diff options
Diffstat (limited to '17077-h/17077-h.htm')
| -rw-r--r-- | 17077-h/17077-h.htm | 13532 |
1 files changed, 13532 insertions, 0 deletions
diff --git a/17077-h/17077-h.htm b/17077-h/17077-h.htm new file mode 100644 index 0000000..8e9bc3b --- /dev/null +++ b/17077-h/17077-h.htm @@ -0,0 +1,13532 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Over Literatuur, by M.H. Van Campen. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- + p { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + h1,h2,h3,h4,h5,h6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; + } + h1,h2 {color: #800000;} + hr { width: 33%; + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; + } + + table {margin-left: auto; margin-right: auto;} + + body{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + background: #FAEBD7; + } + + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;} + .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right; color: #808080;} /* page numbers */ + .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em; + padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em; + float: right; clear: right; margin-top: 1em; + font-size: smaller; background: #eeeeee; border: dashed 1px;} + + .bb {border-bottom: solid 2px;} + .bl {border-left: solid 2px;} + .bt {border-top: solid 2px;} + .br {border-right: solid 2px;} + .bbox {border: solid 2px;} + + .center {text-align: center;} + .smcap {font-variant: small-caps;} + .u {text-decoration: underline;} + .table {text-align: left;} + + .caption {font-weight: bold;} + .spat {letter-spacing: 0.50ex; font-style: normal;} + + .figcenter {margin: auto; text-align: center;} + + .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top: + 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;} + + .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em; + margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;} + + .footnotes {border: dashed 1px;} + .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} + .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} + .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;} + // --> + /* XML end ]]>*/ + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Over literatuur + Critisch en didactisch + +Author: M.H. Van Campen + +Release Date: November 20, 2005 [EBook #17077] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + + +</pre> + + + +<h1>OVER LITERATUUR</h1> + +<h3>CRITISCH EN DIDACTISCH</h3> + +<h4>door</h4> + +<h2>M.H. VAN CAMPEN</h2> + + +<h4>EERSTE BUNDEL</h4> + + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p><a href="#INHOUD">Inhoud</a></p> +<h3>I. CRITISCH</h3> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>BRIEVEN OVER LITERATUUR</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p7" id="p7"></a>[p.7]</span></p> + +<h3>I.</h3> + +<div class="blockquot"><p>Sogar nun aber unter der kleinen Anzahl von Schriftstellern, die +wirklich, ernstlich und zum voraus denken, sind wieder nur äusserst +wenige, welche über <i>die Dinge selbst</i> denken: die übrigen denken +bloss über <i>Bücher</i>, über das von Andern Gesagte. Sie bedürfen +nämlich, um zu denken, der nähern und stärkern Anregung durch +fremde, gegebene Gedanken.... Jene ersteren hingegen werden durch +<i>die Dinge selbst</i> zum Denken angeregt.... Unter ihnen allein sind +Die zu finden, welche bleiben und unsterblich werden.</p> + +<p><i>Schopenhauer</i>.</p> +</div> + + +<p>Gelijk alle menschen, die meenen behept te zijn met neiging tot +zelfmoord (de heer Cornelis Veth had op te nadrukkelijke wijze haar +aanwezigheid in mij aangetoond, dan dat ik hem niet zou geloofd hebben!) +heb ik geruimen tijd met die allerluguberste idée, welke een mensch kan +hebben, rondgeloopen, ja, zat ik zelfs een pooze—ik vermoed in +Werther-houdingen—met dezen Schopenhauer'schen dolk te spelen, vóór ik +hem mij in 't lichaam stootte. Maar nu het gebeurd is en ik niet dood +ben—er zijn geen taaier wezens dan hollandsche literatoren—voel ik een +ontspanning ingetreden, en onder het rustigjes verscheuren mijner +gewaand-laatste beschikkingen, waaronder belangrijke literaire +onthullingen, 'n chronique ... litéraire—haha, dat gaat alweer uw neus +voorbij, m'n waarde lezer!—ben ik toch wel een beetje aan de juistheid +van des heeren Veth's <span class="pagenum"><a name="p8" id="p8"></a>[p.8]</span> observaties gaan twijfelen. Als het eens, +overwoog ik, niet anders dan de verfijnde wreedheid ware, bij een +décadent lettré èn l'art-pour-l'art-man toch van rechtswege behoorend, +welke—afschuwelijk tegendeel van den edelen moed der groote +wetenschapshelden, die met twijfelachtige geneesmiddelen op eigen +lichaam experimenteeren!—mij ertoe gebracht had, de scherpte van dit +wapen op mij-zelf te beproeven, vóór er mijne slachtoffers mee te +kerven?... Maar ik griezelde van zooveel sadistische perversiteit en +—bekeek mij eens in den spiegel. Nee, glimlachte ik met een oprechte +zucht van verlichting, dat kan niet waar zijn, bij zóó'n gezicht!.... +Maar wàt was het dan?... En ik ... Doch de lezer gelieve hier wel te +verstaan, dat ik niet uit louter zelfoverschatting mij hier te +analyseeren zit, integendeel: een algemeen belang van de +allergewichtigste soort, dat der toekomstige geslachten van literatoren, +noopt mij ertoe, want: <i>indien</i> Schopenhauer gelijk heeft—en ik twijfel +daaraan niet!—dan rust op ons allen, letterkundigen van dezen tijd, de +dure plicht, teneinde het meerendeel onzer literaire naneven voor +verhongeren te behoeden, zooveel mogelijk te schrijven, te schrijven, te +schrijven en, voor zoover we 't niet anderen doen, ons zelf te +bepiekeren—want òns geschrijf over boeken, dat is een tè mágere erfenis +... dat zou worden een aftreksel van het aftreksel van thee!...—en de +resultaten daarvan te <i>boekstaven</i>, vóóral! Eéne behoorlijk uitgeplozen +en gepubliceerde zelfmoord-neiging van mij wordt zoodoende voor mijn +letterkundig kleinkind in het jaar 2000 een malsche beafstick; wellicht, +o zalige gedachte, met een half fleschje wijn erbij en een Bockje na. +Terwijl de gróóte schrijvers van dezen tijd, o, dàt ìs niet te zeggen +... voorzeker zullen zij eens in het heerlijke bewustzijn kunnen +sterven, dat aan hun "eêlste deel" zich gedurende onafzienbare jaren +meer duizenden "artiesten" zullen zat eten dan tientallen kannibalische +bourgeois het hadden gedaan, wanneer zij waren geslacht—'t geen in de +jaren '80-'90 menigeen, dunkt mij, graag hadde gewild—en pondsgewijze +waren verkocht. En dus.... ga ik getroost <span class="pagenum"><a name="p9" id="p9"></a>[p.9]</span> verder: Ik vroeg me zelf +af, zou het ook een soort amok-makerige baloorigheid kunnen zijn? En +werkelijk, tenzij de scherpzinnige lezer, na lezing van dit opstel, een +betere oplossing hebbe gevonden, acht ik deze de meest waarschijnlijke. +Want <i>by Jove</i>, ik heb er alle reden toe. Maar hier beginne een nieuwe +paragraaf. Dat is ordelijker.</p> + +<p>De heer Robbers heeft de betreurenswaardige gedachte gehad een +uitstekend artikel in <i>Elzeviers' Maandschrift</i> te schrijven over Frans +Coenen's <i>Charles Dickens en de Romantiek.</i> Betreurenswaardig: want waar +blijf ìk nou, mèt al mijn edelmoedigheid, die me reeds tot in de ziel +verwarmde?! Toen ik namelijk het werkje des heeren Coenen gelezen en +daaruit vernomen had, dat Dickens tot die "klassieken" behoort, "welke +men kent en eert, doch maar weinig leest," toen dacht ik zoo bij me +zelf: kijk nou eens aan, daar zit ik nou met verreweg het meerendeel +mijner moderne mede-literatoren in glorie en rijkdom, onze boeken worden +met wagenvrachten langs de straten gekrooien; elke maand ziet een nieuwe +uitgaaf onzer werken; het volk verafgoodt ons—gelijk het Dickens deed +in zijn tijd—; het dráágt ons, wij leven erùit, wij leven +erméde—gelijk Dickens in zijn tijd—; het rukt onze werken uit de +handen der boekverkoopers en loopt uren ver, om ons te lézen, te +lézen—gelijk bij Dickens in zijn tijd—; daar zit ik nu, onder mijn +medegelukkigen ... laat mìj dien armen klassieke, die bijna niet meer +gelezen wordt—is zoo iemand niet als een rijkaard, die door een hevige +kwaal niet van zijn rijkdom kan genieten?—eens een beetje in de hoogte +werken, zooals ook Coenen, waarlijk met zooveel welwillendheid, heeft +gedaan, èn laat mij 't doen naar aanleiding van dièns werkje. Dan kan ik +ook hem meteen de hulde brengen die hij verdient.... En ziedaar, daar +sla ik <i>Elsevier</i> open, en daar hei je waarachtig dat artikel van +Robbers....</p> + +<p>Maar kòm! Nu verveelt het mij en U verveelde het allang—weg nu met die +verduivelde scherts—sarcasme <i>is</i> verduivelde scherts—en in ernst: de +heer Robbers heeft, in <span class="pagenum"><a name="p10" id="p10"></a>[p.10]</span> zijn waarlijk uitstekend artikel, op zijn +hoffelijke manier, den heer Coenen niet malsch te pakken genomen, 't Is +waar, als Robbers schermt, dan schermt-ie met 'n dopje op z'n floret, +maar wat doet 't ertoe: menigeen is een touche in een arena, midden +duizenden toeschouwers, pijnlijker dan een snijdende, doorborende +degenstoot op een afgelegen plek. En met al de hoogachting voor des +heeren Coenens geacheveerd kunnen, zeg ik hier ronduit, dat het mij niet +ongevallig zou zijn, indien hij tot die "menigeen" behoorde. Ziehier +Robbers eersten stoot:</p> + +<div class="blockquot"><p>Somtijds meent men de beschouwing bij te wonen van een monumentaal +beeldhouwwerk door een liefhebbend verzamelaar van fijn-artistieke +bibelots, ziet men den snuffelaar om het reuzenwerk heensluipen, +loupe in de hand, zijn opgetogenheid over détails, zoowel als zijn +misprijzen—op delikaten schertstoon—van de brute ruwheid der +hakkerij, uitende met overvloedig 'gebruik van nu eens wat nuffig, +dan weer bedrukt, vaak vooral plagerig klinkende +bevestigingswoordjes als: "waarlijk," "heusch," "inderdaad"....</p></div> + +<p>Tweede stoot: (Maar denk aan het dopje!)</p> + +<div class="blockquot"><p>Er zijn pagina's in dit boekje bij de afzonderlijke lectuur waarvan +men zou kunnen meenen, dat de zeer ontwikkelde schrijver het werk +van een ouderen, maar veel minder vergevorderden broer onder handen +genomen had—zoo goedig beschermend of vriendschappelijk bespottend +is daar de toon.</p></div> + +<p>Derde stoot:</p> + +<div class="blockquot"><p>Als bij vele in dit eerste gedeelte van Coenens boekje, met voor +dezen schrijver ongewone stelligheid neergeschreven beweringen, zoo +vraagt men zich ook hierbij af: hoe weet hij dat toch allemaal zoo +precies? Hoe komt hij er eigenlijk aan? Statistische bevestiging +ontbreekt ten eenenmale, en ik voor mij heb gansch andere +informaties ontvangen. Ook nu nog bleek mij Dickens, althans in +zijn eigen taal, tot de meest gezochte schrijvers te behooren. Het +aantal edities, thans nog in den handel, van Copperfield en +Pickwick, Christmas Carol en Chimes is legio, en engelsche +uitgevers zijn onverdacht praktische menschen, zij bestendigen geen +uitgaven, waar geen gang in zit. En wat betreft de meening dat de +koopers dezer uitgaven vooral onder de "meer eenvoudigen van hart" +—en dan ook zeker wel "kleineren van beurs"—moeten worden +gezocht, vanwaar dan, vraag ik, al die, telkens opnieuw +verschijnende, dure <span class="pagenum"><a name="p11" id="p11"></a>[p.11]</span> geïllustreerde en luxe-edities, voor +genoemde harten, en hun bijbehoorende beurzen, onbereikbaar? Mocht +Coenen bedoelen dat de groote volksschrijver nu juist niet meer tot +de lievelings-lectuur behoort van literaire fijnproevers, noch der +heeren literatoren zelf, zoo geef ik hem gelijk, doch ziet, al +ziet! welk een armzalig hoopje vertoont te midden van het lezende +menschdom deze in anderen gedachtengang zoo kostbare rubriek!</p></div> + +<p>De ironie is dubbel en dwars verdiend....</p> + +<p>Kent gij, lezers, Maeterlinck's "L'Oiseau bleu"?.... Daar gaat een +jongetje met zijn lief zusje op weg, den blauwen vogel te zoeken, "welks +bezit noodzakelijk is voor ons geluk." Na veel omzwervingen komen zij +ook in het domein van den nacht. De poort van een wondren, maanlichten +sprookjestuin gaat voor hun verrukte oogen open. Ze juichen: Voedend +zich met manestralen, zweven millioenen en millioenen blauwe vogels +daar. De kinderen grijpen er zooveel ze maar grijpen kunnen. Maar zoodra +ze naar buiten zijn getreden in den dag, blijken de wondere vogels +gestorven. De onnoozelen wisten niet dat de ware blauwe vogel, die ook +onder 't zonlicht leven kan, zich schuil hield, onvindbaar, onder de +millioenen anderen.... O lezers, sterven ook zoo niet onze blauwe +vogels—die van de méésten onzer, moderne kunstenaars—die we zagen +zweven, die we hoorden zingen in den schemernacht onzer ziel, zoodra we +hen, toch omkoesterd met duizend zorgen, naar buiten brengen, naar den +dag der menschen-maatschappij, den dag van het volk. En wij zouden +hooghartig doen tegen dien Groote, die elk huis een zanger schonk, +onsterfelijk, een levend lied met vreugde doorklinkend de dagen en dat +de zoete ontroering de hunkerende harten inzingt. O, als dan door welke +onontkoombare samenloop van omstandigheden, door welke dorheid van +innerlijk ook, of ongunst van den tijd, het ons niet vergund is te +geven, laat ons dan ten minste ontvangen met overgave en innige +dankbaarheid. Ook dat is iets, en zelfs véél....</p> + +<p>Doch Robbers laakt niet alleen, maar prijst ook:</p> + +<div class="blockquot"><p>.... er zijn er ook, gelukkig, waarin op warme, uiterst gevoelige +en zeer juist omschrijvende wijze schitterende schoonheden <span class="pagenum"><a name="p12" id="p12"></a>[p.12]</span> +worden aangeduid in een ontzaglijk oeuvre, dat met eerbied wordt +genoemd. En deze erkenningsvolle bladzijden, ze zijn op hun beurt +door ons, hun lezers, ten zeerste te waardeeren.</p></div> + +<p>En later:</p> + +<div class="blockquot"><p>Overigens, het mag wel eens herhaald worden, hulde aan Frans Coenen +voor zijn fijn opmerken en welsprekend aantoonen van zoovele +schoonheden in dit oude werk. Een nuttig boekje daarom, het zijne. +Want het is goed te leeren onderscheiden, en ook voor de literaire +fijnproevers blijkt nog menige schat te vinden in deze, door hen +althans, bijkans verlaten mijn.</p></div> + +<p>Dit artikel is ongetwijfeld een van de allerbeste kritieken, die Robbers +ooit geschreven heeft. En nu: ik heb, niet zonder connaisseurigen +glimlach de elegante bewegingen van Robber's floret beschouwend, zoo +langzamerhand de overbodig geworden gevederde pijlen weggeworpen, +waarmede ik, als een ongetwijfeld opzichtige held van Aimard zou hebben +gestreden, en mij getooid—laat mij nu als een zeer kalm en bezadigd +Hollander ook het mijne van Coenen's werk zeggen:</p> + +<p>Alle Schuld rächt sich auf Erde. De heer Coenen, die, indertijd +Scharten's <i>Krachten der Toekomst</i> besprekend, het sterk in deze prees, +dat hij een <i>keur</i> zijner kritieken had laten herdrukken en niet zooals +anderen, "uit zelfoverschatting of onverschilligheid, die slechts op wat +materieel voordeel belust is," alles gebundeld had—de heer Coenen werd +thans door het wrekend Noodlot met dit ééne uit zijne honderdtallen +kritische opstellen naar de boekpers geduwd, en terwijl hij niets kwaads +vermoedend, genoeglijk de bladzijden zich tot een boek zag stapelen, +grijnsde het Noodlot achter zijn rug en over zijn hoofd heen tot ons, +zijn recensenten: "Vraag hem nou ereis, of dat nu op minachting van al +zijn ander kritisch werk berust en zoo ja, waarom hij dan zoo +"onverschillig is," toch maar altijd door te blijven recenseeren—òf +dat het berust op het bewustzijn, dat de namen al dier andere, door hem +behandelde auteurs, niet zulke betrouwbare en olie-opzuigende +"drijvertjes" zijn, als die van den "klassieken, slechts weinig meer +gelezen wordenden" Dickens?"</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p13" id="p13"></a>[p.13]</span> Maar ik zou geen mènsch moeten zijn, die altijd door het noodlot +tot iets gedwongen wordt, om nu het mij iets verzòcht, dat niet lèkker +te weigeren! Ik stel de vraag dus <i>niet</i>, doch alleen haar mogelijkheid, +om even te laten gevoelen, dat het maken van <i>on</i>heusche gissingen +alleen, door objectieve kritiek dient vermeden. Ik geloof: de vraag is +malligheid. De heer Coenen heeft eenvoudig, zijn ander kritisch werk +goed achtend, dit boek iets <i>beters</i> geacht. Maar hier mag dan toch weer +de recensent te voorschijn treden en beweren dat dit een dwaling is: het +tegendeel is het geval. Want die andere opstellen staan voor het +meerendeel in levensgevoel niet beneden, vaak zelfs boven hun onderwerp. +Dit is ver beneden het zijne. Tegenover the gentlemen who write, die +Coenen zoo vaak behandelt, mag hij zoo glimlacherig-cynisch, zoo +nemerig-en-geverig zijn als hij wil, op enkele uitzonderingen na staat +hij tegenover gelijken, meest tegenover minderen.... Maar nu tegenover +Dickens!... Gewaden en versierselen af, menschenkind, <i>als bij de +Multatuliaansche Gnomen, </i> en hoe rouwiger uwe versierselen zijn des te +eerder, want rouw past niet bij het kern-leven, bij het wàre, blijde +leven.... Hij gaf zijn zièl, hij heeft recht op de uwe.... En wat tot de +ziel is geraakt, dat weifelt niet meer, dat is fel, dat is sterk.... Hij +heeft recht op uw <i>ziels</i>weerzin, op uw <i>ziels</i>liefde.... De kleine +afkeertjes en genegenheidjes van uw gevoelig verstand en uw verstandig +gevoel zijn véél te klein voor hem.... Kunt gij met geen andere dan deze +tot hem treden, om uws zelfs wil, ga dan <i>niet</i>.... En hiermede ben ik +meteen tot mijn gewichtigste bedenking tegen 's heeren Coenens werk +genaderd: dat het bij al zijn groote deugden en geringe fouten, twee +enorme tekortkomingen heeft. Doch tekortkomingen zijn niet +<i>ontleedbaar</i>, maar <i>meetbaar</i>. Straks beschik ik over den maatstaf, +daartoe noodig. Nu eerst de deugden etc. Daar hebt ge dan onmiddellijk +de voortreffelijke <i>Inleiding</i>, waarin de schrijver den kultuurstroom +van middeleeuwen, renaissance en laat-renaissance volgend en ten slotte +in het Engeland van het begin der negentiende eeuw belandend, historisch +de Dickens-figuur, zijn wording en zijn tijd verklaart. <span class="pagenum"><a name="p14" id="p14"></a>[p.14]</span> In dat +hoofdstuk treffen wij ook dat uitstekend-ontledend stukje over het wezen +der "Weltschmerz" aan. Laat mij ronduit erkennen, dat ik tot dengeen, +die zulk een gedegen, goed onderlegd en wijd-omvattend betoog kan +schrijven, <i>zonder dat er klaarblijkelijk eenige andere geestelijke +kracht in hem werkzaam is, dan zijn eigen doodgewoon, wetenschappelijk +gevormd verstand</i>, jaloersch zit op te kijken, niet om de ten slotte +weinig diepgaande historische kennis—daar is waarlijk makkelijk genoeg +aan te komen—maar om de technische vaardigheid, de routine. Het +"verraadt" namelijk den akademisch gevormde, in tegenstelling vooral met +den autodidact; den <i>gedisciplineerden</i> geest, in tegenstelling met den +<i>ongedisciplineerden</i>. En de voortreffelijkheid van dit stuk schijnt mij +dan ook al evenzeer de buitengewone geschiktheid van den auteur voor het +kalme analytisch betoog, als het wenschelijke eener wetenschappelijke +opleiding voor den aanstaanden homme de lettres te bewijzen. Ik zou den +<i>niet breeden</i>, maar <i>fijnen</i> psychologischen doorgronder en preciesen +weergever, die Coenen is, onrecht doen, indien ik niet even het stukje +aanhaalde, dat de historische beschouwing afsluit, over het Engeland, +waarin Dickens leefde en beroemd werd:</p> + +<div class="blockquot"><p>Men kan het zich denken als een samenleving van brutale en +opzichtige menschen, die zich druk en aanstellerig gedroegen, ook +dwaasheden uithaalden, hun leven moedwillig vergooiden, het +onmogelijkste aandurfden en soms schitterend slaagden, die met +hartstochtelijken trots en hardheid hun medemenschen bejegenden, +maar soms in eens omsloegen in het weekste meegevoel, die in 't +algemeen de wereld door een vergrootglas beschouwden en het nuchter +gewone niet verdroegen ... maar, desondanks en alles saamgenomen, +toch zeer rustig en regelmatig leefden en arbeidden, als Britsche +burgers, die carrière willen maken en vóór alles op godsdienst en +fatsoen gesteld zijn.</p></div> + +<p>Ook in het tweede hoofdstuk <i>Dickens' Jeugd</i> zal de lezer dezelfde +eigenschap te waardeeren hebben. En hierbij denk ik vooral aan den +daarin geboden schets van Dickens als parlementair verslaggever. In het +derde, <i>De Pickwickpapers</i>, vallen als voortreffelijke bladzijden op die +over de romantiek <span class="pagenum"><a name="p15" id="p15"></a>[p.15]</span> met het diep begrip van wat haar oorsprong +vooral in dien tijd was: Verlangen naar "zelfvergetelheid en +eenheidsvoelen." Voorts dat stukje over de blague en den esprit, waarin +deze in hun droge en hoogmoedige en vaak toch van zoo laag allooi zijnde +verstandelijkheid worden vergeleken met Dickens' rijke, sappige, +waarlijk comische geestigheid. Het vierde hoofdstuk <i>Dickens' +Romanfiguren</i> bevat tal van goed-critische opmerkingen zooals de +volgende:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zoo werden, als gezegd, ook Dickens' verhalen tot leerscholen van +Goed en Kwaad en zijn helden en heldinnen meerendeels niet anders +dan personificaties zijner zedelijke opvattingen. Men had de zeer +Engelsche ondeugden van Zelfzucht, Hoogmoed en Huichelarij en de +algemeene van Gierigheid, Haat, Nijd, Wankelmoedigheid, +Lichtzinnigheid, enz. Men had ook hun contrasten, de Deugden van +Toewijding, Zelfopoffering, Nederigheid, Eenvoud, Oprechtheid, +Vroomheid en wat dies meer zij. Van de eene en van de andere heeft +Dickens menschen gemaakt.</p></div> + +<p>Hoe hij dat laatste deed meent Coenen aldus te kunnen verklaren: hij +bekleedde deze abstracties met "het uiterlijk—meest een zéér goed +geobserveerd en realistisch uiterlijk—van menschen." Deze verklaring +acht ik ernaast en vooral eronder. Heeft wellicht de geschiedenis met +Leigh Hunt hier Coenen tot generaliseeren verleid?</p> + +<div class="blockquot"><p>Al deze personen blijven star onveranderd door het gansche boek +heen, als antieke maskers, of wel zij veranderen naar de behoefte +der intrige en zonder de minste waarschijnlijkheid plotseling +geheel.</p></div> + +<p>Deze opmerking is weliswaar niet nieuw, zij komt reeds voor in.... +Straks! Maar aan de zegging merkt men onmiddellijk, dat Coenen onbewust +van haar bestaan elders, het zelf heeft gezien. Maar wat we vooral in +dit hoofdstuk te waardeeren hebben is die ook door Robbers aangehaalde +passage, waarin "deze snuffelaar-met-'n-loupe" zoo krachtig en +ruim-geestelijk uit den hoek komt en het opneemt voor de groot-epische +vertellers als "Balzac en Dickens" tegen degenen, die hen verwijten, dat +zij niet nauwgezet hun taal verzorgd hebben. In het hoofdstuk <i>Dickens' +Ontwikkeling en latere Romans</i> is vooral interessant het aangeven der +tegenstelling <span class="pagenum"><a name="p16" id="p16"></a>[p.16]</span> tusschen de kunst der Naturalisten en de +fantasievolle van Dickens; ook dat stuk over het "romantische gevoel" in +Dickens, waarbij de lezer zich niet weerhouden kan smakelijk te +glimlachen over het verschil tusschen deze en Coenens droge nuchterheid. +Maar om van op te springen is, tusschen al dat vlakke en +precies-voorzichtige, deze onbewust enthousiaste uiting:</p> + +<div class="blockquot"><p>Dit is Dickens' romantiek, die hij voor ons zoo <i>realistisch </i> waar +maakt, dat wij kunnen meenen, hetzelfde eiken dag te zien gebeuren. +Ik weet geen anderen schrijver, die dit zoo sterk heeft gekund en +bewezen, dat voor het Realisme de realiteit zelve volkomen ontbeerd +kan worden, dat het al verbeeldings-werk is, hetzij men vertelt van +de feeënwereld of van de Londensche straat.</p></div> + +<p>Als men hieruit niets anders dan de zeer gewettigde en voor de hand +liggende consequenties trekt, bemerkt men, dat Coenen eigenlijk niets +meer of minder zegt,—in strijd met andere zijner uitingen—dan dat +Dickens de grootste menschenschepper, de grootste werkelijkheidsmaker +ter wereld is! Vooral als men deze regels in verband brengt met zijn +meening, dat (blz. 86) het ontbreken der objektieve werkelijkheid er ten +slotte niets op aankomt. Het laatste hoofdstuk behandelt <i>Dickens' +Beteekenis voor ons</i>. Zien wij af van het feit, dat wij nu niet bepaald +dáárover wenschen voorgelicht te worden door iemand, die geheel ten +onrechte meent, dat Dickens slechts weinig meer door ontwikkelden +gelezen wordt, dan brengen ons zoowel de zeer mooie wijsgeerig- +psychologische beschouwing over het zich aanpassen van het +kind, terwijl het opgroeit, aan de omringende wereld en over zijn +geheelen ontwikkelingsgang wier eindpunt slechts de allergrootsten +bereiken: dat hun Ik de wereld omsluit—als het verheerlijkende +slotwoord, den wensch naar de lippen, dat het gevoel van den schrijver +instede van bij het einde, reeds aan het begin van zijn werk op dit +hoogtepunt gestaan hadde. Zijn boek zou er voornamer karakter door +verkregen hebben. En hier raken wij wat ik de twee enorme tekortkomingen +van dit werk noemde. Maar tevens herinner ik mij net bijtijds, dat een +<i>overzicht</i>-schrijver vooral anderen aan het woord <span class="pagenum"><a name="p17" id="p17"></a>[p.17]</span> moet laten, wat +hij zeker uitstekend vindt, indien hij zijn meening door dien ander zoo +voortreffelijk vindt geïllustreerd: In de Fortnightly Review van 1 +dezer<a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a> vond ik een stemmingsvol, mijmerend-wijsgeerig opstel van John +Galsworthy: <i>Vague Thoughts on Art</i>. Ik moet U de lezing ten sterkste +aanraden. De schrijver ligt op een zomerland, het zonnige leven van +hemel, bloemen en dieren over hem, om hem, te peinzen. Gedachten en +natuurbeschouwing wisselen elkaar nu telkens af, dringen in elkaar, +steunen elkander. Voor mijn doel kan deze kleine aanhaling uit het +wijsgeerig deel volstaan.</p> + +<div class="blockquot"><p>Art is that imaginative expression of human energy which through +technical concretion of feeling and perception, tends to reconcile +the individual with the universal, by exciting in him impersonal +emotion.</p></div> + +<p>Maar dan: wat is "impersonal emotion"? En ziehier het antwoord:</p> + +<div class="blockquot"><p>If I stand before it (voor een voorwerp) vibrating at sight of its +colour and form, if ever so little and for ever so short a time, +unhaunted by any definite practical thought or impulse—to that +extent and for that moment it has stolen me away out of myself and +put itself there instead, has linked me to the universal by making +me forget the individual in me....</p></div> + +<p>En de kracht, om dit te kunnen teweeg brengen, déze is het nu juist, +welke het werkje van den heer Coenen ontbreekt. Geen oogenblik wordt de +lezer aan zich-zelf ontrukt, bóven zich-zelf opgeheven. De heer Coenen +kan dit den lezer niet doen, omdat Dickens het den heer Coenen niet +heeft gedaan. Zijn boekje is—eerste tekortkoming—<i>geen kunst</i>, +en—tweede tekortkoming—mist alle <i>overgave</i>, alle <i>enthousiasme</i>. Het +is: een voortreffelijk betoog van een geleerd, distinctievol en +buitengewoon literair-ontwikkeld docent. Maar zulke betoogen mogen +uitstekend zijn, om chemie of welke wetenschap ge maar wilt te doen +begrijpen, tot het vertolken van het hooger gevoelsbegrip van <i>kunst</i> +zijn zij waardeloos. <span class="pagenum"><a name="p18" id="p18"></a>[p.18]</span> Want evenals diamant slechts door diamant +zóó gepolijst kan worden, dat zij een open, schitterend zonnetje wordt, +zoo kan kunst slechts door kunst verklaard worden. Schrijf +twintigduizend betoogende woorden en, zoo ge 't 'n beetje populair doet +hebt ge alle kans dat de lezer U een genotlijk, een hoog te waardeeren +schrijver zal vinden, maar—onderzoek eens wat hij heeft gewonnen door +die lectuur.... Gij werktet met uw verstand en uw verstandelijk gevoel, +en beiden hebben ook bij hem geprofiteerd: zij hebben wat feitenkennis +en waardeerinkjes opgedaan, die hun gelukkigen bezitter allicht in de +conversatie te pas zullen komen, maar diens <i>ziel</i>?... Doch schrijf nu, +geen twintig duizend woorden, maar slechts één zin, waarin uw innigst +doorvoelen van een auteur tot kunst gevonden is, en ziedaar: een <i>licht</i> +springt uit uw ziel in die van uw lezer over. Zij wordt <i>ontroerd</i>, +d.w.z. zij is door ù <i>gegroeid</i>.... Zulk een schrijver is G.K. +Chesterton: een groot <i>kunstenaar</i>, die met <i>liefde</i> en overgave over +een grootere schrijft.</p> + +<p>Hij heeft, voor zoover ik weet, twee boeken over Dickens geschreven; het +eerste: <i>Charles Dickens</i>, waarvan juist weder een nieuwe druk +verschenen is, kan 't best ons tot het doel dienen, waarvan ik hierboven +sprak: de maatstaf te zijn, om Coenens' tekortkomingen te meten, wijl +het de <i>geheele</i> Dickens-figuur behandelt; het tweede: <i>Appreciations +and Critisisms of the Works of Ch. Dickens</i> is—precies wat de titel het +zegt te zijn. Ik zal alleen het eerste bespreken en wat het tweede +betreft mij er toe beperken, u de lezing <i>ten zeerste</i> aan te bevelen. +Maar ge moet wel weten, lezer, dat ik mij op zeer pijnlijke wijze bewust +ben, dezen grooten kunstenaar-kritikus, ook met die bespreking, in dit +kort bestek, geen recht te kunnen doen: bij elk citaat, ik weet het, zal +ik een zeer werkelijk smartgevoel hebben, omdat ik weer een andere +schoone zegging, neen, tientallen andere zal zien opblinken, die ik u +niet kan toonen. <i>Gij moet dit goedmaken voor mij, mijn beste lezer, gij +moet, door die prachtwerken te lezen, zorgen, dat mijn tekortschieten +althans geen</i> <span class="pagenum"><a name="p19" id="p19"></a>[p.19]</span> <i>slechte gevolgen heeft: dat gij die heerlijke +aandoeningen niet mist, die ik heb ondergaan</i>.</p> + +<p>Het onderscheid dan tusschen Coenen en Chesterton ligt vooral in het +feit, dat—afgezien ervan, dat het denken van den laatste zich op een +veel hooger plan beweegt dan dat van den eerste—het denken van den +Hollandschen criticus <i>denken blijft</i> en dat van den Engelschen bijna +overal zich <i>plastisch ver-beeldt</i>, d.i. <i>kunst</i> wordt. Ziehier eerst +één voorbeeld van Chesterton's metaforische macht, en vervolgens eenige +vergelijkingen tusschen de beide schrijvers. Ver-beelding eener +wijsgeerige gedachte bij Chesterton:</p> + +<div class="blockquot"><p>For religion all men are equal, as all pennies are equal, because +the only value in any of them is that they bear the image of the +king.</p></div> + +<p>En laat ons nu eens vergelijken. Lees Coenen:</p> + +<div class="blockquot"><p>(Dickens had als kind, de) instinktieve zekerheid, dat met goeden +wil en eenig nuchter beleid het leven nog wel iets beters kon +opleveren dan hun (zijn ouders) ten deel gevallen was.... Toen +<i>viel de slag</i> van het bankroet, werd vader Dickens in de +Marshalsea gegijzeld en de jonge Charles in de schoensmeerfabriek +aan het werk gezet, om zijn eigen kost te verdienen. Het was in +zijn tiende jaar.</p></div> + +<p>En nu Chesterton:</p> + +<div class="blockquot"><p>He longed to go to school (a strange wish) to go to college, to +make a name, nor did he merely aspire to these things; the great +number of them he also expected. He regarded himself as a child of +good position just about to enter on a life of good luck. He +thought his home and family a very good spring-board or jumping-off +place from which to fling himself to the positions which he desired +to reach. And almost as he was about to spring <i>the whole structure +broke under him and he and all that belonged to him disappeared +into a darkness far below</i>.</p></div> + +<p>Dàt is <i>beelden</i>. Dat is <i>innerlijk zien</i>.—Beide auteurs vinden het +tweede deel van Pickwick oneindig beter dan het eerste. Coenen zegt dit, +ongetwijfeld zeer gevoelig, aldus:</p> + +<div class="blockquot"><p>Dickens, de handige journalist, heeft plaats gemaakt voor den +kunstenaar, wien alleen het leven interesseert en den gegriefden +mensch, die een van de schoonste idealen der menschheid, de +gerechtigheid, ziet verwrongen en bedorven.</p></div> + +<p><span class="pagenum"><a name="p20" id="p20"></a>[p.20]</span> Chesterton voelt 't even diep, máár <i>ver-beeldt</i> tevens zijn diep +gevoel:</p> + +<div class="blockquot"><p>Dickens went into the Pickwick Club to scoff, and Dickens remained +to pray.</p></div> + +<p>Hoor beiden over Dickens' fabelachtige populariteit. Coenen:</p> + +<div class="blockquot"><p>Al die duizenden lezers voelden blijkbaar de verbeeldingswereld van +den schrijver evenzeer als de hunne, en zich gerechtigd mee te +beslissen over het lot der boekpersonen, omdat die schepsels nu ook +voor hen zoo levend en eigen waren, als verwanten en vrienden, wie +men geenszins onverschillig aan kan zien.</p></div> + +<p>Dit is een mededeeling van feiten, die we allen kennen, met een te +waardeeren psychologische verklaring, die ook wij-zelf ons konden geven +of hebben gegeven. Maar hoeveel wijder, hoeveel dieper is de +psychologie, hoe wordt ons door de treffende zegging de geest dier dagen +open-geweerlicht in dit:</p> + +<div class="blockquot"><p>The modern "Shocker" at its very best is an <i>interlude in life.</i> +But in the days when Dickens' work was coming out in serial, people +talked <i>as if real life were itself the interlude between one issue +of "Pickwick" and another</i>.</p></div> + +<p>Luister naar beiden als ze 't over den huiselijken haard in de +<i>Christmas-Tales</i> hebben:</p> + +<div class="blockquot"><p>Er zijn zoo gansche gedeelten in Dickens' boeken, die men als +doorgloeid gevoelt van het roode haard-vuur, dat voor de Engelschen +het gansche familiale leven schijnt te symboliseeren in veilige +rust en warmte en waar men de punch en het versche groen van +hulsttakken ruikt.</p></div> + +<p>En droomt ge u comfortabel weg in de <i>zeer geslaagde</i> stemmingsweergave +van den Hollander, ge wordt weer klaar wakker en wrijft u genoeglijk in +de handen bij de raakheid en geestigheid van den Engelschman:</p> + +<div class="blockquot"><p>... his Christmas sentiment. It has cosiness, <i>that is the comfort +that depends upon a discomfort surrounding it</i>. It has a sympathy +with the poor, and especially with the entravagance of the poor; +with what may be called the temporary wealth of the poor. It has +the sentiment of the hearth, that is <i>the sentiment of the open +fire being the red heart of the room</i>. That open fire is the +veritable flame of England, <i>still kept burning in the midst of a +mean civilisation of stoves</i>.</p></div> + +<p><span class="pagenum"><a name="p21" id="p21"></a>[p.21]</span> De typische uitbeelding door Dickens van den <i>fog</i>, door Coenen +als "tegelijk grappig en eventjes beeldend" gewaardeerd, geeft +Chesterton aanleiding tot deze m.i. <i>allerprachtigste</i> fantasie:</p> + +<div class="blockquot"><p>... But, considered poetically, fog is not undeserving, it has a +real significance. We have in our great cities abolished the clean +and sane darkness of the country. <i>We have outlawed night and sent +her wandering in wild meadows; we have lit eternal watchfires +against her return</i>. We have made a new cosmos, and as a +consequence our own sun and stars. And as a consequence also, and +most justly, we have made our own darkness. <i>Just as every lamp is +a warm human moon, so every fog is a rich human nightfall.</i> If it +were not for this mystic accident we should never see darkness, and +he who has never seen darkness has never seen the sun.</p></div> + +<p>Zal ik nu nog verder beide schrijvers vergelijken? Neen, schoon ik +materiaal in overvloed heb. Zet gij, lezer, mijn werk voort door ze +<i>beiden te lezen</i>. Doch tegen al diegenen, waaronder ook Coenen, die +beweren, dat Dickens' werken weinig of niets met de weergave van het +werkelijke leven hebben te maken, wil ik nog Chesterton's geniale woord +hier laten klinken: (En ook Robbers, men leze zijn artikel, heeft deze +waarheid gevoeld.)</p> + +<div class="blockquot"><p>This life of grey studies and half tones, the absence of which you +regret in Dickens, is only life as it is looked at. This life of +heroes and villains is life <i>as it is lived</i>. The life a man knows +best is exactly the life he finds most full of fierce certainties +and battles between good and ill—<i>his own</i>. O yes, the life we do +not care about may easily be a psychological comedy. Other people's +lives may easily be human documents. But a man's own life is always +a melodrama.</p></div> + +<p>Ten slotte: ik ben niet blind voor Chesterton's voorliefde voor het +paradoxale òm het paradoxale, de geestigheid òm de geestigheid; ik voel +wel heel duidelijk de aanwezigheid bijwijlen van het onweerhouden +boordevolle en overloopende, zelfs van het opdringerige. Hierin staat +hij ver onder Coenen, die van willen-behagen en praallust even ver +verwijderd is als een nachtuil van zonnedienst. Maar men zou jegens +beiden onrechtvaardig zijn, indien men in Chesterton's gezelschap, +<span class="pagenum"><a name="p22" id="p22"></a>[p.22]</span> zich niet het <i>il a les défauts de ses qualités</i> te binnen bracht, +en achter Coenen's rug zich niet een bescheiden maar veelbeteekenend +knipoogje veroorloofde tegen het beroemde meisje, dat zoo deugdzaam was +omdat ze zoo leelijk was.... Wie deze uiting jegens den voortreffelijken +kunstenaar Coenen, dien ook ik hoogacht en waardeer, oneerbiedig mocht +vinden—hij vergeet dat ik het alibi van.... den <i>kunstenaar</i> Coenen +bewezen heb en hem dus niet oneerbiedig heb <i>kunnen</i> bejegenen: hij was +niet aanwezig in dit boekje. Ik ontmoette er alleen den +<i>kunstgevoelige</i>....</p> + +<p>Als tijdschriften, die zeer lezenswaardige Dickens-bijdragen hebben, +noem ik de <i>Nineteenth Century</i> met <i>Charles Dickens</i> by Darrell Figgis; +<i>Elsevier's Maandschrift</i>, waarin, nevens het reeds behandelde +Robbers-opstel, Cornelis Veth in een artikel <i>De oudste prenten voor +Dickens</i> gelegenheid vindt de aardige opmerking te plaatsen, dat Dickens +van lijfstraffelijke rechtspleging hield en zijn schurken liefst door de +hand van een voormalig slachtoffer liet afrossen, en dat wel op een +wijze, waar een ongezochte symboliek in stak:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zoo krijgt Uriah Heep op die authentieke, kleffe, knokige en op den +koop toe lange vingers.... de femelaar Pecksniff, geveld door den +man, dien hij in zijn zak dacht te hebben, bezeert zich ferm aan +denzelfden schijnheiligen en arglistigen kop, waarin hij zooveel +kwaads uitbroedde.... enz.</p></div> + +<p>Dezelfde vangt in <i>De Ploeg</i> een rijk geïllustreerd artikel over +<i>Dickens en zijn voornaamste illustratoren</i> aan, dat in Maart vervolgd +zal worden.—Verder laat ik, trots alle beloften, dezen keer de mij ter +hand gekomen tijdschriften, voor zoover ze geen Dickens-bijdragen +hebben, onbesproken uit—collegiale égards: naast een Onsterfelijke +schijnen de levenden dood....—</p> + +<p>19 Febr. 1912.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>BRIEVEN OVER LITERATUUR</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p23" id="p23"></a>[p.23]</span></p> + +<h3>II.</h3> + + +<p>Over het algemeen lijkt het mij geen symptoom van zielsrijkdom en +geestelijke aristokratie, genoodzaakt te zijn, zich van eigen tijd af te +wenden, om heul en troost en inspiratie bij de verleden eeuwen te gaan +zoeken, of in den vreemde pogen te winnen, wat het vaderland geweigerd +heeft. Het volk weet wel wat het zegt, als 't beweert, dat de rijkdom +het zich overal behaaglijk maken kan, al zegt het hiermede toch +tegelijkertijd iets méér dan het weet, want zou het wel vermoed hebben, +dat die waarheid vooral waarheid is in de sfeer van den geest?.... Ik +herinner mij uit een vroegere incarnatie, toen ik hard bezig was, mij +door het lezen van <i>shilling-shockers</i> voor te bereiden op het ambt van +literair criticus, dat ik nu bekleed—en zoo ge deze opleiding ietwat +vreemd mocht vinden lezer, laat mij u dan zeggen: er voeren vreemder +wegen naar dit Rome, dat langs alle wegen te bereiken is! Levendig +schiet het mij te binnen, hoe sommige mijner huidige collega's, bij +wijze van college-loopen, dienst namen bij de toenmalige stadsreiniging; +weer anderen geloofden nimmer hun hoog doel te zullen bereiken, zoo ze +zich niet den heelen dag oefenden in scheelkijken, en nòg anderen +hovelingen werden, om de in ons "vak" zoo noodzakelijke hoofsche vormen +te leeren. Hèt verwonderlijke is mijns inziens dan ook niet, dat we +allen <span class="pagenum"><a name="p24" id="p24"></a>[p.24]</span> trots die zeer ver uiteenloopende opleidingen toch tenslotte +vaklui zijn geworden, ofschoon dit weliswaar bij geen enkel ander métier +mogelijk zou zijn geweest, maar het verwonderlijke is, dat ge nu, na +zoovele eeuwen, bij den een nog altijd iets van de stadsreiniging, bij +den ander van het scheelkijken, en bij een derde eene waarlijk de +broekspijpen uitloopende hoffelijkheid terug vindt.... Ja, den hemel zij +dank: er gaat dan ook niets in 't heelal verloren!—nu, ik herinner mij +dan uit zoo'n shilling-shocker, dat Westerlingen een pyramide bezoeken +en een van 't gezelschap—het zal wel zoo'n magere, brutale miss zijn +geweest—in een onbewaakt oogenblik een verschrompelde lotusbloem uit +het borstfiligrain eener vorstelijke mummie trekt. Thuis gekomen krijgt +zij den zonderlingen inval eenige druppelen water op de vierduizendjarige +bloem te sprenkelen, en, mystisch wonder! waarvan zij-zelf griezelt en +huivert, de bloem lééft, straalt op, bloeit op, met al haar kleuren en +geuren.... Mijn lieve lezer, gij en ik, hebben wij niet zoovele +kunstenaars de lotusbloemen van de schemerend-blinkende borsten der in +hun koningsgraven verzonken Eeuwen zien rukken, hebben wij de +verschrompelden niet weder zien opleven onder den dauw van hun talent, +en vonden we dat niet een wonder, een mystisch wonder, tot—ik mij met +een huivering tot u wendde en zei: "Maar vindt ge 't óók niet een ietwat +griezelig wonder?" ... O vreemde bloemen, die de zon mijner dagen niet +heeft doen bloeien, o, geuren aan een anderen tijd, een ander geslacht +ontstolen, bloemen en geuren, waar ik geen recht op heb, ik wensch u +niet, gij zijt mij niet lief als de bloemen mijner aarde, mijner zon, +als de geuren mijner jaren. Mij levende behaagt het met door volte +weerstreefde, streelende en plukkende handen te wandelen in lévenden +bloementuin....</p> + +<p>Ook herinner ik mij—en ach, lezer, ik ben zeer loszinnig vanavond: als +mijn ... woorden u wat verstrooid voor de voeten komen rollen, rijg gij +ze dan, bid ik u, aan het zilversnoer van uw vernuft.... Rijgt men dan +<i>woorden</i> aan een <i>zilversnoer</i>? Ja zeker, als de bescheidenheid—gelijk +hier—<span class="pagenum"><a name="p25" id="p25"></a>[p.25]</span> en nog eenige van die maatschappelijke deugden het gebieden, +is dat geoorloofd. Zij geven absolutie voor èlke kromspraak en voor vele +onwaarheden—ik herinner mij dus, en ditmaal uit déze incarnatie, een +zoogenaamden <i>Polk</i>, die, als hij in Antwerpen te bekend geworden was, +ging bedelen in Amsterdam en, als men hem daar weer te goed kende, ging +bedelen in Berlijn.... En ik herinner mij dat nú, omdat ik geloof, dat +een schrijver, die bij den genius van een vreemd land om gaven bedelt, +dat doet, omdat de genius van zijn vaderland hem te goed kent om hem +geschenken waardig te keuren en dat die genius van dat vreemde land, àls +hij wat geeft, dan heel òn-halfgoddelijk er ... in loopt!</p> + +<p>Want, lezer, dat hoog gebaar van verlangen naar de middeleeuwen, dat +zich afwenden van eigen tijd, dat is <i>niet</i> voornaam, en dat trekken van +het eene land naar 't andere, nog eens: dat doe je niet uit weelde. Als +gij tegenover een "afzichtelijken" bedelaar staat en ge rilt terug, denk +dan niet, dat ge voornaam zijt, maar als ge zijn "afzichtelijk" wezen +zoo diep begrijpt en doorvoelt, dat ge hem kunt naderen met liefde—dan +moogt ge denken, dat ge voornaam zijt! Want afkeer en weerzin en +leelijk-vinden zijn het deel van de geringen-van-geest en +liefdevol-begrijpen en schoon-vinden het deel der voornamen. En zoo ook: +als ge telkens nieuwe prikkels noodig hebt, om de macht tot +schoonheid-doorvoelen en schoonheid-scheppen in u op te wekken, dan zijt +gij betrekkelijk arm, en zoo ge die niet behoeft, weet dan, dat ge +betrekkelijk rijk zijt.... Maar hier verdriet mij mijn wankele gang, +allicht, dat de aanblik der voorbijglijdende mijlpalen mijner +paragrafen,<a name="FNanchor_2_2" id="FNanchor_2_2"></a><a href="#Footnote_2_2" class="fnanchor">[2]</a> mij wat sterker en veerkrachtiger maakt.</p> + +<p class="sidenote">VAN OORDT: NAGELATEN WERK</p> + +<p>Adriaan van Oordt was een groot en een rijk kunstenaar en—ik mag dit +van een doode immers wel zeggen:—ge hadt zijn gelaat slechts behoeven +aan te zien, om te weten, <span class="pagenum"><a name="p26" id="p26"></a>[p.26]</span> dat hij ook een groot mènsch was. Als +een man met zulk een gelaat in den kring van ons, gewone menschen, +treedt, dan valt er eene schuchterheid over ons en aarzelen even onze +sprekende stemmen, ja, het is alsof ons aller woorden, die op het punt +stonden elkander in vroolijk-drukke en familiare begroeting te +ontmoeten, haastig van weerszijden terug wijken, om een open ruimte van +eerbied te vormen. Want zijn gelaat had die uiterste zachtmoedigheid, +die <i>dreigend</i> is, dreigend, omdat zij ontwapent en weerloos maakt, +dreigend ook, omdat ge voelt, dat, indien ge langer naar dit gelaat +staart, uw zelfbewustzijn, dat onweerhoudbaar aan vergelijkende studie +verslaafd is, u leelijke dingen zal toefluisteren over—u-zelf. Het was +ongetwijfeld geniaal, dat wil zeggen hoogst-natuurlijk, gezien van de +Natuur, dien man een gelaat te geven, dat bijna uitsluitend zijn hoogste +zielsessentie uitte, want, hadde zij dit niet gedaan, het werk van haar +schepsel zou heer werk beschaamd hebben: Van Oordt's arbeid is overal +<i>kunst</i>, dat is: weerspiegeling en uiting van het Onbewuste, goddelijk +tronend in de zielsdiepten. En dit <i>Nagelaten Werk,</i> dat nu voor mij +ligt, is er een nieuw, een laatst, een diep ontroerend en volkomen +zuiver getuigenis van: "En dit alles, niettegenstaande hij bijna +uitsluitend historische kunst geschapen heeft?" vraagt gij mij +hier.—Ja, niettegenstaande dat feit was Van Oordt een groot en een rijk +kunstenaar. En ik zal u de schijnbare tegenspraak in mijn beweringen +ophelderen. Maar rust even: ziehier een nieuwe mijlpaal.</p> + +<p>In een hoogst lezenswaardig, met liefdevolle en eerbiedige overgave +geschreven opstel zegt de <i>Gids</i>-criticus, de heer Scharten, dat de heer +Van Oordt een <i>middeleeuwsche ziel</i> had en dat een, in het <i>Nagelaten +Werk</i> opgenomen, stuk als <i>Een Pleiziervaart</i>, dat fijntjes humoristisch +het hoekig-linksche van een tusschen hedendaagsche Zondagsgangers +verzeild, naïef kunstenaar in 't ootje neemt, wel eene zijde van Van +Oordt's kunst blootlegt, die we nog niet kenden, maar dat de +aanwezigheid daarvan ons toch niet kan bekeeren van de meening, dat zulk +een stuk, bij langer leven van den <span class="pagenum"><a name="p27" id="p27"></a>[p.27]</span> schrijver uitzondering zou +gebleven zijn en historische kunst hoofdzaak. En zoo oppervlakkig +beschouwd, schijnen de in dezen bundel opgenomen stukken <i>Roman-Begin</i> +en <i>Fragment uit Floris de Zwarte</i> dezen beoordeelaar gelijk te geven. +Maar ook niet anders dan <i>oppervlakkig beschouwd</i>. Want zoo 't mij +geoorloofd zij—en hier wensch ik u de beloofde opheldering te +geven—tegenover de eene hypothese een andere te stellen: ik geloof niet +dat Van Oordt's neiging tot de middeleeuwen voortsproot uit het +middeleeuwsche—en dat zou, volgens mij, zijn: het voor indrukken van +zijn eigen tijd minder ontvankelijke en dus ongetwijfeld bekrompene +—zijner ziel; ik geloof, dat zij voortkwam uit zijn, helaas, behept +zijn met een uiterst broos en ziekelijk lichaam: daardoor verhinderd het +hedendaagsche leven in heel zijn stormigheid te ondergaan—gelijk wel, +al ware 't alleen uit plichtsgevoel, een edelen geest als de zijne, het +heerlijkst denkbare moet hebben toegeschenen—; dáárdoor verhinderd het +leven der gezonden mede te leven, deel te hebben in hun hopen en +vreezen, hunne vervoeringen en neerslachtigheden, hun uitbundigheid en +zelf-inkeer, wendde hij zich tot eene voorbijgegane wereld, die door de +zachte fluisterstemmen der boeken tot hem kon spreken in zijner +werkkamer omveiliging, gelijk zijn zwakke lichaam die behoefde. Want—en +moge dit mijne beweringen ondersteunen:—<i>een vurig sociaal-demokraat +als Van Oordt was</i>, kan zeer wel een universeel-aangelegden geest +bezitten, waardoor hij zoowel de ekonomische noodzakelijkheid en +geestelijke schoonheid der sociaal-demokratie als de schoone +noodwendigheid der middeleeuwen doorvoelt, maar zulk een <i>vurig +sociaal-demokraat</i> kan <i>onmogelijk</i> een geest bezitten, die hem zich +precieuslijk doet afwenden van de rumoerende en zweetende en zwoegende +hedendaagsche maatschappij, om in eenzaamheid de fantomen van een +begraven verleden te evoqueeren, <i>dat aan sociale rechtvaardigheid niet +rijker was</i>. Neen! Ware hem door een zekere bekrompenheid van geest de +schoonheid en het beteekenisvolle van het huidige leven gesloten en +ondoorvoelbaar gebleven, ik zoude hem geen groot en rijk kunstenaar +<span class="pagenum"><a name="p28" id="p28"></a>[p.28]</span> hebben geacht, maar juist omdat het, mijns inziens, slechts de +bijkomstige omstandigheid zijner zwakke lichaamsgesteldheid was, die hem +verhinderde dat leven te ondergaan en te herscheppen, dáárom noem ik hem +een rijke en groote. Toch—laat ons dezen edelen afgestorvene eeren door +oprecht te zijn—niet alléén zijn ziekte, maar ook het bewustzijn, dat +hij in slechts geringe mate de gave van dialogiseeren bezat, heeft er +wellicht toe bijgedragen hem met des te meer vreugde een kunstsoort te +doen beoefenen, die deze gave niet zoozeer vereischt, als de het +hedendaagsche leven beeldende naturalistische romankunst dat doet. Want +ik mag mij niet weerhouden te zeggen, dat even sterk als zijn +verrukkelijk-beeldende beschrijvingskunst—zoowel van stoffelijke als +geestelijke momenten—mij voorkomt te zijn, even zwak lijken mij zijn +dialogen. Men behoeft maar het reeds zooeven genoemde <i>Een +Pleiziervaart</i> als <i>In de Kroeg</i>—het verhaal van een +dronkemansruzie—en <i>Een Liefde in Limburg</i> te lezen, om te merken, dat, +wat vele zwakke dialogen-samenstellers doen, ook hij niet nalaat: het +kruiden van hun niet zeer saprijk gerecht met een sterke en smakelijke +specerij: de geijkte, hoekige, hollandsche volksuitdrukkingen. Wie Wolff +en Deken kent, weet wat ik met dit kruiden bedoel, maar ziet hij 't daar +in de hoogste vervolmaking en slechts om zich-zelfs wil, bij Van Oordt +zal hij spoedig bemerken, dat die uitdrukkingen—niet bewust, maar +instinctief—in de dialoog zijn gebracht, om dier levenszwakte te +verbergen. Overigens, wij mogen onverdeeld dankbaar zijn voor dit +<i>Nagelaten Werk</i>, dankbaar, omdat de jong-gestorven schrijver daarmede +niet alleen zijn roem heeft bevestigd maar zelfs verhoogd.... Welk een +allervoortreffelijkste zegging van een buitengewoon subtiel doorvoelen +in dit:</p> + +<div class="blockquot"><p>En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de +koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar <i>tot een +burgerlijke versiering de zonnestralen</i><a name="FNanchor_3_3" id="FNanchor_3_3"></a><a href="#Footnote_3_3" class="fnanchor">[3]</a> langs mottige vitrage +gelen bij het weeë rood en bij het uitgebloeide blauw der +kameromgeving.</p></div> + +<p><span class="pagenum"><a name="p29" id="p29"></a>[p.29]</span> En welk een opperste genialiteit in deze beelding:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een +geestdriftige stijging, <i>en als hij op sprong staat zich over te +geven aan den val der gindsche daling</i>, glimt hij in de zon als een +lint van gele japansche zijde.</p></div> + +<p>Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in <i>Een Zeereis</i>. De verhaalgang +zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn +effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, lééft +als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een +koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk +een gang en een leven in dat <i>Fragment uit Floris de Zwarte</i>. Hoe +onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde +ontbloeien in <i>Een Liefde in Limburg</i>....</p> + +<p>En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn +taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het +Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te +vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was—en ik zeg 't u +om uw-zelfswil—lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar vóór +dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook dièr wereld +schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde +levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten, +allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen één geheel met haar—zóó, in +de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op +haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden, +allen zijn zij één met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen +getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en +vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die +prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun +omvangen en gedragen zijn door die ééne wereld van dien éénen geest....</p> + +<p class="sidenote">SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.</p> + +<p>Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen +keer—en ge hebt 't uit den aanvang van dit <span class="pagenum"><a name="p30" id="p30"></a>[p.30]</span> opstel reeds +bemerkt—niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om +dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp +behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun +lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats +aan den roman <i>De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche +Meren</i>, door C. en M. Scharten-Antink, <i>fournisseurs de la cour</i>. Dezen +laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid +der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden, +maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande +waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het—gij +zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als éénheid +te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit +geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer +vereend heeft, de recensent mag scheiden!—het echtpaar Scharten is het, +niet voornamelijk wijl het <i>de</i> erkende romanleverancier van <i>De Gids</i> +is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere zéér +voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche- +woorden over hun étalagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene +seizoen in <i>Soieries Françaises</i>, 'n ander in <i>Inverniciatura Italiana</i> +handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in <i>High-life tailor-made +Dressing-gowns,</i> maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche +katoentjes zal "doen"—neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't vóóral, +omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven, +absoluut <i>hoffähig</i> te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af, +tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n +savante en kunstige manier, dat, als je gòed proeft, de boeren zoowel +als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die +zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een +cocotte smaken!<a name="FNanchor_4_4" id="FNanchor_4_4"></a><a href="#Footnote_4_4" class="fnanchor">[4]</a> Maar ge weet zoo min wellicht <span class="pagenum"><a name="p31" id="p31"></a>[p.31]</span> wie de Cavarner +landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander +ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee +machtige vuurstroomen—die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten +zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik zóó in de Italiaansche +sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen +droom!—Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land +met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens +<span class="pagenum"><a name="p32" id="p32"></a>[p.32]</span> door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken. +Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen +verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren +verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander +daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt +veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant +de invasie der Duitschers in Italië, die met hun flair voor zaken-doen +den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede +konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het +land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt. +<i>Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust +bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen</i>. En dat beeld +wordt er des te volkomener door en <i>blijkt zelfs rijk aan een ongezochte +symboliek</i>, als we erop letten dat <i>de roomsche priester Jacchini de +handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is</i>! Op deze tendenzen +der huidige samenleving de hand te hebben <span class="pagenum"><a name="p33" id="p33"></a>[p.33]</span> gelegd, en ongetwijfeld +een <i>in-kunst-herscheppende</i> hand, dàt is de <i>machtige verdienste</i> van +de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds +genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch +vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt: +tusschen de beide dorpspatriciërs-families <i>Muzzo</i> en <i>Taddeï, in +verband staande</i> met de beide andere konflikten—en het dunkt mij goed, +met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit +werk m.i. miskend is, op dit <i>verband</i> den nadruk te leggen—want de +afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat +de jonge Taddeï wèl uit Amerika naar het vaderland terugkeert—wat als +eervol geldt—en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide +hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe +berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst +tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een +Taddeï met een Muzzo trouwt, maar—er is een vierde dramatische botsing, +die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een +brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat +is de levenstragiek van den blinden <i>Zacharia Banfi</i>, een +<i>prachtig-gebeelde</i> figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven +van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht +moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandië, één idee in +zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om ééns het vaderlijk +erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt, +sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar +woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert +in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het +land terug te winnen.... Luister:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar +hem een zeemen zakje op de borst hing.</p> + +<p>"Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire, +met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes +moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en +toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... <span class="pagenum"><a name="p34" id="p34"></a>[p.34]</span> de +Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er één is, daar zijn +er honderd ... honderd...."</p> + +<p>De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat +schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over +de binnenplaats....</p> + +<p>De anderen, verschrikt, zaten stil.</p></div> + +<p>En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid +houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in +<i>Banfi</i> op: een van die Duitschers, een broer van dien <i>Walther</i>, die op +<i>Banfi's</i> "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo +in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar +voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent <i>Banfi</i> en hij geeft een +deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen +worden, om <i>Fulmignano</i>, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt +het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij, +waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan +welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe +kabelspoor en daar laat Walther het grootsche <i>Kulm</i>-hotel bouwen, daar +zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo +wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht +zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:</p> + +<div class="blockquot"><p>"Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man, +<i>die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn +hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden</i>.</p></div> + +<p>Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:</p> + +<div class="blockquot"><p>Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok +voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat +hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke, +kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en +staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den +akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het +hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den +nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven +hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen, +die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht +verklaarde in een <span class="pagenum"><a name="p35" id="p35"></a>[p.35]</span> zachte opgetogenheid. <i>Toen hij vóór noch +achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon +meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn +vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog +voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een +bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren</i>....</p> + +<p><i>Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog +de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag, +naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar +Noranco lag</i>,—<i>hij zag dat alles in één teeder gewemel van +honderden zacht-roze bloesemboomen, één broos gesprankel van roze, +glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het +azuur van den hemel en aan het versche gras der +wijngaard-glooiingen,</i>—<i>heel dit lente-land, dat hij kende plekje +bij plekje, en dat hij plekje bij plekje vóór zich kon tooveren in +den geest</i>.—<i>"Che bellezza," zei hij zacht</i>.</p></div> + +<p>Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en +diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd +zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat +wij hem zien:</p> + +<div class="blockquot"><p>Onbeweeglijk bleef hij zitten.</p> + +<p>Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn +starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.</p> + +<p>Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede, +waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan +den dood....</p></div> + +<p>O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten +en medelijden?</p> + +<p>Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld. +Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen +pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige +kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio +Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in +wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Taddeï laat +trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is òp. En +die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het <i>Mayertje</i>, ofschoon +uitstekend <i>doorvoeld</i>, is niet zóó goed <i>gebeeld</i>: de schrijvers hebben +hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend, +te spottend, <span class="pagenum"><a name="p36" id="p36"></a>[p.36]</span> te humoristisch geworden. Met den <i>Zoppo</i>, den uit +den treure preekenden vegetariër en theosoof vormt zij niettemin een +aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische +situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "<i>'t Mayertje</i>" te +waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt. +Zij blijkt dan, dunkt mij, <i>van zelf</i> te symboliseeren het +verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land +binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer +gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende, +landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze +minnehandels gebruikt <i>Madame Mayer</i> een jong meisje uit het geslacht +der <i>Muzzo's</i> als "postillon d'amour," welk kind op een van die +boodschaptochten door den "minnaar" van <i>het Mayertje</i> wordt +verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse +tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer +zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen—en is dit niet fraai +en goed?—maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om, +wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die +balken er niet zijn!—En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en +heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben +geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n +"ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb +gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: <i>Wat +dit boek zegt</i>, dat zegt het voortreffelijk—een enkele, in de sfeer +van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd +zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende +verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor +eigen vermogens bewijst—maar in <i>'t verzwijgen</i>, daar zit 'm het +ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en +de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze +eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't +kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren +gehoord, <span class="pagenum"><a name="p37" id="p37"></a>[p.37]</span> dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden +verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit <i>niet</i> voortkomt uit zekere +zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor +hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde +zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen +maakt, om tot scheppen te komen, dàn is het—en vindt men dit een +"insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk +en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar +tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!—dàn is het: <i>wijl +zij fournisseurs de la cour zijn!</i></p> + +<p class="sidenote">LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.</p> + +<p>En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet +praten.... Diens <i>Antiek Toerisme</i> verplaatst ons zoowel naar vreemde +landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari, +een brok armoeïgheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je +rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan. +Een schatrijk Romeinsch patriciër gaat met zijn van hem afhankelijken +oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij +—eerste rangs tooneelmalligheid!—voor eene hem ontrouw geworden en met +een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en +inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij +straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart. +Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te +trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als +beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.—Kijk, als ge nu een +boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk +gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn +geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te +gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet +en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een +voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden—en welke gedachte +zou, zóó kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?—hoe komt ge +dan bij het betreden van dit Couperus-huis <span class="pagenum"><a name="p38" id="p38"></a>[p.38]</span> bedrogen uit! De +gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een +onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen +smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden, +maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende +gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins +aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle +duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen +tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, ouë Romein, men ontmoet +een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar +pòe! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene.... +Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en +die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al +nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u +vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou +heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt ü dan uit +Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk +kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar +is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname.... +Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat +treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die +dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte +mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft; +meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van +een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn +grooter tijd een ontzaglijk Magiër was, die machtige geesten opriep, hen +bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door +zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, léven!</p> + +<p>Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb, +den gids, en van Catullus zijn gezèllig-goed. Dat gevalletje van het +slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig <span class="pagenum"><a name="p39" id="p39"></a>[p.39]</span> en lief. Die +beschrijving van den Witten Nacht is <i>fraai</i> en wij geraken wel in de +stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch +verleden ... jawel ... máár <i>de centrale fout van het werk is, dat de +menschen er om het décor zijn en niet het décor om de menschen</i>. Er +wordt <i>gespeeld</i> met <i>menschelijkheid</i>. En de taal is verbijsterend +slordig! Het woord <i>immens</i> komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er +minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is +gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens +deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord +herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens +<i>Nagelaten Werk</i> voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te +wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo <i>reuzig immens</i> was" +als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest +opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van +verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan, +weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met +een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen +werkelijk verschil.... Doch wilt ge nòg een spel, maar althans een +edeler spel van hem zien? Sla dan <i>Groot-Nederland</i> van Maart<a name="FNanchor_5_5" id="FNanchor_5_5"></a><a href="#Footnote_5_5" class="fnanchor">[5]</a> op. +Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de +Medici. Dat lijkt toch op scháákspel, nietwaar? Het bord is er daar, om +de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te +maken: <i>het décor is er om de menschen</i>.... Neen, zéker: de groote +Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich +voor op een schitterend heroptreden—de kleine Couperus houdt zoolang +het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.—</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>BRIEVEN OVER LITERATUUR</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p40" id="p40"></a>[p.40]</span></p> + +<h3>III</h3> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">Kinderen zijn, in der aard-smart koninkrijk</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">Prinsen van vreugde en van jeugd-schoon koninklijk....</span><br /> +<span style="margin-left: 20em;"><i>Willem Kloos</i></span> +</p> + +<p>Dat zijn zij, ongetwijfeld, maar zij zijn nog veel meer dan dit. Doch +volledig uit te zeggen de majesteit en den rijkdom, de statigheid en de +bevalligheid, de wijsheid en de liefde van hun teere levens—dat is geen +mensen gegeven, zoo min, en uit eenzelfde oorzaak, als het ooit een +onzer gegeven was of zal zijn, het Godswezen te dóórvoelen. Want de +bijbelsche leering, dat wij naar Gods beeld geschapen zijn, valt alleen +te begrijpen, maar dan ook volledig, zóó dat zij straalt van waarheid, +als we ons vooroverbuigen tot de menschen, die nog mensch<i>jes</i> zijn, en +van de tot ons omhooggeheven effen gezichtjes en klare oogjes de +verrukkelijke zekerheid lezen, dat dóór en uit hun nog passief, hun nog +sluimerend menschelijk bewustzijn, het Goddelijk Bewustzijn +onvertroebeld glanst. Daarom was ik dan ook soms geneigd te beweren, dat +men eigenlijk weinig van kinderen moet zeggen, daar alles wat men zeggen +kan beneden hen blijft, en het een ijdel en ook heiligschennend bedrijf +is te spreken van iets, waarover men niet waardig spreken kan. Maar +later heb ik bevonden dat deze bewering een dwaasheid is, want, indien +we niet meer over het Goddelijke en Kinderlijke mochten spreken, dan +ware onze spraak van zijn diepste <span class="pagenum"><a name="p41" id="p41"></a>[p.41]</span> accenten en schoonste geluiden beroofd +en zou onze uitdrukkingsmacht zoo verzwakken en ontaarden, dat zij ten +slotte geen enkele gedachte of gevoel waardiglijk meer zou weten te +verwoorden. En reeds daarom ware het geen ijdel en heiligschennend +bedrijf. Maar dat is het ook niet om een andere reden: Wie tot den +<i>ziels</i>-geloovige, op wat wijze deze ook gelooft, van het Goddelijke +eerbiedig spreekt, hij zal meevoelen en meedenken wekken, op hoe +gebrekkige wijze hij zijn denk-voelen ook verwoordt, mits dat +denk-voelen ècht-in-hem zij. Er voltrekt zich dan een +gemeenschappelijk-zijn tusschen beiden, dat wel op hun wóórden rust als +op aarde een bloemstruik, maar, evenals dat gebloemte die aarde, geurend +en stralend en zon-weertintelend, de woorden te boven rijst. En niet +minder: wie met een liefdevol hart over kinderen spreekt, hoe stamelend +en hakkelend ook, hem lachen alle moeders tegen en de meest zorgenvolle +vader heft van zijn werk het zware hoofd op, om hem even, als tot eene +kracht-schenkende verpoozing, dankbaar aan te zien.</p> + +<p class="sidenote">REYNEKE VAN STUWE: DE KINDEREN VAN HUIZE TER AAR.</p> + +<p>Aldus gaat het hen, die van hen <i>spreken</i>. Die hen <i>beelden</i>, in een +<i>kunstwerk</i>, gaat het anders! Elk niet àl te laag staand mensch wordt +hier een voortreffelijk en nauwlettend criticus. Dezelfde omstandigheid, +die het den gebrekkigsten spreker gemakkelijk maakt, begrepen te worden, +maakt het den <i>beelder</i> moeilijk bijval en lof te verwerven. Want die +omstandigheid is: de liefde voor kinderen, die <i>ieder</i> niet àl te laag +staand mensch bezit. En schoon menigeen een kunstenaar moge vergeven, +dat hij de zwarte en gluipend-strompelende gedaanten van Leed en Ziekte +door een zonnige belichting iets van het vreeselijke hunner donkere +geheimzinnigheid ontneemt, niemand vergeeft het hem, indien hij den +stralenden engel van het geluk ontluistert en deze, door den mist van +licht, waarin hij gaat, te dooven, iets van zijn even geheimzinnige maar +daardoor alsnog onvatbare zaligheid verkondende schoonheid ontrooft.... +En kinderen zijn die engelen.... Daarom, wie kinderen beeldt, moet in +zich hebben het vlugge naderen en het vlugge wijken, de bewegingen en +aanrakingen van zijn geest moeten speelsch van vlug- en lichtheid zijn. +<span class="pagenum"><a name="p42" id="p42"></a>[p.42]</span> Zijn woord moet luchtig ademen als een wind, en zacht en +streelend als een zàchte wind zijn, want er zullen veel vlinders en +bloemen komen te leven op zijn land.... Vele der eigenschappen, die zulk +een kunstenaar vooral dus bezitten moet, zijn wellicht in dit ééne woord +te vatten: bevalligheid. Niet die der saletjonkers en modieuse dames, +maar die der natuur: de bevalligheid der schoone verzen, der in de wei +dravende jonge paarden, der neigende boomen; de bevalligheid, die alleen +uit harmonieuse samenwerking van edele krachten ontstaat. En deze is het +wier aanwezigheid ik telkens en telkens weer in het jongste boek van +<i>Jeanne Reyneke van Stuwe</i> heb gevoeld. Ge weet het waarschijnlijk al: +het zieleleven van kinderen uit den zeer voornamen stand wordt daarin +gebeeld. Door een voortreflijken vader en een stiefmoeder, die hen +liefheeft, als waren zij haar eigen kinderen, opgevoed; door alles, wat +een kinderleven rijk en gelukkig kan maken, omringd, komen er geen +uitzonderlijk-hevige gebeurtenissen in hun leven voor, maar de +schrijfster heeft met goed gevoel voor compositie, het sterven van een +heel jong broertje erin gebracht, waarmede zij, binnen den grens der +meest soliede waarschijnlijkheid blijvend, de gelegenheid heeft +gekregen, de zieltjes der kinderen in de hoogste gevoelsspanning te +laten zien. De drie gegeven kinderkarakters loopen zeer uiteen. Er zijn: +de toekomstige superieure mensch: Adèle; de toekomstige intrigante en +coquette, d.w.z. intrigant en coquet op een vrij onschadelijke en kleine +wijze: Eva; de toekomstige egoïst, goedhartig en vrijgevig uit +praallust, iemand met een tamelijk gering intellect en een zekere +lichtzinnige grilligheid: Charles. Wat echter alle drie gemeen hebben, +is wat men zou kunnen noemen: hun adels-, hun standsbewustzijn, in Adèle +schijnbaar het sterkst, en dit getuigt van den subtielen psychologischen +voelzin der schrijfster: in werkelijkheid namelijk voelt dit kind zich +zoo voornaam door eigen, <i>onbewuste</i> noblesse, maar <i>bewust</i> wordt haar +die voornaamheid slechts als een zich-voelen: kind van Huize ter Aar! +Het boek vol levendige handeling is vlot en luchtig geschreven: een +witte raaf in onze literatuur. De kinderdialoog <span class="pagenum"><a name="p43" id="p43"></a>[p.43]</span> is uitstekend. +En ik zou de onverbeterlijke, oude zondaar niet moeten zijn, die, schoon +hij telkens te hooren krijgt, dat hij zich niet weet te beperken, toch +onverstoorbaar z'n gangetje gaat, als ik u hier niet wat zou laten zien +uit den overvloed van mooie dingen, die ik, al lezend, verheugd zat te +bekijken. Is dit niet allerliefst:</p> + +<div class="blockquot"><p>Ik gun je de pret! zei Amélie. Mag ik 'n chocolaadje? Nemen jullie +die mee? En hoe doen we met de poppen? Het was lang een lieve +gewoonte geweest, om naar een spel "eerlijk" de poppen mee te +nemen. Zelfs Charles waren vaak, hoewel onder protest, <i>kleine +poppetjes in de zakken van zijn jasje gestopt, met de vergunning +deze gedurende de geheele reis verborgen te houden, als hij, +wanneer de vertooningen begonnen, de koppetjes er maar uit liet +steken</i>.<a name="FNanchor_6_6" id="FNanchor_6_6"></a><a href="#Footnote_6_6" class="fnanchor">[6]</a></p></div> + +<p>En hoe uitstekend is, vooral in de door mij gecursiveerde woorden, een +scherpe psychologische observatie gezegd:</p> + +<div class="blockquot"><p>Eva presenteerde "odeur" uit haar flaconnetje, en kreeg nog rooder +wangen, maar nu van ingehouden verontwaardiging, toen Oom Carel +zei:</p> + +<p>—Nee, maar, wat heb jij<a name="FNanchor_7_7" id="FNanchor_7_7"></a><a href="#Footnote_7_7" class="fnanchor">[7]</a> 'n prachtige kanarie-gele handschoenen +aan! Want zij zag de ironie in zijn oogen, en <i>zij háátte hem op +dat oogenblik met een snellen haat</i>, maar vergat dien weer, omdat +Oom, bemerkende dat er niets dan water uit haar flaconnetje kwam, +haar "economie" prees, en ofschoon zij niet precies begreep, wat +hij bedoelde, glimlachte zij toch even complaisant, omdat hij iets +van haar in het openbaar goedkeurde.</p></div> + +<p>Maar dan ook, welk een humor zit in dit werk. Men lette eens op die +prachtige condoleantie-scènes, als 'n tante is gestorven: eerst het +condoleeren door Leentje, een der dienstmeisjes. "Wel gecondoleerd," +zegt zij deftig, en Evatje studeert gauw het vreemde woord in, om het +straks tot de ooms en tantes te kunnen zeggen! Daarna Eva's genoegen als +ze merkt, dat haar vrijertje <i>Piet Erckelens</i> het woord ook zoo goed +weet te gebruiken. Maar dan dit: Charles, die al het heele sterfgeval +vergeten is, speelt met zijn vrienden roovertje, zij hebben zich verdekt +achter boomen opgesteld, <span class="pagenum"><a name="p44" id="p44"></a>[p.44]</span> om den "rijken reiziger in 't eenzame +bosch" te overvallen, en Piet, die uit dat eigenaardige, toch +touchant-eerzuchtige van kinderen en ... groote menschen, om vooral +jegens "hooger geplaatsten" onberispelijke manieren te toonen, overal +naar hem loopt te zoeken, om hem te "condoleeren," nadert:</p> + +<div class="blockquot"><p>De argelooze Piet naderde meer en meer. Hij zette zijn gezicht zoo +ernstig mogelijk. Ja, hij had het wel gedacht: de jongens speelden +nergens. Hij was al in den boomgaard geweest, èn bij de +vischplaats, èn bij de tuintjes, èn bij het achterhek ... nu zou +hij nog eens in den moestuin probeeren.</p> + +<p>Hij naderde. Zijn hoofd was een beetje gebogen, en hij spande zich +in, de juiste, bij de gelegenheid passende gelaatsuitdrukking te +vinden. En ondertusschen loerde Rinaldo Rinaldini achter zijn boom, +gereed om zich met blikkerende oogen op z'n slachtoffer te werpen.</p> + +<p>Piet hoorde iets. Tenminste hij bleef staan. En op dat oogenblik +sprong, tijgerwoest, zijn aanvaller achter een boom vandaan.</p> + +<p>—Sta, of ik schiet!... was Charles van plan te schreeuwen. Maar de +woorden stokten hem in de keel. Roerloos bleef hij op de plek waar +hij stond. En het bloed steeg hem heet naar het hoofd van schaamte +en verwarring, want Piet had zijn hand vooruit gestoken, en op +somberen toon gezegd:</p> + +<p>—Ik condoleer je wel, Arl.</p></div> + +<p>Is het niet voortreffelijk, dat plotselinge ondergaan van Charles' +speellust in schaamte en verwarring? Maar vooral het komische van de +situatie!... Humor en van de beste soort is er ook in de weergave van +het "concert," dat de kinderen voor Juf en de meid geven, en waarop ze +in de volle onschuld hunner hartjes, allerlei gemeene straatliedjes +beginnen te zingen en er absoluut geen begrip van hebben, waarom Juf ze +plots van het podium, een tuintafeltje, trekt en ze met dìt en dàt +dreigt, als ze niet ophouden.... O, ik zou u nog zooveel fijngevoelde +trekjes kunnen citeeren. Ik zou u wel willen laten zien, hoe +voortreffelijk de kinderen in hun onderling zoo verschillenden aard zijn +doorvoeld en weergegeven, bij die groote gebeurtenis: het sterven van +broêrtje: Adèle's innige smart; Evatje's sluw pogen, bij anderen den +indruk te wekken, dat ook zij zoo diep voelt; haar spijt, het maar niet +tot schreien te kunnen brengen. Ik <span class="pagenum"><a name="p45" id="p45"></a>[p.45]</span> zou u even willen toonen de +houding van dat geraffineerde coquettetje-in-den-dop, op het kinderbal, +als haar cavalier vergeet haar ten dans te komen halen, en vooral, o +vooral Adèle's extatisch voelen, "dat er op de hééle wereld geen kind, +neen, geen enkel kind bestond, zoo gelukkig als zij," en, na den dood +van het door haar zoo hevig geliefde broertje, haar weerzin, als ze +hoort, dat er een nieuw kindje komt, dat broertjes plaats zal innemen; +haar vermeende haat tegen dat nieuwe kindje! Ik zoude ook wel nader +mijne meening willen motiveeren, dat de volwassen menschen niet zóó goed +als de kinderen zijn gebeeld, dat met name, hun dialoog niet zoo goed +geslaagd is, dat zij te veel betoogen en te redevoeringachtig spreken, +dat zij ook té zeer als personages van bijzondere gewichtigheid, +bijzonder verstand, en bijzonder gevoel zijn voorgesteld. Het is alsof +zij, <i>in plaats van door de schrijfster-zelf, door de</i> <span class="spat">hen +verheerlijkende</span> <i>kinderen zijn gezien</i>. En ofschoon deze omstandigheid +de éénheid van het werk wel versterkt, 't is toch niet goed.... De +oorzaak wordt ons klaar, indien we er op letten, dat de grove, +zinnelijke <i>Oom Carel</i> beter gebeeld is dan de hoogstaande <i>Alexander</i> +en <i>Jeannette</i>, de beide ouders: de schrijfster zich eenmaal volledig +ingevoeld hebbend in de levenssfeer der <i>kinderen,</i> werd door de visie +van de in reinheid aan kinderen verwante <i>Alexander</i> en <i>Jeannette niet</i> +uit de <i>kinderlijke</i> levenssfeer gerukt, zij zag en beeldde hen dus <i>van +uit die sfeer</i>; door de visie echter van <i>Carel</i>, die <i>niets</i> met het +kinderlijke gemeen heeft, werd zij <i>wel</i> uit het kinderlijke denk-voelen +gerukt. Zij zag en beeldde hem dus van uit de sfeer der kunstenares +Reyneke van Stuwe. Maar nu zal ik over dit alles niet verder uitweiden, +en liever de nog ter behandeling van dit werk beschikbare ruimte +gebruiken, om op iets veel gewichtigers uwe aandacht te vestigen. Zooals +ge u wel, m'n waarde lezer, uit eigen jeugdjaren herinneren zult: in een +kinderleven behoort een sprookjesprins, en, gelùkkig, hij ontbreekt dan +ook in het kinderleven van dit boek niet. Wilt ge hem van hier even zien +verschijnen? Welnu, zie toe:</p> + +<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p46" id="p46"></a>[p.46]</span> Adèle stond wat verder dan de anderen stil te kijken. Het +tooneel, nu het duisterder werd, had een vreemde bekoring voor +haar. Tegen de klare schemerblauwte der lucht bewogen zich de +zwarte figuren der menschen, als de silhouetten van een door +ouderdom donkere plaat. Duidelijk teekende zich de kruisboog van +het net af tegen den effen hemel. En als het plotseling zwaar werd +neergelaten, dan was het opeens, als brak een glad kristal in +scherven, die heftig óp-vlogen, en in glinsterend gruis verstoven. +Zonder zich bewust te maken, wàt zij zag, en zonder het in +zichzelve detailleerend te beschrijven, stond Adèle, en keek, +gevangen in den ban van iets geheimzinnigs, iets ongewoons, dat +haar met onweerstaanbare macht hield geboeid. Alles was <i>anders</i><a name="FNanchor_8_8" id="FNanchor_8_8"></a><a href="#Footnote_8_8" class="fnanchor">[8]</a> +voor haar in deze oogenblikken ... al de menschen, die er bezig +waren, leken vreemde mannen, in een omgeving, die zij niet kende. +De atmosfeer was koel, en onbeweeglijk stonden de boomen en +planten-groepen tegen den donkerblauwen schijn van de lucht. En de +maan werd grooter en helderder, en wierp witte stralen op de +werkzame handen der mannen, en schampte zoo nu en dan een +fel-flitsend licht langs het stille, glanzende water.</p> + +<p>Het was Adèle, alsof zij droomde. In den grooten prenten-bijbel +kende zij de plaat: De wonderbare vischvangst, en ook wonderbaar +scheen <i>deze</i> vischvangst haar toe, en het was haar, alsof zij nog +nooit te voren het zóó had gezien: het ophalen van het net, met de +levende, spartelende massa der over elkaar glippende, +kwikzilver-vlugge en flikkerende visschen, waaruit door den Baas, +onbeschroomd-tastend, een keus werd gedaan.... En nooit had zij 't +nog gezien dat Ruitenburg zoo iets om den adem in te houden vreemds +over zich had, als nu hij, met een emmer visch in de hand, zich +naar de keuken begaf. Zijn voetstappen knerpten over het grint; +zijn breede schouders waren wat naar voren gebogen, en zijn donker, +doorgroefd gezicht was in het maanlicht van een strakken plechtigen +ernst.</p></div> + +<p>Dit is de Prins van het mystieke levensaanvoelen. Dit is de heilige +sprookjes-Prins, die in zijn glorierijk en droome—vlug verschijnen en +verdwijnen, de menschen- en de kinderzielen even stil, ademlóós-stil +maakt van huiverend geluk, om de zijn oogen en gelaat ontstralende +glansen.... Deze bladzij, op een <i>oneindig hooger</i> plan dan het overige +van dit werk levend, bevat—'k zeg het zonder "Oostersch-lyrische" +overdrijving, in koelen bloede en mij sterk bewust van wat <span class="pagenum"><a name="p47" id="p47"></a>[p.47]</span> ik +zeg—een mystieke visie van een héél diep voelend schilder-visionnair.</p> + +<p>Van kind tot kunstenaar <i>il n'y a qu'un pas</i>. En zoo ge schalk genoeg +zijt mij hier te vragen, of het diezelfde <i>pas</i> is, welke van het +sublieme naar het ridicule voert, ik zal u in vollen ernst antwoorden, +dat dit wel en ook niet het geval kan zijn, maar dat het mij althans, +<i>immer</i> geviel in kind en kunstenaar een essentiëele gelijkaardigheid te +erkennen. Want een kunstenaar, ziet ge, dat is eigenlijk zulk een +zonderling en zeldzaam wezen, dat <i>het meest wezenlijke en +karakteristieke van het kind-zijn tot zijn dood behoudt</i>. Dat meest +wezenlijke en karakteristieke is het <i>vaak en grootendeels passief-zijn</i> +van het <i>menschelijk</i> bewustzijn en het zeer actief-zijn van het +zoogenaamde <i>Onbewuste</i>, dat ik, elders, het <i>Natuurlijk</i> of <i>Goddelijk +Bewustzijn</i> heb genoemd. Vandaar het in onze oogen onbeheerschte en +onberekenbare in <i>kinderen</i> en vandaar ook het onbeheerschte en +onberekenbare in de handelingen van vele <i>groote kunstenaars</i>; vandaar +het ademloos-staren in alleen door hen geziene droomwerelden en het, +blind voor het ommeleven, òpgaan in voor hen opdoemende fantasieën door +<i>kinderen</i>, èn het, tijdelijk, als werkelijkheid beleven van visioenen +en verbeeldingen door <i>kunstenaars</i>.</p> + +<p>De parallel zou verder door te voeren zijn, maar ik geloof, dat hij +thans ver genoeg getrokken is, om u ook de door mij niet genoemde punten +van overeenkomst tusschen kind en kunstenaar te doen gevoelen, en te +doen begrijpen, waarom in ònze nuchtere waarneming de verhouding +tusschen de beiden <i>somtijds</i> als van het sublieme tot het ridicule +wordt: Een kind met houten sabel in de hand en papieren kroon op 't +hoofd, zich in volle gemeendheid, zoolang de fantasie duurt, voor een +koning of een veldheer te zien houden, ge geniet ervan, óók wijl ge 't +sublieme en ongerepte voelt in zoo sterk een verbeeldingsmacht; ja, ik +durf, indien ge geen al te saaie brompot zijt, er een lief ding om te +verwedden, dat ge, na de eerste verontwaardiging, achter 't handje +lacht, als <span class="pagenum"><a name="p48" id="p48"></a>[p.48]</span> uw aardig zoontje uw ruit voor een vestingpoort heeft +aangezien, en er met 'n katapult 'n gat in heeft geschoten, maar—ge +behoeft géén brompot te zijn, om een groot kunstenaar, die zichzelf tot +iets noch-nie-dagewesenes proclameert, of, om vermeende krenking, uw +glazen ingooit, ridicuul en lastig te vinden. En toch—dat alles heeft +een zelfde oorzaak: dat kinderen en groote kunstenaars in een oneindig +losser verband dan anderen met de "werkelijke" wereld leven, en dat hun +lagere persoonlijkheid telkens en telkens weer heftig en hartstochtelijk +reageert op de influisteringen en 't voorgetoover van 't "Onbewuste," +dat nu eenmaal gewone menschen niets influistert of voortoovert, welke +reacties—het zij herhaald—zoo zij zich voltrekken in de samenleving +der volwassenen, daar vaak natuurlijk buiten alle redelijke proporties +en uiterst zonderling lijken. Men heeft mij onlangs verweten, dat ik +meedoe "aan het bijna misdadig werk, den leek te stijven in zijn +dwaling, dat koelhoofdigheid, beradenheid en zelfbeheersching +"onartistiek" zouden zijn, burgerlijk en nuchter." De schromelijk-onjuiste +formuleering der beschuldiging daargelaten, wil ik wèl even zeggen, dat +ik mij toen voelde—en dat zal nu ieder begrijpelijk zijn—als die +ongelukkige barbier van zekeren Kalief, die dien vorst onder het scheren +verteld hebbend, dat een veldslag door de Ottomaansche legers verloren +was, onmiddellijk door den Grooten Heer over de kling werd gejaagd. +Helaas—ik houd van Turken!—ook het verhaal van dien barbier was <i>geen</i> +dwaling, maar de onschuldige verteller had den slag toch niet verloren +en ik heb toch niet de groote kunstenaars in de wereld geschopt?... +Intusschen, niet altijd lijken ons die reacties ridicuul, wij achten ze +soms ook wel van grootschen aard, al kan onze nuchterheid zich ook dan +niet weerhouden, tegelijkertijd iets als "Don Quichottisch" te mompelen. +Men denke bijv., om ons tot een voorbeeld uit de literatuur te bepalen, +aan de vrij zuiver uit zijn <i>kunstenaarsaard</i> voortvloeiende weigering +van <i>Cyrano de Bergerac</i>, om de gunst van den almachtigen kardinaal de +Richelieu te winnen, door gehoorzaampjes de wijzigingen te aanvaarden, +die deze in Cyrano's tragedie mocht <span class="pagenum"><a name="p49" id="p49"></a>[p.49]</span> wenschen aan te brengen. Ook +zulk een daad wordt natuurlijk door ieder braaf burger eene krankzinnige +extravagantie geacht, maar hij is zoo genadig haar "mooi" te noemen, ten +eerste, omdat <i>zijn</i> glazen er nimmer door kunnen breken—want laat mij +u verzekeren, dat dit mooi-vinden hem, achter zijn toonbank weergekeerd, +niet zal verhinderen te gnuiven: "Wat die zich daar vergooit ... dat +most mijn gebeuren!... gewóón stápel!"...—en ten tweede, omdat hij +niet door het <i>leelijk</i>-vinden eener daad, die de materie aan de idée +offert, de kans wil loopen te worden aangezien voor iemand, die tot een +dergelijk offer niet in staat is....</p> + +<p class="sidenote">VAN GOGH-KAULBACH: VOOR TWEE LEVENS.</p> + +<p>Ik heb hier nu twee boeken over kunstenaars voor mij liggen: een van +Anna van Gogh—Kaulbach, <i>Voor Twee Levens</i>, dat ons een daad laat zien, +die, op de boven omschreven wijze, "mooi" gevonden wordt en een van +Æg.W. Timmerman, <i>Leo en Gerda</i>, dat ons daden toont, die hinderlijk en +ridicuul zijn. Als weerspiegeling van maatschappelijk gebeuren en in den +psychischen oorsprong daarvan beschouwd, zal ik nu wel, vermoedelijk, in +het voorafgaande over den inhoud van beide voldoende hebben uitgeweid, +laat mij dus nu voornamelijk hun waarde als kunstschepping keuren. In +<i>Voor twee Levens</i> is in <i>Ada</i> de groote artisten-natuur gebeeld, die, +gedwongen door het haar beheerschende Scheppende Vermogen, alle +gewoon-menschelijke gevoelens onder den voet loopt. Welnu, ofschoon +ernstig in aanmerking nemend, dat niet al het bijwerk even goed gelukt +is, dat vooral het boek rustiger had kunnen en moeten geschreven zijn, +waardoor, naast de vele uitmuntende beeldende zinnen, enkele +cliché-achtige en slordig-globale vermeden waren geworden—is en blijft +deze arbeid een geslaagd <i>kunstwerk</i>, omdat een <i>uiterst moeilijke +taak</i>: het beelden eener zeer zeldzame uitzonderingsfiguur, met behulp +van het naturalistische, dramatisch-plastische werk-procédé er +uitstekend in is gelukt. Niet genoeg kan ik de doorvoelings- en +voorstellingsmacht roemen, waarmede in <i>Ada</i>, als bij stukjes en +beetjes, als door een levende mozaïek-van-vele-kleine-handelingen, het +bezeten-zijn van den drang tot scheppen wordt gebeeld. Hoe +allervoortreffelijkst is, hoe innig heb ik <span class="pagenum"><a name="p50" id="p50"></a>[p.50]</span> genoten van die, door +treffende waarheid prachtige, uitbeelding van den angst eens kunstenaars +voor storing op dat begenadigde oogenblik, dat de scheppingsdaad zich +zal voltrekken.... Hoe leeft men daarin mee ... daar geluiden naderende +stappen, daar gaat een stem opklinken ... o, even, éven nog ... breek de +nervig-bevende en als zich wanhopig-instràlende aandacht niet, vóór zij +de nimmer weer zóó terugkeerende visie, gelukkig, heerlijk, buiten zich +heeft vertastbaard en vereeuwigd, en, van het zorgelijk-hoeden van zóó +broozen schat ontslagen, in een zuchten van geluk zich ontspannen +mag.... O, er is nog zooveel fraais in dit boek: de in zijn liefde door +<i>Ada</i> teleurgestelde <i>Ru</i>; het voelen van <i>Louise</i>, die als <i>Ada</i>, die +alleen voor haar kunst kan leven, van <i>Ru</i> is heengegaan, hem met haar +liefde troost.... Maar dàt, de voortreffelijke beelding van den +kunstenaarsaard, dàt is de kostbare kern van dit boek, dàt is het +bijzondere, waarvoor, naar ik hoop, mèt mij vele lezers, der schrijfster +dankbaar zullen zijn.</p> + +<p class="sidenote">TIMMERMAN: LEO EN GERDA.</p> + +<p>De figuur <i>Leo</i> daarentegen in des heeren Timmermans' boek is van het +bohémien-type, van dat type dus, dat gewoon is aan alle, ook de +meest-buitensporige, verlangens toe te geven. Maar bij het lezen van al +de door hem begane dolheden, bedenke men, dat, wanneer hij beweert, dat +hij al die dwaasheden begaat om zich "uit te leven," om "zich frisch te +houden," omdat, in een woord, z'n <i>kunstenaars</i>natuur daaraan behoefte +heeft, dit soms weliswaar niet meer dan een voorwendsel van hem is, maar +hij 't meestal wel heilig en waarachtig meent en intuïtief voelt. +Afstammeling van een aristocratisch geslacht, móórdend-deftig opgevoed, +geest-vermummiënd bewindseld door het kinderachtigst conventioneele in +zijn jeugd, weet hij op later leeftijd niet veel anders met zijn +vrijheid aan te vangen, dan zooveel mogelijk maatschappelijke ruiten in +te gooien, met geen ander wezenlijk resultaat natuurlijk, dan dat hij +eigen handen kwetst. Maar ofschoon we dus zijn bohémien-zijn voor een +deel op de rekening zijner opvoeding moeten stellen, de schrijver laat +ons toch geen oogenblik in onzekerheid, dat het voor het grootste <span class="pagenum"><a name="p51" id="p51"></a>[p.51]</span> +part noodwendig voortvloeit uit <i>Leo's</i> aard, dat wil zeggen: een +<i>kunstenaars</i>aard van <i>zekere soort</i>. En het is een verdienste van den +schrijver, dat hij dit kunstenaarsschap zoo goed heeft doen uitkomen; +dat hij ons <i>Leo's</i> plots-ernstig streven, midden-in zijn chaotisch en +dolzinnig leven, naar ernst en toewijding aan zijn kunst laat zien; dat +hij deze figuur zekere fijnheden laat doen en uitspreken, die ons +onverklaarbaar zouden schijnen in, wij mogen wel zeggen: een dergelijken +woesteling, indien die woesteling niet tevens kunstenaar ware. <i>Gerda</i>, +een boerenmeid, uit de omgeving van zijn vaders landhuis, kan zijn +hooger kunstenaarsleven niet meeleven, maar des te heviger leeft ze zijn +lager kunstenaarsleven, het bohémien-zijn, mede. Al in hun jeugd hebben +ze wel eens begeerend naar elkander gekeken. Later, na zijn vaders dood, +ontmoet hij haar als een dood-gewone demi-mondaine "op de baan," haalt +haar uit een bordeel en trouwt haar ten slotte. Men kan zich +ongetwijfeld levendig voorstellen, wat voor dol- en abjectheden er +dagelijks uit het samenleven dier beide gedeséquilibreerden +voortvloeien. De uitbeelding van dit samenleven is uitstekend gelukt en +reeds als men daarop let, voelt men een jammerlijke spijt, dat het boek +zoo schromelijk is bedorven door des schrijvers malle en jongensachtige +van-leer-trekkerijen tegen dit en dat. Och, och, dat een toch zoo zeer +talentvol schrijver als de heer Timmerman, die plastisch, dramatisch en +psychologisch zooveel in zijn mars schijnt te hebben, maar niet heeft +begrepen dat hij zijn kunst een brevet van onvermogen uitreikt, door +telkens en telkens weer allerlei tendenz in ellenlange betoogen en +onnatuurlijke dialoog in zijn werk te wringen, in stede van zijne +beeldingen—gelijk het leven zelf—<i>door hun wijze van zijn, natuurlijk +voortvloeiend uit hun aarden uit de omstandigheden</i>, vóór of tégen iets, +al naar de lezersgeest hen opvangt en verwerkt, <i>van zelf</i> en <i>zelf</i> een +of andere meening te laten suggereeren of bewijzen. Want welken anderen +indruk kan iemand, die als een suppoosterige museum-gids bij eigen werk +staat te oreeren, wekken, dan die, dat hij voelt, dat 't werk-zelf +<i>niet</i> sprékend-leeft?! Ook: hoe overladen is het daardoor geworden, hoe +<span class="pagenum"><a name="p52" id="p52"></a>[p.52]</span> bultig-gedisproportionneerd. Het is of al de ervaringen, of al de +meeningen, al de haat en al de liefde, in een lang leven gegaard en +gekoesterd, in dit eene boek chaotisch-ziedend-en-worstelend moesten +worden uitgestort! Maar het samenleven van <i>Leo</i> en <i>Gerda</i>, hoe goed +ook, is nog niet eens het beste in het boek. Het beste is vervat in het +eerste hoofdstuk.</p> + +<p>Er is daar in de schildering van de verhouding tusschen <i>Gerda</i> en haar +vader, wiens half-onbewust sexueel begeeren naar haar, zijn dochter, +deze, uit haat tegen hem, aanwakkert, door hem telkens en telkens weer, +op grof-zinnelijke wijze te prikkelen—er is daar een epische zwier en +tegelijkertijd een meesterlijke ingetogenheid in het aanduiden der +verhoudingen en van het innerlijk gebeuren, die een kunstenaarsmacht van +héél hoogen rang aanduiden. Die voortreffelijkheid van het eerste +hoofdstuk keert in het heele boek niet weer. En wie zou niet vermoeden, +dat zelfs deze daling, van het uitstekende naar het goede, veroorzaakt +wordt door den jongensachtigen strijdlust, die vaardig wordt over den +schrijver. Even weldoend als het moet zijn, een mensch met zulk een +jeugdig hart, zulk een oprechten en edelen geest, als de heer Timmerman +klaarblijkelijk is, onder zijn vrienden te mogen rekenen, even +bedroevend is het, zulk een mensch zich, met al zijn impulsen, trots +dier noblesse, in het werk van het door hem zich uitende Scheppend +Vermogen te zien dringen en dat zoodoende verminken, welk te bejammeren +bedrijf dan ook ten slotte op het eind van het werk uitloopt in een +soort fotografie-realisme, dat niet schroomt, in eene hen ten slotte +weinig flatteerende apotheose sommigen van de mannen-van-'80 ten +tooneele te voeren! Ik kan mij niet voorstellen, dat eenig lezer van +smaak blijde is, hier gepromoveerd te worden tot den spreekwoordelijken +<i>valet</i>, die nu eenmaal gedoemd is groote mannen in kamerjapon te +zien....—En, nu ik, vóór te eindigen, nog even dralend en keurend +terugzie over dit opstel, dat door bijzondere omstandigheden al te +vluchtig moest worden geschreven maar waarin het mij toch tot mijn +genoegen was gegeven, niet alleen over de kunstwaarde van drie ernstige +werken te spreken, maar ook sommige <span class="pagenum"><a name="p53" id="p53"></a>[p.53]</span> mijner lezers, naar ik mij +vlei, naar aanleiding van die werken te hebben doen doorvoelen, dat het +Scheppend Bewustzijn de lagere persoonlijkheid én van kinderen én van +kunstenaars op vrijwel gelijksoortige wijze beïnvloedt—nu voel ik toch +de behoefte, nog even mijne meeningen dááromtrent verduidelijkend saam +te vatten: dat die beïnvloeding nml. beiden tot <i>buitensporigheden</i> +brengt; dat het den eersten een aan volwassenen vreemde, verrukkelijke +en liefde-wekkende bevalligheid verleent en aan de uitstameling hunner +blonde droomen dezelfde bekoorlijkheid van menschelijk-onbewust-geschapen +rijkdom, die ook kunst bezit, en de laatsten éénerzijds tot groote en +lichtende daden van sterke wils- en gevoelsconcentratie, anderzijds tot +uitspattingen drijft, <i>alle</i> welke buitensporigheden echter de deugd +bezitten van <i>de sleur te breken en den gewonen menschen de oogen te +openen voor nauwelijks vermoede</i> hoogere en lagere mogelijkheden, en dus +hetzelfde te bewerken, <i>wat een ver afgedwaalde vogel doet, die +uitheemsche zaden in een land laat vallen, en ongekende planten daar +verwekt</i>....</p> + +<p>Maar dat ik juist het werk van den heer Timmerman omhoog moest heffen +als een waarschuwing, wàt met <i>het kunstwerk</i> gebeurt, als de lagere +persoonlijkheid zich al te roekeloos met de schepping van het Hoogere +Bewustzijn moeit, dàt was mij èn om des heeren Timmermans' groot talent +èn om zijn klaarblijkelijk zóó edele menschelijkheid, tot een zéér diep +leedwezen.