiffenis om der wille van de glorie.
+
+Blz. 149 _Je me suis montre_:
+
+Ik heb mijzelf getoond, gelijk ik werkelijk was, verachtelijk en laag,
+wanneer ik zoo ben geweest; goed, grootmoedig, indien ik aldus was. Ik
+heb mijn innerlijk ontsluierd, zoo als gij zelf het hebt gezien, Eeuwig
+Wezen. Vergader rondom mij de ontelbare menigte mijner medemenschen; dat
+zij luisteren naar mijne bekentenissen, zuchten over mijne laagheden,
+blozen over mijn ellende. Dat elk hunner op zijn beurt en in dezelfde
+oprechtheid zijn hart uitstorte aan den voet van uw troon, en dat daarna
+een enkele het wage te zeggen: _Ik was beter dan deze_.
+
+Blz. 149 _a tout prendre_:
+
+Alles bij elkaar genomen, ben ik een uiterst goed mensch.
+
+Blz. 156 _L'Annee suivante_:
+
+Het volgend jaar, 1750, toen ik heelemaal niet meer aan mijn
+verhandeling dacht, vernam ik, dat zij te Dyon bekroond was. _Deze
+tijding deed al de denkbeelden, die mij bij het schrijven hadden
+vervuld, opnieuw ontwaken en bezielde hen met nieuwe kracht...._
+
+Blz. 156 _Tandis que je philosophois_:
+
+Terwijl ik aldus philosopheerde over de plichten van den mensch, dwong
+een gebeurtenis mij beter na te denken over mijne eigene. Therese werd
+voor de derde maal zwanger. Te oprecht tegenover mij-zelf en innerlijk
+te fier om mijne principes [p.196] in mijn daden te verloochenen, zette
+ik mij er ernstig toe, over het lot mijner kinderen na te denken.
+
+Blz. 157 _D'ailleurs les principes eleves_:
+
+Bovendien moesten mij wel de hooge principes, die ik mij had eigen
+gemaakt, boven dergelijke laagheden verheven doen zijn, en het is dan
+ook zeker, dat ik dat sedert dien gewoonlijk wel geweest ben. Maar dit
+vond toch niet zoozeer zijn oorzaak daarin dat ik de verleiding zou
+hebben overwonnen, maar veeleer in het feit, dat ik de oorzaak der
+verleiding vermeed en ik zou zeer bevreesd zijn evenzoo te stelen als in
+mijn kindschheid, zoo ik weer aan dezelfde begeerten onderworpen werd.
+_Het bewijs daarvan had ik ten huize van den heer de Mably_.
+
+Blz. 159 _Il faut que_:
+
+Mij moet wel trots de meest eerbare opvoeding een sterke neiging tot
+ontaarden eigen zijn geweest, want dat voltrok zich heel snel en zonder
+eenigen innerlijken weerstand te ontmoeten, en nimmer verviel eenig
+vroegrijp Cesar zoo snel tot een Laridon.
+
+Blz. 159 _delire inconcevable_ = onbegrijpelijke razernij.
+
+Blz. 159 _delire_ = razernij, delirium.
+
+Blz. 160 _De tout ce que_:
+
+Van alles wat ik tot hiertoe gezegd heb is er in alle plaatsen, waar ik
+geleefd heb, eenig spoor achtergebleven.
+
+Blz. 161 _Je ne regarde_:
+
+De ellende en verlatenheid beschouw ik zelfs niet als de grootste
+gevaren waaraan ik haar heb blootgesteld. Wie weet hoever op haren
+leeftijd, de moedeloosheid der belasterde onschuld iemand brengen kan?
+
+Blz. 161 _Qui sait_: = wie weet.
+
+Blz. 161 _Moi qui ne fit_:
+
+Ik, die nooit iemand kwaad deed....
+
+Blz. 163 _cette horreur du mal_:
+
+... deze afschuw van het kwaad in elken vorm, deze onmacht om iemand te
+haten of te schaden en zelfs om dat te willen; deze verteedering, die
+levendige en zachte bewogenheid, die ik bij den aanblik van alles, wat
+deugdzaam, grootmoedig en beminnelijk is, gevoel--kan dat alles in een
+en dezelfde ziel bestaan naast de verdorvenheid, die zonder eenig
+gewetensbezwaar de lieflijkste der plichten met voeten treedt? Neen, ik
+voel het en spreek het luide uit: dat is niet mogelijk. Nooit heeft Jean
+Jacques een oogenblik van zijn leven een man zonder gevoel, zonder
+erbarmen, een ontaard vader kunnen zijn. Zeer zeker heb ik mij kunnen
+vergissen, maar mij verstokken niet. Zoo ik mijne redenen zeide, ik zei
+te veel. _Daar zij mij immers hebben kunnen verleiden zouden zij dat ook
+vele anderen kunnen doen; ik wil de jongeren, die mij eens zouden kunnen
+lezen, er [p.197] niet aan blootstellen, het slachtoffer van dezelfde
+dwaling te worden_.
+
+Blz. 164 _petites bonnes gens_ = goede luidjes.
+
+Blz. 164 _grand hommes de nos jours_ = groote mannen onzer dagen.
+
+Blz. 164 _les raisons determinantes_ = de beslissende redenen.
+
+Blz. 164 _Out of season_ = misplaatst.
+
+Blz. 165 _jeunes gens_ = jonge lieden.
+
+Blz. _16$ Enfants-Trouves_ = Vondelingenhuis.
+
+Blz. 167 _Si jamais reve d'un homme eveille_:
+
+Zoo ooit de droom van iemand in wakenden toestand een prophetisch
+visioen geleek, dan was het wel deze.
+
+Blz. 167 _et ce qui m'a frappe_:
+
+En wat mij het meest in de herinnering aan deze mijmering heeft
+getroffen, was, dat toen zij zich verwezenlijkt had, ik mij van precies
+dezelfde voorwerpen omringd vond als die ik mij destijds had verbeeld.
+
+Blz. 167 ... _la peur de l'enfer:_
+
+... de vrees voor de hel maakte mij nog dikwijls opgewonden. Ik vroeg
+mij af: In welken staat ben ik? Zoo ik op dit oogenblik-zelf stierf, zou
+ik verdoemd worden? Ik zei tot mij zelf: Ik zal dit steentje tegen dien
+boom daar vlak tegenover mij werpen, zoo ik hem raak, is dat een teeken
+van heil, mis ik hem, dan beduidt het verdoeming. Aldus sprekend werp ik
+mijn steentje _met bevende hand en terwijl mijn hart vreeselijk
+klopte.... Sedert dien heb ik niet meer aan mijn zaligheid getwijfeld_.
+
+Blz. 168 _Fontaine de Hieron_: een instrumentje om goocheltoeren mee te
+doen.
+
+Blz. 170 _Lapidation_: steeniging.
+
+Blz. 170 _Dans ces temps-la:_
+
+In diezelfde tijden, waarin Rousseau Europa met klachten over zijn
+kwalen bezig hield, _heb ik hem nooit ongesteld gezien_; hij stapte
+voort, maakte luchtsprongen, bereikte voor de anderen de bergtoppen en
+at met zeer goeden eetlust.
+
+Blz. 171 _Il partit donc_:
+
+Hij vertrok dan en verliet dengeen, wiens hart hij had gewonnen.
+
+Blz. 171 _Lascia le donne e studia matematica_ = Laat de vrouwen maar
+met rust en bepaal je ertoe wiskunde te studeeren.
+
+Blz. 176 _La maniere dont elle s'est conduite_:
+
+De wijze, waarop zij zich na zijn dood heeft gedragen, zou voldoende
+zijn elken twijfel op te heffen, indien wij ons niet reeds volkomen
+zeker voelden door het eensgezinde getuigenis van allen, die Rousseau op
+verschillende tijdperken zijns levens hebben bezocht. Het staat dan
+vast, dat zoowel te Motiers als te Wootton en overal, waar zij haar
+meester heeft gevolgd, ze, tot in zijn laatste oogenblikken, haar best
+heeft gedaan, argwaan [p.198] en wantrouwen in hem te verwekken en te
+voeden en dat zij met het doel, met niemand zijn vertrouwen te moeten
+deelen en hem aldus beter te kunnen beheerschen, allen verdacht bij hem
+maakte, die in zijn nabijheid kwamen en erin slaagden, hem te behagen.
+Wat moet deze vrouw, die, toen zij zich te Motiers verveelde, niets
+verzuimde te doen wat er Rousseau het verblijf onverdragelijk kon maken,
+wel niet gedaan hebben in de eenzaamheid van Wootton, waar haar niets
+zoozeer na aan het hart moet hebben gelegen dan hem in de
+noodzakelijkheid te brengen, het te verlaten. Men kan dan ook verzekerd
+zijn, dat zij, om meer schijn van waarheid aan haar lasterlijke en
+valsche ingevingen te verleenen, de zegels van de aan haar meester
+gerichte brieven verbrak, die, dupe van dezen streek, er duizend
+gevolgtrekkingen uit afleidde, de eene nog vreemder dan de andere, over
+wier zonderlingheid zich echter niemand, die dit alles in aanmerking
+neemt, langer verwonderen kan.
+
+Blz. 177 _Hume, Mercier_:
+
+Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, allen, die over Rousseau hebben
+geschreven, zijn 't op dit punt eens.
+
+Blz. 179 _Je n'avois cherche d'abord:_
+
+Aanvankelijk had ik niets meer beoogd dan mij een _amusement_ te
+verschaffen. Ik _merkte_ echter, dat ik meer had gedaan en mij een
+gezellin had gegeven. Een weinig omgang met dit uitmuntende meisje, een
+weinig nadenken over mijn toestand, deden mij gevoelen dat ik, _slechts
+denkend aan mijn vermaak_, mijn geluk had gevonden.
+
+Blz. 179 _Autrefois j'avois fait_:
+
+Vroeger had ik van haar uitdrukkingen een woordenboek samengesteld, om
+Mevrouw de Luxembourg te amuseeren, en hare kluchtige vergissingen zijn
+dan ook beroemd geworden in de kringen, waarin ik heb geleefd.
+
+Blz. 180 _Enfin nous nous expliquames_:
+
+Eindelijk vond er een verklaring tusschen ons plaats: schreiend bekende
+zij mij een enkelen misstap, vrucht van hare onwetendheid en de sluwheid
+van een verleider, tegen het einde harer kindsheid gebeurd. Zoodra ik
+haar begreep, slaakte ik een vreugdekreet. Maagdelijkheid! riep ik uit,
+wie zou die dan in Parijs, bij een twintigjarig meisje nog denken te
+vinden!
+
+Blz. 181 "_Une faute_":
+
+"Een vergrijp," zegt Petitain, "dat zij hem grootmoediglijk heeft
+vergeven."
+
+Blz. 182 _Je m'y determinai gaillardement_:
+
+Luchtig-weg nam ik het besluit, en zonder het minste gewetensbezwaar;
+het eenige, dat ik had te overwinnen, was dat van Therese, die ik al de
+moeite van de wereld had, dit eenige middel, om haar eer te redden
+(sic!) te doen aanvaarden. [p.199] Het volgend jaar dezelfde zwarigheid
+en dezelfde uitweg, slechts vergaten wij ditmaal een naamcijfer aan de
+kleertjes te hechten. (Met behulp van zulk een naamcijfer kon men dan
+later, als een kind door de ouders werd opgeeischt, dit onder de menigte
+der in de vondelingenhuizen verpleegden terugvinden, v.C.) Overigens
+niet meer nagedachten mijnerzijds _noch goedkeuring_ van den kant der
+moeder: _kermend gehoorzaamde zij._
+
+Blz. 186 _Refroidissement dans Therese_ = Verkoeling in Therese.
+
+Blz. 186 "_une cerbere odieuse_" = een afschuwelijke Cerberus.
+
+Blz. 188 _Ingrat_: ondankbaar.
+
+
+ * * * * *
+
+
+II DIDACTISCH [p.203]
+
+
+ * * * * *
+
+
+VOORWOORD
+
+
+Het woord _didactisch_, voor dit gedeelte van den bundel geplaatst, moge
+veel van aard en bedoeling der navolgende opstellen benevens de
+uitvoerigheid der daarin voorkomende analysen en de lengte der citaten
+verklaren--zekere eigenaardigheden van stijl en inhoud: de gemeenzame
+toon en de, feitelijk buiten het gebied der literatuurcritiek liggende,
+min of meer moraliseerende uitweidingen, eischen, dunkt mij, willen zij
+niet ontstemmend op een algemeen lezerspubliek werken, nog korte
+toelichting. Deze opstellen, op een enkele uitzondering na, werden
+geschreven voor en verschenen in _Het Jonge Leven_, het onder redactie
+van den heer Henri Polak staande _ontwikkelingsblad_ van den A.N.D.B.
+Houdt de lezer dit in het oog, dan zal hij zich nu ongetwijfeld zoowel
+de aanwezigheid der bovengenoemde lichtelijk moraliseerende gedeelten
+kunnen verklaren--immers tot mijn lezerspubliek behoorden ook _zeer
+jonge lieden_, wien mijn gevoel mij drong het eene, dat zij al evenzeer
+van noode hebben als het andere, niet te onthouden, terwijl ik hun dat
+andere gaf--als den, hier en daar heerschenden, gemeenzamen toon, dien
+ik mij zeker niet zou hebben veroorloofd tegen een algemeen publiek aan
+te slaan, gesteld al, dat ik daartoe neiging zou hebben gevoeld, 't geen
+niet waarschijnlijk is. Hoe geheel anders echter lag hier het geval!
+Zelden heb ik bij het schrijven dezer opstellen het gevoel gemist, voor
+een _vriendenkring_ te schrijven, en allerminst toen ik de zekerheid
+kreeg, dat de _ouderen vooral_ [p.204] mijne artikelen met genegenheid
+en aandacht lazen, een omstandigheid die mij bevestigde in de
+overtuiging, dat zij ook buiten de grenzen van den A.N.D.B. een invloed
+konden uitoefenen, die het doorvoelen en begrijpen van literatuur in ons
+land, ten goede komen kan. En moge menigeen glimlachen bij de gedachte,
+dat deze "vriendenkring" van lezers zeker wel niet onder de
+twintigduizend menschen tellen zal, niet hij die de eensgezindheid in
+den A.N.D.B. kent, de georganiseerde verwerkelijking van het zoo
+moeilijk te verwezenlijken "Een voor allen en allen voor een", de
+onderlinge trouw en het ver boven materieel winstbejag uitgaande gevoel
+van saamhoorigheid; niet hij, die wel eens een "Bondsvergadering" heeft
+bijgewoond, waar al die duizenden wel elkaar schenen te kennen, en als
+vrienden zoo gemoedelijk-intiem, voor de opening der bijeenkomst in
+rustig vertrouwen met elkander praatten; waar bij alle soms hooggestegen
+verschil van meening, nooit de kalm-zekere genegenheid van de
+blijmoedige gelaten verdween, nooit ook de joviale toon van hartige
+volksboertigheid werd gemist, als wisten al die menschen wel, dat die
+ruzietjes best en waarachtig wel als kleurige verzetjes op den effen en
+diepen stroom hunner eensgezindheid mochten drijven en wat rook en roet
+uitpuffen ook, wel ja--wat hinderde dat die breede en klare rivier! Hoe
+vaak heb ik daar blijde van de naar het podium in den lichtglans
+omhooggeheven gezichten gelezen die wellicht soms nauwelijks bewust maar
+enorm sterk werkende zekerheid, hier schouder aan schouder met vrienden
+en niets dan vrienden te staan, hier veilig te staan in eenheid en door
+noest werken veroverde macht, hier heerlijk de menschen-waarde van
+zich-zelf en zijn lotgenooten te voelen, herwonnen op broodnijd, plat en
+bruut individualisme en concurrentie-haat.--Welnu, dit alles bedenkend,
+zal, vertrouw ik, de lezer zich door het gemeenzame in den toon der hier
+navolgende opstellen niet gekwetst voelen niet alleen, maar ook,
+begrijpend, hoe het voortsproot bij den schrijver niet uit een zich
+hooger voelen, doch uit een diepe en innige genegenheid, 't billijken,
+dat hij uit pieteit voor eigen gevoel--de [p.205] eerste plicht eens
+schrijvers!--het liet zoo het was.
+
+Is hiermede mijn inlichtend woord tot den lezer van dit deel van den
+bundel geeindigd, de overtuiging, dat "wie aan den weg timmert veel ...
+bekijks heeft" legt mij de verplichting op, hier nadrukkelijk het
+volgende te verklaren: zoo dit mijn werk een blijvend nut zal blijken te
+hebben gebracht; zoo er harten door zijn opengebloeid in liefde tot het
+schoone, geesten erdoor gebracht zijn tot het begrijpen en doorvoelen
+van kunst, dan prijze men hen vooral, die de gelegenheid ertoe schiepen:
+het Bestuur van den A.N.D.B. en in de allereerste plaats zijn
+voorzitter, den Redacteur van _Het Jonge Leven_, mijn waarden en
+geeerden vriend Polak, die door de ruime en hooge opvatting van zijn
+taak, het rijke genot, voor mij aan mijn arbeid verbonden, zeer heeft
+verhoogd en dus niet weinig tot het welslagen zal hebben bijgedragen;
+doch zoo het mocht blijken te hebben gefaald, dan prijze men hen niet
+minder, maar _lake uitsluitend mij_, die in volkomen onafhankelijkheid
+schrijvend wat ik wilde, een van de kostbaarste gelegenheden, zij het
+met de beste bedoelingen, zou hebben misbruikt.
+
+Maart 1914. DE SCHRIJVER
+
+
+ * * * * *
+
+
+HOE LITERAIRE KUNST GELEZEN EN GENOTEN MOET WORDEN[1] [p.206]
+
+
+Ik wil nu met u spreken over literatuur, haar wezen, haar verhouding tot
+eenige andere grootmachten van het geestelijk leven, het geluk en de
+veredeling, die zij geeft en hoe deze in u komen kunnen. Wat ik daardoor
+wellicht vermag, is: u haar te doen begrijpen met uw _verstand_. Het
+geluk en de veredeling, waarvan ik sprak, zult ge echter niet deelachtig
+worden voor gij haar zult begrepen hebben met uw _gevoel_. Is dat
+gebeurd--tegelijkertijd zijn zij in u. En gij zult een rijkdom, een
+troost, een toevlucht bezitten, wier weelde, wier innigheid, wier
+beveiliging aan niets geleken kan worden, dat ge voor dien bezat. Maar
+ook het eerstgenoemd begrijpen is geen geringe winste, en zal voor
+sommigen uwer allicht het middel blijken te zijn, het laatstgenoemde te
+bereiken. Veel zal afhangen van uw aanleg, uw ernst, uw wil, uw al of
+niet inzien van de waarheid, dat op dat hooger levensplan, waarop wij
+allen toch wenschen, dat ge eens zult staan, dit begrijpen noodig is als
+brood, als werk. De bibliotheek-statistiek van onzen Bond is niet
+bemoedigend. Ware die de steunstaf van mijn hoop, zij deed beter met
+niet op weg te tijgen; zinnelijkheid en lust tot grof romannetjes-
+geprikkel, verlangen naar verhit "geboeid"-zijn, deze, leert die
+statistiek, zitten bij de massa uwer voor, zijn haar raadgevers bij het
+boeken-kiezen. Maar mijn hoop [p.207] leunt op een anderen staf: de
+adeldom van uw strijd, de worsteling uwer klasse. Die strijd is ook de
+groote Drijver, die u drijft. Zelf edel, stoot hij u het edele van het
+leven tegemoet. Hij de hijgend zwoegende, bezweet en zwart, worstelt uw
+massa op de hooge wegen, waar de blanke, lichte gedaanten staan:
+Wetenschap, Kunst, Vrijheid. Gij moogt weerstaan of niet, hij stoot u
+op. En telkens gaat zijn vorschersblik omhoog en zwaar ademend berekent
+hij den afstand, de terugwenteling stuitend op zijn reuzenborst; dan
+ziet hij weer naar ons, de medehoeders, mede-werkers, die in spanning
+wachten of zij mogen helpen.... Soms mogen wij dan, een enkel maal
+kunnen we.... Dit stuk wil zulk een hulp zijn.
+
+ * * * * *
+
+Begin met dit goed te begrijpen: een voorwerp is altijd min of meer voor
+_eenige_ doeleinden geschikt. Al naar uw inzicht, oogenblikkelijke
+behoefte, of door noodzakelijkheid gedreven, zult ge 't voor een dier
+doeleinden gebruiken, maar afgezien van waarvoor gij 't gebruikt zal het
+_uit zijn eigen aard_ voor een of eenige van die verschillende
+doeleinden _het meest_ geschikt zijn. En luister nu goed: wendt ge 't
+aan, waartoe 't _het meest_ geschikt is, dan _ge_bruikt ge 't, wendt ge
+'t echter voor iets anders aan, dan _mis_bruikt ge 't. Ten overvloede,
+zoo ik meen, zal ik u dit met een concreet voorbeeld verduidelijken: een
+tafel, niet waar, kunt ge als tafel, maar ook als stoel, maar ook als
+brandhout gebruiken! Behoef ik U nu te zeggen, dat ge hem alleen als
+tafel gebruiken, als stoel of als brandhout slechts misbruiken kunt?!
+Zoo is 't op stoffelijk, maar zoo ook op geestelijk gebied. Nemen we nu
+ook een concreet voorbeeld op geestelijk gebied en kiezen we daartoe een
+roman, _welke tevens een literair kunstwerk is_, Zoo'n roman dan is een
+geschiedenis van zekere menschen. Die menschen, die natuurlijk ook
+spreken in dien roman, verkondigen meeningen; het blijkt u, dat ge 't
+eens zijt met die meeningen, of dat ge 't oneens zijt, ja, ze zelfs
+verfoeit! Verder: de toestand, waarin de menschen in dien roman
+verkeeren, schijnt u te pleiten voor uwe overtuiging of
+levensbeschouwing, [p.208] of wel daartegen; of: er worden door die
+roman-menschen sexueele handelingen gepleegd, waarvan het meer of minder
+uitvoerig relaas uwe zinnelijkheid prikkelt. Waartoe moet die roman, die
+dit alles doet, vertelt en bevat, _maar ook een kunstwerk is_, u nu
+dienen? Moet ge blij zijn, omdat die roman-menschen meeningen
+verkondigen, die met de uwe strooken, of treurig zijn om het tegendeel?
+Moet ge verheugd zijn, omdat de toestand, waarin die roman-menschen
+verkeeren, voor uw levensbeschouwing pleit, of verdrietig en toornig,
+wijl hij ertegen schijnt te bewijzen? Moet ge door 't relaas der
+sexueele handelingen uwe zinnelijkheid laten prikkelen? _Of wel, moet ge
+dien roman als_ KUNSTWERK _op u laten inwerken_ en dus ervan hebben:
+dat hooge geestelijke genot, die veredeling, die ver van kleine
+blijdschap, ver van toorn, ver van verdrietelijkheid, ver van
+innerlijken strijd zijn: een zoete effenheid, toch niet zoo effen of zij
+rimpelt heuveltjes van glinsterende verrukking op, als een deinend water
+onder zonlicht?
+
+Behoef ik U nog wel te zeggen, dat die roman, _die een kunstwerk is, het
+meest uit eigen aard_ geschikt is, om _als kunstwerk_ te worden genoten
+en dat ge hem dus _mis_bruikt en niet _ge_bruikt, zoo ge iets anders er
+mee doet! En hoedt u voor misbruik van geestelijken rijkdom! Ge kent wel
+het begin der schade, maar het verre einde niet: de algeheele verwarring
+van denkbeelden, het ongemerkt-langzaam maar zeker verergerend gebrek
+aan onderscheidingsvermogen, de verstomping en verblinding van het
+verstand en het gevoel door eenzijdige ontwikkeling. Misbruik is
+verspilling, en een opkomende en worstelende klasse heeft niets, geen
+splinter zelfs, te verspillen.
+
+ * * * * *
+
+"Maar," vraagt ge nu, "hoe bereiken we dit, zulk een roman als kunstwerk
+te genieten. Wij erkennen, we voelen ons verheugd als het verhaal en de
+toestand der menschen in het verhaal voor onze levensbeschouwing, voor
+onze politieke inzichten, voor de juistheid van ons geloof of ongeloof
+pleiten, [p.209] toornig en verdrietig vaak bij het tegenovergestelde.
+Ja, wij erkennen, dat er onder ons menigeen is, die leest, om zijn
+zinnelijkheid te prikkelen. Zeg gij ons nu hoe we dit alles vermijden
+kunnen en hoe we kunnen geraken tot dat hooge genot, dat gij bedoelt.
+Want als gij zegt, dat deze onze blijdschap en onze toorn, dit ons leed
+en ons verdriet niets met kunstgenot te maken hebben, ja, dat we dit
+laatste zelfs kunnen hebben van een kunstwerk, welks geheele inhoud
+lijnrecht tegen onze inzichten schijnt in te druischen, dan begrijpen
+wij zelfs niet wat kunstgenot is."
+
+Welnu, ik verlang niets liever dan u dit alles duidelijk uiteen te
+zetten. Juist met die bedoeling heb ik mij nu aan het werk gezet. En
+indien ge maar welwillend en met volle aandacht naar mij luisteren wilt,
+dan kan ik 't ook. Want ik zeg niet quasi-bescheiden, dat ik 't meen te
+weten, maar ik zeg stellig en vast, omdat ik 't aldus voel, dat ik 't
+onwrikbaar zeker weet. Gij zult ook later inzien, dat de meening van
+velen voor wie gij hoogen eerbied hebt en die dien eerbied ten volle
+verdienen, met de mijne in strijd is. Maar daarom moogt ge nu niet aan
+mij twijfelen, doch daar ik uw raadsman ben, aannemen wat ik zeg, tot
+ge-zelf oordeelen kunt tusschen hen en mij. Bij eenigen uwer, begaafden,
+zullen mijn woorden als een voleindende verheldering zijn. Zij zullen
+plotseling veel in hun eigen voelen begrijpen, wat hun verstand tot nu
+toe niet verklaren kon. Dezen hebben met hun gevoel begrepen, voor zij
+'t met hun intellect konden doen. Bij de anderen zal mijn betoog echter,
+gelijk reeds werd gezegd, slechts een begrijpen-met-het-verstand
+veroorzaken, voor ook dezen zich-zelf tot een begrijpen-met-het-gevoel
+zullen gebracht hebben, zullen zij niet mogen oordeelen.
+
+ * * * * *
+
+Zie eerst het onderscheid tusschen wetenschap en kunst: Wetenschap is:
+het onderzoekende, betoogende en bewijzende. Kunst is: het
+intuitief-ontvangende en het in-schoonheid-en-blijdschap-herscheppende.
+_Vraag daarom aan de kunst geen [p.210] onderzoek, geen betoog en geen
+bewijs. Vraag haar schoonheid en afspiegeling van scheppingsvreugde
+alleen_.
+
+Wetenschap is het keurende, schiftende, scheidende. Kunst echter is het
+alles-omvattende. _Verwonder u daarom niet, dat_ ALLES _wat bestaat in
+haar verheerlijking wordt opgenomen_. Wat bestaat in de stoffelijke en
+wat bestaat in haar eigen verbeeldingswereld. Zij herschept en
+verheerlijkt--want dit is een voor haar--zoowel het kleine leven der
+dieren. (_Maeterlinck_) als het supreme leven der onstoffelijke werelden
+(_Dante_). Zij herschept en verheerlijkt een rottend lijk (_Velasquez_)
+zoowel als het heerlijkst ontbloeien van jong leven (_Herman Gorter:
+Mei_, bijv. en ontelbare Anderen.) Zij herschept en verheerlijkt de
+diepste afgronden van het misdadige en zinnelijke denk-voelen (_Les
+Chants de Maldoror_) zoowel als het tegelijkertijd heerlijke en
+smartvolle zich verliezen in een ander, wat een zeer liefdevolle en
+hooggestegene bereikt heeft (_Epipsychidion_ van _Shelley_). Gij ziet,
+ik beweer niet, dat zij dit alles doet, maar ik bewijs het u. Wat is
+haar dan "onderwerp," wat zijn haar "meeningen" en "overtuigingen"! En
+wat mogen zij u dan zijn, terwijl gij tot haar komt, gij, die haar wilt
+genieten! Zij herschept het alles in vreugde en die vreugde is om hare
+eigen scheppingskracht. _Die vreugde te hergenieten, dat is het
+kunstgenot_. Ik zal u ook van deze stelling, voor zoover dat kan, een
+verduidelijkend voorbeeld geven: In een vriendenkring, waartoe ik
+behoorde, las een voor uit Gorter's _Mei_--Balders afscheid van Mei.
+--De voorlezer was zoo door aandoening overmand, dat over zijn gelaat
+die eigenaardige huiveringen bleekten en om zijn lippen die glimlach
+van opperst en edel geluk was, welke aan de gelaatsuitdrukkingen van de
+Verklaarden der middeleeuwen, in religieuse extase, doen denken. Toen
+hij geeindigd had en vrijwel uitgeput en zwaar uitademend met gebogen
+hoofd voor zich staarde, de edele glimlach tot een trek van
+moeheid-door-geluk vervaagd, zei een der vrienden tot hem: "Jij had den
+glimlach van het genie van den maker op je gezicht." En zoo was 't ook:
+hij had 't opperst kunstgeluk gehad. Want, nog eens: Het opperst geluk,
+door kunst te [p.211] verkrijgen, is: _het hervoelen van de verrukking,
+die de schepper van het kunstwerk bij het scheppen had_.
+
+ * * * * *
+
+Noodwendig moet nu echter, na dit alles te hebben gelezen, een twijfel
+in u ontstaan. "Kunst verheerlijkt dus wat zij herschept," zoo zult ge
+vragen, "kunst maakt dus mooier wat zij ziet, zij siert dus op, wat is
+dat anders dan de dingen leugenachtig voorstellen?! Trouwens, zij moet
+wel alles in een begoocheling zien, hoe kan zij anders, een rottend lijk
+afbeeldend, een schoon kunstwerk maken!"
+
+Dien twijfel zal ik nu van u wegnemen: Het zien der kunst ont-dekt de
+hoogste door menschen te doorvoelen waarheid, maar uw zien stelt u de
+dingen leugenachtig voor. Gij ziet ze oppervlakkig, kent ze niet in hun
+echte, diepe wezen, noch in hun samenhang met het andere; de kunst
+echter ziet ze in hun menschelijk-erkenbaar diepste wezen, kent ze bij
+intuitie tot in dien grond van hun aard en in hun samenhang met het
+andere.[2] _En overal, waar die diepste aard van een ding gekend en
+allernauwkeurigst weergegeven wordt, is die_ WEERGAVE _en de_ DAAD
+_van het_ WEERGEVEN: _Schoonheid. En die schoonheid is de
+verheerlijking_.
+
+Weer een voorbeeld: waarom zijt gij, die dit leest, zoo vaak
+gedachteloos en zonder iets te voelen door uchtend- of avondschemering
+gegaan en waarom zijt ge dan zoo verrukt en voelt zoo vreemde raadsels
+in haar en in u-zelf, als een kunstenaar ze heeft herschapen? Omdat die
+kunstenaar haar diepste essentie heeft doorvoeld en dat diepe wezen
+heeft afgebeeld. Heeft hij die avondschemering nu vermooid en opgesierd?
+Neen, neen, dan zoudt gij die beelding als een leugen voelen. Maar
+integendeel, gij voelt, dat u nu eerst de oogen opengaan, dat ge pas nu
+de waarheid ziet. En ge bekent u-zelf, [p.212] dat hij haar heeft
+gegeven, zooals zij werkelijk was, gij echter slechts, om eens zoo te
+spreken, haar altijd aan 'r oppervlakte hadt gezien en dus niet, zooals
+zij werkelijk was.
+
+ * * * * *
+
+"Maar," zoo zult ge nu vragen, "als dit alles zoo is, waarom komt het
+dan zoo dikwijls voor, dat een kunstenaar zich, bijvoorbeeld,
+uitsluitend aangetrokken voelt tot het afbeelden van bloemen, 'n ander
+tot het afbeelden van menschen, een derde weer zich alleen tot dieren
+bepaalt. Hun moest toch alles even lief zijn, daar zij van alles, het
+eigen, diepe wezen eens ontdekt, een kunstwerk scheppen kunnen? Maar dit
+niet alleen: als deze kunstenaar zich dus al afwendt van het eene en die
+van 't andere, hoe kunnen wij, niet-kunstenaars, dan in alles de
+schoonheid zien en de blijdschap erom voelen?!" En ziehier mijn
+antwoord: de gewoon-menschelijke neigingen van den kunstenaar, de graad
+van ontwikkeling zijner psychische gaven zullen bepalen, dat voor het
+verborgen, eigen, diepe wezen van het eene ding zijn oogen geopend, voor
+dat van een ander ding zijn oogen gesloten zullen zijn, dit laatste zal
+hij dus niet in kunst kunnen herscheppen. Met u is het echter anders
+gesteld: van u wordt niet geeischt, dat gij de omhulde diepte van de
+dingen in de natuur _ont_hullen zult. Van u wordt slechts geeischt, dat
+gij dat diepe wezen zien zult _zooals het, reeds door den kunstenaar
+onthuld, in een kunstwerk voor u staat_.
+
+Indien een kunstenaar niet tot het kernwezen van bijv. menschen kan
+doordringen, dan beteekent dit, dat de uiterlijke verschijningsvorm van
+die menschen iets in zich heeft, wat hem dat belet. Indien gij echter
+een _kunst_afbeelding van menschen voor u krijgt, dan kan er in den
+uiterlijken verschijningsvorm van die menschen niets zijn, dat U dit
+belet, om de eenvoudige reden, dat--er geen alleen-uiterlijke
+verschijningsvorm meer is en de innerlijke met volle openbaring van
+kernwezen daarvoor in de plaats is getreden!
+
+[p.213] Zoo meen ik u dus, voor zoover het mij in dit korte bestek
+mogelijk was, te hebben aangetoond: het wezen van kunst; de aanwezigheid
+van scheppingsvreugde bij het scheppen van een kunstwerk; dat het
+hoogste kunstgenot het hervoelen van die scheppingsvreugde en het
+beschouwen van de scheppingsdaad in haar bewegingen is; dat men daartoe
+komt door de hooge waarheid van een kunstwerk in te zien; dat de
+heerlijkheid en schoonheid van iets in kunst gebeeld, bestaan uit de
+allernauwkeurigste, innigst-ware weergave van het meest eigene, diepe
+van dat iets. Hiermede heb ik de hoofdzaken gerecapituleerd. Maar nog
+niet heb ik u duidelijk genoeg gezegd, hoe ge u zelf opvoeden en
+op-leiden kunt tot dat zoo-zien van een kunstwerk, tot dat zoo-hervoelen
+der scheppingsvreugde. En dit zal ik nu doen.
+
+ * * * * *
+
+Er is zeer veel overeenkomst tusschen een kunstenaar en den waarlijk
+genietenden beschouwer van een kunstwerk: de kunstenaar beschouwt,
+doorgrondt, herschept en voelt vreugde en evenzeer de
+waarlijk-genietende beschouwer, ziet, doorgrondt, erkent ten slotte als
+waar en voelt vreugde. Waar de wegen dus zoo parallel loopen en ten
+slotte zelfs eindigen in hetzelfde punt, zal het ongetwijfeld groot nut
+hebben, zoo we nauwkeurig en van nabij den weg van den kunstenaar
+bezien. Ten eerste dus: hoe geraakt een kunstenaar ertoe den diepsten
+aard van een wezen te zien? Door op dien tijd zich-zelf af te sluiten
+voor het weten der begrippen, waarin de wetenschap: ethica, politieke
+economie, enz. enz. haar waardebepaling van dat wezen heeft neergelegd.
+Hij moet dieper zien dan de ethica, de politieke economie, enz. enz.,
+hij moet de opperste, innigste, onvervreemdbaar-eigen waarde van dat
+wezen zien, en de waarde-bepalingen van de ethica, de politieke
+economie, enz. enz. kunnen hem slechts misleiden en verblinden. Hoe zou
+zich die misleiding en verblinding, in hem, uiten? Hij zou zich afkeerig
+of bewonderend, toornig of welwillend voelen. Dus niet onpartijdig en
+objectief. [p.214] En hij moet wel objectief zijn.[3] Ten tweede: wat
+gebeurt er nu in hem, terwijl hij door objectief aanschouwen den
+waarlijk-eigen aard van een wezen of ding erkend heeft? De drang
+ontstaat in hem, om alles wat hij gezien heeft, te herscheppen. Terwijl
+hij dit doet en, al doend, voelt te zullen slagen, is er een zeer hooge
+en groote vreugde in hem, en om de schoonheid van zijn erkennen en om
+die zijner macht, dat wat hij erkend heeft te herscheppen. _Het zijn
+deze: de schoonheid van des kunstenaars erkennings- en
+herscheppingsvermogen, en zijn vreugde daarover, die de eigenlijke
+schoonheid van de bovengenoemde "allernauwkeurigste, innigst-ware
+weergave" zijn en dus levens, nu ten diepsten grond gepeild, de eenige
+waarachtige schoonheid van een kunstwerk uitmaken._[4]
+
+Doet een kunstenaar dit willekeurig: zich-zelf sluiten voor al wat niet
+is het doorvoelen van den eigen, diepsten aard van een wezen of ding?
+Neen, dit is hem aangeboren, hij moet dit doen. Het is hem aangeboren
+alles te vergeten voor dit eene, terwijl hij aanschouwt en herschept.
+Een opperst concentratievermogen van het denk-voelen wordt hier
+vereischt. Zoo ergens, dan is hier het woord waar: "Niemand kan twee
+heeren dienen." Geen mensch kan schrijven om den roem, geen om het geld,
+geen om te hervormen en tegelijkertijd een kunstwerk scheppen. Alleen,
+wanneer hij op het objectief aanschouwen van den diepsten, eigen aard
+van een wezen of ding zijn geheele denk-voelen concentreert, kan hij 't.
+En omdat dit concentratievermogen zoo uiterst sterk moet zijn, kan
+niemand het door den wil verwerven, maar het moet van zelf aanwezig zijn
+en integendeel den wil beheerschen. Dan is men kunstenaar.
+
+_L'art pour l'art--De kunst om de kunst, d.w.z., dat de kunst
+uitsluitend om haar-zelfs wille en zonder eenige bijgedachte of eenig
+bijoogmerk gediend moet worden, is daarom een volmaakt juiste stelling_.
+
+ * * * * *
+
+[p.215] Hoe moet gij nu, leerend uit het bovenstaande, handelen, om de
+schoonheid van een kunstwerk te zien en de vreugde van zijn maker te
+hervoelen?
+
+Gij moet, gelijk hij, u-zelf sluiten voor alle die begrippen, waarvoor
+hij zich sluit.
+
+Waarom kunt gij dit _willekeurig_, terwijl hij dat toch niet kan? Omdat
+er een ontzaglijk groot verschil is tusschen de benoodigde sterkte van
+uw concentratievermogen en die van het zijne. Het zijne moet sterk
+genoeg zijn, om door de misleidende omhulling, tot de kern van het te
+herscheppen wezen of ding door te dringen. Voor het uwe biedt die kern,
+door hem onthuld, open en bloot zich aan. Het uwe volstaat dus met van
+slechts zoo zwakken aard te zijn, dat het zich door ieder normaal mensch
+willekeurig door oefening laat verwerven.
+
+Wat moet gij dus, nu in bijzonderheden herhaald, _laten_?
+
+Gij moet, bij het zien van een kunstwerk, _nalaten_ eraan te denken, wat
+de zedeleer van den inhoud der voorstelling zegt, wat uw politieke
+opvatting ervan zegt, wat uw economische ervan zegt. Gij moet u _niet_
+laten beinvloeden door het feitelijke der voorstelling: niet toornig
+gestemd, niet welwillend gestemd en niet zinnelijk worden.
+
+En wat moet gij dan _wel_ doen?
+
+Gij moet u zoo volkomen mogelijk overgeven aan het denk-voelen, dat niet
+dralen zal bij u op te komen, indien gij het bovenstaande slechts laat.
+Wat is dit denk-voelen, in woorden uitgedrukt? Ongeveer dit: "Hoe
+heerlijk waar en echt is deze voorstelling, hoe schitterend mooi en
+juist heeft de kunstenaar dit gezien en weergegeven." Dan zult gij de
+hooge vreugde hervoelen, die ook hij gevoeld heeft. En gij zult die
+vreugde voelen om het vermogen van een ander! Want in u-zelf zult gij
+juichen: Hoe blij ben ik en hoe in-gelukkig dat er zulk een mensch, die
+dat kan, bestaat, en hoe houd ik van dien mensch....
+
+Wat is meer altruistisch, wat veredelender dan dit....
+
+Dan zijt ge in waarheid kunst-genieter.
+
+ * * * * *
+
+[p.216] "Maar," zoo zult ge nu vragen, "als die stelling: "De kunst om
+de kunst" juist is. Als wij door een kunstwerk bijvoorbeeld niet langer
+het ongeluk van het proletarisch bestaan des te vlijmender mogen voelen,
+niet langer ons laten aanvuren in onzen mooien strijd, doen wij dan wel
+goed ons aan kunstgenot over te geven? Wij voelen als eersten plicht
+onzen strijd te strijden, en alles wat ons daar niet in helpen kan
+moeten wij laten."
+
+En zeker, antwoord ik, met dit laatste hebt gij gelijk. Maar de zaak is,
+waaraan gij niet denkt, dat juist het genieten van kunstgenot u helpen
+zal in uw strijd. Telkens als gij zoo zult genoten hebben, zult gij een
+beter mensch zijn geworden, al weet en voelt gij dat zelf niet dadelijk;
+een beter mensch is een sterker mensch en hoe sterker hij is, hoe meer
+hij vermag.
+
+_Omdat uw strijd edel en goed is, helpt gij hem onwillekeurig strijden,
+telkens wanneer ge iets goeds doet, wanneer gij zelf edeler wordt_.
+
+_Als gij u rein houdt in woord en in daad, strijdt gij uw strijd! Als
+gij u goed voedt, als gij uw maatschappelijk inzicht scherpt, als gij
+eerlijk tegen vriend en vijand zijt, strijdt gij uw strijd. En als gij
+kunstgenot voelt, rein en diep en onvermengd, dan niet minder strijdt
+gij uw strijd_![5]
+
+30 Augustus 1909.
+
+
+ * * * * *
+
+
+OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE. [p.217]
+
+
+I.
+
+
+Na 't Hollandsch laagland met z'n gevaarlooze wegen, z'n kabbelende
+rivieren, zijn gecultiveerde bosschen, z'n heldre dorpen met kerk en
+torentje, z'n langzaam op-schemerenden ochtend en neerschemerenden
+avond; na de Hollandsche wei met de haasteloos-mummelende koetjes; na de
+Hollandsche binnenkamers met hun stoffage van begouwenaarde burgerheeren
+en, meest 'n weinig houterig, vrijende jongelingen en jonge dochters, na
+al dit gemoedelijke, zich-zelf gelijk blijvende en veilige--plots nu een
+tropisch bergland, met ravijnen en neerdonderende stroomen, met
+oerwouden, waar leeuw en tijger brullen, en gij, zoo ge u er waagt, de
+beet en omkronkeling van slangen zult hebben te vreezen; een land met
+rook-bepluimde vulkanen, wier inwendig vuur de wijngaarden en
+olijfbosschen op de hellingen eerst koesterend doet zwellen van olie en
+wijn, om dan, vroeg of laat den krater uitgebarsten, zijn eigen teelt te
+vernielen in een brandende giftuitstrooming, door een slag; met dorpen,
+des nachts vol zwoelheid van doffe geuren en zwaarmoedige deunen, waar,
+daags, een wijsgeer u als bedelaar nadert, en wien ge voor een Grande
+hieldt, een bedelaar blijkt; waar de liefde geen braaf-burgerlijke
+vrijage, maar hartstocht en heet begeeren is; een land waar nauwelijks
+afkeer zijn kan, of zij groeit tot haat. Een Indisch land, waar de
+ochtend bruusk [p.218] den nacht afwerpt, als een mensch zijn kleed, en
+de dag niet langzaam heengaat, maar zich snel het masker van den nacht
+voorbindt, als had hij zich verlaat en schoot het hem plots te binnen,
+dat hij den wezens de rust moet gunnen, die onder de stralen van zijn
+gelaat niet mogelijk is.... Een land, waar alles grillig, uitbundig en
+snelwisselend is....
+
+In minder woorden: na het talentvolle, het geniale; na het afgepaste en
+zeer wel vermoedbare, het uitbruischend onberekenbare.... Ziedaar: na
+_Hildebrand: Multatuli_![6]
+
+ * * * * *
+
+Ik erken het volmondig: een geweldenaar als _Multatuli_, met zoo
+vrouwelijke zachtheid als zijn gemoed bezat; een hater met zooveel
+liefde; een beeldstormer met dat eene verlangen: plaats vrij te maken
+voor zijn reuzenbouw van rechtvaardigheid en menschenmin en schoonheid;
+zulk een met zoo groote fouten en ontzaglijke deugden, is voor de jeugd
+vol gevaars. Want zijn deugden trekken haar maar aan voor korten tijd:
+zoo deugdzaam te zijn is wel een tikje moeielijk! Maar zijn gebreken,
+wellicht, in zekeren zin, niet minder grootsch en schoon van sterke
+menschelijkheid, die zijn makkelijker en genoeglijker na te bootsen!
+Zoo denken ten minste de mannen en vrouwen in den dop. _En dit is het
+gevaar._ Men moet het echter onder de oogen zien, men kan 't niet
+mijden, tenzij men een bedeesd en braaf moederskindje is, dat aan
+huiskamers en warme kachels, benevens beekjes, wolkjes en molentjes
+dicht bij honk, zat genoeg heeft en nooit naar bergen en bergstroomen,
+olijfbosschen en wijngaarden verlangt.
+
+_Multatuli_ heeft in onze kringen, lang voor de stichting van onzen
+Bond, een geweldige rol gespeeld. En dit sproot nu juist niet voort uit
+de bijzondere beschaving in die kringen, uit ontvankelijkheid voor het
+subtiel-schoone en fijn-geestige--och och heere neen, ook hier heeft de
+Bond bijna alles te doen [p.219] gehad....--maar uit twee geheel andere
+oorzaken. De eerste was, dat men in _Multatuli's_ werk zag een vrijbrief
+voor, een rechtvaardiging van 'n soort gene-looze en zich op zich-zelf
+beroemende bandeloosheid; de tweede echter, van edele natuur: dat die
+onontwikkelde, maar daardoor wellicht des te frisscher menschen voelden,
+dat er iets nieuws, schoons, machtigs en van-kracht-heerlijks in hen
+openbrak, door hem. Wilt ge weten wat dat was?... 't Was hun
+revolutionnair gevoel! Dat, vrienden, is misschien het mooiste in een
+mensch. Het is 't opstandsgevoel tegen rechtsverdraaiing en leelijkheid
+in het leven. Dat wrokt en brandt in zoo'n jongen mensch. Toch brandt
+het maar met 'n heel klein vlammetje dikwijls, maar het leven vraagt
+daar niet naar, gooit elken dag weer nieuwe brandstof op, die door dat
+kleine vlammetje _niet_ verteerd wordt.... Dat geeft een teveel, dat
+geeft een drukking.... Zoo nu en dan schiet het vlammetje weer wat
+hooger op, maar er zijn nog dompers: "fatsoen," traditie en
+verkapitalistischt, vermaatschappelijkt, verwrongen kerkgeloof, en zoo
+waar, zoo'n jongmensch gebruikt die dompers zelf! Dat heeft men hem zoo
+geleerd. Tot daar plotseling zoo'n kerel, zoo'n reus bij hem binnenkomt,
+en die vraagt hem niet of hij 't goed vindt en ook niet aan "de menschen
+die zooveel ouder en wijzer zijn dan hij," maar die slaat kort en goed
+voor zijn oogen al z'n dompers stuk. En daar schiet zijn vlam omhoog en
+gaat ze heerlijk branden.... En hij begrijpt dat die man een weldoener
+van hem is ... o God, wat heeft z'n jong hart hem dan lief ... hij zou
+hem om den hals wel willen vliegen.... Welnu, zulk een man was
+_Multatuli_, en daarom hadden die verachte diamantslijpers hem zoo lief
+en dweepten met hem en omarmden hem.... Och neen, ze begrepen hem niet,
+wat je _begrijpen_ noemt, geen denken aan; wat kunnen hun zijn
+fijnheden, de rapheid zijner wendingen, het overdonderende zijner
+strijdhaftige geestigheid geweest zijn; maar zij begrepen, zij voelden,
+dat dit de stem was van hun eigen, gesmoorden haat; het ziende oog van
+hun hulploos, onbestemd en blind verlangen; de sterke hand, die hun
+tastende zwakke handen greep; zij zagen eindelijk eens [p.220] het
+ongekende wonder van een heerlijk mensch, die maling had aan de
+machtigen, aan de rijken; het wonder van een mensch, door wien een god
+had mogen spreken, en die nochtans niet anders dan der armen en
+verdrukten mond wou zijn! Wat schatten van liefde en dankbaarheid heeft
+hun ziel zich door hem verworven. Hoe hebben zij toen, in hun donker
+leven, door hem de heilige geestdrift gekend. En wie weet, of niet hij
+'t was, die voor 't eerst dat mooi-menschelijke in hen wekte, welks
+prachtige opvaart hun eenheid in den Bond verrijzen deed....