—</p> + +<p>15 April 1912</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>BRIEVEN OVER LITERATUUR</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p54" id="p54"></a>[p.54]</span></p> + +<h3>IV.</h3> + + +<p>Helaas, datgene, wat ik, schoon wellicht geheel ten onrechte, de +noodwendigheid mijner uitingen zou willen noemen, dwingt mij nu, reeds +bij den aanvang van dit schrijven den gemoedelijken en +kalm-vriendelijken lezer te irriteeren en wellicht af te schrikken met +een zoo paradoxaal-klinkende bewering als deze: <i>De alomtegenwoordigheid +in de een of andere durende relatie, gesteld nu eens, dat een +niet-bovenmenschelijk wezen alomtegenwoordig kòn zijn, zou dat wezen +onverbiddelijk verhinderen, roem, waardeering of zelfs genegenheid te +verwerven</i>.</p> + +<p>Gij, die dit mocht betwijfelen of ontkennen—terwijl ik spreek, keer tot +u-zelf in. Luister naar mij en luister naar u-zèlf, te eigener ure.... +Ge zult zien dat u dit niet moeilijk vallen zal, want mijne woorden, +vertrouw ik, zullen niet anders dan de bewust-makende <i>parafrase en +verduidelijkende begeleiding ùwer gedachten</i> zijn.</p> + +<p>Dus: <i>waarom</i> dan zoude de alomtegenwoordigheid haren grooten, niet +bovenmenschelijken bezitter verhinderen roem, waardeering en genegenheid +te verwerven? Gij weifelt: omdat de nijd ... maar waarmee gij—en hier +ziet gij oprecht vragend op—toch waarlijk <i>niet</i> behept zijt?!... Och +neen, en ge weet het nu zelf op dezen oogenblik: zijn wij niet <i>ook</i> +liefdevoller dan wij-zelf meestal denken?... O, het is iets veel ergers +dan de nijd! En voeldet ge niet al het weten, <span class="pagenum"><a name="p55" id="p55"></a>[p.55]</span> wàt het is, +naderen, toen ik zei, dat wij <i>ook</i> liefdevoller zijn dan <i>wij-zelf</i> +denken?... Het is: <i>omdat er zelfgeringschatting ligt op den grond onzer +zielen</i>! Neen, dàt wisten we nooit of zelden, en hoe zouden wij ook? Wij +<i>wilden</i> het immers niet weten. Hadden ook onze moralisten ons niet +altijd geleerd—ons daardoor steunend in het al meer ònbewust wordend +zelfbedrog—dat hoogmoed en zelfoverschatting de vergiften zijn, die +ons verwoesten? Hoe zouden wij dan het weten vermeesterd hebben, dat +integendeel zelfgeringachting het lijkig-blauwende aardgas is, dat +opstijgend de plantwortels in onze landen vermoordt, zoodat we van +koren, bloemen noch geuren genieten! Want geen andere dan +zelfgeringschatting is het, die ons twijfelend laat staan tegenover een +groote van <i>onzen</i> tijd, van <i>ons</i> land, die ons de handen smachtend +naar <i>andere</i> tijden en <i>andere</i> landen laat strekken. En geen andere +dan diezelfde geringschatting ontneemt ons het heerlijke geloof, dat in +<i>onzen</i> tijd, in <i>ons</i> geslacht, in <i>ons</i> land, als een evenmensch met +<i>ons</i> verkeerend, een <i>Groote</i> leven kan. <i>Daarom</i> is het spreekwoord: +Geen profeet wordt in zijn eigen land geëerd, een waarheid: De +<i>zelfgeringschatting</i> staat niet toe te gelooven, dat het <i>eigen</i> land +een profeet <i>kan</i> voortbrengen! En <i>daarom</i> zou een <i>alomtegenwoordige</i> +Groote <i>nergens</i> worden geëerd!</p> + +<p>Maar hier ziet gij op, schudt het hoofd en beduidt mij niet onduidelijk, +dat <i>indien</i> al de bijkomende overwegingen niet van eenige waarde +ontbloot mochten zijn, mijne primaire bewering, schoon tevens +beargumenteerde conclusie geworden, geenerlei <i>practisch</i> belang heeft, +want er bestaat geen niet-bovenmenschelijk wezen, dat alomtegenwoordig +zou zijn!</p> + +<p>Maar ach, dit is 'n schromelijke vergissing van u, mijn waarde lezer! Is +het u dan nooit opgevallen, dat het Joodsche Volk, dat een Groote is, +tevens zulk een alomtegenwoordig wezen is? Trek alle landen door en +overal zult ge het ontmoeten, en wat er ook verwaasd moge zijn, uit alle +historische tijden zien u zijn zelfde zorgenvolle oogen en verweerde +gelaat aan.... Israël is ieders tijd- en ieders landgenoot.... <i>Daarom</i> +is het nergens en nooit geëerd en geliefd met de liefde en den <span class="pagenum"><a name="p56" id="p56"></a>[p.56]</span> +eerbied, die hem toekomen. En wat hem daarvan onthouden wordt, daar +minder, ginds weer meer, wat iéderen Groote, in welken tijd en in welk +land ook levend, daarvan in dien tijd en in dat land onthouden wordt—is +<i>altijd evenredig aan het gebrek aan zelfachting en zelfvertrouwen van +hen, die hem moesten eeren en liefhebben</i>. Want luister! Zooals de +betrekkelijk schaarsche bewondering voor tijd- of landgenootelijke +Grooten niets anders is, in zekeren zin, dan de veruiterlijking der +innerlijke zelfhoogachting, het <i>kunnen-gelooven aan met hen verwante +grootheid</i> der schaarsche hoogstaanden, zoo is de cynische twijfel +tegenover die Grooten niets anders dan de weerspiegeling van de +zelfgeringschatting der middelmatigen, het <i>twijfelen aan de +mogelijkheid van bestaan van aan hen verwante grootheid,</i> en zóó, ten +slotte, is de <i>haat</i> tegen en <i>verachting</i> van zulk een Groote—en ge +ziet in het antisemitisme van het hooligan-type het zuiverst beeld van +zulk een haat!—anders dan de uitgebraakte <i>zelfverachting</i> der +verdierlijkten, <i>het onmogelijk kunnen gelooven aan op eenigerlei wijze +met hen in aanraking zijnde grootheid</i>, en het dáárom tegelijkertijd +haten èn verachten als <i>gehuichelde en geüsurpeerde</i> meerderheid, 't +geen inderdaad <i>werkelijke</i> en <i>rechtmatige</i> meerderheid is, en die zij +<i>als zoodanig</i> doorvoeld, <i>alleen</i> geháát zouden hebben.</p> + +<p>De Literatuur, we weten het, heeft wonderen van vlijm-hoonende ironie, +van monsterlijk-groteske, in den snik-lach om zich-zelf zich +schaamteloos-wentelende gedrochten voortgebracht, máár—het allerbeste +behield de Natuur zich-zelf ten dienste harer onmiddellijke scheppingen +voor: deze antisemieten van het hooligan-type vooral, maar niet alleen, +zij zijn onovertrefbaar van gedrochtelijkheid, een charge lijken zij, +een overdrijving, zij zijn onwaarschijnlijk en onwezenlijk van +alleruitmuntendste wezenlijkheid! En die heele bende pogromhelden, deze +Kischinewsche en Homelsche vrouwenwurgers en kinderverkrachters, met den +allerchristelijksten Czaar-paus-vredestichter tot beschermheer, die hun +slachtoffers <i>verachten</i> en niet weten, dat zij niet anders dan +<i>zelfverachting</i> braken!... Dàt staat hoog boven alles uit, pràchtig +<span class="pagenum"><a name="p57" id="p57"></a>[p.57]</span> stinkend-van-walgelijkheid en oogenvonkelend, snoet-roodend en +wijdmuilend van bestiaal-zinnelijke, hik-lachende belachelijkheid.</p> + +<p>Gij, <i>Hollander</i>, zult niet vragen, schaamteloos-onverschillig als de +zonen van menig ander volk, waarom ik ú dit vertel; gij, die slechts aan +zelfgeringschatting lijdt en geen zelfverachting voelt noch behoeft te +voelen; gij, landgenoot van Surenhuys en Basnage en die bevallige +Joffers en edele Heeren, die uit een zachte liefde jegens de oude +cultuur eener groote natie, de Hebreeuwsche literatuur vereerden, o ik +weet het en wensch hun sentiment te onder- noch te overschatten: zoo +ongeveer wellicht op dezelfde wijze, waarop een Fransch edelman de +verweeuwde vriendin zijner jeugd nog elken dag bezoekt en weemoediglijk +zacht causeert en haar lieve en bevallige geschenkjes met bescheiden +glimlach en hoofsche buiging biedt. Al weet ik óók: die tijd is lang +voorbij, en al is het mij niet verholen, dat gij, hun nakomelingen, niet +vrij zijt, hier en daar, van een zeker ras-antagonisme.... En bovendien: +hoe ver staat gij in uw modern leven van al die speelsche +bevalligheidjes af: een Tesselschade aardige klassiek-Hebreeuwsche +briefjes aan hare vriendinnen over het huishouden en de edele kookkunst +schrijvend!... Maar toch, wat ook gij wel weet en van welk weten gij u +naar ik hoop niet ver zult houden, is: dat Spinoza uw grootste wijsgeer, +Israëls een uwer grootste schilders, en Querido thans, onbetwijfelbaar, +uw grootste epicus is en dus.... Neen, zeker ... ik ben overtuigd, gij +hebt aandachtig geluisterd, terwijl ik u sprak van dat volk, dat u +zooveel heeft geboden, en zult voortgaan met niet minder aandachtig te +luisteren, al spreek ik dezen keer over niets anders dan over werk van +zonen van dat volk.</p> + +<p>Het literaire genie der Joden schijnt mij tot voor betrekkelijk weinig +decenniën overheerschend meditatief-lyrisch te zijn geweest; hun episch +vermogen—de tijdvakken, die den Bijbel uit zich hebben omhoog gestuwd, +buiten beschouwing gelaten—vrij wel latent; hun plastiek niet sterk, +zelfs de plastiek <span class="pagenum"><a name="p58" id="p58"></a>[p.58]</span> van Salomo's onvergelijkelijk <i>Lied der +Liederen</i> wordt geschaadt en ernstig verzwakt door de tendentieuse +beeldvorming eener bedoelingsvolle allegoriek. En ik heb zoo'n stil +vermoeden, voor 't eerst nu ruchtbaar gemaakt, dat Mozes, behalve een +geniaal wetgever, ook een uitstekend kunst-beoordeelaar bleek te zijn, +toen hij het gouden kalf verbrandde! Maar, helaas, welk een +onvoorzichtigheid tevens beging hij daar mee. Het schijnt of men maar +geen vrede met dit genadeloos afbrekend oordeel hebben kon! Men moest en +zou bewijzen wel degelijk in staat te zijn gouden kalveren van de +allerbeste kwaliteit en natuur-getrouwe allure voort te brengen.... En +met welk een succes!... De Rotschilds en de Hirschen, wie zou het hoofd +niet voor hen buigen, zelfs nadat ze door de Morgans, de Rockefellers en +hoe al die andere onbaatzuchtige artiesten verder mogen heeten, +overvleugeld zijn. En wat zeg ik: overvleugeld! Dat zit nog! Denk eens +aan die prachtige groep: <i>Het Gouden Kalf bevuilend zijn eigen Stal</i>, +eenige jaren geleden door een russophil, joodsch bankier, in vrije +uurtjes van kunstlievigheid en inspiratie gewrocht.... O, dat was om op +de knieën te vallen!... Och, of Mozes nog geleefd hadde! Zoude hij +ditmaal instede van het kunstwerk niet den kunstenaar hebben verbrand, +om voor goed te verhinderen, dat deze zich wellicht in de toekomst aan +een noodzakelijk-mindere, hem-zelf en zijn werk schadende herhaling zou +te buiten gaan? Inderdaad, ik mag zeggen, dat het antwoord zoo makkelijk +te geven als de vraag te verstaan is! Maar Mozes leeft niet meer, en +welbeschouwd is dat ook goed, want het moet niet aangenaam zijn, een +groot man iets overbodigs te zien doen. Want nu in ernst, zoo blijde, +als deze scherts bitter was: dat uitschot van mijn volk—maar ik wensch +nu verstaan te hebben, dat ik hier alleen spreek van die tijdens de +jodenvervolgingen en revolutie aan Rusland geldschietende Joodsche +ellendelingen—deze verkoopers van hun broers, verloochenaars van hun +ras, deze verzwijnden in den afval der vreemde maatschappijen, hoe zijn +zij weggedrongen door de kinderen der Jesaja's en Jeremia's, door de +nieuwe profeten zoowel van de vertroosting als het leed! Er is in de +jonge Joden, <span class="pagenum"><a name="p59" id="p59"></a>[p.59]</span> in deze geheele, nu opgebloeide generatie van jonge +dichters en schrijvers, met de melancholie van het ghetto of de hoop op +renaissance—meest met beiden!—in hun hart, geen eerbied meer voor het +geld om het geld, geen eerbied ook meer voor autoritaire tradities: van +een heilige aandacht vol, hebben zij zich diep gebogen over de natuur, +hun volk en hun ziel, en zoo zij hun blikken wenden van deze trits, het +is alleen om in een óver-huiverend gevoel van geluk te zien naar de +wondere Aronsstaf in hun hand, die, voorlang tot 'n dor hout geworden, +nu in geurende bloemen ontluikt. Want ze weten het, zij zijn het, die +hem doen bloeien, daar de mystieke zegen der natuur èn van hun volk èn +van hun eigen ziel, hem uit hun handen en gelaat bestraalt. Die +Aronsstaf, mijn lezer—gij zoudt het reeds begrepen hebben, zoo ge het +boek van <i>Dr. Slousch</i>, waarover ik nu ga spreken, gelezen hadt—die +Aronsstaf is de verjongd-uitbottende <i>Hebreeuwsche taal</i>!</p> + +<p class="sidenote">DR. SLOUSCH: LA POÉSIE LYRIQUE HÉBRAÏQUE.</p> + +<p>Het, de nieuwe Hebreeuwsche lyriek (1882—1910) behandelende, boek van +dezen geleerden, met een zeer fijne critische intuïtie begaafden +Sorbonne-docent, waardeer ik niet zoozeer om eenige bijzondere kwaliteit +der literaire analyse, die te zeer op het tweede plan teruggedrongen is, +om een definitief oordeel over het analytisch vermogen van den auteur +mogelijk te maken, maar voornamelijk om de volgende redenen: het +meesterschap over de stof, het met strak en vast gebaar aangeven van de +groote ontwikkelingslijn, en het aanwenden van meer moderne +literair-critische methoden op eene literatuur, die zelden of nooit door +een beoordeelaar zonder religieuzen bril bekeken is. Dat vooral maakt +een alleraangenaamsten, buitengewoon prettigen indruk. Máár—volkomen +geëmancipeerd van alle kerkelijke gedachten-dwang als Slousch mij lijkt, +is hij dan ook aan de dezen geestestoestand soms begeleidende euvelen +niet ontkomen. Een enkel maal is hij "erge" nieuwlichterlijkheid +schromelijk onjuist en onrechtvaardig. Zoo, sprekend van den door hem +als groot geprezen Saül Tchernikhovsky, zegt hij:</p> + +<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p60" id="p60"></a>[p.60]</span> Cette dernière allusion à un rite rabbinique peu esthétique +(het dragen der gebedsriemen, v.C.) auquel la tradition attache +beaucoup d'importance, doit accentuer le contraste entre la beauté +du culte grec et le manque de gout des rabbins.</p></div> + +<p>Ten eerste is deze ritus niet "rabbijnsch" maar vloeit onmiddellijk uit +een bijbelsch gebod voort! Het ware de taak van den analytischen +criticus hier geweest, op te merken, dat als Tchernikhovsky toornt:</p> + +<div class="blockquot"><p>Toutes ces belles choses, que des hommes sans vie, que des êtres +pourris, vils et rebelles à la vie (Men merkt: eenzelfde verwijt +als reeds zoo vaak het Christendom getroffen heeft, treft hier het +rabbijnsche Jodendom! v.C.) ont enlevées a Shadaï-Dieu-Roc (cette +divinité impénetrable du désert, qui présidait aux actes des +conquérants de Chanaan) et qu'<i>ils ont enchainées dans les cuirs +des philactères</i>,</p></div> + +<p>hij tegen den verkeerde toornt, want dat dit "ketenen in het leder der +gebedsriemen" een gebod van "Shadaï-Dieu-Roc" zelf is. <i>Niet</i> dus van +"Adonaï, le Dieu pacifique et ritualiste des rabbins," maar wel degelijk +van: "Jehova-Zebaoth, le dieu guerrier et vengeur des Hébreux." Instede +van hem den dichter te doen bijvallen, hadde dus deze plaats Dr. Slousch +tot een schoon voorbeeld kunnen dienen van wat hij-zelf het "souvent +plus oratoire que sincère" in Tchernikhovsky's poëzie noemt! Maar ten +tweede zal het wel iedereen, behalve Slousch, onmogelijk zijn in te +zien, waarin het "onaestetische" van dezen ritus steekt! Integendeel, ik +herinner mij levendig uit mijn jeugd, welke aan het extatische grenzende +momenten ik doorleefd heb, door die "kroon op mijn hoofd" en dat "zegel +op mijn arm" en ook—hoe rijk is een kind!—hoe ik midden in het +ochtendgebed en mij alleen in de kamer wetend, plotseling, door de +invallende gedachte opgewonden, nerveus maar toch glimlachend van +voorvoeld genot voor den spiegel trad, om, terwijl ik het tallith—den +gebedsmantel—op z'n schilderachtigst om mijn lijf drapeerde, te zien +of mij de hoofdgebedsriem nu waarlijk als de vorstelijke diadeem stond, +die ik mij altijd op 't hoofd droomde.... Helaas! hoe kan men zoo dalen: +niet alleen dat ik niet meer taal naar een kroon, maar ik ben zelfs met +een stoffigen hoed tevreden!... <span class="pagenum"><a name="p61" id="p61"></a>[p.61]</span> Maar dus: "onaestetisch"!... ik +begrijp er niets van! Een andere onjuistheid van dien aard is de +volgende. Na een citaat uit denzelfden Tchernikhovsky, zegt onze auteur:</p> + +<div class="blockquot"><p>Allusion à un passage talmudique qui exècre celui qui s'arrête à +contempler "un bel arbre ou un beau champ."</p></div> + +<p>Men zou dus hieruit gevoegelijk de enormiteit kunnen afleiden, dat deze +passus het bewonderen van natuurschoon verbiedt!! Daar is natuurlijk +niets van aan! In werkelijkheid luidt bedoelde sententie, in getrouwe +vertaling, aldus:</p> + +<div class="blockquot"><p>Die ten wege gaat <i>en over gewijde onderwerpen méditeert en zijn +meditatie afbreekt</i>, om te zeggen: hoe schoon is deze boom, hoe +schoon deze akker, hem beschouwt de Schrift als een die <i>zich +schuldig maakt jegens eigen ziel</i>.</p></div> + +<p>Ik zal dit niet nader behoeven te analyseeren, om den lezer, die op het +door mij gecursiveerde let, te overtuigen, dat hier noch van een verbod +om natuurschoon te bewonderen noch van iemand "verfoeien" sprake is!</p> + +<p>Maar—en spreekt dit trouwens niet van zelf?—het opmerken dezer kleine +vlekjes kunnen de wijde en diepe dankbaarheid niet verminderen, die ik +als een warme liefde in mij voel voor dit boek en zijn schrijver. Bij de +geestelijke gestalten der daarin behandelde dichters, dezer vergeefs +vervolgde, ontembare en van levenskracht stralende helden, wat zijn wij, +Westersche Joden, daar Jood<i>jes</i> bij. Van hen allen schijnt <i>Bialik</i> mij +de allergrootste. Men leze dit door Slousch aangehaalde kleine fragment +uit het gedicht <i>Massa Nemirow,</i> "une description réaliste du pogrome de +Kichenev."</p> + +<div class="blockquot"><p>Fils de l'homme ... lève-toi et va vers la ville de la Tuerie. Tu +visiteras les maisons pour voir de tes yeux et pour palper de tes +mains le sang figé et les cervelles durcies sur les haies, sur les +arbres et sur le cement des cloisons.... Puis, tu iras voir les +ruines, en franchissant des brèches, en passant par des murs troués +et par les fours brisés, la où les entailles sont les plus larges, +où les trous sont les plus grands, où la pierre noire est denudée +et la brique arrachée.... Elles sont pareilles aux bouches beautés +des plaies sordides pour lesquelles aucun moyen, aucun remède n'est +plus efficace. Tes pieds s'enfonceront dans les plumes et buteront +contre les décombres des objets brisés, <span class="pagenum"><a name="p62" id="p62"></a>[p.62]</span> contre les restes +des livres et des parchemins, biens perdus, produit des peines et +des labeurs surhumains....</p> + +<p>Cependant, tu ne t'attarderas point sur ces ruines et tu +continueras droit ton chemin.... Et l'odeur des acacias viendra à +ta rencontre, et leur parfum pénétrera dans tes narines et leurs +fleurs qui sentent le sang....</p> + +<p>Et comme pour te contrister, leur senteur étrange répandra dans ton +coeur la fraîcheur du printemps, et tu le supporteras! Et le soleil +te percera de myriades de flèches dorées qui refléteront sur chaque +fragment de vitre sept rayons joyeux de ton malheur....</p> + +<p><i>Car Jehova fit appel au printemps et à la tuerie à la fois. Le +soleil rayonnait, l'acacia s'épanouissait et le bourreau +abattait</i>....</p></div> + +<p>Door het cursiveeren van den laatsten zin, in zijn poignante +tegenstellingen vol van een magistrale, zwaar dreunende zeggingskracht, +toont <i>Slousch</i> wel duidelijk, welk een bevoegd docent zijn discipelen +in hem bezitten. Jammer, dat door de ontstentenis van den oorspronkelijken +Hebreeuwschen tekst den lezer van dit boek de mogelijkheid wordt onthouden, +ook zijn vertaal-talent te waardeeren. Een ander gedicht: <i>La Chose +(Dabar)</i> van denzelfden dichter ontlokt onzen auteur deze opmerking:</p> + +<div class="blockquot"><p>Dans ce sanglot de désespoir suprême d'une pensee qui s'obstine à +vivre, bien qu'elle soit hantée de l'idée de la Fin, s'affirme une +sensibilité vivante et sympathique, qui mérite d'être connue de +notre siècle d'égoïsme et de positivisme à outrance.</p></div> + +<p>En overtuig u hoezeer hij gelijk heeft: (Ik citeer slechts een klein +gedeelte.)</p> + +<div class="blockquot"><p>Car <i>une chose</i> s'est declarée chez nous et personne ne sait ce +qu'elle signifie.</p> + +<p>Est-ce un Lever ou un Coucher de soleil? Si c'est un Coucher, +est-ce pour jamais?</p> + +<p>Car le Chaos qui nous entoure est grand. Il est terrible ce chaos, +et n'offre aucun refuge.</p> + +<p>Et alors même que nous voudrions implorer dans les ténèbres, nous +livrer aux prières, quelle oreille nous écouterait?</p> + +<p>Même si nous blasphémions, sur quelle tête retomberaient nos +blasphèmes?</p> + +<p>Et lors même que nous grincerions des dents, que nous lèverions le +poing de colère, quelle nuque en serait atteinte? Le Chaos, le vent +emporterait tout sans laisser des traces.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p63" id="p63"></a>[p.63]</span> Plus de point d'appuis, plus de soutien, plus de chemin. Les +cieux se sont tus!</p> + +<p>Ils savent combien ils sont criminels envers nous, et combien leur +crime est infernal, et ils portent silencieusement le poids de leur +faute.</p> + +<p>Ouvre donc ta bouche, ô Prophète de la Fin, et si tu as quelque +chose à dire, dis-le!</p> + +<p>Dût ta parole être amère comme la mort, dût-elle être la mort +elle-même, parle, dis-la!</p> + +<p>Pourquoi craindrions-nous la mort, puisque déjà son ange chevauche +sur notre dos et met le mors dans notre bouche?</p> + +<p><i>Et en plein hymne de Renaissance chantant sur nos lèvres, en plein +délire de joie de vivre, nous galopons vers la tombe</i>....</p></div> + +<p>En hoe val ik Slousch bij als hij van dien anderen groote, +Tchernikhovsky, zegt:</p> + +<div class="blockquot"><p>(Wat hij in zijn verzen geeft) c'est la vie réelle, l'effort que le +poète prêche aux fils degénerés du ghetto.</p> + +<p>Débordant lui-même de la joie de vivre et d'agir, il exerce une +action d'autant plus grande sur le lecteur, ses propres collègues.</p> + +<p>Il a conscience de son rôle de régénérateur. Il est aussi large, +aussi prodigue que la nature l'est pour lui-même.</p></div> + +<p>Ja, inderdaad: "débordant de joie de vivre!" Luister slechts, ten slot, +naar dit:</p> + +<div class="blockquot"><p>Mais non! Elle ne mourra pas la Poésie! Elle ne mourra jamais! Même +le jour où l'homme ver parviendra à étendre son règne sur les +domaines du Ciel et des abîmes, à dompter les tonnerres et le feu, +et à jeter des clartés sur les ténèbres de la nuit polaire, elle ne +mourra point.... Dans les cadres d'or pur, dans les colliers des +rimes, l'enthousiasme de l'âme du poète jaillira puissant comme le +grondement superbe de la mer. Aux souvenirs des actes accomplis par +les pères aux temps passés et dans la félicité sans bornes des +siècles à venir, elle ne mourra pas, elle ne mourra jamais!...</p></div> + +<p>Bialik en Tchernikhovsky! De een, de sterke, mannelijke drager en +bepeinzer van het schrijnende leed van millioenen, de ander de bazuin +van hun onverwoestbaar geloof in het leven en in de toekomst, beiden te +zaam een beeld van die edele revolutionnaire kracht, in welke de felle +en vernuftig-ondermijnende haat van het <i>intellect</i> tegen het +verfoeielijk maatschappelijk <i>systeem</i>, zich heeft gepaard aan de +erbarmingsvolle <span class="pagenum"><a name="p64" id="p64"></a>[p.64]</span> zachtheid van de <i>ziel</i> jegens de <i>menschen</i>; een +beeld in één woord der revolutionnaire kracht van het stam-volk van +<i>Marx en Lassalle</i>!—Maar terwijl ik dit neerschrijf wordt weer het oude +en schaamtevolle betreuren in mij wakker. Mijn liefde voor de Bialik's +en Tchernikhovsky's, zij wijkt bleek en huiverend terug, gelijk een +hooghartig geweigerde liefde. En het is mij of dat rechtvaardig is, en +ik geen broederlijk deel aan noch recht op hen heb. Hoe bitter is dit: +dat ik in de maatschappij, waarin <i>ik</i> leef, niets van het leven, het +denken, het voelen dier sterken en vurigen en in mijn eigen trekken noch +in die mijner westersche en vooral hollandsche stamgenooten gelijkenis +met hun geestelijk gelaat herken.</p> + +<p class="sidenote">DR. KARPELES: HEINE-RELIQUIEN.</p> + +<p>En dat kàn niet aan mijn blik liggen. Want denk ik daarentegen aan dat +andere, door mij nu te behandelen boek, het nog niet sinds lang +uitgegeven werk van Dr. Gustave Karpeles: <i>Heine Reliquien</i>, dan zie ik +daarin niet één mensch, hij zij Ariër of Semiet, of ik vind het meest +karakteristieke zijner wezenheid in de mij omringende menschen terug: +<i>Salomon Heine</i>, de man van de quasi-luidruchtigheid en jovialiteit, +welke zijn grimmig sarcasme moeten bedekken tot den tijd, dat het vlug +de venijnige nagelklauwtjes uitschiet, de man wiens diepste wezensaard +is: een onder zijn joodsch-bankiers-cynisme voortsmeulende en er +lichtelijk door gedompteerde vettige zinnelijkheid; <i>Gustave Heine</i>, de +gedistingeerde, veradellijkte cavallerie-officier, met zijn literaire +aspiraties en talentjes, met een manusje-van-alles-achtigheid in zich, +een aanpassingsvermogen, een abiliteit om zijn cocon op het juiste +tijdstip als glanzend vlindertje, de vleugeltjes beladen met stofgoud, +te kunnen verlaten, die buitengewoon zijn; de <i>Baron de Custine</i>, met +zijn verliefdheid op den Heiniaanschen geest; Varnhagen en Immermann, +"die hun best deden als ze aan Heine schreven, even geestig als hij te +zijn." ("Hoe dat uitviel is een andere zaak," voegt Karpeles er schalk +bij.) O, al die menschen ken ik empirisch èn intuïtief door en door! +Doch hoe veel beter ware het mij, als ik de Bialik's aldus kende! Maar +toch: niet alleen als vergelijkingsmateriaal <span class="pagenum"><a name="p65" id="p65"></a>[p.65]</span> met het zoo oneindig +belangrijker werk van <i>Slousch</i>, is het boek interessant. Het is het +vooral om de figuur van den grooten Heinrich. Die blijkt ook hier weer +enorm! Luister even, bid ik u: 1 Febr. 1846 schrijft hij:</p> + +<div class="blockquot"><p>Lesen kann ich gar nicht, schreiben nur wenig. Ein Auge ist seit +einem Jahr ganz geschlossen, das andre sehr matt, und 2/3 des +Gesichtes, inclusive den Mund sind gelähmt. Dabei bin ich +lebensmuthig geblieben, und habe gar kein Lust mich ruhig mit +Füssen treten zu lassen. Im Gegentheil mich jucken die Fuszspitzen +und Gott sei genädig dem Hintern, den sie nächstens treffen.</p></div> + +<p>Men ziet het: de verlamde en den dood zich nabij wetende Heine heeft +niets van zijn trotsche en vreeslooze strijdvaardigheid ingeboet. Ook +niets van zijn beroemde geestigheid! In die geestigheid had de +<i>Jiddische Witz</i> zijn culminatiepunt gevonden. Moest ik deze laatste +karakteriseeren—en dit is wellicht tegenover den niet-joodschen lezer +niet ongewenscht—ik zou willen beweren: het is de geestigheid van een +gemoedelijken, uiterst <i>ervaringrijken</i> en scherpzinnigen <i>grijsaard</i>, +een grijsaard, die ook die meest gewone eigenaardigheid van den ouderdom +vertoont, dat hij het innerlijk meer dan het uiterlijk zoowel van zijn +persoon als zijne uitingen verzorgt. En wat is trouwens natuurlijker dan +dat ook de geestigheid van 'n volk met een geschiedenis van 'n 4000 +jaren, het karakter van die eens over-ervaringrijken, een weinig +sceptischen ouden drage?! Een aardig staaltje nu van dien geest, máár: +ver-Heiniaand, d.i. dus culmineerend, is dit: (Gustave Heine bezocht +zijn grooten broer aan diens ziekbed en vertelt ons daarvan het +volgende):</p> + +<div class="blockquot"><p>Im Laufe des Gespraches nahm ich ein französiches Journal zur Hand, +und nachdem ich seinen Inhalt überflogen, fragte ich Heinrich, was +er von den öffentlichen Personen Frankreichs halte. "Ach," sagte +er, "da musz ich Dir dieselben Worte sagen, die der alte +Französische Wachtmeister äusserte als der Lieferant Lewi seine +Ochsen ablieferte. Dieses geschah auf dem Marktplatze eines kleinen +Städtchens wo der Etat-Major stationirte, vor dem jedesmal die +Ochsen vorbeidefiliren mussten, um gezahlt zu werden. Hr. von Lewi +hatte versprochen 300 Ochsen zu liefern, hatte aber nur 100 Ochsen +zu seiner disposition. <span class="pagenum"><a name="p66" id="p66"></a>[p.66]</span> Er liess deshalb die Ochsen einzeln +vor dem Etat-Major voorbeitreiben, und richtete es so ein, dass die +gemusterten Ochsen von seinen Knechten schnell zu dem einen Thore +hinaus, um die Stadt herum zu dem anderen wieder herein +getrieben wurden, so zwar, dass endlich von dem Etat-Major die Zahl +von 300 Ochsen richtig bescheinigt wurde. Nur ein alter +Wachtmeister der dabei war, schüttelte den Kopf mit Verwunderung +und bemerkte: Es käme ihm vor, als seien es immer dieselben +Ochsen."—"Ja lieber Bruder," schloss Heinrich, "auch mir wil es +vorkommen, als seien es immer dieselben Ochsen."</p></div> + +<p>Maar Heine was wel voor een groot deel Jood, maar voor een ander deel +had hij niet alleen het essentiëele der Westersche beschaving in zich +opgenomen doch schijnt bovenal zijn elegant-amoureuse wezen doordrenkt +te zijn geworden van de geuren harer wellicht schoonste bloem, inderdaad +haar <i>fine fleur</i>: de frànsche cultuur. Want is in den volgenden bon-mot +niet vooral de geest belichaamd van het ridderlijk volk, wien geen +enkele omstandigheid, zij 't de ontzettendste ziekte of wreedst- +aangluipende dood, de schoone geste, den Meester-lijken glimlach en de +fijn-geslepen scherts zijner courtoisie kan verhinderen of doen tanen? +Kort voor Heine's sterven, maakt hij aan zijn ziekbed kennis met zijn +schoonzuster, Gustave's vrouw; hij licht, om haar te kunnen aanzien, met +de eene hand zijn verlamde ooglid op, vat met de andere <i>haar hand</i> +en zegt tot <i>Gustave</i>:</p> + +<div class="blockquot"><p>Bruder, Du warst klüger als ich, Du nahmst Dir von den Uebelen das +kleinste."</p></div> + +<p>Men begrijpe mij wèl: ik beweerde niet dat Heine's figuur ook in dit +boek enorm blijkt, omdat ik dergelijke speelsche geestigheden als de +hier geciteerde bij tientallen er in vind, neen, ik beweerde het, omdat +hij, <i>lijdend aan tabes dorsalis, en gedurende een zevental jaren +slechts eenmaal zijn kamer voor het balcon verlaten hebbend</i>, ze kon +zeggen! Want Multatuli vergiste zich, toen hij de Gnomen, die een mensch +uitkleeden tot op het bloote lijf, tot hij niets meer is dan hij <i>is</i>, +ònder den grond meende te wonen, zij leven <i>daarboven</i>: zij heeten: +<i>eenzaamheid, ziekte, gedwongen lediggang</i>!</p> + +<p class="sidenote">BONN: EEN BONTE VLUCHT VAN VERZEN.</p> + +<p>In 't algemeen zou het een studie overwaard zijn, eens na +<span class="pagenum"><a name="p67" id="p67"></a>[p.67]</span> te gaan, in welk een sterke mate Heine de moderne dichters en +vooral die van joodschen stam beïnvloed heeft en nog ten huidigen dage +beïnvloedt. Voor Nederland echter zou het resultaat vrij pover zijn. Om +ons nu tot de joodsche auteurs te bepalen, lijkt mij <i>Josef Cohen</i> wel +de eenige, die aan het vervaardigen van Heiniaantjes doet, of deed; <i>van +Collem</i> is daar ongetwijfeld, blijkens zijn zeer raak typeerende +wrang-joodsche schertsdichtjes te oorspronkelijk voor; <i>de Haan</i> veel te +zwaar, te onspeels-ernstig en vooral in zijn stijl-natuur te +van-Deysseliaansch-afgemeten en niet-uit-de-plooi-komend. En de Haan +heeft waarlijk ook wel iets beters te doen, dan een ander bewust na te +volgen. Zijn joodsche <i>Liederen</i>, in <i>De Gids</i> van 1910 verschenen, zijn +van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van stemming en +zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, in een +diep-innerlijken droom verzonken en er zich niet van bewust dat hun +droom uitspreken, en gehoord worden buiten zich. Het aan <i>Het Joodsch +Nationaalfonds</i> gewijde gedicht in <i>De Beweging</i> van deze maand lijkt +mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer +cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven van nationalen trots en +Zionistische toekomsthoop, <i>die niet in de dichterlijke conceptie en +uiting verbijzonderd en verindividualiseerd zijn</i>. Is deze, mijns +inziens beste onder de joodsch nederlandsche dichters, tegelijkertijd 't +innigst joodsch-gevoelig, <i>Bonn</i>, wiens bundel <i>Een Bonte Vlucht van +Verzen</i> hier voor mij ligt, lijkt mij heelemaal geen Jood meer, maar op +end' op een hollandsch-socialistisch dichter uit, het zij zonder zweem +van geringschatting gezegd, de Nieuwe-Tijd-kweekerij, d.w.z. wat een +groot deel van zijn onderwerpen-keus en gedachten-objecten betreft: +<i>arbeiders en het socialisme</i>, en dan verder: hollandsche weidjes; +hollandsche koetjes; huiselijk leven—heel innig!—. Maar zijn +levend-rythmische zangerigheid is van hem-zelf en ook zijn buitengewone +gedachten-ònbelangrijkheid. En—'t zal u zoo op het eerste gehoor wat +vreemd lijken!—niet alleen de aanwezigheid van de eerste maar ook van +de laatste <i>naast de eerste</i>, laat weten, dat hij een echt dichter is, +al moet <span class="pagenum"><a name="p68" id="p68"></a>[p.68]</span> ik hem tegelijkertijd den ernstigen raad geven niet met +die onbelangrijkheid (= "eenvoud") te gaan coquetteeren, want dan zou +dàt een maniertje, zijn werk rhetorisch en hij zelf een rijmelaar +worden! Maar nú zij het volmondig gezegd: Wie zulke niemendalletjes tot +zoo betrekkelijk schoone verzen—men weet, ik doe te dezer plaatse niet +aan eigenlijke détailkritiek—weet om te vormen, dat is een dichter.</p> + +<p>Om nu echter nog even tot den stralenden lichttoren zelf onze aandacht +te bepalen, nadat we wat vogels hebben nageöogd, die zich neerzetten op +zijn transen of er in slaagden den invloed zijner glans te ontkomen en +hem voorbij te varen in hun vlucht: Heine bedoelde ongetwijfeld iets +dergelijks als dit laatste wat ik opmerkte omtrent Bonn, toen hij zei, +dat ieder dichterlijk aangelegde wel 'ns een episch of andersoortig +gedicht kon schrijven, maar dat <i>de</i> toetssteen voor den dichter het +<i>lied</i> was; doch zoo men het al niet uit zijn geheele oeuvre wist, zijn +inkleeding van die meening laat sterk voelen hoe door en door een +lyricus ook hij was; neen, zeker, ook in Heine's genie was nagenoeg +niets episch. En indien we nu zoowel naar <i>Bialik</i> zien, die een poëem +schrijft, waarin hij naar <i>Slousch's</i> getuigenis, de Kischinewsche +gruwelen haarfijn beschrijft, als naar Heine, die ten deele de kracht +zijner felle satyre ontleende aan het scherp zien der realiteit, dan +wordt het duidelijk, dat men ter verklaring waarom zich bij de Joden het +naturalistisch-episch genie niet ontwikkeld heeft, zich niet van hetgeen +<i>Slousch</i> opmerkt bedienen kan. Deze zegt nml.: ... "les lettres hébreux +aimèrent à se refugier dans la sensibilité romantique, qui écartait +d'eux une perception trop nette de la réalité."</p> + +<p>Neen, de oorzaak moet elders gezocht worden! En mij lijkt zij geen +andere dan dat de Joden, verdrukt en vervolgd of slechts geduld als zij +worden en waren, niet langer <i>als heerschers</i> tegenover het hen +omringende leven konden staan, dat het <i>heerschersbewustzijn, ook in de +besten hunner, door reeksen van vertrapte en duldende geslachten +ondermijnd, niet leven kon</i>, en—de lezer herinnert zich wellicht dat ik +in mijn opstel over <i>H. Roland Holst</i> reeds zeer nadrukkelijk op dit +<span class="pagenum"><a name="p69" id="p69"></a>[p.69]</span> feit heb gewezen en er de oorzaak van heb verklaard:<a name="FNanchor_9_9" id="FNanchor_9_9"></a><a href="#Footnote_9_9" class="fnanchor">[9]</a>—<i>dit +heerschersbewustzijn is onontbeerlijk voor den objectieven menschschepper +bij uitstek, die de naturalistische epicus moet zijn</i>, en het is, dunkt +mij, dan ook door den meest botte niet langer een toeval te heeten—immers +men noemt een toeval datgene waarvan men de gebeurenslogiek, de +noodwendigheid <i>niet ziet</i>—dat juist in ons Holland niet alleen een +van joodsche geboorte zijnde naturalistische dramaturg van enorme +verdienste en productiviteit, <i>Heijermans</i>, is opgestaan, maar ook +een groot naturalistisch epicus, voor de allereerste maal van joodschen +stam en de evenknie in mensch-scheppend genie der groote epici van de +andere natiën: <i>Is. Querido</i>.</p> + +<p class="sidenote">IS. QUERIDO: DE JORDAAN.</p> + +<p>Met Querido's jongste werk, mag men zonder vrees voor gegronde +tegenspraak beweren, blijkt voor de allereerste maal een groot joodsch +epicus te kunnen bestaan. Alle filosofische, lyrische en didactische +bijmengsels, tot nu toe in zóó sterke mate in epiek van Joden aanwezig, +dat zij hoofdbestanddeel werden en de epiek in hen verzonk, zijn hier +weggevallen. Hier is door het Joodsche genie dan eindelijk de macht tot +de naakte, pure en in geenerlei opzicht versierde of opgesmukte +menschbeelding veroverd. En dit ten-slotte-bereiken na eeuwen +worsteling, dit vermeesteren na het opstormen als een zee tegen een +onwrikbare weer van rotsen, na het terugdeinzen dan weer èn opstormen +opnieuw, en de ééuwen door, dag na dag en nacht na nacht, tot het +onverwrikbare verwrikt, verpoeierd en vermolmd en een der, meestal +onbewuste, levens-doelen bereikt is—dat is iets wat het Joodsche ras +zeer eigen is, dit onverbrekelijke, nederige èn trotsche ras, dat ras +van schuimende dondering en vleiïg gefluister, dat opgolft tot de +hemelen en neerzinkt tot in den afgrond; een "halsstarrig volk" +inderdaad, dat door alle vervolging en alle verdrukking heen—om +<i>Slousch's</i> woorden te gebruiken—: ne cessa d'évoluer, de se +transformer et de s'impregner du génie de toutes les races, de toutes +les civilisations, pour aboutir de nos jours à l'éclosion d'une +littérature <span class="pagenum"><a name="p70" id="p70"></a>[p.70]</span> moderne. Het kan lang duren vóór een der doelwitten +van zijn onbewusten levenswil is bereikt; het kan middelerwijl +tienduizenden zijner zonen door moordenaarshanden zien slachten, en +millioenen zijner kinderen verliezen in de corrompeerende verlokkingen +der vreemde maatschappijen; het kan neergeslagen, verjaagd, geminacht, +bespot en bespogen worden; dat alles deert zijn kernwezen niet, ja het +lijkt wel of het trotsche woord van zijn God voor hem-zelf was +geschreven: "Zij kunnen mij vertragen noch verhaasten": onverzettelijk +blijft het streven naar het vitale doel. Die stroom van menschelijke +energie, hij holt langzaam maar onvermoeid,—zóó klaar zie ik geen +ander beeld—den rots der weerstreving uit. Om zich sterk tot dien +arbeid te maken en de geweldig aandonderende stuwkracht zijner golven te +behouden, stroomt hij een langen, langen weg door vele wereldrijken. En +hij heeft dan ook vele der schepen aangevoerd, die den volkeren het +voedzaamst koren, de geurigste specerij en de stralendste kostbaarheden +brachten.... Maar óók altijd door blijft het zijn bestemming, als +tartend, door zijne kracht- en glanzingen-zelf te vragen: Wordt een +wereldstroom verontreinigd, doordat er drek in wordt uitgestort?... Kan +men hem afdammen en versmoren, zonder dat de dam vergruizeld wordt?... +Kan men hem berooven van de zon-beglinstering, of hem afdekken opdat de +regen, hem verrijkend, zich niet met hem vereene?... Kan men een volk of +zelfs een enkeling afhouden van zijn vitale doel?... Zou men voor eeuwig +het heerschersbewustzijn kunnen dooden in iets wat leeft, en dat toch +òmdat het leeft, tot het bereiken van het goddelijk- en heerscher-zijn +blijkt bestemd?...—Tot hij na de schemer-duistere seizoenen weer lente +en zomer gemoet en de stralen der Scheppende Natuur zijn kracht en zijn +glanzingen niet langer een tartende vraag laten zijn, maar tot een +openfonkelend antwoord doen òpschitteren.... Dit boek van Querido is +zulk een antwoord.</p> + +<p>In één scheppingsdrift, en meer ontbloot van alle bijoogmerken en +bewuste tendenzen, dan sommige Zolaïstische <span class="pagenum"><a name="p71" id="p71"></a>[p.71]</span> werken; naakter van +romantiek en brillante combinaties in de compositie of geestige +subtiliteitjes in de dialoog—men achte dit een fout dan wel een deugd, +ik vermeld het hier als een natuurlijke, dat is dus logische eigenschap +van het werk, en dus een deugd—dan de Balzac niet alleen, maar zelfs +dan Zola, is dit boek één geweldige visie van het volksleven, in +koortsende opwenteling en afdeinzing naar en van een onbegrepen doel, in +de koude en de hitte, in het leed en de vreugde der aan- en weg-rollende +dagen, zonder begin, en zonder einde, zooals er bij mijn weten nog niet +bestond. Men voelt in dit werk een onstilbaar verlangen, een brandenden +hartstocht, primitief-natuurlijk en vurig-dorstend als lijfelijke +parensdrang, naar het herscheppen van de "doode" en de "levende" Natuur, +een onverzadigbaar begeeren naar het doorvoelen en scheppen van +menschen, aldoor meer en nooit genoeg, ménigten van menschen, de +oogenglinsters van den een weg-duisterend achter de naar voren dringende +lijven der anderen, een gaan en verdwijnen van aldoor nieuwe wezens, +toch nóóit een verdwijnen, vóór, in een stralende doorlichting, het +kernwezen zich heeft getoond. Deze roman is niet wat men een roman +pleegt te noemen, het doet geen poging dan—helaas!—in den titel, iets +dergelijks te schijnen<a name="FNanchor_10_10" id="FNanchor_10_10"></a><a href="#Footnote_10_10" class="fnanchor">[10]</a>. Ook <span class="pagenum"><a name="p72" id="p72"></a>[p.72]</span> wil dit werk niet geestig, niet +vernuftig, niet humoristisch zijn; het wil alleen het essentiëele van +een zeker levensonderdeel wezen, maar juist <i>omdat</i> het dit alléén wil +zijn en is, bezit het al de zooeven genoemde eigenschappen mede. <i>Want +er is geen essentieel leven, dat niet geestig, vernuftig en humoristisch +zou zijn</i>. Men vindt, compositorisch gesproken, geen begin of einde aan +dit boek, schoon hier wel een zwakke daling en ginds weer een zwakke +climax. <i>Aan weerszijden</i> van het werk, tijdelijk en ruimtelijk, lijdt, +zwoegt, overwint en wordt overwonnen hetzelfde leven. Hoe langer wij +zien naar deze schepping, hoe meer wij er van worden bewust: dit is een +brok uit het levensgeheel, waarop wij zoo dikwijls gestaard hebben met +onze weenende en lachende, met onze moede en sterke oogen, dit is een +land als een ander, midden de oneindige levensrijken, het leven hier is +als het leven daar, <span class="pagenum"><a name="p73" id="p73"></a>[p.73]</span> maar zie: <i>dit</i> land met al zijn wezens +straalt van één klaarheid en raadsellóósheid: <i>het licht eener +verhelderende, scheppende genialiteit is erover opgegaan</i>, en terwijl we +op de ermee verbonden levensrijken het leven in-duister-en-onbegrepen-zien, +worden we hier verrukt door het begrijpen en doorvoelen, dat een groot +kunstenaar voor zichzelf maar ook voor ons gedaan heeft. <i>Daarom</i> is het +zóó één met het leven, dat men nauwelijks te voelen waagt, dat het kùnst +is, maar <i>daarom tevens</i> straalt het zoo <i>verklaard</i> en <i>verhelderd</i> òp +uit het leven, dat men aan niets anders dènken kàn, dan dat het kunst +is, tot, ten slotte, het oog gewend en het verstand zich bezinnend, men +in een hooger doorvoelen de beide gewaarwordingen vereent en begrijpt +dat deze stralende top op den donkeren berg van geen ander graniet dan +de berg-zelf is, dat dit hel-lichtende veld midden de naar den donkeren +einder wegduisterende avondlanden geen ander land dan deze is, maar dat +het 't stralende licht is dat <i>voor ons</i> zoowel dien bergtop als dit +veld iets anders doet zijn; dat het dit dóórlichtende licht is, dat dit +boek, zoo één met het al-leven, <i>voor ons</i> toch nog iets anders dan dat +al-leven doet zijn, want òns nu <i>doorvoeld, verklaard</i> leven is +geworden.</p> + +<p>Men zal hier van mij geen detailleerend exposé van den inhoud verlangen. +Niet alleen, dat dit bij een werk, dat in één week tijds, zijn tweeden +druk en vijfde duizendtal bereikt en dus wel verondersteld mag worden, +in de handen aller ontwikkelden te komen, wel een weinig overbodig +heeten mag, maar het heeft ook nauwelijks zin bij een epos van de +<i>massa</i> als dit, al is het tevens—en dit is een zijner schoonste +triomfen!—een epos van de <i>individuën</i>, die de massa samenstellen. Want +het maatschappelijk leven der massa, die men gewoon is ter +onderscheiding van burgerij en hoogere standen, het "volk" te noemen, +verschilt hierin van dat dier burgerij en hoogere standen, dat het voor +alle individuën in hoofdzaak vrijwel gelijk is. Jenever, krotten, +ontbering en uitbuiting, ziehier het maatschappelijk beeld in ruwe +trekken, van dat levensgeheel. En zoodra ge dit <span class="pagenum"><a name="p74" id="p74"></a>[p.74]</span> kent, begrijpt +ge, dat binnen de grenzen daarvan nagenoeg geen ruimte voor +uitzonderlijke maatschappelijke stijgingen of dalingen van individuën +is, geen ruimte ook voor "zaken," intrigues en sociale avontuurlijkheden, +die gij het naproeven waard zoudt kunnen vinden. Met andere woorden: het +verhaal van de levensomstandigheden eens ministers, eens bankiers kan +zeer wel van een uiterste belangrijkheid zijn, óók al kent gij de +levensomstandigheden van twintig andere ministers en bankiers en ook al +<i>onthoudt het verhaal u alle wetenschap van de psychische reacties van +dien minister of bankier op zijn levensomstandigheden</i>, maar zoodra ge +de levensomstandigheden van één <i>Jordaner</i> kent, kan alléén de +benieuwdheid naar de <i>individueele</i> psychische reacties u bewegen, ook +van de, immers <i>niet-individueele</i>, levensomstandigheden van een twééden +<i>Jordaner</i> kennis te nemen. Want—ik herhaal het—de +<i>levensomstandigheden-zelf</i> van den tweeden lijken, als twee druppels +water op elkaar, op die des eersten, en al zal er ongetwijfeld verschil +bestaan, dat verschil is in ons <i>oog</i>—en op <i>ons</i> oog komt het hier +voornamelijk aan—even microscopisch als tusschen die twee druppelen +water. <i>Dàt</i> proletariërsleven ... dan een beetje méér, dan een beetje +minder misère—wij huiveren èn van het meerdere èn van het mindere; het +blijft voor ons hoogere-standsgevoel één pot viezig nat! En nu begrijpt +ge meteen wel, waarom ik het ontbreken van zekere brillante combinaties +en subtiliteiten een logische eigenschap en dus een deugd van dit werk +noemde—immers dergelijke combinaties en vervlechtingen zouden hier niet +meer of minder dan een soort levens-vervalsching zijn geweest!—zooals +ge tevens begrijpt in hoe hooge mate het een proefsteen voor den +menschschepper en psychologischen doorgronder is, daar het uitteraard +alléén zijn blijvende belangwekkendheid ontleenen kon—gelijk we reeds +gezien hebben—aan de weergave der <i>individueele psychische</i> reacties +naast die van de <i>psychologie</i> der massa, al zal menigeen het zijn +<i>begonnen</i> te lezen uit nieuwsgierigheid—en nog wat!—naar dat hem +onbekende, duister-broeiende leven....—En welk een belangrijkheid bezit +het <span class="pagenum"><a name="p75" id="p75"></a>[p.75]</span> door die weergave! Hoezeer kan het alle intrigue, en wat dies +meer zij, missen!... Eén stróóm van lichtende menschelijkheid bestraalt +ons en maakt ons tot verklaarden, en nimmer heeft het aanzien der +<i>verscheidenheid</i> mij zulk een <i>gevoels</i>-begrip van <i>eenheid</i> geschonken +als het beschouwen der machtige verscheidenheid in dit werk.</p> + +<p>Het is het <i>heerschersbewustzijn</i> van den auteur, dat +bestaansmogelijkheid scheppende oorzaak is—gelijk ik reeds aanduidde +—van al het voortreffelijke in dezen arbeid en tevens zelf het +voortreffelijkste kan worden genoemd, zóó als de aarde en het zonlicht +het voortreffelijkste in een tuin van zelfs alleredelste bloemen zijn. +Hoe langer ik dit werk, ook in verband met vroegeren arbeid van +denzelfden auteur, overdenk, hoe duidelijker ik voel, dat hij +vermoedelijk nog nooit iemand in zijn leven ontmoet heeft, of diep in +z'n hart heeft hij zich psychisch diens meerdere geweten. Zijn +subjectieve meerderheidsgevoel, dat hem tevens heerschersnatuur doet +zijn, maakt zijn essentiëele grootheid uit. En het doet tot die +grootheid weinig toe of af, of dat subjectieve gevoel al dan niet gehéél +met een "objectieve" werkelijkheid overeenkomt.<a name="FNanchor_11_11" id="FNanchor_11_11"></a><a href="#Footnote_11_11" class="fnanchor">[11]</a> Men zegge niet, dat +het zich-meerdere-gevoelen door den auteur tegenover de "onontwikkelde" +en "laag-staande" menschen van dit boek een zonderlinge grond is <span class="pagenum"><a name="p76" id="p76"></a>[p.76]</span> +voor de conclusie, dat hij zich meerdere van vrijwel iedereen zou +gevoelen. Want: deze <i>verstandelijk</i> onontwikkelden zijn dat <i>psychisch +niet</i>, en <i>op dit laatste komt het aan</i>. Want wat het laagstaan dier +menschen betreft: vraag, lezer, u zelf eens af, of gij u licht op dit +oogenblik kunt voorstellen te leven een <i>psychisch</i>-frisschere en ook +sterkere figuur dan <i>Neel Burk</i>; een <i>psychisch</i>-reinere, dan <i>Huib +Kilometerboekje</i>—welk een prachtig mystisch-diep begrip van de waarde +en de beteekenis der aangeboren, door het tijdelijk <i>persoons</i>-leven niet +meer te deren zielseigenschappen toont hier de schrijver!—een +<i>psychisch</i> meer bijzondere en reinere dan de tooverkol en schijnbaar +belachelijke Tante Antje met haar <i>aandoenlijke onbaatzuchtigheid</i>—en +men heeft in het feit, dat de schrijver niets gedaan heeft om die +uiterlijke belachelijkheid en abjectheid te verminderen, weer een +prachtig bewijs van het passief blijven zijner lagere persoonlijkheid! +—maar, vóór u zelf, lezer, deze vragen te stellen, zie toch nog eens +duidelijk in, hoe weinig <i>psychische</i> begaafdheid met <i>verstandelijke</i> +ontwikkeling en begaafdheid <i>behoeft</i> te maken te hebben. Onderscheid +goed den <i>uiterlijken</i> glans van den <i>innerlijken</i> glans. En overweeg +eens, waardoor het mogelijk wordt, dat bijvoorbeeld een analfabetische +daglooner, iets in zijn blik, zijn gelaat, zijn stem kan hebben, dat een +zeer voornaam, zeer geleerd, zeer wijs en zelfs zeer goed mensch plots, +in een oogenblik van hèl-lucide erkenning, zijn minderheid kan doen +gevoelen. Zou dat niet zijn, omdat in zulk een oogenblik voor het oog +van de ziel, alle tijdelijke, geestelijke zoowel als stoffelijke, +uiterlijkheid is weggevallen en <i>ziel</i> slechts <i>ziel</i> ziet?</p> + +<p>Indien men de aanwezigheid van het machtige heerschersbewustzijn in +onzen auteur door ontleding van zijn werk wilde <i>bewijzen</i>, men zou dit +reeds alleen door de analyse van de figuur <i>Stijn Burk</i> afkunnen. Niet +alleen, omdat het dan reeds voor ieder duidelijk zou worden, dat een +dergelijke allerwonderlijkst gecompliceerde en in de diepte en hoogte +zeer ver uitgegroeide persoonlijkheid niet te begrijpen is <span class="pagenum"><a name="p77" id="p77"></a>[p.77]</span> zonder +haar te beheerschen, maar vooral, omdat men zou inzien, dat met geen +mogelijkheid zulk een mensch—allerteederste vader, schuchter man met +sterk plichtsgevoel, vriend bij voorkeur van misdadigers en toch zelf +niet bij machte ooit iets baatzuchtig-misdadigs te doen en daarmee weer +schijnbaar contrasteerend: een dronkaard van duivelsch-kouden moordlust +doorkild—zóó doorgrond, zóó in zijn componeerende elementen herleid en +toch zoo intact, zoo fel-lévend kon gehouden worden als hij is, door +observatie <i>van buiten af</i>, maar dat hiervoor onontbeerlijk was een +<i>onderduiken</i>, beter wellicht een tijdelijk opgaan te noemen, van den +auteursgeest in dien zijner figuur.<a name="FNanchor_12_12" id="FNanchor_12_12"></a><a href="#Footnote_12_12" class="fnanchor">[12]</a> En dit nu, dit tijdelijk zich, +zonder eigen bewustheid te verliezen, opgaan in het bewustzijn van een +ander, is alleen den <i>heerscher</i> ten opzichte van den +<i>absoluut-beheerschte</i> mogelijk, den veel grootere tegenover den +kleinere—precies dus het tegenovergestelde van de analoge stoffelijke +verhouding, waarbij slechts het kleinere het grootere kan +binnengaan—nimmer echter den geringere ten opzichte van den machtiger. +En, het zij hier terloops gezegd: ik geloof dat <i>de</i> grond-oorzaak dier +onmogelijkheid is de <i>psychische vrees voor het onbekende</i>, die, om zoo +te zeggen, de acute vorm is van de chronische psychische schuchterheid +van hen, die zich in den loop van hun leven vaak en van velen de mindere +moeten voelen, en die het daarom bij al hun waarnemingen nooit verder +dan tot <i>benaderen</i> brengen, alles slechts van den <i>buitenkant</i> +angstvallig betasten en nooit iets durven <i>binnentreden</i>.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p78" id="p78"></a>[p.78]</span> Er is zelfs in dit werk een taalkundige eigenaardigheid aan te +wijzen, die duidelijk belicht, dat dit "onderduiken" in het leven zijner +figuren, bij wijle zoo sterk bij dezen schrijver was, dat hij zelfs +eigen bewustheid tijdelijk verloor, d.w.z. zich dan niet duidelijk +rekenschap van zijn artistieke handelingen kon geven. Ik bedoel met die +eigenaardigheid het waarlijk overbluffend veelvuldig gebruik van het +voorzetsel "ver" bij werkwoorden, ongetwijfeld een geniale vondst in +zich-zelf, en als zoodanig ook vaak geniaal te pas, maar vaker grovelijk +te onpas aangewend. Waarom dit echter, zooals ik zei, óók het opgaan van +den auteur in het leven zijner figuren belicht, ziet men duidelijk op +blz. 337, waar, onmiskenbaar, in de uitdrukking: "Sau f'rtrippele se 't +op 't teneil nie...." die "ver"-spreek-wijze aan de taal der Jordaners +zelf blijkt ontleend!</p> + +<p>Maar is Querido's machtig heerschersbewustzijn ten opzichte zijner +scheppingen, zoowel als de onontbeerlijkheid daarvan voor het welslagen +als episch auteur, aan <i>Stijn Burk</i> en al de andere prachtig <i>geslaagde</i> +figuren te demonstreeren, die onontbeerlijkheid alleen zou men ook +vrijwel kunnen aantoonen, door de aandacht te vestigen op die ééne +minder geslaagde in het geheele boek—ofschoon ook die zeer zeker een +waarlijk-levend mensch is gebleven—jegens wien hem grootendeels het +heerschersbewustzijn ontbroken heeft: <i>Karel Burk</i>, den begaafden <i>Don +Juan</i> van de <i>Jordaan</i>. Men merkt dit ontbreken aan het feit, dat, +zoodra het Karel Burk geldt, <i>persoonlijke</i> liefde, d.i. liefde jegens +die figuur, in de plaats treedt van de onpersoonlijke +<i>menschheids</i>liefde. Want waar dit <i>psychische</i> heerschersbewustzijn +is—het hoogste waarschijnlijk, dat een mensch bezitten kan, en dat men +vooral niet moet verwarren met allerlei lagere verwante vormen, zooals +heerschzucht, bazigheid, enz.!—daar is die <i>menschheids</i>liefde en +omgekeerd, maar waar, daarentegen, genegenheid voor een <i>persoon</i> +optreedt, daar wordt het heerschersbewustzijn ten opzichte dier persoon +gebroken. <i>De heerscher laat den schepter vallen, wijl hij zijn +onderdaan omhelzen wil</i>.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p79" id="p79"></a>[p.79]</span> De reden, waarom dit juist bij deze figuur is gebeurd, ligt m.i. +open en bloot. In <i>Karel Hurk</i>, den <i>buitengewoon-intuïtieven +psychologischen doorgronder</i>; den <i>artistieken waaghals en bereiker</i>, +die de moeielijkheden zoekt, om ze te overwinnen, in wiens, vooral om +die halsbrekende moeilijkheden zoo zeer geliefde, en telkens +prachtig-op-het-kantje-af, meesterlijk-gratieus uitgevoerde +dans-bewegingen, zijn vermetele en rijk-begaafde ziel pas goed tot +uiting komt; in <i>Karel Burk</i>, den muzikaal hevig gevoelige; de, kortom, +<i>zéér artistieke heerschersfiguur</i>, ligt, op een veel lager plan, een +flink brok van Querido's eigen kunstenaarsnatuur getransponeerd. En dit +transponeeren moge bewust of onbewust geschied zijn, het feit was +voldoende, om des schrijvers heerschersbewustzijn te verlammen, want +Querido is een van de weinigen, wellicht de eenige, tegenover wien +Querido—en dit spreekt m.i. van zelf—zich, in den boven aangegeven +zin, geen heerscher voelt.</p> + +<p>Men lette er ook op, dat in dit boek—en wat ik nu zeggen ga, bied ik +niet aan als een <i>bewijs</i> mijner bewering, maar slechts als een +<i>ondersteuning</i> ervan—vol van allerprachtigste dialoog, vol van +uitstekende beheersching en te-pas-brenging van het Jordaansche +taaleigen ook in de meditatie der figuren (in zijn enormen rijkdom aan +volksuitdrukkingen en de meesterlijke aanwending daarvan overtreft het +zelfs <i>Wolf</i> en <i>Deken</i>, en dàt wil wat zeggen!) dat in dit boek, juist +bij <i>Karel Burk</i> een uit-den-toon-vallen plaats vindt:</p> + +<div class="blockquot"><p>Wat was 't toch 'n fijn gezicht, zóó van het glinsterende en +vonkende water òver de dwarsbruggen de lucht in te <i>koekeloeren</i>, +tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als +een gloeiende, <i>trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel +in het starre blauw</i>.</p></div> + +<p>Uit het woord "koekeloeren" blijkt duidelijk, dat de bedoeling was de +gewaarwordingen van <i>Burk</i> in <i>Burksch</i> dialect te geven en die dus niet +in Queridoïaansche zegging om te zetten, maar uit het laatste door mij +gecursiveerde zinsdeel blijkt even duidelijk, dat het Querido-brok in +<i>Burk</i>, Querido, den schepper van <i>Burk</i> hier de baas was!</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p80" id="p80"></a>[p.80]</span> Ik zei straks, dat, compositorisch gesproken, er begin noch einde +aan het boek is. Voor wie meenen mocht, dat ik dit een fout in het werk +acht, zij onmiddellijk verklaard, dat ik dit integendeel, <i>hier</i>, een +schitterende deugd vind. Een lastig probleem en een zeer groote +moeilijkheid werden hierdoor volkomen opgelost en overwonnen. Bedoeld +was m.i. namelijk <i>niet</i> in de <i>allereerste</i> plaats een beeld te geven +van het leven van zekere <i>individuën</i>, van een leven dus, welks +eng-begrensde duur zijn vast en duidelijk begrip in onzen geest heeft, +máár, in de <i>allereerste</i> plaats, van een brok <i>volks</i>leven, d.w.z.: een +leven, welks begin en einde ver buiten onze <i>onmiddellijke perceptie</i> +liggen. Want is onze indruk van een <i>persoonlijk</i> bestaan die van iets +eindigs, onze <i>gevoels</i>indruk van het <i>maatschappelijk</i>, van het +<i>massa</i>-leven is daarentegen die van iets <i>on</i>eindigs. Doch, een brok +massa-leven, zóó meesterlijk, zóó boordevol vitaliteit te geven als in +dit boek, is niet mogelijk, zonder de samenstellende deelen van dat +leven: de individuën, alleruitstekendst te beelden, maar zoodra dit +gebeurt—<i>en dit is de moeilijkheid, waarvan ik hierboven sprak</i>—dreigt +de daardoor ontstaande indruk van het <i>begrensde</i> en <i>eindige</i>, te +verhinderen, dat zijn tegendeel: de gevoelsindruk van het +<i>oneindige</i>—welke we immers van het <i>massa</i>-leven, <i>als geheel</i>, +behooren te krijgen—bij ons ontstaat. Om de bovenstaande bedoeling dus +te verwezenlijken; te zorgen dat de tegenstrijdige indrukken zóó worden +te weeg gebracht, dat zij elkaar niet vernietigen en dus: ons het +oneindige te laten voelen van een zeker levens<i>geheel</i>, naast de een +<i>eindigheidsindruk</i> verwekkende uitbeelding der <i>eindige deelen</i>, moest +naar het hulpmiddel van een zekere wijze van componeeren worden +gegrepen, ten eerste: het geven van een nagenoeg climaxloozen +verhaalgang—<i>want stijging, daling en, in een woord, wisseling in een +geheel, versterken den eindigheidsindruk</i>—en, ten tweede, het als 't +ware doen voortloopen van het tafereel tot buiten het kader, waardoor we +de gewaarwording krijgen, alsof de begrenzing is aangebracht, alleen ter +tegemoetkoming aan òns niet oneindig ver dragend perceptievermogen, en +<i>niet</i> omdat het <span class="pagenum"><a name="p81" id="p81"></a>[p.81]</span> gebeelde leven hierin werkelijk kon omraamd, en +zoodat het ons is alsof ons wierd gezegd: zoo uwe oogen het toelaten, +zie dàn verder, hoe eindeloos het leven blijft, blijft doorvloeien, +ééuwig voort.—Door dit alles dus verkregen we een meesterstuk, welks +felle uitbeelding van het eindige leven ons gevoel, dat wij hier ook het +oneindige zagen, niet schaden kon.</p> + +<p>Maar ook in ander opzicht blijkt het compositorisch-geniale van onzen +auteur: in zijn aanwending van nevens elkander gestelde contrasten. Men +lette eens op de impressie, welke de prachtig geschreven terugblik op +het leven van <i>Neel Burk</i> met haar eersten man, den zachten <i>Gronjee</i> +maakt, te midden van de beelding van haar leed-en-angst-bestaan, nu zij +getrouwd is met den onberekenbaren <i>Stijn Bark</i>: of, en dat brengt mij +meteen ertoe te spreken van de prachtige beschrijvingen in dit boek, men +zie eens naar de neven-elkander-stelling van deze contrasteerende +stad-en-land uitbeeldingen:</p> + +<div class="blockquot"><p>'t Had rauw geklonken door de buurt, al om vier uur vroeg.</p> + +<p>—Luilèk ... biddesèk, stoat om neige ure op ... neige of +hèlleftien.... hep je de Luilèk nauit gesien?—Een donkere worp van +doode ratten en katten, weken lang al vooruit in de polders als +prooi beloerd, was dof néérgebonkt op ruiten en ramen van +beluilakte buurtgenooten, die woedend met bedreigingen losschoten, +zonder iets te durven doen.—Een paar dagen later hadden diezelfde +kinderen zich de morsige handen koel afgespoeld in de buitensche +slootjes en gezocht naar de rose-witte en hel-gele, stralende +pinksterbloemen en de zalm-roode klaproos.—Met land- en grasgeurig +doorzwoelde bouquetten, vol koekoek en gele lisch, met vetglanzende +boteren paardebloemen, waren zij komen aanzwalken bij troepjes van +Amstelveen, Ringdijk, Ouderkerk, Rietlanden en Watergraafsmeer. De +morsige handjes hadden bij duizenden rondgestrooid àl wat de gouden +zomer liet bloeien aan slootkanten, op wei en veld. <i>De kinderen +hadden in driftigen lente-roes, de kleurige en riet-bepluimde +oevertjes van Amsterdamsen buiten geplunderd, struiken en halmen +vertrapt en afgerukt, voor bemachtiging van ooievaarsblom en +waterranonkel. De handjes hadden wild gegraaid tusschen blonde +sterre-bloempjes fijnstraal, en plompen, soms terugschrikkend voor +een graspieper, ze langs 't gezicht fladderend, of weggelekt door +een flonkervleugels-vertrillende</i> <span class="pagenum"><a name="p82" id="p82"></a>[p.82]</span> <i>libel, die dronken om het +vanielje-geurige zoet van witte orchideeën heen-kringde.</i><a name="FNanchor_13_13" id="FNanchor_13_13"></a><a href="#Footnote_13_13" class="fnanchor">[13]</a></p> + +<p>Zoo hadden de kinderen geplukt, geplukt, en de verbrokkelde en +geknauwde armoe-buurten van de Jordaan, voor eenige uren òpgetooid +met 't geel-goud, purper en wit gebloemt van buiten.—<i>Uitgesleten, +kist-donkere en lood-rechte slingertrapjes, waren oversmakt van +stervende ruikertjes. Op vunzige stoepjes en in duister-verhulde +kelders, waar altijd de goot borrelde of stonk, was bloemsap +gedruppeld, rookten geuren nà van klaver en iris, waterbezie en +bitterzoet</i>.—Even maar hadden de kinderen, rondslenterend in hun +vacantie, in hun sjofele plunje meegedragen naar de gore stegen en +walmende straten, lucht van oevergras en versch hooi, <i>dadelijk +weer gedoofd door bak-stank van visch-stalletjes, die, in goedkoop +oliedrenksel, scholletjes en botjes in steen-glazuren kommen voor +de gulzige Pinkster-smakkers gereed hielden.</i>—<i>Want dwars tusschen +het zomerig zoeken der kinderen naar de blank-blauwe lucht van het +wijde landschap, naar den koelenden watergeur, en 't loeren op 't +geheimzinnig stekeltjes- en torren-gekrioel in de +hemel-verspiegelende slootjes</i>,—<i>gierde het luidruchtig vertier +der volwassenen. In potwagens, bonte Jan Pleziers, open bakken en +hooge tent-karretjes, zwijmden dronken stelletjes van vier, zes, +acht en twaalf soms, bijeengeperst in de gloeihitte, verzweet en +opgewonden</i>.—<i>De keien hadden geschud van de ratelende en rollende +vigelant-wielen. Tot 's avonds bonkerden ze door, als de roode zon +al verwilderenden weerschijn op de zatte en afgestompte tronies +vlamde</i>.</p></div> + +<p>Vormen deze tegenstellingen niet een compositorisch schoon? En zijn de +beschrijvingen-zelf niet van een verrukkelijke vorm-, geur- en +atmosfeergeving? Maar toch, ware het niet geweest om daarmee mijne +bewering betreffende de compositie te ondersteunen, ik zou verkeerd +gedaan hebben met dit te citeeren, terwijl ik al dat andere minstens +even mooie niet aanhalen kan: de prachtig-uitgebeelde dansen, de +machtig-gegeven vechtpartijen, zooals die op de Aal-markt, in het +magistrale eerste hoofdstuk, en het bijna-doodtrappen door <i>Stijn Burk</i>, +in zijn dronkenschap en daardoor ontstanen koud-duivelschen moordlust, +van zijn zwangere vrouw, met op het einde, als Stijn onder de macht der +hem in bedwang houdende kerels in een algeheele ontreddering bewusteloos +is neergezonken, dat <i>prachtig-bescheiden-nauwelijks-symbool</i> <span class="pagenum"><a name="p83" id="p83"></a>[p.83]</span> <i>van +Stijns eigen lijdensleven</i>, dat lijdensleven van hem die door zijn +drinkhartstocht, welke hij toch zóó gaarne zou willen bedwingen, elken +dag gekruisigd wordt:</p> + +<div class="blockquot"><p>Hij stortte als een bewustelooze ineen, met zijn gezicht op den +grond, de armen wijd uit, <i>gelijk een menschelijk kruis</i>.</p></div> + +<p>Of: heel die ruzie in de <i>Wijde Gang</i> met die Danteske visie:</p> + +<div class="blockquot"><p>Traag, tegen de grauwe muren, <i>kroop de donkerende en grillige +middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim</i>, 't heele +Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering.</p></div> + +<p>Met zijn ook Danteske beeldingen van gedrochtelijke verwringingsstanden +van de kijvende buurvrouwen uit de bovenvensters. Of: de tocht op de +Zuiderzee; de Hartjesdag; het zwoegen van de sjouwers aan de +Wester-Suikerraffinaderij, en vooral niet te vergeten dat juweeltje, dat +prachtige, dof-avondlijke idylletje van de kanaries langs Gijs' +kroeggevel. Maar jawel, zoo zou ik wel kunnen doorgaan!...</p> + +<p>Laat ons liever even de psychologie in het boek van nabij bekijken: In +de analyse van Stijn Burk is waarlijk het onovertreffelijke gebeurd. +Deze in zichzelf onwaarschijnlijk gecompliceerde mensch, is door de +beelding tot een persoonlijkheid geworden, wier leven je niet alleen +voelen en tasten <i>kan</i>, maar wier leven je voelen en tasten <i>moet</i> en +dat je obsedeert als een onwegduwbare, ontzettende <i>werkelijkheid</i> van +den allereersten rang; dat niets onberoerd in je laat; afgrijzen èn een +wijd erbarmen, haat en liefde, alles, àlles in je òproept. Want men zie +eens dezen woesteling, die bijna zijn zwangere vrouw doodtrapt, zijn +kleine kindje naar bed brengen:</p> + +<div class="blockquot"><p>Reeds vroeg in den avond zat Sientje op zijn schoot, al zette hij +haar telkens op 't stoofstoeltje wanneer er volk inkwam. Met kleine +ronde slaapoogjes speelde ze, maar tuimelde telkens tegen de +uitgelegde koffiela van den molen, in slaap.</p> + +<p>—Mot Siennetje soà ... pies goan?</p> + +<p>—Nei ... nei ... drensde ze, terwijl ze weer knikkebolde.</p> + +<p>Langzaam ontkleedde Stijn 't kind, nadat hij Koentje ook naar bed +had gedragen, met 'n verzoend bakkesje.—Hij was bang dat ze, +verveelderig, tusschen slapen en waken zou gaan drenzen. Heel +omzichtig moest hij te werk gaan.—Bij elk <span class="pagenum"><a name="p84" id="p84"></a>[p.84]</span> kleedingstuk, dat +hij loshaakte of uittrok, verzong z'n zware stem een mal zinnetje. +(Ik sla hier een stukje over v.C.)—Nou ... 't jukkekie ... zong +Stijn, omzichtig half-slapende Sientje uit haar rokje werkend ... +en nou ... 't siemesetje.... Sau fraàfe de férkies ... de +snoetjes!... rrr!... rr!... nou ... 't hàlshempie ... toktoktok ... +hòat! sie!... wècht! stoute fliegie ... mô jèi bromme ... in 't +auretje fèn liefe Siennie!... Nou ... 't boaije rokkie ... mit 't +laàfie!... sss!... sss!... sòejessssse!!... sss ... sss!... +hoal-àufer!... nou 't witte rokkekie ... soe ... je ... soe ... je +hoal-àufer!... nou 't broekekie ... hoal-àufer!.... en Siennetje is +'n soete schèt!...</p> + +<p>—Fèn sau'n mèskeroade hep ikke nie terug ... lachte Neel om Stijns +kunstig zoethouden van Sien.—Bij Lien, Mien of Jansje griende ze +altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door +Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een +knorretje was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en +droeg hij haar de duffe achterkamer in. Muis-stil hipte Stijn in 't +alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet +meer tegen zich op voelde.</p></div> + +<p>Men peile ook de diepte van deze analyse van Neel's zuster, de perverse +Dien:</p> + +<div class="blockquot"><p>Dien was niet alleen jaloersch op haar man, maar werd gepijnd van +afgunst op àlle voorspoedige en gelukkige dingen in 't leven van +anderen. Dit had ze van moeder Scheendert, hèt stuk chagrijn +vroeger van de buurt. Dien leek met gegiste moedermelk +grootgebracht. Het twistzieke, humeurig omkantelende van haar wezen +las ieder dadelijk van haar gezicht. En liegen, schel en roekeloos +liegen kon ze met strakke koon-effenheid, als de wijzerplaat van +een kaduuk weegtoestel. (<i>Welk een prachtig beeld is dit, en zoo +voortreffelijk passend in den toon van het beschrijvingsgeheel! +v.C.</i>) Allerlei vurige en fantastische uitdenksels kon ze met zoo'n +hartstochtelijke, bijna boosaardige driftigheid vertellen, dat zij +ze zèlf gelooven ging en niet meer vermocht te leven zonder die +schielijke leugenarij; voor haar waàrder dan de nijpendste +werkelijkheid. Ze hield van 't liegen òm 't liegen. Het werd haar +een fel, brandend genoegen te jokken. <i>Ze kreeg zoo'n angstige +vreemdigheid over haar wezen als ze loog en later betrapt werd</i>. +(Ik oversla een klein stukje, v.C.) Ze kòn nooit iets vertellen, +zooals 't gebeurde. <i>En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als +'n feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat 't dàn +te waar geworden was</i>.</p></div> + +<p>Zooals meermalen in het boek, doch veel minder dan in <span class="pagenum"><a name="p85" id="p85"></a>[p.85]</span> des +schrijvers vroegere werken, is er ook hier in het door mij overgeslagen +gedeelte als een herhaling, een overtolligheid, maar het is en blijft +voor mij de vraag, of die herhalingen en overtolligheden van een hooger +plan dan het gewoon-zinsbouwkundige beschouwd, wel overtolligheden zijn. +Men vergelijke hierover mijn artikel over de <i>Studies</i> van dezen auteur, +in <i>De Ploeg.</i><a name="FNanchor_14_14" id="FNanchor_14_14"></a><a href="#Footnote_14_14" class="fnanchor">[14]</a> Maar bovendien: nimmer heb ik indringender analyse +gelezen, vooral dat laatste door mij gecursiveerde....</p> + +<p>Wil men een staaltje van wat ik zou willen noemen: plastische +psychologiek? Ziehier dan iets over het Jordaansche volk (de verklaring +hunner saamhoorigheid, van het niet dulden van vreemde invloeden in hun +kringen):</p> + +<div class="blockquot"><p>Ze waren van één ras, eene klasse, <i>door eenzelfden levensgolf +rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achter gekanteld op één +plek grond</i>.</p></div> + +<p>Of betreffende de waarzeggende "<i>Tante Antje</i>":</p> + +<div class="blockquot"><p>Ze waren waarlijk bang voor die vreemde, strak-starende, <i>meer +luisterende dan kijkende oogen</i>.</p></div> + +<p>Of wenscht men een enkel bewijs voor mijne bewering, zoowel dat de +dialoog in dit boek zoo voortreffelijk is als dat het zulk een rijkdom +aan kernige volksuitdrukkingen bevat? Laat mij dan even dit citeeren:</p> + +<div class="blockquot"><p>—Vijf van de tien ... vroeg kort-krachtig 'n lichtmatroos, even de +sabelbeenen uitgebogen.—</p> + +<p>—As je blief Teun....</p> + +<p>Vriendelijk hielp Neel nu en vroeg of hij weer honk had.</p> + +<p>—Soo je siet moeder....</p> + +<p>Zijn stem zong zwaar en vol in 't zonnige winkeltje.</p> + +<p>Twee vrouwen loerden uit, bekeken den frisschen, kraakzindelijken +matroos-eerste-klas.</p> + +<p>Sèl ik stikke.... d'r hei je Teun fèn de Hoarlemmerdaik,... seg +ouwe robbeklopper ... wèt bi jei grausig ... jei hep ereis auk wel +ereis slinger gefreite!... je laikt me wel 'n kesse-me-jeu....</p> + +<p>De matroos keek beduusd, zocht naar naam en wijf in zijn +herinnering.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p86" id="p86"></a>[p.86]</span>—Nei,... dèt ken ik nie kroppe.... Wèt heb ik nou èn de +hènd!... kè je Annemie niet meir.... Annemie uyt de +Orènjestroat?... noù, diè kachel brent ... segge d'r seife stomme +te g'laàk!... kaàk saàn is kaàke!... goa ik 'r àn?</p> + +<p>Plots schoot bezinning bij den matroos terug.</p> + +<p>—Nou hep ik je mins!...</p> + +<p>—Hou fèst ... spotte een uitdraagster met 'r handen op 'r heupen, +de armen als hengsels.</p> + +<p>—Annemie van Arie-stront-an-'t-sweepie.... Nou hep ik je ... +f'rdikt ... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie +weg....</p> + +<p>Met 'n gullen lach sprong hij bij en drukte zwaar haar handen.—</p> + +<p>Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch +uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten +braniekraag.</p> + +<p>Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk, +prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen +lach.—<i>Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in +een ziekenkamer</i>. Het was altemaal open leven, frisch en frank.—</p> + +<p>—Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem +weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug +wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks +as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en +gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....</p> + +<p>Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.</p> + +<p>Annemie lachte mee en de andere wijven ook.—</p> + +<p>Neel verknutterde zich in zijn warme, zangerige stem.—Nog 'n ander +slag man dan haar suffe Stijn.—Maar Annemie voelde haar buurt +bekeven.</p> + +<p>—Alleminse ... wét bi jei grausig....</p> + +<p>—Ja mins, as 'n roer goed is ken je teuge 'n raauw weertje ... ik +ben d'r lieferst op de oceaan as hier onder de walm.... Nou beste +siele ... ik licht me anker ... ajusies.... Annemie ... de vijf!...</p></div> + +<p>En heeft men ook op het fraaie door mij gecursiveerde beeld gelet? Munt +het niet uit door een prachtige waarachtigheid?—</p> + +<p>Ongetwijfeld vormt de beelding van het moederschap van de diep-nobele +<i>Neel Burk</i>, die de mogelijkheid van blind-worden trotseert, om haar +kind te kunnen zoogen, en haar eindelijke, door een eigenaardige—met +diep mystisch begrip <span class="pagenum"><a name="p87" id="p87"></a>[p.87]</span> door den auteur doorvoelde—zekerheid in +haar-zelf vóórzegde, triomf, een van de meest lichtende gedeelten van +het boek, maar toch: grooter vreugde schonk mij het gemoeten van dat +vrijwel nieuwe element in Querido's werk: het beelden van het +kinderleven. En zoo er ooit sprake mocht zijn van een coup d'essai, die +een coup de maître was, dan is het hier:</p> + +<div class="blockquot"><p>Siempie, die bij Mientje geslapen had, klom stiekem naar de +spelenden over. Maar Daantje duwde hem heftig bij zijn blond kopje +terug.—Zacht begonnen weer de stemmetjes òp te giebelen. Daantje +krabbelde Koentje in zijn hals; Pietje sprong dwars over Sientje en +Siempie pakte de beenen van Pietje, die in de lucht zwalkten, met +de, er los bij bengelende kousen vol gaten. Weer probeerde Siempie +in te klimmen.—</p> + +<p>Nei!... hield hardnekkig Daantje vol ... jei, jei ... bin nie +trônke ... jei nie ... jei kè nie ... swaaije....</p> + +<p>—Mò je eirst slokkies kaupe ... doar ... wees Pietje met haar +klein armpje langs Stijn heen, naar een hoek bij de tafel.</p> + +<p>—Die heb nog nie aupe ... verdedigde zich Siempie, rillend van +kilte in zijn onderbroekje.</p> + +<p>—Kaup se den bei maan ... slokkies?... hoefeul?... gierde Pietje, +doende alsof ze inschonk.</p> + +<p>De zusjes en broertjes gilden en tierden weer als vóór Neels +waarschuwenden snauw, die ze even zoo plotseling had stil +gemaakt.—Jansie, éérst het bezonnen en bedillende kind-moedertje, +had langzamerhand al haar waardigheid ingeschoten, lachte en +stoeide nu zelf om 't hardst mee. Ze verdubbelde zelfs de rollen, +morrelde er een heele comedie omheen.</p> + +<p>—Nou mot jei.... Siempie ... schobber uytjouwe ... hitste ze naar +Sien,... en jei ... leileke neitekles! roepe ... en den.... sèl +ikke.... sie je.... sèl ikke je arrestere.... bei Swèrte Jèns haur +... ikke bin peliesies.... Enne ... enne ... jei bin auk peliesies +... haur!... stookte ze Siempie op.</p></div> + +<p>Maar dan vooral dit (Pietje, het kleine dochtertje van Stijn en Neel, +mist de jonge poesjes, die verdronken zijn):</p> + +<div class="blockquot"><p>Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.</p> + +<p>Werendig moedertje,... suste Neel,... de poessies binne femorrege +gehoald, faàn!... mit sau'n hauge figelènte ... se wasse siek.... +0! sau siek! liefeling, en nou ... nou binne se ... in 't +kètte-gèsthuys....</p> + +<p>—Enne ... enne ... vroeg blond Pietje met goddelijke +onschuld-oogjes er tegenin ... 'k hèp 't nie gehaurd?...</p> + +<p>As jei sloap kè je ommers nie haure,... moedertje,... <span class="pagenum"><a name="p88" id="p88"></a>[p.88]</span> se +legge àllegoar in faàne mandjes ... maor nie oks! deigelik woar ... +moedertje ... asse beiter binne ... mèg je se weir sien....</p> + +<p>Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes +zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele +schouder-schokjes.—</p> + +<p>—Enne poes ... dèn? vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich +omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren +slaap.—</p> + +<p>Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw, die net +inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om +steun.</p> + +<p>Niet tènte Truy?... binne de poesies femorrege nou niet afgehaold?</p> + +<p>Achter Pietje draaiend, maakte ze naar buurvrouw een inlichtend +grimas....</p> + +<p>—Nou!.... zei die, óver-geloofwaardig haar, "nou" beklemtonend, +zonder te weten, waarover 't eigenlijk ging.</p> + +<p>—In 'n figelènte nie?...</p> + +<p>—Sau mit raud fleweil!... pronkte buurvrouw erbij.</p> + +<p>—En binne se niet naor 't kètte-gèsthuys gebracht?</p> + +<p>—Sèlf meigereije!...</p> + +<p>Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter 't toonbankje +staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goudglans van het +gas, dàn naar buurvrouw, dàn naar moeder op.</p> + +<p>Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies ... waren ziek, lagen in +'t gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden.</p> + +<p>—En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen +van de gejaagd rondsnuffelende kat hoorde, in 't gangetje, holde ze +op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met +troostend, fijn vlei-stemmetje:</p> + +<p>—Stil poessie ... stil moar ... je kindertjes binne siek ... se +komme t'rug asse beiter binne....</p></div> + +<p>Neen, dit kan niet overtroffen worden, daar voel ik mij zoo zeker van +als van het feit, dat wanneer geslacht na geslacht telkens en telkens +weer dit onsterfelijke boek zal lezen, dit boek, dat zonder den +geringsten opzettelijken tendenz van even groot sociaal als literair +belang is, en een twijfel in zich mocht voelen opkomen aan de dan +verdwenen werkelijkheid van die poel van ellende en verwording, waarin +een groot deel van Amsterdams hardst-ploeterend volk aan het begin van +de twintigste eeuw nog verzonken lag—dat dan zelfs één klein stukje als +het zooeven door mij aangehaalde <span class="pagenum"><a name="p89" id="p89"></a>[p.89]</span> voldoende zal zijn om elken +twijfel te smoren: een klaar en zuiver gelaat gelijk, tot een duldenden, +zekeren, wijzen glimlach bewogen, zal de diepe menschelijkheid van dit +boek den twijfelaar aanzien, en deze, het hoofd buigend, zal, blijde en +veilig in het geluk van dit visioen, zacht tot zichzelf zeggen, dat zulk +een menschelijkheid niet anders dan wáárheid kan zijn....</p> + +<p class="sidenote">ELSE JERUSALEM: HET ROODE HUIS.</p> + +<p>Mag men ook het machtige boek van <i>Else Jerusalem</i>, Het Roode Huis, als +een symptoom van het krachtig opgestane epische genie der Joden +beschouwen? Wat mij betreft, aarzel ik geen oogenblik die vraag +bevestigend te beantwoorden: het is bijna onmogelijk, dat de +schrijfster, alles in aanmerking genomen, geen Jodin is! Ook in dit werk +is het heerschersbewustzijn aanwezig, maar gedeeltelijk, niet zoo +volkomen alles doorstralend als bij <i>Querido</i>. Deze bordeelroman, een +aanklacht als nauwelijks een andere tegen onze samenleving en tevens zoo +fel en scherp een beeld ervan, dat wij als plots met een schok van +ontzetting doorvoelen, dat het gelaat harer misdadigheid, zooals wij, +lichtgeloovigen, dat kenden, slechts een welgelukte grime is, die +oneindig satanischer en meer verworden trekken moet verhullen—deze +prachtig-zuiver geschreven, van alle pornografische effekten en lagere +bedoelingen ver gehouden roman, kan ongetwijfeld, wat sociale +belangrijkheid betreft, naast <i>De Jordaan</i> worden gesteld. En ook wat +<i>dramatisch</i> inzicht betreft. Niet licht zal men de moeder vergeten, die +in haar kind vrijwel niets anders ziet dan middel tot wraak op den +vader, die haar en met haar, onwillens het kind verstooten heeft. Niet +licht ook de duldende <i>Janka</i>—de nicht van den verleider, den "prins," +den schatrijken heereboer—die met de verstooten moeder en het kind is +weggevlucht en zich met hen in een bordeel heeft laten opnemen, niet +alleen uit liefde tot de verstootene, maar ook uit een soort van duister +gevoel dat zóó, door zelf met de in het verderf gestorten te lijden, de +schuld van haar verwant, den verderver en verleider, door haar gedelgd +en van het geslacht kan worden afgewenteld. <span class="pagenum"><a name="p90" id="p90"></a>[p.90]</span> Maar wat de +psychologie betreft—schoon nu en dan de hoogste voortreffelijkheid +rakend, soms ook rhetorisch-oppervlakkig en vaag—en wat de dialoog +aangaat—vaak veel te redevoeringachtig-opzettelijk—en vóóral de +beschrijvingskunst—heel vaak <i>vieux jeu</i>—staat het ònder Querido's +werk. Compositorisch is het echter weer uitmuntend. Dat het +<i>heerschersbewustzijn</i>, zooals ik reeds opmerkte, niet overal in +voldoend-sterke mate aanwezig is, zou men kunnen demonstreeren o.a. aan +de figuur van <i>Madame Goldscheider</i>, de gewikste waardin, tegen wie nu +en dan, zeer ten onrechte, door de schrijfster wordt opgezien, en die +door haar merkbaar wordt <i>overschat</i>. Doch dat alles neemt niet weg, dat +het werk als geheel straalt van een groote epische genialiteit, een +onverschrokken eerlijkheid, een ontembare kracht en een psychisch geluk +om eigen vast en zeker kunnen. Het is als een geweldige kerel, die, +opduikend uit een moerassig water, handen en gelaat beslijkt, de kleeren +gescheurd, maar de oogen stralend van triomf, met een bijna-verdronkene +in de armen, den oever bespringt. Mevrouw <i>Barentz-Schönberg</i>, die het +prachtige boek op de haar eigen uitmuntende wijze vertaalde, heeft +daarmee een goed werk gedaan, niet alleen, omdat zij daardoor den der +duitsche taal onkundige de lezing van een sterken kunstarbeid mogelijk +heeft gemaakt; niet alleen, omdat zij ons weer eens heeft doen gevoelen, +dat de modderige stroom onzer maatschappij zijne groenende en reddende +oevers der toekomst heeft, maar vóóral, omdat ons met dit +maatschappelijk beeld van elders een waarschuwing bereikt, welke +allerminst onder de aanstaande heerschappij onzer gebenedijde +"Zedelijkheids"-wetten overbodig heeten mag!—En om dit alles nu kan ik +dan ook dit boek mijnen lezers niet sterk genoeg aanbevelen.</p> + +<p class="sidenote">L. SIMONS: STUDIES EN LEZINGEN.</p> + +<p>En wat is nu naast zoo machtige werken de beteekenis van een schrijver +als de heer <i>Simons</i>? Wat ook mijne bedoeling en rechtvaardiging met en +van de opname zijner figuur in dit opstel over <i>joodsche</i> schrijvers?</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p91" id="p91"></a>[p.91]</span> Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, behoeft, dunkt mij, +niemand lang in het duister te tasten. Zijn werk heeft, im grossen +ganzen, de beteekenis, die de arbeid van elk niet geniaal, maar +talentvol en scherpzinnig commentator naast dat van geniale +menschenscheppers en critici heeft: geringer doch onmisbaar wijl nuttig, +maar toch ook dit niet alleen: óók aandoening van schoonheid gevend! +Doch dit slechts ervan te zeggen, zou zijn het onrecht doen. Want er +zijn drie dingen, die het tot nog iets beters en meer bijzonders maken, +dan werk van een talentvol en scherpzinnig commentator. Die zijn: ten +eerste: de stijl van zijn opstel over den <i>Gijsbreght van Aemstel</i>. Het +archaïsch karakter daarvan, volgens des schrijvers eigen verklaring, +door hem aangenomen, om zijn opstel in het kader der in 1893 door de +<i>Erven Bohn</i> uitgegeven foliant te doen passen, was dus geheel +<i>willekeurig</i>, uit <i>wenschelijkheid</i>, en niet uit <i>innerlijke +noodzakelijkheid</i> geboren. Met andere woorden: ware het daarbij +gebleven, dan zou dit geheele opstel geen <i>kunst</i> maar <i>kunstenmakerij</i> +zijn geworden. Maar het is daarbij <i>niet</i> gebleven. Uitgegaan om een +paar ezelinnen te zoeken, vond ook de heer Simons een, zij 't klein, +koninkrijk. Het is n.l. duidelijk, dat, zoodra hij aan het schrijven was +gegaan, het schrijven-in-dien-stijl, in den stijl des tijds van zijn +groot onderwerp, wel degelijk een groeiende noodzakelijkheid, want een +onvermoed en, eens gesmaakt, zelfs onontbeerlijk gelukgevend scheppen +werd. <i>Het moet hem een zeker zoet genot van grooter eenheid met zijn +verheven onderwerp hebben geschonken</i>. Hij moet ook iets als het +<i>feestelijk</i> gevoel gehad hebben—ik ga iets subtiels zeggen en het moet +subtiel verstaan worden ook—<i>van een kind dat onder de oogen en den +lieven glimlach van Vader, in het boek en met de pen van Vader schrijven +mag</i>. Hij heeft namelijk de gewaarwording gehad, een liefhebbende, +nederige en eerlijke <i>Vondel</i>-bewonderaar te zijn, schrijvend als onder +de oogen en glimlach van <i>Vondel</i>, in de taal-nuance van <i>Vondel's</i> +tijd. En daarom is het geen kunstenmakerij, maar een kunstwerkje van +gewilde maar toch òngewilde stijlnabootsing, het product eener +noodzakelijkheid, wier bijkomstige en overigens onbelangrijke <span class="pagenum"><a name="p92" id="p92"></a>[p.92]</span> +eigenschap het was parallel te loopen met eens menschen wil.</p> + +<p>Het tweede van den trits, waarvan ik sprak is dit: het werk is van een +placide, bijna stugge, rimpellooze eerlijkheid. Het is alsof de +schrijver, wijl hij niets te verbergen heeft, en als wilde hij je in de +gelegenheid stellen, zijn gelaatstrekken zoo lang te doorvorschen als +je-zelf het noodig vind, je klaar en vast aanziet en zijn blik niet +neerslaat, vóór je de joue afwend; precies dus het tegenovergestelde van +de glibberige, vèrvloèkte, slag-om-den-arm-houdende schrijfwijze van +sommige andere critici. En, ten derde, is er het prachtig-bevoegde +didactische van den geboren onschoolvossigen leeraar in.</p> + +<p>Wat nu het antwoord op mijn tweede vraag betreft: inderdaad, zelfs +uitgezonderd zijn origine, en zelfs afgezien van het feit, dat <i>die +origine voor mij het beslissende moment is</i>, bestaat er een zeer +gewichtige reden hem in een opstel over <i>joodsche</i> schrijvers op te +nemen, want in de geheelheid zijner figuur vertoont hij juist eene +persoonlijkheid, eene vereeniging van eigenschappen, zooals die vroeger +zeer frequent was in en tot groot sieraad van het joodsche volk strekte: +die van koopman of werkman, tevens kunstenaar en geleerde, wiens +geleerdheid en kunstzinnigheid hem niet verhinderden een practisch en +scherpzichtig koopman of deugdelijk arbeider, en wiens koopman- of +arbeider-zijn hem niet verhinderde, een ijverig geleerde of gevoelig +kunstenaar te zijn. Een levende herinnering dus aan een glorierijk +verleden, herrezen in een samenleving, welke toonde deze gelukkige +vereeniging van eigenschappen dankbaarder te waardeeren dan die van +eertijds. En met de onbescheiden-geuite voldoening over dit alles, +zij—om het slot niet te doen uitmunten boven het geheel!—dit +alleronbescheidenst, mijn eigen ras verheerlijkend opstel besloten, een +besluit, dat, althans voorloopig, tevens, tot mijn leedwezen, het einde +mijner medewerking aan dit Maandschrift<a name="FNanchor_15_15" id="FNanchor_15_15"></a><a href="#Footnote_15_15" class="fnanchor">[15]</a> moet zijn.</p> + +<p>Juni 1912.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<div class="footnotes"><h4>NOTEN:</h4> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> 1 Febr. 1912.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_2" id="Footnote_2_2"></a><a href="#FNanchor_2_2"><span class="label">[2]</span></a> Ter nadere opheldering van dezen thans wellicht minder +begrijpelijken zin diene, dat bij de eerste publicatie dezer "Brieven" +paragraaf-teekens werden gebruikt.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_3" id="Footnote_3_3"></a><a href="#FNanchor_3_3"><span class="label">[3]</span></a> Cursiveering overal van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_4" id="Footnote_4_4"></a><a href="#FNanchor_4_4"><span class="label">[4]</span></a> "Ik mag zoo niet fratsen in mijne brieven," zeg ik met +Abraham Blankaart, anders schrapte ik zoowel deze, zij 't ook +goedmoedige, spotternijen, als de aan hen verwante, aan het eind dezer +critiek voorkomende beweringen. Thans laat ik ze maar staan. Een +criticus—iemand, die anderen steeds bedilt!—lijkt mij trouwens wel het +allerminst gerechtigd, bij een herdruk van zijn werk vroegere <i>foutieve +meeningen</i> te verdonkeremanen. Maar wel moge ook hier thans de +rectificatie volgen, die ik drie maanden na het verschijnen van dezen +"Brief," in hetzelfde maandschrift—<i>De Boekzaal</i>—deed afdrukken. Men +zal daaruit zien, dat ik mijne gevolgtrekkingen uit <i>zeer onjuiste</i> +premissen had afgeleid: +</p><p> +"Rectificatie.—Zoo heb ik dan nu tot mijn genoegen de gelegenheid een +misslag te herstellen, waarvan het inzien mij weer eens heeft doen +voelen, dat de criticus, hij moge pogen zoo conscientieus te zijn als +hem mogelijk is, hierin de onfortuinlijke lotgenoot van den +schoolmeester is, dat hem het onweersproken-blijven door degenen, die +hij op de vingers tikt en bedilt, op den duur wat autoritair maakt en +zijn gewaande rechtvaardigheid, door een soort van loszinnigen overmoed, +in het tegendeel doet verkeeren! Men zal zich herinneren, dat ik, in +mijn derden <i>Brief</i> het door mij geprezen werk <i>De Vreemde Heerschers</i> +besprekend, den heer en mevrouw Scharten-Antink meende te moeten +verwijten, dat zij "fournisseurs de la cour" waren en dáárom moedwillig +de ruwste zijden van het in hun werk uitgebeelde boerenleven zouden +hebben verdoezeld, terwijl ik hen ook, na hun Parijsche en Italiaansche +romans, geloofde te moeten rangschikken onder degenen, die den prikkel +van het uitheemsche behoeven, om tot scheppen te kunnen komen. Welnu, +kort daarna ontving ik een brief van den heer Scharten, waarin hij, +sprekend op zóó objektieve wijze over de gebreken, die zijn eigen werk +in zijn oog aankleven, als ik slechts zelden heb waargenomen en die hem +tot eer verstrekt, tevens verklaarde van deze mijne beide beweringen +gemakkelijk de onjuistheid te kunnen aantoonen. En ik betuig hier gaarne +en openlijk, dat dit inderdaad op overtuigende wijze gebeurd is. Wat het +vermeende verdoezelen van zekere ruwe levenszijden aangaat, werd mij +door het helder voor oogen stellen van 't natuurlijke en ekonomische +milieu, waarin de Italiaansche boeren <i>aan de meren</i> leven—wel te +onderscheiden van bijv. de Italianen uit Toscane en vooral de +Napolitanen—benevens door de mededeeling van verschillende persoonlijke +ervaringen van de auteurs onbetwijfelbaar aangetoond, dat <i>hier niets te +verdoezelen viel</i>. Het leven dier boerenbevolking verschilt <i>inderdaad</i> +hemelsbreed van dat der door Zola en Querido beschreven boeren. En +ofschoon men kan zeggen, dat het boek zóó geschreven had moeten zijn, +dat het niet-verdoezelen <i>daaruit</i> bleek, het is duidelijk dat dit +niet-blijken evenzeer aan den recensent als aan den schrijver liggen +kan, en men hierbij het gebied der subjektieve kritiek betreedt, welke +een heel ander iets is dan het vermeend-feitelijke waarop ik mijn +beschuldiging grondde, en welke alleen dan ook nimmer uitgangspunt van +zulk een beschuldiging mag zijn. Terwijl wat mijn bewering betreft, als +zou uit een soort van artistieke onmacht, het vaderlandsche te +doorvoelen, het uitheemsche door deze auteurs worden <i>opgezocht</i>, mij +ter weerlegging de redenen van hun buitenslands vertoeven werden +medegedeeld, die mij bleken <i>niets</i> met eenig literair streven te maken +hebben, zoodat men inderdaad in deze schrijvers een nog meer volslagen +uitzondering dan, maar toch van dezelfde soort als Van Oordt, heeft te +zien, die immers ook door omstandigheden, welke grootendeels van +niet-artistieken aard waren, er toe geleid werd, zijn onderwerpen wel +niet in een vreemd land maar vroegeren tijd te zoeken.—Ten slotte: +indien ik met zooveel genóegen mijne vergissing hier herstel en zelfs +den heer Scharten gaarne voor zijne opmerkingen mijn dank betuig, dan is +dit omdat die opmerkingen geuit werden op dien toon van waardeering en +onvertroebelde erkenning, welke een persoonlijk ongekwetst-zijn en +daarmee tevens een persoonlijk-hoogstaan van den opmerker aan den dag +legt." Juni, 1912.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_5" id="Footnote_5_5"></a><a href="#FNanchor_5_5"><span class="label">[5]</span></a> 1912.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_6" id="Footnote_6_6"></a><a href="#FNanchor_6_6"><span class="label">[6]</span></a> Alle cursiveeringen zijn van mij, indien niet het tegendeel +wordt aangegeven.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_7" id="Footnote_7_7"></a><a href="#FNanchor_7_7"><span class="label">[7]</span></a> Cursiveering van de schrijfster.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_8" id="Footnote_8_8"></a><a href="#FNanchor_8_8"><span class="label">[8]</span></a> Cursiveering van de schrijfster.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_9" id="Footnote_9_9"></a><a href="#FNanchor_9_9"><span class="label">[9]</span></a> Herdrukt in mijne <i>Schetsen en Critische Opstellen</i>, blz. +150.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_10" id="Footnote_10_10"></a><a href="#FNanchor_10_10"><span class="label">[10]</span></a> Deze meening heb ik in <i>Het Jonge Leven</i> van September +1912 aldus nader gemotiveerd: +</p><p> +Het schijnt mij toe, dat de benaming <i>roman</i> voor dit boek zeer ten +onrechte is gekozen. +</p><p> +Men kan namelijk een boek als dit, waarin een sterke concentratie +ontbreekt; waarin levensbrokken van tallooze menschen, die weinig of +niets met het leven der meest vooraanstaande figuren hebben uit te +staan, zoo fel en zoo uitvoerig worden uitgebeeld, dat zij qua +uitbeelding bijna dezelfde belangrijkheid hebben bereikt als die der +meest vooraanstaande figuren, moeilijk een roman heeten, tenzij men het +òf als zoodanig ondeugdelijk gecomponeerd wilde noemen, òf bereid was af +te zien van alle compositorische eischen, die men tot heden gewend was +aan een roman te stellen. Met zulke compositorische eischen bedoel ik: +dat er een <i>kern van handeling</i> en een <i>kern van persoonlijkheid</i> zij, +maar dat er <i>buiten die kern</i> slechts handeling en persoonlijkheden +aanwezig zijn, voor zoover zij de <i>hoofd</i>handeling en de +<i>hoofd</i>persoonlijkheid moeten <i>belichten</i>, en in onverbrekelijk +boek-organisch verband daarmee. Daarvan is hier echter geen sprake. Wij +zouden ongetwijfeld geen der in het boek optredende figuren hebben +willen missen, want met <i>elk</i> zulk een figuur, ook de schijnbaar +vluchtig-aangegevene, ook de minst belangrijke, zouden wij tevens een +<i>rijk doorvoelde menschbeelding</i> gemist hebben, maar allerminst kan men +zeggen, dat ieders aanwezigheid ter belichting der <i>meer op den +voorgrond tredende</i> figuren <i>noodzakelijk</i> is. Doch er is nog een andere +eisch aan een roman te stellen, die door dit werk <i>niet</i> vervuld wordt, +te weten, dat er een zekere feitelijke of psychologische of dramatische +<i>toestand</i> in heersche, die <i>aanvange</i>, zich <i>ontwikkele</i> en zijn +<i>ontknooping</i> of <i>eindpunt</i> bereike, maar óók en vóóral, dat dit +<i>eindpunt</i> tevens een punt van <i>samenvloeiing</i> is. Met dit laatste +bedoel ik dit: een <i>roman</i> zij in den aanvang eene <i>verscheidenheid</i>, +welke bij het einde tot een <i>eenheid</i> blijkt vervloeid, niet alleen in +hooger-geestelijken maar ook in bloot-compositorischen zin. Een roman +zij als het samenstroomen van vele beken die zich vereenen tot een +machtige rivier, waarop al verder varende, de reiziger, genietend van de +gezichten op haar oevers, van haar zonweertinteling en watergeur, weet, +dat aan het eind der reize hem geen gering genot nog wacht: <i>het +uitrustende verpoozen in de fraaie stad</i>, welke <i>zij</i> rijk en groot +heeft gemaakt, die inderdaad de <i>rivier</i>stad is, waarin alles van háár +spreekt, alles van háár leeft en die daarom wel de <i>meest geëigende +plek</i> mag heeten, om zich nog eens herinnerend voor den geest te halen, +al wat haar wateren en haar oevers hebben geboden op den tocht.—En nu +is dit werk wel een machtige stroom en zelden of nooit heeft +verscheidenheid mij zulk een gevoel van eenheid-der-dingen geschonken +als die van dit boek, doch deze is de hierboven geschetste eenheid van +een romangeheel niet, zij is de door geen <i>enkele</i> grens gehinderde +eenheid van het boek met het omringende leven, juist dus het +<i>tegenovergestelde</i> van de eenheid eener roman, die immers <i>een tot +geheel geworden</i> deel van, <i>gesneden uit</i> het omringende leven is!</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_11" id="Footnote_11_11"></a><a href="#FNanchor_11_11"><span class="label">[11]</span></a> Het <i>essentiëele</i>, de respectieve waarden aanwijzend en +belichtend onderscheid tusschen het niet geheel de objectieve +werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een geniaal mensch en +het eveneens niet de objectieve werkelijkheid dekkend +gevoel-van-eigenwaarde van een maniak, is niet zoozeer van +quantitatieven aard, niet zoozeer een kwestie van meer of minder.—Mij +lijkt het te liggen in het feit, dat zulk een maniak het beeld der hem +omringende werkelijkheid in zijn geest moest <i>vernietigen</i>, om zijn +gevoel van eigenwaarde te kunnen <i>redden</i>, terwijl zulk een geniale +mensch het beeld dier werkelijkheid in zijn geest niet het geringste +geweld behoeft aan te doen, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen +laten bestaan. De verhouding van het gevoel van eigenwaarde tot de +werkelijkheid is bij den <i>eerste: die van iemand die zijn mededinger +doodt, omdat hij voelt, dal deze machtiger is</i>, bij den <i>tweede</i> echter: +<i>die van iemand, die in het sterke bewustzijn van eigen kracht, niet +alleen den mededinger naast zich dulden, maar zelfs liefhebben kan!</i></p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_12" id="Footnote_12_12"></a><a href="#FNanchor_12_12"><span class="label">[12]</span></a> Ik bedoel dit: (Balzac, Facino Cane,) "Chez moi, +l'observation était déjà devenue intuïtive, elle pénétrait l'âme sans +négliger le corps; ou plutöt elle saisissait si bien les détails +extérieurs, qu'elle allait sur-le-champ au delà; <i>elle me donnait la +faculté de vivre de la vie de l'individu sur laquelle elle s'exerçait, +en me permettant de me substituer à lui comme le derviche des Mille et +une Nuits prenait le corps et l'âme des personnes sur lesquelles il +prononçait certaines paroles</i>." Interessant ter vergelijking met de +wijze, waarop Querido zijn <i>Jordaan</i>-Studies maakte is het onmiddellijk +aan het geciteerde voorafgaande stukje: "<i>Aussi mal vêtu que les +ouvriers, indifférent au decorum, je ne les mettais point en garde +contre moi; je pouvais me mêler à leurs groupes, les voir concluant +leurs marchés et se querellant à l'heure où ils quittent le travail</i>."</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_13_13" id="Footnote_13_13"></a><a href="#FNanchor_13_13"><span class="label">[13]</span></a> Alle cursiveeringen zijn van mij. v.C.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_14_14" id="Footnote_14_14"></a><a href="#FNanchor_14_14"><span class="label">[14]</span></a> Later herdrukt in mijn <i>Schetsen en Critische opstellen</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_15_15" id="Footnote_15_15"></a><a href="#FNanchor_15_15"><span class="label">[15]</span></a> <i>De Boekzaal</i>, waarin deze "Brieven" voor het eerst werden +gepubliceerd.</p></div></div> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h4>VERTALINGEN BIJ "BRIEVEN OVER LITERATUUR'</h4> +<p><span class="pagenum"><a name="p93" id="p93"></a>[p.93]</span></p> + +<p>Blz. <a href="#p7">7</a> <i>Sogar</i>:</p> + +<p>Zelfs echter onder het kleine aantal schrijvers, die werkelijk, ernstig +en vooraf denken, bevinden zich slechts uiterst weinige, die over de +<i>dingen-zelf</i> denken: de overige denken uitsluitend over <i>boeken</i>: over +datgene wat reeds door anderen is gezegd. Zij hebben namelijk, om te +kunnen denken, de meer nabijë en sterkere opwekking van anderer +gedachten noodig.... De eerstgenoemden daarentegen worden door de +<i>dingen-zelf</i> tot denken geprikkeld.... En onder dezen zijn alleen zij +te vinden, die beklijven en onsterfelijk worden.</p> + +<p>Blz. 17 <i>Vague Thoughts on art</i>: vage gedachten over kunst.</p> + +<p>Blz. <a href="#p17">17</a> <i>Art is</i>:</p> + +<p>Kunst is de verbeeldingsvolle uitdrukking van menschelijke energie, +welke ernaar streeft, door technische vertastbaring van gevoel en +waarneming, het individu, doordat zij een onpersoonlijke ontroering in +hem verwekt, in harmonie met het universeele te brengen.</p> + +<p>Blz. <a href="#p17">17</a> <i>Impersonal emotion</i>: onpersoonlijke ontroering.</p> + +<p>Blz. <a href="#p17">17</a> <i>If I stand</i>:</p> + +<p>Indien ik, een voorwerp beschouwend, word ontroerd door den aanblik +zijner kleur en van zijn vorm, zij 't in nog zoo geringe mate en voor +nog zoo korten duur en daarbij vrij blijf van eenige bepaalde, +feitelijke gedachte—in die mate en gedurende dien tijd heeft het mij +aan mij-zelf ontrukt en zich-zelf daarvoor in de plaats gesteld; heeft +het mij aan het universeele verbonden, door mij het individueele in mij +te doen vergeten....</p> + +<p>Blz. <a href="#p19">19</a> <i>For religion</i>:</p> + +<p>Voor godsdienst zijn alle menschen gelijk, op dezelfde wijze als alle +munten gelijk zijn: hun aller waarde bestaat uitsluitend daarin, dat zij +het beeld des Konings dragen.</p> + +<p>Blz. <a href="#p19">19</a> <i>He longed to go to school</i>:</p> + +<p>Hij verlangde hevig naar school te gaan (een zonderlinge wensch), de +universiteit te bezoeken, zich een naam te maken, <span class="pagenum"><a name="p94" id="p94"></a>[p.94]</span> en hij +verlangde niet slechts deze dingen, maar van het meerendeel hunner +verwachtte hij stellig, dat zij ook zouden gebeuren. Hij beschouwde +zich-zelf als een kind van goeden stand, aan het begin van een +voorspoedig leven. Hij beschouwde zijn tehuis en familie als een heel +goede springplank, van waar hij zich omhoog kon zwaaien naar de +posities, die hij wenschte te bereiken. En bijna juist toen hij op 't +punt stond te springen, <i>brak de heele stellage onder hem in elkaar en +hij en al de zijnen verdwenen in een duistere diepte</i>.</p> + +<p>Blz. <a href="#p20">20</a> <i>Dickens went</i>:</p> + +<p>Dickens ging in de Pickwick-club om te spotten, maar bleef er ten slotte +om te bidden.</p> + +<p>Blz. <a href="#p20">20</a> <i>The modern Shocker</i>:</p> + +<p>De moderne sensatieroman is, op zijn allerbest, <i>een tusschenspel in 't +leven</i>, maar in die dagen, dat Dickens' werk in afleveringen verscheen, +spraken de menschen erover <i>alsof het werkelijke leven een tusschenspel +tusschen een aflevering van "Pickwick" en de volgende was</i>.</p> + +<p>Blz. <a href="#p20">20</a> ... <i>his Christmas sentiment</i>:</p> + +<p>... zijn kerstmis-sentiment. Het heeft die zich verkneuterende, warm +beveiligde knusheid, dat zich op z'n gemak voelen, <i>die afhankelijk zijn +van het bewustzijn, dat buiten hun begrenzing slechts ongemak is</i>. Het +heeft sympathie met den arme, in 't bijzonder met de buitensporigheid +van den arme, met datgene wat men zijn tijdelijke weelde noemen kan. Het +heeft het sentiment van den haard, dat is: <i>het zien van het open +haardvuur als het roode hart van de kamer</i>. Dat open haardvuur is het +heilige vuur van Engeland, <i>nog brandend gebleven te midden eener +slaafsche beschaving van kachels</i>.</p> + +<p>Blz. <a href="#p21">21</a> <i>But considered poetically</i>:</p> + +<p>Maar uit een poëtisch oogpunt beschouwd is de Londensche mist niet +onverdienstelijk. In onze groote steden hebben wij de zuivere en gezonde +duisternis van het land voor goed onmogelijk gemaakt. <i>Wij hebben Nacht +vogelvrij verklaard, haar in onbewoonde streken te zwerven gezonden, en +ten afweer harer weerkomst eeuwig brandende wachtvuren ontstoken</i>. Een +nieuw heelal hebben wij geschapen, bij gevolg ook onze eigen zon en +sterren. En dus ook, en welverdiend, was het ons opgelegd, onze eigen +duisternis te moeten scheppen. Precies zoo als elke lamp een warme, +menschelijke maan is, zoo is iedere fabrieks-dampige mist een rijke, +menschelijke avondval. Ware het niet door dit mystiek gebeuren, wij +zouden nimmer de duisternis zien, en hij die nooit duisternis zag, zag +nooit de zon.</p> + +<p>Blz. <a href="#p21">21</a> <i>This life of grey studies</i>:</p> + +<p>Dat leven van grijze studies en halve tonen, welks afwezigheid in +Dickens ge zoozeer betreurt, is slechts het leven zooals het <span class="pagenum"><a name="p95" id="p95"></a>[p.95]</span> +wordt <i>gezien</i>. Dit leven van helden en misdadigers is het leven, zooals +het wordt <i>geleefd</i>. Het leven dat een mensch het innigst kent, is juist +het leven, dat hij het volst van wreede zekerheden en gevechten tusschen +goed en kwaad ziet—<i>zijn eigen leven.</i> O, zeker, het leven waarmee wij +niets hebben te maken kan ons makkelijk een psychologische comedie +lijken, het leven van andere menschen: menschelijk studie-materiaal; +maar een mensch zijn eigen leven, dat is altijd een melodrama.</p> + +<p>Blz. <a href="#p60">60</a> <i>Cette dernière allusion</i>:</p> + +<p>Deze laatste toespeling op een weinig aesthetischen rabbijnschen ritus +(het dragen der gebedsriemen, v.C.) waaraan door de traditie veel +gewicht wordt gehecht, bedoelt den nadruk te leggen op het contrast +tusschen de schoonheid der Grieksche cultuur en het gebrek aan smaak der +rabbijnen.</p> + +<p>Blz. <a href="#p60">60</a> <i>Toutes ces belles choses</i>:</p> + +<p>Al deze schoone zaken, welke door krachtlooze mannen, verdorven, vuige +en aan het leven vijandige wezens ontroofd zijn aan Shadai-God-Rots +(Shadai, een hebreeuwsch woord, beteekent Almachtige, v.C.)—deze +ondoordringbare godheid van de woestijn, die de daden van Kanaän's +veroveraars bestuurde—en die door hen in het leder der gebedsriemen +werden vastgesnoerd.</p> + +<p>Blz. <a href="#p61">61</a> <i>Allusion à</i>:</p> + +<p>Toespeling op een talmudische passage, welke dengeen, die stilstaat om +"een mooien boom of een schoon veld" te beschouwen, verfoeilijk acht.</p> + +<p>Blz. <a href="#p61">61</a> <i>Fils de l'homme:</i></p> + +<p>Menschenzoon.... Sta op en ga naar de stad der slachting. Treed er de +huizen binnen, om met uw oogen te zien en te tasten met uwe handen, het +bloed gestold, het hersenmerg hard geworden op de hagen, de boomen, en +het cement der muren.... Daarna zult gij de ruïnen gaan zien, de bressen +overspringen, u een weg banen door doorboorde muren en verbrijzelde +ovens, daar waar de doorbraak het wijdst, de gaten het grootst zijn. Zij +gelijken de gapende openingen van vervuilde wonden, waarvoor geen enkel +middel, geen genezing meer bestaat. Uwe voeten zullen er verzinken in de +veeren en stooten tegen de scherven van verbrijzelde voorwerpen, tegen +de overblijfselen van boeken en perkamenten, te loor geganen rijkdom, de +vrucht van bovenmenschelijke inspanning en arbeid.</p> + +<p>Maar houd u niet te lang bij die ruïnen op en vervolg uw weg.... En de +geur der acacias zal u tegemoet komen, dringen in uwe neusgaten....</p> + +<p>En als ware 't om U nog dieper te bedroeven, zal hun vreemde geur, der +lente frischheid spreiden in uw hart, en gij zult het verdragen! En de +zon zal U raken met myriaden gouden pijlen, <span class="pagenum"><a name="p96" id="p96"></a>[p.96]</span> die op elke +ruitscherf de zeven blijde kleuren van uw ongeluk zullen spiegelen....</p> + +<p>Want Jehova riep de lente en de slachting tezelfder tijd. De zon +straalde, de acacia ontlook en de beul sloeg neer....</p> + +<p>Blz. <a href="#p62">62</a> <i>Dans ce sanglot</i>:</p> + +<p>In dezen oppersten wanhoopssnik van een denken, dat zich vastklemt aan +het leven, schoon het begrip van het Einde het nimmer loslaat, komt een +levende en sympathische gevoeligheid aan het licht, die door onze eeuw +van tot het uiterste opgevoerd egoïsme en positivisme verdient te worden +gekend.</p> + +<p>Blz. <a href="#p61">61</a> <i>La chose</i>: Het Iets.</p> + +<p>Blz. <a href="#p62">62</a> <i>Car une chose</i>:</p> + +<p>Want Iets heeft zich in ons midden geopenbaard, maar niemand weet wat +het beduidt.</p> + +<p>Is het de Opgang of Ondergang eener zon? En zoo het een Ondergang is, is +het er eene voor eeuwig?</p> + +<p>Want de Chaos die ons omringt is onafzienbaar. Hij is vreeselijk deze +chaos, een toevlucht wordt niet in hem gevonden.</p> + +<p>En zoo wij al te midden der duisternissen wilden smeeken, ons overgeven +aan het gebed, welk oor zou ons hooren?</p> + +<p>Of zelfs zoo wij uitbraken in Godslasteringen, op welk hoofd zouden zij +neerkomen?</p> + +<p>Of indien wij tandenknarsend, in woede de vuist zouden heffen, welken +nek zou zij treffen? De Chaos, de wind, zij zouden het alles meevoeren +zonder een spoor achter te laten.</p> + +<p>Er is nergens een rustpunt, nergens een steun, nergens een weg. De +hemelen zwijgen.</p> + +<p>Zij weten hoezeer misdadig zij jegens ons zijn; het helsche hunner +misdaad kennen zij en in stilte dragen zij hun last.</p> + +<p>Open dan uw mond, o Propheet van het Einde, en zoo ge iets te zeggen +hebt spreek!</p> + +<p>Ware uw woord zoo bitter als de dood, ware het dood-zelf, spreek, zeg +het!</p> + +<p>Waarom zouden wij den dood vreezen, daar reeds zijn engel onzen rug +berijdt en het gebit klemt in onzen mond?</p> + +<p>En terwijl de hymne der wedergeboorte op onze lippen zingt, in de +hoogste extase der vreugd van te leven, snellen wij naar het graf.</p> + +<p>Blz. <a href="#p63">63</a> ... <i>C'est la vie réelle</i>:</p> + +<p>... Het is het werkelijke leven, de krachtsinspanning, die de dichter +den ontaarden zonen van het Ghetto predikt.</p> + +<p>Zelf overvloeiend van levens- en arbeidslust, oefent hij daardoor een +des te grooter invloed op de lezers, zijn eigen lotgenooten uit.</p> + +<p>Hij is zich bewust van zijn rol als vernieuwer en herschepper. Hij is +even mild, even gul als de natuur het voor hem-zelf is.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p97" id="p97"></a>[p.97]</span> Blz. 63 <i>débordant de joie de vivre</i>: overvloeiend van de +blijdschap van te leven.</p> + +<p>Blz. <a href="#p63">63</a> <i>Mais non</i>:</p> + +<p>Maar neen! Zij sterft niet, de poëzie! Zij sterft nimmer. Zelfs ten dage +dat de mensch-worm er in zal slagen zijn heerschappij over de domeinen +van den hemel en den afgrond uit te strekken, den donder en bliksem te +temmen, en met zijn klaarheden de duisternissen van den poolnacht te +verjagen, sterft zij niet.... Midden de omlijstingen van zuiver goud en +uit de halssnoeren der rijmen zal opgaan de geestdrift van de +dichterziel, màchtig, als het trots gegrom van de zee. Verwijlend bij de +heugenis der daden, in verleden tijden door de vaderen volbracht, en in +de onmetelijke gelukzaligheid der komende eeuwen, sterft zij niet, zal +zij nimmer sterven!...</p> + +<p>Blz. <a href="#p65">65</a> <i>Lesen kann ich gar nicht</i>:</p> + +<p>Lezen kan ik heelemaal niet en schrijven maar weinig. Sedert een jaar is +een oog geheel dicht, het andere zeer zwak en 2/3 van het gelaat, de +mond daarbij inbegrepen, is verlamd. Daarbij komt, dat ik levenslustig +ben gebleven en heelemaal geen trek heb mij kalmpjes onder de voet te +laten loopen. Integendeel, de teenen jeuken mij en God zij het zitvlak +genadig, dat zij eerstdaags zullen schoppen.</p> + +<p>Blz. <a href="#p65">65</a> <i>Im Laufe des Gespraches</i>:</p> + +<p>In den loop van het gesprek nam ik een fransche krant op en nadat ik +vluchtig den inhoud had doorgezien, vroeg ik Heinrich zijn meening over +de publieke personen in Frankrijk, "Och," zei bij, "daar moet ik je 't +zelfde op antwoorden, als wat die oude Fransche wachtmeester zei, toen +de leverancier Lewi zijn ossen afleverde. Dit vond plaats op het +marktplein van een klein stadje, waar de Staf, voor wie de ossen werden +voorbijgedreven, om geteld te worden, stond opgesteld. De heer von Lewi +had de verplichting op zich genomen 300 ossen te leveren, maar had er nu +slechts 100 tot zijn beschikking. Hij liet daarom de ossen stuk voor +stuk voorbijdrijven, en richtte het zoo in, dat de gekeurde ossen door +zijn knechten vlug de eene poort uit, stadje om en door de andere poort +weer naar binnen werden gedreven, zoodat ten slotte door den Staf een +bewijs van ontvangst van 300 ossen werd afgegeven. Maar een oude +wachtmeester, die erbij stond, schudde verwonderd 't hoofd en merkte op: +het kwam hem voor, dat het voortdurend dezelfde ossen waren +geweest.—Ja, beste broer," besloot Heinrich, "ook mij wil het +voorkomen, dat 't nog altijd dezelfde ossen zijn."</p> + +<p>Blz. <a href="#p66">66</a> <i>Bruder, du warst</i>:</p> + +<p>Broer, je was verstandiger dan ik, je koos je het kleinste der kwaden.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p98" id="p98"></a>[p.98]</span> Blz. <a href="#p68">68</a> ... <i>les lettres hébreux</i>:</p> + +<p>.... de hebreeuwsche letterkundigen hielden ervan hun toevlucht te nemen +in de romantische gevoeligheid, die hen voor een scherpe waarneming der +werkelijkheid vrijwaarde.</p> + +<p>Blz. <a href="#p77">77</a> <i>Chez moi</i>:</p> + +<p>Bij mij was het opmerken intuïtief geworden, het drong door tot in de +ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het +doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook onmiddellijk hun +keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen om zelf het leven van het +individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven +mij in zijn plaats te stellen, zooals de dervisch der Duizend en een +Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn +tooverformulier uitsprak.</p> + +<p>Blz. <a href="#p77">77</a> <i>Aussi mal vêtu</i>:</p> + +<p>Even slecht gekleed als de werklieden, en mij gedragend als zij, zorgde +ik ervoor dat zij niet voor mij op hun hoede waren; ik kon mij mengen in +hun groepen, hen hun handeltjes zien bedisselen en met elkaar twisten, +als ze het werk verlieten.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK</h2> +<p><a name="FNanchor_1_16" id="FNanchor_1_16"></a><a href="#Footnote_1_16" class="fnanchor">[1]</a> +<span class="pagenum"><a name="p99" id="p99"></a>[p.99]</span></p> +<h3>I.</h3> + +<p class="sidenote"> +Mevr. Henriette Roland Holst, Studies<br /> +over Socialistische Aestetica.—<br /> +H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging +van '80 in Holland. +</p> + + +<p>Voor zoo menige dichter-jeugd, gelijk voor elke menschheid in dien +verbeelding-rijksten harer tijden, als de nog teere ziel, instinctief +voor het harde licht bevreesd, naar schemer neigt, en al droomend, zich +den niet-droom poogt bewust te maken, rijst het verleden als een +geheimende nachtstad op. Beslagen van het blauwig zilver van de maan op +spitsen en op daken, de muren opstanden van sneeuwig licht naast holle +donkerten, staan op de leege, blind-begrensde, wijde pleinen en aan de +eindelooze voortwindingen der holle straten, de monumenten en torens en +paleizen. De menigten, die daar wemelden in 't zonlicht en hun roep en +lach opschalden, juichten en werkten, vloekten en zongen, zijn ter rust +gegaan.... De monumenten en torens en paleizen, die beklijvenden, zij +zijn alleen gebleven....</p> + +<p>O, dichters, hoe heeft het Verleden u vaak vleiende gelokt, +nomaden-vorsten van een volk, bezitters van een schat van droomen, die +meendet, dat 't daar goed wonen voor uw volk was. Ge zaagt het zóó ruim, +oneindig, zoo standvastig <span class="pagenum"><a name="p100" id="p100"></a>[p.100]</span> beklijvend en toch zonder eenige +weerstreving. Het docht u een land, dat om een volk vroèg. Niets +hinderde u daar. Gij kondt u vlijen aan den voet der eeuwige monumenten +en u wegdenken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het +scheppingsgenot van wie die schiepen. Gij bevolktet de leege straten, de +pleinen en paleizen met uwe droomen, deedt hen zitten op de tronen, +gaaft hun den schepter in de teere handen; ook schonkt gij hun +rijk-gekleede dienaren, een hof van pages, ridders en edelvrouwen. Gij +maaktet het stijve goudbrocaat en weefdet de glanzende zijde. Gij +schiept al het ontbrekende van uwe droomen en hèrschiept zelfs veel van +het zijnde daarin. En alles werd één half maanlicht-blanke, half donkere +sage, verrukkelijk zoet voor uwe oogen, die, nauwelijks uit 't onbewuste +opengeloken, verblind zouden zijn geworden door 't volle licht. Maar, +arme droomenvorsten, ge ondervindt 't altijd en altijd weer, de nacht +duurt niet eeuwig, de opschrikkende schemer kort, en over het verleden +blijft niet immer de sprokige maanglans gespreid! Als bij het groeiend +licht de menigten der menschen en der levensfeiten ontwaken, drijven zij +ruw uw droomen-volk uit. Dat is dan om te schreien. Al lijkt 't eerst +een wrange clownerie, die een armen mensch even doet lachen, máár die +hem dan ook later op zich-zelf doet vertoornen, omdat hij lachen kòn. +Dan verraggen en verlompen de glanzende zijde en het stijve goudbrocaat, +het goud en zilver der schepters en kronen wordt om niet geacht en de +arme droomen sterven aan de hoeken aller straten, waarlijk van honger en +dorst.—Het is dan op die kentering van uw leven, dat gij het heden haat +èn vreest, gij vréést het als een scherpsnedig wapen, gij háát het als +een ruwe en onberechtigde overheersching. Al naar uw aard verschrikt het +u op andere wijs, want vele zijn zijne boden der verschrikking: vreest +gij den een niet, zoo snelt ge toch vluchtend voor den ander uit. Och, +droomers, eens zult ge leeren, dat ge niets van het heden kunt +ontvluchten. Nù weet ge dit nog niet, en dan: uw oogen zijn juist sterk +genoeg geworden, om zich te koesteren aan der toekomst bleeken +ochtendgloor.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p101" id="p101"></a>[p.101]</span> Zoo wendt ge u tot haar. O, het schoon gelaat dier wereld, van +wie nauw de nacht is afgegleden en die in den vroegen ochtend openglanst +... de velden dragen glinsterinkjes van dauw, de bloemen ademen naar hun +geurige wijze, er is nog een lichte dampigheid, die haar trillende +sluierflarden bij plekken over het zonvergulde waast, waar hoog in de +verte de morgenstad op glooiende heuvels wacht.... Maar zaagt gij haar +wel zoo?... Wellicht verscheen zij u wel als jonge vrouw, een half +verloken belofte op het neerziend gelaat ... wellicht als Roem, Rijkdom +... wie dan gij-zelf zou het kunnen zeggen, hòe zij ù verscheen.... Want +zonder tal zijn de gestalten, waarin zij zich verhult. De goden hebben +haar de gaaf der gedaanteverwisseling verleend. Een andere Mestra, +verschijnt zij vaak als tot dienst gewillige slavin, verkoopt zich +telkens opnieuw en ontsnapt weer telkenmale.... Onnoozele, die het niet +wist: met de vrucht van ùw werk, door haar verworven, zònder u te +dienen, voedt zij haar onverzadelijken vader, den wreeden heerscher, +dien gij wildet ontvluchten.... Later begrijpt ge, dat dit alles zoo +moest zijn: hoe weinigen zouden werken voor het heden, zoo ze 't niet, +in hun gedacht, voor het bezit der toekomst deden!... Dàn, als ge dit +begrijpt, glimlacht ge om 't schoon bedrog; ge zijt nu ook ouder +geworden, ge leert u schikken in wat onvermijdelijk is en uw oogen zien +moedig en sterk in het volle daglicht. Gij vreest niet meer de +kletterende rumoeren, de plompe voeten, den aanblik der zwoegende en +strijdende gestalten van het heden. Gij voelt dat alles niet meer als +een vreemde en wreede overheersching, maar bloed van uw bloed nu. Niet +van het hooge en ijle in u gemaakt, gelijk uw droomen waren, maar aan +het hart-diepe en innige in u verwant. Ge leert, o verrukking, van het +"leelijke" de schoonheid zien. Maar ge leert meer: hoe het verleden, +maar ook de toekomst en het heden slechts +verschijnselen-van-de-oppervlakte zijn: drie meren, elkaars inhoud +onophoudelijk wisselend door en in een diep verborgen bron. De +vergankelijkheid, die ge meendet te zien, is slechts eene van verhouding +en vertoeven-in-zekere-sfeer, niet van wezen. Nu <span class="pagenum"><a name="p102" id="p102"></a>[p.102]</span> erkent gij +eerst goed de dwaling uwer voorkeuren, gij voelt u nu rijk en gelukkig +met het heden, en zijt gij al een waterdruppel in dàt meer, in dieper +werkelijkheid weet ge u ook een in de andere twee èn de diepverborgen +bron. Maar nauwelijks hebt gij u verheugd om uw ontdekking of het valt +uwer vrijgekomen aandacht op, dat ook deze "groote gewoonte der natuur": +de schijnbare vergankelijkheid der dingen, door een andere gewoonte +wordt verstoord. Iets, merkt ge, is er, dat zelfs niet onderworpen +schijnt te zijn aan die tijdelijkheid van vertoeven en verhouding, +waarin gij-zelf bestaat: de groote kunstwerken, die altijd blijven in +het heden; zij stroomen niet weg naar verledens meer, zij schijnen de +eigenschap der <i>hedenmatigheid</i>—mogen wij zóó haar even +noemen?—onvervreemdbaar te bezitten en immer te kunnen passen en leven +in de wisselende verhoudingen van het <i>heden</i>; de eigenschap dus, die +men, los van de sfeer der hier opgeroepen denk-beelden, die der eeuwige +jeugd zou kunnen noemen. En zijt ge een kunstenaar, nù levend in het +heden, dan wordt dit wellicht een van uw sterkste begeerten: te vinden, +wàt dit <i>uitzonderlijk</i> eeuwigzijn in hen veroorzaakt, wat het +<i>essentieele</i> in hen is.</p> + +<p>Voorzeker, ik moet den nadruk leggen op: "nù levend in het heden": niet +immer was de aanleiding tot het bestaan van zulk begeeren zoo groot als +thans, een feit reeds gemakkelijk te verklaren uit de omstandigheid, dat +juist in onzen tijd het aesthetisch-critisch denken zich in de richting +der hel bewust makende analyse beweegt, en wat zou het analytisch denken +wel belangrijker kunnen lijken dan de vraag, wat de kern van haar +onderwerp uitmaakt? Maar deze verklaring laat de meest +actueel-belangrijke aanleiding toch in het duister. En willen sommigen, +niet immer zonder goed recht, beweren, dat het door haar genoemde feit +op machteloosheid tot scheppen en zekere decadentie wijst, de andere +verklaring daarentegen zou niet kunnen gegeven worden, ontkiemde er niet +allerwegen een nieuw en sterk leven; zij immers noemt als oorzaak: het +opkomen eener <span class="pagenum"><a name="p103" id="p103"></a>[p.103]</span> marxistisch-socialistische aesthetiek, die het +probleem wàt het eeuwige en essentieele in kunst zij, tot een der +heftigst omstreden en dan ook strategisch niet onbelangrijke punten +maakte. Tot in onzen tijd scheen dan ook vrijwel de vraag in de +rustigste rust te slapen en iedereen het erover eens te zijn, waarin het +bestond. Men achtte het te zijn het "algemeen-menschelijke" van de +figuren, in die altijd jong blijvende werken gebeeld. Dat +"algemeen-menschelijke," zoo meende men, bleef immers ook voor de verst +verwijderde geslachten meevoelbaar, zoodat daardoor die werken nooit +kònden den indruk wekken van verouderd en leeg van schoonheid en zin te +zijn. Nu kan men ongetwijfeld wel in den arbeid van alle groote +kunstbeschouwers, de duidelijke blijken vinden, dat zij iets anders dan +dat "algemeen-menschelijke" als het eeuwige en essentieele van kunst +zagen, maar 't geen ook duidelijk blijkt is: dat dit zien een vermogen +van het Onbewuste in hen bleef: een intuïtief aanvaarden van een +gevoelde maar niet <i>door</i>voelde en evenmin <i>begrepen</i> waarheid, een +aandrift en een roepstem die zij volgden, handelend uit onbewuste en +aangeboren zekerheid, gelijk duiven die onder den wijden, wegloozen +hemel de richting vinden naar het veilig nest. Ware het anders, waren +zij bij machte geweest uit te zeggen <i>waarom</i> dat andere als het +vereeuwigend bestanddeel van kunst moest worden aanvaard, dan, dunkt +mij, zou toch wel ten minste een hunner dat gedaan hebben, toen het +historisch-materialisme, het marxistisch systeem van onderzoek en +verklaring der herkomst van de sociale, geestelijke zoowel als +stoffelijke, verschijnselen, ook in ons land, belichaamd in Mevr. +Holst's <i>Studies over Socialistische Aesthetica</i> en Gorter's <i>Kritiek op +de Literaire Beweging van '80 in Holland</i>, zijn invloed begon uit te +strekken tot de literaire aesthetiek en critiek. Immers Gorter vooral +concentreerde een niet gering deel zijner aanvalsmacht juist tegen die +algemeene-en-eeuwige-menschelijkheidstheorie. Hetgeen mij dan ook, zeer +zeker van zijn standpunt, het meest logische lijkt. Het +historisch-materialisme, dat de stelling tot basis heeft: "het +bewustzijn der menschen is het niet dat hun zijn, maar, omgekeerd, +<span class="pagenum"><a name="p104" id="p104"></a>[p.104]</span> hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt," anders +gezeid: "de materieele maatschappelijke veranderingen zijn de hefboom +der geestelijke bewegingen," aanvaardt wel het bestaan van een physisch- +en psychisch-functioneel zich altijd gelijk blijvende algemeene +menschelijkheid—waarvan echter, zooals Gorter, ook m.i. terecht, zegt, +<i>geen kunst te maken is</i>—maar het bestaan eener algemeene +menschelijkheid, die eeuwig zou zijn en zich gelijk blijven in haar +drijfveeren en hartstochten, kortom in alles, dat haar een waardevol +onderwerp voor kunst doet zijn, kan het niet aanvaarden. Krachtens zijn +grondstelling-zelf ziet het met en door de wisseling der +productieverhoudingen ook den geheelen inhoud der menschelijke psyche +zich wijzigen; elke tijd heeft dus zijn door de productieverhoudingen +<i>gespecialiseerde</i> menschelijkheid, waarvan <i>de kunst van dien tijd +gemaakt wordt</i>, en van het bestaan eener algemeene en eeuwig levende +menschelijkheid, die daartoe dienen kan, is dus geen sprake. Het eeuwige +en essentieele der beklijvende werken van kunst is dan ook volgens +Gorter, de eeuwig meevoelbaar blijvende <i>gespecialiseerde +menschelijkheid</i>.—Ik mag den lezer niet in den waan laten, dat ik niet +zie, hoe hij hier verbaasd-vragend zijn wenkbrauwen hóóg optrekt en met +een haastig-gegrepen potlood een groot vraagteeken bij deze +Gorteriaansche bewering plaatst, die inderdaad al op het eerste gezicht +zwakheid verraadt. Maar hij vergunne mij te doen <i>alsof</i> ik niets zie! +Ik laat hem nu slechts de troepen-opstelling op het slagveld zien. De +strategisch-zwakke punten mogen in den strijd aan het licht treden; dat +is het zekerste, het vernuft van den toeschouwer kàn hier bedriegelijk +werken. Mag ik hem dus ook de door mij ingenomen positie vertoonen? +Ziehier: <i>Niet</i> de "algemeene en eeuwige menschelijkheid," nog minder de +"door de productieverhoudingen gespecialiseerde" is het eeuwige en +essentieele in een kunstwerk, maar de ten eeuwigen dage zichtbaar en +meevoelbaar blijvende <i>schoone beweging van het Scheppend Vermogen, dat +dat werk voortbracht</i>.—Niet dus zijn de gedachten, de beelden, de +hartstochten, de drijfveeren der in zulk een werk voorgestelde <span class="pagenum"><a name="p105" id="p105"></a>[p.105]</span> +wezens eeuwig, zij verouderen, hun stem dringt niet fel meer in onze +ooren, wij beminnen niet als zij hebben bemind, wij haten niet als zij +hebben gehaat; hoe ver staan zij van ons, van de stemmen en gezichten, +van de begeerten en afkeeren van onzen tijd.... Maar wat fel midden-uit +dat verouderende tot ons klinkt, wat wij als een ondoofbaar en eeuwig +schoon zien stralen, dat is altijd nog het verrukkelijk bewegen der +scheppende ziel, de <i>schoone daden</i> der <i>kunst</i>-scheppende <i>Natuur</i>, die +in alle tijden dezelfde is, in alle tijden voor menschen doorvoelbaar, +in alle tijden aanbiddelijk.... Geen kunstenaar is of was er, wien de +vergankelijke tijd niet doorstroomde—ja, hoe grooter hij is, des te +opener staat hij voor dien tijd!—van diens vergankelijke beelden en +neigingen maakt hij kunst, máár: het complex dier beelden en neigingen +is dan ook in waarheid het lichaam niet, waarin zijn Scheppend Vermogen +blijft leven. Hoe zou dat kunnen, daar het <i>vergankelijk</i> is?</p> + +<p>Neen, het ònvergankelijk lichaam, waarin dàt zich blijft openbaren is: +de <i>taal</i>: dáárin schittert voor immer de waarachtige logiek zijner +beweging, de uit zich-zelf blijkende <i>noodzakelijkheid</i> daarvan, in één +woord: geheel de ontroerende schoonheid van het scheppend <i>gebaar</i>, van +de scheppende <i>daad</i>. Diè voelen alle nageslachten mee, diè is het welke +zij liefhebben, àlle. In dat ijl-doorzichtige, toch pantserharde, toch +niet te deren lichaam, blìjft zij, voor onze oogen zichtbaar, levend, +als 't spelend vuur in diamant bewaard, zoo spelend en zoo glippend, zoo +vrij en toch gevangen.... Wat ik dus beweer <i>is: dat niets anders dan de +in een kunstwerk bereikte tweeéénheid van Scheppend Vermogen en taal, +dat kunstwerk zijn "eeuwige jeugd" verleent</i>. En wat nu de werking dier +tweeëenheid op het complex der verleden beelden en neigingen in +betrekking tot de aanschouwers betreft: als dezen háár wonderen glans +zien en den klank harer taalstem hooren, gelóóven zij, gelóóven zij, en +volmaakt, in de <i>herleving van dat doode</i>, èn—hebben gelijk! Want: op +het ontroerend gebieden, op het onweerstaanbaar lokken van diè stem, +hebben zij het <i>iets van hùn</i> <span class="pagenum"><a name="p106" id="p106"></a>[p.106]</span> <i>eigen menschelijkheid, onbewust, +geleend</i>, <i>hebben zij 't met hùn menschelijkheid weer bezield</i>.</p> + +<p>Vastgesteld nu zijnde, dat deze de drie meeningen zijn, wier waarde of +onwaarde in dit opstel aan het licht moet treden, gelieve de lezer wel +te billijken, dat waar de bestrijding der eerste meening m.i. reeds +afdoende door Gorter is geschied, ik die niet zelf voere maar de zijne +citeere. Want overigens, al lijkt mij die meening wel onjuist, zij +schijnt mij niet verderfelijk voor de literaire critiek als die der +marxistische aesthetici. Bij deze is het dus voornamelijk, dat ik mijn +aandacht wensch te bepalen. En waar het nu ook in de dingen van den +geest waar is, dat men aan de vrucht den boom kan kennen en het ons al +minstens evenzeer om de vrucht—de literaire critiek—als om den boom, +waaraan zij groeit—de aesthetiek—te doen is, zij het mij vergund ook +in de critische gedachten mijner tegenstanders de principieele +denkfouten op te sporen en daarna hunne betrekking tot, of oorsprong uit +de aesthetische overtuiging. Uitteraard is hier een eigenmachtig +resumeeren door den bestrijder van den bestreden tekst van nul en geener +waarde. Zoo ergens, dan schijnt hier wel <i>letterlijk</i> citeeren plicht. +En hieraan kan ik dus nu beginnen. Aldus dan Mevr. Holst:<a name="FNanchor_2_17" id="FNanchor_2_17"></a><a href="#Footnote_2_17" class="fnanchor">[2]</a></p> + +<div class="blockquot"><p>Voor den eersten<a name="FNanchor_3_18" id="FNanchor_3_18"></a><a href="#Footnote_3_18" class="fnanchor">[3]</a> zijn alle menschen gelijk en is van alle +menschen het levensverloop even aesthetisch belangrijk, even waard +afgebeeld te worden in kunst. Er is voor hem niet meer grond, door +den eenen mensch meer getroffen te worden dan door den anderen, als +er grond is wezenlijk onderscheid te maken tusschen mensch en ding. +Vandaar, vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme, +de neiging tot het afbeelden van volslagen onbelangrijke, vaak in +de nietigste kleinigheden uitgeplozen levenssneden van volslagen +onbeduidende menschen—zij het geheel objectief of in een tint van +medegevoel of ironie.</p></div> + +<p><span class="pagenum"><a name="p107" id="p107"></a>[p.107]</span> Mògen wij wel aannemen, dat deze aesthetische overtuiging van +den burgerlijken kunstenaar de oorzaak is van <i>de neiging tot</i> het +afbeelden van "volslagen onbelangrijke ... levenssneden"? Wijst dat +tusschenzinnetje: "vooral bij den hedendaagschen nabloei van het +naturalisme" niet op de m.i. ware oorzaak? Immers, kunstenaarsaanleg is +zeer verscheiden: de een heeft de macht en den drang tot het scheppen +van heroïsche wezens en omvangrijke, grootsche tooneelen, de ander +slechts tot het uitpluizen van kleine levens-afsneden van volslagen +onbelangrijke menschen. Der eersten aanleg is meestal machtig en groot, +die der laatsten meestal zwak en klein. De oorzaak van het opkomen van +het groote meerendeel der laatsten is dan ook: het gewekt zijn van hun +kleine aanleg door voorafgaande grooten. Waren <i>die</i> er niet geweest, +misschien hadden <i>zij</i> dan nooit geschreven; vandaar, dat hun werk bijna +altijd bij een <i>nabloei</i> hoort, nu van het naturalisme en in andere +tijden van een ander isme. Altijd zijn die nabloeiers min of meer +klein—zij behoeven niet geheel ontbloot van groote eigenschappen te +zijn—hun werk is altijd min of meer het werk van uitpluizers, +vergeleken bij de geweldige rotsklompenuithouwingen der voorafgaande +grooten. De kleine uitpluizers van onzen tijd hebben dan ook niet als 't +ware moed geschept, om hun werk te maken, uit, zijn daartoe niet gekomen +door de door Mevr. Holst aangewezen aesthetische overtuiging van het +burgerlijk kunstenaarschap, maar het is omgekeerd: omdat de burgerlijke +kunstenaars inzagen, dat die kleine kunst toch ook <i>kunst</i> is, kregen +zij of werden zij versterkt in die aesthetische overtuiging. Zien wij +verder:</p> + +<div class="blockquot"><p>Hoe meer de kunstenaar er in slaagt door zijn voorstelling het +gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te +wekken—dat is een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort te +brengen—des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker is in +haar soort zijn kunst.<a name="FNanchor_4_19" id="FNanchor_4_19"></a><a href="#Footnote_4_19" class="fnanchor">[4]</a></p></div> + +<p>De schrijfster vergeve mij: even zoovele woorden, even zoovele +onjuistheden acht ik hier aanwezig. Een eigenschap <span class="pagenum"><a name="p108" id="p108"></a>[p.108]</span> van kunst, +ook van "kleine" kunst, is, dat zij ons door haar afbeelding van het +"ònbeduidende," het beduidensvòlle laat zien. Hoè doet zij dat? Zij +ont-dekt niet, zij doorlicht. Zij rukt het mom der onbeduidendheid niet +weg, maar zij maakt het doorzichtig. Zoodat wij het zelfde ziende, wat +wij in het dagelijksche leven om ons heen zien, toch niet het zelfde +zien en inderdaad, en zonder begoocheling, iets oneindig schooners en +veel meer beteekenends aanschouwen. Hoe meer de kunstenaar <i>daarin</i> +slaagt, zeg ik tegenover Mevr. Holst, des te voortreffelijker is zijn +kunst. Maar indien hij daarin niet gehéél slaagt—hetgeen vrijwel zeker +is—indien hij het hóógtepunt van voortreffelijkheid niet bereikt, dan +nog—tweede onjuistheid:—kan zijn voorstelling toch geen "gevoel van +wrevelige neerslachtigheid" voortbrengen. Want immers nog altijd +uitgaande van de premisse, dat die voorstelling <i>kunst</i> en dus voor haar +verreweg grootste deel <i>wel</i> geslaagd is, zal het gevoel van +neerslachtigheid, dat het niet geslaagde, het òndoorlichte bij ons zal +opwekken, onmiddellijk overheerscht en verdrongen worden door het geluk, +dat 't wèl-doorlichte, 't geluk dat diep gevoelen en begrijpen geeft. En +wij kunnen des te zekerder zijn, dat het laatste het eerste zal +overheerschen en verdringen, omdat het naast zijn kracht van het +schoonere en meer juiste te zijn, nog beschikt over die van het +verrassend-nieuwe. En niets is onweerstaanbaarder dan dat.</p> + +<div class="blockquot"><p>De socialistische kunstenaar kent deze neiging niet, zij is +onvereenigbaar met zijn aesthetische beginsel; niet alles van het +menschenleven wil hij beelden, maar die momenten in het leven van +die menschen, waarin een bepaalde schoonheid van wil en gezindheid +het helderst straalt.<a name="FNanchor_5_20" id="FNanchor_5_20"></a><a href="#Footnote_5_20" class="fnanchor">[5]</a></p></div> + +<p>Helaas, socialistisch of niet, geen ènkel kunstenaar kan àlles van het +leven beelden; óók de grootste is geen universeel-aanvoelend wezen, en +is hij verstandig genoeg, om deze eenvoudige waarheid te vatten, dan wil +hij 't dus ook niet, maar zal zich bepalen tot wat het in hem werkend +scheppend <span class="pagenum"><a name="p109" id="p109"></a>[p.109]</span> vermogen wèl doorvoelen en beelden kan. Nu kan het +ongetwijfeld wel te eeniger tijd geschieden—gelijk het óók gebeuren +kan, dat een burgerlijk kunstenaar zich bijv. uitsluitend tot het +beelden van zeer edele figuren aangetrokken voelt—dat een socialistisch +kunstenaar opstaat, die zóó is geaard, dat hij niet anders beelden wil +(kan) dan "die momenten in het leven van die menschen, waarin een +bepaalde schoonheid ... het helderst straalt." Dat zal dan echter niet +op eenige, door zijn socialisme gesterkte, breedheid en heroïsme van +zijn aanleg wijzen, gelijk Mevr. Holst meent, maar integendeel op de +<i>enge beperktheid</i> daarvan. En, gelukkig, is die kunstenaar er dan ook +nìet. Tot heden is hij een niet verwerkelijkt droombeeld van Mevr. +Holst! De beide groote socialistische menschenscheppers—van dezulken +moeten wij immers hier toch vooral spreken—van ons land: Querido en +Heijermans, lijken evenveel op zulk een kunstenaar, als her en der hun +prooi bemachtigende, stoutmoedige trekvogels, op 'n schuchter en +zwakpootig ooilammetje, dat aldoor op 't zelfde plaatsje blatend grasjes +mummelt! Integendeel: het breede en heroïeke is juist in hen, dat zij +zulk een rijke verscheidenheid van menschelijke gevoelens in hun werk +tot leven brengen, en hun <i>beste</i> werk bestaat zelfs <i>uitsluitend</i><a name="FNanchor_6_21" id="FNanchor_6_21"></a><a href="#Footnote_6_21" class="fnanchor">[6]</a> +uit beeldingen van menschen, in wie niets van "die bepaalde schoonheid +van wil en gezindheid" straalt, maar die zich zelfs vijandig tot die +gezindheid en wil verhouden!<a name="FNanchor_7_22" id="FNanchor_7_22"></a><a href="#Footnote_7_22" class="fnanchor">[7]</a> Nemen wij nu nog een laatste citaat:</p> + +<div class="blockquot"><p>De opvatting "de schoonheid der voorstelling onafhankelijk van den +zedelijken grondslag," in waarheid een grove miskenning van het +wezen der kunst, van haar zielvolle waardigheid—is hun (der +burgerlijke kunstenaars, v.C.) aesthetisch beginsel en zij kunnen +geen anderen lof begeeren of verwachten dan die hierin past. De +hoogste bewondering hun gebracht, kan niet <span class="pagenum"><a name="p110" id="p110"></a>[p.110]</span> anders dan de +zuiverheid en schoonheid van de uitbeelding van het gevoel +betreffen. Instemming met den wortel der voorstellingswijze, met +het levensbegrip, ligt buiten de sfeer van het burgerlijk +aesthetisch bewustzijn; onverschilligheid voor, afkeer van het +levensbegrip van een kunstenaar kan in deze sfeer op de +aesthetische waardeering van geen invloed, en moet den kunstenaar +zelven onverschillig zijn. De lof hem gebracht voor de uitbeelding +der aandoening moet hem ten volle bevredigen. Vanaf een ander plan, +d.w.z. dat der weer gewonnen eenheid, de +proletarisch-socialistische aesthetica, lijkt dit of een moeder +ermee tevreden zou wezen, dat men in haar kind roemde zijn open +voorhoofd, zijn lachenden mond, den stralenden blik van zijn klare +oogen, en er bijvoegde dat die trekken de spiegel waren van een +terugstootende ziel.<a name="FNanchor_8_23" id="FNanchor_8_23"></a><a href="#Footnote_8_23" class="fnanchor">[8]</a></p></div> + +<p>Ik heb hierboven gezegd, dat kunst óók de doorlichter van het mom der +dingen is. Ik zou hieraan nu verduidelijkend willen toevoegen, dat kunst +het <i>zichtbaar worden der noodwendigheid in 't voorgesteld gebeuren</i> ten +gevolge heeft, en dat het blijken dier noodwendigheid de schóónheid van +'t <i>voorgesteld gebeuren</i> uitmaakt. Meenden wij van een zeker gebeuren, +zoolang kunst dat niet had doorlicht, dat 't op een zedelijken grondslag +rustte of die miste—zoodra kunst dat wel heeft doorlicht blijkt het te +rusten op den grondslag der noodwendigheid, blijkt het dus te bestaan in +een sfeer, die buiten-menschelijk-zedelijk is en dus geen +menschelijk-zedelijken grondslag daar te kunnen hebben. Te zeggen dus, +dat de schoonheid der voorstelling wèl afhankelijk is, in welken tijd +ook, van den zedelijken grondslag, dàt is in waarheid een grove +miskenning van het wezen der kunst, en dit niet alleen, maar het is ook +het onmogelijke en ongerijmde beweren.<a name="FNanchor_9_24" id="FNanchor_9_24"></a><a href="#Footnote_9_24" class="fnanchor">[9]</a> Doch hierbij blijft het niet. +Mevr. Holst accentueert haar meening sterker, zij zegt: wie afkeer van +de uitgebeelde aandoeningen heeft en desalniettemin de uitbeelding +bewondert, <span class="pagenum"><a name="p111" id="p111"></a>[p.111]</span> verkeert in de positie van iemand, die in de +physionomie van een kind klaarblijkelijk alles aanwezig acht, wat tot de +kenmerken eener schoone ziel behoort en er dan bijvoegt, dat die +physionomie de spiegel eener terugstootende ziel is. Maar iemand, die +dit zou beweren, zou immers toch niet alleen van het standpunt der +socialistische aesthetiek, maar van af alle mogelijke standpunten ter +wereld een zich-zelf-weersprekende ongerijmdheid zeggen! En welnu, ik +ben verplicht te constateeren, dat onze schrijfster-zelf zich in een +onbewaakt oogenblik in de positie van zulk een heeft bevonden. Immers +zij zei: "Hoe meer de kunstenaar erin slaagt door zijn voorstelling het +gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken +... des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker in haar soort is +zijn kunst." Zulk werk is dus <i>kùnst</i>, is dus <i>voortreffelijk</i>, ook in +háár oogen. Maar tegelijkertijd heeft zij een afkeer van het +levensbegrip van den kunstenaar, die het schiep en van de onbeduidende +of lage aandoeningen en neigingen die erin gebeeld zijn. En daar zij +deze alle gelooft het zelfde in een kunstwerk te zijn als de ziel is in +een kind, gelijkt zij-zelf dengenen die de trekken van een kind edel +vinden en desalniettemin zeggen, dat zij een terugstootende ziel +weerspiegelen! Ware zij toen tot bezinning gekomen! Hadde zij zich +afgevraagd: hoe kan ik deze ongerijmdheid zeggen? Zou dan toch waarlijk +dat kind wèl een edele ziel hebben? <i>Zou wellicht datgene, wat ìk voor +de ziel van een kunstwerk houd, toch nìet de ziel zijn,</i> Zouden wellicht +niet het levensbegrip, niet de afgebeelde gevoelens, niet de "zedelijke +grondslag" de ziel zijn, maar iets anders? Waarom zij niet tot +zelfbezinning kwam, zullen wij nu nog niet onderzoeken. Blijve dit tot +straks bewaard. Wenden wij ons nu allereerst tot Herman Gorter. En dan +zullen we tot ons niet gering genoegen allengskens merken, dat ook hij +den bestrijdingsarbeid heeft verlicht, door onbewust zich-zelf te +bestrijden! Tot ons genoegen, zeg ik: niet alleen omdat hij zelf +daardoor zoo sterk bevestigd heeft wat wij voor waarheid houden, maar +wijl juist door die onbewuste zelfbestrijding deze prachtige <span class="pagenum"><a name="p112" id="p112"></a>[p.112]</span> +dichters- en denkersfiguur opnieuw zoo gróót blijkt. Want niet hij is 't +grootst, die in dogmatische dwalingen bevangen, door zijn +niet-verstelselde intuïtie zoo weinig wordt beschermd, dat hij van zijn +ònlogisch uitgangspunt af den redeneeringsdraad zonder hem te breken of +verwarren verder spinnen kan, maar hij is groot, die in zulk een +voortdurend verband met die intuïtie leeft, dat zij hem, in weerwil van +zijn lager verdogmatiseerd bewustzijn, telkens bij schokken den weg ter +waarheid opdringt en hem, onbewust, de waarheid spreken laat. Citeeren +wij nu allereerst die gedeelten uit Gorter's betoog, welke zijn +bestrijding van Kloos behelzen. Dit zal, naar ik vertrouw, het tweeledig +nut hebben, van aan te toonen, 1°. dat de +algemeene-en-eeuwige-menschelijkheids-theorie niet wel houdbaar is; 2°. +dat hoewel Kloos en de schrijver van dit opstel beiden de +proletarisch-socialistische aesthetica bestrijden, de wijze waarop deze +bestrijding zich voltrekt geheel verschillend is. Kloos dan, in het +algemeen menschelijke het vereeuwigend bestanddeel ziende, heeft deze +meening aldus geformuleerd en verdedigd:</p> + +<div class="blockquot"><p>De Grieksche Literatuur ... was zeer zeker literatuur van een +bepaald volk, zooals iedere mogelijke literatuur dat steeds is. +Maar dit is even zeker, dat in geen enkele andere literatuur, <i>het +algemeen-menschelijke, dat van alle eeuwen is</i>, zóó voor den dag +komt, als juist in de Grieksche, en dat door datzelfde +algemeen-menschelijke, dat nergens zoo evident is als dáár, de +Grieksche literatuur reeds 3000 jaar vereerders en bewonderaars +onder alle andere volken heeft gevonden. Om bij de Antigone te +blijven, Antigone is een vrouw, niet alleen van een speciaal volk +van 2500 jaar geleden, maar een vrouw zooals men ze tegenwoordig +ook nog heeft—<i>die handelt en zich uit, zooals een levende +superieure vrouw in overeenkomende omstandigheden ook thans nog zal +kunnen en moeten spreken en doen.</i><a name="FNanchor_10_25" id="FNanchor_10_25"></a><a href="#Footnote_10_25" class="fnanchor">[10]</a></p></div> + +<p>Welnu, een klein citaat uit Gorters bestrijding zal, geloof ik, +voldoende zijn, om de onhoudbaarheid der door Kloos verdedigde theorie +aan te toonen:</p> + +<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p113" id="p113"></a>[p.113]</span> Het eeuwig menschelijke is een abstract begrip dat alleen +in het verstand voorkomt.</p> + +<p>Dit eeuwig menschelijke, als men het in zijn geheel nagaat, en het +niet, zooals Kloos doet, slechts als frase gebruikt, blijkt +allersimpelst, allerkaalst, allerdorst en zoo kunsteloos als de +beginselen der rekenkunde te zijn, zoo kaal, simpel, dor en +kunsteloos, dat er nooit een kunst van gemaakt zou kunnen +worden....<a name="FNanchor_11_26" id="FNanchor_11_26"></a><a href="#Footnote_11_26" class="fnanchor">[11]</a></p> + +<p>Wij zelve hebben boven gezegd, dat de drie groote onbewuste driften +tot zelfbehoud, voortplanting en maatschappelijk zijn +eeuwig-menschelijke driften zijn. Maar wie zou van deze dorre +waarheid, van dit, juist door zijn <i>algemeene eeuwige</i> +menschelijkheid beweginglooze leven, van dezen "onsterfelijken +dood" kunst kunnen maken?....<a name="FNanchor_12_27" id="FNanchor_12_27"></a><a href="#Footnote_12_27" class="fnanchor">[12]</a></p> + +<p>In de telkens veranderende omstandigheden, in de andere +verhoudingen, waarin de menschen in de geschiedenis tot elkaar +komen, veranderen hun gedachten, woorden en daden. Die, door een +groot dichter voorgesteld, doen ons ontroeren. Het is niet de +platte algemeenheid, het algemeen menschelijke in zijn eeuwigheid, +dat ons ontroert, maar het gewijzigde, het speciale, het bijzonder +menschelijke.<a name="FNanchor_13_28" id="FNanchor_13_28"></a><a href="#Footnote_13_28" class="fnanchor">[13]</a></p> + +<p>Er is dus in deze beschouwingen geenszins ontkend, dat er een +eeuwig of algemeen menschelijks zou bestaan. Er is slechts beweerd +en bewezen, dat het een abstractie is, op alles wat menschelijk is, +toepasselijk, en dus, als kunstbeginsel, waardeloos en +onbruikbaar.<a name="FNanchor_14_29" id="FNanchor_14_29"></a><a href="#Footnote_14_29" class="fnanchor">[14]</a></p></div> + +<p>Gorter betoogt dus, dat het niet van de algemeene menschelijkheid, de +onveranderlijke, is waarvan kunst gemaakt is en wordt, maar van de +menschelijkheid, zooals zij door de maatschappijvormen +(productieverhoudingen) gespecialiseerd is. Hij bewijst dat verder +zoowel aan het door Kloos aangehaalde voorbeeld der Antigone als aan +zeer vele andere kunstwerken. Hij betoogt, dat die aldus +gespecialiseerde menschelijkheid van bijv. den tijd der Antigone bijna +niets doet, niets weet, niets zegt, zooals ònze menschelijkheid zoude +voelen, doen, zeggen. Dit betoog, dat hier natuurlijk niet in zijn +geheel kan worden overgenomen, schijnt mij toe, gelijk ik <span class="pagenum"><a name="p114" id="p114"></a>[p.114]</span> reeds +zei, waarheid te bevatten. Het is dus niet de algemeene menschelijkheid, +die ons in een kunstwerk kan ontroeren en verheugen. Maar tot hiertoe +samengaande met Gorter, scheiden zich nu onze wegen. Want dat de +<i>gespecialiseerde</i> menschelijkheid, een iets geboren uit zoo +vergankelijke dingen als de invloeden van tijd en plaats, vergankelijk +wezen <i>moet</i> en zij het dus niet zijn kan, die ons na duizenden jaren +nog ontroert—ik heb het den lezer reeds vroeger waarschijnlijk gemaakt. +Zou hij-zelf zich trouwens niet zijn opgetrokken wenkbrauwen en haastig +gegrepen potlood nog herinneren?... En op de vraag, die nu onontkoombaar +rijst: wàt dàn dat eeuwig geluk- en genot-gevende in kunst is, ook +daarop kent de lezer mijn antwoord reeds.—Maar ook Gorter moest +natuurlijk een antwoord geven en hij doet dit dan ook op een manier, +die—des lezers heftiglijk neergeschreven vraagteeken meer dan +rechtvaardigt! Het "gespecialiseerd menschelijke," dat uitteraard van +onbetwijfelbaar vergankelijke natuur is, blijkt nu pour le besoin de la +cause, van ...ja hoe zal ik 't zeggen ... welnu: van <i>min of meer</i> +ééuwige natuur te zijn:</p> + +<div class="blockquot"><p>De zaak, waarde lezer, is heel eenvoudig. Zij biedt ook u +waarschijnlijk niet de minste moeite. De simpele waarheid is: alle +menschelijke aandoeningen zijn eeuwig menschelijk. Niet in dien zin +dat de menschelijke aandoeningen eeuwig dezelfde blijven, maar in +dezen, dat er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een +ander mensch kan het, sterker of zwakker, ook wel voelen.<a name="FNanchor_15_30" id="FNanchor_15_30"></a><a href="#Footnote_15_30" class="fnanchor">[15]</a></p></div> + +<p>Dit stukje lezend voelde ik opnieuw de felle waarheid van Querido's +Gorter-karakteristiek:—in een Handelsbladkroniek—dat hem in zijn +<i>betoogend proza</i> altijd een zoo bijzondere <i>schijnklaarheid</i> eigen +is<a name="FNanchor_16_31" id="FNanchor_16_31"></a><a href="#Footnote_16_31" class="fnanchor">[16]</a>. Een sterke suggestie: "de zaak ... is <i>heel eenvoudig</i>," "biedt +ook u waarschijnlijk <i>niet de minste moeite</i>," "de <i>simpele waarheid</i> +is," wil hier den lezer iets, de aanwezigheid nml. eener klaarheid, +opdringen, dat er niet is. Want neen, zóó gaat dat niet! De bewering: +dat er "niets is, <span class="pagenum"><a name="p115" id="p115"></a>[p.115]</span> wat door een mensch gevoeld wordt, of een +ander mensch kàn het, <i>sterker of zwakker</i>, ook wel voelen"—overigens +een zeer aanvechtbare stelling zooals wij zullen zien—zegt hier niets. +Wat hier van Gorter's standpunt gezegd èn verklaard had moeten worden +is: dat en waarom 'tgeen een ver en vreemd geslacht gevoeld en gedacht +heeft, ons onder zekere omstandigheden—die van kunst—<i>enorm sterk, +enorm fel</i> ontroeren kan, feller en sterker dan vaak ònze werkelijkheid. +Want het is niet zóó, dat wij tegen die oude werken zitten op te kijken +en ons neusknijpertje recht zettend, om beter te zien, in ons-zelf +mompelen: "Hé ja, daar kan ik ook toch wel in komen," maar het is zóó, +dat wij machtig worden gegrepen, dat onze mond siddert, onze oogen +glinsteren van de tranen, omdat daar iets voor ons leeft, zoo diep als +een hemel en zóó lichtgedrenkt, zoo verrukkelijk, en trillende van +jeùgdig schoon....—En als ik nu Gorter vraag: wat is dat, wat daar voor +mij leeft met zoo fel, zoo diep en schoon een leven, als ik mij +nauwelijks óóit iets menschelijks heb gedroomd? dan antwoordt hij mij, +den in schemer gezetene, verblindend door klaarte: Hoè, weet ge dat +niet?! Dat zijn die <i>half of heel vergane</i> gevoelens van een lang +verdwenen geslacht, die zoo goddelijk sterk voor u leven! Die +gevoelens—herinnert ge 't u, dat ik 't u leerde?—zij werden gevormd, +bepaald door een zoo geheel andere maatschappij dan de uwe, zij staan +vér van u, zij zijn u vreemd. Welnu ... hokus pokus pas ... ziedaar, +dáárom leven zij zoo fel voor u, daarom ontroeren zij u, hen ziende, nog +meer soms dan die ùwer lévende maatschappij.—Intusschen: zelfs in +gevallen, waar de invloed van oneindig-verschillende maatschappij-vormen +en tijdsafstand <i>niet</i> bestaat, is het niet waar, dat "er niets is, wat +door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het sterker of +zwakker, ook wel voelen;" is het niet waar, dat dáárdoor een kunstwerk +voor ons leeft en ons ontroert. Door hen, die van "Les Chants de +Maldoror" <i>aesthetisch</i> hebben genoten, is er niet één, die iets van +sommige daarin geheelde gevoelens, sterk of zwak maar wèrkelijk voelen +kan, want in iemand, bij wien dit wel het geval ware, zou onder het +<span class="pagenum"><a name="p116" id="p116"></a>[p.116]</span> lezen van dàt werk de bestiaal- en pervers-zinnelijke lust het +aesthetisch genot onmiddellijk hebben opgeheven.</p> + +<p>Ziehier dus een kunstwerk, waarvan het zelfs <i>gewenscht</i> is, de erin +gebeelde menschelijkheid niet te kunnen meevoelen, indien men er +aesthetisch van genieten wil! Gelijk dan ook de ervaring leert, dat van +sommige kunstwerken, in bijv. een revolutionnairen tijd ontstaan, en +wier voorstellingen beeldingen waren van het revolutionnair voelen in +dien tijd, wèl genoten werd door de menschen op de wijze van iemand +wiens innigste meeningen en gevoelens door een ander worden goedgekeurd +en toegejuicht, maar niet genoten werd datgene wat men <i>kunst</i>genot +noemt. Dit laatste kon dan ook niet, juist omdat de menschen in dien +tijd, de in dat werk gebeelde menschelijkheid <i>te sterk</i> meevoelden! +Eerst later kon men dan aesthetisch van zulk werk genieten.</p> + +<div class="blockquot"><p>"Keesje van Van Hulzen," zegt Kloos, "zal blijven leven, ook bij +menschen die heelemaal niets meer weten van dezen tijd. Dat komt +omdat hij het algemeen-menschelijke heeft vastgehouden." Een +onwaarheid. Niet daarvan zal het afhangen of de latere geslachten +"Keesje" zullen vasthouden. Het zal er integendeel van afhangen of +dit speciaal-menschelijke, dit <i>kleinburgerlijke</i> Keesje den +lateren geslachten schoon genoeg zal lijken om vast te houden. En +dat hangt weer af, behalve van <i>de artistieke kracht</i><a name="FNanchor_17_32" id="FNanchor_17_32"></a><a href="#Footnote_17_32" class="fnanchor">[17]</a> van den +heer Van Hulzen, vooral van het speciaal-menschelijke dier lateren. +Het kon wel eens gebeuren dat die lateren zoo vrij en zoo gelukkig +waren, dat zij in het kleine Keesje niet zóó veel meer zagen, dat +zij hem vasthouden wilden.</p></div> + +<p>Dat schrijft Gorter op blz. 29, maar op blz. 27 vinden wij dit:<a name="FNanchor_18_33" id="FNanchor_18_33"></a><a href="#Footnote_18_33" class="fnanchor">[18]</a></p> + +<div class="blockquot"><p>Blijkbaar is valschheid, vuilheid etc. even eeuwig-menschelijk, en +kunnen zij, als zij maar door een <i>groot kunstenaar</i><a name="FNanchor_19_34" id="FNanchor_19_34"></a><a href="#Footnote_19_34" class="fnanchor">[19]</a> worden +beschreven, even eeuwig-mooi als reinheid en eerlijkheid zijn.</p></div> + +<p>Hoe! en komt het er nu niet op aan of de lateren zoo oprecht en helder +zijn, dat zij maar liever die valschheid <span class="pagenum"><a name="p117" id="p117"></a>[p.117]</span> en vuilheid niet willen +vasthouden? Komt het er nu alleen op aan, of die vuilheid en valschheid +door een <i>groot kunstenaar</i> worden beschreven? Maar, veroorloof mij: +zou het óók in het geval van "Keesje" van Van Hulzen, instede van +<i>"behalve"</i> van des heeren van Hulzen's <i>artistieke kracht</i>, niet +<i>uitsluitend</i> daarvan afhangen of "Keesje" zal blijven leven, al dan +niet? En zouden wij dan maar niet meteen concludeeren—o, onbescheiden +vrager, die ik ben!—dat dit leven-blijven niet bedreigd wordt: noch +door het vaak "onbeteekenende" en "onbeduidende" der levensgevalletjes, +die een werk beschrijft, zooals Boccaccio's <i>Decamerone</i>; noch door het +zonderlinge en vreemde, het gedeeltelijk ver buiten onzen tijd liggende +der voorstellingen, zooals bij de <i>Sakuntala</i>; noch door het niet +medevoelbaar Uebermensch-sadistische zooals bij <i>Les Chants de +Maldoror</i>, maar dat dit leven-blijven uitsluitend en alleen afhangt van +de <i>artistieke macht</i>, die het werk schiep, het <i>Scheppend Vermogen</i>, +dat erin straalt, en of men <i>diens</i> schoone bewegingen daarin zoo +onvertroebeld en duidelijk ziet, dat men het "vast wil houden"? Het +antwoord kan, dunkt mij, niet langer twijfelachtig zijn. En evenmin of +'t wel juist was, toen ik zei, dat Gorter, gelukkig, soms zichzelf +bestrijdt! Ik zal straks gelegenheid hebben u een andere +volstrekt-afdoende zelfbestrijding van onzen schrijver te toonen, laat +ons nu echter even een terugblik werpen en onderzoeken hoe Mevr. Holst en +hij ertoe gekomen zijn, de door ons bestreden onjuistheden te zeggen. +Wij dan hebben aangetoond of waarschijnlijk gemaakt, at de neiging tot +het uitpluizen van "volslagen onbelangrijke levenssneden" gevolg is van +den betrokken <i>kunstenaarsaanleg</i>; wij hebben waarschijnlijk gemaakt, +dat deze kunstenaars juist als nabloei van het naturalisme verschenen, +omdat zij daardoor gewekt zijn, daardoor pas tot schrijven zijn gekomen. +Mevr. Holst niet aldus, zij wijt het bestaan dezer kleine kunst aan de +scheiding van zedelijk en aesthetisch ideaal—terwijl wij hebben +aangetoond, dat een kunstenaar <i>als zoodanig</i>, d.i. een <i>ziener en +ontdekker der noodwendigheid</i> niet door het eerste kàn worden +beïnvloed—"want <span class="pagenum"><a name="p118" id="p118"></a>[p.118]</span> zulk een ideaal geeft aan het leven <i>een +zin"</i><a name="FNanchor_20_35" id="FNanchor_20_35"></a><a href="#Footnote_20_35" class="fnanchor">[20]</a> en "voor de burgerlijke kunstenaars, die dit misten"<a name="FNanchor_21_36" id="FNanchor_21_36"></a><a href="#Footnote_21_36" class="fnanchor">[21]</a> wordt +de wereld een ding om afgebeeld te worden, het leven "in de eerste +plaats een ding om kunst van te maken."<a name="FNanchor_22_37" id="FNanchor_22_37"></a><a href="#Footnote_22_37" class="fnanchor">[22]</a> En daar er dus voor hen geen +zedelijk-sociale reden bestaat, om het een boven het ander van dat leven +de voorkeur te geven, beelden zij ook het heel kleine en onbelangrijke +en zelfs perverse af. En, ten slotte, wat heeft de scheiding tusschen +zedelijk en aesthetisch ideaal bewerkstelligd? Antwoord: de +kapitalistische <i>productiewijze</i>. Ziehier dus als oorzaak van deze haar +aesthetische redeneering: de <i>historisch-materialistische</i> +gedachtegang.—Wij hebben aangetoond, dat kunst nimmer een gevoel van +wrevelige neerslachtigheid voort kan brengen. Dat zij <i>immer</i> +daarentegen het gevoel van geluk, bewondering, opgeheven-worden +voortbrengt. Mevr. Holst daarentegen beweert, dat hoe sterker zekere +"burgerlijke" kunst een gevoel van wrevelige neerslachtigheid +veroorzaakt, des te voortreffelijker is zij! Hoe komt zij tot een +dergelijke bewering? Omdat onze schrijfster slechts de keus had tusschen +twee dingen: òf te zeggen, dat dergelijke werken<a name="FNanchor_23_38" id="FNanchor_23_38"></a><a href="#Footnote_23_38" class="fnanchor">[23]</a> als die zij +bedoelt, <i>geen kunst</i> zijn, 't geen zij vermoedelijk zelf een +ongerijmdheid vindt, òf te zeggen, dat zij bij den lezer sentimenten +produceeren niet alleen minderwaardig aan maar het tegenovergestelde van +wat, volgens haar, de kunst alleen dier samenlevingen te weeg brengt, +waarin zedelijk en aesthetisch ideaal wèl konden samengaan, waarin de +kapitalistische productiewijze de scheiding dier beide niet had +voltrokken. "Wrevelige neerslachtigheid" dus tegenover: geluk, +bewondering, opgeheven worden.—Zoo gebood 't het +<i>historisch-materialisme.</i>—</p> + +<p>Och, ik weet het, dit onderzoek naar de primaire oorzaak van de +aesthetisch-critische meeningen onzer schrijfster mocht <span class="pagenum"><a name="p119" id="p119"></a>[p.119]</span> +eigenlijk overbodig heeten: weet niet ieder, die niet alleen de werken +der dichteres maar ook der prozaïste Roland Holst gelezen heeft, dat zij +niets schrijven kan of haar gedachtegang wordt door het +historisch-materialisme bepaald en dus zeker, en in de allereerste +plaats, haar socialistische aesthetiek? En wie trouwens zou zich +daarover kunnen verwonderen? Het historisch-materialisme is nog +betrekkelijk jong; als methode van verklaring der herkomst van den denk- +en gevoels-inhoud is het in de handen dezer vurige socialiste een +strijdbijl, waarvan zij van den ochtend tot den avond de snede beproeft. +O erger—en verre zij 't van mij hiermede iets kwetsends te willen +zeggen, ik wil slechts zonder schipperen de waarheid uiten zooals ik die +zie—; zij als haar mederedacteur Gorter hanteeren de methode zoo +er-op-verliefd, als een kind een zaag, die het pas gekregen heeft, die +het niet één oogenblik uit de handen zou kunnen leggen: in de +kostbaarste meubelen snijdt het krabben en krassen ... och de zaag is +zoo mooi, hij is zóó scherp ... nu eens probeeren of je dit en dan weer +of je dat ermee zagen kunt....—Maar wilt ge trots dit feit en +niettegenstaande de historisch-materialistische premissen in de +voorafgegane citaten uit Gorter open en bloot liggen, het toch ook bij +hem, tenminste éénmaal, <i>aangetoond</i> zien? Welnu dan: In zijn betoog, +dat er 1° geen menschelijke aandoening in kunst gebeeld wordt of zij is +door de productieverhoudingen gespecialiseerd—<i>waarin ik het volstrekt +eens met hem ben</i>—en, 2°, dat die gespecialiseerde en door hem-zelf als +half-verworden gekenschetste menschelijkheid de kern van kunst uitmaakt +en onze bewondering, genot en opgeheven-worden veroorzaakt,—<i>'t geen +ik een evidente ongerijmdheid acht</i>—slaat hij twee vliegen in een +marxistischen klap. Want liet hij zijn laatstgenoemde stelling los, <i>dan +liet hij daarmee de kunst uit de greep van het historisch-materialisme +ontsnappen!</i></p> + +<p>Doch nu zij hiervan genoeg gezegd. Laat mij thans liever scherper +omlijnen en als tastbaar maken, wat ik onder <i>Scheppend Vermogen</i> versta +en ook wat de oorzaak is, dat et nimmer geheel onvertroebeld in een +kunstwerk kan verschijnen. <span class="pagenum"><a name="p120" id="p120"></a>[p.120]</span> Want dit alles mag geen abstractie +voor u blijven, lezer, gij moet het voelen en zien, als ik. Doch hier +ontmoet ik een moeilijkheid op mijn weg: in vroeger werk heb ik reeds +hierover geschreven, en ik geloof dat ik nu, mij-zelf herhalend, het eer +slechter dan beter dan toen zou formuleeren. Zoo moge ik het dan, met +terzijdestelling van een zekeren schroom, hier als citaat doen volgen:</p> + +<div class="blockquot"><p>"De kunst-scheppende Macht heeft geen <i>menschelijken</i> wil of +bewustzijn. Scheppend met het schitterendst vernuft, de diepste +teederheid of heftigsten hartstocht van het gevoel, met de +verrukkelijkste omvaming der intuïtie, verschijnt Zij den +onbedachtzamen als menschelijk vernuft, gevoel of intuïtie, maar +Zij is geen dezer, noch eene samensmelting van hen. Zij bevindt +zich tezelfder plaatse als dit drietal: den menschelijken geest, +máár—gelijk een meester onder zijne leerlingen. Haar bewustzijn, +oneindig ver verheven boven het hunne, wordt door hen niet gekend. +Uit de grondelooze diepten van haar Wezen doet zij de kleurrijke +visioenen, de heerlijke vergelijkingen, de melodieuse rhythmen en +de zoete saamklinkingen der harmonieën opwellen en deinen en +blinken voor hun luisterende, voor hun ziende verlangen. Dit zijn +Hare geschenken aan hen wier verheffing en geluk Zij beoogt. Van +Haar leeren zij, aan Haar richten zij zich op. En moge het verstand +haar vrijmoedigste, het gevoel haar schuchterste en aanhankelijkste +en de intuïtie haar meest zielvolle en begenadigde leerling zijn, +leerlingen zijn zij alle drie, en kunnen nimmer, wìjl zij 't zijn, +zelfstandig werkend, zóó pure, zóó heil-verleenende wijsheid +winnen, als die hun uit hare handen daalt. Want Zìj is de +absoluut-volmaakte, de voortbrengster van vlekkelooze werken, de +groote Vereenster, de Oneindige Liefde. Niet alleen in den +menschelijken geest bevindt Zij zich, en kan als zoodanig de kunst +en wijsheid voortbrengende Macht worden genoemd, maar in alles wat +is, is Zij, en wij allen noemen Haar dan Natuur of God. In den +aanvang, zoo ik met mijn armelijke woorden van haar werken mag +spreken, doet Zij de atomen tot een wereld samensnellen, dan, +wanneer zij verbonden zijn tot een aarde, <span class="pagenum"><a name="p121" id="p121"></a>[p.121]</span> blijde tot 't +baren van schoonheid bereid, drijft Zij uit haar de wezens omhoog. +En is onder dezen de mensch verschenen dan doet Zij uit hem—die +geestelijke aarde—de kunstgewrochten, de wijze gedachten en alle +de geestelijke verheugingen opbloeien, 't Is dan of Zij, voor 't +eerst, hem wil inwijden in 't geheim van haar scheppend vermogen: +uit hem, mèt hem, baart Zij een nieuwe wereld, eene afschijning van +gene, die Zij alleen schiep; een nieuwe aarde vol geurende bloemen +en zingende vogels, vol wezens als dieren en menschen rijst in 't +licht.... Zóó ontstond al de waarachtige wijsheid, de waarachtige +kunst, àl dat onnoemelijk kostbare, dat de menschheid uit de handen +der menschheid ontving.</p> + +<p>"En echter, hiermede treedt haar scheppen eene nieuwe phase in: <i>de +volkomenheid van haar werk verdwijnt</i>. Want hier ontmoet Zij voor +'t eerst een bewustzijn, buiten het hare, oneindig ver onder het +hare en toch genoegzaam ontwikkeld, niet alleen, om náár haar werk +te grijpen, maar storend te kunnen ingrijpen. Dat bewustzijn, welks +wanen Zij liefdevol duldt, opdat het eens tot hare goddelijkheid +zal kunnen stijgen en die deelachtig worden, gelooft zelfs vaak +haar arbeid de zijne en meenend die nog te verbeteren, verderft het +hem. Dàt is de reden, waarom elk kunstwerk, ook van den +voortreffelijksten kunstenaar, onvolmaakt is: hij is nimmer in die +mate voortreffelijk kunstenaar, dat hij er in zou kunnen slagen, +zijn <i>menschelijk</i> bewustzijn te weerhouden, in te grijpen in het +werk van het <i>Natuurlijk Bewustzijn, dat in en door hem schept</i>. En +alles, wat zijn onvolmaakte geestelijke krachten kunnen vlechten +door de schepping der Natuur heen, <i>moet</i>, dáárbij vergeleken, +leelijk zijn, <i>omdat</i> het uit ònvolmaakte krachten werd geboren, +terwijl daarentegen het werk der Natuur schoon <i>moet</i> zijn, <i>omdat</i> +het uit volmaaktheid het aanzijn kreeg."<a name="FNanchor_24_39" id="FNanchor_24_39"></a><a href="#Footnote_24_39" class="fnanchor">[24]</a></p></div> + +<p>Maar wat nu de waarneming van de <i>bewegingen</i> van het Scheppend Vermogen +betreft, zoo fel, zoo duidelijk gezien, dat zij zich voor de oogen van +den waarnemer verzinnelijkten <span class="pagenum"><a name="p122" id="p122"></a>[p.122]</span> tot die van een mensch; van den +mensch in wien het zich openbaarde; zóó gezien, dat ge niet langer kùnt +denken, dat de mogelijkheid dier waarneming een cerebraal geconstrueerde +abstractie van mij is; zóó, dat ge 't mee moèt voelen; dat ge zegt, met +stralend-opziende oogen: ja nu doorvoel ik 't alles, nu zie ik +'t—daarvan zou ik u tallooze voorbeelden uit 't werk van +groot-visionnaire, zoowel als van scheppend-analytische critici kunnen +toonen. Maar ik geloof, dat één voorbeeld, een schitterend, zal +volstaan. Het is van den meester, voor wien, zoo hij weer wilde spreken, +Scharten, zoo terecht, wel veertig anderen wilde doen zwijgen:</p> + +<div class="blockquot"><p>Drie uiterste belang-stellingen hebben zich in mij opgericht:</p> + +<p>Ten eerste eene van algemeene en onvermengde emotie-oplettendheid, +verbeeld-verlichamelijkt: het roerloos en angstig-heerlijk staren +<i>naar de vreemde en hooge bewegingen, naar de sublime toeren van +deze nieuwe ziel; hoe hij staat, dit wondermensch</i>, en het leven +omhuivert hem met pijnlijk vervoerende vlagen....</p> + +<p>... zacht lichtend, bevend leven, dat een grond wordt, een zachtjes +en zoetjes kabbelende grond, een grond van zee <i>waar hij gaat hoog +op, waar hij gaat ongedeerd, en de golven liggen sluik neer, als +honden aan zijn voeten</i>....</p> + +<p>... <i>hoe hij gáát, en zacht-breed bewegen, als bol hangende +etherische goudene tapijten de luchten</i>....</p> + +<p>... <i>hoe hij het leven bewoont als een koning</i>, zijn rood-gouden +levenspaleis, waar alles wondert en hemelt....<a name="FNanchor_25_40" id="FNanchor_25_40"></a><a href="#Footnote_25_40" class="fnanchor">[25]</a></p></div> + +<p>Zéker, zóó zijn de bewegingen van die ziel der ziel, van het <i>Scheppend +Vermogen</i>, wellicht door geen tweede gezien; zóó zèlf doorgloeid van +geluk heeft geen ander die goddelijke bewegingslijn geteekend ... dat +ook de teekening werd een lijnen-spel van parelend licht. Maar toch ... +wil ik u even den weg wijzen en u een werk noemen van den allerlaatsten +tijd? Ook Querido's <i>Geschreven Portretten</i>, zij zijn er pràchtig van, +van dat <i>niet</i> vóóral zien van het <i>werk</i>, maar van het <i>Scheppend +Bewustzijn en zijn bewegingen</i>, waardoor het werk is ontstaan.—Maar ge +vraagt mij wellicht, of <span class="pagenum"><a name="p123" id="p123"></a>[p.123]</span> dan ieder mensch zekerlijk in kiem reeds +iets in zich heeft wat met dat Bewustzijn is verwant en hem in staat +stelt het te begrijpen, lief te hebben?—Och, zou er dan wel één mensch +zijn, die geen schepper is, hoe klein ook, al droomde hij in zijn hééle +leven maar één schoonen droom van verlangen? <i>Kent gij één kind, dat +geen schepper is</i>?—Wat betreft de ontvankelijkheid voor inspiratie is +er dan ook tusschen kunstenaar en niet-kunstenaar geen essentieel +verschil, slechts een gradueel. Alleen wat de uitingsmacht betreft is er +een essentieel onderscheid. Maar dit kan den niet-kunstenaar toch niet +verhinderen te genieten van het geuite, of óók van wat hij wel niet +uiten kan, maar in hem leeft: zijn èigen droomen? <i>There are many poets +who have never penned</i>, welk een diep woord was dat!—Ongetwijfeld zijn +er eigenschappen, die zekere menschen kunnen beletten, het Scheppend +Vermogen lief te hebben en ervan te genieten, zooals verstomping, te +geringe of te eenzijdige ontwikkeling, maar nimmer kan door +maatschappij-wisseling en veranderde productieverhoudingen deze hoogste +Natuurkracht-zelf, gelijk zij zich manifesteerde in vroeger tijd, in een +lateren onmedevoelbaar worden, omdat ook zij verouderen zou. <i>Zij</i> is +niet als de menschelijke drijfveeren en gevoelens. Zij is +onveranderlijk. Niet om niets noemden de bijbelsche dichters zich +profeten, van God bezielden. Zij waren het, zóóals nog elk waarachtig +kunstenaar het is en zijn zal, immer. En ook zij waren als mensch, in +hun lagere persoonlijkheid, vaak zwak en zondig, zóóals de kunstenaars +van elken tijd, omdat zij àllen wel begenàdigd door het Scheppend +Vermogen maar daarom nog die Vlekkelooze-zelf niet zijn! O zie toch, zie +toch, hoe dit alles juist en licht en klaar is, en hoe véél, hoe 't +bijna àlles verheldert.... Maar indien ge nu ziet, wat de eeuwige kern +der kunst is, hoe zoudt ge er dan vrede mee kùnnen hebben, dat het +historisch-materialisme zich mengt in de critiek dier kunst. Luister +even, hoe Gorter, de uitmuntende kenner ervan, het kenschetst:</p> + +<div class="blockquot"><p>Het historisch materialisme is geen filosofie, het spreekt niet als +het filosofisch Materialisme of Idealisme van het wezen <span class="pagenum"><a name="p124" id="p124"></a>[p.124]</span> van +geest en stof, het spreekt <i>over den inhoud van</i> het denken en het +toont aan, hoe het komt dat in een bepaalden tijd door bepaalde +menschen zóó en zóó gedacht wordt, de inhoud van het denken zoo en +zoo is en zoo en zoo verandert.<a name="FNanchor_26_41" id="FNanchor_26_41"></a><a href="#Footnote_26_41" class="fnanchor">[26]</a></p></div> + +<p>Welnu, vraag ik u, de hoogere literaire critiek zal toch wel de kritiek +op, de beschouwing van het <i>hoogste</i>, het <i>meest essentieele</i> +bestanddeel der kunst zijn. Háár taak zal het ongetwijfeld toch zijn aan +te toonen, waar dàt in wáárheid en waar slechts in schijn aanwezig is. +En over het wezen van dat hoogste, hebben wij gezien, verspreidt de +kennis van de herkomst van den denk-<i>inhoud</i> niet het minste licht, en +ook de bewegingen van dat hoogste vertoont die kennis ons niet. Wat zou +òns dan, die kunst-critiek niet met kunstgeschiedenis wenschen te +verwarren, het historisch materialisme ter versterking der eerstgenoemde +kunnen baten!</p> + +<p>"Dus," hoor ik Mevr. Holst nu spottend vragen:</p> + +<div class="blockquot"><p>Daar bij dat andere, hoogere begint pas het werk van den hoogeren +aestheticus...; daar waar het leven eindigt; achter, buiten, boven +de eigenschappen en omstandigheden die, meenen wij, het <i>geheele</i> +menschelijk zijn uitmaken, buiten of boven welke <i>het niet +bestaat</i>?<a name="FNanchor_27_42" id="FNanchor_27_42"></a><a href="#Footnote_27_42" class="fnanchor">[27]</a></p></div> + +<p>En, juist Mevrouw, antwoorden wij gelaten, zeer juist, daar begint het +pas. Want niet <i>het</i> leven eindigt daar, maar slechts 't leven, dat gij +in uwe marxistische reageerbuizen, uw historisch-materialistische +weegschalen en microscopen kunt oplossen, wegen en bespiedend ontleden. +<i>Het</i> leven kunnen wij niet ontleden, wij kunnen zijn wezen slechts +synthetisch zien, met onze ziel, en daarna kunnen wij verhalen van hoe +het bewoog, hoe het schitterde, hoe het scheen terug te wijken, +wegdonkerde en verdween, en dàt verhaal kan een analyse zijn, maar het +is er dan ook slechts eene van de bewegingen, de handelingen, niet van +het wezen. O, Mevrouw, ook al hadde Mozes alle de boomen van het +doornbosch omgehouwen, waarin de Godheid, hem verschijnend, brandde en +elk takje doorsneden en onderzocht, hij had de <span class="pagenum"><a name="p125" id="p125"></a>[p.125]</span> goddelijke +essentie daardoor niet kunnen vinden, integendeel: verder dan ooit ware +hij daarvan verwijderd geweest, omdat <i>zijn aandacht zich dan in 't +bijkomstige en betrekkelijk onbelangrijke zou hebben verloren</i>. Hij deed +beter: hij knielde neer in een vrees en liefde, die ook een zaligheid en +een verrukking was; hij zag, zàg en dronk zich vol de ziel, en uit die +rijke ziel kon hij zijn volk toen veel leeren en verhalen. En dat was +voldoende.... Gij spreekt van het "buitenmaatschappelijke en +ondoorgrondelijke".... Welnu, juist, daar ligt de grens, waar dat leven +begint....</p> + +<p>Wijs mij één critiek, een eindelóósheid van historische en biographische +bijzonderheden overhoop halend, die heller, neen even hel, u het +Scheppend Vermogen eens kunstenaars laat verschijnen, dan deze +<i>uitsluitend-literaire</i> van Van Deyssel u den Gorter der +sensitivistische verzen vertoont.... Gij kunt het niet!</p> + +<p>En wat is dan ook natuurlijker dan dit! Gij zoudt toch niet willen +beweren, dat de zonnegloed op gindschen bergtop vulkanisch uit den +aard-afgrond komt opgestegen?! Welnu, wat dringt ge mij het historisch +materialisme dan op, deze <i>geologie</i> der maatschappij, ter verklaring +van het hemellicht op hare toppen!... Zou dáárom de +historisch-materialistische literatuur-critiek de "hoogere" zijn, omdat +zij zooveel overhoop haalt? O, ik begrijp, dat zij door haar +"gedocumenteerdheid" en gewichtigheid op naïeve en jonge geesten dien +indruk maakt! Maar <i>is</i> zij het daarom? Slechts hij, dunkt me, kan +hierop een bevestigend antwoord geven, die door den rijkdom en de +veelheid harer middelen overbluft, niet ziet, dat zij trots al die +middelen, ja daardoor, haar dòel mist.—Er <i>is</i> één middel: de +aangeboren gave van den scheppend-critischen kunstenaar. Die bestaat +dáárin: iemand te zijn, wiens psychische inhoud en wiens uiting op hun +beurt het doornbosch zijn, waarin brandend het Scheppend Vermogen +verschijnt, zoodat ook dáár iets onvergankelijks staat en de ziel van +den aanschouwer zich zelf ziet verlicht, en niet slechts gewaar wordt, +dat haar wetens- en gevoels<i>inhoud</i> is uitgebreid, maar in waarheid, zij +'t voor nog zoo gering een <span class="pagenum"><a name="p126" id="p126"></a>[p.126]</span> deel, haar <i>potentie</i> om te voelen en +te weten; dat niet slechts het bezit van haar wezen zich heeft vergroot, +maar haar wezen-zelf openbladiger is ontloken. Door een kunst-critiek, +die dit is en dit veroorzaakt, voelt de lezer dus niet vooral wàt en hòe +het "behandelde" werk is, maar hij voelt in de alleréérste plaats wat en +hoe het geluk is, dat het hem kan geven: hij voelt iets gelijk<i>soortigs</i> +aan dat geluk.</p> + +<p>Welnu, zegt ge hier allicht, ik voel wel iets voor uwe beweringen, maar +zie, indien ge nu zoudt doen wat ge beloofd hebt; als ge mij nu kondt +laten zien, dat Gorter-zelf zijn meening afdoende heeft bestreden: dat +de critische <i>kunstenaar</i> in hem klaarblijkelijk zelf het +historisch-materialistisch hulpmiddel overbodig en te ontberen acht, +dan—ja dan zou het wellicht iets meer dan een ervoor-voelen +worden.—Welnu, ik verlang niets liever, ziehier:</p> + +<div class="blockquot"><p>Niet minder dwaalt Kautsky als hij in zijn gedenkschrift over Marx +zegt dat de Duitsche kunst van Goethe en Schiller de Engelsche +overtrof. Zulk een oordeel bewijst hoe weinig groote poëzie wordt +verstaan. De groep Wordsworth, Coleridge, Keats, Shelley overtreft +de groep Lessing, Schiller, Goethe en,—daar in de poëzie de daad +geldt, niet de aanleg—Shelley staat als een toren boven Goethe. +Dat zegt niet alleen de <i>zekerheid van een hart, dat tegenover +poëzie nooit heeft gedwaald</i>, maar het <i>verstand dat van Marx +geleerd heeft waardoor poëzie groot wordt</i><a name="FNanchor_28_43" id="FNanchor_28_43"></a><a href="#Footnote_28_43" class="fnanchor">[28]</a>.</p></div> + +<p>Gij ziet natuurlijk duidelijk, dat Gorter hier "het verstand dat van +Marx geleerd heeft" best had kunnen thuislaten, indien hij dat, zonder +vader Historisch-Materialisme in diens zoontje te beleedigen, maar had +kunnen doen. Want dat verstand, dat van Marx geleerd heeft, is—Gorter +zal wel de laatste zijn om het te ontkennen—in zulk een verreweg +grooter mate van geschooldheid en kracht in den grooten internationalen +theoreticus der sociaal-democratie Kautsky aanwezig dan bij hem, dat hij +daaraan onmogelijk recht en <span class="pagenum"><a name="p127" id="p127"></a>[p.127]</span> moed had kunnen ontleenen, om zich +autoritair tegenover dien te stellen. Dat zou dan ook niet in hem +opgekomen zijn. Maar er was iets anders: zijn groote Onbewustheid, de +sterke kunstenaar, die in hem leeft, drong hem den weg naar de waarheid +op. Hij voelde dat er iets ver boven "dat van Marx geleerd hebbende +verstand" bestaat, dat wel in hem, maar niet in Kautsky is, en dat <i>dit</i> +hier, in <i>kwesties van kunst den doorslag had te geven</i>. En in weerwil +van zichzelf roept hij 't dan trotsch en triomfantelijk uit—en hoor de +heerlijke aandoening beven in zijn woord:—"dat zegt de zekerheid van +een hart, dat tegenover poëzie nooit heeft gedwaald."—O, dus dat is +het, waardoor men in deze zaken, de kern, de waarheid, het wezen +ziet.<a name="FNanchor_29_44" id="FNanchor_29_44"></a><a href="#Footnote_29_44" class="fnanchor">[29]</a> O, Gorter en gij lezer, zijn wij het allen nu niet eens? En +zouden wij hem niet evenzeer hièrvoor danken, als voor al het heerlijk +werk van het Onbewuste, waarmede hij zoo ontelbare dagen van ons leven +heeft doorzond, hij zoowel als zijn groote medestrijdster en +medekunstenares, wie wij niet minder dankbaar mogen zijn, al is zij niet +zoo Muziek als hij, niet zoo groot-naïef als hij, niet zoo "adamisch" +dichter, in één woord: niet zoo geniaal als hij; want in één prachtige +eigenschap althans zijn zij even machtig. Laat mij even zeggen, wat ik +bedoel en daarvan denk. Het is mij zoo wèl, van hun groot +kunstenaarsschap, ook in de door mij bestreden verhandelingen, te mogen +<span class="pagenum"><a name="p128" id="p128"></a>[p.128]</span> spreken, nadat ik zoo straf hunne meeningen daarin verwerpen +moest.</p> + +<p>Geloof is <i>geprosterneerd</i> denk-voelen, maar dat denkvoelen uit zijn +knielhouding weer verrezen, is het <i>gesublimeerde</i> boven al zijn +broeders. Oòk over zijn wit verteerd gelaat, zijn emotief vermagerd en +ingetrokken gelaat, maar in zijn groote als roerlooze vijvers +dóórklaarde oogen het diepst, ligt de onwankelbare zelfgerustheid, de +ondeerbare in-zich-zelf-vrede, zóó als over het gelaat en in de oogen +van een mensch, die diep-verdroomd en in zijn God verloren, gebeden +heeft en daarna opwaakte, om zijn dagtaak te hernemen. Aldus ook knielde +het denk-voelen dezer beide dichters voor de Socialistische Idee, het +verdroomde zich erin, het verloor zich erin.... O, lezer, het is niet de +God, aan wien men zich overgaf, die den vrede en de zelfgerustheid +schenkt, het is de <i>overgave</i>.... Het is het zich-verdroomen, het +zich-zelfvergeten in Iets ... een Idee, een God, een Mensch... Toen het +opstond was het gesublimeerd; over zijn gelaat en in elk zijner woorden +en over zijn gebarende handen en over alles, àlles, lag dàt. Het +dwaalde, maar hoe had dat zijn schoonheid, zijn noblesse kunnen deren! +Het was immers de zelfgeruste, de in zich-zelf volmaakt-vredige en +volgroeide <i>subjectieve</i> waarheid. Toch uitte zich die op zeer ongelijke +wijs, gelijk trouwens vanzelf spreekt, bij beide dichters. Slechts de +zelfgerustheid, verkregen door de overgave aan dezelfde idee, diè +eigenschap hadden zij gemeen. Overigens ... Mevrouw Holst's scheppingen +zijn een woud gelijk, dat, zèker, zon vangt op zijn dichte looverkronen, +maar de gronden schaduwig maakt. Gij loopt in halflicht; luister, daar +floot een verre vogel ... een eenzaam geluid.... Ge hoort nog even na en +weer staat ge stil en ziet schuw ter zijde en houdt uw adem in.... +Vluchtte daar geen bevallig wezentje, even gezien? kort ritselde het +geblaarte... En weer is alles geluidloos.... Het is hier alles zoo stil, +zoo roerloos ... het is in ten-hemel-streving verstijfd.... Het is één +donkere in zich gekeerde ernst.... Gij zijt hier de eenige, die weet te +<span class="pagenum"><a name="p129" id="p129"></a>[p.129]</span> kunnen lachen en de oogen tintelend bewegen.... Wat ge op de +gronden ziet en op den roerloozen voet der stammen, het zijn de +fluweelzachte, effen mossen der zonlóóze vruchtbaarheid....</p> + +<p>Anders Gorter's levenswerk.</p> + +<p>Een lupine-veld, klaterend-geel, 't is zonnig, zonnig neerwaarts van den +stralend-blauwen hemel naar het gele veld, opwaarts van het veld naar +den hemel ... het klaterende veld juicht u de zon in het gelaat. O, welk +een zomer, welk een hoogzomer, wat levenskracht om ende om, waar ge +ziet, waar uw stralende oogen zien.... Zwermen van tierelierders en +fluiters wieken uit het gele omhoog.... En meer nog, meer.... Hoevelen +zitten daar wel verscholen in die bezonde bloemen....</p> + +<p>Gorter is een ééngewordenheid van fel zonlicht en muziek. Zijn licht +schalt, zijn geluid straalt.</p> + +<p>Mevr. Holst's stem is die der vaste, maar stroef-, maar +moeilijk-verworven zekerheden. Er zijn geen groote verheffingen, geen +dalingen in, er is één effen hoogheid, maar vaak komt er toch ook iets +héél innigs beven in die stem.... Zij kan dan de zachtheid van haar +vrouw-zijn niet weerhouden.... Ingetogen slaat die hare sluiers even +terug. Een streeling van de hand, een innige blik....</p> + +<p>Mevr. Holst: een vrome Zuster aan de sponde van het proletariaat, haar +worstelingen zijn gestild ... zij kent het leed èn de uitkomst; zij is +kalm omdat zij zèker is....—</p> + +<p>Gorter: een veldheer van den nieuwen kruistocht; hij haast, jacht voort, +midden zijn glorieuse woordenstoeten. Ook hem lokt de rijke stad op de +heuvelen, de ochtendstad in de dagende verte. Hij gunt zich geen +respijt, hoor de hijging van de borsten zijner paarden, de klettering +van den razenden galop. De vaandels stroomen in dien stormgang als +amazonenhaar in het gouden licht. Hij gunt den vijand geen rust en geen +herstel. Hij drijft hem voor zich uit, om hem ten doode toe te kneuzen +en te pletten tusschen de heilige stad en zijn aanstormende cohorten. De +lippen zijn opeengeklemd van energie-drift, de adem stokt, het is een +ademloos <span class="pagenum"><a name="p130" id="p130"></a>[p.130]</span> leven van voortijlende haast, en èven voor het +bereiken, straalt al dat leven nog eens hooger op in de vast-starende, +in de prooi-fixeerende oogen.... Dan is er de botsing, eindelijk, de +omarming van den haat, de ontslaking al dier ingetoomde kracht in een +uitstroomenden klankendonder, een verscheuren met wapens en met +tanden....</p> + +<p>O, die geweldige, aangehouden polemische kracht van den grooten Gorter. +Ik heb op manlijken leeftijd van zijn ónpersoonlijken, zijn prachtigen +haat genoten als nauwelijks in mijn jeugd van zijn liefde en zijn +Mei....</p> + +<p>Maar laat ons nu hier eindigen, doch niet dan na ons te hebben +voorgenomen, in het volgende óók naar de volledige opheldering te +streven van <i>hoe</i> dit zijn kan, 't geen wij ook zooeven hebben gezien: +dat men een werk hevig bestrijden én tegelijkertijd warm bewonderen, +groot vinden en liefhebben kan.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<div class="footnotes"><h4>NOTEN:</h4> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_16" id="Footnote_1_16"></a><a href="#FNanchor_1_16"><span class="label">[1]</span></a> Voor de eerste maal gepubliceerd in <i>De Gids</i>, 1913—'14.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_17" id="Footnote_2_17"></a><a href="#FNanchor_2_17"><span class="label">[2]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_18" id="Footnote_3_18"></a><a href="#FNanchor_3_18"><span class="label">[3]</span></a> Den burgerlijken kunstenaar.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_19" id="Footnote_4_19"></a><a href="#FNanchor_4_19"><span class="label">[4]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_20" id="Footnote_5_20"></a><a href="#FNanchor_5_20"><span class="label">[5]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_21" id="Footnote_6_21"></a><a href="#FNanchor_6_21"><span class="label">[6]</span></a> Waarom dit zoo is wordt later in dit opstel verklaard.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_22" id="Footnote_7_22"></a><a href="#FNanchor_7_22"><span class="label">[7]</span></a> Of de schrijver met het beelden dier anti-socialistische +gezindheden en personen een pro-socialistische "tendenz" had, doet +<i>thans</i> natuurlijk niet ter zake. En trouwens bij Querido is behalve in +"Levensgang" ook van zulk een tendenz geen sprake.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_23" id="Footnote_8_23"></a><a href="#FNanchor_8_23"><span class="label">[8]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 505.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_24" id="Footnote_9_24"></a><a href="#FNanchor_9_24"><span class="label">[9]</span></a> Dit alles wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat kunst +geen zedelijken invloed op den aanschouwer uitoefent! Integendeel: +<i>alle</i> kunst, ook de "onzedelijke," heeft, indien zij <i>als kunst</i> wordt +genoten, een hoog-zedelijken invloed. Zij kweekt altruïsme: <i>De verrukte +aanschouwer heeft de vermogens van den door hem bewonderden kunstenaar +lief, en vergeet</i>, zij 't voor korten tijd, <i>zich-zelf voor hem en zijn +werk</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_25" id="Footnote_10_25"></a><a href="#FNanchor_10_25"><span class="label">[10]</span></a> Ik citeer uit De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 16. Het is daar +overgenomen uit Nieuwe Litt. Gesch. III blz. 44.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_26" id="Footnote_11_26"></a><a href="#FNanchor_11_26"><span class="label">[11]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1909, blz. 17—18.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_27" id="Footnote_12_27"></a><a href="#FNanchor_12_27"><span class="label">[12]</span></a> Ibid. blz. 18.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_13_28" id="Footnote_13_28"></a><a href="#FNanchor_13_28"><span class="label">[13]</span></a> Ibid. blz. 22.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_14_29" id="Footnote_14_29"></a><a href="#FNanchor_14_29"><span class="label">[14]</span></a> Ibid. blz. 31.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_15_30" id="Footnote_15_30"></a><a href="#FNanchor_15_30"><span class="label">[15]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 27.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_16_31" id="Footnote_16_31"></a><a href="#FNanchor_16_31"><span class="label">[16]</span></a> Algem. Hbl., 9 januari 1913.—De schrijver voegt er nog, +m. i. zeer terecht, aan toe: "Het is een gevolg van propagandistischen +ijver."—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_17_32" id="Footnote_17_32"></a><a href="#FNanchor_17_32"><span class="label">[17]</span></a> Deze cursiveering is van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_18_33" id="Footnote_18_33"></a><a href="#FNanchor_18_33"><span class="label">[18]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1909.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_19_34" id="Footnote_19_34"></a><a href="#FNanchor_19_34"><span class="label">[19]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_20_35" id="Footnote_20_35"></a><a href="#FNanchor_20_35"><span class="label">[20]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 492.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_21_36" id="Footnote_21_36"></a><a href="#FNanchor_21_36"><span class="label">[21]</span></a> ibid.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_22_37" id="Footnote_22_37"></a><a href="#FNanchor_22_37"><span class="label">[22]</span></a> ibid.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_23_38" id="Footnote_23_38"></a><a href="#FNanchor_23_38"><span class="label">[23]</span></a> Onder die rubriek valt zeker: Henri Hartog's <i>prachtig</i> +"Sjofelen"; veel uitmuntend werk van Coenen; ongetwijfeld veel werk van +Van Deyssel en, last not least, menig stuk van Van Looy!</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_24_39" id="Footnote_24_39"></a><a href="#FNanchor_24_39"><span class="label">[24]</span></a> Schetsen en Critische Opstellen, blz. 161—163.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_25_40" id="Footnote_25_40"></a><a href="#FNanchor_25_40"><span class="label">[25]</span></a> L. van Deyssel, derde bundel Verzamelde Opstellen, blz. 61 +e.v. (Over Gorter's Sensitivistische Verzen). De puntjes wijzen aan, +waar ik hier niet ter zake doende gedeelten uit den tekst heb gelicht. +Cursiveering van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_26_41" id="Footnote_26_41"></a><a href="#FNanchor_26_41"><span class="label">[26]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 408, e.v.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_27_42" id="Footnote_27_42"></a><a href="#FNanchor_27_42"><span class="label">[27]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 13.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_28_43" id="Footnote_28_43"></a><a href="#FNanchor_28_43"><span class="label">[28]</span></a> De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 369, e.v.—Cursiveering van +mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_29_44" id="Footnote_29_44"></a><a href="#FNanchor_29_44"><span class="label">[29]</span></a> Er is overigens, in dat tusschenzinnetje "<i>daar In de +poëzie de daad geldt, niet de aanleg</i>," nog een van die typische +denk-fouten welke door het marxistisch-aesthetisch denken vooral +veroorzaakt worden, de meening namelijk, dat de kunstdaad nog iets +anders zou kunnen weerspiegelen dan de aanleg, dat de daad bijv. kleiner +zou kunnen zijn—zeg bijv.: door neerdrukkende omstandigheden—dan de +aanleg, die immers niets anders is dan de potentie van den +<i>kunstenaars</i>geest. Gorter verwart hier weer de stof, waarin de daad +zichtbaar is geworden met de daad-zelf, d.i. de beweging van den +kunstenaarsgeest. Wat hij de daad noemt, is in waarheid het <i>product</i> +van de daad. Dit product weerspiegelt de daad èn de worsteling van de +daad met de stof èn met de haar weerstrevende omstandigheden, maar die +daarin dus névens al het andere zichtbaar geworden daad-zelf, in haar +bewegen: hoe zij <i>worstelt, overwint of succombeert</i>, is alleen en +uitsluitend de zuivere spiegel van de grootte, de macht of de zwakheid +van den aanleg. Men kan dus niet zeggen, "dat in de poëzie de daad +geldt, niet de aanleg," alsof uit beiden iets verschillends zou kunnen +blijken!</p></div></div> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p131" id="p131"></a>[p.131]</span></p> + +<h3>II.</h3> + +<p class="sidenote"> +Mevr. Holst's Rousseau.<br /> +(<i>Literair</i>-critisch beschouwd).<br /> +</p> + + +<p>De <i>literaire</i> critiek toetst <i>nimmer</i> eens schrijvers <i>subjectieve +waarheid</i>, gelijk die haar in een werk blijkt te bestaan, aan <i>eenige +andere waarheid haar van elders bekend</i>, om daarna, al naar het +resultaat dier toetsing, het werk goed of slecht te noemen. Neen, zij +toetst—hetzij verstandelijk en meer koel-analytisch, hetzij +emotioneel-omvattend en meer synthetisch—het <i>te beoordeelen werk</i> aan +die <i>subjectieve waarheid</i>, en onderzoekt <i>hoe</i> deze zich daarin uit. +Want zich uiten in een werk, dàt doet zij altijd. Het is alleen de vraag +op welke wijze. Uit zij zich, ònbestreden, ònweerstreefd door het lager +bewustzijn des schrijvers, èn voortgestuwd en bestraald door zijn +Scheppend Vermogen, dan is het werk kunst. Uit zij zich daarentegen +bestreden en weerstreefd door het lager bewustzijn, dat iets anders dan +haar voor de subjectieve waarheid wilde doen doorgaan, dan is dat werk +niet alleen geen kunst, maar 't is ook een vervalsching. Maar evenzeer +geen kunst is zulk werk, of dat gedeelte van een werk, waarin het lager +bewustzijn, volkomen te goeder trouw, en juist om de subjectieve +waarheid, naar het meent beter te verwoorden, die uiting verminkt en +veronecht. Doch zoo eenvoudig als dit alles nu in theorie er uit ziet en +zoo simpel <span class="pagenum"><a name="p132" id="p132"></a>[p.132]</span> 't zich zeggen laat in 't algemeene, zoo eenvoudig is +'t niet in de praktijk en in zijn toepassing op 't bijzondere. Want er +zijn wel ontelbare werken, die geheel en volstrekt niet-kunst zijn, doch +er is niet een wellicht, gelijk wij reeds vroeger gezien hebben, dat +volmaakt kunst is. En er is ten slotte wel slechts één oorzaak waaròm +een werk geen of slechts gedeeltelijk kunst is: zijn niet of slechts +gedeeltelijk voortgebracht zijn door het "Onbewuste," d.i. de Scheppende +Natuurkracht, maar de redenen die deze dit hebben belet, kunnen vele en +zeer uiteenloopende zijn. Laat mij u slechts nog een drietal van de +allervoornaamste noemen:</p> + +<p>Het <i>van nature</i> psychisch onvatbaar zijn voor de inwerking van dàt +Scheppend Vermogen, noodig om diè zekere subjectieve waarheid in kunst +te herscheppen. (Bijvoorbeeld: een lyricus, die van eene in hem levende +voorstelling, tot wier ver-beelding het episch Scheppend Vermogen wordt +vereischt, kunst maken wil).</p> + +<p>Het <i>verstelseld</i> of <i>verdogmatiseerd</i> zijn van het lager bewustzijn, +zonder dat de voorstellingen enz. aan dat dogma of stelsel verbonden, +geëigend zijn, door het in die persoonlijkheid werkend Scheppend +Vermogen te worden ver-beeld.</p> + +<p>Een <i>te</i> critische gesteldheid van het lager bewustzijn, waardoor de +door- en uitvloeiing der inspiratie te zeer bemoeilijkt, soms volkomen +en voortdurend verhinderd wordt.—</p> + +<p>Zoo verschijnt ons de taak der literaire critiek als een zeer +verwikkelde en uitgebreide. Zoodra zij met een kunstwerk te doen heeft, +vervalt die taak in twee groote deelen: kenbaar te maken aard en +beweging van 't kunst-<i>scheppende</i> Hooger Bewustzijn èn aard en beweging +van het ingegrepen-hebbend kunst<i>bedervende</i> lager bewustzijn. Wel +beschouwd is dus de literaire critiek een bij uitstek mensch-beeldende +kunst. Immers óók de synthetische aanvoeling van het Scheppend Vermogen, +benevens zijne bewegingen, synthetisch of analytisch doorvoeld, kunnen +meestal niet anders dan vermenschelijkt worden ver-beeld. Is het te +beoordeelen werk-zelf van critischen aard, dan verandert dit niets aan +de zaak—in theorie! In de praktijk blijkt dat wel anders: instede +<span class="pagenum"><a name="p133" id="p133"></a>[p.133]</span> van het werk uitsluitend aan des schrijvers subjectieve waarheid +te toetsen, toetst menig criticus die waarheid weer aan een andere—ten +slotte zijn eigen, óók louter subjectieve, want meestal <i>niet</i> te +<i>bewijzen</i>—waarheid. De literaire recensent, die zich hieraan schuldig +maakt en aldus van den m.i. juisten weg afwijkt, doet te veel en maakt +daardoor zijn arbeid minder betrouwbaar en minder waard. Want hij loopt +alle kans, als de waarheid van den door hem beoordeelde en de zijne niet +overeenkomen, dat ontstemming en toorn over het z.i. onjuiste oordeel, +hem ook de zuiver-aesthetische waarde van het werk te laag zullen doen +aanslaan. Ik zelf, die dit alles hier hekel, zou er nochtans niet voor +kunnen instaan, niet in dezelfde fout te vervallen, indien er geen +afdoend middel bestond, zich daartoe de gelegenheid te benemen. Want het +is niet te ontkennen, dat een kunstwerk van <i>critischen</i> aard daar veel +meer aanleiding toe geeft dan een ander: van en betreffende de +<i>bijzondere</i> menschelijkheid eener in bijv. een roman geheelde figuur, +heeft de criticus allicht geen vast-omlijnde apriorische voorstelling of +oordeel, hij toetst daarom zonder vooringenomenheid het beeld-in-'t-boek +aan des kunstenaars subjectieve visie, en zoo hem dan het een 't ander +blijkt te dekken, d.i. zoo hem de <i>noodwendigheid</i> in de <i>beelding</i> +blijkt, noemt hij 't beeld goed en kunst. Maar van den aard en de waarde +van een werk dat, of eener historische figuur, die in een kunstwerk van +critischen aard wordt voorgesteld, hebben de meeste beoordeelaars wel +degelijk eene apriorische opvatting, voor welke zij vaak niet kunnen +nalaten te strijden. En dikwijls liggen hieraan de nobelste sentimenten +ten grondslag, zooals de groote liefde voor een figuur, die zij onjuist +beoordeeld achten, maar waar die sentimenten toch in <i>die</i> sfeer +misplaatst zijn, veroorzaken zij somtijds zeer ignobele gevolgen. Het is +daarom wenschelijk, dat een kunstcriticus indachtig aan het feit, dat +hij een—meest zeer impulsief—mensch is, zich-zelf de gelegenheid +beneme, zich al te klein-menschelijk te gedragen. En hieraan is het mede +toe te schrijven, dat ik, nu ik ook Mevr. Holst's <i>Rousseau</i> in deze +studie zal behandelen, mijn taak in twee scherp-gescheiden deelen zal +splitsen. Ten <a name="p134" id="p134"></a><span class="pagenum">[p.134]</span> eerste: in dit hoofdstuk het toetsen van haar werk +aan de in haar geest aanwezige beelden, het beoordeelen van haar essai +dus als literair kunstwerk—den lezer zal het nu ongetwijfeld duidelijk +zijn, <i>waarom</i> men "een werk hevig bestrijden en tegelijkertijd warm +bewonderen, groot vinden en liefhebben kan"—; ten tweede: het toetsen +van <i>haar</i> waarheid omtrent Rousseau aan <i>mijne</i> en de mij van elders +bekende en te bewijzen waarheid, het beoordeelen van haar essai dus als +biographischen, critischen en psychologischen arbeid, in het vólgend +hoofdstuk. Zoodoende zal, hoop ik, de bestrijder-in-mij der +marxistisch-aesthetische theorie en der daaruit voortvloeiende +meeningen, den literairen criticus niet interrompeeren, wanneer deze nu +zal pogen zijne groote bewondering en luttele bedenkingen zuiver uit te +spreken, en anderzijds de literaire criticus, tevreden, dat hij die +bewondering heeft kunnen uiten, zijn tweelingbroer, den bestrijder, niet +remmend beïnvloeden. Zeker, het had kunnen gebeuren, dat de literaire +criticus tevens die bestrijder had moeten zijn, in het geval namelijk, +dat <i>door den socialistisch-aesthetischen invloed</i> wèrk en sùbjectieve +waarheid elkaar niet zouden hebben gedekt. Dat is hier echter niet, +althans niet bewijsbaar, het geval. <i>Onweerlegbaar aan te toonen</i>, dat +er eenige waarheid aanwezig was in de schrijfster, welke het Hooger +Bewustzijn niet kon uiten, ten gevolge van dien invloed of eene der +reeds vroeger genoemde oorzaken, is m.i. niet mogelijk.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Dit werk dan, allereerst voortreffelijk en van een zoete bekoring door +het statig ruischen van den diepen psychischen ondertoon der +schrijfster, die alle fijnere modulaties in de hoogste mate natuurlijk +en ongedwongen uit zich laat opwellen—dit boek opent met een zeer +eenvoudige en nog schetsmatige uiteenzetting van den kerkelijken, +economischen en politieken toestand der stad Genève ten tijde dat +Rousseau daar werd geboren. Maar in die uiteenzetting leeft al iets van +de omglorieïng der dingen door den dichtergeest, en reeds op het einde +dier weinige bladzijden bloeit die diepe <span class="pagenum"><a name="p135" id="p135"></a>[p.135]</span> aandoening open, welke +zich van dan af, nacht of dag der kunstenaarsziel mogen over het werk +heerschen, niet meer sluiten zal: Een avondplein in Genève. Bij het +uitschietend en weer krimpend tooverlicht van rood-gouden flambouwen, +hebben de burgerwachten van het vrij en democratisch gemeenebest hun +gemeenschappelijk avondmaal genoten. Een rijke vreugd rijst hoog in de +harten, de vreugd van als broeders samen te zijn; vrouwen en kinderen +komen hun deel van het feestgeluk halen en mengen zich onder de groepen. +... Er wordt een reidans gedanst en liederen gezongen ... O, de +beschrijving van dit tafereel is in haar soberte zóó voortreffelijk; de +psychische onderstroom voert zoo zonder inspanning die visioenen voor +mijn oogen.... Maar deze deinzen nu, er is een open ruimte, en zie nu, +zie ...er komen woorden als voorzichtige en zegenende handen, hun +aanraking sterk èn teer van liefde, ze toonen mij een kind, niets dan +een kind, een "bruinoogig, sierlijk knaapje".... Maar een ontroerd +vrouwegelaat zie ik boven zijn hoofd, oogen, die mij glanzend, +trotsch-gelukkig en suggestief aanzien, en ik versta plots in vollen +omvang, wat dit gelaat mij zegt: hoeveel dit kind voor de menschheid zal +beteekenen. Mijn hart zwelt den kleinen uitverkorene tegemoet. Het is +Jean-Jacques Rousseau.—</p> + +<p>En dan volgen de zes-en-dertig schoone bladzijden over zijn jeugd, één +zoete, innige melodie, maar—als door een fluit een nachtegaal +nagefloten. Voor wien de nachtegaal-zelf te voren heeft gehoord!... Want +het beeld van Rousseau's jeugd, zooals het in <i>Les Confessions</i>, dat +stylistisch wonderwerk van subtiele zelfbeluistering, tot ons is +gekomen, is niet louter een brok autobiographie, dat <i>elk</i> later +dichter, die de voor de verwerking dier stof geschikte vermogens bezit, +zou kunnen benuttigen, om er zijn eigen schoonen droom uit te +<i>scheppen</i>, maar het is <i>zelf een subliem gedicht</i>, dat den lezer, en +zeer zeker den bewerker, niet alleen materiaal aanbiedt, maar hem ook +noodwendig beheerscht, door de artistiek-geniale doorlichting en +verheerlijking van dat materiaal, zoodat tenzij die bewerker een +Rousseau verre <span class="pagenum"><a name="p136" id="p136"></a>[p.136]</span> overtreffend genie bezitte, dat dezelfde stof nòg +heller doorlichten, nòg schoener en ànders gezien in kunst zou kunnen +beelden—vrijwel ondenkbaar in dit geval—hij zich niet slechts niet zal +kunnen vrijmaken van die overheersching, maar zich zelfs wel wachten zal +voor eenige poging daartoe, wel overtuigd als hij zijn zal, daardoor te +zullen komen tot het maken van werk, dat èn slechts quasi-zelfstandig èn +sterk minderwaardig zou zijn aan het oorspronkelijk gedicht.... Een +gedicht, waarin al de weemoed herfst van een oud gebroken man, die zijn +zoete jeugd herdenkt; waarin menschengestalten, sinds lang in den dood +verdwenen, herrijzen, van verre staande met de aureool zijner liefde om +de slapen, en waar veel flonkerende kostbaarheden al geborgen staan in +herinnerings-schrijn, om straks—o toch luttele vergaarde schatten van +dit aardsche leven!—te worden meegevoerd naar dat eeuwig leven, +waarnaar hij smacht.—Want wèl ter dege behoort men, om naar àlle zijden +rechtvaardig te zijn, de <i>relatieve</i> waarde der dingen niet uit 't oog +te verliezen. "Wanneer zij Rousseau's jeugd herdenkt, wordt dit verhaal +een gedicht onder hare handen," las ik in <i>De Ploeg!</i><a name="FNanchor_30_45" id="FNanchor_30_45"></a><a href="#Footnote_30_45" class="fnanchor">[30]</a> Wel waarlijk, +dat staat er, alsof Mevr. Holst uit een of andere oude, bestoven en +droge kroniek—zooals bijv. Shakespeare voor zijn drama's!—de stof had +opgediept en daaromheen, daaruit <i>haar</i> schoonen droom, <i>haar</i> gedicht +had geschapen, terwijl de waarheid is: dat zij wel hier en daar ook +eigen doorvoeling heeft gegeven, maar overigens en grootendeels een van +de schoonste en innigste gedichten der wereld, slechts "van verre +volgend" en het <i>zeer verzwakkend</i>, heeft <i>na</i>gedicht en dit—een tweede +oorzaak dier verzwakking naast het verschil in genialiteit tusschen haar +en Rousseau—door de compositorische eischen van eigen werk gedwongen, +hevig besnoeid heeft, waardoor dan ook helaas oneindig veel van het in +'t oorspronkelijke poëem aanwezige schoone, bevallige en beteekenisvolle +is verdwenen, zonder dat opmerkelijke, nieuwe, door haar geschapen +aesthetische waarden, <span class="pagenum"><a name="p137" id="p137"></a>[p.137]</span> in dit gedeelte eenige noemenswaardige +vergoeding bieden voor dat gemis. Neen, de groote +<i>oorspronkelijk</i>-scheppende kracht straalt dan ook eerst op in het werk, +als zij, bevrijd uit den ban van dat zoet-schoone en vermaarde +jeugdverhaal in de <i>Confessions</i>, haar oogst niet meer hoeft te maaien +onder den drukkenden zonnegang van Rousseau's wereldgenie! Dàn huivert +door het boek een medelijden met de armen en verdrukten, de hopeloos +verloren geganen in de niet terug te roepen tijden, een medelijden, dat +zijn tranen bedwingt, om fel te kunnen strijden. Dan proeft ge de +verrukking van deze hooge vrouw, zelf eene van het geslacht te zijn, +waarvan Rousseau een van de vorsten was; dan voelt ge haar genot, zich +één met hem in het hooge willen te weten; zijn schildknaap, zijn +verheerlijker, zijn zwaarddrager te zijn. Waar zijn oogenlicht op valt, +dat is geheiligd voor haar, de felle wreekster en verdedigster ook van +Thérèse Levasseur. Prachtig-innige bladzijden hebben wij dier +verdediging te danken, een stroom van gevoel breekt hier uit dit nobel +hart, die elke ruimte van der woorden bedding vult, en schuimend elke +hindernis verbreekt, tot, eindelijk, vrij weer stroomend, zijn toorn +valt en hij voortkabbelend van de oevers bloemen gaart en zonnevonkjes +vangt op zijn ontschuimde vlakte; een omvlijende beek van liefde nu, een +bloemenwater van geur en licht omwademd, komt hij aangewiegd tot aan de +voeten van dat kleine menschje, ootmoedig aan de voeten dier "trouwe, +lieve vrouw" en vlijt er alles neer, àl bloemen voor dat "eenvoudige +plebejerskind," de "veelgesmade, veelgelasterde Thérèse Levasseur".... +En stroomt dan vonkelend en ruischend weer voorbij....