+
+Maar met dat al: dwepers kunnen geen maat houden. En daarvoor wil ik u
+behoeden. En trouwens, wat hun 't noodigste was, is het nog daarom u
+niet. Gij behoeft niet meer gewekt te worden. Gij zijt wakker, daar ben
+ik zeker van. En die brandstof in u, die voedt geen
+persoonlijk-revolutionnair, geen klein-flikkerend vlammetje meer, maar
+hij helpt mede-voeden dat zekere en klare licht, dat socialisme heet.
+Daarom: gij zult en moet _Multatuli_ kalmer genieten, gij zult
+onderscheiden leeren. En o, vooral, gij moogt niet in de fout vervallen,
+waarin zij vervielen:
+
+... Een ieder mensch, een _mensch_, die met een Groote verkeert, voelt
+vroeg of laat den drang, dien te gelijken. Die drang kan hem heilzaam,
+maar ook onheilbrengend zijn. Heilzaam is zij hem, wanneer hij denkt:
+Die groote mensch, dien ik zoo liefheb, is toch een mensch, hij moet dus
+gebreken hebben. Laat ik oppassen dat ik niet, door mijn overgroote
+liefde verblind, die gebreken overneem. Want die fouten, welke in 't
+geheel van zijn ontzaglijke persoonlijkheid zoo gering lijken, zouden
+mij, kleine, verpletteren. Laat mij groeien en genieten van zijn
+voortreffelijkheden. Maar laat mij ook hierin wijs zijn: laat mij hem
+niet _nabootsen_ in zijn deugden, want naaepen, dat is het werk van apen;
+de plicht en het verlangen van menschen is: blijde te zijn met, te
+genieten van het goede; hun wijsheid: te weten dat daardoor hun wezen
+van zelf groeit en _natuurlijk_ en _geleidelijk_ beter wordt. Wat voor
+_uw_ wezen van _zijn_ voortreffelijkheid geschikt is, dat eigent het
+zich van zelf toe, mits gij u maar zoover opwerkt, dat ge [p.221] die
+voortreffelijkheid kunt begrijpen en beminnen. Maar nabootsen, _vooral
+niet_! Een mensch, die van de zon geniet, moet daarom niet voor zon
+willen gaan spelen, noch zich verbeelden, dat hij stralen schiet....
+Om u nu reeds in dit inleidend stuk het onderscheiden van Multatuli's
+deugden en gebreken makkelijker te maken, zeg ik dit: zijn deugden
+waren: een sterk ontwikkeld bewustzijn van eigen hooge waarde; een
+machtig revolutionnair sentiment; een onbegrensde menschenliefde: een
+heftig begeeren naar waarheid (welke hij echter nog minder vaak kon
+bereiken dan hij anders had gekund, wijl hij gehinderd werd, ten eerste:
+door de bitterheid van zijn geest, ontstaan door het ondervonden
+onrecht; ten tweede: door zijn groote menschelijke en
+kunstenaars-ijdelheid, waardoor hij niet nalaten kon te "poseeren"); een
+in-staat-zijn zich op te offeren en een onwrikbaar vasthouden aan wat
+hij goed en recht achtte.
+
+Zijn deugden, als kunstenaar, waren: een ontzaglijk doorvoelings-en
+uitbeeldings-vermogen (dat echter geschaad werd door een groot gebrek
+aan objectiviteit); een vlijmscherp taal-begrip; een buitengewoon
+geestig vernuft (dat m.i. slechts overtroffen wordt, maar dan ook ver,
+door den grooten _Heine_, van wien hij trouwens veel geleerd heeft); een
+rijke fantasie.
+
+Zijn gebreken, ik heb er reeds eenige genoemd, waren meest de keerzijden
+van zijn deugden: een anarchistische neerhalingswoede (keerzijde van
+zijn revolutionnair sentiment); een soms zeer lichtzinnig oordeelen over
+alles, wat hij maar gemoette (keerzijde van zijn
+uiterst-vlug-denken-kunnen); een soms enorme zelfoverschatting en
+minachtend neerzien op de allergrootsten (keerzijden van zijn
+hooggestemde zelfachting); een uittartende en pralerige opzichtigheid
+(keerzijde van zijn heldenmoed).--Gij moet dus, ik herhaal 't, zeer
+critisch tegenover hem staan, u voor kinderachtige naaeperij, waartoe
+deze suggestieve persoonlijkheid iemand makkelijk verleidt, zorgvuldig
+bewaren en bovenal _dit_ goed begrijpen: dat de ontkennende, de
+_negatieve_ houding van zijn geest, die _hem_ schoon stond, wijl hij
+_groot_ was, en [p.222] _leefde in een tijd, die dat noodig had en 't
+als 't ware zelf deed geboren worden_, u leelijk zou staan, niet alleen
+wijl gij _niet groot_ zijt, maar omdat gij in een tijd leeft, die ook en
+bovenal een _positieve_, een _bevestigende_ geesteshouding noodig heeft:
+_het innig geloof in de waarachtigheid van het socialisme._ Vroeg _zijn_
+tijd een ongebreideld, een naar eigen begeerte kampend mensch, _deze_
+vraagt _gehoorzame soldaten_ voor het groote leger, dat strijdt in alle
+landen voor menschenrecht en menschengeluk, soldaten niet gedrild tot
+tucht, maar uit eigen weten en eigen vrije keus de tucht verkiezend
+boven tuchteloosheid. Houdt ge u aan dit alles, wat ik u heb gezegd, dan
+kunt ge zonder vrees dat oostersch-vreemde en prachtig land, dat
+_Multatuli's_ werk is, bereizen en moedig de hellingen van dien
+trotschen berg beklimmen, waarop bosschen vol van sappige vruchten
+staan. Wat mij betreft, ik zal het nu bij deze, naar mij dunkt niet
+ongemotiveerde, waarschuwing en uiteenzetting laten, en in de volgende
+artikelen de _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_, haar zooveel
+mogelijk los makend uit de _Ideeen_ waarvan ze een deel is, zuiver
+letterkundig behandelen, gelijk ik dat met Hildebrand's _Familie Kegge_
+heb gedaan.[7]
+
+
+ * * * * *
+
+
+OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE [p.223]
+
+
+II
+
+
+In de _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_, zooals die nu, helaas
+onvoleindigd, voor ons ligt, hebben wij in de allereerste plaats te zien
+een poging tot weergave der geleidelijk voortschrijdende geestelijke
+ontwikkeling van een geniaal kind--Woutertje-zelf--; in de tweede
+plaats een schets van: het Hollandsche volksleven:--_Femke_ en haar
+moeder, _Gerrit Sloos, Klaas Verlaan_, de joodsche familie _Roebens,_ de
+illuminatie-avond, enz.--; de klein-burgers:--de _Pietersen_, juffrouw
+_Laps_, e.d.--; de "deftige" burgerij:--de _Kopperlith's_: typen van het
+dwaze, opgeblazen parvenudom, met zijn sleep van kruiperige loonslaven,
+en de _Holsma's_: ietwat geidealiseerde beelding eener verstandige,
+liefderijke, boven alle vooroordeelen hoogstaande doktersfamilie--; de
+geestelijken, vertegenwoordigd door de kluchtige, verachtelijke figuur
+van den _huisdominee_, en de heerlijk-gebeelde, kinderlijk-reine
+persoonlijkheid van _pastoor Jansen_; "allerhoogste" personages, zooals
+de groote _Napoleon_, op wien wij even in den schouwburg een vluchtig
+kijkje krijgen, de _Paltsgravin_, prinses _Erica_, enz.; in de derde
+plaats.... Maar nee, ik ga zoo niet verder, die zin werd veel te lang,
+te vermoeiend door zijn lengte, zelfs als jullie op al die "plaatsen"
+even waart gaan zitten, wat nog zoo gek niet zou zijn geweest, want,
+laat me je verzekeren, je hebt vandaar heerlijke inkijkjes en prachtige
+vergezichten....
+
+[p.224] Wat ik verder wou zeggen, kwam in 't kort hierop neer, dat het
+geheele werk een worsteling van het hooge met het gemeene, een
+_Multatuliaansch_-heftig-beukende, maatschappelijke meubelen, ruiten,
+heele heilige huisjes stuk-rinkinkende prachtige worsteling is.
+
+Men zou, wellicht interesseert jullie deze mededeeling, ons boek kunnen
+indeelen bij: _romantisch realisme_.... Maar hoe! ik zei: "_wellicht_
+interesseert 't jullie" ... het _moet_ je interesseeren, want het geldt
+hier niet, je 'n paar geleerde woorden naar 't hoofd te smijten, of je
+'n kruieniersachtig suiker-rijst-boonen-indeelingsgewoontetje in te
+stampen, maar het gaat erom, je de begrippen, de zeer veel verheldering
+veroorzakende begrippen, waarvan die termen namen zijn, bij te brengen,
+en om de te behandelen stof, de letterkunde dus, door verdeeling meer
+overzichtelijk en begrijpelijk te maken.
+
+Wat is _Romantiek_?
+
+Nou, om 't 'ns erg kort en populair te zeggen: een kunstbeelding van,
+zeer wel bestaanbare, _uitzonderings_figuren, levend in zelden
+voorkomende omstandigheden; daardoor heel vaak verschijnend als een
+"overdrijving" van de _algemeene_ werkelijkheid, want die
+_uitzonderings_figuren maken, door hun levenswaarheid, op den
+gemiddelden lezer den indruk van vertegenwoordigers der _algemeene_
+werkelijkheid te zijn.[8]
+
+De romantiek nu, in dit romantisch-realistische werk, uit zich niet
+slechts in het feit der beelding van sommige personen van het tweede
+plan--prinses _Erica_ bijvoorbeeld--, ook niet alleen in het doen plaats
+hebben van gebeurtenissen, die, wanneer we ons het totaal-beeld voor
+oogen brengen, dat de werkelijkheid ons van den loop der dingen
+voorhoudt, een sterken bijsmaak van onwaarschijnlijkheid krijgen, maar
+[p.225] die romantiek uit zich al dadelijk heel principieel in den opzet
+en op het hoofdplan van het werk: _het beschrijven der zielsgeschiedenis
+van een geniaal mensch_. En nu ga ik verder en zeg dit: omdat een
+geniaal mensch zelf "een stuk romantiek" is, door de Natuur, te midden
+van Haar dag-dagelijksch "realisme" neergezet, botst hij daarmee,
+verstoort hij er in zekeren zin de harmonie van (zeer zeker: om tot een
+hoogere harmonie te geraken, en: de botsing is een heilzame, maar dat
+verandert voor 't oogenblik aan 't onaangename van de zaak niets.
+Multatuli-zelf is hier een uitstekend voorbeeld van) en zoo, en daarom
+verstoort de _afbeelding_ van een geniaal mensch in een werk als
+dit--voor driekwart een afbeelding der _algemeene_ werkelijkheid--de
+harmonie van dat werk. We voelen een onaangenaam aandoende
+ongelijksoortigheid en zelfs tegenstrijdigheid der deelen. (Multatuli
+heeft dat, geloof _ik_, zelf gevoeld, vandaar dat het klaarblijkelijk
+zijn plan was, zijn _Woutertje_, langzamerhand, naar den kant der
+romantische prinses Erica uittedringen. Ik voor mij ben er zeker van,
+dat, had hij het werk voleindigd, dit, _uit aan de Wouterfiguur
+ontsprongen noodzaak_, al meer en meer verromantiseerd zou zijn
+geworden. En verder ben ik van oordeel, dat het dit bewustzijn, met wat
+er verder aan vast zit, bij _Multatuli_-zelf, is geweest, dat hem den
+lust benomen heeft verder aan zijn verhaal te werken, en niet "ergernis
+over de _Van Vloten's_" enz.--Stel je voor, omdat de kleine menschjes je
+aftakelen, heb je geen lust meer aan de levende schoonheid in je ziel,
+die je-zelf zoo heerlijk weet! Terwijl toch juist het natuurlijk beloop
+is, dat die schoonheid je over alles troost en heenhelpt! Neen, geloove
+wie 't kan, ik kan 't niet. _De zaak is mijns inziens, dat hij geen
+vreugde meer aan die schoonheid zelf had_--_om bovengenoemde redenen_.)
+
+ * * * * *
+
+Ik zeide u daar straks dat je van al die "plaatsen" zulke aardige
+inkijkjes en vergezichten zoudt kunnen hebben. Nu eerst een inkijkje.
+Zie toe: daar wriemelen, maken zich belachelijk, worden gegeeseld door
+hun eigen bespottelijkheid, [p.226] de Pietersen, de Lapsen, de Stoffels
+en hoe al dat tuig verder heeten mag, vlak onder je neus.... Maar he,
+wat is dat? Je wijkt terug ... je denkt, daar zal wel 'n luchtje aan
+zitten. En je hebt gelijk, je denkt er nog te licht over: er is geen
+luchtje, er is een stank aan. Maar, o wonder! hier hebt ge van dien
+stank geen last; let maar op: wat ge voelt, dat is genot, blijdschap; je
+trekt geen vies gezicht, maar je schatert. Wat is de oorzaak van dat
+wonder? Ah, even wachten. Zie eerst, lach eerst en allicht vindt ge dan
+zelf die oorzaak.
+-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --[9]
+
+Ziezoo, klaar voor dezen keer. En nu maar aannemend, dat er wel enkelen
+uwer zullen zijn, die nog maar altijd niet weten, waarom zij niet
+gewalgd hebben bij het zien van al dat gedoe der Lapsen en Pietersen en
+integendeel hebben genoten, precies gelijk ik trouwens, die toch geen
+clown, gezwegen dan van een _Laps_ of 'n _Pieterse_, kan of kon zien,
+zonder 'n weerzin en 'n schaamte te gevoelen over zulk een vernedering
+van het _mensch-zijn_,--dat nu maar aannemend, geef ik u daarvan de
+volgende verklaring: dat wat gij bewonderd, waarvan je genoten hebt, is
+de _weergave_, de _afbeelding_ van het leven, _niet_ dat leven-zelf. Het
+doet er niet toe _wat_ afgebeeld wordt, maar steeds _hoe_ het afgebeeld
+wordt. Nog eens: lees mijn artikel in den catalogus.[10]
+
+Zooals ik reeds zei: dit nu was een _inkijkje_, in het volgende
+hoofdstuk zet ik u op een plaats vanwaar ge een _vergezicht_ hebt.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE [p.227]
+
+
+III.
+
+
+In het vorig hoofdstuk beloofde ik, u op een plaats te zetten, van waar
+ge een vergezicht hebben zoudt. Welnu, ik hoop, dat ge na lezing van dit
+stuk zult moeten erkennen, dat ik mijn belofte gehouden heb. Want,
+jongere en oudere vrienden, zult ge het geen vergezicht noemen als ik
+hier voor u laat oprijzen dat mooie verleden van uw kindsheid, nu al min
+of meer ver verwijderd? Dat verleden, welks wellicht slechts vage
+herinneringen u nog doen glimlachen, als ge kinderen spelen ziet....
+
+O, natuurlijk, ge zult in het beeld, dat ik u zal toonen, niet uwe
+_feitelijke_ jeugd herkennen, met haar voorvalletjes, gevoelens,
+begeerten en schuchtere droomerijen, want gesteld dat gij tot diegenen
+behoort, die zich op later leeftijd dit alles duidelijk en klaar kunnen
+te binnen brengen, wat den meesten onzer waarlijk niet gegeven is, dan
+zeker zoudt ge spoedig door vergelijking tot de erkentenis komen, dat
+kinderen evenzeer van elkaar verschillen als volwassenen.
+
+Toch, de jonkheid van ons allen heeft iets gemeen: door de jaren-gangen
+van ons later leven loopend, hooren we uit de verte blijde stemmen soms,
+zien we een plotse sprankeling van licht glanzen uit de feestzaal onzer
+jeugd, waarheen we nooit meer zullen keeren. 't Is dan of haar deur zich
+even opende en snel weer sloot, uitlatend-en-afsnijdend klanken van
+feestgeroes, een helle straling van veel luchters. Maar duurde [p.228]
+dat kort, een oogenblik, het duurde toch lang genoeg om ons als de geur,
+het innigste onzer jonge jaren nog eenmaal te doen kennen; hoe benaderen
+we dan opnieuw hun blijdschap en verdrieten. We staan even stil en
+mijmeren in ons-zelf. Een glimlach ontstrakt zachtkens ons gezicht....
+Dan gaan we weer verder door de soms donkere gangen van ons later
+leven.... Het is ook die glimlach, waarvan ik u sprak, die ouderen
+hebben als ze kinderen spelen of stilletjes droomen zien. Dan ging die
+feestzaal, begrijpt ge, even open, het geluk der jonkheid heeft hun hart
+geraakt.... Maar rijker, maar voller wordt ons dat heerlijke geschonken,
+als een groot kunstenaar, zich verplaatsend in het kinderlijk denken en
+voelen, dit voor ons beeldt. Ja, dan is het waarlijk, of 't ons vergund
+werd te keeren op onze schreden, de wijde hal onzer jonge jaren nog
+eenmaal binnen te gaan, onze oogen vol te laten stralen van haar licht,
+de handjes der speelgenooten in de onze te houden en zelf weer de
+heilige kinderen te zijn, in wier nabijheid al het leven op zijn reinst
+en bevalligst en feestelijkst moet verschijnen. Ook dat nu heeft
+Multatuli voor ons gedaan. Het beeld, dat ik u wilde toonen, is een brok
+droomleven van zijn _Woutertje_. Toch--het schijnt mijn ietwat
+onaangenaam lot te zijn, nooit iets onverdeeld te kunnen prijzen!--moet
+ik u waarschuwen, dat dit schoone niet zoo volmaakt is geworden als we
+'t van 't genie van zijn schepper ongetwijfeld hadden mogen verwachten.
+De schrijver heeft zich namelijk weer eens niet genoegzaam kunnen
+bedwingen, zich niet, door zijn gebrek aan objectiviteit, kunnen
+onthouden, brokjes van zijn wijsheid, zijn wijsgeerig denken in het
+prachtig-gegeven droomleven van zijn _Woutertje_ te mengen. Ik zal u,
+ouder gewoonte, zoowel op de heerlijke schoonheid als de fouten
+opmerkzaam maken. En ge moet u nu maar, eens voor al, voornemen niet
+boos op mij te zijn, omdat ik, door dit laatste te doen, zoo'n beetje uw
+genot bederf. Want het is juist mijn doel, u er aan te wennen, geen
+genot en zeker geen kunstgenot te willen, dan wat de keur van uw
+allerzuiverst gevoel en rede kan doorstaan. Ook de hoogste verrukking,
+die kunstgenot geeft, heeft niets gemeen met een roes [p.229] en met een
+vertroebeling en verduistering der geestelijke, naar waarheid zoekende
+krachten in ons, maar zij maakt in wisselwerking die krachten
+integendeel sterker, edeler en meer doordringend.
+
+ * * * * *
+
+Ziehier het bedoelde stuk:
+
+ Na _Glorioso_ namelijk, (_Glorioso_ is de naam van den
+ roover-roman, dien Wouter "gehuurd" heeft voor het geld, dat hem
+ het verkwanselen van zijn "Nieuwe Testament met Gezangen" opbracht,
+ v.C.) en de onmogelijkheid om dat boek waardig te vervangen,
+ (_Multatuli_ geeft hier natuurlijk _Woutertje's_ meening weer. Dat
+ hij dit doet zonder er eenige schertsende of spottende aanmerking
+ van zich-zelf aan te verbinden is voortreffelijk. Er ontstaat
+ hierdoor, en blijft ongerept, een zekere fijne humor. v.C.) was-i
+ in de namiddagen die hij vrij had, onwillekeurig weergekeerd naar
+ de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige roman-wereld, en
+ hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld uit die wereld
+ dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist om de grofheid van
+ die kleuren, hij voelde zich daardoor zoo aangetrokken, dat-i
+ zich-zelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hij
+ ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.
+
+ Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hij droomde van
+ dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter
+ ontevreden maakten met z'n werkelijken toestand. Hij wilde graag
+ alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't
+ bidden zou zooveel beter gaan, meende hij, in 'n grot met kaarsen.
+ En wat het eeren van zijn moeder betrof, waarop deze altijd zoo
+ aandrong ... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hij had
+ z'n bijbel niet moeten verkoopen ... dat is waar ... ook zou-i 't
+ nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd ... maar dan behoorde hij
+ toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer op z'n muts,
+ zooals in 't boek stond. (Merkt ge hier al niet, hoe uitstekend de
+ romantische neiging in den kindergeest, en vooral zooals zij moet
+ bestaan in dien van het nobele _Woutertje_, is weergegeven? v.C.)
+
+ Ook verveelde hem zijn broer Stoffel, en zijn zusters, en juffrouw
+ Laps, en huisdominee, en alles.
+
+ * * * * *
+
+Dit verveeld worden door zijn familie en zijn omgeving ontstaat
+_schijnbaar_ wel bij Woutertje naar aanleiding van [p.230] iets zeer
+kinderlijks, maar de diepere en ware oorzaak is zijn veel hooger en
+edeler beaanlegd zijn dan zijne omgeving, waardoor hij daarin niet op
+zijn plaats is. Het is een dezelfde botsing--in kinderlijke
+verhoudingen--als waarvan ik in het vorig hoofdstuk sprak: tusschen het
+hoogere en lagere, het bijzondere en het alledaagsche.
+
+ En hij begreep niet, waarom de heele familie niet naar Italie ging,
+ om daar 'n behoorlijke rooverij optezetten. Maar Pennewip (de
+ schoolmeester, v.C.) hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesje
+ (een medescholier v.C.) ook niet.
+
+ 't Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met zijn vers....
+
+ Alle Woensdagen namelijk leverden de leerlingen die 't minst
+ ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen
+ naar den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester
+ had opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot z'n deel
+ gekregen, niet zonder toespeling op z'n vroegtijdige verdorvenheid,
+ en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n
+ zedelijke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwijls op de deugd
+ gerijmd, en hij vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo
+ vervelend, dat-i de vrijheid had genomen iets anders te behandelen,
+ en wel wat hem 't naast aan 't hart lag, de rooverij.
+
+Dit gedicht en alles wat daardoor veroorzaakt wordt: de boosheid van
+meester Pennewip, de ontzetting van Woutertje's familie, het optreden
+van den dronken "huisdominee,"--dit betrekkelijk kleine deel van het
+boek zou het al tot iets prachtig-geestigs maken. Je giert van het
+lachen onder 't lezen, en tegelijkertijd ben je verrukt over de
+levenswaarheid--op 'n paar stukjes na--der weergave!
+
+ Hij-zelf was, als alle schrijvers--en menschen--zeer ingenomen met
+ z'n werk. Hij hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen
+ zou, en hem om den wille der voortreffelijke uitvoering de
+ afwijking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den
+ Burgemeester gezonden worden, die er kennis van geven zou aan den
+ Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als
+ hoofdroover.
+
+Hoe moet de schrijver niet doorgedrongen zijn geweest in het denk-voelen
+van zijn Woutertje, om zoo schitterend dit echt-kinderlijke,
+wild-fantastische luchtkasteelen-bouwen te hebben kunnen weergeven.
+Wellicht is dat laten denken aan [p.231] den _Paus_ door dit
+_protestantsche_ jongetje, dat _rilt_ als hij _Pater Jansen_ over
+_Jezuiten_ hoort spreken, een fout. Wellicht echter zou men kunnen
+zeggen, dat "Paus" voor het kind Woutertje niets meer dan een woord is
+waaraan zich een vage, romantische voorstelling verbindt. Maar dit
+laatste is, gezien de platte en bekrompen "godsdienstige" omgeving van
+Woutertje, niet waarschijnlijk.
+
+ Zoo droomde hij, en wierp hij strootjes in het water. (Hij staat
+ bij 'n slootje. In de nabijheid zijn twee houtzaagmolens.--Het
+ stukje wat nu volgt is allervoortreffelijkst. Er wordt nu niet
+ langer _van_ Wouter _verhaald_, maar zijn denken en handelen
+ worden, in hun natuurlijk verband, _gebeeld_. Ik geloof niet, dat
+ ik grooter bewondering voor iets kan gevoelen, dan voor dit
+ onovertrefbaar zich-ingeleefd-hebben in den kindergeest! Lees maar
+ eens verder! v.C.) Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen
+ de groen-bemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter's verbeelding
+ verband te scheppen tusschen de richting der strootjes en zijn
+ indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan
+ den kant en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen
+ beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf:
+ (Wouter-zelf meegevoerd door zijn droomen, vereenzelvigt zich dus
+ ook met een strootje! Verrukkelijk van geniaal doorvoelen door den
+ schrijver, niet waar? v.C.) hij naderde Amalia's kroos, en juist
+ toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te
+ deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt door 'n eend. Die daaraan
+ zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's laatste strootje, en in
+ 't geklapper van den molen hoorde hij duidelijk Amalia's verwijtend
+ geklaag:
+
+ Warre, warre, warre, wou,
+ Waar is warre, warre, wou....
+ Wouter die me redden zou?
+
+ Dit maakte hem verdrietig, en hij kon zich niet weerhouden een
+ steen te werpen naar de eend die door z'n gulzigheid oorzaak was
+ van Amalia's twijfel aan zijn riddereer. (Al maar door is de
+ kinder-fantasie uitstekend volgehouden! v.C.) De eend koos de beste
+ partij, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hij
+ kon. Maar de molens schenen zich niet te storen aan de
+ gebeurtenissen van den middag en klapperden dapper voort. Wouter
+ hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra
+ Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem
+ deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er
+ iets bijzonders was [p.232] in de molens, haast ik mij te zeggen
+ dat ze knarden en knersden juist als andere houtzaagmolens, en dat
+ alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was
+ dan de weerklank der aandoeningen in zijn eigen gemoed.
+
+ 't Gebeurt meermalen dat we gelooven iets gewaar te worden van
+ buiten, wat voortkomt uit ons-zelf, en even dikwijls meenen wij
+ zelf iets te hebben uitgedacht, dat eigenlijk afkomstig is van 'n
+ ander.
+
+ Dit is 'n soort buikspraak die dikwijls aanleiding geeft tot
+ ongenoegen en vijandschap.
+
+Dat beeld van de buikspraak is aardig, maar ook niet meer dan dat. Het
+is nml. vrij onjuist. Men kan, een buikspreker hoorend, meenen dat een
+ander dan hij gesproken heeft, maar nimmer dat men-zelf heeft gesproken,
+noch, indien men het zelf heeft gedaan, meenen dat 'n ander, al of niet
+buikspreker, het deed! Multatuli heeft hier misschien aan het
+zoogenaamde "maagbrommen" gedacht, een nerveus verschijnsel naar ik
+meen. Hierbij is 't wel mogelijk, dat men, zelf de geluidvoortbrenger
+zijnde, meent dat een ander het is, en omgekeerd. In elk geval zou het
+beter geweest zijn, indien hij daaraan gedacht en het gezegd had, al
+ware het 'n tikje "onaesthetisch" geweest.
+
+ Wie 't snelste draait? Wel ... me dunkt ... neen ... gelijk
+ beginnen.... Zoo! Neen, de _Arend_ was voor! Nogeens ... nu! Och,
+ weer verkeerd!
+
+Hoe voortreffelijk Multatuli het denken, _den toon_ van het
+_innerlijk-spreken_ kon beluisteren en weergeven!
+
+ Wie nu 't eerst boven is ... neen dat gaat niet ... nog eens ...
+ van die wolk af. _Morgenstond_, pas op ... (_Arend_ en
+ _Morgenstond_ zijn de namen van de houtzaagmolens, v.C.) mis weer!
+ Ik kan er geen oog op houden ... wat 'n gedraai!
+
+ Zoo, ben je moe? 'k Wil 't wel gelooven!
+
+ Als ik eens op zoo'n wiek zat ... ik zou me goed vasthouden ... wat
+ zou de molenaar gek kijken!
+
+ Waarom heet je _Morgenstond_? Heb je wat in den mond? En....
+ _Arend_ kun je vliegen? Wil je mij meenemen? _Ik_ zou wel willen
+ ... wat 'n ruimte daarboven ... en geen school!
+
+ Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst ... 'n
+ school of 'n meester?
+
+ Maar die eerste meester moest toch op school geweest zijn ...
+ [p.233] en die eerste school moest toch 'n meester gehad hebben....
+
+ Of zou de eerste meester vanzelf....
+
+ Vanzelf? Neen, dat kan niet.
+
+Met dat stukje over die "school" en dien "meester" begint onze schrijver
+eruit te raken. Hij begint zijn houvast op Woutertje te verliezen en zet
+daarom z'n eigen denken in de plaats van dat van Woutertje! Het is zijn
+eigen wijsgeerig peinzen over het _Begin_ van het _Heelal_. Ik ontken
+niet, dat Woutertje 't _kan_ gedacht hebben. Hij is 'n geniaal, 'n
+buitengewoon kind. Maar in verband met 't _zeer slechte_, wat nu bijna
+onmiddellijk volgt, waarin _niets_ van _Woutertje_ en _alles_ van
+_Multatuli_ is, vermoed ik dat deze hier al begon subjectief te worden.
+
+ Kenje draaien vanzelf? Door den wind? kunje omkeeren,
+ andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens, _Arend_ ... toe krijg den
+ _Morgenstond_ ... gauw, gauw ... pak 'm beet ... mooi!
+
+ Nu weer alleen, laat los ... los ... goed zoo.
+
+ Nu weer samen ... _karre, karre, kra, kra_ ... steek uit je armen
+ ... neem me mee ... wil je niet? Goed, _Arend_! Zet je hoed op ...
+ wat fladderen die linten ... hoe heetje? Warre, warre, warre, wou
+ ... ik kan 't niet helpen ... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? (En
+ nu komt dat zeer slechte, waarvan ik zooeven sprak en waarop ik ook
+ in den aanvang van mijn artikel doelde, v.C.): _Fanne, Fanne, fan
+ fan_ ... heetje _Fan_? en jij, _Morgenstond_, hoe is je naam?
+ _Sine, sine, sine, si_ ... wat is dat voor 'n naam, _si_? Nu
+ tegelijk, komaan ... samen ... zingt 'n liedje samen:
+
+ _Fanne, fanne, fan, fan_....
+ _Sine, sine, si, si_....
+ _Fanne, sine, fanne, sine,_
+ _Fanne sine.... Fan ... cy...._
+
+ _Fancy_ ... wat meen je daarmee? Heetje _Fancy_? En ... wat is dat
+ ... heb je vleugels?
+
+ Ja, "_d'Morgenstond_" en "_den Arend_" waren ineengesmolten, hadden
+ vleugels, en heetten _Fancy. Fancy_ nam Wouter op en voerde hem
+ mee.
+
+De fantasie-figuur _Fancy_--het woord zelf beteekent verbeelding--speelt
+een hoofdrol in Multatuli's werk. Soms is zij hem personificatie[11] van
+het _Al_, het _Zijnde_; soms de [p.234] _Muze_: degeen, die hem zijn
+werken influistert, hem inspireert; een ander maal: de
+_Causaliteit._[12] In hun diepste beteekenis dekken trouwens deze
+begrippen elkander, naar zijn meening. En de personificatie van deze
+hooge, wijsgeerige begrippen, _dragend den naam, die zij uitsluitend in
+zijn, Multatuli's, denken draagt_, laat hij nu verschijnen in het denken
+van _het kind Woutertje_!! Teugelloozer uit den-band-springen is wel
+niet mogelijk, ergerlijker knoeien met psychologie wel niet denkbaar. En
+ziet ge 't nu zelf dat ik gelijk had, met in mijn _inleidend_
+Multatuli-artikel te spreken van: "zijn ontzaglijk doorvoelings- en
+uitbeeldings-vermogen, dat echter geschaad wordt door een groot gebrek
+aan objectiviteit"? Want, hoe kon ik u zoo van dat vermogen doen
+genieten, indien het niet ontzaglijk ware, en daarentegen tevens in de
+gelegenheid zijn, op zulke grove fouten te wijzen, als ik gedaan heb,
+zoo het niet geschaad werd door een groot gebrek aan objectiviteit?!
+
+Maar nu nog een ernstig woord, voor we voor ditmaal scheiden: de meeste
+lezers hebben een weerzinwekkend hebbelijkheidje: ze onthouden wat er
+voor leelijks over 'n schrijver door zijn bespreker is gezegd, maar wat
+deze heeft geprezen, dat vergeten zij! _Past daarvoor op! dat is iets
+zeer leelijks, iets zeer gemeens_. Dat vindt z'n oorzaak in
+_leedvermaak_, [p.235] in de, vaak onbewuste, _afgunst van het kleine op
+het groote_, in het blij-zijn _omdat het groote toch ook smetten van
+kleinheid_ heeft.... Ik doe u de fouten in schrijvers zien,
+_uitsluitend_, om u _onderscheiden_ te leeren, en tot dat onderscheiden
+behoort ook: het begrijpen, dat onze _middelmatigheid_ gemakkelijk
+_kleine_ foutjes hebben kan, maar dat waar _groote_ gaven zijn, meestal
+uiteraard ook groote gebreken zijn. Dit begrijpen zal ons ingetogenheid
+leeren en ons van belachelijke waanwijsheid of leedvermaak verre doen
+zijn.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE [p.236]
+
+
+IV.
+
+
+De maatschappij waarin wij leven, die anarchistische dooreenstrengeling
+van ongebreidelde, niet-geleide of slecht geleide krachten--een kluwen
+zoo verward en zoo langzaam zich ontwarrend, dat we wel zeker weten, dat
+niet meer bij ons leven de Tijd een schoon weefsel ervan spinnen
+zal--die maatschappij van de mededinging, van de afgunst, van den haat
+maakt ons allen, in haar levenden, tot slechter menschen, dan we
+tengevolge van onzen natuurlijken aanleg, te midden eener betere
+samenleving, zouden zijn geweest. Want zij is 't, die de edelste
+neigingen ver doet terugkrimpen in 't meest verborgene van 't hart, om
+daar een kwijnend bestaan te leiden, ja, dikwijls, te sterven, wijl er
+voor hen in 't wijd-open, gemeenschappelijk menschen-leven geen
+voedingsbodem, geen ontwikkelingsruimte is. En zij is 't alweer, die de
+onedele driften oproept, hen laat treden en werken in der edele plaats,
+hun dier naam, gewaad en aanzien geeft--zoodat de waanzinnige
+angst-wreedheid van, het doodelijk gevaar tegemoet gejaagde, soldaten,
+na zich de trekken te hebben kalm-gehuicheld en zich de handen te hebben
+gewasschen van 't bij 't "neerleggen" vergoten bloed, den naam en de eer
+van den heldenmoed uit de handen van vrome regeerders ontvangt; zoodat
+de sluwheid, noodig, om in de hijgende jacht naar winst, anderen te doen
+vallen en hen dan voorbij te rennen, als wijsheid en schoone
+behendigheid wordt [p.237] geprezen; het huwen-om-geld liefde wordt
+genoemd en als zoodanig zalvend door geestelijken wordt be-zegend; de
+zucht tot uitbuiting van vreemde landen en volken zich kan vermommen als
+brengster van wetenschap en klaarder godsbegrip....
+
+En geen andere dan zij is 't dus, die ons gemoed, onze ziel aan een
+veronachtzaamd huis gelijk maakt, waaruit de meesters zijn vertrokken en
+waarin het brooddronken knechtenpak het bezit dier meesters in
+liederlijke moedwilligheid vervuilt en verbrast, zich op hun plaatsen
+zet en hun manieren grijnzend nabootst. Zoo komt het, dat wij aan het
+bestaan van een volkomen eerlijk, volkomen deugdzaam mensch nauwelijks
+meer gelooven. Ja, wij _wenden voor_ aan zulk een nog zekerlijk te
+gelooven, doen zelfs soms, om onze eigen onschuldige braafheid maar te
+toonen, alsof we zoo iemand iets heel gewoons en "normaals" vinden, doch
+ook die veinzerij is--een van dat knechtenpak: zij is de lage naaeapster
+van den sinds lang vertrokken meester: het geloof in elkaars goedheid,
+dat menschen hebben, die niet door de maatschappij tot elkanders
+roofzuchtige vijanden zijn gemaakt. En zoo gebeurt het, dat, ontmoeten
+wij een uitmuntend mensch in 't leven, we ons onmiddellijk afvragen:
+"Zou die man nou wel echt zoo zijn; heeft-ie met al die goedheid niet de
+achterbaksche bedoeling zijn eigenbelang te dienen?" En allicht is onze
+conclusie: "nee die is mij te braaf, die is mij te fijn!" En ontmoeten
+we zulk een figuur, de beelding van zoo'n edel mensch, in een boek, o
+dan is 't heelemaal mis, dan aarzelen we zelfs niet, dan veroordeelen
+we, bijna immer, dadelijk. "Wat zoetig," meenen we, "wat overdreven
+braaf, hoe opgesierd, 'n echte boek-held." Ja, dit spreekt van zelf: wij
+zijn te zeer aan het onedele gewend, we zijn te zeer gewoon het onedele
+'t masker van 't edele te zien dragen, dan dat wij nu zouden kunnen
+gelooven dat edele in waarheid voor ons te zien. Toch, waar er echte,
+waar er groote kunst is, daar worden we gedwongen te gelooven, want deze
+maakt haar beelding als ware 't doorzichtig, wij zien niet langer met
+onze oogen, wij zien niet langer alleen het uitwendige van een [p.238]
+figuur noch behoeven ons dus met onze gissingen en twijfelingen te
+behelpen, maar wij zien met de oogen van dien grooten kunstenaar, wij
+zien het uiterlijk-en-innerlijk als een klare, geheimloos openliggende
+_waarheid_, en gissing noch twijfel kunnen meer in ons opkomen. Zulk een
+kunstenaar nu was onze Multatuli, toen hij de _Pastoor-Jansen_-figuur
+schiep, en aan zulke groote en echte kunst had hij toen het
+overgelukkige voorrecht, het aanzijn te geven. Het kost mij moeite,
+mijne bewondering voor deze voortreffelijke schepping, en mijn diepe
+liefde voor haar schepper, niet zoo te uiten als ik ze gevoel. Maar dit
+moet nu eenmaal achterwege blijven, want hoofddoel blijft toch, die
+bewondering en liefde op _u_ te doen overgaan, en dat lijkt mij
+vooralsnog alleen te bereiken door kalme beschouwing en ontleding.
+
+Welnu dan: _waardoor_ is de auteur erin geslaagd, de in hem levende en
+klaar-opene visie van dien nobelen mensch ook ons zoo overtuigend-waar
+voor oogen te stellen, voor ons zoo "doorzichtig" te maken? Heeft de
+schrijver dit bereikt door, in groote mate en zeer nauwkeurig, sommige
+middelen der realistische persoonsbeelding aan te wenden, d.w.z. heeft
+hij deze figuur zekere telkens terugkeerende gebaren, kleine
+eigenaardigheden en haar alleen eigen spreekwijzen--die alle dan
+natuurlijk in logisch verband staande met haar innerlijk--verleend,
+zoodat wij daardoor _verleid_ worden, ook den haar eigen buitengewonen
+adeldom van ziel als waar aan te nemen, ofschoon wij _dien_ eigenlijk
+_onwaarschijnlijk_ achten? Neen, dit is niet zoo, de trekjes van deze
+soort zijn nauwelijks aanwezig, bovendien, wij erkennen _juist dien
+adeldom_ als echt. Of zou 't dan wellicht komen, doordat wij de
+kinderlijkheid van _Pastoor Jansen_, die _kinderlijkheid_ in een
+_volwassen_ mensch, als een _gebrek_ beschouwen en dit _gebrek_ dezen
+mensch genoegzaam _on_volmaakt in onze oogen maakt, om ons
+zijn--volmaaktheid aannemelijk te maken? Neen, ook dit kan de oorzaak
+niet zijn, want een _gebrek_, en dan nog wel een geestelijk gebrek, kan
+nimmer zulk een _hart-veroverenden, behoorlijken_ indruk wekken als deze
+[p.239] kinderlijkheid van _Pastoor Jansen_ doet.[13] Maar de oorzaak
+is, dat de kinderlijkheid van dien mensch hem als met een glans van
+aandoenlijke en nederige heiligheid omgeeft, die ons stil maakt, zoodra
+we in zijn nabijheid komen, ons zacht doet treden, wijl we voelen op,
+door hem, geheiligden grond te staan en ons in die klare stemming van
+begrijpen-door-liefde brengt, die alles doorzichtig en hel-doorlicht
+maakt. _Die kinderlijkheid is 't, die al zijn woorden, al zijn daden,
+die dragers van zijn noblesse, als een phosphoresceerende, hen
+belichtende vloeistof drenkt_. Maar niet alleen aldus zien wij haar,
+doch--wel verre van haar als een gebrek te beschouwen!--zien we 'r
+integendeel ook als een heerlijke gave, dezen mensch verleend, om zijn
+blanke reinheid onbezoedeld door het leven te brengen, en zoo--terwijl
+zij ons de op zich-zelf schoone schrijn blijkt, die het juweel zijner
+goedheid behoedt--denken wij, aldoor dieper overtuigd wordend: hoe
+waardevol moet deze laatste zijn, dat de Natuur het noodig vond haar zoo
+sterk-beveiligend te omhullen! En ofschoon wellicht buiten het kader
+dezer beschouwingen vallend, wil ik niet nalaten, hier nog aan toe te
+voegen, dat uit die gedachte onmiddellijk bij mij deze voortkwam: hoe
+blijkt ook hier weer de wijsheid, dat alles vereenende, dat alles aan
+elkaar dienstbaar makende, dat met een middel veel bereikende der
+Natuur, want door die kinderlijkheid de prachtige ziel van dezen mensch
+_sluitend_ voor het _kwade, opent_ zij haar tevens voor het _goede_.
+(Immers, door die kinderlijkheid hebben wij haar volledig begrepen,
+daardoor zijn wij van haar waar- en echt-zijn overtuigd geworden,
+daardoor zijn we dus in staat gesteld, van haar te genieten en te
+[p.240] leeren. En dit is het goede. En zoo heeft dus de Natuur twee
+groote doelen met een middel bereikt....)[14]
+
+En nu ga ik een stuk tekst afdrukken, dat, met mijn tusschengevoegde
+ontledingen, u veel van het zooeven gezegde ongetwijfeld duidelijker
+maken zal.
+
+_Pastoor Jansen_ en _Wouter_ zijn op weg naar Haarlem. _Pastoor Jansen_
+is aan 't woord:
+
+ "Maar ik zou je wat van die _kyrie_ (een katholiek gebed. v.C.)
+ zeggen. Als Koens hem zingt.... O! (_Koens_ is pastoor van dezelfde
+ kerk als _Jansen_ en woont naast deze. v.C.) In z'n kamer, meen ik,
+ want in de kerk doet-i 't niet graag. Stijn (_Jansen's_
+ huishoudster, v.C.) heeft ervan gehuild, want het is heel gehoorig
+ bij ons, we kunnen elkaar best hooren zuchten ... maar ik zucht
+ nooit. Waarom zou ik zuchten?
+
+Hierin ligt al, zoowel het maar naief-weg babbelen, als de blijmoedigheid
+van 'n kind.
+
+ Nu, Stijn huilde, en ik kreeg kippevel. En weet je wat ik erbij
+ dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik 'n prul bij pastoor Koens!"
+
+ "He, m'nheer!"
+
+ "'t Is de waarheid! Maar ik van mijn kant ben weer veel sterker van
+ bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor
+ ondankbaarheid. Als m'n vader me op z'n smederij gedaan had, zou ik
+ net zoo sterk geworden zijn als m'n broer, maar de theologie maakt
+ 'n mensch 'n beetje lebberig, vind je niet?
+
+Prachtig! Iemand als Jansen houdt er geen bijzondere deftige of
+edel-klinkende termen op na, als hij over God of godsdienst spreekt:
+zijn reinheid maakt hem, onbewust, als 't ware met God gemeenzaam en
+vertrouwd.
+
+ En toch ... verbeeldje, ik heb thuis 'n _Vulgata_ (de door de
+ katholieke kerk aangenomen latijnsche bijbelvertaling, v.C.) Daar
+ staat wat in! Ze is in kwarto, zoo dik, en dat in 't vierkant, en
+ in leer gebonden ... 'n heele vracht! En er zijn sloten aan, ook.
+ Stijn schuurt ze alle weken blank. (Merk nu die onschuldige [p.241]
+ en naief geuite trots van het groote, lieve kind, omdat ie zoo
+ sterk is! v.C.) Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m'n
+ pink, en Stijn zegt _Paters_ (het _Pater Noster_ = 't _Onze Vader._
+ v. C.) op, en ik houd m'n _Vulgata_--altijd met die eene pink, moet
+ je denken--tot quotidianum (= dagelijksch, voorkomend in den zin:
+ "geef ons heden ons dagelijksch brood." v.C.) van de derde. En
+ Stijn is niet eens heel vlug met 'r _Paters_. Als ik ze zelf zei,
+ bracht ik 't zeker tot _remitte_ (voorkomend in den zin: "en
+ vergeef ons onze schulden," v.C.) van de vierde, of misschien wel
+ tot _amen_. Maar ik moet je 'r bijzeggen, dat wij katholieken geen
+ kracht, macht en heerlijkheid hebben. (Het Katholieke _Onze Vader_
+ eindigt met: "Maar verlos ons van den booze." Het protestantsche
+ heeft nog dezen zin erbij: "Want U is het koninkrijk, en de kracht,
+ en de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen." _Jansen_ zou dus een
+ sterker krachttoer doen als-ie de _Vulgata_ aan z'n pink liet
+ hangen gedurende 4 protestantsche Pater Nosters dan nu hij 't doet
+ gedurende 4, kortere, katholieke! v.C.) Dat scheelt altijd 'n
+ beetje. En ... er is niets apocriefs in de _Vulgata_ (De z.g.
+ apocriefe boeken: toevoegingen van later datum aan het Oude, zoowel
+ als het Nieuwe Testament, die niet hetzelfde gezag als deze hebben
+ en er niet mee op een lijn worden gesteld. De Vulgata is dus minder
+ _zwaar_ dan een protestantsch bijbel-boek waarin die apocriefen wel
+ zijn af gedrukt. De goeie man vertelt dat allemaal, om zich niet
+ "grooter voor te doen dan hij is"! v.C.) Met een protestantschen
+ bijbel zou ik 't wel laten, dat vat je wel." Neen, Wouter vatte het
+ niet! of althans hij begreep niet _alles_. Maar de conclusie nam-i
+ goedig aan. Hij hield zich overtuigd dat pater Jansen bijzonder
+ sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood
+ gegaan zijn.
+
+ "Ja, 't is 'n heel ding niet waar? En dat kan nu pastoor Koens weer
+ niet. Zoo zieje dat God altijd ieder 't zijne geeft. _Maar ik heb
+ Stijn verboden 't hem te zeggen. Hij mocht eens verdrietig worden
+ omdat-i 't me niet na kan doen_, en dit hoeft niet, want _zulke
+ dingen komen toch in ons vak maar zelden te pas_.
+
+Uit het _eerste_, door mij gecursiveerde, deel van dezen zin blijkt u
+_Jansen's_ goedheid, maar het wekt tevens de hinderlijke gedachte bij u
+op: hij zelf vertelt het, hij pronkt ermee, en daardoor gaat ge
+twijfelen aan het echt-zijn dier goedheid I Maar het _tweede_ is van
+zulk een bekoorlijke naiefheid--vooral dat "vak"!--dat ge inziet, dat
+hij 't niet vertelt om ermee te pralen, maar uit louter onbewuste,
+kinderlijke openhartigheid! _Gij hebt hier dus voor u een sterk bewijs
+voor de [p.242] waarheid van wat ik hierboven zei: die kinderlijkheid
+drenkt en belicht zijn zedelijke schoonheid, en door de eerste erkent ge
+de laatste als echt_.
+
+ Maar eens toch heb ik er echt schik van gehad ... niet van die
+ _Vulgata_, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hij
+ doet niets voor niemendal, houd je daar maar aan vast! Verbeeldje,
+ ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n'n boer in de buurt, 'n
+ rijke boer. Hij heette Koremans, maar hij was heel rijk, en hij had
+ veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal
+ boerenmenschen, dat begrijp je wel. Een van de meiden heette
+ Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was, maar och, ik
+ heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. (Jelui zult later wel
+ merken waarom, v.C.) Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n'n
+ ander stukje, iets van hem, van pastoor Koens. Dat moet je hooren!"
+ 't Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen
+ eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n
+ boeremeisje. Hij was in de jaren que tout ce qui porte jupon
+ interesse; (= dat alles wat 'n japon draagt, belang inboezemt,
+ v.C.) en in z'n verbeelding vertaalde hij elk onbekend
+ vrouwspersoon in "Femke" of ... iets als Femke, (het meisje, waarop
+ hij "verliefd" is. v.C.) Maar hij begreep toch dat-i den goeden
+ Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hij
+ luisterde zoo aandachtig mogelijk.... (Wij doen dit _niet_, om
+ --ruimte te winnen, en luisteren pas weer, als Wouter aandringt de
+ geschiedenis van Trineke te hooren. v.C.)
+
+ "Maar, m'nheer, wat was er met die Trineke?"
+
+ "Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten
+ noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood."
+
+ "Wat had-i gedaan met die Trineke?"
+
+Uit dat _gedaan_, blijkt dat het romantische Woutertje op zijn minst aan
+'n half dozijn onteeringen of iets dergelijks denkt!
+
+ "Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit
+ over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jij 't
+ vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist
+ niet minder dan andere boeren, en daarom zou 't me leelijk staan
+ z'n naam te bekladden, maar waar is waar! Hij was heel rijk, en
+ goed voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel
+ in 't Simmenarie--hing 'n geelkoperen _Sebastiaan_ ('n heiligbeeld.
+ v.C.) met z'n lijf vol pijlen, wel duizend pond zwaar ... nu, die
+ was van hem. En opschepperig [p.243] was-i als we hem bezochten,
+ goedgeefs ... je hebt er geen begrip van! Aan brood of kaas of
+ karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n twintigen ... net
+ 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozijnen op brandewijn, en
+ daar dronken wij simmenaristen van dat het 'n aard had. Maar dat
+ kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of
+ zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t was al de
+ derde, want daar de maskes veel meekregen, wou ieder ze hebben--en
+ wij kwamen gelukwenschen en werden best onthaald, maar de bruid
+ keek sip, (je zult later wel zien, waarom! v.C.) en we dronken
+ brandewijn op rozijnen, en er was 'n pret van belang ... op de
+ bruid na! Maar op eens ... och, jongeheer, ik had 't je eigenlijk
+ niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je er nooit
+ over spreken zult?"
+
+ "Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!"
+
+ "Wat? Nu, je belooft het, dat 's genoeg."
+
+Dat "op m'n woord van eer" van Woutertje, die zich voortdurend een
+ridder of zoo iets droomt, is kostelijk. Maar nog kostelijker is Jansens
+verbaasde "Wat?" daarop, en allerbest dat hij in z'n eenvoud heelemaal
+niet begrijpt, dat Woutertje daar iets heel plechtigs mee bedoelt,
+integendeel, hij schijnt het iets minder dan een gewone, eenvoudige
+verzekering te achten, maar enfin, denkt hij, hoe gek ook, hij heeft 't
+beloofd, dat is genoeg!
+
+ Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nog! Want je zult
+ hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens
+ terdeeg uitgegroeid. Je begrijpt, 'n jongen in _theologie-tweede_
+ is anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou
+ gedanst worden ook. Dit mocht eigenlijk niet, en als 't in 'n ander
+ huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar
+ _Rector_ zag wat door de vingers als 't bij Koremans gebeurde, om
+ dien _Sebastiaan_, weet-je, en ook omdat-i weleens in z'n wagen
+ naar stad reed en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen ... in dien
+ tijd. Nu zou 't niet meer staan! En ik zou dansen met de bruid, die
+ ik graag lijden mocht ... vroeger.
+
+Hier _schijnt_ onze groote kunstenaar "er even uit." Immers dat
+"vroeger" beteekent: nu ik priester ben, zou mij dat _niet_ geoorloofd
+zijn "haar graag te mogen lijden." Welnu als dit een soort liefde was,
+die hem als priester niet geoorloofd is, dan was het hem, den hoogreine,
+ook niet geoorloofd, terwijl hij zich van _die_ liefde _bewust_ was, met
+Lies te dansen. [p.244] Neen, hij was toen nog geen priester, maar: hij
+zou 't worden en _zij was immers met een ander verloofd_. Jansen, mag,
+wil zijn figuur volmaakt gaaf blijven, niet geweten hebben dat zijn
+liefde een "zondige" was, en Multatuli laat het hem klaarblijkelijk wel
+weten. Maar begrijpen we 't goed: _nu_ weet ie-'t, _toen_ wist hij 't
+_niet_. Men zie mijne ontleding van de geheele figuur aan 't eind van
+dit hoofdstuk.
+
+ En ze hield van mij ook wel, dat weet ik zeker.
+
+Dit is schitterend. Jansen blijkt hier duidelijk de naief-reine, tot
+wien het heelemaal niet is doorgedrongen zelfs op dit oogenblik, dat
+Liesje niet alleen "van hem hield" maar dat zij hem liefhad als een
+vrouw een man.
+
+ Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik, dat Trineke er niet was
+ en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altijd bij,
+ net als de andere knechts en meiden, maar nu was zij er niet. En
+ dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans zelf.
+ Lies was de bruid, weet-je, die met me dansen zou, en wel 't
+ allereerst, omdat ik 'n weddingschap van haar vrijer had gewonnen
+ ... ook al over sterkte. "Trien is ziek," zei Koremans, "en ga nu
+ je gang maar met Lies." "Is Trineke ziek," vroeg ik, "en waar is ze
+ dan?" Want dat wou ik weten. "En," zei ik, "ik ga nu me gang met
+ Lies niet, voor ik weet waar Trineke is."
+ ...................................................................
+ "Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed
+ doet...."
+
+ "Ik zal er heusch niet over spreken," beloofde Wouter, die meende
+ dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg en bang was dat
+ Jansen 't verhaal afbreken zou.
+
+ "O, _dit_ mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't
+ weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spijt me toch--dat de boeren
+ ... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...."
+
+ "He?"
+
+Wouter krijgt 'n slag op z'n hart, nu hij hoort, dat Trineke _oud_ was.
+Hij had van een of andere romantische geschiedenis van een jong,
+natuurlijk "beeldschoon" boerinnetje gedroomd. Prachtig is dat weer, hoe
+Multatuli _Woutertje_ doorvoeld heeft!
+
+ ... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had [p.245]
+ al meer gemerkt, dat men haar achteraf-zette en wegdeed als er wat
+ vroolijks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was,
+ en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want
+ toen ik den vorigen keer bij Koremans was, had ik al gemerkt dat ze
+ erg hoestte, en nog kaduker was dan gewoonlijk. Ze was 'n beetje
+ mank ook, maar ze had altijd braaf gewerkt.... O, bij Koremans z'n
+ ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was. "Ze is op 'r bed," zei
+ Lies, "en ik begrijp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe
+ mensch. Kom dans maar!" En ze wenkte den speelman dat-i beginnen
+ zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof
+ God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht behandeld werd. En
+ Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje
+ denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou dat ik
+ Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want ...ze lag in den
+ stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat
+ begrijp je wel--maar 't was of God 't me ingaf. En ik stond voor
+ den stal, en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet
+ antwoorden, en Lies riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe
+ mensch?" Maar ik zei: "met jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen
+ vroeg ik aan Koremans of-i de deuren van den stal wou openen?
+ "Neen," zeid-i, "en ze is er niet!" En ik zei dat ze er wel was, en
+ vroeg 't hem nog eens, want men moet 'n mensch altijd tijd laten om
+ zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hij zei weer neen, en Lies
+ wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m'n schouder
+ tegen de staldeur dat ze kraakte, en ... ik was erin, hoor! Vindt
+ je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.
+
+ "En Trineke, m'nheer?"
+
+ "Welzeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't
+ Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer
+ geleefd, maar ... ze is toch behoorlijk gestorven op 'n kristelijk
+ bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik
+ je!"
+
+ ...................................................................
+
+ "En Liesje, m'nheer?"
+
+ "Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen
+ Trineke op 'n bed lag, vroeg ze-n of ik nu met haar dansen wou?
+ Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineke een glas brandewijn met
+ rozijnen en krentenkoek, dat heel versterkend is bij de boeren, en
+ toen vroeg ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar
+ zonder veel pleizier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en
+ Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelijk uitstellen, maar
+ Koremans was er kwaad om, en haar vrijer ook. Ik geloof dat-i me
+ niet lijden mocht ... zeker om die weddenschap."
+
+[p.246] Let op de gedachtenverbinding bij _Jansen_. Hij vertelt dat
+Liesje's vrijer boos was, omdat zij het huwelijk wilde uitstellen, en
+dadelijk daarop zegt hij: "Ik geloof" enz. Daarmee verklapt hij
+onwillekeurig, zich ervan bewust te zijn, dat de vrijer Liesje's plan
+haar huwelijk uit te stellen, weet aan iets, dat in verband stond met
+Jansen's persoon, maar dat _niet_ de Trineke-geschiedenis was! Hij
+bemerkt echter onmiddellijk, dat hij zich verklapt heeft en om Wouter op
+een dwaalspoor te brengen, voegt hij er gauw bij: "zeker om die
+weddenschap."
+
+ Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten
+ minder vroolijk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze maar
+ zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier."
+
+Een toespeling op Jansen's verhaal van hoe hij met Liesje danste na de
+Trineke-geschiedenis. Deze toespeling heeft dus de waarde van een
+voortreffelijke vergelijking, een mooi "beeld," en geeft hetzelfde
+genot!
+
+ Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man
+ aantezetten tot wat gehuppel. Ja zelfs hij verwachtte een flinken
+ sprong, 'n _saut perilleux_ (= 'n gevaarlijke sprong, v.C.). De
+ onkunde der jeugd is wreed--_cet age est sans pitie_, (= deze
+ leeftijd kent geen medelijden, v.C.) zei de fabeldichter--en Wouter
+ wist niet wat-i deed, toen hij vroeg: "En is Liesje met haar vrijer
+ getrouwd, m'nheer?"
+
+Immers deze vraag moet _Jansen_, die Liesje op 'n heel andere manier
+heeft liefgehad, dan hij zelf _indertijd_ wist, schrijnende pijn doen.
+
+ ...................................................................
+ "En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? (Nadat ze getrouwd was en
+ "bleek en verdrietig en ziek was geworden." Ze leefde ook niet lang
+ meer. v.C.) Neen, want haar man was niet heel vriendelijk als ik
+ naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou
+ brengen, dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje ... kijk de
+ zaak was zoo. (Jansen ziet in, dat hij tegenover Wouter zich niet
+ langer van het voorwendsel van die weddenschap kan bedienen! v.C.)
+ In 't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander had, als ze 't maar
+ had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander
+ van de kerk was. Ja, ja, ik weet wel wie 't was, ook!"
+
+ "He?" vroeg Wouter die 't ook meende te weten.
+
+[p.247] Wouter denkt, zeer terecht, dat 't Pater Jansen zelf was.
+Vandaar z'n verbaasd "He?" nu hij gaat inzien dat de Pater meent, dat 't
+een ander was.
+
+ "Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op
+ de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk
+ kwamen, stond zij aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra
+ we naderbij kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand, die niet
+ weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zijn de meisjes, en dit wist
+ ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als
+ op 'n Simmenarie."
+
+Dit is heerlijk.' Humor van de allerbeste soort. Op 't zelfde oogenblik,
+dat hij blijk geeft zoo onschuldig te zijn als 'n pasgeboren kind, zegt
+hij, zooveel menschenkennis op 't Simmenarie te hebben opgedaan!
+
+ Nu, dat ze-n-altijd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten,
+ besten jongen!
+
+O, hoe prachtig is dit: met dit "'n besten, besten jongen!" verdedigt
+Jansen zijn vriend tegen eigen innerlijk misprijzen, 't Beteekent zoo
+iets als: Neen, ik _wil_ geen kwaad van hem denken.
+
+ En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger
+ geweest zijn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat
+ zou ik ook misschien wel eens gedaan hebben, want Kruger was m'n
+ beste vrind, en hij hield _bijna net zooveel_ van Liesje als ik. O,
+ heel veel!
+
+In dat "bijna net zooveel" ligt een wereld! Pater Jansen moge zich-zelf
+onder bedwang hebben, hij moge z'n afkeurende gedachten over 'n vriend
+het zwijgen opleggen, hij make zich-zelf diets, dat pastoor Koens zoo'n
+beste jongen was--wij weten en hij weet o.a., dat jonge fatsoenlijke
+meisjes niet graag bij hem biechten gingen!--als hij denkt aan zijn
+eigen liefde voor Liesje, dan is het met dat zich-diets-maken uit. Hij
+ziet plots de smetteloos reine verschijning _zijner_ liefde, en
+daarnaast, daar ver onder: de waarschijnlijk zinnelijke, oppervlakkige
+van Pastoor Koens. En wilde hij ze al gelijk stellen, het woord besterft
+hem op de lippen. Hij voelt dat dat heiligschennis wezen zou en hij moet
+'t zeggen, dat [p.248] heerlijke, ook ter wille van Liesje: dat zijn
+liefde grooter was. Maar in 'n laatste poging zich-zelf neer te buigen
+en z'n vriend omhoog te tillen, verkleint hij den afstand tusschen beide
+liefden: "_bijna net zooveel_." O, het is om te schreien en te juichen
+tegelijk....
+
+ Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelijkheden, toen 't
+ paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen
+ van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden
+ door een der hoofdpersonen zelf.
+
+Immers Liesje was op _Jansen_ verliefd en deze denkt dat ze 't op
+_Kruger_ was.
+
+ Hij voelde wel dat Jansen eigenlijk meer verteld had dan-i zich
+ veroorloofde te weten. Of _wist_ hij meer?
+
+Er zit hier een moeilijkheid. We moeten daar even bij stilstaan. Indien
+men zegt dat iemand meer vertelt dan hij zich veroorlooft te weten, dan
+beteekent dit ongetwijfeld, dat het juist heel zeker is dat die
+verteller het weet, maar dat hij eigenlijk zich-zelf of anderen niet
+bekennen wil dat hij 't zeker weet. Daarna dan bij wijze van
+tegenstelling te vragen: "of wist hij meer?" heeft geen zin. Wij moeten
+dus aannemen, dat Multatuli tegen het gewone spraakgebruik in met dat
+"meer dan-i zich veroorloofde te weten," bedoelde: meer dan-i werkelijk
+_wist_. (Dus ironisch. In den zin van: meer dan-i zich de weelde
+veroorloofde te weten.) En daarop volgt dan logisch: "Of wist hij meer?"
+Het antwoord wordt in het volgend stukje tekst te _gissen_ gegeven.
+
+ Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man
+ gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf
+ dreunde en 't spreken moeilijk maakte, was daarvan zeker de
+ oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen
+ over den vreeselijken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had.
+ "Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben
+ moe ook."
+
+Jelui zult al wel begrepen hebben, dat hij geschreid en daarom ook niet
+gesproken heeft.--En nu het antwoord op de vraag, _of hij meer wist_?
+Dit antwoord moet m.i. aldus [p.249] luiden: In zijn jeugd, _terwijl de
+geschiedenis met Liesje voorviel_, dacht hij, dat Liesje niet hem, maar
+Kruger liefhad. Zoowel zijn naiveteit als zijn zelf-geringschatting
+verklaren dit voldoende. Trouwens, ware het anders, dan zou deze
+smetteloos-reine toch onmiddellijk den omgang met Liesje afgebroken
+hebben om haar liefde niet aantewakkeren. Vandaar dan ook, dat hij zegt,
+dat hij _misschien_ Kruger wel eens zou meegenomen hebben. D.w.z. hij
+zou misschien toegegeven hebben aan den aandrang van den vriend, om hem
+mee te nemen, maar met zijn volle instemming zou hij dat niet gedaan
+hebben. Immers hij was natuurlijk van meening, dat Kruger haar liefde
+niet mocht aanwakkeren. En dit is dan ook de reden hier, waarom hij,
+zooals we merkten, innerlijk Kruger _geen_ "beste jongen" vindt. Daarna,
+bij 't klimmen der jaren echter, zijn hem, in zijn stil peinsleven, de
+oogen opengegaan. Hij heeft toen begrepen, dat Liesje _hem_ heeft
+liefgehad. Maar dan, om zijn gemoedsrust te bewaren en de nijpende smart
+om het verloren geluk tot zwijgen te brengen, is hij zich gaan _diets
+maken_, wat hij _eerst_ in waarheid geloofde, nml. dat zij Kruger
+liefhad. Als men weet hoe gemakkelijk menschen langzamerhand in de
+waarheid van eigen vaak herhaalde onwaarheden gaan gelooven, dan
+begrijpt men zeker, hoe betrekkelijk licht dit ook dezen _priester van
+een suggestief wondergeloof_, in zijn _lang leven_ moet gelukt zijn. Op
+'t oogenblik dus, dat hij Wouter vertelt, dat Liesje Kruger liefhad,
+vertelt hij geen _bewuste_ onwaarheid. Maar dan weer, door de
+aandoenlijkheid van zijn verhaal--bij dat _bijna net zooveel_--uit zijn
+zelf-gesuggereerde denk-sleur geheven, staat plotseling een vreeselijk
+oogenblik, de lang weggeduwde, de diep verborgen waarheid, groot en
+ontzettend voor zijn oogen, en in de duisternis van de poort snikt hij
+zijn wee uit, om 't verloren heil ... de nutteloos uitgebloeide
+liefde....
+
+Hiermede zij de behandeling van _Woutertje Pieterse_ beeindigd.
+
+En nu een bekentenis: voor het schrijven heb ik altijd een zekeren
+angst, dat ik mijn onderwerp niet voldoende recht [p.249] zal doen
+wedervaren, of, op deze plaats, te moeilijk zal zijn, daarna--zelden het
+gevoel geslaagd te zijn....
+
+Wat zal jelui na het lezen hebben? Mag ik mij vleien, dat het de
+begeerte zal wezen, zelf het kunstwerk in z'n geheel te genieten?
+
+
+ * * * * *
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Voor 't eerst gepubliceerd als inleiding tot de literatuur-afdeeling
+van den boekerij-catalogus van den A.N.D.B.
+
+[2] Op dit laatste: het innig-doorvoeld hebben van de eenheid van het
+zijnde berust dit, wellicht edelste, vermogen van den literairen
+kunstenaar: het maken van treffende vergelijkingen (het "scheppen van
+beelden"). Want dit _is_ niet anders dan het weten der eigenschap, die
+overigens uiteenloopende dingen gemeen hebben.
+
+[3] Zie, _na dit geheele betoog ten einde te hebben gelezen_, de noot op
+blz. 216.
+
+[4] Zie hierin tevens het bewijs en de verklaring van de stelling (zie
+pag. 211) waarom noodzakelijk elke weergave-in-kunst schoonheid is.
+
+[5] Ik heb vermeden, 't geen ik nu zeggen ga, in het voorafgaande betoog
+op te nemen, om eenigen niet ervaren lezer het verstaan niet noodeloos
+te bemoeilijken en hem van den hoofdweg af te leiden. Nu moge het echter
+tot juister en vollediger begrip hier een plaats vinden. Overal, waar in
+het betoog sprake was van "objectiviteit" bij het waarnemen en
+weergeven, werd dit _nimmer in absoluten zin bedoeld_. Het is bijna
+onnoodig te zeggen, dat _onze subjectiviteit altijd waarneming en
+weergave kleurt_. "Objectieve waarneming en weergave" wil dus, zoo kort
+mogelijk gezegd, hier niet anders beteekenen dan die waarneming en
+weergave, waarin geen enkel ander element van subjectiviteit aanwezig
+is, dan hetgeen _onvermijdelijk_ voortvloeit uit den aard der
+_natuurlijke individualiteit_ van den waarnemer en weergever.
+
+[6] In _Het Jonge Leven_ was een Hildebrand-artikel aan dit opstel
+voorafgegaan.
+
+[7] De moeite van dit "losmaken" werd mij intusschen bespaard door de
+voortreffelijke uitgave van _Woutertje Pieterse_ der _UitgeversMij.
+Elsevier_.
+
+[8] Verwekt dus ook de _goede_ romantiek soms in den daarvoor
+ontvankelijken lezer, een overdreven voorstelling van de
+werkelijkheid,--de _slechte_ romantiek _is_ die "overdrijving" _in
+zich-zelf_. _Zij_ vervalscht den _gewonen middelslag-mensch_ tot een
+_grooten_ mensch, groot zoowel in het goede als in het kwade, doet hem
+leven in omstandigheden, waarin zulk een mensch _niet_ leeft en laat hem
+daden verrichten, die zulk een mensch _niet kan_ verrichten.--
+
+[9] Hier volgde in het oorspronkelijk artikel het schitterende "Avondje
+bij juffrouw Pieterse." Slechts een door mij bij het citeeren gemaakte
+opmerking--de andere zijn voor een algemeen publiek te weinig
+belangrijk--zij hier herhaald: De dialoog in dat gedeelte van ons boek,
+staat slechts _ten deele_ in _dialect. Multatuli_ achtte zich na het
+toonen van een staaltje daarvan, ontheven van den _kunstenaarsplicht_,
+den dialoog aldus weer te geven. _Zeer onjuist_ en jammer ook, omdat nu
+iets van de _groeps_-karakteristiek verloren gaat.
+
+[10] Hier: blz. 211 en 214.
+
+[11] De voorstelling van een begrip, een zaak, als persoon.
+
+[12] Causaliteit = oorzakelijkheid, het verband tusschen oorzaak en
+gevolg. (Denk aan het fransche _cause_ = oorzaak). Het is hier
+natuurlijk de plaats niet om uitteweiden over alles wat hieraan vast
+zit. Genoeg zij 't, dat Multatuli tot die wijsgeerig-denkenden behoorde,
+die meenen, dat elke oorzaak _noodwendig_ het gevolg heeft, dat eruit
+voortspruit, m.a.w.: zij had nimmer een ander gevolg kunnen hebben.
+Waarom hij dan ook aan de causaliteit den naam _Fancy_ geeft, zal u nu
+wel duidelijk zijn. Immers: het kunstvoortbrengen, zegt hij, is niet
+iets willekeurigs, dat hij doen of laten kan wanneer het hem belieft,
+maar hij doet het slechts, wanneer hij door zijn innerlijken drang ertoe
+wordt gedwongen. Die drang is de resultante, het uitvloeisel van de
+factoren, die te zamen den mensch Multatuli vormen. Hij is dus een
+gevolg, een werking van de causaliteit, van al de _oorzaken_ namelijk,
+die den mensch Multatuli en zijn denken en doen tot noodwendig _gevolg_
+hadden. En, zegt hij ook, _Fancy_ inspireert, fluistert hem zijn
+scheppingen in. _Fancy_ is dus een met de causaliteit, een
+personificatie ervan.--
+
+[13] Multatuli-zelf ziet deze kinderlijkheid wel als een gebrek. Het
+eenige wat ik daarvan zeggen kan is--dat de vader hier zijn eigen kind
+niet goed gekend heeft! 't Geen niet behoeft te verwonderen. De
+verklaring ligt voor de hand, waarom dit verschijnsel juist bij groote
+schrijvers voorkomt. De voortreffelijke G.K. Chesterton geeft er in zijn
+onlangs verschenen _Criticisms and appreciations of Charles Dickens'
+Works_ eenige aardige bij Dickens voorkomende staaltjes van. Tusschen
+haakjes: ik kan den Engelsch-kennenden onder mijne lezers, dit luchtig
+en geestig geschreven en zooveel juist inzicht bevattend werk warm
+aanbevelen.--
+
+[14] Menigeen zal het gek vinden, dat ik zoo voortdurend van _Pastoor
+Jansen_ als van een werkelijk geleefd hebbende persoon spreek. Maar men
+bedenke, dat het 't _levensware_ is, dat iets geschikt maakt er
+_levenswaarheden_ aan te demonstreeren, en dat is evenzeer bij een door
+_de Kunst_ als door de Natuur _geschapen_ mensch aanwezig.--
+
+
+ * * * * *
+
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
+[p.251]
+
+I.
+
+
+Is het voor den lezer en bespreker van de _Historie van Mej. Sara
+Burgerhart_ ongetwijfeld immer een voorrecht dezen roman-in-brieven in
+de uitgave van de W.B. voor zich te hebben, in deze warmte vooral voelt
+men 't als een onschatbaar genot, dank zij den heer Prof. Knappert, die
+het werk van eene inleiding en verklarende aanteekeningen heeft
+voorzien, niet genoodzaakt te zijn, om, bibliotheek in, bibliotheek uit,
+naar de beteekenis van verouderde uitdrukkingen te speuren, of te
+beproeven zich zelfstandig in 't historisch milieu te orienteeren.
+Bedoelde inleiding en aanteekeningen maken al een zeer sympathieken
+indruk, niet alleen door den zoo duidelijk blijkenden ernst en de
+nauwgezetheid, waarmede zij zijn samengesteld, maar ook door het feit,
+dat de heer Knappert in een zeer gewichtige aangelegenheid zijn eigen
+weg is gegaan en zich niet door den beroemden _Busken Huet_ een dwaalweg
+heeft laten inloodsen. Anders dan deze, die eene der boezemvriendinnen,
+en wel Agatha Deken, het mede-auteurschap der, naar beider
+ondubbelzinnige verklaring, _gezamenlijk_ geschreven romans ontzegt,
+verklaart onze geleerde en scherpzinnige commentator: "Maar haren roem
+danken Betje en Aagje terecht aan haar _wezenlijk gezamenlijk_
+geschreven romans." Om met den gullen Abraham Blankaart, Saartje's voogd
+te spreken: "Dat klinkt je wat anders voor den snoet" dan de
+quasie-vernuftige [p.252] critische bewering van Huet. 't Is waarlijk
+geen gering vergrijp op zoo wankele gronden[1] als door deze voor zijn
+meening kunnen worden aangevoerd, het niet alleen aan te durven, deze
+vrouw, die zich niet verdedigen kan, van haar roem bij het nageslacht te
+berooven, maar ook de moreele smet aan te wrijven, dat zij zich eer en
+lof heeft laten aanleunen, die haar niet toekwamen en letterlijk op de
+talenten van haar weldoenster en hartsvriendin zou hebben geparasiteerd.
+Want Huet moge daar luchtigjes overheen redeneeren en, de kool en de
+geit pogend te sparen, het als iets loffelijks in Aagje voorstellen, dat
+zij niet weigeren wilde, Betje's roem te deelen, in waarheid zou zulk
+een handelwijze niet anders gequalificeerd kunnen worden, dan ik heb
+gedaan. En het schenkt mij dan ook niet geringe voldoening en vreugde,
+dat de heer Knappert anders oordeelt. Intusschen, hoe gaarne ik langer
+over diens bijzonder [p.253] waardevollen arbeid zou uitweiden, we
+zullen nu maar eens aan den roman-zelf onze aandacht geven. Al lezend
+zullen wij gelegenheid te over hebben, door van de inlichtingen van
+onzen gids gebruik te maken, hem de beste hulde te brengen, die iemand
+gebracht worden kan.--
+
+Ziehier de zeer kort saamgevatte "inhoud": _Sara Burgerhart_, eene wees,
+'n zeer begaafd, zeer geestig en bevallig kind van 'n jaar of twintig,
+is bij een oude, kwezelachtige tante in huis, _Juffrouw Hofland_, die
+zich te goeder trouw bij de zoogenaamde "fijnen" aangesloten hebbend,
+hun dupe wordt. (Bij dat woord "fijnen" hier moet ge niet denken aan een
+zeker soort van vrome menschen, die, ofschoon lastig en onverdraagzaam
+voor hunne omgeving, toch deugdzaam zijn en hunne godsdienstigheid
+oprecht meenen, neen, deze "fijnen" zijn integendeel doortrapte
+huichelaars, die, onder den schijn van streng godsdienstig te zijn, de
+meest schurkachtige daden bedrijven!) Het arme kind wordt echter zoo
+door die tante en haar verfoeilijk gezelschap, _"Broeder" Benjamin_ en
+_"Zuster" Slimpslamp_, benevens 'n dronken tobbe van 'n dienstmeid,
+_Brecht_, genegerd en geplaagd, dat ze met toestemming van haar
+uitmuntenden voogd, _Abraham Blankaart_, die haar vaders boezemvriend
+was, ontvlucht en haar intrek neemt bij een waarlijk verstandige en
+deugdzame vrouw, _de Wed. Buigzaam_. Daar wint zij niet alleen de
+vriendschap van haar hospita en, op een enkele uitzondering na, die van
+de bij deze inwonende jonge dames, maar zij leert er ook den man kennen,
+die haar echtgenoot wordt: _Hendrik Edeling._ Voor zij echter trouwt, is
+zij door haar sterken zin voor uithuizige vermaken en het argeloos
+vertrouwen van haar jong, rein hart, bijna het slachtoffer geworden van
+een adellijken losbol en gewetenloozen meisjesverleider, _den heer
+R_.[2]
+
+ * * * * *
+
+Ook deze roman is een _realistisch_ werk. En ik geloof [p.254] het
+daarom niet te onpas eens even vluchtigjes te onderzoeken in welke
+verhouding de innerlijkheid van dit werk en de fundamenteele geaardheid
+zijner auteurs staan tot die van de beide andere, in deze serie[3] reeds
+behandelde boeken en schrijvers: Hildebrand met zijn _De Familie Kegge_,
+Multatuli en zijn _Woutertje Pieterse._ Zou men aanvankelijk geneigd
+zijn te beweren, dat Wolff en Deken in hun Hollandsche degelijkheid en
+de geschiktheid van hun roman "voor den Meridiaan des Huiselijken
+levens," meer overeenkomst vertoonen met den kalmen aspirant-burger-
+huisvader Hildebrand, dan met den geweldigen Multatuli, den afbreker,
+den spotter en de schrik van alle brave huisvaders en afgebakende-
+levensweggetjes-bewandelenden--men komt al heel spoedig van die meening
+terug. Zooals Hildebrand wel schijnbaar, en ten deele met Multatuli
+overeenkomt in het gering achten van eigen [p.255] kunst en artistieke
+vermogens--de eerste, zooals wij indertijd gezien hebben, vindt zijn
+schetsen-schrijven een jeugdspel, dat den rijperen leeftijd niet meer
+voegt, terwijl de laatste voor niets grooter angst schijnt te hebben,
+dan om zijn schrijfkunst bewonderd te worden--maar inderdaad in de
+oorzaken dier geringschatting hemelsbreed van hem verschilt--want ten
+eerste mag men met grond beweren, dat Multatuli meestentijds niets van
+dit geringschatten meende, maar ten tweede: dat, ten tijde dat hij 't
+wel meende, die meening in hem geboren werd _uit zijn ontzaglijk
+revolutionnair sentiment_, terwijl zij bij Hildebrand voortkwam juist
+uit het _tegenovergestelde_: het begrip van eigen waardigheid en fatsoen
+als dienaar van den godsdienst, d.i. van het overgeleverde, het, in zijn
+oogen, _vaststaande en blijvende_: een fundamenteel onderscheid
+dus!--zoo komen, oppervlakkig beschouwd, Betje en Aagje wel met
+Hildebrand overeen in den eerbied voor een werkelijk godsdienstig leven;
+in de voorkeur voor het beelden van echt vaderlandsche tooneelen, en
+zelfs in het verliefd zijn op enkele der door hen geschapen figuren,
+maar dat alles spruit bij hen uit geheel andere motieven voort dan bij
+hem. De eerbied voor den werkelijk godsdienstigen en braven mensen maakt
+zich bij Hildebrand zelden los van de wetenschap, dat ook hij zulk een
+mensch is, in een woord: hij blijkt soms saamgeweven met eene ergerlijke
+zelfverheerlijking en zelfverheffing, bij onze Wolff en Deken is daar
+geen sprake van. Beeldt Hildebrand zich in _De Familie Kegge_--herinnert
+ge 't u?--als den onfeilbaar-wijze en den reddenden engel, Betje
+daarentegen stelt zich-zelf ten toon--ongetwijfeld zich bewust, dat men
+dit zal begrijpen--als de zeer zeker begaafde, zeer zeker brave en
+sympathieke, maar niet minder lichtzinnige _Saartje Burgerhart_, die
+niet alleen geen anderen redt, maar er rond voor uit komt, dat ze 't
+alleen God heeft te danken, dat ze niet door een schurk voor haar
+geheele leven ongelukkig is gemaakt, terwijl Aagje er niets op tegen
+schijnt te hebben, zich-zelf als de bedilzieke en overijld naar den
+schijn oordeelende _Anna Willis_--vriendin van _Saartje_--te teekenen!
+[p.256] En ongetwijfeld: de liefde voor het schetsen van het
+vaderlandsche milieu is zoowel bij Hildebrand als bij onze schrijfsters
+zeer sterk, maar welk verschil in omvang en rijkdom hunner
+menschenwereld! Waardeert men bij Hildebrand een sterk _novellistisch_
+talent, in het werk van Wolff en Deken voelt men den adem der groote,
+heele menschengroepen omvattende epica. En welk een onderscheid ook in
+de weergave dier wereld! In hoeveel grootere mate dan bij Hildebrand
+spreken hier de struische Hollanders de stoere Hollandsche taal. Neen,
+men ziet het: dit is onovertrefbaar: deze menschen kunnen niet anders
+spreken, dit is het woord, waarin zij-zelf leven, het woord soms hoekig
+als hun vierkantig gezicht, hun zware lijf, soms rond als hun kaaskop,
+maar altijd helder-gewasschen als hun grijze en blauwe kijkers....
+
+Ook de verliefdheid op de eigen kunstfiguren is bij Hildebrand iets
+geheel anders dan bij Betje en Aagje. Bij den eerste wordt zij niet
+zelden door kleine en uiterlijk-maatschappelijke motie ven beheerscht,
+bij de laatsten is dit vrijwel nooit het geval: zij zijn op sommige
+hunner figuren verliefd, omdat die hun de personificaties zijn van
+_zekere kenmerkende en uitstekende eigenschappen van hun eigen ras en
+volk_, of van _het edele in 't algemeen_. Maar die soort van
+kruiperigheid jegens de "hoogere" standen, zooals die zich bij
+Hildebrand uit in de _Baron van Nagel_- en _Freule Constance_-
+beflikflooiing, is in de _Sara Burgerhart_ al evenmin te vinden als zijn
+beschermheerachtige neerbuigendheid jegens de "lagere" assen. Meer
+wezenlijke overeenkomst vertoonen zij met Multatuli. Betje vooral is een
+allergeestigste spotvogel en wat 't glazeningooierig-kwajongensachtige
+en 't geestig-moedwillig op den hak nemen betreft, gaat--intrinsiek--de
+geest van Bekker dien van Dekker niet zooveel uit den weg. 't Verschil
+in dit opzicht lijkt grooter dan het is, omdat de eerste tot alles wat
+zij doet geinspireerd wordt door haar onuitdoofbaren levenslust en
+blijmoedige guitigheid, de laatste daarentegen door zijn bitterheid,
+gekwetst rechtsgevoel, haat en teleurstelling. En is er al een
+onverevenbaar verschil tusschen [p.257] Multatuli en de beide vriendinnen
+op 't stuk van bijbel-geloof en godsdienstigheid, zij geven hem niets in
+heftigheid toe, als het geldt de huichelaars en valsche vromen te lijf te
+gaan, en--overtreffen hem daarbij in menschscheppend talent. Want kan men
+den dronken huisdominee in _Woutertje Pieterse_, trots al het vernuft--en
+wellicht juist om dat vernuft--aan zijn uitbeelding ten koste gelegd,
+niet anders dan een charge[4] noemen, _Broeder Benjamin_ en _Cornelia
+Slimpslamp_, de twee huichelachtige "fijnen" en doortrapte schurken in
+onzen roman, leven, volmaakt, en daarmee is het allerbeste gezegd wat men
+van een literatuurbeeld zeggen kan. Dit leven, deze menschelijkheid-van-
+vleesch-en-bloed, zij zijn des te meer opmerkelijk, omdat hier niet maar
+bloot 'n paar huichelachtige menschen zijn geheeld, maar: personificaties
+van het allerinnigste wezen der huichelarij en valsche vroomheid. Men
+denkt geen oogenblik als bij Multatuli's _huisdominee_: "hoe geestig
+geschreven" en: "hemeltje lief wat moet ik daarom lachen," maar alleen:
+"hoe ontzagwekkend gebeeld, wat 'n brok innig doorschouwd leven, hoe waar
+en hoe echt is dit."
+
+Mijn lezers zullen waarschijnlijk nu al gemerkt hebben, dat ik onze
+Wolff en Deken grooter artisten acht dan en Hildebrand en Multatuli. En
+zeer zeker: _dat is mijn meening._ Ik aarzel ook niet te zeggen dat zij
+een veel juister _bewust_ begrip hadden van het _wezen_ van literaire
+kunst dan dezen hebben bezeten. De wetten der kunst zijn al evenzeer
+onwrikbaar en onveranderlijk als die der natuur, en dit spreekt ook van
+zelf, want al is natuur geen kunst, kunst is m.i. wel degelijk
+natuur.[5] Het kind dat niets van de wetten der laatste kent, verbrandt
+zich of valt, of iets dergelijks, en het groote kind, de niet voldoende
+inzichtsvolle mensen, die de wetten der kunst niet kent, schrijft een
+slecht boek, [p.258] of vindt, lezend, een slecht boek mooi en een mooi
+boek leelijk. Nu meen ik te mogen zeggen, dat voor den _scheppenden
+kunstenaar_ de _intuitieve_ kennis dier wetten het eene noodige is, want
+als _kunstenaar_ schrijft hij niet zonder "geinspireerd" te zijn, en
+zoodra hij dit is, is ook die intuitieve kennis in hem. Maar indien zulk
+een scheppend kunstenaar nu meent, dat hij op grond van dat _intuitief
+vermogen_, ook spreken kan _over_ kunst, als hij _niet_ geinspireerd is,
+dan vergist hij zich leelijk en dat blijkt zoowel bij Multatuli als bij
+Hildebrand. Daarvoor moet men voor altijd in zich bewust geworden kennis
+hebben, kennis dus, waarover men _beschikken kan wanneer men wil, welks
+omvang, en hoofdzakelijken inhoud men-zelf volkomen beheerscht_. En het
+is deze kennis, die Wolff en Deken boven Hildebrand en Multatuli
+bezaten, en het gevolg daarvan is, dat als zij een eenvoudig stukje
+schrijven buiten hun scheppenden arbeid om, waarin zij sommige principes
+uiteenzetten, door welke zij zich bij het wrochten hunner romans lieten
+leiden, zij duidelijk blijken waarheden omtrent kunst te kennen, die
+niet van hun tijd, en niet van dezen tijd alleen, maar 't spreekt van
+zelf, van alle tijden zijn! Een paar citaten uit de voorredenen van den
+eersten en tweeden druk zullen ongetwijfeld voldoende zijn, om dit mijn
+beweren te bewijzen. Ziehier:
+
+ Men heeft in bedenking gegeven, of de twee allerslegtse karakters
+ niet te sterk, te overdreven geschildert zijn; men heeft gevraagt:
+ _zijn_[6] er zulke menschen; ja, en dat gaat verder, _kunnen_[6b]
+ er zulke menschen zijn! Wij vonden het niet noodzaaklijk, de eerste
+ vraag duidelijk te beantwoorden, dewijl wij zeker gerechtvaardigt
+ zijn, zoo rasch men begrijpt, dat zij er _zijn kunnen_[6c]; meer
+ hebben wij in dit opzicht niet te bewijzen....
+
+ Wij bekennen ook gaarn, dat alles _zeer natuurlijk_[6d] afloopt,
+ maar begrijpen met een, dat dit, ten minsten de door ons
+ hoogst-geschatte Lezers, niet kan mishagen. 't Waar ons zeker geen
+ moeite geweest een Roman te verzinnen, zo samengestelt, zo
+ ingewikkelt, zo vol episoden, als de door een verwartste [p.259]
+ Comedie van eenen Spaanschen _Lopes de Vega_. Doch wie, in staat om
+ over het stuk in verschil te oordelen zal ontkennen, _dat een
+ karakter, eens gegeven zijnde, moet uitgewerkt worden naar vaste en
+ onveranderlijke regels_[7a]. Men wil, en dat met reden, dat men het
+ _ware waarschijnlijk_[7b] make, of men leest zeker niet met zeer
+ veel deelname....
+
+ Daar wordt in dit gehele werk geen Duel gevochten. Eens echter
+ wordt er een oorvijg uitgedeelt. Er wordt noch geschaakt, noch
+ vergif gedronken. Ons vernuft heeft niets wonderbaarlijks
+ uitgedagt. Alles blijft in het natuurlijke; _de uitvoering zal
+ alles moeten goed maken_[7c].
+
+Het zijn geen andere waarheden, zooals de trouwe lezer mijner artikelen
+wel bemerken zal, dan die ook door de moderne literatoren verkondigd
+worden. En ofschoon het begrijpen van het ware in alle tijden geschieden
+kan en we dus dwaas en kinderachtig zouden doen met ons erover te
+verwonderen, dat "reeds" Wolff en Deken dit alles zoo duidelijk voor den
+geest stond--hunne beteekenis en de eerbied, die wij hebben voor hunne
+persoonlijkheid en wijsheid, winnen er ontzaglijk door.--
+
+Ook het _genre_: de roman-in-brieven is een geheel ander, dan wij tot nu
+toe in deze kolommen hebben behandeld en dus wel een oogenblik bekijkens
+en besprekens waard. En als we dat zoo doen, dan blijkt ons toch wel,
+dat het gevleugeld woord: "alle genres, behalve het vervelende zijn
+goed" meer geestig dan waar is. Hoe uitmuntende en bewondering
+afdwingende resultaten onze schrijfsters, en waarlijk niet zij alleen,
+er ook mee bereikt hebben, er is en er blijft een zekere onnatuur aan
+verbonden en het levert moeilijkheden op--althans in een werk van langen
+adem, waar allerlei soorten van situaties kunnen voorkomen--die het
+grootste epische en dramatische talent niet dan door kunstgreepjes
+overwinnen kan. Ten eerste schijnen alle in zulk 'n roman optredende
+personages min of meer aan schrijfwoede te lijden, en dit maakt al 'n
+vrij onnatuurlijken indruk, zij 't dan ook dat de roman, als in dit
+geval, [p.260] "speelt" en dus de correspondentie plaats vindt in 'n
+tijd, dat brieven-schrijven als 'n prettige en "fashionable" bezigheid
+werd beschouwd en de welopgevoede heeren en dames er een eer in stelden,
+het goed te doen. Toch, dit feit kan als niet meer dan een "verzachtende
+omstandigheid" worden aangemerkt, en zelfs die verzachtende
+omstandigheid valt weg in een geval als dat van _Hendrik Edeling_, die,
+wanneer _Saartje_, die hij zoo zielslief heeft, door den verleider _R._
+is meegetroond, en hij verteerd wordt van wanhoop, jalousie en
+ontzetting, een brief gaat zitten schrijven aan zijn broer over het
+geval! Waarlijk, men moet zonderling in elkaar zitten, om in zulke
+oogenblikken, zoo vol van afgrijzen en wanhoop, het vreeselijke te gaan
+zitten uitpluizen in een brief, _terwijl het schrijven daarvan toch
+geenerlei gunstige wending in de zaak zal kunnen brengen en dus niet uit
+een energisch willen ingrijpen kan worden verklaard_.
+
+Onnatuur is 't ook, dat al die lieden, op 'n enkele uitzondering na,
+zulk een welversneden pen hebben. Ja zeker, wij merken, al lezend, op,
+dat hoe minder ontwikkeld zij zijn, hoe meer zij schrijven precies
+zooals zij spreken. Maar juist dit is onnatuur, want de ervaring leert,
+dat hoe onontwikkelder een mensch, hoe eerder hij geneigd is, wanneer
+hij schrijft, zich in "boekentaal" en "hoogdravend" uit te drukken!
+Te schrijven, zooals men spreekt, is inderdaad voor iemand, die geen
+bijzonderen aanleg heeft, zeer moeilijk. En dit moet men in het oog
+houden: het is onnatuur, die _onafscheidelijk_ aan het genre is
+verbonden: de romancier, die in dat genre werkt, kan er niet buiten.
+Want liet hij de menschen niet schrijven zooals ze spreken, dan zouden
+we zelden of nooit de gebeelde figuur als echt kunnen voelen en
+doorvoelen, tenzij zij in een brief aan een andere figuur sprekend wordt
+opgevoerd, 't geen natuurlijk niet altijd kan en wanneer het kan, ons
+meestal, weer op 'n andere wijs, op 't onnatuurlijke van het genre
+opmerkzaam maakt. Want, om een ander, waarlijk levend, in 'n brief te
+beelden, om diens dialoog waarlijk levend te doen zijn, moet
+noodzakelijkerwijs de briefschrijver _kunstenaar_ zijn! Is de
+briefschrijver [p.201] ons echter niet als zoodanig voorgesteld en
+bereikt hij dat alles toch in zijn brief, dan vinden we zijn figuur
+onecht, dan is deze niet meer dan een marionet, die door den
+romanschrijver in beweging wordt gezet. Bereikt de briefschrijver dat
+alles echter niet, dan vinden wij zijn figuur wel echt, maar welke
+schade lijden we niet doordat we den levenden dialoog van de in zijn
+brieven ten tooneele gevoerde personen en dier levensechte,
+plastisch-goede uitbeelding moeten missen!--En ook z'n onafscheidelijke
+en onvermijdbare moeilijkheden heeft het genre: wanneer er een of ander
+gewichtig voorval plaats vindt, waarbij het door de compositie van den
+roman noodzakelijk wordt alle met elkaar in correspondentie zijnde
+hoofdpersonen _aanwezig_ te doen zijn, dan blijft er niemand over, aan
+wien een brief geschreven kan worden, die over dat voorval handelt! En
+die brief _moet_ toch geschreven, anders komt _de lezer van den roman_
+het voorval niet aan de weet! Zulk een moeilijkheid moet dus overwonnen
+worden en zij wordt het dan ook, maar--door een kunstgreep. Als _Hendrik
+Edeling_ ten slotte met zijn aangebeden _Saartje_ trouwt, dan laten onze
+schrijfsters de aanstaande schoonmoeder van _Cornelis Edeling_ ziek
+worden, opdat haar dochter niet op de bruiloft zal kunnen zijn _en dus
+die 'r aanstaande de gelegenheid zal hebben, haar een brief te
+schrijven, waarin hij over de bruiloft verslag uitbrengt!_
+
+Maar nu basta! We hebben genoeg getheoretiseerd. Mijn aangebrande soep,
+mijn belegen grutterswaar, mijn blauwige aardappels zijn op; nu komen de
+sappige vruchten van het werk zelf!--
+
+ * * * * *
+
+In den nu hier volgenden brief door _Sara Burgerhart_ geschreven aan
+_Aletta Brunier_, een schoolvriendin, die zij weer eens toevallig
+ontmoet heeft en op wier raad zij weldra bij de _Wed. Buigzaam_ in huis
+zal gaan, vertelt zij iets van haar leven bij haar lief tantetje
+_Hofland_. Het is een buitengewoon geestig en guitig stukje. En ge leert
+er niet alleen de drie fijnen en het schattige Brechtje--je weet wel die
+[p.202] dronken tobbe--in kennen, maar ook de schrijfster-zelve: onze
+_Saartje_. En als ge nu na het lezen den indruk krijgt: ja maar die
+Saartje moet dan toch iets van een kunstenaar in zich hebben, om zoo te
+kunnen schrijven, dan zult ge in dit geval _niet_ bedrogen uitkomen.