</p> + +<p>Dàn openbaart zich ook haar beeldend en metaphorisch vermogen in zijn +volle kracht. Vermocht ik in het jeugdverhaal slechts ééne +werkelijk-beeldende uitdrukking te vinden, die nog klaarblijkelijk een +reminiscentie is<a name="FNanchor_31_46" id="FNanchor_31_46"></a><a href="#Footnote_31_46" class="fnanchor">[31]</a> en slechts één vergelijking, 'n rhetorische, en nog +wel eene van zeer geringe soort, welke <span class="pagenum"><a name="p138" id="p138"></a>[p.138]</span> geheel uit het kader van +haar werk valt en volstrekt vreemd is aan de hooge sfeer van haar +stijl,<a name="FNanchor_32_47" id="FNanchor_32_47"></a><a href="#Footnote_32_47" class="fnanchor">[32]</a> later verandert dit alles, ziet zij in dat Parijs, "<i>dat +koortste van goudkoorts als een delverskamp</i>," het Parijsche volk +lijden: "ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, +laag en onzichtbaar als in een andere wereld, <i>als in de verborgen +stookruimte van een modern reuzenschip</i>"; ziet zij: de gedachten zich +uit Rousseau's Onbewustheid losmaken en stijgen "tot 't bewuste, <i>met +zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't diepste van 't +woud</i>." Merk hoe verrukkelijk deze beelden zijn omdat zij, zoowel wat ik +wensch te noemen: de <i>hoofdzakelijke</i> als <i>additioneele</i> schoonheid aan +goede metaphoren eigen, bezitten, en rhetorisch noch reminiscenties +zijn. Immers de <i>hoofdzakelijke</i> schoonheid van een "beeld," bestaat +daarin, dat het de verborgen eenheidsessentie van twee verschillende of +zelfs schijnbaar tegenstrijdige begrippen, zaken of wezens aantoont. En +hoe duidelijker en overtuigender ons die eenheid wordt aangetoond, hoe +grooter onze verrukking is. Deze heeft dan een tweeledige oorzaak: een +algemeen-menschelijke èn een artistieke. De eerste is: dat het +doorvoelen, zij het slechts tot op zekere diepte, van de eenheid van dat +wat men tot dan verschillend of tegenstrijdig heeft geloofd, het hoogste +geluk is, dat een mensch, die op dien naam aanspraak maken mag, gebeuren +kan. Want het hart van zulk een mensch haakt en verlangt naar eenheid, +hij voelt het veroveren van het bewustzijn, dat alles en allen in +diepste wezen één zijn als zijn hoogste levenstaak, en telkens als hij +dus—om 't zoo eens te zeggen:—een stukje van dit bewustzijn heeft +veroverd, voelt hij ook bevrediging en geluk. De tweede is: dat wij de +beweging van het Scheppend Vermogen bewonderen, toen het dit een-zijn +van het verschillende of tegenstrijdige uitbeeldde. Het zal den lezer +uit deze beschouwing duidelijk zijn, dat het dus van het hoogste gewicht +voor die zoo rijk <span class="pagenum"><a name="p139" id="p139"></a>[p.139]</span> genot schenkende eigenschappen van een "beeld" +is, dat het <i>niet rhetorisch en geen reminiscentie is</i>. Kent immers de +lezer het reeds van vroeger, of voelt hij in de verwoording, dat het +niet oorspronkelijk is, dan kan, in 't eerste geval, zijn bewustzijn van +de eenheid der dingen nù niet meer dáárdoor verrijkt worden, en, in +beide gevallen, kan hij dááraan het Scheppend Vermogen in dien auteur +niet bewonderen. Hij weet immers of voelt dat deze zich dit "beeld" +slechts bewust of onbewust herinnerd en 't niet geschapen heeft. Het is +dus juist omdat de hierboven aangehaalde beelden, in tegenstelling met +de ter voorafgaande bladzijden, in de noten, geciteerde, niet rhetorisch +en geen reminiscenties zijn, dat zij mij in hun zoo prachtig aantoonen +der verborgen "eenheidsessentie," dat rijke en tweeledige genot konden +schenken,—een waarheid, die helaas nog niet algemeen door de literaire +critiek wordt aanvaard.—En wat nu de <i>additioneele</i> schoonheid betreft: +deze bestaat in het passen van het "beeld" in de stemmingssfeer van het +geheel, waarvan het een deel is. Dat is natuurlijk gewenscht voor elk +deel van een kunstschepping, maar voor een vergelijking of metaphoor is +het <i>meer</i> gewenscht dan voor welk ander deel ook, omdat als zij de +eenheid van het geheel verbreekt, ze iets doet, wat met <i>haar innigste +wezen</i> in strijd is. Haar wezen is immers: het eenheid-aantoonen, en +nu—verbreekt zij een eenheid! Zij neemt dus dan op de eene wijze en +tegelijkertijd terug wat zij op een andere gaf.—En zie nu eens, in hoe +sterke mate deze beelden van Mevr. Holst ook die additioneele schoonheid +bezitten. De beide eerste, die iets van het <i>maatschappelijk</i> leven +beelden: Parijs en het Parijsche volk, zijn beide aan de +maatschappij-sfeer ontleend: een gouddelverskamp, een stookruimte; het +derde daarentegen, dat de werking der Scheppende Natuurkracht in +Rousseau beeldt, aan het natuurleven.</p> + +<p>En hoe prachtig is ook dit, als onze schrijfster het <i>Contrat Social</i> +bespreekt: "De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen sissen, +zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich +tusschen hen." Even te voren <span class="pagenum"><a name="p140" id="p140"></a>[p.140]</span> zegt zij: "Men voelt den gloed wel, +maar de vlam brandt achter een muur," 't geen ons hier de gelegenheid +biedt te zien, hoe het beeld zich volkomen natuurlijk ontwikkeld heeft +uit het gevoel, waaruit de geheele context werd geboren.</p> + +<p>En dàn is het ook, dat zij, zooals ik eens van haar schreef, bij +menigten "subtiele fijnheden in het door-raadselde levensgebeuren en in +de verhouding tusschen de uiterlijke en innerlijke menschen ontdekt." +Wilt ge een voorbeeld van het eerste zoowel als het laatste? Gun u-zelf +dan het genot van haar diepe en meesterlijk neergeschreven inzicht te +leeren kennen in de zedenverdorvenheid van het Parijs der XVIIIde eeuw, +en vergun mij even dit kleine stukje voor u te citeeren:</p> + +<div class="blockquot"><p>Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de +gave der jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter +heeft gebruikt. Wie het heil zocht in de liefde voor schoone +lichamen en in de bevrediging van den hartstocht, voelt de +herinnering wrang in zijn mond en spijt om alles wat hij dit ééne +ter wille verzuimde, doet zijn hart samentrekken; hij treurt: hem +is alsof hij de kostbare wateren der jeugd verspilde. Wie andere +sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit eerzucht daden deed, +of door liefde voor een stralende Idee gedreven, voor een droom van +menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat hij wat nu 't +allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; ook hem is +het of hij de kroon des levens heeft gemist.</p></div> + +<p>Hoe trilt hier toch in de diepte hetzelfde sentiment, dat eens een +Ander, in hòngerige oververzadigdheid, zijn smartelijk "IJdelheid der +ijdelheden" als een weeroep over menschheid kreunen deed, zóó, dat zij +het in dertig eeuwen niet vergat....—Maar is dit stukje +fijn-doorvoelde psychologie niet even diep en innig:</p> + +<div class="blockquot"><p>Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van +Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige +waardeering, in de omstandigheid dat de vergode grijsaard toch +altoos het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is +grooter dan ik, in hem en zijn werk ligt iets diepers en +teederders, dat mij vreemd is"—terwijl Rousseau daarentegen +Voltaire wèl zijn roem en invloed benijdde, maar in zijn diepste +wezen een gevoel van artistieke <span class="pagenum"><a name="p141" id="p141"></a>[p.141]</span> meerderheid omdroeg, dat +het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht en billijk te +oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft, naar ik meen, ook de +verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.</p></div> + +<p>Wie anders dan òf een heel groot, "objectief-indringend +menschenschepper, die Mevr. Holst—ik heb het indertijd +aangetoond—<i>niet</i> is, òf een wel anders begaafd, maar in zijn sfeer +toch ook heel groot en edel kunstenaar, die zelf in het bewustzijn van +zijn zielsrijkdom zijn tegenstrevers en miskenners kan vergeven, gelijk +deze groote lyrische dichteres er eene is—wie anders dan een dièr twee +had dit vermogen te schrijven....</p> + +<p>Hoe diep heeft zij dan ook àlles doorvoeld, wat Rousseau's +persoonlijkheid en de hare <i>gemeen</i> hebben, hoezeer is zij erin +geslaagd, ook <i>de leiddraad aanvaardend van Rousseau's +zelfbeluisteringen in de Confessions en de Rêveries</i>, een beeld te +scheppen dat <i>nagenoeg</i> harmonieus is in <i>zichzelven</i>. Luistert ge +slechts even naar het volgende kleine stukje, dan hoort ge bij beurten: +Henriëtte Roland Holst, herkennend Rousseau in en beeldend hem uit háár +innerlijkheid, èn Rousseau-zelf in de zelfbeluistering en beelding der +<i>Confessions</i>:</p> + +<div class="blockquot"><p>Haar volgend (de roepstem der opkomende klassen, v.C.) moest hij +strijden tegen een stuk van zich-zelven, tegen zijn zwakheid, en +somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn hart.</p></div> + +<p>Hier beeldde Mevr. Holst Rousseau uit zich-zelf: de schrijfster van <i>De +Vrouw in het Woud</i>, vóór zij "de Vrouw in het Woud" werd, maar reeds +alles in zich had, dat 't haar zou doen worden. En ziehier voornamelijk +weergave van de zelfbeluistering in de Confessions en de Rêveries:</p> + +<div class="blockquot"><p>Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn +liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn +contemplatieve neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van +stelselmatig denken. Hij overwon dit alles. Hij, de tuchtelooze, +legde zich de tucht op van onverpoosde inspanning, van omwerken en +nog eens omwerken en nog eens wat hij schreef, tot de meest klare +en doordachte uitdrukking van gevoel en gedachte die hij kon +vinden, bereikt was; hij de bandelooze, <span class="pagenum"><a name="p142" id="p142"></a>[p.142]</span> lag zijn liefste +genieting, het drijven op droomen, aan band. .</p></div> + +<p>Zooals het volgende weer zuiver datgene is wat beiden gemeen hebben:</p> + +<div class="blockquot"><p>Hij was dikwijls zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in +alles wat zijn werk betrof. Twee krachten waren in hem die zijn +zwakheid overwonnen: de gloed van geestdrift voor zijn +idealen,—met een anderen naam: de liefde tot de menschheid,—èn +het artistiek geweten, de nauwgezetheid van den kunstenaar.</p></div> + +<p>Het schoonste en duidelijkste voorbeeld echter van dit +Rousseau-hervinden in zichzelf, heeft Mevr. Holst wel gegeven in dit +stukje, dat ik hoe bevreesd ook mij te zeer aan citeeren te bezondigen, +den lezer niet mag onthouden:</p> + +<div class="blockquot"><p>Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit +de opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het +Gezicht opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de +afschuwelijkheid van de uitbuiting en de ellende van druk en +slaafschheid beseffen; gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de +verdrukkers en liefde voor de verdrukten, dat zij beven van hitte +en kou, liefde en haat in eenen,—zoo was hij. En gelijk voor die +dichters en droomers dan het lichtverschiet openwaait van een ander +leven dan van willekeur der grooten en verdrukking der kleinen en +strijd van allen tegen allen, een leven van vrede en broederlijke +liefde en zachte aanhankelijkheid; en zij de armen uitstrekken +daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat 't blijve, sidderend +van verlangen—zoo deed hij.</p></div> + +<p>Evenmin zou ik echter de schoonheid van dit werk voldoende recht hebben +gedaan, indien ik verzuimde u opmerkzaam te maken op het prachtig +begrijpen, doorvoelen en uitbeelden van sommige invloeden, die het +Scheppend Vermogen op de lagere persoonlijkheid van Rousseau gehad +heeft. Ziehier, een kort stukje:</p> + +<div class="blockquot"><p>Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefdesbegeeren +slechts schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij +daardoor noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste +bekoorlijke vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't +anders; leefde, voor hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat +oogenblik de behoefte van den kunstenaar, door 't lichamelijk +ervaren der liefde-begeerte en verrukking <span class="pagenum"><a name="p143" id="p143"></a>[p.143]</span> en liefde-smart +die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te voeren tot de hoogste +intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de andere?</p></div> + +<p>En dan met nog heller intuïtief doorvoelen van de verhouding van +Scheppend Vermogen tot de lagere persoonlijkheid:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en +zijn zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan +wat asch van herinnering.</p> + +<p>Maar <i>buiten hem groeide</i>,<a name="FNanchor_33_48" id="FNanchor_33_48"></a><a href="#Footnote_33_48" class="fnanchor">[33]</a> schepsel van vuur en tranen, het +wonderbare boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als +'t zingen van de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle +Héloïse." In de vlammen van dat boek zou de ziel der vrouw van dien +tijd zich reinigen, in zijn wateren onderduiken om wedergeboren te +worden: dichter's smart maakt duizenden blij van bevende zaligheid.</p></div> + +<p>Hoe zuiver en diep-gegrift is met één trek in die paar door mij +gecursiveerde woorden, het werken der Onbewustheid aangegeven. Hoe wordt +door dat ééne beeld van de gaal den lezer fel de psychische oorzaak der +Nouvelle Héloïse duidelijk: zooals de gaal zingt uit liefdesdrang zóó +schreef Rousseau dit boek. Maar bijzonder dankbaar ben ik der +schrijfster voor die erkenning, dat "dichter's smart duizenden blij +maakt van bevende zaligheid." Want deze uitspraak wint nog aan +beteekenis, wanneer zij bijv. lyrische poëzie betreft, waarin een +dichter zijn smart-zelf heeft afgebeeld. En dus blijkt Mevr. Holst +<i>hier</i> wel duidelijk en diep te doorvoelen, dat de <i>kunstuitbeelding</i> +van een sentiment zelfs precies het <i>tegenovergestelde</i> sentiment in den +beschouwer der uitbeelding kan wakker roepen, en <i>anders</i> dan het in 't +leven <i>buiten de kunst</i> gebeurt; dáár zou smart wel aanleiding tot genot +kunnen geven, maar tot <i>wreedheidsgenot</i>, hier wekt het iets goddelijks +in den genietenden mensch: een blijdschap van "<i>bevende zaligheid</i>"! A +bon entendeur demi-mot suffit. En overigens—de literaire criticus mag +zich toch wel even zoover vergeten, dat hij hier naar het werk van zijn +tweelingbroer <i>verwijst</i>—zie het eerste hoofdstuk <span class="pagenum"><a name="p144" id="p144"></a>[p.144]</span> dezer studie: +daar staan de hééle woorden! Maar zoo gij meent, dat hij dìt zelfs niet +had mogen doen—welnu: het is een goed gebruik iemand dergelijke +kleinigheden bij het afscheid-nemen te vergeven, en de +literaire-criticus-in-deze-studie néémt hier afscheid. Eérlijk gezegd: +ik meen te weten, dat hij daar blij om is. En geen wonder: gewend altijd +zelfstandig te werken, ziet hij hier zijn arbeid als een bijkomstig +onderdeel van een andersoortig geheel beschouwd, werkte hij hier onder +toezicht en onder zekeren druk. Zoo ben ik er, bijvoorbeeld, zeker van, +dat het niet zijn meening weergaf, toen ik zei, dat niet <i>hij</i> hier den +schadelijken socialistisch-aesthetischen invloed kon aantoonen en +bestrijden, omdat het geval, waarin hij dat had kunnen doen, nml.: dat +door dien invloed "subjectieve waarheid en werk elkaar niet dekken," +hier niet aanwezig was. Hij meende dat wel degelijk hier en daar te +kunnen aantoonen. Hij geloofde zeker, dat de zeer tendentieuse lagere +persoonlijkheid der schrijfster op eenige plaatsen, onwillens +natuurlijk, de uiting der subjectieve waarheid door het Hooger +Bewustzijn verminkt had. En hij geloofde al evenzeer demonstreerbaar, +dat er subjectieve waarheid in het werk was, die het niet verder dan het +<i>lager</i> bewustzijn heeft gebracht, òndoorlichte subjectieve waarheid +dus, en van een soort, die niet kòn doorlicht, verpuurd, vernoodwendigd +worden door het lyrisch scheppend vermogen, terwijl de waarlijk epische +kracht, daartoe benoodigd, niet of in niet voldoende mate in deze +schrijfster aanwezig is. En als ik hem zei dat wat haar ontbrak toch kon +aangevuld worden door de zelfbeluistering, de biecht van Rousseau, dan +fluisterde hij ironisch: "Ook door zijn zelfbedrog, ook door zijn pose?" +En ik glimlachte, maar wat zijne eerste bewering betreft leken mij zijn +bewijzen niet afdoende, en wat het in de tweede genoemde aangaat, +daarvan zijn noodwendigerwijze, gelijk later zal worden aangetoond, de +gevolgen in dit werk zoo nietig, vergeleken bij die van den +marxistisch-aesthetischen invloed, dat het geenerlei nut heeft hen te +bespreken. En zoo legde ik hem het zwijgen op, een weinig onrechtvaardig +<span class="pagenum"><a name="p145" id="p145"></a>[p.145]</span> wellicht, gelijk geen enkel machthebber, die voor de juiste +verhoudingen in een groot geheel verantwoordelijk is, altijd jegens den +bewerker van een onderdeel kan vermijden te zijn. Maar daarom: wees gij +lezer arbiter tusschen hem en mij! Gij zult in het volgend hoofdstuk +ruimschoots stof tot vorming van uw oordeel vinden.</p> + + +<div class="footnotes"><h4>NOTEN:</h4> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_30_45" id="Footnote_30_45"></a><a href="#FNanchor_30_45"><span class="label">[30]</span></a> "Een studie over Rousseau" door Dirk Coster, <i>De Ploeg</i> +Febr. 1913.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_31_46" id="Footnote_31_46"></a><a href="#FNanchor_31_46"><span class="label">[31]</span></a> "Hij eenvoudige burgerknaap, <i>zoo gesprongen uit het zwarte +hol van zijn leertijd</i>." Zie Shelley's prachtig: "Then from the caverns +of my dreary youth I sprang" etc.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_32_47" id="Footnote_32_47"></a><a href="#FNanchor_32_47"><span class="label">[32]</span></a>"Een goede fee had aan zijn wieg gestaan.... Het was de +fee: verbeelding." Kan het flauwer, onpersoonlijker en slapper?</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_33_48" id="Footnote_33_48"></a><a href="#FNanchor_33_48"><span class="label">[33]</span></a> Cursiveering van mij.</p></div> +</div> + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p146" id="p146"></a>[p.146]</span></p> + +<h3>III. </h3> + + +<p class="sidenote"> +Mevr. Holst's Rousseau.<br /> +(Beschouwing der critische en psychologisch-biographische opvattingen.) +</p> + + +<p>Geen mijner lezers, die mij tot hiertoe gevolgd zijn en mijne leidende +aesthetische gedachte nu kennen, zal het verwonderen, dat ik het niet +eens kan zijn met hen, die zeggen, "dat wij uit eerbied voor den grooten +geest den mensch moeten vergeten." Mij immers, wien de scheppende +natuurkracht, die de aarden uit den chaos en de wezens uit de aarden +omhoog drijft, de zelfde is, die de kunstwerken en de voortbrengselen +van het hooge denken uit gene kleine werelden, die wij menschen zijn, +doet geboren worden—mij lijkt die bewering even onjuist, als wanneer +mij iemand zou zeggen, dat ik uit eerbied voor de natuur, de aard en +gesteldheid van een kwalijk-riekend moeras niet zou mogen onderzoeken, +dat zij zelf nochtans voortbracht en waarin zij zelf een rijke flora en +fauna leven doet. Deze eerbied, zij hier entre parenthèse gezegd, +schijnt mij dan ook bedenkelijk veel op een beleedigen te gelijken. Het +is dan wel, of wij arme, kleine menschjes ons verbeelden, sommige daden +en voortbrengselen der natuur "met den mantel der liefde te moeten +bedekken"! De lezer ziet dus duidelijk, dat in iemand van <i>mijne</i> +overtuiging die eerbied volstrekt geen eerbied, maar een belachelijke en +verdwaasde hoogmoed <span class="pagenum"><a name="p147" id="p147"></a>[p.147]</span> zou zijn. Maar overigens is er nog een +andere reden, waarom <i>ik</i> dat argument verwerpen moet. En ik kan +slechts ernstig hopen, dat het bekend maken dier reden geen aanleiding tot +misverstand tusschen den lezer en mij zal te weeg brengen. Uiten mòet ik +haar. <i>Ik ken den eerbied niet en evenmin de keerzijde van dat begrip: +de moraliseerende geringschatting of verachting</i>.</p> + +<p>Ik ken <i>slechts de liefde en den instinctmatigen afkeer.</i> Eerbied +beteekent immer een min of meer op een afstand blijven—een +<i>eerbiedigen</i> afstand, zegt het spraakgebruik!—van, en een +niet-indringen in het geëerbiedigde. Liefde beteekent: een naderen tot +en een indringen in het geliefde. Waarom zouden wij op een afstand +blijven van datgene, dat de Natuur ons toestond te naderen, toen zij ons +de vermogens daartoe verleende? Zouden wij het beter willen weten dan +Zij? Laat ons gerust zijn, waarvoor wij "eerbied" moeten hebben, dat +<i>kunnen</i> wij niet naderen, want Zij heeft den weg daarheen voor onze +voeten opengebroken, toen Zij ons de vermogens onthield, gelijk Zij over +andere wegen, die naar het lage leiden, waarvoor wij nog te onrijp en te +zwak zijn om er het hooge in te herkennen, de versperring van onzen +<i>afkeer</i> sloeg.</p> + +<p>Eerbied, zeg ik u, is iets overtolligs; liefde, indringende liefde +vraagt de wereld van ons. Eerbied is ook een slechte begeleider der +waarheid. Uitteraard heeft hij dikwijls geen andere keus dan zelfmoord +of het vermoorden der waarheid. Hij is als die reiziger in de woestijn, +die zijn metgezel doodde omdat er voor beiden niet genoeg water meer +was. Niet alzoo de liefde: zij is als dat vlugvoetige, zachtoogige, +trouwe wezen, snel doorijlend elke woestijn: ook haar kan geen enkele +deren; levend van de zuivere lafenis in eigen lijf bewaard, voert zij, +niets vragend, alles dragend, den mensch naar het Doel.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Men verwachte dus van mij, nu ik ter toetsing van Mevr. Holst's +meeningen omtrent Rousseau en Thérèse Le Vasseur, veel, in dit +hoofdstuk, van die beiden zal moeten spreken, <span class="pagenum"><a name="p148" id="p148"></a>[p.148]</span> geen op een +afstand blijvenden eerbied, maar liefde tot hun menschelijkheid, liefde +tot de waarheid. Want daar ik er op zal moeten wijzen, dat zoowel in +haar critische als psychologisch-biographische beschouwingen vele het +essentieele rakende dwalingen—voornamelijk onder den +historisch-materialistisch-aesthetischen invloed—binnengeslopen zijn, +voel ik het als een plicht en deel van mijn taak, wat ik als de waarheid +voel en vaak objectief zal kunnen aantoonen die te zijn, vreesloos +daartegenover te stellen.</p> + +<p>"C'est le pardon à cause de la gloire." O, het is schoon gezegd, de +wereld applaudisseert. Maar beter deed die wereld met te begrijpen, dat +wij, zèlf geringen, nu eenmaal nìets te vergeven, nìet te vonnissen, +maar alleen <i>alles</i>, voor zoover we dat dan kunnen, te onderzoeken, te +doorvoelen en te begrijpen hebben.—</p> + +<p>Wenden we ons nu allereerst tot Mevr. Holst's meer <i>critische</i> +beschouwingen:</p> + +<div class="blockquot"><p>Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij (de Fransche +revolutionnairen, v.C.) leefden, uitgingen boven den inhoud van hun +leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de vorm, +heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de +uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar +somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor +het theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, +die niet anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning +van het gevoel.</p> + +<p>Dit noodlot der revolutionnairen van 1789—92, was ook het noodlot +van Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als +bijv. bij Byron en Schiller, gelijk de zijne ontsprong uit hun +liefde voor de burgerlijke vrijheidsidealen, en wier werken den +strijd der bourgeoisie tegen de absolutistisch-feudale orde vierden +en verheerlijkten. Ook zij vervallen soms <i>in hol pathos, +opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë laffe sentimentaliteit.</i> +Hun <i>gevoel was oprecht</i>, evenals dat der revolutionnairen, <i>hun +geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de +idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk +onwaar en voos</i>....</p> + +<p>En Rousseau was een uiterst gevoelig kunstenaar, een van de +gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. Zoodoende zoog hij +de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en de huiselijke +innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar <span class="pagenum"><a name="p149" id="p149"></a>[p.149]</span> <i>ook de +valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel</i>. Ook +deze gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. <i>Deze zijn +schuld</i> aan het theatrale, gezwollene, geforceerde, dat zijn werken +ontsiert daar waar hij de moreele en sociale idealen der +burgerlijke klassen in beeld brengt, <i>nooit</i>, wanneer hij het zijn +persoonlijke ervaring doet.<a name="FNanchor_34_49" id="FNanchor_34_49"></a><a href="#Footnote_34_49" class="fnanchor">[34]</a></p></div> + +<p>Om te beginnen: het is niet juist, dat wanneer Rousseau zijn +persoonlijke ervaring in beeld brengt, het holle pathos, de +opgeschroefde gezwollenheid afwezig zouden zijn. Integendeel, ik beweer: +in het autobiographisch werk zijn ze er pas goed, in gezelschap nog wel +van hun valsch opgedirkte en geblankette zuster: de <i>pose</i>. Gij, die de +schoone paden der <i>Confessions</i> gegaan zijt, hoevele malen hebt ge er +dit ongure, kermisachtige drietal, in den kleurigen opschik hunner +klatergouden todden, niet ontmoet? Maar behoef ik dat wel te vragen, +sterker: zij openden u het hek van den tuin!</p> + +<div class="blockquot"><p>Je me suis montré tel que je fus; méprisable et vil quand je l'ai +été; bon, généreux, sublime, quand je l'ai été: j'ai devoilé mon +intérieur tel que tu l'as vu toi-même, Être éternel. Rassemble +autour de moi l'innombrable foule de mes semblables; qu'ils +écoutent mes confessions, qu'ils gémissent de mes indignités, +qu'ils rougissent de mes misères. Que chacun d'eux découvre à son +tour son coeur au pied de ton trône avec la même sincérité, et puis +qu'un seul te dise s'il l'ose: <i>Je fus meilleur que cet +homme-là.</i><a name="FNanchor_35_50" id="FNanchor_35_50"></a><a href="#Footnote_35_50" class="fnanchor">[35]</a></p></div> + +<p>Deze toon, die toon van: "à tout prendre: je suis le meilleur des +hommes," die telkens en telkens weer ons in de ooren klinken, het heele +werk door, is niet die van de eerlijke zelfverheerlijking maar die van +de in "<i>valsch pathos</i>" zich uitende "<i>geforceerde spanning van het +gevoel</i>" van het zelfbedrog. En spreekt hij over het te-vondeling-leggen +zijner kinderen, dan, zooals wij later zullen zien, klinken zijn +redeneeringen als leeg vaatwerk met barsten, dan wordt 't alles bombast, +dan dringen in al zijn uitingen "smakelooze liefde voor het theatrale" +en "overdreven huilerige gevoeligheid." En daar heeft hij het toch wel +over zijn "persoonlijke <span class="pagenum"><a name="p150" id="p150"></a>[p.150]</span> ervaringen," zou ik zeggen! Mevr. Holst +schijnt wel eens op weg te zijn geweest, om in deze de waarheid te zien. +Blz. 203 zegt zij:</p> + +<div class="blockquot"><p>Het (zelfonderzoek, v.C.) was voor hem <i>de weg tot zijn apologie en +zijn apotheose, tot zelfbehagen, zelfvereering en zelfvergoding</i>.</p></div> + +<p>En blz. 204:</p> + +<div class="blockquot"><p>In de "Nouvelle Héloïse, het werk waarin hij zich het vrijst heeft +laten gaan—<i>veel vrijer dan in de "Confessions,"</i> waar <i>de +achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der +herinnering in een bepaalde bedding stuurden</i>....</p></div> + +<p>Indien iemand zooveel psychologisch en hooger-critisch inzicht toont te +hebben, dat hij in een werk de neiging tot, en het feit van +zelfvergoding, etc., benevens en vooral de "<i>achtergedachten</i> van +zelf-apotheose" aanvoelt, hoe is het dan mogelijk, is men geneigd te +vragen, dat hij de nòg meer aan de oppervlakte liggende <i>pose</i>, het +<i>valsch pathos</i> en al de <i>opgeschroefd-geuite</i> verzekeringen van eigen +voortreffelijkheid niet aanvoelt?! Of hoe is 't dan bestaanbaar, dat een +dergelijke inzichtsvolle niet inzie, dat de neiging tot zelf-apotheose +al die eigenaardigheden ten gevolge <i>moet</i> hebben? Hoe is 't mogelijk, +dat iemand, die ter eenre plaats schrijft, dat:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te +worden, de liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn +binnenste bevrozen, alles kil en doodsch. De liefde voor vrouwen +gelijk hij die meermalen gevoelde.... Slechts eenmaal in zijn leven +schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het +moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. +<i>Wat hij toen schreef werd hol en rhetorisch, van een gloed die +niet verwarmde</i>.<a name="FNanchor_36_51" id="FNanchor_36_51"></a><a href="#Footnote_36_51" class="fnanchor">[36]</a></p></div> + +<p>en dus de "ontsiering zijner stijl" wijt aan een hem eigen psychisch +element, die op een andere plaats verklaart uit "de valsche elementen, +het onwaarachtig bestanddeel" in het gevoel der burgerlijke klassen? Wat +heeft hier haar blik beneveld, dat zij zich zulk een +aantoonbaar-onjuiste subjectieve <span class="pagenum"><a name="p151" id="p151"></a>[p.151]</span> waarheid vormde?<a name="FNanchor_37_52" id="FNanchor_37_52"></a><a href="#Footnote_37_52" class="fnanchor">[37]</a> Wel lezer, +sla één blik in mijn citaten op de vorige bladzijden en ge weet het: de +idealen der burgerlijke klassen waren voos, de daardoor ontstane valsche +elementen in hun gevoel zoog hij in, en die zijn schuld aan het +theatrale, het valsch pathos en de opgeschroefde gezwollenheid.... Is +dit niet het <i>historisch-materialisme</i> pur sang? Vandaar, dat zìj al die +leelijke eigenschappen, tegen alle helder als de dag blijkende +feitelijkheid in, alleen in zijn <i>maatschappij</i>-beeldingen en <i>niet</i> in +zijn <i>autobiographische</i> geschriften zag. <i>Haar perceptievermogen zat +ingesponnen in de theorieën harer socialistische aesthetiek</i>!</p> + +<p>Maar welk een in-zich-zelf-onjuiste bewering deden haar het +historisch-materialisme eenerzijds en de eerbied voor Byron, Schiller, +en Rousseau vooral, anderzijds neerschrijven, toen zij ter nadere +verklaring van wat naar hare meening, het pathos enz. in hun stijl +veroorzaakte, dit zinnetje er aan toevoegde, dat ik gemakshalve hier nog +eens citeeren zal:</p> + +<div class="blockquot"><p>Hun <i>gevoel was oprecht</i>, evenals dat der revolutionnairen, <i>hun +geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de +idealen die zij verheerlijkten</i>, maar <i>die idealen waren innerlijk +onwaar en voos</i>....</p></div> + +<p>Vluchtte eerst het onafhankelijk critisch inzicht, hier vlood de logica: +indien "hun gevoel oprecht was," indien "zij van ganscher harte in de +waarheid hunner idealen geloofden," dan kon dier innerlijke voosheid +<i>hun niets</i> doen. <i>Die bestond dan eenvoudig niet voor hen</i>. Iemand kan +slechts uiten wat op eenigerlei wijze in hem is. Een ideaal is echter +nooit in een mensch, maar zijn zien daarvan, zijn voelen daarvoor. Het +echte of onechte van het ideaal kan dus niet in zijn uiting leven. Dat +kan alleen <span class="pagenum"><a name="p152" id="p152"></a>[p.152]</span> het echte of onechte van zijn gevoel ervoor. Òf Mevr. +Holst had moeten zeggen: Zij voelden hun idealen als echt, zij geloofden +vast erin, maar hun genie was niet groot genoeg om ze te +ver-beelden—maar dan had de historisch-materialiste geen gelegenheid +gehad om de tekortkomingen hunner schrifturen uit de "voosheid" der +idealen van de burgerlijke klassen te verklaren!—òf zij had moeten +zeggen: zij voelden de voosheid van hun idealen wel, maar zij bedrogen +zich-zelf, doch daarvan weerhield haar natuurlijk behalve haar diepe +gevoel voor die Grooten, ook dat van de tastbare onjuistheid eener +dergelijke bewering. Over deze stellingen ware echter verder te +redeneeren geweest, over de eerste vooral, zooals daar dadelijk blijken +zal. Maar nu eerst iets anders, dat wellicht in staat is, Mevr. Holst +zelf van het onjuiste harer zienswijze te overtuigen: is zij bereid te +aanvaarden wat wij, naar mij dunkt, niet onberechtigd zijn als de +consequentie harer stelling te beschouwen? Heijermans is een groot +menschenschepper, en zijn <i>Raphaël</i>—in <i>Ghetto</i>—ver-beeldt te midden +van een klein- en plat-bùrgerlijke omgeving het socialistisch <i>ideaal</i>, +maar desalniettemin is, zoo zeker als twee maal twee vier is, zijn +Raphaël één bonk hol pathos, één bonk opgeschroefde gezwollenheid. +Moeten wij dit dus, <i>in aanmerking nemend de voortreffelijkheid zijner +overige productie</i>, zijner <i>werkelijkheids</i>beeldingen, wijten aan de +voosheid van het socialistisch ideaal?</p> + +<p>Querido is een groot menschenschepper en zijn <i>Heins</i>—in +<i>Levensgang</i>—is een schepping, geïnspireerd door het proletarisch +ideaal, maar desalniettemin leeft Heins op geen stukken na met de +levenswaarheid van bijv. den ordinair-burgerlijken Bresser. Moeten wij +dit dus wijten, gezien alweer de voortreffelijkheid der andere +beeldingen, aan de voosheid van het proletarisch ideaal? Wat kàn Mevr. +Holst hierop antwoorden? Ik vrees, niet veel anders dan dat ik, mijne +gevolgtrekkingen makend, haar stelling heb omgekeerd, hetgeen echter, de +zooeven genoemde voortreffelijkheid immers in aanmerking genomen, van +geen werkelijk belang is.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p153" id="p153"></a>[p.153]</span> Maar niettemin kan òns, om het ware antwoord te vinden, een +uiting onzer schrijfster uitmuntenden dienst bewijzen. Over Rousseau, +Byron en Schiller sprekend zegt zij dit, in een noot:</p> + +<div class="blockquot"><p>Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de +vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.</p></div> + +<p>Ongetwijfeld mag men Mevr. Holst hier vragen, hoe dat komt, dat Shelley +wel vrij van valsch gevoel is en de anderen niet. Hoe ook de Engelsche +bourgeoisie van Shelley's tijd moge verschild hebben van de Fransche van +1789, de voosheid, die immers veroorzaakt werd volgens Mevr. Holst, door +hetgeen de lezer hieronder vindt aangehaald,<a name="FNanchor_38_53" id="FNanchor_38_53"></a><a href="#Footnote_38_53" class="fnanchor">[38]</a> kan dan ook niet aan +hare idealen ontbroken hebben en die moeten dan dus ook hun nadeeligen +invloed op Shelley's geschriften hebben uitgeoefend! Waarom deden zij +dat niet? Hield <i>hij</i> er misschien een apart-burgerlijk-ideaaltje- +voor-eigen-gebruik op na? Wacht maar niet op het antwoord, lezer. Mevr. +Holst gééft hier geen antwoord op! Wij echter, wien een historisch- +materialistische aesthetica niet hare dorre hand op den mond +leggen, allicht wel: de kunstenaar die een werkelijkheid beeldt in +kunst, doet als 't ware een fata morgana spiegelen boven en naar het +beeld eener stad; de kunstenaar, die een ideaal beelden wil in kunst, +wil een stad bouwen onder en naar een fata morgana. Het eerste kunnen +<i>alle</i> kunstenaars, genieën en talenten, groote en kleine; zij maken dan +kunst, groote of kleine, naar hun aanleg. Het laatste kan maar één +wellicht in duizend jaren, één begenadigde onder geslachten en +geslachten van kunstenaars, één vorst onder zijn broeders, een profeet +onder de wáár-zeggers! En als de laatsten dat voor hen onmogelijke tòch +beproeven, dan vernevelt de ideëele fata morgana voor hun oogen, en zij +zien niet meer, zij zìen niet meer, maar maken zich diets dat zij nog +zien, <span class="pagenum"><a name="p154" id="p154"></a>[p.154]</span> en hun bouwsel wordt een verwarde doolhof; hun gevoel +wordt valsch gevoel, hun uiting valsche pathos en opgeschroefde +gezwollenheid. Zéker ligt het dus niet aan de "voosheid" van hun ideaal, +maar ook evenmin kan hen de oprechtheid van hun gevoel ervoor redden; +het hangt er alleen van af—och, het is zoo eenvoudig, zoo zonder +diepzinnigheid—<i>of zij een Shelley zijn al dan niet</i>. En nu zal het u +ook duidelijk zijn, waarom niet alleen in de beelding van het burgerlijk +ideaal maar ook wel degelijk in de zelf-beelding der <i>Confessions</i>, +zooveel pathos en gezwollenheid zit. Niet alleen, dat, zooals wij reeds +hebben gezegd, "achtergedachten van zelf-apotheose" in een schrijver +<i>altijd</i> zijn stijl onzuiver <i>moeten</i> maken, maar er was ook nog een +andere oorzaak daarvan, een zelfde in de <i>Confessions</i> als in de +beeldingen van het burgerlijk ideaal: de unique, de alleredelste, de +le-meilleur-des-hommes-persoonlijkheid van Rousseau—de <i>lagere</i> +persoonlijkheid wel te verstaan!—<i>bestond niet.</i> De "schrijver der +<i>Confessions</i> moest hier dus wel geen stad maar een—<i>Rousseau +scheppen</i>, onder en naar een luchtspiegeling, met natuurlijk hetzelfde +gevolg, hier als daar! Och, als dat waar zou zijn: dat de voosheid van +een ideaal de werken der daardoor geïnspireerden nadeelig beïnvloedt! +Zou er dan wel één werk bestaan, dat daarvan vrijgebleven is? Want zijn +<i>alle</i> idealen niet voos in dien zin, dat zij in hun verwezenlijking, +precies als het burgerlijk ideaal der groote Fransche revolutionnairen, +niet geven wat zij beloofden en integendeel weer op hun beurt +veroorzaken nieuwen strijd en nieuwe smart, maar ook nieuwe bevrediging +en vreugde èn nieuwe—idealen!</p> + +<p>Wij hebben dus nu als oorzaak van Mevr. Holst's onjuiste critische +verklaringen het feit gevonden, dat zij, door verreweg te veel gewicht +aan den invloed der maatschappijverhoudingen te hechten, geheel of +gedeeltelijk de psychische oorzaak der door haar te beoordeelen +verschijnselen uit het oog verliest. <i>Welnu, dit is een euvel +onafscheidelijk aan de gewoonte van het historisch-materialistisch +denken verbonden</i> <span class="pagenum"><a name="p155" id="p155"></a>[p.155]</span> <i>en voortvloeiend uit zijn aard</i>. Onderzoeken +wij nu haar psychologisch-biographische inzichten omtrent Rousseau. En +dan valt onmiddellijk op, dat:</p> + +<p>1°. hare ontledingen volmaakt gaaf zijn, zoolang zij <i>niets +minderwaardigs in hem</i> te boekstaven hebben;</p> + +<p>2°. dat zij echter <i>een sterk verfraaiende tendenz krijgen</i>, zoodra dat +wel zoo is;</p> + +<p>3°. dat wanneer zij, schijnbaar met deze bewering in strijd, ook in het +laatstgenoemde geval zuiver zijn, dit veroorzaakt wordt doordat <i>de +betreffende biecht in de Confessions zoo ondubbelzinnig is, dat alleen +oneerlijkheid de oogen er voor zou kunnen sluiten</i>. Het bewijs van de +juistheid mijner eerste bewering zal de lezer mij wel willen schenken. +Ik, de <i>bestrijder</i> van Mevr. Holst's analysen en der oorzaak van wat ik +noem hun ondeugdelijkheid, heb er immers geen noemenswaardig belang bij +te beweren, dat hare analysen onder zekere omstandigheden <i>wel</i> zuiver +zijn! Wat de beide laatste betreft, zij mij echter alvorens ik verder +ga, het leveren van bewijs en het geven van voorbeelden toegestaan. Dus +ad 2:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch +zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en ontembaar, +zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en +meegesleept worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met +zich-zelven en moest zoowel het genot als wijsheid derven.<a name="FNanchor_39_54" id="FNanchor_39_54"></a><a href="#Footnote_39_54" class="fnanchor">[39]</a></p></div> + +<p>Men kan hier het <i>streven</i> naar objectiviteit zeer zeker waardeeren, +maar, als men dit gedaan heeft, zich ook verplicht voelen op te merken +dat van dat "dobberen tusschen deugd en meegesleept worden," als gevolg +van een neiging en kracht in de lagere persoonlijkheid, niet veel te +bespeuren valt: waar de verzoeking was, daar werd hij ook meegesleept, +tenzij niet de deugd maar egoïstische ijdelheids- of utiliteitsredenen, +of overwegingen voortvloeiend uit zijn latere waanvoorstellingen hem de +overwinning op de verzoeking deden behalen. Men denke aan de walgelijke +scène tusschen <a name="p156" id="p156"></a>[p.156] "la papesse Jeanne," Grimm, Diderot en hem-zelf +als gasten van baron Klupffel, maar vooral aan het naar de +<i>Enfants-Trouvés</i> brengen zijner <i>twee eerste kinderen</i>, zonder dat hij +<i>één oogenblik "dobberde"</i> tusschen wel en niet doen, zonder dat iets in +hem zich daartegen verzette, <i>meegesleept</i> als hij was—<i>dit alles naar +zijn eigen getuigenis</i>—door de opvattingen en gesprekken zijner +tafelgenooten elken dag. Als Mevr. Holst dan ook vervolgt:</p> + +<div class="blockquot"><p>In zijn jeugd liet hij zich geheel drijven op aandoeningen en +indrukken en wat omstandigheden en omgeving van hem maakten, dat +was hij.<a name="FNanchor_40_55" id="FNanchor_40_55"></a><a href="#Footnote_40_55" class="fnanchor">[40]</a></p></div> + +<p>en dus de scheidingslijn tusschen het tijdperk van meegesleept-worden en +dat van 't "dobberen tusschen" laat samenvallen met die tusschen jeugd +en mannelijken leeftijd, dan weerspreken de zooeven genoemde feiten +haar—hij was toen respectievelijk <i>37 en 38 jaar</i>—. Neen, de +scheidingslijn tusschen de twee eerstgenoemde tijdperken blijkt +duidelijk te trekken precies ten tijde, dat zijn <i>genie zich openbaart.</i> +Dit feit te zien—waarmee ons trouwens Rousseau-zelf, gelijk men zoo +dadelijk zal ontwaren, heeft bekend gemaakt—is van het hoogste gewicht +voor de kennis zijner lagere persoonlijkheid, gelijk het ook boekdeelen +spreekt <i>voor</i> mijne bewering, dat het Scheppend Vermogen ook als een +<i>heerscher, leeraar en opheffer</i> in de lagere persoonlijkheid werkt! +Waarom dit feit van zoo hoog gewicht is, laat mij het verklaren, na zijn +bestaan-zelf te hebben bewezen: (Het <i>Discours</i>, waarvan Rousseau in het +nu volgend citaat spreekt is <i>ook volgens Mevr. Holst</i> het <i>eerste</i> werk +van zijn eigenlijk Genie.)</p> + +<div class="blockquot"><p>L'année suivante, 1750, comme je ne songeois plus à mon Discours, +j'appris, qu'il avoit remporté le prix à Dyon. <i>Cette nouvelle +réveilla toutes les idees qui me l'avoient dicté, les anima d'une +nouvelle force</i>....<a name="FNanchor_41_56" id="FNanchor_41_56"></a><a href="#Footnote_41_56" class="fnanchor">[41]</a></p></div> + +<p>En daarna:</p> + +<div class="blockquot"><p>Tandis que je philosophois sur les devoirs de l'homme, un <span class="pagenum"><a name="p157" id="p157"></a>[p.157]</span> +événement vint me faire mieux réfléchir sur les miens. Thérèse +devint grosse pour la troisième fois. Trop sincère avec moi, <i>trop +fier en dedans pour vouloir démentir mes principes par mes +oeuvres</i>, je me mis <i>à examiner la destination de mes enfants</i>.<a name="FNanchor_42_57" id="FNanchor_42_57"></a><a href="#Footnote_42_57" class="fnanchor">[42]</a></p></div> + +<p>Men weet dat hier het "dobberen tusschen" niet eindigde in een omslaan +naar de zijde van het goede; het scherpte alleen maar zijn verstand in +het vinden van plausible uitvluchten, zooals wij later zullen zien, +maar, waar het thans op aankomt: Zie nu eens den weg, waarlangs hij +ertoe kwam, te gaan <i>nadenken ten minste</i> over het lot zijner drie +laatste kinderen: Als een profetisch gezicht, een onverwachte, helle +openstraling van het genie, komt de visie van zijn Discours op den weg +naar Vincennes over hem—hij zelf heeft ons dat treffelijk +verhaald<a name="FNanchor_43_58" id="FNanchor_43_58"></a><a href="#Footnote_43_58" class="fnanchor">[43]</a>—en de herinnering aan de scheppende gedachten, die toen +uit het "onbewuste" op hem neerdaalden, die is het, welke nu zijn lagere +persoonlijkheid schaamtevol tot zich-zelf inkeeren doet. Hij is zich +trouwens daarvan wel bewust geweest, evenals van het feit, dat er in +zijn lagere persoonlijkheid qualitatief-potentieel niets veranderd was:</p> + +<div class="blockquot"><p>D'ailleurs <i>les principes élévés</i> que je m'étais faits <i>devoient me +rendre désormais bien supérieur à de telles bassesses</i>, et il est +certain que depuis lors je l'ai d'ordinaire été: <i>mais c'est moins +pour avoir appris à vaincre mes tentations que pour en avoir coupé +la racine</i>—d.w.z.: zichzelf <i>de gelegenheid, om meegesleept</i> te +worden, te hebben <i>benomen</i>; zie maar verder:—et j'aurois +grand'peur de voler comme dans mon enfance si j'étois sujet aux mêmes +désirs. <i>J'eus la preuve de cela chez M. de Mably</i>.<a name="FNanchor_44_59" id="FNanchor_44_59"></a><a href="#Footnote_44_59" class="fnanchor">[44]</a></p></div> + +<p>En zoo is het ook met de andere neigingen zijner lagere persoonlijkheid +gebleven. Men kan het reageeren van deze op den invloed van het +Scheppend Vermogen aldus kenschetsen: <i>Zijn lagere persoonlijkheid +schaamde zich voortdurend voor het op haar neerblikkend gelaat van zijn +verheven genie</i>. Al ontstond deze schaamte niet uit louter zijn eigen +innerlijkheid rakende overwegingen, maar voor een groot <span class="pagenum"><a name="p158" id="p158"></a>[p.158]</span> deel ook +uit bepeinzing van wat de menschen wel zeggen zouden van iemand die zóó +leeraarde en zùs deed.—En wat is nu de beteekenis van dit thans door +mij en ongetwijfeld ook door de lezers, die al het voorafgaande goed in +zich opgenomen hebben, bewezen geachte feit? Geen andere dunkt mij, dan +dat de klaarblijkelijke meening van Mevr. Holst als zou er in den loop +der jaren een qualitatief-potentieele ontwikkeling ten goede in +Rousseau's lagere persoonlijkheid hebben plaats gegrepen, door <i>de +feiten</i> en de door <i>hem-zelf bekend gemaakte</i> overwegingen gelogenstraft +wordt, en dat er slechts een <i>zich aanpassen</i> in daden, strevingen en +woorden—de beide laatste vooral!—van de lagere aan de Hoogere valt te +constateeren, zonder dat er in de <i>neigingen</i> dus iets veranderde, +waaruit weer blijkt, dat sommige dier neigingen geen "reminiscenties uit +zijn lakeientijd" waren, zooals Mevr. Holst meent, maar saamgegroeid +met, inhaerent aan zijn geheele wezenscomplex.</p> + +<p>Thans ad 3:</p> + +<div class="blockquot"><p>Nu kwam hij in een omgeving, die <i>al de lagere aandriften en +neigingen in hem naar boven haalde</i> en al het zachte en edele +verschrompelen deed. Zijn meester was ruw, lichtzinnig en +hardvochtig, hij sloeg het kind, gaf het niet genoeg te eten, +terroriseerde het op alle manieren. Al de ellende van het +leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van overgeleverd +te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren onder den +druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun liefdeloosheid, +maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, hij leed +altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als een +knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden +van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, +verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot +zich in verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. +Eerst in later dagen werd hij zich pijnlijk-bewust hoe snel zijn +karakter in korten tijd was vervallen.<a name="FNanchor_45_60" id="FNanchor_45_60"></a><a href="#Footnote_45_60" class="fnanchor">[45]</a></p></div> + +<p>Voor dit stukje mogen wij der schrijfster onverdeeld-dankbaar zijn. Er +is hier—men lette op den door mij gecursiveerden zin—niets verfraaid, +niets uitgewischt. Maar <span class="pagenum"><a name="p159" id="p159"></a>[p.159]</span> hier <i>scheen dan ook zulk een fel licht +uit de Confessions-zelf,</i> dat de schrijfster door haar onbewuste +verfraaiïngs- en uitwisschings-tendenzen niet <i>kon</i> verhinderd worden te +zien. Want de geniale zelfbeluisteraar, die waarheid sprak als zijn +<i>artisticiteit</i> hem ertoe drong, d.w.z.: die <i>moest</i> uiten wat zijn +<i>Scheppend Psychologisch Vermogen</i> in hem zelf <i>ontraadseld</i> had—die +groote zelfbeluisteraar heeft, van dien zelfden tijd sprekend, het veel +vlijmender gezegd:</p> + +<div class="blockquot"><p>Il faut que, <i>malgré l'éducation la plus honnête</i>, j'eusse <i>un +grand penchant à dégénérer</i>, car cela se fit trés rapidement, <i>sans +la moindre peine</i>, et jamais César si précoce ne devint pi +promptement Laridon.<a name="FNanchor_46_61" id="FNanchor_46_61"></a><a href="#Footnote_46_61" class="fnanchor">[46]</a></p></div> + +<p>En het is dan ook ongetwijfeld op deze uiting, dat Mevr. Holst +zinspeelt, als zij zegt, dat hij zich in later dagen daarvan pijnlijk +bewust werd.</p> + +<p>Ik gewaagde daar van den "genialen zelfbeluisteraar, die waarheid sprak, +als zijn <i>artisticiteit</i> hem daartoe drong." Zeker, ik bedoelde: als dit +niet het geval is, dan.... Want het blijkt wel duidelijk, dat hij +betreffende die drijfveeren, die hij niet als <i>artist</i> in zich-zelf +<i>ontdekt</i>, maar die zoo zijn, dat hun aard voor zijn gewone +menschelijkheid klaar open ligt, meestal de waarheid <i>niet</i> zegt. Een +treffend voorbeeld daarvan is alles wat hij beweert omtrent het +te-vondeling-brengen zijner <i>drie laatste kinderen</i>.—Ook is er nog een +groep daden, waarvan het twijfelachtig moet genoemd worden, of hun +drijfveeren tot de laatstgenoemde soort behooren, of dat hij inderdaad +de waarheid omtrent hen niet heeft gekend, omdat ook zijn +artistiek-psychologisch vermogen erop is afgeketst. Van dezulken zegt +hij dan soms, dat zij ontspringen uit zijn "délire inconcevable." Dat +Mevr. Holst dit "délire" niet psychologisch doorlicht heeft, mag +ongetwijfeld een ernstige leemte in haar werk worden geacht. Is zij ook +daarvan instinktief en door haar verfraaiïngstendenzen geleid +afgebleven? Ik waag het, die vraag bevestigend te beantwoorden. Want +hebben wij nu <span class="pagenum"><a name="p160" id="p160"></a>[p.160]</span> reeds gezien, dat die tendenzen in werking treden, +zoodra er iets minderwaardigs in Rousseau valt te boekstaven en de +Confessions-zelf hen niet krachteloos maakt, wij zullen allereerst bij +het beschouwen der gebeurtenissen, voortspruitend uit, of in verband +staande met het "délire," hun invloed op onze schrijfster als zoo +sterk-beheerschend kunnen bewijzen, dat zij haar met een totaal gebrek +aan psychologisch inzicht doen heenijlen in een paar onbeteekenende +woorden over voorvallen, welke voor den objectieven psycholoog, die +voortschrijdt, zonder de waarschuwende stompen van een hem bewakend en +vervolgend dogma telkens in den rug te krijgen, van het hoogste belang +zijn. Zoo geeft de ontzettende daad jegens het kamermeisje Marion, na +den dood van Mad. de Vercelli—hij was toen ongeveer 19 jaar—Mevr. +Holst slechts aanleiding te spreken van een "nietig voorval op +zich-zelf." Wel, wel, als dat eens Voltaire, "die kleine, minne ziel, +geel en uitgedroogd door afgunst", of Grimm, de "baron van het heilige +Duitsche Rijk" gedaan hadde! Ge zegt: jawel, maar die zouden niet groot +en edel genoeg zijn geweest om de daad te biechten. Maar ik antwoord: +Rousseau evenmin, <i>indien hij niet in het schrijven der "Confessions" +het vormen van een verpletterend wapen tegen het "Complot" zou hebben +gezien</i>. Doch om de <i>Confessions</i> tot dat wapen te maken mocht hij dan +ook geen feit, dat hem in een ongunstig daglicht stelde, weglaten. Want +kwam dan zoo'n feit later voor den dag, waar toch altijd kans op is,<a name="FNanchor_47_62" id="FNanchor_47_62"></a><a href="#Footnote_47_62" class="fnanchor">[47]</a> +dan ware de geheele <i>Confessions</i> waarde- en krachteloos. Aan de +drijfveeren mocht hier en daar een beetje gemorreld en gewrongen worden, +de feiten moesten verhaald worden. Dáár was niets aan te verhelpen! Wat +voor gevolgen overigens dit "nietige voorval" waarschijnlijk gehad +heeft—en uiteraard <i>moest</i> hebben—laat 't hem-zelf hier verhalen:</p> + +<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p161" id="p161"></a>[p.161]</span> Je ne regarde pas même la misère et l'abandon comme le plus +grand danger auquel je l'aie exposée. Qui sait, à son âge, où le +découragement de l'innocence avilie a pu la porter?</p></div> + +<p>Voor Mevr. Holst bewijst deze daad slechts, hoe klein de "zedelijke +kracht is in den jongeling;" voor mij: hoe zij 't ook is gebleven in den +man. Want had deze in zijn geheele leven geen poging moeten doen, Marion +terug te vinden, om zooveel mogelijk goed te maken, wat hij bedorven +had?—"Qui sait?" <i>Hij</i> had moeten weten. Goed! èven aangenomen, dat +hij, gelijk hij beweert, inderdaad de kracht miste, de daad ooit aan een +vriend, zelfs aan Mad. de Warens te biechten, dan nog had hij kunnen en +moeten pogen háár te vinden. <i>Daar</i>voor had hij de kracht en de deugd +moeten hebben. Hij had ze <i>niet</i>. Dáár ligt de zedelijke depravatie van +den <i>man</i>. Indien Mevr. Holst zegt, dat uit zijn katholiek worden +blijkt, "dat de zedelijke gloeden van het kind zijn ondergegaan in den +knaap" en er dan aan toevoegt: "eens zullen zij weer opleven: het kind +is vader van den man," dan is dat wel een mooie psychologische ... +gemeenplaats, maar de toepasselijkheid op het geval-Rousseau—let wel: +wat de daden en vooral de <i>gevoelens</i> der <i>lagere</i> persoonlijkheid +betreft!—laat zich zoeken en het meest in de zaak Marion. Deze man, die +zègt nauwelijks een dag zonder wroeging te zijn geweest, schrijft aan +Mad. d'Epinay: "Moi qui ne fis jamais de mal à personne." Deze man, die +zegt nooit de daad te hebben durven biechten, <i>leest</i> in ter auditie van +de Confessions bijeengekomen gezelschappen van soms 'n twintigtal +personen, <i>het relaas dier daad voor</i>, 't geen nog heel wat anders is +dan het neerleggen ervan in een werk, dat men niet voor zijn dood +wenscht gepubliceerd, en zelfs nog heel wat meer kracht vereischt dan +het biechten aan een vriend.—"Als hij haar biecht in de <i>Confessions</i> +schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn aanleg, bazuinen +zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit," zegt Mevr. Holst. Welnu, zijn +vijanden, beweer ik, al hadden zij ongelijk zijn vijanden te zijn, +hadden <i>daarin</i> gelijk, en zijn vrienden stonden klaarblijkelijk niet +objectief-psychologisch voor de zaak, anders <span class="pagenum"><a name="p162" id="p162"></a>[p.162]</span> hadden zij de +oorzaak dier nuttelooze want te laat gekomen waarheidsliefde, in een +man, die niet nobel genoeg was, om het kind, dat hij ongelukkig had +gemaakt, te zoeken en te hulp te komen, anders begrepen dan zij deden. +Dan hadden zij haar begrepen, gelijk ik haar begrijp.</p> + +<p>En dan het geval met den ongelukkigen Le Maître. Dit verhaalt Mevr. +Holst aldus:</p> + +<div class="blockquot"><p>"... maar toen de arme musicus in Lyon op straat door een aanval +van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw een van die +plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd heeft +te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om +den zieken meester te bekommeren."<a name="FNanchor_48_63" id="FNanchor_48_63"></a><a href="#Footnote_48_63" class="fnanchor">[48]</a></p></div> + +<p>Wat gaat ons nu in 's hemelsnaam hier aan of "de jongeling niet geleerd +heeft daartegen te strijden"?! Wanneer ik een kind van 'n jaar of tien, +zijn vleesch-en-aardappelen in plaats van met vork en mes, met zijn +vingers zie bewerken, dan vraag ik misschien: "Hé, heeft Pietje nu nog +niet geleerd, hoe men behoort te eten?" Ik vraag dat dan zóó, omdat 't +er wel iets, maar toch slechts heel weinig voor den psychischen aanleg +van dat kind op aan komt, dat het niet <i>uit zich-zelf</i> meer beschaafde +manieren heeft; maar wanneer ik omtrent een <i>twintig jarigen</i> man +verneem, dat hij zijn leeraar, die hem belangeloos heeft onderwezen, die +hem altijd vriendelijk en welwillend bejegend heeft, te midden van +vreemden als een vod op straat heeft laten liggen en wegliep, toen die +man, in zeer penibele omstandigheden verkeerend, door hem naar een +vreemde stad begeleid, een epileptischen aanval kreeg—dan zeg ik +allicht: "Dat is òf 'n verdorven òf een krankzinnig mensch." Het is dan +uw goed recht, o psycholoog, mij te antwoorden: "Neen, die man is geen +van beide," <i>mits gij mij dan maar verklaart, hoe hij dat</i> niet zijn kan +en <i>dit</i> toch doen. Maar vertel mij alsjeblieft niet, dat de reden is, +dat hij niet geleerd heeft er tegen te strijden. Dat zou mij iedere +gevangenispredikant allicht vertellen. <i>Het vreeselijke is dat het in +hem zit</i>. Waarom is dat niet zoo vreeselijk, als het er wel +uitziet—gelijk gij klaarblijkelijk <span class="pagenum"><a name="p163" id="p163"></a>[p.163]</span> meent. <i>Daarvoor</i> heb ik <i>u</i> +noodig, menschen-herscheppend psycholoog! Maar Mevr. Holst, <i>onze</i> +psycholoog, antwoordt <i>niet</i>.... "Een plotselinge opwelling." O ja, dank +u, nu weet ik 't wel!</p> + +<p>Doch een der meest teekenende omstandigheden vind ik, dat onze +schrijfster bij het àl tè vluchtig behandelen van het feit, dat Rousseau +zijn kinderen naar de Enfants-Trouvés liet brengen, niets zegt van de +zeer onechte apologie in de Confessions. Hier ware een prachtige +gelegenheid geweest, den mensch uit zijn werk zelfstandig op te bouwen; +de waarheid aan het licht te brengen, die er tègen zijn wil uit blijkt, +en hem dus niet na te beelden zooals hij zich-zelf gelieft voor te +stellen, maar hem te beelden, zooals hij zich ondanks zich-zelf ten toon +stelt, werk dus der inderdaad "hoogere" critiek!</p> + +<div class="blockquot"><p>"... cette horreur du mal en tout genre, cette impossibilité de +haïr, de nuire (Nu, nu, dat hebben we toch wel anders gezien! v.C.) +et même de le vouloir, cet attendrissement, cette vive et douce +émotion que je sens à l'aspect de tout ce qui est vertueux, +généreux, aimable: tout cela peut-il jamais s'accorder dans la même +âme avec la dépravation qui fait fouler aux pieds sans scrupule le +plus doux des devoirs? (Zeker, het <i>blijkt</i> dat dit kan! Want bij +het te vondeling brengen der twee <i>eerste</i> kinderen was er immers +<i>volgens zijn eigen getuigenis</i>, geen sprake van <i>eenige +overweging</i> noch van <i>eenige scrupule</i>! v.C.) Non, je le sens, et +le dis hautement, cela n'est pas possible. Jamais un seul instant +de sa vie Jean-Jacques n'a pu être un homme sans sentiment, sans +entrailles, un père dénaturé. J'ai pu me tromper mais non +m'endurcir. <i>Si je disois mes raisons, j'en dirois trop. +Puisqu'elles ont pu me séduire, elles en séduiroient bien d'autres: +je ne veux pas exposer les jeunes gens qui pourroient me lire à se +laisser abuser par la même erreur</i>.<a name="FNanchor_49_64" id="FNanchor_49_64"></a><a href="#Footnote_49_64" class="fnanchor">[49]</a></p></div> + +<p>Het is duidelijk dat dit een <i>uitvlucht</i> is. Zoo het waar is, dat het +bekend maken dier redenen jonge menschen had kunnen verleiden, omdat zij +hem hebben kunnen verleiden, dan is het ook waar, dat 't bekend-maken +der overwegingen, die hem later die redenen als dwalingen hebben doen +beschouwen, evenmin zijn uitwerking op die jonge lieden zou <span class="pagenum"><a name="p164" id="p164"></a>[p.164]</span> +hebben gemist. Hij <i>moet</i> toch hebben ingezien, dat het verzwijgen èn +van de redenen èn van datgene, dat hen in zijn eigen oordeel tot +dwalingen stempelde, de zaak voor de jongeren pas recht gevaarlijk +maakte: nu blééf hun alleen <i>een slecht voorbeeld</i> gegeven door een +<i>groot man</i>. En overigens zal men mij wel willen toegeven, dat deze +bezorgdheid al zeer vreemd aandoet in den mond van iemand die wel zeer +gemoedelijk spreekt over zekere sexueele hebbelijkheid, waaraan hij +verslaafd was, 't geen niet alleen heel wat prikkelender op jonge +gemoederen kan werken dan dit, maar ook heel wat gevaarlijker is, omdat +het zooveel makkelijker kan worden nagevolgd. Waar bleef toen wel die +bezorgdheid? Men begrijpe mij wèl: <i>ik acht er de Confessions en hun +schrijver des te hooger om, dat toen die "bezorgdheid" er niet was</i>. Zij +is geheel out of season in een werk, dat nu eenmaal, zonder zich om de +meer verwijderde en bijkomstige gevolgen te bekommeren, een <i>biecht</i> wil +zijn en <i>niets dan dat</i>.—Máár—<i>waarom dan alleen bij deze gelegenheid +van dat standpunt afgeweken</i>? Dàt geeft te denken—wat ìk heb +gedacht!—Het is dan ook waarlijk wel volkomen te begrijpen, dat er +onder de lezers van den <i>Emile</i> waren, die lezend wat hij daar omtrent +de plichten van den vader leert—en <i>niet wetend, dat de Hoogere +Persoonlijkheid wel verwant met, maar toch een geheel andere dan de +lagere is</i>—minachtend hun schouders optrokken over 't geen zij voor +<i>huichelarij</i> moesten houden, en de sarcastische noot daar ter plaatse, +waarin de "petites bonnes gens" Cato en Augustus worden vergeleken met +de "grands hommes de nos jours," die te gewichtige zaken aan het hoofd +hebben, om hun ouderplichten na te komen, kortweg een onbeschaamdheid +noemden.—Wat nu de werkelijke reden moge geweest zijn, 't geen wij +thans niet zullen onderzoeken—hij-zelf heeft 't later voorgesteld alsof +"les raisons déterminantes" voortsproten uit vrees voor en afkeer van +Thérèse's familie—zeker is, dat hij, die hier terwille der jonge lieden +zoo bezorgd was, in de <i>Rêveries</i> die bezorgdheid geheel heeft verloren +en daar weer zegt, dat zijn verstand hem geen <span class="pagenum"><a name="p165" id="p165"></a>[p.165]</span> enkel verwijt +doet, en dat indien hij er weer toe genoopt ware hij er nog met vrij wat +minder aarzeling toe zou overgaan als destijds! Arme jeunes gens! Nu +ziet ge dus, dat 't zelfs <i>geen dwaling</i> was.... Ik vrees dan ook, dat +indien gij in het gelukkig bezit van een intrigante schoonmoeder en +diefachtigen zwager waart, ge uw kinderen wel hals over kop, na het +lezen diér passage, naar de zoo aangeprezen Enfants-Trouvés zult hebben +gebracht!<a name="FNanchor_50_65" id="FNanchor_50_65"></a><a href="#Footnote_50_65" class="fnanchor">[50]</a></p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Alvorens nu echter over te gaan tot het bespreken van het verband dat er +tusschen de door mij thans aangetoonde verfraaiïngstendenzen in Mevr. +Holst's psychologisch-biographische beschouwingen van de +Rousseau-figuur, en den invloed van het marxistisch-aesthetisch systeem +bestaat, zij het mij vergund ter aanvulling mijner voorafgaande, alle +min of meer negatieve, opmerkingen, een zéér schetsmatig positief +Rousseau-beeld te ontwerpen. Ik vertrouw dat daardoor de juistheid dier +opmerkingen den lezer des te duidelijker blijken zal. Het aanbrengen van +een paar trekjes slechts zal ik ook thans, ten einde niet in herhalingen +te vervallen, moeten opschorten tot de bespreking van Thérèse Le +Vasseur.</p> + +<p>Ik geloof dan, dat de grondaard van Rousseau's persoonlijkheid een +<i>lichtelijk-pathologisch</i>-erotische is geweest en dat daarin nagenoeg +het geheele complex van eigenschappen valt op te merken, dat vaak bij +<i>zulk</i> een erotischen aard behoort, zooals: actief-mystische aanleg, bij +Rousseau wel is waar slechts ééns, maar zeer duidelijk en sterk +blijkend, èn neiging tot mystiek gelooven; een hysterische behoefte de +aandacht op zich te vestigen en—zeer typisch daarvoor!—altijd te +klagen over zijn gezondheid, <i>ook wanneer daar geen reden voor was</i>; een +onder-normale capaciteit om zich kennis eigen te maken, verergerend tot +volslagen onmacht, zoodra hij onder leiding van anderen studeeren moet; +onontvankelijkheid voor door anderen hem opgelegde discipline; +<i>snoep</i>-<span class="pagenum"><a name="p166" id="p166"></a>[p.166]</span> en vooral <i>daardoor dief</i>achtig; vaak grootmoedig en +vrijgevig, zooals de meeste niet alleen-sensueele maar ook +geestelijk-erotische naturen—het lichamelijk-eruptive weerspiegelt zich +namelijk vaak en gemakkelijk in hun geestelijkheid—; vaak berouwvol, +doch het berouw weer wegredeneerend met hooggestemde uitweidingen over +eigen deugdzaamheid en deugd in 't algemeen—<i>sommige</i> erotische +neigingen en de laatstgenoemde eigenaardigheden vindt men in <i>zeer +verhevigde</i>, maar daardoor ook zeer verduidelijkende projectie in Van +Oordt's Warhold—dikwijls dus een mooiprater, die zich... met +<i>schrijven</i> moest behelpen, omdat, alweer zeer typisch, hij een verward +en moeizaam denker en zoo zwak van geheugen was, dat hij elke gedachte +bijna onmiddellijk na haar geboorte vergat. Uit dezen aard, zooals bijna +altijd, vergezeld van een zwakken ethischen wil—geen zwak ethisch +bewustzijn!—en welke, omdat hij in een kunstenaar voorkwam, die als +alle kunstenaars onwillekeurig en voortdurend zich-zelf zag en +doorschouwde, noodwendig gepaard moest gaan en dan ook ging met +beschaamdheid, timiditeit en min of meer groote vrees voor omgang met +menschen; uit dezen <i>vrij geringen</i> aard dus, die eigen geringheid +kende, maar óók eigen genie: die beïnvloed werd door het Scheppend +Vermogen en, ook in de handelingen van het lager bewustzijn telkens +reageerde op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar +werkte—daaruit is, dunkt mij, alles en alles in Rousseau te verklaren. +Dàn blijft hij niet langer een "vat vol tegenstrijdigheid"! Laat mij nu +even deze beweringen, voor zoover zij bewijs behoeven en door het hun +voorafgaande niet reeds bewezen zijn, aan sommige levensfeiten en daden +van Rousseau toetsen. Indachtig aan het feit, dat deze +psychologisch-biographische beschouwingen middel en geen doel in dit +opstel zijn, zal de lezer mij wel de telegram- en horoscoopstijl in dit +gedeelte willen vergeven, terwijl hij ook wel in het oog gelieve te +houden, dat ook ik natuurlijk elke daad het gevolg acht van de +wisselwerking <i>aller</i> neigingen en krachten der persoonlijkheid, die de +psychisch-oorzakelijke <span class="pagenum"><a name="p167" id="p167"></a>[p.167]</span> sfeer dier daad <i>kunnen</i> beïnvloeden, en +dat ik dus door het op den voorgrond brengen van enkele dier neigingen, +die m.i. de hoofdoorzaak van een zekere daad vormden, den invloed der +andere allerminst wensch te ontkennen.</p> + +<p>Actief-mystische aanleg en neiging tot mystiek gelooven. Wat de eerste +betreft: het visioen in Annecy. Hij zelf zegt daarvan: "Si jamais rêve +d'un homme éveillé eut l'air <i>d'une vision prophétique</i>, ce fut +assurément celui-la," en kenschetsend voor zijn luciditeit op dat +oogenblik is 't geen hij er aan toevoegt: "et ce qui m'a frappé le plus +dans le souvenir de cette rêverie, quand elle s'est réalisée, c'est +d'avoir retrouvé <i>des objets tels exactement que je les avais +imaginés.</i><a name="FNanchor_51_66" id="FNanchor_51_66"></a><a href="#Footnote_51_66" class="fnanchor">[51]</a> (Het verhaal van dit visioen is dan ook van niet te +overtreffen en als onstoffelijke en volmaakt-verpuurde taal-schoonheid). +Wat de tweede betreft: men zie 't voorval van het steenen-werpen naar +een boom om zekerheid te verkrijgen of hij, zoo hij dan mocht sterven, +verdoemd of zalig-gesproken zou worden (hij is dan 24 jaar oud):</p> + +<p>... la peur de l'enfer m'agitois encore souvent. Je me demandois: En +quel état suis je? Si je mourois à l'instant même, serois je damné?... +Je me dis: Je m'en vais jeter cette pierre contre l'arbre qui est vis à +vis de moi, si je le touche, signe de salut; si je le manque, signe de +damnation. Tout en disant ainsi, je jette ma pierre <i>d'une main +tremblante et avec un horrible battement de coeur.... Depuis lors je +n'ai douté de mon salut....</i><a name="FNanchor_52_67" id="FNanchor_52_67"></a><a href="#Footnote_52_67" class="fnanchor">[52]</a> Men lette ook op het willen-neerleggen +van het manuscript der "Dialogues" op het altaar der Nôtre-Dame.—Deze +neiging, één of ten nauwste samenhangend in hem, met die van <i>immer iets +te verwachten van het wonderlijke, van het +nu-nog-niet-te-begrijpen-onverwachte, dat straks komen en helpen zal</i>, +is ten <i>deele</i> oorzaak van zijn, in sommige gevallen, uiterst +luchthartig gods water over gods akker laten loopen: Madame de Warens +gaat zienderoogen financieel achteruit, hij—wel is waar onder het +zelf-accompagnement van veel Warholdiaansche <span class="pagenum"><a name="p168" id="p168"></a>[p.168]</span> schoone +plannenmakerij, betuigingen en speeches—blijft meeëten, pleizierreisjes +maken en helpt zoodoende nog een beetje sneller den boel naar den +kelder. Hij verklaart dan ook, nooit ongerust te zijn geweest, wanneer +hij doodarm was. Ook zijn hierdoor ten deele een paar uitingen van zijn +"délire inconcevable" te verklaren; zoo bijv. het kattenmuziek-concert +bij de Treytorens: hij wéét, dat hij nagenoeg niets bezit van de +technische kennis, vereischt om muziek te componeeren; hij wéét, dat 't +dus voor iemand als hij aan het krankzinnige grenst, zoo iets te +ondernemen; jawel, alles goed en wel, máár—de wonderbaarlijke hulp op +het beslissende oogenblik, wenkt hem in de vage verte... alles zal wel +terecht komen....—En zoo ook: het verlaten der Gouvons, zonder eenig +bestaansmiddel dan: de goocheltoertjes met een fontaine de Hiéron! Toch +worden deze buitensporigheden, zooals ik reeds zei, slechts ten deele +door bovengenoemde neiging verklaard. Zij komt immers in tallooze +personen voor, zonder hen zoover te brengen. Om dat wel te kunnen is het +dan ook noodig, dat zij enorm en op een geheel eigenaardige wijze wordt +versterkt door een haar bijna gelijke, maar uit geheel andere bron +ontspringende eigenschap, welke alleen in hen wordt gevonden, door wie +het Scheppend Vermogen werkt, of die psychisch voorbestemd zijn, dat het +door hen werken zal: artisten. Kunstenaars zijn namelijk zulke menschen, +die in hùn bewustzijn <i>voortdurend gaven ontvangen van het +hun-Onbewuste</i>; die voortdurend in hùn bewustzijn tooneelen beleven, +beelden zien oplichten, welke zij niet hebben samengesteld of gevormd; +in 't kort: die allerlei onverwachts in zich-zelf zien gebeuren. In +zulke menschen leeft daardoor de neiging, ook in 't dagelijksche leven +hunner <i>lagere</i> persoonlijkheid, allerlei dingen van het niet-ik te +verwachten, welke een gewoon mensch er nimmer van verwachten zou.<a name="FNanchor_53_68" id="FNanchor_53_68"></a><a href="#Footnote_53_68" class="fnanchor">[53]</a> En +deze neiging bezit hun lagere persoonlijkheid reeds <i>voor</i> het Scheppend +Vermogen zich in haar openbaart. Zonder <span class="pagenum"><a name="p169" id="p169"></a>[p.169]</span> die neiging zou de +gewenschte verhouding van den lageren mensch tot zijn hem beheerschend +genie niet mogelijk zijn. Zij maakt den eerste geschikt voor het +nederig-receptieve, en voor de zelfvergetelheid-in-aanvaarding van de +gaven van het laatste! Zulk een mensch, zulk een kunstenaar nu was +Rousseau. En in de aanwijzing dier samenwerking van <i>beide</i> genoemde +neigingen in hem, ziet de lezer dus niet slechts zulke uit zijn "délire" +voortkomende daden als de hier beschouwde, verklaard, maar hij heeft +daardoor tevens gelegenheid gehad, in een paar voorbeelden op te merken, +het reageeren der lagere persoonlijkheid, in hare handelingen, op het +feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkt of werken zal.—</p> + +<p>Als ten dééle veroorzaakt door zijn moeizaam denken, of liever: door +zijn nièt-kunnen-denken in sommige gevallen—alles wordt dan één +chaotisch-warrelende zinneloosheid in zijn brein—blijkt ook het +geval-Marion te moeten worden beschouwd: het vermiste lint wordt bij hem +ontdekt; de schrik sláát zijn denkvermogen; het feit, dat hij 't haar +ten geschenke wilde geven—dit heeft hij zelf verklaard—doet nog de +reddende gedachte in hem opspringen, te zeggen, dat hij 't van haar +gekregen heeft, maar dan is 't ook uit met denken in zijn verwilderd +brein; dan treedt de chaos in: zelfs de angst voor de schande <i>bestaat</i> +dan <i>niet meer</i> in hem: hij is als een locomotief, die geen bestuurder +meer heeft en door alle wissels heen rijdt en alles reddeloos vermorzelt +op zijn weg, hij is een menschelijke machine, die alleen herhalen, +zinneloos herhàlen kan wat hij eens heeft gezegd. Maar let wel: <i>zonder +het ethisch defect ware de primaire gedachten-associatie niet in hem +ontstaan en, indien al ontstaan, onmiddellijk neergeslagen,</i> gelijk hij +ook, daarzonder, een uur later tot bezinning gekomen, naar den Comte de +la Roque ware gegaan, om dien alles te bekennen, of zooals ik reeds +vroeger zei, later gepoogd zou hebben te herstellen wat nog te +herstellen viel.—</p> + +<p>Het geval Le Maître kan ten dééle worden verklaard uit chronisch +angstgevoel voor de menschen, dat niet anders <span class="pagenum"><a name="p170" id="p170"></a>[p.170]</span> was dan <i>de vrees, +zijn eigen lagere persoonlijkheid, wier betrekkelijke geringheid +hij-zelf zoo wel kende, door de menschen te laten doorzien</i>; chronische +angst ook voor geestelijke degenstooten, die hij te traag-denkend was, +om bij tijds te kunnen pareeren. En op sommige oogenblikken, +oogenblikken gelijk er toen een was, <i>werd die menschenvrees acuut.</i> +Toen hij die menigte daar zag, zich verdringend om hem en dien +bezwijmden man, de vreemdheid van de gelaten, van de huizen, van àlles, +hem, den hulpelooze en verwarde, koud-ondervragend aanstuurschend, moet +hem die onredelijke angst adem-benemend in de keel gekropt hebbend, +verwilderend in zijn denken gestegen zijn! Als bij een kind, dat +verdwaald om moeder huilt, flitst dan, in die felle benauwing de +reddingsvolle gedachte aan het zoo lieve en zachte tehuis bij "Maman" in +hem op. Het wenken van de veiligheid, van het voor harde vreemden +afgesloten intieme, is dan tè groot, tè verlokkend: hij <i>snelt</i> weg. +<i>Ten deele</i>, zei ik, is die daad uit dit alles te verklaren, want +<i>zonder het zedelijk-defecte in hem, zou, in dit geval, de menschenvrees +het plichtsgevoel niet hebben kunnen overwinnen</i>.—</p> + +<p>Wat nu de hysterische behoefte betreft, de aandacht op zich te vestigen: +deze heeft niet alleen aanleiding gegeven tot allerlei onschuldige +pueriliteiten, zooals hoogstwaarschijnlijk het dragen van Armenische +kleeding, e.d., die nog met een weinig goeden wil kunnen worden geacht, +uit ijdelheid voort te komen, maar ook tot ernstiger dingen, als het +vragen om hulp, zonder die noodig te hebben—van uit Ermenonville—; het +klagen over zijn kwaal, ook in een tijd, dat hij bergtoeren ondernam en +niemand van zijn omgeving iets van ziekte of ongemak bij hem kon +bespeuren;<a name="FNanchor_54_69" id="FNanchor_54_69"></a><a href="#Footnote_54_69" class="fnanchor">[54]</a> het bekoesteren van het martelaarschap, zijn, volgens +geloofwaardigen, sterk-overdrijven van de "lapidation" te <span class="pagenum"><a name="p171" id="p171"></a>[p.171]</span> +Motiers,<a name="FNanchor_55_70" id="FNanchor_55_70"></a><a href="#Footnote_55_70" class="fnanchor">[55]</a> benevens, voor een goed deel tot die handelingen welke +Dusaulx vlijmend-juist kenschetst met de woorden: "Il partit donc, +<i>quittant celui dont il avoit fait la conquête</i>.—</p> + +<p>Alles samenvattend kan men zeggen, dat Rousseau's leven vooral tragisch +is geweest door de worsteling van zijn betrekkelijk-geringe lagere +persoonlijkheid met zijn geweldige Hoogere, zijn edel Genie. Een gering +mensch, die telkens als hij iets doet of denkt wat tot die geringe +natuur behoort, plotseling de diepe, treurige oogen van een Christus op +zich voelt gevestigd, die hem overal begeleidt. Maar meest openbaarde +het zich niet zoo in zìjn bewustzijn, hij voelde vaak slechts als een +terughoudenden ruk, maar wist niet wie daar rukte; een verkillende tot +bezinning brengende greep, en hij wist niet wie daar greep. Zoo heeft +hij ook nooit de <i>grond</i>oorzaak van zijn zonderling gedrag bij de +schoone Zulietta in Venetië doorvoeld. <i>Deze was die grondoorzaak</i>. +Midden in een hartstocht-opwelling viel soms een ijzige kilte op hem +neer... hij bezon zich en dacht dan koel, plotseling een ander mensch, +aan allerlei dingen.... En hoe kwam dat nu toch in hem.... waarom moest +hij nu zoo vreemd-koel denken?... zoo mijmerde hij dan, al het andere +dáárvoor vergeten... maar hij wist het niet, en een vreemde schaamte +kwam in hem, die toch nauwelijks schaamte was, en hoe hij ook wroette, +hij kende niet, hij vond niet de oorzaak van dat alles.... Dan ontwaakte +hij, zag iemand, die hem uitlachte, en werd dan eerst recht beschaamd en +verward.—"Lascia le donne e studia matematica," voegt Zulietta hem +verachtelijk toe. Ja, ja, zoo kon zich zelfs deze op dit punt zoo zeer +ervaringrijke jonge dame vergissen! Want ik geloof, dat van nature +Rousseau wel voor niets minder dan "matematica" en voor niets meer dan +"le donne" geschikt was!</p> + +<p>Zeker, zijn gevoel van niet te passen in die koud-vernuftige, gevatte, +geestige kringen der encyclopaedisten, der plutocraten en van den adel; +zijn bewustzijn van daar niet tegen op te kunnen en een ongelukkig +figuur te slaan; van <span class="pagenum"><a name="p172" id="p172"></a>[p.172]</span> behept te zijn met den echten esprit de +l'escalier, dat alles noopte hem de maatschappij te vlieden. Maar toch, +het dient gezegd: wat hem verbitterde was niet alleen gekrenkte +eigenliefde, maar ook <i>beleedigd rechtsgevoel</i>. Het was <i>onrecht</i>, zoo +moet hij 't gevoeld hebben, dat hij, het <i>genie</i>, "balourdises" zei: +niet alleen niet wist te schitteren in de salons, maar zelfs niet één +woord bijna zeggen kon, of hij ontdekte later, een domheid te hebben +gezegd; het was <i>onrecht</i>, dat die anderen, zijn minderen, aldus over +hem heerschen konden, in stede van hij over hen. Arme Jean-Jacques! Hij +geleek een koningszoon, die door een boozen toovenaar veroordeeld is, in +de gestalte eens geringen door het leven te gaan. Slechts op die +oogenblikken, zoo heeft de wreede gezegd, als het onbaatzuchtig genie +van een waarachtig en goddelijk heerscher in u komt en ge dàt zult +moeten uiten, hetzij in spreken of in schrijven, dàn zal het u gegeven +zijn, uw verheven vorstelijkheid te doen schitteren; maar te anderen +tijde.... waar de luister uwer princelijkheid u-zelf den omgang met +medemenschen tot een rijke en zoete vreugde zou maken, dan zult ge een +geringe zijn....—Maar o, lezer, was die booze toovenaar wel een +toovenaar en boos? Was hij niet de alwijze Noodwendigheid, wier werken +immer zijn te prijzen? Want indien de mènsch Rousseau, de ijdele en +sensueele, ook de lagere geneugten zijner vorstelijkheid had kunnen +genieten, zou hij dan daarin niet zijn ondergegaan? Of zoo hij al een +groot kunstenaar ware gebleven, zou hij wel <i>Rousseau</i>, de Leeraar der +groote revolutie, het zwaard, de ploeg en de zaadkorf der armen en +verdrukten, het lichtbaken der volgende geslachten geworden zijn?....</p> + +<p>En nu: wàt heeft de verfraaiïngstendenzen ten opzichte der +Rousseau-figuur in Mevr. Holst veroorzaakt? Wel, dunkt mij, niets is +duidelijker: het pogen <i>de synthese tusschen hoogere en lagere +persoonlijkheid langs den historisch-materialistischen weg te bereiken</i>. +Indien men het kunstwerk in zijn geheel, maatschappelijk- en +psychisch-geologisch, om 't nog eens weer zoo te noemen, uit de +productieverhoudingen <span class="pagenum"><a name="p173" id="p173"></a>[p.173]</span> en de lagere persoonlijkheid wil verklaren +en daarbij tevens aanneemt, dat er in die lagere persoonlijkheid niets +aan maatschappij- of natuur-invloed aanwezig is, dat niet zijn uiting +vindt in de schepping der Hoogere, 't geen Mevr. Holst, de marxistische +aestheticus, inderdaad meent; indien men wat wij den aanleg, het talent, +het genie noemen, in zijn volle kracht en schoonheid der menschelijke, +lagere persoonlijkheid acht te <i>ontstijgen</i>, en daarbij tevens aanneemt, +dat er niets in die lagere persoonlijkheid aan neigingen, krachten en +zwakheden aanwezig is, dat niet de een of andere wijziging in de +<i>scheppings</i>beweging-zelf van het talent of genie te weeg brengt, 't +geen Mevr. Holst inderdaad meent; indien men dan ziet, dat er in het +werk van dat talent of genie, meeningen worden voorgestaan, theorieën +verkondigd, die in de menschelijke keuringssfeer "goed" of "zedelijk" en +dat wel in den hoogsten graad heeten, terwijl er daarentegen geen enkele +theorie of meening in wordt verkondigd, welke in die sfeer "slecht" of +"onzedelijk" wordt genoemd—dan wordt men er immers onweerstaanbaar en +onbewust toe gebracht, de "onzedelijke" en de "niet goede" dingen der +lagere persoonlijkheid niet, of zoo <i>microscopisch</i>-klein te zien, dat +het dáárdoor verklaarbaar wordt, dat zij geen merkbaren invloed gehad +hebben; dan wordt men er dus immers onbewust toe gebracht de lagere +persoonlijkheid te <i>verfraaien</i>! In hoeveel vrijere positie komt men +daarentegen ten opzichte van het kunstwerk en de lagere persoonlijkheid +des kunstenaars te staan, indien men aanneemt zooals ik, dat door haar +algemeene ontvankelijkheid voor bevruchting, de lagere persoonlijkheid +eens kunstenaars het Scheppend Vermogen aantrekt, zooals aarde zaad, en +de bloem den bestuivenden vlinder, maar met dien verstande en met die +beperking, dat zij slechts die scheppende krachten kan aantrekken, wier +aequivalenten in menschelijk-onvolmaakten staat, maar in voldoend-sterke +mate, zij-zelf in zich heeft. Zoo was Rousseau's lagere persoonlijkheid +grootmoedig en medelijdend; zoo was zij erotisch; zoo blaakte zij van +een ontembare vrijheidsbegeerte en kon den geringsten dwang niet <span class="pagenum"><a name="p174" id="p174"></a>[p.174]</span> +dulden. En deze eigenschappen waren sterk genoeg in hem ontwikkeld, om +de aequivalente krachten der Scheppende Natuur tot zich te roepen. En +zoo verschenen deze dan ook, in-zichzelf-volmaakt, puur en eeuwig, in +zijn werk. Zoo werd hij dus een edel revolutionnair denker en een +erotisch-bewogen kunstenaar.—Waar nu, vraagt ge, is dan bijv. de +geringheid van zijn zedelijke wilskracht gebleven? Maar, natuurlijk waar +zij blijven moest: in zijn lagere persoonlijkheid; omdat zij iets louter +negatiefs was: een <i>tekort</i> aan zedelijke kracht, een zwakheid, die haar +positieven vorm: "misdadigheid" niet kon zijn en dus niet krachtig +genoeg was, om haar scheppend aequivalent tot zich te roepen. Ware dat +wel het geval geweest, dan zou Rousseau inderdaad <i>kunstwerken</i> hebben +geschreven, gelijk zoo menig kunstenaar heeft gedaan, welke in de +menschelijke ethische keuringssfeer onzedelijk of misdadig zouden zijn +geheeten. Nù kon die zwakte van zijn zedelijk willen, uitsluitend +eigenschap van de lagere persoonlijkheid blijvende, slechts +kunstbedèrvend werken. Zij moèst dat niet doen, zij kòn het doen en +hééft het gedaan, zooals wij bij de behandeling van +Confessions-fragmenten hebben bemerkt. Voor Mevr. Holst echter, die in +Rousseau's <i>Scheppend Vermogen</i>, evenmin als wie ook, iets van dat +zedelijk-defecte zag of kon zien, bestond het dus, op grond van haar +leerstellingen, ook in zijn <i>geheele</i> persoonlijkheid slechts in niet +noemenswaardige mate. Aldus neem ik aan, is nu voldoende aangetoond en +ontleed, hoe nadeelig een invloed de marxistische aesthetiek op Mevr. +Holst's psychologisch-biographische Rousseau-beschouwingen heeft +geoefend en op welke wijze dit is gebeurd. Maar één twijfel, die te dien +opzichte nog in mijn lezers kan bestaan, dien ik weg te nemen.</p> + +<p>Een feit is het, dat, zooals ik vroeger elders heb aangetoond,<a name="FNanchor_56_71" id="FNanchor_56_71"></a><a href="#Footnote_56_71" class="fnanchor">[56]</a> Mevr. +Holst wel in zeer hooge, wellicht de hoogste mate die kracht van +liefdevolle overgave aan te beelden figuren bezit, welke een groot +menschenschepper mòet bezitten, <span class="pagenum"><a name="p175" id="p175"></a>[p.175]</span> maar dat iets anders, dat dezen +even onontbeerlijk is, haar ontbreekt: het aangeboren bewustzijn van den +heerscher, <i>dak</i> zich zelf ongerept, in die overgave, bewaart. Zoowel de +<i>heerscher</i> als de <i>minnaar</i> moeten <i>beiden</i> in den grooten +menschenschepper leven: de eerste mòet blijven keuren, overwegen en +rechtvaardig beschikken, hoe hartstochtelijk ook des laatsten liefde +zij. De lezer nu, die aan dit alles denkt, zou dus niet zonder schijn +van recht kunnen vragen: moet veel van wat hier aan de +historisch-materialistische aesthetiek werd verweten, eigenlijk niet +worden toegeschreven aan het feit dier liefdevolle, <i>maar onbeheerschte</i> +overgave; aan het feit, in één woord, dat Mevr. Holst een groote +lyricus, maar volstrekt geen epicus, geen menschenschepper is? Maar +indien hij slechts even let op het enorm verschil in eigenlijke +mensch-beeldende kracht, zooals eenerzijds bijv.: de romanschrijver, die +naar het òndoorlichte leven beeldt, van noode heeft, en anderzijds de +psychologische biograaf, die kunstwerken, d.i. het doorlichte leven, en +ander reeds bewerkt materiaal slechts opnieuw bewerkt, dan zal hij-zelf +niet aarzelen die vraag ontkennend te beantwoorden.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Beschouwen wij nu Mevr. Holst's Thérèse Le Vasseur. En ik durf bij +voorbaat beweren, dat, zóóals hier den lezer het verderfelijke der +marxistische aesthetiek zal blijken, het hem bezwaarlijk elders blijken +kan. Hebben wij gezien hoe deze aesthetiek onze schrijfster er toe +bracht den <i>mensch</i> Rousseau te flatteeren, thans zullen wij zien hoe +dit tot <i>noodzakelijk</i> gevolg had, dat ook Thérèse Le Vasseur +geflatteerd werd en wel in een nog zooveel sterker mate dan +Rousseau-zelf, dat ik geen oogenblik aarzelen mag, de +psychologisch-biographische beelding dier figuur volslagen onjuist en +pueriel-goedgeloovig te noemen.</p> + +<p>Waarom of het eerste 't laatste tot <i>noodzakelijk</i> gevolg had? vraagt +ge. Och, gelieve maar even naar mij te luisteren: Mevr. Holst werd door +haar proletarisch-voelen—waarvan ik de diepte en uitingsschoonheid in +'t tweede hoofdstuk dezer studie zoozeer bewonderd heb—er +onweerstaanbaar <span class="pagenum"><a name="p176" id="p176"></a>[p.176]</span> toe gedreven Thérèse te verdedigen.<a name="FNanchor_57_72" id="FNanchor_57_72"></a><a href="#Footnote_57_72" class="fnanchor">[57]</a> Haar +intuïtie zei haar zeer te recht, dat die verdediging met vrucht te +voeren is. Maar wat haar intuïtie haar niet zei—<i>omdat deze te dien +opzichte verzwakt was door haar onbewuster tendenz, Rousseau te +flatteeren</i>—is: dat die verdediging van Thérèse alleen te voeren is +<i>ten koste van Rousseau</i>. Om haar nu desalniettemin toch door te zetten +<i>werd het noodig ook Thérèse veel edeler voor te stellen dan zij +was</i>.—Toetsen we dit alles nu aan Mevr. Holst's boek, de historische +feiten en de gevolgtrekkingen, die daaruit redelijkerwijze kunnen worden +afgeleid.</p> + +<p>Voor Mevr. Holst is Thérèse de nederig-dienende zorgzaamheid in +Rousseau's leven geweest, heeft zij de materieele basis gevormd, waarop +bijv. de "schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste +geschrift" heeft kunnen bestaan. Er is hierin veel waars. Jawel, maar +luister nu eens even naar wat onze schrijfster verder zegt:</p> + +<div class="blockquot"><p>Dit (dat Rousseau haar volkomen bleef vertrouwen en niet in het +"complot" betrokken zag. v.C.) kon natuurlijk alleen zoo zijn +doordat Thérèse niet inging tegen zijn waan, maar met hem +meepraatte; de biografen maken haar daarvan een verwijt, zij +beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche voorstellingen +gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, zoo zij +onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan?<a name="FNanchor_58_73" id="FNanchor_58_73"></a><a href="#Footnote_58_73" class="fnanchor">[58]</a></p></div> + +<p>De verfraaiing van Thérèse en de ontzenuwing van de beweringen der +biographen is hier mogelijk geworden door het niet-vermelden van de veel +zwaardere beschuldigingen, die tegen haar zijn ingebracht. Zulke als +deze:</p> + +<div class="blockquot"><p>... La maniere dont elle s'est conduite après sa mort suffiroit +pour mettre la chose hors de doute, si déjà la preuve n'en étoit +bien acquise par <i>le témoignage unanime de tous ceux qui ont +frequenté Rousseau à toutes les époques de sa vie</i>. Or il est +constant qu'à Motiers, à Wootton et partout où elle a suivi son +maître, jusqu'à ses derniers moments, elle a fait naître et +entretenu en <span class="pagenum"><a name="p177" id="p177"></a>[p.177]</span> lui l'ombrage et la méfiance prompte à lui +rendre suspects tous ceux qui l'approchoient et qui parvenoient à +lui plaire, pour posséder seule sa confiance et le dominer avec +plus d'empire. Si cette femme, s'ennuyant à Motiers, ne négligea +rien pour en rendre le séjour insupportable à Rousseau, que ne dut +elle pas faire dans la solitude de Wootton où elle devoit n'avoir +rien plus à coeur que de le mettre dans la nécessité d'en sortir! +Or tout assure que, pour donner plus d'appui à ses suggestions +calomnieuses et perfides, elle brisoit les cachets des lettres +adressées à son maître, qui, dupe de cette manoeuvre, en tiroit +mille inductions, mille consequences plus étranges les unes que les +autres, mais dont il n'y a plus dès lors droit de s'étonner.<a name="FNanchor_59_74" id="FNanchor_59_74"></a><a href="#Footnote_59_74" class="fnanchor">[59]</a></p></div> + +<p>"Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, tous ceux qui ont écrit sur +Rousseau, sont d'accord sur ce point," zegt dezelfde schrijver.—Hier +blijken dus doodgewone <i>misdaden</i>, uit eigenbelang bedreven. Dat is niet +meer: het niet-bestrijden van den waan, om van den waanzinnige het +eenige schepsel niet te vervreemden, dat hij nog vertrouwt; dat is: het +perfide <i>hevig-versterken</i> van den waan, om maar niet langer op die +vervelende landgoederen en kasteelen te moeten leven. Dat Thérèse daar +telkens vandaan wilde, erkent ook Mevr. Holst:</p> + +<div class="blockquot"><p>Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biografen er Thérèse +een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame +kasteelen—eerst in Engeland, later in Frankrijk—met een +zenuwzieken man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij +zich niet opgewassen voelde—alleronaangenaamst vond en hunkerde om +er vandaan te komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, +met eigen neigingen en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in +haar in.<a name="FNanchor_60_75" id="FNanchor_60_75"></a><a href="#Footnote_60_75" class="fnanchor">[60]</a></p></div> + +<p>Zeker, dit alles zij grif toegegeven. Maar lang niet vermakelijk te +lezen is, door <i>welke middelen zij dat doel</i> poogde te bereiken. +<i>Daarop</i> komt het aan ter doorgronding van Thérèse's persoonlijkheid!</p> + +<p>"Dat zij kort voor het eind van zijn leven, als oude vrouw al, een gril +zou gehad hebben voor een stalknecht moge min smakelijk zijn...."<a name="FNanchor_61_76" id="FNanchor_61_76"></a><a href="#Footnote_61_76" class="fnanchor">[61]</a> +Neen maar, zou ik tot Mevr.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p178" id="p178"></a>[p.178]</span> Holst weer willen zeggen. Wat gaat ons nu de al of +niet-smakelijkheid daarvan aan! We zijn toch geen aan ethiek verslaafde +en moraliseerende preekers en rechters! Wij willen <i>een mensch leeren +kennen</i>, dat is ons <i>eenig verlangen.</i> En bovendien—dat vertelt Mevr. +Holst er weer niet bij: Zij heeft niet alleen kort voor het eind van +Rousseau's leven een gril voor dien Ierschen stalknecht van den Markies +de Girardin gehad, maar <i>zij heeft nog een geruimen tijd na Rousseau's +dood met hem geleefd en een zeer aanzienlijk bedrag met hem er +doorgejaagd</i>!</p> + +<p><i>Wat is er nu in deze vrouw</i>, "die nederige goede vriendin," "dat +eenvoudige plebejerskind," dat "liefhebbende hart," <i>omgegaan, dat zij +zich zoo kon vergooien onmiddellijk na den dood van den man dien zij had +"liefgehad," dien zij "verzorgd" had</i>, enz. enz.? <i>Dat</i> wenschen wij te +weten, <i>dat</i> opgehelderd te zien, daarvoor luisteren wij gaarne naar een +scheppend psycholoog! Dat het niet "smakelijk" was—nu ja, dat weten we +waarachtig allemaal wel! <i>Heeft mevr. Holst niet gevoeld, dat hier de +tragedie van een geheel leven te doorvoelen viel?</i> Neen, klaarblijkelijk +heeft zij er <i>niets</i> van gevoeld; de scheppend-psychologische biograaf +zweeg hier in haar; de proletarisch-voelende socialiste, die het kind +uit het volk had te verdedigen en dat niet op de juiste wijze kon doen, +omdat Rousseau zelf er dan bekaaid af zou komen, èn daarmee <i>de +historisch-materialistisch-opgebouwde synthese tusschen zijn hoogere en +lagere persoonlijkheid in den hoek zou liggen</i>, beheerschte hier de +scheppende kunstenares en achtte alles genoegzaam verklaard door die +mantel-der-liefde-achtige woordjes!</p> + +<p>Zelfs reeds het <i>ontstaan</i> hunner verhouding wordt dan ook reeds—wat +Rousseau betreft—door onze schrijfster verfraaid voorgesteld:</p> + +<div class="blockquot"><p>Geen lust was het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar +voornamelijk behoefte aan innigheid.<a name="FNanchor_62_77" id="FNanchor_62_77"></a><a href="#Footnote_62_77" class="fnanchor">[62]</a></p></div> + +<p>Dat is nu precies, inplaats van de waarheid in de armen <span class="pagenum"><a name="p179" id="p179"></a>[p.179]</span> te +loopen, haar rakelings voorbijschuiven. Immers, Rousseau-zelf zegt:</p> + +<div class="blockquot"><p>Je n'avois cherché d'abord qu'à me donner un <i>amusement</i>. Je <i>vis</i> +que j'avois plus fait et que je m'étois donné <i>une compagne. Un peu +d'habitude</i> avec cette excellente fille, un peu de réflexion sur ma +situation, me firent sentir <i>qu'en ne songeant qu'à mes plaisirs</i>, +j'avois beaucoup fait pour mon bonheur.<a name="FNanchor_63_78" id="FNanchor_63_78"></a><a href="#Footnote_63_78" class="fnanchor">[63]</a></p></div> + +<p>Gij voelt nu wel al lezer, dat beteekenisvolle verschil in nuance +tusschen Mevr. Holst's en zijn woorden: neen, zeker, geen lust was 't +die hem dreef, maar evenmin eenige hoogere geestelijke behoefte aan +innigheid. Dat hij ook die bij haar bevredigen kon, ontdekte hij immers +pas later! Wat hem dreef was doodeenvoudig de prozaïsche, +primair-natuurlijke behoefte aan sexueelen omgang. Nog al bang in dit +opzicht uitgevallen—men herinnert zich uit de <i>Confessions</i> zijn angst +na zijn visite met Vitali bij de Padoana?—was hij heel blij—och ja, +het is heel-laag-bij-den-grond, plat zoo ge wilt, maar het <i>is</i> zoo—dat +hij háár gevonden had! <i>Jubelkreten</i> slaakt hij als hem blijkt, dat +Thérèse's aanvankelijke aarzeling zich hem te geven, niet voortkomt uit +dat door hem zoo gevreesde!</p> + +<p>En dan: weet Mevr. Holst wel, dat als zij aan Rousseau's vrienden +verwijt, dat hun "klassegevoel en intellectueele hoogmoed" niets dan +"een onbeschaafde waschvrouw" etc. in Thérèse zagen, zij met dat verwijt +aan het verkeerde adres is? Helaas, het <i>kon</i> alweer niet tot haar +doordringen, dat zij hiermede bij <i>Rousseau-zelf</i> moest zijn.</p> + +<div class="blockquot"><p>Autrefois j'avois fait un dictionnaire de ses phrases <i>pour amuser +Madame de Luxembourg</i>, et <i>ses quiproquo sont devenus célèbres dans +les sociétés où j'ai vécu</i>.<a name="FNanchor_64_79" id="FNanchor_64_79"></a><a href="#Footnote_64_79" class="fnanchor">[64]</a></p></div> + +<p>Arme Jean-Jacques! Zelf vertelt hij, dat hij altijd, bij de conversatie +in de kringen zijner geleerde en adellijke vrienden met den mond vol +tanden zat. Hij voelde dan ten leste eigen zwijgen zoo pijnlijk worden, +dat hij er maar wat uitflapte, <span class="pagenum"><a name="p180" id="p180"></a>[p.180]</span> om maar iets te zeggen, wat dan +achteraf een "balourdise" bleek. Máár, heer-in-den-hemel! daar valt hem +Thérèse met al haar onbewuste grappighedens in. Welk een mijn, welk een +onuitputtelijke rijkdom aan stof. Nu niet langer op je stoel zitten +draaien in 'n benauwing van verlegenheid, nu geen stommiteiten meer +vertellen, om maar wàt te zeggen, nu ook eens geestig zijn, ook eens de +vrienden laten lachen—ten koste van de vrouw, "wier engelhartig hart +hij roemt." O, Mevrouw, het is te begrijpen: zeker, <i>alles is te +begrijpen.</i> Maar welk een gebrek aan fijngevoeligheid—der <i>lagere</i> +persoonlijkheid!—welk een grove ijdeltuiterij. Welk een gebrek aan +eerbied ook voor—zich zelf! <i>Tenzij hij wist</i>—let wel!—dat die +vrienden ook wel begrepen, dat zij voor hem <i>een vrouw slechts in den +lageren zin</i> was, maar wat blijft er dan van de "innigheid" en al dat +fraais over? En wanneer Rousseau-zelf aldus Thérèse tot een +"onbeschaafde waschvrouw" stempelt, kan men dan wel anderen kwalijk +nemen, dat zij niets anders dan zulk een waschvrouw in haar zagen? Gaan +wij er nu toe over, zelf Thérèse te beschouwen en toonen wij aan, dat op +àndere gronden dan die van Mevr. Holst—<i>gronden, die echter voor +le-meilleur-des-hommes-Rousseau geen standplaats bieden</i>!—haar +verdediging met vrucht te voeren valt.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Thérèse dan blijkt klaar een onbedorven, goed en gewetensvol meisje te +zijn geweest, met iets zelfs van uitzonderlijke en aangeboren reinheid +in zich, want men moet niet vergeten, dat van wat wij, in een anderen +tijd levend, als iets min of meer van-zelf-sprekends beschouwen, juist +het <i>tegendeel</i> als het van-zelf-sprekende zou ik bijna zeggen, in het +Parijs harer dagen werd beschouwd. Haar aarzeling, zich hem te geven, +sproot uit iets anders dan het door hem gevreesde voort. Laat +Rousseau-zelf u verhalen wat het was, en merk dan tevens uit zijn +verwondering, <i>hoe uitzonderlijk in dien tijd haar scrupules waren</i>.</p> + +<div class="blockquot"><p>Enfin nous nous expliquâmes: elle me fit en pleurant l'aveu d'une +faute unique au sortir de l'enfance, fruit de son ignorance <span class="pagenum"><a name="p181" id="p181"></a>[p.181]</span> +et de l'adresse d'un séducteur. Sitôt que je la compris, je fis un +cri de joie: Pucelage! m'écriai je: c'est bien à Paris, c'est bien +à vingt ans qu'on en cherche!<a name="FNanchor_65_80" id="FNanchor_65_80"></a><a href="#Footnote_65_80" class="fnanchor">[65]</a></p></div> + +<p>Bovendien blijkt die kuische aard uit hare houding, als dienstmeisje in +het hotel, onder de schunnige moppen der abbés, tegen wie Rousseau haar +in bescherming neemt. Zóó was Thérèse Le Vasseur, rein te midden van een +al groeiende zedenverdorvenheid, toen zij zich Rousseau gaf. Laat ons nu +zien: Zij, het gevoelige dienstmeisje, met die sentimenten in zich, +wèlke moet zij wel in den geliefde-zelf, dien zij zoo ver boven zich +stelde, aanwezig hebben gemeend?! Zij, de bijna-analphabete—die niet +wist, dat talent of genie soms niets met noblesse hebben te maken—welk +een wereld van àl-soortige verhevenheid moet zij niet in Rousseau +geloofd hebben te bestaan, in dien man, die haar nog bovendien tegen de +gemeenheden der anderen verdedigd had! Als haar nu langzamerhand het +tegendeel blijkt, is het dan niet onafwendbaar, dat zij niet alleen het +geloof in hem, maar op de wijze aller onontwikkelden, die het bijzondere +zoo gaarne veralgemeenen, ook het geloof in de <i>waarde van deugd-zelf</i> +verliest? En dat zij dóórsláát, dóórhólt naar den anderen kant?</p> + +<p>Onderzoeken wij dus nu door wèlke feiten haar dat tegendeel kan zijn +gebleken—voor zoover dan die feiten te onzer beschikking staan: er zijn +natuurlijk nog tallooze kleinigheden, voor ons verloren, die ertoe +hebben medegewerkt haar de waarheid duidelijk te maken.</p> + +<p>Daar is dan ten eerste het geval met "la papesse Jeanne," de maîtresse +van Kluppfel. "Une faute," zegt Petitain, "qu'elle l'a généreusement +pardonnée." Jawel, vergéven, maar kon ze 't ook vergéten? Liet het geen +wrange nasmaak van beleedigde vrouwelijkheid in haar gemoed? Deed het +bovendien niet de gedachte bij haar ontkiemen, dat de berisper van +destijds al niet beter dan de berispten was, en dat zij met haar +scrupules eigenlijk een onnoozel halsje, een onwetend mallootje was +geweest?</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p182" id="p182"></a>[p.182]</span> Maar dàn... en hoe zinkt alles, wat zij hem, wat hij haar aan +kwaads moge gedaan hebben in het niet bij die vreeselijke daad vijf maal +betaald: het haar ontnemen van haar kinderen <i>tegen haar zin</i>.</p> + +<div class="blockquot"><p>Je m'y déterminai gaillardement sans le moindre scrupule; et le +seul que j'eus à vaincre fut celui de Thérèse, à qui <i>j'eus toutes +les peines du monde</i> de faire adopter cet unique moyen de sauver +son honneur. (Sic!) L'année suivante, même inconvénient et même +expédient, au chiffre près qui fut négligé. Pas plus de réflexion +de ma part, <i>pas plus d'approbation</i> de celle de la mère: <i>elle +obéit en gémissant.</i><a name="FNanchor_66_81" id="FNanchor_66_81"></a><a href="#Footnote_66_81" class="fnanchor">[66]</a></p></div> + +<p>Peilt nu, gij allen, die ooit een kind zaagt geboren worden en die +ontzettende vertwijfelende worsteling met de smart hebt gezien; die dan +bij de eerste geluidjes van het kleine schepsel, op het pijn-verwrongen +gezicht der moeder, die plotselinge ontslaking, een glimlach als een +licht zaagt schijnen; gij die dan de àlle-smàrt-vergételheid, de als +overmoedige en jeugd-dronken vreugde, den zaligen trots zaagt stralen, +tot die weer ebde, heel zacht, ter zoete zelf-inkeer, het zich-zelf tot +rustig-zijn dwingen, om zóó groot heil niet te verbeuren; gij, die ooit +beluisterd hebt die eerste moeder-woordjes, als kleine bloemen +ontrankend de màchtig-sterke, de van zelfbedwang èn popelend verlangen +bévend-vàste liefde; ontbloeiend de diepste diepten van de ziel en het +hart, als òpen, rèikende kelken, naar het kindje toe—peilt gij, +wétenden, de ontzettende en nooit te heelen wonde, het afgrondige leed +van de moeder, die na zóó kort dien hemel te hebben genoten, met den +vloek der kinderloosheid, <i>menschelijk-moedwillig</i> wordt belast; peilt +gij den haat, den wrok, het gevoel van verlatenheid, de wanhoop aan alle +deugd, de verstarring tot egoïsme, die in die vrouw zullen gaan leven, +leven hun bestaan van monsters, waar engelen hadden kunnen zijn.... En +hèbt ge dit alles doorvoeld.... Och... ja.... Zàl ik u dan nog wel +vragen of Thérèse Le Vasseur aan haar misdrijven, welke ze ook mogen +geweest zijn, in waarheid schuldig staat, dan wel de man, die haar dàt +aandeed?... Maar gij wendt u af, <span class="pagenum"><a name="p183" id="p183"></a>[p.183]</span> ge ziet naar uw eigen kinderen, +uw blikken gaan zegenend naar hen uit... en ik versta u: zonder mijn +vraag te wachten en zonder te antwoorden, hèbt ge haar beantwoord....</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Want ook dit weten wij, nietwaar: één deugd voor alle moet door ons +geleerd worden, het is zij, die alle bevat. Die haar in volkomenheid zou +bezitten—maar geen mènsch kan dat—kan intreden tot alles wat waardevol +is; de sleutel tot het hooger denkvoelen, de ingang tot de waarheid en +het onschokbare geluk is zij: het altruïsme, in haar hoogsten vorm, voor +ons onbereikbaar: de volkomen ik-vergetelheid. Maar de Natuur, de Al +wijze, die geen haast kent, die van graad tot graad en van trede tot +trede de wezens laat opwaarts klimmen, heeft drie groote Liefden in hun +zielen opgericht, <i>drie onderrichters van het altruïsme</i>, die +achtereenvolgens in hun bewustzijn verschijnen, met het wonder hunner +gestalte en van hun stem. De eerste is nog geen straffe Leerares. Zij +onderricht het altruïsme spelenderwijze. Hoe zou zij ook anders: even, +slechts éven na het eerst ontwaken van het bewustzijn, verschijnt ook +zij, een engeltje even klein en speelgenoot van het kindje, groeit zij +daarmee op. Zij is de kinderliefde, de egoïstische, die veel vraagt en +weinig schenken kan. Maar al opgroeiend komen er toch tijden, dat het +kind zelfs zijn hartebloed voor zijn ouders zou willen geven.... En zie +nu, zie: dat kleine speelgenootje heeft dan toch niet slechts met het +kindje gespééld, het heeft, met hem opgroeiend en slechts weinige zijner +egoïstische en levenshongerige nukken weerstrevend, klaarblijkelijk óók +hem onderricht—in altruïsme.—Dan komt er een tijd.... Zij verlaat haar +speelgenoot niet, maar treedt achteruit: de tweede groote Liefde +verschijnt, een strenger Leerares: de liefde tusschen man en vrouw; veel +egoïsme weerstreeft zij, veel opofferingen vraagt zij, veel ontzegging +van de genoegens en verlangens van het ik; maar veel egoïsme duldt zij +nog—de Alwijze gebood haar, niet tè streng in het onderricht te zijn. +Ook is haar sfeer zuiver noch doorzichtig, vooral niet in den man. De +driftige zinnen dringen om haar heen, hun <span class="pagenum"><a name="p184" id="p184"></a>[p.184]</span> hoog opgeheven +flambouwen werpen smokerige en roode gloeden, trekken misvormende +schijnsels over haar Venusgelaat. Ja, soms zijn haar de zinnen +voortrennende paarden: dàn leidster en meegevoerde, stralend in de +overwinningen, de slapen omkranst, vaart zij, een grond-opwervelende +storm, een lichtende davering voorbij.