+_Saartje's_ figuur is allervoortreffelijkst gecomponeerd en alles wat
+zij doet, schrijft of zegt, vloeit volmaakt-zuiver uit haar eens gegeven
+persoonlijkheid voort. Men kan zonder bezwaar haar als een zeer begaafde
+beschouwen.
+
+Ziehier den brief:
+
+ Douce et tendre Amie![8]
+
+ Je suis enrage[9] op het oud wijf,--op mijne tante; ik wil geen
+ week langer blijven; 't is of ik in de hel woon. Mijn tante heeft
+ zeer veel van zijn Satansche Majesteits karakter; en Brecht
+ verdient wel een schoonen dienst in zijn onderaardsch rijk.... Ja!
+ bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen.
+ Sus! daar hompelt zij, al grommende, den trap weer af. Goeie reis
+ naar beneden! Ik moet, ma chere,[10] u eens een scene teekenen, die
+ u niet zal uit de hand vallen.
+
+ Woensdagvoormiddag raasde zij als een bezetene, omdat ik eenige
+ nieuwe aria's speelde (Dat's een wijf ook?). Zij werd geholpen door
+ haar hottentot van een meid, die mij dorst zeggen, dat zij ook
+ danig ontsticht was.
+
+ Dit trekje is goud waard! Men _ziet_ het gemeene vrouwmensch, die,
+ zoolang haar meesteres rijk is, haar naar den mond praat en haar
+ later, als ze arm is geworden, brutaliseert en in den steek laat,
+ hier met schijnheilig gezicht meepraten van dat ze "ontsticht" is.
+ Zij, die natuurlijk te dom, te ongevoelig en te beestachtig is, om
+ hetzij gesticht of ontsticht door muziek of door wat ook, te kunnen
+ worden. 't Is van een buitengemeen komische kracht!--Heb jelui ook
+ wel opgelet wat een uitstekend beeldend woord dat "hompelen" is?
+
+ Met wordt er gebeld. Brecht, die volmaakt een zog van een
+ bollebuisjeswijf[11] gelijkt, waggelde naar voor, en tante gaf
+ [p.263] mij een verbruide[12] oorveeg, omdat ik bleef spelen.
+ "Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin." "Wel hede, laat broeder maar
+ achter komen." Daar kwam broeder, een luie zuipzak van een kerel,
+ in een paarschen japon;[13] (men zou wel zeggen, wie of zoo een
+ verloopen slagersknecht, toch een japon heeft leeren dragen.)
+ "Welkom, broertje, wel hoe is het nu nog al met je?"
+
+ --"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"
+
+ --"Wel dat is droevig, maar je vergt je ook wat veel."--"Ja, 't is
+ mijn ambtsbezigheid; en hoe vaart zuster? Je schijnt wel wat
+ onthutst."--"Ja, dat ben ik ook, 't is niet altijd het effen wegje,
+ broertje." (Tegen Brecht): "Ei meid, is er niet wat? dan zou
+ broeder hier maar familiaar blijven." (Tegen mij): "Toe lieve
+ Saartje" (was dat uit te staan, lieve Saartje, en mijn wang gloeide
+ nog van den slag) "bak jij nou eris schielijkjes wat dunne
+ pannekoekjes, broeder lust ze zoo graag."
+
+Dit stuk dialoog is alleruitmuntendst! Het is zoo voortreffelijk, dat
+men de woorden lezend, ook onmiddellijk de gebaren der sprekers, hun
+lichaamshouding, hun gelaatsuitdrukking erbij ziet en men dus de hier
+ontbrekende plastische uitbeelding van dit alles door de auteurs,
+heelemaal niet mist. Voelt ge het quasi-zachtmoedige, wee-zoetsappige
+van al die verkleinwoordjes: "broert_je_," "weg_je_," "schielijk_jes_."
+Je _ziet_ daardoor de "peulemondjes," de zalvend-vromig half
+neergeslagen oogleden, het dierbaar-goedige glimlachje!
+
+ Ik sloot mijn clavier en zei: 't is wel, tante. Ik ging naar de
+ keuken en bakte helder[14] door; maar-ik-at-die-al-bakkende-zelve-op.
+
+Die in den bouw van dit zinsdeel wel wat vreemd uitziende
+verbindingsstreepjes, hebben, naar ik vermoed, ten doel nadrukkelijk aan
+te geven, dat de beide handelingen van bakken en opeten, zoo haastig, en
+als 't ware ongescheiden, verricht werden, dat ze tot een handeling
+werden. Deze streepjes beoogen en bewerken dus een zuiver artistiek
+effect: _'t duidelijker aan den lezer voor oogen stellen van wat er
+gebeurt_, 't geen hier inderdaad het guitige en lachwekkende zeer
+verhoogt. En in zooverre is deze plaats dus als een voorloopster [p.204]
+te beschouwen van het gebruik van verbindingsstreepjes in de moderne
+literatuur, waar het ook vaak dient ter versterking of fijne nuanceering
+van gevoelsverwoording, plastische uitbeelding, enz.--
+
+ Dat is de eerste trek, dien ik haar speelde, hoe zelden ik mijn
+ genoegen krijg.
+
+ Ik moet hier alles doen, want Brecht is een lomp schepsel en snuift
+ sterk. Toen ging ik, terwijl Brecht in huis klungelde, de tafel
+ dekken. Brecht eet met ons, want het is zuster[15] Brechtje, moet
+ je weten, Letje. Tartuffe[16] zou een goed woord spreken, maar de
+ vent bad (zoo noemen zij dat gehuilebalk) wel een kwartier lang.
+ Hetgeen hij jankte, geleek veel meer naar het morrend gegnor van
+ ondankbaar vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 'tgeen
+ zijnen God looft.
+
+ Ik kreeg, a l'ordinaire[17] eten op mijn bord. Twee schepjes
+ groente met een flenter vleesch van daags te voren. Ik spelde mijn
+ servet voor: "als ik gelijk een kind eten krijg, moet ik ook zien,
+ dat ik mij niet bemors." "Och, of gij een kind waart!" zei de
+ smulpaap, die onderwijl met zijn duim en vinger de boter van de
+ robe de chambre eener cotelette aflikte. "Dat zou heuchelijk zijn!"
+ zei tante. "Ja wel heuchelijk!" zei zuster Bregitta.[18] Toen kreeg
+ ik nog wat bijeengeschraapte spinasi en een stuk cotelet. Zuster
+ Santje[19] en broeder namen onderwijl eens in. Ik krijg nooit wijn;
+ tante zegt, dat het niet goed is voor mij, en dat kan wel zijn,
+ want ik ben jong en gezond. "Kom, Saartje, neem nou maar af;
+ Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud." Ik deed zoo; zette
+ het dessertje op. "Waar bennen de flensjes, Saartje?"--"Die bennen
+ in mijn maag, tante." Snap, mijn servet neergegooid (bij ongeluk
+ tegen broeders palmhouten[20] pruik) en het onweer op mijn kamer
+ ontweken. [p.265] Gij weet ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te
+ pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de hottentot met een
+ stuk brood en een glas zuur bier, er bij voegende: "dat ik het
+ nooit kon verantwoorden, zooals ik een vroom mensch evel plaagde."
+ --"Scheer je van mijn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit.
+ Het brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide
+ ik weg, en dronk eens uit mijne caraffe: ging vroeg naar bed en
+ sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een
+ kom tee, dat wel omspoelsel lijkt. Tante gaat uit, en wil mij voor
+ hare oogen niet zien. Zoo zitten nu de zaken. Mogelijk geef ik u
+ dezen wel in eigen handen, mogelijk niet: 'k weet niet, hoe 't zal
+ uitkomen. Vast kom ik; de brief van de goede weduwe heeft mij in
+ mijn voornemen gesterkt. Ik zou al bij u geweest zijn[21], maar ik
+ wacht op een brief; die brief komt niet[22]. Ik zal, voor ik dit
+ huis verlaat, aan haar, die ik bedoel, nog eens schrijven ... doch
+ dat kan ik bij u even goed doen.
+
+ Ja, lieve meid, gij hebt wel kostelijk gelijk! Men moet maar wel
+ doen en vroolijk leven. He wat? op die fijnen is toch geen staat te
+ maken; echter zijn er (of jij 't niet geloofde) zulke vrome zielen
+ onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zoo goed
+ georganiseerd als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zijn ...
+ enfin, kort gezeid, Letje, Salomon, de wijze koning, is mijn man:
+ _men moet het goede genieten van zijn leven ende van zijn
+ arbeid_;--maar daarmede is dat maar uit, en afgedaan....
+
+Heeft men in het eerste deel van dezen brief Saartje leeren kennen als
+een guit en 'n katje, dat niet zonder handschoenen is aan te pakken, dit
+laatste deel toont haar ons niet alleen als het gezond-levenslustige,
+maar ook het brave en gewetensvolle kind, dat de menschen, van wie zij
+niet houdt, toch niet ongunstiger wil voorstellen dan zij hen werkelijk
+gelooft te zijn. Voor dezen keer nu nog even 'n stukje uit den brief van
+_Saartje_ aan haar voogd, _Abraham Blankaart_, waarin zij hem-heel
+openhartig meldt, dat zij ontvlucht is:
+
+ [p.266] Gistermiddag ging tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak
+ wat linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb
+ voor gij naar Frankrijk ging, doch die ik nooit heb aan gehad, met
+ een weinig gelds (want zij geeft mij niets,--geen duit). Brecht had
+ de stoutheid mij te vragen: "waar ga _jij_ heen?"--"Dat raakt
+ _jou_ niet."--"Dan zal _je_ ook thuis blijven."--"Heb _jij_ 't hart
+ en belet mij dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kijven;
+ en ziende dat Brecht haar talent te werk stelde, bedacht ik mij:
+ "Brecht," zei ik, "heeft tante je die orders gegeven, dan moet ik
+ haar de reden vragen als zij thuis komt; wat zullen wij
+ eten!"--"Kliekjes," zei zij.--"Goed ik heb honger, maar wij zullen
+ tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een flesch
+ wijn, jij hebt zeker den sleutel."--Ik doe niet, juffrouw Saartje
+ (nu 'k van putten[23] sprak, kreeg ik aanstonds dezen titel!") "Jij
+ jokt, Brecht; als tante er van spreekt, zal ik haar den wijn
+ betalen."--"Je tante heeft altoos den sleutel; maar als de juffrouw
+ mij niet beklappen zou, ik kan er toch wel bij."--"Ik je beklappen!
+ wel, dan moest ik wel gek zijn; krijg maar, toe, schielijk." Zij
+ ging. Ik had al lang gemerkt, dat zuster Brechtje aan de fep
+ was;[24] ik tastte haar dus van de zwakke zijde aan. Doch pasjes
+ was zij in den kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels
+ erop. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur achter mij
+ toe. Hoe het verder met de zuster gegaan is, weet ik niet....
+
+Allerbest en toch zoo eenvoudig verteld, he; in dien laatsten zet van:
+"met de _zuster_", nog even een echtSaraBurgerhartsche guitige
+spotternij! Voor dezen keer stop ik en al geloof ik wel, dat na wat ik
+jelui nu van het werk heb laten zien, je al heel verlangend zult zijn
+het te lezen, ik ben mij bewust, je toch nog maar een te klein deeltje
+van zijn groote schoonheid in karakter-uitbeelding, taalrijkdom,
+wijsheid en naieve bekoorlijkheid te hebben getoond, dan dat ik mij
+daarop met volslagen zekerheid--ik ken immers mijn Pappenheimers--zou
+mogen verlaten. In het volgende hoofdstuk dus zullen wij enkele der
+figuren; met wie jelui nu reeds kennis hebt gemaakt, wat nader bekijken
+en eenige nieuwe aan jelui voorstellen, daarna.... Maar waarom zou ik
+zoo dwaas zijn om alles bij voorbaat uit de school te klappen!
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Men oordeele. Een der argumenten is dit: "In Sara Burgerhart wordt
+gezegd aan het slot van den 69sten brief: ""De uitgeefster heeft noodig
+gevonden dezen brief van Charlotte Rien du Tout, als ook dien van
+Pieternelletje Degelijk, van de taal- en schrijffouten eenigszins te
+zuiveren, opdat men die zoude kunnen lezen."" Deze noot kan niet
+afkomstig zijn van juffrouw Deken, zelve op de regels van taal en
+spelling zeer onvast. Alleen de beter onderleide juffrouw Wolff kon zoo
+spreken".... Ei zoo, was juffrouw Wolff beter onderleid?... Ziehier wat
+Prof. Knappert daaromtrent in een noot bij zijn inleiding citeert:
+""Ofschoon noch Loosjes, noch vader (Noordkerk) noch Houttuin in staat
+zijn geweest mij te doen begrijpen wat taalregelen zijn en ik altoos
+iemand noodig heb, die hen in haar, d in t, t in d of dt verandert""
+_Betje_ in een brief van 9 Juni 1772."
+
+Een andere "grond" is, dat in de voor- en naredenen van _Sara
+Burgerhart_ en _Wlllem Leevend_ voortdurend gesproken wordt van: _Ik,
+mij, mijn_, alsook van uitgeefster, inplaats van uitgeefsters. Maar ik
+moet zeggen, dat ik zelden een bewering heb gezien, van een meer
+averechts psychologisch inzicht blijk gevend dan deze! _Want juist het
+feit, dat de schrijfster dier voor- en naredenen zich verschreef, toont
+aan, dat er niets te verbergen was. Anders zou zij waarlijk wel op haar
+qui-vive zijn geweest_. Deze "grond" is mij dus juist een bewijs van het
+tegendeel van 't geen Huet beweert. Het is immers zeer natuurlijk, dat
+iemand, _die niets te verbergen heeft_, en ook namens een ander
+schrijft, zich nu en dan vergist en alleen van "Ik" spreekt. _Juist
+omdat het in zijn gedachtengang van zelf spreekt--en hij er geen
+oogenblik aan twijfelt, dat dit ook bij zijn lezers het geval zal
+zijn_--dat hij 't ook namens dien ander doet!
+
+[2] "Adellijke losbol," "gewetenlooze meisjesverleider," "slachtoffer,"
+dit alles klinkt melodramatisch. En ik laat het met voorbedachten rade
+zoo klinken, om mij even door u, o moderne jongelingschap, te laten
+uitlachen. Gij zijt er overigens in voortreffelijk gezelschap mede. Want
+Huet vindt, precies, geloof ik, om dezelfde reden, waarom jelui mij nu
+uitlacht, de beelding van deze figuur niet veel zaaks! Hij zegt: "De
+hooggeboren ligtmis R., die het op Saartje's bederf toelegt, is niet
+minder zwak van teekening dan van compositie _en heeft al de allures van
+een tooneelsnoodaard en professioneel belager der vrouwelijke
+onschuld_." Ik ben het daarmee echter volstrekt niet eens, ik vind _de
+figuur zelf_ goed gebeeld en goed gecomponeerd, al is _haar plaatsing in
+de compositie van den roman_ verre van onberispelijk. De zaak is echter,
+dat het in sommige tijden de mode is, op de dagdagelijksche en algemeene
+werkelijkheid neer te zien en alleen de uitzonderlijke gevallen en
+figuren aandacht waardig te keuren; in andere tijden echter, o moderne
+jongelingschap, acht men alleen het literatuurbeeld der algemeene
+werkelijkheid "echt" en alles wat naar den goeden of slechten kant
+uitsteekt "tooneel-matig" en "zwak," Geen van beide zienswijzen is de
+juiste. De juiste is: elke figuur aan de logiek van haar eigen zich
+blootleggenden aard te toetsen. Te vragen: is zij goed gesteld en goed
+volgehouden? Maar vele critici en, vooral jeugdige, lezers worden
+verhinderd dit te doen en, doen zij het wel, de consequentie te
+aanvaarden, door een zeker verlangen, zich vooral koel-verstandelijk te
+toonen en niet licht-geloovig, zooals "de groote hoop." Nu, ik denk mijn
+meening omtrent de figuur van R. te "bewijzen," zoodra zij aan de beurt
+is. Maar lees in dien tusschentijd nog eens over wat ik schreef over
+goede en slechte romantiek. Blz. 224.
+
+[3] De serie artikelen over _Realisme en Naturalisme_ in _Het Jonge
+Leven_ is hier bedoeld.
+
+[4] Een overdrijving van de werkelijkheid.
+
+[5] Den lezer, die belang stelt in een uitvoerige motiveering dezer
+stelling, verwijs ik naar mijn opstel in "De Ploeg" van Augustus en
+September 1911, herdrukt in mijn _Schetsen en Critische opstellen_:
+"Over literaire critiek en Is. Querido's "Studien."
+
+[6] De cursiveering is van de _schrijfsters_.
+
+[7] De cursiveering is van _mij_.
+
+[8] Zachte en teedere vriendin!
+
+[9] Ik ben woedend.
+
+[10] mijn lieve.
+
+[11] Zog staat voor zeug, een dik, schommelend vrouwspersoon.
+Bollebuisje is de naam voor een soort gebak, poffertje of appelbeignet
+(Knappert)
+
+[12] harde oorveeg.
+
+[13] soort van jas.
+
+[14] flink.
+
+[15] Zij wordt niet als dienstmeid beschouwd maar als "zuster in den
+Heere."
+
+[16] De hoofdpersoon in het vermaarde tooneelstuk van dien naam van den
+grooten Moliere. _De_ personificatie van de schurkachtigheid, valsche
+vroomheid en huichelarij, waarom _Saartje_ dan ook Broeder Benjamin met
+dien naam aanduidt!
+
+[17] zooals gewoonlijk.
+
+[18] De ouwe zuiplap van een Brecht moet ook weer zalverig een duit in
+'t zakje gooien. _Saartje_ verhoogt in niet geringe mate het komisch
+effect van het meegedeelde, door haar "Zuster Bregitta" te noemen.
+
+[19] Tante Hofland.
+
+[20] De Heer Knappert zegt hier: "Aldus naar de kleur der pruik." Zeer
+zeker, maar ik geloof, dat het in de allereerste plaats bedoelt, de
+stijfheid, het als uit-hout-gesnedene van zoo'n pruik duidelijk voor
+oogen te stellen. Ik herinner mij voor eenige jaren iemand ontmoet te
+hebben met een roodbruine pruik en, ofschoon onzen roman toen niet
+kennende, viel mij toen onmiddellijk de uitdrukking uit den mond: "'n
+pruik van mahoniehout" En toevallig: 't was ook zoo'n soortement van
+zielsverzorger, en dat houterige van de pruik paste geheel bij zijne
+niet-uit-de-plooi-komende persoonlijkheid!
+
+[21] _Lelie Brunier_ is ook commensaal bij de _Wed. Buigzaam_.
+
+[22] Een brief van _Anna Willis_, over wie ik reeds in mijn inleiding
+sprak. Wij zullen hier ook met haar kennis maken.
+
+[23] Zuipen, sterken drank drinken. "Het is een ouwe putter" = een ouwe
+drinkebroer (van Dale).
+
+[24] Aan den drank (Knappert).
+
+
+ * * * * *
+
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
+[p.267]
+
+II
+
+
+Van de bedaagde personen, die in onzen roman voorkomen, vind ik het
+uitstekendst getypeerd _Jan Edeling_, den grimmige maar goedhartigen
+vader van _Hendrik Edeling_, met wien _Saartje_ trouwt. _Jan_ is het
+type van den patriarchalen huistyran. Zijn zoon zou 't in den kop
+krijgen een huwelijk te doen naar eigen zin?! Het meisje trouwen op wie
+hij verliefd is? Geen denken aan! Aan den vader hoort de beslissing. Wat
+weerga, ze zijn niet van een geloof. Hij, Jan Edeling, de afstammeling
+van den vriend van Martin Luther, hij, die nog den inktkoker in z'n
+bezit heeft, dien Luther "bij zekere gelegenheid den duivel naar den kop
+smeet, toen die 't al te grof maakte," zou een "arke Noachs" van zijn
+huis maken. Het mocht wat! Neen, daar komt niks van in! Toch wordt de
+man getemd door--_Abraham Blankaart_. Deze is door de schrijfsters met
+alle mogelijke deugden toegerust: een klaar verstand, een gevoelig hart,
+en een soort van weldadigheid, die, snoevend en blufferig als ze mag
+zijn, niettemin weldadigheid, ik zal niet zeggen: in den _besten_ zin
+des woords, maar dan toch in _heel goeden zin_ is. De verliefdheid der
+schrijfsters op deze figuur heeft hen, als ware 't op het beslissende
+oogenblik, verhinderd haar van even groote uitbeeldingsvoortreffelijkheid
+als die van den ouden _Jan Edeling_ te doen zijn. _En dit niet zoozeer,
+als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het organisch geheel
+van den roman_. [p.268] Dit laatste ziet er eenigszins raar en moeilijk
+uit. En ik weet op het oogenblik geen beter middel, 't heel gewoon en
+klaar voor u te maken, dan u mijn eigen gedachtengang daaromtrent bloot
+te leggen. Wij moeten, om te beginnen, wel onderscheiden, wat eigenlijk
+in de _Blankaart_-figuur onzen wrevel opwekt en waarom wij na de keuring
+harer groote waarde een vleugje onvoldaanheid in ons merken. Is het niet
+in de allereerste plaats, vroeg ik mijzelf af, 's mans voortdurend
+uitweiden over eigen voortreffelijkheid, gulheid en verstandelijk
+inzicht, gemengd met quasi-bescheidenheidsvertoon? Maar neen, dat kan
+ons _kunstgenot_ toch niet bederven. Integendeel: hoe meer ons al die
+hebbelijkheden naast zijn groote deugden duidelijk worden, hoe inniger
+we toch van die voortreffelijke uitbeelding, die ons dat alles zoo
+hel-duidelijk voor oogen stelt, zouden moeten genieten, want juist
+immers het wegdoezelen der ondeugden in een roman-figuur en het
+partijdig uitsluitend-uitbeelden harer goede eigenschappen doet haar
+levenswaarheid te loor gaan. Het moet dus iets anders zijn. En ziehier:
+ik geloof, dat ik er ben. Wij merken duidelijk, dat de schrijfsters geen
+oog hebben voor 's mans quasi-bescheidenheid en snoeverij. Of anders
+gezegd: wij merken, dat zij voortdurend een eenigszins anderen
+_Blankaart_ innerlijk zien, dan dien zij uitgebeeld hebben. En daaruit
+volgt, dat het hun niet geheel gelukt is, de in hen levende voorstelling
+der figuur zoo te verwoorden, dat zij, precies zooals zij is, ook in den
+lezersgeest te leven komt. Zoodra we dit merken, krijgen we 't gevoel,
+dat er iets _niet-geslaagds_ is. En dat is het alsemdeeltje in het zoet
+van ons kunstgenot! Maar nu: hoe merken wij, dat zij een andere
+voorstelling van de _Blankaart_-figuur hadden, dan die ze ons gegeven
+hebben? Wij zien dat aan het feit, dat al de andere, in den roman
+optredende menschen, ook die, welke klaarblijkelijk der schrijfsters
+achting hebben, die door hen voor verstandig, deugdzaam en gevoelvol
+worden gehouden, niets van _Blankaart's_ valsche bescheidenheid, z'n
+parvenuachtig gepoch, z'n eeuwigdurend rammelen-met-de-centen merken.
+Want hadden de schrijfsters deze hebbelijkheid niet over het hoofd
+gezien, hadden zij den _in hun [p.269] geest aanwezigen Blankaart niet
+daarzonder_ gezien, zij zouden toch wel de een of andere hunner daarvoor
+geschikte romanfiguren, eene afkeuring daarvan, eene opmerking, ja zij
+'t slechts eene onschuldige scherts erover in den mond gelegd hebben.
+Het is waar, dat soms in het boek gesproken wordt van 's mans
+"wonderlijkheden." Maar hiermede schijnen meer zijn ondeftige en
+origineele uitvallen, dan wel die bepaald stuitende eigenschappen zijner
+overigens in-goeiige persoonlijkheid te worden bedoeld. En het is dan
+ook op die al te hooge plaats, die _Blankaart_ in de waardeering zijner
+mede-romanmenschen inneemt, dat ik doelde, toen ik zooeven zei, dat hij
+niet zoozeer als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het
+organisch geheel van den roman niet volkomen gaaf gebeeld is. Want als
+men _Blankaart_ afzonderlijk bekijkt, als men hem neemt, zooals hij nu
+eenmaal ten voeten uit in eigen brieven staat en men dus niet ziet naar
+den _Blankaart_, zooals die in de verbeelding der overige verstandige en
+menschkundige romanmenschen leeft en door de schrijfsters geconcipieerd
+werd; _indien men dus niet het hinderlijk verschil tusschen conceptie en
+uitvoering gewaar wordt_, dan is de figuur uitstekend geslaagd,
+uitstekend volgehouden. Men ziet dan: een goedhartigen kerel, maar ook
+een snoever en een ijdeltuit, die weldoet, zeer zeker _deels_ om 't
+weldoen zelf, maar ook in zeer groote mate, om den dank ervoor te
+oogsten, zich te koesteren in de bewondering en de genegenheid der
+menschen en, in een woord, overal op de handen gedragen te worden. _In
+stilte wel te doen is hem vrijwel onmogelijk_. Hij moet ermee te koop
+loopen. Is de door hem beweldadigde persoon in zijn oogen te gering en
+ligt hem aan haar dank en haar erkenning, dat hij zoo'n buitengewoon
+goed man is, niet veel gelegen, dan moet hij gauw de weldaad
+overbrieven--hier in letterlijken zin--aan een ander, terwijl hij dan
+sluwtjes-bijdehand een voorwendsel in zijn verhaal laat sluipen, dat de
+ware reden, waarom hij 't eruit flapt, verbergen moet. Een min of meer
+kluchtig, hem prachtig karakteriseerend voorbeeld daarvan is het
+volgende: Als de "fijnen" met _tante Hofland's_ geld er van door
+zijn--waarover [p.270] later meer--en zij haar nood heeft geklaagd aan
+de door haar zoo slecht behandelde nicht _Saartje_, verzoekt deze haar
+voogd _Blankaart_, tante eens te gaan bezoeken, om te zien of hij 'r
+helpen kan. _Blankaart_ doet dit natuurlijk, is verrukt over de
+vergevingsgezindheid zijner pupil en schrijft aan de _Wed. Willis_ o.m.
+het volgende over _tante Hofland_:
+
+ 't Is een malle kwezel, en zoo gierig als het graf; maar zij kan
+ zich nog bekeeren, _en ik zal haar ook al maar helpen_; zij zal in
+ haar ouden dag geen gebrek hebben, noch in fatsoen verminderen.
+ Haar lekkere tand zal nog niet eens uit moeten; want Abraham
+ Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. _Zoodat ik maar
+ zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen hoe of 't Christelijk of
+ mogelijk is, dat mijn kleuter zoo pront haar geloof verstaat_. Zij
+ vergeeft hare tante alles van harte, wil haar helpen, haar
+ bezoeken.
+
+In den eersten door mij gecursiveerden zin, wil _Blankaart_ laten
+voelen: "Och ik help er toch al zooveel, die kan er ook nog wel bij; zeg
+nou 's, dat ik niet royaal ben!" In den tweeden wil hij 't laten
+voorkomen, alsof hij 't alleen maar vertelt, om _Saartjes_ braafheid te
+doen bewonderen.
+
+Kan men echter nog van het vorige aangehaalde stukje, met heel veel
+goeden wil, zeggen, dat hij zich laat verleiden, daarin van zijn
+weldaden te spreken, omdat hij der geadresseerde een huwelijksaanzoek
+doet en zich dus vooral van zijn gunstigste zijde wil doen kennen, het
+volgende is een allerzuiverst voorbeeld van z'n quasi bescheiden op
+eigen goedheid pochen:
+
+ Zie, men moet de jongelui, als zij wel doen, ook wel doen; en ik
+ ben Goddank, geen vrekkige jakhals van een kerel. Ik zeg altijd:
+ "Abraham Blankaart, God heeft U zoo gezegend, je hebt kind noch
+ kraai; hoewel ik weet niet of dat zoo blijven zal; een mensch heeft
+ graag een eigen weerspraak. Kind noch kraai, wel deel mee, mijn
+ vriend; maak dat niemand op u ziet, _als een hond op een zieke
+ koe_; dat niemand wel eens wou zien, of jij ook een mooie doode
+ zijn zoudt. 't Moet hier toch allemaal blijven, en als jij brave
+ lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christenmensch
+ betaamt." _Nu dat overgeslagen_.
+
+Het eerste zinnetje is door mij gecursiveerd, om er uwe aandacht op te
+vestigen, dat dit een van die kernachtige echt-Hollandsche uitdrukkingen
+is, waarvan het werk van Wolff [p.271] en Deken wemelt en die zij,
+uitstekende romancieres als ze zijn, altijd den juisten persoon bij de
+meest geschikte gelegenheid in den mond weten te leggen. Met den tweeden
+zin komen wij echter weer op ons eigenlijk chapitre terug, 't Is
+werkelijk valsche bescheidenheid van de naarste soort, nadat men eerst
+de voortreffelijkheid van eigen denk- en handelwijze in het licht heeft
+gesteld, daaraan toe te voegen: "_Nu dat overgeslagen_." Jawel denken
+we, maar je hebt 't tenminste maar gezegd!
+
+Ik sprak u zooeven van zijn gezond verstand. Ik had er moeten bijvoegen,
+dat hij het type van een gewiksten kerel is en zich in een
+benijdenswaardige mate van gevatheid en diplomatisch beleid mag
+verheugen. Ziehier een sterk staaltje ervan (de oude _Jan Edeling_ heeft
+hem geschreven, dat hij niet van zins is, tot het huwelijk tusschen zijn
+zoon en _Saartje_ zijn toestemming te geven. Hij hoopt dat Blankaart het
+met hem eens zal zijn, dat twee menschen van verschillende kerkelijke
+gezindte niet met elkander moeten trouwen. Maar _Blankaart's_ antwoord
+valt hem koel op de maag. Let op: het is een stukje vol schitterend
+beleid):
+
+ Ziedaar, ik heb het altoos zoo druk en volhandig gehad, dat het
+ trouwen er is ingetrokken; maar, selderdemostert, was ik vader over
+ een half dozijn jongens en meisjes, dan zou ik mijn geluk niet
+ kunnen overzien, als ik daar zoo al die kabouters hoorde snappen en
+ rabbelen. Of Abraham Blankaart ook mee zou doen. En als zij dan
+ zooverre heen waren, dat zij op 't geen ik zeide aanmerkingen
+ konden maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te
+ brengen, wel, dan zou ik God hartelijk danken, omdat ik zulke
+ snelle kinderen had, zooals billijk is. Begrepen zij in 't vervolg
+ eens iets beter dan ik, bestig, zou ik zeggen, en doen het zoo.
+
+ Daar heb je nu mijn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet
+ wel meer van de wereld en van de Schrift dan ik, en ik ben dertig
+ jaar ouder. Voor ik naar Frankrijk ging, zei ik: kind, lees je jou
+ gebed 's avonds stipt uit Mell?[25] "Mijnheer," zei ze, "ik bid uit
+ mijn eigen hart; ik weet immers beter, wat ik nu noodig heb, dan
+ Mell voor vijftig jaar dat raden kon?" Wat denkt gij dat ik toen
+ zei? je zult, bij dit en dat, jouw gebed [p.272] uit Mell lezen,
+ omdat ik het doe? Mis mannetje! ik zei, dat 's waar, je hebt groot
+ gelijk; en anders zou zij denken dat ik haar vijand en niet haar
+ welmeenendste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gij hebt nu veel meer
+ verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op mijn woord, jij
+ hebt mis.
+
+ _God de Heer geeft ons, zijne kinderen, wel reden van zijne
+ bevelen: "doe dat, opdat het u welga," staat er dat niet in den
+ Bijbel? En zullen wij nu zoo misselijk en zoo boos zijn, dat wij
+ onze kinderen, in plaats van brood, slangen en schorpioenen in den
+ mond proppen? Had, bij gelijkenis, Luthers vader eens gaan zeggen:
+ "Luther, ik versta niet, dat je Luthersch wordt, jij zult paapsch
+ blijven, want wij zijn van 't begin van de wereld af allemaal
+ paapsch geweest; en zoo jij 't in den kop krijgt om van ons oud
+ geloof af te gaan, zullen wij eens wat anders bij de hand vatten."
+ En was Luthers vader evenwel zoowel de vader van Luther niet, als
+ Jan Edeling vader is van zijnen zoon Hendrik; en waar was dan je
+ heele geloof gebleven?_
+
+Enzoovoort, enzoovoort. Het is van a tot z, een behendig den
+tegenstander in z'n zwakste zij aanpakken. Hij begint, door er een
+tafreeltje van op te hangen, hoe gelukkig hij zou zijn geweest, indien
+hij "vader over een half dozijn jongens en meisjes ware," met in
+_Edeling_ de gedachte wakker te roepen: "Ja, zoo'n troep kaboutertjes om
+je heen, dat is inderdaad heerlijk, daar heeft die Blankaart wel gelijk
+mee, hoe 'n geluk zou 't zijn, als nu op m'n ouden dag, zoo'n troep
+lieve kleinkinderen aan m'n knieen kwam spelen.... Handel ik eigenlijk
+niet heel dwaas en zelfs slecht met mij langer tegen Hendrik's huwelijk
+te verzetten?..."--Na dit gedaan te hebben, verwijt hij Edeling
+bedektelijk, dat deze nimmer zijn kinderen "voor hun eigen kleine
+zaakjes" iets in 't midden liet brengen, noch, klaarblijkelijk, ooit God
+voor zijn "snelle kinderen" had gedankt en evenmin, ook al wist hij dat
+zijn kinderen iets beter inzagen dan hij, ooit naar hun inzicht heeft
+gehandeld. Door aldus in Edeling's geest eerst de voorstelling wakker te
+roepen van een gelukkige toekomst en daarna de herinnering aan een
+verleden, waarin zijn onbuigzaamheid en hardheid z'n vrouw en kinderen
+hebben verhinderd zoo gelukkig te zijn en man en vader zoo lief te
+hebben als bij toegevendheid en zachtheid van diens kant het geval ware
+geweest, geeft Blankaart hem de waarschuwing: [p.273] zie toe Edeling,
+hoe je ten deele het verleden bedorven hebt en pas op, dat je door je
+dwaze trots en eigengerechtigdheid ook de toekomst niet bederft.--En wel
+wetend, dat een bitter drankje makkelijker te slikken is, als het met
+suiker wordt vermengd, vlecht hij er dat vleiende zinnetje tusschen,
+waarin hij zegt, dat Edeling meer verstand heeft dan hij. 't Spreekt van
+zelf, dat Blankaart daar niets van meent. Niet alleen, dat hij werkelijk
+veel meer verstand dan de ander heeft, maar had hij 't niet, _dan ware
+juist hij de man, om er vast van overtuigd te zijn, dat hij 't wel
+heeft_.--Het door mij gecursiveerde gedeelte van het citaat echter spant
+de kroon. Behendig pakt hij onmiddellijk het zekerste middel aan,
+waarmee een eerlijk-godsdienstig mensch--en dat is Jan Edeling--klein te
+krijgen is: een bijbel-tekst, die met gevoelen, gedachte of handeling
+van dien mensch in strijd is. En ten slotte toont hij, door de prachtig
+gevonden vergelijking met Luther en Luther's vader, den ouden
+Edeling--_langs den eenigen weg waarop een gedachte dien harden kop kan
+binnengaan_ --hoe nadeelig het kan zijn, indien een vader zich maar
+altijd tegen den wensch van zijn zoon verzetten zou. Ongetwijfeld hebben
+hier en daar Blankaart's argumenten iets kinderlijks en naiefs en
+meesmuilen we bij de gedachte, hoe een beter onderlegd tegenstander dan
+Jan Edeling ze tusschen zijn vingers zou fijnwrijven. Maar, ziet ge--en
+hieraan merkt ge duidelijk, waarin de voortreffelijkheid van een
+menschbeelding eigenlijk bestaat!--juist omdat zijn argumenten zoo zijn
+als ze zijn, is dat stukje zoo uitstekend. Het _moeten_ argumenten zijn
+van, om 't eens aldus zeggen: een amateurdenken, van een rijkgeworden
+koopman, die genoeg natuurlijken aanleg heeft, om _aardige greepjes_ in
+dit of dat vak van het hoogere geestesleven te doen. Gaf hij argumenten
+van een veel hoogere soort, dan juist zou die passage zoo slecht zijn,
+dat ze niet leesbaar ware, omdat: _een man als Blankaart_ dergelijke
+argumenten niet geven _kan_.--
+
+Maar op z'n best, in zijn "bulderbastige" geestigheid en als de wielen
+van een locomotief donder-rollende rondheid, is hij in zijn antwoord op
+een brief van _tante Hofland_, waarin [p.274] deze op haar manier hem
+_Saartje's_ vlucht uit 'r huis vertelt; onder veel vroom gewauwel en
+zalverig gescheld ten slotte op de centenquaestie uitdraait en, op grond
+van het feit, dat _Saartje_ uit eigen beweging haar huis verlaten heeft,
+het volle geld eischt, wat zij tot dan als kostgeld heeft genoten, tot
+Saartje trouwt of vijfentwintig jaar wordt. Uit dat antwoord van
+Blankaart laat ik hier nu eenige gedeelten volgen:
+
+ Mejuffrouw!
+
+ Wel zeit het Hollandsche spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe
+ schooner volk."[26] Maar wat heb ik met uw gelol en uw heiligen
+ Sukkelaar[27] te doen? Wat geef ik om uw broer Benjamin? Weet gij
+ wat, juffrouw Hofland, uw heele oude voddenwinkel van kwezelarij
+ raakt mij niets, geen oogvol. Houdt uw brieven maar thuis, ik weet
+ alles in 't lang en in 't breed. Het kind heeft deugdelijk gedaan.
+ Zij moet meer gedulds hebben dan ik, anders had zij zoo lang niet
+ eens bij u gebleven, dat 's maar uit. Ware ik in Amsterdam geweest,
+ ik zou haar zelf uit uwe klauwen gehaald hebben en in mijn huis
+ gebracht; al hadt gij en uw volk mij braaf gelasterd, dat scheelt
+ mij weinig. Hoe, wat hamer! denkt gij, dat ik niet weet, hoe jij
+ haar gedaan hebt, en dat jij haar als eene zottin door de
+ godgansche stad hebt laten loopen in ouwe konkelige kleeren, en dat
+ voor een meisje, die geld heeft en altoos proper gekleed plach te
+ zijn, iets dat ik ook bijster graag zien mag. Wat wil je nu daarvan
+ hebben, he? Je meugt waarachtig nog wel spreken van omslag! Wat
+ heeft Saartje bij je gehad? overgeschoten klieken, en niet half
+ haar bekomst. Weet je wat? Jij hebt het geld van eene wees met uwe
+ smulbroers en fekelkousen verteerd, en het meisje nog gebruikt om
+ dat gespuis op te passen, dat heb je. Je meid is een dronken todde,
+ hoor! Zij komt er genadig af. Laat zij nooit onder mijne oogen
+ komen, want ik ben wat poestig,[28] ik mag geen onrecht zien, dat
+ om de hagel niet; er zullen konkels[29] zwaaien.
+
+ [p.275] Wel leg je ook te wauwelen over afgodisch Frankrijk; en van
+ menschen, die het teeken des beestes aan hunne voorhoofden dragen?
+ Ik weet niet veel van die nieuwe snofjes en modes, noch hoe die
+ duivelderage hiet, die de dames nu alweer opzetten; doch jij weet
+ er ook niet veel van. Maar zoo zijt gij allemaal: dat gonst en dat
+ bromt over zottigheden, en wezenlijke zaken laat men zooals zij
+ zijn. Jij slacht de dominees, die, als zij hunnen studeertijd
+ verkwanseld[30] hebben, zulk tuig op den preekstoel brengen, daar
+ het te pas komt als een oliekoek in een treurspel. En wat bruit het
+ mij, al droegen de Franschjes het zeven-gesternte op hun hoofd? Ik
+ ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om
+ mijne affaire te doen, en bemoei mij niet met het teeken des
+ beestes, of waar zij dat opplakken; doe ook zoo, en je zult wel
+ doen.[31]
+
+ Wel, ik denk, dat ik zoowel in den Bijbel lees als jij, maar wie
+ duivel heeft daar ooit van heilige sukkelaars gelezen? Broer
+ Benjamin is een zotte vent, hoor! En ik zou mij doodschamen, dat
+ zou ik op mijne eer, indien ik zoo met Gods woord omsprong, en het
+ zoo Satans gek toepaste, zooals jij fijnen doet. Weetje wat? David
+ was een held, die de oorlogen des Heeren voerde, en een kerel als
+ een boom aandorst: den reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag
+ hij, en David ook niet lui, als de blis er op, flink maar, zijn
+ dikken kop afgeslagen: dat was zeker geen sukkelaarswerk, meen ik.
+ Hij was een Groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den
+ snoet. Paulus, van Paulus[32] moet je afblijven. Paulus was de
+ beste, de raisonnabelste man van de wereld; want hij zegt met ronde
+ Zeeuwsche woorden: "gierigheid is afgoderij."[33] O hel kwam de
+ vrome Apostel eens hier, ik verzeker je voor een kwart percent[34]
+ dat hij uw huis een afgodisch huis zou noemen.[35]
+ -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
+ Wat weet zoo een luie zuipzak[36]van Gods woord? Had hij liever
+ voor 't lieve vaderland (en alle zoete meisjes) ossen en schapen
+ geslacht, hij zou veel nuttiger werk gedaan hebben.
+
+ [p.276] Ik heb veel gereisd en getrokken, en heb veel in Roomsche
+ landen verkeerd, maar de papen zijn nog beter dan jijlui; en er
+ valt evel ook niet veel op te roemen. _Jij Saartje aan den Duivel
+ overgeven! Weet jij wel dat hij een kwaaie gek is, en dat, als gij
+ haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benauwd voor u zou
+ kunnen uitzien? mogelijk neemt hij tante, omdat hij nichtje toch
+ niet bekomen kan_.
+ -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
+ Ik kan 't niet knoopen, dat uwe lieve zuster besloot, u haar eenig
+ kind toe te betrouwen. Mogelijk hebt gij zoo lang aan haar zwak
+ hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zij 't moest opgeven. Alles
+ is jelui gading. En 't was nog eene zoetigheid, honderd halve
+ rijers voor haar kostgeld. En durf jij nog van geld kikken! Hoe,
+ wat hamer! denk je dat ik een schurk, of denk je dat ik razende dol
+ ben? Ik ben haar voogd; zij is met mijne goedkeuring heengegaan:
+ Jij hebt het haar moede gemaakt. _Trekken, zul je_,--_ja! al aan
+ een aschkar_. Wel, je bent eene overheerlijke tante! _Je bent nu
+ immers veel te oud om nog eens te trouwen_; wat zal je met jouw
+ geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak[37] het kind uw goed,
+ zij heeft genoeg. Procedeeren? Ei, spreek eerst den advocaat naast
+ den Gouden Ketting eens. Zoo die 't u aanraadt, hier is je man.
+
+Heb ik te veel gezegd van zijn gevatheid en z'n nimmer 'n blaadje voor
+den mond nemende, bijtende ironie? Let eens vooral op die door mij
+gecursiveerde zinnen.--Intusschen zou ik het gevoel hebben, den braven
+kerel te kort te hebben gedaan en dus de gegrondheid mijner aanklacht
+tegen de schrijfsters --dat, hoe mooi een mensch Blankaart ook werkelijk
+is, zij hem te mooi hebben gezien--op oneerlijke wijze te hebben
+bewezen, indien ik hier niet die uitstekende passage over den lichtmis
+gaf, welke, ik zeg het niet zonder nadruk ("Ei, nog meer na-druk?"
+vraagt hier allicht de uitgever!) vooral in 'n blad voor jongelui op z'n
+plaats is.
+
+ Ik heb wel gehoord, dat vele dames, bij de Twaalf geloofsartikelen,
+ --die gij immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende
+ maken: "Ik geloof, dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt."
+ Geloof het niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip van waar
+ aan, geen kriezel.
+
+ Hoe zou het mij bedroeven, als ik merkte, dat gij deze ketterij
+ toestemde? Gij, meisjes, praat (de wijste niet te na gesproken)
+ somwijlen alsof gij in uwe hersens gepikt waart. Wat weet gij
+ [p.277] toch van lichtmissen? Een losse malle jongen, die zijn goed
+ verbruid, en om peper moet,[38] omdat hij zijn korentje groen
+ at,[39] is geen lichtmis; hij is een gek, die men te Delft moest
+ gaan opsluiten.
+
+ Een lichtmis is een geraffineerde deugniet, die zijn roem en
+ vermaak stelt in eerlijke jonge meisjes en brave vrouwen te
+ bederven, die Gods geboden veracht, de wetten der vriendschap
+ schendt; met zijne eeden speelt; met een woord, een
+ allerverfoeilijkst man, die te gevaarlijker is, naarmate hij een
+ minnelijk figuur en een aardig vernuft heeft; die de
+ welvoeglijkheid in acht neemt, tot hij de onnoozele in slaap heeft
+ gewiegd, en die in staat is om schatten aan zijne huurlingen uit te
+ deelen. Gelooft gij, mijn kind, dat zoo een schepsel ooit de beste
+ echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overijling en in het
+ gestorm der driften begaan, maken geen deugniet uit, indien hij de
+ fouten, zoo ras hij die ziet, verfoeit en schuwt: maar een lichtmis
+ is zoo bedorven van smaak, zijne neigingen zijn tot hebbelijkheden
+ dermate opgegroeid, dat hij nimmer eene betere vrouw verdient, dan
+ de allerslechtste uit de bende, die hij bedorven heeft.
+
+Ongetwijfeld heeft den schrijfsters, toen zij _Blankaart_ dit stukje in
+den mond legden, de figuur van _R_. over wien ik het reeds in mijn
+inleiding had, voor den geest gestaan en _diens prototype uit Betje
+Wolff's leven, die gepoogd heeft haar te "bederven."_ Zij althans
+spreekt hier dus niet, door Blankaart's mond, als 'n vrouw, die maar een
+preekje houdt over iets wat ze zelf slechts van hooren-zeggen heeft.
+Neen, het is een in veel smart verworven ondervinding geweest, die zij
+hier ter waarschuwing aan anderen mededeelde.--En nu stappen wij van
+_Blankaart's_ brieven af, maar niet dan nadat ik u nog eens gewezen heb
+op wat het toch eigenlijk zeggen wil, dat twee vrouwen, waarvan de
+eene--Betje Wolff--een dame, en de andere--Aagje Deken--een dienstbode
+was, zich zoo hebben kunnen inleven in de voor alles krachtig-mannelijke
+persoonlijkheid van een Blankaart en heel z'n ruw-goedige en toch zoo
+zachte ziel uit de hunne [p.278] hebben te voorschijn gebracht.
+Overweegt eens wat voor kunstenaarsgenie daartoe noodig was. _Genie_,
+zeg ik. Denk niet aan vaardigheid, aan "menschenkennis," aan
+"levenservaring" bij zoo iets prachtigs. Zijzelf--ik wees u erop--hebben
+hun schepping niet eens goed gekend! Hier was dat kostbaarste aan het
+werk, dat grootendeels buiten het verstand van den kunstenaar-zelf om,
+zijn scheppenden arbeid verricht. Ja, 't is iets wonderlijks wat ik hier
+vertel en ge kunt dat nog zoo dadelijk niet begrijpen. Maar op een
+goeien dag, na veel overdenken en onderzoeken, gaan u de oogen open en
+bemerkt ge, dat wat ik hier zooeven zei, heel langzaam aan in u heeft
+doorgewerkt en in verband met veel andere levenservaringen u iets heeft
+doen begrijpen en inzien, waaraan ge vroeger zelfs niet dacht. Want met
+onbegrijpelijkheden is het precies als met zaadjes gesteld. Beiden zijn
+het _dichtgevouwen_ dingen, die niets van hunne innerlijkheid laten
+zien. Maar waar bleven de bloemen en de vruchten, als de aarde eens niet
+de gesloten korreltjes in zich liet begraven en langzaam in zich rijpen
+liet, tot ze in kleuren en geuren en gestalten openluiken. En hoe zoudt
+gij ooit, als mannen en vrouwen, mijn jongelui, de vrucht van het helder
+inzicht kunnen dragen, als het zaad van het _onbegrepene_ niet gedurende
+uw jeugd in uw geest geworpen was! Laat het u niet deren, dat ge nu iets
+niet dadelijk begrijpt. Wat ge te doen hebt is: het onbegrepene te
+_onthouden. Draag het in u om._ Want beproefde ik, het gewelddadig en
+voor den tijd voor u te openen, ik zou het bederven! Doe er mee als de
+aarde met haar zaden. En als het dan zomer voor je wordt, dan is die
+zomer het aanzien waard want hij is niet zonder bloemen en vruchten. En
+jelui herinnert je dan wellicht even weinig, dat iets van dat mooie uit
+dichtgevouwen ondoorzichtbaarheidjes, die eens een hoopvol zaaier in je
+wierp, werd geboren, als--de aarde het doet.--
+
+
+NOTEN:
+
+[25] Schrijver van een gebedenboek. (Zie de aanteekeningen van Prof.
+Knappert.)
+
+[26] Daar begint de bijtende ironie al: _juffrouw Hofland_ is oud en
+leelijk, zooals je verderop zien zult.
+
+[27] "Broer" Benjamin, zoo had juffrouw Hofland in haar brief aan
+Blankaart verteld, was gewoon koning David "de Heilige Sukkelaar" te
+noemen! Het is een van de vele zotheden, die de "fijnen" over den bijbel
+ten beste gaven.
+
+[28] Poesten = blazen. Poestig-zijn zal dus wel zoo ongeveer beteekenen:
+in staat zijn uit boosheid iemand aan te blazen (als een nijdige kat.)
+
+[29] Konkels = oorvegen.
+
+[30] Verspild.
+
+[31] _Tante Hofland_ had namelijk in haar brief beweerd, dat de
+Franschen het "teeken des beestes" op het voorhoofd dragen!
+
+[32] "Paulus, moet je weten," zegt Blankaart elders, "is mijn man en
+Salomo die van Saartje." Hij kan dus allerminst dulden, dat _tante
+Hofland_ diens woorden citeert.
+
+[33] Weer een steek voor tante Hofland: ze is immers zoo bar gierig.
+
+[34] Een echte koopmansgeestigheid. Uitstekend van de schrijfsters!
+
+[35] Een _regel_ puntjes beteekent overal, dat er een stukje tekst is
+overgeslagen.
+
+[36] "Broer" Benjamin.
+
+[37] Ontmaak, enz. = onterf haar.
+
+[38] "Om peper moet," het land verlaten en dienst nemen b.v. bij de O.I.
+Compagnie (Knappert).
+
+[39] "Zijn korentje groen at," niet wachten tot het rijp is, gezegd van
+lichtmissen, die hun kapitaal opeten. In Zuid-Nederland nog: van de hand
+in de tand leven (Stoett, spreekwoordenboek, no. 1062) (Knappert.)
+
+
+ * * * * *
+
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
+[p.279]
+
+III
+
+
+_Jan Edeling_ wordt--in tegenstelling met _Abraham Blankaart_--door
+zijne mede-romanmenschen en dus ook door de schrijfsters precies voor
+den man versleten, dien ook wij, de lezers, in hem zien: een brompot,
+een koppige kerel, maar, alles in hem welbeschouwd, 'n goed mensch
+tevens en wel zulk een, die te duidelijk eigen gebreken ziet, om zich,
+gelijk _Blankaart_, op zijn deugden te laten voorstaan. Ziehier een
+zijner brieven, waarin hij tegelijkertijd een groote mate van
+zelfkennis, eerlijkheid en goedheid toont. (Edeling bericht daarin zijn
+zwager, den geestelijke _Everard Redelijk_, dat hij in het huwelijk van
+_Hendrik_ en _Saartje_ heeft toegestemd. Ook _Redelijk_, zeer verlicht
+en ruimvoelend mensch als hij is, heeft namelijk _Edeling_ daartoe pogen
+te overreden).
+
+ Waarde Broeder!
+
+ Lach me nu eens helder uit, Pastoorsche,[40] gij hebt gelijk: maar
+ ik zal uw man de heele zaak vertellen. Zoudt gij ooit geloofd
+ hebben, dat Jan Edeling, die, hetgeen hij eens begreep, om lief
+ noch leed losliet; die van geen Christenmensch op de heele wereld
+ tegenspraak dulden wilde, dan van u; dat Jan Edeling, zeg ik, door
+ Blankaart zoodanig overhoop gegooid is, dat ik, met mijn hoed onder
+ den arm, zijne pupil voor onzen [p.280] Hendrik ten huwelijk
+ gevraagd heb? en 't geen nog meer zegt, dat ik zeer met dit door
+ mij gedaan verzoek in mijn schik ben? Die Bram! Zoo een man leeft
+ er niet meer. Hij heeft mij zoo vast gezet en zoo ouwerwetsch mijn
+ zaligheid gezegd, dat ik boos op mijzelf werd: want er is wat aan
+ Pastoor: ik ben nooit een vriendelijk man, of een minzaam vader
+ geweest: 't wil maar van hem gezegd worden; 't is een raar mensch!
+
+ Om de waarheid te zeggen, Pastoor, uwe rede en die van Hendrik
+ hadden mij al lang overtuigd, dat ik ongelijk had; doch ik kon niet
+ besluiten om te toonen, dat ik verkeerd gedaan had. Nu, het kost
+ wat voor een man, die zooveel jaren altoos zijn hoofd volgde, te
+ zeggen: ik heb ongelijk; en dat nog erger is, dit tegen zijn eigen
+ kinderen te zeggen.
+
+ Gij weet het immers, als mijn jongens mij iets vragen, en mij
+ beduiden wilden, dat zij 't noodig hadden, dat zij 't nooit, juist
+ omdat die lekkers[41] mij iets beduiden wilden, kregen; doch 's
+ dags daaraan, gaf ik hun, uit mijn eigen zin tienmaal zooveel. Dit
+ zijn evenwel satansche nukken; en uwe zuster, mijne zalige vrouw,
+ had, dat zie ik nu, maar al te veel reden om mij, schoon lachende,
+ _Meffert Luim_ te noemen. Had ik haar maar weer! Zij zou een beter
+ man aan mij hebben; maar dat is nu te laat.
+
+ Ik zou 't mogelijk nog niet opgegeven hebben: doch mijn arme jongen
+ zag er uit, of hij uit een gieter gedronken had: en toch, ik houd
+ veel van den knaap; hij heeft mij altoos zoo op mijne gedachten
+ gediend. Met Kees heb ik nog wel zoo eens een aardigheidje gehad;
+ maar Hendrik was altoos, zooals ik (tusschen ons) in zijne jaren
+ niet was. Hij is geheel zijns moeders kind; week gebakken! Hij kan
+ geene moeite verdragen; met een benauwd hart ging hij op reis (ik
+ kan op hem af) en heeft alles in zoo korten tijd afgedaan, dat het
+ zoo niet te zeggen is. Kort gezegd, het mannetje van binnen klopte
+ zoo verbruid bij mij aan, dat ik besloot om den jongen zijn zin te
+ geven; en nu is hij zoo dankbaar en luikt zoo op, dat mijne oogen
+ overloopen.
+
+ Nu, Pastoorsche, dat 's weer een ankertje Rijnsch in jou kelder! en
+ ik nooi u beide te bruiloft: ik zal eene partij geven, die klinkt
+ als een klok. Want gierig ben ik, Goddank! niet, ik durf wel wat
+ geven; _maar ik ben er niet achter om het met gratie te doen. Ik
+ tast in mijn zak en zeg, hou daar, en loop ten eerste weg._ Nu, ik
+ groet u van harte en blijf
+
+ Uw toegenegen Broeder, Jan Edeling.
+
+In deze laatste, door mij gecursiveerde zinnen teekent die [p.281] man
+zich uitstekend. Dit niet "met gratie" kunnen geven, dit "wegloopen"
+zoodra hij iets gegeven heeft, kenschetst een groot deel en wel het
+edelste, zijner persoonlijkheid. Want dat niet met gratie kunnen geven
+en dat wegloopen is heel vaak juist den besten menschen eigen. Het wordt
+bij hen geboren uit het onbewuste voelen, dat den gever geen dank voegt,
+want dat geven een grooter geluk is dan te ontvangen en dat daarom
+eigenlijk de gever den ontvanger danken moet, omdat deze hem in staat
+stelt zijn medemensch een genoegen, een weldaad te bewijzen, en dus
+zich-zelf in waarheid te verrijken door goed te doen. En omdat dit
+voelen nu zoo sterk in hen is, worden zij bedremmeld en links, zoodra
+zij iemand een genoegen of weldaad bewijzen: zij zien het aankomen, dat
+de begiftigde hen wil danken en ziedaar: nu gaat dat onbewuste voelen
+zich in hen openbaren als een weerzin tegen bedankt te worden; zij geven
+daarom hun gift haastig, bij het ruwe af, en maken zich gauw uit de
+voeten. Hiermee wil niet gezegd zijn, dat degeen, die hoffelijk geeft en
+vriendelijk den dank van den begiftigde aanvaardt, beneden iemand als
+Edeling zou staan. Het _kan_ zijn, dat hij beneden hem staat: indien hij
+namelijk zoo hoffelijk en vriendelijk is, omdat hij nooit dien weerzin
+tegen bedankt te worden gevoeld heeft. Maar het kan ook zijn, dat hij
+boven hem staat: hij heeft dien weerzin wel gevoeld, maar wijl hij de
+oorzaak weet--in tegenstelling met iemand als Edeling die deze niet
+kent--en er dus verder over kan nadenken en in ander verband bezien,
+heeft hij begrepen dat hij hem moet onderdrukken. Want: een weldoener te
+bedanken is een hoogstaand geestelijk genot, ja zelfs is dank de eenige
+betaling die een arme begiftigde zich veroorloven kan. Bedwingt de gever
+zijn weerzin dus niet, dan berooft hij den begiftigde niet alleen van
+een veredelend genot, maar ook van de mogelijkheid zich, zij 't een
+ietsje, minder zijn schuldenaar te voelen! Stappen wij nu van _Edeling_
+af en gaan we, zij 't alleen maar, om te bewijzen, dat de uitersten
+elkander--in dit artikel tenminste--raken, _Cootje Brunier_ bekijken.
+Immers, vertegenwoordigen _Edeling_ en _Blankaart_ het Hollandsch-stoere
+[p.282] element in den roman, _Cootje_ doet 't het opgeprikte
+saletjonkerschap van den pruikentijd. Hij is op-end' op een
+petit-maitre, zooals men zoo iemand noemde, maar een van de fatsoenlijke
+soort. Als zijn hoogste levenstaak beschouwend: mooi gekleed te gaan,
+den dames hupsche lievigheidjes te zeggen, aardige dingsigheidjes voor
+ze te knutselen en boodschappen voor ze te bezorgen, verlaagt hij zich
+nimmer tot gemeene praktijken. Het ergste wat men van hem zeggen kan is
+dat hij een geestelijk-onbeteekenend mensch is, maar dat hij een "goed
+hart" en "goede gronden" heeft, zooals _Edeling_ en _Blankaart_ van hem
+getuigen, zal zelfs de grootste vijand van het fattendom moeten
+toegeven. _Cootje Brunier_ is de broer van _Letje_, de vriendin en het
+medecommensalesje van _Saartje_ bij _Mevrouw Buigzaam_. Als zoodanig
+komt hij daar dikwijls aan huis. En door de snakerijen van _Saartje_,
+die hem eeuwig en altijd, zonder dat hij dat merkt, op de hak neemt, in
+den waan gebracht, dat hij haar als echtgenoot niet ongevallig zou zijn,
+schrijft hij haar het volgend briefje:
+
+ Mon Ange![42]
+
+ 't Is wonderlijk, maar ik heb den moed niet, om u mondeling te
+ zeggen, dat ik u bemin: telkens als ik dit meende te doen,
+ weerhield mijn eerbied voor u mijn voornemen. Gij zijt zoo minzaam,
+ en tegelijk zoo spottig, dat ik waarlijk niet weet, hoe dit aan te
+ vangen; of hoe het na te laten. Hemel, ma chere[43], wat wilde ik
+ zeggen? Maak ik niet een zot figuur in uwe oogen? Ik bemin u! ik
+ adoreer[44] u! gij zijt nooit uit mijne gedachten, en zoo gij mij
+ niet te veel zult uitlachen, dan zal ik er bijvoegen, dat ik nooit
+ een eenig goudbeursje zal knoopen, dan voor u, chere ame de ma
+ vie![45] O, wij zouden een recht charmant paar zijn, en ik twijfel
+ niet, of mijnheer uw voogd zal onze teedere amour
+ applaudisseeren[46]. Ik ben wel geen man van vermogen, maar gij
+ denkt zeker te subliem[47] om u daaraan te bekreunen; en 't is
+ waarschijnlijk, dat ik eerlang een [p.283] beter ambt zal krijgen.
+ En verite, mon amie,[48] men heeft bekwame jongelieden noodig, en
+ men kent mijne merites.[49]
+
+ Op mijn persoon denk ik niet, dat gij iets te zeggen hebt: ik
+ coiffeer en kleede mij comme il faut.[50] _'t Is waar, dat uwe
+ conquete_[51] _vele schoone wangen zal doen gloeien van spijt. De
+ dames zijn mal met mij. Wat kan ik eraan doen?_ Mijn hart wil dat
+ ik u uitkies. Indien gij mij de gelukkigste der mannen maakt, kunt
+ gij verzekerd zijn van uw volstrekte vermogen over mij; uw wil zal
+ mijn wet zijn: ik zal uwe wenschen voorkomen, en wij zullen zoo ras
+ wij getrouwd zijn, een Brabantsch reisje doen. Enfin, ma chere,
+ alles zal naar uw zin gedaan en gelaten worden door uwen aanbidder,
+
+ J. Brunier.
+
+Dit briefje is weer een van die meesterstukjes onzer beide groote
+schrijfsters, waarin zij er op volmaakte wijze in geslaagd zijn, iemand,
+onbewust ervan dat hij 't doet en dus geheel natuurlijk, zijn wezen te
+doen blootleggen. Het dwaze fatje staat er, ten voeten uit, in. Men
+lette op het potsierlijke verwaandheidje en tevens domme slimmigheidje
+in den door mij gecursiveerden zin. Men lette op z'n stapel Fransche
+woordjes! Waarachtig: zoo iemand is toch nog lastig zelfs 'n honderd
+jaar na zijn dood! Hij heeft mij, wel geteld, de moeite van een tiental
+vertalende nootjes gekost. Maar neen, hij is niet dood, hij zal langer
+leven dan wij....
+
+Ik zou een zekere zijde van _Saartjes_ persoonlijkheid: haar zeer
+gerechtvaardigd gevoel van eigenwaarde en ook, en voornamelijk, een
+diep-indringend psychologisch vermogen welks zekerheidsbewustzijn zich
+aan haar stijl mededeelt, niet voldoende voor u belicht hebben, zoo ik
+hier niet ten minste een stukje van haar antwoord aan Brunier afdrukte.
+Als ge haar zoogenaamde "ontdekkende preeken" aan haar vriendin _Anna
+Willis_ leest--_want ik hoef er toch niet aan te twijfelen, dat ge het
+boek lezen zult, anders baat mijn geschrijf u niets_--moet ge eens op
+dat psychologisch vermogen acht slaan. Met een zekerheid van zich-zelf
+onfeilbaar weten, legt zij daarin haar vriendin dier ware innerlijkheid
+bloot. Ik [p.284] zei immers: Saartje heeft wel iets van een
+kunstenares. (Ongetwijfeld is dan ook ten deele in haar figuur de figuur
+van Betje Wolff zelf gebeeld.) Ziehier:
+
+ Vriend Jacob!
+
+ Gij durfdet mij dan nog met een half woord vragen "of gij u niet
+ mocht vleien met eenig antwoord op uwe _missive_?" Want zoo noemt
+ gij dat fraaie billet, dat gij mij deedt ter hand komen. Om uw
+ eigen fatsoens wille, wenschte ik wel, dat gij er geen woord van
+ gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de groote lijst uwer
+ overige beuzelarijen hebben aangeteekend, en, omdat ik niet
+ gemelijk van aard ben, het u gunstig vergeven hebben.
+ ....................................................................[52]
+ Ik zeg niet gaarne onaangename waarheden, en vooral niet aan
+ zulken, die ik, 't zij dan ook om wat reden, in zekeren zin wel
+ lijden mag. Zoolang ik u slechts voor een vrij geschikt en goed
+ soort van jongen hield, had uwe zuster weinig werks om mij te
+ beduiden, dat ik u als haar broeder behandelde, en in de
+ gelegenheid stelde om ons eenige uitspanningen te bezorgen; maar nu
+ ik merk, dat gij eenige oogmerken omtrent mij hebt, waarvan ik u
+ nooit verdacht hield, zoo moet ik u openhartig zeggen, dat gij mij
+ meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te
+ kunnen krijgen.
+
+ Hoe, mijnheer, heb ik u de minste aanleiding gegeven om zulke
+ gedachten in u te doen oprijzen? _Hoe weinig kent gij mij! Hoe dood
+ vreemd zijt gij omtrent u zelven! Ik moet of boos op u worden, en
+ dat bevalt mij niet; of ik moet u hartelijk uitlachen. Nooit zeker
+ las men zoo een ongevallige mengeling van zotteklap en dwaze
+ inbeelding, op zeer twijfelachtige verdiensten, dan dat geschriftje
+ bevat. Dit van stukje tot beetje aan te toonen, is beneden mijn
+ aandacht_. Ditmaal vergeef ik u alles, op deze voorwaarde: "dat gij
+ mij hierover nooit meer spreekt;--zelfs verbied ik u, mij voor deze
+ gekheden excuus te vragen; en dat gij, is 't mogelijk, door dit
+ geval poogt wijzer te worden, _en wat beter uw eigen waarde te
+ berekenen_."
+ ........................................................................
+ Uwe zuster is mijne lieve vriendin, maar zij zoowel als ik,
+ begrijpt, dat dit geen reden kan zijn, waarom ik zoude moeten
+ geplaagd worden door een borstje, dat geen geest genoeg heeft, om
+ mij met zijne missives ook slechts te diverteeren.[53] Spreek dus
+ nergens van, en ik zal alles vergeten: want, zoo gij in dit [p.285]
+ opzicht maar wijzer wordt, zijt gij een vrij draaglijk heertje; "ai
+ ik geef de hoop nog niet op om mij eens met meer reden te kunnen
+ noemen, uwe genegen vriendin,
+
+ S. B.
+
+Het is niet moeilijk iemand te zeggen: "ik ben veel meer, ik sta hooger
+dan gij!" Dat kan de eerste de beste. Moeilijker is--en weinigen kunnen
+dat--iemand verstandelijk-bewijzend op z'n plaats te zetten en _hem aan
+te toonen_ dat men meer is dan hij. (Ik spreek hier nu natuurlijk alleen
+van zulk een handelwijze als _geesteswerkzaamheid_ en laat haar
+_zedelijke_ waarde of onwaarde geheel buiten beschouwing). Maar oneindig
+meer dan ook zulk een verstandelijk-bewijzend betoog, is: de
+argument_looze_ bewering, die ons door toon en onbewuste
+woordenschikking de _absolute zekerheid_ van haar waarheid geeft! Is het
+bewijzend betoog een voortbrengsel van het verstand, _zulk_ eene
+bewering is het uitvloeisel van iets hoogers, van een zielszekerheid, om
+'t zoo eens te noemen. Deze zekerheid, in dit geval van psychologisch
+inzicht, proeven wij ook in _Saartjes_ woorden. O, ongetwijfeld naar
+aanleiding van een beuzeling, maar wat doet dat er toe! Zij laat merken,
+dat ze zich verreweg Bruniers meerdere voelt. En zoodra we haar hooren
+weten we: dat hoogvoelen is niet voorgewend, maar het is in waarheid in
+haar. In een woord: wij worden overtuigd door dit briefje: hier is
+iemand, die dien ander heelemaal doorziet en dat niet met inspanning en
+door berekening, maar als vluchtig hem even bekijkend en dan in uiterste
+geringschatting weer onmiddellijk over hem heenziend. En niet alleen de
+nietigheid van den een, maar ook de groote waarde van de ander is ons
+plotseling duidelijker, zekerder geworden, dan door het aanbrengen van
+honderd argumenten zou zijn gebeurd. Ik heb over dit alles even
+uitgeweid, om het volgende te kunnen zeggen: Wat hier plaats vond op een
+vrij laag en vrij klein plan _geschiedt altijd in een kunstwerk_. En
+kunst blijkt hier weer scherp tegengesteld aan wetenschap te zijn.
+Slaagt de wetenschap alleen door bewijzen en redeneeringen er in, u van
+de waarheid harer beweringen te overtuigen, de kunst kan [p.286]
+bewijzen en redeneeringen missen, zij overtuigt u van de waarheid harer
+voorstellingen reeds door ze te stellen alleen! Wie kan geloof weigeren
+aan de waarachtigheid van Shelley's liefde of wie vermag te twijfelen
+aan de levensechtheid der menschelijke monsters door Zola gebeeld?!
+Begrijpt ge dit, dan ziet ge ook nu wel in, dat kunst onder alle
+levensverschijnselen een van de meest verhevene is, want haar is de
+macht gegeven, het menschdom te overtuigen van de waarheid harer
+uitingen _zonder hen te bewijzen_. En zij is in dit opzicht met een van
+die zeldzame menschen te vergelijken, wier adeldom zoo sterk uit hun
+heele wezen en al hun daden en woorden spreekt, dat hen te hooren,
+tevens hen onwankelbaar gelooven is.
+
+ * * * * *
+
+Er zou nu nog veel over vele figuren in onzen roman geschreven kunnen
+worden. Over _Pieternelletje Degelijk_, dat prachttype van een
+ouderwetsche meid; over juffrouw _Hartog_, die kostelijk-typische en
+innerlijk verdorven blauwkous, met 'r venijnige lastertong en 'r malle
+inbeelding; over Cornelis Edeling den advocaat; over den geleerden en
+braven _Helmers_; over _Lotje Rien du Tout_[54], dat prachtbeeld van
+onbenulligheid; over _Stijntje Doorzicht_, die verpersoonlijking van
+aangeboren wijsheid en deugd; over _Anna Willis_, de min of meer
+verwaande, zurige, al te bedilzieke en soms sentimenteele vriendin van
+_Saartje_. Maar ik zal over al die schitterende mensch-beeldingen niet
+schrijven, zelfs niet over de laatste, al heb ik dat beloofd. (Gij zoudt
+niet gelooven, dat mijn belofte te houden regel bij mij is, zoo ik dien
+regel niet ereis door eene uitzondering bevestigde!) Want hoe zou ik
+eindigen, en aan wat nieuws zoudt gij beginnen, wanneer ge daar straks
+zelf den roman ter hand neemt. Ik had ook graag nog wat over _Mevr.
+Buigzaam_ en over het sentimenteele element, in dit werk, in het midden
+gebracht. Maar wat 't laatste betreft bepaal ik mij er nu alleen toe te
+zeggen, dat het mij onjuist toeschijnt een auteur, die een sentimenteel
+[p.287] tijdperk herschept, sentimentaliteit te verwijten, omdat hij
+sentimenteele menschen ten tooneele brengt.
+
+ * * * * *
+
+In het volgende hoofdstuk hoop ik met de behandeling der figuur van _R_.
+en der beide schurkachtige "fijnen," mijn Sara-Burgerhart-artikelen te
+beeindigen.--
+
+
+NOTEN:
+
+[40] Pastoorsche = vrouw van den pastoor, zooals chirurgijnsche = vrouw
+van den chirurgijn. Hier is pastoor natuurlijk niet den titel van een
+R.K. geestelijke, wat wij er alleen onder verstaan, maar een geestelijk
+herder in 't algemeen. (Deze "pastoor" is Luthersch).
+
+[41] lekker = 'n stoute jongen, 'n guit.
+
+[42] Mijn Engel.
+
+[43] mijn lieve.
+
+[44] ik aanbid u.
+
+[45] lieve ziel van mijn leven.
+
+[46] Onze teedere liefde goedkeuren.
+
+[47] verheven.
+
+[48] In waarheid, mijne vriendin.
+
+[49] mijne verdiensten.
+
+[50] zooals 't behoort.
+
+[51] verovering.
+
+[52] Een regel puntjes of streepjes beteekent, dat er een stukje tekst
+is overgeslagen.
+
+[53] Vermaken.
+
+[54] De naam beteekent: "heelemaal niets".
+
+
+ * * * * *
+
+
+HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR A. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
+[p.288]
+
+IV
+
+
+Men heeft dan deze figuur, zooals ik u reeds in het eerste hoofdstuk
+zei, een tooneelsnoodaard, onecht, niet-levend, in een woord: slecht
+gevonnden. Over sommige, in de geesteshouding van de critici liggende,
+oorzaken dier opinie sprak ik u toen. Rest mij nu, te speuren naar de
+andere elementen, welke tot het vormen van dit m.i. onjuiste oordeel
+hebben medegewerkt. Ten eerste vermoed ik als zoodanig het verschil
+tusschen den tijd waarin de critici leefden en dien der figuur. Veel wat
+toen voor een man van het aanzien en de middelen van R. mogelijk en
+zelfs gemakkelijk was, is nu je reinste onmogelijkheid. In onzen tijd
+van vlugge vervoermiddelen, van een letterlijk als de bliksem snelle
+telegraaf- en telefoondienst is het ondenkbaar, dat zulk een man zich
+eraan wagen zou, een meisje als _Sara Burgerhart_ te ontvoeren en te
+pogen haar geweld aan te doen; hij zou gesnapt en aangehouden zijn, voor
+hij zelfs de grenzen van ons kleine Holland had bereikt! Maar toen was
+zoo iets heel gemakkelijk, er waren geen spoortreinen, geen telefoon,
+geen telegraaf. De daad der gewelddadige ontvoering verliest daarom alle
+onwaarschijnlijkheid voor wie haar in het kader van haar tijd beschouwt.
+Er is echter meer, dat voor wie niet naar dien tijd ziet, de figuur
+misschien onwaarschijnlijk, en voor wie dit wel doet haar integendeel
+zeeer levenswaar maakt: _R._ leeft in de jaren onmiddellijk voorafgaand
+aan de groote [p.289] Fransche revolutie, een tijdstip, waarop de meest
+barre sexueele ontaarding in Fransche kringen heerschte, de tijd van
+o.a. den beruchten markies de Sade; de invloed van de Fransche cultuur
+deed zich toen zeer sterk gelden in ons land; _R_. wordt ons bovendien
+nog voorgesteld als een cosmopoliet.... Wij behoeven, dit alles wetend,
+hem maar aan te zien, om in zijn geestestoestand een van die fijn in
+elkander overgaande en nog aan den aanvang der helling liggende
+glooiingen te ontdekken, welke dalen naar den afgrond van sexueele
+misdaad-waanzin van de Sade. Er is een psychologisch-fijne passage in
+een brief van R. aan zijn vriend G. die dit feit m.i. belicht. Ziehier:
+
+ Waarlijk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat
+ ik het wicht, of ik ben razende zot naar haar; en wat denkt gij? ik
+ heb nog nooit haar hand gekust: 't is waarachtig, Jan.
+
+ Zij is onnoozel, dat is het, dat mij zoo ingetogen maakt: want
+ hoevele vrouwen ik ook bedierf, ik heb nogal regard voor brave
+ meisjes. _Een lichtvaardige is mijn pop niet, al was zij zoo schoon
+ als deze meid_.--
+
+R. heeft zeer sterk in zich het verlangen te verderven en geniet van het
+verderven. Dit nu is niet iets wat voornamelijk tooneelsnoodaards eigen
+zou zijn, maar het is niets anders dan een soort geestelijk sadisme. Het
+is hem niet zoozeer om het natuurlijk sexueel genot te doen, als wel om
+het perverse van het _verleiden_, van het _doen vallen. Daarom_ "is een
+lichtvaardige zijn pop niet," omdat n.l. aan zoo eene reeds te veel
+bedorven is en niet genoeg meer naar zijn zin te bederven valt, en niet
+omdat lichtvaardigheid iets afstootends in zijn oogen zou hebben! Want
+als hij, in eenigszins los verband daarmee, zegt, dat Saartjes
+onnoozelheid hem ingetogen maakt en hij nog al regard voor brave meisjes
+heeft, dan is dat in openlijken strijd met zijn daden en woorden, en,
+indien hij 't meent en 't geen half-sentimenteele, half-ironische
+meerderheidstirade tegenover G. is, 't geen ik eerder geloof, dan heeft
+hij eigen gevoel niet goed ontleed: _onnoozelheid_ maakt hem niet
+ingetogen, maar _haar_ onnoozelheid doet dat, _omdat hij haar
+liefheeft_. Op deze liefde kom ik straks [p.290] nog terug. Nu wil ik
+even een passage aanhalen, die zoowel zijn "regards voor brave meisjes,"
+als zijn eigenaardige perversiteit van decadenten rijkaard in bet juiste
+licht stelt:
+
+ Trouwen? zijt gij dan razend dol? Ik zal, denk ik, tot zulk een
+ desperaat uiterste nooit komen. _Vrijheid is de prikkel der
+ liefde:_ dit weet gij, is mijn spreuk. Als mijne maitres zal zij
+ Sultane favorite zijn; maar mijn wijf! Wel foei! Ziedaar, dat was
+ al reden genoeg, bij een homme de mon gout[55] om haar ondragelijk
+ te vinden. _Trouw gij haar over een maand of vier._ Zoolang, dunkt
+ mij, zal ik haar beminnen kunnen; _en gij zult mijne genietingen
+ nieuw leven bijzetten, door mij die dan wat moeilijk te maken_.
+
+Dit min of meer schertsend daarheen geworpen woord verbergt diepen
+ernst. De man moet dupeeren, moet verleiden, moet anderen laten vallen
+van zonde in zonde; hij verlangt ook naar de angsthuiveringen van den
+misdadiger; hij begeert den prikkel te voelen van misschien betrapt te
+worden en in gevaar te komen. Ook daarom is de makkelijke verleiding van
+de lichtvaardige niets voor hem. Maar hij heeft alle deze neigingen in
+nog vrij geringe mate. Hij is, om 't zoo eens te noemen: een leerling in
+sadisme; hij bevindt zich op de helling, maar, zooals ik reeds zei, pas
+aan het begin. Een "tooneelsnoodaard"? 't Mocht wat! Vergeleken bij zijn
+werkelijk geleefd hebbende prototypen is hij een onnoozel wicht!
+
+Wellicht echter heeft Huet hem ook daarom een tooneelsnoodaard genoemd,
+omdat hij geen enkele deugd in hem vermocht te ontdekken. Maar dit zou
+dan aan hem en niet aan de schrijfsters liggen. Want niet alleen dat ons
+duidelijk blijkt, dat _R_. Saartje werkelijk liefheeft--ik zei u immers
+dat ik nog even op die liefde zou terugkomen--en ieder, die een ding of
+een mensch of een dier liefheeft, daardoor bewijst, een kiem van
+deugdzaamheid in zich te hebben, want het overheerscht worden der deugd
+door perverse neigingen, vernietigt het feit niet dat die deugd kon
+ontkiemen en bestaan!--maar, zelfs die liefde buiten beschouwing
+gelaten, kan alleen hij der figuur van _R_. alle deugd ontzeggen, die
+niet begrijpt dat _intellectueele_ deugd, zooals _R_. dien zeer zeker
+bezit, [p.291] nimmer kan bestaan zonder den basis van een zekere
+_zedelijke_, zij 't dan latente en verholen deugdzaamheid. _R_. is dus,
+instede van een brok boosheid te zijn--wat wij immers onder een
+"tooneelsnoodaard" verstaan--wel degelijk een _menschelijke_ mengeling
+van deugd en ondeugd. En overheerscht de laatste in groote mate de
+eerste, die mate wordt, ik herhaal het, zeer ver overtroffen bij
+tallooze personen met wier karakter en geest de geschiedenis ons
+vertrouwd heeft gemaakt, en vergelijking tusschen dezen en R. kan den
+laatste alleen doen _winnen_ aan levenswaarheid.
+
+Dat de figuur niet goed in de roman-compositie verweven is, dat, met
+name, het vreemd is, hoe Mevrouw _Buigzaam_ niet van het losbol-zijn van
+_R_. afweet en _Edeling_ haar pas komt waarschuwen, als _R_. Saartje
+ontvoerd heeft--ik zeide het u in mijn eerste artikel reeds, maar dat
+heeft met de levenswaarheid van de figuur op zich-zelf niets te maken,
+en 't is een fout, die in niet mindere mate, zooals ik reeds heb
+aangetoond, den ook door Huet _zeer levenswaar_ geachten _Blankaart_
+eigen is....
+
+En nu stappen we van _R_. af en gaan even nader kennismaken met de beide
+fijnen, _Broeder Benjamin_ en _Cornelia Slimpslamp_, die m.i. de
+prachtigst-gebeelde figuren in deze roman zijn en niet slechts, zooals
+ik reeds schreef, 'n paar huichelachtige menschen, maar:
+_personificaties_ van de _huichelarij_, alsof eerst de schrijfsters
+theoretisch voor zichzelf hadden vastgesteld, hoe nu eigenlijk een
+volmaakt, een, om 't zoo eens te zeggen: ideaal huichelaarskarakter is,
+en daarna, wonder boven wonder, erin geslaagd waren, overeenkomstig die
+theorieen twee levende menschen te scheppen! _Mej. Suzanna Hofland_ is
+in haar hart nog zoo kwaad niet en streeft er althans oprecht naar
+deugdzaam te zijn, 't geen natuurlijk onze _Cornelia_, die haar wil
+overhalen tot niet meer of minder dan het afleggen van een valschen eed,
+niet naar den zin is. Zij poogt daarom juffr. Hofland's oordeel over wat
+goed of kwaad is door drogredenen te verwarren, zonder dat zij in de
+oogen van haar slachtoffer iets van haar godzaligheid en heiligheid
+inboet. Zie nu hoe doortrapt-sluw ze dit duivelswerk [p.292] aanvat. Met
+_religieuse_ argumenten poogt zij _Hofland_ zoo te bewerken, dat deze in
+de haar aangeraden schurkenstreek geen schurkenstreek meer ziet. Het
+doen van goede werken, leeraart de duivelin, en het voortdurend streven
+daarnaar, maakt de menschen maar hoovaardig op die goede daden; beter is
+het dus niet zoo ijverig daarnaar te streven ten einde des te
+makkelijker nederig in het bewustzijn van eigen slechtheid te kunnen
+zijn! Maar met al haar sluwheid, vermoedelijk wat al te ongeduldig
+hakend naar het resultaat, bruskeert zij de zaak en zegt de juffrouw te
+plomp, te ronduit, dat deze een valschen eed moet doen, en--daar heb je
+de poppen aan het dansen. Als _Broer Benjamin_ bij _Hofland_ op visite
+is, merkt hij, dat haar eindelijk de oogen opengaan en zij op het punt
+staat hun schurkachtigheid te doorzien. De edele man is in doodsangst en
+schrijft zijn even nobele vriendin het volgend briefje:
+
+ Zusje Lief!
+
+ Ik ben tweemaal vergeefs aan uwe woning geweest. Ik ben
+ doodsverlegen. Daar ben ik bij haar geweest en heb haar zoo
+ dobbend, en in zulk een afgezakten staat gevonden, o Kea! Kea! wij
+ zullen haar verliezen: en wij hebben haar zoo noodig; zij is rijk,
+ en geeft veel verkwikkinkjes aan ons, vromen in den lande. Wij
+ leven grootendeels van haar; de kruike is voor ons niet verzegeld
+ gebleven, en ons deel was een Azers[56] deel, vol vettigheid en vol
+ zoetigheid. O mij is bange, mij is zeer bange: wij, vrome
+ menschjes, zullen bekend worden. Die Blankaart! ik beef, als ik om
+ hem denk; 't is een Enaks[57] kind, groot van stature; ik ben een
+ stinkend niet bij hem.
+
+ Zij is danig ontsticht door jou brief: schrijf dan een briefje, dat
+ je berouw hebt, en geef den Engel Satanas de schuld, je weet, die
+ is onze wrijfpaal. Schik u wat naar heur zwak geloof. Overleg dit
+ alles nog eens; ik heb geen tijd. Denk, dat wij haar noodig hebben.
+
+ Zusje, zusje, 't zweet breekt mij uit. Ik zal al mijn achting, ik
+ zal mijn kostwinning verliezen; wie zal nu van mij 't geloof
+ leeren? Wij moeten ons haasten. De kwaaie is nabij! Wij zullen voor
+ Blankaart moeten bukken.--Overleg deze dingetjes zoo [p.293] eens
+ in uw harte. Ik heb rust noch duur. Stel mij gerust, dat je er iets
+ op weet. Gij zijt zeer wijs, dat weet ik. Je weet, Kea, hoe de
+ zaakjes tusschen ons staan? dat mijne ziel aan uwe ziele kleeft;
+ dat heb je immers _bij bevinding_ hertje. Wij moeten haar houden,
+ kind. Ofschoon gij mij tot een gouden vat verstrekt, zij is echter
+ een aarden vat, dienstig tot ons gebruik. Is het zoo niet,
+ liefstetje! Wees toch nooit meer jaloersch. Och! jij hebt geen
+ reden daartoe: _ik heb mijn deeltje aan u_; dat heb ik, och ja! Ik
+ bezegel dit briefje met een geestelijken liefdekus, en ben uw
+ eigendom.
+
+De boef staat hier ten voeten uit in: zijn lafheid tegenover Blankaart;
+zijn doortrapte huichelachtigheid, waarvan hij zich zelfs, uit overmaat
+van doodsbenauwde voorzichtigheid, tegenover zijn medeplichtige bedient;
+(slechts met den zin: "en geef den Engel Satanas de schuld" enz., valt
+hij uit den toon!); zijn omfemelen van de platste verhoudingen--gij
+begrijpt immers wat hij met de beide gecursiveerde zinsdeelen
+bedoelt?--met "de tale Kanaaens".... Maar dan daarop als de vuistslag van
+een furie het antwoord van Cornelia! Benjamin is niets dan een
+huichelaar, overigens geen mensch, eerder een laf kruipend gedierte dat,
+voortsluipend uit het gezicht van z'n vijand, zich bevuilt van angst.
+Maar Cornelia is niet alleen groot als huichelaarster, maar heeft ook de
+vermetelheid, de energie van de groote misdadigersnatuur, die voor niets
+terugdeinst. Ziehier, het is of ze den laffen ellendeling bij den nek
+neemt en hem door elkaar rammelt, hem meesleurt, om de misdaad te doen,
+waarvoor hij geen moed heeft.
+
+ Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan den broeder Benjamin.
+
+ Wie heeft ooit grooter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fop je
+ mij wat, of hoe weerga zit het? Voor mij veinzen, voor mij de fijne
+ Filebout uithangen? Laat naar je zien, zotte jongen. Wij moeten
+ haar bedriegen; dat is 't al. En daarom moeten wij de handen ineen
+ slaan. Zouden wij zoo een zot dier ooit gezocht hebben, was 't niet
+ om den smul? en gij houdt u van de mallen? Ja, Blankaart kent ons
+ zeer wel. Hoor, Ben, de fretterij[58] is uit: wij moeten haar nu
+ nog plukken, en dan--de heele [p.294] wereld is voor ons open. Zij
+ moet het gelag betalen: de jonge juffrouw B.(urgerhart) moet er
+ niet bij lijden. Blankaart is een duivel van een vent, hij liet u
+ publiek geeselen, en ik moest in 't spinhuis, zoo wij aan haar goed
+ ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en dat zij interest
+ moet ontvangen; alles mondeling. Toon nu, dat gij mij liefhebt; ik
+ zal 't briefje schrijven en morgen er gaan. Kom ook. 't Geweten? O
+ dat is een bullebak voor u en mij,
+
+ _Die gij kent_.
+
+Maar dan verandert zij weer, die helsche kameleon, de
+oogen vonkelen niet meer van giftig vernuft, het rood van de
+energie-drift verbloeit tot een rose van religieuse vredigheid
+na strijd en overwinning van zonde. De oogleden dalen vroomingetogen
+neer, het gelaat glimlacht open als in 'n zielsbewustzijn
+van geringheid en omveiligend godsbetrouwen.
+Dan schrijft zij aan _Hofland_ dit briefje, dit meesterstuk van
+huichelarij:
+
+ Lieve vriendinne!
+
+ Daar heb ik, als ik het nareken, zoo een twee dagen en drie uren in
+ de macht des satans geweest; hij gaf mij die goddeloosheid in. Hij
+ heeft mij verleid. Och, zusje, zusje ik ben gevallen: ik ben
+ wanhopig, ik ben ellendig. Die duizendkunstenaar was het, die mij
+ dien gruwelijken brief deed schrijven. Zoo heb ik te veel op eigen
+ krachtjes vertrouwd! Och ja! mocht ik er maar door geraakt zijn, en
+ nooit weer op mij zelf vertrouwen. O! het ging mij, zooals de
+ Eerwaarde van de Kwast placht te zeggen: _de conscientie is de
+ klapperman uit de hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den
+ brand van de hel_. Gelukkig, dat mijn oude mensch niet te diep was
+ ingeslapen; och! dat was recht dierbaar.
+
+ Verbrandt toch alles om der vromen wille. Gij kent de diepten des
+ Satans. Mag ik morgen bij je komen, en dan blijven op 't geen je
+ maar hebt? Schrijft mij dit, of ik verval tot wanhoop.
+
+ Uwe zwakke zuster, Cornelia Slimpslamp.
+
+O als dit geen groote kunst is, wat is het dan. Hier is de eenheid
+gevonden tusschen het groot-tragische en het groot-komische. Zij
+versmelten in elkaar. De lach schreit en het schreien is lachen. Als
+twee reuzige beelden staan beide misdaad-figuren daar eeuwig voor den
+hemel. En de nacht van een oud geslacht en de ochtend van een nieuw zien
+hen onveranderd en onverweerd in hun geweldigheid. O, als die hemel
+[p.295] niet achter hen ware met z'n oneindige diepte en wondere
+wisselingen van wolken en licht, als een symbool van onvatbare en
+onbegrensde mogelijkheden, men zou hen niet alleen het tot nu niet
+overtroffene, maar ook het nimmermeer te overtreffene achten. Wanneer ge
+nu dit boek niet lezen zult, wat zal u dan tot lezen brengen? Wanneer ge
+nu hiervan niet genieten wilt, hoe zal kunst u dan van haar geluk ooit
+geven? Maar neen-----_Ik vertrouw, ik weet, dat gij het lezen zult!_
+
+
+
+NOTEN:
+
+[55] een man van mijn smaak.
+
+[56] "een Azers deel." Vergel. _Genesis_ 49: 20: "Azer, zijn brood is
+vet en hij levert koninklijke lekkernijen." (Knappert).
+
+[57] "een Enakskind," een reus. Vergel. _Numeri_ 13: 28 en 33
+(Knappert.)
+
+[58] fretterij = jagen met de fret. Zij wil leggen: gevingen is onze
+prooi nu, enz.
+
+
+ * * * * *
+
+
+JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE" [p.296]
+
+
+I.
+
+
+Zoo gaat het alles en deint en toeft nog even en verdwijnt.... Maar ook
+waarvan men zei, dat het niet weer zou keeren, dat keert soms nog vaak
+terug en altijd met een diepere bedoeling, en immer rijper en immer
+sterker.... Want de plechtige dans als een ommegang, die de
+stil-glimlachende en bevallige en zekere, ja vooral zekere Jaren met ons
+menschen volvoeren, is een zeer ingewikkelde figuur, zoo ingewikkeld....
+Och ik vrees: indien wij ons zelf konden waarnemen, zooals we staan en
+ons moeizaam bewegen tegenover onze partners, door hen worden meegevoerd
+en dan weer achtergelaten--zoodat degeen die voor ons stond, dan
+terzijde, dan achter ons henengaat--we zouden onze verlegenheidsglimlach,
+ons dwaas-behoedzaam en aarzelend bewegen zeer betreuren. Want
+inderdaad, het kan toch den Beschouwer geen fraai schouwspel lijken, bij
+zooveel weeldeglans en stralend licht en tegenover en naast zoo schoone
+en zeker-zich-bewegende gestalten als de Jaren, zoo houterig, zoo bang
+voor botsing, zoo angstig voor 'n verkeerd gebaar te treuzelen, als wij
+menschen doen: een glimlach, een buiging van uw partner, ach, ge meendet
+er een vriendelijkheidsbetuiging jegens u in te zien?... Neen, neen, die
+hoorden zoo bij het ceremonieel van den dans; bet geheel daarvan, dat we
+nog altijd niet in onze arme hoofden hebben, ware zeker niet zoo
+volmaakt-fraai zonder dien glimlach en die buiging [p.297] geweest,
+maar--voor u waren zij niet bestemd! Een hand wordt u toegestoken, ge
+meent haar te moeten grijpen, maar neen, met 'n stillen doch
+terechtwijzenden glimlach trekt haar de eigenaar terug: die handbeweging
+behoorde tot het zeer diepzinnig ceremonieel van den dans ... op den
+handdruk zult ge nog wat moeten wachten ... indien ge hem ooit krijgt!
+Maar waarom zoudt ge daar treurig om zijn? Is een glimlach van de Jaren
+dan niets, zelfs al was hij niet voor u bestemd? Maakt hij 't _geheel_
+van den dans, waaraan gij _deelneemt_, niet fraaier? Welnu dan! En nu
+spreek ik u nog niet eens van de schoonheid, het gratievolle, van 't
+zekere van hun _terugwijken_. Want daar ge jong zijt, lieve vrienden,
+hebt ge meer gelegenheid gehad, de schoonheid van den glimlach der Jaren
+dan die van hun wijken te zien. Maar waarvan ik u wel en vooral nog
+spreken wou, is, dat ge vooral niet uit dat zinnetje, wat ik straks
+schreef: "als ge hem ooit krijgt," moet afleiden, dat dit zoo zeldzaam
+is. Het is een eigenschap van dezen wonderbaarlijk ingewikkelden
+dans,--zooals ik reeds meende te zeggen--dat een zelfde figuur zonder
+maar ook met een kleine wijziging terugkeert en 't is dus zeer wel
+mogelijk, dat ge bij een volgende maal den handdruk krijgt, dien ge de
+eerste maal u zaagt ontgaan. Want, laat mij u zeggen: het feit, dat ik
+de Meester's prachtige _Geertje_ hier behandelen mag, dat is zulk een
+handdruk van een van de kinderen van den Tijd, eens gemist, maar nu
+gekregen. En mag ik u nu vertellen hoe dat gebeuren kon?...
+
+ * * * * *
+
+Welnu dan, luister: Het was betrekkelijk korten tijd voor Tak's dood--en
+ik vraag u meteen: kent gij, jonge vrienden, behalve zijn naam, ook zijn
+werk? Hoevelen uwer, die toch waarlijk wel wat geld kunt missen,
+bezitten die keur daaruit: _Herdrukken uit de Kroniek_?--dat hij mij
+opdroeg twee werken te recenseeren in _De Kroniek_. Een daarvan was
+_Geertje_.--"... en," zei hij, terwijl ik al bij de deur van zijn kamer
+was, het was bij hem thuis, "dat boek," op _Geertje_ wijzend, "en de
+schrijver zijn mij heel lief." Nu weet ik niet, of gij onmiddellijk
+begrijpt, dat ik toen voelde, dat de Tijd mij toelachte [p.298] en dat
+die glimlach wel degelijk voor mij was bestemd, misschien vindt ge dat
+gevoel wel "overdreven" en zeer zeker begrijpt ge niet, waarom ik toen
+zelfs meende Zijn hand te kunnen grijpen, waarvan de aanraking op
+wonderbaarlijke wijze voor langen tijd _zekerheid in 't gaan:
+zelfvertrouwen_ geeft. Toch was dit _niet_ overdreven. Als gij Tak hadt
+gekend--en daarvoor is het nog niet te laat, want is het werk van zoo'n
+man ten slotte niet zijn allerbeste kenbaar deel?--en gij wist als ik
+dat _Geertje_ een van de allerbeste, innigst gevoelde en soberst gegeven
+werken der heele hollandsche literatuur is--en dit zult gij weldra
+inzien--dan zoudt gij begrijpen hoe gelukkig een jong auteur zich moest
+gevoelen die van dien man die opdracht kreeg. Dat was een verfrisschende
+opfleuring van den geest, een sterke aanmoediging, precies wat die
+waarlijk-zachtmoedige geboren-Leider van menschen er dan ook mee
+bedoelde, waar hij altijd en altijd mee bezig was: jonge menschen, die
+het geluk hadden zijn weg te kruisen en in wie hij, zij 't veel, zij 't
+weinig, talent vermoedde, te steunen, te sterken en vriendelijk tegen
+hen te zijn, met heel zijn hart ... ja, dat was nog eens een mensch....