—Maar ten leste verschijnt der +Drie hoogst tronende: uittreding van de Ziel der wereld op dier gelaat +is zij, éénig beeld van de oneindigheid, want ook de grenzen van haar +wezen zijn nimmer gevonden; ouders kennen haar zeeën van gevoel, doch +hun diepte of breedte zijn niet te kennen; ouders zien haar hemel, hun +kinderen zijn de gesternten daaraan, maar zijn hoogte is niet te +weten.... Egoïsme wordt in haar niet gekend, het is een onverstaanbaar +woord uit andere tijden, uit andere landen. Zij leeraart niet, zij <i>is</i> +het altruïsme, zij is ook niet straf, niet streng, zij kàn het niet +zijn: de opofferingen, die zij verlangt, worden niet als opofferingen +gevoeld; de afstand, dien zij eischt van zooveel begeerten van het ik, +worden een rìjker-worden bevonden! Voor het eerst dan van zijn leven +wellicht, voelt een mensch het altruïsme nìet een bedwinging zijner +begeerten, voor het eerst niet als een moeilijk te verkrijgen en lastig +te volgen deugd, voor het eerst niet als een sfeer, waarin hij slechts +bezwaarlijk leven kan. Integendeel: zijn begeerten <i>zijn</i> altruïstisch, +zònder die deugd <i>kan</i> hij nu niet leven en in háár sfeer beweegt hij +zich nu opperst gelukkig, natuurlijk en vrij als in den staat, die zijn +meest ongerepte natuurlijkheid het best past. Gelukkig de man en de +vrouw, die dit hebben gekend, voor zij sterven, zij hebben niet +tevergeefs geleefd. Rijker aan eigen waarde keeren zij terug van waar +zij werden gezonden. <i>Want kinderen leeren den ouders oneindig meer, dan +ouders den kinderen</i>. Jonkheid ontlokt Ouderdom zijn schoonste +gevoelens. Zij u de zon het stralend symbool daarvan, wier glanzende +jeugd der oude en verkillende aarde alle de schoone gestalten der +bloemen, dieren en menschen ontlokt....—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Langs den weg van ons gevoel zijn wij van ons uitgangspunt <span class="pagenum"><a name="p185" id="p185"></a>[p.185]</span> +heengetrokken. En deze, die geen dwaalweg was, heeft ons, naar onzen +wensch, daarheen teruggebracht. Zeg mij nu: van deze groote +leering-in-altruïsme, van het onderricht in die deugd, welke alle +deugden omsluit, van dit opperst geluk, deze blijde natuur werd Thérèse +Le Vasseur menschelijk-moedwillig beroofd. Heeft men nu nog van noode, +ten einde haar verdediging te voeren, hare ondeugden te bedekken, of is +er eenige reden voor ons deze waarheden te verzwijgen, om de blaam, +waarmede zij den man treffen, die haar dat aandeed?...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Ik zie haar gaan door de dagen, alléén in haar onwetendheid, alléén met +haar wrok, alléén met het schrijnende bewustzijn van haar gemis, naast +den man, dien zij daarvan de oorzaak weet en die, verzonken, dàn in de +droomen van zijn genie of van zijn eerzucht, dàn in die zijner liefde of +zijner angst, vaak zelfs haar bestaan niet schijnt op te merken. Alléén +weet zij zich, een eenzame huissloof, al het nederige werk doende; +achter haar rug uitgelachen—hoe zal haar dit hebben gestoken!—door +haar man, die grapjes op haar onwetendheid maakt, bij wiens voorname +vrienden zij zelden komt, aan wiens tafel zij zelfs niet zit, wanneer +hij een dier vrienden te gast heeft; in haar gezicht uitgelachen door de +bedienden van Rousseau's gastheeren, die in haar een dienstmeid zagen en +niets meer. Hoe vaak zal zij aan haar kinderen hebben gedacht, die haar +steun hadden kunnen zijn, vleesch van haar vleesch, bloed van haar +bloed; met wie zij had kunnen praten, die haar hadden begrepen en met +haar zouden hebben meegeleefd in haar kleinheid en onwetendheid, +wellicht; die, zéker, haar een vertroosting zouden zijn geweest voor +veel. Hoe moet zij soms dien man hebben gehaat, toch zorgvuldig met haar +boersche sluwheid, haar onovertrefbare slimheid van niet veel meer dan +analphabete, wier verstandskracht door niets anders wordt verbruikt, +haar voelen verbergend—en tòch daarin niet slagend bij <i>Rousseau's +vrienden</i>! die zagen juist, Mevr. Holst!—in de eerste jaren daartoe +gedwongen door, en onder leiding van haar megera van 'n moeder, in wier +<span class="pagenum"><a name="p186" id="p186"></a>[p.186]</span> karakter schraapzucht, valschheid en lust tot intrigeeren al het +andere overheerschten; in de latere jaren, met veel behendigheid, uit +eigen inzicht en zònder hulp alles doende, goed of slecht, wat +verhinderen kon, dat Rousseau aan haar invloed ontsnapt; alles doende +wat hem sterker aan haar binden kan. Waarom? Zie haar op het eind van +haar leven, aan de deur van de <i>Comédie Française</i> de hand ophouden voor +een aalmoes, en ge weet het! Eénmaal gedurende de lange jaren van haar +leven met hem, schijnt haar beleedigde vrouwelijkheid haar te sterk te +zijn geworden. Rousseau spreekt namelijk van een "refroidissement dans +Thérèse" en wijt deze aan de abstinentie waartoe hij zich verplicht +voelde, zoowel met het oog op zijn wankelende gezondheid, als om niet in +een herhaling van zijn vijfvoudig herhaald misdrijf te moeten vervallen. +Dat was echter hoogstwaarschijnlijk de ware oorzaak niet. Die moet +gezocht worden in zijn verhouding tot Mad. d'Houdetot: onder Thérèse's +oogen hadden de maneschijn-wandelingen plaats gevonden, onder haar oogen +was de geheele geschiedenis afgespeeld. Welke vrouw zou zich hier niet +beleedigd hebben gevoeld, ten eerste, door het <i>feit-zelf</i>, maar dan, en +wellicht vooral, door de minachting jegens haar, die uit de +omstandigheid sprak, dat haar man niet de minste moeite deed, iets ervan +voor haar te verbergen<a name="FNanchor_67_82" id="FNanchor_67_82"></a><a href="#Footnote_67_82" class="fnanchor">[67]</a>. Zoo heeft zij, in hardnekkig zelfbedwang, +zich vast aan hem gehecht, hem nimmer loslatend, hem overal volgend, hem +met haar invloed omwikkelend als met een web, gehaat daarom en in haar +drijfveeren door allen doorzien, die haar dan ook "<i>une cerbère +odieuse</i>" noemden, door Rousseau alleen niet doorzien. Zij heeft met hem +de jaren doorgebracht, wrokkend zonder twijfel, hatend zonder twijfel, +toch soms ook weer, dunkt mij, neigend naar een zachte verteedering en +liefde voor hem, bij het zien zijner ongelukken en hulpeloosheid. Maar +dan kwam altijd weer die stekende gedachte aan haar verloren kinderen, +die haar kracht moet hebben <span class="pagenum"><a name="p187" id="p187"></a>[p.187]</span> gegeven te doen wat zij deed; die, +dra na het ontluiken weer, al de zachtere gevoelens deed verwelken; die +haar moet hebben ingefluisterd, dat zij het recht had, tegenover hem, +die haar den natuurlijken steun van haar ouden dag had ontroofd, door +èlk middel en trots alles te zorgen, dat het levensonderhoud, dat haar +van hem, bij zijn leven en na zijn dood, kon geworden, haar niet +ontging. Zoo hebben in dit hart—ik herhaal het: àl zijn vrienden hebben +het gezien!—monsters gewoond, omdat—'t geen zijn vrienden en ook Mevr. +Holst nièt hebben gezien—Rousseau de engelen had verdreven. Zoo heeft +zij stil gewacht.... Dan sterft hij... de dwang is uit, al haar +weggedrongen instinkten sprìngen nu op.... Nu, op haar ouden dag gaat +zij zich uitleven.... Na het leven met dien man, dien zij niet meer +liefhad; na het leven met hem, dien zij de wereld een Groote hoort +noemen, maar die tegenover haar met dat al zijn simpelste plichten met +voeten getreden had, wil zij nu een van haar soort, die dan wel niet die +verhevenheid heeft, waarvan zij toch niets begrijpt, maar die haar, in +zijn gewone menschelijkheid, wel niet zoo behandelen zal als hij heeft +gedaan. De schuchterheid, de kuischheid, die ze in haar jeugd, gelijk we +zagen, bezat, het geloof in de deugd, och kom, dat is nu alles gekheid +voor haar geworden.... Ze heeft veel gezien en veel ondervonden.... Niet +voor niets heeft zij de <i>handelingen</i> van Rousseau jegens haar gezien, +niet voor niets de groote wereld jaren lang bespied.... Ingetogenheid is +goed voor zulke domme mallootjes uit het volk, als zij in haar jeugd er +een was!... Genieten moet je, genieten, zooals allen om je heen! En met +haar stalknecht jaagt ze er dan in een paar jaar een burgermanskapitaal +doorheen, als vroolijke erfgenamen, die, in juichende brooddronkenheid, +het geld van een gehaten of hun onverschillig geweest zijnden erflater +verkwisten.... Neen, die Thérèse Le Vasseur's leven <i>kent, doorvoelt</i>, +behoeft te harer verdediging haar figuur niet te verfraaien. Hare +slechtheden waren geboet vóór zij ze beging, door de oorzaak, waaruit ze +ontstonden. Arme vrouw, misleid door onwetendheid en door haar +mishandelde instincten; <span class="pagenum"><a name="p188" id="p188"></a>[p.188]</span> moeder, die hare kinderen niet heeft +gekend, en zij had ze zoo gaarne gekoesterd; die nu, op hare beurt, hun +steun missen moet: op tachtigjarigen leeftijd bedelt zij op straat haar +dagelijksch brood!...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Met het leven van twee vrouwen is dat van den mensch Rousseau langdurig +vervlochten geweest. Het onderzoek van zijn gedrag zoowel jegens de eene +als de andere, wijst op oneindig meer leelijks dan schoons in zijn +karakter. Zijn uit alles blijkend neerzien op Thérèse verhinderde hem te +begrijpen, wat hij háár had aangedaan. Wat Madame de Warens aangaat, +jegens haar noemde hij zich-zelf "ingrat," al heeft hij ook daar +allerlei schoonschijnende redenen bij de hand, om die zelfveroordeeling +haar scherpte te ontnemen. Behaagden hem dan ook in Thérèse slechts de +frisch-open zinnelijkheid, de gezonde kracht en de eenvoudige +huiselijkheid van het volkskind, aan Madame de Warens verbonden hem een +diep-gewortelde psychische overeenkomst èn een diep-geworteld +—verschil. De overeenkomst bestond daarin, dat zij beiden uiterst +impulsive menschen waren, wezens van <i>gevoel</i> vóóral. Het verschil: bij +Rousseau ging dat gevoel <i>denken</i> vooraf. Het moeizaam-schrijdend volk +zijner denkbegrippen trok nimmer op, vóór hen de lichtende wolk van een +droom den weg wees. Beter is het wellicht te zeggen, dat Rousseau's +denken zùlk een arbeider geleek, die immer ter verkwikking zijn weg +neemt langs een dichtbegroeid land, wanneer hij zich in den vroegen +ochtend naar de strenge en harde fabriek begeeft, om daar den loop der +onverbiddelijk in elkaar grijpende raderen te bewaken, en die in het +vrije middaguur wéér ter verpoozing naar dat land gaat en zich vlijt in +het hooge gras.... Want naar zijn eigen getuigenis werd zijn denken ook +telkens onderbroken door divageerend gedroom.... Bij Madame de Warens +echter ging het gevoel <i>handelen</i> vooraf; elke droom, elke fantasie +veroorzaakte bij haar een hàndelen, dat, gelijk het denken bij hem, +telkens door opnieuw-fantaseeren werd onderbroken. De psychologische +verklaring van: de rust, de volkomen tevredenheid, de afwezigheid van al +<span class="pagenum"><a name="p189" id="p189"></a>[p.189]</span> ongedurigs en gejaagds, die Rousseau in tegenwoordigheid van +Mad. de Warens gevoelde, ligt dan ook mijns inziens nergens anders dan +in die overeenkomst en dat verschil: wat hèm ontbrak, waarom hij vaak +zich-zelf minachtte en welk gemis hij, wellicht onbewust, weet aan het +predomineeren van zijn gevòel: <i>het snel-doortasten, de moed tot de +daad</i>, dat zag hij bij haar <i>juist uit het gevoel</i> ontkiemen! Zoo, +tegelijkertijd, verzoende het hem met den <i>grondslag</i> van zijn wezen èn +voelde hij dit, in de tweeëenheid van hun beider bestaan, bevredigend en +berustigend <i>aangevuld</i>.—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>En wat nu zijn korte, maar voor de vrijmaking van zijn genie hoogst +beteekenisvolle, verhouding tot Madame d'Houdetot betreft, dèze heeft +Mevr. Holst, gelijk ik reeds vroeger zei, prachtig doorvoeld. Die +verhouding bleef dan ook beiderzijds rein en edel, zoodat de uit Mevr. +Holst's historisch-materialistische aesthetiek voorspruitende +verfraaiïngstendenzen hier tot het vertroebelen harer visie geen +aanleiding hadden.—</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<div class="footnotes"><h4>NOTEN:</h4> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_34_49" id="Footnote_34_49"></a><a href="#FNanchor_34_49"><span class="label">[34]</span></a> Mevr. Holst, J.J. Rousseau. Blz. 158, 159, +160.—Cursiveering van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_35_50" id="Footnote_35_50"></a><a href="#FNanchor_35_50"><span class="label">[35]</span></a> <i>Les Confessions</i>, blz. 1. Cursiveering van Rousseau.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_36_51" id="Footnote_36_51"></a><a href="#FNanchor_36_51"><span class="label">[36]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 33. Cursiveering, ook +in de beide voorafgaande citaten van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_37_52" id="Footnote_37_52"></a><a href="#FNanchor_37_52"><span class="label">[37]</span></a> Hier kunt ge nu, lezer, mocht ge er lust toe gevoelen, als +arbiter tusschen mijn literairen criticus en mij optreden! <i>Hij</i> meende, +dat Mevr. Holst de klaarblijkelijk juiste subjectieve waarheid <i>wel</i> +bezeten heeft, maar dat haar tendentieuse lagere persoonlijkheid die +verminkt heeft tot 't dan onechte, dat wij nu kennen. <i>Ik</i> neem liever +aan, dat zij <i>niet</i> in haar was. Veel doet 't er niet toe, wie gelijk +heeft, want in <i>beide</i> gevallen, zooals wij zullen zien, valt <i>op den +invloed der historisch-materialistische aesthetiek de schuld.</i></p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_38_53" id="Footnote_38_53"></a><a href="#FNanchor_38_53"><span class="label">[38]</span></a>...maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos, want de +overwinning der burgerlijke klassen bracht niet vrijheid en gelijkheid, +niet vrede en recht, zooals zij geloofden, maar meer ellende, dan de +aarde ooit gekend had; riep niet in den mensch de aandriften van +broederlijkheid wakker, maar van hebzucht en heerschzucht en nijd." Blz. +159.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_39_54" id="Footnote_39_54"></a><a href="#FNanchor_39_54"><span class="label">[39]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_40_55" id="Footnote_40_55"></a><a href="#FNanchor_40_55"><span class="label">[40]</span></a> Zie noot vorige pagina. ([39])</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_41_56" id="Footnote_41_56"></a><a href="#FNanchor_41_56"><span class="label">[41]</span></a> Confessions. Cursiveering van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_42_57" id="Footnote_42_57"></a><a href="#FNanchor_42_57"><span class="label">[42]</span></a> zie noot 2 vorige pagina. ([41])</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_43_58" id="Footnote_43_58"></a><a href="#FNanchor_43_58"><span class="label">[43]</span></a> ibid.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_44_59" id="Footnote_44_59"></a><a href="#FNanchor_44_59"><span class="label">[44]</span></a> <i>Zie Seconde lettre à M. de Malesherbes</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_45_60" id="Footnote_45_60"></a><a href="#FNanchor_45_60"><span class="label">[45]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_46_61" id="Footnote_46_61"></a><a href="#FNanchor_46_61"><span class="label">[46]</span></a> Confessions.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_47_62" id="Footnote_47_62"></a><a href="#FNanchor_47_62"><span class="label">[47]</span></a> Hoe Rousseau inderdaad aan deze mogelijkheid gedacht +heeft, moge de volgende uitlating bewijzen: De tout ce que j'ai dit +jusqu'à présent, il en est resté quelque trace dans tous les lieux où +j'ai vécu....—Einde Livre IV, Confessions. De voorvallen, waarvan hier +sprake was en zijn zal, behooren dus alle tot die, die "een spoor hebben +achtergelaten."—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_48_63" id="Footnote_48_63"></a><a href="#FNanchor_48_63"><span class="label">[48]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau. Blz. 36.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_49_64" id="Footnote_49_64"></a><a href="#FNanchor_49_64"><span class="label">[49]</span></a> Confessions.—Cursiveering van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_50_65" id="Footnote_50_65"></a><a href="#FNanchor_50_65"><span class="label">[50]</span></a> Er is nog een andere en zeer <i>beteekenisvolle</i> zijde aan +de zaak, welke echter pas belicht kan worden bij de behandeling der Le +Vasseur-figuur.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_51_66" id="Footnote_51_66"></a><a href="#FNanchor_51_66"><span class="label">[51]</span></a> Confessions.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_52_67" id="Footnote_52_67"></a><a href="#FNanchor_52_67"><span class="label">[52]</span></a> Confessions. Cursiveering van mij.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_53_68" id="Footnote_53_68"></a><a href="#FNanchor_53_68"><span class="label">[53]</span></a> Ik geloof, dat dit over 't algemeen het "wilde" leven van +vele groote artisten verklaart. Men zie overigens mijn 3den "Brief over +Literatuur."</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_54_69" id="Footnote_54_69"></a><a href="#FNanchor_54_69"><span class="label">[54]</span></a> Dans ces temps-la même où Rousseau entretenoit l'Europe de +ses souffrances, <i>je ne l'ai jamais vu incommodé</i>; il cheminoit, +gambadoit, atteignoit avant les autres le sommet des montagnes, et +mangeoit de fort bon appetit" (d'Escherny, geciteerd bij Petitain.)</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_55_70" id="Footnote_55_70"></a><a href="#FNanchor_55_70"><span class="label">[55]</span></a> d'Escherny.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_56_71" id="Footnote_56_71"></a><a href="#FNanchor_56_71"><span class="label">[56]</span></a> Schetsen en Critische opstellen, blz. 149—150.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_57_72" id="Footnote_57_72"></a><a href="#FNanchor_57_72"><span class="label">[57]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 87: "Het wordt tijd +dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen minder +bevooroordeeld door <i>klassegevoel</i>," enz. enz.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_58_73" id="Footnote_58_73"></a><a href="#FNanchor_58_73"><span class="label">[58]</span></a> H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 82.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_59_74" id="Footnote_59_74"></a><a href="#FNanchor_59_74"><span class="label">[59]</span></a> G. Petitain, Appendix aux Confessions.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_60_75" id="Footnote_60_75"></a><a href="#FNanchor_60_75"><span class="label">[60]</span></a> H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 252.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_61_76" id="Footnote_61_76"></a><a href="#FNanchor_61_76"><span class="label">[61]</span></a> Ibid., blz. 83.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_62_77" id="Footnote_62_77"></a><a href="#FNanchor_62_77"><span class="label">[62]</span></a> H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 83.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_63_78" id="Footnote_63_78"></a><a href="#FNanchor_63_78"><span class="label">[63]</span></a> Confessions. Cursiveering van mij.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_64_79" id="Footnote_64_79"></a><a href="#FNanchor_64_79"><span class="label">[64]</span></a> Confessions. Cursiveering van mij.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_65_80" id="Footnote_65_80"></a><a href="#FNanchor_65_80"><span class="label">[65]</span></a> Confessions.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_66_81" id="Footnote_66_81"></a><a href="#FNanchor_66_81"><span class="label">[66]</span></a> Confessions.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_67_82" id="Footnote_67_82"></a><a href="#FNanchor_67_82"><span class="label">[67]</span></a> Men zie eens wat Petitain, in een noot bij de Confessions, +van de d'Houdetot-geschiedenis met betrekking tot Thérèse zegt. En deze schrijver is waarlijk geen vriend van Thérèse.— +</p></div></div> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p190" id="p190"></a>[p.190]</span></p> + +<h3>IV.</h3> + +<p class="sidenote"> +Conclusiën. +</p> + + +<p>Enige overwegingen, verband houdend met den meer practischen kant van +het leven onzer tijden, mogen dit opstel besluiten; overwegingen, die +eensdeels de literaire onderrichter van het intelligent en talrijk in +den Diamantbewerkersbond georganiseerd proletariaat, anderdeels de +letterkundige criticus, het óók op ervaring steunend recht meent te +hebben, hier zonder omwegen te uiten: Indien de marxistische aesthetiek +verderfelijk is voor de kennis van de waarheid, zoowel betreffende den +aard van het Scheppend Vermogen der kunstenaars als van hun werken, hòe +verderfelijk zal zij dan wel niet zijn voor de opvoeding tot +kunstgenieten van breede volkslagen, wier uitteraard blinde en +strompelende oordeelskracht, het den bodem besnuffelende hondje dezer +kunstleer cadeau krijgt, om haar te leiden!</p> + +<p>Dàt is wel het meest beteekenende aller dingen, die met dit geheele +vraagstuk in verband staan. Dàt is wel de voornaamste vraag, die zich +aan elken onderzoeker dier aesthetiek zal voordoen, de voornaamste ook +die ik zag, maar niettemin het laatst te berde bracht, omdat ik wilde, +dat mijn voorafgaand betoog, mij in de oogen van, ik twijfel er niet +aan, ieder aandachtigen en onbevooroordeelden lezer het recht zou geven, +de vraag <i>of</i> deze aesthetiek verderfelijk is als beantwoord te +beschouwen en slechts de <i>mate</i>, waarin <span class="pagenum"><a name="p191" id="p191"></a>[p.191]</span> zij het is, nog voor +discussie vatbaar te achten. Die mate!... Ik denk hier aan Francesca di +Rimini in den <i>Inferno</i>. De wervelstorm, die haar meevoert en omvangt, +laat haar met den geliefde even vrij, als Dante nadert; zij spreken tot +elkander, het is een zoet oogenblik van troost voor haar, één oogenblik +van rust.... Ik denk daar nù aan, omdat het de +historisch-materialistische aesthetici zijn, die de Kunst verhinderen +het omstormde proletariaat te naderen als een <i>verademing-brengende +troost.</i> Ik denk daar nù aan, omdat zij het volk niet de kunst doen +zien, als een machtig wezen, in zijn diepste essentie staande buiten de +bewogenheid der tijden en hun wisseling, dat voor elken geluk en rust en +verademing behoevenden mensch zijn armen open spreidt, maar omdat zij, +in dwaling bevangen, haar het volk doen zien, als zèlf een macht van den +storm, die hen omslingerend jaagt. En zóó doende—en dat is het +jammerlijkste—laten zij het proletariaat het veredelende van den strijd +alleen, het schokkend genot van de overwinning, het opvoedend leed van +de nederlaag, maar ontnemen het de veredeling door de rust, de sereene +en klare, die diepe bevrediging, welke <i>zuiver</i> kunstgenot schenkt.—Het +was dan ook geen kunstmaniak, geen verslaafde l'art-pour-l'art-lettré, +die hier sprak; niet iemand, die buiten het leven staat, of wien de +nooden en behoeften van het proletariaat vreemd zouden zijn, maar juist +iemand, die door leven, werkkring en denken hen zeker even diep en innig +kent als de door hem bestredenen; maar juist iemand, die vooral ter +wille van het proletariaat, de kunst wil doen zijn, 't geen zij van +<i>nature</i> is, in <i>dezen</i> tijd, gelijk in <i>alle</i> tijden.</p> + +<p>Zoude dan voor mij: "de kunst de zin van het leven zijn," "de wereld een +ding om afgebeeld te worden"?! Neen, neen, zóó is het niet. Maar elke +mensch, die niet geheel van <i>algemeen</i> inzicht is ontbloot, het leven en +zijn broeders liefheeft en hen dienen wil, bepaalt zich er toe hen te +dienen op die wijze als <i>met zijn aanleg het natuurlijkst strookt</i>. Dan +<i>dient hij hen ook 't best</i>. De kunstenaar dus: door zonder bewuste +bijoogmerken kunst te maken, en, indien hij tevens criticus is, door +<span class="pagenum"><a name="p192" id="p192"></a>[p.192]</span> kunstwerken in hun <i>essentie</i> te doen begrijpen, niets meer. Het +wijze exclusivisme van het l'art pour l'art beteekent dan ook <i>niet</i>: de +kunst te dienen als ware zij het hoogste in het heelal en het einddoel +van menschelijk streven, maar haar zoo te beoefenen als ieder scheppend +werker zijn vak beoefenen moet: met volle toewijding aan, met volle +concentratie zijner vermogens, terwijl hij werkt en schept, op het werk +alleen; zijn aandacht zùiver houdend, opdat hij eens der wereld zijne +schepping moge geven, bijna zóó schoon als hij haar van de Natuur +ontving. Zóó verricht hij zijn werk het best en zóó dient hij <i>dus</i> 't +leven het best. Het is dan ook niet een pueriele opvatting van het +leven, gelijk die aan de de-kunst-om-de-kunst-aanhangers +caricaturiseerend-vervalschend wordt toegeschreven, maar het is juist +het zien van 't leven als een oneindigheid, het is de deemoed tegenover +het wijd-overkoepelende leven, dat hen leert zich te bepalen bij hun +werk, klein of groot, waarvoor zij voelen geboren te zijn, en als een +zijde worm, een kleine spin te zijn, die zijn draadje spant, zijn kleine +webje weeft, nièts meer, dàt is genoeg ... en daarbij, zoo hun ook dat +veroorloofd wordt, diep-tevreden, die als voltooiende gedachte te +denken, die heerlijke zekerheid te voelen al hunne strevingen kronen: +niet ik, zwakkeling, maar een Ander, zal eens, liefdevol, ook met mìjn +web Menschheid's wonden stelpen, de Meesterwever ook mìjn draad in +Menschheid's bruidskleed weven.... Wat zouden zij meer kunnen wenschen +dan dat geluk?...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Keeren wij nu nog èven na deze korte toelichting van het schijnbaar +enge, maar inderdaad zeer ruime principe der m.i. meest inzichtsvolle, +burgerlijke literaire aesthetiek, tot de diametraal daaraan +tegenovergestelde, ons eigenlijk onderwerp, terug. Vestigen wij nog +kortelijk op een andere, ontwijfelbaar ook gewichtige, zijde van het +vraagstuk de aandacht. De waardeloosheid en de schadelijkheid der +marxistisch-aesthetische begrippen voor de literaire critiek werd +uitvoerig in dit opstel aan het werk der meest beteekenende aanhangers +dier <span class="pagenum"><a name="p193" id="p193"></a>[p.193]</span> begrippen, in ons land, aangetoond. Mij dunkt, dat men, na +dàt gezien te hebben, het recht heeft te vragen: wàt zullen de mindere +goden wel produceeren, als zij volgens deze methode gaan werken? En dat +zullen zij! Want juist voor dezulken, die uit zich-zelf nièts over kunst +kunnen voelen of denken, opent zij de welkome gelegenheid, om meters +druks te vervaardigen over het <i>bijkomstige</i> in een kunstwerk, <i>het +eenige waar zij bij kunnen</i>, en dat niets ter zake doet! En daar ligt +een tweede, een waarlijk niet te onderschatten gevaar van het stelsel. +Dat gevaar, men begrijpe mij wel, ligt dus volstrekt niet daarin, dat +deze critici de bas étage, deze phrasen-kooplui uit de literaire +voddenkelders tendentieus zouden worden! Och neen, werden zij 't maar! +Tendentieus zijn in den zin, waarin ik 't thans bedoel, gepossedeerd +zijn door 't een of ander naar een hoog ideaal gericht streven, dat is +toch après tout iets van een <i>voornamen</i> geest.... En zij en een +voorname geest!... Dàt zou 'n áárdige vooruitgang voor hen zijn, komaan! +Ik heb eens hun, al zeg ik 't zelf, welgelijkend portret geteekend. +Daardoor, gelukkig! behoef ik het thans niet meer te doen. Ik heb toen +<i>aangetoond</i> wat zij zijn en niet zijn. Maar wel beschouwd wàs voorheen +iets dergelijks overbodig. Tot nu toe werd toch eigenlijk niemand hun +dupe. Ten slotte voelde ook het botste publiek de phrase, het idiote +volmaakt-niet-begrijpen in hun geschrijf. Want tusschen den waren, den +kunstenaar-criticus, den eenige, die literaire critiek mag beoefenen, +omdat alleen hij 't is, die <i>intuïtief</i> een kunstwerk doorvoelen kan, en +deze phraseurs was er een tè enorm verschil. Maar zoodra deze +kunstenaar-critici zelf gaan doen alsof het literair-critisch doorvoelen +toch eigenlijk meer een wetenschap dan een kunst is en minstens evenzeer +een aanleerbare vaardigheid als een gave, dan ... ja, dan zullen er +zooveel voddenkelders, zooveel broodwinningnerinkjes, zooveel muffe en +duffe winkelhuizen vol walmende petroleumlampen en kleverige rollen drop +en vliegenpapier voor de smoezelige ruiten verrijzen, een klit van +voetklemmende en gordelende parasieten, rondom—o heiligschennis!—de +kerken en <span class="pagenum"><a name="p194" id="p194"></a>[p.194]</span> paleizen der literatuur, dat de latere dichters, de +latere schoonheidsbegeerigen zich niet zullen kùnnen neerzetten aan hun +voet, om zich vredig en niet-gestoord weg te denken in 't leed, in de +vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie hen schiepen, +tenzij dan dat er een opsta onder hen, die mokerend heel dien +achterstegen-bouw weer tot puin verbrijzelt.</p> + +<p>Aug.—Sept. 1913.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h4>VERTALINGEN BEHOOREND BIJ "HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITTERAIRE KRITIEK"</h4> +<p><span class="pagenum"><a name="p195" id="p195"></a>[p.195]</span></p> + +<p>Blz. <a href="#p101">101</a> <i>Mestra</i>:</p> + +<p>Dochter van den koning Erisychtheion. Men zie de <i>Metamorphosen</i> van +Ovidius Naso.</p> + +<p>Blz. <a href="#p123">123</a> <i>There are</i>:</p> + +<p>Er zijn veel dichters, die nimmer hebben geschreven.</p> + +<p>Blz. <a href="#p137">137</a> <i>Then from</i>:</p> + +<p>"Toen uit de spelonken van mijn droeve jeugd ik sprong," enz.</p> + +<p>Blz. <a href="#p148">148</a> <i>C'est le pardon</i>:</p> + +<p>Het is de vergiffenis om der wille van de glorie.</p> + +<p>Blz. <a href="#p149">149</a> <i>Je me suis montré</i>:</p> + +<p>Ik heb mijzelf getoond, gelijk ik werkelijk was, verachtelijk en laag, +wanneer ik zoo ben geweest; goed, grootmoedig, indien ik aldus was. Ik +heb mijn innerlijk ontsluierd, zóó als gij zelf het hebt gezien, Eeuwig +Wezen. Vergader rondom mij de ontelbare menigte mijner medemenschen; dat +zij luisteren naar mijne bekentenissen, zuchten over mijne laagheden, +blozen over mijn ellende. Dat elk hunner op zijn beurt en in dezelfde +oprechtheid zijn hart uitstorte aan den voet van uw troon, en dat dáárna +één enkele het wage te zeggen: <i>Ik was beter dan deze</i>.</p> + +<p>Blz. <a href="#p149">149</a> <i>à tout prendre</i>:</p> + +<p>Alles bij elkaar genomen, ben ik een uiterst goed mensch.</p> + +<p>Blz. <a href="#p156">156</a> <i>L'Année suivante</i>:</p> + +<p>Het volgend jaar, 1750, toen ik heelemaal niet meer aan mijn +verhandeling dacht, vernam ik, dat zij te Dyon bekroond was. <i>Deze +tijding deed al de denkbeelden, die mij bij het schrijven hadden +vervuld, opnieuw ontwaken en bezielde hen met nieuwe kracht....</i></p> + +<p>Blz. <a href="#p156">156</a> <i>Tandis que je philosophois</i>:</p> + +<p>Terwijl ik aldus philosopheerde over de plichten van den mensch, dwong +een gebeurtenis mij beter na te denken over mijne eigene. Thérèse werd +voor de derde maal zwanger. Te oprecht tegenover mij-zelf en innerlijk +te fier om mijne principes <span class="pagenum"><a name="p196" id="p196"></a>[p.196]</span> in mijn daden te verloochenen, zette +ik mij er ernstig toe, over het lot mijner kinderen na te denken.</p> + +<p>Blz. <a href="#p157">157</a> <i>D'ailleurs les principes élévés</i>:</p> + +<p>Bovendien moesten mij wel de hooge principes, die ik mij had eigen +gemaakt, boven dergelijke laagheden verheven doen zijn, en het is dan +ook zeker, dat ik dat sedert dien gewoonlijk wel geweest ben. Maar dit +vond toch niet zoozeer zijn oorzaak daarin dat ik de verleiding zou +hebben overwonnen, maar veeleer in het feit, dat ik de oorzaak der +verleiding vermeed en ik zou zeer bevreesd zijn evenzoo te stelen als in +mijn kindschheid, zoo ik weer aan dezelfde begeerten onderworpen werd. +<i>Het bewijs daarvan had ik ten huize van den heer de Mably</i>.</p> + +<p>Blz. <a href="#p159">159</a> <i>Il faut que</i>:</p> + +<p>Mij moet wel trots de meest eerbare opvoeding een sterke neiging tot +ontaarden eigen zijn geweest, want dat voltrok zich heel snel en zonder +eenigen innerlijken weerstand te ontmoeten, en nimmer verviel eenig +vroegrijp Cesar zoo snel tot een Laridon.</p> + +<p>Blz. <a href="#p159">159</a> <i>délire inconcevable</i> = onbegrijpelijke razernij.</p> + +<p>Blz. <a href="#p159">159</a> <i>délire</i> = razernij, delirium.</p> + +<p>Blz. <a href="#p160">160</a> <i>De tout ce que</i>:</p> + +<p>Van alles wat ik tot hiertoe gezegd heb is er in alle plaatsen, waar ik +geleefd heb, eenig spoor achtergebleven.</p> + +<p>Blz. <a href="#p161">161</a> <i>Je ne regarde</i>:</p> + +<p>De ellende en verlatenheid beschouw ik zelfs niet als de grootste +gevaren waaraan ik haar heb blootgesteld. Wie weet hoever op haren +leeftijd, de moedeloosheid der belasterde onschuld iemand brengen kan?</p> + +<p>Blz. <a href="#p161">161</a> <i>Qui sait</i>: = wie weet.</p> + +<p>Blz. <a href="#p161">161</a> <i>Moi qui ne fit</i>:</p> + +<p>Ik, die nooit iemand kwaad deed....</p> + +<p>Blz. <a href="#p163">163</a> <i>cette horreur du mal</i>:</p> + +<p>... deze afschuw van het kwaad in elken vorm, deze onmacht om iemand te +haten of te schaden en zelfs om dat te willen; deze verteedering, die +levendige en zachte bewogenheid, die ik bij den aanblik van alles, wat +deugdzaam, grootmoedig en beminnelijk is, gevoel—kan dat alles in een +en dezelfde ziel bestaan naast de verdorvenheid, die zonder eenig +gewetensbezwaar de lieflijkste der plichten met voeten treedt? Neen, ik +voel het en spreek het luide uit: dat is niet mogelijk. Nooit heeft Jean +Jacques één oogenblik van zijn leven een man zonder gevoel, zonder +erbarmen, een ontaard vader kunnen zijn. Zeer zeker heb ik mij kunnen +vergissen, maar mij verstokken niet. Zoo ik mijne redenen zeide, ik zei +te veel. <i>Daar zij mij immers hebben kunnen verleiden zouden zij dat ook +vele anderen kunnen doen; ik wil de jongeren, die mij eens zouden kunnen +lezen, er</i> <span class="pagenum"><a name="p197" id="p197"></a>[p.197]</span> <i>niet aan blootstellen, het slachtoffer van dezelfde +dwaling te worden</i>.</p> + +<p>Blz. <a href="#p164">164</a> <i>petites bonnes gens</i> = goede luidjes.</p> + +<p>Blz. <a href="#p164">164</a> <i>grand hommes de nos jours</i> = groote mannen onzer dagen.</p> + +<p>Blz. <a href="#p164">164</a> <i>les raisons déterminantes</i> = de beslissende redenen.</p> + +<p>Blz. <a href="#p164">164</a> <i>Out of season</i> = misplaatst.</p> + +<p>Blz. <a href="#p165">165</a> <i>jeunes gens</i> = jonge lieden.</p> + +<p>Blz. <a href="#p165">165</a> <i>Enfants-Trouvés</i> = Vondelingenhuis.</p> + +<p>Blz. <a href="#p167">167</a> <i>Si jamais rêve d'un homme eveillé</i>:</p> + +<p>Zoo ooit de droom van iemand in wakenden toestand een prophetisch +visioen geleek, dan was het wel deze.</p> + +<p>Blz. <a href="#p167">167</a> <i>et ce qui m'a frappé</i>:</p> + +<p>En wat mij het meest in de herinnering aan deze mijmering heeft +getroffen, was, dat toen zij zich verwezenlijkt had, ik mij van precies +dezelfde voorwerpen omringd vond als die ik mij destijds had verbeeld.</p> + +<p>Blz. <a href="#p167">167</a> ... <i>la peur de l'enfer:</i></p> + +<p>... de vrees voor de hel maakte mij nog dikwijls opgewonden. Ik vroeg +mij af: In welken staat ben ik? Zoo ik op dit oogenblik-zelf stierf, zou +ik verdoemd worden? Ik zei tot mij zelf: Ik zal dit steentje tegen dien +boom daar vlak tegenover mij werpen, zoo ik hem raak, is dat een teeken +van heil, mis ik hem, dan beduidt het verdoeming. Aldus sprekend werp ik +mijn steentje <i>met bevende hand en terwijl mijn hart vreeselijk +klopte.... Sedert dien heb ik niet meer aan mijn zaligheid getwijfeld</i>.</p> + +<p>Blz. <a href="#p168">168</a> <i>Fontaine de Hiéron</i>: een instrumentje om goocheltoeren mee te +doen.</p> + +<p>Blz. <a href="#p170">170</a> <i>Lapidation</i>: steeniging.</p> + +<p>Blz. <a href="#p170">170</a> <i>Dans ces temps-la:</i></p> + +<p>In diezelfde tijden, waarin Rousseau Europa met klachten over zijn +kwalen bezig hield, <i>heb ik hem nooit ongesteld gezien</i>; hij stapte +voort, maakte luchtsprongen, bereikte vóór de anderen de bergtoppen en +at met zeer goeden eetlust.</p> + +<p>Blz. <a href="#p171">171</a> <i>Il partit donc</i>:</p> + +<p>Hij vertrok dan en verliet dengeen, wiens hart hij had gewonnen.</p> + +<p>Blz. <a href="#p171">171</a> <i>Lascia le donne e studia matematica</i> = Laat de vrouwen maar +met rust en bepaal je ertoe wiskunde te studeeren.</p> + +<p>Blz. <a href="#p176">176</a> <i>La manière dont elle s'est conduite</i>:</p> + +<p>De wijze, waarop zij zich na zijn dood heeft gedragen, zou voldoende +zijn elken twijfel op te heffen, indien wij ons niet reeds volkomen +zeker voelden door het eensgezinde getuigenis van allen, die Rousseau op +verschillende tijdperken zijns levens hebben bezocht. Het staat dan +vast, dat zoowel te Motiers als te Wootton en overal, waar zij haar +meester heeft gevolgd, ze, tot in zijn laatste oogenblikken, haar best +heeft gedaan, argwaan <span class="pagenum"><a name="p198" id="p198"></a>[p.198]</span> en wantrouwen in hem te verwekken en te +voeden en dat zij met het doel, met niemand zijn vertrouwen te moeten +deelen en hem aldus beter te kunnen beheerschen, allen verdacht bij hem +maakte, die in zijn nabijheid kwamen en erin slaagden, hem te behagen. +Wat moet deze vrouw, die, toen zij zich te Motiers verveelde, niets +verzuimde te doen wat er Rousseau het verblijf onverdragelijk kon maken, +wel niet gedaan hebben in de eenzaamheid van Wootton, waar haar niets +zoozeer na aan het hart moet hebben gelegen dan hem in de +noodzakelijkheid te brengen, het te verlaten. Men kan dan ook verzekerd +zijn, dat zij, om meer schijn van waarheid aan haar lasterlijke en +valsche ingevingen te verleenen, de zegels van de aan haar meester +gerichte brieven verbrak, die, dupe van dezen streek, er duizend +gevolgtrekkingen uit afleidde, de eene nog vreemder dan de andere, over +wier zonderlingheid zich echter niemand, die dit alles in aanmerking +neemt, langer verwonderen kan.</p> + +<p>Blz. <a href="#p177">177</a> <i>Hume, Mercier</i>:</p> + +<p>Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, allen, die over Rousseau hebben +geschreven, zijn 't op dit punt eens.</p> + +<p>Blz. <a href="#p179">179</a> <i>Je n'avois cherché d'abord:</i></p> + +<p>Aanvankelijk had ik niets meer beoogd dan mij een <i>amusement</i> te +verschaffen. Ik <i>merkte</i> echter, dat ik meer had gedaan en mij een +gezellin had gegeven. Een weinig omgang met dit uitmuntende meisje, een +weinig nadenken over mijn toestand, deden mij gevoelen dat ik, <i>slechts +denkend aan mijn vermaak</i>, mijn geluk had gevonden.</p> + +<p>Blz. <a href="#p179">179</a> <i>Autrefois j'avois fait</i>:</p> + +<p>Vroeger had ik van haar uitdrukkingen een woordenboek samengesteld, om +Mevrouw de Luxembourg te amuseeren, en hare kluchtige vergissingen zijn +dan ook beroemd geworden in de kringen, waarin ik heb geleefd.</p> + +<p>Blz. <a href="#p180">180</a> <i>Enfin nous nous expliquâmes</i>:</p> + +<p>Eindelijk vond er een verklaring tusschen ons plaats: schreiend bekende +zij mij een enkelen misstap, vrucht van hare onwetendheid en de sluwheid +van een verleider, tegen het einde harer kindsheid gebeurd. Zoodra ik +haar begreep, slaakte ik een vreugdekreet. Maagdelijkheid! riep ik uit, +wie zou die dan in Parijs, bij een twintigjarig meisje nog denken te +vinden!</p> + +<p>Blz. <a href="#p181">181</a> "<i>Une faute</i>":</p> + +<p>"Een vergrijp," zegt Petitain, "dat zij hem grootmoediglijk heeft +vergeven."</p> + +<p>Blz. <a href="#p182">182</a> <i>Je m'y déterminai gaillardement</i>:</p> + +<p>Luchtig-weg nam ik het besluit, en zonder het minste gewetensbezwaar; +het eenige, dat ik had te overwinnen, was dat van Thérèse, die ik al de +moeite van de wereld had, dit eenige middel, om haar eer te redden +(sic!) te doen aanvaarden. <span class="pagenum"><a name="p199" id="p199"></a>[p.199]</span> Het volgend jaar dezelfde zwarigheid +en dezelfde uitweg, slechts vergaten wij ditmaal een naamcijfer aan de +kleertjes te hechten. (Met behulp van zulk een naamcijfer kon men dan +later, als een kind door de ouders werd opgeëischt, dit onder de menigte +der in de vondelingenhuizen verpleegden terugvinden, v.C.) Overigens +niet meer nagedachten mijnerzijds <i>noch goedkeuring</i> van den kant der +moeder: <i>kermend gehoorzaamde zij.</i></p> + +<p>Blz. <a href="#p186">186</a> <i>Refroidissement dans Thérèse</i> = Verkoeling in Thérèse.</p> + +<p>Blz. <a href="#p186">186</a> "<i>une cerbère odieuse</i>" = een afschuwelijke Cerberus.</p> + +<p>Blz. <a href="#p188">188</a> <i>Ingrat</i>: ondankbaar.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>II. DIDACTISCH</h3> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h3>VOORWOORD</h3> +<p><span class="pagenum"><a name="p203" id="p203"></a>[p.203]</span></p> + +<p>Het woord <i>didactisch</i>, vóór dit gedeelte van den bundel geplaatst, moge +veel van aard en bedoeling der navolgende opstellen benevens de +uitvoerigheid der daarin voorkomende analysen en de lengte der citaten +verklaren—zekere eigenaardigheden van stijl en inhoud: de gemeenzame +toon en de, feitelijk buiten het gebied der literatuurcritiek liggende, +min of meer moraliseerende uitweidingen, eischen, dunkt mij, willen zij +niet ontstemmend op een algemeen lezerspubliek werken, nog korte +toelichting. Deze opstellen, op een enkele uitzondering na, werden +geschreven voor en verschenen in <i>Het Jonge Leven</i>, het onder redactie +van den heer Henri Polak staande <i>ontwikkelingsblad</i> van den A.N.D.B. +Houdt de lezer dit in het oog, dan zal hij zich nu ongetwijfeld zoowel +de aanwezigheid der bovengenoemde lichtelijk moraliseerende gedeelten +kunnen verklaren—immers tot mijn lezerspubliek behoorden ook <i>zeer +jonge lieden</i>, wien mijn gevoel mij drong het eene, dat zij al evenzeer +van noode hebben als het andere, niet te onthouden, terwijl ik hun dat +andere gaf—als den, hier en daar heerschenden, gemeenzamen toon, dien +ik mij zeker niet zou hebben veroorloofd tegen een algemeen publiek aan +te slaan, gesteld al, dat ik daartoe neiging zou hebben gevoeld, 't geen +niet waarschijnlijk is. Hoe geheel anders echter lag hier het geval! +Zelden heb ik bij het schrijven dezer opstellen het gevoel gemist, voor +een <i>vriendenkring</i> te schrijven, en allerminst toen ik de zekerheid +kreeg, dat de <i>ouderen vooral</i> <span class="pagenum"><a name="p204" id="p204"></a>[p.204]</span> mijne artikelen met genegenheid +en aandacht lazen, een omstandigheid die mij bevestigde in de +overtuiging, dat zij ook buiten de grenzen van den A.N.D.B. een invloed +konden uitoefenen, die het doorvoelen en begrijpen van literatuur in ons +land, ten goede komen kan. En moge menigeen glimlachen bij de gedachte, +dat deze "vriendenkring" van lezers zeker wel niet onder de +twintigduizend menschen tellen zal, niet hij die de eensgezindheid in +den A.N.D.B. kent, de georganiseerde verwerkelijking van het zoo +moeilijk te verwezenlijken "Een voor allen en allen voor een", de +onderlinge trouw en het ver boven materieel winstbejag uitgaande gevoel +van saamhoorigheid; niet hij, die wel eens een "Bondsvergadering" heeft +bijgewoond, waar al die duizenden wel elkaar schenen te kennen, en als +vrienden zoo gemoedelijk-intiem, voor de opening der bijeenkomst in +rustig vertrouwen met elkander praatten; waar bij alle soms hooggestegen +verschil van meening, nooit de kalm-zekere genegenheid van de +blijmoedige gelaten verdween, nooit ook de joviale toon van hartige +volksboertigheid werd gemist, als wisten al die menschen wel, dat die +ruzietjes best en waarachtig wel als kleurige verzetjes op den effen en +diepen stroom hunner eensgezindheid mochten drijven en wat rook en roet +uitpuffen ook, wel ja—wat hinderde dat die breede en klare rivier! Hoe +vaak heb ik daar blijde van de naar het podium in den lichtglans +omhooggeheven gezichten gelezen die wellicht soms nauwelijks bewust maar +enorm sterk werkende zekerheid, hier schouder aan schouder met vrienden +en niets dan vrienden te staan, hier veilig te staan in éénheid en door +noest werken veroverde macht, hier heerlijk de menschen-waarde van +zich-zelf en zijn lotgenooten te voelen, herwonnen op broodnijd, plat en +bruut individualisme en concurrentie-haat.—Welnu, dit alles bedenkend, +zal, vertrouw ik, de lezer zich door het gemeenzame in den toon der hier +navolgende opstellen niet gekwetst voelen niet alleen, maar ook, +begrijpend, hoe het voortsproot bij den schrijver niet uit een zich +hooger voelen, doch uit een diepe en innige genegenheid, 't billijken, +dat hij uit piëteit voor eigen gevoel—de <span class="pagenum"><a name="p205" id="p205"></a>[p.205]</span> eerste plicht eens +schrijvers!—het liet zoo het was.</p> + +<p>Is hiermede mijn inlichtend woord tot den lezer van dit deel van den +bundel geëindigd, de overtuiging, dat "wie aan den weg timmert veel ... +bekijks heeft" legt mij de verplichting op, hier nadrukkelijk het +volgende te verklaren: zoo dit mijn werk een blijvend nut zal blijken te +hebben gebracht; zoo er harten door zijn opengebloeid in liefde tot het +schoone, geesten erdoor gebracht zijn tot het begrijpen en doorvoelen +van kunst, dan prijze men hen vooral, die de gelegenheid ertoe schiepen: +het Bestuur van den A.N.D.B. en in de allereerste plaats zijn +voorzitter, den Redacteur van <i>Het Jonge Leven</i>, mijn waarden en +geëerden vriend Polak, die door de ruime en hooge opvatting van zijn +taak, het rijke genot, voor mij aan mijn arbeid verbonden, zéér heeft +verhoogd en dus niet weinig tot het welslagen zal hebben bijgedragen; +doch zoo het mocht blijken te hebben gefaald, dan prijze men hen niet +minder, maar <i>lake uitsluitend mij</i>, die in volkomen onafhankelijkheid +schrijvend wat ik wilde, een van de kostbaarste gelegenheden, zij het +met de beste bedoelingen, zou hebben misbruikt.</p> + +<p>Maart 1914. DE SCHRIJVER</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p><span class="pagenum"><a name="p206" id="p206"></a>[p.206]</span></p> +<h2>HOE LITERAIRE KUNST GELEZEN EN GENOTEN MOET WORDEN</h2> +<p><a name="FNanchor_1_83" id="FNanchor_1_83"></a><a href="#Footnote_1_83" class="fnanchor">[1]</a></p> + +<p>Ik wil nu met u spreken over literatuur, haar wezen, haar verhouding tot +eenige andere grootmachten van het geestelijk leven, het geluk en de +veredeling, die zij geeft en hoe deze in u komen kunnen. Wat ik daardoor +wellicht vermag, is: u haar te doen begrijpen met uw <i>verstand</i>. Het +geluk en de veredeling, waarvan ik sprak, zult ge echter niet deelachtig +worden voor gij haar zult begrepen hebben met uw <i>gevoel</i>. Is dat +gebeurd—tegelijkertijd zijn zij in u. En gij zult een rijkdom, een +troost, een toevlucht bezitten, wier weelde, wier innigheid, wier +beveiliging aan niets geleken kan worden, dat ge vóór dien bezat. Maar +ook het eerstgenoemd begrijpen is geen geringe winste, en zal voor +sommigen uwer allicht het middel blijken te zijn, het laatstgenoemde te +bereiken. Veel zal afhangen van uw aanleg, uw ernst, uw wil, uw al of +niet inzien van de waarheid, dat op dat hooger levensplan, waarop wij +allen toch wenschen, dat ge eens zult staan, dit begrijpen noodig is als +bróód, als wèrk. De bibliotheek-statistiek van onzen Bond is niet +bemoedigend. Ware die de steunstaf van mijn hoop, zij deed beter met +niet op weg te tijgen; zinnelijkheid en lust tot grof +romannetjes-geprikkel, verlangen naar verhit "geboeid"-zijn, deze, leert +die statistiek, zitten bij de massa uwer voor, zijn haar raadgevers bij +het boeken-kiezen. Maar mijn hoop <span class="pagenum"><a name="p207" id="p207"></a>[p.207]</span> leunt op een anderen staf: de +adeldom van uw strijd, de worsteling uwer klasse. Die strijd is ook de +groote Drijver, die u drijft. Zelf edel, stoot hij u het edele van het +leven tegemoet. Hij de hijgend zwoegende, bezweet en zwart, worstelt uw +massa òp de hooge wegen, waar de blanke, lichte gedaanten staan: +Wetenschap, Kunst, Vrijheid. Gij moogt weerstaan of niet, hij stóót u +op. En telkens gaat zijn vorschersblik omhoog en zwaar ademend berekent +hij den afstand, de terugwenteling stuitend op zijn reuzenborst; dan +ziet hij weer naar ons, de medehoeders, mede-werkers, die in spanning +wachten of zij mogen helpen.... Soms mogen wij dan, een enkel maal +kunnen we.... Dit stuk wil zulk een hulp zijn.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Begin met dit goed te begrijpen: een voorwerp is altijd min of meer voor +<i>eenige</i> doeleinden geschikt. Al naar uw inzicht, oogenblikkelijke +behoefte, of door noodzakelijkheid gedreven, zult ge 't voor een dier +doeleinden gebruiken, maar afgezien van waarvoor gij 't gebruikt zal het +<i>uit zijn eigen aard</i> voor een of eenige van die verschillende +doeleinden <i>het meest</i> geschikt zijn. En luister nu goed: wendt ge 't +aan, waartoe 't <i>het meest</i> geschikt is, dan <i>ge</i>bruikt ge 't, wendt ge +'t echter voor iets anders aan, dan <i>mis</i>bruikt ge 't. Ten overvloede, +zoo ik meen, zal ik u dit met een concreet voorbeeld verduidelijken: een +tafel, niet waar, kunt ge als tafel, maar ook als stoel, maar ook als +brandhout gebruiken! Behoef ik U nu te zeggen, dat ge hem alleen als +tafel gebruiken, als stoel of als brandhout slechts misbruiken kunt?! +Zoo is 't op stoffelijk, maar zóó ook op geestelijk gebied. Nemen we nu +ook een concreet voorbeeld op geestelijk gebied en kiezen we daartoe een +roman, <i>welke tevens een literair kunstwerk is</i>, Zoo'n roman dan is een +geschiedenis van zekere menschen. Die menschen, die natuurlijk ook +spreken in dien roman, verkondigen meeningen; het blijkt u, dat ge 't +eens zijt met die meeningen, of dat ge 't oneens zijt, ja, ze zelfs +verfoeit! Verder: de toestand, waarin de menschen in dien roman +verkeeren, schijnt u te pleiten vóór uwe overtuiging of +levensbeschouwing, <span class="pagenum"><a name="p208" id="p208"></a>[p.208]</span> of wel daartégen; of: er worden door die +roman-menschen sexueele handelingen gepleegd, waarvan het meer of minder +uitvoerig relaas ùwe zinnelijkheid prikkelt. Waartoe moet die roman, die +dit alles doet, vertelt en bevat, <i>maar ook een kunstwerk is</i>, u nu +dienen? Moet ge blij zijn, omdat die roman-menschen meeningen +verkondigen, die met de uwe strooken, of treurig zijn om het tegendeel? +Moet ge verheugd zijn, omdat de toestand, waarin die roman-menschen +verkeeren, vóór uw levensbeschouwing pleit, of verdrietig en toornig, +wijl hij ertegen schijnt te bewijzen? Moet ge door 't relaas der +sexueele handelingen uwe zinnelijkheid làten prikkelen? <i>Of wel, moet ge +dien roman als</i> <span class="spat">kunstwerk</span> <i>op u laten inwerken</i> en dus ervan hebben: +dat hooge geestelijke genot, die veredeling, die vèr van kleine +blijdschap, vèr van toorn, vèr van verdrietelijkheid, vèr van +innerlijken strijd zijn: een zoete effenheid, toch niet zóó effen of zij +rimpelt heuveltjes van glinsterende verrukking op, als een deinend water +onder zonlicht?</p> + +<p>Behoef ik U nog wel te zeggen, dat die roman, <i>die een kunstwerk is, het +meest uit eigen aard</i> geschikt is, om <i>als kunstwerk</i> te worden genoten +en dat ge hem dus <i>mis</i>bruikt en niet <i>ge</i>bruikt, zoo ge iets anders er +mee doet! En hoedt u voor misbruik van geestelijken rijkdom! Ge kent wel +het begin der schade, maar het verre einde niet: de algeheele verwarring +van denkbeelden, het ongemerkt-langzaam maar zeker verergerend gebrek +aan onderscheidingsvermogen, de verstomping en verblinding van het +verstand en het gevoel door eenzijdige ontwikkeling. Misbruik is +verspilling, en een opkomende en worstelende klasse heeft niets, geen +splinter zelfs, te verspillen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>"Maar," vraagt ge nu, "hoe bereiken we dit, zulk een roman als kunstwerk +te genieten. Wij erkennen, we voelen ons verheugd als het verhaal en de +toestand der menschen in het verhaal vóór onze levensbeschouwing, vóór +onze politieke inzichten, vóór de juistheid van ons geloof of ongeloof +pleiten, <span class="pagenum"><a name="p209" id="p209"></a>[p.209]</span> toornig en verdrietig vaak bij het tegenovergestelde. +Ja, wij erkennen, dat er onder ons menigeen is, die leest, om zijn +zinnelijkheid te prikkelen. Zeg gij ons nu hoe we dit alles vermijden +kunnen en hoe we kunnen geraken tot dat hooge genot, dat gij bedoelt. +Want als gij zegt, dat deze onze blijdschap en onze toorn, dit ons leed +en ons verdriet niets met kunstgenot te maken hebben, ja, dat we dit +laatste zelfs kunnen hebben van een kunstwerk, welks geheele inhoud +lijnrecht tegen onze inzichten schijnt in te druischen, dan begrijpen +wij zelfs niet wàt kunstgenot is."</p> + +<p>Welnu, ik verlang niets liever dan u dit alles duidelijk uiteen te +zetten. Juist met die bedoeling heb ik mij nu aan het werk gezet. En +indien ge maar welwillend en met volle aandacht naar mij luisteren wilt, +dan kàn ik 't ook. Want ik zeg niet quasi-bescheiden, dat ik 't méén te +weten, maar ik zeg stellig en vast, omdat ik 't aldus vòèl, dat ik 't +onwrikbaar zeker weet. Gij zult ook later inzien, dat de meening van +velen voor wie gij hoogen eerbied hebt en die dien eerbied ten volle +verdienen, met de mijne in strijd is. Maar daarom moogt ge nù niet aan +mij twijfelen, doch daar ik uw raadsman ben, aannemen wat ik zeg, tot +ge-zelf oordeelen kunt tusschen hen en mij. Bij eenigen uwer, begaafden, +zullen mijn woorden als een voleindende verheldering zijn. Zij zullen +plotseling veel in hun eigen voelen begrijpen, wat hun verstand tot nu +toe niet verklaren kon. Dezen hebben met hun gevoel begrepen, vóór zij +'t met hun intellect konden doen. Bij de anderen zal mijn betoog echter, +gelijk reeds werd gezegd, slechts een begrijpen-met-het-verstand +veroorzaken, vóór ook dezen zich-zelf tot een begrijpen-met-het-gevoel +zullen gebracht hebben, zullen zij niet mogen oordeelen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Zie eerst het onderscheid tusschen wetenschap en kunst: Wetenschap is: +het onderzoekende, betoogende en bewijzende. Kunst is: het +intuïtief-ontvangende en het in-schoonheid-en-blijdschap-herscheppende. +<i>Vraag daarom aan de kunst geen</i> <span class="pagenum"><a name="p210" id="p210"></a>[p.210]</span> <i>onderzoek, geen betoog en geen +bewijs. Vraag haar schoonheid en afspiegeling van scheppingsvreugde +alleen</i>.</p> + +<p>Wetenschap is het keurende, schiftende, scheidende. Kunst echter is het +alles-omvattende. <i>Verwonder u daarom niet, dat</i> <span class="spat">alles</span> <i>wat bestaat in +haar verheerlijking wordt opgenomen</i>. Wat bestaat in de stoffelijke en +wat bestaat in haar eigen verbeeldingswereld. Zij herschept en +verheerlijkt—want dit is één voor haar—zoowel het kleine leven der +dieren. (<i>Maeterlinck</i>) als het supreme leven der onstoffelijke werelden +(<i>Dante</i>). Zij herschept en verheerlijkt een rottend lijk (<i>Velasquez</i>) +zoowel als het heerlijkst ontbloeien van jong leven (<i>Herman Gorter: +Mei</i>, bijv. en ontelbare Anderen.) Zij herschept en verheerlijkt de +diepste afgronden van het misdadige en zinnelijke denk-voelen (<i>Les +Chants de Maldoror</i>) zoowel als het tegelijkertijd heerlijke en +smartvolle zich verliezen in een ander, wat een zeer liefdevolle en +hooggestegene bereikt heeft (<i>Epipsychidion</i> van <i>Shelley</i>). Gij ziet, +ik bewéér niet, dat zij dit alles doet, maar ik bewijs het u. Wat is +haar dan "onderwerp," wat zijn haar "meeningen" en "overtuigingen"! En +wat mogen zij u dan zijn, terwijl gij tot haar komt, gij, die haar wilt +genieten! Zij herschept het alles in vreugde en die vreugde is om hare +eigen scheppingskracht. <i>Die vreugde te hergenieten, dat is het +kunstgenot</i>. Ik zal u ook van deze stelling, voor zoover dat kan, een +verduidelijkend voorbeeld geven: In een vriendenkring, waartoe ik +behoorde, las een voor uit Gorter's <i>Mei</i>—Balders afscheid van Mei.—De +voorlezer was zoo door aandoening overmand, dat over zijn gelaat die +eigenaardige huiveringen bleekten en om zijn lippen die glimlach van +opperst en edel geluk was, welke aan de gelaatsuitdrukkingen van de +Verklaarden der middeleeuwen, in religieuse extase, doen denken. Toen +hij geëindigd had en vrijwel uitgeput en zwaar uitademend met gebogen +hoofd voor zich staarde, de edele glimlach tot een trek van +moeheid-door-geluk vervaagd, zei een der vrienden tot hem: "Jij had den +glimlach van het genie van den maker op je gezicht." En zoo was 't ook: +hij had 't opperst kunstgeluk gehad. Want, nog eens: Het opperst geluk, +door kunst te <span class="pagenum"><a name="p211" id="p211"></a>[p.211]</span> verkrijgen, is: <i>het hervoelen van de verrukking, +die de schepper van het kunstwerk bij het scheppen had</i>.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Noodwendig moet nu echter, na dit alles te hebben gelezen, een twijfel +in u ontstaan. "Kunst verheerlijkt dus wat zij herschept," zoo zult ge +vragen, "kunst maakt dus mooier wat zij ziet, zij siert dus op, wat is +dat anders dan de dingen leugenachtig voorstellen?! Trouwens, zij moet +wel alles in een begoocheling zien, hoe kan zij anders, een rottend lijk +afbeeldend, een schoon kunstwerk maken!"</p> + +<p>Dien twijfel zal ik nu van u wegnemen: Het zien der kunst ont-dekt de +hoogste door menschen te doorvoelen waarheid, maar ùw zien stelt u de +dingen leugenachtig voor. Gij ziet ze oppervlakkig, kent ze niet in hun +èchte, dièpe wezen, noch in hun samenhang met het andere; de kunst +echter ziet ze in hun menschelijk-erkenbaar diepste wezen, kent ze bij +intuïtie tot in dièn grond van hun aard èn in hun samenhang met het +andere.<a name="FNanchor_2_84" id="FNanchor_2_84"></a><a href="#Footnote_2_84" class="fnanchor">[2]</a> <i>En overal, waar die diepste aard van een ding gekend en +allernauwkeurigst weergegeven wordt, is die</i> <span class="spat">weergave</span> <i>en de</i> <span class="spat">daad</span> +<i>van het</i> <span class="spat">weergeven</span>: <i>Schoonheid. En die schoonheid is de +verheerlijking</i>.</p> + +<p>Weer een voorbeeld: waarom zijt gij, die dit leest, zoo vaak +gedachteloos en zonder iets te voelen door uchtend- of avondschemering +gegaan en waarom zijt ge dan zoo verrukt en voelt zoo vreemde raadsels +in háár èn in u-zèlf, als een kunstenaar ze heeft herschapen? Omdat die +kunstenaar haar diepste essentie heeft doorvoeld en dat diepe wezen +heeft afgebeeld. Heeft hij die avondschemering nu vermooid en opgesierd? +Neen, neen, dan zoudt gij die beelding als een leugen voelen. Maar +integendeel, gij voelt, dat u nu eerst de oogen opengaan, dat ge pas nù +de wáárheid ziet. En ge bekent u-zelf, <span class="pagenum"><a name="p212" id="p212"></a>[p.212]</span> dat hij haar heeft +gegeven, zooals zij wèrkelijk was, gij echter slechts, om eens zoo te +spreken, haar altijd aan 'r oppervlakte hadt gezien en dus niet, zooals +zij wèrkelijk was.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>"Maar," zoo zult ge nu vragen, "als dit alles zoo is, waarom komt het +dan zoo dikwijls voor, dat één kunstenaar zich, bijvoorbeeld, +uitsluitend aangetrokken voelt tot het afbeelden van bloemen, 'n ander +tot het afbeelden van menschen, een derde weer zich alleen tot dieren +bepaalt. Hun moest toch alles even lief zijn, daar zij van alles, het +eigen, diepe wezen eens ontdekt, een kunstwerk scheppen kunnen? Maar dit +niet alleen: als deze kunstenaar zich dus al afwendt van het eene en die +van 't andere, hoe kunnen wij, niet-kunstenaars, dan in alles de +schoonheid zien en de blijdschap erom voelen?!" En ziehier mijn +antwoord: de gewoon-menschelijke neigingen van den kunstenaar, de graad +van ontwikkeling zijner psychische gaven zullen bepalen, dat voor het +verborgen, eigen, diepe wezen van het eene ding zijn oogen geopend, voor +dat van een ander ding zijn oogen gesloten zullen zijn, dit laatste zal +hij dus niet in kunst kunnen herscheppen. Met u is het echter anders +gesteld: van u wordt niet geëischt, dat gij de omhulde diepte van de +dingen in de natuur <i>ont</i>hullen zult. Van u wordt slechts geëischt, dat +gij dat diepe wezen zien zult <i>zooals het, reeds door den kunstenaar +onthuld, in een kunstwerk voor u staat</i>.</p> + +<p>Indien een kunstenaar niet tot het kernwezen van bijv. menschen kan +doordringen, dan beteekent dit, dat de uiterlijke verschijningsvorm van +die menschen iets in zich heeft, wat hèm dat belet. Indien gij echter +een <i>kunst</i>afbeelding van menschen voor u krijgt, dan kan er in den +uiterlijken verschijningsvorm van die menschen niets zijn, dat U dit +belet, om de eenvoudige reden, dat—er geen alleen-uiterlijke +verschijningsvorm meer is en de innerlijke met volle openbaring van +kernwezen daarvoor in de plaats is getreden!</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p213" id="p213"></a>[p.213]</span> Zoo meen ik u dus, voor zoover het mij in dit korte bestek +mogelijk was, te hebben aangetoond: het wezen van kunst; de aanwezigheid +van scheppingsvreugde bij het scheppen van een kunstwerk; dat het +hoogste kunstgenot het hervoelen van die scheppingsvreugde en het +beschouwen van de scheppingsdaad in haar bewegingen is; dat men daartoe +komt door de hooge waarheid van een kunstwerk in te zien; dat de +heerlijkheid en schoonheid van iets in kunst gebeeld, bestaan uit de +allernauwkeurigste, innigst-ware weergave van het meest eigene, diepe +van dat iets. Hiermede heb ik de hoofdzaken gerecapituleerd. Maar nog +niet heb ik u duidelijk genoeg gezegd, hoe ge u zelf opvoeden en +op-leiden kunt tot dat zóó-zien van een kunstwerk, tot dat zóó-hervoelen +der scheppingsvreugde. En dit zal ik nu doen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Er is zeer veel overeenkomst tusschen een kunstenaar en den waarlijk +genietenden beschouwer van een kunstwerk: de kunstenaar beschouwt, +doorgrondt, herschept en voelt vreugde en evenzeer de +waarlijk-genietende beschouwer, ziet, doorgrondt, erkent ten slotte als +waar en voelt vreugde. Waar de wegen dus zoo parallel loopen en ten +slotte zelfs eindigen in hetzelfde punt, zal het ongetwijfeld groot nut +hebben, zoo we nauwkeurig en van nabij den weg van den kunstenaar +bezien. Ten eerste dus: hoe geraakt een kunstenaar ertoe den diepsten +aard van een wezen te zien? Door op dien tijd zich-zelf af te sluiten +voor het weten der begrippen, waarin de wetenschap: ethica, politieke +economie, enz. enz. haar waardebepaling van dat wezen heeft neergelegd. +Hij moet dieper zien dan de ethica, de politieke economie, enz. enz., +hij moet de opperste, innigste, onvervreemdbaar-eigen waarde van dat +wezen zien, en de waarde-bepalingen van de ethica, de politieke +economie, enz. enz. kunnen hem slechts misleiden en verblinden. Hoe zou +zich die misleiding en verblinding, in hem, uiten? Hij zou zich afkeerig +of bewonderend, toornig of welwillend voelen. Dus niet onpartijdig en +objectief. <span class="pagenum"><a name="p214" id="p214"></a>[p.214]</span> En hij moet wèl objectief zijn.<a name="FNanchor_3_85" id="FNanchor_3_85"></a><a href="#Footnote_3_85" class="fnanchor">[3]</a> Ten tweede: wat +gebeurt er nu in hem, terwijl hij door objectief aanschouwen den +waarlijk-eigen aard van een wezen of ding erkend heeft? De drang +ontstaat in hem, om alles wat hij gezien heeft, te herscheppen. Terwijl +hij dit doet en, al doend, voelt te zullen slagen, is er een zeer hooge +en groote vreugde in hem, èn om de schoonheid van zijn erkennen èn om +die zijner macht, dat wat hij erkend heeft te herscheppen. <i>Het zijn +deze: de schoonheid van des kunstenaars erkennings- en +herscheppingsvermogen, en zijn vreugde daarover, die de eigenlijke +schoonheid van de bovengenoemde "allernauwkeurigste, innigst-ware +weergave" zijn en dus levens, nu ten diepsten grond gepeild, de eenige +waarachtige schoonheid van een kunstwerk uitmaken.</i><a name="FNanchor_4_86" id="FNanchor_4_86"></a><a href="#Footnote_4_86" class="fnanchor">[4]</a></p> + +<p>Doet een kunstenaar dit willekeurig: zich-zelf sluiten voor al wat niet +is het doorvoelen van den eigen, diepsten aard van een wezen of ding? +Neen, dit is hem aangeboren, hij moèt dit doen. Het is hem aangeboren +alles te vergeten voor dit eene, terwijl hij aanschouwt en herschept. +Een opperst concentratievermogen van het denk-voelen wordt hier +vereischt. Zoo ergens, dan is hier het woord waar: "Niemand kan twee +heeren dienen." Geen mensch kan schrijven om den roem, geen om het geld, +geen om te hervormen en tegelijkertijd een kunstwerk scheppen. Alleen, +wanneer hij op het objectief aanschouwen van den diepsten, eigen aard +van een wezen of ding zijn geheele denk-voelen concentreert, kan hij 't. +En omdat dit concentratievermogen zoo uiterst sterk moet zijn, kan +niemand het door den wil verwerven, maar het moet van zelf aanwezig zijn +en integendeel den wil beheerschen. Dan is men kunstenaar.</p> + +<p><i>L'art pour l'art—De kunst om de kunst, d.w.z., dat de kunst +uitsluitend om haar-zelfs wille en zonder eenige bijgedachte of eenig +bijoogmerk gediend moet worden, is daarom een volmaakt juiste stelling</i>.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p><span class="pagenum"><a name="p215" id="p215"></a>[p.215]</span> Hoe moet gij nu, leerend uit het bovenstaande, handelen, om de +schoonheid van een kunstwerk te zien en de vreugde van zijn maker te +hervoelen?</p> + +<p>Gij moet, gelijk hij, u-zelf sluiten voor alle die begrippen, waarvoor +hij zich sluit.</p> + +<p>Waarom kunt gij dit <i>willekeurig</i>, terwijl hij dat toch niet kan? Omdat +er een ontzaglijk groot verschil is tusschen de benoodigde sterkte van +uw concentratievermogen en die van het zijne. Het zijne moet sterk +genoeg zijn, om door de misleidende omhulling, tot de kern van het te +herscheppen wezen of ding door te dringen. Voor het uwe biedt die kern, +door hèm onthuld, open en bloot zich aan. Het uwe volstaat dus met van +slechts zoo zwakken aard te zijn, dat het zich door ieder normaal mensch +willekeurig door oefening laat verwerven.</p> + +<p>Wat moet gij dus, nu in bijzonderheden herhaald, <i>laten</i>?</p> + +<p>Gij moet, bij het zien van een kunstwerk, <i>nalaten</i> eraan te denken, wat +de zedeleer van den inhoud der voorstelling zegt, wat uw politieke +opvatting ervan zegt, wat uw economische ervan zegt. Gij moet u <i>niet</i> +laten beïnvloeden door het feitelijke der voorstelling: niet toornig +gestemd, niet welwillend gestemd en niet zinnelijk worden.</p> + +<p>En wat moet gij dan <i>wel</i> doen?</p> + +<p>Gij moet u zoo volkomen mogelijk overgeven aan het denk-voelen, dat niet +dralen zal bij u op te komen, indien gij het bovenstaande slechts laat. +Wat is dit denk-voelen, in woorden uitgedrukt? Ongeveer dit: "Hoe +heerlijk waar en echt is deze voorstelling, hoe schitterend mooi en +juist heeft de kunstenaar dit gezien en weergegeven." Dan zult gij de +hooge vreugde hervoelen, die ook hij gevoeld heeft. En gij zult die +vreugde voelen om het vermogen van een ander! Want in u-zelf zult gij +juichen: Hoe blij ben ik en hoe in-gelukkig dat er zulk een mensch, die +dàt kan, bestaat, en hoe houd ik van dien mensch....</p> + +<p>Wat is meer altruïstisch, wat veredelender dan dit....</p> + +<p>Dàn zijt ge in wáárheid kunst-genieter.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p><span class="pagenum"><a name="p216" id="p216"></a>[p.216]</span> "Maar," zoo zult ge nu vragen, "als die stelling: "De kunst om +de kunst" juist is. Als wij door een kunstwerk bijvoorbeeld niet langer +het ongeluk van het proletarisch bestaan des te vlijmender mogen voelen, +niet langer ons laten aanvuren in onzen mooien strijd, doen wij dan wel +goed ons aan kunstgenot over te geven? Wij voelen als eersten plicht +onzen strijd te strijden, en alles wat ons daar niet in helpen kan +moeten wij laten."</p> + +<p>En zeker, antwoord ik, met dit laatste hebt gij gelijk. Maar de zaak is, +waaraan gij niet denkt, dat juist het genieten van kunstgenot u helpen +zal in uw strijd. Telkens als gij zoo zult genoten hebben, zult gij een +beter mensch zijn geworden, al weet en voelt gij dat zelf niet dadelijk; +een beter mensch is een sterker mensch en hoe sterker hij is, hoe meer +hij vermag.</p> + +<p><i>Omdat uw strijd edel en goed is, helpt gij hem onwillekeurig strijden, +telkens wanneer ge iets goeds doet, wanneer gij zelf edeler wordt</i>.</p> + +<p><i>Als gij u rein houdt in woord en in daad, strijdt gij uw strijd! Als +gij u goed voedt, als gij uw maatschappelijk inzicht scherpt, als gij +eerlijk tegen vriend en vijand zijt, strijdt gij uw strijd. En als gij +kunstgenot voelt, rein en diep en onvermengd, dan niet minder strijdt +gij uw strijd</i>!<a name="FNanchor_5_87" id="FNanchor_5_87"></a><a href="#Footnote_5_87" class="fnanchor">[5]</a></p> + +<p>30 Augustus 1909.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE.</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p217" id="p217"></a>[p.217]</span></p> + +<h3>I.</h3> + + +<p>Na 't Hollandsch laagland met z'n gevaarlooze wegen, z'n kabbelende +rivieren, zijn gecultiveerde bosschen, z'n heldre dorpen met kerk en +torentje, z'n langzaam op-schemerenden ochtend en neerschemerenden +avond; na de Hollandsche wei met de haasteloos-mummelende koetjes; na de +Hollandsche binnenkamers met hun stoffage van begouwenaarde burgerheeren +en, meest 'n weinig houterig, vrijende jongelingen en jonge dochters, na +al dit gemoedelijke, zich-zelf gelijk blijvende en veilige—plots nu een +tropisch bergland, met ravijnen en neerdonderende stroomen, met +oerwouden, waar leeuw en tijger brullen, en gij, zoo ge u er waagt, de +beet en omkronkeling van slangen zult hebben te vreezen; een land met +rook-bepluimde vulkanen, wier inwendig vuur de wijngaarden en +olijfbosschen op de hellingen eerst koesterend doet zwellen van olie en +wijn, om dan, vroeg of laat den krater uitgebarsten, zijn eigen teelt te +vernielen in één brandende giftuitstrooming, door één slag; met dorpen, +des nachts vol zwoelheid van doffe geuren en zwaarmoedige deunen, waar, +daags, een wijsgeer u als bedelaar nadert, en wien ge voor een Grande +hieldt, een bedelaar blijkt; waar de liefde geen braaf-burgerlijke +vrijage, maar hartstocht en heet begeeren is; een land waar nauwelijks +afkeer zijn kan, of zij groeit tot haat. Een Indisch land, waar de +ochtend bruusk <span class="pagenum"><a name="p218" id="p218"></a>[p.218]</span> den nacht afwerpt, als een mensch zijn kleed, en +de dag niet langzaam heengaat, maar zich snel het masker van den nacht +voorbindt, als had hij zich verlaat en schoot het hem plòts te binnen, +dat hij den wezens de rust moet gunnen, die onder de stralen van zijn +gelaat niet mogelijk is.... Een land, waar alles grillig, uitbundig en +snelwisselend is....</p> + +<p>In minder woorden: na het talentvolle, het geniale; na het afgepaste en +zeer wel vermoedbare, het uitbruischend onberekenbare.... Ziedaar: na +<i>Hildebrand: Multatuli</i>!<a name="FNanchor_6_88" id="FNanchor_6_88"></a><a href="#Footnote_6_88" class="fnanchor">[6]</a></p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Ik erken het volmondig: een geweldenaar als <i>Multatuli</i>, met zóó +vrouwelijke zachtheid als zijn gemoed bezat; een hater mèt zóóveel +liefde; een beeldstormer met dat ééne verlangen: plaats vrij te maken +voor zijn reuzenbouw van rechtvaardigheid en menschenmin en schoonheid; +zulk een met zóó groote fouten en ontzaglijke deugden, is voor de jeugd +vol gevaars. Want zijn deugden trekken haar maar aan voor korten tijd: +zóó deugdzaam te zijn is wel een tikje moeielijk! Maar zijn gebreken, +wellicht, in zekeren zin, niet minder grootsch en schoon van sterke +menschelijkheid, die zijn makkelijker en genoeglijker na te bootsen! Zoo +denken ten minste de mannen en vrouwen in den dop. <i>En dìt is het +gevaar.</i> Men moet het echter onder de oogen zien, men kan 't niet +mijden, tenzij men een bedeesd en braaf moederskindje is, dat aan +huiskamers en warme kachels, benevens beekjes, wolkjes en molentjes +dicht bij honk, zat genoeg heeft en nooit naar bergen en bergstroomen, +olijfbosschen en wijngaarden verlangt.</p> + +<p><i>Multatuli</i> heeft in onze kringen, lang vóór de stichting van onzen +Bond, een geweldige rol gespeeld. En dit sproot nu juist niet voort uit +de bijzondere beschaving in die kringen, uit ontvankelijkheid voor het +subtiel-schoone en fijn-geestige—och och heere neen, ook hier heeft de +Bond bijna àlles te doen <span class="pagenum"><a name="p219" id="p219"></a>[p.219]</span> gehad....—maar uit twee geheel andere +oorzaken. De eerste was, dat men in <i>Multatuli's</i> werk zag een vrijbrief +voor, een rechtvaardiging van 'n soort gêne-looze en zich op zich-zelf +beroemende bandeloosheid; de tweede echter, van edele natuur: dat die +onontwikkelde, maar daardoor wellicht des te frisscher menschen voelden, +dat er iets nieuws, schoons, machtigs en van-kracht-heerlijks in hen +openbrak, door hem. Wilt ge weten wàt dat was?... 't Was hun +revolutionnair gevoel! Dat, vrienden, is misschien het mooiste in een +mensch. Het is 't opstandsgevoel tegen rechtsverdraaiïng en leelijkheid +in het leven. Dat wrokt en brandt in zoo'n jongen mensch. Toch brandt +het maar met 'n heel klein vlammetje dikwijls, maar het leven vraagt +daar niet naar, gooit elken dag weer nieuwe brandstof op, die door dat +kleine vlammetje <i>niet</i> verteerd wordt.... Dat geeft een teveel, dat +geeft een drukking.... Zoo nu en dan schiet het vlammetje weer wat +hooger op, maar er zijn nog dompers: "fatsoen," traditie en +verkapitalistischt, vermaatschappelijkt, verwrongen kerkgeloof, en zoo +waar, zoo'n jongmensch gebruikt die dompers zelf! Dat heeft men hem zoo +geleerd. Tot daar plotseling zoo'n kerel, zoo'n reus bij hem binnenkomt, +en die vraagt hèm niet of hij 't goed vindt en ook niet aan "de menschen +die zooveel ouder en wijzer zijn dan hij," maar die slaat kort en goed +voor zijn oogen al z'n dompers stuk. En daar schiet zijn vlam omhoog en +gaat ze heerlijk branden.... En hij begrijpt dat die man een weldoener +van hem is ... o God, wat heeft z'n jong hart hem dan lief ... hij zou +hem om den hals wel willen vliegen.... Welnu, zulk een man was +<i>Multatuli</i>, en daarom hadden die verachte diamantslijpers hem zoo lief +en dwéépten met hem en omarmden hem.... Och neen, ze begrépen hem niet, +wat je <i>begrijpen</i> noemt, geen denken aan; wat kunnen hun zijn +fijnheden, de rapheid zijner wendingen, het overdonderende zijner +strijdhaftige geestigheid geweest zijn; máár zij begrepen, zij voelden, +dat dit de stem was van hun eigen, gesmoorden haat; het ziende oog van +hun hulploos, onbestemd en blind verlangen; de sterke hand, die hun +tastende zwakke handen greep; zij zagen eindelijk eens <span class="pagenum"><a name="p220" id="p220"></a>[p.220]</span> het +ongekende wonder van een héérlijk mensch, die máling had aan de +machtigen, aan de rijken; het wonder van een mensch, door wien een god +had mogen spreken, en die nochtans niet anders dan der àrmen en +verdrùkten mond wou zijn! Wat schatten van liefde en dankbaarheid heeft +hun ziel zich door hem verworven. Hoe hebben zij toen, in hun donker +leven, door hèm de hèilige geestdrift gekend. En wie weet, of niet hij +'t was, die voor 't eerst dat mooi-menschelijke in hen wekte, welks +prachtige opvaart hun eenheid in den Bond verrijzen deed....</p> + +<p>Maar met dat al: dwepers kunnen geen maat houden. En daarvoor wil ik u +behoeden. En trouwens, wat hun 't noodigste was, is het nog daarom u +niet. Gij behoeft niet meer gewekt te worden. Gij zijt wakker, daar ben +ik zeker van. En die brandstof in u, die voedt geen +persoonlijk-revolutionnair, geen klein-flikkerend vlammetje meer, maar +hij helpt mede-voeden dat zekere en klare licht, dat socialisme heet. +Daarom: gij zult en moet <i>Multatuli</i> kalmer genieten, gij zult +onderscheiden leeren. En o, vóóral, gij moogt niet in de fout vervallen, +waarin zij vervielen:</p> + +<p>... Een ieder mensch, een <i>mensch</i>, die met een Groote verkeert, voelt +vroeg of laat den drang, dien te gelijken. Die drang kan hem heilzaam, +maar ook onheilbrengend zijn. Heilzaam is zij hem, wanneer hij denkt: +Die groote mensch, dien ik zoo liefheb, is toch een mensch, hij moet dus +gebreken hebben. Laat ik oppassen dat ik niet, door mijn overgroote +liefde verblind, die gebreken overneem. Want die fouten, welke in 't +geheel van zijn ontzaglijke persoonlijkheid zoo gering lijken, zouden +mij, kleìne, verpletteren. Laat mij groeien en genieten van zijn +voortreffelijkheden. Maar laat mij ook hierin wijs zijn: laat mij hem +niet <i>nabootsen</i> in zijn deugden, want naäpen, dat is het werk van apen; +de plicht en het verlangen van menschen is: blijde te zijn met, te +genieten van het goede; hun wijsheid: te weten dat dáárdoor hun wezen +van zelf groeit en <i>natuurlijk</i> en <i>geleidelijk</i> beter wordt. Wat voor +<i>uw</i> wezen van <i>zijn</i> voortreffelijkheid geschikt is, dat eigent het +zich van zelf toe, mits gij u maar zoover opwerkt, dat ge <span class="pagenum"><a name="p221" id="p221"></a>[p.221]</span> die +voortreffelijkheid kunt begrijpen en beminnen. Maar nabootsen, <i>vooral +niet</i>! Een mensch, die van de zon geniet, moet daarom niet voor zon +willen gaan spelen, noch zich verbeelden, dat hij stralen schiet.... Om +u nu reeds in dit inleidend stuk het onderscheiden van Multatuli's +deugden en gebreken makkelijker te maken, zeg ik dit: zijn deugden +waren: een sterk ontwikkeld bewustzijn van eigen hooge waarde; een +machtig revolutionnair sentiment; een onbegrensde menschenliefde: een +heftig begeeren naar waarheid (welke hij echter nog minder vaak kon +bereiken dan hij anders had gekund, wijl hij gehinderd werd, ten eerste: +door de bitterheid van zijn geest, ontstaan door het ondervonden +onrecht; ten tweede: door zijn groote menschelijke en +kunstenaars-ijdelheid, waardoor hij niet nalaten kon te "poseeren"); een +in-staat-zijn zich op te offeren en een onwrikbaar vasthouden aan wat +hij goed en recht achtte.</p> + +<p>Zijn deugden, als kunstenaar, waren: een ontzaglijk doorvoelings-en +uitbeeldings-vermogen (dat echter geschaad werd door een groot gebrek +aan objectiviteit); een vlijmscherp taal-begrip; een buitengewoon +geestig vernuft (dat m.i. slechts overtroffen wordt, maar dan ook ver, +door den grooten <i>Heine</i>, van wien hij trouwens veel geleerd heeft); een +rijke fantasie.</p> + +<p>Zijn gebreken, ik heb er reeds eenige genoemd, waren meest de keerzijden +van zijn deugden: een anarchistische neerhalingswoede (keerzijde van +zijn revolutionnair sentiment); een soms zeer lichtzinnig oordeelen over +alles, wat hij maar gemoette (keerzijde van zijn +uiterst-vlug-denken-kunnen); een soms enorme zelfoverschatting en +minachtend neerzien op de allergrootsten (keerzijden van zijn +hooggestemde zelfachting); een uittartende en pralerige opzichtigheid +(keerzijde van zijn heldenmoed).—Gij moet dus, ik herhaal 't, zeer +critisch tegenover hem staan, u voor kinderachtige naäperij, waartoe +deze suggestieve persoonlijkheid iemand makkelijk verleidt, zorgvuldig +bewaren en bovenal <i>dit</i> goed begrijpen: dat de ontkennende, de +<i>negatieve</i> houding van zijn geest, die <i>hem</i> schoon stond, wijl hij +<i>groot</i> was, en <span class="pagenum"><a name="p222" id="p222"></a>[p.222]</span> <i>leefde in een tijd, die dat noodig had en 't +als 't ware zelf deed geboren worden</i>, u leelijk zou staan, niet alleen +wijl gij <i>niet groot</i> zijt, maar omdat gij in een tijd leeft, die óók en +bovenal een <i>positieve</i>, een <i>bevestigende</i> geesteshouding noodig heeft: +<i>het innig geloof in de waarachtigheid van het socialisme.</i> Vroeg <i>zijn</i> +tijd een ongebreideld, een naar eigen begeerte kampend mensch, <i>deze</i> +vraagt <i>gehoorzame soldaten</i> voor het groote leger, dat strijdt in alle +landen voor menschenrècht en menschengelùk, soldaten nièt gedrild tot +tucht, maar uit eigen weten en eigen vrije keus de tucht verkiezend +boven tuchtelóósheid. Houdt ge u aan dit alles, wat ik u heb gezegd, dan +kunt ge zonder vrees dat oostersch-vreemde en prachtig land, dat +<i>Multatuli's</i> werk is, bereizen en moedig de hellingen van dien +trotschen berg beklimmen, waarop bosschen vol van sappige vruchten +staan. Wat mij betreft, ik zal het nu bij deze, naar mij dunkt niet +ongemotiveerde, waarschuwing en uiteenzetting laten, en in de volgende +artikelen de <i>Geschiedenis van Woutertje Pieterse</i>, haar zooveel +mogelijk los makend uit de <i>Ideeën</i> waarvan ze een deel is, zuiver +letterkundig behandelen, gelijk ik dat met Hildebrand's <i>Familie Kegge</i> +heb gedaan.<a name="FNanchor_7_89" id="FNanchor_7_89"></a><a href="#Footnote_7_89" class="fnanchor">[7]</a></p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p223" id="p223"></a>[p.223]</span></p> + +<h3>II</h3> + + +<p>In de <i>Geschiedenis van Woutertje Pieterse</i>, zooals die nu, helaas +onvoleindigd, voor ons ligt, hebben wij in de allereerste plaats te zien +een poging tot weergave der geleidelijk voortschrijdende geestelijke +ontwikkeling van een geniaal kind—Woutertje-zelf—; in de tweede +plaats een schets van: het Hollandsche volksleven:—<i>Femke</i> en haar +moeder, <i>Gerrit Sloos, Klaas Verlaan</i>, de joodsche familie <i>Roebens,</i> de +illuminatie-avond, enz.—; de klein-burgers:—de <i>Pietersen</i>, juffrouw +<i>Laps</i>, e.d.—; de "deftige" burgerij:—de <i>Kopperlith's</i>: typen van het +dwaze, opgeblazen parvenudom, met zijn sleep van kruiperige loonslaven, +en de <i>Holsma's</i>: ietwat geïdealiseerde beelding eener verstandige, +liefderijke, boven alle vooroordeelen hóógstaande doktersfamilie—; de +geestelijken, vertegenwoordigd door de kluchtige, verachtelijke figuur +van den <i>huisdominee</i>, en de heerlijk-gebeelde, kinderlijk-reine +persoonlijkheid van <i>pastoor Jansen</i>; "allerhoogste" personages, zooals +de groote <i>Napoléon</i>, op wien wij even in den schouwburg een vluchtig +kijkje krijgen, de <i>Paltsgravin</i>, prinses <i>Erica</i>, enz.; in de derde +plaats.... Maar nee, ik ga zóó niet verder, die zin werd veel te lang, +te vermoeiend door zijn lengte, zelfs als jullie op al die "plaatsen" +even waart gaan zitten, wat nog zoo gek niet zou zijn geweest, want, +laat me je verzekeren, je hebt vandaar heerlijke inkijkjes en prachtige +vergezichten....</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p224" id="p224"></a>[p.224]</span> Wat ik verder wou zeggen, kwam in 't kort hierop neer, dat het +geheele werk één worsteling van het hooge met het gemeene, één +<i>Multatuliaansch</i>-heftig-beukende, maatschappelijke meubelen, ruiten, +hééle heilige huisjes stuk-rinkinkende pràchtige worsteling is.</p> + +<p>Men zou, wellicht interesseert jullie deze mededeeling, ons boek kunnen +indeelen bij: <i>romantisch realisme</i>.... Maar hoe! ik zei: "<i>wellicht</i> +interesseert 't jullie" ... het <i>moet</i> je interesseeren, want het geldt +hier niet, je 'n paar geleerde woorden naar 't hoofd te smijten, of je +'n kruieniersachtig suiker-rijst-boonen-indeelingsgewoontetje in te +stampen, maar het gaat erom, je de begrippen, de zeer veel verheldering +veroorzakende begrippen, waarvan die termen namen zijn, bij te brengen, +èn om de te behandelen stof, de letterkunde dus, door verdeeling meer +overzichtelijk en begrijpelijk te maken.</p> + +<p>Wat ìs <i>Romantiek</i>?</p> + +<p>Nou, om 't 'ns erg kort en populair te zeggen: een kunstbeelding van, +zeer wel bestaanbare, <i>uitzonderings</i>figuren, levend in zelden +voorkomende omstandigheden; daardoor heel vaak verschijnend als een +"overdrijving" van de <i>algemeene</i> werkelijkheid, want die +<i>uitzonderings</i>figuren maken, door hun levenswaarheid, op den +gemiddelden lezer den indruk van vertegenwoordigers der <i>algemeene</i> +werkelijkheid te zijn.<a name="FNanchor_8_90" id="FNanchor_8_90"></a><a href="#Footnote_8_90" class="fnanchor">[8]</a></p> + +<p>De romantiek nu, in dit romantisch-realistische werk, uit zich niet +slechts in het feit der beelding van sommige personen van het tweede +plan—prinses <i>Erica</i> bijvoorbeeld—, ook niet alleen in het doen plaats +hebben van gebeurtenissen, die, wanneer we ons het totaal-beeld voor +oogen brengen, dat de werkelijkheid ons van den loop der dingen +voorhoudt, een sterken bijsmaak van onwaarschijnlijkheid krijgen, maar +<span class="pagenum"><a name="p225" id="p225"></a>[p.225]</span> die romantiek uit zich al dadelijk heel principieel in den opzet +en op het hoofdplan van het werk: <i>het beschrijven der zielsgeschiedenis +van een geniaal mensch</i>. En nu ga ik verder en zeg dit: omdat een +geniaal mensch zelf "een stuk romantiek" is, door de Natuur, te midden +van Háár dag-dagelijksch "realisme" neergezet, botst hij daarmee, +verstoort hij er in zekeren zin de harmonie van (zeer zeker: om tot een +hoogere harmonie te geraken, en: de botsing is een heilzame, maar dat +verandert voor 't oogenblik aan 't onaangename van de zaak niets. +Multatuli-zelf is hier een uitstekend voorbeeld van) en zóó, en daarom +verstoort de <i>afbeelding</i> van een geniaal mensch in een werk als +dit—voor driekwart een afbeelding der <i>algemeene</i> werkelijkheid—de +harmonie van dat werk. We voelen een onaangenaam aandoende +ongelijksoortigheid en zelfs tegenstrijdigheid der deelen. (Multatuli +heeft dat, geloof <i>ik</i>, zelf gevoeld, vandaar dat het klaarblijkelijk +zijn plan was, zijn <i>Woutertje</i>, langzamerhand, naar den kant der +romantische prinses Erica uittedringen. Ik voor mij ben er zeker van, +dat, had hij het werk voleindigd, dit, <i>uit aan de Wouterfiguur +ontsprongen noodzaak</i>, al meer en meer verromantiseerd zou zijn +geworden. En verder ben ik van oordeel, dat het dit bewustzijn, met wat +er verder aan vast zit, bij <i>Multatuli</i>-zelf, is geweest, dat hem den +lust benomen heeft verder aan zijn verhaal te werken, en niet "ergernis +over de <i>Van Vloten's</i>" enz.—Stel je voor, omdat de kleine menschjes je +aftakelen, heb je geen lust meer aan de levende schoonheid in je ziel, +die je-zelf zoo heerlijk weet! Terwijl toch juist het natuurlijk beloop +is, dat die schoonheid je over alles troost en heenhelpt! Neen, geloove +wie 't kan, ìk kan 't niet. <i>De zaak is mijns inziens, dat hij geen +vreugde meer aan die schoonheid zelf had</i>—<i>om bovengenoemde redenen</i>.)</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Ik zeide u daar straks dat je van al die "plaatsen" zulke aardige +inkijkjes en vergezichten zoudt kunnen hebben. Nu eerst een inkijkje. +Zie toe: daar wriemelen, maken zich belachelijk, worden gegeeseld door +hun eigen bespottelijkheid, <span class="pagenum"><a name="p226" id="p226"></a>[p.226]</span> de Pietersen, de Lapsen, de Stoffels +en hoe al dat tuig verder heeten mag, vlak onder je neus.... Maar hé, +wat is dat? Je wijkt terug ... je denkt, daar zal wel 'n luchtje aan +zitten. En je hebt gelijk, je denkt er nog te licht over: er is geen +luchtje, er is een stànk aan. Maar, o wonder! hier hebt ge van dien +stank geen last; let maar op: wat ge voelt, dat is genòt, blìjdschap; je +trekt geen vies gezicht, maar je schatert. Wat is de oorzaak van dat +wonder? Ah, éven wachten. Zie eerst, lach eerst en allicht vindt ge dan +zelf die oorzaak.<br /> +— — — — — — — — — — — — — — — — — + — — — — — — — — — — — — — — + — — — — — — — — — — — — — — —<a name="FNanchor_9_91" id="FNanchor_9_91"></a><a href="#Footnote_9_91" class="fnanchor">[9]</a></p> + +<p>Ziezoo, klaar voor dezen keer. En nu maar aannemend, dat er wel enkelen +uwer zullen zijn, die nog maar altijd niet weten, waarom zij niet +gewalgd hebben bij het zien van al dat gedoe der Lapsen en Pietersen en +integendeel hebben genoten, precies gelijk ik trouwens, die toch geen +clown, gezwegen dan van een <i>Laps</i> of 'n <i>Pieterse</i>, kan of kon zien, +zonder 'n weerzin en 'n schaamte te gevoelen over zulk een vernedering +van het <i>mensch-zijn</i>,—dat nu maar aannemend, geef ik u daarvan de +volgende verklaring: dat wat gij bewonderd, waarvan je genoten hebt, is +de <i>weergave</i>, de <i>afbeelding</i> van het leven, <i>niet</i> dat leven-zelf. Het +doet er niet toe <i>wat</i> afgebeeld wordt, maar steeds <i>hoe</i> het afgebeeld +wordt. Nòg eens: lees mijn artikel in den catalogus.<a name="FNanchor_10_92" id="FNanchor_10_92"></a><a href="#Footnote_10_92" class="fnanchor">[10]</a></p> + +<p>Zooals ik reeds zei: dit nu was een <i>inkijkje</i>, in het volgende +hoofdstuk zet ik u op een plaats vanwaar ge een <i>vergezicht</i> hebt.—</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE</h2> +<p><a name="p227" id="p227"></a><span class="pagenum">[p.227]</span></p> + +<h3>III.</h3> + + +<p>In het vorig hoofdstuk beloofde ik, u op een plaats te zetten, van waar +ge een vergezicht hebben zoudt. Welnu, ik hoop, dat ge na lezing van dit +stuk zult moeten erkennen, dat ik mijn belofte gehouden heb. Want, +jongere en oudere vrienden, zult ge het geen vergezicht noemen als ik +hier voor u laat oprijzen dat mooie verleden van uw kindsheid, nu al min +of meer ver verwijderd? Dat verleden, welks wellicht slechts vage +herinneringen u nog doen glimlachen, als ge kinderen spelen ziet....</p> + +<p>O, natuurlijk, ge zult in het beeld, dat ik u zal toonen, niet uwe +<i>feitelijke</i> jeugd herkennen, met háár voorvalletjes, gevoelens, +begeerten en schuchtere droomerijen, want gesteld dat gij tot diegenen +behoort, die zich op later leeftijd dit alles duidelijk en klaar kunnen +te binnen brengen, wat den meesten onzer waarlijk niet gegeven is, dàn +zéker zoudt ge spoedig door vergelijking tot de erkentenis komen, dat +kinderen evenzeer van elkaar verschillen als volwassenen.</p> + +<p>Toch, de jonkheid van ons allen heeft iets gemeen: door de jaren-gangen +van ons later leven loopend, hooren we uit de verte blijde stemmen soms, +zien we een plotse sprankeling van licht glànzen uit de feestzaal onzer +jeugd, waarheen we nooit meer zullen keeren. 't Is dan of haar deur zich +éven opende en snel weer sloot, uitlatend-en-afsnijdend klanken van +feestgeroes, een helle straling van veel luchters. Maar duurde <span class="pagenum"><a name="p228" id="p228"></a>[p.228]</span> +dat kort, één oogenblik, het duurde toch lang genoeg om ons als de geur, +het innigste onzer jonge jaren nog eenmaal te doen kennen; hoe benaderen +we dan opnieuw hun blijdschap en verdrieten. We staan even stil en +mijmeren in ons-zelf. Een glimlach ontstrakt zachtkens ons gezicht.... +Dan gaan we weer verder door de soms donkere gangen van ons later +leven.... Het is ook die glimlach, waarvan ik u sprak, die ouderen +hebben als ze kinderen spelen of stilletjes droomen zien. Dan ging die +feestzaal, begrijpt ge, even open, het geluk der jonkheid heeft hun hart +geraakt.... Maar rijker, maar voller wordt ons dat heerlijke geschonken, +als een groot kunstenaar, zich verplaatsend in het kinderlijk denken en +voelen, dit voor ons beeldt. Ja, dan is het waarlijk, of 't ons vergund +werd te keeren op onze schreden, de wijde hal onzer jonge jaren nog +eenmaal binnen te gaan, onze oogen vol te laten stralen van haar licht, +de handjes der speelgenooten in de onze te houden en zelf weer de +heilige kinderen te zijn, in wier nabijheid al het leven op zijn reinst +en bevalligst en feestelijkst moet verschijnen. Ook dat nu heeft +Multatuli voor ons gedaan. Het beeld, dat ik u wilde toonen, is een brok +droomleven van zijn <i>Woutertje</i>. Toch—het schijnt mijn ietwat +onaangenaam lot te zijn, nooit iets onverdeeld te kunnen prijzen!—moet +ik u waarschuwen, dat dit schoone niet zoo volmaakt is geworden als we +'t van 't genie van zijn schepper ongetwijfeld hadden mogen verwachten. +De schrijver heeft zich namelijk weer eens niet genoegzaam kunnen +bedwingen, zich niet, door zijn gebrek aan objectiviteit, kunnen +onthouden, brokjes van zìjn wijsheid, zìjn wijsgeerig denken in het +prachtig-gegeven droomleven van zijn <i>Woutertje</i> te mengen. Ik zal u, +ouder gewoonte, zoowel op de heerlijke schoonheid als de fouten +opmerkzaam maken. En ge moet u nu maar, eens voor al, voornemen niet +boos op mij te zijn, omdat ik, door dit laatste te doen, zoo'n beetje uw +genot bederf. Want het is juist mijn doel, u er aan te wennen, geen +genot en zeker geen kunstgenot te willen, dan wat de keur van uw +allerzuiverst gevoel en rede kan doorstaan. Ook de hoogste verrukking, +die kunstgenot geeft, heeft niets gemeen met een roes <span class="pagenum"><a name="p229" id="p229"></a>[p.229]</span> en met een +vertroebeling en verduistering der geestelijke, naar waarheid zoekende +krachten in ons, maar zij maakt in wisselwerking die krachten +integendeel sterker, edeler en meer doordringend.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Ziehier het bedoelde stuk:</p> + +<div class="blockquot"><p>Na <i>Glorioso</i> namelijk, (<i>Glorioso</i> is de naam van den +roover-roman, dien Wouter "gehuurd" heeft voor het geld, dat hem +het verkwanselen van zijn "Nieuwe Testament met Gezangen" opbracht, +v.C.) en de onmogelijkheid om dat boek waardig te vervangen, +(<i>Multatuli</i> geeft hier natuurlijk <i>Woutertje's</i> meening weer. Dat +hij dit doet zonder er eenige schertsende of spottende aanmerking +van zich-zelf aan te verbinden is voortreffelijk. Er ontstaat +hierdoor, èn blijft ongerept, een zekere fijne humor. v.C.) was-i +in de namiddagen die hij vrij had, onwillekeurig weergekeerd naar +de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige roman-wereld, en +hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld uit die wereld +dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de grofheid van +die kleuren, hij voelde zich daardoor zóó aangetrokken, dat-i +zich-zelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hij +ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.</p> + +<p>Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hij droomde van +dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter +ontevreden maakten met z'n werkelijken toestand. Hij wilde graag +alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't +bidden zou zooveel beter gaan, meende hij, in 'n grot met kaarsen. +En wat het eeren van zijn moeder betrof, waarop deze altijd zoo +aandrong ... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hij had +z'n bijbel niet moeten verkoopen ... dat is waar ... ook zou-i 't +nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd ... maar dan behoorde hij +toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer op z'n muts, +zooals in 't boek stond. (Merkt ge hier al niet, hoe uitstekend de +romantische neiging in den kindergeest, en vooral zooals zij moet +bestaan in dien van het nobele <i>Woutertje</i>, is weergegeven? v.C.)</p> + +<p>Ook verveelde hem zijn broer Stoffel, en zijn zusters, en juffrouw +Laps, en huisdominee, en alles.</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Dit verveeld worden door zijn familie en zijn omgeving ontstaat +<i>schijnbaar</i> wel bij Woutertje naar aanleiding van <span class="pagenum"><a name="p230" id="p230"></a>[p.230]</span> iets zeer +kinderlijks, maar de diepere en ware oorzaak is zijn veel hooger en +edeler beaanlegd zijn dan zijne omgeving, waardoor hij daarin niet op +zijn plaats is. Het is een dezelfde botsing—in kinderlijke +verhoudingen—als waarvan ik in het vorig hoofdstuk sprak: tusschen het +hoogere en lagere, het bijzondere en het alledaagsche.</p> + +<div class="blockquot"><p>En hij begreep niet, waarom de heele familie niet naar Italië ging, +om daar 'n behoorlijke rooverij optezetten. Maar Pennewip (de +schoolmeester, v.C.) hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesje +(een medescholier v.C.) ook niet.</p> + +<p>'t Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met zijn vers....</p> + +<p>Alle Woensdagen namelijk leverden de leerlingen die 't minst +ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen +naar den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester +had opgegeven. Wouter had ditmaal "<i>de deugd</i>" tot z'n deel +gekregen, niet zonder toespeling op z'n vroegtijdige verdorvenheid, +en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n +zedelijke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwijls op de deugd +gerijmd, en hij vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo +vervelend, dat-i de vrijheid had genomen iets anders te behandelen, +en wel wat hem 't naast aan 't hart lag, de rooverij.</p></div> + +<p>Dit gedicht en alles wat daardoor veroorzaakt wordt: de boosheid van +meester Pennewip, de ontzetting van Woutertje's familie, het optreden +van den dronken "huisdominee,"—dit betrekkelijk kleine deel van het +boek zou het al tot iets prachtig-geestigs maken. Je giert van het +lachen onder 't lezen, en tegelijkertijd ben je verrukt over de +levenswaarheid—op 'n paar stukjes na—der weergave!</p> + +<div class="blockquot"><p>Hij-zelf was, als alle schrijvers—en menschen—zeer ingenomen met +z'n werk. Hij hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen +zou, en hem om den wille der voortreffelijke uitvoering de +afwijking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den +Burgemeester gezonden worden, die er kennis van geven zou aan den +Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als +hoofdroover.</p></div> + +<p>Hoe moet de schrijver niet doorgedrongen zijn geweest in het denk-voelen +van zijn Woutertje, om zoo schitterend dit echt-kinderlijke, +wild-fantastische luchtkasteelen-bouwen te hebben kunnen weergeven. +Wellicht is dat laten denken aan <span class="pagenum"><a name="p231" id="p231"></a>[p.231]</span> den <i>Paus</i> door dit +<i>protestantsche</i> jongetje, dat <i>rilt</i> als hij <i>Pater Jansen</i> over +<i>Jezuiten</i> hoort spreken, een fout. Wellicht echter zou men kunnen +zeggen, dat "Paus" voor het kind Woutertje niets meer dan een woord is +waaraan zich een vage, romantische voorstelling verbindt. Maar dit +laatste is, gezien de platte en bekrompen "godsdienstige" omgeving van +Woutertje, nièt waarschijnlijk.</p> + +<div class="blockquot"><p>Zoo droomde hij, en wierp hij strootjes in het water. (Hij staat +bij 'n slootje. In de nabijheid zijn twee houtzaagmolens.—Het +stukje wat nu volgt is allervoortreffelijkst. Er wordt nu niet +langer <i>van</i> Wouter <i>verhaald</i>, maar zijn denken en handelen +worden, in hun natuurlijk verband, <i>gebeeld</i>. Ik geloof niet, dat +ik grooter bewondering voor iets kan gevoelen, dan voor dit +onovertrefbaar zich-ingeleefd-hebben in den kindergeest! Lees maar +eens verder! v.C.) Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen +de groen-bemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter's verbeelding +verband te scheppen tusschen de richting der strootjes en zijn +indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan +den kant en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen +beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf: +(Wouter-zelf meegevoerd door zijn droomen, vereenzelvigt zich dus +ook met een strootje! Verrukkelijk van geniaal doorvoelen door den +schrijver, niet waar? v.C.) hij naderde Amalia's kroos, en juist +toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te +deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt door 'n eend. Die daaraan +zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's laatste strootje, en in +'t geklapper van den molen hoorde hij duidelijk Amalia's verwijtend +geklaag:</p> + +<p> +Warre, warre, warre, wou,<br /> +Waar is warre, warre, wou....<br /> +Wouter die me redden zou?<br /> +</p> + +<p>Dit maakte hem verdrietig, en hij kon zich niet weerhouden een +steen te werpen naar de eend die door z'n gulzigheid oorzaak was +van Amalia's twijfel aan zijn riddereer. (Al maar door is de +kinder-fantasie uitstekend volgehouden! v.C.) De eend koos de beste +partij, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hij +kon. Maar de molens schenen zich niet te storen aan de +gebeurtenissen van den middag en klapperden dapper voort. Wouter +hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra +Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem +deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er +iets bijzonders was <span class="pagenum"><a name="p232" id="p232"></a>[p.232]</span> in de molens, haast ik mij te zeggen +dat ze knarden en knersden juist als andere houtzaagmolens, en dat +alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was +dan de weerklank der aandoeningen in zijn eigen gemoed.</p> + +<p>'t Gebeurt meermalen dat we gelooven iets gewaar te worden van +buiten, wat voortkomt uit ons-zelf, en even dikwijls meenen wij +zelf iets te hebben uitgedacht, dat eigenlijk afkomstig is van 'n +ander.</p> + +<p>Dit is 'n soort buikspraak die dikwijls aanleiding geeft tot +ongenoegen en vijandschap.</p></div> + +<p>Dat beeld van de buikspraak is aardig, maar ook niet meer dan dat. Het +is nml. vrij onjuist. Men kan, een buikspreker hoorend, meenen dat een +ander dan hij gesproken heeft, maar nimmer dat men-zelf heeft gesproken, +noch, indien men het zelf heeft gedaan, meenen dat 'n ander, al of niet +buikspreker, het deed! Multatuli heeft hier misschien aan het +zoogenaamde "maagbrommen" gedacht, een nerveus verschijnsel naar ik +meen. Hierbij is 't wel mogelijk, dat men, zelf de geluidvoortbrenger +zijnde, meent dat een ander het is, en omgekeerd. In elk geval zou het +beter geweest zijn, indièn hij dááraan gedacht èn het gezegd had, al +ware het 'n tikje "onaesthetisch" geweest.</p> + +<div class="blockquot"><p>Wie 't snelste draait? Wel ... me dunkt ... neen ... gelijk +beginnen.... Zóó! Neen, de <i>Arend</i> was vóór! Nogeens ... nu! Och, +weer verkeerd!</p></div> + +<p>Hoe voortreffelijk Multatuli het denken, <i>den toon</i> van het +<i>innerlijk-spreken</i> kon beluisteren en weergeven!</p> + +<div class="blockquot"><p>Wie nu 't eerst boven is ... neen dat gaat niet ... nog eens ... +van die wolk af. <i>Morgenstond</i>, pas op ... (<i>Arend</i> en +<i>Morgenstond</i> zijn de namen van de houtzaagmolens, v.C.) mis weer! +Ik kan er geen oog op houden ... wat 'n gedraai!</p> + +<p>Zoo, ben je moe? 'k Wil 't wel gelooven!</p> + +<p>Als ik eens op zoo'n wiek zat ... ik zou me goed vasthouden ... wat +zou de molenaar gek kijken!</p> + +<p>Waarom heet je <i>Morgenstond</i>? Heb je wat in den mond? En.... +<i>Arend</i> kun je vliegen? Wil je mij meenemen? <i>Ik</i> zou wel willen +... wat 'n ruimte daarboven ... en geen school!</p> + +<p>Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst ... 'n +school of 'n meester?</p> + +<p>Maar die eerste meester moest toch op school geweest zijn ... +<span class="pagenum"><a name="p233" id="p233"></a>[p.233]</span> en die eerste school moest toch 'n meester gehad hebben....</p> + +<p>Of zou de eerste meester vanzelf....</p> + +<p>Vanzelf? Neen, dat kan niet.</p></div> + +<p>Met dat stukje over die "school" en dien "meester" begint onze schrijver +eruit te raken. Hij begint zijn houvast op Woutertje te verliezen en zet +daarom z'n eigen denken in de plaats van dat van Woutertje! Het is zijn +eigen wijsgeerig peinzen over het <i>Begin</i> van het <i>Heelal</i>. Ik ontken +niet, dat Woutertje 't <i>kan</i> gedacht hebben. Hij is 'n geniaal, 'n +buitengewoon kind. Maar in verband met 't <i>zeer slechte</i>, wat nu bijna +onmiddellijk volgt, waarin <i>niets</i> van <i>Woutertje</i> en <i>alles</i> van +<i>Multatuli</i> is, vermoed ik dat deze hier al begon subjectief te worden.</p> + +<div class="blockquot"><p>Kenje draaien vanzelf? Door den wind? kunje omkeeren, +andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens, <i>Arend</i> ... toe krijg den +<i>Morgenstond</i> ... gauw, gauw ... pak 'm beet ... mooi!</p> + +<p>Nu weer alléén, laat los ... los ... goed zoo.</p> + +<p>Nu weer samen ... <i>karre, karre, kra, kra</i> ... steek uit je armen +... neem me mee ... wil je niet? Goed, <i>Arend</i>! Zet je hoed op ... +wat fladderen die linten ... hoe heetje? Warre, warre, warre, wou +... ik kan 't niet helpen ... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? (En +nu komt dat zeer slechte, waarvan ik zooeven sprak en waarop ik ook +in den aanvang van mijn artikel doelde, v.C.): <i>Fanne, Fanne, fan +fan</i> ... heetje <i>Fan</i>? en jij, <i>Morgenstond</i>, hoe is je naam? +<i>Sine, sine, sine, si</i> ... wat is dat voor 'n naam, <i>si</i>? Nu +tegelijk, komaan ... samen ... zingt 'n liedje samen:</p> + +<p> +<i>Fanne, fanne, fan, fan</i>....<br /> +<i>Sine, sine, si, si</i>....<br /> +<i>Fanne, sine, fanne, sine,</i><br /> +<i>Fanne sine.... Fan ... cy....</i><br /> +</p> + +<p><i>Fancy</i> ... wat meen je daarmee? Heetje <i>Fancy</i>? En ... wat is dat +... heb je vleugels?</p> + +<p>Ja, "<i>d'Morgenstond</i>" en "<i>den Arend</i>" waren ineengesmolten, hadden +vleugels, en heetten <i>Fancy. Fancy</i> nam Wouter op en voerde hem +mee.</p></div> + +<p>De fantasie-figuur <i>Fancy</i>—het woord zelf beteekent verbeelding—speelt +een hoofdrol in Multatuli's werk. Soms is zij hem personificatie<a name="FNanchor_11_93" id="FNanchor_11_93"></a><a href="#Footnote_11_93" class="fnanchor">[11]</a> van +het <i>Al</i>, het <i>Zijnde</i>; soms de <span class="pagenum"><a name="p234" id="p234"></a>[p.234]</span> <i>Muze</i>: degeen, die hem zijn +werken influistert, hem inspireert; een ander maal: de +<i>Causaliteit.</i><a name="FNanchor_12_94" id="FNanchor_12_94"></a><a href="#Footnote_12_94" class="fnanchor">[12]</a> In hun diepste beteekenis dekken trouwens deze +begrippen elkander, naar zijn meening. En de personificatie van déze +hooge, wijsgeerige begrippen, <i>dragend den naam, die zij uitsluitend in +zijn, Multatuli's, denken draagt</i>, laat hij nu verschijnen in het denken +van <i>het kind Woutertje</i>!! Teugelloozer uit den-band-springen is wel +niet mogelijk, ergerlijker knoeien met psychologie wel niet denkbaar. En +ziet ge 't nu zelf dat ik gelijk had, met in mijn <i>inleidend</i> +Multatuli-artikel te spreken van: "zijn ontzaglijk doorvoelings- en +uitbeeldings-vermogen, dat echter geschaad wordt door een groot gebrek +aan objectiviteit"? Want, hoe kon ik u zóó van dat vermogen doen +genieten, indien het niet ontzaglijk ware, en daarentegen tevens in de +gelegenheid zijn, op zùlke grove fouten te wijzen, als ik gedaan heb, +zoo het niet geschaad werd door een groot gebrek aan objectiviteit?!</p> + +<p>Maar nu nog een ernstig woord, voor we voor ditmaal scheiden: de meeste +lezers hebben een weerzinwekkend hebbelijkheidje: ze onthouden wat er +voor leelijks over 'n schrijver door zijn bespreker is gezegd, maar wat +deze heeft geprezen, dàt vergeten zij! <i>Past daarvoor op! dat is iets +zeer leelijks, iets zeer gemeens</i>. Dat vindt z'n oorzaak in +<i>leedvermaak</i>, <span class="pagenum"><a name="p235" id="p235"></a>[p.235]</span> in de, vaak onbewuste, <i>afgunst van het kleine op +het groote</i>, in het blij-zijn <i>omdat het groote toch ook smetten van +kleinheid</i> heeft.... Ik doe u de fouten in schrijvers zien, +<i>uitsluitend</i>, om u <i>onderscheiden</i> te leeren, en tot dat onderscheiden +behoort óók: het begrijpen, dat onze <i>middelmatigheid</i> gemakkelijk +<i>kleine</i> foutjes hebben kan, maar dat waar <i>groote</i> gaven zijn, meestal +uiteraard óók groote gebreken zijn. Dit begrijpen zal ons ingetogenheid +leeren en ons van belachelijke waanwijsheid of leedvermaak verre doen +zijn.—</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE</h2> +<p class="pagenum"><a name="p236" id="p236"></a>[p.236]</p> + +<h3>IV.</h3> + + +<p>De maatschappij waarin wij leven, die anarchistische dooreenstrengeling +van ongebreidelde, niet-geleide of slecht geleide krachten—een kluwen +zóó verward en zóó langzaam zich ontwarrend, dat we wel zeker weten, dat +niet meer bij òns leven de Tijd een schoon weefsel ervan spinnen +zal—die maatschappij van de mededinging, van de afgunst, van den haat +maakt ons allen, in haar levenden, tot slechter menschen, dan we +tengevolge van onzen natuurlijken aanleg, te midden eener betere +samenleving, zouden zijn geweest. Want zij is 't, die de edelste +neigingen ver doet terugkrimpen in 't meest verborgene van 't hart, om +daar een kwijnend bestaan te leiden, ja, dikwijls, te sterven, wijl er +voor hen in 't wijd-open, gemeenschappelijk menschen-leven geen +voedingsbodem, geen ontwikkelingsruimte is. En zij is 't alweer, die de +onedele driften oproept, hen laat treden en werken in der edele plaats, +hun dier naam, gewaad en aanzien geeft—zoodat de waanzinnige +angst-wreedheid van, het doodelijk gevaar tegemoet gejaagde, soldaten, +na zich de trekken te hebben kalm-gehuicheld en zich de handen te hebben +gewasschen van 't bij 't "neerleggen" vergoten bloed, den naam en de eer +van den heldenmoed uit de handen van vrome regeerders ontvangt; zoodat +de sluwheid, noodig, om in de hijgende jacht naar winst, anderen te doen +vallen en hen dan voorbij te rennen, als wijsheid en schoone +behendigheid wordt <span class="pagenum"><a name="p237" id="p237"></a>[p.237]</span> geprezen; het huwen-om-geld liefde wordt +genoemd en als zoodanig zalvend door geestelijken wordt be-zegend; de +zucht tot uitbuiting van vreemde landen en volken zich kan vermommen als +brengster van wetenschap en klaarder godsbegrip....</p> + +<p>En geen andere dan zij is 't dus, die ons gemoed, onze ziel aan een +veronachtzaamd huis gelijk maakt, waaruit de meesters zijn vertrokken en +waarin het brooddronken knechtenpak het bezit dier meesters in +liederlijke moedwilligheid vervuilt en verbrast, zich op hun plaatsen +zet en hun manieren grijnzend nabootst. Zoo komt het, dat wij aan het +bestaan van een volkòmen eerlijk, volkomen deugdzaam mensch nauwelijks +meer gelooven. Ja, wij <i>wenden voor</i> aan zulk een nog zekerlijk te +gelooven, doen zelfs soms, om onze eigen onschuldige braafheid maar te +toonen, alsof we zoo iemand iets heel gewoons en "normaals" vinden, doch +óók die veinzerij is—een van dat knechtenpak: zij is de lage naäapster +van den sinds lang vertrokken meester: het geloof in elkaars goedheid, +dat menschen hebben, die niet door de maatschappij tot elkanders +roofzuchtige vijanden zijn gemaakt. En zoo gebeurt het, dat, ontmoeten +wij een uitmuntend mensch in 't léven, we ons onmiddellijk afvragen: +"Zou die man nou wel ècht zoo zijn; heeft-ie met al die goedheid niet de +achterbaksche bedoeling zijn eigenbelang te dienen?" En allicht is onze +conclusie: "nee die is mij te braaf, die is mij te fijn!" En ontmoeten +we zulk een figuur, de beelding van zoo'n edel mensch, in een boèk, o +dàn is 't heelemaal mis, dan áárzelen we zelfs niet, dan veroordeelen +we, bijna immer, dadelijk. "Wat zoetig," meenen we, "wat overdreven +braaf, hoe opgesierd, 'n echte boek-held." Ja, dit spreekt van zelf: wij +zijn te zeer aan het onedele gewend, we zijn te zeer gewoon het onedele +'t masker van 't edele te zien dragen, dan dat wij nu zouden kunnen +gelooven dat edele in waarheid voor ons te zien. Toch, waar er echte, +waar er gróóte kunst is, daar worden we gedwòngen te gelooven, want deze +maakt haar beelding als ware 't doorzichtig, wij zien niet langer met +ònze oogen, wij zien niet langer alleen het uitwendige van een <span class="pagenum"><a name="p238" id="p238"></a>[p.238]</span> +figuur noch behoeven ons dus met onze gissingen en twijfelingen te +behelpen, máár wij zien met de oogen van dien grooten kunstenaar, wij +zien het uiterlijk-en-innerlijk als één klare, geheimloos openliggende +<i>waarheid</i>, en gissing noch twijfel kùnnen meer in ons opkomen. Zulk een +kunstenaar nu was onze Multatuli, toen hij de <i>Pastoor-Jansen</i>-figuur +schiep, en aan zulke groote en echte kunst had hij toen het +overgelukkige voorrecht, het aanzijn te geven. Het kost mij moeite, +mijne bewondering voor deze voortreffelijke schepping, en mijn diepe +liefde voor haar schepper, niet zoo te uiten als ik ze gevoel. Maar dit +moet nu eenmaal achterwege blijven, want hoofddoel blijft toch, die +bewondering en liefde op <i>u</i> te doen overgaan, en dat lijkt mij +vooralsnog alleen te bereiken door kalme beschouwing en ontleding.</p> + +<p>Welnu dan: <i>waardoor</i> is de auteur erin geslaagd, de in hèm levende en +klaar-opene visie van dien nobelen mensch ook òns zoo overtuigend-waar +voor oogen te stellen, voor ons zoo "doorzichtig" te maken? Heeft de +schrijver dit bereikt door, in groote mate en zeer nauwkeurig, sommige +middelen der realistische persoonsbeelding aan te wenden, d.w.z. heeft +hij deze figuur zekere telkens terugkeerende gebaren, kleine +eigenaardigheden en haar alleen eigen spreekwijzen—die alle dan +natuurlijk in logisch verband staande met haar innerlijk—verleend, +zoodat wij daardoor <i>verleid</i> worden, óók den haar eigen buitengewonen +adeldom van ziel als waar aan te nemen, ofschoon wij <i>dien</i> eigenlijk +<i>onwaarschijnlijk</i> achten? Neen, dit is niet zoo, de trekjes van deze +soort zijn nauwelijks aanwezig, bovendien, wij erkennen <i>juist dien +adeldom</i> als echt. Of zou 't dan wellicht komen, doordat wij de +kinderlijkheid van <i>Pastoor Jansen</i>, die <i>kinderlijkheid</i> in een +<i>volwassen</i> mensch, als een <i>gebrek</i> beschouwen en dit <i>gebrek</i> dezen +mensch genoegzaam <i>on</i>volmaakt in onze oogen maakt, om ons +zijn—volmaaktheid aannemelijk te maken? Neen, ook dit kan de oorzaak +niet zijn, want een <i>gebrek</i>, en dan nog wel een geestelijk gebrek, kan +nimmer zulk een <i>hart-veroverenden, behoorlijken</i> indruk wekken als deze +<span class="pagenum"><a name="p239" id="p239"></a>[p.239]</span> kinderlijkheid van <i>Pastoor Jansen</i> doet.<a name="FNanchor_13_95" id="FNanchor_13_95"></a><a href="#Footnote_13_95" class="fnanchor">[13]</a> Máár de oorzaak +is, dat de kinderlijkheid van dien mensch hem als met een glans van +aandoenlijke en nederige heiligheid omgeeft, die ons stil maakt, zoodra +we in zijn nabijheid komen, ons zacht doet treden, wijl we voelen op, +door hem, geheiligden grond te staan en ons in die klare stemming van +begrijpen-door-liefde brengt, die alles doorzichtig en hel-doorlicht +maakt. <i>Die kinderlijkheid is 't, die al zijn woorden, al zijn daden, +die dragers van zijn noblesse, als een phosphoresceerende, hen +belichtende vloeistof drenkt</i>. Maar niet alleen aldus zien wij haar, +doch—wel verre van haar als een gebrek te beschouwen!—zien we 'r +integendeel ook als een heerlijke gave, dezen mensch verleend, om zijn +blanke reinheid onbezoedeld door het leven te brengen, en zoo—terwijl +zij ons de op zich-zelf schoone schrijn blijkt, die het juweel zijner +goedheid behoedt—denken wij, aldoor dieper overtuigd wordend: hoe +waardevol moet deze laatste zijn, dat de Natuur het noodig vond haar zoo +sterk-beveiligend te omhullen! En ofschoon wellicht buiten het kader +dezer beschouwingen vallend, wil ik niet nalaten, hier nog aan toe te +voegen, dat uit die gedachte onmiddellijk bij mij deze voortkwam: hoe +blijkt ook hier weer de wijsheid, dat alles vereenende, dat alles aan +elkaar dienstbaar makende, dat met één middel véél bereikende der +Natuur, want door die kinderlijkheid de prachtige ziel van dezen mensch +<i>sluitend</i> voor het <i>kwade, opent</i> zij haar tevens voor het <i>goede</i>. +(Immers, door die kinderlijkheid hebben wij haar volledig begrepen, +daardoor zijn wij van haar waar- en echt-zijn overtuigd geworden, +dáárdoor zijn we dus in staat gesteld, van haar te genieten en te +<span class="pagenum"><a name="p240" id="p240"></a>[p.240]</span> leeren. En dit is het goede. En zoo heeft dus de Natuur twéé +groote doelen met één middel bereikt....)<a name="FNanchor_14_96" id="FNanchor_14_96"></a><a href="#Footnote_14_96" class="fnanchor">[14]</a></p> + +<p>En nu ga ik een stuk tekst afdrukken, dat, met mijn tusschengevoegde +ontledingen, u veel van het zooeven gezegde ongetwijfeld duidelijker +maken zal.</p> + +<p><i>Pastoor Jansen</i> en <i>Wouter</i> zijn op weg naar Haarlem. <i>Pastoor Jansen</i> +is aan 't woord:</p> + +<div class="blockquot"><p>"Maar ik zou je wat van die <i>kyrie</i> (een katholiek gebed. v.C.) +zeggen. Als Koens hem zingt.... O! (<i>Koens</i> is pastoor van dezelfde +kerk als <i>Jansen</i> en woont naast deze. v.C.) In z'n kamer, meen ik, +want in de kerk doet-i 't niet graag. Stijn (<i>Jansen's</i> +huishoudster, v.C.) heeft ervan gehuild, want het is heel gehoorig +bij ons, we kunnen elkaar best hooren zuchten ... maar ik zucht +nooit. Waarom zou ik zuchten?</p></div> + +<p>Hierin ligt al, zoowel het maar naïef-weg babbelen, als de blijmoedigheid +van 'n kind.</p> + +<div class="blockquot"><p>Nu, Stijn huilde, en ik kreeg kippevel. En weet je wat ik erbij +dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik 'n prul bij pastoor Koens!"</p> + +<p>"Hé, m'nheer!"</p> + +<p>"'t Is de waarheid! Maar ik van mijn kant ben weer veel sterker van +bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor +ondankbaarheid. Als m'n vader me op z'n smederij gedaan had, zou ik +net zoo sterk geworden zijn als m'n broer, maar de theologie maakt +'n mensch 'n beetje lebberig, vind je niet?</p></div> + +<p>Prachtig! Iemand als Jansen houdt er geen bijzondere deftige of +edel-klinkende termen op na, als hij over God of godsdienst spreekt: +zijn reinheid maakt hem, onbewust, als 't ware met God gemeenzaam en +vertrouwd.</p> + +<div class="blockquot"><p>En toch ... verbeeldje, ik heb thuis 'n <i>Vulgata</i> (de door de +katholieke kerk aangenomen latijnsche bijbelvertaling, v.C.) Daar +staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in 't vierkant, en +in leer gebonden ... 'n heele vracht! En er zijn sloten aan, ook. +Stijn schuurt ze alle weken blank. (Merk nu die onschuldige <span class="pagenum"><a name="p241" id="p241"></a>[p.241]</span> +en naïef geuite trots van het groote, lieve kind, omdat ie zoo +sterk is! v.C.) Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m'n +pink, en Stijn zegt <i>Paters</i> (het <i>Pater Noster</i> = 't <i>Onze Vader.</i> +v. C.) op, en ik houd m'n <i>Vulgata</i>—altijd met die ééne pink, moet +je denken—tot quotidianum (= dagelijksch, voorkomend in den zin: +"geef ons heden ons dagelijksch brood." v.C.) van de derde. En +Stijn is niet eens heel vlug met 'r <i>Paters</i>. Als ik ze zelf zei, +bracht ik 't zeker tot <i>remitte</i> (voorkomend in den zin: "en +vergeef ons onze schulden," v.C.) van de vierde, of misschien wel +tot <i>amen</i>. Maar ik moet je 'r bijzeggen, dat wij katholieken geen +kracht, macht en heerlijkheid hebben. (Het Katholieke <i>Onze Vader</i> +eindigt met: "Maar verlos ons van den booze." Het protestantsche +heeft nog dezen zin erbij: "Want U is het koninkrijk, en de kracht, +en de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen." <i>Jansen</i> zou dus een +sterker krachttoer doen als-ie de <i>Vulgata</i> aan z'n pink liet +hangen gedurende 4 protestantsche Pater Nosters dan nu hij 't doet +gedurende 4, kortere, katholieke! v.C.) Dat scheelt altijd 'n +beetje. En ... er is niets apocriefs in de <i>Vulgata</i> (De z.g. +apocriefe boeken: toevoegingen van later datum aan het Oude, zoowel +als het Nieuwe Testament, die niet hetzelfde gezag als deze hebben +en er niet mee op een lijn worden gesteld. De Vulgata is dus minder +<i>zwaar</i> dan een protestantsch bijbel-boek waarin die apocriefen wel +zijn af gedrukt. De goeie man vertelt dat allemaal, om zich niet +"grooter voor te doen dan hij is"! v.C.) Met een protestantschen +bijbel zou ik 't wel laten, dat vat je wel." Neen, Wouter vatte het +niet! of althans hij begreep niet <i>alles</i>. Maar de conclusie nam-i +goedig aan. Hij hield zich overtuigd dat pater Jansen bijzonder +sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood +gegaan zijn.</p> + +<p>"Ja, 't is 'n heel ding niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer +niet. Zoo zieje dat God altijd ieder 't zijne geeft. <i>Maar ik heb +Stijn verboden 't hem te zeggen. Hij mocht eens verdrietig worden +omdat-i 't me niet na kan doen</i>, en dit hoeft niet, want <i>zulke +dingen komen toch in ons vak maar zelden te pas</i>.</p></div> + +<p>Uit het <i>eerste</i>, door mij gecursiveerde, deel van dezen zin blijkt u +<i>Jansen's</i> goedheid, maar het wekt tevens de hinderlijke gedachte bij u +op: hij zelf vertelt het, hij pronkt ermee, en daardoor gaat ge +twijfelen aan het echt-zijn dier goedheid I Maar het <i>tweede</i> is van +zulk een bekoorlijke naïefheid—vooral dat "vak"!—dat ge inziet, dat +hij 't niet vertelt om ermee te pralen, maar uit louter onbewuste, +kinderlijke openhartigheid! <i>Gij hebt hier dus voor u een sterk bewijs +voor de</i> <span class="pagenum"><a name="p242" id="p242"></a>[p.242]</span> <i>waarheid van wat ik hierboven zei: die kinderlijkheid +drenkt en belicht zijn zedelijke schoonheid, en door de eerste erkent ge +de laatste als echt</i>.</p> + +<div class="blockquot"><p>Maar eens toch heb ik er echt schik van gehad ... niet van die +<i>Vulgata</i>, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hij +doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeeldje, +ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n'n boer in de buurt, 'n +rijke boer. Hij heette Koremans, maar hij was heel rijk, en hij had +veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal +boerenmenschen, dat begrijp je wel. Een van de meiden heette +Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was, maar och, ik +heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. (Jelui zult later wel +merken waarom, v.C.) Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n'n +ander stukje, iets van hèm, van pastoor Koens. Dàt moet je hooren!" +'t Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen +eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n +boeremeisje. Hij was in de jaren que tout ce qui porte jupon +intéresse; (= dat alles wat 'n japon draagt, belang inboezemt, +v.C.) en in z'n verbeelding vertaalde hij elk onbekend +vrouwspersoon in "Femke" of ... iets als Femke, (het meisje, waarop +hij "verliefd" is. v.C.) Maar hij begreep toch dat-i den goeden +Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hij +luisterde zoo aandachtig mogelijk.... (Wij doen dit <i>niet</i>, om +—ruimte te winnen, en luisteren pas weer, als Wouter aandringt de +geschiedenis van Trineke te hooren. v.C.)</p> + +<p>"Maar, m'nheer, wat was er met die Trineke?"</p> + +<p>"Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten +noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood."</p> + +<p>"Wat had-i gedaan met die Trineke?"</p></div> + +<p>Uit dat <i>gedaan</i>, blijkt dat het romantische Woutertje op zijn minst aan +'n half dozijn onteeringen of iets dergelijks denkt!</p> + +<div class="blockquot"><p>"Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit +over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jij 't +vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist +niet minder dan andere boeren, en daarom zou 't me leelijk staan +z'n naam te bekladden, maar waar is waar! Hij was héél rijk, en +goed voor de kerk, o best! In onze kapel—want we hadden 'n kapel +in 't Simmenarie—hing 'n geelkoperen <i>Sebastiaan</i> ('n heiligbeeld. +v.C.) met z'n lijf vol pijlen, wel duizend pond zwaar ... nu, die +was van hèm. En opschepperig <span class="pagenum"><a name="p243" id="p243"></a>[p.243]</span> was-i als we hem bezochten, +goedgeefs ... je hebt er geen begrip van! Aan brood of kaas of +karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n twintigen ... net +'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozijnen op brandewijn, en +daar dronken wij simmenaristen van dat het 'n aard had. Maar dat +kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of +zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen—'t was al de +derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze hebben—en +wij kwamen gelukwenschen en werden best onthaald, maar de bruid +keek sip, (je zult later wel zien, waarom! v.C.) en we dronken +brandewijn op rozijnen, en er was 'n pret van belang ... op de +bruid na! Maar op eens ... och, jongeheer, ik had 't je eigenlijk +niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je er nooit +over spreken zult?"</p> + +<p>"Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!"</p> + +<p>"Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg."</p></div> + +<p>Dat "op m'n woord van eer" van Woutertje, die zich voortdurend een +ridder of zoo iets droomt, is kostelijk. Maar nog kostelijker is Jansens +verbaasde "Wat?" daarop, en allerbest dat hij in z'n eenvoud heelemaal +niet begrijpt, dat Woutertje daar iets heel plechtigs mee bedoelt, +integendeel, hij schijnt het iets minder dan een gewone, eenvoudige +verzekering te achten, maar enfin, denkt hij, hoe gek ook, hij hééft 't +beloofd, dat is genoeg!</p> + +<div class="blockquot"><p>Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult +hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens +terdeeg uitgegroeid. Je begrijpt, 'n jongen in <i>theologie-tweede</i> +is anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou +gedanst worden ook. Dit mocht eigenlijk niet, en als 't in 'n ander +huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar +<i>Rector</i> zag wat door de vingers als 't bij Koremans gebeurde, om +dien <i>Sebastiaan</i>, weet-je, en ook omdat-i weleens in z'n wagen +naar stad reed en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen ... in dien +tijd. Nu zou 't niet meer staan! En ik zou dansen met de bruid, die +ik graag lijden mocht ... vroeger.</p></div> + +<p>Hier <i>schijnt</i> onze groote kunstenaar "er even uit." Immers dat +"vroeger" beteekent: nu ik priester ben, zou mij dat <i>niet</i> geoorloofd +zijn "haar graag te mogen lijden." Welnu als dit een soort liefde was, +die hem als priester niet geoorloofd is, dan was het hem, den hoogreine, +ook niet geoorloofd, terwijl hij zich van <i>die</i> liefde <i>bewust</i> was, met +Lies te dansen. <span class="pagenum"><a name="p244" id="p244"></a>[p.244]</span> Neen, hij was toen nog geen priester, máár: hij +zou 't worden èn <i>zij was immers met een ander verloofd</i>. Jansen, mag, +wil zijn figuur volmaakt gaaf blijven, niet geweten hebben dat zijn +liefde een "zondige" was, en Multatuli laat het hem klaarblijkelijk wèl +weten. Maar begrijpen we 't goed: <i>nu</i> weet ie-'t, <i>toen</i> wist hij 't +<i>niet</i>. Men zie mijne ontleding van de geheele figuur aan 't eind van +dit hoofdstuk.</p> + +<div class="blockquot"><p>En ze hield van mij ook wel, dat weet ik zeker.</p></div> + +<p>Dit is schitterend. Jansen blijkt hier duidelijk de naïef-reine, tot +wien het heelemaal niet is doorgedrongen zelfs op dit oogenblik, dat +Liesje niet alleen "van hem hield" maar dat zij hem liefhad als een +vrouw een man.</p> + +<div class="blockquot"><p>Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik, dat Trineke er niet was +en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altijd bij, +net als de andere knechts en meiden, maar nu was zij er niet. En +dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans zelf. +Lies was de bruid, weet-je, die met me dansen zou, en wel 't +allereerst, omdat ik 'n weddingschap van haar vrijer had gewonnen +... ook al over sterkte. "Trien is ziek," zei Koremans, "en ga nu +je gang maar met Lies." "Is Trineke ziek," vroeg ik, "en waar is ze +dan?" Want dàt wou ik weten. "En," zei ik, "ik ga nu me gang met +Lies niet, voor ik weet waar Trineke is."</p> + +<p>.........................................................................................................................................................................</p> + +<p>"Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed +doet...."</p> + +<p>"Ik zal er heusch niet over spreken," beloofde Wouter, die meende +dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg en bang was dat +Jansen 't verhaal afbreken zou.</p> + +<p>"O, <i>dit</i> mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't +weet. Ik wou je dan zeggen—maar 't spijt me toch—dat de boeren +... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...."</p> + +<p>"Hé?"</p></div> + +<p>Wouter krijgt 'n slag op z'n hart, nu hij hoort, dat Trineke <i>oud</i> was. +Hij had van een of andere romantische geschiedenis van een jong, +natuurlijk "beeldschoon" boerinnetje gedroomd. Prachtig is dat weer, hoe +Multatuli <i>Woutertje</i> doorvoeld heeft!</p> + +<div class="blockquot"><p>... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had <span class="pagenum"><a name="p245" id="p245"></a>[p.245]</span> +al meer gemerkt, dat men haar achteraf-zette en wegdeed als er wat +vroolijks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, +en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want +toen ik den vorigen keer bij Koremans was, had ik al gemerkt dat ze +erg hoestte, en nog kaduker was dan gewoonlijk. Ze was 'n beetje +mank ook, maar ze had altijd braaf gewerkt.... O, bij Koremans z'n +ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was. "Ze is op 'r bed," zei +Lies, "en ik begrijp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe +mensch. Kom dans maar!" En ze wenkte den speelman dat-i beginnen +zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof +God me ingaf—dit gebeurt soms—dat ze slecht behandeld werd. En +Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje +denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou dat ik +Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want ...ze lag in den +stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet—dat +begrijp je wel—maar 't was of God 't me ingaf. En ik stond vóór +den stal, en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet +antwoorden, en Lies riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe +mensch?" Maar ik zei: "met jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen +vroeg ik aan Koremans of-i de deuren van den stal wou openen? +"Neen," zeid-i, "en ze is er niet!" En ik zei dat ze er wel was, en +vroeg 't hem nòg eens, want men moet 'n mensch altijd tijd laten om +zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hij zei weer neen, en Lies +wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m'n schouder +tegen de staldeur dat ze kraakte, en ... ik was erin, hoor! Vindt +je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.</p> + +<p>"En Trineke, m'nheer?"</p> + +<p>"Welzeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't +Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer +geleefd, maar ... ze is toch behoorlijk gestorven op 'n kristelijk +bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik +je!"</p> + +<p>.........................................................................................................................................................................</p> + +<p>"En Liesje, m'nheer?"</p> + +<p>"Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen +Trineke op 'n bed lag, vroeg ze-n of ik nu met haar dansen wou? +Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineke een glas brandewijn met +rozijnen en krentenkoek, dat heel versterkend is bij de boeren, en +toen vroeg ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar +zonder veel pleizier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en +Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelijk uitstellen, maar +Koremans was er kwaad om, en haar vrijer ook. Ik geloof dat-i me +niet lijden mocht ... zeker om die weddenschap."</p></div> + +<p><span class="pagenum"><a name="p246" id="p246"></a>[p.246]</span> Let op de gedachtenverbinding bij <i>Jansen</i>. Hij vertelt dat +Liesje's vrijer boos was, omdat zij het huwelijk wilde uitstellen, en +dadelijk daarop zegt hij: "Ik geloof" enz. Daarmee verklapt hij +onwillekeurig, zich ervan bewust te zijn, dat de vrijer Liesje's plan +haar huwelijk uit te stellen, weet aan iets, dat in verband stond met +Jansen's persoon, maar dat <i>niet</i> de Trineke-geschiedenis was! Hij +bemerkt echter onmiddellijk, dat hij zich verklapt heeft en om Wouter op +een dwaalspoor te brengen, voegt hij er gauw bij: "zeker om die +weddenschap."</p> + +<div class="blockquot"><p>Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten +minder vroolijk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze maar +zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier."</p></div> + +<p>Een toespeling op Jansen's verhaal van hoe hij met Liesje danste na de +Trineke-geschiedenis. Deze toespeling heeft dus de waarde van een +voortreffelijke vergelijking, een mooi "beeld," en geeft hetzelfde +genot!</p> + +<div class="blockquot"><p>Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man +aantezetten tot wat gehuppel. Ja zelfs hij verwachtte een flinken +sprong, 'n <i>saut périlleux</i> (= 'n gevaarlijke sprong, v.C.). De +onkunde der jeugd is wreed—<i>cet âge est sans pitié</i>, (= deze +leeftijd kent geen medelijden, v.C.) zei de fabeldichter—en Wouter +wist niet wat-i deed, toen hij vroeg: "En is Liesje met haar vrijer +getrouwd, m'nheer?"</p></div> + +<p>Immers deze vraag moet <i>Jansen</i>, die Liesje op 'n heel andere manier +heeft liefgehad, dan hij zelf <i>indertijd</i> wist, schrijnende pijn doen.</p> + +<div class="blockquot"> +<p>.........................................................................................................................................................................</p> + +<p>"En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? (Nadat ze getrouwd was en +"bleek en verdrietig en ziek was geworden." Ze leefde ook niet lang +meer. v.C.) Neen, want haar man was niet heel vriendelijk als ik +naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou +brengen, dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje ... kijk de +zaak was zóó. (Jansen ziet in, dat hij tegenover Wouter zich niet +langer van het voorwendsel van die weddenschap kan bedienen! v.C.) +In 't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander had, als ze 't maar +had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander +van de kerk was. Ja, ja, ik weet wel wie 't was, ook!"</p> + +<p>"Hé?" vroeg Wouter die 't ook meende te weten.</p></div> + +<p><span class="pagenum"><a name="p247" id="p247"></a>[p.247]</span> Wouter denkt, zeer terecht, dat 't Pater Jansen zelf was. +Vandaar z'n verbaasd "Hé?" nu hij gaat inzien dat de Pater meent, dat 't +een ander was.</p> + +<div class="blockquot"><p>"Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op +de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk +kwamen, stond zij aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra +we naderbij kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand, die niet +weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zijn de meisjes, en dit wist +ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als +op 'n Simmenarie."</p></div> + +<p>Dit is heerlijk.' Humor van de allerbeste soort. Op 't zelfde oogenblik, +dat hij blijk geeft zoo onschuldig te zijn als 'n pasgeboren kind, zegt +hij, zooveel menschenkennis op 't Simmenarie te hebben opgedaan!</p> + +<div class="blockquot"><p>Nu, dat ze-n-altijd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten, +besten jongen!</p></div> + +<p>O, hoe prachtig is dit: met dit "'n besten, besten jongen!" verdedigt +Jansen zijn vriend tegen eigen innerlijk misprijzen, 't Beteekent zoo +iets als: Neen, ik <i>wil</i> geen kwaad van hem denken.</p> + +<div class="blockquot"><p>En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger +geweest zijn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat +zou ik ook misschien wel eens gedaan hebben, want Kruger was m'n +beste vrind, en hij hield <i>bijna net zooveel</i> van Liesje als ik. O, +heel veel!</p></div> + +<p>In dat "bijna net zooveel" ligt een wereld! Pater Jansen moge zich-zelf +onder bedwang hebben, hij moge z'n afkeurende gedachten over 'n vriend +het zwijgen opleggen, hij make zich-zelf diets, dat pastoor Koens zoo'n +beste jongen was—wij weten en hij weet o.a., dat jonge fatsoenlijke +meisjes niet graag bij hem biechten gingen!—als hij denkt aan zijn +eigen liefde voor Liesje, dan is het met dat zich-diets-maken uit. Hij +ziet plots de smetteloos reine verschijning <i>zijner</i> liefde, en +daarnaast, daar ver onder: de waarschijnlijk zinnelijke, oppervlakkige +van Pastoor Koens. En wilde hij ze al gelijk stellen, het woord besterft +hem op de lippen. Hij voelt dat dat heiligschennis wezen zou en hij mòet +'t zeggen, dat <span class="pagenum"><a name="p248" id="p248"></a>[p.248]</span> heerlijke, ook ter wille van Liesje: dat zijn +liefde grooter was. Maar in 'n laatste poging zich-zelf neer te buigen +en z'n vriend omhoog te tillen, verkleint hij den afstand tusschen beide +liefden: "<i>bijna net zooveel</i>." O, het is om te schreien en te juichen +tegelijk....</p> + +<div class="blockquot"><p>Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelijkheden, toen 't +paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen +van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden +door een der hoofdpersonen zelf.</p></div> + +<p>Immers Liesje was op <i>Jansen</i> verliefd en deze denkt dat ze 't op +<i>Kruger</i> was.</p> + +<div class="blockquot"><p>Hij voelde wel dat Jansen eigenlijk meer verteld had dan-i zich +veroorloofde te weten. Of <i>wist</i> hij meer?</p></div> + +<p>Er zit hier een moeilijkheid. We moeten daar even bij stilstaan. Indien +men zegt dat iemand meer vertelt dan hij zich veroorlooft te weten, dan +beteekent dit ongetwijfeld, dat het juist heel zeker is dat die +verteller het weet, maar dat hij eigenlijk zich-zelf of anderen niet +bekennen wil dàt hij 't zéker weet. Daarna dan bij wijze van +tegenstelling te vragen: "of wist hij meer?" heeft geen zin. Wij moeten +dus aannemen, dat Multatuli tegen het gewone spraakgebruik in met dat +"meer dan-i zich veroorloofde te weten," bedoelde: meer dan-i werkelijk +<i>wist</i>. (Dus ironisch. In den zin van: meer dan-i zich de weelde +veroorloofde te weten.) En dáárop volgt dan logisch: "Of wist hij meer?" +Het antwoord wordt in het volgend stukje tekst te <i>gissen</i> gegeven.</p> + +<div class="blockquot"><p>Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man +gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf +dreunde en 't spreken moeilijk maakte, was daarvan zeker de +oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen +over den vreeselijken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had. +"Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben +moe ook."</p></div> + +<p>Jelui zult al wel begrepen hebben, dat hij geschreid en dáárom ook niet +gesproken heeft.—En nu het antwoord op de vraag, <i>of hij meer wist</i>? +Dit antwoord moet m.i. aldus <span class="pagenum"><a name="p249" id="p249"></a>[p.249]</span> luiden: In zijn jeugd, <i>terwijl de +geschiedenis met Liesje voorviel</i>, dacht hij, dat Liesje niet hem, maar +Kruger liefhad. Zoowel zijn naïveteit als zijn zelf-geringschatting +verklaren dit voldoende. Trouwens, ware het anders, dan zou deze +smetteloos-reine toch onmiddellijk den omgang met Liesje afgebroken +hebben om haar liefde niet aantewakkeren. Vandaar dan ook, dat hij zegt, +dat hij <i>misschien</i> Kruger wel eens zou meegenomen hebben. D.w.z. hij +zou misschien toegegeven hebben aan den aandrang van den vriend, om hem +mee te nemen, maar met zijn volle instemming zou hij dat niet gedaan +hebben. Immers hij was natuurlijk van meening, dat Kruger haar liefde +niet mocht aanwakkeren. En dit is dan ook de reden hier, waarom hij, +zooals we merkten, innerlijk Kruger <i>geen</i> "beste jongen" vindt. Daarna, +bij 't klimmen der jaren echter, zijn hem, in zijn stil peinsleven, de +oogen opengegaan. Hij heeft toen begrepen, dat Liesje <i>hem</i> heeft +liefgehad. Maar dan, om zijn gemoedsrust te bewaren en de nijpende smart +om het verloren geluk tot zwijgen te brengen, is hij zich gaan <i>diets +maken</i>, wat hij <i>eerst</i> in wáárheid geloofde, nml. dat zij Kruger +liefhad. Als men weet hoe gemakkelijk menschen langzamerhand in de +waarheid van eigen vaak herhaalde onwaarheden gaan gelooven, dan +begrijpt men zeker, hoe betrekkelijk licht dit ook dezen <i>priester van +een suggestief wondergeloof</i>, in zijn <i>lang leven</i> moet gelukt zijn. Op +'t oogenblik dus, dat hij Wouter vertelt, dat Liesje Kruger liefhad, +vertelt hij geen <i>bewuste</i> onwaarheid. Maar dan weer, door de +aandoenlijkheid van zijn verhaal—bij dat <i>bijna net zooveel</i>—uit zijn +zelf-gesuggereerde denk-sleur geheven, staat plotseling één vreeselijk +oogenblik, de lang weggeduwde, de diep verborgen waarheid, groot en +ontzettend voor zijn oogen, en in de duisternis van de poort snikt hij +zijn wee uit, om 't verloren heil ... de nutteloos uitgebloeide +liefde....</p> + +<p>Hiermede zij de behandeling van <i>Woutertje Pieterse</i> beëindigd.</p> + +<p>En nu een bekentenis: vóór het schrijven heb ik altijd een zekeren +angst, dat ik mijn onderwerp niet voldoende recht <span class="pagenum"><a name="p250" id="p250"></a>[p.250]</span> zal doen +wedervaren, of, op deze plaats, te moeilijk zal zijn, daarnà—zelden het +gevoel geslaagd te zijn....</p> + +<p>Wat zal jelui na het lezen hebben? Mag ik mij vleien, dat het de +begeerte zal wezen, zelf het kunstwerk in z'n geheel te genieten?</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<div class="footnotes"><h4>NOTEN:</h4> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_83" id="Footnote_1_83"></a><a href="#FNanchor_1_83"><span class="label">[1]</span></a> Voor 't eerst gepubliceerd als inleiding tot de +literatuur-afdeeling van den boekerij-catalogus van den A.N.D.B.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_84" id="Footnote_2_84"></a><a href="#FNanchor_2_84"><span class="label">[2]</span></a> Op dit laatste: het innig-doorvoeld hebben van de eenheid +van het zijnde berust dit, wellicht edelste, vermogen van den literairen +kunstenaar: het maken van treffende vergelijkingen (het "scheppen van +beelden"). Want dit <i>is</i> niet anders dan het weten der eigenschap, die +overigens uiteenloopende dingen gemeen hebben.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_85" id="Footnote_3_85"></a><a href="#FNanchor_3_85"><span class="label">[3]</span></a> Zie, <i>na dit geheele betoog ten einde te hebben gelezen</i>, +de noot op blz. 216. (zie noot [5] hieronder)</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_86" id="Footnote_4_86"></a><a href="#FNanchor_4_86"><span class="label">[4]</span></a> Zie hierin tevens het bewijs en de verklaring van de +stelling (zie pag. <a href="#p211">211</a>) waarom noodzakelijk elke weergave-in-kunst +schoonheid is.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_87" id="Footnote_5_87"></a><a href="#FNanchor_5_87"><span class="label">[5]</span></a> Ik heb vermeden, 't geen ik nu zeggen ga, in het +voorafgaande betoog op te nemen, om eenigen niet ervaren lezer het +verstaan niet noodeloos te bemoeilijken en hem van den hoofdweg af te +leiden. Nu moge het echter tot juister en vollediger begrip hier een +plaats vinden. Overal, waar in het betoog sprake was van "objectiviteit" +bij het waarnemen en weergeven, werd dit <i>nimmer in absoluten zin +bedoeld</i>. Het is bijna onnoodig te zeggen, dat <i>onze subjectiviteit +altijd waarneming en weergave kleurt</i>. "Objectieve waarneming en +weergave" wil dus, zoo kort mogelijk gezegd, hier niet anders beteekenen +dan die waarneming en weergave, waarin geen enkel ander element van +subjectiviteit aanwezig is, dan hetgeen <i>onvermijdelijk</i> voortvloeit uit +den aard der <i>natuurlijke individualiteit</i> van den waarnemer en +weergever.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_88" id="Footnote_6_88"></a><a href="#FNanchor_6_88"><span class="label">[6]</span></a> In <i>Het Jonge Leven</i> was een Hildebrand-artikel aan dit +opstel voorafgegaan.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_89" id="Footnote_7_89"></a><a href="#FNanchor_7_89"><span class="label">[7]</span></a> De moeite van dit "losmaken" werd mij intusschen bespaard +door de voortreffelijke uitgave van <i>Woutertje Pieterse</i> der +<i>UitgeversMij. Elsevier</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_90" id="Footnote_8_90"></a><a href="#FNanchor_8_90"><span class="label">[8]</span></a> Verwekt dus ook de <i>goede</i> romantiek soms in den daarvoor +ontvankelijken lezer, een overdreven voorstelling van de +werkelijkheid,—de <i>slechte</i> romantiek <i>is</i> die "overdrijving" <i>in +zich-zelf</i>. <i>Zij</i> vervalscht den <i>gewonen middelslag-mensch</i> tot een +<i>grooten</i> mensch, groot zoowel in het goede als in het kwade, doet hem +leven in omstandigheden, waarin zulk een mensch <i>niet</i> leeft en laat hem +daden verrichten, die zulk een mensch <i>niet kan</i> verrichten.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_91" id="Footnote_9_91"></a><a href="#FNanchor_9_91"><span class="label">[9]</span></a> Hier volgde in het oorspronkelijk artikel het schitterende +"Avondje bij juffrouw Pieterse." Slechts één door mij bij het citeeren +gemaakte opmerking—de andere zijn voor een algemeen publiek te weinig +belangrijk—zij hier herhaald: De dialoog in dat gedeelte van ons boek, +staat slechts <i>ten deele</i> in <i>dialect. Multatuli</i> achtte zich na het +toonen van een staaltje daarvan, ontheven van den <i>kunstenaarsplicht</i>, +den dialoog aldus weer te geven. <i>Zeer onjuist</i> èn jammer ook, omdat nu +iets van de <i>groeps</i>-karakteristiek verloren gaat.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_92" id="Footnote_10_92"></a><a href="#FNanchor_10_92"><span class="label">[10]</span></a> Hier: blz. <a href="#p211">211</a> en <a href="#p214">214</a>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_93" id="Footnote_11_93"></a><a href="#FNanchor_11_93"><span class="label">[11]</span></a> De voorstelling van een begrip, een zaak, als persoon.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_94" id="Footnote_12_94"></a><a href="#FNanchor_12_94"><span class="label">[12]</span></a> Causaliteit = oorzakelijkheid, het verband tusschen +oorzaak en gevolg. (Denk aan het fransche <i>cause</i> = oorzaak). Het is +hier natuurlijk de plaats niet om uitteweiden over alles wat hieraan +vast zit. Genoeg zij 't, dat Multatuli tot die wijsgeerig-denkenden +behoorde, die meenen, dat elke oorzaak <i>noodwendig</i> het gevolg heeft, +dat eruit voortspruit, m.a.w.: zij had nimmer een ander gevolg kunnen +hebben. Waarom hij dan ook aan de causaliteit den naam <i>Fancy</i> geeft, +zal u nu wel duidelijk zijn. Immers: het kunstvoortbrengen, zegt hij, is +niet iets willekeurigs, dat hij doen of laten kan wanneer het hem +belieft, maar hij doet het slechts, wanneer hij door zijn innerlijken +drang ertoe wordt gedwongen. Die drang is de resultante, het uitvloeisel +van de factoren, die te zamen den mensch Multatuli vormen. Hij is dus +een gevolg, een werking van de causaliteit, van al de <i>oorzaken</i> +namelijk, die den mensch Multatuli en zijn denken en doen tot noodwendig +<i>gevolg</i> hadden. En, zegt hij óók, <i>Fancy</i> inspireert, fluistert hem +zijn scheppingen in. <i>Fancy</i> is dus één met de causaliteit, een +personificatie ervan.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_13_95" id="Footnote_13_95"></a><a href="#FNanchor_13_95"><span class="label">[13]</span></a> Multatuli-zelf ziet deze kinderlijkheid wel als een +gebrek. Het eenige wat ik daarvan zeggen kan is—dat de vader hier zijn +eigen kind niet goed gekend heeft! 't Geen niet behoeft te verwonderen. +De verklaring ligt voor de hand, waarom dit verschijnsel juist bij +gróóte schrijvers voorkomt. De voortreffelijke G.K. Chesterton geeft er +in zijn onlangs verschenen <i>Criticisms and appreciations of Charles +Dickens' Works</i> eenige aardige bij Dickens voorkomende staaltjes van. +Tusschen haakjes: ik kan den Engelsch-kennenden onder mijne lezers, dit +luchtig en geestig geschreven en zooveel juist inzicht bevattend werk +warm aanbevelen.—</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_14_96" id="Footnote_14_96"></a><a href="#FNanchor_14_96"><span class="label">[14]</span></a> Menigeen zal het gek vinden, dat ik zoo voortdurend van +<i>Pastoor Jansen</i> als van een werkelijk geleefd hebbende persoon spreek. +Maar men bedenke, dat het 't <i>levensware</i> is, dat iets geschikt maakt er +<i>levenswaarheden</i> aan te demonstreeren, en dat is evenzeer bij een door +<i>de Kunst</i> als door de Natuur <i>geschapen</i> mensch aanwezig.— +</p></div></div> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART,<br /> DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p251" id="p251"></a>[p.251]</span></p> +<h3>I.</h3> + + +<p>Is het voor den lezer en bespreker van de <i>Historie van Mej. Sara +Burgerhart</i> ongetwijfeld immer een voorrecht dezen roman-in-brieven in +de uitgave van de W.B. voor zich te hebben, in deze warmte vooral voelt +men 't als een onschatbaar genot, dank zij den heer Prof. Knappert, die +het werk van eene inleiding en verklarende aanteekeningen heeft +voorzien, niet genoodzaakt te zijn, om, bibliotheek in, bibliotheek uit, +naar de beteekenis van verouderde uitdrukkingen te speuren, of te +beproeven zich zelfstandig in 't historisch milieu te orienteeren. +Bedoelde inleiding en aanteekeningen maken al een zeer sympathieken +indruk, niet alleen door den zoo duidelijk blijkenden ernst en de +nauwgezetheid, waarmede zij zijn samengesteld, maar óók door het feit, +dat de heer Knappert in een zeer gewichtige aangelegenheid zijn eigen +weg is gegaan en zich niet door den beroemden <i>Busken Huet</i> een dwaalweg +heeft laten inloodsen. Anders dan deze, die eene der boezemvriendinnen, +en wel Agatha Deken, het mede-auteurschap der, naar beider +ondubbelzinnige verklaring, <i>gezamenlijk</i> geschreven romans ontzegt, +verklaart onze geleerde en scherpzinnige commentator: "Maar haren roem +danken Betje en Aagje terecht aan haar <i>wezenlijk gezamenlijk</i> +geschreven romans." Om met den gullen Abraham Blankaart, Saartje's voogd +te spreken: "Dat klinkt je wat anders voor den snoet" dan de +quàsie-vernuftige <span class="pagenum"><a name="p252" id="p252"></a>[p.252]</span> critische bewering van Huet. 't Is waarlijk +geen gering vergrijp op zoo wankele gronden<a name="FNanchor_1_97" id="FNanchor_1_97"></a><a href="#Footnote_1_97" class="fnanchor">[1]</a> als door deze voor zijn +meening kunnen worden aangevoerd, het niet alleen aan te durven, deze +vrouw, die zich niet verdedigen kan, van haar roem bij het nageslacht te +berooven, maar ook de moreele smet aan te wrijven, dat zij zich eer en +lof heeft laten aanleunen, die haar niet toekwamen en letterlijk op de +talenten van haar weldoenster en hartsvriendin zou hebben geparasiteerd. +Want Huet moge daar luchtigjes overheen redeneeren en, de kool en de +geit pogend te sparen, het als iets loffelijks in Aagje voorstellen, dat +zij niet weigeren wilde, Betje's roem te deelen, in waarheid zou zulk +een handelwijze niet anders gequalificeerd kunnen worden, dan ik heb +gedaan. En het schenkt mij dan ook niet geringe voldoening en vreugde, +dat de heer Knappert anders oordeelt. Intusschen, hoe gaarne ik langer +over diens bijzonder <span class="pagenum"><a name="p253" id="p253"></a>[p.253]</span> waardevollen arbeid zou uitweiden, we +zullen nu maar eens aan den roman-zelf onze aandacht geven. Al lezend +zullen wij gelegenheid te over hebben, door van de inlichtingen van +onzen gids gebruik te maken, hem de beste hulde te brengen, die iemand +gebracht worden kan.—</p> + +<p>Ziehier de zeer kort saamgevatte "inhoud": <i>Sara Burgerhart</i>, eene wees, +'n zeer begaafd, zeer geestig en bevallig kind van 'n jaar of twintig, +is bij een oude, kwezelachtige tante in huis, <i>Juffrouw Hofland</i>, die +zich te goeder trouw bij de zoogenaamde "fijnen" aangesloten hebbend, +hun dupe wordt. (Bij dat woord "fijnen" hièr moet ge niet denken aan een +zeker soort van vrome menschen, die, ofschoon lastig en onverdraagzaam +voor hunne omgeving, toch deugdzaam zijn en hunne godsdienstigheid +oprecht meenen, neen, déze "fijnen" zijn integendeel doortrapte +huichelaars, die, onder den schijn van streng godsdienstig te zijn, de +meest schurkachtige daden bedrijven!) Het arme kind wordt echter zoo +door die tante en haar verfoeilijk gezelschap, <i>"Broeder" Benjamin</i> en +<i>"Zuster" Slimpslamp</i>, benevens 'n dronken tobbe van 'n dienstmeid, +<i>Brecht</i>, genegerd en geplaagd, dat ze met toestemming van haar +uitmuntenden voogd, <i>Abraham Blankaart</i>, die haar vaders boezemvriend +was, ontvlucht en haar intrek neemt bij een waarlijk verstandige en +deugdzame vrouw, <i>de Wed. Buigzaam</i>. Daar wint zij niet alleen de +vriendschap van haar hospita en, op één enkele uitzondering na, die van +de bij deze inwonende jonge dames, maar zij leert er ook den man kennen, +die haar echtgenoot wordt: <i>Hendrik Edeling.</i> Voor zij echter trouwt, is +zij door haar sterken zin voor uithuizige vermaken en het argeloos +vertrouwen van haar jong, rein hart, bijna het slachtoffer geworden van +een adellijken losbol en gewetenloozen meisjesverleider, <i>den heer +R</i>.<a name="FNanchor_2_98" id="FNanchor_2_98"></a><a href="#Footnote_2_98" class="fnanchor">[2]</a></p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Ook deze roman is een <i>realistisch</i> werk. En ik geloof <span class="pagenum"><a name="p254" id="p254"></a>[p.254]</span> het +daarom niet te onpas eens even vluchtigjes te onderzoeken in welke +verhouding de innerlijkheid van dit werk en de fundamenteele geaardheid +zijner auteurs staan tot die van de beide andere, in deze serie<a name="FNanchor_3_99" id="FNanchor_3_99"></a><a href="#Footnote_3_99" class="fnanchor">[3]</a> reeds +behandelde boeken en schrijvers: Hildebrand met zijn <i>De Familie Kegge</i>, +Multatuli en zijn <i>Woutertje Pieterse.</i> Zou men aanvankelijk geneigd +zijn te beweren, dat Wolff en Deken in hun Hollandsche degelijkheid en +de geschiktheid van hun roman "voor den Meridiaan des Huiselijken +levens," meer overeenkomst vertoonen met den kalmen aspirant-burger- +huisvader Hildebrand, dan met den geweldigen Multatuli, den afbreker, +den spotter en de schrik van alle brave huisvaders en afgebakende- +levensweggetjes-bewandelenden—men komt al heel spoedig van die meening +terug. Zooals Hildebrand wel schijnbaar, en ten deele met Multatuli +overeenkomt in het gering achten van eigen <span class="pagenum"><a name="p255" id="p255"></a>[p.255]</span> kunst en artistieke +vermogens—de eerste, zooals wij indertijd gezien hebben, vindt zijn +schetsen-schrijven een jeugdspel, dat den rijperen leeftijd niet meer +voegt, terwijl de laatste voor niets grooter angst schijnt te hebben, +dan om zijn schrijfkunst bewonderd te worden—maar inderdaad in de +oorzaken dier geringschatting hemelsbreed van hem verschilt—want ten +eerste mag men met grond beweren, dat Multatuli meestentijds niets van +dit geringschatten meende, maar ten tweede: dat, ten tijde dat hij 't +wèl meende, die meening in hem geboren werd <i>uit zijn ontzaglijk +revolutionnair sentiment</i>, terwijl zij bij Hildebrand voortkwam juist +uit het <i>tegenovergestelde</i>: het begrip van eigen waardigheid en fatsoen +als dienaar van den godsdienst, d.i. van het overgeleverde, het, in zijn +oogen, <i>vaststaande en blijvende</i>: een fundamenteel onderscheid +dus!—zoo komen, oppervlakkig beschouwd, Betje en Aagje wel met +Hildebrand overeen in den eerbied voor een werkelijk godsdienstig leven; +in de voorkeur voor het beelden van echt vaderlandsche tooneelen, en +zelfs in het verliefd zijn op enkele der door hen geschapen figuren, +maar dat alles spruit bij hen uit geheel andere motieven voort dan bij +hem. De eerbied voor den werkelijk godsdienstigen en braven mensen maakt +zich bij Hildebrand zelden los van de wetenschap, dat ook hij zulk een +mensch is, in één woord: hij blijkt soms saamgeweven met eene ergerlijke +zelfverheerlijking en zelfverheffing, bij onze Wolff en Deken is daar +geen sprake van. Beeldt Hildebrand zich in <i>De Familie Kegge</i>—herinnert +ge 't u?—als den onfeilbaar-wijze en den reddenden engel, Betje +daarentegen stelt zich-zelf ten toon—ongetwijfeld zich bewust, dat men +dit zal begrijpen—als de zeer zeker begaafde, zeer zeker brave en +sympathieke, maar niet minder lichtzinnige <i>Saartje Burgerhart</i>, die +niet alleen geen anderen redt, maar er rond voor uit komt, dat ze 't +alleen God heeft te danken, dat ze niet door een schurk voor haar +geheele leven ongelukkig is gemaakt, terwijl Aagje er niets op tegen +schijnt te hebben, zich-zelf als de bedilzieke en overijld naar den +schijn oordeelende <i>Anna Willis</i>—vriendin van <i>Saartje</i>—te teekenen! +<span class="pagenum"><a name="p256" id="p256"></a>[p.256]</span> En ongetwijfeld: de liefde voor het schetsen van het +vaderlandsche milieu is zoowel bij Hildebrand als bij onze schrijfsters +zeer sterk, maar welk verschil in omvang en rijkdom hunner +menschenwereld! Waardeert men bij Hildebrand een sterk <i>novellistisch</i> +talent, in het werk van Wolff en Deken voelt men den adem der groote, +heele menschengroepen omvattende epica. En welk een onderscheid ook in +de weergave dier wereld! In hoeveel grootere mate dan bij Hildebrand +spreken hier de struische Hollanders de stoere Hollandsche taal. Neen, +men ziet het: dit is onovertrefbaar: deze menschen kunnen niet anders +spreken, dit is het woord, waarin zij-zelf léven, het woord soms hoekig +als hun vierkantig gezicht, hun zware lijf, soms rond als hun kaaskop, +maar altijd helder-gewasschen als hun grijze en blauwe kijkers....</p> + +<p>Ook de verliefdheid op de eigen kunstfiguren is bij Hildebrand iets +geheel anders dan bij Betje en Aagje. Bij den eerste wordt zij niet +zelden door kleine en uiterlijk-maatschappelijke motie ven beheerscht, +bij de laatsten is dit vrijwel nooit het geval: zij zijn op sommige +hunner figuren verliefd, omdat die hun de personificaties zijn van +<i>zekere kenmerkende en uitstekende eigenschappen van hun eigen ras en +volk</i>, of van <i>het edele in 't algemeen</i>. Maar die soort van +kruiperigheid jegens de "hoogere" standen, zooals die zich bij +Hildebrand uit in de <i>Baron van Nagel</i>- en <i>Freule +Constance</i>-beflikflooiïng, is in de <i>Sara Burgerhart</i> al evenmin te +vinden als zijn beschermheerachtige neerbuigendheid jegens de "lagere" +klassen. Meer wezenlijke overeenkomst vertoonen zij met Multatuli. Betje +vooral is een allergeestigste spotvogel en wat 't +glazeningooierig-kwajongensachtige en 't geestig-moedwillig op den hak +nemen betreft, gaat—intrinsiek—de geest van Bekker dien van Dekker +niet zooveel uit den weg. 't Verschil in dit opzicht lijkt grooter dan +het is, omdat de eerste tot alles wat zij doet geïnspireerd wordt door +haar onuitdoofbaren levenslust en blijmoedige guitigheid, de laatste +daarentegen door zijn bitterheid, gekwetst rechtsgevoel, haat en +teleurstelling. En is er al een onverevenbaar verschil tusschen <span class="pagenum"><a name="p257" id="p257"></a>[p.257]</span> +Multatuli en de beide vriendinnen op 't stuk van bijbel-geloof en +godsdienstigheid, zij geven hem niets in heftigheid toe, als het geldt +de huichelaars en valsche vromen te lijf te gaan, en—overtreffen hem +daarbij in menschscheppend talent. Want kan men den dronken huisdominee +in <i>Woutertje Pieterse</i>, trots al het vernuft—en wellicht juist òm dat +vernuft—aan zijn uitbeelding ten koste gelegd, niet anders dan een +charge<a name="FNanchor_4_100" id="FNanchor_4_100"></a><a href="#Footnote_4_100" class="fnanchor">[4]</a> noemen, <i>Broeder Benjamin</i> en <i>Cornelia Slimpslamp</i>, de twee +huichelachtige "fijnen" en doortrapte schurken in onzen roman, léven, +vòlmáákt, en daarmee is het allerbeste gezegd wat men van een +literatuurbeeld zeggen kan. Dit leven, deze menschelijkheid-van-vleesch- +en-bloed, zij zijn des te meer opmerkelijk, omdat hier niet maar bloot +'n paar huichelachtige menschen zijn geheeld, máár: personificaties van +het allerinnigste wezen der huichelarij en valsche vroomheid. Men denkt +geen oogenblik als bij Multatuli's <i>huisdominee</i>: "hoe geestig +geschreven" en: "hemeltje lief wat moet ik daarom lachen," maar alleen: +"hoe ontzagwekkend gebeeld, wat 'n brok innig doorschouwd leven, hoe +waar en hoe echt is dit."</p> + +<p>Mijn lezers zullen waarschijnlijk nu al gemerkt hebben, dat ik onze +Wolff en Deken grooter artisten acht dan èn Hildebrand èn Multatuli. En +zeer zeker: <i>dat is mijn meening.</i> Ik aarzel ook niet te zeggen dat zij +een veel juister <i>bewust</i> begrip hadden van het <i>wezen</i> van literaire +kunst dan dezen hebben bezeten. De wetten der kunst zijn al evenzeer +onwrikbaar en onveranderlijk als die der natuur, en dit spreekt ook van +zelf, want al is natuur geen kunst, kunst is m.i. wel degelijk +natuur.<a name="FNanchor_5_101" id="FNanchor_5_101"></a><a href="#Footnote_5_101" class="fnanchor">[5]</a> Het kind dat niets van de wetten der laatste kent, verbrandt +zich of valt, of iets dergelijks, en het groote kind, de niet voldoende +inzichtsvolle mensen, die de wetten der kunst niet kent, schrijft een +slecht boek, <span class="pagenum"><a name="p258" id="p258"></a>[p.258]</span> of vindt, lezend, een slecht boek mooi en een mooi +boek leelijk. Nu meen ik te mogen zeggen, dat voor den <i>scheppenden +kunstenaar</i> de <i>intuïtieve</i> kennis dier wetten het ééne noodige is, want +als <i>kunstenaar</i> schrijft hij niet zonder "geïnspireerd" te zijn, en +zoodra hij dit is, is ook die intuïtieve kennis in hem. Maar indien zulk +een scheppend kunstenaar nu meent, dat hij op grond van dat <i>intuïtief +vermogen</i>, ook spreken kan <i>over</i> kunst, als hij <i>niet</i> geïnspireerd is, +dan vergist hij zich leelijk en dat blijkt zoowel bij Multatuli als bij +Hildebrand. Daarvoor moet men voor altijd in zich bewust geworden kennis +hebben, kennis dus, waarover men <i>beschikken kan wanneer men wil, welks +omvang, en hoofdzakelijken inhoud men-zelf volkomen beheerscht</i>. En het +is deze kennis, die Wolff en Deken bóven Hildebrand en Multatuli +bezaten, en het gevolg daarvan is, dat als zij een eenvoudig stukje +schrijven buiten hun scheppenden arbeid om, waarin zij sommige principes +uiteenzetten, door welke zij zich bij het wrochten hunner romans lieten +leiden, zij duidelijk blijken wáárheden omtrent kunst te kennen, die +niet van hun tijd, en niet van dezen tijd alleen, maar 't spreekt van +zelf, van alle tijden zijn! Een paar citaten uit de voorredenen van den +eersten en tweeden druk zullen ongetwijfeld voldoende zijn, om dit mijn +beweren te bewijzen. Ziehier:</p> + +<div class="blockquot"><p>Men heeft in bedenking gegeven, of de twee allerslegtse karakters +niet te sterk, te overdreven geschildert zijn; men heeft gevraagt: +<i>zijn</i><a name="FNanchor_6_102" id="FNanchor_6_102"></a><a href="#Footnote_6_102" class="fnanchor">[6]</a> er zulke menschen; ja, en dat gaat verder, <i>kunnen</i>[6b] +er zulke menschen zijn! Wij vonden het niet noodzaaklijk, de eerste +vraag duidelijk te beantwoorden, dewijl wij zeker gerechtvaardigt +zijn, zoo rasch men begrijpt, dat zij er <i>zijn kunnen</i>[6c]; méér +hebben wij in dit opzicht niet te bewijzen....</p> + +<p>Wij bekennen ook gaarn, dat alles <i>zeer natuurlijk</i>[6d] afloopt, +maar begrijpen met een, dat dit, ten minsten de door ons +hoogst-geschatte Lezers, niet kan mishagen. 't Waar ons zeker geen +moeite geweest een Roman te verzinnen, zo samengestelt, zo +ingewikkelt, zo vol episoden, als de door een verwartste <span class="pagenum"><a name="p259" id="p259"></a>[p.259]</span> +Comedie van eenen Spaanschen <i>Lopes de Vega</i>. Doch wie, in staat om +over het stuk in verschil te oordelen zal ontkennen, <i>dat een +karakter, eens gegeven zijnde, moet uitgewerkt worden naar vaste en +onveranderlijke regels</i><a name="FNanchor_7_103" id="FNanchor_7_103"></a><a href="#Footnote_7_103" class="fnanchor">[7a]. Men wil, en dat met reden, dat men het +<i>ware waarschijnlijk</i>[7b] make, of men leest zeker niet met zeer +veel deelname....</p> + +<p>Daar wordt in dit gehele werk geen Duël gevochten. Eens echter +wordt er een oorvijg uitgedeelt. Er wordt noch geschaakt, noch +vergif gedronken. Ons vernuft heeft niets wonderbaarlijks +uitgedagt. Alles blijft in het natuurlijke; <i>de uitvoering zal +alles moeten goed maken</i>[7c].</p></div> + +<p>Het zijn geen andere waarheden, zooals de trouwe lezer mijner artikelen +wel bemerken zal, dan die ook door de moderne literatoren verkondigd +worden. En ofschoon het begrijpen van het ware in alle tijden geschieden +kan en we dus dwaas en kinderachtig zouden doen met ons erover te +verwonderen, dat "reeds" Wolff en Deken dit alles zoo duidelijk voor den +geest stond—hunne beteekenis en de eerbied, die wij hebben voor hunne +persoonlijkheid en wijsheid, winnen er ontzaglijk door.—</p> + +<p>Ook het <i>genre</i>: de roman-in-brieven is een geheel ander, dan wij tot nu +toe in deze kolommen hebben behandeld en dus wel een oogenblik bekijkens +en besprekens waard. En als we dat zoo doen, dan blijkt ons toch wel, +dat het gevleugeld woord: "alle genres, behalve het vervelende zijn +goed" meer geestig dan waar is. Hoe uitmuntende en bewondering +afdwingende resultaten onze schrijfsters, en waarlijk niet zij alleen, +er ook mee bereikt hebben, er is en er blijft een zekere onnatuur aan +verbonden èn het levert moeilijkheden op—althans in een werk van langen +adem, waar allerlei soorten van situaties kunnen voorkomen—die het +grootste epische en dramatische talent niet dan door kunstgreepjes +overwinnen kan. Ten eerste schijnen alle in zulk 'n roman optredende +personages min of meer aan schrijfwoede te lijden, en dit maakt al 'n +vrij onnatuurlijken indruk, zij 't dan ook dat de roman, als in dit +geval, <span class="pagenum"><a name="p260" id="p260"></a>[p.260]</span> "speelt" en dus de correspondentie plaats vindt in 'n +tijd, dat brieven-schrijven als 'n prettige en "fashionable" bezigheid +werd beschouwd en de welopgevoede heeren en dames er een eer in stelden, +het goed te doen. Toch, dit feit kan als niet meer dan een "verzachtende +omstandigheid" worden aangemerkt, en zelfs die verzachtende +omstandigheid valt weg in een geval als dat van <i>Hendrik Edeling</i>, die, +wanneer <i>Saartje</i>, die hij zoo zielslief heeft, door den verleider <i>R.</i> +is meegetroond, en hij verteerd wordt van wanhoop, jalousie en +ontzetting, een brief gaat zitten schrijven aan zijn broer over het +geval! Waarlijk, men moet zonderling in elkaar zitten, om in zulke +oogenblikken, zóó vol van afgrijzen en wanhoop, het vreeselijke te gaan +zitten uitpluizen in een brief, <i>terwijl het schrijven daarvan toch +geenerlei gunstige wending in de zaak zal kunnen brengen en dus niet uit +een energisch willen ingrijpen kan worden verklaard</i>.</p> + +<p>Onnatuur is 't ook, dat al die lieden, op 'n enkele uitzondering na, +zulk een welversneden pen hebben. Ja zeker, wij merken, al lezend, op, +dat hoe minder ontwikkeld zij zijn, hoe meer zij schrijven precies +zooals zij spreken. Maar juist dit is onnatuur, want de ervaring leert, +dat hoe onontwikkelder een mensch, hoe eerder hij geneigd is, wanneer +hij schrijft, zich in "boekentaal" en "hoogdravend" uit te drukken! Te +schrijven, zooals men spreekt, is inderdaad voor iemand, die geen +bijzonderen aanleg heeft, zéér moeilijk. En dit moet men in het oog +houden: het is onnatuur, die <i>onafscheidelijk</i> aan het genre is +verbonden: de romancier, die in dat genre werkt, kan er niet buiten. +Want liet hij de menschen niet schrijven zooals ze spreken, dan zouden +we zelden of nooit de gebeelde figuur als echt kunnen voelen en +dóórvoelen, tenzij zij in een brief aan een andere figuur sprekend wordt +opgevoerd, 't geen natuurlijk niet altijd kan en wanneer het kan, ons +meestal, weer op 'n andere wijs, op 't onnatuurlijke van het genre +opmerkzaam maakt. Want, om een ander, waarlijk levend, in 'n brief te +beelden, om diens dialoog waarlijk levend te doen zijn, moet +noodzakelijkerwijs de briefschrijver <i>kunstenaar</i> zijn! Is de +briefschrijver <span class="pagenum"><a name="p201" id="p201"></a>[p.201]</span> ons echter niet als zoodanig voorgesteld en +bereikt hij dat alles toch in zijn brief, dan vinden we zijn figuur +onecht, dan is deze niet meer dan een marionet, die door den +romanschrijver in beweging wordt gezet. Bereikt de briefschrijver dat +alles echter niet, dan vinden wij zijn figuur wèl echt, maar welke +schade lijden we niet doordat we den levenden dialoog van de in zijn +brieven ten tooneele gevoerde personen en dier levensechte, +plastisch-goede uitbeelding moeten missen!—En ook z'n onafscheidelijke +en onvermijdbare moeilijkheden heeft het genre: wanneer er een of ander +gewichtig voorval plaats vindt, waarbij het door de compositie van den +roman noodzakelijk wordt alle met elkaar in correspondentie zijnde +hoofdpersonen <i>aanwezig</i> te doen zijn, dan blijft er niemand over, aan +wien een brief geschreven kan worden, die over dat voorval handelt! En +die brief <i>moet</i> toch geschreven, anders komt <i>de lezer van den roman</i> +het voorval niet aan de weet! Zulk een moeilijkheid moet dus overwonnen +worden en zij wordt het dan ook, maar—door een kunstgreep. Als <i>Hendrik +Edeling</i> ten slotte met zijn aangebeden <i>Saartje</i> trouwt, dan laten onze +schrijfsters de aanstaande schoonmoeder van <i>Cornelis Edeling</i> ziek +worden, opdat haar dochter niet op de bruiloft zal kunnen zijn <i>en dus +die 'r aanstaande de gelegenheid zal hebben, haar een brief te +schrijven, waarin hij over de bruiloft verslag uitbrengt!</i></p> + +<p>Maar nu basta! We hebben genoeg getheoretiseerd. Mijn aangebrande soep, +mijn belegen grutterswaar, mijn blauwige aardappels zijn op; nu komen de +sappige vruchten van het werk zelf!—</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>In den nu hier volgenden brief door <i>Sara Burgerhart</i> geschreven aan +<i>Aletta Brunier</i>, een schoolvriendin, die zij weer eens toevallig +ontmoet heeft en op wier raad zij weldra bij de <i>Wed. Buigzaam</i> in huis +zal gaan, vertelt zij iets van haar leven bij haar lief tantetje +<i>Hofland</i>. Het is een buitengewoon geestig en guitig stukje. En ge leert +er niet alleen de drie fijnen en het schattige Brechtje—je weet wel die +<span class="pagenum"><a name="p202" id="p202"></a>[p.202]</span> dronken tobbe—in kennen, maar ook de schrijfster-zelve: onze +<i>Saartje</i>. En als ge nu na het lezen den indruk krijgt: ja maar die +Saartje moet dan toch iets van een kunstenaar in zich hebben, om zóó te +kunnen schrijven, dan zult ge in dit geval <i>niet</i> bedrogen uitkomen. +<i>Saartje's</i> figuur is allervoortreffelijkst gecomponeerd en alles wat +zij doet, schrijft of zegt, vloeit volmaakt-zuiver uit haar eens gegeven +persoonlijkheid voort. Men kan zonder bezwaar haar als een zeer begaafde +beschouwen.</p> + +<p>Ziehier den brief:</p> + +<div class="blockquot"><p>Douce et tendre Amie!<a name="FNanchor_8_104" id="FNanchor_8_104"></a><a href="#Footnote_8_104" class="fnanchor">[8]</a></p> + +<p>Je suis enragé<a name="FNanchor_9_105" id="FNanchor_9_105"></a><a href="#Footnote_9_105" class="fnanchor">[9]</a> op het oud wijf,—op mijne tante; ik wil geen +week langer blijven; 't is of ik in de hel woon. Mijn tante heeft +zeer veel van zijn Satansche Majesteits karakter; en Brecht +verdient wel een schoonen dienst in zijn onderaardsch rijk.... Ja! +bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. +Sus! daar hompelt zij, al grommende, den trap weer af. Goeie reis +naar beneden! Ik moet, ma chère,<a name="FNanchor_10_106" id="FNanchor_10_106"></a><a href="#Footnote_10_106" class="fnanchor">[10]</a> u eens een scène teekenen, die +u niet zal uit de hand vallen.</p> + +<p>Woensdagvoormiddag raasde zij als een bezetene, omdat ik eenige +nieuwe aria's speelde (Dat's een wijf ook?). Zij werd geholpen door +haar hottentot van een meid, die mij dorst zeggen, dat zij ook +danig ontsticht was.</p> + +<p>Dit trekje is goud waard! Men <i>ziet</i> het gemeene vrouwmensch, die, +zoolang haar meesteres rijk is, haar naar den mond praat en haar +later, als ze arm is geworden, brutaliseert en in den steek laat, +hier met schijnheilig gezicht meepraten van dat ze "ontsticht" is. +Zij, die natuurlijk te dom, te ongevoelig en te beestachtig is, om +hetzij gesticht of ontsticht door muziek of door wat ook, te kunnen +worden. 't Is van een buitengemeen komische kracht!—Heb jelui ook +wel opgelet wat een uitstekend beeldend woord dat "hompelen" is?</p> + +<p>Mét wordt er gebeld. Brecht, die volmaakt een zog van een +bollebuisjeswijf<a name="FNanchor_11_107" id="FNanchor_11_107"></a><a href="#Footnote_11_107" class="fnanchor">[11]</a> gelijkt, waggelde naar voor, en tante gaf +<span class="pagenum"><a name="p263" id="p263"></a>[p.263]</span> mij een verbruide<a name="FNanchor_12_108" id="FNanchor_12_108"></a><a href="#Footnote_12_108" class="fnanchor">[12]</a> oorveeg, omdat ik bleef spelen. +"Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin." "Wel hede, laat broeder maar +achter komen." Daar kwam broeder, een luie zuipzak van een kerel, +in een paarschen japon;<a name="FNanchor_13_109" id="FNanchor_13_109"></a><a href="#Footnote_13_109" class="fnanchor">[13]</a> (men zou wel zeggen, wie of zoo een +verloopen slagersknecht, toch een japon heeft leeren dragen.) +"Welkom, broertje, wel hoe is het nu nog al met je?"</p> + +<p>—"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"</p> + +<p>—"Wel dat is droevig, maar je vergt je ook wat veel."—"Ja, 't is +mijn ambtsbezigheid; en hoe vaart zuster? Je schijnt wel wat +onthutst."—"Ja, dat ben ik ook, 't is niet altijd het effen wegje, +broertje." (Tegen Brecht): "Ei meid, is er niet wat? dan zou +broeder hier maar familiaar blijven." (Tegen mij): "Toe lieve +Saartje" (was dat uit te staan, lieve Saartje, en mijn wang gloeide +nog van den slag) "bak jij nou eris schielijkjes wat dunne +pannekoekjes, broeder lust ze zoo graag."</p></div> + +<p>Dit stuk dialoog is alleruitmuntendst! Het is zóó voortreffelijk, dat +men de woorden lezend, ook onmiddellijk de gebaren der sprekers, hun +lichaamshouding, hun gelaatsuitdrukking erbij ziet en men dus de hier +ontbrekende plastische uitbeelding van dit alles door de auteurs, +heelemaal niet mist. Voelt ge het quasi-zachtmoedige, wee-zoetsappige +van al die verkleinwoordjes: "broert<i>je</i>," "weg<i>je</i>," "schielijk<i>jes</i>." +Je <i>ziet</i> daardoor de "peulemondjes," de zalvend-vromig half +neergeslagen oogleden, het dierbaar-goedige glimlachje!</p> + +<div class="blockquot"><p>Ik sloot mijn clavier en zei: 't is wel, tante. Ik ging naar de +keuken en bakte helder<a name="FNanchor_14_110" id="FNanchor_14_110"></a><a href="#Footnote_14_110" class="fnanchor">[14]</a> door; maar-ik-at-die-al-bakkende-zelve-op.</p></div> + +<p>Die in den bouw van dit zinsdeel wel wat vreemd uitziende +verbindingsstreepjes, hebben, naar ik vermoed, ten doel nadrukkelijk aan +te geven, dat de beide handelingen van bakken en opeten, zoo haastig, en +als 't ware ongescheiden, verricht werden, dat ze tot één handeling +werden. Deze streepjes beoogen en bewerken dus een zuiver artistiek +effect: <i>'t duidelijker aan den lezer voor oogen stellen van wat er +gebeurt</i>, 't geen hier inderdaad het guitige en lachwekkende zeer +verhoogt. En in zooverre is deze plaats dus als een voorloopster <span class="pagenum"><a name="p264" id="p264"></a>[p.264]</span> +te beschouwen van het gebruik van verbindingsstreepjes in de moderne +literatuur, waar het ook vaak dient ter versterking of fijne nuanceering +van gevoelsverwoording, plastische uitbeelding, enz.—</p> + +<div class="blockquot"><p>Dat is de eerste trek, dien ik haar speelde, hoe zelden ik mijn +genoegen krijg.</p> + +<p>Ik moet hier alles doen, want Brecht is een lomp schepsel en snuift +sterk. Toen ging ik, terwijl Brecht in huis klungelde, de tafel +dekken. Brecht eet met ons, want het is zuster<a name="FNanchor_15_111" id="FNanchor_15_111"></a><a href="#Footnote_15_111" class="fnanchor">[15]</a> Brechtje, moet +je weten, Letje. Tartuffe<a name="FNanchor_16_112" id="FNanchor_16_112"></a><a href="#Footnote_16_112" class="fnanchor">[16]</a> zou een goed woord spreken, maar de +vent bad (zoo noemen zij dat gehuilebalk) wel een kwartier lang. +Hetgeen hij jankte, geleek veel meer naar het morrend gegnor van +ondankbaar vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 'tgeen +zijnen God looft.</p> + +<p>Ik kreeg, à l'ordinaire<a name="FNanchor_17_113" id="FNanchor_17_113"></a><a href="#Footnote_17_113" class="fnanchor">[17]</a> eten op mijn bord. Twee schepjes +groente met een flenter vleesch van daags te voren. Ik spelde mijn +servet voor: "als ik gelijk een kind eten krijg, moet ik ook zien, +dat ik mij niet bemors." "Och, of gij een kind waart!" zei de +smulpaap, die onderwijl met zijn duim en vinger de boter van de +robe de chambre eener cotelette aflikte. "Dat zou heuchelijk zijn!" +zei tante. "Ja wel heuchelijk!" zei zuster Bregitta.<a name="FNanchor_18_114" id="FNanchor_18_114"></a><a href="#Footnote_18_114" class="fnanchor">[18]</a> Toen kreeg +ik nog wat bijeengeschraapte spinasi en een stuk cotelet. Zuster +Santje<a name="FNanchor_19_115" id="FNanchor_19_115"></a><a href="#Footnote_19_115" class="fnanchor">[19]</a> en broeder namen onderwijl eens in. Ik krijg nooit wijn; +tante zegt, dat het niet goed is voor mij, en dat kan wel zijn, +want ik ben jong en gezond. "Kom, Saartje, neem nou maar af; +Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud." Ik deed zoo; zette +het dessertje op. "Waar bennen de flensjes, Saartje?"—"Die bennen +in mijn maag, tante." Snap, mijn servet neergegooid (bij ongeluk +tegen broeders palmhouten<a name="FNanchor_20_116" id="FNanchor_20_116"></a><a href="#Footnote_20_116" class="fnanchor">[20]</a> pruik) en het onweer op mijn kamer +ontweken. <span class="pagenum"><a name="p265" id="p265"></a>[p.265]</span> Gij weet ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te +pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de hottentot met een +stuk brood en een glas zuur bier, er bij voegende: "dat ik het +nooit kon verantwoorden, zooals ik een vroom mensch evel plaagde." +—"Scheer je van mijn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. +Het brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide +ik weg, en dronk eens uit mijne caraffe: ging vroeg naar bed en +sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een +kom tee, dat wel omspoelsel lijkt. Tante gaat uit, en wil mij voor +hare oogen niet zien. Zoo zitten nu de zaken. Mogelijk geef ik u +dezen wel in eigen handen, mogelijk niet: 'k weet niet, hoe 't zal +uitkomen. Vast kom ik; de brief van de goede weduwe heeft mij in +mijn voornemen gesterkt. Ik zou al bij u geweest zijn<a name="FNanchor_21_117" id="FNanchor_21_117"></a><a href="#Footnote_21_117" class="fnanchor">[21]</a>, maar ik +wacht op een brief; die brief komt niet<a name="FNanchor_22_118" id="FNanchor_22_118"></a><a href="#Footnote_22_118" class="fnanchor">[22]</a>. Ik zal, voor ik dit +huis verlaat, aan haar, die ik bedoel, nog eens schrijven ... doch +dat kan ik bij u even goed doen.</p> + +<p>Ja, lieve meid, gij hebt wel kostelijk gelijk! Men moet maar wèl +doen en vroolijk leven. He wat? op die fijnen is toch geen staat te +maken; echter zijn er (of jij 't niet geloofde) zulke vrome zielen +onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zoo goed +georganiseerd als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zijn ... +enfin, kort gezeid, Letje, Salomon, de wijze koning, is mijn man: +<i>men moet het goede genieten van zijn leven ende van zijn +arbeid</i>;—maar daarmede is dat maar uit, en afgedaan....</p></div> + +<p>Heeft men in het eerste deel van dezen brief Saartje leeren kennen als +een guit en 'n katje, dat niet zonder handschoenen is aan te pakken, dit +laatste deel toont haar ons niet alleen als het gezond-levenslustige, +maar ook het brave en gewetensvolle kind, dat de menschen, van wie zij +niet houdt, toch niet ongunstiger wil voorstellen dan zij hen werkelijk +gelooft te zijn. Voor dezen keer nu nog even 'n stukje uit den brief van +<i>Saartje</i> aan haar voogd, <i>Abraham Blankaart</i>, waarin zij hem-heel +openhartig meldt, dat zij ontvlucht is:</p> + +<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p266" id="p266"></a>[p.266]</span> Gistermiddag ging tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak +wat linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb +vóór gij naar Frankrijk ging, doch die ik nooit heb aan gehad, met +een weinig gelds (want zij geeft mij niets,—geen duit). Brecht had +de stoutheid mij te vragen: "waar ga <i>jij</i> heen?"—"Dat raakt +<i>jou</i> niet."—"Dan zal <i>je</i> ook thuis blijven."—"Heb <i>jij</i> 't hart +en belet mij dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kijven; +en ziende dat Brecht haar talent te werk stelde, bedacht ik mij: +"Brecht," zei ik, "heeft tante je die orders gegeven, dan moet ik +haar de reden vragen als zij thuis komt; wat zullen wij +eten!"—"Kliekjes," zei zij.—"Goed ik heb honger, maar wij zullen +tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een flesch +wijn, jij hebt zeker den sleutel."—Ik doe niet, juffrouw Saartje +(nu 'k van putten<a name="FNanchor_23_119" id="FNanchor_23_119"></a><a href="#Footnote_23_119" class="fnanchor">[23]</a> sprak, kreeg ik aanstonds dezen titel!") "Jij +jokt, Brecht; als tante er van spreekt, zal ik haar den wijn +betalen."—"Je tante heeft altoos den sleutel; maar als de juffrouw +mij niet beklappen zou, ik kan er toch wel bij."—"Ik je beklappen! +wel, dan moest ik wel gek zijn; krijg maar, toe, schielijk." Zij +ging. Ik had al lang gemerkt, dat zuster Brechtje aan de fep +was;<a name="FNanchor_24_120" id="FNanchor_24_120"></a><a href="#Footnote_24_120" class="fnanchor">[24]</a> ik tastte haar dus van de zwakke zijde aan. Doch pasjes +was zij in den kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels +erop. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur achter mij +toe. Hoe het verder met de zuster gegaan is, weet ik niet....</p></div> + +<p>Allerbest en toch zoo eenvoudig verteld, hé; in dien laatsten zet van: +"met de <i>zuster</i>", nog even een echtSaraBurgerhartsche guitige +spotternij! Voor dezen keer stop ik en al geloof ik wel, dat na wat ik +jelui nu van het werk heb laten zien, je al heel verlangend zult zijn +het te lezen, ik ben mij bewust, je toch nog maar een tè klein deeltje +van zijn groote schoonheid in karakter-uitbeelding, taalrijkdom, +wijsheid en naïeve bekoorlijkheid te hebben getoond, dan dat ik mij +daarop met volslagen zekerheid—ik ken immers mijn Pappenheimers—zou +mogen verlaten. In het volgende hoofdstuk dus zullen wij enkele der +figuren; met wie jelui nu reeds kennis hebt gemaakt, wat nader bekijken +en eenige nieuwe aan jelui voorstellen, daarna.... Maar waarom zou ik +zoo dwaas zijn om alles bij voorbaat uit de school te klappen!</p> + +<div class="footnotes"> +<h4>NOTEN:</h4> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_97" id="Footnote_1_97"></a><a href="#FNanchor_1_97"><span class="label">[1]</span></a> Men oordeele. Een der argumenten is dit: "In Sara +Burgerhart wordt gezegd aan het slot van den 69sten brief: ""De +uitgeefster heeft noodig gevonden dezen brief van Charlotte Rien du +Tout, als ook dien van Pieternelletje Degelijk, van de taal- en +schrijffouten eenigszins te zuiveren, opdat men die zoude kunnen +lezen."" Deze noot kan niet afkomstig zijn van juffrouw Deken, zelve op +de regels van taal en spelling zeer onvast. Alleen de beter onderleide +juffrouw Wolff kon zoo spreken".... Ei zoo, was juffrouw Wolff beter +onderleid?... Ziehier wat Prof. Knappert daaromtrent in een noot bij +zijn inleiding citeert: ""Ofschoon noch Loosjes, noch vader (Noordkerk) +noch Houttuin in staat zijn geweest mij te doen begrijpen wat +taalregelen zijn en ik altoos iemand noodig heb, die hen in haar, d in +t, t in d of dt verandert"" <i>Betje</i> in een brief van 9 Juni 1772." +</p><p> +Een andere "grond" is, dat in de voor- en naredenen van <i>Sara +Burgerhart</i> en <i>Wlllem Leevend</i> voortdurend gesproken wordt van: <i>Ik, +mij, mijn</i>, alsook van uitgeefster, inplaats van uitgeefsters. Maar ik +moet zeggen, dat ik zelden een bewering heb gezien, van een meer +averechts psychologisch inzicht blijk gevend dan deze! <i>Want juist het +feit, dat de schrijfster dier voor- en naredenen zich verschreef, toont +aan, dat er niets te verbergen was. Anders zou zij waarlijk wel op haar +qui-vive zijn geweest</i>. Deze "grond" is mij dus juist een bewijs van het +tegendeel van 't geen Huet beweert. Het is immers zeer natuurlijk, dat +iemand, <i>die niets te verbergen heeft</i>, en ook namens een ander +schrijft, zich nu en dan vergist en alleen van "Ik" spreekt. <i>Juist +omdat het in zijn gedachtengang van zelf spreekt—en hij er geen +oogenblik aan twijfelt, dat dit ook bij zijn lezers het geval zal +zijn</i>—dat hij 't ook namens dien ander doet!</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_98" id="Footnote_2_98"></a><a href="#FNanchor_2_98"><span class="label">[2]</span></a> "Adellijke losbol," "gewetenlooze meisjesverleider," +"slachtoffer," dit alles klinkt melodramatisch. En ik laat het met +voorbedachten rade zoo klinken, om mij even door u, o moderne +jongelingschap, te laten uitlachen. Gij zijt er overigens in +voortreffelijk gezelschap mede. Want Huet vindt, precies, geloof ik, om +dezelfde reden, waarom jelui mij nu uitlacht, de beelding van deze +figuur niet veel zaaks! Hij zegt: "De hooggeboren ligtmis R., die het op +Saartje's bederf toelegt, is niet minder zwak van teekening dan van +compositie <i>en heeft al de allures van een tooneelsnoodaard en +professioneel belager der vrouwelijke onschuld</i>." Ik ben het daarmee +echter volstrekt niet eens, ik vind <i>de figuur zelf</i> goed gebeeld en +goed gecomponeerd, al is <i>haar plaatsing in de compositie van den roman</i> +verre van onberispelijk. De zaak is echter, dat het in sommige tijden de +mode is, op de dagdagelijksche en algemeene werkelijkheid neer te zien +en alleen de uitzonderlijke gevallen en figuren aandacht waardig te +keuren; in andere tijden echter, o moderne jongelingschap, acht men +alleen het literatuurbeeld der algemeene werkelijkheid "echt" en alles +wat naar den goeden of slechten kant uitsteekt "tooneel-matig" en +"zwak," Geen van beide zienswijzen is de juiste. De juiste is: elke +figuur aan de logiek van haar eigen zich blootleggenden aard te toetsen. +Te vragen: is zij goed gesteld èn goed volgehouden? Maar vele critici +en, vooral jeugdige, lezers worden verhinderd dit te doen en, doen zij +het wel, de consequentie te aanvaarden, door een zeker verlangen, zich +vooral koel-verstandelijk te toonen en niet licht-geloovig, zooals "de +groote hoop." Nu, ik denk mijn meening omtrent de figuur van R. te +"bewijzen," zoodra zij aan de beurt is. Maar lees in dien tusschentijd +nog eens over wat ik schreef over goede en slechte romantiek. Blz. 224.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_99" id="Footnote_3_99"></a><a href="#FNanchor_3_99"><span class="label">[3]</span></a> De serie artikelen over <i>Realisme en Naturalisme</i> in <i>Het +Jonge Leven</i> is hier bedoeld.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_100" id="Footnote_4_100"></a><a href="#FNanchor_4_100"><span class="label">[4]</span></a> Een overdrijving van de werkelijkheid.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_101" id="Footnote_5_101"></a><a href="#FNanchor_5_101"><span class="label">[5]</span></a> Den lezer, die belang stelt in een uitvoerige motiveering +dezer stelling, verwijs ik naar mijn opstel in "De Ploeg" van Augustus +en September 1911, herdrukt in mijn <i>Schetsen en Critische opstellen</i>: +"Over literaire critiek en Is. Querido's "Studiën."</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_102" id="Footnote_6_102"></a><a href="#FNanchor_6_102"><span class="label">[6]</span></a> De cursiveering is van de <i>schrijfsters</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_103" id="Footnote_7_103"></a><a href="#FNanchor_7_103"><span class="label">[7]</span></a> De cursiveering is van <i>mij</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_104" id="Footnote_8_104"></a><a href="#FNanchor_8_104"><span class="label">[8]</span></a> Zachte en teedere vriendin!</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_105" id="Footnote_9_105"></a><a href="#FNanchor_9_105"><span class="label">[9]</span></a> Ik ben woedend.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_106" id="Footnote_10_106"></a><a href="#FNanchor_10_106"><span class="label">[10]</span></a> mijn lieve.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_107" id="Footnote_11_107"></a><a href="#FNanchor_11_107"><span class="label">[11]</span></a> Zog staat voor zeug, een dik, schommelend vrouwspersoon. +Bollebuisje is de naam voor een soort gebak, poffertje of appelbeignet +(Knappert)</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_108" id="Footnote_12_108"></a><a href="#FNanchor_12_108"><span class="label">[12]</span></a> harde oorveeg.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_13_109" id="Footnote_13_109"></a><a href="#FNanchor_13_109"><span class="label">[13]</span></a> soort van jas.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_14_110" id="Footnote_14_110"></a><a href="#FNanchor_14_110"><span class="label">[14]</span></a> flink.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_15_111" id="Footnote_15_111"></a><a href="#FNanchor_15_111"><span class="label">[15]</span></a> Zij wordt niet als dienstmeid beschouwd maar als "zuster +in den Heere."</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_16_112" id="Footnote_16_112"></a><a href="#FNanchor_16_112"><span class="label">[16]</span></a> De hoofdpersoon in het vermaarde tooneelstuk van dien naam +van den grooten Molière. <i>De</i> personificatie van de schurkachtigheid, +valsche vroomheid en huichelarij, waarom <i>Saartje</i> dan ook Broeder +Benjamin met dien naam aanduidt!</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_17_113" id="Footnote_17_113"></a><a href="#FNanchor_17_113"><span class="label">[17]</span></a> zooals gewoonlijk.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_18_114" id="Footnote_18_114"></a><a href="#FNanchor_18_114"><span class="label">[18]</span></a> De ouwe zuiplap van een Brecht moet ook weer zalverig een +duit in 't zakje gooien. <i>Saartje</i> verhoogt in niet geringe mate het +komisch effect van het meegedeelde, door haar "Zuster Bregitta" te +noemen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_19_115" id="Footnote_19_115"></a><a href="#FNanchor_19_115"><span class="label">[19]</span></a> Tante Hofland.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_20_116" id="Footnote_20_116"></a><a href="#FNanchor_20_116"><span class="label">[20]</span></a> De Heer Knappert zegt hier: "Aldus naar de kleur der +pruik." Zeer zeker, maar ik geloof, dat het in de allereerste plaats +bedoelt, de stijfheid, het als uit-hout-gesnedene van zoo'n pruik +duidelijk voor oogen te stellen. Ik herinner mij voor eenige jaren +iemand ontmoet te hebben met een roodbruine pruik en, ofschoon onzen +roman toen niet kennende, viel mij toen onmiddellijk de uitdrukking uit +den mond: "'n pruik van mahoniehout" En toevallig: 't was ook zoo'n +soortement van zielsverzorger, en dat houterige van de pruik paste +geheel bij zijne niet-uit-de-plooi-komende persoonlijkheid!</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_21_117" id="Footnote_21_117"></a><a href="#FNanchor_21_117"><span class="label">[21]</span></a> <i>Lelie Brunier</i> is ook commensaal bij de <i>Wed. Buigzaam</i>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_22_118" id="Footnote_22_118"></a><a href="#FNanchor_22_118"><span class="label">[22]</span></a> Een brief van <i>Anna Willis</i>, over wie ik reeds in mijn +inleiding sprak. Wij zullen hier ook met haar kennis maken.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_23_119" id="Footnote_23_119"></a><a href="#FNanchor_23_119"><span class="label">[23]</span></a> Zuipen, sterken drank drinken. "Het is een ouwe putter" = +een ouwe drinkebroer (van Dale).</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_24_120" id="Footnote_24_120"></a><a href="#FNanchor_24_120"><span class="label">[24]</span></a> Aan den drank (Knappert).</p></div> +</div> + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART,<br /> DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p267" id="p267"></a>[p.267]</span></p> +<h3>II</h3> + + +<p>Van de bedaagde personen, die in onzen roman voorkomen, vind ik het +uitstekendst getypeerd <i>Jan Edeling</i>, den grimmige maar goedhartigen +vader van <i>Hendrik Edeling</i>, met wien <i>Saartje</i> trouwt. <i>Jan</i> is het +type van den patriarchalen huistyran. Zijn zoon zou 't in den kop +krijgen een huwelijk te doen naar eigen zin?! Het meisje trouwen op wie +hij verliefd is? Geen denken aan! Aan den vader hoort de beslissing. Wat +weerga, ze zijn niet van een geloof. Hij, Jan Edeling, de afstammeling +van den vriend van Martin Luther, hij, die nog den inktkoker in z'n +bezit heeft, dien Luther "bij zekere gelegenheid den duivel naar den kop +smeet, toen die 't al te grof maakte," zou een "arke Noachs" van zijn +huis maken. Het mocht wat! Neen, daar komt niks van in! Toch wordt de +man getemd door—<i>Abraham Blankaart</i>. Deze is door de schrijfsters met +alle mogelijke deugden toegerust: een klaar verstand, een gevoelig hart, +en een soort van weldadigheid, die, snoevend en blufferig als ze mag +zijn, niettemin weldadigheid, ik zal niet zeggen: in den <i>besten</i> zin +des woords, maar dan toch in <i>heel goeden zin</i> is. De verliefdheid der +schrijfsters op deze figuur heeft hen, als ware 't op het beslissende +oogenblik, verhinderd haar van even groote uitbeeldingsvoortreffelijkheid +als die van den ouden <i>Jan Edeling</i> te doen zijn. <i>En dit niet zoozeer, +als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het organisch geheel +van den roman</i>. <span class="pagenum"><a name="p268" id="p268"></a>[p.268]</span> Dit laatste ziet er eenigszins raar en moeilijk +uit. En ik weet op het oogenblik geen beter middel, 't heel gewoon en +klaar voor u te maken, dan u mijn eigen gedachtengang daaromtrent bloot +te leggen. Wij moeten, om te beginnen, wel onderscheiden, wàt eigenlijk +in de <i>Blankaart</i>-figuur onzen wrevel opwekt en waarom wij na de keuring +harer groote waarde een vleugje onvoldaanheid in ons merken. Is het niet +in de allereerste plaats, vroeg ik mijzelf af, 's mans voortdurend +uitweiden over eigen voortreffelijkheid, gulheid en verstandelijk +inzicht, gemengd met quasi-bescheidenheidsvertoon? Maar neen, dat kan +ons <i>kunstgenot</i> toch niet bederven. Integendeel: hoe meer ons al die +hebbelijkheden naast zijn groote deugden duidelijk worden, hoe inniger +we toch van die voortreffelijke uitbeelding, die ons dat alles zoo +hel-duidelijk voor oogen stelt, zouden moeten genieten, want juist +immers het wegdoezelen der ondeugden in een roman-figuur en het +partijdig uitsluitend-uitbeelden harer goede eigenschappen doet haar +levenswaarheid te loor gaan. Het moet dus iets anders zijn. En ziehier: +ik geloof, dat ik er ben. Wij merken duidelijk, dat de schrijfsters geen +oog hebben voor 's mans quasi-bescheidenheid en snoeverij. Of anders +gezegd: wij merken, dat zij voortdurend een eenigszins anderen +<i>Blankaart</i> innerlijk zien, dan dien zij uitgebeeld hebben. En daaruit +volgt, dat het hun niet geheel gelukt is, de in hen levende voorstelling +der figuur zoo te verwoorden, dat zij, precies zooals zij is, ook in den +lezersgeest te leven komt. Zoodra we dit merken, krijgen we 't gevoel, +dat er iets <i>niet-geslaagds</i> is. En dàt is het alsemdeeltje in het zoet +van ons kunstgenot! Maar nu: hoe merken wij, dat zij een andere +voorstelling van de <i>Blankaart</i>-figuur hadden, dan die ze ons gegeven +hebben? Wij zien dat aan het feit, dat al de andere, in den roman +optredende menschen, ook die, welke klaarblijkelijk der schrijfsters +achting hebben, die door hen voor verstandig, deugdzaam en gevoelvol +worden gehouden, niets van <i>Blankaart's</i> valsche bescheidenheid, z'n +parvenuachtig gepoch, z'n eeuwigdurend rammelen-met-de-centen merken. +Want hadden de schrijfsters deze hebbelijkheid niet over het hoofd +gezien, hadden zij den <i>in hun</i> <span class="pagenum"><a name="p269" id="p269"></a>[p.269]</span> <i>geest aanwezigen Blankaart niet +daarzonder</i> gezien, zij zouden toch wel de een of andere hunner daarvoor +geschikte romanfiguren, eene afkeuring daarvan, eene opmerking, ja zij +'t slechts eene onschuldige scherts erover in den mond gelegd hebben. +Het is waar, dat soms in het boek gesproken wordt van 's mans +"wonderlijkheden." Maar hiermede schijnen meer zijn ondeftige en +origineele uitvallen, dan wel die bepaald stuitende eigenschappen zijner +overigens in-goeiïge persoonlijkheid te worden bedoeld. En het is dan +ook op die al te hooge plaats, die <i>Blankaart</i> in de waardeering zijner +mede-romanmenschen inneemt, dat ik doelde, toen ik zooeven zei, dat hij +niet zoozeer als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het +organisch geheel van den roman niet volkomen gaaf gebeeld is. Want als +men <i>Blankaart</i> afzonderlijk bekijkt, als men hem neemt, zooals hij nu +eenmaal ten voeten uit in eigen brieven staat en men dus niet ziet naar +den <i>Blankaart</i>, zooals die in de verbeelding der overige verstandige en +menschkundige romanmenschen leeft en door de schrijfsters geconcipieerd +werd; <i>indien men dus niet het hinderlijk verschil tusschen conceptie en +uitvoering gewaar wordt</i>, dàn is de figuur uitstekend geslaagd, +uitstekend volgehouden. Men ziet dan: een goedhartigen kerel, maar ook +een snoever en een ijdeltuit, die weldoet, zeer zeker <i>deels</i> om 't +weldoen zelf, maar ook in zeer groote mate, om den dank ervoor te +oogsten, zich te koesteren in de bewondering en de genegenheid der +menschen en, in één woord, overal op de handen gedragen te worden. <i>In +stilte wel te doen is hem vrijwel onmogelijk</i>. Hij mòet ermee te koop +loopen. Is de door hem beweldadigde persoon in zijn oogen te gering en +ligt hem aan háár dank en háár erkenning, dat hij zoo'n buitengewoon +goed man is, niet veel gelegen, dan moet hij gauw de weldaad +overbrieven—hier in letterlijken zin—aan een ander, terwijl hij dan +sluwtjes-bijdehand een voorwendsel in zijn verhaal laat sluipen, dat de +ware reden, waarom hij 't eruit flapt, verbergen moet. Een min of meer +kluchtig, hem prachtig karakteriseerend voorbeeld daarvan is het +volgende: Als de "fijnen" met <i>tante Hofland's</i> geld er van door +zijn—waarover <span class="pagenum"><a name="p270" id="p270"></a>[p.270]</span> later meer—en zij haar nood heeft geklaagd aan +de door haar zoo slecht behandelde nicht <i>Saartje</i>, verzoekt deze haar +voogd <i>Blankaart</i>, tante eens te gaan bezoeken, om te zien of hij 'r +helpen kan. <i>Blankaart</i> doet dit natuurlijk, is verrukt over de +vergevingsgezindheid zijner pupil en schrijft aan de <i>Wed. Willis</i> o.m. +het volgende over <i>tante Hofland</i>:</p> + +<div class="blockquot"><p>'t Is een malle kwezel, en zoo gierig als het graf; maar zij kan +zich nog bekeeren, <i>en ik zal haar ook al maar helpen</i>; zij zal in +haar ouden dag geen gebrek hebben, noch in fatsoen verminderen. +Haar lekkere tand zal nog niet eens uit moeten; want Abraham +Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. <i>Zoodat ik maar +zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen hoe of 't Christelijk of +mogelijk is, dat mijn kleuter zoo pront haar geloof verstaat</i>. Zij +vergeeft hare tante alles van harte, wil haar helpen, haar +bezoeken.</p></div> + +<p>In den eersten door mij gecursiveerden zin, wil <i>Blankaart</i> laten +voelen: "Och ik help er toch al zooveel, diè kan er ook nog wel bij; zeg +nou 's, dat ik niet royaal ben!" In den tweeden wil hij 't laten +voorkomen, alsof hij 't alleen maar vertelt, om <i>Saartjes</i> braafheid te +doen bewonderen.</p> + +<p>Kan men echter nog van het vorige aangehaalde stukje, met heel veel +goeden wil, zeggen, dat hij zich laat verleiden, daarin van zijn +weldaden te spreken, omdat hij der geadresseerde een huwelijksaanzoek +doet en zich dus vooral van zijn gunstigste zijde wil doen kennen, het +volgende is een àllerzuiverst voorbeeld van z'n quasi bescheiden op +eigen goedheid pochen:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zie, men moet de jongelui, als zij wel doen, ook wel doen; en ik +ben Goddank, geen vrekkige jakhals van een kerel. Ik zeg altijd: +"Abraham Blankaart, God heeft U zoo gezegend, je hebt kind noch +kraai; hoewel ik weet niet of dat zoo blijven zal; een mensch heeft +graag een eigen weerspraak. Kind noch kraai, wel deel mee, mijn +vriend; maak dat niemand op u ziet, <i>als een hond op een zieke +koe</i>; dat niemand wel eens wou zien, of jij ook een mooie doode +zijn zoudt. 't Moet hier toch allemaal blijven, en als jij brave +lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christenmensch +betaamt." <i>Nu dat overgeslagen</i>.</p></div> + +<p>Het eerste zinnetje is door mij gecursiveerd, om er uwe aandacht op te +vestigen, dat dit een van die kernachtige echt-Hollandsche uitdrukkingen +is, waarvan het werk van Wolff <span class="pagenum"><a name="p271" id="p271"></a>[p.271]</span> en Deken wemelt en die zij, +uitstekende romancières als ze zijn, altijd den juisten persoon bij de +meest geschikte gelegenheid in den mond weten te leggen. Met den tweeden +zin komen wij echter weer op ons eigenlijk chapitre terug, 't Is +werkelijk valsche bescheidenheid van de naarste soort, nadat men eerst +de voortreffelijkheid van eigen denk- en handelwijze in het licht heeft +gesteld, daaraan toe te voegen: "<i>Nu dat overgeslagen</i>." Jawel denken +we, maar je hebt 't tenminste maar gezegd!</p> + +<p>Ik sprak u zooeven van zijn gezond verstand. Ik had er moeten bijvoegen, +dat hij het type van een gewiksten kerel is en zich in een +benijdenswaardige mate van gevatheid en diplomatisch beleid mag +verheugen. Ziehier een sterk staaltje ervan (de oude <i>Jan Edeling</i> heeft +hem geschreven, dat hij niet van zins is, tot het huwelijk tusschen zijn +zoon en <i>Saartje</i> zijn toestemming te geven. Hij hoopt dat Blankaart het +met hem eens zal zijn, dat twee menschen van verschillende kerkelijke +gezindte niet met elkander moeten trouwen. Maar <i>Blankaart's</i> antwoord +valt hem koel op de maag. Let op: het is een stukje vol schitterend +beleid):</p> + +<div class="blockquot"><p>Ziedaar, ik heb het altoos zoo druk en volhandig gehad, dat het +trouwen er is ingetrokken; maar, selderdemostert, was ik vader over +een half dozijn jongens en meisjes, dan zou ik mijn geluk niet +kunnen overzien, als ik daar zoo al die kabouters hoorde snappen en +rabbelen. Of Abraham Blankaart ook meê zou doen. En als zij dan +zooverre heen waren, dat zij op 't geen ik zeide aanmerkingen +konden maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te +brengen, wel, dan zou ik God hartelijk danken, omdat ik zulke +snelle kinderen had, zooals billijk is. Begrepen zij in 't vervolg +eens iets beter dan ik, bestig, zou ik zeggen, en doen het zoo.</p> + +<p>Daar heb je nu mijn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet +wel meer van de wereld en van de Schrift dan ik, en ik ben dertig +jaar ouder. Vóór ik naar Frankrijk ging, zei ik: kind, lees je jou +gebed 's avonds stipt uit Mell?<a name="FNanchor_25_121" id="FNanchor_25_121"></a><a href="#Footnote_25_121" class="fnanchor">[25]</a> "Mijnheer," zei ze, "ik bid uit +mijn eigen hart; ik weet immers beter, wat ik nu noodig heb, dan +Mell voor vijftig jaar dat raden kon?" Wat denkt gij dat ik toen +zei? je zult, bij dit en dat, jouw gebed <span class="pagenum"><a name="p272" id="p272"></a>[p.272]</span> uit Mell lezen, +omdat ik het doe? Mis mannetje! ik zei, dat 's waar, je hebt groot +gelijk; en anders zou zij denken dat ik haar vijand en niet haar +welmeenendste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gij hebt nu veel meer +verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op mijn woord, jij +hebt mis.</p> + +<p><i>God de Heer geeft ons, zijne kinderen, wel reden van zijne +bevelen: "doe dat, opdat het u welga," staat er dat niet in den +Bijbel? En zullen wij nu zoo misselijk en zoo boos zijn, dat wij +onze kinderen, in plaats van brood, slangen en schorpioenen in den +mond proppen? Had, bij gelijkenis, Luthers vader eens gaan zeggen: +"Luther, ik versta niet, dat je Luthersch wordt, jij zult paapsch +blijven, want wij zijn van 't begin van de wereld af allemaal +paapsch geweest; en zoo jij 't in den kop krijgt om van ons oud +geloof af te gaan, zullen wij eens wat anders bij de hand vatten." +En was Luthers vader evenwel zoowel de vader van Luther niet, als +Jan Edeling vader is van zijnen zoon Hendrik; en waar was dan je +heele geloof gebleven?</i></p></div> + +<p>Enzoovoort, enzoovoort. Het is van a tot z, één behendig den +tegenstander in z'n zwakste zij aanpakken. Hij begint, door er een +tafreeltje van op te hangen, hoe gelukkig hij zou zijn geweest, indien +hij "vader over een half dozijn jongens en meisjes ware," met in +<i>Edeling</i> de gedachte wakker te roepen: "Ja, zoo'n troep kaboutertjes om +je heen, dat is inderdaad heerlijk, daar heeft die Blankaart wel gelijk +mee, hoe 'n geluk zou 't zijn, als nu op m'n ouden dag, zoo'n troep +lieve kleinkinderen aan m'n knieën kwam spelen.... Handel ik eigenlijk +niet heel dwaas en zelfs slecht met mij langer tegen Hendrik's huwelijk +te verzetten?..."—Na dit gedaan te hebben, verwijt hij Edeling +bedektelijk, dat deze nimmer zijn kinderen "voor hun eigen kleine +zaakjes" iets in 't midden liet brengen, noch, klaarblijkelijk, ooit God +voor zijn "snelle kinderen" had gedankt en evenmin, ook al wist hij dat +zijn kinderen iets beter inzagen dan hij, ooit naar hun inzicht heeft +gehandeld. Door aldus in Edeling's geest eerst de voorstelling wakker te +roepen van een gelukkige toekomst en daarna de herinnering aan een +verleden, waarin zijn onbuigzaamheid en hardheid z'n vrouw en kinderen +hebben verhinderd zoo gelukkig te zijn en man en vader zoo lief te +hebben als bij toegevendheid en zachtheid van diens kant het geval ware +geweest, geeft Blankaart hem de waarschuwing: <span class="pagenum"><a name="p273" id="p273"></a>[p.273]</span> zie toe Edeling, +hoe je ten deele het verleden bedorven hebt en pas op, dat je door je +dwaze trots en eigengerechtigdheid ook de toekomst niet bederft.—En wel +wetend, dat een bitter drankje makkelijker te slikken is, als het met +suiker wordt vermengd, vlecht hij er dat vleiende zinnetje tusschen, +waarin hij zegt, dat Edeling meer verstand heeft dan hij. 't Spreekt van +zelf, dat Blankaart daar niets van meent. Niet alleen, dat hij werkelijk +véél meer verstand dan de ander heeft, maar had hij 't niet, <i>dan ware +juist hij de man, om er vast van overtuigd te zijn, dat hij 't wel +heeft</i>.—Het door mij gecursiveerde gedeelte van het citaat echter spant +de kroon. Behendig pakt hij onmiddellijk het zekerste middel aan, +waarmee een eerlijk-godsdienstig mensch—en dat is Jan Edeling—klein te +krijgen is: een bijbel-tekst, die met gevoelen, gedachte of handeling +van dien mensch in strijd is. En ten slotte toont hij, door de prachtig +gevonden vergelijking met Luther en Luther's vader, den ouden +Edeling—<i>langs den eenigen weg waarop een gedachte dien harden kop kan +binnengaan</i> —hoe nadeelig het kan zijn, indien een vader zich maar +altijd tegen den wensch van zijn zoon verzetten zou. Ongetwijfeld hebben +hier en daar Blankaart's argumenten iets kinderlijks en naïefs en +meesmuilen we bij de gedachte, hoe een beter onderlegd tegenstander dan +Jan Edeling ze tusschen zijn vingers zou fijnwrijven. Maar, ziet ge—en +hieraan merkt ge duidelijk, waarin de voortreffelijkheid van een +menschbeelding eigenlijk bestaat!