+Maar hij stierf.... Toen had de Tijd zijn hand teruggetrokken.. Ik las
+Geertje ten einde, maar maakte verder geen aanteekeningen; die welke ik
+gemaakt had, reikten niet verder dan tot over de helft van het eerste
+deel.... Ik zette het boek bij het andere werk, dat hij mij toen gegeven
+had, vooraan in mijn kast, dat het mij, o ja ik wist het wel: een
+weemoedige, maar vooral toch een heerlijke herinnering zou zijn, mijn
+heele leven. Erover schrijven en bij een andere redactie om opname
+vragen ... nee, wel bedankt, dat wilde ik niet.... Bovendien, ik voel
+heel diep de beteekenis van het stil en als-onaangedaan wachten in het
+leven.... Ik voelde ook wel, dat ook deze bewegingsfiguur eens zou
+terugkeeren in dien grooten en plechtigen ommegang van den Tijd, de
+Lotgevallen en de menschen en dat zij dan, zooals ik reeds zei,
+beteekenis-voller zou zijn en mij rijper zou vinden. Het eerste en het
+tweede zijn nu gebeurd, want zou het inderdaad niet van veel grooter
+beteekenis zijn, dat ik nu het geluk mag hebben, duizenden [p.299] en
+duizenden ouderen en jongeren in dit voortreffelijke werk in te leiden,
+dan dat ik toen een opstel erover had geschreven in _De Kroniek_, d.w.z.
+voor een uitgelezen maar zeer kleine schare lezers, waarvan het
+meerendeel, vermoedelijk, literair even sterk voelde als ik-zelf?! En
+wat het derde betreft ... moge daarvan dit opstel getuigenis afleggen!
+Want doet het dit niet, neen dan zou het toch zijn, alsof de Tijd mij
+ook ditmaal de hand niet hadde gereikt, want sterkt hij door die
+aanraking een mensch, deze sterke dan ook hem, opdat hij weer anderen
+sterken kunne. Geeft hij dan de _gelegenheid_, de ander _geve hem_ de
+daardoor _mogelijk geworden, juist voltrokken daad_.... Doch hoe dat nu
+verloope, dat de bespreking van _Geertje_ een innerlijke gebeurtenis
+voor mij is, hooger dan het bespreken of overdenken van welk ander
+gelijkwaardig boek ook zou zijn, dat zult ge nu wel begrepen hebben.
+
+ * * * * *
+
+Het zou voor u allen, evenals voor mij, ongetwijfeld makkelijker zijn,
+indien ik nu even, voor met mijn eigenlijke ontleding aan te vangen, u
+een verkort begrip van den "inhoud" van dit werk mocht geven. Maar dit
+kan niet, omdat het u op een dwaalspoor zou brengen en wel om de
+volgende redenen: Allereerst, omdat _Geertje_-zelf is: een
+_psychisch-romantische_ figuur. Maar laat mij geen vreemde woorden
+gebruiken, zonder ze even te verklaren: _psyche_ beteekent: _ziel,
+psychisch_ dus: _wat tot de ziel behoort, wat de ziel betreft_. Ik
+bedoel dus te zeggen, dat zij wat haar _ziels_eigenschappen betreft
+romantisch is. En ge herinnert u ongetwijfeld wat ik u onder
+"romantisch" heb leeren verstaan[1].
+
+We begrijpen dus nu, dat Geertje wat haar _zielsvermogens aangaat_ een
+_uitzonderings_figuur is. Echter wat haar lotgevallen betreft, is ze zoo
+gewoon als 't maar kan. En daarom zei ik dan ook nadrukkelijk, dat zij
+_psychisch_-romantisch is. En ge vermoedt nu al, waarom ik u niet
+dadelijk iets van haar [p.300] levensloop, dus van den "inhoud" van het
+boek vertelde. De jongeren onder u, die, wat zeer natuurlijk is, nog
+denken, dat eens menschen lotgevallen hem belangrijk of onbelangrijk
+maken en nog niet inzien, dat _alleen de wijze, waarop een mensch die
+lotgevallen ondergaat en erop reageert_ hem belangrijk of onbelangrijk
+maakt, hoe zouden zij een huishoudster-dienstmeisje, dat, onervaren en
+kerksch-opgevoed, uit een klein dorp naar een groote stad komend, daar
+"verleid" wordt door een ellendeling, iets "belangrijks," als verhaal,
+kunnen achten. Gebeurt iets dergelijks niet zoo vaak?... Behoort het ook
+niet tot die dingen, die als we ervan hooren, ons 't hart verscheuren en
+ons, al naar onderscheiden aard en aanleg, in machtelooze woede de vuist
+doen ballen, of vruchtelooze heerschers- en apostelsdroomen laten
+droomen? Ja, wenschen we ten slotte niet, om ons-zelf de smart en den
+haat te besparen, er maar zoo weinig mogelijk van te weten? En behoort
+dus een boek, dat deze dingen beschrijft niet tot diegene, welke wij
+maar liever ongelezen ter zijde leggen, ook omdat het toch, als verdicht
+verhaal zoo "gewoon," zoo "banaal," zoo "beneden onze aandacht" is? Och
+ik zeg u eerlijk: niet beneden _mijn_ aandacht. Voor mij is, in kunst,
+het onderwerp bijna niets en de behandeling van dat onderwerp alles.
+Maar voor u, weet ik, is dat niet zoo, en dat neem ik u ook volstrekt
+niet kwalijk: ik begrijp het best. En zoudt gij dan _Geertje_ niet voor
+zulk een boek gehouden hebben. Maar nu hebt ge natuurlijk al begrepen,
+dat het daar niet op lijkt. Hoe zoude ik in dat geval van een psychische
+_uitzonderings_figuur hebben kunnen spreken. Och, hoe ver is 't dan ook
+inderdaad daarvan verwijderd. Hoezeer is _Geertje_ in evolutionnair-
+biologischen zin verheven boven een "verleid meisje". Laten wij deze
+bewering reeds nu even aan de feiten toetsen. Dat, wat men _gewoonlijk_
+onder "verleiding" verstaat, is: op zoodanige wijze bij een argelooze op
+de sexueele driften inwerken, dat zij tenslotte uit eigen opgewekten
+hartstocht, aan de begeerte van den verleider voldoet. Het _meest
+kenmerkend gevolg_ van _verleiding_ is dan ook, dat zoodra bij de
+_verleide_, de opgewekte driften weer tot rust zijn gekomen en zij de
+[p.301] gevolgen te dragen heeft, het _berouw_ intreedt en _haat_ tegen
+den _verleider_. Ten eerste wordt nu echter bij _Geertje niet_ door den
+man, die haar misbruikt, de lagere sensualiteit opgewekt, jawel, hij
+_beproeft_ het, en _hij_ meent, de plat-sluwe wellusteling, dat hij
+slaagt, doch hij vergist zich: wat door hem wordt opgewekt misschien,
+maar aangewakkerd zeker, is: hare _verliefdheid_ op hem--van wier
+hoogheid en duurzaamheid dat beest-mensch niet het flauwste begrip
+heeft!--en dit _verliefd-zijn_ maakt hare zinnelijkheid wakker. Tusschen
+het een en het ander nu is een enorm verschil--precies hetzelfde
+verschil, wat _men_ zegt (_ik_ weet het niet) tusschen mensch en dier te
+bestaan.--In het eene geval, _bij Geertje_, brengt de _geexalteerde
+geestelijkheid_ beroering en hartstocht _in de lichamelijkheid_; in het
+andere geval wordt de eene _lichamelijkheid_--van de verleide--door de
+andere _lichamelijkheid_--van den verleider--doordrift, en met hun
+beider _geestelijk-zijn_ heeft dat niets of weinig van doen. Het gevolg
+is dan ook, dat zoodra, in het laatste geval, ook slechts een klein deel
+van de geestelijkheid: het nuchter verstand, werkelijk ontwaakt, een
+vreeselijk berouw, zooals ik reeds zei, en een haat tegen den verleider
+intreden, en daarentegen in Geertje's geval, zoodra haar geest zelfs
+_voor goed_ is ontwaakt en _alles_ klaar ziet, zij van tevredenheid en
+geluk vervuld wordt, omdat zij voelt, niet zoo bewust als ik 't daar
+zeggen ga, maar toch zeer bewust: ik heb gedaan wat mijn hoogste
+geestelijkheid en de reinste kern van mijn wezen mij geboden, nu heb ik
+de zaligheid gekend en deze zal mijn heele leven blijven doorlichten; en
+instede dan ook van haat te voelen tegen den man die haar onverzorgd aan
+haar lot overlaat, blijft zij hem, ook nadat zij weet, door hem
+gedupeerd te zijn, uit de volheid van haar groote ziel liefhebben,
+blijft zij hem innig dankbaar, voor de heerlijkheid, die haar, ten
+slotte, toch door hem geworden is! En zooals de eene goede daad altijd
+ter een of andere keer, tot een tweede goede daad voert--want het is een
+goede daad aan het hoogste van zijn wezen te gehoorzamen, _maar dan moet
+men ook_ [p.302] _noodlottig-zeker voelen dat het 't hoogste van het
+wezen is!_--zoo brengt ook _Geertjes_ daad haar eerst tot het zuivere
+inzicht, dat te huwen of sexueelen omgang te hebben zonder liefde,
+minderwaardig is en brengt haar daarna en daardoor tot de tweede goede
+daad: van liever haar heele leven ontbering en smaad te dragen, dan haar
+toevlucht te zoeken in een gemakkelijk huwelijk, met een braven, rijken
+boer, die haar grenzeloos liefheeft, om aldus voor de hardheid der
+wereld geborgen te zijn. Hoe zou het dan ook kunnen dat Geertje zich
+schame voor haar daad, of iets van haren natuurlijken trots of fierheid
+inboete gelijk die vele schijnbare-lotgenooten! Na dit alles te hebben
+ingezien, voelen wij dan ook met zekerheid, dat wij in de persoon van
+_Geertje_ hebben te erkennen een van die hoog-nobele en in waarheid
+groote figuren, die tegelijk monumenten voor en incarnaties van de
+Liefde op aarde zijn.
+
+Maar hoe weinig zouden wij dat vermoed hebben, indien wij _Geertje_ in
+het leven hadden ontmoet, hoe weinig dus ook, dat wij eigenlijk heel
+diep en nederig voor haar moesten buigen, en dat "die geheimzinnige
+Macht, die de wereld regeert" veel sterker in haar leefde dan in vele in
+heerlijkheid gezeten vorsten en voornamen en geleerden, die roem en eer
+en geluk in overvloed oogsten! En met deze opmerking kom ik meteen tot
+de bespreking van een andere superieure eigenschap van dit werk, eene,
+die het gemeen heeft met alle werkelijk groote kunst: _dat het
+uitspreekt, wat geen andere mond dan die der kunst kan uitspreken, dat
+het stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen
+uiting had_. Want ziet eens en denkt het u goed in en doet eens flink uw
+best, mij ter dege te begrijpen: als ge in het leven zulk een "verleid
+dienstmeisje," als ge eens diezelfde Geertje had ontmoet, armelijk,
+vervallen, gedwongen in uitersten nood een toevlucht te zoeken voor haar
+zwak, zwanger lijf, bij hondsche, gemeene, vervuilde familie; als ge
+eens in het leven zulk een meisje had ontmoet, dat absoluut geen
+"berouw" over haar "misstap" toonde en nog den man, die haar verleid en
+gedupeerd heeft, in slaafsche gedweeheid achterna blijft loopen, [p.303]
+wat zoudt gij anders voor haar hebben dan een weinig stuursch
+medelijden, vermengd met minachting, gij, die de grootheid van haar ziel
+niet zoudt kennen, gij, die haar drijfveeren: haar liefde, haar
+vertrouwen, haar hoop, hare grenzelooze toewijding niet bevroeden zoudt.
+En als gij daarentegen dien verleider, dien _Heins_ in het werkelijke
+leven ontmoet hadt, wel, zoudt ge niet hoogstens eenige phrasen mompelen
+als: alles te weten is alles te vergeven: de man, lichamelijk een
+prachtkerel, is gehuwd met een ziekelijke vrouw ... de natuur zoekt een
+uitweg ... en die Geertje, nou die zal, op de keper beschouwd, ook wel
+niet zoo heel veel fijns zijn ... en hij is toch maar in z'n zaken een
+oppassende en gewikste kerel.... In een woord: een deel uwer sympathie,
+waarschijnlijk het grootste deel, zou bij den sterke, den
+man-van-het-welslagen zijn en niet bij de verongelukte, bij de zwakke,
+bij de als-bedelend-afhankelijke. Want niet alleen gij, jongeren, maar
+ook wij ouderen, zijn allen, vooral te dien opzichte, maar al te vaak
+"un petit etre incomplet,"[2] zooals Loti het noemt. En intusschen, hoe
+verkeerd zouden wij hebben gedacht, want die _Heins_, wat is hij anders,
+dan een van die diep-ellendige schurken, die we alleen daarom niet
+verachten, omdat we begrijpen niets wat leeft te mogen verachten. Maar
+hoe zouden wij, arme, onvolmaakte wezens, ook beter kunnen oordeelen
+over onze medemenschen. Worden wij niet door onzen twijfel verscheurd en
+heen en weer getrokken? We heffen de hand op om te straffen, maar we
+aarzelen: heeft die mensch wel straf verdiend? Had hij geen edele of
+onweerstaanbare drijfveeren, die wij niet kennen?... Wij willen
+beloonen.... Maar de gedachte komt in ons op: zie ik dien mensch niet te
+mooi; had hij innerlijk geen leelijk motief voor die mooie daad,
+bevoorrecht ik hem dus niet boven zijn gelijke? Wat weten wij van
+elkanders ziel? Wie zijn wij-zelf? Daarom kan de ondeugd niet door
+[p.304] ons gestraft, de deugd niet beloond worden. Wij wankelen en wij
+tasten mis bij elke schrede, bij elk gebaar. Doch nu komt een kunstenaar
+... die weet, die voelt weifelloos, die tast, ten _tijde dat hij
+kunstenaar is_, nimmer mis, die heeft "hart en nieren geproefd."[3].
+Nu krijgen de deugd en de ondeugd, het reine en het bezoedelde, het
+zelfopofferende en het baatzuchtige, allen, niet alleen de kracht tot
+uiting, maar zij worden gedwongen daartoe. Allen ontvangen nu een stem,
+waarmee zij in onze ooren hun innigste wezen uitzeggen. Nu is alle
+leugen en alle schijn verre en de meest doortrapte sluwheid staat
+machteloos.
+
+Daarom zei ik--en nu zeker begrijp't ge mijn zeggen--_kunst uitspreekt
+wat geen andere mond kan uitspreken, dat zij stem en uiting geeft aan
+wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had!_ Hoe dikwijls, gelijk
+nu weer, heeft het mij dan ook niet toegeschenen, alsof, in hoog
+medelijden met die wrange machteloosheid der menschen, ter troost aan
+ons gekrenkt rechtsgevoel, en vooral ter tijdelijke hulp aan ons,
+bijna-blinden, die het eindpunt niet kunnen zien, waar al dat slechte en
+misdadige tot goedheid en rechtvaardigheid wordt--de Natuur de
+kunstenaars voortbracht, opdat die ons reeds nu het ware wezen der
+dingen zouden doen gevoelen, hun noodwendigheid en het verborgen geluk,
+en ook het verborgen onheil, dat zij in hun dichte dooreenvlechting
+dragen. Het uiterlijk-schamel edele, dat wij gering hadden geschat, de
+kunstenaar toont--en 't is als een ons hart goeddoend eerherstel!--de
+edele kern ervan. Het opgesierd-vooze, het is alweer de kunstenaar die
+met vaste hand het innerlijk rotten opendekt--zoodat wij althans het
+geluk der waarheid hebben! Zoo komt het dan ook, dat _Geertje_, het
+zuivere werk van zulk een kunstenaar, bij al de grauwheid van het
+armoe-leven, die het ons niet spaart, bij al de ontzettende ellende en
+onverdienden smaad, die we de hoofdpersoon, het meisje zien treffen, ons
+nauwelijks bedroeft, en dat het ons evenmin na [p.305] voltooide lezing
+achterlaat met dien bitteren haat tegen het "wreede" leven, maar
+integendeel met het zoete en kalme gevoel van bevredigd- en
+vertroost-zijn, van nu toch eens het Noodlot doorvoeld en begrepen te
+hebben. Want, zoo denken we, waarom zouden we de verstooten en versmade
+Geertje langer beklagen, haar, die met het volle gevoel en het
+alles-verzoetend en verheerlijkend bezit harer altijd-durende liefde
+naar haar dorpje terugkeert, om daar in de schoone richting, die het lot
+haar gewezen heeft en op haar eigen, eenvoudige wijs, haar prachtige en
+rein-menschelijke ziel te doen groeien en bloeien. Of waarom zou ons de
+haat jegens menschen als Heins nog op het hart branden! Is tot onze
+genoegdoening, in dezen eene, niet aller afzichtelijkheid in den
+rechtvaardiglijk-erbarmingloozen dag geheven? Voelen we ook niet
+onvermijdelijk en ontzettend aandreigen, onzichtbaar voor zijn oogen, de
+begeleidsters der geestelijke en zedelijke geringheid: de zelfverachting
+en de verachting der menschen, die vroeg of laat, maar eens zeker, uit
+zulke misdrijven opschrijnen?... Ja, het is dan ook vooral de
+gewaarwording, dat de godsstem van het Noodlot tot ons sprak uit dit
+boek, klaar en vast en met ware troost vertroostend, die het ons doet
+liefhebben als een machtig geheel van _ont-dekte, doorzichtig-gemaakte_
+menschelijkheid. Aan dit werk is het _tijdelijke_ vreemd: zoolang een
+deel der menschheid onze taal zal kennen, zoolang zal het in de figuur
+van het arme meisje _Geertje_ de verwezenlijking van eene der gestalten
+der eeuwige en wereld-omvattende liefdesdroom herkennen; zal het opzien
+vol dankbaarheid en bewondering tot die onbewuste, nederige heldin, die
+niet alleen te eenvoudig-menschelijk, te rein-natuurlijk was om te
+zondigen, d.i. tegen haar diepst en hoogst gevoel te leven, toen dit
+haar genot en uitviering van hartstocht bracht, maar die ook te groot
+bleek, om tegen dat gevoel te leven, toen het haar niets anders dan
+verderf, vernedering en ontbering kon brengen!
+
+Laat mij nu nog, voor ik dit eerste hoofdstuk over _Geertje_ beeindig,
+even recapituleeren wat ik heb gezegd:
+
+[p.306] Het werk behoort ten deele, voor zoover het zijn hoofdpersoon
+betreft, tot de goede romantiek, omdat het een uitzonderingsfiguur
+beeldt, op naturalistische, d.i. zooveel mogelijk objectieve wijze. Het
+behoort tot de groote en blijvende kunstwerken: omdat het 't leven voor
+ons ont-dekt en doorzichtig maakt; omdat het, in de opeenvolging zijner
+elkaar beinvloedende hoofdgebeurtenissen, zuiver noodlottig is; omdat
+'t, wijl het kunstscheppend vermogen er puur in leeft, niet van een tijd
+maar van alle tijden is; omdat het, tenslotte, en door zijn
+noodlottigheid en door zijn evenwichtigheid en door zijn af-zijn in
+begrepen-, doorvoeld- en weergegeven-hebben, zelf de rust en den vrede
+der klassieke mensch-beeldingen bezit en beide daarom ook aan de lezers
+schenkt.
+
+ * * * * *
+
+En ik voeg er met nadruk bij: het is ook in de hoogste mate zedelijk, en
+de lezing moet, vooral op jongelui, die nog hun leven kunnen beginnen,
+veredelend werken--ik zeg dit met zooveel nadruk, omdat 'n paar,
+overigens geheel onbevoegde, dwazen indertijd het tegendeel beweerd
+hebben--wijl het ten eerste, zooals ik reeds opmerkte, een stem geeft
+aan het bedrogene, verdrukte en gesmade, dat anders door de menschen
+niet wordt gehoord of geloofd; ten tweede, in _Geertje_-zelf een figuur
+beeldt, die dwars door alle conventie heenbrekend en boven alle
+eigenbaat uitrijzend, datgene poogt te doen, wat haar eigen diepste
+wezen haar als goed aanwijst en, ten derde, in Heins den verleider, een
+mensch heeft geschapen, wiens verpeste en afzichtelijke geest
+noodzakelijk even afschrikwekkend op den aanschouwer moet werken, als
+afbeeldingen van sommige ziekten dat doen.
+
+ * * * * *
+
+In de nu volgende hoofdstukken hoop ik u het gezegde door citaten en
+analysen nader uiteen te zetten en, voor zoover dat mij althans mogelijk
+is, te bewijzen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+JOHAN DE MEESTER'S GEERTJE.
+[p.307]
+
+II.
+
+
+Geertjes ouders zijn dood. Ze wordt door haar grootouders--grootvader is
+hoofd van de dorpsschool en koster--opgevoed. En in het eerste hoofdstuk
+reeds, waarin we Geertje uit 't dorpje zien vertrekken, om een dienst in
+Rotterdam te zoeken, laat de auteur ons op opmerkelijk-sobere, want van
+alle taaldrukte warse en aan elk psychologisch-ontledingsvertoon vreemde
+wijze, het innerlijk dier drie zeer uiteenloopende menschen gevoelen.
+Grootmoeder, een zachtheid, een innigheid, een opgaan-in-'t-kleinkind;
+grootvader: een steil-orthodox Christen, die geen oogenblik weifelens
+omtrent zijn levensplichten en rechten kent, want beide staan duidelijk
+en zeker voor hem en zijn natuur neigt al evenmin ter verzaking van de
+eerste als ter opgave van de laatste. Zijn dogmatisch-kerksch geloof
+zegt hem in alles het _hoe_, laat hem maar zelden onzeker omtrent het
+_waarom_, en heeft den heelen geestelijken inventaris, die bij een
+gewoon huis-, tuin- en keuken-mensch nog al een beetje door elkaar
+pleegt te slingeren, netjes voor hem opgeborgen in een "kast met
+laadjes," zooals _Maandag_, een nobele figuur in ons boek, den bijbel
+noemt in dit verband; een juist en gelukkig beeld, geloof ik, want zoo
+het ons fel het misbruik voelen laat, dat, bewust en onbewust, van
+bijbelteksten wordt gemaakt, het doet ons allicht ook bepeinzen, hoe
+wonderschoon beeldhouwwerk die "kast" versiert en hoe de
+beduimelend-liefkoozende vingers [p.308] der geslachten, de glanzingen
+van dat edele hout nog hebben verdiept in stede van het te
+verslijten....
+
+_Geertjes_ grootvader is een streng, naar lichaam en geest _rechtlijnig_
+man, hij is beslist, kort aangebonden en duldt geen tegenspraak, wat dan
+ook precies de eigenschappen van dat soort oprechte, maar bekrompen en
+ten deele verdorde vromen in het werkelijke leven zijn, eigenschappen
+die, het zij terloops gezegd, psychologisch uiterst makkelijk zijn te
+verklaren: het dogmatisch-godsdienstige, en dit vooral, maar niet
+alleen, doch ook al het dogmatische, ziet de fijne nuances van het leven
+niet, het maakt, als 't ware, van den _kronkelenden_ levensgang iets
+_kinderlijk-rechtlijnigs,_ en de geest van zijn belijders ontkomt
+natuurlijk aan dien invloed wel het allerminst: ook hij wordt steil en
+hoekig, zijn levenskijk wordt vergroofd. Maar dit is niet alles: het
+dogmatisch-godsdienstige maakt den middelslag-mensch vaak streng en
+hard, want daar het in 't leven een betrekkelijk eenvoudig iets ziet,
+als slechts aan zekere voorschriften en leiddraden wordt vastgehouden,
+is het ook van oordeel, dat degeen die leeft, de mensch, een relatief
+gemakkelijke taak heeft en kan het dus niet zoo medelijdend, zoo
+vergevingsgezind tegenover dien mensch en zijn fouten staan, als die
+andere denkrichtingen, welke integendeel het leven beschouwen als iets
+zeer moeilijks en onreglementeerbaars, en de levenstaak als een
+ontzettend-ingewikkelde, welks zwaarste gedeelten ieder gerijpt mensch
+slechts volgens zelfgevonden wetten kan volvoeren. In een woord: de
+dogmaticus heeft het _twijfelen en zoeken verleerd,_ een ontzettend
+nadeel! Hoe zal hij het twijfelen en zoeken van anderen nu kunnen
+meevoelen? De dogmaticus struikelt zelden: hij bewandelt de onbeschutte
+en slecht-onderhouden wegen niet. Maar als hij struikelt, is dat naar
+zijn meening zijn _schuld_, dien hij moet _delgen_. Hoe zal hij dan hen
+begrijpen, bemeelijden en helpen, die, in sommige gevallen, niet alleen
+van schuld noch delgen willen weten, doch te recht of ten onrechte hun
+struikelen aan den weg wijten, ja wel eens--als Geertje!--hun trots en
+hun geluk in dat struikelen beweren te hebben gevonden! Aan de figuur
+van dezen grootvader, die [p.309] het wel meent en eerlijk volgens zijn
+dogmatische kerkschheid handelt, zult ge dit alles, in verband
+natuurlijk met zijn menschelijke zwakheidjes--en niemand, maar
+allerminst een dogmaticus is daar zonder--zien waar worden! Wenden we
+ons nu van hem af en zien we naar _Geertje_. En ik durf een mooi ding te
+verwedden, dat gij dat liever doet! Wat mij betreft ... o, 't is waar,
+ik heb een voorrecht boven jelui allen, jongelui: ik _verander_, als ik
+naar haar zie, ik word _jonger_: de rimpels van mijn voorhoofd en mijn
+geest verdwijnen--jelui hadt er geen! Ik _krijg_ een glimlach op mijn
+verstroefd gezicht--bij jelui was hij er, geloof ik, nog bijna nimmer
+af, en ik heb ook die eigenaardige vreugde, die ontstaat uit het even
+zien samensmelten van toekomst en verleden in een punt. Maar jelui
+Verleden ... och vrienden, je Heden draagt het nog op zijn rug, als
+Aeneas zijn vader: moge het reeds verzwakt zijn, het leeft toch nog, het
+is een werkelijkheid, het heeft in eenzaamheid de duistere reis nog niet
+begonnen en slechts een bleeke heugenis nagelaten. Herinner jelui je,
+wat ik eens schreef op deze plaats over dat plots weer oplichten van
+onze eigen jeugd in later jaren, door het genieten van een kunstwerk?...
+O, ook in _Geertje,_ bij dit haar eerste verschijnen lacht een lente
+open, alles is luchtig en onschuldig en bevallig en naar-het-komende-
+ziende in haar. Wij voelen haar een met 't om haar zijnde, eenvoudige en
+als van 't natuur-idyllische overbloemd dorpsleven. En wij voelen dit
+juist, wij leeren haar en dat leven kennen, _op hetzelfde oogenblik, dat
+zij 't gaat verlaten, om naar de groote stad, naar Rotterdam te trekken,
+en daar 'n dienst te zoeken!_ Dat stempelt ons den indruk van dat leven
+des te dieper in het geheugen. _Want wij voelen ons met haar nu op een
+kentering van haar leven staan_. En als we straks met haar in Rotterdam
+zullen zijn, dan zal het contrast tusschen dit proper-eenvoudige,
+rustig-eerzame leven harer in het dorpsmilieu geachte grootouders, en
+het smerige armoe-bestaan der rommelige havenstad, waar de bittere
+strijd om een stuk brood, alle zachtheid, alle onderling
+willen-waardeeren heeft verdrongen, ons des te dieper treffen. Wanneer
+we haar [p.310] straks door dat groote-stadsleven zullen zien besluipen;
+als we dat, stukje voor stukje en beetje voor beetje, haar de
+beschermende uiterlijkheden van den geest zullen zien ontrooven,
+waarmede de kerksche opvoeding door de grootouders dien hebben bekleed,
+dan merken wij dat alles zoo goed op, dan voelen we dat alles zoo diep,
+omdat wij, vooral door dat eerste hoofdstuk, Geertje--om 't zoo eens uit
+te drukken:--in haar ongerepte en tegelijkertijd nog niet ontwikkelde
+gaafheid hebben gekend. Want we zien in dat eerste hoofdstuk reeds al de
+verhoudingen en menschen, die, in verband met haar natuurlijken aanleg,
+Geertje hebben gemaakt tot wat zij op dat oogenblik is. We zien
+ook--heel eventjes slechts aangegeven--zekere psychologische
+eigenaardigheid, die later van groote beteekenis voor haar uiterlijk en
+innerlijk lot zal blijken te zijn. Ik zal nu dit alles met eenige
+citaten trachten aan te toonen. Eerst de gezindheid van den grootvader:
+(_Geertje_ is bezig zich op 'r kamertje klaar te maken voor de reis.
+Beneden wachten de grootouders op haar, om aan den maaltijd te
+beginnen).
+
+ Ze hoorde Groo'va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig
+ ... daar was hij al in het gangetje! Nu kwamen de woorden, _kort,
+ met gezag_:[4]
+
+ --Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden....
+
+ Dan moest het maar.... Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen,
+ parapluie, 'er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep--zoo
+ maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.... Even
+ rondkijken.... Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien....
+
+ En het slecht gelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning
+ kraakte op elke tree, onder de _vlugge_ stap van het _lichte
+ meisje_.
+
+In de _eerste_ door mij gecursiveerde woorden, die Grootvaders manier
+van spreken aangeven, zoo dat wij hem hooren, leeren wij hem reeds
+kennen, zooals hij intrinsiek is: hij is de man van de kortheid en
+vooral van het Gezag, met een bijzonder groote hoofdletter! Maar ook
+Geertje staat er al aardig in: Dat kinderlijk beredderingsdruktetje, dat
+schalk-vroolijk [p.311] afscheid van de kamer ... zou het aan mij
+liggen, dat ik 't ook _aandoenlijk_ vind?... Ik geloof het niet: de
+jeugd, de onschuld en de blijmoedigheid, zij zijn aandoenlijk, _omdat
+zij, vaak zwijgend en zonder het te weten, om bescherming vragen_. Als
+kinderen tegen ouders, vlijen zij zich tegen de ziel van den mensch aan,
+die hen met liefde beschouwt.
+
+De beide laatste, door mij in den tekst gecursiveerde woorden vormen
+daarneven van die beeldende trekjes, zooals er meerdere in dit hoofdstuk
+voorkomen, die ons onmiddellijk Geertje in heel haar luchtige en
+vroolijke jonkheid voor oogen brengen.
+
+ Groo'vas voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.
+
+ --Waar blijf je nou toch? zei Groo'moe. Op haar gezicht was enkel
+ droefheid.
+
+Men weet hier onmiddellijk, dat Groo'moe altijd de "bufferstaat" tusschen
+de beide anderen is! Zij tempert grootvaders strengheid en vergoelijkt
+Geertje's dartele jeugd.
+
+ Het eten stond er al.
+
+ --Aan tafel, zei Groo'va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem
+ kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.
+
+ Toen alle drie zaten, bad hij:
+
+ --O Heer, onze God! wij danken u voor de spijze, die Gij ons weder
+ mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig u loven en prijzen voor al
+ uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen
+ van hart, wij komen tot u in onze nooddruft, want ons hart is
+ bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe
+ goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw
+ uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die u
+ vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het
+ leven te houden in den honger. Wees gij dan, o Heer, met haar die
+ ons verlaten gaat. Wees gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer
+ vast huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren
+ mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover
+ haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat
+ haar geleiden, als zij nederligt, zal het over haar de wacht
+ houden, als zij wakker wordt, zal het zelve met haar spreken. Want
+ het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen
+ der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader, die in de Hemelen
+ zijt, Uw naam worde geheiligd; [p.312] uw Koninkrijk kome: Uw wil
+ geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons
+ dagelijksch brood geef ons heden, en vergeef ons onze schulden,
+ gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in
+ verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Uw is het
+ koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid,
+ Amen!
+
+ Geertje was gewoon aan Groo'va's lange gebeden, met teksten erin.
+
+Laat ons even stilstaan bij die gewoonte van Groo'va om gebeden te bidden
+"met teksten erin." Het kan zijn nut hebben, niet alleen voor het goed
+begrip van die figuur, maar van al de geestelijk aan haar verwanten.
+Want ten eerste moeten we ons wel hoeden, in onze "moderniteit" een
+vrijbrief te zien, om maar over alles en nog wat, waarvan wij niets
+weten, te mogen meespreken, en ten tweede zoudt gij allicht uit den
+aanhef van dit artikel meenen te mogen afleiden, dat ik ook dit _bidden_
+met teksten iets minderwaardigs of gerings acht. Dit is echter niet zoo,
+ik vindt het integendeel iets zeer schoons. Kijk eens aan. Als men
+iemand bijv. "een gevoelsmensch" noemt, dan wil men daarmee niet zeggen,
+dat die man uit louter gevoel bestaat en verstand zou missen. Men wil
+daarmee dan alleen aanduiden, dat het gevoel, het bij hem sterk
+overheerschende is. En als ik dezen grootvader een dogmatisch-geloovige
+noem, dan wil ik daarmee ook alleen beweren, dat het dogmatisch-geloovige
+in hem overheerscht. Want niemand is een ding geheel-en-al. Ieder mensch
+is een mengsel van _vele_ eigenschappen. En in dezen man zijn er al vast
+drie wijzen-van-zijn te herkennen: ten eerste: de man--de "belichaamde
+vermaning," zooals _Geertje_-zelf hem ziet--die door zijn dogmatisch
+denken, door zijn meenen _de waarheid in pacht te hebben_, van een
+ergerlijke eigengerechtigheid is; die zich als een "Verkondiger van Gods
+Woord" opwerpt en met zijn teksten niet alleen een grimmig hekwerk
+tusschen eigen braafheid en de snoodheid van den zondaar schijnt te
+willen oprichten, maar er zelfs een soort van kooi om de "gevallene" van
+wil smeden, waarin die in schuldbewustzijn tot "berouw" moge komen;
+maar, ten tweede: leeft ook in hem de eenvoudige vrome, de [p.313] warm-
+en innig-geloovige, die ten tijde van zijn hevigste bewogenheid, naar
+den Bijbel grijpt, om in diens taal te bidden, te danken, in een woord
+zijn gevoel in woorden uittestorten. Het behoorde tot de leege
+bluf-gebaren der "moderniteit" te beweren, dat degeen, die bad, dat in
+eigen woorden moest doen, en dat hij, die het in "andermans"
+bewoordingen deed, maar wat prevelde. Maar die moderne knaapjes vergaten
+iets: dat deze "andere man" vaak de Bijbel was, en dat als we alleen
+maar de Psalmen daaruit nader beschouwen, we weldra ontdekken, dat de
+Psalmist een dier ontzaglijke en allergrootste dichters is geweest, wien
+"niets menschelijks vreemd is gebleven." Wat wonder dan dat de
+geloovige, die toch al, door zijn geloof, meent, dat die geheiligde
+woorden Gode aangenamer dan zijne eigene zullen zijn, in uren van diepst
+doorleven naar den Bijbel grijpt, en, als in een gelukkige ontslaking,
+daar de zoo volledig zijn gevoel uitzeggende woorden vindt, gelijk hij
+ze nimmer had kunnen vormen. Zoo gebruikt ook Grootvader dan de teksten
+als hij _bidt_. Als hij _vermaant en bestraft_--let goed op het
+verschil!--liggen _hoogmoed_ en _bewustzijn van eigen bravigheid_ aan
+zijn tekstgebruik ten grondslag; als hij _bidt: nederigheid, liefdevolle
+overgave_, ja zelfs _onbewust bewonderen van het schoone._ Gij zult mij
+deze uitweiding wel willen vergeven, want ik zou graag willen, moet ge
+weten, dat wanneer ge straks, als flinke kerels in den trein van den
+Vooruitgang zit en uw vroolijk lied van de Internationale uit de ramen
+dondert, dat ge dan vooral niet uw manhaftigheid uit door als Yankees
+links en rechts over de waardevolle bagage uwer medereizigers heen te
+spuwen. _Revolutionnair gevoel en eerbiediging van het echte en mooie,
+waar 't zich ook uit_, zijn in diepsten oorsprong hetzelfde en vertoonen
+zich alleen als iets tegenstrijdigs, bij den kinderlijken en
+onontwikkelden mensch.... Begrepen?... Ten derde leeft in Grootvader ook
+een man, die.... Maar dezen zin breek ik hier af, om hem later te
+vervolgen. Nu eerst onzen tekst verder:
+
+ 's Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang
+ gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij [p.314] deed
+ haar best om mee te bidden, maar ze was er niet in. Al toen Groo'va
+ bad van "gebrokenen van hart" hoorde ze een snik van Groo'moe. En
+ toen Grootvader bad, dat God haar tot een Rotssteen mocht zijn,
+ snoof en snikte Groo'moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes
+ trachtte te kijken....
+
+Een aardig trekje dit laatste, _beeldend_, zoowel Geertje's schalke
+kinderlijkheid, als haar op dat oogenblik buiten de gevoelssfeer der
+grootouders staan, haar innerlijk-alleen-naar-het-komende-kijken!
+
+ Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon--hij
+ kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand
+ het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo'va; zijn diepe
+ stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf--toen,
+ bij die bijna gemeenzame woorden, die ze als heel klein meisje van
+ Groo'moe geleerd had als Jezus' gebed, voelde ze dadelijk zich
+ anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep
+ gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar
+ neus; en na het amen stond ze op, en liep naar Grootvader om hem
+ een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo'moe's
+ stoel.
+
+ --Och kind, hikte Groo'moe.
+
+ --Heusch Groo'moe, Geer zal goed oppassen.
+
+ Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in
+ Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede,
+ alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.
+
+ --Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.
+
+ Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan
+ Grootmoeders borst; de kleine vleezige hand van Groo'moe streek
+ langs haar wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend,
+ zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens
+ heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve
+ kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte
+ behangsel en het eikenhouten harmonium....
+
+ Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo'moe gekozen als
+ Geertje's lievelingskost. Maar Groo'va had de ham niet zoo mooi dun
+ gesneden als anders.
+
+Ik heb daar straks de opmerking niet willen maken, om de stemming van
+dit overigens fraaie stuk niet te bederven, maar nu moet ik toch even
+zeggen, dat het mij spijt hier het woord "hikte" ter beelding van
+Groo'moe's manier van spreken gebruikt te zien. Het werkt
+ontegenzeggelijk storend. Hikken, [p.315] in de beteekenis van hakkelend
+spreken heeft te vaststaand en eigenaardig gebruik in den volksmond, dan
+dat het ook hier niet onmiddellijk de daaraan verbonden onsmakelijke
+gedachten-associaties zou doen opkomen.
+
+Maar nu geloof ik dat het toch tijd wordt mijn daar straks afgebroken
+zin te voltooien. Dus: Ten derde leeft in Grootvader ook een mensch,
+die, zij 't schaarsch, zij 't droog, zij 't kleintjes, zich toch ook op
+een andere dan Bijbelsch-gereglementeerde wijze uit. Want--en Grootvader
+moge mij het oneerbiedig vergelijk vergeven:--geen papegaai is er zoo
+aan verslaafd op het voorbeeld van anderen te vloeken en te zegenen, of
+hij krast er wel eens op zijn eigen manier, z'n toorn, verdriet of
+vreugde doorheen. Grootmoeder moge schreien, Geertje langs de wang
+aaien, haar laten uitweenen aan haar borst, de stugge, terughoudende,
+half-bevroren grootvader brengt het niet verder dan: _de ham niet zoo
+mooi dun te snijden als anders_. Maar met dat al is het laatste toch
+evenzeer een zuivere gevoelsuiting als de eerste. Wenschen we er den
+oude geluk mee!
+
+Ik sla nu een stukje tekst over en haal het eigenlijk afscheidnemen van
+Grootmoeder en Geertje aan:
+
+ Grootvaders _lange_ gestalte stond in de deuropening.
+
+ --... Nou Groo'moe....
+
+ --Nou kind...!
+
+ 't Was of Groo'moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan.
+ Maar ze hoorde Groo'va zeggen:
+
+ --'t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze
+ den trein niet zou halen.
+
+ --Goeie Groo'moe, zei ze troostend, _en wrong voorzichtig zich
+ los_.
+
+ --De Heer ... zij ... met je, beefde Groo'moe's stem.
+
+ --_Ja Groo'moe_, zei Geertje, _en zocht haar taschje_.
+
+ Toen ze het had, tasch, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een
+ vroolijker--"Dag Groo'moe, het beste Groo'moe," een lichte kus op
+ het grijze haar; en vlug voor Groo'va, die de voordeur had geopend,
+ heen, was ze in eenen kamer en huis uit.
+
+In den eersten zin van dit citaat heb ik het woord "lange" gecursiveerd,
+om te doen uitkomen hoe voortreffelijk zulke kleine
+beschrijvingswoordjes het niettegenstaande hun eenvoud [p.316] en alle
+afwezigheid van omhaal doen. Ik wees er u reeds aanstonds op bij de
+beschrijving van Geertje's naar beneden loopen. Met die kleine,
+voortreffelijk te pas gebruikte beeldende woordjes, bereikt deze
+schrijver evenveel, zoo niet meer als sommige anderen met uitgebreide en
+ingewikkelde beschrijvingen. Als met lichte, onmerkbare drukjes wordt
+ons eene ook-het-innerlijk-bevattende voorstelling van den uiterlijken
+persoon in den geest gedreven. De drie andere cursieven geven Geertjes
+gepreoccupeerdheid weer, haar er-niet-bij-zijn bij het afscheid, haar
+denken aan het komende. Haar "Ja Groo'moe" is zelfs min of meer comisch
+als antwoord op grootmoeders zegenwensch. En we glimlachen goedig, als
+we daaraan denken, en hebben het onschuldige, levendige, naar het nieuwe
+willende meiske er des te liever om.
+
+ --We komme d'er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje
+ dichtklapte.
+
+ --Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo'va. Zeg Groo'moe nog eens goeden
+ dag.
+
+ Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo'moe's
+ gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de
+ handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens.
+ Toen _hupte_ ze (beeldende uitdrukking, als boven. v.C.) Groo'va
+ na, die was doorgeloopen.
+
+ Bij den draai van den weg bleef ze even staan, en wuifde weer.
+
+ --'k Zie Groo'moe nie' meer, zei ze.
+
+ Stil dook, omhuifd door grauw-bruine takken, 't lage witte huisje,
+ met het zware, vooruitspringende puntdak, achter de lariksen en
+ conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de
+ school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was 't donkere
+ pleintje er voor....
+
+ -- Kom nu! riep Groo'va.
+
+ En Groo'moe, die in Geertje's kamertje door het zolder-raampje
+ keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.
+
+Hoe mooi is hier de stemming van dat oude dorpje getroffen, die kerk,
+die school, het eenzame pleintje. Stil blijven ze achter in hun
+onverstoorden, zuiveren eenvoud.... Het bij hen behoorende kind trekt
+naar de groote stad....--Is ze even droevig, dat ze grootmoe niet meer
+ziet? Of is ze eigenlijk niet integendeel blij, en voelt ze zich niet
+opgelucht, dat het afscheid nu eindelijk is afgeloopen, dat ze nu
+onverdeeld [p.317] aan het nieuwe, het komende behooren gaat, waarheen
+haar gulzig hartje hunkert? Maar de grootmoeder denkt aan niets anders
+dan aan haar. Het was haar strammen ouderdom niet te veel, de trappen
+naar het zolderkamertje op te klauteren, om haar kleinkind zoo lang
+mogelijk te kunnen naoogen....
+
+Maar bij dit laatste wil ik toch nog even stilstaan: Tot hiertoe, ook in
+de door mij niet geciteerde gedeelten van dit hoofdstuk, zien wij de
+personen, onmiddellijk _door de ziening van den auteur_. Tot hiertoe
+beweegt zich ook het verhaal in _ondoorbroken-voorwaartsche_ richting.
+Met dit laatste zinnetje wordt dit alles plotseling anders: De schrijver
+laat ons niet door zijn oogen Geertje zien--om 't zoo slordig-weg uit te
+drukken--maar door die van de grootmoeder, en om dit te kunnen doen
+plaats hebben, worden we plotseling met een ruk achteruitgetrokken--een
+ruk, dien ik, bij de eerste lezing _werkelijk gevoelde_!--: we bevinden
+ons met grootvader en Geertje reeds op weg naar het station, we hebben
+het meestershuisje en grootmoe achter ons gelaten en nu worden we
+plotseling daarheen weer verplaatst. Wat beteekent dit?... Het
+beteekent, dat hier eene van die onbewuste, zeer schoone stijgingen van
+gevoel in den kunstenaarsgeest heeft plaats gegrepen, die wellicht tot
+de innigste en teerste bestanddeelen van kunst behooren. Onbewust zeg
+ik: het zou zelfs kunnen zijn, dat de auteur het tot op den huidigen dag
+zelf niet weet en--toch _is_ het zoo, ja, het is niet onmogelijk, dat
+hij, nu ik het zeg, het niet juist zal vinden en--desalniettemin blijft
+het de waarheid! Voor die door hem gestadig in zoo liefdevolle
+beschouwing omkoesterde _Geertje_-figuur is, op dit oogenblik van
+afscheid van haar veilig dorpje, dat zij verlaat om zoo groote
+beproevingen in de angstig-groote en vreemde stad tegemoet te gaan, zoo
+groote teerheid in hem gerezen, dat hijzelf als in onbewuste kieschheid
+terugwijkt, om die laatste visie van hoe zij als onbezorgd kind in het
+grootouderlijk huis was, in de verbeelding der menschen te laten
+ontstaan en beklijven, gelijk zij gezien werd door de grootmoeder, die
+Geertje het best en het diepst heeft liefgehad....--
+
+Ik oversla nu een stukje tekst: Geertje op weg naar het [p.318] station,
+hoe zij van allerlei dorpsgenooten lieve attenties en hartelijke
+vaarwel-groeten krijgt. Een meisje staat haar op te wachten met 'n mand
+"bellevleurs": "Geertjen, hier heij 'n mand mit appels, lekkere
+bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege."
+
+Het teekent uitstekend het geeerd- en geliefd-zijn van haar grootouders
+en haar-zelf in het dorp. En dat alles zal later, zooals ik reeds zei,
+een wreed contrast met haar omgeving en positie in Rotterdam vormen.
+Maar het volgende haal ik nog even aan:
+
+ En aan het perron kwam opeens Jan Heukelman.
+
+ --Ik kom je even ge'dag zeggen, Geertje, zei hij.
+
+ --Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.
+
+ --Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek
+ bekend, en hij he't mien opgedroage je z'en groete te brengen. En
+ dat ie hoopte da'j altoos de Heere voor ooge zoudt houden.
+
+ Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap
+ aan Willem te geven.
+
+Willem is de rijke boerenzoon, die op Geertje verliefd is, maar omdat ze
+'m niet hebben wou, naar Amerika is vertrokken. Later als Geertje
+"gevallen" en hij in het vaderland is teruggekeerd, blijkt hij nog
+altijd dezelfde trouwe en liefhebbende minnaar te zijn. Hij verlangt
+niets liever dan haar als zijn geeerde vrouw in zijn huis te voeren.
+Maar Geertje weigert, zooals ik reeds in het eerste hoofdstuk zei, omdat
+zij den man, die haar gedupeerd heeft, _blijft liefhebben_! Overigens:
+Willem Heukelman is dezelfde soort Christen als Grootvader, m'n Hemel!
+'n minnaar, die het meisje zijner liefde geen andere boodschap weet te
+sturen, dan dat ze altoos de Heere voor oogen moet houden! 't _Is_ om
+tureluursch te worden.--En nu nog even dit: (Geertje staat aan een
+tusschen-station op den trein te wachten. Ze is ongerust over haar
+koffer. Een aardige meneer stelt haar gerust, en het voorvalletje
+verloopt dan aldus verder:)
+
+ Hij ging enkel naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen
+ reizen.
+
+ Geertje dacht aan wat Groo'va gezegd had, dat ze vrouwencoupe
+ [p.319] moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, _maar vond het
+ pijnlijk dat aan den heer te zeggen_. Hij was zoo vriendelijk tegen
+ haar!...