—juist omdat zijn argumenten zóó zijn +als ze zijn, is dat stukje zoo uitstekend. Het <i>moeten</i> argumenten zijn +van, om 't eens aldus zeggen: een amateurdenken, van een rijkgeworden +koopman, die genoeg natuurlijken aanleg heeft, om <i>aardige greepjes</i> in +dit of dat vak van het hoogere geestesleven te doen. Gaf hij argumenten +van een veel hoogere soort, dan juist zou die passage zóó slecht zijn, +dat ze niet leesbaar ware, omdat: <i>een man als Blankaart</i> dergelijke +argumenten niet geven <i>kan</i>.—</p> + +<p>Maar op z'n best, in zijn "bulderbastige" geestigheid en als de wielen +van een locomotief donder-rollende rondheid, is hij in zijn antwoord op +een brief van <i>tante Hofland</i>, waarin <span class="pagenum"><a name="p274" id="p274"></a>[p.274]</span> deze op háár manier hem +<i>Saartje's</i> vlucht uit 'r huis vertelt; onder veel vroom gewauwel en +zalverig gescheld ten slotte op de centenquaestie uitdraait en, op grond +van het feit, dat <i>Saartje</i> uit eigen beweging haar huis verlaten heeft, +het volle geld eischt, wat zij tot dan als kostgeld heeft genoten, tot +Saartje trouwt of vijfentwintig jaar wordt. Uit dat antwoord van +Blankaart laat ik hier nu eenige gedeelten volgen:</p> + +<div class="blockquot"><p>Mejuffrouw!</p> + +<p>Wel zeit het Hollandsche spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe +schooner volk."<a name="FNanchor_26_122" id="FNanchor_26_122"></a><a href="#Footnote_26_122" class="fnanchor">[26]</a> Maar wat heb ik met uw gelol en uw heiligen +Sukkelaar<a name="FNanchor_27_123" id="FNanchor_27_123"></a><a href="#Footnote_27_123" class="fnanchor">[27]</a> te doen? Wat geef ik om uw broer Benjamin? Weet gij +wat, juffrouw Hofland, uw heele oude voddenwinkel van kwezelarij +raakt mij niets, geen oogvol. Houdt uw brieven maar thuis, ik weet +alles in 't lang en in 't breed. Het kind heeft deugdelijk gedaan. +Zij moet meer gedulds hebben dan ik, anders had zij zoo lang niet +eens bij u gebleven, dat 's maar uit. Ware ik in Amsterdam geweest, +ik zou haar zelf uit uwe klauwen gehaald hebben en in mijn huis +gebracht; al hadt gij en uw volk mij braaf gelasterd, dat scheelt +mij weinig. Hoe, wat hamer! denkt gij, dat ik niet weet, hoe jij +haar gedaan hebt, en dat jij haar als eene zottin door de +godgansche stad hebt laten loopen in ouwe konkelige kleeren, en dat +voor een meisje, die geld heeft en altoos proper gekleed plach te +zijn, iets dat ik ook bijster graag zien mag. Wat wil je nu daarvan +hebben, he? Je meugt waarachtig nog wel spreken van omslag! Wat +heeft Saartje bij je gehad? overgeschoten klieken, en niet half +haar bekomst. Weet je wat? Jij hebt het geld van eene wees met uwe +smulbroers en fekelkousen verteerd, en het meisje nog gebruikt om +dat gespuis op te passen, dat heb je. Je meid is een dronken todde, +hoor! Zij komt er genadig af. Laat zij nooit onder mijne oogen +komen, want ik ben wat poestig,<a name="FNanchor_28_124" id="FNanchor_28_124"></a><a href="#Footnote_28_124" class="fnanchor">[28]</a> ik mag geen onrecht zien, dat +om de hagel niet; er zullen konkels<a name="FNanchor_29_125" id="FNanchor_29_125"></a><a href="#Footnote_29_125" class="fnanchor">[29]</a> zwaaien.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p275" id="p275"></a>[p.275]</span> Wel leg je ook te wauwelen over afgodisch Frankrijk; en van +menschen, die het teeken des beestes aan hunne voorhoofden dragen? +Ik weet niet veel van die nieuwe snofjes en modes, noch hoe die +duivelderage hiet, die de dames nu alweer opzetten; doch jij weet +er ook niet veel van. Maar zoo zijt gij allemaal: dat gonst en dat +bromt over zottigheden, en wezenlijke zaken laat men zooals zij +zijn. Jij slacht de dominees, die, als zij hunnen studeertijd +verkwanseld<a name="FNanchor_30_126" id="FNanchor_30_126"></a><a href="#Footnote_30_126" class="fnanchor">[30]</a> hebben, zulk tuig op den preekstoel brengen, daar +het te pas komt als een oliekoek in een treurspel. En wat bruit het +mij, al droegen de Franschjes het zeven-gesternte op hun hoofd? Ik +ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om +mijne affaire te doen, en bemoei mij niet met het teeken des +beestes, of waar zij dat opplakken; doe ook zoo, en je zult wèl +doen.<a name="FNanchor_31_127" id="FNanchor_31_127"></a><a href="#Footnote_31_127" class="fnanchor">[31]</a></p> + +<p>Wel, ik denk, dat ik zoowel in den Bijbel lees als jij, maar wie +duivel heeft daar ooit van heilige sukkelaars gelezen? Broer +Benjamin is een zotte vent, hoor! En ik zou mij doodschamen, dat +zou ik op mijne eer, indien ik zoo met Gods woord omsprong, en het +zoo Satans gek toepaste, zooals jij fijnen doet. Weetje wat? David +was een held, die de oorlogen des Heeren voerde, en een kerel als +een boom aandorst: den reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag +hij, en David ook niet lui, als de blis er op, flink maar, zijn +dikken kop afgeslagen: dat was zeker geen sukkelaarswerk, meen ik. +Hij was een Groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den +snoet. Paulus, van Paulus<a name="FNanchor_32_128" id="FNanchor_32_128"></a><a href="#Footnote_32_128" class="fnanchor">[32]</a> moet je afblijven. Paulus was de +beste, de raisonnabelste man van de wereld; want hij zegt met ronde +Zeeuwsche woorden: "gierigheid is afgoderij."<a name="FNanchor_33_129" id="FNanchor_33_129"></a><a href="#Footnote_33_129" class="fnanchor">[33]</a> O hel kwam de +vrome Apostel eens hier, ik verzeker je voor een kwart percent<a name="FNanchor_34_130" id="FNanchor_34_130"></a><a href="#Footnote_34_130" class="fnanchor">[34]</a> +dat hij uw huis een afgodisch huis zou noemen.<a name="FNanchor_35_131" id="FNanchor_35_131"></a><a href="#Footnote_35_131" class="fnanchor">[35]</a></p> + +<p>— — — — — — — — — — — — — — — — — + — — — — — — — — — — — — — — — — — +— — — — — —</p> + +<p>Wat weet zoo een luie zuipzak<a name="FNanchor_36_132" id="FNanchor_36_132"></a><a href="#Footnote_36_132" class="fnanchor">[36]</a>van Gods woord? Had hij liever +voor 't lieve vaderland (en alle zoete meisjes) ossen en schapen +geslacht, hij zou veel nuttiger werk gedaan hebben.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p276" id="p276"></a>[p.276]</span> Ik heb veel gereisd en getrokken, en heb veel in Roomsche +landen verkeerd, maar de papen zijn nog beter dan jijlui; en er +valt evel ook niet veel op te roemen. <i>Jij Saartje aan den Duivel +overgeven! Weet jij wel dat hij een kwaaie gek is, en dat, als gij +haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benauwd voor u zou +kunnen uitzien? mogelijk neemt hij tante, omdat hij nichtje toch +niet bekomen kan</i>.</p> + +<p>— — — — — — — — — — — — — — — — — + — — — — — — — — — — — — — — — — — +— — — — — —</p> + +<p>Ik kan 't niet knoopen, dat uwe lieve zuster besloot, u haar eenig +kind toe te betrouwen. Mogelijk hebt gij zoo lang aan haar zwak +hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zij 't moest opgeven. Alles +is jelui gading. En 't was nog eene zoetigheid, honderd halve +rijers voor haar kostgeld. En durf jij nog van geld kikken! Hoe, +wat hamer! denk je dat ik een schurk, of denk je dat ik razende dol +ben? Ik ben haar voogd; zij is met mijne goedkeuring heengegaan: +Jij hebt het haar moede gemaakt. <i>Trekken, zul je</i>,—<i>ja! al aan +een aschkar</i>. Wel, je bent eene overheerlijke tante! <i>Je bent nu +immers veel te oud om nog eens te trouwen</i>; wat zal je met jouw +geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak<a name="FNanchor_37_133" id="FNanchor_37_133"></a><a href="#Footnote_37_133" class="fnanchor">[37]</a> het kind uw goed, +zij heeft genoeg. Procedeeren? Ei, spreek eerst den advocaat naast +den Gouden Ketting eens. Zoo die 't u aanraadt, hier is je man.</p></div> + +<p>Heb ik te veel gezegd van zijn gevatheid en z'n nimmer 'n blaadje voor +den mond nemende, bijtende ironie? Let eens vooral op die door mij +gecursiveerde zinnen.—Intusschen zou ik het gevoel hebben, den braven +kerel te kort te hebben gedaan en dus de gegrondheid mijner aanklacht +tegen de schrijfsters —dat, hoe mooi een mensch Blankaart ook werkelijk +is, zij hem tè mooi hebben gezien—op oneerlijke wijze te hebben +bewezen, indien ik hier niet die uitstekende passage over den lichtmis +gaf, welke, ik zeg het niet zonder nadruk ("Ei, nòg meer na-druk?" +vraagt hier allicht de uitgever!) vooral in 'n blad voor jongelui op z'n +plaats is.</p> + +<div class="blockquot"><p>Ik heb wel gehoord, dat vele dames, bij de Twaalf geloofsartikelen, +—die gij immers wel pront kent, hoop ik?—dit tot het dertiende +maken: "Ik geloof, dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." +Geloof het niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip van waar +aan, geen kriezel.</p> + +<p>Hoe zou het mij bedroeven, als ik merkte, dat gij deze ketterij +toestemde? Gij, meisjes, praat (de wijste niet te na gesproken) +somwijlen alsof gij in uwe hersens gepikt waart. Wat weet gij +<span class="pagenum"><a name="p277" id="p277"></a>[p.277]</span> toch van lichtmissen? Een losse malle jongen, die zijn goed +verbruid, en om peper moet,<a name="FNanchor_38_134" id="FNanchor_38_134"></a><a href="#Footnote_38_134" class="fnanchor">[38]</a> omdat hij zijn korentje groen +at,<a name="FNanchor_39_135" id="FNanchor_39_135"></a><a href="#Footnote_39_135" class="fnanchor">[39]</a> is geen lichtmis; hij is een gek, die men te Delft moest +gaan opsluiten.</p> + +<p>Een lichtmis is een geraffineerde deugniet, die zijn roem en +vermaak stelt in eerlijke jonge meisjes en brave vrouwen te +bederven, die Gods geboden veracht, de wetten der vriendschap +schendt; met zijne eeden speelt; met één woord, een +allerverfoeilijkst man, die te gevaarlijker is, naarmate hij een +minnelijk figuur en een aardig vernuft heeft; die de +welvoeglijkheid in acht neemt, tot hij de onnoozele in slaap heeft +gewiegd, en die in staat is om schatten aan zijne huurlingen uit te +deelen. Gelooft gij, mijn kind, dat zoo een schepsel ooit de beste +echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overijling en in het +gestorm der driften begaan, maken geen deugniet uit, indien hij de +fouten, zoo ras hij die ziet, verfoeit en schuwt: maar een lichtmis +is zoo bedorven van smaak, zijne neigingen zijn tot hebbelijkheden +dermate opgegroeid, dat hij nimmer eene betere vrouw verdient, dan +de allerslechtste uit de bende, die hij bedorven heeft.</p></div> + +<p>Ongetwijfeld heeft den schrijfsters, toen zij <i>Blankaart</i> dit stukje in +den mond legden, de figuur van <i>R</i>. over wien ik het reeds in mijn +inleiding had, voor den geest gestaan en <i>diens prototype uit Betje +Wolff's leven, die gepoogd heeft haar te "bederven."</i> Zij althans +spreekt hier dus niet, door Blankaart's mond, als 'n vrouw, die maar een +preekje houdt over iets wat ze zelf slechts van hooren-zeggen heeft. +Neen, het is een in veel smart verworven ondervinding geweest, die zij +hier ter waarschuwing aan anderen mededeelde.—En nu stappen wij van +<i>Blankaart's</i> brieven af, maar niet dan nadat ik u nog eens gewezen heb +op wat het toch eigenlijk zeggen wil, dat twee vrouwen, waarvan de +eene—Betje Wolff—een dame, en de andere—Aagje Deken—een dienstbode +was, zich zoo hebben kunnen inleven in de vóór alles krachtig-mannelijke +persoonlijkheid van een Blankaart en heel z'n ruw-goedige èn toch zoo +zachte ziel uit de hunne <span class="pagenum"><a name="p278" id="p278"></a>[p.278]</span> hebben te voorschijn gebracht. +Overweegt eens wat voor kunstenaarsgenie daartoe noodig was. <i>Genie</i>, +zeg ik. Denk niet aan vaardigheid, aan "menschenkennis," aan +"levenservaring" bij zoo iets prachtigs. Zijzelf—ik wees u erop—hebben +hun schepping niet eens goed gekend! Hier was dat kostbaarste aan het +werk, dat grootendeels buiten het verstand van den kunstenaar-zelf om, +zijn scheppenden arbeid verricht. Ja, 't is iets wonderlijks wat ik hier +vertel en ge kunt dat nog zoo dadelijk niet begrijpen. Maar op een +goeien dag, na veel overdenken en onderzoeken, gaan u de oogen open en +bemerkt ge, dat wat ik hier zooeven zei, heel langzaam aan in u heeft +doorgewerkt en in verband met veel andere levenservaringen u iets heeft +doen begrijpen en inzien, waaraan ge vroeger zelfs niet dacht. Want met +onbegrijpelijkheden is het precies als met zaadjes gesteld. Beiden zijn +het <i>dichtgevouwen</i> dingen, die niets van hunne innerlijkheid laten +zien. Maar waar bleven de bloemen en de vruchten, als de aarde eens niet +de gesloten korreltjes in zich liet begraven en langzaam in zich rijpen +liet, tot ze in kleuren en geuren en gestalten openluiken. En hoe zoudt +gij ooit, als mannen en vrouwen, mijn jongelui, de vrucht van het helder +inzicht kunnen dragen, als het zaad van het <i>onbegrepene</i> niet gedurende +uw jeugd in uw geest geworpen was! Laat het u niet deren, dat ge nu iets +niet dadelijk begrijpt. Wat ge te doen hebt is: het onbegrepene te +<i>onthouden. Draag het in u om.</i> Want beproefde ik, het gewelddadig en +vóór den tijd voor u te openen, ik zou het bederven! Doe er mee als de +aarde met haar zaden. En als het dan zomer voor je wordt, dan is die +zomer het aanzien waard want hij is niet zonder bloemen en vruchten. En +jelui herinnert je dan wellicht even weinig, dat iets van dat mooie uit +dichtgevouwen ondoorzichtbaarheidjes, die eens een hoopvol zaaier in je +wierp, werd geboren, als—de aarde het doet.—</p> + +<div class="footnotes"> +<h3>NOTEN:</h3> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_25_121" id="Footnote_25_121"></a><a href="#FNanchor_25_121"><span class="label">[25]</span></a> Schrijver van een gebedenboek. (Zie de aanteekeningen van +Prof. Knappert.)</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_26_122" id="Footnote_26_122"></a><a href="#FNanchor_26_122"><span class="label">[26]</span></a> Daar begint de bijtende ironie al: <i>juffrouw Hofland</i> is +oud en leelijk, zooals je verderop zien zult.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_27_123" id="Footnote_27_123"></a><a href="#FNanchor_27_123"><span class="label">[27]</span></a> "Broer" Benjamin, zoo had juffrouw Hofland in haar brief +aan Blankaart verteld, was gewoon koning David "de Heilige Sukkelaar" te +noemen! Het is een van de vele zotheden, die de "fijnen" over den bijbel +ten beste gaven.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_28_124" id="Footnote_28_124"></a><a href="#FNanchor_28_124"><span class="label">[28]</span></a> Poesten = blazen. Poestig-zijn zal dus wel zoo ongeveer +beteekenen: in staat zijn uit boosheid iemand aan te blazen (als een +nijdige kat.)</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_29_125" id="Footnote_29_125"></a><a href="#FNanchor_29_125"><span class="label">[29]</span></a> Konkels = oorvegen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_30_126" id="Footnote_30_126"></a><a href="#FNanchor_30_126"><span class="label">[30]</span></a> Verspild.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_31_127" id="Footnote_31_127"></a><a href="#FNanchor_31_127"><span class="label">[31]</span></a> <i>Tante Hofland</i> had namelijk in haar brief beweerd, dat de +Franschen het "teeken des beestes" op het voorhoofd dragen!</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_32_128" id="Footnote_32_128"></a><a href="#FNanchor_32_128"><span class="label">[32]</span></a> "Paulus, moet je weten," zegt Blankaart elders, "is mijn +man en Salomo die van Saartje." Hij kan dus allerminst dulden, dat +<i>tante Hofland</i> diens woorden citeert.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_33_129" id="Footnote_33_129"></a><a href="#FNanchor_33_129"><span class="label">[33]</span></a> Weer een steek voor tante Hofland: ze is immers zoo bar +gierig.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_34_130" id="Footnote_34_130"></a><a href="#FNanchor_34_130"><span class="label">[34]</span></a> Een echte koopmansgeestigheid. Uitstekend van de +schrijfsters!</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_35_131" id="Footnote_35_131"></a><a href="#FNanchor_35_131"><span class="label">[35]</span></a> Een <i>regel</i> puntjes beteekent overal, dat er een stukje +tekst is overgeslagen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_36_132" id="Footnote_36_132"></a><a href="#FNanchor_36_132"><span class="label">[36]</span></a> "Broer" Benjamin.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_37_133" id="Footnote_37_133"></a><a href="#FNanchor_37_133"><span class="label">[37]</span></a> Ontmaak, enz. = onterf haar.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_38_134" id="Footnote_38_134"></a><a href="#FNanchor_38_134"><span class="label">[38]</span></a> "Om peper moet," het land verlaten en dienst nemen b.v. +bij de O.I. Compagnie (Knappert).</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_39_135" id="Footnote_39_135"></a><a href="#FNanchor_39_135"><span class="label">[39]</span></a> "Zijn korentje groen at," niet wachten tot het rijp is, +gezegd van lichtmissen, die hun kapitaal opeten. In Zuid-Nederland nog: +van de hand in de tand leven (Stoett, spreekwoordenboek, no. 1062) +(Knappert.)</p></div></div> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART,<br /> DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p279" id="p279"></a>[p.279]</span></p> +<h3>III</h3> + + +<p><i>Jan Edeling</i> wordt—in tegenstelling met <i>Abraham Blankaart</i>—door +zijne mede-romanmenschen en dus ook door de schrijfsters precies voor +den man versleten, dien ook wij, de lezers, in hem zien: een brompot, +een koppige kerel, maar, alles in hem welbeschouwd, 'n goed mensch +tevens en wel zulk een, die te duidelijk eigen gebreken ziet, om zich, +gelijk <i>Blankaart</i>, op zijn deugden te laten voorstaan. Ziehier een +zijner brieven, waarin hij tegelijkertijd een groote mate van +zelfkennis, eerlijkheid en goedheid toont. (Edeling bericht daarin zijn +zwager, den geestelijke <i>Everard Redelijk</i>, dat hij in het huwelijk van +<i>Hendrik</i> en <i>Saartje</i> heeft toegestemd. Ook <i>Redelijk</i>, zeer verlicht +en ruimvoelend mensch als hij is, heeft namelijk <i>Edeling</i> daartoe pogen +te overreden).</p> + +<div class="blockquot"><p>Waarde Broeder!</p> + +<p>Lach me nu eens helder uit, Pastoorsche,<a name="FNanchor_40_136" id="FNanchor_40_136"></a><a href="#Footnote_40_136" class="fnanchor">[40]</a> gij hebt gelijk: maar +ik zal uw man de heele zaak vertellen. Zoudt gij ooit geloofd +hebben, dat Jan Edeling, die, hetgeen hij ééns begreep, om lief +noch leed losliet; die van geen Christenmensch op de heele wereld +tegenspraak dulden wilde, dan van u; dat Jan Edeling, zeg ik, door +Blankaart zoodanig overhoop gegooid is, dat ik, met mijn hoed onder +den arm, zijne pupil voor onzen <span class="pagenum"><a name="p280" id="p280"></a>[p.280]</span> Hendrik ten huwelijk +gevraagd heb? en 't geen nog meer zegt, dat ik zeer met dit door +mij gedaan verzoek in mijn schik ben? Die Bram! Zoo een man leeft +er niet meer. Hij heeft mij zoo vast gezet en zoo ouwerwetsch mijn +zaligheid gezegd, dat ik boos op mijzelf werd: want er is wat aan +Pastoor: ik ben nooit een vriendelijk man, of een minzaam vader +geweest: 't wil maar van hem gezegd worden; 't is een raar mensch!</p> + +<p>Om de waarheid te zeggen, Pastoor, uwe rede en die van Hendrik +hadden mij al lang overtuigd, dat ik ongelijk had; doch ik kon niet +besluiten om te toonen, dat ik verkeerd gedaan had. Nu, het kost +wat voor een man, die zooveel jaren altoos zijn hoofd volgde, te +zeggen: ik heb ongelijk; en dat nog erger is, dit tegen zijn eigen +kinderen te zeggen.</p> + +<p>Gij weet het immers, als mijn jongens mij iets vragen, en mij +beduiden wilden, dat zij 't noodig hadden, dat zij 't nooit, juist +omdat die lekkers<a name="FNanchor_41_137" id="FNanchor_41_137"></a><a href="#Footnote_41_137" class="fnanchor">[41]</a> mij iets beduiden wilden, kregen; doch 's +dags daaraan, gaf ik hun, uit mijn eigen zin tienmaal zooveel. Dit +zijn evenwel satansche nukken; en uwe zuster, mijne zalige vrouw, +had, dat zie ik nu, maar al te veel reden om mij, schoon lachende, +<i>Meffert Luim</i> te noemen. Had ik haar maar weer! Zij zou een beter +man aan mij hebben; maar dat is nu te laat.</p> + +<p>Ik zou 't mogelijk nog niet opgegeven hebben: doch mijn arme jongen +zag er uit, of hij uit een gieter gedronken had: en toch, ik houd +veel van den knaap; hij heeft mij altoos zoo op mijne gedachten +gediend. Met Kees heb ik nog wel zoo eens een aardigheidje gehad; +maar Hendrik was altoos, zooals ik (tusschen ons) in zijne jaren +niet was. Hij is geheel zijns moeders kind; week gebakken! Hij kan +geene moeite verdragen; met een benauwd hart ging hij op reis (ik +kan op hem af) en heeft alles in zoo korten tijd afgedaan, dat het +zoo niet te zeggen is. Kort gezegd, het mannetje van binnen klopte +zoo verbruid bij mij aan, dat ik besloot om den jongen zijn zin te +geven; en nu is hij zoo dankbaar en luikt zoo op, dat mijne oogen +overloopen.</p> + +<p>Nu, Pastoorsche, dat 's weer een ankertje Rijnsch in jou kelder! en +ik nooi u beide te bruiloft: ik zal eene partij geven, die klinkt +als een klok. Want gierig ben ik, Goddank! niet, ik durf wel wat +geven; <i>maar ik ben er niet achter om het met gratie te doen. Ik +tast in mijn zak en zeg, hou daar, en loop ten eerste weg.</i> Nu, ik +groet u van harte en blijf</p> + +<p>Uw toegenegen Broeder, Jan Edeling.</p></div> + +<p>In deze laatste, door mij gecursiveerde zinnen teekent die <span class="pagenum"><a name="p281" id="p281"></a>[p.281]</span> man +zich uitstekend. Dit niet "met gratie" kunnen geven, dit "wegloopen" +zoodra hij iets gegeven heeft, kenschetst een groot deel en wel het +edelste, zijner persoonlijkheid. Want dat niet met gratie kunnen geven +en dat wegloopen is heel vaak juist den besten menschen eigen. Het wordt +bij hen geboren uit het onbewuste voelen, dat den gever geen dank voegt, +want dat geven een grooter geluk is dan te ontvangen en dat daarom +eigenlijk de gever den ontvanger danken moet, omdat deze hem in staat +stelt zijn medemensch een genoegen, een weldaad te bewijzen, en dus +zich-zelf in waarheid te verrijken door goed te doen. En omdat dit +voelen nu zoo sterk in hen is, worden zij bedremmeld en links, zoodra +zij iemand een genoegen of weldaad bewijzen: zij zien het aankomen, dat +de begiftigde hen wil danken en ziedaar: nu gaat dat onbewuste voelen +zich in hen openbaren als een weerzin tegen bedankt te worden; zij geven +daarom hun gift haastig, bij het ruwe af, en maken zich gauw uit de +voeten. Hiermee wil niet gezegd zijn, dat degeen, die hoffelijk geeft en +vriendelijk den dank van den begiftigde aanvaardt, beneden iemand als +Edeling zou staan. Het <i>kan</i> zijn, dat hij beneden hem staat: indien hij +namelijk zoo hoffelijk en vriendelijk is, omdat hij nooit dien weerzin +tegen bedankt te worden gevoeld heeft. Maar het kan ook zijn, dat hij +boven hem staat: hij heeft dien weerzin wel gevoeld, maar wijl hij de +oorzaak weet—in tegenstelling met iemand als Edeling die deze niet +kent—en er dus verder over kan nadenken en in ander verband bezien, +heeft hij begrepen dat hij hem moet onderdrukken. Want: een weldoener te +bedanken is een hoogstaand geestelijk genot, ja zelfs is dank de eenige +betaling die een arme begiftigde zich veroorloven kan. Bedwingt de gever +zijn weerzin dus niet, dan berooft hij den begiftigde niet alleen van +een veredelend genot, maar ook van de mogelijkheid zich, zij 't een +ietsje, minder zijn schuldenaar te voelen! Stappen wij nu van <i>Edeling</i> +af en gaan we, zij 't alleen maar, om te bewijzen, dat de uitersten +elkander—in dit artikel tenminste—raken, <i>Cootje Brunier</i> bekijken. +Immers, vertegenwoordigen <i>Edeling</i> en <i>Blankaart</i> het Hollandsch-stoere +<span class="pagenum"><a name="p282" id="p282"></a>[p.282]</span> element in den roman, <i>Cootje</i> doet 't het opgeprikte +saletjonkerschap van den pruikentijd. Hij is op-end' op een +petit-maître, zooals men zoo iemand noemde, maar een van de fatsoenlijke +soort. Als zijn hoogste levenstaak beschouwend: mooi gekleed te gaan, +den dames hupsche lievigheidjes te zeggen, aardige dingsigheidjes voor +ze te knutselen en boodschappen voor ze te bezorgen, verlaagt hij zich +nimmer tot gemeene praktijken. Het ergste wat men van hem zeggen kan is +dat hij een geestelijk-onbeteekenend mensch is, maar dat hij een "goed +hart" en "goede gronden" heeft, zooals <i>Edeling</i> en <i>Blankaart</i> van hem +getuigen, zal zelfs de grootste vijand van het fattendom moeten +toegeven. <i>Cootje Brunier</i> is de broer van <i>Letje</i>, de vriendin en het +medecommensalesje van <i>Saartje</i> bij <i>Mevrouw Buigzaam</i>. Als zoodanig +komt hij daar dikwijls aan huis. En door de snakerijen van <i>Saartje</i>, +die hem eeuwig en altijd, zonder dat hij dat merkt, op de hak neemt, in +den waan gebracht, dat hij haar als echtgenoot niet ongevallig zou zijn, +schrijft hij haar het volgend briefje:</p> + +<div class="blockquot"><p>Mon Ange!<a name="FNanchor_42_138" id="FNanchor_42_138"></a><a href="#Footnote_42_138" class="fnanchor">[42]</a></p> + +<p>'t Is wonderlijk, maar ik heb den moed niet, om u mondeling te +zeggen, dat ik u bemin: telkens als ik dit meende te doen, +weerhield mijn eerbied voor u mijn voornemen. Gij zijt zoo minzaam, +en tegelijk zoo spottig, dat ik waarlijk niet weet, hoe dit aan te +vangen; of hoe het na te laten. Hemel, ma chère<a name="FNanchor_43_139" id="FNanchor_43_139"></a><a href="#Footnote_43_139" class="fnanchor">[43]</a>, wat wilde ik +zeggen? Maak ik niet een zot figuur in uwe oogen? Ik bemin u! ik +adoreer<a name="FNanchor_44_140" id="FNanchor_44_140"></a><a href="#Footnote_44_140" class="fnanchor">[44]</a> u! gij zijt nooit uit mijne gedachten, en zoo gij mij +niet te veel zult uitlachen, dan zal ik er bijvoegen, dat ik nooit +een eenig goudbeursje zal knoopen, dan voor u, chère âme de ma +vie!<a name="FNanchor_45_141" id="FNanchor_45_141"></a><a href="#Footnote_45_141" class="fnanchor">[45]</a> O, wij zouden een recht charmant paar zijn, en ik twijfel +niet, of mijnheer uw voogd zal onze teedere amour +applaudisseeren<a name="FNanchor_46_142" id="FNanchor_46_142"></a><a href="#Footnote_46_142" class="fnanchor">[46]</a>. Ik ben wel geen man van vermogen, maar gij +denkt zeker te subliem<a name="FNanchor_47_143" id="FNanchor_47_143"></a><a href="#Footnote_47_143" class="fnanchor">[47]</a> om u daaraan te bekreunen; en 't is +waarschijnlijk, dat ik eerlang een <span class="pagenum"><a name="p283" id="p283"></a>[p.283]</span> beter ambt zal krijgen. +En vérité, mon amie,<a name="FNanchor_48_144" id="FNanchor_48_144"></a><a href="#Footnote_48_144" class="fnanchor">[48]</a> men heeft bekwame jongelieden noodig, en +men kent mijne mérites.<a name="FNanchor_49_145" id="FNanchor_49_145"></a><a href="#Footnote_49_145" class="fnanchor">[49]</a></p> + +<p>Op mijn persoon denk ik niet, dat gij iets te zeggen hebt: ik +coiffeer en kleede mij comme il faut.<a name="FNanchor_50_146" id="FNanchor_50_146"></a><a href="#Footnote_50_146" class="fnanchor">[50]</a> <i>'t Is waar, dat uwe +conquête</i><a name="FNanchor_51_147" id="FNanchor_51_147"></a><a href="#Footnote_51_147" class="fnanchor">[51]</a> <i>vele schoone wangen zal doen gloeien van spijt. De +dames zijn mal met mij. Wat kan ik eraan doen?</i> Mijn hart wil dat +ik u uitkies. Indien gij mij de gelukkigste der mannen maakt, kunt +gij verzekerd zijn van uw volstrekte vermogen over mij; uw wil zal +mijn wet zijn: ik zal uwe wenschen voorkomen, en wij zullen zoo ras +wij getrouwd zijn, een Brabantsch reisje doen. Enfin, ma chère, +alles zal naar uw zin gedaan en gelaten worden door uwen aanbidder,</p> + +<p>J. Brunier.</p></div> + +<p>Dit briefje is weer een van die meesterstukjes onzer beide groote +schrijfsters, waarin zij er op volmaakte wijze in geslaagd zijn, iemand, +onbewust ervan dat hij 't doet en dus geheel natuurlijk, zijn wezen te +doen blootleggen. Het dwaze fatje staat er, ten voeten uit, in. Men +lette op het potsierlijke verwaandheidje en tevens domme slimmigheidje +in den door mij gecursiveerden zin. Men lette op z'n stapel Fransche +woordjes! Waarachtig: zoo iemand is toch nog lastig zelfs 'n honderd +jaar na zijn dood! Hij heeft mij, wel geteld, de moeite van een tiental +vertalende nootjes gekost. Maar neen, hij is niet dood, hij zal langer +leven dan wij....</p> + +<p>Ik zou een zekere zijde van <i>Saartjes</i> persoonlijkheid: haar zeer +gerechtvaardigd gevoel van eigenwaarde en ook, en voornamelijk, een +diep-indringend psychologisch vermogen welks zekerheidsbewustzijn zich +aan haar stijl mededeelt, niet voldoende voor u belicht hebben, zoo ik +hier niet ten minste een stukje van haar antwoord aan Brunier afdrukte. +Als ge haar zoogenaamde "ontdekkende preeken" aan haar vriendin <i>Anna +Willis</i> leest—<i>want ik hoef er toch niet aan te twijfelen, dat ge het +boek lezen zult, anders baat mijn geschrijf u niets</i>—moet ge eens op +dat psychologisch vermogen acht slaan. Met een zekerheid van zich-zelf +onfeilbaar weten, legt zij daarin haar vriendin dier ware innerlijkheid +bloot. Ik <span class="pagenum"><a name="p284" id="p284"></a>[p.284]</span> zei immers: Saartje heeft wel iets van een +kunstenares. (Ongetwijfeld is dan ook ten deele in haar figuur de figuur +van Betje Wolff zelf gebeeld.) Ziehier:</p> + +<div class="blockquot"><p>Vriend Jacob!</p> + +<p>Gij durfdet mij dan nog met een half woord vragen "of gij u niet +mocht vleien met eenig antwoord op uwe <i>missive</i>?" Want zoo noemt +gij dat fraaie billet, dat gij mij deedt ter hand komen. Om uw +eigen fatsoens wille, wenschte ik wel, dat gij er geen woord van +gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de groote lijst uwer +overige beuzelarijen hebben aangeteekend, en, omdat ik niet +gemelijk van aard ben, het u gunstig vergeven hebben.</p> + +<p>.....................................................................................................................................................................<a name="FNanchor_52_148" id="FNanchor_52_148"></a><a href="#Footnote_52_148" class="fnanchor">[52]</a></p> + +<p>Ik zeg niet gaarne onaangename waarheden, en vooral niet aan +zulken, die ik, 't zij dan ook om wat reden, in zekeren zin wel +lijden mag. Zoolang ik u slechts voor een vrij geschikt en goed +soort van jongen hield, had uwe zuster weinig werks om mij te +beduiden, dat ik u als haar broeder behandelde, en in de +gelegenheid stelde om ons eenige uitspanningen te bezorgen; maar nu +ik merk, dat gij eenige oogmerken omtrent mij hebt, waarvan ik u +nooit verdacht hield, zoo moet ik u openhartig zeggen, dat gij mij +meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te +kunnen krijgen.</p> + +<p>Hoe, mijnheer, heb ik u de minste aanleiding gegeven om zulke +gedachten in u te doen oprijzen? <i>Hoe weinig kent gij mij! Hoe dood +vreemd zijt gij omtrent u zelven! Ik moet of boos op u worden, en +dat bevalt mij niet; of ik moet u hartelijk uitlachen. Nooit zeker +las men zoo een ongevallige mengeling van zotteklap en dwaze +inbeelding, op zeer twijfelachtige verdiensten, dan dat geschriftje +bevat. Dit van stukje tot beetje aan te toonen, is beneden mijn +aandacht</i>. Ditmaal vergeef ik u alles, op deze voorwaarde: "dat gij +mij hierover nooit meer spreekt;—zelfs verbied ik u, mij voor deze +gekheden excuus te vragen; en dat gij, is 't mogelijk, door dit +geval poogt wijzer te worden, <i>en wat beter uw eigen waarde te +berekenen</i>."</p> + +<p>.........................................................................................................................................................................</p> + +<p>Uwe zuster is mijne lieve vriendin, maar zij zoowel als ik, +begrijpt, dat dit geen reden kan zijn, waarom ik zoude moeten +geplaagd worden door een borstje, dat geen geest genoeg heeft, om +mij met zijne missives ook slechts te diverteeren.<a name="FNanchor_53_149" id="FNanchor_53_149"></a><a href="#Footnote_53_149" class="fnanchor">[53]</a> Spreek dus +nergens van, en ik zal alles vergeten: want, zoo gij in dit <span class="pagenum"><a name="p285" id="p285"></a>[p.285]</span> +opzicht maar wijzer wordt, zijt gij een vrij draaglijk heertje; "ai +ik geef de hoop nog niet op om mij eens met meer reden te kunnen +noemen, uwe genegen vriendin,</p> + +<p>S. B.</p></div> + +<p>Het is niet moeilijk iemand te zeggen: "ik ben veel meer, ik sta hooger +dan gij!" Dat kan de eerste de beste. Moeilijker is—en weinigen kunnen +dat—iemand verstandelijk-bewijzend op z'n plaats te zetten en <i>hem aan +te toonen</i> dat men meer is dan hij. (Ik spreek hier nu natuurlijk alleen +van zulk een handelwijze als <i>geesteswerkzaamheid</i> en laat haar +<i>zedelijke</i> waarde of onwaarde geheel buiten beschouwing). Maar oneindig +meer dan ook zulk een verstandelijk-bewijzend betoog, is: de +argument<i>looze</i> bewering, die ons door toon en onbewuste +woordenschikking de <i>absolute zekerheid</i> van haar waarheid geeft! Is het +bewijzend betoog een voortbrengsel van het verstand, <i>zulk</i> eene +bewering is het uitvloeisel van iets hoogers, van een zielszekerheid, om +'t zóó eens te noemen. Deze zekerheid, in dit geval van psychologisch +inzicht, proeven wij ook in <i>Saartjes</i> woorden. O, ongetwijfeld naar +aanleiding van een beuzeling, maar wat doet dàt er toe! Zij laat merken, +dat ze zich verreweg Bruniers meerdere voelt. En zoodra we haar hooren +weten we: dat hoogvoelen is niet voorgewend, maar het is in waarheid in +haar. In een woord: wij worden overtuigd door dit briefje: hier is +iemand, die dien ander heelemaal doorziet en dat niet met inspanning en +door berekening, maar als vluchtig hem even bekijkend en dan in uiterste +geringschatting weer onmiddellijk óver hem heenziend. En niet alleen de +nietigheid van den een, maar ook de groote waarde van de ander is ons +plotseling duidelijker, zekerder geworden, dan door het aanbrengen van +honderd argumenten zou zijn gebeurd. Ik heb over dit alles even +uitgeweid, om het volgende te kunnen zeggen: Wat hier plaats vond op een +vrij laag en vrij klein plan <i>geschiedt altijd in een kunstwerk</i>. En +kunst blijkt hier weer scherp tegengesteld aan wetenschap te zijn. +Slaagt de wetenschap alleen door bewijzen en redeneeringen er in, u van +de waarheid harer beweringen te overtuigen, de kunst kan <span class="pagenum"><a name="p286" id="p286"></a>[p.286]</span> +bewijzen en redeneeringen missen, zij overtuigt u van de waarheid harer +voorstellingen reeds door ze te stellen alleen! Wie kan geloof weigeren +aan de waarachtigheid van Shelley's liefde of wie vermag te twijfelen +aan de levensechtheid der menschelijke monsters door Zola gebeeld?! +Begrijpt ge dit, dan ziet ge ook nu wel in, dat kunst onder alle +levensverschijnselen een van de meest verhevene is, want haar is de +macht gegeven, het menschdom te overtuigen van de waarheid harer +uitingen <i>zonder hen te bewijzen</i>. En zij is in dit opzicht met een van +die zeldzame menschen te vergelijken, wier adeldom zoo sterk uit hun +heele wezen en al hun daden en woorden spreekt, dat hen te hooren, +tévens hen onwankelbaar gelooven is.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Er zou nu nog veel over vele figuren in onzen roman geschreven kunnen +worden. Over <i>Pieternelletje Degelijk</i>, dat prachttype van een +ouderwetsche meid; over juffrouw <i>Hartog</i>, die kostelijk-typische en +innerlijk verdorven blauwkous, met 'r venijnige lastertong en 'r malle +inbeelding; over Cornelis Edeling den advocaat; over den geleerden en +braven <i>Helmers</i>; over <i>Lotje Rien du Tout</i><a name="FNanchor_54_150" id="FNanchor_54_150"></a><a href="#Footnote_54_150" class="fnanchor">[54]</a>, dat prachtbeeld van +onbenulligheid; over <i>Stijntje Doorzicht</i>, die verpersoonlijking van +aangeboren wijsheid en deugd; over <i>Anna Willis</i>, de min of meer +verwaande, zurige, al te bedilzieke en soms sentimenteele vriendin van +<i>Saartje</i>. Maar ik zal over al die schitterende mensch-beeldingen niet +schrijven, zelfs niet over de laatste, al heb ik dat beloofd. (Gij zoudt +niet gelooven, dat mijn belofte te houden regel bij mij is, zoo ik dien +regel niet ereis door eene uitzondering bevestigde!) Want hoe zou ik +eindigen, en aan wat nieuws zoudt gij beginnen, wanneer ge daar straks +zelf den roman ter hand neemt. Ik had ook graag nog wat over <i>Mevr. +Buigzaam</i> en over het sentimenteele element, in dit werk, in het midden +gebracht. Maar wat 't laatste betreft bepaal ik mij er nu alleen toe te +zeggen, dat het mij onjuist toeschijnt een auteur, die een sentimenteel +<span class="pagenum"><a name="p287" id="p287"></a>[p.287]</span> tijdperk herschept, sentimentaliteit te verwijten, omdat hij +sentimenteele menschen ten tooneele brengt.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>In het volgende hoofdstuk hoop ik met de behandeling der figuur van <i>R</i>. +en der beide schurkachtige "fijnen," mijn Sara-Burgerhart-artikelen te +beëindigen.—</p> + +<div class="footnotes"> +<h4>NOTEN:</h4> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_40_136" id="Footnote_40_136"></a><a href="#FNanchor_40_136"><span class="label">[40]</span></a> Pastoorsche = vrouw van den pastoor, zooals chirurgijnsche += vrouw van den chirurgijn. Hier is pastoor natuurlijk niet den titel +van een R.K. geestelijke, wat wij er alleen onder verstaan, maar een +geestelijk herder in 't algemeen. (Deze "pastoor" is Luthersch).</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_41_137" id="Footnote_41_137"></a><a href="#FNanchor_41_137"><span class="label">[41]</span></a> lekker = 'n stoute jongen, 'n guit.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_42_138" id="Footnote_42_138"></a><a href="#FNanchor_42_138"><span class="label">[42]</span></a> Mijn Engel.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_43_139" id="Footnote_43_139"></a><a href="#FNanchor_43_139"><span class="label">[43]</span></a> mijn lieve.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_44_140" id="Footnote_44_140"></a><a href="#FNanchor_44_140"><span class="label">[44]</span></a> ik aanbid u.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_45_141" id="Footnote_45_141"></a><a href="#FNanchor_45_141"><span class="label">[45]</span></a> lieve ziel van mijn leven.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_46_142" id="Footnote_46_142"></a><a href="#FNanchor_46_142"><span class="label">[46]</span></a> Onze teedere liefde goedkeuren.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_47_143" id="Footnote_47_143"></a><a href="#FNanchor_47_143"><span class="label">[47]</span></a> verheven.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_48_144" id="Footnote_48_144"></a><a href="#FNanchor_48_144"><span class="label">[48]</span></a> In waarheid, mijne vriendin.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_49_145" id="Footnote_49_145"></a><a href="#FNanchor_49_145"><span class="label">[49]</span></a> mijne verdiensten.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_50_146" id="Footnote_50_146"></a><a href="#FNanchor_50_146"><span class="label">[50]</span></a> zooals 't behoort.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_51_147" id="Footnote_51_147"></a><a href="#FNanchor_51_147"><span class="label">[51]</span></a> verovering.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_52_148" id="Footnote_52_148"></a><a href="#FNanchor_52_148"><span class="label">[52]</span></a> Een regel puntjes of streepjes beteekent, dat er een +stukje tekst is overgeslagen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_53_149" id="Footnote_53_149"></a><a href="#FNanchor_53_149"><span class="label">[53]</span></a> Vermaken.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_54_150" id="Footnote_54_150"></a><a href="#FNanchor_54_150"><span class="label">[54]</span></a> De naam beteekent: "heelemaal niets".</p></div> +</div> + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART,<br /> DOOR A. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p288" id="p288"></a>[p.288]</span></p> +<h3>IV</h3> + + +<p>Men heeft dan deze figuur, zooals ik u reeds in het eerste hoofdstuk +zei, een tooneelsnoodaard, onecht, niet-levend, in één woord: slecht +gevonnden. Over sommige, in de geesteshouding van de critici liggende, +oorzaken dier opinie sprak ik u toen. Rest mij nu, te speuren naar de +andere elementen, welke tot het vormen van dit m.i. onjuiste oordeel +hebben medegewerkt. Ten eerste vermoed ik als zoodanig het verschil +tusschen den tijd waarin de critici leefden en dien der figuur. Veel wat +toen voor een man van het aanzien en de middelen van R. mogelijk en +zelfs gemakkelijk was, is nu je reinste onmogelijkheid. In onzen tijd +van vlugge vervoermiddelen, van een letterlijk als de bliksem snelle +telegraaf- en telefoondienst is het ondenkbaar, dat zulk een man zich +eraan wagen zou, een meisje als <i>Sara Burgerhart</i> te ontvoeren en te +pogen haar geweld aan te doen; hij zou gesnapt en aangehouden zijn, voor +hij zelfs de grenzen van ons kleine Holland had bereikt! Maar toen was +zoo iets heel gemakkelijk, er waren geen spoortreinen, geen telefoon, +geen telegraaf. De daad der gewelddadige ontvoering verliest daarom alle +onwaarschijnlijkheid voor wie haar in het kader van haar tijd beschouwt. +Er is echter meer, dat voor wie niet naar dien tijd ziet, de figuur +misschien onwaarschijnlijk, en voor wie dit wel doet haar integendeel +zeeer levenswaar maakt: <i>R.</i> leeft in de jaren onmiddellijk voorafgaand +aan de groote <span class="pagenum"><a name="p289" id="p289"></a>[p.289]</span> Fransche revolutie, een tijdstip, waarop de meest +barre sexueele ontaarding in Fransche kringen heerschte, de tijd van +o.a. den beruchten markies de Sade; de invloed van de Fransche cultuur +deed zich toen zeer sterk gelden in ons land; <i>R</i>. wordt ons bovendien +nog voorgesteld als een cosmopoliet.... Wij behoeven, dit alles wetend, +hem maar aan te zien, om in zijn geestestoestand een van die fijn in +elkander overgaande en nog aan den aanvang der helling liggende +glooiingen te ontdekken, welke dalen naar den afgrond van sexueele +misdaad-waanzin van de Sade. Er is een psychologisch-fijne passage in +een brief van R. aan zijn vriend G. die dit feit m.i. belicht. Ziehier:</p> + +<div class="blockquot"><p>Waarlijk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat +ik het wicht, of ik ben razende zot naar haar; en wat denkt gij? ik +heb nog nooit haar hand gekust: 't is waarachtig, Jan.</p> + +<p>Zij is onnoozel, dat is het, dat mij zoo ingetogen maakt: want +hoevele vrouwen ik ook bedierf, ik heb nogal regard voor brave +meisjes. <i>Een lichtvaardige is mijn pop niet, al was zij zoo schoon +als deze meid</i>.—</p></div> + +<p>R. heeft zeer sterk in zich het verlangen te verderven en geniet van het +verderven. Dit nu is niet iets wat voornamelijk tooneelsnoodaards eigen +zou zijn, maar het is niets anders dan een soort geestelijk sadisme. Het +is hem niet zoozeer om het natuurlijk sexueel genot te doen, als wel om +het perverse van het <i>verleiden</i>, van het <i>doen vallen. Daarom</i> "is een +lichtvaardige zijn pop niet," omdat n.l. aan zoo eene reeds te veel +bedorven is en niet genoeg meer naar zijn zin te bederven valt, en niet +omdat lichtvaardigheid iets afstootends in zijn oogen zou hebben! Want +als hij, in eenigszins los verband daarmee, zegt, dat Saartjes +onnoozelheid hem ingetogen maakt en hij nog al regard voor brave meisjes +heeft, dan is dat in openlijken strijd met zijn daden en woorden, en, +indien hij 't meent en 't geen half-sentimenteele, half-ironische +meerderheidstirade tegenover G. is, 't geen ik eerder geloof, dan heeft +hij eigen gevoel niet goed ontleed: <i>onnoozelheid</i> maakt hem niet +ingetogen, maar <i>haar</i> onnoozelheid doet dat, <i>omdat hij haar +liefheeft</i>. Op deze liefde kom ik straks <span class="pagenum"><a name="p290" id="p290"></a>[p.290]</span> nog terug. Nu wil ik +even een passage aanhalen, die zoowel zijn "regards voor brave meisjes," +als zijn eigenaardige perversiteit van decadenten rijkaard in bet juiste +licht stelt:</p> + +<div class="blockquot"><p>Trouwen? zijt gij dan razend dol? Ik zal, denk ik, tot zulk een +desperaat uiterste nooit komen. <i>Vrijheid is de prikkel der +liefde:</i> dit weet gij, is mijn spreuk. Als mijne maitres zal zij +Sultane favorite zijn; maar mijn wijf! Wel foei! Ziedaar, dat was +al reden genoeg, bij een homme de mon goût<a name="FNanchor_55_151" id="FNanchor_55_151"></a><a href="#Footnote_55_151" class="fnanchor">[55]</a> om haar ondragelijk +te vinden. <i>Trouw gij haar over een maand of vier.</i> Zoolang, dunkt +mij, zal ik haar beminnen kunnen; <i>en gij zult mijne genietingen +nieuw leven bijzetten, door mij die dan wat moeilijk te maken</i>.</p></div> + +<p>Dit min of meer schertsend daarheen geworpen woord verbergt diepen +ernst. De man mòet dupeeren, mòet verleiden, mòet anderen laten vallen +van zonde in zonde; hij verlangt ook naar de angsthuiveringen van den +misdadiger; hij begeert den prikkel te voelen van misschien betrapt te +worden en in gevaar te komen. Oók dáárom is de makkelijke verleiding van +de lichtvaardige niets voor hèm. Máár hij heeft alle deze neigingen in +nog vrij geringe mate. Hij is, om 't zoo eens te noemen: een leerling in +sadisme; hij bevindt zich op de helling, maar, zooals ik reeds zei, pas +aan het begin. Een "tooneelsnoodaard"? 't Mocht wat! Vergeleken bij zijn +werkelijk geleefd hebbende prototypen is hij een onnoozel wicht!</p> + +<p>Wellicht echter heeft Huet hem ook daarom een tooneelsnoodaard genoemd, +omdat hij geen enkele deugd in hem vermocht te ontdekken. Maar dit zou +dan aan hem en niet aan de schrijfsters liggen. Want niet alleen dat ons +duidelijk blijkt, dat <i>R</i>. Saartje werkelijk liefheeft—ik zei u immers +dat ik nog even op die liefde zou terugkomen—en ieder, die een ding of +een mensch of een dier liefheeft, daardoor bewijst, een kiem van +deugdzaamheid in zich te hebben, want het overheerscht worden der deugd +door perverse neigingen, vernietigt het feit niet dat die deugd kon +ontkiemen en bestaan!—maar, zelfs die liefde buiten beschouwing +gelaten, kan alleen hìj der figuur van <i>R</i>. alle deugd ontzeggen, die +niet begrijpt dat <i>intellectueele</i> deugd, zooals <i>R</i>. dien zeer zeker +bezit, <span class="pagenum"><a name="p291" id="p291"></a>[p.291]</span> nimmer kan bestaan zonder den basis van een zekere +<i>zedelijke</i>, zij 't dan latente en verholen deugdzaamheid. <i>R</i>. is dus, +instede van één brok boosheid te zijn—wat wij immers onder een +"tooneelsnoodaard" verstaan—wel degelijk een <i>menschelijke</i> mengeling +van deugd en ondeugd. En overheerscht de laatste in groote mate de +eerste, die mate wordt, ik herhaal het, zeer ver overtroffen bij +tallooze personen met wier karakter en geest de geschiedenis ons +vertrouwd heeft gemaakt, en vergelijking tusschen dezen en R. kan den +laatste alleen doen <i>winnen</i> aan levenswaarheid.</p> + +<p>Dat de figuur niet goed in de roman-compositie verweven is, dat, met +name, het vreemd is, hoe Mevrouw <i>Buigzaam</i> niet van het losbol-zijn van +<i>R</i>. afweet èn <i>Edeling</i> haar pas komt waarschuwen, als <i>R</i>. Saartje +ontvoerd heeft—ik zeide het u in mijn eerste artikel reeds, maar dat +heeft met de levenswaarheid van de figuur op zich-zelf niets te maken, +en 't is een fout, die in niet mindere mate, zooals ik reeds heb +aangetoond, den ook door Huet <i>zeer levenswaar</i> geachten <i>Blankaart</i> +eigen is....</p> + +<p>En nu stappen we van <i>R</i>. af en gaan even nader kennismaken met de beide +fijnen, <i>Broeder Benjamin</i> en <i>Cornelia Slimpslamp</i>, die m.i. de +prachtigst-gebeelde figuren in deze roman zijn en niet slechts, zooals +ik reeds schreef, 'n paar huichelachtige menschen, máár: +<i>personificaties</i> van de <i>huichelarij</i>, alsof eerst de schrijfsters +theoretisch voor zichzelf hadden vastgesteld, hoe nu eigenlijk een +volmaakt, een, om 't zoo eens te zeggen: ideaal huichelaarskarakter is, +en daarna, wonder boven wonder, erin geslaagd waren, overeenkomstig die +theorieën twee lévende menschen te scheppen! <i>Mej. Suzanna Hofland</i> is +in haar hart nog zoo kwaad niet en streeft er althans oprecht naar +deugdzaam te zijn, 't geen natuurlijk onze <i>Cornelia</i>, die haar wil +overhalen tot niet meer of minder dan het afleggen van een valschen eed, +niet naar den zin is. Zij poogt daarom juffr. Hofland's oordeel over wat +goed of kwaad is door drogredenen te verwarren, zonder dat zij in de +oogen van haar slachtoffer iets van haar godzaligheid en heiligheid +inboet. Zie nu hoe doortrapt-sluw ze dit duivelswerk <span class="pagenum"><a name="p292" id="p292"></a>[p.292]</span> aanvat. Met +<i>religieuse</i> argumenten poogt zij <i>Hofland</i> zoo te bewerken, dat deze in +de haar aangeraden schurkenstreek geen schurkenstreek meer ziet. Het +doen van goede werken, leeraart de duivelin, en het voortdurend streven +daarnaar, maakt de menschen maar hoovaardig op die goede daden; beter is +het dus niet zoo ijverig daarnaar te streven ten einde des te +makkelijker nederig in het bewustzijn van eigen slechtheid te kunnen +zijn! Maar met al haar sluwheid, vermoedelijk wat al te ongeduldig +hakend naar het resultaat, bruskeert zij de zaak en zegt de juffrouw te +plomp, tè ronduit, dat deze een valschen eed moet doen, en—daar heb je +de poppen aan het dansen. Als <i>Broer Benjamin</i> bij <i>Hofland</i> op visite +is, merkt hij, dat haar eindelijk de oogen opengaan en zij op het punt +staat hun schurkachtigheid te doorzien. De edele man is in doodsangst en +schrijft zijn even nobele vriendin het volgend briefje:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zusje Lief!</p> + +<p>Ik ben tweemaal vergeefs aan uwe woning geweest. Ik ben +doodsverlegen. Daar ben ik bij haar geweest en heb haar zoo +dobbend, en in zulk een afgezakten staat gevonden, o Kea! Kéa! wij +zullen haar verliezen: en wij hebben haar zoo noodig; zij is rijk, +en geeft veel verkwikkinkjes aan ons, vromen in den lande. Wij +leven grootendeels van haar; de kruike is voor ons niet verzegeld +gebleven, en ons deel was een Azers<a name="FNanchor_56_152" id="FNanchor_56_152"></a><a href="#Footnote_56_152" class="fnanchor">[56]</a> deel, vol vettigheid en vol +zoetigheid. O mij is bange, mij is zeer bange: wij, vrome +menschjes, zullen bekend worden. Die Blankaart! ik beef, als ik om +hem denk; 't is een Enaks<a name="FNanchor_57_153" id="FNanchor_57_153"></a><a href="#Footnote_57_153" class="fnanchor">[57]</a> kind, groot van stature; ik ben een +stinkend niet bij hem.</p> + +<p>Zij is danig ontsticht door jou brief: schrijf dan een briefje, dat +je berouw hebt, en geef den Engel Satanas de schuld, je weet, die +is onze wrijfpaal. Schik u wat naar heur zwak geloof. Overleg dit +alles nog eens; ik heb geen tijd. Denk, dat wij haar noodig hebben.</p> + +<p>Zusje, zusje, 't zweet breekt mij uit. Ik zal al mijn achting, ik +zal mijn kostwinning verliezen; wie zal nu van mij 't geloof +leeren? Wij moeten ons haasten. De kwaaie is nabij! Wij zullen voor +Blankaart moeten bukken.—Overleg deze dingetjes zoo <span class="pagenum"><a name="p293" id="p293"></a>[p.293]</span> eens +in uw harte. Ik heb rust noch duur. Stel mij gerust, dat je er iets +op weet. Gij zijt zeer wijs, dat weet ik. Je weet, Kéa, hoe de +zaakjes tusschen ons staan? dat mijne ziel aan uwe ziele kleeft; +dat heb je immers <i>bij bevinding</i> hertje. Wij moeten haar houden, +kind. Ofschoon gij mij tot een gouden vat verstrekt, zij is echter +een aarden vat, dienstig tot ons gebruik. Is het zoo niet, +liefstetje! Wees toch nooit meer jaloersch. Och! jij hebt geen +reden daartoe: <i>ik heb mijn deeltje aan u</i>; dat heb ik, och ja! Ik +bezegel dit briefje met een geestelijken liefdekus, en ben uw +eigendom.</p></div> + +<p>De boef staat hier ten voeten uit in: zijn lafheid tegenover Blankaart; +zijn doortrapte huichelachtigheid, waarvan hij zich zelfs, uit overmaat +van doodsbenauwde voorzichtigheid, tegenover zijn medeplichtige bedient; +(slechts met den zin: "en geef den Engel Satanas de schuld" enz., valt +hij uit den toon!); zijn omfemelen van de platste verhoudingen—gij +begrijpt immers wat hij met de beide gecursiveerde zinsdeelen +bedoelt?—met "de tale Kanaäns".... Maar dan daarop als de vuistslag van +een furie het antwoord van Cornelia! Benjamin is niets dan een +huichelaar, overigens geen mensch, eerder een laf kruipend gedierte dat, +voortsluipend uit het gezicht van z'n vijand, zich bevuilt van angst. +Maar Cornelia is niet alleen groot als huichelaarster, maar heeft ook de +vermetelheid, de energie van de groote misdadigersnatuur, die voor niets +terugdeinst. Ziehier, het is of ze den laffen ellendeling bij den nek +neemt en hem door elkaar rammelt, hem méésleùrt, om de misdaad te doen, +waarvoor hij geen moed heeft.</p> + +<div class="blockquot"><p>Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan den broeder Benjamin.</p> + +<p>Wie heeft ooit grooter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fop je +mij wat, of hoe weerga zit het? Voor mij veinzen, voor mij de fijne +Filebout uithangen? Laat naar je zien, zotte jongen. Wij moeten +haar bedriegen; dat is 't al. En daarom moeten wij de handen ineen +slaan. Zouden wij zoo een zot dier ooit gezocht hebben, was 't niet +om den smul? en gij houdt u van de mallen? Ja, Blankaart kent ons +zeer wel. Hoor, Ben, de fretterij<a name="FNanchor_58_154" id="FNanchor_58_154"></a><a href="#Footnote_58_154" class="fnanchor">[58]</a> is uit: wij moeten haar nu +nog plukken, en dan—de heele <span class="pagenum"><a name="p294" id="p294"></a>[p.294]</span> wereld is voor ons open. Zij +moet het gelag betalen: de jonge juffrouw B.(urgerhart) moet er +niet bij lijden. Blankaart is een duivel van een vent, hij liet u +publiek geeselen, en ik moest in 't spinhuis, zoo wij aan haar goed +ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en dat zij interest +moet ontvangen; alles mondeling. Toon nu, dat gij mij liefhebt; ik +zal 't briefje schrijven en morgen er gaan. Kom ook. 't Geweten? O +dat is een bullebak voor u en mij,</p> + +<p><i>Die gij kent</i>.</p></div> + +<p>Maar dàn verandert zij weer, die helsche kameleon, de +oogen vonkelen niet meer van giftig vernuft, het rood van de +energie-drift verbloeit tot een rose van religieuse vredigheid +na strijd en overwinning van zonde. De oogleden dalen vroomingetogen +neer, het gelaat glimlacht open als in 'n zielsbewustzijn +van geringheid en omveiligend godsbetrouwen. +Dàn schrijft zij aan <i>Hofland</i> dit briefje, dit meesterstuk van +huichelarij:</p> + +<div class="blockquot"><p>Lieve vriendinne!</p> + +<p>Daar heb ik, als ik het nareken, zoo een twee dagen en drie uren in +de macht des satans geweest; hij gaf mij die goddeloosheid in. Hij +heeft mij verleid. Och, zusje, zusje ik ben gevallen: ik ben +wanhopig, ik ben ellendig. Die duizendkunstenaar was het, die mij +dien gruwelijken brief deed schrijven. Zoo heb ik te veel op eigen +krachtjes vertrouwd! Och ja! mocht ik er maar door geraakt zijn, en +nooit weer op mij zelf vertrouwen. O! het ging mij, zooals de +Eerwaarde van de Kwast placht te zeggen: <i>de conscientie is de +klapperman uit de hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den +brand van de hel</i>. Gelukkig, dat mijn oude mensch niet te diep was +ingeslapen; och! dat was recht dierbaar.</p> + +<p>Verbrandt toch alles om der vromen wille. Gij kent de diepten des +Satans. Mag ik morgen bij je komen, en dan blijven op 't geen je +maar hebt? Schrijft mij dit, of ik verval tot wanhoop.</p> + +<p>Uwe zwakke zuster, Cornelia Slimpslamp.</p></div> + +<p>O als dit geen groote kunst is, wat is het dan. Hier is de eenheid +gevonden tusschen het groot-tragische en het groot-komische. Zij +versmelten in elkaar. De lach schreit en het schreien is lachen. Als +twee reuzige beelden staan beide misdaad-figuren daar eeuwig voor den +hemel. En de nacht van een oud geslacht en de ochtend van een nieuw zien +hen onveranderd en onverweerd in hun geweldigheid. O, als die hemel +<span class="pagenum"><a name="p295" id="p295"></a>[p.295]</span> niet achter hen ware met z'n oneindige diepte en wondere +wisselingen van wolken en licht, als een symbool van onvatbare en +onbegrensde mogelijkheden, men zou hen niet alleen het tot nu niet +overtroffene, maar ook het nimmermeer te overtreffene achten. Wanneer ge +nu dìt boek niet lezen zult, wàt zal u dan tot lezen brengen? Wanneer ge +nu hièrvan niet genieten wilt, hoe zal kunst u dan van haar geluk ooit +geven? Maar neen.... <i>Ik vertrouw, ik wéét, dat gij het lezen zult!</i></p> + + +<div class="footnotes"> +<h4>NOTEN:</h4> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_55_151" id="Footnote_55_151"></a><a href="#FNanchor_55_151"><span class="label">[55]</span></a> een man van mijn smaak.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_56_152" id="Footnote_56_152"></a><a href="#FNanchor_56_152"><span class="label">[56]</span></a> "een Azers deel." Vergel. <i>Genesis</i> 49: 20: "Azer, zijn +brood is vet en hij levert koninklijke lekkernijen." (Knappert).</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_57_153" id="Footnote_57_153"></a><a href="#FNanchor_57_153"><span class="label">[57]</span></a> "een Enakskind," een reus. Vergel. <i>Numeri</i> 13: 28 en 33 +(Knappert.)</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_58_154" id="Footnote_58_154"></a><a href="#FNanchor_58_154"><span class="label">[58]</span></a> fretterij = jagen met de fret. Zij wil leggen: gevingen is +onze prooi nu, enz.</p></div> +</div> + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p296" id="p296"></a>[p.296]</span></p> + +<h3>I.</h3> + + +<p>Zoo gaat het alles en deint en toeft nog even en verdwijnt.... Maar ook +waarvan men zei, dat het niet weer zou keeren, dat keert soms nog vaak +terug en altijd met een diepere bedoeling, en immer rijper en immer +sterker.... Want de plechtige dans als een ommegang, die de +stil-glimlachende en bevallige en zekere, ja vóóral zékere Jaren met ons +menschen volvoeren, is een zéér ingewikkelde figuur, zóó ingewikkeld.... +Och ik vrees: indien wij ons zelf konden waarnemen, zooals we staan en +ons moeizaam bewegen tegenover onze partners, door hen worden meegevoerd +en dan weer achtergelaten—zoodat degeen die voor ons stond, dàn +terzijde, dan àchter ons henengaat—we zouden onze +verlegenheidsglimlach, ons dwaas-behoedzaam en aarzelend bewegen zéér +betreuren. Want inderdaad, het kan toch den Beschouwer geen fraai +schouwspel lijken, bij zooveel weeldeglans en stralend licht en +tegenover en naast zoo schoone en zeker-zich-bewegende gestalten als de +Jaren, zóó houterig, zóó bang voor botsing, zóó angstig voor 'n verkeerd +gebaar te treuzelen, als wij menschen doen: een glimlach, een buiging +van uw partner, ach, ge meendet er een vriendelijkheidsbetuiging jegens +u in te zien?... Neen, neen, die hoorden zoo bij het ceremonieel van den +dans; bet geheel daarvan, dat we nog altijd niet in onze arme hoofden +hebben, ware zeker niet zoo volmaakt-fraai zonder dien glimlach en die +buiging <span class="pagenum"><a name="p297" id="p297"></a>[p.297]</span> geweest, maar—voor u waren zij niet bestemd! Een hand +wordt u toegestoken, ge meent haar te moeten grijpen, maar neen, met 'n +stillen doch terechtwijzenden glimlach trekt haar de eigenaar terug: die +handbeweging behoorde tot het zéér diepzinnig ceremonieel van den dans +... op den handdruk zult ge nog wat moeten wachten ... indien ge hem +ooit krijgt! Maar waarom zoudt ge daar treurig om zijn? Is een glimlach +van de Jaren dan niets, zelfs al was hij niet voor u bestemd? Maakt hij +'t <i>geheel</i> van den dans, waaraan gij <i>deelneemt</i>, niet fraaier? Welnu +dan! En nu spreek ik u nog niet eens van de schoonheid, het gratievolle, +van 't zekere van hun <i>terugwijken</i>. Want daar ge jong zijt, lieve +vrienden, hebt ge meer gelegenheid gehad, de schoonheid van den glimlach +der Jaren dan die van hun wijken te zien. Maar waarvan ik u wel en +vooral nog spreken wou, is, dat ge vooral niet uit dat zinnetje, wat ik +straks schreef: "als ge hem ooit krijgt," moet afleiden, dat dit zoo +zeldzaam is. Het is een eigenschap van dezen wonderbaarlijk +ingewikkelden dans,—zooals ik reeds meende te zeggen—dat een zelfde +figuur zònder maar ook mèt een kleine wijziging terugkeert en 't is dus +zeer wel mogelijk, dat ge bij een volgende maal den handdruk krijgt, +dien ge de eerste maal u zaagt ontgaan. Want, laat mij u zeggen: het +feit, dat ik de Meester's prachtige <i>Geertje</i> hier behandelen mag, dàt +is zulk een handdruk van een van de kinderen van den Tijd, ééns gemist, +maar nu gekregen. En mag ik u nu vertellen hoé dat gebeuren kon?...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Welnu dan, luister: Het was betrekkelijk korten tijd voor Tak's dood—en +ik vraag u meteen: kent gij, jonge vrienden, behalve zijn naam, ook zijn +werk? Hoevelen uwer, die toch waarlijk wel wat geld kunt missen, +bezitten die keur daaruit: <i>Herdrukken uit de Kroniek</i>?—dat hij mij +opdroeg twee werken te recenseeren in <i>De Kroniek</i>. Een daarvan was +<i>Geertje</i>.—"... en," zei hij, terwijl ik al bij de deur van zijn kamer +was, het was bij hem thuis, "dat boek," op <i>Geertje</i> wijzend, "en de +schrijver zijn mij heel lief." Nu weet ik niet, of gij onmiddellijk +begrijpt, dat ik toen voelde, dat de Tijd mij toelachte <span class="pagenum"><a name="p298" id="p298"></a>[p.298]</span> èn dat +die glimlach wel degelijk voor mij was bestèmd, misschien vindt ge dat +gevoel wel "overdreven" en zeer zeker begrijpt ge niet, waarom ik toen +zelfs meende Zijn hand te kunnen grijpen, waarvan de aanraking op +wonderbaarlijke wijze voor langen tijd <i>zekerheid in 't gaan: +zelfvertrouwen</i> geeft. Toch was dit <i>niet</i> overdreven. Als gij Tak hadt +gekend—en daarvoor is het nog niet te laat, want is het werk van zóó'n +man ten slotte niet zijn allerbeste kenbaar deel?—èn gij wist als ik +dat <i>Geertje</i> een van de allerbeste, innigst gevoelde en soberst gegeven +werken der heele hollandsche literatuur is—en dit zult gij weldra +inzien—dan zoudt gij begrijpen hoe gelukkig een jong auteur zich moest +gevoelen die van dièn man diè opdracht kreeg. Dat was een verfrisschende +opfleuring van den geest, een sterke aanmoediging, precies wat die +waarlijk-zachtmoedige geboren-Leider van menschen er dan ook mee +bedoelde, waar hij altijd en altijd mee bezig was: jonge menschen, die +het geluk hadden zijn weg te kruisen en in wie hij, zij 't veel, zij 't +weinig, talent vermoedde, te steunen, te sterken en vriendelijk tegen +hen te zijn, met héél zijn hart ... ja, dat was nog eens een ménsch.... +Maar hij stierf.... Toen had de Tijd zijn hand teruggetrokken.. Ik las +Geertje ten einde, maar maakte verder geen aanteekeningen; die welke ik +gemaakt had, reikten niet verder dan tot over de helft van het eerste +deel.... Ik zette het boek bij het andere werk, dat hij mij toen gegeven +had, vooraan in mijn kast, dat het mij, o ja ik wist het wel: een +weemoedige, maar vooral toch een heerlijke herinnering zou zijn, mijn +heele leven. Erover schrijven en bij een andere redactie om opname +vragen ... nee, wel bedankt, dat wilde ik niet.... Bovendien, ik voel +heel diep de beteekenis van het stil en als-onaangedaan wachten in het +leven.... Ik voelde ook wel, dat ook deze bewegingsfiguur eens zou +terugkeeren in dien grooten en plechtigen ommegang van den Tijd, de +Lotgevallen en de menschen en dat zij dan, zooals ik reeds zei, +beteekenis-voller zou zijn en mìj rijper zou vinden. Het eerste en het +tweede zijn nu gebeurd, want zou het inderdaad niet van veel grooter +beteekenis zijn, dat ik nu het geluk mag hebben, duizenden <span class="pagenum"><a name="p299" id="p299"></a>[p.299]</span> en +duizenden ouderen en jongeren in dit voortreffelijke werk in te leiden, +dan dat ik toen een opstel erover had geschreven in <i>De Kroniek</i>, d.w.z. +voor een uitgelezen maar zeer kleine schare lezers, waarvan het +meerendeel, vermoedelijk, literair even sterk voelde als ik-zelf?! En +wat het derde betreft ... moge daarvan dit opstel getuigenis afleggen! +Want doet het dit niet, neen dan zou het toch zijn, alsof de Tijd mij +ook ditmaal de hand niet hadde gereikt, want sterkt hij door die +aanraking een mensch, deze sterke dan ook hem, opdat hij weer anderen +sterken kunne. Geeft hij dan de <i>gelegenheid</i>, de ander <i>geve hem</i> de +daardoor <i>mogelijk geworden, juist voltrokken daad</i>.... Doch hoe dàt nu +verloope, dat de bespreking van <i>Geertje</i> een innerlijke gebeurtenis +voor mij is, hooger dan het bespreken of overdenken van welk ander +gelijkwaardig boek ook zou zijn, dàt zult ge nu wel begrepen hebben.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het zou voor u allen, evenals voor mij, ongetwijfeld makkelijker zijn, +indien ik nu even, vóór met mijn eigenlijke ontleding aan te vangen, u +een verkort begrip van den "inhoud" van dit werk mocht geven. Maar dit +kan niet, omdat het u op een dwaalspoor zou brengen en wel om de +volgende redenen: Allereerst, omdat <i>Geertje</i>-zelf is: een +<i>psychisch-romantische</i> figuur. Maar laat mij geen vreemde woorden +gebruiken, zonder ze even te verklaren: <i>psyche</i> beteekent: <i>ziel, +psychisch</i> dus: <i>wat tot de ziel behoort, wat de ziel betreft</i>. Ik +bedoel dus te zeggen, dat zij wat haar <i>ziels</i>eigenschappen betreft +romantisch is. En ge herinnert u ongetwijfeld wat ik u onder +"romantisch" heb leeren verstaan<a name="FNanchor_1_155" id="FNanchor_1_155"></a><a href="#Footnote_1_155" class="fnanchor">[1]</a>.</p> + +<p>We begrijpen dus nu, dat Geertje wat haar <i>zielsvermogens aangaat</i> een +<i>uitzonderings</i>figuur is. Echter wat haar lotgevallen betreft, is ze zoo +gewoon als 't maar kan. En daarom zei ik dan ook nadrukkelijk, dat zij +<i>psychisch</i>-romantisch is. En ge vermoedt nu al, waarom ik u niet +dadelijk iets van haar <span class="pagenum"><a name="p300" id="p300"></a>[p.300]</span> levensloop, dus van den "inhoud" van het +boek vertelde. De jongeren onder u, die, wat zeer natuurlijk is, nog +denken, dat eens menschen lotgevallen hem belangrijk of onbelangrijk +maken en nog niet inzien, dat <i>alleen de wijze, waarop een mensch die +lotgevallen ondergaat en erop reageert</i> hem belangrijk of onbelangrijk +maakt, hoe zouden zij een huishoudster-dienstmeisje, dat, onervaren en +kerksch-opgevoed, uit een klein dorp naar een groote stad komend, daar +"verleid" wordt door een ellendeling, iets "belangrijks," als verhaal, +kunnen achten. Gebeurt iets dergelijks niet zóó vaak?... Behoort het ook +niet tot die dingen, die als we ervan hooren, ons 't hart verscheuren en +ons, al naar onderscheiden aard en aanleg, in machtelooze woede de vuist +doen ballen, of vruchtelooze heerschers- en apostelsdroomen laten +droomen? Ja, wenschen we ten slotte niet, om ons-zelf de smart en den +haat te besparen, er maar zoo weinig mogelijk van te weten? En behoort +dus een boek, dat deze dingen beschrijft niet tot diegene, welke wij +maar liever ongelezen ter zijde leggen, óók omdat het toch, als verdicht +verhaal zoo "gewoon," zoo "banaal," zoo "beneden onze aandacht" is? Och +ik zeg u eerlijk: niet beneden <i>mijn</i> aandacht. Voor mij is, in kunst, +het onderwerp bijna niets en de behandeling van dat onderwerp alles. +Maar voor u, weet ik, is dat niet zoo, en dat neem ik u ook volstrekt +niet kwalijk: ik begrijp het best. En zoudt gij dan <i>Geertje</i> niet voor +zulk een boek gehouden hebben. Maar nu hebt ge natuurlijk al begrepen, +dat het daar niet op lijkt. Hoe zoude ik in dat geval van een psychische +<i>uitzonderings</i>figuur hebben kunnen spreken. Och, hoe ver is 't dan ook +inderdaad daarvan verwijderd. Hoezeer is <i>Geertje</i> in +evolutionnair-biologischen zin verheven boven een "verleid meisje". +Laten wij deze bewering reeds nu even aan de feiten toetsen. Dat, wat +men <i>gewoonlijk</i> onder "verleiding" verstaat, is: op zoodanige wijze bij +een argelooze op de sexueele driften inwerken, dat zij tenslotte uit +eigen opgewekten hartstocht, aan de begeerte van den verleider voldoet. +Het <i>meest kenmerkend gevolg</i> van <i>verleiding</i> is dan ook, dat zoodra +bij de <i>verleide</i>, de opgewekte driften weer tot rust zijn gekomen en +zij de <span class="pagenum"><a name="p301" id="p301"></a>[p.301]</span> gevolgen te dragen heeft, het <i>berouw</i> intreedt èn <i>haat</i> +tegen den <i>verleider</i>. Ten eerste wordt nu echter bij <i>Geertje niet</i> +door den man, die haar misbruikt, de lagere sensualiteit opgewekt, +jawel, hij <i>beproeft</i> het, en <i>hij</i> meent, de plat-sluwe wellusteling, +dat hij slaagt, doch hij vergist zich: wat door hem wordt opgewekt +misschien, maar aangewakkerd zéker, is: hare <i>verliefdheid</i> op hem—van +wier hoogheid en duurzaamheid dat beest-mensch niet het flauwste begrip +heeft!—en dit <i>verliefd-zijn</i> maakt hare zinnelijkheid wakker. Tusschen +het een en het ander nu is een enorm verschil—precies hetzelfde +verschil, wat <i>men</i> zegt (<i>ik</i> weet het nièt) tusschen mensch en dier te +bestaan.—In het eene geval, <i>bij Geertje</i>, brengt de <i>geëxalteerde +geestelijkheid</i> beroering en hartstocht <i>in de lichamelijkheid</i>; in het +andere geval wordt de eene <i>lichamelijkheid</i>—van de verleide—door de +andere <i>lichamelijkheid</i>—van den verleider—doordrift, en met hun +beider <i>geestelijk-zijn</i> heeft dat niets of weinig van doen. Het gevolg +is dan ook, dat zoodra, in het laatste geval, ook slechts een klein deel +van de geestelijkheid: het nuchter verstand, werkelijk ontwaakt, een +vreeselijk berouw, zooals ik reeds zei, en een haat tegen den verleider +intreden, en daarentegen in Geertje's geval, zoodra haar geest zelfs +<i>voor goed</i> is ontwaakt en <i>alles</i> klaar ziet, zij van tevredenheid en +geluk vervuld wordt, omdat zij voelt, niet zóó bewust als ik 't daar +zeggen ga, maar toch zéér bewust: ik heb gedaan wat mijn hoogste +geestelijkheid en de reinste kern van mijn wezen mij geboden, nu heb ik +de zaligheid gekend en deze zal mijn heele leven blijven doorlichten; en +instede dan ook van haat te voelen tegen den man die haar onverzorgd aan +haar lot overlaat, blìjft zij hem, ook nadat zij weet, door hem +gedupeerd te zijn, uit de volheid van haar groote ziel liefhebben, +blijft zij hem innig dankbaar, voor de heerlijkheid, die haar, ten +slotte, toch door hèm geworden is! En zooals de eene goede daad altijd +ter een of andere keer, tot een tweede goede daad voert—want het is een +goede daad aan het hoogste van zijn wezen te gehoorzamen, <i>maar dan moet +men ook</i> <span class="pagenum"><a name="p302" id="p302"></a>[p.302]</span> <i>noodlottig-zeker voelen dat het 't hoogste van het +wezen is!</i>—zoo brengt ook <i>Geertjes</i> daad haar éérst tot het zuivere +inzicht, dat te huwen of sexueelen omgang te hebben zonder liefde, +minderwaardig is èn brengt haar daarna en daardoor tot de tweede goede +daad: van liever haar heele leven ontbering en smaad te dragen, dan haar +toevlucht te zoeken in een gemakkelijk huwelijk, met een braven, rijken +boer, die haar grenzeloos liefheeft, om aldus voor de hardheid der +wereld geborgen te zijn. Hoe zou het dan ook kùnnen dat Geertje zich +schame voor haar daad, of iets van haren natuurlijken trots of fierheid +inboete gelijk die vele schijnbare-lotgenooten! Na dit alles te hebben +ingezien, voelen wij dan ook met zekerheid, dat wij in de persoon van +<i>Geertje</i> hebben te erkennen een van die hoog-nobele en in waarheid +groote figuren, die tegelijk monumenten voor en incarnaties van de +Liefde op aarde zijn.</p> + +<p>Maar hoe weinig zouden wij dat vermoed hebben, indien wij <i>Geertje</i> in +het leven hadden ontmoet, hoe weinig dus ook, dat wij eigenlijk heel +diep en nederig voor haar moesten buigen, en dat "die geheimzinnige +Macht, die de wereld regeert" veel sterker in haar leefde dan in vele in +heerlijkheid gezeten vorsten en voornamen en geleerden, die roem en eer +en geluk in overvloed oogsten! En met deze opmerking kom ik meteen tot +de bespreking van een andere superieure eigenschap van dit werk, eene, +die het gemeen heeft met alle werkelijk gróóte kunst: <i>dat het +uitspreekt, wat geen andere mond dan die der kunst kan uitspreken, dat +het stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen +uiting had</i>. Want ziet eens en denkt het u goed in en doet eens flink uw +best, mij ter dege te begrijpen: àls ge in het leven zulk een "verleid +dienstmeisje," als ge eens diezelfde Geertje had ontmoet, armelijk, +vervallen, gedwongen in uitersten nood een toevlucht te zoeken voor haar +zwak, zwanger lijf, bij hondsche, gemeene, vervuilde familie; àls ge +eens in het leven zulk een meisje had ontmoet, dat absoluut geen +"berouw" over haar "misstap" toonde en nog den man, die haar verleid en +gedupeerd heeft, in slaafsche gedweeheid achterna blijft loopen, <span class="pagenum"><a name="p303" id="p303"></a>[p.303]</span> +wàt zoudt gij anders voor haar hebben dan een weinig stuursch +medelijden, vermengd met minachting, gij, die de grootheid van haar ziel +niet zoudt kennen, gij, die haar drijfveeren: haar liefde, haar +vertrouwen, haar hoop, hare grenzelooze toewijding niet bevroeden zoudt. +En àls gij daarentegen dien verleider, dien <i>Heins</i> in het werkelijke +leven ontmoet hadt, wel, zoudt ge niet hoogstens eenige phrasen mompelen +als: alles te weten is alles te vergeven: de man, lichamelijk een +prachtkerel, is gehuwd met een ziekelijke vrouw ... de natuur zoekt een +uitweg ... en die Geertje, nou die zal, op de keper beschouwd, ook wel +niet zoo heel veel fijns zijn ... en hij is toch maar in z'n zaken een +oppassende en gewikste kerel.... In een woord: een deel uwer sympathie, +waarschijnlijk het grootste deel, zou bij den sterke, den +man-van-het-welslagen zijn en niet bij de verongelukte, bij de zwakke, +bij de als-bedelend-afhankelijke. Want niet alleen gij, jongeren, maar +ook wij ouderen, zijn allen, vooral te dien opzichte, maar al te vaak +"un petit être incomplet,"<a name="FNanchor_2_156" id="FNanchor_2_156"></a><a href="#Footnote_2_156" class="fnanchor">[2]</a> zooals Loti het noemt. En intusschen, hoé +verkeerd zouden wij hebben gedacht, want die <i>Heins</i>, wat is hij anders, +dan een van die diep-ellendige schurken, die we alleen daarom niet +verachten, omdat we begrijpen niets wat leeft te mógen verachten. Maar +hoe zouden wij, arme, onvolmaakte wezens, ook beter kùnnen oordeelen +over onze medemenschen. Worden wij niet door onzen twijfel verscheurd en +heen en weer getrokken? We heffen de hand op om te straffen, maar we +aarzelen: heeft die mensch wel straf verdiend? Had hij geen edele of +onweerstaanbare drijfveeren, die wij niet kennen?... Wij willen +beloonen.... Maar de gedachte komt in ons op: zie ik dien mensch niet te +mooi; had hij innerlijk geen leelijk motief voor die mooie daad, +bevoorrecht ik hem dus niet boven zijn gelijke? Wat wéten wij van +elkanders ziel? Wie zìjn wij-zelf? Daarom kàn de ondeugd niet door +<span class="pagenum"><a name="p304" id="p304"></a>[p.304]</span> ons gestraft, de deugd niet beloond worden. Wij wankelen en wij +tasten mis bij elke schrede, bij elk gebaar. Doch nu komt een kunstenaar +... diè wéét, die vóelt weifelloos, diè tast, ten <i>tijde dat hij +kunstenaar is</i>, nimmer mis, diè heeft "hart en nieren geproefd."<a name="FNanchor_3_157" id="FNanchor_3_157"></a><a href="#Footnote_3_157" class="fnanchor">[3]</a>. Nu +krijgen de deugd en de ondeugd, het reine en het bezoedelde, het +zelfopofferende en het baatzuchtige, allen, niet alleen de kracht tot +uiting, maar zij worden gedwongen daartoe. Allen ontvangen nu een stem, +waarmee zij in onze ooren hun innigste wezen uitzeggen. Nu is alle +leugen en alle schijn verre en de meest doortrapte sluwheid staat +machteloos.</p> + +<p>Dáárom zei ik—en nu zeker begrijp't ge mijn zeggen—<i>kunst uitspreekt +wat geen andere mond kan uitspreken, dat zij stem en uiting geeft aan +wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had!</i> Hoe dikwijls, gelijk +nu weer, heeft het mij dan ook niet toegeschenen, alsof, in hoog +medelijden met die wrange machteloosheid der menschen, ter troost aan +ons gekrenkt rechtsgevoel, en vooral ter tijdelijke hulp aan ons, +bijna-blinden, die het eindpunt niet kunnen zien, waar al dat slechte en +misdadige tot goedheid en rechtvaardigheid wordt—de Natuur de +kunstenaars voortbracht, opdat die ons reeds nu het ware wezen der +dingen zouden doen gevoelen, hun noodwendigheid en het verborgen geluk, +en ook het verborgen onheil, dat zij in hun dichte dooreenvlechting +dragen. Het uiterlijk-schamel edele, dat wij gering hadden geschat, de +kunstenaar toont—en 't is als een ons hart goeddoend eerherstel!—de +edele kern ervan. Het opgesierd-vooze, het is alweer de kunstenaar die +met vaste hand het innerlijk rotten opendekt—zoodat wij althans het +geluk der waarheid hebben! Zóó komt het dan ook, dat <i>Geertje</i>, het +zuivere werk van zùlk een kunstenaar, bij al de grauwheid van het +armoe-leven, die het ons niet spaart, bij al de ontzettende ellende en +onverdienden smaad, die we de hoofdpersoon, het meisje zien treffen, ons +nauwelijks bedroeft, en dat het ons evenmin na <span class="pagenum"><a name="p305" id="p305"></a>[p.305]</span> voltooide lezing +achterlaat met dien bitteren haat tegen het "wreede" leven, maar +integendeel met het zoete en kalme gevoel van bevredigd- en +vertroost-zijn, van nu toch ééns het Noodlot doorvoeld en begrepen te +hebben. Want, zoo denken we, waarom zouden we de verstooten en versmade +Geertje langer beklagen, haar, die met het volle gevoel en het +alles-verzoetend en verheerlijkend bezit harer altijd-durende liefde +naar haar dorpje terugkeert, om daar in de schoone richting, die het lot +haar gewezen heeft en op haar eigen, eenvoudige wijs, haar prachtige en +rein-menschelijke ziel te doen groeien en bloeien. Of waarom zou ons de +haat jegens menschen als Heins nog op het hart branden! Is tot onze +genoegdoening, in dezen ééne, niet aller afzichtelijkheid in den +rechtvaardiglijk-erbarmingloozen dag geheven? Voelen we ook niet +onvermijdelijk en ontzettend aandreigen, onzichtbaar voor zijn oogen, de +begeleidsters der geestelijke en zedelijke geringheid: de zelfverachting +en de verachting der menschen, die vroeg of laat, maar eens zeker, uit +zulke misdrijven opschrijnen?... Ja, het is dan ook vóóral de +gewaarwording, dat de godsstem van het Noodlot tot ons sprak uit dit +boek, klaar en vast en met ware troost vertroostend, die het ons doet +liefhebben als een machtig geheel van <i>ont-dekte, doorzichtig-gemaakte</i> +menschelijkheid. Aan dit werk is het <i>tijdelijke</i> vreemd: zoolang een +deel der menschheid onze taal zal kennen, zoolang zal het in de figuur +van het arme meisje <i>Geertje</i> de verwezenlijking van ééne der gestalten +der eeuwige en wereld-omvattende liefdesdroom herkennen; zal het opzien +vol dankbaarheid en bewondering tot die onbewuste, nederige heldin, die +niet alleen te eenvoudig-menschelijk, te rein-natuurlijk was om te +zondigen, d.i. tegen haar diepst en hoogst gevoel te leven, toen dit +haar genot en uitviering van hartstocht bracht, maar die ook te groot +bleek, om tegen dat gevoel te leven, toen het haar niets anders dan +verderf, vernedering en ontbering kon brengen!</p> + +<p>Laat mij nu nog, voor ik dit eerste hoofdstuk over <i>Geertje</i> beëindig, +even recapituleeren wat ik heb gezegd:</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p306" id="p306"></a>[p.306]</span> Het werk behoort ten deele, voor zoover het zijn hoofdpersoon +betreft, tot de goéde romantiek, omdat het een uitzonderingsfiguur +beeldt, op naturalistische, d.i. zooveel mogelijk objectieve wijze. Het +behoort tot de groote en blijvende kunstwerken: omdat het 't leven voor +ons ont-dekt en doorzichtig maakt; omdat het, in de opeenvolging zijner +elkaar beïnvloedende hoofdgebeurtenissen, zuiver noodlottig is; omdat +'t, wijl het kunstscheppend vermogen er puur in leeft, niet van één tijd +maar van alle tijden is; omdat het, tenslotte, èn door zijn +noodlottigheid èn door zijn evenwichtigheid én door zijn àf-zijn in +begrepen-, doorvoeld- en weergegeven-hebben, zelf de rust en den vrede +der klassieke mensch-beeldingen bezit en beide daarom ook aan de lezers +schenkt.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>En ik voeg er met nadruk bij: het is ook in de hoogste mate zedelijk, en +de lezing moet, vooral op jongelui, die nog hun leven kunnen beginnen, +veredelend werken—ik zeg dit met zooveel nadruk, omdat 'n paar, +overigens geheel onbevoegde, dwazen indertijd het tegendeel beweerd +hebben—wijl het ten eerste, zooals ik reeds opmerkte, een stem geeft +aan het bedrogene, verdrukte en gesmade, dat anders door de menschen +niet wordt gehoord of geloofd; ten tweede, in <i>Geertje</i>-zelf een figuur +beeldt, die dwars door alle conventie heenbrekend en boven alle +eigenbaat uitrijzend, datgene poogt te doen, wat haar eigen diepste +wezen haar als goed aanwijst en, ten derde, in Heins den verleider, een +mensch heeft geschapen, wiens verpeste en afzichtelijke geest +noodzakelijk even afschrikwekkend op den aanschouwer moet werken, als +afbeeldingen van sommige ziekten dat doen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>In de nu volgende hoofdstukken hoop ik u het gezegde door citaten en +analysen nader uiteen te zetten en, voor zoover dat mij althans mogelijk +is, te bewijzen.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>JOHAN DE MEESTER'S GEERTJE.</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p307" id="p307"></a>[p.307]</span></p> + +<h3>II.</h3> + + +<p>Geertjes ouders zijn dood. Ze wordt door haar grootouders—grootvader is +hoofd van de dorpsschool en koster—opgevoed. En in het eerste hoofdstuk +reeds, waarin we Geertje uit 't dorpje zien vertrekken, om een dienst in +Rotterdam te zoeken, laat de auteur ons op opmerkelijk-sobere, want van +alle taaldrukte warse en aan elk psychologisch-ontledingsvertoon vreemde +wijze, het innerlijk dier drie zeer uiteenloopende menschen gevoelen. +Grootmoéder, één zachtheid, één innigheid, één opgaan-in-'t-kleinkind; +grootvàder: een steil-orthodox Christen, die geen oogenblik weifelens +omtrent zijn levensplichten en rechten kent, want beide staan duidelijk +en zeker voor hem en zijn natuur neigt al evenmin ter verzaking van de +eerste als ter opgave van de laatste. Zijn dogmatisch-kerksch geloof +zegt hem in alles het <i>hoe</i>, laat hèm maar zelden onzeker omtrent het +<i>waarom</i>, en heeft den heelen geestelijken inventaris, die bij een +gewoon huis-, tuin- en keuken-mensch nog al een beetje door elkaar +pleegt te slingeren, netjes voor hem opgeborgen in een "kast met +laadjes," zooals <i>Maandag</i>, een nobele figuur in ons boek, den bijbel +noemt in dit verband; een juist en gelukkig beeld, geloof ik, want zoo +het ons fel het misbruik voelen laat, dat, bewust en onbewust, van +bijbelteksten wordt gemaakt, het doet ons allicht ook bepeinzen, hoe +wonderschoon beeldhouwwerk die "kast" versiert en hoe de +beduimelend-liefkoozende vingers <span class="pagenum"><a name="p308" id="p308"></a>[p.308]</span> der geslachten, de glanzingen +van dat edele hout nog hebben verdiept in stede van het te +verslijten....</p> + +<p><i>Geertjes</i> grootvader is een streng, naar lichaam en geest <i>rechtlijnig</i> +man, hij is beslist, kort aangebonden en duldt geen tegenspraak, wat dan +ook precies de eigenschappen van dat soort oprechte, maar bekrompen en +ten deele verdorde vromen in het werkelijke leven zijn, eigenschappen +die, het zij terloops gezegd, psychologisch uiterst makkelijk zijn te +verklaren: het dogmatisch-godsdienstige, en dit vooral, maar niet +alleen, doch ook àl het dogmatische, ziet de fijne nuances van het leven +niet, het maakt, als 't ware, van den <i>kronkelenden</i> levensgang iets +<i>kinderlijk-rechtlijnigs,</i> en de geest van zijn belijders ontkomt +natuurlijk aan dien invloed wel het allerminst: ook hij wordt steil en +hoekig, zijn levenskijk wordt vergroofd. Maar dit is niet alles: het +dogmatisch-godsdienstige maakt den middelslag-mensch vaak streng en +hard, want daar het in 't leven een betrekkelijk eenvoudig iets ziet, +als slechts aan zekere voorschriften en leiddraden wordt vastgehouden, +is het ook van oordeel, dat degeen die leeft, de mensch, een relatief +gemakkelijke taak heeft en kàn het dus niet zóó medelijdend, zóó +vergevingsgezind tegenover dien mensch en zijn fouten staan, als die +andere denkrichtingen, welke integendeel het leven beschouwen als iets +zeer moeilijks en onreglementeerbaars, en de levenstaak als een +ontzettend-ingewikkelde, welks zwaarste gedeelten ieder gerijpt mensch +slechts volgens zelfgevonden wetten kan volvoeren. In één woord: de +dogmaticus heeft het <i>twijfelen en zoeken verleerd,</i> een ontzettend +nadeel! Hoe zal hij het twijfelen en zoeken van anderen nu kunnen +meevoelen? De dogmaticus struikelt zelden: hij bewandelt de onbeschutte +en slecht-onderhouden wegen niet. Maar àls hij struikelt, is dat naar +zijn meening zijn <i>schuld</i>, dien hij moet <i>delgen</i>. Hoe zal hij dan hen +begrijpen, bemeelijden en helpen, die, in sommige gevallen, niet alleen +van schuld noch delgen willen weten, doch te recht of ten onrechte hun +struikelen aan den weg wijten, ja wel eens—als Geertje!—hun trots en +hun geluk in dat struikelen beweren te hebben gevonden! Aan de figuur +van dezen grootvader, die <span class="pagenum"><a name="p309" id="p309"></a>[p.309]</span> het wèl meent en eerlijk volgens zijn +dogmatische kerkschheid handelt, zult ge dit alles, in verband +natuurlijk met zijn menschelijke zwakheidjes—en niemand, maar +allerminst een dogmaticus is daar zonder—zien waar worden! Wenden we +ons nu van hem af en zien we naar <i>Geertje</i>. En ik durf een mooi ding te +verwedden, dat gij dat liever doet! Wat mij betreft ... o, 't is waar, +ik heb een voorrecht boven jelui allen, jongelui: ik <i>verander</i>, als ik +naar haar zie, ik word <i>jonger</i>: de rimpels van mijn voorhoofd en mijn +geest verdwijnen—jelui hadt er geen! Ik <i>krijg</i> een glimlach op mijn +verstroefd gezicht—bij jelui was hij er, geloof ik, nog bijna nimmer +af, en ìk heb ook die eigenaardige vreugde, die ontstaat uit het even +zien samensmelten van toekomst en verleden in één punt. Maar jelui +Verleden ... och vrienden, je Heden draagt het nog op zijn rug, als +Aeneas zijn vader: moge het reeds verzwakt zijn, het lééft toch nog, het +is een wèrkelijkheid, het heeft in eenzaamheid de duistere reis nog niet +begonnen en slechts een bleeke heugenis nagelaten. Herinner jelui je, +wat ik eens schreef op deze plaats over dat plots weer oplichten van +onze eigen jeugd in later jaren, door het genieten van een kunstwerk?... +O, ook in <i>Geertje,</i> bij dit haar eerste verschijnen lacht een lente +open, alles is luchtig en onschuldig en bevallig en naar-het-komende- +ziende in haar. Wij voelen haar een met 't om haar zijnde, eenvoudige en +als van 't natuur-idyllische overbloemd dorpsleven. En wij voelen dit +juist, wij leeren haar èn dat leven kennen, <i>op hetzelfde oogenblik, dat +zij 't gaat verlaten, om naar de groote stad, naar Rotterdam te trekken, +en daar 'n dienst te zoeken!</i> Dat stempelt ons den indruk van dat leven +des te dieper in het geheugen. <i>Want wij voelen ons met haar nu op een +kentering van haar leven staan</i>. En als we straks met haar in Rotterdam +zullen zijn, dan zal het contrast tusschen dit proper-eenvoudige, +rustig-eerzame leven harer in het dorpsmilieu geachte grootouders, en +het smerige armoe-bestaan der rommelige havenstad, waar de bittere +strijd om een stuk brood, alle zachtheid, alle onderling +willen-waardeeren heeft verdrongen, ons des te dieper treffen. Wanneer +we haar <span class="pagenum"><a name="p310" id="p310"></a>[p.310]</span> straks door dat groote-stadsleven zullen zien besluipen; +als we dat, stukje voor stukje en beetje voor beetje, haar de +beschermende uiterlijkheden van den geest zullen zien ontrooven, +waarmede de kerksche opvoeding door de grootouders dien hebben bekleed, +dan merken wij dat alles zóó goed op, dan voelen we dat alles zóó diep, +omdat wij, vooral door dat eerste hoofdstuk, Geertje—om 't zoo eens uit +te drukken:—in haar ongerepte en tegelijkertijd nog niet ontwikkelde +gaafheid hebben gekend. Want we zien in dat eerste hoofdstuk reeds al de +verhoudingen en menschen, die, in verband met haar natuurlijken aanleg, +Geertje hebben gemaakt tot wat zij op dat oogenblik is. We zien +ook—heel eventjes slechts aangegeven—zekere psychologische +eigenaardigheid, die later van groote beteekenis voor haar uiterlijk en +innerlijk lot zal blijken te zijn. Ik zal nu dit alles met eenige +citaten trachten aan te toonen. Eerst de gezindheid van den grootvader: +(<i>Geertje</i> is bezig zich op 'r kamertje klaar te maken voor de reis. +Beneden wachten de grootouders op haar, om aan den maaltijd te +beginnen).</p> + +<div class="blockquot"><p>Ze hoorde Groo'va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig +... daar was hij al in het gangetje! Nu kwamen de woorden, <i>kort, +met gezag</i>:<a name="FNanchor_4_158" id="FNanchor_4_158"></a><a href="#Footnote_4_158" class="fnanchor">[4]</a></p> + +<p>—Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden....</p> + +<p>Dan moest het maar.... Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, +parapluie, 'er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep—zóó +maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.... Even +rondkijken.... Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien....</p> + +<p>En het slecht gelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning +kraakte op elke tree, onder de <i>vlugge</i> stap van het <i>lichte +meisje</i>.</p></div> + +<p>In de <i>eerste</i> door mij gecursiveerde woorden, die Grootvaders manier +van spreken aangeven, zóó dat wij hem hóóren, leeren wij hem reeds +kennen, zooals hij intrinsiek is: hij is de man van de kortheid en +vooral van het Gezag, met een bijzonder groote hoofdletter! Maar ook +Geertje staat er al aardig in: Dat kinderlijk beredderingsdruktetje, dat +schalk-vroolijk <span class="pagenum"><a name="p311" id="p311"></a>[p.311]</span> afscheid van de kamer ... zou het aan mij +liggen, dat ik 't ook <i>aandoenlijk</i> vind?... Ik geloof het niet: de +jeugd, de onschuld en de blijmoedigheid, zij zijn aandoenlijk, <i>omdat +zij, vaak zwijgend en zonder het te weten, om bescherming vragen</i>. Als +kinderen tegen ouders, vlijen zij zich tegen de ziel van den mensch aan, +die hen met liefde beschouwt.</p> + +<p>De beide laatste, door mij in den tekst gecursiveerde woorden vormen +daarneven van die beeldende trekjes, zooals er meerdere in dit hoofdstuk +voorkomen, die ons onmiddellijk Geertje in heel haar luchtige en +vroolijke jonkheid voor oogen brengen.</p> + +<div class="blockquot"><p>Groo'vas voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.</p> + +<p>—Waar blijf je nou toch? zei Groo'moe. Op haar gezicht was enkel +droefheid.</p></div> + +<p>Men weet hier onmiddellijk, dat Groo'moe altijd de "bufferstaat" tusschen +de beide anderen is! Zij tempert grootvaders strengheid en vergoelijkt +Geertje's dartele jeugd.</p> + +<div class="blockquot"><p>Het eten stond er al.</p> + +<p>—Aan tafel, zei Groo'va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem +kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.</p> + +<p>Toen alle drie zaten, bad hij:</p> + +<p>—O Heer, onze God! wij danken u voor de spijze, die Gij ons weder +mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig u loven en prijzen voor al +uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen +van hart, wij komen tot u in onze nooddruft, want ons hart is +bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe +goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw +uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die u +vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het +leven te houden in den honger. Wees gij dan, o Heer, met haar die +ons verlaten gaat. Wees gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer +vast huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren +mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover +haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat +haar geleiden, als zij nederligt, zal het over haar de wacht +houden, als zij wakker wordt, zal het zelve met haar spreken. Want +het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen +der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader, die in de Hemelen +zijt, Uw naam worde geheiligd; <span class="pagenum"><a name="p312" id="p312"></a>[p.312]</span> uw Koninkrijk kome: Uw wil +geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons +dagelijksch brood geef ons heden, en vergeef ons onze schulden, +gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in +verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Uw is het +koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, +Amen!</p> + +<p>Geertje was gewoon aan Groo'va's lange gebeden, met teksten erin.</p></div> + +<p>Laat ons even stilstaan bij die gewoonte van Groo'va om gebeden te bidden +"met teksten erin." Het kan zijn nut hebben, niet alleen voor het goed +begrip van die figuur, maar van al de geestelijk aan haar verwanten. +Want ten eerste moeten we ons wel hoeden, in onze "moderniteit" een +vrijbrief te zien, om maar over alles en nog wat, waarvan wij niets +weten, te mogen meespreken, en ten tweede zoudt gij allicht uit den +aanhef van dit artikel meenen te mogen afleiden, dat ik ook dit <i>bidden</i> +met teksten iets minderwaardigs of gerings acht. Dit is echter niet zoo, +ik vindt het integendeel iets zeer schoons. Kijk eens aan. Als men +iemand bijv. "een gevoelsmensch" noemt, dan wil men daarmee niet zeggen, +dat die man uit louter gevoel bestaat en verstand zou missen. Men wil +daarmee dan alleen aanduiden, dat het gevoel, het bij hem sterk +overheerschende is. En als ik dezen grootvader een dogmatisch-geloovige +noem, dan wil ik daarmee ook alleen beweren, dat het dogmatisch-geloovige +in hem overheerscht. Want niemand is één ding geheel-en-al. Ieder mensch +is een mengsel van <i>vele</i> eigenschappen. En in dezen man zijn er al vast +drie wijzen-van-zijn te herkennen: ten eerste: de man—de "belichaamde +vermaning," zooals <i>Geertje</i>-zelf hem ziet—die door zijn dogmatisch +denken, door zijn meenen <i>de waarheid in pacht te hebben</i>, van een +ergerlijke eigengerechtigheid is; die zich als een "Verkondiger van Gods +Woord" opwerpt en met zijn teksten niet alleen een grimmig hekwerk +tusschen eigen braafheid en de snoodheid van den zondaar schijnt te +willen oprichten, maar er zelfs een soort van kooi om de "gevallene" van +wil smeden, waarin die in schuldbewustzijn tot "berouw" moge komen; +maar, ten tweede: leeft ook in hem de eenvoudige vrome, de <span class="pagenum"><a name="p313" id="p313"></a>[p.313]</span> warm- +en innig-geloovige, die ten tijde van zijn hevigste bewogenheid, naar +den Bijbel grijpt, om in diens taal te bidden, te danken, in één woord +zijn gevoel in woorden uittestorten. Het behoorde tot de leege +bluf-gebaren der "moderniteit" te beweren, dat degeen, die bad, dat in +eigen woorden moest doen, en dat hij, die het in "andermans" +bewoordingen deed, maar wat prevelde. Maar die moderne knaapjes vergaten +iets: dat deze "andere man" vaak de Bijbel was, en dat als we alleen +maar de Psalmen daaruit nader beschouwen, we weldra ontdekken, dat de +Psalmist een dier ontzaglijke en allergrootste dichters is geweest, wien +"niets menschelijks vreemd is gebleven." Wat wonder dan dat de +geloovige, die toch al, dóór zijn geloof, meent, dat die geheiligde +woorden Gode aangenamer dan zijne eigene zullen zijn, in uren van diepst +doorleven naar den Bijbel grijpt, en, als in een gelukkige ontslaking, +daar de zóó volledig zijn gevoel uitzeggende woorden vindt, gelijk hij +ze nimmer had kunnen vormen. Zóó gebruikt ook Grootvader dan de teksten +als hij <i>bidt</i>. Als hij <i>vermaant en bestraft</i>—let goed op het +verschil!—liggen <i>hoogmoed</i> en <i>bewustzijn van eigen bravigheid</i> aan +zijn tekstgebruik ten grondslag; als hij <i>bidt: nederigheid, liefdevolle +overgave</i>, ja zelfs <i>onbewust bewonderen van het schoone.</i> Gij zult mij +deze uitweiding wel willen vergeven, want ik zou graag willen, moet ge +weten, dat wanneer ge straks, als flinke kerels in den trein van den +Vooruitgang zit en uw vroolijk lied van de Internationale uit de ramen +dondert, dat ge dan vooral niet uw manhaftigheid uit door als Yankees +links en rechts over de waardevolle bagage uwer medereizigers heen te +spuwen. <i>Revolutionnair gevoel èn eerbiediging van het echte en mooie, +waar 't zich ook uit</i>, zijn in diepsten oorsprong hetzelfde en vertoonen +zich alleen als iets tegenstrijdigs, bij den kinderlijken en +onontwikkelden mensch.... Begrepen?... Ten derde leeft in Grootvader ook +een man, die.... Maar dezen zin breek ik hier af, om hem later te +vervolgen. Nu eerst ònzen tekst verder:</p> + +<div class="blockquot"><p>'s Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang +gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij <span class="pagenum"><a name="p314" id="p314"></a>[p.314]</span> deed +haar best om mee te bidden, maar ze was er niet in. Al toen Groo'va +bad van "gebrokenen van hart" hoorde ze een snik van Groo'moe. En +toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, +snoof en snikte Groo'moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes +trachtte te kijken....</p></div> + +<p>Een aardig trekje dit laatste, <i>beeldend</i>, zoowel Geertje's schalke +kinderlijkheid, als haar op dat oogenblik buiten de gevoelssfeer der +grootouders staan, haar innerlijk-alleen-naar-het-komende-kijken!</p> + +<div class="blockquot"><p>Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon—hij +kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand +het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo'va; zijn diepe +stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf—toen, +bij die bijna gemeenzame woorden, die ze als heel klein meisje van +Groo'moe geleerd had als Jezus' gebed, voelde ze dadelijk zich +anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep +gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar +neus; en na het amen stond ze op, en liep naar Grootvader om hem +een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo'moe's +stoel.</p> + +<p>—Och kind, hikte Groo'moe.</p> + +<p>—Heusch Groo'moe, Geer zal goed oppassen.</p> + +<p>Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in +Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, +alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.</p> + +<p>—Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.</p> + +<p>Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan +Grootmoeders borst; de kleine vleezige hand van Groo'moe streek +langs haar wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, +zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens +heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve +kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte +behangsel en het eikenhouten harmonium....</p> + +<p>Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo'moe gekozen als +Geertje's lievelingskost. Maar Groo'va had de ham niet zoo mooi dun +gesneden als anders.</p></div> + +<p>Ik heb daar straks de opmerking niet willen maken, om de stemming van +dit overigens fraaie stuk niet te bederven, maar nu moet ik toch even +zeggen, dat het mij spijt hier het woord "hikte" ter beelding van +Groo'moe's manier van spreken gebruikt te zien. Het werkt +ontegenzeggelijk storend. Hikken, <span class="pagenum"><a name="p315" id="p315"></a>[p.315]</span> in de beteekenis van hakkelend +spreken heeft te vaststaand en eigenaardig gebruik in den volksmond, dan +dat het ook hier niet onmiddellijk de daaraan verbonden onsmakelijke +gedachten-associaties zou doen opkomen.</p> + +<p>Maar nu geloof ik dat het toch tijd wordt mijn daar straks afgebroken +zin te voltooien. Dus: Ten derde leeft in Grootvader ook een mensch, +die, zij 't schaarsch, zij 't droog, zij 't kleintjes, zich toch ook op +een andere dan Bijbelsch-gereglementeerde wijze uit. Want—en Grootvader +moge mij het oneerbiedig vergelijk vergeven:—geen papegaai is er zoo +aan verslaafd op het voorbeeld van anderen te vloeken en te zegenen, of +hij krast er wel eens op zijn eigen manier, z'n toorn, verdriet of +vreugde doorheen. Grootmoéder moge schreien, Geertje langs de wang +aaien, haar laten uitweenen aan haar borst, de stugge, terughoudende, +half-bevroren grootvader brengt het niet verder dan: <i>de ham niet zoo +mooi dun te snijden als anders</i>. Maar met dat al is het laatste toch +evenzeer een zuivere gevoelsuiting als de eerste. Wenschen we er den +oude geluk mee!</p> + +<p>Ik sla nu een stukje tekst over en haal het eigenlijk afscheidnemen van +Grootmoeder en Geertje aan:</p> + +<div class="blockquot"><p>Grootvaders <i>lange</i> gestalte stond in de deuropening.</p> + +<p>—... Nou Groo'moe....</p> + +<p>—Nou kind...!</p> + +<p>'t Was of Groo'moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. +Maar ze hoorde Groo'va zeggen:</p> + +<p>—'t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze +den trein niet zou halen.</p> + +<p>—Goeie Groo'moe, zei ze troostend, <i>en wrong voorzichtig zich +los</i>.</p> + +<p>—De Heer ... zij ... met je, beefde Groo'moe's stem.</p> + +<p>—<i>Ja Groo'moe</i>, zei Geertje, <i>en zocht haar taschje</i>.</p> + +<p>Toen ze het had, tasch, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een +vroolijker—"Dag Groo'moe, het beste Groo'moe," een lichte kus op +het grijze haar; en vlug voor Groo'va, die de voordeur had geopend, +heen, was ze in eenen kamer en huis uit.</p></div> + +<p>In den eersten zin van dit citaat heb ik het woord "lange" gecursiveerd, +om te doen uitkomen hoe voortreffelijk zulke kleine +beschrijvingswoordjes het niettegenstaande hun eenvoud <span class="pagenum"><a name="p316" id="p316"></a>[p.316]</span> en alle +afwezigheid van omhaal doen. Ik wees er u reeds aanstonds op bij de +beschrijving van Geertje's naar beneden loopen. Met die kleine, +voortreffelijk te pas gebruikte beeldende woordjes, bereikt deze +schrijver evenveel, zoo niet meer als sommige anderen met uitgebreide en +ingewikkelde beschrijvingen. Als met lichte, onmerkbare drukjes wordt +ons eene ook-het-innerlijk-bevattende voorstelling van den uiterlijken +persoon in den geest gedreven. De drie andere cursieven geven Geertjes +gepréoccupeerdheid weer, haar er-niet-bij-zijn bij het afscheid, haar +denken aan het komende. Haar "Ja Groo'moe" is zelfs min of meer comisch +als antwoord op grootmoeders zegenwensch. En we glimlachen goedig, als +we daaraan denken, en hebben het onschuldige, levendige, naar het nieuwe +willende meiske er des te liever om.</p> + +<div class="blockquot"><p>—We komme d'er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje +dichtklapte.</p> + +<p>—Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo'va. Zeg Groo'moe nog eens goeden +dag.</p> + +<p>Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo'moe's +gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de +handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. +Toen <i>hupte</i> ze (beeldende uitdrukking, als boven. v.C.) Groo'va +na, die was doorgeloopen.</p> + +<p>Bij den draai van den weg bleef ze even staan, en wuifde weer.</p> + +<p>—'k Zie Groo'moe nie' meer, zei ze.</p> + +<p>Stil dook, omhuifd door grauw-bruine takken, 't lage witte huisje, +met het zware, vooruitspringende puntdak, achter de lariksen en +conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de +school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was 't donkere +pleintje er voor....</p> + +<p>— Kom nu! riep Groo'va.</p> + +<p>En Groo'moe, die in Geertje's kamertje door het zolder-raampje +keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.</p></div> + +<p>Hoe mooi is hier de stemming van dat oude dorpje getroffen, die kerk, +die school, het eenzame pleintje. Stil blijven ze achter in hun +onverstoorden, zuiveren eenvoud.... Het bij hen behoorende kind trekt +naar de groote stad....—Is ze even droevig, dat ze grootmoe niet meer +ziet? Of is ze eigenlijk niet integendeel blij, en voelt ze zich niet +opgelucht, dat het afscheid nu eindelijk is afgeloopen, dat ze nu +onverdeeld <span class="pagenum"><a name="p317" id="p317"></a>[p.317]</span> aan het nieuwe, het komende behooren gaat, waarheen +haar gulzig hartje hunkert? Maar de grootmoeder denkt aan niets anders +dan aan haar. Het was haar strammen ouderdom niet te veel, de trappen +naar het zolderkamertje op te klauteren, om haar kleinkind zoo lang +mogelijk te kunnen naoogen....</p> + +<p>Maar bij dit laatste wil ik toch nog even stilstaan: Tot hiertoe, ook in +de door mij niet geciteerde gedeelten van dit hoofdstuk, zien wij de +personen, onmiddellijk <i>door de ziening van den auteur</i>. Tot hiertoe +beweegt zich ook het verhaal in <i>òndoorbroken-voorwaartsche</i> richting. +Met dit laatste zinnetje wordt dit alles plotseling anders: De schrijver +laat ons niet door zijn oogen Geertje zien—om 't zoo slordig-weg uit te +drukken—maar door die van de grootmoeder, en om dit te kunnen doen +plaats hebben, worden we plotseling met een ruk achteruitgetrokken—een +ruk, dien ik, bij de eerste lezing <i>werkelijk gevoelde</i>!—: we bevinden +ons met grootvader en Geertje reeds op weg naar het station, we hebben +het meestershuisje en grootmoe achter ons gelaten en nu worden we +plotseling daarheen weer verplaatst. Wat beteekent dit?... Het +beteekent, dat hier eene van die onbewuste, zéér schoone stijgingen van +gevoel in den kunstenaarsgeest heeft plaats gegrepen, die wellicht tot +de innigste en teerste bestanddeelen van kunst behooren. Onbewust zeg +ik: het zou zelfs kunnen zijn, dat de auteur het tot op den huidigen dag +zelf niet weet en—toch <i>is</i> het zoo, ja, het is niet onmogelijk, dat +hij, nu ik het zeg, het niet juist zal vinden en—desalniettemin blijft +het de waarheid! Voor die door hem gestadig in zóó liefdevolle +beschouwing omkoesterde <i>Geertje</i>-figuur is, op dit oogenblik van +afscheid van haar veilig dorpje, dat zij verlaat om zoo groote +beproevingen in de angstig-groote en vreemde stad tegemoet te gaan, zóó +groote teerheid in hem gerezen, dat hijzelf als in onbewuste kieschheid +terugwijkt, om die laatste visie van hoe zij als onbezorgd kind in het +grootouderlijk huis was, in de verbeelding der menschen te laten +ontstaan en beklijven, gelijk zij gezien werd door de grootmoeder, die +Geertje het best en het diepst heeft liefgehad....—</p> + +<p>Ik oversla nu een stukje tekst: Geertje op weg naar het <span class="pagenum"><a name="p318" id="p318"></a>[p.318]</span> station, +hoe zij van allerlei dorpsgenooten lieve attenties en hartelijke +vaarwel-groeten krijgt. Een meisje staat haar op te wachten met 'n mand +"bellevleurs": "Geertjen, hier heij 'n mand mit appels, lekkere +bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege."</p> + +<p>Het teekent uitstekend het geëerd- en geliefd-zijn van haar grootouders +en haar-zelf in het dorp. En dat alles zal later, zooals ik reeds zei, +een wreed contrast met haar omgeving en positie in Rotterdam vormen. +Maar het volgende haal ik nog even aan:</p> + +<div class="blockquot"><p>En aan het perron kwam opeens Jan Heukelman.</p> + +<p>—Ik kom je even ge'dag zeggen, Geertje, zei hij.</p> + +<p>—Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.</p> + +<p>—Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek +bekend, en hij he't mien opgedroage je z'en groete te brengen. En +dat ie hoopte da'j altoos de Heere voor ooge zoudt houden.</p> + +<p>Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap +aan Willem te geven.</p></div> + +<p>Willem is de rijke boerenzoon, die op Geertje verliefd is, maar omdat ze +'m niet hebben wou, naar Amerika is vertrokken. Later als Geertje +"gevallen" en hij in het vaderland is teruggekeerd, blijkt hij nog +altijd dezelfde trouwe en liefhebbende minnaar te zijn. Hij verlangt +niets liever dan haar als zijn geëerde vrouw in zijn huis te voeren. +Maar Geertje weigert, zooals ik reeds in het eerste hoofdstuk zei, omdat +zij den man, die haar gedupeerd heeft, <i>blijft liefhebben</i>! Overigens: +Willem Heukelman is dezelfde soort Christen als Grootvader, m'n Hemel! +'n minnaar, die het meisje zijner liefde geen andere boodschap weet te +sturen, dan dat ze altoos de Heere voor oogen moet houden! 't <i>Is</i> om +tureluursch te worden.—En nu nog even dit: (Geertje staat aan een +tusschen-station op den trein te wachten. Ze is ongerust over haar +koffer. Een aardige meneer stelt haar gerust, en het voorvalletje +verloopt dan aldus verder:)</p> + +<div class="blockquot"><p>Hij ging enkel naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen +reizen.</p> + +<p>Geertje dacht aan wat Groo'va gezegd had, dat ze vrouwencoupé +<span class="pagenum"><a name="p319" id="p319"></a>[p.319]</span> moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, <i>maar vond het +pijnlijk dat aan den heer te zeggen</i>. Hij was zoo vriendelijk tegen +haar!...</p> + +<p>Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:</p> + +<p>—Ja, nu moet ik een dames-coupe hebben.</p> + +<p>Doch er was maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje +in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heen-drong.</p> + +<p>—Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen +zitten, lachte de heer.</p> + +<p>En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zich-zelf. +Misschien was er nog een coupé geweest; ze had daar niet verder +naar gezocht. Nu zat ze in een grooten wagen, met veel menschen +overal. De vriendelijke heer tegenover haar.</p> + +<p>—Hebt u het hier niet goed bij me?</p> + +<p>—Heel goed, lachte ze terug—toch een beetje pruilend.</p></div> + +<p>Het is deze <i>naïeve vriendelijkheid</i> in Geertje, dat niet <i>kunnen hard</i> +zijn, het is dat zachte gemoed in haar, zoo diep ontvankelijk ook voor +medelijden, zoo bang voor te kwetsen, die wel de hoofdoorzaken van haar +ongeluk, of wilt ge, van haar geluk zullen zijn. En het is over het +<i>algemeen</i> het medelijden, het zachtmoedig niet-kunnen-weigeren, en +<i>niet</i> de sensualiteit, waardoor het leven van zoovele vrouwen verdorven +is....</p> + +<p>In het volgend hoofdstuk hoop ik u nu in hoofdlijnen te laten zien, hoe +uit Geertje's goedgeloovige, naïeve, luchthartige en medelijdende +innerlijkheid, in verband met invloeden en personen uit haar vroeger en +later leven, zich de roman harer liefde en overgave ontwikkelt.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p320" id="p320"></a>[p.320]</span></p> + + +<h3>III</h3> + + +<p>Geertje is dan naar Rotterdam'vertrokken, en zal, zoolang ze geen dienst +heeft gevonden, bij haar oom Jan Niekerk logeeren. Die oom is een van +die slungelige wezens, wien alles, van de kindsheid af tot de grijsheid, +het heele leven door, mislukt. Niet alleen volkomen missend wat men in +hoogeren zin geestelijke krachten kan noemen, maar ook geheel zonder die +capaciteiten, welke in staat stellen, op den juisten tijd en de juiste +wijze de zich voordoende gelegenheden tot het winnen van levensonderhoud +aan te grijpen; geheel dus zonder die toch alledaagsche markt-gevatheid, +die haar bezitter knap genoeg maakt, om op niet al te suffe manier het +zakengesprek van elken dag met het pingelende leven te voeren—is deze +man voorbestemd altijd een dupe, een verongelukte te zijn. Wàt hij doet, +doet hij niet goed, doet hij onhandig en links: zijn ernst is <i>schijn</i>, +is imitatie van anderer ernst; zijn scherts is <i>schijn</i>, zij is de +mislukte maskerade zijner angst en vooral van zijn onmachtsbewustzijn. +Zijn druktemaken, zijn geaffaireerd-doen, 't is alles nadoen van +anderen. Hij is een dier rampzalige menschen, die <i>innerlijk</i> al lang +alle hoop hebben opgegeven iets te <i>zijn</i> en nog alleen maar beproeven +iets te <i>schijnen</i>, in het geheime bewustzijn, dat ook dit hen mislukken +zal. Hij <i>leeft</i> niet, hij <i>wordt</i> geleefd, als dit heen en weer +gesmeten worden door de omstandigheden, de kansen en de meeningen, +wirwarrelend <span class="pagenum"><a name="p321" id="p321"></a>[p.321]</span> om hem heen, zelfs geleefd-<i>worden</i> heeten mag!... +Want wat in een voorwerp is: zwaarte, gewicht,—dat is in een mensch +geestelijkheid. Wat weinig gewicht heeft, een ademstoot dwarrelt het op +en blaast het weer neer. Wie weinig geest heeft, hem blaast het leven +omhoog, hem blaast het omlaag, hoe zou hij—bij zoo groote mate van +lichtheid: bij zoo weinig geest—rust vinden midden de stormen der +meeningen en wisselvalligheden? Maar wie veel geest bezit, staat vast op +zijn plaats, de winden breken op hem, de omstandigheden smijdigen hun +lijn van voortgang om hem, zij bespatten hem, maar brengen hem niet +iets, waarbuiten hij niet kan, noch voeren iets <i>essentieels</i> van hem +mede, en hij weet wel, dat de kracht, die hèm verzetten zal, niet kan +schuilen in armoede, ontbering, rampen, rijkdom en geluk. De man van +weinig verstand staat in het leven als een bedronkene op den weg: zelfs +doode voorwerpen schijnen levend te worden, om hèm te hinderen en te +plagen, en wat anderen tot steun is, dat stóót en wèrpt hèm. In 't kort: +hoe meer geest, hoe meer <i>macht tot roerloosheid</i>; hoe minder geest, hoe +meer drukte en beweging. En ik geloof, dat <i>het 't doorvoelen dezer +waarheid was</i>, die de oude Indiërs deed zeggen, dat de <i>Goden +onbeweeglijke oogappels</i> hebben.... Intusschen zou ik mij schamen, zoo +zonderling te zijn afgedwaald van <i>Geertje's</i> oom naar de Indische +goden, indien diezelfde oom niet dichter in hun buurt stond, dan gij +wellicht vermoedt! Hij is namelijk een—kunstschepping, uit diep +levensinzicht geboren....</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Als Geertje bij haar oom arriveert, is hij juist weer wat lager gezakt. +Zijn mooien winkel aan den Binnenweg, die haar nog heugt van toen ze de +laatste maal bij hem logeerde, heeft hij niet meer. Hij woont nu in een +krottig huisje in een zijstraat aan de Schie. De teleurstelling is +pijnlijk voor Geertje, máár, en dit is teekenend voor haar +geestestoestand, dat echte jonge in haar, dat niets zóó als de vrijheid +liefheeft en tegen onnatuur een instinctieven weerzin heeft: zij blijft +blij, "uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid <span class="pagenum"><a name="p322" id="p322"></a>[p.322]</span> +gaf aan Groo'va en Groo'moe, en aan de meeste menschen in 't dorp," +ontslagen te zijn. Ik sprak in het vorig hoofdstuk van dat groote +stadsleven, dat we haar, stukje voor stukje, en beetje voor beetje, de +<i>beschermende uiterlijkheden</i> van den geest zullen zien ontrooven. En +hier hebt ge daar één voorbeeld van: (Geertje denkt:)</p> + +<div class="blockquot"><p>(Groo'va) sprak altijd van "den wil des Heeren" maar over zijn +triestigheid heen kwam hij niet.</p> + +<p>Misschien was dat toch wel méést om oom Jan—en nu wist Groo'va nog +niet eens alles!—ook niet, dat het bij oom heelemáál geen +Christelijke Boekhandel meer was. Op den Binnenweg was er nog een +aparte Bijbelkast. Maar hier!...</p> + +<p>—Dank je! Die reuk van heiligheid het me niks as schaaj gedaan! +had oom den vorigen avond gespot, toen Geertje naar de bijbels +gevraagd had.</p> + +<p>—Bidt jij nog? had hij 's middags geplaagd, toen ze aanzaten voor +het eten. Den eersten avond had ze 't gedaan, niet lettende op Oom +en Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.... Tante was +tusschen beide gekomen:—"Láát 'er toch!"—Maar zij had gelachen, +en oom had gelachen, en <i>voordat ze het wist, was de vork in d'er +mond geweest</i>....</p></div> + +<p>Zoo iets beteekent niet, dat Geertje nu inderdaad haar <i>geloof</i> aan het +verliezen is. Dat is volstrekt niet het geval. En de tijd moet nog +komen, dat zij 't inniger zal bezitten, dan ze 't ooit bezeten heeft. +Maar zij is bezig uit de <i>praktijk der godsdienstoefening</i> te geraken. +En dit is jammer, want <i>als</i> bij iemand van de betrekkelijk geringe +<i>verstandelijke</i> beschaving van Geertje, zelfs een <i>groot godsgeloof</i> in +de <i>ziel</i> ligt—gelijk hier inderdaad het geval is—dan kan toch, onder +zekere omstandigheden, die ik nader zal aanduiden, dat <i>groote +godsgeloof niet</i> maar wèl die <i>praktijk der godsdienstoefening</i> voor +verkeerde en schadelijke dingen behoeden. Hij die dit vreemd mocht +vinden, bedenke: dat bijna niemand de volle bewuste beschikking heeft +over <i>al</i> de in hem liggende geestelijke krachten. Hij krijgt +<i>langzamerhand</i> de beschikking over hen, indien hij <i>zeer hooge en diepe +vreugden en smarten voelen kan</i>. Want deze beide zijn de dorpelwachters, +die het in hun macht hebben, de poorten der geheime arsenalen en der +juweelen-volle schatkamers in eens menschen innerlijk <span class="pagenum"><a name="p323" id="p323"></a>[p.323]</span> te +ontsluiten.... En ook voor Geertje zullen zéér vele ontsloten worden.... +Maar nu dit nog niet gebeurd is, en ook—en dit is de omstandigheid, +waarop ik doelde—de schatkamer van het groote godsgeloof in haar nog is +gesloten, kan zij voornamelijk slechts beschermd worden, door wat haar +van <i>buiten</i>, door haar grootouders is bijgebracht: de praktijk, de +routine, noem het de sleur der godsdienstoefening, en die verliest +zij.... Ik noemde deze een <i>uiterlijkheid</i>, bedenk het, máár—ook een +harnas is een uiterlijkheid!—Ik ga nu een stukje overschrijven, +waardoor we weer wat meer van Geertje's innerlijk en het armelijk geplan +en geïntrigeer van oom en tante, om aan geld te komen, te weten komen, +èn tegelijkertijd met een nieuwe figuur kennis maken, die bestemd is een +groote rol in het boek te spelen en evenals Geertje tot de psychische +romantiek (zie het eerste hoofdstuk) behoort:</p> + +<div class="blockquot"><p>De voordeur ging open:—"Dag Geertje!" zei iemand. Zij kende hem +niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half +achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op +licht, lang-krullend warhaar.</p> + +<p>—Dag.... Meneer," zei Geertje verwonderd.</p> + +<p>—Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. 'k Heb je zien +laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.</p> + +<p>—O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.</p> + +<p>—Is je Aum d'er niet?... Roep jai je Tante n'es voor me.</p> + +<p>De bult en Tante bleken gemeenzaam.</p> + +<p>—Riek, vroeg hij, hait je man nou geschreive?</p> + +<p>Geertje kreeg den indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. +Tante meende—zoo zei ze—van wel, maar zeker weten dee' ze 't +niet, <i>'t was zoo'n moeilijke brief voor de'r man om te schrijven.</i></p> + +<p>—<i>Wa's d'ar nou voor moeilijks an! Als de'n ouwe nie' wil, dan wil +ie niet. 't Vragen sou ik meenen, staat frai. Wat ze' jai Geer, +daar kan je Graufader toch nie' boos om worde</i>.</p> + +<p>—Laat haar d'er buite, viel Tante haastig in, ongerust.</p> + +<p>Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar +nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was +als onderwijzer aan een openbare school de kameraad van Tante's +broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en +hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo'n hekel an de +onderwijzersstand, net als Oom <span class="pagenum"><a name="p324" id="p324"></a>[p.324]</span> vroeger had gehad, en daarom +was ie nou k'ruspendent van dagbladen geworden.</p> + +<p>—Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.</p> + +<p>—Nou, da'j berichte stuur an de krante. En he-'t-ie dáármee z'en +brood?</p> + +<p>Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en +van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit, dat je +dat natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel +zóóveel te melden! Eén man kon het onmogelijk af. Daar zat ook +juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk +veel konkerentie. Sommige heeren werkten samen, d'en eene nam dit +en d'en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En +meneer Maandag was altijd alleen.... Maar nou kreeg-d-ie misschien +'en eigen krant. Ja, 'en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, +waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant +zijn.... Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar +nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader +te vragen, of die wat wou geven....</p></div> + +<p>Als men, in de door mij gecursiveerde zinnen, Tante over haar man hoort, +spreken en, even daarna, Maandag zijn meening hoort zeggen, dan denkt de +oppervlakkige beoordeelaar: die oom Niekerk heeft niet véél geweten, +maar die Maandag is nog de ergste van de twee! Want men heeft al zoo'n +vermoeden dat die heele krant-oprichting wel mislukken zal en Oom +aarzelt nu ten minste nog voor hij zijn vader om geld vraagt, maar die +Maandag!... Intusschen is precies het tegenovergestelde het geval. +Maandag is een nobel en een niet onbegaafd mensch, die vertrouwen in +zich-zelf heeft en <i>volkomen te goeder trouw</i> om het geld vraagt, in het +ernstig geloof, dat er althans een <i>zeer goede kans</i> van slagen bestaat; +Oom echter weet diep in zich heel zeker, dat ook dit wel weer een +mislukking zal zijn, maar vraagt toch, d.w.z., gaat <i>oplichten</i>, en hij +aarzelt niet omdat hij de daad slecht vindt—dáár is hij al lang over +heen—maar omdat hij er bij zijn strengen vader, dien hij al zoo +dikwijls geld uit den zak heeft geklopt, niet mee durft aan te komen! +Maandag, in zijn opnieuw ontwaakte energie, zijn zelfvertrouwen en zijn +optimistisch idealisme, begrijpt dat alles natuurlijk niet en is +verwonderd!....</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p325" id="p325"></a>[p.325]</span></p> + +<div class="blockquot"><p>—Groo'va, <i>riep Geertje met verborgen angst. Ze kreeg een gevoel, +of d'er iemand Groo'va te lijf wou. Die goeie Groo'va, hij had zoo +weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!</i></p> + +<p>—'t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.</p> + +<p>—Hoe verschieten?</p> + +<p>—Nou, z'en geld blaift z'en geld, en ieder jaar kraigt ie z'en +rente. Ze denke zellefs van 'en hooge rente, meer as je Groo'va van +z'en geld maak! Maandag is d'er zeker van, dat 'et 'en goeie zaak +zal weze.</p> + +<p>—Wat heeft-ie dan Groo'va d'r in te hale! snuggerde Geertje vol +bezorgdheid.</p> + +<p>—Da's te zegge! Et kan misgaan, 't Is 'en nieuwe ondernemink. Je +brengt d'er je geld niet as bij de spáárkas!</p> + +<p>—Nou kijk 'is an! riep Geertje overtuigd.</p> + +<p>Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was +genoeg voor haar drift.</p> + +<p>Tante had haar aangezien, en plotseling op anderen toon:</p> + +<p>—O ja, maar as jai ons no' ga tegewerke, geef je graufader zeker +niks.</p> + +<p>—Ik? wat heb ik d'er mee te make!</p> + +<p>—<i>Nou ... 'et is toch jou geld ook</i>.</p> + +<p>Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze 't keukentje in. +Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu +niet schreien! Het was zoo naar, zoo anders hier alles, vijand was +ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.... Maar +die arme goeie Grootva.... Wacht....</p></div> + +<p>Ge denkt nu, na dat "Wacht," dat Geertje haar grootouders gaat +waarschuwen. Mis! dat eigenaardig jeugdig-lichtzinnige en dat +weifelend-bedeesde, 't laatste vooral tegenover menschen die in haar +nabijheid zijn, verhinderen dat. Ze gaat nu een lieven brief naar huis +schrijven en denkt daarmee genoeg gedaan te hebben. Ja zelfs laat ze +Tante den brief lezen, om die maar te laten merken, dat Tante's +wantrouwen ongegrond is. Och, ze heeft zoo graag met iedereen vrede en +geeft zoo gaarne en zoo makkelijk toe; <i>nu nog haar hoogste en innigste +wezen niet gewekt is</i>. En dan, moet ge denken, is er niets erger voor +een grootmoedig-aangelegd jong menschje, dan dat iemand hem bedektelijk +verwijt, dat hij uit eigenbelang iets doet of nalaat. En met het door +mij gecursiveerde zinnetje van Tante gebeurt dat: Tante weet wel wat ze +doet!—Uit den daarvóór door mij gecursiveerden zin, voelt ge, dat +Geertje toch ook wel <span class="pagenum"><a name="p326" id="p326"></a>[p.326]</span> heel veel van haar strengen grootvader +houdt.—</p> + +<p>Maar schitterender, maar onovertreffelijk, worden Geertje's weifelingen, +haar onbewuste zelfbedrog, haar zwakheid van rust te willen hebben en +niet tusschen al dat geknoei te willen zitten, gebeeld in het volgende: +(Oom zit haar te "bewerken" opdat ze hem maar geen spaak tusschen het +wiel zal steken en zegt ten slotte:)</p> + +<div class="blockquot"><p>Ik zeg 'et mit de beste bedoelinge. Als jij de'r op tege heb, da 'k +'et vraag ... dan doen ik 't niet....</p> + +<p>Geertje voèlde 't in d'er ooren, aan de manier waarop Oom, +aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende, +dat-ie haar daar laf beloog. <i>Maar dan moest het ook maar, dan +moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden!</i> Ze wist het, ze zat +daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d'er gezicht, tegenover +een plomp-grooten man, die wreede dingen zei; maar in haar flitste +ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om +heel hooghartig te doen en te spotten—om 'es hard terug te slaan, +zoo zwak als ze was.</p> + +<p>—Wou u soms dat ik d'er om vroeg?</p> + +<p>—Wat meen je dáármee? zei Oom op een drogen toon van halve +onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.</p> + +<p>—Nou....</p> + +<p><i>Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opeens 'er +gedachten kwijt</i>. En bij haar beschaamdheid zakte haar boosheid, ze +werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte +om niet kwaad te wezen—<span class="spat">hè, als zij Oom en Groo'va eens tot mekaar +kon brengen</span>.</p> + +<p>Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem +aan met 'en lieve lach....</p> + +<p>—Tante heeft me dat ook al doen voele, dat ze m'anzag voor, zoo'n +soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo'va; niet om +z'en geld, maar om Groo'va zelf.</p></div> + +<p>Is het niet <i>prachtig</i>, hoe hier in die paar regeltjes niet alleen de +<i>oogenblikkelijke</i> gemoedstoestand van het jonge, zwakke, lieve meisje, +maar ook heel haar <i>aard</i> wordt blootgelegd, deels door het vermelden +harer gedachten, maar deels ook door dramatische beelding: het scheppen +van handeling. In den eersten door mij gecursiveerden zin vindt ge haar +besluit, om koste wat het kost, nu eens flink te zijn, maar ach, na dat +ééne uitstekende comedie-vertooninkje van Oom, is er van dat besluit al +niets meer overgebleven. <span class="pagenum"><a name="p327" id="p327"></a>[p.327]</span> De dáárop volgende door mij +gecursiveerde zin beeldt uitmuntend in <i>handeling der gelaatstrekken</i>, +om 't zoo eens te noemen, Geertjes verlegenheid, haar zich plots weer +klein voelen. En dan volgt in de door mij gespatiëerde woorden het +<i>onbewust zelfbedrog</i> van dit nobele zieltje, dat zoo graag het goede +wil en, nog te zwak om er bij te volharden, zich zelf voor den mal houdt +en <i>met een surrogaat ervan zich behelpt</i>.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Nu na eenige commis-voyageurshandigheidjes van Oom, heeft Geertje dan +ten slotte een dienst gekregen bij den drukker <i>Heins</i>—en, vrienden, +als je daar straks het boek zelf gaat lezen (of ben je al bezig? Dat zou +heel wat prettiger zoowel voor jelui als voor mij zijn!) let dan eens op +wat er voorvalt bij die visite van Oom en Tante met Geertje, bij den +heer en mevrouw Heins: bijv. die scène met de kinderen is +uitstekend!—"een van Oom's vertrouwdste vrienden, die een groote +drukkerij voor den handel heeft," zooals Oom aan Groo'va heeft +geschreven. Mevrouw Heins is een ongelukkig buitje, iemand met een +"krates-lijf" en 'n bleek gezicht, waaruit een roode puntneus scherpt; +Heins-zelf daarentegen: "een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op +het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel." +Ziehier de manier, waarop hij, al heel spoedig, met haar omgaat:</p> + +<div class="blockquot"><p>—Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een +glas pilsener had ingeschonken.</p> + +<p>—Dank u.</p> + +<p>—Wat dank u? Ben jij mal? Gauw 'en glas! En 'en stoel d'er bij. +Mot je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook!</p> + +<p>Geert liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe—en het +bier smaakte. Hè, dat heerlijk-frissche bier! En zoo'n goddelijke +avond!</p> + +<p>—Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor 'n uurtje, maar toe' +sliep ze.</p> + +<p>Nee', gut, Geert was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur +thee had gebracht. Maar ze zou d'alijk even gaan....</p> + +<p>Och, nee', drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte. +<i>'t Is toch al zoo ongezellig</i>....</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p328" id="p328"></a>[p.328]</span> Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in +huis. Altijd herrie, of leeg-holle kamers, met maar 'en enkel +mensch er in, heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen +schreeuwend, omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d'er +keuken geloopen, òf naar de straat òf naar het gangetje van de +drukkerij.... <i>Aardig, dat Meneer die ongezelligheid ook akelig +vond</i>: zoo iemand, die òp scheen te gaan in z'en zaken!</p></div> + +<p>Ge merkt hier al, hoe een zeker intiem verband tusschen de twee <i>in +wording</i> is, doordat ze 't beide <i>ongezellig</i> in huis vinden, tegenover +de juffrouw, die de <i>oorzaak dier ongezelligheid is!</i></p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Langzamerhand zien we Geertjes geest door het beeld van dien man vervuld +worden. Truusje, z'n dochtertje, is wat hangerig. Geertje kijkt haar aan +en denkt onmiddellijk: "Krek toch d'r pa z'n oogen." Maar zie dan vooral +eens dit: (Geertje zit het zieke kind voor te lezen. Meneer Heins komt +de kamer binnen:)</p> + +<div class="blockquot"><p>—"Mejuffrouw G. Hendriks." Eén brief! Asjeblief.</p> + +<p>—Gut Meneer!</p> + +<p>—Zit Geer je prettig voor te lezen, Troelala?...</p> + +<p>Da's 'en leve'tje, hé?... Zeg, 't is hier benauwd! Jij hebt et ook +warm!... <i>O got, doe maar niet! 'k weet toch wel da'j 'en mooie +hals heb</i> ... krijgt Troelala 'et niet te warm?... Laat tenminste +de deur wat ope.... Zoo....</p> + +<p>—As de Juffrouw dat maar goed vindt!</p> + +<p>—Och jullie heb 'et hier veel te benauwd.... Zeg is, wat krij' je +daar voor 'en brief! Hei je femilie in Amerika?</p> + +<p>—Van 'en kennis....</p> + +<p>—O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit Amerika!... +Dàg.... Dag Truuzepop!</p> + +<p>Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo opééns nou 'en +brief van Willem. <i>En dat Meneer dat net moest zien!</i> Hoe kwam +Willem (Ge weet wel: Heukelman, de boerenzoon, die op haar verliefd +is. v.C.) an d'er adres! Ja, natuurlijk van Jan, en van thuis. Maar +wat hattie te schrijve! Ook 'en taaie.... Hé God, dat Meneer....</p></div> + +<p>Ik heb een paar zinnetjes gecursiveerd. Commentaar overbodig, niet waar? +Nu oversla ik een uitmuntend stuk—met grooten spijt, vooral omdat gij +het schalke, bijdehandte in Geer er aardigjes in had te zien gekregen! +Maar enfin, <span class="pagenum"><a name="p329" id="p329"></a>[p.329]</span> dat blijft weer bewaard voor jelui, als je het boek +leest! Nu verder even Geertjes overpeinzingen:</p> + +<div class="blockquot"><p>Hé, wat vervelend toch, nou van die brief! Stòm ook, dat ze gezeid +had "van 'en kennis." O, wat had ze daar gruwelijk spijt van! Hoe +kwam ze't te zeggen ... ze wist het niet ... Laa's kijke.... O ja! +toen.... Meneer-keek zoo plaag'rig. Eerst al, met dat geplaag om +'er boordje.... Toen, net of dat heel wat was, dat zij iemand kende +in Amerika.... Ja, daarom had ze gezeid, "van 'en kennis." Net zoo +ommers as et was.... <i>Maar ze zag dat Meneer et raar von</i>. Altijd, +dan werde <i>z'en ooge wat anders....</i> Och maar malligheid! '<i>t Zou +um 'en zorg zijn, of zij 'en kennis in Amerika had</i>.... Hé nee, <i>ze +had et gezeid om te plage</i>.... Waarom had hij ook geplaagd met 'er +boordje....</p></div> + +<p>Aan de door mij gecursiveerde zinnen ziet ge duidelijk, dat Geer zich er +wel van bewust is, dat er een <i>aardig verhoudinkje</i> tusschen haar en +meneer is, en dat ze gelooft, dat het meneer <i>èventjes hinderen zal als +hij merkt dat ze een vrijer heeft.</i> Geertje denkt natuurlijk niet na +over eenig gevolg dat dit alles hebben kan. <i>Zij is daarvoor te +onschuldig</i>. Zij is te onschuldig om in dit alles iets anders dan 'n +soort aardig-vinden-van-elkaar te zien. Ja, God, waarom zou meneer haar +niet mooi vinden.... Zij weet wel dat ze mooi is.... Haar jonge +ijdelheidjes worden gestreeld door de gedachte, dat zoo een knappe, +flinke, rijke man als meneer Heins er over nadenkt of zij wel of niet +een vrijer heeft. In 't kort: men voelt door wat er van haar gebeeld en +gezegd wordt, hoe zij wegdroomt telkens <i>in allerlei niets met de +werkelijkheid gemeen hebbende voorstellingen</i>, welke <i>niet</i> gezegd of +gebeeld worden. <i>Ze wordt door haar jeugd en opgewekt liefdesverlangen +meegevoerd</i>, buiten de werkelijkheid.—Even later komt ze beneden, +meneer staat daar weer:</p> + +<div class="blockquot"><p>...—Hei je zóó'n haast!... Eerst effe vertelle: hoe was 't met die +meneer in Amerika!...—<i>Och!.... plaag!</i>...</p></div> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>De tijd der kermis is aangebroken. Geer gaat met Oom en Tante en den +gemeenen Gerrit Holkers, broer van tante, er heen. Deze kermis is een +uitstekend brok beschrijving, <span class="pagenum"><a name="p330" id="p330"></a>[p.330]</span> waarvan jelui "bij de lezing van +het boek volop zult genieten. Laat mij 't hier slechts hebben over de +<i>psychologie</i> van Geertje, over haar liefde, en jelui aandacht vestigen +op die momenten, welken den groei daarvan aanduiden. Eerst echter dit: +(Geer heeft zich juist innerlijk geschaamd over een kunstenmaakster voor +een der kermistenten, die veel op haar lijkt—een <i>zeer fijn</i> stukje—en +nu, plotseling, hoort ze:)</p> + +<div class="blockquot"><p>—Geer! die meid lijkt op jou!</p> + +<p>In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots'ling heen +door het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom's +stemgeluid rauw haar ontstelde denken op, <i>en was haar nog +onaangenamer, daar het haar eigen gedachte uitsprak</i>. 't Was haar, +of 'er geheim opeens gehoord werd door de heele kermis. Zij wist +niet meer, wie was beleedigd, zij of het meisje; ze schaamde zich +vreeselijk over de vergelijking, en toch had ze ook diep medelijden +met het meisje, over wie Oom, met dronkemanstong, in zijn +afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw dorst spreken. O, ze haatte, +haatte Oom; <i>ze voelde opeens fel al de rampzalige schaamte over +die familie van de'r, ze snakte terug naar het Hang, waar ze beter +was, waar ze zich thuis voelde</i>; weg wou ze van zulke +liederlijkheid; en het was toch de <i>familie</i>.<a name="FNanchor_5_159" id="FNanchor_5_159"></a><a href="#Footnote_5_159" class="fnanchor">[5]</a></p></div> + +<p>Behalve de waarde eener voortreffelijke psychologische analyse, heeft +dit stukje ook een ongemeene compositorische waarde, wijl het aantoont +hoe alle omstandigheden ertoe medewerken, dat Geertje naar <i>Heins</i> toe +wordt gedreven: haar familie is haar niets meer, het huis van Heins +voelt ze als haar tehuis, en ìn dat huis, is er nog een stilzwijgende +verstandhouding <i>tusschen Heins en haar van elkander begrijpen</i>—zooals +zij, onnoozele dupe van dien man, denkt—<i>tegenover</i> de juffrouw, "die +geen vrouw is voor Heins," en z'n leven "zoo ongezellig maakt!"—En nu +die momenten, waarvan ik zooeven sprak: (Geertje zit met Oom en Tante in +de tent van een liedjes-zanger. Ze denkt:)</p> + +<div class="blockquot"><p>Die twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van 'et meisje. 't Meisje +leek nog heel, heel jong. Hè, zóó same kermishoue!... knappe jonge, +d'er gelant, flink ... <i>gut, op wie leek nou die jonge?</i> Zoo ie's +bekends had ie in z'n gezicht.... Toch niet thuisbrenge.... (Ik +oversla hier een stuk. v.C.) <i>Wat keek die</i> +<span class="pagenum"><a name="p331" id="p331"></a>[p.331]</span> <i>jonge verliefd z'en meisje an ... knàppe jonge ... op wie +leek ie?</i>.... Leegte, nou die mensche weg.... Zou 't al laat +zijn.... O, vervélend, heel d'en avond.... Hè! zoo-as dat meisje +uitgaan. ... netjes, met moeder, en je galant....</p></div> + +<p>Ge ziet in dit stuk het <i>liefdesverlangen</i> van Geertje, ge ziet hier ook +<i>het aandoenlijk beroofd-zich-voelen van de wees,</i> maar in de door mij +gecursiveerde zinnen, zit dat andere. Hoe? Dat zult ge dadelijk +zien....—Den volgenden morgen, 't is Zondag, is ze ofschoon ze vrij +heeft, naar het Hang gegaan, om even wat geld te halen—Oom en Tante +zitten zonder cent—en dan speelt zich daar het volgende prachtige +tooneel af: (Maar o, lieve vrienden, 't geen hieraan voorafgaat: dat +gedupeerd worden van de arme Geertje! hoe zij gelooft dat Heins uit +<i>goedheid</i> zoo vriendelijk, midden zijn eigen verdriet, jegens haar +is.... neen als ge het boek-zelf niet leest, al die magnifieke dingen, +die ik natuurlijk moet overslaan, dan zou het mij berouwen er iets over +te hebben geschreven. Want dan zou ik het gevoel niet van mij kunnen +afzetten, het te hebben verminkt!) Geertje is bij meneer op kantoor om +geld te wisselen en hij vraagt haar of ze zich geamuseerd heeft op de +kermis:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zij wist niet of ze 't zeggen zou. Ze schaamde zich zoo over wat er +was gebeurd, ze zou ommers ook liever heelemáál niet meer over de +kermis hebben gesproken, maar ze had zoo'n behoefte om het te +zeggen, om vertrouwelijk te doen tegenover Meneer....</p> + +<p>(Ik oversla weer 'n stukje tekst. v.C.)</p> + +<p>—Holkers? Da's 'en zure jonge.</p> + +<p>—'En geméénert.</p> + +<p>—Zoo? dat ook?... Och jee!... Dus geen pret gehad?</p> + +<p>—Pret? Nee niks!</p> + +<p>—Wij ... moste-n-is same kermishoue'!... Zou je wille....</p> + +<p>Ze voelde den lessenaar wankelen. Ze hoorde heel goed hoe Meneer +het meende, niks as 'en grapje, uit goejigheid, omdat ze zoo'n nare +avent gehad had; <i>en toch kreeg z' opeens 'en angst, of z'en droom +vervuld zag worden: Hij, Hij was et, gisteravent, in de tent, die +mooie jonge, die daar met 'en meisje zat!</i>... <i>Got!</i>... Meneer, +mocht toch niks merke....</p> + +<p>—J..j ...a! stotterde ze, met gedwongen lachje, zooveel mogelijk +als-vroolijk. Gauw 'et geld nu, en dan weg.</p> + +<p><span class="pagenum"><a name="p332" id="p332"></a>[p.332]</span>—Wat hei' j' de kinders blij gemaak', hoorde ze zijn +vriendelijke stem.</p> + +<p>—Blij?... Mit niks!</p> + +<p>—Nou ja, ze krijg 'et toch.</p> + +<p>—Ik vin' 't zoo aardig van je, Geertje—streelde weer die lieve +stem—da'j zoo lief ben voor me kinders. Trúúsje heb-ie opgepast +... as' en <i>moeder</i><a name="FNanchor_6_160" id="FNanchor_6_160"></a><a href="#Footnote_6_160" class="fnanchor">[6]</a></p> + +<p>Even dorst zij opzien. In die mooie oogen. Hij, zoo goéd, zoo'n +beste vader, en zóó vriendelijk voor haar....</p> + +<p>—'t Snoesje! zei ze.</p> + +<p>Truus, 'en engel!</p> + +<p>Nam meteen het geld van tafel.</p> + +<p>Toen opeens hield hij haar hand.</p> + +<p>Klemde die, zacht, in de zijne.</p> + +<p>—<i>'k Wou da' jij de moeder was</i>....</p> + +<p>—O, Meneer!</p> + +<p>De gulden viel. Maar zij holde weg, het huis uit.</p></div> + +<p>Nu heb ik wéér gecursiveerd. Ziet ge thans in, waarom ik het stràks +deed?!—Overal vervolgt haar zijn beeld! Maar met die láátste door mij +gecursiveerde woorden, heeft hij haar nu aan zichzelf ontdekt! Zij snelt +in radeloosheid de straat op. Maar wie is in staat, zijn eigen ziel te +ontsnellen? Als een obsessie hamert het in haar hoofd:</p> + +<div class="blockquot"><p>Dat <i>Hij</i>[6b] zeker nóóit us in z'en leve <i>gelukkig</i>[6c] erge's +gezete had, zooals die jonge gisteravent.—Met de <i>Juffrouw</i>[6d] +—<i>'k Wou da' jij</i>...."[6e]</p> + +<p>Niet an denke....</p></div> + +<p>En ziet ge weer het gevaarlijke <i>medelijden</i> in Geertje? Ze komt thuis +en moét even rusten, maar kàn niet, kàn niet. Overal ziet ze hèm, overal +voelt ze hèm. En als ze dan ten slotte, na bij menschen, christelijk als +haar grootvader, te zijn gegaan en daar wat norsch te zijn bejegend, er +berouw over gevoelt, dat niet geduldiger te hebben verdragen, voelt zij +een onbedwingbaar verlangen naar het godshuis te gaan. Als zij er komt, +in haar geëxalteerden toestand, voelt zij zich als "het hijgend hert der +jacht ontkomen." En dan volgt dit prachtige, dit geloofssterke, dit +liefdessterke, <i>dat Geertjes innerlijk is</i>, dat uiterst reine innerlijk, +<i>welks poorten nu, de</i> <span class="pagenum"><a name="p333" id="p333"></a>[p.333]</span> <i>een na de ander worden ontsloten</i>. (Zij +poogt haar aandacht bij de preek te bepalen, maar denkt aan hèm, aan +hèm:)</p> + +<div class="blockquot"><p>(De juffrouw) zei et ommers vaak:—"Pa's kindje," op 'en toon van +spot en hekel, net of Truus et helpen kon, dat ze pa z'en oogen +had. Kleine snoes, gelukkig ook! as ze de ooge had van de +moeder!... 't Wáre nét Meneer z'en oogen, 't zelfde bruin, zoo +strálend, gróót.... Jonge, op de kermis gisteravond zette'n-ook die +groote ooge, keek zoo stralend, naar z'en meisje.... Meisje lacht. +En Ooge lache.... Jonge, meisje staan nou op.... Hij haar hand, en +drukt de hand ... drukt nog weer ... de ooge ernstig.... Trekt haar +hand meer naar zich toe....—"'k Zal uw koffie late valle!"—"Koffie? +Nee, 't is maar 'en gulde, dáár, onder de lessenaar, 'k raap em op +of geef 'en ander ....Toe, Geer, hóór toch, 'k heb je lief, toe, +ik ben zoo ongelukkig ... 'k heb je lief, Geer, och, kom hier".... +Weg lessenaar, weg tabouret. <i>Hij</i><a name="FNanchor_7_161" id="FNanchor_7_161"></a><a href="#Footnote_7_161" class="fnanchor">[7]</a> naast haar, kijkt +bedroefd-vol-liefde.... Zalig! Zalig!—"Nog 'en zoen, zóó je +hoofd"....</p> + +<p>Hé, haast gevalle——</p> + +<p>... Groote God! wat gebeurt er met 'er! Heeft ze.... Ja, ze heeft +geslapen. 't Vrouwtje naast haar kijkt ontstemd, z'is tegen die an +gevalle, in d'er slaap.... Wat vreeslijkheid! Ooge dicht! Ze durft +niet rondzien! Zoo iets droome ... en dan hier! In de kerk zoo +zondig droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt over Judas' +smarte.... Lang stuk heeft ze niet gehoord, zitte slape, was zóó +moe ook. Hé, d'er hoofd barst van de pijn en dat steke van de zon +daar, altoos met die-n-eene straal, daar vlak vóór d'er. Jee, ze +beeft, ze klappertandt. En zoo warm hier. He't ze koorts? O, ze is +zoo ongelukkig!</p></div> + +<p>In een wroeging van zich schuldig voelen, in een vrees voor zonden, +herinnert ze zich nu tal van teksten, die <i>overspel</i> verbieden. En dat +stuk is pràchtig; en het spijt mij heel erg, dat ik het moet overslaan, +al mag ik de opmerking niet weerhouden, dat ik wel gewenscht zou hebben, +dat Geertje's meditatie niet zoo gerhythmeerd ware gegeven, want deze +rhythmeering wordt veroorzaakt door de vroom-ontroerde psyche <i>van den +auteur</i>, en kan <i>niet</i> in 't <i>denken van Geertje</i> aanwezig geweest zijn.</p> + +<p>Zij bidt God om vergeving, neemt zich nu voor, voortaan geen dag meer +het bijbellezen te verzuimen. En ten slotte vindt zij voor dat uur +vrede:</p> + +<div class="blockquot"><p><span class="pagenum"><a name="p334" id="p334"></a>[p.334]</span> Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde.... Bidde +mòcht zij ook voor <i>Hem</i><a name="FNanchor_8_162" id="FNanchor_8_162"></a><a href="#Footnote_8_162" class="fnanchor">[8]</a>, dat God <i>Hem</i>[7b] verand're mocht, dat +ook <i>Hij</i>[7c] vond het geluk, nu was <i>Hij</i>[7d] toch zoo rampzalig, +arme man, zoo'n lieve man, o, as hij tot God mocht komen ... zou ze +durve? hem et zegge? Bidde mocht ze wel voor hem, en nu luist're, +nu goed luist're, dan zou ook 'er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de +preek wat hebbe....</p></div> + +<p>En nu wordt het mijn plicht, over <i>dit deel</i> van het boek te zwijgen, +een plicht zwaarder, voor mij, die zóó gaarne van mijn mooi-vinden +anderen deelgenoot maak, dan mij wellicht ooit het spreken heeft +geleken. Zwijgen moet ik over het schoone zelfbedwang, over het +meesterschap, dat de kunstenaar moet hebben bezeten, toen hij vóór en nà +die supreme beeldingen van Geertje's gevoel, den moed en de kracht had, +om de kunstgrepen van den verleider en heel het alledaagsche leven te +teekenen; dat dagdagelijksch leven met al zijn kleinheden, waarvan het +Noodlot zijn onverbreekbare koraalrotsen bouwt, die de schepen doorboren +en de schepelingen ten afgrond doen gaan. Zwijgen over dat +prachtig-doorvoelde van Geertje's opstand tegen den Bijbel, tegen God, +wijl de afgesmeekte, de afgebéden rust niet in haar komt. Zwijgen over +haar drie-daagsch verblijf bij haar grootouders, die beelding èn van +haar smart èn van 'r kinderlijk-onschuldige schalkheid; over dien +maannacht in haar dorpje, waarin zij zich de Bruid voelt, die zich +nimmer zal vertoonen aan haar Bruigom, maar heel 'r leven aan hem denken +zal ... daar de vorstelijke verzen, vol van eene onmetelijke weelde, van +Salomo's <i>Hooglied</i>, gelijk een godsstem openklinkend in haar ziel, +zegenend de zang van haar groot-menschelijk gevoel begeleiden. Zwijgen +ook over haar zich-geven aan hem, hun sexueele samenzijn, in volkomen +reinheid en soberheid uitgebeeld. En zwijgen verder over heel dit +opengaan van Liefde, dat bij een gelukkig menschenkind is, als het +roepen van de zon naar het water en het wekken eener kleurige schoonheid +van met glans-lachjes overblonken, sluimerende <span class="pagenum"><a name="p335" id="p335"></a>[p.335]</span> vormen daarin, en +dat bij haar was—arme!—een zonsverduistering gelijk, als de leden der +lenigst-gevleugelden verstijven van angst en de keeltjes der tot zoet +zingen geborenen, rauw gekrijsch uitsnerpen.... Want al dat schoone moet +nu voor u bewaard blijven <i>in het boek</i>. Mij rest alleen nog te spreken +over haar verlaten-worden, haar twijfel, haar leed, en haar +heengaan-in-vrede.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p336" id="p336"></a>[p.336]</span></p> + +<h3>IV.</h3> + + +<p>Heins zou de volkomen gewetenlooze erotomaan niet moeten zijn, die hij +is, indien hij zich <i>Geertje</i> niet van den hals wilde schuiven zoodra +hij merkte, dat zij zwanger was en hem dus lastig kon worden. Voorwerp +van pleizier voor hem, en geen mensch die leeft óók om eigen volmaking +te benaderen, werpt hij haar weg, zooals men een oude jas wegwerpt. In +dit gedeelte van het werk breekt wel de laagheid van dezen man ten volle +open, als een etterende kanker, welks stank de lucht verpest, en welke +ieder, die het woekergezwel onbeschermd zou willen aanraken, met +infectie bedreigt. Maar evenals de wetenschap—meestentijds <i>niet</i> door +<i>menschen</i>liefde, maar door liefde tot het <i>weten</i> gedreven,—het +bereikt heeft, gevaarlijke smetstoffen te kunnen omvormen tot +voorbehoedende en genezende substanties, zoo is het der kunst +gegeven—haar, die evenmin door <i>menschen</i>liefde, maar liefde en drang +tot <i>scheppen</i> wordt bewogen—uit ziektestoffen voorbehoed- en +geneesmiddelen te puren.</p> + +<p>Máár, m'n lieve vrienden en vriendinnen, vóór ik verder ga, even dit: +begrijpt gij <i>mij</i> wel, weet gij het wel goed, dat ik geen +"zedeprediker" ben, gij die dit weten <i>kunt</i>, die immers nu reeds sedert +eenige jaren mijne uiteenzettingen volgend, hebt kunnen verstaan, dat ik +niet tot die soort van menschen behoor, wier eerzucht of eenig ander +verlangen hen in de richting van het "zedepreeken" drijven kàn, maar tot +die <span class="pagenum"><a name="p337" id="p337"></a>[p.337]</span> soort, wier verlangen hen slechts er naar doet streven, zoo +zuiver en schoon mogelijk de dingen te zeggen, die zij denken en zien, +en wier begeerte alleen kan zijn, juiste en zelfgevonden of hèrvonden +inzichten over kunst te verbreiden, opdat de menschen de waarde van +zulke inzichten voelen en de macht tot juist-inzien en -genieten in +zich-zelf aankweeken zullen? O, mocht ik in de overbodigheid dier vraag +kunnen geloovenl Want ik zou het héél verdrietig vinden, zoo ge mij voor +iemand hieldt, die zoo dwaas is, zich op een buitenmenschelijke +standplaats te willen stellen en mal-hoogmoedig van sexueele driften als +iets minderwaardigs te spreken. Evenals alles wat natuurlijk is, is ook +sexueele hartstocht in zich-zelf iets moois, maar evenals al het +schoone, dat buiten alle goede proportie staat tot het geheel, waartoe +het behoort, iets of alles van de macht tot het uiten zijner schoonheid +inboet, ja, iets hinderlijks en schadelijks wordt, zóó verliest ook de +sexueele hartstocht de schoonheid harer verschijning en schaadt en +hindert, indien zij buiten alle goede proportie in eens menschen ziel +aanwezig is. Wat nu is het voornaamste kenmerk van iets, dat buiten +goede verhouding tot zijn geheel staat? Dit: dat het niet <i>schijnbaar</i> +een ander deel verdringt en verdrukt, door het te <i>veredelen</i><a name="FNanchor_9_163" id="FNanchor_9_163"></a><a href="#Footnote_9_163" class="fnanchor">[9]</a>, maar +het <i>werkelijk</i> verdringt en verdrukt door het te <i>verlagen</i> en te +<i>verkleinen</i>. En dat zien we dan ook hier gebeuren. De sexueele +hartstocht bij <i>Heins</i> verlaagt het verantwoordelijkheidsgevoel, het +medelijden en de meest primitieve menschelijkheid in hem. Maar hierbij +blijft het niet. Want elkeen, in wiens ziel het eene deel het andere +verlaagt, die wordt <i>zelf</i> een <i>verlager</i>. Zijn +<i>leven-in-de-menschelijke-samenleving wordt een beeld van het +leven-in-zijn-ziel.</i> Zooals een deel van zijn <span class="pagenum"><a name="p338" id="p338"></a>[p.338]</span> wezen de andere +verdrukt en schaadt, zoo verdrukt en schaadt hij—een deel der +menschelijke samenleving—de andere deelen. Zóó als het sexueele in +<i>Heins</i> àl het andere in hem schaadt, zóó schaadt Heins <i>Geertje</i> en +zooveel andere vrouwen. Gij ziet dus nu, dat ik niet uit +zedeprekerigheid dit sexueele in <i>Heins</i> bij een kanker vergeleek, maar +alleen, omdat ik, droog en nuchter redeneerend, tot de logische slotsom +kwam, dat de sexualiteit in <i>die</i> verhouding, in een mensch, tot al het +andere staande, bij een kanker, <i>die immers den organischen weefsels hun +levenssappen onttrekt</i>, nu eenmaal te vergelijken ìs.</p> + +<p>Maar waarom beweerde ik ook, dat het der kunst evenals der geneeskunde +gegeven is, uit ziektestoffen voorbehoedende geneesmiddelen te bereiden? +Wel, dit kondt gij reeds begrepen hebben uit hetgeen ik in mijn eerste +<i>Geertje</i>-artikel zeide: "dat kunst uitspreekt wat geen andere mond kan +uitspreken," maar toch, laat mij 't hier nog maar even verduidelijkend +uiteenzetten: Als gij het ongeluk hadt met een man als <i>Heins</i> om te +gaan, dan zoudt ge voornamelijk opmerken—omdat ge jong zijt—hoe hij +"geniet." Maar veel vluchtiger zou het uw aandacht treffen, op hoe +ontzettende wijze hij anderen ongelukkig maakt. Ten eerste omdat de +eigen begeerten van uw jonge, krachtige lichaam, u onbewust ertoe zouden +brengen, voor het laatste de oogen te sluiten en u-zelf op allerhande +manieren te bepraten, dat 't "zoo erg niet is," ten tweede, omdat ge er +prijs op zoudt stellen, den "succesvollen" <i>Heins</i> binnen uw +gezichtskring te houden, maar zijn slachtoffers niet alleen door den +aard van hun leed, dat zich wil verbergen, uit uw gezichtskring +verdwijnen zouden, doch ook zoo spoedig mogelijk door u <i>eruit +verwijderd</i> zouden worden, omdat gij zelfs minachting voor <i>hen</i> hebben +zoudt!!</p> + +<p>Dáárom is een mensch als <i>Heins</i> in <i>het leven</i> de <i>smetstof</i>.</p> + +<p>Maar nu komt de kunst en puurt daar het geneesmiddel uit: ge <i>wordt +gedwongen</i> Heins te zien in zijn weerzinwekkendheid, het helpt u niet +dat ge de oogen sluit. Want ge ziet hem <i>nu</i> niet met de oogen, ge ziet +hem met uw <i>ziel</i>. Het <i>leven</i> <span class="pagenum"><a name="p339" id="p339"></a>[p.339]</span> wordt door de meesten slechts +door de <i>oogen</i> gezien, kunst <i>als zoodanig</i> nooit anders dan door de +<i>ziel</i>. En deze heeft geen leden die ge sluiten kunt, met handen kunt ge +haar niet bedekken, en luiken noch duisternis sluiten iets voor haar af.</p> + +<p>Dáárom is een man als Heins in <i>kunst</i> het voorbehoedend <i>geneesmiddel</i>,</p> + +<p>Want wat voor wezens zoudt gij moeten zijn, indien ge, ontroerd bij het +lezen van dit boek, u-zelf niet eerlijk en vast de belofte deedt: zulk +een misdaad zal ik nooit plegen, opdat, als ik zelf een huis zal hebben +gesticht en kinderen zal hebben op te voeden en te waarschuwen voor het +doen van zùlke daden, mijn toon niet onvast als die van een leugenaar +zal zijn, bij het herinneren: maar ik deed het zelf.... Dit mijn flinke, +gezonde jongens en meisjes uit het werkend volk zult gij ongetwijfeld +bedenken bij het lezen van dit werk. Gij in de allereerste plaats, wier +klasse opgaat uit het verleden als een ververschende waterstraal uit den +grond, gij zijt gekomen om te laven àl de bloemengeslachten van het +heerlijk-menschlijke, die dorgebrand en vertreden zijn. <i>Zie goed toe +wat ge doet</i>: gij zijt geboren om <i>iets schooners dan het verleden</i> te +helpen stichten. En wat het verleden nu is en eens zal zijn, daartoe +behooren: de middeleeuwsche Heer met zijn recht-van-den-eersten-nacht; +de fabrieksheeren, die de meisjes in hun werkplaatsen dwingen tot hun +wil; de bourgeoisie-heertjes, die vóór ze rijke huwelijken doen en +"geachte burgers" worden, de kinderen der arme volkslagen tot publieke +vrouwen maken. Hoon u-zelf niet, door niet beter te zijn dan zij en als +zij te meenen dat armen de lustprooi der rijkeren zijn. Hun ondeugd is +verachtelijk, omdat zij <i>ondeugd</i> is, de uwe zou het niet alleen zijn +omdat zij ondeugd, maar ook <i>belachelijk-van-dwaasheid</i> ware. Gescheiden +door verren maatschappelijken afstand en vaak enorme weelde, als <i>zij</i> +waren van hun ondergeschikten, lijkt het te verklaren, hoe er iets als +een nevelige voorstelling in hun gedemoraliseerde hoofden was, dat zij +een hooger soort menschen dan die ondergeschikten waren en in hun recht, +zoo ze die offerden aan hun lust; maar zoo gij proletariërs-zelf <span class="pagenum"><a name="p340" id="p340"></a>[p.340]</span> +zoudt meenen, dat uw dienstmeisje een geringer soort mensch dan uw +zuster is—wat bleef er ons dan over dan het hoofd in onze handen te +bergen om uw clownige bespottelijkheid, verdwazing en slechtheid niet te +zien. Neen, dan zoudt ge niet <i>iets schooners dan het verleden</i> kunnen +stichten, om de eenvoudige reden, dat <i>gij-zelf helaas nog iets +leelijkers dan het verleden zoudt zijn</i>. Als eens de ontwikkeling van +het economische leven een betere maatschappij zal hebben doen groeien, +dan zal tevens een hoogere moraal verrijzen, wier idée zal zichtbaar +worden voor de oogen der besten, die dan leven, en die, ten slotte, +vertastbaard zal staan, als een open hof waar rechters zitten, midden +den geweldigen ringbouw van geheel het maatschappelijk zijn, en met zijn +torenspitsen rijzend dat te boven—want de ethische <i>leer</i> eener +maatschappij rijst <i>altijd</i> hooger dan haar ethische <i>werkelijkheid</i>—; +<i>als een open hof</i>, verstaat ge: waarheen iedereen zal <i>kunnen</i> gaan +<i>die wil</i>, om geestesadeldom en goedheid te leeren. Of zij <i>willen</i> +zùllen, dat hangt óók van <i>u</i> af, lieve vrienden. Van de economische +omstandigheden, van den <i>maatschappelijken ringbouw</i>, hangt slechts af +of zij zullen <i>kunnen</i>: of die ringbouw hun den weg naar den hof niet +<i>verspert</i>. Troost u niet met de gedachte: er zal dan minder verlokking +tot slechtheid zijn. Zeker, <i>deze gedachte is waar</i>, maar er zal +<i>genoeg</i> verlokking overblijven, er zullen mogelijkheden ten goede en +ten kwade ontstaan, waarvan wij nu geen begrip hebben, en het <i>zal van +de harten en de zielen zelf afhangen, dan als in alle tijden, in hoe +verre de ethische leer werkelijkheid zal zijn. Alles</i> moet <i>geleidelijk</i> +zich ontwikkelen, en gij moet nu met vasten wil, met jonge kracht, die +ontwikkeling aanvangen en volhouden. <i>Neemt u in acht!</i> Er was nooit +heerlijker gelegenheid voor de menschheid, iets opperst-schoons te +bereiken—nooit zullen de smaad en de rampen grooter zijn, als die +gelegenheid wordt verzuimd. Uw klasse is het zaad, dat nog midden slijk +en wormen in den grond verborgen ligt, waarop de voeten stampen en de +monden spuwen. Neemt u in acht, opdat het niet verrot in den bodem, en +of nimmer ontspruit, òf opkomt <span class="pagenum"><a name="p341" id="p341"></a>[p.341]</span> met dorrende knoppen en +verwelkend blad, daar de hemel en de zon en al de schepselen met +verheerlijkte gelaten, naar de ontluiking van een nieuw levenswonder van +schoonheid en van kracht uitzagen.... Opdat het dan niet in de wereld +worde als in een huis waar een kind wordt verwacht, en de lucht +trillende hangt van naderende vreugde, en de oogen der wachtenden zacht +en gedempt glanzen van een blijdschap, die zich nog niet geven kan, maar +straks, o, straks, uitstrálen zal en ... het kind wordt dood of misvormd +geboren en vervult de harten en het huis met rouw en schrijnend leed, om +de voor langen, langen tijd teleurgestelde verwachting....</p> + +<p>Alles <i>groeit geleidelijk</i>. En, lieve vrienden, wat ik nu ga zeggen, dat +doe ik alweer niet uit zedeprekerigheid, maar omdat ik u beloofde in +mijn allereerst artikel, dat wij "dat leven samen zouden zien."<a name="FNanchor_10_164" id="FNanchor_10_164"></a><a href="#Footnote_10_164" class="fnanchor">[10]</a> +Begrijpt het goed; het is niet voldoende, weerzin tegen een man als +Heins te voelen, om niet zooals hij te worden. Zelfbedwang, +menschenliefde, eerbied voor lot en levensgeluk van een medemensch, die +alle komen niet, om zoo te zeggen, kant en klaar uit den hemel gevallen. +Wie niet langzamerhand bij vele <i>kleine</i> gelegen-heidjes gestreefd heeft +naar het bezit dier deugden, maar integendeel bij die <i>kleine</i> +gelegenheden het zelfbedwang, de menschenliefde en den eerbied voor het +levensgeluk van anderen onder den voet geloopen heeft, hij moet niet +denken, dat als de <i>groote</i> gelegenheid komt, hij de verlokking daarvan +zal kunnen weerstaan. Niemand kan zeggen: nu, dit is zoo erg niet, dàt +doe ik, maar dáár is ook de grens, diè overschrijdt* ik nièt; hij moet +zorgen, zoover van daan te blijven van die grens, dat het <i>niet bij hem +kan opkomen</i>, haar te overschrijden. En iets dergelijks bedoelde +ongetwijfeld ook Wells, met zijne indertijd bij mijne behandeling van +<i>Het Voedsel der Goden</i> geciteerde woorden: "<i>zooals gezonde gewoonten +van geest en leven de troon zijn</i>." Zonder zulke gewoonten geen vaste en +eervolle zetel in het leven, waarop men, veilig zittend, schouwen en +werken kan. Want zooals degeen, die zich altijd voorneemt <i>morgen</i> iets +te doen, <i>nooit</i> iets doet, <span class="pagenum"><a name="p342" id="p342"></a>[p.342]</span> zóó laat degeen, die zich bij het +plegen van <i>vele lichte vergrijpen</i> voorneemt, de <i>zwaardere</i> na te +laten, ten slotte ook die zwaardere <i>niet</i> na. En ge herinnert u wel uit +mijn behandeling destijds: Wells is een geniaal, een geestig en +fantasievol schrijver, maar toch geen—"zedepreeker"?</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p><i>Heins</i> wil zich dus <i>Geertje</i> van den hals schuiven. De kentering in +z'n manier van doen jegens haar wordt al wel voldoende door dit stukje +aangegeven:</p> + +<div class="blockquot"><p>Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar de bakker +moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got, stond-ie +nou al op!...</p> + +<p>—Wil je eerst nog niet een kòpje?... Toe ... blijf nog +effetjes....</p> + +<p>En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij +weer zou gaan zitten.</p> + +<p>—Wou je zoo graag dat ze-n-'t wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!</p> + +<p>Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.</p> + +<p>Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de +leuning; zoo blééf z' overeind, schoon de grond om haar zonk.</p> + +<p>Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur +stond open—zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.</p> + +<p>God, wat was dit!... Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd, +dat hij plots haar begaf, 't Kon toch niet in werklijkheid!?</p></div> + +<p>Toch zou hij daar niet zoo spoedig in geslaagd zijn, als niet het +naïef-trotsche in <i>Geertje</i> de onbewuste bondgenoot zijner laagheid ware +geworden. Het geëxalteerd-zijn kan zoowel iemand volkomen blind maken +voor de werkelijkheid, als zijn inzicht daarin tot een buitengewone +hoogte en wijdte opvoeren. Bij <i>Geertje</i> hebben telkens beide plaats. In +'t onderhavige geval gebeurt het eerste: haar geëxalteerde toestand +maakt haar niet alleen blind voor het feit, dat haar liefdevoelen wel +edel in het complex van haar zielsvermogens is, maar uiterlijk als iets +onedels verschijnt, doch ook voor de voor haar nadeelige gevolgen, die +een bruusk openbaarmaken van haar liefdeleven hebben zal. En zoo werpt +ze 't de "Juffrouw" in 't gezicht, dat <i>Jan</i> haar, <i>Geertje</i>, lief +heeft, dat ze <span class="pagenum"><a name="p343" id="p343"></a>[p.343]</span> "zijn vrouw" is, en wordt zij het huis uitgezet. +De lezer moet er zich wel voor hoeden, in dit optreden van <i>Geertje</i> de +onbeschaamdheid van het gemeene te zien. <i>Verre van daar:</i> het is de +trots der onschuld, die zich, <i>intuïtief</i>, rein voelt. <i>Verstandelijk</i>, +als zij te rade gaat met wat haar van jongs af geleerd is, twijfelt +<i>Geertje</i> zelf vaak aan haar onschuld, ja, gelooft zij aan haar schuld, +maar in haar hoogste oogenblikken, voelt haar <i>ziel</i>, dwars door de +telkens weer aanklagende tegenwerpingen van haar verstand, dat zij het +geluk en het heil der schuldeloosheid niet heeft verbeurd. Dit beweer ik +niet slechts, ik zal het u bewijzen:</p> + +<div class="blockquot"><p>Zij een zoon, een zoon van Jan....</p> + +<p>Zij was uitgekleed, en als iederen avond, knielde zij neer voor +haar bed.</p> + +<p><i>En opeens doorstroomde haar moed, moed om het aan God te vragen, +haar liefde, schoon zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zoo +innig liefhad; haar</i> te vergeven, <i>zoo ze kwaad deed;</i> en het haar +kind niet aan te rekenen—om Jezus' wil.</p></div> + +<p>Wat zegt ge wel hiervan?! Wat mij betreft: ik herinnerde mij plotseling +Vondel's <i>Jozef in Dothan</i>: als de broeders Jozef in den put gesloten +hebben, zingen de engelen voor hem en hen onhoorbaar:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2.5em;">Het lust ons om dees duisternissen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Des puts, al 't hemelsch licht te missen:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Want zulke duisternissen zijn</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ons schoener dan de zonneschijn.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Wij willen hier een hemel stichten,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Verzien met aengenamer lichten</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dan aen het blaeuw gewelfsel staen....</span><br /> +</p> + +<p>Want, ook hier heb ik weer in de donkere diepte van <i>Geertjes</i> leven de +engelen hooren zingen, en uw gehoor, vrienden, zou al zeer vergroofd +moeten zijn, zoo ge hun stem en ruischenden vleugelslag niet hoordet +althans in dit: (Het is in Oom's huis. Nacht. <i>Geertje</i> ligt te bed).</p> + +<div class="blockquot"><p>Zij voelde de tinteling van een verlangen om met haar hand te +strijken over haar buik, om te tasten of zij iets leven gewaar +werd, om hèm maar heel zacht te streelen. Maar zij bleef +bewegingloos, <span class="pagenum"><a name="p344" id="p344"></a>[p.344]</span> wijd de oogleden open, wetende <i>dat haar +oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van den nacht.</i><a name="FNanchor_11_165" id="FNanchor_11_165"></a><a href="#Footnote_11_165" class="fnanchor">[11]</a></p> + +<p>Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en +met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar +kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls +wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken +door het kraken van 't ledikant of dat zij den volgenden morgen +niet tijdig zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat +lekker vrij liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je +merkte niet, hoe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met +open oog in 't zwart zat te staren.... <i>En nu lag zij hier saâm met +haar kind! In haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde +daar met haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn</i>—<i>altijd met +het liefste dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij +was immers kindjes' wieg. Daar had ze nooit nog aan gedacht</i>. Ze +had er maar op los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en +gewreven, zonder één enkele maal te bedenken, dat die beweging hem +misschien pijn dee. Nu, voortaan zou ze anders leven! Tante moest +het werk maar doen....</p></div> + +<p>En ziet ge wel, hoe nu de een, na de ander, de poorten van <i>Geertjes</i> +innerlijk worden ontsloten en hoe hier overal natuurlijk-schoons en +-kostbaars ontluikt. Is het wonder, dat <i>zij</i> in <i>dien</i> geestlijken +toestand levend nog altijd in haar afgod een god blijft zien. Bij haar +ellendige oom en tante in huis zwerft zij telkens de straat op, om Jan +te zoeken, eindelijk treft zij hem. En het volgend gesprek ontspint +zich:</p> + +<div class="blockquot"><p>—Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.</p> + +<p>—Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde +schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.</p> + +<p>Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had, +zich verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de +linker vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en +toch, telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze +nieuwe dingen te zeggen—<i>want hij zweeg, keek haar aan en zweeg, +keek met oogen die ook niets zeiden</i>.</p> + +<p>—Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.</p> + +<p>—Ik?... Hoedat?... vroeg hij traag, bijna stuursch.</p></div> + +<p>In de door mij gecursiveerde woorden komt uit dat Heins <i>afwacht</i>, wàt +<i>Geertje</i> hem doén, zèggen kan. Ook weet hij, <span class="pagenum"><a name="p345" id="p345"></a>[p.345]</span> dat hij haar +hiermee uitput en ten derde wil hij haar, als in 'n vergetelheid van +heel het verleden, laten voelen, dat het is <i>afgedaan</i>, dat hij +feitelijk niets meer met haar te maken heeft.</p> + +<div class="blockquot"><p>Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.</p> + +<p>—Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je +martel me zoo! Spréék nou te minste. Zeg hoe of wat...!</p> + +<p>—Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn +tegegekomme....</p> + +<p>Zij wist al. Toch zei ze:</p> + +<p>—Je zou me schrijven.</p> + +<p>—<i>Ik jou schrijve?</i>... aarzelde hij. Toen opeens rad:—<i>Ja! A'k +gekund had. Maar na wat je Oom me gebakke heit</i>.</p></div> + +<p>Bij de eerste door mij gecursiveerde woorden, weet Heins er nog geen +verontschuldiging voor te vinden, dat hij zijn belofte haar te +schrijven, niet gehouden heeft. Dus zal hij maar net doen, of hij zich +van die belofte niets meer herinnert. Maar daarna valt hem een +uitstekend voorwendsel in, waarvan hij gauw gebruik gaat maken. De +dialoog is hier <i>prachtig</i>!</p> + +<div class="blockquot"><p>—Oóm?... Wàt he't die?</p> + +<p>Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.</p> + +<p><i>Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van: +maak me niets wijs</i>.</p></div> + +<p>Hij voelt dat hij nu gewonnen spel heeft, dat hij met dat voorwendsel +een prachtige vondst heeft gedaan!</p> + +<div class="blockquot"><p>—Hé't ie jou daar niks van verteld?</p> + +<p>—'k Zwéér je ... angstigde ze hem tegemoet.</p> + +<p>Doch ze bedacht: och meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die oom +gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. <i>En deze gedachte +verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:</i></p> + +<p>—Zie je! Je weet t'er wél van....</p> + +<p>—Meen je, toen Oom me koffer gehaald he't?</p> + +<p>—Je koffer? Wat? Och meid, je klèst.</p> + +<p>—Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.</p> + +<p>Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.</p> + +<p>—Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte +komme?</p> + +<p>—Jij bij de kommesaris! Waarvoor?</p> + +<p>Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was <span class="pagenum"><a name="p346" id="p346"></a>[p.346]</span> +haar blik vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had +en die haar gezegde van "de'n eenigsten weg."</p> + +<p>—<i>Jok d'r toch niet om!</i> zei Jan fier.</p></div> +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Hoe voortreffelijk is dit alles: in de eerste door mij gecursiveerde +woorden komt uit, hoe een reine persoonlijkheid als die van Geertje, +zich-zelf niet betrappen kan op een zelfs onbewust-geuite onwaarheid of +zij wordt er verlegen om en verliest haar zekerheid; in de laatste door +mij gecursiveerde woorden: hoe een doortrapt-sluwe misdadiger als Heins +van dit aandoenlijke schuldbewustzijn gebruik maakt, om, zichzelf met +het <i>mom</i> der schuldelooze deugd bekleedend, de schuld-gevoelende, reine +persoonlijkheid dieper in verwarring te brengen, te vernederen en te +intimideeren.</p> + +<div class="blockquot"><p>—'k Jòk niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer +gehaald he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....</p> + +<p>—Nou dan!</p> + +<p>—Ja maar da's ook al!</p> + +<p>—Maar je wist 'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging +volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar me +bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou +verschijne; de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak +heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was!" In me schrik +he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)—<i>Ja, da' was +stom. Ik weet et wel</i>. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En +dan ... 'k dàcht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me +vrouws moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat +dacht ik eig'luk ... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in +je dienst, sta je daaraan bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben +gegaan.... Jawel, of ik Geertje Hendriks kende.</p> + +<p>—<i>Wist ie me naam</i>?</p> + +<p>—De vent wist alles!... <i>Ja, dat dank je nou aan j' Oom! Van je +femielje mo' je 't hebbe</i>.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!... <span class="spat">'k +Doch dadelek an de mogelekheid da'k je nog us zou kunne trouwe. +M'ar de wet verbiedt 'en huwelijk tusse mensche die e ... overspel +hebbe gepleegd. Bekende-n-ik, nou, 't was voor eeuwig nie' +moog'lek. Offisjeele bekentenis!</span>... 'k Heb alles geloochend, wat +j' Oom gezeid had....</p> + +<p>—En?....</p> + +<p>—<span class="pagenum"><a name="p347" id="p347"></a>[p.347]</span> En niks. Toe kon ik gaan.</p> + +<p>Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in +Geertje's brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:</p> + +<p>—M'ar nou begrijp je wel, da'we voorlóópig niks motte beginne. +<i>Kan 'k je mit ie's helpe ... mit geld of zoo ...graag netuurlek.</i> +<span class="spat">Da' weet je wel. Maar we motte uit mekaars buurt blijve. Juist +voor later. Om niks te bederve</span>. Want je begrijp, ze loere nou op +me.</p> + +<p>Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen.</p></div> + +<p>De eerste door mij gecursiveerde woorden: van <i>Heins</i> z'n standpunt was +dat juist een slimme zet. <i>Geertje</i> heeft voor hem afgedaan. En het +beste wat hij nu doen kon, was bij z'n vrouw en schoonmoeder zoete +broodjes te bakken, door ze "openhartig" alles te vertellen, enz. enz. +Maar <i>Geertje</i> moet hij 't doen voorkomen, alsof hij aan <i>haar</i> zijde en +<i>tegenover</i> zijn vrouw staat. Vandaar dat hij zegt 't 'n stommiteit van +zich-zelf te vinden.—In de door mij gecursiveerde woorden van Geertje, +ziet ge 't arme schepsel in haar volle naïveteit en schaamtevolle +bedeesdheid: hoe vreeselijk, dat die commissaris haar naam weet!! En de +ander grijpt nu onmiddellijk—in het daarop volgende kursieve—slim de +gelegenheid aan, om op Geertjes oom de schuld van hun elkaar niet kunnen +zien te schuiven en tusschen dien en haar te stoken. Maar pas daarna in +de door mij gespatiëerd gedrukte zinnen verschijnt hij in z'n +volle gewetenlooze sluwheid. De gehééle door mij geciteerde dialoog is +schitterend, maar hièrin is hij <i>allerprachtigst</i> getypeerd. Van het +daaropvolgende, door mij gecursiveerde, meent hij natuurlijk niets; ten +eerste rekent hij er op, dat <i>Geertje</i> nu te verlegen is iets van hem te +vragen en als ze 't later mocht doen per brief, welnu, dan antwoordt hij +niet! Even later trouwens, als ze hem vraagt of hij haar niet wil +schrijven, zegt hij, dat hij dat niet kan doen: "Oom kent ommers m'n +handschrift!!" In de <i>laatste</i> door mij gespatiëerd gedrukte +woorden buit hij verder zijn vondst van het "gevaar" eener "offisjeele +bekentenis" uit!</p> + +<p>Als <i>Geertje</i> nu, troosteloos, van hem heen gaat, komt wel <span class="pagenum"><a name="p348" id="p348"></a>[p.348]</span> +twijfel in haar op, maar ze slaagt er toch altijd weer in, dien weg te +redeneeren en als haar edele oom, na eerst <i>Heins</i> voor den "commesaris" +te hebben gedaagd en 'n spiegelruit in z'n winkel te hebben +stukgeslagen, ten slotte bij hem in dienst treedt en zelfs—hij de oom +van de gedupeerde!—er op staat dat Geertje Heins "met rust zal late," +dan denkt <i>Geertje</i>, over die laagheid van oom maar heenglijdend, dat +<i>Heins hem werk geeft, om zoodoende voor haar en hun nog ongeboren kind, +"zijn Ismael" te zorgen!</i>... Een ziel als die van <i>Geertje</i> doet, om zoo +te zeggen, alles in 't groot, haar is het vermogen en de geaardheid der +innige geloovigen: alles wat God doet is ten goede, en zóó: alles wat de +man doet, in wien zij gelooft, dien zij liefheeft, is: om goed te doen, +is ten goede.—Nadat <i>Geertje</i> doodziek is geweest en helle-angsten +heeft uitgestaan, omdat ze meende, dat de vrucht in haar lichaam is +gestorven en God dit als vreeselijkste straf, die een aanstaande moeder +kan treffen, over haar had beschikt, gebeurt er iets, dat haar +onvermijdelijk Oom's huis uitdrijft. Zooals ik in mijn eerste artikel +zei: indien wij <i>Geertje</i> in het leven ontmoet hadden, wij zouden niet +alleen het flauwste begrip van haar adeldom missen, maar haar zelfs voor +een heel gewone "gemeene meid" houden. Maar zeer zeker is het te +verklaren, dat de platzinnelijke <i>Gerrit Holkers</i> haar daarvoor houdt. +Hij wil haar geweld aandoen en nadat Tante haar broer hoonend en +treiterend tegen <i>Geertje</i> heeft verdedigd, loopt deze 't huis uit en +vlucht naar <i>Maandag</i>.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Niet onverdeeld is door de critiek deze <i>Maandag</i> als mensch-schepping +gunstig beoordeeld. Laat mij daarom onmiddellijk zeggen: <i>ik ben het met +de afkeurende meeningen niet eens</i>: Deze figuur is die van een +<i>uitzonderingsmensch</i>. Zij is dus: romantisch, maar zij is +<i>goed</i>-romantisch, omdat zij op een enkel vlekje na—waarover ik later +spreken zal—naturalistisch-zuiver gebeeld is. <i>Maandag</i> is een +uitzonderingsfiguur, omdat hij daden doet van zóó edele natuur, dat +<span class="pagenum"><a name="p349" id="p349"></a>[p.349]</span> een gewoon mensch ze zekerlijk niet zou doen, en hij is +naturalistisch zuiver geheeld, omdat niet alleen het geheel zijner +psyche van dien aard is, dat dergelijke daden er noodzakelijkerwijze uit +moeten voortvloeien, maar ook zijn levensomstandigheden daartoe het +hunne bijdragen. <i>Maandag</i> is een kind uit een erfelijk belast gezin: +'n paar van z'n broers zijn jong gestorven; hij is 'n bultenaar; zijn +zuster, met wie hij samenwoont, een publieke vrouw, die telkens met 'n +ander er van door gaat en hem dan de verpleging harer twee jonge +bloedjes van kinderen overlaat. Zulke omstandigheden <i>kunnen</i> iemand in +alle opzichten tijdelijk ten gronde richten. Woede tegen het door hem +onbegrepen Noodlot kan hem tot een ontkenner van alle bestaan in rein +geluk, van het nut en de schoonheid der deugd, van alle menschelijke +onbaatzuchtigheid en goedheid maken. Dat <i>kan</i>, zeer zeker, maar slechts +in het geval, dat zulk een persoonlijkheid nog niet die ontwikkeling +heeft bereikt, welke voor goed een zedelijk en geestelijk te gronde +richten door levensomstandigheden buitensluit. Heeft hij die wel +bereikt, dan werken juist ook zulke omstandigheden veredelend op hem. En +dit zal ook wel de zin zijn van het woord: "Hij die heeft, dien zal +gegeven worden, maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden zelfs +hetgeen hij heeft." Men herinnere zich slechts wat ik in mijn vorig +artikel bij de ontleding van Jan Niekerk's persoonlijkheid heb gezegd: +dat alles hem hindert en niets hem tot nut is, en merke dan op, dat dit +in tegengestelden zin voor <i>Maandag</i> waar is. <i>Doordat</i> Maandag zoo +<i>ongelukkig</i> is, krijgt hij des te spoediger en dieper medelijden met +andere ongelukkigen, maar <i>geen</i> haat tegen het "Noodlot" of het +"leven." Hij weet nu eenmaal, dat het feestelijk luchterlicht der +gelukkigen niet voor hem is, maar welaan, als de toch ook guldene schijn +van de knetterende olielamp der nederigen zijn bleeke hoofd en zachte +oogen komt bestreelen, zou hij dan niet dankbaar opzien en zijn oogen +laten drinken van dien glans? Er zijn veel menschen, die groote plichten +misvormen tot kleine, om ze des te gemakkelijker te +kunnen—verwaarloozen. Hij <span class="pagenum"><a name="p350" id="p350"></a>[p.350]</span> is een van de weinigen, die kleine +plichten tot groote maakt, om maar van zijner liefde overvloed te kunnen +geven! Zoo gij u over de edele daden van zulk een man verwondert, +verwonder u ook erover, dat een zwangere baart, dat koren in halmen +opschiet en kunstenaars kunstwerken scheppen. Maar beter is het, dat gij +dit alles niet doet en uw leven besteedt aan het opvoeden van u-zelf. +Misschien komt er dan een tijd, dat gij u over zulk een man niet meer +verbaast, omdat gij hem terugvindt in—u-zelf!</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<h2>JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"</h2> +<p><span class="pagenum"><a name="p351" id="p351"></a>[p.351]</span></p> + +<h3>V.</h3> + + +<p>Terwijl ik mij nu gereed maak, dit laatste <i>Geertje</i>-artikel te +schrijven, weet ik mij weer vol van weifelend dralen. Want er zijn +boeken, die ons zijn als een huis vol van herinneringen, vol van ons +zelf. En zoo voel ook ik mij nu als iemand, die een hem lang vertrouwd +en lief geworden huis verlaten gaat. Dat, wat het zijne is, maar toch +ook—en hoe diep voelt hij dit!—van het huis, waarin het zóó lang zijn +mijmerend leven leefde, waarmee het één was geworden, is nu bijeen +gehaald uit alle kamers en hoeken, en tot den uittocht bereid. Hij-zelf +staat vol weemoed stil: zóó als het licht door die ramen viel en tot +iets eigens in zijn tintenschakeeringen en schaduwverdonkeringen, van +het oude huis èn van hem werd, zal hij 't nooit meer zien; het leven, +wat hij hier heeft doorleefd, is voor goed voorbij.... Schimmen van +menschen en verre herluidingen als echo's van lang verklonken geween en +gelach verbergen zich nu in dit huis voor eeuwig en voor goed in +vergetelheid, vóór de vréémde komt.... Ze herklonken en leefden nog in +een heel teer leven en onwezenlijk schemerbestaan, zoolang hij hier was, +om ze te zien en te hooren. Zij herleefden op zijn zwijgend en +nauw-bewust-willend gebod.... De vreemde, die na hem komt, zal hen niet +hooren en zien.... Het mooie huis, het zal ook om dien staan, en diens +leven zal erin lachen en weenen.... Van het verstorven gelach en geween +zal hij niets voelen.... En de heengaande <span class="pagenum"><a name="p352" id="p352"></a>[p.352]</span> man voelt zich +onrustig en gejaagd: zou hij niets van het zijne hebben vergeten? Maar +plots glimlacht hij weemoedig en knikt, in begrijpen, tot zich-zelf: +ach, niet de <i>twijfel</i>, of hij iets van het zijne heeft <i>vergeten</i>, +maakt hem zoo onrustig, maar de <i>zekerheid</i>, dat hij <i>moet</i> achterlaten, +wat hij <i>nooit vergeten</i> zal, die maakt hem onrustig!... Want er zijn +dingen, die men niet meenemen kàn....</p> + +<p>"Maar welaan, laat mij sterk zijn," denkt de heengaande man, "is het +niet schoon, dat menschenwèrk langer duurt dan menschenléven, en een +ander ervan zal genieten...."</p> + +<p>En welaan, mijn werk moèt nu toch spoedig gedaan zijn, denk ik ... is +het niet schoon, dat zoovele anderen nog zullen leven en voelen mèt, ìn +dit boek, ieder op eigen wijs; dat het wéér-klinken zal hun gelach en +hun weenen, dat zij het bezit van hun ziel en de have van hun geest er +in zullen bergen, ja vermeerderen en wijzigen, al naar de schoonheid van +dit monumentale bouwwerk, van hun gevoel voor harmonie, van hun smaak en +fijn gevoel zal vorderen?... Al weet ook ik, dat wat ik nu achterlaat +van mij, gedoemd is, in vergetelheid te gaan.... Wat van mij saamgeweven +is met de stemming van het boek, wat er niet van los te maken is, en in +woorden geborgen, naar buiten te brengen; wat ik <i>te</i> +subtiel-individueel heb doorvoeld; wat ik <i>niet</i> heb <i>kunnen</i> zeggen en +wat ik niet <i>goed</i> heb kunnen zeggen, dat alles blijft achter in +vergetelheid.... Laat mij nu nog beproeven, het zoo weinig mogelijk te +doen zijn.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Ik zal nu ik spreken ga van het leven van <i>Geertje</i> in Maandag's huis, +natuurlijk veel ònbesproken moeten laten. Daartoe behoort o.a. de +voortreffelijke uitbeelding van Buurvrouw Tabbe, die altijd, bij +afwezigheid van zijn zuster, <i>Maandag's</i> huishouden bereddert. Die +uitstekende instantanée'tjes van het kinderlijk-goedhartige, van het +naïef stuursche en heel dat klein-burgerlijk gedoente, mogen voor jelui +bewaard blijven tot de lezing van het boek-zelf. Ik zal mij hier bepalen +<span class="pagenum"><a name="p353" id="p353"></a>[p.353]</span> tot het essentiëelst-karakteristieke der hoofdfiguren. <i>Geertje</i> +heeft haar grootvader geschreven en nu, tengevolge van dien brief, komt +hij bij haar, in <i>Maandag's</i> huis:</p> + +<div class="blockquot"><p>—Groo'va!...</p> + +<p>Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar +buurvrouw den vorigen dag met een—"Nou, ejuus dan," hoonend op +haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje +zag de lange, smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder +zijn doorborenden strafblik sloeg zij de oogen neer, de lach kroop +weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, +tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten +had aangedaan, die er nog hing van Maandag's zuster. Schielijk de +linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij +met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en +<i>de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de +zwangere buik, als om weg te strijken.</i></p></div> + +<p>Dit laatste door mij gecursiveerde is een <i>zeer fijne opmerking</i> +van den schrijver. Wij moeten namelijk begrijpen, dat +dit den grootvader zelf niet alleen een beweging van schaamte +toeschijnt, maar <i>Geertje-zelf</i> hier voelt, dat die handbeweging +haar grootvader en oom zal doen denken, dat zij zich schaamt +voor haar zwangerschap; en dit kwetst haar fierheid. Zij +immers, zooals we weten, schaamt zich daarvoor niet, omdat +ze zich, in het diepst van haar wezen, schuldeloos voelt.</p> + +<div class="blockquot"><p>—Ben je alleen? bitste de vermaanstem.</p> + +<p>—Ja Groo'va.</p> + +<p>—<i>Het tocht hier</i>.</p></div> + +<p>Dit kurk-droge en als versteend-ordelijke aan-kleinigheden-denken, op +dit oogenblik, karakteriseert weer den grootvader uitstekend!</p> + +<div class="blockquot"><p>Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging +zij sluiten.</p> + +<p>—Gaat u niet zitten? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. +In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch +onthutst-doen.</p> + +<p>—<i>Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?</i></p></div> + +<p>Hier komt weer het hoogst ergerlijke in zulk een dogmatisch-verstrakte, +door eigen bravigheids-bewustzijn hoogmoedige en gevoellooze voor den +dag: <i>Hij</i> mag zóó weinig ontroerd <span class="pagenum"><a name="p354" id="p354"></a>[p.354]</span> zijn door den aanblik van z'n +mishandelde en vertrapte kleindochter; <i>hij</i> mag zoo weinig fijn gevoel +bezitten, zoo weinig onbewusten eerbied hebben voor het leed en voor dat +hooge oogenblik van elkander weerzien, dat zijn eerste woord een +bevelhebberige verklaring kan zijn, dat "het tocht!"—<i>Zij</i> daarentegen +moet zóó eerbied-geslagen door zijn tegenwoordigheid zijn, dat ze zelfs +het benul niet behoort te hebben hem een stoel aan te bieden!! Hoogmoed +en Trots, wel te onderscheiden van Ziele-hoogheid en Gevoel-van- +eigenwaarde, worden altijd door Dwaasheid begeleid, opdat naar den wil der +zachtmoedige en onophoudelijk-onderwijzende Natuur, deze beide plechtig- +voortstappende, geharnaste ridders, meenend een helm te torsen, een +zotskap dragen, gelijk Sancho Panza zijn scheerbekken, en aldus een +schouwspel van weerzinwekkende en waarschuwende belachelijkheid zullen +zijn....</p> + +<div class="blockquot"><p>Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die +hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met +zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom.</p> + +<p>—Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, +koel, strak.</p> + +<p>— Heb je Groo'va vergeving gevraagd?</p> + +<p>Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!...</p> + +<p>Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:</p> + +<p>—Heb ù al om vergeving gevraagd?</p> + +<p>—Ik? Ik heb me niet laten onteere!</p> + +<p>—Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! +Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou +gebruike....</p> + +<p>Groo'va, die zich juist omgewend en de hand op een stoelleuning +gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:</p> + +<p>—Stilte!</p> + +<p>Juist als vroeger op school.</p> + +<p>—Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel +vinden.</p> + +<p>Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va:</p> + +<p>—Ga daar zitten.</p> + +<p>Het wás háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving +Groo'va in Maandag z'en woning. Hij deed net als thuis tegen stoute +jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De +meester, de berispende meester—anders was hij niet voor haar.</p></div> + +<p><span class="pagenum"><a name="p355" id="p355"></a>[p.355]</span> Men zal de uitbeeldingskunst van dit geheele stuk moeilijk te +zeer kunnen prijzen. Het schoolmeesterlijke gedoe van Groo'va, Oom's +vleiërige kruiperigheid,het staat er alles voortreffelijkin. Maar vooral +opmerkelijk is Geer's koel, strak, snibbig en hard worden. Het lijkt mij +gewenscht hier even van de eigenlijke oorzaak daarvan te spreken: omdat +zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid goddelijk, d.i. schoon en goed +zijn, wordt een mensch bij hun aanblik ontroerd en heeft hen +onmiddellijk lief. Beproevend hen na te volgen om zelf schoon en goed te +zijn, wendt hij zich tot hen en hoort, met een gelukkig gevoel in het +hart en heerlijke overgave, aan, wat zij hem te zeggen hebben. Maar +omdat hardheid en barschheid en wrok leelijk en gering-menschelijk zijn, +wordt een mensch bij hun aanblik onmiddellijk afkeerig van hen en zegt +meer of minder bewust in zichzelf: wat kunnen dezen, die zelf +klaarblijkelijk nog niets geleerd hebben, mij leeren? En <i>welk recht</i> +hebben zij, mij te leeren? Dan keert hij zich van hen af en sluit in +zich-zelf zich op. In den grond is het dus dezelfde oorzaak, die de +menschen een eerlijk man, als hij over eerlijkheid spreekt, aandachtig +doet aanhooren, maar hen een dief, als hij 't zelfde beproeft, doet +hoonen en nog dieper verachten.</p> + +<div class="blockquot"><p>Onverschillig schokte ze neer op den stoel en bleef, den rug naar +het raam, den linkerarm zwaar over den hoek van de tafel, den +rechter slap op den schoot, voorover gebogen zitten staroogen met +botte dofheid.</p> + +<p>Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar. +Geduld had Groo'va niet kunnen leeren in al die jaren van jongens +bebrommen.</p> + +<p>—Ik wácht, op wat je te zéggen hebt, Geertje!</p> + +<p>Driftig met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de +lippen.—<i>Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va, net +iemand, die de soep te zout vindt</i>.</p></div> + +<p>Dit door mij gecursiveerde zinnetje is uitstekend. In een loome +onverschilligheid, voor alles wat die dorre, niet-gevoelende, niet +begrijpende oude haar verder zeggen zal, is <i>Geertje</i> nu tot een +toestand van koel-nuchter, minachtend-scherp observeeren gekomen. Een +gewoon en algemeen verschijnsel: terwijl overgroote eerbied het +waarnemingsververmogen <span class="pagenum"><a name="p356" id="p356"></a>[p.356]</span> van den eerbiedige ten opzichte van den +geëerbiedigde verzwakt of krachteloos maakt—men ziet dit bijvoorbeeld +aan hen, die zóó eerbiedig tegenover de tradities onzer maatschappij +staan, dat zij zelfs haar ten hemel schreiende misdaden niet zien—wordt +bij afwezigheid van eerbied het waarnemingsvermogen zeer actief. In het +bijzijn van een als-meerdere-erkende, <i>verdoft</i> het waarnemingsvermogen +vaak—en men ziet de weerspiegeling hiervan ook meestal onmiddellijk in +het <i>doffer, gevoileerd</i>-worden van den blik!—in het bijzijn +daarentegen van den als-mindere-geschatte, <i>verscherpt</i> het +waarnemingsvermogen niet alleen, maar wordt de geheele geest als in een +vrij-wording en ontslaking verlevendigd. (Vandaar dan spot, scherts, +enz.). Het omgaan met geestelijk-voornameren heeft zeer zeker veel nut, +omdat 't het streven naar het goede, wat men <i>niet</i> bezit, wakker maakt, +maar het omgaan met geestelijk-geringeren en -gelijken heeft niet minder +nut, omdat men in dien vrijeren omgang <i>zelf</i> zich ontwikkelt, en +ontplooit wat men <i>wèl</i> bezit.</p> + +<div class="blockquot"><p>—Zul je nu spreken!? Hoog was hij vóór haar.</p> + +<p>Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, +als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:</p> + +<p>—Ik heb et u ommers al geschreven.</p> + +<p>—Geschreven!?... Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen +heb je me, en al zoo lang! Mij en oom, zelfs Groo'moe nog! Als die +dit had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en +leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij +dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. <i>Ons +kind onteerd op de schandelijkste wijs, in een zonde die God het +zwaarste straft</i>. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar +jij bent behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je +ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind +meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan +je vergrepen, maar....</p> + +<p>—<i>Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten +eeuwigen dage, zal ik fan 'em houe, diè màn</i>!...</p></div> + +<p>Het zou van een ontzaglijk gebrek aan inzicht getuigen, het +<i>subjectieve</i> recht van den grootvader te ontkennen, om te spreken als +hij doet, van zijn standpunt, met zijn gebrek aan <span class="pagenum"><a name="p357" id="p357"></a>[p.357]</span> +doorvoelingsvermogen, in zijn onwetendheid, maar van een minstens even +groot gebrek aan inzicht zouden wij blijk geven, indien we èn dat +standpunt, èn dat gemis van doorvoelingsvermogen èn die onwetendheid +niet scherp zouden laken, <i>in iemand, die zoo hoogmoedig als rechter +optreedt</i>. Ware hij niet geheel verkerkelijkt, verdogmatiseerd, de door +mij gecursiveerde zin van Geertje, die uitbarsting van haar innigste en +hoogste voelen zou hem tot inkeer gebracht en hem de oogen geopend +hebben. Hij zou ingezien hebben, dat tegenover zóóveel zielssterkte en +zóóveel zielsadeldom, wel het beste wat <i>hem</i> paste, ware: te zwijgen, +liefdevol te helpen, en aan den Hoogsten Rechter, in Wien hij immers +gelooft, het oordeel en vonnis over te laten. Hadde hij al zijn teksten +op dat oogenblik vergeten en zich slechts deze uit <i>Job</i> herinnerd: "Leg +uw hand op den mond, want God is in den hemel en gij op aarde, laten +daarom uw woorden weinige zijn," het ware hem beter geweest! Zie ik hier +<i>Geertje</i> en haar grootvader tegenover elkaar staan, hoe herinner ik mij +het woord der Joodsche Wijzen—ja ik ben zeer hebreeuwsch van +avond!—"Er zijn <i>nieuwe</i> kruiken, waarin <i>oude</i> wijn is, en <i>oude</i> +kruiken, waarin zelfs geen <i>nieuwe</i> wijn is."—In die uiting van +<i>Geertje</i>—ik kan er niet vaak genoeg uw aandacht op vestigen—vindt ge +opnieuw de bevestiging van wat ik zei, <i>den sleutel tot het begrijpen +van dit boek</i>: Geertje is <i>geen</i> "verleid dienstmeisje," máár: een +heldin der liefde, een van die <i>zeldzame menschen, die de zeer groote +liefde kunnen voelen, en die door alle wisselingen van lot en jaren, die +liefde trouw blijven,</i> Wie die eigenschap bezit, <i>al bezit hij geen +enkele andere van even hooge ontwikkeling</i>, behoort reeds <i>daardoor</i> tot +de <i>psychisch-heel-grooten</i>.—Laten we het verder verloop van het +onderhoud overslaan, hoe uitstekend, hoe vol van dramatische spanning +dit ook moge zijn. Het mooiste laat ik onaangehaald, dat moet voor u +bewaard blijven in het boek. Zoo verhaal ik u ook niet, waarom Geertje +niet met haar grootvader meegaat, die immers gekomen is, om haar te +halen, en waarom zij, zich in afgrijzen van hem afwendend, bij Maandag +achterblijft. Slechts wil ik even het zinnetje aanhalen, waarin de +<span class="pagenum"><a name="p358" id="p358"></a>[p.358]</span> schrijver vertelt, hoé de grootvader heengaat van Geertje, en +Maandag, den bultenaar, die hem den uitgang verspert en hem smeekt +Geertje niet zóó te verlaten, op zij duwt:</p> + +<div class="blockquot"><p><i>Des</i> langen ouden groote hand beroerde den schouder <i>des</i> +bultenaars, en zij opende met vastheid de deur.</p></div> + +<p>De ongewone harkerige deftigheid en statigheid van deze constructie met +zijn "dessen" valt op, nietwaar? Wilt gij weten waarom zij hier zoo +uitmuntend is? Herinner u dan wat ik schreef bij mijne behandeling van +<i>De Familie Kegge.</i><a name="FNanchor_12_166" id="FNanchor_12_166"></a><a href="#Footnote_12_166" class="fnanchor">[12]</a> Ik noemde daar het stukje, waarin Kegge's +smartvoelen, zoo uitmuntend, omdat: "<i>de eigenschappen van Kegge's +smartvoelen de afbeeldende woorden en zinsbouw (hebben) doordrongen, +gedrenkt, en daarmee een zijn geworden."</i> Welnu, iets dergelijks is ook +hier het geval: het harkerig-stijve, het onvermurwbaar-harde der manier +van doen van den grootvader heeft ook hier de afbeeldende woorden +doordrongen en verhard. Ge <i>voelt</i> en <i>hoort</i> en <i>ziet</i> daardoor alles +onmiddellijk, terwijl, indien er een <i>andere</i> zin stond, die u nochtans +<i>hetzelfde</i> zou <i>mededeelen</i>, ge er slechts een <i>verstandelijk begrip</i> +van zoudt krijgen!—Maandag, bij wien zij dus achterblijft, dien naar +het lichaam zoo wanstaltige en naar de ziel zoo rechtgeschapene—hoe +aandoenlijk is zijn hulpvaardigheid, hoe aandoenlijk zijn verzwegen +liefde voor haar. Een oogenblik, één oogenblik denkt hij, dat zij +wellicht in de toekomst een troost en een licht in z'n arme leven zal +kunnen zijn. Maar eens vraagt hij haar:</p> + +<div class="blockquot"><p>—Keu-je-n-um m'ar nie' fergaite?!</p> + +<p>—Vergete!?!</p> + +<p>Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nog dieper weg, +maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het +and're gevoel gaat.</p></div> + +<p>Dat wat dieper in hem wegzinkt, ge begrijpt het, is zijn liefde. Hij +voelt, dat zij nooit iets voor hem kan zijn. Maar hij heeft dien trek +van alle hoogere, edele naturen, dat al veroorzaakt <span class="pagenum"><a name="p359" id="p359"></a>[p.359]</span> hun het +goede en schoone zelf teleurstelling, hun bewonderingsvermogen voor dat +schoone en goede daardoor niet wordt geschaad. Vandaar, ìn zijn leed, +zijn geestdrift voor de prachtige liefde en persoonlijkheid van +Geertje!—</p> + +<p>Bij het verhaal van Maandag's bezorgdheid over haar; zijn +niet-kunnen-begrijpen, dat Geertje zoo opgeruimd is, en hem met zoo'n +weldoende gezelligheid kan omringen; zijn angst dat zij dit alles maar +voorwendt, om er een noodlottig plan achter te verbergen, geeft de +auteur van die opgeruimdheid deze <i>prachtige</i> psychologische +verklaring—te mooi, om er niet nadrukkelijk uw aandacht op te vestigen: +(De woorden waar het op aankomt, cursiveer ik.)</p> + +<div class="blockquot"><p>Nu Geer er was, hoefde hij den sleutel niet bij buurvrouw te +brengen, wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had z'n woning +deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. +Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinderen ontbrak het +niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week +welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed +als een rouw, die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder +de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat +hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan +zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En +op haar vraag:—"Wil u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:—"Ik +kom."</p> + +<p>Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer +aangegrepen door een vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar +<i>dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven +elders verliep</i>—en haar doen van den ganschen avond bleef hem een +raadsel, zoet ... máár angstig....</p></div> + +<p>Ge begrijpt dat dit "elders" is: bij Heins, bij den man, dien zij voor +altijd liefheeft!—En nu datgene, wat ik, in het vorig hoofdstuk, een +fout noemde in de beelding der Maandag-figuur: het is onverklaarbaar, +althans mij is het niet gegeven geweest er een aannemelijke verklaring +voor te vinden, dat een man van zulk een noblesse, Geertje niet bij +tijds voor Heins waarschuwt, waarvoor hij ampel gelegenheid had. +Onbekendheid met de "moreele principes" van dat heer kan het niet +geweest zijn, schuchterheid evenmin; z'n verhaal o.a. dien avond, ten +huize van Heins, van die voorname mevrouw, <span class="pagenum"><a name="p360" id="p360"></a>[p.360]</span> die haar man heeft +laten zitten en met een ander er van door is, bewijst het tegendeel. En +dus blijft <i>mij</i> niet anders over dan het een fout te achten, een +barstje in de gaafheid van het' overigens zuivere beeld.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Hiermede is voltooid mijn behandeling van dit boek dat, als van zelf +ontstaan symbool van vertroosting, met de verheerlijking van het +socialisme en zijn strijders eindigt—een waardig einde....</p> + + +<div class="footnotes"> +<h4>NOTEN:</h4> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_155" id="Footnote_1_155"></a><a href="#FNanchor_1_155"><span class="label">[1]</span></a> Blz. <a href="#p224">224</a>.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_156" id="Footnote_2_156"></a><a href="#FNanchor_2_156"><span class="label">[2]</span></a>= een klein onvolgroeid wezen.—Herinner ik mij wel, dan +noemt deze groote Fransche romancier in zijn <i>Pêcheurs d'Islande</i>, 'n +jongen ambtenaar, die uit gebrek aan fijn doorvoelen, op ruwe wijze een +oud vrouwtje 'n verschrikkelijke tijding mededeelt: "un petit être +incomplet."</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_157" id="Footnote_3_157"></a><a href="#FNanchor_3_157"><span class="label">[3]</span></a> Waardoor een kunstenaar die macht heeft: zie daarover mijn +opstel: <i>Over literaire kunst en Is. Querido's Studiën</i>, of, in dèzen +bundel: Het Hist.-Materialisrne in de Lit. Critiek.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_158" id="Footnote_4_158"></a><a href="#FNanchor_4_158"><span class="label">[4]</span></a> Alle cursiveering is van mij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_159" id="Footnote_5_159"></a><a href="#FNanchor_5_159"><span class="label">[5]</span></a> Cursiveering van dit woord: door den schrijver.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_160" id="Footnote_6_160"></a><a href="#FNanchor_6_160"><span class="label">[6]</span></a> Cursiveering van den auteur.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_161" id="Footnote_7_161"></a><a href="#FNanchor_7_161"><span class="label">[7]</span></a> Cursiveering van den auteur.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_162" id="Footnote_8_162"></a><a href="#FNanchor_8_162"><span class="label">[8]</span></a> Cursiveering van den schrijver.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_163" id="Footnote_9_163"></a><a href="#FNanchor_9_163"><span class="label">[9]</span></a> Dit laatste: het <i>schijnbare</i> verdringen door <i>veredeling</i>, +ziet men bijv. in die groote figuren, welke zich niet meer kunnen +hechten aan personen, omdat: hun <i>menschen</i>liefde <i>gegroeid</i> en +<i>veredeld is</i> tot <i>menschheids</i>liefde. +</p><p> +De menschenliefde is dus in hen niet verdrongen en verlaagd, maar leeft +integendeel gegroeid en veredeld in hen voort! Precies zooals het +<i>kind</i>, dat wij vroeger waren, <i>gegroeid</i> en, laten wij hopen, +<i>veredeld</i> is tot den <i>volwassen mensch</i>, die wij nu zijn.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_164" id="Footnote_10_164"></a><a href="#FNanchor_10_164"><span class="label">[10]</span></a> Dat artikel is in dezen bundel niet opgenomen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_165" id="Footnote_11_165"></a><a href="#FNanchor_11_165"><span class="label">[11]</span></a> Alle cursiveeringen zijn van mij, tenzij het tegendeel +wordt gezegd.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12_166" id="Footnote_12_166"></a><a href="#FNanchor_12_166"><span class="label">[12]</span></a> Niet in dezen bundel opgenomen.</p></div> +</div> + +<hr style='width: 45%;' /> + + +<p class="caption"><a name="INHOUD" id="INHOUD"></a>INHOUD</p> + +<p> +I. CRITISCH.<br /> +<br /> +BRIEVEN OVER LITERATUUR.<br /> +<br /> +<span style="margin-left: 1em;">I. Frans Coenen, <i>Dickens en de Romantiek</i>—pag. <a href="#p7">7</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">G.K. Chesterton, <i>Charles Dickens</i>—pag. <a href="#p18">18</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">G.K. Chesterton, <i>Appreciations and criticisms of the Works of Charles Dickens</i>—pag. <a href="#p18">18</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dickens in de Hollandsche en Engelsche Maandschriften van Februari 1912—pag. <a href="#p22">22</a></span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 0.75em;">II. Adriaan van Oordt, <i>Nagelaten Werk</i>—pag. <a href="#p23">23</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">C. en M. Scharten-Antink, <i>De Vreemde Heerschers</i>—pag. <a href="#p29">29</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">L. Couperus, <i>Antiek Toerisme</i>—pag. <a href="#p37">37</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Couperus in <i>Groot-Nederland</i> van Maart 1912—pag. <a href="#p39">39</a></span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 0.5em;">III. Jeanne Reyneke van Stuwe, <i>Naar het levend Model</i>,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;"><i>De kinderen van Huize ter Aar</i>—pag. <a href="#p40">40</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Anna van Gogh-Kaulbach, <i>Voor twee Levens</i>—pag. <a href="#p49">49</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Æ.W. Timmerman, <i>Leo en Gerda</i>—pag. <a href="#p50">50</a></span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 0.5em;">IV. Dr. Nahum Slousch, <i>La Poësie lyrique Hébraïque contemporaine</i>—pag. <a href="#p54">54</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dr. Gustave Karpeles, <i>Heine-Reliquien</i>—pag. <a href="#p64">64</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Josef Cohen—pag. <a href="#p67">67</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Van Collem—pag. <a href="#p67">67</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">J.I. de Haan—pag. <a href="#p67">67</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">S. Bonn, <i>Een Bonte vlucht van verzen</i>—pag. <a href="#p67">67</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Is. Querido, <i>De Jordaan</i>—pag. <a href="#p69">69</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Else Jerusalem, <i>Het Roode Huis</i>, vertaald door Mevr.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">S.J. Barentz-Schönberg—pag. <a href="#p89">89</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">L. Simons, <i>Studies en Lezingen</i>—pag. <a href="#p90">90</a></span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Vertalingen, behoorend bij "Brieven over Literatuur"—pag. <a href="#p93">93</a></span><br /> +<br /> +<br /> +HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK<br /> +<br /> +<span style="margin-left: 1em;">I. Mevr. Henriette Roland Holst, Studies over Socialistische</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Aesthetica; H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">'80 in Holland—pag. <a href="#p99">99</a></span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 0.75em;">II. Mevr. Holst's Rousseau (Literair-critisch beschouwd)—pag. <a href="#p131">131</a></span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 0.5em;">III. Mevr. Holst's Rousseau. (Beschouwing der critische</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">en psychologisch-biographische opvattingen)—pag. <a href="#p146">146</a></span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 0.5em;">IV. Conclusies—pag. <a href="#p190">190</a></span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Vertalingen, behoorend bij "Het Historisch-Materialisme in de Lit. Critiek"—pag. <a href="#p195">195</a></span><br /> +<br /> +<br /> +II. DIDACTISCH.<br /> +<br /> +<span style="margin-left: 1em;">I. <i>Voorwoord</i>—pag. <a href="#p203">203</a></span><br /> +<span style="margin-left: 0.75em;">II. <i>Hoe Literaire kunst gelezen en genoten moet worden</i>—pag. <a href="#p206">206</a></span><br /> +<span style="margin-left: 0.5em;">III. Over Multatuli en zijn <i>Geschiedenis van Woutertje Pieterse</i>—pag. <a href="#p217">217</a></span><br /> +<span style="margin-left: 0.25em;">IV. <i>De Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart</i> van Wolff en Deken—pag. <a href="#p251">251</a></span><br /> +<span style="margin-left: 0.50em;">V. Johan de Meester's <i>Geertje</i>—pag. <a href="#p296">296</a></span><br /> +</p> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR *** + +***** This file should be named 17077-h.htm or 17077-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17077/ + +Produced by Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> |