+
+ Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:
+
+ --Ja, nu moet ik een dames-coupe hebben.
+
+ Doch er was maar een, en die zat vol. Er was nog net een plaatsje
+ in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heen-drong.
+
+ --Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen
+ zitten, lachte de heer.
+
+ En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zich-zelf.
+ Misschien was er nog een coupe geweest; ze had daar niet verder
+ naar gezocht. Nu zat ze in een grooten wagen, met veel menschen
+ overal. De vriendelijke heer tegenover haar.
+
+ --Hebt u het hier niet goed bij me?
+
+ --Heel goed, lachte ze terug--toch een beetje pruilend.
+
+Het is deze _naieve vriendelijkheid_ in Geertje, dat niet _kunnen hard_
+zijn, het is dat zachte gemoed in haar, zoo diep ontvankelijk ook voor
+medelijden, zoo bang voor te kwetsen, die wel de hoofdoorzaken van haar
+ongeluk, of wilt ge, van haar geluk zullen zijn. En het is over het
+_algemeen_ het medelijden, het zachtmoedig niet-kunnen-weigeren, en
+_niet_ de sensualiteit, waardoor het leven van zoovele vrouwen verdorven
+is....
+
+In het volgend hoofdstuk hoop ik u nu in hoofdlijnen te laten zien, hoe
+uit Geertje's goedgeloovige, naieve, luchthartige en medelijdende
+innerlijkheid, in verband met invloeden en personen uit haar vroeger en
+later leven, zich de roman harer liefde en overgave ontwikkelt.
+
+
+ * * * * *
+
+
+JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"
+[p.320]
+
+
+III
+
+
+Geertje is dan naar Rotterdam'vertrokken, en zal, zoolang ze geen dienst
+heeft gevonden, bij haar oom Jan Niekerk logeeren. Die oom is een van
+die slungelige wezens, wien alles, van de kindsheid af tot de grijsheid,
+het heele leven door, mislukt. Niet alleen volkomen missend wat men in
+hoogeren zin geestelijke krachten kan noemen, maar ook geheel zonder die
+capaciteiten, welke in staat stellen, op den juisten tijd en de juiste
+wijze de zich voordoende gelegenheden tot het winnen van levensonderhoud
+aan te grijpen; geheel dus zonder die toch alledaagsche markt-gevatheid,
+die haar bezitter knap genoeg maakt, om op niet al te suffe manier het
+zakengesprek van elken dag met het pingelende leven te voeren--is deze
+man voorbestemd altijd een dupe, een verongelukte te zijn. Wat hij doet,
+doet hij niet goed, doet hij onhandig en links: zijn ernst is _schijn_,
+is imitatie van anderer ernst; zijn scherts is _schijn_, zij is de
+mislukte maskerade zijner angst en vooral van zijn onmachtsbewustzijn.
+Zijn druktemaken, zijn geaffaireerd-doen, 't is alles nadoen van
+anderen. Hij is een dier rampzalige menschen, die _innerlijk_ al lang
+alle hoop hebben opgegeven iets te _zijn_ en nog alleen maar beproeven
+iets te _schijnen_, in het geheime bewustzijn, dat ook dit hen mislukken
+zal. Hij _leeft_ niet, hij _wordt_ geleefd, als dit heen en weer
+gesmeten worden door de omstandigheden, de kansen en de meeningen,
+wirwarrelend [p.321] om hem heen, zelfs geleefd-_worden_ heeten mag!...
+Want wat in een voorwerp is: zwaarte, gewicht,--dat is in een mensch
+geestelijkheid. Wat weinig gewicht heeft, een ademstoot dwarrelt het op
+en blaast het weer neer. Wie weinig geest heeft, hem blaast het leven
+omhoog, hem blaast het omlaag, hoe zou hij--bij zoo groote mate van
+lichtheid: bij zoo weinig geest--rust vinden midden de stormen der
+meeningen en wisselvalligheden? Maar wie veel geest bezit, staat vast op
+zijn plaats, de winden breken op hem, de omstandigheden smijdigen hun
+lijn van voortgang om hem, zij bespatten hem, maar brengen hem niet
+iets, waarbuiten hij niet kan, noch voeren iets _essentieels_ van hem
+mede, en hij weet wel, dat de kracht, die hem verzetten zal, niet kan
+schuilen in armoede, ontbering, rampen, rijkdom en geluk. De man van
+weinig verstand staat in het leven als een bedronkene op den weg: zelfs
+doode voorwerpen schijnen levend te worden, om hem te hinderen en te
+plagen, en wat anderen tot steun is, dat stoot en werpt hem. In 't kort:
+hoe meer geest, hoe meer _macht tot roerloosheid_; hoe minder geest, hoe
+meer drukte en beweging. En ik geloof, dat _het 't doorvoelen dezer
+waarheid was_, die de oude Indiers deed zeggen, dat de _Goden
+onbeweeglijke oogappels_ hebben.... Intusschen zou ik mij schamen, zoo
+zonderling te zijn afgedwaald van _Geertje's_ oom naar de Indische
+goden, indien diezelfde oom niet dichter in hun buurt stond, dan gij
+wellicht vermoedt! Hij is namelijk een--kunstschepping, uit diep
+levensinzicht geboren....
+
+ * * * * *
+
+Als Geertje bij haar oom arriveert, is hij juist weer wat lager gezakt.
+Zijn mooien winkel aan den Binnenweg, die haar nog heugt van toen ze de
+laatste maal bij hem logeerde, heeft hij niet meer. Hij woont nu in een
+krottig huisje in een zijstraat aan de Schie. De teleurstelling is
+pijnlijk voor Geertje, maar, en dit is teekenend voor haar
+geestestoestand, dat echte jonge in haar, dat niets zoo als de vrijheid
+liefheeft en tegen onnatuur een instinctieven weerzin heeft: zij blijft
+blij, "uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid [p.322]
+gaf aan Groo'va en Groo'moe, en aan de meeste menschen in 't dorp,"
+ontslagen te zijn. Ik sprak in het vorig hoofdstuk van dat groote
+stadsleven, dat we haar, stukje voor stukje, en beetje voor beetje, de
+_beschermende uiterlijkheden_ van den geest zullen zien ontrooven. En
+hier hebt ge daar een voorbeeld van: (Geertje denkt:)
+
+ (Groo'va) sprak altijd van "den wil des Heeren" maar over zijn
+ triestigheid heen kwam hij niet.
+
+ Misschien was dat toch wel meest om oom Jan--en nu wist Groo'va nog
+ niet eens alles!--ook niet, dat het bij oom heelemaal geen
+ Christelijke Boekhandel meer was. Op den Binnenweg was er nog een
+ aparte Bijbelkast. Maar hier!...
+
+ --Dank je! Die reuk van heiligheid het me niks as schaaj gedaan!
+ had oom den vorigen avond gespot, toen Geertje naar de bijbels
+ gevraagd had.
+
+ --Bidt jij nog? had hij 's middags geplaagd, toen ze aanzaten voor
+ het eten. Den eersten avond had ze 't gedaan, niet lettende op Oom
+ en Tante. Vanzelf had ze nu weer de handen gevouwen.... Tante was
+ tusschen beide gekomen:--"Laat 'er toch!"--Maar zij had gelachen,
+ en oom had gelachen, en _voordat ze het wist, was de vork in d'er
+ mond geweest_....
+
+Zoo iets beteekent niet, dat Geertje nu inderdaad haar _geloof_ aan het
+verliezen is. Dat is volstrekt niet het geval. En de tijd moet nog
+komen, dat zij 't inniger zal bezitten, dan ze 't ooit bezeten heeft.
+Maar zij is bezig uit de _praktijk der godsdienstoefening_ te geraken.
+En dit is jammer, want _als_ bij iemand van de betrekkelijk geringe
+_verstandelijke_ beschaving van Geertje, zelfs een _groot godsgeloof_ in
+de _ziel_ ligt--gelijk hier inderdaad het geval is--dan kan toch, onder
+zekere omstandigheden, die ik nader zal aanduiden, dat _groote
+godsgeloof niet_ maar wel die _praktijk der godsdienstoefening_ voor
+verkeerde en schadelijke dingen behoeden. Hij die dit vreemd mocht
+vinden, bedenke: dat bijna niemand de volle bewuste beschikking heeft
+over _al_ de in hem liggende geestelijke krachten. Hij krijgt
+_langzamerhand_ de beschikking over hen, indien hij _zeer hooge en diepe
+vreugden en smarten voelen kan_. Want deze beide zijn de dorpelwachters,
+die het in hun macht hebben, de poorten der geheime arsenalen en der
+juweelen-volle schatkamers in eens menschen innerlijk [p.323] te
+ontsluiten.... En ook voor Geertje zullen zeer vele ontsloten worden....
+Maar nu dit nog niet gebeurd is, en ook--en dit is de omstandigheid,
+waarop ik doelde--de schatkamer van het groote godsgeloof in haar nog is
+gesloten, kan zij voornamelijk slechts beschermd worden, door wat haar
+van _buiten_, door haar grootouders is bijgebracht: de praktijk, de
+routine, noem het de sleur der godsdienstoefening, en die verliest
+zij.... Ik noemde deze een _uiterlijkheid_, bedenk het, maar--ook een
+harnas is een uiterlijkheid!--Ik ga nu een stukje overschrijven,
+waardoor we weer wat meer van Geertje's innerlijk en het armelijk geplan
+en geintrigeer van oom en tante, om aan geld te komen, te weten komen,
+en tegelijkertijd met een nieuwe figuur kennis maken, die bestemd is een
+groote rol in het boek te spelen en evenals Geertje tot de psychische
+romantiek (zie het eerste hoofdstuk) behoort:
+
+ De voordeur ging open:--"Dag Geertje!" zei iemand. Zij kende hem
+ niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half
+ achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op
+ licht, lang-krullend warhaar.
+
+ --Dag.... Meneer," zei Geertje verwonderd.
+
+ --Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. 'k Heb je zien
+ laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.
+
+ --O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.
+
+ --Is je Aum d'er niet?... Roep jai je Tante n'es voor me.
+
+ De bult en Tante bleken gemeenzaam.
+
+ --Riek, vroeg hij, hait je man nou geschreive?
+
+ Geertje kreeg den indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte.
+ Tante meende--zoo zei ze--van wel, maar zeker weten dee' ze 't
+ niet, _'t was zoo'n moeilijke brief voor de'r man om te schrijven._
+
+ --_Wa's d'ar nou voor moeilijks an! Als de'n ouwe nie' wil, dan wil
+ ie niet. 't Vragen sou ik meenen, staat frai. Wat ze' jai Geer,
+ daar kan je Graufader toch nie' boos om worde_.
+
+ --Laat haar d'er buite, viel Tante haastig in, ongerust.
+
+ Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar
+ nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was
+ als onderwijzer aan een openbare school de kameraad van Tante's
+ broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en
+ hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo'n hekel an de
+ onderwijzersstand, net als Oom [p.324] vroeger had gehad, en daarom
+ was ie nou k'ruspendent van dagbladen geworden.
+
+ --Wat is-t-ie? vroeg Geertje.
+
+ --Nou, da'j berichte stuur an de krante. En he-'t-ie daarmee z'en
+ brood?
+
+ Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en
+ van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit, dat je
+ dat natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel
+ zooveel te melden! Een man kon het onmogelijk af. Daar zat ook
+ juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk
+ veel konkerentie. Sommige heeren werkten samen, d'en eene nam dit
+ en d'en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En
+ meneer Maandag was altijd alleen.... Maar nou kreeg-d-ie misschien
+ 'en eigen krant. Ja, 'en eigen krant voor hum! Dat was het juist,
+ waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou ook mee aan die krant
+ zijn.... Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar
+ nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader
+ te vragen, of die wat wou geven....
+
+Als men, in de door mij gecursiveerde zinnen, Tante over haar man hoort,
+spreken en, even daarna, Maandag zijn meening hoort zeggen, dan denkt de
+oppervlakkige beoordeelaar: die oom Niekerk heeft niet veel geweten,
+maar die Maandag is nog de ergste van de twee! Want men heeft al zoo'n
+vermoeden dat die heele krant-oprichting wel mislukken zal en Oom
+aarzelt nu ten minste nog voor hij zijn vader om geld vraagt, maar die
+Maandag!... Intusschen is precies het tegenovergestelde het geval.
+Maandag is een nobel en een niet onbegaafd mensch, die vertrouwen in
+zich-zelf heeft en _volkomen te goeder trouw_ om het geld vraagt, in het
+ernstig geloof, dat er althans een _zeer goede kans_ van slagen bestaat;
+Oom echter weet diep in zich heel zeker, dat ook dit wel weer een
+mislukking zal zijn, maar vraagt toch, d.w.z., gaat _oplichten_, en hij
+aarzelt niet omdat hij de daad slecht vindt--daar is hij al lang over
+heen--maar omdat hij er bij zijn strengen vader, dien hij al zoo
+dikwijls geld uit den zak heeft geklopt, niet mee durft aan te komen!
+Maandag, in zijn opnieuw ontwaakte energie, zijn zelfvertrouwen en zijn
+optimistisch idealisme, begrijpt dat alles natuurlijk niet en is
+verwonderd!....
+
+[p.325]
+
+ --Groo'va, _riep Geertje met verborgen angst. Ze kreeg een gevoel,
+ of d'er iemand Groo'va te lijf wou. Die goeie Groo'va, hij had zoo
+ weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!_
+
+ --'t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.
+
+ --Hoe verschieten?
+
+ --Nou, z'en geld blaift z'en geld, en ieder jaar kraigt ie z'en
+ rente. Ze denke zellefs van 'en hooge rente, meer as je Groo'va van
+ z'en geld maak! Maandag is d'er zeker van, dat 'et 'en goeie zaak
+ zal weze.
+
+ --Wat heeft-ie dan Groo'va d'r in te hale! snuggerde Geertje vol
+ bezorgdheid.
+
+ --Da's te zegge! Et kan misgaan, 't Is 'en nieuwe ondernemink. Je
+ brengt d'er je geld niet as bij de spaarkas!
+
+ --Nou kijk 'is an! riep Geertje overtuigd.
+
+ Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was
+ genoeg voor haar drift.
+
+ Tante had haar aangezien, en plotseling op anderen toon:
+
+ --O ja, maar as jai ons no' ga tegewerke, geef je graufader zeker
+ niks.
+
+ --Ik? wat heb ik d'er mee te make!
+
+ --_Nou ... 'et is toch jou geld ook_.
+
+ Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze 't keukentje in.
+ Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu
+ niet schreien! Het was zoo naar, zoo anders hier alles, vijand was
+ ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.... Maar
+ die arme goeie Grootva.... Wacht....
+
+Ge denkt nu, na dat "Wacht," dat Geertje haar grootouders gaat
+waarschuwen. Mis! dat eigenaardig jeugdig-lichtzinnige en dat
+weifelend-bedeesde, 't laatste vooral tegenover menschen die in haar
+nabijheid zijn, verhinderen dat. Ze gaat nu een lieven brief naar huis
+schrijven en denkt daarmee genoeg gedaan te hebben. Ja zelfs laat ze
+Tante den brief lezen, om die maar te laten merken, dat Tante's
+wantrouwen ongegrond is. Och, ze heeft zoo graag met iedereen vrede en
+geeft zoo gaarne en zoo makkelijk toe; _nu nog haar hoogste en innigste
+wezen niet gewekt is_. En dan, moet ge denken, is er niets erger voor
+een grootmoedig-aangelegd jong menschje, dan dat iemand hem bedektelijk
+verwijt, dat hij uit eigenbelang iets doet of nalaat. En met het door
+mij gecursiveerde zinnetje van Tante gebeurt dat: Tante weet wel wat ze
+doet!--Uit den daarvoor door mij gecursiveerden zin, voelt ge, dat
+Geertje toch ook wel [p.326] heel veel van haar strengen grootvader
+houdt.--
+
+Maar schitterender, maar onovertreffelijk, worden Geertje's weifelingen,
+haar onbewuste zelfbedrog, haar zwakheid van rust te willen hebben en
+niet tusschen al dat geknoei te willen zitten, gebeeld in het volgende:
+(Oom zit haar te "bewerken" opdat ze hem maar geen spaak tusschen het
+wiel zal steken en zegt ten slotte:)
+
+ Ik zeg 'et mit de beste bedoelinge. Als jij de'r op tege heb, da 'k
+ 'et vraag ... dan doen ik 't niet....
+
+ Geertje voelde 't in d'er ooren, aan de manier waarop Oom,
+ aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende,
+ dat-ie haar daar laf beloog. _Maar dan moest het ook maar, dan
+ moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden!_ Ze wist het, ze zat
+ daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d'er gezicht, tegenover
+ een plomp-grooten man, die wreede dingen zei; maar in haar flitste
+ ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om
+ heel hooghartig te doen en te spotten--om 'es hard terug te slaan,
+ zoo zwak als ze was.
+
+ --Wou u soms dat ik d'er om vroeg?
+
+ --Wat meen je daarmee? zei Oom op een drogen toon van halve
+ onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.
+
+ --Nou....
+
+ _Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opeens 'er
+ gedachten kwijt_. En bij haar beschaamdheid zakte haar boosheid, ze
+ werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte
+ om niet kwaad te wezen--HE, ALS ZIJ OOM EN GROO'VA EENS TOT MEKAAR
+ KON BRENGEN.
+
+ Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem
+ aan met 'en lieve lach....
+
+ --Tante heeft me dat ook al doen voele, dat ze m'anzag voor, zoo'n
+ soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo'va; niet om
+ z'en geld, maar om Groo'va zelf.
+
+Is het niet _prachtig_, hoe hier in die paar regeltjes niet alleen de
+_oogenblikkelijke_ gemoedstoestand van het jonge, zwakke, lieve meisje,
+maar ook heel haar _aard_ wordt blootgelegd, deels door het vermelden
+harer gedachten, maar deels ook door dramatische beelding: het scheppen
+van handeling. In den eersten door mij gecursiveerden zin vindt ge haar
+besluit, om koste wat het kost, nu eens flink te zijn, maar ach, na dat
+eene uitstekende comedie-vertooninkje van Oom, is er van dat besluit al
+niets meer overgebleven. [p.327] De daarop volgende door mij
+gecursiveerde zin beeldt uitmuntend in _handeling der gelaatstrekken_,
+om 't zoo eens te noemen, Geertjes verlegenheid, haar zich plots weer
+klein voelen. En dan volgt in de door mij gespatieerde woorden het
+_onbewust zelfbedrog_ van dit nobele zieltje, dat zoo graag het goede
+wil en, nog te zwak om er bij te volharden, zich zelf voor den mal houdt
+en _met een surrogaat ervan zich behelpt_.
+
+ * * * * *
+
+Nu na eenige commis-voyageurshandigheidjes van Oom, heeft Geertje dan
+ten slotte een dienst gekregen bij den drukker _Heins_--en, vrienden,
+als je daar straks het boek zelf gaat lezen (of ben je al bezig? Dat zou
+heel wat prettiger zoowel voor jelui als voor mij zijn!) let dan eens op
+wat er voorvalt bij die visite van Oom en Tante met Geertje, bij den
+heer en mevrouw Heins: bijv. die scene met de kinderen is
+uitstekend!--"een van Oom's vertrouwdste vrienden, die een groote
+drukkerij voor den handel heeft," zooals Oom aan Groo'va heeft
+geschreven. Mevrouw Heins is een ongelukkig buitje, iemand met een
+"krates-lijf" en 'n bleek gezicht, waaruit een roode puntneus scherpt;
+Heins-zelf daarentegen: "een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op
+het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel."
+Ziehier de manier, waarop hij, al heel spoedig, met haar omgaat:
+
+ --Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een
+ glas pilsener had ingeschonken.
+
+ --Dank u.
+
+ --Wat dank u? Ben jij mal? Gauw 'en glas! En 'en stoel d'er bij.
+ Mot je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook!
+
+ Geert liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe--en het
+ bier smaakte. He, dat heerlijk-frissche bier! En zoo'n goddelijke
+ avond!
+
+ --Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor 'n uurtje, maar toe'
+ sliep ze.
+
+ Nee', gut, Geert was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur
+ thee had gebracht. Maar ze zou d'alijk even gaan....
+
+ Och, nee', drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte.
+ _'t Is toch al zoo ongezellig_....
+
+ [p.328] Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in
+ huis. Altijd herrie, of leeg-holle kamers, met maar 'en enkel
+ mensch er in, heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen
+ schreeuwend, omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d'er
+ keuken geloopen, of naar de straat of naar het gangetje van de
+ drukkerij.... _Aardig, dat Meneer die ongezelligheid ook akelig
+ vond_: zoo iemand, die op scheen te gaan in z'en zaken!
+
+Ge merkt hier al, hoe een zeker intiem verband tusschen de twee _in
+wording_ is, doordat ze 't beide _ongezellig_ in huis vinden, tegenover
+de juffrouw, die de _oorzaak dier ongezelligheid is!_
+
+ * * * * *
+
+Langzamerhand zien we Geertjes geest door het beeld van dien man vervuld
+worden. Truusje, z'n dochtertje, is wat hangerig. Geertje kijkt haar aan
+en denkt onmiddellijk: "Krek toch d'r pa z'n oogen." Maar zie dan vooral
+eens dit: (Geertje zit het zieke kind voor te lezen. Meneer Heins komt
+de kamer binnen:)
+
+ --"Mejuffrouw G. Hendriks." Een brief! Asjeblief.
+
+ --Gut Meneer!
+
+ --Zit Geer je prettig voor te lezen, Troelala?...
+
+ Da's 'en leve'tje, he?... Zeg, 't is hier benauwd! Jij hebt et ook
+ warm!... _O got, doe maar niet! 'k weet toch wel da'j 'en mooie
+ hals heb_ ... krijgt Troelala 'et niet te warm?... Laat tenminste
+ de deur wat ope.... Zoo....
+
+ --As de Juffrouw dat maar goed vindt!
+
+ --Och jullie heb 'et hier veel te benauwd.... Zeg is, wat krij' je
+ daar voor 'en brief! Hei je femilie in Amerika?
+
+ --Van 'en kennis....
+
+ --O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit Amerika!...
+ Dag.... Dag Truuzepop!
+
+ Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo opeens nou 'en
+ brief van Willem. _En dat Meneer dat net moest zien!_ Hoe kwam
+ Willem (Ge weet wel: Heukelman, de boerenzoon, die op haar verliefd
+ is. v.C.) an d'er adres! Ja, natuurlijk van Jan, en van thuis. Maar
+ wat hattie te schrijve! Ook 'en taaie.... He God, dat Meneer....
+
+Ik heb een paar zinnetjes gecursiveerd. Commentaar overbodig, niet waar?
+Nu oversla ik een uitmuntend stuk--met grooten spijt, vooral omdat gij
+het schalke, bijdehandte in Geer er aardigjes in had te zien gekregen!
+Maar enfin, [p.329] dat blijft weer bewaard voor jelui, als je het boek
+leest! Nu verder even Geertjes overpeinzingen:
+
+ He, wat vervelend toch, nou van die brief! Stom ook, dat ze gezeid
+ had "van 'en kennis." O, wat had ze daar gruwelijk spijt van! Hoe
+ kwam ze't te zeggen ... ze wist het niet ... Laa's kijke.... O ja!
+ toen.... Meneer-keek zoo plaag'rig. Eerst al, met dat geplaag om
+ 'er boordje.... Toen, net of dat heel wat was, dat zij iemand kende
+ in Amerika.... Ja, daarom had ze gezeid, "van 'en kennis." Net zoo
+ ommers as et was.... _Maar ze zag dat Meneer et raar von_. Altijd,
+ dan werde _z'en ooge wat anders...._ Och maar malligheid! '_t Zou
+ um 'en zorg zijn, of zij 'en kennis in Amerika had_.... He nee, _ze
+ had et gezeid om te plage_.... Waarom had hij ook geplaagd met 'er
+ boordje....
+
+Aan de door mij gecursiveerde zinnen ziet ge duidelijk, dat Geer zich er
+wel van bewust is, dat er een _aardig verhoudinkje_ tusschen haar en
+meneer is, en dat ze gelooft, dat het meneer _eventjes hinderen zal als
+hij merkt dat ze een vrijer heeft._ Geertje denkt natuurlijk niet na
+over eenig gevolg dat dit alles hebben kan. _Zij is daarvoor te
+onschuldig_. Zij is te onschuldig om in dit alles iets anders dan 'n
+soort aardig-vinden-van-elkaar te zien. Ja, God, waarom zou meneer haar
+niet mooi vinden.... Zij weet wel dat ze mooi is.... Haar jonge
+ijdelheidjes worden gestreeld door de gedachte, dat zoo een knappe,
+flinke, rijke man als meneer Heins er over nadenkt of zij wel of niet
+een vrijer heeft. In 't kort: men voelt door wat er van haar gebeeld en
+gezegd wordt, hoe zij wegdroomt telkens _in allerlei niets met de
+werkelijkheid gemeen hebbende voorstellingen_, welke _niet_ gezegd of
+gebeeld worden. _Ze wordt door haar jeugd en opgewekt liefdesverlangen
+meegevoerd_, buiten de werkelijkheid.--Even later komt ze beneden,
+meneer staat daar weer:
+
+ ...--Hei je zoo'n haast!... Eerst effe vertelle: hoe was 't met die
+ meneer in Amerika!...--_Och!.... plaag!_...
+
+ * * * * *
+
+De tijd der kermis is aangebroken. Geer gaat met Oom en Tante en den
+gemeenen Gerrit Holkers, broer van tante, er heen. Deze kermis is een
+uitstekend brok beschrijving, [p.330] waarvan jelui "bij de lezing van
+het boek volop zult genieten. Laat mij 't hier slechts hebben over de
+_psychologie_ van Geertje, over haar liefde, en jelui aandacht vestigen
+op die momenten, welken den groei daarvan aanduiden. Eerst echter dit:
+(Geer heeft zich juist innerlijk geschaamd over een kunstenmaakster voor
+een der kermistenten, die veel op haar lijkt--een _zeer fijn_ stukje--en
+nu, plotseling, hoort ze:)
+
+ --Geer! die meid lijkt op jou!
+
+ In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots'ling heen
+ door het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom's
+ stemgeluid rauw haar ontstelde denken op, _en was haar nog
+ onaangenamer, daar het haar eigen gedachte uitsprak_. 't Was haar,
+ of 'er geheim opeens gehoord werd door de heele kermis. Zij wist
+ niet meer, wie was beleedigd, zij of het meisje; ze schaamde zich
+ vreeselijk over de vergelijking, en toch had ze ook diep medelijden
+ met het meisje, over wie Oom, met dronkemanstong, in zijn
+ afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw dorst spreken. O, ze haatte,
+ haatte Oom; _ze voelde opeens fel al de rampzalige schaamte over
+ die familie van de'r, ze snakte terug naar het Hang, waar ze beter
+ was, waar ze zich thuis voelde_; weg wou ze van zulke
+ liederlijkheid; en het was toch de _familie_.[5]
+
+Behalve de waarde eener voortreffelijke psychologische analyse, heeft
+dit stukje ook een ongemeene compositorische waarde, wijl het aantoont
+hoe alle omstandigheden ertoe medewerken, dat Geertje naar _Heins_ toe
+wordt gedreven: haar familie is haar niets meer, het huis van Heins
+voelt ze als haar tehuis, en in dat huis, is er nog een stilzwijgende
+verstandhouding _tusschen Heins en haar van elkander begrijpen_--zooals
+zij, onnoozele dupe van dien man, denkt--_tegenover_ de juffrouw, "die
+geen vrouw is voor Heins," en z'n leven "zoo ongezellig maakt!"--En nu
+die momenten, waarvan ik zooeven sprak: (Geertje zit met Oom en Tante in
+de tent van een liedjes-zanger. Ze denkt:)
+
+ Die twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van 'et meisje. 't Meisje
+ leek nog heel, heel jong. He, zoo same kermishoue!... knappe jonge,
+ d'er gelant, flink ... _gut, op wie leek nou die jonge?_ Zoo ie's
+ bekends had ie in z'n gezicht.... Toch niet thuisbrenge.... (Ik
+ oversla hier een stuk. v.C.) _Wat keek die
+
+ [p.331] jonge verliefd z'en meisje an ... knappe jonge ... op wie
+ leek ie?_.... Leegte, nou die mensche weg.... Zou 't al laat
+ zijn.... O, vervelend, heel d'en avond.... He! zoo-as dat meisje
+ uitgaan. ... netjes, met moeder, en je galant....
+
+Ge ziet in dit stuk het _liefdesverlangen_ van Geertje, ge ziet hier ook
+_het aandoenlijk beroofd-zich-voelen van de wees,_ maar in de door mij
+gecursiveerde zinnen, zit dat andere. Hoe? Dat zult ge dadelijk
+zien....--Den volgenden morgen, 't is Zondag, is ze ofschoon ze vrij
+heeft, naar het Hang gegaan, om even wat geld te halen--Oom en Tante
+zitten zonder cent--en dan speelt zich daar het volgende prachtige
+tooneel af: (Maar o, lieve vrienden, 't geen hieraan voorafgaat: dat
+gedupeerd worden van de arme Geertje! hoe zij gelooft dat Heins uit
+_goedheid_ zoo vriendelijk, midden zijn eigen verdriet, jegens haar
+is.... neen als ge het boek-zelf niet leest, al die magnifieke dingen,
+die ik natuurlijk moet overslaan, dan zou het mij berouwen er iets over
+te hebben geschreven. Want dan zou ik het gevoel niet van mij kunnen
+afzetten, het te hebben verminkt!) Geertje is bij meneer op kantoor om
+geld te wisselen en hij vraagt haar of ze zich geamuseerd heeft op de
+kermis:
+
+ Zij wist niet of ze 't zeggen zou. Ze schaamde zich zoo over wat er
+ was gebeurd, ze zou ommers ook liever heelemaal niet meer over de
+ kermis hebben gesproken, maar ze had zoo'n behoefte om het te
+ zeggen, om vertrouwelijk te doen tegenover Meneer....
+
+ (Ik oversla weer 'n stukje tekst. v.C.)
+
+ --Holkers? Da's 'en zure jonge.
+
+ --'En gemeenert.
+
+ --Zoo? dat ook?... Och jee!... Dus geen pret gehad?
+
+ --Pret? Nee niks!
+
+ --Wij ... moste-n-is same kermishoue'!... Zou je wille....
+
+ Ze voelde den lessenaar wankelen. Ze hoorde heel goed hoe Meneer
+ het meende, niks as 'en grapje, uit goejigheid, omdat ze zoo'n nare
+ avent gehad had; _en toch kreeg z' opeens 'en angst, of z'en droom
+ vervuld zag worden: Hij, Hij was et, gisteravent, in de tent, die
+ mooie jonge, die daar met 'en meisje zat!_... _Got!_... Meneer,
+ mocht toch niks merke....
+
+ --J..j ...a! stotterde ze, met gedwongen lachje, zooveel mogelijk
+ als-vroolijk. Gauw 'et geld nu, en dan weg.
+
+ [p.332]--Wat hei' j' de kinders blij gemaak', hoorde ze zijn
+ vriendelijke stem.
+
+ --Blij?... Mit niks!
+
+ --Nou ja, ze krijg 'et toch.
+
+ --Ik vin' 't zoo aardig van je, Geertje--streelde weer die lieve
+ stem--da'j zoo lief ben voor me kinders. Truusje heb-ie opgepast
+ ... as' en _moeder_[6]
+
+ Even dorst zij opzien. In die mooie oogen. Hij, zoo goed, zoo'n
+ beste vader, en zoo vriendelijk voor haar....
+
+ --'t Snoesje! zei ze.
+
+ Truus, 'en engel!
+
+ Nam meteen het geld van tafel.
+
+ Toen opeens hield hij haar hand.
+
+ Klemde die, zacht, in de zijne.
+
+ --_'k Wou da' jij de moeder was_....
+
+ --O, Meneer!
+
+ De gulden viel. Maar zij holde weg, het huis uit.
+
+Nu heb ik weer gecursiveerd. Ziet ge thans in, waarom ik het straks
+deed?!--Overal vervolgt haar zijn beeld! Maar met die laatste door mij
+gecursiveerde woorden, heeft hij haar nu aan zichzelf ontdekt! Zij snelt
+in radeloosheid de straat op. Maar wie is in staat, zijn eigen ziel te
+ontsnellen? Als een obsessie hamert het in haar hoofd:
+
+ Dat _Hij_[6b] zeker nooit us in z'en leve _gelukkig_[6c] erge's
+ gezete had, zooals die jonge gisteravent.--Met de _Juffrouw_[6d]
+ --_'k Wou da' jij_...."[6e]
+
+ Niet an denke....
+
+En ziet ge weer het gevaarlijke _medelijden_ in Geertje? Ze komt thuis
+en moet even rusten, maar kan niet, kan niet. Overal ziet ze hem, overal
+voelt ze hem. En als ze dan ten slotte, na bij menschen, christelijk als
+haar grootvader, te zijn gegaan en daar wat norsch te zijn bejegend, er
+berouw over gevoelt, dat niet geduldiger te hebben verdragen, voelt zij
+een onbedwingbaar verlangen naar het godshuis te gaan. Als zij er komt,
+in haar geexalteerden toestand, voelt zij zich als "het hijgend hert der
+jacht ontkomen." En dan volgt dit prachtige, dit geloofssterke, dit
+liefdessterke, _dat Geertjes innerlijk is_, dat uiterst reine innerlijk,
+_welks poorten nu, de [p.333] een na de ander worden ontsloten_. (Zij
+poogt haar aandacht bij de preek te bepalen, maar denkt aan hem, aan
+hem:)
+
+ (De juffrouw) zei et ommers vaak:--"Pa's kindje," op 'en toon van
+ spot en hekel, net of Truus et helpen kon, dat ze pa z'en oogen
+ had. Kleine snoes, gelukkig ook! as ze de ooge had van de
+ moeder!... 't Ware net Meneer z'en oogen, 't zelfde bruin, zoo
+ stralend, groot.... Jonge, op de kermis gisteravond zette'n-ook die
+ groote ooge, keek zoo stralend, naar z'en meisje.... Meisje lacht.
+ En Ooge lache.... Jonge, meisje staan nou op.... Hij haar hand, en
+ drukt de hand ... drukt nog weer ... de ooge ernstig.... Trekt haar
+ hand meer naar zich toe....--"'k Zal uw koffie late valle!"--"Koffie?
+ Nee, 't is maar 'en gulde, daar, onder de lessenaar, 'k raap em op
+ of geef 'en ander ....Toe, Geer, hoor toch, 'k heb je lief, toe,
+ ik ben zoo ongelukkig ... 'k heb je lief, Geer, och, kom hier"....
+ Weg lessenaar, weg tabouret. _Hij_[7] naast haar, kijkt
+ bedroefd-vol-liefde.... Zalig! Zalig!--"Nog 'en zoen, zoo je
+ hoofd"....
+
+ He, haast gevalle----
+
+ ... Groote God! wat gebeurt er met 'er! Heeft ze.... Ja, ze heeft
+ geslapen. 't Vrouwtje naast haar kijkt ontstemd, z'is tegen die an
+ gevalle, in d'er slaap.... Wat vreeslijkheid! Ooge dicht! Ze durft
+ niet rondzien! Zoo iets droome ... en dan hier! In de kerk zoo
+ zondig droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt over Judas'
+ smarte.... Lang stuk heeft ze niet gehoord, zitte slape, was zoo
+ moe ook. He, d'er hoofd barst van de pijn en dat steke van de zon
+ daar, altoos met die-n-eene straal, daar vlak voor d'er. Jee, ze
+ beeft, ze klappertandt. En zoo warm hier. He't ze koorts? O, ze is
+ zoo ongelukkig!
+
+In een wroeging van zich schuldig voelen, in een vrees voor zonden,
+herinnert ze zich nu tal van teksten, die _overspel_ verbieden. En dat
+stuk is prachtig; en het spijt mij heel erg, dat ik het moet overslaan,
+al mag ik de opmerking niet weerhouden, dat ik wel gewenscht zou hebben,
+dat Geertje's meditatie niet zoo gerhythmeerd ware gegeven, want deze
+rhythmeering wordt veroorzaakt door de vroom-ontroerde psyche _van den
+auteur_, en kan _niet_ in 't _denken van Geertje_ aanwezig geweest zijn.
+
+Zij bidt God om vergeving, neemt zich nu voor, voortaan geen dag meer
+het bijbellezen te verzuimen. En ten slotte vindt zij voor dat uur
+vrede:
+
+ [p.334] Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde.... Bidde
+ mocht zij ook voor _Hem_[8], dat God _Hem_[7b] verand're mocht, dat
+ ook _Hij_[7c] vond het geluk, nu was _Hij_[7d] toch zoo rampzalig,
+ arme man, zoo'n lieve man, o, as hij tot God mocht komen ... zou ze
+ durve? hem et zegge? Bidde mocht ze wel voor hem, en nu luist're,
+ nu goed luist're, dan zou ook 'er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de
+ preek wat hebbe....
+
+En nu wordt het mijn plicht, over _dit deel_ van het boek te zwijgen,
+een plicht zwaarder, voor mij, die zoo gaarne van mijn mooi-vinden
+anderen deelgenoot maak, dan mij wellicht ooit het spreken heeft
+geleken. Zwijgen moet ik over het schoone zelfbedwang, over het
+meesterschap, dat de kunstenaar moet hebben bezeten, toen hij voor en na
+die supreme beeldingen van Geertje's gevoel, den moed en de kracht had,
+om de kunstgrepen van den verleider en heel het alledaagsche leven te
+teekenen; dat dagdagelijksch leven met al zijn kleinheden, waarvan het
+Noodlot zijn onverbreekbare koraalrotsen bouwt, die de schepen doorboren
+en de schepelingen ten afgrond doen gaan. Zwijgen over dat prachtig-
+doorvoelde van Geertje's opstand tegen den Bijbel, tegen God, wijl de
+afgesmeekte, de afgebeden rust niet in haar komt. Zwijgen over haar
+drie-daagsch verblijf bij haar grootouders, die beelding en van haar
+smart en van 'r kinderlijk-onschuldige schalkheid; over dien maannacht
+in haar dorpje, waarin zij zich de Bruid voelt, die zich nimmer zal
+vertoonen aan haar Bruigom, maar heel 'r leven aan hem denken zal ...
+daar de vorstelijke verzen, vol van eene onmetelijke weelde, van
+Salomo's _Hooglied_, gelijk een godsstem openklinkend in haar ziel,
+zegenend de zang van haar groot-menschelijk gevoel begeleiden. Zwijgen
+ook over haar zich-geven aan hem, hun sexueele samenzijn, in volkomen
+reinheid en soberheid uitgebeeld. En zwijgen verder over heel dit
+opengaan van Liefde, dat bij een gelukkig menschenkind is, als het
+roepen van de zon naar het water en het wekken eener kleurige schoonheid
+van met glans-lachjes overblonken, sluimerende [p.335] vormen daarin, en
+dat bij haar was--arme!--een zonsverduistering gelijk, als de leden der
+lenigst-gevleugelden verstijven van angst en de keeltjes der tot zoet
+zingen geborenen, rauw gekrijsch uitsnerpen.... Want al dat schoone moet
+nu voor u bewaard blijven _in het boek_. Mij rest alleen nog te spreken
+over haar verlaten-worden, haar twijfel, haar leed, en haar
+heengaan-in-vrede.
+
+
+ * * * * *
+
+
+JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE" [p.336]
+
+
+IV.
+
+
+Heins zou de volkomen gewetenlooze erotomaan niet moeten zijn, die hij
+is, indien hij zich _Geertje_ niet van den hals wilde schuiven zoodra
+hij merkte, dat zij zwanger was en hem dus lastig kon worden. Voorwerp
+van pleizier voor hem, en geen mensch die leeft ook om eigen volmaking
+te benaderen, werpt hij haar weg, zooals men een oude jas wegwerpt. In
+dit gedeelte van het werk breekt wel de laagheid van dezen man ten volle
+open, als een etterende kanker, welks stank de lucht verpest, en welke
+ieder, die het woekergezwel onbeschermd zou willen aanraken, met
+infectie bedreigt. Maar evenals de wetenschap--meestentijds _niet_ door
+_menschen_liefde, maar door liefde tot het _weten_ gedreven,--het
+bereikt heeft, gevaarlijke smetstoffen te kunnen omvormen tot
+voorbehoedende en genezende substanties, zoo is het der kunst
+gegeven--haar, die evenmin door _menschen_liefde, maar liefde en drang
+tot _scheppen_ wordt bewogen--uit ziektestoffen voorbehoed- en
+geneesmiddelen te puren.
+
+Maar, m'n lieve vrienden en vriendinnen, voor ik verder ga, even dit:
+begrijpt gij _mij_ wel, weet gij het wel goed, dat ik geen
+"zedeprediker" ben, gij die dit weten _kunt_, die immers nu reeds sedert
+eenige jaren mijne uiteenzettingen volgend, hebt kunnen verstaan, dat ik
+niet tot die soort van menschen behoor, wier eerzucht of eenig ander
+verlangen hen in de richting van het "zedepreeken" drijven kan, maar tot
+die [p.337] soort, wier verlangen hen slechts er naar doet streven, zoo
+zuiver en schoon mogelijk de dingen te zeggen, die zij denken en zien,
+en wier begeerte alleen kan zijn, juiste en zelfgevonden of hervonden
+inzichten over kunst te verbreiden, opdat de menschen de waarde van
+zulke inzichten voelen en de macht tot juist-inzien en -genieten in
+zich-zelf aankweeken zullen? O, mocht ik in de overbodigheid dier vraag
+kunnen geloovenl Want ik zou het heel verdrietig vinden, zoo ge mij voor
+iemand hieldt, die zoo dwaas is, zich op een buitenmenschelijke
+standplaats te willen stellen en mal-hoogmoedig van sexueele driften als
+iets minderwaardigs te spreken. Evenals alles wat natuurlijk is, is ook
+sexueele hartstocht in zich-zelf iets moois, maar evenals al het
+schoone, dat buiten alle goede proportie staat tot het geheel, waartoe
+het behoort, iets of alles van de macht tot het uiten zijner schoonheid
+inboet, ja, iets hinderlijks en schadelijks wordt, zoo verliest ook de
+sexueele hartstocht de schoonheid harer verschijning en schaadt en
+hindert, indien zij buiten alle goede proportie in eens menschen ziel
+aanwezig is. Wat nu is het voornaamste kenmerk van iets, dat buiten
+goede verhouding tot zijn geheel staat? Dit: dat het niet _schijnbaar_
+een ander deel verdringt en verdrukt, door het te _veredelen_[9], maar
+het _werkelijk_ verdringt en verdrukt door het te _verlagen_ en te
+_verkleinen_. En dat zien we dan ook hier gebeuren. De sexueele
+hartstocht bij _Heins_ verlaagt het verantwoordelijkheidsgevoel, het
+medelijden en de meest primitieve menschelijkheid in hem. Maar hierbij
+blijft het niet. Want elkeen, in wiens ziel het eene deel het andere
+verlaagt, die wordt _zelf_ een _verlager_. Zijn _leven-in-de-menschelijke-
+samenleving wordt een beeld van het leven-in-zijn-ziel._ Zooals een deel
+van zijn [p.338] wezen de andere verdrukt en schaadt, zoo verdrukt en
+schaadt hij--een deel der menschelijke samenleving--de andere deelen.
+Zoo als het sexueele in _Heins_ al het andere in hem schaadt, zoo
+schaadt Heins _Geertje_ en zooveel andere vrouwen. Gij ziet dus nu, dat
+ik niet uit zedeprekerigheid dit sexueele in _Heins_ bij een kanker
+vergeleek, maar alleen, omdat ik, droog en nuchter redeneerend, tot de
+logische slotsom kwam, dat de sexualiteit in _die_ verhouding, in een
+mensch, tot al het andere staande, bij een kanker, _die immers den
+organischen weefsels hun levenssappen onttrekt_, nu eenmaal te
+vergelijken is.
+
+Maar waarom beweerde ik ook, dat het der kunst evenals der geneeskunde
+gegeven is, uit ziektestoffen voorbehoedende geneesmiddelen te bereiden?
+Wel, dit kondt gij reeds begrepen hebben uit hetgeen ik in mijn eerste
+_Geertje_-artikel zeide: "dat kunst uitspreekt wat geen andere mond kan
+uitspreken," maar toch, laat mij 't hier nog maar even verduidelijkend
+uiteenzetten: Als gij het ongeluk hadt met een man als _Heins_ om te
+gaan, dan zoudt ge voornamelijk opmerken--omdat ge jong zijt--hoe hij
+"geniet." Maar veel vluchtiger zou het uw aandacht treffen, op hoe
+ontzettende wijze hij anderen ongelukkig maakt. Ten eerste omdat de
+eigen begeerten van uw jonge, krachtige lichaam, u onbewust ertoe zouden
+brengen, voor het laatste de oogen te sluiten en u-zelf op allerhande
+manieren te bepraten, dat 't "zoo erg niet is," ten tweede, omdat ge er
+prijs op zoudt stellen, den "succesvollen" _Heins_ binnen uw
+gezichtskring te houden, maar zijn slachtoffers niet alleen door den
+aard van hun leed, dat zich wil verbergen, uit uw gezichtskring
+verdwijnen zouden, doch ook zoo spoedig mogelijk door u _eruit
+verwijderd_ zouden worden, omdat gij zelfs minachting voor _hen_ hebben
+zoudt!!
+
+Daarom is een mensch als _Heins_ in _het leven_ de _smetstof_.
+
+Maar nu komt de kunst en puurt daar het geneesmiddel uit: ge _wordt
+gedwongen_ Heins te zien in zijn weerzinwekkendheid, het helpt u niet
+dat ge de oogen sluit. Want ge ziet hem _nu_ niet met de oogen, ge ziet
+hem met uw _ziel_. Het _leven_ [p.339] wordt door de meesten slechts
+door de _oogen_ gezien, kunst _als zoodanig_ nooit anders dan door de
+_ziel_. En deze heeft geen leden die ge sluiten kunt, met handen kunt ge
+haar niet bedekken, en luiken noch duisternis sluiten iets voor haar af.
+
+Daarom is een man als Heins in _kunst_ het voorbehoedend _geneesmiddel_,
+
+Want wat voor wezens zoudt gij moeten zijn, indien ge, ontroerd bij het
+lezen van dit boek, u-zelf niet eerlijk en vast de belofte deedt: zulk
+een misdaad zal ik nooit plegen, opdat, als ik zelf een huis zal hebben
+gesticht en kinderen zal hebben op te voeden en te waarschuwen voor het
+doen van zulke daden, mijn toon niet onvast als die van een leugenaar
+zal zijn, bij het herinneren: maar ik deed het zelf.... Dit mijn flinke,
+gezonde jongens en meisjes uit het werkend volk zult gij ongetwijfeld
+bedenken bij het lezen van dit werk. Gij in de allereerste plaats, wier
+klasse opgaat uit het verleden als een ververschende waterstraal uit den
+grond, gij zijt gekomen om te laven al de bloemengeslachten van het
+heerlijk-menschlijke, die dorgebrand en vertreden zijn. _Zie goed toe
+wat ge doet_: gij zijt geboren om _iets schooners dan het verleden_ te
+helpen stichten. En wat het verleden nu is en eens zal zijn, daartoe
+behooren: de middeleeuwsche Heer met zijn recht-van-den-eersten-nacht;
+de fabrieksheeren, die de meisjes in hun werkplaatsen dwingen tot hun
+wil; de bourgeoisie-heertjes, die voor ze rijke huwelijken doen en
+"geachte burgers" worden, de kinderen der arme volkslagen tot publieke
+vrouwen maken. Hoon u-zelf niet, door niet beter te zijn dan zij en als
+zij te meenen dat armen de lustprooi der rijkeren zijn. Hun ondeugd is
+verachtelijk, omdat zij _ondeugd_ is, de uwe zou het niet alleen zijn
+omdat zij ondeugd, maar ook _belachelijk-van-dwaasheid_ ware. Gescheiden
+door verren maatschappelijken afstand en vaak enorme weelde, als _zij_
+waren van hun ondergeschikten, lijkt het te verklaren, hoe er iets als
+een nevelige voorstelling in hun gedemoraliseerde hoofden was, dat zij
+een hooger soort menschen dan die ondergeschikten waren en in hun recht,
+zoo ze die offerden aan hun lust; maar zoo gij proletariers-zelf [p.340]
+zoudt meenen, dat uw dienstmeisje een geringer soort mensch dan uw
+zuster is--wat bleef er ons dan over dan het hoofd in onze handen te
+bergen om uw clownige bespottelijkheid, verdwazing en slechtheid niet te
+zien. Neen, dan zoudt ge niet _iets schooners dan het verleden_ kunnen
+stichten, om de eenvoudige reden, dat _gij-zelf helaas nog iets
+leelijkers dan het verleden zoudt zijn_. Als eens de ontwikkeling van
+het economische leven een betere maatschappij zal hebben doen groeien,
+dan zal tevens een hoogere moraal verrijzen, wier idee zal zichtbaar
+worden voor de oogen der besten, die dan leven, en die, ten slotte,
+vertastbaard zal staan, als een open hof waar rechters zitten, midden
+den geweldigen ringbouw van geheel het maatschappelijk zijn, en met zijn
+torenspitsen rijzend dat te boven--want de ethische _leer_ eener
+maatschappij rijst _altijd_ hooger dan haar ethische _werkelijkheid_--;
+_als een open hof_, verstaat ge: waarheen iedereen zal _kunnen_ gaan
+_die wil_, om geestesadeldom en goedheid te leeren. Of zij _willen_
+zullen, dat hangt ook van _u_ af, lieve vrienden. Van de economische
+omstandigheden, van den _maatschappelijken ringbouw_, hangt slechts af
+of zij zullen _kunnen_: of die ringbouw hun den weg naar den hof niet
+_verspert_. Troost u niet met de gedachte: er zal dan minder verlokking
+tot slechtheid zijn. Zeker, _deze gedachte is waar_, maar er zal
+_genoeg_ verlokking overblijven, er zullen mogelijkheden ten goede en
+ten kwade ontstaan, waarvan wij nu geen begrip hebben, en het _zal van
+de harten en de zielen zelf afhangen, dan als in alle tijden, in hoe
+verre de ethische leer werkelijkheid zal zijn. Alles_ moet _geleidelijk_
+zich ontwikkelen, en gij moet nu met vasten wil, met jonge kracht, die
+ontwikkeling aanvangen en volhouden. _Neemt u in acht!_ Er was nooit
+heerlijker gelegenheid voor de menschheid, iets opperst-schoons te
+bereiken--nooit zullen de smaad en de rampen grooter zijn, als die
+gelegenheid wordt verzuimd. Uw klasse is het zaad, dat nog midden slijk
+en wormen in den grond verborgen ligt, waarop de voeten stampen en de
+monden spuwen. Neemt u in acht, opdat het niet verrot in den bodem, en
+of nimmer ontspruit, of opkomt [p.341] met dorrende knoppen en
+verwelkend blad, daar de hemel en de zon en al de schepselen met
+verheerlijkte gelaten, naar de ontluiking van een nieuw levenswonder van
+schoonheid en van kracht uitzagen.... Opdat het dan niet in de wereld
+worde als in een huis waar een kind wordt verwacht, en de lucht
+trillende hangt van naderende vreugde, en de oogen der wachtenden zacht
+en gedempt glanzen van een blijdschap, die zich nog niet geven kan, maar
+straks, o, straks, uitstralen zal en ... het kind wordt dood of misvormd
+geboren en vervult de harten en het huis met rouw en schrijnend leed, om
+de voor langen, langen tijd teleurgestelde verwachting....
+
+Alles _groeit geleidelijk_. En, lieve vrienden, wat ik nu ga zeggen, dat
+doe ik alweer niet uit zedeprekerigheid, maar omdat ik u beloofde in
+mijn allereerst artikel, dat wij "dat leven samen zouden zien."[10]
+Begrijpt het goed; het is niet voldoende, weerzin tegen een man als
+Heins te voelen, om niet zooals hij te worden. Zelfbedwang,
+menschenliefde, eerbied voor lot en levensgeluk van een medemensch, die
+alle komen niet, om zoo te zeggen, kant en klaar uit den hemel gevallen.
+Wie niet langzamerhand bij vele _kleine_ gelegen-heidjes gestreefd heeft
+naar het bezit dier deugden, maar integendeel bij die _kleine_
+gelegenheden het zelfbedwang, de menschenliefde en den eerbied voor het
+levensgeluk van anderen onder den voet geloopen heeft, hij moet niet
+denken, dat als de _groote_ gelegenheid komt, hij de verlokking daarvan
+zal kunnen weerstaan. Niemand kan zeggen: nu, dit is zoo erg niet, dat
+doe ik, maar daar is ook de grens, die overschrijdt* ik niet; hij moet
+zorgen, zoover van daan te blijven van die grens, dat het _niet bij hem
+kan opkomen_, haar te overschrijden. En iets dergelijks bedoelde
+ongetwijfeld ook Wells, met zijne indertijd bij mijne behandeling van
+_Het Voedsel der Goden_ geciteerde woorden: "_zooals gezonde gewoonten
+van geest en leven de troon zijn_." Zonder zulke gewoonten geen vaste en
+eervolle zetel in het leven, waarop men, veilig zittend, schouwen en
+werken kan. Want zooals degeen, die zich altijd voorneemt _morgen_ iets
+te doen, _nooit_ iets doet, [p.342] zoo laat degeen, die zich bij het
+plegen van _vele lichte vergrijpen_ voorneemt, de _zwaardere_ na te
+laten, ten slotte ook die zwaardere _niet_ na. En ge herinnert u wel uit
+mijn behandeling destijds: Wells is een geniaal, een geestig en
+fantasievol schrijver, maar toch geen--"zedepreeker"?
+
+ * * * * *
+
+_Heins_ wil zich dus _Geertje_ van den hals schuiven. De kentering in
+z'n manier van doen jegens haar wordt al wel voldoende door dit stukje
+aangegeven:
+
+ Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar de bakker
+ moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got, stond-ie
+ nou al op!...
+
+ --Wil je eerst nog niet een kopje?... Toe ... blijf nog
+ effetjes....
+
+ En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij
+ weer zou gaan zitten.
+
+ --Wou je zoo graag dat ze-n-'t wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!
+
+ Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.
+
+ Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de
+ leuning; zoo bleef z' overeind, schoon de grond om haar zonk.
+
+ Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur
+ stond open--zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.
+
+ God, wat was dit!... Had zij Hem verloren?! Eens had zij gedroomd,
+ dat hij plots haar begaf, 't Kon toch niet in werklijkheid!?
+
+Toch zou hij daar niet zoo spoedig in geslaagd zijn, als niet het
+naief-trotsche in _Geertje_ de onbewuste bondgenoot zijner laagheid ware
+geworden. Het geexalteerd-zijn kan zoowel iemand volkomen blind maken
+voor de werkelijkheid, als zijn inzicht daarin tot een buitengewone
+hoogte en wijdte opvoeren. Bij _Geertje_ hebben telkens beide plaats.
+In 't onderhavige geval gebeurt het eerste: haar geexalteerde toestand
+maakt haar niet alleen blind voor het feit, dat haar liefdevoelen wel
+edel in het complex van haar zielsvermogens is, maar uiterlijk als iets
+onedels verschijnt, doch ook voor de voor haar nadeelige gevolgen, die
+een bruusk openbaarmaken van haar liefdeleven hebben zal. En zoo werpt
+ze 't de "Juffrouw" in 't gezicht, dat _Jan_ haar, _Geertje_, lief
+heeft, dat ze [p.343] "zijn vrouw" is, en wordt zij het huis uitgezet.
+De lezer moet er zich wel voor hoeden, in dit optreden van _Geertje_ de
+onbeschaamdheid van het gemeene te zien. _Verre van daar:_ het is de
+trots der onschuld, die zich, _intuitief_, rein voelt. _Verstandelijk_,
+als zij te rade gaat met wat haar van jongs af geleerd is, twijfelt
+_Geertje_ zelf vaak aan haar onschuld, ja, gelooft zij aan haar schuld,
+maar in haar hoogste oogenblikken, voelt haar _ziel_, dwars door de
+telkens weer aanklagende tegenwerpingen van haar verstand, dat zij het
+geluk en het heil der schuldeloosheid niet heeft verbeurd. Dit beweer ik
+niet slechts, ik zal het u bewijzen:
+
+ Zij een zoon, een zoon van Jan....
+
+ Zij was uitgekleed, en als iederen avond, knielde zij neer voor
+ haar bed.
+
+ _En opeens doorstroomde haar moed, moed om het aan God te vragen,
+ haar liefde, schoon zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zoo
+ innig liefhad; haar_ te vergeven, _zoo ze kwaad deed;_ en het haar
+ kind niet aan te rekenen--om Jezus' wil.
+
+Wat zegt ge wel hiervan?! Wat mij betreft: ik herinnerde mij plotseling
+Vondel's _Jozef in Dothan_: als de broeders Jozef in den put gesloten
+hebben, zingen de engelen voor hem en hen onhoorbaar:
+
+ Het lust ons om dees duisternissen
+ Des puts, al 't hemelsch licht te missen:
+ Want zulke duisternissen zijn
+ Ons schoener dan de zonneschijn.
+ Wij willen hier een hemel stichten,
+ Verzien met aengenamer lichten
+ Dan aen het blaeuw gewelfsel staen....
+
+Want, ook hier heb ik weer in de donkere diepte van _Geertjes_ leven de
+engelen hooren zingen, en uw gehoor, vrienden, zou al zeer vergroofd
+moeten zijn, zoo ge hun stem en ruischenden vleugelslag niet hoordet
+althans in dit: (Het is in Oom's huis. Nacht. _Geertje_ ligt te bed).
+
+ Zij voelde de tinteling van een verlangen om met haar hand te
+ strijken over haar buik, om te tasten of zij iets leven gewaar
+ werd, om hem maar heel zacht te streelen. Maar zij bleef
+ bewegingloos, [p.344] wijd de oogleden open, wetende _dat haar
+ oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van den nacht._[11]
+
+ Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en
+ met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar
+ kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls
+ wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken
+ door het kraken van 't ledikant of dat zij den volgenden morgen
+ niet tijdig zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat
+ lekker vrij liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je
+ merkte niet, hoe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met
+ open oog in 't zwart zat te staren.... _En nu lag zij hier saam met
+ haar kind! In haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde
+ daar met haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn_--_altijd met
+ het liefste dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij
+ was immers kindjes' wieg. Daar had ze nooit nog aan gedacht_. Ze
+ had er maar op los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en
+ gewreven, zonder een enkele maal te bedenken, dat die beweging hem
+ misschien pijn dee. Nu, voortaan zou ze anders leven! Tante moest
+ het werk maar doen....
+
+En ziet ge wel, hoe nu de een, na de ander, de poorten van _Geertjes_
+innerlijk worden ontsloten en hoe hier overal natuurlijk-schoons en
+-kostbaars ontluikt. Is het wonder, dat _zij_ in _dien_ geestlijken
+toestand levend nog altijd in haar afgod een god blijft zien. Bij haar
+ellendige oom en tante in huis zwerft zij telkens de straat op, om Jan
+te zoeken, eindelijk treft zij hem. En het volgend gesprek ontspint
+zich:
+
+ --Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.
+
+ --Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde
+ schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.
+
+ Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had,
+ zich verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de
+ linker vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en
+ toch, telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze
+ nieuwe dingen te zeggen--_want hij zweeg, keek haar aan en zweeg,
+ keek met oogen die ook niets zeiden_.
+
+ --Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.
+
+ --Ik?... Hoedat?... vroeg hij traag, bijna stuursch.
+
+In de door mij gecursiveerde woorden komt uit dat Heins _afwacht_, wat
+_Geertje_ hem doen, zeggen kan. Ook weet hij, [p.345] dat hij haar
+hiermee uitput en ten derde wil hij haar, als in 'n vergetelheid van
+heel het verleden, laten voelen, dat het is _afgedaan_, dat hij
+feitelijk niets meer met haar te maken heeft.
+
+ Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.
+
+ --Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je
+ martel me zoo! Spreek nou te minste. Zeg hoe of wat...!
+
+ --Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn
+ tegegekomme....
+
+ Zij wist al. Toch zei ze:
+
+ --Je zou me schrijven.
+
+ --_Ik jou schrijve?_... aarzelde hij. Toen opeens rad:--_Ja! A'k
+ gekund had. Maar na wat je Oom me gebakke heit_.
+
+Bij de eerste door mij gecursiveerde woorden, weet Heins er nog geen
+verontschuldiging voor te vinden, dat hij zijn belofte haar te
+schrijven, niet gehouden heeft. Dus zal hij maar net doen, of hij zich
+van die belofte niets meer herinnert. Maar daarna valt hem een
+uitstekend voorwendsel in, waarvan hij gauw gebruik gaat maken. De
+dialoog is hier _prachtig_!
+
+ --Oom?... Wat he't die?
+
+ Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.
+
+ _Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van:
+ maak me niets wijs_.
+
+Hij voelt dat hij nu gewonnen spel heeft, dat hij met dat voorwendsel
+een prachtige vondst heeft gedaan!
+
+ --He't ie jou daar niks van verteld?
+
+ --'k Zweer je ... angstigde ze hem tegemoet.
+
+ Doch ze bedacht: och meent ie dat? denkend aan de ruzie, die oom
+ gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. _En deze gedachte
+ verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:_
+
+ --Zie je! Je weet t'er wel van....
+
+ --Meen je, toen Oom me koffer gehaald he't?
+
+ --Je koffer? Wat? Och meid, je klest.
+
+ --Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.
+
+ Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.
+
+ --Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte
+ komme?
+
+ --Jij bij de kommesaris! Waarvoor?
+
+ Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was [p.346]
+ haar blik vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had
+ en die haar gezegde van "de'n eenigsten weg."
+
+ --_Jok d'r toch niet om_! zei Jan fier.
+ * * * * *
+
+Hoe voortreffelijk is dit alles: in de eerste door mij gecursiveerde
+woorden komt uit, hoe een reine persoonlijkheid als die van Geertje,
+zich-zelf niet betrappen kan op een zelfs onbewust-geuite onwaarheid of
+zij wordt er verlegen om en verliest haar zekerheid; in de laatste door
+mij gecursiveerde woorden: hoe een doortrapt-sluwe misdadiger als Heins
+van dit aandoenlijke schuldbewustzijn gebruik maakt, om, zichzelf met
+het _mom_ der schuldelooze deugd bekleedend, de schuld-gevoelende, reine
+persoonlijkheid dieper in verwarring te brengen, te vernederen en te
+intimideeren.
+
+ --'k Jok niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer
+ gehaald he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....
+
+ --Nou dan!
+
+ --Ja maar da's ook al!
+
+ --Maar je wist 'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging
+ volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar me
+ bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou
+ verschijne; de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak
+ heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was!" In me schrik
+ he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)--_Ja, da' was
+ stom. Ik weet et wel_. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En
+ dan ... 'k dacht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me
+ vrouws moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat
+ dacht ik eig'luk ... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in
+ je dienst, sta je daaraan bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben
+ gegaan.... Jawel, of ik Geertje Hendriks kende.
+
+ --_Wist ie me naam_?
+
+ --De vent wist alles!... _Ja, dat dank je nou aan j' Oom! Van je
+ femielje mo' je 't hebbe_.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!... 'K
+ DOCH DADELEK AN DE MOGELEKHEID D A'K JE NOG US ZOU KUNNE TROUWE.
+ M'AR DE WET VERBIEDT 'EN HUWELIJK TUSSE MENSCHE DIE E ... OVERSPEL
+ HEBBE GEPLEEGD. BEKENDE-N-IK, NOU, 'T WAS VOOR EEUWIG NIE'
+ MOOG'LEK. OFFISJEELE BEKENTENIS!... 'k Heb alles geloochend, wat
+ j' Oom gezeid had....
+
+ --En?....
+
+ --[p.347] En niks. Toe kon ik gaan.
+
+ Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in
+ Geertje's brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:
+
+ --M'ar nou begrijp je wel, da'we voorloopig niks motte beginne.
+ _Kan 'k je mit ie's helpe ... mit geld of zoo ...graag netuurlek._
+ DA' WEET JE WEL. MAAR WE MOTTE UIT MEKAARS BUURT BLIJVE. JUIST
+ VOOR LATER. OM NIKS TE BEDERVE. Want je begrijp, ze loere nou op
+ me.
+
+ Geertje wist niet meer wat ze had begrepen.
+
+De eerste door mij gecursiveerde woorden: van _Heins_ z'n standpunt was
+dat juist een slimme zet. _Geertje_ heeft voor hem afgedaan. En het
+beste wat hij nu doen kon, was bij z'n vrouw en schoonmoeder zoete
+broodjes te bakken, door ze "openhartig" alles te vertellen, enz. enz.
+Maar _Geertje_ moet hij 't doen voorkomen, alsof hij aan _haar_ zijde en
+_tegenover_ zijn vrouw staat. Vandaar dat hij zegt 't 'n stommiteit van
+zich-zelf te vinden.--In de door mij gecursiveerde woorden van Geertje,
+ziet ge 't arme schepsel in haar volle naiveteit en schaamtevolle
+bedeesdheid: hoe vreeselijk, dat die commissaris haar naam weet!! En de
+ander grijpt nu onmiddellijk--in het daarop volgende kursieve--slim de
+gelegenheid aan, om op Geertjes oom de schuld van hun elkaar niet kunnen
+zien te schuiven en tusschen dien en haar te stoken. Maar pas daarna in
+de door mij gespatieerd [hier in hoofdletters, M.D.] gedrukte zinnen
+verschijnt hij in z'n volle gewetenlooze sluwheid. De geheele door mij
+geciteerde dialoog is schitterend, maar hierin is hij _allerprachtigst_
+getypeerd. Van het daaropvolgende, door mij gecursiveerde, meent hij
+natuurlijk niets; ten eerste rekent hij er op, dat _Geertje_ nu te
+verlegen is iets van hem te vragen en als ze 't later mocht doen per
+brief, welnu, dan antwoordt hij niet! Even later trouwens, als ze hem
+vraagt of hij haar niet wil schrijven, zegt hij, dat hij dat niet kan
+doen: "Oom kent ommers m'n handschrift!!" In de _laatste_ door mij
+gespatieerd [hoofdletters, M.D.] gedrukte woorden buit hij verder zijn
+vondst van het "gevaar" eener "offisjeele bekentenis" uit!
+
+Als _Geertje_ nu, troosteloos, van hem heen gaat, komt wel [p.348]
+twijfel in haar op, maar ze slaagt er toch altijd weer in, dien weg te
+redeneeren en als haar edele oom, na eerst _Heins_ voor den "commesaris"
+te hebben gedaagd en 'n spiegelruit in z'n winkel te hebben
+stukgeslagen, ten slotte bij hem in dienst treedt en zelfs--hij de oom
+van de gedupeerde!--er op staat dat Geertje Heins "met rust zal late,"
+dan denkt _Geertje_, over die laagheid van oom maar heenglijdend, dat
+_Heins hem werk geeft, om zoodoende voor haar en hun nog ongeboren kind,
+"zijn Ismael" te zorgen!_... Een ziel als die van _Geertje_ doet, om zoo
+te zeggen, alles in 't groot, haar is het vermogen en de geaardheid der
+innige geloovigen: alles wat God doet is ten goede, en zoo: alles wat de
+man doet, in wien zij gelooft, dien zij liefheeft, is: om goed te doen,
+is ten goede.--Nadat _Geertje_ doodziek is geweest en helle-angsten
+heeft uitgestaan, omdat ze meende, dat de vrucht in haar lichaam is
+gestorven en God dit als vreeselijkste straf, die een aanstaande moeder
+kan treffen, over haar had beschikt, gebeurt er iets, dat haar
+onvermijdelijk Oom's huis uitdrijft. Zooals ik in mijn eerste artikel
+zei: indien wij _Geertje_ in het leven ontmoet hadden, wij zouden niet
+alleen het flauwste begrip van haar adeldom missen, maar haar zelfs voor
+een heel gewone "gemeene meid" houden. Maar zeer zeker is het te
+verklaren, dat de platzinnelijke _Gerrit Holkers_ haar daarvoor houdt.
+Hij wil haar geweld aandoen en nadat Tante haar broer hoonend en
+treiterend tegen _Geertje_ heeft verdedigd, loopt deze 't huis uit en
+vlucht naar _Maandag_.
+
+ * * * * *
+
+Niet onverdeeld is door de critiek deze _Maandag_ als mensch-schepping
+gunstig beoordeeld. Laat mij daarom onmiddellijk zeggen: _ik ben het met
+de afkeurende meeningen niet eens_: Deze figuur is die van een
+_uitzonderingsmensch_. Zij is dus: romantisch, maar zij is
+_goed_-romantisch, omdat zij op een enkel vlekje na--waarover ik later
+spreken zal--naturalistisch-zuiver gebeeld is. _Maandag_ is een
+uitzonderingsfiguur, omdat hij daden doet van zoo edele natuur, dat
+[p.349] een gewoon mensch ze zekerlijk niet zou doen, en hij is
+naturalistisch zuiver geheeld, omdat niet alleen het geheel zijner
+psyche van dien aard is, dat dergelijke daden er noodzakelijkerwijze uit
+moeten voortvloeien, maar ook zijn levensomstandigheden daartoe het
+hunne bijdragen. _Maandag_ is een kind uit een erfelijk belast gezin:
+'n paar van z'n broers zijn jong gestorven; hij is 'n bultenaar; zijn
+zuster, met wie hij samenwoont, een publieke vrouw, die telkens met 'n
+ander er van door gaat en hem dan de verpleging harer twee jonge
+bloedjes van kinderen overlaat. Zulke omstandigheden _kunnen_ iemand in
+alle opzichten tijdelijk ten gronde richten. Woede tegen het door hem
+onbegrepen Noodlot kan hem tot een ontkenner van alle bestaan in rein
+geluk, van het nut en de schoonheid der deugd, van alle menschelijke
+onbaatzuchtigheid en goedheid maken. Dat _kan_, zeer zeker, maar slechts
+in het geval, dat zulk een persoonlijkheid nog niet die ontwikkeling
+heeft bereikt, welke voor goed een zedelijk en geestelijk te gronde
+richten door levensomstandigheden buitensluit. Heeft hij die wel
+bereikt, dan werken juist ook zulke omstandigheden veredelend op hem. En
+dit zal ook wel de zin zijn van het woord: "Hij die heeft, dien zal
+gegeven worden, maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden zelfs
+hetgeen hij heeft." Men herinnere zich slechts wat ik in mijn vorig
+artikel bij de ontleding van Jan Niekerk's persoonlijkheid heb gezegd:
+dat alles hem hindert en niets hem tot nut is, en merke dan op, dat dit
+in tegengestelden zin voor _Maandag_ waar is. _Doordat_ Maandag zoo
+_ongelukkig_ is, krijgt hij des te spoediger en dieper medelijden met
+andere ongelukkigen, maar _geen_ haat tegen het "Noodlot" of het
+"leven." Hij weet nu eenmaal, dat het feestelijk luchterlicht der
+gelukkigen niet voor hem is, maar welaan, als de toch ook guldene schijn
+van de knetterende olielamp der nederigen zijn bleeke hoofd en zachte
+oogen komt bestreelen, zou hij dan niet dankbaar opzien en zijn oogen
+laten drinken van dien glans? Er zijn veel menschen, die groote plichten
+misvormen tot kleine, om ze des te gemakkelijker te
+kunnen--verwaarloozen. Hij [p.350] is een van de weinigen, die kleine
+plichten tot groote maakt, om maar van zijner liefde overvloed te kunnen
+geven! Zoo gij u over de edele daden van zulk een man verwondert,
+verwonder u ook erover, dat een zwangere baart, dat koren in halmen
+opschiet en kunstenaars kunstwerken scheppen. Maar beter is het, dat gij
+dit alles niet doet en uw leven besteedt aan het opvoeden van u-zelf.
+Misschien komt er dan een tijd, dat gij u over zulk een man niet meer
+verbaast, omdat gij hem terugvindt in--u-zelf!
+
+
+ * * * * *
+
+
+JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE" [p.351]
+
+V.
+
+
+Terwijl ik mij nu gereed maak, dit laatste _Geertje_-artikel te
+schrijven, weet ik mij weer vol van weifelend dralen. Want er zijn
+boeken, die ons zijn als een huis vol van herinneringen, vol van ons
+zelf. En zoo voel ook ik mij nu als iemand, die een hem lang vertrouwd
+en lief geworden huis verlaten gaat. Dat, wat het zijne is, maar toch
+ook--en hoe diep voelt hij dit!--van het huis, waarin het zoo lang zijn
+mijmerend leven leefde, waarmee het een was geworden, is nu bijeen
+gehaald uit alle kamers en hoeken, en tot den uittocht bereid. Hij-zelf
+staat vol weemoed stil: zoo als het licht door die ramen viel en tot
+iets eigens in zijn tintenschakeeringen en schaduwverdonkeringen, van
+het oude huis en van hem werd, zal hij 't nooit meer zien; het leven,
+wat hij hier heeft doorleefd, is voor goed voorbij.... Schimmen van
+menschen en verre herluidingen als echo's van lang verklonken geween en
+gelach verbergen zich nu in dit huis voor eeuwig en voor goed in
+vergetelheid, voor de vreemde komt.... Ze herklonken en leefden nog in
+een heel teer leven en onwezenlijk schemerbestaan, zoolang hij hier was,
+om ze te zien en te hooren. Zij herleefden op zijn zwijgend en
+nauw-bewust-willend gebod.... De vreemde, die na hem komt, zal hen niet
+hooren en zien.... Het mooie huis, het zal ook om dien staan, en diens
+leven zal erin lachen en weenen.... Van het verstorven gelach en geween
+zal hij niets voelen.... En de heengaande [p.352] man voelt zich
+onrustig en gejaagd: zou hij niets van het zijne hebben vergeten? Maar
+plots glimlacht hij weemoedig en knikt, in begrijpen, tot zich-zelf:
+ach, niet de _twijfel_, of hij iets van het zijne heeft _vergeten_,
+maakt hem zoo onrustig, maar de _zekerheid_, dat hij _moet_ achterlaten,
+wat hij _nooit vergeten_ zal, die maakt hem onrustig!... Want er zijn
+dingen, die men niet meenemen kan....
+
+"Maar welaan, laat mij sterk zijn," denkt de heengaande man, "is het
+niet schoon, dat menschenwerk langer duurt dan menschenleven, en een
+ander ervan zal genieten...."
+
+En welaan, mijn werk moet nu toch spoedig gedaan zijn, denk ik ... is
+het niet schoon, dat zoovele anderen nog zullen leven en voelen met, in
+dit boek, ieder op eigen wijs; dat het weer-klinken zal hun gelach en
+hun weenen, dat zij het bezit van hun ziel en de have van hun geest er
+in zullen bergen, ja vermeerderen en wijzigen, al naar de schoonheid van
+dit monumentale bouwwerk, van hun gevoel voor harmonie, van hun smaak en
+fijn gevoel zal vorderen?... Al weet ook ik, dat wat ik nu achterlaat
+van mij, gedoemd is, in vergetelheid te gaan.... Wat van mij saamgeweven
+is met de stemming van het boek, wat er niet van los te maken is, en in
+woorden geborgen, naar buiten te brengen; wat ik _te_
+subtiel-individueel heb doorvoeld; wat ik _niet_ heb _kunnen_ zeggen en
+wat ik niet _goed_ heb kunnen zeggen, dat alles blijft achter in
+vergetelheid.... Laat mij nu nog beproeven, het zoo weinig mogelijk te
+doen zijn.
+
+ * * * * *
+
+Ik zal nu ik spreken ga van het leven van _Geertje_ in Maandag's huis,
+natuurlijk veel onbesproken moeten laten. Daartoe behoort o.a. de
+voortreffelijke uitbeelding van Buurvrouw Tabbe, die altijd, bij
+afwezigheid van zijn zuster, _Maandag's_ huishouden bereddert. Die
+uitstekende instantanee'tjes van het kinderlijk-goedhartige, van het
+naief stuursche en heel dat klein-burgerlijk gedoente, mogen voor jelui
+bewaard blijven tot de lezing van het boek-zelf. Ik zal mij hier bepalen
+[p.353] tot het essentieelst-karakteristieke der hoofdfiguren. _Geertje_
+heeft haar grootvader geschreven en nu, tengevolge van dien brief, komt
+hij bij haar, in _Maandag's_ huis:
+
+ --Groo'va!...
+
+ Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar
+ buurvrouw den vorigen dag met een--"Nou, ejuus dan," hoonend op
+ haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje
+ zag de lange, smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder
+ zijn doorborenden strafblik sloeg zij de oogen neer, de lach kroop
+ weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon,
+ tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten
+ had aangedaan, die er nog hing van Maandag's zuster. Schielijk de
+ linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij
+ met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en
+ _de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de
+ zwangere buik, als om weg te strijken._
+
+Dit laatste door mij gecursiveerde is een _zeer fijne opmerking_
+van den schrijver. Wij moeten namelijk begrijpen, dat
+dit den grootvader zelf niet alleen een beweging van schaamte
+toeschijnt, maar _Geertje-zelf_ hier voelt, dat die handbeweging
+haar grootvader en oom zal doen denken, dat zij zich schaamt
+voor haar zwangerschap; en dit kwetst haar fierheid. Zij
+immers, zooals we weten, schaamt zich daarvoor niet, omdat
+ze zich, in het diepst van haar wezen, schuldeloos voelt.
+
+ --Ben je alleen? bitste de vermaanstem.
+
+ --Ja Groo'va.
+
+ --_Het tocht hier_.
+
+Dit kurk-droge en als versteend-ordelijke aan-kleinigheden-denken, op
+dit oogenblik, karakteriseert weer den grootvader uitstekend!
+
+ Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging
+ zij sluiten.
+
+ --Gaat u niet zitten? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid.
+ In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich toch
+ onthutst-doen.
+
+ --_Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?_
+
+Hier komt weer het hoogst ergerlijke in zulk een dogmatisch-verstrakte,
+door eigen bravigheids-bewustzijn hoogmoedige en gevoellooze voor den
+dag: _Hij_ mag zoo weinig ontroerd [p.354] zijn door den aanblik van z'n
+mishandelde en vertrapte kleindochter; _hij_ mag zoo weinig fijn gevoel
+bezitten, zoo weinig onbewusten eerbied hebben voor het leed en voor dat
+hooge oogenblik van elkander weerzien, dat zijn eerste woord een
+bevelhebberige verklaring kan zijn, dat "het tocht!"--_Zij_ daarentegen
+moet zoo eerbied-geslagen door zijn tegenwoordigheid zijn, dat ze zelfs
+het benul niet behoort te hebben hem een stoel aan te bieden!! Hoogmoed
+en Trots, wel te onderscheiden van Ziele-hoogheid en Gevoel-van-
+eigenwaarde, worden altijd door Dwaasheid begeleid, opdat naar den wil der
+zachtmoedige en onophoudelijk-onderwijzende Natuur, deze beide plechtig-
+voortstappende, geharnaste ridders, meenend een helm te torsen, een
+zotskap dragen, gelijk Sancho Panza zijn scheerbekken, en aldus een
+schouwspel van weerzinwekkende en waarschuwende belachelijkheid zullen
+zijn....
+
+ Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die
+ hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met
+ zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom.
+
+ --Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem,
+ koel, strak.
+
+ -- Heb je Groo'va vergeving gevraagd?
+
+ Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!...
+
+ Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:
+
+ --Heb u al om vergeving gevraagd?
+
+ --Ik? Ik heb me niet laten onteere!
+
+ --Nee, u heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd!
+ Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou
+ gebruike....
+
+ Groo'va, die zich juist omgewend en de hand op een stoelleuning
+ gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:
+
+ --Stilte!
+
+ Juist als vroeger op school.
+
+ --Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel
+ vinden.
+
+ Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va:
+
+ --Ga daar zitten.
+
+ Het was haar stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving
+ Groo'va in Maandag z'en woning. Hij deed net als thuis tegen stoute
+ jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De
+ meester, de berispende meester--anders was hij niet voor haar.
+
+[p.355] Men zal de uitbeeldingskunst van dit geheele stuk moeilijk te
+zeer kunnen prijzen. Het schoolmeesterlijke gedoe van Groo'va, Oom's
+vleierige kruiperigheid,het staat er alles voortreffelijkin. Maar vooral
+opmerkelijk is Geer's koel, strak, snibbig en hard worden. Het lijkt mij
+gewenscht hier even van de eigenlijke oorzaak daarvan te spreken: omdat
+zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid goddelijk, d.i. schoon en goed
+zijn, wordt een mensch bij hun aanblik ontroerd en heeft hen
+onmiddellijk lief. Beproevend hen na te volgen om zelf schoon en goed te
+zijn, wendt hij zich tot hen en hoort, met een gelukkig gevoel in het
+hart en heerlijke overgave, aan, wat zij hem te zeggen hebben. Maar
+omdat hardheid en barschheid en wrok leelijk en gering-menschelijk zijn,
+wordt een mensch bij hun aanblik onmiddellijk afkeerig van hen en zegt
+meer of minder bewust in zichzelf: wat kunnen dezen, die zelf
+klaarblijkelijk nog niets geleerd hebben, mij leeren? En _welk recht_
+hebben zij, mij te leeren? Dan keert hij zich van hen af en sluit in
+zich-zelf zich op. In den grond is het dus dezelfde oorzaak, die de
+menschen een eerlijk man, als hij over eerlijkheid spreekt, aandachtig
+doet aanhooren, maar hen een dief, als hij 't zelfde beproeft, doet
+hoonen en nog dieper verachten.
+
+ Onverschillig schokte ze neer op den stoel en bleef, den rug naar
+ het raam, den linkerarm zwaar over den hoek van de tafel, den
+ rechter slap op den schoot, voorover gebogen zitten staroogen met
+ botte dofheid.
+
+ Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar.
+ Geduld had Groo'va niet kunnen leeren in al die jaren van jongens
+ bebrommen.
+
+ --Ik wacht, op wat je te zeggen hebt, Geertje!
+
+ Driftig met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de
+ lippen.--_Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va, net
+ iemand, die de soep te zout vindt_.
+
+Dit door mij gecursiveerde zinnetje is uitstekend. In een loome
+onverschilligheid, voor alles wat die dorre, niet-gevoelende, niet
+begrijpende oude haar verder zeggen zal, is _Geertje_ nu tot een
+toestand van koel-nuchter, minachtend-scherp observeeren gekomen. Een
+gewoon en algemeen verschijnsel: terwijl overgroote eerbied het
+waarnemingsververmogen [p.356] van den eerbiedige ten opzichte van den
+geeerbiedigde verzwakt of krachteloos maakt--men ziet dit bijvoorbeeld
+aan hen, die zoo eerbiedig tegenover de tradities onzer maatschappij
+staan, dat zij zelfs haar ten hemel schreiende misdaden niet zien--wordt
+bij afwezigheid van eerbied het waarnemingsvermogen zeer actief. In het
+bijzijn van een als-meerdere-erkende, _verdoft_ het waarnemingsvermogen
+vaak--en men ziet de weerspiegeling hiervan ook meestal onmiddellijk in
+het _doffer, gevoileerd_-worden van den blik!--in het bijzijn
+daarentegen van den als-mindere-geschatte, _verscherpt_ het
+waarnemingsvermogen niet alleen, maar wordt de geheele geest als in een
+vrij-wording en ontslaking verlevendigd. (Vandaar dan spot, scherts,
+enz.). Het omgaan met geestelijk-voornameren heeft zeer zeker veel nut,
+omdat 't het streven naar het goede, wat men _niet_ bezit, wakker maakt,
+maar het omgaan met geestelijk-geringeren en -gelijken heeft niet minder
+nut, omdat men in dien vrijeren omgang _zelf_ zich ontwikkelt, en
+ontplooit wat men _wel_ bezit.
+
+ --Zul je nu spreken!? Hoog was hij voor haar.
+
+ Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik,
+ als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:
+
+ --Ik heb et u ommers al geschreven.
+
+ --Geschreven!?... Je brief was een weefsel van leugens. Bedrogen
+ heb je me, en al zoo lang! Mij en oom, zelfs Groo'moe nog! Als die
+ dit had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en
+ leugen. En dat een kind van zooveel gebed. Ongelukkige! hebben wij
+ dat aan je verdiend!? Het loon voor zooveel zorg en liefde. _Ons
+ kind onteerd op de schandelijkste wijs, in een zonde die God het
+ zwaarste straft_. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar
+ jij bent behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je
+ ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, maar je was geen kind
+ meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan
+ je vergrepen, maar....
+
+ --_Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten
+ eeuwigen dage, zal ik fan 'em houe, die man_!...
+
+Het zou van een ontzaglijk gebrek aan inzicht getuigen, het
+_subjectieve_ recht van den grootvader te ontkennen, om te spreken als
+hij doet, van zijn standpunt, met zijn gebrek aan [p.357]
+doorvoelingsvermogen, in zijn onwetendheid, maar van een minstens even
+groot gebrek aan inzicht zouden wij blijk geven, indien we en dat
+standpunt, en dat gemis van doorvoelingsvermogen en die onwetendheid
+niet scherp zouden laken, _in iemand, die zoo hoogmoedig als rechter
+optreedt_. Ware hij niet geheel verkerkelijkt, verdogmatiseerd, de door
+mij gecursiveerde zin van Geertje, die uitbarsting van haar innigste en
+hoogste voelen zou hem tot inkeer gebracht en hem de oogen geopend
+hebben. Hij zou ingezien hebben, dat tegenover zooveel zielssterkte en
+zooveel zielsadeldom, wel het beste wat _hem_ paste, ware: te zwijgen,
+liefdevol te helpen, en aan den Hoogsten Rechter, in Wien hij immers
+gelooft, het oordeel en vonnis over te laten. Hadde hij al zijn teksten
+op dat oogenblik vergeten en zich slechts deze uit _Job_ herinnerd: "Leg
+uw hand op den mond, want God is in den hemel en gij op aarde, laten
+daarom uw woorden weinige zijn," het ware hem beter geweest! Zie ik hier
+_Geertje_ en haar grootvader tegenover elkaar staan, hoe herinner ik mij
+het woord der Joodsche Wijzen--ja ik ben zeer hebreeuwsch van
+avond!--"Er zijn _nieuwe_ kruiken, waarin _oude_ wijn is, en _oude_
+kruiken, waarin zelfs geen _nieuwe_ wijn is."--In die uiting van
+_Geertje_--ik kan er niet vaak genoeg uw aandacht op vestigen--vindt ge
+opnieuw de bevestiging van wat ik zei, _den sleutel tot het begrijpen
+van dit boek_: Geertje is _geen_ "verleid dienstmeisje," maar: een
+heldin der liefde, een van die _zeldzame menschen, die de zeer groote
+liefde kunnen voelen, en die door alle wisselingen van lot en jaren, die
+liefde trouw blijven,_ Wie die eigenschap bezit, _al bezit hij geen
+enkele andere van even hooge ontwikkeling_, behoort reeds _daardoor_ tot
+de _psychisch-heel-grooten_.--Laten we het verder verloop van het
+onderhoud overslaan, hoe uitstekend, hoe vol van dramatische spanning
+dit ook moge zijn. Het mooiste laat ik onaangehaald, dat moet voor u
+bewaard blijven in het boek. Zoo verhaal ik u ook niet, waarom Geertje
+niet met haar grootvader meegaat, die immers gekomen is, om haar te
+halen, en waarom zij, zich in afgrijzen van hem afwendend, bij Maandag
+achterblijft. Slechts wil ik even het zinnetje aanhalen, waarin de
+[p.358] schrijver vertelt, hoe de grootvader heengaat van Geertje, en
+Maandag, den bultenaar, die hem den uitgang verspert en hem smeekt
+Geertje niet zoo te verlaten, op zij duwt:
+
+ _Des_ langen ouden groote hand beroerde den schouder _des_
+ bultenaars, en zij opende met vastheid de deur.
+
+De ongewone harkerige deftigheid en statigheid van deze constructie met
+zijn "dessen" valt op, nietwaar? Wilt gij weten waarom zij hier zoo
+uitmuntend is? Herinner u dan wat ik schreef bij mijne behandeling van
+_De Familie Kegge._[12] Ik noemde daar het stukje, waarin Kegge's
+smartvoelen, zoo uitmuntend, omdat: "_de eigenschappen van Kegge's
+smartvoelen de afbeeldende woorden en zinsbouw (hebben) doordrongen,
+gedrenkt, en daarmee een zijn geworden."_ Welnu, iets dergelijks is ook
+hier het geval: het harkerig-stijve, het onvermurwbaar-harde der manier
+van doen van den grootvader heeft ook hier de afbeeldende woorden
+doordrongen en verhard. Ge _voelt_ en _hoort_ en _ziet_ daardoor alles
+onmiddellijk, terwijl, indien er een _andere_ zin stond, die u nochtans
+_hetzelfde_ zou _mededeelen_, ge er slechts een _verstandelijk begrip_
+van zoudt krijgen!--Maandag, bij wien zij dus achterblijft, dien naar
+het lichaam zoo wanstaltige en naar de ziel zoo rechtgeschapene--hoe
+aandoenlijk is zijn hulpvaardigheid, hoe aandoenlijk zijn verzwegen
+liefde voor haar. Een oogenblik, een oogenblik denkt hij, dat zij
+wellicht in de toekomst een troost en een licht in z'n arme leven zal
+kunnen zijn. Maar eens vraagt hij haar:
+
+ --Keu-je-n-um m'ar nie' fergaite?!
+
+ --Vergete!?!
+
+ Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nog dieper weg,
+ maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het
+ and're gevoel gaat.
+
+Dat wat dieper in hem wegzinkt, ge begrijpt het, is zijn liefde. Hij
+voelt, dat zij nooit iets voor hem kan zijn. Maar hij heeft dien trek
+van alle hoogere, edele naturen, dat al veroorzaakt [p.359] hun het
+goede en schoone zelf teleurstelling, hun bewonderingsvermogen voor dat
+schoone en goede daardoor niet wordt geschaad. Vandaar, in zijn leed,
+zijn geestdrift voor de prachtige liefde en persoonlijkheid van
+Geertje!--
+
+Bij het verhaal van Maandag's bezorgdheid over haar; zijn
+niet-kunnen-begrijpen, dat Geertje zoo opgeruimd is, en hem met zoo'n
+weldoende gezelligheid kan omringen; zijn angst dat zij dit alles maar
+voorwendt, om er een noodlottig plan achter te verbergen, geeft de
+auteur van die opgeruimdheid deze _prachtige_ psychologische
+verklaring--te mooi, om er niet nadrukkelijk uw aandacht op te vestigen:
+(De woorden waar het op aankomt, cursiveer ik.)
+
+ Nu Geer er was, hoefde hij den sleutel niet bij buurvrouw te
+ brengen, wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had z'n woning
+ deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis.
+ Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinderen ontbrak het
+ niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week
+ welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed
+ als een rouw, die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder
+ de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat
+ hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan
+ zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En
+ op haar vraag:--"Wil u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:--"Ik
+ kom."
+
+ Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer
+ aangegrepen door een vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar
+ _dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven
+ elders verliep_--en haar doen van den ganschen avond bleef hem een
+ raadsel, zoet ... maar angstig....
+
+Ge begrijpt dat dit "elders" is: bij Heins, bij den man, dien zij voor
+altijd liefheeft!--En nu datgene, wat ik, in het vorig hoofdstuk, een
+fout noemde in de beelding der Maandag-figuur: het is onverklaarbaar,
+althans mij is het niet gegeven geweest er een aannemelijke verklaring
+voor te vinden, dat een man van zulk een noblesse, Geertje niet bij
+tijds voor Heins waarschuwt, waarvoor hij ampel gelegenheid had.
+Onbekendheid met de "moreele principes" van dat heer kan het niet
+geweest zijn, schuchterheid evenmin; z'n verhaal o.a. dien avond, ten
+huize van Heins, van die voorname mevrouw, [p.360] die haar man heeft
+laten zitten en met een ander er van door is, bewijst het tegendeel. En
+dus blijft _mij_ niet anders over dan het een fout te achten, een
+barstje in de gaafheid van het' overigens zuivere beeld.
+
+ * * * * *
+
+Hiermede is voltooid mijn behandeling van dit boek dat, als van zelf
+ontstaan symbool van vertroosting, met de verheerlijking van het
+socialisme en zijn strijders eindigt--een waardig einde....
+
+
+
+NOTEN:
+
+[1] Blz. 224.
+
+[2 = een klein onvolgroeid wezen.--Herinner ik mij wel, dan noemt deze
+groote Fransche romancier in zijn _Pecheurs d'Islande_, 'n jongen
+ambtenaar, die uit gebrek aan fijn doorvoelen, op ruwe wijze een oud
+vrouwtje 'n verschrikkelijke tijding mededeelt] "un petit etre
+incomplet."
+
+[3] Waardoor een kunstenaar die macht heeft: zie daarover mijn opstel:
+_Over literaire kunst en Is. Querido's Studien_, of, in dezen bundel:
+Het Hist.-Materialisrne in de Lit. Critiek.
+
+[4] Alle cursiveering is van mij.
+
+[5] Cursiveering van dit woord: door den schrijver.
+
+[6] Cursiveering van den auteur.
+
+[7] Cursiveering van den auteur.
+
+[8] Cursiveering van den schrijver.
+
+[9] Dit laatste: het _schijnbare_ verdringen door _veredeling_, ziet men
+bijv. in die groote figuren, welke zich niet meer kunnen hechten aan
+personen, omdat: hun _menschen_liefde _gegroeid_ en _veredeld is_ tot
+_menschheids_liefde.
+
+De menschenliefde is dus in hen niet verdrongen en verlaagd, maar leeft
+integendeel gegroeid en veredeld in hen voort! Precies zooals het
+_kind_, dat wij vroeger waren, _gegroeid_ en, laten wij hopen,
+_veredeld_ is tot den _volwassen mensch_, die wij nu zijn.
+
+[10] Dat artikel is in dezen bundel niet opgenomen.
+
+[11] Alle cursiveeringen zijn van mij, tenzij het tegendeel wordt
+gezegd.
+
+[12] Niet in dezen bundel opgenomen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+INHOUD
+
+I. CRITISCH.
+
+BRIEVEN OVER LITERATUUR.
+
+ I. Frans Coenen, _Dickens en de Romantiek_
+ G.K. Chesterton, _Charles Dickens_
+ G.K. Chesterton, _Appreciations and criticisms of the Works of Charles Dickens_
+ Dickens in de Hollandsche en Engelsche Maandschriften van Februari 1912
+
+ II. Adriaan van Oordt, _Nagelaten Werk_
+ C. en M. Scharten-Antink, _De Vreemde Heerschers_
+ L. Couperus, _Antiek Toerisme_
+ Couperus in _Groot-Nederland_ van Maart 1912
+
+III. Jeanne Reyneke van Stuwe, _Naar het levend Model_,
+ _De kinderen van Huize ter Aar_
+ Anna van Gogh-Kaulbach, _Voor twee Levens_
+ AE.W. Timmerman, _Leo en Gerda_
+
+ IV. Dr. Nahum Slousch, _La Poesie lyrique Hebraique contemporaine_
+ Dr. Gustave Karpeles, _Heine-Reliquien _
+ Josef Cohen
+ Van Collem
+ J.I. de Haan
+ S. Bonn, _Een Bonte vlucht van verzen_
+ Is. Querido, _De Jordaan_
+ Else Jerusalem, _Het Roode Huis_, vertaald door Mevr.
+ S.J. Barentz-Schoenberg
+ L. Simons, _Studies en Lezingen_
+ Vertalingen, behoorend bij "Brieven over Literatuur"
+
+
+HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK
+
+ I. Mevr. Henriette Roland Holst, Studies over Socialistische
+ Aesthetica; H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van
+ '80 in Holland
+
+ II. Mevr. Holst's Rousseau (Literair-critisch beschouwd)
+
+III. Mevr. Holst's Rousseau. (Beschouwing der critische
+ en psychologisch-biographische opvattingen)
+
+ IV. Conclusies
+
+ Vertalingen, behoorend bij "Het Historisch-Materialisme in de Lit.
+ Critiek"
+
+
+II. DIDACTISCH.
+
+ I. _Voorwoord_
+ II. _Hoe Literaire kunst gelezen en genoten moet worden_
+III. Over Multatuli en zijn _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_
+ IV. _De Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart_ van Wolff en Deken
+ V. Johan de Meester's _Geertje_
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***
+
+***** This file should be named 17077.txt or 17077.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17077/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/17077.zip b/17077.zip
new file mode 100644
index 0000000..c4401c0
--- /dev/null
+++ b/17077.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..b9d4b2c
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #17077 (https://www.gutenberg.org/ebooks/17077)